ul
;
Johannes Calvijn. UlTLEGamG
OP DEN
EERSTEN EN TWEEDEN
ZENDBRIEF VAN PAULUS
AAN DE
CORINTHIÃRS.
Naar de uitgaven der Oude Hollandsche overzetting van J. D., in de tegenwoordige spelling,
DOOR
A. M. DONNER.
1067 9839
TE LEIDEN BIJ D. DONNER.
1 8 80.
DEN EDELEN
EN MEER DOOR UITNEMENDHEID VAN DEUGD, DAN DOOR AANZIENLIJKHEID VAN GESLACHT BEROEMDEN HEER
GALEAZZO CARACCIOLI,
EENIGEN ZOON EN WETTIGEN ERFGENAAM
VAN DEN
MARKIES VAN VICO,
SALUT.
Dat hij mij toch in dien tijd, toen deze uitlegging het eerst in het licht verscheen, onbekend, of ten minste goed bekend geweest ware, wiens naam tot nu toe op dit blad geschreven, ik nu gedwongen word uit te wisschen. Wel vrees ik niet, dat hij mij ongestadigheid zal verwijten, of klagen, dat hem ontnomen wordt wat hem gegeven was: dewijl hij ditzelve opzettelijk zoekt, dat hij mij niet alleen persoonlijk zeer vreemd mocht zijn, maar ook niets met onze gemeente mocht gemeen hebben, en dies zichzelven geen oorzaak van klagen overgelaten heeft. Maar ik verander mijn gewoonte zeer ongaarne, dat ik iemands naam uit mijne geschriften uitdoe; en het smart mij, dat deze mensch die plaats, waarin ik hem gesteld had, heeft verlaten, omdat hij niet, naar mijns harten begeerte, anderen voorlichtte. Maar dewijl het in mijn macht niet is dit kwaad te verhinderen, zoo mag deze, zooveel mij aangaat, begraven blijven, wiens eer ik ook nu met stilzwijgen zoek te sparen. Doch bij u, o doorluchtige man, behoorde ik verontschuldiging te zoeken, waarom ik u nu in de plaats van dezen mensch stel, ware het, dat ik, op uw buitengewone beleefdheid, en op uwe liefde jegens mij, die al onzen vrienden bekend is, betrouwende, datzelve mij niet vrijelijk veroorloofde. En (opdat ik tot mijne wenschen wederkeere) och, of gij mij vóór tien jaren waart bekend geweest; want zoo zoude ik nu geen oorzaak gehad hebben om te veranderen. Zooveel het gemeen exempel voor de gemeente aangaat, zoo gaat het wel, dat het vergeten dezes persoons, die van ons weggenomen is, niet alleen zonder schade zal zijn, maar dat in u een veel rijker en alleszins uitnemender vergelding en exempel zal wezen. Want hoewel gij der menschen toejuiching niet begeert, tevreden zijnde met het eenige getuigenis Gods, en ik niet voorgenomen heb uwen lof te vertellen, zoo moet men nochtans den lezers niet verbergen wat nut en bevorderlijk is, te weten, als, dat een man, uit grooten huize geboren, in eer en rijkdom bloeiende, met een zeer edele en kuische huisvrouw, met vele kinderen, met vrede en eendrachtigheid des huisgezins, en met den ganschen stand des levens gelukkig, zich vrijwillig in het leger van Christus heeft begeven; dat hij zijn vaderland verlaten, zijn vruchtbare en lustige heerlijkheid, zijn kostelijk erfdeel, zijn bekwame en behage-lijke woonstede veracht, de sierlijkheid zijner familie afgelegd, van vader, vrouw, kinderen, vrienden en magen zichzelven heeft beroofd; en dat hij al deze aanlokselen der wereld verlaten hebbende, met onze armoede tevreden is, en een zuinige en gewone wijze van leven
6
volgt, niet anders dan gelijk een onzer. Evenwel, ik verhaal dit alzoo aan anderen, dat ik het bijzonder gebruik, dat ik daarvan heb, geenszins vergete: want zoo ik uwe deugden hier, als in een spiegel voor de oogen der lezers stel, opdat zij zich voegen die na te volgen, zoo ware het schande, dat ik, die ze van nabij ken, door de dagelijksche en klare aanschouwing daarvan, niet levendiger bewogen werd. En dewijl ik ook bevind, hoe krachtig uw exempel is tot versterking mijns geloofs en godzaligheid, en alle kinderen Gods, die hier wonen, met mij bekennen, dat zij geen kleine vrucht daaruit gevoeld hebben, zoo heb ik geacht, dat het nuttig wezen zou, indien door mijnen lof zulk eene vrucht wijder mocht strekken. Anders ware het dwaas, diens menschen lof te verhalen, wiens natuur en aard niet van alle eergierigheid vreemder zijn kon dan zij is: en voornamelijk die te vertellen bij de uitlandschen en verre vreemden. Zoo dan, indien daar velen, dien gij dusver vanwege den verren afstand onbekend geweest zijt, door dit bewonderenswaardig voorgesteld exempel hunne nesten zullen verlaten, waaraan zij veel te zeer gehecht zijn, en zichzelven tot navolging voegen, zoo zal ik overvloedige vrucht van dit mijn schrijven verkregen hebben. Dit behoorde wel onder de Christenen meer gewoon en gebruikelijk te zijn, niet alleen gewillig en goedsmoeds, hoven en sloten, en heerschappijen te verlaten, zoo men anders Christus niet kon navolgen, maar ook gaarne en blijmoedig om Zijnentwil verachten al wat onder den hemel het kostelijkst geacht wordt. Maar onzer aller traagheid of liever onachtzaamheid, is zoo groot, dat velen in de leer des Evangelies koud bewilligen, en nauwelijks de honderdste mensch, zoo hij een klein erfje bezit, zich daarvan niet laat aftrekken, en dat bijna niemand dan met groote zwarigheid daartoe kan gebracht worden, dat hij een zeer klein voordeel verlaat; zoover is het, dat zij zouden bereid zijn, gelijk het betaamde, hun leven te verlaten. Vóór alles zou ik wenschen, dat een iegelijk u gelijk ware in de verloochening van zichzelven (welke het hoofd aller deugden is). Want gij zijt mij de beste getuige, en ik wederkeerig u, hoe weinig ons dier menschen gewoonte behaagt, die in 't einde bewijzen, na hun vaderland verlaten te hebben, dezelfde genegenheden, die zij daar hadden, hier medegebracht te hebben. Doch, wijl het beter is, dat de lezer meer bij zichzelven overlegge, dan ik met woorden uitdruk, zoo wil ik mij nu wenden tot bidden, dat God, die u door de wonderbare kracht zijns Geestes hiertoe bezield heeft, ook met onverwinnelijke standvastigheid u tot het uiterste begave. Want met hoe menigen strijd God u ook geoefend heeft, is mij niet verborgen: waaruit gij naar uwe wijsheid moogt verstaan, dat gij nog zwaren en moeielijken krijg voorhanden hebt; en dewijl gij door vele beproevingen geleerd hebt, hoe noodig het ons is, van God uit den hemel geholpen te worden, zoo zult gij vanzelf met mij de gave der standvastigheid van daar begeeren. Ik zal Christus, onzen koning, dien de hoogste macht van den Vader gegeven is, en in wiens bewaring alle schatten der geestelijke goederen zijn, bidden, dat Hij u ons lang gezond spare, tot uitbreiding zijns rijks, en niet aflate in u over den duivel en zijnen aanhang te triumfeeren.
Den 24en Januari 1556, tien jaren, nadat deze uitlegging het eerst in het licht is gekomen.
DE INHOUD
VAN DEN
EERSTEN ZENDBRIEF VAN PAULUS
AAN DE
CORINTHIÃRS.
Deze zendbrief is van onderscheiden en veelvuldig nut: want hij vervat vele schoone stukken der leer, welker behandeling, die hierna ordelijk zal volgen, zal openbaren, hoe noodig zij zijn te weten; jazelfs zal dit reeds uit den inhoud openbaar worden, in welken te verhalen, ik alzoo zal arbeiden om kort te zijn, dat ik intus-schen den ganschen hoofdinhoud zal verhalen, en geen van de voornaamste hoofdstukken nalaten. Het is niemand verborgen, dat Co-rinthe een rijke en vermaarde stad van Achaje is geweest. Deze stad heeft Lucius Mummius verwoest, om geen andere oorzaak, dan omdat hij om hare geschikte ligging kwaad vermoeden had. Maar die na hem kwamen, hadden dezelfde oorzaak om deze stad weder op te bouwen, die Mummius had om haar te verwoesten. En diezelfde gunstige ligging der plaats maakte, dat zij in korten tijd weder opkwam. Want dewijl zij op de eene zijde de Aegeïsche zee, en op de andere zijde de Jonische zee had, en de doorgang was van Attica tot den Peloponnesus, zoo was zij zeer wel gelegen om koopmanschap uit en in te voeren. Toen Paulus in deze stad anderhalf jaar geleerd had, gelijk Lukas in de Handelingen der Apostelen verhaalt, zoo is hij ten laatste door der Joden boosheid gedwongen van daar over te varen naar Syrië. Als Paulus nu weg was, zoo zijn daar valsche apostelen ingeslopen, niet die de gemeente openlijk met ongoddelijke leer (naar mijn oordeel) verstoorden, of de gezonde leer met voorgenomen wil verzwakten, maar die met sierlijkheid der woorden en opschik hoovaardig, of beter met ijdel grootspreken opgeblazen, Paulus' eenvoudigheid, ja het Evangelie zelve versmaadden; dewelke daarna door hunne eergierigheid maakten, dat de gemeente in verscheidene partijen verscheurd werd: welke ten laatste geen acht hadden, hoe de zaken stonden, zoolang zij in eere en waarde waren, en meer zochten hun eigen naam, dan het rijk van Christus en de zaligheid des volks te bevorderen. Wederom, dewijl die ondeugden te Corinthe regeerden, waarmede gewoonlijk de koopsteden plegen besmet te zijn, te weten, overdaad, pronkerij, ijdelheid, lekkernij, onverzadelijke be-geerigheid, eerzoeking, zoo waren die alzoo ook in de gemeente gekomen, zoodat de tucht zeer vervallen was. Ja de zuiverheid der
DE INHOUD VAN DEN EERSTEN ZENDBRIEF
8
leer was ook begonnen te vervallen, zoodat het voornaamste hoofdstuk van den godsdienst, te weten, de wederopstanding der dooden, in twijfel getrokken werd. En nochtans in zulke groote verdorvenheid aller dingen, behaagden zij zichzelven, even alsof alle dingen wel gestaan hadden. Dit zijn gewoonlijk de listen des duivels; zoo hij den weg der leer niet kan toestoppen, zoo sluipt hij heimelijk in, om dezelve te bestrijden; zoo hij ze niet kan met opgeworpen leu-genen alzoo onderdrukken, dat zij niet voortga, zoo zoekt hij verborgen wegen om die af te werpen; eindelijk, zoo hij der menschen harten niet daarvan kan vervreemden, zoo maakt hij, dat zij heimelijk daarvan ontaarden. Het is niet zonder reden, dat ik gevoel, dat deze boeven, die de gemeente te Corinthe verstoorden, geen openbare vijanden der waarheid zijn geweest. Want wij zien, hoe Paulus nergens de valsche leeringen spaart. Zijne zendbrieven aan de Galaten, Co-lossensen, Filippensen, Timotheus, zijn zeer kort. Nochtans in alle deze bestrijdt hij niet alleen de valsche apostelen, maar geeft ook te kennen, waarin zij der gemeente hinderlijk waren. En dat niet zonder reden. Want men moet de geloovigen niet alleen vermanen, wat menschen zij behooren te vlieden, maar men moet hun ook dat kwaad toonen, hetwelk zij vlieden moeten. Zoo kan ik dan niet gelooven, dat Paulus in dezen langen zendbrief zou hebben willen verzwijgen wat hij in andere, veel kortere zendbrieven naarstig inscherpt. Hiertoe dient ook, dat hij vele gebreken der Corinthiërs verhaalt, en ook sommige, die schijnen klein te zijn, zoodat hij schijnt geen ding te willen voorbijgaan, dat in hen strafwaardig was. Bovendien gebruikt hij ook anders vele woorden, disputeerende tegen die leeraars of klapachtige redenaars. Hij hekelt hun eergierigheid, hij bestraft het, dat zij het Evangelie in menschelijke philosophie veranderden, hij beneemt hun de kracht des Geestes, omdat zij in de sierlijkheid der woorden bekommerd zijnde, alleen de doode letter hadden: anders van eenig verdraaid stuk der leer heeft hij niet één woord. Zoo acht ik dan, dat zij zoo geweest zijn, dat zij de substantie des Evangelies in niets openlijk verkortten, maar dewijl zij brandden met booze begeerte om verheven te worden, zoo denk ik, dat zij een nieuwe wijze der leering, die vreemd van de eenvoudigheid van Christus was, bedacht hebben, om van de menschen geprezen en verheven te worden. Dit moet dien allen overkomen, die zichzelven nog niet losgemaakt hebben, om geheel en al onverhinderd tot het werk des Heeren te komen. Dit is de eerste trap om Christus te dienen, te weten, dat wij onszelven vergetende, alleen de eer des Heeren en de zaligheid der menschen bedenken. Bovendien zal niemand te eenigen tijd bekwaam zijn om anderen te leeren, dan die eerst zelve de kracht des Evangelies ingedronken heeft, opdat hij niet zoo zeer met den mond als met de genegenheid des harten spreke. Daarom degenen, die door den Geest Gods niet wedergeboren zijn, dewijl zij de kracht des Evangelies inwendig niet gevoeld hebben, noch weten wat kracht dit hebbe, dat wij nieuwe creaturen moeten zijn, zoo hebben zij een doode prediking, welke behoorde levend, krachtig en werkzaam te zijn: en om hun persoon te spelen, misma-ken zij het Evangelie met valsche versieringen, zoodat zij het maken gelijk een wereldsche philosophie. En het was dengenen, waarvan wij nu spreken, niet zwaar dit te Corinthe te doen. Want de kooplieden hebben groot behagen in uitwendige schijnselen, en met dezelfde
VAN PAULUS AAN DE CORINTHIÃRS.
ijdelheid, waarmede zij anderen bedriegen, laten zij niet zichzelven alleen verlakken, maar verheugen zich eensdeels daarin. Bovendien, dewijl zij lekkere ooren hebben, gelijk zij niet willen strengelijk bescholden zijn, alzoo wanneer zij zachte leeraars verkrijgen, van dewelke zij zoetelijk behandeld worden, zoo vergelden zij wederom hun met vleien. Ik beken wel, dat dit alom geschiedt, maar het is in de rijke- en koopsteden het meest. Paulus, die anders een goddelijk man, en door vele wonderlijke gaven uitnemend was, had nochtans geen uitwendige sierlijkheid; hij was ook met geen opgesierde woorden opgeblazen, waarmede hij zichzelven aangenaam zou gemaakt hebben. En gelijk hij inwendig van volkomene kracht des Geestes vol was, alzoo had hij geen ijdele versiering: hij kon niet vleien, hij zocht niet den menschen te behagen. Dit was zijn eenig einde en voornemen, dat hij en alle anderen mochten vernederd worden, opdat Christus regeerde. De Corinthiërs, die meer scherpzinnige dan vruchtbare leer zochten, vonden geen smaak in het Evangelie; en dewrijl zij begeerig waren naar nieuwe dingen, zoo werd Christus hun oud; of zoo zij tot zulke feilen nog niet gevallen waren, zoo waren zij nochtans tot zulke verdorvenheden van-zelfs genegen. Alzoo konden de valsche apostelen lichtelijk toegang krijgen, om de leer van Christus onder hen te vervalschen. Want zij wordt vervalscht, wanneer haar natuurlijke eenvoudigheid alzoo verdorven, en gelijk met valsche versieringen bestreken wordt, zoodat zij der wereldsche philosophie gelijk wordt. Zoo dan, om den smaak der Corinthiërs te dienen, hebben zij bij hun prediking een saus gedaan, waardoor de ware smaak des Evangelies verdorven werd. Nu verstaan wij wat den apostel bewogen heeft om dezen zendbrief te schrijven. Nu zal ik, alle hoofdstukken met korte woorden aan-teekenende, den hoofdinhoud samenvatten.
Hij begint met een dankzegging, zich over hunnen voortgang verblijdende, hetwelk de kracht eener vermaning medebrengt, opdat het laatste met het eerste overeenkome, en alzoo verzacht hij hun gemoed, opdat zij zich te beter laten leeren. Maar terstond komt hij tot bestraffen, den twist verhalende, die in hunne gemeente was. Als hij dit kwaad wil beteren, zoo roept hij ze af van hoogmoedigheid tot vernedering. Want hij maakt alle wijsheid der wereld teniet, opdat hij de verkondiging des kruises alleen verheffe. Hij vernedert ook mede de personen, als hij hun gebiedt om zich heen te zien, hoeda-nige menschen voornamelijk God tot zijn kudde heeft aangenomen.
In het 2de hfdst. stelt hij zijn prediking tot een exempel, welke naar menschelijke wijze verachtelijk en nederig, nochtans in geestelijke kracht uitnemende was. En intusschen verklaart hij deze waarheid wijder, dat in het Evangelie hemelsche en verborgen wijsheid vervat is, welke door geen scherpzinnigheid des verstands, noch door al het vernuft en gevoelen des yleesches verstaan, noch door menschelijke redenen wijs gemaakt wordt, noch pluimstrijking of versiering der woorden eischt: maar door de eenige openbaring des Geestes in der menschen gemoed bekend, en in hunne harten verzegeld wordt. Ten laatste besluit hij, dat de verkondiging des Evangelies niet alleen wijd verscheiden is van vleeschelijke wijsheid, en in nederigheid des kruises gelegen, maar dat zij ook door het oordeel des vleesches niet kan gewaardeerd worden hoedanig zij is; en dit doet hij om hen van dat verkeerd betrouwen op hun eigen ver-
9
10 DE INHOUD VAN DEN EERSTEN ZENDBRIEF
nuft af te brengen, waarmede zij alle ding ten onrechte en verkeerd oordeelden.
In het begin van het 3de hfdst. is een toepassing dezer laatste waarheid op de personen der Corinthiërs, want Paulus klaagt, dat zij, dewijl zij vleeschelijk waren, nauwelijks bekwaam waren om de eerste beginselen des Evangelies te leeren. Aldus geeft hij te kennen, dat die walging des Woords, waarmede zij bevangen waren, niet komt uit de feil des Woords, maar uit hun eigen onwetendheid; en geeft ook mede bedektelijk te kennen, dat hun een nieuw gemoed noodig was, opdat zij beginnen recht te oordeelen. Daarna bewijst hij, hoe men de dienaars des Evangelies behoort te achten, te weten, alzoo dat door hun eer, de eer Gods niet verkort wordt, dewijl Hij alleen de Heere is, en zij, alle zijne dienstknechten, niet anders dan instrumenten zijn, en Hij alleen de kracht geeft en toedient, en van Hem alleen de ware vrucht komt. Hij vertoont ook mede, welk hun voornemen behoort te zijn, te weten, de gemeente te stichten, naar aanleiding waarvan hij de ware en eigen wijze der stichting beschrijft, te weten, zoo dat Christus alleen het fundament is, en dat het gansche gebouw met het fundament overeenkomt. En als hij hier met korte woorden betuigd heeft, dat hij een wijs bouwmeester geweest is, zoo vermaant hij ook de anderen, dat zij maken, dat het einde met het begin overeenkomt. Hij vermaant ook de Corinthiërs, dat zij hunne zielen niet door verdorven leer laten ontheiligen, dewijl zij tempelen Gods zijn: waarin hij de hoovaardige wijsheid des vleesches wederom teniet maakt, opdat de kennis van Christus alleen onder de geloovigen verheven worde.
In het begin van het 4e hfdst. beschrijft hij het ambt eens waren apostels. En dewijl hun verdorven oordeel verhinderde, dat zij hem als zoodanig erkenden, zoo verwerpt hij hun oordeel, en beroept zich op den dag des Heeren. Daarna, dewijl hij om den schijn der nederheid, bij hen verachtelijk was, zoo leert hij, dat zulks hem meer behoorde tot eer dan tot schande gerekend te worden. Daarna brengt hij teekenen voort, waaruit men inderdaad kon zien, dat hij noch zijn eer, noch zijn buik gezocht, maar de zaak van Christus getrouw behandeld heeft. Ten laatste besluit hij, wat eer de Corinthiërs hem schuldig zijn. In het einde beveelt hij hun Timotheus, totdat hij zelve kome; en verkondigt ook mede, dat hij in zijn komst zal openbaar maken, hoe weinig hij dien ijdelen rook acht, waarmede de valsche apostelen gunst zochten.
In het 5e hfdst. bestraft hij ze, dat zij dat schandelijk huwelijk des schoonzoons met zijn stiefmoeder stilzwijgend duldden, en vermaant ze, dat in dit zoo groot boos stuk oorzaak genoeg is, waarom zij meer behoorden door schande vernederd, dan hoovaardig te zijn. Hieruit gaat hij voort tot een gemeene leer, te weten, dat zulke booze stukken behooren met den ban gestraft te worden, opdat die vrijheid tot zondigen bedwongen worde, opdat de besmetting niet wijder van den een tot den ander voortga.
Het 6° hfdst. heeft twee voorname stukken: Eerst bestraft hij het pleiten voor de rechtbanken, waarmede zij elkander kwelden onder de ongeloovigen, met groote oneer des Evangelies. Dan bestraft hij de hoererij, in welke zij zoo vrij geworden waren, dat zij ze als geoorloofd achtten. En hij begint met een zware dreiging, en daarna bevestigt hij die dreiging met redenen.
VAN PAULUS AAN DE CORINTHIÃRS. 11
â¢d In het 7e hfdst. is de handeling van den maagdelijken, huwelijken en weduwlijken staat. Zooveel men uit de woorden van te Paulus kan verstaan, zoo is die bijgeloovige meening bij de Colt rinthiërs zeer algemeen geweest, dat de maagdelijke staat een uit-le nemende en bijna een engelendeugd was: zoodat het huwelijk als i, een onheilig ding bij hen veracht werd. Om deze dwaling weg te ;t nemen, leert hij, dat een iegelijk moet toezien wat hem gegeven is, n en moet niet boven zijn macht in dezen deele aannemen, dewijl d alle menschen niet eenerlei roeping hebben. Zoo vertoont hij dan, gt;t wie zich van het huwelijk kunnen onthouden, en welk het einde i, van die onthouding behoort te zijn; en wederom, wie het huwelijk jl behooren aan te gaan, en wat van het Christelijk huwelijk is. s In het 8° hfdst. verbiedt hij, dat zij zichzelven met geen onreine n offeranden der afgodendienaren vermengen, noch iets te doen, waar-k door de zwakke conscientiën gekwetst mochten worden. En dewijl i, zij zichzelven met deze voorwending verontschuldigden, dat zij zich-g zeiven niet door eenige verkeerde meening aan de afgodendienaren ti toevoegden, dewijl zij met het hart bekenden, dat daar een eenig s God was, en de afgoden achtten ijdele gedichtselen te zijn, zoo wederlegt hij deze verontschuldiging aldus, dat een iegelijk moet
acht hebben op de broeders, en dat er vele zwakke broeders zijn, wier geloof door zulke veinzing verzwakt wordt.
In het 9e hfdst. bewijst hij, dat hij niets meer van hen eischt, dan wat hij zelve gedaan heeft, opdat hij niet schijne te streng te zijn, een ander een wet opleggende, die hij zelve niet bewaarde. Want hij brengt hun in gedachtenis, hoe hij van de vrijheid, die hem de Heere gegeven had, zichzelven vanzelf onthouden heeft, opdat hij niemand zoude ergeren: hoe hij in middelmatige dingen zichzelven veelszins gedragen heeft, om zichzelven naar een iegelijk te voegen: opdat zij uit zijn exempel zouden leeren, dat zij niet behooren een iegelijk zoo aan zich te onderwerpen, dat zij niet zouden arbeiden om zichzelven den broederen toe te voegen tot hunne stichting.
Nu, dewijl de Corinthiërs zichzelven zeer behaagden, gelijk wij boven gezegd hebben, zoo vermaant hij ze in het begin van het 10e hfdst., door der Joden exempel, dat zij zichzelven niet bedriegen door verkeerde zorgeloosheid. Want, zoo zij op uitwendige dingen en gaven Gods zichzelven verheffen, zoo bewijst hij, dat de Joden ook dezelfde oorzaak des roems gehad hebben, en dat nochtans dit al hun niet profijtelijk geweest is, dewijl zij de gaven Gods misbruikten. Als hij ze hiermede verschrikt heeft, zoo keert hij terstond wederom tot de zaak, die hij eerst begonnen had, en leert hoe ongeschikt het is, dat zij, die de tafel der duivelen deelachtig zijn, aan het nachtmaal des Heeren gemeenschap hebben, dewijl het een schandelijke en onverdragelijke besmetting is. Ten laatste besluit hij, dat wij al onze handelingen behooren aan te leggen, dat wij niemand ergeren.
In het 11° hfdst. reinigt hij de gemeene samenkomsten van sommige verdorven inzettingen, die met de Christelijke betamelijkheid en eerbaarheid niet wel overeenkwamen; en vermaant ook wat groote gestadigheid en matigheid men daar moet houden, waar wij voor de oogen Gods en der engelen staan. En voornamelijk bestraft hij ze om de verkeerde bediening des nachtmaals. En hij stelt daarbij de wijze om de misbruiken te beteren, die daarin gekomen waren, door hun terug te roepen tot de eerste inzetting des Heeren, als tot
DE INHOUD ENZ.
den eenigen zekeren regel en eeuwige wet om recht te handelen.
En dewijl velen de geestelijke gaven misbruikten tot eergierigheid, zoo behandelt hij in het 12® hfdst., tot wat einde zij van God gegeven worden, en ook, welk haar recht en zuiver gebruik is, te weten, opdat wij ze onderling tot elkanders stichting gebruikende, ïn één lichaam van Christus vereenigen. Deze leer versiert hij met een gelijkenis van het menschelijk lichaam, waarin wel verscheiden leden en menige machten of ambten zijn, maar nochtans zulke gelijkmatigheid, overeenkoming en gemeenschap is, dat zij alle te za-men wat een iegelijk gegeven is, tot nut des lichaams gebruiken; dat daarom de liefde de allerbeste mate stelt in deze zaak.
Dezelfde zaak vervolgt hij breeder, en verklaart ze beter in het 13® hfdst. De hoofdinhoud is deze: dat alle ding naar de liefde moet geschikt worden; naar aanleiding waarvan hij uitloopt in den lof der liefde, opdat hij haar oefening te beter aanprijze, en de Corinthiërs te meer verwekke om die te onderhouden.
In het 14e hfdst. begint hij meer bijzonder uit te drukken, wat de Corinthiërs in het gebruik der geestelijke gaven gezondigd hadden. En dewijl zij zoozeer zochten gezien te zijn, zoo leert hij dat in alle dingen de stichting alleen moet voor oogen gehouden worden. Daarom verheft hij de profetie boven alle andere gaven, omdat zij nuttiger is, daar nochtans de verscheidene talen meer geacht waren bij de Corinthiërs, alleen om den ijdelen opschik. Bovendien stelt hij een rechte orde om wel te handelen: en bestraft ook mede die feil, dat zij onbekende talen gebruikten zonder nut: en intusschen werden de leer en de vermaningen vergeten, die altijd behoorden de eerste plaats te hebben. Daarna verbiedt hij de vrouwen openlijk te leeren, omdat het onbetamelijk is.
In het 15® hfdst. hekelt hij een zeer verderfelijke dwaling, welke hoewel het niet geloofelijk is, dat zij bij de Corinthiërs gemeen is geweest, zoo had zij nochtans de harten sommiger menschen alzoo bevangen, dat daar openlijk een geneesmiddel noodig was. Het schijnt, dat hij deze handeling met opzet uitgesteld heeft tot het laatste des zendbriefs, opdat zij, zoo hij daarmede den zendbrief begonnen had, of ook terstond in het begin daartoe gevallen ware, niet zouden denken, dat zij allen daarin beschuldigd werden. Zoo bewijst hij dan, dat de hope der wederopstanding zoo noodig is, dat het Evangelie ganschelijk valt, wanneer die weggenomen is. En als hij ze met sterke redenen bevestigd heeft, zoo stelt hij ook daarbij de wijze. Eindelijk geeft hij een volkomen behandeling dezer zaak.
Het 16e hfdst. heeft twee stukken. In het eerste vermaant hij, dat zij den broederen te Jeruzalem te hulpe komen in hun armoede; want die werden toen verdrukt door een duren tijd, en de godde-loozen bedreven wreedheid tegen hen. Dit hadden de apostelen Paulus bevolen, dat hij de gemeenten der heidenen zou opwekken. Gal. 2: io. om hun hulpe te doen. Zoo gebiedt hij hun weg te leggen wat zij in den zin hadden te geven, opdat het terstord naar Jeruzalem gebracht kon worden. Ten laatste besluit hij den zendbrief met vriendelijke vermaning en groetenissen.
Hieruit kan men verstaan, wat ik in het begin gezegd heb, dat deze zendbrief vol is van zeer nuttige leer, dewijl hij verscheidene handelingen van vele zeer schoone dingen bevat.
12
HET EERSTE HOOFDSTUK.
1 Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus, door den wil Joh. n; i van God, en Sósthenes, de broeder, fiheas!*
2 Aan de gemeente Gods, die te Corinthe is, den geheiligden in Rom. l: 7
Christus Jezus, geroepen heiligen, met allen, die den naam van 2 Tini. 2:
onzen Heere Jezus Christus aanroepen, in wat plaats het zii, J0â¢- 1,: 7
r r â¢quot; 2 Cor. 1:
zoowel hun als onzen Heere: Ef. 1; 2.
3 Genade zij u, en vrede van God, onzen Vader, en den Heere 1 Petr' 1 Jezus Christus.
UITLEGGING.
iTpvaulus, een geroepen apostel. Aan het begin van bijna al zijn râ'zendbrieven arbeidt Paulus aan zijne leer gezag en aangenaam--1- heid te schenken. Het een leidt hij af uit den persoon en het ambt, hem van God opgelegd, omdat hij is een apostel van Christus, door God gezonden; en het ander daaruit, dat hij zijn liefde, tot wie hij schrijft, betuigt. Want die wordt veel lichter van ons geloofd, welken wij achten ons van harte gunstig te zijn, en onze zaligheid getrouw te zoeken. Zoo dan, in deze groetenis neemt hij zichzelven gezag aan, als hij zich noemt een apostel van Christus, en ook van God geroepen, dat is, door Gods wil verordend. Daar zijn twee dingen noodig, opdat iemand in de gemeente gehoord worde, en de plaats eens leeraars hebbe. Want hij moet van God geroepen zijn tot dat ambt, en datzelve getrouw bedienen. Dit beide schrijft Paulus hier zichzelven toe. Want dat bevat de naam apostel, dat hij met goede conscientie zijn boodschap in Christus' naam bediene, en de zuivere leer des Evangelies verkondige. Maar dewijl niemand deze eer zichzelven behoort aan te matigen, tenzij hij geroepen is, zoo stelt hij daarbij, dat hij zulks niet lichtvaardig aangenomen heeft, maar dat God zelve hem daartoe verordend heeft. Zoo zullen wij dan leeren deze twee dingen bij elkander te stellen, als wij willen weten,
wie wij behooren voor dienaars van Christus te houden, te weten, de roeping en de getrouwheid in de bediening des ambts. Want gelijk niemand den naam en waardigheid des dienaars rechtens kan aannemen, tenzij hij geroepen is, alzoo ware het niet genoeg geroepen te zijn, zoo hij zijn ambt niet genoegzaam bediende. Want de Heere verkiest geene dienaars om stomme beelden te zijn, of om onder de voorwending hunner roeping, tirannie te bedrijven, of hunnen lust voor een wet te hebben: maar Hij gebiedt ook mede hoedanig zij moeten zijn, en bindt ze aan zekere wetten en regelen, en verkiest ze tot den dienst, dat is ten eerste, dat zij niet ledig zijn, ten andere, dat zij zichzelven binnen de palen huns ambts houden.
1 CORINTHE 1:1.
Daarom, gelijk het apostolisch ambt steunt op de roeping, alzoo is het noodig, dat die zich met de daad zoodanig bewijze, die een apostel wil geacht worden, ja, die wil, dat men hem gelooft of zijne leer gehoor geve. Want dewijl Paulus op deze redenen steunt, om gezag te verkrijgen, zoo zou die veel te onvoorzichtig doen, die zonder deze redenen iets zou willen zijn. Maar men moet ook aanmerken, dat het niet genoeg is, dat iemand zijn roeping en ook zijn getrouwheid in de bediening des ambts voorwendt, tenzij hij het beide met de daad bewijze. Want het geschiedt dikmaals, dat geen menschen hoovaardiger zichzelven door groote namen verheffen, dan die de waarheid niet hebben, gelijk voortijds de valsche profeten roemden, dat zij van God gezonden waren. En wat roepen de papisten heden anders, dan dat zij van God verordend, en de successie of opvolging van de apostelen aan gehad hebben? maar het wordt daarna openbaar, dat zij ontbloot zijn van die dingen, waarop zij zich verhoovaardigen. Daarom wordt hier niet roeming, maar waarheid gezocht. En dewijl den naam aan te nemen, beiden den goeden en den boozen gemeen is, zoo moet men tot de onderzoeking komen, opdat wij mogen weten, wie zichzelven waarlijk of valschelijk een apostel noemt. Paulus' roeping heeft God met vele getuigenissen geopenbaard, en daarna met teekenen bevestigd. Zijn getrouwheid was daaruit te verstaan, zoo hij de zuivere leer van Christus verkondigd heeft. Voorts van de tweeërlei roeping, te weten, Gods en der gemeente, zie mijn »Institutie.quot;
Apostel. Hoewel deze naam naar zijn afleiding een algemeene beteekenis heeft, en somtijds ook alzoo wijd genomen wordt voor allerlei dienaars, zoo komt die nochtans bijzonder dien toe, die door des Heeren bevel verordend zijn, om het Evangelie de gan-sche wereld over te verkondigen. Het was wel nut, dat aan Paulus deze naam gegeven was, om twee oorzaken, te weten, omdat den apostelen veel meer opgedragen werd dan anderen dienaren des Evangelies, en omdat zij alleen deze macht hadden, dat zij alle gemeenten onderwezen.
Door den wil van God. Dewijl Paulus gaarne pleegt Gode toe te schrijven, al wat ergens ter wereld goeds is, zoo doet hij nochtans dit voornamelijk in zijn apostelambt, opdat hij alle kwaad vermoeden der hoovaardigheid van zich afwende. En voorwaar, gelijk de roeping tot zaligheid uit genade en onverdiend is, alzoo leert Christus ook, dat de roeping tot het apostelambt onverdiend is, als Hij zegt: Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren. Nochtans geeft Paulus ook mede bedekt te kennen, dat die allen tegen de ordening Gods strijden, die zijn apostelambt teniet willen maken, of eenigszins tegen hem strijden. Want Paulus roemt hier niet zonder oorzaak op deze eeretitelen, maar beschermt met opzet zijn apostelambt tegen booze beschuldigingen. Want dewijl zijn gezag aan de Corinthiërs genoeg bekend behoorde te zijn, zoo was het overbodig geweest hier van den wil van God voort te brengen, hadden niet ongeschikte menschen gezocht met heimelijke listen deze eer te krenken, die hem van God gegeven was.
En Sósthenes, de broeder. Dit is Sósthenes, de overste der Joodsche synagoge, die te Corinthe was, waarvan Lukas meldt. Hand. 18 : 17. Zijn naam stelt hij hierbij, omdat de Corinthiërs behoorden hem terecht in eere te houden, wiens vurigheid en stand-
14
1 CORINTHE 1 : 1, 2.
vastigheid in het Evangelie zij kenden. Alzoo is het hem nu loffelijker Faulus' broeder genoemd te worden, dan voortijds een overste der synagoge.
2 Aan de gemeente Gods, die te Corinthe is. Het kon wonder schijnen, waarom hij die menigte der menschen noemt een gemeente Gods, waarin zoo vele gebreken waren, dat de duivel daar meer het rijk ingenomen had dan God. Het is zeker, dat hij niet de Corinthiërs heeft willen vleien: want hij spreekt uit den Geest Gods, welke niet pleegt te vleien. Maar, zal iemand zeggen, hoedanige gedaante der gemeente blijft daar nog onder zoo vele besmettingen ? Ik antwoord, dewijl hem van den Heere gezegd was; Vrees niet, ik heb hier veel volks, zoo heeft hij, deze belofte gedachtig zijnde, weinigen goeden deze eer aangedaan, dat hij in die groote menigte van ongeschikte menschen bekende een gemeente Gods te zijn. Bovendien, hoewel daar vele gebreken waren ingekomen, en ook vele verdervingen, zoowel in de leer als in de zeden, toch waren er nog sommige teekenen der ware gemeente gebleven. Deze plaats is zorgvuldig aan te merken, opdat wij in deze wereld niet zoeken een gemeente, die zonder eenige rimpel of smet is, of, dat wij niet terstond dezen titel aan alle vergadering benemen, waarin wij niet alle ding zien naar onze begeerte. Want dit is een gevaarlijke verzoeking en kwelling, dat men acht daar geen gemeente te zijn, waar geen volkomen zuiverheid gezien wordt. Want zoo wie hiermede bevangen is, die moet ten laatste van alle anderen afwijken, en zich-zelven schijnen alleen in de wereld heilig geworden te zijn; of moet met weinige hypocrieten een afzonderlijke sekte instellen. Wat oorzaak had dan Paulus, om te Corinthe een gemeente te bekennen? Te weten, omdat hij de leer des Evangelies, den doop, en het avondmaal des Heeren bij hen zag, uit welke teekenen de gemeente behoort geacht te worden. Want hoewel sommigen waren begonnen aan de wederopstanding te twijfelen, nochtans dewijl deze dwaling niet het gansche lichaam had bevangen, zoo wordt daarom de naam van gemeente, noch de waarheid van hen niet weggenomen. En hoewel daar eenige feil gekomen was in de bediening des avond-maals, de tucht en eerbaarheid zeer vervallen was, hoewel zij de eenvoudigheid des Evangelies verachtende, aan uitwendige pralerij en versiering zich overgegeven hadden, en door der dienaren eergierigheid veelszins gedeeld waren, nochtans dewijl zij de funda-menteele leer behielden, God alleen bij hen aangeroepen en aangebeden werd in Christus' naam, dewijl zij het betrouwen hunner zaligheid in Christus stelden, en niet ganschelijk verdorven dienst hadden, zoo bleef daar ook mede een gemeente. Daarom, waar de dienst Gods geheel is, en die grondleer blijft, waarvan ik gesproken heb, daar zullen wij zonder zwarigheid achten een gemeente te zijn.
Den geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen. De weldaden Gods, waarmede zij versierd waren, verhaalt hij hun als bijwijze van een verwijt, zoo zij zich tenminste niet wederom dankbaar bewijzen. Want wat kon daar schandelijker zijn, dan den apostel te verwerpen, door wiens dienst en arbeid zij tot een eigen volk Gods afgezonderd waren ? Intusschen heeft hij met deze twee woorden verklaard, wie men voor ware leden der gemeente moet achten, en wie eigenlijk tot derzelver gemeenschap dienen. Want zoo gij niet met heiligheid des levens u bewijst een Christen te
15
1 CORINTHE 1 : 2.
zijn, zoo moogt gij misschien onder de gemeente schuilen, maar zult nochtans van de gemeente niet zijn. Zoo moeten dan die allen in Christus geheiligd worden, die onder Gods volk willen gerekend worden. Nu, het woord heiligen beduidt afzonderen: dit geschiedt in ons, als wij door den Heiligen Geest wedergeboren worden tot nieuwigheid des levens, opdat wij Gode en niet der wereld dienen. Want dewijl wij van nature onheilig zijn, zoo worden wij door den Heiligen Geest, Gode geheiligd. En dewijl dit geschiedt, als wij in het lichaam van Christus geplant worden, buiten hetwelk niet anders is dan onreinheid, en de Geest ons ook alleen door Christus gegeven wordt, zoo zegt hij terecht/dat wij in Christus geheiligd worden, dewijl wij door Hem Gode aanhangen, en in Hem nieuwe creaturen worden. Dat terstond daarna volgt, geroepen heiligen, dat verklaar ik aldus: gelijk gij geroepen zijt tot heiligheid. Doch het kan tweeërlei wijze verstaan worden, te weten, dat Paulus zegt, dat de roeping Gods de oorzaak is der heiligmaking, omdat ze God heeft uitverkoren, alsof hij zeide, dat dit komt uit de genade Gods, en niet uit der menschen kracht; of dat hij te kennen geeft, dat het onzer belijdenis betaamt, dat wij heilig zijn, dewijl dit het einde der Evangelische leer is. En hoewel de eerste zin beter schijnt met het verband overeen te komen, zoo is nochtans daar weinig aan gelegen, in wat zin men het neemt, want deze twee waarheden hangen aan elkander, te weten, dat onze heiligheid vloeit uit de fontein der Goddelijke verkiezing, en dat diezelve is de fontein onzer roeping. Zoo moeten wij dan weten, dat wij niet door eigen macht, maar door Gods roeping heilig zijn: want Hij alleen reinigt degenen, die van nature onrein waren. Het schijnt mij voorwaar waarschijnlijk, dat Paulus, de opene fontein der heiligheid als met den vinger aangewezen hebbende, hooger opklimt, te weten, tot het welbehagen Gods, waaruit ook Christus ons is toegekomen. Voorts, gelijk wij door het Evangelie geroepen worden tot onschuldigheid des levens, alzoo moet dat ook inderdaad in ons volbracht worden, opdat onze roeping krachtig zij. Hier mocht iemand tegenwerpen, dat van de zoodanigen niet velen onder de Corinthiërs waren. Ik antwoord, dat de zwakken van dit getal niet worden uitgesloten, wijl God zijn werk in ons hier alleen begint, en mettertijd door voortgang en wasdom volbrengt. Bovendien antwoord ik, dat Paulus met opzet meer de genade Gods in hen aanziet, dan hunne eigene gebreken, opdat zij zich over hunne onachtzaamheid schamen, zoo zij zich niet gedragen, gelijk zij behooren.
Met allen, die. Dit is ook allen godzaligen gemeen: want dewijl de aanroeping van den naam Gods de voornaamste oefening is des geloofs, zoo moet men de geloovigen hieruit voornamelijk achten. Merk ook op, dat hij zegt, dat de geloovigen Christus aanroepen, waarmede zijn Godheid bewezen wordt, dewijl de aanroeping een der voornaamste getuigenissen van den godsdienst is. Zoo dan, door de aanroeping wordt hier door een wijze van spreken genoemd synecdoche of samenvatting, de gansche zaak des geloofs aan geduid, gelijk zij in vele plaatsen der Schrift voor den godsdienst in 't gemeen wordt genomen. Dat velen hierdoor alleen verstaan een uitwendige belijdenis, schijnt mij vreemd van het gebruik der Schrift te zijn. Voorts, dat ik deze twee woorden onze en hunne, op Christus duid, hoewel zij van anderen geduid worden op de plaats,
16
1 CORINTHE 1 : 2â4.
^ar daarin heb ik Chrysostomus gevolgd. Dit zal mogelijk schijnen hard
te zijn, omdat deze woorden, in wat plaats het zy, tusschenbeide ;nd gesteld worden; doch in de Grieksche woorden van Paulus is niets edt ongeschikts. En waarom ik deze overzetting verkies boven de oude,
t;ot daarvan is de reden, dat, zoo men het op de plaats duidt, niet
en- alleen het tevergeefs, maar ook ongeschikt daarbij zal gesteld zijn.
. Want wat plaats zou Paulus zijne noemen? Zij meenen het Joodsche
ln land: maar met wat reden? Bovendien, wat zou hij de plaats der
ln' anderen noemen ? Zij zeggen, al de andere deelen der wereld: maar
tu® dat rijmt ook niet wel. Maar deze zin, welken ik gesteld heb, past
S® zeer wel: want dewijl hij ze allen vervat had, die overal den naam
van Christus onzen Heere aanroepen, zoo stelt hij daarbij, al zoowel ^a,; hunne als onze, om te kennen te geven, dat Christus de Heere is
Jet van allen zonder onderscheid, die Hem aanroepen, beiden Joden
en heidenen.
In wat plaats het zij. Dit heeft Paulus buiten zijn gewoonte j ' hierbij gesteld: want in de andere zendbrieven meldt hij alleen dege-
at nen, tot wie hij schrijft; maar het schijnt, dat hij heeft willen voor-
e komen de tegenwerping der ongeschikte menschen, opdat zij niet
le' zouden zeggen, dat hij stoutelijk zichzelven onder de Corinthiërs
an verheft, en autoriteit aanneemt, hetwelk hij niet zou bestaan te
doen in andere gemeenten. Want dat zij hem ook hiermede be-. zwaard hebben, zal terstond blijken, even alsof hij schuilplaatsen
ln zocht, en het licht vlood, of zichzelven bedektelijk van de andere
en apostelen afwendde. Zoo schijnt hij dan om deze leugen te weder-
S' leggen, zichzelven met voorbedacht op een hooge schouwplaats te
ar stellen, om ver gehoord te worden.
et 3 Genade zij u en vrede. De uitlegging van dit gebed zullen de
^ lezers vinden in den aanvang der uitlegging op den zendbrief aan
de Romeinen; want ik val ze niet gaarne met herhalingen lastig. 1:7-
n' 4 Ik dank mijnen God allen tijd over u, om de genade Gods, die
[k u gegeven is in Christus Jezns.
n 5 Dat gij in alle ding rijk geworden zijt in Hem, in alle woord Col. 1:9.
)r en in alle kennis.
1S 6 Gelijk het getuigenis van Christus bevestigd is onder u.
ie 7 Zoodat gij in geene gave verkort zijt, verwachtende de open- Fil. 3: 20.
0 baring van onzen Heere Jezus Christus.
8 Dewelke u ook zal bevestigen tot het einde onstraffelijk, tot J'r^ess-3:13:
jl den dag van onzen Heere Jezus Christus.
;s 9 God is getrouw, door welken gij geroepen zijt tot de gemeen- l Thoss.G: 24.
i. schap van zijnen Zoon Jezus Christus onzen Heere.
i,
11 4 Ik dank mjjnen God. Als hij nu in de groetenis uit dén per-
r soon en het ambt hem opgelegd, autoriteit heeft genomen, zoo zoekt hij nu zijn leer aangenaam te maken, zijn liefde tot hen verklarende. En aldus verzoet hij hun gemoed, om de bestraffing lijd-
1 zaam te hooren. Zijn liefde doet hij hun verstaan uit teekenen, 1 die daaruit volgen, te weten, dat hij betoont zichzelven in hun r goed te verblijden, alsof het hem gegeven ware; dat hij be-
gt; wijst een goed ge;voelen van hen, en goede hope voor de toekomst
17
gt; te hebben. Doch hij matigt deze zijn dankzegging over hen alzoo,
2
Dl. II.
1 CORINTHE 1 : 4â6.
dat hij hun geen oorzaak geeft tot verheffing: want al wat zij goeds t i hebben, schrijft hij Gode toe, opdat Die alleen geprezen zij, dewijl al: het zijne gaven zijn. Even alsof hij zeide: Ik verblijd mij wel over ra u, maar alzoo dat ik Gode den lof geef. Dat hij zegt, mijnen God, ee Rom. i:s. wat dit beduidt, heb ik in den zendbrief aan de Romeinen gezegd. de Voorts, gelijk Paulus de Corinthiërs niet heeft willen vleien, alzoo w( heeft hij hun ook geen valschen lof toegeschreven. Want hoewel zij sli niet allen zulken lof waardig waren, en vele schoone gaven Gods m door hun eerzucht verdierven, zoo moest hij ze nochtans niet ver- g« smaden, dewijl zij in zichzelven lofwaardig waren. Bovendien, dewijl de gaven des Geestes tot aller stichting worden gegeven, zoo ver- bi haalt hij ze terecht als gemeene gaven der gemeente. Maar laat ons bi zien, wat hij daarin prijst. gi
Om de genade. Dit is een algemeen woord, want het vervat h allerlei gaven, die zij door het Evangelie verkregen hadden. Want d
het woord genade, beduidt hier niet de gunst Gods, maar de gaven, a' die Hij den menschen onverdiend geeft. Daarna komt hij tot de g
gestalten dezer genade, als hij zegt, dat gij in alle ding ryk zijt w
geworden, en welke die alle ding zijn, drukt hij uit, te weten, de g
leer en Gods woord. Want in dezen rijkdom behooren de Chris- h
tenen overvloedig te zijn; welken wij ook daarom behooren te meer z
te achten, en in te meerder waarde te houden, omdat zij in 't al- d
gemeen zeer versmaad wordt. Het woord in Hem, wil ik liever zoo v
laten, dan over te zetten door Hem; want het drukt meer uit, en r
heeft meer kracht naar mijn oordeel. Want wij worden in Christus r
rijk gemaakt, dewijl wij leden zijns lichaams zijn, en zoover wij in lt;
Hem geplant zijn: ja, dewijl wij één met Hem geworden zijn, zoo 1
heeft Hij, al wat Hij van den Vader ontvangen heeft, ons gemeen l
gemaakt. (
6 Gelijk het getuigenis. Erasmus heeft het anders overgezet, '
namelijk, dat het getuigenis van Christus door deze dingen in hen bevestigd is, door de kennis en door het woord. Maar de woorden luiden anders, welke licht zijn te verstaan, zoo zij niet verdraaid 1
worden, te weten, dat God de waarheid zijns Evangelies onder de Corinthiërs verzegeld heeft, opdat zij te zekerder zouden zijn. Dit kon tweeërlei wijze geschieden, te weten, door teekenen, of door een inwendig getuigenis des Heiligen Geestes. Chrysostomus schijnt het van de teekenen te verstaan, maar ik versta het breeder; en ten eerste is het zeker, dat het Evangelie eigenlijk bevestigd wordt bij ons door het geloof: want wanneer het door het geloof van ons wordt aangenomen, dan bevestigen wij eerst, dat God waarachtig is. En hoewel ik beken, dat de teekenen behooren te dienen tot de bevestiging daarvan, zoo is nochtans de oorsprong hooger te zoe-2 CEf' i-ia' ^en, .^e weten! dat de Geest Gods is het onderpand en zegel. i: 3u.' ' 'Daaróm leg ik deze woorden aldus uit: Dat de Corinthiërs overvloedig zijn in wijsheid, gelijk God van den beginne aan onder hen zijn Evangelie kracht gegeven heeft: en dit niet alleen eenerlei wijze, maar ook door de inwendige kracht des Geestes, al zoowel als door de uitnemendheid en verscheidenheid der gaven, door teekenen en alle andere behulpsels. Het getuigenis van Christus of aangaande Christus, noemt hij het Evangelie, welks gansche inhoud hiertoe dient, dat het ons Christus openbare, in wien alle schatten der wijsheid geopenbaard zijn. Zoo iemand het liever ac-
18
1 CORINTHE 1 ; 6 -8 19
ieds tief neemt, omdat Christus de eerste auteur des Evangelies is,
wijl alzoo dat de apostelen niet anders zijn dan getuigen van den tweeden
ver rang, ik zal niet zeer daartegen strijden: nochtans behaagt mij die
od, eerste uitlegging 't best. Evenwel weinig hierna, hfdst. 2:1, moeten
gd. de woorden getuigenis van God, zonder twijfel actief genomen
zoo worden, want zoo men het daar passief nam, zoo zou de zin niet
zij sluiten. Maar hier is het een andere zaak; ja die plaats bevestigt
ads mijn gevoelen, want daar wordt terstond bijgesteld, hoedanig het
er- getuigenis is, te weten, niets te weten dan Christus.
,vijl 7 Zoodat gü in geene gave verkort zijt. Het woord verkorten er- beduidt in 't Grieksch een ding derven, waaraan men nochtans gems brek heeft. Zoo is dan zijn meening, dat de Corinthiërs alzoo alle gaven Gods overvloedig hebben, dat zij geen gebrek hebben: alsof vat hij zeide, de Heere heeft Zich niet alleen verwaardigd u het licht int des Evangelies te geven, maar heeft u ook rijkelijk begaafd met en, allerlei gaven, die den heiligen mogen behulpzaam zijn, om voort-de gang in den weg der zaligheid te doen. Want door het Grieksche üt woord, waarvoor wij gesteld hebben gaven, verstaat hij geestelijke de gaven, welke den heiligen zijn als instrumenten der zaligheid. Maar is- hier wordt tegengeworpen, dat de heiligen nimmermeer zoo rijk ;er zijn, dat zij niet aan eenige gave gebrek hebben, zoodat zij altijd ge-al- dwongen zijn te hongeren en te dorsten. Want wie is er, die niet oo verre van de volmaaktheid is? Ik antwoord, dewijl zij genoegzaam en met noodige gaven begaafd zijn, en nimmermeer worden verlaten, us maar God altijd hun gebrek te hulp komt, zoo heeft Paulus hun in daarom zulken rijkdom toegeschreven. En daarom stelt hij daarbij, 30 verwachtende de openbaring, waarmede hij te kennen geeft, dat ;n hij hun niet zulke overvloedigheid toeschrijft, waarin geen ding zou ontbreken, maar alleen die genoeg is, totdat men tot de volmaakt-;t, heid komt. Het woord verwachtende, los ik op in: dewijl gij ïn verwacht. Alzoo zal de zin wezen: Zoodat gij geene gave gebrek ;n hebt, dewijl gij den dag der volmaakte openbaring verwacht, waarin id Christus, onze wijsheid, volkomen zal geopenbaard worden. Ie 8 Dewelke u ook zal bevestigen. Het woordje dewelke, slaat it niet terug op Christus, maar op God, hoewel de naam Gods verder )r daarvan af staat. Want de apostel gaat voort in zijn verheuging, en it gelijk hij boven verklaard heeft, wat gevoelen hij van hen had, n alzoo bewijst hij nu, wat hij namaals hoopt, opdat hij zijn genegen-it heid tot hen te kennen geve, en ook opdat hij ze door zijn exempel is vermane, om dezelfde hope aan te grijpen, alsof hij zeide: Al ver-g wacht gij nog de toekomende zaligheid, zoo moet gij nochtans zeker e zijn, dat God u nimmermeer zal verlaten, maar eerder zal ver-meerderen, wat Hij in u begonnen heeft, opdat wij, als die dag, in 1. welken wij allen voor den rechterstoel van Christus zullen gesteld worden, zal gekomen zijn, daar onstraffelijk mogen bevonden worden, n Onstraffelijk. Dat dit het einde onzer roeping is, leert hij aan de :i Efeziërs en Colossensen, te weten, opdat wij rein en onstraffelijk Ef. i: 4. :1 verschijnen voor Christus. Maar men moet aanmerken, dat deze zoo Cul' 1' r groote reinheid in ons niet volmaakt wordt op den eersten dag, ja, 3 het gaat goed met ons, zoo wij dagelijks voortgang doen in betering, ï zoo wij gezuiverd worden van zonden, die ons voor God schuldig ; maken, totdat wij met het lichaam des doods alle onreinheden der Rom. 7; 24. zonde afleggen. Van den dag des Heeren zullen wij spreken in hfdst 4.
20
9 God is getrouw. Als de Schrift God getrouw noemt, zoo be- ov
duidt zij dikmaals daarmede standvastigheid en onafgebroken gang Ch
in God, zoodat Hij, wat Hij begonnen heeft, tot het einde toe ver- en
volgt; gelijk dezelfde Paulus op een andere plaats zegt, dat de m(
Rom. n;29. roepjng Qof]s onberouwelijk is. Daarom, naar mijn oordeel is de de
zin dezer plaats, dat God standvastig is in zijn voornemen. Dewijl da
het alzoo is, zoo speelt God niet in zijn roeping, maar zal zijn Cl
werk eeuwig onderhouden. Wij moeten altijd uit de voorleden wel- lij
daden Gods, goede hope hebben voor de toekomst. Maar Paulus m
ziet hooger: want hij besluit, dat de Corinthiërs niet kunnen verworpen worden, omdat zij eenmaal van den Heere geroepen zijn tot de gemeenschap van Christus. En opdat wij weten wat kracht dit bewijs heeft, zoo zullen wij ten eerste aanmerken, dat eens iegelijks roeping hem behoort te zijn een getuigenis zijner verkiezing. Bovendien, hoewel de een van des anders verkiezing niet zoo zeker kan oordeelen, dat men nochtans naar het oordeel der liefde moet achten, dat zij allen tot zaligheid geroepen worden, die geroepen worden, ik versta krachtdadig en met vrucht. Paulus heeft deze woorden tot die gericht, in wie Gods Woord geworteld was, en in wie eenige vrucht gezien werd. Zoo iemand tegenwerpt, dat velen, die eenmaal het Woord aangenomen hebben, daarna afvallen, ik antwoord, dat de Geest alleen aan een iegelijk een getrouwe en zekere getuige is zijner verkiezing, waaruit de volharding voortvloeit; en dat nochtans dit Paulus niet verhinderd heeft, naar het
oordeel der liefde zeker te zijn, dat de roeping der Corinthiërs zeker t
en ongeschonden zou zijn, als in welke hij teekenen zag der vader- a
lijke goedwilligheid Gods. Maar deze dingen moeten geenszins dienen v
om zorgeloosheid des vleesches te maken, om welke ons te benemen, £
de Schrift ons dikmaals van onze zwakheid vermaant; maar dienen j:
alleen om het betrouwen op den Heere te bevestigen. En dit was s
nuttig, opdat zij den moed niet zouden verloren geven door de ï
erkenning zoo veler zonden, die hierna hun voor oogen gesteld 1
worden. Dit zij de hoofdinhoud, dat het der Christelijke goedwillig- 1
heid betaamt goede hope te hebben van allen, die in den rechten weg der zaligheid getreden zijnde, nog in den loop zijn, al worden zij wederom met vele krankheden omvangen; en dat een iegelijk van ons, van dat hij door den Geest Gods in de kennis van Christus verlicht is, zeker behoort te besluiten, dat hij van God is aangenomen tot de erfenis des eeuwigen levens. Want de krachtige roeping moet den geloovigen een getuigenis der Goddelijke aanneming zijn. Doch intusschen moeten wij allen met vrees en zorgvuldigheid wandelen; van welke zaak ik wederom wat zal aanroeren in hfdst. 10.
Tot de gemeenschap. Erasmus heeft dit overgezet, deelachtigheid, en de oude overzetter, gezelschap, maar ik wil liever stellen y-oiw-j/ia. gemeenschap, omdat het de kracht van het Grieksche woord beter uitdrukt. Want dit is het einde des Evangelies, dat Christus onze worde, en wij in zijn lichaam ingeplant worden. En als de Vader ons dezen geeft te bezitten, zoo maakt Hij Zichzelven ons daardoor gemeen; hieruit vloeit het deelachtig zijn aller goederen. Zoo is dan dit de bewijsreden van Paulus: dewijl gij door het Evangelie, 'twelk gij door het geloof hebt ontvangen, in de gemeenschap van Christus zijt aangenomen; zoo hebt gij niets te vreezen van het gevaar des doods, dewijl gij Zijner deelachtig gemaakt zijt, die de
1 CORINTHE 1 :9, 10.
overwinnaar des doods geworden is. In ee'n woord: wanneer een Christen zichzelven aanziet, zoo heeft hij geen stof dan tot vreezen en beven, of eer te vertwijfelen: maar dewijl hij tot Christus' gemeenschap geroepen is, zoo moet hij, wanneer van het betrouwen der zaligheid gehandeld wordt, niet anders van zichzelven denken dan van een lidmaat van Christus; zoodat hij alle weldaden van Christus zijne make. Alzoo zal hij een ontwijfelbare hope der einde-lijke volharding verkrijgen, zoo hij zichzelven acht te zijn een lidmaat van Dien, die buiten gevaar van vallen is.
10 Ik bid u, broeders, door den naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij allen eenerlei spreekt, en dat daar geen tweedracht onder u zij; maar dat gij vereenigd zijt in éénen zin Kom. 12:1«; en in eenerlei gevoelen. fü.2:2;3:16.
11 Want mij is te kennen gegeven van u, broeders, door degenen, 1 Petr- a; 8-die van Chloë's huisgezin zijn, dat er twist onder u is.
12 Ik spreek hiervan, omdat een iegelijk van u zegt; Ik ben van i cor. 3:4. Paulus, en ik ben van Apollos en ik ben van Cefas, en ik van Christus.
13 Is dan Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruisigd? üt'
zijt gij in den naam van Paulus gedoopt?
io Ik bid u, broeders. Tot dusver heeft hij de Corinthiërs zacht behandeld, omdat hij wist, dat zij zeer teeder en lekker waren. Nu,
als hij hun gemoed heeft bereid om berisping en betering te ontvangen, begint hij ze scherper te behandelen, gelijk een goed en ervarene medicijnmeester, die de wonde zacht strijkt, als hij een scherp geneesmiddel daaraan wil hechten. Toch gebruikt hij hier ook nog groote matigheid, gelijk wij zullen zien. De hoofdinhoud is deze;
Ik hoop, dat de Heere u niet tevergeefs zoo vele gaven gegeven heeft, maar dat Hij u tot zaligheid wil brengen: maar gij moet ook toezien, dat zulke uitnemende gaven door uwe gebreken niet besmet worden: daarom, ziet toe, dat gij onder elkander eendrachtig zijt.
En het is niet zonder oorzaak, dat ik eendrachtigheid onder u eisch: want het is mij geboodschapt, dat gij vijandelijken twist hebt, dat onder u partijen en roeringen zijn, waardoor de ware eenigheid des geloofs verscheurd wordt. En dewijl zij mogelijk door een eenvoudige vermaning niet genoeg zouden bewogen geweest zijn, zoo bidt hij ook tegelijk: want hij bezweert ze bij den naam van Christus,
opdat zij zoozeer naar de eendrachtigheid staan, als zij Christus liefhebben.
Dat gij allen eenerlei spreekt. Met drieërlei wijze van spreken vermaant hij ze tot eendrachtigheid: want ten eerste eischt hij zulke eendrachtigheid onder hen, dat zij allen gelijk uit éénen mond spreken; ten andere neemt hij dat kwaad weg, waardoor de eenigheid verscheurd en gebroken wordt; ten derde stelt hij het middel eener ware eendrachtigheid, te weten, dat zij zijn van eenerlei gemoed en wil. Wat hij ter tweeder plaatse gesteld heeft, dat is naar de orde het eerste, te weten, dat wij twist moeten vlieden: want daaruit zal het ander komen: dat wij eendrachtig zijn. En het derde zal ten laatste volgen, wat hij hier eerst noemt, dat wij allen uit één mond zullen spreken, hetwelk zeer te wenschen is, gelijk de vrucht
21
1 CORINTHE 1 : 10, 11.
der Christelijke eendrachtigheid. Zoo zullen wij dan aanmerken, dat ve. geen ding den Christenen kwalijker betaamt, dan onder elkander f01 oneens te zijn: want dit is het voornaamste hoofdstuk onzer religie, orl dat wij onder elkander eendrachtig zijn: op deze eendrachtigheid staat en steunt de welvaart der gemeente. Maar laat ons zien, wat va hij in de Christelijke eenigheid eischt. Zoó men alle ding scherp- ht zinnig wil onderscheiden, zoo wil hij, dat zij ten eerste aan elkander te hangen in e'én gemoed, daarna in één gevoelen: ten derde, dat zij 10 deze eendrachtigheid met de woorden belijden. Voorts, dewijl de e.£ overzetting van Erasmus wat scheelt van de mijne, zoo moeten de 21 lezers in 't kort vermaand zijn, dat Pa'ulus hier een woord gebruikt, 0:1 'twelk beduidt, dingen bekwamelijk aan elkander verknocht. Want tv het woord in de onbepaalde wijs, beduidt eigenlijk samengevoegd, of vereenigd worden, gelijk de leden des menschelijken lichaams met zeer goede overeenkomst aan elkander hangen. Het woord, dat tc ik overgezet heb, sententie of gevoelen, neem ik hier voor den v wil, opdat hier een volkomen verdeeling der ziel zij, en het eerste e' stuk verstaan worde van het geloof, en het ander van de liefde. t1 Daarom, de Christelijke eenigheid zal dan onder ons zijn, als wij w niet alleen in de leer wel overeenkomen, maar ook in begeerte en a wil eendrachtig, en alzoo in alle dingen één van hart zijn; gelijk § Hand. 2 us, Lukas betuigt van de geloovigen der eerste apostolische gemeente,
dat zij eenerlei hart en ziel hadden. En voorwaar dit zal alom ge- v vonden worden, waar de Geest van Christus regeert. En als hij ons ^
gebiedt eenerlei te spreken, zoo beduidt hij ook te beter door de c
vrucht, hoe volkomen die eendrachtigheid behoort te zijn, te weten, ^
dat zelfs niet in de woorden eenige verscheidenheid schijne. Dit is wel zwaar om te doen, nochtans is het onder de Christenen noodig, ^
van welke niet alleen eenerlei geloof, maar ook eenerlei belijdenis x
geëischt wordt. 2
ii Want mij is te kennen gegeven. Dewijl de algemeene ver- 1 maningen gewoonlijk weinig bewegen, zoo verklaart hij nu dat, wat hij '
gezegd heeft, bijzonder hun betreft. Zoo dient dan deze toevoeging '
hiertoe, dat de Corinthiërs erkennen, dat Paulus ze niet tevergeefs '
tot eendracht vermaant. Want hij bewijst, dat ze niet alleen van de heilige eenigheid afgeweken zijn, maar dat zij ook tot twistingen vervallen zijn, welke erger zijn dan oneenigheid. En opdat hij niet van te lichtelijk te gelooven beschuldigd worde, alsof hij lichtvaardig valsche beschuldiging had aangenomen, zoo prijst hij zijne aanbrengers, welke in zeer groote achting moeten geweest zijn, dewijl bij niet twijfelt, ze als genoegzame getuigen tegen de gansche gemeente voort te brengen. En hoewel het niet geheel zeker is, of Chloë de naam eener plaats is, of eener vrouw, zoo acht ik het nochtans meer waarschijnlijk, dat het een vrouw geweest is. Zoo geloof ik dan, dat het een welgeschikt huisgezin is geweest, 'twelk dit gebrek der Corinthische gemeente aan Paulus heeft te kennen gegeven, als dat van hem moest gebeterd worden. Dat sommigen met Chrysostomus gevoelen, dat hij hunne namen niet heeft uitgedrukt, opdat zij niet met haat en nijd bezwaard zouden worden,
acht ik ongerijmd. Want hij zegt niet, dat sommigen uit het huisgezin het hem gezegd hebben, maar beteekent ze meer allen: en zij zouden zonder twijfel zich gaarne hebben laten noemen. Voorts,
22
opdat hij ze niet door te groote scherpheid zou verbitteren, zoo
P
1 CORINTHE 1:11, 12. 23
dat verzacht hij de berisping met een liefelijke aanspraak, niet om de der feil te verkleinen, maar opdat zij zichzelven te beter zouden laten yie onderwijzen, om de grootheid des gebreks te erkennen, eid 12 Ik spreek hiervan. Sommigen meenen, dat dit is een wijze svat van spreken, mimesis of navolging genoemd, alsof Paulus hier Tp. hunne eigene woorden weergaf. En hoewel de handschriften variëeren der ten opzichte van het woordje, dat ik overgezet heb: daarom dat, zij toch wil ik het niet zoo nemen: Ik zeg dit, wat nu volgt, dat de een iegelijk enz. maar laat het liever terugslaan op den vorigen de zin, in dezer voege: Ik zeg dit, namelijk, dat er twist onder u is, kt omdat een iegelijk, enz. en dus aanwijzende de oorzaak van den mt twist. Maar iemand mocht hier tegenwerpen, dat in deze woor-r(j den nog geen twist gezien wordt. Ik antwoord, waar twist is in ms den godsdienst, daar kunnen de harten niet anders dan branden iat tot strijd. Want gelijk om ons te vereenigen, om de harten in en vrede te brengen en te houden, geen ding krachtiger is dan de 3te eendrachtigheid in den godsdienst: alzoo wanneer hierin eenige je. tweedracht oprijst, zoo moeten de harten terstond tot strijd verdij wekt worden, en daar zijn geene zoo gruwelijke strijden in eenige en andere dingen als daarin. Daarom stelt Paulus het terecht tot een ijk genoegzaam bewijs van den twist, dat zij met sekten bevangen waren. te Ik ben van Paulus. Hij noemt hier getrouwe dienstknechten e-' van Christus, te weten, Apollos, die te Corinthe na Paulus in den ns dienst kwam, en ook Petrus zelve, en stelt ook zichzelven daarbij, je opdat hij niet schijne meer zijn eigen zaak te drijven dan die van n Christus. Want anders, dewijl deze drie een heilige eendrachtigheid is hadden met elkander, zoo is het niet waarschijnlijk, dat daar eenige g) bende of sekte was onder de Corinthiërs, die op een van deze drie is wilde roemen, meer dan op de anderen. Maar gelijk hij hierna zal zeggen, wat eigenlijk op anderen paste, heeft Paulus op zijnen en r. Apollos' persoon geduid: en dit heeft hij gedaan, opdat zij van [ij het aanzien der menschen afgewend zijnde, te beter de zaak zelve [g zouden aanmerken. Maar iemand mocht hier tegenwerpen, dat hier fs ook sommigen verhaald worden, die zichzelven beleden van Christus [e te zijn: was dit ook te straffen? Ik antwoord, dat alzoo beter uitge-n drukt wordt, wat groote ongeschiktheid uit zulke verkeerde bewegin-;t gen rijst, als wij ons aan menschen overgegeven hebben: want Christus g moet het dan alleen ten deele zijn: en daar ontbreekt anders niet (. den geloovigen, dan dat zij zich van de anderen scheiden, zoo zij jl Christus niet willen verloochenen. Maar dewijl deze plaats verschillend gedraaid wordt, zoo is het nuttig nader aan te merken, wat de zin ,f van Paulus hier is. Hij wil aan den eenigen Christus alzoo het t meesterschap in de gemeente toeschrijven, dat wij allen op Hem 3 staan, dat Hij alleen onder ons Heere en Meester genoemd worde, j en dat geen naam van eenig mensch daartegen gesteld worde. Zoo dan, degenen, die de discipelen tot zichzelven aftrekken, om de ! gemeente in sekten te verscheuren, diezelven veroordeelt hij als zeer schadelijke vijanden onzes geloofs. Zoo laat hij dan de menschen niet alzoo hoog worden in de gemeente, dat zij de heerschappij van Christus innemen: hij laat ze niet in zulke eere gehouden wor-, den, dat Christus' waardigheid op het allerminst zou verkort worden.
Men moet wel den dienaren van Christus hun eere geven, zij zijn
, ook eenigerwijze meesters: maar men moet altijd deze uitzondering
I
1 CORINTHE 1:12, 13.
houden, dat wat Christus toebehoort, Hem ongéschonden blijve, te k
weten, dat Hij desniettemin de eenige Meester zij en geacht worde. w
Daarom is dit het gemeen einde en voornemen der goede dienaren, u
dat zij allen in 't gemeen Christus dienen, Hem alleen de heer- zi
schappij, autoriteit en eere toeschrijven, onder zijn vaandel strijden, d
Hem alleen gehoorzaam zijn, en anderen aan zijne heerschappij d
onderwerpen. Zoo iemand door eergierigheid gedreven wordt, die z
vergadert nu niet voor Christus, maar voor zichzelven discipelen. u
Daarom is dit de fontein alles kwaads, dit is de allerverderfelijkste C
pest, dit is het doodelijke venijn aller gemeenten, als de dienaars g
meer zichzelven zoeken dan Christus. De hoofdzaak is, dat de eenig- v
heid der gemeente daarin voornamelijk gelegen is, dat wij allen op g
Christus alleen staan, en dat de menschen alzoo op de laagste h
plaats zitten, opdat zijn hoogheid in geen ding verkort worde. t
13 Is dan Christus gedeeld? Dit onverdragelijke kwaad kwam c
uit de Corinthische scheuringen: want Christus alleen moet in de t
gemeente regeeren. En dewijl dit het einde des Evangelies is, dat c
o cur'5 ⢠19 wij door Hem met God verzoend worden, zoo moeten wij eerst j
Col. 2:9'. allen in Hem te zamen verknocht zijn. En dewijl onder de Corin-
^Uum. 3:24. thiërs slechts weinigen, die gezonder waren dan de anderen, Christus 1
tot hunnen Meester behielden, hoewel zij allen roemden Christenen (
24
te zijn, zoo wordt Christus nochtans alzoo verscheurd. Want wij (
moeten e'e'n lichaam zijn, zoo wij onder Hem willen als onder ons hoofd vervat zijn. Zoo wij in verscheiden lichamen gedeeld worden, zoo worden wij ook van Hem afgescheurd. Daarom, op zijnen naam roemen onder tweedracht en sekten, dat is Hem verscheuren, hetwelk niet kan geschieden: want Hij zal nimmermeer van de eenig-heid en eendrachtigheid afwijken, want Hij kan zichzelven niet verloochenen. Zoo stelt dan Paulus deze ongerijmdheid voor oogen, opdat hij den Corinthiërs daarmede doe verstaan, dat zij vreemden van Christus zijn, dewijl zij gedeeld zijn; want dan regeert Hij in ons, als Hij ons de band der heilige eenigheid is.
Is Paulus voor u gekruisigd? Hij bewijst met twee sterke redenen, hoe ongeschikt het is Christus deze eer te ontnemen, dat Hij alleen is het Hoofd der gemeente, alleen de Leeraar, alleen de Meester, of eenig deel dezer eer Hem te onttrekken om den menschen te geven. De eerste reden is, dat wij met deze voorwaarde door Chris-1 Our. 6;i9. tus verlost zijn, opdat wij niet meer onszelfs zijn. Ditzelfde bewijs K.m. 14gebruikt Paulus bij de Romeinen, Rom. 14 :Q, als hij zegt: Hiertoe is Christus gestorven en wederopgestaan, opdat Hij heerschappij hebbe over levenden en dooden. Daarom laat ons Hem leven en sterven, dewijl wij altijd Hem behooren. Alzoo ook in vs. 23 van het 1 cor. 7; 23. 7e hfdst. van dezen zendbrief: Gij zijt duur gekocht, wordt geen dienstknechten van menschen. Dewijl dan de Corinthiërs verkregen waren door het bloed van Christus, zoo hebben zij eenigszins de weldaad der verlossing verworpen, als zij andere hoofden over zich namen. Dit is een schoone leer, dat het in ons goeddunken niet gelegen is, onszelven den menschen over te geven tot dienstbaarheid, dewijl 1 Pet. 2:». wij des Heeren eigen volk zijn. Zoo vermaant hij dan de Corinthiërs hier van overgroote ondankbaarheid, dewijl zij zichzelven van het Hoofd vervreemden, door wiens bloed zij verlost waren, al was het, dat zij het onwetend deden. Deze plaats strijdt ook tegen de goddelooze leer der papisten, waarmede zij hunne aflaten zoe-
j
1 CORINTHE 1 : 13.
ken te bevestigen. Want dezen verdichten schat der gemeente,
welken zij leeren door de aflaten uitgedeeld te worden, maken zij uit het bloed van Christus en der martelaren. Alzoo verdichten zij, dat de martelaren voor ons iets bij God verdiend hebben door hun dood, opdat wij daaruit hulpe zoeken om vergeving der zonden te verkrijgen. Zij zullen ontkennen, dat zij daarom onze zaligmakers zijn; maar daar is geen ding zekerder dan dat het een uit het ander volgt. Daar wordt gehandeld van de zondaren met God te verzoenen, daar wordt gehandeld van vergeving te verkrijgen, daar wordt gehandeld van den toorn Gods te stillen, daar wordt gehandeld van de zonden te verzoenen, zij zeggen, dat dit geschiedt eensdeels door Christus, eensdeels door der martelaren bloed: zoo stellen zij dan de martelaars tot metgezellen van Christus in de zaligheid te werken. Maar Paulus ontkent hier sterk, dat daar iemand anders dan Christus voor ons gekruisigd is. De martelaars zijn wel tot ons voordeel gestorven, maar (gelijk Leo zegt)
om een exempel der standvastigheid te bewijzen, en niet om ons de gave der rechtvaardigheid te verkrijgen.
Of zijt gij in den naam van Paulus gedoopt ? Dit is de andere bewijsreden, welke aan den doop ontleend is. Want wij geven onszelven dien over, in wiens naam wij gedoopt worden. Zoo zijn wij dan aan Christus met eede verbonden, in wiens naam onze doop geheiligd is, waaruit volgt, dat de Corinthiërs in meineedigheid en afwijking zijn, zoo zij zichzelven aan menschen overgeven. Merkt hier op, dat de natuur des doops is gelijk een handschrift van wederkeerig verbond: want gelijk de Heere ons met dit teeken in zijn huisgezin heeft aangenomen en tot zijn volk geteld, alzoo verbinden wij ons geloof en trouw aan Hem, opdat wij voortaan geen anderen geestelijken Heere hebben. Daarom gelijk het van Gods zijde een verbond is der genade, dat Hij met ons maakt, waarin Hij vergeving der zonden en een nieuw leven belooft: alzoo is het van onze zijde een sacrament of eed des geestelijken krijgs, waarmede wij Hem eeuwige gehoorzaamheid beloven. Het eerste deel heeft Paulus hier niet aangeroerd, omdat het hier de plaats niet was, maar als men van den doop handelt, zoo moet men het niet vergeten. En Paulus beschuldigt ze niet alleen daarom van afwijking, omdat zij Christus verlatende,
zichzelven aan menschen hebben overgegeven, maar geeft met dat-zelve te kennen, dat zij verbondbrekers zijn, zoo zij niet Christus alleen aanhangen. Daar wordt gevraagd, wat het is in den naam van Christus gedoopt worden. Ik antwoord, dat door deze wijze van spreken niet alleen te kennen gegeven wordt, dat de doop in Christus' autoriteit gefundeerd is, maar dat hij ook in zijn kracht steunt en staat, ja dat al zijn kracht hieraan hangt, dat de naam van Christus daarin aangeroepen wordt. Maar daar wordt wederom gevraagd, waarom Paulus zegt, dat de Corinthiërs in den naam van Christus zijn gedoopt, daar Christus zelve den apostelen geboden heeft te doopen in den naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen Mstt. 28: i«. Geestes. Ik antwoord, dat men hier in de eerste plaats in den doop moet aanmerken, dat God de Vader ons door zijn onverdiende goedheid in de gemeente plantende, door verkiezing ons tot kinderen heeft aangenomen. Ten andere, dewijl wij geen gemeenschap met Hem hebben kunnen, anders dan door een middel der verzoening, zoo is Christus ons noodig, die ons door zijn bloed in des
25
1
26 1 CORINTHE 1 : 13-17.
Vaders genade brenge. Ten derde, dewijl wij door den doop Gode ais
geheiligd worden: zoo moet ook de Heilige Geest daarbij komen, pia
joh. 3:5. wiens ambt is ons nieuwe creaturen te maken. Ja ook, dat wij door He
Christus' bloed gewasschen worden, dat is, zijn eigen ambt; maar dewijl ^
wij noch des Vaders barmhartigheid, noch de genade des Geestes ap
anders verkrijgen dan door Christus alleen, zoo is het recht, dat wij ge:
Hem het eigen einde en doelwit des doops noemen, en den doop ke:
naar zijnen naam voornamelijk noemen, hoewel hierdoor de naam da
des Vaders en des Geestes niet wordt uitgesloten. Want als wij de kilt;
kracht des doops in kort willen vervatten, zoo noemen wij Christus de
alleen, en als wij onderscheidenlijker willen spreken, zoo moet de ve
naam des Vaders en des Geestes uitgedrukt worden. ve
ge
14 Ik dank mijnen God, dat ik niemand van u gedoopt heb, anders de Eomd i18 8' dan Crispus en Gajus. lij
15 Opdat niemand zegge, dat ik in mijnen naam gedoopt heb. arl i Oor. ie; 15, 16 Ik heb ook het huisgezin van Stefanas gedoopt; voorts weet n(: 17' ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb. Ja
17 Want Christus heeft mij niet gezonden om te doopen, maar Z}1
1 Cor. 2: i, 4. om het Evangelie te verkondigen, niet met wijsheid der woor- tlJ
2 Pet. 1:16. den. opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde.
18 Want het woord der kruises is dwaasheid dengenen, die ver- el Kom. i: 16. gaan, maar ons, die zaligheid verkrijgen, is het de mogend- ^
heid Gods. j Jes. 29;U. 19 Want daar is geschreven: Ik zal de wijsheid der wijzen ver-Job 5:12. derven, en het verstand der verstandigen zal Ik wegnemen.
Jes. 33:18. 20 Waar is de wijze? waar is de schrijver? waar is de dispu- rr
teerder dezer wereld ? Heeft God niet de wijsheid dezer wereld le
dwaas gemaakt. k
v
14 Ik dank mijnen God. Met deze woorden slaat hij zeer bitter d
de verkeerdheid der Corinthiërs, waardoor zij maakten, dat die zeer C
heilige en schoone dienst des doops eenigszins te vlieden was. Pau- a
lus zou wel rechtvaardig en naar den eisch zijns ambts gedaan heb- n
ben, zoo hij vele menschen gedoopt had, nochtans is hij verblijd a
dat het anders is, en bekent, dat het door Gods voorzienigheid ge- v
schied is, opdat zij niet daaruit zouden oorzaak nemen om bij zichzel- s
ven te roemen, of, opdat hij geen ding zoude hebben dien eergierigen l
gelijk, die aldus zochten discipelen te maken. En of hij velen ge- l
doopt had, daar was niets kwaads in geweest, maar gelijk ik gezegd 2
heb, hierin is een zwaar verwijt tegen de Corinthiërs en hunne val- (
sche apostelen, dewijl de dienstknecht des Heeren zich moet ver- j blijden, dat hij van een werk, hetwelk anders prijselijk is, zich ont- ] i
houden heeft, opdat het hun niet tot oorzaak der zonde worde. ]
17 Want Christus heeft mij niet gezonden. Hij vóórkomt hier
wat men hem mogelijk had kunnen tegenwerpen, te weten, dat hij , alzoo niet zijn ambt zou volbracht hebben, dewijl Christus gebiedt den apostelen te doopen, al zoowel ]als te leeren. Zoo antwoordt hij dan, dat dit niet het voornaamste stuk van zijnen dienst is geweest,
want het leerambt was hem voornamelijk opgelegd, dat hij daarin Matt. 28:19. naarstig zou zijn. Want als Christus tot zijne apostelen zegt; gaat Matt, ie: 15. }leen) predikt en doopt, zoo stelt hij den doop bij de leer, enkel
I
1
1 CORINTHE 1:17. 27
als een bijkomend stuk of aanhang, zoodat de leer altijd de eerste plaats behoudt. Nochtans moet men hier twee dingen aanmerken. Het eene is, dat Paulus hier niet rechtuit ontkent, dat hij bevel heeft te doopen, (want dit gebod: gaat heen, doopt, komt allen apostelen toe; en hij zou lichtvaardig gedaan hebben, als hij eeni-gen doopte, had hij het gebod niet gehad) maar hij wil alleen te kennen geven, wat het voornaamste in zijn ambt was. Het ander is, dat de waardigheid en vrucht des sacraments hier geenszins verkleind wordt, gelijk sommigen meenen. Want hier wordt niet gehandeld van de kracht des doops; en Paulus stelt ook hier daarom deze vergelijking niet, opdat hij de kracht des doops eenigszins zou verkleinen, maar dewijl het leerambt weinigen toekwam, en velen gegeven was, dat zij mochten doopen. Bovendien, dewijl velen konden te zamen geleerd worden, en de doop niet anders dan een iegelijk bijzonder kon gegeven worden, zoo heeft Paulus, die in het leerambt bijzonder begaafd was, gearbeid in dat werk, dat hem meest noodig was, den anderen latende, wat zij 't geschiktst konden doen. Ja, zoo de lezers alle omstandigheden nader willen aanmerken, zoo zullen zij zien, dat hier een bedekte ironie is, waarmede die lus-tiglijk gegispt worden, die met eens anders arbeid onder de voorwending der ceremonie, ijdele eer zoeken. Paulus had ongelooflijk veel arbeid gedaan om de gemeente op te bouwen, en deze mooie en zachte meesters waren daarover gekomen, die door besprenging des waters, dat is, doopende, discipelen tot hun sekte trokken. Zoo dan, Paulus laat hun dien eeretitel toe, en betuigt, dat hij met den last en de zwarigheid des paks tevreden is.
Niet in wijsheid der woorden. Dit is een vóórkoming, waarmede hij tweeërlei tegenwerping wederlegt. Want deze geveinsde leeraars mochten tegenwerpen, dat Paulus, die met geen welsprekendheid begaafd was, spottelijk roemt, dat het leerambt hem bevolen was; daarom zegt hij, dat hij niet is een redenaar geboren, die op sierlijkheid der woorden zou roemen, maar een dienaar des Geestes, die door een gemeene en ongeleerde wijze van spreken, al de wijsheid der wereld overwonne en onderwierpe. Nu, opdat niemand mocht zeggen, dat hij even zoowel door de prediking, als anderen door den doop eer zocht, zoo antwoordt hij met korte woorden: dewijl die wijze der leer, die hij gebruikt, verre is van alle sierlijkheid, en geenerlei eerzoeking uitgeeft, zoo kan daarop zulk kwaad vermoeden niet vallen. En hieruit (zoo mij mijn meening niet bedriegt) kan men licht verstaan, welke de voornaamste grond en zaak dezer handeling zij, die Paulus had tegen de ongetrouwe dienaren der Corinthiërs: te weten, dewijl zij met eergierigheid opgeblazen waren, zoo hebben zij zichzelven door sierlijkheid der woorden, en door eenen schijn der menschelijke wijsheid opgepronkt. Uit dit groot kwaad volgen ook twee andere dingen, te weten, dat de eenvoudigheid des Evangelies door deze bewimpelingen mismaakt werd, en Christus als met een nieuwe en vreemde gedaante bekleed, zoodat de zuivere en rechte kennis van Christus niet gezien werd. En dat, dewijl der menschen gemoed tot schoonheid en sierlijkheid der woorden, en tot scherpzinnige redeneering, tot ijdelen schijn eener hooger leer gewend was, de krachtige werking des Geestes verdween, en niet anders bleef dan de doode letter; de majesteit Gods werd in het Evangelie niet gezien, gelijk zij in
1 CORINTHE 1 : 17.
het Evangelie verschijnt, maar alleen een bedriegelijk bestrijksel en een onvruchtbare versiering. Zoo dan, om deze verdervingen des Evangelies te bestraffen, komt Paulus hier tot de wijze zijner prediking, welke hij betuigt recht en behoorlijk te zijn, hoewel zij nochtans gan-schelijk streed tegen hun eerzoekende oppronking, alsof hij zeide: Ik weet wel, hoezeer deze uwe teedere opgesmukte leeraars zichzelven vleien door hun grootsprekendheid, maar ik beken niet alleen, maar roem ook, dat mijn prediking geweest is in ongeschikte en grove, en ongesierde wijze van spreken. Want alzoo behoorde het te zijn, en deze wijze is mij van God bevolen. Wijsheid der woorden noemt hij niet alleen een onnutte en gemaakte babbeling, maar ook de ware welsprekendheid, welke gelegen is in voorzichtige uitvinding der dingen, vernuftige ordening en sierlijkheid der woorden. Hij betuigt niet alleen, dat deze welsprekendheid bij hem niet geweest is, ja ook wat meer is, dat zij zijner prediking noch nut, noch bekwaam geweest is.
Opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde. Gelijk hij boven zoo dikmaals den naam van Christus tegen het hoovaar-dig vleesch heeft gesteld, alzoo brengt hij nu ook het kruis van Christus voort, om alle hoogmoedigheid en hoogheid neder te werpen. Want de gansche wijsheid der geloovigen is in het kruis van Christus besloten: en wat mag verachtelijker zijn dan het kruis. Daarom, zoo wie waarlijk voor God wijs wil zijn, die moet tot deze nederheid des kruises dalen: dit zal niet geschieden, tenzij hij eerst zichzelven van zijn eigen gevoelen en van alle wijsheid der wereld afkeere. Maar Paulus leert hier niet alleen hoedanig de discipelen van Christus behooren te zijn, en wat wijze men behoort te houden om geleerd te worden, maar ook welke de wijze is om anderen te leeren in de school van Christus. Hij zegt, het kruis van Christus zou verijdeld geweest zijn, ware mijn prediking met welsprekendheid en opschik versierd geweest. Het kruis van Christus stelt hij hier voor de weldaad der verlossing, welke van den ge-kruisten Christus moet verkregen worden. De leer des Evangelies, welke ons daartoe roept, moet de smaak der natuur des kruises hebben, te weten, dat zij meer veracht en verworpen is dan geëerd. Zoo is dan de zin: had Paulus philosophische scherpzinnigheid en de kunst der welsprekendheid gebruikt bij de Corinthiërs, de kracht des kruises van Christus, in welke de zaligheid der menschen gelegen is, ware begraven geweest, want zij kan door dit middel niet tot ons komen. Hier worden twee dingen gevraagd, te weten, ot Paulus de wijsheid der woorden ganschelijk veroordeelt, alsof zij tegen Christus ware? Insgelijks: of hij verstaat, dat de leer des Evangelies en welsprekendheid zoozeer tegen elkander strijden, dat zij nimmermeer kunnen overeenkomen: en dat de verkondiging des Evangelies geschonden wordt, zoo zij met eenige welsprekendheid versierd wordt ? Ik antwoord op het eerste, dat het zeer tegen de rede zou zijn, dat Paulus die kunsten ganschelijk zou veroordeelen, die zonder twijfel uitnemende gaven Gods zijn, door welke de menschen als door goede instrumenten, tot goede gebruiken geholpen worden. Daarom, gelijk de kunsten, die niet bijgeloovig zijn, maar de ware geleerdheid vervatten, en op zekeren grond steunen, nuttig en bevorderlijk zijn aan het gemeene leven der menschen, alzoo zijn zij zonder twijfel van den Heiligen Geest gekomen; en
28
â
1 CORINTHE 1 : 17. 29
en die nuttigheid, die daaruit verkregen en gevoeld wordt, moet men
les niemand anders dan Gode toeschrijven. Daarom, wat Paulus hier
ig, zegt, moet men niet opvatten als lastering der kunsten, alsof zij
m- de godzaligheid tegenstonden. De andere vraag heeft wat meer
le: zwarigheid: want hij zegt, dat het kruis van Christus verijdeld wordt,
en zoo daar eenige wijsheid der woorden toe gebruikt wordt. Ik ant-
,ar woord, dat men moet aanmerken wie Paulus hier aanspreekt. De
^e, ooren der Corinthiërs jeukten door dwaze begeerte naar grootspre-
jn, kerij: daarom moest men ze boven anderen tot nederheid des
en kruises terugroepen, opdat zij mochten leeren den naakten Christus
ok en het eenvoudige Evangelie zonder valsche bestrijking aan te nemen,
ng Evenwel ik beken, dat deze waarheid eenigszins algemeen geldend
lij is, dat het kruis van Christus verijdeld wordt, niet alleen door
;st wereldsche wijsheid, maar ook door sierlijkheid der woorden. Want
ie- de verkondiging van den gekruisten Christus is eenvoudig en naakt, daarom behoort zij door geen versiering der woorden verduisterd
jk te worden. De eigenschap des Evangelies is, de wijsheid der wereld
ir- alzoo te dwingen, dat wij ons eigen gevoelen verlatende, ons alleen
in leerzaam bewijzen, en niet meenen, noch ook begeeren iets anders
:r- te weten, dan de Heere zelve leert. Van de wijsheid des vleesches
in rfioeten wij terstond breeder handelen, hoe zij tegen Christus strijdt;
is, van de welsprekendheid wil ik hier met korte woorden zeggen, zoo-
ze veel de plaats eischt. Wij zien, dat God het van den beginne alzoo
lij verordend heeft, dat het Evangelie zonder alle hulp der welspre-
sr kendheid zou toegediend worden. Die der menschen tongen maakt
ie om wel te spreken, zou Die niet kunnen welspreken, zoo Hij wilde ?
rt hoewel Hij kon, zoo heeft Hij nochtans niet gewild. Waarom Hij
m niet gewild heett, vind ik voornamelijk in twee redenen: De eerste
is is, omdat de majesteit zijner waarheid in ongeleerde en ongesierde
et woorden te klaarder zou gezien worden, en omdat de kracht des
is Geestes alleen zonder uitwendige behulpselen in der menschen
e- harten zou doordringen. De tweede is, omdat Hij onze gehoor-
s, zaamheid en leerzaamheid te beter zou beproeven, en ons ook mede
;s tot ware vernedering onderwijzen, want de Heere laat alleen de
d. kleinen in zijn school komen. Daarom zijn die eerst tot de hemelsche
:n wijsheid nut, die met de verkondiging des kruises, die naar den uit-
it wendigen schijn verwerpelijk is, tevreden zijn, en geen bestreken
s- Christus begeeren. Daarom moest de leer des Evangelies tot dit
ït einde gematigd worden, opdat de geloovigen van alle grootschheid en hoogheid zouden afgetrokken worden. Maar wat zou het zijn,
:ij of heden iemand wat sierlijker sprekende, de leer des Evangelies
;s door welsprekendheid versiert: zal men hem daarom moeten ver-
it werpen, alsof hij ze besmette, of de eer van Christus verduisterde?
;s Ik antwoord ten eerste, dat de welsprekendheid niet strijdt tegen
d de eenvoudigheid des Evangelies, zoover zij die niet alleen niet
e verwerpt, maar ook haar onderwerpt, en gelijk een dienstmaagd haar
i, vrouw dient. Want gelijk Augustinus zegt: Die Petrus den visscher
e gegeven heeft, die heeft ook Cyprianus den redenaar gegeven;
waarmede hij te kennen geeft, dat zij beiden van God zijn, hoewel
i, de een die veel grooter in waardigheid is, zonder eenige gave der
i, welsprekendheid is, en de ander, die aan diens voeten zit, in den
i, lof der welsprekendheid uitnemend is. Zoo is dan deze welsprekend-
n heid niet te veroordeelen, noch te verachten, die niet dient om de
1 CORINTHE 1 ; 17â19.
Christenen in de uitwendige sierlijkheid der woorden te houden, door ijdele behagelijkheid dronken te maken, door haar lustig klinken de ooren te slaan, en door haar opschik als door bewimpeling het kruis van Christus te verduisteren, maar meer ons tot de natuurlijke eenvoudigheid des Evangelies terug te roepen, zoodat zij, zichzelve vanzelf onderwerpende, de eenige verkondiging des kruises verheffe; en eindelijk, dat zij gelijk eens uitroepers ambt bediene, om bij die visschers en ongeleerden gehoor te verkrijgen, die geen gave hebben anders dan de krachtige werking des Geestes. Bovendien antwoord ik, dat de Geest Gods ook zijn welsprekendheid heeft, maar die is zoo, dat zij meer met natuurlijke en eigen, of beter inwendige (gelijk zij spreken) sierlijkheid klaar is, dan met uitwendig aangenomene versiering. Zulke welsprekendheid hebben de profeten, voornamelijk Jesaja, David en Salomo. Hiermede was ook Mozes besprengd; ja, ook in de geschriften der apostelen, hoewel zij minder sierlijk zijn, glinsteren nochtans somtijds eenige spranken hiervan. Zoo dan, de Geest Gods betaamt dusdanige welsprekendheid, die niet is opgeblazen met ijdele versiering, noch die ijdel geluid slaat, maar die grondig en krachtig is, en meer oprechtheid dan sierlijkheid heeft.
18 Want het woord des kruises. In het eerste lid van dit vers is een toelating: want dewijl men lichtelijk had kunnen tegenwerpen, dat het Evangelie alom veracht zal worden, zoo het alzoo naakt en nederig voortgebracht wordt, zoo laat Paulus dit met opzet toe: maar als hij daarbij stelt, dat dit geschiedt van degenen, die vergaan, zoo geeft hij te kennen, dat men niet op derzulker oordeel staan moet. Want wie zou het Evangelie willen versmaden, om dit loon te hebben, dat hij verloren zou zijn. Zoo is dan deze zin aldus te verklaren: Hoewel het woord des kruises (dewijl het door aanprijzing der menschelijke wijsheid niet aangenaam is) van degenen, die verderven, voor dwaasheid wordt geacht, zoo geeft nochtans de wijsheid Gods ons daarin haren schijn. Hij hekelt hier bedekt het verkeerde oordeel der Corinthiërs, die, dewijl zij zichzelven lichtelijk door sierlijkheid en opschik der woorden van de valsche apostelen lieten aanlokken, van Paulus, den apostel, die met mogendheid Gods begaafd was, walgden alleen daarom, dat hij gan-schelijk bezig was in Christus te prediken. Voorts, hoe het woord des kruises de mogendheid Gods is tot zaligheid, hebben wij gezegd Rom. 1 : 16.
19 Want daar is geschreven. Hij bevestigt nog beter met het getuigenis van Jesaja, hoe ongeschikt het is, dat de waarheid des Evangelies met dit vooroordeel bezwaard wordt, omdat de wijzen der wereld haar niet alleen versmaden, maar ook bespotten. Want het is openbaar uit de woorden van den profeet, hoe hun gevoelen ganschelijk niet geacht wordt bij God. Deze plaats is genomen uit Jesaja 29; 14, waar de Heere verkondigt, dat Hij de geveinsdheid des volks met zulke straf zal wreken, te weten, dat de wijsheid van de wijzen zal vergaan, enz. En de toepassing op de tegenwoordige zaak is dusdanig; Het is niet nieuw, noch ongewoon, dat de men-schen, die anders schijnen in wijsheid uitnemend te zijn, zoo verkeerdelijk oordeelen: want de Heere pleegt alzoo dier hoovaardig-heid te straffen, die op hun eigen vernuft betrouwende, zichzelven en anderen leidslieden willen zijn. Alzoo heeft Hij voortijds onder
30
r
1 CORINTHE 1 : 19, 20. 31
den, het Israëlietische volk dier menschen wijsheid teniet gemaakt, die din- de leiders en voorgangers des volks waren. Zoo dit in dat volk ling geschied is, over wiens wijsheid de heidenen zich moesten ver-na- wonderen, wat zal dan den anderen geschieden? Maar het betaamt zij, ons nochtans de woorden van den profeet met de woorden van ises Paulus te vergelijken, en de gansche zaak nader te onderzoeken. ;ne. Hoewel de profeet zegt, de wijsheid zal vergaan, en de voorzichtig-een heid zal verdwijnen: welke woorden Paulus aldus verandert, duidende 'en- dezelve op Gods persoon: Ik zal de wijsheid der wijzen verder-leid ven enz., zoo komen zij nochtans in den zin wel overeen. Want jen, dit is het groote wonderbare werk, 'twelk God betuigt, dat Hij zal met doen, waardoor zij allen zouden verslagen worden. Zoo vergaat dan ben de wijsheid, doch wanneer de Heere ze verderft; de wijsheid verwas dwijnt, doch wanneer de Heere ze uitwischt. Het tweede woord, ccSstsTi/, toe- hetwelk Erasmus overgezet heeft verwerpen, dewijl het meer dan liga ééne beteekenis heeft, en somtijds genomen wordt voor uitdoen of vel- uitwisschen, wil ik liever hier in die beteekenis nemen, verdwijnen die of bedekt worden, opdat het overeenkome met het woord des :ht- profeten. Evenwel dit was mij een sterker reden, dat het woord verwerpen tot de zaak niet diende, gelijk men terstond zal zien. 'efs Laat ons dan den zin aanmerken. Voorwaar de profeet heeft niet )en, anders willen zeggen, dan dat daar geen regeerders zullen wezen, 0:10-akt die een behoorlijke wijze der regeering zullen weten, want de Heere oe; zal ze van gezond oordeel en verstand berooven. Want gelijk Hij 'er- ergens het gansche volk dreigt met verblinding, alzoo dreigt Hij leel hier de oversten en regeerders, wat zooveel is als de oogen uit het dit lichaam uitsteken. Hoe het zij, hier rijst groote zwarigheid, omdat dus deze woorden, wijsheid en voorzichtigheid, bij Jesaja in een goe-an- den zin worden genomen en Paulus gebruikt ze hier in een kwaden: len, alsof de wijsheid der menschen van God als boos veroordeeld wordt, ans en dat de voorzichtigheid verworpen wordt, omdat zij enkel ijdelheid ekt is. Ik beken wel, dat het in 't algemeen alzoo uitgelegd wordt; i'en maar dewijl het zeker is, dat de getuigenissen des Heiligen Geestes :he van de apostelen niet verdraaid worden tot een anderen zin, zoo no- wil ik liever van het gemeen gevoelen der uitleggers afwijken, dan an- Paulus valschheid opleggen. En de rechte en natuurlijke zin van Drd den profeet komt met de meening van Paulus niet kwalijk overeen, ge- Want zoo ook de allerwijsten onwijs zijn, wanneer de Heere zijnen Geest wegneemt, wat geloof zal men dan der wijsheid der menschen het geven ? Bovendien, dewijl dit de gewone wrake Gods is, die met 3es blindheid te slaan, die op hun eigen gevoelen staande, veel te wijs ier zijn bij zichzelven, zoo is het geen wonder, indien vleeschelijke het menschen, als zij tegen God opstaan, om zijn eeuwige waarheid len aan hunne lichtvaardigheid te onderwerpen, dwaas worden en in uit hunne gedachten verdwijnen. Nu zien wij hoe bekwamelijk Paulus sid dit getuigenis gebruikt. Jesaja verkondigt, dat dit een straf Gods 'an zal wezen tegen allen, die God met hunne gedichtselen gediend ige hebben, te weten, dat de wijsheid van hunne wijzen zal verdwijnen; sn- en Paulus heeft dit getuigenis van Jesaja voortgebracht, om te beer- wijzen, dat de wijsheid dezer wereld ijdel en van geener waarde is, ig- als zij zich tegen God verheft.
en 2o Waar is de wijze? waar is de schrijver? Deze vragen,
Ier waarmede Paulus de wereldsche wijsheid bespot, zijn hierbij gesteld
I
1 CORINTHE 1 : 20.
om dit getuigenis van den profeet te verklaren. Want Paulus heeft deze uitspraak niet uit Jesaja voortgebracht, gelijk de algemeene meening is, maar hij spreekt hier in zijn eigen persoon. Want die plaats, Jesaja 33 ; 18, die hier gemeenlijk aangeteekend wordt, heeft niets gelijks of verwants met de tegenwoordige zaak. Want dewijl de profetie daar den Joden verlossing belooft van Sanheribs juk, zoo heeft hij om zoo groote weldaad Gods te beter te verheffen, daar ook verhaald, hoe ellendig hun staat is, die door vreemde tirannie verdrukt worden. Hij zegt, dat zij door gedurige benauwdheid branden, als zij denken, dat de schrijvers, betaalmeesters, schatmeesters en fouriers altijd om hen heen zijn. Ja, hij zegt ook, dat de Joden met zulke benauwdheden zijn bevangen geweest, opdat zij door de gedachtenis daarvan tot dankbaarheid zouden verwekt worden. Zoo heeft men dan valschelijk geloofd, dat deze uitspraak uit den profeet is genomen Het woord dezer wereld, moet niet alleen aan het laatste woord, maar ook aan de andere twee woorden toegevoegd worden. En hij noemt die wijzen dezer wereld, die niet wijs zijn uit het Woord Gods door den Heiligen Geest verlicht zijnde; maar die alleen wereldsche scherpzinnigheid hebbende, daarop betrouwen. Het woord, waarvoor wij stellen schriftgeleerde, wordt gewoonlijk voor leeraars genomen. Want dewijl het Hebreeuwsche woord saphar beduidt verhalen, vertellen, en het woord sepher, dat daarvan afgeleid wordt, een boek beduidt, zoo noemen zij de geleerde mannen, die de boeken hanteeren, sapharim. Om die reden wordt dikmaals des konings kanselier of secretaris sopher genoemd. De Grieken, de afleiding van het Hebreeuwsche woord navolgende, hebben overgezet schrijver. Disputeerders of onderzoekers, noemt hij zeer bekwamelijk hen, die in het oplossen van zwarigheden en ingewikkelde vraagstukken hun scherpzinnigheid toonen. Alzoo maakt hij het gansche menschelijk vernuft teniet, zoodat het niets geldt in het rijk Gods. En het is niet zonder oorzaak, dat hij zoo heftig tegen der menschen wijsheid oprijst. Want het is niet te zeggen, hoe moeilijk het valt, het valsch betrouwen des vleesches uit der menschen harten uit te roeien, dat zij zichzelven niet te veel toeschrijven. En het is te veel, indien zij ook maar het allerminste op hun eigen wijsheid betrouwende, uit zichzelven durven oordeelen.
Heeft God niet de wijsheid. Hier verstaat hij door wijsheid, al wat de mensch kan begrijpen, zoowel door natuurlijk vermogen des vernufts, als door bevinding, geleerdheid en wetenschap der kunsten. Want de wijsheid der wereld stelt hij tegen de wijsheid des Geestes. Daarom alle verstand, dat in den mensch kan vallen zonder de verlichting des Geestes, wordt onder de wijsheid dei-wereld begrepen. En hij zegt, dat deze geheel door God dwaas is gemaakt, dat is, tot dwaasheid gedoemd. Versta, dat dit geschiedt op tweeërlei wijze. Want het is enkel ijdelheid, al wat de mensch weet en verstaat, tenzij het door de waarachtige wijsheid bevestigd worde: en het geldt niets meer om de geestelijke leer te verstaan, dan eens blinden oogen om de kleuren te onderscheiden. Men moet deze beide dingen naarstig aanmerken, te weten, dat de wetenschap van alle dingen enkel rook is, wanneer de hemelsche wetenschap van Christus er niet bij is, en dat de mensch met al zijn scherpzinnigheid even stompzinnig is om uit zichzelven de verborgenheden Gods te verstaan, als een ezel is om muziek te leeren.
32
1 CORINTHE 1 ; 20, 21. 33
Want aldus wordt de verderfelijke hoovaardigheid van hen berispt,
die op de wijsheid der wereld alzoo roemen, dat zij Christus en de gansche leer der zaligheid verachten, zichzelven gelukkig achtende,
zoo zij op de creaturen staan, en wordt de hoogmoed dier men-schen gestraft, die op hun eigen vernuft betrouwende, zoeken tot in den hemel door te dringen. Hier wordt tegelijk ook de vraag
I opgelost, hoe het komt, dat Paulus hier alle wetenschap, die buiten Christus is, alzoo ter aarde werpt, en als met voeten vertreedt, opgelost, hoe het komt, dat Paulus hier alle wetenschap, die buiten Christus is, alzoo ter aarde werpt, en als met voeten vertreedt,
: dewijl vaststaat, dat zij de voornaamste gave Gods in deze wereld is.
Want wat is er edeler dan de rede des menschen, waardoor de mensch boven alle andere dieren uitmunt. Wat groote prijs zijn de vr.'je kunsten waardig, die de menschen alzoo beschaven en polijsten, dat zij waarlijk menschelijk en beleefd worden? En bovendien,
hoe vele en uitnemende vruchten brengen zij voort? Wie zou de rechtsgeleerdheid, waardoor steden, vorstendommen en koninkrijken onderhouden worden, niet zeer hoogelijk prijzen, om van andere stukken te zwijgen. De oplossing van deze vraag, zeg ik, is daaruit zeer klaar, dat Paulus des menschen natuurlijke scherpzinnigheid,
of wijsheid en voorzichtigheid, door gebruik en bevinding verkregen,
of de sierlijkheid des vernufts uit de letterkunsten gehaald, niet eenvoudig veroordeelt, maar zegt, dat dit alles van geen gewicht is om geestelijke wijsheid te verkrijgen. En voorwaar het is uitzinnigheid, als iemand op zijn eigen scherpzinnigheid of geleerdheid vertrouwende, in den hemel wil vliegen, dat is over de heimelijke verborgenheden Gods oordeelen, of tot de kennis daarvan doorbreken,
want zij zijn voor der menschen verstand verborgen. Laat ons dus opmerken, dat wat Paulus hier van de ijdelheid der menschelijke wijsheid leert, op de omstandigheid der tegenwoordige handeling moet geduid worden, te weten; dat zij in de elementen der wereld blijft, en niet raakt tot den hemel. Anders is dit ook waarachtig, dat buiten Christus de wetenschap van alle dingen ijdel is, en dat de mensch ijdel is, die, met allerlei geleerdheid begaafd, God niet kent. Ja men mag zelfs met waarheid zeggen, dat deze uitnemende gaven Gods, als daar zijn, goed verstand, scherpzinnig oordeel,
vrije kunsten, wetenschap der talen, eenigszins ontheiligd worden,
wanneer zij in goddelooze menschen vallen.
21 Want dewijl in de wijsheid Gods de wereld God niet heeft Matt. 11:25. gekend door de wijsheid, zoo heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking de geloovigen zalig te maken.
22 Dewijl de Joden teekenen begeeren, en de Grieken wijsheid Msm. 12; 39; zoeken. Joh. 4; 48.
23 En wij verkondigen Christus, die den Joden eene ergernis, en Joli.fi:co, oo. den Grieken eene dwaasheid is.
24 Maar dengenen, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken (prediken wij) Christus, de mogendheid Gods en de wijsheid Gods. Co1- 2:3-
25 Want de dwaasheid Gods is wijzer dan de menschen, en de zwakheid Gods is sterker dan de menschen.
2i Want dewijl in de wijsheid. Dit was voorwaar de rechte en behoorlijke orde, dat de mensch door het aangeboren licht van zijn vernuft, de wijsheid Gods in zijne werken aanschouwende, tot ken-
Di. n. 3
34 1 CORINTHE 1 : 21.
nis van Hem kwam. Maar dewijl deze orde door des menschen boos-l heid verkeerd is, zoo wil God ons eerst in onszelven verdwazen f voordat Hij ons tot zaligheid onderwijst. Bovendien biedt Hij om-I een beeld der dwaasheid voor een getuigenis zijner wijsheid aan. Dezel verandering heeft der menschen ondankbaarheid verdiend. De wijsf heid Gods noemt hij het schepsel der gansche wereld, hetwelk eerfi schitterende proeve en klaar bewijs zijner wijsheid is. Zoo stelt dah God een helderen spiegel zijner wijsheid in zijne creaturen voor, zoodat elk, die de wereld en andere werken Gods aanschouwt, noodwendig, zoo hij ook maar e'e'n vonk gezond oordeel heeft, tot Deszelven lof en verwondering moet uitbreken. Ware het, dat de menschen door het aanschouwen der werken Gods, tot de rechte kennis gebracht werden, zoo zouden zij wijselijk God leeren kennen zelfs door natuurlijke en eigene wijze van wijs zijn. Maar dewijl het der gansche wereld niet voordeelig geweest is tot onderwijzing, dat God zijn wijsheid in de creaturen bewezen heeft, zoo is hij daarna eenen anderen weg gegaan om de menschen te leeren. Alzoo is het aan onze ondeugd toe te schrijven, dat wij de zaligmakende kennis Gods niet verkrijgen, voordat wij van ons eigen gevoelen verijdeld zijn. Het is een wijze van toegeving, dat hij het Evangelie noemt dwaasheid der prediking, welke naar den schijn zoodanig geacht wordt door die wijze dwazen, die dronken door valsch betrouwen, zich niet schamen om de heilige waarheid Gods aan hun onverstandig oordeel te onderwerpen. En voorwaar, daar is niets, dat voor de menschelijke rede ongelooflijker is, dan dat God sterfelijk is, dat het leven aan den dood onderworpen is, dat de rechtvaardigheid met de gelijkenis der zonde bedekt, en de zegening aan de vervloeking onderworpen is, opdat de menschen op die wijze van den dood verlost, en de zalige onsterfelijkheid deelachtig worden, opdat zij het leven verkrijgen, opdat de zonde weggenomen wordt, en de rechtvaardigheid regeere, opdat de dood en vloek verslonden worde. Ondertusschen weten wij desniettemin, dat het Evangelie een verborgen wijsheid is, die met haar hoogheid de hemelen te boven gaat, en bij welke ook de engelen verbaasd staan. Dit is een zeer schoone plaats, waaruit het openbaar is, hoe groot de blindheid van het menschelijk vernuft is, welke midden in het licht niet ziet. Want het is waar, dat deze wereld gelijk is aan een schouwspel, waarin de Heere ons een gedaante zijner heerlijkheid laat zien, en hoewel zulk een schouwspel voor onze oogen open staat, zoo zijn wij nochtans blind, niet omdat de openbaring duister is, maar omdat wij van verstand beroofd zijn, en niet alleen de wil, maar ook de macht ons tot deze zaak ontbreekt. Want hoewel God Zich openlijk vertoont, zoo kunnen wij Hem toch niet anders dan met het oog des geloofs aanschouwen, uitgenomen dat wij een kleine proeve zijner Godheid krijgen, welke maakt, dat wij niet te verontschuldigen zijn. Zoo dan, als Paulus hier ontkent, dat God uit de creaturen kan gekend worden, versta dit zoo, dat geene zuivere kennis van Hem daaruit verkregen kan worden. Want om allen menschen het voorwendsel der onwetendheid te benemen, zoo maken zij in de algemeene school der natuur zulken voortgang, dat zij eenig gevoelen der Godheid verkrijgen: maar hoedanig God is, weten zij niet; ja, zij worden terstond ijdel in hunne gedachten: zoo schijnt het licht in de duisternis. Zoo volgt dan hieruit, dat de menschen niet uit bloote
1 CORINTHE 1 : 21â23. 35
os-B onwetendheid dwalen, maar dat zij ook aan verachting, onacht-erl 1 zaamheid en ondankbaarheid schuldig zijn. Opdat dit vervuld worde,
)n'l dat wel alle menschen God gekend, maar Hem nochtans geen eere Koro-i:21-;zef gegeven hebben: wederom, dat nooit iemand door de leiding der 'jsT natuur zoover gekomen is, dat hij God leerde kennen. Zoo iemand erA ons hier de philosophen voor de voeten werpt, zoo antwoord ik,
an dat in hen voornamelijk een uitstekend bewijs van deze onze zwak-heid gezien wordt. Want niemand van hen zal gevonden worden,
die uit dezen grond en dit beginsel der kennis, waarvan ik ge-ot sproken heb, niet terstond tot ongestadige en dwalende bespiege-de lingen vervallen is: doch verre de meesten van hen raaskallen meer 'te dan oudwijfsch manier. Dat hij zegt, de geloovigen zaligmaken, en komt overeen met de bovenvermelde uitspraak, dat het Evangelie Kom-1; 1C-et een mogendheid Gods tot zaligheid is. En stelt hij de geloovigen, wier 'g. getal klein is, tegen de blinde en stompzinnige wereld, zoo ver-rij maant hij, dat wij ons ten onrechte aan de kleinheid des getals 'o stooten, dewijl zij door God tot zaligheid afgezonderd zijn.
Ie 22 Want de Joden begeeren. Dit is een verklaring der voor-
-n gaande uitspraak, te weten, hoe de verkondiging van het Evangelie |e dwaasheid gerekend wordt. Evenwel hij verklaart ze niet alleen, ig maar hij verheft ze ook, als hij zegt, dat de Joden niet alleen het s- Evangelie versmaden, maar ook verfoeien. De Joden, zegt hij, willen n het getuigenis der Goddelijke macht door mirakelen voor hunne it oogen hebben; en de Grieken begeeren dingen, die door den lof k der scherpzinnigheid aan het menschelijk vernuft behagen. Maar wij prediken den gekruisten Christus, in wien bij den eersten aanblik e niet anders dan zwakheid en dwaasheid gezien wordt. Zoo is Hij n dan den Joden een ergernis en aanstoot, daar zij Hem aanzien als i, van God verlaten: den Grieken staat het gelijk met een fabel, zulk t, een wijze der verlossing te hooren. Onder den naam Grieken, ver-n staat hij naar mijn oordeel, hier niet enkel de heidenen, maar hen,
n die in de vrije kunsten geoefend, of met hooger verstand begaafd n waren: hoewel door de wijze van spreken genoemd synecdoche r of woordverwisseling, ook alle anderen daaronder begrepen worden. i Tusschen de Joden en de heidenen maakt hij dit onderscheid, dat â de Joden, door verkeerden ijver voor de wet zich aan Christus i stootende, met volle uitzinnigheid raasden tegen het Evangelie (ge-1 lijk de geveinsden plegen, als zij voor hunne bijgeloovigheden strijden) ; en de Grieken, door hoogmoedigheid opgeblazen, versmaadden i Hem als dwaasheid en onwijsheid. Wat hij den Joden tot schande gt; rekent, dat zij begeerig waren naar teekenen, vloeit niet daaruit , ; voort, alsof het op zichzelf kwaad ware teekenen te begeeren: maar i hij berispt hen, dat zij zonder ophouden mirakelen begeerende. God 1 eenigszins aan hun goeddunken wilden onderwerpen, dewijl zij naar
hun grof verstand Hem als in klare mirakelen wilden tasten; en dat zij, dewijl zij op de mirakelen bleven staan, plomp en onverstandig werden; eindelijk, dat hun geen mirakelen genoeg waren, maar dat zij dagelijks nieuwe zochten. Want Hiskia wordt niet berispt, dat hij zich 1'J:29' gaarne door een teeken heeft laten bevestigen, en zelfs Gideon niet, Hicut. B:i3. omdat hij dubbel teeken begeerd heeft. Wat meer zegt, Achas werd Jes-7:12-gestraft, omdat hij het teeken weigerde, dat hem door den profeet aangeboden was. Wat hebben dan de Joden gezondigd, als zij teekenen begeerden ? Immers, dit was hunne zonde, dat zij ze tot geen goed
1 CORINTHE 1 : 23â25.
einde begeerden, geen maat hielden, en ze ook niet wel gebruikten. Want daar het geloof door de mirakelen moet geholpen worden, zochten zij alleen dit, hoe zij in hun ongeloof mochten blijven. En daar het ongeoorloofd is, Gode een wet of regel te stellen, waren zij dartel, door zonder ophouden en onbehoorlijk mirakelen te be-geeren. Daar de mirakelen ons tot de kennis van Christus en tot de geestelijke genade moeten leiden, strekten zij hun tot verhindering. Hierom straft Christus ze ook zelf, zeggende: Dit verdraaid Mark.s: ia. geslacht zoekt een teeken. Want hun zucht en doldriftig begeeren naar teekenen had geen maat en zoo dikwerf zij teekenen verkregen, kwam er geen vrucht uit.
24 Beiden Grieken en Joden. Met deze tegenstelling bewijst hij, dat het niet door zijn schuld, noch door den algemeenen aard der menschen komt, dat Christus zoo kwalijk ontvangen wordt: maar dat het is door verdraaidheid van hen, die door God niet verlicht zijn: dewijl Gods uitverkorenen, beiden uit de Joden en heidenen, door geen ergernis, noch aanstoot verhinderd worden tot Christus te komen, om in Hem zekere zaligheid te vinden. De mogendheid stelt hij tegenover de ergernis, die uit zwakheid ontstond, en de wijsheid tegenover de dwaasheid. Zoo is dan dit de slotsom van zijn betoog: Ik weet, dat de hardnekkigheid der joden niet bewogen wordt dan door teekenen, en dat de hoogmoedigheid der Grieken niet kan gestreeld worden, dan door eenen ijdelen schijn der wijsheid. Maar wij moeten dit klein achten, ofschoon onze Christus door de nederheid van zijn kruis de Joden ergert, en door de Grieken bespot wordt: Hij is nochtans voor alle uitverkorenen, uit wat volk zij ook zijn, zoowel de mogendheid Gods tot zaligheid om deze ergernissen te overwinnen, als de wijsheid Gods om dezen ijdelen schijn der wijsheid te doen verdwijnen.
25 Want de dwaasheid Gods. Wanneer de Heere alzoo met ons handelt, dat Hij schijnt dwaasheid te doen, omdat Hij zijn wijsheid niet openbaart, zoo gaat nochtans wat dwaasheid schijnt, alle menschelijk vernuft in wijsheid te boven. En als God door zijn mogendheid te verbergen, met zwakheid schijnt te handelen, zoo is nochtans die schijnbare zwakheid, sterker dan alle menschelijke kracht. Altijd moet men aanmerken, dat in deze woorden een concessie of toelating is, gelijk ik boven aangeroerd heb. Want het is niemand verborgen, hoe én dwaasheid e'n zwakheid Gode in on-eigenlijken zin wordt toegeschreven. Maar met zulke schimpwoorden moest de uitzinnige hoovaardigheid des vleesches wederlegd worden, welke zich niet ontziet God van al zijn heerlijkheid te berooven.
26 Ziet ') uwe roeping, broeders, dat niet vele wijzen naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen geroepen zijn.
27 Maar de dwaze dingen der wereld heeft God uitverkoren, om de wijzen te beschamen; en de zwakke dingen der wereld heeft God uitverkoren, om de sterke te beschamen.
28 En de onedele eu verachte dingen der wereld heeft God uitverkoren, en de dingen, die niet waren, om die, die waren, teniet te maken.
29 Opdat geen vleesch 2) voor God roeme.
80 Gij zijt uit Hem in Christus Jezus, die ons geworden is wijs-
36
1) Of. gij ziet.
Joh. 7 : 48; 12: 42.
Jak. 2:5.
2) Dat is, creatuur ol' menscli.
1 CORINTHE 1 ; 26, 27. 37
heid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en ver-Jer. 23; 5. lossing.
31 Opdat (gelijk geschreven is) Die roemt, roeme in den Heere. a'cór.io3;'i7.
Jes. 65:16.
26 Ziet uwe roeping. Dewijl dit Grieksche woord op tweeërlei wijze kan genomen worden, te weten, ziet of gij ziet: en de een zoowel met den zin overeenkomt als de ander, zoo laat ik den lezer vrij te lezen, zoo hij 't liefst wil: de zin blijft alleszins goed.
Want indien men leest: gij ziet, zoo neemt hij ze tot getuigen, als van een openbare zaak, en alsof hij ze tot een tegenwoordige zaak leidde: en indien men leest ziet, als bevelende, zoo wekt hij ze als uit eenen slaap op, om de zaak zelve in het oog te vatten. Het woord roeping, kan men nemen voor de menigte der geroepenen,
in dezen zin: Gij ziet hoedanigen God bij u geroepen heeft. Nochtans neig ik meer tot het gevoelen, dat hier de wijze der roeping beduid wordt: en het is een zeer krachtig argument, want daaruit volgt, dat zij, zoo zij de nederheid van het kruis versmaden, eenigszins hun roeping teniet maken, waarin de Heere deze maat en wijze gehouden heeft, dat Hij aan de menschelijke wijsheid, en macht, en eere, alles ontnomen heeft. Zoo beschuldigt hij hen dan bedektelijk van ondankbaarheid, omdat zij, de genade Gods en zich-zelven vergetende, van het Evangelie van Christus walgden. Evenwel moet men hier twee dingen aanmerken. Het eerste is, dat hij met het voorbeeld der Corinthiërs heeft willen bevestigen, dat het waarachtig is, wat hij gezegd heeft. Het ander is, dat hij hen heeft willen vermanen, om ganschelijk alle hoogmoedigheid af te leggen, indien zij de orde, die de Heere in hun roeping gehouden heeft, behoorlijk aanmerken. Hij heeft gezegd, dat God de wijzen en edelen beschaamt, en de dingen die zijn, teniet maakt, en dit beide zeer gepast; want de sterkheid en wijsheid verdwijnen, als zij beschaamd worden, en hetgeen een wezen heeft, dat moet teniet gemaakt worden. Hij verstaat de verkiezing der armen, dwazen en onedelen, dat God hen boven groote, wijze en edele menschen heeft verheven.
Want om de hoovaardigheid te bedwingen, was het niet genoeg, als God ze allen gelijk gemaakt had. Daarom heeft Hij hen achtergesteld, die schenen uitnemend te zijn, opdat Hij hen waarlijk tot onderwerping zou brengen. Doch iemand zou zeer onverstandig zijn, die hieruit besloot, dat God de heerlijkheid alzoo heeft nedergeworpen,
dat voor de groote en edele menschen de weg der zaligheid is toegesloten. Daar zijn sommige ongeschikte menschen, die onder dit voorwendsel niet alleen groote lieden beschimpen, alsof zij door God verworpen waren, maar versmaden ze ook in vergelijking van zichzelven. Maar wij zullen bedenken, dat dit tot de Corinthiërs gezegd is, die, hoewel zij in de wereld niet zoo hoog waren, nochtans zonder oorzaak zichzelven verhoovaardigden. Zoo dan, als God de sterke, wijze en groote menschen beschaamt, zoo wil Hij daarmede de kranke, onwijze en verworpene menschen niet tot hoovaardigheid verheffen, maar vernedert hen allen te zamen. Daarom zullen degenen, die in het oog der wereld verachtelijk zijn, aldus bij zichzelven denken: hoeveel ootmoed wordt van ons geëischt, dewijl zelfs degenen, die voor de wereld geëerd zijn, niets behouden r Indien de glans der zon verdoofd wordt, wat zal den sterren geschieden? Indien het licht der sterren uitgebluscht wordt, wat zal
1 CORINTHE 1 ; 27â30.
die dingen geschieden, die duister zijn? Dit zeg ik daarom, opdat ever
degenen, die door den Heere geroepen zijn, toen zij van geene van
waarde waren in de wereld, deze woorden van Paulus niet mis- is i
bruiken om zichzelven te verheffen, maar veelmeer met vrees en verl
ootmoedigheid, zorgvuldiglijk wandelen voor de oogen Gods, ge- maa
Rom. ii:2o. dachtig aan de vermaning van Paulus: Gij staat door het geloof, Goc
ziet toe, dat gij u niet verheft, maar vreest. Voorts, Paulus zegt hier E
niet, dat geene edelen of machtigen van God geroepen zijn, maar die,
dat weinigen geroepen zijn. De oorzaak wijst hij aan, te weten, tan:
opdat de Heere door de verachtelijken boven de grooten te ver- Zic
heffen, de heerlijkheid des vleesches zou teniet maken. Maar de- en
pk. 2:12. zelfde God vermaant door Davids mond de koningen, om Christus uit
i Tim. 2:4. te kussen, en verkondigt ook door den mond van Paulus, dat Hij Wa
wil, dat alle menschen zalig worden: en dat zijn Christus aan allen, de
kleinen en grooten, koningen en gemeene menschen is voorgesteld. en
Van deze zaak heeft hij bewijs gegeven; Daar worden tot Christus spr
geroepen ten eerste, herders, doch ook wijsgeeren; ongeleerde en vai
verachte visschers hebben de heerlijkste plaats; doch daarna worden he:
in hunne school koningen en derzelver raadsheeren, schepenen en wij
redenaars aangenomen. vo
28 Die dingen, die. Zulke woorden gebruikt hij ook in den brief bu aan de Romeinen, hfdst. 4: 17, maar in een anderen zin. Want dewijl da hij daar de algemeene roeping der godzaligen beschrijft, zoo zegt zij hij, dat wij niets zijn, eer wij geroepen worden: hetwelk te verstaan Te is van de waarheid voor God, hoewel wij wat schijnen te zijn in dc de oogen der menschen; maar hier is de nietigheid, waarvan hij H spreekt, naar der menschen meening te verstaan, hetwelk blijkt uit za het tegenovergestelde lid, waar hij zegt dat het geschiedt, opdat re die dingen, die zijn, teniet worden. Want er is niets dan naar den g« schijn: want in der waarheid zijn wij allen niets. Zoo dan, die zijn, C dat is, die schijnen te zijn: opdat deze plaats overeenkome met de d;
ps. na;7. volgende Schriftplaatsen: De armen richt Hij op uit den drek; de h(
i's. 14«:8. verworpenen verheft Hij in de hoogte; en dergelijke. Hieruit is het 0(
openbaar, hoe vreeselijk onverstandig zij zijn, die meenen, dat in g1
den mensch eenige verdienste of waardigheid is, die de verkiezing d
Gods vóórgaat. k
29 Opdat geen vleesch. Hoewel hier en in vele plaatsen der amp; Schrift onder het woord vleesch, alle menschen verstaan worden, u zoo heeft het nochtans te dezer plaats een zekere aanmerking: want b de Geest, door zoo verachtelijk van de menschen te spreken, be- h dwingt hunne hoogmoedigheid: gelijk Jes. 31:3, Het is Egyptisch e
joa. 31; 3. vleesch, en geen geest. En onze uitspraak verdient opmerking, te c
weten, dat ons niets gelaten wordt, waarop wij wezenlijk kunnen 1
roemen: daarom is er bijgesteld, voor God. Want voor de wereld \
kunnen velen een oogenblik tijds zich met ijdelen roem verheffen, f
maar die verdwijnt terstond gelijk rook; hoewel door dit woord, [
ook allen menschen, als zij voor Gods aanschijn komen, geboden : Hab. 2:20. worden te zwijgen, gelijk Habakuk zegt: Alle vleesch zwijge voor
des Heeren aanschijn. Daarom, al wat eenigen roem verdient, moet 1 men Gode toeschrijven.
30 Gij zijt uit Hem. Opdat zij zich niet vreemd rekenen van alles wat hier gezegd is, voegt hij nu hun toe: dewijl zij niet zijn dan uit God. Want er is klem en nadruk in het woord gij zijt:
38
1-
1 CORINTHE 1 : 30. 3Q
)dat even alsof hij zeide, uw begin hebt gij uit God, die met voorbijgaan
:ene van de dingen, die schijnen te zijn, roept die niet zijn. Uw wezen
nis- is in Christus gegrond, daarom hebt gij niets om er uzelven op te
en verhoovaardigen. En hij spreekt niet alleen van de schepping,
ge- maar ook van het geestelijke wezen, waartoe wij door de genade
oof, Gods wedergeboren worden.
lier Die ons van God geworden is. Dewijl men vele menschen vindt, iaar die, hoewel zij niet met voordacht van God willen afwijken, noch-ten, tans iets buiten Christus zoeken, even alsof Hij alleen niet alles in ^er- Zich zou bevatten, zoo somt hij op, met korte woorden, hoe vele de- en hoe groote schatten in Christus zijn: hetwelk hij mede doet, om ;tus uit te drukken welke de rechte wijze is om in Christus te rusten. Hij Want als hij Christus noemt onze rechtvaardigheid, zoo moet men en, de tegenstelling daaronder verstaan, dat in ons niets is dan zonde: ;ld. en evenzoo in de anderen. Hij geeft hier Christus vierderlei lof-tus spraak, waarin al zijne deugden, en alle goed, dat wij van Hem ont-en vangen, vervat zijn. Ten eerste zegt hij; Hij is ons geworden wijs-len heid, waardoor hij verstaat, dat wij de absolute volmaaktheid der en wijsheid in Hem hebben: dewijl de Vader in Hem Zich aan ons volkomenlijk geopenbaard heeft, opdat wij niets begeeren te weten ief buiten Hem. Een gelijke plaats vinden wij Col. 2 :3, waar hij zegt, rijl dat in Hem alle schatten der wijsheid en der kennis verborgen igt zijn: waarvan wij in het volgende hoofdstuk meer zullen zeggen, an Ten andere zegt hij: Hij is ons rechtvaardigheid geworden: waarin door hij verstaat, dat wij door Hem Gode aangenaam zijn, dewijl hij Hij door zijn dood onze zonden verzoend heeft, en zijn gehoor-,iit zaamheid ons tot rechtvaardigheid gerekend wordt. Want dewijl de at rechtvaardigheid des geloofs, in de vergeving der zonde, en in de sn genadige aanneming gelegen is, deze beide verkrijgen wij door n, Christus. Ten derde noemt hij heiligmaking, waardoor hij verstaat, le dat wij, die anders van nature onheilig zijn, door zijnen Geest tot le heiligheid wedergeboren worden om God te dienen. Waaruit wij et ook besluiten, dat wij niet om niet alleen door het geloof kunnen in gerechtvaardigd worden, zoo wij tegelijk niet heilig leven. Want ig deze genadeweldaden hangen als het ware met een onontbindbaren knoop samen, zoodat degene, die ze van elkander wil scheiden, r eenigermate Christus moet verscheuren. Daarom, wie door Christus , uit loutere goedheid Gods zoekt gerechtvaardigd te worden, die t bedenke, dat het niet kan geschieden, zonder dat hij Hem ook tot heiligmaking aanneemt; dat is, door zijnen Geest tot onschuldigheid h en zuiverheid des levens wedergeboren wordt. Degenen dan, die e ons lasteren, alsof wij door de genadige rechtvaardigheid des ge-n loofs te verkondigen, de menschen van de goede werken aftrekken, d worden door deze plaats genoegzaam wederlegd, die zegt, dat het i, ⢠geloof zoowel de wedergeboorte in Christus aangrijpt, als de ver-1, geving der zonden. Wederom moet men opmerken, dat deze twee i ambten van Christus zoo bijeengevoegd worden, dat nochtans r het een van het ander onderscheiden wordt: daarom moeten wij t die dingen, die Paulus bijname onderscheidt, niet verkeerdelijk vermengen. Ten vierde leert hij, dat Christus ons tot verlossing is i gegeven, waardoor hij verstaat, dat wij door zijne weldaad, zoowel i van alle dienstbaarheid der zonde, als van alle ellendigheid, die ; daaruit vloeit, verlost worden. Alzoo is de verlossing de eerste gave
1 CORINTHE 1 ;30, 31.
van Christus, die in ons begonnen wordt, en zij wordt het laatst voleindigd. Want dit is het begin der zaligheid, dat wij uit den doolhof der zonde en des doods getrokken worden: nochtans onder-tusschen zuchten wij door begeerte naar verlossing tot den laatsten dag der wederopstanding, gelijk wij lezen Rom. 8 : 26. Zoo iemand vraagt naar de wijze, hoe Christus ons tot verlossing is gegeven, zoo antwoord ik, omdat Hij Zichzelven tot een rantsoen gesteld heeft. Ten laatste zullen wij niet de helft, of een deel van alle goederen, die hier opgenoemd worden, maar ook de volheid in Christus zoeken. Want Paulus zegt niet, dat Hij ons is gegeven tot aanvulling of hulp der rechtvaardigheid, heiligheid, wijsheid en verlossing: maar hij schrijft de gansche kracht en vrucht van al deze dingen Hem alleen toe. En dewijl in de Schrift nauwelijks eene andere plaats gevonden wordt, die al de ambten van Christus zoo onderscheidenlijk beschrijft, zoo kan daaruit ook de kracht en de natuur des geloofs zeer wel verstaan worden. Want dewijl het geloof eigenlijk op Christus ziet, zoo heeft hij, die weet, welke de weldaden van Christus jegens ons zijn, ook geleérd wat het geloof is.
31 Die roemt, roeme. Ziedaar het einde, waarom God ons alles in Christus geeft, te weten, opdat wij niets aan onszelven, maar alles aan Hem toeschrijven. Want God berooft ons niet met het doel om ons naakt te laten, maar Hij bekleedt ons daarna met zijn heerlijkheid, nochtans onder deze voorwaarde, dat wij buiten onszelven gaan, zoo dikwijls wij willen roemen. In één woord, dat de mensch bij zichzelven tot niet gemaakt, en bekennende, dat nergens iets goeds dan in God alleen is, aflate zijn eigen eere te zoeken, en ganschelijk streve en arbeide om eenig en alleen de eere Gods te bevorderen, En dit is klaarder uit de woorden van jer. 9:23. den profeet, van wien Paulus dit getuigenis ontleend heeft: want aldaar gebiedt de Heere den mensch in zijn kennis alleen te roemen, nadat Hij hem van allen roem der sterkheid, wijsheid en des rijkdoms beroofd heeft. En Hij wil alzoo bekend worden, dat wij weten, dat Hij het is, die oordeel, rechtvaardigheid en barmhartigheid doet. Want deze kennis werkt in ons het vertrouwen en de vreeze Gods. Wie daarom van zoodanigen zin is, dat hij niets aan zichzelven toeschrijft, en begeert, dat God alleen verheven zij; wie in zijn genade rust en in zijn vaderlijke liefde zijn volle vertrouwen stelt; insgelijks wie tevreden is met den eenigen God, die roemt waarlijk in God. Ik zeg waarlijk: want de geveinsden roemen val-schelijk in Hem (gelijk Paulus betuigt Rom. 2: 17) als zij door zijne gaven opgeblazen, of door goddeloos betrouwen des vleesches verheven, of zijn woord misbruikende, nochtans zijnen naam voorwenden.
40
1 CORINTHE 2 : 1, 2.
HET TWEEDE HOOFDSTUK.
1 En toen ik tot u kwam, broeders, kwam ik niet in uitnemend- i cor. i: 17; heid der woorden of wijsheid, u de getuigenis Gods verkondigende. quot;'
2 Want ik heb het niet hoog geacht, ') iets te weten onder u, dan !! of,voor Jezus Christus, en dien gekruisigd. geacht.
itâMi ik. Toen Paulus van zijne wijze van leeren was beginnen M te spreken, was hij terstond tot de algemeene natuur der â'Evangelische prediking gevallen: en nu keert hij wederom tot zichzelven terug om te bewijzen, dat in hem niets versmaad wordt,
dat niet is uit de eigen natuur van het Evangelie, en eenigszins daaraan hangt. Zoo stemt hij dan toe, dat hij geen menschelijke welsprekendheid noch wijsheid gehad heeft, waarmede hij iets zou uitgewerkt hebben: maar uit de belijdenis, dat hij van zoodanige hulp beroofd is geweest, besluit hij, dat de mogendheid Gods des te meer in z'ijnen dienst uitblinkt, voor welke zulke behulpselen niet noodig waren. Maar dit laatste zal hij weinig hierna stellen: nu geeft hij alleen toe, dat hij geene menschelijke wijsheid had, en schrijft intusschen zich toe, dat hij de getuigenis Gods verkondigd heeft. Want hoewel sommige uitleggers de getuigenis Gods passief nemen, zoo twijfel ik evenwel niet, of de andere zin komt beter met de gedachte van Paulus overeen, zoodat de getuigenis Gods zij, die van God gekomen is, te weten, de leer van het Evangelie, waarvan Hij zelf auteur en getuige is. Hij onderscheidt nu het woord van de wijsheid, waaruit bevestigd wordt wat ik vroeger geleerd heb, te weten, dat hij tot dusver niet maar van ijdel geklap gesproken, maar alle oefening der menschelijke leer saamgevat heeft.
2 Want ik heb niet hoog geacht. Dewijl het Grieksche woord, dat Paulus hier gebruikt, (en gewoonlijk overgezet wordt oordeelen)
dikmaals beteekent uitverkiezen, iets kostelijks uitzoeken, zoo zal niemand denk ik van gezond oordeel ontkennen, dat de overzetting,
die ik gesteld heb, aannemelijk is, zoover de samenvoeging of constructie der woorden daartegen niet strijdt. En nochtans indien wij het aldus overzetten: Ik heb geen deel der wijsheid groot geacht,
het zal niet hard zijn: en indien men iets daaronder verstaat, zoo zal de zin niet kwalijk vloeien, aldus: Ik heb in mijn weten, of in de genade mijns wetens, niet groot geacht; hoewel ik de oudere uitlegging niet ganschelijk verwerp, te weten, dat Paulus niets voor wijsheid of in de plaats der wijsheid geacht heeft, dan Christus alleen. Alzoo zou men een Grieksch voorzetsel daaronder moeten verstaan, dat beduidt voor, gelijk dikwerf geschiedt. Doch hetzij iemand den eersten zin niet verwerpt, of dat hem deze laatste liever is, dit is de inhoud: Dat ik geen versieringen der spraak gehad heb, noch kunstige scherpzinnigheid in het spreken, is daarom, omdat ik zulks niet gezocht, wat -meer zegt, veracht heb:
want ik heb dit eene van waarde geacht, dat ik Christus eenvoudig verkondigde. Dat hij er bijvoegt, en dien gekruisigd, hiermede wil hij niet te kennen geven, dat hij niets predikt in Christus dan het kruis, maar dat hij met de nederheid van het kruis niettemin Christus predikt, even alsof hij zeide: De schande van het kruis
41
1 CORINTHE 2:2, 3.
zal niet maken, dat ik Hem niet zou verheffen, van wien de zaligheid komt, of dat ik mij zou schamen al mijne wijsheid daarin te besluiten: Hem, zeg ik, dien de hoovaardige menschen om de schande van het kruis verwerpen, en van Hem walgen. Daarom moet men deze rede aldus oplossen; Ik heb geen wetenschap zoo groot geacht, dat ik zou begeerd hebben iets anders te weten dan Christus, hoewel Hij gekruisigd is. Dit woord dient tot verheffing der zaak, om die hoovaardige meesters te meer te nopen, die van Christus bijna walgden, en uit den waan van eenige hoogere wijsheid lof zochten. Dit is een schoone plaats, waaruit wij verstaan wat de getrouwe dienaars behooren te onderwijzen, wat wij ons leven lang moeten leeren, en om wiens waardigheid men alle ding als drek behoort te achten.
3 En ik ben in zwakheid, en vreeze, en groote beving bij u geweest.
4 En mijn woord en mijne prediking was niet in bewegende woorden der menschelijke wijsheid, maar in betooning des Geestes en der macht.
5 Opdat uw geloof niet zij in wijsheid der menschen, maar in de mogendheid Gods.
3 En ik ben in zwakheid. Nu legt hij breeder uit wat hij boven aangeroerd had, te weten, dat hij niets sierlijks of uitnemends in der menschen oog gehad heeft, waardoor hij groot geacht zou worden. Aldus geeft hij zijn tegenstanders toe wat zij zochten, om wat zij meenden, dat diende om de eer van zijn dienst te verkleinen, tot den uitersten lof van zijn dienst aan te wenden. Hij scheen van minder waarde, omdat hij zoo nederig en verworpen was naar het vleesch: maar hij bewijst, dat de kracht Gods daardoor te beter heeft geschitterd, dat hij zonder eenige menschelijke hulp zooveel vermocht heeft. Hij heeft het oog hier niet alleen op die roemers, die om voor zich eenen naam te krijgen, alleen uiterlijke vertooning zochten, maar ook op de Corinthiërs, die zulk ijdel praalvertoon zeer in verwondering hadden, en groot achtten. Daarom behoorde de vermelding, die Paulus hier doet, kracht bij hen te hebben. Zij wisten, dat Paulus naar het vleesch niets medegebracht had, waardoor hij bij de menschen verheven, of aangeprezen, of aangenaam zou worden: en nochtans zagen zij den wonderlijken voorspoed, welken de Heere op zijne prediking gaf; ja, zij hadden den Geest Gods eenigermate met hunne oogen tegenwoordig gezien in zijn leer. Dewijl zij dan zijne eenvoudigheid verachtende, jeukten van begeerte naar eene, ik weet niet welke andere opgeblazene en gepolijste wijsheid, en meer behagen hadden in den uitwendigen schijn, en bedriegelijk blanketsel, dan in den levenden Geest Gods, gaven zij dan niet genoeg hun eerzucht te kennen ? Zoo heeft dan Paulus niet zonder oorzaak de gedachtenis van zijn eersten ingang bij hen vernieuwd, opdat zij vajj de kracht Gods, welke zij eenmaal geproefd en ondervonden hadden, niet afwijken. Onder het woord zwakheid, verstaat hij hier en ook vaak in 't vervolg, al wat door een waan iemand zijn gunst en waardigheid kan ontnemen. Vreeze en beving, zijn vruchten dezer zwakheid: hoewel wij deze woorden op tweeërlei wijze kunnen uitleggen, te weten, dat hij de grootheid
42
Hand. 18:1.
1 Cor. 1; 17; 2:1.
2 Pot. 1:16.
1 CORINTHE 2:3â5.
der zaak, die hij dreef, overwegende, niet zonder vrees en groote zorgvuldigheid haar behandeld heeft: of dat hij met vele gevaren omringd zijnde, in gedurige vrees en benauwdhéid geweest is. Beide uitleggingen komen met het verband der woorden wel overeen: doch naar mijn oordeel is de laatste het eenvoudigst. Deze zedigheid of bescheidenheid voegt wel aan de dienstknechten des Heeren, dat zij van hun eigen zwakheid bewust, en daarentegen de zwarigheid en uitnemendheid van zoo hoogen dienst met verwondering aanmerkende, met eerbied en vrees dien waarnemen. Want degenen, die stout en hoogmoedig zich daarin dringen, of die gerust, even alsof zij het wel machtig waren, den dienst des Woords vervullen, die kennen noch zichzelven, noch de zaak zelve. Maar dewijl Paulus hier de vrees voegt bij de zwakheid, en de zwakheid beteekent al wat hem verachtelijk kon maken, zoo volgt daaruit, dat de vrees op gevaren en zwarigheden doelt. Maar het is zeker, dat het zulk eene vrees geweest is, dat zij Paulus niet verhinderd heeft, het werk des Heeren te volbrengen, gelijk de zaak zelve getuigt. De dienstknechten des Heeren zijn niet zoo stompzinnig, dat zij de dreigende gevaren niet zouden zien: noch zoo van ijzer of steen, dat zij daardoor niet zouden bewogen worden. Ja het is ook om deze twee oorzaken voornamelijk noodig, dat zij met ernstige vrees bevangen worden, te weten, opdat zij bij zichzelven nedergeworpen zijnde, leeren zichzelven geheel op God te werpen en te rusten: en opdat zij tot ware zelfverloochening onderwezen worden. Zoo is dan Paulus niet zonder gevoel van vrees geweest: maar hij heeft de vrees zóó bedwongen, dat hij desniettemin onversaagd midden door de gevaren voortging: dat hij met onverwinnelijke standvastigheid en sterkheid, alle aanvallen des duivels en der wereld wederstond: eindelijk, dat hij door alle verhinderingen heenworstelde.
4 En mijn prediking was niet in bewegende. Bewegende woorden der wijsheid noemt hij uitnemende welsprekendheid, die meer met de kunst dan met de waarheid staat en strijdt: en tevens den schijn der scherpzinnigheid, waardoor de harten der menschen getrokken worden. En terecht heeft hij de bewegelijkheid aan de menschelijke wijsheid toegeschreven. Want het Woord des Heeren dwingt door zijn majesteit, ons als met geweld tot gehoorzaamheid: maar de menschelijke wijsheid heeft hare aanlokselen, waarmede zij insluipt, en haar gestreel, waarmede zij der toehoorderen gemoed tot zich trekt. Hiertegen stelt hij de betooning des Geestes en der macht, welke velen op de wonderen duiden: maar ik neem het breeder, te weten, voor de hand Gods, die zich alleszins krachtig door de apostelen bewijst. Geest en macht, schijnt hij gesteld te hebben voor geestelijke macht: of hij heeft zeker als door teekenen en vruchten willen verklaren, hoe de tegenwoordigheid des Geestes in zijnen dienst gebleken is. En hij heeft bekwamelijk dat woord betooning gebruikt. Want onze stompzinnigheid is in de beschouwing der werken Gods zoo groot, dat zijn kracht, als Hij de lagere werktuigen gebruikt, als het ware met eenige gordijnen bedekt is, zoodat zij niet klaarlijk gezien wordt. Maar dewijl in het voortgaan van den dienst van Paulus geen behulpsel van het vleesch of van de wereld gebruikt werd, maar de hand Gods zich als het ware naakt vertoonde, zoo werd voorwaar zijn kracht beter gezien.
5 Opdat uw geloof niet zij in wijsheid der menschen. Hij
43
1 CORINTHE 2:5, 6.
geeft te kennen, dat de Corinthiërs dit goed daardoor hadden, dat hij Christus bij hen verkondigd heeft, niet op menschen wijsheid betrouwende, maar alleen op de kracht Gods, opdat hun geloof niet op menschen, maar op God gegrond moge zijn. Had de prediking van den apostel alleen op de kracht der welsprekendheid gesteund, zoo had zij door grootere welsprekendheid kunnen omgeworpen worden. Bovendien niemand zou dat een grondige waarheid noemen, die op schittering der woorden steunt. Zij kan daardoor geholpen worden, maar zij moet daarop niet steunen. Zij moet zeer sterk zijn, dewijl zij van alle hulp verstoken, door zichzelve staat. En daarom is het een uitstekende aanbeveling der prediking van Paulus, dat de hemelsche kracht in haar zoo heeft geschitterd, dat zij alle belemmeringen overwon, daar zij geen wereldlijke hulp had. Zoo moeten zij zich dan van die leer niet laten aftrekken, die zij bekennen door Gods gezag bevestigd te zijn. Voorts spreekt Paulus hier zoo van het geloof der Corinthiërs, dat dit een alge-meene uitspraak is. Daarom zullen wij weten, dat dit de eigenschap des geloofs is, dat het op God alleen rust, en niet aan menschen hangt. Want de zekerheid des geloofs moet zoo groot zijn, dat zij niet valle, al wordt zij door alle kunstgrepen en listen der hel besprongen : maar standvastig volharde, en alle aanvallen drage. Dit kan niet geschieden, tenzij wij vast overtuigd zijn, dat God tot ons gesproken heeft, en dat het geen verdichtsel van menschen is dat wij geloofd hebben. En hoewel het geloof eigenlijk op het Woord Gods alleen moet gefundeerd worden, zoo wordt nochtans dit tweede steunsel er niet ongerijmd bijgevoegd, dat de geloovigen uit de uitwerking der kracht bekennen, dat het Woord, dat zij hooren, van God gekomen is.
6 Maar wij spreken wijsheid onder de volmaakten; niet de wijsheid dezer wereld, noch van de prinsen dezer wereld, die teniet worden.
7 Maar wij spreken de wijsheid Gods in verborgenheid, welke bedekt is, welke God tevoren verordend heeft, eer de wereld was, tot onze heerlijkheid.
8 Dewelke geen prins dezer wereld bekend heeft: want zoo zij ze bekend hadden, zouden zij den Heere der heerlijkheid geenszins gekruisigd hebben.
9 Maar gelijk geschreven is: Wat geen oog gezien, noch oor gehoord heeft, noch in des menschen hart gekomen is, dat heeft God voorbereid dengenen, die Hem liefhebben.
6 Wij spreken wijsheid. Opdat hij niet schijne de wijsheid te verachten, gelijk de letterkunsten door ongeleerde en onverstandige menschen met barbaarsche wreedheid veracht worden: zoo voegt hij daarbij, dat hem de ware wijsheid niet ontbreekt, maar dat zij van dien aard is, dat zij niet anders dan door bekwame richteren kan geoordeeld worden. Volmaakten, noemt hij niet die volkomen wijsheid verkregen hebben, maar die een gezond en onverdorven réXsiov oordeel hebben. Want met het Grieksche woord, dat Paulus hier gebruikt, wordt een Hebreeuwsch woord altijd overgezet, hetwelk beduidt volmaakt. Hij berispt bedektelijk hen, die geen smaak
44
Job 28; 10. Jak. 3 ; 15.
Matt. 11:25.
Joh. 7 : 48. 2 Cor. 3:14.
Joh. 16:3. Hand. 3:17; 13 ; 27. 1 Tim. 1:13. Jes. 64:4.
1 CORINTHE 2:6, 7.
hadden in zijne prediking, en geeft te kennen, dat het door hun eigen schuld geschiedt, even alsof hij zeide: Zoo mijn leer aan sommigen niet behaagt, die geven daarmede genoeg te kennen, dat zij verdraaid en verdorven zijn van zinnen : want onder de menschen, die oprechte zinnen en goed oordeel hebben, zal zij altijd voor de hoogste wijsheid erkend worden. Hoewel dan de prediking van Paulus allen gemeen was, zoo is zij nochtans niet altijd door allen op haar waarde geschat. En dit is de oorzaak, waarom hij zich op menschen van een gezond en oprecht oordeel beroept, die uitspreken, dat de leer, die der wereld dwaasheid is, de ware wijsheid is. Intusschen, met het woord spreken, leert hij, dat hij een klaar bewijs der bewonderenswaardige wijsheid voortbrengt, opdat niemand hem tegenwierpe, dat hij in eene onbekende zaak roemde.
Niet de wijsheid dezer wereld. Door een vóórkoming herhaalt hij hetgeen hij nu toegegeven had, te weten, dat het Evangelie niet is menschelijke wijsheid, opdat niemand mocht tegenwerpen, dat er niet velen zijn, die deze leer goed achten, maar dat zij door sommige zeer uitnemende vernuften versmaad wordt. Zoo bekent hij dan wat kon tegengeworpen worden, maar alzoo, dat zijn zaak daarin niets verkort worde. De prinsen dezer wereld. Prinsen der wereld, noemt hij hen, die met eenige gave in de wereld uitmunten. Want er zijn somtijds, die, hoewel zij geen groote scherpzinnigheid des vernufts hebben, nochtans in verwondering zijn bij de wereld, om de waardigheid van den persoon, dien zij dragen; maar opdat wij door deze momaangezichten niet verschrikt worden, zoo voegt de apostel daarbij, dat zij vergaan of teniet worden. Want het betaamt niet, dat een zaak, die eeuwig is, hange aan de autoriteit van hen, die ijdel en vergankelijk zijn, noch zichzelven eeuwigen duur kunnen geven, even alsof hij zeide: Als het rijk Gods geopenbaard wordt, laat dan varen de wijsheid der wereld, en laat de vergankelijke dingen voor de eeuwige wijken. Want de prinsen der wereld hebben hun uitnemendheid, maar die in een oogen-blik tijds vergaat; wat is dat bij het hemelsche en onverderfelijke rijk Gods r
7 De wijsheid Gods in verborgenheid. Hij stelt een reden, waarom de leer des Evangelies niet hooggeschat wordt door de prinsen dezer wereld, te weten, omdat zij in verborgenheden gewikkeld, en daarom bedekt is. Het Evangelie is voor het mensche-lijk vernuft te hoog, zoodat zij, die boven anderen geacht worden vernuftig te zijn, hoe hoog zij ook hunne oogen mogen verheffen, nimmermeer tot zijn hoogheid kunnen geraken: en nochtans verwerpen zij zijn nederheid, even alsof het voor hunne voeten verworpen lage. En zoo gebeurt het, dat hoe hoogmoediger zij het verachten, hoe verder zij zijn van de kennis deszelven; ja, worden zeer ver vandaar afgewend, en van het aanschouwen deszelven verhinderd. Dewelke God tevoren verordend heeft. Dewijl Paulus gezegd had, dat het Evangelie een verborgen ding is, zoo was het te vreezen, dat de geloovigen, dit hoorende, door de zwarigheid afgeschrikt, daarvan zouden afwijken, en den moed verloren geven. Daarom komt hij dit gevaar tegemoet en zegt, dat het desniettemin ons is verordend, opdat wij het geniete; opdat, zeg ik, niemand achte, dat deze verborgene wijsheid hem niet aangaat, of ook meene, dat het ongeoorloofd is de oogen daarop te slaan,
45
1 CORINTHE 2:7, 8.
omdat het voor het menschelijk verstand niet begrijpelijk is, zoo leert hij, dat zij door den eeuwigen raad Gods ons toegedeeld is. Hoewel hij ook verder heeft gezien: want door een bedekte vergelijking verheft hij de genade, die door de komst van Christus geopenbaard, ons verheft boven de vaders, die onder de wet geleefd hebben. Waarvan wij meer gezegd hebben aan het einde van het laatste hoofdstuk aan de Romeinen. Ten eerste haalt hij een bewijsreden uit de ordening Gods. Want indien God niets tevergeefs verordend heeft, zoo volgt daaruit, dat wij geen vergeefschen arbeid doen in het Evangelie te hooren, hetwelk Hij ons verordend heeft; want Hij schikt Zich naar de mate van ons verstand, als Hij tot ons spreekt. En hiertoe dient het woord van jes. 46;W. Jesaja: Ik heb niet in het verborgen gesproken, noch in een duisteren hoek; Ik heb niet tevergeefs tot Jakobs zaad gezegd: zoek!* Mij. Bovendien, om het Evangelie ons beminnelijk te maken, en te trekken tot begeerte om hetzelve te leeren, zoo neemt hij een bewijs van het einde deszelven, te weten, dat God het gegeven heeft tot onze heerlijkheid: met welk woord hij ons ook schijnt met de vaderen te vergelijken, aan welke de hemelsche Vader deze eer niet gegeven heeft, maar heeft ze tot de komst zijns Zoons uitgesteld.
8 Geen prins dezer wereld bekend heeft. Indien men hieronder verstaat, door hun eigen vernuft, zoo zal Paulus niet meer van hen zeggen, dan van den algemeenen man, en van den allerslechtsten. Want vermogen wij allen, van den meeste tot den minste, iets tot deze zaak: Tenzij wij mochten zeggen, dat de prinsen meer dan anderen, van blindheid en onwetendheid verdoemd worden, omdat zij alleen in de wereld schijnen te zien, en wijs te zijn. Evenwel, ik wil het liever eenvoudiger nemen, naar het gemeen gebruik der Schrift, welke pleegt te zeggen, dat altijd geschiedt wat dikmaals geschiedt, en dat niet geschiedt wat zelden geschiedt. Zoo genomen is in deze uitspraak geen ongerijmdheid, al worden eenige weinige uitnemende mannen gevonden, die tevens met de zuivere kennis Gods begaafd waren. Want hadden zij Hem gekend. De wijsheid Gods schitterde helder in Christus, nochtans hebben de prinsen haar daarin niet begrepen: want eenerzijds zijn de oversten der Joden, die geacht waren in heiligheid en wijsheid uit te munten, en anderzijds Pilatus en het Romeinsche rijk, over de kruisiging van Christus geweest. Dit is een klaar bewijs van de uitwendige blindheid van die allen, die niet anders dan naar het vleesch wijs zijn. Nochtans kon dit argument van den apostel zwak schijnen. Want hoe zien wij niet dagelijks, dat zij de waarheid Gods, die hun niet onbekend is, met voorgenomen boosheid bestrijden ? En indien zulke openbare wederspannigheid niet met oogen gezien wordt, wat is nochtans de zonde tegen den Heiligen Geest, dan eigenwillige hardnekkigheid tegen God: als de mensch wetens en willens zijn Woord niet alleen vervolgt, maar ook bestrijdt. Ja, waarom zegt Christus joh. 7:28. zelfs, dat Hij den Farizeën en huns gelijken bekend is' geweest, als Hij hun het voorwendsel der onwetendheid ontneemt, en hen beschuldigt van goddelooze wreedheid, omdat zij Hem, den getrouwen dienaar des Vaders, zonder oorzaak vervolgen, anders dan omdat zij de waarheid haatten? Ik antwoord, dat er tweeërlei onwetendheid is; dat is eene, die uit onbezonnen ijver komt, en ver-
46
1 CORINTHE 2 : 8, 9.
werpt het goede niet enkel, maar omdat hij acht, dat het kwaad is. En hoewel niemand door onwetendheid alzoo zondigt, dat hij intus-schen voor God niet schuldig is vanwege eene booze conscientie,
omdat er altijd geveinsdheid, of hoovaardigheid, of versmaadheid onder gemengd is: zoo wordt nochtans het oordeel en alle verstand in des menschen gemoed soms zóó verstikt, dat er niet anders dan enkel onwetendheid gezien wordt, niet alleen bij anderen, maar ook bij hemzelven. Zoodanig was Paulus, eer hij verlicht werd:
want hij haatte Christus, en was op zijn leer verbolgen, omdat hij door verkeerden ijver over de wet overwonnen en voortgetrokken werd; nochtans was hij niet zonder geveinsdheid, noch vrij van hoovaardigheid, om voor God onschuldig te zijn: maar deze ondeugden worden door onwetendheid en verblindheid alzoo gansch â¢6n al overvallen, dat hij ze zelfs niet eens bemerkte, noch gevoelde. De andere soort van onwetendheid is meer gelijk aan uitzinnigheid en razernij, dan aan loutere onwetendheid. Want die willens tegen God opstaan, zijn gelijk razende menschen, die ziende niet zien. En men moet ganschelijk achten, dat de ongeloovigheid altijd blind is:
maar er is dit onderscheid, dat de blindheid somtijds de onwetendheid zóó overvalt, dat de mensch als plomp en onverstandig, zijn kwaad in 't geheel niet gevoelt, hetwelk plaats heeft in hen, die door goede meening (gelijk zij spreken) dat is door dwaze bedenking zichzelven bedriegen: somtijds heeft de boosheid de overhand,
zoodat de mensch tegen het getuigenis zijner conscientie in, door uitzinnigheid tot zulk groot kwaad doorbreekt. Zoo is het dan geen wonder, dat Paulus zegt, dat de prinsen dezer wereld Christus niet zouden gekruist hebben, indien zij de wijsheid Gods hadden gekend.
Want de Schriftgeleerden en Parizeen wisten niet alzoo, dat de leer van Christus waarachtig was, dat zij niet uitzinnig in duisternis doolden
9 Gelijk geschreven is: Wat geen oog. De uitleggers komen allen daarin overeen, dat deze plaats genomen is uit Jesaja 64: 4, jes. M;4. en dewijl bij den eersten opslag de zin klaar en licht schijnt, zoo hebben zij niet veel moeite gedaan om dien te verklaren. Maar bij nader inzien worden er twee groote zwarigheden gevonden. De eerste is, dat de woorden, die hier door Paulus aangehaald worden,
met de woorden van den profeet niet wel overeenkomen; de andere is, dat Paulus het getuigenis van den profeet tegen diens zin schijnt gebruikt te hebben. Laat ons dan eerst over de woorden handelen,
welke, dewijl zij twijfelachtig zijn, ook verkeerd door de uitleggers worden overgezet. Sommigen vertalen aldus: Vanquot; den beginne aan hebben zij het niet gehoord, noch met de ooren verstaan: geen oog heeft God gezien, uitgenomen Gij, die alzoo doet dengene die Hem verwacht. Anderen zetten het over, alsof tot God gesproken wordt, aldus: Daar heeft geen oog gezien, noch oor gehoord, uitgenomen Gij, o God, wat Gij doet dengenen, die U verwachten.
Maar de profeet heeft aldus van woord tot woord: Zij hebben het van den beginne niet gehoord, noch met ooren verstaan: het oog heeft God niet gezien, (of niet gezien, o God) uitgenomen Gij: Hij zal doen (of zal voorbereiden) dien, die Hem verwacht. Indien wij God lezen in den vierden naamval, zoo moeten wij daaronder verstaan het woordje die, en deze verklaring schijnt bij het eerste aanzien 't best overeen te komen met het vervolg der woorden van
47
48
den profeet, om den derden persoon des vvoords dat volgt: maar zij is 't verst van den zin van Paulus, welken men meer moet betrouwen dan eenige redenen. Want wie zal zekerder of getrouwer uitlegger dezer godspraak zijn, dan de Geest Gods, die haar Jesaja ingegeven heeft, gelijk hij haar door den mond van Paulus verklaard heeft? Nochtans opdat wij der goddeloozen valsche beschuldigingen tegengaan, zoo zeg ik, dat de eigenschap der Hebreeuwsche taal toelaat, dat dit de rechte zin is van den profeet: O God, daar heeft noch oog gezien, noch oor gehoord: maar Gij weet het alleen wat Gij pleegt te doen dengenen, die U verwachten. Dit verhindert ook de haastige verandering des persoons niet, welke, zooals wij weten, den profeten meer gemeen is, zoodat wij ons daardoor niet moeten laten verhinderen. Zoo de eerste zin iemand meer behaagt, zoo zal hij nochtans geen oorzaak hebben om ons of den apostel te beschuldigen, even alsof wij van den zin des profeten afweken. Want wij verstaan er minder onder, dan zij; want zij moeten bij het woord, zal doen, een woord bijvoegen dat gelijkenis beduidt, te weten, alzoo. Wat daar volgt, noch in des menschen hart gekomen is, hoewel het bij den profeet niet staat, zoo beteekent het nochtans niet wat vreemd is van de woorden: anders dan Gij. Want als hij deze kennis Gode alleen toeschrijft, zoo sluit hij niet alleen de lichamelijke zinnen van den mensch, maar ook alle macht des gemoeds daarvan uit. Daarom, hoewel de profeet het zien en hooren alleen uitdrukt, zoo vat hij nochtans bedektelijk alle krachten der ziel samen. En voorwaar dit zijn de twee organen, waarmede wij de kennis van die dingen opnemen, die daarna tot het verstand komen. Aangaande de woorden, dengenen, die Hem liefhebben, daarin heeft Paulus de Grieksche overzetters gevolgd, die door de gelijkheid van e'éne letter bedrogen, alzoo vertaald hebben: maar dewijl dit de tegenwoordige zaak niet aanging, zoo heeft hij van de gewone overzetting niet willen afwijken, gelijk wij doorgaans zien, hoe veel hij haar toegeeft. Daarom hoewel het dezelfde woorden niet zijn, zoo is er nochtans geen onderscheid in. Nu kom ik tot de zaak. De profeet verhaalt daar, hoe kennelijk God altijd zijn volk in den nood geholpen heeft, en roept uit, dat Gods weldaden jegens de godzaligen, des menschen verstand te boven gaan. Wat heeft dit te maken met de geestelijke leer (mocht iemand zeggen) en de belofte des eeuwigen levens, waarvan Paulus hier handelt ? Op deze vraag kan men drieërlei wijze antwoorden. Want het zal niet ongerijmd wezen, indien wij zeggen, dat de profeet van de aardsche weldaden gesproken hebbende, bij deze gelegenheid zich verhief tot een algemeene uitspraak en wel tot de verkondiging der geestelijke gelukkigheid, die den geloovigen in den hemel bewaard is. Nochtans wil ik het liever verstaan van de gaven Gods, die den geloovigen dagelijks gegeven worden: in welke het betaamt altijd de oorzaak aan te zien, en niet de oogen aan het tegenwoordig aanschouwen van die gaven te hechten. De oorzaak is de onverdiende goedheid Gods, waardoor Hij ons tot het getal zijner kinderen heeft aangenomen. Daarom, wie de weldaden Gods behoorlijk wil waardeeren, die zal ze niet naakt aanmerken, maar met de vaderlijke liefde Gods, als met een kleed bedekken: en zal voorts van de tijdelijke gaven tot het eeuwige leven opgeleid worden. Men zou ook kunnen zeggen, dat hier een bewijsvoering is van
1
1 CORINTHE 2 :9â11. 49
het mindere tot het meerdere: want indien des menschen verstand de aardsche gaven Gods niet kan vatten, hoeveel te minder kan hij tot de hoogte des hemels komen ? Maar ik heb nu getoond, wat mij het best behaagt.
10 Maar ons heeft God het geopenbaard door zijnen Geest': want Matt. 13: n. de Geest doorzoekt alle ding, ook de diepten Gods. 2 ^^k der
11 Want wat mensch weet de dingen des menschen, dan de geest Wijsh. i â . 23. des menschen, die in hem is ? Alzoo ook wat Gods is, kent niemand, dan de Geest Gods.
12 En wij hebben niet den geest der wereld ontvangen, maar den Geest, die uit God is, opdat wij weten wat ons van Christus gegeven is.
13 Hetwelk wij ook spreken, niet met geleerde woorden der men- i Cor. 1:15; schelijke wijsheid, maar des Heiligen Geestes, geestelijke din- 2 :pet j. 1(; gen met geestelijke samenvoegende.
10 Ons heeft God het geopenbaard. Nadat hij alle menschen onder de blindheid besloten, en aan het menschelijk vernuft ontnomen heeft, dat het door eigen kracht niet tot God kan opklimmen, zoo toont hij nu aan, hoe de menschen van deze blindheid verlost worden, te weten, dat de Heere hen verwaardigt met eene bijzondere verlichting des Geestes. Zoo dan, hoe plomper des menschen vernuft is om de verborgenheden Gods te verstaan, en hoe onzekerder het is, des te zekerder is ons geloof, hetwelk op de openbaring des Geestes Gods steunt. En hierin erkennen wij de onmetelijke goedheid Gods, die ons gebrek tot ons voordeel gebruikt. Want de Geest doorzoekt alle ding. Dit is tot vertroosting der godzaligen daarbij gevoegd, opdat zij te geruster met de openbaring tevreden zijn, die zij van den Geest Gods hebben, even alsof hij zeide: Het zij ons genoeg, dat de Geest Gods onze getuige is. Want er is niets zoo diep in God, dat Hij niet doorgrondt. Want dat beteekent hier het woord doorzoeken. Door het woord diepten zal men niet verstaan de verborgen oordeelen, welker onderzoeking ons verboden wordt, maar de gansche leer der zaligheid, die tevergeefs door de Schrift zou geopenbaard zijn, indien God door zijnen Geest ons gemoed daartoe niet ophief.
11 Want wat mensch weet. Hij wil hier twee dingen tegelijk leeren, te weten, dat de leer van het Evangelie niet anders kan begrepen worden dan door het getuigenis des Heiligen Geestes, en dat degenen, die door den Heiligen Geest zulk een getuigenis hebben, zóó vast en zeker zijn, alsof zij het met handen tastten wat zij gelooven: want de Geest is een getrouw en ontwijfelbaar getuige. Dit bewijst hij met de gelijkenis onzes geestes: want ieder is bewust van zijne gedachten, en wat in elks hart verborgen is, weet een ander niet. Alzoo is het voor alle menschen verborgen, hoedanig
de raad Gods, en hoedanig de wil Gods is. Want wie is zijn raads- Eom. H:ii4. man geweest? Zoo is het dus voor de menschen een ontoegankelijk heiligdom: maar zoo de Geest Gods zelf ons daarin leidt, dat is, de dingen, die anders voor ons verstand verborgen zijn, ons zeker en bekendmaakt, zoo zal er voor twijfeling geen plaats meer zijn.
Want het is voor den Geest Gods niet verborgen wat in Hem is.
4
Dl. 11.
1 CORINTHE 2:11, 12.
Maar deze gelijkenis schijnt niet zeer wel overeen te komen: want dewijl de tong een beeld is des gemoeds, zoo geven de menschen elkander hunne gezindheden te kennen, zoodat zij elkanders gedachten weten. Waarom zouden wij dan uit Gods Woord niet begrijpen, welke zijn wil is? Want dat de menschen door veinzen en liegen dikmaals hunne gedachten meer bedekken dan openbaren, dat heeft in God geen plaats; wiens woord ontwijfelbare waarheid is, en zijn echt en levend beeld. Maar wij moeten aanmerken, hoever Paulus deze gelijkenis heeft willen uitstrekken. De inwendige gedachte des menschen, welke anderen niet weten, is hem alleen bekend. Of hij daarna haar aan anderen openbaart, dit maakt niet, dat zijn geest alleen weet wat in hem is. Want het kan gebeuren, dat hij anderen niet overreedt; het kan ook gebeuren, dat hij zijn gevoelen niet duidelijk uitdrukt: en als hij dit beide kan doen, zoo strijdt dit nochtans niet met het andere, dat zijn geest de eenige rechte kenner is. Maar dit onderscheid is er tusschen de gedachten Gods en der menschen, te weten, dat de menschen elkander verstaan : maar het Woord Gods is een verborgene wijsheid, tot wier hoogte de zwakheid van het menschelijk verstand niet kan komen. Zoo schijnt het licht in de duisternis, totdat de Geest der blinden oogen opent. De geest des menschen. Merk op, dat hier de geest des menschen genomen wordt voor de ziel, in welke de macht des verstands is, gelijk zij spreken. Want Paulus zou oneigenlijk gesproken hebben, indien hij gezegd had, dat het verstand des menschen, dat is de macht om te verstaan, zelve weet, en niet de ziel, die de macht om te verstaan heeft.
ia En wij hebben niet den geest der wereld. Door een vergelijking der tegenstrijdige dingen verheft hij de zekerheid, waarvan hij gesproken had. Die Geest der openbaring (zegt hij) dien wij ontvangen hebben, is niet der wereld, dat hij slechts op de aarde zou kruipen, dat Hij der ijdelheid zou onderworpen zijn, dat Hij twijfelachtig en veranderlijk zou zijn, dat Hij ons in onzekerheid of verwarring zou houden; maar van God, en daarom boven alle hemelen van grondige en standvastige waarheid, en boven alle twijfeling gesteld. Dit is een zeer klare plaats om de duivelsche leer der Sophisten te wederleggen, nopens de gedurige twijfelachtigheid der geloovigen. Want zij gebieden allen geloovigen te twijfelen, of zij in de genade Gods zijn of niet: en laten geen ander vertrouwen der zaligheid toe dan dat steunt op een zedelijke of vermoedelijke meening. Hoewel, zij maken hier op tweeërlei wijze het geloof teniet. Want zij willen dat het twijfelachtig is, of wij in den staat der genade zijn: en brengen daarna nog een anderen twijfel voort over de eindelijke volharding. Maar de apostel zegt hier in 't gemeen, dat de uitverkorenen met den Heiligen Geest zijn begaafd, door wiens getuigenis zij zekerlijk weten, dat zij tot de hope der eeuwige zaligheid aangenomen zijn. Voorwaar, indien zij hunne leer willen staande houden, zoo moeten zij de uitverkorenen van den Geest Gods berooven, of den Geest zeiven aan onzekerheid onderwerpen. Beide strijdt openlijk tegen de leer van Paulus. Zoo zullen wij dan weten, dat dit de natuur des geloofs is, dat de conscientie een zeker getuigenis door den Heiligen Geest heeft van de goedwilligheid Gods, waarop zij vertrouwende, niet twijfelt God den Vader aan te roepen. Alzoo verheft Paulus ons geloof boven de wereld, om
50
1 COEJNTHE 2 ; 12, 13.
allen hoogmoed des vleesches te verachten; want anders zal het altijd bevreesd en twijfelachtig zijn; want wij zien, hoe stout de menschelijke scherpzinnigheid zich verheft, wier trots de kinderen Gods door tegengestelde grootmoedigheid moeten fnuiken. Opdat wij weten wat ons van Christus. Het woord weten, is gesteld om de gerustheid des vertrouwens te beter uit te drukken. Nochtans zullen wij opmerken, dat zij niet op natuurlijke wijze, noch door het begrip des verstands verkregen wordt: maar dat zij geheel aan de openbaring des Geestes hangt. Wat hij verhaalt ons van Christus gegeven te zijn, dat zijn de weldaden, die wij uit zijn dood en wederopstanding verkrijgen, te weten, dat wij met God verzoend zijn, en weten, dat wij vergeving der zonden verkregen hebbende,
tot de hope des eeuwigen levens zijn aangenomen, dat wij door den Geest der wedergeboorte geheiligd zijnde, nieuwe schepselen worden, opdat wij Gode leven. Ef. 1 : 18, zegt hij in denzelfden zin;
Opdat gij weet, welke de hope uwer roeping zij.
13 Hetwelk wij ook spreken, niet met geleerde. Hij spreekt van zichzelven, want hij is nog bezig met de aanprijzing van zijn dienst. En dit is een zeer schoone lofspraak op zijne verkondiging,
als hij zegt, dat zij behelst de verborgen openbaring van zeer groote dingen, de leer des Heiligen Geestes, de somma onzer zaligheid,
en de onuitsprekelijke schatten van Christus: opdat de Corinthiërs mogen weten, hoe groot Hij behoort geacht te worden. Intus-schen komt hij terug op die bovenbeschreven toelating, dat zijn prediking niet met eenige woordenpraal versierd is, dat zij door geen uitnemendheid uitblinkt, maar met de leer des Heiligen Geestes alleen tevreden is. Geleerde woorden der menschelijke wijsheid noemt hij, die naar menschelijke geleerdheid rieken, en naar den regel der redenaars gepolijst, of met philosophische grootsprekendheid vervuld zijn, zoodat de hoorders daardoor tot verwondering getrokken worden. En geleerde woorden des Geestes, noemt hij die meer gevoegd zijn naar oprechte en eenvoudige wijze van spreken, en die der majesteit des Geestes waardig zijn, dan naar ijdele vertooning. Want ofschoon men welsprekendheid heeft, zoo moet men nochtans altijd toezien, dat de wijsheid Gods niet door aange-nomene en onheilige versiering ontreinigd worde. In Paulus was zulk eene wijze van leeren, waarin alleen de bloote kracht des Heiligen Geestes, zonder uitwendig steunsel gezien werd. Geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende. Ik twijfel niet of het Grieksche werkwoord, dat Paulus hier gebruikt, is gesteld voor cruyxpi-toevoegen. Want dewijl dit woord somtijds deze beteekenis heeft, vsa-^xi. gelijk Budeus aanhaalt uit Aristoteles, zoo komt zij werkelijk veel beter overeen met het vervolg der woorden van Paulus, dan vergelijken, gelijk anderen het overgezet hebben. Zoo zegt hij dan,
dat hij aan de geestelijke dingen geestelijke toevoegt, als hij de woorden kiest naar de zaak, dat is, als hij de hemelsche wijsheid des Geestes tempert met eenvoudige woorden, en die de natuurlijke kracht des Geestes uitgeven. Intusschen berispt hij de anderen zacht, die met gezochte schoonheid der woorden, en met vertooning van scherpzinnigheid, der menschen lof zoeken. Hij berispt hen (zeg ik) als die óf ontbloot zijn van de grondige en zekere waarheid, óf de geestelijke leer Gods met onbehoorlijken opschik vervalschen.
51
1 CORINTHE 2 : 14.
14 De natuurlijke menscli begrijpt niet hetgeen des Geestes Gods is: want het is hem dwaasheid, en hij kan het niet verstaan, want het wordt geestelijk onderscheiden.
15 Maar de geestelijke onderscheidt alle ding: maar hij zelf wordt van niemand geoordeeld.
16 Want wie heeft den zin des Heeren gekend, die in zijnen raad geweest is? Maar wij hebben den zin van Christus.
14 De natuurlyke mensch. Een natuurlijk mensch noemt hij, niet gelijk het gemeenlijk genomen wordt, dien die zich aan grove begeerlijkheden of aan zinnelijkheid heeft â overgegeven, maar eiken mensch, die alleen met natuurlijke vermogens begaafd is. Dit blijkt uit het tegengestelde woord, want hij vergelijkt den natuurlijken met den geestelijken mensch. En dewijl door den geestelijken mensch verstaan wordt degene, wiens gemoed door de verlichting van den Geest Gods geregeerd wordt: zoo twijfel ik niet, dat hij een natuurlijk mensch noemt, die in zijn blooten natuurstaat is gebleven. Want de ziel, naar welk woord hij in het Grieksch genoemd wordt, is aan de natuur eigen, maar de Geest is uit een bovennatuurlijke gave. Hij komt hier wederom tot hetgeen hij boven aangeroerd had. Want hij wil de ergernis wegnemen, waardoor de zwakken konden verhinderd worden, hierin gelegen, dat zoovele menschen het Evangelie verachtten. Hij toont aan, dat zulk eene verachting voor niets te achten is,- dewijl zij uit onwetendheid vloeit: en dat zij daarom ons niet moet hinderen in de loopbaan des geloofs voort te gaan, tenzij wij mogelijk onze oogen voor de klaarheid der zon willen toesluiten, omdat zij door de blinden niet gezien wordt. Het zou een groote ondankbaarheid zijn, zoo iemand een bijzondere weldaad, waarmede God hem verwaardigd had, verwierp, omdat zij niet allen gemeen is, daar hij ze nochtans daarom in te meerder waarde behoorde te houden. Het is hem dwaasheid, en hij kan het niet verstaan. De leer van het Evangelie, zegt hij, is allen menschen dwaas en smakeloos, die slechts menschelijken smaak en verstand hebben. Maar vanwaar komt dat r uit hun blindheid : wat schaadt dit dan der majesteit van het Evangelie ? Kortom, dewijl de onervarene menschen daarom het Evangelie verkleinen, omdat zij zijn waarde volgens der menschen schatting meten, zoo neemt Paulus daaruit een bewijsreden om zijn waardigheid hooger te verheffen: want hij leert, dat het daarom veracht wordt, omdat het onbekend is; en dat het daarom onbekend is, omdat het zoo verborgen en hoog is, dat het door der menschen verstand niet kan begrepen worden. O welk een wijsheid, die zoover boven alle men-schelijk verstand is, dat zij zelfs geen smaak daarvan kunnen hebben. Hoewel Paulus hier de hoogmoedigheid des vleesches bedektelijk beschuldigt, dat de menschen van dwaasheid durven beschuldigen wat zij niet verstaan, zoo bewijst hij nochtans meteen, hoe groot de zwakheid of liever stompheid des menschelijken vernufts is, als hij zegt, dat het niet vatbaar is voor geestelijk verstand. Want hij leert, dat het niet alleen door wederspannigheid van den menschelijken wil, maar ook door zwakheid des gemoeds geschiedt, dat de mensch niet kan komen tot hetgeen des Geestes is. Had hij gezegd, dat de menschen niet wijs willen zijn, hij had wel de waarheid gezegd: maar nu zegt hij daarbij, dat zij ook niet kunnen: waaruit wij ver-
52
Spr. 28:5.
Jes. 40; 13. Rum. 11:34.
Boek der Wijsh. 9:13.
1 CORINTHE 2 : 14, 15.
staan, dat het geloof niet is in elks goeddunken, maar dat het door God gegeven wordt. Want het wordt geestelijk onderscheiden.
Dat is, de Geest Gods, van wien de leer des Evangelies komt, is alleen de ware uitlegger om ons dezelve te openen. Daarom moet der menschen verstand in het oordeelen over haar blind zijn, totdat het door den Geest Gods verlicht is. Hieruit mag men besluiten, dat alle menschen van nature ontbloot zijn van den Geest Gods: want anders zou de bewijsreden niet deugen. Het licht der rede, dat wij allen hebben, is wel van den Geest Gods: maar hij spreekt nu van eene bijzondere openbaring der hemelsche wijsheid, waarmede God alleen zijne kinderen verwaardigt. Daarom is de onwetendheid van die menschen veel minder verdragelijk die verdichten, dat het Evangelie in 't gemeen zóó aangeboden wordt, dat elk het door het geloof tot zaligheid kan aannemen.
15 Maar de geestelijke onderscheidt alle ding. Nadat hij aan het vleeschelijk oordeel des menschen de autoriteit heeft benomen, zoo leert hij nu, dat alleen de geestelijken bekwame richters dezer zaak zijn, omdat de Geest Gods alleen Zichzelven kent, en het zijn eigen ambt is, het zijne van andere dingen te onderscheiden, het zijne te bevestigen, en aan alle andere dingen geloofwaardigheid te benemen. Zoo is dan de zin; hier moet alle scherpzinnigheid des vleesches wijken, alleen de geestelijke mensch heeft standvastige en grondige kennis der verborgenheden Gods, om zeker de waarheid van de leugen, de leer Gods van der menschen gedichtselen te onderscheiden, en niet te feilen. Hij wordt van niemand geoordeeld, want de zekerheid des geloofs is den menschen niet onderworpen, zoodat het op hun wenk zou kunnen verzwakt worden, dewijl het ook boven de engelen is. Merk intusschen op, dat dit voordeel of privilegie niet den persoon des menschen, maar het Woord Gods toegeschreven wordt, hetwelk de geestelijke menschen volgen in het oordeelen, en wel zulk een woord Gods, dat hun door God met waarachtig verstand aangegeven wordt: en als de mensch dit aldus heeft, zoo is zijn zeker gevoelen boven de ongestadigheid des men-schelijken oordeels. Bovendien moeten wij ook aanmerken het woord onderscheiden, waarmede de apostel te kennen geeft, dat wij niet alleen door den Heere verlicht worden om de waarheid te zien, maar dat wij ook met den Geest der onderscheiding begiftigd worden, opdat wij niet tusschen het ware en valsche in twijfel blijven, maar kunnen oordeelen wat men moet volgen of vlieden. Maar hier kan men vragen, wie de geestelijke mensch is, en waar hij gevonden wordt, die met zulk een groot licht begaafd is, dat hij in staat is om alle dingen te onderscheiden, dewijl wij gevoelen, dat wij altijd met veel onwetendheid bezet zijn, en in gevaar van dwalen staan: voornamelijk, dewijl ook de allervolmaaktsten dikmaals vallen en struikelen. Hierop kan men gemakkelijk antwoorden, dat Paulus dit vermogen niet uitstrekt tot alle dingen, even alsof hij al degenen, die door den Geest Gods wedergeboren zijn, van alle dwalingen vrijstelde: maar dat hij eenvoudig wil leeren, dat de voorzichtigheid des vleesches niets vermag om de leer der godzaligheid te oordeelen, dat dit oordeel en dit recht alleen bij den Geest Gods is. Zoo dan, een iegelijk oordeelt recht en zeker, in zooverre hij wedergeboren is, en naar de mate der genade, die hem gegeven is, en niet verder. Maar hy zelf wordt van niemand geoordeeld. Ik
53
54
heb reeds verklaard, waarom hij zegt, dat de geestelijke mensch niet aan eenig menschelijk oordeel onderworpen is, te weten, omdat de waarheid des geloofs, welke aan God alleen hangt, en in zijn Woord gegrond is, niet aan het oordeel der menschen is onderworpen. Dat hij hierna zal zeggen, dat de geest van den eenen profeet aan de andere profeten onderworpen is, strijdt hiertegen niet. Want wat wil de onderworpenheid, anders dan dat een ieder der profeten aan de anderen gehoor geeft, en hunne openbaringen niet verwerpt noch uitsluit; opdat hetgeen bevonden wordt de waarheid Gods te zijn, altijd vast blijve en door allen aangenomen worde. Maar hier plaatst hij de wetenschap des geloofs, die van God ontvangen is, boven de hoogte des hemels en der aarde, opdat zij naar der menschen oordeel niet geschat worde. Doch het Grieksche woord, waarvoor wij gesteld hebben van niemand, kan ook gelezen wor-vttquot; den, van geen ding. En alzoo zal de tegenstelling klaarder wezen: ovSsvós. dat de geestelijke mensch, zoover hij met den Geest Gods begiftigd is, alle ding oordeelt, en van geen ding geoordeeld wordt: dewijl hij aan geen menschelijke wijsheid of rede onderworpen is. En op deze wijze zou Paulus de godzalige conscientiën van alle menschelijke inzettingen, en wetten, en oordeelen vrijstellen.
16 Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Het is waarschijnlijk, dat Paulus gezien heeft op hetgeen geschreven staat Jes. «as. Jes. 40, want gelijk de profeet daar vraagt, wie Gods raadsman geweest is, die zijnen Geest gewogen, of Hem geholpen heeft, zoowel in de schepping der wereld, als in andere werken, kortom, die de reden en oorzaak zijner werken verstaat: alzoo wil Paulus met deze vraag leeren, dat zijn verborgen raad, die in het Evangelie vervat is, verre is van der menschen verstand. Zoo is het dus een bevestiging der voorgaande uitspraak. Maar wö hebben den zin van Christus. Het is onzeker, of hij van de geloovigen in 't gemeen spreekt, of alleen van de dienaren: want beide deze zinnen komen niet kwalijk overeen met het tekstverband; hoewel ik het liever bepaald op hem en andere getrouwe dienaars wil betrekken. Zoo zegt hij dan, dat de dienstknechten des Heeren in de dingen, die zeer wijd van het gevoelen des vleesches zijn, door het onderwijs van den Geest geleerd worden, zoodat zij onversaagd als uit den mond des Heeren spreken: welke gave daarna bij graden en trappen tot de gansche gemeente voortvloeit.
1 CORINTHE 3:1.
HET DERDE HOOFDSTUK.
1 En ik, broeders, heb tot u niet knnnen spreken als tot geestelijken, maar als tot vleeschelijken, als tot kinderen in Christus.
2 Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijze: want gij Hebr. 5:
, ^ .6, . ' 4 â¢â¢ .amp;,J 1 Petr. 2
vermocht ze nog met, ja ook nu vermoogt gij ze nog niet:
want gij zijt nog vleeschelijk.
3 Want dewijl onder u nijd en strijd, en tweedracht is, zijt gij i Cor. niet vleeschelijk en wandelt naar den mensch? jak! 3:io
4 Want dewijl de een zegt: Ik ben van Paulus; de ander: Ik 1 Oor- 1: ben van Apollos; zijt gij niet vleeschelijk?
iTâ^n ik, broeders. Wat hij van de vleeschelijken gezegd heeft, H begint hij op de Corinthiërs over te brengen, opdat zij ver-â'staan, dat het door hun eigen gebrek komt, dat de leer des kruises hun minder behaagt. Het is waarschijnlijk, dat in die koopmansharten ook toen ter tijd te veel ijdel betrouwen en hoovaardig-heid geweest is, zoodat zij de eenvoudigheid des Evangelies zeer kwalijk, en niet zonder groote zwarigheid aannamen. Vanwaar het geschied was, dat zij den apostel en de kracht zijner Goddelijke prediking verachtende, dien scherpzinnigen leeraren, die vol ijdele vertooning waren, meer gehoor gaven, hoewel zij ontbloot van den Geest waren. Zoo dan, om hunne hoovaardigheid te beter neder te v/erpen, zoo betuigt hij, dat zij een deel geweest zijn van die men-schen, die met des vleesches gevoelen overvallen, niet bekwaam waren om de geestelijke wijsheid Gods te vatten. Hij verzacht wel de bitterheid van zijn verwijt, als hij ze broeders noemt, toch verwijt hij hen eenvoudig, dat hun verstand zoozeer door de duisternis van het vleesch beneveld wordt, dat zijn prediking bij hen daardoor is verhinderd geweest. Wat gezondheid des oordeels was dan daar,
waar zij niet eens bekwaam waren om te hoorenr Voorts verstaat hij niet, dat zij zoo gansch en al vleeschelijk geworden zijn, alsof daar niet een vonk van den Geest in hen was: maar omdat zij nog te veel vleeschelijken zin hadden, zoodat het vleesch den Geest overwon, en zijn licht als het ware onderdrukte. Zoo dan, hoewel zij niet ten eenenmale zonder gave des Geestes waren, nochtans dewijl er meer vleesch dan Geest in hen was, zoo worden zij daarom vleeschelijk genoemd: hetwelk daaruit genoeg blijkt, dat hij er in eenen adem bijvoegt, dat zij kinderen in Christus geweest zijn. Want zij waren geene kinderen geweest, indien zij niet geboren waren. En deze geboorte is van den Geest Gods. Kinderen in Christus. Dit woord wordt somtijds in goeden zin genomen, gelijk bij Petrus, die ons gebiedt den nieuwgeboren kinderen gelijk te zijn. En in / de uitspraak van Christus: Indien gij niet wordt gelijk de kinderkens,« P^t.^2: zoo zult gij in het rijk Gods niet komen. Maar hier wordt het in ' kwaden zin genomen, aangezien het op het verstand betrekking heeft. Want wij moeten in boosheid kinderen zijn, en niet in verstand: gelijk hij zal zeggen hfdst. 14: 20, welke onderscheiding den Matt, iu knoop der twijfeling ontbindt, waarmede ook overeenkomt wat Ef. 4: 14 staat: Laat ons geene kinderen zijn, die met allen wind der leer omgevoerd, en door der menschen listen bedrogen worden:
maar laat ons dagelijks enz.
55
56
2 Ik heb u met melk gevoed. Hier wordt gezintwist, of Paulus Christus veranderd heeft naar de verscheidenheid der hoorders. Ik antwoord, dat dit meer betrekking heeft tot de wijze of vorm van leeren, dan tot het wezen der leer. Want dezelfde Christus is den kinderen melk, en den volwassenen vaste spijze: dezelfde waarheid des Evangelies wordt beiden, maar naar hunne mate toegediend. Zoo komt het dan een voorzichtigen leeraar toe, zich te voegen naar het begrip dergenen, die hij aanneemt te onderwijzen: bij de zwakken en onkundigen begint hij met de eerste beginselen, en gaat niet hooger dan zij kunnen volgen; kortom, hij laat de leer allengs indruppelen, opdat zij milder ingegoten niet overvloeie. Maar deze beginselen zullen niet minder al wat noodig is bevatten, dan de meer volkomene leer, die aan sterkeren gegeven wordt. Lees over deze zaak het achtennegentigste sermoen van Augustinus op Johannes. Aldus wordt de bedriegelijke verontschuldiging van sommigen wederlegd, die, als zij uit vrees voor gevaar alleen duister wat babbelen van het Evangelie, dit voorbeeld van Paulus voorwenden. En ondertusschen wijzen zij Christus zóó van verre aan, en ook met vele bewimpelingen bedekt, dat zij hunne discipelen altijd in verderfelijke onwetendheid houden. Ik zwijg er van, dat zij veel verderfelijks daaronder mengen, dat zij Christus niet alleen half, maar ook verscheurd en bij stukken voorstellen: dat zij de grove afgoderij niet alleen door de vingeren zien, maar zelfs met hun voorbeeld versterken; en indien zij iets goeds gezegd hebben, zoo bezoedelen zij dat terstond met vele leugenen. Het is openbaar genoeg, dat zij volstrekt niets met Paulus gemeen hebben: want de melk is voedsel en geen vergif, en zulk voedsel dat geschikt en nuttig is om de kinderen op te brengen, totdat zij groot worden. Want gij vermocht ze nog niet. Opdat zij zich niet te zeer in hun scherpzinnigheid mochten vleien, zoo verklaart hij ten eerste wat hij aanvankelijk in hen gevonden heeft; daarna voegt hij er bij, dat diezelfde gebreken nu nog in hen zijn, hetwelk harder is. Want zij behoorden immers, als zij Christus aandeden, het vleesch weg te werpen. En zoo zien wij, dat Paulus klaagt, dat de behoorlijke voortgang zijner leer verhinderd is geweest: want zoo de hoorder door zijn traagheid geen verhindering aanbrengt, zoo is het de plicht van een goed leeraar, altijd zijne leerlingen te doen vorderen en hooger op te klimmen, totdat men tot de volmaaktheid zal gekomen zijn.
3 Want gij zijt nog vleeschelijk. Zoolang het vleesch, dat is, de natuurlijke gebrekkigheid in den mensch heerschappij heeft, bezet zij des menschen verstand dermate, dat de wijsheid Gods er niet kan inkomen. Daarom, indien wij in de school des Heeren eenige vordering willen maken, is dit het eerste, dat wij ons eigen gevoelen en onzen eigenen wil verzaken. Hoewel in de Corinthiërs eenig vonkske van godzaligheid glom, zoo had nochtans de verstikking de overhand. Want dewijl onder u zijn. Dit is een bewijs uit de vruchten: want dewijl nijd, gekijf en tweedracht, werken des vleesches zijn, zoo is zeker, waar die gezien worden, dat daar ook de wortel zijn bloei en kracht heeft. Deze booze dingen heerschten bij de Corinthiërs, en hieruit overtuigt hij hen, dat zij vleeschelijk
Gal. 5:25. zijn_ Ditzelfde bewijs gebruikt hij ook tot de Galaten, zeggende: Indien gij door den Geest leeft, zoo wandelt ook door den Geest.
1 CORINTHE 3 : 3â5.
Want dewijl zij geestelijk wilden geacht worden, zoo roept hij hen tot de werken, waardoor zij verzaakten wat zij met den mond beleden. Let op de nette orde, die Paulus hier volgt: want uit nijd rijst twist en strijd, en als deze eenmaal ontstoken zijn, zoo gaan zij voort tot doodelijke tweedracht: en de moeder van al deze kwaden is de eerzucht. Wandelt naar den mensch. Hieruit blijkt ook, dat het woord vleesch, niet uitsluitend van de lagere begeerlijkheden verstaan wordt, gelijk de Sophisten dichten, welks zetel zij noemen zinnelijkheid, maar van de gansche natuur des menschen.
Want die de leiding der natuur volgen, worden door den Geest Gods niet geregeerd; dezen zijn naar des apostels beschrijving vlee-schelijk, zoodat vleesch en des menschen aard geheel hetzelfde beduiden; en daarom eischt hij niet tevergeefs op een andere plaats, 2 cor. s ;i7. dat wij nieuwe schepselen zijn in Christus.
4 Want dewijl de een zegt. Nu drukt hij de soort van den twist uit, en dat in den persoon der Corinthiërs, opdat de beschrijving te meer kracht hebbe, te weten, dat elk op zijnen eigen meester roemt, even alsof Christus niet hun aller eenige Meester ware. Waar nog zulke eerzucht is, daar is geene of zeer geringe vrucht en voortgang van het Evangelie. Nochtans zal men het niet verstaan, dat zij dit openlijk met uitgedrukte woorden beleden hebben: maar de apostel gispt de booze genegenheden, aan welke zij overgegeven waren. Evenwel, het is waarschijnlijk, gelijk na eergierige gunst, gemeenlijk ijdel gesnap volgt, dat zij ook met de woorden de verkeerde genegenheid des gemoeds lucht gegeven hebben, toen zij hunne leeraars zoo grootelijks prezen, niet zonder Paulus en zijns gelijken te verachten.
5 Wie is dan Paulus? of wie is Apollos, anders dan dienaars, Hand. 18:24. door welke gij geloofd hebt? en gelijk God een iegelijk ge- k;: u'. geven heeft?
6 Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt : maar God heeft den Hand. 18:26; wasdom gegeven.
7 Zoo dan, die plant is niet, noch ook die nat maakt, maar God,
die den wasdom geeft.
8 Die plant en die nat maakt zijn een: en een iegelijk zal zijn Ps. r,2; 13. eigen loon ontvangen naar zijnen arbeid. 32^ 19.1T 10'
9 Want wij zijn Gods medewerkers, Gods landbouwerii, Gods MaU' 1,;: 27-
........ Rom. 2:0;
getimmerte zi]t grj. 14:12.
2 Cor. 5 :10.
5 Wie is dan Paulus? Hier begint hij te behandelen wat men openb.'2;23; van de dienaren moet gevoelen, en tot wat einde zij door den ^co?' s ⢠i Heere verordend zijn. Hij noemt zichzelven en Apollos liever dan ei'. 2;'2o.quot; anderen, om nijd te vermijden. Wat hebben, zegt hij, alle dienaars,
anders dan dat zij door hunne prediking u tot het geloof brengen?
Hieruit besluit Paulus, dat men niet in eenig mensch moet roemen:
want het geloof laat niet toe te roemen, dan in Christus alleen.
Daarom, wie de menschen bovenmate verheffen, berooven hen van hunne wezenlijke waardigheid: want dit is voor allen het voornaamste, dat zij dienaars des geloofs zijn, dat is, dat zij voor Christus en niet voor zichzelven discipelen gewinnen. En hoewel hij aldus schijnt der dienaren waardigheid te verkleinen, toch vernedert hij
57
1 CORINTHE 3:5, 6.
hen niet beneden hun rang. Want het is veel dat hij zegt, dat wij door hun dienst het geloof verkrijgen. Ja de kracht der uitwendige leer wordt hier zeer geprezen, dewijl zij een orgaan des Heiligen Geestes genoemd wordt: en de herders worden met geen gewone lofspraak versierd, wanneer God gezegd wordt hen als dienaars te gebruiken, om den onvergelijkelijken schat des geloofs uit te deelen. Gelyk God een iegelijk. De Grieksche woorden staan aldus: Een iegelijk gelijk God gegeven heeft, maar het is een verkeerde orde der woorden: daarom hebben wij het veranderd, opdat de zin te klaarder ware. In sommige exemplaren ontbreekt het woordje en, maar wordt aldus doorgaans gelezen: Dienaars, door welke gij geloofd hebt, gelijk God een iegelijk, enz. Indien wij alzoo lezen zoo is dit laatste tot verklaring van het eerste daarbij gevoegd, zoodat Paulus bepaalt wat hij door den dienaar verstaat, even alsof hij zeide: Het zijn dienaars, welker arbeid God gebruikt, niet, die door eigen kracht iets vermogen, maar zoover zij als instrumenten door zijn hand gedreven worden. Nochtans is de overzetting, die ik gesteld heb, naar mijn oordeel natuurlijker; indien wij die volgen, zoo zal de uitspraak volkomener wezen; want zij zal twee deelen hebben, aldus: Ten eerste zijn dat dienaars, die hun arbeid voor Christus doen, opdat gij in Hem zoudt gelooven: ten andere hebben zij niets eigens, waarop zij zich verheffen, dewijl zij noch door zichzelven iets bedrijven, noch eenig vermogen hebben anders dan uit Gods gave: en een iegelijk naar zijn mate, welke te kennen geeft, dat het al van elders komt wat een iegelijk heeft. Bovendien verbindt hij ze allen aan elkander, als met een onderlingen band, dewijl zij allen elkanders hulp behoeven.
6 Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt. Door een gelijkenis ontvouwt hij duidelijker hoedanig deze dienst geweest is, door welke gelijkenis de natuur des Woords en het gebruik der prediking zeer bekwamelijk beschreven wordt. Opdat de aarde vrucht drage, is er planting en zaaiing noodig en andere oefening: maar als dit alles gedaan is, zoo zou de arbeid van den landbouwer niet vorderen, zoo de Heere uit den hemel door den invloed der zon, en meer nog door zijn wonderlijke en verborgene kracht den wasdom niet gaf. Hoewel dus de arbeid des landbouwers niet tevergeefs, en ook het zaad dat hij strooit, niet onnut is, zoo gedijen zij nochtans alleen door den zegen Gods. Want wat is er wonderlijker, dan dat het verrotte zaad ontkiemt? Alzoo is het Woord Gods een zaad, dat uit zijn natuur vruchtbaar is; de dienaars zijn gelijk landbouwers, die ploegen en zaaien; daarna komen er nog andere behulpselen, gelijk als er waterbeken door gelegd worden. Dezen dienst doen de dienaars ook, als zij, nadat het zaad in de aarde geworpen is, de aarde zooveel in hen is, helpen totdat zij voortbrengt wat zij ontvangen heeft: maar te maken, dat hun arbeid vrucht brenge, dat is een wonder der Goddelijke genade, en niet een werk van het menschelijk vernuft. Hier mag men opmerken hoe noodzakelijk de verkondiging des Woords is, en hoe noodzakelijk haar gehoorzaamheid. Het was voorwaar Gode even gemakkelijk geweest, de aarde te zegenen zonder der menschen arbeid en naarstigheid, zoodat zij vanzelf vrucht droeg, als door veel arbeid, en zweet, en moeite haar vrucht te ontlokken, of liever te ontpersen: maar dewijl de Heere het alzoo verordend heeft, dat de
58
1 CORINTHE 3:6, 7.
mensch zal arbeiden, en dat de aarde door zijn oefening vrucht zal Gen. 3: n. dragen, zoo laat ons dit doen. Zoo dan. God staat niets in den weg om den slapenden het geloof te kunnen inblazen zonder men-schen, zoo Hij wilde, maar Hij heeft het anders verordend, te weten,
dat het geloof zou verwekt worden uit het gehoor. Daarom, wie meent zonder dit middel tot het geloof te komen, die doet even alsof de Eom- 10:17-landbouwers den ploeg wegwierpen, het zaaien nalieten, de gansche landbouwerij verachtten, en naar den hemel gapende, voedsel verwachtten. Wat het aanhouden aangaat, wij zien wat Paulus hier zegt, te weten, dat het zaaien niet genoeg is, tenzij het dikmaals met nieuwe behulpselen bevorderd worde. Daarom, wie nu het zaad ontvangen heeft, die heeft nog natmaking noodig: en men moet niet aflaten, voordat het rijp geworden is, dat is, tot het einde des levens. Zoo dan Apollos, die in den dienst des VVoords na Paulus is gekomen, wordt gezegd nat gemaakt te hebben wat Paulus gezaaid had.
7 Die plant is niet. Nochtans uit hetgeen nu gezegd is, is het openbaar, dat hun arbeid van eenige beteekenis is. Daarom moet men nu zien waarom Paulus zich zoo verkleint. En ten eerste moet men wel opmerken, dat hij gewoon is van de dienaren op tweeërlei wijze te spreken, gelijk ook van de Sacramenten. Want somtijds beschouwt hij den dienaar, gelijk hij door den Heere verordend is,
om de zielen eerst te wederbaren, en daarna te voeden tot het eeuwige leven, om de zonden te vergeven, om der menschen gemoed te vernieuwen, om het rijk van Christus op te richten, en het ---
rijk des satans te verstoren: en dan schrijft hij hem niet alleen het ambt van het planten en natmaken toe, maar versiert hem ook met de kracht des Heiligen Geestes, opdat zijn arbeid niet krachteloos zij. Alzoo noemt hij zichzelven ergens een dienaar des Geestes, en2Cor-3:C-niet der letter, die het Woord des Heeren in de harten inschrijve.
Somtijds beschouwt hij de dienaar, gelijk hij een dienstknecht is,
en niet een heer: gelijk hij een orgaan is, en niet een hand. Kortom gelijk hij een mensch is, en niet God. En dan laat hij hem niets anders dan den arbeid, en wel den dooden en ijdelen arbeid, zoo de Heere hem niet door zijnen Geest krachtig maakt. De reden is,
omdat als enkel over den dienst gehandeld wordt, wij niet alleen den mensch moeten aanzien, maar ook God, die in hem werkt door de gave des Geestes: niet dat de gave des Geestes altijd aan des menschen woord gebonden is, maar omdat Christus in den dienst door Hem ingesteld, zijn macht alzoo bewijst, dat het openbaar is,
dat hij niet tevergeefs ingesteld is. Aldus beneemt Hij zich niets om den mensch toe te schrijven: want Hij wordt niet van den dienaar afgezonderd, maar veeleer wordt zijn kracht gezegd in den dienaar krachtig te zijn. Maar dewijl wij naar verdraaidheid van ons oordeel somtijds deze oorzaak misbruiken om de menschen te zeer te verheffen, zoo moet men om deze fout te verbeteren, onderscheiden, en aan de eene zijde den Heere bijzonder, en aan de andere den dienaar stellen: dan ziet men hoe arm de mensch is in zichzelven, en hoezeer hij van alle macht is beroofd. Daarom zullen wij weten, dat hier de dienaars met den Heere vergeleken worden, en dat de oorzaak dezer vergelijking is, dat de menschen, die booze waardebepalers der genade Gods zijn, veel te kwistig in het verheffen van de dienaars Gods zijn; ja, Gode ontnemen wat
59
1 CORINTHE 3 : 7â9.
zij denzulken toeschrijven. Hoewel hij houdt altijd een heel goede matiging: want als hij zegt, dat God den wasdom geeft, geeft hij daarmede te kennen, dat de arbeid der menschen niet zonder gevolg is. Dat ditzelfde ook in de Sacramenten is, zullen wij elders zien. Zoo dan, hoewel de hemelsche Vader onzen arbeid in de bewerking van zijn akker niet verwerpt, noch onvruchtbaar laat zijn, zoo wil Hij nochtans dat deszelfs succes eenig en alleen hangt aan zijn zegen, opdat de gansche lof bij Hem blijve. Daarom, zoo wij eenige bate willen hebben met arbeiden, en pogen, en naarstig zijn, moeten wij weten, dat wij niets zullen vorderen, tenzij Hij zelf onzen arbeid, ons pogen, en onze vlijt voorspoedig make, opdat wij ons, met al wat wij doen, zijner genade bevelen.
8 Die plant en die nat maakt zijn een. Met een andere reden leert hij, dat de Corinthiërs de namen hunner leeraren verkeerdelijk tot hunne secten en tweedracht misbruikten, die met vereenigde krachten naar eenzelfde zaak staan, en op geenerlei wijze gescheiden of van elkander gerukt kunnen worden, tenzij zij tegelijk hun ambt verlaten. Zij zijn (zegt hij) een, dat is, zóó aan elkander gebonden, dat hun verbinding geen scheiding toelaat, omdat zij allen een en hetzelfde einde voor oogen moeten hebben, en éénen Heere dienen, en arbeiden in hetzelfde werk. Daarom indien zij in den akker des Heeren te bewerken hun arbeid met getrouwheid verrichten, zoo zullen zij eenigheid houden, en met onderlinge gemeenschap de een den ander helpen: zoover is het er vandaan, dat hunne namen vaandels zijn om twist en tweedracht te verwekken. Dit is een schoone plaats om de dienaars tot eendracht op te wekken. Intusschen echter berispt hij scherp de eerzuchtige leeraars, die oorzaak tot tweedracht zoekende, daarmede te kennen gaven, dat zij geen dienstknechten van Christus, maar slaven van ijdele eer waren: dat zij niet op planten en nat maken, maar eer op uitroeien en branden hun best deden. Een iegelijk zal zijn eigen loon. Hier leert hij wat einde alle dienaars voor oogen moeten hebben, te weten niet om des volks lof te zoeken, maar om den Heere te behagen. En dit doet hij om die eerzuchtige leeraars, die dronken van den roem der wereld, niets anders bedachten, voor den rechterstoel Gods te dagen, en de Corinthiërs te vermanen, hoe nietig de ijdele gunst is, die door sierlijkheid der woorden en ijdel praalvertoon verkregen is: tevens bewijst hij met deze woorden de gerustheid der conscientie, dat hij zonder vrees het oordeel Gods durft verwachten. Want dat de eerzuchtige menschen zich der wereld voorstellen, dat geschiedt, omdat zij niet geleerd hebben zich aan God te wijden, noch het hemelsche rijk van Christus voor oogen hebben: daarom, zoodra God verschijnt, verdwijnt de dwaze begeerte om menschelijke gunst te zoeken.
9 Want wij zijn Gods medewerkers. Dit is een zeer goede reden. Het is des Heeren zaak, die wij doen, en Hem hebben wij onzen arbeid gewijd: daarom, gelijk Hij getrouw en rechtvaardig is, zoo zal Hij ons ons loon niet onthouden. En daarom wordt bedrogen, die op menschen ziet, en van hunne vergelding afhangt. Dit is een uitnemende lof op den dienst, dat God, daar Hij door Zichzelven kon werken, ons menschjes als helpers aanneemt, en als werktuigen gebruikt. Dat de papisten dit getuigenis misbruiken om den vrijen wil te staven, dat is al te dwaas. Want Paulus leert
60
1 CORINTHE 3 : 9, 10.
hier niet wat de menschen door de natuurkrachten vermogen, maar wat God door hen werkt uit zijne genade. Dat het sommigen uitleggen, dat Paulus, die Gods arbeider was, voor zijne metgezellen,
dat is, voor andere leeraren een medewerker is geweest, dat schijnt mij hard en gedwongen toe, en er is geen reden, die ons dwingt tot deze spitsvondigheid, want het komt met des apostels voornemen zeer wel overeen, dat God, terwijl het zijn eigen ambt is,
zijnen tempel te stichten, of zijnen wijngaard te bearbeiden, de dienaars tot gemeenschap van den arbeid aanneemt, door welke Hij alzoo alleen werkt, dat zij nochtans in 't gemeen met Hem werken. Over de verdienste der werken lees mijne »Institutie of Onderwijzing.quot; Gods landbouwerij, Gods getimmerte. Dit kan op tweeërlei wijze uitgelegd worden, te weten, bedrijvend aldus: Gij zijt door menschenarbeid zóó geplant in des Heeren akker, dat de hemelsche Vader zelf de ware landbouwer, de auteur dezer planting is; gij zijt zóó gebouwd en gesticht door menschen, dat God zelf de ware bouwmeester is. En lijdend aldus: Dat wij in u te bearbeiden, in het Woord Gods onder u te zaaien en te bevochtigen, gearbeid hebben, dat hebben wij niet gedaan om onzentwil, noch opdat wij vrucht daarvan zouden hebben, maar wij hebben den Heere onze gehoorzaamheid gewijd; dat wij gearbeid hebben om u te stichten en op te bouwen, daartoe zijn wij niet gedreven door ons eigen voordeel, maar opdat gij Gods planting en gebouw zoudt zijn. Deze laatste uitlegging behaagt mij 't best: want ik acht, dat Paulus hier heeft willen uitdrukken, dat de ware dienaars niet voor zichzelven,
maar voor den Heere arbeiden. Hieruit volgt, dat de Corinthiërs verkeerd doen, die zich aan menschen wijden, dewijl zij met recht Gode alleen toekomen. En ten eerste noemt hij hen wel land-bouwerij, in de begonnen leenspreuk voortgaande, maar dan om tot andere dingen te komen, ontleent hij een andere leenspreuk aan de bouwkunst.
10 Gelijk een wijs bouwmeester, naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik het fundament gelegd, en een ander timmert daarop; maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop timmert.
11 Want een ander fundament kan niemand learsen dan dat ge-
. Matt. 16: lo.
legd is, hetwelk is Jezus Christus.
12 En zoo iemand op dit fundament timmert, goud, zilver, kostelijke steenen, hout, hooi, stoppelen,
13 Eens iegelijks werk zal openbaar worden: want de dag zal Jes. 4S:io. het openbaren, want het zal in het vuur ontdekt worden, en 4.12 quot; ' hoedanig eens iegelijks werk zij, dat zal het vuur beproeven.
14 Zoo iemands werk blijft, dat hij daarop getimmerd heeft, die zal loon ontvangen.
15 Zoo iemands werk brandt, die zal schade lijden; maar hij zal behouden worden, nochtans alzoo als door vuur.
10 Geljjk een w|js bouwmeester. Dit is een zeer gepaste gelijkenis, en daarom wordt zij dikmaals in de Schrift gevonden, gelijk wij kort hierna zullen zien. Hier prijst de apostel met groot vertrouwen en gerustheid zijn getrouwheid; gelijk het noodig was haar te bewijzen, niet alleen tegen der boozen achterklappingen,
61
1 CORINTHE 3; 10, 11.
maar ook tegen den hoogmoed der Corinthiërs, voor wie zijn leer nu verachtelijk begon te zijn. Daarom hoe meer zij hem neder-drukten, hoe hooger hij opklimt en verklaart als uit het hoogste spreekgestoelte, dat hij bij hen de eerste bouwmeester Gods geweest is in het leggen van het fundament, dat hij deze taak verstandig volbracht heeft: dat de anderen op dezelfde wijze voortgaan, de optimmering naar den regel van het fundament voltooiende. Wij moeten opmerken, dat dit door Paulus gezegd wordt, ten eerste tot aanbeveling zijner leer, welke hij zag, dat door de Corinthiërs veracht werd: ten andere om den hoogmoed van anderen te fnuiken, die door de begeerte om uit te munten een .nieuwen vorm van onderwijzen zochten. Hen vermaant hij dus, om niet lichtvaardig iets te beginnen in de timmering Gods, en verbiedt hun twee dingen; te weten, dat zij het niet wagen een ander fundament te leggen, en dat zij geen gebouw daarop zetten, dat met het fundament minder overeenkomt. Naar de genade. Hij ziet altijd naarstig toe, dat hij niet eenig deeltje der eere Gods tot zich trekke, want hij schrijft alles aan God toe, en laat voor zichzelven niets anders, dan dat hij een werktuig geweest is. Terwijl hij zich aldus zediglijk Gode onderwerpt, berispt hij bedektelijk de hoovaardigheid dier menschen, die het voor niets achtten de genade Gods te verduisteren, zoo zij slechts in waarde gehouden mochten worden. Hij geeft ook bedektelijk te kennen, dat in die ijdele praal, waarom zij gewaardeerd worden, geen gave des Geestes geweest is: en zichzelven vrijwaart hij van verachting, als die van God is gedreven geweest.
ii Een ander fundament kan niemand. Twee leden heeft deze tekst, te weten, dat Christus het eenige fundament is der gemeente, en dat de Corinthiërs door Paulus' prediking recht en wel in Christus gefundeerd zijn. Want het was noodig hen tot Christus alleen weder te brengen, wien van nieuwigheidszucht de ooren jeukten. Het was ook wel noodig, dat zij Paulus erkenden voor den eersten, en (om zoo te spreken) fundamenteelen bouwmeester, dewijl zij van zijne leer niet konden afwijken, zonder Christus zeiven te verlaten. De hoofdzaak is, dat de gemeente niet anders dan op Christus alleen moet gefundeerd zijn: en dat Paulus hierin zoo getrouw zijn ambt bij de Corinthiërs volbracht heeft, dat men in zijnen dienst niets meer kan eischen: en dat daarom allen, die na hem komen, niet anders getrouw den Heere kunnen dienen: en dat men hen niet als dienaars van Christus moet hooren, tenzij zij hunne leer naar de zijne zoeken te voegen, en het fundament behouden, dat Hij gelegd heeft. Hieruit besluiten wij, dat die geene getrouwe arbeiders zijn om de gemeente op te bouwen, maar veelmeer ver-woesters, die als zij in de plaats der ware dienaren komen, niet zoeken zich naar hunne leer te voegen, en te vervolgen wat wel begonnen is, zoodat het overtuigend blijke, dat zij geenerlei nieuw werk beginnen. Want wat is verderfelijker dan dat de geloovigen, in de zuivere leer wel onderwezen, door eene nieuwe wijze van leeren beroerd worden, zoodat zij onzeker van het fundament wankelen? De fundamenteele leer, welke men niet wankelbaar mag maken, is dat wij Christus leeren. Want Christus is het eenige fundament der gemeente: maar er zijn velen, die den naam van Christus voorwendende, de gansche waarheid Gods uitroeien. Daarom moet men zien, hoe de gemeente behoorlijk op Christus gebouwd wordt, te
62
1 CORINTHE 3: 11, 12.
weten, als Hij alleen gesteld wordt tot rechtvaardigheid, verlossing, heiligmaking, wijsheid, genoegdoening, reiniging, eindelijk leven en heerlijkheid, of als gij het korter begeert, indien Hij zoodanig gepredikt wordt, dat zijn ambt en kracht verstaan wordt, gelijk wij het aan het slot van het eerste hoofdstuk hadden. Indien Christus eenigszins erkend en genoemd wordt Verlosser, en ondertusschen de rechtvaardigheid, heiligmaking, en zaligheid elders gezocht wordt, zoo wordt Hij van het fundament geworpen, en onbehoorlijke steenen in zijn plaats gelegd, gelijk de papisten doen, die Hem schier van al zijne versieringen berooven, en bijna den naakten naam laten. Zoo zijn dan dezulken verre daarvan, dat zij in Christus zouden gefundeerd zijn. Want dewijl Christus daarom het fundament der gemeente is, omdat Hij de eenige oorzaak der zaligheid en des eeuwigen levens is, omdat wij in Hem God den Vader kennen,
omdat wij in Hem de Fontein alles goeds hebben, zoo houdt Hij op het fundament te zijn, wanneer Hij niet als zoodanig erkend wordt. Maar men vraagt, of Christus alleen een stuk of een begin der zaligmakende leer is, gelijk het fundament slechts een stuk van het huis is? want ware het zoo, dan zouden de geloovigen niet anders dan begonnen worden in Christus, en buiten Hem volmaakt worden; en Paulus schijnt dit te zeggen. Ik antwoord, dat dit de zin der woorden niet is, want anders zou hij met zichzelven in strijd komen, dewijl hij op een andere plaats zegt: Dat alle schatten Col. 2:3 der wijsheid en wetenschap in Hem verborgen zijn; daarom, wie Christus geleerd heeft, die is nu in de gansche hemelsche leer volmaakt. Maar dewijl Paulus' dienst meer gestrekt had om de Co-rinthiërs te fundeeren, dan om de hoogste kap van het huis onder hen op te richten, zoo leert hij hier alleen wat hij gedaan heeft, te weten, dat Christus zuiver door hem gepredikt is. Daarom zichzelven aanziende, noemt hij Christus het fundament: ondertusschen sluit hij Hem niet uit van de andere deelen van het gebouw. Eindelijk, Paulus stelt geenerlei soort der leer tegen de kennis van Christus, maar maakt meer een vergelijking tusschen zich en andere dienaars.
12 Zoo iemand op dit fundament timmert. Hij blijft in de leenspreuk; het ware niet genoeg, dat het fundament gelegd is, zoo de gansche timmering daarmede niet overeenkomt. Want gelijk het ongerijmd zou zijn, op een gouden fundament eenige verachtelijke materie te vestigen, alzoo is het ook ongeoorloofd, vreemde leer op Christus te timmeren. Zoo dan, goud, zilver en kostelijke steenen, noemt hij de leer, die Christus waardig is, en die bij zulk een fundament past. Voorts, opdat wij niet denken, dat deze leer buiten Christus is, maar eer verstaan, dat men in Christus te leeren moet voortgaan, totdat de timmering volbracht is: zoo moet men alleen de orde houden en aanmerken, dat men van de algemeene leer en van de noodzakelijke hoofdstukken beginne, als van het fundament, en dat daarna de vermaningen volgen, en al wat tot volharding, bevestiging en voortgang dient. Dewijl dusverre buiten kijf een eenstemmig gevoelen van den zin van Paulus is, zoo volgt daaruit integendeel, dat door hout, stoppelen en hooi, beduid wordt een leer, die met het fundament niet overeenkomt: een leer,
die de menschen in hun eigen hoofd smeden, en voor Gods Woord in de hand steken. Want God wil, dat de gemeente door de zuivere
63
64
prediking zijns Woords onderwezen worde, en niet door menachen-verdichtselen. Gelijk ook die prediking is, die geenszins tot stichting dient, als daar zijn nieuwsgierige vragen, die meer dienen tot ijdel vertoon of tot dwaze begeerlijkheid, dan tot heil der menschen. Hoedanig eens iegelijks werk is. Ofschoon het een tijdlang verborgen blijft, zoo verkondigt hij, dat het nochtans eens openbaar zal worden, even alsof hij zeide: Het kan geschieden, dat de booze werklieden een tijdlang bedriegen, zoodat de wereld niet onderscheidt, hoe getrouwelijk of bedriegelijk een iegelijk gearbeid heeft: maar ten laatste moet aan het licht komen, wat nu als in duisternis is begraven, en voor Gods aanschijn vallen en veracht worden, wat nu voor de menschen heerlijk is.
13 Want de dag zal het openbaren. De oude overzetting heeft; de dag des Heeren, maar het is geloofelijk, dat de woorden des Heeren, door een ander tot verklaring er bij gesteld is. Ten minste de zin is zonder die toevoeging volledig. Want de tijd, dat de duis ternis verdreven, en de waarheid in 't licht gesteld wordt, wordt bekwamelijk dag genoemd. Zoo verkondigt dan de apostel, dat degenen, die bedriegelijk handelen in des Heeren werk, niet altijd kunnen verborgen blijven, en evenmin die zich getrouw gedragen hebben, even alsof hij zeide: de duisternis zal niet altijd wezen, het licht zal eens verrijzen, hetwelk alles zal openbaren. Ik beken, dat dit des Heeren en niet der menschen dag is, maar de gelijkenis heeft meer bevalligs, zoo men eenvoudig leest; de dag, en niet de dag des Heeren; want Paulus geeft alzoo te kennen, dat de ware dienaren des Heeren niet altijd wel onderscheiden worden van de valsche arbeiders, dewijl de deugden en de ondeugden door de duisternis van den nacht bedekt worden, maar dat deze nacht niet eeuwig zal duren, want de eerzucht is blind, de gunst der menschen is blind, de lof der wereld is blind, maar deze duisternis verdrijft God op zijn tijd. Merk op hoe Paulus altijd het betrouwen eener goede conscientie toont, en met onverwinnelijke hoogmoedigheid de verkeerde oordeelen veracht, ten eerste: om de Corin-thiërs van eergierige gunst tot den oprechten regel van oordeelen te roepen, ten andere; om de getrouwigheid van zijn dienst te bevestigen. Want het zal in het vuur. Dewijl Paulus overdrachtig gesproken had van de leer, zoo noemt hij nu ook de beproeving der leer, overdrachtig vuur, opdat de stukken der vergelijking met elkander overeenkomen. Vuur is dus hier de Geest des Heeren, die door zijn onderzoek beproeft, welke leer is als goud, als stoppelen Hoe dichter de leer Gods bij dit vuur gebracht wordt, des te klaarder wordt zij; daarentegen de leer, die uit der menschen hoofd gekomen is, verdwijnt terstond, gelijk stoppelen door het vuur verteerd worden. Het schijnt, dat hij ook op de natuur des daags gezien heeft, even alsof hij zeide; de dingen, die bij de Corinthiërs door ijdele eerzucht als door een duisteren nacht bedekt worden, zullen dan niet alleen door de klaarheid der zon geopenbaard worden, maar tevens zal er kracht der hitte wezen, niet alleen om de onreinigheden te zuiveren en te reinigen, maar ook om alle ondeugden uit te branden. Want hoewel de menschen meenen, dat zij scherpzinnig kunnen onderscheiden, zoo is nochtans hun scherpzinnigheid niet anders dan een schijn, die in 't gemeen geen vastigheid heeft. Het is alleen de dag, op welken Paulus zich beroept.
1 CORINTHE 3 : 13â15.
die niet slechts door zijn klaarheid, maar ook door zijn vurige vlam alle ding tot op het leven onderzoekt.
14 Zoo iemands werk blijft, die zal loon ontvangen. Hij geeft te kennen, dat die ijdel zijn, die van de waardeering der menschen afhangen, zoodat het hun genoeg is van de menschen geprezen te worden, want het werk zal dan zijnen lof en loon hebben, zoo het den dag des Heeren kan verdragen. Zoo gebiedt hij dan de ware dienaars op dien dag te zien. Want met het woord blijft, geeft hij te kennen, dat de leeringen ongestadig zweven, ja voor een oogenblik schoonen luister geven, totdat zij tot het ernstig onderzoek komen. Hieruit volgt, dat men allen lof der wereld voor niets moet achten, welks ijdelheid kort hierna door het hemelsch oordeel zal bewezen worden,
15 Zoo iemands werk brandt. Even alsof hij zeide: niemand vleie zich, omdat hij naar menschen meening onder de uitnemende bouwmeesters gerekend wordt. Want zoodra die dag zal aanlichten,
moet al zijn arbeid vergaan, zoo het de goedkeuring des Heeren niet wegdraagt. Zoo is dan dit de maatstaf, waarmede eens ieders dienst moet gemeten worden. Sommigen leggen dit uit van de leer,
zoodat het volgende Grieksche woord, hetwelk schade lijden be- iy/J-iaC-duidt, niets anders is dan vergaan, en dat dan volgt, duiden zij op (rSrxi. het fundament, hetwelk in het Grieksch van het mannelijk geslacht is. Maar zij letten niet genoeg op het gansche tekstverband. Want Paulus onderwerpt hier niet zijn eigen leer, maar die van anderen aan het onderzoek. Daarom zou nu ontijdig het fundament vermeld worden. Hij heeft weinig boven gezegd, dat eens ieders werk met vuur zal beproefd worden, daarna komt hij tot een splitsing, welk niet verder moet uitgestrekt worden dan tot dat algemeene gezegde.
Nu is het zeker, dat Paulus daar niet gesproken heeft dan van het gebouw, dat op het fundament gevoegd is. Reeds in het eerste deel heeft de Heere den goeden werkmeesters loon beloofd, welker arbeid zal beproefd zijn. Zoo komt dan de tegenstelling van het tweede deel wel overeen, dat die stoppelen, of hout, of kaf daaronder vermengd hebben, met hun gehoopt loon bedrogen zullen worden.
Maar hij zal behouden worden. Het staat vast, dat Paulus van hen spreekt, die het fundament altijd behoudende, hooi met goud, stoppelen met zilver, hout met kostelijke steenen vermengen, te weten,
die op Christus bouwen, maar door de zwakheid des vleesches iets menschelijks dulden, of door onwetendheid ietwat van de rechte zuiverheid des Woords Gods afwijken, gelijk ook vele heiligen gedaan hebben, zooals Cyprianus, Ambrosius, Augustinus, en diergelijken : bij hen mag men ook voegen uit de lateren: Gregorius en Bernardus, en anderen van dat merk, die hoewel zij dit voornemen hadden, om op Christus te bouwen, nochtans van de rechte wijze van bouwen dikmaals zijn afgeweken. Paulus zegt, dat zij kunnen zalig worden, mits de Heere hunne onwetendheid afgewasschen, en hen van alle onreinigheid gezuiverd heeft. En dit is de zin van de woorden, als door vuur. Zoo wil hij dan te kennen geven, dat hij hun de hope der zaligheid niet beneemt, mits zij gaarne schade in het werk lijden, en door Gods barmhartigheid gereinigd worden,
gelijk het goud in den oven gereinigd wordt. Voorts, hoewel God somtijds de zijnen door de verdrukkingen reinigt, zoo versta ik hier nochtans door het vuur, het onderzoek des Heiligen Geestes, waar-i)i. 11. r.
65
66 1 CORINTHE 3: 15, 16.
door de Heere de onwetendheid der zijnen, waarin zij een tijdlang zijn geweest, betert en uitwischt. Ik weet wel, dat het velen op het kruis duiden, maar ik vertrouw, dat mijn uitlegging een ieder zal behagen, die een goed oordeel heeft. Nu moeten wij met korte woorden de papisten antwoorden, die uit deze woorden het vagevuur pogen te bewijzen: die zondaars (zeggen zij) gaan door het vuur, wien de Heere vergeving schenkt, opdat zij zalig worden. Zoo betalen zij dan Gode de straffen alzoo, dat zijn oordeel genoeg geschiede. Ik ga voorbij hunne eindelooze verdichtselen van de mate en afkooping der straffen: maar ik vraag wie het dan zijn, die henengaan door het vuur ? Dit is zeker, Paulus spreekt van de dienaren alleen. Maar hetzelfde (zeggen zij) geldt van alle anderen. Doch het oordeel over deze zaak komt niet ons maar God toe. Maar dit eens toegegeven, hoe kinderachtig dwalen zij in het woord vuur? Want waartoe wordt hier van het vuur gesproken, anders dan om het hooi en kaf te verteren, en het goud en zilver te beproeven? Of willen zij, dat door hun vagevuur de leeringen onderscheiden worden? Wie heeft daaruit ooit geleerd, wat onderscheid er is tusschen het ware en valsche? Wanneer ook zal die dag lichten om eens ieders werk te openbaren? Is hij bij den aanvang der wereld begonnen, en zal hij zonder ophouden duren tot het einde r Als in de woorden: stoppelen, hooi, goud, zilver, een figuurlijke wijze van spreken is, hoe zullen de deelen der rede overeenkomen, zoo in het woord vuur, niets figuurlijks zal wezen? Daarom laat varen zulke onnutte beuzelingen, die dadelijk bij den eersten opslag hare ongerijmdheid verraden. Want de natuurlijke en rechte zin des apostels is nu, meen ik, klaar genoeg.
16 Weet gij niet, dat gij de tempel Gods zijt, en de Geest Gods in u woont?
17 Zoo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God verderven; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt.
18 Niemand bedriege zichzelven. Zoo iemand schijnt wijs te zijn onder u, die worde in deze wereld dwaas, opdat hij wijs worde.
19 Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God: want daar is geschreven: Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid.
20 En wederom: De Heere weet, dat der wijzen gedachten ijdel zijn.
21 Daarom, niemand roeme op menschen: want alles is uwe.
22 Hetzij Paulus, of Apollos, of Céfas, of de wereld, of het leven, of de dood, of tegenwoordige, of toekomende dingen, alles is uwe.
23 Maar gij zijt van Christus, en Christus is Gods.
16 Weet gü niet. Nadat hij de leeraars over hun ambt vermaand heeft, zoo wendt hij zich nu tot de leerlingen, opdat zij ook voor zich toezien. Tot de leeraars heeft hij gezegd: Gij zijt bouwmeesters van het huis Gods. En nu zegt hij tot het volk: Gij zijt tempelen Gods, gij moet dus toezien, dat gij geenszins verontreinigd wordt. Het doel dezer vermaning is, opdat zij zich aan de menschen niet overgeven. Als hij dus spreekt, schrijft hij hun groote eer toe, maar om hen te meer te beschuldigen. Want dewijl God hen tot tempelen geheiligd heeft, zoo heeft Hij hen ook tot bewaarders zijns tempels gesteld. Derhalve is het kerkroof, dat zij zich aan menschen
1 Cor. C:in.
2 Oor. 6 :16. Hebr. 3: e. 1 Pet. 2 :5.
Spr. 3 ; 7. Jes. 6; 21.
Job 5:13.
1 CORINTHE 3 : 16â18.
wijden. Hij noemt hen allen tezamen éénen tempel Gods: want een iegelijk der geloovigen is een levende steen om het huis Gods i Pet. 2:5. op te bouwen. Hoewel zij worden somtijds ook ieder afzonderlijk tempelen genoemd. Weinig hierna zal hij dezelfde uitspraak herhalen, maar tot een ander einde. Want daar zal hij over de kuisch-heid handelen, en hier vermaant hij ze, dat hun geloof in de gehoorzaamheid van Christus alleen blijve. Deze rede, vraagsgewijze gesteld, heeft te meer kracht, want hij geeft daarmede bedektelijk te kennen, dat hij spreekt van een zaak, die hun bekend is, dewijl hij hen tot getuigen roept. En de Geest Gods. Dit is de reden,
waarom zij tempelen Gods zijn, daarom moet het voegwoord en,
genomen zijn voor want, hetwelk dikmaals geschiedt, gelijk men ook bij den dichter leest: Gij hadt het gehoord, e n het gerucht was. Daarom (zegt hij) zijt gij tempelen Gods, omdat Hij door zijnen Geest in u woont: want een onreine plaats kan Gods woonstede niet zijn. In deze plaats hebben wij een duidelijk bewijs voor de Godheid des Heiligen Geestes. Want ware Hij slechts een schepsel of gave, zoo zou Hij door zijn woonstede in ons niet maken, dat wij tempelen Gods waren. En tegelijk verstaan wij, hoe God Zich aan ons mededeelt, en met wat band wij aan Hem verbonden zijn, te weten, als Hij de kracht des Geestes in ons uitstort.
17 Zoo iemand den tempel Gods schendt. Hier voegt hij een zware bedreiging bij, te weten, dewijl de tempel Gods heilig moet zijn, zoo zal niet ongestraft blijven, die hem schendt. Hij spreekt nu over die soort van ontheiliging, als de menschen zich in Gods plaats stellen, om in de gemeente heerschappij te voeren. Want gelijk het geloof aan de zuivere leer van Christus ergens genoemd wordt geestelijke kuischheid, alzoo heiligt Hij ook onze zielen tot den rechten en zuiveren dienst van God. Want zoodra wij door menschenverdichtselen besmet worden, zoo wordt de tempel Gods als het ware met onreinigheid onteerd: dewijl de offerande des ge-loofs, welke Hij Zich alleen aantrekt, alsdan aan de schepselen gegeven wordt.
18 Niemand bedriege zichzelven. Hier raakt hij de wonde met den vinger aan; want hieruit vloeide al het verderf, dat zij bij zichzelven veel te wijs waren. Zoo vermaant hij hen dan, dat zij zichzelven niet mogen bedriegen met een valschen waan, door zich eenige wijsheid toe te schrijven: waarmede hij te kennen geeft, dat allen bedrogen worden, die op hun eigen gevoelen steunen. Hij spreekt (naar mijn gevoelen) zoowel de hoorders als de meesters aan; want terwijl de eersten een al te walgelijk verhemelte hadden,
zoodat zij in de eenvoudigheid des geloofs geen smaak vonden, zoo waren zij den eergierigen menschen meer genegen en leenden hun het oor. Doch de laatsten zochten alleen zichzelven te vertoonen en te verheffen, om in eenige waardigheid gehouden te worden. Zoo vermaant hij hen dan beiden, dat niemand zichzelven behage in zijn wijsheid: maar wie zichzelven acht wijs te zijn, die wordt dwaas in deze wereld, of wie in de wereld in den roem der wijsheid uitmunt, die wordt bij zichzelven dwaas, zichzelven ontledi-gende. Voorts, met deze woorden eischt de apostel niet, dat wij dei-wijsheid, die ons óf van nature is ingeplant, óf die wij door veel bevinding verkregen hebben, gansch en al zouden verlaten, maar alleen dat wij haar onder de gehoorzaamheid van God brengen.
67
1 CORINTHE 3 : 18â20.
zoodat wij niet wijs zijn, dan uit zijn Woord. Want dit is in deze wereld of bij onszelven dwaas worden, als wij Gode liever plaats geven, en met vreeze en eerbied aannemen wat Hij leert, dan te volgen wat ons goed en redelijk schijnt. In deze wereld, dat is, naar de wijze en meening der wereld: want dit is de wijsheid der wereld, als wij onszelven genoegzaam zijn om over alle dingen te raadslagen, onszelven te besturen, en te ordineeren al wat wij doen; als wij nergens anders van afhangen; als wij geen andere leiding noodig hebben, maar onszelven bekwame regeerders zijn. Daarentegen dwaas in de wereld is dus hij, die zijn eigen vernuft verlatende, zich als met gesloten oogen van.den Heere laat regeeren, die zichzelven wantrouwende geheel op den Heere steunt, die al zijn wijsheid in Hem stelt, en die zich leerzaam en gehoorzaam aan God overgeeft. Aldus is het noodig, dat onze wijsheid verdwijne, opdat de wil Gods over ons heersche. Wij moeten van ons eigen vernuft ontledigd worden, opdat wij met Gods wijsheid worden vervuld. Voorts, dewijl de woorden: in deze wereld, met het voorgaande of met het volgende kunnen verbonden worden, zoo mag men het lezen hoe men wil, dewijl de zin niet zeer verscheiden is.
19 Want de wijsheid dezer wereld. Dit is een bewijsreden uit tegenstrijdige dingen genomen: wanneer het eene tegenstrijdige gesteld wordt, zoo moet het ander weggenomen worden. Dewijl dan de wijsheid der wereld dwaasheid is bij God, zoo volgt daaruit, dat wij niet anders voor God kunnen wijs zijn, tenzij wij dwaas zijn naar de wereld. Wij hebben boven verklaard wat hij verstaat bij de wijsheid der wereld: want de natuurlijke scherpzinnigheid is een gave Gods, alle vrije kunsten en wetenschappen, waardoor men wijsheid verkrijgt, zijn Gods gaven, maar worden binnen hare grenzen gehouden: want zij kunnen niet tot het hemelsche rijk Gods doordringen, daarom moeten zij dienstmaagden zijn en niet vrouwen; ja, zij moeten ijdel en van geene waarde geacht worden, totdat zij aan het Woord en aan den Geest Gods geheel onderworpen zijn. Men moet achten, dat zij verderfelijke pestilentiën zijn, zoo zij zich tegen Christus stellen: en dat zij zeer kwade hinderpalen zijn, zoo zij beweren door zichzelven iets te vermogen. Zoo is dus bij Paulus de wijsheid der wereld, die heerschappij zoekt en zich niet door het Woord Gods laat regeeren of dwingen om zich onvoorwaardelijk daaronder te stellen. Zoo dan, zoolang de mensch niet zoover komt, dat hij bekent niets te weten, dan wat hij van God geleerd heeft, en zijn eigen vernuft nederwerpende, zich alleen aan de bestiering van Christus overgeeft, zoo is hij voor de wereld wijs, en dwaas voor God. Want daar is geschreven; Hij vangt de wijzen in. Hij bevestigt het met twee getuigenissen der Schrift, van welke de eerste genomen is uit Job 5:13, waar de wijsheid Gods daardoor verheven wordt, dat geen wijsheid der wereld voor Hem bestaat. Het is wel zeker, dat God daar van de schalken en arglisti-gen spreekt, maar dewijl des menschen wijsheid altijd zoodanig is buiten God, zoo past het Paulus terecht tot dezen zin, dat bij God voor niets geacht wordt alle wijsheid, die de menschen bij zichzelven hebben. Het andere getuigenis is genomen uit Ps. 94 : 11, waar David, na het ambt en de macht om alle menschen te leeren, Gode alleen toegeschreven te hebben, volgen laat, dat hij weet, dat aller menschen gedachten ijdel zijn. Zoo dan, al is het dat zij door ons hoog
68
1 CORINTHE 3 : 20â22.
geacht worden, zoo zijn zij toch door Gods oordeel ijdel. Dit is een schoone plaats om het betrouwen des vleesches te vernederen, dewijl de Heere uit den hooge verkondigt, dat het enkel ijdelheid is, wat des menschen vernuft bedenkt of overlegt.
21 Daarom niemand roeme op menschen. Dewijl er geen ijdeler ding is dan de mensch, hoe onzeker en zorgelijk is het dan, op een ijdele schaduw te rusten. Zoo besluit hij dan terecht uit de voorgaande uitspraak, dat men niet op menschen moet roemen, dewijl God zoo alle menschen van de stof tot roemen berooft, hoewel deze vergelijking geheel hangt aan de voorgaande leering, gelijk men terstond zal zien. Want dewijl wij allen het eigendom van den e'e'nen Christus zijn, zoo leert hij terecht, dat der menschen hoogheid, waardoor de eer van Christus verminderd wordt, een kerkroof is.
22 Alles is uwe. Hij voegt hierbij, in wat plaats en graad men de leeraars moet stellen, te weten, dat zij aan het meesterschap des eenigen Christus niets onttrekken. Dewijl dan Christus de eenige Meester der gemeente is, omdat Hij alleen zonder uitzondering te hooren is, zoo moet men de anderen onderscheiden. Gelijk Christus ook van Zichzelven betuigd heeft, Matth. 23 :8. Ons is ook geen ander door den Vader bevolen met deze woorden: Hoort Hem. Dewijl Hij dan alleen autoriteit heeft om ons door zijn Woord te regeeren, zoo zegt Paulus, dat de anderen onze zijn, dat is, door God ons verordend zijn tot dit einde, dat wij hen gebruiken, en niet dat zij heerschappij over onze conscientiën voeren. Aldus toont hij aan, dat zij niet onnut zijn, en houdt hen binnen hunne palen, opdat zij zich niet tegen Christus verheffen. Wat hij van dood, leven, en andere dingen daarbij stelt, dat is hyperbolisch, zooveel deze plaats aangaat. Maar hij heeft als van het meerdere tot het mindere willen besluiten, aldus; Dewijl Christus leven en dood, en al wat er is aan ons onderworpen heeft, zoo heeft Hij zonder twijfel ook de menschen ons onderworpen, dat zij ons door hunnen dienst helpen, en niet door heerschappij verdrukken. Zoo iemand hieruit wil tegenwerpen, dat Paulus' en Petrus' geschriften aan ons oordeel onderworpen zijn, dewijl zij menschen geweest zijn, en van den gemeenen staat anderer menschen niet uitgezonderd worden: zoo antwoord ik, dewijl Paulus zichzelven en Petrus niet verschoont, dat hij de Corinthiërs vermaant om den persoon des menschen van den persoon en de waardigheid van het ambt te onderscheiden, even alsof hij zeide: Van mij, zoover ik een mensch ben, wil ik niet anders geoordeeld hebben dan als van een mensch, opdat Christus alleen in onzen dienst boven uitsteke. Voorts moet men in 't algemeen dit weten van allen, die in den dienst zijn, dat zij onze zijn van den hoogste tot den laagste, zoodat wij vrijheid hebben hun leer niet aan te nemen, totdat zij ze bewijzen van Christus te zijn. Want men moet hen allen eerst beproeven, en eerst dan hun gehoorzaamheid bewijzen, als zij zichzelven bewezen hebben getrouwe dienaars van Christus te zijn. Wat Petrus en Paulus aangaat, dewijl dit buiten alle bedenken is, en de Heere Zich overvloedig genoeg betuigd heeft, dat hunne leer van Hem voortgekomen is: zoo hooren wij, wanneer wij hetgeen zij geschreven hebben, als Gods Woord aannemen en eeren, niet zoozeer hen, als wel Christus, die in hen spreekt.
69
1 CORINTHE 3 ; 23â4 : 1.
23 Christus is Gods. Dit is van de menschheid van Christus te verstaan, want door de aanneming van ons vleesch, heeft Hij den vorm en de conditie van een dienstknecht aangenomen, om Zich ra. 2:7. den Vader in alles gehoorzaamheid te betoonen. En voorwaar, zullen wij door Hem Gode aanhangen, zoo moet God zijn Hoofd zijn. Maar men moet opmerken, waarom Paulus dit hier bijgevoegd heeft. Want hij leert, dat de som onzer gelukzaligheid daarin gelegen is, zoo wij met God vereenigd worden, die het hoogste goed is: en dat dit geschiedt, als wij onder het Hoofd verzameld worden, hetwelk de hemelsche Vader over ons gesteld heeft. In denzelfden joh. n:28. zin zeide Christus tot de discipelen: Gij hebt oorzaak u te verblijden, dat Ik ga tot den Vader, want de Vader is meerder dan Ik: want Hij heeft Zich daar als een middel voorgesteld, waardoor de gcloovigen tot de eerste Fontein alles goeds komen. Het is zeker, dat zij van zulk een groot goed beroofd worden, die van de eenig-heid des Hoofds afwijken. Daarom dient deze orde tot de omstandigheid der plaats, dat zij, die zich aan den ée'nen Christus onderwerpen, onder Gods heerschappij willen blijven.
HET VIERDE HOOFDSTUK.
1 Alzoo aclite ons de mensch als dienaars van Christus, en uit-deelers der verborgenheden Gods.
2 Voorts wordt in de uitdeelers vereischt, dat een iegelijk getrouw bevonden worde.
3 En ik acht het zeer weinig van u geoordeeld te worden, of van menschelijken dag '): ja ik oordeel ook mijzelven niet.
4 Want ik ben mij van geen zaak bewust: maar daarin ben ik niet gerechtvaardigd. Maar die mij oordeelt is de Heere.
5 Daarom oordeelt niets voor den tijd, totdat de Heere komt, die het verborgene der duisternis zal verklaren, en de raadslagen der harten openbaren: en dan zal een iegelijk van God lof hebben.
1 A Izoo achte ons de. Dewijl het geen kleine zaak was, te zien /-\ dat de gemeente alzoo door partijschappen verscheurd was, ^-wegens de genegenheid of den haat, die men menschen toedroeg : zoo begint hij een nog langer vertoog over den dienst des Woords. En men moet hier ordelijk drie dingen aanmerken. Ten eerste beschrijft Paulus het ambt van een herder der gemeente: daarna toont hij aan, dat het niet genoeg is, zoo iemand den naam voorwendt, of ook in het ambt is, maar dat er ook een getrouwe bediening van het ambt gevorderd wordt. Ten derde, dewijl de Corinthiërs verkeerdelijk van hem oordeelden, zoo daagt hij zich-zelven en hen voor den rechterstoel van Christus. Zoo leert hij dan ten eerste, hoe men alle leeraars der gemeente moet achten: waarin hij zijne woorden alzoo matigt, dat hij de eer van den dienst niet verkleint, noch ook den menschen meer geeft dan betaamt. Want beide is hoogst gevaarlijk, dewijl uit de verkleining der dienaren verachting van het Woord ontstaat: en indien zij bovenmate verheven worden, zoo misbruiken zij datzelve, en zijn dartel tegen den
70
Matt. 24 :45. 2 Cor. G : 4.
Tit. 1: 7. Luk. 12:42.
1) Dat is, vau 'toordeel der menschen. Exod. 34:7. Job 9: 2. Ps. 143:2. Matt. 7:1. Rom. 2:1.
1 CORINTHE 4 ; 1â3.
Heere. Nu, de matiging van Paulus is deze, dat hij ze noemt dienaars van Christus: waarmede hij te kennen geeft, dat zij hun eigen zaak niet moeten drijven, maar des Heeren, die hunnen arbeid gehuurd heeft: en dat zij ook niet met heerschappij in de regeering der gemeente gesteld, maar aan de heerschappij van Christus onderworpen zijn; kortom, dat zij dienaars zijn en geene heeren. Dat hij daarbij voegt, uitdeelers der verborgenheden Gods, daarmede drukt hij den aard van den dienst uit. Waarmede hij te kennen geeft, dat hun ambt niet verder strekt, dan dat zij de verborgenheden Gods uitdealen, dat is, dat zij hetgeen de Heere hun bevolen heeft, als van hand tot hand aan de menschen overgeven, en niet wat hun lust; even alsof hij zeide: God heeft daartoe dienaars zijns Zoons verkoren, om door hen zijn hemelsche wijsheid den menschen mede te deelen: daarom moeten zij niet verder gaan. Hij schijnt ook zijdelings de Corinthiërs te steken, die de hemelsche verborgenheden verachtende, al te begeerig vreemde verdichtselen begonnen te zoeken, en daarom hunne leeraars alleen wegens de wereldsche wijsheid waardeerden. Dit is een heerlijke lofspraak op het Evangelie, dat hij de dingen, die daarin begrepen worden, verborgenheden Gods noemt. Voorts, dewijl aan deze verborgenheden de Sacramenten als aanhangsels gehecht zijn, zoo volgt daaruit, dat zij, die het Woord bedienen, ook daarvan de behoorlijke uitdeelers zijn.
2 Voorts wordt in de uitdeelers vereischt. Alsof hij zeide; Het is niet genoeg een uitdeeler te zijn, tenzij de uitdeeling behoorlijk geschiede; en de wet der behoorlijke uitdeeling is, getrouw daarin te werk te gaan. Deze plaats is nauwkeurig aan te merken. Want wij zien, dat de papisten alleen onder dit voorwendsel, dat zij herders genoemd worden, hoovaardig willen, dat alles vast en zeker zal zijn, wat zij doen of leeren. Maar Paulus is niet alleen met den naam niet tevreden, maar zelfs de behoorlijke roeping is hem niet genoeg, tenzij degene, die geroepen is, zich ook getrouw in zijn ambt gedrage. Daarom, zoo dikwijls de papisten, om de tirannie van hun afgod op te houden, ons den loozen schijn van den naam tegenwerpen, moeten wij antwoorden, dat Paulus in de dienaren van Christus meer eischt. Doch de paus en zijn aanhang zijn niet alleen ontrouw in het ambt, maar zij hebben ook geen dienst, zoo men alles behoorlijk overweegt. Voorts, deze plaats strijdt niet alleen tegen de goddelooze leeraars, maar ook tegen al degenen, die iets anders hebben voorgenomen dan de eer van Christus en de stichting der gemeente. Want die is niet terstond getrouw, die leert wat waar is, maar die van harte den Heere zoekt te dienen, en het rijk van Christus te bevorderen. En het is niet zonder oorzaak dat Augustinus van de huurlingen sprekende, hen tusschen de wolven en goede leeraars inplaatst. Dat Christus in eenen goeden uitdeeler ook voorzichtigheid eischt, daarin spreekt Hij wel duidelijker dan Paulus; doch de zin is eenerlei. Want Christus verstaat door getrouwheid de oprechtheid der conscientie, waarbij gezonde en voorzichtige raad moet komen; en Paulus verstaat door eenen getrouwen dienaar, die met verstand en met een oprecht gemoed het ambt eens goeden en waren dienaars volvoert.
3 En ik acht het zeer weinig. Nu moest hij zijn getrouwheid voorstellen, opdat de Corinthiërs daaruit aangaande hem zouden oordeelen.
71
1 CORINTHE 4 : 3.
72
maar dewijl hun oordeel verdorven was, zoo verwerpt hij het en daagt hen voor den rechterstoel van Christus. De Corinthiërs dwaalden, dat zij zich over den uitwendigen schijn verwonderden, en de waarachtige teekenen der onderscheiding niet aanmerkten. Daarom betuigt hij met groot betrouwen, dat hij zulk een blind en verkeerd oordeel versmaadt. Waarin hij ook de ijdelheid der valsche apostelen afdoende wederlegt, die slechts de gunst der menschen zochten, en zichzelven gelukkig achtten, als zij in verwondering des volks waren; en hij kastijdt geducht de hoovaardigheid der Corinthiërs, die de oorzaak was, dat zij zoo blind waren in het oordeelen. Maar men kon hier vragen, met wat recht Paulus niet alleen het oordeel van éëne gemeente mocht verwerpen, maar ook zich aan aller menschen oordeel mocht onttrekken: want de gemeene conditie van alle herders is, dat zij door de gemeente geoordeeld worden. Ik antwoord, dat het eenen goeden herder betaamt, zijn leer en ook zijn leven aan het oordeel der gemeente te onderwerpen, en dat dit een teeken van eene goede conscientie is, als men het licht der onderzoeking niet schuwt. Gelijk Paulus zonder twijfel bereid was, zich onder het oordeel der Corinthische gemeente te stellen, en beide van zijn leven en zijn leer rekenschap te geven, indien daar rechte en behoorlijke kennis ware geweest, gelijk hij hun dikmaals deze macht toeschrijft, en begeert zelfs vurig, dat zij recht willen oordeelen. Maar als de getrouwe herder ziet, dat hij door ongerechtigheid en verkeerde genegenheden overvallen wordt, en dat de gerechtigheid en waarheid geen plaats heeft, zoo moet hij naar menschelijke achting niet vragen, zich op God beroepen, en tot zijnen rechterstoel vlieden, voornamelijk als men niet kan verkrijgen, dat men behoorlijke en waarachtige kennis neme. Zoo zullen dan de dienaars des Heeren gedenken, dat zij hun leven en leer moeten laten onderzoeken, ja zichzelven gewilliglijk daartoe aanbieden, en niet weigeren te antwoorden, zoo daar iets tegen geworpen wordt. Maar indien zij zien, dat zij zonder oorzaak verdoemd worden, en dat men oordeelt zonder de zaak te hooren, zoo zullen zij hunne harten tot deze grootmoedigheid verheffen, dat zij der menschen oordeelen verachten, en het gericht Gods onversaagd verwachten. Dewijl de profeten voorheen te doen hadden met hardnekkige menschen, die het woord Gods in hun persoon durfden verachten, zoo moesten zij zich hoog verheffen, om die duivelsche dartelheid onder den voet te vertreden, waardoor het bevel Gods en het licht der waarheid openlijk overvallen wordt. Maar zoo iemand, als hij gelegenheid heeft om zichzelven te verdedigen, of als hij zich behoort te beschuldigen, met het doel om te ontkomen zich op God beroept, daarmede zal hij zijn onschuld niet bewijzen, maar meer de hoogste onbeschaamdheid aan den dag leggen. Of van menschelijken dag. Hoewel anderen dit anders uitleggen, zoo is nochtans naar mijn gevoelen dit eenvoudiger, dat wij zeggen dat hier de dag overdrachtig genomen wordt voor het oordeel, omdat tot het rechtzitten zekere gezette dagen zijn, en de beschuldigden tot eenen zekeren dag gedagvaard worden. Menschelijken dag, noemt hij in welken men niet volgens de waarheid, noch naar den mond Gods oordeelt, maar naar der menschen begeerte of lichtvaardigheid : in één woord, waar God niet de Overste is. Even alsof hij zeide; Laat de menschen om te oordeelen zitten hoe zij willen, het is mij genoeg, dat God zal vernietigen het vonnis, dat
1 CORINTHE 4:3, 4.
zij geveld hebben. Ja ik oordeel ook mijzelven niet. De zin is:
Ik durf mijzelven niet oordeelen, hoewel ik mijzelven zeer wel ken;
hoe zult gij dan mij oordeelen, wien ik minder bekend ben. Hij bewijst, dat hij zichzelven niet durft oordeelen, want hoewel hij zich-zelven van geen kwaad bewust is, zoo is hij nochtans daarom niet vrij voor God. Zoo besluit hij dan, dat het Gode alleen toekomt,
wat de Corinthiërs aannamen te doen. Wanneer ik, zegt hij, mijzelven naarstig onderzocht heb, zoo beken ik, dat mijne oogen zoo scherp niet zijn, dat ik door en door zou kunnen zien hoedanig ik ben,
daarom laat ik God oordeelen, die het alleen kan, en wien dit recht eigenlijk toekomt: op welken grond zult gij u meer toeëigenen ?
En dewijl het zeer ongerijmd zou zijn, allerlei oordeelen uit te sluiten, zoowel van een iegelijk over zichzelven, als over zijnen broeder,
of allen tezamen over hun herder: zoo moet men verstaan, dat Paulus hier niet spreekt van der menschen daden, welke naar het Woord Gods goed of kwaad kunnen geacht worden, maar van de waardigheid van eiken mensch, welke naar der menschen goeddunken niet moet gewaardeerd worden. Het komt Gode alleen toe,
te stellen hoe groot een iegelijk is, of wat eer hij waardig is.
Maar de Corinthiërs verachtten Paulus, en verhieven anderen lichtvaardig hoog, even alsof de kennis, die Gode alleen toekomt, aan hun oordeel onderworpen ware. Dit is die menschelijke dag, welken hij boven vermeldde, te weten, als de menschen op den rechterstoel gaan zitten, en (alsof zij goden waren) den dag van Christus voorkomen, die alleen door den Vader als een Richter gesteld is: zij meten een iegelijk zijn eere toe, sommigen zetten zij hoog, anderen verwijzen zij naar de laagste banken. En wat regel der onderscheiding hebben zij? zij zien alleen aan wat openbaar in 'toog valt:
alzoo wat zij hoog en heerlijk achten, dat is dikmaals gruwelijk 1 Sam-11»1 ^ voor God. Indien iemand wederom tegenwerpt, dat de dienaars des u ' Jquot; Woords in deze wereld uit de werken kunnen onderscheiden worden, gelijk de boomen uit de vruchten: ik beken wel, dat dit waarachtig is, maar men moet aanmerken, tegen wie Paulus hier handelt, te weten, die alleen den uitwendigen schijn en praalvertoon in het oordeelen volgden, en die de macht, waarvan Christus in deze wereld Zich onthouden heeft, zich durven aanmatigen, dat zij een iegelijk zijn plaats toonen in het rijk Gods. Zoo dan, hij verbiedt ons niet degenen, die wij getrouw vinden, als zoodanig te achten en te prijzen, noch ook de booze arbeiders overeenkomstig het Woord Gods te oordeelen, maar hij veroordeelt die lichtvaardigheid, waarbij de een boven den ander wordt gesteld door eergierigheid, niet naar verdienste, maar zonder de zaak te kennen.
4 Ik ben mij van geene zaak bewust. Laat ons opmerken, dat Paulus hier niet van zijn gansche leven, maar alleen van de bediening zijns apostelschaps spreekt. Want ware hij zich ganschelijk van geen ding bewust, zoo zou die klacht niet waarachtig zijn, daar hij klaagt, dat hij het kwade doet, dat hij niet wil, en dat hij door Eüm-7:15. de zonde verhinderd wordt zichzelven geheel aan God te wijden.
Zoo dan, Paulus gevoelde de zonde die in hem woonde, en hij beleed ze: maar in het apostelschap, waarvan hij hier handelt, had hij zich zoo oprecht en getrouw gedragen, dat zijn conscientie hem in geen ding beschuldigde. Dit is geen kleine betuiging, welke ook openlijk verklaart, hoe godzalig en heilig zijn hart was: nochtans
73
1 CORINTHE 4:4, 5.
zegt hij, dat hij daarom niet gerechtvaardigd, dat is, niet zuiver en vrij van alle schuld voor God is. Waarom? omdat God veel scherper ziet dan wij; en daarom wat ons schijnt zeer schoon te zijn, is in zijne oogen onrein. Dit is een schoone en zeer nuttige vermaning, opdat wij de strengheid des Goddelijken oordeels niet met onze meening meten. Want wij zijn stomp, en God is meer dan doorzichtig: wij gevoelen veel te goddelijk van onszelven, maar God is Spr. 2i:2. een zeer streng Richter. Daarom is het waar, wat Salomo zegt, dat een iegelijk zijne wegen recht schijnen, maar dat de Heere de harten weegt. De papisten misbruiken deze plaats om de zekerheid des geloofs te schokken: en voorwaar ik gejoof, dat wij ons leven lang niet anders dan ellendig zouden kunnen leven, zoo aangenomen wordt wat zij leeren. Want wat gerustheid zullen wij in ons gemoed hebben, zoo wij uit onze werken moeten oordeelen, of wij Gode behagen? Zoo beken ik dan, dat uit den voornaamsten grondslag der papisten niet anders volgt, dan een eeuwige ongerustheid der conscientie : en daarom leeren wij, dat men moet vlieden tot de onverdiende belofte der barmhartigheid, die ons in Christus voorgesteld wordt, opdat wij zekerlijk weten, dat wij voor God rechtvaardig geacht worden.
5 Daarom oordeelt niets vóór den tjjd. Uit deze sluitrede is het openbaar, dat Paulus niet elk oordeel in 't gemeen gestraft heeft, maar het onvoorzichtig en lichtvaardig oordeel van onbekende zaken. Want de Corinthiërs aanzagen niet met reine oogen hoedanig een iegelijk was, maar met eerzucht bevangen zijnde, werd de een verkeerdelijk door hen verheven, en de ander vernederd: en begaven zichzelven meer dan het den menschen geoorloofd was, om elks waardigheid te meten. Zoo moeten wij dan weten hoeveel ons toegelaten, en wat nu aan onze kennis onderworpen is, en wat tot den dag van Christus uitgesteld is: opdat wij niet zoeken verder te gaan. Want sommige dingen worden nu openlijk gezien, en andere blijven als begraven tot den dag van Christus. Die het verborgen der duisternis. Indien dit waarachtig en eigenlijk van den dag van Christus gezegd wordt, zoo volgt daaruit, dat het nooit in de wereld zoo wel geschikt is, dat er niet vele dingen in duisternis gewikkeld zijn: dat er nooit zooveel licht is, dat er niet vele dingen duister blijven. Ik spreek over der menschen leven en werken. In het tweede deel verklaart hij, welke de oorzaak der duisternis en verwarring is, dat niet alles nu openbaar is, te weten, omdat in des menschen hart wonderlijke schuilhoeken en zeer diepe schuilplaatsen zijn: daarom, zoolang de gedachten des harten niet geopenbaard worden, zal er altijd duisternis wezen. En dan zal een iegelijk. Even alsof hij zeide: Gij, o Corinthiërs, kroont den een met eere, en laat den ander gaan met schande, alsof gij rechters over dit spel waart: maar dit recht en ambt komt Christus toe. Gij doet dit vóór den tijd, eer het openbaar is wie de kroon waardig is. De Heere heeft een dag verordend, in welken Hij dit zal bewijzen. Deze woorden komen uit het vertrouwen eener goede conscientie, welke ook dit goed medebrengt, dat wij onzen lof in Gods hand stellende, de ijdele begeerte naar de gunst der menschen verachten.
74
I CORINTHE 4:6, 7.
6 Dit, broeders, lieb ik door gelijkenis op mijzelven en op Apollos geduid om uwentwil: opdat gij in ons zoudt leeren, dat niemand boven hetgeen geschreven is, van ziohzelven gevoele, opdat zich niemand om dezen of genen opblaze tegen een ander.
7 Want wie onderscheidt u? wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? en indien gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?
8 Gij zijt nu verzadigd, gij zijt nu rijk geworden, zonder ons hebt gij heerschappij verkregen; en och, of gij ze verkregen hadt, en dat wij met u mochten heerschen.
6 Dit, broeders, heb ik. Hieruit mag men verstaan, dat zij, die Paulus genegen waren, niet waren de auteuren der partijschappen, gelijk zij voorwaar niet alzoo onderwezen waren: maar dat het die geweest zijn, die door eerzucht zich tot de ijdele leeraars gevoegd hadden. En dewijl hij vrijer en met minder haat zijnen naam en dien zijner broederen kon voortbrengen, zoo heeft hij liever in zichzelven de ondeugd willen toonen, die in anderen was: en bestraft tevens hatelijk de auteuren der secten, en toont den oorsprong als met den vinger, waaruit deze verderfelijke scheiding voortvloeide. Want hij vermaant ze, dat zij van dit kwaad vrij zullen wezen, zoo zij met goede leeraren tevreden zijn. Opdat gij in ons. Andere lezingen hebben, opdat gij in u. En de zin is alleszins goed, en onveranderd. Want dit wil Paulus zeggen: Ik heb tot een voorbeeld dit op mij en Apollos geduid, opdat gij dit voorbeeld op u zoudt overbrengen. Zoo leert dan in ons, dat is, in dit voorbeeld, wat ik in onzen persoon als in een spiegel u voorgesteld heb; of leert in u, dat is, wilt dit voorbeeld op u toepassen. Wat wil hij, dat zij leeren? Dat de een niet tegen den ander om zijns leeraars wil opgeblazen worde, dat is, dat zij niet om der leeraren wil zich verhoovaardigen, noch hunne namen misbruiken om tweedracht te maken, en de gemeente door oneenigheid te verscheuren? En merk op, dat de opgeblazenheid de oorzaak en het begin aller tweedracht is, als een iegelijk meer dan recht is zich aanmatigt, en anderen aan zich zoekt te onderwerpen. Deze woorden, boven hetgeen geschreven is, kunnen op tweeërlei wijze uitgelegd worden, te weten, dat het verstaan worde van Paulus' geschriften, of van de getuigenissen der Schrift, die hij aangevoerd heeft. Maar dewijl hierin niet veel gelegen is, zoo mogen de lezers kiezen wat zij willen.
7 Want wie onderscheidt u. De zin is, dat die voortkome wie hij mag zijn, die wil uitmunten, en die door zijn eerzucht de gemeente verstoort. Ik zal hem vragen wie hem boven anderen stelt, dat is, wie hem dat recht gegeven heeft, dat hij uit de rij genomen en boven de anderen gesteld is. Deze gansche rede hangt af van de orde, welke de Heere in zijn gemeente ingesteld heeft, te weten: dat de leden van Christus' lichaam aan elkander hangen, en terwijl ieder lid me.t zijn plaats, orde, ambt, en eere tevreden is. Zoo een lid uit zijn plaats wilde verhuizen, en in eens anders plaats komen, en deszelfs ambt nemen, wat zoude het gansche lichaam geschieden ? Zoo zullen wij dan weten, dat wij in de gemeente van den Heere alzoo gesteld zijn, en dat aan een iegelijk alzoo zijn plaats gegeven is, dat wij onder e'én hoofd elkander helpen. Wij zullen ook weten.
75
1 CORINTHE 4:7, 8.
dat wij alzoo met menigerlei genade begiftigd zijn, opdat wij met ootmoedigheid en nederigheid Gode dienen, en de eere zoeken van Hem, die ons al wat wij hebben, gegeven heeft. Zoo is dan dit een zeer goed geneesmiddel geweest, om de eergierigheid te beteren van hen, die wilden uitmunten, te weten: om hen tot God terug te roepen, opdat zij zouden bekennen, dat niemand door zijn eigen goeddunken geschapen wordt groot of klein, maar dat dit Gode alleen toekomt. En dat God niemand zooveel geeft, dat hij tot de plaats van het hoofd verheven worde, maar dat Hij zijne gaven alzoo uitdeelt, dat Hij alleen in allen verheerlijkt worde. Dat woord onderscheiden, wordt hier genomen voor uitnemend maken. Voorts, Augustinus strijdt dikmaals niet onhebbelijk met dit getuigenis tegen de Pelagianen, zeggende, al wat uitnemends in den mensch is, is niet natuurlijkerwijs in hem geboren, zoodat men het aan de natuur of aan het geslacht kan toeschrijven: het wordt ook niet door den vrijen wil verkregen, om God te verbinden, maar het vloeit uit zijn enkele onverdiende barmhartigheid. Want het is zonder twijfel, dat Paulus hier de genade Gods stelt tegen de verdienste en waardigheid der menschen. Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? Dit is een bevestiging der voorgaande uitspraak, want met recht kan zich niet verheffen, die niets heeft, waarmede hij anderen te boven gaat. Want wat mag ijdeler zijn dan te roemen zonder oorzaak. Nu geen mensch heeft eenige uitnemendheid van zichzelven, zoo is dan die dwaas en ongeschikt die zichzelven verheft. Het ware fundament der Christelijke ootmoedigheid is, dat wij onszel-ven niet behagen, omdat wij weten, dat wij ontbloot van alle goed zijn, en indien God ons eenig goed te bewaren gegeven heeft, dat wij daardoor te meer aan zijn genade verbonden zijn, kortom, dat men nergens in moet roemen, (gelijk Cyprianus zegt) omdat wij niets hebben, dat het onze is. Wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt. Merk op, dat wij niets overhouden om te roemen, als wij door Gods genade zijn wat wij zijn. En dit is het, wat wij in het eerste hoofdstuk hadden, te weten: dat Christus ons de fontein aller goederen is, opdat wij leeren in den Heere te roemen, hetwelk wij dan eerst doen, als wij onzen eigen roem verwerpen. Want God behoudt zijn recht niet, tenzij wij ontledigd worden, opdat blijke dat van elders komt, wat in ons lofwaardig is.
8 Gij zijt nu verzadigd. Nadat hij ernstig en zonder bewimpeling hun ijdel betrouwen weerlegd heeft, zoo komt hij het nu ook te bespotten, omdat zij zichzelven zoo zeer behaagden, even alsof zij alleszins gelukkig waren. En hij gaat trapsgewijze voor om hun hoogmoedige dartelheid uit te drukken. Ten eerste zegt hij: dat zij verzadigd zijn, hetwelk betrekking heeft tot het voorleden, daarna zegt hij: dat zij rijk geworden zijn, hetwelk op den toekomenden tijd duidt. Ten laatste zegt hij: dat zij de heerschappij verkregen hebben, hetwelk veel meer is dan de andere beide, even alsof hij zeide, wat zal men nu doen, dewijl gij uzelven niet alleen acht tegenwoordig verzadigd te zijn, maar ook rijk voor de toekomst, ja koningen te zijn. Hij verwijt hun tevens stilzwijgend hun ondankbaarheid, dat zij hem durfden verachten, of liever hen, door welke zij alles verkregen hadden. Zonder ons, zegt hij, want ik en Apol-los, door welker arbeid de Heere u alles gegeven heeft, zijn nu niet bij u geacht. Hoe onredelijk is het zichzelven te behagen in de
76
1 CORINTHE 4:8, 9.
gaven Gods, en ondertusschen degenen, door welke gij die verkregen hebt, te verachten. En och, of gij ze verkregen hadt. Hier betuigt hij, dat hij hun hun geluk niet benijdt, zoo zij eenig hebben, en dat hij van den aanvang af niet gezocht heeft, om bij hen te heer-schen, maar alleen om hen tot het njk Gods te brengen. Daartegenover geeft hij nochtans te kennen, dat dit rijk, waarop zij zich ver-hoovaardigen, een ijdel en verdicht rijk is, dat hun roemen ijdel en valsch is, en dat deze alleen waarachtig is, die alle kinderen Gods in 't gemeen genieten onder Christus, het hoofd, en een iegelijk naar de mate der genade, die hem gegeven is. Want met deze woorden: Dat wij ook met u mochten heerschen, wil hij dit zeggen, gij roemt zoo zeer in uwe meening, dat gij u niet ontziet mij en mijns gelijken te verachten, maar ziet, hoezeer gij u tevergeefs verhoovaardigt, want gij kunt geenen roem hebben voor God, dien wij niet mede deelachtig zijn. Want indien het u eene stof van roem is het Evangelie Gods te hebben, wat zal het dan ons zijn, door welker dienst het tot u gebracht is ? En voorwaar deze uitzinnigheid is allen hoo-vaardigen gemeen, dat zij door alles tot zich te trekken, zichzelven van alle goed berooven, ja zichzelven van de hope des eeuwigen levens ontslaan.
9 Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, heeft vertoond als mensclien ter dood verordend, want wij zijn een schouwspel geworden der wereld, en den engelen, en den menschen.
10 Wij zijn dwaas om Christus' wil, maar gij zijt wijs in Christus; wij zijn zwak, maar gij zijt sterk; gij zijt heerlijk, maar wij verachten.
11 Want tot op deze ure lijden wij dorst en honger, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en wij dwalen van de eene plaats in de ander.
12 En arbeiden werkende met onze eigene handen. Wij worden met kwaadspreken gekweld, en wij zegenen. Men vervolgt ons, en wij lijden het.
13 Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn als vervloekingen der wereld geworden, en aller verwerpsel tot op dezen dag.
14 Dit schrijf ik niet om u te beschamen, maar ik vermaan u als mijne uitverkoren kinderen.
15 Want ofschoon gij tienduizend leermeesters hadt in Christus, zoo hebt gij niet vele vaders, want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld.
9 Want ik acht. Het is onzeker, of hij van zichzelven alleen spreekt dan of hij ook Apollos en Sylvanus insluit, want dezulken noemt hij somtijds apostelen, maar ik wil het liever van hem alleen verstaan. Zoo het iemand wijder wil uitstrekken, dat zal ik gaarne lijden, zooverre hij met Chrysostomus niet verstaat, dat alle apostelen als door schande en oneer tot de laatste plaats zijn verworpen. Want het is zonder twijfel, dat hij de laatste apostelen noemt, die na Christus' opstanding tot de orde der apostelen zijn aangenomen geweest. Hij Iaat toe dat hij gelijk is aan hen, die aan het volk vertoond worden, als zij weldra ter dood gebracht worden. Want dit beteekent dat woord vertoonen, als die in triumf om praalvertoon
77
I's. 44 : 23. Kom. 8:36. 2 Cor. 4 : 11.
Hand. 18:3; 20 :34.
1 Thess. 2:9.
2 Thess. 3:8. Matth. 5:44.
Luk. 23 :34. Hand. 7 : GO.
Gal. 4:19. Filemon 10. Jak. 1:18.
78
omgeleid worden, en daarna in de gevangenis geworpen worden om geworgd te worden. Dit drukt hij duidelijker uit, als hij er bijvoegt, dat hjj een schouwspel geworden is. Dit (zegt hij) is mijn toestand, dat ik een schouwspel mijner ellende der wereld voorstel, als zij die om voor de beesten geworpen te worden, of tot het zwaardvechtersspel, of tot een ander soort van straf veroordeeld, voor de oogen des volks voortgebracht worden, en dat niet voor weinig aanschouwers, maar voor de gansche wereld. Merk hier op de wonderlijke standvastigheid van Paulus, die hoewel hij zag, dat hij alzoo door God behandeld werd, nochtans niet wederspannig was, noch kleinmoedig werd. Want hij wijt het aan de dartelheid der goddeloozen niet, dat hij met schande als tot een schouwspel getrokken wordt, maar schrijft het geheel aan de voorzienigheid Gods toe. De woorden, den engelen en den menschen, neem ik als een verklaring, aldus: ik ben niet alleen der aarde, maar ook den hemel een schouwspel, Deze plaats heeft men in 't gemeen van de duivelen verstaan, omdat het ongerijmd scheen van de goede engelen te verstaan. Maar Paulus1 meening is niet, dat al die getuigen zijner ellendigheid zijn, een welbehagen in zulk een schouwspel zouden hebben, maar wil dit alleen zeggen, dat hij alzoo door den Heere geregeerd wordt, dat hij schijnt verordend te zijn, om voor de gansche wereld een schouwspel te worden.
io Wij zijn dwaas om Christus' wil. Deze tegenstelling is geheel ironisch, fijn schertsend en vol prikkelen, te weten: omdat het zeer ongerijmd en onbetamelijk was, dat de Corinthiërs alleszins gelukkig en vol roem waren naar het vle'esch, daar zij hunnen meester en vader zagen met de uiterste schande en allerlei ellendigheid zagen verdrukt worden. Want zij, die meenen dat Paulus zichzelven alzoo vernedert, om met ernst aan de Corinthiërs toe te schrijven, wat hij bekent hem te ontbreken, die kan men gemakkelijk wederleggen uit de woorden, die hij daarna volgen laat. Zoo is het dan een ironisch of schertsende toelating, dat hij de Corinthiërs noemt wys in Christus, en sterk en edel, even alsof hij zeide, gij begeert met het Evangelie den lof der wijsheid te behouden, daar ik u Christus niet heb kunnen prediken, zonder voor de wereld dwaas te worden, en nu dewijl ik om uwentwil gaarne verdragen heb dwaas te zijn, of dwaas geacht te worden, zoo overweeg, of het recht is, dat gij wilt wijs geacht worden. Hoe kwalijk komt dit overeen, dat ik, die uw meester geweest ben, dwaas ben om Christus' wil, en dat gij wijs blijft ? En aldus wordt die wijsheid in Christus hier niet in goeden zin genomen, want hij bespot de Corinthiërs, dat zij Christus en de wijsheid des vleesches samen hebben willen vermengen, want dit was dingen bijeenvoegen, die ganschelijk tegen elkander streden. Ditzelve geldt ook van de navolgende stukken. Gij zijt (zegt hij) sterk en edel, dat is, gij roemt op het goed en de hulp der wereld, gij kunt de schande des kruises niet dragen, is het ondertusschen reden, dat ik om uwentwil onedel en veracht, en aan vele krankheden onderworpen ben ? Deze klacht is ook daarom te bitterder en te bijtender, omdat hij bij hen ook zwak en verachtelijk was. In één woord, hij bespot hun ijdelheid, omdat zij in omgekeerde orde kinderen en discipelen zijnde, beroemd en edel wilden zijn, terwijl hun vader onedel was, en ook aan allerlei schande der wereld onderworpen.
1 CORINTHE 4: 11 â14. 79
â :| â----------
jen ii Want tot deze ure. Hier stelt hij zijn toestand als op een
:gt) tafereel voor oogen, opdat de Corinthiërs door zijn voorbeeld lee-
oe'. ren dien hoogen dunk af te leggen, en met hen het kruis van Christus zachtmoedig aan te nemen. En dit is een zeer kunstig be-
-iet leid, dat hij door de vermelding van die dingen, die hem verachtelijk
ld gemaakt hadden, zijn bijzondere getrouwheid en onvermoeielijke
)or naarstigheid in de bevordering des Evangelies bevestigt, en wederom
0p bestraft hij bedektelijk zijne mededingers, hoewel zij geen zoodanig schijnsel gegeven hadden, nochtans de eersten wilden geacht zijn.
1ig In de woorden is geen duisterheid, uitgenomen dat wij moeten
]er opmerken het onderscheid, dat er is tusschen twee Grieksche woor-
re- den, waarvoor wij gesteld hebben, wij worden met kwaadspre-
3e ken gekweld en wij worden gelasterd. Het eerste beduidt niet
er. alleen den mensch bestraffen, maar ook scherp bijten, en zijnen
iel naam lasterlijk krenken, en den mensch met kwaadspreken, als met
uj. een angel wonden. Het ander beduidt iemand zwaar en schandelijk
en lasteren, en dat openlijk. Als hij zegt, dat hij vervolgd wordt, en
ler dat hy lijdt, en bidt voor degenen, die kwaadspreken, zoo geeft hij
en daarmede te kennen, dat hij niet alleen met het kruis vernederd
.re en verdrukt wordt door God, maar ook dat hij met gewillige oot-
n. moedigheid begaafd is. Waarin hij mogelijk de valsche apostelen bestraft, die zoo teeder en week waren, dat zij niet lijden konden,
re. dat zij zelfs met den kleinsten vinger aangeroerd werden. Als hij
|et van arbeiden spreekt, zoo voegt hij daarbij, met eigen handen, om
'q. de verachtelijkheid van zijn handwerk te beter uit te drukken, alsof
;s. hij zeide: ik win mijn nooddruft niet alleen met mijnen arbeid, maar
.id zelfs met een verachtelijk handwerk.
en 13 Als vervloekingen der wereld. Paulus gebruikt hier twee
at woorden, waarvan het eerste een man aanduidt die met openlijke
sn vervloekingen tot verzoening en reiniging der stad, aan de duivelen
jn wordt overgegeven, gelijk dat voorheen bij de heidenen geschiedde,
jjt zoodat dezulken alle boosheid en misdaad, die in de stad was, op
e. zich namen, om het gansche volk te verzoenen. Zulke menschen,
ar die alzoo overgegeven en vervloekt waren, werden omgeleid door
ld alle straten en wijken, om al het kwaad, dat in alle hoeken der
;n stad was, met zich weg te nemen, opdat de zuivering en reiniging
0f te volkomener ware. Voorts, dewijl hij zegt vervloekingen, in het meervoud, zoo kan het schijnen, dat hij daarmede te kennen geeft,
m dat hij niet alleen van zichzelven, maar ook van zijne metgezellen
id spreekt, die ook niet minder bij de Corinthiërs veracht waren;
3t doch wij worden door geen reden gedwongen, om wat hij zegt, op
;n anderen dan op hem te duiden. Het andere woord beduidt poeder,
ie allerlei schaafsel of vijlsel, en ook vuiligheid, die met den bezem
j. weggeveegd wordt: van beide lees Annotationes Budei. Wat
lt den zin der tegenwoordige plaats aangaat, om zijn uiterste ver-
;s worpenheid uit te drukken, zegt Paulus, dat hij evenals een mensch
S1 op wien alle vervloeking gelegd wordt, voor de gansche wereld
jt; gruwelijk, en als uitvaagsel en afschrapsel voor alle menschen wal-
k gelijk is. Doch met de eerste gelijkenis geeft hij niet te kennen, dat
-1 hij een zoenoffer is voor de zonden: maar hij wil alleen dit zeggen, dat hij in schade en lastering geheel gelijk is aan hen, op wie aller
k menschen vervloekingen geworpen worden.
14 Dit schrijf ik niet om u te beschamen. Dewijl de voor-
1 CORINTHE 4: 14, 15.
gaande rede spottend en bijtend was, waardoor het gemoed der Corinthiërs kon verbitterd worden, zoo komt hij nu den aanstoot tegemoet, als hij betuigt dat hij dit niet zegt om hen te beschamen, maar veeleer om door vaderlijke liefde hen te vermanen. Het is wel zeker, dat dit de kracht en natuur der vaderlijke kastijding is, dat zij den zoon beschaamd maakt: want de aanvang der bekeering is beschaamdheid, welke de zoon krijgt door het verwijt der zonde. Zoo dan, als een vader zijn zoon kastijdt met woorden, zoo zoekt hij hem tot mishagen aan zichzelven te brengen. En wij zien, dat hetgeen Paulus tot dusver gezegd heeft, daartoe dient, dat de Corinthiërs zich over henzelven zouden schamen; ja hij zal ook hierna betuigen, dat hij hunne feilen vermeldt, opdat zij zouden beginnen zich te schamen. Maar te dezer plaats wil hij alleen dit zeggen, dat hij niet voorgenomen heeft hun eenige schande aan te doen, of tot verwijting hunne zonden openlijk voort te brengen; want die vriendelijk vermaant, die zoekt voornamelijk dit, dat alle beschaamdheid, die er is, blijve tusschen hem en dengene die vermaand wordt, en alzoo bedekt en begraven worde: maar degene, die kwaadwillig verwijt, die maakt dengenen, dien hij zijn zonde voorstelt, zoo beschaamd, dat hij hem aan de lastering van alle menschen onderwerpt. Zoo ontkent dus Paulus eenvoudig, dat hij, wat hij gezegd had, niet gezegd heeft tot verwijting of om hun waardigheid te krenken, maar dat hij meer door vaderlijke genegenheid vermaand heeft, wat hij in hen zou begeeren. Maar waartoe dient deze vermaning? Opdat de Corinthiërs, die alleen door ijdele dingen opgeblazen waren, zouden leeren met hem in de nederheid van het kruis te roemen, en hem niet meer om die oorzaken te verachten, waarom hij terecht heerlijk was voor God en de engelen, kortom, opdat zij de voorgaande hoogmoedigheid zouden afleggen, en de litteekenen van Christus hooger zouden achten, dan de ijdele en bedriegelijke versiering in de valsche apostelen. Hieruit mogen de leeraars verstaan, dat in vermaningen en verbeteringen altijd zulke matiging te houden is, dat zij het gemoed niet met onmatige bitterheid wonden, en (gelijk men met een gewoon spreekwoord zegt) dat men olie of honig in den edik moet doen: en dat zij voornamelijk moeten toezien, dat zij niet schijnen te bespotten, die zij bestraffen, of in hun beschaamdheid behagen te hebben; ja, veeleer moeten zij moeite doen, dat zij verstaan worden, niet anders te zoeken, dan dat hun zaligheid bevorderd worde. Want wat voordeel zal de leeraar doen met roepen, tenzij hij de scherpheid der berisping met zoodanige matiging, als ik gezegd heb, tempere? Zoo dan, als wij iets bevorderlijk willen zijn met der menschen gebreken te bestraffen, zoo moeten wij hun betuigen, dat onze vermaningen uit een vriendelijk hart komen.
15 Want ofschoon gij tienduizend leermeesters hadt. Hij had zichzelven vader genoemd: nu toont hij, dat hem deze naam eigenlijk en bijzonder toekomt, omdat hij alleen hen in Christus geteeld heeft. In deze vergelijking ziet hij op de valsche apostelen, wien de Corinthiërs alles zóó toegaven, dat Paulus zelf bijna niet bij hen geacht werd. Zoo vermaant hij hen dan, te bedenken, wat eer men den vader, en wat eer men den onderwijzer schuldig is; even alsof hij zeide; Gij eert die nieuwe leeraars; ik gedoog het, mits gij gedachtig zijt, dat ik uw vader, en zij slechts uwe onderwijzers zijn.
80
1 CORINTHE 4: 15. 81
En als hij aldus zich gezag toeeigent, zoo geeft hij te kennen, dat hij anders gezind is dan zij, die hij in zoo groote eer hield, alsof hij zeide: Dezen hebben gearbeid in u te onderwijzen, het zij zoo, maar een vader heeft eene andere liefde, eene andere zorgvuldigheid en naarstigheid dan een onderwijzer. Mogelijk zinspeelt hij ook op de kleinheid des geloofs, welke hij hun boven tegengeworpen heeft. Want de Corinthiërs waren reuzen in hoogmoed, en kinderen in het geloof: en daarom worden zij terecht bij onderwijzers gesteld. Ook wordt de verkeerde en booze wijze in de leeraren berispt, dat zij hunne discipelen in de eerste beginselen alleen hielden, opdat zij hen altijd aan hun meesterschap zouden gebonden houden. Want in Christus. De oorzaak, waarom hij alleen voor vader der Corinthische gemeente gehouden moet worden is, te weten, omdat hij hen gegenereerd heeft. En hij beschrijft hier de geestelijke genereering met zeer bekwame woorden, als hij zegt, dat hij hen gegenereerd heeft in Christus, die alleen het leven der zielen is. Voor de formeele oorzaak (gelijk men haar noemt) stelt hij het Evangelie. Zoo laat ons dan opmerken, dat wij dan waarlijk gegenereerd worden voor God, als wij Christus ingeplant worden, buiten wien niet anders dan enkel dood gevonden wordt, en dat dit geschiedt door het Evangelie; want dewijl wij van nature vleesch en hooi zijn, zoo is het Woord Gods gelijk Petrus leert uit Jesaja, een onverderfelijk zaad, waardoor wij vernieuwd worden tot het eeuwige leven. Neemt het Evangelie weg, en wij zullen allen voor God vervloekt en dood blijven. Later is datzelfde woord, waardoor wij gegenereerd zijn, voor ons melk om ons op te voeden, en tevens is het ook vaste spijze, om ons altijd te voeden. Indien iemand hier wil vragen, waarom Paulus ontkent dat die vaders zijn, die na hem in den dienst komen, daar nochtans dagelijks Gode nieuwe kinderen in de gemeente geboren worden? Zoo kan men gemakkelijk hierop antwoorden, te weten, dat hij hier van het begin der gemeente spreekt: want ofschoon velen door de onderwijzing van anderen gegenereerd waren, zoo behield nochtans Paulus deze eer ongeschonden, dat hij de Corinthische gemeente gefundeerd had. Indien iemand wederom vraagt, of alle herders niet moeten geacht worden vaders te zijn? waarom Paulus dan dezen naam aan anderen ontneemt, om er voor zichzelven alleen aanspraak op te maken ? Ik antwoord, dat hij hier spreekt bij vergelijking. Daarom, hoewel de naam vader hun anders toekwam, zoo waren zij nochtans met Paulus vergeleken, niet anders dan onderwijzers. Men moet ook bedenken wat ik boven aangeroerd heb, te weten, dat hij niet van allen spreekt (want van zijns gelijken, zooals Apollos, en Sylvanus, en Timotheüs, die het rijk van Christus alleen zochten te bevorderen, had hij gemakkelijk gedoogd, dat zij alzoo genoemd werden, en de uiterste eer hadden) maar dat hij hen berispt, die door verkeerde eerzucht, eens anders eer tot zich trokken, gelijk die waren, die de eer, welke men Paulus schuldig was, zelve aannamen, om zich te verheffen met zijnen roof. En voorwaar, de toestand der Corinthische gemeente, is nu die der gansche gemeente. Want hoe weinigen zijn er, die door ware vaderlijke genegenheid, dat is, uit loutere gunst, de gemeenten liefhebben en dienen, en zich tot hare zaligheid overgeven ? Daarentegen zijn er vele onderwijzers en leermeesters, die alzoo hunnen arbeid ver-
1 CORINTHE 4: 15, 16.
huren, alsof zij een wereldlijk ambt bekleedden, en ondertusschen het volk in verwondering en gehoorzaamheid aan zich houden. Hoewel, het gaat ook dan wèl toe, als er vele leermeesters zijn, die met leeren tusschenbeide nuttig zijn, en door besmettingen der valsche leer de gemeente niet verderven. Als ik over de menigte der leermeesters klaag, zoo spreek ik niet van de papistische priesters (want ik zou hen niet waardig achten onder dit getal gerekend te worden) maar die met ons in de leer overeenkomende, meer hun eigen zaak dan die van Christus bezorgen. Wij willen wel allen vaders geacht worden, en van anderen gehoorzaamheid der kinderen eischen, maar hoe weinigen zijn er die doen, waarmede zij zich bewijzen vaders te zijn. Daar is nog een' moeielijker vraag, te weten. Matt. 23:9. dewijl Christus ons verbiedt iemand vader te noemen op de aarde, omdat wij eenen Vader hebben in den hemel, hoe durft dan Paulus den naam van vader aannemen? Ik antwoord, dat God (om eigenlijk te spreken) de eenige Vader in den hemel is, niet alleen der ziel, maar ook des vleesches: maar dewijl Hij zooveel het lichaam aangaat, de eer van den vaderlijken naam ook mededeelt aan hen, wien Hij kinderen geeft, en voor Zich alleen den vaderlijken naam en het vaderlijke recht over de ziel behoudt: zoo beken ik, dat Hij naar deze wijze bijzonder de Vader der geesten genoemd, en van de aardsche vaderen onderscheiden wordt: gelijk de apostel spreekt Hebr. 12:9. tot de Hebreen. Nochtans, dewijl Hij, gelijk Hij alleen door zijn eigen kracht de zielen baart, en wederbaart, en levendmaakt, alzoo ook den dienst zijner dienstknechten daartoe gebruikt, zoo is daarin niets onvoegzaams, indien zij ten aanzien van dezen dienst vaders genoemd worden: want God wordt geenszins daarin verkort. Het Woord (gelijk wij gezegd hebben) is het geestelijk zaad, daardoor wederbaart God alleen onze zielen door zijn kracht: maar der dienaren arbeid sluit Hij niet uit. Daarom indien gij naarstig aanmerkt, wat Hij door Zichzelven wil doen, en wat Hij door de dienaars wil gedaan hebben, zoo zult gij lichtelijk verstaan, in wat zin Hij alleen de eer van Vader waardig is, en hoeverre deze naam zijnen dienaren toekomt, zonder zijn recht te verkorten.
1G Zoo bid ik u dan, weest mijne navolgers.
17 Hierom heb ik Timotbeus tot u gezonden, dewelke is mijn lieve en getrouwe zoon in den Heere: die zal u wederom in gedachtenis brengen mijne wegen, die in Christus zijn, gelijk ik in alle gemeenten leer.
18 Sommigen zijn opgeblazen, even alsof ik niet tot u zou komen.
19 Doob ik zal binnenkort tot u komen, zoo het de Heere wil, en ik zal bekennen niet de woorden dergenen, die opgeblazen zijn, maar de kracht.
20 Want het koninkrijk Gods is niet in woorden, maar in kracht.
21 Wat wilt gij? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en in den geest der zachtmoedigheid?
16 Ik bid u. Nu drukt hij ook met eigen woorden uit, wat hij door zijn vaderlijke vermaning van hen begeert, te weten, dat zij zijne kinderen zijnde, van hunnen vader niet ontaarden noch afwijken. Want wat is meer redelijk en behoorlijk, dan dat de kinderen arbeiden om den vader gelijk te worden? En nochtans wijkt
82
1 Cor. 11; 1. Fil. 3:17.
1 Thess. 1 : 0.
2 Thess. 3 : 9.
Hand. 18:21. Hebr. G: 3. Jak. 4:15.
1 Cor. 2 : 4.
1 Thess. 1: 5.
2 Petr. 1: 1G.
1 CORINTHE 4 : 16â19.
hij ietwat van zijn recht, als hij hen meer met bidden dan met gebieden hiertoe vermaant. Voorts, in hoever hij wil dat zij hem navolgen, dat bewijst hij op een andere plaats, daar hij er bijvoegt:1 cor. ii:i. gelijk hij Christus' navolger was. Deze mate moet men altijd houden,
dat wij geen mensch volgen, anders dan zoover hij ons tot Christus leidt. Wij weten waarover hij hier spreekt. De Corinthiërs vloden niet alleen van de nederheid des kruises, maar zij verachtten ook hunnen vader, daarom dat hij den aardschen roem vergetende, liever in de versmaadheden van Christus roemde, en meenden, dat zij en anderen gelukkig waren, die naar het vleesch niets verachtelijks hadden. Zoo vermaant hij ze dan, naar zijn voorbeeld zich in gehoorzaamheid aan Christus te wijden, om alles te lijden en te verdragen.
17 Hierom heb ik Timotheus. De zin is: Opdat gij weet hoedanig mijn leven is, en of ik navolging waardig ben, zoo hoort Timotheus, die een getrouw getuige dezer dingen kan zijn. En dewijl er twee dingen zijn, die het getuigenis des menschen geloofwaardig maken, te weten, de kennis der dingen, die hij verhaalt, en de getrouwheid, zoo zegt hij dat die beide in Timotheus zijn. Want als hij hem zijn zeer lieven zoon noemt, zoo leert hij, dat hij hem familiaar bekend is, en dat hij al zijne zaken wel weet. Daarna noemt hij hem ook, getrouw in den Heere. Hij beveelt ook Timotheus twee dingen, te weten, om den Corinthiërs in gedachtenis te brengen, wat zij behoorden vanzelf te gedenken: waarin hij ze stilzwijgend bestraft; en om hun te betuigen, hoe evenredig en standvastig hij overal is in zijn wijze van leeren. Het is waarschijnlijk, dat de valsche apostelen hem valsch beschuldigd hebben,
even alsof hij meer recht aangenomen had over de Corinthiërs dan over anderen, of dat hij zich anders gedroeg in andere plaatsen:
want hij wil niet zonder oorzaak hun dit betuigd hebben. Zoo komt het dan een voorzichtigen dienaar toe, zich zóó te schikken, en dezen regel van onderwijzen te houden, dat hem niet zoo iets kan tegengeworpen worden, of hij moet de verdediging gereed hebben uit de zaak zelve, gelijk Paulus had.
18 Even alsof ik niet tot u zou komen. Dit is de wijze der valsche apostelen, dat zij der goeden afwezigheid waarnemen, opdat zij zonder verhindering zich verheffen en roemen. Zoo geeft dan Paulus te kennen, dat zij zijn tegenwoordigheid niet kunnen verdragen, opdat hij hun booze conscientie overtuige, en hun wreedheid bedwinge. Het geschiedt somtijds wel, dat ongeschikte menschen,
als zij aanleiding tot beschimping hebben, openlijk als met een ijzeren voorhoofd, tegen de dienaars van Christus oprijzen, doch nimmermeer komen zij vrijmoedig tot gelijken strijd, maar geven met bedekte listen hun mistrouwen te kennen.
19 Maar ik zal haast komen, en. Zij bedriegen zich, (zegt hij), dewijl zij in mijn afwezigheid zich alzoo verheffen, alsof dat langdurig zoude zijn, want zij zullen eerlang gevoelen, hoe ijdel hunne verheffing is. Doch hij verschrikt ze niet zoozeer, alsof hij in zijn komst tegen hen zoude bliksemen, maar hij dringt en drukt meer hunne conscientiën, want zij wisten, dat hij met Goddelijke kracht begaafd was, hoewel zij het zich ontveinsden. Deze woorden,
zoo de Heere wil, geven te kennen, dat wij niets aan anderen moeten beloven, noch voornemen te doen, anders dan met dit uit-
83
1 CORINTHE 4: 19, 20.
beding, zoover het de Heere zal toelaten. Daarom bespot Jako-Jai;. 4; is. bus terecht deze lichtvaardigheid in de menschen, dat zij raadslagen wat zij over tien jaren zullen doen, daar zij zelfs niet e'én uur levens zeker hebben. En hoewel wij aan deze formulen van spreken niet altijd noodwendig gebonden zijn, zoo is het toch beter, dat wij ons naarstig daaraan gewennen, opdat wij ons in deze gedachte wel oefenen, dat wij al onze raadslagen den wille Gods moeten onderwerpen. En zal bekennen niet de woorden. Bij de woorden verstaat hij het ijdel geklap, waarmede de valsche apostelen zichzelven behaagden, want zij hadden eenige bekwaamheid en bevalligheid in het spreken, maar waren zonder ijver en zonder de kracht des Geestes. Bij het woord kracht verstaat hij het geestelijk krachtdadig vermogen, waarmede die begaafd zijn, die Gods Woord ernstelijk bedienen. Zoo is dan de zin: Ik zal zien of zij zoo groote oorzaak hebben om zich te verheffen, en ik zal hen niet schatten naar hun uitwendig geklap, waarin zij het eerst en laatst hun roem stellen, en waarop zij betrouwende, alles zich aanmatigden. Indien zij eenige waarde bij mij willen hebben, zoo moeten zij die kracht bewijzen, die de rechte christenen van de vermomden en valschen onderscheidt, anders zal ik hen met al hun praalzucht verachten. Zoo betrouwen zij dan tevergeefs op hunne welsprekendheid, want ik acht die als rook.
20 Want het koninkrijk Gods is niet. Dewijl de Heere zijn gemeente regeert met het Woord als met een schepter, zoo wordt de bediening van liet Evangelie dikmaals het koninkrijk Gods genoemd. Versta dan hier door het koninkrijk Gods, al wat hiertoe dient, en tot dit einde verordend wordt, dat God onder ons regeere. Paulus ontkent, dat dit rijk in woorden gelegen is, want hoe weinig is het, zoo iemand wel kan snateren, en niets heeft dan ijdel geluid? Zoo zullen wij dan weten, dat de uitwendige bevalligheid en bekwaamheid van onderwijzen, gelijk is aan een schoon en wel versierd lichaam, en dat de kracht, waarvan Paulus hier spreekt, is gelijk aan de ziel. Wij hebben boven r. den, dat de natuur der Evangelische prediking deze is, dat zij inwendig met eenige wezenlijke majesteit vervuld is. Deze majesteit vertoont zich, als de dienaar meer met kracht dan met woorden handelt, dat is, als hij niet steunt op het betrouwen van zijn vernuft, of welsprekendheid, maar met geestelijke wapenen voorzien, met vurigheid om de eere Gods te beschermen, met begeerte om het rijk van Christus op te richten, met naarstigheid tot stichting, met vreeze des Heeren, met on-verwinlijke standvastigheid, met reinigheid der conscientie, en met andere noodwendige gaven ernstig in des Heeren werk arbeidt; anders is de prediking dood, en heeft geen kracht, hoe schoon zij ook versierd is. Daarom zegt hij in den anderen Zendbrief hfdst. 5: 17, dat in Christus niets geldt, behalve een nieuw schepsel, hetwelk tot hetzelfde einde dient, want hij wil, dat wij in geen uitwen-digen schijn blijven hangen, maar alleen op de inwendige kracht des Heiligen Geestes steunen. Hoewel hij met deze woorden de eerzucht der valsche apostelen wederlegt, zoo berispt hij echter tevens de Corinthiërs van verkeerd oordeel, die den dienaar van Christus daarnaar beoordeelden, dat het minste onder hunne deugden was. Dit is een uitnemende uitspraak, welke evengoed ons als hen aangaat. Ons Evangelie, waarop wij ons verhoovaardigen, waar
84
1 CORINTHE 4: 20, 21.
is het in de meesten, tenzij dan op de tong ? Waar is de nieuwigheid des levens? Waar is de geestelijk krachtdadige werking? En dit is slechts bij het gemeene volk, maar hoe velen zijn er ook, die gunst en lof uit het Evangelie zoeken te verkrijgen, anders niet naar streven, dan om sierlijk en scherpzinnig te spreken, even alsof het eenige onheilige heidensche wetenschap ware. Het woord kracht, wil ik niet tot de wonderen beperken, want uit de tegenstelling kan men licht verstaan, dat het wijder strekt.
2i Wat wilt gij. Die de brieven in hoofdstukken heeft verdeeld, die moest liever hier het vijfde hfdst. begonnen hebben. Want dewijl hij dusverre de dwaze hoovaardigheid der Corinthiërs, hun ijdel betrouwen, en hun verkeerd oordeel, dat door eerzucht verdorven was, gestraft heeft, zoo vermeldt hij nu de ondeugden, waarmede zij bevangen waren, waarover zij zich behoorden te schamen, even alsof hij zeide: gij zijt opgeblazen, alsof alle ding zeer goed bij u ware, maar het zou beter zijn, dat gij uwen ongelukkigen stand met schaamte en zuchten bekendet, want indien gij zoo voortgaat, zoo zal ik gedwongen worden de zachtmoedigheid af te leggen, en de vaderlijke strengheid tegen u te oefenen. Maar deze bedreiging, waarmede hij hun vrije verkiezing voorstelt, heeft meer kracht, want hij betuigt, dat het zijne schuld niet is, dat hij zich niet vriendelijk en zachtmoedig jegens hen bewijst, maar dat hij door hun ondeugd, tot strengheid gedrongen wordt. Het komt, (zegt hij) u toe te verkiezen, hoedanig gij mij wilt hebben, zooveel mij aangaat, ik ben tot zachtmoedigheid bereid, maar indien gij voortgaat, gelijk gij tot dusver gedaan hebt, zoo zal ik de roede moeten nemen. Aldus rijst hij op, nadat hij bij hen de vaderlijke autoriteit voor zich verzekerd heeft, want het zou bespottelijk geweest zijn met deze bedreiging te beginnen, eer hij tot spreken zich een weg gebaand, en hen tot vreeze voorbereid had. De roede noemt hij de strengheid, waarmede een herder de feilen zijns volks moet verbeteren. Hier tegenover stelt hij de liefde en den Geest der zachtmoedigheid, niet omdat de vader zijne kinderen haat, die hij kastijdt, (want de kastijding komt eer uit liefde,) maar omdat hij met droefheid van het gelaat en scherpheid der woorden zich zoo vertoont, alsof hij op zijn zoon toornig ware. Om het met e'én woord duidelijker te zeggen: Een vader, hoedanig gelaat hij ook vertoont, zoo heeft hij altijd den zoon lief, maar deze liefde bewijst hij, als hij hem lieflijk en vriendelijk leert; maar als hij door zijne zonden verbolgen zijnde, hem met harde woorden, of ook met de roede straft, zoo neemt hij het aanzien van een toornigen vader aan. Dewijl dan de liefde verborgen is, als de strengheid der kastijding gebruikt wordt, zoo voegt Paulus terecht den Geest der zachtmoedigheid en de liefde bij elkander. Sommigen nemen hier de roede voor de uitbanning, maar hoewel ik hun toegeef, dat de uitbanning een deel dezer strengheid is, die Paulus den Corinthiërs verkondigt, nochtans strek ik ze breeder uit, te weten, dat zij alle zware berispingen vervat. Merk hier op, wat orde een goed herder moet houden. Want hij moet uit eigen beweging tot zachtmoedigheid genegen zijn, opdat hij ze liever tot Christus lokke, dan met geweld trekke. Deze zachtmoedigheid moet hij, zooveel in hem is, behouden, en nimmermeer tot bitterheid komen, tenzij dan gedwongen. Maar waar de roede noodig is, moet hij ze niet sparen, want gelijk men degenen.
85
1 CORINTHE 4:21â5: 1.
die leerzaam en gewillig zijn, vriendelijk moet behandelen, alzoo is het noodig in de hardnekkigen en wederspannigen scherpheid te gebruiken. En wij zien, dat het Woord Gods niet enkel leer inhoudt, maar ook met bittere berispingen besprengd is, en den herder de roede in de hand geeft. Want het geschiedt dikmaals door de wederspannigheid des volks, dat die herders, die van nature zeer zacht zijn; gedwongen worden scherp en straf te handelen, en als het ware een ander persoon te worden.
HET VIJFDE HOOFDSTUK.
1 Men hoort ganschelijk, dat er hoererij onder u is, en zulke hoererij, die zelfs niet onder de heidenen genoemd wordt, dat is, dat iemand zijns vaders vrouw hebben zou.
2 En gij zijt opgeblazen, en hebt niet liever rouw gedragen, opdat degene, die dat werk gedaan heeft, uit het midden van u weggedaan worde.
3 Ik, voorwaar, als afwezend met het lichaam, en tegenwoordig met den geest, hebbe nu als tegenwoordig geoordeeld, dien die dat alzoo gedaan heeft,
4 In den naam van onzen Heere Jezus Christus, in uwe vergadering met mijnen geest, met de macht van onzen Heere Jezus Christus, zulken mensch zeg ik,
5 Den satan over te geven tot verderving des vleesches, opdat de geest behouden worde in den dag des Heeren Jezus.
1 A /Ten hoort ganschelijk, dat er. Dewijl die tweedrachtigheid I V 1 boven gezegd is) uit hoovaardigheid en valsch ver-
-^trouwen ontstond, zoo komt hij terecht hunne feilen te verhalen, door welker erkenning zij behooren vernederd te worden. Ten eerste leert hij, hoe boos een stuk het is, dat zij een uit hunne kudde zijne stiefmoeder in onkuischheid laten misbruiken. Het is onzeker of hij haar als een hoer van zijnen vader weggevoerd, of onder het deksel van den echt gehouden heeft. Maar dit gaat de zaak niet zeer aan, want het eerste zou een schandelijke en gruwelijke hoererij, en het ander een bloedschuldig en eerloos huwelijk geweest zijn. Nu, opdat het niet schijne, dat hij hen met twijfelachtige vermoedens bezware, zoo zegt hij, dat hij een zaak voortbrengt, die bekend en openbaar is. Want het woord ganschelijk, versta ik zoo, dat hij daarmede te kennen geeft, dat het geen twijfelachtig gerucht, maar een bekende zaak was, en alom met groote ergernis geopenbaard. Als hij zegt, dat zulke hoererij onder de heidenen niet Geu. 35:22. gehoord wordt, zoo meenen sommigen, dat hij op Rubens bloedschande gezien heeft, die ook zijn stiefmoeder verontreinigd had. Zoo meenen zij dan, dat Paulus Israël niet vermeld heeft, omdat daar zulke schandelijke daad geschied was, even alsof ook de heidensche historie niet vele zulke bloedschanden verhaalden. Zoo is dan dit verdichtsel gansch en al vreemd van den zin van Paulus, want dat hij liever de heidenen dan de Joden noemt, daarmede heeft hij de schandelijkheid der daad te meer willen vergrooten en verzwaren, even
86
Lev. 18:8. Deut. 27: 20.
Col. 2:5.
1 CORINTHE 5:1, 2.
alsof hij zeide: gij laat zulk een schandelijke daad toe, alsof zij geoorloofd ware, welke zelfs niet onder de heidenen zou geduld worden, ja dat altijd gruwelijk en als ongeschikte onnatuurlijkheid is geacht geworden. Zoo dan, als hij zegt, dat onder de heidenen zulks niet is gehoord geweest, daarmede meent hij niet, dat nooit zoo iets geschied, of in de historiën beschreven is, waarvan zelfs ook treurspelen gemaakt zijn, maar dat het bij de heidenen gruwelijk is, als een verschrikkelijk onnatuurlijk ding. Want het is een dierlijke lust, waardoor zelfs de schaamte der natuur weggenomen wordt. Indien iemand vraagt, of het wel billijk is, dat de misdaad van ée'n mensch allen verweten wordt? zoo antwoord ik, dat de Corinthiërs niet beschuldigd worden, omdat een onder hen gezondigd had, maar dat zij die schandelijke daad die zware straf waardig was, door de vingers zagen, en voedden, gelijk er volgt.
2 En gij zijt opgeblazen. Alsof hij zeide, schaamt gij u niet te roemen, daar gij zoo groote reden tot verootmoediging hebt? Boven heeft hij gezegd, dat men zelfs niet in de uitnemendste dingen moet roemen, dewijl de menschen niets hebben dat hun eigen is, maar alleen door Gods genade uitmunten: maar nu nadert hij hen langs een anderen weg. Gij zijt, zegt hij, vol schandelijke dingen: hoe kunt gij u dan verheffen en verhoovaardigen ? Want het is een verwonderlijke blindheid, dat gij tot spijt van engelen en menschen, midden in de schandelijkheden roemt. Als hij zegt: Gij hebt niet liever rouw gedragen, zoo ontleent hij een argument van het tegenstrijdige: want waar rouw is, daar wijkt het roemen af. Men kan vragen: Waarom moesten zij om eens anders zonde rouw dragen? Ik antwoord: om twee oorzaken: want om de gemeenschap, die tusschen de leden der gemeente bestaat, behoorden allen over zoo verderfelijken val van één mensch bewogen en aangedaan te worden: en wanneer zulk een schandelijk stuk in eenige gemeente bedreven wordt, is de auteur daarvan zóó schuldig, dat de gansche vergadering meer of min wordt besmet. Want gelijk God een huisvader in de schande van zijne vrouw of van zijne kinderen vernedert, en eene gansche familie in de oneere van één lid, alzoo moet elke gemeente bedenken, dat zij met oneere besprengd wordt, wanneer eenige schandelijke daad bij haar geschiedt. Wat meer is, wij zien dat om den roof van den éénen Achan, de toorn Gods over het gansche Israël ontstoken is; niet dat God zoo wreed is dat Hij om eens anders misdaad, tegen de onschuldigen wreedheid wil gebruiken : maar gelijk er reeds eenig teeken zijner toornigheid is, wanneer zoo iets bij een volk geschiedt, zoo verklaart hij ook door de openbare kastijding eener bijzondere misdaad, dat het gansche lichaam met het kwaad besmet en verontreinigd is. Hieruit kan men licht verstaan, dat het de plicht van elke gemeente is, de zonde van elk lid te beweenen, als gemeene ellenden, die het gansche lichaam aangaan. En voorwaar dit is het begin eener godzalige en behoorlijke betering, door mishagen aan het kwaad met heiligen ijver ontstoken te worden: want anders zal het een bittere strengheid zijn. Uit het midden van u weggedaan. Hier drukt hij nu duidelijker uit, wat hij in de Corinthiërs straft, te weten, de onachtzaamheid, dat zij zulk een grooten gruwel door de vingers zagen. Waaruit ook openbaar is, dat de gemeenten deze macht hebben, dat zij alle ondeugd, die in haar midden is, door de streng-
87
1 CORINTHE 5 : 2â4.
heid der discipline mogen verbeteren of uitwerpen: en dat men niet verontschuldigen kan, die niet naarstig waken om van vlekken gereinigd te worden. Want Paulus straft hier de Corinthiërs: waarom ? omdat zij onachtzaam geweest zijn in het straffen der boosheid van ée'n lid. Hij zou hen te onrecht beschuldigen, zoo zij de macht niet hadden. Zoo wordt dan de macht der uitsluiting te dezer plaatse bevestigd. Wederom gelijk deze wijze van tucht aan de gemeenten in handen gegeven is, alzoo bewijst Paulus, dat die gemeenten zondigen, die haar niet gebruiken als de zaak het eischt: want anders zou hij den Corinthiërs onrecht doen, door hun dit tot ondeugd te rekenen.
3 Ik, voorwaar. Dewijl de Corinthiërs niet deden wat zij behoorden te doen, zoo heeft hij eerst hun onachtzaamheid bestraft, en leert nu wat er moet gedaan worden, te weten, dat men hem, die zulk eene bloedschande bedreven heeft, uit de gemeenschap der geloovigen moet uitstooten, opdat deze smet uitgewischt worde. Zoo geeft hij hun een geneesmiddel voor deze ziekte, te weten, de uitsluiting, in wier lang uitstel zij gezondigd hadden. Dat hij zegt, dat hij met het lichaam afwezend, nu dit verordend heeft, daarin klaagt hij de onachtzaamheid der Corinthiërs heviger aan: want daar schuilt een bedekte tegenstelling onder, alsof hij zeide: Gij die tegenwoordig zijt, behoordet reeds lang deze ziekte genezen te hebben, voor wier oogen zij altijd is, en nochtans zijt gij hierin stil: maar ik kan het zelfs niet afwezénd dragen. Nochtans opdat niemand mocht tegenmorren, dat hij zoo wijd vandaar zijnde, lichtvaardig oordeelde op een gerucht, zoo zegt hij, dat hij met den geest tegenwoordig is, daarmede beduidende, dat het recht van het ambt hem evengoed bekend is, alsof hij tegenwoordig ware, en de zaak met eigen oogen zag. Nu is het der moeite waard te zien, wat hij van de wijze der uitsluiting leert.
4 In uwe vergadering met mijnen geest. Dat is, daar gij met mij vergaderd zijt, maar in den geest, dewijl zij met het lichaam niet konden vergaderen: nochtans betuigt hij, dat dit evenzooveel is, alsof hij openlijk tegenwoordig ware. Men moet opmerken, dat Paulus hoewel hij een apostel was, niet uitsluit naar zijn lust alleen, maar hij neemt raad met de gemeente, opdat de zaak met algemeen gezag behandeld worde. Hij gaat wel voor, en wijst hun den weg, maar daar hij zich de anderen tot metgezellen toevoegt, zoo geeft hij genoeg te kennen, dat het geen macht is, die één mensch toekomt. Maar dewijl de menigte, zoo zij niet met raad geregeerd wordt, nimmermeer iets gematigd en gestadig doet, zoo was in de oude gemeente het priesterdom, dat is, het ambtsgezelschap der ouderlingen verordend, aan welke met aller bewilliging de eerste kennis toekwam: vandaar werd de zaak, doch met voorloopig oordeel, voor het volk gebracht. Hoe het zij, het is vreemd aan de instelling van Christus en van de apostelen, aan de orde der gemeente, en ook aan de billijkheid zelve, dat dit recht en deze macht bij éénen mensch zoude zijn, dat hij naar zijn goeddunken zou mogen uitsluiten, die hij wilde. Laat ons dus opmerken, dat men deze matiging moet houden in de uitsluiting, dat deze tuchtoefening met gemeenen raad der ouderlingen, en met bewilliging des volks gehouden worde: en dat dit een remedie is om de tirannie tegen te gaan. Want niets is meer tegen de discipline van Christus, dan
88
1 CORINTHE 5:4, 5.
;n tirannie: voor welke nochtans de deur open is, als de gansche macht
;n aan één toegestaan wordt. In den naam van onzen Heere Jezus.
ir i Want het is niet genoeg, dat wij bijeenkomen, tenzij het in den .n ] naam van Christus geschiede; want de booze menschen komen ;t ï ook bijeen tot booze en goddelooze samenzweringen. Nu, opdat de ie ' bijeenkomst geschiede in Christus' naam, zoo worden twee dingen ;n vereischt, te weten, dat zij met de aanroeping zijns naams begonnen
i- worde; daarna, dat men niets beginne, dan naar zijn Woord. Daarom
:s beginnen de menschen dan eerst gelukkig wat zij aannemen te doen,
:e als zij van harte den Heere aanroepen, dat zij door zijnen Geest
geregeerd, en hunne raadslagen door zijne genade gericht worden tot gelukkigen voortgang. Evenzoo, als zij zijnen mond vragen, ge-t, lijk de profeet spreekt, dat is, als zij zijne woorden raadplegende, Jcs-30:2-
i, zich met al hunne raadslagen tot volkomen gehoorzaamheid aan
p ; zijnen wil wijden. Indien men dit behoort te doen, ook in de aller-I minste handelingen, hoeveel te minder moet men het laten in e zware en ernstige zaken? en allerminst als wij eerder Gods zaak
t, dan de onze behandelen. Bijvoorbeeld: De uitsluiting is niet der
n menschen, maar Gods inzetting zelve. Daarom zoo dikwerf wij die
it moeten gebruiken, waarmede zullen wij die beginnen anders dan met
e God? In één woord, als Paulus aan de Corinthiërs gebiedt in den
e naam van Christus te vergaderen, zoo eischt hij niet alleen, dat zij
: den naam van Christus voorwenden, of met den mond belijden, (want
dit is ook den goddeloozen gemeen) maar dat zij ook waarlijk en van harte God zoeken. Bovendien geeft hij hiermede ook de groot-i heid en het gewicht der handeling te kennen. Hij voegt erbij, met
t de macht onzes Heeren. Want zoo deze belofte waarachtig is:
s waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben Ik in Ma't. is:20.
het midden van hen: zoo volgt daaruit, dat het Christus' werk is,
al wat in zulk eene vergadering geschiedt. Hieruit verstaan wij, t wat groote zaak de wettige uitsluiting voor God is, als zij op de
1 kracht Gods steunt. Want dit moet ook vervuld worden: Al wat Mquot;quot;-18:18-
1 gij bindt op de aarde, dat zal ook in den hemel gebonden wezen,
t Gelijk deze uitspraak den verachters groote verschrikking moet aan-
, jagen, alzoo worden ook, niet alleen de getrouwe herders, maar
1 ook de gansche gemeente, vermaand, met hoe grooter nauwgezetheid
, I zij in zulk eene ernstige zaak moeten voortgaan. Want het is zeker, t dat de macht Gods niet gebonden is aan het goeddunken of de
meening der menschen, maar dat zij met zijn eeuwige waarheid , vereenigd is.
: 5 Den satan over te geven tot verderving des vleesches.
89
Dewijl de apostelen onder andere krachten ook deze hadden, dat
zij de boozen en hardnekkigen den duivel onderwierpen, en dien als een geesel gebruikten om hen te kastijden, zoo heeft Chrysos-tomus en die hem gevolgd zijn, deze woorden van Paulus van zulk een soort kastijding verstaan, gelijk ook de andere plaais aangaande Alexander en Hymenéüs bij Timotheus pleegt uitgelegd te worden. iTim. i;2o. Zoo dan, den satan overgeven, achten zij niet anders te zijn, dan het lichaam van den mensch te straffen met eene zware straf. Maar als ik het geheele verband nader inzie, en tevens vergelijk wat in den anderen Zendbrief staat, zoo laat ik die uitlegging varen als gedwongen en vreemd aan den zin van Paulus, en versta het eenvoudig van de uitsluiting. Want het is een bekwame wijze van spre-
1 CORINTHE 5:5, 6.
ken, den duivel overgeven, voor uitsluiten. Want gelijk in de gemeente Christus regeert, alzoo regeert de satan buiten de gemeente, gelijk ook Augustinus aangeteekend heeft in zijne verhandeling over de woorden des apostels 68, waar hij deze plaats uitlegt. Dewijl wij dus onder deze voorwaarde in de gemeenschap der gemeente ontvangen worden, en daarin blijven, omdat wij onder de trouw en bescherming van Christus zijn, zoo zeg ik, dat hij, die uit de gemeente geworpen wordt, eenigszins den duivel overgegeven wordt in zijn macht, omdat hij vreemd wordt van het rijk van Christus. Wat daarna volgt, tot verderving des vleesches, is gesteld tot verzachting, want Paulus beduidt daarmede, dat degene, die gestraft wordt, niet zoo den duivel overgegeven wordt, dat hij ganschelijk verderve, of dat hij den duivel tot eeuwige dienstbaarheid overgegeven wordt, maar dat de verdoemenis voor een tijd is, en dat zij niet alleen voor een tijd is, maar dat zij ook heilzaam zal wezen, want dewijl de zaligheid en de verdoemenis des geestes eeuwig is, zoo heeft hij de verdoemenis van het vleesch gesteld voor een tijdelijke verdoemenis, even alsof hij zeide: wij zullen hem hier voor eenen tijd verderven in de wereld, opdat de Heere hem in zijn rijk behoede. Aldus wordt de tegenwerping opgelost, waarmede sommigen deze uitlegging willen wederleggen, want dewijl het vonnis der uitsluiting meer geslagen wordt over de ziel dan over den uitwendigen mensch, zoo vragen zij hoe het te rijmen is, dat zij genoemd wordt verderving des vleesches? Maar ik antwoord, gelijk ik nu aangeroerd heb, dat door deze wijze van spreken, alleen het verderf des vleesches gesteld wordt tegenover de zaligheid des geestes, omdat het vleesch vergankelijk, en de geest eeuwig is. In welken zin de apostel ook zegt: de dagen des vleesches van Christus Hebr. 5 : 17, voor den loop des sterfelijken levens. En als de gemeente hen die gezondigd hebben, strengelijk straft, zoo spaart zij hen niet in deze wereld, opdat God hen spare. Zoo iemand meer begeert te hebben van de wijze, oorzaken, noodzakelijkheid, einden en matiging der uitsluiting, die zoeke dat in onze «Institutie.quot;
6 Uw roem is niet goed. Weet gij niet, dat een weinig zuurdee-sem het gansche deeg zuur maakt?
7 Zoo dan, zuivert den ouden zuurdeesem uit, opdat gij een nieuw
Jes. 53:7. deeg zijt, gelijk gij ongezuurd zijt, want Christus ons Pascha
Joh. 129. ⢠np i
is voor ons geonerd.
ECOa 12 3 ® Daarom laat ons feest houden niet in den ouden zuurdeesem,
Deut' 16:3. noch in den zuurdeesem der boosheid en kwaadheid, maar in
de ongezuurde brooden der oprechtigheid en waarheid.
6 Uw roem. Hun roem veroordeelt hij niet alleen, omdat zij zich buiten hetgeen den mensch geoorloofd was, verhieven, maar omdat zij in ondeugden behagen vonden. Boven heeft hij de menschen van alle eer ontledigd, want dewijl zij, hoe zij ook uitmunten, niets eigens hebben, zoo bewijst hij, dat zij alles aan God verschuldigd zijn. Maar hier handelt hij niet daarvan, dat God van zijn recht beroofd wordt, als de menschen den lof der deugden zichzelven aanmatigen, maar dat de Corinthiërs belachelijk onwijs zijn, dewijl zij zonder oorzaak zichzelven verheffen. Want zij waren hoovaardig.
90
1 CORINTHE 5:6, 7.
even alsof alles bij hen goud geweest was, daar nochtans zoo groot kwaad en oneer onder hen was. Weet gij niet. Opdat zij niet zouden denken, dat het niet of weinig te achten was, dat zij zulk groot kwaad door de vingers zagen, zoo toont hij aan hoe verderfelijk de toegeving in dit stuk is. En hij gebruikt een gewoon spreekwoord, waarmede hij te kennen geeft, dat door de besmetting van één mensch, de gansche menigte bezoedeld wordt. Want dit spreekwoord heeft eenerlei zin met hetgeen men gewoonlijk zegt: een schurftig schaap verderft den ganschen hoop. Dit heb ik te dezer plaats gezegd, omdat Paulus ditzelve elders in anderen zin gui. gebruikt, gelijk wij zullen zien.
7 Zoo dan, zuivert. Dewijl hij een gelijkenis ontleend had van den zuurdeesem, zoo behoudt hij haar nog, doch alzoo, dat hij van de bijzondere tot een algemeene leer komt, want hij spreekt nu niet meer van den bloedschender, maar vermaant hen in 't gemeen tot reinheid des levens, want wij kunnen in Christus niet blijven, tenzij wij gereinigd worden. Dit pleegt hij niet zelden te doen, wanneer hij wat in het bijzonder gezegd heeft, daaruit aanleiding neemt om tot algemeene vermaning te komen. Hij heeft van den zuurdeesem melding gemaakt wegens een andere oorzaak, gelijk wij gezien hebben, en dewijl deze zelfde gelijkenis diende tot een algemeene leer, die hij nu hierbij voegt, zoo strekt hij ze zoo ver. Ons Pascha. Eer ik tot de zaak kom, wil ik wat spreken van de woorden. De oude zuurdeesem wordt op dezelfde wijze gezegd, als de oude mensch, want de verdorvenheid der natuur gaat voor in ons, eer wij voor Christus wedergeboren worden. Oud wordt dus genoemd, wat wij uit moeders schoot brengen, en moet vergaan, als wij door de genade des Geestes vernieuwd worden. Het woord geofferd, kan, dewijl het tusschen den naam van Christus en van de offerande staat, op beide geduid worden. Ik heb het op de offerande geduid, hoewel er weinig aan gelegen is, want de zin wordt niets veranderd. Het Grieksche woord, waarvoor wij gesteld hebben, feesthouden, beduidt ook na de offerande aan het feestmaal deelachtig zijn, welke beteekenis te dezer plaats beter blijkt te passen. Daarom heb ik liever den ouden overzetter gevolgd dan Erasmus, omdat deze zin veel bekwamer is voor de verborgenheid, die Paulus behandelt. Nu kom ik tot de zaak. Dewijl Paulus de Corinthiërs tot heiligheid wil vermanen, zoo leert hij, dat hetgeen voorheen in het Pascha afgebeeld was, heden in ons vervuld moet worden, en verklaart hoe de waarheid en de figuur overeenkomen. Ten eerste, dewijl in het Pascha twee stukken waren, te weten, de offerande en de heilige maaltijd, zoo stelt hij ze beide; want hoewel sommigen het paaschlam voor geen offerande houden, zoo overtuigt nochtans de wijze, dat het in eigenlijken zin een offerande geweest zij, want het volk werd daar, door de bespren-ging des bloeds met God verzoend, en daar is geen verzoening zonder offerande. Bovendien bevestigt de apostel dit nu klaarlijk, want hij gebruikt een woord, dat voor de offeranden dient, en het verband zijner woorden zou anders niet bestaan. Zoo werd dan jaarlijks een lam geofferd, daarna volgde de maaltijd, waarvan de viering zeven dagen lang duurde. Christus (zegt Paulus) is ons Pascha, deze is eenmaal geofferd, en dat op deze voorwaarde, dat de kracht dezer eenige offerande eeuwiglijk duurt. En nu moeten
91
1 CORINTHE 5 : 8, 9.
wij het niet alle Jaar eenmaal, maar altijd eten. En in de plechtigheid dezer heilige spijze, moeten wij ons onthouden van zuurdee-sem, gelijk God den vaderen geboden heeft zich te onthouden. Maar van wat zuurdeesem? gelijk het uitwendige Pascha hun een beeld van het ware Pascha was, alzoo waren ook die aanhangselen figuren van die waarheid, die wij heden houden. Daarom zoo wij Christus' vleesch en bloed willen eten, zoo Iaat ons tot dezen maaltijd brengen oprechtigheid en waarheid, dit zullen onze ongezuurde brooden wezen, laat varen alle boosheid en verdraaidheid, want het is ongeoorloofd zuurdeesem te gebruiken op het Pascha. In e'én woord, hij betuigt, dat wij dan leden van Christus zullen zijn, zoo wij de boosheid en bedriegelijkheid vaarwel ⢠zeggen. Ondertusschen moeten wij deze plaats aanmerken, waaruit blijkt, dat het oude Pascha niet alleen een gedenkteeken was der voorleden weldaad, maar ook joh. 5:24. een sacrament van den toekomenden Christus, door welken wij hebben, dat wij uit den dood in 't leven overgaan. Want anders zou dit niet bestaan, dat het lichaam van de schaduwen der wet in coi. 2:17. Christus is. Deze plaats zal ook dienen om den gruwel der paap-sche mis te wederleggen. Want Paulus leert niet, dat Christus dagelijks geofferd wordt, maar dat wij, dewijl de offerande eenmaal geschied is, het gansche leven geestelijken maaltijd moeten houden.
9 Ik heb u geschreven in den zendbrief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders.
10 En niet ganschelijk met de hoereerders dezer wereld, of gierigaards, of roevers, of afgodendienaren: want anders moest gij uit deze wereld gaan:
11 Maar nu heb ik u geschreven, dat gij u niet zoudt vermengen, dat is, zoo iemand, die een broeder genoemd wordt, een hoereerder is, of gierigaard, of afgodendienaar, of kwaadspreker, of dronkaard, of roover: met zulk een zult gij zelfs niet eten.
12 Want wat gaat het mij aan te oordeelen die daarbuiten zijn? oordeelt gij niet die binnen zijn?
13 Maar die buiten zijn, oordeelt God: Werpt dan den booze van u uit.
k heb u geschreven. Deze zendbrief, waarvan hij hier spreekt, is niet voorhanden, en er zijn ook zonder twijfel meer andere verloren: maar het is genoeg, dat ons die overgebleven zijn, die de Heere gezorgd heeft genoeg te zijn. Voorts, deze plaats wordt om de duisterheid in velerlei zin gedraaid. Om de verschillende gevoelens te wederleggen, acht ik niet, dat ik vele woorden moet maken, zoo ik dien zin voortbreng, die mij schijnt de rechte te zijn. Hij maakt de Corinthiërs indachtig, wat hij hun geboden heeft, te weten, dat zij van der boozen gemeenschap zich zouden onthouden. Want zich vermengen, is gemeenzaamlijk met iemand verkeeren, en in zijn gemeenschap verwikkeld worden. Deze vermelding dient om hun traagheid te verwijten, dat zij vermaand zijnde, stil zaten. Hij stelt een uitzondering daarbij, opdat zij te beter verstaan, dat dit eigenlijk op de huisgenooten der gemeente ziet: dewijl zij niet te vermanen waren om uit de wereld te vlieden. Zoo dan, in hoofd-
92
Matt. 18: 17. 2 Cor. G : li.
Ef. 8:11. 2 Thess.3:14. Deut. 7: 2. Sir. 13:1.
Jer. IG: 8. Dan. 1:8.
Deut. 13: 5.
9 II
1 CORINTHE 5:9, 10.
zaak verbiedt hij den Corinthiërs de gemeenschap met die menschen, die boozelijk en met oneere leven, hoewel zij zichzelven voor ge-loovigen uitgeven. Dit is zooveel alsof hij zeide: Allen, die broeders geacht willen worden, die moeten heilig en eerlijk leven, of van de vergadering der godzaligen uitgesloten worden, en van hun omgang en gemeenschap moeten zich alle goeden onthouden. Van de god-deloozen zou het overbodig zijn melding te maken, want gij moet die vanzelf vlieden, ook als ik u deswege niets vermaan. Voorts, deze uitzondering verzwaart de^ schuld der onachtzaamheid, dat zij in den boezem der gemeente een boos mensch hielden. Want het is schandelijker op de huisgenooten geen acht te hebben dan op de vreemden.
io Want anders moest gij. In deze woorden vooral verschillen de uitleggers. Want sommigen leggen ze uit: Gij moest eer uit Griekenland verhuizen. Ambrosius: Gij moest eer sterven. Erasmus legt het uit als een wensch, even alsof Paulus gezegd had: Och, of het vrijstond ganschelijk uit de wereld te gaan: maar dewijl gij dat niet kunt doen, zoo gaat tenminste van hen uit, die zich valschelijk Christenen noemen, en ondertusschen een zeer boos voorbeeld geven met hun leven. De uitlegging van Chrysostomus is wat waarschijnlijker, volgens wiens gevoelen dit de zin is: Als ik u gebied van de hoereerders te vlieden, zoo meen ik niet allerlei hoereerders: want anders moest gij een andere wereld zoeken. Want zoolang wij in de wereld zijn, moeten wij onder de doornen leven: maar ik eisch alleenlijk dit, dat gij u niet vermengt met de hoereerders, die broeders geacht willen zijn, opdat gij niet schijnt hun boosheid goed te keuren, als gij ze verdraagt. Alzoo moet de wereld hier voor het tegenwoordige leven genomen worden, gelijk Joh. 17 : 15, Ik bid niet Vader, dat Gij hen wegneemt uit de wereld, maar dat gij hen verlost van den booze. Tegen deze uitlegging kan men deze vraag voortbrengen: Dewijl Paulus dit gezegd heeft voor dien tijd, in welken de Christenen nog met de goddeloozen vermengd en er onder verstrooid waren: wat zal men nu doen, nadat alle menschen zich tot Christus begeven hebben? Want wij zouden ook heden uit de wereld moeten gaan, zoo wij de gemeenschap der boozen willen vlieden: want daar zijn geene vreemden, waar alle menschen den Christelijken naam dragen, en door den doop Hem geheiligd zijn. Zoo iemand Chrysostomus wil volgen, die kan lichtelijk antwoorden, dat Paulus hier voor zeker en bekend genomen heeft, wat waarachtig is, te weten, waar het recht der uitsluiting is, dat daar een gemakkelijk geneesmiddel is om de boozen van de goeden te scheiden, zoo de gemeenten hun ambt willen doen. Tegen de vreemden hadden de Christenen te Corinthe geen recht, noch konden hun woest en ongebonden leven bedwingen. Zoo hadden zij dan de wereld moeten verlaten, indien zij hadden willen vlieden de boozen, welker ondeugden zij niet konden beteren. Maar dewijl ik niet gaarne die uitleggingen aanneem, die niet tot de tegenwoordige plaats kunnen gevoegd worden, dan als men de woorden daartoe draait, zoo heb ik een andere uitlegging liever, die van deze alle onderscheiden is, te weten, dat uitgaan genomen worde voor afgezonderd worden: en de wereld, voor de besmettingen der wereld; even alsof hij zeide: Wat nood is het u te gebieden van de kinderen der wereld, dewüjl gij u van hun gezelschap behoort te
93
1 CORINTHE 5 : 10, 11.
onttrekken, gelijk gij eenmaal de wereld vaarwel gezegd hebt? Want i joh. 5:19. de gansche wereld is in het booze gelegen.'Zoo deze uitlegging iemand niet behaagt, zoo is er nog een andere die geloofelijk is; Ik schrijf u niet in het algemeen, dat gij het gezelschap der hoereerders dezer wereld vliedt, hoewel gij dat behoort uit eigen beweging te doen, ofschoon ik u niet vermaan. Nochtans behaagt mij de andere beter: en ik ben ook de eerste niet, die ze bedacht heeft, maar zij is van anderen eerst voortgebracht; doch ik heb ze, indien ik mij niet bedrieg, beter met den samenhang van Paulus in verband gebracht. Zoo dan, het schijnt een praetermissio of voorbijgang te zijn, als hij zegt, dat hij van de vreemden niet spreekt, omdat de Corinthiërs reeds behoorden van hen afgescheiden te zijn: opdat zij weten, dat deze tucht om van de boozen te vlieden, ook zelfs in huis, dat is, onder hen gehouden moet worden.
ii Zoo iemand, die een broeder genoemd wordt. In het Grieksch is van woord tot woord: Zoo iemand een broeder genoemd. En sommigen voegen het bij de volgende woorden, en maken een gedwongen zin, en vreemd aan de meening van Paulus. Ik beken wel dat deze uitspraak waarachtig is en waardig om op te merken, te weten, dat niemand door het oordeel der gemeente kan verbeterd worden, tenzij zijn zonde bekend is: maar deze woorden van Paulus kunnen daartoe niet getrokken worden. Zoo wil hij dan zeggen; Zoo iemand onder u als een broeder geacht wordt, en een boos en den Christen onwaardig leven leidt, zoo onthoudt u van zijne gemeenschap. In ée'n woord, bij dit genoemd worden, verstaat hij een valsche belijdenis, waarmede de zaak zelve niet overeenkomt. Voorts telt hij hier niet alle booze stukken op, maar slechts vijf of zes als voorbeeld. Vervolgens onder het woord zulk een, begrijpt hij de andere. Hij noemt ook geene andere dan die de men-schen kunnen kennen. VVant de inwendige goddeloosheid, en zoo er iets ^verborgen is, wordt'door de gemeente niet geoordeeld. Het is twijfelachtig, wat hij verstaat door afgodendienaar. Want hoe kan iemand een afgodendienaar zijn, die zich tot Christus begeven heeft ? Sommigen meenen, dat toen onder de Corinthiërs eenigen waren, die slechts ten deele Christus aannamen, en ondertusschen niettemin in booze superstitiën gewikkeld waren, gelijk voorheen de Israëlieten, en daarna ook de Samaritanen eenigen dienst Gods hadden, welken zij nochtans met goddelooze superstitiën bezoedelden. Maar ik versta het liever van degenen, die wel de afgoden versmaadden, maar nochtans om de goddeloozen te behagen, de afgoden geveinsd dienden. Dezulken wil Paulus in de vergadering der Christenen niet geduld hebben: en dat terecht, dewijl zij zoo weinig zwarigheid maakten van de eere Gods een ander te geven. Men moet de omstandigheden aanmerken, dat, hoewel zij daar een gemeente hadden, waarin zij God zuiver konden aanbidden, en het rechte gebruik der Sacramenten genieten, zij nochtans alzoo in de gemeente kwamen, dat zij de onheilige gemeenschap der goddeloozen niet vaarwel zeiden. Dit zeg ik daarom, opdat niemand denke, dat men zulk een besliste strengheid moet gebruiken, tegen degenen, die heden onder de tirannie van den paus verstrooid, zich met vele gebrekkige ceremoniën besmetten: aan wie ik wel zeg, dat zij hierin zwaar zondigen, en beken, dat men ze streng moet vermanen, en zonder ophouden dringen, opdat zij ten laatste leeren zich geheel aan Christus
94
1 CORINTHE 5 : 11â13.
te heiligen; maar ik durf zoover niet komen, dat ik zou oordeelen, dat men ze moet uitsluiten, want het is een ander ding met hen. Met zulk een zult gij zelfs niet eten. Ten eerste moet men weten, of hij hier de gansche gemeente, of man voor man aanspreekt. Ik antwoord, dat het wel tot een iegelijk gezegd wordt, maar dat het nochtans hangt aan de algemeene discipline. Want de macht van uit te sluiten is niet aan elk lid gegeven, maar aan het gansche lichaam: en hem, dien de gemeente uitgesloten heeft, mag niemand der geloovigen in zijn gemeenschap ontvangen; anders zou het gezag deiv .gemeente veracht worden, zoo een iegelijk tot zijn tafel mocht toelaten, die van de tafel des Heeren uitgesloten zijn. Door de gemeenschap der spijs wordt verstaan de samenwoning, of het gemeenzaam samen eten en drinken. Want zoo ik in een herberg kom, en een uitgeslotene daar aan tafel zie zitten, ik word niet verboden met hem te eten: want ik heb geen macht hem uit te sluiten. Maar Paulus' meening is, dat wij zoover het ons vrijstaat, de gemeenschap van menschen moeten vlieden, die de gemeente van hare gemeenschap heeft afgesneden. De Roomsche antichrist is met deze strengheid niet tevreden geweest, maar heeft het verbodsbevel zoover gedreven, dat niemand de afgesnedenen met spijs, of drank, of vuur, of andere behulpmiddelen des levens mag helpen. Dit is geen strengheid der discipline, maar een tirannieke en bar-baarsche onmenschelijkheid, welke ganschelijk tegen de meening van Paulus strijdt. Want dengene, dien wij de openlijke schande aandoen, opdat hij beschaamd worde, en zich bekeere, dien wil Paulus niet gehouden hebben als een vijand, maar als een broeder. En deze groote wreedheid gebruiken zij ook tegen de onschuldige menschen. En ofschoon wij toegeven, dat somtijds sommige menschen deze straf niet kwalijk verdienen, zoo zeg ik nochtans dat zulk een verbodsbevel ganschelijk vreemd is aan het recht der gemeente.
ia Want wat gaat het mij aan te oordeelen. Wij worden niet verhinderd ook hen te oordeelen, zelfs de duivelen worden niet verschoond van het oordeel des woords dat ons bevolen is. Maar Paulus spreekt hier van de rechtsmacht, die eigenlijk aan de gemeente toekomt, even alsof hij zeide: De Heere heeft ons gewapend met deze macht, om haar te gebruiken tegen degenen, die huisgenooten zijn. Want deze betering is een deel der discipline, die binnen de gemeente vervat is, en strekt niet tot degenen, die daar buiten zijn. Zoo dan, wij verkondigen aan dezen hun verdoemenis niet, want de Heere heeft hen aan onze kennis en oordeel niet onderworpen, zooveel deze betering en straf aangaat. Zoo worden wij dan gedwongen, dezulken aan het oordeel Gods over te laten. In welken zin Paulus zegt; dat God hun zal richter wezen, te weten, omdat Hij ze als wilde beesten zonder toom laat loopen, omdat er niemand is, die hunne dartelheid bedwingt.
13 Werpt dan den booze van u uit. Dit pleegt men te verstaan van hem, die met zijn stiefmoeder hoererij bedreven had. Want die het woord boos nemen voor boosheid, die worden door de Grieksche woorden van Paulus wederlegd, welke zulke uitlegging niet kunnen lijden. Maar men mocht het beter verstaan van den duivel, die gewisselijk in den persoon van den boozen mensch gevoed wordt, om onder ons zijn rijk te versterken. Want het woord de booze, enkel en zonder meer daarbij, beduidt meer den vorst
95
1 CORINTHE 5: 13â6: 1.
van alle boosheid, dan eiken boozen mensch. Indien men dezen zin goed vindt, zoo vermaant Paulus hoeveel er aan gelegen is, dat men geene booze menschen draagt, want alzoo wordt de duivel uit zijn rijk gestooten, hetwelk hij in der boozen dartelheid onder ons inneemt. Maar zoo het iemand liever van den mensch wil verstaan, ik strijd er niet tegen. Voorts dat Chrysostomus hier de strengheid der wet vergelijkt met de zachtmoedigheid des Evangelies, omdat Paulus met de uitsluiting tevreden is in die misdaad, die de wet gebiedt aan het leven te straffen, daartoe heeft hij geen reden. Want Paulus spreekt niet tot de richters, die met het zwaard gewapend zijn, maar tot eenen wapenloozen hoop, dien alleen de broederlijke kastijding toegelaten was.
HET ZESDE HOOFDSTUK.
1 Durft iemand van u, die een zaak tegen zijnen broeder heeft, te recht gaan onder de onrechtvaardigen, en niet onder de heiligen ?
iioeii der 2 Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordeelen zullen? En
indien de wereld door u geoordeeld wordt, zijt gij dan niet
Openb.3:21. waardig de minste dingen te oordeelen?
3 Weet gij niet, dat wij de engelen zullen oordeelen. hoeveel te meer de tijdelijke dingen?
4 Daarom, indien gij van dingen dezes levens te richten hebt, stelt die er over, die verachtelijk zijn in de gemeente.
5 Ik zeg het u tot schaamte: is alzoo geen wijs man onder u, zelfs niet een, die kon oordeelen tusschen den broeder en broeder?
6 Maar de broeder gaat tegen den broeder te recht, en dat onder de ongeloovigen ?
7 Zoo is daar nu ganschelijk gebrek onder u, dat gij tegen elk-Spr. 20:22. ander te recht gaat. Waarom verdraagt gij niet liever onrecht?
Rom.Ssâ 17. Waarom lijdt gij niet liever schade?
lThess.s: 15. 8 Maar gij doet onrecht en schade, en dat den broederen.
1 ir6t. u i 9.
Hier begint hij een andere fout onder de Corinthiërs te bestraffen, te weten, die ongeschikte begeerte om te richten, welke uit gierigheid rees. Daar zijn twee deelen dezer berisping. Het eerste is, dat zij door hunne zaken voor den rechterstoel der goddeloozen behandelden, het Evangelie schandelijk en bespottelijk maakten. Het ander is, dat zij daar de Christenen in het onrecht te gedragen, geduldig behooren te zijn, zelve liever onrecht deden, dan dat zij eenige schade zouden lijden. Alzoo is het eerste deel bijzonder, het ander is algemeen.ier begint hij een andere fout onder de Corinthiërs te bestraffen, te weten, die ongeschikte begeerte om te richten, welke uit gierigheid rees. Daar zijn twee deelen dezer berisping. Het eerste is, dat zij door hunne zaken voor den rechterstoel der goddeloozen behandelden, het Evangelie schandelijk en bespottelijk maakten. Het ander is, dat zij daar de Christenen in het onrecht te gedragen, geduldig behooren te zijn, zelve liever onrecht deden, dan dat zij eenige schade zouden lijden. Alzoo is het eerste deel bijzonder, het ander is algemeen.
i Durft iemand onder u. Dit is de eerste uitspraak; zoo iemand een zaak heeft tegen zijnen broeder, die behoort men te scheiden en eindigen onder godzalige en niet onder goddelooze richters. Indien men vraagt, waarom ? Ik heb reeds gezegd, dat dit de oorzaak is, dat het Evangelie oneere aangedaan, en de naam van Christus aan de bespotting der goddeloozen onderworpen wordt. Want de goddeloozen zoeken door des duivels ingeving altijd gieriglijk oor-
96
Wijsh. 3; 8. Matt. l'J: 28.
1 CORINTHE 6:1, 2.
zaken, om wat te hebben in de leer der godzaligheid, dat zij mogen lasteren. En de geloovigen schijnen willens hun oorzaak tot lasteren te geven, als zij hun hunne oneenigheid en twist openbaren. Hierbij kan men ook nog een andere reden voegen, te weten, dat wij den broederen versmaadheid aandoen, als wij hen aan het oordeel der onge-loovigen onderwerpen. Maar hier kan men tegenwerpen, dewijl het aan de overheid toekomt, en het haar eigen ambt is, een iegelijk recht te doen, en kennis van de zaken te nemen, waarom zouden de ongeloovigen, die de overheidsambten bekleeden, deze autoriteit en macht niet hebben, en indien zij ze hebben, waarom verbiedt men ons ons recht voor hunne rechtstoelen te beschermen? Ik antwoord, dat Paulus hier hen niet veroordeelt, die noodwendig onder de ongeloovigen richten, gelijk wanneer iemand tot het recht getrokken of geroepen wordt, maar hen, die zeiven willens de broeders daarhenen trekken, en hen als door der ongeloovigen hand kwellen, daar zij een ander geneesmiddel mochten gebruiken. Zoo is het dan kwaad, dat men willens de broeders voor de vierschaar der ongeloovigen daagt, maar indien gij gedaagd zijt, zoo is het niet kwaad, dat gij daar gaat, en uwe zaak bepleit.
2 Weet gij niet, dat de heiligen. Dit is een bewijsvoering, waarbij men van het mindere tot het meerdere voortgaat. Want dewijl Paulus wil bewijzen, dat der gemeente Gods te kort gedaan wordt, wanneer men het oordeelen en richten van aardsche dingen voor de ongeloovigen brengt, alsof onder de geloovigen niemand bekwaam ware te oordeelen, zoo redeneert hij aldus: Dewijl God de heiligen verwaardigd heeft zulke eer te geven, dat hij hen als richters der gansche wereld gesteld heeft, zoo is het onrecht, dat zij als onwaardig van de allerminste oordeelen zouden uitgesloten worden. Hieruit volgt, dat de Corinthiërs zichzelven te kort deden, dat zij de eere, die hun van God gegeven was, den ongeloovigen overgaven.
Wat hier staat van de wereld te oordeelen, dat moet men verstaan volgens de uitspraak van Christus: Wanneer de Zoon des men- Matt- 10:2S-schen zal gekomen zijn, zoo zult gij zitten, enz. Want alle macht . des oordeels is alzoo den Zoon gegeven, dat Hij ook de heiligen tot gemeenschap dezer eere zal aannemen als bijzitters: anders zullen zij de wereld oordeelen, gelijk zij ze nu beginnen te oordeelen:
want hun godzaligheid, geloof, vreeze Gods, goede conscientie, oprechtheid des levens, zullen den goddeloozen alle verontschuldiging benemen, gelijk van Noach gelezen wordt, dat hij met zijn geloofHelgt;1'-11:7' alle menschen zijner eeuw veroordeeld heeft. Maar de eerste zin komt beter overeen met het voornemen des apostels. Want zoo men het woord oordeel, hier niet eigenlijk neemt, zoo zal het argument niet goed zijn. En het schijnt ook zelfs niet zoozeer gewichtig te zijn; want het is even alsof iemand zeide: De heiligen zijn met hemelsche wijsheid begaafd, welke alle leeringen der menschen verre te boven gaat: zoo kunnen zij dan over de gesternten beter oordeelen dan de sterrekijkers. Dit zou niemand toelaten. En de oorzaak is openbaar, omdat de godzaligheid en de geestelijke leer niet medebrengen de wetenschap der goede en menschelijke kunsten.
Hier antwoord ik, dat tusschen andere kunsten en de wetenschap om te oordeelen, dit onderscheid is, dat de kunsten door scherpzinnigheid des vernufts, en naarstigheid verkregen, en door de meesters geleerd worden: maar deze wetenschap om te oordeelen. Dl. u. 7
97
1 CORINTHE 6 ; 2â4.
is meer in de gerechtigheid en goede conscientie gelegen. Maar (mocht iemand zeggen) die in de rechten geleerd zijn, zullen beter en zekerder oordeelen dan eenig ongeleerd geloovig mensch: of anders is de geleerdheid en de wetenschap in het recht tevergeefsch. Ik antwoord, dat hier derzulken raad niet uitgesloten wordt: want indien de verklaring van eenige duistere vraag uit de wetenschap der wetten is te halen, zoo verbiedt de apostel den Christenen niet tot de rechtsgeleerden te gaan. Maar hij bestraft alleen dit in de Corinthiërs, dat zij hunne geschillen tot het oordeel der ongeloovi-gen brachten, even alsof zij geen bekwame rechters of scheidslieden in de gemeente hadden. En hij vermaant over hoeveel grooter oordeel de Heere zijne geloovigen geste.ld heeft. In u, acht ik gesteld te zijn voor onder u. Want zoo dikwerf de geloovigen in Christus' naam op één plaats te zamen komen, zoo is nu in hun eendrachtig gevoelen eenig beeld des toekomenden oordeels, hetwelk ten laat-sten dage geheel zal openbaar worden. Zoo zegt dan Paulus, dat de wereld in de gemeente geoordeeld wordt, waar de rechterstoel van Christus opgericht is, waaruit Hij richt.
3 Weet gij niet, dat wij de engelen. Deze plaats wordt verschillend begrepen. Chrysostomus verhaalt, dat sommigen het van de priesters verstaan, maar dat is veel te gedwongen. Anderen leggen het uit van de hemelsche engelen, in dezen zin, dat de engelen aan het oordeel des Woords Gods onderworpen zijn, en zoo het noodig is, door ons kunnen geoordeeld worden. Gelijk staat in Gal. 1:8: Zoo een engel uit den hemel een ander Evangelie voortbrengt, die zij vervloekt. En bij den eersten aanblik schijnt deze uitlegging niet ongepast in het verband van Paulus' woorden: want indien allen, die God door zijn Woord verlicht heeft, zoo groote autoriteit hebben, dat zij door dat Woord niet alleen de menschen, maar ook de engelen oordeelen, hoeveel te meer zullen zij over kleine en verachtelijke dingen oordeelen? Maar, dewijl Paulus hier spreekt in den toekomenden tijd, als van den jongsten dag, en de woorden klinken als een dadelijk oordeel: zoo is het naar mijn gevoelen beter, dat men het van de afvallige engelen versta. Want het argument zal niet minder hout snijden, aldus: De duivelen, die van zoo edelen oorsprong gekomen zijn, en nu ook na hun val, onsterfelijke creaturen, en boven de vergankelijke wereld zijn, zullen wij oordeelen. Hoe dan? zullen de dingen, die den buik onderworpen zijn, aan ons oordeel onttrokken worden?
4 Daarom indien gij van dingen dezes levens. Men moet altijd onder het oog houden van wat dingen hij spreekt, want gemeene oordeelen zijn buiten onze macht, en moeten aan ons goeddunken niet overgegeven worden: maar van bijzondere zaken mogen wij handelen zonder weten der overheid. Dewijl dan door ons oordeelen en scheiden, het recht der overheid niet verkort wordt, zoo gebiedt Paulus den Christenen terecht, dat zij zich onthouden van het onheilige, dat is, van de rechtbank der ongeloovigen. En opdat zij niet zeggen, dat zij geen beter medicijn hebben, zoo gebiedt hij uit de gemeente scheidsrechters te kiezen, die vriendelijk en naar billijkheid de zaken beslissen En opdat zij niet zeggen, dat zij geen bekwame mannen hebben, zoo zegt hij, dat de allerminsten hiertoe kunnen dienen. Zoo wordt dan de waardigheid der overheid hier niet verkleind, als Paulus voorschrijft hun ambt aan verachte men-
98
1 CORINTHE 6 ; 4â7.
schen te bevelen: want dit is (gelijk ik reeds gezegd heb) als door een voorkoming gesteld, alsof hij zeide: Zelfs de minste en verachtste onder u, zal dit beter doen dan de goddelooze richters, tot welke gij loopt: zoover is het er af, dat deze nood u zou dwingen. Met dezen zin komt Chrysostomus bijna overeen, dewijl hij er bovendien nog iets bijvoegt; want hij meent dat de apostel heeft willen zeggen; Ofschoon onder de Corinthiërs niemand mocht gevonden worden, die wijsheid genoeg had om te oordeelen, dat men hen nochtans moest kiezen zoodanig zij waren. Ambrosius raakt hemel noch aarde (gelijk men zegt) in de verklaring dezer woorden. Ik meen den zin des apostels getrouw uitgedrukt te hebben, dat hij de minsten en verachtsten onder de geloovigen boven de ongeloovigen gesteld heeft in het oordeelen. Sommigen smeden hier een gansch tegenovergestelden zin uit. Want voor het woord, dat wij overgezet hebben stelt, zetten zij gij stelt, en onder de verachtelijken in de gemeente verstaan zij onheilige menschen. Maar dit is meer scherpzinnig, dan vast en grondig: want het zou eene koude wijze van spreken zijn, de ongeloovigen zoo te noemen. Bovendien de woorden: indien gij te richten hebt, zouden niet dienen tot een berisping, want hij moest eer gezegd hebben, terwijl gij te richten hebt: want het woordje indien verkleint de zaak. Daarom omhels ik die uitlegging liever, dat hier een geneesmiddel gegeven wordt. Voorts blijkt uit een plaats van Augustinus, dat de ouden deze uitspraak verkeerd verstaan hebben. Want in het boek ,»De opere Monachorumquot;, waarin hij zijn bezigheden verhaalt, zegt hij dat deze bezigheid uit vele hem de moeielijkste is, dat hij gedwongen wordt een deel van den dag in wereldlijke zaken te verslijten; en dat hij het nochtans geduldig draagt, omdat de apostel hem zulk een nood oplegt. Uit deze plaats, en uit eenen zendbrief is het openbaar, dat de bisschoppen zekere uren des daags plegen te zitten, om twistgedingen te beslechten: alsof de apostel hier van dezulken sprak. En gelijk de zaken altijd tot erger vervallen, zoo is later uit deze dwaling de jurisdictie of rechtsspraak gekomen, welke de kerkedienaars der bisschoppen in geldzaken aannemen. In die oude gewoonte zijn twee dingen berispenswaardig, te weten, dat de bisschoppen in dingen, die vreemd van hun ambt waren, zich wikkelden, en dat zij God onrecht deden, als zij voorwendden dat zij door zijn autoriteit en bevel van de rechte roeping afwijken: maar dit kwaad was mogelijk eenigszins te dulden; doch die onheilige wijze, die in het pausdom de overhand genomen heeft, te verontschuldigen en te beschermen, ware zeer groote ongeschiktheid.
5 Ik zeg het u tot schaamte. De zin is: Indien andere redenen u niet bewegen, zoo merkt althans op wat groote oneer het u is, dat onder u zelfs niet een is, die een zaak tusschen broeders vriendelijk zoude kunnen beslechten, welke eer gij den ongeloovigen toeschrijft. Deze plaats strijdt niet tegen de betuiging, die wij boven gehad hebben, waar hij zeide; dat hij hunne gebreken niet tot verwijting verhaalde: want met dusdanige verwijting herroept hij ze meer van oneer, en bewijst dat hij hun eer zoekt te bevorderen. Hij wil dus niet, dat zij zoo kwaad gevoelen hebben van hun vergadering, dat zij, wat zij den ongeloovigen toestaan, dat aan al hunne broederen ontnemen.
7 Zoo is daar nu ganschelijk gebrek. Dit is het ander stuk,
99
1 CORINTHE 6 : 7.
hetwelk een algemeene leer vervat. Want hij berispt hen nu niet, dat zij het Evangelie tot spot en schande maken, maar dat zij tegen elkander rechten, dat is, zegt hij, ondeugd. Nochtans moet men aan-o merken de eigenschap van het woord, hetwelk hij gebruikt, want
' ' het Grieksche woord, waarvoor wij gesteld hebben gebrek, beduidt zwakheid des gemoeds, als het lichtelijk door ongelijk gebroken wordt, en niets kan verdragen. Daarna wordt het van allerlei gebreken gezegd, overmits alle uit zwakheid en gebrek aan sterkheid ontstaan. Zoo veroordeelt dan Paulus dit in de Corinthiërs, dat zij met richten en pleiten elkander het leven moeielijk maken. De oorzaak stelt hij daarbij, omdat zij geen onrecht kunnen dragen. En Matt. 5:44. voorwaar als de Heere ons gebiedt, dat wij ons niet door het kwaad zullen laten overwinnen, maar eer door weldaden het ongelijk overwinnen, zoo is het zeker, dat zij door hun ongeduldigheid zondigen, die niet zichzelven kunnen bedwingen, dat zij het ongelijk verdragen. 't- En indien dat rechten en pleiten onder de geloovigen, een teeken
dezer ongeduldigheid is, zoo volgt daaruit dat zij zonde is. Maar aldus schijnt hij ganschelijk alle bijzondere oordeelen weg te nemen: zij l zondigen alleszins, die tegen elkander richten. Dus zal het niemand
I'' geoorloofd wezen, zijn recht door de overheid te beschermen. Sommigen
v â wederleggen deze tegenwerping aldus: de apostel zegt, dat daar gan
schelijk gebrek is, daar gerechtszaken zijn, omdat de eene partij noodwendig onrecht moet hebben. Doch hiermede kunnen zij niet ontvlieden, daarom dat hij niet alleen zegt dat zij zondigen, als zij een ander onrecht doen, maar ook als zij het niet lijdzaam dragen, dat men hun onrecht doet. Maar ik antwoord eenvoudig aldus: Dewijl hij hen boven toegelaten heeft scheidslieden te verkiezen, zoo heeft hij daarmede genoeg te kennen gegeven, dat het den Christenen niet ongeoorloofd is hun recht te eischen met gematigdheid, en zonder de liefde te kwetsen. Hieruit kan men lichtelijk verstaan, dat hij door te rekenen met de omstandigheden, zoo streng geweest is. En voorwaar, waar men veel recht en pleit, of daar de partijen tegen elkander hardnekkig om het uiterste recht pleiten, daar blijkt het overtuigend, dat de harten onmatig van booze begeerlijkheden branden, dat zij niet naar Christus' gebod tot gerechtigheid en lijdzaamheid bekwaam zijn. Ik zal het duidelijker zeggen. Dit is de oorzaak waarom Paulus de rechtszaken bestraft, te weten: omdat wij het onrecht goedsmoeds behooren te verdragen. Nu moet men zien of zonder ongeduldigheid iemand kan pleiten, want alzoo zal het pleiten niet altijd kwaad wezen, maar gemeenlijk. Dewijl de zeden der menschen zoozeer verdorven zijn, zoo beken ik, dat de ongeduldigheid of het gebrek der verdraagzaamheid (gelijk zij spreken) een bijna onafscheidelijk toeval van alle twistzaken is. Maar desniettemin mag men toch de zaak zelve van het gebrek of toeval onderscheiden. Zoo zullen wij dan gedenken, dat Paulus de rechtszaken niet daarom misprijst, dat het op zichzelf kwaad is, een goede zaak door de hulp der overheid te beschermen: maar omdat meest altijd booze hartstochten daaraan kleven, v;'' als onmatigheid, wraakgierigheid, vijandschap, hardnekkigheid en
:.'.i diergelijke. Het is wonder, dat de kerkelijke schrijvers dit vraag-
V stuk niet naarstiger onderzocht hebben. Augustinus heeft meer
naarstigheid daarin gedaan dan de anderen, en heeft ook het wit of oogmerk het dichtst genaderd. Maar hoewel hij de waarheid leert, lt;t zoo is hij toch ook wat duister. Zij die duidelijker willen leeren,
100
V, *
:gt; ' .â¢'tv'.
V
'v l
1 CORINTHE 6:7, 8.
vermanen, dat men onderscheid moet maken tusschen openbare en bijzondere wrake: want dewijl de wrake der overheid door God verordend is, gebruiken zij, die van haar hulp begeeren, niet lichtvaardig de wrake, maar nemen hunne toevlucht tot God, die de wreker is. Dit is wel wijs en gepast gezegd, maar men moet verder voortgaan: want indien men zelfs van God geene wrake mag begeeren, zoo mag men ook tot de wrake der overheid de toevlucht niet nemen. Zoo beken ik dan, dat alle wrake een Christenmensch verboden is, zoodat hij ze noch door zichzelven, noch de overheid mag oefenen, zelfs niet begeeren. Daarom indien een Christenmensch zijn récht wil vervolgen zonder God te vertoornen, zoo moet hij voornamelijk toezien, dat hij geen wraakgierigheid, noch booze beweging des gemoeds, noch toornigheid, noch eenig ander venijn in de gerechtszaal medebrenge. Hierin zal de liefde de beste re-geerster wezen. Indien iemand hiertegen zegt, dat het zeer zelden geschiedt, dat iemand vrij van alle booze genegenheid, met iemand in geding zou zijn. Ik beken dat, en zeg tevens dat men niet veel voorbeelden vindt van goede procesvoerders: maar dat het om vele oorzaken nut is bewezen te worden, dat de zaak op zich-zelve niet boos is, maar dat zij door het misbruik besmet wordt. Ten eerste, opdat God niet schijne tevergeefs de vierschaar ingesteld te hebben: ten andere, opdat de godzaligen weten hoeveel hun geoorloofd is, opdat zij niets met eene booze conscientie aangaan. Want hierdoor komt het, dat velen tot openlijke verachting Gods uitbreken, wanneer zij eenmaal begonnen zijn die palen te buiten te gaan: ten derde, opdat zij vermaand worden, dat men altijd mate moet houden, opdat zij de remedie, die de Heere hun heeft toegelaten, niet door hun eigen gebreken besmetten: ten laatste, opdat der ongeschikten stoutigheid bedwongen worde door zuiveren en oprechten ijver, hetwelk niet zou kunnen geschieden, indien het ons niet vrijstond, dat wij hen aan straf der wetten onderwierpen.
8 Maar gij doet onrecht en schade. Hieruit is het openbaar,
waarom hij met zooveel bitterheid tegen hen uitgevaren is, te weten,
omdat daar zulke ongeschikte hebzucht regeerde onder hen, dat zij zich zelfs niet onthielden van onrecht te doen. Weinig tevoren heeft hij om de grootheid van het kwaad uit te drukken, gezegd dat het geen Christenen waren, die geen onrecht kunnen verdragen. Zoo is het dan een amplificatie of uitbreiding genomen uit een vergelijking, want indien het kwaad is geen onrecht te verdragen, dan is het veel erger onrecht te doen. En dat den broederen. Dit is een andere verzwaring des kwaads, want indien zij dubbel zonde doen, die de vreemden bedriegen, zoo is het gelijk een onnatuurlijk ding, dat de eene broeder door den ander bedrogen of beroofd wordt. Nu, wij zijn allen broeders, die e'énen Vader in den hemel aanroepen. Nochtans verkleint Paulus de zonde niet, zoo iemand ontrouw met de vreemden handelt: maar leert dat de Co-rinthiërs ganschelijk verblind zijn, bij welke de heilige broederschap van geen gewicht is.
9 Weet gij niet, dat de onreohtvaardigen het koninkrijk Gods
niet zullen beërven? Dwaalt niet, noch hoereerders, noch af- Gal. 5:19. godendienaars, noch overspelers, noch wellustigen, noch die met mannen ontucht plegen.
101
1 CORINTHE 6:9, 10.
10 Noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, noch kwaadsprekers, noch roovers zullen het koninkrijk Gods beërven. cm 3 7' ^ En dit zijt gij geweest, maar gij zijt afgewasschen, maar gij
Tit! 3:3. zijt gerechtvaardigd in den naam van onzen Heere Jezus, en
in den Geest onzes Gods.
9 Weet gjj niet. Men moet dit verstaan van de onrechtvaardigheid, die tegen de bijzondere rechtvaardigheid wordt overgesteld. Zoo dan, de onrechtvaardigen, dat is, die den broederen onrecht doen, die anderen verkorten of bedriegen, kortom, die met eens anders schade hun eigen voordeel zoeken, die zullen het rijk Gods niet bezitten. Dat hier onrechtvaardigen, gelijk ook overspelers, en dieven, en gierigaards, en kwaadsprekers genoemd worden, die van hunne zonden zich niet bekeeren maar hardnekkig daarin volharden, dat is te bekend dan dat men het behoort te zeggen. En de apostel zelf heeft dit later met zijne eigene woorden uitgedrukt, als hij zegt, dat de Corinthiërs voorheen zoodanigen zijn geweest. Zoo verkrijgen dan de onrechtvaardigen het rijk Gods, doch alzoo, indien zij eerst door waarachtige betering tot God bekeerd zijn, en alzoo afgelaten hebben onrechtvaardig te zijn. Want hoewel de bekeering de oorzaak der vergeving niet is, zoo weten wij nochtans, dat niemand met God verzoend wordt, dan die zich bekeert. Voorts, dat hij dit vragenderwijze zegt, dat geeft meerder kracht: want hij beduidt daarmede dat hij niets anders zegt, dan wat zij zeiven wel weten, en dat onder alle godzaligen overal bekend is. Dwaalt niet. Uit ée'n ondeugd aanleiding genomen hebbende, spreekt hij over meer andere: ik meen dat hij bij voorkeur die ondeugden aange-teekend heeft, waarmede de Corinthiërs bevangen waren. Hij gebruikt drie woorden om de onkuischheid door te halen, van welke alle historiën betuigen, dat zij daar geheerscht, ja op de meest on-gebondene wijze geraasd en gewoed hebben. Want het was een stad (gelijk wij ergens gezegd hebben) overvloedig in rijkdom: het was een vermaarde koopstad, waar kooplieden uit vele natiën kwamen. De rijkdom volgt de weelde, welke de moeder van alle onkuischheid en dartelheid is: bovendien werd dat volk, hetwelk vanzelf tot onkuischheid zeer genegen was, door vele andere verdorvenheden geprikkeld. Wat onderscheid er is tusschen hoereerders en overspelers is genoeg bekend. Bij het woord wellustigen, denk ik aan hen, die hoewel zij zich niet gemeenlijk tot onkuischheid overgeven, nochtans door verlokkende woorden, door onschamel gebaar en kleeding, en door andere wellusten,, hun onkuischheid openbaren. Het vierde is het zwaarste van alle, te weten, die schandelijke onnatuurlijke onkuischheid, die in Griekenland maar al te gewoon was. De ongerechtigheid en verongelijking noemt hij met drie woorden. Dieven, noemt hij hen, die de broeders door eenig bedrog of door heimelijke listen bedriegen. Roovers, noemt hij hen, die gewelddadig hunne handen aan eens anders goed slaan, of als gieren, van alle zijden tot zich trekken en verslinden: en om de rede wijder uit te strekken, zoo voegt hij er daarna ook alle gierigaards bij. Bij dronkaards zal men ook denken aan hen, die in spijze overdadig zijn. Kwaadsprekers noemt hij afzonderlijk, omdat het waarschijnlijk is, dat die stad vol praatachtigheid en achterklappingen was. Kortom, hij meldt voornamelijk die ondeugden.
102
.
1 CORINTHE 6 : 10, 11.
waaraan hij zag, dat de stad onderhevig was. En opdat deze vermaning en dreiging meer gewicht hebben mocht, zoo zegt hij, dwaalt niet: met welk woord hij hen vermaant, om zich niet met ijdele hoop te vleien, gelijk de menschen de zonde verkleinende, zich aan verachting Gods plegen te gewennen. Daarom is er geen schadelijker venijn, dan de wellusten, die ons in zonden versterken. Zoo dan, de woorden der onheilige menschen, waarmede zij het oordeel Gods en de berispingen der zonden in scherts verkeeren, zullen wij niet als sirenengezang, maar als venijnige beten des duivels vlieden. Ten laatste moet men hier de eigenschap van het woord beërven, aanmerken, hetwelk aantoont, dat het rijk der hemelen de erfenis der kinderen is, en dat het ons door de weldaad der aanneming toekomt.
n En dit zrjt gij geweest. Sommigen stellen, dit zijt gij sommigen geweest, om het Grieksche woordje dat daarbij staat, en TIV somtijds sommigen beduidt. Maar mij komt het beter voor, dat de apostel in 't gemeen spreekt, en dat dit woordje, hetwelk wij weggelaten hebben, tevergeefs staat naar de gewoonte der Grieken, die het dikwerf gebruiken tot versiering, en niet om te beperken. Nochtans moet men niet verstaan, dat zij allen zoo in eenen bundel ingesloten worden, alsof hij al de ondeugden op een iegelijk van hen legde, maar wil alleen te kennen geven, dat niemand daarvan vrij is, totdat hij door den Geest wedergeboren is. Want men moet het zoo begrijpen, dat in de gansche natuur des menschen het zaad van alle boosheid ligt, en dat in den een deze, en in den ander die ondeugden heerschen en gezien worden, gelijk de Heere de verdraaidheid des vleesches uit de vruchten toont. Alzoo telt Paulus Rom. 1, menigerlei ondeugden en booze stukken op, die uit de onwetendheid Gods vloeien, en uit die ondankbaarheid, waarvan hij alle ongeloovigen beschuldigd had; niet dat elk ongeloovig mensch met al die gebreken besmet is, maar omdat zij allen daarvoor bloot staan, en er niemand van alle vrij is. Want die geen overspeler is, die misgaat zich in een andere zonde. Alzoo past hij in het derde hoofdstuk op alle Adamskinderen deze getuigenissen toe, dat hunne keel een open graf is, dat hunne voeten snel zijn om bloed te vergieten, dat hun tong dartel of venijnig is; niet dat zij allen bloeddorstig en wreed, of allen meineedig of kwaadsprekend zijn, maar omdat, eer wij door God vernieuwd zijn, de een tot wreedheid, de ander tot meineedigheid, een derde tot onkuischheid, een vierde tot bedrog genegen is, zoodat er niemand is, in welken niet eenig bewijs der algemeene verdorvenheid gezien wordt, en dat wij allen tot één toe, met inwendige en verborgen genegenheid des gemoeds, aan al deze gebreken onderworpen zijn: uitgenomen zoover hen de Heere inwendig bedwingt, dat zij niet openlijk uitbreken. Zoo is dan de eenvoudige zin, dat vóór de genade der wedergeboorte, sommigen uit de Corinthiërs gierig waren, sommigen overspelers, sommigen roovers, sommigen ontuchtigen, sommigen kwaadsprekers: maar dat zij nu door Christus verlost zijnde, afgelaten hebben zoodanigen te zijn. En het doel des apostels is, dat hij hen door de vermelding van den voorleden staat wil vernederen, en daarna opwekken, om de genade Gods jegens hen te bekennen. Want hoe grooter de ellendigheid erkend wordt, waaruit wij door de weldadigheid Gods verlost en ontkomen zijn, des te meer schittert de grootheid zijner genade. De aanprijzing nu
103
104 1 CORINTHE 6 : 11.
der genade, is de bron der vermaning: want wij behooren naarstig toe te zien, dat wij de weldaad Gods niet ijdel maken, welke zoo hoog te achten is, even alsof hij zeide, het is genoeg dat God u uit dat slijk heeft uitgetrokken, waarin gij voorheen verzonken waart: i i'ot. 4:3. gelijk ook Petrus spreekt: Het is genoeg, dat wij in den voorleden tijd, der heidenen begeerlijkheden volbracht hebben. Maar gy zijt afgewasschen. Hij gebruikt drie woorden om eenzelfde zaak uit te drukken, opdat hij hen te meer afschrikke, om niet wederom tot datzelve te vervallen, waaruit zij gescheiden zijn. Daarom hoewel deze drie dingen op een en hetzelfde zien, zoo schuilt nochtans in die verscheidenheid groote kracht: want men moet daaronder verstaan de tegenstellingen der afvvassching en onreinigheid, der heiligmaking en besmetting, der rechtvaardigmaking en verdoemenis: te weten, opdat degenen, die eenmaal gerechtvaardigd zijn, geene nieuwe schuld over zich halen, dat de geheiligden zich niet weder ontheiligen, dat de afgewasschenen zich niet met nieuwe besmettingen ontreinigen: maar liever naar reinheid staan, in de waarachtige heiligheid blijven, en van de voorgaande onreinigheid gruwen. Hieruit verstaan wij, tot wat einde God ons door de gunstrijke vergeving der zonden met Zich verzoent. Wat ik gezegd heb, dat eenzelfde zaak met drie woorden uitgedrukt wordt, dat meen ik niet zoo, alsof zij geen onderscheiden beduiding hadden: want om eigenlijk te spreken, rechtvaardigt God ons, als Hij door ons de zonden te vergeven, ons van schuld en verdoemenis bevrijdt: Hij reinigt ons, als Hij de gedachtenis der zonden wegneemt. Alzoo verschillen deze twee niets, uitgenomen dat het een eenvoudig en eigenlijk, en het ander overdrachtig is: want in het woord afwasschen, is een leenspreuk, omdat het bloed q Christus is als water. En God heiligt ons, als Hij onze verdorvene natuur vernieuwd door zijnen Geest: alzoo dient de heiligmaking tot de wedergeboorte. Maar Paulus heeft te dezer plaats niets anders voor, dan door vele lofwoorden de genade Gods te verheffen, die ons van de dienstbaarheid der zonde verlost heeft: opdat wij daaruit leeren, hoezeer wij een afgrijzen moeten hebben van alle dingen, die den toorn en de straf Gods over ons verwekken. In den naam van Jezus. Hij onderscheidt recht en goed tusschen de ambten: want het bloed van Christus is de materie onzer reinigheid: uit zijn dood en wederopstanding komt ons de rechtvaardigheid en heiligmaking toe. Maar dewijl de reiniging, die door Christus geschied is, en de verkrijging der rechtvaardigheid niets nut is, dan voor hen, die door de kracht des Heiligen Geestes deze goederen deelachtig zijn geworden: zoo heeft hij terecht den Geest met Christus saamgevoegd. Zoo is dan Christus ons de fontein alles goeds, van Hem hebben wij alles: maar Christus zelf met al zijne goederen wordt ons door den Geest medegedeeld. Want door het geloof ontvangen wij Christus, en worden zijne onverdiende weldaden ons toegepast. De auteur nu des geloofs is de Heilige Geest.
12 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet voordeelig; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder de macht van geen ding gebracht worden.
13 De spijzen zijn voor den buik, en de buik voor de spijzen, maar God zal deze en dien verderven; maar het lichaam is
T
1 Oor. 10 : 23. Sir. 39; 31.
1 CORINTKE 6:12.
niet voor de hoererij, maar voor den Heere, en de Heere voor het lichaam.
14 Nu, God heeft den Heere opgewekt, en zal ons ook opwekken Rom. g door zijn kracht. o cor. i:
15 Weet gij niet, dat uwe lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan Christus' leden nemen, en leden maken eener hoer?
Dat zij verre.
16 Of weet gij niet, dat die eene hoer aanhangt, één lichaam met
haar is? Want zij, zegt Hij, zullen twee in één vleesch zijn. Gen. 2:2
17 Maar die den Heere aanhangt, die is één geest met Hem. Mark. 10
18 Vliedt de hoererij: alle zonde, die de mensch doet, is buiten Ef- 5:31-het lichaam, maar die hoererij doet, die zondigt in zijn eigen lichaam.
19 Of weet gij niet, dat uw lichaam is de tempel des Heiligen i Cor. 3 Geestes, die in u is, welken gij van God hebt, en dat gij HebrlV-uws zelfs niet zijt? 1 Pet- 2:
20 Want gij zijt met prijs gekocht; verheerlijkt nu God in uw lichaam, en in uwen Geest, die Godes zijn.
12 Alle dingen zijn mij geoorloofd. De uitleggers arbeiden zeer om deze verzen met de vorige te verbinden, omdat zij wijd van des apostels voornemen schijnen te zijn. Ik wil de verscheidenheid der uitlegging laten varen, en zeggen wat naar mijn oordeel het meest gevoegelijk is. Het is waarschijnlijk, dat de Corinthiërs nog veel uit de oude ongebonden vrijheid behouden hadden, en dat zij nog naar de zeden hunner stad een reuk hadden. En waar de ondeugden straffeloos heerschen, daar wordt de gewoonte voor wet gehouden : bovendien worden ijdele voorwendsels gezocht tot verontschuldiging, gelijk deze was, dat zij hun toevlucht namen tot de schaduwr der Christelijke vrijheid, om zich bijna alle dingen geoorloofd te maken. Zij waren ongebonden in al te groote overdadigheid;
hierbij was ook veel hoovaardigheid, gelijk het gewoonlijk gaat. En dewijl het een uitwendige zaak was, zoo meenden zij niet te zondigen. Ja het blijkt ook uit de woorden van Paulus, dat zij de vrijheid zoozeer misbruikt hebben, dat zij ze ook tot de hoererij uitstrekten. Daarom als hij nu over de ondeugden gesproken heeft, zoo wraakt hij bij zeer goede gelegenheid die verdraaide verontschul-dingen, waarmede zij zich in hunne ondeugden vleiden. Het is zeker, dat hier over uitwendige dingen gehandeld wordt, welke God aan het oordeel der geloovigen heeft overgelaten. Als hij zegt, alle dingen, zoo hekelt hij daarmede van ter zijde de onmatige dartelheid, of hij verheft de onmetelijke mildheid Gods, welke ons een zeer goede meesteres is tot matigheid en onthouding. Want het is een teeken van te groote onmatigheid, dat men zich niet van zelfs bedwingt, en mate houdt in zoo menigerlei overvloed. En in de eerste plaats matigt hij de vrijheid door twee uitzonderingen, daarna vermaant hij, dat zij geenszins tot hoererij strekt. De woorden: alle dingen zijn mij geoorloofd, moeten in den persoon der Corinthiërs verstaan worden, en Paulus brengt ze hier voort als een vóórkoming, alsof hij zeide: ik hoor wel, wat gij doorgaans pleegt tegen te werpen, als gij de berisping in uitwendige ondeugden wilt ontvlieden, te weten, gij verzint dat alles u geoorloofd is, zonder eenige
105
â
106 1 CORINTHE 6: 12, 13.
onderscheiding of matiging. Maar alle ding is niet voordeelig. Dit is de eerste uitzondering, waarmede hij het gebruik der vrijheid matigt, dat zij niet tot ongebonden dartelheid komen, want men moet acht hebben op de stichting. De zin is: Het is niet genoeg, dat ons dit of dat toegelaten is zonder onderscheid te gebruiken: want men moet zien wat den broederen voordeelig is, welker nut wij behooren te dienen. Want gelijk hij hierna breeder zal behandelen, en Rom. 14:17 reeds gezien is, is ieder onder deze voorwaarde inwendig bij zichzelven vrij voor God, dat hij het gebruik zijner vrijheid tot onderling nut moet beperken. Ik zal onder de macht van geen ding gebracht worden. Dit is de tweede matiging, dat wij alzoo tot heeren over alle dingen gesteld zijn, dat wij ons niet aan eenig ding moeten overgeven tot dienstbaarheid, hetwelk zij doen, die hunne begeerlijkheden niet kunnen beheerschen. Want hoewel het Grieksche woord, waarvoor wij gesteld hebben, geen ding, ook kan overgezet worden niemand, opdat men het van de personen verstonde, zoo betrek ik het nochtans liever tot de dingen, zoodat de zin zij: wij zijn heeren aller dingen, alleen â ' dat wij deze heerschappij niet misbruiken, om in zeer ellendige
dienstbaarheid te dienen, overgegeven door onmatigheid en onge-'' regelde begeerlijkheden aan uitwendige dingen, welke ons behoor
den onderdanig te zijn. En voorwaar de al te groote eigenzinnigheid dier menschen, die om der broederen wil niet willen wijken, : lt; maakt dat zij zich ten onrechte in de strikken der noodwendigheid
verwarren.
13 De spijzen zijn voor den buik, en de buik voor de spijzen.
j»' Hier vermaant hij, hoe men de uitwendige dingen behoort te ge
bruiken, te weten, tot noodwendigheid des tegenwoordigen levens, hetwelk als een schaduw haastig voorbijgaat, gelijk hij in het vol-gende hoofdstuk vs. 29 zal zeggen, dat men deze wereld moet gebruiken, alsof men ze niet gebruikte. Hieruit leeren wij ook, hoe 1 een Christenmensch niet moet twisten om uitwendige dingen. Daarom
als er van dingen, die der verderving onderworpen zijn, sprake is, ;[ zoo zal een godzalig gemoed niet te angstig zich daarover bekom
meren. Want de vrijheid is een ander ding dan het gebruik der vrijheid. Met deze uitspraak komt ook een andere overeen, te weten, Bom. h : 17. dat het rijk Gods niet is spijs en drank. Maar het lichaam niet voor de hoererij. Nadat hij die uitzonderingen gesteld heeft, zoo ' voegt hij er ook bij, dat onze vrijheid niet moet uitgebreid worden
tot hoererij. Want het was te dien tijde een zoo algemeen kwaad, dat het eenigszins scheen geoorloofd te zijn: hetwelk men ook uit Haud. 15:10. het besluit der apostelen kan merken, daar zij den heidenen de hoererij verbieden onder de middelmatige dingen, want dit is zonder twijfel geschied, omdat zij het bijna een geoorloofde zaak achtten. Zoo zegt dan de apostel: Het is een ander ding met de hoererij dan met de spijze: want God heeft het lichaam niet verordend tot hoererij, gelijk hij den buik verordend heeft tot de spijze. En dit bevestigt hij door tegenstrijdende dingen, te weten, j'-quot; omdat het lichaam aan Christus geheiligd is: en het is onmogelijk,
Christus met de hoererij te vereenigen. Wat hij daarbij zegt, en de Heere voor het lichaam, is niet zonder gewicht en kracht; want dewijl God de Vader den Zoon ons toegeschikt heeft, hoe 1 groot eene boosheid is het, ons lichaam van die heilige ver-
â
v
1 CORINTHE 6: 13â16.
eeniging af te trekken, en tot dingen te wenden, die Christus onwaardig zijn.
14 Nu, God heeft ook den Heere opgewekt. Uit den toestand van Christus bewijst hij, hoe kwalijk de hoererij een Christenmensch betaamt. Want dewijl Christus in de hemelsche heerlijkheid weder opgenomen is, wat heeft Hij met de onreinigheden dezer wereld gemeen ? Hoewel in deze woorden twee dingen vervat zijn, te weten,
dat het onbehoorlijk en ongeoorloofd is, dat ons lichaam hetwelk aan Christus geheiligd is, door hoererij zoude ontheiligd worden:
dewijl Christus zelf van de dooden opgewekt is, om de hemelsche heerlijkheid te bezitten. Vervolgens dat het schandelijk is, dat ons lichaam aan aardsche besmettingen overgegeven wordt, dewijl het met Christus der heilige onsterfelijkheid en der hemelsche heerlijkheid deelachtig zal wezen. Zulk een uitspraak is ook. Col. 3:1,
indien wij met Christus opgewekt zijn, uitgenomen dat hij hier spreekt van de laatste opstanding alleen, maar in die andere plaats ook van de eerste, dat is van de genade des Heiligen Geestes, waardoor wij tot een nieuw leven vernieuwd worden. Dewijl nu de wederopstanding een zaak is, voor het menschelijk gevoel bijna ongeloofelijk, zoo roept ons de Schrift, wanneer zij daarvan meldt,
tot de mogendheid Gods terug, om daarmede ons geloof in dat artikel te bevestigen.
15 Weet gij niet, dat uwe lichamen leden van Christus zijn.
Dit is een verklaring der voorgaande uitspraak, of (zoo gij liever wilt) een expolitie, dat is eene versiering. Want dit had door de kortheid wat duister kunnen zijn: Het lichaam voor den Heere. Daarom alsof hij dat verklaarde, zegt hij nu, dat Christus ons, en wij Hem zóó toegevoegd rijn, dat wij e'én lichaam met Hem worden. Daarom indien ik mij vermeng met een hoer, zoo verscheur ik Christus'
leden zooveel in mij is: want het is niet mogelijk, dat ik Hem tot de gemeenschap van zulk eene groote onreinigheid zou kunnen trekken. En dewijl dit te verfoeien is, zoo gebruikt hij een woord, hetwelk hem in ongerijmde dingen gewoonlijk is: te weten, dat zij verre. Merk op, dat de geestelijke eenheid, die wij met Christus hebben, niet alleen de ziel aangaat, maar ook het lichaam: zoodat
wij vleesch zijn van zijn vleesch, enz., anders ware de hoop der Ef. 5:20. wederopstanding zwak, zoo onze vereeniging niet zoodanig, dat is, volkomen, zeker en hecht ware.
16 Of weet gij niet, dat die eene hoer aanhangt. Nu drukt hij nog beter uit, wat groot onrecht hij Christus doet, die zich met een hoer vermengt: want wordt hij ée'n lichaam met haar, dan scheurt hij een lid van Christus' lichaam af. In welken zin hij het getuigenis, dat hij uit Gen. 2 : 24 hierbij stelt, tot zijn doel aanwendt, is onzeker. Want indien hij het bijbrengt, om te bewijzen dat twee die met elkander hoereeren, e'e'n lichaam worden: zoo draait hij ze van zijnen oorspronkelijken in eenen vreemden zin om. Want Mozes spreekt daar niet van de schandelijke en verboden bijwoning van een man en vrouw, maar van de huwelijksgemeenschap, welke God zegent, want hij leert, dat deze band zoo vast en onoplosbaar is, dat hij de bloedverwantschap die tusschen vader en zoon is, te boven gaat: hetwelk voorwaar niet van de hoererij kan gelden. Deze reden noopt mij soms tot de meening, dat dit getuigenis niet bijgebracht is tot bevestiging van de naaste uitspraak, maar van de andere, die meer
107
1 CORINTHE 6; 16â18.
verwijderd is, aldus: Mozes zegt, dat man en vrouw in ée'n lichaam vereenigen: maar wie den Heere aanhangt, die wordt niet alleen e'én vleesch, maar ook e'én geest met Hem. En zoo zoude dit geheel dienen, om de kracht en waardigheid van het geestelijk huwelijk tusschen Christus en ons te verheffen. Maar zoo iemand deze uitlegging niet zoo zeer behaagt, omdat zij te gedwongen is, zoo zal ik een andere voortbrengen: want dewijl de hoererij een verderving der goddelijke instelling is, zoo heeft zij eenige overeenkomst daarmede, en wat van het huwelijk gezegd wordt, kan eenigszins op de hoererij toegepast worden, niet opdat zij met des huwelijks lof versierd worde, maar om de zwarigheid dezer ondeugd te beter uit te drukken. Zoo dan, dit komt waarachtig en eigenlijk den getrouwden lieden alleen toe, dat zij twee tot één vleesch zijn: maar het wordt ook van de hoereerders gezegd, die tot een besmette en onreine eenheid vereenigen, zoodat de besmetting van den een tot den ander komt. Want er steekt geen ongerijmdheid in, zoo de hoererij iets gemeen heeft met het heilig huwelijk, als de verderving ervan, gelijk ik gezegd heb: maar de hoererij is in vervloeking, en het huwelijk is in zegening: gelijk tegenstrijdige dingen in een tegenstelling overeenkomen. Hoewel ik het liever vooreerst van het huwelijk zou willen verstaan, en daarna oneigenlijk van de hoererij, op deze wijze: Daarom verkondigt God, dat man en vrouw één vleesch zijn, opdat een van hen zich niet met ander vreemd vleesch zoude vermengen: zoodat de overspeler en overspeelster ook één vleesch worden, en zich met een vervloekten band vereenigen. En gewis dit is eenvoudiger, en komt beter met het verband overeen.
17 Maar die den Heere aanhangt. Dit heeft hij er bijgevoegd, om te leeren, dat er een nauwer vereeniging van Christus met ons is, dan van den man met de vrouw: en dat men daarom gene verre boven deze moet stellen, opdat wij ze met de uiterste kuischheid en trouw eeren. Want indien degene, die met zijne vrouw vereenigd is, zich niet met een hoer moet vermengen, zoo is dit veel groo-ter kwaad in de geloovigen, die niet alleen één vleesch zijn met Christus, maar ook één geest: alzoo is het een vergelijking van het meerdere en het mindere.
18 Vliedt de hoererij: alle zonde. Nadat hij de eerbaarheid heeft voorgesteld, leert hij nu, hoezeer wij van hoererij moeten gruwen, de groote schandelijkheid dezes kwaads voor oogen stel-
jes. 2:15. lende. En deze vergroot hij door vergelijking, dat deze eene zonde onder alle andere het lichaam oneer aandoet. Doch vermits het lichaam ook door diefstal, doodslag en dronkenschap ontreinigd Kom. 6;i9. wordt, blijkens deze getuigenissen: uwe handen zijn met bloed besmet, gij hebt uwe leden gegeven der zonde tot wapenen der ongerechtigheid, en dergelijke, zoo verklaren sommigen om deze ongerijmdheid te ontkomen, het eigen lichaam: »wij met Christus vereenigd.quot; Maar dit schijnt mij meer scherpzinnigheid dan bondig te zijn. Bovendien ontkomen zij ook zelfs zoo niet, want wat men van de hoererij zegt, zou men ook van de afgoderij kunnen zeggen. Want wie zich voor een afgod buigt of nederwerpt, die zondigt tegen de vereeniging van Christus. Daarom leg ik het aldus uit, dat hier niet geheel ontkend wordt, dat ons lichaam ook door andere ondeugden onteerd, en tot schande wordt, maar dat alleen dit gezegd wordt, dat de schandelijkheid daaruit niet zoo in ons lichaam
108
1 CORINTHE 6 : 18â20.
zitten blijft, als uit de hoererij. Mijn hand wordt wel door diefstal of doodslag besmet, en mijn tong met kwaadspreken of meineedig-heid, mijn gansche lichaam met dronkenschap: maar de hoererij laat een smet in het lichaam ingedrukt over, zooals door andere zonden niet ingedrukt wordt. Volgens deze vergelijking, dat is volgens de vergelijking van het meerdere en mindere, worden de andere zonden gezegd buiten het lichaam te zijn, doch niet omdat zij het lichaam in 't geheel niet aanroerden, zoo men elke zonde op zich-zelve waardeerde.
19 Of weet gij niet, dat uw lichaam. Hij gebruikt nog twee argumenten, om ons van deze onreinigheid af te schrikken, te weten,
dat onze lichamen tempelen zijn des Heiligen Geestes, en dat wij ons zelfs niet zijn, omdat de Heere Zich ons verkregen heeft tot een eigendom. In het woord tempel ligt nadruk, want dewijl de Heilige Geest niet op een onheilige plaats kan rusten, zoo geven wij Hem anders geen woonstede dan wanneer wij ons tot tempelen heiligen.
Dit is een groote eer, die God Zich verwaardigt ons te geven, dewijl Hij in ons wil wonen: daarom moeten wij zooveel te meer vreezen, dat Hij door onze heiligschendingen niet vertoornd worde en van ons afwijke. En gij uws zelfs niet zijt. Dit is het ander argument, te weten, dat wij in onze macht niet zijn, dat wij naar ons goeddunken zouden mogen doorleven. Dit bewijst hij daarmede,
dat de Heere den prijs onzer verlossing te betalen, ons Zich tot een eigendom heeft verkregen. Een gelijk argument is ook Rom. 14:9, Daartoe is Christus gestorven en weder opgestaan, opdat Hij over levenden en dooden heerschappij hebbe. Voorts het woord prijs, kan tvveëerlei wijze genomen worden, te weten, eenvoudig gelijk wij zeggen, als wij willen te kennen geven, dat men het niet voor niet gekregen heeft, het heeft prijs of geld gekost, of dat wij het nemen voor duur, gelijk wij plegen te spreken van dingen, die veel gekost hebben. Dit laatste behaagt mij voorwaar het best.
Alzoo zegt Petrus: Gij zijt verlost niet met goud of zilver, maar met iPetr.i:is. het dierbaar bloed des onbesmetten Lams. Alles komt in 't kort hierop neer, dat de verlossing ons verbonden houde, en de dartelheid onzes vleesches onder den toom der gehoorzaamheid bedwinge.
20 Verheerlijkt nu God in. Uit het besluit is het openbaar, dat de Corinthiërs losbandigheid van zeden aangenomen hadden in uitwendige dingen, en deze moest bedwongen en verijdeld worden. Zoo dan de betering en berisping is deze, dat hij vermaant dat zoowel het lichaam als de ziel Gode onderworpen is, en dat het daarom billijk is, dat zij beide zijne heerlijkheid dienen: alsof hij zeide: gelijk het betaamt, dat het gemoed van een getrouw mensch voor God rein is: alzoo moet ook de uitwendige belijdenis en wandel voor de menschen daarmede overeenkomen: want God heeft ze beide in zijn macht, die ze beide verlost heeft. Hierom heeft hij boven gezegd, dat niet alleen onze zielen, maar ook onze lichamen tempelen des Heiligen Geestes zijn, opdat wij niet denken, dat wij ons behoorlijk jegens Hem gedragen, tenzij dan als wij ons geheel en onbedongen aan Hem overgeven, dat Hij ook de uitwendige handelingen onzes levens door zijn Woord regeere.
109
1 CORINTHE 7:1.
HET ZEVENDE HOOFDSTUK.
1 Voorts, waarvan gij mij geschreven hebt, het is den man goed geene vrouw aan te roeren.
2 Doch om der hoererij wil zal elke man zijn eigen vrouw hebben, en elke vrouw haar eigen man.
Dewijl hij van de hoererij gesproken had, komt hij er nu gemakkelijk toe om van het huwelijk te spreken, hetwelk een remedie is om hoererij te vermijden. Het schijnt, dat de Co-rinthiërs, hoewel de verwoesting hunner gemeente zeer groot was, toch Paulus in eenige achting en eerbiedwaardigheid hielden, dewijl zij in twijfelachtige dingen zijn raad vroegen. Hoedanig hunne vragen geweest zijn, is onzeker, anders dan zooveel wij uit het antwoord kunnen gissen: maar dit is genoeg bekend, dat terstond van het eerste begin der gemeente aan, dit bijgeloof door satans list is opgekomen, dat een goed deel door dwaze verwondering en prijzing van den ongehuwden staat, het heilig huwelijk verachtten, en dat velen daarvan, als van een onheilig ding gruwden. Mogelijk waren de Corinthiërs ook met deze besmetting bevangen, of er waren ten minste onnutte ledige geesten, die door den ongehuwden staat onmatig te prijzen, de harten der godzaligen van het huwelijk zochten te vervreemden: hoewel de apostel, daar hij over vele andere dingen handelt, te kennen geeft, dat hij aangaande meer dingen gevraagd was. Het voornaamste is, dat wij zijn leer over elk stuk hooren.ewijl hij van de hoererij gesproken had, komt hij er nu gemakkelijk toe om van het huwelijk te spreken, hetwelk een remedie is om hoererij te vermijden. Het schijnt, dat de Co-rinthiërs, hoewel de verwoesting hunner gemeente zeer groot was, toch Paulus in eenige achting en eerbiedwaardigheid hielden, dewijl zij in twijfelachtige dingen zijn raad vroegen. Hoedanig hunne vragen geweest zijn, is onzeker, anders dan zooveel wij uit het antwoord kunnen gissen: maar dit is genoeg bekend, dat terstond van het eerste begin der gemeente aan, dit bijgeloof door satans list is opgekomen, dat een goed deel door dwaze verwondering en prijzing van den ongehuwden staat, het heilig huwelijk verachtten, en dat velen daarvan, als van een onheilig ding gruwden. Mogelijk waren de Corinthiërs ook met deze besmetting bevangen, of er waren ten minste onnutte ledige geesten, die door den ongehuwden staat onmatig te prijzen, de harten der godzaligen van het huwelijk zochten te vervreemden: hoewel de apostel, daar hij over vele andere dingen handelt, te kennen geeft, dat hij aangaande meer dingen gevraagd was. Het voornaamste is, dat wij zijn leer over elk stuk hooren.
i Het is den man goed. Het antwoord is in twee stukken vervat: in het eerste zegt hij, dat het zoude goed zijn, als allen zich van vrouwen onthielden, mits zij de macht hadden: ten andere stelt hij een verbetering, te weten, dewijl vele menschen door de zwakheid van hun vleesch, dit niet vermogen, zoo moeten zij het middel niet verachten, dat hun door den Heere verordend is. Voorts moet men merken, wat hij door het woord goed, verstaat, als hij zegt: dat het goed is zich van het huwelijk te onthouden: opdat wij niet bij tegenstelling redeneeren, dat dan de band des huwelijks kwaad is, hetwelk Hieronymus overkomen is, niet zoo zeer (naar mijn gevoelen) uit onwetendheid, als wel in den gloed van den strijd. Want hoewel die man met uitnemende deugden begaafd was, zoo was hij ook met het kennelijk gebrek behebt, dat hij, in het redetwisten door groote onmatigheid vervoerd, niet altijd onder het oog gehouden heeft wat waarheid was. Hij argumenteert dan aldus: Het is goed geen vrouw aan te roeren, dus is het kwaad haar aan te roeren. Maar Paulus neemt hier goed, niet in die beteekenis, dat het tegen kwaad of misdadig wordt overgesteld: maar hij toont alleen, wat bekwaam en nut is, om de moeite, verdriet, en zorg die den getrouwden lieden overkomen. Bovendien moet men altijd de matiging aanmerken, die hij hierbij stelt. Zoo kan men dan uit Paulus' woorden niet anders besluiten, dan dat het den mensch nut en voordeelig is, aan geen vrouw gebonden te zijn, mits hij ze kan missen. Laat ons dit met een gelijkenis ophelderen. Gesteld iemand zeide: Het is den mensch goed niet te eten, noch te drinken, noch te slapen, die zal noch het eten, noch den drank, noch den slaap
110
1 CORINTHE 7 :1, 2.
lasteren als zondige dingen: maar dewijl zooveel den geest ont gaat, als aan deze dingen gegeven wordt, zoo zal zijn meening zijn,
dat wij gelukkiger zouden wezen, indien wij ontdaan van deze af-trekselen ons geheel konden wijden aan het bedenken der hemelsche dingen. Dewijl dan in het huwelijk vele dingen zijn, die den mensch verhinderen en verwarren, zoo zoude het om die reden goed zijn,
dat wij aan geen huwelijk gebonden waren. Maar hier rijst een andere vraag, want deze woorden van Paulus schijnen te strijden tegen de woorden des Heeren, waar Hij zegt, dat het den mensch Gen-2:18 niet goed is zonder vrouw te zijn. Wat de Heere daar kwaad noemt, noemt Paulus hier goed. Ik antwoord: dat de vrouw den man behulpzaam is tot geluk des levens, is volgens de inzetting Gods, want God heeft het van den beginne alzoo verordend, dat de man geen vrouw hebbende, als het ware een half mensch zoude zijn, en gevoelen dat hem een noodige hulp ontbrak, en dat de vrouw als het ware de vervulling des mans zoude zijn. Daarna is de zonde gekomen, hetwelk de instelling Gods verdierf, want in de plaats van zoo groote zegening, is zware straf gekomen, zoodat het huwelijk oorzaak en materie van vele ellendigheden is. Zoo dan,
alle kwaad en ongerief, dat in het huwelijk is, komt uit de verderving der Goddelijke inzetting. Doch ofschoon er middelerwijl overblijfselen der eerste zegening blijven, zoodat dikwerf de ongehuwde staat ellendiger is dan de gehuwde: nochtans dewijl de getrouwde lieden in veel ongerief worden gewikkeld, zoo vermaant Paulus te recht, dat het den mensch goed zou zijn, zoo hij zich van het huwelijk onthield. Aldus worden de zwarigheden, die het huwelijk aankleven, niet verzwegen: en toch middelerwijl aan de onheilige schimpwoorden geen plaats gegeven, die tot krenking des huwelijks â 1 gemeenlijk gesproken worden, als daar zijn: dat de vrouw een noodzakelijk kwaad is, en wederom, dat de vrouw een is van de voornaamste kwaden. Want zulke woorden zijn uit des duivels winkel gekomen: en dienen tot niets anders, dan om de heilige inzetting Gods te lasteren, en om de menschen van het huwelijk, als van eene doode-lijke ziekte en pest te doen gruwen. De slotsom is, dat wij gedachtig zijn om tusschen de zuivere ordening Gods en de straffen der zonden te onderscheiden. Volgens deze onderscheiding is het in den beginne zonder uitzondering den man goed geweest een vrouw te hebben, die met hem vereenigd was, en nu is het ook zooverre goed, dat middelerwijl het bittere met het zoete vermengd is, om de vervloeking Gods: voor hen echter, die de gaven der onthouding niet hebben, is het een noodzakelijk en heilzaam middel, gelijk nu volgt.
2 Om de hoererij. Nu gebiedt hij dat degenen, die de gave der onthouding niet hebben, tot dit middel de toevlucht nemen: want hoewel dit een algemeene uitspraak schijnt te zijn, zoo is zij nochtans alleen op hen te duiden, die gevoelen dat zij door nood gedwongen worden: waarvan een iegelijk zichzelven getuige kan zijn. Hoe groot dus de zwarigheid is, die in het huwelijk gezien wordt, nochtans zullen allen, die de prikkelingen huns vleesches niet kunnen wederstaan, weten dat dit gebod hun door den Heere opgelegd is. Maar hier wordt gevraagd, of men alleen om deze oorzaak het huwelijk zal aangaan, te weten, om de onkuischheid te vlieden. Ik antwoord, dat dit de zin van Paulus niet is. Want wien het gegeven is, dat zij zich van het huwelijk mogen onthouden, laat
Ill
1 CORINTHE 7 : 2â5.
hij de vrijheid: maar den anderen gebiedt hij dit middel tegen hun zwakheid te gebruiken. De slotsom is, dat hier niet gehandeld wordt om wat oorzaken het huwelijk ingesteld is, maar voor welke personen het noodig is; maar indien wij de eerste inzetting aanmerken, zoo kon het geen geneesmiddel zijn van eene krankheid, die nog niet was, maar het was ingesteld om kinderen voort te brengen. Maar na den val is dit tweede gebruik daarbij gekomen. Deze plaats strijdt tegen de polygamie, dat is, het huwelijk met meer vrouwen. Want de apostel wil, dat elke vrouw haren eigen man hebbe, betuigende dat er een onderlinge verbinding is. Wie zich dus eenmaal aan de vrouw verbonden heeft, die moet zich van haar niet scheiden: hetwelk nochtans geschieden zou, als hij zich met nog eenen band verbond.
i Petr. 3:7. 3 De man bewijze aan de vrouw de schuldige goedwilligheid, des
gelijks ook de vrouw aan den man.
4 De vrouw heeft geen macht over haar eigen lichaam, maar de man; desgelijks heeft ook de man geen macht over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.
joêi 2:io. 5 Verkort elkander niet, anders dan uit onderlinge bewilliging
voor eenen tijd, om u tot vasten en bidden te begeven: en komt wederom te zamen, opdat de satan u niet verzoeke, wegens gemis van de gave der onthouding.
3 De man bewijze aan de vrouw. Nu leert hij met wat regel en wet men in het huwelijk moet leven, of wat man en vrouw elkander schuldig zijn. En ten eerste stelt hij een algemeene leer van de onderlinge goedwilligheid, dat de man de vrouw, en de vrouw den man liefhebbe. Dat sommigen bij de schuldige goedwilligheid, aan de schuld des huwelijks denken, weet ik niet, of het dient. De reden, die hen daartoe noopt, is deze, dat er terstond volgt, dat de man geene macht heeft over zijn eigen lichaam, enz. maar het zal beter overeenkomen, zoo wij zeggen, dat dit een besluit is, uit de voorgaande uitspraak afgeleid. Zoo zijn dan man en vrouw aan onderlinge goedwilligheid gebonden, en hieruit volgt, dat noch hij, noch zij over hun eigen lichaam macht hebben. Maar men kon vragen: waarom de apostel man en vrouw hier gelijkstelt, en niet van de vrouw gehoorzaamheid en onderdanigheid eischt r Ik antwoord: dat hij niet voorgenomen heeft over alle behoorlijke werken te spreken: maar alleen over de onderlinge verbinding, die de vereeniging van het bed aangaat. Zoo dan, in andere dingen hebben man en vrouw onderscheiden werk en recht: maar op dit punt is hun beider toestand gelijk, te weten, in het houden der huwelijkstrouw. Hiermede wordt ook het huwelijk met meer vrouwen veroordeeld: want indien dit een eeuwige wet des huwelijks is, dat de man afstand doet van de macht over zijn lichaam, en haar zijne vrouw overgeeft, hoe zal hij dan, alsof hij vrij ware, zich daarna met een ander vereenigen?
5 Verkort elkander niet. Onheilige menschen zouden oordeelen, dat Paulus niet eerbiedig genoeg te werk gaat om over de bijwoning des mans met de vrouw alzoo te handelen: en dat dit voorwaar een statigen apostel niet wel betaamde. Maar indien wij de
112
1 CORINTHE 7:5.
oorzaken aanmerken, die hem daartoe gedrongen hebben, zoo zullen wij bevinden, dat hij noodzakelijk over die dingen gesproken hééft. Ten eerste wist hij, hoe veel de schaduw der gewaande heiligheid vermocht, om de godzalige gemoederen te bedriegen, hetwelk wij ook ondervinden. Want de duivel verstrikt ons met een schijn van het goede, zoodat wij meenen door de bijwoning der vrouw ontheiligd te worden, en dat wij, onze roeping verlatende, om een anderen stand des levens denken. Bovendien wist hij, hoe geneigd een iegelijk tot zelfliefde is, en aan zijn eigen lust overgegeven is; hierdoor komt het, dat de man, als hij zijn eigen lust gekoeld heeft, de vrouw niet alleen veracht, maar ook van haar walgt, en er zijn niet vele mannen, die niet nu en dan met deze walging van de vrouwen bevangen worden. Om deze oorzaken handelt hij zoo zorgvuldig over de onderlinge verbinding des huwelijks; alsof hij zeide, wanneer den getrouwden lieden in den zin komt, dat de ongehuwde staat beter is, omdat hij heiliger is, of wanneer zij door ongeregelde lusten geprikkeld worden: zoo zullen zij gedenken, dat zij door een onderlingen band verbonden zijn. De man is slechts het halve deel van zijn lichaam, alzoo ook de vrouw. Zoo hebben zij dan geen vrije beraadslaging noch verkiezing, maar zullen zich met deze gedachten wederhouden, dewijl de een des anderen hulp noodig had, zoo heeft de Heere ons te zamen gevoegd, om elkander te helpen; elk kome des anders nood te hulpe, en de een noch de ander zij zichzelf. Anders dan uit onderlinge bewilliging. Onderlinge bewilliging eischt hij, ten e'erste, omdat niet alleen van des eenen, maar van beider onthouding gesproken wordt, en hij stelt ook terstond twee andere uitzonderingen daarbij, dat het niet geschiede dan voor eenen tijd, omdat de gedurige onthouding niet in hunne macht is, opdat zij niet in des duivels listen vallen, zoo zij bestaan iets boven hun macht te beproeven. Daarna, dat zij zich niet daarom van de huwelijksvereeniging onthouden, alsof die onthouding op zichzelve een goed en heilig werk, of godsdienst ware: maar opdat zij in betere oefeningen mogen bezig zijn. Doch hoe naarstig Paulus de wacht gehouden had, zoo heeft nochtans de duivel de overhand gehouden, zoodat hij velen door verkeerde begeerte naar den ongehuwden staat, tot ongeoorloofde echtscheiding dreef. De man verliet zijn vrouw, en vlood in de woestijn, om in het monnikenschap God beter te behagen: de vrouw heeft tegen den wil des mans den sluier aangenomen, het kenmerk van den ongehuwden staat: en middelerwijl bedachten zij niet, dat zij de huwelijkstrouw te niet maakten, het verbond des Heeren braken, en dat zij, den band des huwelijks brekende, het juk des Heeren afwierpen. Deze fout hebben de oude canones eensdeels hersteld: want zij hebben verboden, dat de man onder het voorwendsel der onthouding, de vrouw tegen haren wil mag verlaten: desgelijks, dat de vrouw den man het gebruiken van haar weigeren: maar daarin hebben zij gezondigd, dat zij beiden toegelaten hebben altijd buiten huwelijk te leven: alsof het den menschen geoorloofd ware iets in strijd met den Geest Gods te besluiten. Paulus gebiedt bijname, dat man en vrouw elkander niet zullen verkorten, tenzij dan voor een tijd. De bisschoppen laten toe voor altoos van het gebruik des huwelijks af te wijken. Wie ziet hier niet een openbare strijdigheid? Daarom verwondere het niemand, dat wij in deze zaak vrijelijk anders gevoelen dan de ouden.
Dl. II. 8
113
1 CORINTHE 7 ; 5.
welke blijkbaar van het heldere Woord Gods afgeweken zijn. Om u tot vasten en bidden te begeven. Men moet aanmerken, dat Paulus hier niet van allerlei vasten spreekt, noch ook van allerlei bidden. De soberheid en matigheid, die altijd in de Christenen behoort te zijn, is een gestalte des vastens. Bidden moeten wij niet alleen allen dag, maar ook zonder ophouden. Maar hij spreekt van het vasten, dat een openbaar getuigenis der boetedoening is, om den toorn Gods af te bidden, of opdat de geloovigen zich tot het gebed bereiden, als zij eenige ernstige zaak voornemen. Evenzoo van het gebed, dat innige genegenheid des harten begeert. Want het valt somtijds voor, dat men met achterlating van alle dingen, moet vasten en bidden, bijvoorbeeld: wanneer eenige ellendigheid overkomt, wanneer eenig teeken der toornigheid Gods gezien wordt, of als wij in eenige moeielijke zaak gewikkeld worden, of wanneer wij wat doen moeten, waar veel aan gelegen is, zooals de inzetting dei-herders der gemeente. En de apostel voegt deze twee dingen met recht te zamen, want het vasten is een voorbereiding tot het gebed: gelijk ze Christus ook te zamen voegt, als Hij zegt: Dit ge-Matt. 17:21. slacht der duivelen wordt niet uitgeworpen, anders dan door vas-- ten en bidden. Daarom als Paulus zegt, om u tot vasten en bidden , te begeven, is dit de zin, opdat gij van alle andere verhinderin-â t. gen vrij, dit alleen moogt doen. Zoo iemand nu tegen wil werpen,
dat het gebruik van het huwelijksbed kwaad is, dewijl het gebed â , daardoor verhinderd wordt, zoo kan men lichtelijk daarop antwoorden,
dat het daarom niet erger is dan spijs en drank, waardoor het vasten verhinderd wordt. Maar de geloovigen moeten voorzichtig om zich heen zien, wanneer het tijd is te eten en te drinken, en wanneer het tijd is te vasten: en diezelfde voorzichtigheid moet men ook gebruiken in het bijwonen met de vrouw, wanneer het tijd is, en in het onthouden van de bijwoning, wanneer men tot andere dingen geroepen is. En komt wederom te zamen, opdat de satan u niet verzoeke. Hier wordt de reden uitgedrukt, door de onkunde waarvan de ouden gedwaald hebben, als zij de belofte der gedurige onthouding verkeerd en onvoorzichtig goedgekeurd hebben. Want zij hebben aldus geredeneerd: Indien het goed is, dat getrouwde lieden somtijds met beider toestemming zich voor eenen tijd onthouding opleggen, dan is het zooveel te beter, als zij die zich voor altijd opleggen, maar zij merkten niet op, hoe groot gevaar daarin gelegen was. Want wanneer wij iets verzoeken, dat boven onze macht gaat, zoo wordt den duivelen oorzaak gegeven om ons te overvallen. Zij zeggen, men moet den duivel wederstaan. Maar als wij noch schild, noch wapen hebben ? Men moet ze (zeggen zij) van den Heere begeeren. Maar wij zullen tevergeefs den Heere bidden, dat Hij ons in lichtvaardig pogen behulpzaam is. Daarom moet men naarstig op deze woorden letten, wegens gemis van de gave der onthouding. Want wij zijn aan de verzoekingen des duivels onder-worpen, om de zwakheid onzes vleesches. Indien wij ze van ons willen uitsluiten en verdrijven, zoo moeten wij het middel, waarmede : de Heere ons gewapend heeft, daartegen gebruiken. Dus handelen
114
zij onbezonnen, die het huwelijksbed verlaten, alsof zij met God een verbond gemaakt hadden van gedurige macht.
gt;â â â S â¢''
1 CORINTHE 7 : 6.
C Dit zeg ik uit toelating, en niet uit een gebod.
7 Want ik wilde, dat alle menschen waren gelijk ik ben: maar f^ïn' een iegelijk beeft zijn eigen gave van God, de een wel aldus,
en de ander alzoo.
8 Doch ik zeg den ongetrouwden en den weduwen: Het is hun goed, indien zij blijven gelijk ik.
9 Maar indien zij zich niet onthouden, zoo laat ze trouwen: want 1 Tirn- 5: u-het is beter te trouwen dan te branden.
6 Uit toelating. Opdat zij steunende op zulk een gebod, als hij gesteld had, aan hunne begeerlijkheden niet te veel toegeven, zoo stelt hij hier een matiging bij, te weten, dat hij dit geschreven heeft wegens hun zwakheid, te weten, opdat zij gedenken, dat het huwelijk een middel tegen hoererij is: opdat zij zijn goed niet onmatig misbruiken, om op allerlei wijze, ja zonder wijze, mate en schaamte, hunnen lust te koelen: en ook opdat h'j de schimpscheuten der goddeloozen voorkome, dat niemand kan tegenwerpen: Wat?
vreest gij dat mannen en vrouwen uit zichzelven te weinig tot on-kuischheid genegen zijn, dewijl gij hen daartoe opwekt? Want de geveinsde papisten, die heilig willen schijnen, worden door deze leer geërgerd, en zouden gaarne met Paulus twisten, dat hij de echtgenooten in onderlinge bijwoning houdt, en hun niet toelaat tot den ongehuwden staat over te gaan. Zoo geeft hij dan hier reden voor zijne leer, en betuigt, dat hij de gemeenschap des beds niet daarom den getrouwden lieden aangeprezen heeft, om hen tot wellust te verwekken, of omdat hij dat gaarne gebiedt: maar dat hij gezien heeft op hetgeen de zwakheid eischt, van hen die hij aanspreekt. Beide deelen dezer reden misbruiken de dwaze ijveraars voor den ongetrouwden staat. Want dewijl Paulus zegt, dat hij spreekt uit toelating, zoo besluiten zij daaruit, dat in den huwelijksbijslaap een fout is, dewijl daar zonde is, waar vergeving is. En uit hetgeen hij zegt, niet uit een gebod, besluiten zij, dat het heiliger is, het gebruik des huwelijks vaarwel te zeggen, en tot den ongetrouwden staat over te treden. Ik antwoord op het eerste,
dewijl ik beken, dat in alle menschelijke genegenheden ongeregelde beweging is, ontken ik niet, dat ook in dit deel ongeregeldheid is,
en geef toe, dat deze zondig is; ja ik geef toe, dat deze genegenheid boven andere hevig en bijna beestelijk is. Maar daarentegen beweer ik ook, dat alle gebrek of oneerbaarheid die daarin is, alzoo door de eerbaarheid des huwelijks gedekt wordt, dat zij ophoudt zonde te zijn, of althans ophoudt door God toegerekend te worden:
gelijk er Augustinus zeer wel over handelt in het boek: »De bono conjugiiquot; en elders dikmaals. Versta het kortelijk aldus: De bijslaap van man en vrouw is een zuiver, eerlijk en heilig ding: want het is een zuivere inzetting Gods; maar de onmatigheid, waarmede de menschen branden, is een gebrek en een fout, die uit de verdorvenheid der natuur ontstaat: maar den geloovigen is het huwelijk een deksel, waarmede die fout gedekt wordt, opdat zij niet meer voor God gezien worde. Op het tweede antwoord ik: Paulus zegt,
dat hij niet spreekt uit bevel of gebod, omdat eigenlijk geboden genoemd worden, die gegeven worden aangaande de werken der rechtvaardigheid, en die door zichzelven Gode behagen: maar hij
115
1 CORINTHE 7:6, 7.
heeft boven genoeg getoond, dat men noodwendig dat middel moet gebruiken, dat hij geboden heeft.
7 Want ik wilde, dat alle. Dit dient tot verklaring der naaste uitspraak. Want hij ontveinst niet wat nuttiger is, maar hij wil, dat een iegelijk aanmerke wat hem gegeven is. Waarom heeft hij dan boven niet gesproken uit bevel ? Omdat hij ze niet gaarne dwingt tot het huwelijk, maar liever had, dat zij van deze noodwendigheid vrij waren; doch dewijl het allen niet vrij is, zoo ziet hij de zwakheid aan. Was deze plaats behoorlijk overwogen, zoo zou die verkeerde bijgeloovigheid in het begeeren van den ongehuwden staat nooit alzoo geheerscht hebben, welke een wortel geweest is van ontzaglijk groote kwaden. Paulus zegt duidelijk, dat elk op dit punt geen vrije verkiezing heeft, omdat de maagdelijke kuischheid een bijzondere gave is, welke niet allen zonder onderscheid ge-Matt, 19:11. geven wordt. En hij leert niet anders dan Christus zelf, als hij zegt, dat dit woord niet van allen gevat wordt. Paulus is dus hier een uitlegger van de woorden des Heeren, als hij ontkent, dat de macht om buiten huwelijk te leven, aan allen gegeven is. Wat is onder-tusschen geschied ? Een iegelijk heeft zonder zijn macht in aan-v' merking te nemen, naar zijnen lust voortdurende kuischheid beloofd.
En hier is niet alleen door het gemeen, noch door de ongeleerden gezondigd: want de voornaamste leeraars hebben, terwijl zij zich geheel bezighouden met het prijzen van den maagdelijken staat, de - menschelijke zwakheid vergeten, en deze vermaning van Paulus,
ja van Christus zeiven uit het oog verloren. En Hieronymus, ik weet niet door wat ijver verblind, valt niet alleen in valsche opiniën, gt;;«' maar stort ook halsoverkop er in. De maagdelijke staat is een
schoone gave, dat beken ik: maar bedenk, dat het een gave is, en
â hoort daarenboven uit Christus' en Paulus' mond, dat hij niet allen,
maar weinigen eigen is: daarom beloof niet onvoorzichtig wat in uwe macht niet is; en gij zult ook niet verkrijgen, dat het u gegeven worde, indien gij niet gedachtig aan uwe roeping, buiten uwe palen zoekt te treden. Hoewel de ouden ook in het waardeeren van den maagdelijken staat gedwaald hebben: want zij verheffen hem, alsof
L hij de opperste deugd ware, en willen dat hij als een godsdienst
geacht wordt: zoo is nu daarin schandelijke dwaling. En nu is een tweede dwaling gevolgd; nadat de ongehuwde staat begonnen jj: is in zoo groote waarde gehouden te worden, hebben velen
onvoorzichtig gedurige kuischheid beloofd, hoewel nauwelijks het
â t honderdste deel de macht en de gave had. Daaruit is ook de derde
dwaling gekomen, dat het huwelijk den dienaren der gemeente ver-;t. boden is, alsof het een staat des levens ware, die aan de heiligheid
dier orde niet betaamde. In degenen, die het huwelijk verachtende, lichtvaardig voortdurende kuischheid beloofden, heeft God die hoo-vaardigheid gestraft, ten eerste met bedekte vlammen der onkuisch-heid, daarna ook met gruwelijke onreinheden. En dat van het wettig huwelijk de dienaren der kerken afgehouden werden, door deze tirannie is het geschied, dat de gemeente van vele goede en getrouwe dienaren beroofd werd: want de godzalige en voorzichtige mannen wilden zich geen strik aandoen; eindelijk in langer tijd vervolg hebben de onkuischheden, die eerst met geweld onderdrukt waren, haren stank uitgegeven. Het was te weinig, dat degenen, wien het doodzonde was wettige vrouwen te hebben, straffeloos bijzitten, dat
116
117
is, hoeren onderhielden: maar geen huis was beveiligd voor de on-kuischheid der priesteren. Dit was ook te weinig: want er zijn onnatuurlijke booze stukken geschied, en het is beter deze met eeuwige vergetelheid te begraven, dan tot voorbeeld te verhalen.
8 Ik zeg den ongetrouwden. Dit hangt af van het voorgaande, en is als een gevolgtrekking daaruit. Hij had gezegd, dat de gaven Gods verscheidenlijk uitgedeeld worden, dat een iegelijk de gave der onthouding niet heeft, en dat zij, die haar niet hebben, tot het geneesmiddel moeten vlieden: nu wendt hij zich tot de jonkvrouwen, tot alle ongetrouwden en tot de weduwen: en geeft wel toe, dat de ongehuwde staat voor haar wenschelijk is, zoo zij de macht hebben: maar dat nochtans altijd elk moet zien wat hij vermag. De slotsom: dat in den ongehuwden staat wel veel nuts is, en dat het niet te verachten is, mits zich een iegelijk met zijnen eigen voet meet. Daarom ofschoon de ongehuwde staat tot in den derden hemel verheven wordt, zoo blijft nochtans dit altijd waarachtig, dat hij allen menschen niet dient, maar dien alleen, die zulk eene bijzondere gave van God ontvangen hebben. Want op hetgeen de papisten tegenwerpen, dat wij ook in den doop Gode reinheid des levens beloven, welke wij niet kunnen volbrengen, ligt dit antwoord gereed, dat wij daar niets anders beloven dan wat God van al de zijnen eischt: maar dat de onthouding een bijzondere gave is, welke God velen weigert. Daarom wie haar beloven, die doen even alsof een ongeleerd onwetend mensch zeide, dat hij een profeet, of leer-aar, of uitlegger der talen ware. Men moet ook letten op het woord blijven: want het kan geschieden, dat iemand eenen tijd lang in den ongehuwden staat kuisch leeft, maar voor den toekomenden tijd kan men in deze zaak niets vaststellen. Izak is tot zijn dertigste jaar zonder vrouw geweest, en heeft die jaren in kuischheid geleefd, in welke de hitte der onkuischheid het grootst is: nochtans wordt hij daarna tot het huwelijk geroepen. In Jakob hebben wij nog een klaarder bewijs. Daarom zou de apostel wenschen, dat degenen, die tegenwoordig in kuischheid leven, zoo mochten blijven en volharden: maar dewijl zij niet zeker zijn, of zij altijd die gave zullen hebben, zoo beveelt hij allen te overleggen wat hun gegeven is. Voorts, deze plaats toont, dat Paulus toen ongehuwd was: want wat Erasmus besluit, dat hij getrouwd was, omdat hij van zich onder de getrouwden melding maakt, dat is koud en krachteloos: want om dezelfde reden kon men ook besluiten, dat hij weduwnaar was, omdat hij onder de weduwnaars van zichzelven spreekt. De woorden luiden, dat hij toen buiten huwelijk was. Want ik neem de gissing niet aan, dat hij zijn vrouw ergens in bewaring gegeven, en uit eigen beweging van het gebruik van het huwelijksbed afstand gedaan had. Want waar zou dan met hem plaats gehad hebben, wat hij zegt: komt terstond wederom te zamen. Het is voorwaar ongerijmd te zeggen, dat hij aan zijne eigen geboden niet gehoorzaam is geweest, en dat hij de wet, die hij anderen geeft, zelve niet gehouden heeft. Het is een uitstekend voorbeeld van zedigheid, dat hij de gave der onthouding hebbende, van anderen niet eischt, dat zij naar zijnen regel zullen leven: maar hij staat hun het behoedmiddel der zwakheid toe, dat hij zelve niet gebruikt. Daarom zoo wij eenige bijzondere gave hebben, die zullen wij niet eigenzinnig van anderen eischen, die tot dien trap nog niet zijn gekomen.
1 CORINTHE 7 :9.
118
9 Maar indien zij zich niet onthouden. Als hij hen raadt zich van het huwelijk te onthouden, zoo spreekt hij altijd onder conditie, zoo zij kunnen, zoo zij de macht hebben; en waar de zwakheid des vleesches geen vrijheid toelaat, daar beveelt hij eenvoudiglijk, als van een zaak waar geen twijfel in is. Want dit is gebiedenderwijze gezegd, opdat niemand achte dat het een raad is: en hij breidelt hier niet alleen de hoereerders, maar ook hen, die met inwendige onkuisch-heid voor God bezoedeld worden. En voorwaar, zoo wie de gave der onthouding mist, die verzoekt God, als hij het middel des huwelijks veracht. Tot deze zaak is geen raad, maar een streng verbod noodig. Want het is beter. Dit is een oneigenlijke vergelijking, dewijl het wettig huwelijk in allen eerlijk is: en het branden een zeer boos ding is. Nochtans heeft Paulus op gewone wijze, hoewel oneigenlijk gesproken, gelijk wij zeggen; Het is beter deze wereld te verzaken, om met Christus de erfenis des hemelschen rijks te genieten, dan in de wellusten des vleesches jammerlijk te vergaan. En ik herinner dit daarom, ómdat Hieronymus uit deze plaats een kinderachtig sofisme maakt, te weten, dat het huwelijk daarom goed is, omdat het minder kwaad is dan te branden. Ik zou zeggen, dat hij zottelijk speelde, indien het een zaak van kortswijl ware; maar in zoo gewichtige en ernstige zaak is het een onvrome beuzeling, en eenen wijzen man onwaardig. Zoo verstaat dan dat de remedie des huwelijks goed en heilzaam is, daar te branden een schandelijke gruwel is voor God. Men moet nochtans verklaren wat branden is; want velen worden door begeerlijkheden huns vleesches geprikkeld, voor wie het nochtans niet terstond noodig is het huwelijk aan te nemen. En opdat wij blijven bij de gelijkenis, die Paulus gebruikt, het is iets anders te branden dan de hitte te gevoelen. Zoo dan, door branden, verstaat Paulus hier niet alleen gekitteld worden, maar van wellust zóó te blaken, dat men er geen weerstand aan kan bieden. Dewijl nochtans sommigen zich ijdellijk vleien, als zij meenen zonder eenige schuld te zijn, als zij in de begeerlijkheid niet bewilligen ; zoo moet men aanmerken, dat er drie graden der verzoekingen zijn. Want de aanval van den lust is somtijds zóó geweldig, dat de wil overwonnen wordt. Dat is de booste aard van branding, als het hart van wellust blaakt. Somtijds worden wij door de prikkelen des vleesches zóó gestoken, dat wij dapper weerstand bieden, en laten ons niet aftrekken van de ware liefde tot de kuisch-heid, maar hebben meer een gruwel van alle onreine en schandelijke bewegingen. Daarom moet men alle menschen vermanen, en voornamelijk de jongelingen, om wanneer zij door hun vleesch gekweld worden, de vreeze Gods tegen zulke verzoekingen te stellen, de oorzaken der onreine gedachten weg te nemen, sterkte om te wederstaan van God te begeeren, en alle naarstigheid te doen om de vlammen der onkuischheid uit te blusschen. Indien zij in dezen strijd overwinnen, zoo zullen zij den Heere danken. Want hoevele menschen zal men vinden, wien niet eenige last door zijn vleesch aangedaan wordt? Maar indien wij zijn ongematigdheid bedwingen, eer het de overhand krijgt, zoo is het veel. Want wij branden niet, al is het dat de hitte ons kwelt; niet dat in zulk een gevoel van hitte geen gebrek is, maar omdat wij met ootmoed en zuchten onze zwakheid voor den Heere belijdende, toch onder alles goeden moed hebben. De slotsom zij, zoolang wij door Gods genade in den strijd
119
overwinnen, en des duivels pijlen niet tot binnen doordringen,
maar wij ze krachtig af keeren, zoo laat ons het worstelen niet moede worden. De middelste verzoeking is als de mensch, hoewel hij niet met volle bewilliging des harten de onkuischheid toelaat, nochtans van blinde drift blaakt, en dermate beroerd wordt, dat hij niet met geruste conscientie God kan aanroepen. Zoo dan, zulke verzoeking,
die de zuivere aanroeping Gods verhindert, en de rust der conscientie verstoort, is het branden, dat niet anders dan door het huwelijk kan gebluscht worden. Nu zien wij, dat men in dit vraagstuk moet aanmerken, niet alleen of iemand het lichaam onbesmet kan bewaren, maar ook moet men op het gemoed zien, gelijk wij kort hierna zullen zien.
10 Den getrouwden gebied niet ik, maar de Heere, dat de vrouw Mal. 2:u.
. . 0, ... 5 Matt. 5:32;
niet aiwijke van den man. 1.0:9.
11 Indien zii afwijkt, dat zij ongetrouwd blijve, of met den man Mark. 10:11.
j j ij lij ⢠, Luk. 1G: 18.
verzoend worde: ook de man late de vrouw niet van zich.
12 Den anderen zeg ik, niet de Heere: Zoo eenig broeder een 4 Esdr. 10:3. ongeloovige vrouw heeft, en zij bewilligt met hem te wonen,
zoo zal hij ze niet van zich laten.
13 En zoo een vrouw een ongeloovigen man heeft, en hij bewilligt met haar te wonen, zoo zal zij hem niet verlaten.
14 Want de ongeloovige man is door de vrouw geheiligd, en de ongeloovige vrouw is door den man geheiligd: anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.
15 Indien de ongeloovige afwijkt, laat hem afwijken, want de broeder of zuster is niet der dienstbaarheid onderworpen in zulke dingen: maar God heeft ons tot vrede geroepen.
16 Want wat weet gij vrouw, of gij uwen man zult zalig maken: 1 1gt;et- a:1' of wat weet gij man, of gij uwe vrouw zult zalig maken?
17 Doch gelijk God aan een iegelijk de genade uitgedeeld heeft,
gelijk God een iegelijk geroepen heeft, alzoo wandele hij; en alzoo gebied ik in alle gemeenten.
io Den getrouwden gebied. Nu handelt hij over een andere wet des huwelijks, te weten, dat het een onlosmakelijke band is. Zoo veroordeelt hij dan alle echtscheidingen, die bij de heidenen dagelijks in gebruik waren, en bij de Joden door Mozes' wet niet gestraft werden. De man, zegt hij, verlate zijne vrouw niet: de vrouw wijke van den man niet af. Waarom? overmits zij met een onscheid-baren knoop te zamen zijn gebonden. Maar het is wonder, dat hij althans de oorzaak des overspels niet uitzondert: want het is niet waarschijnlijk, dat hij iets van de leer van Christus heeft willen verkorten. Voorwaar ik acht, dat hij er daarom van gezwegen heeft,
omdat hij in 't voorbijgaan daarvan handelende, de Corinthiërs liever op des Heeren toelating of verbod wilde wijzen, dan alle dingen van stuk tot stuk te vervolgen. Want hun, die voorgenomen hebben iets met korte woorden te leeren, is het genoeg een alge-meene leer te geven: de uitzonderingen betamen eene meer scherpzinnige, en breedvoerige, en nauwkeurige behandeling. Voorts, dat hij volgen laat, niet ik, maar de Heere, met deze verbetering geeft hij te kennen, dat wat hij hier leert, uit de wet Gods genomen
1 CORINTHE 7 : 10, 11.
is. Want de andere dingen, die hij leerde, had hij ook uit de openbaring des Geestes, maar hiervan zegt hij, dat God de auteur is, omdat het in de wet uitgedrukt is. Zoo iemand de plaats zoekt, hij zal ze nergens letterlijk vinden: maar dewijl Mozes van den beginne aan betuigt, dat de vereeni^ing van man en vrouw zoo heilig is, dat de man terwille van haar, vader en moeder moet verlaten, zoo wordt daaruit gemakkelijk begrepen, hoe onschendbaar zij is. Want een zoon is door het recht der natuur aan vader en moeder verbonden, en kan dat juk niet afwerpen: dewijl nu de knoop des huwelijks boven dezen band geacht wordt, zoo kan hij veel minder losgemaakt worden.
ii Indien zij afwijkt. Dit is niet te verstaan van die vrouwen, die om overspel verstooten waren, gelijk blijkt uit de straf, die toen volgde, want het overspel werd met den dood gestraft, ook naar de roomsche wetten, en bijna naar het gemeene recht aller heidenen. Maar dewijl de mannen dikwerf hunne vrouwen verlieten, omdat zij in zeden met haar niet overeenkwamen, of omdat zij niet schoon genoeg waren, of om allerlei andere mishagen; en dewijl ook de vrouwen somtijds van hare mannen afweken om hun wreedheid, of om te harde en onbetamelijke behandeling, zoo zegt Paulus, dat het huwelijk door zulke echtscheidingen en tweedrachten niet ontbonden wordt. Want het is een verbond in Gods naam geheiligd, hetwelk door menschen goeddunken staat noch valt, zoodat het zou mogen teniet zijn, als het ons beliefde. De slotsom is: Andere handelingen en verbonden staan op den enkelen wil der menschen, en worden door denzelfden wil verbroken: maar die door het huwelijk verbonden zijn, die zijn nu niet vrij, om (zoo het hun berouwt) den verbondsbrief te breken, en een nieuwe conditie elders te zoeken. Want indien de natuurlijke wetten niet kunnen verbroken worden, zoo kan veel minder deze band verbroken worden, welke (gelijk wij gezegd hebben) boven den voornaamsten band der natuur gesteld is. Als hij gebiedt, dat de vrouw, die van den man afgeweken is, buiten huwelijk blijve, daarmede geeft hij niet te kennen, dat zulke afwijking te verdragen is, noch laat de vrouw toe gescheiden van den man te wonen: maar al was zij uit het huis gestooten en verworpen, zoo zal hij zelfs niet denken, dat zij alzoo van zijn macht vrij is: want het is in des mans macht niet, het huwelijk teniet te maken. Zoo laat hij dan hier den vrouwen niet toe vrijwillig van de mannen af te wijken, of buiten des mans huisgezin te blijven, gelijk in eenen weduwenstaat: maar hij verzekert, dat ook zij, die door de mannen niet wederom ontvangen worden, gebonden blijven, zoodat zij niet tot andere mannen zich mogen begeven. Maar wat te doen als de vrouw onkuisch is, of zich niet onthouden kan? Is het niet onredelijk, dat het middel geweigerd wordt, aan haar die geduriglijk brandt? Ik antwoord: Als de zwakheid onzes vleesches ons kwelt, zoo moeten wij een geneesmiddel zoeken; daarna komt het den Heere toe, onze hartstochten door zijnen Geest te bedwingen, al is het dat het niet gaat naar onzen wensch. Want zoo de vrouw in een langdurige krankheid valt, zoo zal dat den man geen genoegzame oorzaak wezen om een andere vrouw te zoeken: desgelijks zoo de man, nadat het huwelijk geschied is, in eenige krankheid begint te vallen, zal het de vrouw daarom niet geoorloofd zijn een andere nieuwe conditie te zoeken.
120
1 CORINTHE 7 : 11â14.
De slotsom is, dewijl God het wettige huwelijk tot een middel tegen de onkuischheid gesteld heeft, zoo laat ons dat gebruiken, opdat wij niet om onze lichtvaardigheid gestraft worden, zoo wij Hem verzoeken. En als wij doen wat wij behooren te doen, zoo laat ons hopen, dat Hij ons zal bijstaan, ook als het niet gaat naar onze meening.
12 Den anderen zeg. Door de anderen verstaat hij die, in welke de uitzondering plaats heeft, en der gemeene wet niet worden onderworpen: want de ongelijke huwelijken zijn anders aan te merken, als man en vrouw op het stuk van godsdienst verschillen. Hij eindigt deze kwestie in twee stukken. De eerste is, dat de geloovige van den ongeloovige niet moet afwijken, noch echtscheiding zoeken,
tenzij zij verstooten worde. De ander is, zoo de ongeloovige zijn wederhelft verstoot om den godsdienst, dat de broeder of zuster door zulke verstooting van den band des huwelijks vrij wordt. Maar waarom zegt Paulus, dat hij zelve dit zegt, dewijl het schijnt wat te strijden tegen hetgeen hij boven als door den Heere voortgebracht heeft? Hij verstaat niet, dat het zoo van zichzelven is, dat hij het niet uit den Geest Gods zou gezogen hebben; maar dewijl nergens in wet of profeten een zeker of uitgedrukt woord van deze zaak is, zoo voorkomt hij op deze wijze de valsche beschuldiging der ongeschikte menschen, als hij, wat hij wil zeggen, aan zichzelven toeschrijft. Maar opdat dit al niet klein geacht worde, alsof het uit eens menschen hoofd gekomen ware, zoo zal hij hieronder zeggen,
dat, wat hij spreekt, geen gedichtselen zijn van zijn eigen vernuft. Dit strijdt ook niet met de voorgaande woorden: want dewijl de godsdienst en de heiligheid der huwelijkstrouw op God steunt, wat gemeenschap zal een godzalige vrouw meer hebben met haren on-geloovigen man, nadat zij uitgestooten is door haat Gods?
14 Want de ongeloovige man is geheiligd. Hij voorkomt de zwarigheid, die de geloovigen had kunnen benauwen. Daar is een bijzondere gemeenschap in het huwelijk, dat de vrouw het halve deel is van den man, dat zij twee één vleesch zijn, dat de man het hoofd der vrouw is, en dat de vrouw des mans metgezellin in alles is: hierom schijnt het niet te kunnen geschieden, dat een ge-loovig man met de ongeloovige vrouw, of een geloovige vrouw met den ongeloovigen man zou wonen, zonder door zoo nauwe gemeenschap besmet te worden. Zoo zegt dan Paulus hier, dat het huwelijk desniettemin heilig en zuiver is, en dat voor geen besmetting te vreezen is, alsof de vrouw den man zou besmetten.
Voorts moeten wij weten, dat Paulus hier niet spreekt van de huwelijken, die gesloten, maar van huwelijken, die gehouden moeten worden, die reeds gesloten zijn. Want wanneer men raadslaagt of men een ongeloovige vrouw, of een ongeloovigen man mag trouwen,
dan heeft deze vermaning plaats: Trekt geen juk met de ongeloovigen, want er is geen overeenstemming van Christus met Belial. 2 0o1'- e:15-Maar degene, die reeds verbonden is, heeft niet meer vrije verkiezing : daarom is het een andere raadslaging. Hoewel deze heiliging verscheidenlijk genomen wordt, zoo duid ik ze nochtans eenvoudig op het huwelijk in dezen zin: Een geloovige vrouw kon schijnen besmet te worden door den ongeloovigen man, zoodat het een ongeoorloofde gemeenschap is: maar het is anders, want de godzaligheid van den een is krachtiger om het huwelijk te heili-
121
1 CORINTHE 7 ; 14.
122
gen, dan de goddeloosheid van den ander om het te besmetten. Daarom kan de geloovige met eene zuivere conscientie met den ongeloovige wonen: want wat aangaat het gebruik en de gemeenschap des beds en des ganschen levens, hij wordt geheiligd, opdat hij door zijn onreinigheid de geloovige niet besmette. Ondertusschen is deze heiliging den ongeloovigen echtgenoot niet voordeelig: maar heeft alleen zooverre kracht, dat de geloovige door zijn gemeenschap niet besmet, en het huwelijk ontheiligd wordt. Maar hieruit rijst een vraag: want indien het geloof van een Christenman of vrouw het huwelijk heiligt, zoo volgt daaruit, dat alle huwelijken der goddeloozen onrein zijn, en niets verschillen van hoe-Tit. i:i5. rerij. Ik antwoord: dat den goddeloozen alles onrein is, dewijl zij door hun onreinigheid ook de allerbeste en uitnemendste schepselen Gods besmetten. Hiervan komt het, dat zij ook het huwelijk besmetten, dewijl zij God niet als auteur erkennen: en daarom kunnen zij de ware heiligmaking niet deelachtig worden, en misbruiken het huwelijk met een kwade conscientie. Maar hieruit wordt onverstandig besloten, dat hun huwelijk niets verschilt van hoererij, want hoewel het hun onrein is, zoo is het nochtans in zichzelve rein, zooverre het door God verordend is, en dient om de eerbaarheid onder de menschen te behouden, en de ongeregelde lusten te breidelen: ja het wordt om deze doeleinden door God voor goed geacht, gelijk andere stukken der maatschappelijke orde. Zoo moet men dan altijd onderscheid maken tusschen de natuur van eene zaak en haar misbruik. Anders waren uwe kinderen. Dit is een argument uit de vrucht genomen. Ware uw huwelijk onrein, zoo zouden uwe kinderen, die daaruit geboren worden, onrein zijn, maar uwe kinderen zijn heilig, zoo moet dan het huwelijk rein zijn. Gelijk dan de goddeloosheid van vader of moeder niet verhindert, dat de kinderen heilig geboren worden, alzoo verhindert zij ook niet, dat het huwelijk rein is. Sommigen taalkundigen leggen deze plaats uit van de burgerlijke heiligheid, te weten, dat zij wettige kinderen geacht worden: maar in dit stuk is der ongeloovigen toestand niet erger: zoo kan dan die uitlegging niet bestaan. Bovendien is het zeker, dat Paulus hier de zwarigheid der conscientiën heeft willen wegnemen, dat niemand zoude denken, dat hij ontreinigd worde, gelijk ik gezegd heb. Zoo is dan dit een schoone plaats, en uit de innerlijkste theologie afgeleid: want zij leert, dat der geloovigen kinderen door eenig voorrecht van de anderen worden afgezonderd, dat zij heilig in de gemeente gerekend worden. Maar hoe zal deze meening overeenkomen, met wat hij op een andere plaats zegt, te weten, dat wij allen Ef. 2:3. van nature kinderen des toorns zijn. Of met de woorden Davids: Ps. si: 7. ziet, ik ben in zonde ontvangen, enz. Ik antwoord, dat de verbreiding der zonde en der verdoemenis in den zade Adams algemeen is, zoo worden dan alle menschen onder deze vervloeking besloten, beiden die van geloovigen en van ongeloovigen komen: want de geloovigen genereeren geene kinderen naar het vleesch, zooverre zij door den Geest wedergeboren zijn Zoo is dan in allen de toestand der natuur eenerlei, dat zij beiden der zonde en der eeuwige verdoemenis onderworpen zijn. Maar dat de apostel hier den kinderen der geloovigen een zonderling voorrecht toeschrijft, dat vloeit uit de weldaad des verbonds, waardoor de vervloeking der natuur uit-gewischt wordt, en degenen, die van nature onheilig waren, worden
1 CORINTHE 7 : 14- 16.
door de genade Gode geheiligd. Hieruitbetoogt Paulus Rom. 11: 16, dat Abrahams gansche geslacht heilig is, omdat God het verbond met hem gemaakt had. Indien (zegt hij) de wortel heilig is, zoo zijn ook de takken heilig; en God noemt zijne kinderen allen die uit Israël gegenereerd zijn: en nu als de middelmuur is nedergeworpen, is datzelfde verbond der zaligheid ons gemeen gemaakt, dat met Abrahams zaad gemaakt was. Indien de kinderen der geloovigen uit het algemeene lot van het menschelijk geslacht genomen worden, om den Heere afgezonderd te worden, waarom zouden wij hen dan het teeken weigeren ? Indien hun de Heere door zijn Woord in zijn gemeente toelaat, waarom zullen wij hun het teeken onthouden ? Hoe nu de kinderen der geloovigen een heilig geslacht zijn, en nochtans vele ontaarden, dat hebt gij in Rom. 10 en 11, en wij hebben het daar behandeld.
15 Indien de ongeloovige afwijkt. Dit is het ander deel, waarin hij den geloovigen man vrijmaakt, die, bereid zijnde om met de godde-looze vrouw te wonen, verstooten wordt, en desgelijks de geloovige vrouw, die niet door haar eigen schuld verstooten wordt van den man: want dan breekt de ongeloovige meer het huwelijk met God, dan met den mensch, die zijn wederhelft is. Zoo is hier dan een bijzondere oorzaak, want die eerste en voornaamste band wordt niet alleen losgemaakt, maar ook afgebroken. Hoewel sommigen meenen, dat wij heden bijna dezelfde oorzaak hebben, om ons van de papisten te scheiden, zoo moeten wij nochtans verstandig beschouwen, wat onderscheid daarin is, opdat men toch niet iets lichtvaardiglijk doe. Tot vrede heeft ons God geroepen. Dit duiden de uitleggers verscheidenlijk; want sommigen verstaan het aldus: wij zjjn geroepen in vrede, laat ons daarom de stof en de oorzaak der verstoringen vlieden. Ik versta het eenvoudiger. Laat ons, zooveel ons mogelijk is, met alle menschen vrede houden, tot welken wij geroepen zijn. Zoo moet men dan niet lichtvaardig van de onge-loovigen afwijken, tenzij zij eerst het huwelijk breken. Zoo dan, God heeft ons geroepen in vrede tot dit einde, opdat wij met alle menschen vrede houden, een iegelijk goeddoende. Zoo dient dan dit tot het eerste deel, te weten, dat de geloovigen met de onge-loovigen behooren te blijven, zoo zij daarin bewilligen, enz., want de begeerte der echtscheiding is vreemd van onze belijdenis.
16 Want wat weet gij, vrouw. Degenen, die willen dat deze uitspraak een bevestiging is van het tweede deel, leggen ze aldus uit; gij moet u niet laten houden door onzeker hopen, enz., maar naar mijn gevoelen is het een vermaning, die aan de nuttigheid is ontleend. Want het is een schoon en groot goed, zoo een vrouw haren man wint: en het staat niet zoo wanhopig met de ongeloovigen, dat men ze niet tot het geloof zoude kunnen brengen: zij zijn wel dood, maar God kan ook de dooden opwekken. Dewijl dan daar nog eenige hope op een goeden voortgang is, en een godzalige vrouw niet weet, of zij door haar heiligen wandel haren man tot den rechten weg zal kunnen brengen, zoo moet zij alles beproeven, eer zij hem verlaat: want zoolang de zaligheid eens menschen nog in twijfel staat, zoo moeten wij het meest genegen zijn tot goede hoop. Voorts dat hij zegt, dat de man door de vrouw kan zalig gemaakt worden, dat is een oneigenlijke manier van spreken, dewijl daarin den mensch toegeschreven wordt, wat Gode eigenlijk toekomt. Maar daarin is
123
1 CORINTHE 7 : 16â18.
geen ongerijmdheid: want dewijl de Heere krachtig werkt door de instrumenten, die Hij gebruikt, zoo maakt Hij zijn kracht eenigszins hun gemeen, of vereenigt hen alzoo met hunnen dienst, dat Hij zegt door hen te geschieden, wat Hij door hen doet. Vandaar is het ook, dat Hij de eere, die Hem alleen toekomt, somtijds aan hen toeschrijft. Nochtans zullen wij bedenken, dat in ons niets is, dan zooverre wij als instrumenten door Hem bewogen worden.
17 Doch gelyk God aan een iegelijk. De zin is: wat moet men dan doen, anders dan dat een iegelijk wandele naar de genade, die hem gegeven is, en overeenkomstig zijn roeping. Zoo moet dan een iegelijk daarin arbeiden, en zijn macht gebruiken, dat hij zijnen naasten voordeelig zij, en dat voornamelijk, dewijl hij door de bijzondere schuld zijner roeping daartoe behoort bewogen te worden. Hij stelt twee dingen, te weten, de roeping en de mate der genade, welke men in de raadslaging moet aanzien. Want wij behooren door dezen prikkel niet weinig geprikkeld te worden, om te doen wat wij schuldig zijn, als de Heere ons verwaardigt dienaars te maken zijner genade tot zaligheid onzer broederen: want de roeping behoort ons als het ware onder Gods juk te houden, ook al is het, dat aan elk zijn conditie weinig bekoort. En alzoo gebied ik in alle gemeenten. Ik meen, dat hij dit er bijgevoegd heeft, om de valsche beschuldiging van sommigen tegen te gaan, die van hem achterklapten, dat hij zich meer recht aanmatigde jegens de Corinthiërs, dan hij over anderen durfde: hoewel hij ook een ander einde op het oog heeft kunnen hebben, te weten, opdat deze leer te wichtiger ware, als de Corinthiërs verstonden, dat zij nu in alle gemeenten gemeen was. Want wij nemen dat lichtelijker aan, wat wij weten, dat het ons met alle godzaligen zal gemeen wezen. Het was hatelijk geweest, zoo hij de Corinthiërs nauwer gebonden had dan de anderen.
18 Is iemand besneden geroepen? die neme geen voorhuid aan. Is iemand in de voorhuid geroepen? die worde niet besneden.
19 De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods.
20 Een iegelijk blijve in die roeping, waarin hij geroepen is.
21 Zijt gij dienstbaar geroepen? vraagt daar niet naar: maar zoo gij ook kunt vrij worden, gebruikt dat liever.
22 Want die in den Heere is dienstbaar geroepen, die is des Heeren vrijgelatene, desgelijks ook die vrij geroepen is, die is Christus' dienstknecht.
23 Gij zijt met prijs gekocht, wordt geene dienstknechten der menschen.
24 Broeders, een iegelijk, waarin hij geroepen is, daarin blijve hij bij God.
[s iemand besneden geroepen? Dewijl hij de roeping vermeld had, zoo neemt hij aanleiding uit een soort, en weidt een weinig uit in een algemeene vermaning: hetwelk hij op vele plaatsen gewoon is te doen: en bevestigt tevens mede met verscheidene voorbeelden, wat hij van het huwelijk gezegd had. De hoofdzaak is, dat men in uitwendige dingen niet lichtvaardig moet afwijken van de roeping, waarin men door Gods wil eenmaal getreden is. En hij begint met de besnijdenis, van dewelke toen velen twistten. Hij zegt,
124
Ef. 4; 1 Fil, 1:27. Col. 1:10. 1 Tliess.2:12.
1 Cor. G : 20. Hebr. 9:12. 1 Petr. 1; 18.
18 I
1 CORINTHE 7 ; 18â20. 125
dat bij God er niets aan gelegen is, of gij een heiden of een Jood zijt. Daarom gebiedt |hij een iegelijk met zijn toestand tevreden te zijn. Men moet altijd weten, dat hier alleen over de wettige roepingen en standen des levens gehandeld wordt, welke door God ingesteld en goed geacht worden.
19 De besnjjdenis is niets. Hoewel deze gelijkenis gepast was tot de tegenwoordige zaak, zoo schijnt hij die met opzet gebruikt te hebben, om het Joodsche bijgeloof, en tevens de opgeblazenheid met korte woorden te gispen: want dewijl de Joden op de besnijdenis roemden, zoo konde het gebeuren, dat velen zich mishaagden om der voorhuid wille, gelijk of hun toestand des te erger geweest ware. Daarom stelt Paulus hen beiden gelijk, opdat de een niet dwazelijk begeerd worde uit haat tegen den ander. Maar dit is te verstaan naar dien tijd, in welken de besnijdenis nu afgeschaft was:
want had hij op het verbond en gebod Gods gezien, zoo zoude hij ze zonder twijfel meer geacht hebben. Hij verkleint wel op een andere plaats de besnijdenis der letter, en zegt, dat zij bij God voor Eoin- 2:2 niets geacht wordt. Maar hier, dewijl hij eenvoudig de besnijdenis
stelt tegen de voorhuid, en beide gelijk maakt, zoo is het zeker, dat hij daarvan gesproken heeft, als van een middelmatig iets, en dat van geen waarde is. Want de afschaffing maakt, dat de verborgenheid, die tevoren daaronder vervat was, nu niet langer daartoe behoort. Ja, dat zij nu niet meer een teeken, maar een zaak zonder eenig gebruik zij: want op deze voorwaarde is de doop in de plaats der besnijdenis gekomen, dat het genoeg zij, dat wij met den Geest van Christus besneden worden, als onze oude mensch met Christus begraven wordt. Maar de onderhouding der geboden. Dewijl dit een van de geboden Gods was, zoo lang de gemeente aan de ceremoniën der wet gebonden was, zoo zien wij, dat hij voor zeker en bekend houdt, dat de besnijdenis afgeschaft is door de komst van Christus, doch alzoo, dat haar gebruik den zwakken en onge-leerden vrij stond, maar nochtans onnut: want Paulus spreekt daarvan als van een zaak zonder waarde, even alsof hij zeide: Dewijl deze dingen uitwendig zijn, zoo laten zij u niet bekommeren, maar geeft liever acht op godzaligheid, en op werken, die God eischt, en alleen in waarde zijn bij God. Dat de papisten deze plaats aanvoeren, om de rechtvaardigheid des geloofs teniet te maken, is kinderachtig. Want Paulus handelt hier niet over de oorzaak der rechtvaardigheid, noch hoe wij die verkrijgen, maar alleen waarop de geloovigen zich moeten toeleggen, alsof hij zeide: Wilt u niet tevergeefs met ijdele dingen bezighouden, maar oefent u liever in de werken, die Gode behagen.
20 Een iegelijk blijve in de roeping. Dit is een hoofdstuk,
waaruit andere dingen afgeleid worden, te weten, dat een iegelijk met zijn roeping tevreden zij, dezelve volge en niet begeere tot andere dingen over te loopen. De roeping in de Schrift is een behoorlijke wijze van leven, want zij ziet en steunt op God, die roept;
opdat niemand deze uitspraak misbruike, om eenige gestalte des levens te bevestigen, die ongoddelijk of zondig is. Maar men mag hier vragen, of Paulus hier eenige verplichting wil stellen: want de woorden schijnen zoo te luiden, dat een iegelijk aan zijn roeping gebonden is, zoodat hij daarvan niet moet afwijken. Maar dit ware veel te hard, zoo een kleermaker geen ander ambacht mocht leeren.
126
zoo een koopman geen landman mocht worden. Ik antwoord, dat dit de meening des apostels niet is: want hij wil alleen die lichtvaardige begeerte bestraffen, waardoor vele menschen gedrongen worden om den stand huns levens te veranderen zonder behoorlijke oorzaak, door superstitie of door eenige andere beweging. Bovendien roept hij een iegelijk ook tot dezen regel, dat zij bedenken wat met hun roeping overeenkomt. Zoo legt hij dan niemand de noodzakelijkheid op, om te blijven in de wijze van leven, die hij eenmaal heeft aangenomen: maar hij veroordeelt meer de ongerustheid, waardoor een iegelijk niet met gerust gemoed in zijn betrekking wandelt, en gebiedt, dat een iegelijk zich oefene in datgene, waartoe hij geroepen is.
21 Zijt gij dienstbaar geroepen? Hier zien wij dat Paulus' oogmerk is, de conscientiën gerust te stellen: want hij gebiedt den dienstknechten goedsmoeds te zijn, en zich niet te ongerust te maken, even alsof de dienstbaarheid hun hinderlijk ware om God te dienen. Zoo vraag dan daar niet naar, dat is, wees niet benauwd, hoe gij het juk moogt afwerpen, alsof die stand den Christenen niet betaamde, maar wees gerust van harte. En hieruit verstaan wij, dat de staten en rangen des levens niet alleen door de voorzienigheid Gods onderscheiden zijn in deze wereld, maar dat hunne bewaring ook door zijn Woord geboden wordt. Maar zoo gij ook kunt vrij worden. Het woordje ook, heeft (naar mijn oordeel) geen anderen nadruk, dan alsof hij gezegd had: Zoo gij voor de dienstbaarheid ook tot vrijheid kunt geraken, dat zal u nuttiger wezen. Het is twijfelachtig, of hij zijn woorden vervolgt tot de dienstknechten, of dat hij zich tot de vrijen wendt; beide zinnen passen niet kwalijk, en komen op hetzelfde uit. Hij wil leeren, dat de vrijheid niet alleen goed is, maar dat zij ook beter is dan de dienstbaarheid. Indien hij de dienstbaren aanspreekt, zal de zin wezen: als ik u gebied gerust van harte te zijn, zoo verbied ik u niet ook de vrijheid te genieten, zoo gij haar bekomt. Indien hij tot de vrijen spreekt, zoo zal het als een soort van toelating zijn, alsof hij zeide: Ik gebied den dienstknechten goedsmoeds te zijn: hoewel de stand der vrijen beter en meer te begeeren is, zoo iemand de keuze gegeven wordt.
22 Want die in den Heere is dienstbaar geroepen. Dienstbaar in den Heere geroepen te zijn, is uit de dienstknechten uitverkoren, en Christus' genade deelachtig te worden. Deze uitspraak is hier gesteld tot vertroosting der dienstbaren, alsmede om den hoogmoed der vrijen te fnuiken. Dewijl de dienstbaren in hun lot verdriet hebben, omdat zij verworpen en verachtelijk zijn voor de wereld, zoo is het nuttig, dat hun de bitterheid der dienstbaarheid door eenige vertroosting verzacht worde. En de vrijen hebben noodig bedwongen te worden, opdat zij zich niet te zeer verheffen en ver-hoovaardigen, omdat zij een eervoller levensstand hebben. Paulus doet dit beide: want dewijl de vrijheid des Geestes veel hooger te achten is dan de vrijheid des vleesches, zoo vermaant hij de dienstbaren, dat hun de moeielijkheid van hun stand verdragelijk behoort te zijn, indien zij maar de onwaardeerbare gave overwegen, die zij ontvangen hebben: dat ook de vrijen zich niet behooren te verheffen, daar zij in het voornaamste stuk aan de dienstknechten gelijk zijn. Hieruit moet men niet verstaan, dat de dienstknechten hooger
1 CORINTHE 7 ; 22â25.
gesteld worden dan de vrijen, of dat de maatschappelijke orde verstoord worde. De apostel zag op wat beiden diende. De vrijen (gelijk gezegd is) moesten zich weerhouden, om door beschimping wreed te zijn tegen de dienstbaren: en den dienstbaren moest men eenigen troost geven, opdat zij den moed niet verloren gaven. En dit dient tot meerdere bevestiging der maatschappelijke orde, als hij leert, dat des vleesches ongerief door de geestelijke gave vergoed wordt.
23 Gij zijt met prijs gekocht. Deze woorden hebben wij ook in het voorgaande hoofdstuk gehad, maar tot een ander einde. Over het woord prijs, heb ik daar mijn gevoelen gezegd. De hoofdinhoud is, dat hij den dienstbaren verbiedt om over hun levensstand bekommerd te zijn, maar veelmeer wil hij dat zij zorgen, dat zij zich niet begeven tot de goddelooze of booze begeerlijkheden hunner meesters en heeren. Wij zijn den Heere heilig, dewijl Hij ons uitverkoren heeft: dat wij ons dan om des menschen wil niet ontheiligen, hetwelk geschiedt, als wij aan hunne booze begeerten gehoorzaam zijn. Deze vermaning is zeer noodig geweest in dien tijd, toen de dienstbaren met dreigingen en slagen, ja ook met verschrikking des doods gedreven werden, om allerlei geboden zonder verkiezen of uitzondering te volbrengen, zoodat onder de diensten der dienstbaren zoowel koppelarijen en andere booze daden als eervolle werken geteld worden. Daarom zondert Paulus terecht uit, dat zij zich niet tot booze en schandelijke diensten begeven. Och, of dit wel en diep in aller menschen harten ingedrukt ware; zoo zouden zich niet zoo velen veil geven aan de wellusten der menschen. Wij zullen bedenken, dat wij Diens zijn, die ons verlost heeft.
24 Blijf daarin bij God. Ik heb boven vermaand, dat hier de menschen niet gedrongen worden door een eeuwige wet nimmermeer den stand des levens te veranderen, zoo zij behoorlijke en genoegzame reden daartoe hebben: maar dat alleen de ongeregelde hartstochten hierdoor gestild en bedwongen worden, waardoor vele menschen herwaarts en derwaarts gedreven worden, zoodat zij met gedurige onrust gekweld worden. Zoo zegt Paulus, dat het voor God evenveel is, wat wijze des levens een iegelijk heeft in dit leven, dewijl de eendracht in de godzaligheid en vreeze Gods door deze verscheidenheid niet verbroken wordt.
25 Van de maagden heb ik geen gebod des Heeren: maar geef raad, als die barmhartigheid verkregen heb van den Heere, om getrouw te zijn.
26 Ik acht dan dat dit goed is om den tegenwoordigen nood, dat het den mensch goed is alzoo te zijn.
27 Zijt gij aan een vrouw gebonden? zoo zoek geen scheiding. Zijt gij vrij van eene vrouw, zoo zoek geen vrouw.
28 En indien gij ook trouwdet, gij hebt niet gezondigd; en indien een jonkvrouw trouwdet, zij heeft niet gezondigd; nochtans zullen dezulken verdrukking in het vleesch hebben: maar ik spaar ulieden.
25 Van de maagden. Nu komt hij op de behandeling van het huwelijk terug, waarmede hij in het begin van het hoofdstuk begonnen was. En wat hij nu zeggen wil, had hij aangeroerd, maar
127
1 CORINTHE 7 : 25, 26.
ietwat duister en kort: zoo verklaart hij nu onbewimpelder wat hij van den maagdelijken staat gevoelt: maar dewijl het een glibberige zaak is, en vol zwarigheid, zoo spreekt hij altijd onder voorwaarde, gelijk wij zullen zien. Maagden neem ik hier voor den maagdelijken staat. Hiervan zegt hij, dat hij geen gebod heeft: want God verkondigt nergens in de Schrift, wie ongehuwd moeten blijven. Ja, Gen- 2:21- dewijl de Schrift zegt, dat zij man en vrouw geschapen zijn, zoo schijnt zij alle menschen gelijkelijk en zonder uitzondering tot het huwelijk te roepen: immers de ongehuwde staat wordt nergens in de Schrift geboden of aangeprezen. Hij zegt, dat hij raad geeft, niet die gelijk een raadsel, en geen of weinig vastigheid heeft, maar die zeker en zonder twijfeling te houden is. En het Grieksche woordje dat hij gebruikt, beteekent niet alleen raad, maar ook een sententie. Hieruit besluiten de papisten verkeerdelijk, dat men buiten het Woord mag gaan, dewijl Paulus niets minder gedacht heeft, van buiten de palen des Woords Gods te treden: want zoo iemand het meer van nabij beschouwt, zoo zal hij zien, dat Paulus hier niets Matt. 5:32; voortbrengt, wat Christus in zijne woorden niet saamgevat heeft bij Mattheus. Maar door een vóórkoming bekent hij, dat hij geen zeker gebod des Heeren in de wet heeft, waarin bepaald wordt, wie den huwelijksstaat behoort aan te nemen, of denzelven niet aan te roeren. Als die barmhartigheid verkregen heb van den Heere om getrouw te zyn. Hiermede geeft hij aan zijn gevoelen gezag, opdat niemand denke, dat het hem geoorloofd is het te verwerpen, zoo hij wilde. Want hij betuigt, dat hij spreekt niet als mensch, maar als getrouw leeraar der gemeente, en apostel van Christus: en dit schrijft hij op zijn wijze der barmhartigheid Gods toe, omdat het geen kleine eer is, ja alle menschelijke verdiensten te boven gaat. Hieruit is het openbaar, dat al wat van menschen in de gemeente gebracht is, niets gelijks heeft aan dezen raad des apostels. Voorts, getrouw beteekent hier waarachtig, die niet alleen uit godzaligen ijver doet, wat hij doet, maar met wetenschap begaafd is, om zuiver en getrouw te leeren. Want het is in een leeraar niet voldoende, dat hij goeden moed hebbe, er moet ook wijsheid en kennis der waarheid bij zijn.
26 Zoo acht ik dan, dat dit goed is. Hoewel ik deze plaats anders overzet dan Erasmus en de oude overzetter, zoo verschil ik nochtans in den zin niet van hen. Zij deelen de woorden zoo, dat tweemaal hetzelfde herhaald wordt: maar ik maak alleen e'e'n voorstel, en dit doe ik niet zonder auteur; want ik volg de oude en getrouwe afschriften, waarin deze woorden zoo gesteld en onderscheiden zijn. De zin is: Ik acht, dat het om den nood, waarmede de heiligen in dit leven gedrongen worden, voordeelig is, dat allen de vrijheid en het gemak van den ongehuwden staat genieten: want dat zou hun passen. Sommigen duiden dezen nood op den tijd des apostels, welke zeker voor alle godzaligen zeer onrustig was: maar 't komt mij beter voor, dat hij die ongerustheid heeft willen be-duiden, waarmede de heiligen altijd in dit leven aangevochten wor-: ,1 den. Daarom strek ik het tot alle tijden uit, en neem het alzoo,
. 1 dat de heiligen dikwerf in de wereld op en nedergeworpen worden,
en aan vele en verschillende stormen onderhevig zijn, zoodat hun toestand tot het huwelijk niet schijnt nut te zijn. Het woord alzoo te zijn, beteekent ongehuwd te zijn, en zich van het huwelijk te onthouden.
;»,
1» 1' '
. »
128
1 CORINTHE 7 : 27, 28.
129
27 Zijt gij aan eene vrouw gebonden? Als hij voorgesteld heeft wat het geriefelijkst is, zoo voegt hij nochtans daarbij, dat het gemak van den ongehuwden staat ons niet behoort te bewegen, om den band des huwelijks te breken, waarmede men gebonden is. Zoo matigt hij dan hier de voorgaande uitspraak, opdat niemand door den lof des ongehuwden staats zou bewogen worden, en het huwelijk versmaden, zijnen nood en zijn roeping vergetende. Voorts, met deze woorden verbiedt hij niet alleen den band des huwelijks te breken, maar houdt ook die walgingen tegen, die plegen te komen: opdat een iegelijk gaarne en vriendelijk zijn wederhelft aanhange. Zijt gjj vry van de vrouw? Dat men dit stuk moet verstaan onder voorwaarde, is openbaar uit den ganschen samenhang. Zoo laat hij dan niet allen de keuze toe om altijd buiten huwelijk te zijn, maar dien het gegeven is. Zoo dan, wie door geenen nood gedwongen wordt, die trekke niet lichtvaardig een strik aan: want de vrijheid moet niet lichtvaardig weggeworpen worden.
28 Indien gij ook trouwt. Dewijl het te vreezen was, dat iemand uit zijn laatste gevoelen zou denken, dat hij God verzocht, zoo hij wetens en willens zich aan het huwelijk verbond (dewijl hij alzoo zijn vrijheid zou verlaten) zoo neemt hij deze zwarigheid weg, want hij laat den weduwenaren toe te trouwen, en zegt dat zij daarin niet zondigen. En het woordje ook, schijnt deze kracht te hebben, dat hij betuigt, dat de weduwenaars, indien zij door geen bijzonderen nood gedrongen worden, nochtans niet verboden worden te trouwen, zoo dikmaals als het hun goeddunkt. En zoo een jonkvrouw trouwde. Hetzij dit een uitbreiding, of eenvoudig een gelijkenis is, zoo is dit eerste buiten twijfel, dat Paulus de vrijheid des huwelijks tot allen heeft willen uitstrekken. Die meenen, dat het een amplificatie of uitbreiding is, die worden daartoe gebracht, dat het meer den schijn van een misslag heeft, en meer kon gelasterd worden: immers meer schaamte heeft de maagdom te verliezen, dan na den dood der wederhelft een ander huwelijk aan te gaan. Zoo zou dan dit het argument zijn: Indien het eene maagd geoorloofd is, een huwelijk aan te gaan, veelmeer dan staat het den weduwen vrij. Maar ik acht meer, dat deze beide dingen gelijk gesteld worden, aldus: Gelijk het eene maagd geoorloofd is, alzoo ook den weduwen: want bij de ouden was het tweede huwelijk meer of minder ge-teekend : want die vrouwen, die hun leven lang met e'e'n huwelijk tevreden waren, werden met een kroon der zedigheid versierd: welke eer tot schande was van die vrouwen, die wederom trouwden. En het is bekend, dat Valerius zegt, dat het een teeken is van rechte onmatigheid, als men het tweede huwelijk begeert. Zoo maakt dan de apostel de jonkvrouwen en de weduwen gelijk in de vrijheid des huwelijks. Nochtans zullen dezulken verdrukking in het vleesch. Hij herhaalt dikwerf de oorzaak, waarom hij in zijne vermaningen tot den ongehuwden staat overhelt, opdat hij den schijn niet geve van den eenen stand op zichzelven boven den anderen te stellen: maar alleen om hetgeen er uit volgt; hij zegt dat vele moeielijkheden het huwelijk aanhangen, en dat hij daarom wilde, dat zij allen van het huwelijk vrij waren, die zonder die moeielijkheden willen zijn. Als hij zegt, dat zij verdrukking des vleesches of in het vleesch zullen hebben, zoo geeft hij daarmede te kennen, dat die zorgvuldigheden en benauwdheden, waarin de getrouwde
9
Dl. 11.
1 CORINTHE 7 ; 28, 29.
lieden komen, voortkomen uit de aardsche zaken. Zoo wordt dan vleesch hier genomen voor den uitwendigen mensch. En sparen, beduidt hier toegeven, of van de verdrukkingen wil verschoonen, die in het huwelijk aanhangen, even alsof hij zeide: Ik begeer uwe zwakheid te hulpe te komen, opdat gij geen verdriet hebt: en het huwelijk brengt veel verdriet mede: dit is de oorzaak, waarom ik wilde, dat het huwelijk voor u geene behoefte ware, opdat gij vrij van alle kwaad moogt zijn. Nochtans moogt gij hieruit niet afleiden, dat Paulus hier het huwelijk een noodzakelijk kwaad noemt: want deze verdrukkingen, waarvan hij spreekt, komen niet zoozeer uit de natuur des huwelijks, als uit de verdorvenheid, want het zijn vruchten der erfzonde.
29 Dit zeg ik u, broeders, dewijl de tijd kort is, zoo moeten zij, die vrouwen hebben, zijn alsof zij geene hadden.
30 En die weenen, alsof zij niet weenden: en die blijde zijn, alsof zij niet blijde waren: en die koopen, alsof zij niets bezaten.
31 En die deze wereld gebruiken, alsof zij ze niet gebruikten: Jes. 40 :C. want de gedaante dezer wereld gaat voorbij.
Jak.1!: 10; 32 Ik wilde, dat gij zonder zorgvuldigheid waart. Die buiten
i i'tt i -'i huwelijk is, die bezorgt wat des Heeren is, hoe hij den Heere
i Tim. ri: 5. zal behagen.
33 Die getrouwd is, die bezorgt de dingen, die deze wereld aangaan, hoe hij zijne huisvrouw zal behagen, en hij is gedeeld.
34 En een ongetrouwde vrouw en een jonkvrouw bezorgt wat des Heeren is, opdat zij heilig zij aan lichaam en aan geest: maar die gehuwd is, die bezorgt hetgeen de wereld aangaat, hoe zij den man zal behagen.
35 Dit zeg ik tot uw voordeel, niet om een strik over u te werpen, maar tot eerbaarheid en betamelijkheid, opdat gij den Heere aanhangt zonder eenige verhindering.
29 Dewijl de tijd kort is. Hij spreekt wederom van het heilig gebruik des huwelijks, om de dartelheid van die menschen te weerleggen, die, als zij vrouwen getrouwd hebben, niet anders bedenken dan wellusten des vleesches, en denken niet op God. Zoo vermaant hij dan de geloovigen, dat zij niet in zóó ongebonden wellust vallen, dat het huwelijk hen de wereld indompele. Het huwelijk is een geneesmiddel tegen onkuischheid: dat is waar, zoo iemand het matig gebruikt. Daarom gebiedt hij de getrouwde lieden, kuisch in de vreeze des Heeren met elkander te leven. Dit zal geschieden, zoo zij het huwelijk gebruiken, als andere hulpmiddelen des aardschen levens, met het hart naar boven gericht tot het bedenken des he-melschen levens. Hij neemt een argument van de kortheid des menschelijken levens. Dit leven (zegt hij) dat wij nu leiden, is vergankelijk en van geen langen duur: daarom zullen wij er ons niet in verwarren. Zoo zullen dan degenen, die vrouwen hebben, zijn alsof zij ze niet hadden. En deze philosophic hebben wel alle menschen in den mond, maar is in het hart van weinige menschen wezenlijk en ernstig ingedrukt. In de eerste overzetting had ik een exemplaar gevolgd, waarmede, gelijk ik naderhand bemerkt heb, geen uit vele overeenkwam. Ik heb daarom goedgevonden er dit
130
1 CORINTHE 7 : 29â-32.
woord dewyl in te voegen, omdat de zin klaarder zou zijn: gelijk ook in sommige oude boeken gelezen wordt. Want dewijl wij in beraadslagingen den toekomenden tijd meer aanzien dan den voorleden, zoo vermaant hij ons van de kortheid des toekomenden tijds. Alsof zij geene hadden. Alle dingen, die tot het gebruik des tegenwoordigen levens dienen, zijn heilige gaven Gods; maar deze verontreinigen wij door het misbruik. Indien men de oorzaak zoekt, wij zullen deze hierin vinden, dat wij altijd een duurzaamheid in de wereld droomen: want hiervan komt het, dat de dingen, die ons hulpmiddelen behoorden te zijn om door te gaan, strikken worden om ons te binden. Zoo dan, om ons deze stompzinnigheid te ontnemen, vermaant hij ons terecht tot aanmerking van de kortheid dezes levens: en besluit daaruit, dat wij alle dingen zóó behooren te gebruiken, alsof wij ze niet gebruikten. Want die bedenkt, dat hij in deze wereld een vreemdeling is, die gebruikt de dingen dezer wereld, alsof ze hem vreemd waren, dat is, als dingen, die ons voor een dag geleend worden. Daarom, het hart van een Christenmensch behoort zich met aardsche dingen niet bezig te houden, noch daarin te rusten. Want hij gebiedt ons zoo te leven, alsof wij elk oogen-blik uit dit leven moesten verhuizen. Door weening en blijdschap, beduidt hij voorspoed en tegenspoed: want het is gebruikelijk, dat de oorzaken door de vruchten te kennen gegeven worden. Hier gebiedt de apostel aan de Christenen niet om hunne bezittingen weg te werpen, maar eischt alleen dit, dat hunne harten niet gehecht worden aan de bezittingen.
31 En die deze wereld gebruiken. In het eerste lid dezer rede is een woord, dat beteekent gebruikende, en in het tweede lid is aan dat woord wat vooraan gezet, dat het woord in een kwaden zin omzet, zoodat het hier beduidt misbruikende. Zoo beduidt dan Paulus hier een sober en matig gebruik, waardoor onze loop geenszins verhinderd of vertraagd wordt, om steeds tot het einde te haasten. Want de gedaante. Met dit woord heeft de apostel zeer wel de ijdelheid dezer wereld uitgedrukt. Er is (zegt hij) niets zekers noch bestendigs, want het is alleen een gedaante of uitwendige schijn. Het schijnt, dat hij gezinspeeld heeft op de tooneelspelen, waarin wanneer de gordijnen weggeschoven worden, terstond in een oogwenk een andere gedaante vertoond wordt, en wat voor de oogen der lieden was, wordt van voor hun blik fluks weggenomen. Ik weet niet, waarom Erasmus dit woord anders heeft overgezet. Voorwaar naar mijn oordeel verduistert hij de leer van Paulus: want de gedaante wordt bedektelijk tegen de substantie gesteld.
32 Ik wilde, dat gij zonder zorgvuldigheid waart. Hij komt wederom tot den raad, welken hij nog niet volledig uitgedrukt had: en ten eerste stelt hij (naar zijne gewoonte) een aanprijzing van den ongehuwden staat, daarna geeft hij een iegelijk vrijheid te verkiezen, wat hij begrijpt hem het nuttigst te zijn. Het is niet zonder reden, dat hij zoo dikmaals terugkomt op den lof van den ongehuwden staat: want hij zag hoe zwaar de lasten des huwelijks zijn. Degene, die daarvan zich kan bevrijden, moet zulk goed niet verachten: en zij, die zich tot het huwelijk schikken, dien is het nut van zulk ongemak tevoren vermaand te zijn, opdat zij daarna zulks onvoorziens bevindende, den moed niet verloren geven. En wij zien, dat dit met velen geschiedt: want als zij zich enkel honig
131
1 CORINTHE 7:32, 33.
voorgesteld hebben, zoo worden zij, door deze hoop bedrogen zijnde, lichtelijk door den kleinsten aanstoot overvallen. Daarom zullen zij intijds weten wat zij te verwachten hebben, opdat zij bereid zijn om alle ding te verdragen. De zin is: Het huwelijk brengt vele afleidingen met zich, van welke ik wilde, dat gij vrij waart. Maar dewijl hij boven verdrukkingen gesteld heeft, en nu van zorg of zorgvuldigheid gewaagt, zoo kon men twijfelen, of deze dingen verscheiden zijn of niet. Ik acht, dat verdrukking ontstaat uit droevige dingen, b. v. uit verlies van vrouw of kinderen, uit gekijf en uit kleine dingen, uit veel verdriet, uit gebreken der kinderen, uit zwarigheid der huishouding en dergelijke dingen: maar zorgvuldigheden acht ik ook in blijde dingen te,zijn, zooals in de zotternijen der bruiloften, in jokkernijen en scherts, en andere dingen, die de getrouwde lieden bekommeren. Die ongetrouwd is, die bezorgt de dingen, die des Heeren zijn. Ziedaar het vrij zijn van zorgvuldigheden, dat hij den Christenen toewenscht, opdat zij al hunne gedachten en oefeningen aan den Heere wijden. Deze vrijheid stelt hij in den ongehuwden staat, daarom begeert hij, dat alle menschen deze vrijheid gebruiken. Nochtans verstaat hij niet, dat dit altijd in den ongehuwden staat is: want de ondervinding bewijst het heel anders in de priesters, monniken en nonnen, wier ongehuwde staat verder van God is, dan men iets zou kunnen bedenken: en ook in zoo vele stinkende hoereerders, die zich daarom van den huwelijken staat onthouden, opdat zij met grooter dartelheid hunne lusten zouden kunnen koelen, en opdat de misdaad niet aan het licht kome. Waar branding is, kan geen liefde Gods zijn. Maar dit is de zin van Paulus: Dat de ongetrouwde vrij is, en niet verhinderd wordt te bedenken wat God aangaat. Deze vrijheid gebruiken de godzaligen: de anderen verkeeren alles tot hun verderf.
33 De getrouwde bezorgt wat de wereld aangaat. Versta door de dingen, die de wereld aangaan, dingen, die dit tegenwoordig leven betreffen: want het woord wereld, wordt hier genomen voor den toestand des aardschen levens. Maar hieruit mocht iemand besluiten, dat dan alle getrouwde menschen vreemd zijn van het rijk Gods, dewijl zij niet anders dan aardsche dingen bedenken. Ik antwoord, dat de apostel spreekt van een deel der gedachten, alsof hij zeide, dat zij zóó met het eene oog op den Heere zien, dat zij het ander op de vrouw vestigen: want het huwelijk is als een pak, waardoor het gemoed van een godzalig mensch niet met zoo on-verhinderden loop tot God voortgaat. Wij zullen altijd bedenken, dat dit niet des huwelijks eigen kwaad is, maar dat het uit der menschen gebrek komt: alzoo vallen die valsche beschuldigingen van Hieronymus, die al deze dingen verzamelt om het huwelijk te lasteren. Want zoo iemand den landbouw, koopmanschap, en andere gestalten des levens veroordeelt, omdat onder zoovele verdorvenheden der wereld, niet één van deze vrij is van eenig kwaad, wie bespot zijn ongeschiktheid niet? Merk dan op, dat alle kwaad, dat in den huwelijken staat is, van elders komt: want de man zou heden door de bijwoning der vrouw niet afgetrokken worden van den Heere, was hij in den onverdorven staat gebleven, en had hij de heilige inzetting Gods niet geschonden: maar de vrouw zou hem tot alle goed een hulpe zijn, gelijk zij tot dit einde geschapen was. Maar iemand mocht zeggen: Indien er altijd zondige en verdoemde
132
1 CORINTHE 7 : 33, 34.
zorgvuldigheden aan het huwelijk kleven, hoe is het dan mogelijk, dat de getrouwde lieden met reine conscientie God aanroepen, en Hem dienen? Ik antwoord, dat er drieërlei zorgvuldigheden zijn: want sommige zorgvuldigheden zijn in zichzelven boos en goddeloos, omdat zij uit mistrouwen komen, van die spreekt Christus, Matth. 6:25. Sommige zijn noodzakelijk, en mishagen Gode niet; gelijk het den vader des huisgezins betaamt, dat hij voor zijne vrouw en kinderen zorgvuldig zij: en God wil niet, dat wij stokken of blokken zijn, zoodat een iegelijk niet voor zichzelven zou zorgen. De derde zijn uit deze beide vermengd, te weten, als wij bezorgen wat ons toekomt te bezorgen, maar om onze aangeboren onmatigheid, veel te vurig daarin zijn. Zoo zijn dan zulke zorgvuldigheden in zichzelven niet kwaad, maar worden kwaad door de ongeregeldheid en onmatigheid. En de apostel heeft hier niet alleen de gebreken willen teekenen, waardoor wij voor God schuldig worden, maar wenscht in het algemeen dat wij, van alle verhinderingen vrij, ons geheel met God bekommeren. En hij is gedeeld. Het is wonder, vanwaar in deze plaats zulke groote verscheidenheid gekomen is. Want de gewone Grieksche tekst is zoo wijd verscheiden van de oude Latijnsche lezing, dat die verscheidenheid niet aan dwaling of onachtzaamheid kan toegeschreven worden, gelijk dikmaals in een letter of in een woord gedwaald wordt. Aldus wordt in den Griek-schen tekst woordelijk gelezen: De getrouwde man bedenkt wat de wereld aangaat, hoe hij de vrouw behage, vrouw en jonkvrouw zijn gedeeld; de ongetrouwde vrouw bedenkt wat des Heeren is, enz. En zij leggen uit, dat gedeeld zijn, geplaatst is voor verscheiden zijn, alsof daar gezegd was: Daar is een groot onderscheid tusschen een getrouwde vrouw en een jonkvrouw. Want de eene is alleen in den Heere bekommerd, maar de ander wordt tot verscheiden dingen getrokken. Maar dewijl deze uitlegging wat vreemd is van de eenvoudige eigenschap des woords, zoo behaagt zij mij niet, voornamelijk dewijl de zin van een andere lezing (die ook in sommige Grieksche uitgaven gevonden wordt) gepaster en minder gedwongen is. Zoo zullen wij het dan aldus verstaan, dat de getrouwde mensch gedeeld is, omdat hij zich eensdeels aan God, en eensdeels aan zijn wederhelft wijdt, en niet ganschelijk aan God.
34 En een ongetrouwde vrouw en een jonkvrouw. Wat hij van de mannen geleerd heeft, zegt hij ook van de vrouwen, te weten, dat de jonkvrouwen en weduwen niet door aardsche dingen worden afgeleid, noch verhinderd al hun zorgen en genegenheden tot God te wenden: niet dat zij het allen alzoo doen, maar omdat zij de bekwaamheid hebben, zoo het gemoed alzoo gevoegd is. Als hij zegt, opdat zü heilig zij aan lichaam en aan geest, zoo toont hij aan, wat de ware en Gode aangename kuischheid zij, te weten, als het gemoed Gode onbesmet bewaard wordt. Och, dat men dit beter opgemerkt had, dan men gedaan heeft. Wat het lichaam aangaat, wij zien hoe de monniken en nonnen, en 't gansche schuim der roomsche priesters, zich in 't gemeen Gode heiligen, wier ongehuwde staat schandelijker is, dan men iets zou kunnen verzinnen. Maar laat ons nu van de kuischheid des lichaams zwijgen. Hoevelen zijn er niet onder degenen, die om den waan der kuischheid wonderlijk geprezen worden, die van vuile lusten blaken! En uit deze uitspraak van Paulus mag men verstaan, dat geene kuischheid
133
1 CORINTHE 7 : 34â36.
Gode behaagt, die niet zoowel der ziele als des lichaams is. Och, of degenen die hoovaardig van de kuischheid snateren, verstonden, dat zij het met God te doen hebben, zij zouden niet zoo stout tegen ons strijden. Hoewel heden ten dage niemand prachtiger over de kuischheid spreekt, dan die openlijk het onbeschaamdste hoereert; en ofschoon zij zich zeer eerlijk gedroegen in der menschen oogen, dat geeft niets, zoo zij niet hun gemoed van alle onreinheid zuiver en ongeschonden bewaren.
35 Dit zeg ik tot uw voordeel. Ziedaar de matigheid des apostels, hoewel hij de verdrietelijkheden, lasten en zwarigheden des huwelijks wist, en aan de andere zijde ook het voordeel, nut en geriet van den ongehuwden staat; zoo durft hij nochtans niets te gebieden. Ja, dewijl hij den ongehuwden staat geprezen had, vreezende dat de lezers, door zulken lof gevangen, bij zichzelven zouden zeggen, wat
Matt. 19: io. de apostelen aan Christus antwoordden, het is dan goed alzoo te zijn, en alzoo hun macht en gave niet aanmerken, zoo betuigt hij hier bijname, dat hij wel vertoont wat het nuttigst is, maar dat hij niemand eenigen nood wil opleggen. En hier hebt gij twee dingen, die waardig zijn op te merken: Het eerste is, tot wat einde de ongehuwde staat te begeeren is, te weten, niet om zijns zelfs wille, noch omdat hij een volmaakter stand des levens is, maar opdat wij zonder verhindering den Heere aanhangen, hetwelk alleen door een Chris-tenmensch behoort aangemerkt te worden in geheel zijn leven. Het ander is, dat men over de conscientiën geenen strik moet werpen, om iemand van het huwelijk te weren, maar dat men een iegelijk zijn vrijheid moet laten. Hoe grootelijks in beide gefaald is, is openbaar. Voorwaar in het tweede zijn zij stouter geweest dan Pau-lus, die niet gevreesd hebben een wet van den ongehuwden staat te maken, waardoor zij aan de gansche geestelijkheid en aan alle priesters het huwelijk verboden hebben: die ook de beloften van eeuwige kuischheid ingesteld en bevestigd hebben: met welke strikken vele honderdduizenden zielen in het eeuwige verderf getrokken zijn. Zoo dan, indien de Heilige Geest door den mond van Paulus gesproken heeft, zoo kunnen de papisten zich niet verontschuldigen, dat zij niet tegen God strijden, als zij de conscientiën daarin binden, waarin Hij ze heeft willen vrij laten: of het moest zijn, dat de Heilige Geest na dien tijd eenen nieuwen raad genomen heeft, om een strik te maken, welken Hij tevoren verworpen had.
36 Zoo het iemand voor zijne jonkvrouw ongevoegelijk acht, zoo zij den bloei van haar leeftijd voorbijgaat, en het alzoo moet geschieden, hij doe wat hij wil, hij zondigt niet, laat ze trouwen.
37 Maar wie vast staat in zijn hart, geen nood hebbende, maar macht hebbende over zijnen wil, en heeft dit voorgenomen in zijn hart, zijn jonkvrouw te bewaren, die doet wel.
38 Alzoo, die zijn jonkvrouw uitgeeft ten huwelijk, die doet wel, en die ze niet uitgeeft, die doet beter.
36 Zoo het iemand. Nu wendt hij zijne woorden tot de ouders, die kinderen onder hun macht hadden. Want als zij den lof van den ongehuwden staat, en ook de zwarigheden des huwelijks gehoord hadden, zoo hadden zij kunnen twijfelen, of het wel redelijk ware hunne kinderen aan zoo vele ellendigheden te onderwerpen, opdat
134
1 CORINTHE 7:36, 37.
zij niet schenen de oorzaken hunner zwarigheden te zijn. Want hoe liever zij hunne kinderen hebben, hoe angstiger zij vreezen voor hen, en de wacht voor hen houden. Zoo dan, om hun deze zwarigheid te benemen, leert Paulus, dat hun ambt is voor hen niet anders zorg te dragen, dan als een iegelijk voor zich zorg dragen moet, als hij zijns zelfs is. En hij behoudt die deeling, die hij dusver gebruikt heeft, te weten, dat hij wel den ongehuwden staat prijst, maar nochtans het huwelijk vrij laat: en niet alleen vrij laat, maar ook laat tot een noodzakelijk middel tegen de onkuischheid, hetwelk men niemand mag weigeren. In het eerste lid spreekt hij van ten huwelijk uit te geven dochters: waarin hij zegt, dat in het uitgeven hunner dochters niet zondigen, die achten, dat de ongehuwde staat haar niet betaamt. Het woord ongevoegelijk, is te verstaan van een bijzondere welvoegelijkheid, die aan elks natuur hangt: want er is een algemeene welvoegelijkheid, welke bij de philosophen een deel der ingetogenheid is, die allen even gelijk toekomt. Daar is ook een andere bijzondere welvoegelijkheid, want den een voegt iets, dat den ander geenszins zou betamen. Zoo moet dan een iegelijk zien (gelijk Cicero zegt) wat persoon de natuur hem opgelegd heeft. Den een zal de ongehuwde staat passen, hij moet alle andere menschen niet met zijnen voet meten; anderen moeten ook niet arbeiden om hem na te volgen, hun macht niet aanziende: want dat is een navolging der apen, die tegen de natuur strijdt. Daarom zoo een vader oordeelt, dat de ongehuwde staat niet past voor den aard zijner jonk-vrouwe, zoo zal hij haar een man geven. Den bloei van den leeftjjd, stelt hij voor den leeftijd, die tot het huwelijk bekwaam is; dezen stellen de rechtsgeleerden van het twaalfde tot het twintigste jaar. Paulus geeft met korte woorden te kennen, hoedanig gerechtigheid en redelijkheid in de ouders behoort te zijn, om naar de teedere en glibberige jaren geneesmiddel te geven, als de kracht der krankheid het begeert En moet alzoo geschieden. Ik versta, dat met deze woorden de zwakheid der dochter beduid wordt, te weten, zoo zij de gave der onthouding niet heeft: want dan dwingt de nood tot het huwelijk. Dat Hieronymus uit deze woorden, hjj zondigt niet, oorzaak neemt om het huwelijk te lasteren, alsof zijn dochter tot huwelijk uit te geven geen prijselijk werk ware, dat is kinderachtig. Want het is Paulus genoeg, dat hij de vaders van schuld bevrijdt, opdat zij niet zouden achten, dat het onbeleefd of onredelijk ware, dat zij hunne dochters aan de moeielijkheden des huwelijks onderwerpen.
37 Maar wie vast staat in zijn hart. Dit is het tweede lid, waarin hij handelt over de dochters, aan wie het gegeven is, dat zij zich van liet huwelijk kunnen onthouden. Zoo prijst hij dan die vaders, die de rust voor hunne dochters zoeken: maar men moet zien, wat hij hier eischt. Ten eerste, stelt hij een vasten wil, zoo iemand dat bij zichzelven voorgenomen heeft. Nochtans zal men hier niet verstaan een voornemen der monniken, dat is, een gewillige verbinding tot eeuwige dienstbaarheid: want van dien aard is de belofte, die zij voornemen; maar hij maakt duidelijk van deze vastigheid gewag, dat de menschen dikmaals zulke plannen voornemen, die hun des anderen daags berouwen: dewijl hier van een ernstige zaak gehandeld wordt, zoo eischt hij wel beraden overleg. Ten andere, neemt hij de noodwendigheid weg: want velen gebruiken
135
1 CORINTHE 7 : 37, 38.
136
meer eigenzinnigheid dan rede in het beraden. En in de tegenwoordige zaak zien zij niet wat zij vermogen, als zij het huwelijk vaarwel zeggen, maar het is hun genoeg te zeggen, ik wil. Paulus wil, dat ook de macht daarbij is, dat zij niets onbezonnen aannemen, maar naar de mate der genade, die haar gegeven is. Deze uitzondering der noodwendigheid verklaart hij bekwamelijk met het navolgende woord, als hij wil, dat zij macht hebben over hunnen wil. Want dat is even alsof hij zeide, ik wil niet, dat zij raadslagen, eer zij weten, dat haar de macht om te volbrengen gegeven is: want tegen Gods ordening te strijden, is lichtvaardig en verderfelijk. Maar (mocht iemand zeggen) naar dezen grond, zijn de beloften niet te verwerpen, mits deze voorwaarden er bij waren. Ik antwoord, wat de gave der kuischheid aangaat, dat men, dewijl wij onzeker zijn van den wil Gods voor het toekomende, niets moeten vaststellen voor het gan-sche leven. Laat ons de gave gebruiken, zoolang zij ons gelaten wordt, en middelerwijl onszelven den Heere bevelen, bereid om te volgen, waartoe hij ons roept. Heeft in zijn hart voorgenomen. Dit schijnt Paulus er bijgevoegd te hebben, om te beter uit te drukken, dat de vaders naarstelijk naar alle zijden behooren om te zien, eer zij de zorg en het plan om hunne dochters ten huwelijk uit te geven, afleggen. Want zij weigeren dikmaals het huwelijk door schaamte, of daardoor dat zij zichzelven niet kennen: nochtans zijn zij ondertusschen niet te min wellustig genegen, en op een hellend vlak om bedrogen te worden. Hier moeten de vaders overleggen wat haar nut is, opdat zij door hunne voorzichtigheid hare onwetendheid of verkeerde begeerte zuiveren. Deze plaats dient om der vaderen macht te bevestigen, welke macht men heilig behoort te achten, dewijl zij uit het algemeene recht der natuur vloeit. En indien in andere mindere handelingen den kinderen niets toegelaten wordt zonder de autoriteit der ouderen: zoo betaamt hun veel minder in de aanneming des huwelijks toe te geven. En dit is wel naarstig in het burgerlijk recht verordend, maar voornamelijk in de wet Gods: zooveel te verfoeielijker is de goddeloosheid van den paus, die zoowel het Goddelijk als het menschelijk recht verwerpende, bestaan heeft de kinderen vrij te maken van het juk en van de onderdanigheid der ouders. Maar het is nut de reden aan te teekenen. Dit is (zegt hij) om de waardigheid van het sacrament. (Ik laat de onwetendheid, daar, dat zij uit het huwelijk een sacrament maken.) Maar ik bid u, hoedanig is de eer of waardigheid, als men tegen de algemeene eerbaarheid aller volken, tegen de eeuwige ordinantie Gods in, aan den lust der jongelingen toegeeft, zoodat zij zonder schaamte hem opvolgen onder den dekmantel van een sacrament. Zoo zullen wij dan weten, dat in de handeling van kinderen ten huwelijk uit te geven, de autoriteit der ouders voornamelijk geëischt wordt, mits zij die niet wreedelijk misbruiken: gelijk zij ook in de burgerlijke rechten beperkt wordt. En als de apostel hier eischt, dat de kinderen gevoelen, dat zij vrij zijn, en geen nood hebben: zoo geeft hij te kennen, dat de raad der ouders naar der kinderen nut moet gevoegd worden. Zoo zullen wij dan bedenken, dat deze matiging een rechte en behoorlijke regel is, dat de kinderen zich laten re-geeren door de ouders: en dat de ouders hunne kinderen niet tegen hunnen wil trekken, waar zij niet willen komen, en in hun macht op niets anders letten dan op der kinderen nut en voordeel.
1 CORINTHE 7 : 38, 3Q.
38 Alzoo, die zjjn jonkvrouw uitgeeft. Dit is een besluit der beide voorgaande stukken, waarin hij met korte woorden de ouders bevrijdt van schuld, indien zij hunne dochters ten huwelijk uitgeven:
betuigt nochtans, dat zij beter doen, zoo zij ze vrij van het huwelijk,
tehuis houden. Nochtans zal men niet verstaan, dat hier de ongehuwde staat boven het huwelijk gesteld wordt, anders dan met de boven omschreven uitzondering. Want daar de macht niet is, daar zal de vader zeer kwalijk doen, die zijn dochter van het huwelijk zal zoeken te houden, en zal dan geen vader, maar een wreede tyran zijn. De hoofdzaak der gansche handeling komt hierop neer, dat de ongehuwde staat beter is dan het huwelijk, omdat daarin grooter vrijheid is, opdat de menschen met minder verhindering God dienen.
Dat men nochtans geen nood mag stellen, dat een iegelijk het huwelijk niet zoude mogen aannemen, zoo hij het goed acht; en dat het huwelijk door God tot een remedie onzer zwakheid is verordend,
hetwelk die allen moeten gebruiken, die de gaven der onthouding niet hebben. Een iegelijk, die gezond van zin is, zal met mij bekennen en belijden, dat de gansche leer van Paulus over deze zaak in deze drie stukken vervat wordt.
39 De vrouw is aan de wet gebonden, zoolang haar man leeft: Rom- 7 :1-maar indien haar man ontslapen1) is, zoo is zij vrij om te l) Dat is, getrouwen, dien zij wil, doch in den Heere.
40 Maar zij is gelukkiger, indien zij alzoo blijft, naar mijn ge- 1 Thess. 4:8. voelen; ik acht, dat ik ook den Geest Gods heb.
39 De vrouw is. Hij heeft boven over vrouwen en mannen in het gemeen gesproken, maar dewijl de vrouwen schijnen konden minder vrij te zijn, om de beschaamdheid der vrouwelijke kunne, zoo achtte hij het noodig ook over haar iets bijzonders te gebieden.
Zoo leert hij dan nu, dat de vrouwen niet meer verhinderd worden dan de mannen, uit den weduwstaat tot een tweede huwelijk te komen. Wij hebben boven verhaald, dat de vrouwen, die een tweeden man begeerden, eenigszins zijn onkuisch geacht, en dat bijna tot schande van haar, zij, die met één man tevreden waren geweest,
met een kroon der eerbaarheid plegen begiftigd te worden. Ja wat meer is, deze meening heeft voorheen onder de Christenen plaats gevonden: want de tweede huwelijken worden niet gezegend, en sommige conciliën hebben den geestelijken verboden op zulke bruiloften te zijn. Zulke tirannie straft Paulus hier, en zegt dat men de weduwen niet moet verhinderen wederom te trouwen, zoo het haar goeddunkt. Of wij lezen, dat de vrouw aan, of door de wet is gebonden, is weinig aan gelegen, zeker niets wat den zin aangaat.
Want de wet verkondigt, dat de vereeniging van man en vrouw onscheidbaar is. Indien wij lezen aan de wet, zoo zal daardoor macht en onderworpenheid beduid worden. Hij voert een bewijs uit het tegengestelde, want indien de vrouw aan des mans leven gebonden is, zoo wordt zij dus door zijn dood vrij: en als zij vrij is,
mag zij trouwen, dien zij wil. Als het woord slapen beduidt sterven, zoo moet men het niet van de ziel, maar van het lichaam verstaan: hetwelk uit het bestendig gebruik der Schrift openbaar is. Onverstandig gaan dus eenige geestdrijvers te werk, als zij uit dit woordje een strik spannen, om te bewijzen dat de zielen, die van
137
1 CORINTHE 7 : 39, 40â8.
hunne lichamen gescheiden zijn, gevoelen noch verstand, dat is, geen eigen leven hebben. Doch in den Heere. Zij meenen, dat dit er bijgevoegd is, om als in 't voorbijgaan te vermanen, dat men geen juk moet trekken met de goddeloozen, en dat men hun gezelschap niet moet begeeren; en hoewel ik beken, dat dit waar is, zoo oordeel ik toch dat het wijdere strekking heeft, te weten, dat zij het godzaliglijk en in de vreeze des Heeren zullen doen; want alzoo worden de' huwelijken gelukkig begonnen.
40 Maar zy is gelukkiger, indien zij alzoo blijft. Waarom? Omdat de weduwstaat op zichzelf een deugd is? Neen, maar omdat deze minder aftrekking zal hebben, en vrijer wezen van aardsche zorgvuldigheden. Dat hij hierbij voegt, naar mijn gevoelen, daarmede verstaat hij geen twijfelachtige meening, maar het is zooveel alsot hij zeide, dat zoo zijn oordeel over deze zaak is: want hij voegt terstond daarbij, dat h|j den Geest Gods heeft, hetwelk genoeg is tot volkomen en grondig gezag. Nochtans schijnt het niet zonder bedekte scherts te zijn, dat hij zegt: ik acht. Want daar de valsche apostelen telkens met opgeblazen kaken van den Geest Gods roemden, om zich gezag aan te trekken, en het aan Paulus te onttrekken, zoo zegt hij, dat het hem voorkomt, dat hij niet minder den Heiligen Geest bezit dan zij.
HET ACHTSTE HOOFDSTUK.
1 Voorts, van de dingen, die den afgoden geofferd worden, wij weten, dat wij allen wetenschap hebben: de wetenschap blaast op, maar de liefde sticht.
2 Maar indien iemand zichzelven schijnt iets te weten, die weet nog niets, gelijk men het behoort te weten.
3 Maar zoo iemand God liefheeft, die is van Hem bekend.
Bom. 14:14. 4. Van het eten der dingen, die den afgoden geofferd worden, wij
Deut. 4:39. weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen
Ef' 4 : ^ ander God is dan een.
5 Want hoewel er zijn, die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden zijn, en vele heeren.)
Mai. 2;io. Q Zoo hebben wij nochtans maar éénen God, den Vader, uit wei-
Kom.' 11:36. ken alle dingen zijn, en wij in Hem: en één Heere Jezus Chris-
^0-- tus, door welken alle dingen zijn, en wij door Hem.
rn. 2:ii. 7 Maar de wetenschap is niet in allen: want sommigen met een
icor. 10:28. geweten des afgods, eten ook nu als den afgoden geofferd, en
hun geweten wordt besmet, dewijl het zwak is.
Nu komt hij tot een ander punt, dat hij in het zesde hoofdstuk alleen aangeroerd, maar niet verklaard had. Want toen hij gesproken had over de gierigheid der Corinthiërs, en die redeneering besloten had met deze uitspraak: noch gierigaards, noch roovers, noch hoereerders, enz. zullen het rijk Gods bezitten: was hij daarna gekomen tot de vrijheid der Christenen, alle dingen zijn mij geoorloofd. Door deze gelegenheid was hij gekomen tot de ver-u komt hij tot een ander punt, dat hij in het zesde hoofdstuk alleen aangeroerd, maar niet verklaard had. Want toen hij gesproken had over de gierigheid der Corinthiërs, en die redeneering besloten had met deze uitspraak: noch gierigaards, noch roovers, noch hoereerders, enz. zullen het rijk Gods bezitten: was hij daarna gekomen tot de vrijheid der Christenen, alle dingen zijn mij geoorloofd. Door deze gelegenheid was hij gekomen tot de ver-
138
1 CORINTHE 8:1.
melding der hoererij: daarna tot het huwelijk. Zoo vervolgt hij dan nu ten laatste wat hij aangeroerd had van de middelmatige dingen, te weten, hoe de vrijheid in de middelmatige dingen te matigen zij. Middelmatige dingen noem ik, die in zichzelven noch goed noch kwaad zijn, welke God aan onze macht onderworpen heeft. Maar wij moeten in het gebruik maat houden, opdat er onderscheid zij tusschen vrijheid en ongebondenheid. Ten eerste neemt hij een soort, dat boven andere opmerkelijk is, waarin de Corinthiërs zwaarlijk zondigden: dat zij naar de algemeene feestmalen gingen, die door de afgodendienaars aangericht werden tot eere der goden, en de spijze, die hun geofferd was, zonder onderscheid aten. Dewijl hieruit veel ergernis ontstond, zoo leert Paulus, dat zij de vrijheid, die hun door den Heere gegeven is, verkeerd gebruiken.
i Van de dingen, die den afgoden geofferd worden. Hij begint met een toelating, waarmede hij hun vanzelf geeft, en bekent al wat zij zouden begeerd of tegengeworpen hebben: alsof hij zeide, ik zie hoedanig voorwendsel gij hebt: gij maakt aanspraak op de Christelijke vrijheid, gij werpt ons tegen, dat gij de wetenschap hebt, en dat niemand onder u in zoo groote dwaling verkeert, dat hij niet zou weten, dat er een eenig God is. Ik geef toe, dat dit alles waar is: maar wat nut heeft eene wetenschap, die den broederen verderfelijk is? Zoo dan, wat zij begeeren, geeft hij hun alzoo toe, om te leeren dat hunne ontschuldigingen ijdel en van geene waarde zijn. De wetenschap blaast op. Uit de vruchten bewijst hij, hoe ijdel de roem der wetenschap zij, waar geen liefde is; alsof hij zeide, waartoe is zulke wetenschap nuttig, waardoor wij opgeblazen en hoovaardig worden, dewijl het der liefde eigen is te stichten? Deze plaats, welke anders door de kortheid wat duister is, zal lichtelijk aldus kunnen verstaan worden: al wat ontbloot is van liefde, is niets geacht bij God, ja het mishaagt Hem, hoeveel te meer wat openlijk tegen de liefde strijdt. En deze wetenschap, waarop gij roemt, o Corinthiërs, staat lijnrecht tegen de liefde over: want zij blaast de menschen op met hoogmoed en doet hen de broeders te verachten: maar de liefde is voor de broeders bezorgd, en vermaant ons tot hunne stichting. Zoo is het dus een vervloekte wetenschap, die de menschen hoogmoedig maakt, en is niet door begeerte om te stichten gematigd. Voorts, Paulus heeft deze fout niet aan de leer willen toerekenen, dat degenen die geleerd zijn, dikwerf zichzelven behagen, en zichzelven verheffen, niet zonder versmading van anderen: hij heeft ook niet verstaan, dat dit de natuur der leer is, dat zij hoovaardigheid voortbrengt, maar hij heeft eenvoudig willen leeren, wat de wetenschap in den mensch uitwerkt, waar geen vreeze Gods, noch de broederlijke liefde is: want de goddeloozen misbruiken alle gaven Gods om zichzelven te verheffen. Aldus: rijkdom, eer, waardigheid, edelheid, schoonheid, en andere dergelijke dingen, blazen op: omdat de menschen door verkeerd betrouwen op die dingen opgeblazen, ten meestendeele wreed zijn. Nochtans is dit niet altijd het geval: want wij zien dat velen, die rijk en schoon zijn, en die in eere bloeien, en die met waardigheid begaafd zijn, en die edel zijn, nochtans een zedig gemoed, en geen hoovaardigheid hebben. En als het geschiedt, zoo betaamt het niet, dat men daarom die dingen zal lasteren, die baarblijkelijk gaven Gods zijn: want dit zoude onbillijk en ongerijmd zijn: en als wij alzoo de schuld op de
139
1 CORINTHE 8 ; 1â4.
onschuldige dingen leggen, zoo bevrijden wij de menschen zeiven, die alleen in de schuld zijn. Dit is het, wat ik zeg: Indien de rijkdom van nature de menschen hoovaardig maakt, zoo is een rijk mensch die hoovaardig is, niet te berispen: want het kwaad komt uit den / rijkdom. Zoo moet men het dan aldus nemen, dat de wetenschap
in zichzelve goed is, maar dat zij in de goddelooze menschen ijdel i en onnut wordt, dewijl de godzaligheid haar eenige grondslag is: en
dat zij, als de liefde verwijderd is, smakeloos wordt. En in waarheid, waar geen ernstige kennis Gods is, die ons vernedert, en leert den broederen nuttig te zijn, zoo is het meer een waan der wetenschap, dan wetenschap, ook in degenen, die men voor de geleerdsten houdt. Nochtans is de wetenschap daarom niet meer te lasteren, dan het zwaard als het in de hand van een razend mensch komt. Dit zij gezegd om eenige uitzinnige menschen, die tegen alle kunsten en vrije wetenschappen razen: even alsof zij alleen dienden om de menschen op te blazen, en niet zeer nutte instrumenten der god-1 zaligheid en des gemeenen levens waren. En zij zeiven, die ze hierom
lasteren, zijn zoo vol hoovaardigheid, dat zij het oude spreekwoord waar maken, te weten, dat er niet hoovaardigers is dan onwetendheid.
2 Maar indien iemand zichzelven schijnt. Hij schijnt zichzelven wat te weten, die met den naam der wijsheid zichzelven behagende, de anderen als uit de hoogte veracht. Want Paulus veroordeelt hier niet de wetenschap, maar de eerzucht en hoogmoed, die de onheilige menschen daaruit trekken. Want anders wil hij niet, dat wij t wij-felaars zijn, die altijd in het onzekere zijn en in twijfel hangen: hij prijst ook geen bedriegelijke en geveinsde bescheidenheid, alsof het goed ware, dat wij meenden niet te weten, wat wij weten. Daarom die zichzelven schijnt iets te weten, dat is die door den waan der wetenschap opgeblazen is, zoodat hij zich boven anderen verheft, en bij zichzelven wijs is, die weet nog niets, gelijk hij behoort te weten. Want het begin der ware wetenschap is de kennis Gods, welke ootmoed en onderworpenheid in ons baart, ja, die ons eerder geheel nederwerpt dan verheft. Waar hoovaardigheid is, daar is geen wetenschap Gods. Dit is een schoone plaats: och, of zij van allen wel geleerd worde, opdat zij mochten den regel der wetenschap weten. Maar zoo iemand God liefheeft. Dit is het besluit, waarmede hij bewijst, wat in de Christenen het meest prijselijk is, en de wetenschap en alle andere gaven prijselijk maakt, te weten, indien wij God liefhebben, want indien dit geschiedt, zoo zullen wij ook onzen naaste in Hem liefhebben. Op deze wijze zullen alle onze handelingen goed gematigd, en daarom Gode aangenaam wezen. Zoo bewijst hij uit de gevolgen, dat geen leer prijselijk is, die niet met de liefde Gods is besprengd: want deze maakt alleen, dat de gaven, die in ons zijn. Hem aangenaam worden : gelijk in den Tweeden 2 Oor. 5; 17. zendbrief staat: Zoo iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel: waarmede hij te kennen geeft, dat zonder den Geest der wedergeboorte, alle andere dingen, wat schijn zij ook mogen hebben, van geene waarde zijn. Van God bekend worden, is zooveel als in eenige plaats geacht, of onder de kinderen Gods gerekend worden, 'i Aldus heeft hij alle hoovaardige menschen uit het boek des levens,
en van de lijst der godzaligen uitgeroeid.
4 Van het eten der dingen. Hij komt nu weder tot die uitspraak, waarmede hij begonnen was, en spreekt duidelijker over
140
1 CORINTHE 8:4, 5.
het voorwendsel der Corinthiërs. Want dewijl al het kwaad uit dezen wortel sproot, dat zij zichzelven behaagden, en anderen verachtten,
zoo heeft hij de opgeblazen wetenschap in het gemeen veroordeeld, die zonder liefde was: en nu verklaart hij bijzonder, hoedanig die wetenschap was, waarop zij roemden, te weten, dat een afgod een ijdel gedichtsel van het menschelijk vernuft is, en dat men hem daarom voor niet moet achten: dat dan ook die heiliging, die in des afgods naam geschiedt, een dwaze bedenking, en van geene waarde is. Dat derhalve een Christenmensch niet besmet wordt, die zonder een geweten des afgods eet, wat den afgoden geofferd is.
Dit is de inhoud der ontschuldiging, welke door Paulus niet als valsch verworpen wordt, want zij bevat eene zeer schoone leer, maar omdat zij ze tegen de liefde misbruikten. Wat de woorden aangaat, Erasmus heeft aldus overgezet: Wjj weten, dat er geen afgod is. Maar ik wil liever aldus: Dat de afgod niets is, gelijk het ook de oude overzetter gesteld heeft. Want dit is het bewijs: De afgod is niets,
want er is e'én eenig God. Want dit volgt wel: Indien er geen ander God is, dan onze God: zoo is dan de afgod een ijdele droom en loutere ijdelheid. Als hij zegt: En dat er geen ander God is dan één, zoo neem ik dat woordje en voor want. Want daarom is een afgod of beeld niets, omdat het uit de afgebeelde zaak gewaardeerd en geacht moet worden. Nu, het wordt verordend om God te vertegenwoordigen, ja om valsche goden te vertegenwoordigen, dewijl er ée'n onzienlijk en onbegrijpelijk God is. En men moet de reden naarstig aanmerken: De afgod is niets, omdat er niet meer dan één God is. Want deze God is onzienlijk, en kan door geen e*-33:20-teeken voor oogen gesteld worden, om daarin geëerd te worden. j0ij.'i; is.' Daarom, hetzij dat de afgoden en beelden opgericht worden, om J f â 12' den waarachtigen God, of om valsche goden af te beelden, altijd zijn zij een verdraaid en boos gedichtsel. Daarom heeft Habakuk Ha,)-2:18-de afgoden genoemd: vertooningen der valschheid omdat zij de figuur of het beeld Gods voorstellende, liegen, en de menschen met valschen titel bedriegen. Daarom is het woordje niets, niet te verstaan van het wezen, maar van de hoedanigheid. Want de afgod is uit eenige materie gemaakt, van zilver, of van hout, of van steen. Maar dewijl God op deze wijze niet wil voorgesteld of afgebeeld worden, zoo is hij ijdel en niets, wat de beduiding en het gebruik aangaat.
5 Want hoewel er zjjn, die goden genaamd worden. Zij hebben (zegt hij) den naam, maar de zaak is er niet. Genaamd worden, heeft hij gesteld voor door de meening der menschen geacht worden. En hij heeft een algemeene verdeeling gemaakt, als hij zegt:
In den hemel of op de aarde. De goden, die in den hemel genoemd worden, zijn de hemelsche heirscharen, gelijk de Schrift ze noemt, de zon, maan, en andere sterren. Maar hoever zij van de Godheid afzijn, bewijst Mozes daaruit, dat zij schepselen zijn tot ons gebruik geschapen. De zon is onze dienstmaagd, de maan evenzoo. Hoe groote ongerijmdheid is het dan, dat men haar Goddelijke eer bewijst? Aardsche goden worden naar mijn oordeel eigenlijk genoemd mannen en vrouwen, voor welke de godsdienst ingesteld was. Want de gedachtenis van hen, die voor het menschelijk geslacht zich zeer verdienstelijk gemaakt hadden, is door eenige religie gewijd, (gelijk Plinius zegt) zoodat zij als goden geëerd
141
1 CORINTHE 8:5, 6.
werden: gelijk Jupiter, Mars, Saturnus, Mercurius, Apollo, welke sterfelijke menschen waren, maar na hun dood tot het getal der goden gebracht: en anderen, die daarna geweest zijn, als Hercules, Romulus, en ten laatste de keizers: even alsof de menschen, die , / zich noch leven, noch onsterfelijkheid kunnen geven, naar hun
goeddunken goden konden maken. Daar zijn ook andere aardsche ) goden, hetzij uit de beesten of uit de onredelijke creaturen: gelijk
de goden der Egyptenaren, te weten, een os, een slang, een kat, look, ajuin: en bij de Romeinen, de steen Terminus, en de steen i ' Vesta. Zij zijn dus goden met den naam. Maar Paulus zegt, dat hij
naar al zulke vergodingen niet vraagt.
6 Zoo hebben wij nochtans maar éénen God. Hoewel Paulus dit zegt als door een vóórkoming, zoo-brengt hij nochtans de ont-V. schuldiging der Corinthiërs zóó bij, dat hij tevens leert: want uit
hetgeen God allereigenlijkst toekomt, bewijst hij, dat er een eenig God is. Al wat zijn oorsprong van elders heeft, is niet eeuwig, zoo â - y * is het ook geen God. Alles heeft zijnen oorsprong van Eenen: zoo
is dan die alleen God. Wederom, deze is eerst waarachtig God, die allen dingen hun wezen geeft, uit welken alles vloeit, als uit het '' eerste begin. Nu, er is maar e'én, uit welken alles vloeit, zoo is er
ctvróv. dan een eenig God. Als hij daarbij voegt: En wij in Hem, zoo verstaat hij, dat wij ons wezen in God hebben, gelijk wij eenmaal door Hem geschapen zijn. Want hoewel deze woorden in het Grieksch , . wat anders schijnen te luiden, te weten, dat wij gelijk wij ons begin
van Hem hebben, alzoo ons leven tot Hem behooren te voegen, ; als tot zijn behoorlijk einde, in welke beteekenis het genomen wordt,
«irw. Rom. 11 : 39, zoo beduiden zij nochtans hier in Hem: gelijk zij door de apostelen gewoonlijk gebruikt worden. Zoo beduidt hij dan, - dat wij, gelijk wij eenmaal door God geschapen zijn, alzoo ook door
zijn kracht in onzen stand behouden worden. Dat dit de zin is, 1 blijkt uit hetgeen hij onmiddellijk daarop van Christus zegt, te weten,
dat wij door Hem zijn. Want hij heeft den Vader en den Zoon gemeenschappelijke werking willen toeschrijven, maar met een onderscheiding, die den personen betaamde. Zoo heeft hij dan gezegd, dat wij in den Vader ons wezen hebben, doch door den Zoon. Want de Vader is wel het fundament van alle zijn: maar gelijk wij door den Zoon Hem aanhangen, alzoo stort Hij ook door Denzelven de kracht zijns wezens in ons uit. Ãén Heere. Dit wordt van Christus gezegd ten aanzien des Vaders. Want al wat Gode toekomt, dat komt ook met recht Christus toe, wanneer geene personen vermeld worden. Maar dewijl hier de persoon des Vaders vergeleken wordt met den persoon des Zoons, zoo onderscheidt de apostel terecht de eigenschappen. De Zoon Gods, in het vleesch geopenbaard zijnde, heeft van den Vader heerschappij en macht over alle dingen ontvangen, zoodat Hij alleen heerscht in den hemel en op de aarde, en dat de Vader door diens hand zijn heerschappij oefent. Op dezen grond wordt Hij onze eenige Heere genoemd. Voorts, dat de heer-â x- schappij Hem alleen toegeschreven wordt, dat is niet om de ordi-
-vi â¢; i ' 'r
i nantiën in de wereld weg te nemen: want Paulus spreekt hier van
de geestelijke heerschappij: en de heerschappijen dezer wereld zijn politisch. Gelijk toen hij zoo even zeide: Velen worden heeren genoemd, dat sprak hij niet van de koningen of anderen, die in graad en waardigheid uitmunten: maar van de afgoden of duivelen, wien
142
1 CORINTHE 8:6, 7.
de dwaze menschen uitnemendheid of heerschappij toedichten. Zoo dan, dat onze religie eenen eenigen Heere erkent, verhindert niet, dat er vele heeren in de maatschappij zijn, welken men eer en eerbied in dezen eenigen Heere schuldig is.
7 Maar de wetenschap is niet in allen. Met e'én woord weder-legt hij al wat hij dusverre op hun zijde heeft voortgebracht, te weten, dat het niet genoeg is, ofschoon zij weten, dat het recht is wat zij doen, tenzij zij ook op de broeders acht hebben. Toen hij boven zeide: wij weten, dat wij allen wetenschap hebben, sprak hij van hen, die hij om het misbruik der vrijheid bestrafte: en nu vermaant hij, dat er vele zwakken en ongeschikten onder hen vermengd zijn, naar welke zij zich behooren te voegen, even alsof hij zeide: Gij hebt wel een goed oordeel voor God; zoo gij alleen in de wereld waart, stond het u even vrij afgodenoffer te eten als eenige andere spijze. Maar ziet rondom op uwe broeders, wier schuldenaars gij zijt: gij weet het, zij weten het niet: gij moet uwe handelingen niet alleen voegen naar uwe wetenschap, maar ook naar hun onkunde. Dit antwoord is zeer waardig opgemerkt te worden: want niets gaat lichter, dan elk zijn eigen nut volgen, geen acht hebbende op zijn naaste. Daarom rusten wij gaarne op ons eigen oordeel, en bedenken niet dat het oordeel dier werken, die wij voor der menschen oogen doen, niet alleen hangt aan onze conscientie, maar ook aan de conscientie onzer broederen. Sommigen met een geweten des afgods. Dit is hun onkunde, dat zij met eenigen bijgeloovigen waan bevangen waren, alsof de afgod eenige kracht had, en alsof er eenige kracht in de goddelooze en afgodische wijding en heiliging ware. Paulus spreekt niet van de afgodendienaren, die ganschelijk van de religie vreemd waren: maar van de ongeleerden, die nog niet zóó wel onderwezen waren, dat zij zouden verstaan hebben, dat de afgod niets is, en dat ook daarom de heiliging, die in des afgods naam geschiedde, van geene waarde was. Zoo hebben zij dan aldus gerekend: Dewijl de afgod wat is, zoo is de heiliging niet volslagen ijdel, die in deszelfs naam geschiedt. Zoo is dan die spijze niet rein, die eenmaal den afgoden geofferd is. Zoo achtten zij, dat zij wat besmet werden, zoo zij ze aten, en dat zij eenigszins aan den afgod deelachtig waren. Dat is de ergernis, die Paulus in de Corinthiërs bestraft, als wij de zwakke broeders door ons voorbeeld dwingen iets tegen het geweten te bestaan. En hun geweten. God wil niet, dat wij iets beginnen noch aangaan, of wij moeten zeker weten Hem aangenaam te zijn. Daarom al wat met twijfelachtig geweten geschiedt, dat is om zulke twijfeling voor God misdadig. En dit is het, wat hij zegt, Rom. 14: 23, Dat het al zonde is wat uit het geloof niet is. Zoo is het dan waar, wat men pleegt te zeggen, dat die tot verdoemenis bouwen, die tegen het geweten bouwen. Want gelijk de goedheid der werken uit de vreeze Gods, en uit de rechtheid des gewetens vloeit, alzoo is daarentegen geen werk naar den schijn zoo goed, dat het niet door booze genegenheid des harten besmet wordt. Want zoo wie iets bestaat met tegenstrijdend geweten, die geeft daarmede eenige verachting Gods te kennen. Want dat is een getuigenis der vreeze Gods, als wij in alle dingen op zijnen wil zien. Zoo is het dan niet zonder verachting, zelfs een vinger te verroeren, wanneer het onzeker is, of het Hem mishaagt. Daar is ook aangaande de spijze
143
1 CORINTHE 8 : 7â9.
een andere reden: want zij wordt ons niet dan door zijn Woord
1 Tim. 4:5. geheiligd. Wanneer dat Woord er niet is, zoo blijft daar alleen be
smetting: niet omdat de schepselen Gods besmet zijn, maar dewijl het gebruik des menschen onrein is. Eindelijk, gelijk de harten
Hand. 15:9.
door het geloof gereinigd worden, alzoo is buiten het geloof niets rein voor God.
Rom. U:l7. 8 De spijze maakt ons Gode niet aangenaam: want wij zijn ook
niet te overvloediger, zoo wij ze eten, noch te gebrekkelijker, zoo wij ze niet eten.
Gal. s: 13. 9 Maar ziet toe, dat niet eenigszins deze uwe macht den zwak
ken ergerlijk zij.
10 Want zoo iemand u (hoewel gij de wetenschap hebt) aan der afgodentafel ziet zitten, zal zijn geweten (hoewel hij zwak is in het geloof) niet gesticht worden om te eten, dat den afgoden geofferd is ?
Rom. 14:15. 11 En uw broeder, die zwak is, zal verderven in uwe wetenschap,
om welken Christus gestorven is?
12 Als gij alzoo zondigt tegen de broeders, en hun geweten wondt, zoo zondigt gij tegen Christus.
Rom. 14:21. 13 Daarom, indien de spijze mijnen broeder ergert, zoo zal ik in
2 Cor. li: 29. eeuwigheid geen vleesch eten, opdat ik mijnen broeder niet
ergerlijk zij.
8 De spijze maakt ons Gode niet aangenaam. Dit was of kon
zijn een andere voorwending der Corinthiërs, dat de godsdienst niet in spijze gelegen was: gelijk Paulus zelf leert aan de Romeinen,
Rom. 14:17. dat het rijk Gods niet is spijs of drank. Paulus antwoordt, dat men nochtans moet toezien, dat onze macht den naasten niet hinderlijk zij. Waarmede hij stilzwijgend toegeeft, dat er voor God niets aan gelegen is, wat spijze wij eten, dewijl hij ons het vrije gebruik toelaat, wat het geweten aangaat: maar dat deze vrijheid in het uitwendig gebruik aan de liefde onderworpen is. Zoo was dan het argument der Corinthiërs niet goed, dewijl zij van een deel tot het geheel besloten. Want in het gebruik wordt de reden der liefde ingesloten. Zoo is het dan zeker, dat de spijze ons Gode niet aangenaam maakt: en dit bekent Paulus, maar hij zondert de liefde uit, die ons van God bevolen is, en het is niet geoorloofd haar te vergeten. Want wij zijn ook niet te overvloediger, zoo wü ze eten. Hij spreekt hier niet van den overvloed des buiks: want die gegeten heeft, die heeft den buik voller dan die nuchter is. Maar hij wil zeggen, dat wij niet rechtvaardiger, noch onrechtvaardiger worden door het eten of niet eten. Bovendien spreekt hij niet van allerlei eten of niet eten. Want onmatigheid en overdaad mishagen Gode op zichzelf, en de soberheid en matigheid behagen Hem. Maar wij moeten verstaan, dat het koninkrijk Gods, hetwelk geestelijk is, niet in deze uitwendige onderhoudingen is gelegen: en dat daarom de middelmatige dingen niet gelden voor God. Hoewel hij dit in den anderen persoon als door een vóórkoming voortbrengt, zoo laat hij nochtans toe, dat het waarachtig is: want het is genomen uit zijn leer, welke wij boven aangeroerd hebben.
9 Maar ziet toe, dat niet eenigszins deze uwe macht den
144
1 CORINTHE 8:9â11.
zwakken ergerlijk zjj. De vrijheid laat hij onverkort. Het gebruik matigt hij zooverre, dat het de zwakken niet ergere. En hij wil bij-name, dat men acht hebbe op de zwakken, dat is, op degenen, die nog niet wel bevestigd zijn in de leer der godzaligheid. Want dewijl zij meestal plegen versmaad te worden, zoo wil en gebiedt God, dat men acht op hen zal hebben. Ondertusschen geeft hij bedektelijk te kennen, dat de sterke reuzen gerust kunnen veracht worden, zoo zij onze vrijheid met geweld aan hun goeddunken willen onderwerpen : want men moet de ergernis niet vreezen van hen, die niet door zwakheid getrokken worden om te zondigen, maar begeerig zoeken wat zij mogen bestraffen. Wat hij door de ergernis verstaat, zullen wij terstond zien.
10 Want zoo iemand u ziet. Hieruit ziet men duidelijker, hoe groote vrijheid de Corinthiërs zichzelven vergunden; want als de ongeloovigen eenig heilig feestmaal den afgoden hielden, zoo aarzelden zij niet daar te komen, om mede van de offerande te eten: nu bewijst Paulus wat kwaad daaruit kwam. Voorts, dat ik in het eerste deel voor gij, die de wetenschap hebt, heb gesteld: hoewel gij de wetenschap hebt; en in het tweede deel, voor die zwak is, heb gesteld: hoewel hjj zwak is, dit was mij noodig, om den zin van Paulus te verklaren. Want hij gebruikt een toelating, even alsof hij zeide: Het zij zoo, gij moogt de wetenschap hebben: maar degene, die u ziet, al is het dat hij geen kennis heeft, wordt nochtans door uw voorbeeld gesterkt om datzelve te doen, en zonder voorbeeld en voorganger zou hij nimmermeer daartoe gekomen zijn: maar nu, als hij iemands voorbeeld navolgt, zoo meent hij daarin genoegzame verontschuldiging te hebben, dat hij een ander navolgt, hoewel hij het met een boos geweten doet. Want zwakheid beteekent hier ongeschiktheid of twijfelachtigheid des gewetens. Het is mij niet verborgen, hoe anderen het uitleggen. Want door de ergernis verstaan zij, dat de ongeleerden door eens anders voorbeeld bewogen, meenen dat zij alzoo Gode eenigen godsdienst doen: maar deze gedachte is vreemd aan den zin van Paulus. Want hij berispt hen, dat zij de onervarenen stout maakten, om tegen hun geweten te doen wat zij meenden, dat hun niet geoorloofd was. Gesticht worden, beduidt hier zooveel als versterkt worden. Want dat gebouw is bouwvallig, dat niet op de gezonde en godzalige leer gefundeerd of gegrond is.
145
11 En uw broeder, die zwak. Zie hoe groot kwaad het is, hetwelk de menschen in 't gemeen klein achten, te weten, dat men iets aangaat met twijfelachtig of tegenstrijdend geweten. Want het einde en wit, waarheen wij al ons leven behooren te strekken, is de wil des Heeren. Zoo is het dan dit eene, dat al onze werken besmet, te weten, als wij tegen den wil Gods doen: en dit geschiedt niet alleen met het uitwendig werk, maar ook met de gedachten des harten, als wij ons iets veroorloven met tegenstrijdend geweten, ook al is dit in zichzelf niet boos. Laat ons dan bedenken, dat wij in het verderf loopen, zoo dikwerf wij tegen het geweten in voortgaan. Voorts de zinsnede, zal verderven in uwe wetenschap, lees ik vragenderwijze, alsof hij zeide: Is het redelijk, dat uwe wetenschap uwen broeder een oorzaak des verderfs zal aanbrengen? Of weet gij daarom wat recht is, om een ander te verderven? Het woord broeders heeft hij gesteld, opdat hij hun hoogmoed van
10
Dl. II.
1 CORINTHE 8 : 11â13.
groote onbeleefdheid zou veroordeelen, in dusdanigen zin: Hij, dien gij veracht, is wel zwak, maar nochtans een broeder: want God heeft hem aangenomen. Zoo zijt gij dan wreed, dat gij op uwen broeder geen acht hebt. Maar wat volgt, is nog gewichtiger, te weten, dat de onervarenen en zwakken door het bloed van Christus zijn verlost. Want niets is onwaardiger te zeggen, dan dat Christus niet geaarzeld heeft te sterven, opdat de zwakken niet zouden vergaan, en dat wij de zaligheid van hen zoo klein achten, die door zoo grooten prijs verlost zijn. Dit woord is waardig, dat men het in gedachtenis houde; het leert ons, hoe hoog wij der broederen zaligheid behooren te achten: niet alleen van alle broederen in 't gemeen, maar ook van elk, dewijl het bloed van Christus voor een iegelijk vergoten is.
12 Als gij alzoo zondigt tegen de broeders, en. Want indien de ziel van eiken zwakke de prijs is des bloeds van Christus, zoo bewijst hij wel, hoe gering hij het bloed van Christus acht, die om een weinig spijze, zijn broeder, die door Christus verlost is, wederom in het verderf stoot: zoo is dan zulk eene versmading openbare lastering tegen Christus. Hoe het zwakke geweten gewond wordt, is reeds gezegd, te weten, wanneer het tot kwaad gesticht wordt.
13 Daarom indien de spijze mijn broeder ergert. Opdat hij hun dartelen hoogmoed te strenger geesele, zoo zegt hij niet alleen, dat men zich liever van één maaltijd moet onthouden, dan dat de broeder beleedigd worde: maar dat men ook zijn gansche leven lang het eten van het vleesch moet vaarwel zeggen: en hij gebiedt niet alleen wat men behoort te doen, maar zegt dat hij alzoo zou doen. En hoewel het een hyperbolische of overdrevene wijze van spreken is, omdat het nauwelijks mogelijk is, dat iemand zijn gansche leven lang zich van vleesch onthoude, zoo hij in het gemeenschapsleven blijft: zoo geeft hij nochtans te kennen, dat hij liever nimmermeer zijn vrijheid zal gebruiken, dan dat hij den zwakken ergernis zou geven. Want nooit is een ander dan matig gebruik geoorloofd, naar den regel en mate der liefde. Och, of dit wel overwogen, die alles zóó tot hun voordeel wenden, dat zij zelfs geen haarbreed van hun recht willen wijken om der broederen wil: en niet alleen aanmerkten wat Paulus leert, maar ook wat hij door zijn voorbeeld voorschrijft. Hoe hoog staat hij boven ons! Dewijl hij dan niet weigert zich aan de broederen te onderwerpen, wie onzer behoort dan niet dezelfde voorwaarde aan te nemen? Voorts, hoewel deze leer zwaar is te onderhouden, nochtans is zij wat den zin aangaat licht, ware het niet, dat sommigen haar door onbekwame uitleggingen, en sommigen door goddelooze beschuldigingen vervalschten. Allen dwalen in het woord ergeren. Want zij nemen ergeren, voor in haat en wangunst der menschen te komen, of, wat bijna hetzelfde is, voor doen wat hun mishaagt, of niet behaagt. Maar uit het verband der woorden is het zeer klaar, dat het niets anders is, dan door zijn boos voorbeeld den broeder te verhinderen in zijnen rechten loop, of hem oorzaak tot vallen te geven. Zoo handelt dan Paulus niet van der menschen gunst te behouden, maar van de zwakken behulpzaam te zijn, dat zij niet vallen, en hen voorzichtig te regeeren, opdat zij van den rechten weg niet afwijken. Maar de eersten zijn ongeschikt (gelijk ik gezegd heb) en de anderen zijn ook onbeschaamd. Zij zijn ongeschikt, omdat zij
146
1 CORINTHE 8 : 13.--9. 147
den Christenen bijna geen gebruik der middelmatige dingen toelaten, om de bijgeloovigen niet te ergeren. Zij zeggen, Paulus verbiedt hier alles waaruit ergernis komt. Nu, des Vrijdags vleesch te eten, is niet zonder ergernis, daarom moet men zich van vleesch onthouden, niet alleen als er zwakke broeders tegenwoordig zijn, maar altijd, zonder eenige uitzondering: want zij zouden het kunnen vernemen. Ik ga voorbij, dat zij het woord ergeren, verkeerd nemen, maar zij dwalen daarin, dat zij niet aanmerken, dat Paulus hier uitvaart tegen hen, die hunne wetenschap onbetamelijk voor de zwakken misbruiken: welke zij vergeten te leeren. Zoo zal dan deze berisping geen plaats hebben, wanneer er leering voorgaat. Bovendien, Paulus gebiedt ons niet, dat wij zullen gissen of het ook tot ergernis zal strekken wat wij doen, anders dan als wij het gevaar voor oogen zien. Nu kom ik tot de anderen: Deze zijn valsche Nikodemussen, die onder dit voorwendsel zich naar de goddeloozen voegen in de gemeenschap der afgoderij, en verontschuldigen zich niet alleen daarover, dat zij kwalijk doen, maar willen ook anderen tot dezen nood dwingen. Men kan niets klaarders zeggen om hun verkeerde veinzing te veroordeelen, dan wat Paulus hier leert, te weten, dat die allen Gode en den menschen gruwelijk onrecht doen, die door hun voorbeeld de zwakken tot afgoderij trekken. Nochtans grijpen zij dit schild aan, om te bewijzen, dat men de bijgeloovig-heden in de harten der ongeleerden moet voeden, en dat men hen in de afgoderij moet voorgaan, opdat zij niet door een vrije verwerping der afgoderij geërgerd worden. Daarom zal ik hun die eer niet doen, om vele woorden te gebruiken, ten einde hun onbeschaamdheid te wederleggen: ik vermaan de lezers alleen, dat zij den tijd van Paulus vergelijken met onzen tijd, en daaruit beoor-deelen of men met zulke groote ergernis der zwakken, bij de missen en andere gruwelijkheden mag tegenwoordig zijn.
HET NEGENDE HOOFDSTUK.
1 Ben ik niet vrij? ben ik niet een apostel? heb ik niet Christus Hand.9:3,i7. Jezus onzen Heere gezien? Zijt gij niet mijn werk in den 2 cor'. 12â -2. Heere ?
2 Indien ik anderen geen apostel ben, 200 ben ik nochtans u een apostel: want het zegel mijns apostelschaps zijt gij in den Heere.
3 Dit is mijn bescherming bij degenen, die mij onderzoeken.
4 Hebben wij seen macht om te eten en te drinken? 1 Cor- 9 'â u.
1 Thess. 2 : 6
5 Hebben wij geen macht een zuster tot vrouw mede te leiden, ge- 2 Thess! 3 ⢠9-lijk ook de andere apostelen en de broeders des Heeren, en Céfas ? Mattii. 8:14.
6 Of heb ik alleen en Barnabas geen macht om dit te doen?
7 Wie heeft ooit op zijn eigen kosten gekrijgd? Wie plant eenen wijngaard, en eet niet van zijne vruchten? Wie weidt een kudde, en eet van de melk der kudde niet?
8 Zeg ik dit naar den mensch?
9 Zegt ook de wet ditzelve niet? want in de wet van Mozes is
1 CORINTHE 9:1.
geschreven: Gij zult den dorschenden os den muil niet toebinden. Zorgt God ook voor de ossen?
10 Of zegt Hij, dat ganschelijk om onzentwil? En voorwaar het is om onzentwil geschreven. Want die ploegt, moet op hope ploegen: en die dorscht, op hope deelachtig te worden.')
11 Indien wij u geestelijke dingen gezaaid hebben, is het veel, dat wij uwe vleeschelijke maaien?
12 Indien anderen deze macht over u gebruiken, behooren wij niet veel meer? Maar wij hebben deze macht niet gebruikt, maar lijden het alles, opdat wij aan het Evangelie van Christus geen ergernis geven.
i en ik niet vry? Hij bevestigt met de zaak zelve wat hij ge-p^zegd heeft, dat hij liever nooit vleesch zou eten al zijn leven ^lang, dan dat hij zijnen broeder zou ergeren: en hij bewijst tevens, dat hij niets meer van hen eischt, dan hij zelf gedaan heeft. En voorwaar de natuurlijke billijkheid eischt dit, dat een iegelijk dat recht houde, dat hij over anderen brengt. Voornamelijk legge een Christenleeraar zich dezen nood op, dat hij altijd met het voorbeeld zijns levens, zijne leer bevestige. Wij bevinden, dat het ons zeer zwaar is, wat Paulus van de Corinthiërs eischte, te weten, dat zij om der broederen wil zich zouden onthouden van de macht, die hun toegelaten is. Hij zou dit nauwelijks verkregen hebben, had hij zelf niet eerst den weg gewezen. Hij had wel beloofd dit te doen, maar dewijl hij dit voor het vervolg belovende, niet door allen zou geloofd geweest zijn, zoo brengt hij voort wat hij reeds gedaan heeft. Hij brengt een schoon bewijs voort, dat hij de vrijheid, die hij anders had kunnen gebruiken, alleen daarom verlaten heeft, opdat hij den valschen apostelen geen oorzaak zoude geven tot lasteren, te weten, als hij zijne nooddruft liever met zijne handen heeft willen winnen, dan door de Corinthiërs onderhouden te worden, aan welke hij het Evangelie bediende. Dit recht der apostelen ten aanzien van het aannemen van levensonderhoud en kleederen, vervolgt hij met vele woorden; eensdeels, opdat hij ze te beter ontstake, om vele dingen naar zijn voorbeeld om der broederen wil te verlaten, dewijl zij te zeer op hun eigen recht stonden: anderdeels ook, om de ongerechtigheid der valsche beschuldigers te klaarder uit te drukken, die oorzaak tot achterklappen namen uit hetgeen geenszins te bestraffen was. En hij spreekt vragenderwijze, om de zaak te stijver te dringen. Als hij zegt: Ben ik niet vrij ? spreekt hij in 't generaal. Als hij daarbij voegt: Ben ik geen apostel? zoo vermeldt hij een gestalte der vrijheid: even alsof hij zeide: Indien ik een apostel van Christus ben, waarom zal mijn conditie niet zoo goed zijn als der anderen? Zoo bewijst hij dan zijn vrijheid, omdat hij een apostel is. Heb ik niet Christus Jezus onzen Heere. Dit heeft hij bijname er bijgesteld, opdat hij in geenen deele minder zoude geacht worden dan de andere apostelen: want de kwaadwilligen en nijdigen basten telkens dit eene, dat hij al wat hij van het Evangelie had, door der menschenhanden had ontvangen, dewijl hij Christus nooit gezien had. En zeker hij had met Christus in de wereld niet verkeerd: maar Christus was hem na zijne opstanding verschenen. En dat hij Hem in zijne onsterfelijke glorie gezien heeft, dat is niet minder dan of hij Hem in de neder-
148
Deut. 25 :4. 1 Tim. 5 ; 18.
l)Au(l.:en die dorscht op hope, moet zijner hope deelachtig zijn.
Kom. If): 27.
Gal. 6:6. Hand. 20: 'S'.i. 2 Cor. 11:9; 12:13.
1 CORINTHE 9 1 1â3.
heid des sterfelijken vleesches gezien had. Dit gezicht meldt hij ook in hfdst. 15 :8, en in de Handelingen der Apostelen wordt tweemaal iJla(!ia- 'J:3 daarvan melding gemaakt. Zoo dient dan dit om zijn roeping te bewijzen ; want hoewel hij niet als een uit de twaalven was verordend,
zoo is nochtans de autoriteit en macht dier verordening niet minder, die Christus uit den hemel verkondigd heeft. Zijt gü niet mijn werk in den Heere? Nu bewijst hij in de tweede plaats zijn apostelambt uit de werken, dewijl hij de Corinthiërs voor Christus gewonnen had door het Evangelie. Dit is veel, dat Paulus zich toeschrijft, als hij hunne bekeering zijn werk noemt: want het is als een nieuwe schepping der ziel. En hoe zal dit overeenkomen met hetgeen wij boven gezegd hebben, die plant is niets, en die nat maakt is niets ? Ik antwoord: dewijl God de werkende oorzaak is, en de mensch met zijn prediking, een instrument, dat door zich-zelve niets vermag, zoo moet men altijd van de kracht der bediening alzoo spreken, dat de gansche lof van het werk bij God alleen blijve. Maar somtijds, als men van de bediening spreekt, wordt de mensch met God vergeleken, en dan heeft dit plaats, die plant is niets,
en die nat maakt is niets. Want wat kan de mensch behouden,
als hij met God deelt? Daarom, als de Schrift op God ziet, zoo maakt zij de dienaars tot niets: maar als er enkel van den dienst gesproken wordt, zonder vergelijking met God, dan wordt de kracht van den dienst met schoonen lof versierd, gelijk te dezer plaats.
Want dan wordt niet gehandeld over wat de mensch in zichzelven vermag, zonder God, maar God zelve de auteur wordt met het instrument, en de kracht des Heiligen Geestes, met des menschen arbeid te zamen gevoegd: dat is, daar wordt niet gehandeld over wat de mensch zelf door zijn eigen macht doet, maar over wat God door des menschen hand doet.
2 Indien ik anderen geen apostel ben, zoo ben ik nochtans u een apostel. De hoofdzaak dient hiertoe, opdat hij de autoriteit van zijn apostelambt buiten twijfel stelt bij de Corinthiërs. Zoo daar (zegt hij) eenigen zijn, die betrekkelijk mijn apostelambt twijfelen, zoo moet het nochtans bij u buiten twijfel zijn: want dewijl ik door mijnen dienst uwe gemeente geplant heb, zoo moet gij mij voor uwen apostel erkennen, of gij zijt niet geloovig. En opdat hij niet schijne alleen op woorden te steunen, zoo verhaalt hij, dat de zaak zelve voorhanden is, dewijl God het apostelambt van Paulus door het geloof der Corinthiërs verzegeld had. Indien iemand hier tegenwerpt, dat dit ook van de valsche apostelen mag gezegd worden, die zichzelven discipelen verzamelen, zoo antwoord ik, dat voornamelijk de zuivere leer geëischt wordt, opdat iemand bevestiging van den dienst voor God hebbe uit de vruchten. Zoo hebben dan de bedriegers geen oorzaak om hier in zichzelven te behagen, indien zij door hunne leugenen wat volks, ja ook geheele volken en rijken bedrogen hebben. En ofschoon zij somtijds bij gelegenheid het rijk Gods verbreiden, die nochtans het Evangelie niet oprechtelijk verkondigen, (gelijk gezegd wordt Fil. 1 : 15) zoo is het nochtans niet zonder reden, dat hij uit de vruchten besluit, dat hij door God gezonden is. Want de stichting der Corinthische gemeente was zulk eene,
dat de zegening Gods lichtelijk daarin gezien werd, welke krachtig moest zijn om Paulus' ambt te verzegelen.
3 Dit is mijn bescherming. Boven de voornaamste zaak, die
149
1 CORINTHE 9 : 3â5.
hij nu behandelt, schijnt hij als in 't voorbijgaan de valsche beschuldiging dier menschen te wederleggen, die zijn roeping weder-spraken, alsof hij een uit de verachtelijke dienaren geweest ware. Ik (zegt hij) ben gewoon u als onverschilligen te houden, als iemand de eer van mijn apostelschap benadeelt. Hieruit volgt, dat de Co-rinthiërs zichzelven onrecht en ongunst bewijzen, zoo zij hem als i zoodanig niet erkennen: want indien hun geloof een openbare be
tuiging was van het apostelschap van Paulus, en een verdediging tegen de valsche beschuldigers: zoo kon ditzelfde apostelambt niet verward worden, of hun geloof moest ook vallen: Daar anderen lezen, die mij vragen, heb ik overgezet die mij onderzoeken. Want hij beduidt hen, die om zijn apostelschap twisten, en hem wilden controleeren, gelijk men zegt.
Y 4 Hebben wij geen macht om te eten? Uit hetgeen nu gezegd
is, besluit hij, dat hij recht had kost en kleederen van hen te nemen, want Paulus at en dronk, maar niet op kosten der gemeente. Zoo was dan dit nu ééne vrijheid, waarvan hij zich nu onthield: en ten andere, dat hij geen vrouw had, die ook op kosten der gemeente gevoed wordt. Hoewel Eusebius uit deze woorden besluit, dat Paulus een vrouw had, en haar een zekere plaats gelaten had, opdat zij voor de gemeenten niet ten last ware: maar dit besluit is verkeerd, want hij kon dit wel zeggen, hoewel hij geen vrouw had. Dat hij een Christelijke vrouw teekent met den naam van zuster, daarmede verklaart hij ten eerste, hoe vast en lieflijk de vereeniging der godzalige echtgenooten moet zijn, welke met dubbelen band gesloten wordt. Daarna geeft hij ook te kennen hoe groote matigheid en eerbaarheid onder hen behoort te zijn. Hieruit mag men ook besluiten, dat het huwelijk den dienaren der gemeenten niet vreemd is. Ik zwijg er van dat de apostelen zeiven vrouwen hadden, van welker voorbeeld terstond zal gesproken worden. Maar Paulus leert hier in 't gemeen, wat allen menschen geoorloofd is.
5 Gelijk ook de andere apostelen, en de broeders des Heeren. Nadat hij de toelating des Heeren voorgesteld heeft, zoo voegt hij daarbij ook het gebruik der andere apostelen. En om deze aflating zijns rechts te meer te verheffen, zoo gaat hij bij trappen op. Ten eerste, zegt hij, de apostelen; daarna voegt hij er bij, de broeders .'â ï des Heeren zeiven gebruiken vrouwen zonder bezwaar: ja zelfs Pe-
' trus doet dit, wien met aller bewilliging de eerste plaats gegeven
wordt. Door de broeders des Heeren verstaat hij Jakobus en Jo-Gai. 2:9. hannes, die als pilaren geacht waren, gelijk hij elders zegt. En hij noemt broeders des Heeren, naar de gebruikelijke wijze der Schrift, die van zijn maagschap waren. Zoo iemand hieruit het pausdom wil bevestigen, die zal belachelijk doen: wij bekennen wel, dat Petrus de voornaamste onder de apostelen geacht is, gelijk het altijd noo-dig is in elke vergadering, dat er iemand is, die de anderen voorgaat. En zij eerden van zelfs Petrus, om de uitnemende gaven, die Vquot;' in hem krachtig waren: gelijk het betaamt allen in eere en waarde
i,A; te houden, die door Gods gaven uitmunten. Maar deze voorrang
'quot;A ' was geen heerschappij, zelfs had hij niets, dat naar heerschappij
* zweemde. Want gelijk hij onder de anderen uitmuntte, alzoo was hij
ook zijnen ambtgenooten onderdanig. Voorts is het een ander ding, de eerste plaats te hebben in ée'n gemeente, dan het rijk of de heer-^ gt;' V schappij over de gansche wereld aan zich te trekken. Hoewel als
150
t gt;â
1 CORINTHE 9 : 5â8.
wij alles met betrekking tot Petrus toegaven, wat dient dit den paus ? Want gelijk Matthias in Judas' plaats is gekomen, alzoo kon een of andere Judas in Petrus' plaats komen. Ja wij zien, dat nu meer dan negenhonderd jaren lang, onder al zijne navolgers (immers die zich-zelven roemden navolgers te zijn) niemand geweest is een haar beter dan Judas. Maar het is hier de plaats niet om over deze dingen te handelen, men leze onze «Institutie of onderwijzing.quot; Bovendien moet men hier e'én ding aanmerken. Te weten, dat de apostelen van het huwelijk niet gegruwd hebben, hetwelk de pauselijke priesters zoo zeer vervloeken, alsof het de heiligheid hunner orden onwaardig was. Maar daarna is die fraaie wijsheid geboren, dat de priesters des Heeren ontreinigd worden, zoo zij wettige vrouwen nemen. En eindelijk is het zoover gekomen, dat de paus Syricius niet geaarzeld heeft het huwelijk te noemen onreinigheid des vleesches, waarin niemand God kan behagen. Wat zal dan den ellendigen apostelen geschieden, die tot hun dood in deze onreinigheid volhard hebben? Maar hier hebben zij een schoone spitsvondigheid bedacht, waarmede zij mochten ontkomen. Want zij zeggen, dat de apostelen het huwelijksbed verlaten hebben, doch dat zij de vrouwen met zich geleid hebben, om de vruchten van het Evangelie te ontvangen, dat is, voedsel uit de algemeene kosten. Maar dit is, alsof zij van de gemeenten niet hadden kunnen gevoed worden, zonder her- en derwaarts om te dwalen, en even alsof het geloofelijk ware, dat zij uit eigen beweging, en zonder eenige noodzakelijkheid geloopen hadden, om als lediggangsters van de gemeente te leven. Want dat het Ambro-sius van andere vrouwen uitlegt, die uit liefde tot de leer de apostelen volgden, dat is hard en gedwongen.
7 Wie heeft ooit op zijn eigen kosten. De Grieksche tekst heeft den tegenwoordigen tijd, krijgt, voor pleegt te krygen, hetwelk ik nochtans om hardheid te vermijden, in den voorleden tijd gesteld heb. Voorts met drie gelijkenissen die uit het gewone leven der menschen genomen zijn, bevestigt hij, dat het hem geoorloofd was, indien hij gewild had, uit de algemeene bezoldiging der gemeente te leven: om te toonen dat hij voor zich niets anders neemt, dan wat de beleefdheid en menschelijkheid zelve leert. De eerste is genomen van het krijgsrecht, want men pleegt den soldaten spijze te verzorgen uit de staatskas. De tweede is genomen van den wijngaardenier. Want de landman plant den wijngaard niet om arbeid vergeefs te doen, maar om vrucht te verzamelen. De derde is genomen van de veehoeders: want de herder dient niet tevergeefs, maar eet van de melk der kudde, dat is, hij wordt uit de vrucht gevoed. Dewijl de natuurlijke gerechtigheid leert, dat dit zeer billijk is, wie zal zoo onbillijk wezen, dat hij aan de herders der gemeente den leeftocht zoude weigeren. En ofschoon het geschieden kan, dat sommigen op hunne eigene kosten krijgen, gelijk voorheen de Romeinen, toen zij nog geene schattingen gaven, en geene tollen gezet waren, dat strijdt niet tegen Paulus' woorden, want hij redeneert alleen uit de gebruikelijke en overal aangenomen gewoonte.
8 Zeg ik dit naar den mensch? Opdat niemand zoude zeggen, dat het iets anders is in de dingen des Heeren, en dat hij daarom zooveel gelijkenissen tevergeefs bijgebracht heeft, zoo voegt hij nu daarbij, dat ditzelve ook door den Heere geboden wordt. Naar den mensch spreken, is somtijds uit het verkeerde gevoelen des
151
1 CORINTHE 9 : 8â10.
harten spreken, gelijk Rom. 3 :5, maar hier beduidt het, dat hij alleen die dingen voortbrengt, die onder de menschen gebruikelijk zijn, en alleen bij de menschen plaats hebben. Dat God ook zelf heeft gewild, dat der menschen arbeid met loon vergolden worde, bewijst hij daaruit, dat Hij verbiedt den dorschenden os den muil toe te binden: en opdat hij dit op de tegenwoordige zaak tehuis-brenge, zoo zegt hij, dat God niet voor de ossen heeft gezorgd, maar dat Hij meer op de menschen gezien heeft. Ten eerste kan men hier vragen, waarom hij bij voorkeur dit bewijs verkoren heeft, dewijl hij wel veel klaarder plaatsen in de Schrift had, gelijk Deut. 24: 14, Het loon des arbeiders zal bij u niet slapen. Maar zoo het iemand nader aanmerkt, die zal bekennen, dat in dit getuigenis meer kracht is, waarin de Heere nopeijs de beesten beveelt: want daaruit besluit hij van het mindere tot het meerdere, hoe groote gerechtigheid hij onder de menschen eischt, dewijl Hij wil, dat deze ook aan de onredelijke dieren onderhouden worde. Dat hij zegt, dat God voor de ossen niet zorgt, moet men niet zóó verstaan, alsof hij de ossen van de voorzienigheid Gods wilde uitsluiten, daar Hij zelfs het minste muschje niet uitsluit: noch ook alsof hij dat gebod naar allegorische wijze wilde uitleggen, gelijk sommige zwijmelgeesten hieruit aanleiding nemen, om alles tot allegoriën te maken: zoo maken zij uit honden menschen, en uit boomen engelen, en verderven de gansche Schrift door met haar te spelen. Maar de zin van Paulus is eenvoudig deze: Dat de Heere gebi.edt redelijkheid te gebruiken jegens de ossen, dat doet Hij niet om der ossen wil, maar meer met het oog op de menschen, om welker wil ook de ossen geschapen zijn. Zoo moet dan diezelfde goedertierenheid, die men aan de ossen bewijst, ons een oefening zijn om de redelijkheid onder ons te verwekken: gelijk Salomo zegt, Spr. 12 : 10, Een rechtvaardig man draagt zorg voor zijn vee, maar der boozen hart is wreed daartegen. Versta het dus zoo, dat God niet zoo voor de ossen zorgt, dat Hij deze wet alleen daarom gegeven heeft: want Hij heeft op de menschen gezien, en heeft ze willen wennen tot gerechtigheid, opdat zij den arbeider zijn loon niet zouden onthouden. Want de os doet het meeste niet in het ploegen of dorschen, maar de mensch, door wien de os tot het werk gebruikt wordt. Daarom dat hij terstond er bijvoegt : Die ploegt, moet op hope ploegen, enz., dat is een verklaring van het gebod, even alsof hij zeide, dat het in 't gemeen uitgestrekt wordt tot allerlei arbeidsloon.
id Want die ploegt,, moet op hope ploegen. Dit wordt op tweëerlei wijze gelezen ook in de Grieksche afschriften, maar de eene lezing is de meer gangbare: Die dorscht op hope, zijner hope deelachtig te worden. Hoewel de lezing eenvoudiger en oprechter schijnt, die in het tweede deel het woord hope niet tweemaal herhaalt. Daarom, zoo ik vrijelijk mocht kiezen, zou ik liever aldus lezen: Die ploegt, moet op hope ploegen, en die dorscht, op hope van deelachtig te zijn. Nochtans dewijl de Grieksche boeken meest in de eerste lezing overeenkomen, en de zin dezelfde blijft, zoo heb ik daarvan niet durven afwijken. Hij verklaart het voorgaande gebod: daarom zegt hij, dat het onrecht zou zijn, dat een landman in het ploegen en dorschen, zijnen arbeid tevergeefs deed, maar dat de hope van de vrucht te genieten, het
152
1 CORINTHE 9 ; 10â12.
einde is van den arbeid. Dewijl het alzoo is, mag men daaruit besluiten, dat dit ook den ossen aangaat: maar Paulus heeft dat verder willen uitstrekken, en vooral op de menschen tehuisbrengen. Nu, de landman wordt gezegd zijner hope deelachtig te zijn, als hij de vrucht geniet, die hij in den oogst verkregen, maar in het ploegen gehoopt heeft.
11 Indien wij u geestelijke. Men had nog kunnen tegenwerpen,
dat het niet twijfelachtig was, of de arbeid, die tot dit leven diende,
loon, kost, en kleederen moet hebben: dat het ploegen en dorschen vruchten voortbrengt, welke die deelachtig worden, die daarin arbeiden : maar dat het een ander ding is met het Evangelie, dewijl het een geestelijke vrucht is: en dat daarom de dienaar des Woords niets vleeschelijks moet begeeren, indien hij vrucht wil hebben, die aan zijnen arbeid gelijk is. Opdat dan niemand zulk eene beuzeling zou voortbrengen, zoo maakt hij een sluitrede van meerder tot minder, alsof hij zeide: Hoewel kost en kleeding van anderen aard zijn dan de arbeid des dienaars, nochtans wat onrecht geschiedt u,
indien gij hetgeen onwaardeerbaar is, vergeldt met een zeer gering en kleine waarde hebbend iets? Want gelijk de ziel boven het lichaam uitmunt, zoo hoog staat ook het Woord des Heeren boven den uitwendigen kost, dewijl het de spijs der ziel is.
12 Indien anderen deze macht. Wederom bevestigt hij zijn recht door het voorbeeld van anderen. Want waarom zou hem alleen niet toegelaten worden wat anderen nemen, als iets dat hun van rechtswege toekomt? Want dewijl niemand meer gearbeid had onder de Corinthiërs, zoo was niemand het loon waardiger. Voorts verhaalt hij niet wat hij gedaan heeft, maar wat hij met zijn goed recht wel had mogen doen, indien hij niet uit eigen beweging zich daarvan had onthouden. Maar wij hebben deze macht niet gebruikt. Nu komt hij weder tot het voornaamste punt, te weten, dat hij uit eigen beweging van die macht is afgeweken, die niemand hem kon weigeren: en dat hij liever alles heeft willen lijden, dan door zijn vrijheid te maken, dat de loop des Evangelies verhinderd werd. Want hij wil aan de Corinthiërs dit einde voor oogen stellen door zijn voorbeeld, opdat zij voor het Evangelie geen ergernis noch verhindering maken. Want wat hij van zichzelven betuigt,
waren ook zij schuldig te doen: en hier bevestigt hij hetgeen hij boven gezegd heeft, te weten, dat men moet zien wat nuttig en oorbaar is.
13 Weet gij niet, dat die in het heilige werken, van het heilige Deut. is: i. eten, en die het altaar dienen des altaars deelachtig zijn? i) Gr.: bij-
14 Alzoo heeft ook God verordend, dat die het Evangelie ver- Lev^io: 13. kondigen, van het Evangelie leven. Deut. 24:14;
15 Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt: en ik heb dit Tobias4:15. niet geschreven, opdat het mij alzoo geschiede: want het is Lukquot;in-i0' mij, beter te sterven, dan dat iemand mijn eere teniet make, i Tim. 5: is.
16 Want indien ik het Evangelie verkondig, ik heb niet te roe- Kom. 1:14. men: want de nood is mij opgelegd, wee mij, zoo ik het Evangelie niet verkondig.
17 Want indien ik het gewillig doe, zoo heb ik loon: maar indien ik het onwillig doe, de bediening is mij toebetrouwd.
153
1 CORINTHE 9: 13, 14.
18 Wat loon heb ik dan? dat ik het Evangelie verkondigende, het Evangelie van Christus zonder loon predik, opdat ik mijn macht niet misbruike in het Evangelie.
19 Want toen ik vrij was van allen, heb ik mijzelven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik velen mocht winnen.
Hand. 1«; a. 20 Zoo ben ik dan den Joden geworden als een Jood, opdat ik
18:18; 21:23. Jg Joden zou gewinnen, dengenen, die onder de wet waren,
[ben ik geworden] als der wet onderworpen, opdat ik degenen, die onder de wet waren, gewinnen zou.
Gal. 2:3. 21 Dien die zonder de wet waren, als zonder de wet (hoewel ik
Gode niet ben zonder de wet, maar ben der wet van Christus onderworpen) om degenen die zonder wet waren te gewinnen. ROgquot;I M ⢠i 22 Den zwakken ben ik als zwak geworden, opdat ik de zwakken
icor. 10:33! gewinnen zou; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers
sommigen zalig make.
13 Weet gij niet. Behalve de vraag, die hij hier behandelt, schijnt hij in de vermelding dezer zaak te langer te zijn, om den Corinthiërs zijdelings hun boosheid te verwijten, dat zij duldden, dat de dienaars van Christus gelasterd werden in zoo geoorloofde zaak. Want had Paulus zich niet willens van zijn vrijheid onthouden, zoo was het te vreezen, dat voor het Evangelie de weg zou toegesloten worden. Hiertoe hadden de valsche apostelen nooit kunnen komen, indien de ondankbaarheid, tot welke de Corinthiërs genegen waren, aan de valsche profeten den weg niet geopend had tot lasteren. Want zij moesten zulke valsche beschuldiging strengelijk verworpen hebben: maar zij waren veel te lichtvaardig in 't gelooven, zoodat zij bereid waren het Evangelie te verwerpen, zoo Paulus zijn recht t gebruikt had. Deze verachting des Evangelies en onbeleefdheid
tegen zijnen apostel, verdiende harder berispt te worden. Maar Paulus, een andere gelegenheid verkregen hebbende, bestraft haar bedektelijk en zacht naar zijn matigheid, om hen zonder schandvlek te vermanen. Hij gebruikt wederom een nieuwe gelijkenis, om te I1 i- 'j bewijzen, dat hij zijn macht niet gebruikt heeft, die hij van den
Heere had. Hij haalt niet meer andere voorbeelden aan, maar toont dat dit door den Heere verordend is, dat de gemeenten den die-1: ;/:⢠naren voedsel bezorgen. Sommigen meenen, dat te dezer plaats twee
â â '» vergelijkingen zijn, en duiden de eerste op de priesters des Heeren,
â s, â en de andere op de priesters der heidensche afgoden. Maar ik acht
' meer, dat Paulus naar zijn wijze éénzelfde ding met verscheiden
woorden uitgedrukt heeft. En voorwaar een bewijs uit der heidenen gewoonte zou zeer zwak geweest zijn, dewijl bij hen de renten der priesters niet tot kost en kleederen, maar tot groote versiering, tot koninklijke praal en ongebonden overdadigheid verordend werden: zoo zou dan zulk een bewijs veel te ver gehaald zijn geweest. Nochtans wederspreek ik niet, dat hij verscheidene soorten dier diensten beduid heeft: want er waren priesters van groote orde, ⢠er waren vervolgens Levieten, die hun onderworpen waren, gelijk bekend is: maar dit dient niet veel tot de zaak. Dit is de hoofdzaak: De Levietische priesters waren dienaars der Israëlietische gemeente: dezen heeft de Heere voedsel uit hunnen dienst verordend: zoo is dan in de dienaren der Christelijke gemeente ook heden dezelfde
154
i -
|
5. |
Vgt;' â V |
|
â¢r' |
-â . gt;* |
|
* ⢠| |
|
t | |
|
⢠| |
|
k. |
'w V % |
|
gt;]. | |
|
' it' | |
|
â¢. s | |
|
V |
1 CORINTHE 9 : 14 -16.
gerechtigheid te onderhouden, De dienaars der Christelijke gemeente zijn degenen, die het Evangelie verkondigen. Deze plaats wordt aangehaald door de Canonisten, als zij willen bevestigen, dat men de ledige buiken moet mesten,quot;opdat zij hunne offeranden mogen volvoeren : maar hoe ongepast dit is, laat ik ook de kinderen oordeelen. Al wat in de Schrift staat van den dienaren hunne nooddruft te geven, of van hun eere te doen, dat nemen zij terstond en draaien het tot hun voordeel. Maar ik vermaan de lezers alleen, dat zij de woorden van Paulus overwegen. Hij besluit, dat men de herders moet voeden, die in de verkondiging van het Evangelie arbeiden, omdat de Heere voorheen den priesters de nooddruft heeft verordend, daarom dat zij de gemeente dienden; zoo moet men dan het onderscheid weten tusschen het oude en hedendaagsche priesterdom. In de wet werden priesters verkozen, die de offeranden deden, en het altaar dienden, en den tabernakel en tempel bezorgden: heden worden zij verkozen om het Woord te verkondigen, en de Sacramenten uit te. deelen. De Heere heeft geene offeranden ingesteld, waarmede de heilige dienaars zich zouden bezighouden: er zijn geen altaren, waaraan zij zouden staan om te offeren. Zoo blijkt dus, hoe belachelijk die zijn, die deze gelijkenis van de offeranden op iets anders tehuisbrengen dan op de verkondiging van het Evangelie; ja, men kan eerder uit deze plaats lichtelijk besluiten, dat alle papistische priesters, van het hoofd tot het minste lid toe, kerkroovers zijn: als die de renten, voor de ware dienaren verordend, verslinden, hoewel zij derzelver ambt volstrekt niet bedienen. Want wat dienaars gebiedt de apostel te voeden? Dezulken, die in de verkondiging des Evangelies arbeiden. Maar met wat recht eigenen zich dezen de priesterlijke renten toe ? Omdat zij zingen en offeren: maar God heeft hun zulks niet geboden, zoo staat het dan vast, dat zij het loon rooven, dat anderen toekomt. Voorts, als hij zegt, dat de Levietische priesters des altaars zijn deelachtig geweest, en van het heilige gegeten hebben, zoo noemt hij de offeranden en gaven, die Gode geofferd werden. Want de heilige offeranden namen zij geheel voor zichzelven, en van de kleine beesten namen zij den rechterschouder, de nieren en den staart, bovendien de tienden, gaven en eerstelingen.
15 Ik heb dit niet geschreven. Dewijl hij kon schijnen gezocht te hebben, dat hem voor het vervolg loon gegeven werd van de Corinthiërs, zoo neemt hij dit vermoeden weg: en betuigt dat hij zóó ver is van zulken wil, dat hij liever den dood wil sterven, dan maken dat deze eere hem benomen worde, te weten, dat hij voor de Corinthiërs zonder loon had gearbeid. En het is geen wonder, dat hij deze eere zoo hoog geacht heeft, omdat hij zag, dat daaraan de autoriteit van het Evangelie eensdeels gelegen was. Want hij zou alzoo den valschen apostelen oorzaak gegeven hebben om hem te beschimpen: waaruit het te vreezen was, dat de Corinthiërs hem zouden versmaad, en de valsche apostelen met groote toejuiching aangenomen hebben. Zoo groot hield hij deze macht om het Evangelie te bevorderen, dat hij ze boven zijn eigen leven achtte.
16 Want indien ik het Evangelie verkondig. Om te bewijzen hoe gewichtig het is, dat hij deze eer niet verloren heeft, zoo geeft hij te kennen wat het zou geweest zijn, zoo hij alleenlijk zijnen dienst vervuld had, te weten, dat hij alzoo niets anders zou gedaan
155
1 CORINTHE 9 : 16â18.
hebben, dan wat de Heere hem gansch noodwendig bevolen had: en dat hij daardoor geen oorzaak noch stof tot roemen zou gehad hebben. Hier wordt gevraagd wat eere of roem hij hier meent: want op een andere plaats roemt hij, dat hij in het leerambt gewandeld heeft met een rein geweten. Ik antwoord, dat hij spreekt van eer, die hij tegen de valsche apostelen kon stellen, als zij oorzaak tot kwaadspreken zochten: gelijk uit de navolgende dingen duidelijker zal blijken. Voorts is dit een zeer schoone uitspraak, waaruit wij ten eerste leeren, hoedanig en hoe nauw de band der roeping is in de dienaren. Ten andere wat het herdersambt medebrengt, en in zich bevat. Daarom, zoo wie eenmaal geroepen is, die denke niet, dat hij nog vrij is om den voet achteruit te trekken, wanneer het hem belieft, zoo wanneer hem mogelijk de moeielijkheid, het verdriet, of het ongemak bezwaart: want hij heeft zich tot den Heere en de gemeente begeven, en met een heiligen band gebonden, dien hij niet mag afbreken. Zooveel dit tweede aangaat, hij leert dat hem de vervloeking bereid is, zoo hij het Evangelie niet verkondigt. Waarom? omdat hij daartoe geroepen is, en daarom met nood gedrongen wordt. Zoo dan, zoo wie in zijn ambt volgt, hoe zal hij dezen nood ontgaan? Hoedanig is dan de successie of opvolging der apostelen in den paus en de gehoornde bisschoppen, die geen ding vreemder aan hun persoon achten te zijn, dan het leerambt?
17 Want indien ik het gewillig doe. Loon noemt hij hier, wat wij noemen, profijt, wat hij boven genoemd heeft eer of roem. Hoewel anderen het anders uitleggen, te weten, dat allen, die getrouw en van harte hun ambt volbrengen, loon is bereid. Door den willende versta ik dien, die zichzelven zoo blijmoedig draagt, dat hij alleen in het werk der stichting bekommerd zijnde, geen ding weigert, dat hij weet der gemeente noodig te zijn: gelijk hij daarentegen die onwillig noemt, die wel in het arbeiden den nood gehoorzaam zijn, maar nochtans kwaadwillig handelen, dewijl zij het niet gaarne doen. Want dit geschiedt altijd, dat degene, die eenige zaak naarstig opneemt, ook gewillig alle dingen verricht, door welker nalating de vrucht des werks zou verhinderd worden. Zoo dan, dewijl Paulus gewillig was, zoo leerde hij niet alleen om met de minste moeite gedaan te krijgen: maar liet geen ding achter, dat hij kende nut te zijn, om de leer te bevorderen en te helpen. Zoo was dan dit zijn nut en roem, dat hij met gewillig gemoed zijn recht verliet, omdat hij gaarne en met ernstige vurigheid in zijn ambt arbeidde. Maar indien ik het onwillig doe, de bediening is mü toebetrouwd. Hoewel sommigen dit anders uitleggen, zoo is dit nochtans naar mijn gevoelen de rechte zin, dat diens gehoorzaamheid Gode niet aangenaam is, die ze onwillig, en als met tegenstrijdend gemoed doet. Daarom zoo haast als ons iets van God geboden is, zoo dwalen wij, zoo wij meenen, dat wij het behoorlijk gedaan hebben, als wij het kwaadwillig volbrengen: want de Heere eischt blijmoedige dienaars, die met verheuging Hem gehoorzaam zijn, en met waardigheid in het werk blijmoedigheid bewijzen. In ée'n woord, Paulus verstaat, dat dan eerst zijner roeping zal genoeg gedaan wezen, als hij gewillig en goedhartig zijn ambt zal volbrengen.
18 Wat loon heb ik dan? Uit het voorgaande besluit hij, dat zijn roem daarin gelegen is, dat hij zonder loon de Corinthiërs dient. Want het is daaruit openbaar, dat hij gewillig in het leerambt
156
1 CORINTHE 9 : 18.
arbeidt, dewijl hij alle verhinderingen des Evangelies naarstig wederstaat: en niet tevreden is de Corinthiërs geleerd te hebben, maar arbeidt ook om de leer te bevorderen. Zoo is dan dit de hoofdinhoud; het is mij noodig het Evangelie te verkondigen; zoo ik het niet doe, wee mij; want ik strijd tegen Gods roeping; maar het is ook niet genoeg te verkondigen, tenzij ik het gewillig doe. Want die ongewillig Gods gebod volbrengt, die doet zijn ambt niet gelijk het betaamt; zoo ik gewillig Gode gehoorzaam ben, zoo zal ik mogen roemen. Zoo heb ik dan het Evangelie kosteloos moeten maken,
opdat ik met recht mocht roemen. Op deze plaats steunen de papisten, tot bevestiging van hun gedichtsel van de overtollige goede werken. Zij zeggen, Paulus zou zijn ambt volbracht hebben, het Evangelie predikende, nu doet hij daar nog wat meer bovendien; zoo doet hij dan wat boven hetgeen hij schuldig was. Want hij maakt onderscheid tusschen gewillig en noodzakelijk. Ik antwoord, dat Paulus wel verder gekomen is, dan de gewone roeping der herders eischte: dewijl hij zichzelven onthouden heeft van de bezoldiging,
die de Heere den herders toelaat te nemen. Maar dewijl het zijn ambt toekwam, alle ergernissen, die hij voorzag, te voorkomen, en zag dat de loop des Evangelies zoude verhinderd worden, zoo hij zijn macht gebruikte, zoo zeg ik, dat hij niet meer gedaan heeft dan hij Gode schuldig was, hoewel dit boven het gewone ging. Want ik vraag, of het niet een goeden herder betaamt, de ergernissen, zooveel in hem is, weg te nemen r Ik vraag wederom, wat Paulus anders gedaan heeft ? Zoo hebben wij dan niet te verzinnen, dat hij Gode iets gedaan heeft, dat hij niet schuldig was, dewijl hij niet anders gedaan heeft, dan de nood zijns ambts eischte, hoewel deze boven het gewone ging. Daarom laat varen dat goddelooze verzinsel, dat wij met overtollige werken de zonden voor God betalen. Ja laat ook zelfs den naam varen, die met duivelsche hoovaardigheid opgeblazen is. Voorwaar deze plaats wordt verkeerdelijk tot dit gevoelen gedraaid. In het gemeen wordt der papisten dwaling aldus wederlegd. Al de werken, die onder de wet vervat worden, worden valschelijk overtollige werken genoemd, gelijk openbaar is uit de woorden van Christus; Wanneer gij alles zult gedaan hebben wat Luk. 17:10. u geboden is, zoo zegt; wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben gedaan, wat wij schuldig waren. Nu, wij bekennen geen werk goed en Gode aangenaam te zijn, dat niet in de wet Gods is vervat. Dit tweede bevestig ik aldus; daar zijn twee reeksen van goede werken, want zij dienen alle tot den godsdienst, of tot de liefde.
En geen goed werk dient tot den godsdienst, dat niet vervat is onder dit hoofdstuk; Gij zult den Heere liefhebben, van ganscher Deut. »;30: harte, van ganscher ziele, met alle krachten. Daar is ook geen werk der liefde, dat niet geëischt wordt in dit gebod; Gij zult uwen 39.
naaste liefhebben als uzelven. Dat de papisten hier tegenwerpen,
dat het kan geschieden, dat iemand het tiende deel zijner rente gevende, Gode aangenaam zij; en besluiten daaruit, dat hij doet wat hij niet schuldig is, zoo hij het vijfde deel geeft; deze beuzeling wordt lichtelijk wederlegd. Want dat de werken der godzaligen goed geacht worden, dat is geenszins uit hunne volmaaktheid, maar omdat de onvolmaaktheid en het feil niet toegerekend wordt; daarom of zij schoon honderdmaal meer deden, zoo zouden zij nog niet doen boven wat zij schuldig waren. Opdat ik mijn macht niet tnisbruike.
157
1 CORINTHE 9 : 18â22.
Hieruit is het openbaar, dat het gebruik onzer vrijheid, waardoor ergernis komt, een ongeschikte dartelheid en misbruik is. Zoo moet men dan dezen regel houden, dat wij den ergernissen geen oorzaak geven. En deze plaats bevestigt beter, wat ik boven aangeroerd heb, te weten, dat Paulus geen ding gedaan heeft, dat zijn ambt niet eischte, want de vrijheid, die God gegeven had, behoorde tot geen misbruik getrokken te worden.
ig Toen ik van allen vrij was. Dit kan zoowel van de dingen, als van de personen verstaan worden, ik wil het liever op de personen duiden. Dusverre heeft hij met een bijzonder voorbeeld bewezen, hoe naarstig hij zichzelven naar de zwakken gevoegd had: nu stelt hij een algemeene sluitrede, en noemt daarna sommige gestalten op. Dit is in het algemeen gesproken, dat hij, toen hij onder niemands macht was, nochtans geleefd heeft gelijk onder eens iege-lijks goeddunken, en gelijk of hij zichzelven den zwakken onderworpen had, van welke hij vrij was. De gestalten zijn deze, dat hij onder de heidenen gewandeld heeft als een heiden; dat hij onder de Joden zichzelven gedragen heeft als een Jood: dat is, hij heeft onder de Joden naarstig de ceremoniën onderhouden, en alzoo met groote naarstigheid toegezien, dat hij de heidenen met derzelver onderhouding niet ergerde. Hij stelt hierbij het woordje als, waarmede hij beduidt, dat zijn vrijheid daarom niet verkort is: want hoewel hij zichzelven naar de menschen voegde en matigde, zoo bleef hij desniettemin bij God zichzelven gelijk. Alles worden, is zichzelven in allerlei vorm veranderen, naardat de zaak eischt: of naar der menschen verscheidenheid verscheiden gestalten aandoen. Dat hij zichzelven zegt, zonder wet, en onder de wet geworden te zijn, verstaat dit alleen van de wet der ceremoniën, want de wet der zeden was zoowel den heidenen als den Joden gemeen, en Paulus had zooverre den menschen niet mogen behagen. Want deze leer heeft alleen in middelmatige dingen plaats, gelijk boven gezegd is.
ai Hoewel ik Gode niet zonder wet. Met dezen tusschenzin heeft hij de hardigheid zijner woorden willen verzachten: want het zou bij het eerste hooren hard geweest zijn te vernemen, dat hij zonder wet is geworden. Daarom, opdat men dit niet verkeerd zoude nemen, zoo heeft hij bijwijze van verbetering daarbij gesteld, dat hij altijd een wet gehouden heeft, te weten, dat hij is Christus onderdanig geweest. Waarmede hij ook bedektelijk te kennen geeft, dat zij hem valschelijk en ten onrechte met nijd bezwaarden, alsof hij de menschen tot een ongebonden dartelheid riep, als hij de vrijheid van de wet van Mozes leerde. De wet van Christus noemt hij duidelijk, om die valsche schande weg te nemen, die de valsche apostelen het Evangelie opleiden: want hij geeft daarmede te kennen, dat in de leer van Christus geen ding ontbreekt, dat tot de volmaakte wet des rechten levens dient.
22 Den zwakken ben ik als zwak geworden. Nu gebruikt hij wederom een algemeene uitspraak, waarmede hij bewijst, op hoedanige wijze hij zich naar de menschen gevoegd heeft, en tot wat einde. Hij was met den Jood een-Jood, maar niet met allen: want daar waren hardnekkige, die door farizeesche hoovaardigheid of boosheid wenschten, dat de Christenvrijheid gansch weggenomen ware. Denzulken zou hij nimmermeer zooveel toegegeven hebben: want Christus wil niet, dat wij naar dezulken veel zullen vragen. Laat ze
158
1 CORINTHE 9 : 22, 23.
varen (zegt Hij) zij zijn blind, en leiders der blinden. Zoo moet men Matt. 15:14. dan den zwakken toegeven, en niet den hardnekkigen. Voorts, het einde was, dat hij ze tot Christus zou brengen, en niet dat hij zijn eigen voordeel zou zoeken, of der menschen gunst behouden. Hierbij moet men dit derde stellen, te weten, dat hij niet anders dan in middelmatige dingen, die toch in onze vrijheid staan, den zwakken is gehoorzaam geweest. Zoo wij nu aanmerken, hoe groot man Paulus geweest is, die zichzelven dusverre vernederd heeft, zullen wij ons niet moeten schamen, indien wij, bij hem vergeleken, menschen van geene waarde, zoo tot onszelven begeven zijn, dat wij van de zwakken walgen, en niet verwaardigen hen iets toe te laten? Voorts,
gelijk het naar des apostels bevel betaamt, dat wij ons naar de zwakken matigen, en dat in vrije dingen, en tot hun stichting;
alzoo doen die ook verkeerd, die om hun rust en vrede te behouden,
vreezen meer de boozen dan de zwakken te ergeren. En die zondigen dubbel, die geen onderscheid maken tusschen de middelmatige dingen en de ongeoorloofde dingen: en daarom ontzien zij zich niet dingen aan te nemen, die van den Heere verboden zijn. Maar het is van zeer veel kwaad, dat zij deze uitspraak van Paulus misbruiken, om hun booze veinzing daarmede te verontschuldigen Maar indien iemand die drie dingen behoudt, die ik met korte woorden aange-teekend heb, die zal ze wel lichtelijk kunnen wederleggen. En men moet het woord wel aanmerken, dat hij tot een besluit stelt, want hij vertoont daarmede, waartoe hij ze allen heeft gezocht te winnen,
te weten, tot hun zaligheid. Hoewel hij matigt hier ten laatste de algemeene uitspraak, tenzij men mogelijk het lezen des ouden over-zetters liever heeft: hetwelk ook heden in sommige Grieksche afschriften gevonden wordt. Want hij verhaalt ook te dezer plaatse wederom, opdat ik immers sommigen zalig make. Maar dewijl de toegeving, waarvan Paulus gesproken heeft, somtijds geen voordeel doet, zoo dient deze bijzonderheid zeer wel, dat hij, hoewel hij bij allen geen voortgang had, nochtans niet heeft afgelaten, de zaligheid van weinige menschen te bevorderen.
23 Dit doe ik om het Evangelie, opdat ik hetzelve deelachtig worde.
24 quot;Weet gij niet, dat die in de loopbaan loepen, allen wel loopen,
maar één den prijs verkrijgt? loopt alzoo, dat gij hem verkrijgt.
25 En zoo wie kampt, die onthoudt zich van alle dingen. Dezen 2 Tiin- 2:4-doen het om een verderfelijke kroon te verkrijgen, maar wij
om een onverderfelijke. j
26 Zoo dan, ik loop alzoo, niet als tot onzeker: ik kamp niet gelijk of ik de lucht sloeg;
27 Maar ik dwing mijn lichaam, en maak het dienstbaar, opdat het niet eenigszins geschiede, dat ik, anderen gepredikt hebbende, zelve straffelijk gevonden worde.
23 Opdat ik hetzelve deelachtig worde. Dewijl de Corinthiërs bij zichzelven hadden kunnen denken, dat dit in Paulus iets bijzonders was om zijns ambtswil, zoo bewijst hij uit het einde, dat het allen Christenen gemeen is. Want als hij betuigt, dat hij zulks gedaan heeft om het Evangelie deelachtig te worden, zoo geeft hij te kennen, dat die allen de gemeenschap des Evangelies onwaardig
159
1 CORINTHE 9 ; 23â25.
zijn, die niet datzelfde met hem doen. Het Evangelie deelachtig worden, is zijne vruchten genieten.
24 Weet gü niet, dat die in de loopbaan. Hij heeft boven de leer vastgesteld, en om die in het hart der Corinthiërs in te drukken, geeft hij nu een vermaning daarbij. Hij zegt in hoofdzaak, dat hetgeen zij dusverre verkregen hadden, niets is, zoo zij niet standvastig volharden: dewijl het niet genoeg is, den weg des Heeren eenmaal ingeslagen te hebben, tenzij zij ook arbeiden naar het einde, gelijk
Matt. 10;22. de uitspraak van Christus luidt: Die volhardt ten einde, enz. Hij neemt een gelijkenis ontleend aan het loopspel: want gelijk daar velen op de baan komen, doch e'én gekroond wordt, die het eerst tot het eindperk komt: alzoo moet niemand met zichzelven tevreden zijn, dat hij eenmaal in de loopbaan des Evangelies gekomen is, tenzij hij tot het einde voortga. Maar dit is het ongelijke tusschen ons en hun loopen, dat bij hen e'én winner is, en hij den prijs verkrijgt, die alle anderen voorbijloopt: maar onze conditie is beter, dewijl velen van ons tezamen kunnen gekroond worden: want de Heere eischt niet anders van ons, dan dat wij naarstig voortvaren tot het einde. Zoo wordt dan de een door den ander niet verhinderd, maar zij worden meer door onderlinge poging geholpen, die in de Christelijke loopbaan loopen. Deze zelfde zaak drukt hij anders uit, 2 Ti-motheus 2 :5, Zoo iemand strijdt, die wordt niet gekroond, tenzij hij wettig gestreden heeft. Loopt alzoo. Dit is de toepassing der gelijkenis, te weten, dat het niet genoeg is begonnen te zijn, tenzij wij ons leven lang loopen. Want ons leven is gelijk een loopbaan: zoo moeten wij dan na een weinig tijds niet vermoeid worden, als in 't midden van den loop, maar de dood alleen zal het einde van het loopen zijn. Het woordje alzoo, kan tweëerlei wijze genomen worden. Chrysostomus voegt het tot de voorgaande woorden aldus: Gelijk de loopers niet aflaten te loopen, totdat zij tot het wit komen, alzoo volhardt gij ook, en laat niet af van loopen, zoolang gij leeft. Maar het zal ook niet ongepast aan de navolgende woorden verbonden zijn, alsof hij zeide: Gij moet niet alzoo loopen, dat gij in 't midden van den loop aflaat, maar alzoo dat gij den prijs verkrijgt. Van het woord, waarvoor wij gesteld hebben loopbaan, en van de onderscheidene loopen zeg ik niets, want dat kan men bij de taalkundigen vinden: en in 't gemeen is bekend, dat sommige loopen waren te paard, sommige te voet. En deze dingen zijn niet bijzonder noodig om den zin van Paulus te verstaan.
25 En zoo wie kampt. Dewijl hij tot volharding vermaand had, zoo moest hij zeggen, hoe men moest volharden: dit tweede verklaart hij met een gelijkenis aan de vuistvechters ontleend; niet dat hij die gelijkenis in haar geheel neemt, maar zooveel de tegen-
1 Het was woordige zaa^ eischt, buiten welke hij niet wil treden, te weten, een soort hoeveel men der broederen zwakheid behoort toe te geven. Hij van brooa, maakt een bewijs van minder tot meerder, dat het onbehoorlijk is, de'sterkte^te indien wij niet van ons recht willen afwijken: wijl de vuistvechters onderhou- hun spijze, Coliphium l) genaamd, met mate en niet tot zatheid etende, vermeerde- vanzelf allen wellust verlieten, om te rasscher tot kampen te zijn, ren, welk en dat deden zij om een vergankelijke kroon. Indien nu dezen een vuistvech- bladeren kroon zoo groot achten, welke terstond verwelkt, hoe groot te.^ ge-moeten wij de kroon der onsterfelijkheid achten? Daarom moet het bruiktën.86quot; ons niet zwaar zijn, iets van onze macht prijs te geven. Bekend is
160
1 CORINTHE 9 : 25â27.
het, dat de kampvechters zeer spaarzamen kost gebruikt hebben,
zoodat hun spijze tot een spreekwoord is geworden.
26 Zoo dan, ik loop alzoo. Hij komt wederom tot zichzelven,
opdat de leer meer gewicht hebbe, zoo hij zichzelven als een exempel voorstelde. Wat hij hier zegt, duiden sommigen op de zekerheid der hoop, alsof hij gezegd had: Ik loop niet tevergeefs, noch stel mijzelven niet bespottelijk in gevaar, want ik heb de belofte des Heeren, welke nimmermeer bedriegt. Maar ik acht meer, dat hij den loop der geloovigen recht tot het einde heeft willen richten,
opdat zij niet her- en derwaarts afdwalen, in dezen zin; De Heere oefent ons hier niet met loopen en kampen, maar Hij stelt ons een einde voor oogen, waarnaar wij ons behooren uit te strekken, en geeft een zekere wet voor het kampen, opdat wij ons niet nutteloos vermoeien. Doch hij vat de beide gelijkenissen, die hij gebruikt had,
te zamen. Ik weet, zegt hij, waar ik henenloop, en ben gelijk een ervaren kampvechter, zorgvuldig, dat ik niet ée'nen slag verlies. Deze dingen behooren een Christenhart te ontsteken en te bevestigen,
om te blijmoediger naar alle werken der godzaligheid te staan:
want het is veel, dat men niet door onwetendheid in onzekere omwegen dwaalt.
27 Maar ik dwing mijn lichaam. Budeus leest hier: Ik heb acht, maar naar mijn oordeel heeft de apostel het Grieksche woord gebruikt voor zich tot dienstbaarheid oefenen: want hij betuigt, dat hij zichzelven niet toegeeft, maar zijne eigene genegenheden bedwingt, hetwelk niet kan geschieden, tenzij het lichaam getemd worde, en zijne begeerlijkheden bedwongen zijnde, tot gehoorzaamheid gewend worden, gelijk een woest en dartel paard. Toen de oude monniken dit gebod hebben willen gehoorzaam zijn, hebben zij vele oefeningen bedacht: want zij sliepen op banken, zij dwongen zichzelven tot lang waken, zij vloden het weelderige. Maar wat het voornaamste was, hadden zij niet: want zij hielden niet in het
oog, waarom de apostel dit gebiedt, dewijl zij dat andere gebod niet Eom. i;i:U. bedachten, dat wij ons vleesch niet bezorgen zullen tot zijn begeerlijkheid: want dat is altijd waar, wat hij ergens zegt, dat de licha-1 Tim. 4:8. melijke oefening tot weinig nut is: maar wij zullen ons lichaam zooverre dienstbaar behandelen, dat het door zijn dartelheid ons van de werken der godzaligheid niet verhindere; bovendien, dat wij het niet toegeven tot anderer menschen nadeel of aanstoot. Dat ik anderen gepredikt hebbende. Sommigen leggen dit aldus uit:
Opdat ik, als ik anderen wel en getrouw geleerd heb, niet door kwalijk leven het oordeel der verdoemenis van God ontvange.
Maar het rijmt beter, als men het op de menschen duidt, aldus:
161
Mijn leven moet anderen een regel zijn, zoo arbeid ik dan om mijzelven alzoo te gedragen, dat mijne zeden en werken niet tegen mijn leer strijden, en alzoo tot mijn groote schande, en der broederen zware ergernis die dingen vergeet, die ik van anderen eisch. Het kan ook bij de voorgaande woorden gevoegd worden, aldus: Opdat ik niet van het Evangelie beroofd worde, hetwelk anderen door mijn arbeid deelachtig worden.
Di. n.
1 CORINTHE 10:1.
HET TIENDE HOOFDSTUK.
1 Ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk geweest zijn, en allen door de zee doorgegaan zijn;
2 En allen in Mozes gedoopt zijn, in de wolk en in de zee;
3 En allen dezelfde geestelijke spijze gegeten hebben;
4 En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben: want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die ben navolgde; en de steenrots was Christus.
5 Maar velen van hen zijn Gode niet aangenaam geweest: want zij zijn in de woestijn verslagen.
Wat hij door tweeerlei gelijkenis geleerd heeft, bevestigt hij nu met exempelen. De Corinthiërs waren dartel, en roemden als die krijgsknechten, die zoo langen tijd getrouw gediend hebben, dat men ze om hen eere te doen, rust geeft, zoolang als zij nog leven: ten minste alsof ze nu hunnen loop voleindigd hadden, daar zij dien nauw begonnen waren. Deze ijdele verheuging en betrouwing drukt hij aldus uit: Dewijl ik zie, dat gij terstond in het begin gerustelijk slaapt, zoo wil ik niet, dat gij onwetend zijt, wat het Israëlietische volk daaruit overkomen is, opdat gij door hun exempel moogt ontwaken. Doch wijl het onderscheid, dat tusschen de exempelen is, de kracht der vergelijking wegneemt, zoo zegt Paulus tevoren, dat tusschen ons en de Israëlieten geen ongelijkheid is, waardoor wij van hun staat zouden verscheiden zijn. Daarom, als hij dezelfde straf den Corinthiërs wilde verkondigen, die den Israëlieten overkomen was, zoo begint hij aldus: Wilt niet roemen op eenig voordeel of privilegie, alsof het met u beter stond voor God, dan het met hen gestaan heeft, want zij zijn met dezelfde weldaden begiftigd geweest, die wij heden genieten. Daar was een gemeente Gods onder hen, gelijk heden onder ons: zij hadden dezelfde sacramenten, die hun getuigenissen der genade Gods waren: maar toen zij zijn goed misbruikten, zoo zijn zij het oordeel Gods niet ontgaan. Zoo vreest dan, want datzelve staat ook u te overkomen. Ditzelfde argument gebruikt Judas in zijn zendbrief.at hij door tweeerlei gelijkenis geleerd heeft, bevestigt hij nu met exempelen. De Corinthiërs waren dartel, en roemden als die krijgsknechten, die zoo langen tijd getrouw gediend hebben, dat men ze om hen eere te doen, rust geeft, zoolang als zij nog leven: ten minste alsof ze nu hunnen loop voleindigd hadden, daar zij dien nauw begonnen waren. Deze ijdele verheuging en betrouwing drukt hij aldus uit: Dewijl ik zie, dat gij terstond in het begin gerustelijk slaapt, zoo wil ik niet, dat gij onwetend zijt, wat het Israëlietische volk daaruit overkomen is, opdat gij door hun exempel moogt ontwaken. Doch wijl het onderscheid, dat tusschen de exempelen is, de kracht der vergelijking wegneemt, zoo zegt Paulus tevoren, dat tusschen ons en de Israëlieten geen ongelijkheid is, waardoor wij van hun staat zouden verscheiden zijn. Daarom, als hij dezelfde straf den Corinthiërs wilde verkondigen, die den Israëlieten overkomen was, zoo begint hij aldus: Wilt niet roemen op eenig voordeel of privilegie, alsof het met u beter stond voor God, dan het met hen gestaan heeft, want zij zijn met dezelfde weldaden begiftigd geweest, die wij heden genieten. Daar was een gemeente Gods onder hen, gelijk heden onder ons: zij hadden dezelfde sacramenten, die hun getuigenissen der genade Gods waren: maar toen zij zijn goed misbruikten, zoo zijn zij het oordeel Gods niet ontgaan. Zoo vreest dan, want datzelve staat ook u te overkomen. Ditzelfde argument gebruikt Judas in zijn zendbrief.
i Allen onder de wolk geweest zijn. Het oogmerk des apostels is, dat hij wil aantoonen, dat de Israëlieten niet minder Gods volk zijn geweest dan wij zijn: opdat wij weten, dat wij de hand Gods niet zullen ontgaan, die hen zoo streng gestraft heeft. Want dit is de inhoud: zoo God hen niet gespaard heeft, zoo zal hij ook ons niet sparen: want de conditie is gelijk. Deze gelijkheid bewijst hij daaruit, dat zij met dezelfde teekenen der genade versierd waren. Want de sacramenten zijn teekenen, waardoor de gemeente Gods bekend wordt. Ten eerste spreekt hij van den doop, en leert dat de wolk, die ze in de woestijn voor de hitte der zon bedekte, en op den weg geleidde, alsook de doorgang door de zee, hun als een doop geweest is. Hij zegt, dat in het manna, en in het water, dat uit de steenrots vloeide, een sacrament geweest is, dat met het heilige nachtmaal overeenkomt. Zij zijn (zegt hij) in Mozes gedoopt, dat is, onder den dienst en leiding van Mozes: want wij worden voorwaar niet in den naam van eenig mensch, maar in dien van
162
1 CORINTHE 10; 2, 3.
Christus gedoopt, gelijk hij, hfdst. 1:13, gezegd heeft: en dat op tweëerlei wijze, te weten, omdat wij tot de leer van den eenigen Christus door den doop geheiligd worden. Bovendien wordt niet anders dan zijn naam aangeroepen, dewijl de doop alleen in zijn kracht gefundeerd is. Zoo zijn zij dan gedoopt in Mozes, dat is, onder de leiding en dienst van Mozes, gelijk nu gezegd is; maar hoe? in de wolk en in de zee. Zoo zijn zij dan tweemaal gedoopt geweest, mocht iemand zeggen. Ik antwoord, dat daar twee teekenen genoemd worden, die éénen doop maken, met onzen doop overeenkomende. Maar hier rijst nog een zwaarder vraag, want het is zeker, dat de vrucht dezer gaven, die Paulus optelt, tijdelijk geweest is. Want de wolk bedekte hen voor de hitte der zon, en toonde hun den weg: dit zijn uitwendige nuttigheden des tegenwoordigen levens. Desgelijks heeft de doorgang door de zee daartoe gediend, dat zij de wreedheid van Farao zouden ontgaan, en uit het tegenwoordige gevaar des doods ontkomen. Maar de nuttigheid onzes doops is geestelijk: waarom heeft dan Paulus uit aardsche weldaden sacramenten gemaakt, en daarin eenige geestelijke verborgenheid gezocht? Tk antwoord, dat Paulus niet tevergeefs in zulke wonderen wat grooters gezocht heeft, dan de uitwendige nuttigheid des vleesches. Want hoewel God zijn volk bevorderlijk wilde zijn naar het tegenwoordig leven, zoo was nochtans dit het voornaamste, dat Hij Zich-zelven betuigde en bewees hun God te zijn, waaronder de eeuwige zaligheid vervat wordt. De wolk wordt alom genoemd een teeken zijner tegenwoordigheid. Dewijl Hij dan daardoor betuigde, dat Hij tegenwoordig was, als aan zijn bijzonder en uitverkoren volk, zoo hebben zij zonder twijfel boven de uitwendige aardsche nuttigheid, daarom ook een bewijs des geestelijken levens gehad. Alzoo is daar tweëerlei gebruik geweest, gelijk ook van den doorgang door de zee: want hun was een weg midden door de zee geopend, om Farao's hand te ontgaan; maar waaruit kwam dat, anders dan omdat God hen, die Hij in zijn trouw eri bescherming aangenomen had, alleszins wilde bewaren? Zoo verstonden zij dan daaruit, dat God voor hen zorgde, en dat hun zaligheid Hem bevolen was, waaruit ook het Pascha, hetwelk om de gedachtenis der verlossing te houden verordend was, nochtans ook mede een sacrament van Christus was. Hoezoo? Omdat God door de tijdelijke weldaad als hun Zaligmaker is verschenen. Zoo wie dit zal overleggen, die zal in de woorden van Paulus niets ongeschikts vinden, maar zal meer
, O ^ '
m de geestelijke zaak en in het zienlijk teeken een zeer goede overeenkomst zien tusschen den doop der Joden en den onzen. Nochtans wordt hier w^ederom tegengeworpen, dat men hiervan niet één woord vindt. Dat beken ik: maar dit is ook zonder twijfel, dat God het gebrek der uitwendige prediking door zijn Geest vervuld heeft: gelijk men in de koperen slang kan zien, welke Christus zelf betuigt, een geestelijk sacrament geweest te zijn; nochtans is hiervan niet één woord tot ons gekomen, maar de Heere heeft op zulk eene wijze, als het Hem beliefde, den geloovigen te dien tijde de verborgenheid geopenbaard, die anders bedekt was.
3 Dezelfde geestelijke spijze. Nu spreekt hij van een ander sacrament, 'twelk met het heilig nachtmaal des Heeren overeenkomt. Het manna, zegt hij, en het water, dat uit de steenrots vloeide, dienden niet alleen om het lichaam te voeden, maar ook
163
1 CORINTHE 10:3.
om de zielen geestelijk te voeden. Het is wel waar, dat deze beide hulpmiddelen tot onderhouding des lichaams zijn geweest: maar hierdoor worden zij niet verhinderd, ook tot een ander einde te dienen; daarom, toen de Heere den tegenwoordigen nood des lichaams te hulpe kwam, zoo wilde Hij ook de eeuwige nuttigheid der zielen bevorderen. Deze twee worden lichtelijk vereenigd, tenzij joii. c;3i. je woor(Jen van Christus eenige zwarigheid medebrengen, waar Hij van dat man maakt een vergankelijke spijze des buiks, welke Hij stelt tegen de ware spijze der ziel. Die uitspraak schijnt wijd verscheiden te zijn van wat Paulus hier zegt. Deze knoop wordt ook lichtelijk ontbonden. De Schrift heeft een wijze, dat zij van de sacramenten handelende, somtijds spreekt naar het verstand der hoorders: en alzoo niet de natuur des dings aanziet, maar wat de hoorders verkeerdelijk daarvan gevoelen. Alzoo spreekt Paulus van ' de besnijdenis niet altijd op eenerlei wijze: want als hij de inzetting
gt; ; Gods daarin aanmerkt, zoo zegt hij, dat zij was een zegel om de
;?⢠Rom. -tal. rechtvaardigheid des geloofs te verzegelen. Maar als hij handelt
' tegen die op het naakte uitwendige teeken roemden, en een valsch
/ Ga'-3:10'betrouwen dor zaligheid daarin stelden, zoo zegt hij, dat zij is een
teeken der vervloeking geweest, dewijl de menschen zichzelven daarmede verbonden tot de onderhouding der gansche wet. Want hij neemt daar alleen wat de valsche apostelen meenden: want hij handelt daar niet tegen de zuivere inzetting Gods, maar tegen :.fi hunne dwaling. Alzoo toen de vleeschelijke menigte Mozes stelde
⢠«V-k boven Christus, omdat hij het volk in de woestijn veertig jaren
'â % lang gevoed had, en zij niet anders aanmerkten dan het voedsel des
y â¢; buiks, gelijk zij ook niet anders zochten: zoo verklaart Christus in
zijn antwoord niet, wat het man beduid heeft, maar laat alle dingen weg, en voegt zijn woorden naar het gevoelen der hoorders, alsof Hij wilde zeggen: Gij acht Mozes zeer hoog, en bewondert hem zeer als een uitnemend profeet, omdat hij de buiken uwer vaderen in de woestijn gevoed heeft, Want dit eene werpt gij Mij tegen; Gij acht Mij niet, omdat Ik u geen voedsel voor den buik geef. Maar zoo gij het vergankelijke brood zoo groot acht, wat moet men dan van het levendmakende brood gevoelen, waardoor de zielen tot het eeuwige leven gevoed worden. Zoo zien wij dan, dat de Heere daar niet naar de natuur des dings, maar meer naar het gevoelen der hoorders spreekt. Maar Paulus ziet hier niet op der goddeloozen misbruik, maar op de ordening Gods. Voorts, als hij zegt, dat de vaders hebben dezelfde geestelijke spijze gegeten, zoo geeft hij eerst bedektelijk te kennen, welke de kracht der sacramenten is; daarna vertoont hij, dat de oude sacramenten der wet dezelfde kracht hadden, die de onze heden hebben. Want zoo het man een geestelijke spijze was, zoo volgt daaruit, dat ons in de sacramenten niet alleen bloote teekenen vertoond worden, maar dat de beteekenende zaak ook mede waarlijk gegeven wordt Want God is geen bedrieger, dat Hij ons met ijdele gedichtselen zou verlokken. Het teeken is wel W ;lt; een teeken, en behoudt zijn substantie: maar gelijk de papisten te
.1 y-A, bespotten zijn, die ik weet niet wat veranderingen en transsub-
stantiatiën dichten: alzoo betaamt het ons niet de waarheid en het teeken te scheiden, die God te zamen gevoegd heeft. De papisten vermengen de zaak en het teeken: de onheilige menschen scheiden de teekenen van de zaken, gelijk Schwenkfeld, en dergelijken; wij
â ' â ',
â ü! ,':Ã.
164
1 CORINTHE 10:3, 4.
zullen mate houden, dat is, wij zullen die vereeniging houden, die de Heere gesteld heeft, maar onderscheiden, zoodat wij niet wat aan het eene eigen is, verkeerdelijk het ander toeschrijven. Nu rest ons nog het tweede, van de gelijkheid der oude teekenen met de onze. Bekend is ons die leer der Scholastieken, dat de sacramenten der oude wet de genade afgebeeld hebben, maar dat de onze de genade geven. Deze plaats is zeer bekwaam om die dwaling te wederleggen. Want hij betuigt, dat de zaak van het sacrament zoowel den Israëlieten als ons is voorgesteld. Zoo verdichten dan de Sor-bonisten goddelooslijk, dat de vaders onder de wet niet de waarheid der teekenen hebben gehad. Ik beken wel, dat wij de kracht der teekenen klaarder en overvloediger hebben, sedert Christus in het vleesch geopenbaard is, dan de vaders ze hadden. Alzoo is tusschen ons en hen een onderscheid, alleen in graad, of (gelijk men gemeenlijk zegt) van meerder en minder, omdat wij volkomener genieten, wat zij op mindere wijze hadden; maar niet dat zij de ijdele en bloote teekenen hadden, en wij de waarheid genieten. Sommigen leggen het alzoo uit, dat zij met elkander dezelfde spijze gegeten hebben, en willen niet, dat zij met ons vergeleken worden, maar zij letten niet op Paulus' oogmerk. Want wat wil hij hier anders zeggen, dan dat de Israëlieten met dezelfde weldaden versierd zijn geweest, die wij hebben, en dat zij dezelfde sacramenten zijn deelachtig geweest: opdat wij niet denken, dat wij door eenig voordeel of privilegie zullen vrij wezen van de straffen, die zij gedragen hebben. Hoewel ik begeer over deze zaak met niemand te strijden: ik vertoon alleen wat mij dunkt. Intusschen is het mij niet verborgen, wat die voorwenden, die de tegenovergestelde uitlegging volgen, te weten, dat het zeer wel met de bovengeschreven gelijkenis overeenkomt, dat allen den Israëlieten een loopbaan voorgesteld was, dat zij allen in hetzelfde perk getreden waren, dat zij allen den-zelfden loop begonnen hadden, dat zij allen van dezelfde hope deel-genooten waren, maar dat velen onder hen van den prijs uitgesloten zijn geworden. Nochtans als ik alle dingen nauwer onderzoek, zoo word ik door zulke redenen niet bewogen van mijn gevoelen af te wijken: want het is niet tevergeefs, dat de apostel alleen twee sacramenten verhaalt, en bijname den doop. Waartoe zou hij dat doen, anders dan opdat hij hen met ons zou vergelijken? Voorwaar, had hij dat volk onder elkander willen vergelijken, zoo zou hij liever de besnijdenis en andere bekender en duidelijker teekenen voortgebracht hebben: maar nu heeft hij andere gekozen, die duisterder waren, omdat zij tot de vergelijking tusschen ons en hen geschikter waren. Ook zou anders die toepassing, die hij hier bijstelt, niet wel rijmen, te weten, dat al wat hun geschied is, ons is tot een spiegel, omdat wij daarin de oordeelen Gods zien, die over ons staan te komen, zoo wij ons met dezelfde boosheden besmetten.
4 De steenrots was Christus. Sommigen verdraaien deze woorden onwetend, alsof hij zeide, dat Christus de geestelijke steenrots is geweest, en dat hij niet sprak van die steenrots, die een zienlijk teeken was. Want wij zien, dat hij met opzet van de uitwendige teekenen spreekt. Dat zij hier tegenwerpen, dat dit een geestelijke steenrots genoemd wordt, is van geener waarde, dewijl dat nergens anders toe dient, dan opdat wij weten, dat zij een teeken van eene geestelijke verborgenheid geweest is: intusschen is het zonder
165
1 CORINTHE 10:4, 5.
twijfel, dat hij onze sacramenten vergelijkt met de Israëlietische. Wat zij in de tweede plaats tegenwerpen, is dwazer en kinderachtiger. Hoe zou (zeggen zij) de steenrots, die op haar plaats vaststond, de Israëlieten nagevolgd zijn? Alsof het niet openbaar ware, dat onder het woord steenrots, niet ook de waterstroom vervat ware, die daaruit vloeide, en het volk nimmermeer verliet. Want Paulus prijst de genade Gods, dat Hij het water uit de steenrots deed vloeien, waar het volk heenreisde, alsof de steenrots met hen gereisd had. Had Paulus nu willen zeggen, dat Christus is het geestelijke fundament der gemeente, waarom zou hij dat woordje was, in den verleden tijd gesteld hebben? Het is zeker, dat daar wat uitgedrukt wordt, wat den vaders bijzonder toebehoorde. Daarom, laat varen dat ongeschikt gedichtsel, waarmede twistgierige menschen liever hun onbeschaamdheid willen openbaren, dan de sacramenteele wijze van spreken toe te laten. Voorts hebben wij boven gezegd, dat de waarheid der beteekenende zaken ook was bij de oude sacramenten. Daarom, dewijl zij teekenen waren van Christus, zoo volgt daaruit, dat Christus daarbij was, niet plaatselijk, noch naar natuurlijke of substantiëele vereeniging, maar op sacramenteele wijze. Op dezen grond zegt Paulus, dat die steenrots Christus is geweest: want als men van de sacramenten spreekt, zoo is niets zoo gemeen, als die wijze van spreken, die men noemt metonymia of overnoeming. Zoo wordt dan hier de naam der zaak aan het teeken gegeven, niet dat hij daaraan eigenlijk toekomt, maar oneigenlijk, om de vereeniging waarvan ik gesproken heb. Maar hiervan spreek ik nu te spaarzamer, dewijl het in het llde hoofdstuk breeder zal behandeld worden. Daar is nog een andere vraag: Dewijl wij nu in het nachtmaal het lichaam van Christus eten, en zijn bloed drinken, hoe zijn de Joden zijne geestelijke spijze en drank deelachtig geweest, dewijl het vleesch van Christus toen nog niet was, hetwelk zij zouden gegeten hebben? Ik antwoord, dat het vleesch van Christus, 'twelk nog niet was, desniettemin hun tot spijze geweest is. En dit is geen ijdele noch sophistische spitsvondigheid, want hun zaligheid was aan de weldaad van zijn dood en wederopstanding gelegen, en daarom ook aan het vleesch en bloed van Christus, zoo moesten zij dan het vleesch en bloed van Christus genieten, om de weldaad der verlossing deelachtig te zijn. Deze genieting was een verborgen werk des Heiligen Geestes, die alzoo wrocht, dat het vleesch van Christus, hoewel het nog niet geschapen was, nochtans in hen krachtig was. Doch hij geeft te kennen, dat zij naar hun mate en wijze gegeten hebben, die anders was dan de onze. En dit is het, wat ik boven gezegd heb, dat Christus ons nu volkomener naar de mate der openbaring voorgesteld wordt: want nu is liet een substantiëel eten, wat toen nog niet kon zijn: dat is, Christus voedt ons met zijn vleesch, voor ons geofferd, en tot onze spijze verordend, en daaruit hebben wij het leven.
5 Maar velen onder hen. Nu zien wij tot wat einde Paulus deze voorrede gemaakt heeft, te weten, opdat wij niet eenige waardigheid of uitnemendheid boven de Israëlieten onszelven zouden toeschrijven, maar in ootmoedigheid en vreeze wandelen: want alzoo zal het dan eerst geschieden, dat wij niet tevergeefs met het licht der waarheid en met zulken overvloed van genade zullen begaafd zijn. God (zegt hij) had die allen tot een volk uitverkoren, maar
166
1 CORINTHE 10: 5, 6.
velen zijn van de genade afgevallen. Daarom, laat ons door zulke exempelen vermaand zijn en toezien, dat ons niet datzelfde geschiede :
want wat God zoozeer in hen gestraft heeft, zullen wij niet doen,
en van straf vrij zijn. Hier wordt wederom tegengeworpen: Zoo het waar is, dat de huichelaren en goddeloozen te dien tijde de geestelijke spijze gegeten hebben, zullen dan ook niet heden de onge-loovigen de zaak zelve in de sacramenten genieten ? Sommigen, vreezende, dat der menschen ongeloovigheid niet schijne de waarheid Gods te verkorten, leeren, dat de goddeloozen de beteekenende zaak met het teeken genieten. Maar deze vrees is tevergeefs: want de Heere stelt het den waardigen en onwaardigen voor, wat Hij afbeeldt: maar zij zijn niet allen machtig zulks te genieten. Onder-tusschen verandert het sacrament zijn natuur niet, noch zijn kracht wordt geenszins verkort. Daarom, zooveel God aangaat, het manna was ook den ongeloovigen een geestelijke spijze: maar dewijl der ongeloovigen mond alleen vleeschelijk was, zoo aten zij niet wat er gegeven werd. Doch breedere behandeling dezer zaak, stel ik uit tot hoofdstuk 11. Want zü zijn verslagen. Door het teeken bewijst hij, dat zij Gode niet behaagden, want God heeft zijn toorn zwaarlijk over hen gebruikt, en hun ondankbaarheid gewroken. Sommigen verstaan dit van het gansche volk, dat in de woestijn vergaan is, uitgenomen alleen Kaleb en Jozua: maar ik leg het uit, dat alleen die hier vervat worden, welker gestalten hij terstond zal verhalen.
6 Want deze dingen zijn ons tot voorbeelden, opdat wij niet begeerig zijn naar booze dingen, gelijk zij begeerd hebben. Num. li: 4,
7 En dat gij geene afgodendienaars zijt, gelijk sommigen onder ps'. ioe: u. hen, gelijk daar geschreven is: Het volk zat neder om te eten Ex. 32; g. en te drinken, en stonden op om te spelen.
8 En dat wij niet hoereeren, gelijk ook sommigen onder hen gehoereerd hebben, en zijn op éénen dag gevallen drieëntwintig duizend.
9 Dat wij ook Christus niet verzoeken, gelijk sommigen onder Num. 21:5. hen Hem verzocht hebben, en zijn van de slangen gedood.
10 Dat gij ook niet murmureert, gelijk ook sommigen onder hen ^ Ex. 16:2; gemurmureerd hebben, en zijn verdorven van den verwoester, jjmnquot; li; :j«.
11 Alle deze dingen zijn als voorbeelden hun geschied: en zÃn Psquot;B1^2|gr geschreven tot onze vermaning, op welke de einden der eeuwen wijsh. 1:11. zijn gekomen.
12 Daarom, die meent dat hij staat, zie toe, dat hij niet valle.
167
1
Deze dingen zijn ons tot voorbeelden. Hij vermaant ons nog duidelijker, dat de straffen, waarmede zij zijn gestraft, ook ons aangaan, zoodat zij ons zijn tot een leer, opdat wij ook niet evenzeer den toorn Gods verwekken. God (zegt hij) heeft die gestraft, en daarmede zijn strengheid als in een spiegel ons voor oogen gesteld,
opdat wij daaruit geleerd wordende, leeren vreezen. Van het woord voorbeeld, zullen wij terstond spreken, uitgenomen dat ik de lezers thans wil vermaand hebben, dat ik niet zonder oorzaak van den ouden overzetter en ook van Erasmus ben afgeweken: want zij verduisteren den zin van Paulus, of drukken hem immers niet klaar
1 CORINTHE 10:6, 7.
uit, dat God in dat volk een schets gegeven heeft om ons te onderwijzen. Opdat wij niet begeerig z|jn naar booze dingen. Nu
verhaalt hij sommige gestalten of zekere exempelen, om bij deze gelegenheid sommige gebreken te gispen, van welke het nuttig was de Corinthiërs te vermanen. Ik meen, dat hier die geschiedenis aangehaald wordt, die verhaald staat, Num. 11:4, hoewel anderen het duiden op wat staat in hfdst. 26:64, Toen het volk een tijdlang met dat manna was gevoed, heeft het ten laatste de walg daarvan gekregen, en begonnen andere spijze, die zij in Egypte plachten te eten, te begeeren. Zij zondigden op tweeërlei wijze, te weten, dat zij die bijzondere gave Gods versmaadden, en dat zij buiten Gods wil, verandering en lekkernijen zochten. De Heere, door deze dartelheid zwaar vertoornd zijnde, heeft het volk streng gestraft. Vandaar dat die plaats ook den naam gekregen heeft van graven der begeerlijkheid: omdat zij daar begraven hebben, die van den Heere geslagen waren. Met dit voorbeeld heeft de Heere betuigd, hoezeer Hij de begeerlijkheden gehaat heeft, die uit de walg zijner gaven en uit onze dartelheid komen: want dat wordt terecht kwaad en ongeoorloofd geacht, al wat boven de mate is, die God gesteld heeft.
7 En dat gij geene afgodendienaars zijt. Hij roert die historie aan, die verhaald wordt, Ex. 32 : 7. Want toen Mozes langer op den berg vertoefde dan de ongeschikte lichtvaardigheid des volks kon verdragen, is Aaron gedwongen om een kalf te maken, en op te richten om te aanbidden. Niet dat het volk een anderen God wilde, maar eenig zienlijk teeken der tegenwoordigheid Gods naar zijn vleeschelijk gevoelen. Dewijl God toen zeer streng deze afgoderij gewroken heeft, zoo heeft hij door dit voorbeeld verklaard, hoe gruwelijk de afgoderij voor Hem is. Gelijk daar geschreven is: Het volk zat. Deze plaats wordt door weinigen recht uitgelegd: want zij verstaan dat de onmatigheid de oorzaak van des volks dartelheid geweest is, gelijk men met een gemeen spreekwoord zegt: Na den vollen buik volgt de dans. Maar Mozes spreekt van een heiligen maaltijd, dat is, van een feestmaal, 'twelk zij tot den dienst van het beeld hielden: zoo dan, de spijze en het spel waren twee aanhangsels der afgoderij. Want het is niet alleen den bijgeloovigen, maar ook het volk Gods een gebruik geweest, dat zij aan de offerande een maaltijd toevoegden, als een deel van den godsdienst, waaraan geene onheiligen noch onreinen mochten komen. De heidenen hebben voor hunne afgoden ook heilige spelen ingesteld, naar welker wijze de Israëlieten zonder twijfel toen hun kalf dienden. Want dit is de dartelheid des menschelijken vernufts, dat zij Gode toevoegen al wat hun behaagt. Zoo zijn dan de heidenen tot zulke razernij gevallen, dat zij geloofden, dat hunne goden in zeer schandelijke schouwspelen, onbeschaamde dansingen, in onkuische woorden, en allerlei onreinigheden een behagen hadden. Zoo heeft dan het Israëlietische volk de heidenen nagevolgd, en is na den openlijken maaltijd opgestaan om te spelen, opdat daar niets zou ontbreken aan den afgodendienst. Dit is de natuurlijke en rechte zin. Maar hier wordt gevraagd, waarom de apostel meer het eten en spelen meldt, dan de aanbidding: want deze was het voornaamste der afgoderij, en die andere dingen waren alleen bijkomstig? Antwoord: Hij heeft genomen, wat den Corinthiërs allermeest diende: want
168
1 CORINTHE 10 : 7â9.
het is niet waarschijnlijk, dat zij in de bijeenkomsten der godde-loozen gegaan zijn, om aldaar voor de afgoden neder te vallen;
maar zij namen deel aan hunne maaltijden, tot der duivelen eer ingesteld, en onthielden zich niet van de goddelooze ceremoniën, die teekenen der afgoderij waren. Zoo is het dan niet zonder oorzaak, dat de apostel betuigt, dat waarin zij zondigden, van God bijname veroordeeld wordt. In één woord, hij geeft te kennen, dat men geen deel der afgoderij kan aanroeren, zonder besmet te worden: en dat zij de hand Gods niet ontgaan zullen, die zich-zelven met de uitwendige teekenen der afgoderij besmet hebben.
8 En dat wij niet hoereeren. Nu spreekt hij van de hoererij,
waarin de Corinthiërs groote vrijheid gebruikten, gelijk het openbaar is uit de historie, en gelijk men uit de voorgaande dingen lichtelijk kan verstaan, dat zij van deze zonde nog niet ganschelijk vrij waren, die zichzelven tot Christus begeven hadden. De straf dezer zonde behoort ons ook te verschrikken en te vermanen, hoezeer God de onreine onkuischheid haat: want daar zijn er op éénen dag omgekomen 23000, of gelijk Mozes zegt, 24000. En hoewel zij in het ^um. 25:9. getal verschillen, zoo zijn zij nochtans licht te vereenigen: want het
is niet nieuw, dat men als men niet voorgenomen heeft een iegelijk stuk volkomen en bijzonder te verhalen, dat getal stelt, dat ongeveer daarbij komt: gelijk bij de Romeinen de honderd mannen genoemd werden, die nochtans honderd en twee waren. Zoo dan,
dewijl daar omtrent 24000 ternedergeslagen waren door de hand des Heeren, dat is, boven 23000, zoo heeft Mozes het hoogste getal gesteld, en Paulus het laagste. Alzoo is in de zaak zelve geen onderscheid. Deze historie staat, Numeri 25:9. Nochtans komt hier een zwarigheid, te weten, waarom Paulus deze straf aan de hoererij toerekent, daar Mozes verhaalt, dat de toorn Gods daardoor is verwekt geworden, dat het volk zichzelve begeven had tot den dienst van Baal-Peor. Maar dewijl het begin der afwijking was uit de hoererij, en de kinderen Israels niet zoozeer door godsdienst bewogen, als door de hoeren verlokt, tot de boosheid vervallen waren, zoo moest men al het kwaad, dat daaruit kwam, aan de hoererij toeschrijven. Want Bileam had den raad gegeven,, dat de Num. 24: u. Midianieten hunne dochters aan de Israëlieten zouden prijsgeven,
om hen alzoo te vervreemden van den waren dienst Gods. Ja ook die groote verblindheid, dat zij zichzelven door der hoeren verlokking tot de goddeloosheid lieten bewegen, was een straf der onkuischheid. Daarom zullen wij leeren, dat de hoererij geen lichte zonde is, welke zoo gruwelijk en veelszins toen van den Heere gestraft werd.
9 Dat wij ook Christus niet verzoeken. Dit is een deel van de geschiedenis, die gelezen wordt Num. 21 :6. Want toen de langheid des tijds het volk begon te verdrieten, zoo begon het over zijn toestand te klagen, en met God te twisten, zeggende: Waarom heeft God ons bedrogen? enz. Deze murmureering des volks noemt Paulus een verzoeking; en dat niet oneigenlijk: want de verzoeking is het tegenovergestelde der lijdzaamheid. En wat is de oorzaak geweest, dat het volk tegen God opstond, anders dan dat het door ongeschikte begeerlijkheid gedreven zijnde, niet kon wachten, totdat de tijd kwam, welken de Heere verordend had ? Zoo zullen wij dan aanmerken, dat de fontein van dit kwaad, waarvan Paulus ons hier
169
1 CORINTHE 10:9, 10.
een afschrik geeft, is onlijdzaamheid, als wij God willen voorkomen, en ons niet onderwerpen om van Hem geregeerd te worden, maar liever Hem aan ons goeddunken en onze wetten willen binden. Dit kwaad heeft God gruwelijk in het Israëlietische volk gestraft: want de rechtvaardige Richter blijft Zichzelven altijd gelijk. Daarom zullen wij Hem niet verzoeken, tenzij wij dezelfde straffen willen dragen. Dit is een schoone plaats van de eeuwigheid van Christus: want die uitvlucht van Erasmus deugt niet, dat wij Christus niet verzoeken, gelijk sommigen van hen God verzocht hebben. Want dat is te zeer gedwongen, dat hij onder het woordje Hem God verstaat. En het is geen wonder, dat Christus genoemd wordt de leider van het Israëlietische volk. Want gelijk God nooit den zijnen is genadig geweest, anders dan door dezen Middelaar, alzoo heeft Hij ook geen weldaad gegeven, anders dan door diens hand. Bovendien is de Engel, die aan Mozes eerst verscheen, en die op de reis altijd bij het volk is geweest, dikmaals genoemd Jehova, dat is, de Eeuwige. Zoo zullen wij dan denken, dat die Engel de Zone Gods geweest is, en dat Hij ook toen de leider en bestuurder der gemeente is geweest, waarvan Hij het hoofd was. Zooveel den naam Christus aangaat, dewijl die een aanwijzing der menschelijke natuur medebrengt, zoo paste die toen nog niet op den Zone Gods: maar wordt aan Hem door de mededeeling der eigenschappen gegeven, gelijk joh. 3:13. wij op een andere plaats lezen, dat de Zone Gods uit den hemel is gekomen.
io Dat gij ook niet murmureert. Sommigen verstaan het van Num. is: si, die murmureering, die toen ontstond, als de twaalf, die om het land a2' te bespieden gezonden waren, den moed des volks gebroken hadden.
Maar dewijl deze murmureering niet dadelijk door een straf des Heeren gewroken is, maar deze straf alleen hun is opgelegd, dat Num. 14:2i. zij allen van de bezitting des lands werden uitgesloten: zoo moet men deze plaats anders uitleggen. Dit is wel een zeer zware straf geweest, dat zij niet in het land mochten komen: maar door de woorden van Paulus wordt een andere straf uitgedrukt, dewijl hij zegt, dat zij van den verwoester zijn verdorven. Daarom versta ik het van de historie, die gelezen wordt. Num. 16:41. Want toen God de hoovaardigheid van Korach en Abiram gestraft had, zoo is het volk tegen Mozes en Aaron oproerig geworden, alsof zij de oorzaak der straf des Heeren geweest waren. Deze razernij des volks heeft de Heere gestraft met vuur uit den hemel, hetwelk velen verslonden heeft, te weten, boven de 14000. Zoo is het dan een klaar en gedenkwaardig bewijs der toornigheid Gods tegen de we-derspannigen en oproerigen, die zichzelven tegen Hem stellen. Zij murmureerden tegen Mozes, maar dewijl zij geen oorzaak hadden om tegen hem op te staan, en om geen zaak tegen hem ontstoken waren, anders dan omdat hij het ambt, dat hem van God bevolen was, getrouwelijk bediende, zoo viel deze murmureering op God zeiven. Zoo zullen wij dan gedenken, dat wij tegen God en niet tegen de menschen handelen, zoo wij tegen de getrouwe dienaars Gods oprijzen: en wij zullen weten, dat deze stoutheid niet ongestraft zal blijven. Door den verwoester, versta den engel, die het oordeel Gods volbracht heeft. En om de menschen te straffen, 2 Kr on «m' gebruikt God somtijds den dienst der booze, somtijds den dienst job 1:12! der goede engelen: gelijk uit vele plaatsen der Schrift duidelijk is.
170
1 CORINTHE 10; 10. 11.
En dewijl Paulus het hier niet onderscheidt, zoo kan men nemen wat men wil.
ii Al deze dingen zijn als voorbeelden hun geschied. Wederom verhaalt hij, dat al deze dingen den Israëlieten alzoo geschied zijn, dat zij ons zijn voorbeelden, dat is, exempelen, waarmede God zijn oordeelen ons voor oogen stelt. Het is mij niet verborgen, dat anderen scherpzinniger philosopheeren op deze woorden: maar ik meen, dat ik den zin van Paulus gevat heb, als ik zeg, dat wij door die exempelen, als door geschilderde tafereelen, geleerd worden wat oordeel over de afgodendienaars, hoereerders, en andere verachters Gods staat te komen. Want zij zijn gelijk levende beelden, die ons de toornigheid Gods over zulke zonden voor oogen stellen. Deze uitlegging, die ook eenvoudig en waarachtig is, heeft ook deze nuttigheid, dat zij sommigen uitzinnigen den weg toesluit, die deze plaats daartoe draaien, dat zij daarmede willen bevestigen, dat in het oude volk nooit iets geschied is, dan wat figuur en schaduw was: en eerst stellen zij dit, dat het Israëlietische volk een figuur der gemeente is geweest: daaruit besluiten zij en zeggen, dat alles wat God hun beloofd en gedaan heeft, al de weldaden, al de straffen alleen afgebeeld hebben wat in der waarheid na de komst van Christus moest volbracht worden. Dit is een zeer schandelijke razernij, welke den heiligen vaderen ook gruwelijk onrecht doet, en Gode ook nog veel gruwelijker. Want dat volk is alzoo een figuur der Christelijke gemeente geweest, dat het ook een ware gemeente geweest is: en de staat van dat volk heeft alzóó den onzen afgebeeld, dat die nochtans te dien tijde de eigen gestalte der gemeente geweest is. De beloften, aan dat volk gegeven, hebben alzoo het Evangelie afgebeeld, dat zij het in zich besloten hadden. Hunne sacramenten hebben alzoo gediend om de onze af te beelden, dat zij nochtans ook te dien tijde ware sacramenten geweest zijn met tegenwoordige kracht. Eindelijk, die zijn met denzelfden Geest des geloofs met ons begaafd geweest, die toen de leer en de teekenen naar eisch gebruikten. Zoo worden dan die uitzinnige menschen door deze woorden van Paulus niet geholpen, welke woorden niet beteekenen, dat de dingen, die te dien tijde geschiedden, zóó voorbeelden geweest zijn, alsof toen geen waarheid, maar een ijdel schouwspel geweest ware. Maar (gelijk wij verklaard hebben) zij lee-ren veeleer eenvoudig, dat daar als op een houten blad, dingen geschilderd zijn, die dienen om ons te vermanen. Maar zijn geschreven tot onze vermaning. Dit tweede deel is een verklaring van het eerste. Want den Israëlieten was daar niet aan gelegen, maar ons alleen, dat deze dingen beschreven werden. Nochtans volgt daaruit niet, dat die straffen niet ware straffen Gods zouden geweest zijn, die toen dienden om hen te beteren; maar gelijk God toen zijn oordeelen volbracht heeft, alzoo wilde Hij, dat een eeuwige gedachtenis daarvan zou blijven, opdat wij daardoor mochten onderwezen worden. Want wat voordeel zou de historie den dooden doen? en hoe zou zij den levenden nuttig zijn, ware het niet, dat zij, door de exempelen van anderen vermaand, zichzelven bekeerden? Hij stelt deze grondwaarheid voor bekend en beleden, waarin alle godzaligen behooren eenstemmig te zijn, dat in de Schriften geen ding beschreven is, dat ons niet auttig is te weten. Op welke de einden der eeuwen gekomen zijn. Het Grieksche
171
1 CORINTHE 10: 11, 12
réXy woord, waarvoor wij gesteld hebben einden, beduidt somtijds verborgenheden, welke beteekenis mogelijk te dezer plaats niet kwalijk zou passen: nochtans volg ik de gewone lezing, omdat zij eenvoudiger is. Zoo zegt hij dan, dat de einden aller eeuwen op ons gevallen zijn: omdat de volheid aller dingen op deze eeuw past, dewijl het nu de laatste tijden zijn. Want het rijk van Christus is het voornaamste einde der wet en aller profeten. Voorts, deze uitspraak van Paulus strijdt tegen de gemeene meening, te weten, dat God in het Oude Testament strenger is geweest, en altijd gereed en gewapend om de zonden te straffen: maar dat Hij nu lichtelijk de gebeden verhoort, en de zonden vergeeft. En alzoo leggen zij het uit, dat wij zijn onder de wet der genade, omdat God ons nu veel verzoenlijker is, dan Hij den Israëlieten was. Maar wat zegt Paulus? Zoo God de Israëlieten gestraft heeft, zoo zal Hij ons ook niet meer sparen. Daarom laat varen die dwaling, dat God nu zachter is om de boosheid te straffen. Men moet wel bekennen, dat de goedheid Gods klaarder en overvloediger over de menschen is uitgestort na de komst van Christus, maar wat helpt dat den boozen om vergeving te verkrijgen, dewijl zij zijn genade misbruiken? Maar dit moet men alleen aanmerken, dat de straf nu op een andere wijze geschiedt, want gelijk God voortijds de godzaligen meer met uitwendige zegeningen begaafde om zijn vaderlijke liefde te betuigen: alzoo openbaarde Hij ook zijn toorn meer met lichamelijke straffen: maar nu in deze volle openbaring, die wij nu hebben, straft God niet zoo dikmaals met zienlijke straffen, noch ook zoo dikniaals de booze menschen met lichamelijke straffen: waarvan men meer kan vinden in onze «Institutiequot;.
ia Daarom, die meent, dat hij staat. Uit het voorgaande besluit de apostel, dat wij niet alzoo moeten roemen in ons begin of voortgang, dat wij gerust zouden slapen. Want de Corinthiërs roemden alzoo op hun staat, dat zij hun zwakheid vergeten hebbende, in vele zonden vielen. Dit was een verkeerd betrouwen, hoedanig de profeten alom in het Israëlietische volk bestraffen. Maar dewijl de papisten deze plaats verdraaien, om hun goddelooze leer van de eeuwige twijfeling des geloofs te bevestigen: zoo zullen wij aanmerken, dat daar tweëerlei gerustheid is. De een steunt op de beloften Gods, daarom dat de godzalige conscientie zeker acht, dat God haar nimmermeer zal verlaten, en op deze onverwinnelijke zekerheid betrouwende, trotseert ze driest en onverschrokken den duivel en de zonde: nochtans desniettemin harer zwakheid gedachtig, stelt zij zich met vreeze en ootmoedigheid op God, zichzelve Hem naarstig en zorgvuldig bevelende. Dit is een heilige gerustheid, en kan van het geloof niet gescheiden worden, gelijk het uit vele plaatsen der Schrift openbaar is, en voornamelijk Rom. 8 : 33. Daar is een ander gerustheid, die uit onachtzaamheid rijst, als de menschen door de tegenwoordige gaven opgeblazen zijnde, geen zorg hebben, maar in hun toestand gerust zijn, alsof zij buiten alle gevaar waren: waardoor zij allen aanvallen des duivels onderworpen worden. Dit is die gerustheid, van welke Paulus de Corinthiërs terugroept, omdat hij zag, dat zij zichzelven in hun dwaze meening behaagden. Maar hij gebiedt hen niet, dat zij met benauwde harten aan den wil Gods zullen twijfelen, of door onzekerheid hunner zaligheid beven, gelijk de papisten droomen. In één woord, wij zullen
172
1 CORINTHE 10; 12, 13.
gedenken, dat Paulus hier spreekt tot menschen, die door verdraaid betrouwen des vleesches opgeblazen waren: en dat hij die onvas-tigheid wederlegt, die op menschen, en niet op God gefundeerd was.
Want als hij de vastigheid of sterkte des geloofs in de Colossensen geprezen heeft, zoo gebiedt hij hen in Christus geworteld te zijn, coi. 2:s. standvastig te blijven, en opgebouwd en bevestigd te worden in het geloof.
13 U heeft geen verzoeking bevangen, dan menschelijke; God is iThcss.5:24. getrouw, die u niet zal laten verzoclit worden boven vermo- o petr.12:9. gen: maar zal met de verzoeking ook de uitkomst geven,
opdat gij ze kunt dragen.
14 Daarom, mijne lieven, vliedt van de afgoderij.
15 Ik spreek als tot voorziolitigen: oordeelt zeiven wat ik zeg.
16 De drinkbeker der zegening, welken wij zegenen, is die niet de gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is het niet de gemeenschap des lichaams van Christus ?
17 Want wij velen zijn één brood en één lichaam: want wij zijn allen ééns broods deelachtig.
18 Ziet Israël naar het vleesch; die de offeranden eten, zijn die niet des altaars deelachtig?
13 U heeft geen verzoeking bevangen. Anderen mogen hun gevoelen houden: ik oordeel, dat dit tot hun vertroosting gesteld is, opdat zij, na gehoord te hebben die gruwelijke exempelen van den toorn Gods, die hij dusver verhaald heeft, niet door verschriktheid afvielen. Daarom, opdat zijn vermaning nuttig mocht zijn, zoo heeft hij daarbij gesteld, dat daar plaats is tot bekeering, alsof hij zeide:
gij moet den moed niet verloren geven, want ik heb u niet oorzaak tot vertwijfeling willen geven: want u is niets anders overkomen â¦
dan dat den menschen pleegt toe te komen. Anderen achten meer,
dat hun traagheid bescholden wordt, dat zij weinig verzocht zijnde den moed verloren gaven. En voorwaar dit woord menschelijk,
wordt somtijds gesteld voor matig. Zoo zou dan naar dier gevoelen de zin zijn: Betaamde het dan zoo door een kleine verzoeking overwonnen te worden? Maar dewijl het verband beter sluit, zoo wij zeggen, dat het een vertroosting is, daarom hel ik hiertoe liefst over. God is getrouw. Gelijk hij hun heeft geboden goeden moed te hebben, zooveel den verleden tijd aangaat, om hen zoo tot betering op te wekken; alzoo vertroost hij ze ook met zekere hoop voor namaals, dewijl God niet zal toelaten, dat zij verzocht worden boven hun macht. Hij gebiedt ze op den Heere te hopen, omdat de verzoeking hoe klein zij is, terstond ons zal overvallen, en het zal met ons gedaan wezen, zoo wij op onze eigen kracht steunen. Hij noemt den Heere getrouw, niet alleen omdat Hij waarachtig is in zijne beloften: maar alsof hij zeide: de Heere is een zeker bewaarder der zijnen, onder wiens bescherming gij vrij en buiten gevaar zijt: want Hij verlaat de zijnen nimmermeer. Daarom, dewijl Hij u in zijn trouw heeft aangenomen, zoo moet gij niet vreezen, zooverre gij geheel op Hem staat. Want dit ware voorwaar een soort van bedrog, zoo Hij zijn hulp in den nood onttrok, of zoo Hij de verzoekingen langer maakte, als Hij ze zwak en onder den last over-
173
1 CORINTHE 10: 13â16.
wonnen zag. Nu, God helpt ons tweëerlei wijze, dat wij van de verzoeking niet overvallen worden: want Hij geeft ons kracht, en matigt de verzoeking. Van deze laatste wijze spreekt de apostel hier meest: doch sluit hij de ander niet uit, te weten, dat God de verzoekingen verlicht, zoodat zij ons door haar zwarigheid niet neder-werpen. Want Hij kent de mate onzer macht, die Hij zelve gegeven heeft, waarnaar Hij de verzoekingen matigt. Het woord verzoeking, neem ik hier in het gemeen voor alle dingen, die ons benauwen.
14 Daarom, mijne lieven, vliedt van. Nu keert de apostel terug tot de bijzondere handeling, van welke hij weinig afgeweken was; want opdat de enkele leer niet weinig kracht bij hen zou hebben, zoo heeft hij algemeene vermaningen daarbij gesteld, welke wij nu gelezen hebben. Maar nu vervolgt hij zijn begonnen handeling, te weten, dat het den Christenmensch niet geoorloofd is, zich als deelgenoot aan te sluiten aan de bijgeloovigheden der goddeloozen. Vliedt, zegt hij, van de afgoderij. Ten eerste moet men zien in wat beteekenis hij het woord afgoderij gesteld heeft. Voorwaar hij achtte niet, dat in de Corinthiërs zulke groote onwetendheid of onachtzaamheid was, dat hij meende, dat zij van harte de afgoden of beelden dienden: maar dewijl zij geen zwarigheid maakten te komen in der goddeloozen vergaderingen, en met hen sommige ceremoniën te gebruiken, die tot der afgoden dienst ingesteld waren, zoo veroordeelt hij in hen deze onbehoorlijke vrijheid, omdat het zeer booze exempelen waren. Zoo is het dan zeker, dat hij, als hij de afgoderij noemt, spreekt van uitwendige afgoderij, of (zoo iemand dit liever heeft) van de belijdenis der afgoderij. Want gelijk God gezegd wordt door kniebuiging en andere teekenen van eerbied gediend te worden, daar nochtans zijn voornaamste en ware dienst inwendig is, alzoo is het ook van de afgoden. Want het tegenovergestelde heeft denzelfden grond. Het is tevergeefs, dat heden vele menschen zoeken door deze voorwending de uitwendige handelingen te verontschuldigen, omdat het hart daarvan verre is: want Paulus veroordeelt zulke handelingen van afgoderij, en dat terecht: want dewijl wij niet alleen de verborgen genegenheid des harten, maar ook de uitwendige aanbidding Gode schuldig zijn: zoo wie den afgod een schijn der aanbidding bewijst, die onttrekt zooveel van de eer, die hij Gode schuldig is. Men mag voorwenden, zoo men wil, dat men het anders in het hart heeft: nochtans is het werk zelve openbaar, waardoor de eere, die Gode toekomt, den afgod gegeven wordt.
15 Ik spreek als tot voorzichtigen. Dewijl hij wilde uit de verborgenheid des nachtmaals een bewijs maken, zoo wekt hij ze door deze kleine voorrede op, opdat zij te naarstiger de grootheid der zaak aanmerken; alsof hij zeide: ik spreek niet tot nieuwelingen, gij weet de kracht des heiligen nachtmaals: wij worden daar in het lichaam des Heeren geplant. Hoe onredelijk is het dan, dat gij met de goddeloozen gemeenschap hebt, om in e'én lichaam saam te groeien. Zoo verwijt hij ze dan bedektelijk hun onbedachtzaamheid, dat zij in de school van Christus wel geleerd zijnde, zichzelven aan zulke grove dwaling overgeven, waarover men gemakkelijk kon oordeelen.
16 De drinkbeker der zegening. Dewijl het heilige nachtmaal van Christus in twee teekenen gelegen is, te weten, in brood en wijn, zoo begint hij van het tweede eerst. Den drinkbeker der zegening noemt hij, die tot de geestelijke dankzegging verordend is.
174
1 CORINTHE 10 : 16.
Want ik gevoel niet met degenen, die bij de zegening verstaan dankzegging, en bij zegenen, dankzeggen. Ik beken wel, dat het somtijds deze beteekenis heeft, maar nimmermeer in dit verband, als Paulus hier gebruikt. Want dat Erasmus hier een voorzetsel bij verstaat, is te zeer gedwongen. Doch de zin, welken ik volg, is licht en geenszins verward. Zoo dan, den drinkbeker zegenen, is tot dit '' gebruik heiligen, dat hij ons een teeken van het bloed des Heeren zij. Dit geschiedt door het woord der belofte, als de geloovigen naar de inzetting van Christus vergaderen, om in dit sacrament de gedachtenis zijns doods te houden. Maar de wijding, die de papisten hebben, is een zekere tooverij van de heidenen aangenomen, die l, niets gemeens heeft met het zuivere gebruik der Christenen. Door het Woord Gods wordt ook wel alle ding geheiligd, dat wij eten,
gelijk dezelve apostel op een ander plaats betuigt; maar die zege-1'rim-4;5-ning heeft een ander einde, te weten, opdat het gebruik der gaven Gods ons zuiver zij, en gedije tot lof des Gevers, en tot ons nut.
Maar het einde der heilige zegening in het nachtmaal is, opdat de wijn nu niet zij gewone drank, maar verordend tot geestelijke versterking der ziel, dewijl hij een teeken wordt des bloeds van Christus. Den drinkbeker aldus gezegend, noemt Paulus de gemeenschap des bloeds van Christus. Daar wordt gevraagd in welken zin? Laat varen de twistingen, zoo zal daarin niets duisters wezen. Het is waarachtig, dat de geloovigen vereenigd worden door het bloed van Christus, zoodat zij e'e'n lichaam worden. Het is ook waar, dat zulke eenig-heid eigenlijk genoemd wordt gemeenschap. Ditzelfde beken ik ook j B van het brood. Bovendien hoor ik ook, wat Paulus als tot verklaring hierbij stelt, te weten, dat wij allen e'en lichaam worden, omdat wij te zamen deszelfden broods deelachtig worden. Maar ik bid u, vanwaar komt deze gemeenschap onder ons, anders dan omdat wij met Christus vereenigd zijn, met deze conditie, dat wij zijn vleesch van zijn Ef. 5:30. vleesch, en been van zijne beenen? Want wij moeten eerst in Christus ingelijfd worden (opdat ik alzoo spreke) opdat wij onder elkander vereenigd worden. Bovendien handelt Paulus nu niet alleen van de wederkeerige gemeenschap onder de menschen, maar van de geestelijke eenigheid van Christus en der geloovigen; opdat hij daaruit besluite, dat het een onverdragelijke heiligschennis is, dat zij door der afgoden gemeenschap besmet worden. Zoo mag men dan uit de omstandigheid der plaats oordeelen, dat de gemeenschap des bloeds is de eenigheid, die wij hebben met het bloed van Christus,
als Hij ons allen te zamen in zijn lichaam inlijft, zoodat Hij in ons leeft, en wij in Hem. Nu, dat de drinkbeker genoemd wordt gemeenschap, beken ik een figuurlijke wijze van spreken te zijn, zoo-verre de waarheid der figuur niet weggenomen wordt, dat is, zooverre ook de zaak zelve daarbij is, en de ziel evenzoowel de gemeenschap des bloeds geniet, als wij met den mond den wijn drinken. Maar dit moeten de papisten niet zeggen, dat de drinkbeker der zegening hun is de gemeenschap des bloeds van Christus: want zij hebben een gebroken en gescheurd lichaam: zoo toch die vreemde cere-o monie een nachtmaal kan genoemd worden, die uit menigerlei von
den der menschen te zamen gelapt is, en nauwelijks eenig duister teeken der inzetting des Heeren behoudt. Maar of alle andere dingen daarbij waren, zoo strijdt nochtans dit tegen het rechte gebruik des nachtmaals, dat de drinkbeker, die de helft des sacraments is,
175
1 CORINTHE 10:16â18.
het gansche volk geweigerd wordt. Het brood, dat wij breken. Hieruit is het openbaar, dat het de gewoonte der oude gemeente geweest is, uit een brood een iegelijk zijn stuksken te breken, opdat die vereeniging aller geloovigen in één lichaam van Christus te beter voor oogen zou gesteld worden. En dat deze wijze langen tijd behouden is, blijkt uit het getuigenis van hen, die die drie eeuwen na de apostelen in de gemeente gebloeid hebben. Daarna heeft het bijgeloof de overhand gekregen, dat de priester het brood in den mond stak, 'twelk niemand met de hand durfde aanroeren.
17 Want wij velen zijn. Ik heb boven vermaand, dat Paulus' oogmerk hier niet is ons tot liefde te vermanen: maar hij zegt dit als in het voorbijgaan, opdat de Corinthiërs verstaan, dat wij die eenigheid, die wij met Christus hebben, ook behooren met uitwendige belijdenis te oefenen: dewijl wij allen te zamen vergaderen tot het teeken dier heilige eenheid. In dit tweede deel verhaalt hij alleen een stuk des sacraments: en de Schrift pleegt bij de breking des broods het gansche nachtmaal te beduiden, door een wijze van spreken genoemd synecdoche of samenvatting. Waarvan de lezers hier moesten, als in 't voorbijgaan vermaand zijn, opdat niemand die ongeoefend is, door deze walgelijke beuzeling beroerd worde, welke sommige beuzelaars in de hand steken, alsof Paulus het volk van het halve sacrament had willen berooven, als hij het brood alleen noemt.
18 Ziet Israël naar het vleesch. Door een ander voorbeeld bevestigt hij, dat dit de natuur aller sacramenten is, dat zij ons in eenige gemeenschap met God verbinden. Want de wet van Mozes laat niemand toe lot de spijze der offerande, dan die zich behoorlijk voorbereid heeft: ik spreek niet alleen van de priesteren, maar van die gemeene lieden, die het overblijfsel der offerande eten. Hieruit volgt, dat alle die, die van het geofferde beest eten, deel hebben aan het altaar, dat is aan de heiliging, waarmede God zijn tempel, en de heilige dingen die daar geschieden, geheiligd heeft. Dit woord, naar het vleesch, kan schijnen daarom gesteld te zijn, opdat de Corinthiërs door de gemaakte vergelijking de kracht van ons nachtmaal te meer zouden achten: alsof hij gezegd had: indien in de oude figuren, en in de beginselen der onderwijzing, zulke groote kracht geweest is, hoeveel meent gij dan, dat in onze verborgenheden zal wezen, in welke God Zichzelven ons klaarder vertoont. Hoewel naar mijn oordeel is het eenvoudiger, dat Paulus alleen daardoor de Joden, die onder de wet stonden, heeft willen onderscheiden van degenen, die zich tot Christus bekeerd hadden. Nu is daar nog die tegenstelling, te weten, indien de ceremoniën van God verordend, die heiligen, die ze onderhouden, zoo wordt men dan ont-reinigd door der afgoden ceremoniën. Want er is een eenig God, die heilig maakt, zoo dan, alle vreemde goden maken onheilig. Wederom, indien de geloovigen met God vereenigd worden door de verborgenheden, zoo worden dan desgelijks de goddeloozen door de bijgeloovige ceremoniën tot der afgoden gemeenschap vereenigd. Maar eer de apostel hiertoe komt, zoo voorkomt hij eerst een vraag, die hier kon tegengeworpen worden.
1 Cor. 8:4. 19 Wat zeg ik dan? dat de afgod iets is? of dat, wat den afgod
geofferd is, iets is?
3eut! 32â 17] 20 Maar wat de heidenen offeren, dat offeren zij den duivelen
176
1 CORINTHE 10:19, 20. 177
en niet Gode; en ik wil niet, dat gij der duivelen deelge-nooten wordt.
21 Gij kunt niet den drinkbeker des Heeren drinken, en den drinkbeker der duivelen: gij kunt niet de tafel des Heeren deelachtig zijn, en de tafel der duivelen.
22 Tergen wij den Heere? Zijn wij ook sterker dan Hij?
23 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet nut;
alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet. m. 2:4.
24 Niemand zoeke wat zijn eigen is, maar een iegelijk zoeke dat des anderen is.
19 Wat zeg ik dan? De apostel had kunnen schijnen of een valsche bewijsreden te maken, of den afgoden eenig wezen of macht toe te schrijven. Men had hem lichtelijk kunnen tegenwerpen, hoedanig is de vergelijking van den levenden God met de afgoden ? God ver-eenigt ons met Zich door de verborgenheden; het zij zoo: maar waar hebben de afgoden zulke groote kracht, dewijl zij niets zijn om zooveel te vermogen? Meent gij, dat de afgoden iets zijn of iets vermogen? Hij antwoordt, dat hij niet de afgoden zeiven aanziet, maar dat hij meer overlegt den raad dergenen, die den afgoden offeren:
en dat de besmetting, die hij bedektelijk te kennen gegeven heeft,
daaruit voortvloeit. Zoo bekent hij dan dat de afgod niets is, hij bekent, dat de ceremoniën der heiligmakingen, die de heidenen gebruiken, enkel bedrog en ijdelheid is, en dat de creaturen Gods door zulke beuzelingen niet geschonden worden; maar omdat hun einde bijgeloovig en veroordeeld is, en dewijl het werk ongoddelijk is, zoo besluit hij dat allen, die zich daarbij voegen tot metgezellen,
met de onreinigheid besprengd worden.
20 Maar wat de heidenen offeren. Hier ontbreekt een ontkenning ; opdat het antwoord volkomen zij, aldus: ik zeg niet, dat de afgod iets is, en dicht ook niet, dat hij eenige macht heeft: maar ik zeg, dat de heidenen den duivelen en niet den goden offeren wat zij offeren: en daarom oordeel ik het werk uit hun verdraaide en goddelooze bijgeloovigheden, want men moet altijd zien met wat verstand een iegelijk ding gedaan wordt. Zoo wie dan zich met hen voegt, die belijdt, dat hij in dezelfde goddeloosheid gemeenschap heeft. Zoo gaat hij dan voort in wat hij begonnen had, alsof hij zeide: had men alleen met God te doen, zoo waar zulks al niet,
maar naar des menschen aanzien worden zij schuldig, want niemand zit aan de afgodstafel, die daarmede niet betuigt, dat hij een afgodendienaar is. Voorts, het Grieksche woord demonia, waarvoor wij stellen duivelen, nemen sommigen hier voor verdichte afgoden der heidenen, naar der heidenen gemeene wijze van spreken: want dooide duivelen, verstonden zij de minste goden, en alzoo wordt dat woord in het goede genomen. En bij Plato wordt het alom genomen voor geesten of engelen. Maar deze zin zou ganschelijk vreemd van de meening van Paulus zijn: want hij wil leeren, dat het geen kleine zonde is, zulke dingen te doen, die eenigen afgodendienst uitgeven. Zoo past het dan bij zijn oogmerk, die goddeloosheid, die daaronder schuilt,
niet klein maar groot te maken. Hoe ongeschikt ware het dan, zoo hij een eerlijken naam genomen had, om een zeer groote zonde daarmede te beduiden ? Het is uit den profeet zeker, dat het den duivelen geofferd wordt wat men den afgoden offert. In deze plaats Baruch 4:7.
12
Dl. 11.
1 CORINTHE 10:20â23.
des profeten heeft de oude overzetting (welke toen gemeenlijk gebruikt werd) duivelen: en dit is het gemeen gebruik der Schrift. Hoeveel waarschijnlijker is het, dat Paulus het uit den profeet geleend heeft, wat hij zegt, om de zwarigheid der zonde aan te duiden. Maar hiertegen schijnt een weinig te strijden wat ik boven gezegd heb, dat Paulus de meening der afgodendienaren aanziet: want hun voornemen is, niet de duivelen te dienen, maar hunne goden, die zij gedicht en gesmeed hebben. Ik antwoord, dat het beide wel overeenkomt, want als de menschen alzoo in hunne gedachten verijdelen, dat zij den creaturen goddelijke eer bewijzen, liever dan den eenigen God: zoo is deze straf gereed, dat zij den duivel dienen, want dat middelding, dat zij tusschen God en den duivel zoeken, vinden zij niet, maar nadat zij van den waren God afgeweken zijn, zoo stelt de duivel zichzelven hun voor, om aangebeden te worden. Ik wil niet, dat gij. Indien het woord duivel hier een middelding beduidde, hoe flauw en koud zoude deze uitspraak van Paulus zijn, welke nochtans groote strengheid medebrengt tegen de afgodendienaars! Hij stelt de reden daarbij, omdat niemand tegelijk met God en met de afgoden gemeenschap kan hebben: en in alle godsdienstige ceremoniën is eên betuiging van gemeenschap. Zoo zullen wij dan weten, dat wij dan eerst van Christus tot de heilige spijze zijns lichaams en bloeds toegelaten worden, als wij eerst alle heiligschennissen verworpen hebben. Want wie het een wil genieten, die moet het ander verwerpen. O hoe zeer ellendig is dier menschen staat, die niet ontzien zichzelven met ongeoorloofde bijgeloovigheden te besmetten, opdat zij den menschen niet mishagen: want alzoo doende, onttrekken zij zichzelven vanzelf aan het deelgenootschap van Christus, en benemen zichzelven den toegang tot zijn zalige tafel.
22 Tergen wij den Heere? Als hij nu de leer voorgesteld heeft, zoo dringt hij geweldiger aan, omdat hij zag, dat die zeer groote misdaad niet geacht, of immers voor een zeer kleine dwaling gehouden werd. De Corinthiërs wilden, dat hun dartelheid te verontschuldigen ware, gelijk niemand onder ons zichzelven gaarne wil laten beschuldigen, maar wij zoeken menigerlei uitvluchten, om ons daarmede te dekken. Maar Paulus zegt, dat wij aldus krijg tegen God aanrichten, en terecht, want God eischt geen ding meer, dan dat het ons vast zij, al wat Hij in zijn Woord verkondigt. Zoo dan, degenen die uitvluchten zoeken, om ongestraft de geboden Gods te overtreden, wapenen die zichzelven niet openlijk tegen God? Hieruit komt die vervloeking, die de profeet allen verkondigt, die het kwaad
jes. 5:2o. goed, en de duisternis licht noemen. Zijn wij sterker dan Hij? Hij vermaant ze hoe gevaarlijk het is, God te tergen: want niemand kan dat doen, dan tot zijn eigen verderf. De uitkomst des krijgs onder de menschen is twijfelachtig: maar tegen God strijden, is niets anders dan willens het verderf over zichzelven halen. Daarom indien wij vreezen God tot vijand te hebben, zoo moeten wij ons ontzien, openbare zonden te verontschuldigen, dat is, al wat tegen zijn Woord strijdt: wij moeten ons ook ontzien die dingen in twijfel te stellen, over welke God zelve zijn oordeel gegeven heeft: hetwelk niet anders is, dan naar de wijze der reuzen (gelijk men zegt) tot den hemel opklimmen.
23 Alle dingen zijn mij geoorloofd. Nu komt hij wederom tot het recht der Christelijke vrijheid, waarmede de Corinthiërs zichzelven
178
I CORINTHE 10: 23â25.
beschermden: en verwerpt hun tegenwerping met dezelfde wederlegging, die hij boven gebruikt heeft. Het was een uitwendige zaak,
geofferd vleesch te eten, en bij den maaltijd te zijn: zoo was het dan geoorloofd. Paulus betuigt, dat hij daarvan geen kwestie maakt,
maar antwoordt, dat men moet acht hebben op de stichting. Alle dingen zijn mij geoorloofd (zegt hij) maar alle dingen zijn niet nut, te weten, den naaste; want een iegelijk moet niet zijn eigen nut zoeken, gelijk hij terstond daarbij stelt, en al wat den broederen niet nut is, daarvan moeten wij ons onthouden. Daarna drukt hij de gestalte der nuttigheid uit, te weten, zoo het sticht: want men moet hier de nuttigheid des vleesches niet alleen aanmerken. Hoe dan? Houd dat daarom op geoorloofd te zijn, wat God anders toelaat, zoo het den naaste niet nut is? want alzoo zou de vrijheid aan de menschen gebonden zijn. Overlegt de woorden van Paulus en gij zult bekennen, dat de vrijheid desniettemin ongeschonden blijft, als gij u naar den naaste voegt, doch dat het gebruik daarvan alleen bepaald wordt; want hij bekent dat het geoorloofd is, maar zegt dat men de vrijheid niet moet gebruiken, als zij niet sticht.
24 Niemand zoeke wat zijn eigen is. Zie Rom. 14, waar hij hetzelfde behandelt: Niemand behage zichzelven, maar zoeke den broederen te behagen tot stichting. Dit is een zeer noodzakelijk gebod: want wij zijn van nature zoozeer verdorven, dat wij de broeders verachtende, een iegelijk onszelven zoeken. Maar de wet der liefde wil, dat wij onze naasten liefhebben gelijk onszelven, en roept ons ook om hun zaligheid te bezorgen. Voorts verbiedt de apostel niet ganschelijk een iegelijk zijn voordeel te bedenken: maar wil niet, dat zij alzoo tot zichzelven begeven zijn, dat zij niet gaarne een deel huns rechts verlaten, zoo wanneer het de zaligheid der broederen eischt.
25 Al wat in het vleesohhuis verkocht wordt, eet dat zonder iets te onderzoeken, om der conscientie wil.
26 Want de aarde komt den Heere toe, en hare volheid. Ps. 24 : l;
27 Zoo iemand der ongeloovigen u noodt, en gij wilt gaan, al Ex! 19:5. wat u voorgesteld wordt, eet, niets ondervragende, om der con- Luk- 10: 7-scientie wil.
28 Zoo iemand tot u zegt: Dit is den afgod geofferd, zoo eet
het niet: om diens wil, die het te kennen gegeven heeft, en 1 Cor- ^7-om der conscientie wil.
29 Ik zeg niet uwe conscientie, maar des anderen: want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld van eens anders conscientie.
30 Indien ik dan door genade deelachtig ben, waarom word ik Dent, s: 10. daarin gelasterd, waarvoor ik dankzeg? 1 Tim. 4 :3
81 Daarom, hetzij dat gij eet of drinkt, of iets anders doet, doet icor. 15:57 alles tot Gods eer.
32 Weest niemand ergerlijk, noch den Joden, noch den Grieken,
noch de gemeente Gods.
33 Gelijk ik ook in alles eeu iegelijk behaag, niet zoekende wat mij, maar wat velen nut is, opdat zij zalig worden.
25 Al wat in het vleesohhuis. Hij heeft boven gesproken van de veinzing der afgoderij, of immers van zulke handelingen, die de
179
1 CORINTHE 10:25â27.
Corinthiërs niet konden aangaan, zonder daarmede te kennen te geven, dat zij in de bijgeloovigheden der goddeloozen metgezellen waren. Maar nu eischt hij van hen niet alleen, dat zij zich van allen schijn der afgoderij onthouden, maar ook dat zij naarstig alle ergernissen vermijden, die daaruit plegen te komen, dat men de middelmatige dingen zonder onderscheid gebruikt. Want hoewel het één zaak was, waarin de Corinthiërs zondigden, zoo waren daar nochtans verscheidene graden en trappen. Nu, zooveel het eten der spijzen aangaat, ten eerste stelt hij een gemeen gevoelen, te weten, dat men met goede conscientie allerlei mag eten, dewijl de Heere dat toelaat. Ten andere matigt hij die-vrijheid, zooveel het gebruik aangaat, opdat de zwakke conscientiën niet gewond worden. Alzoo wordt dit besluit in twee stukken gedeeld: Het eerste is van de vrijheid en macht in de middelmatige dingen; de ander is van de matiging der vrijheid, opdat het gebruik met den regel der liefde gemeten worde. Zonder iets te onderzoeken. Het Grieksche woord, dat Paulus hier gebruikt, beteekent naar beide zijden overleggen, alzoo dat des menschen gemoed afwisselend iets doet, nu her-, dan derwaarts overbuigende. Zoo dan, zooveel het onderscheid der spijzen aangaat, hij bevrijdt de conscientie van alle zwarigheid of twijfeling: want als wij zeker zijn, dat ons werk uit het Woord Gods wordt goedgekeurd, zoo behooren wij gerust van harte te zijn. Om der conscientie wil. Dat is voor het oordeel Gods, alsof hij zeide: Zoover gij met God te doen hebt, zoo moet gij niet in uzelven disputeeren, of het geoorloofd is of niet. Want ik laat u toe, gerust allerlei te eten: want de Heere heeft u alle ding zonder uitzondering toegelaten.
26 De aarde komt den Heere toe. Hij bevestigt de vrijheid, Ps. 24:1. die hij gesteld heeft, met het getuigenis van David. Maar wat dient
dit tot de zaak? mocht iemand zeggen. Ik antwoord: Zoo de volheid der aarde den Heere toekomt, zoo is daar geen ding in de wereld, dat niet heilig en rein is. Men moet altijd aanmerken, wat zaak de apostel behandelt: men had mogen betwijfelen, of de goede schepselen Gods door der goddeloozen offeranden mochten besmet worden. Paulus zegt: neen, want de heerschappij en het bezit der gansche wereld blijft bij God. En de dingen, die de Heere in zijn hand heeft, bewaart Hij door zijn macht, en heiligt ze ook daarom: zoo is dan het gebruik aller dingen den kinderen Gods rein, dewijl zij ze niet anders dan uit Gods hand nemen. De volheid der aarde noemt de profeet den overvloed van goed, waarmede de aarde begiftigd en versierd is van den Heere. Want zoo de aarde zonder boomen, kruiden, dieren, en andere dingen was, zoo zou zij zijn gelijk een huis zonder huisraad, en allerlei instrumenten; ja, zij zou geschonden en wanstaltig zijn. Indien iemand hier tegenwerpt, dat de aarde vervloekt is om de zonde: daarop is licht te antwoorden, dat hij hier de zuivere en volkomene natuur aanziet, want Paulus handelt van de geloovigen, denwelken alle dingen door Christus geheiligd zijn.
27 Zoo iemand der ongeloovigen u noodt. Hier volgt een uitzondering, te weten, zoo den geloovige gezegd wordt, dat het den afgoden geofferd is, wat daar voorgezet wordt, en hij ziet, dat daar gevaar van ergernis is, zoo zondigt hij tegen de broeders, zoo hij zich niet onthoudt. Zoo leert hij in één woord, dat men de zwakke
180
1 CORINTHE 10:27â29.
conscientiën moet sparen. Als hij zegt: En gij wilt gaan, zoo geeft hij bedektelijk te kennen, dat hij het niet zeer prijst, en dat het beter ware, dat zij het weigerden. Maar dewijl het een middelmatig ding is, zoo wil hij het niet ganschelijk verbieden. En voorwaar geen ding ware beter, dan verre van zulke strikken te vlieden: niet dat zij enkel te veroordeelen zijn, die zich naar de menschen schikken slechts tot de offermaaltijden, maar omdat men voorzichtig moet wandelen, daar wij zien, dat men lichtelijk zou vallen.
29 Ik zeg niet uwe conscientie. Hij ziet altijd naarstig toe,
dat hij de vrijheid niet vermindert, of in eenigen deele verkort. De zwakke conscientie uws broeders moet gij dit toegeven, opdat gij uw recht niet misbruikt door hem te ergeren: maar intusschen blijft uwe conscientie desniettemin ongebonden, want zij is vrij van zulke onderworpenheid. Daarom deze toom, welken ik u in het uitwendige gebruik aandoe, moet u geenszins een strik zijn om uwe conscientie aan te doen. Men moet te dezer plaatse aanmerken, dat het woord conscientie hier in een nauwer beteekenis genomen wordt; want Rom. 13:5 en 1 Tim. 1:5, wordt het breeder genomen: want Paulus zegt daar: Wij moeten den prinsen gehoorzaam zijn, niet alleen om den toorn, maar ook om de conscientie, dat is,
niet alleen uit vrees der straf, maar ook omdat het de Heere alzoo gebiedt, en oradat wij het schuldig zijn te doen. Moeten wij niet op denzelfden grond onszelven naar de broeders voegen ? dat is,
omdat wij voor God zooverre aan hen gebonden zijn. Evenzoo: Het 1 Tim,i:5. einde des gebods is de liefde uit eene goede conscientie: wordt ook de genegenheid der liefde niet in de goede conscientie geëischt ?
Zoo is dan hier (gelijk ik gezegd heb) een nauwer beteekenis, te weten, zoover de ziel van den godzaligen mensch alleen den rechterstoel Gods aanziet, en geen aanzien der menschen heeft, en in de weldaad der vrijheid hem van Christus verkregen, gerust is, en aan geene personen noch omstandigheden der plaatsen en tijden gebonden is. Andere handschriften hebben wederom die uitspraak: De aarde komt den Heere toe, maar het is waarschijnlijk, dat zij,
van den lezer op den kant gesteld zijnde, tot den tekst is getrokken:
doch daar is niet veel aan gelegen. Want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld. Het is twijfelachtig, of Paulus alzoo spreekt van zichzelven, of dit in den persoon der Corinthiërs voorwerpt.
Zoo wij het nemen als in zijn persoon gesproken, zoo zal het een bevestiging der naastvoorgaande uitspraak wezen, alsof hij gezegd had: Dat gij uzelven onthoudt om eens anders conscientie, daarom wordt uw vrijheid haar niet onderworpen. Zoo wij het nemen in den persoon der Corinthiërs gesproken te zijn, zoo zal dit de zin wezen:
Gij legt ons een onbehoorlijke wet op, dat gij wilt, dat onze vrijheid zal staan en vallen naar eens anders goeddunken. Maar ik acht, dat Paulus dit van zichzelven spreekt, en leg het anders uit:
want dusver heb ik verhaald wat anderen gevoelen. Zoo leg ik het dan alzoo uit, dat geoordeeld worden, gesteld is voor veroordeeld worden, naar het gemeen gebruik der Schrift. En Paulus vermaant wat grooter kwaad daaruit komt, zoo wij onze vrijheid zonder onderscheid tot onzes naasten ergernis gebruiken, te weten,
dat zij haar zullen veroordeelen: alzoo zal door onze schuld en ongeschiktheid een bijzondere gave Gods veroordeeld worden. Zoo wij dit gevaar niet vlieden, zoo schenden wij de vrijheid door ons
181
1 CORINTHE 10:29â33.
misbruik. Zoo dient dan deze reden zeer, om de vermaning van Paulus te bevestigen.
30 Indien ik dan door genade. Deze rede is aan de voorgaande gelijk, of bijna dezelfde. Dewijl het Gods weldaad is, dat alle ding mij geoorloofd is, waarom zou ik maken, dat het mij tot zonde gerekend wordt ? Het is wel waar, dat wij den goddeloozen niet kunnen verhinderen ons te lasteren, noch ook den zwakken, somtijds op ons verbolgen te zijn, doch Paulus bestraft hier de onmatigheid dergenen, die willens oorzaak tot ergernis geven, en den zwakke conscientiën krenken, als het geenszins noodig noch nut is. Want hij wil, dat wij ons goed wel gebruiken, zoodat de zwakken geen oorzaak tot lasteren hebben, uit onze onberadene vrijheid.
31 Daarom, hetzij dat gij eet. Opdat zij niet zouden denken, dat men in zulk een kleine zaak niet zeer zorgvuldig lastering en berisping moest schuwen, zoo leert hij, dat geen deel noch handeling des levens zoo klein is, die niet behoort naar Gods eere gevoegd te worden; en dat wij daarvoor moeten zorgen, dat wij ook in het eten en drinken zoeken haar te bevorderen. Deze uitspraak hangt aan het vorige. Want zoo wij Gods eer zoeken, gelijk het betaamt, zoo zullen wij zooveel in ons is niet dulden, dat zijne weldaden der lastering onderworpen zijn. Men heeft voortijds recht en wel in een spreekwoord gezegd, dat men niet moet leven om te eten, maar dat men moet eten om te leven, zoover ook mede het doel des levens moet bedacht worden: alzoo zal het geschieden dat onze spijze eenigszins Gode zal heilig zijn, dewijl zij naar zijnen dienst zal gevoegd worden.
32 Weest niemand ergerlijk. Dit is het tweede einde, waarop wij behooren te zien, te weten, de regel der liefde. Zoo zal dan de begeerte der eere Gods de eerste plaats hebben, en het aanzien des naasten de tweede. Hij noemt de Joden en heidenen niet alleen, omdat de gemeente Gods uit deze twee geslachten was, maar ook om daarmede te leeren, dat wij aan allen, ook den vreemden, schuldig zijn, dat wij ze gewinnen, zoo het ons mogelijk is.
33 Gelijk ik in alles behaag. Dewijl hij in 't gemeen en zonder uitzondering spreekt, zoo trekken sommigen dit verkeerdelijk ook tot dingen die ongeoorloofd zijn, en tegen het Woord des Heeren strijden, alsof men om des naasten wil meer mocht aangaan dan de Heere ons toelaat. Maar het is zekerder dan zeker, dat Paulus niet anders dan in middelmatige dingen en die op zichzelven geoorloofd waren zichzelven naar de menschen gevoegd heeft. Bovendien moet men ook het einde aanmerken, te weten: Opdat zij zalig worden. Zoo dan, wat met hunne zaligheid strijdt, moet men hun niet toegeven: maar men moet voorzichtigheid gebruiken, ja geestelijke voorzichtigheid.
1 Cor. 4 :16. Fil. 3: 17.
1 Thess. 1: 6.
2 Thess. 3 : 9.
HET ELFDE HOOFDSTUK.
1 Weest mijne navolgers, gelijk ook ik van Christus ben.
2 Ik prijs u, broeders, dat gij al mijne dingen gedachtig zijt, en houdt de inzettingen, gelijk ik ze u overgegeven heb.
182
1 CORINTHE 11:1.
8 Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het hoofd eens iege-Ef. 5; 2s. lijken mans is: maar de man het hoofd der vrouw: en God het hoofd van Christus.
4 Alle man biddende of profeteerende met gedekten hoofde, ont-eert zijn hoofd.
5 Alle vrouw biddende of profeteerende met ontdekten hoofde,
onteert haar hoofd, want het is even alsof zij geschoren ware.
6 Want indien de vrouw niet gedekt wordt, zoo laat ze ook het Deut. 22:5. haar korten: maar indien het der vrouw oneerbaar is, geschoren of gekort te zijn, zoo laat zij gedekt zijn.
7 De man moet niet zijn met gedekten hoofde, dewijl hij het beeld
en de heerlijkheid Gods is, maar de vrouw is de heerlijkheid Col. 3:lu. des mans.
8 Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit den man. aen- 2:22'
9 Want de man is niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man.
10 Daarom moet de vrouw een macht hebben op haar hoofd, Mal- 2:9-
_ , 1 Opeub. 1:30.
om de engelen.
11 Doch de man is niet zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man in den Heere.
12 Want gelijk de vrouw uit den man is, alzoo is ook de man door de vrouw: doch alle ding uit God.
13 Oordeelt in uzelven, of het der vrouw betaamt met ontdekten hoofde God te bidden.
14 Leert u zelfs de natuur niet, dat het den man oneerbaar is,
zoo hij lang haar draagt:
15 En dat het de vrouw eerbaar is, zoo zij lang haar draagt?
want het lange haar is haar als een deksel gegeven.
16 Indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke 1 Tirn': â¢2-gewoonte niet, noch de gemeenten Gods.
183
1
quot;V yeest mjjne navolgers. Hieruit is het duidelijk, hoe on-\/\/ geschikt de verdeeling der hoofdstukken is, wijl deze zin ' ' van den voorgaanden gescheiden is, waaraan hij behoorde gebonden te zijn; en nu bij den volgenden is gevoegd, waarmee hij
2
geen ding met den mond te gebieden, dan wat hij bereid is met de daad te volbrengen, alzoo moet hij ook zoo streng en eigenzinnig niet zijn, dat hij, al wat hij doet, terstond van anderen zou eischen, gelijk de bijgeloovige menschen plegen: want al wat hun behaagt, leggen zij ook anderen op, en willen dat hun exempel enkel voor een regel gehouden worde: en de wereld is ook vanzelf tot verkeerde navolging genegen, want wat zij groote hansen ziet
1 CORINTHE 11:1, 2.
doen, volgt zij na gelijk een aap. Wij zien wat groot kwaad in de gemeente gekomen is door deze verkeerde begeerte, om al de daden der heiligen zonder uitzondering na te volgen. Daarom moet men deze leer van Paulus te naarstiger behouden, dat men de menschen zoover zal navolgen, als zij Christus tot een voorganger hebben: zoodat der heiligen voorbeelden niet dienen, om ons van Christus af te leiden, maar veelmeer om tot Hem te leiden.
2 Ik prijs u. Nu komt hij tot een andere handeling, te weten, om de Corinthiërs te onderwijzen hoedanige eerbaarheid en betamelijkheid men behoort in de heilige vergaderingen te houden. Want gelijk de kleeding of de gebaren den mensch versieren of mismaken, alzoo worden ook alle handelingen door welvoegelijkheid verheerlijkt, en door onwelvoegelijkheid onteerd. Zoo heeft dan de welvoegelijkheid groote kracht, niet alleen om de handelingen aangenaam en sierlijk te maken, maar ook om het gemoed tot eerbaarheid te wennen. En hoewel in 't gemeen dit waar is in alles, zoo heeft het nochtans voornamelijk plaats in de heilige handelingen; want wat groote verachting, wat groote ongeschiktheid zal daaruit rijzen, tenzij wij onszelven eerbaar en betamelijk gedragende, stemmigheid in de gemeente bewaren r Zoo gebiedt hij dan sommige dingen, die de openbare orde aangaan, waarmede de heilige vergaderingen versierd worden. Maar opdat hij ze te vaardiger make tot onderdanigheid, zoo prijst hij eerst hun vroegere gehoorzaamheid, dat zij zijne inzettingen bewaard hadden. Want dewijl hij deze gemeente der Corinthiërs Christus gegenereerd had, zoo had hij hun gegeven een zekere orde, waarnaar zij geregeerd zouden worden: en dewijl zij deze behouden hadden, zoo gaven zij daardoor hope, dat zij ook later leerzaam zouden zijn. Doch het is vreemd, dat hij tevoren zoovele dingen bestraft heeft, en hun nu dezen lof geeft; ja, zoo wij den toestand dier gemeente willen aanmerken, zoodanig als die boven is beschreven, zoo waren zij verre van dezen lof. Ik antwoord, dat sommigen met die gebreken, die hij dusverre verhaald heeft, bevangen waren, de een met dit, en de ander met dat: en dat nochtans intusschen de wijze, die hij geleerd had, door het lichaam der gemeente in 't gemeen behouden is. Want hierin is geen tegenstrijdigheid, zoo er vele en menigerlei zonden in een volk regeeren, zoo de een bedriegt, de ander rooft, een derde benijdt, een vierde kijft, een vijfde hoereert: en nochtans de gemeente zooveel het uiterlijke aangaat, de inzettingen of overleveringen van Christus en der apostelen gehouden worden. Dit zal klaarder wezen, als wij weten wat Paulus meent met dat woord, waarvoor wij gesteld hebben inzettingen; en wij moesten toch ook anders van dit woord spreken, om den papisten antwoord te geven, die zichzelven met deze plaats wapenen, om hunne overleveringen te beschermen. Hun leer is algemeen bekend, dat de leer der apostelen eensdeels gelegen is in geschriften, en eensdeels in overleveringen. Onder de overleveringen vatten zij niet alleen allerlei onnutte bijgeloovigheden en kinderachtige ceremoniën, waarvan zij vol zijn, maar ook alle grove gruwelijkheden (die tegen het openbare Woord Gods strijden) en hunne tirannische wetten, die enkel pijnbanken der conscientie zijn. Alzoo is niets zoo dwaas, niets zoo ongeschikt, niets zoo onnatuurlijk, dat niet onder deze schaduw schuilt, en met deze verf versierd wordt. Dewijl dan Paulus hier
184
1 CORINTHE 11:2, 3.
inzettingen of overleveringen meldt, zoo begrijpen zij dat woord
naar hun wijze, om Paulus een auteur aller gruwelijkheden te maken,
die wij met klare getuigenissen der Schrift wederleggen. Ik zeg
niet, dat daar geen ongeschreven inzettingen of overleveringen der
apostelen geweest zijn, maar ik geef niet toe, dat zij stukken der
leer geweest zijn, of ook van dingen, die tot de zaligheid noodig
waren. Wat waren zij dan? te weten, dingen die tot de orde en
regeering dienden. Want wij weten, dat het een iegelijke gemeente
vrij is, een wijze van regeering in te stellen, die haar geschikt en
nuttig is: want de Heere heeft dienaangaande niets zekers geboden.
Alzoo Paulus, de eerste fundeerder der Corinthische gemeente, heeft
ze ook met godzalige en eerbare inzettingen geschikt, opdat alles
daar eerlijk en met orde zou geschieden, gelijk hij hfdst. 14 zal
gebieden. Wat dient dit tot de onnutte beuzelingen der ceremoniën,
die in het pausdom gezien worden? wat dient dit tot de superstitie,
die de Joodsche te boven gaat? Wat dient dit tot de Phalarische Pii^ariswas
wreedheid, waarmede zij de ellendige conscientiën pijnigen? Wat °vereedh'cid)U
dient dit tot zoovele wonderen der afgoderij? Want het begin om
recht en wel te gebieden, was die mate houden, die Paulus gebruikt üeia. 0
heeft, opdat zij de menschen niet drongen tot hunne inzettingen,
alles intusschen naar hun goeddunken vormende: maar dat zij
eischten, dat men hen navolgde, zooverre zij Christus' navolgers zijn;
doch dat zij nu onderdanigheid van alle menschen eischen, nadat
zij bestaan hebben alles naar hunnen lust te smeden, is veel te
ongerijmd. Voorts moet men weten, dat Paulus de gehoorzaamheid
van den voorleden tijd daarom prijst, opdat hij ze ook voor later
leerzaam make.
3 Doch ik wil, dat gij weet. Het is een oud spreekwoord, dat uit booze zeden goede wetten voortkomen. Dewijl deze zaak, waarvan hij spreekt, nog niet ter sprake gekomen was, zoo had Paulus ook niets daarvan geboden. De afwijking der Corinthiërs is de oorzaak geweest, waarom hij geleerd heeft wat in dezen eerlijk was.
Om te bewijzen dat het onbetamelijk is, dat de vrouwen met ont-/ dekten hoofde in de gemeene vergadering verschijnen, en wederom idat de mannen bidden of profeteeren met gedekten hoofde, zoo begint hij met de ordeningen van God ingesteld. Hij zegt, dat gelijk Christus Gode als zijn hoofd onderworpen is, alzoo moet de man aan Christus, en de vrouw den man onderworpen zijn. Hoe hij hieruit besluit, dat de vrouwen gedekt moeten zijn, zullen wij straks zien; laat ons nu deze vier trappen houden, die hij hier stelt. Zoo heeft dan God de eerste plaats, Christus de tweede. Hoe? te weten,
zooverre Hij in ons vleesch Zichzelven den Vader onderworpen heeft: want anders, dewijl Hij éénzelfde wezen met den Vader is, Joii.^w:30; zoo is Hij Hem ook even gelijk. Zoo zullen wij dan gedenken, dat HoW. i; 3. dit gezegd wordt van Christus den Middelaar. Hij is, zeg ik, min- Jo*1- lodder dan de Vader, zoover Hij onze natuur heeft aangenomen, om 0' ⢠⢠de eerstgeborene onder vele broeders te zijn. In wat nu volgt, is i.wat meer zwarigheid: de man wordt hier gesteld in het midden, /,/ tusschen Christus en de vrouw, alzoo dat Christus niet is het hoofd 1' der vrouw. En dezelfde apostel leert op een andere plaats, dat in6quot;'. 3:88. Christus noch man noch vrouw is: waarom stelt hij dan hier een onderscheid, dat hij elders wegneemt? Ik antwoord, dat de oplossing der vraag hangt aan de omstandigheid der plaatsen. Als hij
185
1 CORINTHE 11:3, 4.
I izegt, dat tusschen man en vrouw geen onderscheid is, zoo handelt hij daar van het geestelijke rijk van Christus, waar de personen niet geacht worden, noch in aanmerking komen: want het betreft niet , het lichaam, noch de uitwendige gemeenschap der menschen, maar 1 het is geheel in den Geest gelegen: om welke zaak hij ook betuigt, quot;dat daar geen onderscheid is tusschen de vrijen en de dienstbaren. Intusschen vermengt noch verwart hij de burgerlijke orde niet, noch ook de onderscheiding der ambten, zonder welke dit gemeen leyen niet kan zijn. Maar hier handelt hij van de uitwendige eerbaarheid en welvoegelijkheid, welke een deel der orde der gemeente is. Zoo dan, zooveel de geestelijke regeering aangaat voor God, en binnen in de conscientie, is Christus het hoofd des mans en der vrouw zonder onderscheid: want daar is geen aanzien des mans noch der quot; vrouw. Maar zooveel de uitwendige orde en burgerlijke welvoegelijkheid aangaat, de man volgt Christus, en de vrouw volgt den man, zoodat daar niet dezelfde trap is, maar deze ongelijkheid plaats heeft. Zoo iemand vraagt, wat het huwelijk gemeen heeft /met Christus? Ik antwoord, dat Paulus hier spreekt van het heilige huwelijk der godzaligen, waarvan Christus de insteller is, en in wiens naam het geheiligd wordt.
4 Alle man biddende. Hier zijn twee voorstellen, de eerste van den man, en de tweede van de vrouw. Hij zegt, dat de man aan Christus, zijn hoofd, onrecht doet, zoo hij met gedekten hoofde bidt of profeteert. Waarom? want hij wordt met deze conditie aan Christus onderworpen, dat hij in de huishouding de opperste is: want de vader des huisgezins is gelijk een koning in zijn huis. Zoo geeft dan de heerlijkheid Gods een schijn in hem, om de heerschappij, die hij heeft. Zoo hij het hoofd dekt, zoo werpt hij zich-zelven af van die hoogheid, waarin hij van God gesteld is tot dienstbaarheid: alzoo wordt de eer van Christus verminderd. Bijvoorbeeld: Zoo iemand, aan wien de vorst zijn ambt bevolen heeft, niet weet zijn persoon te houden, maar zijn waardigheid voor een iegelijk bespottelijk maakt, doet hij niet zijn vorst oneere? Alzoo ook, zoo de man zijn plaats niet behoudt, zoo hij niet Christus alzoo onderworpen is, dat hij zijn huis met macht voorstaat: zoover verduistert hij de heerlijkheid van Christus, die in welgeschikte orde des huwelijks haren schijn geeft. Voorts, het deksel (gelijk wij terstond zullen zien) is het teeken eener middel- of tusschengestelde macht. Profeteeren neem ik hier, voor de verborgenheden Gods verklaren, tot stichting der toehoorders, gelijk hieronder in hfdst. 14. Bidden beduidt een vorm des gebeds opstellen, en gelijk het gansche volk voorzeggen, hetwelk het ambt is van den gewonen leeraar: want Paulus spreekt niet van allerlei gebed, maar van het publieke gebed. Voorts zullen wij gedenken, dat hier in zooverre gezondigd wordt, als de welvoegelijkheid verstoord, en het onderscheid der orde van den Heere gesteld, uitgewischt wordt. Want men moet hierin zulk een zwarigheid niet stellen, alsof het ongeoorloofd ware, dat een leeraar een mutsje op het hoofd had, als hij op den predikstoel tot het volk spreekt. Paulus wil niet anders, dan dat des mans heerschappij en der vrouwe onderworpenheid gezien worde: hetwelk geschiedt, als de man zijn hoofd ontdekt in het gezicht der gemeente, al is het, dat hij daarna wederom een mutsje opzet, om de koude te vermijden. Eindelijk, de eenige regel is hier, de welvoe-
186
1 CORINTHE 11:4â7.
gelijkheid, wanneer die gehouden wordt, zoo eischt Paulus niets meer.
5 Alle vrouw biddende of profeteerende. Dit is het tweede voorstel, dat der vrouwen hoofd moet gedekt zijn, als zij bidden of profeteeren: en dat zij anders haar hoofd onteeren. Want gelijk de man door de belijding der vrijheid zijn hoofd eert, alzoo de vrouw,
door de belijding der onderworpenheid; daarom, zoo een vrouw haar hoofd ontdekt, zoo verwerpt zij de onderworpenheid niet zonder haar mans verachting. Maar dit schijnt tevergeefs te zijn, dat hij de vrouw verbiedt met ontdekten hoofde te profeteeren, dewijl hij op een andere plaats den vrouwen ganschelijk verbiedt in de gemeente i Tim- 2; 12. te spreken: zoo zal het haar dan zelfs niet onder het deksel geoorloofd wezen te profeteeren, waaruit volgt, dat hier tevergeefs van een deksel gesproken wordt. Men kan antwoorden, dat de apostel het een misprijzende, het ander niet prijst. Want als hij berispt, dat zij met ontdekten hoofde profeteerden, zoo laat hij haar daarom niet toe op eenige andere wijze te profeteeren, maar wil liever de berisping van deze feil tot op een andere plaats uitstellen, te weten,
in het 14ae hfdst. Daarin is geen zwarigheid, hoewel dit ook niet kwalijk zal rijmen, zoo wij zeggen, dat de apostel deze zedigheid van de vrouwen eischt, niet alleen in de plaats, waar de gansche gemeente vergadert, maar ook in elk meer ernstig gezelschap van vrouwen of mannen, hoedanige gezelschappen somtijds in bijzondere huizen gevonden worden. Want het is even alsof zij geschoren ware. Nu bewijst hij met andere redenen, dat het den vrouwen niet betaamt, met ontdekten hoofde te zijn. De natuur zelve, zegt hij,
gruwt daarvan: het is schandelijk, en bijkans een onnatuurlijk ding, een geschoren vrouw te zien: hieruit verstaan wij, dat het lange haar door de natuur aan de vrouw gegeven is tot een deksel. Indien nu iemand tegenwerpt, dat dan dat lange haar genoeg is, dewijl het een natuurlijk deksel is, Paulus zegt: neen, want het is zulk een deksel,
dat het een ander deksel eischt om gedekt te worden. En hieruit heeft men een gissing getrokken, die waarschijnlijk is, dat de vrouwen, die uitnemend haar hadden, gewoon waren het deksel af te werpen,
om heur schoonheid te toonen. Daarom stelt Paulus niet zonder oorzaak een geheel ander geneesmiddel tegen deze feil, dat liever onsierlijkheid dan verlokking tot onkuischheid aan haar gezien worde.
7 De man moet niet zijn met gedekten hoofde, want hij is het beeld. Men kan nu dezelfde vraag over het beeld opwerpen, die boven gedaan is over het hoofd: want beiden man en vrouw zijn naar het beeld Gods geschapen, en Paulus gebiedt zoowel den vrouwen als den mannen, dat zij zich naar dat beeld vernieuwen. Maar het beeld, waarvan hij nu spreekt, is naar de orde des huwelijks te verstaan, en dient daarom tot het tegenwoordige leven, en is niet in de conscientie gelegen. Dit is een eenvoudig antwoord, dat hier niet gehandeld wordt van de onschuld en heiligheid, die zoowel den vrouwen als den mannen betaamt: maar van de uitnemendheid, die Gon- 3 16-God aan den man gegeven heeft, om boven de vrouw te zijn. In dezen hoogeren graad van waardigheid, wordt de heerlijkheid Gods gezien, gelijk zij schittert in alle hoogheid of overheid. De vrouw is de eere des mans. De vrouw is zonder twijfel een uitnemend versiersel des mans: want het is een groote eere, dat God haar voor den man heeft verordend tot een levensgezellin en een hulpe,
en haar hem onderworpen heeft, gelijk het lichaam aan het hoofd.
187
1 CORINTHE 11:7â10.
Spr. 12: i. want wat Salomo van de kloeke huisvrouw zegt, dat zij een kroon des mans is, dat is waarachtig van het gansche geslacht der vrouwen, zoo wij deze ordening Gods aanzien, welke Paulus hier aanprijst, leerende dat de vrouw geschapen is, opdat zij een uitnemend versiersel des mans zij.
8 Want de man is niet uit de vrouw. Met twee argumenten bevestigt hij de uitnemendheid, die hij den mannen toeschrijft boven de vrouwen. Het eerste is, dat de vrouw haren oorsprong heeft uit den man, zij is dus de latere in orde. Het ander is, dat de vrouw geschapen is om des mans wil, zij is hem dus onderworpen, gelijk een eindig werk onder zijn oorzaak. Dat de man de oorsprong en het
Geu. 2:17. einde der vrouw is, blijkt uit de wet: Het is den mensch niet goed alleen te zijn, laat ons hem een hulpe maken, enz. God heeft eene van Adams ribben genomen, en Eva gemaakt.
io Daarom moet de vrouw een macht. Uit de macht leidt hij een argument af voor de uitwendige eerbaarheid. Zij is, zegt hij, onderworpen, laat zij dan ook het teeken der onderwerping dragen. In het woord macht, is een metonymia of overnoeming, omdat hij daardoor het teeken verstaat, waarmede de vrouw betuigt, dat zij onder des mans macht is. Dit teeken is een deksel, hetzij het een doek, of sluier, of eenig ander deksel is. Men vraagt, of hij alleen van de getrouwde vrouwen spreekt: want sommigen duiden het op die alleen, wat Paulus hier leert, dewijl het voor maagden niet rijmt, dat zij aan de heerschappij des mans onderworpen zijn. Maar dit doen zij onwijs: want Paulus ziet verder, te weten, op de eeuwige wet Gods, waardoor het vrouwelijke geslacht aan de heerschappij der mannen onderworpen is. Zoo zijn dan alle vrouwen daartoe geboren, dat zij voor uitnemendheid der mannelijke sekse wijken: anders ware het argument van Paulus niet goed, dat hij uit de natuur genomen heeft, toen hij zeide: dat het evenmin betaamde, dat het hoofd der vrouw ontbloot worde, als geschoren: hetwelk den jonkvrouwen ook toekomt. Om de engelen. Deze plaats wordt verscheidenlijk uitgelegd.
Mai. 2:7. Dewijl de profeet Maleachi de priesters engelen Gods noemt, zoo meenen sommigen, dat Paulus van hen spreekt. Maar de dienaren des Woords worden nergens eenvoudig, dat is, zonder iets bij te stellen, daarmede beduid, en de zin zou veel te gedwongen zijn. Daarom neem ik het in de eigenlijke beteekenis. Maar men vraagt hier, waarom Paulus wil, dat de vrouwen om de engelen gedekt zijn r want wat gaat dat den engelen aan? Sommigen antwoorden, omdat zij tegenwoordig zijn waar de geloovigen bidden, en zijn daarom aanschouwers der onwelvoegelijkheid, wanneer zij geschiedt. Maar wat nood is het, zoo scherpzinnig te philosopheeren ? Wij weten, dat de engelen ook voor Christus als hun hoofd gereed staan en Hem dienen. Daarom als de vrouwen tot zulke ongebondenheid uitbreken, dat zij het teeken der heerschappij tegen recht en behooren gebruiken, zoo geven zij hare schande den engelen te aanschouwen. Zoo is dan dit tot verheffing en vermeerdering gesproken, even alsof hij gezegd had, dat niet alleen Christus, maar ook alle engelen getuigen dezer ongebondenheid zullen zijn, zoo de vrouwen het deksel afwerpen: en deze uitlegging komt wel met des apostels oogmerk overeen. Hier wordt gesproken van de orde en graden. En hij zegt, dat de vrouwen door hooger op te klimmen dan betaamt, maken, dat zij den hemelschen engelen haar onbeschaamdheid openbaren.
188
1 CORINTHE 11:11â13.
11 Doch de man is niet zonder de vrouw. Dit is hier bijgevoegd, eensdeels om de mannen te beteugelen, dat zij de vrouwen niet verachten noch bespotten, anderdeels om de vrouwen te vertroosten,
opdat haar deze onderworpenheid niet zwaar zij. De mannelijke sekse is, zegt hij, onder deze conditie boven de vrouwelijke gesteld, dat zij met onderlinge goedwilligheid met elkander moeten vereenigd zijn; want de een kan zonder den ander niet zijn. Indien zij gescheiden worden, zoo zullen zij wezen als verminkte leden eens verscheurden iichaams: zoo moeten zij dan met dezen band der onderlinge hulpe en vriendschap aan elkander hangen. Als hij zegt; In den Heere, daarmede roept hij de geloovigen tot de inzetting des Heeren terug, daar de goddeloozen niet anders dan den dringenden nood aanzien. Want de onheilige menschen, zoo zij bekwamelijk de vrouwen derven kunnen, versmaden de gansche sekse: en denken niet, dat zij aan haar verbonden zijn door de ordinantie en inzetting des Heeren: maar de godzaligen bekennen, dat de mannelijke sekse slechts het halve deel van het menschelijk geslacht is: zij overleggen wat dit beduidt: God heeft den mensch geschapen, man en Geu-â¢rgt;:2-vrouw heeft Hij ze geschapen. Alzoo bekennen zij vrijwillig, wat zij
aan het zwakke geslacht schuldig zijn. Desgelijks denken de godzalige vrouwen over hare onderworpenheid. Alzoo is de man niet zonder de vrouw, want hij zou een hoofd zijn van het lichaam afgesneden: noch de vrouw zonder den man, want zij zou een lichaam zonder hoofd zijn. Zoo zal dan de man bewijzen, dat hij haar hoofd is om haar te regeeren: de vrouw zal den man den plicht eens Iichaams bewijzen om hem te helpen: en dit niet alleen in het huwelijk, maar ook buiten het huwelijk: want ik spreek hier niet van de huwelijksbijwoning, maar van burgerlijke werken, welke ook buiten het huwelijk plaats hebben. Zoo iemand dit van het gansche geslacht in het gemeen wil verstaan, ik ben daar niet tegen. Hoewel Paulus elks bijzonderen plicht schijnt te teekenen, gelijk hij zijne woorden tot elk en een iegelijk richt, Geljjk de vrouw uit den man. Indien dit een van de oorzaken is, waarom de heerschappij den man toekomt, te weten, omdat de vrouw uit hem genomen is,
zoo zal de oorzaak eener vriendelijke vereeniging deze zijn, dat het mannelijke geslacht zich niet kan beschermen en behoeden zonder hulpe der vrouwen. Want dit blijft vast, dat het den man niet goed Gen- 2:ls-is alleen te blijven. Deze woorden van Paulus kunnen op de voortplanting van het geslacht geduid worden: omdat door de mannen alleen geene menschen gegenereerd worden, maar ook door de vrouwen : maar ik neem ook dit gaarne aan, dat de vrouw een noodzakelijke hulpe des mans is, dewijl het eenzaam leven den mensch niet nut is. Deze ordening Gods vermaant ons om onderlinge gemeenschap te oefenen.
12 Doch alle ding uit God. God is de oorsprong en het begin van het mannelijke en vrouwelijke geslacht: zoo moeten dan beiden de conditie, die de Heere hun gegeven heeft, met nederigheid aannemen en houden. De man gebruike zijn heerschappij matig, en verachte noch bespotte zijne vrouw, die hem tot een gezellin is gegeven. De vrouw zij tevreden met hare onderworpenheid, en neme het niet onwaardig, dat zij aan het mannelijk geslacht als het uitnemendste onderworpen is: anders zullen zij aan beide zijden het juk Gods afwerpen, die niet zonder reden deze graden onderscheiden heeft.
189
1 CORINTHE 11:13â16.
Voorts is dit veel gewichtiger om de zonde te verzwaren, te zeggen dat zij tegen Gods bevel wederspannig zijn, man en vrouw, als zij hun plicht verzuimen, dan indien Paulus gezegd had, dat zij elkander onrecht doen.
14 Leert u zelfs de natuur niet. Wederom stelt hij hun de natuur voor oogen, tot een leermeesteres der welvoegelijkheid. En hij noemt natuurlijk, wat toen met aller gewoonte en bewilliging aangenomen was en zelfs bij de Grieken, want het lang haar is niet altijd den man tot oneer geweest. De historiën verhalen dat voorheen, dat is, in de eerste eeuwen, de mannen alom lang haar hebben gedragen: en het is daarvan dat.de dichters aan de ouden den naam plegen te geven, dat zij langharig of ongeschoren waren. De Romeinen begonnen laat barbiers te gebruiken, omtrent den tijd ór^hr en van ^011 eersten Scipio Africanus. En ten tijde dat Paulus dit schreef 'JOr ' was het scheren nog niet in gebruik in Frankrijk en Duitschland.
Ja, het zou zoowel voor de mannen als de vrouwen schandelijk geweest zijn, het haar te korten of geschoren te worden. Maar dewijl het in Griekenland weinig mannelijk was, lang haar te dragen, zoodat dezulken als verwijfd geacht werden, zoo houdt hij die gewoonte, die nu bevestigd was, van de natuur.
16 Indien iemand twistgierig schijnt. Twistgierig is degene, die door lust geprikkeld wordt, om gekijf voort te brengen, zonder te zorgen dat er voor de waarheid plaats is. Zulken zijn allen die goede en nuttige gebruiken afschaffen, zonder eenige noodzaak: die zekere dingen in twijfeling stellen, die met geene redenen tevreden zijn, en die niet tot orde willen gedwongen zijn. Zulken zijn ook degenen, die zich in geen ding naar anderen willen voegen, maar door dwaze begeerte tot een nieuwen en ongewonen vorm worden gedreven. Deze verwaardigt Paulus niet te antwoorden, omdat de twistgierigheid een verderfelijk ding is, en daarom van de gemeenten moet verdreven worden: en hiermede leert hij, dat men de hardnek-kigen en twistgierigen meer door autoriteit bedwingen, dan met lange disputatiën wederleggen moet. Want men zal nimmermeer einde aan de twistingen krijgen, zoo men een strijdgierig mensch met strijd wil overwinnen: want al wordt hij honderdmaal overwonnen, nimmermeer zal hij vermoeid worden Laat ons dus deze plaats naarstiglijk aanmerken, opdat wij ons niet in onnutte twistingen laten lokken, mits wij weten de twistgierigen te onderscheiden: want niet altijd is hij voor twistgierig te achten, die met wat ons goeddunkt niet tevreden is, of die ons durft weerspreken: maar als er lust en hardnekkigheid gezien wordt, dan zullen wij met Paulus zeggen, dat de gemeenten geen gewoonte hebben te twisten.
17 Maar dit verkondig ik u niet tot prijs, dat gij niet tot verbetering, maar tot verergering samenkomt.
18 Want ten eerste, als gij samenkomt, zoo hoor ik, dat er tweedracht onder u is, en ik geloof het ten deele.
19 Want daar moeten ook secten onder u zijn, opdat die rechtzinnig zijn onder u openbaar worden.
20 Als gij dan samenkomt, zoo is dat niet des Heeren nachtmaal eten :
21 Want een iegelijk neemt tevoren zijn eigen nachtmaal in het eten: en de een lijdt honger, de ander is dronken.
190
Matt. 18.-7. 1 Joh. 2 ; 19.
1 CORINTHE 11 ; 17, 18.
22 Hebt gij geene huizen om te eten en te drinken, of versmaadt gij de gemeente Gods ? en beschaamt degenen, die het niet hebben? Wat zal ik u zeggen? zal ik u hierin prijzen? Ik prijs u niet.
De berisping van het voorgaande gebrek was slechts een zachte en lieflijke vermaning, omdat de Corinthiërs onwetend zondigden: zoodat het billijk was, hun lichtelijk te vergeven. En Paulus had hen in 't begin geprezen, dat zij zijne inzettingen getrouwelijk hielden : maar hij begint hen nu scherper te bestraffen, omdat zij in sommige dingen zwaarlijk zondigden, en dat niet door onwetendheid.
17 Maar dit verkondig ik u niet tot prijs. In het Grieksch staat van woord tot woord aldus: verkondigende prys ik het niet; maar ik heb het alzoo overgezet, omdat mij dunkt, dat Paulus de woorden onder elkander verwisseld heeft. De overzetting van Erasmus dient ook niet, die voor het woord, dat wij verkondigen overgezet hebben, gebieden heeft gesteld. Het woord verkondigen, dient beter: toch wil ik om deze zaak niet strijden. Daar is een tegenstelling tusschen dit stuk en het begin van dit hoofdstuk, even alsof hij zeide: Dat ik u geprezen heb, moet gij niet meenen, dat dit zonder uitzondering is: want sommige dingen moet ik bestraffen, dewijl zij bestraffenswaardig zijn. Voorts is dit (naar mijn oordeel) niet alleen van het nachtmaal te verstaan, maar ook van andere zonden, die hij verhalen zal. Zoo is dan dit de algemeene gedachte, dat de Corinthiërs berispt worden, omdat zij niet tot verbetering, maar tot verergering samenkwamen: daarna zullen de bijzondere vruchten van dit kwaad volgen. Ten eerste beschuldigt hij hen, dat zij niet tot verbetering samenkwamen: daarna, dat zij ook tot verergering samenkwamen. Dit tweede is wel het zwaarst, maar het eerste is ook niet te verdragen: want indien wij gadeslaan wat in de gemeente gedaan wordt, er moet geen samenkomst zonder vrucht zijn. Daar hoort men de leer Gods, daar geschieden gebeden, en worden de sacramenten gebruikt. De vrucht des Woords is, dat het betrouwen en de vreeze Gods in ons vermeerderd worden, dat men vorderingen make in de heiligheid des levens, dat men den ouden mensch meer en meer aflegge, en in de nieuwigheid des levens voortga, enz. De sacramenten dienen, om ons in godzaligheid en liefde te oefenen: tot al deze dingen moeten ook de gebeden dienen. En bovendien werkt de Heere krachtig door zijnen Geest, dewijl Hij niet wil, dat zijne inzettingen ijdel zijn. Zoo dan, indien de heilige vergaderingen ons niet voordeelig zijn, en wij daardoor niet verbeterd worden, zoo ligt de schuld in onze ondankbaarheid: en daarom zijn wij met recht te beschuldigen: want wij maken, dat die dingen zonder vrucht vergaan, die krachtens hunne natuur en de ordinantie Gods heilzaam behoorden te zijn. Nu volgt het ander, tot verergering; dit is veel gruwelijker, nochtans komt het bijna altijd na het eerste: want indien wij in de weldaden Gods geen voortgang maken, wreekt God onze ondeugendheid zóó, dat wij boozer worden. En dit geschiedt gemeenlijk, dat de verachting vele bedervingen voortbrengt: voornamelijk dewijl zij het rechte gebruik niet aanmerken, plegen zij weldra tot schadelijke verdichtselen te vervallen.
18 Als gij samenkomt, zoo hoor ik, dat er tweedracht onder
191
1 CORINTHE 11 : 18, 19.
u is. Sommigen duiden de oneenigheden en ketterijen op de ongerechtigheid, die hij wat verder stelt. Maar ik strek het verder uit: en voorwaar het is niet waarschijnlijk, dat hij om de ongeschiktheid te beduiden, zoo oneigenlijke en vreemde woorden gebruikt heeft, want dat zij zeggen, dat hij scherp gesproken heeft, om te beter de zwaarheid der zonde uit te drukken, dat zou ik toegeven, indien de beteekenis paste. Zoo is het dan een algemeene berisping, dat zij niet eendrachtig waren, gelijk het den Christenen betaamt, maar dat een iegelijk, te veel aan zijn eigen belangen overgegeven, zich minder naar anderen voegde. Hieruit kwam dat misbruik, waarvan wij terstond zullen zjen: hieruit kwam die eerzucht en hoogmoed, waardoor een iegelijk zichzelven verhief, en anderen versmaadde; hieruit kwam die onachtzaamheid in de stichting: hieruit die ontheiliging der gaven Gods. Hij zegt, dat hij het ten deele gelooft, opdat zij niet allen denken, dat hun deze zoo groote misdaad opgelegd wordt; en zoo klagen, dat zij buiten hun schuld bezwaard worden. Intusschen echter geeft hij bedektelijk te kennen, dat hij dit niet maar uit een onzeker gerucht, maar uit een zeker verhaal verstaan heeft, hetwelk hij niet ganschelijk ongeloofelijk acht.
19 Want daar moeten ook secten zijn. Boven had hij scheuringen gesteld, nu stelt hij secten of ketterijen, om de zaak meer uit te breiden, hetwelk ook uit het woordje ook verstaan wordt: want het dient tot verzwaring. Men weet wel in wat zin de ouden deze beide woorden gebruikt hebben, en hoe zij de ketters van de scheurmakers onderscheiden hebben. De ketterij stellen zij in het verschil der leer, en de scheuring meer in de vervreemding der harten, te weten, als iemand door haat of nijd tegen de leeraars, of door eigenzinnigheid, van de gemeente afweek. Hoewel het nu onmogelijk is, dat de gemeente niet door booze leeringen zou gedeeld worden, en alzoo de ketterij begin en wortel der scheuring is, hoewel ook nijd en hoovaardigheid de moeder van bijna alle ketterijen is: zoo is het nochtans nuttig, dat deze twee alzoo onderscheiden worden. Maar men moet nu zien, wat zij bij Paulus beduiden. Ik heb hen reeds wederlegd, die bij de ketterij denken aan scheiding der tafel, omdat de rijken hun nachtmaal niet gemeenschappelijk hielden met de armen: want hij heeft iets, dat hatelijk is willen beduiden. Maar dewijl ik de meeningen van andere menschen laat varen, neem ik hier scheuring en ketterij zoo, dat de een minder en de ander meer is. Scheuringen nu zijn óf bedekte haat, als die eendrachtigheid niet gezien wordt, die onder de godzaligen behoort te zijn, èf als tegen elkander strijdende gezindheden heerschen, waar een iegelijk behagen heeft in het zijne, en wat eens anders is, veracht. Secten of ketterijen zijn, als het kwaad zoover doorbreekt, dat er openbare krijg gezien wordt, en als de menschen openbaarlijk zich verdeelen, in tegengestelde partijen. Zoo dan, opdat de geloovigen den moed niet verloren gaven, omdat zij zagen, dat de Corinthiërs met tweedracht bevangen waren, zoo wendt de apostel deze ergernis op een geheel andere zijde, te weten, dat de Heere door zulke verzoekingen de standvastigheid der zijnen beproeft. Dit is een schoone troost. Wij behooren, zegt hij, niet verstoord noch ongestadig te worden, als wij geene volkomene eenigheid in de gemeente zien, maar eerder eenige teekenen van verwoesting uit de tweedracht der gemoederen: zoodat, indien openlijk secten oprijzen, wij zeker
192
1 CORINTHE 11 : 19â21.
en standvastig moeten staan: want alzoo worden de hypocrieten ontdekt, alzoo wordt ook der geloovigen oprechtheid beproefd: want gelijk bij deze gelegenheid de lichtvaardigheid dier menschen openbaar wordt, die in het Woord Gods geene wortelen gevestigd hebben, en ook de ongeschiktheid van hen, die door geveinsdheid goede mannen schenen te zijn: alzoo geven de weidenkenden te klaarder bewijs van hunne standvastigheid en oprechtheid. Merk op, dat de apostel zegt: moeten. Want hij geeft daarmede te kennen, dat het niet bijgeval, maar door de zekere voorzienigheid Gods geschiedt, omdat Hij de zijnen onderzoeken wil, gelijk goud in den oven. Indien het Gode behaagt, zoo is het nut. Nochtans moet men daarom su-. 2 niet in doornige redetwisten, of in de doolhoven van het noodlot treden. Wij weten, dat er nimmer een tijd wezen zal, waarin er niet vele verworpenen zullen zijn: wij weten, dat zij door den geest des duivels geregeerd, en krachtig tot kwaad gedreven worden : wij weten, dat de duivel altijd arbeidt, om de eenigheid der gemeente te breken. Hieruit komt die noodwendigheid, die Paulus meldt, en niet uit het noodlot. Wij weten ook, dat God door zijn wonderlijke wijsheid, de verderfelijke listen des duivels wendt tot zaligheid der geloovigen. Hieruit komt dat einde, dat de godzaligen te beter openbaar worden. Want zoodanig ontvangen goed moet men aan de ketterijen niet toeschrijven, welke kwaad zijn, en niet anders dan kwaad kunnen voortbrengen: maar aan God, die naar zijne oneindige goedheid de natuur der dingen verandert, opdat voor de uitverkorenen heilzaam is, wat de duivel tot hun verderf bedacht had. Wat nu Chrysostomus zegt, dat het Grieksche woordje, waarvoor wij stellen opdat, niet beduidt de oorzaak, maar het einde,
daar is zoo veel niet aan gelegen. Want de oorzaak is de verborgen raad Gods, waardoor het kwaad alzoo gematigd wordt, dat het tot een goed einde gedijt. Eindelijk weten wij, dat de goddeloozen zóó door den duivel gedreven worden, dat zij vrijwillig geroerd worden, en het kwaad doen dat zij doen: daarom hebben zij geene verontschuldiging. Dat is niet des Heeren nachtmaal eten. Nu bestraft hij het misbruik, dat bij de Corinthiërs in het nachtmaal was ingeslopen, te weten, dat zij die heilige spijze met onheilige smullingen vermengden, en dat met verachting der armen. Paulus zegt, dat op zulke wijze het nachtmaal des Heeren niet gegeten wordt: niet omdat de heilige inzetting van Christus door ée'n misbruik gansche-lijk weggenomen en teniet gemaakt wordt, maar omdat zij de verborgenheid door verkeerde handeling besmetten. Want wij plegen gemeenlijk zoo te spreken, dat niet geschiedt wat onbehoorlijk geschiedt. En dit was geen klein bederf, gelijk wij hierna zullen zien. Indien men de woorden: Dat is niet, neemt voor: Zoo mag men niet, (gelijk sommigen doen) zoo zal de zin dezelfde blijven, te weten, dat de Corinthiërs niet bereid zijn om het nachtmaal des Heeren te eten, als zij zich zoo scheiden: eenvoudiger echter is wat ik boven verhaald heb, te weten, dat die onheilige vermenging veroordeeld wordt, die met het nachtmaal des Heeren niets gemeen had.
193
ai Want een iegelijk neemt tevoren zijn eigen nachtmaal. Het is voorwaar wonder, dat de duivel in zulken korten tijd zooveel heeft vermocht. Maar door dit voorbeeld worden wij vermaand, wat aan de oudheid zonder reden dient, dat is, hoe groote autoriteit eene lange gewoonte heeft, die door geen getuigenis van het Woord
13
Dl. II.
1 CORINTHE 11: 21, 22.
Gods bevestigd is. Dewijl dit in gebruik was gekomen, zoo werd het voor recht gehouden. De heilige Paulus was toen voorhanden om zich daartegen te stellen. Met wat groote teugelloosheid meenen wij, dat de satan geraasd heeft na den dood der apostelen? Maar voor de papisten is dit een zeer vast fundament: Het is oud, het is voorheen geschied; zoo moet het dan als Gods Woord geacht zijn. Waaruit voorts dit misbruik is ontstaan, of door wat oorzaak het zoo haastig is opgekomen, is onzeker. De heilige Chrysostomus meent, dat het gevloeid is uit de liefdemaaltijden, dat de rijken, dewijl zij plachten van huis mede te brengen, waarvan zij met de armen en in het gemeen aten, daarna begonnen zijn hun lekkere spijze alleen te eten, de armen uitsluitende. En voorwaar, dat deze gewoonte zeer oud geweest is, blijkt uit Tertullianus. Zulke gemeenschappelijke maaltijden, die zij met elkander hielden, noemden zij agapai, dat is, liefden, omdat zij zinnebeelden waren der broederlijke liefde, en uit de aalmoezen gehouden werden: en ik twijfel niet, ot de gewone gebruiken der offeranden, beide bij de Joden en bij de heidenen zijn hiervan oorzaak geweest. Want ik zie, dat de Christenen de gebreken der gewone gebruiken verbeterd hebben, zóó, dat zij meest altijd eenige gelijkheid behouden hebben. Zoo is het dan waarschijnlijk, dewijl zij zagen dat beiden, Joden en heidenen een maaltijd bij den godsdienst als een aanhangsel voegden, maar dat zij in eerzucht, overdadigheid en onmatigheid zondigden: dat zij een soort van maaltijd ingesteld hebben, die meer een oefening der soberheid en spaarzaamheid was, en bovendien geschikt tot het geestelijke nachtmaal om de gemeenschap. Want hierin werden de armen gevoed op kosten der rijken, en het was een tafel allen gemeen. Of zij nu dadelijk van het begin af tot dit onheilige bederf gevallen zijn, of dat zulk een inzetting, die anders niet kwaad was, in den loop van den tijd verdorven is, Paulus wil toch geenszins, dat deze geestelijke maaltijd met gewone spijze vermengd worde. Het heeft wel een heerlijken schijn, dat de armen met de rijken gemeenschappelijk eten, dat de rijken hun overvloed met de behoeftigen deelen: maar tot geenen prijs mag men het heilige nachtmaal ontheiligen. En de een lydt honger. Dit was e'én kwaad, dat de rijken lekker etende, de armen eenigszins hun armoede schenen te verwijten. Als hij zegt, dat de een honger lijdt, en de ander dronken is, zoo beduidt hij die ongelijkheid naar hyperbolische of vergrootende wijze van spreken: want sommigen hadden genoeg om den buik goed te vullen, anderen aten schraaltjes. Alzoo werden de armen aan den spot der rijken blootgesteld, of werden althans beschaamd. Het was dus een schandelijk schouwspel, en het nachtmaal onwaardig.
22 Hebt gy geene huizen. Hieruit zien wij, dat die wijze der gemeenschappelijke maaltijden Paulus ganschelijk mishaagd heeft, ook al was er het bovengemelde misbruik niet bij geweest. Want hóewei het verdraagzamer schijnt, dat de gansche gemeente aan een gemeenschappelijke tafel ete, zoo is toch dit een gebrek, dat men de heilige vergadering tot andere gebruiken wendt. Wij weten tot wat handelingen de gemeente behoort te vergaderen, te weten, om de leer te hooren, gebeden uit te storten en God te loven, om de sacramenten te gebruiken, het geloof te belijden, de heilige ceremoniën en andere oefeningen der godzaligheid te volbrengen. Indien daar iets anders geschiedt, dat is ontijdig: een iegelijk heeft zijn
194
1 CORINTHE 11:22.
huis om te eten en te drinken, derhalve geschiedt dit onbetamelijk in de heilige vergadering. Wat zal ik u zeggen? Als hij nu de zaak besloten heeft, geeft hij hun in bedenking, of zij te prijzen zijn: want zij konden zulk een openbaar misbruik niet verdedigen.
En dat hij vraagsgewijs spreekt, daarmede dringt hij hen te meer,
alsof hij zeide: wat zou ik anders doen? Of ontkent gij, dat gij te recht bestraft wordt. Voorts, het woord hierin, wordt in sommige uitgaven tot de volgende woorden gevoegd, aldus: zal ik u prijzen?
Hierin prjjs ik u niet. Maar de andere lezing is meer gewoon bij de Grieken, en rijmt ook beter.
23 Want ik heb van den Heere ontvangen, hetwelk ik ook u overgeleverd heb, dat de Heere Jezus in den nacht, toen Hij ver- Matt. 20; 2« raden werd, brood heeft genomen. Mark. u. 22
24 En gedankt hebbende, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dit tot mijne gedachtenis.
25 Desgelijks ook den drinkbeker, als Hij het avondmaal gegeten had, zeggende: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijn bloed: Doet dit, zoo dikwijls als gij dien drinkt, tot mijne gedachtenis.
26 Want zoo dikwijls als gij dit brood eet, en dezen drinkbeker drinkt, zoo zult gij den dood des Heeren verkondigen, totdat
Hij komt. 6 ⢠si
27 Daarom, zoo wie dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren 63,M:i3:27 drinkt onwaardiglijk, die zal schuldig zijn aan het lichaam en
bloed des Heeren.
28 De mensch beproeve zichzelven, en ete alzoo van het brood, Sir. is: 23 en drinke alzoo van den drinkbeker. 2 Cor' 13'
29 Want zoo wie onwaardiglijk eet of drinkt, die eet en drinkt zichzelven het oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.
Dusverre heeft hij het gebrek getoond: nu begint hij te leeren wat de rechte wijze is om te beteren. Want de inzetting van Christus is de zekere regel, en als men daarvan een weinig afwijkt, houdt men den rechten weg niet. Daarom, dewijl de Corinthiërs van dezen regel waren afgedwaald, roept hij hen tot denzelven terug. Deze plaats is naarstiglijk aan te merken, te weten, dat er geen ander middel is om de verdorvenheden te beteren en te zuiveren, dan dat men tot de zuivere ordinantie Gods wederkeert. Zoo stelt de Heere zelf, toen sprake was van het huwelijk, en de schriftgeleerden de gewoonte en ook de toelating van Mozes tegenwierpen, niet anders dan de inzetting des Vaders daartegen, omdat zij een onveranderlijke wet MaU- 19:: is. Als wij dit heden doen, roepen de papisten, dat wij niets ongeschonden laten. Wij bewijzen openlijk, dat zij niet alleen in één punt van de eerste inzetting des Heeren afgeweken zijn, maar dat zij haar op duizend wijze verdorven hebben. Niets klaarder is, dan dat hun mis lijnrecht in strijd is met het heilige nachtmaal des Heeren. Ik ga verder, wij toonen met den vinger aan, dat zij van god-delooze gruwelijkheden krielt, dus is daar verbetering noodig: wij begeeren zulk eene verbetering, als wij openlijk zien, dat Paulus gebruikt heeft, te weten, dat de inzetting des Heeren ons een algemeene
195
1 CORINTHE 11 : 22â24.
regel zij, waarin wij van beide zijden zullen bewilligen: zij staan streng hiertegert. Ziet hoedanigen strijd wij over het nachtmaal des Heeren hebben.
23 Ik heb van den Heere ontvangen. Met deze woorden geeft hij te kennen, dat geen ander autoriteit in de gemeente geldt, dan alleen des Heeren. Want het is zooveel, alsof hij zeide: Ik heb u niet mijn eigen gedichtsel overgegeven; toen ik tot u kwam, had ik geen nieuw nachtmaal naar mijn goeddunken verzonnen, maar Christus is de auteur, van welken ik het ontvangen heb, wat ik u als van hand tot hand overgegeven heb: keert dan weder tot dien grond en oorsprong. Alzoo zal het gezag van Christus standvastig blijven, en de wetten der menschen zullen geen plaats hebben. In den nacht, toen Hij verraden werd. Deze omstandigheid des tijds vermaant ons aangaande het einde des sacraments, te weten, opdat de weldaad des doods van Christus in ons bevestigd worde. Want de Heere had dit verbond wel wat eerder zijnen discipelen kunnen bevelen: maar hij heeft getoefd tot den tijd zijner opoffering, opdat de apostelen met de daad in zijn lichaam zouden zien volbrengen, hetgeen hij hun in het brood en den wijn afgebeeld had. Indien iemand hieruit wil besluiten, dat men dan des nachts het nachtmaal moet houden, en na lichamelijke spijs: Ik antwoord, dat men in hetgeen de Heere gedaan heeft, moet aanmerken wat Hij wil van ons gedaan hebben. Het is zeker, dat hij eenige ceremoniën niet heeft willen gebieden, die niet zouden mogen geschieden anders dan des nachts: gelijk de heidenen het feest der godin Ceres hielden ; ook heeft Hij hen niet met vollen buik tot de geestelijke spijze willen noodigen. De daden van Christus, die tot navolging dienen, moeten in zijn inzetting niet gerekend worden. Zoo wordt zonder moeite der papisten beuzeling wederlegd, waarmede zij verwerpen wat ik nu gezegd heb over het eenvoudig houden en bewaren van Christus' instelling. Zoo zullen wij dan (zeggen zij) het nachtmaal niet anders dan des nachts, wij zullen het na, en niet voor het eten ontvangen. Dit is (zeg ik) louter beuzeling, want men kan lichtelijk onderscheiden wat de Heere gedaan heeft, opdat wij het zouden navolgen. Ja veelmeer wat Hij gedaan heeft, om ons te gebieden dat ook te doen.
24 En gedankt hebbende. Alle gaven, die wij uit de hand Gods 1 Tim. i: 5. ontvangen, worden ons (zooals Paulus zegt) door woord en gebed
geheiligd. Daarom lezen wij nergens, dat de Heere met de zijnen brood heeft gegeten, zonder terstond daarbij de dankzegging te melden: waarmede Hij ons gewisselijk onderwezen heeft, om datzelve ook te doen. Maar deze tegenwoordige dankzegging strekt verder: want Christus dankt zijnen Vader voor zijn barmhartigheid jegens het menschelijk geslacht, en voor zijn onuitsprekelijke weldaad der verlossing: en vermaant ons door zijn voorbeeld, dat wij, zoo dik-maals wij tot het heilige nachtmaal komen, tot erkenning der onuitsprekelijke liefde Gods, en tot ware dankbaarheid zullen ontstoken worden. Neemt, eet, dit is mijn lichaam. Dewijl Paulus ons hier met korte woorden het rechte gebruik des sacraments heeft willen leeren, zoo moeten wij naarstig aanmerken wat hij voorstelt, en niets onachtzaam voorbijgaan: dewijl hij niets zegt, of het is zeer noodig te weten, en zeer waardig op te merken. In de eerste plaats moet men opmerken, dat Christus hier het brood aan de apostelen uitdeelt, opdat zij het
196
1 CORINTHE 11 : 24.
allen gemeenschappelijk eten, en dat een iegelijk zoo zijn deel neme,
dat er een gelijke gemeenschap onder allen zij. Waar dus voor alle geloovigen geene gemeenschappelijke tafel wordt bereid, waar zij niet genood worden tot algemeene breking des broods: eindelijk waar de geloovigen niet onder elkander deelen, daar wordt tevergeefs op den naam van het nachtmaal des Heeren geroemd. Maar waartoe wordt het volk tot de mis geroepen, anders dan opdat het van dat koude en onnutte schouwspel ijdel wederkeere ? Zoo heeft zij dus niets met het nachtmaal gemeen. Waaruit ook verstaan wordt,
dat de belofte van Christus de mis niet meer toekomt dan aan de broederschap der priesters van den krijgsgod Mars. Want als Christus belooft ons zijn lichaam te geven, zoo gebiedt Hij desgelijks het brood te nemen en te eten. Daarom wanneer wij aan dit gebod niet gehoorzaam zijn, zoo roemen wij tevergeefs op deze belofte. Om dit met andere woorden meer gemeenzaam te verklaren, de belofte is aan het gebod gehangen als onder voorwaarde: zoo heeft zij dan niet anders hun einde en kracht, dan zoo de voorwaarde ook plaats heeft. Bijvoorbeeld, daar is geschreven: roept Mij aan, en Ik zal ups. 5ü;iö. verhooren. Het komt ons toe Gode gehoorzaam te zijn in hetgeen Hij ons gebiedt, opdat Hij ons doe, wat Hij ons belooft: want anders sluiten wij zijn werking uit. Wat doen de papisten? Zij verlaten die breking en gemeenschap des broods, en heiligen het brood geheel tot een ander einde, en ondertusschen roemen zij toch het lichaam des Heeren te hebben: maar dewijl zij de dingen, die Christus te zamen gevoegd heeft, onvromelijk scheiden, zoo is het openbaar, dat dit een ijdele roem is. Zoo dikwijls zij de woorden: dit is mijn lichaam voorwerpen: zoo moet men hun die andere woorden, die in orde voorgaan, tegenwerpen: Neemt en eet. Want de zin der woorden: als gij in de broodbreking mede geniet volgens de orde en wijze, die ik geboden heb, zoo zult gij ook mijns lichaams deelachtig wezen. Daarom waar het een alleen opslokt, daar heeft de belofte geen plaats. Bovendien wordt ons in deze woorden geleerd,
wat de Heere van ons wil gedaan hebben. Christus zegt: neemt. Zoo dan, die Gode offeren, volgen eenen anderen auteur dan Christus : want wij worden door deze woorden niet onderwezen eenige offerande te doen. Maar wat zeggen de papisten van hunne mis?
197
In het eerst zijn zij onbeschaamd geweest, om te verdedigen, dat de mis waarlijk en eigenlijk een offerande genoemd werd. Nu laten zij toe, dat het een gedenkoffer is, doch alzoo, dat door hun dagelijksche offerande, de weldaad der verlossing den levenden en dooden toegepast wordt. Hoe het is, zij stellen het schouwspel eener opoffering voor oogen: hetwelk zij ten eerste lichtvaardig doen, want zij doen het zonder eenig bevel van Christus. Maar zij zondigen nog zwaarder hierin, dat zij, waar Christus dit einde des nachtmaals verordend heeft, dat zij het zouden nemen en eten, het tot een geheel ander einde verkeeren. Dit is myn lichaam. Ik wil niet verhalen de onzalige twisten over den zin dezer woorden, die de gemeenten in onzen tijd ontrust hebben. Och, of men ze liever in eeuwige vergetelheid mocht begraven! Ik zal eerst oprecht en zonder veinzing daarna ook vrij (gelijk ik gewoon ben) zeggen wat mij dunkt. Christus noemt het brood zijn lichaam. Want het onnutte gedichtsel, dat de Heere aan de apostelen niet het brood, maar zijn lichaam, dat zij met oogen zagen, getoond hebbe, verwerp ik zonder nader onder-
%
1 CORINTHE 11:24.
198
zoek; want in eenen adem volgt: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mjjn bloed. Hetzij dan buiten alle tegenspraak, dat Christus hier van het brood spreekt. Nu vraagt men in welken zin? Om den zin uit te vorschen, moeten wij weten, dat het een figuurlijke en oneigenlijke wijze van spreken is: want dit te ontkennen, is voorwaar te groote ongeschiktheid. Waarom wordt dan de naam van lichaam aan het brood gegeven? Allen zullen meen ik toelaten, joh. i:32. dat het is op dezelfde wijze, waarop Johannes de Heilige Geest een duif noemt. Dusverre komen wij overeen. Nu de Heilige Geest wordt duif genoemd, omdat Hij in de gedaante van eene duif verschenen was, zoo wordt dan de naam van den Geest aan het zienlijke tee-ken gegeven. Waarom zouden wij ontkennen, dat hier een dergelijke wijze van spreken is, en dat de naam des lichaams aan het brood gegeven wordt, omdat het daarvan teeken of zinnebeeld is? Indien eenigen anders gevoelen, die zullen mij vergeven. Het dunkt mij twistgierig te zijn, hierover hardnekkig te twisten. Ik stel dus vast, dat dit een sacramenteele wijze van spreken is, waar de Heere den naam der beteekenende zaak aan het teeken geeft. Nu moeten wij verder voortvaren, en de oorzaak dezer figuur onderzoeken. Hier antwoord ik, dat de naam der beteekenende zaak aan het teeken gegeven wordt, niet daarom alleen, omdat het een figuur is, maar meer omdat het een zinnebeeld is, waardoor de zaak voorgesteld wordt. Want de gelijkenissen, die sommigen ont-leenen aan aardsche en wereldsche dingen, laat ik niet toe, omdat zij wat hebben, dat verschillend is van de sacramenten des Heeren. Het beeld van Herkules wordt Herkules genoemd: maar wat is daar meer dan een naakte en ijdele figuur? Eene duif wordt de Geest genoemd, omdat dat dier gewis een teeken is van de onzienlijke tegenwoordigheid des Geestes. Zoo is dan het brood des Heeren lichaam: omdat het zeker getuigt, dat ons dat lichaam, hetwelk het beduidt, voorgesteld en gegeven wordt: of omdat de Heere dat zichtbare teeken ons gevende, ons ook tegelijk zijn lichaam geeft. Want Christus is geen bedrieger, dat Hij ons met ijdele teekenen zou bedriegen. Daarom is mij dit buiten bedenking, dat de waarheid hier met haar teeken vereenigd is, dat is, dat wij zooveel de geestelijke kracht aangaat, niet minder wezenlijk aan het lichaam van Christus deelachtig worden, dan wij het brood eten Nu moeten wij de wijze onderzoeken. De papisten willen ons hun transsubstantiatie indrukken. Zij zeggen, dat de substantie des broods niet meer is, als de zegening volbracht is, maar dat alleen de toevallige dingen, de accidentia, blijven. Tegen dit gedichtsel stellen wij niet alleen de duidelijke woorden der Schrift, maar ook de natuur der sacramenten: want hoedanig zal de beteekenis van het nachtmaal zijn, zoo daar geen overeenkomst is tusschen het zienlijke teeken en de geestelijke zaak! Zij willen, dat het teeken een valsche en bedriegelijke gedaante des broods is: wat zal dan de beteekenende zaak wezen, anders dan een loutere verbeelding? Daarom, indien het teeken overeenkomst moet hebben met zijn waarheid, zoo moet het waarachtig en geen ingebeeld brood zijn, waardoor het waarachtige lichaam beduid wordt. Bovendien wordt ons het lichaam van Christus niet simpel gegeven, maar tot spijze; nu, de kleur des broods voedt niet, maar de substantie: eindelijk, opdat de waarheid zij in de zaak, zoo moet in het teeken geen bedrog zijn. Zoo laat
1 CORINTHE 11:24.
19Q
ons dan der papisten razernij verwerpen, en zien hoe het lichaam van Christus ons gegeven wordt. Sommigen zeggen, dat het ons gegeven wordt, als wij aan alle goederen deelachtig worden, die Christus ons in zijn lichaam verworven heeft: als wij (zeg ik) Christus, die voor ons gekruist, en van de dooden wederopgestaan is, door het geloof aannemen, en alzoo krachtig aan al zijne goederen gemeenschap hebben. Die alzoo gevoelen, laat ik voorwaar hun gevoelen genieten. Maar ik beken, dat wij dan eerst aan zijne goederen deelachtig zijn, als wij Christus zelven hebben. En ik zeg, dat wij Christus hebben, niet alleen als wij gelooven, dat Hij een offerande voor ons geworden is, maar als Hij in ons woont, als Hij e'én met ons is, als wij zijne leden zijn uit zijn vleesch: kortom, als wij (opdat ik alzoo spreke) één leven en ééne substantie met Hem worden. Bovendien hoor ik, hoe de woorden zelven luiden: want Christus geeft ons niet alleen de weldaad van zijn dood en wederopstanding, maar ook zijn lichaam, waarin Hij geleden heeft en wederopgestaan is. Ik kom tot het besluit, dat het lichaam van Christus ons realiter (gelijk zij gemeenlijk spreken) dat is, waarachtig in het nachtmaal gegeven wordt, opdat het onzen zielen zij tot zalige spijze. Ik spreek op gewone wijze, maar ik versta, dat onze zielen gevoed worden met de substantie des lichaams, opdat wij waarachtig één worden met Hem: of, wat evenveel is, dat uit het vleesch van Christus, door den Geest een levendmakende kracht in ons uitgestort wordt, hoewel het verre van ons is, en zich met ons niet vermengt. Daar is nu maar ééne zwarigheid meer over, te weten, hoe het kan geschieden, dat het lichaam van Christus, dat in den hemel is, ons hier op aarde gegeven wordt. Sommigen verzinnen, dat het lichaam van Christus oneindig is, en in geen ruimte besloten wordt, maar dat het hemel en aarde tegelijk vervult, gelijk zijn Goddelijk wezen: welk verdichtsel te ongerijmd is, dat het noodig is het te wederleggen. De Scholastieken disputeeren scherpzinniger van het heerlijk lichaam: doch hun gansche leer komt hierop uit, dat Christus in het brood gezocht wordt, alsof Hij daarin besloten ware. Hiervan komt, dat de harten der menschen verslagen worden, bij het aanschouwen des broods, en het gelijk Christus aanbidden. Indien iemand van hen vraagt, of zij het brood aanbidden of de gedaante, zij zullen het krachtig ontkennen: doch ondertusschen wenden zij zich tot het brood, als zij Christus willen aanbidden. Zij wenden zich (zeg ik) tot het brood, niet alleen met de oogen en met het gansche lichaam, maar ook met de gedachte des harten: en wat is dit anders dan zuivere afgoderij. Nu, deze gemeenschap aan het lichaam des Heeren, welke ik zeg, dat ons in het nachtmaal gegeven wordt, eischt geen plaatselijke tegenwoordigheid, noch nederdaling van Christus, noch zijn oneindigheid, noch iets dergelijks. Want dewijl het nachtmaal een hemelsche handeling is, zoo is het geenszins ongerijmd, dat Christus in den hemel blijvende, door ons ontvangen wordt. Want dat Hij Zichzelven ons mededeelt, dat geschiedt door de verborgen kracht des Heiligen Geestes, waardoor de dingen, die naar de plaats wijd van elkander zijn, niet alleen verzameld, maar ook samen tot één vereenigd worden. Maar opdat wij aan deze gemeenschap deelachtig zijn mogen, moeten wij tot den hemel ons verheffen. Hier moet ons dan het geloof tehulp komen, dewijl alle zinnen des vleesches bezwijken. Als ik zeg, geloof, zoo
1 CORINTHE 11 : 24.
200
versta ik niet allerlei meening, die op menschelijke verdichtselen steunt, gelijk velen dikmaals van het geloof roemende, grootelijks op dit stuk dwalen. Hoe dan? Gij ziet brood, en niets anders: maar gij hoort, dat het een teeken des lichaams van Christus is: twijfel niet, dat door den Heere vervuld wordt, wat de woorden doen hooren, te weten, dat het lichaam, dat gij niet ziet, u een geestelijk voedsel is. Het schijnt ongeloofelijk, dat wij door het vleesch van Christus gevoed worden, dat zoo verre van ons verwijderd is: bedenkt dat het een verborgen en wonderlijk werk des Heiligen Geestes is, dat gij niet met de mate van uw verstand behoort te meten. Nochtans zult gij die grove bedenkingen verdrijven, die u op het brood zouden houden. Laat voor Christus de waarachtige natuur zijns vleesches, en breidt zijn lichaam niet uit over hemel en aarde door een valsche meening: trekt Hem niet tot verscheiden plaatsen door uwe verdichtselen, noch aanbidt Hem hier en daar naar uw vleeschelijk gevoelen. Laat Hem in zijn hemelsche glorie blijven, en heft uw gemoed daarhenen op, opdat Hij vandaar u Zijner deelachtig make. Deze weinige woorden zullen hun genoeg-doen, die matig en gezond van verstand zijn. Degenen, die curieus zijn, gebied ik elders te zoeken, waar zij hun begeerlijkheid mogen vervullen. Dat voor u gebroken wordt. Sommigen leggen het uit van de uitdeeling des broods, omdat het lichaam van Christus on-Ex. 12:46. gedeerd moest blijven, gelijk voorzegd was: Daar zal geen been van Hem gebroken worden. Maar ik beken wel, dat Paulus op de breking des broods gezien heeft; doch ik leg het uit, dat breken gesteld is voor offeren, en dat niet ongerijmd, hoewel oneigenlijk. Want hoewel er geen been is gebroken geweest, zoo kan nochtans dat lichaam, dat aan zulke zware kwellingen en folteringen, en de wreedste straf des doods onderworpen was, niet gezegd worden ongewend te zijn. Dit heeft Paulus genoemd, gebroken worden. Voorts, is dit het tweede stuk der belofte, hetwelk men niet lichtvaardig moet voorbijgaan. Want de Heere geeft ons zijn lichaam niet enkel, en zonder eenige bijvoeging, maar zoover het voor ons geofferd is. Zoo dan, in het eerste deel wordt beduid, dat ons het lichaam van Christus gegeven wordt: en in dit tweede deel wordt uitgedrukt, wat vrucht wij daarvan hebben, te weten, dat wij der verlossing deelachtig zijn, en dat de weldaad der offerande ons toegepast wordt. Zoo is dan het nachtmaal een spiegel, dat ons den gekruisten Christus voor oogen stelt, zoodat niemand het nachtmaal met vrucht en nut kan ontvangen, dan die den gekruisigden Christus aanneemt. Doet dit tot mijne gedachtenis. Zoo is dan het nachtmaal een gedenkteeken, ingesteld om onze zwakheid te hulpe te komen; want indien wij den dood van Christus anders genoeg gedachtig waren, zoo ware dit hulpmiddel overbodig, hetwelk aan alle sacramenten gemeen is, want zij zijn hulpmiddelen onzer zwakheid. En welke gedachtenis Christus wil, dat wij van Hem houden in het nachtmaal, zullen wij terstond hooren. Dat sommigen hieruit afleiden, dat Christus in het nachtmaal niet is, omdat geen gedachtenis gehouden wordt, anders dan van eene afwezende zaak; hierop kan men lichtelijk antwoorden, dat Christus in het nachtmaal niet is naar zulke wijze quot;als het nachtmaal een gedenkteeken is. Want Christus is niet zichtbaar tegenwoordig, noch wordt met oogen gezien, gelijk de teekenen, die door Hem af te beelden.
1 CORINTHE 11:24, 25.
onze gedachtenis verwekken; Hij verandert ook van plaats niet om bij ons te zijn, maar Hij zendt de tegenwoordige kracht zijns vleesches tot ons uit den hemel.
25 Den drinkbeker, als Hij het avondmaal gegeten had. De
apostel schijnt eenigen tijd te kennen te geven tusschen het overreiken van het brood en den drinkbeker. Het staat ook niet genoeg vast uit de evangelisten, of de geheele handeling onafgebroken is voortgegaan. Maar hier is niet zooveel aan gelegen: want het is mogelijk, dat de Heere het brood gegeven hebbende, een openbare rede heeft gedaan, eer Hij den drinkbeker gaf. Maar dewijl Hij niets zeide, noch deed wat vreemd was van de sacramenten, zoo zullen wij niet zeggen, dat de uitdeeling verstoord of afgebroken is geweest. Ik heb niet met Erasmus willen vertalen: Als Hij het nachtmaal geëindigd had, omdat men in eene zaak van zooveel gewicht de twijfelachtigheid behoorde te vlieden. Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament. Wat van den drinkbeker gezegd wordt, dat komt ook het brood toe; ja, door deze wijze van spreken wordt uitgedrukt wat boven korter gezegd was, te weten, dat het brood het lichaam is. Want daarom is het ons het lichaam, opdat het ons het Testament zij in zijn lichaam, dat is, het verbond, dat eenmaal door de offering zijns lichaams is bevestigd geweest, en nu bevestigd wordt door het eten, te weten, als de geloovigen van die offerande eten. Zoo dan, dat Paulus en Lukas zeggen: Het Testa-Luk-22:20-ment is mijn bloed, dat noemt Mattheus en Markus: Het bloed des 2^:2®-Testaments: hetwelk op hetzelfde neerkomt. Want het bloed is uit- ar ' gestort, om ons met God te verzoenen: en het wordt nu geestelijk van ons gedronken, opdat wij der verzoening deelachtig zouden zijn. Zoo hebben wij dan in het nachtmaal het verbond, en een pand, dat het verbond bevestigt. Van het woord Testament zullen wij spreken in den Zendbrief aan de Hebreën, zoo de Heere ons zooveel tijds gunt. Voorts is het gewoon, dat de sacramenten alzoo genoemd worden, omdat zij ons testimonia zijn, dat is, getuigenissen van den Goddelijken wil, welken zij in onze harten bevestigen. Want gelijk een verbond onder de menschen op plechtige wijze gemaakt wordt, alzoo handelt God ook met ons. En dit wordt niet oneigenlijk gezegd: want om de vereeniging van teek en en Woord, is het verbond des Heeren waarlijk in de sacramenten vervat : en deze naam verbond, ziet op ons, en betreft ons. Dit zal niet weinig dienen om de natuur der sacramenten te verstaan. Want indien zij verbonden zijn, zoo bevatten zij ook de beloften, waardoor de conscientiën gericht worden tot het betrouwen der zaligheid. Waaruit volgt, dat de sacramenten niet alleen uitwendige teekenen der belijdenis voor de menschen, maar ook inwendig be-hulpselen des geloofs zijn. Doet dit, zoo dikwijls als gij dien drinkt. Zoo stelt dan Christus een tweevoudig teeken in het nachtmaal. En wat God samengevoegd heeft, dat zal geen mensch scheiden. Het brood dus zonder den drinkbeker ronddeelen, is de instelling van Christus verminken. Want wij hooren de woorden van Christus: gelijk Hij gebiedt het brood te eten, zoo gebiedt Hij den drinkbeker te drinken. Wie het een volbrengt, en het ander laat, wat doet hij anders dan Gods gebod bespotten? En het volk te berooven van den drinkbeker, welken Christus allen schenkt, gelijk het geschiedt onder de tirannie van den paus: wie ontkent, dat
201
1 CORINTHE 11:25â27.
dit een duivelsche stoutigheid is? Wat zij hiertegen zeggen, dat Christus niet tot het volk, maar tot de apostelen heeft gesproken, dat is al te kinderachtig, en wordt uit deze plaats gemakkelijk wederlegd. Want Paulus spreekt hier zonder onderscheid tot mannen en vrouwen, en tot het gansche lichaam der gemeente. Hij betuigt, dat hij hun dit overgeleverd heeft uit het bevel des Heeren. Die het gewaagd hebben deze inzetting af te leggen, door wat geest kunnen zij roemen gedreven te zijn? En nochtans wordt ook heden dit hoog verderfelijk gevoelen hardnekkig beschermd: en wat wonder is het, dat zij onbeschaamd met woorden en geschriften pogen te verontschuldigen, wat zij zoo wreedelijk te vuur en te zwaard wreken ?
26 Want zoo dikwijls, als gij dit brood eet. Nu voegt Paulus hierbij, hoedanige gedachtenis men behoort te houden, te weten, met dankzegging: niet dat de gansche gedachtenis in de belijdenis des monds is gelegen: want dit is het voornaamste, dat de kracht van Christus' dood in onze conscientiën verzegeld worde; maar deze kennis behoort ons tot belijdenis van lof te verwekken: zoodat wij bij de menschen verkondigen, wat wij inwendig bij God gevoelen. Zoo is dan het nachtmaal een gedenkteeken, dat eeuwiglijk in de gemeente moet duren, tot op de laatste wederkomst van Christus: en is tot dit einde ingesteld, dat Christus ons van de weldaad zijns doods vermane, en dat wij voor de menschen datzelve bekennen: waarvan het ook den naam Eucharistia, dat is, dankzegging, heeft. Zoo dan, om het nachtmaal behoorlijk te houden, moet gij gedenken, dat de belijdenis van uw geloof van u geëischt wordt. Hieruit is het openbaar, hoe onbeschaamd zij God bespotten, die roemen, dat zij in de mis eenigerlei nachtmaal hebben. Want wat is de mis? Ik spreek nu niet over de papisten, maar over de valsche Nicodemussen. Zij bekennen, dat zij vol gruwelijke bijgeloovigheden is, en veinzen met uitwendig gebaar, dat zij deze voor goed achten. Hoedanige verkondiging van Christus' dood is dat? Zweren zij niet veelmeer Hem af? Totdat Hij komt. Dewijl ons altijd zulke hulpe noodig is, zoolang wij in deze wereld verkeeren, zoo geeft Paulus te kennen, dat deze gedachtenis ons geboden is, totdat Christus ten oordeel zal verschijnen. Want dewijl Hij met ons niet verkeert in zichtbare gedaante, zoo moet er eenig teeken der geestelijke tegenwoordigheid zijn, waarin zich onze zielen oefenen.
27 Daarom, zoo wie onwaardiglijk dit brood eet. Indien de Heere in het genieten van dit sacrament dankbaarheid eischt, indien Hij wil, dat zijn genade met het hart bekend, en met den mond verkondigd worde, zoo zal niet ongestraft blijven, die Hem meer schande dan eer aandoet: want de Heere zal zijn gebod niet laten versmaden. Voorts, om den zin dezer stelling te weten, moeten wij weten, wat het is onwaardiglijk te eten. Sommigen duiden het alleen op de Corinthiërs, en op de verdorvenheid, die bij hen de overhand genomen had. Maar ik ben van meening, dat Paulus naar zijne gewoonte, van die onderstelling gekomen is tot een algemeene leer, of van e'e'n soort tot het gansche geslacht. Daar was één gebrek bij de Corinthiërs; door deze oorzaak spreekt hij van allerlei gebrekkige bediening of ontvanging van het nachtmaal. God zal (zegt hij) dit sacrament niet laten ontheiligen, zonder het streng te straffen. Zoo dan, onwaardiglijk eten, is door ons misbruik het zuiver
202
1 CORINTHE 11 :27.
203
en recht gebruik verkeeren. En daarom zijn er verscheidene graden der onwaardigheid, opdat ik alzoo spreke: en sommigen zondigen zwaarder dan anderen. Iemand zal zich indringen, een hoereerder, of meineedige, of dronkaard, of bedrieger, zonder betering; dewijl zulk eene grove verachting een teeken is van eene gruwelijke versmading van Christus, zoo lijdt het geen twijfel, of hij ontvangt het nachtmaal tot zijn verderf, wie hij ook zij. Een ander zal komen, die met geen merkelijke noch bijzondere misdaad is bevangen, maar toch niet zoo bereid van hart als het behoort; dewijl deze zorgeloosheid of onachtzaamheid een teeken is van oneerbiedigheid, ook is zij waardig van God gekastijd te worden. Daarom, gelijk er verscheidene graden van onwaardig eten zijn, alzoo straft de Heere sommigen lichter, anderen zwaarder. Deze plaats heeft aanleiding gegeven tot de vraag, die sommigen daarna veel te bitter gedreven hebben, of de onwaardigen het lichaam des Heeren metterdaad eten. Want sommigen zijn door twisten zoover gekomen, dat zij zeiden, dat het zonder onderscheid door de goeden en de kwaden ontvangen wordt: en velen verdedigen heden hardnekkig en met groot geroep, dat Petrus in het eerste nachtmaal niets meer ontvangen heeft dan Judas. Ongaarne doe ik het om over deze zaak, die naar mijn verstand niet zeer noodig is, scherp met iemand te disputeeren; maar gelijk anderen zich veroorloven om meesterachtig zonder grond uit te spreken, wat hun lust, en donderen, zoo iemand daartegen kikt: zoo zal het ons ook vergeven worden, indien wij met gronden verdedigen, wat wij oordeelen waarachtig te zijn. Ik houd dit voor een eeuwige waarheid, en zal ze mij nimmermeer laten ontnemen, te weten, dat Christus niet van zijnen Geest kan gescheiden worden. Waaruit ik besluit, dat niet zijn dood lichaam ontvangen wordt, noch ook ledig of gescheiden van de genade en kracht zijns Geestes: om deze waarheid te bevestigen, wil ik niet meer woorden maken. Nu, die ganschelijk zonder levend geloof en berouw is, hoe zou hij Christus ontvangen, dewijl hij niets van den Geest van Christus heeft ? Ja, dewijl hij geheel van den duivel en van de zonde bezeten is, hoe kan hij bekwaam zijn om Christus te ontvangen? Daarom, gelijk ik beken, dat er sommigen zijn die in het nachtmaal waarlijk en toch onwaardiglijk, Christus ontvangen, bijvoorbeeld vele zwakken: zoo laat ik niet toe, dat degenen die slechts een historisch geloof, zonder waarachtig levend gevoelen der bekeering en des geloofs medebrengen, iets anders dan het teeken ontvangen. Want ik kan Christus niet laten verminken, en ik vrees die ongerijmdheid, dat Hij Zich aan de goddeloozen zou te eten geven, als een lichaam zonder ziel. Augustinus gevoelt ook niet anders, als hij zegt, dat de boozen Christus in het nachtmaal ontvangen, alleen zooveel het sacrament aangaat. Hetwelk hij op een andere plaats duidelijker uitdrukt, als hij zegt, dat de andere apostelen het brood den Heere hebben gegeten, maar Judas alleen het brood des Heeren. Maar hier wordt tegengeworpen, dat de kracht der sacramenten niet gelegen is in de waardigheid der men-schen, en dat ook door de boosheid der menschen niets kan worden afgetrokken of verloren gaan van de beloften Gods. Dit beken ik, en daarom voeg ik er duidelijk bij, dat het lichaam van Christus zoowel den boozen als den goeden aangeboden wordt: hetwelk genoeg is om de kracht van het sacrament en de vastigheid der be-
1 CORINTHE 11:27â29.
loften Gods te bewijzen. Want God beeldt daar niet bedriegelijk het lichaam zijns Zoons af, maar stelt het metterdaad voor: ook is het brood hun geen ijdel, maar een getrouw teeken; dat zij het verwerpen, vermindert noch verandert de natuur van het sacrament. Nu moeten wij nog op deze plaats van Paulus antwoorden. Paulus maakt de onwaardigen schuldig, omdat zij het lichaam des Heeren niet onderscheiden: zoo ontvangen zij dan hier het lichaam. Ik ontken de gevolgtrekking: want hoewel zij het verwerpen, zoo zijn ze toch, dewijl zij het ontheiligen en onteeren, als het hun voorgesteld is, met recht schuldig: want zij doen even alsof zij het op de aarde werpen, en met voeten treden. Is dit een geringe heiligschennis? Alzoo zie ik geene zwarigheid in de woorden van Paulus, mits gij aanmerkt wat God den boozen voorstelt en aanbiedt, en niet wat zij ontvangen.
28 De mensch beproeve zichzelven. Deze vermaning wordt uit de naastvoorgaande bedreiging afgeleid. Indien zij schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren, die onwaardiglijk eten, dan moet niemand naderen dan die wel en behoorlijk daartoe bereid is. Zoo moet dan elk toezien, dat hij niet door onachtzaamheid of zorgeloosheid in deze heiligschennis valle. Maar hier wordt nu gevraagd, hoedanig deze beproeving moet zijn, tot welke Paulus ons roept? De papisten stellen deze beproeving in de oorbiecht: zij gebieden dat allen, die het nachtmaal zullen ontvangen, naarstig en nauwgezet hun leven onderzoeken, om al hunne zonden in des priesters oor te ontlasten: dit is hun voorbereiding. Maar ik zeg, dat die heilige onderzoeking, waarvan Paulus spreekt, wijd verschilt van zulk een pijnbank en kwelling. Als de papisten zich met weinige uren overdenking gekweld, en den mispaap hun boosheid ontdekt hebben, dan meenen zij alles wel gedaan te hebben: maar het is een andere beproeving, die Paulus hier eischt, te weten, die met het rechte gebruik des nachtmaals overeenkomt. Men ziet hier een zeer bekwame wijze. Indien men de weldaad van Christus behoorlijk wil gebruiken, moet men geloof en bekeering medebrengen. Zoo is dan de onderzoeking in deze twee dingen gelegen, om goed voorbereid daartoe te komen. Onder de bekeering besluit ik ook de liefde; want wie geleerd heeft zichzelven te verloochenen, om zich aan Christus en de gehoorzaamheid van Christus te wijden, die zal ook zonder twijfel de eenigheid, die door Christus bevolen is, van harte betrachten. Hier wordt niet geëischt, dat het geloof of de bekeering volmaakt is: gelijk sommigen door veel te sterk te dringen op een volmaaktheid, die nergens kan gevonden worden, alle menschen eeuwiglijk van het nachtmaal afhouden. Maar indien gij met ernstige genegenheid des gemoeds, naar de rechtvaardigheid Gods staat, en door de kennis uwer ellendigheid verootmoedigd zijnde, geheel op de genade van Christus rust en steunt, zoo weet, dat gij een waardige gast zijt om tot deze tafel te komen. Ik noem waardig, dien de Heere niet uitsluit, al is het, dat anders wat gebrek in u is. Want het geloof dat aangevangen is, maakt den onwaardige waardig.
29 Wie onwaardiglijk eet, die eet zichzelven het oordeel. Hij heeft boven de gruwelijkheid der misdaad met name aangeduid, toen hij zeide, dat zij schuldig zouden zijn aan het lichaam en bloed des Heeren, die het onwaardiglijk eten: nu verschrikt hij ze door de verkondiging der straf. Want vele menschen worden door de zonde
204
1 CORINTHE 11 : 29, 30.
zelve niet bewogen, zoo zij door het oordeel Gods niet bewogen worden. Zoo doet hij dan dit, als hij verkondigt dat deze spijze, die anders heilzaam is, tot verderf zal gedijen, en in venijn veranderd worden voor degenen, die onwaardiglijk eten. De reden voegt hij daarbij: Niet onderscheidende het lichaam des Heeren, te weten, als het heilige van het onheilige. Het is even alsof hij zeide: Zij tasten het heilige lichaam van Christus met onge-wasschen handen, alsof het van geen waarde ware: zij bedenken niet van wat groote waarde het is. Daarom zullen zij voor zoo groote ontheiliging gestraft worden. De lezers zullen in gedachtenis houden wat ik boven geleerd heb, dat hun het lichaam voorgesteld wordt, hoewel zij door hun onwaardigheid daarvan beroofd worden.
30 Daarom zijn onder u vele zwakken en zieken, en velen slapen.
31 Want hadden wij onszelven geoordeeld, zoo zouden wij niet geoordeeld worden.
32 En als wij geoordeeld worden, zoo worden wij van den Heere . berispt, opdat wij met deze wereld niet veroordeeld worden.
33 Daarom, mijne broeders, wanneer gij samenkomt om te eten, verbeidt elkander.
34 En indien iemand hongerig is, die ete te huis, opdat gij niet tot een oordeel eet; de andere dingen zal ik schikken, als ik kom.
30 Daarom zijn onder u vele zwakken. Nadat hij in 't gemeen van het onwaardiglijk eten gehandeld heeft, en hoedanige straf hun overkomt, die deze verborgenheid ontreinigen: zoo vermaant hij de Corinthiërs nu aangaande de tegenwoordige kastijding die zij leden. Men weet niet of de pest in dien tijd daar geweest is, of dat zij met andere ziekten zijn bevangen geweest. Hoe het zij, wij verstaan uit de woorden van Paulus, dat de geesel des Heeren daar is opgeheven om hen te kastijden. Want Paulus zegt het niet uit gissing, dat zij daarom gestraft worden: maar hij spreekt van een zaak, die openbaar is. Zoo zegt hij dan dat velen ziek liggen, dat velen met langdurige zwakheid bevangen zijn, en dat er velen gestorven zijn, wegens het misbruik des nachtmaals, omdat zij God vertoornd hadden ; waarmede hij te kennen geeft, dat wij door ziekten en andere geeselroeden Gods vermaand worden, om over onze zonden te denken: want God straft ons niet tevergeefs, dewijl Hij geen behagen heeft in ons verdriet. Dit is een rijke en uitgebreide stof: maar het is genoeg, dat wij het hier met ée'n woord aangeteekend hebben. Indien ten tijde van Paulus een middelmatig bederf des nachtmaals den toorn Gods tegen de Corinthiërs alzoo kon ontsteken, dat Hij hen zoo streng strafte, wat zal men dan van den huidigen stand gevoelen? Wij zien in het gansche pausdom niet alleen gruwelijke ontheiliging des nachtmaals, maar ook, dat in zijn plaats een hei-ligschendende gruwel opgericht is. Ten eerste, is het tot schandelijk gewin en koopmanschap prijsgeven: ten andere, is het verminkt, het gebruik des drinkbekers is weggenomen: ten derde, is het tot een andere gedaante voorgewend, daar het gewoonte geworden is, dat éën alleen zijn spijze hebbe, terwijl de gemeenschap afgebroken is: ten vierde, is daar geene verklaring der verborgenheid.
205
206
maar een mompeling, die meer met een magische betoovering overeenkomt, of met den ongeoorloofden godsdienst der heidenen, dan met de inzetting des Heeren: ten vijfde, zijn daar oneindig vele ceremoniën, deels vol ongeschiktheid, deels vol bijgeloovigheden, en daarom openbare besmettingen; ten zesde, is daar een duivelsch verdichtsel van een offer, dat een goddelooze lastering des doods van Christus bevat; ten zevende, wordt het ingericht, om de ellendige menschen in een vleeschelijk betrouwen dronken te maken, terwijl het als een verzoening tegen God gesteld wordt, en de menschen meenen met dit toovermiddel alle zonde en schuld te verdrijven, en dat zonder geloof en bekeering. Ja ook vertrouwen, dat zij hiermede tegen duivel en dood gewapend, en tegen God veilig beschermd zijn, en durven veel vrijelijker zondigen, en worden veel hardnekkiger: ten achtste, wordt daar een afgod in Christus' plaats aangebeden; eindelijk, het is vol van allerlei gruwelijkheden. Bij ons nu, die de bediening van hetzelve door Gods genade teruggekregen hebben, hoe weinig eerbied? hoeveel geveinsdheid? wat schandelijke vermenging is er, als eerlooze en openbare goddelooze menschen zonder onderscheid zich daarin steken, die geen eerlijk en beschaafd mensch aan zijn tafel zoude willen ontvangen?'En verwonderen wij ons nog, waaruit zooveel oorlogen, zooveel pestilentiën, zooveel onvruchtbaarheid, zooveel verwoestingen en ellende komen ? Is de oorzaak niet openbaar? en voorwaar men moet nooit een einde van dit kwaad verwachten, eer wij onze fouten verbeteren, en de oorzaak wegnemen.
31 Want hadden wy onszelven geoordeeld, zoo. Dit is een andere merkwaardige uitspraak, dal God niet haastelijk toornig op ons is, om te straffen, zoodra wij gezondigd hebben; maar dat het meest altijd door onze onachtzaamheid geschiedt, dat Hij bijna gedwongen wordt ons te straffen, als Hij ziet, dat wij zoo gerust slapen, en ons vleien in onze zonden. Zoo dan, de straffen, die ons boven het hoofd hangen, worden door ons afgewend of verzacht, als wij onszelven onderzoeken, en met berouw geroerd, den toorn Gods afbidden, en gewillige straf van onszelven eischen. Kortom, de geloovigen voorkomen het oordeel Gods door bekeering; en er is geen ander middel om bij God kwijtschelding te verkrijgen, dan daardoor, dat zij zichzelven veroordeelen. Nochtans zal men het niet zoo verstaan, (gelijk de papisten plegen) dat er eenig verdrag tusschen God en ons is, dat wij door vrijwillig onszelven straf op te leggen. Hem zouden voldoen, en ons eenigszins uit zijn hand verlossen. Wij voorkomen het oordeel Gods niet, omdat wij eenige betaling of vergelding medebrengen om Hem te verzoenen; maar dit is de oorzaak, dewijl God onze slaperigheid wil wegnemen, en ons tot bekeering wekken, als Hij ons kastijdt. Indien wij dit vrijwillig doen, zoo heeft Hij geen oorzaak meer om zijn oordeel voortaan tegen ons te gebruiken. Indien iemand, nadat Hij begonnen is zichzelven te mishagen en naar bekeering te staan, toch nog met de roede Gods bezocht wordt, wij moeten weten, dat zijn bekeering niet zoo volkomen noch vast is, of zij heeft eenige kastijding noodig, om daardoor tot volkomener volmaaktheid geholpen te worden. Ziedaar, hoe de bekeering het oordeel Gods voorkomt door een bekwaam middel, en nochtans niet door vergelding of voldoening.
32 En als wjj geoordeeld worden. Dit is een zeer noodige ver-
1 CORINTHE 11: 32â34.
troosting, want indien iemand in verdrukking denkt, dat God op hem vertoornd is, die zal eer den moed verloren geven, dan tot bekeering verwekt worden. Zoo zegt dan Paulus, dat God zoo vertoornd is op de geloovigen, dat Hij inmiddels zijn barmhartigheid niet vergeet. Ja, dat Hij hen eigenlijk om deze oorzaak straft, opdat hij hunne zaligheid bevordere. Het is een onwaardeerbare troost, dat de straf, waarmede onze zonden gestraft worden, getuigenissen zijn, niet van den toorn Gods tot ons verderf: maar van zijne vaderlijke liefde, en dat zij tevens ons behulpzaam zijn tot zaligheid: want God is toornig op ons, als op zijne kinderen, welke Hij niet wil laten verderven. Als hij zegt: opdat wü met deze wereld niet veroordeeld worden, zoo geeft hij twee dingen te kennen, te weten, dat de kinderen der wereld, die gerust en zorgeloos in hunne wellusten slapen, als zwijnen tot den dag der slachting gevoed worden. Want hoewel God somtijds ook de goddeloozen door zijn geeselen tot bekeering roept, zoo gaat Hij hen nochtans dikmaals voorbij, alsof zij vreemden waren, en laat hen ongestraft drijven, totdat zij den hoop van hunne uiterste verdoemenis vervuld hebben. Zoo komt dan deze genade eigenlijk den geloovigen toe, dat zij door straffing teruggeroepen worden, opdat zij niet vergaan. Het ander is, dat de kastijdingen voor de geloovigen noodwendige geneesmiddelen zijn, want zij zouden zeiven anders ook in het eeuwige verderf storten, ware het niet, dat zij door tijdelijke straffen bedwongen worden. Dusdanige gedachten moeten ons niet alleen tot lijdzaamheid onderwijzen, opdat wij welgemoed die ellendigheden verdragen, die de Heere ons oplegt: maar ook tot dankbaarheid, opdat wij God den Vader danken, en onszei ven met gewillige gehoorzaamheid onder zijn tuchtiging begeven; zij zijn ons ook menigvuldig bevorderlijk, want zij maken, dat de straffen ons heilzaam zijn, dewijl zij ons tot dooding des vleesches onderwijzen, en tot godzalige vernedering; zij wennen ons tot gehoorzaamheid Gods, zij overtuigen ons van onze eigen zwakheid, zij ontsteken in onze harten een vurigheid tot bidden, zij oefenen de hoop, opdat eindelijk alle bitterheid, zoo er eenige in is, door de geestelijke blijdschap verslonden worde.
33 Zoo dan broeders. Van de behandeling eener algemeene leer komt hij nu tot een bijzondere, van welke hij was uitgegaan, en besluit, dat men in des Heeren nachtmaal gelijkheid moet houden, opdat het een ware gemeenschap zij, gelijk het behoort te zijn, en dat niet een iegelijk zijn eigen nachtmaal houde. Evenzoo, dat men dit sacrament niet met gewone spijze moet vermengen.
34 De andere dingen. Het is waarschijnlijk, dat er bovendien nog andere dingen waren, die nut waren tot beter hersteld te worden: maar dewijl zij van kleiner waarde waren, zoo heeft de apostel hunne verbetering uitgesteld tot zijn komst. Hoewel het wezen kan, dat er zulks niet geweest zij: maar dewijl men uit het tegenwoordig aanschouwen zekerder leert kennen wat nut is, zoo houdt Paulus aan deze vrijheid zich, om tegenwoordig zijnde bij hen te schikken, zooals het de nood eischt. Dit schild houden ook de papisten ons tegen, om hunne mis te beschermen. Want zij zeggen, dat zij die schikking is, die Paulus hier belooft: alsof hij de vrijheid genomen had de eeuwige ordinantie van Christus te niet te maken, die hij hier duidelijk bevestigt: wat gelijks heeft de mis met de inzetting
. van Christus r Maar laat varen zulke beuzelingen, dewijl het zeker
207
1 CORINTHE 11:34â12:1, 2.
is, dat Paulus hier niet dan van uitwendige betamelijkheid spreekt: welke in de vrijheid der gemeente staat, en daarom naar de gesteldheid der tijden, plaatsen en menschen mag ingericht worden.
PIET TWAALFDE HOOFDSTUK.
1 Voorts, broeders, van de geestelijke dingen wil ik niet, dat gij onwetende zijt.
2 Gij weet, toen gij heidenen waart, hoe gij de stomme beelden gevolgd zijt, gelijk gij geleid waart.
Mark. 9:39. 3 Daarom laat ik u weten, dat niemand door den Geest Gods
i'cor13^ 1fi' sprekende, Jezus zegt een vervloeking te zijn; en niemand kan
ru. 2:ii'. zeggen, dat Jezus de Heere is, dan door den Heiligen Geest.
Rom. 12:«. 4 En daar zijn verscheidene gaven, maar één Geest.
ï 'pett-1'! ⢠10 5 En daar zijn verscheidene diensten, maar één Heere.
6 En daar zijn verscheidene machten, maar één God, die alles in allen werkt.
7 En een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot nuttigheid.
Tquot;an de geestelijke. Nu gaat hij over om een ander gebrek V/ te verhelpen, te weten, dewijl de Corinthiërs de gaven Gods ' misbruikten tot vertooning en praal, en om de liefde weinig of niet zich bekommerden, zoo leert hij tot wat einde God de ge-loovigen met geestelijke gaven versiert, te weten, tot stichting der broederen. Maar deze stelling deelt hij in twee stukken: want ten eerste vermaant hij, dat God de auteur daarvan is, daarna als dit gesteld is, handelt hij over het einde. Dat die gaven, waarop zij zich verhoovaardigen, den menschen kwamen uit de genade Gods, bewijst hij uit hun eigen bevinding: want hij brengt hun in gedachtenis, hoe ongeschikt en stompzinnig, en verstoken van alle geestelijk licht zij waren, eer zij door God geroepen werden: zoo is het dan openbaar, dat zij niet van nature zoo begaafd waren, maar uit de onverdiende mildheid Gods. Wat de woorden aangaat, als hij zegt: Ik wil niet, dat gij onwetende zjjt, zoo moet men daaronder verstaan, wai recht zij, wat gij behoort te doen, of iets dergelijks: en geestelijke dingen noemt hij de geestelijke gaven, waarvan wij hierna zullen spreken. De volgende woorden worden op tweëerlei wijze gelezen. Want sommige handschriften hebben alleen dat, anderen voegen toen er bij, en dit is verreweg het verkieslijkst. En daargelaten deze verscheidenheid, is ook de samenvoeging der woorden wat verward, doch de zin is klaar. Van woord tot woord is de tekst aldus: gij weet, dat toen gij heidenen waart tot de stomme beelden, gelijk gjj geleid waart, volgende: maar ik heb den zin van Paulus getrouw teruggegeven. Stomme beelden noemt hij, die noch gevoel noch beweging hebben. Laat ons uit deze plaats leeren, hoe groot de blindheid van het menschelijk gemoed is, als het van de verlichting des Heiligen Geestes beroofd is, dewijl het de stomme beelden bewondert en verheft, en niet hooger kan opklimmen als
208
1 CORINTHE 12:2â4.
het God zoekt. Ja, als het redelooze vee wordt het door Satan gedreven. Heidenen noemt hij hier in gelijken zin, als in den brief aan de Efeziërs: gij waart (zegt hij) eertijds heidenen, zonder God, vervreemd van de hope der zaligheid, enz. Mogelijk maakt hij een argument uit tegenovergestelde dingen. Indien zij nu, nadat God hen aangenomen heeft door zijn Woord en door zijnen Geest te regeeren, zich minder leerzaam aan Hem bewijzen dan zij voorheen genegen en dienstig waren des duivels meening te volgen, dat zou eene groote ongerijmdheid zijn.
3 Daarom laat ik u weten. Nadat hij hen aan hun eigen bevinding ^herinnerd heeft, stelt hij een algemeene leer, die hij daaruit besluit. Want wat de Corinthiërs in zich gevoelden, is allen men-schen gemeen, te weten, dat zij in dwaling wandelen, voordat zij door de hulpe Gods tot de waarheid gebracht worden. Daarom moeten wij door den Geest Gods geregeerd worden, of wij zullen anders eeuwiglijk dwalen. Hieruit volgt ook, dat al wat tot de ware kennis Gods behoort, de gave is des Heiligen Geestes. En hij maakt meteen een argument van tegengestelde oorzaken tot tegengestelde gevolgen. Niemand, die uit den Geest Gods spreekt, kan Christus vervloeken, alzoo kan ook niemand Christus prediken, dan uit den Geest Gods. Jezus zeggen een vervloeking te zijn, is lastering tegen Hem voortbrengen. Zeggen Jezus de Heere te zyn, is eerlijk en met eerbied van Hem spreken, en zijn majesteit prijzen. Hier wordt gevraagd: dewijl de goddeloozen somtijds eerlijk en sierlijk van Christus spreken, of zij dan den Geest Gods hebben? Ik antwoord, dat zij Hem zonder twijfel hebben, zooveel dat werk aangaat : maar de gave der wedergeboorte te hebben, is iets anders dan de gave der bloote wetenschap, welke Judas ook had, toen hij het Evangelie predikte. Hieruit zien wij ook, hoe groot onze zwakheid is, dewijl wij zelfs de tong niet kunnen roeren om God te prijzen, tenzij zij door zijnen Geest geregeerd worde. Hetwelk de Schrift ook doorgaans leert, en de heiligen alom bekennen, dat zij Hem geenszins bekwamelijk kunnen verkondigen, tenzij hun de Heere den mond opene: onder anderen zegt Jesaja hfdst. 6:5, Ik ben onrein van lippen, enz
4 Daar zijn verscheidene gaven. De juiste evenredigheid der gemeente bestaat om zoo te spreken in een menigvuldige eenheid, dat is, zoolang als de verscheidenheid der gaven tot eenzelfde einde strekt: gelijk in een muziekstuk verschillende tonen zijn, maar met zulke evenredigheid onderling getemperd zijn, dat zij één accoord vormen. Zoo moeten dan de gaven en ambten verscheiden zijn, en nochtans alle tot één einde gebracht worden. Daarom prijst Pau-lus Rom. 12, die verscheidenheid: opdat niemand zich lichtvaardig in een anders ambt steke en dat onderscheid, dat de Heere gesteld heeft, wegneme: daarom gebiedt hij een iegelijk met zijne gaven tevreden te zijn, en de beroeping, waarin hij gesteld is, te bedienen. Hij verbiedt een iegelijk door ontijdige begeerte buiten zijne palen te treden. Eindelijk, hij vermaant hen een iegelijk te bedenken, hoe veel hem gegeven is, wat mate hij gekregen heeft, waartoe hij geroepen is. Maar hier gebiedt hij een iegelijk op éénen hoop saam te dragen wat zij hebben, en de gaven Gods niet te onderdrukken om elk de zijne afgescheiden van andere te gebruiken, maar naar gemeenschappelijke stichting te streven. In beide plaatsen ge-
Di. n. n
209
1 CORINTHE 12 : 4â7.
bruikt hij de gelijkenis van het menschelijk lichaam, maar op verscheiden wijze, gelijk te zien is. De hoofdsom strekt hiertoe, dat de gaven den geloovigen zoo verscheiden niet toegedeeld zijn, om verscheiden te zijn, maar dat in die verscheidenheid eenheid is: dewijl ée'n Geest de fontein aller gaven is, en één God de Heere aller diensten, en de auteur aller machten is. Eni God, die het begin en de oorsprong is, moet ook het einde zijn. Eén Geest. Deze plaats moet opmerkzaam beschouwd worden tegen de dwepers, die door het woord Geest, geen wezen verstaan, maar alleen de gaven en werkingen der mogendheid Gods. Maar hier betuigt Paulus klaarlijk, dat er een wezenlijke macht Gods is, waaruit alle zijne werken vloeien. Het woord Geest, wordt somtijds wel oneigenlijk genomen voor de gaven zelve, zoo lezen wij van den Geest des verstands, des oordeels, der kracht en der gematigdheid. Maar hier betuigt Paulus klaarlijk, dat oordeel en verstand, en zachtmoedigheid, en alle andere gaven, uit eenen oorsprong komen: want het is het ambt des Heiligen Geestes, de mogendheid Gods te bewijzen en te oefenen, door deze gaven aan de menschen te geven, en onder hen uit te deelen.
5. Ãén Heere. De oude leeraars hebben dit getuigenis gebruikt tegen de Arianen, om de Drievuldigheid der personen te bevestigen. Want hier wordt de Geest genoemd, daarna de Heere, en ten laatste God: en aan deze drie wordt eenzelfde en gemeenschappelijke werking toegeschreven; alzoo verstonden zij onder het woord Heere, Christus. Maar hoewel ik gemakkelijk duld, dat het zoo verstaan worde, zoo zie ik nochtans, dat het een zwak argument is om den Arianen den mond te stoppen, want er is een relatie of betrekking tusschen deze twee woorden, diensten en Heere. Er zijn (zegt Paulus) verscheidene diensten, maar er is ée'n God, dien wij moeten dienen, hoedanig de dienst ook zij, welken wij vervullen. Zoo dan, deze tegenstelling toont den eenvoudigen zin, zoodat het veel te gedwongen is, dit op Christus alleen te duiden.
6 Ãén God, die alles in allen werkt. Paulus wil zeggen, hoewel de geloovigen verscheidene gaven hebben, komen nochtans alle van de ééne kracht Gods. Daarom wordt te dezer plaats het alles in allen werken niet uitgestrekt tot de algemeene voorzienigheid Gods, maar tot de milddadigheid, die Hij ons bewijst, als Hij een iegelijk verwaardigt met eenige genade. Hoofdinhoud is, dat er niets goeds noch lofwaardigs in den mensch is, dan van God alleen. Daarom wordt hier ontijdig de vraag voortgebracht, hoe God in den duivel en in andere verdoemden werkt.
7 En een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven. Nu toont hij het einde, waartoe God zijne gaven geschikt heeft: want Hij schenkt ze ons niet tevergeefs, en wil ook niet, dat zij tot vertooning dienen: zoo moet men dan het gebruik zoeken. Paulus zegt, dat het is, opdat de gemeente daaruit vrucht ontvange. De openbaring des Geestes, mag men zoowel actief als passief verstaan; passief, want waar profetie is, of wetenschap, of eenige andere gave, daar wordt de Geest Gods geopenbaard; actief, want de Geest Gods, als Hij ons met eenige gave verrijkt, zoo opent Hij zijne schatten, om ons die dingen te openbaren, die anders verborgen en besloten waren. Deze tweede uitlegging is bekwaamst. Het is te hard en te gedwongen wat Chrysostomus zegt, te weten, dat het
210
1 CORINTHE 12:7, 8.
openbaring des Geestes genoemd wordt, omdat de ongeloovigen God niet kennen dan door zichtbare wonderwerken.
8 Den eenen wordt door den Geest het woord der wijsheid gegeven, den anderen wordt het woord der kennis gegeven naar denzelfden Geest.
9 Eenen anderen het geloof in denzelfden Geest, eenen anderen de gave der gezondmaking in denzelfden Geest.
10 Eenen anderen de krachtige werkingen, eenen anderen de profetie, eenen anderen de onderscheidingen der Geesten, eenen anderen de verscheidenheid der talen, eenen anderen de uitlegging der talen.
11 En al deze dingen werkt één en dezelfde Geest, deelende een Rom.
Ef 4 * G
iegelijk bijzonderlijk, naardat Hij wil. i cor. i: 7.
12 Want gelijk het lichaam één is, en vele leden heeft, en hoe- ^i°r- ^; |:'-wel al de leden des lichaams vele zijn, zoo is het nochtans
één lichaam, alzoo ook Christus.
13 Want wij allen zijn door éénen Geest in één lichaam gedoopt,
hetzij Joden of Grieken, dienstknechten of vrijen, en wij zijn allen in éénen Geest gedrenkt.
8 Den eenen. Nu voegt hij een deeling daarbij, dat is, hij verhaalt de soorten, wel niet alle, maar sommige, die tot zijn tegenwoordig voornemen genoeg zijn. De geloovigen hebben wel verscheidene gaven (zegt hij) maar een iegelijk moet wat hij heeft aan den Geest Gods toeschrijven: want Hij giet zijne gaven uit, gelijk de zon hare stralen her- en derwaarts verspreidt. Wat de verscheidenheid dezer gaven aangaat, de woorden: wetenschap of kennis en wijsheid, worden verscheidenlijk in de Schrift genomen, maar hier neem ik ze als meerder en minder, gelijk in den brief aan de Colossensen hfdst. 2 : 3, waar zij ook bij elkander gevoegd worden,
als hij leert, dat in Christus alle schatten der wijsheid en wetenschap zijn. Zoo dan, de wetenschap beduidt (naar mijn opinie) het verstand der heilige dingen, maar de wijsheid de volmaaktheid daarvan. Somtijds wordt de voorzichtigheid daarbij geplaatst, als ware het midden tusschen deze beide, en beduidt dan een bedrevenheid om het verstand tot eenig gebruik aan te wenden. Zij komen wel zeer nabij overeen in beduiding, maar nochtans ziet men het onderscheid in de samenvoeging. Zoo dan, de wetenschap is middelmatige kennis, maar de wijsheid bevat meer verborgen en hooge openbaringen.
Dat het woord geloof hier genomen wordt voor een particulier geloof, dat zal later uit den samenhang blijken. Particulier geloof is, dat niet den geheelen Christus aangrijpt tot verlossing, rechtvaardigheid, en heiligmaking; maar alleen zoo ver in zijn naam wonderen geschieden: zulk een geloof had Judas, en door hetzelve '
heeft hij ook wonderen gedaan. Chrysostomus onderscheidt een weinig anders, hij noemt het een geloof der teekenen, en niet der leer:
hetwelk nochtans van den vorigen zin niet erg veel verschilt. Hoedanig de gave der gezondmaking is, is niemand verborgen. Nopens de krachtige werkingen is meer twijfeling, nochtans neig ik hiertoe,
dat het een kracht is, die tegen de duivelen, en ook tegen de geveinsden gebruikt wordt. Wanneer dus Christus en de apostelen met bevel
211
1 CORINTHE 12:8â12.
de duivelen uitdreven en bedwongen, dat was een krachtige daad. Insgelijks, toen Paulus den toovenaar blind maakte en Petrus Ananias en Saffira dood deed neervallen alleen door het woord. De gaven der gezondmaking en der mirakelen, dienen dus de goedheid Gods, maar dit laatste dient de strengheid Gods, om den duivel te verderven. Door het woord profetie, versta ik eene bijzondere en uitnemende gave om de verborgenheid van den Goddelijken wil te verklaren: zoodat een profeet als een bode Gods tot de menschen is; waarom ik alzoo gevoel, zal ik hierna breeder verklaren. Onderscheiding der geesten, was een scherpzinnigheid om de menschen te kennen en te onderscheiden, die zich uitgaven wat te zijn. Ik spreek niet van de natuurlijke voorzichtigheid, die wij volgen in het onderscheiden ; maar liet was een bijzonder licht, dat sommigen door Gods gave hadden. De nuttigheid hiervan was, dat zij niet door geveinsdheid of ijdel voorgeven bedrogen werden, maar dat zij door dat geestelijk oordeel, als door een teeken, de ware dienaars van Christus van de valsche mochten onderscheiden. Tusschen de wetenschap der talen en de uitlegging der talen was dit onderscheid, dat degenen, die met wetenschap der talen begaafd waren, dikmaals de taal van dat volk niet wisten, waarmede men moest handelen. De uitleggers der talen gaven de vreemde talen in de moedertaal terug. Deze gaven verkregen zij toen niet door arbeid en naarstigheid, maar zij hadden ze door wonderlijke openbaring des Geestes.
ii Ãén en dezelfde Geest. Hieruit volgt, dat zij verkeerd doen, die zonder eenige zorg voor de gemeenschap, die heilige overeenstemming verscheuren, die dan eerst behoorlijk volkomen is, als allen door de leiding van denzelfden Geest, naar eenzelfde einde staan. Wederom roept hij de Corinthiërs tot eenigheid, als hij hen vermaant, dat zij alles wat zij hebben, uit eenzelfde fontein geput hebben: maar hij leert tevens, dat niemand zooveel heeft dat hij zich-zelven genoeg zij, en andere hulpe niet behoeft. Want dit geeft hij te kennen met deze woorden, deeiende een iegelijk, naardat Hij wil. Zoo deelt ons dan de Geest Gods verscheidenlijk, opdat wij het tot gemeen nut gebruiken. Hij geeft niemand alles, opdat Hij niet met het zijne tevreden zijnde, van de anderen afwijke, en zich-zelven leve. Tot ditzelve dient ook het bijwoord bijzonderlijk, want het is zeer nut, het onderscheid, waarmede God ons alleszins ver-eenigt, wel te kennen. Voorts, als den Geest wil, en wel met macht en autoriteit wordt toegeschreven, zoo mag men daaruit besluiten, dat de Geest waarachtig en eigenlijk God is.
ia Want gelijk het lichaam één is. Nu brengt hij een gelijke-Rom. ii:4. nis bij van het lichaam des menschen, die hij ook in den brief aan de Romeinen gebruikt, maar tot een ander einde, gelijk ik boven gezegd heb. Daar beveelt hij een iegelijk met zijn roeping tevreden te zijn, en niet buiten zijne palen te treden tot andere einden, gelijk velen door eerzucht, nieuwsgierigheid, of eenige andere begeerlijkheid gedreven worden, om meer aan te nemen dan het nut is. Maar hier vermaant hij de geloovigen, om door onderlinge gemeenschap dei-gaven, aan elkander te hangen, dewijl zij hun door God niet gegeven zijn, dat een iegelijk de zijne voor zichzelf zou gebruiken, maar opdat de een den ander helpe. Voorts, is dit gebruikelijk, dat een of ander gezelschap of collegie één lichaam wordt genoemd: gelijk een stad één lichaam uitmaakt; insgelijks een raad, en een
212
1 CORINTHE 12 : 12, 13.
volk. En toen voorheen Menenius Agrippa het Romeinsche volk, s eeuwen dat tegen den raad twistig was, wilde verzoenen, heeft hij een ge- V001' cluquot;' lijkenis voortgebracht, die aan deze leer van Paulus niet ongelijk was. Maar het is een geheel ander ding onder de Christenen, want zij maken niet alleen een staatkundig en burgerlijk lichaam uit, maar zijn ook een geestelijk en verborgen lichaam van Christus, gelijk Paulus ook volgen laat. Zoo is dan de zin: Hoewel de leden des lichaams verscheiden zijn, en verschillende verrichtingen hebben, zijn zij nochtans onderling zóó verknocht, dat zij e'e'n worden. Wij dus,
die leden van Christus zijn, hoewel wij verscheidene gaven hebben,
moeten nochtans op die vereeniging zien, die wij in Christus hebben.
Alzoo ook Christus. De naam Christus wordt gesteld in plaats van gemeente, want de gelijkenis moest niet op den eengeboren Zoon Gods, maar op ons tehuis gebracht worden. Deze plaats is vol uitnemende vertroosting, dat hij de gemeente Christus noemt,
want deze eer verwaardigt Christus ons te geven, dat Hij niet alleen in Zichzelven, maar ook in zijne leden geacht en bekend worde.
Daarom zegt dezelfde apostel op een andere plaats, dat de gemeente Ef- 5:2li'27-zijne vervulling is, even alsof Hij van zijne leden afgescheurd, eenigs-zins verminkt ware. En voorwaar, dewijl wij in Christus een vruchtbare wijnstok zijn (gelijk Augustinus ergens sierlijk zegt) wat zijn wij buiten Hem anders dan dorre ranken. Maar hierin is onze vertroosting gelegen, dat gelijk Hij en de Vader e'en zijn, alzoo wij ook met Hem één zijn, en hieruit komt deze gemeenschap van naam.
13 Want wij allen zijn door éénen Geest in één lichaam. Dit is een bevestiging uit de vrucht des doops. Wij worden, zegt hij;
door den doop in het lichaam van Christus ingeplant, opdat wij als leden door onderlingen band aan elkander gebonden zijn, en één leven leven. Wie dus in de gemeente wil blijven, moet deze gemeenschap oefenen of onderhouden. Hij spreekt van den doop der geloovigen, die door de genade des Geestes krachtig is. Want velen hebben slechts een letterlijken doop, een teeken zonder vrucht:
maar de geloovigen ontvangen de zaak met het sacrament. Als men op God ziet, is het altijd waarachtig, dat de doop een inlijving is in het lichaam van Christus: want God beeldt daar niets af, dan wat Hij bereid is te vervullen, mits wij bekwaam zijn om dat te ontvangen. En de apostel houdt hier zeer goede mate, als hij leert,
dat het de natuur des doops is, dat hij ons in het lichaam van Christus vereenigt: opdat echter niemand zoude denken, dat dit door het uitwendig teeken geschiedt, zoo voegt hij erbij, dat het een werk des Heiligen Geestes is. Hetzij Joden of Grieken. Dit zegt hij, om te beduiden dat geen onderscheid van conditie de heilige eenheid kan verhinderen, die hij aanbeveelt. En hij heeft zeer bekwamelijk dit hier bijgevoegd, want er kon toen oneenigheid en nijd vloeien uit deze fonteinen, dat de Joden niet gaarne de Heidenen met zich op eene lijn stelden; en naardat een iegelijk anderen te boven ging in eenige gave, wendde hij zich af van de broederen, om zijnen graad en hoogheid te behouden. Wij zijn allen in éénen Geest gedrenkt. Het is onzeker, of hij van den doop spreekt of van het nachtmaal. Ik wil het liever van het nachtmaal verstaan, omdat hij melding maakt van drank: want ik twijfel er niet aan of hij heeft op de overeenkomst van het teeken willen zinspelen; maar de drank heeft geen overeenkomst met den
213
\
\
\ \
1 CORINTHE 12 : 13â15.
doop. En hoewel de drinkbeker slechts het halve deel des nacht-maals is, zoo is nochtans daarin niets ongepast, want het is een algemeen gebruik der Schrift, dat zij woordverwisselend spreekt van de sacramenten, en een deel stelt voor het geheel. Boven in het tiende hoofdstuk heeft hij alleen het brood genoemd, en den drinkbeker achtergelaten. Zoo zal dan de zin wezen, dat de deelneming aan den drinkbeker, daartoe dient, dat wij allen denzelfden geestelijken drank drinken. Want wij drinken daar het levendmakende bloed van Christus, opdat wij een gemeenschappelijk leven met Hem hebben: hetwelk geschiedt, als Hij door zijnen Geest in ons leeft. Zoo leert hij dan de geloovigen, dat zij, zoodra zij door den doop van Christus geheiligd zijn, begaafd worden met genegenheid om onderlinge eenheid te beoefenen: daarna als zij het heilig nachtmaal ontvangen, dat zij dan geleidelijk tot dezelfde eenheid geleid worden, dewijl zij te zamen met denzelfden drank vermaakt worden.
14 Want het lichaam is niet één lid, maar vele.
15 Zoo de voet zeide: Dewijl ik de hand niet ben, zoo ben ik van het lichaam niet: is hij daarom niet van het lichaam?
16 En zoo het oor zeide: Dewijl ik geen oog ben, ben ik van het lichaam niet: is het daarom niet van het lichaam?
17 Zoo het gansche lichaam oog ware, waar zou het gehoor zijn? en zoo het geheel gehoor ware, waar zou de reuk zijn?
18 Maar nu heeft God de leden gesteld een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft.
19 Indien zij allen één lid waren, waar zou het lichaam zijn?
20 Nu zijn er vele leden, maar één lichaam.
21 En het oog kan niet zeggen tot de hand: Gij zijt mij niet noodig; noch het hoofd wederom tot. de voeten: Gij zijt mij niet noodig.
22 Ja, veeleer die schijnen de zwakste leden te zijn, die zijn noodig.
23 En die wrij achten de onwaardigste te zijn in het lichaam, die omhangen wij met overvloediger eere: en die minst eerlijk zijn in ons, die hebben meer versiering.
24 En die eerlijk zijn in ons, dien is het niet noodig, maar God heeft het lichaam alzoo saamgevoegd, gevende overvloedigste eere die haar noodig heeft.
25 Opdat er geen tweedracht in het lichaam zij, maar opdat de leden het een voor het ander onderling dezelfde zorg dragen.
26 En zoo daar één lid lijdt, zoo lijden al de leden mede: of zoo één lid verheerlijkt wordt, zoo verblijden zich al de leden mede.
1!°in-12 â 5- 27 Gij zijt het lichaam van Christus, en leden eensdeels.
Ef. 1 : 2o,
ooi. 1:24. 15 Zoo de voet zeide. Dit is een verklaring der voorgaande plaats, met eenige uitbreiding om de zaak te verklaren, die boven met korte woorden gezegd was. Voorts, al deze dingen komen overeen met de vergelijking van Menenius Agrippa. Indien in het lichaam tweedracht ontstaat, zoodat de voeten hun dienst aan het lichaam weigeren, en evenzoo de buik, en de oogen, en de handen, wat zal het eindelijk worden? zal er geen verderf des ganschen lichaams volgen? Hoewel, Paulus dringt hier eigenlijk op een ding, te weten, dat elk lid met zijn plaats en met zijn graad behoort tevreden te zijn, en de andere niet te benijden: want hij vergelijkt
214
1 CORINTHE 12 : 15â20.
de meer uitnemende leden met andere, die minder waardigheid hebben. Want het oog heeft een hoogeren graad van eere in het lichaam dan de hand: desgelijks de hand dan de voet. Maar zoo de handen door nijdigheid verwekt, weigeren hun dienst te doen, zal de natuur dat lijden? zal men der hand gehoor geven, dat zij van het lichaam afgescheurd worde? Van het lichaam niet zijn, beduidt hier geenerlei gemeenschap met de andere leden hebben, maar voor zichzelf leven, en zijn eigen voordeel dienen. Zal het dan, zegt Paulus, der hand geoorloofd zijn, haar dienst aan de andere leden te weigeren, omdat zij de oogen benijdt ? Dit is aangaande het natuurlijk lichaam gesproken, maar moet op de leden der gemeente toegepast worden, opdat de eerzucht of verdraaide naijver geene oorzaak der kwaadwilligheid onder ons zij, dat degene, die op de laagste plaats zit, niet weigere dien die hooger zijn, zijnen dienst te doen.
17 Zoo het gansche lichaam oog ware. Die dwaze begeerte naar gelijkheid weerlegt hij uit het onmogelijke. Indien (zegt hij) al de leden de eer van het oog begeeren, zoo zal het gansche lichaam vergaan: want het is onmogelijk, dat het lichaam gezond blijft, tenzij er verscheidene machten der leden zijn, en onderlinge werking van alle zijden. Zoo strijdt dan de gelijkheid met de welvaart des lichaams, want zij baart verwarring, en brengt zeker verderf mede. Hoe groote uitzinnigheid zal het dan wezen, zoo e'e'n lid liever dan voor een ander te wijken, tot zijn eigen en des lichaams verderf samenspant.
18 Maar nu heeft God de leden gesteld. Dit is een ander argument, genomen van de ordinantie Gods: Het heeft Gode alzoo behaagd, dat het lichaam verscheidene leden zou hebben, en dat de leden verscheidene diensten en gaven zouden hebben; een lid dus dat met zijn conditie niet tevreden is, voert oorlog tegen God, op de wijze der reuzen. Laat ons daarom aan die orde gehoorzaam zijn, die God zelf ingesteld heeft, opdat wij geen verloren arbeid doen, en tevergeefs zijnen wil wederstaan
19 Indien zij alle één lid waren. Hij geeft te kennen, dat God niet lichtvaardig noch zonder reden aan de leden verscheidene gaven heeft gegeven, maar omdat het alzoo noodig was, tot onderhouding des lichaams, want het zou een verwarde en vermengde chaos zijn, indien zulk eene evenredigheid wordt weggenomen: waarom wij ons met zooveel te meer naarstigheid aan de voorzienigheid Gods moeten onderwerpen, die alles zoo bekwamelijk tot ons gemeen nut geschikt en verordend heeft. Het woord, één lid, wordt genomen voor een massa van eenerlei vorm, en die met geene verscheidenheid onderscheiden is; want zoo God ons lichaam tot zulk een klomp maakte, dat zou een onnutte hoop wezen.
20 Vele leden, maar één lichaam. Dit herhaalt hij dikmaals, omdat de staat der gansche kwestie hierin gelegen is, te weten, dat de eenigheid des lichaams dusdanig is, dat zij niet anders dan door verscheidenheid der leden behouden kan worden: en dat de leden alzoo onder elkander in diensten en krachten verschillen, dat zij onderling aan elkander verknocht zijn, om het eene lichaam te bewaren. Zoo leert hij dan, dat geen lichaam zijnen stand behoudt, zonder deze menigvuldige evenredigheid der leden, opdat wij weten zoowel de algemeene als de bijzondere welvaart te bevorderen, als een iegelijk zijn plaats bewaart en zijn dienst verricht.
215
1 CORINTHE 12:21â27.
2i En het oog kan niet zeggen tot de hand. Dusverre heeft hij geleerd, hoedanig de dienst der verachtste leden is, te weten, hun dienst aan het lichaam te doen, en de uitnemender leden niet te benijden. Nu gebiedt hij daarentegen ten aanzien van de meer waardige leden, opdat zij de onwaardigste niet versmaden, zonder welke zij niet kunnen zijn. Het oog is heerlijker dan de hand, welke zij nochtans niet mag verachten, noch bespotten, alsof zij onnut ware: en hij bewijst uit de nuttigheid, dat dit behoort te geschieden. De leden, die minst geacht worden, zijn meest noodig: daarom moet men ze niet verachten, opdat het lichaam welvare. Het woord 2 cor. 12: o. zwakke, heeft hij hier gebezigd voor verachtelijk, gelijk op een andere plaats, waar hij zegt, dat hij roemt in zijne zwakheden, daarmede beduidende die dingen, die hem verachtelijk en verwerpelijk maakten.
23 Die minst eerlijk zijn. Dit is het tweede argument, dat de oneer van e'én lid, tot de algemeene oneer des ganschen lichaams gerekend wordt. Hetwelk blijkt uit de zorgvuldigheid, die wij gebruiken, om de minder eervolle leden te dekken. Voor de leden, zegt hij, die eerlijker zijn, is geen ontleende versiering noodig: maar de leden die schaamachtig of minder sierlijk zijn, die worden door ons met meerder naarstigheid bezorgd; waarom dat, anders dan omdat hunne schaamte een algemeene schande des ganschen lichaams zou wezen? Omhangen met eere, is een deksel aandoen tot versiering, opdat de leden, die zichtbaar leelijk zouden zijn, eerbaar verborgen zijn.
24 Maar God heeft het lichaam alzoo saamgevoegd. Wat hij eenmaal gezegd had, herhaalt hij nogmaals, maar duidelijker, te weten, dat God deze gelijkmatigheid verordend heeft, en dat tot nuttigheid des ganschen lichaams, omdat het anders niet in zijnen stand kan blijven. Want vanwaar komt dit, dat alle leden vanzelf zorgvuldig zijn voor de eerbaarheid van het lid, dat minder eerbaar is, en zoeken zijn oneerbaarheid te dekken? Deze neiging is hun door God ingegeven, want zonder de matiging zou er terstond tweedracht in het lichaam ontstaan. Waaruit openbaar is, dat niet alleen het lichaam verzwakt, en de orde der natuur verkeerd, maar ook de autoriteit Gods openlijk geschonden wordt, zoodra iemand meer aanneemt dan hem gegeven is.
26 Zoo één lid lijdt. Er wordt, zegt hij, zulk een medelijden in het lichaam des menschen gezien, dat alle leden mede lijden met het lid, dat eenig ongerief gevoelt, en zich mede verblijden in zijn welvaart. Zoo is dan daar noch voor den nijd, noch voor de verachting plaats. Het woord verheerlijkt worden, wordt hier breed genomen voor welvaren en voorspoedig zijn. Niets is geschikter om eendracht te onderhouden, dan deze gemeenschap, als een iegelijk bekent, dat hij zooveel verrijkt wordt, als een ander goed geschiedt: en dat hij verkort wordt als een ander gebrek lijdt.
27 Gij zijt het lichaam van Christus. Zoo dan, wat van de natuur en den stand des menschelijken lichaams gezegd is, moet op ons toegepast worden: want wij zijn niet alleen een burgerlijke maatschappij, maar wij zijn in het lichaam van Christus ingelijfd, en malkanders leden. Daarom, al wat elk onzer heeft, hij wete dat het hem tot algemeene stichting der broederen gegeven is: en dat hij liet daarom tot algemeen nut moet gebruiken, en niet als be-
216
1 CORINTHE 12:27, 28.
graven verborgen houden, of als zijn eigen gebruiken. Wie met meerdere gaven uitmunt, die zal zichzelven niet door hoovaardig-heid verheffen, en anderen verachten: maar denken dat er niemand zoo klein is, dat hij niet nuttig is: gelijk in der waarheid ook de allerminste der godzaligen vrucht draagt naar zijn vermogen, zoodat er geen onnut lid in de gemeente is. Die zoo groote eere niet hebben, moeten de hoogsten niet benijden, noch hun hunne gehoorzaamheid weigeren: maar die plaats bewaren, waarin zij gesteld zijn. Er zij onderlinge liefde, onderling medelijden, onderlinge zorgvuldigheid; het algemeen nut bewege ons, opdat wij niet door kwaadwilligheid, of nijdigheid, of hoovaardigheid, of door eenige tweedracht de gemeente verderven, maar dat wij liever elk naar zijn vermogen arbeiden, en staan naar heiliging. Dit is een breede en schoone stof, maar het is mij genoeg, te kennen gegeven te hebben, hoe men de voorgaande gelijkenis op de gemeente moet toepassen. Leden eensdeels. Chrysostomus meent, dat deze woorden hierbij gevoegd zijn, omdat de Corinthiërs de geheele gemeente niet waren: maar deze zin schijnt mij te gedwongen. Ik heb eens gemeend, dat het een teeken der oneigenlijkheid was, gelijk wij in gewone taal zeggen eenigszins: maar als ik alles nader overweeg, zoo versta ik het liever van de deeling der leden, die hij boven vermeld heeft. Zoo zijn zij dan leden eensdeels, gelijk aan elk zijn deel en portie, en bepaalde dienst is gegeven. Tot dezen zin leidt ons het verband der woorden. Aldus zullen deze twee woorden: eensdeels en ganschelijk, tegen elkander staan als tegengestelde dingen.
28 En God heeft er sommigen gesteld in de gemeente, ten eerste, apostelen, daarna profeten, ten derde leeraars, daarna machten E1'-daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeeringen, verscheidene talen.
29 Zijn zij allen apostelen? zijn zij allen profeten? zijn zij allen leeraars ? zijn zij allen machten ?
30 Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? spreken zij allen vreemde talen? zijn zij allen uitleggers?
81 Staat naar de voornaamste gaven.
In het begin van dit hoofdstuk heeft hij gesproken van de gaven en krachten, die een iegelijk uitgedeeld zijn: nu begint hij over de ambten te handelen, welke orde men naarstig moet aanmerken. Want de Heere stelt geene dienaars, tenzij Hij hen eerst met de noodige gaven toegerust, en bekwaam gemaakt heeft om hun ambt te bedienen: waaruit men moet verstaan, dat zij uitzinnig zijn, en door den boozen geest gedreven worden, die geene gaven hebbende, zich in de gemeente steken: gelijk velen op de drijving des Geestes roemen, en op de verborgen roeping Gods, en zijn ondertus-schen ganschelijk ongeschikt en ongeleerd. De natuurlijke orde is, dat de gaven eerder zijn dan de dienst. Zoo dan, gelijk hij boven geleerd heeft, dat men tot algemeen nut moet gebruiken, wat God een iegelijk gegeven heeft: alzoo vermeldt hij nu, dat de ambten alzoo uitgedeeld zijn, opdat zij allen te zamen met eendrachtige naarstigheid de gemeente stichten, en dat een iegelijk naar zijne mate.
28 Ten eerste, apostelen. Hij verhaalt niet alle soorten, en het
217
1 CORINTHE 12:28.
218
was ook niet noodig, want hij heeft alleen voorbeelden willen voor-Ef. 4:ii. stellen. In het vierde hoofdstuk aan de Efeze is een volkomener optelling der ambten, die tot de gedurige regeering der gemeente vereischt worden. De reden zal ik daar zeggen, zoo de Heere ons zoover laat komen; hoewel, hij noemt ze ook zelfs daar niet alle. Wat de tegenwoordige plaats aangaat, men moet opmerken, dat uit de ambten, die Paulus daar noemt, sommige onafgebroken, en sommige tijdelijk zijn. Onafgebroken zijn die, die voor de regeering der » gemeente noodig zijn: en tijdelijk, die in den beginne om de gemeente te fundeeren, en het rijk van Christus op te richten, verordend zijn, en weinig daarna opgehouden hebben. Onder de bestendig blijvende is het leeraarsambt, onder de tijdelijke het apostelambt: want de Heere heeft apostelen gekozen, om het Evangelie over de gansche wereld te verbreiden, en Hij heeft hun niet een voor een Matt, 28:19. zekere parochiën of bepaalde grenzen toegedeeld: maar het was zijn ^Jolf 15 â ie wil, zij ^un zending vervullen zouden, overal waar zij kwamen bij alle volken en talen. Waarin de herders van hen verscheiden zijn, die eenigszins aan hunne gemeenten gebonden zijn. Want een herder heeft geen bevel om het Evangelie in de gansche wereld te prediken, maar om voor de gemeente te zorgen, die zijner trouw aanbevolen is. Bij de Efeziërs heeft hij na de apostelen, de evangelisten gesteld, welke hij te dezer plaatse voorbijgaat. Want hij komt terstond van den eersten trap tot de profeten, onder welken naam hij naar mijn oordeel, niet hen verstaat, die de gave hebben van voorspellen, maar die de bijzondere gave bezitten om niet alleen de Schrift uit te leggen, maar haar ook voorzichtig tot tegenwoordig gebruik toe te passen. De oorzaak, waarom ik alzoo gevoel, is deze: dat hij de profetie stelt boven alle andere gaven, omdat zij meer stichting mede brengt, welke lof geenszins aan de voorspelling van toekomende dingen zou toekomen. Bovendien als hij het ambt des profeten beschrijft, of althans er over handelt, wat zij voornamelijk behooren te doen, zoo zegt hij, dat hij arbeidt tot vertroosting, vermaning, en leering: en deze dingen zijn onderscheiden van de voorspellingen. Zoo mogen ons dan te dezer plaats de profeten zijn, ten eerste, uitnemende uitleggers der Schrift, ten andere, met niet gewoon verstand en behendigheid begaafd, om op den tegenwoordigen nood der gemeente zorgvuldig acht te geven, opdat zij bekwamelijk spreken, en aldus zullen zij ons tolken zijn van den Goddelijken wil. Tusschen hen en de leeraars kan men dit onderscheid opmerken, dat der leeraarsambt daarin bestaat, dat de gezonde stukken der leer behouden en verbreid worden, opdat de zuiverheid der leer in de gemeente blijve: hoewel deze naam wordt ook verscheidenlijk genomen, en beduidt hier mogelijk meer eenen herder, tenzij men het misschien liever wil nemen, voor allen die de gave van het leerambt hebben: gelijk Hand. 13: 1,-waar Lukas hen ook bij de profeten stelt. Waarom ik het gevoelen niet deel van anderen, die het gansche ambt des profeten stellen in de uitlegging der Schrift, is dit de reden: Paulus stelt een getal van twee of drie die behooren te spreken, en dat ordelijk, hetwelk met de bloote uitlegging der Schrift niet zoude overeenkomen. Eindelijk, ik gevoel alzoo, dat profeten genoemd worden, die voorzeggingen, bedreigingen, beloften, en de gansche leer der Schrift bekwamelijk en kundig op het tegenwoordig nut der kerk toepassen, en den wil Gods openbaren. Indien
1 CORINTHE 12:28â31.
iemand anders gevoelt, ik kan het gemakkelijk dragen, en zal daarom geen .gekijf verwekken. Want men kan kwalijk oordeelen over gaven en ambten, van welke de gemeente zoolang is beroofd geweest: uitgenomen dat er alleen nog eenige sporen of schaduwen gezien worden. Van de machten en gaven der gezondmakingen heb ik gesproken in het 12ae hoofdstuk, uitgenomen, dat men moet opmerken,
dat hier niet zoozeer gesproken wordt van de gaven zelve als van de bediening. Dewijl Paulus hier de ambten monstert, zoo neem ik niet aan wat Chrysostomus zegt, dat de behulpsels gelegen zijn in de onderhouding der zieken. Wat dan? Het is zeker voorheen zoowel een ambt als een gave geweest, die ons heden onbekend is,
of het dient tot het diakenschap, dat is, tot bezorging der armen,
en dit laatste behaagt mij het meest. In den brief aan de Romeinen, hfdst. 12:7, stelt hij twee soorten van het diakenschap, waarover ik daar gehandeld heb. Door de regeeringen versta ik de ouderlingen, die over de regeeringen en de discipline waren. Want de oude gemeente had hare ouderlingen, die het volk in eerbaarheid der zeden onderhielden, wat Paulus ergens te kennen geeft, als hij tweëerlei orden van ouderlingen stelt. Zoo was dan de regeering in iTim. 5:i7. de ouderlingen gelegen, die in waardigheid, ervarenheid, en autoriteit boven anderen vermochten. Onder de verscheiden talen,
bevat hij alzoowel de kennis der talen, als de gave der uitlegging:
doch het waren twee onderscheidene vermogens: omdat somtijds iemand vele talen kon, die nochtans de eigen taal der gemeente niet wist, met welke men moest handelen: dit gebrek vulden de uitleggers aan.
29 Zijn zij allen apostelen? Het kan wel geschieden, dat iemand meer gaven heeft dan eene, en twee werkingen bedient, uit die welke hij verhaald heeft, daarin is niets ongerijmds. Maar Paulus wil zeggen, ten eerste, dat niemand zoo overvloedig is in alle, dat hij zich-zelven genoeg is, en anderer menschenhulp niet begeert; ten andere, dat zoowel werkingen als gaven alzoo verdeeld zijn, dat geen lid het gansche lichaam is, maar dat elk lid zijn aandeel in 't gemeen gebruikende, een geheel en volmaakt lichaam samenstelle. Want Paulus wil hier de aanleiding tot hoovaardigheid, den verkeerden naijver, den hoogmoed en verachting der broederen, kwaadwilligheid, eerzucht, en wat dies meer is, wegnemen.
31 Staat naar de voornaamste gaven. Men kon het ook overzetten : hebt in groote achting, en het zou te dezer plaats niet kwalijk passen: hoewel zooveel den zin aangaat, er niet veel aan gelegen is: want hij vermaant de Corinthiërs om die gaven voornamelijk in waarde te houden of te begeeren, die allermeest tot stichting dienen.
Want dit gebrek heerschte onder hen, dat zij meer zochten vertoo ning te maken en zich te verheffen, dan anderen voordeelig te zijn: en daarom werd de profetie veracht, de vreemde talen werden met groote statie en met kleine vrucht gebruikt. Nochtans spreekt hij niet tot een iegelijk, alsof hij wilde, dat elk stond naar het profetenambt, of naar het leeraarsambt, maar hij beveelt hun alleen de liefde en begeerte tot stichting aan, en dat zij het meest zouden staan naar dingen, die het meest nuttig zijn.
21^
220 1 CORINTHE 13: 1, 2.
HET DERTIENDE HOOFDSTUK.
1 En ik wijs u nog eenen uitnemender weg. Zoo ik met der men-sclien en der engelen taal spreek, doch geen liefde heb, zoo ben ik als een luidend metaal of klinkende bel geworden.
2 En zoo ik de gave der profetie heb, en alle verborgenheden, en alle wetenschap heb, en zoo ik alle geloof heb, zoodat ik ook bergen verzette, doch geen liefde heb, zoo ben ik niets.
3 En zoo ik al mijn goed tot aalmoezen geve, en zoo ik mijn lichaam overgeve om verbrand te worden, doch geen liefde heb, zoo is het mij niet voordeelig.
Dewijl de afdeeling van dit hoofdstuk zoo ongeschikt was, zoo heb ik ze moeten veranderen, voornamelijk, dewijl ik het anders niet bekwamelijk kon uitleggen: want waartoe diende het een onvolledigen zin aan het voorgaande te hechten, die zoo bekwamelijk aan het volgende hangt, ja daardoor volmaakt wordt ? En het is geloofelijk, dat het geschied is door vergis van die menschen, die de boeken afschreven. Hoe het zij, als hij bevolen heeft allermeest op de stichting te zien, zoo belooft hij nu wat grooters te zullen vertoonen, te weten, dat men alles naar den regel der liefde moet voegen: zoo is dan dit de uitnemendste weg, indien de liefde al onze werken bestiert. En ten eerste stelt hij, dat alle deugden niets zijn zonder liefde, dewijl niets zoo goed of uitnemend is, wat voor God niet verdorven is, zoo de liefde daar niet bij is. En hij iewijl de afdeeling van dit hoofdstuk zoo ongeschikt was, zoo heb ik ze moeten veranderen, voornamelijk, dewijl ik het anders niet bekwamelijk kon uitleggen: want waartoe diende het een onvolledigen zin aan het voorgaande te hechten, die zoo bekwamelijk aan het volgende hangt, ja daardoor volmaakt wordt ? En het is geloofelijk, dat het geschied is door vergis van die menschen, die de boeken afschreven. Hoe het zij, als hij bevolen heeft allermeest op de stichting te zien, zoo belooft hij nu wat grooters te zullen vertoonen, te weten, dat men alles naar den regel der liefde moet voegen: zoo is dan dit de uitnemendste weg, indien de liefde al onze werken bestiert. En ten eerste stelt hij, dat alle deugden niets zijn zonder liefde, dewijl niets zoo goed of uitnemend is, wat voor God niet verdorven is, zoo de liefde daar niet bij is. En hij i Tim. i: s. leert hier niet anders dan elders, wanneer hij verkondigt, dat zij Col. 3;u. ]iet ejnc}e der wet is, en de band der volmaaktheid: insgelijks wanneer hij de gansche heiligheid der godzaligen daarin stelt: want wat eischt God anders in de gansche tweede tafel der wet van ons? Zoo is het dan geen wonder, indien al onze werken daarom gewaardeerd worden, te weten, als men ziet, dat zij uit de liefde vloeien. Het is ook geen wonder, indien de gaven, die anders uitnemend zijn, dan eerst hare waarde hebben, als zij tot de liefde teruggebracht worden.
1 Zoo ik met der menschen en der engelen taal spreek. Hij begint van de welsprekendheid, welke wel op zichzelve een edele gave is, maar zij maakt den mensch Gode niet aangenaam, als de liefde er niet bij is. Der engelen taal heeft hij gesteld vergrooten-derwijs, voor een bijzondere en uitnemende taal: hoewel, ik leg het meer uit van de verscheidenheid der talen, welke de Corinth iërs hoog achtten, alles meer met eerzucht, dan met de vrucht, die daaruit volgen zou, metende. Ofschoon gij (zegt hij) wist niet alleen alle talen aller menschen, maar ook der engelen: zoo moet gij nochtans niet denken, dat gij voor God meer geacht wordt dan een klinkende bel, zoo gij de liefde niet hebt.
2 En zoo ik de gave der profetie heb. Hoewel hij de profetie boven alle andere gaven verheven had, zoo herleidt hij nochtans haar waardigheid tot niets, tenzij zij de liefde diene. Alle verborgenheden weten, kon schijnen tot verklaring daarbij gevoegd te zijn: maar dewijl terstond daarna volgt, wetenschap, welke hij boven bijzonder genoemd heeft, zoo merkt, of de kennis der ver-
Matt. 7; 22. Rom. 12:7. Matt. 17 : 20; 21: 21.
Mark 11: 23. Luk. 17 :6.
1 CORINTHE 13 : 2, 3.
borgenheden hier niet gesteld is voor wijsheid: hoewel ik het niet voor zeker durf zeggen, zoo hel ik nochtans licht tot dit gevoelen over. Dit geloof, waarvan hij spreekt, is een bijzonder geloof,
hetwelk blijkt uit de woorden, die terstond daarbijgevoegd worden:
Zoodat ik bergen kon verzetten. Derhalve maken de sophisten niets, als zij deze plaats misbruiken, om de kracht des geloofs te verkleinen. Dewijl dus het woord geloof, meer dan eene beteekenis heeft, zoo betaamt het een voorzichtigen lezer op te merken, in wat beteekenis het genomen wordt. En Paulus (gelijk ik reeds gezegd heb) is zijn eigen uitlegger, en betrekt hier het geloof tot de wonderen. Dit is het geloof der teekenen, gelijk Chrysostomus het noemt: wij noemen het een afzonderlijk geloof, omdat het den gan-schen Christus niet aangrijpt, maar alleen de mogendheid om wonderen te doen: en daarom kan het somtijds in den mensch zijn,
zonder den Geest der heiligmaking, gelijk het in Judas geweest is.
3 En zoo ik al mijn goed. Dit is wel den hoogsten lof waardig, zoo men het op zichzelf schat: maar dewijl het geven dikwerf uit eerzucht vloeit, en niet uit waarachtige goeddadigheid: of ook degene die mild is, de andere deelen der liefde niet heeft (want ook de inwendige mildheid alleen is een stuk der liefde) zoo kan het geschieden dat dit werk, dat anders zoo loffelijk is, wel kostelijk is in het oog der menschen, geprezen wordt en nochtans voor God voor niets geacht is. En zoo ik mijn lichaam overgeef. Hij spreekt zonder twijfel van den marteldood, welke de allerschoonste en uit-nemendste daad is: want wat is wonderlijker, dan deze zoo onver-winnelijke dapperheid des gemoeds, dat iemand niet aarzelt zijn bloed voor de getuigenis des Evangelies te storten? Nochtans acht God ook dit voor niets, zoo het hart zonder liefde is. Deze aard van foltering was toen niet zoo gewoon tegen de Christenen, want wij lezen, dat de tirannen toen meer met het zwaard dan met het vuur vervolgd hebben om de gemeente te verderven: uitgenomen dat Nero ook met het vuur wreedheid bedreven heeft. Maar het schijnt, dat de Geest hier door Paulus' mond van de toekomende vervolgingen voorzegd heeft: hoewel dit de tegenwoordige zaak niet aangaat. Het hoofdstuk van deze plaats is dit: Dewijl de liefde de eenige regel der werken is, en de eenige bestierster in het rechte gebruik der gaven Gods, zoo is zonder haar geen ding Gode aangenaam, hoe glansrijk het ook is naar de meening der menschen:
want de schoonheid aller deugden zonder liefde, is niet anders dan bedrog, ijdel geruisch, en niet één haar waardig: kortom, stinkende en Gode mishagende. Dat de papisten hieruit besluiten, dat dan de liefde meer dient om de menschen te rechtvaardigen, dan het geloof, dat zullen wij naderhand wederleggen: nu moeten wij in den samenhang van den tekst voortgaan.
221
1 CORINTHE 13:4â6.
7 Zij verdraagt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij lioopt alle dingen, zij duldt alle dingen.
8 De liefde vergaat nimmermeer, hetzij de profetieën weggenomen worden, of de talen ophouden, of de wetenschap teniet gaat.
4 De liefde is lijdzaam. Nu prijst hij de liefde uit de vruchten: hoewel deze woorden dienen niet alleen om de liefde te prijzen, maar ook opdat de Corinthiërs weten, welke hunne plichten zijn, en hoedanig zij zelve is: doch het voornaamste doel is te bewijzen, hoe noodig zij is, om de eenigheid der gemeente te behouden. Ik twijfel ook niet, of hij heeft bedektelijk de Corinthiërs willen berispen, als hij hun deze tegenstelling voorstelt, waarin zij daarentegen hunne gebreken mogen bekennen. De eerste lof der liefde is, dat zij door vele dingen lijdzaam te verdragen, den vrede en eendrachtigheid voedt in de gemeente: na dezen is de zachtmoedigheid en vriendelijkheid de naaste deugd, want dit wordt door het Grieksche woord beduid; de derde deugd is, dat zij de afgunst betert, welke een zaad aller twisten is. Onder de afgunst begrijpt hij ook nijdigheid, welke gebreken elkander zeer na bestaan: of liever hij verstaat eene afgunst, die met nijdigheid vermengd is, en meermalen daaruit wordt geboren. Zoo dan, waar nijdigheid heerscht, waar elk wil gezien of geacht worden, daar bloeit de liefde niet. Waar ik vertaald heb: De liefde handelt niet hoovaardig, daarvoor stelt Erasmus: De liefde is niet dartel. Het staat vast, dat het Grieksche woord verschillende beteekenissen heeft, en dewijl het somtijds genomen wordt voor moedwillig of vermetel zjjn, zoo scheen deze zin te dezer plaats gevoegelijker te zijn. Zoo schrijft dan Paulus aan de liefde matigheid toe, en betuigt dat zij een toom is, om de menschen tegen te houden, dat zij niet tot dartelheid en moedwil uitbreken, maar liefelijk en zedig onder elkander leven. Bovendien voegt hij daarbij, dat zij vrij is van hoo-vaardigheid: daarom, wie door de liefde geregeerd wordt, die wordt niet door hoogmoed opgeblazen, om anderen te verachten, en zich-zelven te behagen.
5 Zij handelt niet onbetamelijk. Erasmus heeft vertaald: Zij is niet walgeljjk; maar dewijl hij geen auteur van deze beteekenis voortbrengt, zoo heb ik liever de eigenlijke en gewone beteekenis willen behoudea: en ik leg het alzoo uit, dat de liefde zich niet verheugt met ongeschikte vertooning, of dat zij niet oproerig is, maar mate en betamelijkheid bewaart. En aldus bestraft hij wederom zijdelings de Corinthiërs, dat zij door onbetamelijken hoogmoed alle genade schandelijk verloren. Zij zoekt niet wat haar eigen is. Hieruit kan men verstaan, hoe weinig de liefde ons van nature aangeboren is, want wij zijn allen van nature genegen tot liefde en zorg voor onszelven, en tot ons eigen nut; ja, wij drijven onverwachts daarhenen. Tegen deze zoozeer verkeerde genegenheid is de liefde een remedie: welke maakt, dat wij onszelven vergetende, onze naasten verzorgen en liefhebben. Voorts, zyn eigen zoeken, is aan zichzelven gewijd zijn, en om zijn voordeel te bezorgen, gansch en al bekommerd zijn: met welke beschrijving deze vraag opgelost wordt, of het den Christen geoorloofd is voor zijn welzijn te zorgen : want Paulus bestraft hier niet allerlei zorg en liefde tot zich-
222
1 CORINTHE 13:6-8.
zeiven, maar de onmatigheid, die uit de overgroote en blinde liefde tot onszelf komt. En de onmatigheid is daarin gelegen, dat wij over onszelven denkende, anderen vergeten: of zoo de zucht naar eigen voordeel ons aftrekt van de zorgvuldigheid, die God ons gebiedt voor onze naasten te hebben. Hij voegt hierbij, dat de liefde ook een toom is om twist en gekijf te verhinderen; hetwelk uit de twee eersten volgt, Want waar zachtmoedigheid en verdraagzaamheid is, daar worden de menschen niet haastig vertoornd, zij worden niet lichtelijk verwekt tot twist en strijd.
7 Zjj verdraagt alle dingen. Met dit alles geeft hij te kennen, dat de liefde niet ongeduldig noch kwaadwillig is. Want alles verdragen en lijden, dat is geduld: en alles gelooven en hopen, dat is oprechtheid en beleefdheid. Dewijl wij van nature te zeer onszelven gewijd zijn, zoo maakt ons dit gebrek eigenzinnig en klagende: zoo komt het, dat elk op de schouders van anderen wil gedragen worden, en weigert anderen te helpen dragen. Tegen deze ziekte is de liefde een remedie, welke ons den broederen onderwerpt, en ons leert om onze schouders onder hunne lasten te zetten. Wederom, dewijl wij van nature kwaadwillig zijn, daarom hebben wij ook lichtelijk kwaad vermoeden, en trekken bijna alles naar den kwaadsten kant: maar de liefde roept ons tot beleefdheid, opdat wij goed en eenvoudig gevoelen van onze naasten. Als hij zegt, alle dingen, zoo versta wat te lijden is, en op zulke wijze als het betaamt. Want wij moeten geene zonden dragen, zoodat wij ze met vleien, of met door de vingeren te zien versterken, of door onze onachtzaamheid voeden: bovendien worden door deze verdraagzaamheid de kastijdingen en rechtvaardige straffen niet uitgesloten; ditzelfde geldt ook van de beleefdheid in het oordeelen. De liefde gelooft alle dingen. Niet zoo, dat een Christen wetens en willens zich laat bedriegen, of zich van voorzichtigheid en oordeel berooft, om lichter bedrogen te worden; niet zoo, dat hij vergeet zwart van wit te onderscheiden. Wat dan? gelijk ik gezegd heb: Hij eischt hier eenvoudigheid en beleefdheid in het oordeelen, en betuigt, dat zij bestendige metgezellen der liefde zijn. Alzoo zal het geschieden, dat een Christenmensch het beter zal achten, dat hij door zijn goedheid bedrogen wordt, dan dat hij door kwaad vermoeden zijnen broeder bezware.
8 De liefde vergaat nimmermeer. Dit is een andere uitnemendheid der liefde, te weten, dat zij eeuwiglijk duurt. Deze deugd is met recht te begeeren, die nimmer een einde neemt * zoo moet men dan de liefde achten boven tijdelijke en vergankelijke gaven. De profetieën vergaan, de talen nemen een einde, de wetenschap houdt op, zoo is dan de liefde hierin voortreffelijker dan deze, omdat zij blijft als deze vergaan. Deze plaats verdraaien de papisten, om de leer te bevestigen, die zij zonder eenige autoriteit der Schrift verzonnen hebben, te weten, dat de zielen der gestorvenen voor ons bidden bij God. Want zij redeneeren aldus: Het gebed is een eeuwig werk der liefde; de liefde blijft in de zielen der gestorven heiligen: zoo bidden zij dan voor ons. Hoewel ik over deze zaak niet zeer wil strijden, nochtans opdat zij niet denken veel gewonnen te hebben, zoo ik dat toegaf, antwoord ik met korte woorden op hunne tegenwerping. Ten eerste, ofschoon de liefde altijd blijft, zoo volgt nochtans daaruit niet altijd, dat zij in bestendige werking is, gelijk
223
1 CORINTHE 13:8.
zij spreken. Want waarom zouden de heiligen, die nu gerusten vrede genieten, niet zonder tegenwoordige oefening der liefde mogen zijn? Ik bid u wat ongerijmdheid zullen de papisten daarin vinden? Ten andere: Indien ik ontken, dat voor de broeders te bidden een bestendig werk der liefde is, waaruit zullen zij het tegendeel bewijzen? Tot de voorbidding is noodig, dat zij de noodwendigheid weten: indien men van den toestand der dooden mag gissen, zoo is deze gissing waarschijnlijker, dat de gestorven heiligen niet weten wat hier geschiedt, dan dat zij onze nooden weten. De papisten verbeelden zich wel, dat de gestorvene heiligen in den wederschijn, welken zij uit het aanschouwen Gods hebben, de gansche wereld zien: maar dit is een onheilig en geheel heidensch gedichtsel, hetwelk meer naar Egyptische theologie smaakt, dan het met de Christelijke wijsbegeerte overeenkomt. Indien ik dus ontken, dat de heiligen voor ons zorgen, dewijl zij onzen toestand niet weten, met wat argument zullen zij mij dringen, om mij daartoe te brengen? Indien ik zeg, dat zij alzoo in het aanschouwen Gods gehouden en als het ware verzwolgen zijn, dat zij niets anders meer denken, hoe zullen zij bewijzen, dat dit met de waarheid niet overeenkomt? Indien ik zeg, dat de bestendigheid der liefde, waarvan Paulus hier melding maakt, na den laatsten dag zal wezen, en dien middel-tijd niet aangaat? Wat, indien ik zeg, dat de plicht van onderling voor elkander te bidden, alleen den levenden, die in deze wereld leven, geboden is, en dat het daarom tot de dooden geenszins uitgestrekt wordt? Maar het is nu meer dan genoeg, want datzelve waarvoor de papisten strijden, laat ik in het midden, zonder iets daarover te besluiten, opdat ik over een onnutte zaak geen twist make. Nochtans was het nut met korte woorden aan te roeren, hoe weinig zij door deze plaats geholpen zijn, waarin zij meenen zoo groote kracht te hebben. Het zij ons genoeg, dat het met geen getuigenis der Schrift bevestigd is wat zij zeggen, en dat zij het daarom lichtvaardig en onbedachtzaam staande houden. Of de wetenschap teniet gaat. De zin der woorden is nu openbaar: maar hier doet zich geen kleine vraag voor, of zij, die in deze wereld, in leer of andere gaven uitgemunt hebben, in het rijk Gods den ongeleerden gelijk zullen wezen. Ten eerste wil ik de godzalige lezers vermaand hebben, dat zij zich in het onderzoek naar die dingen niet te zeer kwellen, maar dat zij liever den weg zoeken, langs welken men tot het rijk Gods komt, dan dat zij zouden willen weten, hoedanige toestand aldaar wezen zal: want de Heere heeft ons door te zwijgen van zulke nieuwsgierigheid teruggeroepen. Nu wil ik op de vraag antwoorden: Zooveel men mag gissen, en zooveel ik ook deels uit deze plaats kan verstaan, dewijl de leer, de kennis der talen, en dergelijke gaven de noodwendigheid dezes levens dienen, zoo denk ik niet, dat zij dan meer zullen wezen: nochtans zullen de geleerden door derzelver verlies geen schade hebben: want zij zullen de vrucht daarvan genieten, welke veel hooger is te achten.
9 Want wij kennen ten deele, en profeteeren ten deele.
10 Maar als wat volmaakt is zal gekomen zijn, dan zal weggenomen worden wat ten deele is.
11 Toen ik een kind was, sprak ik gelijk een kind, gevoelde ik
224
1 CORINTHE 13:9â12.
gelijk een kind, dacht ik gelijk een kind: maar nadat ik een man geworden ben, heb ik afgelaten wat kinderlijk was.
12 Want wij zien nu door eenen spiegel in een duisterheid: maar 2 Cor. 1:18; dan zullen wij zien aangezicht aan aangezicht: nu ken ik ten 5'7'
deele, maar dan zal ik kennen, gelijk ik gekend ben.
13 Nu blijft het geloof, hope, liefde, deze drie: maar de meeste van deze is de liefde.
Nu bevestigt hij, dat de profetie en andere dergelijke gaven weggenomen worden, dewijl zij tot behulp onzer zwakheid gegeven worden: maar de onvolmaaktheid zal eens een einde nemen: dan zal tevens ook het gebruik der gaven ophouden: want het is niet geloofelijk, dat zij tevergeefs zouden zijn en blijven: zoo zullen zij dan vergaan. Dit argument vervolgt hij tot het einde van het hoofdstuk.
9 Wij kennen ten deele. Deze plaats wordt door sommigen verkeerd uitgelegd, dat de wetenschap bij ons nog niet volmaakt is, noch ook de profetie, maar dat wij dagelijks voortgang daarin maken.
Maar de zin van Paulus is: Dat wij nu de wetenschap en de profetie hebben, dat is om onzer onvolmaaktheid wille. Zoo dan, het woord ten deele, beduidt, dat wij nog niet volmaakt zijn. Zoo dan, de kennis en profetie hebben zoo lang plaats bij ons, als de onvolmaaktheid bij ons is, wier behulpsels zij zijn. Wel is waar, dat wij al ons leven lang voortgang moeten maken, en dat het slechts een begin is, al wat wij hebben: maar men moet zien wat Paulus wil bevestigen, te weten, dat de gaven, waarover hier gehandeld wordt,
alleen tijdelijk zijn. Dit bewijst hij, omdat haar nuttigheid alleen een tijdlang duurt, te weten, zoolang wij met dagelijkschen voortgang naar het einde strekken.
10 Als wat volmaakt is, zal gekomen. Dit is zooveel alsof hij zeide: Als men tot het einde zal gekomen zijn, dan zullen de be-hulpselen tot den loop ophouden. Maar hij behoudt de wijze van spreken, die hij reeds gebruikt had, als hij de volmaaktheid stelt tegen hetgeen ten deele is. De toekomende volmaaktheid, zegt hij, zal wegnemen al wat der onvolmaaktheid dient. Maar wanneer zal de volmaaktheid wezen? Zij begint wel van den dood aan; dewijl wij dan met het lichaam vele zwakheden afleggen: doch zij zal niet volkomen zijn vóór den dag des oordeels, gelijk wij terstond zullen hooren; waaruit wij besluiten, dat deze gansche handeling ontwijfel-lijk getrokken wordt tot den tijd, die tusschen beide is.
11 Toen ik een kind was. Wat hij gezegd heeft, verklaart hij met een gelijkenis. Want vele dingen passen voor de kindsheid, die daarna met den ouderdom verdwijnen. Bijvoorbeeld: Het is voor den kinderlijken leeftijd noodig eenen leermeester te hebben, den mannelijken leeftijd betaamt het niet. Zoolang wij in deze wereld leven, hebben wij onderwijzing noodig, en zijn nog verre van vol-komene wijsheid. Zoo zal dan de volmaaktheid, welke de rijpheid van den geestelijken ouderdom is, een einde aan de onderwijzing maken, en aan andere dingen, die daaraan hangen. In den brief aan
de Efeziërs vermaant hij ons niet meer kinderen te zijn: maar hijEf. 4:u. volgt daar een andere reden, waarvan wij dan zullen spreken.
225
12 Wjj zien nu door een spiegel. Dit is de toepassing der gelijkenis. De mate der wetenschap, die wij nu hebben, komt overeen met de onvolmaaktheid en als het ware met de kindsheid; want
15
Dl. II.
1 CORINTHE 13 ; 12.
226
wij zien nog niet klaarlijk de verborgenheden van het hemelrijk, en genieten nog geen helder aanschouwen. Om dit te beduiden gebruikt hij nog een andere gelijkenis, te weten, dat wij nu niet zien anders dan als in eenen spiegel, en daarom duister. Ten eerste is het zonder twijfel, dat hij den dienst des Woords, en de instrumenten, die tot deszelfs oefening noodig zijn, vergelijkt bij eenen spiegel. Want God, die anders onzienlijk is, heeft ons deze middelen verordend, om Zich aan ons te openbaren: hoewel, dit kan ook tot de gansche schepping der wereld uitgestrekt worden, waarin de heerlijkheid Gods ons tegenstraalt: gelijk wij gezien hebben, Rom. 1:16. En Hebr. 11:13, heeft de apostel de schepselen genoemd spiegels, waarin de majesteit des onz'ienlijken Gods gezien wordt. Maar dewijl hij hier bijzonder spreekt van de geestelijke gaven, die tot den dienst der gemeente noodig zijn, en daaraan hangen, zoo zullen wij niet breeder uitweiden. De dienst des Woords, zeg ik, is aan een spiegel gelijk. Want de engelen behoeven noch prediking noch andere lagere hulpmiddelen, noch sacramenten: want zij genieten een andere aanschouwing Gods, en God vertoont hun zijn aanschijn niet alleen in eenen spiegel, maar vertoont Zich hun openlijk tegenwoordig. Wij, die nog niet tot zulke hoogheid zijn gekomen, zien het beeld Gods zoodanig als het ons voorgesteld wordt in het Woord, in de sacramenten, en in den ganschen dienst der gemeente. Dit gezicht noemt Paulus hier duister, niet omdat het twijfelachtig of bedriegelijk is, maar omdat het minder zichtbaar is, dan wat eenmaal ten jongsten dage zal wezen. Ditzelfde leert c- hij in den tweeden Zendbrief met andere woorden, te weten, dat wij, zoolang wij in dit lichaam wonen, uitwonen van den Heere: want wij wandelen door geloof, en niet door aanschouwen. Zoo beschouwt dan ons geloof God nu als afwezend. Hoe? omdat het zijn aanschijn niet ziet, maar is met het beeld des spiegels tevreden: maar als wij deze wereld zullen verlaten hebben, en tot Hem gekomen zijn, zoo zal men Hem als nabij en voor oogen gesteld zien. Zoo moet men het dan zoo verstaan, dat de kennis Gods, die wij uit Gods Woord hebben, wel zeker en waarachtig is, dat geene verwarring of duisterheid daarin bestaat: maar dat zij vergelijkenderwijs duister genoemd wordt, omdat zij verre is van die klare openbaring, die wij verwachten: want wij zullen dan zien aangezicht aan aangezicht. Alzoo strijdt deze plaats niet tegen andere, waarin de klaarheid der wet en der gansche Schrift, en voornamelijk des Evangelies geprezen wordt. Want wij hebben een duidelijke en naakte openbaring in het Woord Gods (zooveel ons nut is) en daar is niets bewimpeld of verward (gelijk de goddeloozen verzinnen) om ons twijfelachtig te houden. Maar hoe gering deel is het van dat gezicht, naar hetwelk wij henengaan ? Zoo dan, door vergelijking met dit gezicht alleen wordt het duister genoemd. Het woordje dan, beduidt eerder den jongsten dag, dan den tijd terstond na den dood. Hoewel het volkomen gezicht tot den dag van Christus uitgesteld zal worden, zoo zal nochtans terstond na den dood nadere aanschouwing Gods beginnen; waar de zielen van het lichaam verlost zijnde, den uitwendigen dienst en andere tijdelijke behulpselen niet meer zullen noodig hebben. Maar (gelijk ik kort tevoren vermaand heb) Paulus handelt niet met zorg over den staat der doo-den: want de kennis daarvan is niet zeer nut tot godzaligheid. Nu
1 CORINTHE 13: 12, 13.
ken ik ten deele. Dat is, de mate der tegenwoordige wetenschap is onvolmaakt: gelijk Johannes in zijnen zendbrief zegt: wij weten, i Joii-3:1. dat wij kinderen Gods zijn, maar het is nog niet geopenbaard, totdat wij God zien, zooals Hij is: dan zullen wij God zien niet in zijn beeld maar in Zichzelven: zoodat het aanschouwen eenigszins wederkeerig zal zijn.
13 Maar nu blijft geloof, hope, liefde. Dit is een gevolgtrekking der dingen, die boven behandeld zijn, dat de liefde uitnemender is dan de andere gaven: maar voor het getal der gaven, die hij boven in orde verhaalde, stelt hij nu geloof, hope en liefde: gelijk zij allen in deze hoofdsom besloten zijn. Want waartoe de gansche dienst, anders dan om hierin onderwezen te worden? Zoo dan, het woord geloof, strekt hier breeder dan het boven deed. Want het is even alsof hij zeide: Daar zijn wel vele en menigerlei gaven:
maar zij strekken allen tot dit einde. Zoo dan, het woord blijven,
beduidt dat dit de som van alles is, die overblijft, alle dingen gerekend en afgetrokken zijnde, gelijk men bij het opmaken van eene rekening doet. Want het geloof blijft niet na den dood, hetwelk de apostel op een andere plaats stelt tegen het aanschouwen, en leert 2 cor. 5:7. dat het slechts zoolang duurt, als wij van den Hecre uitwonen. Nu weten wij wat te dezer plaatse geloof is, te weten, de kennis van God en den Goddelijken wil, welke wij door den dienst der gemeente verkrijgen: of wilt gij liever, het algemeen en eigenlijk genomen geloof. De hope is niets anders dan de volharding des ge-loofs. Want als wij eenmaal het Woord Gods geloofd hebben, zoo moeten wij tot de vervulling der dingen volharden. Gelijk dus het geloof de moeder der hope is, alzoo wordt het door de hope onderhouden, dat het niet vergaat. De meeste van deze is de liefde. Te weten, indien wij de uitnemendheid waardeeren uit de vruchten,
die hij te voren opgesomd heeft; vervolgens indien wij haar duurzaamheid aanmerken. Want voor den persoon zelf is zijne hope en geloof nut en voordeelig: maar de liefde strekt zich tot anderen uit. Het geloof en de hope dienen de onvolmaaktheid, maar de liefde zal ook in den staat der volmaaktheid blijven: want indien wij alle vruchten des geloofs willen overwegen, en vergelijken,
zoo zal het geloof in vele dingen hooger bevonden worden; ja zelfs de liefde (gelijk de apostel betuigt) is een vrucht en werk des'ge- iTiiess.i:3. loofs. Nu is zonder twijfel de uitwerking minder dan haar oorzaak te achten. Bovendien wordt het geloof uitnemende lof gegeven, die de liefde niet dient, als Johannes zegt, dat het geloof onze over-1 Jo11-5:4-winning is, die de wereld overwint. Insgelijks wij worden door het geloof wedergeboren, kinderen Gods gemaakt, verkrijgen het eeuwige leven, en Christus woont in ons. Ik ga ontelbaar vele andere dingen voorbij, maar deze weinige zijn genoeg om te bevestigen wat ik zeggen wil, te weten, dat het geloof in vele werken boven de liefde is: waaruit het openbaar is, dat de liefde hier boven gesteld wordt, niet alleszins, maar zooverre zij eeuwig zal wezen, en nu de eerste plaats heeft in de onderhouding der gemeente. Het is wonder hoezeer de papisten zich behagen, als zij deze woorden uit-dónderen. Indien, zeggen zij, het geloof rechtvaardigt, zoo rechtvaardigt de liefde veelmeer, welke meerder genoemd wordt. Uit hetgeen ik gezegd heb, is de oplossing dezer tegenwerping openbaar; maar al laten wij toe, dat de liefde alleszins grooter is: hoe-
227
1 CORINTHE 13:13â14:1.
danig is die bewijsvoering? Omdat zij grooter is, is zij krachtiger om de menschen te rechtvaardigen. Bijgevolg, een koning zal beter het land ploegen dan de landman, en beter een schoen maken dan de schoenmaker, want hij is edeler dan deze beiden? Bijgevolg zal een mensch sneller loopen dan een paard, en zwaarder last dragen dan een olifant, want hij is waardiger. Bijgevolg zullen de engelen beter de aarde verlichten dan de zon en maan, want zij zijn uit-nemender. Ware de kracht der rechtvaardigmaking gelegen in de waardigheid of verdienste des geloofs, men moest hen mogelijk hooren. Maar wij leeren niet, dat het geloof rechtvaardigt, omdat het waardiger of hooger in eere is, maar omdat het de rechtvaardigheid aanneemt en ontvangt, die om niet in het Evangelie aangeboden wordt. Hier maakt of vermag grootheid of waardigheid niets. Zoo dan, deze plaats helpt de papisten niets meer, dan of de apostel het geloof boven alle andere gaven verheven had.
HET VEERTIENDE HOOFDSTUK.
1 Staat naar de liefde: weest begeerig te volgen de geestelijke gaven, doch meer, dat gij profeteert ').
2 Want die vreemde talen spreekt, die spreekt niet den menschen, maar Gode: want niemand hoort het: en hij spreekt verborgenheden in den Geest.
3 Maar die profeteert, spreekt den menschen tot stichting, vermaning en vertroosting.
4 Die vreemde talen spreekt, sticht wel zichzelven: maar die profeteert, sticht de gemeente.
5 Ik wil wel, dat gij allen vreemde talen spreekt, doch meer dat gij profeteert, want die profeteert, is grooter dan die in vreemde talen spreekt: tenzij hij het uitlegge, opdat de gemeente stichting ontvange.
6 Nu broeders, zoo ik tot u kom, in vreemde tongen sprekende, wat voordeel zal ik u doen, tenzij ik tot u spreke door openbaring, of door wetenschap, of door profetie, of door leer.
Gelijk hij boven bevolen heeft, naar de voornaamste gaven te staan, zoo gebiedt hij nu te staan naar de liefde: want deze was de opperste deugd, welke hij beloofd had te zullen aantoonen. Zoo zullen zij zich dan wel matigen in het gebruik der gaven, zoo de liefde onder hen bloeit. Want hij berispt bedektelijk het gebrek aan liefde daarin, dat zij tot hiertoe de gaven misbruikt hadden. En uit wat boven gezegd is, besluit hij dat zij, wanneer zij aan de liefde de eerste plaats niet geven, den rechten weg niet hebben naar de ware uitnemendheid: en vermaant, hoe dwaas hun eerzucht is, dewijl zij daardoor van hunne hope en begeerte beroofd worden.
i Weest begeerig te volgen de geestelijke gaven. Opdat de Corinthiërs niet mochten tegenwerpen, dat Gode onrecht gedaan wordt, zoo men zijne gaven verachtte: zoo komt Paulus hen voor, en betuigt dat hij niet voornemens is hen van de gaven af te trekken, ook niet van die gaven, die zij misbruikt hadden, maar hij
228
1) Dat is, Gods Woord verklaart.
'f
Num. 11:29.
1 CORINTHE 14: 1â4.
beveelt eerder hare oefening, en wil, dat zij in de gemeente plaats hebben. En zeker, dewijl zij tot nut der gemeente gegeven waren, zoo moesten zij om der menschen verderf en misbruik niet als onnutte en schadelijke dingen weggeworpen worden: doch onder-tusschen prijst en beveelt hij de profetie boven alle andere, gelijk zij ook de nuttigste van alle gaven was. Zoo houdt hij dan een beste wijze, dewijl hij niets misprijst dat nut is; maar nochtans vermaant, dat zij de mindere gaven niet stellen boven die, welke de voornaamste is: hij stelt de profetie in de eerste plaats. Zoo dan, weest begeerig te volgen de geestelijke gaven, dat is, veracht geene gaven: want ik beveel u naar alle gaven te staan: doch alzoo, dat de profetie de eerste plaats hebbe.
2 Want die vreemde talen spreekt. Nu bewijst hij uit de zaak zelve, waarom hij de profetie boven andere gaven verheven heeft: hij vergelijkt haar met de gave der talen: want het is waarschijnlijk, dat de Corinthiërs daarover zich meest bekommerden, omdat zij meer tot praalvertoon en verheffing diende: want menschen te hooren spreken in eene vreemde taal, wekt bij het volk verwondering. Zoo bewijst hij dan uit de grondreden, die hij aangenomen heeft, hoe verkeerd dit is, dewijl het de gemeente niet sticht. Eerst zegt hij: Die eene vreemde taal spreekt, die spreekt Gode en niet den menschen, dat is (naar het spreekwoord) hij zingt voor zich-zelven en voor de muzen (zanggodinnen). De oorzaak, waarom hij den menschen niet spreekt is deze, omdat het niemand hoort, namelijk als een duidelijk te onderscheiden stem. Want zij hooren allen wel het geluid, maar verstaan niet wat er gezegd wordt. Hij spreekt, in den Geest, dat is, met eene geestelijke gave (want zoo leg ik het uit met Chrysostomus) verborgenheden en verborgene dingen, en daarom tot geen nuttigheid. Chrysostomus neemt het woord verborgenheden in goeden zin, voor uitnemende openbaringen Gods: maar ik neem het in kwaden zin, voor duistere en onverstaanbare woorden, even alsof hij zeide: Hij spreekt wat niemand verstaat.
3 Die profeteert, spreekt den menschen. De profetie, zegt hij, is voor alle menschen vruchtbaar, daar de vreemde taal een schat is in de aarde begraven. Hoe groote dwaasheid is het dan, den tijd ganschelijk in een onnutte zaak te verslijten, en na te laten wat zeer nuttig blijkt te zijn? Spreken tot stichting, is spreken hetgeen een leering bevat, die nuttig is tot stichting. Want dit woord neem ik voor leer, waardoor wij onderwezen worden tot godzaligheid, tot geloof, en tot dienst en vreeze Gods, en tot werken der heiligheid en rechtvaardigheid. En dewijl wij dikmaals prikkelen noodig hebben, en sommigen door verdrukkingen benauwd worden, of aan zwakheden lijden, zoo heeft hij aan de leer, vermaning, en vertroosting, toegevoegd. Uit deze en de vorige plaats blijkt, dat de profetie hier niet is de gave van voorzeggen: maar dewijl ik dit eenmaal gezegd heb, zoo herhaal ik het niet.
4 Die vreemde talen spreekt, sticht zichzelven. Voor wat hij boven gezegd heeft, tot God spreken, zegt hij nu, tot zichzelven spreken. Al wat in de gemeente geschiedt, moet in 't gemeen voor-deelig zijn. Daarom wijke deze verkeerde eerzucht, welke maakt, dat de nuttigheid van het gansche volk verhinderd wordt. Bovendien moet men weten, dat Paulus spreekt bijwijze van toelating:
229
1 CORINTHE 14:4â6.
want als de eerzucht zulke winderige woorden voortbrengt, is er inwendig geen begeerte om vorderingen te maken. Maar het is even alsof Paulus beval de vertoonmakers uit de algemeene vergadering te verdrijven, die alleen zichzelven op het oog hebben.
5 Ik wil wel, dat gij allen vreemde talen spreekt. Wederom betuigt hij, dat hij de profetie niet zóó wil bovenaan stellen, dat hij voor de vreemde talen geene plaats laat: hetwelk men naarstig moet opmerken: want God heeft niets tevergeefs aan zijne gemeente gegeven, en de vreemde talen hadden eenig nut. Hoewel dus de Corinthiërs door verkeerde zucht naar vertoon dit nut deels ijdel, en van geene waarde, en deels ook schadelijk gemaakt hadden: zoo betert Paulus toch deze verdorvenheid, en prijst desniettemin de vreemde talen aan, zooverre is het er vandaan, dat hij ze wil verworpen of vernietigd hebben. Daar heden ten dage de wetenschap der vreemde talen meer dan noodig is, en God haar door zijn wonderlijke gunst wederom uit de duisternis in het licht heeft gebracht: zijn er nu groote theologen, die uitzinnig tegen de kennis der talen uitvaren. Daar het zeker is, dat de Heilige Geest de talen hier met eeuwigen lof versierd heeft, kan men lichtelijk verstaan, door wat geest deze beoordeelaars gedreven worden, die de beoefening dier talen, met zóó grooten laster als hun mogelijk is, bezwaren : hoewel, hier is nog veel verschil: want Paulus prijst allerlei talen, die slechts dienden om het Evangelie onder alle heidenen te openbaren: en dezen verdoemen die talen, waaruit men als uit fonteinen, de zuivere waarheid der Schrift moet putten. Nu volgt een uitzondering, te weten, dat men niet zóó in de vreemde talen moet verwijlen, dat de profetie te onachtzaam bezorgd zou worden, welke behoort de eerste plaats te hebben. Tenzij hjj het uitlegge. Want wanneer de uitlegging er bijkomt, zoo zal het reeds profetie zijn. Nochtans moet men niet verstaan, dat Paulus hier toelaat, dat iemand door vreemde woorden te murmelen, de gemeente zonder vrucht ophoudt: want hoe bespottelijk zou het zijn, zonder eenige reden hetzelfde in meerdere talen uit te spreken. Maar het gebeurt dikmaals, dat er een tijdig gebruik der vreemde taal is: kortom, laat ons alleen het einde aanzien, te weten, dat de gemeente stichting ontvange.
6 Nu broeders, zoo ik tot u kom. Hij stelt zichzelven tot een voorbeeld, want in zijn persoon zal men het duidelijker aanschouwen. De Corinthiërs hadden overvloedige vrucht uit zijn leer: zoo vraagt hij dan wat voordeel het hun geven zou, zoo hij onbekende talen bij hen gebruikte. Met dit voorbeeld vermaant hij, hoeveel beter het is, zich tot de profetie te begeven. Bovendien was het minder hatelijk, deze dwaasheid in zijn eigen persoon, dan in een ander te berispen. Voorts stelt hij vier vormen der stichting, te weten, openbaring, wetenschap, profetie en leer: dewijl de uitleggers over deze vier vormen verscheiden meeningen hebben, zoo is het mij ook geoorloofd mijn gissing voor te stellen: doch dewijl het alleen een gissing is, zoo zullen de lezers mogen oordeelen. De openbaring en de profetie stel ik te zamen, en meen dat de profetie is de toediening der openbaring: ditzelfde gevoel ik ook nopens de wetenschap en de leer. Zoo dan, wat iemand door openbaring verkregen heeft, dat deelt hij uit door de profetie: en de wetenschap wordt door de leering uitgedeeld. Alzoo zal een profeet
230
1 CORINTHE 14:6â8.
een uitlegger en bedienaar der openbaring zijn. Hetwelk meer in overeenstemming is met de beschrijving, die wij boven gesteld hebben, dan daartegen. Want wij hebben gezegd, dat de profetie niet in eenvoudige en naakte uitlegging der Schrift gelegen is: maar dat zij de wetenschap tevens bevat, om haar op het tegenwoordig gebruik toe te passen: en deze heeft men niet anders dan uit de openbaring en de bijzondere ingeving Gods.
7 Ja ook de levenlooze dingen, hetzij fluit of harp, zoo zij in haar geluid geen onderscheid geven, hoe zal men weten, dat met de fluit of met de harp gespeeld wordt?
8 quot;Want zoo de bazuin een onzeker geklank geeft, wie zal tot den krijg bereid worden?
9 Alzoo gij ook, zoo gij door uwe tong geen duidelijke spraak geeft: hoe zal verstaan worden wat er gesproken wordt: want gij zult in de lucht spreken.
10 Zoovele soorten van stemmen zijn bijvoorbeeld in de wereld, en geen van die is stom.
11 Zoo dan, indien ik de kracht der stem niet weet, zoo zal ik voor dengene, die spreekt, barbaarsch zijn: en die spreekt zal mij barbaarsch zijn.
12 Alzoo ook gij, dewijl gij naar geestelijke gaven staat, zoekt daarin uitnemend te zijn, tot stichting der gemeente.
13 Daarom wie vreemde taal spreekt, die bidde, dat hij het moge uitleggen.
14 Want indien ik in een vreemde taal bid, zoo bidt mijn geest, doch mijn verstand is zonder vrucht.
15 Hoe dan? Ik zal met den geest bidden, doch ik zal ook met het verstand bidden: ik zal met den geest zingen, doch ik zal ook met het verstand zingen.
16 Anders, zoo gij met den geest zegent, hoe zal degene, die in des ongeleerden plaats staat, amen zeggen op uwe dankzegging ? want hij weet niet, wat gij zegt.
17 Want gij dankt wel, maar een ander wordt niet gesticht.
7 Ja ook de levenlooze. Hij brengt gelijkenissen bij, ten eerste van instrumenten der muziek: ten andere van de gansche natuur der dingen: dat er geen stem of geluid is, waarin niet eenige matiging is, bekwaam tot onderscheiding. Zelfs de levenlooze dingen (zegt hij) leeren ons. Daar wordt wel onbezonnen veel geluid of geklank gemaakt, zonder eenige matiging: maar Paulus spreekt hier van de stemmen, waarin eenige kunst is, even alsof hij zeide: De mensch kan aan de fluit of de harp geen leven of ziel geven, toch maakt hij haar een gematigde stem, zoodat men ze kan onderscheiden. Hoe ongerijmd is het dan, dat de menschen zelf, die verstand hebben, ik weet niet wat geluid zonder onderscheid geven ? Over de muziekwijzen moet men hier niet veel disputeeren, want Paulus heeft hier alleen genomen, wat het gewone volk daarvan vat: gelijk het geklank der bazuin, waarvan hij terstond spreekt. Want dat is alzoo samengesteld om de harten te ontvlammen, dat het niet alleen menschen, maar ook paarden wakker maakt. Daarom leest men in de historiën, dat de Lacedaemoniërs in den krijg liever
231
1 CORINTHE 14:8-12.
de fluit gebruikt hebben, omdat de heirkracht in den eersten aanloop niet te hittiglijk op den vijand zou storten. Wij ondervinden ook allen, hoe groote kracht de muziek heeft om der menschen zinnen te roeren: zoodat Plato niet zonder reden leert, dat de muziek zeer groote kracht heeft om de zeden der stad ginds- en herwaarts te bewegen. In de lucht spreken. Dit is tevergeefs de lucht slaan: even alsof hij zeide: Uwe stem zal noch tot de menschen, noch tot God komen, maar in de lucht verdwijnen.
ie Geen van die is stom. Nu spreekt hij algemeener, want hij omvat nu ook de natuurlijke stemmen der dieren. Het woord stom, neemt hij hier voor verward, hetwelk het tegenovergestelde is van een duidelijke stem: want het blaffen der honden verschilt van het brieschen der paarden, en het brieschen of brullen der leeuwen verschilt van het balken der ezels. Elke vogel heeft ook zijn wijze van zingen, of schreeuwen, of schetteren. Zoo dan, de gansche orde der natuur, die door God gesteld is, vermaant ons tot onderscheiding.
ii Ik zal voor dengene, die spreekt, barbaarsch zjjn. De tong moet een beeld des verstands zijn. Hoe ongeschikt of verkeerd is het dan, dat de mensch in de vergadering een stem geeft, waarvan de toehoorder niets verstaat: waarin hij geen teeken merkt, waardoor men kan weten, wat hij wil zeggen? Zoo is het dan niet zonder reden, dat Paulus dit voor een groote ongerijmdheid houdt, dat hij, die in onbekende taal snatert, voor de toehoorders barbaarsch en zonder verstand is. Hij bespot tevens fijn de dwaze eerzucht der Corinthiërs, die daaruit zochten geprezen en hooggeacht te worden. Gij zult, zegt hij, dit loon wegdragen, dat gij barbaarsch zult zijn: want deze naam barbaarsch wordt in kwaden zin genomen. Daarom hebben de Grieken (die zich alleen welsprekend achtten, en een beschaafde taal te hebben) alle andere menschen om het onhebbelijke en boersche geluid der taal, genoemd barbaren. Maar daar is geen taal zoo beschaafd, die niet barbaarsch geacht wordt, als zij niet wordt verstaan. De toehoorder, zegt Paulus, zal mij barbaarsch zijn, en ik wederkeerig hem: met welke woorden hij te kennen geeft, dat dit niet is gemeenschap met de gemeente hebben, als men een onbekende taal spreekt, maar dat het eerder vervreemding is: en dat degene, die zulks doet, met recht door de anderen versmaad wordt, want hij versmaadt hen eerst.
ia Dewyl gü naar geestelijke gaven staat. Paulus besluit, dat de gaven der talen niet daartoe gegeven is, dat zij zonder vrucht der gemeente den ijdelen roem van weinige menschen zou dienen. Indien (zegt hij) de geestelijke gaven u behagen, zoo zij de stichting het einde. Dit zal eerst een ware en lofwaardige uitnemendheid wezen, zoo de gemeente vrucht van u ontvangt. Voorts, hiermede laat Paulus de begeerte om uit te munten niet toe, ook zelfs met nuttigheid der gemeente: maar hij betert die fout, en bewijst hoever zij afzijn van hetgeen zij zoeken, en vermaant tevens wie men allermeest behoort in eere te houden, te weten, hoe vuriger iemand streeft naar stichting, hoe hooger hij hem wil geacht hebben. Nochtans betaamt het ons dit voornemen te hebben, dat de Heere uitmunt, en dat zijn rijk van dag tot dag vermeerderd worde. Waar wij gesteld hebben geesteljjke gaven, daar staat in het Grieksch, geesten, maar het is een wijze van spreken, die metonymia of overnoeming heet: gelijk men leest: De Geest der leer, de Geest
232
1 CORINTHE 14 ; 12â14.
des verstands, de Geest des oordeels, voor geestelijke leer, geestelijk verstand, geestelijk oordeel. Anders moet men weten, wat hij boven geleerd heeft, dat het een en dezelfde Geest is, die verscheiden gaven uitdeelt, een iegelijk naar zijn goeddunken.
13 Daarom wie een vreemde taal spreekt. Dit is een voorkoming, waarmede hij een vraag beantwoordt, die men lichtelijk had kunnen tegenwerpen, te weten, deze: Zal het dan een onnutte gave wezen, zoo iemand een vreemde taal weet? En, waarom zal men verborgen houden, wat men met Gods eere in het openbaar kon brengen ? Hij toont een middel: Hij begeere, zegt hij, van God ook de gave der uitlegging; en indien hij deze niet heeft, zoo onthoude hij zich van ijdel vertoon.
14 Want indien ik in een vreemde taal bid. Hoewel dit voorbeeld ook dient tot bevestiging der dingen, die hij dusver gezegd heeft: zoo is het toch naar mijn oordeel een ander stuk. Want het is waarschijnlijk, dat de Corinthiërs ook in dit stuk zondigden, te weten, dat zij niet alleen vreemde talen spraken, maar ook in vreemde taal baden. Doch deze beide misbruiken kwamen uit dezelfde fontein en oorsprong, gelijk zij onder een geslacht saamgevat worden. Wat het is met de tong bidden, (want alzoo staat er letterlijk in het Grieksch, waarvoor wij gesteld hebben, in vreemde taal bidden,) blijkt uit het vorige, te weten, bidden in een taal, die door de gemeente niet verstaan wordt. Maar wat het woord geest beduidt, is niet zoo licht om te verklaren. Het is niet alleen zonder allen grond, maar ook zonder allen schijn, dat Ambrosius dit verstaat van den Geest, welken wij in den doop ontvangen hebben. Augustinus neemt het scherpzinniger voor een bevatting, die de ideën, of gestalten, en de teekenen der dingen begrijpt, zoodat het een macht der ziel is, minder dan het verstand des geestes. Waarschijnlijker is de meening dier menschen, die daardoor verstaan adem of geblaas. Maar tegen deze uitlegging strijdt gedurige beduiding deszelfden woords in dit vertoog van Paulus; wat meer zegt, het blijkt, dat het door toegeving vaker herhaald is. Want zij verhoovaardigen zich op den eerlijken naam, welken Paulus hun wel toelaat; maar geeft ondertusschen te kennen, hoe verkeerdelijk zij een goede en schoone zaak misbruikten, even alsof hij zeide: Gij roemt op den geest, maar waartoe, zoo hij onnut is? Hierdoor word ik geleid om in den zin van dit woord Chrysostomus bij te vallen, die het uitlegt gelijk boven, van de geestelijke gave. Alzoo zal het woord mijn geest, zooveel zijn als de gave, die mij gegeven is. Maar hier rijst een nieuwe vraag: want het is niet geloofelijk, (wij lezen het immers nergens) dat eenige menschen door de ingeving des Geestes een taal gesproken hebben, die zij niet verstonden. Want de gave der talen werd gegeven, niet alleen om geluid te geven, maar meer om met de menschen te spreken. Want hoe bespottelijk zou het geweest zijn, dat de Geest Gods een Ro-meinsche tong schikte, om Grieksche woorden te spreken, die voor hem, die ze sprak, geheel onbekend waren: gelijk de papegaaien, eksters en raven geleerd worden menschenwoorden te spreken. Indien hij, die de gave der taal had, niet sprak zonder zin en verstand, zoo heeft Paulus tevergeefs gezegd, dat de geest bidt, en dat het verstand zonder vrucht is: want het verstand en de geest moesten te zamen gaan. Ik antwoord, dat Paulus hier om te onder.
233
1 CORINTHE 14: 14â16.
wijzen, een tegenstelling neemt, die niet was, aldus: Indien de gave der taal van het verstand gescheiden wordt, zoodat hij die spreekt, haar zelf niet verstaat, en zichzelven barbaarsch is, gelijk anderen, wat voordeel zal hij doen alzoo babbelende? Want dat het verstand onvruchtbaar zou genoemd worden, omdat de gemeente geen vrucht daarvan heeft, dat betaamt niet, dewijl Paulus hier spreekt van elks bijzondere gebeden. Laat ons daarom onthouden, dat hier twee dingen, die aan elkander hangen, gescheiden worden, om te onderrichten, en niet omdat zij kunnen gescheiden zijn. Nu is de zin klaar. Indien ik een gebed doe in een taal, die ik niet versta, en dat ik door den Geest de woorden heb: zoo zal wel de geest bidden, die mijn tong regeert, maar mijn gemoed of verstand zal ergens dwalen, of althans aan het gebed geen deel hebben. Laat ons opmerken, dat Paulus het voor een groote feil houdt, zoo het verstand in het gebed zijn werk niet doet. Geen wonder; want wat doen wij, als wij bidden, anders dan dat wij voor God onze gedachten en begeerten uitstorten? Bovendien, dewijl het gebed een geestelijke godsdienst is, wat kan meer tegen de natuur des gebeds zijn, dan dat het alleen van de lippen, en niet uit het binnenste des harten komt? En dit behoorde een iegelijk wel bekend te zijn, ware het niet, dat de duivel de wereld zoozeer verblind had, dat de menschen gelooven, dat zij behoorlijk bidden als zij slechts de lippen roeren. En de papisten zijn in hunne uitzinnigheid zoo hardnekkig, dat zij gebeden zonder eenig verstand niet alleen verontschuldigen, maar ook liever willen, dat de ongeleerden onverstaanbare woorden mompelen; ondertusschen meenen zij God te bedriegen met een scherpzinnig sophisme, zeggende, dat het eindoogmerk genoeg is, dat is, dat de dienst Gode aangenaam is, zoo een Spanjaard in de Duitsche taal God vloekt, hij moge in zijn hart in verscheidene en onheilige zorgen bekommerd zijn, mits hij, als hij de woorden zijns gebeds begint met een gedachte dit terstond verdwijnt, met God overeenkomt.
15 Ik zal met den geest bidden. Opdat niemand zou tegenwerpen, zeggende, zal dan de geest in het gebed onnut zijn? zoo leert hij, dat men wel met den geest mag bidden, mits ook het verstand erbij is. Zoo dan, het gebruik der geestelijke gave in de gebeden laat hij toe, en prijst het: maar eischt ook wat het voornaamste is, te weten, dat het verstand niet ledig zij. Als hij zegt: Ik zal zingen, zoo neemt hij een bijzonder soort voor het geslacht. Want dewijl de inhoud der psalmen Gods lof was, zoo heeft hij zingen genomen in den zin van God danken of loven: want in de gebeden begeeren wij iets van God, of wij danken Hem voor de weldaad, die Hij ons heeft geschonken. Uit deze plaats verstaan wij meteen, dat de gewoonte van zingen ook te dien tijde onder de geloovigen in zwang was. Hetwelk ook openbaar is uit Plinius, die omtrent veertig jaren na Paulus' dood schrijft, dat de geloovigen gewoon waren vóór het aanbreken van den dag lofzangen aan Christus te zingen. En ik twijfel niet, zij hebben terstond van den beginne aan het gebruik der Joodsche gemeente in psalmen te zingen gevolgd.
16 Anders, zoo gy met den geest zegent. Dusverre heeft hij bewezen, dat de gebeden voor een iegelijk van ons ijdel en onvruchtbaar zullen wezen, tenzij bij de stem ook het verstand is.
234
1 CORINTHE 14:16, 17.
Nu daalt hij ook tot openbare gebeden af. Indien hij, die voor het volk een gebed uitspreekt, niet verstaan wordt van de vergadering,
hoe zal dan het volk op het einde zijnen wensch daarbij voegen,
om des gebeds deelachtig te worden? Want er is geen gemeenschap des gebeds, of allen moeten met eendrachtig gemoed en verstand, in dezelfde begeerten overeenkomen; desgelijks is het ook in de lofzeggingen, waarmede God gedankt wordt. Deze woorden van Paulus geven te kennen, dat een uit de dienaren met duidelijke stem het gebed heeft uitgesproken, en dat de gansche vergadering met het hart diens woorden gevolgd heeft, totdat hij tot het einde des gebeds kwam, en dat zij dan allen gesproken hebben, amen: om daarmede te bekennen, dat het gebed, hetwelk die een uitsprak, hun algemeen gebed was. Men weet dat amen, een Hebreeuwsch woord is, en komt van hetzelfde werkwoord, waarvan geloof en waarheid komt. Het is dus een teeken der bevestiging, beide van verzekeren en wenschen. En dewijl dit woord bij de Joden langen tijd gebezigd was, zoo is het daardoor ook tot de heidenen gekomen, alzoo dat de Grieken het niet anders gebruikten, dan of het hun eigen taal ware: het is dus voor alle volken gewone formule geweest. Nu zegt Paulus: Indien gij het algemeen gebed uitspreekt in een vreemde taal, die het gewone volk niet verstaat onder hetwelk gij spreekt, zoo zal daar geen gemeenschap wezen. En uw gebed of lofzegging zal nu niet openbaar wezen. Waarom?
Niemand (zegt hij) kan op een gebed of psalm amen spreken,
tenzij hij het versta. Nu, wat Paulus hier zoozeer verwerpt, dat houden de papisten voor een heilige en behoorlijke inzetting: in welke zaak hun wonderlijke onbeschaamdheid gezien wordt; ja, dit is een klaar bewijs, waaruit wij leeren hoe en met wat teugellooze ongebondenheid de duivel in het pausdom geheerscht heeft. Want wat is klaarder dan deze woorden van Paulus, dat een onkundig mensch geen deelgenoot van het openbaar gebed kan zijn, tenzij hij verstaat wat er gesproken wordt? Wat klaarder dan dit verbod, dat men geene lofzeggingen of gebeden in het openbaar zal doen, anders dan in de gewone taal? Dewijl zij dagelijks doen wat Paulus zegt, dat niet mag noch moet geschieden, achten zij Paulus niet voor onkundig? Dewijl zij met groote naarstigheid onderhouden wat hij verbiedt, versmaden zij God niet opzettelijk?
Zoo zien wij dan, hoe vrijelijk de duivel bij hen zijn spel drijft.
En hierin wordt hun duivelsche hardnekkigheid openbaar, dat zij vermaand zijnde, zich niet alleen niet bekeeren, maar ook te vuur en te zwaard zulk een grof verderf beschermen.
18 Ik dank mijnen God, dat ik meer dan gij allen, vreemde talen spreek.
19 Maar in de gemeente wil ik liever vijf woorden spreken met mijn gemoed, om ook anderen te onderwijzen, dan tienduizend woorden in vreemde taal.
20 Broeders, weest geene kinderen in het verstand, maar weest Ef-1: 3 kinderen in de boosheid, en weest in bet verstand volmaakt, i^ü.
21 In de wet is geschreven: Met vreemde tongen en met vreemde n2' lippen zal Ik tot dit volk spreken; en zij zullen zelfs alzoo Deut. 28:49. Mij niet hoeren, zegt de Heere.
235
1 CORINTHE 14: 18â21.
22 Daarom de vreemde talen zijn teekenen, niet den geloovigen, maar den ongeloovigen, en daarentegen de profetie, niet den ongeloovigen, maar den geloovigen.
23 Zoo dan, indien de gansche gemeente samen vergaderde, en zij allen vreemde talen spraken: en ongeleerden of ongeloovigen daarin kwamen, zouden zij niet zeggen, dat gij uitzinnig waart ?
24 Maar zoo zij allen profeteeren, en een ongeloovig of ongeleerd menscli daarin komt, hij wordt door allen bestraft, hij wordt door allen geoordeeld.
25 En alzoo wordt het verborgene zijns harten openbaar: en alzoo zal hij op zijn aangezicht nedervallen, en God aanbidden, verkondigende, dat God in der waarheid in u is.
18 Ik dank mijnen God. Dewijl velen de deugden, die in andere menschen zijn, versmaden, omdat zij ze zeiven niet hebben: zoo heeft Paulus, opdat hij niet scheen de gave der taal door kwaadwilligheid of nijdigheid te verkleinen, dit vermoeden willen voorkomen, als hij zegt, dat hij hen allen te boven gaat, even alsof hij zeide: Ziet hoe weinig kwaad gij in mijne reden moet vermoeden, alsof ik een gave verkleinde, die ik zelf niet had: want indien wij om de gave der taal strijden, niemand uwer is met mij te vergelijken. Doch hoewel ik mij hierin kon verheffen, zoo acht ik de stichting meer. Hieruit krijgt de leer van Paulus geen kleine autoriteit, dewijl hij zichzelven niet aanziet. Voorts, opdat hij niet schijne zich te ver-hoovaardigen, als hij zich stelt boven alle anderen, zoo schrijft hij zijne gave Gode toe: alzoo wordt de roem door ootmoed gematigd.
19 Ik wil liever vijf woorden. Dit is een vergrootender wijze van spreken: tenzij wij vijf woorden nemen voor vijf volzinnen. Voorts, dewijl Paulus, die anders grooten lof kon verkrijgen door het spreken in vreemde talen, uit eigen beweging zich daarvan onthoudt, en enkel en alleen stichting zoekt zonder eenige praalzucht: hierdoor wordt de ijdele eerzucht overwonnen van hen, die zichzelven door dat ijdel geklank grootelijks zoeken te verheffen. En tevens behoort de autoriteit des apostels niet klein te zijn, om hen van zulke ijdelheid terug te roepen.
20 Broeders, weest geene kinderen in het verstand. Nu gaat hij verder, want hij bewijst, dat de Corinthiërs zoo uitzinnig zijn, dat zij willens als een bijzonder goed zoeken en begeeren, wat de Heere dreigt te zenden, als Hij zijn volk zeer zwaar wil straffen. Hoe groote uitzinnigheid is dit, met alle naarstigheid gierig te zoeken, wat bij God voor een vloek geacht wordt. Maar opdat de zin van Paulus beter verstaan worde, moet men opmerken, dat deze uitspraak hangt aan het getuigenis van Jesaja, dat hij terstond daar bijvoegt: en dewijl de uitleggers hierin zijn bedrogen geweest, dat zij zoodanig verband der woorden niet opmerkten: zoo zullen wij om alle dwaling weg te nemen, eerst de plaats van Jesaja verklaren: daarna zullen wij tot de woorden van Paulus komen. In dat hoofdstuk vaart de profeet hevig uit tegen de Tien stammen, die zich aan allerlei boosheid overgegeven hadden. Alle vertroosting was, dat de stam Juda nog ongeschonden was: maar weldra beklaagt hij ook de verdorvenheid van dezen stam, en dat te bitterder, omdat
236
1 CORINTHE 14:21, 22.
er geen hope was op betering. Want aldus spreekt hij in den persoon Gods. Wien zal Ik wijsheid leeren? die van moeders borst afgewend zijn? die van de borsten zijn afgetrokken? waarmede hij te kennen geeft, dat zij even onvatbaar voor de leer waren als jonge kinderkens, die onlangs nog zogen. Nu volgt. Gebod op gebod, onderwijzing op onderwijzing, bevel op bevel, regel op regel, een weinig hier, een weinig daar. Met deze woorden drukt hij de traagheid en onachtzaamheid uit, waarmede zij bevangen waren, even alsof hij zeide; Ik verspeel al mijnen arbeid in hen te leeren, want er komt geen vrucht noch vordering van, want zij zijn bovenmate onverstandig, en zoo zij door langen arbeid wat geleerd hebben, dat verleeren zij in een oogenblik tijds. Daar volgt weder: die tot dit volk spreekt, is gelijk een die spreekt met stamelende lippen, en met vreemde taal. Dit is de plaats, die Paulus hier aanhaalt, en beduidt dat het volk met zoo groote blindheid en uitzinnigheid geslagen is, dat het God, die tot hen spreekt, niet meer verstaat dan eenen vreemden, die met vreemde taal hakkelde, hetwelk een gruwelijke vloek is. Hij heeft de woorden van den profeet niet volledig aangehaald: want het was hem genoeg de plaats als met den vinger te toonen, opdat de Corinthiërs vermaand zijnde, haar des te beter zouden aanmerken. Dat hij zegt wat in de wet geschreven is, is niet vreemd van het gewoon gebruik: want de profeten hadden geen dienst gescheiden van de wet, maar zij waren uitleggers der wet, en hun gansche leer is als het ware een aanhangsel van haar: zoodat de wet het gansche lichaam der Schrift is tot de komst van Christus toe. Hieruit besluit Paulus nu, zeggende: Broeders, gij moet u hoeden voor deze kindsheid, die zoo streng door den profeet bestraft wordt, dat het woord Gods zonder vrucht in uw ooren klinkt. Wanneer gij nu de gegeven profetie veracht, en liever de ijdele stem zonder verstand wilt bewonderen, is dit niet willens tot den vloek Gods inloo-pen? Voorts, opdat de Corinthiërs hiertegen niet mochten inbrengen, dat de geestelijke kindsheid in sommige plaatsen geprezen wordt, zoo voorkomt Paulus dit, en vermaant hen wel om in de boosheid kinderen te zijn, maar de kindsheid des verstands te ontvlieden. Waaruit wij verstaan, hoe onbeschaamd zij te werk gaan, die de eenvoudigheid der Christenen in onwetendheid stellen. Paulus wil, dat alle geloovigen zooveel mogelijk is, in het verstand volmaakt zijn. En de paus wil onder het voorwendsel van eenvoudigheid, dat al de zijnen onkundig blijven, te weten, omdat men gemakkelijker ezels dan menschen kan leiden. Hieruit mag men vergelijken, hoedanig de regeering des pausen is, en hoe zij met de inzetting van Christus overeenkomt.
22 Daarom de vreemde talen zijn. Deze plaats kan op tweëerlei wijze uitgelegd worden, te weten, dat het woordje daarom, alleen op de naast voorgaande uitspraak wijst, of dat het in het algemeen op het geheele vertoog ziet. Naar de eerste wijze zal de zin wezen: Gij ziet, broeders, dat wat gij zoo begeerig zoekt, niet een weldaad Gods jegens de geloovigen is, maar een straf, waarmede hij de ongeloovigen straft. Op deze wijze zou Paulus het bestendig gebruik der vreemde talen niet bevatten, maar alleen aanroeren wat eenmaal geschied is. Indien het echter iemand liever tot het gansche vertoog wil uitstrekken, ik wil daartegen niet strijden: hoewel de eerste uitlegging mij niet mishaagt. Als het generaal genomen wordt, zal dit de zin wezen:
237
1 CORINTHE 14:22â24.
In zoover de vreemde talen gegeven zijn tot een teeken, dat is, tot een wonder, zijn zij eigenlijk niet voor de geloovigen verordend, maar voor de ongeloovigen. Het gebruik der vreemde talen was menigerlei: zij waren noodzakelijk, opdat de verscheidenheid der talen den apostelen niet zou verhinderen het Evangelie over de gan-sche wereld te verbreiden; Geen volk dus was er, waarmede zij niet konden spreken. Zij dienden ook om de ongeloovigen te bewegen of te verschrikken door het aanschouwen van het wonder: want gelijk van alle andere wonderen, zoo was ook van dit wonder het einde, degenen die nog vreemd van Christus waren, tot zijn gehoorzaamheid voor te bereiden. Voor de geloovigen, die zich reeds tot zijn leer begeven hadden, was zulk 'een voorbereiding niet zoo zeer noodig. Zoo gebruikten dan de Corinthiërs deze gave verkeerd, en buiten zijn plaats de profetie verlatende, welke eigenlijk en bijzonder den geloovigen verordend is, en hun daarom gemeenzaam behoort te zijn: want zij beschouwden in de vreemde talen niets anders dan het wonder.
23 Zoo dan, indien de gemeente samen. Dewijl zij door dwaze en verdraaide begeerlijkheid bevangen, hun gebrek niet zagen; zoo vermaant hij ze, dat zij door de goddeloozen of ongeleerden zullen bespot worden, zoo eenigen in hun vergadering komen, en hen hooren niet sprekende, maar alleen geluid gevende. Want wat ongeleerd mensch zal niet oordeelen, dat zij uitzinnig zijn, die in stede van sprake, een ijdel geluid geven, en met die ijdelheid zich bezig houden, die nochtans vergaderd waren om de leer Gods te hooren? Deze uitspraak is zeer scherp en prikkelend, gij vleit uzelven, en lacht in uwen schoot: maar de goddeloozen of ongeleerden bespotten uwe ongerijmdheden; gij ziet dus niet wat den ongeleerden en ongeloovigen in het oog valt. Hier brengt Chrysostomus een vraag voort; dewijl de talen den ongeloovigen tot een teeken gegeven zijn, waarom zegt hij nu, dat zij door hen bespot zullen worden? En hij antwoordt daarop, dat de talen hun tot een teeken zijn, opdat zij verschrikt worden, en niet, opdat zij onderwezen of gebeterd worden; en voegt er bij, dat het nochtans door hunne ongeschiktheid geschiedt, dat zij het teeken voor razernij achten. Dit antwoord behaagt mij niet: want hoewel een ongeloovig en ongeleerd mensch, door het wonder geroerd wordt, en de gave Gods eert, zoo laat hij nochtans daarom niet na het ontijdig misbruik der gave te bespotten en te verdoemen, en bij zichzelven aldus te denken; Wat willen deze menschen, dat zij zich en anderen ijdellijk vermoeien? Waartoe dient het spreken, zoo zij niets zeggen? Zoo geeft dan Paulus te kennen, dat de Corinthiërs met recht door de ongeloovigen en ongeleerden veroordeeld worden om hunne uitzinnigheid, al is het, dat zij zichzelven zeer behagen.
24 Maar zoo zij allen profeteeren. Gelijk hij boven geleerd heeft hoeveel de profetie den huisgenooten des geloofs vruchtbaarder is dan de vreemde talen; zoo leert hij nu, dat zij ook den vreemden nuttig en voordeelig zal wezen; welke reden zeer krachtig is om de Corinthiërs te bestraffen. Want hoe groote boosheid is het de gave klein te achten, die binnen en buiten zeer nut is, en de oogen op een andere gave te vestigen, die voor de huisgenooten onnut is, en ook bij de vreemden ergernis verwekt? Hij stelt deze vrucht der profetie voor, dat zij de conscientiën der goddeloozen voor den
238
1 CORINTHE 14:24, 25.
rechterstoel Gods trekt, en door een levend gevoelen van het oordeel Gods zoo neerslaat, dat hij die tevoren gerust de gezonde leer verachtte, gedwongen wordt Gode eere te geven. Voorts, deze plaats zal veel beter verstaan worden, zoo men ze vergelijkt met een andere plaats, die men leest Hebr. 4: 12. Het Woord Gods is levend en krachtig, en doordringender dan eenig zwaard, dat op beide zijden snijdt, en gaat door tot de verdeeling der ziel en des Geestes,
ook der zenuwen en des mergs; en oordeelt de gedachten des harten. Want in beide deze plaatsen wordt een gelijke kracht des Woords Gods gepredikt: maar volkomener en duidelijker in de plaats uit de Hebreen. Wat de tegenwoordige plaats aangaat, het is nu niet moeilijk te verstaan wat het is, bestraft en geoordeeld te worden. De conscientiën der menschen zijn slaperig, en worden niet geroerd door mishagen over hun kwaad, zoolang zij in de duisternis der onwetendheid gewikkeld zijn. Eindelijk, de ongeloo-vigheid is als een slaapkoorts, die het gevoel wegneemt. En het Woord Gods dringt door tot in de binnenste schuilhoeken des harten, en verdrijft de duisternis als met aangebracht licht, en neemt de doodelijke slaperigheid weg. Zoo worden dus de geloovi-gen bestraft: want als zij verstaan, dat zij met God te doen hebben,
worden zij ernstig geroerd en verschrikt; insgelijks worden zij geoordeeld : want daar zij tevoren in duisternis begraven, hun ellendigheid en schande niet aanmerkten, worden zij nu in het licht getrokken, en gedwongen getuigenis tegen zichzelven te geven. Wat hij zegt, door allen geoordeeld en bestraft wordt, versta dit, van allen, die profeteeren: want weinig tevoren had hij gezegd: Zoo gy allen profeteert. En hij zegt duidelijk allen, om te bewijzen,
dat men de profetie niet behoort te verlaten. De ongeloovige (zegt hij) wordt door allen bestraft, niet dat hij die profeteert, door heimelijke meening, of openlijk met den mond oordeelt: maar omdat de conscientie desgenen, die hoort, haar oordeel ontvangt uit de leer. Hij wordt geoordeeld, omdat hij afdaalt in zichzelven, en door onderzoeking wordt hij bekend met zichzelven, die tevoren zichzelven vergeten had. Hiertoe dient ook dit woord van Christus:
Wanneer de Geest zal komen, zoo zal Hij de wereld overtuigen van Joh. 16:3. zonde. En dit is het wat hij terstond daarbij voegt: het verborgene zijns harten wordt openbaar; want naar mijn oordeel beduidt hij daarmede niet, dat hij anderen openbaar wordt hoedanig hij is: maar veelmeer dat zijn conscientie wakker wordt, zoodat hij zijn kwaad bekent,
hetwelk hem tevoren verborgen was. Hier vraagt Chrysostomus ook,
hoe het komt, dat de profetie zoo krachtig is om de ongeloovigen te bewegen, dewijl Paulus boven gezegd heeft, dat zij hun niet gegeven is. En hij antwoordt daarop, dat zij hun niet is gegeven als een onnut teeken, maar tot onderwijzing. Maar ik gevoel, dat het eenvoudiger, en daarom ook bekwamer zal zijn, zoo wij zeggen, dat zij niet gegeven is aan de ongeloovigen die verderven, wier harten de duivel verblind heeft, opdat zij het licht, dat daarin glinstert, 2 Oor. i; 3. niet zouden aanschouwen: en dit zal beter overeenkomen, zoo deze uitspraak gevoegd wordt bij de profetie van Jesaja: dewijl de pro-Jes. 28: n. feet spreekt over de ongeloovigen, bij wie de profetie geen vrucht noch gebruik heeft.
25 Hij zal op zijn aangezicht nedervallen, en God aanbidden.
Want het is alleen de kennis Gods, die hoovaardigheid des vleesches
239
1 CORINTHE 14:25â27.
kan vernederen, tot haar leidt ons de profetie: het is dus hare eigen kracht en natuur, de menschen van hunne hoogheid af te werpen, opdat zij nedergeslagen God aanbidden. Voorts is de profetie velen ook onnut; wat meer zegt, zij worden door het hooren erger gemaakt. Maar Paulus heeft ook deze kracht aan de profetie niet willen toeschrijven, alsof zij die altijd had, en bewees, maar alleen te kennen geven, hoe groote nuttigheid daaruit voortkomt, en hoedanig haar ambt is. Zoo is het dan een uitstekende lof, dat zij die belijdenis van de ongeloovigen afperst, te weten, dat God bij de zijnen is, en dat zijn majesteit midden in hunne vergadering haar schijnsel geeft.
26 Wat is het dan, broeders; wanneer gij te zamen komt, een iegelijk van u, heeft hij een gezang, heeft hij eene leer, heeft hij eene vreemde taal, heeft hij eene openbaring, heeft hij eene uitlegging: laat alle dingen geschieden tot stichting.
27 Of indien iemand vreemde talen spreekt, dat geschiede door twee, of ten uiterste door drie, en dat bij beurten, en een legge het uit.
28 En als er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de gemeente: maar dat hij spreke tot zichzelven en tot God.
29 Dat van de profeten twee of drie spreken, en de anderen oordeelen.
30 Indien het eenen anderen, die daarbij zit, geopenbaard is, dat de eerste zwijge.
31 Want gij kunt allen bijzonderlijk profeteeren, opdat allen leeren, en allen vertroosting ontvangen.
32 En de geesten der profeten zijn den profeten onderworpen.
33 Want God is geen God van tweedracht, maar van vrede, gelijk in alle gemeenten der heiligen.
26 Wat is het dan. Nu stelt hij een middel voor om dit kwaad te genezen, ten eerste, dat alle gaven haar plaats hebben, doch in goede orde en regelmaat; ten andere, dat de gemeente niet tevergeefs door onnutte oefening beziggehouden worde: maar dat het al tot stichting zij wat er geschiedt. Nochtans spreekt hij eerst over de stichting naar dezen regel: Een iegelijk, naardat hij eenige gave ontvangen heeft bevlijtige zich, om die tot aller nut aan te wenden. Want alzoo moet men het woord, een iegelijk, duiden: opdat men het niet in 't generaal neme, alsof allen zonder uitzondering eenige dusdanige gave hadden.
27 Of indien iemand vreemde talen spreekt. Nu beschrijft hij de orde, en stelt dezen regel: Indien men vreemde talen wil spreken, zoo zullen er slechts twee spreken, of ten hoogste niet méér dan drie, en dat ook een uitlegger daarbij zij: zonder uitlegger is geen gebruik der vreemde talen nut: daarom moeten zij dan ophouden. Men moet opmerken, dat hij het niet gebiedt, maar alleen toelaat: want de gemeente kan zonder eenige schade de vreemde talen missen, uitgenomen in zooverre zij behulpselen der profetie zijn: gelijk heden de Hebreeuwsche en Grieksche taal. Maar Paulus laat het toe, om niet den schijn te geven, dat hij eenige genade des Geestes van de vergadering der geloovigen wil weren. Hoewel
240
1 CORINTHE 14: 27â29.
dit ook schijnen kon niet redelijk te zijn, dewijl hij boven gezegd heeft, dat de vreemde talen den ongeloovigen toekomen, zoover zij tot een teeken zijn. Ik antwoord: Hoewel het wonder eigenlijk om de ongeloovigen geschiedt, zoo volgt daaruit evenwel niet, dat het niet eenigerwijze ook den geloovigen toekomt. Indien men verstaat, dat de onbekende taal den ongeloovigen tot een teeken is, gelijk de woorden van Jesaja luiden, dan is de regel, dien Paulus hier voorschrijft, verschillend. Want hij laat de talen zóó toe, dat de uitlegging, die daarbijgevoegd wordt, niets duisters laat. Hij betert dus het gebrek der Corinthiërs met het beste middel van matiging, dewijl hij geenerlei gave Gods verwerpt, opdat al zijne gaven onder de geloovigen verschijnen: maar hij stelt een regelmaat, dat in de plaats der eere Gods niet de eerzucht kome, dat de gave, die van minder waarde is, niet verhindere die de voornaamste zijn; en hij voegt eene verzachting daarbij, dat het niet zij een ijdel vertoon zonder vrucht.
28 Hij spreke tot zichzelven en tot God. Hij geniete (zegt hij) zijne gave in zijn conscientie, en danke God. Want alzoo leg ik uit wat Paulus zegt, tot zichzelven en tot God spreken, voor bij zichzelven met dankzegging bekennen, dat hem een gave gegeven is, en die als zijn bijzondere gave gebruiken, als er geen plaats is om haar te voorschijn te brengen. Want het spreken openlijk in de gemeente, dat hij hier verbiedt, stelt hij tegen dit verborgen spreken over.
241
29 Dat van de profeten twee of drie. Hij stelt ook mate in de profetie: want de veelheid baart verwarring (gelijk men gemeenlijk zegt). Hetwelk waarachtig is, want de dagelijksche bevinding leert het. Nochtans beperkt hij hier het getal zoo nauw niet, gelijk hij deed, toen hij van de talen sprak: want er steekt minder gevaar in, zoo zij zich lang oefenen in de profetie; ja, de gedurigheid daarin zou zeer goed zijn: maar Paulus heeft aangemerkt, wat der menschen zwakheid zou kunnen dragen. Toch blijft er nog een vraag: waarom hij den profeten en den talen een even groot getal stelt, uitgenomen dat hij van de talen sprekende, daarbij voegt: ten uiterste. Want indien de talen minder nuttig zijn, zoo behoort voorzeker haar gebruik minder te zijn. Ik antwoord, dat ook in de talen, gelijk hij ze toelaat, de profetie vervat wordt; want de talen worden gebruikt om van eenige zaak der religie te handelen, of om te bidden. In het eerste geval was de uitlegger in de plaats van den profeet: alzoo was het voornaamste en meest gewone gebruik der talen. Hij stelt alleen een mate, opdat zij niet door verdrietelijkheid veracht worden: en opdat degenen die minst geleerd en geschikt zijn, niet de plaats en de gelegenheid van spreken hun beneme, die beter of bekwamer daartoe zijn: want hij wil, dat dezen, aan wie hij het leerambt toevoegt, uit de voornaamsten zullen zijn, en met algemeene stemmen verordend. Daar zijn nu geenen vaardiger om zich daarin te dringen, dan degenen die alleen een weinig met de leer besprengd zijn: zoodat dit spreekwoord bewaarheid wordt: De onwetendheid is stout. Dit kwaad heeft Paulus willen voorkomen, als hij twee of drie gebiedt te spreken. Dat de anderen oordeelen. Om anderen geen oorzaak te geven tot klagen, alsof hij wilde, dat de gave Gods bij hen onderdrukt en begraven ware, zoo bewijst hij, hoe men die behoort te gebruiken tot nut der ge-
16
Dl. 11.
1 CORINTHE 14:29â31.
meente, ook met zwijgen, te weten, zoo zij overwegen wat door anderen gezegd wordt. Want dit is geen kleine nuttigheid, dat er sommigen ervaren zijn in het oordeelen, die niet toelaten, dat de gezonde leer door des duivels listen verkeerd, of anders door scherpzinnige ongeschiktheden geschonden wordt. Zoo vermaant dan Paulus, dat de andere profeten ook met zwijgen der gemeente nuttig zullen wezen. Maar het schijnt ongerijmd te zijn, dat den menschen het oordeel toegelaten wordt in betrekking tot de leer Gods, welke buiten alle twijfeling behoort te zijn. Ik antwoord, dat de leer Gods niet aan het oordeel der menschen wordt onderworpen: maar dat alleen dit wordt toegelaten, dat zij uit den Geest Gods overwegen, of het zijn Woord is, dat voorgesteld, wordt, of dat menschelijke gedichtselen met dien valschen dekmantel getooid worden: gelijk terstond weder zal gezegd worden.
30 Indien het eenen anderen geopenbaard is. Dit is een andere nuttigheid, te weten, dat zij ook plaats zullen hebben, wanneer het voordeelig is: daarom kunnen zij niet meer klagen, dat de geest gebonden of de mond gestopt wordt: want een iegelijk wordt plaats en vrijheid om te spreken gelaten, wanneer het de zaak eischt, mits niemand ontijdig daartoe dringe, meer zichzelven toegevende dan de noodwendigheid dienende. Deze bescheidenheid eischt hij van allen, dat een iegelijk voor zich een ander plaats geve, die wat beters kan voortbrengen. Want dit is eerst de ware vrijheid des geestes, niet dat het elk vrijstaat te snappen al wat hem lust, maar dat allen, van den hoogste tot den laagste, zich vrijwillig tot de orde laten dwingen: en dat er één geest gehoord worde, van wien ook de mond moge zijn, door wien hij spreekt. Van de zekerheid der openbaring zullen wij terstond zien.
31 Want gij kunt allen. Ten eerste als hij zegt allen, zoo bevat hij niet alle geloovigen, maar slechts hen, die met eene gave toegerust zijn. Vervolgens geeft hij niet te kennen, dat allen gelijk beurten behooren te hebben, maar naardat het den volke nut zal wezen, wil hij dat een iegelijk dikmaals of zelden zal spreken, even alsof hij zeide: Niemand zal altijd onnut zwijgen: maar de gelegenheid om te spreken zal zich nu aan dezen, dan aan genen voordoen. Hij voegt erbij, opdat zij allen leeren: dat wel het gansche volk toekomt, doch nochtans den profeten betaamt, van welke Paulus eigenlijk spreekt. Want niemand zal ooit een goed leeraar zijn, die zich niet leerzaam bewijst, en altijd tot leeren bereid is. Want nooit zal men iemand vinden, die in de volmaaktheden der leer zoo overvloedig is, of hij kan leeren, als hij anderen hoort. Zoo zullen dan allen het leerambt alzoo bedienen, dat het hun niet zwaar zij op hun beurt leerlingen te zijn, wanneer het anderen gegeven is, opdat de gemeente gesticht worde. Hij zegt in de tweede plaats: En dat zij allen getroost worden: waaruit men moet besluiten, dat de dienaars van Christus zoo ver moeten zijn van nijdigheid, dat zij zich veeleer van harte verblijden, dat zij niet alleen uitmunten, maar dat zij deelgenooten derzelfde gave hebben: welke gezindheid in Mozes geweest is, gelijk de heilige historie verhaalt: want toen zijn dienaar door dwaze jaloerschheid ontstoken, kwalijk tevreden was, dat ook anderen de genade om te pro-feteeren gegeven was, gelijk zijn meester, berispte hem Mozes, en
Num. ii:28. zeide: Och, of het gansche volk Gods dit uitnemend voorrecht met
242
1 CORINTHE 14:31, 32.
mij deelachtig ware! En voorwaar, het is voor de godzalige dienaren een bijzondere troost, den Geest Gods, wiens instrumenten zij zijn, ook in anderen te zien werken: en zij hebben daaruit ook geen kleine versterking. Een troost is het ook, dat dit dient om Gods Woord te verbreiden, als het meer dienaars en getuigen heeft. Voorts, dewijl het Grieksche woord, dat Paulus hier gebruikt heeft, van twijfelachtige beteekenis is, zoo zou men het kunnen overzetten, vermaning ontvangen: wat niet kwalijk zou rijmen; want het is voordeelig somtijds ook anderen te hooren, om daardoor te sterker tot zijn werk geprikkeld te worden.
32 En de geesten der profeten. Dit is nog een andere reden, waarom het noodig is zulke beurtwisselingen te houden, dewijl het somtijds gebeuren kan, dat andere profeten wat hebben te berispen in de leer van één hunner. Het betaamt niet (zegt hij) dat er iemand zou zijn, over wien men niet zou mogen oordeelen: alzoo zal het geschieden, dat de beurt van spreken somtijds komt tot iemand uit de vergadering, die stilzweeg. Deze plaats is door sommigen verkeerd verstaan, alsof Paulus zeide, dat de profeten des Heeren niet gelijk zijn aan de insluipers, die geene macht hadden over zichzelven, nadat ze door hun dwaasheid, die zij een Goddelijke roering noemen, eenmaal zijn begonnen gedreven te worden. Het is wel waar, dat de profeten Gods niet vervreemd van zinnen zijn geweest. Maar d -.t raakt deze plaats van Paulus niet: want hij geeft te kennen (gelijk ik reeds gezegd heb) dat niemand vrij is van eens anderen oordeel, maar dat men ze allen moet hooren onder deze voorwaarde, dat hun leer geëxamineerd worde. Maar hier is zwarigheid: want de apostel zegt, dat de geesten den profeten onderworpen worden. Ofschoon hij van de gaven spreekt, hoe kan nochtans de profetie, die van den Heiligen Geest gegeven is, door de menschen geoordeeld worden, zonder den Geest zelf te oordeelen? Op deze wijze wordt ook het Woord Gods, hetwelk door den Geest geopenbaard wordt, aan onderzoeking onderworpen: hoe onwaardig dit is, is niet noodig te bewijzen, want het blijkt door zichzelf. Maar ik zeg, dat het Woord of de Geest niet aan zulk een oordeel is onderworpen: de Heilige Geest, zeg ik, behoudt zijn majesteit ongeschonden, zoodat Hij alle dingen oordeelt, en van niemand geoordeeld wordt. Het heilige Woord Gods behoudt ook zijn eerwaardigheid, dat het zonder, twijfeling aangenomen wordt, zoo haast als het uitgesproken is. Wat wordt dan aan onderzoek onderworpen, zult gij zeggen? Ik antwoord: Zoo iemand eene volkomene openbaring had, hij zou zeker met zijn gave boven alle onderzoeking zijn; daar is, zeg ik, geene onderwerping, waar de volheid der openbaring is; maar dewijl God een iegelijk den geest met zekere mate gegeven heeft, zoodat ook in den grootsten overvloed altijd iets ontbreekt, is het geen wonder, dat niemand zoo hoog verheven wordt, dat hij alle anderen zou verachten, en onder niemands oordeel staan. Nu zullen wij zien, hoe zij zonder eenige schande des Heiligen Geestes toelaten, dat zijne gaven onderzocht worden; wat meer zegt, als men alle dingen onderzocht zijnde, zal bevinden, dat er niets bestraffenswaardig is, zoo zal er nochtans wel wat wezen, dat versiering zal eischen. Zoo is dan de slotsom, dat de gave aan het onderzoek zóó is onderworpen, dat de profeten zullen overleggen, of al wat er voorge-
243
1 CORINTHE 14:32, 33.
steld wordt, van den Geest Gods is gekomen. Want wanneer het vaststaat, dat de Geest de auteur is, zoo zal er geen twijfeling meer zijn. Evenwel vraagt men nog, welke de regel van onderzoeking is? Op deze vraag wordt deels uit den mond van Paulus geantwoord, die in Rom. 12:6, de profetie eischt naar de analogia of regelmaat des geloofs: maar wat het oordeel aangaat, het moet zonder twijfel geregeerd worden door het Woord en den Geest Gods, opdat niets geacht worde, dan wat bevonden wordt uit God te zijn: en dat niets veracht worde, dan door zijn Woord; kortom, dat God alleen in dit oordeel de overste is, en dat de menschen alleen zijn uitroepers zijn. Uit deze plaats van Paulus.mag men verstaan, hoe uitnemend schoonen overvloed en verscheidenheid van geestelijke goederen die gemeente had. Daar waren samenkomsten der profeten, zoodat men moeite had om de beurten onder hen te verdeelen: daar was zulk eene groote verscheidenheid van gaven, dat er overvloed was. Nu zien wij onze kleinheid, ja, armoede; maar deze straf wordt zeker onze ondankbaarheid opgelegd: want de schatten Gods zijn niet uitgeput, en zijn goedigheid is niet verminderd, maar wij zijn noch bekwaam noch waardig om zijne gaven te ontvangen. Hoewel, er is nog overvloedig licht en leering genoeg, zoo er maar gebrek ware in de begeerte en oefening der godzaligheid, en in de vruchten, die daaruit voortkomen.
33 Want God is geen God van tweedracht. Dit is een zeer nuttige uitspraak, waardoor wij geleerd worden, dat wij God niet dienen, tenzij wij vrede begeeren en liefhebben. Waar dus twistgierigheid is, daar regeert God voorwaar niet. En dit is wel licht te zeggen, en is wel in aller mond, nochtans twisten velen over dingen van geene waarde, of beroeren de gemeente, om eenigszins verheven te worden, of iets te schijnen. Zoo zullen wij dan bedenken, dat men in het beoordeelen der dienaars van Christus, dit teeken moet aanmerken, of zij naar vrede en eendracht staan, en door zich vreedzaam te gedragen, zooveel hun mogelijk is, den twist vlieden: mits wij het verstaan van den vrede, wiens band de waarheid Gods is: want wanneer men tegen de goddelooze leer moet strijden, zoo moet men in den strijd voortgaan, al ware het dat hemel en aarde vergingen. Wel moet men vooral arbeiden, dat de waarheid Gods de overhand hebbe zonder twist: maar indien de goddeloozen tegenstrijden, moet men doorworstelen, en niet vreezen, dat de schuld der oproerigheden ons toegerekend wordt. Want het is een vervloekte vrede, wiens pand de afwijking van God is: en het is een gezegende strijd, waarmede het rijk van Christus moet verdedigd worden. Gelijk in alle gemeenten. Dit woord gelijk, betreft niet alleen het naastvoorgaande, maar de gan-sche voorgaande beschrijving, even alsof hij zeide: Ik heb u dusver niet geboden, dan wat in alle gemeenten onderhouden wordt: welke aldus in vrede gehouden worden. Zoo gebruikt gij dan ook, wat andere gemeenten bevonden hebben hoogst nuttig te zijn om vrede te «ehouden. Het heeft ook zijn gewicht, dat hij zegt, der heiligen, even Jsof hij de welgeregelde gemeenten van kwaad vermoeden bevrijdde.
34 Laat uwe vrouwen in de gemeenten zwijgen: want het is haar niet toegelaten te spreken: maar zij zullen onderworpen zijn, i. gelijk ook de wet zegt.
244
1 CORINTHE 14:34, 35.
35 Indien zij iets willen leeren, zoo zullen zij tehuis haren mannen vragen: want het is den vrouwen schandelijk, in de gemeente te spreken.
36 Is het woord Gods van u nitgegaan, of is het tot u alleen gekomen ?
s t 37 Zoo iemand zichzelven schijnt een profeet, of geestelijk te zijn
die erkenne wat ik u schrijf, dat het des Heeren geboden zijn.
38 En is iemand onwetend, die zij ontwetend.
39 Zoo dan, broeders, staat naar de profetie, en verbiedt niet vreemde talen te spreken.
( ^ 40 Laat voorts alle dingen betamelijk en ordelijk geschieden.
Het blijkt, dat de gemeente der Corinthiërs ook met dit gebrek besmet is geweest, dat der vrouwen gesnap in de heilige vergadering plaats had. Hij verbiedt haar daarom in de algemeene vergadering te spreken, om te leeren of te profeteeren. Versta dit van geordende bediening, of waar een zekere stand in de gemeente verordend is: want er kan zulk een nood komen, dat der vrouwenstem geëischt wordt: maar Paulus heeft alleen het oog op hetgeen in een wel ingerichte vergadering betaamt.
34 Zij zullen onderworpen zijn, gelijk ook de wet zegt, De onderworpenheid, tot welke de vrouwen door de wet gedwongen Geu. 3:io. worden, wat dient die tot de tegenwoordige verhandeling r Want iemand mocht zeggen: Waarom zouden de vrouwen niet mogen
* * onderworpen zijn, en nochtans leeren? Ik antwoord, dat het leerambt een stedehouderschap is in de gemeente, en dat het daarom strijdt tegen de onderworpenheid: want het ware zeer onbetamelijk,
dat een vrouw, die aan ée'n lid onderworpen is, over het gansche lichaam zou gesteld worden? Zoo is het dan een argument, ontleend aan het tegenstrijdige. Indien de vrouw onderworpen is, zoo wordt zij verhinderd het gezag van het publieke leerambt te hebben? En voorwaar, waar de eerbaarheid der natuur plaats heeft,
daar zijn de vrouwen in alle eeuwen van de openbare bediening uitgesloten geweest: en het gemeen gevoelen geeft uit, dat vrouwenheerschappij gebrekkelijk en leelijk is. Wat meer zegt, toen het te Rome den vrouwen toegelaten was in het rechthuis aan te klagen,
heeft Caja Africana zooveel te doen gemaakt door hare dartelheid, dat ook dit haar ontzegd werd. Maar Paulus' bewijsvoering is eenvoudig, te weten, dat het leerambt aan de vrouw niet betaamt: want indien zij leert, zoo is zij over alle mannen, en het betaamt, dat zij onderworpen is.
d k 35 Indien zij iets willen leeren. Opdat hij aldus niet schijne
voor de vrouwen den weg tot leeren te sluiten, zoo zij in eenige zaak twijfelen, gebiedt hij haar, dat zij tehuis bijzonder vragen, dat zij in de openbare vergadering geen zwarigheid voortbrengen. Als hij zegt, dat zij haren mannen zullen vragen, verbiedt hij haar niet ook den profeten te vragen, zoo het noodig is: want alle mannen zijn niet bekwaam om antwoord te geven: maar dewijl hij hier over de uitwendige regeering der gemeente handelt, is het hem genoeg te kennen te geven wat onbetamelijk is, opdat de Corinthiërs zich daarvoor hoeden. Ondertusschen moet de godzalige lezer opmerken,
dat het middelmatige dingen zijn, waarvan hij hier spreekt, waarin
245
1 CORINTHE 14:35â37.
niets ongeoorloofd is, dan wat tegen de betamelijkheid en stichting strijdt.
36 Is het woord Gods van u uitgegaan? Deze berisping is wat bitter, maar het was noodig de hoovaardigheid der Corinthiërs daarmede te fnuiken. Zij behaagden zich bovenmate zeer: zij wilden noch zichzelven, noch het hunne ergens in laten berispen. Zoo vraagt hij dan, of zij alleen, ja, of zij de eerste of de laatste Christenen in de wereld zijn. Is (zegt hij) het woord Gods van u uitgegaan? dat is, heeft het van u zijn begin genomen? heeft het in u een einde genomen? dat is, zal het niet verder verbreid worden? De vermaning dient hiertoe, dat zij in hunne vonden en gewoonten niet zouden tevreden zijn, geen acht hebbende op anderen. En dit is een algemeene leer: want geene gemeente moet met verwaarloo-zing van andere gemeenten, enkel aan zichzelve denken, maar alle moeten wederkeerig elkander de hand geven, om gemeenschap onder elkander te onderhouden, en zich bij elkander te voegen, zoover het de eendracht eischt. Maar hier wordt gevraagd, of elke gemeente, gelijk zij in orde eerder geweest is dan andere, de andere ook aan hare inzettingen mag binden? want Paulus schijnt met zijne woorden dit te kennen te geven. Bijvoorbeeld: Jeruzalem was de moeder aller gemeenten, omdat het woord des Heeren uit haar was uitgegaan; mocht zij daarom een eigen recht aannemen, om alle andere gemeenten aan hare navolging te binden? Ik antwoord, dat het argument, hetwelk Paulus hier gebruikt, niet eeuwig is, maar bijzonder voor de Corinthiërs gold, gelijk het dikmaals pleegt te geschieden. Hij heeft dus meer op de personen gezien, dan op de zaak zelve. En daarom volgt niet noodzakelijk, dat latere gemeenten aan de inzettingen der vroegere moeten gebonden worden: want Paulus heeft zich niet eens aan deze wet willen binden, dat hij de gebruiken, die te Jeruzalem aangenomen waren, aan andere gemeenten zou opleggen. Verre zij de eerzucht, verre de eigenzinnigheid, verre het praalvertoon en de verachting van andere gemeenten: er zij integendeel begeerte naar stichting, er zij matigheid en voorzichtigheid: en dan zal in de verscheidenheid der ceremoniën en gebruiken niets berispenswaardigs zijn. Laat ons dus bedenken, dat de hoovaardigheid der Corinthiërs hier bestraft is, die zichzelven bijzonder liefhebbende, aan de voornaamste gemeenten geene eere boden, van welke zij het Evangelie ontvangen hadden, noch zochten zich te schikken terwille van andere, tot welke het Evangelie daarna verbreid was. En och, of er in onzen tijd geen Corinthiërs waren, zoowel in deze feil als in andere, maar wij zien hoe sommige barbaarsche menschen, die het Evangelie nooit gesmaakt hebben, met de tirannieke eischen hunner wetten, de godzalige gemeenten beroeren.
37 Zoo iemand zichzelven schijnt. Ziedaar het oordeel, dat hij boven aan de profeten bevolen heeft, te weten, aannemen wat zij wisten uit God te zijn. Hij beveelt hun niet als naar een twijfelachtige zaak onderzoek te doen, maar als het zekere woord Gods te omhelzen, dewijl zij zullen bekennen, dat het Gods woord is, indien zij recht oordeelen. Voorts is dit naar zijn apostolische autoriteit, dat hij hun voorstelt, wat oordeel zij bij zulke gelegenheid behooren te geven. Nog vollediger is het vertrouwen, wat hij hierbij voegt: Is iemand onwetend, die zij onwetend. Dit was Paulus
1 CORINTHE 14:37â39.
wel geoorloofd, die zeker was van de openbaring die hij van God ontvangen had: en hij moest ook aan de Corinthiërs bekend zijn,
alzoo dat zij niet anders van hem moesten gevoelen, dan van des Heeren apostel. Maar het komt iedereen niet toe, zooveel van zich-zelven te beloven, of zoo hij het doet, zoo is hij om zijnen hoog-moedigen roem met recht te bespotten. Want deze zekerheid en dit vertrouwen heeft dan eerst plaats, als metterdaad voorhanden is, wat met den mond gesproken wordt. Paulus betuigde met waarheid, dat zijne geboden des Heeren geboden waren: velen kunnen ditzelfde valschelijk voorwenden; het is geheel hierin gelegen, dat vaststaat, dat hij uit den Heiligen Geest spreekt, en niet uit eigen hersenen, die zich niet laat reguleeren, en in orde stellen. Wie nu niets anders is dan een zuiver orgaan des Heiligen Geestes, zal vrijelijk met Paulus durven betuigen, dat het geene profeten noch geestelijke menschen zijn, die zijn leer verwierpen, en dit zal hij met recht doen, volgens hetgeen wij in het begin van dezen Zendbrief hebben: De geestelijke mensch oordeelt alle dingen. Maar i cor. 2:is. men kon hier vragen, hoe Paulus betuigt, dat des Heeren geboden zijn, waarvan geen getuigenis gevonden wordt in de Schrift. Bovendien rijst er een andere vraag, te weten, indien het des Heeren geboden zijn, zoo is het noodig die te onderhouden, en de consciëntie wordt daardoor gebonden. Nu, er zijn politieke gebruiken,
in wier onderhouding zulk eene noodwendigheid niet is. Maar |
Paulus zegt alleen, dat hij niets gebiedt, dan wat met den wil Gods 1 overeenkomt: en God rustte hem toe met wijs beleid, om die orde |
in de uitwendige dingen te Corinthe en in andere plaatsen, te bevelen: niet om een onveranderlijke wet te zijn, gelijk die zijn, die den geestelijken dienst van God bevatten, maar om voor alle kin-/
deren Gods een bekwame vorm te zijn, die geenszins te verachten is.
38 Is iemand onwetend. De oude overzetting heeft: De onwetende zal niet geweten worden: doch verkeerd. Want Paulus heeft aan de twistgierigen de gelegenheid willen afsnijden, die der twisting geen einde maken, en dat onder den schijn van onderzoeking,
alsof het nog niet openbaar ware; of hij geeft zekerlijk te kennen, dat hij ganschelijk niet vraagt naar degenen, die in twijfel trekken, hetgeen hij gezegd heeft. Even alsof hij zeide: Indien het iemand onkundig is, ik bekommer mij om diens twijfelachtigheid niet: want de zekerheid mijner leer wordt daardoor niet verkleind. Daarom laat varen wie het zal zijn, en gelooft gij desniettemin mij, die door Christus spreekt.
Kortom, hij geeft te kennen dat de sophisten, die altijd disputeeren zonder iets te bepalen of vast te stellen, alsmede de twistgierigen en drogredenaars, door hunne vragen niets kunnen verminderen van de autoriteit der gezonde leer en van hare waarheid, welke den geloovigen zeker moet zijn: en tevens vermaant hij ons, om door hunne twijfeling ons niet te laten verhinderen. Maar deze hoogheid van hart, die alle oordeelen der menschen veracht, moet op zekere waarheid gefundeerd zijn. Daarom, gelijk het een verkeerde lichtvaardigheid zou wezen, zoo men de eenmaal aangenomen meening hardnekkig verdedigde, als alle anderen anders gevoelen:
of, zoo men stout voortging, als zij twijfelen, alzoo zullen wij gerust alle menschelijke hinderpalen, en alle zwarigheden verachten, wanneer het ons zeker is, dat God spreekt.
39 Zoo dan, broeders. Dit is een conclusie der voornaamste
247
1 CORINTHE 14 : 39, 40.
vraag, te weten, dat men de profetie boven andere gaven moet schatten, omdat zij de allernuttigste gave is, zonder dat men nochtans de andere gaven moet verachten. Maar men moet op de wijze van spreken letten: want zij geeft te kennen, dat de profetie waardig is, naar welke allen vurig staan. Ondertusschen vermaant hij, dat zij anderen nochtans niet moeten benijden, die de gave der talen hebben, die een meer zeldzame gave is, en zoozeer niet moet begeerd worden: maar dat zij hun hunnen lof laten, zonder eenige benijding.
40 Laat alle dingen betamelijk en ordelijk geschieden. Dit is
een meer algemeene conclusie, welke niet alleen met korte woorden de gansche zaak, maar ook alle stukken bevat. Ja, het is een regel, waarnaar alle dingen, die de uitwendige inrichting aangaan, be-hooren gevoegd te worden. Dewijl hij hier en daar van de ceremoniën gehandeld had, zoo heeft hij hier alles in een korte somma willen samenvatten, te weten, opdat de betamelijkheid bewaard, en de verwarring geschuwd worde: welke uitspraak bewijst, dat hij de conscientie niet heeft willen binden aan de voorgaande geboden, even alsof zij in zichzelven noodig waren, maar in zooverre als zij de betamelijkheid en den vrede dienen. Hieruit (gelijk ik gezegd heb) nemen wij een bestendige leer, te weten, tot wat einde men de inrichting der gemeente moet schikken. De Heere heeft de uitwendige gebruiken daarom in onze vrijheid gelaten, opdat wij niet zouden denken, dat zijn dienst daarin besloten is: toch heeft Hij ons geene ongestadige en ongebondene vrijheid toegelaten, maar Hij heeft (om alzoo te spreken) traliën daarom gesteld, of althans de vrijheid, die Hij gegeven had, zóó gematigd, dat men eerst uit zijn Woord moet waardeeren wat recht is. Goed verstaan zal dus deze plaats het onderscheid toonen tusschen de tirannieke geboden van den paus, die de conscientiën met schrikkelijke dienstbaarheid drukken, en de godzalige wetten der gemeente, waarin de discipline en orde wordt samengevat. Wat meer zegt, men mag hieruit verstaan, dat deze heilige geboden niet zijn te achten voor menschen-inzet-tingen. Want zij zijn in dit algemeen gebod gefundeerd, en hebben klare bevestiging, gelijk als uit den mond van Christus zeiven.
248
HET VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
1 Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook gesteld zijt;
2 Door hetwelk gij ook zaligheid hebt, indien gij weet, hoe ik het u verkondigd heb, tenzij gij tevergeefs geloofd hebt.
3 Want ik heb u ten eerste overgegeven, hetwelk ik ook ontvangen had, dat Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften.
4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is wederopgestaan ton derden dage, volgens de Schriften.
5 En dat Hij gezien is van Céfas, en daarna van de twaalven.
6 Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broederen te
Gal. 1:11.
Rom. 1:16. 1 Cor. 1: 21. Jes. 53 :7. Dan. 9:24. 1 Cor. 5 : 7. 1 Petr. 2 : 24.
Jona 1:17. Matt. 12:40. Matt. 28:6.
Ps. 16:10. Luk. 24:34. Mark. 16:14.
Joh. 20:19. Hand. 10:41.
1 CORINTHE 15.
zamen, uit welke velen nog blijven tot op dezen dag, en sommigen zijn ook ontslapen.
7 Bovendien is Hij gezien van Jakobus, en daarna van al de apostelen.
8 En ten allerlaatste is Hij gezien ook van mij, als van een on- Hand. 9:3, tijdig geborene. ... quot;cor/iquot;quot;: 2.
9 Want ik ben de allerminste der apostelen, ik die niet waardig Ef. 3:8. ben een apostel genaamd te worden: want ik heb de gemeente Hand. 8:3; Gods vervolgd.
10 Maar door Gods genade ben ik wat ik ben: en zijne genade, i = 13^ die mij gegeven is, is niet ijdel in mij geweest, maar ik heb 2Cor.ii:23; overvloediger gearbeid dan zij allen; nochtans niet ik, maar 12:11-de genade Gods, die met mij was.
Hij komt nu tot een andere stof, te weten, de wederopstanding,
waarvan het geloof door sommige goddeloozen bij de Corinthiërs verzwakt was. En het is onzeker, of zij alleen aan de laatste wederopstanding des vleesches getwijfeld hebben, of ook aan de onsterfelijkheid der ziel. Men weet wel genoegzaam, dat in deze zaak menigerlei dwaling geweest is. Sommige philosophen hebben voorgedragen, dat de zielen onsterfelijk zijn; de wederopstanding des vleesches is nooit iemand in den zin gekomen. En de Sadduceën zijn grof geweest, die niet anders dan op dit tegenwoordig leven dachten; ja, meenden dat de ziel des menschen een wind was zonder wezen. Zoo is het dan onzeker (gelijk ik nu gezegd heb) of de Corinthiërs te dien tijde tot zulke uitzinnigheid vervallen waren, dat zij het gansche betrouwen en geloof van het toekomende leven verwierpen, of dat zij alleen de wederopstanding des vleesches verzaakten: want de bewijsredenen, die Paulus gebruikt, schijnen te kennen te geven, dat zij ganschelijk in der Sadduceën razernij zijn verstrikt geweest. Bijvoorbeeld, als hij zegt: Wat nut is het voor de dooden gedoopt te worden ? Ware het niet beter te eten en te drinken ? Waartoe zijn wij alle uur in gevaar ? en andere dergelijke.
Men had lichtelijk naar der philosophen gevoelen kunnen antwoorden,
te weten, dat de zielen na den dood blijven leven. Daarom hebben sommigen deze gansche redeneering, die in dit hoofdstuk staat, tot de onsterfelijkheid der zielen gebracht. Maar gelijk ik onzeker laat,
welke de dwaling der Corinthiërs geweest is, alzoo kan ik daartoe niet gebracht worden, dat ik de woorden van Paulus anders zou duiden dan op de wederopstanding des vleesches. Zoo laat het dan vast en zeker blijven, dat in dit hoofdstuk daarvan alleen gehandeld wordt. En wat zouden wij zeggen, of de goddeloosheid van Hymeneüs en Filetus zoover gekomen ware, die zeiden, dat de wederopstanding aireede geschied ware, en dat zij niet meer zou zijn ? aan wie ook heden die razende menschen gelijk zijn, of liever die duivels van duivelen bezeten, die zichzelven Libertijnen noemen. Voorwaar, deze gissing schijnt mij nader aan de waarheid te zijn,
dat zij met eenig gedichtsel bedrogen zijn geweest, waardoor hun de hope der toekomende wederopstanding benomen werd: gelijk de Libertijnen, een allegorische wederopstanding dichtende, die waarachtige wegnemen, die ons beloofd is. Hoe de zaak zij, het is voorwaar een gruwelijk exempel, en een onnatuurlijk ding gelijk, dat zij,
249
1 CORINTHE 15 : 1â3.
die van zulk een uitnemenden meester geleerd waren, zoo haast tot Matt. 22: as. zulke grove dwalingen hebben kunnen afwijken. Maar wat wonder Luk. 20:27. jg gadduceën in de Israëlietische gemeente durfden
te belijden, dat tusschen den mensch en een beest geen onderscheid is, zooveel het wezen der ziel aangaat, en dat de mensch geen zaligheid heeft, anders dan met de beesten gemeen. Nochtans zullen wij aanmerken, dat zulke verblinding een rechtvaardig oordeel Gods is, dat zij, die met de waarheid Gods niet tevreden zijn, door des duivels bedriegerij her- en derwaarts gedreven worden. Doch men vraagt: waarom Paulus dit stuk tot het einde des zendbriefs uitgesteld heeft, dat men terecht boven alle andere behoorde te achten. Sommigen antwoorden, dat dit geschied is, omdat het te beter in gedachtenis zou blijven. Ik acht meer, dat Paulus van zulke groote zaak niet heeft willen spreken, eer hij zijn autoriteit, die bij de Corinthiërs wat verkleind was, bevestigd had, en hun hoogmoedigheid bedwingende, hen tot leerzaamheid bewogen had.
1 Ik maak u bekend. Dit woord bekendmaken beteekent niet iets leeren wat hun tevoren onbekend was, maar in gedachtenis brengen, wat zij tevoren gehoord hadden, alsof hij zeide: Bekent met mij het Evangelie, dat gij geleerd hebt, eer gij van den rechten loop afgeleid werdt De leer van de wederopstanding noemt hij Evangelie, opdat zij niet zouden denken, dat het een iegelijk vrij is daarvan te gevoelen wat hem lust: gelijk van andere dingen en vragen, die geen verlies der zaligheid medebrengen. Als hij zegt: dat ik u verkondigd heb, dient tot verheffing en versterking, alsof hij zeide: Indien gij mij voor een apostel erkent, ik heb u voorwaar alzoo geleerd. Daar is nog een andere versterking, te weten, dat zij het geloofd hadden: want indien zij nu zich het tegenovergestelde laten wijsmaken, zoo zijn zij van onstandvastigheid te bestraffen. De derde versterking is, dat zij dusver in zulk een standvastig geloof volhard hebben: hetwelk wat meer is dan eenmaal geloofd te hebben. Maar het voornaamste bovenal is, dat hij verkondigt, dat hun zaligheid daarin gelegen is: want hieruit volgt, dat zij geen godsdienst, geen zekerheid des geloofs, ja geen geloof meer hebben, wanneer de wederopstanding weggenomen is. Anderen nemen het woord staan, anders, te weten, voor opgehouden worden; maar de uitlegging, die ik gesteld heb, is juister.
2 Indien gij weet, hoe ik het, enz. Tenzij gij, enz. Deze twee uitzonderingen hebben prikkelen om te steken. Met de eerste hekelt hij hun onachtzaamheid en lichtvaardigheid: want zulk een lichtvaardige val was een bewijs, dat zij nooit gevat hadden wat hun geleerd was, of dat het een vergankelijke en ijdele kennis was, die zoo haastelijk verging. Met de ander vermaant hij, dat zij tevergeefs en nutteloos zichzelven tot Christus begeven hadden, zoo zij dit hoofdstuk niet vasthielden.
3 Want ik heb u ten eerste overgegeven. Nu bevestigt hij met verklaring, wat hij boven gezegd heeft, te weten, dat de wederopstanding van hem gepredikt is geweest, en dat als een voornaam hoofdstuk des Evangelies. Ten eerste, zegt hij, te weten, gelijk men pleegt het fundament te leggen, als men een huis bouwt. En hij vermeerdert ook mede de autoriteit zijner prediking, als hij zegt, dat hij geen ding hun overgegeven heeft, dan wat hij ontvangen had. Want hij wil niet alleen zeggen, dat hij verhaald heeft wat hij
250
1 CORINTHE 15:3â7.
van anderen gehoord had, maar wat van den Heere geboden was.
Want dit woord moet naar de omstandigheid der plaats uitgelegd worden. Het is eens apostels ambt, niets voort te brengen, dan wat hij van den Heere ontvangen heeft, opdat hij als van hand tot hand, het zuivere Woord Gods der gemeente toediene. Dat Christus is gestorven. Ziet, hier zegt hij duidelijker, waaruit hij 't genomen heeft: want hij neemt de Schriften tot getuigenis. Ten eerste meldt hij den dood van Christus, en ook de begrafenis, opdat wij verstaan zouden, dat Hij gelijk in deze dingen, alzoo ook in de wederopstanding ons gelijk is: zoo is Hij dan met ons gestorven, opdat wij met Hem wederopstaan. En in de begrafenis wordt de waarheid des doods beter uitgedrukt, in welken Hij gemeenschap met ons had. Nu, de dood en de wederopstanding van Christus is in vele plaatsen der Schrift voorzegd geweest: maar nergens duidelijker dan Jesaja 53, Daniël 9 : 26 en Psalm 22. Voor onze zonden. Dat is, opdat Hij onze vervloeking op Zich nemende, ons daarvan zou verlossen. Want wat was de dood van Christus anders dan een offerande om de zonden te verzoenen? dan een straf tot verzoening,
door welke wij met God mochten verzoend worden ? en anders dan verdoemenis van één, om ons vergeving te verkrijgen? Alzoo spreekt hij ook tot de Romeinen, hfdst. 4:25, maar daar stelt hij bij de wederopstanding haar vrucht, dat zij ons rechtvaardigheid geeft: Want gelijk de zonde door den dood van Christus is weggenomen, alzoo is de rechtvaardigheid door de wederopstanding verkregen. Deze onderscheiding moet men naarstig aanmerken, opdat wij weten, wat wij uit zijn dood en wat wij uit zijn wederopstanding moeten halen. Voorts, wanneer de Schrift ergens alleen den dood meldt, zoo zullen wij weten, dat de wederopstanding daar in den dood vervat wordt: maar als zij beide onderscheidenlijk genoemd worden, zoo is (gelijk wij zien) in den dood het begin onzer zaligheid, en in de wederopstanding de vervulling.
5 Dat Hij is gezien van Céfas. Nu brengt hij ook getuigen voort, die het met hun eigen oogen gezien hebben, gelijk Lukas zegt, die datzelve volmaakt gezien hebben wat de Schriften voor- Luk. i: 2. zegd hadden, dat geschieden zou. Nochtans telt hij ze niet allen op, want hij gaat de vrouwen voorbij. Zoo dan, als hij zegt, dat Hij eerst Petrus is verschenen, zoo moet men verstaan, dat Petrus voor alle mannen wordt gesteld: en hier is niet tegen wat Markus verhaalt, dat Hij Maria eerst is verschenen. Maar hoe zegt hij, dat Hij Mark-16:9-van de twaalven is gezien, dewijl na Judas' dood niet meer dan elf waren? Chrysostomus meent, dat dit geschied is, toen Matthias reeds in Judas' plaats verordend was: anderen hebben dit liever willen verbeteren, alsof het een feil ware. Maar dewijl wij weten, dat het getal twaalf door des Heeren inzetting is verordend en geheiligd geweest,
zoo is het geen wonder, dat diezelfde uitdrukking gebleven is, hoewel één daaruit gevallen was. Naar dezelfde wijze werden te Rome honderd mannen genoemd, die nochtans honderd en twee waren:
want het gebruik van die zegswijze was in gewoonte geraakt. Zoo zal men dan het woordje twaalf, hier eenvoudig nemen voor de uitverkoren apostelen. Wanneer de verschijning geschied is aan meer dan vijfhonderd broederen, is niet genoeg openbaar, tenzij mogelijk zulk een groote menigte verzameld was te Jeruzalem, toen Hij Zich daar vertoonde. Want Lukas noemt ze in 't gemeen dis-Luk. 24:33.
251
1 CORINTHE 15:7â9.
cipelen, die met de twaalven verzameld waren, en zegt niet hoeveel zij geweest zijn. Chrysostomus duidt het op de hemelvaart, en éicamp;vu. voor het Grieksche woordje, waarvoor wij stellen: meer dan, stelt hij: van boven. Voorwaar, dat hij zegt, dat Hij aan Jakobus bijzonder verschenen is, dat mag na de hemelvaart geschied zijn. Als hij zegt: al de apostelen, daardoor versta ik niet alleen de twaalven, maar ook die discipelen, dien het leerambt opgelegd was. Dewijl de Heere door zoovele oogen en zoo dikwijls zijn wederopstanding heeft willen betuigd hebben, zoo moeten wij weten, dat het geloof daaromtrent zooveel te zekerder bij ons behoort te zijn: en dewijl Paulus de wederopstanding van Christus hiermede bewijst, zoo geeft hij daarmede te kennen, dat zij niet is geweest allegorisch, maar natuurlijk en waarachtig: want de oogen kunnen geene getuigen zijn van een geestelijke wederopstanding.
8 Ten laatste ook mij als van een ontijdig geborene. Nu telt hij zichzelven ook onder de anderen: want Christus was hem levend en glorieus vertoond. En dewijl het geen bedriegelijk gezicht was, zoo moest het ook dienen om het geloof der wederopstanding te bevestigen: gelijk hij ook in de Handelingen der Apostelen dat-
Hand.26;8,9. zelfde bewijs gebruikt. Maar dewijl het niet weinig tot de zaak diende, dat zijn autoriteit bij de Corinthiërs zeer groot ware, zoo stelt hij met korte woorden hierbij, een lof op zijn persoon, doch hij matigt dien alzoo, dat hij zichzelven veel toeschrijvende, nochtans zeer zedig is. Zoo dan, opdat niemand hem mocht tegenwerpen: Wie zijt gij, opdat wij u geloovenr zoo belijdt hij vanzelf zijn onwaardigheid. En ten eerste vergelijkt hij zichzelven met een die ontijdig geboren is, en dat (gelijk ik meen) om zijn haastige bekeering. Want gelijk de kinderkens niet eerder uit den buik huns moeders komen, dan als zij door behoorlijken tijd daarin geformeerd en versterkt zijn geweest, alzoo heeft de Heere behoorlijke orde des tijds gehouden in het stellen, opbrengen en vormen zijner apostelen: maar Paulus werd uit den buik geworpen, toen hij nauwelijks den adem des levens ontvangen had. Anderen nemen het ontijdig geboren, voor, na des vaders dood geboren; maar het eerste komt veel beter overeen, want hij is in een oogenblik tijds geschapen en geboren, en een volwassen man geworden. Deze ontijdige geboorte maakt de genade Gods in Paulus grooter, dan of hij door langheid des tijds en allengskens van trap tot trap in Christus opgewassen ware.
9 Want ik ben de allerminste. Het is onzeker, of de kwaadwillige menschen dit gezegd hebben om zijn geloof te verkleinen, of dat hij deze belijdenis vanzelf zonder eenige aanleiding gedaan heeft. Gelijk ik niet twijfel, dat hij vanzelf en ook gaarne altijd genegen is geweest om zichzelven te vernederen, en om de genade Gods te verheffen, alzoo denk ik, dat hij te dezer plaatse de valsche beschuldigingen heeft willen voorkomen. Want dat te Corinthe sommigen waren, die met lasteren zijn waardigheid zochten te verkorten, dat mag men uit vele voorgaande plaatsen opmaken, en ook daaruit, dat hij weinig hierna een vergelijking zal stellen, welke hij voorwaar nimmermeer zou aangeroerd hebben, was hij niet door de ongeschiktheid van sommige menschen daartoe gedrongen geweest, even alsof hij zeide: Vernedert mij zooveel gij wilt, ik zal dulden, dat ik beneden de aarde geworpen word, ik zal dulden, dat ik niets ben,
252
1 CORINTHE 15:9, 10.
opdat de goedheid Gods over mij te meer openbaar worde, zoo laat mij dan voor den minsten der apostelen geacht worden; ja, ik beken, dat ik zelfs ook dezen rang onwaardig ben. Want door wat verdiensten heb ik daartoe kunnen komen ? Wat verdiende ik, toen ik de gemeente Gods vervolgde ? Doch gij moet mij niet waardeeren naar mijn eigen onwaardigheid; want de Heere heeft ook niet aangezien hoedanig ik was, maar heeft mij door zijn genade tot een ander mensch gemaakt. De inhoud is, dat Paulus niet ontkent, dat hij de allersnoodste en bijna niets is, voorzoover deze versmaad-heid hem niet hindert in zijnen dienst, en zijn leer niet verkort.
Hij is tevreden met opzicht op zichzelven, alle eer onwaardig geacht te worden, inzooverre maar zijn apostelschap ten aanzien van de genade, die hem gegeven was, aangeprezen wordt. En voorwaar, God had hem niet daarom met zulke uitnemende gaven versierd, opdat zijn genade zou begraven en vergeten liggen, maar Hij heeft zijn apostelschap voornaam en dierbaar willen maken.
io En zijn genade, die mij gegeven is, is niet ijdel in mü geweest. Zij, die den vrijen wil stellen tegen de genade Gods, opdat al het goed, dat wij doen, niet ganschelijk en geheel de genade toekome, verdraaien deze woorden naar hunnen zin, even alsof Paulus roemde, dat hij door zijn eigen vernuft en macht gezorgd had, dat God zijn genade niet kwalijk aan hem besteed had: en daarom besluiten zij, dat God wel de genade geeft, maar dat het rechte gebruik daarvan in des menschen macht is, en dat het ook aan hem staat, dat zij niet onnut en ledig blijve. Maar ik zeg, dat hun dwaling door deze woorden van Paulus niet bevestigd wordt:
want hij schrijft zichzelven hier niet iets eigens toe, even alsof hij zonder God iets lofwaardigs gedaan had. Wat zegt hij dan? dit namelijk, opdat niet schijne, dat hij zonder grond alleen met woorden roemt, en de zaak zelve niet te hebben, zoo zegt hij, dat hij niets voortbrengt, dat niet openlijk gezien wordt. Bovendien,
of ik schoon bekende, dat met deze woorden te kennen gegeven wordt, dat Paulus de genade Gods niet misbruikt, noch door zijn luiheid onnut gemaakt heeft, zoo zeg ik nochtans, dat dit geen oorzaak is om den lof tusschen God en hem te deelen, die geheel Gode toekomt, dewijl Hij niet alleen de macht om goed te doen,
maar ook den wil en het werk ons geeft. Maar heb overvloediger, fu. 2;i3. Sommigen duiden dit op de pochers, die Paulus verkleinden, en zichzelven en hunne goede werken voorstelden: omdat het (immers naar hun meening) niet waarschijnlijk was, dat hij tegen de apostelen zou hebben willen strijden. Maar dat hij zichzelven met de apostelen vergelijkt, dat doet hij alleen terwille van de ongeschikte menschen, die de apostelen tegen Paulus stelden, om zijnen naam te verdrukken, gelijk wij zien in den zendbrief aan de Galaten. Zoo Gal-1:11-is het dan veel waarschijnlijker, dat hij van de apostelen spreekt,
als hij zijn arbeid stelt tegen den hunnen; en het is zeker en vast,
dat hij boven de anderen geweest is; niet alleen vele zwarigheden dragende, velen gevaren onderworpen zijnde, van geoorloofde dingen zich onthoudende, standvastig alle vreeselijkheden verachtende, maar ook omdat de Heere aan zijn arbeid overvloediger voortgang gaf:
want ik neem den arbeid voor de vrucht des arbeids, die daaruit voortkwam. Niet ik, maar de genade, die met mij was. De oude overzetter heeft, het lidwoord weglatende, aan hen, die in de yr
253
1 CORINTHE 15: 10, 11.
Grieksche taal onwetend zijn, oorzaak tot dwaling gegeven. Want dewijl hij het overgezet had: Niet ik, maar de genade Gods met mü, zoo hebben zij gemeend, dat alleen de halve lof aan de genade Gods toegeschreven wordt, en dat de andere helft den mensch gegeven wordt. Zoo verstaan zij dan, dat Paulus niet alleen gearbeid heeft, dewijl hij niets gedaan heeft dan met medewerking der genade; nochtans dat hij uit eigen beweging van zijn vrijen wil, en door zijn eigen kracht gearbeid heeft. Maar zijne woorden luiden veel anders: want wat hij gezegd had zijne te wezen, dat heeft hij hier bijwijze van verbetering geheel der genade Gods toegeschreven, geheel zeg ik, en niet voor een deel. Want al wat hij scheen gedaan te hebben, betuigt hij geheel een werk der genade te zijn. Dit is voorwaar een bijzonder schoone plaats, beide om der menschen hoovaardigheid neder te werpen, en om de werking der genade Gods in ons te verheerlijken: want even alsof Paulus oneigenlijk eenig goed werk zichzelven toegeschreven had, zoo verbetert hij wat hij gezegd heeft, en betuigt, dat de genade Gods het al gedaan heeft. Wij zullen niet denken, dat dit een ijdele voorgeving van ootmoedigheid is, hij spreekt alzoo van harte, en omdat hij het bekent waarachtig te zijn. Zoo zullen wij dan leeren, dat wij alleen niet meer goeds hebben, dan wat de Heere zelve onverdiend gegeven heeft, en dat wij niet meer goeds doen, dan wat Hij zelve in ons doet: niet omdat wij zelf niets doen, maar omdat wij niets doen dan gedreven, dat is, door de beweging en ingeving des Heiligen Geestes.
11 Zoo dan, hetzij ik of zij, wij verkondigen alzoo, en gij hebt alzoo geloofd.
12 En indien Christus verkondigd wordt van de dooden opgewekt te zijn, hoe zeggen sommigen, dat daar geen wederopstanding der dooden is?
13 Indien er geen wederopstanding der dooden is, zoo is ook Christus niet wederopgestaan.
14 Indien Christus niet is wederopgestaan, zoo is dan onze prediking ijdel, en uw geloof is ijdel.
15 En wij worden ook valsche getuigen Gods bevonden; want wij hebben betuigd van Godswege, dat Hij Christus heeft wederopgewekt, dien Hij niet wederopgewekt heeft, indien de dooden niet wederopstaan.
16 Want indien de dooden niet wederopstaan, zoo is ook Christus niet wederopgestaan.
17 En indien Christus niet is wederopgestaan, zoo is uw geloof ijdel, en gij zijt nog in uwe zonden.
18 Zoo zijn dan verloren, die in Christus ontslapen zijn.
19 Indien wij alleen in dit tegenwoordige leven op Christus hopen, zoo zijn wij de allerellendigste aller menschen.
ii Hetzjj ik of zij. Als hij zichzelven met de andere apostelen vergeleken heeft, zoo vereenigt hij zichzelven met hen, en wederom hen met zich in de eendrachtigheid der prediking, alsof hij zeide: Ik zwijg nu van mijzelven, wij hebben allen eendrachtiglijk alzoo geleerd, en blijven ook nog leeren. Want hij heeft het woord verkondigen gesteld in tegenwoordigen tijd, waarmede hij een gedurige
254
1 CORINTHE 15 : 11â15.
werking zonder ophouden, en een volharding in het leeren beduidt. Zoo dan, ons apostelschap gaat onder, zoo het anders toegaat; ja, gij hebt het ook alzoo geloofd, zoo vervalt dan ook uw godsdienst.
12 En indien Christus. Nu begint hij uit de wederopstanding van Christus, ons aller wederopstanding te bevestigen. Want de gevolgtrekking is goed van het een uit het ander, zoowel bevestigend als ontkennend. Van Christus op ons, aldus: Zoo Christus is wederopgestaan, zoo zullen wij wederopstaan: zoo Christus niet is wederopgestaan, zoo zullen wij ook niet wederopstaan. En nu van ons op Christus: Zoo wij wederopstaan, zoo is Christus wederopgestaan : zoo wij niet wederopstaan, zoo is ook Christus niet wederopgestaan. De grond van dit besluit van Christus op ons in de eerste sluitrede, is deze: Christus is niet voor Zichzelven gestorven en wederopgestaan, maar voor ons: zoo is dan zijn wederopstanding een fundament onzer wederopstanding, en wat in Hem geschied is, dat moet ook in ons volbracht worden. En in de andere, te weten, in de ontkennende sluitrede is dit de grond: Hij zou anders tevergeefs en zonder vrucht wederopgestaan hebben: want men moet de vrucht daarvan niet in zijn persoon zoeken, maar in de leden. Wederom, de grond van het eerste besluit van ons op Hem, is deze: De wederopstanding is niet uit de natuur, noch van elders, maar van Christus alleen. Want in Adam sterven wij, en verkrijgen het leven niet anders dan in Christus. Waaruit volgt, dat zijn wederopstanding het fundament is onzer wederopstanding, zonder welke zij niet kan zijn. De grond der ontkennende sluitrede is reeds gezegd, te weten, dewijl Hij niet anders dan om onzentwil moest wederopstaan, zoo zou zijn wederopstanding niets zijn, zoo zij ons niet bevorderlijk ware.
14 Zoo is dan onze prediking ijdel. Te weten, niet alleen, omdat daar eenige leugen in vermengd zou zijn, maar omdat zij geheel een ijdel bedrog zou zijn. Want zoo Christus van den dood is verslonden geweest, zoo Hij is teniet geworden; zoo Hij door de vervloeking der zonde onderdrukt is geworden, eindelijk, zoo Hij van den satan is overwonnen geworden, wat blijft daar over ? Eindelijk, wanneer dit hoofdstuk is omgestooten, zoo zullen alle andere dingen van geene waarde wezen. Op dienzelfden grond stelt hij ook daarbij, dat hun geloof ijdel zou wezen. Want wat vastigheid des geloofs zal daar wezen, waar geen hope des levens zal gezien worden? Nu, in den naakten dood van Christus wordt alleen oorzaak van vertwijfeling gezien, want die van den dood ganschelijk overwonnen is, die kan den ander geen zaligheid geven. Zoo zullen wij dan gedenken, dat in den dood en de wederopstanding van Christus, voornamelijk het gansche Evangelie gelegen is: opdat wij ons hierin bovenal zouden oefenen, zoo wij behoorlijk en ordelijk voortgang in het Evangelie willen maken, ja, zoo wij niet ijdel en onvruchtbaar willen blijven.
ïS Wij worden ook valsche getuigen Gods bevonden. Die andere ongerieven, die hij nu verhaald heeft, waren zwaarder met het oog op ons, te weten, dat het geloof teniet werd, dat de gansche leer des Evangelies tevergeefs en onnut was, dat wij alle hoop der zaligheid verloren hadden: toch is dit ook geen kleine ongeschiktheid, dat de apostelen, die van God verordend waren, tot verkondiging zijner eeuwige waarheid, zouden bevonden worden de
255
1 CORINTHE 15 : 15â19.
wereld met leugenen bedrogen te hebben: want dit gedijt tot over-grooten laster Gods. Deze woorden, valsche getuigen Gods, kunnen wij tweeërlei wijze verstaan, te weten, dat zij in hunne leugenen den naam Gods valschelijk voorgewend hebben, of dat zij, getuigende wat zij van God ontvangen hadden, leugenachtig bevonden worden. Dit laatste behaagt mij daarom 't best, omdat het veel gruwelijker is, en hij heeft hierboven van de menschen gesproken. Zoo vermaant hij dan nu, dat God in de getuigen, die Hij voortgebracht en verordend heeft, van leugen beschuldigd wordt, zoo men de wederopstanding van Christus loochent. De reden, die daarbij-gesteld wordt, past ook wel, te weten, omdat zij niet uit zichzelven, maar uit God leugenen zouden getuigd hebben. Het is mij ook niet â acltx. verborgen, dat het woordje, dat wij overgezet hebben van Godswege, van anderen anders uitgelegd wordt. De oude overzetter stelt; tegen God, Erasmus zegt: van God. Maar dewijl het Griek-sche woordje ook somtijds alzoo genomen wordt, gelijk wij het gesteld hebben, zoo heeft mij dezen zin geschenen 't best met des apostels voornemen overeen te komen. Want hij handelt hier niet van de achting bij de menschen (gelijk ik reeds gezegd heb) maar dat God alzoo beschuldigd zou worden met lastering der valschheid, nademaal wat zij verkondigen, van Hem gekomen is.
17 Gij zrjt nog in uwe zonden. Want hoewel Christus onze zonden door zijn dood verzoend heeft, opdat zij ons niet meer in Gods oordeel toegerekend worden, en onzen ouden mensch gekruisigd heeft, opdat zijn begeerlijkheden niet meer in ons regeeren, en ten slotte door den dood het geweld des doods en den duivel zeiven heeft teniet gedaan: nochtans zou van dit alles niets zijn, was Hij niet wederopstaande, als overwinnaar te voorschijn gekomen. Zoo dan, wanneer de wederopstanding weggenomen wordt, zoo wordt de heerschappij der zonde van nieuws aan weder opgericht.
18 Zoo zijn dan verloren. Als hij wilde bewijzen, dat het geloof onnut, en het Christendom enkel bedriegerij was, zoo de wederopstanding te niet ware, zoo zeide hij, dat zij levende in hunne zonden bleven. Maar dewijl'hiervan een helderder spiegel is in de dooden, zoo stelt hij die voor oogen, te weten, wat voordeel het den dooden is, dat zij voortijds Christenen geweest zijn? zoo hebben dan onze broeders, die nu gestorven zijn, tevergeefs in geloof op Christus geleefd. Maar als men toegeeft, dat de ziel een onsterfelijk wezen heeft, zoo schijnt dit bewijs ten eerste zwak te zijn: want men kan lichtelijk daartegen zeggen, dat de dooden niet te niet zijn, dewijl hunne zielen van het lichaam gescheiden leven: waaruit sommige razende geesten besluiten, dat in den middeltijd tusschen den dood en de wederopstanding geen leven is: maar hun razernij wordt lichtelijk wederlegd. Want hoewel de zielen der dooden nu leven, en zalige rust genieten, zoo is nochtans al hun geluk en troost in de wederopstanding gelegen: want zij niet anders wel zijn, dan zoo verre zij dien dag verwachten, in welken zij zullen geroepen worden om het rijk Gods te bezitten: daarom is de hoop der dooden verloren, tenzij die dag eenmaal kome.
19 Indien wij alleen in dit tegenwoordig leven. Dit is een andere ongerijmdheid, te weten, dat wij, als wij gelooven, niet alleen arbeid en moeite verliezen, dewijl de vrucht in den dood vergaat, maar dat het ook beter is niet te gelooven: want de staat der
256
1 CORINTHE 15 : 19.
ongeloovigen zou het best en meest te begeeren zijn. In deze wereld gelooven, beteekent hier de vrucht onzes geloofs in deze wereld stellen, zoodat ons geloof niet hooger ziet, noch buiten de palen des tegen-woordigen levens zich strekt. Deze uitspraak geeft klaarlijk te kennen, dat de Corinthiërs ganschelijk bedrogen zijn geweest door eenige verkeerde verdichting der allegorische wederopstanding, gelijk Hy-meneüs en Filetus toen verdichtten, alsof wij de laatste vrucht onzes geloofs in de wereld genoten. Want dewijl de wederopstanding een vervulling en volbrenging is onzer zaligheid, en als het laatste oogmerk alles goeds, zoo laat die ons niet wat beters na den dood hopen, die zegt, dat wij nu wederopgestaan zijn. Hoe het zij, deze plaats bevestigt geenszins dier menschen razernij, die dichten, dat de zielen met de lichamen slapen tot den dag der wederopstanding: want wat zij zeggen: ware het dat de zielen van de lichamen gescheiden, hun leven behielden, zoo zou Paulus niet gezegd hebben, dat wij,
wanneer de wederopstanding weggenomen wordt, alleenlijk in deze wereld hopen, dewijl de zielen nog eenige zaligheid behouden. Ik antwoord hierop, dat Paulus niet gedroomd heeft van Elyzeesche velden, of van dergelijke ongeschikte fabelen, maar dat hij voor klaar en bekend gesteld heeft, dat de gansche hope der Christenen ziet op den laatsten dag des oordeels: en dat de godzalige zielen nu ook in diezelfde verwachting tevreden en gerust zijn: en dat wij daarom alle ding verliezen, zoo wij door zulke hope bedrogen worden.
257
Maar waarom zegt hij, dat wij zijn de ellendigsten aller menschen, alsof het lot van den Christenmensch snooder en erger ware dan van den goddelooze? Want Salomo zegt: dat eenerlei den goe-1'1'6'!- 9:2-den en den boozen wedervaart. Ik antwoord, dat alle sterfelijke menschen, goede en kwade, even gelijk den gemeenen ellendigheden onderworpen zijn: en dat zij datzelfde ongerief en diezelfde ellendigheden even gelijk in 't gemeen gevoelen: maar daar zijn twee redenen, waarom het ten allen tijde kwalijker gaat met de Christenen, en ook ééne, die eigen is geweest aan den tijd van Paulus. De eerste is, dat de Heere, hoewel Hij de goddeloozen dikmaals met zijn geeselen straft, en zijn oordeelen tegen hen begint te gebruiken in deze wereld, zoo bezoekt Hij nochtans de zijnen met menigerlei verdrukking: ten eerste, omdat Hij kastijdt degenen, die Hij liefheeft; ten andere, opdat Hij ze tot lijdzaamheid onderwijze, en dat Hij 1,CU)' hun gehoorzaamheid beproeve, opdat Hij ze allengskens door het kruis tot waarachtige vernieuwing bereide. Hoe het zij, zoo wordt nochtans dit in de geloovigen altijd volbracht: Het is tijd, dat het oordeel van het huis des Heeren beginne. Eveneens: Wij zijn geacht psAI':23. als schapen ter slachtbank verordend. Eveneens: Gij zijt gestorven, coi. 3:3. en uw leven is met Christus verborgen in God. Daarentusschen is der goddeloozen fortuin gemeenlijker beter, omdat de Heere ze als zwijnen mest tot den dag der slachting. De andere reden is, dat de geloovigen, al is het dat zij rijkdom en allerlei goed overvloedig hebben, zoo zijn zij nochtans niet overdadig, noch stoppen zichzelven niet vol gelijk menschen zonder zorg; eindelijk, zij gebruiken de wereld niet als de ongeloovigen: maar wandelen zorgvuldig, zonder ophouden zuchtende, eensdeels door de kennis hunner zwakheid, anderdeels door begeerte des toekomenden levens. Maar de ongeloovigen staan ganschelijk daarnaar, dat zij zichzelven in de tijdelijke wellusten dronken maken. De derde oorzaak, waarvan ik gezegd heb,
17
Dl. II.
1 CORINTHE 15 : IQâ22.
dat zij eigen is aan den tijd der apostelen, is, dat de naam der Christenen toen zoozeer gehaat en schandelijk geacht was, dat niemand zichzelven tot Christus kon begeven, zonder in zeker tegenwoordig gevaar te komen. Zoo is dan niet zonder oorzaak, dat hij zegt, dat de Christenen de allerellendigsten zouden wezen, zoo hun betrouwen in de wereld besloten ware.
20 Maar nu, Christus is wederopgestaan uit de dooden, en is de eersteling geweest dergenen, die ontslapen zijn;
21 Want dewijl de dood is door een mensch, zoo is ook de wederopstanding der dooden door een mensch.
22 Want gelijk alle menschen in Adam sterven, alzoo zullen zij in Christus allen levend gemaakt worden.
23 Doch een iegelijk in zijn eigen orde. De eersteling Christus, daarna die Christus toekomen in zijn toekomst.
24 Daarna het einde, als Hij het rijk zal overgegeven hebben Gode en den Vader, als Hij zal weggenomen hebben alle vorstendom, en alle macht, en alle kracht.
25 Want Hij moet regeeren, totdat Hij al de vijanden zijnen voeten onderworpen heeft.
26 De laatste vijand, die onderworpen zal worden, is de dood.
27 Want Hij heeft alles zijnen voeten onderworpen; dewijl Hij gezegd heeft, alles, zoo is het duidelijk, dat alles onderworpen is, uitgenomen Die, die Hem alles onderworpen heeft.
28 En als Hij Zich alles zal onderworpen hebben, dan zal ook de Zoon Dien onderworpen worden, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.
20 Maar nu, Christus is wederopgestaan. Als hij nu aangetoond heeft, wat groote ongeschiktheid en verwarring van alle dingen zou volgen, ware het dat wij ontkenden, dat de dooden weder-opstaan: zoo stelt hij nu wederom voor gewis en zeker, wat hij boven rijkelijk bewezen had, te weten, dat Christus is wederopgestaan, en zegt daarbij, dat Hij de eersteling is, nemende (gelijk het schijnt) een gelijkenis aan het oude gebruik der wet ontleend. Want gelijk de vrucht van het gansche jaar in de eerstelingen geheiligd werd, alzoo wordt de kracht der wederopstanding van Christus tot ons allen uitgebreid. Nochtans acht ik meer, dat het gezegd is, omdat de andere dooden Hem zullen volgen, gelijk de gansche oogst volgt na de eerstelingen, en dit bevestigt hij met de naastvolgende uitspraak.
21 Dewijl de dood is door een mensch. Hij moest bewijzen, dat Christus de eersteling is, en dat Hij niet alleen uit de dooden is opgewekt. Hij bewijst het uit tegenovergestelde dingen: want de dood is niet uit de natuur, maar uit de zonde des menschen: daarom gelijk Adam niet voor zichzelven alleen is gestorven, maar voor ons allen: alzoo volgt daaruit, dat ook Christus, die een voorbeeld is, niet voor Zichzelven alleen is wederopgestaan. Want Hij is gekomen om alles weder op te richten, wat in Adam gevallen was. Men moet de kracht van het bewijs aanmerken, want het strijdt niet met een gelijkenis of voorbeeld, maar steunt op tegenovergestelde oorzaken, tot bewijs van tegenovergestelde gevolgen. De oorzaak des doods is Adam, en wij sterven in hem: zoo is dan Christus ons een oorzaak
258
1 Petr. 1: 5.
Col. 1; 18. Openb. 1:5.
Gen. 2:17; 3:6.
Hom. 5:12; 6: 23.
2 Cor. 2: C.
Ps. 110:1. Hand. 2:34. Ef. 1:20. Col. 3:1. Hebr. 1:13; 10 :12.
Ps. 8 :7. Matt. 11:27; 28:18.
Ef. 1:22. Hebr. 2:8.
1 CORINTHE 15:22â24.
des levens, en zijn wederopstanding is de substantie en pand onzer wederopstanding: want Christus' ambt is, voor ons weder op te richten, wat wij in Adam verloren hadden. En gelijk Adam is het beginsel des doods, alzoo is Christus het beginsel des levens. In het vijfde hfdst. aan de Romeinen gebruikt hij diezelfde vergelijking,
maar met dit onderscheid, dat hij daar handelt van het geestelijke leven en den geestelijken dood: maar hier handelt hij van de wederopstanding des vleesches, welke de vrucht des geestelijken levens is.
23 Een iegelijk in zijn eigen orde. Dit is een voorkoming van een vraag. Iemand mocht gezegd hebben: zoo het leven van Christus ons leven medebrengt, waarom wordt dat niet gezien? Nu, waar Christus uit het graf is wederopgestaan, daar verrotten wij. Paulus antwoordt, dat God een andere orde gesteld heeft: zoo is het ons dan genoeg, dat wij nu in Christus de eerstelingen hebben, en zijn toekomst zal voor ons de tijd zijn om weder op te staan. Want ons leven moet nog met Hem verborgen zijn, want het is nog niet geopenbaard; daarom zou het een verkeerd ding zijn, dat men dien dag der openbaring van Christus wilde voorkomen.
24 Daarna het einde, als Hij het rijk zal overgeven. Hij heeft de ongeduldigheid der menschen bedwongen, als hij zegt, dat daar geen bekwame tijd des nieuwen levens zou wezen vóór de komst van Christus; maar dewijl deze wereld is gelijk een golvende zee,
waarin wij zonder ophouden op- en nederwaarts geworpen worden,
en onze staat zoo onzeker, of zoo stormachtig is, en daar zoo haastige veranderingen aller dingen zijn: zoo konden de zwakke gemoederen daardoor beroerd worden: daarom roept hij ze nu tot den dag, zeggende, dat dan alles zal in orde gesteld worden. Zoo zal alsdan het einde wezen, dat is het oogmerk van onzen loop, de haven der rust en de staat, die geen veranderingen meer onderworpen is:
en hij vermaant ook mede, dat wij dat einde moeten verwachten,
omdat het niet uitkomt, dat wij zouden midden in den loop gekroond worden. Voorts, hoe Christus den Vader het rijk zal overgeven, zal weinig hierna gezegd worden. Dat hij zegt: Gode en den Vader, dat kan tweëerlei zin hebben, te weten, dat God de Vader genoemd wordt God en Vader van Christus, of dat het woord Vader, tot verklaring daarbij is gesteld. En het woordje en zal naar dezen zin zooveel zijn als te weten. Zooveel den eersten zin aangaat, het is niet vreemd, noch ongewoon, dat Christus naar de menschelijke natuur Gode onderworpen is. Als Hij zal weggenomen hebben alle vorstendom. Sommigen verstaan het van de machten, die Christus tegen zijn. Want zij zien op wat terstond daarna volgt:
Totdat Hij alle vijanden zynen voeten onderworpen heeft. Maar deze woorden passen op de voorgaande, waar hij zeide, dat Christus niet eerder het Koninkrijk zal overgeven: daarom is het niet noodig de tegenwoordige uitspraak alzoo te beperken. Zoo dan, ik leg het uit in het breede, en vervat daaronder de behoorlijke machten van God verordend. Ten eerste, wijl bij de profeten staat van Jes^is
de verduistering der zon en maan, opdat God alleen de overste zij, z ⢠⢠⢠hoewel het is begonnen in het rijk van Christus volbracht te worden, zoo zal het nochtans vóór den laatsten dag niet ganschelijk volbracht worden: maar dan moet alle hoogheid ophouden, opdat de heerlijkheid Gods alleen haren schijn geve. Bovendien weten wij, dat alle aardsche machten en heerlijkheden alleen dienen tot
259
1 CORINTHE 15:24â26.
bewaring des tegenwoordigen levens, en dat zij daarom zijn een deel der wereld: hieruit volgt, dat zij tijdelijk zijn. Daarom gelijk de wereld een einde zal nemen: alzoo zal ook de staat en overheid, en de wetten, en de onderscheidingen der orden, en de graden der heerlijkheden, en al wat dies meer zij, een einde nemen: er zal geen onderscheid meer zijn tusschen den heer en den knecht, tusschen den koning en den gemeenen man, tusschen de overheid en een particulier. Ja, ook in den hemel zullen de heerschappijen der engelen, en in de gemeente de diensten ophouden, opdat God alleen door Zich-zelven, en niet door der menschen of der engelen handen zijn macht en heerschappij bewijze. De engelen zullen wel blijven, en zij zullen Matt. 13:43. wel hun uitnemendheid behouden, , de rechtvaardigen zullen ook blinken, een iegelijk naar de mate zijner genade: maar de engelen zullen die heerschappij kwijt worden, die zij nu in den naam en op het bevel Gods bedienen: de ouderlingen, leeraars en profeten zullen niet langer dezen stand dragen, en zullen dat ambt afleggen, dat zij nu bedienen. Tusschen de woorden, vorstendom, macht en kracht, is te dezer plaats geen groot verschil, maar deze drie woorden zijn bijeengevoegd tot krachtiger beteekenis.
25 Want Hij moet regeeren. Hij bewijst, dat de tijd nog niet gekomen is, in welken Christus het koninkrijk den Vader zal overgeven, opdat hij ook meteen leere, dat dit einde nog niet gekomen is, in welke alles in behoorlijken en gerusten stand gesteld zal worden : want Christus heeft nog niet alle zijne vijanden onderworpen. En
Ps. 110:1. dit moet geschieden, omdat de Vader Hem met deze voorwaarde Haud. 2 34. aan zijn rechterhand gesteld heeft, dat Hij die heerschappij, die Hij aangenomen heeft, niet verlate, eer Hij ze zijner macht onderworpen heeft. En dit is gezegd tot vertroosting der godzaligen, opdat zij de komst der wederopstanding niet met onlijdzaamheid verwachten, welke schijnt langzaam te komen. Deze plaats staat in Ps. 110:1. Maar Paulus schijnt het woordje totdat scherpzinniger te gebruiken, dan de eenvoudige en natuurlijke zin eischt. Want de Geest verkondigt daar niet wat daarna zal geschieden, maar alleen wat eerst moet geschieden. Ik antwoord, dat Paulus niet daarom besluit, dat Christus den Vader het koninkrijk zal overgeven, omdat het alzoo in de psalmen voorzegd is: maar hij heeft het getuigenis van dezen psalm alleen tot dit einde gebruikt, opdat Hij zou bewijzen, dat de dag om het koninkrijk over te geven nog niet gekomen is, dewijl Christus nog tegen zijn vijanden te handelen heeft. Voorts, Paulus heeft hier als in het voorbijgaan verklaard, wat het is ter rechterhand des Vaders zitten, dewijl hij voor die oneigenlijke spreekwijze stelt het eenvoudige woord regeeren.
26 De laatste vijand, die. Wij zien, dat nog vele vijanden Christus tegen zijn, en hardnekkig zijn koninkrijk wederstaan, en de dood zal de laatste vijand wezen, die vernietigd zal worden: zoo moet dan Christus nog het rijk des Vaders bedienen. Daarom zullen de ge-loovigen goedsmoeds wezen, en in de hope niet bezwijken, totdat alle dingen vervuld worden, die de wederopstanding moeten voorafgaan. Hier wordt gevraagd, hoe hij zegt, dat de dood in het allerlaatst teniet gemaakt zal worden, welke nu door den dood van Christus is teniet gebracht, of immers door zijn wederopstanding, welke is de overwinning des doods en de verkrijging des levens. Ik antwoord, dat hij alzoo is teniet gemaakt, dat hij den geloovigen niet meer doodelijk
260
1 CORINTHE 15:26, 27.
is, maar niet alzoo, dat hij hun geen zwarigheid meer aandoet. De Geest Gods, die in ons woont, is wel een leven, doch wij dragen nog een sterfelijk lichaam. De oorzaak des doods zal eens in ons geëindigd worden, maar zij is nog niet geëindigd. Wij zijn wedergeboren uit onster- iPetr. i:23. felijk zaad: maar zijn nog niet tot volmaaktheid gekomen, of om de zaak kortelijk in een gelijkenis samen te vatten, het zwaard des doods, hetwelk tot in het hart kon doordringen, is stomp geworden, doch het maakt nog wonden, maar zonder gevaar, want wij sterven wel, maar ^ ^ stervende gaan wij door den dood tot het leven. Eindelijk, gelijk Paulus ergens leert van de zonde, alzoo moet men ook van den dood gevoelen,
te weten, dat hij wel in ons woont, maar geen heerschappij heeft.
27 Hij heeft alles zijnen voeten onderworpen. Men meent, dat dit getuigenis genomen is uit Ps. 8:7, en het mishaagt mij niet,
hoewel het geenszins ongeschikt zou zijn, zoo wij zeiden, dat Paulus deze uitspraak vergaderd had uit de natuur van het rijk van Christus; maar laat ons dat volgen, wat het meest aangenomen is.
Paulus toont uit den Psalm aan, dat God de Vader de macht aller dingen aan Christus heeft overgegeven, dewijl daar gezegd wordt:
Gij hebt alle dingen zijnen voeten onderworpen. De woorden zijn in zichzelven klaar, waren daar niet twee zwarigheden, te weten, dat de profeet daar niet van Christus alleen, maar van het gansche men-schelijk geslacht spreekt, en dat hij met het woord alle, alleen die dingen beteekent, die tot het gebruik des lichamelijken levens dienen,
gelijk daar staat Gen. 2 : 19. De eerste zwarigheid kan men lichtelijk wegnemen; want dewijl Christus is de eerstgeborene aller creaturen, coi. i:i5. en de erfgenaam van alles, zoo heeft God de Vader het gebruik aller e r' creaturen aan het menschelijk geslacht niet alzoo gegeven, dat daar-entusschen de voornaamste macht, en om zoo te zeggen, de rechte heerschappij niet bij Christus zou blijven. Bovendien weten wij, dat Adam dat recht heeft verloren, dat hem gegeven was, zoodat wij niet meer kunnen zeggen iets onze te zijn. Want de aarde was vervloekt, en al wat daarin is, en door Christus alleen verkrijgen wij wat ons genomen was. Zoo moet dan dit getuigenis, dat de Vader alles zijnen voeten onderworpen heeft, terecht eigenlijk aan den persoon van Christus toekomen: want van rechtswege bezitten wij niets dan in Hem alleen. Want vanwaar komt ons de erfenis Gods,
tenzij wij kinderen zijn? en door wien worden wij kinderen, dan door Christus ? De tweede zwarigheid wordt aldus weggenomen: De profetie heeft bijname uitgedrukt de vogelen der lucht, de vis-schen der zee, de dieren der aarde, omdat zulke heerschappij zienlijk, en den oogen beter openbaar is, toch strekt de gewone uitspraak wijder, te weten, tot den hemel en de aarde, en al wat daarin vervat is. Nu moet de onderwerping overeenkomstig zijn met den persoon, die de heerschappij heeft, dat is, zij moet aan zijn staat gelijkvormig zijn, opdat zij daarmede overeenkome. Nu,
Christus heeft geene dieren noodig om te eten, noch andere creaturen tot eenige noodzakelijkheid: zoo heeft Hij dan de heerschappij, opdat alle dingen zijner heerlijkheid dienen: dewijl Hij ons aanneemt tot medegenooten zijner heerschappij, zoo wordt de vrucht daarvan openlijk gezien in de zienlijke creaturen, maar de geloovigen voelen inwendige vrucht in hunne conscientiën, welke verder strekt, gelijk ik gezegd heb. Dat alles onderworpen is, uitgenomen Die. Hij stelt twee dingen, te weten, dat alles Christus
261
1 CORINTHE 15 : 27, 28.
moet onderworpen worden, eer Hij de heerschappij der wereld den Vader overgeve, en dat de Vader alzoo alles den Zoon in de hand gegeven heeft, dat Hij het opperste recht voor Zichzelven behoudt. Uit het eerste volgt, dat de ure van het laatste oordeel nog niet gekomen is, en uit het tweede volgt, dat Christus nu alzoo een middel tusschen ons en den Vader is, dat Hij ons in het einde tot Hem brengt. Daarom zegt hij terstond daarna, als Hij Zich alles zal onderworpen hebben, dan zal ook de Zoon zelf Zichzelven den Vader onderwerpen, alsof hij zeide: Laat ons met goeden moed verwachten, totdat Christus al zijne vijanden overwonnen hebbende, ons met Zich onder de heerschappij Gods brenge, opdat het koninkrijk Gods alleszins in ons vervuld worde. Maar tegen deze plaats schijnt te strijden, wat alom in de Schrift gelezen wordt van de eeuwigheid van het koninkrijk van Christus. Want hoe zullen Luk. i:33. deze uitspraken overeenkomen: Zijn koninkrijk zal geen einde hebben, en: Hij zelf zal ook onderworpen worden? De verklaring dezer vraag zal den zin van Paulus beter openen. Ten eerste moet men aanmerken, dat alle macht Christus was gegeven^zooverre Hij in het vleesch geopenbaard was. Het is wel waar, zulke groote majesteit zal den blooten mensch niet betamen: nochtans in dezelfde natuur, in welke Hij vernederd was, heeft Hem de Vader verheven, rü. 2:9, io. en een naam gegeven, voor welken alle knie zou gebogen worden,
enz. Bovendien moet men ook aanmerken, dat Hij alzoo Heere en 2. opperste Koning is gesteld, dat Hij in het regeereiTcler wereld is ^ als des Vaders Stedehouder: niet dat Hij in het werk is en de Luk. ii:49. Vader ledig (want hoe zou dat geschieden, dewijl Hij des Vaders Vcor.1! ft wijsheid en raad is, dewijl Hij van hetzelfde wezen met den Vader, Heigt;r. i:3. ja, God zelf is?) Maar de Schrift betuigt daarom, dat Christus nu in des Vaders plaats de heerschappij des hemels en der aarde heeft, opdat wij geen anderen regeerder, heer, beschermer, of richter der levenden en der dooden bedenken, maar op Hem alleen blijven zien. jWij bekennen wel, dat God de regeerder is, maar in het aangezicht van den mensch Christus: en alsdan zal Christus dat koninkrijk wederom overgeven, dat Hij ontvangen heeft, opdat wij volkomen aan God hangenj en Hij zal niet alzoo het koninkrijk van Hem overgeven, maar zal het eenigszins van zijn menschheid tot de heerlijke Godheid brengen: want dan zal de toegang open zijn, van welken wij nu door onze zwakheid verhinderd zijn. Zoo zal dan Christus alzoo den Vader onderworpen worden, omdat wij dan gelijk in de wegneming des deksels openlijk God zullen zien in .zijn majesteit regeerende, en de menschheid van Christus zal 4' niet meer tusschenbeide wezen om ons van breeder aanschouwing
v Gods te verhinderen.
28 Opdat God zij alles in allen. Zal Hij ook alles wezen in de duivelen en goddeloozen? Neen, tenzij men het woordje zijn, wil nemen voor bekend worden, en openlyk gezien worden, en dan zal de zin wezen: Nu, dewijl de duivel Gode wederstaat, dewijl de goddeloozen de orde van God ingesteld, verwarren en vermengen, dewijl daar ontallijk vele ergernissen voor onze oogen zijn, zoo wordt het niet duidelijk gezien, dat God is alles in allen: maar als Christus het oordeel. Hem van den Vader bevolen, zal gehouden hebben, en den duivel en al de goddeloozen onderworpen hebben, zoo zal in hun verderf de heerlijkheid Gods gezien worden. Ditzelfde
262
1 CORINTHE 15 : 28, 29.
kan men ook zeggen van de heilige en behoorlijke machten in haar soort. Want zij verhinderen ons eenigszins, dat God in Zichzelven ons nu niet duidelijk verschijne. Maar dan zal God door Zichzelven en zonder middel den hemel en de aarde regeerende, alles wezen in dezen deele: en alzoo ook ten laatste in allen, niet alleen in alle personen, maar ook in alle creaturen. Dit is een godzalige zin, en dewijl hij bekwamelijk genoeg met des apostels voornemen overeenkomt, zoo neem ik dien gaarne aan. Doch het zal ook niet ongeschikt wezen, dat men het van de geloovigen alleen versta, in wie God nu zijn koninkrijk is begonnen, en zal het alsdan volbrengen;
en dat alzoo, dat zij Hem ganschelijk aanhangen. Door beide deze zinnen worden de goddelooze razernijen van sommige menschen genoeg wederlegd, om welke te bevestigen zij deze plaats misbruiken.
Anderen droomen, dat God daarom alles in allen zal wezen, omdat alles verdwijnen en teniet zal worden. Maar de woorden van Paulus luiden niet anders, dan dat alle dingen moeten tot God, gelijk tot hun eenig begin en einde wedergebracht worden, om aan Hem verbonden te zijn. Anderen besluiten hieruit, dat de duivel en alle goddeloozen zullen zalig wezen; maar wordt God geheel niet beter bekend in des duivels verderf, dan wanneer Hij den duivel tot Zich nam, en Zich een met hem maakte? Zoo zien wij dan, hoe onbeschaamd zulke razende menschen dit woord van Paulus verdraaien,
om hunne lasteringen te bevestigen.
29 Wat zullen die anders doen, die voor de dooden gedoopt worden, indien de dooden ganschelijk niet wederopstaan ? Waartoe worden zij ook voor de dooden gedoopt?
30 Waarom zijn wij ook alle uur in gevaar?
31 Bij onze heerlijkheid, broeders, welke ik heb in Christus Jezus onzen Heere, ik sterf allen dag.
32 Zoo ik naar den mensch te Efeze tegen de beesten gevochten
heb, wat nut is het mij? Laat ons eten en drinken, want Jes. 22:13;
',..J ' 56:12.
morgen sterven wij. Boek der
33 Dwaalt niet; goede zeden worden door booze samensprekingen Wijsl1- 2:16. verdorven.
34 Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet: want sommigen weten van God niet: ik zeg het u tot schaamte.
29 Wat zullen die anders doen. Wederom verhaalt hij die ongerijmde dingen, die uit zulke dwaling volgen, waarmede de Corin-thiërs bevangen waren. Hij begon dit te doen terstond in het begin,
maar hij heeft leering en vertroosting daartusschen gezet, waarmede de loop der handeling een weinig gebroken is, tot welke hij nu wederkeert. Ten eerste zegt hij, dat de doop, welken die ontvangen, die nu voor dooden geacht worden, onnut zou wezen, zoo daar geen wederopstanding is. Eer ik deze plaats uitleg, moet ik de ge-meene uitlegging wederleggen, die op de autoriteit der oude leeraren steunt, en bijna met aller bewilliging aangenomen is. Chrysos-tomus en Ambrosius, welke de anderen navolgen, meenen, dat de Corinthiërs, wanneer iemand door onvoorzienen dood zonder doop gestorven was, gewoon waren een ander in de plaats des dooden te stellen, die op het graf des dooden gedoopt werd: en zij loochenen niet, dat dit een verkeerde en zeer bijgeloovige gewoonte is
263
1 CORINTHE 15:29.
264
geweest, doch zeggen, dat Paulus om de Corinthiërs te berispen, alleen dit gewild heeft, wijl zij daarmede te kennen gaven, dat zij de wederopstanding geloofden, welke zij nochtans intusschen loochenden. Maar ik kan geenszins daartoe gebracht worden, dat ik dit zou gelooven: want het is niet geloofelijk, dat degenen, die de wederopstanding loochenden, met anderen zulk eene wijze zouden gebruikt hebben. Zoo hadden zij dan terstond tot Paulus kunnen zeggen: Wat dringt gij ons met het oudwijfsch bijgeloof, dat gij ook zelf niet goed acht? En ofschoon zij zulk bijgeloof gebruikt hadden, zoo hadden zij lichtelijk kunnen antwoorden: Indien dit dusver is uit dwaling geschied, zoo verbeter liever de dwaling, dan haar tot bevestiging van zulke groote zaak te gebruiken. Maar schoon wij toegaven, dat het een krachtig bewijs was: zullen wij nochtans denken, dat de apostel, die bijna alle gebreken der Corinthiërs bestraft, dit zou verzwegen hebben, zoo zulke verdorvenheid bij hen geheerscht had? Hij heeft hierboven sommige gebruiken bestraft, waaraan niet zooveel gelegen was: het heeft hem ook niet verveeld te gebieden van het dekken der hoofden door de vrouwen, en van andere dergelijke dingen; de gebrekkelijke bediening des nachtmaals heeft hij niet alleen berispt, maar ook zeer bitter bestraft, en zou hij intusschen niet één woord gezegd hebben van zulke schandelijke ontheiliging des doops, welke toch veel zwaarder was? Hij heeft met groote strengheid die bestraft, die tot de maaltijden der heidenen gaande, hunne bijgeloovigheden heimelijk goed maakten, en zou hij een schandelijk bijgeloof der heidenen onder den naam des heiligen doops in de gemeente hebben laten regeeren? Maar of wij toelieten, dat hij daarvan had kunnen zwijgen, wat zullen wij nu zeggen, dewijl hij ze gemeld heeft? Ik bid u, is het waarschijnlijk, dat de apostel zulke heiligschennis, waarmede de doop besmet, en tot een ganschelijk tooverachtig gebruik getrokken wordt, tot een bewijs zou genomen hebben, zonder de feil zelf met een woord te kennen te geven? Wanneer hij spreekt van dingen, die niet zeer gewichtig zijn, zoo stelt hij nochtans een tusschenrede daarbij, dat hij naar den mensch spreekt: zou zulk eene tusschenrede niet te dezer plaatse nuttiger en bekwamer geweest zijn? Nu, wat hij zonder eenige berisping verhaalt, wie zal dat niet nemen geoorloofd te zijn? Voorwaar, ik leg het uit, dat hier niet van zulk eene bederving des doops, maar van het rechte gebruik gesproken wordt. Laat ons nu den zin zoeken. Ik heb somtijds gemeend, dat Paulus hier het gemeene einde des doops aangeteekend had: want de nuttigheid des doops is in dit leven niet. Maar toen ik later de woorden naarstiger bezag, bevond ik, dat Paulus hier wat bijzonders aanroerde. Want hij spreekt niet van allen, als hij zegt: Wat zullen die doen, die gedoopt worden? Bovendien begeer ik geen scherpzinnige uitleggingen, die niet eveneens degelijk zijn. Hoe dan? Ik zeg, dat die voor dooden gedoopt worden, die nu dood gerekend worden, en die van het leven ganschelijk geen hope hebben: dat is geen gedwongen verklaring. Of zoo men een andere verklaring liever heeft: voor dooden gedoopt worden, zal wezen alzoo gedoopt worden, dat het den dooden en niet den levenden bevorderlijk is. Men weet wel, dat terstond in het begin der gemeente, degenen, die nog catechumenen waren, zoo zij in eenige ziekte vielen, die zekerlijk scheen tot den dood te zijn, begeerden
1 CORINTHE 15:29â31.
gedoopt te worden, opdat zij niet uit deze wereld zouden verscheiden, eer zij zichzelven aan Christus overgegeven hadden: en dit opdat zij de verzegeling hunner zaligheid met zich dragen zouden. Uit de geschriften der oudvaders blijkt, dat later hier ook bijgeloof bijgekomen is: want zij gaan in tegen degenen, die den doop uitstelden tot den dood, om eenmaal van alle zonden gereinigd in het oordeel Gods te komen. Dit was voorwaar een grove dwaling, die eensdeels uit groote onwetendheid, en anderdeels uit geveinsdheid kwam. Maar Paulus roert hier .alleen aan een heilige gewoonte, die met des Heeren inzetting overeenkomt, te weten, zoo een catechumeen, die reeds met zijn hart het Christelijk geloof omhelsd had, zag dat de dood hem zeker nabij was, zoo begeerde hij gedoopt te worden, eensdeels tot zijn vertroosting, en anderdeels tot stichting. Want het is geen kleine vertroosting het getuigenis zijner zaligheid in zijn lichaam verzegeld te dragen. Het is ook een stichting, die niet na te laten is, dat men zijn geloof openlijk belijdt. Zoo werden zij dan voor dooden gedoopt, want het was hun niet bevorderlijk in deze wereld, en de oorzaak, waarom zij den doop begeerden, was dat zij niet dachten hier langer te leven. Nu zien wij, dat het niet tevergeefs is, dat Paulus vraagt wat die doen zullen, zoo na den dood geen hope is. Deze plaats geeft ook te kennen, dat die bedriegers, die het geloof der Corinthiërs beroerden, een allegorische wederopstanding gedicht hebben, en dat de geloovigen hun laatste einde en oogmerk in deze wereld hadden. Dat hij andermaal verhaalt: Waartoe worden zij ook voor de dooden gedoopt? dat heeft meer kracht, alsof hij zeide: Niet alleen worden die gedoopt, die meenen nog langer te leven, maar ook die den dood voor oogen hebben, en dat om de vrucht huns doops in den dood te hebben.
30 Waarom zijn wij ook. Zoo de wederopstanding en laatste zaligheid in deze wereld is, waarom scheiden wij willens daaruit, en nemen gewillig den dood aan ? Men kon deze bewijsreden ook wel aldus verklaren: Wij zouden tevergeefs alle uur in gevaar zijn, zoo wij niet een beter leven na den dood verwachtten. Hij spreekt van gewillige gevaren, in welke de geloovigen zichzelven begeven, om de belijdenis des naams van Christus. Deze grootmoedigheid in de verachting des doods zou meer tot lichtvaardigheid dan tot standvastigheid gerekend worden, zoo de heiligen in den dood vergingen. Want de onsterfelijkheid zijns naams met den dood te koopen, is een duivelsche razernij.
31 Ik sterf allen dag. Hij zegt, dat zulke verachting des doods in hemzelven is, opdat hij niet schijne buiten gevaar sterk te zijn. Ik (zegt hij) ben zonder ophouden van den dood omringd: wat groote uitzinnigheid zou het wezen, dat ik mijzelven in zulke groote ellendigheid stak, zoo mij niet prijs en loon in den hemel bewaard ware ? Ja, zoo mijn heerlijkheid, roem en zaligheid in de wereld is gelegen, waarom wil ik die niet liever gebruiken, dan willens weg te werpen? Hij zegt, dat hij allen dag sterft, omdat hij zonder ophouden van zoo vele en zoo zekere gevaren overvallen wordt, dat de dood hem eenigszins nabij was; zulke wijze van spreken hebben wij in Ps. 44:23, en ook in den Tweeden zendbrief aan de Corinthiërs. Bij onze heerlijkheid. De oude o.verzetting heeft, om onze heerlijkheid, maar dat is uit kennelijke onwetendheid dergenen,
265
1 CORINTHE 15:31, 32.
die de boeken afschreven: want in het Grieksche woordje is geen dubbelzinnigheid. Zoo is het dan een eed, waarmede hij de Corin-thiërs heeft willen opwekken, om hem in zijne tegenwoordige handeling te naarstiger te hooren, alsof hij zeide: Broeders, ik ben niet een philosoof in de schaduw snaterende: als ik mijzelven dagelijks den dood overgeef, zoo moet ik ernstig het hemelsche leven bedenken: geloof dan mij als een mensch, die ganschelijk wel daarin geoefend ben. Voorts is dit niet een gemeene wijze des eeds, maar der tegenwoordige handeling dienende, gelijk die opmerkelijke eed van Demosthenes was, welken Fabius verhaalt, toen hij zwoer bij de geesten dergenen, die in den slag van Marathon gestorven waren: hij wilde daarmede de anderen vermanen, om de republiek te beschermen. Alzoo zweert Paulus hier bij de heerlijkheid der Christenen, welke zij in Christus hebben: nu, deze heerlijkheid is in den hemel. Zoo dan, datgene waaraan zij twijfelden, bewijst hij zoo zeker te zijn, dat het ook krachtig is tot een heilige eed-zwering : deze kunst moet men naarstig aanmerken.
32 Zoo ik naar den mensch. Hij stelt een uitnemend exempel des doods voor oogen, waaruit het klaar is, dat hij meer dan dwaas geweest is, zoo wij na den dood niet tot een beter leven komen: want het was een schandelijke wijze van dood, welke hij was onderworpen geweest. Waartoe diende het (zegt hij) dat ik schande en een overwreeden dood aanhing, zoo mijn hope in deze wereld besloten was? Naar den mensch, is te dezer plaatse zooveel als; Naar het aanzien des menschelijken levens, alzoo, dat wij de vergelding in dit tegenwoordige leven hebben. Tegen de beesten vechten niet zij, die den beesten voorgeworpen worden, gelijk Erasmus verkeerdelijk meende, maar die veroordeeld waren, strijdende tegen de beesten, den volke een schouwspel te zijn. Zoo waren dan dit twee verscheiden straffen, den beesten voorgeworpen te worden, en tegen de beesten te strijden. Want die den beesten voorgeworpen waren, werden terstond verscheurd, en die tegen de beesten streden, kwamen gewapend tot den strijd, opdat zij de beesten mochten dooden en ontkomen, zoo zij met kracht, moed en vlugheid konden. Ja, daar was ook een spel, waarin die onderwezen werden, die tegen de beesten wilden strijden, gelijk ook bij de gladiatoren of zwaardvechters. Doch daar ontkwamen gewoonlijk niet vele men-schen: want die een beest gedood had, werd tot het tweede geroepen, totdat der aanschouweren wreedheid verzadigd, of liever in barmhartigheid veranderd was; en nochtans werden er verdorven en roekelooze menschen gevonden, die zichzelven daartoe verhuurden. En (opdat ik het in 't voorbijgaan zeg) dit was het dierengevecht, dat in de oude canones zoo strengelijk verboden was: gelijk zij ook in de burgerlijke wetten met een schandteeken gestraft worden. Nu kom ik weder tot Paulus: wij zien waartoe God zijnen dienstknecht heeft laten komen, en hoe wonderlijk Hij hem ook verlost heeft. Voorts, deze strijd wordt van Lukas niet gemeld, waaruit wij kunnen besluiten, dat hij vele dingen geleden heeft, die niet beschreven zijn. Laat ons eten en drinken. Dit zijn woorden der Epicureën, die het hoogste goed stellen in den tegenwoordigen wellust, jes. 22; 13. Jesaja betuigt ook, dat het een woord is der verdorven en roekelooze menschen, welke, a,ls zij door den profeet bedreigd worden, om tot betering te komen, zoo bespotten zij de dreigingen, en wek-
266
1 CORINTHE 15:32â34.
ken zichzelven op tot dartelheid en ongebonden vrijheid, en om hun hardnekkigheid te klaarder te bewijzen zeggen zij: Dewijl wij moeten sterven, zoo laat ons intusschen den tijd gebruiken, en ons niet vóór den tijd met ijdele vrees kwellen. Want wat men in de oude historiën vindt, dat een zeide tot de krijgsknechten: Gezellen,
laat ons vroolijk het middagmaal eten, want wij zullen het avondmaal eten in de hel, was een opwekking om den dood onversaagd aan te gaan, past hier niet. Ik denk, dat Paulus hier gebruikt het algemeen gezegde der verdorven menschen en der ontuchtige lichtzinnigheid, of, opdat ik het met korte woorden zeg, het gewone spreekwoord der Epicureën, om daarmede te besluiten: Zoo de dood is der menschen verderf, zoo is er niet beter dan gerust in wellusten leven, zoolang het leven duurt. Zulke uitspraken vindt men veel bij Horatius.
33 Dwaalt niet, goede zeden worden. Dewijl men zeer licht door een schijn van onderzoeking valt tot onheilige bedenkingen, zoo voorkomt hij dit gevaar, vermanende, dat het slechte gesprek meer kracht heeft om ons gemoed te besmetten, en onze zeden te verderven, dan wij zouden kunnen bedenken. Hiertoe gebruikt hij
het getuigenis van den dichter Menander, gelijk wij alom mogen 201 vóór ontleenen en gebruiken, al wat van God gekomen is. En dewijl alle Cllristus-waarheid van God is, zoo is het zonder twijfel, dat God ook den goddeloozen heeft in den mond gegeven, al hetgeen ware en gezonde leer bevat: maar ik wil liever, dat de behandeling van deze waarheid genomen worde uit de rede van Basilius tot de jongelingen. Dewijl dan Paulus wist, dat dit spreekwoord bij de Grieken gemeen was, zoo heeft hij om te beter tot in de harten door te dringen, liever gewild dit te gebruiken, dan dit met zijn eigen woorden uit te drukken. Want zij konden lichter aannemen, waaraan zij gewend waren:
wat wij zelf ondervinden in de spreekwoorden, die bij ons gebruikelijk zijn. Voorts, het is een uitdrukking bijzonder onze opmerking waardig: want als de duivel ons niet openlijk kan vatten, zoo bedriegt hij ons met dezen schijn, dat het niet kwaad is, dat wij, om de waarheid te onderzoeken, allerlei disputatiën vooraf stellen. Zoo zegt dan Paulus hier juist het tegenovergestelde, dat men de slechte samenspraak moet ontvlieden, als snelwerkend vergift, want zij dringt heimelijk door tot in het hart, en verderft terstond het gan-sche leven. Daarom, laat ons aanmerken, dat er niets schadelijkers is dan slechte leer en onheilige disputatiën, die ons op zijn allerminst van het rechte en eenvoudige geloof afleiden: want Paulus vermaant niet tevergeefs, dat wij niet dwalen zouden.
34 Waakt op rechtvaardiglijk. Dewijl hij zag, dat de Corinthiërs, in overgroote zorgeloosheid als dronken waren, zoo wekt hij ze op uit zulke groote slaperigheid; en het woordje rechtvaardiglijk,
stelt hij daarbij, om te kennen te geven, hoe hij ze opgewekt wil hebben. Want in hunne eigene zaken waren zij naarstig en scherpzinnig genoeg, ja, zij hebben zonder twijfel zichzelven in hun scherpzinnigheid behaagd: maar intusschen waren zij onachtzaam, daar zij behoorden zeer te waken; daarom zegt hij: Waakt op rechtvaardiglijk, dat is, wendt uw vernuft en naarstigheid tot goede en heilige dingen. En hij zegt de oorzaak daarbij: Omdat (zegt hij) sommigen uit u God niet kennen. Het was noodig dit te zeggen,
want anders zouden zij de vermaning geacht hebben overbodig te
267
1 CORINTHE 15:34.
zijn: want zij schenen zichzelven wonderlijk wijs. En hij bestraft ze van onwetendheid Gods, opdat zij weten, dat hun het voornaamste ontbreekt. Dit is een nuttige vermaning voor die al hun scherpzinnigheid verslijten met door de lucht te vliegen, en zien intusschen niet wat voor hunne voeten is, en zijn stomp, waar zij behoorden allerscherpzinnigst te wezen. Tot schaamte. Te weten, gelijk de vaders hunnen kinderen hunne zonden plegen te verwijten, en te beschamen, om schaamte met schaamte te bedekken. Toen hij boven zeide, dat hij hun geen schaamte wilde aandoen, zoo was de zin, dat hij ze niet wilde beschamen hunne gebreken vijandig en nijdig verhalende. Maar intusschen was het nut, dat zij scherp berispt werden, dewijl zij nog in z.ulk groot kwaad zichzelven behaagden; maar als Paulus hen verwijt, dat zij God niet kennen, zoo berooft hij ze van alle eer.
35 Maar iemand mocht zeggen: Hoe zullen de dooden weder-opgewekt worden? met wat lichaam zullen zij komen?
36 Gij uitzinnige, hetgeen gij zaait wordt niet levend, tenzij het gestorven is.
37 En hetgeen gij zaait, gij zaait niet het lichaam, dat zal worden, maar een bloot graan, gelijk van koorn of eenig ander graan.
38 Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam.
39 Alle vleesch is niet eenerlei vleesch, maar anders is hetvleesch der menschen, anders der beesten, anders der vogelen, anders der visschen.
40 Er zijn ook hemelsche lichamen, er zijn aardsche lichamen; ja anders is de heerlijkheid der hemelsche, anders der aardsche.
41 Anders is de heerlijkheid der zon, anders de heerlijkheid der maan, anders de heerlijkheid der sterren: de eene ster is van de ander verscheiden in heerlijkheid.
42 Alzoo ook de wederopstanding der dooden.
43 Het wordt gezaaid in verdorvenheid, het staat weder op in onverdorvenheid, het wordt gezaaid in schandelijkheid, het staat weder op in heerlijkheid: het wordt gezaaid in zwakheid, het staat weder op in mogendheid.
44 Er wordt een vleeschelijk lichaam gezaaid, er wordt een geestelijk lichaam wederopgewekt: er is een vleeschelijk lichaam en er is een geestelijk lichaam.
45 Gelijk er geschreven is: De eerste mensch Adam is geworden tot een levende ziel, de laatste Adam tot een levendmakenden geest.
46 Maar het geestelijke lichaam is niet eerst; maar het vleesche-lijke, daarna het geestelijke.
47 De eerste mensch, van de aarde, aardsch: de tweede mensch, de Heere uit den hemel.
48 Hoedanig de aardsche is, zoo zijn ook de aardschen; en hoedanig de hemelsche is, zoo zijn ook de hemelschen.
49 En gelijk wij gedragen hebben het beeld des aardschen, alzoo zullen wij ook dragen het beeld des hemelschen.
268
Ez. 37:3. Dan. 12:13.
Joh. 12:24.
Dan. 12 :13. Matt. 13:43.
Dan. 12:13.
Boek der Wijsh. 3:7; 5:1.
Gen. 2:7.
2 Cor. 4 :11.
1 CORINTHE 15:35â38. 269
50 Dit zeg ik broeders, dat vleescli en bloed het rijk Gods niet Joh. 1:13. kunnen beërven, en de verdorvenheid beërft de onverderfe-lijkbeid niet.
35 Hoe zullen de dooden wederopgewekt worden? Niets is de menschelijke rede vreemder dan dit artikel des geloofs: want wie zou den mensch daartoe brengen dan God alleen, dat de lichamen, die nu der verdorvenheid onderworpen zijn, als zij zullen verrot of door vuur verteerd, of door de beesten verslonden zijn, niet alleen tot hun vroegere volmaaktheid, maar ook tot een veel beter natuur weder zullen opgericht worden. Wordt dit niet terstond als iets fabelachtigs, ja als iets hoogst ongerijmds, van alle zinnen verworpen? Om deze ongerijmdheid weg te nemen, gebruikt Paulus een vóórkoming, dat is, in een tegensprekenden persoon stelt hij voor, wat op het eerste aanzien tegen de leer der wederopstanding schijnt te strijden. Want dit is niet een vraag van een, die met twijfel onderzoekt, maar die uit het onmogelijke beweert, dat het ongelooflijk is, wat van de wederopstanding gezegd wordt. Hierom heeft hij in zijn antwoord zulke tegenwerping scherpelijk verworpen. Zoo zullen wij dan aanmerken, dat hij hier dezulken sprekende invoert, die het geloof aan de wederopstanding met schampere spot willen teniet maken, zeggende, dat het een onmogelijk ding is.
36 Gij uitzinnige, hetgeen gy zaait. Paulus had daarop kunnen antwoorden, dat die wijze, die ons onbegrijpelijk is, nochtans Gode gemakkelijk is, en dat wij daarom hier uit ons eigen vernuft niet moeten oordeelen, maar dat wij behooren der wonderlijke en verborgen mogendheid Gods deze eer te geven, dat wij gelooven, dat zij volbrengen zal, wat wij niet begrijpen. Maar Paulus handelt op een andere wijze. Want hij leert, dat de wederopstanding niet alleen niet tegen de natuur is, maar dat wij ook dagelijks een klaar bewijs daarvan hebben, zelfs in den loop der natuur, en in den wasdom der vruchten: want de vruchten, die wij van de aarde maaien, waaruit wassen zij anders dan uit verrotting? Want als het gezaaid is, zoo komt daar niets voort, tenzij het graan sterft. Daarom, dewijl het verderf het begin en de oorzaak des wasdoms is, zoo hebben wij daarin een beeld der wederopstanding. Zoo volgt dan daaruit, dat wij veel te boos en ondankbaar zijn in het waar-deeren van de mogendheid Gods, zoo wij haar benemen wat nu voor onze oogen openbaar is.
37 Gij zaait niet het lichaam, dat worden zal. In deze gelijkenis zijn twee stukken, te weten, dat het geen wonder is, dat de lichamen uit de verrotting wederopstaan, dewijl datzelve geschiedt in het gezaaide zaad; ten andere, dat het niet vreemd noch ongelooflijk is, dat onze lichamen tot een andere hoedanigheid veranderd worden: dewijl God uit een bloot graan zoovele aren voortbrengt, zeer kunstig gekleed, en met beter graan gevuld. Maar dewijl hij alzoo sprekende, had kunnen schijnen te kennen te geven, dat dan uit één lichaam vele lichamen zullen rijzen, zoo matigt hij zijn rede aan de andere zijde, te weten, dat God het lichaam maakt zooals Hij wil, beduidende, dat daar ook in de hoedanigheid een onderscheid is. Hij zegt ook daarbij: Een iegelijk zaad zijn eigen lichaam, met welk woord hij matigt wat hij van een ander lichaam
1 CORINTHE 15:38â44.
gezegd had; want hij zegt, dat het alzoo een ander lichaam zal wezen, dat het nochtans zijn aard zal behouden.
39 Niet alle vleesch. Dit is een andere gelijkenis tot hetzelfde einde dienende, hoewel anderen het anders uitleggen. Want dat hij zegt, dat het lichaam des menschen en der beesten vleesch is, en dat het nochtans onderscheiden vleesch is: daarmede geeft hij te kennen, dat het wel e'én substantie is, maar dat het onderscheid is in de hoedanigheid. De inhoud is, dat alle verscheidenheid, die wij in elk soort zien, een voorspel is der wederopstanding: want God bewijst klaarlijk, dat het Hem niet zwaar is, onze lichamen te vernieuwen, den tegenwoordigen stand veranderende.
41 Anders is de heerlijkheid der zon, anders der maan. Daar is niet alleen onderscheid tusschen de hemelsche en aardsche lichamen, maar zelfs de hemelsche lichamen hebben niet alle gelijke heerlijkheid: want de zon gaat de maan te boven, en de andere sterren verschillen onder elkander. Zoo wordt dan deze ongelijkheid in de wederopstanding der dooden gezien: maar men dwaalt gemeenlijk in de toepassing. Want men meent, dat Paulus heeft willen zeggen, dat de heiligen, na de wederopstanding der dooden, in eer en heerlijkheid zullen verscheiden zijn, wat wel waar is, en met andere plaatsen der Schrift wordt bevestigd: maar dit gaat hier den zin van Paulus niet aan. Want hij handelt niet hoedanig de verscheidenheid van staat onder de heiligen zal wezen na de wederopstanding, maar wat onderscheid daar is tusschen onze lichamen, die wij nu hebben, en de lichamen, die wij namaals zullen ontvangen. Zoo dan, door deze gelijkenis wil hij den waan der onmogelijkheid wegnemen. De zon en maan hebben ée'n substantie, maar groote verscheidenheid in waardigheid en uitnemendheid. Wat wonder is het dan, dat ons lichaam een uitnemender hoedanigheid aandoet? Alsof hij zeide: Ik leer niet, dat in de wederopstanding iets geschieden zal, wat nu reeds niet voor aller oogen zichtbaar is. Dat dit de zin der woorden is, is duidelijk uit het verband der woorden. Want waaruit en waartoe zou Paulus buiten zijn stof treden, zoo hij nu de een met den ander vergeleek in een anderen staat, daar hij dusver den tegenwoordigen staat aller menschen met den toekomenden staat vergeleken heeft, en in deze vergelijking terstond hierna voortgaat?
43 Het wordt gezaaid in verdorvenheid. Opdat daar geen twijfel blijve, zoo verklaart Paulus zich nader: het onderscheid uitleggende, dat daar is tusschen den tegenwoordigen staat en dien, die na de wederopstanding zal volgen. Want hoe zou die reden sluiten, zoo hij eerst een onderscheid had willen maken tusschen de trappen der toekomende heerlijkheid der heiligen? Zoo heeft hij dan zonder twijfel dusver e'e'n stof vervolgd, en komt nu weder tot de eerste gelijkenis, die hij gebruikt had, doch voegt ze nu nader tot zijn oogmerk, of zoo men liever wil, den tijd des tegenwoordigen levens vergelijkt hij bij een zaaiing, en de wederopstanding bij een oogst, en hij zegt, dat ons lichaam is der sterfelijkheid en schandelijkheid onderworpen, maar zal dan heerlijk en onverderfelijk wezen. Bij de
Fii. 3:21. Filippensen gebruikt hij andere woorden: Christus zal ons nederig lichaam veranderen, om hetzelve zijn heerlijk lichaam gelijk te maken.
44 Er wordt een vleeschelijk lichaam gezaaid. Dewijl hij niet een iegelijk stuk in de vergelijking kon uitdrukken, zoo vervat hij
270
1 CORINTHE 15 : 44, 45.
zal den inhoud met één woord, zeggende, dat het nu een vleeschelijk lichaam is, en dan zal het een geestelijk lichaam wezen. Voorts, een
Fde vleeschelijk lichaam noemt hij, wat van de ziel zijn vorm heeft,
hij en een geestelyk lichaam, wat van den Geest zijn vorm heeft. Nu
en maakt de ziel het lichaam levend, opdat het niet zij een doode
te prij; daarom wordt het terecht in het oorspronkelijke een ziellijk
is lichaam genoemd. Maar na de wederopstanding zal die levend-
die makende kracht uitnemender wezen, welke het van den Geest zal
int ontvangen. Wij zullen altijd gedenken, dat boven gezegd is, dat
te daar is één substantie des lichaams, en dat hier alleen gesproken wordt van de hoedanigheid. Laat tot recht verstand de tegen-
lar woordige hoedanigheid des lichaams genoemd worden, animatio,
;he dat is, zieling, en de toekomende inspiratio. Want dat de ziel
jke nu het lichaam levend maakt, geschiedt door vele behulpselen:
;re want wij behoeven spijze, drank, kleeding, slaap en andere derge-
jk- lijke dingen: waaruit de zwakheid der zieling bewezen wordt. Maar
alt de krachtige werking des Geestes tot levendmaking zal veel vol-
eft komener, en daarom van zulke noodzakelijkheden vrij wezen. Dit
en, is de eenvoudige en natuurlijke zin des apostels. Dat niemand
en verder philosopheerende, in de lucht zweve, gelijk die doen, die
lat meenen, dat de substantie des lichaams geestelijk zal wezen: daar
3e- hier van de substantie des lichaams geen melding is, en ook zij zal
:en niet veranderd worden.
ien 45 Gelijk daar geschreven is: De eerste mensch Adam. Op-
als dat het niet schijne een nieuw gedichtsel wat betreft het vleeschelijke .an lichaam, zoo haalt hij de Schrift aan, welke zegt, dat Adam is ge-06»-217-ib- maakt tot een levende ziel: waarmede zij te kennen geeft, dat zijn id- lichaam zijn vorm gehad heeft van de ziel, om een levend mensch ier te worden. Er wordt gevraagd van het woord ziel, wat het hier de beduidt. Het is duidelijk, dat het Hebreeuwsche woord, hetwelk Ier Mozes gebruikt heeft, veelszins gebruikt wordt: maar te dier plaatse uit wordt het genomen voor de levende beweging, of voor het wezenlus lijke leven. En dit tweede behaagt mij 't best. Ik zie, dat van de ;ek beesten hetzelfde gezegd wordt, dat zij geworden zijn tot een levende lat ziel: maar dewijl de ziel van elk dier moet geacht worden naar in zijn aard, zoo mogen wel alle dieren een gemeene ziel hebben, dat is, levende beweging, en dat nochtans de ziel des menschen wat ;en bijzonders en eigens heeft, te weten, een onsterfelijk wezen, gelijk lit- ook het licht des verstands en de rede. De laatste Adam. Dit fie wordt nergens in de Schrift gelezen. Daarom als hij zegt: Gelijk en, geschreven is, dat moet van het eerste lid van het vers alleen ien verstaan worden: maar als hij het getuigenis der Schrift aangehaald ier heeft, zoo begint de apostel nu in zijn persoon Christus met Adam ste te vergelijken, alsof hij zeide: Mozes verhaalt, dat Adam is begif-;ijn tigd geworden met een levende ziel, maar Christus is met een ;ns levendmakenden Geest begiftigd geweest. En het is veel hooger het ;st, leven of de oorzaak des levens te zijn, dan te leven. Voorts moet ;id men aanmerken, dat Christus ook gelijk wij geworden is tot een de levende ziel: maar boven de ziel is ook de Geest des Heeren in rig Hem uitgestort, om door diens kracht van de dooden weder op te 2n. staan, en de anderen op te wekken. Dit moet men daarom aan-iet merken, opdat niemand denke, dat de Geest in Christus in de plaats hij der ziel is geweest, hetwelk voortijds Apollinaris meende. De uit-
271
1 CORINTHE 15:45â48.
legging dezer plaats kan anders genomen worden uit Hoofdstuk 8 aan de Romeinen, waar Paulus leert, dat wel het lichaam gestorven is om de zonde, en dat wij in ons dragen de oorzaak des doods: maar dat de Geest van Christus, die Hem van de dooden weder-opgewekt heeft, ook in ons woont, en dat Hij het leven is, opdat Hij ons ook eenmaal van de dooden opwekke. Hier kan men zien, dat wij hebben levende zielen, zooverre wij menschen zijn, en dat de levendmakende Geest van Christus door de genade der wedergeboorte over ons uitgegoten is. In één woord: Paulus wil dit zeggen, dat de staat, dien wij door Christus verkrijgen, veel beter is dan de staat des eersten menschen, dewijl Adam voor zichzelven en voor zijne nakomelingen een .levende ziel heeft ontvangen, en Christus ons den Geest heeft gegeven, die het leven is. Voorts, dat hij Christus noemt den laatsten Adam, daarvan is de oorzaak, dat gelijk het menschelijk geslacht in den eersten mensch was geschapen, alzoo is het in Christus wederopgericht. Ik zal het nog eenmaal en duidelijker zeggen: In den eersten mensch waren alle menschen geschapen: want al wat God allen menschen wilde geven, heeft Hij dien eenen gegeven, zoodat de staat der menschen in zijn persoon is gesteld geweest. Hij heeft door zijn val zichzelven en de zijnen verdorven, omdat hij ze allen met zich tot hetzelfde verderf heeft getrokken. Christus is gekomen, die onze natuur uit den val heeft wederopgericht, om tot een beteren staat te brengen. Zoo zijn zij dan gelijk twee beginselen, of twee wortelen des menschelijken ge-slachts: daarom wordt niet ten onrechte die de eerste, en deze de laatste genoemd. Maar dit helpt de razende menschen niet, die uit een iegelijk van ons Christus maken, alsof daar niet meer dan twee menschen waren, en altijd geweest waren, en dat deze menigte, welke wij zien, een ijdel schouwspel ware. Zulk een vergelijking staat ook Rom. 5:12.
46 Maar het geestelijke lichaam is niet eerst. Het is, zegt hij, noodig, dat wij onzen oorsprong uit Adam trekken, en hem gelijk zijn, eer wij in Christus wederopgericht worden. Daarom zullen wij ons niet verwonderen, dat wij van de levende ziel beginnen, want gelijk wij naar de orde eerder geboren worden dan wedergeboren, alzoo is het leven eerder dan het wederopstaan.
47 De eerste Adam is uit de aarde. Het vleeschelijke leven is eerst, dewijl de aardsche mensch eerst is: het geestelijke leven zal daarna volgen, gelijk Christus de hemelsche mensch is na Adam geweest. Deze plaats hebben de Manicheën misbruikt, toen zij wilden bewijzen, dat Christus zijn lichaam gebracht heeft uit den hemel in den buik der maagd. Maar zij hebben verkeerdelijk gemeend, dat Paulus hier spreekt van de substantie des lichaams, daar hij meer spreekt van de hebbelijkheid of hoedanigheid. Hoewel dan de eerste mensch een ziel had, die onsterfelijk en niet uit de aarde was, zoo had zij nochtans een smaak van de aarde, uit welke het lichaam gekomen was, in welke hij gesteld was om te leven. Maar Christus heeft ons uit den hemel den levendmakenden Geest gegeven, om ons door wedergeboorte te vernieuwen tot een leven dat beter is, en hooger dan de aarde. Eindelijk, dat wij in deze wereld leven, hebben wij uit Adam gelijk takken uit den wortel: maar Christus is ons het begin en de auteur des hemelschen levens. Maar iemand mocht zeggen, Adam wordt gezegd uit de aarde te zijn, en Christus uit den
272
1 CORINTHE 15:48â50.
hemel: zoo eischt de natuur der vergelijking, dat Christus zijn lichaam uit den hemel gebracht heeft, gelijk Adams lichaam uit de aarde gemaakt is, of immers, dat de oorsprong der ziel des menschen uit de aarde is, en dat de ziel van Christus uit den hemel gekomen is ? Ik antwoord, dat Paulus een iegelijk stuk niet zoo zeer scherpzinnig en nauw met het andere heeft vergeleken: (want het was ook niet noodig) maar dat hij van Adams en Christus' natuur sprekende, als in het voorbijgaan, Adams schepping heeft genoemd, dat hij uit de aarde gemaakt is, en dat hij ook om de kracht van Christus te verheffen, verhaald heeft, dat Hij is de Zone Gods, die uit den hemel tot ons is nedergekomen, en daarom een hemelsche natuur en kracht uitgeeft. Dit is de eenvoudige zin. Maar der Manicheën scherpzinnigheid is enkel valschheid. Doch men moet wederom op een andere tegenwerping antwoorden. Zoolang Christus in de wereld gewandeld heeft, zoo heeft Hij een gewoon leven gelijk als wij, en daarom ook een aardsch leven geleefd: zoo is dan de tegenstelling onjuist De ontbinding dezer vraag zal nog dienen om der Manicheën ge-dichtsel te wederleggen. Want wij weten, dat het lichaam van Christus den dood onderworpen is geweest, en dat het niet door wezenlijke eigenschap (gelijk zij spreken) maar alleen door de voorzienigheid Gods van verderving is vrij geweest. Zoo is dan Christus niet alleen, zooveel het wezen des lichaams aangaat, aardsch geweest, maar is ook voor een tijd van aardsche conditie geweest. Want eer de kracht van Christus zich bewees om het hemelsche leven te geven, moest Hij eerst sterven in de zwakheid des vleesches. En dit hemelsch leven is eerst in de wederopstanding verschenen, om ons ook levend te maken.
49 En gelijk wij gedragen hebben. Sommigen hebben gemeend, dat hier een vermaning was tot een godzalig en heilig leven, tot hetwelk Paulus' woorden hier een uitloop zouden maken. Maar dewijl dit niet wel overeenkomt, zoo laat ons liever volgen wat tot de tegenwoordige handeling en het verband dient. Ten eerste, zullen wij aanmerken, dat het niet is een vermaning, maar zuiver leer: en dat hier niet gehandeld wordt van de nieuwigheid des levens, maar dat de loop der woorden blijft, van de wederopstanding des vleesches handelende. Zoo zal dan dit de zin wezen: gelijk de vlee-schelijke natuur, die in ons voorgaat, een beeld Adams is, alzoo zullen wij in de hemelsche natuur Christus gelijk wezen, en dit zal de vervulling onzer wederopstanding wezen: want wij beginnen nu het beeld van Christus te dragen, en worden van dag tot dag meer en meer daarnaar veranderd: maar dit beeld is in de geestelijke wedergeboorte gelegen, en zal alsdan volkomenlijk wederopgericht worden, zoowel in het lichaam als in de ziel, en wat nu begonnen is, zal volmaakt worden: ja, wij zullen inderdaad en waarheid verkrijgen wat wij nog hopen. Nochtans zoo het iemand behaagt ver-manender wijze te lezen, zoo zal dit dienen om de Corinthiërs te prikkelen, die, zoo zij de oprechte godzaligheid en het nieuwe leven behoorlijk bedacht hadden, ook mede tot de hope der toekomende heerlijkheid hadden kunnen ontstoken worden.
273
50 Dit zeg ik. Deze woorden beduiden, dat, wat nu volgt, een verklaring der voorgaande uitspraak is, alsof hij zeide: wat ik gezegd heb van het beeld des hemelschen Adams te dragen, heeft dezen zin, dat onze lichamen moeten vernieuwd worden, want daar zij
18
dl n.
1 CORINTHE 15:50, 51.
der verdorvenheid zijn onderworpen, kunnen zij het onverderfelijke rijk Gods niet bezitten. Zoo zal dan tot het rijk van Christus geen andere toegang zijn, dan zoo Christus ons naar zijn beeld vernieuwt. Voorts, vleesch en bloed moet men verstaan, in zulken staat als zij nu zijn: want ons vleesch zal der heerlijkheid Gods deelachtig zijn, doch vernieuwd en levendgemaakt zijnde door den Geest van Christus.
iTiiess.4:15. 51 Ziet, ik zeg u eene verborgenheid: Wij zullen wel niet allen
:FiI- 3:2i- slapen, nochtans zullen wij allen veranderd worden.
Matt. 24:31. 52 In een punt des tijds, in een oogenblik, met de laatste bazuin:
want de bazuin zal haar geluid geven, en de dooden zullen onverderfelijk wederopstaan, en wij zullen veranderd worden.
2 Cor. B:i. 53 Want dit verderfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.
54 En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke onsterfelijkheid, dan zal het woord Jes. 25:8. geschieden, dat geschreven is; De dood is verslonden tot over
winning.
Hoz. 13:14. 55 Waar is, o dood, uw prikkel? Waar is, o hel, uw overwinning?
56 De prikkel des doods is de zonde, en de kracht der zonde is de wet.
l Joh. 5:5. 57 Maar Gode hebbe dank, die ons overwinning gegeven heeft
door Jezus Christus,
58 Zoo dan, mijn lieve broeders, weest standvastig, onveranderlijk, overvloedig in het goede werk des Heeren altijd, dit wetende, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.
Dusver heeft hij twee dingen in zijn handeling vervat. Ten eerste heeft hij bewezen, dat de wederopstanding der dooden plaats zal hebben: ten andere, hoedanig die wezen zou: maar nu komt hij dieper in de beschrijving der wijze, welke hij noemt verborgenheid, omdat zij nog door geen Schrift zoo openlijk was verklaard: maar hij doet dat, opdat hij ze tot naarstiger aandacht verwekke. Want deze goddelooze leering had daaruit haar kracht genomen, omdat zij gerustelijk en zorgeloos daarvan redetwisten, gelijk van een zaak, die hen niet zwaar was. Zoo dan, met het woord verborgenheid, vermaant hij ze te leeren een zaak, die hun nog onbekend was, en onder de hemelsche verborgenheden Gods moest geacht worden.
51 Wij zullen wel niet allen slapen. In de Grieksche handschriften is geen verscheidenheid, maar in de Latijnsche zijn drie verscheidene lezingen. De eene is: Wij zullen wel allen sterven, maar zullen niet allen veranderd worden. De andere is: Wij zullen wel allen wederopstaan, maar wij zullen niet allen veranderd worden. De derde is: Wij zullen wel niet allen slapen, maar wij zullen allen veranderd worden. Welke verscheidenheid ik acht daaruit gekomen te zijn, omdat sommige lezers, die niet zeer scherpzinnig waren, zich aan de echte lezing stootten, en bestaan hebben een andere, die hun beter behaagde, in de plaats te stellen. Want het scheen op het eerste aanzien ongerijmd, dat wij niet allen zouden sterven, dewijl op een andere plaats gelezen wordt: Dat het allen menschen
Hebr. 9:27. gezet is eenmaal te sterven. Zoo hebben zij dan den zin veranderd.
274
1 Thess.é: 16.
1 CORINTHE 15:51, 52.
en gesteld \Dat wij niet allen zouden veranderd worden, hoewel wij allen zullen wederopstaan of sterven: en door de verandering, verstaan wij de heerlijkheid, welke de kinderen Gods alleen zullen verkrijgen. Maar de rechte natuurlijke lezing kan uit het verband geoordeeld worden. Paulus' voornemen is, te verklaren wat hij gezegd had, te weten, dat wij Christus gelijkvormig zullen wezen: dewijl vleesch en bloed het rijk Gods niet kunnen bezitten. Zoo is daar terstond een vraag opgerezen: Wat zal dan dien geschieden, die zullen overblijven tot den dag des Heeren ? Hij antwoordt: Al is het, dat zij niet allen sterven, zoo zullen zij nochtans veranderd worden, opdat de sterfelijkheid en verderfelijkheid weggenomen worde. Men moet aanmerken, dat hij spreekt van de geloovigen alleen: want hoewel der goddeloozen wederopstanding ook een verandering zal wezen, nochtans dewijl zij hier geenszins gemeld worden, zoo zullen wij het op de uitverkorenen alleen duiden, al wat hier gezegd wordt. Wij zien nu, hoe wel deze uitspraak met de voorgaande overeenkomt. Want dewijl hij gezegd had, dat wij het beeld van Christus zullen dragen, zoo verklaart hij nu, dat dit geschieden zal, als wij zullen veranderd worden, opdat de sterfelijkheid van het leven verslonden worde: en dat deze verandering niet verhinderd wordt, daardoor dat in de komst van Christus sommigen nog in het leven zullen wezen. Maar men moet dezen knoop ontbinden, dat het allen menschen gezet is te sterven. Te weten, hij wordt lichtelijk aldus ontbonden, dewijl deze verandering niet kan geschieden, zonder de eerste natuur weg te nemen, zoo wordt zij terecht een schijn des doods geacht: maar dat het niet wordt voor een gewonen dood gerekend, dewijl het niet is een scheiding der ziel van het lichaam. Zoo zal het dan een dood wezen, omdat het zal wezen een verderving der verderfelijke natuur: het zal geen slaping wezen, want de ziel zal uit het lichaam niet scheiden: maar het zal een haastige doorgang wezen van de verderfelijke natuur tot de zalige onsterfelijkheid.
52 In een punt' des tijds. Dit is ook algemeen, dat is, het houdt allen in. Want de verandering zal in allen haastig, en in een oogenblik geschieden: want de komst van Christus zal haastig wezen. Daarna stelt hij voor een punt des tijds, een oogenblik of oogenslag. Want in het Grieksch wordt beide gelezen: hoewel wat den zin aangaat, er niet aan gelegen is. Paulus heeft een beweging des lichaams genoemd, die alle andere beweging in snelheid te boven gaat: want er is niets sneller dan de beweging van het oog: hoewel hij ook mede op het slapen heeft gezien, waartegen de beweging der oogen gesteld wordt. Met de laatste bazuin. Hoewel de herhaling schijnt te bewijzen, dat het woord bazuin hier eigenlijk genomen wordt, zoo behaagt het mij nochtans beter, dat het een oneigenlijke wijze van spreken is. Aan de Thessalonicensen, hfdst. 4: 16, heeft hij de stem des archangels en de bazuin Gods bij elkander gesteld. Zoo dan, gelijk de veldheer het leger tot den strijd roept door het geluid der bazuin, alzoo zal ook Christus al de dooden roepen door een luide uitroeping, die de gansche wereld over zal gehoord worden. Mozes verhaalt, hoedanige en hoe groote geluiden bij de wetgeving F'geschied zijn. Daar zal dan een veel andere samenlooping geschieden, wanneer niet ée'n volk, maar de gansche wereld tot den rechterstoel Gods zalVgeroepen worden, als
275
1 CORINTHE 15:52â54.
niet alleen de levenden zullen samengeroepen, maar ook de dooden uit het graf geroepen worden; ja, als aan de dorre beenderen en aan het stof zal geboden worden, dat zij, den ouden vorm en geest weder aangenomen hebbende, terstond als levende menschen voor het aangezicht Gods komen. De dooden zullen wederopstaan. Wat hij in 't gemeen gezegd had van alle menschen, dat legt hij nu nader uit van de levenden en de dooden. Zoo is dan deze onderscheiding niet anders dan een verklaring dier uitspraak: Wij zullen niet allen sterven, maar zullen allen veranderd worden. Die (zegt hij) nu zullen gestorven zijn, zullen onverderfelijk wederopstaan: ziehier de verandering in de gestorvenen. En die (zegt hij) zullen overgebleven wezen, zullen ook , veranderd worden. Nu hebt gij beide. Zoo ziet gij dan nu, hoe de verandering allen gemeen zal zijn, maar het slapen niet. En als hij zegt: Wij zullen veranderd worden, zoo stelt hij zichzelven in het getal dergenen, die ten tijde der komst van Christus zullen leven. Want het waren nu de laatste tijden, en de heiligen moesten dien dag verwachten alle uur: hoe-2 Thcss. 2:3. Wel hij aan de Thessalonicensen die wonderlijke profetie verkondigt van de verstrooiing der gemeente, die wezen zou eer Christus kwam. Doch dit verhindert niet, dat hij, de Corinthiërs als 't ware een tegenwoordige zaak voor oogen stellende, zichzelven en hen wel tot die heeft kunnen voegen, die dan zouden overgebleven wezen.
53 Want dit verderfelyke. Ziehier hoe wij in het rijk Gods zullen leven, beiden met lichaam en ziel: en nochtans kunnen vleesch en bloed het rijk Gods niet bezitten: want wij zullen eerst van de verdorvenheid verlost worden. Zoo dan, onze natuur gelijk zij nu verderfelijk en sterfelijk is, is voor het rijk Gods niet geschikt: maar als zij de verdorvenheid zal afgelegd hebben, en met onverdorvenheid versierd zijn, dan zal zij daartoe komen. En deze plaats bevestigt ons duidelijk, dat wij in dit vleesch, dat wij dragen, zullen wederopstaan, waaraan hij een nieuwe hoedanigheid als een kleed toeschrijft. Had hij gezegd: Dit verderfelijke moet veranderd worden, zoo zou dien onheiligen geesten, die dichten dat de menschen met nieuwe lichamen zullen begiftigd worden, niet zoo duidelijk en sterk die dwaling benomen worden: maar nu, als hij verkondigt dat dit verderfelijke zal met heerlijkheid bekleed worden, zoo is er geen plaats meer voor tegenspreken.
54 Dan zal het woord geschieden. Dit is niet alleen een nadere verklaring, maar ook een bevestiging der naastvoorgaande uitspraak. Want wat van de profeten voorzegd is, moet vervuld worden: en deze profetie zal niet eerder vervuld worden, dan als onze lichamen de verdorvenheid afgelegd hebbende, onsterfelijkheid zullen aangenomen hebben. Zoo is dan dit laatste ook noodig. En het woord geschieden, wordt hier genomen voor ganschelijk volmaakt worden. Want het is nu in ons begonnen wat Paulus verhaalt, en het blijft ook allen dag geschieden: maar het zal niet behoorlijk volbracht worden dan in den laatsten dag. Voorts, is het niet duidelijk genoeg, waaruit hij dit getuigenis genomen heeft, dewijl er vele uitspraken in de profeten gevonden worden, die hiertoe dienen, uitgenomen dat het waarschijnlijk is, dat het eerste deel uit Jes. 25:8 is genomen, waar gezegd wordt, dat de dood is voor eeuwig door den Heere teniet gemaakt; of, (wat bijna allen 't best behaagt) uit Hozea 13: 14, waar de profeet de hardnekkige boosheid der Is-
276
1 CORINTHE 15:54â56.
raëlieten beweenende, klaagt dat zij een ontijdige vrucht gelijk geworden zijn, die den arbeid der barende moeder wederstaat, opdat zij niet voortkome: en besluit daaruit, dat zij alleen de oorzaak is, dat zij van den dood niet verlost wordt. Ik zal ze (zegt Hij) van de macht der hel verlossen, uit den dood zal Ik ze trekken. Er is niet veel aan gelegen, of wij het ook aldus lezen: Ik zou ze verlost hebben. Ik zou ze uitgetrokken hebben; want altijd blijft dit de zin, dat God bereid is geweest om hun zaligheid te geven, zoo zij zich hadden laten goeddoen, en dat het daarom hun schuld is, dat zij omkomen. Daarna stelt hij: O dood. Ik zal uw verderf zijn, o hel, uwe uitroeiing. Met deze woorden geeft God te kennen, dat Hij dan eerst zijne geloovigen behoudt, wanneer de dood en de hel teniet gemaakt worden. Want niemand zal ontkennen, dat in die plaats eene beschrijving is van eene volmaakte zaligheid. Dewijl wij dan zulk verderf des doods nog niet zien, zoo volgt daaruit, dat wij de volkomen zaligheid nog niet genieten, die God zijn volk belooft, en dat zij daarom tot op dien dag uitgesteld wordt. Zoo zal de dood verslonden, dat is, teniet gemaakt worden, alzoo dat wij alleszins en op alle zijden overwinning tegen hem hebben. Aangaande het ander deel, waarin Paulus den dood en de hel bespot, het is onzeker, of hij van zichzelven spreekt, of dat hij de woorden des profeten heeft willen voortbrengen. Want voor wat wij overgezet hebben: Ik zal, o dood, uw verderf, en o hel, uw uitroeiing zijn, daarvoor hebben de Grieksche overzetters: Waar is uw werking, o dood? Waar is uw prikkel, o hel? En hoewel deze hunne dwaling verontschuldigbaar is, om de gelijkheid der woorden, nochtans zoo iemand het verband naarstig aanmerkt, die zal zien, dat zij verre van den zin des profeten afgeweken zijn. Zoo is dan dit de ware zin, dat de Heere den dood zal dooden, en de hel teniet brengen. Nochtans dewijl de Grieksche overzetting algemeen in gebruik was, zoo is het mogelijk, dat Paulus daarop gezien heeft: en hierin is niets vreemds, hoewel hij ze niet van woord tot woord verhaald heeft. Want voor overwinning heeft hij gesteld, oorzaak of werking. Mijn gevoelen is voorwaar, dat de apostel hier niet opzettelijk den profeet tot een getuige heeft willen voortbrengen, om zijn autoriteit te misbruiken, maar dat hij alleen de uitspraak, die door gemeen gebruik aangenomen, en overigens godvruchtig was, als in het voorbijgaan, tot zijn voorgenomen handeling heeft gevoegd. Dit is het voornaamste, dat wij weten dat Paulus door zulk een moedige uitroeping de harten der Corinthiërs heeft willen oprichten, alsof hij ze tot een tegenwoordig aanschouwen der wederopstanding gebracht had. En hoewel wij de overwinning nog niet met de oogen zien, en de dag des triumfs nog niet gekomen is, ja, allen dag de gevaren des krijgs moeten aangaan, zoo wordt nochtans de zekerheid des betrouwens daardoor niet verminderd, gelijk terstond zal gezegd worden.
56 De prikkel des doods is de zonde. Dat is, de dood heeft geen wapen, waarmede hij ons kan wonden, uitgenomen de zonde: want de dood is uit den toorn Gods, en God wordt niet toornig dan over de zonde: daarom, als de zonde is weggenomen, zoo blijft daar geen schade des doods meer. Het is hetzelfde, dat hij, Rom. 6: 23, gezegd heeft, dat de dood de bezoldiging is der zonde: maar hij gebruikt hier een ander beeld, want de zonde vergelijkt hij bij
277
1 CORINTHE 15:56â58.
een stekel of prikkel, waarmede alleen de dood gewapend wordt om ons ten doode te prikkelen: wanneer deze is weggenomen, zoo is de dood ontwapend, dat hij niet meer hinderlijk is. Waarom Paulus dit zegt, zal hij terstond bewijzen. De wet is de kracht der zonde. Het is de wet Gods, waardoor deze prikkel zijn kracht heeft, te weten, omdat zij de schuld niet alleen toont, maar ook vermeerdert. Klaarder uitlegging van dit woord moet men halen uit Rom. 7 :9, waar Paulus leert, dat wij leven zoolang wij zonder de wet zijn, omdat het naar onze meening ons welgaat, en gevoelen onze ellendigheid niet, totdat de wet ons tot het oordeel Gods roept, en onze conscientie wondt met een gevoelen van den eeuwigen dood; bovendien, dat de zonde eenigszins slaapt, en door de wet ontstoken wordt, dat zij uitzinniger raze. Doch intusschen bevrijdt hij de wet van beschuldiging, dewijl zij heilig en goed en rechtvaardig is, en uit zichzelve niet de zonde genereert, noch oorzaak der zonde is. Zoo besluit hij dan, dat al het kwaad dat er is, ons toegerekend moet worden, omdat het duidelijk uit de verdorvenheid onzer natuur vloeit. Zoo dan, de wet hindert door oorzaak, en de eigen oorzaak des verderfs is in ons: daarom noemt hij hier de wet de kracht of macht der zonde, omdat zij het oordeel Gods volbrengt in ons. Intusschen ontkent hij niet, dat de zonde ook dien, die de wet niet weten, den dood aanbrengt: maar hij spreekt alzoo, omdat zij in dezulken niet zoo geweldig haar tirannie gebruikt. Want de wet is gekomen, opdat de zonde zou overvloedig zijn, of opdat zij zou worden zwaarder zondigende.
57 Maar Gode hebbe dank. Hieruit is het duidelijk, waartoe hij de zonde en de wet gemeld heeft, waar van den dood gesproken wordt. De dood heeft geen prikkel om mede te prikkelen, dan de zonde, en deze prikkel heeft doodelijke kracht door de wet. Maar Christus heeft de zonde overwonnen, en overwinnende, ons overwinning verkregen, en van de vervloeking der wet verlost: zoo volgt dan hieruit, dat wij niet langer der heerschappij des doods onderworpen zijn. Hoewel wij dan nog geen volkomen ontdekking dezer goederen hebben, zoo mogen wij nochtans nu gerustelijk roemen, dewijl het noodwendig in de leden volbracht moet worden, wat in het Hoofd volbracht is. Wij mogen den dood bespotten als die overwonnen is, dewijl de overwinning van Christus onze is. Daarom als hij zegt: Dat ons de overwinning gegeven is, zoo verstaat hij ten eerste, omdat Christus in zijn persoon de zonde heeft weggenomen, der wet voldaan, de vervloeking weggenomen, den toorn Gods gestild, het leven verkregen; ten andere, omdat Hij begonnen heeft ons alle deze goederen deelachtig te maken. Want hoewel wij nog de overblijfselen der zonde met ons dragen, zoo regeert zij nochtans in ons niet, hoewel zij ons nog prikkelt, zoo prikkelt zij ons nochtans niet doodelijk: want haar punt en scherpheid is afgestoken en stomp gemaakt, opdat zij tot het leven en de ziel niet doordringe. Hoewel de wet nog dreigt, zoo hebben wij nochtans daarentegen vrijheid door Christus verkregen, die een behoedmiddel is tegen de verschrikkingen der wet. Hoewel de overblijfselen der zonde nog in ons wonen, nochtans de Geest, die Christus van de dooden heeft opgewekt, is het leven uit oorzaak der rechtvaardigheid. Nu volgt het besluit.
58 Zoo dan, mijne lieve broeders. Als hij voor zichzelven
278
1 CORINTHE 15 : 58â16 : 1.
schijnt het geloof der wederopstanding genoegzaam bewezen te hebben, zoo besluit hij nu de handeling met een vermaning: hetwelk veel krachtiger is, dan of hij een eenvoudige besluitrede met een bevestiging gebruikt had. Dewijl (zegt hij) uw arbeid niet onnut is in den Heere, zoo weest standvastig en overvloedig in goede werken. Voorts zegt hij daarom, dat de arbeid niet zal onnut wezen, omdat zijn loon bij God bewaard is. Dit is een hope, welke ten eerste den geloovigen moed geeft; ten andere ophoudt, opdat zij in den loop niet bezwijken. Zoo gebiedt hij ze dan standvastig te blijven, dewijl zij op een vast fondament steunen, als zij weten, dat hun een beter leven in den hemel bereid is. Hij stelt daarbij: Overvloedig in het werk des Heeren; want de hope der wederopstanding maakt, dat wij in het weldoen niet vermoeid worden, gelijk hij leert aan de Colossensen, hfdst. 1 : 10. Want wie zou niet in zoovele aanstooten, die ons zonder ophouden bejegenen, den moed verloren geven, of uit den weg geleid worden, tenware hij op een beter leven denkende, alzoo in de vreeze des Heeren behouden worde? Daarentegen geeft hij ook te kennen, dat wanneer de hope der wederopstanding is weggenomen, het gansche gebouw der godzaligheid valt, alsof het fundament uitgeroeid ware. Voorwaar, wanneer de hope van loon is weggenomen en uitgebluscht, zoo zal de blijmoedigheid des levens niet alleen verkouden, maar ook vervallen.
HET ZESTIENDE HOOFDSTUK.
1 Voorts, aangaande de verzameling, die voor de heiligen geschiedt, Kom. 12 ; gelijk ik aan de gemeenten in Galatië verordend heb, doet ook ^'cot 8 gij alzoo. 9:1.
2 Op een sabbat zal een iegelijk van u bij zichzelven wegleggen, Hand. 11 een schat verzamelende van den voorspoed, welken hij zal gehad hebben, opdat de verzamelingen niet geschieden, wanneer ik zal komen.
3 En wanneer ik zal gekomen zijn, zoo zal ik die zenden, die gij zult goed achten om uwe weldadigheid naar Jeruzalem te dragen.
4 En indien het nut is, dat ik ook reis, zoo zullen zij met mij reizen.
5 Ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonië zal doorgereisd heb- Hand. 19 ben: want ik zal Macedonië doorreizen.
6 En bij u zal ik mogelijk blijven, of ook overwinteren, opdat gij mij geleidt, waar ik zal henenreizen.
7 Want ik wil u nu niet zien in het voorbijgaan, maar ik hoop een tijdlang bij u te blijven, zoo het de Heere toelaat.
T'oorts. Lukas verhaalt, dat de profetie van A'gabus, waarin Hand. 11 \/ hij voorzeide, dat ten tijde van keizer Claudius hongersnood ' zou wezen, den heiligen oorzaak heeft gegeven om aalmoezen te verzamelen, waarmede zij de broeders te Jeruzalem mochten helpen.
Want hoewel de profetie voorzegd had, dat dit kwaad bijna over de gansche wereld verspreid zou wezen, nochtans dewijl te Jeruzalem meer armoede was, en al de heidensche gemeenten, zoo zij niet al
279
1 CORINTHE 16: 1, 2.
te ondankbaar wilden zijn, aan die plaats te hulp behoorden te komen, uit welke zij het Evangelie ontvangen hadden, zoo is het hieruit geschied, dat een iegelijk zichzelven vergetende, dacht om Jeruzalem te helpen. En dat te Jeruzalem groote nood geweest is, Gai. 2:io. schijnt uit den zendbrief aan de Galaten, waar Paulus verhaalt, dat dit hem van de apostelen bevolen was, dat hij de heidenen zou opwekken om hulp te bewijzen; en de apostelen zouden nimmermeer zulk een bevel gegeven hebben, had hun de nood niet daartoe gedrongen. Voorts geeft deze plaats getuigenis, dat het waar is, wat Paulus daar ook betuigt, te weten, dat hij zorg gedragen heeft om de heidenen te vermanen, dat zij zulken nood te hulpe kwamen. Hoe zij zouden te hulpe komen,.leert hij hier: en opdat de Corin-thiërs deze wijze te beter aannemen, zoo verhaalt hij, dat hij dezelve den gemeenten in Galatië verordend heeft: want zij behoorden door een exempel te meer bewogen te worden, dewijl wij van nature plegen te vlieden, wat nog niet gebruikelijk is. Nu volgt de wijze, waardoor hij alle verhinderingen en beletselen heeft willen afsnijden.
2 Op een sabbat. Het einde is, dat zij intijds gereedliggende aalmoezen hebben. Zoo dan, hij gebiedt hun zijn komst niet af te wachten: want al wat haastig en onvoorziens geschiedt, geschiedt niet zoo geschikt: maar hij gebiedt hun zooveel als hun goeddunkt, en naardat eens iegelijks macht is te geven op de sabbatten, dat is, op dien dag, op welken zij hunne heilige vergaderingen hielden. Het woordje, op een sabbat, legt Chrysostomus uit: Op den eersten sabbat: niet welken ik niet instem. Want Paulus beduidt meer dat zij zullen geven, deze op den eenen sabbat, gene op den anderen, of ook een iegelijk op eiken sabbat, zoo zij willen. Want hij ziet ten eerste op de geschiktheid, dan, dat de heilige vergadering, waar de gemeenschap der heiligen gehouden wordt, hen daartoe mocht bewegen. Ik neem ook niet aan, wat dezelfde Chrysostomus Openb.i: io, acht, dat de sabbat gesteld is voor den Zondag of dag des Heeren: want het is waarschijnlijker, dat de apostelen in den beginne dien dag behouden hebben, die toen gewoonlijk gebruikt werd, en dat zij daarna door het Joodsche bijgeloof gedwongen zijnde dien af te leggen, een ander in zijn plaats gesteld hebben. En de Zondag werd voornamelijk daartoe verkoren, omdat de wederopstanding des Heeren aan de Joodsche schaduwen een einde gemaakt heeft. Zoo dan, de dag zelve vermaant ons van de Christelijke vrijheid. Voorts, uit deze plaats wordt lichtelijk verstaan, dat de geloovigen altijd een zekeren dag gehad hebben om te vieren en te rusten: niet omdat de dienst Gods in ledigheid is gelegen, maar omdat het voor de algemeene eendrachtigheid nut is, dat er een zekere dag verordend is om de heilige vergaderingen te houden, dewijl zij ze niet Col. 2: ie. allen dag kunnen houden. Want dat Paulus op een andere plaats verbiedt onderscheid te maken tusschen den eenen dag en den anderen, dat moet men verstaan betrekkelijk den godsdienst, maar niet betrekkelijk uiterlijke orde en regel. Schat verzamelende. Men heeft voortijds overgezet verzamelende, maar ik wil liever de eigenschap van het Grieksche woord behouden, omdat het mij scheen meer kracht te hebben. Want hoewel het ook beduidt wegleggen, zoo heeft nochtans naar mijn oordeel Paulus de Corinthiërs willen vermanen, dat het hun een zeer goede en zekere schat zal wezen, al wat zij tot hulp der heiligen zullen gegeven hebben. Want
280
1 CORINTHE 16:2â7.
281
i te zoo een heidensch dichter heeft mogen zeggen: Gij zult alleen dat het goed hebben, dat gij zult gegeven hebben: hoeveel meer zal dit om plaats hebben bij ons, wij die niet staan op dankbaarheid der men-is, schen, maar God hebben, die Zichzelven in der armen plaats stelt dat tot een schuldenaar, om later met groote winst weder te geven al zou wat wij geven. Daarom komt het woord van Paulus overeen met ler- het woord van Christus: Verzamelt u schatten in den hemel, die Matt, o:is. toe aan de dieven en motten niet blootgesteld zijn. Van den voorwat spoed. Hiervoor heeft de oude overzetter gesteld: Wat hem wel om behaagt, zonder twijfél door de gelijkheid des woords bedrogen ien. zijnde. Erasmus heeft overgezet: Wat bekwaam is. Het heeft mij rin- geen van beide behaagd, omdat de eigenlijke beteekenis van het Ive woord veel bekwamer zin meebrengt, want het beduidt: Gelukkigen oor voorspoed hebben. Zoo roept hij dan een iegelijk tot de beschou-ure wing van zijne macht, alsof hij zeide: Gelijk God een iegelijk ge-jze, zegend heeft, alzoo zal hij van zijn inkomst den armen deelen. en. 3 Wanneer ik zal gekomen zijn. Dewijl wij vaardiger en blij-ide moediger zijn in het geven, wanneer wij zeker zijn, dat hetgeen wij te geven, wel zal besteed zijn: zoo wijst hij den Corinthiërs een middel sdt aan, waardoor zij zeker mogen zijn van goede en getrouwe be-ikt, diening, te weten, dat zij getrouwe mannen verkiezen, om hun de is, zaak te bevelen. Ja, hij heeft ook zelve zijn dienst aangeboden, zoo Iet die noodig is, hetwelk een teeken is, dat de zaak hem ter harte gaat. en 5 Want ik zal Macedonië doorreizen. Het algemeen gevoelen lat is, dat deze zendbrief van Filippi is gezonden. Die van daar over sn, land komen naar Corinthe, moeten door Macedonië reizen: want iet de stad Filippi was gelegen in het uiterste einde des lands, in de ig, richting van de Ematische bergen. Paulus kon wel van daar te scheep ;oe naar Corinthe komen, maar hij wilde de Macedonische gemeenten be-ius zoeken, om dezelve met zijn doorreizen te versterken: dit is het al-n: gemeen gevoelen. Maar het schijnt mij waarschijnlijker te zijn, dat en deze zendbrief te Efeze is geschreven: want weinig hierna zegt hij, lat dat hij daar zal blijven tot Pinksteren, en hij groet de Corinthiërs niet te namens de Filippensen, maar namens die van Azië. Bovendien, in ag den Tweeden zendbrief zegt hij duidelijk, dat hij is doorgegaan naar es Macedonië, nadat hij dezen zendbrief gezonden had: en na den do doorgang van Macedonië zou hij verre geweest zijn van Efeze, maar ts, nabij Achaje. Daarom twijfel ik niet, dat hij toen te Efeze is ge-jd weest; van daar kon hij met het schip recht oversteken naar Achaje: n- maar als hij Macedonië wilde bezoeken, zoo had hij langer en or moeilijker weg. Zoo vermaant hij dan, dat hij niet rechtdoor tot ir- hen zal komen, omdat hij zijn weg door Macedonië zal maken. Hij et belooft den Corinthiërs meer, te weten, dat hij langer bij hen zal ts blijven: waarmede hij zijn liefde jegens hen bewijst. Want wat oor-:n zaak had hij om lang bij hen te blijven, dan dat hij zorgvuldig was ar voor hun zaligheid? Wederom geeft hij te kennen, hoe zeker hij is e. van hun onderlinge liefde tot hem, als hij dit buiten twijfel stelt, ïr dat hij uit gedienstigheid van hen geleid zal worden: want dat zegt lij hij uit vertrouwen van vriendschap. Maar als hij het al gezegd heeft, ï- zoo stelt hij deze uitzondering daarbij, zoo het de Heere toelaat: rs met welke matiging de heiligen al hunne raadslagen behooren te il besluiten: want het is groote lichtvaardigheid, vele dingen voor te it nemen, dewijl niet ée'n oogenblik tijds in onze macht is. En hoewel
1 CORINTHE 16 ; 7â9.
het voornaamste is, dat wij met de innerlijke genegenheid des harten, al onze raadslagen Gode en zijne voorzienigheid onderwerpen, zoo betaamt het nochtans ook mede ons tot zulke wijzen van spreken te gewennen, opdat wij alle dingen hangen aan den wil Gods, zoo wanneer van den toekomenden tijd gesproken wordt.
8 Ik zal te Efeze blijven tot Pinksteren.
9 Want mij is een groote en krachtige deur geopend, en daar zijn vele tegenstanders.
10 Zoo Timotheus komt, ziet toe, dat hij zonder vrees bij u zij: want hij werkt het werk des Heeren, gelijk ik ook doe.
11 Dat dan niemand hem verachte: maar geleidt hem met vrede, dat hij tot mij kome: want ik verwacht hem met de broeders.
Hand. 18:24. 12 Voorts, aangaande den broeder Apollos, ik heb hem zeer ge
beden, dat hij met de broeders tot u komen zou, en het is ganschelijk zijn wil niet geweest nu te gaan: maar hij zal komen, wanneer hij bekwaamheid zal gekregen hebben.
8 Ik zal te Efeze blijven. Uit deze woorden heb ik boven geredeneerd, dat deze zendbrief eerder van Efeze dan van Filippi is gezonden. Want het is waarschijnlijk, dat de apostel hier spreekt van de plaats, waarin hij toen was, en niet waar hij door lang omreizen komen zou. Bovendien was het noodig dat hij, die van Filippi door Macedonië reisde, de stad Corinthe liet liggen, schoon zeer nabij, en de zee overscheepte om naar Efeze te komen. Zoo zegt hij dan, dat hij te Efeze zal blijven tot Pinksteren, reden daarbij voegende, opdat zij met kalmer gemoed hem verwachten. Erasmus wil liever stellen: Tot den vijftigsten dag; meer door ijdele gissingen daartoe bewogen, dan door eenig vast argument. Erasmus zegt, dat de Pinksterdag, die nu gehouden wordt, nog niet was ingesteld bij de Christenen, hetwelk ik hem toestem. Hij zegt, dat men het niet van het Joodsche feest moet verstaan, dewijl Paulus de bijgeloovige viering van dagen alom aflegt en misprijst: maar ik stem niet toe, dat Paulus dien dag te Efeze heeft gehouden, als met bijgeloovig-heid dienaangaande bevangen zijnde, maar omdat te dien dage eene groote vergadering zou wezen, en hij hoopte, dat hem alzoo gelegenheid gegeven zou worden om het Ãvangelie te verbreiden;
Hand.20:16. gelijk toen hij zich naar Jeruzalem haastte, zeide, dat de oorzaak was, opdat hij te Pinksteren daar zou komen. Doch toen anderen naar het gebruik der wet daar kwamen om te offeren, heeft hij daar een ander einde gezien, te weten, opdat zijn dienst in de groote menigte des volks zou te nutter wezen. Dat zou veel te koud en lauw wezen, dat Paulus hier alleen van vijftig dagen zou spre-ryvTsvTs- ken. En het staat ook in het Grieksch alzoo, dat men het niet Kotrrijv. anders kan verstaan dan van een zekeren dag. Zie voorts van dit feest Lev. 23 : 16.
9 Want my is een groote en krachtige deur geopend. Hij stelt twee oorzaken, waarom hij te Efeze langer blijft, te weten, dat hem daar gelegenheid gegeven werd om het Evangelie te bevorderen, en dat om de menigte der tegenstanders, zijn tegenwoordigheid daar zeer noodig was. Zoo is het dan zooveel alsof hij zeide: Ik zal hier een weinig blijvende, veel goeds doen, en de duivel zou
282
1 CORINTHE 16:9â12.
in mijn afwezen veel kwaads doen. In het eerste lid gebruikt hij een zeer gewone beeldspraak, als hij stelt, een deur, voor bekwaamheid, oorzaak en gelegenheid. Want de Heere deed hem den weg open om het Evangelie te bevorderen. Hij zegt, dat deze deur groot is, omdat hij vele menschen kon winnen, hij zegt dat zij krachtig is, omdat God zijn arbeid zegende, en de leer door de mogendheid zijns Geestes krachtig maakte. Zoo zien wij dan, hoe deze heilige man alom de eer van Christus is gevolgd, en dat hij niet om zijns voordeels of lustswille eenige plaats verkoren heeft; maar dat hij alleen aangezien heeft, waar hij allermeest nuttig kon zijn, en met de overvloedigste vrucht God kon dienen. Hiertoe dient, dat hij de zwarigheden niet alleen niet gevloden, maar ook gewillig zichzelven daartegen gesteld heeft, waar hij zag, dat het noodig was strenger en met grooter zwarigheid te strijden. Want hij bleef daar, omdat er vele tegenstanders in den weg stonden, om wier aanloop te wederstaan, hij zooveel te bereider en gewilliger moest zijn, omdat hij wel gewapend en voorzien was.
10 Zoo Timotheus komt. Hij spreekt, alsof hij van zijn komst nog niet zeker ware, en hij beveelt hun Timotheus, opdat hij bij hen zonder vreeze zij; niet dat zijn leven bij hen in gevaar was, maar dewijl de vijanden van Christus hem hinderlijk zouden zijn. Zoo wil hij dan, dat zij naarstig zorg dragen, opdat hem geen onrecht geschiede. Hij stelt de oorzaak daarbij, zeggende, want hy werkt het werk des Heeren: waaruit wij verstaan, dat de gemeente van Christus behoort voor het leven der dienaren zorgzaam te zijn. En voorwaar het is recht, hoe grooter gaven een iegelijk heeft tot stichting der geloovigen, en hoe naarstiger hij zich daaraan overgeeft, dat alzoo ook zijn leven ons des te dierbaarder is. Het woordje, gelijk ik, is gesteld, óf om de uitnemendheid, óf om enkel de gelijkheid van dienst uit te drukken: dewijl zij beiden in het Woord arbeidden.
11 Dat dan niemand hem verachte. Hier beveelt hij hem andermaal aan, opdat zij hem niet verachten: mogelijk omdat hij nog niet zeer oud was, en de jonkheid gewoonlijk minder eerbiediging heeft. Zoo heeft hij dan willen zorgen, dat niemand zou verhinderen, dat de getrouwe dienaar van Christus in behoorlijke eer en waarde zou gehouden worden; tenzij Paulus mogelijk ditzelve voor verachting aangemerkt heeft, zoo zij voor zijn leven geen zorg droegen, gelijk het betaamde. Maar dit voorschrift schijnt wijder te strekken, te weten, dat zij hem niet zouden klein achten, zijn deugd niet kennende. Ten derde gebiedt hij, dat zij hem geleiden in vrede, dat is, vrij van allen hinder: want vrede beduidt hier veiligheid.
ia Aangaande den broeder Apollos. Deze volgde Paulus op in de opbouwing der Corinthische gemeente: en daarom heeft hij hem hierboven toegeschreven het werk der natmaking. Nu verontschul- i digt hij hem, dat hij niet komt met de anderen: en daarom verontschuldigt hij hem, opdat de Corinthiërs niet denken, dat hij hem verhinderd had: want zij waren des te sterker tot hem genegen, omdat zij hem wel kenden. En zij hadden lichtelijk kunnen denken, dat Paulus dit gemaakt had, dat Apollos om eenige verbolgenheid niet tot hen kwam. Voorzeker, zij hadden bij zichzelven aldus kunnen vragen: Waarom heeft hij ons liever dezen gezonden dan Apollos? Hij antwoordt, dat hij door hem niet verhinderd is, dewijl hij hem
283
1 ÃORINTHE 16:12â15.
vermaand heeft, maar hij belooft te komen, wanneer hij gelegenheid zal hebben.
13 Waakt, staat in het geloof, handelt mannelijk, weest sterk.
14 Laat al uwe dingen geschieden in de liefde.
i Cor. l: 14. 15 Ik vermaan u, broeders, gij kent het huisgezin van Stéfanas,
dat zij zijn de eerstelingen van Achaje, en hoe zij zichzelven geschikt hehhen tot den dienst der heiligen.
16 Dat gij ook den zoodanigen onderworpen zijt, en allen, die medewerken en arbeiden.
17 Ik ben blijde om de tegenwoordigheid van Stéfanas, en For-tunatus, en Aohaïcus, omdat zij hebben vervuld, wat van uwentwege ontbrak.
18 Want zij hebben mijnen en uwen geest vermaakt: daarom erkent de zoodanigen.
19 De gemeenten in Azië groeten u. U groeten zeer in den Heere Aquila en Priscilla, met do gemeente in hun huis.
Eom. IC: 15. 20 U groeten al de broeders. Groet elkander met een heiligen kus.
lThess.5*:26! 21 Ik, Paulus, groet u met mijne hand.
i Pet. 5:14. 22 Zoo iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij
eene vervloeking, Maran-atha!
23 De genade van den Heere Jezus Christus zij met u.
24 Mijn liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen.
De Eerste zendbrief aan de Corinthiërs werd gezonden uit Filippi door Stéfanas, en Fortundtus, en Andronicus, en Timotheiis.
13 Waakt. Dit is een korte, maar zeer gewichtige vermaning. Hij gebiedt hun te waken, opdat zij niet door den duivel overvallen worden. Want gelijk het zonder ophouden krijg is, alzoo moet men ook zonder ophouden waken. En dit is een waken des gemoeds: als wij vrij en onbekommerd van aardsche zorgen, dingen bedenken die Gode aangaan: want gelijk het lichaam door gulzigheid en onmatigheid bezwaard wordt, zoodat het tot niets nut is, alzoo zijn de zorgvuldigheden en begeerlijkheden der wereld, de onachtzaamheid of zorgeloosheid, als een geestelijke dronkenschap, waardoor het gemoed overvallen wordt. Het tweede is, dat zij in het geloof volharden, of dat zij het geloof behouden, opdat zij standvastig zijn, want het is het fundament, waarop wij steunen. Toch is het zeker, dat de wijze van volharden hier voorgesteld wordt, te weten, dat zij met vast geloof op God rusten. Ten derde (hetwelk het tweede zeer gelijk is) wekt hij ze op tot mannelijke sterkheid. En dewijl wij van nature zwak zijn, zoo gebiedt hij ze ten vierde versterkt te worden, of sterkte te verkrijgen. Want waar wij gesteld hebben, weest sterk, daar gebruikt Paulus slechts ée'n woord, hetwelk zooveel is als gesterkt worden.
14 Laat al uwe dingen geschieden in de liefde. Hij herhaalt wederom, welke de regel aller werken is, waardoor wij onder elkander gemeenschap hebben. Zoo wil hij dan, dat de liefde de regeerster is; want de Corinthiërs zondigden voornamelijk daarin, dat een iegelijk zichzelven zocht, en den ander verachtte.
15 Gjj kent het huisgezin van Stéfanas. Wij bevinden door
284
1 CORINTHE 16; 15â21.
dagelijksch gebruik, hoe nuttig het is, dat die in zeer groot aanzien zijn, die God met uitnemende gaven versierd heeft. Daarom, zoo wij de zaligheid der gemeente willen zoeken, zoo moeten wij altijd dat bezorgen, dat den goeden eer gegeven worde, dat hun raad in groote waarde zij, dat de anderen voor hen wijken, en dat zij zich door derzelver voorzichtigheid laten regeeren. Dit doet Paulus nu, als hij de Corinthiërs vermaant, dat zij het huisgezin van Sté-fanas (sommige handschriften hebben er ook bij; en van Fortunatus) eere bieden. Want daar verschijnt God ons, waar Hij de gaven zijns Geestes ons vertoont. Daarom, willen wij geen verachters Gods schijnen, zoo moeten wij onszelven gewillig onderwerpen al dengenen, dien God overvloedige gaven gegeven heeft. En opdat zij temeer genegen zijn om dat huisgezin te eeren, zoo maakt hij ze gedachtig, dat zij zijn de eerstelingen van Achaje, dat is, dat de huisgenooten van Ste'fanas de eersten zijn geweest, die het Evangelie aannamen; niet dat die eerst geweest is, altijd beter is dan de anderen, maar wanneer de volharding daarbij is, zoo wordt terecht dien eere gegeven, die door de vaardigheid des geloofs, eenigszins aan het Evangelie een weg bereid hebben. Men moet ook aanmerken, dat dien zulk een eervolle naam gegeven wordt, die hunnen dienst en goed den geloovigen geheiligd hadden. Om dezelfde oorzaak beveelt hij hun weinig daarna ook Fortunatus en Achaïcus, opdat een iegelijk, hoe beter hij was, in zooveel te grooter waarde zou gehouden worden, opdat hij des te meer goed mocht doen. Voorts, opdat de Corinthiërs te beter bewogen worden om hen lief te hebben, zoo zegt hij, dat het door hunnen dienst vervuld is, wat aan hun gansche gemeente ontbrak.
19 Met de gemeente in hun huis. Het is een groote lof, als hij aan een huisgezin den naam geeft van gemeente: en nochtans betaamt het, dat elk huisgezin der godzaligen alzoo ingericht is, dat het een gemeente is. Dat Erasmus liever den naam vergadering heeft, dat is den zin van Paulus vreemd: want hij heeft niet met een gemeenen naam een hoop volks willen beduiden, maar eervol van de Christelijke huishouding willen spreken. Voorts, dat hij hierbij de groetenis van Aquila en Priscilla schrijft, daardoor wordt bevestigd wat ik boven aangeteekend heb, te weten, dat deze zendbrief eerder te Efeze geschreven is dan te Filippi. Want Lukas leert, dat zij te Efeze bleven, toen Paulus van daar reisde.
20 Groet elkander met een. De gewoonte van kussen was bij de Joden zeer algemeen, gelijk uit de Schrift bekend is; en hoewel het in Griekenland niet zoo algemeen was, zoo was het nochtans niet onbekend; maar het is waarschijnlijk, dat Paulus hier spreekt van dien kus, waarmede zij elkander in de heilige vergadering groetten. Want ik zou het lichtelijk gelooven, dat van der apostelen tijd aan de kus bij de bediening des nachtmaals is gebruikt geweest, in plaats waarvan bij die volken, dien de gewoonte van kussen wat vreemd was, het kussen der offerschaal is gekomen. Hoe het zij, dewijl het een teeken der onderlinge liefde was, zoo twijfel ik niet, dat Paulus ze heeft willen vermanen om onderlinge liefde onder elkander te houden, niet alleen met het gemoed en met noodwendige diensten, maar ook met dit teeken, zoover het heilig was, dat is, noch oneerlijk, noch bedriegelijk. Intusschen kan heilig genomen worden voor g e w ij d.
285
1 CORINTHE 16:22â24.
22 Zoo iemand den Heere Jezus niet liefheeft. Het slot van den zendbrief heeft drie stukken: Hij wenscht den Corinthiërs de genade van Christus, hij geeft getuigenis van zijn liefde tot hen, en dreigt die zeer strengelijk, die den naam des Heeren valschelijk voorwenden, Hem niet van harte liefhebbende. Want hij spreekt niet van degenen, die daarbuiten waren, die den naam van Christus openlijk haatten, maar van de onnutte hypocrieten, die om hunnen buik of om ijdelen roem de gemeenten verstoorden: denzulken verkondigt en wenscht hij de vervloeking. Het is onzeker, of hij hun wenscht het verderf voor God, of dat hij wil, dat zij den geloovigen hatelijk, ja, gruwelijk zijn. Evenals aan de Galaten, hfdst. 1: 8, waar hij zegt, dat de vervalscher van het Evangelie vervloekt is, en daarmede niet beduidt, dat hij van God verworpen en verdoemd is, maar vermaant, dat hij ons gruwelijk moet zijn. Ik leg het eenvoudig uit, alsof daar gezegd ware, dat zij omkomen en uitgeroeid worden, want zij zijn pesten der gemeenten: en voorwaar, daar is niets verderfelijkers dan deze soort van menschen, die de uitwendige belijdenis der godzaligheid tot hunne booze genegenheden misbruiken. En de oorsprong dezes kwaads geeft hij te kennen, als hij zegt, dat zij Christus niet liefhebben: want de oprechte en ernstige liefde van Christus, zal niet dulden, dat wij den broederen ergernis of aanstoot geven. De woorden Maran-atha, die hij terstond daarbij stelt, hebben wat meer zwarigheid. Bijna al de ouden komen daarin overeen, dat het Syrische woorden zijn. Doch Hieronymus legt het uit: De Heere komt; anderen: In de komst des Heeren, of: Totdat de Heere komt. Maar een iegelijk (gelijk ik meen) ziet wel, hoe naakt en kinderachtig het zou zijn, dat de apostel bij de Grieken, Syrische woorden zou gebruikt hebben, als hij wilde zeggen, dat de Heere gekomen is. Die het overzetten: In de komst des Heeren, gissen slechts, want die zin heeft ook geen grooten schijn. Het is veel waarschijnlijker, dat deze wijze van spreken den Hebreen gewoon is geweest, als zij iemand wilden afsnijden of uitsluiten. Want de apostelen gebruiken nergens vreemde talen, dan als zij in eens anders persoon iets verhalen; gelijk: Eli, Eli, lama sabachtani. Evenzoo: Tabitha Kumi. Evenzoo: Effatha; of zij gebruiken een woord, dat door algemeen gebruik aangenomen is, gelijk Amen, Hosanna. Laat ons dan zien of deze woorden Maran-atha, ook tot de afsnijding dienen. Bullinger heeft op gezag van Theodorus Biblian-drus vermaand, dat Maran-atha zooveel beduidt, als het Hebreeuw-t^ereinbe- sche woord Cherem. En Wolfgangus Capito, zaliger gedachtenis, 66 eii a . jjjjj vroeger datzelfde verzekerd. En het is niet nieuw, dat de
apostelen deze woorden anders schrijven, dan zij in hun taal uitgesproken werden: hetwelk ook uit de boven aangehaalde voorbeelden openbaar is. Zoo dan, als Paulus die vervloekt had, die Christus niet liefhebben, zoo heeft hij, door het gewicht der zaak gedrongen, alsof hij zichzelven niet genoeggedaan had, een woord daarbij gesteld, dat bij de Joden gemeen was, en dat zij gebruikten, als zij het vonnis der uitsluiting uitspraken, gelijk ik in onze taal zou zeggen: Ik snijd u af. En zoo ik daarbij zou voegen: Ik anathemathizeer u, zoo zal dit krachtiger het verlangen uitdrukken.
286
DE
TWEEDE ZENDBRIEF VAN PAULUS
AAN DE
CORIK THIERS.
JOHANNES CALVIJN
DEN HOOGGEÃERDEN MAN
MELCHIOR VOLMARIUS RUFUS,
Reehtsgel eerde,
SALUT.
Indien gij mij niet alleen van onachtzaamheid, maar ook van onvriendelijkheid beschuldigt, omdat ik zoo langen tijd geen brieven aan u geschreven heb, zoo beken ik, dat ik nauwelijks iets heb om mij te verontschuldigen. Want zoo ik voorwend, dat wij ver van elkander wonen, en dat ik deze vijf jaren lang niemand gehad heb, die daarhenen zou reizen, dan zal dit wel waar wezen; maar ik beken nu uit eigen beweging, dat het al te zwak zou zijn. Daarom heb ik niets beters geacht dan eenige vergelding te doen, waardoor de feilen des verleden tijds gebeterd, en ik eenmaal van alle schuld mag bevrijd worden. Ziehier dan de uitlegging op den Tweeden Zendbrief aan de Corinthiërs, met zoo groote naarstigheid als mij mogelijk was, bearbeid. En ik twijfel ook niet, of zij zal naar uwe billijkheid voor een behoorlijke vergelding strekken. Evenwel, ik ben ook door andere en gewichtigere oorzaken bewogen om deze u op te dragen. Ten eerste, ben ik gedachtig met wat groote trouw gij die kleine vriendschap, die ik voortijds met u had, gehouden en vermeerderd hebt; hoe mildelijk gij bereid geweest zijt uzelven en uwen dienst aan mij te bewijzen, wanneer gij meendet eenige oorzaak te hebben om uwe liefde aan mij te betoonen; hoe dikmaals gij mij uwe hulp aangeboden hebt om mij te versieren, had mij mijne roeping, waaraan ik toen gebonden was, niet verboden, die te gebruiken. Maar niets heeft bij mij meer kracht gehad, dan de gedachtenis aan den eersten tijd, in welken ik, van mijnen vader gezonden zijnde, om het civiele recht te leeren, door uwe aanleiding en onderwijzing ook mede de Grieksche taal heb geleerd, welke gij ons toen met zeer grooten lof leeraardet. En het is door uwe schuld niet geschied, dat ik geen grootere vorderingen gemaakt heb: want gij zoudt naar uwe vriendelijkheid niet geweigerd hebben de hand toe te steken, en hulp te bewijzen, om den loop mijner leering te volbrengen, had mij de dood mijns vaders niet daarvan afgetrokken, toen ik niet lang daarin begonnen was. Nochtans ben ik niet weinig u verplicht, dat ik immers de beginselen van u geleerd heb, die mij daarna grootelijks geholpen hebben. Daarom heb ik mijzelven niet anders kunnen genoegdoen, dan zoo ik den nakomelingen een gedenkteeken mijner dankbaarheid liet, en gij ook mede eenige vrucht uws arbeids ontvingt. Vaarwel.
Te GENÃVE, den Isten Augustus 1546.
DE INHOUD
VAN DEN
TWEEDEN ZENDBRIEE VAN PAULUS
AAN DE
CORINTHIÃRS.
19
Zooveel men uit den samenhang van dezen zendbrief kan verstaan, schijnt het, dat de Eerste zendbrief niet zonder eenig gevolg is geweest bij de Corinthiërs, doch dat hij niet zooveel gedaan heeft als het recht was. Bovendien, dat sommige ongeschikte menschen het gezag van Paulus verachtende, in hun hardnekkigheid hebben volgehouden. Want dat hij nu zoovele woorden gebruikt om zijn getrouwheid te bewijzen, en om de waardigheid zijns ambts te bevestigen, dat is een teeken, dat zij nog niet ganschelijk waren terecht gebracht, en dat er sommigen waren, die den Eersten zendbrief meer bespotten, dan tot een geneesmiddel gebruikten; hierover klaagt hij zelf met klare woorden. Zoo dan, dewijl hij verstond, dat de stand der gemeente bij hen zoo was, en dat hij door andere zaken verhinderd zijnde, later tot hen zou komen, dan hij in den beginne voorgenomen had, zoo heeft hij dezen brief uit Macedonië geschreven. Nu hebben wij, wat hij, dezen brief schrijvende, aangezien heeft, te weten, opdat hij zou volbrengen wat hij nu begonnen had, opdat hij alles wel gesteld mocht vinden, wanneer hij kwam. Hij begint naar zijn gewoonte met dankzegging. God dankende, dat hij uit zeer groote gevaren wonderlijk verlost was, en ook mede met korte woorden vermanende, dat al zijne verdrukkingen en ellendigheden tot hun eigen goed en zaligheid gedijde: opdat hij hierdoor als door een pand der vriendschap, te beter in hun gunst kome, dewijl de goddeloozen deze oorzaken misbruikten om hem onaangenaam te maken. Boyendien, als hij het vertoeven van zijne komst wilde verontschuldigen, zegt hij, dat hij zijn plan niet veranderd heeft door lichtvaardigheid of ongestadigheid, of om te bedriegen, iets anders voorgegeven heeft, dan hij in den zin had: maar dat hij dezelfde gestadigheid in al zijne woorden houdt, die zij in de leer bevonden hadden. En hier roert hij met korte woorden aan, hoe standvastig en zeker de waarheid zijner prediking geweest is, als die in Christus is gefundeerd geweest, in wien al de beloften Gods vast en zeker zijn, hetwelk een uitnemende lof des Evangelies is. Daarna betuigt hij, dat hij om deze oorzaak niet gekomen is, omdat hij hun niet vriendelijk en liefelijk kon zijn:
Dl. II.
DE INHOUD VAN DEN TWEEDEN ZEND-
2Q0
waarmede hij die berispt, die uit de verandering van zijn plan oorzaak namen om hem te lasteren. Zoo legt hij dan de schuld op de Corinthiërs, omdat zij nog niet wel bereid waren om hem te ontvangen. En toont ook mede aan, hoe goed en vaderlijk hij tot hen gezind was, dewijl hij naliet in hun stad te komen, opdat hij niet gedwongen zou worden strengheid tegen hen te gebruiken. Voorts, opdat niemand zou tegenwerpen, dat hij intusschen in zijnen zendbrief niet nagelaten had de Corinthiërs strengelijk te behandelen, zoo verontschuldigt hij die strengheid, die hij in den Eersten zendbrief gebruikt had, zeggende, dat anderen de oorzaak daarvan geweest zijn, die hem tegen zijn wil tot zulk een nood gedwongen hebben. En dat deze bitterheid uit een goedwillig hart is gekomen, wordt hierdoor bevestigd, dat hij ook dien, die de bloedschande begaan had, over welken hij zeer verbolgen was, gebiedt wederom in genade te ontvangen, omdat hij na dien tijd eenig teeken van bekeering gegeven had. Bovendien heeft hij zijn liefde jegens hen ook met deze bewijsreden bevestigd, dat zijn hart ongerust is geweest, totdat hij door Titus van hunne zaken was ingelicht: want zulke zorgvuldigheid komt uit liefde. Maar hier zijn reis naar Macedonië gemeld hebbende, begint hij te handelen van de heerlijkheid van zijn dienst. Nochtans, dewijl die lekkere apostelen, die hem zochten te lasteren, hun eigen lof verkondigende, hem licht overwonnen zouden hebben, zoo betuigt hij, dat hij niet van de men-schen lof en prijs zoekt, maar uit de zaak zelve neemt, opdat hij niets met hen gemeen hebbe, en ook mede hun dwazen roem weder-legge. Op welke plaats hij de kracht zijner prediking hoogelijk verheft, en het Evangelie met de wet vergelijkende, de waardigheid zijns apostelambts grootmaakt: nochtans eerst betuigende, dat hij niets zichzelven als eigen toekent, maar alles wat daar is, Gode toeschrijft. Daarna verhaalt hij wederom, met wat groote getrouwheid en oprechtheid hij het ambt, dat hem bevolen was, bediend heeft: waar hij ook die gispt, die hem kwaadwillig lasterden; ja ook, door een heilig betrouwen hooger opklimmende, zegt, dat die allen van den duivel verblind zijn, die de klaarheid zijns Evangelies niet zien. Nu, dewijl hij zag, dat de eerwaardigheid zijns apostelambts zeer gekrenkt werd door de nederheid zijns persoons, daar die toch in de wereld verachtelijk was, zoo heeft hij door een bekwame voorkoming deze ergernis niet alleen weggenomen, maar ook tot het tegengestelde gewend, zeggende, dat de uitnemendheid der genade Gods zooveel te klaarder gezien wordt, dewijl zulk een groote schat in aarden vaten voorgesteld wordt: alzoo heeft hij wat de kwaadwilligen hem tot schande rekenden, tot zijn lof en eere gewend: dewijl hij met zoo vele ellendigheden overvallen zijnde, nochtans altijd gelijk de palm, als een overwinnaar doorbreekt. Dit behandelt hij tot de helft van hel 4ae Hfdst. Nochtans dewijl de ware heerlijkheid der Christenen buiten de wereld is, zoo vermaant hij, dat men door verachting des tegenwoordigen levens, en dooding des uitwendigen menschen, met alle begeerte des harten, tot bedenking der heilige onsterfelijkheid moet voortgaan. Daarna, weinig na het begin van het 5de Hfdst., roemt hij, dat zijn genegenheid zoo is, dat hij niet anders wenscht en begeert, dan zijnen dienst Gode aangenaam te maken: en dat hij hoopt de Corinthiërs tot getuigen zijner oprechtheid te hebben. Maar dewijl hier gevaar was
291
van verdenking van ijdelheid of hoovaardigheid, zoo verhaalt hij wederom, dat hij door der boozen ongeschiktheid hiertoe gedwongen wordt: en dat niet om zijnentwil, alsof hij zoo zocht zijn eigen eer te behouden, maar tot der Corinthiërs voordeel, dien het nut is alzoo te gevoelen en zeker te zijn: en hij betuigt dat niets hem ter harte gaat, dan hun zaligheid. Om welke zaak te bevestigen, hij een algemeene leer stelt, wat doel en einde de dienaren van Christus behooren voor oogen te hebben, te weten, dat zij zichzelven vergetende, hunnen Heere leven; en eindelijk besluit hij, dat men niets moet achten dan de nieuwheid des levens, opdat die alleen geacht worde, die zichzelven verloochend heeft. Hieruit maakt hij een overgang tot verklaring van den hoofdinhoud der Evangelische boodschap, om door grootheid en uitnemendheid, op de eene zijde de dienaars, op de andere zijde het volk tot godzalige zorgvuldigheid te bewegen; hetwelk hij doet in het begin van het 6ac Hfdst. En als hij hier wederom herinnerd heeft, hoe getrouw hij zijn ambt bedient, zoo bestraft hij een weinig de Corinthiërs, dat zij zelf zichzelven verhinderen de vrucht te genieten. Bij deze beschelding stelt hij terstond een vermaning, dat zij de afgoderij vlieden: waaruit het openbaar is, dat hij de Corinthiërs nog niet gebracht had, waartoe hij wilde. Daarom klaagt hij terecht, dat het de schuld van hen is, die voor zulke klare leer hunne ooren niet openden. Maar opdat hij de zwakke harten door te scherpe nepen niet vervreemde of versla, zoo betuigt hij wederom zijn goedwilligheid tot hen, en die verontschuldiging, die hij als afgebroken gelaten had, volbrengt hij, hoewel op een andere wijze. Want een grooter betrouwen gekregen hebbende, bekent hij, dat het hem niet mishaagt, dat hij ze bedroefd heeft, omdat hij het tot hun nut en voordeel gedaan heeft; en aldaar verblijdt hij zich over hunnen voorspoed, en verklaart hoe hartelijk en met wat begeerte hij hun nut en voordeel zoekt. Dit behandelt hij tot het einde van het 7de Hfdst. Van het begin van het 8e Hfdst. tot het einde van het 9^, maakt hij ze vaardig en blijmoedig om aalmoezen te geven, die hij in het laatste hfdst. van den Eersten zendbrief gemeld had. En hij prijst ze, dat zij wel begonnen hadden: maar opdat (gelijk het pleegt te geschieden) mettertijd de ijver niet verkonde, zoo bevestigt hij ze met vele redenen, opdat zij in den begonnen loop standvastig voortgaan. Van het lO150 Hfdst. aan, begint hij zichzelven en zijn apostelschap van de valsche beschuldigingen te bevrijden, waarmede de ongeschikte menschen hem kwelden: en ten eerste vertoont hij, dat hij met die wapenen wel gewapend is, die om den krijg van Christus te voeren noodig zijn. Daarna zegt hij, dat die strengheid, die hij in den Eersten zendbrief gebruikt heeft, steunende was op het betrouwen eener goede conscientie, en dat hij tegenwoordig zijnde niet minder kracht heeft in de werken, dan hij in het afwezen strengheid heeft in de woorden. Ten laatste vergelijkt hij zichzelven met hen, bewijzende hoe ijdel zij zichzelven verheffen. In het llde Hfdst. roept hij de Corinthiërs terug van booze oordeelen, waarmede zij verdorven waren, vermanende dat niets zorgelijker is, dan van de eenvoudigheid des Evangelies afgeleid te worden. En dat hij begon bij hen wat versmaad te worden, daar zij anderen met grooter gunst ontvingen, bewijst hij, dat dit niet geschiedt door zijn schuld, njaar door hun grootschheid en lekkerheid, dewijl anderen hun niets
292 DE INHOUD VAN DEN TWEEDEN ZENDBRIEF.
beters noch uitnemenders aangebracht hadden, en hij om geen andere oorzaak bij hen verachtelijk was, dan omdat hij zichzelven niet optooide met sierlijkheid van woorden, of omdat hij door gewillige vernedering, hunne zwakheid toegevende, van zijn recht was afgeweken : welke wijze van spreken een bedekt verwijt van ondankbaarheid bevat. Want wat redelijkheid was dit, dat zij hem daarom te min achtten, omdat hij zichzelven naar hen had geschikt. Nochtans betuigt hij, dat hij zich niet daarom onthouden heeft van bezoldiging, die men hem schuldig was, te nemen, omdat hij de Corinthiërs niet liefhad, maar omdat de valsche apostelen hem in niets zouden te boven gaan, dewijl hij wist, dat zij door deze listen lagen legden. Als hij het onrecht en kwaadwillig oordeel der Corinthiërs bestraft heeft, zoo verheft hij zich met een godzaligen roem, verhalende hoe grootelijks hij mocht roemen, zoo hij wilde, na eerst gezegd te hebben, dat hij om hunnentwil is dwaas geworden, zichzelven prijzende. Eindelijk, als midden in den loop zichzelven tegenhoudende, zegt hij, dat die nederheid, die van de hoovaardigen veracht wordt, hem het hoogste stuk zijns roems is, dewijl hij van den Heere onderwezen was, dat hij niet anders dan in zijne zwakheden zou roemen. Bij het einde van het 12de Hfdst. zet hij ze wederom terecht, dat het om hunnentwil hem noodig was zulke dwaasheid te gebruiken, dewijl zij zichzelven tot eergierige menschen begeven, door welke zij van Christus vervreemd worden. Bovendien stelt hij zichzelven streng tegen degenen, die hardnekkig tegen hem raasden, gebruikende boven de vorige boosheid nog deze onbeschaamdheid in het wederstaan. In het 13ae Hfdst. verkondigt hij denzulken zware straf, en vermaant ze allen in 't gemeen zijn apostelambt te bekennen, dewijl dat tot hun eigen nut en voordeel zou zijn, want het zou hun schadelijk wezen, dat zij dien verachtten, welken zij bevonden hadden een zekeren en getrouwen gezant van Christus te zijn.
%
HET EERSTE HOOFDSTUK.
1 Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wille Gods, en de broeder] Timotheus, aan de gemeente Gods, die te Corinthe is, met de heiligen, die in geheel Achaje zijn.
2 Genade zij u, en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
3 Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus,
de Vader der barmhartigheid, en de God aller vertroosting;
4 Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij die kunnen 2 Cor. 6:6. vertroosten, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting, waarmede God ons vertroost.
5 Want gelijk het lijden van Christus overvloedig in ons is, alzoo Ps. 94; 19. is ook onze vertroosting overvloedig door Christus.
Rom. 1: 7. 1 Cor. 1:3. Ef. 1:2. 1 Petr. 1 ; 2. Ef. 1:3. 1 Petr. 1:3.
UITLEGGING.
iTâ^aulus, een apostel. Waarom hij zicbzelven een apostel van r-'Christus noemt, en waarom hij zegt, dat hij deze eer door den wille Gods heeft verkregen, zoekt dit in den voorgaanden Zendbrief, waar gezegd is, dat men geene anderen moet hooren, dan die van God gezonden zijn, en uit zijn mond spreken: en dat daarom twee dingen noodig zijn, opdat iemand autoriteit verkrijge, te weten, de roeping en de getrouwheid desgenen, die geroepen is, in het bedienen zijns ambts, welke beide dingen Paulus zicbzelven toeschrijft. Ditzelfde doen ook de valsche apostelen, maar dewijl zij den naam gebruiken, die hun niet toekomt, zoo kunnen zij bij de kinderen Gods niets uitrichten, dewijl zij derzelver onbeschaamdheid lichtelijk onweerlegbaar kunnen aantoonen. Daarom is de enkele naam niet genoeg, tenzij ook de waarheid zelve daarbij zij, opdat degene, die zicbzelven voor een apostel uitgeeft, ook met het werk bewijze zulk een te zijn. Aan de gemeente Gods, met al de heiligen. Men moet altijd aanmerken, hoe hij daar een gemeente erkent, waar zooveel kwaad en onreinigheid was. Want de gebreken van sommige menschen verhinderen niet daar een gemeente geacht te worden, waar de ware teekenen van den godsdienst zijn. Maar wat beduiden deze woorden: Met al de heiligen? Waren deze heiligen buiten de gemeente? Ik antwoord, dat deze woorden zijn te verstaan van die geloovigen, die hier en daar in verscheiden hoeken des lands verstrooid waren. Gelijk het waarschijnlijk is, dat in dien beroer-lijken tijd, toen de vijanden van Christus alom wreedheid bedreven, velen zijn verstrooid geweest, die geen gelegenheid hadden om heilige vergaderingen te houden.
2 CORINTHE 1 : 3â5.
3 Geloofd zij God. Hij begint (gelijk wij gezegd hebben) met deze dankzegging, eensdeels om de goedheid Gods te prijzen, anderdeels om den Corinthiërs door zijn voorbeeld moed te geven, om de vervolgingen krachtig te lijden: en deels om zichzelven met godzaligen roem te verheffen tegen de booze lastering der valsche apostelen. Want de boosheid der wereld is zoo groot, dat zij het martelaarschap der heiligen, dat zij met verwondering behooren aan te nemen, liever bespotten, en in de schoone teekenen der overwinning der godzaligen oorzaak van lastering zoeken. Geloofd zij God, zegt hij. Waarom? Die ons vertroost. Het woordje die, is gesteld voor want, of, omdat. Alsof hij zeide: Geloofd zy God, omdat Hij ons vertroost. Hij had zijn verdrukkingen sterk en blijmoedig verdragen. Deze sterkheid heeft hij Gode toegeschreven, omdat hij op Diens vertroosting steunende, niet overwonnen is geworden. En niet tevergeefs noemt hij God den Vader van onzen Heere Jezus Christus, dewijl van weldaden gesproken wordt: want waar Christus niet is, daar is geen weldadigheid: wederom, waar Christus de Middelaar is, door middel van wien alle maagschap in den hemel en op de aarde genoemd wordt, daar zijn ook al de barmhartigheden, en alle vertroostingen Gods, ja, daar is de vaderlijke liefde: uit welke fontein al het overige vloeit.
4 Opdat wij kunnen vertroosten. Het is zonder twijfel, dat hij, gelijk hij boven zijne verdrukkingen van oneer en booze geruchten bevrijd heeft, alzoo nu de Corinthiërs vermaant, dat het om hun- lt; nentwil, en tot hun nut geschied is, dat hij door de hemelsche ver-troosting overwinnaar is gebleven, opdat zij liever zichzelven moedig ; maken tot gemeenschap zijner lijdzaamheid, dan zijne strijden hoog- 1 moedig verachten. Voorts, gelijk Paulus niet voor zichzelven, maar voor de gemeente leefde: alzoo heeft hij al de genade, die God hem gaf, niet geacht hem alleen gegeven te zijn, maar opdat hij meer macht zou hebben om anderen te helpen En voorwaar, wanneer de Heere ons weldoet, zoo wekt Hij ons eenigszins op door zijn exempel, om onzen naaste weldadig te zijn. Zoo moet men dan den geestelijken rijkdom niet verbergen, maar een iegelijk wat hij ontvangen heeft, den anderen uitdeelen. Dit moet wel voornamelijk plaats hebben in de dienaren des Woords: nochtans moet het allen gemeen zijn naar een iegelijks mate: alzoo zegt Paulus hier, dat hij door de vertroosting Gods is onderhouden geweest, opdat hij anderen mocht vertroosten.
5 Want gelijk het lijden. Deze uitspraak kan tweeërlei wijze verstaan worden, te weten, actief en passief. Zoo men het ac-tief neemt, zoo zal de zin wezen: Hoe meer ik met menigerlei verdrukkingen zal geoefend worden, zooveel te meerder macht heb ik om anderen te vertroosten. Maar het behaagt mij beter het passief te nemen, te weten, dat God zijne vertroostingen vermenigvuldigt naar de mate der verdrukkingen: hetwelk ook David
ps. 84-. 19. belijdt hem geschied te zijn, zeggende: Naar de menigte mijner benauwdheden in mij, hebben uwe vertroostingen mijn ziel verblijd. Maar in de woorden van Paulus is volkomener leer, want de verdrukkingen der godzaligen noemt hij: Lijden van Christus, gelijk
col. i;24. hij op een andere plaats zegt, dat hij in zijn lichaam vervult, wat aan het lijden van Christus ontbreekt. De ellendigheden en zwarigheden van dit tegenwoordig leven zijn zoowel den boozen als den
294
2 CORINTHE 1 : 5, 6.
goeden gemeen: maar als zij den goddeloozen toekomen, zoo zijn zij teekenen der Goddelijke vervloeking; want zij komen uit de zonde, en daar wordt niet in gezien, dan de toorn Gods en gemeenschap met Adam, welke niet dan den moed kan benemen. Maar de geloovigen worden ondertusschen Christus gelijk, en dragen zijn dooding in hunne lichamen, opdat het leven van Christus eenmaal in hen verschijne. Ik spreek van de verdrukkingen, die zij om het getuigenis van Christus lijden; want hoewel de roeden des Heeren,
waarmede hunne zonden gekastijd worden, hun zalig zijn, zoo worden zij nochtans niet eigenlijk gezegd, deelgenooten van het lijden van Christus te zijn, anders dan als zij om zijn wil lijden; gelijk daar staat in den Eersten zendbrief van Petrus, hfdst. 4; 13. Zoo geeft dan Paulus te kennen, dat God hem in zijne verdrukkingfin altijd bijstaat, en dat zijn zwakheid door de vertroostingen van Christus ondersteund wordt, opdat zij niet onderdrukt worde door het kwade.
6 Hetzij dat wij verdrukt worden, voor uwe vertroosting en zaligheid, die geschiedt in het verdragen van dezelfde verdrukkingen, die wij ook lijden: hetzij dat wij vertroosting ontvangen)
voor uwe vertroosting en zaligheid.
7 Onze hope van u is vast, wTetende dat gij gelijk de verdrukkingen, alzoo ook de vertroosting deelachtig zijt.
8 Want wij willen niet, dat gij onwetende zijt, broeders, van Hana-i'-1:23-onze verdrukking, die ons geschied is in Azië, te weten, dat
wij bovenmate zijn bezwaard geweest boven onze macht, alzoo dat wij ook van ons leven in benauwdheid waren.
9 Ja wij hadden zeiven in onszei ven het vonnis des doods genomen, opdat wij niet op onszelven, maar op God zouden be- Jer. 17:5. trouwen, die de dooden opwekt tot het leven.
10 Die ons uit zulken zwaren dood verlost heeft, en verlost, in welken wij vaste hope hebben, dat Hij ons ook voortaan zal verlossen.
11 Ook mede door uwe hulp in den gebede voor ons, opdat om Rom. 15:30. de gave, uit vele personen aan ons bewezen, door velen voor o'óor.quot; 4:15. ons gedankt worde.
6 Hetzij dat wij verdrukt worden. Dewijl vóór de woorden;
Onze hope van u is vast, wordt gesteld een woordje en, daarom heeft Erasmus gemeend, dat men een werkwoord daaronder moest verstaan, dat overeenkwam met deze woorden, voor uwe vertroosting en zaligheid, aldus; Hetzij dat wij verdrukt worden, dat geschiedt voor uwe vertroosting. Maar ik acht het waarschijnlijker, dat het woordje en, hier gesteld is alsof daar stond;
Alzoo ook, of op tweeërlei wijze. Hij had nu gezegd, dat hij vertroosting ontvangt om anderen uit te deelen. Nu gaat hij verder,
dat hij vaste hope heeft, dat zij de vertroosting zullen deelachtig worden. Sommige van de oudste Grieksche handschriften hebben terstond na het eerste deel dezen zin; En onze hope is vast voor u: door welke lezing de twijfel wordt weggenomen. Want dewijl zij in het midden gesteld wordt, moet zij met het voorgaande en met het navolgende stuk overeenkomen; hoewel, zoo iemand in elk stuk een volkomen zin wil hebben met een werkwoord daaronder te ver-
295
2 CORINTHE 1 : 6.
296
staan, er zal geen groote ongeschiktheid in zijn, en de zin zal ook niet zeer verschillen. Want ofschoon wij het in één verband lezen, zoo zal men nochtans de stukken aldus moeten duiden, dat de apostel verdrukt en vertroost wordt tot der Corinthiërs nut, en dat hij daarom hope heeft, dat zij de vertroosting, die hij zal genieten, ten laatste zullen deelachtig worden. Ik heb dat gesteld, wat ik achtte bekwaamst te zijn. Voorts moet men aanmerken, dat het woord verdrukt worden, hier niet alleen van de uitwendige ellendigheid, maar ook van het gemoed te verstaan is, opdat het met het tegenovergestelde woord vertroost worden, overeen-kome. Alzoo geeft hij te kennen, dat des menschen gemoed benauwd wordt, door het gevoel van ellendigheid. Het Grieksche TotpiaXV;- woord, waarvoor wij gesteld 'hebben vertroosting, beduidt ook a-/?. vermaning, maar zoo gij verstaat een vertroosting, waardoor het gemoed des menschen, van de droefheid verlicht zijnde, opgericht wordt, zoo zult gij den zin van Paulus houden. Bijvoorbeeld, Paulus zou zelf door zoovele verdrukkingen overvallen zijnde, bijna mismoedig geworden zijn, had God hem niet wederom moed gegeven, door zijn vertroosting hem oprichtende. Zoo dan, de Corinthiërs verkrijgen alzoo kracht en sterkte des gemoeds uit zijn lijden, als zij zichzelven door zijn voorbeeld vertroosten. Laat ons nu de zaak met korte woorden samenvatten. Dewijl hij zag, dat zijne verdrukkingen sommigen een oorzaak der verachting waren, zoo heeft hij om de Corinthiërs van zulke feil terug te brengen, ten eerste bewezen, dat hij daarom behoort bij hen in groote waarde te zijn, dewijl zij de nuttigheid daarvan hebben. Daarna maakt hij ze tot zijn metgezellen, opdat zij zijne verdrukkingen eenigszins achten hun eigen te zijn, alsof hij zeide: Hetzij dat ik verdrukkingen lijd, hetzij dat ik vertroost word, het geschiedt al tot uw nut en voordeel, en ik hoop vast, dat gij deze nuttigheid ten volle zult genieten. Want de verdrukkingen en vertroostingen van Paulus waren toen zoodanig, dat zij tot stichting der Corinthiërs dienden, zoo de Corinthiërs niet eigener beweging zichzelven van de vrucht beroofden. Zoo betuigt hij dan, dat hij alzoo zeker is van de Corinthiërs, dat hij zekerlijk hoopt dat hij niet tevergeefs voor hun zaligheid verdrukt en vertroost wordt. De valsche apostelen arbeiden om al hetgeen Paulus geschiedde, tot zijne verachting aan te wenden. Hadden zij verkregen wat zij begeerden, zoo zouden de verdrukkingen, die hij voor hun zaligheid leed, ijdel en teniet geweest zijn, en de vertroostingen zouden hem niet bevorderlijk geweest zijn, waarmede de Heere hem vertroostte. Tegen zulke verzoekingen stelt hij het tegenwoordig betrouwen. Zijn verdrukkingen dienden tot vertroosting der geloovigen, dewijl zij ziende, dat hij gewillig en ernstig zoovele ellendigheden droeg voor het Evangelie, oorzaak van bevestiging hadden. Want al bekennen wij, dat wij om het Evangelie verdrukkingen moeten lijden, zoo beven wij nochtans bij de kennis onzer zwakheid, en denken niet, dat wij ze zullen kunnen dragen. Hier moeten wij de voorbeelden der heiligen gedenken, opdat wij daardoor te moediger worden. Wederom kwam zijn persoonlijke vertroosting over de gansche gemeente, dewijl zij daaruit verstonden, dat God, die hem in den nood onderhouden en vertroost had, hen ook niet zou verlaten. Alzoo werd hun zaligheid tweeërlei wijze bevorderd. En dit is het, wat hij als door een tusschenzin daarbij
2 CORINTHE 1:6â8.
stelt: (Die geschiedt in het verdragen, enz.) Want hij heeft tot verklaring deze woorden daarbij willen stellen, opdat zij niet zouden denken, dat de verdrukkingen hun niet aangingen, die hij alleen droeg. Dewijl het Grieksche woord, waarvoor wij gesteld hebben: die geschiedt, kan genomen worden zoowel actief als passief, zoo heeft Erasmus het actief genomen, overzettende: die werkt; maar het wordt beter passief genomen: want Paulus heeft hier alleen willen verklaren, hoe hem alle ding geschiedt tot hun zaligheid. Zoo zegt hij dan, dat hij alleen lijdt, doch dat zijn lijden dient om hun zaligheid te bevorderen: niet dat het is een verzoening of offerande voor de zonden, maar omdat zij daardoor bevestigd en alzoo gesticht worden. Daarom stelt hij de vertroosting bij de zaligheid, om de wijze, hoe die zaligheid gewrocht wordt uit te drukken.
7 Wetende, dat gjj, gelyk. Hoewel sommigen uit de Corinthiërs door de lasteringen der valsche apostelen verleid waren om minder eervol van Paulus te gevoelen, als zij zagen, dat hij schandelijk door de wereld behandeld werd: zoo stelt hij ze nochtans naast zich, beide in de gemeenschap der verdrukkingen en in de hope der vertroosting: alzoo hun verdraaide en kwaadwillige meening zonder openbare bestraffing beterende.
8 Want wij wUlen niet, dat gij onwetende zijt. Hij verhaalt de grootheid en zwarigheid der strijden, opdat de heerlijkheid der overwinning te beter gezien worde. Nadat hij den Eersten zendbrief gezonden had, was hij in groote gevaren geweest, en had zware aanloopen geleden. Het is waarschijnlijk, dat hier de historie aangeroerd wordt, die Lukas verhaalt, Hand. 19 : 23, hoewel hij daar niet zoozeer uitdrukt, hoe groot het gevaar geweest is; nochtans, als hij verhaalt, dat de gansche stad oproerig is geweest, zoo kan men lichtelijk hieruit het overige verstaan. Want wij weten, wat de oproerigheid des gemeenen volks pleegt mede te brengen, wanneer zij eenmaal ontstoken is. Van deze vervolging verhaalt Paulus, dat hij bovenmate is bezwaard geweest, daarna ook boven zijn macht, dat is, zoodat hij niet machtig was den last te dragen. Want het is een wijze van spreken, genomen van degenen, die onder de zwaarte van het pak bezwijken, of van de schepen, die door den overgrooten last nedergedrukt worden en bezwijken. Niet dat hij is overwonnen geweest, maar omdat hij gevoelde, dat hem macht ontbrak, had de Heere hem niet nieuwe kracht gegeven. Alzoo dat wij ook van ons leven in benauwdheid waren. Dat is, alzoo dat ik nu meende, dat het met mijn leven gedaan was, of immers dat ik zeer kleine hope meer had, gelijk die plegen, die, van alle zijden besloten zijnde, geen uitvlucht meer hebben. Hoe dan? heeft zulk een moedige krijgsknecht van Christus, zulk een sterk kampioen den moed verloren, den dood verwachtende? Want hij stelt geen andere oorzaak dezer benauwdheid, waarvan hij spreekt, dan dat hij aan zijn leven twijfelde? Ik heb reeds gezegd, dat Paulus zijn kracht niet meet met Gods hulpe, maar met het gevoelen zijner eigene macht. Nu is het zonder twijfel, dat alle kracht des menschen van den schrik des doods overwonnen wordt. Voorts is het ook noodig, dat de heiligen in gevaar komen van al hun kracht te verliezen, opdat zij van hun zwakheid vermaand zijnde, leeren op God alleen te staan, gelijk daar volgt. Toch wil ik liever het woord, dat Paulus hier in het Grieksch gebruikt, enkel uitdrukken door versaagde benauwdheid,
297
2 CORINTHE 1 : 8, 9.
dan met Erasmus overzetten door vertwyfelen: want hij verstaat niet anders, dan dat hij met uiterste benauwdheden is bevangen geweest, zoodat daar geen middel meer was om het leven te behouden.
9 Het vonnis des doods. Hiervoor plegen wij te zeggen: Ik had mij reeds voorgenomen of mijn rekening gemaakt te sterven. Hij neemt een gelijkenis van degenen, die ter dood veroordeeld zijnde, niets anders verwachten dan de ure des doods; doch hij zegt, dat hij zelf dit oordeel gegeven heeft.quot; waarmede hij te kennen geeft, dat hij naar zijn eigen meening den dood was overgegeven, opdat het niet schijne, dat hij het uit Gods openbaring had. Zoo is dan dit vonnis en die rekening meer, dan die benauwdheid, die hij gemeld heeft: want daarin 'was een twijfel betrekkelijk het leven, maar hierin is een zekere dood. Men moet voornamelijk aanmerken het einde, dat hij hierbij stelt, te weten, dat hij in zulken nood gekomen is, opdat hij niet op zichzelven zou betrouwen. Ik neem niet aan, wat Chrysostomus zegt, dat zulke remedie den apostel niet noodig was: maar dat hij dit als een verdicht voorbeeld den anderen voorstelt. Want hij was een mensch, den ge-meenen bewegingen der menschen onderworpen, niet alleen koude en hitte, maar ook aan verkeerd betrouwen, aan lichtvaardigheid en andere dergelijke. Ik zeg niet, dat hij met zulke gebreken bevangen is geweest, maar dat hij daartoe heeft kunnen geneigd worden, en dat dit een middel is geweest, dat God intijds daartegen gegeven heeft, opdat zulks in zijn gemoed niet kwame. Zoo zijn dan hier twee dingen aan te merken, ten eerste, dat het vleeschelijk betrouwen, waarmede wij opgeblazen zijn, zoo hardnekkig is, dat het niet anders kan nedergeworpen worden, dan als wij in uitwendige vertwijfeling zijn gevallen. Want het vleesch is hoovaardig, en wijkt niet gaarne, en houdt niet af van dartelheid, dan als het gedwongen wordt: en wij worden niet eerder tot ware onderworpenheid gebracht, dan als wij door de geweldige hand Gods zijn nedergeworpen. Ten andere, dat ook in de heiligen eenige overblijfselen dezer krankheid blijven, en dat zij daarom dikmaals tot den uitersten nood gedreven worden, opdat zij van alle betrouwen op zichzelven beroofd zijnde, ootmoedigheid leeren, ja, dat dit kwaad zóó diep geworteld is in der menschen gemoed, dat zelfs ook de aller-volmaaktsten niet ganschelijk daarvan gereinigd worden, totdat God hun den dood toont. En hieruit moet men verstaan, hoezeer het betrouwen op onszelven Gode mishaagt, om hetwelk te verbeteren wij moeten ter dood veroordeeld worden. Maar op God, die de doo-den opwekt. Gelijk wij eerst moeten sterven, opdat wij, het vertrouwen op onszelven weggeworpen hebbende, en onze zwakheid bekennende, onszelven niets toeschrijven: alzoo zal dit niet genoeg wezen, tenzij wij verder voortgaan. Zoo laat ons dan beginnen van een wanhopen aan onszelven, doch opdat wij in God hopen. Laat ons in onszelven ineenvallen, opdat wij door zijn kracht weder-opgericht worden. Zoo dan, Paulus maakt den hoogmoed des vlee-sches teniet, en in plaats daarvan stelt hij terstond het betrouwen, dat op God steunt. Niet in ons, zegt hij, maar in God. Wat Paulus daarbij stelt, die de dooden opwekt, heeft hij daarbij gesteld naar de omstandigheid der zaak: gelijk in Rom. 4:14, waar hij van Abraham spreekt. Want gelooven in God, die de dingen
298
2 CORINTHE 1 :9, 1Ã. 299
die niet zijn, roept, alsof zij waren, en in God hopen, die de doo-den opwekt, is zooveel als de mogendheid Gods in het scheppen zijner uitverkorenen uit niet, en in het opwekken der dooden, zich-zelven als een doelwit voor oogen stellen. Zoo zegt dan Paulus, dat hem de dood is voor oogen gesteld geweest, opdat hij de kracht Gods te beter daaruit zou bekennen, door welke hij uit de dooden verwekt was. In orde is het wel eerst, dat men God bekent de auteur des levens te zijn, uit de kracht, die Hij ons geeft: maar dewijl het licht des levens dikmaals onze oogen verstrikt, omdat ons gezicht zwak is, zoo moeten wij door het aanschouwen des doods tot God gebracht worden.
io Die ons uit zulken zwaren dood verlost heeft. Hier past hij op zijn persoon toe, wat hij in 't gemeen gezegd had : en als hij de genade Gods prijst, zoo betuigt hij, dat hij geenszins in zijn verwachting is bedrogen geweest: dewijl hij ook is verlost geweest uit den dood, ja uit een zwaren dood. Zooveel de wijze van spreken aangaat, zij is der Schrift niet ongewoon, want het wordt dikmaals beide in de profeten en in de Psalmen gevonden, en de gemeene wijze van spreken laat ze ook wel toe. En wat Paulus in zichzelven bekent, dat brenge een iegelijk op zichzelven over. In welken wij vaste hope. Vau de weldadigheid Gods, die hij dikmaals bij ervaring gevoeld had, acht hij zichzelven ook voor later zeker te zijn, en dat niet zonder oorzaak: want wanneer de Heere eensdeels doet wat Hij beloofd heeft, zoo geeft Hij ons ook voor later goede hope. Ja, Hij bevestigt ons zijne beloften met zoo menig pand en godspenning, als wij menige genade van Hem ontvangen. En hoewel Paulus niet twijfelde, dat God hem vanzelf zou bijstaan: zoo vermaant hij nochtans de Corinthiërs, dat zij door hunne gebeden zijn welvaart Gode bevelen. Want als hij voor zeker stelt, dat hij door hen zal geholpen worden, zoo heeft deze betuiging kracht eener vermaning, en hij geeft niet alleen te kennen, dat zij dit plichtshalve zullen doen, maar ook dat zij het met vrucht zullen doen. Uwe gebeden, zegt hij, zullen mij ook helpen. Want het onderlinge gebed, dat God ons gebiedt, wil Hij niet dat onvruchtbaar zij. Hetwelk ons behoort op te wekken, zoowel om het gebed der broederen te begeeren, wanneer wij in eenigen nood zijn, als om dezelfde hulpe hun te doen, dewijl wij hooren, dat het niet alleen Gode een aangename dienst zal zijn, maar ook ons nuttig. Het is ook geen mistrouwen, dat Paulus der broederen voorspraak begeert: vvant gelijk hij zeker was, dat God voor zijn welvaart zou zorg dragen, al ware hij van aller menschen hulp verlaten, alzoo wist hij, dat dit God zou behagen, dat hij door der gemeente gebed geholpen werd: hij hoorde ook de beloften, dat zulke gebeden niet zouden tever-geefsch wezen. Zoodan, opdat hij niet eenige hulpe zou voorbijgaan, die hem van God verordend ware, zoo heeft hij der broederen gebed begeerd. De inhoud is, dat wij het Woord Gods volgen, dat is, dat wij zijnen geboden gehoorzaam zijn, en zijne beloften aanhangen, hetwelk die geenszins doen, die hun toevlucht nemen tot der dooden voorspraak. Want zij zijn niet tevreden met de hulp, die hun van God verordend is, en zoeken dus een nieuwe hulp, die op geen getuigenis der Schrift gefundeerd is. Want al wat zij van de onderlinge voorbidding bevat, strekt niet tot de dooden, maar is bijname niet verder dan van de levenden gesproken. Zoo handelen
2 CORINTHE 1: 10, 11.
dan de papisten kinderachtig, die deze plaatsen tot bevestiging van hun bijgeloof misbruiken.
ii Opdat om de gave uit vele personen. Dewijl in de woorden van Paulus wat verwards is, zoo verschillen de uitleggers in gevoelen. Ik wil niet vele woorden maken, om de uitlegging van anderen te wederleggen, en het is ook voorwaar niet noodig, zoover wij van de ware en natuurlijke uitlegging zeker zijn. Hij had gezegd, dat de gebeden der Corinthiërs hem zouden behulpzaam zijn. Nu stelt hij de andere vrucht daarbij, die daaruit komen zal, te weten, grooter verklaring der heerlijkheid Gods. Want al wat God mij zal geven (zegt hij) als van velen verkregen, zal door velen met lof verheven worden; of velen zullen voor mij God danken, omdat Hij mij helpende niet alleen de gebeden' van één, maar van velen verhoord heeft. Ten eerste, dewijl wij geen gave Gods behooren voorbij te gaan zonder lof, zoo behooren wij nochtans voornamelijk God voor zijn barmhartigheid te danken, wanneer Hij onze gebeden verhoord heeft, gelijk er staat in Ps. 50: 15. En dat niet alleen, wanneer het ons eigen voordeel aangaat, maar wanneer het de gemeene welvaart der gemeente of iemand uit de broederen aangaat. Zoo dan, wanneer wij voor elkander bidden, en verkrijgen wat wij bidden, zoo wordt de heerlijkheid Gods des te meer verklaard, omdat wij allen zoowel voor de gemeene weldaden aan het gansche lichaam der gemeente, als voor de bijzondere weldaden, die aan een iegelijk bijzonder bewezen worden, danken. In dezen zin is niets gedwon-To. gens: want dat in het Grieksch het tusschengestelde lidwoord deze twee schijnt te scheiden: uit vele personen, en de gave, aan mij bewezen, heeft niets geen vastigheid, dewijl het dikwijls gevonden wordt gesteld tusschen dingen, die aan elkander hangen; en hier wordt het bekwamelijk gesteld voor, nochtans, of niettemin; want hoewel het uit vele personen was gekomen, zoo was het nochtans voor Paulus bijzonder. Voorts deze woorden, door velen te verstaan van dingen, gelijk velen doen, en niet van personen, strijdt tegen het verband. Nochtans kon men vragen, waarom hij gezegd heeft uit vele personen, liever dan uit vele menschen, en wat hier het woord persoon beduidt. Ik antwoord, dat het zooveel is, alsof hij gezegd had, velen in aanmerking genomen. Want alzoo wordt de genade aan Paulus gegeven, dat zij velen gegeven wordt. Dewijl dan God vele menschen aanzag, daarom zegt hij, dat het om veler personen wil geschiedt. Dat sommige Grieksche handschriften hebben, voor u, hoewel het van den zin van Paulus en van het verband vreemder schijnt, toch kan het bekwamelijk uitgeleid worden, aldus; Wanneer God u zal verhoord hebben over mijn zaligheid, en dat tot uwe zaligheid, zoo zal van velen om uwentwil gedankt worden.
12 Want dit is onze roem, te weten, het getuigenis onzer consciëntie: dat wij in eenvoudigheid en zuiverheid Gods, en niet in vleeschelijke wijsheid, maar in de gepade Gods in de wereld gewandeld hebben, doch overvloediger jegens ulieden.
13 Want wij schrijven u geene andere dingen, dan die gij kent, of ook hekent: en ik hoop, dat gij ze ook tot het einde toe zult bekennen.
r i 2 i6 14 Gelijk gij ook eensdeels ons bekend hebt, want wij zijn uw
l Tliess.2': 19! roem, gelijk gij ook de onze zijt, in den dag van denHeere Jezus.
300
2 CORINTHE 1 : 12.
12 Want onze roem. Hij stelt de oorzaak, waarom zij allen acht behooren te hebben op hun zaligheid, te weten, dat hij eenvoudig en oprecht onder allen heeft gewandeld, zoo moesten zij hem dan terecht liefhebben, en het zou zeer groote onbeleefdheid geweest zijn voor zulk een dienaar des Heeren niet zorgvuldig te zijn, opdat hij langen tijd mocht gezond blijven, tot voordeel der gemeente,
even alsof hij zeide: ik heb mij alzoo bij allen gedragen, dat het geen wonder is, dat ik van allen geprezen en lief geacht worde.
Nochtans komt hij door deze gelegenheid er toe, terwille van hen, aan wie hij schreef, zijn geheelheid of rechtzinnigheid te prijzen. En dewijl het niet genoeg is van het oordeel der menschen geprezen te worden, en Paulus zelve door sommiger menschen ongerechtige en booswillige oordeelen, of eer door verdorven en blinde genegenheden benauwd wordt, zoo stelt hij zijn conscientie tot getuigenis:
hetwelk zooveel is, alsof hij God zelve tot getuige riep, of dat hij,
wat hij zegt, voor zijn rechterstoel staande hield. Maar dat Paulus in zijn geheelheid of rechtzinnigheid roemt, hoe komt het met deze uitspraak overeen: Die roemt, roeme in den Heere? Bovendien, wie 2Cor.iO;iT. is er zoo geheel of rechtzinnig, dat hij voor God zou bestaan te roemen? Ten eerste stelt Paulus zichzelven niet tegen God, alsof hij iets eigens of van zichzelven had: bovendien in deze geheelheid,
die hij zichzelven toeschrijft, stelt hij geen fundament zijner zaligheid, noch betrouwt ook daarop niet. Ten laatste roemt hij niet alzoo in de gaven Gods, zonder God den eenigen auteur daarover te prijzen,
en alles Hem toe te schrijven. Met deze drie uitzonderingen mag elk godzalige terecht in alle weldaden Gods roemen: maar de god-deloozen kunnen zelfs niet in God roemen, dan valschelijk en verkeerdelijk. Zoo laat ons dan ten eerste Gode toeschrijven, al wat wij goeds hebben, en ons niets toeëigenen; ten andere, laat ons dat fundament behouden, dat het betrouwen onzer zaligheid voor ons alleen in de barmhartigheid Gods gelegen is; ten laatste, laat ons alleen in den Auteur alles goeds rusten, dan zullen wij godzalig in allerlei goed roemen. Dat wij in eenvoudigheid Gods, Hier noemt hij eenvoudigheid Gods in denzelfden zin, in welken hij Rom. 3 : 23 zegt, heerlijkheid Gods; evenzoo Joh. 12:43, de heerlijkheid Gods en der menschen. Die de heerlijkheid der menschen liefhebben, die willen voor de menschen iets schijnen, of naar der menschen meening geacht worden. Heerlijkheid Gods is heerlijkheid, die voor God bestaat. Zoo is het dan Paulus niet genoeg te betuigen, dat zijn oprechtheid den menschen bekend was, maar hij stelt ook daarbij,
dat hij voor God zoodanig geweest is. Het Grieksche woord, waarvoor ik gesteld heb zuiverheid, grenst het naast aan eenvoudigheid,
want het beduidt een open en ongeveinsde wijze van doen, welke het hart des menschen als openbaar maakt. Beide dingen zijn het tegenovergestelde van listigheid, bedrog, en heimelijke raadslagen.
Niet in vleeschelyke wysheid. Hier is een soort van vóórkoming,
want wat in hem mocht geëischt worden, belijdt hij vanzelf, ja zegt openlijk, dat hij het niet had, maar zegt daarbij, dat hij is begaafd geweest met Gods genade, die ongelijk veel uitnemender is. Ik beken, zegt hij, dat ik geen vleeschelijke wijsheid had: maar ik was begaafd met de kracht Gods, met welke zoo iemand niet tevreden is, die mag mijn apostelambt minder achten. Zoo de wijsheid des vleesches van geen waarde is, zoo ontbreekt mij niets tot ge-
301
2 CORINTHE 1: 12, 13.
grondigen lof. Vleeschelijke wijsheid noemt hij alle wijsheid buiten Christus, die ons grootmaakt. Zie het Eerste en Tweede hfdst. van 1 Corinthe. Zoo moeten wij dan door de genade Gods, die daartegen gesteld wordt, verstaan al wat boven der menschen natuur en aanleg is, en de gaven des Heiligen Geestes, die de kracht Gods in de zwakheid des vleesches openlijk vertoonen. Overvloediger jegens ulieden. Niet dat hij ergens niet zoo oprecht geweest is: maar omdat hij te Corinthe langer verkeerd had, zoodat hij grooter en klaarder bewijs zijns geloofs daar heeft kunnen vertoonen, opdat ik andere oorzaken verzwijge. Nochtans heeft hij met opzet dit uit- | gedrukt, alsof hij zeide, dat getuigen van verre gehaald, hem niet noodig zijn, dewijl zij zeiven allerbest getuigen waren.
13 Want wij schrijven niet anders. Hier bestraft hij bedektelijk de valsche apostelen, die zichzelven met onmatigen roem verhieven, dewijl zij nochtans zeer weinig of ganschelijk niet hadden waarover; en hij voorkomt ook de lasteringen, opdat niemand zegge, dat hij meer zich toeschrijft, dan hem toekomt. Zoo zegt hij dan, dat hij niet anders roemt met de woorden, dan wat hij met de werken be wijst, en dat alzoo, dat de Corinthiërs daarvan getuigen kunnen zijn. Voorts is het geschied door de twijfelachtige beteekenis, dat deze ai.-ja.yi- plaats kwalijk is uitgelegd. Het eene Grieksche woord, dat Paulus vcia-xsiv, hier gebruikt, beteekent somtijds lezen, somtijds weten, kennen émyi- of inzien, en het andere beduidt bekennen, belijden, alzoo dat het vdiexsiy. meer beduidt dan het eerste. Want iemand ziet het in, dat is, door een verborgen gedachte zijns harten overwonnen zijnde, verstaat hij, dat het waar is; al is het, dat hij het nochtans niet bekent, dat is gewillig door zijn instemming openlijk erkend. Laat ons nu de woorden van Paulus overwegen. Anderen lezen: Wij schrijven niet anders dan dat gij leest en bekent, wat blijkbaar veel te flauw, om niet te zeggen ongepast is. Want dat Ambrosius het aldus verzacht; Gij leest het niet alleen, maar bekent het ook, ieder ziet wel, dat het ganschelijk vreemd van de woorden is. En de zin, welken ik voortbreng, is klaar, en vloeit vanzelf, en de lezers zijn tot nu toe door geen andere reden verhinderd geweest dien zin aan te nemen, dan dat zij door de verscheidene beteekenis des woords bedrogen, de oogen gesloten hadden. De inhoud is, dat Paulus zegt, dat hij geene andere dingen voortbrengt, dan die den Corinthiërs openbaar en bekend zijn, ja, van welke zij hem getuigenis zullen geven. Het inzien is eerst, wanneer wij door bevinding overwonnen zijn, dat het alzoo is; daarna is het bekennen, als wij der waarheid getuigenis geven. Ik hoop, dat gij ze tot het einde toe zult. Dewijl de Corinthiërs nog niet volkomen tot de rechte denkwijze waren wedergekeerd, om Paulus' getrouwheid behoorlijk en wel te wegen, doch nochtans hun boos en verkeerd oordeel begonnen hadden wat te beteren, zoo geeft hij te kennen, dat hij hierna beter hoopt. Gij bekent mij nu eensdeels (zegt hij) en ik hoop, dat gij meer en meer zult bekennen, hoedanig ik onder u geweest ben, en hoe ik mij gedragen heb. Hieruit is het nog duidelijker, wat hij gemeend heeft met het woord kennen of inzien. Voorts is dit te verstaan van den tijd hunner verbetering; want in het eerst hadden zij hem klaar en grondig bekend, en daarna is hun rechtzinnig oordeel door booze redenen verduisterd geweest; doch ten laatste waren zij wederom begonnen tot recht verstand terug te keeren.
302
2 CORINTHE 1 : 14, 15.
14 Want uw roem. Wij hebben met korte woorden aangeroerd,
op wat wijze de heiligen in de weldaden Gods mogen roemen, te weten, als zij op God alleen rusten en steunen, en op geen ander einde doelen. Alzoo was het een godzalige roem van Paulus, dat hij de Corinthiërs door zijnen dienst tot de gehoorzaamheid van Christus gebracht had: en het was een godzalige roem der Corinthiërs, dat zij van zulk een apostel zoo getrouwelijk en wel waren onderwezen geweest, hetwelk niet allen geschied was. Deze wijze der roeming in de menschen, verhindert niet te roemen in den Heere. Hij vermaant de Corinthiërs, dat hun voornamelijk veel daaraan gelegen is, dat hij van hen als een getrouwe en onge-
, veinsde dienstknecht van Christus bekend wordt: dewijl zij van hunnen hoogsten roem beroofd worden, zoo zij van hem afwijken. Met welke woorden hun lichtvaardigheid gegispt wordt, dat zij de kwaadwillige en booze menschen te zeer geloovende, zichzelven van hunnen hoogsten roem beroofden. In den dag van den Heere. Ik versta den laatsten dag, die allen vergankelijken roem en eer zal wegnemen. Zoo geeft hij dan te kennen, dat de roeming, waarvan hij hier spreekt, niet ijdel is, hoedanige die zijn, die voor de menschen glans geven; maar dat de roem duurzaam en standvastig is, want hij zal in den dag van Christus volstandig blijven. Want dan zal Paulus van al de overwinningen, die hij door Christus' hulpe verkregen heeft, triumfeeren, en in triumf leiden al de volken, die hij door zijnen dienst onder het heerlijke juk van Christus heeft gebracht. En de gemeente der Corinthiërs zal triumfeeren, dat zij door zulk een apostel is gefundeerd en onderwezen.
15 En met dit betrouwen wilde ik eerst tot u komen, opdat gij 1 Cor- lfi:s-de tweede genade mocht hebben, en door u te reizen naar Macedonië.
IC En wederom uit Macedonië tot u te komen, en van u geleid te worden naar Judea.
17 Dewijl ik dan dit in mijn hart voorgenomen had, heb ik ergens lichtvaardigheid gebruikt? of wat ik denk, denk ik het naar het vleesch? opdat bij mij zij ja, ja, en neen, neen?
18 God is getrouw, dat ons woord bij u niet geweest is ja en neen. Matt. 5:37.
19 Want de Zone Gods, in u door ons gepredikt, door mij enJak-5:12-Silvanus, en Timótheüs, is niet geweest ja en neen, maar ja is geweest in Hem.
20 Want al de beloften Gods, die zijn in Hem ja; daarom en door Hem is amen, tot heerlijkheid Gods door ons.
15 Met dit betrouwen. Toen hij beloofd had tot hen te komen, veranderde hij daarna zijn voornemen; waarop sommigen gelasterd hebben, gelijk deze verontschuldiging bewijst. Als hij zegt, dat hij met dit betrouwen voorgenomen had tot hen te komen, zoo wendt hij bedektelijk de schuld op de Corinthiërs, die door hun ondankbaarheid dit betrouwen hem benemende, hem eenigszins verhinderd hebben te komen. Opdat gij de tweede genade. De eerste genade was, dat hij een geheel anderhalf jaar gearbeid had om hen voor den Heere te winnen, de tweede was, door zijn komst bevestigd te worden in het geloof, dat zij eenmaal aangenomen hadden, en door zijn heilige vermaning tot voortgang opgewekt te worden. Van
303
2 CORINTHE 1:15â17.
deze genade berooven de Corinthiërs zichzelven, als ze den apostel niet tot zich laten komen. Zoo werden zij dan gestraft door hun eigen feil, en hadden Paulus niet te beschuldigen. Indien iemand Xapciv met Chrysostomus voor genade, bljjdschap wil stellen, wat het toot Grieksche woord lijden kan, ik wil niet sterk daartegen strijden; %a/3/y. nochtans js eerste uitlegging eenvoudiger
17 Heb ik ergens lichtvaardigheid gebruikt? Daar zijn voornamelijk twee dingen, die oorzaak zijn dat der menschen raadslagen zonder voortgang zijn, of de beloften zonder waarheid, te weten, dat zij bijna elk uur veranderen, en dat zij in de raadslagen aan te nemen veel te vermetel zijn. Het is een teeken van ongestadigheid, iets voor te nemen of te beloven, wat terstond berouwt. Paulus zegt, dat die feil niet bij hem is geweest. Ik heb (zegt hij) mijn belofte niet veranderd uit lichtvaardigheid: hij zegt ook, dat hij zich onthouden heeft van vermetelheid en onbehoorlijk betrouwen; want alzoo leg ik het uit, dat hij zegt: Naar het vleesch denken. Want dit is de gewone wijze der menschen, gelijk ik gezegd heb, dat zij, alsof zij niet stonden onder de voorzienigheid Gods, en zijn goeddunken niet onderworpen waren, stout en hoo-vaardig raadslagen wat zij doen zullen: maar God maakt hunne raadslagen zonder voortgang, en maakt ze intusschen tot spot, om zulke hoovaardigheid te wreken. Men kon deze woorden; Naar het vleesch, wel verder uitstrekken, om alle onbehoorlijke raadslagen daaronder te vervatten, en die tot geen recht einde gebruikt worden: gelijk die zijn, in welke de eerzoeking, geldgierigheid, of eenige andere booze genegenheden regeeren. Maar Paulus heeft naar mijn oordeel zulks niet willen aanroeren, maar alleen de lichtvaardigheid in het raadslagen, die het gewone volk meer dan dagelijks en eigen is. Zoo dan, naar het vleesch denken, is God niet hebben tot een regeerder, maar door lichtvaardige stoutheid gedreven worden, die daarna terecht van God bespot en gestraft wordt. Opdat dan de apostel zichzelven van deze feilen verontschuldige, zoo vraagt hij in den persoon der tegenstanders; waaruit het waarschijnlijk is (gelijk ik reeds gezegd heb) dat van de boozen wat gezegd was. Opdat bj) mij zy ja, ja. Sommigen voegen dezen zin bij het vorige, en leggen aldus uit: Alsof het in mijn macht ware, te doen al wat ik raadslaag: gelijk de menschen voornemen te doen al wat hun in Spr. i6:i. den zin komt: en hoewel zij zelfs niet hun tong kunnen regeeren, .zoo ordineeren zij nochtans hunne wegen. En voorwaar de woorden luiden aldus: Dat wat eenmaal gezegd is vast blijve; wat eenmaal verzaakt is, nimmermeer geschiede. Alzoo zegt Jakobus, hfdst. 5 : 12, Uw ja zij ja, uw neen zij neen: opdat gij niet valt in geveinsdheid. Bovendien zou het verband der woorden alzoo zeer passend zijn, zooveel het voorafgaande aangaat. Want dit is naar het vleesch raadslagen, als wij willen, dat ons voornemen zonder uitzondering als een bevel en openbaring Gods is. Maar tegen deze uitlegging strijdt wat terstond volgt: God is getrouw, enz.; waar Paulus, willende zeggen, dat hij niet ongestadig is geweest in zijn prediking, diezelfde wijze van spreken gebruikt. En het zou ongerijmd zijn, zoo hij bijna in e'énzelfde vers schandelijk achtte, dat zijn ja was ja geweest, en zijn neen, neen, en dat hij datzelve zich voor grooten lof achtte. Ik zie, wat men hier kan antwoorden, zoo men met scherpzinnigheid wil spelen: maar ik begeer niet dan wat grond heeft.
304
2 CORINTHE 1 : 17â19.
Zoo dan, ik twijfel niet, dat Paulus met deze woorden de ongestadigheid heeft willen bestraffen, al is het, dat zij wat anders schijnen mede te brengen, om die lastering van zich af te wenden, die men hem oplegde, te weten, dat hij gewoon was iets anders te beloven met de woorden, dan hij volbracht met de werken. Alzoo zal deze herhaling der woorden, ja ja, neen neen, niet hetzelfde beteekenen als bij Mattheus en Jakobus, maar zal dezen zin hebben; Opdat Matt 5:34* nu bij mij ja zij ja, en wederom wanneer ik wil, neen neen.
Evenwel het kan gekomen zijn door de onkunde der afschrijvers,
wijl de oude overzetter de woorden niet herhaalt. Hoe het zij, wij moeten niet zeer zorgvuldig zijn omtrent de woorden, zoover wij den zin des apostels weten, welke (gelijk ik gezegd heb) uit de navolgende woorden duidelijk is.
18 God is getrouw, dat ons woord niet. Dat hij door het woord, verstaat leer, is openbaar uit de reden daarbij gesteld, als hij zegt, dat de Zone Gods van hem gepredikt, niet veranderlijk is
| geweest, enz. En dat hij altijd standvastig, eenvoudig en zichzelven niet ongelijk geweest is in de leer, daaruit wil hij van zijn eerlijk-â heid geoordeeld hebben, en neemt alzoo weg het kwade vermoeden
Ivan lichtvaardigheid of ongetrouwheid. Maar het is geen doorgaand bewijs, dat die getrouw is in de leer, ook waarachtig is in alle woord. Maar dewijl Paulus niet veel daarnaar vraagde, hoedanig hij ; geoordeeld werd, zoover de majesteit zijner leer ongeschonden bleef,van lichtvaardigheid of ongetrouwheid. Maar het is geen doorgaand bewijs, dat die getrouw is in de leer, ook waarachtig is in alle woord. Maar dewijl Paulus niet veel daarnaar vraagde, hoedanig hij ; geoordeeld werd, zoover de majesteit zijner leer ongeschonden bleef,
daarom roept hij de Corinthiërs voornamelijk tot dit deel terug.
Hij geeft wel te kennen, dat hij in zijn geheele leven dezelfde trouw bewezen heeft, die de Corinthiërs in zijn dienst gezien hadden:
nochtans schijnt hij met opzet de verontschuldiging van zijn persoon te leggen op de leer, omdat hij zijn apostelambt niet bedektelijk wilde beschuldigd hebben, en was overigens omtrent zichzelven niet zeer zorgvuldig. En ziet met wat groote naarstigheid hij dit doet. Want hij neemt God tot getuige, hoe eenvoudig en oprecht zijn prediking geweest is: niet twijfelend, noch veranderlijk, noch naar den tijd gemaakt. En in den eed verbindt hij de waarheid Gods met de waarheid zijner leer, alsof hij zeide: Alzoo getrouw en waarachtig als God is, alzoo zeker en vast is de waarheid mijner prediking.
En het is geen wonder, want het Woord Gods, 'twelk gelijk Jesaja Jes. 40:8. zegt, in eeuwigheid blijft, is niet anders dan wat de profeten en apostelen aan de wereld geopenbaard hebben, gelijk Petrus ver-i Petr. i: 20. klaart. Hieruit komt ook dat betrouwen, dat hij in Gal. 1:8, de engelen vervloekt, zoo zij een Evangelie voortbrachten, dat met zijn Evangelie in tegenspraak ware. Nu, wie zou bestaan de hemel-sche engelen aan zijne leer te onderwerpen, tenzij God zijn auteur en beschermer is? Zulke vastigheid der conscientie behoorden de dienaars en verkondigers des Woords Gods te hebben, die op den predikstoel klimmen om het Woord te verkondigen in den naam van Christus: dat zij weten, dat hun leer niet meer kan teniet gemaakt worden dan God zelve.
19 Want de Zone Gods. Dit is een bewijs, dat zijn prediking niet anders vervat dan den Christus alleen, die de eeuwige en onveranderlijke waarheid Gods is. Deze woorden, door ons gepredikt,
hebben een bijzondere kracht: want dewijl het kan geschieden en dikmaals geschiedt, dat Christus door der menschen gedichtselen mismaakt, en als door bedrog vervalscht wordt, zoo zegt hij, dat
Dl. II. 20
305
2 CORINTHE 1 : 19, 20.
dit van hem noch van zijne metgezellen geschied is: maar dat hij oprecht en met zulke geheelheid als het betaamt, den zuiveren en onvervalschten Christus voorgesteld heeft. Voorts, waarom hij Apollos heeft weggelaten, als hij Timotheus en Sylvanus noemde, weet men niet zeker: anders dan dat het waarschijnlijk is, dat hij een iegelijk zooveel te naarstiger beschermd heeft, hoe meer hij door der boozen lastering bezwaard was. Voorts, met deze woorden beduidt hij dat zijn gansche leer in de zuivere kennis van Christus alleen is vervat geweest: gelijk in der waarheid het gansche Evangelie daarin be grepen is. Zoo dwalen dan die buiten den weg, die iets anders leeren dan Christus alleen, met wat schijn der wijsheid zij ook Matt. 5:it. anders mogelijk opgeblazen zijn. Want gelijk Hij het einde der wet Rum. io:7. jg^ a|z00 js qqIj. hoofd, de inhoud en volheid aller geeste lijke leer. Ten andere geeft hij te kennen, dat zijn leer van Christus niet twijfelend noch veranderlijk is geweest, dat hij Hem nu aldus, dan weer zoo zou gepredikt hebben: gelijk sommigen in zulke ver andering spelen als met een kaatsbal, alleen om hun scherpzinnig heid te vertoonen. Sommigen voegen Christus onderscheidene gedaanten toe, om gunst bij de menschen te bejagen, en al wat zij den eenen dag geleerd hebben, dat herroepen zij den anderen dag door vrees. Zoodanig is de Christus van Paulus niet geweest, gelijk die ook van geen waren apostel kan zijn. Daarom roemen die val-schelijk, dat zij dienstknechten van Christus zijn, die Hem met menigerlei verf schilderen tot hun nut en voordeel. Want die is eerst de ware Christus, in wien dit eenvoudig en voortdurend ja gevonden wordt, hetwelk Paulus betuigt Hem eige;\ te zijn.
20 Want al de beloften Gods zijn. Hier bevestigt hij wederom, hoe zeker en onveranderlijk die prediking van Christus behoort te zijn, dewijl Hij is de vastigheid aller beloften. Want het zou meer dan ongerijmd zijn, dat die, in welken, al de beloften Gods bevestigd worden, ongestadig zou schijnen. En hoewel het een gewone uitspraak is, gelijk wij terstond zullen zien, zoo wordt zij nochtans gevoegd naar de omstandigheid der tegenwoordige zaak, te weten, om de vastigheid der leer van Paulus te bevestigen. Want hij spreekt niet alleen van het Evangelie in 't algemeen, maar hij versiert bijzonder zijn Evangelie met dezen lof; alsof hij zeide: Zoo de beloften Gods vast zijn en wel gefundeerd, zoo moet mijn prediking ook vast zijn, welke niet dan Christus vervat, waarin al de beloften bevestigd worden. Maar dewijl Paulus met deze woorden niet anders wil zeggen, dan dat hij het natuurlijke Evangelie, met geen uitwendige bijvoegsels vervalscht, gepredikt heeft: zoo laat ons deze gemeene leer behouden, dat al de beloften Gods met Christus alleen bevestigd worden. Deze uitspraak is waardig te gedenken, en een van de voornaamste hoofdstukken onzes geloofs, en hangt aan een andere grondwaarheid, te weten, dat God de Vader ons niet anders dan in Christus genadig is: en de beloften zijn getuigenissen der vaderlijke goedwilligheid jegens ons; zoo volgt dan dat zij door Hem alleen vervuld worden. Ik zeg, dat de beloften getuigenissen zijn der goddelijke genade: want hoewel God ook den onwaardigen weldoet, nochtans wanneer bij zijne weldaden de beloften komen, zoo is daar een bijzondere reden, dat Hij daar verklaart, dat Hij een Vader is. Bovendien zijn wij niet bekwaam om de beloften Gods te ontvangen, dan als wij vergeving der zon-
306
2 CORINTHE 1 : 20.
den verkregen hebben, welke wij door Christus verkrijgen. Ten derde is die belofte de allereerste, waarmede God ons tot kinderen aanneemt: en de oorzaak en wortel der aanneming tot kinderen is Christus: want God is aan niemand een vader, dan die zijns eengeborenen Zoons leden en broeders zijn. Maar alles vloeit uit deze fontein, dat wij Gode meer hatelijk dan aangenaam zijn buiten Christus; daar God nochtans ons daarom belooft, al wat Hij ons belooft, omdat Hij ons liefheeft. Zoo is het dan geen wonder, dat Paulus hier leert, dat al de beloften in Christus vast en zeker zijn. Maar hier wordt gevraagd, of de beloften onzeker en krachteloos zijn geweest vóór de komst van Christus: want Paulus schijnt hier te spreken van Christus in het vleesch verschenen. Ik antwoord, dat al de beloften, die van den beginne der wereld aan de geloovigen zijn gegeven, in Christus gefundeerd geweest zijn. Daarom, wanneer Mozes en de profeten van de verzoening met God, van de hope der zaligheid, of van eenige andere genade handelen, zoo melden zij Hem daarbij, en prediken ook mede van zijn komst en rijk. Ik zeg wederom, dat de beloften onder het Oude Testament den godzaligen zijn vervuld geweest, zooverre het nut was tot hun zaligheid ; desgelijks is het nochtans waar, dat zij eenigszins zijn opgehouden geweest, totdat Christus kwam, door welken zij de waarachtige vervulling verkregen. En voorwaar de geloovigen zelvcn rustten alzoo op de beloften, dat zij nochtans de waarheid derzelve uitstelden tot de verschijning des Middelaars, en hun hope zoolang ophielden. Eindelijk, zoo iemand aanmerkt, welke de vruchten des doods en der wederopstanding van Christus zijn, die zal lichtelijk daaruit verstaan, hoe de beloften Gods door Hem zijn verzegeld en bevestigd geweest, welke anders nimmermeer haar volkomen vervulling zouden hebben. Daarom en door Hem is amen. Hier komen ook de Grieksche handschriften niet overeen; want sommigen hebben in één samenhang: Al de beloften Gods, die daar zijn, die zijn door Hem ja, en door Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons. Maar de andere lezing, die wij gevolgd hebben, is klaarder, en bevat volkomener zin. Want gelijk hij gezegd had, dat God in Christus de trouw van al zijne beloften heeft bevestigd, alzoo vermaant hij nu onze plicht te zijn in zulke bevestiging te bewilligen: hetwelk geschiedt, als wij met vast geloof in Christus rustende, bewilligen en onderteekenen, dat God waarachtig is, gelijk daar staat bij Joh. 3:33: En dat tot zijn heerlijkheid; want dit is het einde, waartoe alles behoort geschikt te worden, Ef. 1:13 en Rom. 3:4. Ik beken wel dat de andere lezing meer gebruikelijk is: maar dewijl zij flauw is, zoo heb ik niet getwijfeld deze liever te stellen, die volkomener leer bevat, en in het verband veel gepaster is. Want Paulus vermaant de Corinthiërs wat zij behooren te doen, te weten, dat zij hun amen antwoorden, dewijl zij in de eenvoudige waarheid Gods zijn geleerd geweest. Nochtans zoo het iemand zwaar is, van de andere lezing af te wijken, zoo moet men altijd een vermaning tot onderlinge leer en geloof daaruit nemen.
21 Degene, die ons bevestigt met u in Christus, en die ons gezalfd heeft, is God. Eom. 8:ic.
22 Dewelke ons ook verzegeld heeft, en heeft ons den vóórpen-2 c°rf-®: ®-3 ning des Geestes gegeven in onze harten. 4:30.
307
2 CORINTHE 1:21, 22.
God is wel altijd waarachtig en standvastig in al zijne beloften, en heeft altijd zijn amen zoo haast als Hij gesproken heeft, maar wij, dewijl zulke ijdelheid in ons is, antwoorden Hem niet anders ons amen, dan als Hij aan zijn Woord zeker getuigenis geeft in onze harten: dit doet Hij door zijnen Geest; dit is het wat Paulus nu wil zeggen. Hij had boven geleerd, dat dit een zeer gepaste
Hom. ii;i9. overeenstemming is, als de roeping Gods is zonder berouw, en als wij wederom de genade der aanneming tot kinderen ons aangeboden, met ontwijfelbaar geloof aannemen. Dat God vast blijft in zijn voornemen, is geen wonder: maar dat ook wij alzoo met standvastigheid onzes geloofs gelijk God zouden doen, is in des menschen macht niet; en hij leert, dat God onze zwakheid of gebrek helpt en geneest, wanneer Hij ons door-zijnen Geest bevestigt, onze onge-loovigheid beterende. Alzoo geschiedt het, dat wij Hem loven en heerlijk maken met standvastigheid van ons geloof. Hij voegt zich-zelven duidelijk bij de Corinthiërs, opdat hij hunne harten te beter winne om eenigheid te houden.
ai Die ons gezalfd heeft. Eenzelfde zaak drukt hij uit met onderscheidene woorden: want bij de bevestiging stelt hij de zalving en de verzegeling, of met deze dubbele gelijkenis verklaart hij duidelijker, wat hij tevoren zonder figuur gezegd had. Want als God de hemelsche genade zijns Geestes over ons uitstort, zoo verzegelt Hij alzoo de zekerheid zijns Woords in onze harten. Daarna stelt hij ten vierde, dat de Geest ons is als een vóórpenning gegeven, welk getuigenis zeer bekwaam is, gelijk het dikmaals van hem gebruikt wordt. Want gelijk de Geest getuigenis der aanneming gevende, ons een borg is, en een zegelring of zegel, de beloften bevestigende, alzoo wordt Hij terecht een vóórpenning of pand genoemd, omdat Hij maakt, dat het verbond Gods op beide zijden vast is, hetwelk anders eenigszins onzeker zou zijn. Hier moet men aanmerken, ten eerste de overeenkoming, die Paulus eischt tusschen het Evangelie Gods en ons geloof. Want gelijk het zekerder dan zeker is al wat God spreekt, alzoo wil Hij, dat het door een vaste en voortdurende bewilliging in onzé harten is verzekerd. Ten andere moet men aanmerken, dewijl zulke zekerheid iets is boven des menschen begrip, dat het des Heiligen Geestes ambt is, ons dat inwendig te bevestigen, wat God door zijn Woord belooft; waaruit
1 Joh-_2:^0- Hij deze namen heeft, dat Hij genoemd wordt, zalving, pand, vóór-'ie°7. 0quot; 'penning, trooster en zegel. Ten derde moet men aanmerken, dat
die valschelijk den Christelijken naam voorwendt, die den Heiligen Geest niet heeft tot getuige, opdat hij Gode, die hem tot zekere hope der zaligheid roept, amen antwoorde.
Eom. i;9; 23 Ik roep God tot getuige over mijne ziel, dat ik u sparende,
2 bór. ii:3i. nog niet te Corinthe ben gekomen.
GFi'i1i:28 24 Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof: maar wij
iTheas.2:5. zijn helpers uwer blijdschap: want gij staat door het geloof.
1 Tim. 5 : 21.
2 Tim. 4 :1.
1 Petr. 5:3.
308
2 CORINTHE 1 : 23, 24.
HET TWEEDE HOOFDSTUK.
1 Ik had dit voorgenomen bij mijzelven, niet meer in droefheid tot u te komen.
2 Want indien ik u bedroef, wie is er, die mij kan verblijden,
dan die van mij bedroefd is?
23yk roep God tot getuige. Nu begint hij eerst de oorzaak van | zijn veranderd voornemen te zeggen. Want dusverre heeft hij -'-alleen de lastering wederlegd; en als hij zeide, dat hij ze gespaard heeft, zoo wendt hij bedektelijk de schuld op hen, en vermaant ze daarmede, dat het onrecht zou wezen, dat hij met hun schuld bezwaard werd: en dat het veel onbehoorlijker zou wezen zoo zij dat leden: en dat het overgroot onrecht zou wezen, zoo zij in zulke ongeschikte lastering bewilligden, te weten, als zij alzoo den onschuldige in hun plaats stelden, om de schuld hunner zonde te dragen. Hij heeft ze gespaard op deze wijze, want zoo hij gekomen had, zoo was hij gedwongen geweest hen strengelijker te berispen, en hij had liever, dat zij zich vanzelf bekeerden, eer hij kwam, opdat het niet noodig ware scherpe remedie te gebruiken:
hetwelk een bijzonder bewijs is van eene vaderlijke zachtmoedigheid. Want wat groote toegeving was het, dat hij rechte oorzaak tot verbolgenheid hebbende, nochtans van zulke noodzakelijkheid afzag. En hij stelt eenen eed daarbij, opdat hij niet schijne om des tijds wille iets te verzinnen. Want het was geen kleine zaak, en er was veel aan gelegen, dat hij vrij ware van alle vermoeden der leugenen of verzinning. Daar zijn twee dingen, die den eed wettig en godzalig maken, te weten, de oorzaak en de genegenheid. De oorzaak neem ik, wanneer men niet zweert lichtvaardig, dat is, in onnutte beuzelingen, of ook in zaken, in welke geen zwarigheid is,
maar alleen wanneer het nut en noodig is. Genegenheid neem ik,
als men meer ziet op de eere Gods en der broederen voordeel,
dan op zijn eigen nut. Want dit einde moet men altijd aanzien, dat onze eed diene tot Gods eere, en tot hulpe onzes naasten in een rechtvaardige zaak. Voorts is te letten op den vorm des eeds. Ten eerste roept hij God tot getuige, ten andere in zijn ziel. Want in twijfelachtige en duistere zaken, waar de mensch geen kennis van heeft, daar nemen wij onze toevlucht tot God, opdat Hij, die alleen de waarheid is, der waarheid getuigenis geve. Nu, die God tot ge-Hebr. g ; i«. tuige neemt, die roept Hem ook om de meineedigheid te wreken,
zoo hij bedriegt. Dit willen deze woorden, over mijne ziel, alsof hij zeide: Ik weiger niet, dat Hij mij straffe, indien ik lieg. En hoewel dit niet altijd met woorden uitgedrukt wordt, zoo moet men het nochtans daaronder verstaan: want zoo wij ontrouw zijn. God blijft getrouw, en zal Zichzelven niet verloochenen; zoo zal Hij dan de 2 Tim.2:12. ontheiliging zijns naams niet ongestraft laten.
24 Niet dat wij heerschappij voeren. Hij voorkomt een tegenwerping, welke iemand had kunnen voortbrengen. Wat? handelt gij dan zoo moedwillig, dat gij ook alleen met uw aanzien vreeselijk zijt? Dit ware niet de strengheid van een Christenherder, maar enkel wreedheid eens tirans. Op deze tegenwerping antwoordt hij,
ten eerste bedektelijk, zeggende, dat het niet alzoo is; daarna open-
309
2 CORINTHE 1 : 24â2 : 1, 2.
lijk vertoonende, dat dit ook een vaderlijke genegenheid was, dat hij gedwongen geweest was hen scherpelijk te behandelen. Als hij zegt, dat hij geen heerschappij voert over hun geloof, zoo geeft hij te kennen, dat dit een onrechte en onverdragelijke macht, ja een wreede tirannie in de gemeente is: want het geloof moet ganschelijk ongebonden en vrij zijn van alle juk der menschen. Men moet aanmerken wie daar spreekt: want zoo daar ganschelijk een mensch is, die recht heeft zulke heerschappij zich aan te trekken, zoo was voorwaar Paulus waardig zulk voorrecht te hebben: nu, hij bekent, dat het hem niet toekomt. Zoo verstaan wij dan, dat het geloof geen andere gehoorzaamheid bekent, dan des VVoords Gods, dat het der heerschappij der menschen geenszins onderworpen is. Erasmus teekent aan, dat men dk aldus kan verstaan: Niet dat wij heerschappij over u voeren om des geloofswille: welke zin bijna op hetzelfde neerkomt. Want hij geeft te kennen, dat er geen geestelijke heerschappij is, dan van God alleen. Altijd blijft dit vast, dat de herders geen eigen heerschappij hebben over de conscientiën, want zij zijn dienaars en geen heeren. Wat maakt hij dan van zichzelven en van anderen? Helpers der blijdschap, met welk woord ik versta geluk, voorspoed: hoewel hij blijdschap heeft gesteld tegen de vrees, die de tirannen door hun wreedheid aanbrengen, en de val-sche profeten, die den tirannen gelijk zijn, met mogendheid en streng-Ez. 34:4. heid heerschappij uitvoerende, gelijk bij Ezechiël staat. Hij besluit uit het tegengestelde, dat hij geenszins heerschappij over de Corin-thiërs gebruikt heeft, dewijl hij ze meer gezocht heeft te brengen tot een vrede, die vrij en vol blijdschap is. Want gü staat door het geloof. Waarom hij dit hierbij gesteld heeft, gaan andere uitleggers ganschelijk voorbij, of leeren het niet duidelijk genoeg. Ik meen, dat het wederom een bewijs is uit wat daartegen strijdt. Want zoo dit het werk en de natuur des geloofs is, dat het ons ophoudt, opdat wij staan, zoo is het tegen rede, dat het den menschen onderworpen is. Alzoo wordt die onbehoorlijke heerschappij weggenomen, waarvan hij zich boven verontschuldigd heeft.
Hoofdstuk 2. i Ik had dit voorgenomen. Wie hij moge zijn, die de hoofdstukken ingedeeld heeft, hij heeft hier een ongepaste indeeling gemaakt. Want de apostel verklaart nu eerst, hoe hij ze gespaard heeft. Ik had, zegt hij, voorgenomen niet meer tot u te komen met droefheid, dat is, door mijn komst u oorzaak der droefheid aan te brengen. Want hij was eenmaal gekomen door den zendbrief, waarmede hij ze scherpelijk gegispt had. Daarom ten tijde, toen zij zich nog niet gebeterd hadden, wilde hij tot hen niet komen, omdat hij niet wederom gedwongen werd hen te bedroeven: want hij wilde liever langeren tijd geven om zich te bekeeren. En hij zegt: Ik had voorgenomen, omdat hij de oorzaak zijner uitstelling voortbrengende, verklaart hoedanig zijn raadslag in verleden tijd geweest is.
2 Want indien ik u bedroef. Dit is een bevestiging der voorgaande uitspraak. Niemand laadt gaarne droefheid op zijn hals. Paulus zegt, dat hij al zulke genegenheid en gemeen medelijden met de Corinthiërs heeft, dat hij niet blijde kan zijn, tenzij zij ook blijde zijn; ja, hij betuigt, dat zij hem oorzaak der blijdschap zijn, hetwelk zij niet konden zijn, zoo zij zeiven droevig geweest waren. Zoo deze gezindheid in de herders plaats heeft, zoo zal zij een zeer goede matiging wezen, opdat zij de harten niet verstoren door verschrik-
310
2 CORINTHE 2 : 2â4.
kingen, die zij behoorden met blijde vriendelijkheid te onderhouden. Want hieruit komt die overharde strengheid, dat wij ons niet alzoo in de zaligheid der gemeente verblijden, gelijk het betaamde.
3 En ik had u datzelve geschreven, opdat ik, komende, niet zou droefheid hebben boven droefheid van degenen, van welke ik mij behoorde te verblijden: vertrouwende van u allen, dat mijn blijdschap uwer aller is.
4 Want uit vele verdrukking en benauwdheid des harten heb ik tot u geschreven met vele tranen: niet opdat gij zoudt bedroefd worden, maar opdat gij de liefde zoudt bekennen, die ik zeer overvloediglijk tot u heb.
5 Doch indien iemand droefheid aangebracht heeft, die heeft mij niet bedroefd, maar eensdeels: opdat ik u allen niet be-zware.
3 Ik. had u datzelve geschreven. Gelijk hij boven zeide, dat hij zijn komst tot hen daarom uitgesteld had, opdat hij niet wederom droevig en streng zou komen, alzoo leert hij nu ook, dat hij eerst door den zendbrief droevig is gekomen, opdat zij zijn tegenwoordige strengheid niet zouden gevoelen: daarom hadden zij over die vorige droefheid niet te klagen, in welke hij hun voordeel heeft willen zoeken. Hij gaat ook verder, te weten, dat hij schrijvende niet hun droelheid heeft willen aanbrengen, of eenig teeken der verbolgenheid geven, maar liever zijn liefde tot hen bewijzen. Aldus verzacht hij niet alleen de bitterheid, zoo er eenige in den zendbrief was, maar maakt hem ook liefelijk en vriendelijk. Maar dewijl hij daarna belijdt wat hij hier ontkent, zoo schijnt hij tegen zich-zelven te strijden. Ik antwoord, dat er geen tegenstrijd is; want hij zal niet bekennen, dat dit zijn laatste oogmerk en einde geweest is, de Corinthiërs te bedroeven: maar dat het een weg geweest is, om hen tot ware blijdschap te brengen. Nochtans eer hij dat zegt, spreekt hij hier alleen van het einde, en het middel, dat niet zoo aangenaam was, gaat hij voorbij of stelt dit een weinig uit. Vertrouwende. Dit vertrouwen jegens de Corinthiërs neemt hij aan, opdat zij weder alzoo zouden gevoelen van zijn gemoed. Want wie haat, die benijdt, en waar algemeene blijdschap is, daar moet volkomen liefde zijn. Zoo de Corinthiërs aan de meening en het oordeel van Paulus niet voldoen, zoo bedriegen zij hem schandelijk.
4 Want uit vele verdrukking. Dit is een andere reden om de scherpte te verzachten, die hij gebruikt had. Want die lachen en. genoegen hebben in eens anders droefheid, dewijl zij hun wreedheid daarin openbaren, zoo kunnen en moeten zij niet geduld worden. De groote droefheid, zegt hij, heeft mij doen schrijven al wat ik geschreven heb: wie zou het niet verontschuldigen, en in 't goede nemen wat uit zulke genegenheid des harten komt? voornamelijk dewijl hij niet om zijn eigen, maar om hun zaak en schuld benauwd was: en bovendien zijn droefheid niet uitstortte, om zich-zelven te ontladen en hen te bezwaren, maar veelmeer om hun zijn liefde te toonen. Om deze oorzaken moesten de Corinthiërs niet verbitterd worden door die scherpe berisping. Tranen stelt hij daarbij, welke in een sterken en grootmoedigen man een teeken zijn van uitnemende droefheid. Hieruit zien wij uit wat gevoel des
311
2 CORINTHE 2 : 4, 5.
harten de godzalige en heilige berispingen en bekijvingen behooren te vloeien. W ant er zijn vele schreeuwerige berispers, die de gebreken met overdadige woorden bestraffen, of eer daartegen bliksemende, een wonderlijke brandende vurigheid toonen: intusschen zijn zij gerust van gemoed, zoodat zij schijnen uit spel de keel en tong te willen oefenen. Maar het betaamt een godzaligen herder bij zichzelven te weenen, eer hij anderen tot weenen verwekke; met inwendige gedachten gekweld te zijn, eer hij eenig teeken der verbolgenheid geve, en meer droefheid bij zichzelven te behouden, dan hij anderen aandoet. Men moet ook aanmerken de tranen van Paulus, welke door hun overvloedigheid wel een weekhartigheid betuigen, maar die edeler en manlijker is, dan die ijzeren hardheid der Stoïcijnsche philosophen.' Want hoe weeker de genegenheden der liefde zijn, zooveel te prijselijker zijn zij. Het woord, zeer over-vloediglijk, kan men ook overzetten overvloediglijker, en alzoo zou het een heimelijk beklag zijn, dat de Corinthiërs hem geen gelijk deden in de liefde, dewijl zij dien flauwelijk liefhadden, die hen zeer vurig liefhad. Nochtans neem ik het eenvoudig, te weten, dat Paulus zijn liefde tot hen verheft, omdat de zekere kennis daarvan al die strengheid zou verzachten, die in zijne woorden was.
5 Doch indien iemand. Dit is de derde reden om den aanstoot te verzachten, te weten, dat zijn droefheid met hen gemeen is geweest, en dat de oorzaak van elders gekomen is. Wij zijn (zegt hij) tegelijk droevig geweest, en een ander heeft de schuld: hoewel hij ook van dezen zachter spreekt als hij zegt: Doch indien iemand, niet zeker zeggende, maar liever de zaak in twijfel latende. Voorts, deze plaats wordt van sommigen aldus verstaan, alsof Paulus wilde zeggen: Degene, die mij oorzaak tot droefheid gegeven heeft, heeft u ook aanstoot gegeven: want gij hebt te zamen met mij bedroefd moeten zijn; nochtans scheelt het niet veel, dat ik alleen droevig geweest ben. Want ik wil dit niet enkel zeggen, opdat ik u niet allen bezware. Aldus zou in het tweede deel een verbetering van het eerste zijn. Maar de uitlegging van Chrysostomus is veel passender. Want hij leest het in e'én verband: Hij heeft niet mij alleen bedroefd, maar bijna u allen. En dat ik zeg eensdeels, doe ik, opdat ik hem niet te zeer bezware. Alleen in het woordje eensdeels, is mijn gevoelen anders dan van Chrysostomus, want ik leg het uit, dat het gesteld is voor eenigszins. Ik weet wel, dat Ambrosius het verstaat van het deel der heiligen, omdat de gemeente der Corinthiërs gedeeld was: maar dat is meer scherpzinnig * dan vast.
i Cor. 1:3. 6 Den zoodanige is deze berisping genoeg, die hem van velen
geschied is;
7 Zoodat gij meer daarentegen hem moet vergeven en vertroosten, opdat de zoodanige niet mogelijk door te overvloedige droefheid verslonden worde.
8 Daarom bid ik u, dat gij de liefde aan hem bevestigt.
9 Want ik had ook daarom tot u geschreven, om uwe beproeving te bekennen, of gij in alles gehoorzaam zijt.
10 Dien gij vergeeft, [dien vergeef] ik ook: want dien ik vergeven heb, zoo ik iets vergeven heb, dien heb ik het om uwentwil vergeven, voor het aanschijn van Christus.
312
2 CORINTHE 2:6â8.
11 Opdat wij niet van den satan overvallen worden: want zijne gedachten zijn ons niet onbekend.
6 Den zoodanige. Nu strekt hij de zachtmoedigheid ook tot dien uit, die boven de anderen zwaarlijk gezondigd had, en om wiens wil hij vertoornd was tegen hen allen, omdat zij zijn booze daad door de vingers zagen. Dewijl hij ook dezen vergeeft, die zwaarder straf waardig was, zoo hebben de Corinthiërs een klaar bewijs, waaruit zij kunnen zien, hoe vreemd hij is van te groote strengheid. Evenwel, hij doet dat niet alleen terwille van de Corinthiërs, maar omdat hij van zichzelven verzoenlijk was: zoo moesten dan de Corinthiërs in deze zachtheid zijn overgroote vriendelijkheid bekennen. Bovendien bewijst hij zichzelven niet alleen verzoenlijk, maar vermaant ook de anderen, dat zij hem ook met dezelfde zachtmoedigheid in genade ontvangen. Maar laat ons deze dingen een weinig onderscheidener aanmerken. Hier wordt gehandeld van die zichzelven door een bloedschandig huwelijk met zijn stiefmoeder besmet had. Dewijl het een onverdragelijke misdaad was, zoo had Paulus geboden hem uit te sluiten of te bannen. Hij had ook de Corinthiërs hard aangesproken, omdat zij die booze daad zoolang door de vingers gezien en geduld hadden. Uit deze plaats is het openbaar, dat hij zich bekeerde, toen hij van de gemeente vermaand was. Zoo gebiedt dan Paulus hem zulks te vergeven en ook te vertroosten. Deze plaats is naarstig aan te merken: want hij leert met wat gerechtigheid en zachtmoedigheid men de tucht der gemeente moet matigen, opdat de strengheid niet over de mate zij. Daar is strengheid noodig, opdat de boozen niet door vrijheid en toegeving, tot de zonde verstouten. Maar wederom, dewijl het te vreezen is, dat die gestraft wordt, den moed zou verloren geven, zoo moet men hier matigheid gebruiken, te weten, dat de gemeente zoo haast als zij zijn betering zeker erkend heeft, bereid is om te vergeven. In welke zaak ik voorzichtigheid eisch in de oude bisschoppen, en men moet ze voorwaar niet verontschuldigen, maar liever op hun dwaling merken, opdat wij ze leeren vlieden. Paulus is tevreden met leedwezen en betering des zondaars, opdat de gemeente verzoend worde: maar die ouden, geen acht op de bekeering hebbende, hebben canones of regels gemaakt van driejarige, zevenjarige. of ook somtijds het gansche leven lang durende penitenties: waardoor zij de ellendige menschen van de gemeenschap der gemeente uitsluiten. En door dit middel wordt de zondaar meer van de gemeente vervreemd, of tot geveinsdheid gebracht. Ofschoon het in zichzelve een prijselijke inzetting ware, zoo zou nochtans om datzelve te misprijzen, deze reden mij genoeg zijn, dat het niet overeenkomt met den regel des Heiligen Geestes, die hier van Paulus voorgeschreven wordt.
7 Opdat hij niet. Het einde der uitsluiting, zooveel den persoon des zondaars aangaat, is dit, dat hij door het gevoelen zijner zonde beschaamd zijnde, voor God en voor de gemeente verootmoedigd worde, en met waarachtig mishagen en belijdenis der schuld vergeving begeere. Die zooverre gebracht is, dien is nu meer vertroosting dan bestraffing noodig. Zoo dan, zoo men hard tegen hem blijft handelen, zoo zal het een wreede trotsing en niet een tucht zijn. Zoo moet men dan naarstig toezien, dat men ze boven dit einde niet
313
2 CORINTHE 2 : 8â11.
dringe. Want er is niets zorgelijkers, dan dat men den duivel oorzaak geeft om den zondaar tot vertwijfeling te kwellen. Nu, wij wapenen den duivel, wanneer wij die troosteloos laten, die met ernstige belijdenis hunner zonde geroerd zijn.
9 Want ik had ook daarom tot u geschreven. Hij voorkomt die tegenwerping, die zij hadden kunnen gebruiken en zeggen; Wat wildet gij dan hebben, toen gij zoozeer vertoornd waart, omdat wij hem niet straften? Zoo opeens uit zulk een strengen rechter een voorspraak te worden, is dat niet een teeken eens menschen, die met tegenovergestelde genegenheden her- en derwaarts zweeft ? Zulk eene gedachte kon Paulus' autoriteit zeer krenken. Maar hij antwoordt, dat hij verkregen heeft wat hij gezocht had, en dat hem daarom genoeggedaan was, zoodat men nu der barmhartigheid moest plaats geven. Want dewijl hun traagheid gebeterd was, zoo was er geen verhindering, waarom zij den mensch, die nu ter aarde lag, niet door hun zachtmoedigheid zouden wederoprichten.
10 Dien gij vergeeft. Opdat hij ze te lichter tevreden zou stellen, zoo geeft hij ook zijn stem aan de vergeving, van hen gegeven, alsof hij zeide: Twijfelt niet hem te vergeven: ik beloof dat het mij zal behagen wat gij daarin doet, en bewillig nu in uwe verge ving. Ten andere zegt hij, dat hij dit doet om hunnentwil, en ongeveinsd en van harte. Hij had nu bewezen, hoezeer hij begeerde des menschen zaligheid te bevorderen: en nu zegt hij, dat hij ook gaarne den Corinthiërs toegeeft. Voor het aanschijn van Christus. Hiervoor willen sommigen liever stellen: In den persoon van Christus, omdat Paulus in die verzoening den persoon van Christus eenigszins droeg: maar het behaagt mij beter, dat hij betuigt dat hij oprecht en zonder geveinsdheid vergeeft. Want hij pleegt met deze wijze van spreken een zuivere en ongeveinsde rechtheid uit te drukken. Nochtans, zoo iemand de eerste zin behaagt, zoo zal men moeten aanmerken, dat de persoon van Christus hier voorgesteld wordt, omdat er niets is dat ons meer tot barmhartigheid behoort te bewegen.
11 Opdat wy niet van den Satan overvallen worden. Dit kan
men verstaan van wat hij boven gezegd had, van de onmatige droefheid. Want dat is het allerbooste bedrog des duivels, als hij allen troost benemende, ons als in den afgrond der vertwijfeling doet verzinken: en alzoo heeft Chrysostomus het uitgelegd. Ik wil het nochtans liever van Paulus en de Corinthiërs verstaan. Want zij waren in tweeërlei gevaar van des duivels listen, te weten, zoo zij veel te hard en streng geweest waren, of zoo er twist onder hen gerezen ware. Want het geschiedt dikmaals dat voor vurige begeerte naar betering een Farizeesche hardheid in het hart komt, waardoor de ellendige zondaar meer ten val gebracht, dan genezen wordt. Maar hij spreekt liever van het tweede gevaar naar mijn gevoelen. Want had Paulus niet den wil der Corinthiërs gedaan, zoo zou de duivel door tweedracht onder hen krachtig geworden zijn. Want zijne gedachten zijn ons niet onbekend. Dat is, wij weten, van den Heere vermaand zijnde, dat de duivel zonder ophouden arbeidt, om ons bedekt aan te komen, en onvoorziens te overvallen, als hij ons niet openlijk kan verderven. Daarom, dewijl wij weten, dat hij ons door bedekte listen zoekt, en met heimelijke pogingen bestrijdt, zoo moeten wij verre vooruit zien, opdat hij ons
314
2 CORINTHE 2: 11, 12.
niet hindere. Het woord gedachten is hier gesteld in het kwade,
voor listige raadslagen en pogingen, die den geloovigen niet onbekend moeten zijn, en ook niet onbekend zullen zijn, zooverre zij zich van den Geest Gods laten regeeren. In één woord, dewijl God vermaant, dat de duivel alleszins arbeidt om ons te overvallen, en daarenboven leert, hoe hij ons kan overvallen: zoo moeten wij rijpelijk toezien, dat hem nergens eenige opening gemaakt worde om door te dringen.
12 En toen ik te Troas gekomen was om het Evangelie van Jezus Hana. 16:8,9. Christus, en mij ook een deur geopend was in den Heere,
13 Zoo had ik geen rust in mijnen geest, omdat ik Titus mijnen broeder niet vond: maar afscheid van hen genomen hebbende,
ben ik gereisd naar Macedonië.
14 En Gode zij dank, die ons altijd doet triumfeeren') in Christus: ^i) d[e en de reuk zijner kennis openbaart door ons, in alle plaats. umfeert
15 Want wij zijn Gode een zoete reuk van Christus, in degenen, ^°r die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan.
16 Dezen een reuk des doods ten doode, en genen een reuk des Luk- 2:3't-levens ten leven. En wie is hiertoe bekwaam?
17 Want wij zijn niet gelijk velen het Woord Gods vervalschende:
maar als uit oprechtheid, als uit God spreken wij voor het aanschijn Gods in Christus.
12 Toen ik te Troas gekomen was. Als hij verhaalt wat hij intusschen gedaan heeft, waar hij geweest is, wat reizen hij gedaan heeft, zoo bevestigt hij meer en meer wat hij boven gezegd had van zijn komst tot de Corinthiërs. Hij zegt, dat hij is van Efeze naar Troas gekomen, om des Evangelies wil. Want om in Achaje te komen moest hij aldaar niet doorreizen, tenware hij wilde gaan door Macedonië. Maar dewijl hij Titus daar niet vond, welken hij naar Corinthië gezonden had, en door wien hij van den stand der gemeente zekerheid moest weten: hoewel hij daar grootelijks nuttig kon zijn, en gelegenheid voorhanden had, zoo zegt hij nochtans, dat hij alles verlatende, naar Macedonië is gekomen, om Titus te zien.
Dit is een bewijs zijner bijzondere liefde tot de Corinthiërs, dat hij zoozeer zorgvuldig over hen was, dat hij nergens, ook waar hem groote hope van vrucht voorgesteld was, kon rusten, eer hij van hunne zaken verstaan had. Hieruit is het openbaar, waarom hij zijn komst uitgesteld heeft, te weten, hij wilde niet komen, eer hij Titus gesproken had. Daarna heeft hij van Titus verstaan, dat het toen nog geen bekwame tijd was om te komen: zoo is het dan openbaar, dat Paulus de Corinthiërs zoo liefhad, dat hij al zijne reizen en lange omloopen naar hunne zaligheid heeft geschikt, en dat hij daarom later tot hen gekomen is dan hij beloofd had: niet dat hij zijn belofte vergeten hebbende, lichtvaardig zijnen raad veranderd had,
maar omdat het hun nutter was zijn komst uit te stellen. En my ook een deur geopend was. Van deze spreekwijze hebben wij gesproken in het laatste hoofdstuk van den Eersten zendbrief: waarmede beduid wordt, dat hem oorzaak gegeven was om het Evangelie uit te breiden. Want gelijk men kan ingaan, wanneer de deur open is, alzoo hebben de dienstkechten des Heeren voortgang,
wanneer hun gelegenheid gegeven wordt. De deur wordt gesloten.
315
2 CORINTHE 2 ; 13, 14.
wanneer geen hope op vrucht gezien wordt. En gelijk men, wanneer de deur gesloten is, beter een nieuwen weg kan ingaan, dan met ijdelen arbeid zichzelven vermoeien, alzoo wanneer ons gelegenheid om te stichten verschijnt, zoo zullen wij meenen, dat ons door de hand Gods een deur geopend wordt, om Christus daar in te brengen, en zullen aan zulke milde roeping Gods onze gehoorzaamheid niet weigeren. Maar Paulus schijnt daarin gezondigd te hebben, dat hij de tegenwoordige gelegenheid vergetende, of immers verlatende, naar Macedonië is gereisd. Behoorde hij niet eerder in dat werk, dat hij om handen had, gebleven te zijn, dan terstond elders te loopen, waar hij dat een weinig begonnen had? en wij hebben nu gezegd, dat de opening eener deur een getuigenis is van de Goddelijke roeping, hetwelk zeer waarachtig is. Ik antwoord, dat Paulus, die niet alleen aan één gemeente, maar aan vele verbonden was, niet om het tegenwoordig aanzien eener gemeente de zorg der andere gemeenten moest afleggen. Bovendien, dat hij zooveel te meer moest geneigd zijn om de gemeente der Corinthiërs te helpen, omdat hij zooveel eenigheid en vriendschap met haar had Want men moet alzoo denken, dat het recht was, dat hij tot die gemeente, die hij door zijnen dienst gefundeerd had, bijzonder genegen zou zijn: gelijk het heden wel ons ambt is, de gansche gemeente te dienen, en haar gansche lichaam te bezorgen, nochtans heeft ieder grooter en nauwer vriendschap en eenigheid met zijn gemeente, die hij eigenlijk dient. De zaken stonden te Corinthe niet zeer wel, zoodat Paulus over de uitkomst niet weinig zorgvuldig was. Zoo is het dan geen wonder, zoo hij door deze oorzaak bewogen zijnde, een gelegenheid, die anders niet te verlaten was, verlaten heeft, dewijl hij niet alle dingen tegelijk kon bedienen. Hoewel, het is niet onwaarschijnlijk, dat hij van Troas gereisd is, na eerst in de geopende deur iemand in zijn plaats gesteld te hebben.
14 Gode zij dank. Hier roemt hij wederom van den voortgang van zijnen dienst, en hoe hij niet ledig is geweest in alle plaatsen, waar hij geweest was. En opdat hij dit doe zonder benijding, zoo begint hij met dankzegging, welke hij hierna wederom zal verhalen. Hij verheft zijn zaken niet door eerzoeking, opdat zijn naam geprezen worde, en dankt God niet door geveinsdheid, gelijk de Farizeën, intusschen met hoogmoed en hoovaardigheid opgeblazen zijnde: maar begeert van harte bekend te hebben, dat al wat loflijk was, Gods werk alleen was, opdat alleen zijn mogendheid geprezen worde. En hij verhaalt zijn lof tot der Corinthiërs nut, opdat zij, hoorende dat hij elders met zoo groote vrucht den Heere gediend heelt, zijn arbeid bij hen niet onnut laten zijn, en dat zij leeren zijn dienst eerwaardig achten, welken God alom zoo heerlijk en vruchtbaar maakte. Want wat God zoo grootelijks eert, moet men niet versmaden noch klein achten. En er was voor de Corinthiërs niets hinderlijkers, dan van het apostelambt en de leer van Paulus een kwaad gevoelen te hebben: en daarentegen was niets nuttigers, dan beide eerbiedig aannemen. En dewijl hij bij velen verachtelijk begon te zijn, zoo behoorde hij het niet te verzwijgen. Ook heeft hij deze heilige roeming tegen het kwaadspreken der boozen gesteld. Die ons altijd doet triumfeeren. Zoo men het van woord tot woord wil overzetten, zoo zal het wezen; Die over ons trium-feert. Maar Paulus wil wat anders zeggen, dan hetgeen deze wijze
316
2 CORINTHE 2 : 14, 15.
van spreken beduidt. Want men triumfeerde over die, die in den krijg gevangen zijnde, tot schande gebonden met ketenen, voor des overwinnaars wagen getrokken werden. Maar Paulus wil zeggen, dat hij ook den triumf Gods is deelachtig geweest, omdat die door zijn arbeid verkregen was: gelijk de afgezanten bij den wagen van den voornaamsten hoofdman op paarden reden, als metgezellen derzelfder eer. Zoo dan, gelijk alle dienaars des Evangelies onder Gods regiment strijden, alzoo verkrijgen zij ook de overwinning en eer des triumfs. En Hij verwaardigt een iegelijk deel in den triumf te geven,
naar de trap van den dienst, in welken Hij ze gesteld heeft, en naar den arbeid, welken zij gedaan hebben. Alzoo bedrijven zij wel triumf,
maar die meer Godes dan hun eigen is. Hij stelt daarbij: In Christus, in wiens persoon God zelve triumfeert: gelijk Hij Hem al de heerlijkheid der heerschappij gegeven heeft. Zoo iemand het liever aldus wil overzetten: Die door ons triumfeert, de zin zal ook zoo niet kwaad zijn. Reuk der kennis. Dit was de triumf, te weten, dat God krachtig en heerlijk door hem wrocht, de wereld met den reuk zijner zaligmakende genade besprengende, als hij door zijne leer sommigen tot de kennis van Christus bracht. Dit is een doorgaande beeldspraak: reuk der kennis, waardoor al zoowel de zoetheid van het liefelijk Evangelie uitgedrukt wordt, als de kracht en werking daarvan, om het leven in te storten. Intusschen vermaant Paulus, dat zijn prediking niet alleen niet smakeloos is geweest, maar dat zij ook alleen door haren reuk de zielen levendmaakt. Hieruit zullen wij dit leeren, dat zij alleen rechten voortgang maken in het Evangelie, die door den goeden reuk van Christus verwekt worden om Hem te begeeren, zoodat zij de verzoekingen der wereld laten varen. Hij zegt, in alle plaats, met welke woorden hij te kennen geeft, dat hij nergens komt zonder vrucht te doen: en waar hij is, daar wordt de nuttigheid zijns arbeids gezien. De Corinthiërs wisten in hoe menige plaats hij tevoren het Evangelie van Christus gezaaid had: en nu zegt hij, dat het laatste met het eerste overeenkomt.
15 Een zoete reuk van Christus. De beeldspraak, die hij tevoren op de kennis van Christus toegepast had, past hij nu toe op de personen der apostelen, doch naar eenzelfde wijze: want gelijk zij het licht der wereld genoemd worden, omdat zij de fakkel of toorts Matt. des Evangelies vooruitdragende, den menschen lichten, en niet omdat zij door eigen glans hun voorlichten, alzoo worden zij genoemd reuk: niet omdat zij eenigen reuk van zichzelven geven, maar omdat de leer, die zij brengen, een reuk heeft om de gansche wereld met haar welriekenden geur te vervullen. Het is zeker, dat deze lof allen dienaren des Evangelies toekomt: want zoo ergens de zuivere en onvervalschte prediking des Evangelies is, daar zal de kracht van dezen reuk gevonden worden, waarvan Paulus hier spreekt. Nochtans is het zonder twijfel, dat hij in het bijzonder van zichzelven en zijns gelijken spreekt, datzelve zich tot lof wendende, wat de lasteraars hem schande rekenden. Want dat hij van velen bestreden werd, en dat hij van velen gehaat was, daaruit achtten zij hem klein. Zoo antwoordt hij dan, dat de getrouwe en oprechte dienaars des Evangelies zoet rieken voor God, niet alleen als zij de zielen door zaligen reuk levendmaken, maar ook als zij den ongeloovigen het verderf aanbrengen; zoo is dan het Evangelie daarom niet minder te achten. Het is (zegt hij) beide Code een zoete reuk, waarmede
317
2 CORINTHE 2 ; 15, 16.
de uitverkorenen vernieuwd worden tot zaligheid, en waarmede de verworpenen verslagen worden. Dit is een zeer schoone plaats, waardoor wij geleerd worden, hoedanig de uitkomst onzer prediking ook zij, dat nochtans ditzelve Gode behaagt, dat het Evangelie gepredikt wordt, en dat onze gehoorzaamheid Hem aangenaam is, en dat de waardigheid des Evangelies niet verkleind wordt, omdat het niet allen menschen bevorderlijk is: want God wordt ook daarin verheerlijkt, dat het den verworpenen gedijt tot verderf; ja het moet alzoo geschieden. Zoo het Gode een zoete reuk is, zoo moet het ons ook zijn, dat is, het betaamt niet, dat wij ons daaraan stooten, zoo de prediking des Evangelies niet allen menschen zalig is; maar wij zullen liever overleggen, dat het overvloedig genoeg is, zoo het den verworpenen de verdoemenis aanbrengende, de eere Gods bevordert. En mogen ook de verkondigers des Evangelies voor de wereld stinken, omdat de voortgang niet alleszins is naar hunnen wil, zoo hebben zij nochtans uitnemenden troost, dat zij Gode een welriekend reukwerk ontsteken, en dat des werelds stank Gode en den engelen een goede reuk is. Het woord reuk, heeft een grooten nadruk, want het is zooveel alsof hij gezegd had: De kracht des Evangelies is zoo groot aan beide zijden, dat het niet alleen met den smaak, maar slechts alleen met den reuk levendmaakt of doodt. Hoe het zij, het wordt nimmermeer tevergeefs gepredikt, maar is altijd krachtig tot het leven of tot den dood. Maar hier wordt gevraagd, hoe het overeenkomt met de natuur des Evangelies, 'twelk hij weinig hierna zal noemen een dienst des levens. Men kan lichtelijk antwoorden: Dat het Evangelie gepredikt wordt tot zaligheid, is zijn eigenschap, maar dezer zaligheid zijn alleen de geloovigen deelachtig: intusschen is het den ongeloovigen oorzaak der verdoemenis, hetwelk geschiedt door hun eigen gebrek. Alzoo is Christus niet in de wereld gekomen om de wereld te verdoemen. Want wat was het noodig, dewijl wij buiten Hem allen verdoemd zijn? Noch-Matt. ig;19; tans zendt Hij de apostelen al zoowel om te binden als om te ont-joh.ao^i 23. binden, en om de zonden te behouden, al zoowel als om de zonden joh.*8:12, te vergeven. Hij is het licht der wereld, maar verblindt de ongeloovigen. Hij is de fundamentsteen, maar velen ook een steen der aanstooting. Zoo moet men dan altijd onderscheid maken tusschen het eigen ambt des Evangelies, en het toevallige of bijkomstige (om zoo te spreken) dat aan de boosheid der menschen moet toegeschreven worden, waardoor het komt, dat hun het leven veranderd wordt in den dood.
16 En wie is hiertoe bekwaam? Sommigen meenen, dat deze uitroep hier gesteld is, om den schijn der hoovaardigheid te vermijden, dewijl hij bekent, dat het een zaak is, die de menschelijke macht te boven gaat, een goed apostel van Christus te zijn: want alzoo wordt de lof Gode gegeven. Anderen meenen, dat daarmede te kennen gegeven wordt, dat er niet vele goede dienaars zijn. Maar ik meen, dat het een heimelijke tegenstelling is, welke terstond uitgedrukt wordt, alsof hij zeide: Het is wel algemeen, dat iemand dien naam heeft, en men vindt er genoeg, die met vermetelheid zichzelven daarvoor uitgeven: maar de zaak zelf hebben, is een zeldzame en uitnemende deugd. Maar ik matig mij niets aan wat in mij niet gevonden wordt, indien men zoover komt. Zoo dan, dewijl die zichzelven in 't gemeen den naam aanmatigen, dien het
318
2 CORINTHE 2 : 16, 17.
leerambt gemeen is, zoo wil Paulus, aanspraak makende op een bijzondere uitnemendheid, zichzelven uitgenomen hebben uit de kudde dergenen, die met geene of zeer kleine kracht des Geestes begaafd waren.
17 Want wij zijn niet. Nu stelt hij zichzelven openlijker tegen de valsche apostelen, en dit tot verheffing, en om hen van dien lof uit te sluiten, welken hij zichzelven heeft toegeëigend. Ik mag (zegt hij) terecht grootschelijk van mijn apostelambt spreken: want ik vrees niet, dat ik van ijdelheid zal beschuldigd worden, zoo men naar de bevinding der zaak zoekt. Maar velen nemen ditzelve val-schelijk aan, die niet zullen bevonden worden iets daarvan met mij gemeen te hebben: want zij vervalschen het woord des Heeren, hetwelk ik met zeer groote getrouwheid en oprechtheid, tot stichting der gemeente bedien. Voorts is het mij niet waarschijnlijk, dat degenen, die hier doorgehaald worden, openlijk ongoddelijke en valsche leer gepredikt hebben: maar ik acht meer, dat zij uit winst of uit gunst-bejag, het rechte gebruik der leer verdorven hadden, zoodat zij zonder eenige kracht was. Dit noemt hij, vervalschen. Erasmus wil schacheren, woekeren. Het Grieksche woord, dat hier gebruikt Kaïry-wordt, is genomen van de opkoopers en kleinhandelaars, die hunne Xsvs.iv. koopwaren plegen op te sieren, opdat zij te duurder verkocht worden. Het is wel duidelijk uit het tegenovergestelde lid, dat Paulus hier vervalsching der leer heeft willen uitdrukken; niet dat zij van de waarheid afweken, maar dat zij ze vervalschten, en in haar natuurlijke oprechtheid niet voorstelden. \Vant de leer Gods wordt tweeërlei wijze verdorven, te weten, direct, wanneer zij met valsch-heid en leugen vermengd zijnde, niet meer de rechte leer Gods is,
maar valschelijk onder dien naam wordt aangeprezen; indirect, wanneer wel de zuiverheid der leer behouden wordt, doch om den menschen te behagen, her- en derwaarts wordt gebogen, en met onbehoorlijke vervalsching mismaakt, om gunst te bejagen: gelijk men sommigen vindt, in wier leer geen goddeloosheid gevonden wordt, maar dewijl zij den lof der wereld zoeken, hun scherpzinnigheid en welsprekendheid vertoonende, of naar schandelijk gewin staan, of begeeren eenigszins verheven te worden; zoo verdraaien zij niettemin de leer, die zij verkeerdelijk misbruiken, en die zij dwingen hunne booze genegenheden te dienen. Zoo gebruik ik dan gaarne dat woord vervalschen, omdat het beter uitdrukt wat dien allen pleegt te geschieden, die met het heilige woord Gods als met een bal spelen, en datzelve veranderen, naardat het hun nut is.
Want het is noodig, dat zij van de waarheid afwijken, en eenig gemaakt en vervalscht Evangelie prediken. Maar als uit oprechtheid. Het woordje als, is hier overbodig, gelijk in zoovele andere plaatsen. Tegen de vervalsching, die hij gemeld heeft, stelt hij ten eerste oprechtheid, welke al zoowel van de wijze der prediking, als van de genegenheid des harten kan verstaan worden: maar het tweede behaagt mij 't best. Daarna stelt hij daartegen een getrouwe en godvreezende uitdeeling, dat hij het Evangelie hem van God bevolen, en in zijn bewaring gegeven, gelijk van hand tot hand (gelijk men zegt) getrouwelijk der gemeente overgeeft. Ten derde stelt hij daarbij, het aanzien der tegenwoordigheid Gods. Want zoo wie deze drie dingen heeft, van dien is niet te vreezen, dat hij zou voornemen het woord Gods te vervalschen. Het eerste is, dat wij
319
2 CORINTHE 2 : 17â3 : 1.
door rechte vurigheid Gods gedreven worden. Het ander, dat wij gedenken, dat wij zijn zaak handelen, en niets voortbrengen, dan wat van Hem gekomen is. Het derde is, dat wij gedenken, dat wij niets doen, waar Hij niet een aanschouwer en getuige van is, en dat wij alzoo leeren alles aan zijn oordeel te onderwerpen. In Christus, is zooveel als: Naar Christus. Want dat Erasmus het heeft weergegeven: Door Christus, dient niet tot den zin van Paulus.
HET DERDE HOOFDSTUK.
2 Cor. 5:12; 1 Beginnen wij onszelven wederom te prijzen? Zijn ons ook gelijk
10:81 sommigen lofbrieven noodig tot u, of lofbrieven van u?
2 Onze brief zijt gij, geschreven in onze harten, welke bekend en gelezen wordt van alle menschen:
3 Dewijl het openbaar wordt, dat gij zijt een brief van Christus van ons toegediend: geschreven niet met inkt, maar met den
Ex. 24:12; Geest des levenden Gods: niet in steenen tafelen, maar in
:1* vleezen tafelen des harten.
i t^\ eginnen wij onszelven wederom. Het schijnt, dat ook dit
|quot;quot;^hem tegengeworpen is, dat hij zijn daden al te zeer prees, en Jâ^dat het hem tegengeworpen was van degenen, dien het een smart was, dat de heerlijkheid huns naams, die zij begeerden, door zijn grootheid verduisterd werd. Nu, in den Eersten zendbrief hadden zij naar mijn oordeel dit gewraakt, dat hij zichzelven al te zeer prees. Prijzen, beduidt hier ijdel roemen, en zichzelven bovenmate verheffen, of immers uit gunstbejag zijn eigen lof verhalen. De lasteraars van Paulus hadden een schoone voorwending, te weten, dat het in zichzelve schandelijk en hatelijk is, zijn eigen lof te prijzen. Maar Paulus wordt verontschuldigd door den nood, dat hij niet roemde dan gedwongen. En het oogmerk bevrijdde hem ook van alle beschuldiging, dewijl hij niet anders aanzag, dan dat de eer zijns apostelambts ongeschonden bleve tot stichting der gemeente: want was de eer van Christus niet verkort geworden, zoo had hij lichtelijk stilzwijgend zijn naam laten verkleinen. Hij zag ook, dat dit den Corinthiërs zeer hinderlijk was, dat zijn autoriteit niet zoo groot was bij de Corinthiërs. Zoo heeft hij dan ten eerste hun lastering voorgesteld, te kennen gevende, dat het hem niet ganschelijk verborgen is, wat woorden bij hen gevlogen zijn. Zijn ons ook lofbrieven noodig. Dit antwoord dient meer tot den persoon dan tot de zaak, hoewel hij hierna van de zaak zal spreken zooveel genoeg is. Maar nu bestraft hij hun booswilligheid, dat zij het kwalijk namen, als hij tegen zijn wil, ja van hen gedwongen zijnde, de genade meldde, die hem van God gegeven was; daar zij van hier en van elders brieven bedelden, die alleen met eerzuchtige recommandaties vervuld waren. Hij zegt, dat het hem niet noodig is met woorden geprezen te worden, dewijl hij overvloedig door zijne werken geprezen wordt. En hij bewijst in hen een onnutte zucht naar eer, dat zij zichzelven door prijzing der menschen voorstelden : aldus wordt hun valsche beschuldiging fijn en gepast weder-legd. Nochtans moet men daaruit niet verstaan, dat het enkel en
320
2 CORINTHE 3 : 1â3.
op zichzelve boos is, recommandatie of aanprijzing te nemen, die men tot een goed einde gebruikt. Want Paulus heeft er zeer velen aangeprezen, hetwelk hij niet zou gedaan hebben, zoo het ongeoorloofd ware. Maar hier worden twee dingen geëischt, te weten,
dat de aanprijzing niet met vleiingen of smeekingen is verkregen,
maar dat het een oprecht oordeel is met voorzichtigheid en waarheid. Ten andere, dat het niet gegeven worde om den mensch te bevorderen, maar alleen opdat hij tot bevordering van het rijk van Christus mag dienen. Daarom heb ik gezegd, dat Paulus heeft gezien op degenen, die hem lasterden.
2 Onze brief zijt gij. Het is geen kleine kunstgreep, dat hij zijn roem stelt in de zaligheid der Corinthiërs, alsof hij zeide: Zoolang gij Christenen zult zijn, zoo zal ik prijs en aanbeveling genoeg hebben; want uw geloof prijst mij, dewijl het een zegel mijns apostel-schaps is. Als hij zegt, geschreven in onze harten, kan men dit van Sylvanus en Timotheus verstaan, en dan zal dit de zin wezen:
Wij zijn tevreden met dezen lof, welken wij uit de zaak zelve hebben. De aanprijzingen van anderen vliegen in de oogen der menschen;
maar deze onze heeft haren zetel in de conscientiën. Men kan het ook ten deele op de Corinthiërs duiden, aldus: Degenen, die recommandaties verkrijgen, hebben in de conscientie niet wat zij in den brief geschreven dragen. En degenen, die anderen aanprijzen,
doen dat dikmaals meer uit toegeving, dan met oordeel: maar wij hebben op beide zijden getuigenis van ons apostelschap geschreven in onze harten. Welke bekend en gelezen wordt. Men kan het ook overzetten: Welke erkend en bekend wordt, wegens de twijfelachtige beteekenis van het Grieksche werkwoord. En ik weet niet dvxyivüir-of het ook niet beter ware; nochtans heb ik niet willen afwijken
van de gewone overzetting, dan uit noodzaak. Alleen zij de lezer vermaand, dat hij aanmerke wat 't best is. Zoo wij het aldus lezen, erkend en bekend, zoo zal het een bedekte tegenstelling zijn tusschen een brief, die zeker en van bekende trouw is, en een ondergeschovenen. En voorwaar, wat terstond daarna volgt,
zou best hiermede rijmen: want de brief van Christus wordt tegen valsche en gebedelde brieven gesteld.
3 Dat gij zijt een brief van Christus. Hij gaat door in de vergelijking, en zegt, dat zij zijn een brief van Christus geschreven,
omdat het geloof der Corinthiërs zijn werk was. Hij zegt, dat het van hem is toegediend, alsof hij was geweest in de plaats van pen en inkt. Eindelijk, hij maakt Christus tot auteur, en zichzelven tot een instrument: opdat de beschuldigers verstaan, dat zij tegen Christus handelen, zoo zij booselijk tegen hem blijven lasteren. Wat nu volgt, is gesteld om de autoriteit van dezen zendbrief te verheffen en te vermeerderen. Maar het tweede dient tot de vergelijking der wet en des Evangelies. Want door deze gelegenheid zal hij weinig hierna daarvan handelen, gelijk wij zien zullen. Deze tegenstelling van inkt en Geest, steen en hart, dienen niet weinig tot verheffing.
Want hij drukt meer uit, als hij inkt stelt tegen den Geest Gods,
en steen tegen hart, dan of hij Geest en hart gesteld had zonder vergelijking. Niet in steenen tafelen. Hij zinspeelt op de belofte,
die er staat, Jer. 31:31 en Ez. 37 : 26, van de genade des Nieuwen Testaments. Ik zal (zegt Hij) een nieuw verbond met hen maken,
321
niet gelijk Ik met hunne vaderen gemaakt had: maar Ik zal mijne
21
Dl. II.
2 CORINTHE 3 : 3â5.
wetten in hunne harten schrijven, en zal ze in hunne ingewanden ingriffen. Insgelijks: Ik zal het steenen hart uit het midden van u wegnemen, en zal u een vleezen hart geven, opdat gij in mijne wegen wandelt. Deze weldaad, zegt Paulus, is in zijne prediking vervuld: waaruit het openbaar is, dat hij een getrouw dienaar des Nieuwen Testaments is geweest, wat een wettige bevestiging zijns apostelschaps is. Het woordje vleezen, wordt hier niet in kwade beteekenis genomen, maar beduidt week, zacht en beweeglijk: want het wordt gesteld tegen steenen, dat is, hard en weder-spannig, gelijk des menschen hart van nature is, totdat het door den Geest Gods onderworpen wordt.
4 Wij hebben zoodanig betrouwen door Christus bij God:
5 Niet dat wij uit onszelven bekwaam zijn om iets te denken, als uit onszelven: maar onze macht is uit God.
6 Die ons bekwaam gemaakt heeft tot dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes: want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
7 Indien de bediening des doods, in letteren gegraveerd in steenen, in heerlijkheid is geweest, zoodat de kinderen Israëls niet konden aanzien het aangezicht van Mozes, om de klaarheid zijns aangeziohts, welke teniet wordt.
8 Hoe, zal de bediening des Geestes niet veelmeer in heerlijkheid wezen?
9 Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid is: hoe, zal de bediening der rechtvaardigheid niet meer overvloediger in heerlijkheid zijn?
10 Want wat verheerlijkt was in dezen deele, was niet verheerlijkt ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid.
11 Want indien hetgeen weggenomen wordt in heerlijkheid is: veelmeer zal wat blijft in heerlijkheid wezen.
4 Wij hebben zoodanig betrouwen. Dewijl dit een zeer groote lof was, waarmede Paulus zichzelven en zijn apostelschap versierd had, opdat hij niet schijne iets te hoovaardig van zichzelven te zeggen, zoo geeft hij al de eer Gode, van wien hij bekent hem gegeven te zijn al wat hij heeft. Door deze roeming, zegt hij, verhef ik meer God dan mijzelven, door wiens genade ik ben wat ik ben. Hij stelt naar zijn wijze daarbij: Door Christus, omdat deze is gelijk een kanaal, waardoor al de weldaden Gods tot ons vloeien. Niet dat wij uit onszelven. Deze onderworpenheid, waarmede hij alzoo alle dingen zichzelven beneemt, is niet uit een geveinsde ootmoedigheid, maar hij spreekt van harte, wat hij gevoelt. Wij zien, hoe hij den mensch niets laat: want de gedachte is bijna het minste deel van een goed werk, dat is, het heeft noch de eerste noch de tweede plaats in den lof, en nochtans laat hij ons zelfs dit niet. Dewijl het denken minder is dan het willen, hoe onwijs zijn die, die zichzelven een rechten wil toeschrijven, waar Paulus hun zelfs niet toelaat het goede te denken. De papisten zijn bedrogen geweest door het woord genoegzaam, hetwelk de oude overzetter gesteld had. Want zij meenen wel ontkomen te zijn, wanneer zij bekennen, dat de mensch niet genoegzaam is om goede
322
Fïl. 2:13.
2 Cor. 5:18. Hebr. 8: 6, 8.
Ex. 24:12. Deut. 10: 2. Ex. 34:30.
2 CORINTHE 3:5, 6.
raadslagen te maken, en hem intusschen recht verstand toeschrijven,
hetwelk, een weinig van God geholpen zijnde, door zichzelve iets vermag. Maar Paulus zegt niet alleen, dat de mensch geen genoegzaamheid heeft, maar ook dat hij geen bekwaamheid heeft, zoo heeft hij dan niet sterker den mensch van alle goed kunnen be-rooven.
6 Die ons bekwaam gemaakt heeft. Hij had bekend, dat hij ganschelijk onbekwaam was; nu zegt hij, dat hij door Gods genade is bekwaam gemaakt tot het ambt, waartoe hij tevoren onnut was.
Waaruit de grootheid en zwarigheid des ambts verstaan wordt:
dewijl het van niemand kan verstaan worden, die niet tevoren van God is begaafd en geschikt. En dit is ook des apostels voornemen,
dat hij de waardigheid des Evangelies wil verheffen. En zonder twijfel gispt hij bedektelijk de armoede dergenen, die grootelijks roemden op hunne gaven, daar zij niet e'e'n druppel der hemelsche gaven hadden. Niet der letter, maar des Geestes. Nu gaat hij voort in de vergelijking der wet en des Evangelies, welke hij tevoren aangeroerd had. Het is onzeker, of hij tot deze handeling is bewogen geworden, omdat hij zag, dat sommigen te Corinthe een verkeerden ijver voor de wet hadden, of dat hij ze om eenige andere oorzaak aangevat heeft. Dewijl ik door geen bewijs zie, dat de valsche apostelen aldaar de wet met het Evangelie vermengd hebben, zoo denk ik meer dat Paulus, dewijl hij te doen had tegen zulke lauwe menschen, welke zonder ijver het Evangelie predikten, en door snatering alleen gunst zochten, en zag, dat de ooren der Corinthiërs met zulke roeming gediend waren, hun heeft willen vertoonen,
welke de voornaamste kracht des Evangelies was, en de voornaamste lof der dienaren: en dezen stelt hij in de kracht des Geestes.
Om dit te bewijzen, was de vergelijking der wet en des Evangelies niet weinig nut: dit dunkt mij de oorzaak geweest te zijn, waarom hij hiertoe gekomen is. Voorts is het zonder twijfel, dat hij door de letter verstaat het Oude Testament, gelijk door den Geest het Nieuwe.
Want toen hij gezegd had, dat hij was een dienaar des Nieuwen Testaments, zoo heeft hij terstond als een verklaring daarbij gesteld,
dat hij een dienaar des Geestes is, en heeft de letter gesteld tegen den Geest. Nu moet men de oorzaak dezer wijze van spreken onderzoeken. De uitlegging van Origenes is gemeenlijk aangenomen, die door de letter verstaat den natuurlijken en letterlijken zin der Schrift,
en door den Geest, den allegorischen zin, die in het gemeen geacht wordt de geestelijke zin te zijn. Zoo is dan eenige honderden jaren lang niets gemeener geweest, dan dat Paulus hier een sleutel gegeven heeft om de Schrift door allegoriën uit te leggen: hoewel dit nochtans zeer wijd van zijn meening is. Want door het woord letter, beduidt hij de uitwendige prediking, die het hart niet roert,
en door den Geest, verstaat hij de levende leer, die krachtig werkt in de harten door de genade des Geestes. Zoo is dan de letter zooveel als de prediking der letter, dat is, de doode en krachte-looze prediking, die alleen met het oor gevat wordt. En de Geest is de geestelijke leer, dat is, die niet alleen met den mond gesproken wordt, maar ook tot in de ziel met een levend gevoelen krachtig doordringt. Want Paulus heeft gezien op de plaats bij Jeremia, die Jer. 3i:3i. ik boven aangehaald heb, waar de Heere zegt, dat zijn wet met de stem verkondigd is geweest, en daarom niet lang geduurd heeft.
323
2 CORINTHE 3:6.
324
dewijl zij niet van het volk in het hart was ontvangen, en belooft den Geest der wedergeboorte onder het rijk van Christus, die zijn Evangelie, dat is, het Nieuwe Verbond, in de harten zou schrijven. Nu roemt Paulus, dat de vervulling dezer profetie in zijn prediking geschiedt, opdat de Corinthiërs bekennen, hoe nietig die snatering der hoogmoedige blazers en roepers is'die zonder kracht des Geestes prediken en roepen. Maar hier wordt gevraagd, of God door het Oude Testament alleen'met uitwendige stem, en niet binnen in der godzaligen harten door zijn Geest heeft gesproken. Ten eerste antwoord ik, dat Paulus hier aanmerkt wat der wet eigen is. Want hoewel God toen door den Geest wrocht, was dit nochtans niet uit den dienst van Mozes, maar uit dé genade van Christus, gelijk wij hebben. Joh. 1 : 17: De wet is door Mozes, en de genade en waarheid door Jezus Christus. Voorwaar, de genade Gods is dien gan-schen tijd niet ledig geweest, maar het is genoeg, dat het niet de eigen weldaad der wet is geweest. Want Mozes had zijnen dienst volbracht, als hij de leer des levens geleerd had, dreigingen en beloften daarbij gesteld hebbende. Hierom noemt Paulus de wet, letter, omdat zij in zichzelve een doode prediking is, en het Evangelie noemt hij Geest, omdat zijn bediening levend, ja levendmakend is. Bovendien antwoord ik, dat dit niet enkel van het Evangelie en van de wet gezegd wordt, maar alleen zoover zij tegen elkander gesteld worden. Want het Evangelie is niet altijd Geest. Maar als men ze met elkander komt te vergelijken, zoo wordt naar waarheid en gepast gezegd, dat de natuur der wet is, den menschen letteren te leeren, zoodat zij niet verder komen dan tot in de ooren. Dan, dat daarentegen de natuur des Evangelies is geestelijk te leeren, omdat zij een instrument der genade Gods is. Dit is in de verordening Gods gelegen, dien het beliefd heeft de kracht des Geestes meer in het Evangelie dan in de wet te bewijzen: want het is alleen zijn werk, de harten krachtig te leeren. Voorts, dat Paulus zichzelven noemt een dienaar des Geestes, daarmede verstaat hij niet, dat de genade en kracht des Heiligen Geestes aan zijn prediking is gebonden, zoodat hij, zoo dikmaals als hij wil, den Geest tegelijk met de stem uit de keel mocht voortbrengen; hij wil alleen dit zeggen: Dat Christus zijnen dienst zegent, en alzoo volbrengt wat van het Evangelie voorzegd is. Het is iets anders, dat Christus zijn kracht voegt bij den dienst des menschen, en dat de leer des menschen door zichzelve zulke kracht heeft. Zoo zijn wij dan dienaars des Geestes, niet omdat wij Dien besloten, en als gevangen houden; niet omdat wij zijn genade naar ons goeddunken allen menschen, of dien het ons belieft, geven: maar omdat Christus door ons de verstanden verlicht, de harten vernieuwt, en de menschen geheel en al door wedergeboorte verandert. Om dezen band en ver-eeniging der genade van Christus met den arbeid des menschen, wordt dikmaals den dienaar toegeschreven, wat den Heere alleen toekomt. Want dan wordt niet de naakte persoon des menschen aangezien, maar de gansche uitdeeling des Evangelies: welke zoowel in de verborgen kracht van Christus, als in den uitwendigen arbeid des menschen gelegen is. Want de letter doodt. Deze plaats is ten eerste van Origenes, daarna ook van anderen verkeerdelijk tot een valschen zin verdraaid: waaruit een zeer schadelijke dwaling gerezen is, te weten, dat men gemeend heeft, dat het lezen der
2 CORINTHE 3:6â9.
Schrift niet alleen ijdel, maar ook schadelijk zou wezen, zoo zij niet tot allegoriën getrokken wordt. Deze dwaling is een bron van veel kwaad geweest. Want men heeft niet alleen toegelaten den zin der Schrift te vervalschen, maar hoe stouter een iegelijk hierin is geweest, zooveel te uitnemender uitlegger der Schrift is hij geacht. Alzoo hebben vele oude uitleggers met het heilige Woord Gods vrijelijk gespeeld, als met een kaatsbal. Door deze oorzaak is ook den ketters de teugel gevierd, om de gemeente te verstoren. Want dewijl het een gewoonte geworden was uit alles wat te maken, zoo is er geen zoo ongerijmde en wonderlijke razernij geweest, die niet met eenige verf van allegorie kon versierd worden. De goeden zijn ook meegevoerd, dat zij vele valsche meeningen gedicht hebben, door de zoetheid der allegoriën bedrogen zijnde. Maar de zin dezer plaats is, dat het Woord Gods zoo het alleen met den mond gesproken wordt, een oorzaak des doods is, en dat het dan eerst levendmakend is, als het in het hart wordt aangenomen. Zoo dan, deze woorden letter en Geest, zijn niet te verstaan van de uitlegging des Woords, maar van zijn kracht en vrucht. Waarom de leer, die alleen in de ooren komt, en het hart niet roert, doode-lijk genoemd wordt, zullen wij terstond zien.
7 Indien de bediening des doods. Nu verheft hij de waardigheid des Evangelies met dit bewijs, dat God der wet groote eer gedaan heeft, welke nochtans niets heeft bij het Evangelie. De wet is met vele teekenen versierd geweest. Maar Paulus verhaalt alleen een, te weten, dat op het aangezicht van Mozes zulk een groote glans geschenen heeft, dat deze aller menschen oogen verblindde. Deze glans was een teeken der heerlijkheid der wet. Nu maakt hij een bewijs van minder tot meerder, te weten, dat het betaamt, dat de heerlijkheid des Evangelies glansrijker verschijne, dewijl het der wet verre te boven gaat. Ten eerste noemt hij de wet een bediening des doods; ten andere zegt hij, dat haar leer is met letteren en inkt geschreven: ten derde, dat zij is in steenen gegrifd: ten vierde, dat zij niet eeuwigdurend was, maar dat haar stand tijdelijk en vergankelijk is geweest: ten vijfde noemt hij ze wederom een bediening der verdoemenis. Om deze tegenstellingen volkomen te maken, moest hij het Evangelie daartegen ook zoo vele stukken toevoegen: maar hij heeft het alleen genoemd de bediening des Geestes en der rechtvaardigheid, en dat het eeuwig blijft. Zoo men de woorden aanmerkt, zoo is de vergelijking niet volkomen, maar is zoo veel, als tot de zaak genoeg is. Want hij had gezegd, dat de Geest is levendmakend ; insgelijks, dat hij de harten heeft voor steenen, en den wil voor inkt. Laat ons nu met korte woorden deze dingen aanmerken, welke de wet en het Evangelie toegeschreven worden. Maar wij moeten gedachtig zijn, dat hij niet spreekt van de gansche leer, die in de wet en in de profeten vervat wordt, en dat hij ook niet handelt van wat den vaderen onder het Oude Testament geschied is: maar dat hij alleen aanroert, wat den dienst der wet bijzonder betreft. De wet is in steenen gegraveerd geweest, en daarom was het een letter-leer. Dit gebrek der wet moest door het Evangelie gebeterd worden: want zij moest vergankelijk en broos zijn, zoolang zij alleen in steenen tafelen geschreven was. Zoo is dan het Evangelie een heilig en onvergankelijk verbond, dewijl het gemaakt is, de Geest Gods borg zijnde. Hieruit volgt ook, dat de wet een be-
325
2 CORINTHE 3:6â9.
326
diening der verdoemenis en des doods is geweest; want als den menschen geleerd worden, wat zij behooren te doen, en hooren, dat allen, die der rechtvaardigheid Gods niet genoegdoen, vervloekt zijn, zoo worden zij der zonde en des doods schuldig. Zoo verkrijgen zij dan uit de wet niets dan verdoemenis: want God eischt daar wat Hem toekomt, maar geeft geen macht om het te doen. Doch het Evangelie, waardoor de menschen wedergeboren en door onverdiende vergeving der zonden met God verzoend worden, is een bediening der rechtvaardigheid, en daarom ook des levens. 2 cor. 2:i6. Nochtans rijst hier een vraag: Dewijl het Evangelie sommigen is i petr.^fl' een reuke des doods ten doode, en Christus een rots der ergernis en een steen des aanstoots, gelegd tot val veler menschen: waarom zegt hij, dat het tot de wet alleen behoort, wat het Evangelie met haar gemeen heeft? Zoo men antwoordt, dat het iets toevallig of bijkomstig is, dat het Evangelie een oorzaak des doods is, dewijl het naar zijn natuur allen menschen zalig is, zoo zal de zwarigheid nog niet weggenomen zijn. Want datzelfde kan men naar waarheid ook van de wet antwoorden. Want wij hooren wat Mozes den volke betuigd heeft, te weten, dat hij het volk het leven en den dood voorgesteld heeft; wij hooren wat Paulus zelve Rom. 7:10 zegt, te weten, dat de wet ons is tot verderf geworden, niet door haar eigen gebrek, maar door onze boosheid. Zoo dan, dewijl het zoowel Deut. 30:i5. der wet als het Evangelie toevallig of bijkomstig is, den menschen de verdoemenis aan te brengen, zoo is nog de knoop niet ontbonden. Ik antwoord, dat er desniettemin een groot onderscheid is: want hoewel het Evangelie velen een oorzaak der verdoemenis is, zoo wordt het nochtans terecht daarom een leer des levens geacht, omdat die een instrument der wedergeboorte is, en de onverdiende verzoening met God voorstelt. Maar dewijl de wet alleen een regel om wel te leven voorschrijft, de harten tot gehoorzaamheid der rechtvaardigheid niet vernieuwt, en den overtreders den eeuwigen dood verkondigt, zoo kan zij niet dan verdoemen. Of zoo gij het anders wilt: het werk der wet is, de krankheid aanwijzen zonder eenige hope op gezondmaking te vertoonen. Het werk des Evangelies is, den mistroostigen en hopeloozen menschen remedie aan te brengen. Want dewijl de wet den mensch in zichzelven laat, zoo veroordeelt zij hem noodzakelijk ter dood. Maar het Evangelie tot Christus brengende, opent de deur des levens. Aldus hebben wij met ée'n woord, dat het een doorgaand en onafscheidelijk toeval of bijkomstig-Gai. 3:io. heid der wet is, dat zij doodslaat; want gelijk de apostel zegt: Allen, die onder haar blijven, zijn der vervloeking onderworpen; doch dat het aan het Evangelie niet altijd overkomt, dat het doodt: want de rechtvaardigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot Rom.i: 17,18. geloof, en is daarom de kracht Gods een iegelijk, die gelooft tot zaligheid. Nu is daar nog het laatste, dat der wet toegeschreven wordt, te weten, dat de apostel zegt, dat de wet vergankelijk is geweest, als die moest teniet worden, en dat het Evangelie eeuwig blijft. Daar zijn vele redenen, waarom de bediening van Mozes vergankelijk wordt genoemd: want de schaduwen moesten ophouden Matt. ii:i3. door de komst van Christus, en deze uitspraak: De wet en de profeten zijn tot Johannes, strekt wijder dan tot de schaduwen: want zij beduidt, dat Christus een einde gemaakt heeft aan de bediening, die Mozes bijzonder toekwam, en van het Evangelie onderscheiden
2 CORINTHE 3:9-12. 327
was. Ten laatste heeft de Heere door Jeremia betuigd, dat deJer. 3i:32.
zwakheid des Ouden Testaments daaruit komt, dat het niet in de harten was gegraveerd. Zooveel mij aangaat, de wegneming der wet,
die hier gemeld wordt, duid ik van het gansche Oude Testament,
zoover het tegen het Evangelie gesteld wordt, opdat het hiermede overeenkome: De wet en de profeten zijn tot Johannes: want dit ,#â
eischt het verband der woorden. Want Paulus handelt hier niet 4;;;
alleen van de ceremoniën, maar leert hoeveel krachtiger de Geest v|
Gods zijn kracht bewijst in het Evangelie, dan voortijds onder de ',jV
wet. Zoodat zij niet konden. Het schijnt, dat hij bedektelijk dier '
menschen hoovaardigheid heeft willen bestraffen, die het Evangelie ''S
als een veel te nederig ding zoo verachtten, dat zij het nauwelijks ^jÃ
een rechte beschouwing waardig keurden. De klaarheid der wet m
(zegt hij) was zoo groot, dat de Joden haar niet konden verdragen:
wat moet men dan van het Evangelie gevoelen, welks waardigheid de wet zooveel te boven gaat, als Christus uitnemender is dan Mozes.
io Want wat verheerlijkt was. Dit is niet een verbetering van het voorgaande, maar meer een bevestiging. Want hij drukt uit, dat
de heerlijkheid der wet teniet wordt, wanneer het Evangelie voort- ,'u':
komt; gelijk de maan en de sterren in zichzelven niet alleen licht zijn, maar ook hun licht over het gansche aardrijk uitbreiden, en
nochtans door de klaarheid der zon verdwijnen: alzoo ook, al is /v^
het dat de wet in zichzelve zeer heerlijk is, zoo is nochtans haar
heerlijkheid niets, wanneer zij bij de hoogheid des Evangelies ver-
geleken wordt. Waaruit volgt, dat men niet hoog genoeg kan achten,
noch met genoegzame eerbiediging kan prijzen de heerlijkheid van
Christus, die in het Evangelie gezien wordt, gelijk de klaarheid der
zon in hare stralen, en dat het Evangelie dwaselijk behandeld, ja
verkeerdelijk ontheiligd wordt, wanneer de kracht en majesteit des
Geestes zich niet vertoont, om de harten hemelwaarts te trekken. '
â gt;.
12 Dewijl wij dan deze hope hebben, zoo gebruiken wij deze :x'a groote vrijmoedigheid. ⢠\
13 En niet gelijk Mozes een deksel legde op zijn aangezicht, Ex. 34:35.
opdat de kinderen Israels niet zouden sterk zien op het einde Kom. 10:4. â
van hetgeen weggenomen wordt. j»
14 Maar hunne zinnen zijn verblind, want tot op dezen dag blijft Jes. 6:io,
dat deksel in de lezing des Ouden Testaments: en wordt, niet Boender weggenomen, dewijl het door Christus teniet gedaan wordt, wijst. 2:21. '
15 Maar tot op dezen dag, wanneer Mozes gelezen wordt, is dat Hand. 28^26.
deksel op hunne harten gelegd. Eom- 11 ;8-
16 Maar als hij tot den Heere zal bekeerd zijn, dan zal dat Matt. 13:11. 'f'tf
deksel weggenomen worden. icor 2-10
'â f:
17 De Heere is de Geest, en waar de Geest des Heeren is, daar Joh. 4:24.
is vrijheid. ?*$
18 Maar wij allen met ontdekten aangezichte de heerlijkheid des * (^°r' ^: ' Heeren in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.
li
12 Dewijl wij dan deze hope hebben. Hier gaat hij nu voort;
want hij handelt niet alleen van de natuur der wet, of van die lt;ï~
vquot; .:vquot;^
2 CORINTHE 3 : 12â14.
doorgaande hoedanigheid, waarvan wij gesproken hebben: maar ook van het misbruik. Hoewel, dit diende ook tot hare natuur, dat zij door een deksel gedekt zijnde niet zoo openbaar was voor de oogen, en dat zij door haar klaarheid verschrikking aanbracht: (vandaar Kom. sas. dezelfde Paulus ergens zegt, dat het Israëlietische volk daaruit heeft ontvangen den Geest der dienstbaarheid tot vreeze,) zoo spreekt hij nochtans hier meer van het uitwendig en bijkomstig misbruik. Daar was toen alom groote ergernis vanwege der Joden hardnekkigheid, omdat zij Christus hardnekkig verwierpen; hierdoor werden de zwakke conscientiën verstoord, twijfelende of zij Christus behoorden aan te nemen, die van het uitverkoren volk niet erkend werd. Zulke zwarigheid neemt Paulus weg, vermailende, dat hun verblinding nu van het begin aan tevoren was afgebeeld, dewijl zij niet Mozes' aangezicht konden aanschouwen, dan wanneer een deksel daarop gelegd was. Zoo dan, gelijk hij boven gezegd heeft, dat de wet in de klaarheid van het aangezicht van Mozes verklaard is geweest, alzoo leert hij nu, dat het deksel een teeken der toekomende verblinding van het Israëlietische volk is geweest: want de persoon van Mozes is in de plaats der wet. Zoo hebben dan de Joden betuigd, dat zij geen oogen hadden om de wet te aanschouwen, dan als zij bedekt was. Daarna zegt hij, dat dit deksel niet weggenomen wordt, dan door Christus. Daaruit besluit hij, dat niemand tot waar verstand bekwaam is, dan die hun verstand op Christus richten. Ten eerste stelt hij dit onderscheid tusschen de wet en het Evangelie, dat de klaarheid der wet meer de oogen verstrikte dan verlichtte, en in het Evangelie wordt het heerlijk aangezicht van Christus gezien. Alzoo verheugt hij zich nu volkomen, dat de majesteit des Evangelies niet verschrikkelijk, maar liefelijk is: dat zij niet verborgen, maar allen menschen gemeenzaamlijk openbaar wordt. Vrijmoedigheid heeft hij hier genomen voor grootheid des Geestes, waarmede alle dienaars des Evangelies behooren begaafd te zijn, of voor open en klare openbaring van Christus; dit tweede is waarschijnlijker, want hij stelt het tegen de duisterheid der wet.
13 Niet gelijk Mozes. Paulus handelt niet van den wil en raad van Mozes: want gelijk zijn ambt was, de wet den volke te verkondigen, alzoo heeft hij zonder twijfel begeerd, dat de rechte zin der wet van allen verstaan worde: en heeft niet willens zijn leer verduisterd, maar het gebrek was eensdeels in het volk. Dewijl hij dan de harten der toehoorders niet kon vernieuwen, zoo is hij tevreden geweest met den dienst, die hem bevolen was. Ja toen de Heere hem gebood een deksel tusschen zijn aangezicht en de oogen der aanschouwers te leggen, is hij daarin gehoorzaam geweest. Zoo wordt dan hier niets lasterlijks van Mozes gezegd, want hij moest niet meer doen dan de dienst inhield, die hem bevolen was. En die stompheid, of dat krank en duister gezicht, waarvan Paulus nu handelt, is alleen van de ongeloovigen te verstaan: want hoewel de
ps. 19:8. wet in figuren gewikkeld was, zoo heeft zij nochtans niet afgelaten Matt. ii:27. den kleinen wijsheid te geven.
14 Hunne zinnen zyn verblind. Hij legt hun de gansche schuld op, dewijl het door hun blindheid geschied is, dat zij in de leer der wet geen voortgang maakten. Daarna zegt hij, dat dit deksel ook heden biyft: waarmede hij te kennen geeft, dat het niet is een stompheid van e'én uur geweest, maar dat zij afgebeeld heeft.
328
2 CORINTHE 3 : 14â17.
wat later de toestand des volks zou wezen, alsof hij zeide: Dit deksel, waarmede Mozes zijn aangezicht gedekt heeft in het geven der wet, was een teeken der toekomende en langdurende stompheid in het volk. Alzoo, als ook heden de wet hun gepredikt wordt, Jeli-15:.9-hoorende hooren zij niet, en ziende zien zij niet. Wij moeten ons joh'isUo*' niet ontstellen, alsof er iets nieuws geschied ware: God heeft voortijds onder de figuur van het deksel vertoond, dat het alzoo geschieden zou. En opdat de schuld niet gelegd worde op de wet, zoo verhaalt hij wederom, dat hunne harten door het deksel verhinderd worden. En wordt niet weggenomen. Hij zegt de oorzaak, waarom zij zoolang in het licht verblind geweest zijn. Want de wet is in zichzelve licht, maar wij genieten dan eerst haar klaarheid, wanneer Christus ons daarin verschijnt. De Joden wenden de oogen van Christus af, zooveel zij kunnen: zoo is het dan geen wonder, dat zij niet zien, dewijl zij de zon niet willen aanschouwen. Deze verblinding des uitverkorenen volks, voornamelijk dewijl zij zoo lang geduurd heeft, vermaant ons, dat wij op de weldaden, die ons God gegeven heeft, betrouwende, ons niet moeten verhoovaardigen; van welke zaak zie Rom. 11:20. De zaak der verblinding schrikke ons af, Christus te verachten, welke verachting God zoo gruwelijk wreekt. Intusschen zullen wij leeren, dat in de wet en ook in het gansche Woord Gods niets lichts is zonder Christus, die de zonMai. 4:2. der gerechtigheid is.
16 Maar als hij tot den Heere zal. Deze plaats is tot nu toe verkeerdelijk overgezet: want zij hebben gemeend beiden, de Griek-sche en Latijnsche overzetter, dat het van Israël gezegd is, daar Paulus van Mozes spreekt. Hij had gezegd, dat op der Joden hart een deksel gelegd is, als Mozes gelezen wordt, en hij zegt terstond daarbij, dat het deksel zal weggenomen worden, zoo haast als hij tot den Heere zal bekeerd wezen. Wie is er, die niet ziet, dat dit
van Mozes gezegd wordt, dat is, van de wet? Want dewijl Christus Bom. io;4. haar einde is, op wien zij was te duiden, zoo is zij naar een andere zijde gewend geweest, als de Joden Christus daaruit sloten. Zoo dan, gelijk zij in de wet door omwegen dwalen, alzoo is hun ook de wet verward gelijk een doolhof, totdat zij gewend wordt tot haar einde, welke is Christus. Zoo dan, zoo de Joden Christus in de wet zoeken, zoo zal de waarheid Gods hun klaarlijk geopenbaard worden; en zoolang zij zullen wijs zijn buiten Christus, zoo zullen zij in duisternissen dwalen, en zullen nimmermeer tot het rechte verstand der wet komen. Wat van de wet gezegd wordt,
geldt van de gansche Schrift, te weten, als zij niet wordt tot Christus gevoegd, als tot het eenig einde en oogmerk, zoo wordt zij verkeerdelijk gedraaid en verkeerd.
17 De Heere is de Geest. Deze plaats is ook verkeerd uitgelegd,
alsof Paulus had willen zeggen, dat Christus een geestelijk wezen heeft,
want zij vereenigen het met wat in Johannes staat: God is een Geest. Joh. 4:24. Maar deze tegenwoordige uitspraak is niet van het wezen van Christus te verstaan, maar drukt alleen zijn ambt uit. Want het komt met het voorgaande woord overeen, waar wij hadden, dat de leer der wet letterlijk is, en niet alleen doodelijk, maar ook oorzaak des doods. Daarentegen noemt hij nu Christus den Geest der wet, waarmede hij beduidt, dat zij dan eerst zal levend en levendmakend zijn,
als zij van Christus geïnspireerd wordt. De ziel kome tot het lichaam,
329
2 CORINTHE 3 : 17. 18.
en de mensch wordt levend, verstand en gevoel hebbende, en bekwaam tot verrichtingen des levens. Laat de ziel van het lichaam weggenomen worden, zoo zal er een onnut dood lichaam blijven zonder eenig gevoel. Deze plaats is bijzonder aan te merken, waaruit wij geleerd worden, hoe men die lofvvoorden moet verstaan, Ps. 19:8. waarmede David de wet prijst. De wet des Heeren de zielen be-2 Oor. 3:7. iceerencjej (je oogen verlichtende, den kleinen wijsheid gevende, en dergelijke, welke met deze uitspraken van Paulus schijnen te strijden, dat zij is een bediening der zonde en des doods, en de letter, die niet dan doodt. Want wanneer zij door Christus bezield of levend gemaakt is, dan komt die lof haar waarlijk toe, die David verhaalt. En zoo Christus van haar génomen wordt, dan is zij gansche-lijk zoo, als Paulus beschrijft. Zoo is dan Christus het leven der wet. En waar de Geest des Heeren is. Nu beschrijft hij de wijze, hoe Christus de wet levend maakt, te weten, als Hij ons met zijn Geest begiftigt. Het woord Geest, heeft hier andere beteekenis dan in het naaste vers. Want daar werd het genomen voor ziel en werd bij gelijkenis aan Christus toegevoegd: maar hier beduidt het den Heiligen Geest, welken Christus zelve den zijnen geeft. Maar als Christus ons door wedergeboorte vernieuwt, zoo maakt Hij de wet levend, en toont Zichzelven de fontein des levens te zijn, gelijk van des menschen ziel alle levende bewegingen komen. Zoo is dan Christus (om alzoo te spreken) de gemeene ziel van allen, niet naar het wezen, maar naar de genade. Of zoo iemand liever wil, Christus is de Geest, omdat Hij door de levendmakende kracht zijns Geestes, ons levend maakt. Hij verhaalt ook mede de weldaad, welke wij daaruit verkrijgen. Daar is vrijheid, zegt hij. Door het woord vrijheid versta ik niet alleen vrijlating van dienstbaarheid der zonde en des vleesches, maar ook vrijmoedigheid, die wij hebben uit het getuigenis onzer aanneming tot kinderen. Want het komt Bom. 8:16. overeen met wat hij op een andere plaats zegt: Wij hebben niet wederom ontvangen den Geest der dienstbaarheid tot vreeze, enz. De apostel stelt daar twee dingen, te weten, dienstbaarheid en vreeze; aan deze twee zijn vrijheid en vrijmoedigheid tegenovergesteld. Alzoo beken ik, dat uit deze plaats bekwamelijk besloten wordt, wat Augustinus daaruit besluit, te weten, dat wij van nature dienstknechten der zonde zijn, en dat wij vrij worden door de genade der wedergeboorte. Want waar de bloote letter der wet is, daar is de heerschappij der zonde. Maar gelijk ik gezegd heb, het woord vrijheid, neem ik breeder. Deze genade des Geestes kon bijzonder geduid worden op de dienaars, opdat deze uitspraak over-eenkome met het begin van het Hoofdstuk: want in de dienaren moet een andere genade des Geestes, en een andere vrijheid zijn dan in anderen. Nochtans behaagt mij de eerste zin best, hoewel het mishaagt mij niet, dat dit een iegelijk toegeschreven wordt naar de mate zijner gave. Het is genoeg, zoo wij aanmerken, dat Paulus hier de kracht des Geestes aanduidt, welke wij allen gevoelen tot onze zaligheid, wij die door zijne genade wedergeboren zijn.
18 Maar wij allen met ontdekten aangezichte. Ik weet niet wat Erasmus in den zin gekomen is, dat hij dit den dienaren alleen toegevoegd heeft, dewijl het klaarlijk allen geloovigen gemeen is. Het is wel waar, dat het Grieksche woord, dat hier gesteld is, tweëerlei beteekenis heeft; want het beduidt zoowel een spiegel voorhouden
330
2 CORINTHE 3 : 18.
om te aanschouwen, als in den voorgehouden spiegel zien. Maar de oude overzetter heeft het wel aangemerkt, dat de tweede beteekenis 't best met de tegenwoordige plaats overeenkomt, daarom heb ik hem gevolgd. En Paulus heeft niet tevergeefs het woord allen daarbij gesteld, zeggende: Wij allen, want hij vat het gansche lichaam der gemeente te zamen. Dit is een bekwaam besluit op de voorgaande leer, te weten, dat wij in het Evangelie klare openbaring Gods hebben, waarvan wij wederom in het Vierde hoofdstuk zullen zien. Maar hij duidt ook mede aan de kracht der openbaring, en den dagelijkschen voortgang. Want om deze drie heeft hij deze gelijkenis gebruikt: ten eerste, dat wij hier geen duisterheid hebben te vreezen, als wij tot het Evangelie komen, want God vertoont ons daar zijn aanschijn klaarlijk. Bovendien, dat het niet betaamt, dat dit een doode aanschouwing zij, maar dat wij daardoor veranderd worden naar het beeld Gods. Ten derde, dat deze beide dingen niet op een oogen-blik tijds in ons volbracht worden, maar dat wij met dagelijkschen voortgang moeten toenemen, zoowel in de kennis, als in de gelijkheid des beelds Gods, want dit beduiden deze woorden: van heerlijkheid tot heerlijkheid. En als hij daarbij stelt: Als van des Hee-ren Geest, zoo brengt hij wederom in gedachtenis wat hij gezegd had, te weten, dat de gansche kracht des Evangelies daarin gelegen is, dat het door de genade des Heiligen Geestes ons levendmakend gemaakt wordt, want het woord als is daar niet gesteld om oneigenlijkheid aan te duiden, maar om de wijze uit te drukken. Aanmerk, dat dit het einde des Evangelies is, dat het beeld Gods, 'twelk door de zonde uitgeroeid was, in ons wederopgericht worde, en dat de voortgang dezer wederoprichting, het gansche leven lang duurt, want God verklaart zijn heerlijkheid in ons van trap tot trap. Hier kan een vraag opgeworpen worden. Paulus zegt, dat wij met ontdekten aangezichte de heerlijkheid Gods aanschouwen, en in den Eersten zendbrief hfdst. 13 ; 12 hebben wij, dat wij nu niet dan door een spiegel in een duistere rede God kennen. Deze woorden schijnen tegen elkander te strijden, toch strijden zij niet. Het is een duistere en kleine kennis Gods, die wij nu hebben, bij dat heerlijk aanschouwen in de laatste verschijning van Christus; nochtans God stelt Zichzel-ven ons nu openlijk voor oogen om te zien en te aanschouwen, zooveel tot onze zaligheid noodig is, en zooveel ons verstand kan dragen. Daarom meldt Paulus van gedurigen voortgang, dewijl wij dan de volmaaktheid zullen hebben.
HET VIERDE HOOFDSTUK.
1 Daarom dewijl wij deze bediening hebben, gelijk wij barmhartigheid gekregen hebben, zoo bezwijken wij niet.
2 Maar verwerpen de bedekselon der schande, niet wandelende in 2 cor. 2:17. listigheid, noch in bedrog het woord Gods handelende, maar
met openbaring der waarheid onszelven aanprijzende bij alle conscientiën der menschen voor God.
3 Indien ons Evangelie bedekt is, zoo is het bedekt in degenen, die verloren gaan.
331
2 CORINTHE 4:1, 2.
T 'v68'. T': 4 Denwelken de God dezer wereld het verstand verblind heeft, te
Jon. 12 :46. . , .. ,
weten, den ongeloovigen, opdat hun niet beschijne het licht col' i215' des Evangelies der heerlijkheid van Christus, die daar is het
Hebr. i; s! beeld des onzienlijken Gods.
5 Want wij prediken onszelven niet, maar Jezus Christus den Heere; en ons uwe dienstknechten om Jezus' wil.
2 Petr i119' 6 Want God, die het licht geboden heeft uit de duisternis te
schijnen, dezelve heeft in onze harten gelicht tot verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aanschijn van Jezus Christus.
i~|âvaarom dewijl wij deze. Nu komt hij wederom tot aanprijzing Izijns persoons, waarvan hij was afgegaan tot dit algemeen onderwerp van de waardigheid des Evangelies. Zoo dan, gelijk hij van de natuur des Evangelies gehandeld heeft, alzoo handelt hij nu, hoe getrouw en oprecht een dienaar des Evangelies hij is. Hij heeft eerst geleerd, hoedanig het waarachtig Evangelie van Christus is, nu leert hij, dat het van hem gepredikt wordt. Dewijl wij (zegt hij) deze bediening hebben, te weten, wier uitnemendheid hij zoozeer verheven had, wier mogendheid en nuttigheid hij zoo overvloedig verklaard had. Daarom, opdat hij niet schijne zichzelven te zeer te verheffen, zoo maakt hij een voorrede, dat hij niet door zijne verdiensten, noch door zijn vernuft tot zulke groote eer gekomen is: maar dat hij door de barmhartigheid Gods alleen daartoe verheven is. En het is meer, dat hij de barmhartigheid Gods tot een oorzaak zijns apostelschaps gesteld heeft, dan wanneer hij de genade gesteld had. Wij bezweken niet, dat is, wij laten niet na ons ambt getrouwelijk te bedienen.
2 Maar verwerpen de bedekselen. Dewijl hij zijn oprechtheid prijst, zoo bestraft hij daarentegen de valsche apostelen, die, hoewel zij door hun eergierigheid de natuurlijke kracht des Evangelies vervalschten, nochtans alleen wilden verheven zijn. Zoo dan, die feilen, van welke hij zichzelven zegt vrij te zijn, legt hij bedektelijk op hen. Door de bedekselen der schande verstaan sommigen de schaduwen der wet van Mozes. Chrysostomus verstaat daarbij de eerzuchtige vertooningen, waarmede zij zichzelven den volke voorstelden. Ik versta daardoor allen valschen opschik, waarmede zij de zuivere en natuurlijke schoonheid des Evangelies vervalschten. Want gelijk de kuische en eerlijke vrouwen met hun natuurlijke schoonheid tevreden zijn, en zich niet blanketten, en de hoeren nooit meenen wel versierd te zijn, tenzij zij hare natuur vervalschen, alzoo roemt Pau-lus, dat hij het zuiver Evangelie voorgesteld heeft, waar het van anderen vervalscht, en met onbehoorlijke toevoegingen verward voorgesteld wordt. Want dewijl zij zich schaamden over de eenvoudigheid van Christus, of immers dewijl zij niet met ware deugden der apostelen uitnemend konden zijn, zoo hebben zij een nieuw Evangelie verdicht, 'twelk der wereldsche philosophie niet ongelijk, met hoogdravende woorden opgeblazen, en zonder kracht des Geestes was. Zulke valsche verven, waarmede zij het Evangelie mismaakten, noemt hij bedekselen der schande: omdat dier naaktheid schandelijk en oneerlijk moet zijn, die tot schuilhoeken en bedekselen vlieden. Hij zegt, dat hij de bedekselen verwerpt of versmaadt, omdat
332
2 CORINTHE 4:2, 3. 333
'k
i.i.
zijn prediking zooveel te heerlijker verschijnt, hoe ontdekter daarin gezien wordt. Nochtans ontken ik niet, dat hij ook mede ziet op het deksel van Mozes, dat hij gemeld had: maar den valschen apostelen In
schrijft hij een gansch ander deksel toe. Want Mozes dekte zijn Ex-^33-aangezicht, omdat de weeke en losse oogen die overgroote klaar-
heid der wet niet verdragen konden: maar dezen nemen een deksel 04
aan tot versiering, en omdat zij verachtelijk, ja schandelijk waren, zoo de eenvoudigheid des Evangelies haren schijn gaf, daarom verbergen zij hun schande met ik weet niet wat bewimpelingen en momaangezich- -,{4
ten. Niet wandelende in listigheid. Het is zonder twijfel, dat de val-sche apostelen in deze listigheid, die van Paulus gescholden wordt,
zichzelven zeer behaagd hebben, alsof het een uitnemende deugd ge- %i'
weest ware, gelijk wij ook heden zien, dat sommigen ook uit degenen, v'gt;f
die het Evangelie den volke leeren, liever scherpzinnig dan oprecht,
en hoog dan grondig willen schijnen, daar nochtans al hun scherpzinnigheid enkel kinderachtigheid is. Maar wat zal men doen ? zij hebben behagen in den waan der scherpzinnigheid, en bij de on-geleerden worden zij daardoor geprezen. Maar wij hooren nochtans,
hoe Paulus dezen valschen schijn der deugd acht, hij noemt het listigheid, die den dienaren van Christus niet betaamt. Wat daarna volgt, noch in bedrog het woord Gods handelende. Ik weet niet,
of de zin van Paulus daarmede genoeg uitgedrukt is, want het
Grieksche woord beduidt meer vervalschen dan bedrog doen, ge- SoKovv. .-.«w
lijk die hun waar plegen op te sieren. Voorwaar te dezer plaats wordt het gesteld tegen de oprechte en ongeveinsde prediking, gelijk daar volgt. Maar met openbaring der waarheid. Dezen lof schrijft hij
zichzelven toe, dat hij de zuivere leer des Evangelies eenvoudig en tp#
zonder bedrog verkondigd heeft, en dat de conscientiën van allen
hem hiervan getuigen zijn voor God. Gelijk hij tegen de bedriege- V?'
lijke leer der Sophisten de openbaring der waarheid heeft gesteld: »'
alzoo roept hij ook het oordeel tot de conscientiën en tot den ':J,
rechterstoel Gods, dewijl zij der menschen dwaling of verdorven ge-
negenheid misbruikten, en niet zoozeer arbeidden om in de waarheid .x ,
lofwaardig te zijn, dan ze wel zochten te schijnen. Waaruit wij ver-
staan, dat hij bedektelijk de conscientiën der menschen gesteld heeft :
tegen de ooren der menschen. Zoo is het dan den dienstknechten
van Christus genoeg, hun oprechtheid den conscientiën voor Gods quot;,J';
aangezicht bewezen te hebben: en zij hebben naar de verdraaide v.'
genegenheden der menschen of naar gunstbejag niet te vragen.
3 Indien ons Evangelie bedekt is. Wat hij van de klaarheid %'â¢
zijner prediking gezegd had, kon lichtelijk gelasterd worden, dewijl
hij vele tegenstanders had. Deze lastering verwerpt hij met strenge S-
autoriteit: want hij dreigt al degenen, die de kracht zijns Evangelies 'i J
niet bekennen, en zegt, dat het een teeken der verwerping en des verderfs is, alsof hij zeide; Zoo iemand zegt, dat hij die openbaring van Christus, waarvan ik roem, niet ziet, die bewijst daarmee dat hij verworpen is: want mijn oprechtheid in het leeren wordt open-lijk en klaarlijk gezien van allen, die oogen hebben. Zoo moeten dan die blind en van alle redelijk verstand beroofd zijn, dien zij verborgen is. De inhoud is, dat de klaarheid zijns Evangelies niet
verkort wordt door de blindheid der ongeloovigen: want de zon JyK
is desniettemin lichtgevend, omdat de blinde haar licht niet geniet. pg llft 10. {K
Iemand mocht zeggen, dat dit ook op de wet past; want zij is in ps 19 â 9 ' ,'^f
f
ii:
i
2 CORINTHE 4:3, 4.
zichzelve een licht om de voeten te besturen, zij verlicht de oogen, enz.; zij is ook niet bedekt, dan dengenen, die verloren gaan. Ik antwoord, wanneer Christus in de wet besloten is, zoo schijnt de zon midden door de wolken, zoodat de menschen licht genoeg hebben tot hun gebruik: en wanneer Christus daarvan gescheurd wordt, zoo blijft er niet anders dan duisternis, of een bedriegelijke schijn des lichts, die de oogen verstrikt en niet verlicht. Voorts, het is een teeken van groote vrijmoedigheid, dat hij die allen voor verworpen durft houden, die zijn leer versmaden. En allen, die voor dienaars Gods willen geacht zijn, moeten ook zulke vrijmoedigheid hebben, dat zij niet twijfelen met onversaagde conscientie, al de tegenstanders hunner leer tot den rechterstoel Gods te roepen, opdat zij daar zekere verdoemenis halen.
4 Denwelken de God dezer wereld. Hij geeft te kennen, hoe hun verdraaide hardnekkigheid voor niets behoort geacht te worden. Zij zien, zegt hij, de zon op den middag niet, omdat de duivel hunne zinnen verblind heeft. Dat de apostel hier van den satan spreekt, daaraan kan niemand twijfelen, die een recht oordeel heeft. Waar Hilarius handelde tegen de Arianen, die deze voorwending misbruikten, om de ware Godheid van Christus te ontkennen, nochtans belijdende dat Hij God is, zoo heeft hij de woorden aldus verdraaid: God heeft de zinnen dezer wereld verblind. Dit heeft Chrysostomus later gevolgd, omdat hij den Manicheën de twee beginselen niet zou toelaten; wat Ambrosius bewogen heeft, is niet bekend. Augustinus heeft dezelfde reden bewogen, die Chrysostomus bewogen heeft, omdat hij tegen de Manicheën strijd had. Wij zien wat de hitte des strijds doet in de disputatie: hadden deze allen met een bedaard gemoed deze woorden van Paulus gelezen, zoo zou het geen van allen in den zin gekomen zijn, die tot zulk een gedwongen zin te draaien. Maar dewijl de tegenstanders aandrongen, zoo zijn zij zorgvuldiger geweest om die te wrederstaan, dan om den zin van Paulus te onderzoeken. Maar wat nood was het: want het was een kinderachtige uitvlucht der Arianen: Zoo de duivel genoemd wordt de God dezer wereld, zoo wordt door den naam God, de waarachtige, en eeuwige en eenige Godheid in Christus niet uit-i Cor. 8;6. gedrukt. Want Paulus zegt: velen worden er goden genaamd. En Ps. 9e:5. David zegt op een andere plaats: de goden der heidenen zijn duivelen. Zoo dan, dat de duivel wordt genoemd een God, die heerschappij over hen heeft en die van hen als een God geëerd wordt, wat doet dat om de eer van Christus te verkleinen ? En de Manicheën zijn niet meer geholpen daarmede, dat de duivel een God dezer wereld genoemd wordt, dan daarmede, dat hij genoemd wordt joh. 12: si: een overste der wereld. Zoo moeten wij ons dan niet ontzien deze 14;30; 16:ii. 0p (jen duivel te duiden, dewijl daar geen gevaar in gelegen
is. Want zoo de Arianen komen en willen zeggen, dat men door den naam God, niet meer het Goddelijke wezen van Christus kan bewijzen dan des duivels: zoo wordt zulke beuzeling lichtelijk weder-legd. Want Christus wordt God genoemd, zonder iets meer daarbij Rom. 9:5; te stellen, en een God in der eeuwigheid geprezen. Hij wordt ge-i^^i^Tm noemd een God, die van den beginne was, vóór de schepping der 3! ié enz. ' wereld. Maar de duivel wordt niet anders God genoemd, dan Baal genoemd wordt een God zijner dienaren, of de hond een God van Egypte. De Manicheën (gelijk ik gezegd heb) steunen zoowel op
334
1 gt;â¢.
2 CORINTHE 4:4.
andere plaatsen der Schrift als op deze, maar men kan ze lichtelijk wederleggen. Zij steunen niet zoozeer op den naam, als op de macht.
Dewijl de kracht om te verblinden, en de heerschappij over de on-geloovigen den duivel wordt toegeschreven, daaruit besluiten zij,
dat hij door eigen macht de auteur alles kwaads is, alzoo dat hij der heerschappij Gods niet onderworpen is. Maar roept de Schrift niet alom, dat zoowel de duivelen dienaars Gods zijn als de hemel-sche engelen, een iegelijk in zijn soort. Want gelijk de engelen ons de weldaden Gods toedienen tot zaligheid, alzoo bedienen de duivelen zijnen toorn. Zoo dan, de goede engelen worden machten en vorstendommen genoemd, maar alleen omdat zij de macht bedienen,
die hun van God gegeven is. Naar dezelfde wijze is de satan de overste der wereld, niet dat hij zichzelven de heerschappij gegeven heeft, of dat hij ze door zijn eigen recht bezit, of naar zijn eigen goeddunken gebruikt: maar hij heeft zooveel hem van den Heere wordt toegelaten. Daarom verhaalt de Schrift niet alleen den goeden Geest Gods en de goede engelen, maar ook de booze geesten Gods.
De booze geest Gods heeft Saul bezeten. Evenzoo, geeselen door isam. io:i4. de booze engelen. Zooveel de tegenwoordige plaats aangaat, de ver-^78 : 49-blinding is een gemeen werk, zoowel Gods als des duivels: want zij wordt somtijds Gode toegeschreven. Maar hun macht is niet gelijk, noch hun wijze eenerlei. Van de wijze zwijg ik nu. De Schrift leert, dat de duivel niet alleen door Gods toelating, maar ook door Gods bevel verblindt, om zijn wraak en straf te bedienen. Alzoo is Achab van den duivel bedrogen geweest. Maar heeft de duivel dat van zichzelven gekund? geenszins, maar toen hij zijnen dienst om schade te doen, Gode aangeboden had, zoo werd hij gezonden om een leugenachtigen geest in den mond aller profeten te zijn.
Ja God wordt daarom gezegd te verblinden, omdat Hij den mensch i Kon. 22:21. van recht verstand en licht des Geestes beroofd hebbende, hem den duivel overgeeft, om tot verdraaiden zin te trekken, en den duivel kracht geeft om te bedriegen, en ons alzoo rechtvaardig straft door den dienaar zijns toorns. Zoo verstaat dan Paulus die allen van den duivel bezeten te worden, die niet bekennen, dat zijn leer is de zekere waarheid Gods. Want dit is zwaarder, des duivels slaven genoemd te worden, dan dat hunne verblindheid aan het oordeel Gods toegeschreven wordt. Voorts, dewijl Paulus hierboven dezulken der verdoemenis heeft onderworpen, zoo zegt hij nu daarbij,
dat zij om geen andere oorzaak omkomen, dan omdat zij door hun ongeloovigheid het verderf over zich gehaald hebben. Opdat hun niet beschijne. Dit dient om te bevestigen wat hij gezegd had,
te weten, dat die door hun eigen verblindheid verhinderd worden,
die zijn Evangelie verwerpen. Want daarin verschijnt (zegt hij) niet dan Christus, en dat niet duister, maar alzoo dat Hij klaarlijk zijnen schijn geeft. Hij zegt daarbij, dat Christus is Gods beeld,
waarmede hij beduidt, dat zij ijdel van alle kennis Gods zijn, volgens hetgeen in Johannes staat: Die Mij niet kent, die kent ook Joh. 14:7. mijnen Vader niet. Zoo is dan dit de oorzaak, waarom hij zulk een zwaar vonnis verkondigd heeft tegen degenen, die aan zijn apostelschap twijfelden, te weten, omdat zij Christus niet aanzagen, die klaarlijk daarin kon gezien worden. Het is twijfelachtig, of hij het Evangelie der heerlijkheid van Christus gesteld heeft, voor het heerlyke Evangelie, naar de Hebreeuwsche spreekwijze, of voor het
335
'gen, a. Ik it de : heb- j ordt, chijn een rpen laars ben, itan-t zij
hoe i den. ! li vel | itan i seft. iing 3ch-!dus eeft wee niet â mus ] :ien Hen zoo een ;en,
len het
ge-
od,
nit-En lui-er-dt,
ni-od rdt ;ze en en )e-;r-bij jeer ial an
Dp
â êf ⢠â gt; â
â
'li ⢠ti
: V
'M
im
S
â J'.:
'0
M:
.;V
'O- â â
.M1.
- \r'â i-Ãp â 'Zr
â¢V
V
:w.;
2 CORINTHE 4:4, 5.
Evangelie, in hetwelk de heerlijkheid van Christus verscheen; dit tweede heb ik 't liefst, omdat het volkomener is. Maar dewijl Chris-Hebr1!1! tus oenoemd wordt het beeld des onzienlijken Gods, dat is niet ' alleen van het wezen te verstaan, te weten, dat Hij is van dezelfde substantie met den Vader, maar meer op ons te duiden, omdat Hij jjoh.i0:8°; ons den Vader voor oogen stelt. Daarom wordt de Vader gezegd joh. 5:37. onzienlijk, omdat Hij in Zichzelven niet gevat wordt door mensche-1 Joh 4 â 12' ^jk vernuft. Maar Hij vertoont Zichzelven ons door den Zoon, en ' maakt Zichzelven door Hem eenigszins zienlijk. Dit zeg ik daarom, omdat de oude leeraars, toen zij strengelijk tegen de Arianen streden, te zeer hierin bleven, hoe de Zoon inwendig door verborgen eenheid des wezens, het beeld des Vaders was, en waarin juist de voornaamste stichting was, zijn zij voorbijgegaan, te weten, hoe Hij ons is het beeld des Vaders, dewijl Hij wat anders in Hem verborgen was, ons openbaart. Zoo dan, dit woord beeld, ziet op ons, gelijk wij terstond wederom zullen zien. Het woord onzienlijk, hoewel het in sommige Grieksche handschriften niet gevonden wordt, nochtans dewijl het niet overtollig is, zoo wil ik het liever behouden.
5 Want wij prediken niet onszelven. Sommigen leggen dit aldus uit; Wij prediken niet onszelven Heeren te zijn, maar den eeni-gen Zoon Gods, dien de Vader over alles gesteld heeft. Ik verwerp dezen zin niet. Maar dewijl het een krachtiger wijze van spreken is, en ook wijder strekt, als iemand gezegd wordt zichzelven te prediken, zoo wil ik dezen zin liever behouden: voornamelijk, dewijl hij bijna in 't gemeen van allen aangenomen is. Want de menschen prediken zichzelven ook wel anders dan zich heerschappij aantrekkende, wanneer zij meer zoeken zichzelven te vertoonen en te verheffen dan te stichten, als zij eenigszins zoeken hoog te zijn, en als zij ook uit het Evangelie gewin zoeken. Zoo dan, gunstbejag en gierigheid, en dergelijke feilen des dienaars verderven de zuiverheid der leer, zoodat Christus niet alleen daarin hoog en uitnemend is. Daarom zoo wie Christus alleen wil prediken, moet zichzelven vergeten. En ons uwe dienstknechten. Opdat niemand hiertegen mocht snateren: Maar intusschen zegt gij veel van uzelven, zoo antwoordt hij, dat hij niet meer begeert, dan dat hij hun dienstknecht zij, alsof hij zeide: Al wat ik zoo hoogelijk, en naar uwe meening zoo hoogmoedig roem, dient hiertoe, opdat ik u in Christus nuttig mag dienen. Hieruit volgt, dat de Corinthiërs veel te hoovaardig en ondankbaar zijn, zoo zij deze conditie verwerpen, ja daaruit volgt, dat hun oordeel tevoren veel te verdorven is geweest, die zijn heilige genegenheid niet aangemerkt hebben. Voorts worden hier alle herders der gemeenten van hun staat en conditie vermaand; want hoe heerlijk de namen zijn, waarmede zij versierd worden, zoo zijn zij nochtans niet anders dan dienstknechten der geloovigen, en voorwaar zij kunnen Christus niet anders dienen, zonder ook mede zijne gemeente te dienen. Het is wel een heerlijke dienst, en hooger dan eenig vorstendom, maar het is nochtans een dienst, zoodat Christus alleen hoog en verheven is, en geen metgezellen hebben. Zoo betaamt het dan een goeden herder, niet alleen van alle begeerte der heerschappij zichzelven te onthouden, maar dit voor zijn uiterste eer te houden, waar hij naar staat, dat hij Gods volk diene. Daarentegen betaamt het het volk, dat zij de dienstknechten van Christus, ten eerste uit de majesteit Gods, ten andere ook uit de grootheid en uitnemendheid des ambts
336
2 CORTNTHE 4:5, 6. 337
waardeeren en achten, opdat zij die niet verachten, die de Heere in zulk een hoogen graad gesteld heeft.
6 God, die het licht geboden. Ik zie, dat deze plaats vierderlei wijze kan uitgelegd worden. Ten eerste, aldus: God heeft geboden het licht uit de duisternis te schijnen, dat is: Hij heeft door den dienst der menschen, die naar hun eigen natuur duisternis zijn, het licht zijns Evangelies aan de wereld voorgedragen. Ten tweede aldus: God heeft in de plaats der wet, die in duistere schaduwen gewikkeld was, het licht des Evangelies doen komen, en heeft alzoo uit de duisternis het licht voortgebracht. Die scherpzinnigheid zoeken,
zouden lichtelijk deze uitleggingen toelaten, maar die de zaak nader zal inzien, zal bekennen, dat het met den zin des apostels niet overeenkomt. Nu volgt de derde uitlegging, welke van Ambrosiusis:
Toen alles met duisternis bedekt was, heeft God het licht zijns Evangelies ontstoken. Want de menschen waren in de duisternis der onwetendheid verzonken, toen de Heere hun onvoorziens door het Evangelie is verschenen. De vierde uitlegging is van Chrysostomus,
welke meent dat Paulus gezien heeft op de schepping der wereld,
aldus: God, die door zijn Woord het licht heeft geschapen, en als uit de duisternis getrokken. Diezelfde heeft ons nu geestelijk verlicht, toen wij in duisternis begraven waren. Deze duiding van het zienlijk en lichamelijk licht op het geestelijk licht heeft meer genade,
en niets daarin is gedwongen; nochtans de naaste daaraan komt niet kwalijk overeen. Een iegelijk hebbe zijn oordeel. Heeft in onze harten gelicht. Hij stelt tweeërlei verlichting, wat men naarstig moet aanmerken: de eene, des Evangelies, de andere verborgen, die in de harten geschiedt. Want gelijk God, de Schepper der wereld, de klaarheid der zon over ons uitstort, en oogen geeft om dezelve klaarheid te genieten: alzoo licht ons de Verlosser in den persoon des Zoons door het Evangelie: maar dewijl wij blind zijn, zoo zou dat tevergeefs zijn, zoo Hij ook niet door zijn Geest onze harten verlichtte. Zoo wil hij dan zeggen, dat God door zijnen Geest ons de oogen des verstands geopend heeft om tot het licht des Evangelies bekwaam te zijn. In het aanschijn van Jezus Christus. In denzelfden zin, als hij tevoren gezegd heeft, dat Christus het beeld des Vaders is, zegt hij nu ook, dat de heerlijkheid Gods ons in zijn aanschijn vertoond wordt. Dit is een schoone plaats, waaruit wij mogen leeren, dat men God in zijn ondoorzoekelijke hoogheid niet 1 Tim-C: 1C' moet onderzoeken (want Hij woont in een ontoegankelijk licht)
maar dat wij Hem moeten bekennen, zoover Hij Zich in Christus geopenbaard heeft. Daarom, al wat de menschen bcgeeren buiten Christus te kennen van God, is ijdel, want zij dwalen buiten den weg. Want in het eerst verschijnt God nederig in Christus: maar Hij is in het einde heerlijk dengenen, die lijdzaamheid hebben, om van het kruis te komen tot de wederopstanding. Voorts is het ons nutter God te zien, zooals Hij in zijn eengeboren Zoon verschijnt, dan zijn verborgen wezen te onderzoeken.
7 Wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemend- 2 Cor. 5:1. heid der mogendheid zij van God, en niet uit ons.
8 Want wij in alles verdrukt worden, maar niet benauwd; armoede lijden, maar niet hulpeloos worden.
Dl. rr. 22
2 CORINTHE 4:6â8.
9 Vervolging lijden, maar niet verlaten worden ; nedergeworpen worden, maar niet verdorven.
Gal. 17. 10 Altijd de dooding van Jezus Christus in ons licliaam alom
dragende, opdat het leven van Jezus in ons lichaam geopenbaard worde.
Mattes -n 11 Want wij, dewijl wij leven, worden altijd ten doode overge-
Eom. 8:3«. geven om Jezus, opdat het leven van Jezus geopenbaard
worde in ons sterfelijk lichaam.
12 Zoo dan, de dood werkt in ons, en het leven in ulieden.
7 Wij hebben. Die Paulus alzoo hoogelijk hoorden roemen van de uitnemendheid van zijnen drenst, en daarentegen zijn persoon aanzagen, die voor de wereld verachtelijk en verworpen was, dien scheen hij een ongeschikt en belachelijk mensch te zijn, en kinderachtig te roemen, als zij hem naar de nederheid zijns per-soons beschouwden. Voornamelijk hebben de ongeschikte menschen deze voorwending gezocht, als zij al wat in Paulus was, verachtelijk wilden maken. Maar wat hij zag, dat allermeest de heerlijkheid zijns apostelschaps verhinderde bij de ongeleerden, wendt hij zeer kunstig om dit te vermeerderen. Ten eerste gebruikt hij een gelijkenis van den schat genomen, welke niet pleegt verborgen te worden in een sierlijke en kostelijke kist, maar liever in een vat, dat verachtelijk en van geene waarde is. Daarna stelt hij daarbij, dat de mogendheid Gods daaruit meer verklaard en gezien wordt, alsof hij zeide: Degenen, die de verachtelijkheid mijns persoons voorwenden, om de waardigheid mijns dienstes te verkleinen, zijn onbillijke en verdraaide waardeerders: want een schat wordt daarom niet minder geacht, omdat het vat, waarin hij gelegd is, niet zoo kostelijk is. Ja men is gewoon, dat men groote schatten in aarden potten legt. Bovendien merken zij niet op, dat dit door de bijzondere voorzienigheid Gods alzoo verordend wordt, dat in de dienaren niets uitnemends is, opdat de mogendheid Gods niet door eenige hoogheid verduisterd worde. Dewijl dan de nederheid der dienaren, en de uitwendige verachtelijkheid des persoons, aan de heerlijkheid Gods plaats geeft: zoo doet die ongeschiktelijk, die de waardigheid des Evangelies acht uit den persoon des dienaars. Paulus spreekt niet van den algemeenen staat der menschen, maar van zijn eigen staat. Het is wel waar, dat alle menschen aarden vaten zijn. Zoo dan, ofschoon men den alleruitnemendsten mensch name, en die in allerlei versiering van geslacht, vernuft en fortuin, tot verwondering uitblonk; nochtans zoo hij een dienaar des Evangelies zal wezen, zoo zal hij een verachtelijk en aarden vat des onwaardeerbaren schats wezen. Maar Paulus heeft het oog op zich-zelven en op zijn metgezellen, die hem gelijk waren, welke veracht werden, omdat zij niet zooveel sierlijkheid vertoonden.
8 Want wij in alles verdrukt. Dit is tot verklaring daarbij gesteld, want hij vertoont, hoe door zijn verworpen conditie de heerlijkheid Gods geenszins verminderd wordt, maar dat zij door die oorzaak meer bevorderd wordt. Wij worden (zegt hij) wel in benauwdheid gebracht, maar de Heere opent in 't einde een uitkomst. Wij lijden armoede, maar de Heere komt te hulp. Vele vijanden zijn ons lastig, maar door Gods hulp zijn wij bevrijd. Eindelijk, al is het, dat wij nedergeslagen worden, zoodat het schijnt met ons
338
1 Cor. 4: Col. 3 :4.
2 CORINTHE 4:8â11.
leven gedaan te zijn, zoo gaan wij nochtans niet onder; het laatste is het allerzwaarste. Gij ziet, hoe hij alles tot zijn voordeel wendt, waarmede de ongeschikten hem bezwaarden.
io De dooding van Jezus. Hij zegt meer dan hij tevoren gedaan heeft: want hij leert, dat datzelfde, met welks voorwending de valsche apostelen het Evangelie verachtten, niet alleen geen verachtelijkheid aan het Evangelie aanbracht, maar ook zelfs heerlijk maakte. Want de dooding van Jezus Christus noemt hij al wat hem verachtelijk maakte voor de wereld, opdat hij tot deelgenoot der zalige wederopstanding bereid worde. Ten eerste, hoewel het lijden van Christus schandelijk is in de oogen der menschen, zoo heeft het nochtans meer heerlijkheid voor God, dan alle triumfen der keizers en aller koningen staatsie. Maar men moet ook het einde aanzien, dat wij mede lijden, opdat wij mede verheerlijkt wor-Eom. 8:i7. den. Zoo bestraft hij dan fijnelijk dier menschen uitzinnigheid, die de bijzondere gemeenschap met Christus hem tegenwerpen. En de Corinthiërs worden ook mede vermaand, dat zij, de nederige en verworpene gestalte van Paulus verwerpende, Christus geen onrecht doen,
oorzaak van oneer en versmading in zijn lijden zoekende, waaraan zij behoorden groote eere te bieden. Het woord dooding, wordt hier anders genomen dan in vele plaatsen der Schrift. Want het beduidt dikmaals de verloochening van onszelven, als wij de begeerlijkheden des vleesches laten varen, en tot gehoorzaamheid Gods vernieuwd worden. Maar hier beduidt het de verdrukkingen, met welke wij geoefend worden, om de vernietiging des tegenwoor-digen levens te bedenken. Duidelijkheidshalve, zoo laat de eerste dooding genoemd worden de inwendige dooding, en deze de uitwendige; zij maken ons beide Christus gelijkvormig, de eerste direct, de ander indirect, opdat ik alzoo spreke. Van de eerste spreekt Paulus aan de Colossensen, hfdst. 3:5, en aan de Romeinen, hfdst. 6:6, waar hij leert, dat onze oude mensch gekruist is, opdat wij in nieuwigheid des levens wandelen. Van de andere dooding handelt hij hfdst. 8 : 29, waar hij leert, dat wij van God daartoe verordend zijn, opdat wij den beelde zijns Zoons gelijkvormig worden.
Voorts, de dooding van Christus wordt alleen in de geloovigen gesteld: want de goddeloozen, als zij de zwarigheden dezer wereld dragen, zoo hebben zij gemeenschap met Adam, maar de uitverkorenen hebben gemeenschap met den Zone Gods; zoodat al de ellendigheden, die naar hare natuur vervloekt waren, hun dienen tot zaligheid. Dit is wel allen kinderen Gods gemeen, de dooding van Christus te dragen, maar hoe uitnemender een iegelijk is in de mate der gaven, zooveel te nader is hij aan deze gelijkvormigheid van Christus. Opdat het leven van Jezus. Dit is een zeer goede remedie in tegenspoedige dingen: dat wij, gelijk de dood van Christus de deur des levens is geweest, alzoo ook weten, dat het einde aller ellendigheden de zalige wederopstanding zal zijn: dewijl Christus ons met Zich heeft vereenigd met deze conditie, dat wij zijns levens deelachtig worden, zoo wij in deze wereld verdragen met Hem te sterven. De naastvolgende zin kan tweeërlei wijze uitgelegd worden.
Zoo men ten doode overgegeven worden, neemt voor altijd met vervolgingen gekweld worden en in gevaar zijn, zoo zal dat bijzonder aan Paulus en zijns gelijken toekomen, die met openbare razernij der goddeloozen bevochten waren. En alzoo zullen deze
339
2 CORINTHE 4:11â13.
woorden: Om Jezus, zooveel zijn als: Voor de getuigenis van Christus. Maar dewijl dagelijks ten doode overgegeven worden,
anders ook beduidt den dood zonder ophouden voor oogen te hebben en alzoo te leven, dat ons leven eer een schaduw des doods is, zoo mishaagt het mij ook niet, dat deze plaats alzoo uitgelegd wordt, dat zij allen geloovigen toekomt, en dat een iegelijk in zijne orde. Alzoo heeft Paulus zelf, Rom. 8:36, dat vers uit Ps. 44:13 uitgelegd. Wanneer het aldus genomen wordt, zoo zouden deze woorden, om Jezus, zooveel zijn als: omdat deze conditie al zijnen leden is opgelegd. Voorts, Erasmus heeft het niet zeer letterlijk overgezet: Wij die leven; maar het is gepaster wat ik gesteld heb: Dewijl wy leven. Want Paulus wil zeggen, dat wij, dewijl wij in deze wereld zijn, meer den dooden dan den levenden gelijk zijn.
12 Zoo dan, de dood. Dit is een ironische wijze van spreken: want het betaamde niet, dat de Corinthiërs vroolijk en hun eigen begeerte zouden leven en gerust in wellust zijn, en dat Paulus intusschen met ontallijk vele ellendigheden zou bestreden zijn. Deze bedeeling zou voorwaar veel te onbillijk geweest zijn, en der Corinthiërs dwaasheid moest ganschelijk berispt worden, die zichzelven een Christendom zonder kruis dichtten: en hiermede niet tevreden zijnde, de dienstknechten van Christus verachtten, die zoo weelderig niet waren. En gelijk door den dood alle ellendigheden of zwarigheden verstaan worden, alzoo wordt ook door het leven een gelukkige en behagelijke stand beduid, volgens dit spreekwoord: Het leven is niet gelegen in te leven, maar in wel te varen.
13 Dewijl wij denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken: wij gelooven ook, daarom spreken wij ook.
14 Wetende, dat Hij, die den Heere Jezus opgewekt heeft, ons ook met Jezus zal opwekken, en ons met u stellen.
15 Want alle ding is om uwentwil, opdat de genade, die om de dankzegging, die door velen geschieden zal, overvloeie tot Gods eere.
16 Daarom bezwijken wij niet: maar hoewel onze uitwendige mensch verdorven wordt, onze inwendige wordt vernieuwd van dag tot dag.
17 Want onze verdrukking, die zeer licht en bovenmate vergankelijk is, werkt in ons een eeuwig bovenmate groot gewicht der heerlijkheid.
18 Dewijl wij niët aanzien wat gezien wordt, maar wat niet gezien wordt: want wat gezien wordt is tijdelijk, maar wat niet gezien wordt, is eeuwig.
13 Dewijl wy denzelfden Geest. Dit is een verbetering der voorgaande ironie. Hij had der Corinthiërs conditie zeer verscheiden gemaakt van de zijne, niet naar zijn eigen oordeel, maar naar hun misverstand, omdat zij een Evangelie zochten, dat lekkeren ver van alle zwarigheid des kruises was, en hadden van hem geen goed gevoelen, omdat zijn fortuin niet zeer gelukkig was: maar nu voegt hij zichzelven met hen in de hope der zaligheid, alsof hij zeide: Al is het, dat God u spaart, en u liefelijker handelt, en mij harder, zoo zal nochtans deze verscheidenheid ons beiden te zamen
340
Ps. 116:10.
Rom. C: 5; 8:11.
1 Cor. 6:14.
2 Cor. 1:11.
Boek der Wijsli. 3:5.
Ps. 30:6. Matt. 5:12. Hora. 8:18. 1 Joh. 3 : 2.
2 CORINTHE 4; 13â15. 341
â
niet verhinderen, eenzelfde heerlijke wederopstanding te verwachten. '
Want waar eenigheid des geloofs is, daar is ook eenigheid der ,;y
erfenis. Men heeft gemeend, dat de apostel hier spreekt van de ;:V'
heilige vaderen, die onder het Oude Testament geleefd hebben, en '
dat hij ze onze metgezellen maakt in hetzelfde geloof; hetwelk wel waar is, maar tot de tegenwoordige zaak niet dient. Want hij voegt hier met zich in de gemeenschap des geloofs niet Abraham, noch
de andere vaders, maar meer de Connthiërs, die door verkeerd V?
gunstbejag zichzelven van hem afscheidden. Al is het, zegt hij, dat mijn conditie nu slimmer schijnt te zijn, zoo zullen wij nochtans eenmaal dezelfde heerlijkheid deelachtig wezen. Want wij zijn met eenerlei geloof onder elkander vereenigd. Dat dit de ware en natuurlijke zin is, zullen die allen bekennen, die het verband naarstig
zullen overleggen. Den Geest des geloofs, noemt hij het geloof ^
zelve, omdat het een gave des Heiligen Geestes is. Gelijk er ge- M
schreven is. Dit heeft oorzaak tot misverstand gegeven, dat hij Davids getuigenis voortbrengt. Maar men moet het voegen tot de belijdenis, en niet tot de eenheid des geloofs; of zoo gij liever wilt,
het hangt aan de navolgende woorden, en niet aan de voorgaande,
aldus: Dewijl wij een zeker geloof der wederopstanding hebben, zoo bestaan wij te spreken en verkondigen, dat wij gelooven, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Het is het begin van Ps. 116, waar David belijdt, dat hij in de uiterste benauwdheid gekomen zijnde, alzoo verslagen is geweest, dat hij bijna bezweek: maar dat hij terstond betrouwen en vrijmoedigheid we-derom verkregen hebbende, aan deze verzoeking ontworsteld is. Zoo begint hij dan aldus den Psalm: Ik heb geloofd, daarom zal ik spreken. Want het geloof is een moeder der belijdenis. En Paulus,
naar dit exempel moed grijpende, vermaant de Corinthiërs om dat-
zelfde te doen. Hij wil zeggen, dat de geloovigen goeden moed Vi.v
moeten hebben, en onversaagd zijn om te belijden, wat zij met het 4'
hart geloofd hebben. Nu mogen onze valsche Nicodemussen toezien,
hoedanig een gedichtsel zij in de plaats des geloofs smeden, als zij ' quot;
willen, dat het geloof inwendig begraven, en ganschelijk stom blijve:
en roemen in deze wijsheid, zoo zij in het gansche leven niet één woord der rechte belijdenis voortbrengen.
15 Want alle ding is om uwentwil. Nu stelt hij zich bij de Corinthiërs niet alleen in de hope der toekomende zaligheid, maar ook zelfs in de verdrukkingen, in welke zij schenen zeer wijd verschei-den te zijn; want hij leert, dat hij tot hun voordeel verdrukt wordt,
waaruit volgt, dat zij te recht zich een deel behooren aan te trek- '
ken. Wat Paulus zegt, hangt ten eerste aan de verborgen gemeen-
schap, die de leden van Christus onderling met elkander hebben, .'.j,
maar voornamelijk aan den band der onderlinge eenigheid, die onder / '*
hen bijzonder behoort plaats te hebben. Deze vermaning was nu den Corinthiërs zeer nut, en bracht uitnemenden troost mede. Want
wat groote troost is het, als God onzer zwakheid toegevende, ons ï'i,
zachtelijk handelt, en dat die tot gemeene nuttigheid van allen verdrukt worden, die met uitnemender deugd begaafd zijn. Zij worden ook vermaand, Paulus met gebeden en medelijden te verlichten,
dewijl zij hem niet anders konden helpen. Opdat de genade. De Y j
eendrachtigheid der leden van Christus prijst hij nu uit de vruch- V-v
ten, die daaruit voortvloeien, te weten, dat zij dienen om de eere
à m
-J.:
a,-!
' â :quot;V
Ir
amp;
2 CORINTHE 4: 15â17.
Gods te verbreiden. Door het woord genade verstaat hij die weldaad der verlossing, die hij boven gemeld heeft, dat hij, toen hij overvallen werd, nochtans niet benauwd was, dat hij armoede lijdende, nochtans niet verlaten werd, enz. Eindelijk, de voortdurende verlossing uit allerlei kwaad verstaat hij daardoor. Hij zegt, dat deze genade overvloeit, waarmede hij beduidt, dat zij niet is bij hem besloten, dat hij ze alleen zou genieten, maar dat zij wijder uitgestort wordt, te weten, over de Corinthiërs, welken zij zeer bevorderlijk was. Als hij de overvloedigheid der gaven Gods stelt in de dankbaarheid tot eer van God, den gever, zoo vermaant hij, dat al de gaven, die God ons geeft, door onze traagheid vergaan, tenzij wij bereid en vaardig zijn om te danken.
16 Daarom bezwijken wij niet. Nu komt hij tot grooter vrijmoedigheid dan tevoren, alsof de zaak gewonnen ware. Daar is, zegt hij, geen oorzaak, waarom wij den moed zouden verloren geven, of onder den last des kruises vermoeid worden, welks uitkomst zoo gelukkig, en niet alleen mij, maar ook anderen zalig is. Alzoo vermaant hij de Corinthiërs door zijn exempel tot standvastigheid zoo zij te eenigen tijd desgelijks verdrukt worden. Bovendien bestraft hij die dartelheid, met welke zij grootelijks zondigen, dewijl zij met gunstbejag bevangen zijnde, een iegelijk in zooveel te grooter eer en waarde hielden, hoe verder en vrijer hij van het kruis was. Hoewel onze uitwendige mensch. Sommigen handelen kwalijk en ongeschikt, vermengende den uitwendigen mensch met den ouden, want de oude mensch is geheel iets anders, waarvan wij Rom. 6 :6 gesproken hebben. Chrysostomus en anderen nemen het ook verkeerdelijk alleen voor het lichaam: want de apostel heeft onder dit woord willen vervatten, al wat tot het tegenwoordige leven dient. Gelijk hij hier twee menschen stelt: stel u alzoo tweeërlei leven voor oogen, te weten, het aardsche en hemelsche. De uitwendige mensch is de onderhouding des aardschen levens, welke niet alleen in een bloeienden leeftijd en goede gezondheid, maar ook in goed, eer, vriendschap en andere hulpmiddelen gelegen is. Zoo dan, zoo veel deze goede dingen, die om den stand des tegenwoordigen levens te onderhouden noodig zijn, ons verminderd worden of vergaan, zooveel wordt onze uitwendige mensch verdorven. Want dewijl wij, zoolang alle dingen naar onzen wil loopen, veel te veel in dit tegenwoordig leven bekommerd zijn: daarom roept God ons tot de bepeinzing van een beter leven, die dingen een voor een wegnemende, die ons verward en verstrikt houden. Zoo moet dan de stand des tegenwoordigen levens alzoo vergaan, opdat de inwendige mensch wederom toeneme, want wat het aardsche leven verliest, wint het hemelsche, immers in de geloovigen. Want de uitwendige mensch vergaat ook in de ongeloovigen, maar zonder eenige vergelding ; doch in de kinderen Gods is zulke verderving een begin, en als een oorzaak des wasdoms en der toeneming. Dit zegt hij, dat dagelijks geschiedt, omdat ons God gestadig tot deze bepeinzing oefent. Och, of God gave, dat dit in onze harten wel gegrond ware, opdat wij in de vernietiging van den uitwendigen mensch, ten allen tijde goeden voortgang mochten maken.
17 Verdrukking, die zeer licht. Dewijl ons vleesch altijd zijn verderf vliedt, hoedanig het loon ook is, dat het voorgesteld wordt, en wij veel meer bewogen worden door het tegenwoordig gevoelen.
342
2 CORINTHE 4:17.
dan door de hope der hemelsche goederen, daarom vermaant Paulus, dat de verdrukkingen en zwarigheden der godzaligen geen of zeer weinige bitterheid hebben, zoo zij bij het oneindig goed der eeuwige heerlijkheid vergeleken worden. Hij had gezegd, dat de verderving van den uitwendigen mensch ons niet behoort zwaar te zijn, dewijl de vernieuwing van den inwendigen mensch daaruit spruit.
Maar dewijl de verderving zienlijk is, en de vernieuwing onzienlijk, zoo vergelijkt Paulus de ellendigheden des tegenwoordigen levens tegen de toekomende gelukzaligheid, om ons alzoo dat vleeschelijk gevoelen des tegenwoordigen levens te onttrekken. Deze vergelijking is alleen overvloedig genoeg, om de harten der godzaligen tot matigheid te brengen, opdat zij niet bezwijken, door de zwarigheid des kruises overvallen zijnde. Want waaruit komt het, dat lijdzaamheid zoo'n zware zaak is ? anders dan omdat wij bij een klein gevoel des kwaads verschrikken, en onze gedachte niet hooger opheffen? Zoo dan, Paulus leert hier een zeer goede remedie, opdat men door verdrukkingen niet gebroken, noch overwonnen worde, als hij de toekomende zaligheid, die u in den hemel weggelegd is, daartegen stelt. Want deze vergelijking maakt licht, wat tevoren scheen zwaar te zijn, en maakt zeer kort en vergankelijk te zijn, wat scheen oneindig langdurig te zijn. In de woorden van Paulus is eenige duisterheid; want die twee woorden, waarvoor wij tweemaal gesteld hebben bovenmate, hebben de oude overzetter en Erasmus alzoo overgezet, alsof met beide de grootheid der hemelsche heerlijkheid, die den geloovigen staat te komen, uitgedrukt worde, of, zij hebben ze immers gevoegd tot het woord werkt, hetwelk mij niet mishaagt. Maar dewijl de zin niet kwalijk rijmt, als men die twee woorden alzoo onderscheiden stelt, gelijk ik in mijn overzetting gedaan heb, zoo zij het den lezers vrij te kiezen. Een eeuwig bovenmate groot gewicht. Paulus wil niet zeggen, dat de verdrukkingen altijd zulke vrucht hebben; want velen worden hier zeer ellendig door allerlei kwaad benauwd, wien datzelve nochtans eer een oorzaak is tot zwaarder verderf, dan een hulpe tot zaligheid.
Maar dewijl hier van de geloovigen gesproken wordt, zoo moet men het op die alleen duiden. Want dit is een bijzondere weldaad, die God hun doet, dat zij door gemeene ellendigheden des menschelijken geslachts, tot de zalige wederopstanding bereid worden. Voorts, dat de papisten deze plaats misbruiken, om te bewijzen, dat de verdrukkingen oorzaken zijn onzer zaligheid, dat is veel te zwak, tenzij zij mogelijk oorzaken zeggen willen voor middelen, gelijk men in Luk. 24:35. 't gemeen spreekt. Wij bekennen voorwaar gaarne, dat wij door vele verdrukkingen in het rijk der hemelen moeten ingaan, en daarover is ook geen kwestie. Maar dewijl wij leeren, dat de zeer vergankelijke lichtheid der verdrukkingen in ons een eeuwig gewicht des levens werkt, omdat al de kinderen Gods daartoe verordend zijn, opdat zij Christus gelijkvormig worden in het kruis te dragen,
en dat zij alzoo bereid worden om de hemelsche erfenis te genieten,
welke zij uit de onverdiende aanneming Gods hebben: zoo dichten de papisten, dat de verdrukkingen verdienstelijke werken zijn, waardoor het hemelsche rijk verkregen wordt. Ik zal het met korte woorden wederom zeggen. Wij ontkennen niet, dat de verdrukkingen een weg zijn, waardoor men tot het rijk der hemelen ingaat: maar wij zeggen, dat de erfenis niet verdiend wordt door de verdrukkin-
343
2 CORINTHE 4: 17, 18â5 : 1.
gen; welke ons alleen door de onverdiende aanneming Gods toekomt. De papisten grijpen onvoorzichtig een woordje aan, om een toren van Babel daarop te bouwen, te weten, dat het rijk Gods niet een erfenis is, ons door Christus verkregen, maar een loon, door onze werken verdiend. Maar een volkomener oplossing dezer vraag kan men uit onze «Institutiequot; halen.
18 Dewijl wü niet aanzien. Ziehier, waardoor al de ellendigheden dezer wereld ons licht zijn om te verdragen, te weten, zoo wij onze gedachten op de eeuwigheid des hemelschen rijks slaan. Want zoolang wij rondom ons zien, zoo is een oogenblik tijds ons lang, maar wanneer wij onze harten eenmaal naar den hemel hebben opgeheven, zoo beginnen duizend jaren te zijn als een oogenblik tijds. En dit is het, wat de apostel wil zeggen, dat wij door het aanschouwen der tegenwoordige dingen bedrogen worden, omdat daar niet anders is dan tijdelijk; en dat daarom niets is, waarin wij zouden mogen rusten, dan in het betrouwen van het eeuwige leven. Aanmerk deze wijze van spreken: Aanzien wat niet gezien wordt; want het oog des geloofs dringt verder door dan al de zinnen der menschelijke natuur, en het geloof wordt ook daarom genoemd een Hebr. ii; 3. aanschouwen der onzienlijke dingen.
344
HET VIJFDE HOOFDSTUK.
1 Want wij weten, zoo ons aardsche huis des tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis zonder handen gemaakt, en eeuwig in de hemelen.
2 Want hierom zuchten wij, begeerende met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden.
8 Zoo wij ook gekleed en niet naakt gevonden worden.
4 Want zoolang wij in den tabernakel zijn, zoo zuchten wij, beladen zijnde; omdat wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven te niet gemaakt worde.
5 En die ons tot ditzelve bereid heeft, is God, die ons ook gegeven heeft het voorpand des Geestes.
6 Zoo betrouwen wij dan altijd, en weten, dat wij in het lichaam wonende, uitwonen van God.
7 Want wij wandelen door het geloof, en niet door het aanschouwen.
8 Wij betrouwen, zeg ik, en begeeren liever uit te wonen van het lichaam, en bij den Heere in te wonen.
iquot;X^r yant wij weten. Nu volgt hier een verklaring der voor-X/V/ gaande uitspraak. Want Paulus zoekt de onlijdzaamheid, ' ' den afschrik en het verdriet van het kruis, de versmaad-heid der nederheid, de grootschheid en weelde in ons te beteren, hetwelk niet kan geschieden, tenzij hij de harten door verachting der wereld tot in den hemel opvoere. Hij gebruikt twee redenen: met de eene vertoont hij den ellendigen staat der menschen in dit leven; met de andere de hoogste en volmaakte zaligheid, die den geloovigen na den dood in den hemel wacht. Want wat is er, dat de menschen zoozeer in de verdraaide begeerlijkheid dezer wereld
2 Cor. 4 ; 7.
Rom. 8 : 23.
Openb. 3:18; 16:15.
Rom. 8:11. 1 Cor. 15 : 53.
Rom. 8:16. 2 Cor. 1 : 22.
Ef. 1 : 13; 4 : 30.
1 Cor. 13 ; 12.
2 Cor. 3 :18.
2 CORINTHE 5 : 1â3.
behoudt, dan dat zij zichzelven door valsche bedenking bedriegen,
als zij meenen hier levende gelukkig te zijn? Wederom is het niet genoeg, de ellendigheden dezer wereld verstaan te hebben, tenzij ook de gelukkigheid en heerlijkheid des toekomenden levens ons in den zin komt. Dit is beiden den goeden en ook den boozen gemeen, dat zij allen begeeren te leven; ook is dit beiden gemeen, dat zij, overleggende hoe velen en zwaren ellendigheden zij hier onderworpen zijn, dikmaals zuchten, dikmaals hun stand beweenen, en remedie tegen hun kwaad begeeren; doch de ongeloovigen bekennen alleen het ongerief des lichaams, maar de godzaligen worden meer door geestelijke ellendigheden benauwd. Maar dewijl zij allen van nature voor den dood gruwen, zoo scheiden de ongeloovigen nimmermeer gaarne uit dit leven, tenzij zij het uit verdrietelijkheid of vertwijfeling wegwerpen. En de geloovigen scheiden gewillig, omdat hun een betere hope buiten de wereld is voorgesteld.
Dit is de korte inhoud van de bewijsreden. Laat ons nu elk woord bijzonder onderzoeken. Wij weten, zegt hij. Deze wetenschap komt niet uit het menschelijke vernuft, maar uit de openbaring des Heiligen Geestes: zoo komt zij dan den geloovigen alleen toe. Van de onsterfelijkheid der ziel hebben ook de heidenen eenige meening gehad, maar niemand van hen heeft iets zekers gehad, niemand kon roemen, dat hij van een zaak sprak, die hem bekend was: dit kunnen alleen de geloovigen doen, dien het door het Woord en den Geest betuigd is. Bovendien moet men aanmerken, dat dit niet alleen een algemeene kennis is, alsof de geloovigen alleen in 't gemeen zeker waren, dat de kinderen Gods na den dood een beteren stand zullen hebben, en van zichzelven niet zekers hadden: want hoe veel zou dat helpen tot zulk een zware vertroosting ? Maar zij moeten een iegelijk van zichzelven bijzonder kennis hebben: want dit is het eerste, dat mij moedig maakt, om den dood blijmoedig aan te gaan,
te weten, zoo ik ontwijfelbaar weet, dat ik naar een beter leven verhuis. Het lichaam, dat wij nu hebben, noemt hij een huis des tabernakels. Want gelijk de tabernakelen of tenten uit lichte stof tot tijdelijk gebruik gemaakt worden zonder fondament, en daarna in korten tijd nedergeworpen worden, of vanzelf vallen, alzoo is den menschen een sterfelijk lichaam gegeven als een vergankelijke hut, om weinige dagen daarin te wonen; welke gelijkenis ook Petrus 2Petr.i:i3. in zijn Tweeden brief gebruikt heeft, en Job, als hij het noemt een job4.19 leemen huis. Hiertegen stelt hij een eeuwigdurend gebouw, en het is onzeker, of hij hiermede den stand der zalige onsterfelijkheid beduidt, die den geloovigen na den dood wacht, of een onverderfelijk en heerlijk lichaam, gelijk na de wederopstanding wezen zal. In deze beide zinnen is niets onbekwaams: hoewel ik het liever zoo wil nemen, dat het begin van dit gebouw is de zalige stand der zielen na den dood, en dat de vervulling is de heerlijkheid der laatste wederopstanding. Deze uitlegging zal door het vervolg der woorden des apostels beter bevestigd worden. De andere woorden,
die hij bij het woord gebouw stelt, dienen om de eeuwigheid daarvan te beter te bevestigen.
3 Zoo wij ook gekleed. Wat hij van de zekerheid des toekomenden levens gesteld heeft, duidt hij nu op de geloovigen, gelijk het hun ook alleen toekomt. De goddeloozen leggen ook het lichaam af, maar dewijl zij voor het aanschijn Gods niet anders brengen dan
345
rfv:
â gt;v-
â !i,quot;v
Ifl
â I; i I
s
:.V f
Mi-,#
1 lt;â '-!
.L
i:'
2 CORINTHE 5:3â5.
schandelijke naaktheid, daarom worden zij niet overkleed met een heerlijk lichaam. Maar de geloovigen, die met Christus bekleed, en met zijn rechtvaardigheid versierd zijnde, in het aanschijn Gods verschijnen, ontvangen een heerlijk kleed der onsterflijkheid. Want ik wil het liever zoo nemen, dan met Chrysostomus en anderen, die meenen, dat hier niets nieuws gezegd wordt, maar dat alleen verhaald wordt wat hij boven gezegd had van met de eeuwige woonstede overkleed te worden. Zoo meldt dan Paulus hier tweeërlei bekleeding, waarmede God ons bekleedt, te weten, de rechtvaardigheid van Christus in dit leven en de heiligmaking des Geestes, en na den dood de onsterflijkheid en eere. De eerste kleeding is oorzaak der tweede: want die God voorgenomen heeft heerlijk te maken, die rechtvaardigt Hij eerst. En deze zin blijkt uit het woordje ook, hetwelk zonder twijfel tot verheffing der zaak daarbij gesteld is, alsof Paulus zeide, dat den geloovigen na den dood een nieuw kleed zal bereid wezen, zoo zij in dit leven ook zijn bekleed geweest.
4 Zoo zuchten wij, beladen zijnde, omdat wij niet willen ontkleed. De goddeloozen zuchten ook, omdat zij met den tegen-woordigen stand des levens niet tevreden zijn: maar daarna overwint de tegenovergestelde genegenheid, dat is, de begeerte des levens: zoodat zij voor den dood gruwen, en met de langdurigheid van het sterfelijk leven niet bezwaard worden. Maar het zuchten der geloovigen rijst daaruit, dat zij weten, dat zij hier als ballingen zijn buiten hun vaderland, en dat zij weten, dat zij in het lichaam als in een gevangenis besloten zijn: daarom worden zij met dit leven bezwaard, omdat zij weten, dat zij daarin niet de volmaakte zaligheid kunnen genieten, dat zij de dienstbaarheid der zonde niet anders dan door den dood kunnen ontvlieden, en dat zij daarom naar een ander staan. Maar dewijl het allen levenden wezens natuurlijk is, dat zij begeeren te wezen: hoe is het mogelijk, dat de geloovigen gaarne ophouden te wezen? Deze vraag ontbindt de apostel, als hij zegt, dat de geloovigen niet daarom den dood begeeren, omdat zij iets willen verliezen, maar omdat zij op een beter leven zien. Hoewel, daar wordt meer uitgedrukt in de woorden: want hij laat toe, dat wij het scheiden uit het tegenwoordige leven op zich-zelve natuurlijk vlieden, gelijk niemand zichzelven zijne kleederen gaarne laat uittrekken; maar daarna stelt hij daarbij, dat die natuurlijke afschuw van den dood door het betrouwen overwonnen wordt, gelijk een iegelijk zonder zwarigheid een gelapt, onrein, versleten en gescheurd kleed zal afwerpen, om met een schoon, sierlijk, nieuw en onvergankelijk kleed versierd te worden. Daarna verklaart hij de wijze van spreken, zeggende: Opdat het sterfelijke van het leven
i Oor. is: so. teniet gemaakt worde. Want dewijl vleesch en bloed het rijk Gods niet kunnen bezitten, zoo moet wat verderfelijk in onze natuur is, teniet worden en vergaan, opdat wij waarlijk vernieuwd, en tot een volmaakten stand wederopgericht worden. Op dezen grond wordt ons lichaam een gevangenis genoemd, waardoor wij benauwd worden.
5 Die ons tot ditzelve bereid heeft. Dit is daarom daarbij gesteld, opdat wij weten, dat deze genegenheid bovennatuurlijk is. Want wij worden niet door het eigen gevoelen der natuur hiertoe gedreven,
joh. 23:24. wijl daardoor die honderdvoudige vergelding niet wordt verstaan, die uit het sterven des graans komt. Zoo moeten wij dan van God daartoe bereid worden. Ook wordt de wijze daarbij gesteld, te weten.
346
2 CORINTHE 5 : 5â7.
dat Hij ons door zijn Geest als door een pand en voorpenning bevestigt. Hoewel het woordje ook, tot verheffing en versterking daarbij schijnt gesteld te zijn, alsof hij zeide: Het is God, die deze begeerte in ons maakt; en opdat de moed ons niet ontvalle noch wankele, zoo is de Heilige Geest ons als een pand, welke door zijn getuigenis maakt, dat de waarheid der belofte zeker en vast is.
Dit zijn twee ambten des Heiligen Geestes, den geloovigen te toonen wat zij moeten begeeren; daarna hunne harten krachtig te bewegen, en alle twijfeling weg te nemen, opdat de goeden standvastig in de verkiezing volharden. Nochtans zal het niet kwalijk rijmen,
zoo wij het woord bereiden, verder uitstrekken tot de vernieuwing des levens, waarmede God de zijnen nu in deze wereld versiert:
want alzoo zondert Hij ze nu af van de anderen, en toont, dat zij door zijn genade tot een bijzonderen stand verordend zijn.
6 Zoo betrouwen wij dan altijd. Te weten, steunende op het onderpand des Geestes; want anders zijn wij altijd versaagd, of zijn immers nu in hope, dan in vreeze; wij houden niet hetzelfde en zekere gemoed. Zoo dan, deze goede moed, waarvan Paulus spreekt,
blijft ons dan eerst, als hij van den Geest Gods opgehouden wordt. Het woordje en, staat voor daarom, aldus: Wij zijn goedsmoeds,
omdat wij weten, dat wij in het lichaam uitwonen, enz.: want deze wetenschap is oorzaak van onze gerustheid en ons betrouwen;
want de ongeloovigen zijn daarom in eeuwige ongerustheid, of grimmen hardnekkig tegen God, omdat zij meenen terstond te vergaan, en hun hoogste en laatste peil stellen in dit leven. En wij leven goedsmoeds, en gaan blijmoedig voort naar den dood, omdat ons een betere hope is weggelegd. Wij wonen uit van den Heere. De gansche Schrift roept uit, dat God ons tegenwoordig is, en hier leert Paulus, dat wij van Hem uitwonen, hetwelk daartegen schijnt te strijden. Maar de verscheidene wijze des bijwezens en afwezens ontbindt lichtelijk dezen knoop. Zoo dan. Hij is allen menschen tegenwoordig, omdat Hij ze door zijn kracht onderhoudt; Hij woont in hen, omdat zij door Hem leven, bewegen en zijn. Hij is bij zijne geloovigen tegenwoordig met meerdere kracht zijns Geestes: Hij Hand. 17:28. leeft in hen, woont midden onder hen, ja binnen hen. Maar intus-
schen is Hij van ons, omdat Hij Zich niet tegenwoordig vertoont,
omdat wij nog als ballingen uit zijn rijk wonen, en die onsterfelijkheid nog niet hebben, die de engelen genieten, die met Hem zijn. Evenwel, dit woord uitwonen, is te dezer plaatse niet anders dan van de kennis te verstaan, gelijk het openbaar is uit de reden, die terstond volgt.
7 Want wij wandelen door het geloof. Het Grieksche woord,
dat men pleegt over te zetten schijn, heb ik overgezet aanschouwen, omdat niet velen verstaan, wat men met het woord schijn meende. Hij zegt de oorzaak, waarom wij van den Heere uitwonen,
te weten, omdat wij Hem nog niet zien aangezicht aan aangezicht.
Dit is de wijze des afwezens, dat God niet openlijk van ons gezien wordt: en wordt daarom niet gezien, omdat wij door het geloof wandelen. Het geloof wordt terecht tegen het aanschouwen gesteld,
omdat het die dingen vat, die voor der menschen gevoelen verborgen zijn, omdat het zich strekt tot toekomende dingen, die nog niet zijn. Want de staat der geloovigen is zoo, dat zij meer den dooden dan den levenden gelijk zijn: dat zij dikmaals schijnen van
347
4^
A: quot;
i ii
v, ,
t-H
1 M
.\\\
ii ⢠â t .
V' 'â¢
2 CORINTHE 5:7, 8.
God verlaten te zijn, en dat zij de oorzake des doods altijd in zich besloten hebben. Zoo is het dan noodig, dat zij hopen op hope. Nu, de dingen, die gehoopt worden, zijn verborgen, gelijk wij zien Rom. Hebr. ii: 3. 8; 24, en het geloof is een openbaring der dingen, die niet gezien worden. Zoo is het dan geen wonder, dat de apostel zegt, dat wij het aanschouwen nog niet genieten, zoolang wij door het geloof wandelen. Want wij zien maar in een spiegel en duistere rede, dat is, inplaats van de zaak rusten wij in het woord.
8 Wij betrouwen, zeg ik. Wederom verhaalt hij, wat hij van het betrouwen der godzaligen gezegd had, te weten, dat zij niet alleen niet gebroken worden door de zwarigheid des kruises, en den moed verloren geven in de verdrukkingen, maar dat zij ook daardoor moediger worden. Want het uiterste des kwaads is de dood. Nu, naar den dood staan de geloovigen, als naar het begin der volmaakte zaligheid. Zoo kan dan het woordje en, genomen worden voor want, aldus: Ons kan niets toekomen, waardoor ons betrouwen en goede moed kan benomen worden: want de dood, waarvoor anderen zoozeer gruwen, is ons een groot gewin; want daar is niets beters dan uit het lichaam te verhuizen, om tot de bijwoning Gods te komen, en zijn tegenwoordigheid waarlijk en openlijk te genieten. Zoo verliezen wij dan niets door de verderving van den uitwendigen mensch. Merk hier op wat nu eenmaal gezegd is, dat het waarachtig geloof niet alleen een verachting, maar ook een begeerte des doods in ons maakt, en dat het daarom daarentegen een teeken der ongeloovigheid is, wanneer de afschuw voor den dood in ons de blijdschap der hope en de vertroosting overwint. De geloovigen begeeren den dood, niet om door onbehoorlijke begeerte den dag des Heeren te voorkomen, want zij blijven gewillig in den aard-schen stand, zoolang het den Heere belieft: want zij willen liever tot Christus' eer leven, dan zichzelven sterven tot hun eigen nut. Want die begeerte, waarvan Paulus spreekt, is een begeerte des geloofs. Daarom is zij niet tegen den wil Gods. Men kan ook uit deze woorden van Paulus verstaan, dat de zielen, die van het lichaam verscheiden zijn, bij God leven. Want zoo zij van het lichaam afzijnde. God tegenwoordig hebben, zoo leven zij voorwaar met Hem. Hier wordt van sommigen gevraagd, hoe het dan komt, dat de heilige vaders zoozeer voor den dood gegruwd hebben, gelijk David, Hiskia en de gansche Israëlietische gemeente: hetwelk duidelijk is uit Ps. 6, alsook uit Jes. 38:3, Ps. 115:17. Ik weet wel wat men pleegt te antwoorden, te weten, dat zij zoo erg gruwden voor den dood, omdat de openbaring des toekomenden levens nog duister was, en dat de troost daarom nog klein was. Ik beken wel, dat dit wat is, maar niet alles: want de heilige vaders des Ouden Testaments hebben niet altijd voor de boodschap des doods gegruwd, ja zij hebben eer blijmoedig en goedsmoeds den dood Gen. 25:8. aangenomen. Want Abraham is zat van jaren verscheiden zonder Gen «-is droefheid. Men leest niet, dat Izak den dood geweigerd heeft.Jakob i Kon. ii:io! betuigt in zijn laatste oogenblikken, dat hij de zaligheid des Heeren 2£on.20:31. verwachtte. David zelf sterft ook liefelijk zonder klagen. Desgelijks ook Hiskia. Zoo dan, dat David en Hiskia eenmaal met tranen den dood afgebeden hebben, de oorzaak was, omdat zij om zekere zonden van den Heere gestraft werden: en daarom gevoelden zij den toorn Gods in den dood. Dit was hun de oorzaak hunner beroerte.
348
2 CORINTHE 5 : 8â10.
welke de geloovigen ook heden onder het rijk van Christus zouden kunnen gevoelen. Maar de begeerte, waarvan Paulus spreekt, is een genegenheid eens welgestelden gemoeds.
9 Daarom arbeiden wij, hetzij inwonende, of uitwonende, om Hem te behagen.
10 Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechter-Matt. 25: 32. stoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage wat door zijn pgquot;^!»10' lichaam zal geschied zijn, naardat hij zal gedaan hebben, hetzij Jer 17:10; goed of kwaad. Matt.'l6:27.
11 Daarom, wetende den schrik des Heeren, overreden wij alle 2:6: menschen, en zijn Gode openbaar; ik betrouw, dat wij ook in i oor. 3:8. uwe conscientiën openbaar zijn. 22P-ei2gt;'2:2
12 Want wij prijzen onszelven u niet wederom aan: maar wij 2 Cor. 3:1; geven u oorzaak om over ons te roemen, opdat gij wat hebt
tegen degenen, die in het aanschijn roemen, en niet in het hart.
9 Daarom. Als hij nu vertoond heeft, hoe wel de Christenen behooren gemoedigd te zijn in het dragen der verdrukkingen, alzoo dat zij ook stervende, overwinnaars des doods zijn, en dit omdat zij door de verdrukkingen en den dood komen tot het zalige leven,
leidt hij nu uit diezelfde fontein een andere uitspraak af, te weten,
dat zij daarnaar moeten staan met bijzondere naarstigheid, dat zij Gode mogen behagen. En voorwaar, het is onmogelijk, dat de hope der wederopstanding, en het bedenken des oordeels niet deze naarstigheid in ons zouden verwekken: gelijk wij daarentegen door geen andere oorzaak onachtzaam en lui zijn in wat wij behooren te doen, dan omdat het nimmermeer of zelden ons in den zin komt, wat zonder ophouden behoorde in onze gedachtenis en voor ons te staan, te weten, dat wij hier vreemdelingen zijn voor een korten tijd, opdat wij den loop voleindigd hebbende, tot Christus weder-keeren. Merk op, dat hij zegt, dat zoowel de gestorvenen als de levenden deze begeerte hebben: waardoor wederom de onsterfelijkheid der zielen bevestigd wordt.
10 Geopenbaard worden. Hoewel dit allen menschen gemeen is, zoo heffen nochtans niet alle menschen zoover hun hart op,
dat zij ten allen stonde bedenken, dat zij voor den rechterstoel van Christus moeten komen. Maar dewijl Paulus met een heilige begeerte om wel te doen, zichzelven zonder ophouden voor den rechterstoel van Christus stelde, zoo heeft hij bedektelijk die eergierige leeraars willen bestraffen, dien het genoeg was, van de menschen geprezen te zijn. Want als hij zegt, dat het niemand kan ontgaan, zoo schijnt hij ze eenigszins voor dien hemelschen rechterstoel te roepen. Voorts, hoewel men voor het woord geopenbaard worden, kon stellen verschijnen, zoo heeft nochtans Paulus naar mijn oordeel verder gezien, te weten, dat wij dan in het licht zullen komen, daar nu velen als in duisternissen schuilen. Want de boeken,
die nu gesloten zijn, zullen dan geopend worden. Opdat een lege- openb.20:i2. lijk wegdrage. Dewijl deze plaats van vergelding der werken spreekt, zoo moeten wij met korte woorden aanmerken, dat aan de goede werken loon gegeven wordt, gelijk de booze werken van God gestraft worden, doch op verscheiden wijze: want de booze werken krijgen zulke straf, als zij verdiend hebben, maar in de ver-
349
2 CORINTHE 5 : 10â12.
gelding der goede werken, ziet God geen verdienste noch waardigheid aan. Want er is geen werk zoo volkomen en alleszins volmaakt, dat het Hem terecht behaagt. Bovendien behagen niemands werken op zichzelven anders Gode, tenzij hij der gansche wet voldoet. Nu wordt er niemand zoo volmaakt gevonden. Zoo is dan dit de eenige toevlucht, dat wij door zijn onverdiende goedheid Hem aangenaam zijn, en van Hem gerechtvaardigd worden, alzoo, dat onze zonden ons niet toegerekend worden. En als Hij ons in genade heeft aangenomen, zoo omhelst Hij ook onze werken door onverdiende aanneming: hieruit komt het loon. Zoo is er dan niets ongeschikts in, dat God onze goede werken verwaardigt te loonen, zoover wij verstaan, dat de menschen desniettemin door genade en buiten verdienste het eeuwige leven verkrijgen. Van deze zaak heb ik meer gezegd in den voorgaanden zendbrief, en in onze «Institutiequot; is een volkomen behandeling daarvan Als hij zegt; Door het lichaam, zoo versta ik niet alleen de uitwendige daden, maar alle werken, die in het lichamelijke leven gedaan worden.
11 Daarom wetende. Nu komt hij wederom tot zichzelven, of hij past die algemeene leer op zichzelven toe. Ik ben (zegt hij) niet onwetende of vrij van de vreeze Gods, die in de harten aller godzaligen behoort te regeeren. Zoo dan, de vreeze des Heeren weten, is ook bedenken, dat men eenmaal voor den rechterstoel van Christus rekenschap moet geven. Want wie dat ernstig bedenkt, moet met vreeze bewogen worden, en alle onachtzaamheid afleggen. Zoo betuigt hij dan, dat hij zijn apostelambt getrouwelijk en met een zuivere conscientie bedient: als die in de vreeze des Heeren wandelt, bedenkende dat men rekenschap moet geven. En dewijl de tegenstanders hem hadden .kunnen tegenwerpen, en zeggen: Gij verheft wel uzelven grootelijks, maar wie ziet datzelve, waarvan gij roemt? Daarop antwoordt hij, dat'hij wel eens leeraars ambt bedient in de oogen der menschen, maar dat het Gode bekend is, met wat oprechtheid des harten hij dat doet, alsof hij zeide: Gelijk mijn mond spreekt tot de menschen, alzoo spreekt mijn hart tot God. Ik betrouw. Dit is een verbetering: want hij roemt nu niet alleen, dat hij God tot getuige zijner oprechtheid heeft, maar ook de Corinthiërs zeiven, dien hij een proeve van zichzelven gegeven had. Zoo moet men dan hier twee dingen aanmerken, te weten, dat het niet genoeg is, zoo iemand zichzelven eerlijk en ernstig gedraagt onder de menschen, tenzij zijn gemoed recht zij voor God; ten andere, dat het een ijdele roem is, wanneer het getuigenis der zaak daar niet bij is. Want er is niemand stouter om alles zichzelven aan te matigen, dan die niets heeft; daarom die geloofd wil worden, brenge werken voort, die zijn woorden geloofwaardig maken. Voorts, het is meer in de conscientiën openbaar te zijn, dan door ervaring bekend te zijn: want de conscientie dringt verder door dan het oordeel des vleesches.
12 Want wij prijzen onszelven u niet. Hij bevestigt, wat hij hierboven gezegd heeft, en voorkomt ook mede de lastering. Want hij had kunnen schijnen voor zijn lof te zeer te zorgen, dewijl hij zoo dikwijls van zichzelven sprak. Ja, het is waarschijnlijk, dat dit hem van de boozen is tegengeworpen. Want dat hij zegt: Wij prijzen onszelven niet wederom aan, spreekt hij als uit hun persoon. Aanpryzen wordt in 't kwade genomen voor roemen. Als hij daarbij
350
2 CORINTHE 5 : 12, 13.
zegt, dat hij hun oorzaak geeft om te roemen, zoo geeft hij ten eerste te kennen, dat hij meer hun eigen zaak drijft dan de zijne,
omdat het al tot hun eer en roem dient, en hij bestraft wederom bedektelijk hun ondankbaarheid, dat zij niet bekenden, dat zij behoorden zijn apostelambt groot te achten en te prijzen, opdat zij hem niet noodig dwongen dat zelf te doen: en dat zij ook niet bekenden, dat hun meer daaraan gelegen was dan Paulus, dat zijn apostelambt heerlijk geacht werd. Hier worden wij geleerd, dat de dienstknechten van Christus alleen zoover hunnen naam en achting moeten zoeken te bevorderen, als het der gemeente nut is. Paulus betuigt waarlijk, dat hij alzoo gezind is geweest. Anderen mogen toezien, dat zij zijn voorbeeld niet valschelijk voorwenden. Wij worden ook geleerd, dat dit eerst de ware lof eens dienaars is, welken hij meer gemeen heeft met de gemeente, dan eigen voor zichzelven,
dat is, die tot aller nut en voordeel gedijt. Opdat g|j wat hebt tegen degenen. Hij geeft met korte woorden te kennen, dat men dier menschen ijdelheid moet wederleggen, die zichzelven ijdellijk verheffen, en dat dit dient tot nut der gemeente. Want dewijl zulk gunstbejag voornamelijk een schadelijke pest is, zoo is het ook schadelijk, dat die met bedekking gevoed wordt. Dewijl de Corin-thiërs niet gezorgd hadden dat te doen, zoo vermaant Paulus wat zij later behooren te doen. Roemen in het aanschijn, en niet in het hart, dat is door uitwendige praal bedriegen, en de oprechtheid des harten niets achten. Want die waarlijk wijs zijn, zullen niet dan in God roemen. Maar waar ijdele roem is, is geen oprechtheid,
noch rechtheid des harten.
13 Want zoo wij uitzinnig zijn, zoo zijn wij Gode uitzinnig: zoo wij welbezind zijn, zoo zijn wij u welbezind.
14 Want de liefde van Christus dringt ons, oordeelende dit; indien één voor allen gestorven is, zoo zijn zij dan allen gestorven.
15 En Hij is voorwaar voor allen gestorven; opdat degenen die Rom. U;7. leven, voortaan niet zichzelven leven, maar Dien, die voor allen iThess.Stio. gestorven en wederopgestaan is. 1 Petr- 4:2-
16 Zoo dan, wij kennen voortaan niemand naar het vleesch. Ja Mau ia^öö.
... .. Joh. 15:14.
ook, zoo wij Christus gekend hebben naar het vleesch, wij Gal. 5:6;
kennen Hem nu niet meer. Col5'3 ⢠ll
17 Daarom zoo iemand in Christus een nieuw schepsel is, het Jes. 43:18. oude is voorbijgegaan: zie het is al nieuw geworden. Openb. 21.5.
13 Zoo wij uitzinnig zijn. Dit is bijwijze van toelating gezegd:
want de roem van Paulus was verstandig, nuchter, en een zeer wijze uitzinnigheid, indien men ze alzoo noemen wil. Maar dewijl hij aan velen ongeschikt scheen te doen, zoo spreekt hij uit hunne meening.
En hij zegt twee dingen, te weten, dat hij geen acht heeft op zichzelven, maar dat hij alleen voor oogen heeft. God en de gemeente te dienen; ten andere, dat hij niet vraagt naar der menschen meening, ja dat hij ook bereid is uitzinnig geacht te worden, zoowel als wel bij zinnen, zoover hij de zaak Gods en der gemeente getrouwelijk bedient. Zoo is dan dit de zin: Dat ik zoo dikmaals mijn oprechtheid voorhoud, zullen de menschen nemen zoo zij willen; ik doe het nochtans niet om mijns zelfswil, maar heb alleen God en
351
2 CORINTHE 5; 13â16.
de gemeente voor oogen. Zoo ben ik dan bereid te zwijgen en te spreken, naardat het de eere Gods, en de nuttigheid der gemeente zal eischen, en ik zal gaarne dulden, dat de wereld mij noemt uitzinnig te zijn, zoover ik niet mijzelven, maar Gode uitzinnig ben. Deze plaats is waardig niet alleen, dat men ze aanmerke, maar ook dat men ze zonder ophouden bedenke: want tenzij ons hart alzoo gezind is, zoo zullen ook alle zeer kleine ergernissen ons aftrekken van wat wij behooren te doen.
14 quot;Want de liefde van Christus. Het woord liefde kan men zoowel actief als passief duiden; het eerste wil ik het liefst. Want tenzij wij nog harder dan ijzer zijn, zoo kunnen wij niet laten, onszelven geheel aan Christus over te geven, als wij overleggen wat groote liefde Hij ons bewezen heeft, als Hij den dood voor ons heeft ondergaan. En Paulus verklaart zichzelven, als hij daarbij stelt, dat het recht is, dat wij Hem leven, onszelven gestorven zijnde. Zoo dan, gelijk hij eerst gezegd heeft, dat hij door vreeze bewogen wordt, om te doen wat hem toekomt, omdat men eens rekenschap moet geven: zoo stelt hij nu een anderen prikkel, te weten, die onmetelijke liefde van Christus tot ons, waarvan Hij ons een bewijs gegeven heeft door zijn dood. Het erkennen dezer liefde zeg ik, behoort onze genegenheden te bedwingen, dat zij nergens toe geneigd worden, dan om Hem wederom lief te hebben. Het woord dringen, vervat een gelijkenis, waardoor beduid wordt, dat het niet mogelijk is, dat iemand die wonderlijke liefde, die Christus ons door zijn dood betuigd heeft, waarlijk overleggende en bedenkende, zich niet zou, als aan Christus gebonden, en zeer nauw verbonden zijnde, tot zijn gehoorzaamheid begeven. Indien een voor allen gestorven. Dit einde moet men naarstig aanmerken, dat Christus daarom voor ons gestorven is, opdat wij ook zelf onszelven sterven. Men moet ook de uitlegging aanmerken, dat onszelven sterven, is Christus leven, of zoo gij het volkomener wilt hebben, onszelven verzaken, opdat wij Christus leven. Want Christus heeft ons daarom verlost, opdat Hij ons in zijn macht zou hebben als zijn eigen goed: waaruit volgt, dat wij onszelf niet zijn. Er is ook zulk een plaats, Rom. 14 ; 15. Evenwel, hier worden twee dingen onderscheiden gesteld, te weten, dat wij in Christus gestorven zijn, opdat alle eergierigheid en begeerte der hoogheid ophoude, en dat het niet moeilijk is vernietigd te worden: bovendien dat wij ons leven en dood aan Christus schuldig zijn, wijl Hij ons aan Zich geheel verbonden heeft.
16 Zoo dan, wij kennen voortaan niemand. Kennen, wordt hier genomen voor achten, alsof hij zeide: Wij oordeelen niet naar den uitwendigen schijn, dat die de allerhoogste zou geacht worden, die naar den schijn zoodanig is. Onder het woord vleesch, vervat hij alle uitwendige gaven, die de menschen plegen groot te achten, en in ée'n woord, al wat zonder wedergeboorte lofwaardig wordt geacht. Evenwel, hij spreekt eigenlijk van de uitwendige bedriegerij, die een schijn genoemd wordt. En hij ziet op den dood, dien hij gemeld had, alsof hij zeide: dewijl wij allen aan het tegenwoordige leven dood moeten zijn, ja niets zijn in ons, zoo moet men niemand uit de vleeschelijke uitnemendheid achten een dienaar van Christus te zijn. Ja ook, zoo wij Christus gekend hebben. De zin is: Ofschoon Christus een tijdlang in deze wereld verkeerd heeft, en den menschen bekend geweest is in die dingen, die den staat des tegen-
352
2 CORINTHE 5 : 16, 17.
woordigen levens aangaan, zoo moet men Hem nu op een andere wijze kennen, te weten, geestelijk, zoodat wij niet aardsch van Hem denken. Deze pjaats hebben sommige onheilige geesten misbruikt,
zooals Servetus, om te bewijzen, dat de menschelijke natuur nu door de Godheid verslonden is. Maar hoe wijd zulke razernij van den zin van Paulus is, is niet zwaar te oordeelen. Want hij spreekt hier niet van de substantie des lichaams, maar van den uitwendigen schijn. Hij zegt ook niet, dat wij niet meer het vleesch in Christus bekennen, maar ontkent, dat Christus daaruit geacht wordt. En de gansche Schrift getuigt ons, dat Christus zoowel nu een heerlijk ril. 2:9. leven heeft in ons vleesch, als Hij eenmaal in hetzelve geleden heeft. Hebr. 2:9; Ja, wanneer dit fundament is weggenomen, zoo valt ons gansche 12:2' geloof. Want waaruit komt de hope der onsterfelijkheid, dan dat wij nu een bewijs daarvan in Christus hebben? Want gelijk ons daaruit de rechtvaardigheid wederopgericht is, dat Christus, de wet in ons vleesch volbrengende, Adams ongehoorzaamheid heeft weggenomen: alzoo komt ook daaruit het leven, dat Hij voor onze natuur het rijk Gods heeft geopend, waaruit zij gebannen was, en ze in de hemelsche woning heeft gesteld. Daarom, zoo wij het vleesch van Christus nu niet bekennen, zoo vergaat ons alle betrouwen en troost, welken wij in Hem behooren te hebben. Maar dat Christus mensch en onze broeder is, bekennen wij niet vlee-schelijk; want wij rusten niet dan in het aanmerken zijner geestelijke gaven. Zoo is Hij ons dan geestelijk, niet dat Hij het lichaam afgelegd heeft en een Geest is geworden, maar omdat Hij de zijnen vernieuwt en regeert door de kracht zijns Geestes.
17 Daarom, zoo iemand in Christus. Dewijl in deze rede wat ontbreekt, zoo moet men ze aldus volmaken: Zoo iemand in Christus, dat is in het rijk van Christus, of in de gemeente eenige plaats wil hebben, die zij een nieuw schepsel. Met dit woord wil hij alle uitnemendheid, die bij de menschen pleegt groot geacht te worden, veroordeelen, zoo de vernieuwing des harten daar niet bij is. De leering en welsprekendheid, en andere gaven, zijn wel dierbaar en heerlijk, maar waar de vreeze des Heeren, en de rechte conscientie niet is, daar verdwijnt alle eer dezer gaven. Zoo zal dan niemand zich op eenige uitnemendheid verhoovaardigen: want de voornaamste lof der Christenen is de verloochening van zichzelven.
353
En dit wordt niet alleen gezegd om de ijdelheid der valsche apostelen te wederleggen, maar ook om dat gebrekkelijke oordeel der Corinthiërs te beteren, die den uitwendigen schijn meer achtten dan de ware oprechtheid: hoewel deze feil bijna aan alle eeuwen gemeen is, want hoevele zijn er, die niet veel meer aan de ijdele vertooning toeschrijven, dan aan de ware heiligheid ? Zoo laat ons dan deze vermaning houden, te weten, dat al degenen, die door den Geest Gods niet weder vernieuwd zijn, niet iets in de gemeente moeten zijn, al is het dat zij met andere schoone gaven versierd zijn. Het oude is voorbijgegaan. Als de profeten van het rijk van Christus spreken, zoo verkondigen zij eenen nieuwen hemel en een nieuwe Jes. os: 17. aarde: waarmede zij te kennen geven, dat alles tot een beter staat zal veranderd worden, totdat der godzaligen heil vervuld wordt. Nu, dewijl het rijk van Christus geestelijk is, zoo moet deze verandering meest in den Geest geschieden, daarom begint hij terecht daarmede. Zoo heeft dan Paulus bekwamelijk dit getuigenis van
23
Dl. 11.
2 C0RINTHEquot;5 ; 17, 18.
den profeet aangewend, om de wedergeboorte te verheffen. Oude dingen noemt hij die door den Geest Gods niet hervormd zijn; daarom wordt dit woord tegen de genade der wedergeboorte gesteld. Voorbijgaan, neemt hij voor verwelken, gelijk vergankelijke dingen plegen af te vallen, als hun tijd vergaan is. Zoo dan, de nieuwe mensch groeit en bloeit alleen in het rijk van Christus.
18 En alle ding is uit God, die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft.
19 Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun hunne zonden niet toerekenende, en heeft het woord der verzoening in ons gesteld.
20 Zoo zijn wij dan boodschappers uit Christus' naam: (alsof God u door ons vermaande) wij bidden uit Christus' naam: wordt met God verzoend.
21 Dien, die geen zonde kende, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
quot;Ãomquot; 8:5. 18 Alle ding is uit God. Hij spreekt van de dingen, die tot het Gai. 3; is. rjjk van Christus dienen, alsof hij zeide: Zoo wij Christus willen toebehooren, zoo moeten wij uit God wedergeboren zijn. Nu, dit is geen kleine gave. Zoo spreekt hij dan hier niet van de alge-meene schepping, maar van de genade der wedergeboorte, welke God verwaardigt alleen zijnen uitverkorenen te geven: en hij zegt, dat zij uit God is, niet voorzoover Hij, de Schepper en Maker des hemels en der aarde is, maar zoover Hij de zijnen naar zijn beeld herstellende, een nieuwe Schepper der gemeente is. Alzoo wordt alle vleesch vernederd, en de geloovigen worden vermaand, dat zij nu Gode moeten leven, uit wien zij een nieuw schepsel zijn: hetwelk Joh. 17:14. niet kan geschieden, tenzij zij de wereld vergeten, gelijk zij nu niet meer van de wereld zijn, omdat zij uit God zijn. Die ons met Zichzelven verzoend heeft. Hier zijn twee voorname stukken: het een is van de verzoening des menschen met God, het ander is, hoe wij de weldaad dezer verzoening genieten. Deze dingen komen zeer wel overeen met het voorgaande. Want dewijl de apostel de goede conscientie boven alle goede uitnemendheid heeft geacht, zoo toont hij nu, dat het gansche Evangelie hiertoe strekt: doch hij geeft intusschen ook mede te kennen, de waardigheid des apos-tolischen ambts, opdat de Corinthiërs vermaand worden wat zij be-hooren daarin te onderzoeken: die daarom niet tusschen de ware en valsche dienaars konden onderscheiden, omdat hun niet anders behaagde dan ijdele vertooning en schijn. Zoo dan, hij verwekt ze door deze herinnering, om te beter in de leer des Evangelies voort te gaan. Want daaruit komt de verkeerde verheffing der onheilige menschen, die meer hun eergierigheid dan Christus dienen: omdat wij niet weten wat het ambt der verkondiging des Evangelies vervat. Nu kom ik wederom tot die twee stukken, die hier vermeld worden. Het eerste is, dat God ons met Zichzelven door Christus heeft verzoend, en terstond volgt daar een verklaring: Omdat God in Christus geweest is, en in zijn persoon de voldoening volbracht heeft. De wijze wordt daarbij gesteld: Hun hunne zonden niet toerekenende. Wederom wordt nog een andere verklaring
354
Col. 1: 20.
1 Joh. 2 : 2: 4:10.
Col. 2:9. Hom. 3:24, 25.
2 Cor. 3 : 6.
Jes. 53:9. 1 Petr. 2 : 22. 1 Joh. 3 : 5.
Jfis. fi3 : 12.
2 CORINTHE 5:18, 19. 355
daarbij gesteld: Omdat Christus, de verzoening voor onze zonden geworden zijnde, voor ons rechtvaardigheid heeft verkregen. Het tweede stuk is, dat de genade der verzoening ons door het Evan-gelie toegepast wordt, opdat wij derzelver deelachtig zijn. Dit is een uitnemende schoone plaats, zoo er eenige andere is bij den ganschen U)
Paulus: daarom betaamt het ons, naarstig elk woord bijzonder te â ^;
overleggen. De bediening der verzoening. Dit is een schoone lof des Evangelies, omdat het is een boodschap om de menschen met God te verzoenen. Dit is ook een bijzondere waardigheid der die- t; '|;
naren, dat zij met zulk een bevel van God tot ons gezonden worden, om tusschenboden en gelijk borgen te zijn. Maar dit is niet zoozeer gezegd om de dienaars te versieren, als tot vertroosting fev?,
der godzaligen, opdat zij weten, dat God met hen van verzoening handelt, en zooveel als een verbond maakt, zoo dikmaals als zij het Evangelie hooren. Wat is er beter te begeeren dan dit goed? Zoo zullen wij dan gedenken, dat dit het voornaamste einde des Evangelies is, te weten, dat wij, die van nature kinderen des toorns zijn, van God in genade worden aangenomen, de vijandschap tus- Ef- 2:3-schen Hem en ons weggenomen zijnde. Dit bevel wordt den dienaren gegeven, dat zij de boodschap van zulk groot goed tot ons brengen, ja ons leeren van de vaderlijke liefde Gods tot ons. Het kan wel geschieden, dat een ander, wie hij is, ons een getuige rv,.,
dezer genade is: maar Paulus leert, dat dit ambt bijzonder den dienaar is opgelegd. Daarom, wanneer een dienaar behoorlijk ge-ordend, uit het Evangelie verkondigt, dat God met ons verzoend is,
zoo moet men hem niet anders hooren, dan een afgezant of gezondenen bode Gods, die genoegzaam autoriteit heeft om datzelve te bevestigen.
ig Want God was in Christus. Sommigen nemen dit enkel, 'f.
alsof er gezegd ware; God heeft de wereld met Zich verzoend in Christus. Maar er is een volkomener en rijker zin, te weten, dat ' f.
God in Christus was. Bovendien dat Hij door de tusschenkomst van Hem de wereld met Zich heeft verzoend; en dit wordt wel van den Vader gezegd; want het zou een onpassende wijze van spreken zijn,
zoo iemand zeide, dat de Goddelijke natuur van Christus in Christus geweest is. Zoo was dan de Vader in den Zoon, volgens het woord van Christus; Ik ben in den Vader, en de Vader in Mij. Zoo Joh. io:38.
dan, wie den Zoon heeft, heeft ook mede den Vader. Want Paulus v';
heeft dit daarom uitgedrukt, opdat wij leeren met Christus alleen v f
tevredfen te zijn, omdat wij in Hem ook God den Vader vinden;
gelijk Hij in der waarheid Zichzelven ons door Christus gemeen iV'
maakt. Zoo is dan dit zooveel, alsof hij zeide; Toen God verre van ons was, is Hij in Christus ons nabij gekomen. En alzoo is Christus ons de ware Immanuël geworden, en zijn komst is een nadering Gods tot de menschen geweest. Het andere stuk handelt van het ambt van Christus, te weten, dat Hij is onze verzoening:
omdat buiten Hem God tegen ons allen toornig is, die wij van gt;4'
de rechtvaardigheid zijn afgeweken. Waartoe is dan God in Christus ^
den menschen verschenen? te weten, tot verzoening, opdat de vijandschap weggenomen zijnde, degenen die vreemd waren, tot kinderen aangenomen worden. En hoewel Christus de verlosser uit de fontein der Goddelijke liefde gekomen is, nochtans zoolang de menschen niet bekennen, dat God door den Middelaar verzoend is, ^
â Ci;
â
:v
mk
ide
jn:
ge-
jke
dc
Sn d ing
er-het
bd rdt
,kt,
iet en dit ;e-ke gt.
les ild j lie nu ilk iet et iet is,
sn :1e ït,
zh gt;s-e-re rs
ze ij rt
at r-id is id i-
n
g
2 CORINTHE 5 : 19.
356
zoo moet zooveel hun aangaat, die twist blijven, welke hen verhindert tot Christus te komen: van welke zaak wij terstond hierna meer zullen zeggen. Hun niet toerekenende. Zie hoe de men-schen met God verzoend worden, te weten, als zij vergeving der zonden verkregen hebbende, rechtvaardig geacht worden. Want zoolang God ons de zonden toerekent, moet Hij ons haten: want den zondaren kan Hij niet vriendelijk, noch genadig zijn. Maar tegen deze uitspraak schijnt te strijden, wat op een andere plaats Ef. i:3. gezegd wordt, dat Hij ons liefgehad heeft, eer de wereld gescha-Joh. 3;ie. pen was; en nog meer wat Johannes zegt, dat de liefde, waarmede Hij ons liefhad, oorzaak is geweest waarom Hij onze zonden door Christus vergeven heeft: want de oorzaak is altijd eerder dan het werk, dat daaruit vloeit. Ik antwoord, dat wij wel vóór de schepping der wereld bemind of geliefd zijn geweest, doch niet dan in Christus. Nochtans beken ik intusschen, dat de liefde Gods in dien tijd eerst geweest is, en ook naar de orde, zooveel God aangaat: maar zooveel ons aangaat, wordt het beginsel der liefde gesteld in de offerande van Christus. Want wanneer wij God aanzien zonder Middelaar, zoo kunnen wij niet bedenken, dat Hij anders dan toornig op ons is: de tusschengestelde Middelaar maakt, dat wij gevoelen, dat Hij ons verzoend en vriendelijk is. Maar dewijl ons dit ook noodig is te weten, dat Christus ons gekomen is uit de fontein der onverdiende barmhartigheid Gods, zoo wordt dit beide klaarlijk in de Schrift geleerd, dat de toorn des Vaders door des Zoons offerande is verzoend geweest, en dat daarom de Zoon, om de zonden der menschen te verzoenen, is opgeofferd geweest, omdat God hunner ontfermende, hen door zulk een pand in genade heeft aangenomen. Dit is de inhoud: Waar zonde is, daar is de toorn Gods, en dat daarom God ons niet anders, noch eerder genadig is, dan als Hij onze zonden wegneemt, dezelve niet toerekenende. En dewijl onze conscientiën deze weldaad niet anders kunnen vatten, dan door de tusschenkomende offerande van Christus, zoo heeft Paulus niet tevergeefs het begin en de oorzaak der verzoening daarin gesteld, zooveel ons aangaat. En heeft het woord der verzoening. Hij verhaalt wederom, dat het bevel om deze genade tot ons te brengen, den dienaren des Evangelies gegeven is. Want men kon hier tegengeworpen hebben: Waar is nu Christus de Middelaar tusschen God en ons ? Hoever woont Hij van ons ? Zoo zegt hij dan: Gelijk Hij eenmaal geleden heeft, alzoo stelt Hij ons allen dag de vrucht zijns lijdens voor oogen door het Evangelie, hetwelk Hij in de* wereld heeft willen openbaar hebben, als zekere en lofwaardige brieven des vredes en der verzoening, die eenmaal geschied is. Zoo is dan der dienaren ambt, de vrucht des doods van Christus ons toe te voegen, opdat ik alzoo spreke. Maar opdat niemand droome van een too-verachtige toevoeging, gelijk de papisten dichten, zoo moet men naarstig aanmerken wat hij terstond hierbij stelt, te weten, dat dit geheel gelegen is in de verkondiging des Evangelies. Want de paus met zijn mispapen, dekt met deze verf zijnen ganschen koophandel, dien zij in de zaligheid der zielen drijven. Zij zeggen: God heeft ons bevel en macht gegeven om de zonden te vergeven. Ik beken het, zoo zij deze boodschap bedienen, die Paulus meldt. Nu, de absolutie, die zij in het pausdom gebruiken, is ganschelijk toover-achtig. Bovendien besluiten zij de vergeving der zonden in lood
2 CORINTHE 5 : 19, 20. 357
, ; .
en perkament, of zij binden ze aan gedichte en onnutte bijgeloovig-heden. Wat gelijkheid heeft dit alles met de inzetting van Christus?
Zoo dan, de dienaars van Christus brengen ons dan eerst behoorlijk en ordelijk in de genade Gods, als zij door het Evangelie ons getuigen van de verzoening Gods met ons. Wanneer dit getuigenis is weggenomen, zoo blijft er niet dan enkel bedriegerij. Daarom,
ziet toe, dat gij buiten het Evangelie niet de allerminste druppel uws betrouwens stelt. Ik ontken niet, dat de genade van Christus ons ook door de sacramenten toegevoegd wordt, en dat daarin onze verzoening met God aan onze conscientiën bevestigd wordt: maar dewijl het getuigenis des Evangelies den sacramenten ingedrukt is,
zoo moet men ze niet in zichzelven, noch afzonderlijk waardeeren,
maar bij het Evangelie stellen, wiens aanhangsels zij zijn. Eindelijk,
de dienaars des Evangelies zijn op deze voorwaarde zendboden, om de weldaad der verzoening te betuigen en te verkondigen, zoo zij uit het Evangelie als uit wettige brieven spreken.
2o Alsof God u door ons vermaande. Dit dient niet weinig om de boodschap geloofwaardig te maken, ja het is ganschelijk noodwendig; want wie zou steunen of rusten op eens menschen getui-genis van de eeuwige zaligheid? De zaak is zoo groot, dat wij niet met beloften van menschen tevreden kunnen zijn, tenzij wij zeker zijn, dat zij van God verordend zijn, en dat God door hen tot ons spreekt. En hiertoe dienen de lofwoorden, waarmede Christus zelve de apostelen versiert: Wie u hoort, die hoort Mij. Insgelijks: Al Luk io:i6.
wat gij ontbindt op de aarde, zal ook in den hemel ontbonden Matt'18:18'
wezen, en dergelijke. Wij bidden uit Christus' naam. Hieruit verstaan wij, hoe Jesaja te recht roept: dat de voeten dergenen, die het Jes. 52:7.
Evangelie verkondigen zalig zijn; want wat alleen ons tot volkomen gelukkigheid genoeg is, en zonder hetwelk wij de allerellendigsten zijn,
wordt ons niet anders dan door het Evangelie gegeven. Indien, nu dit ambt aan alle dienaren der gemeente bevolen is, zoodat die noch herder noch apostel te achten is, die deze boodschap niet be- â¢''â¢Ã¯:
dient, dan is hieruit het licht te oordeeien, hoedanig de gansche hierarchie des Pausen zij: zij willen wel apostelen en herders ge-acht worden, maar dewijl zij stomme beelden zijn, hoe zal hun grootspraak overeenkomen met deze plaats van Paulus. Met het woord bidden, wordt een onbegrijpelijke lof der genade van Chris- ,'.U
tus uitgedrukt, dewijl Hij Zichzelven zoo vernedert, dat Hij Zich niet ^
ontziet ons te bidden. Zooveel te minder kan onze verdraaidheid ver-ontschuldigd worden, tenzij wij ons door zulke groote vriendelijkheid terstond leerzaam en gehoorzaam bewijzen. Wordt met God verzoend.
Hier moet men opmerken, dat Paulus hier handelt met de geloo- ,
vigen: hij betuigt, dat hij allen dag dit bevel tot hen brengt. Zoo heeft dan Christus niet geleden, om slechts eenmaal onze zonden te verzoenen. Het Evangelie is ook daartoe niet ingesteld, opdat de zonden, die wij vóór den doop gedaan hebben, ons vergeven worden: maar gelijk wij dagelijks zondigen, dat wij ook alzoo door Cïi
dagelijksche vergeving van God in genade ontvangen worden.
Want dit is een eeuwige boodschap, welke zonder ophouden tot het einde der wereld in de gemeente moet weerklinken, dat het Evangelie niet gepredikt kan worden, zonder vergeving der zonden te beloven. Hier hebben wij een bijzonder en geschikt getuigenis, om de goddelooze meening der papisten te wederleggen, die gebieden
M
i;
iï'
*
2 CORINTHE 5:20, 21.
cle vergeving der zonden na den doop elders te zoeken, dan in de verzoening, door den doodv an Christus volbracht. Dit is een ge-raeene leer in alle papistische scholen, dat wij na den doop vergeving der zonden verdienen door boetedoening, mitsgaders de weldaad der sleutelen; maar kan ook de doop zelve ons verzoening der zonden geven zonder boete of bekeering? Maar door de boetedoening verstaan zij de voldoeningen. Maar wat leert ons Paulus hier? te weten, zoowel na den doop, als vóór den doop, roept hij ons tot de eenige verzoening van Christus, opdat wij weten, dat zij ons uit genade en onverdiend toekomt; en dit onderscheid, dat zij zich gesmeed hebben, gaat hij als hem onbekend voorbij. Voorts, al wat zij van hèt ambt der sleutelen snateren, is ijdel: want zij dichten sleutelen zonder Evangelie, dewijl zij niet anders zijn dan dit getuigenis der onverdiende verzoening, die ons uit het Evangelie gegeven wordt.
ai Dien, die geen zonde kende. Ziet gij wel, dat er volgens Paulus' leer geen andere verzoening met God is, dan die in de eenige offerande van Christus gefundeerd is? Zoo zullen wij dan leeren ons gemoed altijd hierop te zetten, zoo dikmaals als wij van zonden willen vrijgesproken worden. Nu leert hij openlijker wat wij boven aangeroerd hebben, te weten, dat God ons dan genadig is, als Hij ons voor rechtvaardig bekent. Want deze twee redenen, Gode aangenaam te zijn, en rechtvaardig van Hem geacht te worden, zijn dezelfde. Geen zonde kennen, is zonder zonde zijn. Zoo zegt hij dan, dat Christus, toen Hij van zonden vrij was, voor ons zonde is geworden. Het is gebruikelijk, dat de offerande, die de zonde verzoent, zelf zonde wordt genoemd: en deze wijze van spreken heeft Paulus hier en op andere plaatsen van de Hebreen genomen, bij wie het woord assam, zoowel beduidt het verzoenoffer als de zonde zelve. Maar de beteekenis van dit woord, en ook de gansche uitspraak zal beter verstaan worden uit de vergelijking der beide tegenstellingen. De zonde wordt hier gesteld tegen de rechtvaardigheid, als Paulus leert, dat wij rechtvaardigheid Gods zijn geworden, daardoor dat Christus zonde is geworden. De rechtvaardigheid wordt hier niet genomen voor een qualiteit of hoedanigheid, maar voor toerekening, omdat de rechtvaardigheid Gods ons toegerekend wordt. Daarentusschen wat is zonde? te weten, de schuld, waardoor wij voor het oordeel Gods verbonden zijn. En gelijk voortijds de vervloeking des menschen op de offerande werd gelegd: alzoo is de veroordeeling van Christus onze kwijtschelding i Petr. 2:24. geweest, en door zijne striemen zijn wij genezen. Rechtvaardigheid Gods in Hem. Ten eerste wordt de rechtvaardigheid Gods genomen, niet voor de rechtvaardigheid, die ons van God gegeven wordt, maar die Hem aangenaam is: gelijk. Joh. 12:43, de heerlijkheid genoemd wordt, die bij God plaats heeft, en de heerlijkheid der menschen genoemd wordt voor een ijdele achting der wereld. En Rom. 3 : 7, als hij zegt, dat wij de heerlijkheid Gods derven, zoo verstaat hij, dat in ons niets is, waarover wij bij God kunnen roemen. Want voor de menschen rechtvaardig te schijnen, is zoo zwaar niet: maar het is een bedriegelijke schaduw der rechtvaardigheid, welke in het einde een oorzaak des verderfs is. Zoo is dan dat eerst alleen de ware rechtvaardigheid, die Gode aangenaam is. Laat ons nu terugkomen op de tegenstelling der rechtvaardigheid en der
358
2 CORINTHE 5 : 21â6 : 1.
zonde. Hoe zijn wij rechtvaardig voor God? te weten, gelijk Christus een zondaar is geweest. Want Hij heeft eenigszins onzen persoon aangenomen, om voor ons beschuldigd te worden, en als een zondaar geoordeeld te worden, niet om zijn eigen, maar om eens anders zonden, daar Hij rein en vrij was van alle schuld, en een straf aannam, die niet Hij, maar wij schuldig waren. Alzoo zijn wij nu rechtvaardig in Hem; niet dat wij door onze eigen werken aan het oordeel Gods genoegdoen, maar omdat wij geacht worden rechtvaardigheid in Christus, welke wij door het geloof aannemen, opdat zij onze worde. Daarom wil ik liever het woordje in behouden, dan daarvoor stellen door, want het komt beter met den zin van Paulus overeen.
HET ZESDE HOOFDSTUK.
1 En wij, medearbeidende '), bidden ook, dat gij de genade Gods i)Of. mede-niet tevergeefs moogt ontvangen hebben.
2 Want Hij zegt: In den aangenatnen tijd heb Ik u verhoord, Hebi\ il'^15. en in don. dag der zaligheid heb Ik u geholpen. Ziet, nu is
het de aangename tijd, ziet, nu de dag der zaligheid.
3 Geen ergernis gevende in eenige zaak, opdat de bediening niet 2Makk. 6:18. gelasterd worde. f cquot;r. 10 ⢠32'.
4 Maar als dienaars Gods onszelven in alles prijselijk bewijzende, 2 0°'11 23 in vele lijdzaamheid, in verdrukkingen, in nooden, in benauwdheden,
5 In slagen, in gevangenissen, in oproeren, in arbeid, in waken,
in vasten,
6 In oprechtheid, in wetenschap, in verdraagzaamheid, in zachtmoedigheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde,
7 In het woord der waarheid, in de mogendheid Gods, door de wapenen der rechtvaardigheid, ter rechter- en ter linkerhand;
8 Door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als bedriegers, en nochtans waarachtig;
9 Als onbekend, en nochtans openbaar; als stervende, en ziet, Jes. 26:19 wij leven; als gekastijd en nochtans niet ter dood gebracht;
10 Als bedroefd zijnde, en nochtans verblijdende; als arm, en nochtans velen rijk makende; als niet hebbende, en alles bezittende.
itâm wij, medearbeidende. Hij heeft de bevelen van zijn ge-M zantschap verhaald, die God den dienaren des Evangelies ge-â'geven heeft. Als zij deze bevelen getrouw zullen overgedragen hebben, zoo moeten zij ook arbeiden, dat zij kracht hebben, opdat hun werk en arbeid niet vergeefsch zij: zij moeten (zeg ik) zonder ophouden vermaningen daarbij stellen, opdat hun zending krachtig zij. Dit is het wat hij noemt: medearbeidende, in de bevordering der zaak aanhoudende. Want het is niet genoeg, dat men leere, tenzij men ook zonder aflaten aanhoude en aandringe. Aldus zal dit woord mede, zien op God, of op de zending, die Hij zijnen dienstknechten beveelt. Want de leer des Ãvangelies wordt door vermaningen ge-
359
2 CORINTHE 6:1, 2.
holpen, dat zij niet zonder vrucht is: en de dienaren doen hun arbeid bij het bevel Gods, gelijk het werk eens gezants is, wat hij uit zijns vorsten naam voorstelt, met redenen aan te prijzen. Het woord mede, kan ook geduid worden op de poging der dienaren onderling: want zoo zij het werk des Heeren van harte doen, zoo moeten zij elkander onderling de hand toesteken, opdat zij elkander helpen; doch de eerste uitlegging behaagt mij 't best. Chrysostomus verstaat het van de toehoorders, aan wie de dienaars medehelpers zijn, als zij hunne traagheid en slaperigheid opwekken. Hier worden de dienaars geleerd, dat het niet genoeg is, zoo zij de leer eenvoudig voorstellen; maar zij moeten arbeiden, dat zij van de toehoorders aangenomen worden: en dat niet eenmnal, maar zonder ophouden. Want dewijl zij middelboden zijn tusschen God en de menschen, zoo is het eerste in hun ambt, de genade Gods aan te bieden; het tweede is, met alle naarstigheid te arbeiden, dat zij niet zonder nut aangeboden is.
2 Want Hy zegt: In den aangenamen tijd. Hij haalt aan de profetie van Jesaja, welke zeer bekwaam is tot de vermaning, waarvan hij spreekt. Daar wordt zonder twijfel van het rijk van Christus gehandeld, gelijk uit het verband openbaar is. Zoo dan, de Vader, zijnen Zoon tot een Leidsman stellende om de gemeente te verzamelen, spreekt Hem aan met deze woorden: In den aangenamen tijd heb Ik U verhoord. Maar wij weten hoedanig de overeenstemming is van het Hoofd met de leden. Want Christus is voor ons verhoord geweest, gelijk ook onzer aller zaligheid in zijn hand gesteld is, en haeft niet anders in zijn verzorging aangenomen. Daarom worden wij allen in zijn persoon vermaand, dat wij de gelegenheid om zaligheid te verkrijgen, niet verachten. Voor hetgeen in het Grieksch staat, aangename tijd, staat in de Woorden des profeten, tijd der goedwilligheid en onverdiende gunst. Aldus moet men het getuigenis op de tegenwoordige zaak passen: Dewijl God door voorstelling zijner genade een zekeren tijd verordent, zoo volgt daaruit, dat niet alle tijden daartoe dienen; dewijl een zekere dag der zaligheid genoemd wordt, zoo volgt daaruit, dat de zaligheid niet alle dagen open is. En dit hangt geheel aan de voorzienigheid Gods. Want de aangename tijd is niets anders, dan het-Gai. 4:4. geen de tijd der volheid genoemd wordt bij de Galaten. En men moet de orde wel aanmerken. Ten eerste wordt de tijd der goedwilligheid gesteld, daarna de dag der zaligheid. Waarmede te kennen gegeven wordt, dat de zaligheid ons uit de barmhartigheid Gods alleen, als uit een fontein vloeit. Zoo moet men dan geen oorzaak in ons zoeken, alsof wij God door onze werken verwekten, om zijn genade ons te verordenen. Want waaruit komt de dag der zaligheid? te weten, omdat het een aangename tijd is, dat is een tijd, welken God door zijn onverdiende gunst verordend heeft. Hieren-tusschen moet men Paulus' voornemen weten, te weten, dat ons vaardige spoed noodig is, opdat de gelegenheid ons niet ontga, dewijl God niet wil dulden, dat de aangeboden genade langzaam en tragelijk van ons aangenomen wordt. Ziet, nu is het de aangename tyd. De profeet had gesproken van den tijd, in welken Christus tot verlossing der menschen zou geopenbaard worden. En Paulus brengt deze profetie op den tijd, in welken Christus door gedurig leeren des Evangelies geopenbaard wordt; en dat terecht:
360
V
2 CORINTHE 6 : 2â4. 361
want gelijk de zaligheid eenmaal aan de gansche wereld is gezonden, » :
toen Christus verscheen, alzoo wordt Hij ons nu dagelijks gezonden,
als wij des Evangelies deelachtig gemaakt worden. Dit is een zeer schoone plaats, en vervat geen kleme vertroosting, te weten, dat wij, als ons het Evangelie verkondigd wordt, zekerlijk weten, dat ons de toegang tot het rijk Gods geopend wordt, en dat wij gttj
door een in de hoogte geheven teeken der goedwilligheid Gods,
geroepen worden om de zaligheid aan te nemen: want de gelegenheid om die te verkrijgen, moet men achten uit de roeping. Maar zoo wij de gelegenheid niet gebruiken, zoo is dit gevaar, dat Paulus hier bedektelijk verkondigt, wel zeer te vreezen, te weten, dat de deur zal toegesloten worden voor al degenen, die ter bekwamer tijd niet daarin zullen gekomen zijn. Want na de verachting des Woords komt altijd zulke straf.
3 Geen ergernis gevende. Het is nu dikmaals gezegd, dat Paulus somtijds de bediening des Evangelies in 't gemeen, somtijds zijn eigen oprechtheid prijst. Zoo spreekt hij dan nu van zichzelven, en stelt in zijn persoon voor oogen een levend beeld eens vromen en getrouwen apostels: opdat de Corinthiërs leeren, hoe ongerechtige rechters zij geweest zijn, die opgeblazen roemers boven Paulus achtten. Want dewijl zij alleen aan den uitwendigen schijn den lof gaven, zoo hielden zij menschen in groote eere, die lekker waren,
en geen ijver hadden: en van de allerbeste dienaren hadden zij ^
niet, dan een gemeen en verachtelijk gevoelen. En het is zonder .ri-
twijfel, dat diezelfde dingen, die Paulus tot zijn lof verhaalt, hem â =
bij de Corinthiërs verachtelijk gemaakt hadden: waarom zij te groo-ter berisping waardig waren, die de stof der ware eer en roem,
voor schande achtten. Zoo doet dan Paulus hier drie dingen: Hij leert, uit welke deugden men de Evangelische leeraars moet achten; V:' r'
daarna bewijst hij zulke deugden te hebben; ten derde vermaant hij de Corinthiërs, dat zij die niet voor dienaars van Christus zullen bekennen, die zich anders gedragen dan hij hun in zijn exempel 'i^
leert. Het einde is, opdat hij zichzelven en degenen, die hem gelijk zijn, autoriteit geve. of die vervallen autoriteit wederoprichte, tot Gods eere, en nut der gemeente: ten andere, opdat hij de Corinthiërs terugroepe van de verkeerde liefde der valsche apostelen,
welke hen verhinderde, dat zij niet zoo grooten voortgang in het v.p
Evangelie maakten als hun noodig was. Die dienaars geven ergernis en aanstoot, die door hun schuld den voortgang des Evangelies in de toehoorders verachteren. Paulus zegt, dat hij dit niet doet. Want hij betuigt, dat hij naarstig toeziet, dat hij zijn apostelambt niet met V
eenige schandelijke smet besprenge. Want dit zijn de listen des p*-
duivels, dat men wat feils zoekt in de dienaren, opdat het tot i,.-
schande des Evangelies gedije. Want als hij verkregen heeft, dat de i,.-,
dienst veracht wordt, zoo is alle hope op voortgang verloren. ï:
Daarom, zoo wie Christus nuttig wil dienen, die moet met alle naarstigheid arbeiden om de eere zijns dienstes te behouden. De wijze en het middel om dit te doen, is zorgen, dat hij eere waardig is. Want er is niets bespöttelijkers, dan dat men arbeidt om zijn â £'
waardigheid bij anderen te beschermen, en intusschen door boos quot;$1
en oneerlijk leven schandelijk is. Zoo zal dan deze eerst eere waardig :/fj.
zijn, die niets doet wat een dienaar van Christus niet betaamt.
4 In vele lydzaamheid. Deze gansche opsomming, die hier volgt,
rlt;;
Ã
2 CORINTHE 6 : 4â6.
wil, dat al de beproevingen, waarmede de Heere zijn dienaars pleegt te beproeven, in Paulus plaats hebben, en dat er geenerlei beproeving is, waarmede hij niet is beproefd geweest, opdat de getrouwheid zijns dienstes zooveel te beter betuigd zou zijn. Voorts, hij verhaalt sommige dingen, die altijd in alle dienstknechten van Christus moeten zijn: als arbeid, oprechtheid, wetenschap, waken, zachtmoedigheid, liefde, het woord der waarheid, Geest, mogendheid Gods, wapenen der rechtvaardigheid, en sommige die niet altijd noodig zijn: want om een dienstknecht van Christus te zijn, is het niet noodig door slagen en gevangenissen beproefd te zijn. Zoo behoeven dan deze dingen ook in de besten niet gevonden te worden. Nochtans komt het allen toe, alzoo gezind te zijn, dat zij zoo het den Heere belieft, zichzelven ook met Paulus door slagen en gevangenissen laten onderzoeken. Lijdzaamheid, is een matiging des gemoeds in tegenspoedige dingen, welke deugd altijd in de goede dienaren is. Verdrukkingen, strekken verder dan nooden: want bij het woord nood, versta ik armoede en hulpeloosheid; deze is velen dienaren gemeen, dewijl er weinigen zijn, die geen gebrek lijden: toch is zij niet allen gemeen. Want waarom zou matige rijkdom hem verhinderen een dienstknecht van Christus te zijn, die anders godzalig is, en in rechten gemoede, in eerlijk leven en andere gaven uitnemend is? Gelijk degene, die arm is, niet terstond daarom een goed dienaar is: alzoo die rijk is, is daarom rn. 4:12. niet terstond te verwerpen. Ja, op een andere plaats roemt Paulus zoowel dat hij weet overvloed te hebben, als dat hij weet honger te lijden: zoo moet men dan dit onderscheid gebruiken, dat ik gezegd heb tusschen den vergankelijken en eeuwigen lof.
5 In oproeren. Hoe liefelijker en zachtzinniger het karakter van Paulus was, zooveel te grooter deugd was het in hem, onversaagd te staan tegen de oproeren: en dit acht hij zichzelven ook een lof te zijn, dat hij van oproeren zeer vreemd zijnde, ze nochtans sterkelijk gedragen heeft. Want het is niet alleen loffelijk, dat men door geene oproeren beroerd wordt: (dewijl dat allen op-roerigen gemeen is) maar dat men niet verslagen wordt, wanneer zij door eens anders schuld opgewekt zijn. En voorwaar, dit beide wordt in de dienaren des Evangelies geëischt, te weten, dat zij naar hun vermogen staan naar vrede, en dat zij nochtans midden in de beroeringen onverslagen voortgaan, en van den rechten loop niet afwijken, al ware het dat de hemel met de aarde vermengd werd. Hoewel, Chrysostomus wil liever door dat Grieksche woord, waarvoor wij oproeren gesteld hebben, verstaan uitdrijvingen, die dikmaals geschieden, wanneer ons nergens geen plaats gegeven wordt om te blijven. In vasten. Hij verstaat niet honger uit armoede, maar gewillige oefening in vasten. Wetenschap, kan men tweeërlei wijze nemen, te weten, voor de leer zelve, of voor wijsheid om wel en met kennis te handelen. Het tweede behaagt mij 't best, omdat hij terstond daarbij stelt: Woord der waarheid. Het woord Geest, is voor geestelijke gaven. Doch de beuzeling van Chrysostomus is onnut, die daaruit verstaat, dat de andere deugden Paulus eigen waren, dewijl hij den Geest afzonderlijk noemt. Maar de zachtmoedigheid, wetenschap, oprechtheid, wapenen der rechtvaardigheid, zijn die van elders dan uit den Heiligen Geest? Hij stelt dan den Geest afzonderlijk, als het geslacht onder het soort.
362
2 CORINTHE 6 : 7â10.
De mogendheid Gods vertoonde zich in vele dingen, in grootmoedigheid, in krachtige bevestiging der waarheid, in verbreiding des Evangelies, in overwinning der vijanden en dergelijke.
7 Door de wapenen der rechtvaardigheid. Door de rechtvaardigheid, versta de rechtvaardigheid der conscientie en heiligheid des levens. De gelijkenis van de wapenen gebruikt hij, omdat die allen moeten strijden die God dienen, dewijl de vijand de duivel altijd bereid en tegenwoordig is om hen te kwellen: en zij moeten van alle zijden gewapend zijn: want zoo hij met e'én aanloop niets uitricht, zoo maakt hij dikmaals een ander, en loopt ze aan, nu van voren, dan van achter, nu van deze, dan van gene zijde.
8 Door eer en oneer. Dit is geen kleine beproeving om den mensch te onderzoeken; want voor een mensch, die een edel hart heeft, is niets zwaarder dan schande lijden. Daarom kan men in alle historiën zien, dat er niet vele edele grootmoedige menschen geweest zijn, die niet ontaard zijn, den loop huns deugdelijken levens verlatende, wanneer zij door lastering en oneer gekweld werden. Zoo is het dan een teeken, dat het hart in de deugd wel bevestigd is, wanneer het door geen oneer van zijn voornemen afgetrokken wordt. Deze deugd wordt wel zelden gevonden, nochtans kunt gij zonder dezelve u niet voor een dienstknecht Gods uitgeven. Men moet wel voor den goeden naam zorg dragen, doch zooverre het de stichting der broederen aangaat: en alzoo, dat wij op geen gerucht staan, maar eer denzelfden gestadigen loop in de deugd houden, in oneer als in eer. Want God laat ons verzoeken door kwaadspreken der booze menschen, om te onderzoeken, of wij ook zonder loon iets goeds doen: want degene, die door ondankbaarheid der menschen van de deugd afgetrokken wordt, die bewijst, dat hij niet alleen op God gezien heeft. Daarom, als wij zien, dat Paulus der oneer en versmaadheid is onderworpen geweest, en nochtans daarom niet afgelaten heeft, maar met onvermoeid gemoed voortgegaan is, ja doorgebroken naar het voorgestelde doel, laat ons niet vermoeid worden, zoo ditzelfde ons ook geschiedt. Als bedriegers. Hier verhaalt hij niet alleen hoedanig gevoelen de goddeloozen en de buiten zijnden van hem hadden, maar ook wat de huisgenooten van hem gevoelden. Nu kan een iegelijk bij zichzelven overleggen, hoe onverdragelijk de ondankbaarheid der Corinthiërs was, en hoe groot van moed hij geweest is, dewijl hij zulke zware verhinderingen heeft doorworsteld. Nochtans wordt hun verkeerd oordeel door bedekte wijze van spreken scherp gegispt, als hij zegt, dat hij leeft en vroolijk is, daar zij hem als een doode en bedroefde verachtten. Hij verwijt hun ook hun ondankbaarheid, als hij zegt, dat hij velen rijk maakt, hoewel hij om der armoede wil versmaad werd. Want zij waren onder degenen, die hij met zijn goed rijk maakte; ja, zij waren allen te zamen veelszins aan hem verbonden. Alzoo heeft hij boven door een ironische wijze van spreken gezegd, dat hij onbekend was, daar nochtans de vrucht zijns arbeids alom bekend en openbaar was. Nu, wat grooter onbeleefdheid is het, diens menschen armoede te versmaden, die u uit zijn overvloed helpt? Hij meent geestelijken rijkdom, die veel meer behoorde geacht te worden dan de aardsche.
363
2 CORINTHE 6:11.
11 Onze quot;mond is tot u geopend, o Corinthiërs; ons hart is uitgebreid.
12 Gij zijt niet nauw in ons, maar gij zijt nauw in uwe ingewanden.
13 Ik begeer] dezelfde vergelding van u, als van mijne kinderen: wordt gij ook uitgebreid.
14 Trekt niet een juk aan met de ongeloovigen: want wat deel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid? wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis ?
15 Wat eendrachtigheid heeft Christus met Belial? of wat deel heeft de geloovige met den ongeloovige?
16 Wat overeenkoming heeft de tempel Gods met de afgoden? Want gij zijt de tempel des levenden Gods; gelijk God zegt: Ik zal in hen wonen, en midden in hen wandelen, en zal hun God zijn, en zij zullen mijn volk zijn.
17 Daarom, gaat uit midden van hen, en wordt gescheiden, zegt de Heere, en wilt niets onreins aanroeren.
18 En Ik zal u aannemen, en zal u tot een Vader, en gij Mij tot zonen en dochteren wezen, zegt de Heere, de Almachtige.
364
Deut. 7; 2. 1 Cor. 5:». Sir. 13:19,20.
1 Cor. 3:16; 0:19.
Hebr. 3; G. 1 Petr. 2:5. Ex. 29:45. Lev. 26:11. Ez. 37: 20. Jes. 52:11. Openb. 18:4.
Jer. 31:1.
HET ZEVENDE HOOFDSTUK.
1 Dewijl wij dan deze beloften hebben, allerliefsten, zoo laat ons onszelven reinigen van alle besmettingen des vleesches en des Geestes, volbrengende de heiligmaking in de vreeze Gods.
ii nze mond is tot u geopend. Dewijl de opening des monds I leen teeken des betrouwens is, zoo wij dit willen voegen S tot het voorgaande, zoo zal de zin wezen: Ik heb groote oorzaak om te roemen; en de goede conscientie opent mij den mond; en dat gij een kwaad gevoelen van ons hebt, is niet door onze schuld, maar omdat gij geene rechtvaardige rechters zijt. Want gij behoort een eerlijker gevoelen van mijn dienst te hebben, welken God u zoo veelszins eerwaardig heeft gemaakt. Maar ik leg het nochtans anders uit: want hij zegt, dat zijn mond daarom open is, omdat zijn hart uitgebreid is. Wat wil hij met de breedheid des harten ? Hij beduidt voorwaar blijmoedigheid, die uit goedwilligheid komt. Deze wijze van spreken is gemeen, dat door een benauwd en toegetrokken hart droefheid, of verdriet, of verontwaardiging wordt beduid; hiertegen wordt een uitgebreid hart gesteld, beduidende tegenovergestelde genegenheden. Zoo zegt Paulus dan hier niets wat wij niet dagelijks bevinden: want als wij met onze vrienden handelen, zoo breidt zich het hart uit, al onze zinnen staan open, daar is niets gedekt noch gesloten, ja het hart zelve springt geheel uit, en begeert zichzelven openlijk te vertoonen. Hieruit komt het, dat ook de tong vrij en licht is, dat zij niet stamelt, dat zij gemakkelijk uit het diepste der keel afgebroken woorden haalt, wat pleegt te geschieden, wanneer het hart met zeer blijde beweging aangedaan is.
2 CORINTHE 6: 12â14.
12 Gy züt niet nauw in ons. Dat is, dat gij deze mijn blijmoedigheid niet kunt vatten, dat komt door uwe schuld. Mijn mond is open om vriendelijk en gemeenzaam met u te spreken, mijn gevoel zou zich gaarne uitstorten, maar gij sluit zeiven uwe ingewanden. Hij wil zeggen, dat het door hun verdorven oordeel geschiedt, dat zij geen smaak hebben in wat van hem komt.
13 Dezelfde vergelding. De berisping matigt hij zoowel met den liefelijken naam kinderen, alsook met deze vermaning, waarmede hij te kennen geeft, dat hij nog goede hope van hen heeft. Door dezelfde vergelding, verstaat hij den onderlingen dienst, want tus-schen vader en kinderen is onderlinge vergelding van dienst. Want gelijk de ouders de kinderen moeten voeden, onderwijzen, met raad regeeren en beschermen, alzoo eischt de gerechtigheid, dat de kinderen den ouders dankbaarheid bewijzen. Ik oefen (zegt hij) een vaderlijke genegenheid jegens u, zoo gedraagt gij u wederom als kinderen jegens mij, met liefde en eerbiediging. Hoewel, men moet deze bijzondere omstandigheid aanmerken, dat de Corinthiërs zulk een vriendelijken vader verkregen hebbende, ook zachtmoedig worden, en zijn vriendelijkheid vergelden met leerzaamheid: daarom gebiedt hij hen in hunne ingewanden uitgebreid te worden. Dewijl de oude overzetter den zin van Paulus niet verstond, zoo heeft hij dat woord hebbende, daarbij gedaan, en alzoo meer zijn eigen meening, dan den zin van Paulus uitgedrukt: maar in onze uitlegging, welke ook van Chrysostomus is, is niets gedwongen.
14 Trekt niet een juk aan met. Alsof hij nu zijn autoriteit weder-gekregen had, alzoo bestraft hij ze nu vrijer, omdat zij zichzelven voegden bij de ongeloovigen, als bondgenooten in de uitwendige afgoderij. Want hij heeft ze vermaand, dat zij zich aan hem, als aan hunnen vader leerzaam betoonen. Zoo dan, nu vaderlijke autoriteit en recht hebbende, berispt hij die feil, waarmede zij bevangen waren. Wij hebben in den Eersten zendbrief gezegd, hoedanig die feil was: want dewijl zij meenden, dat hun in uitwendige dingen alles geoorloofd was, zoo besmetten zij zichzelven zonder onderscheid met goddelooze bijgeloovigheden. Want zij gingen tot de tafelen der ongeloovigen, en hadden met hen gemeenschap in onheilige en onreine gebruiken: en hoewel zij zeer zwaar zondigden, zoo achtten zij nochtans zichzelven onschuldig te zijn. Zoo dan, Paulus bestraft hier de uitwendige afgoderij, en wil, dat de Christenen vreemd en vrij daarvan zijn. Doch hij begint van een gemeene leer, opdat hij daaruit kome tot de bijzondere leer. Want een juk aantrekken met de ongeloovigen, is niet anders dan met de onvruchtbare werken der duisternis gemeenschap hebben, en hun tot teeken der eendrachtigheid de hand geven. Velen meenen, dat hij van het huwelijk spreekt, maar het verband der woorden bewijst duidelijk hun dwaling. Het woord, dat Paulus hier gebruikt: Gemeenschap maken in het trekken eens juks, is een gelijkenis genomen van de ossen of paarden, die gelijk moeten gaan, en één werk gemeenschappelijk doen, als zij te zamen onder één juk gebonden zijn. Zoo dan, als hij verbiedt metgezellen der ongeloovigen te zijn, om éénzelfde juk met hen aan te trekken, zoo wil hij alleen dit, dat wij ons niet in hunne besmettingen zullen vermengen. Want wij worden door één zon beschenen, wij leven bij éénzelfde brood en lucht, en kunnen onszelven niet ganschelijk onthouden van hun
365
2 CORINTHE 6 : 14â16.
gemeenschap: maar Paulus spreekt van het juk der goddeloosheid, dat is, van het deelhebben aan de werken, waarin het den Christenen niet geoorloofd is gemeenschap te hebben. Aldus zal ook het huwelijk verboden zijn, zoover het een strik is, waardoor zoowel mannen als vrouwen, tot bewilliging in goddeloosheid verward worden. Maar ik wil alleen dit zeggen, dat de leer van Paulus wijder strekt, dan dat zij alleen op het huwelijk zou geduid worden. Want hij spreekt hier van afgoderij te vlieden: om welker zake wil ook ons verboden wordt, met de ongeloovigen te huwelijken. Want wat gemeenschap heeft. Hij bevestigt zijn vermaning, omdat de vereeniging der dingen, die zoozeer tegen elkander strijden, ongeschikt en onredelijk is: want deze dingen kunnen niet meer samengaan dan het water met het vuur. De inhoud is, dat zij zich van der goddeloozen besmettingen moeten onthouden, tenzij zij alles willen vermengen. En hieruit verstaan wij, dat ook degenen, die de bijgeloovigheden van harten niet prijzen, nochtans door den schijn besmet worden, zoo zij ze niet openlijk en vrijelijk schuwen.
15 Wat eendrachtigheid heeft Christus met Belial? In de afleiding van het woord Belial, zijn zelfs de Hebreën niet eenstemmig. Nochtans is de beteekenis niet twijfelachtig. Want Mozes stelt een woord of gedachte Belials, voor een goddeloos en ongeoorloofd woord en gedachte; en in vele plaatsen der Schrift, worden booze en aan slechtheid overgegeven menschen genoemd kinderen of men-schen Belials. Vandaar komt het, dat Paulus hier Belial stelt voor den duivel, het hoofd aller boozen. Want van de gelijkheid der hoofden komt hij terstond op de leden, alsof hij zeide: Gelijk tus-schen Christus en den duivel onverzoenlijke tweedracht is, alzoo moeten wij ook vreemd zijn van de bende der goddeloozen. Voorts, dat hij zegt, dat een Christen geen deel heeft met de ongeloovigen, verstaat hij niet van kost, kleeding, bezitting, zon en lucht, gelijk ik boven vermaand heb, maar van die dingen, die den ongeloovigen eigenlijk toekomen, van welke de Heere ons afgezonderd heeft.
16 Wat overeenkoming heeft de tempel Gods met de afgoden? Dusverre heeft hij in 't gemeen verboden, dat de geloovigen niet zichzelven zouden voegen met de goddeloozen: nu verklaart hij waarom hij hun zulke vereeniging bovenal verboden heeft, te weten, omdat zij de uitwendige afgoderij niet langer onder de zonde rekenden. Deze dartele vrijheid had hij in den voorgaanden zendbrief bestraft, en met vele woorden verzwaard: nochtans is het waarschijnlijk, dat zij niet allen overwonnen waren om den raad aan te nemen, welken hij gegeven had: daarom heeft hij over de nauwheid der ingewanden geklaagd, welke alleen den voortgang verhinderde Hij herhaalt niet wederom het bewijs in het breede, maar is met een korte vermaning tevreden: gelijk wij plegen te doen, wanneer wij van bekende dingen spreken: hoewel in die kortheid der woorden, laat hij niet na scherpelijk te steken. Want wat groote kracht is zelfs in dit eene woord, als hij leert, dat de tempel Gods geen overeenkoming heeft met de afgoden ? Het is een ontheiliging van het heilige, zoo in den tempel Gods een afgod, of eenige afgodische dienst gebracht wordt. Nu, wij zijn de waarachtige tempelen Gods, zoo is het dan heiligschennis, dat wij onszelven door eenige besmetting der afgoden ontreinigen. Deze eene reden (zeg ik) moet ons als duizend redenen zijn: Zoo gij
366
2 CORINTHE 6: 16, 17. 367
een Christen zijt, wat hebt gij met de afgoden te doen? want gij zijt een tempel Gods. Maar Paulus, gelijk ik nu gezegd heb, strijdt meer met vermaning dan met leering, omdat het overbodig zou geweest zijn, van een zaak te handelen, alsof die nog twijfelachtig en duister was. Gelijk God zegt: Ik zal in hen wonen. Hij bewijst,
dat wij tempelen Gods zijn, daaruit dat God voortijds aan 't Is-raëlietische volk beloofd heeft, dat Hij midden onder hen zal wonen. Ten eerste kan God niet onder ons wonen, tenzij Hij in een iegelijk van ons wone. Want Hij belooft ons quot;dit als een bijzondere weldaad: Ik zal midden onder u wonen. En deze woning of tegenwoordigheid is niet alleen in aardsche zegeningen gelegen, maar is voornamelijk van de geestelijke genade te verstaan. Zoo beduidt hij dan niet alleen, dat God ons nabij is, alsof Hij in de lucht woonde, om rondom ons te vliegen, maar geeft meer te kennen,
dat Hij in onze harten een woonstede heeft. Zoo iemand dan tegenwerpt, dat het Grieksche woord in, niet anders beduidt dan onder,
ik laat het toe: maar daaruit, dat God belooft, dat Hij onder ons wonen zal, zeg ik, dat ook verstaan wordt, dat Hij ook in ons woont. En zoodanig was het teeken der ark, waarvan melding gemaakt wordt bij Mozes in die plaats, waaruit Paulus dit getuigenis gehaald heeft, te weten, Lev. 26: 12. Zoo iemand meent, dat Paulus gezien heeft op Ezechiël 37 : 27, zoo zal het nog dezelfde reden zijn.
Want in de beschrijving der wederoprichting der gemeente, meldt de profeet als het voornaamste goed, de tegenwoordigheid Gods, welke Hij in den beginne door Mozes beloofd had. Nu, wat door de ark afgebeeld was, is ons volkomenlijker in Christus bewezen, als Hij ons geworden is Immanuël. Op grond waarvan ik meer geloof, dat dit uit Ezechiël gehaald is, dan uit Mozes: omdat Ezechiël ook mede op het teeken der ark ziet, en belooft, dat het in het rijk van Christus zal volbracht worden. Voorts, neemt de apostel dit voor zeker en bekend, dat God nergens woont dan in een heilige plaats. Zoo men van een mensch zeide: Hij woont hier, zoo zal daar niet terstond een tempel zijn, maar een gewoon huis: maar dit is bijzonder in God, die alle plaats heiligt, in welke Hij verwaardigt tegenwoordig te zijn.
17 Daarom, gaat uit midden van hen. Deze vermaning is genomen uit Jes. 52:11, waar de profeet het volk verlossing verkondigende, ten laatste tot de priesters spreekt met deze woorden.
Want bijwijze van omschrijving beduidt hij de priesters, als hij zegt:
Gij, die de vaten des Heeren draagt: want den priesters was de bezorging der vaten bevolen, met welke de offeranden en andere deelen van den dienst Gods volbracht werden. Hij heeft ze zonder twijfel willen vermanen, dat zij, dewijl zij met vurige begeerte den dag hunner verlossing verwachtten, zich wel wachten zouden van alle besmetting van zoo vele onreinigheden, waarvan het land vol was.
Dit dient zoowel ons heden, als voortijds den Levieten: want zoo in de bewaarders der vaten zulke groote reinigheid geëischt wordt,
hoeveel te grooter reinheid wordt geëischt in de vaten zeiven ? Nu, al onze leden zijn vaten tot den geestelijken dienst Gods verordend, en wij zijn ook een koninklijk priesterdom. Zoo dan, dewijl wij door Gods 1 Petr. 2:9. genade verlost zijn, zoo is het recht, dat wij ons onbesmet houden jpâ¢1quot;quot; 1:6; van alle onreinigheid, opdat wij het heilige des Heeren niet besmetten. Voorts, gelijk wij in deze wereld zijnde, nochtans verlost
2 CORINTHE 6: 17, 18â7 ; 1.
zijn van de besmettingen der wereld: alzoo moet men niet uit de wereld verhuizen om uit alle onreinigheid te gaan, maar men moet alleen alle gemeenschap en deelhebben aan de boosheid vlieden. De inhoud is: Zoo wij met waarachtige genegenheid des harten staan naar de weldaad des Verlossers, zoo moeten wij toezien, dat wij ons door geenerlei aanroering van onreinigheid besmetten.
iS Ik zal u tot een Vader wezen. Deze belofte wordt niet alleen in e'en plaats gevonden, maar diknmals verhaald: welke Pau-lus daarom hierbij heeft gesteld, opdat de kennis zulker groote heerlijkheid, waartoe God ons verheven heeft, ons een prikkel zou zijn tot meerdere liefde en oefening in godzaligheid. Want als de Heere zijn gemeente wederopgericht heeft, diezelve uit de godde-looze heidenen verzamelende, zoo volgt op de verlossing deze vrucht, dat de geloovigen openbaar worden zijne zonen en dochteren te zijn. Het is geen kleine eer, dat wij onder de kinderen Gods gerekend worden: wij moeten wederom toezien, dat wij ons niet bewijzen ontaarde kinderen en bastaarden te zijn: want wat groot onrecht doen wij Gode, zoo wij Hem Vader noemende, ons met der afgoden gruwelen ontreinigen? Zoo moet dan het bedenken van zulken hoogen adel, waartoe wij verheven zijn, de liefde en oefening in heiligheid en reinigheid in ons vermeerderen.
i Dewijl wij dan deze beloften. God voorkomt ons in zijne beloften door zijn zuivere genade: maar als Hij ons zijn genade uit eigen beweging gegeven heeft, zoo eischt Hij van ons terstond Gen. 17: i. onderlinge dankbaarheid. Alzoo, dat Hij tot Abraham zeide: Ik ben uw God, dat was een roeping uit onverdiende goedheid; toch stelt Hij ook mede zijn eisch daarbij: Wandel voor Mij, en wees oprecht. Doch wijl dit tweede stuk niet altijd uitgedrukt wordt, zoo vermaant Paulus, dat deze conditie in alle beloften te verstaan is, dat zij ons opwekkingen moeten zijn om de eere Gods te bevorderen. Want waaruit neemt hij een reden om ons op te wekken? daaruit, dat God ons verwaardigt zulke groote eer te doen. Zoo is dan dit de natuur der beloften, dat zij ons tot heiligheid roepen, als met een stilzwijgenden eisch des verbonds door God gesteld: en wij weten, wat de Schrift alom van het einde onzer verlossing leert, hetwelk behoort bij alle getuigenissen zijner -genade gevoegd te worden. Van alle onreinigheid des vleesches en des geestes. Dewijl hij geleerd heeft, dat wij tot reinigheid geroepen zijn, zoo stelt hij nu daarbij, dat die reinigheid zoowel in het lichaam als in de ziel moet gezien worden. Want dat het woord vleesch, hier genomen wordt voor lichaam, en geest voor ziel, is daaruit genoeg openbaar: svant zoo door het woord geest, de genade der wedergeboorte verstaan werd, zoo zouden Paulus' woorden ongepast zijn, van de besmettingen des geestes. Zoo wil hij dan, dat wij zuiver zijn van besmettingen, niet alleen van inwendige besmettingen, waarvan God alleen getuige is, maar ook van uitwendige, welke vallen onder het oordeel der menschen; alsof hij zeide: Wij moeten niet alleen zuivere conscientiën hebben voor God, maar wij moeten ook het gansche lichaam, en al de leden Hem heiligen, opdat nergens eenige onreinigheid in ons gezien worde. Nu, zoo wij aanmerken wat zaak hij hier behandelt, zoo zullen wij lichtelijk zien, dat die veel te onbeschaamd handelen, die de uitwendige afgoderij, ik weet niet met wat uitvluchten ontschuldigen.
368
2 CORINTHE 7:1, 2.
Want dewijl de inwendige goddeloosheid en het bijgeloof besmetting des Geestes is, wat zullen zij door de besmetting des vleesches verstaan, dan de uitwendige belijdenis der goddeloosheid, die geveinsd wordt of van harte gedaan wordt? Zij roemen van een zuivere conscientie, en dit valschelijk; doch of ik hun dat toestond, waarvan zij valschelijk roemen, zoo hebben zij niet meer dan de helft van wat Paulus van de geloovigen eisclit. Zoo moeten zij dan niet denken, dat zij met deze helft God kunnen voldoen: want wie ganschelijk een schijn of teeken der afgoderij geeft, of aan booze en bijgeloovige plechtigheden gemeenschap heeft: ofschoon zijn hart nog zoo oprecht ware, wat niet kan geschieden, zoo moet hij nochtans aan de verontreiniging zijns lichaams schuldig zijn. De heiligmaking volbrengende. Dewijl het Grieksche woord somtijds beduidt volbrengen, somtijds de heilige ceremoniën uitvoeren, zoo heeft Paulus het hier fijnelijk en gepast in de eerste beteekenis gebruikt, welke gewoonlijker is: nochtans alzoo, dat hij op de heiliging ziet, van welke hij nu spreekt. Want dewijl het volmaaktheid beduidt, zoo schijnt het met opzet gebruikt te worden, als men van de heilige diensten spreekt, omdat in den goddelijken dienst niets moest gebroken, noch lam, maar alles volkomen moest zijn. Zoo dan, om uzelven behoorlijk Gode te heiligen, moet gij beide, lichaam en ziel, geheel en al Hem wijden. In de vreeze Gods. Want zoo de vreeze Gods in ons plaats heeft, zoo zullen wij onszelven zoo niet overgeven, en die dartele stoutheid, die in de Corinthiërs was, zal alzoo niet uitbreken. Want hoe komt het, dat velen zichzelven alzoo behagen in de uitwendige afgoderij, en zoo hoovaardig zulk een grove feil beschermen, dan omdat zij meenen vrijelijk en ook ongestraft God te bespotten? Ware het, dat de vreeze Gods in hen ile overhand had, zoo zouden zij zonder door eenige redenen gedwongen te zijn, terstond in het eerste oogenblik alle beuzelingen laten varen.
2 Vat ons: wij hebben niemand onrecht gedaan, wij hebben nie- !) Of, gemand verdorven '), wij hebben niemand bedrogen.
3 Ik zeg dit niet om u te veroordeelen: want ik heb nu boven gezegd, dat gij in onze harten zijt, om mede te sterven en mede te leven.
4 Ik heb groot betrouwen op u; ik heb grooten room van u; ik
ben bovenmate vervuld met vertroosting; ik bon zeer over-5:12. vloedig in blijdschap in al onze verdrukking: fü. 2; 17.
5 Want toen wij naar Macedonië gekomen waren, zoo had ons Cul- 1:24:-vleesch geen rust: maar waren in alles verdrukt, van buiten Hana. IC: 19, strijd, van binnen vrees.
6 Maar God, die de nederigen vertroost, heeft ons vertroost door 2 Cor. i: 4. de komst van Titus.
7 En niet alleen door zijn komst, maar ook door de vertroosting,
die hij van u ontvangen had, ons verkondigende uwe begeerte, uwe tranen, uwen ijver voor mij, zoodat ik meer blijdschap had.
2 Vat ons. Wederom komt hij van de leer op zijn persoon:
maar alleen tot dit einde, opdat hij de Corinthiërs vermanende,
niet tevergeefs arbeide. Ja, hij besluit de naastvoorgaande verma-
Dl. 11. 24
369
t de noet den. rten dat
niet Muleta zou de Ide-eze s i te
ge-
be- j oot net ^en
;fe-.
ine uit nd
en elt
'P- 1
oo is,
)e-n?
oo ;n,
sn
rt,
te s.
gt;0
â Is
370
ning met dezelfde uitspraak, die hij in de plaats eener voorrede gebruikt had. Want wat is dit: Vat ons? Het is zooveel, als wat hij boven gezegd heeft: Wordt uitgebreid, dat is, laat de booze genegenheden of kwade meeningen u niet verhinderen deze leer in uw hart te ontvangen. Want dewijl ik met vaderlijken ijver naar uwe zaligheid sta, zoo zou het niet betamen, dat ik den dooven zong. quot;Wij hebben niemand onrecht gedaan. Hij betuigt, dat er geen oorzaak is, waarom hun hart van hem zou vervreemd zijn, dewijl hij ze in niets tekort gedaan heeft. Hij stelt drieërlei verhindering, van welke hij zichzelven betuigt vrij te zijn. Het eerste is, openbaar ongelijk; het ander is, verderving, die door valsche leer geschiedt; het derde is, bedrog in goed. Dit zijn drie. dingen, waardoor de herders in 't gemeen het hart des volks van zich plegen te vervreemden, te weten, als zij te stout zijn, en onder voorwending hunner autoriteit, tot tirannische wreedheid of ongeschiktheid uitbreken; of als zij die van den rechten weg afleiden, die zij behoorden recht en wel te leiden, en hun verdorvenheden der valsche leer ingeven; of, als zij naar eens anders goed staande, hunne onmatige begeerlijkheid openbaren. Zoo iemand het liever korter heeft, het eerste is wreedheid en misbruik van autoriteit door onmatige hoovaardigheid; het tweede is, ongetrouwheid in het leeren; het derde is, gierigheid.
3 Ik zeg dit niet om u te veroordeelen. Dewijl de bovengeschreven verontschuldiging een schijn van dreiging had, en men kwalijk kan klagen zonder verwijten, daarom matigt hij wat hij gezegd heeft. Ik (zegt hij) verontschuldig mijzelven alzoo, dat ik mij wil onthouden van u lastering of smaadheid aan te doen. De Co-rinthiërs waren onbeleefd, en waardig dat Paulus vrijgesproken, en zij in zijn plaats gesteld zouden worden; ja, dat zij dubbel beschuldigd werden, te weten, van ondankbaarheid, en dat zij den onschuldige gelasterd hadden. Maar de apostel gebruikt zulke matigheid daarom, dat hij met eenvoudige beschuldiging tevreden zijnde, niet wederom lastert. Want ik heb nu boven gezegd. Degenen, die liefhebben, lasteren niet, maar zoo er iets gezondigd is, bedekken zij 't liever, alsof zij het niet zagen, of verzoeten het met zachtmoedigheid. Want dat men begeert te verwijten, is een teeken van haat. Daarom, als Paulus wil bewijzen, dat hij de Corinthiërs niet heeft willen bezwaren, zoo verhaalt hij zijn liefde tot hen; hoewel, hij veroordeelt ze voorwaar eensdeels, hetwelk hij nochtans ontkent. Maar gelijk tusschen gal en edik groot onderscheid is, alzoo is er ook groot onderscheid tusschen de veroordeeling, waarmede wij een mensch uit haat kwellen, om hem met schande en oneer te bezwaren, en de veroordeeling, waardoor wij zoeken den zondaar wederom tot den rechten weg te brengen, opdat hij met zaligheid ook zijn eer ongeschonden terugkrijge. Dat gij in onze harten zyt. Dat is, ik draag u in mijn hart besloten, om mede te sterven en mede te leven; dat is, dat onze liefde door geen verandering verscheurd worde; want ik ben bereid, niet alleen met u te leven, maar ook met u te sterven, zoo het noodig is, en liever alles te doen dan u de vriendschap op te zeggen. Zie, hoe alle herders behooren gezind te zijn.
4 Ik heb groot betrouwen op u. Nu, alsof hij die opening des harten, die hij in de Corinthiërs begeerde, verkregen had, alzoo
2 CORINTHE 7:4, 5.
laat hij het klagen varen, en stort zijn hart blijmoediglijk uit, alsof hij zeide: Wat is het noodig in een gedane zaak meer arbeids te doen? Want ik acht, dat ik nu heb wat ik begeerde: want wat Titus mij van u verhaald heeft, is niet alleen genoeg om mijn hart tevreden te stellen, maar geeft ook oorzaak om gerust van u te roemen : ja, mijn droefheid, die ik uit vele zware zaken had, is daardoor afgewischt. Hij gaat bij trappen voort, deze zaak verheffende: want roemen is meer dan gerust van harte te zijn; en van de droefheid, die hij uit vele verdrukkingen had, verlost te worden, is meer dan die beide. Chrysostomus duidt dit betrouwen een weinig anders, aldus: Dat ik vrijelijk met u handel is daarom, omdat ik, op uwe goedwilligheid, die gij tot mij draagt, betrouwende, meen mij zooveel van u geoorloofd te zijn. Maar ik heb gesteld wat mij allerbest dacht, te weten, dat die kwade meening, waardoor zijn hart tevoren gekweld was, door Titus' verhaal is weggenomen.
5 Want toen wij naar Macedonië gekomen waren. De grootheid der droefheid bewijst, hoe krachtig de vertroosting geweest is. Ik werd (zegt hij) van alle zijden benauwd, zoowel door inwendige als door uitwendige verdrukkingen: nochtans is desniettegenstaande, die blijdschap, die ik van u heb, grooter, ja overvloediger geweest. Dat hij zegt, dat zijn vleesch geen rust had, is zooveel alsof hij zeide: Naar den mensch had ik geen verlichting. Want de geestelijke vertroostingen zondert hij uit, waardoor hij intusschen opgehouden en verlicht was. Zoo was hij dan niet alleen naar het vleesch, maar ook naar den Geest verdrukt; zoodat hij naar den mensch niets gevoelde, dan uitnemende groote bitterheid der zwarigheid. Van buiten strijd, van binnen vrees. Door den stryd, verstaat hij uitwendige aanvallen, waardoor hij van de tegenstanders beroerd werd. Door de vrees, verstaat hij die benauwdheden, die hij leed uit de inwendige krankheden der gemeente: want hij werd niet zoozeer benauwd door zijn eigen kwaad, als door het algemeen kwaad der gemeente. Zoo wil hij dan zeggen, dat hij niet alleen van openbare vijanden gekweld was, maar dat hij desniettemin zoo groote zwarigheid geleden heeft van de huisgenooten. Want hij zag, hoe groote zwarigheid in velen, ja in allen was, en intusschen met hoe-vele en menigerlei listen de duivel alles zocht te verstoren: hoe weinige verstandigen, hoe weinige oprechten, hoe weinige stand-vastigen er waren; en op de andere zijde hoe vele deugnieten, en onnutten, of eergierigen, of roerzieke menschen er waren Onder welke zwarigheden de dienstknechten Gods moeten beven en benauwd zijn; en dat des te meer, omdat zij gedwongen worden vele zwarigheden op te eten, om den vrede der gemeenten te bevorderen. Zoo heeft hij dan eigenlijk gesproken, toen hij zeide: Van buiten strijd, van binnen vrees. Want de getrouwe herders stellen zich-zelven met openbaren krijg tegen de vijanden, die openlijk het rijk van Christus bestrijden; maar van binnen branden zij, en lijden heimelijke kwellingen, als zij zien, dat de gemeente met inwendig kwaad bevangen is, om hetwelk te verdrijven, zij niet bestaan openlijk de trompetten te steken. En hoewel hij bijna in eeuwigen strijd was, zoo is het waarschijnlijk, dat hij toen zwaarder benauwd was dan hij placht. Voorwaar, de dienstknechten van Christus zijn bijna nooit van vreeze vrij, en Paulus was ook zeer zelden vrij van uit-wendigen strijd: maar toen werd hij zeer benauwd. Strijd en vrees
371
2 CORINTHE 7:5â7.
stelt hij in het meervoud, daarmede beduidende, dat hij veelszins moest strijden, en tegen verscheiden vijanden: en dat daar ook menigerlei vreeze geweest is.
6 Die de nederigen vertroost. Dit stelt hij als een oorzaak; want hij verstaat, dat hij daarom vertroosting heeft verkregen, omdat hij door kwaad vernederd en bijna overvallen was: omdat God de nederigen, dat is, de neergeworpenen pleegt te troosten. Waaruit men zeer nuttige leer kan nemen, dat ons zooveel te grooter vertroosting van God bereid is, hoe meer wij verdrukt zullen zijn. Zoo dan, in deze woorden is een bijzondere belofte vervat, alsof daar gezegd wordt, dat het eigen ambt Gods is, de ellendige en nederge-worpene menschen te vertroosten.
7 En niet alleen door zijn komst. Opdat de Corinthiërs niet zouden tegenwerpen en zeggen: Wat gaat het ons aan, dat Titus u door zijn komst verblijd heeft? dewijl gij hem liefhadt, zoo zijt gij door zijne tegenwoordigheid verblijd geweest: daarom zegt hij, dat de oorzaak zijner blijdschap geweest is, dat Titus, van hen wedergekomen zijnde, van alles blijde boodschap bracht. Zoo verklaart hij dan, dat hij niet zoozeer door de tegenwoordigheid eens menschen, als door den voorspoedigen stand der Corinthiërs is verblijd geweest. Uwe begeerte, uwe tranen. Zie welke blijde dingen Paulus verteld zijn van de Corinthiërs. De begeerte kwam daarvan, dat zij de leer van Paulus groot achtten. De tranen waren een teeken der eerbiediging, omdat zij door zijn bestraffing bewogen zijnde, hunne zonden beweenden. 13e ijver was een bewijs der goedwilligheid. Uit deze drie dingen verstond hij hun bekeering: waarmede hem volkomen genoeg-gedaan was, want zijn voornemen of zorg was niet anders, dan om hun zaligheid te bevorderen. Zoodat ik meer blijdschap had. Dat is, zoodat alle droefheid en zwarigheid door de blijdschap overwonnen werd. Hieruit is het openbaar, niet alleen met wat grooten ijver des harten hij het gemeene welzijn der gemeente begeerde, maar ook hoe zacht en vriendelijk hij was van aard, die zulke zware verongelijkingen zoo haastelijk kon vergeten. Hoewel, dit kan ook anders geduid worden, zoodat het samenhangt met het volgende; en ik weet niet, of deze zin met Paulus' meening 't best overeenkomt; maar dewijl daarin weinig gelegen is, zoo ga ik het te lichter voorbij.
8 Want hoewel ik u in den zendbrief bedroefd heb, dat berouwt mij niet, hoewel bet mij berouwd heeft: want ik zie, dat die zendbrief, hoewel voor een tijd, u bedroefd heeft.
9 Nu ben ik blijde, niet dat gij zijt bedroefd geweest, maar dat gij zijt bedroefd geweest tot bekeering: want gij zijt bedroefd geweest naar God, alzoo dat in u geen ding van ons schade is gedaan.
iPetr. 1:19. 10 Want de droefheid, die naar God is, werkt een onberouwelijk
Sir. 30:24. berouw tot zaligheid: maar de droefheid der wereld werkt
den dood.
11 Want ziet, ditzelfde dat gij naar God zijt bedroefd geweest, wat groote naarstigheid heeft het in u voortgebracht ? ja bescherming, ja verontwaardiging, ja vreeze, ja begeerte, ja ijver, ja wraak.
372
2 CORINTHE 7 : 8, 9.
8 Want hoewel ik u. Nu begint hij zichzelven bij de Corinthiers te verontschuldigen, dat hij ze in den voorgaanden zendbrief wat hard behandeld had. En men moet aanmerken, hoe verscheiden hij met hen handelt, zoodat hij schijnt verscheidene personen aan te nemen: de oorzaak is, dat hij tot de gansche gemeente spreekt, en in de gemeente hadden sommigen een kwaad gevoelen van hem; sommigen hielden hem in grooter waarde, gelijk hij 't waardig was; sommigen waren twijfelachtig, sommigen zeker; sommigen waren leerzaam, sommigen hardnekkig. In deze verscheidenheid der menschen moest hij zijne woorden nu her- dan derwaarts wenden, om zichzelven tot een iegelijk te voegen. Nu, den aanstoot der strengheid, dien hij gebruikt had, verzacht hij, of neemt hem veeleer weg, daarmede dat hij zegt, dat het gediend heeft tot zaligheid. Ik acht, zegt hij, zoozeer op uwe zaligheid, dat het mij behaagt, dat ik zie u tot zaligheid bevorderlijk geweest te zijn. Deze matiging heeft dan eerst plaats, als de leeraar door bestraffing zoo grooten voortgang gemaakt heeft, als er noodig was. Want had hij der Corinthiers gemoed nog hardnekkig gevonden, en geen vrucht op zulke groote berisping, zoo zou hij voorwaar niet afgelaten hebben van zijn voorgaande strengheid. Men moet aanmerken, dat hij blijde is, dat hij die bedroefd heeft, die hij liefhad; want hij wilde liever hun bevorderlijk zijn dan behagen. Maar wat wil hij, als hij zegt: Hoewel het mü berouwd heeft; want zoo wij bekennen, dat liet Paulus mishaagde, wat hij geschreven had, zoo zal geen kleine ongeschiktheid daaruit volgen, te weten, dat de Eerste zendbrief meer door onvoorzichtige beweging geschreven is, dan door de beweging des Geestes. Ik antwoord, dat het woord berouwen, hier oneigenlijk genomen wordt voor droefheid hebben. Want toen Paulus de Corinthiers bedroefde, zoo was hij ook zelve de droefheid deelachtig, en maakte eenigszins zichzelven bedroefd. Zoo is het dan zooveel alsof hij zeide: Hoewel ik tegen mijn wil u gegispt heb, en dat het mij leed was, dat ik tegen u hard moest zijn, zoo is liet mij nu niet meer leed om deze oorzaak, dewijl ik zie, dat het u nut geweest is. Laat ons van een vader een exempel nemen: want een vader maakt zwarigheid in zijn strengheid, wanneer hij zijn zoon kastijdt: nochtans acht hij het goed, omdat hij ziet, dat het zijn zoon heilzaam is. Alzoo had Paulus geen lust, dat hij de Corinthiers verbitterde: maar dewijl hij oorzaak zijns doens had, zoo wilde hij liever zijn ambt volbrengen, dan zijn lust volgen. Want ik zie. Hier is een afgebroken vervolg der woorden: hoewel de klaarheid des zins daardoor niet wordt verkort. Ten eerste zegt hij, dat hij nu uit de zaak zelve bevonden heeft, dat de Eerste zendbrief, hoewel hij voor een tijd onaangenaam was, nochtans ten laatste den Corinthiers nut geweest is: daarna zegt hij, dat hij om deze nuttigheid verblijd is.
9 Niet dat gij zijt bedroefd geweest. Hij geeft te kennen, dat hij geen behagen heeft in hun droefheid: maar dat hij, zoo hij zijn wensch mocht hebben, liever wilde met eenzelfde moeite hun zaligheid en blijdschap tegelijk bevorderen; maar dewijl het niet anders kon geschieden, zoo heeft hij hun zaligheid zoozeer geacht, dat hij blijde is, dat zij bedroefd geweest zijn tot bekeering. Want daar zijn somtijds medicijnmeesters, die anders wel goed en getrouw zijn, doch hard zijn en de zieken niet sparen. Paulus zegt, dat hij zoo-
373
2 CORINTHE 7 ; 9, 10.
danig niet is, dat hij scherpe remediën zou gebruiken, dan door nood gedwongen. En dewijl het hem wel vergaan was, dat hij zulke remedie beproefd had, zoo verblijdt hij zich daarin. Hij heeft bijna zulk een wijze van spreken gebruikt boven, hfdst. 5:4; Wij zuchten in dezen tabernakel, beladen zijnde, omdat wij niet ontkleed, maar overkleed willen worden.
io De droefheid, die naar God is. Ten eerste, opdat wij weten wat deze woorden, naar God, beduiden, zoo moet men de tegenstelling aanmerken; want de droefheid, die naar God is, stelt hij tegen de droefheid der wereld. Laat ons nu ook de tegenstelling der tweeërlei blijdschap nemen: Blijdschap der wereld is, wanneer de menschen dwaselijk en zonder vreeze des Heeren zich verheugen in ijdele dingen, dat is in de wereld, en in vergankelijken voorspoed dronken zijnde, niet hooger opzien dan tot de aarde: maar blijdschap naar God is, als de menschen allen voorspoed in God stellen, en in zijn genade rusten: en datzelve met verachting der wereld bewijzen, den aardschen voorspoed alzoo gebruikende, alsof zij dien niet gebruikten, en in tegenspoedige dingen blijmoedig zijnde. Zoo is dan droefheid der wereld, als de menschen om aardsche verdrukkingen den moed verloren geven, en met droefheid overvallen worden; maar droefheid naar God is, die op God ziet, als de menschen dat alleen voor ellendigheid achten, van Gods genade uitgevallen te zijn: als zij door vreeze zijns oordeels verslagen zijnde, hunne zonden beweenen. Deze droefheid stelt Paulus tot een oorzaak en oorsprong der bekeering, hetwelk men naarstig moet aanmerken. Want tenzij de zondaar zichzelven mishage, zijn leven hate, en door de kennis zijner zonde ernstig droef zij, zoo zal hij nimmermeer zich tot God bekeeren: wederom kan zulke droefheid in den mensch niet zijn, zonder een nieuw gemoed te maken. Zoo begint dan de bekeering met droefheid, en dat om deze oorzaak, die ik gezegd heb, te weten, omdat niemand zich kan bekeeren, dan die de zonde haat: en waar haat der zonde is, daar is mishagen aan zichzelven en droefheid. De woorden zijn schoon gekozen, als liij zegt: Een onberouwelrjk berouw; want hoewel het in het eerste smaken een bitter iets is, zoo wordt het nochtans door zijn nuttigheid begeerlijk. Hoewel, men kon het woord onberouwelrjk, zoowel voegen bij de zaligheid, als bij het berouw en de bekeering: maar liet schijnt mij 't best te rijmen met berouw, alsof hij zeide, dat wij door de uitkomst zelve geleerd worden, dat de droefheid ons niet behoort zwaar en moeielijk te zijn: alzoo, al is het dat het berouw in zich wat bitters schijnt te bevatten, zoo wordt het nochtans gezegd onberouwelijk te zijn, om de dierbare en zoete vrucht, die daaruit voortkomt. Tot zaligheid. Het schijnt dat Paulus wil zeggen, dat het berouw een oorzaak der zaligheid is geweest: zoo dit waar ware, zoo zou daaruit volgen, dat wij door werken gerechtvaardigd worden. Ik antwoord, dat men moet aanmerken, waarvan Paulus hier handelt: want hij handelt hier niet van de oorzaak der zaligheid, maar hij prijst alleen het berouw om zijn vrucht, die daaruit voortkomt, zeggende, dat het is als een weg, waardoor wij tot de zaligheid komen, en dat terecht. Christus roept ons uit genade, doch tot berouw en bekeering: God vergeeft ons de zonden uit genade, doch niet anders dan als wij ze laten. Ja God werkt beide te zamen in ons, dat wij door bekeering vernieuwd
374
2 CORINTHE 7 ; 10. 11.
zijnde, van de dienstbaarheid der zonde verlost worden; en door het geloof gerechtvaardigd zijnde, ook van de vervloeking der zonde verlost worden. Zoo zijn dan deze gaven niet te scheiden, en om de onafscheidelijke eenheid, mag het berouw en de bekeering bekwa-melijk en eigenlijk gezegd worden een inleiding tot zaligheid te zijn: maar naar deze wijze wordt meer beduid, wat het gevolg dan wat de oorzaak is. Dit zijn geen listige scherpzinnigheden om te ontvlieden, maar is een ware en eenvoudige oplossing. Want als de Schrift leert, dat wij nimmermeer vergeving der zonden zonder berouw en bekeering verkrijgen, zoo stelt zij nochtans alom de eenige barmhartigheid Gods oorzaak te zijn, om dezelve te verkrijgen.
ii Hoe groote naarstigheid. Ik wil niet disputeeren, of deze dingen, die Paulus hier verhaalt, vruchten zijn, of deelen, of voorbereidingen des berouws en der bekeering: want dit is al niet noodig om den zin van Paulus te verstaan; want hij bewijst alleen de bekeering der Corinthiërs uit teekenen of aanhangende dingen. Hoewel, hij stelt de droefheid naar God tot een begin en oorsprong, waaruit al die dingen voortvloeien, gelijk het in der waarheid is. Want van dat wij begonnen zijn onszelven te mishagen, zoo worden wij tot eenige dingen opgewekt. Wat het woord naarstigheid beduidt, kan men uit het tegengestelde verstaan; want zoolang er geen belijdenis der zonden is, zoo liggen wij slaperig en onachtzaam. Zoo is dan ongevoeligheid, of onachtzaamheid, of zorgeloosheid, het tegendeel van de naarstigheid, die hij meldt. Zoo dan, naarstigheid is niet dan strenge poging om te beteren wat gezondigd is, en het leven tot beter te veranderen. Ja bescherming. Omdat Erasmus overgezet had voldoeningen, zoo hebben de on-geleerden, door de twijfelachtigheid des woords bedrogen zijnde, het getrokken tot de papistische voldoeningen. Om deze oorzaak heb ik met den ouden overzetter gesteld bescherming. Maar men moet aanmerken, dat hier een soort bescherming beduid wordt, die meer in afbidding gelegen is dan in verontschuldiging. Gelijk een zoon, die begeert zich voor zijn vader te verontschuldigen, zich-zelven niet behoorlijk en volkomen durft te verontschuldigen, maar zich verontschuldigt niet vermetel, maar meer ootmoedig de schuld bekennende. De geveinsden verontschuldigen zichzelven ook, ja zij beschermen zichzelven hoovaardig, maar meer om met God te kijven, dan om met Hem verzoend te worden; en zoo iemand het woord verontschuldigen liever heeft, ik misprijs het niet: want de zin zal op hetzelfde neerkomen, te weten, dat de Corinthiërs bewogen zijn geweest om zichzelven te verontschuldigen, daar zij tevoren op het oordeel van Paulus niet achtten. Ja verontwaardiging. Deze genegenheid komt ook na de heilige droefheid, dat de zondaar tegen zijn zonden en tegen zichzelven ontstoken wordt, gelijk ook al degenen, die rechten ijver hebben, branden, wanneer zij zien dat God vertoornd wordt. Deze beweging is strenger dan de droefheid. Want de eerste trap is, dat ons het kwaad mishage; de tweede is, dat wij door verbolgenheid ontstoken zijnde, onszelven strengelijk drijven, zoodat de conscientiën ernstige knepen voelen. Hoewel, men kan de verontwaardiging hier nemen voor de verbolgenheid der Corinthiërs tegen de feilen van dezen of genen, dien zij tevoren toegegeven hadden: alzoo berouwde hun hun eendrachtigheid of veinzing. Vreeze, is uit het gevoel van het oordeel
375
376 2 CORINTHE 7 : 11.
Gods, als de zondaar denkt: Zie, gij moet rekenschap geven, en wat zult gij voortbrengen voor zulk een grooten Rechter? want met zulke gedachten verslagen zijnde, wordt hij bevreesd. En dewijl somtijds de goddeloozen ook met zulke vreeze geroerd worden, zoo stelt hij daarbij ook begeerte, welke beweging meer met wil is dan de vreeze: want wij vreezen dikmaals ook onwillens, maar wij be-geeren nooit anders dan willens. Zoo dan, gelijk zij door Paulus' vermaning de straf vreesden, alzoo stonden zij blijmoedig naar bekeering. Maar wat zullen wij verstaan door het woord ijver? Hij heeft ongetwijfeld trapsgewijze willen opklimmen; zoo drukt het dan meer uit dan het woord begeerte. Zoo kunnen wij het dan verstaan, dat zij om strijd elkander â opwekten; maar dit is eenvoudiger, dat een iegelijk met groote vurige naarstigheid bekeering zocht te bewijzen; alzoo is ijver zooveel als ijverige begeerte. Ja wraak. Wat wij van de verontwaardiging gezegd hebben, moet men ook tot de wraak strekken: want die booze daad, die zij door de bedekking en toegeving gevoed hadden, hebben zij daarna strengelijk gewroken. Zij hadden een tijdlang dien verdragen, die de bloedschande begaan had; maar van Paulus vermaand zijnde, zijn zij niet alleen niet langer hem gunstig geweest, maar zijn ook zeer streng geweest in hem te straffen. Dit was de wraak. Voorts, dewijl wij de zonden moeten wreken alom waar zij zijn, en niet alleen dat, maar bovenal van onszelven moeten beginnen, zoo strekt het verder wat de apostel hier zegt; want hij spreekt hier van de teekenen der bekeering. Dit is onder andere een van het voornaamste, als wij de zonden bestraffende, eenigszins het oordeel Gods voorkomen: gelijk hij ergens leert, zeggende: Zoo wij onszelven oordeelden, zoo zouden wij van den Heere niet geoordeeld worden. Nochtans moet men hieruit niet verstaan, dat de menschen zichzelven bestraffende, Gode voldoen, en zichzelven van zijn hand verlossen, maar het is aldus: Dewijl Gods voornemen is, ons door kastijding de zorgeloosheid te benemen, opdat wij van zijnen toorn vermaand zijnde, voor later toezien; wanneer de zondaar vanzelf gewillige straf voorneemt, zoo maakt hij, dat hem zulke vermaning nu niet noodig is. Hier wordt gevraagd, of de Corinthiërs zoowel in deze straf als in ijver, begeerte, op Paulus gezien hebben, of op God. Ik antwoord, dat deze dingen altijd bij de bekeering zijn. Maar er is onderscheid, of iemand heimelijk voor God gezondigd heeft, of openlijk voor de wereld. Als iemand in 't verborgen gezondigd heeft, zoo is het genoeg, zoo hij voor God alzoo bewogen is: maar wanneer de zonde openbaar is, dan is daar ook openbare bekeering noodig. Alzoo, dewijl de Corinthiërs openlijk met zwaren aanstoot der goeden gezondigd hadden, zoo moesten zij hun bekeering met deze teekenen betuigen.
Gij hebt u alleszins bewezen rein te zijn in deze zaak.
12 Daarom, dat ik geschreven heb, was niet om diens wil, die onrecht gedaan had, noch om diens wil, die onrecht geleden
i) Of, onze had, maar opdat uwe naarstigheid voor ons ') zou openbaar
naarstigheid worden, bii u in de tea:enwoordis;heid Gods.
in ons tot u. .. .
13 Daarom hebben wij vertroosting ontvangen uit uwe vertroosting, ja wij zijn ook overvloediger verblijd geweest om de blijdschap van Titus, omdat zijn geest van u allen verkwikt is geworden-
2 CORINTHE 7:11, 12.
14 Dat ik, zoo ik iets bij hem van u geroemd heb, niet ben beschaamd geworden: maar gelijk wij alles met waarheid tot u gesproken hebben: alzoo ook is onze roem bij Titus waarheid geworden.
15 En zijne ingewanden zijn overvloediger tot u genegen geweest, als hij in gedachtenis brengt uwer aller gehoorzaamheid, hoe gij hem met vreeze en beven ontvangen hebt.
16 Ik ben blijde, dat ik u in alles vertrouw.
Gij hebt n alleszins bewezen. De beste verklaring van dezen zin schijnt mij te zijn deze: dat de Corinthiërs door waarachtige getuigenissen bewezen hebben, dat zij geenszins aan de zonde deel hadden, in welke zij geschenen hadden te bewilligen om hun veinzing. Hoedanige deze getuigenissen geweest zijn, hebben wij nu gezien; hoewel, Paulus verontschuldigt ze niet geheel, maar verkleint hun zonde: want die overgroote verdraagzaamheid, die zij gebruikt hadden, was niet geheel zonder schuld, maar hij bevrijdt ze alleen van de lastering der bewilliging in die booze daad. Bovendien moet men aanmerken, dat zij niet allen zonder onderscheid van schuld bevrijd worden, maar alleen het lichaam der gemeente. Want het is waarschijnlijk, dat er sommigen in de zonde bewilligd hadden, en die gunstig waren; maar daar zij allen te zamen met oneer beladen waren, is het daarna openbaar geworden, dat de schuld alleen weinigen toekwam.
ia Daarom, dat ik u geschreven heb. Hij doet gelijk die plegen, die verzoening zoeken: hij wil dat al het voorgaande begraven zal zijn. Hij verwijt, noch straft, en klaagt niet meer, hij vergeet alles, omdat hij met hun bekeering alleen tevreden is. En dit is voorwaar de rechte wijze, dat men de zondaars niet langer dringe, als zij tot bekeering gebracht zijn. Want zoo wij hunne feilen nog in gedachtenis brengen, zoo is het zeker, dat wij meer door kwaadwilligheid gedreven worden, dan door godzalige genegenheid, of door begeerte tot hunne zaligheid. Voorts worden deze dingen van Paulus gezegd, als door een toelating: want hij had voorwaar de ergernis bestraft, en wilde den werker der ergernis gestraft hebben; maar wat verdrietelijk was, verzwijgt hij nu, alsof hij zeide: Ik wil, dat wat ik nu geschreven heb, tot geen ander einde geschreven is, dan opdat gij mijn naarstigheid over u zoudt bekennen: al het andere willen wij nu laten varen. Anderen leggen het aldus uit, dat hij geen acht gehad heeft op een bijzonder mensch, maar dat hij op de gemeene nuttigheid aller bedacht was: maar de eerste zin is natuurlijker. Uwe naarstigheid voor ons. Dewijl deze lezing alom bij de Grieken aangenomen is, zoo heb ik niet bestaan ze ganschelijk uit te wisschen, hoewel nog in een oud handschrift staat: Onze naarstigheid, en het ook uit Chrysostomus' uitleggingen schijnt, dat de Latijnsche lezing te zijnen tijde ook bij de Grieken gebruikt was, te weten aldus: Opdat onze naarstigheid voor u zou openbaar worden, dat is, opdat het den Corinthiërs zou bekend worden, hoe zorgvuldig Paulus voor hen was. Nochtans de andere lezing, waarin nu meest al de Grieksche handschriften overeenkomen, is ook goed. Want Paulus verblijdt zich over de Corinthiërs, dat zij eerst door deze beproeving geleerd zijn, hoe hij jegens hen bewogen was, alsof hij zeide: Gij wist zeiven niet, hoe gij jegens mij genegen
377
2 CORINTHE 7 : 12â15.
waart, eer gij het in deze zaak bevonden hebt. Anderen leggen het uit van eens iegelijks bijzondere genegenheid, aldus: Opdat het onder u zou openbaar worden, hoe een iegelijk mij achtte, en dat door deze oorzaak een iegelijk zou openbaren, wat in zijn hart verborgen was. En dewijl hieraan niet veel gelegen is, zoo laat ik den lezers vrij te kiezen, wat zij willen; maar dewijl hij ook mede daarbij stelt: In de tegenwoordigheid Gods, zoo acht ik meer, dat hij dit wil zeggen, dat door deze ernstige onderzoeking een iegelijk van hen, alsof zij voor het aangezicht Gods gekomen waren, zij hem beter bekend geworden zijn dan tevoren.
13 Daarom hebben wij vertroosting ontvangen. Paulus arbeidt ganschelijk den Corinthiërs te overtuigen, dat hij niets liever heeft dan hun nut en voordeel: daarom zegt hij, dat hun vertroosting hem gemeen is geweest. De vertroosting was deze, dat zij schuld bekennende, de berisping niet alleen in het goede namen, maar ook dezelve blijmoedig aannamen: want de bitterheid der berisping wordt lichtelijk verzoet, zoo haast als wij beginnen te smaken, hoe nuttig zij ons geweest is. Dat hij daarbij stelt, dat hij overvloediger is verblijd geweest over de vertroosting van Titus, is een mede-verblijding. Titus was verblijd geweest, dat hij ze bevonden had gehoorzamer en zachtmoediger te zijn, dan het geloofelijk was, ja dat hij een haastige verandering tot beter bevonden had. Waaruit men kan verstaan, dat de zachtmoedigheid van Paulus verre van vleiing is geweest: want hij is alzoo verblijd geweest in hun blijdschap, dat hij nochtans voornamelijk op hun bekeering gesteund en gerust heeft.
14 Dat ik, zoo ik iets bjj hen. Hij geeft te kennen, hoe vriendelijk hij altijd jegens de Corinthiërs is genegen geweest, en hoe oprecht en beleefd zijn oordeel over hen altijd geweest is: want ten tijde als zij nog schenen geen lof waardig te zijn, zoo geloofde hij nochtans van hen nog vele groote dingen. Dit is voorwaar een bijzonder bewijs van een oprecht en vriendelijk gemoed, te weten, dat men die in 't aangezicht bestraft, die men !t liefst heeft: en nochtans goede hope van hen hebben, en anderen goede hope geven Deze oprechtheid behoorde hen te bewegen, niets, dat van hem kwam, kwalijk te nemen. Intusschen heeft hij door deze oorzaak wederom zijn getrouwheid in andere dingen bewezen, alsof hij zeide: Mijn oprechtheid is u dus lang bekend geweest, dat ik mijzelven in alles waarachtig en niet ijdel bewezen heb. Zoo ben ik dan blijde, dat ik ook nu waarachtig ben geweest, als ik bij anderen van u geroemd heb.
15 Zijne ingewanden zijn overvloediger. Dewijl de zetel der genegenheden is in de ingewanden, zoo wordt daardoor barmhartigheid, liefde en alle godzalige genegenheid beduid. Maar hij heeft krachtig willen beduiden, dat Titus, die de Corinthiërs tevoren liefhad, nu veelmeer ontstoken was om hen lief te hebben, en dat uit grond zijns harten. Voorts, met deze woorden brengt hij Titus bedektelijk in de liefde der Corinthiërs, gelijk het nut is, dat de dienstknechten van Christus geliefd worden, opdat zij temeer nuttig mogen zijn: hij geeft hun ook moed om wel voort te gaan, opdat zij maken, dat zij van alle goede menschen geliefd worden. Met vreeze en beven. Met deze twee woorden beduidt hij somtijds eenvoudig eerbiediging, hetwelk te dezer plaatse mogelijk niet kwa-
378
2 CORINTHE 7 : 15, 16.
lijk zou dienen. Hoewel, het mishaagt mij niet, dat het woord beven, hier bij name gesteld is, omdat zij zichzelven schuldig kennende,
zijn tegenwoordigheid vreesden. Degenen, die in hunne boosheden hardnekkig zijn, schrikken ook wel voor de tegenwoordigheid des rechters. Maar die gewillige beving, die uit edele schaamte komt, is een teeken der bekeering. Welke van deze beide uitleggingen men neemt, deze plaats leert, welke de waarachtige ontvangst der dienaren van Christus is, te weten, niet lekkere maaltijden, niet kostelijke toebereidingen, niet liefelijke of eerbiedige groetingen, niet openbare loftuitingen: in deze dingen heeft een goed en getrouw herder geen behagen; maar hij heeft volkomen verzadiging der vreugde, wanneer de leer der zaligheid met eerbied uit zijnen mond ontvangen wordt, als hij zijn autoriteit behoudt tot stichting der gemeente, en als het volk zich overgeeft onder zijn regeering, opdat het door zijn dienst onder Christus geregeerd worde;
gelijk wij hier zien in het voorbeeld van Titus. In het besluit bevestigt hij ten laatste wederom wat hij eerst gezegd had, te weten,
dat hij nooit zoo verbolgen is geweest, dat hij geheel en al de
Corinthiërs wantrouwde. i Cor. ig : 2,
2 Cor. 9 :1.
HET ACHTSTE HOOFDSTUK.
1 Ik maak u bekend, broeders, de genade Gods, die in de gemeente van Macedonië gegeven is.
2 Want in groote beproeving der verdrukking is hun blijdschap overvloedig geweest: en bun diepe armoede is overvloedig geweest tot rijkdom hunner eenvoudigheid.
3 Want ik betuig, dat zij naar hun vermogen, ja ook boven hun vermogen zijn gewillig geweest:
4 Ons met vele betuigingen biddende, dat wij de genade en de gemeenschap der bediening tot de heiligen zouden aannemen.
5 En niet gelijk wij hoopten: maar zij hebben zichzelven eerst aan God gegeven, daarna ook aan ons, door den wil Gods:
6 Dat wij Titus zouden vermanen, dat hij, gelijk hij tevoren begonnen had, alzoo ook deze genade zou voleindigen aan u.
7 Maar gelijk gij alom zijt overvloedig in geloof, en woord, en wetenschap, en alle naarstigheid, en in de liefde tot ons: alzoo maakt, dat gij ook in deze weldaad overvloedig zijt.
Dewijl zoo er eenige aanstoot door de strengheid van den Eersten zendbrief in de Corinthiërs gebleven ware, deze Pau-lus' autoriteit had kunnen verkleinen, zoo heeft hij dusver gearbeid om hun hart tot zich te trekken. Nu, als hij zich van alle ergernis verontschuldigd, en de autoriteit van zijnen dienst wederom verkregen heeft, zoo beveelt hij hun de Jeruzalemsche broeders aan, opdat zij hun gebrek te hulpe komen. Dit zou hij zonder gevolg bij het begin van den zendbrief gedaan hebben: zoo heeft hij het dan voorzichtig uitgesteld, totdat hij hun hart gewonnen had. Zoo doet hij dan in dit en in het naaste hoofdstuk niet anders, dan dat hij de Corinthiërs vermaant naarstig te zijn in het bijeenbrengen vanewijl zoo er eenige aanstoot door de strengheid van den Eersten zendbrief in de Corinthiërs gebleven ware, deze Pau-lus' autoriteit had kunnen verkleinen, zoo heeft hij dusver gearbeid om hun hart tot zich te trekken. Nu, als hij zich van alle ergernis verontschuldigd, en de autoriteit van zijnen dienst wederom verkregen heeft, zoo beveelt hij hun de Jeruzalemsche broeders aan, opdat zij hun gebrek te hulpe komen. Dit zou hij zonder gevolg bij het begin van den zendbrief gedaan hebben: zoo heeft hij het dan voorzichtig uitgesteld, totdat hij hun hart gewonnen had. Zoo doet hij dan in dit en in het naaste hoofdstuk niet anders, dan dat hij de Corinthiërs vermaant naarstig te zijn in het bijeenbrengen van
379
Hand. 11 :29. Rom. 15:
2 CORINTHE 8:1,2.
aalmoezen, die te Jeruzalem zouden gebracht worden, om de armoede der broederen aldaar te verlichten. Want zij werden door grooten hongersnood benauwd, zoodat zij nauw het leven konden behouden, zonder van andere gemeenten geholpen te worden. Deze zaak hadden de apostelen Paulus aanbevolen, en Paulus had beloofd die te bezorgen, en had het nu ten deele bezorgd, gelijk wij gezien hebben in den Eersten zendbrief: nochtans vermaant hij ze wederom daartoe.
1 Ik maak u bekend. Hij prijst de Macedoniërs, maar tot dit einde, opdat hij de Corinthiërs door hun exempel opwekke, hoewel hij dat niet uitdrukt. Want de Macedoniërs hadden geen lof noodig, maar het was den Corinthiërs noodig geprikkeld en opgewekt te worden. En opdat hij de Corinthiërs tot navolging opwekke, zoo schrijft hij dit der genade Gods toe, dat de Macedoniërs zoo vaardig waren om den broederen te hulp te komen. Want hoewel alle menschen bekennen, dat het een lofwaardige deugd is, den armen hulpe te doen: zoo achten zij het nochtans geen gewin, noch houden het niet voor een gave Gods: ja zij oordeelen meer dat hun zooveel afgetrokken wordt en verloren gaat. Maar Paulus betuigt, dat men dit aan de genade Gods moet toeschrijven, als wij den broederen te hulp komen, en het is als een bijzonder goed te be-geeren. Voorts, hij verhaalt tweeërlei genade, die den Macedoniërs geschied is, te weten, dat zij de verdrukkingen lieflijk en blijmoedig verdragen hadden, en dat zij uit hun armoede wat genomen hadden, als uit overvloed, om den broederen te geven. En Paulus betuigt terecht, dat deze beide dingen des Heeren werk zijn. Want allen, die door den Geest Gods, die de auteur aller vertroosting is, niet opgehouden worden, die bezwijken terstond, en het mistrouwen is in ons geworteld, hetwelk alle werken der liefde in ons verhindert, totdat het door de genade van denzelfden Geest gebeterd wordt.
2 In groote beproeving. Dat is, hoewel zij met tegenspoed verzocht werden, zoo hebben zij nochtans niet afgelaten zich in den Heere te verblijden. Ja, de blijdschap had de overhand, zoodat zij de droefheid wegnam, want de harten der Macedoniërs moesten in hunne benauwdheden uitgebreid worden, zoodat zij mildelijk den broederen te hulp kwamen, die anders nauw geweest zouden zijn. Blijdschap noemt hij geestelijke vertroosting, waarmede de geloovi-gen zichzelven in de verdrukkingen onderhouden: want de godde-loozen bedriegen zichzelven met ijdelen troost, als zij het gevoel des kwaads willen vlieden, het gemoed tot ijdele gedachten wenden, of zij worden door de droefheid ganschelijk overwonnen: maar de geloovigen nemen zelfs uit de verdrukking oorzaak der blijdschap, gelijk wij Rom. 8 gezien hebben. En hun diepe armoede. Dit is een gelijkenis genomen van vaten, die bijna leeg zijn: alsof hij zeide, dat de Macedoniërs zoo ledig geworden zijn, dat zij nu tot den bodem gekomen waren, en in zulke groote benauwdheid, zegt hij, dat zij overvloedig geweest zijn in eenvoudigheid, en dat zij rijk zijn geweest, niet alleen zoodat zij genoeg hadden tot hun eigen gebruik, maar ook om anderen te helpen. Ziet, dit is de wijze, waardoor wij allen tijd, ook in de allerbenauwdste armoede mild zullen wezen, te weten, zoo wij wat den schat onzer kist ontbreekt, door eenvoudigheid des harten vervullen. Eenvoudigheid wordt gesteld tegen booswilligheid, gelijk Roin. 12: 18, waar Paulus eenvoudig-
380
2 CORINTHE 8 : 2â5.
heid eischt in de diakenen. Want dit is het, dat ons te meer vasthoudend maakt, als wij veel te naarstig en veel te ver omzien, wat gevaren ons kunnen toekomen; als wij veel te voorzichtig en zorgvuldig zijn; als wij te eigenzinnig overleggen, hoeveel ons noo-dig is tot het gansche leven, of eindelijk, hoezeer het onze verminderd wordt, wanneer er een klein deeltje afgetrokken wordt.
Die op de zegening des Heeren staat, diens hart is in deze strikken niet verward, en heeft de handen vrij tot weldadigheid. Nu S. moet men een bewijs maken van minder tot meerder. De Macedo-niërs zijn door de kleinheid huns rijkdoms, ja door hun armoede niet verhinderd geweest, den broederen weldadigheid te bewijzen: wat verontschuldiging zullen dan de Corinthiërs hebben, zoo zij niet weldadig zijn, die bij hen vergeleken, rijkdom en overvloed hadden ?
3 Naar hun vermogen, ja ook boven hun vermogen. Als hij
zegt, dat zij gewillig geweest zijn, zoo verstaat hij, dat zij vanzelf zoozeer zijn genegen geweest tot weldadigheid, dat zijn vermaning niet noodig was. Het was veel, te doen naar zijn vermogen: zoo Vv
was het dan een zeldzame en wondere deugd, boven zijn vermogen te doen. Hij spreekt naar de gemeene wijze der menschen: want dit is de gewone regel der weldadigheid, die Salomo leert, water te Spr. 5:15.
drinken uit onze fonteinen, en beken daaruit afleiden, die tot anderen vloeien. Maar de Macedoniërs, de zorg voor zichzelven verlatende, en zichzelven bijna vergetende, hebben hun zorgvuldigheid : i-meer gewend om anderen te verzorgen; eindelijk, die zelf zeer wei- ' , nig in huis hebben, die zijn boven hun vermogen vaardig, zoo zij van hun armoede anderen iets geven. 'fi
4 Met groote betuiging biddende. Hij verheft en vermeerdert
die vaardigheid, dat zij niet alleen niet gewacht hebben, totdat zij i '
vermaand waren, maar dat zij ook die verzocht hebben, van welke zij moesten vermaand geworden zijn, waren zij niet door hun naarstigheid aller menschen begeerte voorkomen. Wederom moet men ^ hier herhalen die gelijkenis van meerder en minder: Zoo de Macedoniërs ongevraagd vanzelf vaardig daartoe zijn, ja met bidden de vermaning voorkomen, hoe schandelijk is het dan den Corinthiërs,
zoo zij daarin slapen, voornamelijk als zij nu vermaand zijn? Zoo de Macedoniërs allen den weg wijzen, hoe schandelijk zal het den Co- ,.fr
rinthiërs zijn, zoo zij ten minste hun exempel niet navolgen? Ja hij zegt, dat zij niet alleen gebeden, maar ook betuigd hebben, en \
dat sterk. Hieruit is openbaar, dat zij niet alleen om een schijn te geven, maar ook uit ernst gevraagd hebben. Dat wij de genade en gemeenschap. Het woord genade, gebruikt hij om de aalmoezen te prijzen, hoewel dit woord verscheidenlijk uitgelegd kan worden: y
maar deze beduiding schijnt mij eenvoudiger te zijn, dat wij, gelijk de Hemelsche Vader ons alles uit genade en buiten verdienste geeft, alzoo ook met weldoen zijn goedheid moeten navolgen; of dat wij van onze goederen uitdeelende, niet anders zijn dan bedienaars zijner genade. De gemeenschap der bediening was, dat hij de Macedoniërs in de toediening een helper zou zijn: zij gaven van het hunne, opdat het den heiligen zou toegediend worden, en wilden dat Paulus zorg droeg in het verzamelen.
381
i
'w '⢠* â '
â¢r
5 En niet gelyk wij hoopten. Hij hoopte een middelmatige genegenheid in hen, gelijk een iegelijk Christen behoort te bewijzen, ':â¢$
(
M
2 CORINTHE 8 : 5â7.
maar zij hebben meer gedaan dan hij verwachtte: want zij gaven niet alleen hun goed tevoren, maar waren ook bereid zichzelven over te geven. Zij hebben (zegt hij) zichzelven ten eerste overgegeven aan God, daarna ook aan ons. Men kon hier vragen, of aan God overgeven iets anders was dan aan Paulus overgeven. Dit is bekend, wanneer God door iemand iets gebiedt of beveelt, zoo is die, welken Hij tot een dienaar neemt, met Hem gesteld, zoowel in de macht om te gebieden, als in de gehoorzaamheid. De apostelen zeggen: Hand. is: 28. jjet: ^ggf)- (jgjj Heiligen Geest en ons behaagd; hoewel zij nochtans alleen als instrumenten uitspraken, wat van den Geest geopenbaard Ex. 14:31. en geboden was. Wederom lezen wij; Het volk geloofde den Heere, en Mozes zijn dienstknecht; nochtans had Mozes niets verscheiden van den Heere. En dit bewijzen de woorden, die terstond volgen; Door den wille Gods. Want dewijl zij Gode gehoorzaam waren, die ze gegeven had om door den raad zijns dienaars geregeerd te worden, zoo zijn zij dit gevolgd, dat zij Paulus gehoord hebben, alsof hij uit den mond Gods sprak.
6 Dat wij Titus zouden vermanen. Dit is een krachtiger vermaning, als zij hooren, dat zij bijname geroepen worden tot wat zij behoorden te doen. En dit was in de Macedoniërs niet te benijden, dat zij begeerden de Corinthiërs tot metgezellen in de weldadigheid te hebben. Intusschen wordt Titus verontschuldigd, dat de Corinthiërs niet zouden denken, dat Titus ze te zeer gedreven had, alsof hij hunne gemoederen gewantrouwd had; want hij deed het door bede, meer uit den naam der Macedoniërs, dan uit zichzelven.
7 Maar gelijk. Hij was nu zeer voorzichtig geweest in ergernis te vlieden, als hij zeide, dat Titus niet zoozeer door eigen drijving, als op bevel der Macedoniërs hen vermaand had. Nu gaat hij ook verder, vermanende dat zij niet moeten wachten, totdat de boodschap der Macedoniërs tot hen gekomen is. En dit doet hij, hunne andere deugden prijzende, alsof hij zeide; Gij moet u niet alleen als metgezellen bij de Macedoniërs voegen, die dat begeeren, maar weest ook in dezen deele uitnemend, gelijk gij zijt in andere dingen. Het woord onderscheidt hij van het geloof; want het kan geschieden dat iemand geloof heeft, ja uitnemend geloof, die nochtans niet zoozeer geoefend is in het Woord des Heeren. Wetenschap neem ik voor ervaring of voorzichtigheid. Hij meldt ook de liefde, die zij tot hem hadden, opdat hij hun ook, zooveel zijn persoon aangaat, moed geve, en intusschen wil hij, dat de liefde, waarmede zij hem en zijne metgezellen liefhadden, tot gemeen nut der broederen gebruikt worde. Alzoo ziet hij alleszins toe, dat hij ze niet door de vermaning schijne te beschuldigen.
8 Ik zeg dit niet als gebiedende, maar door de zorgvuldigheid van anderen, en ook de oprechtheid uwer liefde beproevende. Luk. 9:58. 9 Want gij weet de genade onzes Heeren Jezus Christus, dat Hij
om uwentwil is arm geworden, toen Hij rijk was: opdat gij door zijn armoede zoudt rijk worden.
10 En ik geef u hierin raad: want dit is u nut: gij die het in het verleden jaar zijt begonnen niet alleen te doen, maar ook te willen.
382
2 CORINTHE 8:8, 9.
11 Wat gij zijt begonnen te doen, volbrengt dat ook nu; opdat gij gelijk de wil is vaardig geweest, alzoo ook volbrengt uit hetgeen gij hebt.
12 Want zoo de vaardigheid des harten daar nu is, die is aan- Mark. 12:12. genaam naar hetgeen een iegelijk bezit, niet naar hetgeen hij i petr. i: io. niet bezit. sPr- 3:2®-
8 Ik zeg dit niet als gebiedende. Wederom verzacht hij zijn vermaning, als hij betuigt, dat hij geenszins voorgenomen heeft hen als door noodwendigheid te dwingen: want dat is als gebiedende spreken, wanneer wij iets zekers bevelen, en ganscheiijk eischen, dat het geschiede. Zoo iemand wil vragen, of hij niet kon gebieden,
svat hij uit des Heeren bevel had? Men kan lichtelijk daarop antwoorden, dat God wel alom gebiedt der broederen armoede te hulpe te komen, maar dat Hij nergens een som stelt, hoeveel men moet geven, zoodat wij, ons goed geschat hebbende, het tusschen de armen en ons zouden verdeelen, en dat Hij ons nergens bindt aan de omstandigheden der tijden, of personen, of plaatsen: maar dat Hij ons roept tot den regel der liefde. Hoewel, Paulus ziet hier niet aan wat hem geoorloofd of ongeoorloofd is, maar zegt dat hij het daarom niet gebiedt, alsof hij achtte, dat zij door bevel en strengheid daartoe gedwongen moesten zijn,, alsof zij weigerden te doen wat zij behoorden, eer zij gedwongen waren. Hij stelt nochtans twee redenen, waarom hij ze vermaant tot wat zij behoorden te doen, te weten, omdat de zorgvuldigheid, die hij voor de heiligen heeft, hem dringt; ten andere, omdat hij wil, dat de liefde der Corinthiërs allen menschen bekend worde. Want ik versta niet, dat Paulus hunne liefde heeft willen bekennen, (van welke hij voor zichzelven nu betuigd heeft zeker te zijn) maar hij wilde meer, dat de bevinding daarvan bij alle menschen openbaar ware. Hoewel het eerste stuk van de zorgvuldigheid der anderen tweeërlei zin kan hebben, te weten, dat hij zorg droeg voor de menschen, waardoor hij niet kon ophouden:
maar dat hij door het bidden van andere menschen, die de zaak ter harte namen, geroerd zijnde, niet zoozeer uit zijn eigen gevoel,
als uit hun ingeven sprak.
9 Want gij weet de genade. Dewijl hij de liefde gemeld heeft, zoo brengt hij Christus voort, die het allervoornaamste en zeldzaamste voorbeeld der liefde is. Toen Hij rijk was (zegt hij) heeft Hij de heerschappij over alles verlaten, om ons door zijn armoede rijk te maken. Daarna drukt hij niet uit, waartoe hij dit verhaalt,
maar hij laat het hen bedenken. Want het is niemand verborgen,
dat wij door dit voorbeeld tot weldadigheid vermaand worden, opdat wij onszelven niet sparen, wanneer de broeders moeten geholpen zijn. Christus was rijk, want Hij was God, onder wiens hand en macht alles is: en bovendien ook in onze menschheid, dewelke
Hij heeft aangedaan (gelijk Paulus betuigt) is Hij erfgenaam aller Hebr.i;2,i3. dingen, als die van den Vader boven alle creaturen was gesteld,
en aan wiens voeten alles was onderworpen. Hij is arm geworden,
dewijl Hij Zich van zijn bezitting onthouden heeft, en heeft alzoo een tijdlang zijn recht verlaten. Wij zien in wat groote armoede en ellende Hij gekomen is, terstond van des moeders buik aan. Wij hooren wat Hij zelve zegt: De vossen hebben holen, en de vogelen Luk. 9:68. des hemels nesten: maar de Zoon des menschen heeft niets, waar
383
2 CORINTHE 8 : 9â12.
Hij zijn hoofd op kan doen rusten. Zoo he^ft Hij dan de armoede in Ziclizelven geheiligd, opdat de geloovigen geen afschrik meer daarvan hebben. Hij heeft ons daarom allen rijk gemaakt, opdat het ons niet zwaar zij, van onzen overvloed te nemen om den broeders te geven.
10 En ik geef u hierin raad. Dezen raad stelt hij tegen het gebod, waarvan hij boven gesproken heeft, alsof hij zeide; Ik wil alleen om te raden of vermanen, toonen wat nut is. Voorts, deze nuttigheid wordt door het gevoelen des vleesches niet gezien: want hoe velen zijn er, die zekerlijk zouden achten zich nut te zijn, dat zij beroofd worden om anderen te helpen? Het is wel van een heidensch mensch gezegd: Men behoudt niet meer dan dat men weggeeft: maar de oorzaak is, omdat het buiten gevaar van het fortuin gesteld wordt, al wat men den vrienden geeft. Nu, de Heere
Matt. 5: w. wil niet, dat wij door de hope op loon of op vergelding gedreven
Luk. 0:35. worclen. maar al is het, dat de menschen ondankbaar zijn, zoodat het mocht schijnen verloren te zijn, al wat wij geven, zoo wil Hij nochtans, dat wij in weldadigheid voortvaren. En de nuttigheid komt
Spr. io: 17. hieruit, dat hij, die den armen geeft, den Heere leent, (gelijk Salomo zegt) wiens zegen alleen honderdmaal meer is te achten, dan alle schatten der wereld. Evenwel het woord nut, wordt hier genomen voor eerlijk; tenminste Paulus acht dat nut te zijn, wat eerlijk is: want het zou den Corinthiërs oneerlijk geweest zijn, terug te gaan, of midden in den loop te bezwijken, als zij nu eenigen voortgang gemaakt hadden. Nochtans zoo zou het ook onnut geweest zijn, want het zou voor God zijn genade verloren hebben, al wat zij waren begonnen te doen. Niet alleen te doen. Dewijl het doen meer is dan het willen, zoo schijnt het een oneigenlijke wijze van spreken te zijn. Maar het woord willen, wordt te dezer plaatse niet enkel genomen (gelijk wij in 't gemeen plegen te spreken) maar beduidt ook mede een gewillige vaardigheid, die geen ver-, maning eischt. Want er zijn (opdat ik alzoo spreke) drie trappen of graden om iets te doen. Ten eerste doen wij somtijds iets ongewillig, doch uit schaamte of vrees; ten tweede doen wij 't gewillig, doch van elders daartoe gedreven of bewogen; ten derde doen wij somtijds dingen uit eigen beweging, wanneer wij vanzelf komen te doen, wat betaamt: zulke vaardigheid om voor te komen, zonder er toe opgewekt of vermaand te zijn van elders, is meer dan de daad zelve.
11 Wat gij zijt begonnen te doen. Het is waarschijnlijk, dat de ijver in de Corinthiërs terstond is verkoud: want anders zouden zij zonder vertragen hun voornemen volbracht hebben. Maar alsof zij nog niet gezondigd hadden, zoo vermaant ze de apostel vriendelijk, te volbrengen, wat wel begonnen is. Als hij daarbij stelt: Van hetgeen gij hebt, dat is een voorkoming: want het vleesch is altijd bedacht om uitvluchten te vinden: sommigen verontschuldigen ziclizelven, zeggende, dat zij huisgezinnen hebben, welke zij moeten verzorgen; sommigen dewijl zij niet veel kunnen geven, zoo misbruiken zij deze voorwending om geheel vrij te zijn: zij zeggen, zou ik zoo weinig geven? Al zulke verontschuldigingen neemt Paulus weg, als hij gebiedt een iegelijk naar de mate van zijn vermogen te geven. En hij stelt de oorzaak daarbij, dat God het hart aanziet, en niet wat gegeven wordt. Want dat hij zegt, dat de vaardigheid des harten
384
2 CORINTHE 8 : 12, 13.
Gode aangenaam is, naar het vermogen dat een iegelijk heeft, heeft dezen zin; Zoo gij van weinig goeds weinig geeft, zoo wordt uwe genegenheid niet minder voor God geacht, dan of een rijk man van zijn overvloed een groote som gaf. Want de genegenheid wordt niet geproefd uit wat gij niet hebt, dat is. God eischt van u niet, dat gij meer zult geven dan in uw vermogen is. Aldus wordt niemand verontschuldigd: want de rijken zijn Gode grooter schatting schuldig, en de arme moet zich niet schamen over zijn kleinheid.
13 Want het is niet, opdat anderen verlichting hebben, en gij benauwdheid :
14 Maar opdat wij uit gelijkheid in den tegenwoordigen tijd, uw overvloed aan hun armoede te luüpe komen, en hun overvloed aan uwe armoede te hulpe komen, opdat daar gelijkheid zij.
15 Gelijk er geschreven is: Die veel had, had niet over, en die Ex' 16:i®-weinig had, had niet te weinig.
16 En Gode zij dank, die dezelfde zorgvuldigheid voor u in het hart van Tltus gegeven heeft.
17 Die de vermaning heeft aangenomen; ja dewijl hij naarstig was, zoo is hij vanzelf tot u gekomen.
13 Niet opdat anderen verlichting. Dit is een bevestiging der voorgaande uitspraak, te weten, dat de milde wil Gode aangenaam is, zoowel in klein vermogen als in groot: want God wil niet, dat wij tot benauwdheid gebracht worden, opdat anderen uit onze mildheid overvloed hebben. Het is zeker, dat wij niet alleen een deel Gode schuldig zijn, maar ook al wat wij zijn, en al wat wij hebben.
Maar naar zijn goedheid spaart Hij ons zoover, dat Hij tevreden is met deze mededeelzaamheid, die Paulus hier stelt. Zoo dan, wat hij hier stelt, zal men verstaan te zijn een kwijtschelding van het uiterste recht. Intusschen moeten wij onszelven dikmaals tot mildheid vermanen: want men moet niet zeer vreezen, dat wij te mild zullen wezen; maar het is wel te vreezen, dat wij te vrekkig zullen zijn.
Maar deze leer is noodig tegen de razende menschen, die meenen, dat daar niets gedaan is, tenzij gij uzelven ganschelijk berooft om alles in 't gemeen te geven; zij maken door deze razernij zooveel, dat niemand met geruste conscientie aalmoezen kan geven. Zoo moet men dan naarstig aanmerken deze matiging van Paulus, te weten, dat onze aalmoezen Gode behagen, als wij uit onzen overvloed alzoo der broederen armoede verlichten, niet opdat zij overvloed hebben, en wij gebrek, maar opdat wij van het onze geven,
zooveel onze rijkdom kan lijden, en dat met een vaardig en blij gemoed. Uit gelijkheid. Gelijkheid kan tweeërlei wijze genomen worden, te weten, voor onderlinge vergelding, gelijk als wanneer gelijk met gelijk vergolden wordt; of, voor behoorlijke matiging.
Ik neem het enkel voor een gelijkheid, die bij Aristoteles genoemd wordt jus analogie urn, dat is, een gelijkheid, die gemaakt wordt naar overeenkoming der personen en andere omstandigheden. In welke beteekenis het genomen wordt Colossensen 4:1, waar hij de heeren vermaant, dat zij hunnen dienstknechten gelijkheid zullen bewijzen. Hij wil voorwaar niet, dat zij in graad en staat gelijk zijn,
maar hij verstaat daardoor beleefdheid, zachtmoedigheid en vrien-Dl. 11. 25
385
2 CORINTHE 8 : 13â15.
delijke behandeling, die de heeren den dienstknechten schuldig zijn. Alzoo beveelt de Heere ons deze gelijkheid, dat wij een iegelijk, zoolang wij goed hebben, den gebreklijdenden te hulpe komen, opdat niet de een in overvloed leve, en de ander gebrek lijde. Daarom stelt hij daarbij, in den tegenwoordigen tijd. Want de nood drong toen. Waaruit wij geleerd worden, dat wij in de oefening der weldadigheid den tegenwoordigen nood moeten te hulpe komen, zoo wij den waren regel der gelijkheid willen houden.
14 En hun overvloed. Het is twijfelachtig wat overvloed hij meent; sommigen leggen het uit, dat het geschied is, omdat het Evangelie van de Jeruzalemsche gemeente tot hen is gekomen, waardoor met hun geestelijken schat aan de armoede van hen is te hulp gekomen: hetwelk ik acht vreemd te zijn van den zin van Paulus. Dit moet naar mijn oordeel meer uitgebreid worden over de gemeenschap der heiligen, waardoor al wat aan een lid gedaan wordt, het gansche lichaam toekomt, alsof hij zeide: Zoo het u verdriet de broeders te helpen met den rijkdom, die van kleine waarde is, zoo merk op van hoeveel goeds gij arm zijt, dat veel kostelijker is, waarmede die u kunnen rijk maken, die aan het aard-sche goed gebrek hebben. Deze gemeenschap, die Christus onder de loden zijns lichaams verordend heeft, behoort u moedig te maken, om te vaardiger en onvermoeid aan de anderen weldadigheid te bewijzen. Ook kan dit de zin zijn: Gij komt hun nu te hulpe naar den nood des tijds, maar hun zal op een anderen tijd hulpe gegeven worden om te vergelden. Deze meer algemeene zin behaagt mij 't best: waarmede overeenkomt wat hij wederom van de gelijkheid verhaalt. Want dit is de wijze der gelijkheid, die naar overeenkoming der personen en andere omstandigheden geschiedt in de gemeente, dat als zij van alle zijden allen onder elkander mededeelzaam zijn naar de mate der gaven en der noodwendigheid, uit die onderlinge gemeenschap bekwame gelijkheid worde, al is het dat sommigen meer, sommigen minder bezitten, en de gaven ongelijk verdeeld zijn.
15 Gelijk er geschreven is. Het getuigenis, dat Paulus aanhaalt, spreekt van het manna; maar laat ons hooren wat de Heere zegt door Mozes. Hij wil, dat dit tot een eeuwige leer zij, dat de men-schen niet alleen bij het brood leven, maar van God gevoed worden door de verborgen kracht van zijnen wil, die alles wat Hij geschapen heeft, beschermt en bewaart. En Mozes vermaant wederom
Deut. 8:3. op een andere plaats, dat zij een tijdlang met zulke spijze zijn gevoed, opdat zij zouden leeren, dat de menschen niet gevoed worden door hun vernuft en arbeid, maar door den zegen Gods. Hieruit is het openbaar, dat in het manna als in een spiegel ons voorgesteld wordt, een beeld van den gewonen kost, waardoor wij gevoed worden. Laat ons nu komen tot de plaats, die Paulus aanhaalt. Als het man gevallen was, werd hun geboden dit te zamelen in hoopen, zooveel een iegelijk kon. En hoewel (daar de een vlugger is dan de ander) sommigen meer verzamelden dan hun tot het dagelijksch gebruik noodig was, en sommigen minder, zoo nam nochtans niemand tot zijn eigen gebruik meer dan een homer: want deze mate was van den Heere geboden, en als het alzoo geschiedde, zoo hadden zij allen zooveel als hun noodig was, en niemand leed honger. Dit leest men Exod. 16; 18. Laat ons nu de geschiedenis
386
2 CORINTHE 8 : 15â17.
passen op Paulus' voorgenomen handeling. Ons is geen homer, noch eenige andere mate van den Heere verordend, opdat een iegelijk zijn dagelijksche vertering daarnaar schikke: maar ons is spaarzaamheid en matigheid geboden, en ons is verboden, dat niemand op overvloed betrouwende, dartelheid bedrijve. Daarom, zoo wie rijkdom heeft uit erfenis, of door vernuft en arbeid verkregen, die zal denken, dat de overvloed niet is tot onmatigheid of overdaad verordend, maar om de armoede der broederen te helpen. Want het is al manna wat wij hebben, van waar het ook kome, zoover het waarlijk het onze is; want goed dat door bedrog en ongeoorloofde middelen verkregen is, is. dezen naam niet waardig: maar het zou eer die kwakkelen zijn, die van den toorn Gods gezonden waren. En gelijk toen, zoo iemand door te groote begeerigheid of mistrouwen dat man verborgen had, datzelve terstond verrotte, alzoo zullen wij ook zeker zijn, dat die rijkdom vervloekt is, en terstond vergaan zal, die met verongelijking der broederen verzameld wordt, en dat met verderf des bezitters, opdat wij niet denken, dat dit de wijze is om rijk te worden, zoo wij voor een langen tijd onszelven voorziende, onze arme broeders berooven van de weldadigheid, die wij hun schuldig zijn. Ik beken wel, dat ons niet zulke gelijkheid geboden wordt, dat de rijke niet wat beter zou mogen eten dan de arme; maar men moet zooverre de gelijkheid houden, dat niemand honger lijde, dat niemand zijn overvloed verberge, de anderen bedriegende. Der armen homer en mate zal wezen grof brood, en zuinige kost; der rijken homer zal» wezen een milde portie, naardat hun vermogen is; doch alzoo, dat zij matig leven, en de anderen niet verlaten.
16 Gode zij dank, die dezelfde. Opdat hij den Corinthiërs geenerlei verontschuldiging late, zoo zegt hij, dat hun nu eerst naarstige vermaners zijn gegeven, die deze zaak ter harte nemen. En ten eerste noemt hij Titus, dien hij zegt van God verwekt te zijn, hetwelk zeer tot de zaak diende: want de boodschap was zooveel te krachtiger, zoo de Corinthiërs bekenden, dat hij door Gods ingeven was gekomen. Doch uit deze plaats en ontallijk vele andere, verstaan wij dat alle godzalige bewegingen van den Geest Gods komen; bovendien, dat dit een getuigenis is der Goddelijke zorg over de zijnen, dat Hij dienaars en bezorgers verwekt, die begeeren aan hunnen nood te hulpe te komen. Zoo de voorzienigheid Gods zich alzoo bewijst in het bezorgen des lichamelijken vocdsels, hoeveel grooter zorg zal Hij dragen voor dat geestelijke voedsel, opdat de zijnen daarvan geen gebrek lijden? Daarom is het zijn eigen en bijzonder werk, herders te verwekken, De vermaning aannemen, beteekent door de vermaning van Paulus de zaak aannemen. En dit verbetert hij daarna, zeggende, dat hij niet zoozeer eens anders raad is onderdanig geweest, als hij naar zijn naarstigheid vanzelf daartoe opgewekt was.
18 Wij hebben met hem gezonden den broeder, die in de zaak des Evangelies lof heeft in alle gemeenten.
19 En dit niet alleen, maar hij is ook van de gemeenten verkoren tot een metgezel onzer reis, met deze weldaad, die van ons bediend wordt, tot prijs des Heeren, en tot volvaardigheid uws gemoeds:
387
2, CORINTHE 8 ; 18â20.
20 Toeziende, dat niemand ons berispe in dezen overvloed, die van ons bediend wordt.
Eom. 12:17. 21 Bezorgende wat eerlijk is, niet alleen voor God, maar ook voor
de menschen.
22 Wij hebben ook met hem gezonden onzen broeder, welken wij dikmaals in vele dingen naarstig bevonden hebben: en nu veel naarstiger door het groote betrouwen, dat ik tot u heb.
23 Hetzij om Titus' wil, die mijn metgezel is en medehelper bij u, hetzij om der anderen wil, die onze broeders zijn, en apostelen der gemeenten, de eere van Christus.
24 Zoo geeft dan een bewijs uwer liefde, en van onzen roem van u bij hen, en dat in de tegenwoordigheid der gemeenten.
i8 Wij hebben met hem gezonden. Dat er drie gezonden werden, is een bewijs, dat men veel verwachtte van de Corinthiërs: waarom zij behoorden te naarstiger te zijn, opdat zij de gemeenten in hare hope niet beschaamden. Voorts, wie deze tweede is, is onzeker, uitgenomen dat sommigen gissen Lukas, en sommigen Barnabas Chrysostomus acht meer, dat het- Barnabas is geweest, en ik gevoel met hem, omdat het openbaar is, dat hij door keurstemmen der gemeenten Paulus als een metgezel is toegevoegd. En omdat ze allen meest hierin overeenkomen, dat Lukas een geweest is onder degenen, die dezen zendbrief overgebracht hebben, zoo mishaagt het mij niet, dat hij in de derde plaats genoemd wordt. Den tweede, wie hij ook zij, versierf hij met een heerlijk getuigenis, te weten, dat hij met lof in de zaak des Evangelies gewandeld heeft, dat is, dat hij in de bevordering des Evangelies lof verkregen heeft; want hoewel Paulus Barnabas het woord liet voeren, zoo deden zij nochtans beiden e'e'n werk. Bovendien zegt hij, dat deze niet van e'e'n mensch, noch van ée'n gemeente alleen lof heeft verkregen, maar van alle gemeenten. Naar dit algemeen getuigenis stelt hij een bijzonder, dat tot de tegenwoordige zaak dient, te weten, dat hij door bewilliging der gemeenten tot deze zaak is verkoren: en het was waarschijnlijk, dat deze eer hem niet anders gegeven is, dan omdat hij tevoren bekend was geschikt te zijn. Men moet ook aanmerken de wijze der verkiezing, die hij hier verhaalt, welke de yjipo- Grieken noemen met een woord, 'twelk beduidt opheffing der han-Tovix. den, waarin de eersten in gezag en raad voorgingen en de gansche handeling regeerden, en het volk gaf daarna zijn bewilliging.
ig Die van ons toegediend wordt. Door de prijzing van zijn dienst geeft hij den Corinthiërs meer moed, want hij zegt, dat hij de eere Gods en hunne mildheid dient: waaruit volgt dat deze twee dingen aaneenhangen, te weten, de eere Gods en hun mildheid, en dat zij hun weldadigheid niet kunnen verlaten, zonder diezelve zooveel te verminderen; hiertoe stelt hij ook den arbeid van zulke mannen, welken zij zeer ongeschiktelijk zouden verworpen, of ijdel gelaten hebben.
2o Toeziende, dat niemand ons berispe in dezen. Opdat niemand zou denken, dat de gemeenten geen eerlijk gevoelen van Paulus hadden, alsof zij zijn oprechtheid mistrouwende, hem metgezellen toegevoegd hadden, gelijk men pleegt bewaarders te stellen bij de menschen, waarvan men kwaad vermoeden heeft, daarom zegt hij, dat hij zelve dezen raad gegeven heeft, om lasteringen te
388
2 CORINTHE 8 : 20â22.
verhinderen. Hier mocht iemand vragen: Wie zou zoo onbeschaamd geweest zijn, die zou hebben bestaan zulk een man zelfs met het allerminste vermoeden te bezwaren, wiens trouw alom buiten alle twijfeling behoorde te zijn? Ik antwoord: Wie kan van des duivels bijten vrij zijn, dewijl hij Christus zeiven niet gespaard heeft? Zie, Christus was der boozen lastering onderworpen, en zullen zijne dienstknechten daarvan vrij wezen ? Ja, hoe oprechter iemand is, zooveel te meer lagen worden hem van den duivel gelegd, om eenige lastering op zijn getrouwheid te vinden: want daaruit zou des te zwaarder ergernis komen. Daarom, in hoe hoogeren graad wij gesteld zijn, zooveel te naarstiger moeten wij deze voorzichtigheid en zedigheid van Paulus navolgen. Hij was niet opgeblazen, maar wilde gaarne met anderen gelijk gerekend worden. Hij was niet zoozeer zichzelven behagende, dat hij het zijn persoon onbetamelijk zou geacht hebben, lasteringen te ontvlieden. Daarom heeft hij naarstig de gevaren gezien, en groote voorzichtigheid gebruikt, opdat geen ongeschikt mensch oorzaak zou nemen. En daar is voorwaar niets, dat meer aan booze vermoedens onderworpen is, dan het omgaan met algemeen geld.
21 Bezorgende wat eerlijk is. Ik meen, dat ook onder de Co-rinthiërs sommigen terstond tot lastering zouden uitgebroken zijn, ware hun eenige oorzaak gelaten geweest. Daarom wilde hij, dat de zaak hun bekend was, om alom aller menschen mond te stoppen. Zoo betuigt hij dan, dat hij niet alleen zorg draagt, om een goede conscientie te hebben voor God, maar ook om een goeden naam te hebben voor de menschen. Nochtans is het zonder twijfel, dat hij zoowel de Corinthiërs als alle anderen heeft willen vermanen, dat men in goede daden ook niet der menschen achting moet versmaden, Het is wel het eerst, waarvoor gij zorgen moet, dat gij goed zijt, hetwelk geschiedt niet door goede werken alleen, maar ook door een goede conscientie: daarna dat de menschen, met wie gij verkeert, u erkennen zulks te zijn. Maar men moet hierin het einde aanzien: er is voorwaar niets ergers dan eergierigheid, welke alle beste werken verderft, de heerlijkste mismaakt, en de allerwelriekendste offerande voor God doet stinken. Zoo is dan dit een gladde plaats, en men moet daarom toezien, dat niet iemand voorgevende, dat hij met Paulus een goeden naam zoekt te hebben, zeer ver van de genegenheid van Paulus is: want Paulus heeft dingen bezorgd, die voor de menschen eerlijk zijn. opdat niemand door zijn exempel zou geërgerd worden, maar dat zij allen mochten gesticht worden. Daarom, zoo wij hem gelijk willen zijn, zoo moeten wij toezien, dat wij niet om onzentwil een goeden naam begeeren. Die geen acht heeft op zijn goeden naam, is wreed (zegt Augustinus) want deze is ons evenzoo noodig voor de menschen, als de goede conscientie voor God. Dit is waar, zooverre gij de eere Gods en zaligheid der broederen wilt bevorderen: intusschen bereid zijnde, voor lof oneer en schande te hebben, zoo het den Heere alzoo belieft. Toch zal een iegelijk Christenmensch altijd zorg dragen, dat hij zijn leven schikke tot stichting des naasten, en naarstig toezien, dat de dienaars des duivels geen oorzaak hebben om kwaad te spreken, tot Gods lastering en ergernis der goeden.
22 Door het groot betrouwen. De zin is: Ik vrees niet, dat de komst dezer menschen tot u tevergeefs en zonder vrucht is: want
389
2 CORINTHE 8 : 22â24.
ik heb een zeker betrouwen, dat hun boodschap voorspoedig wezen zal, zoo goed ken ik hun trouw en naarstigheid. Hij zegt, dat de broeder, wiens naam hij verzwijgt, te vaardiger geweest is, eensdeels omdat hij zag, dat hij een goed gevoelen had van de Corinthiërs, en omdat hij door Titus opgewekt was, anderdeels omdat hij zag dat vele uitnemende mannen eendrachtig in de zaak arbeidden. Zoo werd dan alleen geëischt, dat de Corinthiërs niet nalieten wat zij behoorden te doen. Dat hij ze noemt apostelen der gemeenten, kon tweeërlei wijze verstaan worden, te weten, dat zij als apostelen van God verordend zijn tot de gemeenten, of dat zij van de gemeenten verordend zijn tot dit ambt; het tweede dient het best. Zij worden ook genoemd: de eer van Christus, omdat gelijk Hij alleen de eer der geloovigen is, alzoo moet Hij wederom van hen geëerd worden. Daarom, allen die in godzaligheid en heiligheid uitblinken, die zijn Christus' eer: want zij hebben niets dan uit Christus' gave. In het besluit stelt hij twee dingen. Het eerste is: Maakt dat onze broeders uwe liefde zien. Het ander is: Ziet toe, dat ik niet st? tevergeefs van u geroemd heb. Het Grieksche woord, waarvoor iwrou?. wij gesteld hebben: bij hen, acht ik zooveel te zijn als: in hun tegenwoordigheid. Want het is te verstaan niet van de armen, maar van de gezondenen, waarvan gemeld is. Want terstond daarna zegt hij, dat deze niet alleen getuigen zullen zijn, maar dat het gerucht door hunne verhaling ook tot de gemeenten ver gelegen zal komen.
HET NEGENDE HOOFDSTUK.
Hand. ii:29. 1 Want van de bediening, die den heiligen geschiedt, zou ik on-
Rom. 15:26. ,. . , ,
l Cor. 16:2. noodig tot u schrijven.
2 Cor. 8:4. 2 Want ik ken de vaardigheid uws gemoeds, waarvan ik over u
geroemd heb bij de Macedoniërs: dat Achaje van over een jaar bereid is geweest; en uw exempel heeft er velen verwekt.
8 Doch ik heb de broeders gezonden, dat onze roem van u niet ijdel worde in dezen deele: opdat gij, gelijk ik gezegd heb, bereid zijt.
4 Opdat, zoo mogelijk de Macedoniërs met mij komen, en u onbereid vinden, wij niet beschaamd worden, (opdat ik niet zegge, gij) in deze stoute roeming.
5 Zoo heb ik het dan noodig geacht, de broeders te vermanen, dat zij eerst tot u kwamen, en de zegening, die tevoren beloofd was, bereidden, opdat zij bereid zij, en dat als een zegening, en niet als een vrekheid.
In het eerste aanzien hangt deze uitspraak niet wel, of niet gepast genoeg aan de voorgaande: want hij schijnt te spreken van een nieuwe zaak, die hij nog niet aangeroerd heeft, hoewel hij hetzelfde onderwerp vervolgt. Nochtans zullen de lezers opmerken, dat Paulus hier niet anders doet dan wat hij eerst gedaan had, te weten, dat hij de Corinthiërs niet uit mistrouwen vermaant, en dat zijn vermaning niet is met eenige berisping des verleden tijds: maar dat hij redenen heeft, die hem bewegen. Zoo dan.n het eerste aanzien hangt deze uitspraak niet wel, of niet gepast genoeg aan de voorgaande: want hij schijnt te spreken van een nieuwe zaak, die hij nog niet aangeroerd heeft, hoewel hij hetzelfde onderwerp vervolgt. Nochtans zullen de lezers opmerken, dat Paulus hier niet anders doet dan wat hij eerst gedaan had, te weten, dat hij de Corinthiërs niet uit mistrouwen vermaant, en dat zijn vermaning niet is met eenige berisping des verleden tijds: maar dat hij redenen heeft, die hem bewegen. Zoo dan.
390
2 CORINTHE 9:1â4. 391
j
wat hij nu zegt, heeft dezen zm: Ik leer u niet, dat men den heili- ,
gen te hulpe moet komen, want wat is dat noodig: want gij weet dat wel genoeg, en gij hebt zelf met de daad bewezen, dat gij ze niet in gebrek wilt verlaten. Maar dewijl ik alom van uwe mildheid roemende, mijn trouw en ook de uwe verbonden heb, zoo laat deze zaak mij niet rusten. Anders zou zulk eene zorgvuldige vermaning den Corinthiërs onaangenaam kunnen zijn, meenende dat hun hun luiheid verweten werd, of dat Paulus geen goed vermoeden van ;;
hen had. Nu, door een geschikte verontschuldiging maakt hij, dat hij zonder haat niet alleen kan vermanen, maar ook ondertusschen dringen. Maar iemand kon dusdanig een vermoeden in den zin gt;
komen, dat Paulus hier anders voorgeeft dan hij gevoelt, hetwelk veel te ongeschikt zou zijn. Want zoo hij ze oordeelt genoeg genegen en vaardig te zijn, waarom is hij dan zoo naarstig om hen te vermanen ? of zoo hij aan hunnen wil twijfelt, waarom zegt hij, j'
dat de vermaning overbodig zal wezen ? De liefde draagt heide, V
goede hope en zorgvuldigheid. Hij zou nimmermeer zulk getui-genis van de Corinthiërs gegeven hebben, had hij niet zeker ge-loofd, gelijk hij spreekt. Hij zag blijde beginselen, en hoopte dat de voortgang niet aan het begin ongelijk zou wezen: maar dewijl de ongestadigheid van den menschelijken aard hem niet onbekend ^
was, zoo kon hij niet te voorzichtig toezien, opdat zij van dat heilige voornemen niet afweken. ^
1 Bediening. Dit woord schijnt niet gepast van die gezegd te ;'i worden, die van hun goed den armen geven: omdat de mildheid
meerderen lof waardig is. Maar Paulus zag op wat de geloovigen hunnen leden schuldig zijn. Want de leden van Christus moeten elkander onderling dienen. Alzoo, als wij den broederen dienen, zoo doen wij hun niet anders dan schuldigen dienst. En de heiligen vergeten, als hun onze hulpe noodig is, is meer dan onredelijk:
want wij berooven ze van hun recht.
2 Waarvan ik over u geroemd heb. Het goed vermoeden, dat hij van hen had, bewijst hij daarmede, dat hij bijna borg geworden is, hun vaardigheid betuigende. Maar men kon vragen, of hij lichtvaardig betuigd of verzekerd heeft meer dan de zaak was? Want v' het schijnt alzoo. Want hij roemde, dat die van over een jaar be- ;⢠reid waren, om welke te bereiden, hij nu nog arbeidt. Ik antwoord, dat men de woorden niet moet nemen, alsof Paulus betuigd
had, dat het nu in de kist weggelegd was wat zij geven zouden,
maar hij verhaalt alleen wat zij voorgenomen hadden: hetwelk zonder schuld van lichtvaardigheid of dwaling is. Van deze belofte sprak Paulus.
3 Doch ik heb de broeders gezonden. Nu stelt hij de oorzaak,
waarom hij van hunnen wil een goed gevoelen hebbende, nochtans niet nalaat hen naarstig te vermanen. Ik zoek (zegt hij) mijn eer en
uw eer te bevorderen: want dewijl ik het van uwentwege beloofd ;â¢
heb, zoo zou het uwe en onze schande zijn, zoo de zaak met de woorden niet overeenkwam; zoo moet gij dan mijn vreeze in het goede nemen.
4 In deze stoute roeming. Het Grieksche woord beduidt som- vto-tijds substantie, gelijk het de oude overzetter gesteld heeft: som-orair;?.
tijds een onderwerp of stof, gelijk Erasmus overgezet heeft, maar deze beteekenissen dienen geen van beide. En Budeus leert, dat dit
gt;â â i
2 CORINTHE 9 : 4â6.
woord somtijds genomen wordt voor stoutigheid of betrouwing. Nu ziet ieder wel, hoe gepast deze beteekenis in het verband bij Paulus is, waaruit het openbaar is, dat de andere overzetters door onachtzaamheid gefeild hebben.
5 Dat het zij een zegening, en niet een vrekheid. Waar wij stellen zegening, daar stellen anderen, verzameling; maar ik wil het liever van woord tot woord overzetten: gelijk de Grieken het woord eulogia gebruikt hebben, om een Hebreeuwsch woord uit te drukken, hetwelk zoowel beduidt een zegening, dat is een gelukkigen wensch, als een weldadigheid. Ik acht, dat de oorzaak dezer beteekenis is, dat dit woord zegening, eerstelijk Gode toegeschreven wordt: nu weten wij hoe God ons krachtig zegent door zijn wil alleen. Hieruit behoudt het dezelfde beteekenis, als het van de men-schen gezegd wordt, en dat wel oneigenlijk: want de menschen hebben in het zegenen niet zulke kracht als God heeft, nochtans wordt het bij gelijkenis niet ongeschikt van de menschen gezegd. Tegen de zegening stelt Paulus vrekheid, daartoe een woord gebruikende, waarmede de Grieken zoowel de overgroote gierigheid, als bedriegerij en vrekheid beduiden. Het woord vrekheid, heeft, mij in deze tegenstelling best behaagd: want Paulus wil, dat zij niet vrekkig, maar met milde harten geven, hetwelk uit de navolgende woorden ook nog klaarder openbaar zal wezen.
Maar ik zeg dit: Die spaarzaamlijk zaait, zal ook spaarzaamlijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien, Een iegelijk naar het voomeinen des harten, niet uit droefheid of noodwendigheid: want God heeft den blijmoedigen geverlief. En God is machtig te maken, dat al de genade in u overvloeie; opdat gij in alles alle genoegzaamheid hebbende, overvloedig zijt tot alle goede werken.
Gelijk er geschreven is: Hij heeft uitgestrooid, en den armen gegeven; zijne gerechtigheid blijft in der eeuwigheid.
.ar ik zeg dit. Die spaarzaamlijk. Nu beveelt hij de aalmoezen aan door een schoone gelijkenis, deze vergelijkende bij een zaad. Want in het zaaien wordt het zaad uit de hand geworpen, en in de aarde gestrooid, her- en derwaarts geëgd, en eindelijk verrot, en alzoo schijnt veel verloren te zijn. Alzoo is het ook van de aalmoezen : wat van u tot een ander komt, schijnt een vermindering te zijn van wat gij hebt: maar de tijd des oogstes zal komen, in welken de vrucht zal verzameld worden. Want gelijk de Heere re-Matt. 25:40. kent Hem gegeven te zijn al wat den armen gegeven wordt: alzoo vergeldt Hij het daarna met milde rente. Laat ons nu komen tot de gelijkenis van Paulus. Die spaarzaam is in het zaaien, zal een kleinen oogst hebben, die der zaaiing gelijk is. Die rijkelijk zaait, en met milde hand, zal desgelijks een overvloedigen oogst verzamelen. Deze leer behoort volkomen in onze harten geworteld te zijn, opdat wij, zoo wanneer ons vleeschelijk gevoelen ons door vreeze van het verlies afroept van weldoen, terstond dit schild daartegen mogen stellen, de Heere zegt, dat wij zaaien. Voorts, de oogst is zoowel te verstaan van het geestelijke loon des eeuwigen levens, als van de aardsche zegeningen, waarmede God de weldadige menschen begiftigt. Want God vergeldt der geloovigen weldadigheid niet alleen
392
Spr. 11:24. Ga!. 6:7.
Deut. 15 : 17. Eom. 12 :8.
Ex. 25:2; 35:6.
Sir. 35:8.
Ps. 112:9.
6 Ma
2 CORINTHE 9 : 6â8.
in den hemel, maar ook in deze wereld. Zoo is dan dit zooveel alsof hij zeide: hoe weldadiger gij zijt jegens uwen naaste, zooveel te overvloediger zult gij de zegening Gods over u gevoelen. Hier stelt hij wederom de zegening tegen de spaarzaamheid, gelijk boven tegen de vrekheid: waaruit het openbaar is, dat zij genomen wordt voor groote en milde weldadigheid.
7 Een iegelijk naar het voornemen des harten. Dewijl hij geboden had, dat men rijkelijk moest geven, zoo moest hij ook dit daarbij zeggen, dat God de goeddadigheid niet zoozeer rekent naar de gave, als naar het hart. Hij begeerde wel veel te verkrijgen, opdat de broeders te beter mochten geholpen zijn; maar hij heeft van de onwilligen niets willen aftrekken. Zoo gebiedt hij dan gewillig te geven al wat zij geven. Het voornemen des harten stelt hij tegen droefheid en noodwendigheid. Want wat wij doen uit noodwendigheid, dat doen wij niet uit voornemen des harten, maar met droefheid. Voorts moet men dit verstaan van uiterlijke noodwendigheid, die van buiten aankomt. Want wij zijn Gode gehoorzaam, omdat het noodig is, en nochtans doen wij dat van harte. Zoo dan, wij leggen zeiven gewillig onszelven dien nood op, en dewijl het vleesch daartegen strijdt, zoo doen wij onszelven ook ditmaal geweld, opdat wij dat betamelijke werk doen, waartoe wij noodwendig verbonden zijn. Maar als wij van buiten aan gedwongen worden, en intusschen begeeren te ontvlieden, zoo wij mochten, zoo doen wij niets blijmoedig, maar alles met droefheid en benauwdheid des harten. Want God heeft den blijmoedigen gever lief. Hij roept ons tot God, opdat wij op Hem zien, gelijk ik boven gezegd heb: want de aalmoezen is een offerande, en geen offerande behaagt Gode, dan die gewillig is. Want als hij leert, dat een blijmoedige gever Gode aangenaam is: zoo geeft hij ook daarentegen te kennen, dat de onwillige en gedwongen gevers van Hem veracht worden. Want Hij wil niet als een tiran heerschappij over ons drijven, maar Hij bewijst Zich jegens ons als een vader: alzoo eischt Hij van ons vreeze, en vaardige kinderlijke gehoorzaamheid.
8 God is machtig. Wederom voorkomt Hij de booze gedachten, die ons zonder ophouden van onze ongeloovigheid ingegeven worden. Wat? Wilt gij niet liever uzelven bevorderlijk zijn? Denkt gij niet, dat gij te weinig zult hebben, wanneer gij dit verliest ? Om deze gedachten te verdrijven, wapent Paulus ons met een schoone belofte, te weten, dat al wat wij geven, te onzen beste gedijt. Ik heb gezegd, dat wij van nature te vrek zijn, omdat wij geneigd zijn tot wantrouwen, waardoor een iegelijk bewogen wordt om het zijne streng te behouden. Om dit gebrek te beteren, moeten wij deze belofte aangrijpen, te weten, dat degenen, die den armen weldoen, desniettemin zichzelven bevorderlijk zijn, zoowel alsof zij hun land met water bevochtigden. Want door de aalmoezen trekken zij den zegen Gods tot zich, gelijk water door watergoten. Dit wil Paulus zeggen: Deze weldadigheid zal u niet verkorten, maar God zal maken, dat zij met veel grooter overvloedigheid tot u zal weder-keeren. Want hij spreekt van de mogendheid Gods, niet gelijk de dichters, maar naar de wijze der Schrift, die Hem toeschrijft mogendheid in het werk, wiens tegenwoordige kracht wij zelf mogen gevoelen, en niet een ledige macht, die wij zouden mogen bedenken. Dat gij in alles alle genoegzaamheid. Hij stelt tweëerloi vrucht
393
394
der genade, die hij den Corinthiërs beloofd had, te weten, dat zij zeiven hebben zooveel hun noodig is, en dat zij tot weldoen overvloedig zijn. Met het woord genoegzaamheid, beduidt hij een mate, welke de Heere verklaart ons nut te zijn. Want het is ons niet altijd nut tot verzadiging vervuld te worden. Zoo geeft ons dan de Heere, naardat het ons nut is, nu meer, dan minder: doch al-zoo, dat wij tevreden zijn: wat veel meer is, dan zoo iemand de gan-sche wereld inslokte. In deze genoegzaamheid moeten wij overvloedig zijn om anderen goed te doen: want God zegent ons, niet opdat een iegelijk voor zichzelven zou behouden wat hij ontvangen heeft: maar opdat onder ons onderlinge gemeenschap zij, naardat de nood eischt. Gelyk er geschreven is. Hij brengt hier een getuigenis voort uit Ps. 112:9, waar onder andere deugden van een godzalig mensch, de profeet ook dit verhaalt, dat hij weldoende niet bezwijken zal, maar gelijk uit een springende fontein altijd water vloeit, alzoo zal ook de vloed zijner mildheid altijd duren. Paulus' meening is, dat wij niet van weldoen zullen vermoeid worden, en ook dit beteekenen de woorden van den profeet.
10 En die den zaaier zaad geeft, die geve ook brood tot spijze, en vermenigvuldige uw gezaaisel, en vermeerdere de vruchten uwer gerechtigheid.
11 Opdat gij in alles verrijkt wordt tot alle eenvoudigheid, welke door u maakt, dat God gedankt wordt.
12 Want de bediening van dezen dienst vervult niet alleen wat den heiligen ontbreekt, maar is ook daartoe overvloedig, dat God door vele menschen gedankt wordt:
13 Die door de beproeving van dezen dienst God prijzen over de gehoorzaamheid uwer bewilliging, in het Evangelie van Christus en over de eenvoudigheid der mededeelzaamheid aan hen en aan allen.
14 En door hun gebed voor u, die u begeeren om de uitnemende genade Gods over u.
15 Gode zij dank voor zijne onuitsprekelijke gave.
io Die den zaaier. Dit is een zeer schoone omschrijving, en vol van bijzondere vertroosting. Want die ten behoorlijken tijd gezaaid heeft, die schijnt in het maaien de vrucht zijns arbeids en vernufts in te zamelen, en de zaaiing schijnt een fontein en oorsprong te zijn, waaruit onze nooddruft vloeit. Deze meening weder-spreekt Paulus, betuigende dat zoowel het zaad, als de nooddruft, door Gods genade ook gegeven wordt den landlieden die zaaien, en die meenen zichzelven en anderen door hunnen arbeid te voeden. Wij hebben zulk een uitspraak, Deut. 8: 16: God heeft u gevoed met manna, met een spijze, die uwen vaderen onbekend was: dat gij, als gij zult komen in het land, dat Hij u geven zal, misschien niet zegt: mijn hand en mijn sterkte heeft mij dezen rijkdom verkregen: want het is de Heere, die kracht geeft om goed te verzamelen, enz. Die geve ook. Dit wordt tweeërlei wijze gelezen, ook bij de Grieken. Want in sommige handschriften worden deze drie woorden: Geven, vermenigvuldigen, vermeerderen, in den toekomenden tijd gesteld, aldus: Zal geven, zal vermenigvuldigen, zal vermeerderen. En alzoo zou het een bevestiging der voorgaande uitspraak zijn: want
2 CORINTHE 9 : 10â12.
Paulus verhaalt dikmaals eenzelfde belofte met verscheidene woorden, opdat zij te beter in onze harten gedrukt worde. In andere handschriften worden deze woorden aldus gelezen, als wenschende,
geve, vermenigvuldige, vermeerdere. En deze lezing volg ik liever, omdat zij algemeener is, en omdat Paulus gewoon is zijne vermaningen met wenschen en bidden te besluiten: waarmede hij dat-zelve van God bidt, wat hij tevoren in zijn leer vervat had; hoewel de eerste zin niet kwalijk zou passen. Brood tot spyze. Hij stelt tweëerlei vrucht van den goddelijken zegen over ons, te weten, dat wij genoeg hebben tot ons leven, en dat wij ook hebben om anderen te geven. Want gelijk wij niet voor onszelven alleen zijn geboren:
alzoo moet een Christenmensch niet voor zichzelven leven, noch voor zijn eigen gebruik bezitten wat hij heeft. Gezaaisel en vruchten der gerechtigheid, noemt hij de aalmoezen. Ook stelt hij be-dektelijk de vruchten der gerechtigheid tegen de inkomsten, die de groote menigte in kelders, schuren of voorraadskamers weglegt, opdat een iegelijk al wat hij verzamelen, ja te hoop schrabben kan, inslokke om zichzelven te verrijken. Door het eerste woord beduidt hij de stof om wel te doen; met het andere, het werk zelve, of het ambt der liefde. Want het woord gerechtigheid, wordt hier gesteld voor weldadigheid; alsof hij zeide; God geve u niet alleen, dat tot eens iegelijks eigen gebruik genoeg zij, maar ook dat de fontein uwer mildheid, zonder ophouden vloeiende, nimmermeer een einde hebbe. Zoo onzes naasten armoede te hulp komen een deel der gerechtigheid is, gelijk het voorwaar het minste deel niet is: zoo moeten die ongerechtig zijn, die dit stuk huns behoorlijken werks voorbijgaan.
ii Opdat gij in alles verrijkt wordt tot alle eenvoudigheid.
Wederom gebruikt hij het woord eenvoudigheid, om de natuur der ware weldadigheid uit te drukken, te weten, als wij onze zorg op God leggende, blijmoedig ons goed uitzetten tot alle gebruik, dat Hij ons gebiedt. Hij vermaant, dat dit het ware goed der geloovi-gen is, als zij in de voorzienigheid Gods de genoegzaamheid huns nooddrufts stellende, door geen wantrouwen verhinderd worden om wel te doen. En niet zonder oorzaak heeft hij de verzadiging des eenvoudigen gemoeds, dat met zijn mate tevreden is, versierd met het woord rijkdom, want er is niet hongerigers, dan de ongeloo-vigen, die door gierigheid ontrust zijn. Welke door u maakt, dat. De aalmoezen, die zij geven zouden, prijst hij uit een andere vrucht,
te weten, dat zij zouden gedijen tot Gods eere. En daarna drukt hij dat klaarder uit met een verheffing, aldus: Boven de gewone vrucht der liefde, zullen zij ook maken, dat God zal gedankt worden ; en dat vermeerdert en verheft hij, zeggende: Omdat God door vele menschen zal gedankt worden; en dat niet alleen voor de mildheid zelve, waardoor zij zullen geholpen zijn, maar voor al de godzaligheid der Corinthiërs. De bediening, noemt hij, die hij door der gemeenten bede aangenomen had; en waar wij gesteld hebben dienst, daar is in het Grieksch een woord, dat somtijds beduidt hsiroup-offerande, somtijds eenig ambt, dat openlijk bevolen is; en deze 7''«.
beide beteekenissen dienen tot deze plaats wel. Want het is niet nieuw, dat ook de aalmoezen offeranden worden genoemd. En gelijk wanneer de ambten en diensten onder de burgers uitgedeeld zijn, niemand weigert dat ambt te bedienen, dat hem opgelegd is,
alzoo moet ook de mededeelzaamheid onder de noodzakelijke amb-
395
2 CORINTHE 9 : 12â14.
ten in de gemeente gerekend worden. Zoo dan, de Corinthiërs en de anderen hebben Gode offerande gedaan, of hunnen wettigen en schuldigen dienst bewezen, als zij de Jeruzalemsche broeders hielpen. Paulus was een bedienaar dezer offerande; nochtans kan de bediening op de Corinthiërs geduid worden, doch daar is weinig aan gelegen.
13 Door de beproeving van dezen dienst. Het woord beproeving, beduidt hier bewijs of bevinding, gelijk in vele andere plaatsen. Want het was een bekwame proeve voor de Corinthiërs om hun liefde te bewijzen, dat zij mild waren jegens de broeders, die verre woonden. Maar Paulus strekt het wijder, te weten, tot hun gehoorzaamheid, die zij eendrachtig aan het Evangelie bewezen. Want door zulke getuigenissen bewijzen wij waarlijk, dat wij de leer des Evangelies gehoorzaam zijn. En de eendrachtigheid wordt daarin gezien, dat met gemeen overleg van allen aalmoezen gegeven wordt.
396
14 En door hun gebed voor u. Hij verzwijgt geen nuttigheid, die eenigszins dient om de Corinthiërs te bewegen. Ten eerste heeft hij dien troost verhaald, welken de geloovigen zouden gevoelen; ten andere, de dankzegging, waardoor God zou geëerd worden; ja, dat dit een belijdenis zou wezen, waardoor hun eendrachtige eenigheid in het geloof en in godzalige gehoorzaamheid allen betuigd zou worden. Nu verhaalt hij ook het loon, dat de Corinthiërs van de heiligen zouden ontvangen, te weten, vriendschap uit dankbaarheid vloeiende, en gebeden voor hen. Zij zullen (zegt hij) wat hebben tot wedervergelding, want zij zullen u schuldige liefde bewijzen, en zullen God voor u bidden. Ten laatste komt hij God te danken, alsof hij zijn begeerte verkregen had. Waarmede hij zijn betrouwen heeft willen betuigen, dat hij van deze zaak had, alsof het nu volbracht ware.
HET TIENDE HOOFDSTUK.
1 Voorts ik Paulus zelf vermaan u door de lieflijkheid en zachtmoedigheid van Christus, die wel tegenwoordig zijnde nederig ben onder u, en in het afwezen stout tegen u.
2 Ik bid u, dat ik tegenwoordig zijnde niet stout moge zijn, met dat betrouwen, waarmede ik denk ') stout te zijn tegen sommigen, die ons achten alsof wij naar het vleesch wandelden.
3 Want wij, wandelende in het vleesch, strijden niet naar het vleesch.
4 Want de wapenen onzes krijgs zijn niet vleeschelijk, maar zijn mogendheid Gode om alle vastigheid neder te werpen, waarmede wij de raadslagen nederwerpen.
5 En alle hoogheid, die verheven wordt tegen de kennis Gods, en alle gedachte ') gevangen leiden, om Christus gehoorzaam te zijn.
6 En hehben wrake bereid tegen alle ongehoorzaamheid, wanneer uwe gehoorzaamheid zal vervuld zijn.
1) Of, geacht worden.
Ef. 6:13.
1) Of, vernuft.
Als hij nu de vermaning geëindigd heeft, zoo komt hij tot de wederlegging der lasteringen, waarmede hij door de valsche apostelen bezwaard was, en ook eensdeels tot bedwinging der dartelheid van sommige ongeschikte menschen, die zich nietls hij nu de vermaning geëindigd heeft, zoo komt hij tot de wederlegging der lasteringen, waarmede hij door de valsche apostelen bezwaard was, en ook eensdeels tot bedwinging der dartelheid van sommige ongeschikte menschen, die zich niet
2 CORINTHE 10: 1, 2.
wel wilden laten regeeren. Deze beiden, aan Paulus zijn autoriteit willende benemen, hebben die strengheid, die hij in zijne zendbrieven gebruikte, verklaard een lichtvaardige, grootsche vermetelheid te zijn, omdat hij tegenwoordig zijnde niet zoo vermetel noch grootsch was, noch in woorden, noch in gelaat, maar nederig en verachtelijk was. Ziet, zeiden zij, dezen, die, zijn eigen armoede kennende, zoo zedig en vreesachtig is als hij tegenwoordig is, wanneer hij verre is,
dan heft hij zichzelven wreedelijk op : waarom is hij niet zoo stout met den mond, als met de zendbrieven ? Zal ons die van verre dreigen, die tegenwoordig zijnde verachtelijk is ? Waarvan komt hij tot zulk een stout betrouwen, dat hij meent, dat hem alles tegen ons geoorloofd is? Dusdanige woorden zaaiden zij om zijn strengheid te bespotten, en ook hatelijk te maken. Paulus antwoordde, dat hij niet stout is, anders dan zooverre hij door nood gedwongen wordt, en dat de nederheid der lichamelijke tegenwoordigheid, waarom hij veracht werd, zijn autoriteit niet vermindert, omdat hij in geestelijke kracht uitnemend was, en niet in vleeschelijke praal. En dat daarom die niet zullen ongestraft blijven, die zijne vermaningen, of berispingen, of dreigingen bespotten. In deze woorden, Ik zelf, is een krachtige uitdrukking, alsof hij zeide: Hoewel de kwaadwillige menschen hem van ongelijkheid beschuldigen, dat hij nochtans niet veranderlijk is, maar altijd dezelfde blijft.
1 Ik vermaan u. Dit is een afgebroken rede, gelijk dikmaals de redenen zijn, die uit groote bewegingen komen. De zin is: Ik bid u, en betuig u door de zachtmoedigheid van Christus, dat gij door uwe hardnekkigheid mij niet bedwingt harder te zijn dan ik wil,
en gelijk ik zal wezen tegen degenen, die mij daarom versmaden,
dat ik niets sierlijks schijn te hebben, en niet bekennen die geestelijke uitnemendheid, waarmede de Heere mij versierd heeft, naar welke ik meer behoorde geacht te worden. De bidding, die hij gebruikt, is genomen uit de tegenwoordige zaak, te weten, als hij zegt: Door de vriendelijkheid en zachtmoedigheid van Christus. De lasteraars rekenden hem dit tot schande, dat zijn tegenwoordigheid weinig waardigheid en majesteit scheen te hebben, en wederom, dat hij van verre door zendbrieven donderde. Deze beide lasteringen wederlegt hij bekwamelijk, gelijk daar gezegd is: maar hier betuigt hij, dat hij niets meer ter harte neemt, dan zachtmoedigheid, die een dienaar van Christus betaamt: waarvan Christus de Meester
zelf een exempel gegeven heeft: Leert van Mij (zegt Hij) dat Ik Matt. 11:20, zachtmoedig ben en nederig; mijn juk is zacht en mijn last is licht. 30' Evenzoo spreekt de profeet van Hem, zeggende: Zijn roepen zal Jes. 42:2, 3. in de straten niet gehoord worden, het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, enz. Zoo dan, de zachtmoedigheid, die Christus gebruikte, eischt Hij ook van zijne dienstknechten. Als Paulus deze meldt, zoo geeft hij te kennen, dat hij niet vreemd daarvan is,
alsof hij zeide: Ik betuig u, dat gij die zachtmoedigheid niet versmaadt, die Christus ons in zijn persoon bewezen heeft, en allen dag door zijne dienstknechten bewijst, ja die gij ook in mij ziet.
Die wel tegenwoordig zjjnde. Deze woorden verhaalt hij als uit den mond der tegensprekers. Wat zij hem verwijten, bekent hij alzoo naar de woorden, dat hij nochtans in de zaak zelf hen niet toestemt, gelijk wij zullen zien,
2 Ik bid, dat ik tegenwoordig zijnde. Sommigen meenen, dat
397
2 CORINTHE 10 : 2, 3.
in deze rede wat ontbreekt, en dat er niet in uitgedrukt wordt wat hij bidt; maar ik acht meer, dat hij hier voldoet wat in de voorgaande rede ontbreekt, opdat het een gemeene vermaning zij, alsof hij zeide: Weest mij leerzaam en gehoorzaam, opdat ik niet gedwongen worde hard te zijn. Dit is het ambt eens goeden herders, de schapen eerder lieflijk en vriendelijk te lokken, opdat zij zich laten regeeren, dan met geweld te dwingen. Ik beken wel, dat de strengheid somtijds noodig is, maar men moet altijd beginnen met zachtmoedigheid, en daarin volharden, totdat de toehoorder zicli laat behandelen Men moet (zeg ik) alle middelen beproeven, eer wij tot strengheid doorbreken. Ja, wij zullen nimmermeer over-streng zijn, dan uit nood en dwang. Intusschen, dat zij hem achtten kleinmoedig en vreesachtig te zijn, wanneer hij bij hen moest strijden: hij geeft te kennen, dat zij daarin dwalen, als hij verkondigt, dat hij de hardnekkigen tegenwoordig zijnde zal wederstaan. Zij versmaden mij (zegt hij) als een kleinmoedig mensch; maar zij zullen mij sterker en moediger bevinden dan zij willen, als de strijd ernstig zal moeten toegaan. Hieruit is het openbaar, wanneer het tijd zal zijn straf te handelen, te weten, wanneer wij bevonden hebben, dat men met zoetheid en vriendelijkheid niets kan uitrichten. Ik zal het (zegt Paulus) onwillig doen: nochtans heb ik het voorgenomen te doen. Dit is een zeer goede matiging; want gelijk de menschen meer zijn te leiden dan te trekken, zooveel in ons is: alzoo wanneer de zachtheid bij de hardnekkigen onnut is, dan moet men noodwendig strengheid gebruiken, anders zal het geen zedig-heid noch gelijkmatigheid zijn, maar een ongebonden ondeugendheid. Die ons achten. Erasmus heeft het overgezet: Die ons mee-nen naar het vleesch te wandelen. De oude overzetter is, naar mijn oordeel, den rechten zin van Paulus nader gekomen, aldus; Die ons achten, alsof wij naar het vleesch wandelden. Hoewel die wijze van spreken, die hij gebruikt, in de Latijnsche taal niet zeer gewoon is, en den zin van Paulus niet volkomen uitdrukt. Het KoyiQir- Grieksche woord, dat Paulus gebruikt, wordt hier genomen voor oor-bai. deelen of achten. Zij gevoelen van ons (zegt Paulus) of zij houden ons daarvoor, alsof wij naar het vleesch wandelden. Naar het vleesch wandelen. Dat legt Chrysostomus uit: Ongetrouwelijk handelen, of zich kwalijk in zijn ambt gedragen; en het wordt voorwaar dikmaals van Paulus alzoo gebruikt. Maar het woord vleesch, neem ik liever voor uitwendige praal en vertooning, waarmede alleen de valsche apostelen zichzelven plegen te verheffen. Zoo dan, Paulus klaagt van dier menschen ongerechtigheid, die niet anders in hem aanmerkten dan vleesch, dat is, den zienlijken schijn, naar de gemeene wijze der menschen, die al hunne genegenheid gebruiken tot eerzoeking. Want dewijl Paulus niet uitnemende was in die gaven, die in het gemeen bij de kinderen dezer wereld den mensch prijselijk en waardig maken, zoo werd hij als een gemeen man veracht: maar van wien ? te weten, van eergierigen, die hem alleen uit het uitwendig aanschouwen oordeelden, en niet overlegden wat in hem verborgen was.
3 Want wij, wandelende in het vleesch. In het vleesch wandelen, is hier in de wereld leven, hetwelk hij ergens noemt; In 2Cor. 5:6. het vleesch wonen. Want hij was in de gevangenis zijns lichaams besloten; maar desniettemin heeft de kracht des Heiligen Geestes zich wonderlijk in zijn zwakheid bewezen. Het is wederom een toe-
398
2 CORINTHE 10:3, 4.
lating, doch die den tegenstanders niet helpt. Naar het vleesch strijden die, die niets beginnen, dan op aardsche hulp betrouwende.
waarop zij ook alleen hoovaardig zijn, en hun betrouwen niet gesteld hebben op de hulpe en leiding des Heiligen Geestes. Pau-lus zegt, dat hij van dezulken niet is, daar hij met andere wapenen voorzien is, dan des vleesches en der wereld. Voorts, wat hij hier van zichzelven zegt, komt allen dienaren van Christus toe. Want zij 2Cor. 4:7. dragen een onuitsprekelijken schat in aarden vaten, gelijk ik boven gezegd heb. Daarom, hoewel zij met zwakheden des vleesches behangen zijn, zoo geeft nochtans de geestelijke mogendheid Gods in hen grootelijks haren schijn.
4 Want de wapenen onzes krijgs. Zoodanig is de krijg, gelijk de aard der wapenen is. Hij roemt, dat hij met geestelijke wapenen gewapend is, zoo is het dan een geestelijke krijg. Zoo volgt dan uit het tegengestelde, dat hij niet is naar het vleesch. Dat hij den dienst des Evangelies vergelijkt met een krijg, is een zeer bekwame gelijkenis. Het leven eens Christenmenschen is wel e'én eeuwige Job 7:1' krijg. Want zoo wie zich Gode tot gehoorzaamheid begeeft, zal nim- Jpê^g.^'g mermeer geen vrede van den duivel hebben, maar met gedurigen onrust gekweld worden. Maar het betaamt den dienaars des Woords en den herders, aan de anderen voorgangers en vaandeldragers te zijn. En voorwaar, niemand wordt meer van den duivel bezocht,
noch strenger besprongen. Zoo wordt dan die bedrogen, die zichzelven schikt om dit ambt te bedienen, tenzij hij beide, kracht en moed hebbe om te strijden: want het wordt niet anders dan strijdende bediend. Want men moet het aldus achten, dat het Evangelie gelijk een vuur is, waardoor de toornigheid des duivels ontstoken wordt: daarom kan het niet anders geschieden, hij moet zich tot strijden wapenen, zoo wanneer hij ziet, dat het Evangelie voortgang heeft. Maar met wat wapenen moet men hem verdrijven ?
Hij kan niet anders dan met geestelijke wapenen verdreven worden.
Daarom, zoo wie met de kracht des Heiligen Geestes niet gewapend is, zal niet kunnen -bewijzen, dat hij een dienaar van Christus is, al is het, dat hij zichzelven daarvoor uitgeeft. Hoewel, zoo gij een volkomene beschrijving der geestelijke wapenen wilt hebben, zoo moet men de leer met ijver, en de goede conscientie met kracht des Geestes, en met andere noodwendige gaven vereenigen.
Laat nu de paus gaan, en den titel der apostolische waardigheid zichzelven aanmatigen. Wat kan er bespottelijker zijn, zoo men uit dezen regel van Paulus wil oordeelen? Mogendheid Gode. Of naar God, of uit God. Ik acht dat daar een bedekte tegenstelling in deze woorden is, zoodat deze sterkte gesteld wordt tegen de zwakheid, die voor de wereld schijnt. En alzoo zou hij der men-schen oordeel verachtende, de waardeering zijner kracht van God begeeren. Hoewel, de tegenstelling zal ook in den anderen zin blijven, als dat de macht zijner wapenen op God steunt, en niet op de wereld. Om alle vastigheid neder te werpen. Vastigheden, noemt hij raadslagen, en hoogheid tegen God verheven,
waarvan hij hierna zal spreken. En zij worden eigenlijk en duidelijk alzoo genoemd: want hij wil roemen, dat niets zoo vast en sterk in de wereld is, om hetwelk neder te werpen, hij te zwak zou wezen; alsof hij zeide: Ik weet wel, hoezeer de vleeschelijke men-schen zichzelven op hunne ijdele praling verhoovaardigen, en hoe
399
2 CORINTHE 10:4â6.
grootschelijk en gerustelijk zij mij verachten, alsof in mij niets ware, dan wat nederig en verachtelijk is, en zij in hooger eere gesteld waren. Maar zij hebben een dwaze vermetelheid: want de wapenen des Heeren, waarmede ik strijd, zullen de overhand hebben op alle sterkten, op welke zij betrouwende, meenen onoverwinnelijk te zijn. Voorts, dewijl de wereld zich txveeërlei wijze pleegt te wapenen, om tegen Christus te krijgen, te weten, met schalkheid, booze listen, doortraptheid, en andere bedekte lagen, alsook met wreedheid en sterkheid, zoo vervat hij deze beide wijzen. Want door de raadslagen, verstaat hij al wat tot vleeschelijke wijsheid dient. Hoogheid, beduidt allerlei wereldlijke heerlijkheid en mogendheid. Zoo moet clan een dienaar van Christus niet verschrikken voor eenige vreeselijkheid, die zich tegen zijne leer stelt: hij ga desniettemin voort, en hij zal alle lagen teniet maken, Tioedanig zij ook mogen zijn. Ja, het rijk van Christus kan niet anders opgericht noch gesteld worden, dan met nederwerpen van al wat in de wereld hoog is. Want aan de geestelijke wijsheid Gods is niets vijandiger, dan de wijsheid des vleesches, en aan de genade Gods is niets meer tegen dan de natuurlijke macht des menschen, en alzoo ook wat het vorige aangaat. Want de vernedering der menschen is het eenige fundament van het rijk van Christus. En hiertoe dienen de profetische wijzen van spreken: De maan zal rood worden, en de zon zal zich schamen, wanneer de Heere zal beginnen te regeeren te dien dage, Jes. 24:23 en 2:17. Want opdat de Heere alleen verheven zij, moet de heerlijkheid der gansche wereld verdwijnen.
5 En onze gedachte gevangen. Ik acht, dat hij boven eigenlijk gesproken heeft van den strijd der geestelijke wapenen, met de verhinderingen, die tegen het Evangelie van Christus oprijzen: maar nu spreekt hij van de ordelijke bereiding, waardoor de menschen tot zijn gehoorzaamheid moeten geleid worden. Want zoolang wij op ons eigen gevoelen rusten, en onszelven wijs zijn, zoo zijn wij verre van alle naderkomen aan de leer van Christus. Daarom moet men hiermede een begin maken, opdat die wijs is, dwaas worde, dat is, dat wij ons eigen verstand verlaten, en de wijsheid des vleesches laten varen, en alzoo onze harten ledig aan Christus offeren, opdat Hij ze vervulle. Men moet de wijze van spreken aanmerken, dat hij zegt, dat hij alle gedachten gevangen leidt: want het is zooveel, alsof hij gezegd had, dat men de vrijheid van het menschelijk vernuft moet bedwingen, dat het geen wijsheid hebbe buiten de leer van Christus; bovendien, dat zijn stoutheid niet anders kan bedwongen worden, tenzij het als gevangen gehouden worde. En dit geschiedt door de leiding des Geestes, opdat het zich late regeeren, en in gewillige gevangenis blijve.
6 Hebben wrake bereid. Dit stelt hij daarbij, omdat de dartele menschen zich niet in stoutheid zouden verheffen, alsof zij dat ongestraft zouden doen. Zoo zegt hij dan, dat hem niet alleen macht gegeven is om de gewillige discipelen van Christus tot gehoorzaamheid te dwingen, maar ook om de wederspannigen te straffen, en dat zijne dreigingen niet ijdele verschrikkingen zijn, maar dat ook gereede uitoefening en volbrenging daarbij is. Deze wraak en
Matt. 18:18. straf isquot; gefundeerd in het woord van Christus: Al wat gij zult binden op de aarde, zal gebonden wezen in den hemel. Want hoewel God niet terstond bliksemt, als de dienaar zijn oordeel gesproken
400
2 CORINTHE 10:6, 7.
heeft, zoo is het oordeel nochtans vast en zeker, en zal te zijnen tijde volbracht worden. Versta altijd, wanneer de dienaar met zijne geestelijke wapenen strijdt. Sommigen verstaan het van de lichamelijke straffen, waarmede de apostelen de hardnekkigen en godde-loozen straften: gelijk Petrus Ananias en Saffira met den dood, en Hand. 5:8. gelijk Paulus Elymas den toovenaar met blindheid geslagen heeft. Hand. 27:S. Maar de andere zin dient 't best. Want de apostelen hebben niet altijd, noch alom deze macht gebruikt. En Paulus spreekt in 't gemeen, dat hij wraak in zijn macht heeft tegen alle ongehoorzamen.
Wanneer uwe gehoorzaamheid. Hoe voorzichtig ziet hij toe, dat hij niemand vervreemdt met te overgroote scherpheid: want opdat hij ze niet schijne te tergen, dewijl hij de wederspannigen gedreigd heeft, zoo betuigt hij, dat hem een andere dienst over hen geboden is, te weten, dat hij ze alleen aan Christus gehoorzaam make. En voorwaar, dit is het eigen einde des Evangelies, gelijk hij in den beginne en in het einde van den zendbrief aan de Romeinen leert.
Daarom moeten alle Christenleeraars deze orde naarstig houden, Eom. i-.b-, dat zij eerst vriendelijk zoeken gehoorzaamheid van de toehoorders 10:26-te verkrijgen, ook vriendelijk daartoe opwekkende, eer zij tot straf der wederspannigheid uitbreken: daarom heeft Christus het bevel van te ontbinden eerder gegeven dan het bevel te binden.
7 Gij ziet ') wat naar het aanschijn is. Indien iemand zichzelven i) of, Ziet betrouwt, dat hij van Christus is, die denke dit wederom uit glJ' zichzelven, dat gelijk hij van Christus is, wij ook alzoo van Christus zijn.
8 Want of ik overvloediger roemde van onze macht, die de Heere iCor. i3:io. ons gegeven heeft tot uwe stichting, en niet tot nederwerpingj
zoo zal ik niet beschaamd worden.
9 En opdat ik niet scliijne u te verschrikken door zendbrieven:
10 (Want de zendbrieven, zeggen zij, zijn zwaar en krachtig, maar de lichamelijke tegenwoordigheid is zwak, en de woorden verachtelijk.)
11 Zoo wie zoodanig is, die denke dit, dat hoedanig wij zijn in het afwezen met woorden en brieven, wij ook zoodanig zijn met het werk tegenwoordig.
7 Gij ziet wat naar het aanschijn is. Ten eerste, dit woord,
naar het aanschyn, kan tweeërlei genomen worden, te weten, voorde zienlijke en openbare bevinding, of voor den uitwendigen be-driegelijken schijn. Men kan het ook vragenderwijze lezen, aldus:
Ziet gij wat naar het aanschijn is? Ook gebiedenderwijze: Ziet wat naar het aanschijn is. Maar ik acht meer, dat het een bestraffing is, en dat de Corinthiërs bestraft worden, dat zij hunne oogen met ijdele bedriegerij lieten verstrikken, alsof hij zeide: De anderen, die met grootsche woorden opgeblazen zijn, acht gij zeer groot, en mij veracht gij, omdat ik geen grootsche vertooning noch roeming gebruik. Want het oordeel, dat naar het aanzien des per- Joh, 7:24; soons geschiedt, stelt Christus tegen het rechte oordeel. Zoo be-8;la'
401
straft hij dan de Corinthiërs, dat zij met ijdele bestrijking of met den schijn tevreden zijnde, niet grondig onderzochten, wie men behoorde voor dienstknechten van Christus te achten. Indien iemand
2C
Dl. II.
2 CORINTHE 10:7, 8.
zichzelven betrouwt. Dit is een woord vol van betrouwen; want hij stelt dit als bekend en beleden, dat hij zoo zeker een dienaar van Christus is, dat deze titel hem niet kan benomen worden. Zoo wie, zegt hij, een dienaar van Christus wil geacht worden, die moet mij ook met zich rekenen. Waarom? Hij bedenke en achte (zegt hij) uit zichzelven: want wat hij in zichzelven vindt zulker eere waardig, dat zal hij ook in mij vinden. Hieruit gaf hij bedektelijk te kennen, dat men niet voor dienstknechten van Christus moest achten allen, die hem lasterden. Het komt niet een iegelijk toe met zulk betrouwen te spreken. Want het kan geschieden, ja het geschiedt dagelijks, dat menschen van geene waarde ditzelve zich aantrekken, die niet anders zijn dan schandvlekken van Christus. Maar Paulus roemde niet anders van zichzelven, dan dat hij met klare en zekere bewijzen openlijk bij de Corinthiërs bewezen had. Zoo nu iemand geen getuigenis uit de zaak zelve hebbende, zichzelven naar zoodanige wijze wil verheffen, wat zal hij anders doen dan zichzelven bespottelijk maken? Zichzelven betrouwen is zooveel als met deze voorwending zichzelven recht en autoriteit aantrekken, en groot geacht willen worden, omdat hij Christus dient.
8 Want of ik overvloediger roemde van onze macht. Het was een zedigheid, dat hij zichzelven stelde onder dier menschen getal, boven wie hij verre uitnemend was; nochtans heeft hij niet zoo zedig willen zijn, dat hij daardoor zijn autoriteit zou verliezen: daarom zegt hij daarbij, dat hij minder gezegd heeft dan hij met recht kon zeggen. Want hij was niet uit de gemeene orde der dienaren, maar was uitnemend ook onder de apostelen. Zoo zeide hij dan: Of ik meer roemde, zoo zal ik niet beschaamd worden: want ik zal rechtmatige stof hebben. Het is een voorkoming, want hij zwijgt niet van zijn heerlijkheid, en nochtans laat hij na veel daarvan te spreken, opdat de Corinthiërs verstaan, dat hij niet roemt dan uit bedwang, gelijk voorwaar de valsche apostelen met hunne ongeschiktheid hem dwongen tot wat hij anders niet zou gedaan hebben. Macht, noemt hij de autoriteit zijns apostelschaps, die hij onder de Corinthiërs had. Want hoewel het eenzelfde ambt, en allen dienaren des Woords gemeen is, zoo zijn daar nochtans trappen en graden in de eer. En God had Paulus hooger gesteld dan de anderen, als Hij zijnen dienst gebruikt had om die gemeente te stichten, en zijn apostelschap veelszins versierd had. Voorts, opdat de kwaadwilligen tegen hem niet eenigen nijd onder de anderen zouden verwekken, uit het woord macht, zoo zegt hij daarbij tot wat einde zij hem gegeven is, te weten, tot zaligheid der Corinthiërs: waaruit volgt, dat zij hun niet moet moeilijk noch zwaar zijn; want wie zou dat niet met goeden moed dragen, ja wie zou het niet liefhebben, wat hij bekent hem nut te zijn? Intusschen is hier een tegenstelling tegen die macht, waardoor de valsche apostelen zichzelven verhieven, welke zoodanig was, dat de Corinthiërs daaruit geen vrucht hadden, noch eenige vrucht gevoelden. Voorts, is het zonder twijfel, dat ook al de dienaars des Woords macht hebben: want hoedanig zou de prediking zijn zonder macht? Daarom is het Luk. io;i5. tot allen gezegd: Wie u hoort, die hoort Mij; wie u verwerpt, die verwerpt Mij. Maar dewijl velen valschelijk zichzelven aantrekken wat zij niet hebben, zoo moet men naarstig aanmerken, hoever Paulus zijn macht uitstrekt, te weten, dat zij den geloovigen tot
402
2 CORINTHE 10 : 8. 9. 403
stichting zij. Zoo dan, degenen, die de macht gebruiken tot verderving der gemeente, die bewijzen zichzelven tirannen en roovers te zijn, en geen herders. Ten andere, moet men aanmerken, dat hem de macht van God gegeven is. Zoo wie dan iets wil vermogen,
die moet God tot een auteur zijner mogendheid hebben. Sommigen zullen ook ditzelve roemen, gelijk de paus met opgeblazen kaken roept, dat hij Christus' stedehouder is Maar hoe bewijst hij het ?
Want Christus heeft aan geen stomme personen zulke macht gegeven, maar aan de apostelen, en aan zijne andere dienaren, omdat de leer zijns Evangelies niet ongewapend zou zijn. Zoo is dan al de macht der dienaren in het Woord besloten, zoodat desniettemin Christus altijd alleen de Heer en Meester blijve. Zoo zullen wij dan gedachtig zijn, dat in de wettige macht deze twee dingen geëischt worden, te weten, dat zij van God gegeven zij, en dat zij tot zaligheid der gemeente gebruikt worde. Wien God deze macht gegeven heeft, en hoe Hij ze gegeven en bepaald heeft, is bekend. Die gebruiken ze behoorlijk, die zijn bevel getrouwelijk gehoorzaam zijn.
Nochtans kan men hier een vraag tegenwerpen. God spreekt tot Jeremia; Zie, Ik stel u over de volken en koninkrijken, opdat gij Jer. i:io. plant en uitroeit, bouwt en verderft. En wij hadden boven, dat de apostelen met die voorwaarde verordend zijn, opdat zij terneder-werpen al wat zich tegen Christus verheft. Ja, de leeraars des Evangelies kunnen niet anders stichten dan den ouden mensch verdervende; bovendien verkondigen zij het Evangelie, den godde-loozen tot verdoemenis en verderf. Ik antwoord, dat het den verworpenen niet aangaat, wat Paulus hier zegt; want hij spreekt tot de Corinthiërs, dien hij wilde dat zijn apostelambt zalig was. Zooveel hun dan aanging, vermocht hij niet anders dan tot stichting.
En wij hebben nu gezegd, dat dit bij name is uitgedrukt, opdat de Corinthiërs zouden weten, dat het gezag van den heiligen man,
(wiens einde was hun stichting) niet anders dan van den duivel, den vijand hunner zaligheid, bestreden werd. Hoewel, om anders in 't gemeen te spreken, zoo is het waar, dat de leer des Evangelies uit haar natuur dient om te stichten, en niet om te verderven;
want dat zij ook verderft, komt van elders, te weten, uit der men-schen schuld, als zij zich stooten aan dien steen, die hun verordend Jes. 8; 14. was tot een fundament. Dat wij door het verderven van den ouden Hom, V:32. mensch wederom opgericht worden naar het beeld Gods, strijdt niet 1 Petr. 2:8 tegen de woorden van Paulus; want de verderving wordt dan in 't goede genomen, maar hier in :t kwade, voor verderving van wat Gode toekomt, of voor het verderf der ziel, alsof hij zeide, dat deze macht hun niet schadelijk was, welker nuttigheid tot zaligheid openbaar was.
9 Dat ik niet schijne u te verschrikken. Hier roert hij wederom aan die lastering, die hij boven wederlegd heeft, te weten, dat hij met brieven stout, en tegenwoordig zijnde verwerpelijk was: door zulke voorwending verkleinden zij zijne zendbrieven; Wat (zeiden zij) zal hij ons van verre door zendbrieven verschrikken, die nauw zou bestaan te kikken, zoo hij tegenwoordig ware? Zoo dan, omdat zijne zendbrieven niet te minder gewichtig zouden zijn, antwoordt hij, dat hem niets tegengeworpen wordt, waarom hij en zijn geloof te minder geloofwaardig zouden moeten geacht worden: want men moet de daad niet minder achten dan de woorden. Hij was tegenwoordig
i'. i'
tv
, lt; 'i
é
2 CORINTHE 10:9â12.
zijnde tilzoo krachtig met de werken, als in het afwezen met de woorden: zoo was het dan onrecht, dat zijn lichamelijke tegenwoordigheid verachtelijk geacht werd. Werken noemt hij hier (naar mijn oordeel) zoowel de vrucht en voortgang der verkondiging, als de deugden, die een apostel betamen, en den ganschen stand zijns levens. Woord, noemt hij niet de substantie der leer, maar alleen de gedaante, en om zoo te spreken, de schors: want voor de leer zou hij strenger gestreden hebben. Maar de verachting rees daaruit, dat hij de sierlijkheid en den luister der welsprekendheid niet gebruikte, waardoor men den mensch behaagt.
2 Cor. 3:1; 12 Want wij bestaan niet ons^elven onder sommigen te rekenen,
'::l2' of met hen te vergelijken, die zichzelven aanprijzen: maar zij
zeiven zichzelven met zichzelven metende, en met zichzelven vergelijkende, zijn zichzelven niet wijs.
13 Maar wij zullen niet zonder mate roemen, maar naar de mate des regels, die God ons gegeven heeft: de mate, zeg ik, te geraken ook tot n toe.
14 quot;Want wij strekken ons niet uit bovenmate, alsof wij niet tot u gekomen waren: want wij zijn tot u toegekomen in het Evangelie van Christus.
15 Niet roemende zonder mate in eens anders arbeid, doch hope hebbende, dat wanneer uw geloof in u zal wassen, wij zullen geprezen worden naar onzen regel tot overvloedigheid.
16 Zoodat ik ook verder dan u het Evangelie zal verkondigen, niet in eens anders regel, om te roemen in dingen, die bereid zijn.
.Ier. 9:25. 17 Maar wie roemt, die roeme in den Heere.
1 JeiT'cs ⢠16 18 Want die zichzelven prijst, die is niet beproefd, maar dien de
Spr, 27:2. Heere prijst.
ia Want wij bestaan niet onszelven. Dit zegt hij spottenderwijze : want daarna vergelijkt hij zichzelven niet alleen stoutelijk met hen, maar laat zè verre achter zich, hun ijdelheid bespottende. Met deze spottende wijze van spreken, treft hij niet alleen die hoovaar-dige roemers, maar ook de Corinthiërs, die hunne dwaasheid voedden met hun verkeerde instemming. Ik ben, zegt hij, tevreden met mijn matigheid; want ik zou niet bestaan mijzelven te rekenen onder uwe apostelen, die van hun uitnemendheid roemen. Intusschen als hij zegt, dat hun roem in woorden, en in roeming gelegen is, zoo vertoont hij hoe onnut en ondeugend zij zijn: en hij schrijft zichzelven de zaak zelve toe, in plaats van de woorden, dat is, ware en grondige oorzaak van room. Maar hij schijnt zelf te zondigen in datgene, waarin hij anderen berispt: want hij prijst terstond zichzelven. Ik antwoord, dat men het einde moet aanmerken. Want die zoeken niet zichzelven te prijzen, die van alle eerzoeking rein zijnde, alleen begeeren nuttig den Heere te dienen. Doch, zooveel deze plaats aangaat, er is geen ander antwoord noch ontbinding noodig, dan die uit de woorden zeiven kan genomen worden. Want die worden gezegd zichzelven te prijzen, die aan waren lof arm zijnde, zichzelven hoovaardig verheffende, liegen, zeggende, dat zij zijn wat zij niet zijn: hetwelk ook duidelijk is uit de navolgende woorden. Maar zy zeiven zichzelven. Hier wijst hij hunne ongeschiktheden
404
2 CORINTHE' 10 : 12â14.
met den vinger aan. Een eenoogig mensch onder de blinden heeft een scherp gezicht; een doofachtig mensch onder die geheel doof zijn, hoort zeer wel. Zulken waren dezen, die daarom zichzelven behaagden, en zichzelven onder anderen verhieven, omdat zij niet zagen op anderen, die uitnemender waren. Want hadden zij zichzelven met Paulus vergeleken, of met een ander van zijns gelijken, zoo waren zij terstond gedwongen geworden dien dwazen waan af te leggen, en zouden van roeming gekomen zijn tot schaamte. De uitlegging dezer plaats moet men nergens halen dan van de monniken. Want hoewel zij meest allen zeer ongeleerde ezels zijn, en nochtans om de kap en het lange kleed geleerd geacht worden. Zoo iemand onder hen alleen een klein smaaksken der geleerdheid heeft, die breidt zijne pluimen hoovaardig uit gelijk een pauw, daar wordt een verwonderlijk gerucht van hem gezaaid: hij wordt onder zijn metgezellen aangebeden. Maar zoo men de bedriegelijke kap wil afleggen, en tot behoorlijke onderzoeking komen, zoo vindt men ijdelheid. Waarom dat: Het oude spreekwoord is wel waar: De onwetendheid is vermetel; maar der monniken overgroote opgeblazenheid komt meest daaruit, dat zij zichzelven met zichzelven meten: want dewijl in hunne kloosters niets is dan ongeschikte ongeleerdheid, zoo is het daar geen wonder, zoo een eenoogig mensch regeert onder de blinden. Zoodanig waren de tegenstanders van Paulus: want zij vleiden zichzelven in zichzelven, niet aanmerkende in wat deugden de ware lof gelegen was, en hoe wijd zij waren van de uitnemendheid van Paulus en zijns gelijken. Die eene gedachte zou ze terecht beschaamd hebben: maar dit is de rechte straf der eer-gierigen, dat zij door hun ongeschiktheid bespottelijk worden, en voor eer, die zij verkeerdelijk zoeken, schande verkrijgen, welke zij allermeest vlieden.
13 Maar wij zullen niet zonder mate. Nu stelt hij zijn matiging tegen de dwaasheid der valsche apostelen, en vertoont ook mede, welke de ware wijze des roemens is, te weten, wanneer wij ons-zelven houden binnen de palen, die de Heere gesteld heeft. Dit heeft de Heere mij gegeven, met deze mate zal ik tevreden wezen, ik zal niet meer begeeren noch aannemen. Dit noemt hij de mate van zijnen regel. Want dit is een iegelijks regel, waarmede hij zichzelven moet meten, te weten, de gave en roeping Gods. Hoewel, wij moeten niet zelf in de roeping en gave Gods roemen om onzentwil, maar alleen zoover het tot zijn eer dient, die daarom zoo mild over ons is, opdat men alles Hem toeschrijve. De mate te geraken ook tot u toe. Hiermede geeft hij te kennen, dat hem geen woordenlof noodig is bij de Corinthiërs, die een deel zijner eer waren, (gelijk hij op een andere plaats zegt: Gij zijt mijne kroon.) Maar hij gaat voort in de wijze van spreken, die hij nu begonnen had. Ik heb (zegt hij) zeer groote ruimte om te roemen, zoodat ik over mijne palen niet treed. Van deze ruimte zijt gij een deel. Hij gispt zedig hun ondankbaarheid, dat zij zijn apostelambt bijna verachtten, welke door Gods aanprijzing bijzonder bij hen behoorde begeerd te zijn. En men moet in alle stukken verstaan de tegenstelling der valsche apostelen, die zulk bewijs niet hadden.
14 Want wij strekken ons niet uit. Hij ziet op degenen, die hunne armen met geweld uitrekken, of zichzelven op hunne voeten oprichten, als zij willen grijpen wat hun niet bij de hand is: want
405
2 CORINTHE 10: 14â17.
zoo is de ijdele begeerte der eer, ja ook dikraaals onnutter: want de eergierigen strekken niet alleen hunne armen uit, en richten niet alleen hunne voeten op, maar jagen ook hals over kop, om voorwending des roems te verkrijgen. Hij geeft bedektelijk te kennen, dat zijn tegenstanders zoodanigen geweest zijn: daarna verklaart hij, hoe hij tot de Corinthiërs is gekomen, te weten, dat hij hun gemeente door zijn dienst gefundeerd heeft. Daarom zegt hij: In het Evangelie van Christus. Want hij was niet ledig tot hen gekomen, maar was de eerste, die het Evangelie tot hen bracht. Het woordje in, wordt van sommigen anders genomen: want zij zetten het over, door het Evangelie, welke zin niet kwalijk rijmt: nochtans schijnt Paulus zijn komst tot de Corinthiërs te versieren, dat hij met zulk een kostelijke gave gekomen is.
15 In eens anders arbeid. Nu treft hij de valsche apostelen vrijelijker, die, hoewel zij hunne handen in eens anders oogst gestoken hadden, nochtans bestonden die te lasteren, die door hun zweet en arbeid hun plaats bereid hadden. Paulus had de gemeente der Corinthiërs gesticht niet zonder zeer grooten strijd en ontallijke zwarigheid: dezen komen na hem, en vinden den weg gebaand, en de deur open; en opdat zij schijnen wat te zijn, zoo schrijven zij onbeschaamdelijk zichzelven toe, wat met geen recht hun toekwam, en verkleinden den arbeid van Paulus. Hope hebbende. Wederom berispt hij de Corinthiërs bedektelijk, omdat zij hem hinderlijk waren, dat hij niet zoo grooten voortgang kon doen in de bevordering des Evangelies. Want als hij zegt, dat hij hoopt, dat wanneer hun geloof in hen zal wassen, de einden zijns roems zullen verbreid worden, zoo geeft hij te kennen, dat de zwakheid des geloofs, waarmede zij bevangen waren, zijn loop wat verachterd had, alsof hij zeide: Ik behoorde nu nieuwe gemeenten te verkrijgen, en dat door uwe hulp, zoo gij zulken voortgang gedaan hadt, als gij behoordet: maar nu verachtert gij mij door uwe zwakheid. Doch ik hoop, dat de Heere zal geven, dat gij namaals grooteren voortgang zult doen, en dat ook alzoo de heerlijkheid van mijn dienst zal vermeerderd worden, naar den regel der goddelijke roeping. Roemen in dingen die bereid zijn, is zooveel als roemen in eens anders arbeid: want waar Paulus gestreden had, daar triumfeerden zij.
17 Wie roemt. Deze uitspraak is voor een verbetering gesteld: want zijn roeming had kunnen schijnen een ijdele verhoovaardiging te zijn; daarom roept hij zichzelven en anderen op tot het oordeel Gods, zeggende dat die eerst behoorlijk roemen, die bij God lof hebben. Voorts, deze woorden, in den Heere roemen, worden hier 1 cor. 1:32. anders genomen dan in het eerste hoofdstuk van den Eersten zend-jer. i;2-t. brief, en bij Jeremia. Want daar beduidt het. God zoo te bekennen de auteur aller dingen te zijn, dat het zijne genade toegeschreven wordt al wat goed is, en dat de menschen zichzelven niet verheffen, maar God alleen prijzen. Maar hier beduidt het, onze eer en roem te stellen in het goeddunken van den eenigen God, en alle andere dingen verachten: want dewijl sommigen staan op der menschen meening, en zichzelven met de valsche waag des gemeenen volks wegen, en sommigen door hun eigen grootschheid bedrogen worden, zoo gebiedt Paulus ons deze eenige eer te zoeken, dat wij den Heere behagen, met wiens oordeel wij allen staan en vallen. De heidenen zeggen ook, dat de ware roem gelegen is in de goede
406
2 CORINTHE 10: 17, 18â11 : 1.
conscientie; dit is wel wat, maar niet alles; want dewijl zij bijna allen door de overgroote eigenliefde blind zijn, zoo zullen wij niet gerust in die meening kunnen rusten, die wij van onszelven hebben:
want wij moeten in gedachtenis houden, dat hij ergens zegt, dat hij 1 Cor. 4:4. zichzelven in niets schuldig kent, en nochtans daardoor niet gerechtvaardigd wordt. Hoe dan? Wij zullen weten, dat dit recht Gode alleen toekomt, dat Hij over ons oordeele. Want wij zijn geen bekwame richters in onze eigen zaak. Deze zin wordt bevestigd door wat terstond daarna volgt: Want die zichzelven prijst, die is niet beproefd. Want de menschen kunnen lichtelijk door valsche meening bedrogen worden, en het geschiedt dagelijks. Zoo zullen wij dan alle andere dingen verlatende, alleen hiernaar staan, dat wij Gode beproefd en aangenaam zijn, en met zijn goedkeuring alleen tevreden zijn, gelijk wij terecht die meer moeten achten, dan alle loftuiting aller menschen. Iemand zeide, dat het oordeel van den eenigen Plato hem zooveel was als duizend: en hier wordt niet gesproken van der menschen oordeel, wie hooger geacht wordt, en door wien, maar van het oordeel Gods zelve, wien het toekomt teniet te maken al wat de menschen geoordeeld hebben.
HET ELFDE HOOFDSTUK.
1 Och, of gij mij een weinig verdragen hadt in mijne onwijsheid: l) Of, gij ver-ja verdraagt mij ook '). draagt my.
2 Want ik ben ijverig over u met goddelijken ijver: want ik heb
u eenen man toegevoegd, om een kuische maagd aan Christus Lev. 21:13. voor te stellen.
3 Maar ik vrees, dat het eenigszins zal geschieden, dat gelijk de Geu. 3: é, slang Eva door hare listigheid bedrogen heeit, alzoo ook uwe Boe'k aej. zinnen verdorven worden van de eenvoudigheid, die in Christus is. Wysh. 3:24.
4 Want indien degene, die komt '). eenen anderen Jezus predikt, i) Of, zoo dien wij niet gepredikt hebben; of zoo gij eenen anderen Geest mende. ontvangt, dien gij niet ontvangen hebt; of een ander Evangelie Gal- 1:8-dat gij niet ontvangen hebt, zoo hadt gij het terecht verdragen.
5 Want ik meen, dat ik niet minder geweest ben dan de uitnemende apostelen.
6 Maar indien ik ook ongeleerd ben in woorden, zoo bon ik nochtans niet ongeleerd in wetenschap: maar wij zijn alom openbaar geweest in alle dingen onder u.
407
1
ch, of gij mij een weinig. Dewijl hij zag, dat de ooren der I ICorinthiërs eensdeels nog bevangen waren, zoo gebruikt hij ^â nog een andere kunst: want hij wendt zich tot wenschen,
gelijk die doen, die niet openlijk durven te bidden. Maar terstond alsof hij betrouwen gekregen heeft, bidt hij desniettemin de Corin-thiërs, dat zij zijn onwijsheid verdragen. Onwijsheid, noemt hij de grootsche optelling van zijn lof, die hier zal volgen: niet dat hij onwijs was in het roemen, want hij werd door nood daartoe gedrongen, en matigde zich alzoo, dat hij niet terecht geoordeeld kon worden onmatig te zijn. Maar dewijl zijn eigen lof te vertellen, iets
2 CORINTHE 11: 1â3.
onaangenaams, en van eenen zedigen man vreemd is, zoo spreekt hij als bij toelating. Waar ik gesteld heb verdraagt, daar heeft Chrysostomus gesteld: gij verdraagt. En voorwaar het Grieksche woord is twijfelachtig, en beide zinnen passen wel. Maar dewijl de redenen, die hij hierna stelt, daartoe strekken, dat het den Corin-thiërs niet moeilijk zij hem te verdragen: en hij daarna wederom met hen zal kijven, omdat zij hem niet toegeven: zoo heb ik den ouden overzetter gevolgd, zeggende: Och, of. Hij had geschreven van hen te mistrouwen; nu gebiedt hij hun vrijelijk en openlijk, als verbeterende de twijfeling.
2 Want ik ben ijverig. Ziet, waarom hij onwijs is: want de ijver drijft den mensch over de maat; alsof hij zeide: Wilt van mij niet eischen de gelijkmatigheid eens tnenschen, die gerust en met geene bewegingen gedreven wordt; want de strengheid van den ijver, waarmede ik over u brand, laat mij niet rusten. Maar dewijl daar tweeërlei ijver is: de een, die van onze eigenliefde komt, welke gebrekkelijk en verkeerd is; de ander, dien wij voor God aannemen, zoo zegt hij met wat ijver hij bevangen is, want velen zijn wel ijverig, maar voor zichzelven, en niet voor God; en dat is eerst een godzalige en rechte ijver, die op God ziet, opdat Hij van zijn wettige eer niet beroofd worde. Want ik heb u eenen man toegevoegd. Uit het einde zijner prediking bewijst hij, dat hij zulken ijver heeft. Want hij strekte hiertoe, dat hij ze Christus wilde overgeven tot een huwelijk, en daarin behouden. Voorts beschrijft hij ons hier in zijn persoon het beeld van een goed dienaar. Want de Zone Gods is de eenige Bruidegom, de dienaars zijn alle vrienden
joh. 3:29. des bruidegoms; gelijk Johannes de Dooper van zichzelven getuigt.
Zoo moeten zij dan allen bezorgen, dat de trouw des heiligen huwelijks ongeschonden blijve. Dit kunnen zij niet doen, tenzij zij de genegenheid des bruidegoms aandoen, zoodat een iegelijk van hen niet anders zorgvuldig zij over de zuiverheid der gemeente, dan gelijk een man zorgvuldig is over de kuischheid van zijne vrouw. Laat varen de koudheid en luiheid; want wie koud is, die zal nimmermeer tot dat ambt bekwaam wezen. Maar intusschen moeten zij toezien, dat zij niet meer hun eigen zaak drijven dan de zaak van Christus; dat zij niet zichzelven in zijn plaats steken; dat zij, willende leiders van de bruid zijn, niet in der waarheid overspelers zijn, de bruid tot haar eigenliefde trekkende. Om een kuische maagd aan Christus. Wij trouwen Christus met geen ander conditie, dan dat wij een kuische maagd voor een bruidschat tot Christus brengen, en die ongeschonden bewaren van alle oneer. Zoo is dan dit het ambt der dienaren des Evangelies, te weten, dat zij onze zielen zuiveren, opdat zij kuische bruiden van Christus zijn, anders richten zij niets uit. Wij kunnen het ook alzoo verstaan, dat een iegelijk zichzelven als een kuische maagd voorstelt, of dat de dienaar het gansche volk voorstelt, en toebrengt in de tegenwoordigheid van Christus. Dit laatste behaagt mij best, daarom heb ik het anders overgezet dan Erasmus.
3 Maar ik vrees, dat het. Hij begint te verklaren hoedanig dit maagdom zij, dat hij meldt, te weten, dat wij oprechtelijk met gan-schen harte Christus alleen aanhangen. God eischt wel alom van ons, dat wij met lichaam en met geest met Hem vereenigd zijn, en ook waar Hij betuigt, dat Hij een jaloersch God is, en het on-
408
2 CORINTHE 11 : 3, 4.
recht dat Hem geschiedt, zeer wreedelijk sUaft, zoo iemand van Hem afwijkt. Maar deze vereeniging wordt in Christus volbracht, gelijk Paulus leert Ef. 5. Maar de wijze verklaart hij hier, te weten, als wij in de zuivere eenvoudigheid des Evangelies blijven; want gelijk de menschen, wanneer zij tot het huwelijk zich vereenigen, huwelijksvoorwaarden maken: alzoo is dat geestelijke huwelijk tus-schen ons en den Zone Gods met het Evangelie als met brieven bevestigd. Laat ons die trouw, liefde en gehoorzaamheid bewaren, die Hij daarin van ons eischt: Hij zal ons ook wederom getrouw wezen. Paulus zegt, dat hij zorgvuldig is, opdat hunne zinnen niet zullen verdorven worden van de eenvoudigheid, die in Christus is. Men kon de Grieksche woorden overzetten tot Christus, gelijk Erasmus gedaan heeft. Maar de oude overzetter heeft naar mijn oordeel den zin van Paulus best uitgedrukt: want de eenvoudigheid in Christus noemt hij, die ons in de natuurlijke en oprechte leer des Evangelies bewaart, en geene aanvallende verdervingen toelaat. Waarmede hij beduidt, dat de zinnen vervalscht en verdorven worden, zoo wanneer zij zelfs op het allerminste van de zuivere leer van Christus her- of derwaarts afwijken, en dat terecht. Want wie zou een vrouw niet van oneerbaarheid beschuldigen, zoo haast als zij hare ooren aan een koppelaar leent r Alzoo ook wanneer wij goddelooze en valsche leeraars toelaten, die des duivels koppelaars zijn, zoo geven wij met een duidelijk teeken te kennen, dat wij de huwelijkstrouw met Christus niet onderhouden. En men moet het woord eenvoudigheid, aanmerken: want Paulus vreesde niet, dat de Corinthiërs terstond openlijk geheel van Christus zouden afwijken, maar dat zij allengskens van de eenvoudigheid, die zij in Christus geleerd hadden, tot onheilige en vreemde gedichtselen zouden afwijken, en ten laatste ontaarden. Hij brengt hier een gelijkenis bij: Gelijk de slang Eva bedrogen heeft door hare listigheid; want zoo de valsche leeraars een schijn van wijsheid hebben om aan te raden, zoo zij de gave der welsprekendheid hebben, zoo zij zichzelven geloofwaardig in het hart der toehoorders kunnen aangeven, en hun venijn met zoete listen indruppen: op zulke wijze heeft ook de duivel Eva bedrogen, want hij heeft zichzelven niet uitgegeven voor een openbaren vijand, maar is bedektelijk door een sierlijke voorwending ingeslopen.
4 Want Indien degene, die komt. Nu bestraft hij de overgroote lichtvaardigheid der Corinthiërs in de valsche apostelen aan te nemen. Want dewijl zij tegen Paulus veel te eigenzinnig en haast vertoornd waren, zoodat zij om allerlei lichtvaardige oorzaken verbolgen werden, wanneer hij ze slechts een weinig berispte, en den val-schen apostelen alles toelieten, hunne hoovaardigheid, grootschheid en ongeschiktheid gaarne verdroegen. Zulken verkeerden eerbied bestraft hij, omdat zij intusschen niet wisten te oordeelen en uit te kiezen, alsof hij zeide: Hoe komt het, dat deze zichzelven zooveel autoriteit aanmatigen over u, en dat gij intusschen hun heerschappij goedsmoeds verdraagt ? Hadden zij u een anderen Christus aangebracht, of een ander Evangelie, of een anderen Geest dan gij door mijn hand ontvangen hebt, zoo zou ik voorwaar uw eerbied prijzen, dien gij hun bewijst, want zij zouden zulke groote eer wel waardig zijn; maar dewijl zij u niets aangebracht hebben, dat ik u niet eerst gegeven heb: wat dankbaarheid is dat, dat gij die bijna aanbidt,
409
2 CORINTHE 11:4â6.
dien gij niets schuldig zijt, en dat gij mij veracht, door wien God u zoo vele en zoo schoone weldaden gegeven heeft? Zulken eerbied bewijzen ook heden de papisten hunnen valschen bisschoppen: want hoewel zij door hunne zeer harde tirannie verdrukt worden, zoo dulden zij die nochtans niet onwillig, maar naar Christus zeiven vragen zij niet, noch ontzien Hem te verachten. Een andere Christus en een ander Evangelie, wordt hier anders genomen dan bij de Galaten, hfdst. 1 : 8. Want daar wordt het woord een ander, gesteld tegen waarachtig en oprecht, en beteekent daarom leugenachtig en geveinsd. Maar hier wil hij zeggen; Zoo het Evangelie tot u gekomen ware door hunnen dienst, en niet door den mijne.
5 Want ik meen, dat ik. Nu neemt hij weg wat alleen tot hun verontschuldiging kon dienen, en bestraft ze van ondankbaarheid: want hij vermaant ze, dat hij den hoogsten apostelen is gelijk geweest. Zoo zijn dan de Corinthiërs ondankbaar, dewijl zij hem zoodanig hadden leeren kennen, en niet meer van hem hielden, en de autoriteit, die hem met recht toekwam, anderen menschen overdroegen, die van geene waarde waren. Nochtans uit zedigheid zegt hij, dat hij alzoo meent, hoewel de zaak allen bekend en openbaar was. Hij spreekt daarvan, dat God zijn apostelambt met geen mindere gaven versierd had, dan het apostelambt van Johannes en Petrus. Nu, wie de gaven Gods versmaadt, die hij geopenbaard heeft, kan zichzelven niet ontschuldigen, dat hij niet boos en ondankbaar geoordeeld worde. Daarom, zoo waar gij Gods gaven aanmerkt, daar moet gij ook God zelf eeren. Ik wil zeggen, dat een iegelijk zoo verre eer waardig is, al naardat hij in Gods gave uitnemende is, voornamelijk, zoo gij eenige vrucht daarvan hebt.
6 Maar indien ik ook ongeleerd. Daar was iets, waarin hij in het eerste aanzien minder kon schijnen te zijn, te weten, dat hij de gave der welsprekendheid niet had: zoo verbetert hij dan dit oordeel door voorkoming, als hij bekent, dat hij wel in woorden ongepolijst is, doch de wetenschap zich toekent. Door de woorden, verstaat hij de sierlijkheid der redenen, en door de wetenschap, verstaat hij de substantie der leer zelve. Want gelijk in den mensch is ziel en lichaam, alzoo is in de leer de zaak zelve, die daar geleerd wordt, en het versiersel der woorden, waarmede zij bekleed wordt. Zoo dan, Paulus betuigt, dat hij weet wat men moet leeren, en wat noodig is te weten, hoewel hij geen welsprekende redenaar is, die zijn leer met gepolijste en uitnemende wijze van spreken weet te versieren. Maar hier wordt gevraagd, of de gave der welsprekendheid ook niet den apostelen noodig is: want hoe zullen zij anders bekwaam zijn om het volk te leeren? anderen ware mogelijk de kennis genoeg, maar waartoe zou een stom leeraar dienen? Ik antwoord, dat Paulus zichzelven niet alzoo bekent ongeleerd in woorden te zijn, alsof hij ganschelijk een kind ware, maar omdat zijn uitspraak niet zoo sierlijk was als die der anderen, die hij daarin den prijs laat, behoudende wat het voornaamste was, te weten, de zaak zelve, hun latende de woorden zonder gewicht. Zoo iemand vraagt, waarom de Heere, die de tongen der menschen gemaakt heeft, zulk een apostel niet begaafd heeft met de gave der welsprekendheid, opdat hem niets ontbreke? ik antwoord, dat hem overvloedig gegeven was, wat het gebrek aan welsprekendheid vervulde Want wij zien en gevoelen wat groote majesteit in zijne ge-
410
2 CORINTHE 11:6, 7.
schriften gevonden wordt, wat groote hoogheid daarin verschijnt, hoe gewichtig zij zijn, wat groote kracht zij uitgeven: eindelijk, het zijn donderslagen, en geen woorden. Wordt de kracht des Heiligen üeestes niet klaarlijker gezien in de naakte boerachtigheid der woorden (opdat ik alzoo spreke) dan in den valschen schijn der schoonheid en sierlijkheid? Maar van deze zaak is breeder gehandeld in den voorgaanden zendbrief. In ée'n woord, volgens de woorden bekent hij wat de tegenstanders tegenwerpen; maar uit de zaak zelve ontkent hij wat zij willen. Wij zullen ook naar zijn exempel leeren de zaak boven de woorden te achten, en opdat ik dat bar-baarsch, doch algemeen spreekwoord gebruik: Dat de anderen de woorden weten, maar dat wij goede wetenschap der zaak hebben.
Zoo de welsprekendheid daarbij komt, dat zij zij als een toegift, zoo worde zij niet gebruikt om de leer te bestrijken of te verval-schen, maar om die met rechte eenvoudigheid te verklaren. Maar wjj zijn. Dewijl het wat groots was, zichzelven met de voornaamste apostelen te vergelijken, opdat dit niet tot hoovaardigheid gerekend worde, zoo stelt hij de Corinthiërs tot rechters, alleen dat zij uit de ervaring oordeelen. Want het was hun door vele bewijzen genoeg bekend, dat hij niet tevergeefs en zonder oorzaak roemde. Zoo verstaat hij dan, dat hij aflaat woorden te maken, omdat de zaak en de ervaring zelve genoeg bewijzen, al wat hij zou zeggen.
7 Heb ik daarin gezondigd, dat ik mijzelven vernederd heb, opdat gij zoudt verheven worden; dat ik u voor niet het Evan- i Oor. 9:12. gelie gepredikt heb?
8 De andere gemeenten heb ik beroofd, bezoldiging van hen nemende om u te dienen.
9 En toen ik bij u was, en gebrek had, zoo ben ik niemand Hand. 20:33. i ⢠.. 1 Thess 2*9 lastig geweest: want wat mij ontbrak, hebben de broeders 2Thess!3-s!
vervuld, die uit Macedonië kwamen; en ik heb mijzelven in p.^or' 1.: 13*
alles alzoo bewaard, opdat ik u niet lastig ware, en zal mij
alzoo bewaren.
10 De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem niet zal afgebroken worden tegen mij in de landen van Achaje.
11 Waarom? omdat ik u niet liefheb? God weet het.
12 Maar wat ik doe, dat zal ik ook doen, opdat ik de oorzaak beneme dengenen, die oorzaak zoeken, ') opdat zij in datgene, !) Of, be-waarop zij roemen, bevonden worden gelijk als wij.
411
1
zorg over hunne zaligheid, dat hij zichzelven niet aanzag; zoo zegt hij dan dat hij vanzelf van zijn grootheid is afgeweken, omdat zij door zijn kleinheid zouden groot worden. Want het einde was om hunne zaligheid te bevorderen. Nu beschuldigt hij ze bedektelijk van ondankbaarheid, omdat zij zulke godzalige genegenheid hem tot schande rekenen: hetwelk hij niet doet om hen te verwijten,
412
maar om hen te beter tot een recht verstand terug te brengen. En voorwaar, hij bestraft ze scherper met zulk een spottende wijze van spreken, dan wanneer hij eenvoudig en zonder beeld gesproken had. Hij had kunnen zeggen: Wat is dit? word ik van u veracht, omdat ik mijzelven vernederd heb tot uw voordeel? Maar deze vragende wijze van spreken, die hij gebruikt, was krachtig om hen te beschamen. Dat ik voor niet. Dit is een stuk der vernedering, want hij had zich van zijn recht onthouden, alsof zijn conditie erger ware dan der anderen; want sommiger ongerechtigheid was zoo groot, dat zij hem daarom te minder achtten, alsof hij geen bezoldiging waardig geweest ware. Waarom hij de Corinthiërs voor niet gediend heeft, wordt terstond daarbij gesteld: want hij deed niet alom alzoo; maar gelijk wij in den Eersten zendbrief gezien hebben, het was te vreezen, dat hij den valschen apostelen oorzaak zou geven om te lasteren.
8 De andere gemeenten heb ik beroofd. Ik denk, dat hij met opzet een hatelijk woord heeft gebruikt, om de onwaardigheid der zaak te beter uit te drukken, dat de Corinthiërs hem verachtten. Ik heb (zegt hij) uit den roof van anderen mijn bezoldiging gemaakt om u te dienen: en dewijl ik u alzoo gespaard heb, hoe kwalijk betaamt het, dat mij zulks zoo kwalijk beloond wordt? Het is een gelijkenis, ontleend aan de gewoonte in den krijg: want gelijk de overwinnaars een roof nemen uit de overwonnen volken, alzoo was het als een roof der overwinningen, al wat Paulus nam van de gemeenten, die hij voor Christus gewonnen had. Hoewel, hij zou het nimmermeer van de onwilligen genomen hebben: maar wat zij hem voor niet gaven, was gelijk een schuld in den geestelijken krijg. Merk ook op, dat hij zegt, dat hij gebrek geleden heeft: want hij zou hun nimmermeer lastig geweest zijn, dan uit armoede; intus-schen heeft hij desniettemin met zijne handen gearbeid, gelijk wij boven gehad hebben: maar als de arbeid der handen niet genoeg was om het leven te onderhouden, zoo is hem van de Macedoniërs hulp geschied. Daarom zegt hij niet, dat hem van de Macedoniërs de kost is gegeven, maar alleen dat zij vervuld hebben wat hem ontbrak. Van de heilige voorzichtigheid en naarstigheid in de gevaren te ontvlieden, hebben wij op een andere plaats gesproken. Hier moet men den godzaligen ijver der Macedoniërs aanmerken, die niet twijfelden van hunne goede bezoldiging te geven, opdat het Evangelie verkondigd worde aan anderen, en ook aan zulken, die rijker waren dan zij. Och, hoe weinige Macedoniërs, en hoe vele Corinthiërs kan men heden alom vinden!
10 De waarheid van Christus is in mij. Opdat niemand zou denken, dat Paulus dit daarom zeide, omdat zij voortaan milder jegens hem zouden zijn, en zoeken die feil van den verleden tijd te beteren, zoo bevestigt hij met een eed, dat hij niets van hen zal nemen, noch van anderen in Achaje, al ware het hem aangeboden. Want deze vorm van spreken: De waarheid van Christus is in mü, is de vorm van een eed, welke zooveel is alsof hij gezegd had: Men acht niet, dat de waarheid van Christus in mij is, zoo ik dezen roem niet behoud onder de Achajers; de stad Corinthe lag in het land Achaje.
11 Omdat ik u niet liefheb ? Die wij liefhebben, van die bedienen wij ons vriendschappelijk; daarom, opdat de Corinthiërs het niet kwalijk
2 CORINTHE 11 : 11â13.
nemen, dat hij hunne gaven verwerpt, en zich van de Macedoniërs liet helpen, en zwoer, dat hij dit nog voortaan zou doen, zoo voorkomt hij ook dit vermoeden, en vraagt als in hun persoon, of dit een teeken van een kwaadwillig hart is r Hij antwoordt niet rechtuit op de vraag; maar dit bedekte antwoord is gewichtiger, als hij God stelt tot getuige zijner goedwilligheid jegens hen. Hier ziet gij, hoe in drie verzen twee eeden zijn: welke daarom geoorloofd en heilig zijn, omdat zij een recht betamelijk einde hebben, en om behoorlijke oorzaak gedaan zijn. Zoo dan, alle eeden zonder onderscheid te veroordeelen, is een werk der uitzinnige menschen, die geen onderscheid maken tusschen wit en zwart.
12 Maar wat ik doe. Wederom zegt hij de oorzaak en reden, waarom hij het doet. De valsche apostelen onthielden zich van bezoldiging te ontvangen, om de ongeleerden tot zich te trekken. Het was een valsche opschik van grooten ijver, dat zij voor niet dienden. Had Paulus zijn recht gebruikt, zoo hadden zij oorzaak gehad om zichzelven te verheffen, alsof zij hem verre te boven gingen. Zoo dan, opdat Paulus hun geen oorzaak zou geven om hinderlijk te zijn, zoo heeft hij ook voor niet het Evangelie gepredikt. En dit is het wat hij daarbij zegt, dat hij oorzaak wil benemen dengenen, die oorzaak zoeken. Want de valsche apostelen wilden door deze listigheid zichzelven bedektelijk voorgeven, en Paulus zooveel genade en aangenaamheid onttrekken, waren zij in eenig ding boven hem geweest: zoo zegt hij dan, dat hij dit niet doen wil. Zij zullen, zegt hij, bevonden worden ons gelijk te zijn in dezen roem, welken zij begeerden alleen te hebben. Voorts, dit is een nuttige vermaning van den boozen oorzaak te benemen, zoo wanneer zij die zoeken. Want dit is de eenige oorzaak om te overwinnen, en niet wanneer wij ze door onvoorzichtigheid wapenen.
13 Want zulke valsche apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, die zichzelven veranderen in apostelen van Christus.
14 En dit is geen wonder: want de satan zelve verandert zich in een engel des lichts.
15 Zoo is het dan niets groots, indien ook zijne dienaars zich veranderen, alsof zij dienaren der gerechtigheid waren: welker einde zal wezen naar hunne werken.
13 Want. Hoewel hij hun nu dit heeft benomen, wat zij voornamelijk zochten, nochtans is het hem niet genoeg, dat hij zichzelven hun gelijk gemaakt heeft in datgene, waarin zij wilden uitblinken: maar laat hun niets, waarin zij eenigen lof zouden waardig zijn. Dit scheen prijselijk te zijn, geld te versmaden: maar hij zegt dat zij bedriegerij gebruiken om te bestrijken, gelijk wanneer een hoer de kleeding van eene eerlijke vrouw leende. Want men moest den valschen schijn wegnemen, waardoor de eere Gods verduisterd werd. Zijn bedriegelijke arbeiders. Dat is, zij openbaren hun boosheid niet bij het eerste aanzien, maar sluipen listig in door eerlijke voorwending. Zoo moet men ze dan naarstig en grondig onderzoeken, opdat wij ze niet voor ware dienstknechten van Christus aannemen, zoo haast als daar eenige schijn van deugd gezien wordt. En Paulus heeft het niet door haat en nijd tot kwaad verdraaid, wat men voor een deugd had kunnen achten: maar door hunne onge-
413
414 2 CORINTHE 11 : 13â15.
schiktheid gedwongen zijnde, heeft hij dat verborgen kwaad ontdekt, omdat het een ontheiliging der deugd was, dat zij zichzel ven dichtten grooter ijver te hebben, dan al de dienstknechten van Christus.
14 En dit is geen wonder. Dit is een bewijs van meerder tot minder. Zoo de satan, die de allerbooste, ja het hoofd en de vorst aller boozen is, zichzelven verandert, wat zullen zijne dienstknechten doen? Dit beide bevinden wij dagelijks. Want als de duivel ons kwelt tot kwaad, zoo belijdt hij zich niet te zijn wat hij is; want alzoo zou hij niets uitrichten, zoo wij vermaand waren, dat hij een doode-lijk vijand en bestrijder onzer zaligheid is. Want hij misbruikt altijd eenig deksel om ons te verstrikken. Hij toont niet terstond zijn hoornen (gelijk men gemeenlijk zegt) maar arbeidt meer om een engel te schijnen; ook als hij ons tot grove stukken drijft, zoo maakt hij nochtans eenigen schijn, om ons onvoorziens in zijne netten te trekken. Wat zal het dan wezen, wanneer hij onder een schijn van goed, ja onder den titel Gods ons aankomt? Deze zelfde kunst volgen zijne dienstknechten, gelijk ik gezegd heb. Dit zijn gulden toenamen; stadhouder van Christus, navolger van Petrus, dienstknecht der dienstknechten Gods: maar als deze momaangezichten afgelegd worden, hoedanig zal de paus bevonden worden? De duivel zelve, zijn meester, zou nauw zulk een schoonen discipel met eenigerlei gruwelijkheid te boven gaan. Het is allen bekend
openb. 17:4; wat van Babyion gezegd is, te weten, dat zij venijn schenkt in 18:3. eenen gouden drinkbeker: zoo moet men zich dan voor dien val-schen schijn hoeden. Zoo nu iemand vraagt: Zullen wij dan van allen een boos vermoeden hebben? Ik antwoord, dat dit geenszins des apostels meening is: want daar zijn teekenen der onderscheiding, wat, zoo iemand daarnaar niet vraagt, een plompheid is, en niet een voorzichtigheid. Hij heeft ons alleen aandachtig willen maken, opdat wij niet terstond uit de huid een leeuw achten. Want zoo wij niet te haastig zijn in het oordeelen, zoo zal de Heere maken, dat de ezelsooren terstond te voorschijn zullen komen. Bovendien heeft hij ons desgelijks willen vermanen, dat wij in de dienaren van Christus te waardeeren, niet don valschen schijn zullen aanzien, maar zoeken zullen wat 't voornaamst is. Dienaren der gerechtigheid, heeft hij gesteld voor goede en getrouwe dienaars, naar de Hebreeuwsche wijze van spreken.
15 Welker einde zal wezen. Dit stelt hij daarbij tot vertroosting der godvruchtigen: want het is een woord van een grootmoedig mensch, die de dwaze oordeelen der menschen versmaadt, en den dag des Heeren lijdzaam verwacht. Intusschen vertoont hij een bijzonder betrouwen in de conscientie, als die het oordeel Gods niet vreest.
16 Ik zeg het wederom, opdat niemand mij achte onwijs te zijn; anders zoo neemt mij nu ook als onwijs, opdat ik ook een weinig roeme;
17 Wat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, maar als in onwijsheid, in deze stoute roeming.
Job 19:2. 18 Dewijl velen roemen naar het vleesch, zoo zal ik ook roemen.
19 Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij zeiven wijs zijt.
20 Want gij verdraagt het, zoo iemand u tot dienstbaarheid bi engt, zoo iemand u verslindt, zoo iemand u het uwe beneemt, zoo iemand zichzelven verheft, zoo iemand n in het aangezicht slaat.
2 CORINTHE 11 : 16â18.
21 Ik spreek naar oneer, alsof wij zwak geweest waren: ja waarin Haud. 22 iemand stout is, ik spreek in onwijslieid, ben ik ook stout.
16 Ik zeg het wederom. De apostel heeft hier twee dingen voor,
want hij wil eensdeels de dwaze ijdelheid der valsche apostelen wederleggen, dat zij zoo ongeschikt hunnen eigen lof uitroepen; bovendien wil hij de Corinthiërs bescheiden, dat zij maakten, dat hij moest roemen buiten zijn voornemen. Ik zeg het, zegt hij, wederom:
want boven had hij overvloedig bewezen, dat er geen oorzaak was om hem te verachten, en hij had ook mede bewezen, dat de anderen hem niet gelijk waren, en dat hij daarom niet zijne roemingen moest voegen naar den regel hunner mate. Alzoo vermaant hij wederom,
tot wat einde hij duslang geroemd heeft, te weten, opdat hij zijn apostelambt van verachting zoude bevrijden: want hadden de Corinthiërs gedaan wat zij behoorden, zoo zou hij niet een woord daarvan gesproken hebben. Anders zoo neemt mij nu ook als onwijs. Zoo ik van u geoordeeld word onwijs te zijn, zoo Iaat mij immers toe, dat ik mijn recht en vrijheid gebruik, dat is, dat ik naar der dwazen wijze onwijsheid doe. Aldus bestraft hij de valsche apostelen, die hoewel zij in dezen deele zeer ongeschikt waren, nochtans van de Corinthiërs niet alleen geduld, maar ook met groote loftuiting ontvangen werden. Daarna verklaart hij hoedanig deze onwijsheid zij, te weten, zijn lof te verhalen. En dewijl dezen zulks zonder einde en mate deden, zoo beduidt hij, dat hij zulks niet gewoon is, als hij zegt: Een weinig; want ik versta dat van den tijd,
opdat de zin zij, dat Paulus niet lang daarin heeft willen blijven,
maar een oogenblik tijds een ander persoon aandoen, en terstond wederom ophouden, gelijk wij plegen lichtelijk voorbij te gaan wat vreemd is van onze handeling en voornemen, daar de onwijzen zonder ophouden blijven in dingen, die tot de zaak niet dienen.
17 Dat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere. Zijn hart zag wel op God, maar deze wijze scheen niet wel den dienstknecht des Heeren te betamen: hoewel wat de apostel hier van zichzelven belijdt, bestraft hij veeleer in de valsche apostelen. Want zijn voornemen was niet zichzelven te prijzen, maar alleen zichzelven met hen te vergelijken, om hen neder te werpen. Zoo neemt hij dan op zijn persoon wat hun eigenlijk toekwam, om den Corinthiërs de oogen open te doen. Waar ik gesteld heb stoutheid, daar is in het Grieksch vtó-een woord, van welks beduiding wij gesproken hebben in hfdst. 9. trrx^ig. Voorwaar de woorden, zaak of substantie dienen hier niet.
18 Dewijl velen roemen. De zin is: Zoo iemand mij tegenwerpt,
dat het niet goed is wat ik doe, wat doen de anderen? zijn zij niet hierin mijne voorgangers en veroorzakers? ben ik alleen of de eerste, die naar het vleesch roem ? waarom zal het hun heerlijk wezen, dat mij tot schande zal gerekend worden? Zoo is Paulus dan zoover van eerzoeking in zijn lof te verhalen, dat hij tevreden is, dat het hem tot feil of schuld gerekend wordt, alleen dat hij de ijdelheid der valsche apostelen mag wederleggen. Naar het vleesch roemen.
Dat is, zichzelven liever prijzen in dingen, die tot ijdel vertooning dienen, dan in een goede conscientie. Want het woord vleesch,
ziet hier op de wereld, wanneer wij lof zoeken in ijdele uitwendige dingen, die voor de wereld groot en sierlijk geacht worden. Voor dit woord heeft hij weinig tevoren gezegd: in het aangezicht.
415
416 2 CORINTHE 11 ; 19â21.
19 Want gij verdraagt gaarne. Naar mijn oordeel noemt hij ze spottender wijze wijs. Hij werd van hen veracht, hetwelk zij niet konden doen, dan met overgroote hoovaardigheid opgeblazen zijnde. Zoo zegt hij dan, dewijl gij zoo wijs zijt, zoo doet wat den wijzen betaamt, mij, dien gij veracht, als een onwijze verdragende. Waaruit ik acht, dat hij deze woorden niet spreekt tot allen zonder onderscheid, maar dat hij sommige zekere menschen bestraft, die zichzelven niet zeer beleefdelijk gedroegen.
20 Want g|j verdraagt het, zoo iemand. Hier kan drieërlei zin zijn, te weten, dat hij de Corinthiërs spottender wijze hekelt, omdat zij niets kunnen dragen, gelijk lekkere menschen plegen, of dat hij ze bedektelijk van onachtzaamheid beschuldigt, omdat zij zichzelven tot de valsche apostelen in schandelijke dienstbaarheid begeven hadden; of dat hij als in eens anders persoon verhaalt, wat hatelijk van hem gezegd wordt, alsof hij een tirannische heerschappij tegen hen aangenomen had. De tweede zin behaagt Chrysostomus, Am-brosius en Augustinus, en is in 't gemeen aangenomen, en hij komt voorwaar wei met het verband overeen; hoewel de derde zin behaagt mij niet minder. Want wij zien, hoe hij alom van de boozen is gelasterd geweest, alsof hij moedwillige heerschappij gedreven had, waarvan hij nochtans zeer wijd was; maar dewijl die andere zin meer is aangenomen, zoo wil ik dien niet tegenstaan, en deze uitspraak zal aldus aan het voorgaande hangen: Gij verdraagt alles van de anderen, zoo zij u verdrukken, zoo zij het uwe eischen, zoo zij u schandelijk handelen: waarom zult gij het niet zoowel van mij dragen, dewijl zij mij in niets te boven gaan? Want dat hij zegt, dat hij niet zwak geweest is, daarmede wil hij zeggen, dat hij met zulke gave Gods is versierd geweest, dat hij niet een van den gemeenen hoop behoorde geacht te worden. Want het woordje zwak, strekt wijd, gelijk wij terstond wederom zullen zien. Dit is voorwaar altijd de gewoonte der wereld geweest, en zal wezen tot het einde toe, te weten, hardnekkig de dienstknechten Gods wederstaan, om alle zeer kleine oorzaken zeer hittig tegen hen vergrammen, altijd tegenstrijden en murmureeren, overmatige strengheid klagen, voor alle tucht gruwen, den valschen apostelen, den bedriegers, en ondeu-genden menschen zichzelven onderwerpen, hun alles toelaten, en lijdzaam aannemen en dragen, al wat zij willen opleggen. Alzoo zal men heden onder dertig menschen nauw één vinden, die zijnen hals gaarne aan het juk van Christus wil onderwerpen, waar zij allen zoo gewillig de tirannie van den paus gedragen hebben. Die tevoren alle zeer gruwelijke versmaadheden der monniken vriendelijk opgegeten hebben, diezelven zijn terstond oproerig, wanneer zij vaderlijk, waarlijk, heilzaam van hunne herders en leeraars vermaand worden. Degenen, die in de waarheid te hooren, zulke weeke en eigenzinnige ooren hebben, zijn die niet meer waardig onder de tirannie van den Antichrist, dan onder de zoete regeering van Christus te zijn? Maar het is van den beginne aan alzoo geweest.
21 Ja waarin iemand stout is. Paulus had gevraagd, waarom de Corinthiërs meer eerbied aan anderen bewezen dan hem, die geenszins zwak, dat is, verachtelijk geweest was: nu bevestigt hij dat, want zoo men een vergelijking wil maken, zoo zal hij voor niemand wijken in eenig deel van roem en eer.
2 CORINTHE 11:22, 23.
22 Zijn zij Hebreën? ik ook. Zijn zij Israëlieten? ik ook. Zijn zij ru. 3:4. Abrahams zaad? ik ook.
23 Zijn zij dienaars van Christus? ik spreek onwijs zijnde, ik meer; i Cor. i5;io. in arbeid overvloediger, in slagen boven mate, in gevangenissen 2 Cor-12:11-meer, in sterven dikmaals.
24 Van de Joden heb ik veertig slagen min een, vijfmaal ontvangen. Hand. 9:iC;
25 Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, eenmaal ge-2 Cor.'o : 4. steenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, nacht en dag ^5 :3^ ben ik in de diepte der zee geweest. HantL li â ifl!
26 In reizen dikmaals, in gevaren der waterstroomen, in gevaren 27: ^ der roovers, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren in de zee, in gevaren onder valsche broeders.
27 In arbeid en zwarigheid, in waken dikmaals, in honger en dorst,
in vasten dikmaals, in koude en naaktheid.
28 Boven die dingen, die van buiten aankomen, mijn dagelijksche
last, de zorg van al de gemeenten. fquot;cor 28 ⢠13'
29 Wie wordt er zwak, dat ik niet zwak worde? wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande?
22 Zijn zy Hebreën? Nu verhaalt hij de stukken, daarmede voor oogen stellende, dat hij geenszins minder is geweest, zoo hij tot vergelijking wil komen. En ten eerste verhaalt hij de heerlijkheid des geslachts, waarop voornamelijk zijn tegenstanders zich verhoovaar-digen. Zoo zij, zeide hij, van de edelheid des geslachts roemen, ik zal hun gelijk zijn: want ik ben ook een Israëliet uit Abrahams zaad. Dit is een ijdele en onnutte roem, en nochtans gebruikte Pau-lus drie woorden om dien uit te drukken; ja hij verhaalt als het ware drieërlei uitnemendheid, met welke verhaling hij (gelijk ik meen) bedektelijk hun dwaasheid hekelt, omdat zij het eerste en laatste hunner uitnemendheid in zulk een lichtvaardige zaak stelden, en deze roeming zonder ophouden zoozeer in hunnen mond was, dat het walgelijk was, gelijk ijdele menschen plegen van nietige dingen opgeblazen woorden te maken. Het woord Hebreën, beduidt het geslacht, en komt van Heber, gelijk men ziet Gen. 11 : 14. Bovendien is het waarschijnlijk, dat Abraham Gen. 14 : 13 alzoo genoemd wordt, omdat hij van dien voorvader afgestamd was. De gissing van die het uitleggen, van over de rivier is niet zonder kleur. Het is wel waar, dat wij niet lezen dat iemand alzoo is genoemd geweest vóór Abrahams tijd, die over de rivier getrokken is, toen hij uit zijn vaderland verhuisde, en daarna is de naam in Abrahams huisgezin begonnen gemeen te worden, gelijk het openbaar is uit de geschiedenis van Jozef. Nochtans geeft de uitgang des woords te kennen, dat het een geslacht beduidt, en die plaats, die ik boven aangehaald heb, bevestigt dit genoeg.
23 Zijn zij dienaars van Christus. Nu, als van waren lof gesproken wordt, wil hij niet meer alleen hun gelijk zijn, maar verheft zichzelven hooger. Want dusver heeft hij hunne vleeschelijke roemingen als een rook met wind verdreven, als hij de zijne desgelijks daartegen stelde. Maar dewijl zij ze niet met grond hadden, zoo scheidt hij zichzelven terecht van hen af, als men ernstig moet roemen. Want een dienstknecht van Christus te zijn, is veel hooger en
Dl. n. 27
417
418 2 CORINTHE 11:23â25.
grooter dan een eerstgeborene, te zijn onder al de eerstgeborenen in Abrahams huisgezin. Nochtans zegt hij wederom, dat hij onwijs is, om de valsche beschuldigingen te voorkomen. Denkt, zeide hij, dat dit een dwaze roeming is, nochtans is zij waar. In arbeid. Hiermede bewijst hij, dat hij een uitnemender dienstknecht van Christus is, en dit is eerst een zeker en vast bewijs, wanneer voor woorden de zaak zelve voortgebracht wordt. Hij stelt hier arbeid in het meervoud, en daarna stelt hij het in het enkelvoud, en ik zie niet wat onderscheid tusschen beide is, tenzij hij mogelijk hier in 't gemeen spreekt, vervattende die dingen, die hij daarna afzonderlijk optelt; gelijk wij ook het woord sterven, kunnen nemen voor allerlei gevaren, die eenigszins tegenwoordigen dood aanbrachten, welker soorten hij daarna aangeeft, alsof hij zeide: ik heb dikmaals in sterven een bewijs van mijzelven gegeven, in arbeiden ook veel 2Cori:9,10. meer in denzelfden zin heeft hij ook het woord gesteld in het Eerste hfdst.
24 Van de Joden. Het is zeker, dat de macht om te richten toen den Joden benomen was, maar dewijl dit een kleine tuchtiging was,
Deut. 25:3. zoo was zij hun mogelijk toegelaten. Het was een wet Gods, dat degenen, die geen doodelijke straf verdiend hadden, voor den rechter zouden gegeeseld worden, doch alzoo, dat men hem niet meer dan veertig slagen gave, opdat liet lichaam door wreedheid niet mismaakt of geschonden werde. En het is waarschijnlijk, dat het in 't vervolg van tijd een gewoonte is geworden, dat men met den negenendertigsten slag ophield: opdat zij niet te eenigen tijde door hittigheid opgewekt zijnde, over het getal zouden treden, dat de Heere verordend had. Dergelijke vele behoedzaamheden der rabbijnen vindt men bij de Joden, die een weinig aftrekken van wat de Heere toegelaten had. Hieruit (gelijk alle dingen tot erger veranderen) heeft men mogelijk gemeend, dat men allen, die veroordeeld werden, zooveel slagen moest geven: daar de Heere nochtans niet gebiedt hoever de strengheid moest gaan, maar waar zij moest ophouden. Tenzij men liever wil aannemen wat anderen zeggen, te weten, dat zij op Paulus grooter wreedheid bedreven, hetwelk niet onwaarschijnlijk schijnt: want hadden zij naar een algemeene gewoonte jegens ieder dezelfde strengheid gebruikt, zoo had hij kunnen zeggen, dat hij naar de gewoonte geslagen was geweest. Zoo dan, dewijl hij het getal der slagen uitdrukt, zoo beduidt hij daarmede de uiterste strengheid.
25 Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest. Hieruit is het openbaar, dat de apostel vele dingen geleden heeft, die niet gemeld worden bij Lukas: want hij meldt alleen één steeniging, en één geeseling, en één schipbreuk. Maar wij hebben de geheele geschiedenis niet, en alle dingen worden daar niet gemeld, die geschied zijn, maar alleen de voornaamste. Gevaren van myn geslacht. Daarmede verstaat hij de gevaren, die hem van zijn volk aankwamen door den haat, welken al de Joden tegen hem hadden. Op de andere zijde had hij de heidenen tot vijanden. Ten derde werden hem lagen gelegd van de valsche broederen. Alzoo kwam het, dat hij om Christus' wil gehaat was van alle menschen. Ik acht, dat hij van gewillig vasten spreekt, want hij heeft van honger en armoede boven gesproken. Dit waren de teekenen, met welke hij niet ten onrechte bewees een uitnemend dienstknecht van Christus
-
2 CORINTHE 11 : 25â29.
te zijn. Want waaruit kan men beter de dienstknechten van Christus kennen, dan uit zoovele onderscheidene en zoo ernstige beproevingen? De weeke stoute roemers, hoewel zij niets gedaan en niets geleden hadden voor Christus, verhieven nochtans zichzelven. Maar hier wordt gevraagd, of niemand een dienaar van Christus is, dan die in zoovele gevaren en ellendigheden geoefend is? Ik antwoord, dat zij niet noodzakelijk in allen moeten gevonden zijn: maar waar deze dingen gezien worden, daar is voorwaar meerder en klaarder getuigenis. Zoo dan, degene, die met zoovele uitnemende versieringen versierd is, die zal anderen niet versmaden, die niet zoozeer versierd en beproefd zijn, en zal daarop niet hoo-vaardig zijn: maar nochtans wanneer het zal noodig wezen, zal hij tegen ondeugende en nietige menschen met heilige roeming zich verheugen, naar het voorbeeld van Paulus, zoover hij Christus en niet zichzelven aanziet: want alleen de hoovaardigheid en eerzoe-king zou al zulken lof verderven of mismaken. Want het voornaamste is, dat wij met zuivere conscientie Christus dienen; alle andere dingen zijn maar als aanhangselen.
28 Boven die dingen, die van buiten aankomen. Boven die dingen, zegt hij, die van hier en van ginder aankomen, en buiten de gewone dingen zijn. Hoe groot is mijn gewone last te achten, die mij dagelijks benauwt ? te weten, dat ik zorg drage voor alle gemeenten. De zorg voor alle gemeenten, noemt hij zijnen gewonen last. Want alzoo heb ik het Grieksche woord gemeend te moeten overzetten, hetwelk somtijds beduidt al wat ons dringt. Zoo wie ernstige zorgvuldigheid draagt voor de gemeente Gods, die drukt zichzelven, en draagt een zwaren last. Hoedanig een voorbeeld van een volkomen dienaar is dit, zorgvuldig en naarstig t^ zijn, niet alleen voor e'én gemeente, noch voor tien, noch voor dertig, maar voor alle te zamen. Om de eene te leeren, de andere te versterken, de andere te vermanen, aan sommige raad te geven, en sommiger krankheid te genezen. Voorts kan men uit de woorden van Paulus verstaan, dat niemand van harte voor de gemeenten kan zorgvuldig zijn, zonder met vele zwarigheden beladen te zijn. Want de regeering is niet een genoegelijke bezigheid, waarin wij ons zoetelijk en uit listigheid zouden mogen oefenen, maar zij is een scherpe en harde krijg (gelijk boven gezegd is) dewijl de duivel ons altijd zooveel moeite aanricht als hem mogelijk is, en alleszins arbeidt om ons te verstoren,
29 Wie wordt er zwak. Hoevelen zijn er die gerust alle ergernissen zonder zorg voorbijgaan, die der broederen zwakheden verachten, of met voeten vertreden? Maar dat doen zij daarom, dat zij door geen zorg voor de gemeente beroerd worden. Want voorwaar, de zorgvuldigheid wekt medelijden, hetwelk maakt, dat de dienaar van Christus eens iegelijks bezwaar en eens iegelijks toestand aanneemt, om zich naar een iegelijk te voegen.
419
2 CORINTHE 11:30â33.
HET TWAALFDE HOOFDSTUK.
30 Indien men moet roemen, zoo zal ik roemen in de dingen mijner zwakheid.
31 De God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, die geprezen is in der eeuwigheid, weet dat ik niet lieg.
32 In Damaskus bewaarde de stadhouder des konings Arétas de stad Damaskus, willende mij vangen.
33 En ik werd door een venster nedergelaten in eene mand over de muren, en ben alzoo aan zijne handen ontkomen.
SO'Tndien men moet roemen.-Dit is het besluit van al wat boven I gezegd is, te weten, dat Paulus liever wil roemen in de din--*-gen zijner zwakheid, dat is, in de dingen, die naar de achting der wereld hem meer verachting konden aanbrengen, dan roem of eer, gelijk daar zijn, honger, dorst, gevangenissen, steenigingen, slagen, en dergelijke: over welke dingen wij ons in 't algemeen alzoo zeer schamen, als over groote oneer.
31 De God en Vader. Dewijl hij een bijzonder krijgsstuk wilde verhalen, hetwelk nochtans niet zoo openbaar was, zoo bevestigt hij dat, zijn eed daartusschen stellende. En merk op hoedanig de vorm van een godzaligen eed is, te weten, als wij om de waarheid te bevestigen. God met eerbied tot getuige nemen. Deze vervolging was zooveel als de eerste krijgshandel van Paulus, gelijk uit Lukas duidelijk is. Zoo hij, nog een nieuwe leerjongen in dezen krijg zijnde, met zulke beginselen is geoefend, wat zal men achten dat hij gedaan heeft, als hij nu een oud krijgsknecht was ? Maar dewijl in het vlieden geen bewijs eens kloeken en sterken gemoeds is, zoo kon men vragen, waarom hij zijn vlucht verhaalt. Ik antwoord, dat het sluiten der poorten der koninklijke stad een bewijs is geweest, met wat groote razernij de goddeloozen tegen hem brandden, hetwelk niet zonder oorzaak was. Want had Paulus niet met een nieuwe en ongewone naarstigheid voor Christus gestreden, zoo zouden de goddeloozen nimmermeer alzoo tegen hem geraasd hebben. Maar zijn bijzondere standvastigheid is voornamelijk hierin openbaar, dat hij zulke wreede vervolging ontkomen zijnde, niet opgehouden heeft in des Heeren werk onversaagd voortgaande, de gan-sche wereld tegen zich te verwekken. Hoewel, het is mogelijk dat hij nog die eergierigen bespot, die niet anders gevonden hebbende dan loftuitingen, gunsten, eervolle begroetingen, zachte herbergen, de uitnemendsten wilden geacht zijn: want hij zegt daarentegen, dat hij alzoo besloten is geweest, dat hij nauwelijks met ellendige en schandelijke vlucht is kunnen ontkomen. Dat sommigen vragen, of het Paulus geoorloofd is geweest over de muren te springen, dewijl een doodstraf daarop gesteld was, daarop antwoord ik ten eerste, dat het niet openbaar is, - of zulk een straf in het Oosten gesteld was; bovendien, zoo zij ook gesteld was, zoo heeft Paulus nochtans niet gezondigd: want hij heeft het noch uit vijandschap, noch uit spot gedaan, maar alleen uit nood. Want de wet zal dien mensch niet straffen, die zichzelven over de muren werpende, zijn leven uit den brand verlost heeft: en wat onderscheid is daar tusschen een brand en de wreedheid der moordenaars. Men moet in de wetten
420
Hom. 1:9; 9:1.
2 Cor. 1:23. Gal. 1: 20. Fil. 1:8. 1 Thess.2:5, Hand. 9:24.
2 C0R1NTHE 11:33â12:1, 2.
altijd de redelijkheid en gerechtigheid aanzien: deze aanmerking zal Paulus van alle schuld bevrijden.
1 Het betaamt mij voorwaar niet te roemen: want ik zal komen
tot gezichten en openbaringen des Heeren.
2 Ik ken een mensch in Christus vóór veertien jaren, (of in het Haml.9:3; lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God 15.8 weet het) dat zulk een mensch zeg ik, is opgenomen geweest
tot in den derden hemel:
3 Ik weet van zulk een mensch, (of in het lichaam, weet ik niet,
of buiten het lichaam, weet ik niet. God weet het.)
4 Dat hij is opgenomen geweest in het paradijs, en onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, die den mensch niet geoorloofd zijn te spreken.
5 Van zoodanigen mensch zal ik roemen; van mijzelven zal ik niet roemen, dan in mijne zwakheden.
1 Het betaamt mij voorwaar niet te roemen. Nu houdt hij zichzelven op als midden in den loop, opdat hij niet verder vare:
en alzoo berispt hij zeer bekwamelijk de onbeschaamdheid der tegenstanders, en betuigt, dat hij onwillig op zulke wijze tegen hen strijdt:
want wat eerbaarheid was het, dat zij van alle kanten lof zochten of eer bedelden, om zulk een groot man gelijk te zijn? Ten andere vermaant hij door zijn voorbeeld, dat een iegelijk hoe meer en uit-nemender gaven hij heeft, zooveel te minder op zijn uitnemendheid behoort te denken. Want het is een zeer zorgelijke gedachte, dat de mensch als in een doolhof getreden zijnde, terstond verstrikt wordt, om zijne gaven veel te scherp te zien, en zichzelven niet te kennen. Paulus vreest, dat dit hem zal geschieden. Wij moeten wel de gaven Gods bekennen, opdat wij ten eerste tot dankbaarheid,
daarna tot een recht gebruik derzelve verwekt worden: maar dat men daaruit oorzaak om te roemen neemt, is niet zonder groot gevaar. Want ik zal komen tot gezichten. Ik zal niet op de aarde kruipen, maar zal gedwongen worden hoog op te klimmen: alzoo vrees ik, dat de hoogheid der gaven maken zal mijzelven te vergeten. En voorwaar, zoo Paulus eergierig geroemd had, zoo zou hij van boven voorover neergevallen zijn. Want het is alleen de ootmoedigheid, die onze hoogheid bij God bevestigt. Tusschen gezichten en openbaringen is dit onderscheid, dat de openbaring dikmaals geschiedt door droomen of door hemelsche aanspraken,
waarin niets den oogen verschijnt: maar het gezicht wordt bijna nimmermeer gegeven zonder openbaring, dat is, Gcd openbaart altijd wat Hij daarmede wil.
2 Ik ken een mensch in Christus. Dewijl hij zichzelven zekere mate wilde stellen, zoo neemt hij alleen ée'n voorbeeld, hetwelk hij ook alzoo behandelt, dat hij bewijst, dat hij het niet met lust en begeerte voortbrengt: want waarom verhaalt hij het liever als ineen ander persoon dan in zijn eigen? Het is zooveel alsof hij zeide:
Ik wilde liever zwijgen, en dit bij mijzelven verborgen houden, maar zij laten het niet toe: zoo zal ik het gelijk al babbelende zeggen,
opdat het openbaar zij, dat ik het onwillens zeg. Het woord: In Christus, meenen sommigen tot bevestiging gesteld te zijn; maar ik duid het liever op de beweging, om te beduiden, dat Paulus hier
421
2 CORINTHE 12 ; 2â4.
niet zichzelven aanziet, maar dat hij alleen op Christus ziet. Dat hij zegt, dat hij niet weet in het lichaam of buiten het lichaam, daarmede heeft hij te beter de grootheid der openbaring uitgedrukt. Want hij wil zeggen, dat God ahoo met hem gehandeld heeft, dat hij zelf niet wist hoe. En dit moet niet ongeloofelijk schijnen; want Hij openbaart Zichzelven ons somtijds, alzoo dat wij nochtans de wijze niet begrijpen. Nochtans wordt de zekerheid des geloofs hierdoor niet verkort: welke alleen hierin gelegen is, dat wij weten, dat God met ons spreekt. Ja, wij zullen meer hieruit leeren, dat men de wetenschap dier dingen alleen moet begeeren die noodig zijn, en de andere Gode bevelen. Zoo zegt hij dan, dat hij niet weet, of hij geheel met ziel en lichaam is opgenomen geweest tot in den hemel, of dat zijn ziel alleen is opgenomen geweest. Vóór veertien jaren. Sommigen vragen ook naar de plaats waar, maar derzulker nieuwsgierigheid te voldoen, komt ons niet toe. In den beginne heeft de Heere Zichzelven aan Paulus geopenbaard door een gezicht, toen hij hem uit het Jodendom tot het geloof zijns Evangelies wilde bekeeren: maar hij was toen nog tot Hand. 9:12. zulke verborgenheden niet toegelaten, dewijl hij van Ananias in de eerste beginselen moest onderwezen worden. Zoo was dan dit gezicht niet anders dan een voorbereiding, om hem beweeglijk en leerzaam te maken. Hij heeft mogelijk nu dat geJcht aangehaald, dat hij ook bij Lukas meldt. Hand. 22 ; 17. Maar het is niet noodig in deze gissingen zeer te arbeiden, dewijl wij zien, dat Paulus het zelf veertien jaren lang verzwegen heeft, en dat hij niet e'én woord daarvan gesproken zou hebben, was hij niet door de ongeschiktheid der boozen daartoe gedwongen geweest. Tot in den derden hemel. Hij heeft de hemelen hier niet onderscheiden naar der philosophen wijze, zoodat elke planeet haren hemel heeft: maar het getal van drie is gesteld voor den hoogsten en volmaakt-sten hemel. Ja, de hemel op zichzelven beduidt het zalige en heerlijke rijk Gods, hetwelk hooger is dan al de hemelen, en dan het uitspansel zelve, ja dan het gansche gebouw der wereld. En Paulus, met het enkele woord hemelen niet tevreden zijnde, heeft daarbij gesteld, dat hij is gekomen tot de hoogste hoogte, en tot het binnenste heiligdom. Want ons geloof klimt op tot in den hemel; en die gaan in graad en hoogheid anderen te boven, die in kennis boven anderen uitnemend zijn: maar tot in den derden hemel te komen, dat is zeer weinigen gegeven.
4 In het paradijs. Dewijl elke heerlijke en zalige plaats in de Schrift genoemd wordt Gods hof: daaruit is het gebruik gekomen bij de Grieken, dat het woord paradijs beduidt de hemelsche glorie, ook vóór de komst van Christus, gelijk het openbaar is uit sir.40:16,27. den prediker of Jezus Sirach. En in dezen zin wordt het genomen Luk. 23:43. bij Lukas in het antwoord van Christus aan den moordenaar, waar Hij zegt: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn, dat is, gij zult de tegenwoordigheid Gods genieten, in den staat en het leven der zaligen. Onuitsprekelijke woorden gehoord heeft. Ik neem hier woorden niet voor zaken, gelijk het naar de Hebreeuwsche wijze pleegt genomen te worden, want het zou dan niet rijmen met het woord hooren. Zoo iemand nu vraagt wat woorden het geweest zijn, daar is een kort antwoord, dat zij niet zonder oorzaak genoemd worden onuitsprekelijke woorden, en die niet geoorloofd
2 CORINTHE 12:4â6.
zijn gesproken te worden. Maar hiertegen kan iemand zeggen, dat het dan tevergeefs en onnut geweest is, dat Paulus ze gehoord heeft:
want waartoe heeft hij dat gehoord, wat eeuwiglijk moest verzwegen zijn? Ik antwoord, dat het om Paulus' wil geschied is. Want die in zulke groote zwarigheden stond te koriien, die zwaar genoeg waren om duizend harten te breken, die moest door een bijzondere wijze bevestigd worden, opdat hij nergens weke, maar volstandig onoverwonnen bleve. Laat ons een weinig overleggen, hoe vele en hoedanige tegenstanders zijn leer gehad heeft, bovendien met hoe menigerlei listen zij is verzocht geweest, en wij zullen ons niet verwonderen, waarom hij meer gehoord heeft dan geoorloofd was uit te spreken. Hieruit zullen wij een zeer nutte vermaning nemen, van mate te houden in de wetenschap. Wij zijn van nature genegen tot nieuwsgierigheid, daarom laten wij die leer varen die tot stichting dient, of wij smaken ze een weinig en verachtelijk, en drijven tot onnutte vragen. Hiertoe komt daarna ook stoutigheid en lichtvaardigheid, zoodat wij ons niet ontzien van onbekende en verborgen dingen te oordeelen. Uit deze twee bronnen is ons een goed deel der Scholastieke theologie gesproten, en al wat Dionysius die beuzelaar heeft bestaan van de hemelsche hierarchiën te dichten. Daarom betaamt het ons te matiger en soberder te zijn, opdat wij niet begeeren iets te weten, dan wat de Heere aan zijne gemeente heeft willen openbaren. Dit zij de grens onzer wetenschap.
5 Van zoodanigen mensch. Het is zooveel alsof hij gezegd had, ik heb een behoorlijke en rechte stof om te roemen, nochtans gebruik ik ze niet gaarne. Want het past beter bij mijne zaken te roemen in mijne zwakheden. Zoo die kwaadwillige menschen mij verder tergen, en meer roems van mij uitdringen dan ik begeer, zoo zullen zij gevoelen, dat zij tegen een mensch handelen, welken God grootelijks versierd en hoog verheven heeft, om hunne ongeschiktheden te wederleggen.
6 Want zoo ik roemen wil, zoo zal ik niet onwijs zijn: want ik zal de waarheid zeggen ; maar ik laat het, opdat niemand van mij denke boven hetgeen hij mij ziet te zijn, of dat hij van mij hoort.
7 En opdat ik door de uitnemendheid der openharingen niet bovenmate zou verheven worden, zoo is mij een prikkel in liet vleesch gegeven, een bode des duivels, die mij met vuisten 2 zou slaan.
8 Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij weke.
9 En Hij heeft tot mij gezegd: Mijne genade is n genoeg, want mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zoo wil ik dan veel liever roemen in mijne zwakheden: opdat de kracht van Christus in mij wone.
10 Daarom behaag ik mijzelven in zwakheden, in versmaadheden, in nooden, in vervolgingen, in benauwdheden om Christus,
want als ik zwak ben, dan ben ik sterk.
6 Want zoo ik roemen wil. Opdat hij daaruit niet zou gelasterd worden, omdat hij gezegd had, dat hij niet wilde roemen: en opdat de kwaadwilligen daarop niet antwoordden: gij wilt niet.
423
2 CORINTHE 12:6, 7.
omdat gij niet kunt, zoo voorkomt hij dit, zeggende: Ik zou met recht wel kunnen roemen, en zou van geen ijdelheid berispt worden, want ik heb waarvan ik kon roemen; maar ik onthoud mij daarvan. Het woord onwys neemt hij hier anders dan boven: want ook degenen, die met waarheid roemen, zijn ongeschikt en onnut, zoo daar eenige hoovaardigheid en eerzoeking gezien wordt; maar het is een schandelijker en onverdragelijker dwaasheid, zoo iemand roemt zonder oorzaak, dat is, zoo hij liegende zegt te zijn wat hij niet is, want dan is bij de lichtvaardigheid ook een onbeschaamdheid. Maar de apostel neemt voor zeker, en betuigt dat zijn roeming beide ootmoedig en waarachtig is. Erasmus heeft het overgezet: Ik spaar u, maar het behaagt mij beter te stellen: Ik onthoud mij, of ik laat het, gelijk ik het overgezet heb. Opdat niemand van mij. Hij stelt de reden en oorzaak daarbij, te 'weten, omdat hij tevreden is dien stand en gestaltenis te houden, die de Heere hem opgelegd heeft. Het aanzien (zegt hij) en de woorden beloven niets groots van mij, daarom weiger ik niet klein geacht te worden. Hier zien wij, hoezeer ootmoedig hij geweest is, dewijl hem zijn kleinheid, die hij met het aanschijn en met de woorden uitgaf, niet verdroten heeft, hoewel hij nochtans van zulke groote uitnemendheid der gaven vol was. Het zal nochtans niet ongeschikt wezen, zoo men het aldus uitlegt: Dat hij met de zaak zelve tevreden zijnde, zichzelven niet verheft, opdat hij de valsche apostelen bedektelijk doorhale, die vele dingen van zichzelven roemden, daar niets van gezien werd: hoewel ik op een vorige plaats heb gezegd, wat ik beter keurde.
7 En opdat ik door de uitnemendheid der openbaringen. Dit is de tweede reden, te weten, dat God willende alle hoovaardigheid in hem bedwingen, hem met de roede getemd heeft. Deze roede noemt hij een prikkel, en het is een gelijkenis van de ossen genomen. Waar wij gesteld hebben: In het vleesch, daar is in het Grieksch: Den vleesche; daarom heeft Erasmus overgezet: Door het vleesch, maar ik wil het liever verstaan, dat de steking van dezen prikkel in het vleesch is geweest. Nu wordt daar gevraagd wat die prikkel geweest is. Die zijn te bespotten, die meenen dat Paulus tot onkuischheid is gekweld geweest: zoo moet men dan dat gedichtsel verwerpen. Sommigen meenen, dat hij met vele pijnen des hoofds is gekweld geweest. Chrysostomus wil het liever op Hy-meneus, Alexander, en dergelijken duiden, die van den duivel gedreven zijnde, Paulus veel zwarigheid deden. Ik meen, dat onder dit woord allerlei verzoeking vervat wordt, waarmede Paulus geoefend werd. Want het woord vleesch beduidt hier naar mijn oordeel niet het lichaam, maar dat deel der ziel, dat nog niet wedergeboren is, zoodat de zin is: Mij is een prikkel gegeven, waardoor mijn vleesch zou gestoken worden: want ik ben nog zoo geestelijk niet, dat ik niet met kwellingen naar het vleesch zou bevangen worden. Bovendien noemt hij dezen prikkel een bode des duivels, omdat alle verzoekingen, gelijk zij van den duivel aangebracht worden, alsook vermanen dat de duivel tegenwoordig is: daarom betaamt het ons door elk gevoelen van verzoeking opgewekt, en om des duivels aanloopen te wederstaan, gewapend te worden. Dat dit Paulus in den zin kwam, was zeer nut: want die gedachte deed hem niet als een zorgeloos mensch blijde te zijn: want wie nog met gevaren omvangen wordt, en den vijand vreest, zingt nog geen
424
2 CORINTHE 12:7, 8.
triumf. De Heere heeft (zegt hij) door een zeer goed middel gezorgd,
dat ik mij niet verheffe: want dewijl ik bekommerd ben om op té passen, dat de duivel mij niet bedriege, zoo word ik van hoovaar-digheid afgehouden. Hoewel, de Heere kwam hem niet alleen aldus te hulp, maar ook door hem te vernederen: want hij voegt daarbij:
Die mij met vuisten slaan zou, met welke spreekwijze hij gepast uitdrukt, dat hij is weerhouden en vernederd geweest. Want het is een groote versmaadheid, met vuisten geslagen te worden; daarom zoo wiens aangezicht blauw geslagen is, durft van schaamte onder de oogen der menschen niet te komen. Alzoo met wat zwakheid wij bevangen worden, zoo zullen wij gedenken, dat wij van den Heere als met vuisten geslagen worden, om ons tot schaamte te brengen, opdat wij ootmoedigheid leeren. Dit zullen voornamelijk die bedenken, die anders met uitnemende deugden begaafd zijn, zoo zij eenige gebreken daaronder hebben, zoo zij met eenigen haat bezwaard worden, zoo zij met eenige lasteringen geschandvlekt worden, dat het niet alleen klappen, maar ook vuistslagen des hemel-schen Meesters zijn, om beschaamdheid aan te brengen, en alle wreedheid te benemen. Dit zullen alle godzalige menschen aanmerken, hoe groot het venijn der hoovaardigheid is (gelijk Augustinus zegt)
hetwelk niet anders dan door venijn kan verbeterd worden. En voorwaar, gelijk zij de oorzaak des menschelijken verderfs geweest is, alzoo is zij het hoogste gebrek, waartegen wij moeten strijden: want andere gebreken hebben plaats in booze daden, maar dit is te vreezen in de allerbeste werken. Bovendien is het van nature zoo vast in ons geworteld, dat men het zeer kwalijk kan uitroeien. Laat ons naarstig aanmerken wie hier spreekt. Hij had zoo vele gevaren, kwellingen, en ander kwaad overwonnen, hij had over alle vijanden van Christus getriumfeerd, hij had de vreeze des doods verdreven: eindelijk, hij laad de wereld verlaten, en nochtans had hij de hoovaardigheid nog niet ganschelijk overwonnen. Ja hij had nog zul-ken zwaren strijd, dat hij niet kon overwinnen, dan met vuisten geslagen zijnde. Door dit voorbeeld onderwezen zijnde, laat ons alzoo tegen andere gebreken strijden, dat wij de voornaamste kracht gebruiken om dit te overwinnen. Maar wat is dit, dat de duivel, die Joh- 8:44-van den beginne aan een doodslager geweest is, Paulus' medicijn-Gen'3:4' meester was, en dat niet alleen in het lichaam te genezen, maar wat meer is, in de ziel te genezen? Ik antwoord, dat de duivel naar zijn aard en gewoonte niet anders voorgenomen heeft, dan om te dooden en te verderven, en dat de prikkel, die Paulus meldt met doodelijk venijn is bestreken geweest, maar dat dit een bijzondere weldaad des Heeren geweest is, dat Hij wat doodelijk was, in medicijn heeft veranderd.
8 Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden. Driemaal wordt ook hier gesteld voor dikmaals. En hij wil te kennen geven, dat deze kwelling, die hij dikmaals heeft verzocht af te bidden, hem zwaar was: want was zij licht geweest om te verdragen, zoo zou hij zoo zeer niet begeerd hebben daarvan verlost te worden. Hij zegt nochtans, dat hij 't niet verkregen heeft. Waaruit het openbaar is, hoe noodig het hem geweest is, vernederd te worden. Zoo bevestigt hij dan wat hij boven gezegd heeft, dat hij door dezen toom is weerhouden geweest, opdat hij zich niet zou verhoovaardigen.
Want hij zou zonder twijfel verhoord geworden zijn, zoo de verlos-
425
2 CORINTHE 12:8, 9.
sing nut geweest ware. Maar daaruit schijnt te volgen, dat Paulus niet uit het geloof gebeden heeft, tenzij wij alle de beloften Gods willen te niet maken. Wij hooren alom in de Schrift, dat wij zullen ver-jer. 29:12. kHjggjj, al wat wij uit het geloof zullen bidden. Nu, Paulus bidt. Mark. ii 5 «i! en verkrijgt niet. Ik antwoord, dat daar tweëerlei verkrijging is, joh. 14:13; gelijk daar ook verscheiden wijze van bidden is. Wij bidden die jak. i:5. dingen alleen, van welke wij zekere beloften hebben, als daar zijn de vervulling des rijks Gods, en de heiligmaking zijns naams, de vergeving der zonden, en al wat ons zalig is: maar als wij meenen dat het rijk Gods kan, ja moet aldus of alzoo bevorderd worden, en dat dit of dat noodig is om zijnen naam te heiligen, zoo worden wij dikmaals in onze meening bedrogen. Desgelijks zien wij dikmaals verkeerdelijk wat onze zaligheid aangaat, zoo dan, wij be-geeren die eerste dingen gerustelijk en zonder uitzondering, maar de middelen en wijze te stellen, dat komt ons niet toe: zoo wij een wijze uitdrukken, zoo is daarin altijd heimelijk een voorwaarde besloten. De heilige Paulus is zoo onwetend niet geweest, dat hij dit niet wel heeft geweten, daarom zooveel het einde zijns gebeds aangaat, hij is zonder twijfel verhoord geweest: hoewel hij zooveel de wijze aangaat, daarvan is verstoken geworden. Waaruit wij vermaand worden, dat wij niet den moed moeten verloren geven, alsof wij in het bidden tevergeefs gearbeid hadden, wanneer God onze gebeden niet volbrengt naar onzen wensch: maar dat zijn genade ons genoeg behoort te zijn, dat is, dat wij van Hem niet verlaten worden. Want dit is de oorzaak, waarom Hij dikmaals uit barmhartigheid den zijnen weigert, wat Hij met toornigheid den goddeloozen toelaat, omdat Hij zelf beter ziet wat ons nut zij, dan ons verstand zou kunnen begrijpen.
9 Hy heeft tot mij gezegd. Of hij dit antwoord gehad heeft door goddelijke aanspraak of openbaring, weet men niet, en daar is ook niet veel aan gelegen; want God antwoordt ons, wanneer Hij ons inwendig door zijnen Geest bevestigt, en door zijn vertroosting onderhoudt, opdat wij de hope en lijdzaamheid niet verlaten. Hij gebiedt Paulus met zijn genade tevreden te zijn, en in-tusschen den geesel niet te weigeren. Zoo moeten wij dan het kwaad blijven dragen, al is het dat het lang duurt, want het gaat zeer wel met ons, wanneer de genade Gods ons bijstaat, die ons te hulp komt. Het woord genade beduidt hier niet de gunst Gods, gelijk op andere plaatsen, maar de hulpe des Heiligen Geestes, omdat zij ons door onverdiende gunst Gods toekomt. En deze behoort den godzaligen genoeg te zijn, omdat zij een vast en onverwinnelijk steunsel is, opdat zij nimmermeer overwonnen worden. Want mijne kracht. Onze zwakheid schijnt Gods kracht te verhinderen, dat Hij ze in ons niet volbrenge; doch dit ontkent Paulus niet alleen, maar betuigt daarentegen, dat de kracht Gods dan eerst behoorlijk volbracht wordt, als onze zwakheid gezien wordt. En opdat wij dit duidelijker verstaan, zoo moet men een onderscheid maken tusschen de kracht Gods en de onze. WTant daar is kracht in het woordje mijne. Mijne kracht, zegt de Heere, dat is, die der menschen armoede te hulp komt, die de gevallenen wederopricht, en de bezwijkenden wederom hernieuwt, wordt volbracht in der menschen zwakheid, dat is, heeft oorzaak om zich te bewijzen, wanneer de zwakheid der menschen zich openbaart; en niet alleen dit, maar
426
2 CORINTHE 12:9, 10.
wordt ook klaarlijk bekend, gelijk het betaamt. Want het woord volbracht worden, is te duiden op der menschen gevoel en kennis : want zij wordt niet volbracht, tenzij zij openbaar verschijne, opdat zij haren lof hebbe. Want zelfs de menschen zeiven gevoelen ze niet, zoo zij niet eerst overtuigd zijn nood te hebben, en zij vergeten terstond wat zij vermag, tenzij zij zonder ophouden door het gevoelen hunner zwakheid geoefend worden. Zoo zal ik dan veel liever. Deze laatste uitspraak bevestigt de uitlegging, die ik gegeven heb. Ik zal (zegt hij) roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom, zoo wie zich schaamt over dezen roem, die sluit de deur toe voor de kracht van Christus, en drijft ze eenigszins van zich weg. Want wij geven dan der genade van Christus plaats, als wij met ware vernedering des harten, onze zwakheid gevoelen en belijden. De dalen worden door regen bevochtigd tot vruchtbaarheid, en de hoogste heuvelen der bergen blijven intusschen droog en onvruchtbaar. Zoo moet dan degene, die ontvangen wil den hemelschen regen der geestelijke genade Gods, een dal worden. Hij voegt daarbij, veel liever, om te bewijzen, dat hij met zulke groote begeerte naar de genade Gods brandt, dat hij niets weigert om die te verkrijgen. Want wij zien velen, die zich-zelven voor God vernederen, omdat zij vreezen heiligschennis te begaan, zoo zij zijn eer begeeren: doch zij doen dit niet anders dan onwillig, of immers niet zoo overgegeven en mild, als het betaamde.
io Ik behaag mijzelven in zwakheden. Het is zonder twijfel, dat hij het woord zwakheid, hier gebruikt in een anderen zin; want hij heeft boven daarmede beduid die steking, die hij in zijn vleesch gevoelde; en nu beduidt hij daarmede die uitwendige gevallen, die voor de wereld verachting aanbrengen. Maar als hij in het gemeen van allerlei zwakheid gesproken heeft, zoo komt hij nu tot die bijzondere zwakheid, naar aanleiding waarvan hij van de zwarigheden in het gemeen gesproken had. Daarom zullen wij aanmerken, dat liet woord zwakheid, algemeen is, en dat daaronder vervat wordt zoowel de zwakheid onzer natuur, als alle redenen van verwerping en verachting. Daar werd gehandeld van de uitwendige verachtelijkheid van Paulus: en hij is verder gevaren, om te bewijzen, dat hij alleszins van God vernederd werd, opdat de eere Gods te beter in zijne gebreken zou schijnen, welke door des menschen hoogheid eenigszins verborgen en bedekt wordt. Nu komt hij wederom tot zijne deugden, welke hem nochtans onder den gemee-nen man meer verachting dan prijs en lof aanbrachten. Want als ik zwak ben. Dat is, hoe meer mij bij mijzelven ontbreekt, zooveel te milder voldoet de Heere al wat Hij ziet, dat er noodig is. Want de philosophische sterkheid is niet anders dan hardnekkigheid, of liever uitzinnige moed, gelijk daar in den razenden mensch pleegt te zijn. Wie waarlijk sterk begeert te zijn, moet niet weigeren ook mede zwak te zijn. Hij zij, zeg ik, in zichzelven zwak, opdat hij sterk zij in den Heere. Zoo iemand tegenwerpt, dat Paulus hier niet spreekt van het gebrek der kracht, maar van armoede en andere verdrukkingen: zoo antwoord ik, dat al deze dingen oefeningen zijn, om ons onze zwakheid te openbaren; want had God Paulus niet met zulke beproevingen geoefend, zoo zou hij zijn zwakheid nimmermeer zoo goed gezien hebben. Zoo ziet hij dan niet alleen op armoede en allerlei zwarigheid, maar ook op de vruchten, die daaruit voort-
427
2 CORINTHE 12 : 10, 11.
kwamen, als daar zijn, de bekentenis onzer z\vakheid, wantrouwen aan onszelven en ootmoedigheid.
11 Ik ben met roemen onwijs geworden, gij hebt mij daartoe ge-icor. 15:10. dwongen: want ik behoorde van u geprezen te worden; want
ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets hen.
iCor. 9:2. 12 De teekenen eens apostels zijn onder u geschied in alle lijd
zaamheid, en teekenen, en wonderdaden, en krachten.
1 Oor. 9:12. 13 Want wat is er, waarin gij minder geweest zijt dan de andere
2 Cor. li:9. gemeenten, uitgenomen dat ik zelf u niet lastig geweest ben?
Vergeeft mij dit ongelijk.
14 Ziet, ik hen ten derden male van harte genegen om tot u te Hand.20:23. komen, en zal u niet lastig zijn: want ik zoek niet het uwe,
maar u: want de kinderen moeten niet schatten voor de ouders vergaderen, maar de ouders voor de kinderen.
15 Ik wil zeer gaarne geven, en gegeven worden voor uwe zielen: hoewel ik, u overvloedig liefhebbende, u niet lief ben.
ii Ik ben met roemen onwjjs geworden. Hij heeft dusver met vele verontschuldigingen vergeving begeerd, omdat hij buiten zijn wijze en voornemen, en buiten wat de betamelijkheid en het apostelambt eischte, zijn eigen lof predikte. Nu inplaats van de afbidding gebruikt hij een verwijting, de schuld leggende op de Corin-thiërs, die zeiven dit behoorden te doen: want als de valsche apostelen Paulus lasterden, zoo behoorden de Corinthiërs zich strengelijk daartegen te stellen, en getrouw getuigenis te geven van zijne deugden. En hij bescheidt ze hier recht tijdig, opdat zij die verontschuldiging, die hij door hun ondankbaarheid gedwongen voortgebracht had, niet tot kwaad duiden, of dat degenen, die kwalijk jegens hem gezind waren, hem niet bleven tegenspreken. Want ik ben in geen ding. Wij zijn ondankbaar jegens God, zoo wij zijne gaven (waarvan wij getuigen zijn) toelaten van de boozen gelasterd of veracht worden. Hiervan berispt hij de Corinthiërs; want zij hadden hem bekend, dat hij niet minder was dan de uitnemendste der apostelen, en nochtans hoorden zij naar de lasteraars, die hem schandvlekten. Door de uitnemendste apostelen, verstaan sommigen zijne tegenstanders, die zichzelven voor de hoogste achtten; maar ik versta daarbij ook die de voornaamsten waren onder de twaalven, alsof hij zeide: Laat mij vergeleken worden met wat apostel gij wilt, ik vrees niet, dat ik minder zal bevonden worden. Want hoewel Paulus zeer wel met de andere apostelen overeenkwam, zoodat hij bereid was die boven hem te verheffen, zoo had hij nochtans strijd tegen hunne namen, die valschelijk gebruikt waren. Want de valsche apostelen misbruikten deze voorwending, dat zij in het gezelschap der twaalven geweest waren, dat zij al hunne gevoelens wisten, dat al hunne inzettingen hun bekend waren, en dergelijke. Zoo dan, als Paulus zag, dat zij op deze gedichte titelen zichzelven valschelijk verhoovaardigden, en bij de ongeleerden gehoor hadden, zoo moest hij tot deze vergelijking komen. Die verbetering, die daarbij gesteld is: Hoewel ik niets ben, beduidt, dat Paulus niets zichzelven eigenlijk wil toeschrijven, maar alleen in den Heere roemen, tenzij mogelijk
428
2 CORINTHE 12 : 12â14.
iemand liever wil, dat het een toelating zij, waarin hij uitdrukt wat de lasteraars en kwaadwilligen van hem zeggen.
ia De teekenen eens apostels. Teekenen eens apostels heeft hij gesteld voor zegelen, die tot bevestiging des apostelambts dienen, of immers voor argumenten en bewijzen, alsof hij zeide: God heeft mijn apostelambt alzoo onder u bevestigd, dat daar geen bewijs meer noodig is. Het eerste teeken noemt hij lijdzaamheid, omdat hij al de aanloopen des duivels en der vijanden moedig verdragende, en nergens wijkende, onoverwonnen was blijven staan; of, omdat hij zijn uitnemendheid vergetende, alle onrecht met goeden moed verdragen had. Want zulke grootmoedige deugd is als een hemelsch zegel, waarmede de Heere zijne apostelen verzegelt. De tweede plaats geeft hij aan de wonderen: want waar hij noemt teekenen, wonderdaden, en krachten, niet drie verscheiden namen, daar noemt hij ée'nzelfde zaak, gelijk hij ook doet op andere plaatsen. Voorts, worden zij teekenen genoemd, omdat zij geene ijdele schouwspelen zijn, maar verordend zijn om de menschen te leeren. Zij worden wonderdaden genoemd, omdat zij door hun nieuwigheid de menschen moeten opwekken en treffen. Zij worden machten en krachten genoemd, omdat zij uitnemender bewijs der mogendheid Gods zijn, dan die wij in den gewonen loop der natuur zien. Wij zien, dat dit het voornaamste einde der wonderen geweest is in het begin des Evangelies, opdat de leer te meerder autoriteit mocht hebben: zoo dan, hoe een iegelijk met meer wonderen begaafd was, zooveel te meer was zijn dienst bevestigd, gelijk daar gezegd is in het 15ae hfdst. aan de Romeinen.
13 Wat is er, waarin gij. Dit is een verzwaring der ondankbaarheid, dat hij tot hun nut en voordeel uitnemend geweest was, dat zij uit de bevestiging zijns apostelambts vrucht ontvangen hadden, en nochtans in de lasteringen der valsche apostelen bewilligden. Hij stelt spottende een uitzondering daarbij, dat hij hun niet tot een last geweest was: want dit deed in der waarheid de maat van zoo vele weldaden overvloeien, die hij hun bewezen had, dat hij hen voor niet gediend had. En hem daarna zeer te verachten, gelijk zij deden, wat was dat anders dan zijn bescheidenheid bespotten? Wat groote onbeleefdheid was dit? daarom heeft hij met goed recht zulke onverstandige hoovaardigheid scherpelijk bestraft. Vergeeft my dit ongelijk, zegt hij. Want zij waren dubbel ondankbaar, dewijl zij dien niet alleen versmaden, door wiens weldaden zij verbonden waren, maar rekenden hem ook zijn weldadigheid tot schande. Chrysostomus meent, dat hier geen spot onder is, maar dat het meer een verontschuldiging is. Maar zoo iemand het geheele verband nader aanmerkt, zal hij lichtelijk zien, dat deze uitlegging vreemd is van den zin van Paulus.
14 Ziet, ik ben ten derden male. Hij prijst zijn daad, waarvoor de Corinthiërs hem op zeer slechte wijze dankten. Want hij zegt, dat hij om twee oorzaken zichzelven onthoudt van hun goed te genieten, te weten, dat hij hen zoekt, en niet hun goed. Insgelijks, dat hij zichzelven jegens hen wil gedragen, gelijk een vader jegens zijn kind. Hieruit is het openbaar, hoe grooten lof zijn matigheid verdiende, om welke hij bij de Corinthiërs veracht was. Ik zoek niet het uwe. Het ambt eens waren en oprechten herders is, niet gewin uit de schapen, maar de zaligheid der schapen te zoeken:
429
2 CORINTHE 12 ; 14, 15.
hoewel, men moet aanmerken, dat men niet alzoo de menschen moet zoeken, dat een iegelijk zijne discipelen hebbe. Het is kwaad tot gewin begeven te zijn, of om gewin te hebben het ambt eens herders te bedienen: -maar door eergierigheid discipelen achter zich te brengen is veel erger: maar Paulus wil zeggen, dat hij geen loon zoekt, maar alleen voor de zaligheid der zielen zorgvuldig is. Nochtans is het een sierlijke wijze van spreken, die hij gebruikt; want het is zooveel alsof hij gezegd had: Ik zoek grooter loon dan gij meent; ik ben met uw goed niet tevreden, maar zoek uzelven geheel, om uit de vrucht van mijn dienst, den Heere een offerande te doen. Maar wat? waar iemand uit zijn arbeid gevoed wordt, zal die des volks goed zoeken? Voorwaar, zoo het een getrouwe herder is, zoo zal hij altijd der schapen zaligheid zoeken, en niets anders; de bezoldiging zal wel een toeworp zijn, maar hij moet geen ander einde aanzien dan wat ik gezegd heb; wee dengenen, die elders op zien. De ouders voor de kinderen. Was hij dan niet een vader der Fi-lippensers, die hem ook voedden, waar hij van hen verwijderd was? Waren dan de andere apostelen geene vaders, die van de gemeenten gevoed werden? Dat heeft hij niet gemeend: want het is niet nieuw, dat de ouders in hun ouderdom van de kinderen gevoed worden. Zoo zijn zij dan niet vaderlijke eer onwaardig, die van de gemeenten leven; maar Paulus heeft alleen uit de gemeene wet der natuur willen bewijzen, dat het uit een vaderlijke genegenheid kwam wat hij deed. Daarom moet men dit bewijs niet tot het tegenovergestelde draaien. Want hij heeft dit als een vader gedaan; maar had hij anders gedaan, zoo zou hij desniettemin een vader geweest zijn.
15 Ik wil zeer gaarne geven. Dit is een getuigenis eener liefde, die meer dan vaderlijk is, dat hij bereid is niet alleen zijn arbeid, en ook al zijn macht aan hen te hangen, maar ook zijn leven; ja, dat hij, dien zij flauwelijk liefhadden, niettemin in deze genegenheid voorgaat. Wat hardheid des harten, al ware het van ijzer gemaakt, zou zulke groote brand der liefde niet verzachten of breken, voornamelijk wanneer zulke standvastigheid daarbij is? Voorts, wat Paulus hier van zichzelven zegt, zullen wij niet alleen bewonderen, maar ook navolgen. Daarom zullen alle herders hieruit leeren, wat zij hunnen gemeenten schuldig zijn.
16 Doch het zij alzoo, ik ben u niet lastig geweest: maar dewijl ik listig was, zoo heb ik u met bedrog gevangen.
17 Heb ik u beroofd door eenigen dergenen, die ik tot u gezonden heb ?
18 Ik heb Titus gebeden, en met hem een broeder gezonden; heeft Titus u wat afgedwongen ? Hebben wij niet door denzelfden Geest gewandeld? Hebben wij niet in dezelfde voetstappen gewandeld?
19 Meent gij wederom, dat wij onszelven bij u verontschuldigen? Wij spreken voor het aanschijn Gods in Christus, maar alles, geliefden, tot uwe stichting.
20 Want ik vrees, dat het eenigszins zal geschieden, dat ik, zoo ik kom, u niet zal vinden zoodanig als ik wil, en dat ik van
Gal. 5:16. u zal gevonden worden zoodanig als gij niet wilt; dat er niet
eenigszins zij twist, nijd, toorn, kijving, achterklapping, oor-blazing, opgeblazenheid, beroering.
430
2 CORINTHE 12 : 16â20.
21 Opdat wederom, wanneer ik zal komen, mijn God mij zal vernederen bij u, en dat ik velen zal beweenen dergenen, die tevoren gezondigd hebben, en hebben zichzelven niet gebeterd van hun onreinheid, onkuischheid en onbeschaamdheid, die zij bedreven hebben.
16 Maar het zjj alzoo. Deze woorden geven te kennen, dat Paulus van de kwaadwilligen is beschuldigd, alsof hij listig door menschen opgestookt, tot zich getrokken zou hebben wat hij zelf met zijn eigen hand geweigerd had te ontvangen: niet dat hij zoo iets gedaan had, maar zij oordeelden anderen naar zichzelven. Want dit is den boozen gemeen, dat zij dat alles onbeschaamd op de dienstknechten Gods draaien, wat zij zeiven zouden gedaan hebben, hadden zij gekund. Zoo dan, om deze zoo onbeschaamde gedichte schuld van zich af te wenden, wordt hij gedwongen de oprechtheid dergenen, die hij gezonden heeft, te beschermen: want hadden zij iets gezondigd, dat zou hem toegerekend geweest zijn. Wie zal zich nu verwonderen, dat hij in de aalmoezen zoo voorzichtig is geweest, die met zoo ongerechtig oordeel bezwaard werd, nadat hij alleszins voorzichtig geweest was? Voorts zal zijn persoon ons een exempel zijn, opdat het ons niet zoo nieuw of onverdragelijk schijne, wanneer wij op dergelijke valsche beschuldigingen moeten antwoorden. Voornamelijk zullen wij hierdoor vermaand worden om godvreezend toe te zien, opdat wij den lasteraren geen oorzaak geven. Want wij zien, dat het niet genoeg is, dat wij onze eigene oprechtheid bewijzen, tenzij ook die zoo bevonden worden, wier hulpe en arbeid wij gebruikt hebben: daarom moet de keuze niet licht noch oppervlakkig geacht worden, maar van uitgelezene naarstigheid.
19 Meent gij wederom. Dewijl somtijds die zichzelven angstig plegen te verontschuldigen, die weten dat zij schuldig zijn, zoo is het waarschijnlijk, dat dit ook hem tot oneer is gerekend geweest, dat hij in den voorgaanden zendbrief gearbeid had om zijn dienst te beschermen. Bovendien is dit ook gebrekkelijk in de dienstknechten van Christus, zoo zij te zeer zorgvuldig zijn voor hunnen goeden naam. Zoo dan, om deze twee valsche beschuldigingen te wederleggen, zoo betuigt hij ten eerste, dat hij in het aanschijn Gods spreekt, dien de booze conscientiën altijd vreezen. Ten andere zegt hij, dat hij het niet zoozeer doet om zijnentwil als om hunnentwil. Hij was bereid door goed gerucht en kwaad gerucht te wandelen, ja ook verijdeld te worden: maar het was den Corinthiërs nut, dat hij zijn goede achting behield, die hij verdiend had, opdat zijn dienst niet verachtelijk werd.
20 Want ik vrees. Hij verklaart hoe het tot hun stichting dient, dat zijn oprechtheid beschermd worde: want daardoor dat hij veracht geworden was, waren velen als ongebonden dartel geworden. Was hij in eerwaardigheid geweest, dat zou hun oorzaak tot verbetering geweest zijn: want zij zouden naar zijne vermaningen gehoord hebben. Ik vrees, zegt hij. Deze vrees was uit liefde: want was hunne zaligheid hem niet ter harte gegaan, zoo zou hij dit alles lichtelijk vergeten hebben, waarin hij geen eigen bate zocht; want anders vreest men dien aanstoot, welken men voorziet schadelijk te zijn. En dat ik van u zal gevonden worden. Dit is zijn tweede vrees, dat hij niet gedwongen wordt strenger te handelen: dit is
431
432 2 CORINTHE 12:20, 21.
niet alleen een teeken der liefde, maar ook der toegeving, dat hij strengheid vliedt, en zachtere remediën zoekt. Het is zooveel alsof hij zeide: Dat ik nu arbeid om mijn autoriteit te bevestigen, en u tot gehoorzaamheid zoek te brengen, doe ik, opdat uwe hardnekkigheid niet zwaar zij te bestraffen, zoo ik kom en geen betering in u vind. Zoo leert hij dan door zijn exempel, dat de herders altijd matige remediën moeten zoeken, om de gebreken daarmede te beteren, eer zij tot de nauwe strengheid komen, en dat men ook-mede door vermanen en bestraffen, de uiterste strengheid moet voorkomen.
2i Opdat wederom, wanneer ik. De nederheid werd hem tot schande gerekend; de schuld daarvan werpt hij op de Corinthiërs, dewelke zijn apostelambt behoorden te verheerlijken, daar zij het liever schande aandeden. Want eer en sierlijkheid des apostelambts van Paulus zou hun voortgang geweest zijn. Als zij zich dan tot vele gebreken en feilen begeven hadden, zoo deden zij hem schande en laster aan, zooveel in hen was. Hiermede beschuldigt hij ze niet allen, maar enkele weinigen, die al zijne vermaningen dartelijk versmaad hadden. Zoo is dan de zin: Zij hebben een verachtelijk gevoelen van mij, omdat ik schijn verwerpelijk te zijn: dat zij dan mij geen oorzaak der vernedering geven, maar dat zij zeiven liever die hardheid afleggen, en een gevoelen der schaamte aandoen, en door hunne booze stukken beschaamd zijnde, zichzelven nederwerpen, en niet als hoog zittende, anderen verachten. Intusschen heeft hij ons de genegenheid eens waren en goeden herders uitgedrukt, als hij zegt, dat hij de zonden van sommige menschen zal beweenen. En men moet voorwaar alzoo handelen, dat een iegelijk herder zijn gemeente in zijn hart besloten drage, en door hare ziekten, als door zijne eigene bewogen worde, in hare ellendigheden medelijden jer. 9:i. hebbe, en hare zonden beweene. Wij zien, hoe Jeremia begeert, dat hem een fontein der tranen gegeven werd, om de ellendigheid zijns volks te beweenen. Wij zien, hoe de godzalige koningen en profeten, dien de regeering des volks bevolen was, op gelijke wijze bewogen zijn geweest. Want dit is allen godzaligen gemeen, met droefheid bevangen te zijn, zoo dikmaals als God vertoornd wordt, en dei-broederen verderf te beweenen, en eenigszins hunne schuld op zich te nemen voor God: maar van de herders en dienaren wordt meer geëischt. Voorts, Paulus verhaalt hier de tweede reeks van gebreken, welke nochtans onder één hoofd behooren, te weten, onbeschaamdheid.
1 L
Jf' bi .
HET DERTIENDE HOOFDSTUK.
Nam. 36:30. 1 Dit zal mijn derde komst tot u wezen: In den mond van twee
igeV5 17:6' of drie getuigen zal alle woord bevestigd worden.
Matt.' 18: ic. 2 Ik heb voorzegd, en voorzeg, gelijk toen ik wederom tegen-
Hebrl'io ⢠28. woordig was: alzoo schrijf ik ook nu afwezende dengenen, die
tevoren gezondigd hebben, en al den anderen, dat ik, zoo ik wederom kom, niet zal sparen.
3 Dewijl gij zoekt een proeve van Christus, die in mij spreekt, li die tot u niet zwak is, maar krachtig is onder n.
2 CORINTHE 13 : 1, 2.
4 Want hoewel Hij gekruist is uit zwakheid, zoo leeft Hij nochtans door de kracht Gods. Wij zijn ook zwak in Hem, maar leven met Hem uit de kracht Gods bij u.
i 1 'vit zal mijn derde komst. Hij gaat voort in het bestraffen Ider dartelheid dergenen, waarvan hij gesproken heeft, waar-â^van sommigen ongebonden en onkuisch levende, sommigen twist en strijd onder elkander gebruikende, naar zijn berisping niet vraagden. Want zijne woorden strekten niet tot het gansche lichaam der gemeente, maar tot sommige zieke en half verrotte leden: daarom begeeft hij zich te vrijer tot scherpheid, omdat hij met bijzondere menschen handelt, en niet met het gansche volk; bovendien met zulke menschen, bij wie hij gevoelde, dat hij met vriendelijkheid en zachte remediën niets zou uitrichten. Nadat hij anderhalf jaar bij hen gewoond had, heeft hij ze andermaal bezocht, en belooft nu ten derden male te komen, en zegt, dat deze zijne drie komsten als getuigen zullen wezen, om hun hardnekkigheid te overtuigen. Hij haalt de wet van de autoriteit der getuigen aan, niet in den rechten en letterlijken zin, maar die bij gelijkenis tot zijn voornemen voegende. Het woord der wet is, zegt hij, dat men om zaken te eindigen, op twee of drie getuigen moet staan. Want het woord bevestigd worden, is zooveel als van de zaak zelve uitgesproken worden, opdat de twisting een einde hebbe. Ik ben wel één mensch (zegt hij), maar als ik ten derden male tot u zal komen, zal ik de autoriteit van drie getuigen hebben; of, mijne drie komsten zullen in de plaats van drie getuigen wezen. Want zijn drieërlei arbeid voor hunne zaligheid gedaan, en zijn standvastigheid op drie verscheidene tijden bewezen, waren niet ten onrechte zooveel als drie menschen waard.
2 Ik heb voorzegd, en voorzeg. Het had niet geholpen, dat hij ze zoo dikmaals liefelijk en vriendelijk vermaand had, daarom wendt hij zichzelven tot een strenger remedie, waarmede hij ze tegenwoordig zijnde met woorden gedreigd had. Dewijl wij zien, dat hij zoo streng handelt, zoo zullen wij niet twijfelen, dat zij wonderlijk wild en hardnekkig waren. Want het is uit zijne geschriften openbaar, hoe zeer zachtmoedig en lijdzaam hij anders geweest is. Maar gelijk het een goeden vader betaamt vele dingen te vergeven en te verdragen: alzoo ook intijds geen strengheid te gebruiken, en de goedertierenheid met geen strengheid te matigen, dat is het werk eens dwazen vaders, die der kinderen zaligheid kwalijk bevordert. Wij bevinden genoeg, dat daar niets schadelijker is, dan ongebonden toegeving. Zoo dan, laat ons zachtmoedigheid gebruiken als wij kunnen; zachtmoedigheid (zeg ik) die matig en gewichtig is, en laat ons hard en streng zijn, wanneer het noodig is. Maar hier wordt gevraagd, waarom de apostel zich veroorloofd heeft, private feilen van sommigen alzoo openlijk te bestraffen, dat hij de personen zeiven bijna met den vinger aanwijst. Ik antwoord, dat Paulus dit nimmer zou gedaan hebben, zoo die zonden heimelijk geweest waren: maar dewijl zij aan allen openbaar, en tot een schandelijk exempel bekend waren, zoo moest hij die niet sparen, die openbaar ergernis maakten. Hier wordt ten andere gevraagd, met boedanige straf hij ze dreigt, daar hij ze nauw met woorden scherpelijk kon kastijden. Ik twijfel niet, of hij heeft willen zeggen, dat hij ze met den ban zal
Dl. II. 28
433
2 CORINTHE 13 : 3, 4.
straffen. Want wat is er gruwelijker, dan van het lichaam van Christus afgesneden, uit het rijk Gods gestooten en tot verderving den duivel overgegeven te worden, tenzij men zich bekeere ?
3 Dew|jl gij zoekt een proeve van Christus. Uit deze woorden kan men tweeërlei zin nemen. De eerste is: Dewijl gij wilt bevinden, of ik uit mijzelven spreek, of dat Christus door mij spreekt; en aldus heeft Chrysostomus en Ambrosius het uitgelegd. Nochtans behaagt het mij beter, dat men het aldus neme, dat hij betuigt, dat niet zoozeer tegen hem, als tegen Christus zeiven misdaan wordt, als men zijn autoriteit beneemt, en dat de lijdzaamheid van Christus verzocht wordt, als men zijne vermaningen veracht, alsof hij zeide: Christus is degene, die door mij spreekt: wanneer gij dan mijn leer aan uw oordeel onderwerpt, zoo doet gij meer Christus ongelijk dan mij. Maar iemand zal daartegen zeggen: Wat? zal dan eens iegelijks leer, zoo haast als hij roemt dat Christus zijn auteur is, vrij zijii van alle beproeving? Wat valsche profeet zou ditzelve niet roemen? Wat onderscheid zal daar dan wezen tusschen den waren
i Joh. 4: i. en valschen profeet? en waar zal dan dit blijven: Beproeft de Geesten, of zij uit God zijn? Al zulke tegenwerpingen voorkomt Paulus, als hij zegt, dat Christus krachtig in hen geweest is, door zijnen dienst. Want deze woorden moet men te zamen lezen: Christus, die in mij spreekt, en die in u krachtig is, en niet zwak, dat is, Christus zijn kracht aan u bewijzende in mijn leer, heeft betuigd, dat Hij door mijnen mond spreekt, zoodat gij geen verontschuldiging der onwetendheid hebt. Wij zien, hoe hij niet alleen met de woorden roemt, maar ook metterdaad bewijst, dat Christus in hem spreekt, en dat hij de Corinthiërs eerst overtuigt, eer hij begeert van hen geloofd te worden. Zoo dan, zoo wie in de gemeente zal spreken, wat titel hij ook voorgeeft, men zal zijn leer mogen onderzoeken, totdat Christus Zich daarin geopenbaard heeft, en alzoo zal niet van Christus, maar van den mensch geoordeeld worden. Maar wanneer het openbaar is, dat het Gods woord is, dat daar gesproken wordt, zoo heeft het plaats wat Paulus zegt, dat Gode zijn autoriteit en trouw benomen wordt. Met ditzelfde betrouwen zeide'Mozes: Num. 16:ii. VVat ben ik of Aaron? gijlieden verzoekt God. Desgelijks Jesaja: Jes. 7; 13. Is het ulieden weinig, dat gij de menschen moede maakt, dat gij ook mijnen God moede maakt? Want er is geen plaats meer tot uitvlucht, wanneer dit geopenbaard is, dat het een dienaar Gods is, die daar spreekt, en dat hij getrouwelijk zijn ambt bedient. Nu kom ik wederom tot Paulus: dewijl zijn dienst zoo grootelijks bij de Corinthiërs bevestigd was, in welken de Heere Zichzelven zoo grootelijks bewezen had, zoo is het geen wonder, dat hij het zoo kwalijk neemt, dat men hem tegenstaat. Hij mocht hun wel met goed recht verwijten, wat hij hun verwijt, te weten, dat zij Christus weder-spannig waren.
4 Want hoewel Hy uit zwakheid. Hij heeft met opzet van de vernedering van Christus gesproken, om te kennen te geven, dat in hem niets anders veracht wordt, dan wat men ook lichtelijk in
Fii. 2:7. Christus zeiven kon verachten, dewijl Hij is vernederd geweest tot den dood des kruises. Maar hij geeft ook mede te kennen, wat groote ongeschiktheid het is, de nederheid des kruises in Christus te verachten, bij welke ook staat de onuitsprekelijke heerlijkheid des kruises van Christus, alsof hij zeide: Zal Christus daarom te
434
2 CORINTHE 13:4.
minder van u geacht worden, omdat Hij in zijn dood zwakheid heeft uitgegeven? Is dan zijn hemelsche leven, waarin Hij na de wederopstanding leeft, niet een klaar bewijs zijner goddelijke kracht?
Want gelijk het vleesch hier de menschelijke natuur van Christus beduidt, alzoo wordt de naam Gods genomen voor zijn Godheid.
Maar hier rijst een vraag, of Christus ook met zulke zwakheid is bevangen geweest, dat Hij der noodwendigheid onderworpen ware,
niet willens: want wat wij uit zwakheid lijden, lijden wij uit dwang en niet uit eigen vrijen wil. Toen voortijds de Arianen deze voorwending misbruikten, om de Godheid van Christus te bestrijden, hebben de rechtgeloovige vaders daarop geantwoord, dat dit is geschied uit verordening, omdat Christus alzoo gewild heeft, en niet omdat Hem eenige nood gedwongen heeft: welk antwoord waar is, zoover men het wel verstaat. Maar sommigen strekken deze verordening verkeerdelijk tot den menschelijken wil van Christus: gelijk dit niet geweest is naar den staat zijner natuur, maar naar een toelating boven de natuur. Bijvoorbeeld: Dat Hij gestorven is, zeggen zij niet geschied te zijn, omdat zijn menschelijkheid eigenlijk den dood onderworpen was, maar door verordening, omdat Hij wilde sterven.
Ik beken wel, dat Hij gestorven is omdat Hij wilde, maar vanwaar komt deze wil, anders dan omdat Hij willens een sterfelijke natuur heeft aangenomen ? Zoo wij de menschelijke natuur van Christus aan de onze zoo ongelijk maken, zoo is het voornaamste fundament onzes geloofs teniet; daarom, laat ons het aldus verstaan, dat Christus geleden heeft uit verordening, en niet uit dwang: want fu. 2:6. dewijl Hij in de gestalte Gods was, zoo had Hij Zich van deze noodwendigheid kunnen bevrijden: en dat Hij desniettemin uit zwakheid heeft geleden, want Hij heeft Zichzelven vernederd. Wij zjjn zwak in Hem. Zwak zijn in Christus beduidt hier de zwakheid van Christus deelachtig zijn. Alzoo maakt hij zijn zwakheid heerlijk, omdat hij daarin Christus gelijk is, en dat hij niet meer van die oneer gruwt, die hij met den Zoon Gods gemeen heeft:
maar intusschen zegt hij, dat hij bij hen zal leven naar het exempel van Christus. Ik zal ook (zegt hij) des levens van Christus deelachtig wezen, als mijn zwakheid zal geëindigd zijn. Het leven stelt hij tegen de zwakheid, en daarom verstaat hij daardoor, een stand die vol bloei en waardigheid is. Het woord bij u, kan ook gevoegd worden bij de kracht Gods: maar daar is weinig aan gelegen,
want de zin blijft dezelfde, te weten, dat de Corinthiërs een eerwaardig en groot gevoelen zullen hebben van de kracht Gods,
die in Paulus was, en dat zij de uitwendige zwakheid niet meer versmaden zullen, wanneer zij zullen begonnen zijn recht en wel te oordeelen.
5 Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven. icor. ll;2S. Bekent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij gij eenigszins verworpen zijt.
6 Doch ik hoop, dat gij zult bekennen, dat wij niet verworpen zijn.
7 Ik wensch voor God, dat gij geen kwaad doet; niet opdat wij beproefd ') schijnen, maar opdat gij doet wat eerlijk is, en dat i). Of, prij-wij als verworpen zijn. seUjk.
8 Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid.
435
2 CORINTHE 13:5, 6.
9 Want wij verblijden ons, wanneer wij zwak zijn, en gij sterk zijt. En wij wenschen ook dit, te weten, uwe volmaking.
5 Onderzoekt uzelven. Hij bevestigt wat hij boven gezegd had, te weten, dat de kracht van Christus openlijk in zijnen dienst verschenen is. In deze zaak neemt hij hen zelf tot rechters, zoover zij in zichzelven gaan en bekennen wat zij van hem ontvangen hebben. Ten eerste, dewijl daar niet meer dan één Christus is, zoo moet het dan dezelfde zijn, die in het volk en in den dienaar woont. Nu, hoe zal Hij in het volk wonende, Zichzelven verloochenen in den dienaar? Bovendien had Hij zijn kracht alzoo bewezen in de prediking van Paulus, dat zij den Corinthiërs niet twijfelachtig of duister kon zijn, zoo zij niet ganschelijk plomp waren. Want waaruit hadden zij het geloof? Waaruit hadden zij Christus ? Eindelijk, waaruit hadden zij alles? Zoo roept hij ze dan terecht tot zichzelven, opdat zij daar vinden wat zij als onbekend versmaden. Dit is eerst een waar en wel gefundeerd betrouwen eens dienaars, tot bevestiging zijner leer op te roepen de conscientiën dergenen, die hij geleerd heeft: opdat zij, zoo zij iets van Christus hebben, of eenige oprechte godzaligheid, gedwongen worden zijn getrouwheid te bekennen. Nu zien wij wat de meening des apostels is. Voorts is deze plaats bijzonder aan te merken om twee oorzaken. Want ten eerste wordt daardoor vertoond de overeenstemming, die tusschen het geloof des volks en de prediking des dienaars is, te weten, dat de prediking des dienaars de moeder is die genereert en baart, en dat het geloof des volks de dochter is, welke haren oorsprong niet behoort te vergeten. Ten andere dient zij om de zekerheid des geloofs te bevestigen, welke ons door de Sophisten der Sorbonne verzwakt, ja ganschelijk uit der menschen harten uitgeroeid is. Zij beschuldigen die allen van lichtvaardigheid, die zekerlijk gelooven, dat zij leden van Christus zijn, en dat zij Hem in zich blijvende hebben;
CoDjectura want zij willen, dat wij tevreden zijn met een zedelijke gissing, gelijk
loraiis. zjj jlet noemen) iS) alleen met een meening, zoodat de conscientiën altijd onzeker en twijfelachtig zijn. Maar wat zegt Paulus hier? Hij betuigt, dat die verworpen zijn, die twijfelen, of zij Christus bezitten, en van zijn lichaam zijn. Daarom zal dit ons alleen een recht geloof zijn, dat ons gerust maakt, en niet met twijfelachtige meening, maar met vaste en gestadige zekerheid in de genade Gods te rusten. Tenzij gü eenigszins verworpen zijt. Hij stelt het hun eenigszins ter keur, of zij liever willen verworpen zijn, dan aan zijn dienst behoorlijk getuigenis te geven; want hij laat niets tusschen-beide, zij moeten zijn apostelambt eeren, of toelaten dat zij verworpen zijn, dewijl hun geloof in zijn leer gefundeerd was, en zij geen anderen Christus hadden, dan zij van hem ontvangen hadden, en ook geen ander Evangelie hadden, dan dat zij aangenomen hadden uit zijn leer; zoodat zij tevergeefs zouden zoeken eenig deel hunner zaligheid van zijn lof af te zonderen.
6 Ik hoop, dat gij zult bekennen. Hij dringt ze ook nog strenger, als hij dit betrouwen voorneemt, dat hij niet van de Corinthiërs zal verworpen worden. Een van beide was noodig, zij moesten Paulus de apostolische eer toegeven, of zichzelven van ongeloovigheid beschuldigen, en bekennen, dat zij geen gemeente hadden. Hij verzacht nochtans de strengheid, als hij zegt, dat hij hoopt, doch alzoo,
436
2 CORINTHE 13 : 6â8.
dat hij ze beter vermaant wat zij behooren te doen: want de hope te bedriegen, die iemand heeft van onze gerechtigheid, dat is te groote onbeleefdheid. Ik hoop (zegt hij) dat gij zult bekennen, te weten, als gij tot den rechten weg zult wedergekomen zijn. In dit tweede deel zwijgt hij voorzichtig van zichzelven, hen terugroepende tot de overlegging der weldaden Gods, waarmede zij versierd waren,
ja hunne zaligheid in de plaats zijner autoriteit stellende.
7 Ik wensch voor God. Wederom betuigt hij, dat hij niet vraagt naar eigen eer, maar dat hij alleen hunne nuttigheid zoekt te bevorderen: want hun was niets onnutter, dan van de vrucht zijner leer beroofd te worden: hetwelk zij door hun hoovaardigheid en verachting begonnen hadden te doen. Ik ben (zegt hij) niet zorgvuldig voor mij, noch voor mijn eer onder de menschen, maar ik vrees alleen, dat gij God zult vertoornen. Ja, ik ben bereid als verworpen te zijn, zoover gij buiten alle schuld zijt: verworpen (zeg ik)
door der menschen oordeel, die dikmaals die verwerpen, die de voornaamste eer waardig waren. Hoewel, het woordje als is ook niet overbodig. Want dit is het, wat hij op een andere plaats zegt:
Als bedriegers, en nochtans waarachtig. En dit is voorwaar de 2 Cor. 6; 8. ware regel, dat de herder de zorg voor zichzelven verlatende, alleen met de stichting der gemeente bekommerd zij, dat hij zijn goed gerucht bezorge, zoover hij ziet, dat het de gemeene nuttigheid aangaat, en dat hij bereid is diezelve te vergeten, wanneer hij dat kan doen zonder gemeene schade.
8 Want wij vermogen. Dat is: Ik zoek noch begeer geen andere macht, dan die mij van den Heere gegeven is, dat ik de waarheid dien. Den valschen apostelen is het evenveel, als zij alleen macht hebben, en zorgen niet om hun macht tot goed te gebruiken.
In e'én woord, hij beschermt en bevestigt de autoriteit zijns dienstes,
zoover de waarheid Gods daarbij is, alsof hij zeide: Wat gaat het mij aan? Want zoo dit niet mijn voornemen is, dat ik de waarheid dien, zoo zal al de macht, die ik zal gebruiken, valsch en onrechtvaardig wezen. Maar zoo ik al mijn macht en vermogen gebruik tot bevordering der waarheid, zoo drijf ik nu niet mijn eigen zaak:
doch ik heb wat ik zoek, wanneer de autoriteit der leer gezond,
en de waarheid ongeschonden blijft. Zoo dan, dat ik zoo grootelijk strijd en dring, daartoe word ik niet gedreven door bijzondere liefde voor mijn eigen persoon. Voorts geeft hij aldus te kennen, dat degenen, die voor de waarheid alleen strijdt en arbeidt, lichtelijk zal lijden, zoo het alzoo noodig is, dat hij als verworpen geacht wordt naar der menschen meening, zoover het de eere Gods, de stichting der gemeente, en de autoriteit der gezonde leer niet hinderlijk is. Deze plaats moet men naarstig aanmerken, omdat zij de macht bepaalt, die de herders der gemeente moeten hebben, te weten, dat zij zijn dienaars der waarheid. De papisten roepen, dat
daar gezegd is: W;ie u hoort, die hoort Mij; wie u versmaadt, die 10:16' versmaadt Mij. Insgelijks: Weest dien onderdanig, die over u gesteld Hebr-13:17-zijn; en door deze voorwending nemen zij allerlei vrijheid aan om oneindige heerschappij te gebruiken: hoewel zij nochtans openbare en gezworene vijanden der waarheid zijn, en met alle macht dezelve zoeken te verderven. Om zulke groote onbeschaamdheid te wederleggen, zal deze eene uitspraak van Paulus genoeg wezen:
welke betuigt, dat zij behooren der waarheid onderworpen te zijn.
437
438 2 CORINTHE 13:9, 10.
9 Want wij verblijden ons. Het woord want is gesteld voor daarom; of het is de tweede reden, waarom hij niet weigert als verworpen geacht te worden tot hun nut en voordeel. De lezer verkieze wat hij wil, want er is niet veel aan gelegen. Als hij zegt: Zoover gij sterk zijt, zoo zal ik gaarne dulden, dat ik zwak geacht worde, dat is een tegenstelling der woorden, en niet der zinnen: want de zwakheid beduidt verachting, gelijk als boven. En hij wil zeggen, dat de Corinthiërs zullen sterk wezen, zoo zij vol zijn van Gods kracht en genade. En wij wenschen ook dit. Gelijk hij boven somtijds gedaan heeft, alzoo verhaalt hij nu wederom, dat hij uit noodwendigheid en niet uit eigen beweging strenger is dan hij wilde. Bovendien, dat hij hen ook aldus gespaard heeft, omdat hij niet zou gedwongen worden tegenwoordig zijnde strenger remedie te gebruiken. De volmaking,' waarvan hij spreekt, is gelegen in bekwame gelijkmatigheid en gezondheid aller leden. Hij ziet op de goede medicijnmeesters, die de bijzondere ziekten alzoo genezen, dat daar niets in het lichaam geschonden wordt, en dewijl hij voor zulke volkomenheid zorg draagt, daarom zegt hij, dat hij den nood om scherpere remediën te gebruiken, voorkomt. Want wij zien, hoe degenen, die in den beginne voor de nijping of bijting des pleisters gruwen, ten laatste gedrongen worden tot afbranden of afsnijden, zelfs met een gevaarlijk einde.
10 Daarom schrijf ik u dit afwezende, opdat ik, wanneer ik zal
2 Cor. 10:8. tegenwoordig wezen, niet hard zij, naar de macht, die de Heere
mij gegeven heeft tot stichting, en niet tot verderving, l) Of, weest 11 Voorts, broeders, vaartwel, ') weest volmaakt, hebt vertroosting,
Kom? 12; 16; weest eensgezind, leeft in vrede, en de God der lietde en des
i5cor i io vredes zal met u zijn.
ril. 2:2. 12 Groet elkander met een heiligen kus. Al de heiligen groeten u.
l PBtr. 3:8. 13 De aenade van den Heere Jezus Christus, en de liefde Gods,
IwOm* X2 ⢠1 o, «i ⢠/--i â¢â¢ n A
Hebr. 12:14. en de gemeenschap des Heiligen Geestes, zij metu allen. Amen.
Kom. 16:11. . . ,
i Cor. 16:20. De tweede zendbrief aan de Corinthiërs geschreven van
Filippi in Macedonië, gezonden door Titus en Lukas.
lThess.5:26. 1 Petr. 5 :14.
io Naar de macht. Ten eerste wapent hij die strengheid met het gebod Gods, opdat het niet schijne een donder zonder bliksem, of een lichtvaardig verwekte drijving: ten andere vermaant hij, dat hij liever zijn macht wil wenden tot een ander gebruik, tot hetwelk zij eigenlijk verordend is, te weten, tot hun stichting, alsof hij zeide: Ik zal niet lichtvaardig komen tot wreede remediën, noch mijner toornigheid toegeven, maar zal alleen volbrengen wat de Heere mij geboden heeft. Dat hem macht gegeven is om te stichten, en niet om te verderven, zegt hij uit een weinig ander oor-H zaak dan boven hfdst. 10. Want daar was het een aanprijzing uit
nuttigheid, omdat het pleegt aangenaam te zijn, en gaarne van ons aangenomen te worden wat ons nuttig en bevorderlijk is. Maar hier heeft hij alleen willen betuigen, dat hoewel hij terecht de Corinthiërs bitter kon straffen, dat hij nochtans veel liever zijn macht tot hun voordeel en goed wil gebruiken, dan tot hun verderf, omdat Rom. 1:16. het hun eigen einde is. Want gelijk het Evangelie uit zijn eigen Eom.2:15.16. natuur de kracht Gods tot zaligheid is, en een reuke des levens ten
til
1
2 CORINTHE 13 : 10â13.
leven, en door een bijkomend geval een reuke des doods; alzoo moet de autoriteit, die den dienaren des Evangelies gegeven is, den toehoorders heilzaam zijn, en zoo zij tot verdoemenis gedijt, dat is buiten haar natuur. Zoo is dan de zin: Wilt niet maken door uw schuld, dat het u tot verder! gedije, wat God tot zaligheid verordend heeft. Hiertusschen vermaant hij al de herders der gemeenten door zijn exempel, hoe zij het gebruik hunner macht moeten matigen.
ii Voorts, broeders. Hij matigt al de bitterheid, die in den gan-schen zendbrief geweest is, omdat hij hunne harten niet wil verbitterd laten, maar meer tevreden stellen. Want dan zijn de bestraffingen bevorderlijk, als zij als met honig gemengd worden, zoodat de hoorder ze vriendelijk toelaat zoo het mogelijk is; hoewel hij van sommigen, die als schurftige schapen waren, schijnt weder te kee-ren tot de gansche gemeente. Zoo betuigt hij dan, dat hij hun volmaking zoekt te bevorderen, en dat hij hun vertroosting wenscht.
Tusschen eensgezind zijn en in vrede leven, is dit onderscheid,
dat het een uit het ander komt. Het eerste is te verstaan van de eendrachtigheid der meeningen, het andere beduidt vriendschap en eenigheid des harten. En de God des vredes. Dit stelt hij daarbij,
opdat de vermaning te meer kracht bij hen hebbe, en geeft ook mede te kennen, dat God bij ons zal wezen, zoo wij met elkander vrede houden, en dat die allen vreemd van Hem zijn, die tweedrachtig zijn. Want waar tweedracht en strijd is, daar regeert zekerlijk de duivel. Nu, wat overeenkomst heeft het licht met de duisternis? Hij noemt dien God des vredes en der liefde, die ons den vrede en de liefde bevolen heeft, liefheeft, en de auteur daarvan is. Van den kus hebben wij gesproken in de twee voorgaande zendbrieven.
13 De genade van den Heere Jezus. Hij sluit den zendbrief met een gebed, hetwelk drie stukken vervat, waarin de hoofdinhoud onzer zaligheid gelegen is. Ten eerste, wenscht hij hun de genade van Christus; ten andere, de liefde Gods; ten derde, de gemeenschap des Geestes. Het woord genade beduidt hier niet de onverdiende gunst, maar wordt genomen voor de gansche weldaad der verlossing. Maar dit schijnt een verkeerde orde te zijn, omdat de liefde Gods niet in de eerste plaats genoemd wordt, welke nochtans de oorzaak is dier genade, en daarom naar de orde eerst. Ik antwoord, dat in de Schrift de ordeningen der woorden niet altijd zoo naarstig geschikt worden, en dat nochtans ook deze orde betaamt aan den gewonen vorm der leer, die in de Schrift is, te weten, dat wij, toen wij vijanden waren, met God zijn verzoend Rom-5:1()-geweest door den dood zijns Zoons. Hoewel de Schrift pleegt tweeërlei wijze te spreken. Want somtijds zegt zij wat ik nu uit Paulus verhaald heb, dat daar vijandschap was tusschen God en ons, eer wij door Christus verzoend waren. En daarentegen hooren wij wat Johannes zegt, te weten, dat God alzoo de wereld heeft Joh. 3; ie. liefgehad, dat Hij zijnen eengeboren Zoon gegeven heeft. Deze uitspraken schijnen tegen elkander te strijden, maar zij zijn licht te vereenigen, zoo wij op de eene zijde God, en op de andere zijde onszelven aanschouwen. Want God, zooveel Hem aangaat, heeft ons liefgehad vóór de schepping der wereld, en heeft ons om geen andere oorzaak verlost, dan omdat Hij ons lief had: maar dewijl wij in onszelven niets zien dan oorzaak van toorn, dat is, dan zonde,
439
440
zoo kunnen wij geen liefde Gods tot ons vatten zonder Middelaar. Alzoo komt het, dat zooveel ons aangaat, het begin der liefde is uit de genade van Christus. Naar de eerste reden, zou Paulus oneigenlijk gesproken hebben, de genade van Christus eerder stellende dan de liefde Gods, dat is, het gevolg eerder dan de oorzaak: maar naar de andere reden, zou het een goede orde zijn, dat hij begint van de genade van Christus, waardoor God ons tot kinderen aangenomen, en zijner liefde waardig gemaakt heeft, die Hij tevoren om de zonde haatte en verafschuwde. Gemeenschap des Heiligen Geestes, wordt daarbij gesteld, omdat wij niet anders dan door zijn beweging komen tot de bezitting van Christus en van al zijne goederen. Nochtans schijnt hij ook mede te zien op die verscheidenheid der gaven, die hij op een andere plaats meldt: omdat God den Geest niet geeft een iegelijk bijzonder, maar Hem uitdeelt aan een iegelijk naar de mate der genade, opdat de leden der gemeente, onderlinge gemeenschap hebbende, de eenigheid onderhouden.
r. is i-le ii-it i-n n n
*m
l-n n
WlteunWislW «
«mmk ccr,»⢠»â¢'
Rijksuniversiteit te Utrecht
bibliotheek centrum uithof