ai5!5taot
ATAMEMNfiN
AESCHYLOS'
AGAMEMNON
VERTAALD DOOR
Dr. L. A. J. BURGERSDIJK
â af'.....
---⦠» 4 ⦠⢠-----
l
4
/Vloltzer
2A
S
Ãe tyd en heeft noyt weghgenomen
UMJ.I3AO nfiz k/. lUT!^
'V 1 ....... 1 '
i tJi*^amp;â *âijfs6-tgt;-u*~~
AESCHYLOS'
AGAMEMNON
/
50 exemplaren op Hollandsch papier gedrukt
AI2XTAOT
ATAMEMNHN
AESCHTLOS'
AGAMEMNON
VERTAALD DOOK
Dr. L. A. J. BURGERSDIJK
DEVENTER
Deventer Boek- en Steendrukkkuij, vroeger firma J. de Lange 1887
â
Aan de hier gegeven vertaling van yEschylos' Agamemnon is doorloopend de uitgave van Dr. K. H. Keck ten grondslag gelegd. ') Het is bekend, in welk een bedorven en verminkten toestand de meesterstukken van iEscliylos tot ons gekomen zijn; het oude handschrift, waaruit al de latere zijn voortgevloeid, moet jammerlijk, vooral aan het boven- of benedeneinde der boekrol, door vocht of andere oorzaken geleden hebben, zoodat vele plaatsen slecht of in het geheel niet te ontraadselen waren. Om van iEsehylos een leesbaren tekst te erlangen, moet men zich vele gissingen veroorloven; en zij, die zich aan het maken van verbeteringen wagen mogen, zijn, vooral zoo het een dichter als iEschylos geldt, niet velen in aantal. Waaide tekst gezond is gebleven, blijkt de hooge volkomenheid zijner scheppingen, en dit stelt aan hem, die de bedorven gedeelten tracht te herstellen, zoo mogelijk in den oorspronkelijken staat, of ten minste in een vorm, den grooten dichter niet onwaardig, zeer zware eischen.
Dr. Keek heeft zich reeds vroegtijdig, zoodra de tijd van ernstige, zelfstandige studie voor hem aangebroken was, met de beoefening van het pronkjuweel van /Eschylos' werken, den Agamemnon, bezig gehouden, en zich langzamerhand ten doel gesteld, aan dit stuk zooveel mogelijk zijne eerste schoonheid, den oorspronkelijken glans te hergeven. Scherpzinnig heeft hij de gebreken van den overgeleverden tekst nagespoord.
') Dr. K. H. Keck, Aesehylos Agamemnon, grioohisoh und deutsch, mit Einleitung, einer Ablmndlung zur Aosohylisohen Kritik und Commentar. Leipzig 18C3. (XIV en 480 blz.)
de gapingen opgemerkt; hij heeft de eerste trachten te heelen, de laatste aan te vullen. Welke beginselen hein hierbij geleid hebben, heeft hij duidelijk genoeg' uitgedrukt door v. 813â817 als motto op den titel zijner uitgave te plaatsen:
âWat goed is en gezond,
Dit zorgen wij, dat ongeschonden blijv' bewaard;
Doch waar der artsenijen heelkracht noodig blijkt.
Daar zij behoedzaam, zelfs door vuur of mes, beproefd.
Het onheil van de booze kwaal te keer te gaan.quot;
Om volkomen in den geest van het oorspronkelijke door te dringen, heeft hij het stuk zoo getrouw mogelijk metrisch in het Duitsch overgebracht en deze vertaling tot vier malen toe herzien; eerst na 17 of 18 jarigen arbeid heeft hij, in 1863, zijne uitgave van den Agamemnon, met vertaling en uitvoerige toelichting, het licht doen zien, eene uitgave, die ongetwijfeld eene zeer belangrijke bijdrage tot de litteratuur over /Eschylos geacht moet worden en als zoodanig door de meest bevoegde beoordeelaars begroet is. l) Natuurlijk zijn er aanmerkingen op te maken, en zelfs, daar hij naar een zeer hoog, nauwlijks bereikbaar doel streefde, niet weinige; doch bij de aanwijzing der plaatsen, waar hij minder gelukkig geslaagd scheen te zijn, werd tevens erkend, dat ook zijne dwalingen leerzaam zijn, en dat, waar hijzelf het spoor gemist heeft, zijne opmerkingen anderen op den rechten weg kunnen brengen.
Daar de door mij gevolgde Grieksche tekst door tal van wijzigingen, verbeteringen en aanvullingen hier en daar tamelijk veel van den gewonen afwijkt, moest ik het wenschelijk, ja noodig achten, hem tegenover mijne vertaling af te drukken. Ik rekende mij hierbij verplicht, den arbeid van Keek, die uit nauwgezet onderzoek is voortgevloeid en een goed geheel uitmaakt, niet te misvormen, door er telkens verbeteringen of gissingen van anderen in op te nemen; slechts op weinige plaatsen is dit geschied, en op 3 of 4 van deze
') Men zie de kritiek van Hoinrioh Weil in F Ier kei sen's Jahrblieher fiir classische Plliloloyie, Jahrgang 1864, pag. 289 â 318, en die van Robert Enger in het Rheinische Museum fitr Philolpgie, Jahrgang 1865, pag. 231â255; bovendien vergelijke men hier en daar X. Wecklein, Studiën zu Aeschylus (Berlin 1872), Walter Gilbert, in den tweeden druk van Kngers schooluitgave van den Agamemnon (Leipzig 1874), Otto Hense in den tweeden druk van Sell neid e\vins Agamemnon (Berlin 1883), enz.
juist naar aanleiding der welwillend verstrekte mededeeling-en van Dr. Keek zeiven. De hier gegeven Grieksche tekst is dus, op enkele kleinigheden na, gelijkluidend met den zijnen, bevat ook nagenoeg dezelfde opgaven van de oorspronkelijke lezingen en de verbeteringen (waarbij die van Keck met de letter K. zijn aangeduid) en is, om de vergelijking met Kecks uitgave gemakkelijk te maken, even als deze met de cijfers der editie van Hermann voorzien. Men vindt hier alzoo de uitkomsten zijner onderzoekingen bijeen, doch men gelieve over deze geen oordeel te vellen, zonder heinzelven gehoord en de uitvoerige toelichtingen, in zijne, hier te lande zoo het schijnt weinig bekende, uitgave vervat, beoefend en getoetst te hebben.
Daar het uitgeven der vertalin;- hoofddoel is, mag het onnoodig gerekend worden, liier over het plan en de uitwerking van het stuk te spreken; wie er meer van vernemen wil, kan er genoeg bronnen voor vinden, en zal b.v. met vrucht Kecks voortreffelijke inleiding (bl. 1â43 zijner uitgave) raadplegen. Alleen zij ter wille van lezers, met de Grieksche letterkunde minder vertrouwd, wien deze vertaling in handen mocht komen, opgemerkt, dat de Agamemnon geen afgesloten geheel is, â gelijk trouwens het slot genoegzaam aanwijst, â maar dat in een tweede stuk Orestes den moord zijns vaders op zijne moeder en op ^Egisthos wreekt, en dat in een derde de moedermoorder, lang ter prooi aan heftige wroegingen, van zijne schuld ontheffing erlangt, terwijl de wraakgodinnen, die hem vervolgen, verzoend worden. Het grootsche geheel, de trilogie, van deze drie stukken is onder den naam van Orestie bekend.
Ik heb aan dit voorbericht niets verder toe te voegen, dan een woord van hartelijken dank aan mijn ouden academievriend Dr. E. Melder te Zwolle, die mij Kecks uitgave kennen deed en aldus aanleiding gaf tot een genotvollen arbeid, en mij bovendien bij het nazien der drukproeven de behulpzame hand geboden heeft.
Deventer, 15 Juli 1887. Dr. L. A. J. BUBGERSDIJK.
TA TOT AP^MATOE IlPOSnnA*
OTAAH X0P02
KATTAIMNH2TPA TAA0TBIOS KHPTE AFAMEMNflN KA2ANAPA Ainseos.
'Ehlxzby to Ipx/tx stt) xpxovro? lt;\h).oy.).èmc o^.v^trtxh SylowotrTy hei ïsv-répco. trpcótos Akzóï.og 'Ayxy-épvovi Xcy,lt;pópcit Eu//£wVi npuTà lt;rxTvpiy.$. èzspr/si aevoxtij; 'A$i§i/fu?.
PERSONEN VAN HET DRAMA.
EEN WACHTER.
KOOE VAN ARGIVISCHE GRIJSAARDS.
KLYÃjEMNESTRA.
DE HERAUT TALTHYBIOS.
AGAMEMNON.
KASSANDRA.
iEGISTHOS.
^'oor het eerst ten tooneele gebracht in de lente van het jaar 458 v. dir., te Athene. JCschylos behaalde toen met zijne tetralogie, bestaande uit de Orestie en het satyrdrama Proteus, den eersten piijs.
ArAMEMNHN.
AGAMEMNON.
|
lt;tgt;TAAH. 0£su? pev xha tüvI' xirzhxxyw vóvccv (ppoupêii; hsixq .aijxs?, yv Mipüpevos (TTeyxig 'Arpsticcv ayxxSsv, y.vvo; §/«^v, «(TTfWV KKTOihx VUKTSpCilV ÃpfaupiV, ml toli? cpèpivTX? yjlpx xxt öépo; fipoTols 5 KapTrpov: èvviiTTXc, è/tirpéTTOVzas ai Sri pi, Ttupvovq oirs lTâ¢y|[J.!zhcu7, de) [/.yji/ixg amp;'] otxv ffiivwriv dvrokaq r' stüv. K«/ vüv (puXaseu 'Acci/.7rixls: to avftpoï.cv, xvyijv Truphg (pépovaxv êx Tpolxc (pxnv xhcirifM'v re j3x^iv ale yap y.pxreJ 10 yvvxiM? xvlpifiovhov êhmfyv y.kxp. Txüryv Sè WKriirxxvov tvipoffóv r e%a evvvi'j, ivelpoic cüx s7rilt;rK0mupcév/iv ê/to!' (pófios yxp xv^1 vttvou irxpxtrrxTeï, tc fty fteftxlus fthécpxpx iruft(3xï,eïv ttcvov 15 otxv S' xefSeiv ij jxiviipeabxi lonü, jTruau róV xvTipohTrov èy.Tt[Müv xy.o:, v. 2 fTsia;' fiijiccf S' yv Med. â v. 7codd. ècaréfx(, nifaovq autumat Keck. â ax/^ijras etc. inseruit K. â codd. avrsAa? fe rüv, emend. K. â v. 12 codd. iZt' tiv Sè emend. K. â codd. n/KTiTAayKTOV, emend. Weil. â v. 14 codd. èpviv. emend. K. â v. 15 codd. w/uflxhsTv vmu, emend. K. â v. 17 Ven. Flor. enre/ivuv, reliqui ivréfivuv. |
(Het tooneel stelt voor het Koningspaleis te Argos, waarvoor veie altaren en standbeelden van Goden staan; het altaar van Apollon staat bij den hoofdingang. Op het vlakke dak van het paleis ziet men bij het neerzinken van het voorhangsel een wachter zich van zjjn leger oprichten. Voor het paleis is een open plein. â Het is nacht.) Wachter. Den goden smeek ik om verlossing uit mijn nood Dit lange jaar der wacht reeds^ dat ik hoog op 't dak Der Atreuswoning als een hond lig neergevlijd, En wel vertrouwd werd met het sterrenheer der nacht En met de brengers van de vorst en zomergloed, De hooge heerschers, stralend in de zuiv're lucht. De lichten, aan wier eeuw'gen loop de sterveling Der maanden afloop en der jaren aanvang kent. (Hy staat op en staart naar links, in de verte.) Nog immer moet ik uitzien naar den fakkelschijn. Den vuurgloed, die van Troja kondschap brengen moet En tijding van de zege; zulk bewind toch voert Het mann'lijk willend hart der vrouw, die 't einde hoopt. Dit 's nachts bedauwde en witberijpte leger is Mijn bed, voor mij door zoete droomen nooit bezocht; Want ach! er nevens staat in steê van slaap de vrees. Zoodat vermoei'nis nooit mij de oogen rustig sluit. En als ik luid of nauwlijks hoorbaar zingen wil, Als toovermiddel tegen 't lokken van den slaap, V. 2. De wachter heeft één jaar lang alle nacht moeten waken, omdat Kalchas voorspeld had, dat Troja eerst in het tiende jaar der belegering zou genomen worden. â V. 3. De wachter ligt voorover en steunt op de ellebogen by het uitzien; dit wordt door de Griek^che uitdrukking aangeduid en zoo worden wachters op oude beeldwerken meermalen voorgesteld. |
1
2
|
tot' o'Ixou rovcii lt;rv[tQop»v trTsvuv cux «5 npóvS' xpiffTx SsvmToufiévciv. Nuv S' suTuxfa yévon' i.irxKhx.yM mvuv 20 svxyyiXou Cpxahrog SpCpvxinu Trupóc. hü, 'm, * O. XMP* haftTrriip WKTOC, y/Aspyjiav Cpcios TTiCpxvtrxuv xx) %op5iv xxrtijrxaiv noXï.üv iv quot;Apysf rya^s trv^Cpopx; xupiv 25 [TrxiaJ IXKXSÃV Sf? rxxquot;*7' 'w.] ,Kyx^s^vovoc yuvxix) v/i^xivu ropüg sivijz STTXvrei'AXiTX'j ag TXXO? r)égt;Mic cï.o?'.uy[j.h ei/CpwMÃivTX TfjSe AX.UTTXSI SKOpSlXamp;IV, SITTCP 'IA/SU tto'A/? ixXaxev, üc ó (ppuxrog xyysXXav TrpsTsr so xïiTOg t' eyccys Qpoipuov X0PS^I70^XI-tx iïsa-TTOTÃv yap eu ttsuovt' xlaSyTOfj-xi, Tp]g ?£ (ix'/.ovays ryjtrS' èpoi CppvxTuptx;. Tévoiro S' ouv [MXdvTog svCpihij xh1 xvxy.Tog olxuv Tijhs (ixnxTxt xspi. 35 Tx 5' x/J.x (riyü- x'Aiic Itt) yhxwy (pukxl; fliPyxsv. oïxsg §' avTog, si (pbcyy'/jv hx(3oi, trxQéjTxr' xv /.£$;£isv. üg èxwv iyu ftxSoït(nv xuSüv ov [/.xbovvi }.föoi/.xi. X0PO2. avtrT. x. Asxxtov (MsV sto: tcS' sire) Xlpixy,? 40 |
Dan ween ik zuchtend om het noodlot van dit huis, Dat niet als vroeger onberisp'lijk wordt beheerd. O, dat geluk verkondend uit de nacht de vlam Mij opging en bevrijding uit mijn nood mij bracht! (Hjj ziet weder uit. Korte pauze.) Triomf! triomf! Wees welkom, schijnsel in de nacht, dat daar een dag Vol glans verkondigt en ons meen'gen reidans spelt Eondom in Argos; want ter viering van dit heil Weerklinken dra de zegezangen, 0 triomf! Aan Agamemnons gade zij terstond bericht, Dat ze onverwijld nu van haar legersteê verrijz' En vrome jubellied'ren voor dit fakkellicht Fluks aan doe heffen, wijl de burg van Ilion Genomen is, zooals de vlam het duid'lijk acgt; Ikzelf zal voorgaan bij den dans op 't heuchlijk feest; Den keer in 't lot van mijn gebieders speur ik wis, Daar deze wacht mij driemaal zes geworpen heeft. O, waar' 't mijn hand beschoren, mijn geliefden heer De hand te drukken, als hij uit den vreemde keert! (Hy gaat naar de trap, die van het dak tot het inwendige van het paleis voert.) Van 't and're zwijg ik; op den mond draag ik een slot. Ja, konden muren spreken, hun getuig'nis waar' Volkomen duid'lijk. â Hun, die weten, wil ik wel Mij uiten, voor oningewijden blijf ik stom. (Hjj daalt af in het paleis). (Het koor, uit twaalf Argivische grijsaards bestaande, op drie rjjen, ieder van vier man, geschaard, trekt rechts de Orchestra binnen, eerst naar liet Thoatron, do toeschouwers, mnrcheerend.) Eerste rij van het Koor. Eerste g r ij s a a r d. Dit jaar is het tiende, dat, Troja ter straf, V. 36. De wachter doelt natuurljjk op Clytcemnestra's misdadigen omgang met JSgisthos, den zoon van Atreus' broeder Thyestes. Dat die omgang hem bekend is of door hem vermoed wordt, blijkt ook uit T. 19. |
1
a. 40 cod. Mod. npisc/xu, alii rificépou, emend. K.
3
|
xvrHixos Mivs/.xog a.vxt; gt;55quot; 'Ayxpspvaiv [trui/Sim lt;xp%os fy-eyxt-xXxif;,] VVVT. /3'. Aamp;póvou AióSev kx) Skt^ttt/wu rif^yje ixuPO1 amp;vyos 'Arpeiïxiv, arÃKov 'Apycluv 45 t^S' X7T0 xamp;pxi; Jjpxv, (TTpXTlSlTIV txpuyyv, 7V7T. y'. Msyxy sk bufiov xhifyvTsc quot;Apv; rpcxov xlyuTriciv, oh' sy.TTxriois xXysn irxfèav 50 VTTXTOI hexéiuv vrpotyobtvovvTxi TTTspvyuv èpsTfioïcriv spsnroftsvot, IspviOTvipvi mvov opTXXlxuv ixkcxvrei' (7Uf7T. S'. quot;Tttxtoc o' XWV vj TIC 'Amhhuv 55 tj Uciv !j Zsvs oluviSpoov ydov ot-u poSc, rciv Si (istoIkwv wTspÃTroivov Tripirci Kxpxfixtjiv 'Ep/vuv. (7V7T. e'. Outw S' 'Arpéa: irxldx: ó xpsijtrxv «o STT 'Axs^xvlpq TTélJ.fSl !;£V10; Zsvs Kohuxvopoc x/tCp) yuvxiKog mXhx TrxkxiviAXTX xx) yviofixpij yivxroq Kovlxuriv êpenropévou 'Sixxvxiof/.évtti; t' êv vpoTsteloie 65 y.xftxxo; Sijtrm AxvxoTiriv (TUUT. Tpatri amp;' or^orxg. hn §' öT)} vvv |
De beleedigde vorst, Menelaos de lield, en zijn broeder met hem, Meêwrekende vorst Agamemnon, Tweede g r ij s a a r d. Dat geweldige paar der Atriden, van Zeus Begiftigd met dubbelen scepter en troon, Op duizenden schepen 't Argivische heer. De genooten des atrijds, Aan het land hunner woning ontvoerden. Derde grijsaard. Hunnen strijdroep galmend uit toornige borst. Zooals gieren het doen. Die, beroofd van hun jongen, in eenzame smart. Met der vleugelen krachtige riemen geroeid. Hunne duiz'lende kringen beschrijven om 't nest. Nu de hoedende zorg Voor het hulpeloos kroost is verijdeld; Vierde grysaard. Doch hoog hoort één, 't zij de machtige Zeus, 't Zij Apollon of Pan, Den verklagenden roep, â en hij slaakt eenen kreet; Zijn bescherm'lingen wrekend, bereikt hij en treft Met de straf de verwatene roovers. (Hot koor wendt zich links om het nltaar heen.) Tweede rij van het Koor. Vijfde grysaard. Zoo zendt nu de hoeder van 't gastrecht, Zeus, De heerscher, de Atriden tot Paris, ter straf; Hij zal, om de vrouw, met den vreemdling gevlucht, Eenen langen, de leden afmattenden strijd. Waar de knikkende knieën by zinken in 't stof En in 't voorspel der wrake de lanse verslijt. Aan de Danaër-mannen bescheren, â Zesde grijsaard. Maar ook aan de Trojers! Het sta nu, hoe 't sta, V. 57. Do jonge gieren staan onder de bescherming der genoemde Arkadische berggoden, die den nestverstoorder door een panischen schrik doen uitglijden en hem in de diepte storten. |
1
42a truvSiicof ktA. inser. K. â v. i4 codd. 'ArfiiSccv, emend. Dindorf. â v. 57 codd. è^v^aav, emend. K. â v. 64 codd. Flor. Farn. efsivoptvov, reliqui éfsihpevov
4
|
larr rekdrxi 5' to irettpupsvov cfö' vtoxxuv ovsf ütrotelpuv [nip;?] 'hpxlcuv xttiipuv ispuv opyxs cttvjstc ttxpxsb^si. xvtkt. t'. 'h/teh; S' ottitm axpn) trxkxia, rijs tot xpuyiic virohsitpsévts: im!ji,vo:/,ev [iaamp;f?!/ vvv xyyskixv twv ftxpvxfasvuv, xüto)] (txyivtpoi? 1t%uv itróirxisx vépovtsc. xvtkt. s'. quot;o ts yxp vsxpii [jivo.i: ipvüv èvto: xvcj-vaav [rwi/ xptixóftüiv] hóirpsvpus, quot;apy? s' oüx, 'évi %hup$, ti amp;' inrspy/ipxc-, (pukkxbo: yj^y KXTXKxp^pofiév/j? Tpiwóbx; psv c'Ssu? trxihoc S' ovïèv xpsiotv cvxp yfispóqxvtov xkxivsi, xvtilt;7. /3'. 2u sf, tuv^xpix suyxtep, [xcr/ov trpamp;fto:,] j3xti}.six k?mtxifyt,vyi(ttpx, ti xpio:; t'i vsov tci' sttxkrïjoyjvy, 85 r/vfl? xy/ehix: ttsv^oi irspltrentttx smotrxvsts; v. 69 codd. oi/S1' yjroxAsti wv ovïj' iiroheiliw oüre suxfvav cmcfuv i'efüv, emond. K. Casaubonun iam UTOXaïwv. â v. 74 codd. pinvonsv la%vv irótuisa vf'/ttovre? èxl axfarfci;, emend, et explevit K. â v. 76 codd. fivexht; aréfvuv, emend. K.; syllaba /wy ut apud Homerum longa. â v. 77 codd, emend, Hermann; vergum explevit K. â v. 78 codd. fvi XQfip, emend. Weil. â v. 79 codd, Med. ti^msfyypuq. emend. Prien, â v. 83 codd, tvvsdfsa, emend. Dindorf; versum explevit K.; cf JEsch. Pers. 623, â xfétrfioq n/fjccif. â v. 85 codd. r'i véav r! s', emend. Karsten. â v. 87 Flor. nv'jdl, rell. irsiSoT, emend, gcoliger. â codd. Svojgt;eiveT(, emend. Ahrens. |
't Wordt alles voleind naar den wil van het lot; Door nagebracht offer noch plenging bezweert Ooit Paris den wrok, dien de weig'rende vlam Van het hnwelijksouter hem meldde. Zevende grijsaard. Maar wij, door het tal onzer jaren verstijfd, Bij de weerbare mannen niet langer geteld. Wij bleven terug en wij komen bericht Van de strijders vernemen, als kinderen zwak. Met een staf onze krachten besturend. Achtste grijsaard. Want het jeugdige merg in de groenende loot. Die de blaad'ren nog drijft, is een grijsaard gelijk In zijn zwakte; het groen mist mann'lijke kracht. Maar de overbejaarde, wiens loof reeds verdort? Hij sluipt, drievoetig bij 't gaan, zijnen weg, En strompelt, in sterkte gelijk aan een kind, Als een droombeeld, warend bij dage. (Het koor maakt weder een wending om het altaar en begeeft zich naar het tooneel; daar is, reeds by de laatste regels, Klyteemn-estra uit het paleis te voorschijn getreden; de outers vlammen, en de koningin voorziet die van offerkoeken en speceryen, welke haar gevolg op schalen haar nadraagt.) Derde rij van het Koor. Negende g r ij s a a r d. Doch meld, koningin, gij, door allen vereerd, Klytsemnestra, gij dochter van Tyndaros' stam, Wat is er, wat tijding vernaamt gij na ons? En op welk een bericht Doet gij wierook hier walmen in 't ronde ? V, 70, Door het huweljjk van Paris met de aan Menelaos ontroofde Helena was de godin Hera beleedigd, zoodat zij de offers, haar op het huwelijksouter gebracht, niet aannam en de vlam niet toeliet op te flakkeren, â V. 73, JEschylos zelf, de vroegere strjjder bjj Marathon, was, toen hjj zjjne Orestie ten tooneele bracht, 66 jaar oud en dus niet meer bjj de weerbare mannen te rekenen; dat deze gedachte hem hier voor den geest zweefde, kan men uit v. 105 vermoeden, â V, 84, Klytemnestra was dochter van Tyndareos, koning van Sparta, gehuwd met Leda, Zjj was dus zuster van Helena, die dochter van Zeus en Leda genoemd wordt. |
|
UVT17, x'. llivruv Sà Sfwv tüv xvrvvóftuv, ÃTTXTUV, xScVIMV, tüv Te bupxiccv tüv t cèyopxiuv 90 (3u^o) dóipoilt;ri (pxéyo'jrxr cèvTitr. S'. quot;AAA)} S' ècïJ.obsv ovpxvo:u,yixiig hxfiTrxi; ivlrxslt Cpxppxwofièvy xplpxTog xyvoü 1 fixhxxxït; xhóloiai irxpyjyopixic 95 Trshxvcji fiv%ó$(v pxviXeicc. XVTI7. y'. Tovtuv hif-XV O Tl xx) Iuvxtov xx) amp;«,«/? xlveïv, irxiüv ylyvov Tijrès ftsptftvyc, $ vüv tots fiiv xxxócppuv TihsSei, 100 tots 5' sx Sfvtriüv xyhxoCpeyyfa èxirtq xptuvsi %[j,o(3ópxv (ppwTiiï xirhys-Tov. (TTp, Kópiós e'ifii Srpoeïv oltov xpxTO? xlviov xvhpüv sxTsXèuv sTi yxp SeóSsv xxtxttvsvsi ttsiSco 105 fCOÃ.TTXV xXxxv (rU,U,lt;pllTOS xldv ó'ira? 'A%xiüv SISpovov xpxTOs, 'EAA«S«? xxpxv ty/tcppovx rxyoïv. t. 90 codd. tüv t' ovpxviuv, emend. Enger. â v. 99 codd. iraiiiv re yfvoy, emend. J. H. Voss. â t. 101 Med. xyum Qaheiq, Flor. Farn. ctya-jh Qetivovcr', emend. K. â v. 102 codd. fA?TÃ? a/iuvei (ppovriS' HrrAttrrw ri-v Sv/uclt;JSr6p5v (Flor. ^Vfco-0ópov} Ai/t»? (pféva, emend. K. â v. 107 et 108 codd. 'EAAa^o? ^vutpfovcc rcvyiiv (Med. Tav yüv), emend. K. |
Tiende grijsaard. Want tot alle de goden, de hoeders der stad In het licht, onder d' aard, De bewakers der poort, de beschermers der markt, Vlamt helder de gloed der altaren; Elfde grijsaard. Tot den hemel omhoog schiet hier, schiet daar, Opflakk'rend de vlam. Met de heilige olie weldadig gevoed. Met zoete verzachting welriekend gedrenkt Door de gaav' uit de vorstlijke schatten. Twaalfde grijsaard. Deel hiervan mee, wat gij toestaan kunt Naar den wil van het recht, En heel van zijn kommer het weif'lende hart, Dat nu eens naderend onheil ducht, Schoon dan weer bij 't offer de stralende hoop Het vertroost en bewaart Voor het eeuwige knagen der zorgen. (De koningin geeft door gebaren aan het koor te kennen, dat zjj niet gestoord wil worden, en gaat, de altaren bedienend, langzaam rechts heen, om in de stad de offers voort te zetten. De drie rjjen van het koor plaatsen zich symmetrisch, mot het gelaat naar het paleis gekeerd, en heffen het offerlied aan.) De aanvoerder der eerste rij. Eoeinend verkond ik de leiding, door teekens begunstigd, (der wakk're Strijdbare manschap, â want kracht tot den zang, tot (de zoet' overreding Siert door der goden bestel nog den grijsaard, â Hoe 't vorstenpaar. Hellas' krachtigen legerbestnurders, Eén in hun willen, V. 104. Er is alle grond om aan te nemen, dat de twaalf grjjsaards, die het koor vormen, den hoogen raad uitmaken, die volgens beschikking van den vorst zijner gemalin Klytiemnestra bij het bestuur van het rijk ter zyde moest stann: men vergelijke vv. 822, 851, 1807 en 1353. |
6
|
iré^TTèi lt;t\jv lep) kx) %sp) Trpixropi bovpio: opvis 110 Tsuxpil' stt' xïxv, o'iuvxv (iotdihelc (3ixlt;ritevlt;ri vsüv, 5 xiï.xi'/o;, o t' si-oTnv [xprïh CpxvivTte 'IxTxp [j.sï.töpotv x£POS *x lopnrxKrou TrxiMTTfèiTrotq sv slpxiviv, fatrMfievoi hxyivxv, spimpovx (pép^xri yévrx, i15 phafiévTX ?.ci7Sluv TTiivuv. x'iUvov, x'b.ivcv eiTrs, to §' eu vikxtu, ZTFOS A. [xlhlVOV, xlhlVOV XIITS, TO 3' fU VIKXTU,] XVTlGTp. KfSvs? §£ TTpxTÃiA.xvTi: lluv vm[3gt;gt;é[t[AXlt;ri Sitrtrcu* 'ATpsTSxc //.xxlftoui sSxy Xxyolxhxz vo^Trobt; GTrspXVOV?' OVTU S' CITTS TSpfëwV 120 âXpóvto fzh xypsT npix/aov tto'Aiv xSe xsteuSos, xxvtx Sè TTiipyccv irpiaSsv y.TVj'jsx lyfiiOTThyiSéx Moïp' xaxttx^si â zpo: to (3ixiov 125 ohv Tig xyx öeóScv nvsQxvy TrpÃTvrnv irTÃftiov ij.èyx (Tpoixs vxpuSiv. cykoï yup STttCpbcvoc, quot;Aprf///? xyvx, irXxvohiv xvt) irx-Tpo; v. HOcodd. ffuv Sofï Sixxs npdxTOfi; cf Aristoph. Ran. 1321. -v. 112 codd. oiVvüv (BaffiAft/?, omend. Karaten. â v. 115 Med. ïftKvficira (péfuciri ytvvav; Flor. èftxC/xna 0épamp;C)iTO yévvccv; emend. K. â v. 116 codd. AoiffS'iwv ipófim, emend. K. â t. 118 codd. liiiv Svo Mnuai (Flor. Mwxgi) Siarovs, emend. K. â v. 120 Med. t' Flor. t' emend. K. ffTfpjjvsi/?.â v. 124 codd. *Tgt;iH) nfoirSera SytfiioirfaSii, emend. K. â v. 126 codd. ürec, emend. Hermann. â codd. TfOTWTrv, emend. Ahrens. â v. 127 codd. (TTfZTuïjèV oïxa, «mend. K. |
Stormend ter wrake naar Troja een arendverschijning (bij d' uittocht Zege verkondde, Vorsten des heers twee vorsten der vogelen, d' eene (gansch zwart, maar d' andere lichtrijk; Nabij het hoog koningspaleis verschenen zij gunstig, Eechts, van verre t' aanschouwen, Bezig een haas te verslinden, een zwangere, die op het (punt was Haar dracht in 't leven te doen treên. Treurt dies, een klacht moge klinken; doch 't heil zij (zeeg'rijk! De eerste rij. Treurt, ja, een klacht moge klinken; doch 't heil zij (zeeg'rijk! De aanvoerder der tweede rij. Maar met bezorgdheid erkent de betrouwbare ziener (den strijdlust Beider Atriden in 't teeken der vratige hazenverslinders; Dus was zijn taal om het teeken te duiden: âTen laatste valt Priamos' vest' in de macht van den heertocht; Alle de kudden Eondom Troja, den schat van het volk, overweldigt het (noodlot. Alles veroov'rend; Zoo slechts de schitt'rende breidel, door 't teeken den (Trojers bedreigd, zijnen glans niet verlieze Door godentoorn! Artemis, reine, gij ziet met ontzetting 's Vaders gevleugelde wachters V. 110. Het voortoeken was in zooverre gunstig, dat de arenden aan de rechterzijde verschenen, maar het verslinden van de zwangere haas deed vreezen, dat de zege met gruwelen zou gepaard gaan. Het geheele lied is vol van de door Klytemnestra's offering opgewekte hoop, dat Troje genomen is, maar tevens vol angst wegens den vloek, die op het huis van Atreus rust. â V. 126. âDe schitt'rende breidel van Trojequot; zijn de Atriden. |
7
|
xötÃtokov Tffo koxov ftoyepèiv tttcchx Suoiasvoktiv wysTe Is IcTttvov Asrav.quot; MhlVOV, x'lhlVOV StTTS, to 'ó' SU VIXXTU. ZTFOS B, [xlhivov, xihmv xvts, ro S' sv vtxarco.] iinpSfa, âTotrw vrsp svCppov, Sgt; xx?.x, Iphcis x^spy.TOt; pxXspamp;v 'Asóvrcav, TXVTMV S' xypovopuv CplXO/AOKTTOlt; bypüv ojSpixakauiv, TSpTTVK '/' iXtjTÃV !;Upt,(3o?iöi xpxvxi, Is^ix pèv, xxraftopüpx Ts ^xt^xti vowüv. Wov sxnx'Asa TIxixm, fiy Tivxg xvtittvÃou; Axvxoïg xpovtxq sxsvföxc Tsut-yz, (rTrsvlofiévx buvixv 'sTspxv avopóv tiv' èeSxirov 140 vsixéuv tsxtojx (tv,uCpurov cü Isiryvopx [èxTa-xi], nifivst yxp (po(3spx TrxXivoprog olxovóftot 'SoXix (Avxpuv [tijvis TSKvémtvog,quot; toixSs Kd^xg ^tiv //.syxkoig xyxboïi xirsxhxy^sv 145 IJ,ép(ti[jS xtt' öpvtöuv oüiuv olxoiq fixvO.sloig. TOt? S' opiótpuvov oahivov, xI/mo'j s'itts, ro S' su vtxxrcc. 130 135 |
Grinds het ellendige wild met de vruchten des lichaams (verscheuren; Een gruwel is u der aad'laars maal.quot; Treurt dies, een klacht moge klinken; doch 't heil zij (zeeg'rijk! De tweede rij. Treurt, ja, een klacht moge klinken; doch 't heil zij (zeeg'rijk! De aanvoerder der derde rij. âHoezeer gij, hooge godin, in gunst Op 't blinde kroost blikt van geweldige leeuwen. Op de nog zuigende jongen van alle 't Veld doorzwervende dieren. Laat toch het teeken zich zeeg'nend vervullen, 't Gunstige, schoon door 't verschijnsel der jongen ook (dreigend. Den god des heils, Psean, smeek ik om bijstand; Dwing gij de Danaërs niet door geweldige stormen tot (lange Scheepsrust; drijf niet, dat nog een gruwelijk offer den (tweedrachtsstichter, Erflijk den huize, vervulle van dorsten naar mannen- verdelging. Schrikk'lijk toch, nieuw in het leven getreden. Loert in het huis nog de wrok, wraak eischend voor ('t moorden der kind'ren.quot; Zulk eene godspraak, bevat in 't verschijnen der vogels (bij d' uittocht. Kondigde Kalchas den vorsten, te zaam met den heer- (lijksten zegen. Neemt dit ter harte; Treurt dies, een klacht moge klinken; doch 't heil zij (zeeg'rijk! |
|
v. 130 codd. arvyü, emend. K. â v. 132 Med. róaam itsf svQpuv xxXk, emend. Weil. â v. 133 codd. $pilt;roilt;riv üéknroig naXtpav bvtuv, emend. K. â v. 186 codd. rsfirvèc rovrm alreT l-ófiPoAx xpxvzi, emend. K. â v. 137 codd. Qccruxru arfouBüv (Flor. Tav ffTpofamp;wv), emend. K. â v. 138 codd. Sè xakéu, emend. K. â v. 139 post. l%evgt;itSx( codd. üirXo'l'ci(t del. K. â v. 140 codd. Tivl-y, emend. Weil. - v. 141 ix7acci exploT. K. |
V. 140. Met ânog een gruwelijk offer'' wordt de offering van Iphigenia in Aulis bedoeld; deze was voorafgegaan door het dooden van Thyestes* kinderen, die Atreus aan hun vader, zijn broeder, had opgedischt. Daardoor was een wraakgeest voor Atreus' huis in het leven geroepen. â V. 142. In Agamemnons huis hield Thyestes' zoon, iEgisthos, verblijf. |
8
|
zTros r. [xlKivov, xlhivov, xZts, ro 3' sZ vIkktu,] trrp. x. Zevg, olt;rri; ttot sittiv, ii ról' xv- tSi (plxm xexhiiftévy, iso tcüto viv vpsirsvvsTrco, oi/K e%co TrpoveiKxrrxt TTX'JT' STrKTrxStftifAsycg' Trhyv Alii xgt;.'/.c pxTxv ore Cppovrilos xxbos xpy (SxXelv hvtTV(j.u:. 155 xvritrrp. x'. OuS' 0(rTt? Ttipoibev viv iJ-kyxs, KXWJLXXq bpXTCi ftpVCOV, otöev x^xxKS. TriTvuv. oc §' iVf/r' sQu, rpix- 160 xrijpoc oiyjTxt nixxv* Züvx Sé tic TrpoCppóvccc sinvixix xhxamp;v revS-erxi tppsvwv ro ttxv' arp. (3'. Thv tppovcïv (oporouc olu- lt;7xvtx, tov TTxbsi [/.xSoc bsvrx wpiu; szsiv. 165 xurxlsi §' VTTVU TT po Kxpllxs [AvyjO-iTrypuv Ttovoq' nxt rrxp' x- xovTxz Jjtës vciiQpoveïv. HxiftOVülV S' STTOVpilTSV fiixius (ts/.ij.x (ts^vov tiflévuv. 170 xvTitrrp. /3'. Kx) to 5' faeptuv ó vrpéï- v. 154 codd. jrAiju Aio?, el TÃSe fiirxv ciirb (pfmiioc, emend. K. â v. 159 codd. oiSlv héïjcci srpiv Sv, emend. K. â v. 164 codd. TM ttxBci, emend. Schütz. â v. 166 codd. 7TÃamp;I 'év S-' iVvu, emend. K. - v. 169 codd. Smuivuv Sé irov xdfis (iiseius, emend. K. |
De derde rij. Treurt, ja, een klacht moge klinken; doch 't heil zij (zeeg-'rijk! (Het Koor keert zich naar de toeschouwers en schikt zich in twee groepen, aan weerszijden van het altaar, om den beurtzang aan te heffen.) Beurtzang van het Koor. Eerste zang. Zeus, â wie hij ook wezen moog', indien hij dien aanroep toe wil staan, Eoep ik dus hem biddend aan. Hoe ik alles overweeg, zijns gelijke vind ik niet; Wie inderdaad zich van zorgen bevrijden wil, vindt steeds Alles ijdel buiten Zeus. Eerste tegenzang. Ja, ook zij, die, vroeger groot, zijn macht trotsten met hun luid gebral. Toornen niet om hunnen val. Wie daarna zich stout verhief, vond zijn meester en verdween. Wie naar den rijkdom des geestes wil streven, verheff' (steeds Luid en vroom den lof van Zeus; Tweede zang. Die den menschen wijsheid leert, die als wet heeft vastgesteld: Dat in lijden leering woont. Slaapafwerend houdt by 't hart de vrees. Heugend leed, stage wacht; trotsche waan leert zoo wijze need'righeid. Ja, der goden roer bestuurt de wereld van hun hoogen zetel af. Tweede tegenzang. Zoo zag zwijgend d' oud're vorst V. 156. Bedoeld zijn de Titanen, die door Zeus overwonnen en in den Tartaros gekerkerd waren, maar zich later met hem verzoenden en onder bestuur van Kronos de eilanden der zaligen bewoonden. Typhon echter moest op den duur bedwongen worden en werd daarom onder den Etna bedolven; op hem doelt v. 160. |
9
|
/3y; veüv [X*!**' fasTrev], fiivrtv ouTtvx tytyuv, èpTrxIoi? rux»^i avjiméuv, fSr' xTrXoicf. xsvxyysï pxpu- vovt' quot;AXX'mos teiis, Xx}.y.ilo: TTépxv sxuv vx^ippi-yftoi: sv Aiif.iloc Tsmig. lt;rrp. -/', Wvox) S' xxo Hrpv/ióvos pot.cwxi y.ciy.cTXc'Act^ vyiirTih?, (iuroppoi, poxv (Ta).u. vsüv ts y.xi â XSKTIMX.TWV xtpsihslc, irahipfifa'/l TTÃpcy TtbsÃTZi rpl(2cp %xts!;mvov avbo: quot;Apycv:. sxs) Sf XXi TTiy.poï) XelfMTag a'/.'M fy.gt;ix1P (ipföÃTspn â 7rpó;Milt;riv [j-iX'jtis exKxy^sv irpoQépvv quot;Aprspiv, U7TS xSovx (3lt;xx-rpotc STTtKpouvxvTix? Wrpsi-èx: latifj [j,VI Kzrxfx6^' i-jTi^rp. y'. quot;Kvxt; §' b Trpérfius rólquot; slrrs Quvrn' ,,(3xp£ïx [j-h yjvip TO W TTlbsTbxi, fixpelx §', £lt; Tsy.vcv Ixt- !;v, Softwi/ xyxkfzx, ftixhuv TrxpSsvoetpixyoiTiy fOxTs TTXTpaov; xhxï Kpo tI txvI' x-js'j y.xxüv; |
onzer vloot eens voor zich neer, Trof geen ziener toeu met blaam, Neen, zweeg bij dei; goden slagen stil, Toen 't vertoef schaarschte zwaar drukken deed op Achaja's wachtend volk. Dat bij Aulis, heen en weer gedreven, tegenover Chalkis lag. Derde zang. Daar rept zich steeds stormwind van den Strymon, Doet toeven, brengt honger, weert het landen, Door eeuw'gen golfslag kiel en want sloopend, elkeu voortgang Te niet doend door zijn tegenstreven; En traag vermolmt Argos' kracht en kleinood. Doch toen des zieners mond Tegen des stormwinds woede 't Bitterder middel noemde, Artemis' eisch klaar had onthuld, boorden hun staf fel in het zand, weenden van diepgrievende smart luide des Atreus' zonen. Derde tegenzang. En eindlijk brak d' oud're vorst het zwijgen: âEen drukkend lot, vreeslijk, niet te bukken; En vreeslijk ook, mijn eigen kind, ons kleinood, te slachten. Met bloed der maagd do hand bezoed'lend. De vaderhand, voor der goden outer. Ach! wat ik kies is vloek! â |
|
V. 179. De Euripus, die hier bedoeld wordt, ia een zeer lastig vaarwater, waar de strooming telkens afwisselt, en de noordenwind, van don Strymon komend, het uitzeilen kan belemmeren. â V. 18G. Artemis' eisch is het offeren van Iphigenia. â V. 192. âDo oudere vorst'' is Agamemnon. |
2
1
Schömann.
10
|
â xüc-, Xnrivxv; vsccpxi xuxpTcóv; 200 â 7rxvlt;rxvé;MU yxp Svala; Trafösviov amp;' XÃ'fAXTOS Ip- ycC Trepiopyöcg Is y' xttxo-Ix eïi yap s'lyiquot; arp. S'. 'Efff) S' avxyxxs (Su AsttxSI/M 205 (ppevo? Trvéwv SutrtTfiSi} rpoTrxlxv xvxyvcv, xvispov, róSrev to TrxvTÃTOhy.ov (ppovsïv ftsréyva. ppoTobc bpxvüvei yccp xlrxpownc rx/.xivx TrxpxzCTra, 210 TrpuTOiryi/tuv, tr/.x S' cuv SuTvip ysi/è-jbxi buyxrpo:, yuvxixoml- vwv vro'/Jpccv xpuyxv y.x) KpoTsXsix vxccv. XVTITTp. S'. Anxq §£ y.xi y.K-/ihövx: Trxrp'JiOug TTXp' Ol/Ssv xlü T£ ITXpbs'JSlO'J 215 'éSsVTO (plhcpxxsi ppxfivis. Cppxirsy S' xsamp;is Trxryp y.sr' ih%x-j liy.xv xiy.xipxs 'jirspSs (iuftov KSTrXCKTl KSpiTTSTij TTxyr) Supcp TrpovMirij 220 hxPsl-j xsphviv, irrdfiXTo's ts y.xgt;.'/.i7ïpcp- pou Cpv/.xxxg xxTxtrxeïv Cpöóyyov xpxïov c'i'koic, ÃTp. l'. Hlx XXÃMamp;V t' xvxulu} [jjvsl. xpcxou fixtyxr, §' s: ksIcj psovarx? £j3x?./.' sy.xiTCv SuT-Jipav xtt' Ofi^xTO; [ZsXsi 225 (piï.oly.Tx, TrpsTTOutrx S' £~ sv ypxQxl:, irpcarsvvsTretv v. 199 codcl. t; ?rS; hiirhuvi; tf yhu/^xi, emend. K. â v. 204 codd. nspiópyus snfivfiüv Sé/xis, emend. K. â v. 209 codd. PfcrcTf, emend. Sclihtz. â v. 215 codd. «i'Sva, emend. O. Miiller. â v. 221 codd. (puAtiicxii xxraaxtiv, emend. K. â v. 224 codd. pzQai; f? iréSw zeovim, eraend. K. |
Kan ik de vloot verlaten, Jegens mijn volgers trouwloos? 't Offer, dat storm still' en bezweer', plengen van bloed, 't maagdelijk bloed, eischen z' in toorn; toorniger wraakt Themis dit doen! O, uitkomst! Vierde zang. Doch toen hij 't juk, 't dwangjuk zich getroostte, Het hart van storm, woesten storm, onheilig. Onrein en snood, gedreven, â toen Besloot hij ras, alles thans te wagen. â Met boozen raad maakt d' onzaal'ge waanzin Der eerste schuld den mensch Stouter steeds. â Off'ren zon hij Nu zelf zijn kind, 't heer, om een vrouw ter wraak (vereend, voeren ten strijd, de schepen Uit hun gevang'nis slaken. Vierde tegenzang. Wel smeekte zij, riep vaak: ^Vader, vader!quot; Vergeefs, der maagd jeugdig' onschuld roerde 't Strijdlustig hart der vorsten niet. Na d' offerbeê, deed de vorst den knechten. Gelijk een lam, 't kind op 't outer heffen, In 't golvend kleed; hij liet Krachtig 't hoofd nederbuigen. Zijn kind den mond, 't sieraad van 't wonderschoon ⢠' (gelaat, breidelen, dat haar stemme Stervend zijn huis niet vloekte, Vijfde zang. Verstommen door kneveldwang, ruw geweld! â Doch toen 't gewaad nedervloot, het purp'ren, Toen trof een pijl uit haar oog elk der off'raars, (weedomsvol; Zij lag daar, een beeltnis schier, wie het woord in __(d' oogen leeft! â V. 205. Eer- en hecrschzucht, het verlangen van aanvoerder te zijn bij den strijd tegen Troje, bewogen Agamemnon, zijn kind ten offer te brengen, om aan zjjn leger den overtocht naar Troja mogelijk te maken. |
1
11
|
S-fAOw', STTS) lïO'.KXXiq Trarphg kxt' Mpcóvxs siiTpxiréamp;u? sfietyev. és/vx 5' xravpuTOi auhS. TTXTpos Cpikov TpiTÃvrnvlov sii- irotpov ttxixvci cplxus irly-x. XVTllTTp. £, tx s' hssv ovt' sjlov out1 swsttco' TSX'JXi Sf KcihXXVTi: O'JK OMpXVTOl. Aim Ss tole fih irxbovsiv (Atxbslv èzippaxsi' zo !J.ègt;.'/.cv §' stts) yivs/r' xv yJ.vcsz' Trph %ctipéTU' 'ierov ïs TM KpoaTsveiv. Topcv yxp fë'si fiiXTixi? truvwpov. tréloiro S* ovv txit) tovtoiïiv sv trpx^ic, d: bsgt;.ei tÃV xyxiftov 'A- irlxg yxix; ftovóCppovpov 'épno:. 230 235 240 |
Ach, vroeger klonk vaak haar stem Ginds onder 't dischrijke dak liaars vaders, Wanneer haar zang, maagdlijk rein, zoet het vroom (dankgebed Tot slot van 't maal rnischen deed, den heilwensch voor haren vader uitte! Vijfde tegenzang. Wat volgde, neen, 'k zag het niet, zeg het niet; Doch Kalebas' woord blijkt gewis niet ijdel. Het eeuwig recht weegt ons steeds leering door ons (lijden toe; De toekomst verneemt gij eens; haar vooruitzien, ver (van mij! Het waar' vooruittreuren slechts. 'tiij komt en brengt billijk leed naar zonde. â Doch wat gebeur', heil bekroon' onzen tocht naar den (wensch Van gindschen burg onzes lands, waar thans slechts ééne behoedend zetelt! (Do koorleider wendt zich eerbiedig tot de koningin, die onder de laatste regels met haar gevolg van haren omgang door de stad is teruggekeerd. Klyhemnestra staat in het midden van het tooneel.) |
Koorleider.
|
quot;Hy.o: crsfiiamp;v itov, KXvTxipvjaTpx, y.pxTos' tiwi yxp sati Cpx/Tog xpxyyoü tIsiv yvvxïx' êpyutuSrévTog xprsvo? Ãpcvou. 2i/ 5' s'l Ti xslviv etTS py Trsirvtrftsvy sïixyys'Aoiïfj sKw'tTi'j ïjv/,7ro/.elc, y.Xuoip xv svtppuv ouSè utyuay cpSóvos. KATTAIMNH2TPA. E'jxyys'/.sc (juv, utrirsp y TrxpoiyJx, ««? yèvoiTO WTpo; sv^ppónis Trxpx. ttsuvsi si zxpftx [tsiamp;v eatt/ss? k/.usiv Upixptov yap ypwxtiv 'Apysloi ttÃ/.iv. 245 250 |
Ik treed eerbiedig, Klyteemnestra, voor uw oog, Want hulde komt der gade van den koning toe, Wanneer de zetel haars gemaals verlaten staat. Doch of' gij tijding mocht ontvangen, of alleen Op blijde boodschap hopend, al deze offers brengt, Vernam ik gaarne, schoon berustend als gij zwijgt. Klytaemnestra. Met blijde tijding, is 't gewone zeggen, rijz' De morgen uit den moederschoot der goede nacht; Maar vreugde boven alle hoop verneemt gij thans; Want onze heermacht nam de stad van Priamos. |
|
v. 231 codd. nvirtT/yiov «iwva, eraond. Hartung. â v. 236 codd-TO /üf'AAcv to Sl nfonhitiv imyévoir' au xXiJoi? npcxaifSTU (Flor. £Tei yhotr' av uXCotc;; Farn. omitt. verba to Sè Wfoz/ufiv), emend. Ahrons. â v. 238 codd. Ijl-ei ffwopdov xiraïi; (Flor. avvxföpov), emend. K. â v. 240 codd. siltrpeil-iq, emend. Hermann, v. 246 codd. e'tn xeSuov, emend. Auratus. |
V. 228. Iphigenia had vroeger meermalen bij feestelyke gelegenheden, als de derde plenging aan Zeus gewyd werd, den Païan gezongen; toch werd het beminnelijke, liefhebbende kind door haar verblinden, eerzuchtigen vader voor do bereiking zijner wenschen geofferd, en dit werd door hare moeder Klytcemnestra niet vergeven. |
12
|
XOPOZ. (pyj?; trscpsuys rovms s!; cc~i7t1xc, KATTAIMNH2TPA. Tpoixv 'Axxiciv cvtrxv % rspccc ?Jy:c; XOPÃ2. Xxpd [/.' uCpspTret Ixy.pucj h.v.x'/Mu.vjv,. K ATT AIMNH2TP A. Eu yup (ppovovvToz 'ófji^x ircü v.x.T/tfopsl. XOPOS. H yxp rt ttivto'v ; stti tccvSc lt;rci rsy.y.xp; KATT AIMNH2TPA. quot;ea-t/f ti vcuxli [j-h (iiaxtxvro: bscv. XOPOS. nórspx S' SviipMV Cpa,t7i/.XT' svirsiSvj vèfisi:; KATT AIMNH2TPA. Ou quot;èó^xv xv l.xiicty.i ppifyi/vy;: Cppsvóc. XOPOS. 'AAgt;gt;' vj ir' êzixvsv ti; cpvt; uTTTspoc-, KATTAIMNHSTPA. \\jiioh~ véx? cc? xxpr' s(/,uy//t7M Cpphx:. XOPOS. Ilc/eu xphov Sf xx) TrsTrcpbyrxi ttÃ/.i: ; KATTAIMNHSTPA. Tgt;}-: vu!/ Tsxovtry,; Cpci? Til' ti/Qpéw,: gt;.éyu. XOPOS. k*; tic tilquot; s^Ikoit' xv xy/b^v txyj:-^ KATTAIMNHSTPA. 'ikpxirros quot;is^-r '/.x^ph hvs^trnv ts'ax:, 255 200 205 typwTo: ^pv/.Tiy Isvpquot; xTr' xyyapou tvpo: ïiTrs^Tiv. quot;[S/) iKsv irpo: 'F.py.xïcy /.STTX.: v. 257 codd. T/ ysip ro, cmendd. Karsten et Meinekc. â v. 261 codd. n: xtTcfee (pans, emend. K. |
Koorleider. Wat meldt gij? heb ik goed gehoord? ik twijfel nog. Klytaemnestra. In Argos' macht is Troja; is 't verstaanb're taal ? Koorleider. Vreugd overstelpt mij; tranen wellen bij mij op. Klytaemnestra. Trouwhartig zijt gij; dit erken ik in uw oog. Koorleider. En hebt gij waarborg? hebt ge een zeker onderpand? Klytaemnestra. Gewis! wat denkt gij ? â zoo mij niet een god bedriegt. Koorleider. Schonkt gij vertrouwend aan een droomgezicht geloof? Klytaemnestra. Den waan zou ik aanvaarden van een geest, die slaapt! Koorleider. Een ander voorbeduidsel heeft u dus verblijd? Klytaemnestra. Gij spreekt mij toe, als dreeft gij met een kind den spot. Koorleider. En sinds wanneer dan is de stad door ons verwoest? Klytaemnestra. Sinds deze nacht, de moeder van dit morgenlicht. Koorleider. En door wat bode kwam zoo snel de tijding hier? Klytaemnestra. Hepheestos zond van de Ida held'ren glans mij toe. Het eene vuur dreef telkens met zijn gloedbericht Het andre voort; zóó Ida's spits den Hermesberg | ........ V. 258. Hephrestos, zie v. 266. V. 261. Zoo kon b.v. niezen, als over Troja's val gespi'oken werd, een voorteeken zijn. |
13
|
Avitvw [Myx'j Si Trx'jh sk v-jjou rphsv quot;Abccov xÃkos 'Lyvo; s^é^xro- !!',0 S' Ofeix: dxs srijftvvsv Trpiru irsuxtji Trpoaxföpifywx m'y.inftoy QXcyx,] â jTrspTsK-j; Ti', TtivTO'j ccvrs vutijxi, 271 Js-^U? TTSpSUTOV hXfATxhz TTpCS V^OVVfJ sttstuto xpuïoQeyyss cic n; {jhiot 7SAXg TTxpxy/sikxTZ MX'/JJTOU UMTCX:. 'O S' OUTl //.£/,olir) X$p'lt;r,sÃuV5 'vTrva 275 yiiciipsvoc Trpoyxsv ciyyb.ou ij.ivoq' hx: ós Qpvy.Tov cpï? sir' Euplmu pox; Meirrxirlsv QuXxl-i a-jftxhsi yoXov. o\ o' X-JTSKX^XV XXt TTXpT/ysl'AXV 7rp07U ypxixs spsixys SfccfMV xipxvTis vupi. 280 TbsVOVTX '/.X^TTX: S' OÃSiTTCO fiXUflOfiSVi}, â JTTSpScpSVirX TTsZloV 'AtTMTTOV, S/x)j*/ â (pxihpx: vs'Ayvyc, Tpo? Kamp;xipSivsc '/.kirx: iiysipsy xh'/.yj f'xSs^tjy Troywox) Trvpóe. lt;lgt;xéyo: Ss TyhèTrpsTrrcy oux vjyxiysTO 285 0psvpx TrXsoy xxautrx rüv sipyyAvw M[j,yyy S' virêp TopywTriy tw/^éy $xs;' cöpcu; t* iV AlylirXxyxTCy s^txvigt;v,u.sysy StTpws Ssrftoy w xxpl^esbxi ppx^jy. népTrovai 5' slyaxhyrs: xföcvy ysysi quot;90 QXayo: yJyxy irciyuvx, xx) quot;Zxpmr/.ov TTopbysv xxTOKTO-y Trpccy V7rspi3xgt;.gt;.:cy Trpsru Qsyycvrxy xiygt;y,y fësy, s7t' xtpixsTO 'Apxxvxïov xiTTCi, ixtrruys/rsyx? 7y.:~xs. â /.xTsiT 'Arpsihxy h rdSs rxyTrrsi vrsy:: -Uö $X0S ti's' SVX, XXXTTTTiy TTUpÃ:. Toicfès rei ysi ï.xt/.'ïrx'SqQópuy yóy.ci, xXXoc nxp' x'/./.o-j lixls^xï: Tqpcvftsysr V. 270 lacunam post hunc v. explev. K.; Hesychius servavit wpoff-afamp;piamp;wa Trófmifxcv (frMyy.. â v. 273 codd. ksvxvi t!) Xpvtoamp;yyês, emond. K. â v. 276 codd. T2fgt;)«su iyyéXcv i«f'p5? emend. K. â v. 285 codd. Qxcs èè r^XsTri/zvcv, emend. K. â v. 288 codd. opoe, emend. K. â v. 289 codd. xvfós, emend. K. â v. 292 codd. zixoTTfcv Kfüv UTf(:(3«'AA£(v, emendd. Canter et Scaliger. â v. 293 codd. (pXéycvaxv tlr' 'strxyj/sv, sit' aQiKerc, emend. K. â v. 298 codd. irXy.pov/itevci, emend. K. |
Van Lemnos; zóó g-ewerd des eilands fakkelnieuws Ten derde aan Athos' hoogen, Zeus gevvijden top; De gloed van 't woudgebergte zond de tijding voort, Daar snel der dennen laaie gloed ten hemel steeg; En, op der golven kruinen zwevend, vloog dier toorts Ondoofb're kracht, als dartiend om den verren tocht. Met gouden straling, aan een middagzon gelijk, In snelle vaart als bode naar Makistos' kruin. En zonder talmen, vrij van vadzigheid of slaap, Zond deze weer den bode verder, nieuw gesterkt; Nu ijlt naar des Euripos' stroom de fakkelgloor En brengt den wachters tijding op Messapios. Die vonk'len weder en hun knett'rend heidekruid. Bij hoopen aangestoken, zendt de kondschap voort. In ongetaande schitt'ring overspringt met kracht De lichtgloed des Asopos' breede vlakte, en straalt Als helder maanlicht op Kithserons hooge rots En wekt een nieuwen vuurboö tot den verd'ren tocht. Daar is de wacht niet weig'rend, maar ontsteekt veel meer, Dan voor den verre zichtb'ren gloed geboden was; En over 't meer G-orgopis spoedt het licht zich voort; En nauw bereikt liet de yEgiplankton, of het drijft De wachters daar, niet karig met hun gloed te zijn. Ze ontsteken, vol van ijver, 't vuur; een pluim van licht Verheft zich als een wond're ster en werpt zijn schijn, 't Saronisch zeevlak over, op de steile kust, En eind'lijk, helder als het daglicht, tot den top Van Arachnseons hoogte, laatste wacht naar hier. Van daar ontstroomde naar dit dak van Atreus' zoon Dit licht, dat Ida's moedervlam tot oorsprong heeft. Aldus geordend is der fakkelloopers rij, Elk door zijn volger wel bespied en afgelost. V. 274. De Makistos is een berg; op Euboea. V. 278. De Messapios is een berg in het oosten van Bojotia; zijn top moet van bosch verstoken zjjn g-eweest, daar JÃschylos, blijkbaar met liet terrein bekend, heidekruid laat aansteken. â V. 280. De koningin schildert in haar opgewondenheid alles, alsof zij allo maatregelen der wachters zelf had bjjgewoond. â V. 287. Het meer Gorgopis ligt op de grens van Megaris, de berg Arachmeon dicht bij Argos. â V. 291. De vlam wordt met een komeet vergeleken. |
14
|
vixêi S' ó TrpuTOf xxi tsKsutouo; Tsx.[jt,xp TCIGUTO (rófipohóv T£ lt;TOà Aiyoj SOO avèphs Tiapxyyeu.xvTOi tV, Tpoix; ê/toi, X0PO2. ©fa?? xu^jtc, a yuvxt, Trp0lt;rev!;0(i0t.i. /.óyovq S' xxowxi TCurSs xxTrcSxu/xdjM hxvsKM? Sréhoipt,' ixv, üg /.éyeic, 'iramp;jv. Tpoixv 'Axmo) TfjS' ixoii?' sv yipépix,-, 305 KATTAIMNH2TPA. 0(7-4«' /Ssijy amp;;j.iy.TQ'j b Trótei Trpéffeiv. o^oi r uteitpix, t' h/x,kx.z txut^i xvtsi ^iXDtrTXTOüvr1 xv ov Cpihus â Kpoamkmit;. KX) TUV aXóvTuv xx) y.pxTwdvTuv Slzx (pboyyx; axovstv so-ti tru/tQopixz liTr/.ij:. ai0 O; /ah ykp x;jt,$) lt;7Ã(amiv TrsvrcoKÃTSi xv'Spxv Kxeiyv/iTuv t' y.xi QuTxh/tiwv [vxTépuv yvvjcïxec, vupQiccv vsxvtès:,] ttxJIss ySpCVTUV, oCjxst' si; s/.svbspov Ispy; xmifiidi^oiKTi CpihTxruv pépov, Tflu? §' xvts vuxriTrhxyxTOc sx paziS nóvoi 315 v/ITTsic Trpo: xpiaTOKTiv wv yèpsi zó'Kic rxTeu, tpo; ovlh iy //.épei rexpyipisv, clgt;.A W? SXXTTOC efTTZaSV TVXVS 7rx?.cv, 'Ev 5' xixftuhuTCis Tpxiy.olc olxypxiriv vxiov(Tiv ffi/i' Twv vrrxièpiciiv vxyuv 320 quot;èpieccv t' xirxhhxyévTes, amp;; xvtÃx^ovsz XQVXXXTOV siti'/iGOwi Trxirxv su^povyy. Ei §' ey aépsutri rol? mhiwouxwi Seoht; rob: rïjs x/.oult;Tys yfjs Ssüv b' ilpufiXTX, aux xvehóvrs? xvSi? xvSxP.olev xv. 325 V. 307 codd. èit%sx.c; oinond. Cantcr. â v. 812 versum seq. inser. K. â v. 31C codd. vijffTi? vel vWTiin; Fnrn. vwreiq. â codd. uv 'éxei' autmnat Nabei' uv ysuzi â v. 819 codd. fv «C^/KaAwTOi?, emend. Weil. â v. 321 codd. w? â v. 325 codd. Bess, ovx avcMvrtt; (Flor. Farn. avx av y' eAÃVTf?). â codd. a5Slt;; «3 friivoiw a* (Bess. ^émsv 'm), emend. Auratua. |
Deu prijs aan hem, die 't eerst en 't laatst den loop (volbracht! Dit onderpand dus, dit g-etuig'nis noem ik u, Dat mij uit Troja mijn gemaal gezonden heeft. Koorleider. Dra breng ik aan de goden, o vorstin, mijn dank; Doch deze tijding hoorde ik, zooals gij ze meldt. Nog eens uitvoerig gaarne eu met bewond'ring aan. Zoo is dan Troja thans in der Argiven hand? Klytaemnestra. Ik hoor, zoo dunkt mi.j, onvereenb're klanken ginds. Zooals wie olie en azijn vermengen wil. Ontwaart, hoe vijandschap die vochten scheiden blijft, Zoo klinkt der onderworp'nen en der meesters kreet Tweevoudig, on vereenbaar, door 't tweevoudig lot. Want de eenen, bij verslagen dierb'ren neergestort, Bij diepbetreurden gade, broeder, vader, zoon Hier vrouwen, maagden bij verloofden ginds. Daar nevens grijsaards kind'ren, slaken thans geen kreet Uit vrije borst meer om der liefsten ondergang. En de and'ren vallen, hong'rig na die nacht van strijd. Aan op 't ontbijt, dat hun de veste rijklijk biedt. Niet, als bij 't strijden, kenn'lijk door de tucht vereend, Neen, ieder zwervend, naar liet toeval hem geleidt. Reeds wonen ze in de huizen, die hun zwaard zich won. Der Trojers; thans voor 's hemels killen dauw en rijm Beveiligd, zullen ze als in hun geboorteland De gansche nacht daar rustig slapen, zonder wacht. Ja, zoo ze eerbiedig nu der onderworpen stad Schutsgoden eeren en hun tempels vroom ontzien, Dan blijft, zoo 'k hoop, de zege aan 't zegevierend heer! V. 299. Die 't eerst en 't laatst den loop volbrengt, is do god Hephrestos, zie v. 258 en v. 2G6. â V. 811. In Troja zijn alleen vrouwen en kinderen over, en deze zijn gevangenen. â V. 316. Dat er in Troja geen overvloed heerschte, behoefde aan Klyt. niet bekend te zijn. â V. 323. Wat Klyt. zegt te duchten, is inderdaad gebeurd, zie v. 505. |
15
|
f'pw? Si w n: irpÃTspov sfAirlirroi urpxTM xopbelv x (J.y\ xpy, y.sphsTiv vixco/tévouc' mXhüv yxp tfbï.cöv ryv ovwiv sïï.cy amp;v. Aiï yxp Trpos oly.cv: votTrlftov (rurypix: kufttyxi quot;hixvfou SrtXTspov y.ü/.ov ttx/jv Ãsoïg §' avxpTThctxyiTcg el [/.oXoi arpxTOC, èypyyopov to irijpcx twv ixuxótwv yévotT' x'j [iZuSv? chéSpiov vixyQtlpsic Trpóu.oiTi,'] xsl irpórirxix pwi tux^ xxxx. tcixïitx toi yvvxixhc y.^iisig' to 2' sv xpxToiy, fty quot;hixoppÃTru: 'i'SsTv, X0P02. Tuvxi, kxt xvèpx trxcppcfv suCppivM/; Kiyct: èyu S' cèxovtrxc ttigtx vou tskffjipix ösov? TrpcasiTTsJv sv irxpxiry.suxfyi/.xi. 327 335 328 330 334 Xxpis yxp ovy. XTipioi; sipyxvrxi ttovcov. 340 345 rn Zfà [3x(TI?.iV xx) vvl; (pl?Jx ueyx'/.wj yJtTftccv XTSXTSIPX, quot;Ut' i.i) Tpoixs Trvpyoic 'èfixKsc meyxvov iïiy.Tucv, wts psyxv IJ.'/jT cuv vsxpiv TIV VTrSpTS'AéTXt y.ivx iïov?.£tx', [sxiïuird/tsvov] yxyyafiov xt-/,: TTXVX'Aamp;tcu. |
Doch, dat geen booze moedwil de onzen thans bevang', Dat hnn geen hebzucht naar 't gewijde grijpen doe! Dan wordt, zoo 'k vrees, veel zegen vnicht'loos door (hun doen! Want nil den eindpaal moet nu de and're helft der baan. De thuisreis naar het vaderland, nog afgelegd. â En keerde 't leger, jegens goden schuldloos, weer, Dan kan der omgekoom'nen nimmer slnim'rend wee Den overwinnaars altijd nog verderflijk zijn. Al blijft een nieuw en plots'ling onheil hun gespaard. â Doch, ben ik angstig, denk, het is een vrouw, die spreekt; En zonder weif'len heersch' nu oppermachtig 't heil. Koorleider. Van mannenwijsheid, vrouwe, tuigt uw schrander woord. Thans, nu ik zeek're kondschap uit uw mond vernam. Zij vrome dank den goden door mij toegebracht! Hun liooge gunst toch heeft ons streven rijk bekroond. (Klytaminestra treedt met haai' gevolg liet paleis binnen.) Koor (zich tot den beurtzang scharend). De aanvoerder der eerste rij. O opperste Zeus en gij vriendlijke nacht. Die u heerlijken glans hebt verworven. De aanvoerder der tweede rij. En over de tinnen van Troja uw net Zoo dichtoverdekkend geworpen, dat knaap Noch man aan der knechtschap garen ontkwam. Al was 't hem gelukt door de mazen des doods, Hoe eng ook gestrikt, zich te wringen; â |
De aanvoerder der derd
e rij.
|
Alx toi l-évtov yjyxv xl'Sovy.xi TOV Txls â apa.^XVT, S7r' 'A'/.S^X'jlp-j. |
Ja, eere den hoeder van 't gastrecht, Zeus, Die dit heeft gewrocht! reeds lang was zijn boog |
|
v. 335 codd. clXóu.v;j; versnm transposuit et emend. K. â v. 332 codd. yf'voiT* av, el Trfóaxxicc ny rvxoi kuku, explev. K.â v. 344 codd. viafüv, emend. K. â v. 345 codd. fté'/x óovXeius, emend, et expl. K. |
V. 328. De vaart naar Troja is de cene helft der renbaan, do terugreis de andere. â V. 342. De hier volgende anapaïsten zijn een marschlied van het koor, terwijl /jj zich tot den beurtzang om het altaar scharen. |
16
350
|
Tsivovr» TTZAXl TÃl-HV, OTTCii; XV fi^rs irpo xxipoü pfö' uirspaïpov pshos flï.fölOl/ VKtyslSV. UT/}. % . Aihg TrKxyxv ex1'* s'iireïv' TTiipcTTtv TCZTO §' sfyxvsZtrxi, sTrpxSsv cós sxpxvev. cux £$X rit; Sreauc jopoTÃv ai-ioüfSxi [téteiv oam: xSixtov ycpas Trxrefö'' a §' cvx sufspyiz. irsQxvrxi §gt;) 'xtivsTs xTOXiJS/tTa Hjpxeet irveóvTuv ps'ifyv Sj quot;bixxlaz CpheivTuv IvpxTav uKsptpsu, UTtlp TO pSÃ.THTTCV, SGTOVV XTtq-S (AXVTO'J tt(TTS xxTxpxéïy quot; S\1 TrpXTTlhw i.xyjvrx. ov yxp sar tv i~xX^is ttï.ovtou trpó: xópov avtip) Xxxrivxvn (j.xtxv Aixxz fianov sU xQxvsixv. XVT, x. litXTXt Svj rx/.xivx KsiSrx, TTpOpCVhOV TTXÃS xQspTOC X~X:. XXCS Sï ~XV [AXTXIOV. O'JX sxpvfö'/i, 7rps~st §£ (px?, XIVS^XfiTTSS yxviG' 355 360 365 370 |
Tegen Paris gespannen, opdat niet te vroeg, Noch over den tijd, hem beschoren, de pijl Te vergeefs door de lucht zou streven. Beurtzang van het Koor. Eerste zang. Nu blijkt, dat Zeus hier heeft getroffen; En licht speurt ieder deze waarheid: â't Verging hem naar zijn daden.quot; Wie ook zegge: âDer goden trots slaat geen acht op den mensch, Die 't heilig recht driest vertreedt,quot; Hij spreekt een godlast'rend woord. Of wraakte niet hun straf Het roek'loos stout gedrag Van trotsaards, heftig alles wagend. Van rijkaards, overdadig zwelgend. Verachters van matig, leedvrij bezit, waar, wie wijsheid erlangden. Dankend het lot om prijzen? Niets, neen, redt den verdwaasden Zoon der weelde, die eenmaal Overmoedig des rechts altaar blind en smaadlijk verschopte. Eerste tegenzang. Hem drijft onzalig zelfvertrouwen. Het roek'loos radend kind des waanzins. Geen midd'len baten. Niet verscholen blijft hij; Hij treedt in 't licht, glanst met schrikbaren gloed; |
|
v. 350 codd. ÃTi;p ictTfuv, eraoinl. Engor. â v. 352 Flor. f^si;(rav. Fiini. ir^oi/ffiv, emend. Alliens. v. 353 Fl. TXfzan tcCt' (Farn. rovro y s^iyyeZaM), emend. K. â v. 354 codd. üq t'Tfaiti/ â v. 356 codd. i'.b'üTiuv xeifn, emend. K. â v. 358 codd. jrfvJstVTi» 5' cyyovoiis (iicyó'jct/^), emend. K. â V. 359 codd. iiTCiXfjirwj ctpvt, emend. Weil. â v. 302 codd. ear ai l' ji/r/^avrcv üar ÃTrupxe'rj (Farn. ujWc xxirzfxsïv), emend. K. â v. 367 codd. fjayAXx. Aixc!?, emend. K. â v. 369 codd. (3*5Tai Kt emend K. â v. 370 codd, emend. Hartung. â v. 371 codd. TtaixixaTCiiiv, omend. Musgrave. â v. 372 codd. ulïïAauT^c, chos, emend. M. Schmidt; inm K. uiioXx/jTTci aé/.xq; Heaychius yzvcs (pas aCyv. |
V. 356. By de vermelding van hem, âdie 't heilig recht driest vertreedtquot;, is aan Paris te denken, die Helena geschaakt heeft en hierdoor Zeus, den hoeder van hot gastrecht, alsmede Hora, de godin der huwelijkstrouw, zwaar heeft beleedigd. In dezen geheelen zang, en ook in den tegenzang, heeft het koor, schoon in het algemeen sprekend, Paris op het oog, en tevens de ryko Priamiden, zie v, 360, â Bij de herstelling van den hier zeer bedorven Griekschen tekst waren vele en groote moeiiykheden te overwinnen, zoodat zij wellicht nog niet volkomen gelukt is. De vertaling vermocht den Griekschen zinbouw niet geheel op den voet te volgen. |
17
|
icxxcü Ss xaAxoü rpimv Tpify rs y.xi TrpoffiohixTi; ps'/.x^TrxyiK 7ré?.£i 375 imxiaöeii, stts) Sixxsi TvcCiq TOTXvoy opviv, mKst irpcaTpipfi aCpeprov svSsie. /.iTzv §' dy.oósi y.sv cutis Sscöv rav S' èTrïjTpoCpov oJlpx 380 Cpar' aSixov xxSfxipsï. dog kx) Uxpig i/.amp;üv si lófiov rov 'Arpsilxv ytrxuvs ïjst/lxv rpxTrs- %xv x/.o-xïti yvvxixs;. 385 (rrp. ft'. Aimïxrx 5' ci^TcïiTiv atnrisTopxi; x?.óvov; rs xx) Icyxiitovq vxvfixTx; b' ÃTrXitryMs, ayouax t' uvuQspviiv 'IA/m ffiopxv Pspxxsi p!filt;px 'hix ttvKxv XTtyTX ThOiTX' TTSAU §' «VêrTêVOV 390 TXS hvsmvTsq iïéy.m Trpo^rxi-âiw rèyo: xx) wpófAOi [yuvxiij-xvai!:^ 'lil xx) (Tripoi (puyxwpss. trxpsvri cr/oii: xyuftoig xacisopiirit/ xSiitto? itpsy.svuv 'tèsïv. 395 mby S' uttspttovrixf CpXtryX quot;èÃ^Sl lÃfiMV XVXtJGSlV. suyspQuv Sf vsofftruv sx^stxi xxpig xvhp'r crTpupuTuv §' èv xx'^vlxic ' 400 sppsi ttx? 'ACppolhx. v. 380 cortd. Tfiv è' èiritjrpc(pM rüiSe, emend. Weil TwvJe in olè/zx mutate, K. rüv pro tov scripsit. â v. 387 eedd. kAsvji/; Aoy^'f5quot;! T£ quot;W vsii/fBira? cvMcfiOvt;, emend. Ahrens. â v. 389 Flor. (3f(3axs, Fnrn. (iéfluxev, emend. K. â v. 390 Fnrn. ttoAAse y 'éprevGV, emend. K. â v. 392 Flor. ójïuu tczi Ttfinci, Farn. Iti li) Sü/xx Sü/xx icuï irpi/Mii, emend. K. v. 393 codd. (ptXamp;Mofes, emend. Karaten. â v. 394.95 codd. Trufiari atyuc arifics ufoiSopcs u'èinroc, alt;psi*é\tm ISiTv, emend. K. â v. 398 codd. xoAsffirwv, em. Karst. â v. 400 codd. ift/iiruv, em. K. |
Doch even als valsche munt Door schuring, door vingerdruk, Ras zwart wordt, staat hij dra Veroordeeld, grijpt verdwaasd, Als 't kind, naar vogels die daar vliegen. En stort heel 't land in schand' en onheil. Geen god verhoort thans zijn laat smeekgebed; Wrekend sleept hunner gramschap Branding den zondaar mede. Zoo verzwolg zij nu Paris, Die, als gast des Atriden, 't Heilig recht zijner woning schond. Snood zijn ga hem ontvoerde. Tweede zang. Zij ging en liet aan haar volk krijgsgeroep. En speergedrang, zwaardgedruis, scheepsgewoel aan ('t zeestrand; Aan Ilion was ondergang haar bruidsgeschenk; Zij vlood lichtvoetig door de poort, Haar plicht verschoppend. Bitter klaagden luid Aldus vol weedom des huizes zieners: âO zalen, wee uwen vorst, van liefde krank, O sponde, wee dien verlaten echtgenoot! O ziet hem daar, als versteend, vloek noch smading (uitend. Dien weeken, zwaar gekrenkten man. Zijn diep betreurd, grievend leed geeft dit huis dra een schim tot heerscher. quot;Want ook 't schoon zijner kinders Werd zijn oogen een gruwel; Ach! zijns legers verlatenheid wordt hem 't graf aller lusten. V. 392. De dichter voert de zieners des huizes klagend in, daar anders het koor niet kon weten, hoe Menelaos in het binnenste zyner woning zich aan zijne smart overgaf. â V. 398. Bij Sopho-kles (Electr. 529) en ook in een fragment van Hesiodos worden twee kinderen van Menelaos en Helena vermeld. De lezing der handschriften gewaagt hier niet van kinderen, maar, zeer onwaarschijnlijk, van reusachtig groote standbeelden, kolossen, die Menelaos' slaapvertrek sierden. De tekst is hier in menig opzicht bedorven en moest vele veranderingen ondergaan. |
3
18
|
aVTIITTp, /3'. 'OveipótpxvTOi 5f 7r£vS-j,u,xlt;rtv TrapsiTi ló^txi (pspovtrxt xlt;xpiv y.xrxix-j. IJLXTXV yxp sit' xv hbXx ris loxüv cpxv Trxpxl./.i^xvx hoc z£püy, (Sépxxsv oipig ovo/jt,' sS' vtrTspcv Trrspoï? OTTxholi; VTTVOU rei [th y.xr' ohov: ê(p' sarlx; amp;w tx S' sar) xxi rwvS' uirspfixTOv ffépx. to ttx-j x^p' quot;EM.xvo: xixs wvoppévoiinv TTSi/SfetX rX,'/.£(Tly.Xpc)ICZ SdpiCM 'f/MtTTCU TTpéTTSt. 7roX?.x yoïiv cldxvsT rroö' faxp' cu? [J-h yxp Ti: 'éziy/psv oicieu, x'jt) Sè CpurcSv tsuxv y.x) airóho: eU éy.x-(TTCU lipov; aQtwelrxt. (Trp. y', 'O xputrxitoipo; §' quot;Apyg lt;rapt,XTcov y.x) Tx/.x'jrchxos èv yMXV ^opoc KvpcoSrh £§ 'UJov (pi'/.oivi Trinket fipx^v ypyjyfzx quot;SvijSixpuTOV av-ryjvopot; (nróiïoü yspii-%uv gt;J(3gt;jrxi svSstoijc, (rrévowi S' sv héycvTec xv- quot;Spx TOV (Mr'J âW-r [JMWi 'tipii' to S' sv (psi/xlc y.x?.cis Trsieh x/J.OTpixg hoïl yuvxixoc'quot;' Txhs (rïyx tic pxvamp;i. ipbovspov 5' vtt' x?.yof spvst v. 402 rodil. 57£v9ij|«ovfc, emend. K. -- v. 404 codd. fidravyxf £vt ïivt emend. K. -â v. 406 codd, ov fAamp;vffTepcv, emend. K. â v. 407 codd. KttevSoie, emend. K. â v. 409 codd. iirepficiTurspa, emend. K. â v. 410 codd. aCp' 'EAAstëo? UiX:, emend. Franz. â v. 411 codd. rXwixafStcs, emend. K. â v. 413 codd. Btyyavsi Ttpiq ?Tap, emend. K. â v. 414 codd. ykf errejuiJ/sv, emend. Porson. â-v. 421 codd. {3scp0, emend. Schiitz. â v. 423 codd. ei^énv, emend. Auratus. â v. 427 codd. TCGquot;SVT , emend. K. â v. 428 codd. emend. Hermann. |
Tweede tegenzang. In droomen, ja, zweven schijnbeelden aan, Doch brengen, ach! aan zijn leed ijd'le, valsche vreugde. Vergeefsch het grijpen naar het sehoone beeld des waans; 't Vervloeit, ontglipt der hand, die grijpt. Het droomgezicht, voortaan een naam alleen; Zijn vlugge wiek volgt den weg der slnim'ring.quot; â Zietdaar, wat leed 's konings hoogen burg bewoont; Doch grooter wee heeft geheel het land bezocht: Om allen, die met den vorst Hellas' grond verlieten. Gevoelt eens ieders vaderhuis Des kominers hartgrievend wee. Dies verheft hoog het hoofd de wrevel. Want, wien iemand zag heengaan, Weet hij, doch voor de strijders Ziet in stede zoo menig huis asch en wapenen keeren. Derde zang. De lijken-inwisselaar, Ares, hij, wien de speer bij den strijd ter weging dient. Hij zendt, verbrand, vrienden stof Van Troja toe, kost'lijk stof, Bitt're tranen wekkend' asch, in de plaats des mans, en vult met die schatten urn aan urn. En roemend klinkt de droeve klacht: âWat man! ervaren in den krijg!quot; Of wel: âEen sehoone dood voorwaar: sneuvelen voor eens and'ren gade!quot; En zoo mompelt men in stilte; En 't verwijt des kommers sluipt reeds V. 409. Blijkbaar wordt hier zijdelings in Agamemnon gegispt, dat hij wegens een vrouw den verderfelyken oorlog tegen Troje ondernomen heeft. â V. 418. Ares wordt hier een Ijjken-bankier of wisselaar genoemd; opmerking verdient, dat evenzoo de groote Engelsche dichter, JEschylos' geestverwant en evenknie, in zjjn Koning Richard III (IV, 4, 72) van dezen zegt: âSlechts Richard leeft, der helle zwarte speurhond, Gespaard, opdat hij haar als maak laar zielen Inkoop en toezend'.quot; |
19
|
Trpslixois 'Arpstèixiz. Cl S' UVTOU TTSp] TsJX^ yvla: 'I/./iSs? yxg söy.opTCi Kowkyfiwir amp;x~ §px S' e%ovTX: 'éxpiHpsy. 435 iXvt. y', ïixpsïx §' «(rrav CpxTic 'hwy.ÃTcf sypixpcetou §' dpié: t'ivsi xp*0*-/iévsi 5' ciy.ovex! ri [tot [tèpipvx vuxTvpsCpèi:, Tav TTOhuxróvav yap cvk »lt;ry.07r0t SsoL xsXxi-vxi S' 'Epii/ve? XPWQ ruxipw CVT xvsv ïiixx: TrxhMTpifisl ruxlt;f piov Tamp;sïa' dftctupcv, êv 5' Ui- 445 (TTOit: TeïJöovTog outl: xly.ti,' to 5' ÃTrspnÃTTMf yJ.vsrj su fixpit- PxM.sTxi y' ipoyxoif AióSsv y.epy.vvó:. â xplvu 5' bföovov oï.fiov, 430 siyv TTChimpbys, fiyr' ovv auTOC aMv: ini k'K-Xa filov xxréloipi. XOPOS. o tx!. nu/36,quot; §' int eöxyysï.ou é /3 . ttóKiv quot;èiyy.si Soa [vpog VJou] 455 /3l*£^J⢠el §' sTtjTVfiog â v. 433 codrt. ^i-nxg IA. â v. 434 oodd. evpepQoi, emend. Ahrens__- v. 436 codd. ffCv kótu, emend. K. â v. 437 codd. SyiiuoxpxTcv, eraend. K. â v. 438 oodd. T( «5'j, emend. K. â v. 444 oodd. jrxAiv-Tpi(3« |3(0i/, emend. K. â v. 447 codd. in-spxórus, emend. Henth. â v. 448 codd. fiiXXtrcci yap ïaaotc;, emend. Ahrens. â v. 452 codd. etWuu, antum. Karst. 'iXKu. â v. 453 codd. HXTiSotfit, eraend. Valckenaer. â v.v. 455 et 462 lacunas expl. K. |
Tot den troon der heerschers. And'ren wonnen een akker Ginds bij Ilions muren; Eig'naars zijn zij van 's vijauds grond; docli â die dekt de bezitters. Derde tegenzang. Onzalig, wien 't volk met toorn zwaar belaadt, want den vloek, dien het nit, ontgaat hij niet. Dies ducht mijn zorg, dat mijn ooi-Dra leed verneemt, zwart als nacht. Want wie veler bloed vergoot, slaan de goden ga. Zoo 't lot tegen 't recht hem heil verleent, Verdooft der Wraakgodinnen nacht zijn trotschen glans, en plotsling wordt Hij weggevaagd; zijn vroeg're kracht, ijdel, verdwenen blijkt z' in 't duister. De te hoog verheev'ne valt steeds Allerdiepst; der bergen top treft met haar flits de godheid. â Nijdloos heil zij het mijne; 'k Zij geen stedenveroov'ra ar. Noch ook zelf, bij een vreemde slaaf, 't hart van kommer verterend. (Men hoort achter het tooneel luid jubelende vrouwenstemmen.) Koor. Eerste rij. Eerste g r ij s a a r d. Door stralend licht aangebracht, Tweede g r ij s a a r d. Doorijlt de stad wondersnel het heuchlijk woord; doch is 't waarheid, wat het meldt? V. 434. Do oorspronkelijke, hier gewijzigde tekst spreekt niet van âakkersquot; maar van âgrafteekens;quot; het gekozen woord schijnt beter in overeenstemming te zyn met den bytenden toon, die hier heerscht. â V. 436. Natuurlyk is hier Agamemnon bedoeld. â V. 443. De wraakgodinnen zjjn door de gevallenen gewekt. â V. 453. Het oorspronkelijke zegt woordelijk: âmijn leven opetend, verterend.quot; |
20
|
o y. t/? olZsv si ti Seïóu sart py â â¢póbog; ó §'. Tl? wSf ttxiSvo; ij (pfsvüv xsxcpyjvs?, â¢460 465 o s. tyXoyoq Trxfxyyb^ixrjfj o 9. véois TrvpaShTX xxp'Sixv, cttsit dXAxyü KÃyou xxpsïv. ó r. Tvvxixo? MXW kcsttsi [y' u7ry,y.iou: o yi'. xevotppcvuv 5/' JAotSwv] a Trpo toïi (pxvévTOs eüxxpi i;vvxivélt;rxt. o i. Uüxvii; xyxv 'o SijAu? STrnpéx*' Spw ó ix'. rxy/iTrcpoq- xXKx rxxv^opov 'o ,13'. yuvxixcyxpuTOv c).Kvtxi xhéoc. |
Derde grijsaard. Wie weet toch, of niet bitter ons een god bedriegt? Tweede rij. Vierde g r ij s a a r d. Wie kan zoo kindsch zijn, of zoo dwaas door waan (verblind. Vijfde grijsaard. Dat, door der vlam wondernieuws. Zesde g r ij s a a r d. Hem 't hart ontgloeit, blijde klopt, en, dra verkild, d' ijdle tijding diep betreurt? Derde rij. Zevende grijsaard. Eens vrouwentroons onderdanen sta het vrij. Achtste grijsaard. Zich vleiend met een looze hoop. Negende grijsaard. , Het heil te prijzen dat men wenscht, â aleer 't verschijnt. Vierde rij. Tiende grijsaard. Wat vrouwen praten, vindt te licht alom geloof Elfde grijsaard. In korten tijd; doch kort van duur Twaalfde grijsaard. Is ook 't gerucht, door een vrouwenschaar verbreid. |
|
v. 457 codd. ri( oïSiV if rei, omend. Hermann. â v. 462 codd. èv â¢yvvciiieoe, emend. Porson. â v. 463 codd. ßiv, emend. K. â v. 464 codd. ó SvAi/? S'f®? èvivé/xeTM, emend. K. (in litteris ad me datis). |
V. 457. Achter het tooneel klinkt het jubelgeroep van vrouwen (zie v. 573); de voorzichtige grijsaards, die nog bevestiging van het gerucht verlangen, vernemen dit met tegenzin en spreken hun twijfel niet zonder bitterheid uit. |
21
|
«MTAAH. Tax' shópeaSx QxscrQfyuv CppVKTUpiMV TS KXl Ttvfoi TTXfllXhXyis, sir' ovv fZ?.yi^iï: sir* ovsipxTccv 'Slxyv rspTvov tfi's' faamp;sv lt;j)w? sQyhuaev (ppévxi. 470 Kypux,' txTr' axrij? tcVS' ópü xxraKriciov xXccloi: iXxx:' [AxprupsT Sé [Mi XXGII; tt ij Kou ^iivupoi; h^ix y.i'jic rxhe' [xvtoü (TTiftoifiv STpcTXi TrlijSoc trrpxrov.] 'O S* out' xvxvSo? outs 701 Ixlccv Cpy.óyx V/.-/I: ipeixt T/tuxvsi xxirvy %vpoc, 475 x/J.' % ro xxlpuv [j.x/,).ov sy.pxi;£t hsyuv tov xvtiov §s roluV xKoa-répyu Koyov. Eu yxp Trpbi fu (pxvsïiri TrpoirSytmj tts'aoi. X0P02. quot;OïTl; TxV X'A'/.COq tjjs' STTeUXSTXl TTCÃ.Sl, XVTOS Cppsvüv XXpTTO'lTO Tyv X^XpTlXV. 480 KHPTE. '1« vxTpuoy ouSx? 'Apysix: yfiovo:, Ssxxtov (TS (péyyei rccl' x^mó^v 'hou:, ttoWw pxyeitrccv èhirfSuv ftix? tuxamp;v. ou yxp ttot y,üxouv rp' h 'Apyslcf. öxvuv fiedé^iiv CpiKTxrov rxCpou [/.spo:. 485 Nüy %xTps ph xbccv, %xïps S' â¢/jï.iou Cpxot, ükxtoc ze xupx? Zshc, ó TlóStóc t' xvx%, ró^oii 'IXTTTUV wtir' s'ic VHM; fiïky xKts irxpx 'S.xxpt.xv'Spov y/S' xyxpa-lw vüv 5' xire trwrvjp 'laSn xx) irxiüviog, 490 quot;Avx!; quot;Attoa'aov. to\jc t' xycovloug Bsovg â zxvtxc Trpcaxvlü, róv t' ipiv npuiopov vv. 467 â 478 codd. Clyttemnestva! tribuunt, emend. K. â v. 473 codd. !-vvavfC$, emend. Karsten. - Ver sura aequentem inseruit K. -y. 474 codd. aiq (amp;$) cut' 'ituvacc, emend. K. â v. 482 codd. êéKXTU, emend. K. â 489 codd. (^amp; ) èwciftios, emend. K. |
Wachter (op het dak van het paleis, gedurende de laatst voorgaande regels door hem bestegen). Dra wordt ons kenbaar, of der toortsen flikkerlicht En dezer wachten en des vnnrs opvolgend sein Waarachtig waren, of hun glans, een droom gelijk, Door blijde straling onzen geest bedrogen heeft. 'k Zie dien heraut, beschaduwd door olijvenloof. Van 't strand ons naad'ren; wild opdwarr'lend dorstig stof. Van 't slijk de tweelingbroeder, overtuigt mij klaar: Een groote legerschare volgt hem op den voet. Niet als een stomme bode meldt hij u zijn nieuws, Niet als 't ontstoken bergwoud met een wolk van rook. Neen, duid'lijk sprekend, wekt hij ons tot hoog're vreugd; Of â doch ik huiver, spreek het tegendeel niet uit. Want zegen voeg' zich bij de vreugde, reeds ons deel! (Hg daalt af in het inwendige van het paleis.) Koorleider. Wie dezer stad een ander lot te wenschen waagt, Die oogste zelf de vruchten van zijn boos gemoed! Heraut (optredend). O dierb're bodem, Argos, mijner vaad'ren grond. Bij 't zonlicht van dit tiende jaar begroet ik u, In meen'ge hoop bedrogen, in deze eene rijk. Want nooit verwachtte ik, dat mij eens in Argos' grond Het lot van 't liefste graf beschoren wezen zou. Wees nu gegroet, land! wees gegroet, gij zonnelicht! Gij hoogste schutsheer, Zeus, en gij, o Pytho's vorst. Die thans geen pijlen van uw boog op ons meer zendt, â Aan den Skamander was hun zwerm ons boos genoeg, â Wees nu de redder weder, wees genezend god, O vorst Apollon! U ook, goden, die de markt Beschermt en hoedt, begroet ik; mijnen schutsgod ook, V. 481. De heraut komt van buiten, en treedt dus van do linkerzijde op; als vredebode draagt hij olijftakken. Hij is de voor-looper des konings; zyne taak is vooral, voor het leger de godheden des lands te begroeten; van daar, dat hij niet dadel|jk op het koor let. |
22
|
'Ep.aij!/, Qi'/.cv Ktipmix xyipvuuv tréfixg, vipus re Teug TTS^xvtxc, su^svsl; TTKXIV (rrpxTOV léxstrSrxi rhv teteiwAvcv riopóz, 495 Iw [ASAotipX pixvlhéuv, CpihXI (TTSyXl, (7Sf/,vc! T£ daxct, Sxlftcivsi; t' xvT/ikici, 497 §£^9-amp;£ xórpai (ixzü.ix iroK'/Iv xpóvy. 499 gt;})(£; yct-p i[/,Tv (püc êv evCppcvy Cpépuv 500 kx) tcItV xirxTi Mivov 'Ayxpspvwv xvxt;, 'A/.gt;.' eu viv xtttxtx^s, kx) yxp ouv irpéirsi, Tpolxv kxtxtrxaipxvtx tov ^ty.^ópou Alk pxxamp;Xyi, rij y.XTeipyxTTXt Trehov pw/mi s' aitïtoi kx) Sfeüv 'ihpüpxtx, 505 KX) TTrspi^x Trxay: t^xTróX'/MTZt Tow'i/Sf Tpciir) TrspipxïMv ^evKTypicv xvx^ 'ATpsi^c Trpsa-pui svlxipixv xvyp vjKst, Tieabxi y xamp;cotxtoï ppotüv tüv vüv Tlxpig yxp cure iruvtshijs m?,ic 510 £!;SU%£TXl TO Ipx^x TOV TTxboU; 7rgt;.SOV. 'OCphccv yxp xpTrxyyjc tc kx) KkOTrijs tov putrlov y faxpte kx) TrxvccXeSpov XVTÃXSovov TrxTpüov sSpiosv quot;hó^ov quot;èirrKx S' 'h 1(7xv Uptx/yJlxi bx'ixpTix. 515 X0P02. Kijpv!; 'Axxiüv Xx^P£ T®v X7ÃO (TTpXTOÃ, KHPTE. Xxlpoo' bxvslv y' cvk xvTspcc bidïq art, XOPOZ. quot;Epus Trxrpyx? T'/t'/ie ySjc tr' èyvpvxïev; post v. 497 codd. v.TTtv Ticikxi (Flor. iruhui) Qcuifo7lt;ri roiaiS' 'ó/ifictatv, dolevit K., hocco quippc trimotro e duabis glossis ad v. priccodontom pcrtinentibus conglutinato. â v. 507 codd. Tpoitp, emend. K. â v. 509 codd. rieaoxi S', emend. K. â v. 517 codd. %ciifu' rcbvüvxi S' cvx ctquot; avrtpS amp;£0(?, retinui xccipu, ceterum Nnberi emendationem sccutus, solummodo V in y' mutato. |
Hermes, der goden bode en aller boden roem; En u, heroën, die ons uitzendt, gij, ontvangt Het leger, door de speer verschoond, hier gunstrijk weer! (Hjj koert zich naar het paleis). O hooge hallen, mijner vorsten dierbaar dak, Eerwaarde zetels, goden, gij, door 't licht bestraald. Ontvangt in feesttooi onzen heer na langen tijd. Want u en eiken huize hier de nacht in licht Verand'rend, komt nu Agamemnon, onze vorst. Op, op! verwelkomt hem met vreugd, het komt hem toe; Hij spitte Troja neder met des hoogen Zeus' Rechtdoende spade, die den grond heeft omgewoeld. gt;' Der goden tempels, hun altaren zijn gesloopt, En 't laatste zaad van 't gansche land kwijnt weg en sterft. Ja, zulk een dwangjuk legde hij den Trojers op. Hij, 's grooten Atreus' oudste zoon, gelukkig man; Ginds keert hij, eere waardig boven elk, die thans Op aarde leeft. Noch Paris, noch zijn stad vermag Op schuld te roemen, door de wraak niet achterhaald. (Hjj wendt zich tot het koor). Want hij, de schuldige aan verraad en roof en vlucht. Verloor zijn roofgoed, wijdde, met zijn vaderland. Het huis der vaad'ren aan verderf en ondergang. Ja, dubbel boette Priamus' geslacht de schuld. Koorleider. Heraut van Argos' leger, heil zij u en vreugd! Heraut. Die smaak ik; waar' 't der goden wil, ik stierf getroost. Koorleider. Dns heeft verlangen naar dit land uw ziel ontrust? V. 497. De âeerwaarde zetelsquot; zyu steenen of marmeren banken, waarop de koningen by het rechtspreken en het leiden der yolks-vergaderingen zaten. â De âdoor hot licht bestraalde godenquot; doelt op de godenbeelden aan den ingang van het paleis. â V. 505. Men vergelijke v. 327. â V. 506. De kinderen worden bedoeld, die in gevangenschap geraakt waren. |
23
|
KHPT3. quot;nar' ivüxxpveiv y' op/tx vvv xxpxi vtto. X0P02. Tspmyt xp' yrs stt^oaoi vóaov â 520 KHPTH. IIw? Sy; roïihs Setrmiru XÃycu. XOPOS. Tüv xvrepcivTuv ï[Aépu irsTrtyypévoi. KHPTH. rioSfn/ möovvrx Tyvcis yijv vtpxtov key sis; XOPOS. 'XI? ttÃ/.K' xptxvpxt; sk (ppsvó? p xi/xtrréveiv. KHPTH. nJamp;fy ra tvvQpov toüt svijv aoi y' w? rrrpxTÃ; 525 XOPOS. na/.^; ra (Tf/Sy (pxpiAOMOv phxpys 'éxüi. KHPTH. K«) ró?; xmvTcov xsipxvciiy 'érpsig rivxs; XOPOS. i/üy, to erov ly, y.xi bxvelv 7rs?.?.y zxpis. KHPTH. Eu yxp KSKpXVTXI. TXÃTX S' SV 7rO?./M xpóvcp TX [ASV Tig XV hè!;£l£V SUTTSTÃS SZslvl 530 rx S' xvrs y.xTrlftoptpx. t/,- 5f 7r?.y,v bsüv v. 519 codd. on/xctiriv eraend. K. â Farn. èxSuKfviiv- â v. 520 Flor. xp' 'ian, â v. 522 codd. nsnXviyiAéns, emend. Schütz. â v. 525 codd. UTvyoc; ffrfara, em. K. â v. 527 Flor. Tvpdvvuv- â v. 528 codd. S\J vüv, emend. Ahrens. â t. 529 codd. ev yuf iréirpciKTai, emend. K. â v. 530 codd. ev Aéljeiev, emend. Porson. |
Heraut. Zoo, dat het oog mij nu in vreugdetranen zwemt. Koorleider. Een lieve krankheid was het, die n lijden deed. Heraut. Hoe dan? verklaar dit, leer uw rede mij verstaan. Koorleider. Daar gij naar wie n wederminnen hebt gesmacht. Heraut. Verlangde naar 't verlangend leger, zegt gij, 'tvolk? Koorleider. Vaak loosde ik zuchten uit een donker, droef gemoed. Heraut. Van waar bewolkte ook u, als 't leger, donk're zorg? Koorleider. Reeds lang is zwijgen de een'ge heeling in mijn leed. Heraut. Hoe? duchttet ge in der vorsten afzijn and'ren dus? Koorleider. O nu, 'k herhaal uw woorden, waar' mij 't sterven zoet. Heraut. Ja, schoon is de uitkomst! Toch, in dezen langen tijd. Beleeft een ieder menig voorval, dat verheugt, En menig ook, diep grievend. Wie, dan goden slechts, V. 524. De koorleider geeft hier, evenals v. 19 de wachter heeft gedaan, verbloemd, doch voor ingewijden duidelijk, te kennen, dat het in het koninklijk paleis niet toegaat zooals het behoort; hjj ontwijkt v. 528 de vraag van den heraut, die nadere opheldering verlangt. |
\
24
|
omoit/t atryiftuv tcv 01' alüvoe xpiwv; ftóxScu: yap si sJycipi irci â jxvyJ.yplxc uTrapyd: re ptVsW kx) xxy.octpiitovc, ri S' au; sii/x) yxp faxv vylav Trpoc CfpaypKTMV aisvov tóV oil xdhi y, Stv â /ipcxrog [sJpoc. Tx o' xuts 'fdpire xx) tt/Jov trruyoc' è!; cvpxvcü yxp xxtt'o yy,c Xstitavixg ppsypo) xxrsipxxxamp;v, epTrshov trivoc, SKbvpaxTuv rüévTsi: xvSypcv Xfóx. xsi/tccvx S' el ï.tya n: cikvoktovov olcv TTXpax' XCpepTOV 'llxix X'^11 gt;1 Stechmc, turf ttcvtcs iv [/.svyipppivxTi; xohxis xKuy.uv i/yvspioic evict irsa-uv Ti txvtx TrsvSeïv lel', Trxpolxsrxi mvcg' TixpoixsTxt lil, Tcüai i-ih TSSVWSO-IV to xïibis wV xvxtnvivxi //.é/.eiv. yjyJv Is toIc '/.ciTrcJmy 'Apysixv trrpxrov viy.x to xéploc, Trijy.x S' oux xvrippcTrii. ti tovc xvxlccSèvTxc êv iptiQcp hsysiv, tcv ^üvtx S' xhyov; xw tvxs?v vxaiyxotou; XXI m).}M xxipslv (Tup/^opxc XXTXi-UC. 'fi: y.c/j.7:x(7xt txI' iixos faiou Cpxei vTrip bx/.xTcy: xa) x^m'0? KOTupéms' âTpolxv sXÃvTec tot' 'Apysluv stoIos èsoï: /.dQvpx txvtx toIc xxb' 'EhhxSx Hftuv sttxvgxJ.sugxv xpxxiuv yxvsc.quot; toixvtx xpv x/.vovtx: suKoyelv ttóxiv xxi tovc ittpxtvycvs' xxi x^p'^ tiwlt;t£txi A;c? tiv sxTtpx^xax. hxvt'' }.iyov. 560 |
Blyft in der tijden afloop vrij van alle smart? O, wilde ik spreken van den zeetocht en zijn leed, Het karig slapen op de harde planken, â ja. Want onze ligplaats was, de boorden langs, op 't dek, â Voor onze klachten waar' de duur eens dags te kort. Maar wat te lande ons wedervoer, was erger nog: Des hemels regen en het vocht des weidegronds Besproeide rust'loos, â en hardnekkig was de kwaal, â De huid, en wekte er welig bloeiende' uitslag op. En wie den winter, die de vogels sterven deed. Zooals der Ida hooge sneeuw dien bracht, beschreef. Den gloed des zomers, als de zee vaak, golvenloos. Loom op haar middagssponde neergezonken, sliep, â Doch waartoe klachten? Thans is alle nood voorbij! Voorbij; voor allen, ja, die ginds gestorven zijn. En die niet eens verlangen ooit weer op te staan; En ons, van der Argiven legermacht gespaard. Weegt thans de zegen al 't geleden lijden op. Wat baat het, na te reek'nen, wie verloren zijn. Wat zou, wie leeft, de felle smart herleven doen? Dien rampen, acht ik, zij voor goed vaarwel gezegd. Voorwaar, wier heug'nis over land en zeeën zweeft. Hun past het staven van hun roem in 't licht der zon: âTroja's veroov'raars, keur van Argos' jong'lingschap, Zij hebben Hellas' goden dezen buit gewijd. Den ouden tempelwanden nieuwen glans verleend.quot; Wie dit verneme, loven moet hij deze stad En zulke legerhoofden, roemen ook de gunst Van Zeus, die dit gewrocht heeft. Alles weet gij thans. (Klytemnea.i'a treedt met liaar gevolg uit het paleis.) V. 533. Schoon do heraut blijkbaar âEind goed, al goedquot; tot leuze heeft, kan hjj niet nalaten den geleden rampspoed te herdenken. De Grieksche tekst heeft hier veel geleden en het heeft viij wat moeite gekost, uit de overblijfselen een geheel samen te stellen, dat waarschijnlijk niet veel afwijkt van den oorspronkelijken tekst en den grooton dichter niet onwaardig is. â Men merke hier, als op zoovele andere plaatsen don symmetrischen bouw van het gedicht op; in 2 X 8 regels schildert de heraut het verledene, in 2X8 regels werpt ïuj een blyden blik op de toekomst. â In v. 666 verplaatst luj zich in een veel lateren tijd en leest met het nageslacht de opschriften, waarmede do overwinnaars een deel van den oorlogsbuit aan de goden gewjjd hebben. |
534
637 635
536 538
540
546
661 652 548
550 553
555
1
533 codd. Kéyaifii xct) iiazvMcu, emend. K. â v. 634 codd. axupvxs }raf^ei(, emend. K. â v. 637 codd. svvuï yap vauv Syluv ?rpo; relxtiriv, v. traiisposuit et emend. K. â v. 635 codd. ffTÃvovTS? oi a3£%6vt£$ v.fjiaTtq //f'fss. emend. K. â v. 636 codd. ncii Trpoaijv jrAf'ov arCycf, emend. K. â v. 638 codd. Xeipiuviai, emend. Schütz. â v. 639 codd. Sfsioi XKTeJ/ÃKaSsv, emend. K. â v. 640 codd. icbvpuiTuv ribsvTCi; fvSupov Tpi'^a, emend. Weil. â v. 646 codd. xxfolxerxi Sè, eraend. Rauchen-stein. â vv, 561, 562 transposuit EIberling. â v. 649 codd. S' uXyéïv %fyi emend. Ahrens. â v. 550 codd. auptQo-
pxTc, emend. Blomfield. â v. 653 codd. Tüês, emend. Weil. â v. 557 codd. èópicts . , . ccfXxTov, emend. Hartung.
25
|
XOPOS. timxpevoi; XóyoKriv om Hvalvoi^xi. ae) ykp yfiö. vovg yépovtriv su fixSsTi/. §£ TXÃTX xx) lOMTXlfiV/jfTTfCi (XS'/.SiV siy.o: iakXkttx, ruv Sè TT/.cjTi^sii/ s/té, KATTAIMNHSTPA. 'AvuXÃKu^x (th 'iraKxi xxP^ uttö, 565 ar' fay o irpaiTOS vuxios xyysXoi; Trupic, cppxamp;v »XM7iy 'V.iov t' xvxttxgiv. xxi rig ft' svItttuv sïirs, â(ppvxTupüv lix ttsktSsTvx Tpulxv vvv TrempSijaSxi iïoy.sTc; ^ Kxprx ttpoe yuvxmoc x'ipszbxi y.éxp.quot; 570 hdyoig roiovtoig tthxyxto? ovt' itpxivipyv. 'dfiw? S' sSuov, xx) yvvxiy.sicc véitcp iXoXuypM!; xKXo; xhhoSev XXTX tttoXIV SÃ.XTX.OV £U!pgt;lf/,OVVT£g iv ÃSÃV iSpXIS, duyCpdyov xoi,uixvT£i euxly lt;p?*dyx, 575 xx) vvv tx ftxTtrcc ftiv tI ïisï tr' êfto) ï.kyeiv; XVXXTO: XXJTOV TXVTX WSUtTO/AXI /.cyov. quot;Ottccs S' xpiTrx tov ê/tiv xllolov ttoviv (TTTSWU TTXhtV //.OXSVTX Séi-XsSxi, Tl' yxp yvvxix) tovtov Cpéyyog {jSiov opxy.sïv; 680 xtto rrrpxTslxc xvlgt;px (ruTxvrc: Srsov TtvXxg xvol^w txIs S' xirxyysO.ov Trcrrsi' üxeiv ottccc rixxiaquot;r' spxa/Miv xiter yvvxïy.x TricTyv S' sv Sóftois evpoi fto?.ccv ci'xvTrsp ovv e^EiTre, ^afiXTMV y.uvx 585 èvSxyv èxslvcfi, TToXsfMXv roTg IvtrQpoviv, xx) TdJAA' 0;j,0ixv TTXVTX, (T^y.XVT'JjpiOV ovSsv 'StxCpbsipxaxv sv i^xsi xpóvov. cu§' oï'hx Tsp\piv ouS' STrhpoyov (pxriv xXkov ttpos xv^pos [txXXov if xxgt;.y.ov (jxCpxg. 590 v. 562 cmid. tiflp ro7q yéfsviriv, eraend. Enger. â v. 573 codd. hXoXyyfiiv, emend. K. â v. 582 codd. ttuXx!; avol^xi; tuit' airHyyeiKcv, emend. K.; Weil priofert ai Sè raS' èiyyiiXov. |
Koorleider. Wel overtuigend is uw woord, ik loochen 't niet; Want ook bij grijsaards blijft de geest tot leeren jong. Doch uwe tijding geldt vooral dit vorstenhuis En Klytaemnestra, schoon ze ook mij gelukkig maak'. Klytaemnestra. Eeeds lange juichte ik uit de volheid mijner vreugd, Toen de eerste vuur'ge bode, stralend door de nacht. Van Troja's val en ommekeer mij tijding gaf. Wel zeide menig spotter: âOp dat fakkelsein Vertrouwend, waant gij, llion ligt nu in puin? Voorwaar, 't is vrouwenwijze, lucht van hart te zijn! â Bij zulk een taal, ja, scheen ik zwak, verdwaasd van (geest; Maar toch, ik offerde, en naar vrouwenwijze klonk Nu hier, dan ginder, door de gansche stad weldra Aan godenzetels 't luid gejuich der dankbaarheid, Het flakk'ren temp'rend van de geur'ge wierookvlam. En wat behoeft gij mij liet verd're kond te doen? Dra hoor ik alles uit des vorsten eigen mond. Doch ijlen moet ik om mijn waardigen gemaal Bij zijn terugkeer wel te ontvangen, â wat toch is Een zoeter lichtstraal voor de vrouw dan 't zien des (mans? â En open hem, dien uit het krijgsgewoel een god Gered heeft, wijd de poorten. Meld gij mijn' gemaal: âHij kome haastig naar de stad, die om hem smacht. Hij vindt zijn gade, trouw zooals hij haar verliet. Als altijd waaksche hoedster van zijn woning weer, Hem toegewijd, der boosgezinden vijandin, In alles aan zichzelf gelijk; ja, nooit verbrak Zij eenig zegel in des afzijns langen tijd. En and'rer mannenliefde, â zelfs de laster zwijgt, â Is mij een afschuw, zooals verven van het staal.quot; V. 574. Dit is het gejuich, dat, blykens v. 454, aan het koor voorbarig toescheen. â Men schreef aan gejuich de kracht toe, om het ongestadig opflakkeren der offervlam to temperen. â V. 590. âVervenquot;, men versta âdoor bloedquot;, als in den kryg; Klyt. kan hierbij ook aan den ontworpen moord denken. De Grieksche uitdrukking wordt verschillend verklaard. |
4
26
|
ToicaV o xóftTTOi TTx? xXybeixc oitx alir%pè; tl: yuvxixi quot;/svmx'iv. hxxsTv. X0P02. Avry [tiv outcc;' sJtts nxvsmovtt net Topoïviv hpityivsuciv suTrpsTrïc? hoyov [«quot; écttQ' 'ixuryiq xx) yuvxixsluv vóftav.] (Tii §' iiire, xvipu^, Mwstecw Sà KeuSopxi, e'i vcirTt{j.ói ye xz) (rsacctrpévos 7rci?.iv yxei irvv -jiuv, yiji; lt;pl?M trTpxrü-, KHPTE. Oüx strb' Smit '/.s^xi^i tx -JssuSij xx/.x i? tov 7rcgt;.vv Cp!/.ctlt;rt xxpmü^bxi xpóvcv. XOPOS. n«? SijT' xv SITTUV y.ihx rx/,^5^ TUXOI? i tsxic^ivrx S' oux süxpuTrrx yiyverxi riite. KHPTE. 'Ai/gt;jp xQxvto; £? Ax^nxod arpxTOÃ, XXjTüi Ti XXI TO Tt'/.olov. OU ïpSV^Ãj '/.(yu. XOPOS. ïïórspov a.vx%fj6)s êftQxvüe 'IA/cu, ij xe^!J'xi xoiviv xx$oc, ijpTrxffs (npxTOv; KHPTE. quot;Exupirxi; cctts to^óry: xxpo? sxozoü' //.xxpov §« Trijpx cruvrófiui; s^y/titra. XOPOS. Tlórepx yccp xvtov ^kvto; $ tamp;vjyjrcc cpxti? ttpo; a'/.'/.w vxvtikccv ixky^sro; |
Zulk zelfbewustzijn, dat de waarheid meldt, niets meer, Is onberisplijk in een vrouw, die edel is. (Klyteemnestra treedt met hanr gevolg in het paleis; de deuren worden wjjd geopend). Koorleider. Zoo sprak zij zelve; tot uw leering sprak zij uit Met alle klaarheid, die aan goede tolken past, Wat gij moet weten van haar vrouwendeugd en doen. Maar gij, heraut, bericht naar waarheid mij ook dit: Of Menelaos, weibehouden weergekeerd. Met u, 't geliefde leger dezes lands, daar komt. Heraut. Ik kan niet wanen, dat een vrome leugen ooit Aan goede vrienden op den duur tot zegen strekt. Koorleider. O, spraakt gij waarheid tegelijk en heug'lijk nieuws! Gaan die niet samen, dra wordt dit voor elk onthuld. Heraut De vorst, â verdwenen is hij uit der Grieken heer, Hij en zijn vaartuig. Geen onwaarheid meld ik u. Koorleider. Hoe was 't? hij zeilde voor uw oog van Ilion? Of scheidde een storm hem, allen treffend, van de vloot? Heraut. Getroffen hebt gij, als een scherpe schutter, 't doel; Een grooten rampspoed spraakt ge in weinig woorden uit. Koorleider. En kwam van and're schippers geen bericht tot u, Of hij nog leeft of reeds den dood gevonden heeft? |
|
v. 591 eodd. T?? ccXySslctf, emend. Meineke. â post. v. 594 versum inseruit K. â v. 597 eodd. emend. Karaten. â (pïXov xpcirof, emend. K. |
V. 593. Het koor, met den omgang van Klyttemnestm met jEgistlios bekend, spreekt natuurlijk ironisch. |
27
610
|
KHPT3. Ouk oï'Ssv oySf)? «Vt' XTTxyyclKxi ropüs, 7rgt;,ijv TOÃI rpéQovTo; 'HA/su x^sv^ tpuiriv. XOPOS. nw? yap ksysi; xsi[/,üv» vxurixy trrpxTà shSsïv tetevtqtrxi ts iïxtpo'vuv kótcc; KHPTH. ilw? ra?? kxkoïsi vvft/tH-u, Xéycov xfxlov, om cèpyviTCv bsoïi;; quot;LccTtipiuv ys Trpxy/txTuv söxyytkcv yicovTX irpos xxipovcxv svcvtoI iróhtv evtpypov ij,u.xp oii TrpsTrn y.xxxyyikx ygt;.irTlt;Ty [iixivstv xuP^ Smv. otxv S' ixtreuktx try^xr xyytxoz ttó'/.si eTuyva TTpoffuTrcp TTTCcaiiiou vTpxTOv (pépy, TTÃkSl pèv SÃMOi h Tl, llijfiiov TUXW, TTO'/.Kouq Ss koXXkv s^xyiaèsvTxg Só/avv ai/Spxc SiTThfj [/.xaTiyi, tvjv quot;Apvn (piï.sl, Vihoyxn XTVIV, Cpoivixv ^uvccpilx-roiuvls ftSVTOl KtlfAXTCOV VSTXyfiiVOV â¢xpéirsi ï.éysiv ttxixvx rcvV 'Epivvcov, s.vvamp;iaovxv yup, ovte; exsiftoi to 7rp)v, trüp y.x) Sx/.xititx, y.x) tx w/ffx' shsi^xtviv cpbelpovts tov (iuttyvov 'Apyslav trtpxtov. [XTTXC S' SI/.WXT oupxvoc PpOVTyilAXGIV, (TTspoTxï? Te y.x^irpxlg kx) y.epxvvix; (p/.cyoi; piTTxlg 'ilsïv yjv Cpeyyoc ypspyjtnov] sv vvktI, lucncuptxvTX S' clpamp;psi y.y.xx TTpxTov KXfióvTO? KX) XXKSI? tTTrolou^svsu yji;/.üvt tiitpü (rui/ ^xxxi; c/aPpoktvttx. vxïis yap ttphs x^KyXxivi Qpyxixt ttvox) 613 626 627 621 625 614 615 620 623 628 630 301 648 634 632 |
Heraut. Neen, niemand weet het, die het klaar verkonden kan, Dan wie des aardrijks leven voedt, de Zonnegod. Koorleider. Spreek, hoe begon dan en welk einde nam de storm, Waarmeê der goden gramschap onze vloot bezocht? Heraut Hoe kan ik leed met jubel meng'len, en den vloek Des storms u malen, dien der goden gramschap zond? Neen, wie de blijde kondschap meldt van zege en heil, Zijn vaderstad om zulk een voorspoed juichen doet. Mag met geen booze tijding zulk een heil'gen dag Ontwijden. And're klanken eischt der goden dienst. â Doch als een bode met gefronst gelaat zijn stad De schrikmaar overbrengt van 's legers ondergang, â Eén wond, geslagen aan de stad en 't gansche volk, â En hoe zoo meen'gen uit zoo menig huis de vloek Des dubb'len geesels, dien de krijgsgod zwaait, bezocht, â Een dubbel vlijmend onheil, bloedig striemend paar! â Hem ja, die zwaar beladen zulke jamm'ren brengt. Hem past dit loflied, dat de Erinnyën verheft. Want wat steeds bitter vijand was, zwoer samen nu: De zee en 't vuur; ach! eu zij staafden hun verbond Door 't boos verdelgen van dat arme Grrieksche heer. De hemel dreunde van des donders wedergalm. De bliksemstralen, stadig flakk'rend door het zwerk. Verkeerden in een vreemden schijn van held'ren dag De diepe nacht. Tot bergen groeiden golven aan. En de arme manschap, rijzend, dalend, werd gezweept Door wervelstormen en des hagels feilen slag. En 't loeiend noorden dreef de schepen op elkaar, |
|
vv. 626, 627, 024, 625 transposuit K., correctis qua; in codd. leguntur vocabulis %eiltSv' 'AjjaiSv ot ffwrtjpiwv Sê- â v. 615 codd. jjftf»; b rifiti Sreüv, emend. K. â t. 618 codd. 'Ãv to S//mov rtxeTv, emend. K. â v. 622 codd. aetuyuévuv, eraend. Schiitz. â post v. 630 versus tres addidit K., post versura 631 idem duos, in ed. Hermanniana numeris 648 et 634 notatos, transposuit. â v. 634 codd. t' inPfOKTixu, emend. K. |
V. 626. Het oorspronkelijke heeft hier zeer veel geleden, zoodat enkele verschikkingen en inlasschingen noodig zjjn geweest om een samenhangend geheel te verkrijgen, dat den grooten dichter niet geheel onwaardig is. â V. 620. Met den âdubbelen geesel van den krijgsgodquot; zyn zwaard en pest bedoeld. |
28
|
â /ipeixor xi 5s y.spcruTrovttsvxi (31$ 633 ^evr' a.Cpxvrct fciyJvos y.y.KOv trrpópx. 635 'Etts) S' dvijï.bs ï.z/y.Trpiv yj}.iou Cpaoc, opüpisv ai/Soüv véhayci; Alytxïov vsxpols xvèpuv 'Axxikv vxuTiKci t' spsiTricf. tipix: ye ft-h sy vxjv r' ay.yipxrov axcctyg ffjiytttcov ti: s!;sx/.£\psv ij 'tyyjrrxto 640 sfc? ti?, oiix cci/bpmtto:, olxxcs öiyxv. tux*l 2s accryp i/xuvtoxovv êtpèamp;TO, big wt' xvópy.ov y.ut^xTo: ^x}.y,v 'éxeiv Wt' Qoy.sT/.xt 77pc; y.pxrxl/.sccv xbóvx. STTelTX S' xl-JV TtÃVTlOV Tretyw/ÃTSC, 645 Xsuy.lv kxt $,ix,xp, có TrsTroücTse Ttixy, êfiouicohovpev CppovTÃtriv vésv ttxSci:. 647 Kx) vliv èxslvwv e'l zt; èuTtv sftTrvétiiv, 649 KiyCVTfJ Vj^Xf CCC Cgt;A/.ÃTXP, Tl ff/li 650 yiixd: y' msiveuï TXÃT' exi'v 'èo^x^opt.sv. yhoith S' uc xpiTTX, MfvsAfii ys vxvv irpÃTÃv re y.x) ^.x/jttx KpwfioXviv ftckfiv. El 5' ovv tic xy.tic ijA/cy viv 'itïtopej xkccpóv ts y.x) phèmvtx, f/.^xxvx^ A/cc 655 ovttu Sh.ivTOc i^xvxgt;M(7Xl ytvos, JATT/V Tl? XUTOV TT po: tiópiov? fëstv TTX'/AV. tcvxüt' xy.ovrrx: !V9( tx/.y'jy k'gt;.uxv. XOPOS. fft/3. x'. Ti? kot' kvópixzev kV â ?? to ttxv £tgt;]tupt.c0? --660 [*gt;1 ti? ovtiv' ovx opsifisv Trpovoi-xilt;ri toü trttrpuftèvw v. 038 codd. wvtiküv t spiTrïuv, cmond. K. â v. 640 codd. y.roi Ti?, emend. K. â codd. ï 'Syir/irzTO, cmend. Schut/.. â v. 042 codd. va Cv SsAcua', emend. Caaaubonus. â v. 043 codd_ tv o'fpiu, emend. K. â v. 051 codd. yueT? t', cmend. Ahrens.â v. 652 codd. MfVfAffcV yaf c5v, emend. K. â v. 653 codd. irf'jirSÃKX /uoAeTv, emend. K. â v. 055 codd. «ai Züvtx xaï (3A^Try.TX, cmend. ïoupius ducc Hesyoliio. â v. 659 codd. uvS/xafyv, emend. Hermann. |
Ze brijz'lend; barstend van der hoornen feilen stoot, Verdwenen zij voor 's boezen herders dwerrelstaf. Toen nu der zonne luister zich op nieuw verhief, Zien wij in 't ronde 't ruime vlak der zee bezaaid Met Griekenlijken en met wrakhout onzer vloot. Doch ons ontvoerde met ons schip, de gave kiel Voortstuwend of haar zeker sturend met het roer, â Ja, wie het zijn moog', wis een god, geen sterflijk (mensch. Als onze redster zat het goed geluk aan boord. Zoodat geen woeste holle zee ons kaut'len deed. Geen stranding naakte van een hard en kantig rif. Doch, pas 't verzinken in der golven nacht ontsnapt, Mistrouwden wij bij lichten dag zelfs ons geluk En voedden immer nieuwe zorg en angst in 't hart. O, zoo één hunner in de borst nog adem heeft. Dan waant hij ons gestorven, â kan het anders zijn? Want wij ook wanen, dat dit lot het hunne werd. Het beste hoop ik; o, moog' Menelaos' schip, â Mijn eerste en liefste wensch is 't, â veilig zijn geland! Zoodra dus dezen slechts één 'zonnestraal bespeurt. Nog frisch en onbezweken door de gunst van Zeus, Die zijn geslacht nog niet wil doen verloren gaan. Dan is er hope, dat hij huiswaarts keeren zal. â Weet, dit is waarheid, alles wat gij hebt gehoord. (De Bode gaat links heen.) Beurtzang van het Koor. Eerste zang. Wie benoemde met een naam, die zoovele rampen bracht, â Wie ? was 't iemand, dien het oog nimmer ziet, maar die, kenner van het lot, V. 633. De âhoornenquot; zyn de sterke scheepssnebben. Overeenkomstig dit beeld wordt de, uit Thracië komende, noordenwind met een herder vergeleken, die zijn kudde, de schepen, op de weide voert, maar ze dooreen doet dwarrelen, op elkander dryft en verderft. â V. 639. âDe gave kiel voortstuwendquot;, men moge hier aan Triton of de Nereïden denken. |
29
|
yXSi(7lt;Txv h tuxcf. véftuvi â TXV iï:p!ylt;x,u.l3pw x^Cpivsi- y.ij amp;' 'Ehévxv; sTreiirep ov- «65 T«? êhsvxv:, shxvlpo:, Jas-TTOXIZ êx TÃV aiopoTnivuv 7rpoiixhijy.y.a.TUV eTrhsvasv %6$upou TrnrpxvTO^ xupcf,, Trohvxvlpoi re CpspaTTcihsc 670 xuvtiyouv KXT 'ixvo: tt/.xtx'j a$xi/rov xsgt;.fTxvTon 'Ei[/,óevTog lt;x- HTXC STT' S;' spiv aifiXTCstrirxv. Oi'JT, X , 'lA/w Si zifSs-quot; op- 675 Suvupiov TsXsaaitppuv WVic ykXTfj, rpx-é^x; xri- [tcoinv ücrTép:c XP^V xx) ^wscrTtov Aio; â 7rpx(7iro,u,évx, ro wpCpÃTt- 680 [/.OV IjLSXOf SX^XTU: Tlóv-TMV UfiSVXtOV, Of TÃT sxép-psTre yxftppoïaiv xslhiy. ftlTX^Xt/SiivSUTX S' vpcvov Upix/tou Tró).i: yepxici 685 Trohvlsipos [/.éya mv CTTSVSI, yjalijTy.iv^x Uxpiv tcv xhoXexTpov, 7rxf/.7rop^ij 7ro?.vbpyvov xl- Ãv' £TI Trpo? mXlTXV (JA'/.SOV XÃ/JJ X'jxtKXÃX. 690 lt;JTp. /3'. quot;ESp£\p£l/ Si Xsovtoc 7- viv iïs'ftDi: xyx/.xzTOv xp- v. 665 codd. èirti ^fETÃvra?, emend. Schwerdt. - v. 666 codd. ÃAsva?, emend. Blomfield. - v, fiG7 codd. afifOTi/wj, em. Salmasius. â v. 669 codd. amp;lt;pCfov yiymrcq, emend. K. â v. 671 codd. KWCiyo'i, emend. K. â v. 678 Flor. aTi/tu; 7v', emend. Cuuter. â v. 681 codd. TÃoiTee$, emend. K. â v. 686 codd. ^quot;flAvSpijvov ftéyu, emend. K. â v. 688 codd. TrciftirpóaSy, emend. Seidler. â v. 689 codd. cuoi-J* ctf/Cp'i ttoMtccv, emend. K. â v. 691 codd. hécvTX ff'tviv, emend. Conington. â v. 692 codd. 'iyxhxxTov ovtcs «vgt;p (Farn. ouruq), emend. K. |
Met onfeilb're tonge spreekt? â Haar, met de lans en 't zwaard betwist, Helena? haai, die schip bij schip, mannen en steden stortte in 't verderf, toen zij vlood van haar gade. En des westens scherpe drang haar Aan haar zachte sponde ontvoerde. Scharen, ja, van gewapend volk Jaagden fel in 't vervloeide kielspoor; Vrucht'loos, want des Simois strand schutte de vhicht'ling, 't groene, Groen van bloedige wrake. Eerste tegenzang. Echte smart om deez' echt bracht der eeuw'ge goden toorn Over Ilion; de wraak draalde niet, strafte 't schenden van den haard, 't Smaden van' den hoogen Zens, Reeds bij het luid gejuich van 't volk, jubelend om het huwelijkslied, 't plechtige, door de schikking des lots van de zwagers gezongen. Zij verleert welras het feestlied, Priamos' vergrijsde veste; Luide zuchten uit meen'ge borst Noemen Paris den onheilsgade; Menig acht het leven een last, treurt om den val van burgers, 't Bloed, zoo nutt'loos vergoten. Tweede zang. Zoo brengt iemand een leeuwenwelp op als broeder van 't zuigend lam, V. 065. In liet oorspronkelijke wordt do naam Helena als schepenverdelgster opgevat, en daarna wordt Helena met woorden, die mannen- en stedenverdelgster beteekenen en alle mot âHelequot; aanvangen, aangeduid. â V. 074. Do oevers van den Simois worden groen genoemd, als gemest door bloed, toen Herakles den eedbreukigen Koning Laomedon van Troje tuchtigde. |
30
|
vwv xviip QiXiiAXVTOv, sv piórcu TTfOTsXeiot: ctftspov, svQiKoxamp;ihx, %m yspxpol; êirlxapTOv. TTC'/.sx S' six *v KymhoiK; vsoTpó0ov réxvov Mkxv, (pxilpcoTroi ttqt) y/ipx axi-vmv re yxa-Tpbg xvxynxig. XVT. /3'. XpovirSiis §' xTTÃlsi'^ev v,-Srog to ttpo: roxévv' xxpiv quot;/kp rpotpevtriv xpsifiMV l/.y},oCpóvoilt;riv xurxlg â xYftxri §' ojy.oc iQupSy â lx7r xy.b.suzros treul-sv, üftxxov xhyos ohhxis lAsyx Tivoi TTOhvy.TOvn. iz ösoïi S' Upsvg ti: a-txs ïópois irpoesSpiCpbii. lt;TTp. y'. Tïxp' xv txV i'/.beh è: I- a/öu ttjAii/ hsyotyS xv (ppóyyijix [J-h vyvépou yx/.xvx:, xxxtrxxJov (TTikXxyiAX tt/.outov, PLXaSxkov oijjy.XTav (oiko:, lyifySuiMv quot;EpuTO: xvSo:. Tïxpxy.Xivx'T iTrèy.pxvsv os yxy.Qu Trtzpx: ts/.sutx:, Suo-fS/js? xx) dwó/tiho? TiiyJvx npix(ifèxilt;rtv} koiattx Aiot; ^sviov, wftQixKxuTo; 'Epivós. |
voedt hen saam in zijn woning; Mak in de lente des levens, Speelt hij als lain met de kind'ren; Ja, ook der ouderen liev'ling, Rust hij in hun armen vaak. Als een teeder wicht, en blikt Tot de hand, die zijn honger stilt, op met vroolijk gekwispel. T w ee d e tegenzang. Gerijpt echter onthult hij dra d' aangeboren verdelgingsaard, dankt verpleging met ondank. Met het vermoorden van lamm'ren, â Ach! hoe de woning van bloed druipt! â Eicht ongenood zich een maal aan. Spot met smart en wederstand, Boet zijn lust in woesten moord. Godenraadslag verwekt' aan 't huis zulk een priester des onheils. Derde zang. Ja, eveneens kwam in haar, â zoo scheen het eerst, â naar Troja Der blauwe zee wondervolle kalmte. Des veldbouws zachte lentedrupp'ling. Koesterend oogen-bliksemvuur, Hartverwondende liefdebloesem. Doch wat omkeer! zij verwekt dra een recht bitter slot der bruiloft. En bezoekt Priamos' woning met ellend, rampen en nooden; Haar zond de wrekende Zeus, Bruiden ter smart, als een vloekgeest. |
|
,701 codd. famp;c;, omond. Conington. â Flor. Tiicfau et rpcCpx^, Karn. toksuv et TfotpevafJ â v. 704 codd. utuic; (céramv), emend. Ahrens. â vv. 706 et 705 transposuit K. â v. 710 codd. zf.trzrfxCpy., emend. Heath. - v. 711 codd. irüfmrtt, emend. Wieseler. â v. 713 codd. ccyaX/iX, emend. K. |
V. 711 en volgg. Hier wordt uitgewerkt, dat Helena, hoe bekoorlijk ook, inderdaad voor de Priamideu een vloekgeest was, zooals later ook voor de Atriden, gelijk in v. 1418 en vgg, gezegd wordt. De onmiddellijke strafoefening van Zeus, v. 677, bestond in hare zending naar Troja. |
31
|
xvT. y', WX/M^XTOC S' h ppCTSÃi yépuv fJyo; tstuktm, âftsyxv rshevSévTa Cparo; cgt;.[3ov rsxvoÃKrSrxi ftyl' XTTzihx övfaicsiv, in S' xyxbxg tüxamp;s yévei 725 johaVTUVSIV XXÃpSffTCV Ãiijjv.quot; Sixx S' ah/.uv /tovóQpuv sl-fii. to Suiro-f/Si? yap 'épyoy fjlSTX [ZSV TTASiOVX TIKTSl, eCpsrépp S' sixóto, yèvvx. 730 olxuv yap stövSixuv xxWlirxis dei. crrp. § . Qtheï Sf TIktsiv ufipi: [ASV TTXhXIX vsci- fyuarxv êv xxxolg fipoTxv 'ufipiv 735 ts't' i? nr' hrs uvpiov poXsiv usp CpxsiTxcTcv Saiftovx TSXSTV iXfiX^OV, X7rók£[J,CM, xvlspiv öpxtro; i^.xivxc pshtöpciviv quot;Atxc, eièoijAvxv Toxsvciv. 740 X-jt, S'. A/V.ix Sè '/.xfjiTrsi ph sv lu^xKTrvoig lipxaiv, tüv §' svxKripvv tui (3isv. tx xpvjcnrzTrx 5' x^s'/.x chv ttIvu x£P^1TTXhivrpcTroie Sfauxtri aittovo-' 745 xyéet' xziauTO, èuvxpiiv ei (rélSovirx 7r?*0UT0v TrxpaayuMv x'ivq' Trxvr' stti réppx vupcf.. |
Derde tegenzang' Een overoud woord is steeds nog waar geacht bij 't menschdoin: âWel teelt eens mans rijk bezit zich erven, En sterft niet, kinderloos verwelkend, Docli uit de gunst des lots ontkiemt , Onverzaadlijk leed voor 't nakroost.quot;' Doch deez' uitspraak, z' is een dwaling; van de daad des godsverachters. Zoo zeg ik, spruit een geslacht af, dat den aard heeft van wie 't voortbracht. Doch zegen woont in het huis. Rust op het kroost des gerechten. Vierde zang. Weigaarne teelt overmoed eeuwig door, telkens nieuw, waar het harte boos is, overmoed, Tot eens der lente barensstonde komt, de geest In 't leven treedt, die 't licht verdooft, die spot met strijd en tegenweer. De booze, in 't huis zeet'lende, drieste wraakgeest, Gransch zijner oud'ren beeltnis. Vierde tegenzang Maar Dike spreidt vaak haar glans in 't berookt need'rig huis, want der vromen wandel eert zij hoog. Doch gouden prijzen, waar der ving'ren smet aan kleeft. Ontvliedt zij, wendt er 't oog van af, 't onreine ontwarend stormt zij weg; Zij haat de valsch glinst'rende macht des rijkdoms. Alles beschikt zij feilloos. (De zegevierende stoet vnn Aoamkmnon komt van links de orchestra in; herauten en lansdragers vormon den voortocht; daarna volgt Aoamemnon, op een wagen gezeten, en op oon tweeden wagen Kassandra, de gevangene dochter van Priainus, met veroverde wapenrustingen enz. Het koor treedt den koning eerbiedig te gemoet. V. 741. âDikequot;, de godin der gerechtigheid. â Gewoonljjk laten uitgevers en vertalers Agamemnon en Kassandra te zatneu, op één wagen gezeten, de orchestra binnenrijden; hier is een oud overzicht (Hypothesis) van dit stuk gevolgd, dat van twee wagens spreekt. |
1
728 codd. to yllf Suaffllisc, emend. Pauw. â v. 736 codd. tót' ij tsS-' oreiv to icvficv nhxy veufx. (paovs kótov Sui/tcjU tl tov 'ü/xxxov, emend. K. â v. 743 codd. tov 3' hxici/MV, emend. K. â v. 744 codd. caShèe, emend. K. â v. 746 codd. ocia itpoiréPct TOV, emend. K. â v. 748 codd. a-av 3 èx), emend. K.
32
|
quot;Ays Si?, Poifiteü, Tpoiocs TrTOhiiropS', 'Arpécoï ysvsShov, TTat its irpotreliru; ró? es trspil-u; VTrspi,pXi [/.â jy VTTOKX^ai; y.xipov %xptTO: [TroAur/^Cw1]; 758 759 755 756 757 rlflAAO; Sf ppOTKV TO (ioxovv OVTOS nporlowi IIk^v TrxpxpdvTsc, Ka) vïiv xx'lPoxquot;Ttv ópoiOTrpsiras ciysXxaTa, TrpiauTTX pixtypsvoi, TM (ivtrTrpxycvvTi §' è7ri(7Tcv«xe,v TTÃC Tig STOipoc, ^ij'/^x Ss ^VTrm ivlsv ècp' y,Trxp Ttpoai'MslTxi. quot;OzTis §' dyxSo; TrpofixroyvAi/.uv, 0'jy. sgti XxbsTv c^^xtx Qutos, TX ^OKOÃVT Sli^povoq SX quot;ëixvoixc ÃSxpSà (jxlvsl (plKÃT^Tl. 765 770 2u ?£ fy,Ol TOTS ftlv (TTSXX'kV GTpXTlXV 'EAÃV^? iVÃJt', OXJV. SKiy.SlKTU, KxpT' xTroftovtrui; faBx ysypxpiyAvo; ovV su TrpxTrfèccv olxxx véftuv yjjovo: syxXypov [irlxp o^;] xv^pxei èv/ia-KOuai xo[ii^uv. 750 |
De drie aanvoerders der rijen van het koor. Mijn koniug en heer, gij die Troja bedwongt, Gij, Atreus' telg, Hoe spreek ik u toe en vereer u naar eisch, Niet lager dan past, niet te hoog voor 't wit, Dat eerbiedige dank moet beoogen? De aanvoerder der eerste rij. Ach! velen, ââ 'tis onrecht! â vereeren den schijn. En betrachten hem meer dan het wezen; De aanvoerder der tweede rij. Ook thans den verblijden in alles gelijk En 't gerimpelde voorhoofd dwingend tot lach; Met treurenden echter tot zuchten bereid Is een iedér, al dringe de vlijmende priem Van liet leed niet door tot het harte. De aanvoerder der derde rij. Doch wie als een kenner zijn kudde beschouwt, Hem ontgaat wis nimmer het oog van den man. Dat, schijnbaar van deugd'lijken ijver bezield. Met verwaterde vriendschap wil vleien. De aanvoerder der eerste rij. Voorwaar, toen gij 't leger ten strijd hebt gevoerd Om Helena, â 't zij niet verzwegen, â De aanvoerder der derde rij. Toen stond bij mij vast, gij stuurdet het roer Van uw wil niet beleidvol, en wis niet tot heil. En zoudt het bezit van vijandelijk land Slechts stervenden mannen verwerven. |
|
v. 753 lacuimm explevit K. â v. 758 codd. kxi !;vyx,siifO\Jffiv. emend, ot cum soquonte transposuit K. â v. 764 codd. (rc/iMsm, cnioiid. Casaubonus. â v. 766 codd. oi yap énucevaa, emend. Hermann. â v. 769 codd. Sftiaoc éxoCtriov, emend, et expl. K- |
V. 754 vgg. liet koor wijst er den koning op, dat betuigingen van liefde en trouw te toetsen zjjn, geenszins alle te vertrouwen; er wordt blykbaar op Klyttemnestra (en iEgisthos) gedoeld; zie v. 822 en vgg. â V. 768. Men moge hier v. 434 vergelijken. |
33
|
NDi/ S' ovk one axpxs (ppsvc? cISx lt;ptk' w? svCppav cvtco; sv Tshsetxiriv, yvcivsi Ss %psvi/) hxTruiSspsvss rcv ts quot;bikmk: xxi tov dy.xipus TTCAltl OIXOVPOÃVTX 7rO).tTXV, 776 AFAMEMNilN. lipUrcv [tiv quot;Apyo; xx) Ssous syx^phv: bépis TTpCasnrslv, TOVS 5,645) [/.STMTIW? vcarcv lixxiav amp;' mv STrpxt-ixpyiv Kohtv Ylpixfiiu' ciiy.x: yxp oöx x~o quot;/hxavy,: Sso) 780 XÃ.vovtsc, xvlpoSvijTXt 'IA/öu Qbcpx:, sic xttAXTypov Tivx,oc ov S/^sppjVw^ sSsvro- ry S' hxvrlq y.vTsi i?.7r)s TrpCT^Tr' xxpdo: cv KXypovpévcf. xxttvu S' xhcïnrx vvv 'ér' silryftc? tts?.!?. 785 xrvc SVSAAXI %xtrr Sv^v^y.svcx Sà trttccis: trpctréy^trei ttiovx: tï'/.ovjhj ttjok:. tovtcov ssolci xpij tts'/.v^vy^tov tivsiv Xxpiv y', sTTslvrsp xxXhxyxz vTrspxómvg s7rpxi;x!/.s7%x xx) yvvxtxo: s'ivsxx 790 ttsA/J' Hiiiftxèwsv 'Apysïov cixxsz, Ãttttcv vswao: x^Tn^xpoTic, ).x[op:v v/lly,!/,' opouirx: xij,(p) ll/.sixcicov Svriv â¢jTrspïjspav §£ llspyxy,' wy^JTvj; ?.éxv xlvv s?.si!;sv etï'itxTOS rvpxvviy.ov. 795 ©f;7? [Av ü-érsivx Qpoiy.isv rols' tx §' h to aw Cppsv/jftx yJitvyftxi y.hvxv xx) Cpyy.) txutx xx) auvjyopóv eyji:. v. 771 codd. olè xQ'iXuf, emend. Ahrons. â v. 772 codd. £l/(J)pav tovcc, emeud. K. â v. 777 codd. Iiki) zpcasiKÃv, emeud. Ucimsocth. â v. 784 codd. f Ati; Tpoavïfi Jgeifö?. emeud. K. â v. 786 codd. ffvvbvy.c-Miirct, emend. Enger. â v. 788 codd. x*P''J Tiveiv, emend. K. â v. 789 codd. xal Trdyuq iTrspxórov^, emend. Ahrens. â V. 792 codd. ainriSy.iTrfótpcs Aeic?, emend. K. â v. 794 codd. irvfycv, emend. K. |
De aanvoerder der tweede rij. Thans breng ik intnsschen liartgrondigen dank Aan de schaar, die behouden en zegerijk keert. En aan u openbaart wel uw vorschende blik, Wie der burgers gerechtig den staat u beheert. En wie uw vertrouwen verbeurde. Agamemnon (in zijn wagen ten gebedo ojiqjzend). Vóór alles breng ik, Argos, u mijn vromen groet. En u, 's lands goden, helpers bij mijn wederkeer En bij 't rechtvaardig strafgericht, door mij volbracht Aan Troja. Want den goden kwam niet bij gerucht Het pleit, het stroomen van des vijands hartebloed. Ter oore; zonder aarz'len legden zij in de urn Des doods hun oordeel; maar bij de and're stemvaas zat De hoop verslagen, ziende, dat zij ledig bleet'. De rook verraadt de plaats nu van de vroeg're stad; Der wrake stormen snuiven; langzaam stervend spreidt De smeulende assche nog des rijkdoms vetten walm. Hiervoor betaamt het, aan de goden eeuw'gen dank Te wijden, ja te meer, wijl boete in overmaat Werd afgedwongen, om een vrouw de gansche stad Tot stof gemaakt is door een Ghieksch verscheurend dier, 't Met schilden klett'rend kroost eens paards, dat, tuk (op moord. Een feilen sprong deed tegen 't uur van middernacht. En op den burcht gestegen, als wraakgier'ge leeuw Zich zat gelekt heeft aan een stroom van vorstenbloed, {Hij wondt zich tot het koor.) Als eersten groet wijdde ik den goden dit gebed; Doch nu, gij spraakt uw oordeel uit; ik gaf wel acht En zeg hetzelfde, sta 't met u als waarheid voor. V. 780. De goden vormen naar dos dichters voorstelling oen gerechtshof, dat geen getuigenverhoor of pleitredenen behoeft, maar zelf de veldslagen ziet. â V. 792. Hot houten paard met Grieksche krijgers, binnen de muren van Troja gesleept, besprong als grimmige leeuw den koningsburg. â V. 793. Het oorspronkelijke zegt: tegen den ondergang der Plejaden.quot; Men zie hierin eene bepaling van den tyd dos dags. De Plejaden gaan in Griekenland in de |
84
|
Uxvpsic yxp xvlpccv stti (rvy/evs: rcls, CpiXcv Toy 6vtu%,:üvt' xvsv CpScvcu trifisiv. 800 luaCppuv yap Voc xxp'hic/, ^poij^svo: ccxSsz $iirhoiamp;i rep Trsirxitsvcfl vwov role r' mtoz xvtov kJhmiviv pxpvvtrx! xx) rov Svpxlov ohfiov s'lTopm Trhei. E!§w? hsyoiy,' xv, sv yxp s^sTrhrx^xt 805 è[/,igt;Jxg xxrovrrpoi/, elSuihccv lt;txix; loy.owrxc sïwi xxprx wpsuftsvsTz spol. ^ovoc 5' 'Odutrcrsui;, ocirsp ovx twv sVAf/, fauxSi)? 'irct/ioc ïjv sy.o) vsipx^ipof sir' cjv Sxvovroc sirs y.x) Qwroi; /.éyco. 8i0 Tx S' x?gt;hx, rx'jrx Trpo: ttoaiv ts xx) Ssovc, xoivcv: xyxvy.c Srèvrs: iv irxvyyvpei pouteufo'ftejSx. xx) ro [/.sv y.x'/.ccc sxov OTTU? xpovlamp;v 6v ftsvsï Cppsupyirèoy or a Si xx) Sf? Qxpptxxuv Trxiuviuv, 815 yrot xsxvrs? fj rs;Mvrsc siiQpovM? TTsipxirtiftsvSx s-?,'/ x7ro!7rps\pxi vovov, vïivV is [/.sKx^px xxi lóf/,ou: s^pstrriouc s/.bcc-j SsoTn Trpxrx Ssfyxtro/uxi, oÃTrsp 7rpó(Tio Trsfi^xvrsc yiyxyov TTXXIV. 820 viy.y, 3' STrsivcep 'scttst , ifiTrsSas yJvoi. KATTAIMNH2TPA. quot;Ai/Spf? 7rogt;Jrxi, Trpèvfioc 'Apysicov róSs, oC/x xhx'JVOv/j.xt rovt; QiXxvopx: rpozoug Xs!;xi Trpoe vpixc' iv XP^V xTïO^ivei ro rxppoc xi/SpxTTOiaiv. oux x?Mcv Kxpx 825 iy,xSroïi(7', ipxurfc Itvutyopiv Xst-a fjiov roaóyV, caoi/Trsp ovroc gt;jv vvr' Ia/co. Tö f/.h yvvaÃKX Trpürov xpvsvo: 5/^« yjamp;Sxi quot;hcpoic spypcv sxTTxyhov xxxcy v. 801 codd. KufSiav, emend. Casnubonus. â v. 806 codd. sV^wAcv amzs, emend. K. â vv. 810 et 811 codd. ^uvro^ népt ] Af'yw' ts! S' iiAXx TTfif ttsAjv, emend. K. â v. 814 codd. (Sst/Aei/rfcv, autum. K. (JlpivfiiTéai/. â v. 817 codd. xv.fxxTQS rpe^ixi viffsv, emend. Porson. |
Slechts enk'leu menschen is die edele aard bedeeld, Dat zij eeu vriend, wien 't welgaat, eeren zonder nijd. De booze pijl der afgunst dringt allicht in 't hart En maakt het lijden van wie krank is dubbel zwaar; Dan drukken hem zijn eigen smarten dieper neêr. En zuchten moet hij, als hij and'rer heil aanschouwt. Ach, uit ervaring, â want den spiegel ken ik goed Des lang'ren omgangs, â noemde ik menigeen, die mij Veel liefde toonde, slechts de schaduw van eeu schim. Alleen Odysseus, schoon door dwang den tocht gevolgd, Trok steeds, mij trouw verbonden, aan hetzelfde juk; Hetzij hij dood of nog in leven zij, 't is waar. Al 't and're, wat de goden of den staat betreft. Moet in gemeenschap door het saamgeroepen volk Gewogen worden. En wat goed is en gezond. Dit zorgen wij, dat ongeschonden blijv' bewaard; Doch waar der artsenijen heelkracht noodig blijkt, Daar zij behoedzaam, zelfs door vuur of mes, beproefd. Het onheil van de booze kwaal te keer te gaan. Nu treed ik in mijn woning, aan mijn heil'gen haard. En groet de goden met mijn opgeheven hand. Wier gunst mij uitzond en mij wederkeeren deed. O blijv' de zege, thans mijn doel, mij immer bij! Klytaomnestra (uit do poort van hot paleis tredend en zich tot de burgers wendend). Gij mannen burgers, eed'le vaad'ren dezer stad, Voor u onthul ik zonder schroomen, hoe mijn hart Hangt aan mijn gade, want de tijd verdooft in 't eind Angstvalligheid bij menschen. Niet wat ik vernam. Neen, eigen jammer spreek ik uit, wanneer ik meld. Welk lot, toen hij voor Troja lag, het mijne was. Eeeds dat een vrouwe van haar man gescheiden is En eenzaam 't huis behoeden moet, is schrikk'lijk leed. tweede helft van Maart, â alsdan werden de treurspelen gegeven, -omstreeks 11 uren des avonds onder; op dien tijd zijn de roofdieren op prooi uit. V. 808. Juist Odysseus, die zich eerst aan den tocht naar Troja wilde onttrekken, die opgespoord en door list ontdekt moest worden, |
35
|
y.Xl TCV [jJv yxsiv, TOV 5' STTippSTTStV XXMÃI Kixmv oigt;J,o irijfta hutrKOVTog 'hó^ots, KOhAKz yJ.vot: xv KhydiviXi TnyMy/Jrov;. KM Tpxu[MTKV fisv fl totuv STvyxxvev txv/ip, Ct7ü!V Ttpo: ojxov KXSTiVSTO Cpan:, TSTpyiTM S/y.TÃcu TC/.kv hh/siv. Ei §quot; yv TsSyjxu?, w? sttX-Jijvcu léyci, rpiauiAKTÃi; ruv Typuccy o quot;èsÃTspog KoXXyv avuSrev, rw y.arco yxp o-j ?J'/w, xSwè? rplfMipov x'/Mvw samp;uzst gt;.xpxv, avx!; sy.xvTa KXTSXVUV /MpQdf/MTi. TSlci'jl' SXXTl XÃ.yiSoVCCV TTXÃ.r/y.STCCV ttoXXxi; iuSriv ciprivxg spyq 'hspy: (KWXV xfyl, 7?ph.: piXV 845 850 855 'Ex Tcivls TOl irxiq ifamp;'ixS' oh TTXpXtïTXTSl, sfjLKV te xx) ffccv xupiog TriareuiMTUv, w? XPWy 'OpÃiry,:' bxvy.xvfc ts'SS. rpstpei yxp xvtcv süpsvyt; lopvt-svs; quot;ZrpóQiog 'o (Pcoxsv?, x[/,lt;pi?.£XTX tt^^xtx spie) TrpoCpavxv, tov Sr' üjt' 'l/.ix créSsv xlvèuvov, si ts ^[y.ó^pcu: xvxpx'x ftcuï.yv xxTxppl\pstsv, ui rh avyyovov PpoTcliri tov TrsrdvTX }.xxtItxi TTÃMv. Toixls pévTOi trxij-pi; cu 'Ss'/.cv Cpépei, spt.oiys pdv Svj yJ.xvfAxrav STriwvTCi Tr/iyx) HXTstrPyxxcriv, ciS' 'évi (TTXycliv. êv tyixoiroi: 5' cftiAxaiv phxpx; sx® txc xpc$l (70i y.xowyx Xx^TTTypouxlxc xTVftshyiToug xlév. sv S' ivslpxviv Xsvrxlg vttx) y.ccvumg sfyyeipSpyv 831 832 830 335 840 |
En boodschapt de eeu nu, dat een ramp in aantocht is, En straks een ander, dat een erger dreigt en volgt, Dan hoort men immer nieuw en wiss'lend boos gerucht. Ja, zoo de man hier zooveel malen werd gewond, Als naar zijn woning er bericht van is gevloeid. Zijn lijf, zoo vaak doorstoken, ware een net gelijk. En had de dood hem telkens naar 't bericht geveld. Hij mocht, drielijvig, als een and're Geryon, Dan roemen, â van do legerstee gewaag ik niet, â Dat driemaal de aard een mantel op hem had gespreid. Daar hij in elk van drie gestalten eenmaal stierf. Om zulk een wiss'lend boos gerucht gebeurde 't vaak. Dat 's morgens vroeg mijn maagden van liet nijpend snoer Mijn hals bevrijdden, door den druk reeds machteloos. (Zy wendt zich tot Agnmcmnon.) En daarom ziet gij ook uw zoon niet naast mij staan, Orestes, onzer hnw'lijksliefde dierbaar pand. Zooals betaamde; sta hierover niet verbaasd. Uw trouwe gastvriend Strophios, in Phocis, voedt Ginds ver hem op, want deze hield vol nadruk mij Tweevoudig leed voor: uw gevaar voor Ilion, En dan, indien eens 't onbeheerscht en krijschend volk Der oudsten raad omverwierp, is 't der menschen aard. Den reeds gevall'ne nog te treden in het stof. Geen list, geloof mij, schuilt in deze outschuldiging. En ach, mij is de vroeger milde tranenbron Verdroogd, en zelfs geen enk'le drup meer welt er in. En 't oog is krank, dat immer laat ter ruste ging. Voor u de houtspaan steeds bewakend, nutt'loos licht. Dat nooit u aantrok! En bij 't droomen werd ik vaak Door 't zachte wiekgeklepper van een mug gewekt. |
|
vv. 831, 832, 830 coitd. stoAXk? y.^vcuam tëcvii; TraAiyxoxoi/;. XXà TOV (XSV TOV d* f 5rf p£/V KCIHà X«X(OV iiAAo Tryjpici, Xugmvtuc, Siptois, emend. K. â v. 834 codd. a-jtif oS w;, emend. Meineke. v. 835 codd. TérpuTUi, eraend. Alirens. â v. 842 codd. %tXXi.c; iivui^tv, emend. K. â v. 843 codd. fAi/ffav isAAoi â XeXvi^nén^q, emend. K. - v. 851 codd. oWs a-ijyyovov, omend. K. â v. 857 codd. xAsi/ouffie, emend. Ilartung. |
hield steeds getrouw de zijde der Airiden, terwijl anderen, zooals Aias en Achilleus, hen meermnlen weerstreefden. V. 838. De aarde wordt beschouwd als het allen stervelingen gemeene bed; do overdekking daarentegen wordt aan ieder afzonderlijk verleend. Geheel zeker is echter de oorspronkelijke tekst niet; sommigen verwerpen v. 838 van don Griekschen tekst, als onecht. |
36
860
|
flZMVI ScillKTITOVTCS, (TOl Triamp;JJ cpxirx TThsico toïi !;uvuS;yTO: xpsvsv. Nil' tmitx kxvtx Tï.xrr', xTTevSryiTCji Cppsv! -Tspxvov Ss rxvxyy.xïcv sx^uyslv xttxv â ï.syoiy,' xv x'jopx rcVSf tov ttxS,u.üv -/.vvx, trccTijpx i/xo? TTPCTOVOV, tyyïji; VTeyy: (ttvXo-j Koh'/ip-/,, (Mwyevs: tskvov rrxTp), kx) yijv Cpxvsïvxv vxvrikois irxp' sXxilx, KXtMiTCV yiAx: sWilsTv sy. %sipxToc, oèonrópcj! 'Si^üvti irviyxlov 'péoc, TOióitrhs Tol viv x^iw TrpoirCpSsyfAXfriv. 'PS'dyot: xTTivrcc' tto'a'/.x yxp to zp)v xxicx vivsiXc.usfSx. vïiv Si [tci, Cpikov y.xpx, sxjSxiv ctTniv/jc r/jf^s, y.^ xxjix) nbiig tov ahv ttsS', ccvx!;, 'U.isv rropSyiTcpx. Ay.cox), tI y.sXkiö\ xh sttsjtxKtxi tsXo: TrsliOV KeXsvSo-J (TTOpVVVX! TTSTXTy.X7lV sv%: ysvsvSra TropQvpivTpaTCS irópos sc Icïpc x£?*7rT0i/ cc: xv yyijrxi 'hty.-zi. Tx 5' xXXx (ppcvTic cüx vTTvcp vixcoysvy SyTsi quot;Sixxiwc (tuv SscJïiv xpysvx. 880 AFAMEMNflN. A-fixi: ysvamp;Aov, Svyxrccv syMV Cpv/.xl;, xTrojirix y.sv sï-xc s'iy.ÃTccg syfr y,xxpxv yxp s^srsivx:- xXgt;' êvxiriyxoc x'ivsïv, Tvxpquot; x?.?mv XPV TC^' 'épxsïSxi yspx;. \ix) txX).x y.y ywxiy.c: sv rpórrcis sy,6 885 xfipuvs, y//ihs (3xp!3xpc-j (pccros liy.-^v Xxyxnrsrs: fioxyx xpctrxxv^ sy,o), 862 869 863 865 870 875 |
Die om mij gonsde, want meer ramp en leed zag ik Om u vergaderd dan dezelfde spanne tijds. Doch al die rampspoed is geleden, en verheugd, â Hoe zoet is 't, van zoo harden dwang bevrijd te zijn! â Noem ik mijn gade weer den hoeder van dit huis. Den zeek'ren kabel van het schip, de onwrikb're zuil Van 't hooge dak, eens ouden vaders eenig kind. Noem hem het land, door schippers onverhoopt begroet, Den wonderschoonen, na den storm herboren dag. De bron, die opwelt, als de moede zwerver dorst. Zietdaar, wat welkomst ik mijn gade waardig acht. Nijd blijve verre! leed in overmaat werd lang Door ons gedragen. Thans, mijn dierbaar hoofd en heer. Verlaat uw wagen; maar de voet, die Ilion Pas heeft vertreden, roere hier het stof niet aan. â Wat, maagden, draalt gij, wien ik 't ambt heb toe- (vertronwd Tapijten uit te spreiden op de baan zijns wegs? Onmidd'lijk zij met purper 't pad voor hem bekleed; En voere in 't onverhoopte huis hem 't heilig recht! â Al 't and're zal dan ijver, dien geen slaap vermant, Gerecht volvoeren, met de goden, zooals 't past. (Slavinnen spreiden purperen tapijten uit, van 'skonings wagen tot binnen de poort van het paleis.) Agamemnon. O Leda's dochter, trouwe hoedster van mijn huis, 't Was naar mijn afzijn, dat gij 't welkom mij daar bracht. Want lang was 't uitgesponnen; doch gematigd zij Uw lof, van and'ren wensch ik zulk een eereloon. En ook, verweek'lijk, zooals vrouwen gaarne doen. Mij niet, en roep niet naar 't gebruik van 't morgenland In 't stof gezonken mij uw hulde en groeten toe. |
|
861 codd. 'ÃVVSVÃCVTCS, emend. Karsten. â v. 860 post v. 862 collooavit Enger; scquentium vorsuum ordinem non bono mutnvorat Ilormann. Falso G. Dindort' vv. 862â869 oiecit. â v. 863 codd. twv GTcfatiw, omend. K. â v. 870 codd. ro/vyv, emond. Soluitz. ⢠v. 880 codd. ejects slfxxp/xéva, omond. Meineke. |
V. 863 vgg. Klytremnestra's gekunstelde taal vloeit uit hare onoprechtheid voort. â V. 871. âNijd blijvo verre;quot; KI. wenscht juist, dat Ag. den nijd der goden opwekke. â V. 878. KI. meent eigenlijk Hades' huis, de onderwereld. Ook in de volgende twee regels doelt zij bedekt op den ontworpen moord. |
37
|
ii/AXfi ïTpuTxlt;r' STritpSwsy mpov Tiamp;fc Srscv; toi toIt'Ss Tty.aK$sïv xpsur sv mmKoif Si Switov ovtx y.xXKstu 890 (Sxlveiv s[/,o) [Jtsf ov'Sx^x: aysv d/sysu. Xéyu y.y.r' civ'Spx, fyj/t Srscy, crsSsiy syJ. Xcop): TrcSo^yTTpccy ts xm tüv KOiy.i/.vj x/.yiïiiy dursr hm ro fM] xzkü: Cppsysïv össv yJyuTcy Sxpsy, oï.phxi Si 895 (oicv reteuTyiirxvT' sv svsrrTil $1?.%. JLIttov TizS' w: ~p«.770iyS X'J suSr^pT/j: sy:i. K ATT AIMNHST PA. Kx) [Ayy tÃV s'itts -rxpx yyx/^yiV spot. AFAMEMNflN. Tvu^y nh hbi (M) 'SixQSspoüvr' sps. KATTAIMNHSTPA. Hü'|« Ssoïz TTTXITX? hj al' ep^siv TXSS, 900 AF AMEMNflN. E'lvsp ris s'tèamp;s y sv róV s^sizsïv tsï.oz. KATTAIMNHSTPA. T/ S' ay dsx-T coi Mpia^og, si rxV fywrsv; ArAMEMNflN. 'Ev KoiyJloi: xy y.xprx fisi pyjyxi Ssy.sï. KATTAIMNHSTPA. Mv) vuv roy xvSrpamp;Trsioy x'tisrSy: â â poycy, ArAMEMNHN. ys |ü£!/tc/ S-/i,uamp;p:vs yJyx crSrsysi. 905 v. 891 eodd. (pópov, omend. Nahcr. â v. 897 codd. ei TtdvTX. J' Trpxcactn' 2tv, emend. Weil. â v. 900 codd. Is'tcxs civ. emend. K. â v. 001 codd. rshoc, emend. K. â v. 904 codd. xlSet'je'is, Farn. xihrSHs, emend. Auratus. |
En wek mij, purp'ren kleeden spreidend op mijn pad (â reen afgunst; goden komt die eerbewijzing toe; Doch zou op 't bonte prachttapijt een sterveling Zijn huis betreden? 'k doe het nimmer zonder blaam. Neen, zeg ik, eer mij als een mensch, niet als een god. (Eerbiedig ten hornet ziende.) Ook zonder purp'ren voetwisch, zonder bonte pracht Weergalmt de krijgsroem, en een need'rig, rein gemoed, Ziedaar der goden schoonste gaaf. â Als zalig zij Geroemd, wie 't leven in geluk en eer besluit. (II ij wendt zich weder tot Klytajmnostra.) Thans zeide ik, hoe ik mot gerustheid hand'len zou. Klytaemnestra. O spreek dit woord niet, dat mijn hartewensch bestrijdt. Agamemnon. Weet, dat ik 's harten inspraak volg, niet tegenstreef. Klytaemnestra. In nood kon zulk een intocht zelfs gelofte zijn. Agamemnon. Voor wien 't bewust is, hoe men vroom zoo hulde brengt. Klytaemnestra. Wat deed na zulk een zeg-o, denkt gij, Priamos? Agamemnon. Die trad, vermoed ik, zeker op dat purper voort. Klytaemnestra. Zoo aarzel gij niet, voor der menschen blaam beducht. Agamemnon. 's Volks oordeel, waarlijk, zij niet licht geteld; liet weegt. V. 897. De koning wil zeggen: hoogmoed komt voor den val; toch laat hij zich, v. 911, door zijn eerzucht verstrikken. â V. 905. Men vergelijke hiermede, wat liet koor, v. 4ii6 en volgg. van 's volks oovileei gezegd heeft. |
38
|
KATTAIMNI12TPA. 'O S' d(pSdy/iró; y' cöx sttIamp;J.c; ttsAsi, APAMEMNnN. Ourci yvvMKs'a ssnv Ipslpsiv i^c'-xv^. KATTAIMNH2TPA. Tiï: §' lï.fiiois ys xx) to vixxtrbM Trpérrsi, AFAMEMNXIN. El kx) ah viwiv twIs quot;è'/jpio: Tisi:; KATTAIMNH2TPA. ri/Scü* y.pxTsïï th To'Sf TTxpsiq hy.ccv lt;ys (lot. AFAMEMNXiN. 'A/./' £( ooy.sï (rot txvB', uttx! ti: xppvXxg ?.uoi Txyfii xpo: olpsv, sy,(jX7iy nchis. km Tcltrhs (a s/tpMvsvb' xXcupysarj bsüv pyi Ti? -xpéaubsv 'ó^fiXTCi patel CpScvx. TTCh/.vi yup MSUJ iïuftxTocpSopsïv 7TOlt;T)V TP'JXSVTX TvhdïiTOv xpyvpwjTOv: â¢amp;' uQóii;, Tcvfièv psv ovm' tvv ^svyjv Ss Trpsvy.svuq 7^1/S' sew/iify' TÃV xpxTOWTX [Axhbaxx? bso: TrpóvuSsv SVIJ.£VSIC Trpca'Sepy.sTxi. kxwv yup o-jliiz 'Souï.lcp xpyjTxi ^vyü. CatTy) Sf KOA'/MV X(mJ,a.TXV QxlpSTOV Sivbo:, VTpxTOÃi lipyp', èfto) ZuvévKeTO. 'Eksi S' xy.ovsrj croïi y.xrsïTpxy.^xi txIs, slpi SS SJjttWV [/.b.xbpx KOpCpvpx: 1TXTMV. KATTAIMNH2TPA. quot;EffT/y bxï.xvax, tU Sf viv y.xTxafisirsi; Tpétpowrx ïro?./.gt;j; mpQvpx: Icrxpyupcv v. 909 cocld. ? XXI I7tgt;, emend. K.; Weil autumat oi xcli a-D. - v. 910 cotld. icfXTOS névrci 5ripc; y' énuv i/xol, emoml-K.; Weil iam xpareT^ et TXffi?. â v. 912 eodd. jrpó^oi/Aov ef/pciaiv, emend. K. â Weil mavult ^póircwjcv. â v. 914 eodd. Cp'jèicS, emend. K. âv. 915 eodd. ouftxToCpzycptw emend* |
Klytaemnestra. Wie onbenijd is, is ook niet benijdenswaard. Agamemnon. Naar strijd te wenschen, past voorwaar niet aan de vrouw. Klytaemnestra. Hun, wien geluk ten deel viel, past toegevendheid. Agamemnon. En gij dan, streeft gij naar de zege in dezen strijd? Klytaemnestra. Geef toe; de meerd're zijt gij, zoo gij willig zwicht. Agamemnon. Nu goed, gij wilt het; dat dan ras een slaaf mijn voet Ontdoe vau 't schoeisel, 't reisgewaad, tot dezen gang; En moog', dewijl ik op het purper ga, geen god Mij uit den hoogen treffen met misnoegden blik. Want ja, ik schaam mij, dat ik have en goed verkwist, Als ik het kost'lijk prnchttapijt met voeten treed. Genoeg van mij nu; leid deez' vreemde thans in gunst De woning binnen; wie een zachte meester blijkt, Hem ziet de godheid van omhoog genadig aan. Vrijwillig draagt toch niemand ooit liet slavenjuk; Zoo volgde ook deze, de uitgelezen schoonste bloem Van vele schatten, 't eergeschenk van 't leger, mij. Welaan, ik heb mij naar uw wensch en woord geschikt, 'k Betreed mijn woning, 't zij zoo, over 't purp'ren pad. Klytaemnestra (tot haven naar het tooneel tredenden gemaal). Er is een zee, â wie is er, die haar ledig schept? â Die brengt een schat ons van het kost'lijkst purpersap, Schiitz. â v. 916 eodd- 0beipovTy. xXcvtov, emend. K. â v. 917 eodd. toutwv //.èv ovru, emend. Emperius. â v. 926 eodd. £1$ apyvpov, emend. Salmasius. V. 909. De koning zegt spottend: âgijzelt' zijt op dit oogenblik overgelukkig en mocht dus wol toegeven.quot; |
35)
|
W/jfhx xx'/kKskttov eïjy[/,XTcov a-é(3xg. oly.og S' V7rxpxsi TÃvh ahv Ssol:, oivx^, sxuv irèvsijbxt S' oux, s7rkTXTXt ló[Mg. nsAAwv 7rxTyilt;Ty.hv S' £'i,uxtmv xy yjl-xvov Trohhofoi, TrpsvvsïfiévTo: b xPWtVP'01^ \pu%gt;jz xoy,ilt;TTpx rij^Ss p/ixxvxpévy. fiamp;? yxp cvtry; Qu'/.'/.x: Ã'kst' s; Ss'asur, mcixv VTTspTsii/xcrx crsipiou trxsTryv. Kx) lt;rov lAOhivTOs 'Su/axtTtiv sarixv, bxAKOS y.h h xsiyMvt v/iiAxivsi [Mto'v otxv Si Tsiixy Zsv? oi-it' opCpoiMi; irixpxi oJvcv, tot' yfivi \pvxos èv irstei, xvhpo; Tiheiov lü/t' ivi^Tpaipccy.asu, Zsv Zeïi 7é?,si£, tx; sy.x: suxx; TsKsr 940 péhci §£ TCl lt;ro) TXVTrsp XV piShy TTSpi. X0P02. (TTp. X. T'ITTTS [Ml TÃl' SfAKihu!; quot;èépyfAX TrpiTTXT/tplOV y.xp'hixs Tspxmóvcv ttotxtxi, (Jt,xvTtxoXeï V xyJ/.svïTO; xyifbog xcióx, 9-15 fiüS' xmTTTvffx; Siicxv 'Su^Kphav ovsipxTccv v. 927 codd. xw/xumarov sipdrm flatpeii;, emend. K. â v. 929 codd. fjjfiv, emend. Weil. â vv. 930, 931 codd. tiv eil-uWJ SÃ/*oilt;ti, omond. K. â v. 932 codd. iwxmoniwis, emend. Frnnz. â v. 934 codd. aiiflou xvvót, emend. K. â v. 936 codd. aviHMvus jmoAwv, emend. K. â v. 937 codd. Zei/; t' asr'. emend. Anratus. â v. 941 codd. uéhA?; TfAcTv, emend. Miihly.â v. 943 codd. èiiy U.X (Flor.) vel iel net, emend. K. |
Dat wijgeschenken de' allerhoogsten glans verleent; Hier staat een woning, die, den goden dank! o vorst, Er van bezit; â gebrek te lijden kent /ij niet. (Tot hot Koor, torwyl do Koning do trap bestjjgt.) Volgaarne zoude ik dier tapijten tal nog veel Vermeerd'ren, gat' een godspraak mij dien wenk, daar ik Mijn dank wil kwijten voor 't behoud van dezen man. Want daar de wortel leefde, reikte 't loot' aan 't huis. Gaf schaduw, schutte voor den gloed van Sirius. (Haren gemaal omarmend.) En thans, nu gij gekeerd zijt tot uw eigen haard. Meldt in den winter zomerwarmte zich weer aan; En als van wrange druiven Zeus den zoeten wijn Doet rijpen, waait er frissche koelte dooi' het huis. Wijl, 't huis ten zegen, zijn gebieder is gekeerd. (Terwijl A^amumnon het paleis binnentreodt.) Zeus, Zeus, alzeeg'naar! schenk uw zegen op mijn wensch ! Zij mij uw hulpe, zoo gij helpen wilt, nabij! (Klytajmneatra puit met haar gevolg het paleis binnen.) Beurtzang van het Koor. Eerste zang. Wee! wat zweeft mij onverflauwd Immer nog die droeve schim Voor het teekens-speurend oog mijns geestes. Meldt met een zang, onbegeerd, onbeloond, mij de (toekomst! Eu 't verstand drijft haar niet heen. Zooals 't duist're droomen doet. V. 933. Al toefde Agamemnon voor Troja, zijn zegenrijke beschermende invloed reikte tot zijn woning. â V. 93-t. Sirius, do hondsster; wanneer de zon in het sterrebeeld de Leeuw komt, verschijnt Sirius ongeveer tegelyk met do zon aan de oosterkim on begint in Griekenland do warmste tijd van het jaar. â V. 940. Ook in het oorspronkelijke worden hier gelijkklinkende woorden aangetroffen. â V. 943. De schim van Jphigenia wordt bedoeld. |
40
|
bi(7:: sijTrsüi; 'iaxsi Qihuv QpsvSiv Srpcv::, Xfivoi S' stts) Kpv/Mwiav i;vv i^jSs/s/? â â pxy.y.lx: d$tc: irzpsx-?.ult;tsv, svts vxvpzrx: apb' V-' quot;V.icv, TTfxréc. xvTitrrp. ot!. WsóbstAXi S' CiT:' ÃltfttXTUV vsttcv, c.uTQ;j,xprv; «v. zh §' avsv ).vpx: oftKS vftvcfisï Spijvov 'Epivvs? avroHlixy.To: svcobsv ïjvisj?, oil TO TTXV lyjAV èhTCihos Cpiï.ov bpavo:. (TTT/.iyxvx S' cvtoi ^xrcfcu Kpoz svViy.oi: (ppsviv rsï.satpépoic cihxi- KvyJ.oïir' èfilv y.sc.p. suxopxi Ss y' sl; èy.xg b.TTilo: XpÃS'ff TTSTSrJ k TO |WVJ TS/.ST^ÃpCV. 7Tp. /3'. Magt;.x yé rot [â zspippvov;] ixpirxTov pdipxc Tspy.ot. [y.xzov] voiroe dpTS/j,/- xv ó/^ótoixo? èpsiïsi. xx) TTOT/MS SÃSv-OpZv xvlphs [xyx).gt;.o^hjou TT/.à y.xpT'] ÃKCtia' x0xvToy eppx. o [uv Trpo XJW^~UV KTy^lcov omo: (3x?mv ffcpsvhivx: XK SV[/,STpM 950 955 960 «65 970 |
Blijde moed zetelt niet naast het denken op den troon! En toch, â hoe lang' is 't, sedert aan hot zandig strand 't leger onzer schepen boei van de palen heeft geslaakt, stevende naar Ilion! 1 Eerste tegenzang. Zelf getuige, zie ik nu jMet mijn oog den wederkeer; Maar toch zingt op droeve wijs mijn ziele 't Lied dor Erinnys, geweld uit het diepst van den boezem, 't Somb're, want geen zweem van hoop Stort mij troost en moed in 't hart. IJd'le waan, neen, is 't niet; mijn geweten kent het recht. Mijn angst treft met zijn ommezwaai gewis liet wit. Toch, mijn bede blijft het steeds, dat mijn vreeze leugentaal slinger', verre van het doel. Tweede zang. Doch der kracht hoogste bloei, tier en stout, Is niet veilig, en menige krankte belaagt van nabij de gezondheid. En met gelukkige vaart Zeilt daar de have des koopmans, â Zie, daar stoot zij op een zandbank. Werpt nu angst voor have en goed. Wijs bereek'nend, ras een deel Van haar schatten over boord, |
|
v. 9-19 codil. ei/Tii^jèi, omend. llossbach. â coild. 'il-ei (Farn. (ppevot (plXov S'psvcv, eraend. K. â v. 951 codd. â mAtx. nxfyPwev eZb' quot;lA(ov «pro w-vfiiTcit; trrpar^, omend. Iv. â v. 957 codd. emend. Stanley. â v. 958 codd. èpiwvz, emend. Hermann. â v. 962 codd. xvKhoCfiEVOV tcéctp, emend. K. â v. 965 Flor. S' ié spxt;, Farn. S' irr' c/xccf rol, emend. K. â v. 966 codd. ^Cèy, emend. Ilenr. Stephanus. â v. 968 â 970 Flor. /j.iXu yup roi t2« toAAS? Cyiclu^. Farn. fxciXx yé tci t5? jtsAASs vyisicif. Porro ambo: üxófitrTCv réfnz' viacs yip yiiruv ó/tÃTOixcs èfiihi Emend. K. -v. 972 inseruit K. â v. 973 codd. xx) to fiêv npa xpvutüruv, emend. K. |
V. 950. Het zondig strand is het strand van Aulis; eerst na de offering van Iphigenia kon de Grieksche vloot van daar naar Troja vertrekken. â V. 961. Agamemnon's vergrijp zal, naar het angstig voorgevoel van het koor, geboet worden; het draagt echter zorg den gelukkigen dag niet door het noemen van Iphigenia's naam te ontwijden. â V. 968. Ook hier denkt het koor aan Agamemnon en zijne zegepraal. Op de bloeiendste gezondheid volgt maar al te licht ziekte; en de lang gelukkige zeevaarder kan plotseling op een zandbank geraken; dan kan echter de schipper vaak, door een deel der lading overboord te werpen, het schip vlot maken en op nieuw tot welstand geraken; doch eens vergoten bloed (v. 981) is niet weer in het leven te roepen. |
41
|
lt;rüv sttÃvtkts cry.x$o:, 978 xsix sSu TrpéTrag Ispos 976 iniftova? yépcov ayxv. 977 iro'/.'/.i roi tiótris h Aio; d^Cpt/.x-ts kou £? oi^óy.uv sttstsixv VWTIV ütevsv VÃTCV. 980 xvtkttfl. 13.' To 5' STT) yxv TTSVOV xirx!; boLvaTipov ttcïz xvlpo: yJ/.xv xï^ó. ris xv ttó-Kiv xyxx./.é'jxit èTrxsi^Ciiv; cüsf tov 'opscèxii tccv $$iy,£vmv xvxysiv Zsu? xur s~xu(j' è'x' xfihxpij ye, 980 et Ss yj TsTxynsvx [MÃpx ;/,olpxv sy. Ssüv slpys ;/,vi TïXso'j ipépsiv, 7rpO^X7X7X xxpllx yhuTrrxv xv txS s$sx£t-â¢j'j-j s' 'jko ny.ótx (jpéy.si Supxhyfa ts xx) aiSsy smt.TroyJ- â¢JX ffSTS KXipiOV £y.tox,j~SU7£IV QcTrupoupévxc Cppsvos. KATTAIMNII2TPA. 995 EiVw y.oy.i'Cov y.xt iru, \i.xlt;T«,vhpxv Xsyu, iVf/ t' sStixs Zsu: oty^vkoit; lópot? y.oi'jccvh slvxi xspvlpuv, ttoM.kv [jstx scyawv trxbelvxv (zxyoh tts'/.x;' sy.fixr/ xTrtji/y? r/jtrSs, u-sp^po'vsi. 990 |
Maakt zij zoo de bark weer vlot, Dan zal niet het gausche huis, Zwaar bezocht, te gronde gaan; Neen, want rijke genade van Zeus, die zijn zegen verleent op de jaarlijksche ploegvoor. Bant des hongers booze kwaal» Tweede tegenzang. Doch indien mannenbloeds donk're stroom Dood'lijk eens is geplengd, wat betoovering roept het op nieuw in het leven? Moest niet Asklepios zelf. Meester in 't wekken van dooden, Deerlijk Zeus' bestrafiing lijden? â Perkte, naar der goden raad, D' eene stand niet d' and'ren in Tot het hem bescheiden deel, 't Hart, de tong voorbijgesneld, Had dit alles wis geuit. Doch in 't duister peinst het thans. Diep droefgeestig, en duchtend, dat nimmer dit kluwen van 't lot nog tot zegen ontward wordt; 't Gloeit en smeult in angsten weg. Klytaemnestra (in do poort van liet paleis tredend, tot Kassandra). Treed gij ook binnen, â u, Kassandra, spreek ik toe, â Want in een niet te wraken woning maakte Zeus U deelgenoot van heilige offers, en gij zult Met vele slaven naad'ren tot zijn huisaltaar. Verlaat den wagen, en geef niet aan trots gehoor. (Pauze. Kassandra roert zich niet.) |
|
v. 978 codd. cCS' eTrovrtae, emend. K. in versu iam a Schwerdtio ante v. 97G collocato. â v. 976 codd. cvk h$v, emend. K. â v. 981 codd. TrsffivS' ccttxH;, emend. Pauw. â v. 982 Flor. TTpÃTrxp av^po^. Farn. TrpOTreèpoib' uvèpos, emend. K. â v. 985 Flor. 'éxavff stt* si/Xscfaix, Farn. szuva' êx' ufiXuficix ye, emend. K. â v. 995 codd. uf/ywrus, emend. Auratus. |
V. 983. Asklepios (iEsculapius), de god der geneeskunde, hier in het oorspronkelijke Orthodacs geheeten, werd door Zeus met den bliksem verslagen, wijl hij dooden, met name Hippolytos, in liet leven terugriep. â V. 986. Eerbied voor het koningschap heeft het koor, hoe bezorgd ook voor de toekomst, weerhouden, Agamemnon op zjjne schuld te wijzen en hem voor Klytaemnestra te waarschuwen. â V. 994. Kassandra, als zienster in wit gewaad, met rooden priesterband om den hals en met een lauriertak in de hand, blijft, zoolang Klyteemnestra op hot tooneel is, onbeweeglijk op haar wagon in de orchestra gezeten. |
42
1000
|
K M â zsïilx yccp Td lt;pxlt;r)v 'A^.k^wh ttots TrpxbévTX rhijvxi 'ScuïJxs iMfyt öiysïv. Ei S' cvv dvtxyw r/taV syrippéTrsi rvxquot;',?, XpXXlOTT'/.OVTaV ciSTTTCTciv TTCA/.y %XpiS. ci S' ovttct' shxivavTS? ytj.yvxv y.x?^c:, ciftcl ts 'Soii^oi? vrd-jTX y.x) -rxpk (ttoc^wj. SXSi;, TTXp' tifiUV ClXTTSp VOftiamp;TXl. XOPOS. Sc/ ts/ /J'/ovtx TTX'jsTXi nx^tij gt;xyov hjls o' X/s/jTX, IJLOptiljLMV txypslipiXTUV Treföci' xv, £i xksamp;cIgt;ilt;; S' /Vw?, KATT AIMNH2T PA. 'A/./.' flVf/) tVrl ,««} xshihsvog S/x^v Cpuvitv l3xpj3xpov y.sy.ry^uh^, fVw ippsvciv jSx/.oviTX ttsIBoit' xv /.iyx. s] S' xamp;vvyMV Oiivx iw Sf%£/T' Itto?, ffu §' «vri (pcijvijs CppiXs xxppxvy xspi. XOPOS. quot;E^y. ?Sc(7tx tüv KxperrdiTMV ?Jy£i. kiSov Ximïicx róvV x^xl-vtpy, öpóvov. KATT AIMNH2TPA. Ovrci övpxixv rjvd' ifto) rpipsiv' tx yjy yxp hrixg ystroy^xy.cu [CpA0r/M77X y.Vi'/.X IxTÃTiTXl yVxBifl] TTVpÃq' sïTy/.s §' yijXx Trpic TSxyxc [xipoi{\ cl: OVTTOT S?.Trilt;7X7l Ty,vV si-siv X^'P1'^- (jh §' fï Ti ^pxtrsic TCÃV^S, yJ/j GX^-W TISSI. 1005 1010 1011 1019 1020 1012 1015 1018 |
Want ook Alkmene's groote zoon heeft, zegt men, eens, Verkocht, geduldig zicli met slavenbrood gevoed. En wien de nooddwang van dit bitter lot bezoekt, Is nog gelukkig in een huis, van ouds gegoed; Want zij, wien voorspoed onverhoopt veel oogsten deed, Zijn voor hun slaven immer hard, gestreng naar 't recht. Nn weet gij, wat behand'ling n ten onzent wacht. Koor (eerste g r ij s a a r d) (tot Kassandra). Tot n was 't, dat dit dnid'lijk woord gesproken werd. Des noodlots net omstrikt n; volg haar woord, indien (Tij volgzaam zijn wilt; niet te volgen helpt u niets. Klytaemnestra (tot halverwege liet tooneel vooruittredend). Nu, zoo ze een zwaluw niet gelijkt, en and're dan Barbaarsche, ruwe en onverstaanb're klanken kent, Dan neem' zij, wat ik zeg, ter harte, en volg' mijn woord. Doch mocht ze onvatbaar, doof, voor reed'nen zijn, zoo (spreek Gij tot de vreemde, woorden sparend, met de hand. Koor (tweede grijsaard). (ireef toe; zij raadt n 't beste, wat uw toestand eischt. Gehoorzaam; kom nu van uw wagenzetel af. Klytaemnestra (tot den rand van het tooneol vooruittredend). Voorwaar, tot toeven aan de deur ontbreekt mij thans De tijd; want op des huizes hoogaltaar belekt De rosse vuurgloed gretig reeds het jonge rijs. En bij de lainm'ren heffen de offerknechten 't mes. Die sedert lange niet meer hoopten op dit feest. Wilt gij uw aandeel aan den dienst, zoo toef niet meer. |
|
v. 1000 Flor. TpajfuTiS TAv^y.» livXf'ms fJ-ifyc; fiia, Fan:. Tföjxt kx'i amp;y!2v ijiysrj /3/«, emond. K. â Weil mavult: TtfxjhTx T^y.'jai ScuMx; itüïbfoc fiim- v. 1007 codil. fvTO? 5 U'j cCffa, emend. irnu]gt;t. â v. 1011 cudd. Xé'yyjijU TTcfaio wv A'^to, Iv. fixfovira, reliqua ^jger eraendavit â vv. 1019, 1020 transposuit Ludwig. -- codd. ovirx. w Aóyov, emend. K. â |
v. 1013 codd. ttsï^CiV, emend. Blomfield. â v. 1015 codd. /Mirsndlcifoi/ éuryixev rèy fxi-Xx Ttfte, etpuyas Tupo? w? oüiror' èXTtiaxai kt A emend. K. |
43
|
X0P02. 'Epw^sco: hixsv -j t-htj Top:ü Isltrbxr rpÃTTo: Ss Sypós wc vsxipérov. KATTAIMNHSTPA. 1025 tH fjLccivsTxi ys tix) y.XKÃv xhust Cppsi/üv, ijrig Aiirouira /tsv mï.iv vexlpercv {jxsi, xaMi/ov S' ouk sTritTTXTXt Qspeiv, irpiv xipuTvpov sS-xQpiamp;trSjci ftévos. ov pyv Trï.scii plxpxtr' xTipxTSyiTOpxi. X01'02. 'Eycc §', smiKTsipa yap, ov bu 1^x70^x1, 1021 w txXxivx, róvl' spyifAXTXj' cxw, shoiKj' xvxyxy rp' kxIvitov amp;ycy. 1030 1035 KA2ANAPA. trrp. x'. 'Otstctots? mmi S5. SmoKhov «TT^AAov. X0P02, T/ txvt'' avwTÃTul-Xi x;/,Cp) Aotycv; c-j yxp TOIOVTO? cia-TS Spwjrov tu%sïv. KA2ANAPA. xvriïTp, x 'Ototototoï Komi §5. kttoXXOV ccmhhov. XOPOS. 'H §' xuts öucrXiiy^ÃTX tov Smv y.x?.£7 otöh Trporjy.ovT' êv yJoi: TrxpxTTXTslv. |
Koor (derde g' r ij s a a r d). 't Schijnt, dat de vreemde een tolk, die klaar, met (nadruk, spreekt. Behoeft; ze is schuchter als een pas gevangen ree. Klytaemnestra (tot het midden van het tooneel terugtredend). Neen, razend is zij, geeft haar onverstand gehoor. En uit de pas genomen stad hierheen gevoerd, Verdraagt de nieuwling de' ijz'ren dwang des breidels (niet. Aleer haar trots dit, bloedig schuimend, heeft geleerd. Geen woord verspil ik verder tot mijn eigen smaad. (Zij treedt tot de deur van het paleis terug.) Koor (vierde grijsaard). En mij beweegt erbarmen, toornig word ik niet. Vat moed, rampzaal'ge, stijg nu van uw wagen af. Wijk voor den nooddwang, neem het nieuwe juk op u. (Klyticmnestrn fcant in liet paleis torug. â Kassandra komt vim don wagen af.) Kassandra (op liet voor hot paleis staande beeld van Apollon starend). O god! 0 god! 0 noodlot! Apollon! Apollon! Koor. Wat zendt gij jamm'rend zulk een roep tot Loxias? Hij is de god niet, dien men eert met weegeklag. Kassandra. O god! 0 god! o noodlot! Apollon! Apollon! Koor. Weer roept zij met onheil'ge woorden tot den god. Dien jammerkreten nimmer hulprijk naad'ren doen. |
v. 1030. codd. hicnd iviyxy, emend. Robortellus.
V. 1033. Loxias is Apollon, als voorspellend god.
44
|
KASANAPA (rrp, i3'. quot;Attok'acj quot;attc/.kcv ayuixr' xttÃMuv sy.ó:. 1040 xttic/.s'tx; y-tp o'j to quot;ie'jtspov, XOP02. xpfasiv hr/.s'j £//,$ tccv x-jzq: kxxccv. juvsi to Ssloy liovyjcf. xsp sv (ppsvi. KASANAPA. XVTITTp. /3'. quot;attokfov quot;atto/./.cv xyjixT xvrd/J.uy S,M:. 1045 x ttsi kot' iïyxyè: ys i Tpo: Toixv TTsyw; XOPOZ. npss TV/V \\Tpiilxv s] rj tcS' hvoslc, h/a Asyu 701' xx) Txl' oöy. spsïs \póSgt;), KASANAPA. cttp y'. MiróBeoy {j.h ouv, Tti'/.'/.ci cvjiaTOp'1 x, xiiTc^ovx y.xyS s'Spxy.' xpTxy# i050 /J.ylpoTtpxy' lm yxrrsh-j pxvr/ipiov. XOPOS. quot;Ecixsv evpic â /] tjly// xv/os quot;èiwj shxi, i^xtsvsi 5' wv xvevpfast tpóvov, v. 1043 codd. nxp' ev, vel 7rx(h, vel xufov Qpevi, omoml. Schütz. â v. I'M9 codd. oWffropa, ante limio versum Mod. 2 2, emend. K. â v. lOaO codd. airoQóvx xxxil xxfTcivui, emend K.â v. 1051 codd. avSpb? trlpxyicv y.xi Ttéaov fStoT/fiov, emend. Ahrens. â v. 10511 Mod. uv ccj eCf/ffv, Flor. wv f(J)£t/pilt;lt;r£(, emend. Povson. |
Kassandra. Apollon! Apollon! Gij schutsheer, mij leedbrengend god! Want diepen kommer brengt gij nu ten tweeden maal. Koor. Voorspellen wil zij, schijnt het, van haar eigen leed; Ook bij een dienstb're werkt de godengave voort. K assandra. Apollon! Apollon! Gij schutsheer, mij leedbrengend god! Waarheen, ach! hebt gij mij gevoerd? tot welk een huis? Koor. Tot dat der Atreuszonen; is 't u niet bewust, Zoo hoor 't van mij nu, die geen leugen u verkond. Kassandra. Een godtartend huis! een schuldbergend, ach! 't Aanschouwde dood door eigen strik. En mannenbloed, moorddadig op den vloer gesprengd. Koor. Scherpspeurend schijnt de vreemd'ling', als eens jagers (hond; Zij vorscht, wat moorden hier bedreven werden, na. V. 1050. Hier wordt, naar het schijnt, aangeduid, dat Aerope, Atreus' echtgenoot, die overspel bedreef met haars mans broeder Thyestes, door den strik een einde aan haar leven maakte, en in den volgenden regel, dat Thyestes Atreus, den vader van Agamemnon en Menelaos, doodde. Van elders moge dit niet bekend zijn, de gissing is hoogst waarschijnlijk. |
45
|
KA2ANAPA. dvTifTp. y'. MapTuploiTi yxp toIvV sTriiriiSopxr y.Xxóy.s-ji, r' ISi ir^xyx: 1055 OTTTIXC TS aixpxxs irpo; irxTpos psfipaiAevxc. XOPOS. -/.Xkg toïi fixvTiMv irszvvfiévor tovtuv 7rps$-/iTx; S' OVTI-JX: jAXTSuo^sy. KA2ANAPA. (7Tp. S'. Iw irÃTTOl, Tl KOTS fffisTXl i Ti tóIs vkv (3dpo; i^syx, 1060 (/.éy h 'SóftOKTi TOÃïèe, (/.-JihsTXt y.xxüv, xipspTov (plhomv, quot;hvvixTOv; xX- XX §' 'sy.XS XTTOTTXTSÃ. XOPOS, Toutuv xi'èpig eifii tüv [/.xvTeuitxTuv. helvx S' eyvcoy' ttxcx yxp tto/.i: poSi. 1065 KASANAPA. XVTlUTp. Iw txaxv, tI tóIe yxp Tehsïsi Tl TM ÃpodéftVISV TCÃTIV hovTpoJvi tpxtèpvyx?'; XTTÃMS $px7u TSKOZ' txxos yxp t«5' sffTXf TrpoTeivsi §£ ziip sk yjpii Spsypsvx. 1070 XOPÃ2. Ovttco '^uy/jxx' vïiv yxp i§ xhiypxTuv s7rxpys[A0i7i §S7QXT!II5 XWXXW. v. 1054 Med. /tupTi/phif ystf, Flor. /xufTvpiois (xèv ycip, cmend. Pauw. - v. 1055 Med. TaJc (Spsipv). Flor. rel Ppttpy, omund. K. â v. 1058 codd. y/usv TTfotpvras, emend. Weil. â v. 1060 codd. véov Itéya, emend. K. â v. 1061 codd. xaxiv, emend. K. â v. 1065 Flor. 3:x ~ó hic, forsan recte. â v. 1066 codd. TXhciinu réSi, emend. K. â v. 1067 ri in libris |
Kassandra. 't Gezicht daar getuigt, wat waarachtig is! Die kleinen, zie, zij roepen moord! Zij zijn gebraden; zie, de vader eet er van! Koor. Voorwaar, wij hebben van uw zienersgaaf gehoord; Doch geen profeten zoeken wij om dit te zien. Kassandra. O goden, wee! welk plan voedt zij nuY O welk een nieuwen zondenlast. Voor deze huizing zelfs nog groot, ontwerpt zij daar Y Geen vriend torst dien druk! heelt dat kwaad! alle (troost, elke bijstand is ver! Koor. Dit, wat zij nu verkondigt, is mij raadseltaal; Het and're kende ik; want de stnd is vol er van. Kassandra. O drieste vrouw! wat doel hebt gij thansV Wat hebt gij voor, uw lieer en gemaal In 't bad verkwikkend? Dra verkond ik, wat geschiedt; Want ras naakt het eind; elke hand wordt om strijd ijvervol uitgestrekt. Koor. Nog is 't mij duister; sprak zij vroeger raads'len slechts, Nu word ik angstig bij der zienster dnist're taal. deest, addidit K. â v. 1068 codd. (py.iSfjvx7X i emend. K.â v. 1070 Med. x£'f ** opiyitxévy., emend. K. V. 1061. âVoor deze huizing zelfs,quot; voor dit geslacht, waar vreeslijke gruwelen niet vreemd aan zijn. â V. 1062. âAlle troost, elke bjjstand:quot; hiermede wordt Orestes bedoeld. |
46
|
KASANAPA. ÃT p. S. ^i-i gt;/ L f. â zxvxl kxttxï, T/ TC'SS QXIVSTXI; % quot;hixTuóv n quot;A(§5u; xpy.vt' y i-vvsvvo? siciv xhix tpóvcv, T.to.vi: S' xxófSTOs yhsi â /.xn/.o/.vtarü Srvfy.izro: y.'AXU(jt[j.ou. X0P02. Vlolxv 'Epivvv Tyvls 'hiii/.wiv y.h.st siropSixamp;iv; cu (m Cpxtipuvsi hiycs. £-; §£ xapSixv y.poxcpxtpyi: syA GTxyuv %a£sTM' bpu 7rTcccrty,og !;vvx'svt£i (3lev ^uvts: xvyxl:. TXXSla o' ZTX TTSXSI. KA2ANAPA. zyTifrp. s'. rA lt;5. iS:u iSsü' ctirsxs rx: (3oóc' tcv rxdpsv sv fffwAwSf; ;j.£/.a.yy.epccv }gt;x(iouvx [u.-jxxrjpxTi béyer ttItvci §' sv èviilpcc y.vrsi, dsfoCpsvcu XsfiviTo: rii%cl:v, tro) /Jycc. X0P02. 1090 O'j y.of/.TTXvxi;/,' xv Sertpxruy yviftccv cixpo shxi, y.xy.x §£ rtc rrpsesiy.xZx rxh. XTTO §f bsrtpxruv rls iiyxSx (pxri: jopCTOÃ? -s/./.sry.i; y.xy.cïv yxp ?Jxv 1075 1080 1085 |
Kassandra. Ã! o! 0 wee mij, wee! wat doomt daar mij op? Is dat een helsclie valstrik? Een net is 't, ja; zijn gade, zie ik, komt, en doet Den moord. â Verzaad, gij Tweedracht des (stams, U thans; 't offer valt; juich het bloedplengen toe! Koor. Tot welk een wraakgeest roept gij, dat hij hier in huis Luid juichen moge? zulk een kreet verheugt mij niet. Naar 't hart ijlt beangst des hloeds roode stroom; Want vaak wordt vervuld des waarzeggers taal; Verdoofd wordt met haar 's levens lichtgloed. De voet des onheils is snol. Kassandra. Ach! ach! Zie toe! terug! ontwijk ras de koe! Des stiers geweldig hoornpaar Omhult zij listig met des mantels boos bedrog, Zij treft; â hij stort in 't badwater neer; Tot moordgroeve wordt, zie! de kuip ginds voor hem! Koor. Ik kan niet roemen, dat ik met een scherpen geest Godspraken uitleg, doch als onheil klinkt mij dit. Van waarzeggerstong verwacht niemand ooit Een heilbrengend woord; van wee overvol, |
|
v. 1074 codd. Sinriiiv T( y' quot;Aièov, umund. Dindorf. â v. 1075 eodd. y-aa' ifxvs, omond. Weil. â codd. v '^vveuvo^ 'lt; ^vvxnix, cmond. K. â v. 1076 codd. axóptffTC;, emend. Botho. â v. 1077 uodd. ^i/|UZT5? hivai/tov, emend. K. â v. 1080 codd. £t! Ss xxfiiav 'ïófuixs tcfMofixQiit;, emend. K. v. 1081 codd. arw/uv ure kz\ Sofia (Flor. Sufia) Trruainoc, emend. K. â v. 1085 codd. ft â KéxA'jiaiv, emend. K. â v. 1086 Med. indicat («sAayxfpw et //.f^dyxepuv, â v. 1087 codd. TilTTfi' ttitvsi S' èv êi/CSfU r£Ã%£i. Hermann jgt;Vc. Blomfield kvtii. â v. 1088 codd. Ti/^av, emend. K. â v. 1092 codd. arjAAfrssi, emend. Emperius. â Med. |
yitf Six, 1'lor. dl, emend. Karsten. V. 1074; men vergolyko v. 1342. â V. 107G. Kassandra roept den Alastor, den wraakgeest van Atreus' stam aan, en doelt er op, dat by den val van een offerdier een luid gejuich aangeheven wordt. ⢠V. 1081. Volgens den hier gegeven Griekschen tekst wordt er gesproken van wichelsteenen, uit wier val de toekomst voorspeld werd. Bij den Apollodienst waren zij in gebruik. â Op een godspraak volgt meermalen de dood. â V. 1084. Kassandra roept in haar geestvervoering Agamemnon een waarschuwing toe. |
47
|
irohueTTsïs Tsxvxi Srsviricjilci. [txSsïy tpspovtriv (pópov. KA2ANAPA. lt;7Tp. ï. 'Iw ïw rxXy.t'jy.g xxxokotiaoi tv^xi' to yxp £;j.h [tipq vixSis gTtsyxsxg. mï l-Ji [as tsvpo r/fj Txhxivxv Viyxyss; ovlev 7r:r si .avj ^uvSxvoviiér/,';. t/ yxp; XOPOS. flgt;pevo//,xyy: ti? el SsoCpépyros, xpc- Q) §' X'JTX? Sposïi; véft cv xvoptov, cïx Ti? t-suSx xxópsTog poxs svCpihoIxTOi? Cppsriy [S'p^vf?'] quot;iTUV quot;ITW tTTSVOw' xftplbxxij HXXOls x-rfxy /3/fiy. KA2ANAPA. «VTlTTp, 5'. 'Iw Iw '/.r/iix: ftópa-j xyhsyos' irspifizhóv ré (rot TfTspo-pópov Srss) 'hsftx; yXv-MJ r' xycïvx y.zvy.xTav XTsp' s;j.o\ §£ [/.iftvst Gwjfto; xftQyxsi quot;hopl. XOPOS. ns'Sfy STrt/TTvrovg ösoCpópov? sxsi: ftXTX.ku: Sóx?, rx S' sTrltpofix quot;SuTtpxTq xXxyycj. txs'/.OTVzsl: óf/,cv t' ipbiois h véftcic [olftijiz;] TrcSrsy opou; sxei: bsaTrsuix: óSsü y.xy.cpp-jy.cyx:; v. 1Ã93 eodd. .^7c7tt,wJóv, emend. Honimim. â v. 1094 codd. ipófisv (ptpovGi naSiiv, emend. K. â v. 1098 codd. öpocS TTtt'jOq ew/'Xju.a'j.. emend. K. â v. 1102 Sled. 0£v T'J-AXsjuc (ppsirh, Flor. (pihoixrois tssAssiv tpfiah, Seliol. Sptivsï, emend. K. â v. 1105 codd. xySóvaq v-ópo'j, emend. Schiitz. â v. 1106 Med. T.:ff(3iAovTS '/ic ol. Flor. refifizMi/TSs yip ol, emend. K. â codd. Séfxu; Jfoï, emend. Ueimsoetli. - v. 1107 codfl. xhuv^cxrojv, |
Verkondt zieiierskiinst ons de toekomst. De vrager leert enkel angst. Kassandra. I)! o! ik arme! wee mij! O rampspoedig lot! Bij moord wordt door u mijn leedkelk gemengd. Waartoe toch hebt gij mij, onzaal'ge, hier gebracht? Voorwaar, alleen opdat ik medesterven zou. Koor. Verdoold noem ik u, van waanzin vervoerd; uzelf zingt gij daar Somb're weelied'ren toe, zooals De zangvogel doet, die, de klacht nimmer moed', aldoor Den zoon jamm'rend roept, zoolang kommervol het droef leven duurt. Kassandra. O, gij zangster, voorwaar, uw lot noem ik schoon! U schonk godengunst het snelwiekig lijf, En in de koele schaduw 't zoet wedijv'rend lied; I Doch mij verwacht reeds met gewette bijl de dood. Koor. Vanwaar stroomt tot u, van godspraken vol, des waanzins verderf? I Wild en woest bruist uw zang, stort zicli i Met schrikbaren klank immer voort, immer toch kunstrijk. Vanwaar zulk een gaaf, dat maathoudend lied, bij 't rampspellend woord? K. icaviAxruv t Weil mavult yAfxuv t* uiuvx iihuvftxTocv 'xyeiv v. 1109 codd. ïjeoQópövs r* 'éfteis, emend. Hermimn. â v. 1112 explevit K. V. 1095. Kassandra, die nu haar eigen lot gaat voorspellen, spreekt in haar visioen Agamemnon toe. â V. 1102. De zangvogel is de nachtegaal, die om haar zoon Itys klaagt. |
48
|
KA2ANAPA. orp. C- 'l« yctftoi Uxpi'So: faamp;pici 1115 lt;pi?MU, IU Hy.Xl/.KvhpSV TTiXTpiSV TTSTSV. TCTS ph xpcp) axs Kiivxz rx/.xrj' WUTÃiim rpo^xlq' â¢JVV S' a/xCpl KUKVTOV TE Kxxepoixricvi ly^ouz hixx SsaTri^wsiv rxxx. 1120 X0P02. T/ Ts'Sf Tcpcv xyxv smg ètypiru, l3?Mlt;7roc vsdycvc; xv i^töai. TrkK'w/V-xi §' iyw lyiypxTi Qsuiu, ciujxiiysï tóxx [y.ivvpx itpsofxévx:' SrpxvfjixT' êy,o) yJ.usiv, 1125 KA2ANAPA. xvrieTp. ?quot;. li vrivci m'vci kc'/.sq: oXcptévx: TO KXV' (M 7rpÃ77UpySI Srilïixi TTXTpÃs, 7tOÃUy.XV£ÃC pOTUV Trcuvópuv Xy.iTft «üSsv STrypy.svxv, TO fy.y TTÃ'AIV ftsv UTTrsp ovv syji KxSav, 1130 êyic Si bsppov 'povv Trélai I3x?m TX%x. XOPOS. 'ETróy.svx TrpoTspus TXV s7rsQyi[/,i(ru' [ric y.xi as QpsvixKOTrsl bsóc; (oixTxi S ] ifzèp (3pföv; êireftziTvxv ;/.£/.itsrv Trxby [Ivotpspx bpsoyAvxv]; 1135 Tippx S' xys/jxxvü. KA2ANAPA. Kx) [jiyv o xpyiï[/,oc ovy.iT iv, y.7.?.vw/.XTUv Slt;7TXI SsèopyM? vsoyix;Mv viiftCptis v. 1122 codil. vscyiii: iiSfunuv /utóci, emend. K. â v. 1123 colt;l(l. yrs'irXvytxxi o' Ctto, emend. K. â v. 1124 codd. iutrccyys'i, emend. K. â v. 1128 codd. aKSlt; i oiZh, emend. K. â v. 1131 codd. èyü Sc Sif/uóvevs rcgt;.x è^nélu paAóD, Musgrave Sepniv fOvv, Burgard ttsSo! (3x^ü lixx â v. 1132 codd. T').V |
Kassandra. ü Paris' echtverbond, gij bracht ondergaug Aan 'thuis! Skamander ach! gij eerwaarde stroom! Voorheen groeid' ik op, ik rampvolle maagd, en speeld' aan uw zoom; Docli nu, nu zing- ik, naar liet schijnt, aan d' Acheron En aan Kokytos' oevers dra mijn ziensterzang. Koor. Uw woord, wat het meent, een elk ziet het in; Een teed're zuig'liug zou 't verstaan. Doch mij treft het diep, het doorgrieft mij 't hart. Dit weeklagend lied om 't lichtlooze lot; Het dreunt zwaar m' in 't oor. Kassandra. O stad! 't is ijd'le strijd! geheel stort g' in puin En asch! o vader, wee! geen vroom off ren baat! Jn, veel runderbloed is voor niet geplengd; geen god gaf gehoor; De stad â verduren moest zij 't lijden, dat zij leed, En ik â hier pleng ik dra het warme levensbloed! Koor. Uw taal blijft aldoor aan zichzelf gelijk; O welke god verdwaast uw geest. En stormt krachtig aan, en dwingt staag uw mond Tot weevollen zang van doodsnood en nacht? Het eind gis ik niet. Kassandra. Welaan! niet langer zendt de godspraak nu haar blik Door sluierplooien, als een pasgehuwde bruid; emend. Weil. â v. 1133 -1135 Flor. xj» ris m y.znstppncTv ribw Sxipuv vnepPapiis i/tTrirvcev pthi'Cen ttxjv, ycefk bavxrsCpipsc, emend, et cxplevit K. V. 1127. Hoe vele runderen Priamos ook nan de goden geofferd liebbe, Troja's noch Kassandra'» ondergang werd er door voorkomen. |
49
|
hxpTrpii; §' hixsv yhlou irpos avroKci; TTviwV £7^6IV, MITTS KU/iXTO? H^O XAUamp;IU Trpoi xyxi, Tovhs TrypxTOS mi.hs Xsipiiv' (ppsvüirco §' oüxst' cciviypaTWV. xx) ftapTvpsÃTs (ruv'Spóf^Cii? 'izvo; xxkxv pivyhoiTOvtry TMV irxhxi TreTpxyftévuv. T'/iv yap aTsy/iV TijvV cüVot' sxhsiirst xopog 1145 avitCpboyyoi; oux sv-pccvx' ou yxp ev /Jyst. xx) [MIV TteKUxiiS y\ w-r Spxtuvstrbxi ThSOV, Ppórsiov xJ/tx xS)[u.o: sv Ispsis i^svei, livfirsftTTTOS c^m, vuyydvuv 'Epivvaiv. ü[tvoüiTi S' upvov (rcifixtnv Trpocryi^svxi nso TTpccTxpxcv xrw h fsJpci S' xxexTwxv suva: xhsXCpoü rep ttxtcüvti quot;èu^^svsl?. quot;W^xpTOV, ij y.'jpcc Ti ro^ÃTV,: Tl? wr; % â¢pevüiiJixvTh dpi bupoxóvo; (p^Suv; sxpxpTupwcv Trpoupiórxs TO pt,' siSévxi 1155 vow Trxhxixs rwV xpxpTix; quot;hó^uv. XOPOS. Kx) ttcc: xv cpy.ii: Kijftx ysyjxicc: trxyh ttxmviov ysvoiTO-, Sr xv fj. 1x^:0 Sé trou, mvrou xspxv TpX0SÃ7XV XhïJbpcp 'v Trótel xupsïv gt;.èyovlt;rxv, ciaTrep s] TrxpsTTXTSi:. 116O KAS AN AP A. MXVTI: yJ1 'ATTÃ/J.CCV reeï1 STTSTT^TSV Te'/.ei. XOPOS. [na : yxp Trxpamp;xev ro'h yspx; Svyry yJpvi;] KASANAPA. ripoTOv [J.h xiSv; Jv sfto) ?.sysiv Txhs. v. 1140 oodd. ès emend. Bothe. â xCfxzrc: S'iKqv, emend. K. â v. 1141 codd. xAiifiv TfO? alyut;, Schütz kXC^siv, Ahrens Ityy.^â â roüSe iryuxro* ttcaC ^.u 'Ccv, emend. Karaten.â v. 1150 codd. Sió/txiïi, emend. K. Weil mavult ulfiudiv. â v. 1153 codd. T»pw Tl, emend. Ahrens. â v. 1156 codd. Aoyu Trcchaixs, emend. K. â v. 1157 codd. opxos, emend. Weil. â |
Want luid, dit voel ik, raast naar 't helder daglicht dra Met woesten aandrang, die der golven kokend schuim Op de' oever voortstuift, dezes onheils felle storm. Niet langer spel ik, wat nu komt, in raadseltaal; En gij, getuigt mij, dat ik naspeur, voet voor voet. Wat gruweldaden lang voor dezen zijn gepleegd. Want nimmer wijkt uit dezen huize een schrikk'lijk koor, Dat, samenstemmend, knarsend krijscht; 't is vloek, (wat klinkt. Alreeds beschonken door 't gebruik van menschenbloed. En immer driester, blijft der gasten stoet in huis. Niet weg te drijven; zuster-wraakgodinnen zijn 't. Bij lijken zittend, heffen zij het jnichlied aan Van de eerste bloedschuld; naar de rij verfoeit een elk Vergrimd den schender, die zijns broeders bed beklom. Spreek! miste, of trof ik als een goede schutter 't doel? Ben ik een leugenprofetes of rateltong? Betuig mij dan bij eede, dat de vroeg're schuld Des huizes mij bewust is door mijns geestes oog. Koorleider. Ach, konden eeden 't euvel, dat zoo wort'len dreef. Verzachten, heelen! â Doch ik sta verbaasd 0111 u; Want opgevoed, verre over zee, in vreemde stad. Spreekt gij zoo treffend als een ooggetuige doet. Kassandra. De ziener Phoebus heeft mij tot dit ambt gewijd. Koorleider. En waarom schonk hij aan een sterv'ling deze gaaf? Kassandra. Steeds boeide schaamte, dat ik 't meldde, mij de tong. v. 1159 codd. izAAÃJjpoi/V sróAiv, eraend Enger. Forsan aAAÃ.Sffu QfAUS» â vv. 1162 et 1163 transp. Hermannus, ordinem, qui in libris est, restituit K., lacunas satis manifestas duobus versibus explens. V. 1145. Het koor der Erinnyen. â V. 1150. By de lijken der kinderen van Thyestes; dat deze geslacht werden, is de bloedschuld, die den Alastor in het leven riep. |
7
50
|
X0P02. Mil' xx) Srsd? Trsp lyJpy kst:/.-/,'-/ij.aci;; KA2ANAPA. [quot;Eyccye cixpov AvtIzvcv; w As^/f.] XOPOS. 'Afipwerxi yxp ttx; tic fu 7rpx77ky 7r?J:v. KA2ANAPA. 'A/./.' xxKxiar/n y.xpr è/to) ttvsmv Z*P,y- 1165 XOPOS. rIl kx) tsxvkv s't? spycv -^/.bst^y vipy, KA2ANAPA. Evvxivsrxfx Aol-ixv tysvrrxy/jy. XOPOS. quot;Ud'/i rsx-jxiTrj bbèïi: yipypéyi]; KA2ANAPA. quot;ils^ ttcïjtxis trxyr' föhktfyy vxfy. XOPOS. lt;n^ S'^t'; xvxToq Vit'jX Aol-icu y.CTx; 1170 KAS AN A PA. quot;ETffSs!/ ciSsy' ciSiy, w,- rxl' %,u7rgt;.xy.cy. XOPOS. 'HyJy y.h SJ) TTITTX SrevTri^siv loy.sïi. KASANAPA. Isu i'sj. 'ts-' «u y.s hivctz spsofixvtelxi ttcvos STpofisi Txpxcïccj lt;pp:i,u,lois Si Si y.xy.x. 1175 v. 11GG codd. KA^fTSv, emend. Elmsley. â v, 1170 codd. x\iy.Kr:s, emend, Canfer. â v. 1171 aodd. o^sv emend. |
Koorleider. Hield minverlangen hem, hoewel een god, geboeid? Kassandra. Zoo was 't; doch lange heb ik Loxias weerstreefd. Koorieider. Elk, wie in welstand is gezeteld, toont zich fier. Kassandra. Geweldig drong hij, fel in minnegloed ontbrand. Koorleider. En hebt gij hem, wat liefde steeds begeert, gegund? Kassandra. Eerst stemde ik toe; daarna bedroog ik Loxias. Koorleider. Alreeds bezitster van de zienersgaaf des gods? Kassandra. Alreeds ontlmlde ik aan mijn stad al 't komend leed. Koorleider. Hoe? liet de gramschap van den god u ongestraft? Kassandra. 'k Vond bij geen sterv'ling ooit geloof, na dat bedrog. Koorleider. Ons schijnt het, dat gij welbetrouwb're waarheid spreekt. Kassandra. O wee mij! wee! Daar grijpt der zienersweeën werv'ling mij weer aan, En schokt mij met het gruw'lijk voorspel. Schrikk'lijk, (ach! Canter. â v. 1173â1175 codd. hi io0 u u kxicz.,.. Jfivs?.... Qpoipioit emend. Weil. |
51
|
opxTS TsJsrSf TOUS lipois s^fjJvov; vsovs, iveipuv Trpo^spsïg !/,cpCpüy,X7i; ttixTSsï Swvóvrec, Ktnrsps) Trpo: rSiv CplXcov yjlpz:, y.psüv trkyttovts: o'iksUs popxs, irhy ivripcis ts (STr'/My/;/ imlxTiercv ys^oq 1180 TTpèmur e%cvTSi;' wv KUTyp sysuTxrc. sk rüvls mivJii; (pyiM pouXsvsiv tux Aeoi/r' avxhy.iv sv gt;J%si a-rpuSi^sycv o'ixovpov, oiimi, tü gt;j,o?.cvti lenróry ifiü' (pépsiv yxp %pvi to SauA/5!/ ^vyou. 1185 Nfwv Txyxpxoz 'UJov T' xvxcrTXTije oiiy. cl'Ssv cïx yKtiatrx (tKrtjTijt xuvhg ï.ei^xvx ;jLsi).i^xrTX S1' x'tyJppsu èiy.yv xtv,: hxSrpxicv rsót-srxi Kxy.ijj rexvy. toixvtx tc/.tj,q.' bij/.v; sanv xpvsvos noo Cpcvsvc. ri viv kxXovvx 'SvtrQihh ^xy.o^ tvxoiijJ1 xv; x,uCpl(7[3xivxv, ij 1.yj}.?.xy tivx Oiy.cZïXV SV KSTpXtTl, vxvrlhuv (2Xxpw ; Suowxv quot;A/Ssu AjfTsp' xirTrcvlov Cpi^sig quot;Apy,v ttvsouvxv ü; S' sxkXoKu^xto 1195 gt;5 TrxyTOToXftOCy citnrsp iv fAxxm 'poKyi' è'Sóxsi Ss x1'P£lv wrlpicp crcor^plx. [Tcicvt'Ss ij.evrci Icipxtriv XP'^I^? Ae^w.] xx) TWfS' OpLOlOV si tl fitj TTSamp;Cil' Ti quot;/Xpquot;, to (J.b.'/.ov fëei. y.x) eb f^ifv txx\ f-' irxpóv, xyxv (j,' xlySóy.xvtiv o]y.Tsipx: sps'tc. 1200 XOPOS. y.h (ryjsttov SxJtx ttxiIsIccv y.peamp;y ^ui/ijyx xx) irèCppiKX, %x) lt;pi(3cs //,' sx^i |
Ziet gij die kind'ren, lieu daar ginds, op 't liooge dak Gezeten? beelden zijn 't, zooals een droom die schept. Ja, 'k zie daar knaapjes, stervend, op der vrienden wenk Gereed als 't ware, om met hun vleesch den disch van (,'t huis Te vullen, â gruvv'lijk ingewand bevatten zij, Darin, hart en lever; ja, de vader at er van! â Hiervoor zint op vergelding, dit verkond ik thans. Een leeuwenbasterd, woelend in het bed van 't huis. En loerend, wee inij! op mijn thuisgekomen heer; Mijn heer, ja, zeg ik, â want ik tors het slavenjuk. De vlootbestuurder, Ilions verderver, weet, Bevroedt in 't minst niet, wat de tong der wulpsche teef. Nadat zij vleiend heeft gelikt, gelijk een slang-Met de arglist van een schuif'lend onheil hem bereidt. Want dit bestaat zij: ja, de vrouw is moord'nares Des mans. O welk een gruw'lijk monster leene haar Den naam nu? zal ik haar een adder noemen, of Der schippers afschuw, Skylln, die in rotsen huist? â De dolste Hades-priesteres! haar vrienden snuift Ze ontoomb'ren strijd toe. ü, wat klonk de juichtoon (luid Der niets ontziende, als bij het keerpunt van den slag! En vreugde scheen het om behouden wederkomst! Ziedaar de godspraak, die ik dezen huize meld. En vind ik hiervoor al of niet geloof, 't is éen. Reeds naakt de toekomst, en gij noemt mij, is zij daar. Gewis, luid jamm'rend, al te ware profetes. Koorleider. Thyestes' maaltijd met het vleesch van eigen kroost Begreep ik, en ik rilde; vrees vervult mij nog, HVTSf , emend. Ahrens. â codd. t uphv (piXiiq wécvaM, emend. K. â v. 1196 cocld. ftsixvs TpOTrvi, emend. K. â v. 1197 codd. Sons! Sè, emend. K. â Sequentem versum inseruit K. â v. 1199 codd. jcaï 7v /tijv 7', emend. Ahrens. V. 1178. Doode knaapjes, die als het ware hun vader bedienen, maar met hun eigen vleesch. â V. 1183. iEgisthos. â V. 1195. Zij juichte luid, toen zij den Koning ontving. |
1
cifirsM'os (pc\i£us èar'iv, emend. K. â vv. 1194, 1195 codd. aSov
|
y.hvovTX Xypci: cvèiv H-yxxTftsva. TX 5 X/.A' OMOVVXS sx SpJ^OU 7r£aKV TpSXM, KA2ANAPA. AyxtASftyovos (ts C^ ' STro'ipsfSxi (/.cpov, 1205 XOl'OS. Eu^^tcy, w TX./.XI'JX) xolff/jfcv Trsy.x. KA2ANAPA. AAA CUT/ TTXIKV T$V STTlTTXTSl Ã.ÃycO. XOPOS. O'Jx, fj Trxpéarxt -/⢠d/./,x w yhono ttco:. KA2ANAPA. Si/ ^f'y kxtsvxsi, tcï: S' umxTslvsiv X0P02. T/i/c? Trpcs Kvlpo: tcïit' xyo: Tropruverxi; 1210 KA2ANAPA. tH y.xprx quot;èxph irxpsxcwy: xpy^^icv spciv. XOPOS. Ttü /.zp TfAct/VTC?; cy t;ui/ijy.x wxxvjv. KA2ANAPA. K«} (ai{gt; 7' quot;EA/.^v' STrhrxy.xt CpXTiv. XOPOS. Kjj; yxp roe Truisóy.px-jTx- ^y.xSij §' ö'ctamp;v. KAS AN AP A. n^-^r 7TX~M. ()J:v tóV xu pis Trijp sksivi ShQxrcv. ' 1215 v. 1203 codd. xA^cvt' aAilamp;ü?. emend. K. â v. 1210 codd. »X'J^ emend. Auratus. â v. 1211 codd, y xttpr ctp' amp;v Trapeiricóinif emend. K. â v. 1215 codd. TtZTiad, oiov TC Trvp è7rép%£TXi Sé |
Daar wat ik hoorde niet op ijd'le taal gelijkt; Doch t and're is duister, is verbijst'rend voor mijn geest. Kassandra. Agameinnons einde, xeg ik, ziet uw oog weldra. Koorleider. Onzaarge, 't onheil roept gij! hond uw tong in toom! Kassandra. W at ik voorspelde, keert geen reddend god meer af. Koorleider. Niet als 't vervuld is, docli gebeuren moge 'tniet! £ assandra. Gij smeekt om redding; zij bezorgen reeds den moord. Koorleider. En welk een schurk is 't, die de snoode daad beschikt? Kassandra. Van wat ik spelde, ontgaat nog altijd u de zin. Koorleider. Wie is de dader? duister blijft mij steeds liet plan. Kassandra. 'k Versta, zoo meen ik, Hellas' taal maar al te goed. Koorleider. Ook Pytho's godspraak kent die; en ze is duister toch. Kassandra. Helaas! helaas! AVat godd'lijk vuur is 't, dat op nieuw mijn geest bevangt! ptot, emend. K. V. 1211. âIk heb 11 duidelijk yEgisthos als den drijver tot den moord aangewezen.quot; |
53
|
imol, Aiixei' quot;Atto'/.Kov, oi èyii syamp;. xvT/j quot;è'iTrov: Xkxivx irv/y.ciiJ.Kij.s'j'/i xi/KUi, hkovTO!; süysvov? txmvjitji, ktcvsï lts rijv TxXxivxr cc: Ts Cpapitxicov Tsuxouax xxy.sïi yjTÃèy svbvireiv kutsi sttsuxstxi, Srjyovrx CpaTi Cpxtyx-yov S' x'/ccy/,; xvTiritrxeSxi (póvov. T; S^t' spxur/j? xxrxysK^r' riSf, KX) crxyjTTTpx xx) [txvTsïx TTsp) dspy VTety; uf fth vrpo ftcipx? r/j; i.aij? tiixffitpM. 'It' êc (pbópov irsaivT', xSm' xf/.styopxi. rr/, xyyyy, xvt spoj s-Acur/^sTf. iSs-j S' 'Azo/./.CvU x-jtq; sV.Süwv iyJ Xpyartpixv itrbijr'. sttotttsÃïx; rè ,us xxv roïa'Se y.oerlus xxTxyshu/tév/tV yJyx 1230 Cpi'Axy utt' £%bpxv, ov lixippÃTTccz fixöeTv â xxKoviJt,ér/i Si Cponxz, ws xyóprpix TTTuxi? T' XXXQW hipitövw, yveixo'iMtv â kx) vvv '0 ftxvTis yMVTiy sxTrpxt-xj syJ xir-ziyxy' s: mxvls Sxvxrlpcv: tuxxs. 1235 l3uf/,:v Trxrpclicu §' xvt' èTrü-yvov //.svsi bsppy xo-siv/,: Qohiov ïrpof^xyamp;XTi. (gt;j yJ/iï XTiamp;oi quot;/ sx SsSiy TsSrv/ii-opsy, [yvy-// Tx'/.xiyx xx) vsüy aTpxTyXxry:]. t)$si yxp vhakv xXXos xv Tipxopcz, WTpsx.TÃyov Cplrv/ix, mivarup Trxrpéf i-MO (pvyxi; §' x/.'/.T'/,: Tijr'Ss yy,: xTrót-syo; v. 1217 coild. SitAsi/?, emend. Victorinus. â v. 1220 coild. iv^y.cn (Farn. ï'/JYïïlv) xóru, emend. K. â v. 1222 codd. spyiq ayuyZs, emend. K. â v. 122G codd. ayxöu i ifitstyoptci, emend. K. â v. 1227 codd. isAA^v nv' artjv, emend. K. â v. 1229 codd. Sé fts, emend. Hoimsoeth. â v. 1230 codd. ixéra, emend. Hermann. â v. 1231 codd. u.y.Tvy, emend. Halm. â v. 1233 codd. 7rTtc%ó{ TuKurrj. Alt;/koamp;v:ï vvciT^ó^vfv, emend. K. â v. 1237 codd. y.oviiav: (pemu, emend. Thiersch. Keckius, quern Intuit, ut videtur, simplicissima Tliierschii emendntio, conieeit; |
Ontzettend, 0 gij vorst Apollon! wee mij, wee! Die mensch-leeuwin daar, die haar leger met den wolt' Gedeeld heeft, toen haar eed'le leeuw afwezig was. Zal mij, rampzaal'ge, dooden. Ja, als mengde zij Gif in een beker, roemt zo er op, dat zij mijn loon Bij zijn ontvangst voegt, â en zij wet haar man (het zwaard! Mij bracht hij met zich; â 0, dat dit een moord nu (wreekt! Wat draag ik langer dezen tooi, mijzelf ten spot? Dien scepter, en die priesterbandeu om den hals? O, u verbreek ik, eer mijn noodlot mij bereikt; En gij, vaart ten verderve, â¢â ik geef u billijk loon, â Schenkt aan een and're, een reine maagd, thans al (uw heil! (Pauzo.) Zie, zie, Apollon! zelf ontdoet hij mij van 't kleed Der zienersgave! .Ta, hij heeft trouw toegezien. Wanneer de mijnen, gansch vervreemd, mij in dien tooi Met hoon vervolgden, met hun onverholen spot; â Waanzinnig heette ik, als een kallend bedelwijf Of hongerlijdster, die door kluchten 't leven rekt; â En nu, de ziener, die met de arme zienster lang Afreek'nen wilde, voert mij naar dit huis des doods, In plaats van 's vaders outer wacht mij hier het blok. Dra door het warme bloed van 't offer rood geverfd! Docli wreken, wreken zal do hemel onzen dood. Van mij, onzaal'ge, en van den hoogen legervorst. Eens komt een ander weder, die ons wreekt, de spruit. Die, moedermoordend, bloedgeld voor zijn vader eischt; Als zwervend vlucht'ling keert hij uit den vreemde weer oV/i!» xozetays Cpoiviu TrfstrCpiyixari. â jmst v. 1238 versum oxcidisse K. demonstravit et lauunam explovit. V. 1225. Zij verbreekt lt;loii dunnen laurierstaf, dien zy als zienster draagt. â V. 122C. Zij werpt hare priesterbanden ter aarde. â V. 1228. Terwyl zij haar zienstergewaad laat neder-zinken, staart zij op het standbeeld van Apollon aan den ingang van het paleis, en nu is het haar alsof de god zelf nader treedt om er haar van te ontdoen. â V. 1239. Orestes. |
54
|
xutsijiy, ara: rarrls spr/y.iitm (p'o.otq-Mfxps Sij yxp opxs: sy. bsüv [té? as, amp;^siv vtv utttuftfix kslfthou txtpic, T/ Sijr' h/co YATM'jo: ciS' avxvrsvu; 1245 stts) to irpÃTOv stiov 'D.lcu 7rd?,rj Trpiit-jittxv cce sirpxt-sv, dl S' ttxï.iv curcos sPs faccv xpitrei; tyrépyciKj-' x ttpx^cc r'/.y^oy.xi to y.xtbxvsiv. quot;atho-j ttu'/.xc SJ) -x'jós syh â xpottenstta' 1250 smuxofixi Vs y.xtpix: t'/.vr/v,: Tvyjlv, mc cc7$xsx(jt0r, at ij. xt kv sil^v/^ifiuv xmppvsvTCiv, cfjLftx iTv;j,(ix).C') rs'Sf. XOPOS. 'li zc'y.'/.x [/.h txixivx, ttc/./.x §' xv trafy yiivxt, iJ.xy.pxv Ãtsivx:, si 5' èr^rj'j.cc: 1255 famp;ópcv tov autïjc chbx, ttus èsy^.xtov pco; (gt;ly.y,v trph: ficcphv svTÃ?.pc.:cs ttx.tsi: ; KA2ANAPA. Oi/y. s7t' xkv^ic, ei, !;évcr xpovoi vAsw. XOPOS. 'O 5' uttxri: yt tcü %povcv vpsrpsvstxi. KA2ANAPA. quot;\\y.st tccf v,ij.xp' a-y.iy.px y.splxvci cpuyy. 1260 XOPOS. 'AaA' /VS';, Tï.ijpcsv, cy§' xk euTOA/MU Cppsvóe. v. 1243 in codd. post v. 1240 Icgitur, Hermannus hie collocnvit, Dimlortiua emendavit; libri nompo cxhibent oixuftorai yup ktX â v. 1245 codd. xdromcq, omcnd. K. â v. 1247 codd. ól S' sl%o\i ttóXim, emend. K. â v. 1249 codd. IsZay, npat-u, emend. Weil. |
En zet deu sluitsteen op de zonden van zijn stam. Want als een bolwerk staat der goden plechtige eed, Hem weer te brengen, die 't gevallen huis herbouwt. Waartoe dan langer nog gezucht en zoo gemard, Nadat ik eenmaal Ilions geliefde stad Haar lot zag lijden en, van wie haar namen, ook Het eind zie naad'ren door der goden strafgericht? Mijn noodlot dragend, ga ik moedig in den dood. (Zy gaat naar de trap, die naar het tooneel geleidt; by de eerste trede huivert zij terug.) Ontvangt mijn groet, gij poorten van liet schimmenrijk! Dit eene smeek ik, dat de slag mij dood'lijk treff. Opdat, zachtstervend, ras mijn bloed ter aarde stroom' En ik deze oogen zonder bangen doodstrijd sluit'! (Zjj bestygt de trap.) Koorleider. O diep rampzaal'ge, met zoo diepen blik begaafd, Lang was uw rede. Doch waarom, zoo ge inderdaad Uw eigen noodlot dus voorziet, schrijdt gij zoo koen Als 't van een god gedreven offer outerwaarts ? Kassandra. Er is geen uitweg, vrienden, geen; het uur is daar. Koorleider. Doch de uiterste oogenblikken worden 't hoogst geschat. Kassandra. Zij kwam, de stonde; luttel hielpe mij de vlucht. Koorleider. Doch weet, rampzaal'ge, koenheid baat u evenmin. Keek coniecit xmcza' â v. 1250 codd. TTcaxc is rccq Xtyu, emend. K. â v. 1258 codd. ^póvw irhsu, Fnrn. TrXéu, emend. K. â v. 1261 codd. tA/^wv otjlt;r', emend. K. V. 1247. Die haar namen, do overwinnaars, d. i. Agamemnon. |
55
|
KA2ANAPA. Ouliig ixxoósi TXVTX rüv s'joxiyJvccv, X0P02. 'AAA' évy./.sccs, rei kxtSxvsIv %xpi? Ppcrcó. KA2ANAPA. 'Iw TTiZTsp ïcü (tüv ts ysvvxiwv TEWUV. XOPOS. T/ V s7t) zwy.x; t'i; v ciirolt;TTpétpit tpspos; 1265 KA2ANAPA. «Pfy lt;$sïi, [zé^pixx' Tpspos ïyjt y.s y.xt xpóoc], X0P02. t/ tsdt1 fvr/ Cppsvxv VTiiyog ; K AS AN AP A. 4gt;flVflv SsV-Wf Kvèsiiïiv xluxrcrTxyij. XOPOS. K«; ttüs ; ts§' c^£; bu.uxruv sQsttiuv. KAS AN AP A. quot;O'jisio; cinrep sx rx^pov irpéirei. 1270 XOPOS. Oy Xóptsv xy'/J.tTij.x 'Sxftxviy 'AEysi:. 1271 KASANAPA. 'Iw 1274 Ovtoi dvïcl^co Sxftvsv uc opvi; loyy/j i2'5 v. 1262, 1263, ordinera qui in libris est, a Heathio et plorisque editoribus inversum, restituit K. â v. 1264 codd. twv re, emend. Auratus. â v. 1266 codd. (pev Qsv, versum explevit K. â v. 1267 codd. et n jU*/, emend. K. â v. 1268 codd. (pó(3w, emend. Auratus. â v. 1275 codd. 'opw^ Cpo/3w, emend. K. V. 1263. Het koor heeft gezegd, âUw moed baat u niet, stort |
Kassandra. Hierover oordeel' meinaiid, die gelukkig is. Koorleider. Met roem te sterven, ja, dit geeft den sterv'ling troost. Kassandra. Ach vader, wee u! en nw eed'len kind'ren wee! (Zij wil in het paleis gaan, maar huivert terug.) Koorleider. Wat overkomt n, welke schrik drijft n tenig? Kassandra. Ach, schrikk'lijk, schrikk'lijk! ik verkil en beef van angst. Koorleider. Van waar die weeklacht? wat is daar, dat u ontzet? Kassandra. Moord, bloedvergieten is in de' adem van dit huis. Koorleider. Vat moed! de geur is 't, die van offers tot u komt. Kassandra. 't Is als een grafluclit, wat van daar mij tegenwaait. Koorleider. Geen Syrisch reukwerk kent gij dezen huize toe. Kassandra. Wee, vrienden, wee! (Zjj doet een schrede naar liet paleis, doch beeft weder terug.) Niet nood'loos, als de vogel 't boschjen, wantrouw ik u in het verderf ; nu antwoordt Kassandra: âWie gelukkig is, begrijpt dezen mood niet.quot; Het koor hervat, als om haar terug te houden: âEen roemvolle dood is schoon, niet een als gij bereid zijt te ondergaan, wat aan Kassandra den heldendood der haren voor den geest roept. Keek vat V. 11G3 anders op: ,,Ach, nimmer voegt men wie gelukkig is, dit toe.quot; |
56
|
UMM:' hXKOult;r'/i nxfTvpelrs poi róh, ctxj yw/y yvvxixo: xvt' s(/.oü Sixvy, av/ip Tf Ivtliy.xpTOs xvt' xylps: â Kiaq. siril-evoïiiAXi TXVTX 5' is bx/cu^hvi. XOPOS. il Thyjpov, oh/.TSipw ge SrevCpxrcu pm'pcu. KA2ANAPA. quot;Attx!; st' cittsTv pijnv h Spjt/cjv bé/.cc èftyv Txyxuys: 'W.icu xxTSiixopxi Trph: vfTXTOv (pies, roDS' £,uoïi Ti^xopou Ãffipiv, Qsvsvct T0j$ ipoïi Tiveiv 0,CMV [lólovi Axbpxicvs (iaxsp oiïv x/Jvy.opxt. 'I« y-eyiTTM pxri/Jccs xpxgt;iy£TCu] Si'jAgt;j? amp;' x'/.ov^y,: supxpov? xeipapxro;, ^.aA' clpi xelhcfoitri â¢/jmwov^ s^v 'AyxftsfMOi/o* ts [JtfCÃpxv, xpxsiru pis:. XOPOS. 'Iw (jpcTsix 7rpxyy.xT'- sutuxovvtx psv a/.ix ris xv rps-psisv, si Si Susry^^, [3o?.x7s vypamp;wwv aftiyyo; K?.slt;rs ypxQyv. 1280 1283 1285 1286 1272 1273 1287 1290 y.x) txvt' sxsivuv y,x?.}.c,-j dixTsipa to/.u. To fth su â xpx'ïïsi'j xMpstTTOV etpv TTxm ppoTolair |
Dit huis; getuigt, dat ik dit alles heb voorspeld, Wanneer een vrouw den dood eens sterft voor mij, (een vrouw. Een man eens valt voor de' onspoedvol gehuwden man. Ik vraag als gast dit, weiger 't niet aan haar, die sterft. Koorleider. Gij, arme! ja, 'k hel) deernis met uw zlenerslot. Kassandra. Nog eenmaal spreek ik, na mijn klachten, nog een wensch, Een vloek uit: bij dit stralend licht van Helios, De laatste stralen van mijn hoeder, van mijn god En hater, vloek ik hier mijn moord'naars, dat zij saam Hun arglist boeten, zooals ik voor hen bezwijk. (Aan de deur van het paleis staande.) Wee, wee den groeten stededwinger, volk'renvorst. En mij, slavin, ach, al te lichte moord'naarsprooil Het zij! 'k treed binnen; aan de schimmen zij mijn dood En Agamemnons lot geklaagd! Vaar, leven, heen! (Zy treedt binnen.) Koorleider. O lot des menschen! is 't gelukkig, ach, dan kan Een schaduw 't gansch verkeeren; en, zoo 't onheil wenkt. Geen vochte spons, die sneller 't schoonst taaf'reel (verdelgt. En dit betreur ik meer nog, dan mij 't eerste grieft. Koor (de trap naar het tooneel bestijgend om den koning nnby te zijn). Eerste grijsaard. In 't bezit van 't geluk is de sterveling nooit Van het goede verzaad; |
|
v. 127« codd. aAA' a(, emend. K. â iravsCtn/l, K. conexit Aciieofav. Woilius laurtat, sed «AA* wlt; no» mutandum ease putat. -vv. 1281, 1282, 1283 codd. ftjnv Yi amp;p?vsu SfAw Ifthv TOV ciuTÃq. iAi'w a' £*£vx,tgt;nai Tpot; vdTU-rcv (pöis toV; rifiuifoit; i%'jp$7s (Povsvffi jlt;tA. emend. K. â Hermannus unum versum cxcidisse suapioatus est. - Post v. 1285 laounam (lucrum verauum detexit et explevit K. - v. 1286 codd. JsóAtK Suvovws, emend. K. â v. 1272 codd. ÃAA' êI/ki k'iv Sófi'ji(n, emend. K. â Duos hosce versus, qui in libris poat v. 1271 leguntur, hie collocandos, Benuentos quatuor Choro, non Cassandra', tribuendoa esse, primus vidit Weilius. â v. 1289. Keckius pro wAeite yfatyv scripsit aAffftu uióXic. Lectionem, qua; in libria eat, retinendam esse ccnsui. |
V. 1276. Kassandra voedt vooral, twee wenschen: geloof te vinden en gewroken te worden. â V. 1282. Helios en Apollon worden hier éen gerekend. â V. 1289. Zoo het onheil iemand overvalt, is alles, wat men in het geluk voor bestendig hield, zooals roem, eer, liefde, plotseling verdwenen; men kan er dua nooit op vertrouwen, er zich nooit in verheugen; evonala het tegenwoordige en do toekomst, wordt ook het verledene eenaklaps door het ongeluk weggevaagd. |
57
|
(txy.ruXoosiy.rvj 1' ciiri; SnrsmKv sipysi ^eXabpMV, âfiyixsT' èréhSifisquot; rxds (puvSiv. Km) TccSf mXiv ph £?.sïv sSotrxv 1291 ftixy.xpsc Upixpiow Ssóripoi; §' oixxV imvsi. NDi/ §' fl irpoTépav oufjC i.7rorhxi [frtpKyiuv vTuyspSiv] KOi) TTCiKTl bx,VCV(rl biXVMV ctXXuv TTOivat; buvuTuv [rpirxTyv] xryv sxtxpxvxi' 1301 T/? a,v s^sv^xito fiporccv xciveï \rb.oc is Sxvxtou'] Zxiftovi Cpvvxi, rxV xxcvav; ArAMEMNHN. quot;fiftci, TreTr/.y^/fj.xi y.xipixv lèpy,: hu. XOPOS. Xr/x' Tic tt?.â¢/,quot;/Vi'j xutsI xxipiu? o-jTXlt;r//,é]/oe; AF AMEMN flN. quot;Llfioi (jm/' xuSri:, Ssurépxv TTSTrKViyyAvoc. 130 XOPOS. Tovpyov apydcrSxi Soy.sï [tct fixziiAus y' olfuiynxriv. v. 1294 codd. ws.én elréXSyf, emend. Hermann. â v. 1297 codd. S'fOTi'iMiiTC?, emend. Weil. â v. 1298 codd. ciZOTtan, emend. K. â Versum sequontem inserult K. â v. 1299 codd. xat rolai, emend. K. - v. 1300 codd. 'uya'j siriKfmei (in Flor. Ven. decst ayxt), emend, et explevit K. â v. 1301 codd. tlt;; civ tvl-ciiTC, emend. Sclineidewin. â Versum sequentem addidit K. â |
Wat eig'naar van 't huis, dat aan elk wordt getoond, Wijst ooit het terug Met het woord: âHier gaat gij niet binnenquot;? Tweede grijsaard. Onzen koning verleende der eeuwigen gunst Dat hij Troja bedwong. Dat hij keert als een liev'ling der goden; Derde grijsaard. Zoo hij nu moet boeten voor 't vroegere bloed Van het gruwelijk maal. En, vermoord om den moord aan de kind'ren gepleegd. Door den moord, die hen wreekt. Nu den vloek moet voleinden des huizes, â Vierde grijsaard. Wat sterv'ling, dit hoorend, beroemt zich dan ooit. Dat gewis tot zijn dood Hem nimmer 't geluk zal begeven ? (De grijsaards staan voor do deur van het paleis.) Agamemnon (uit het biniienste van liet paleis). Wee mij! getroffen! o, die slag drong diep in 't vleesch! Aanvoerder der eerste rij van het Koor. Stilte! welk een kreet! wie riep daar, dat hij deerlijk (werd gewond? Agamemnon. O wee mij, nogmaals! o, oen tweede felle slag! Aanvoerder der derde rij van het Koor. Dat de daad gepleegd is, blijkt mij uit des konings (jammerklacht. v. 1303 codd. KXiptscv TrAyyijv eVa?, emend. K. â v. 1306 parti-cula y' addita. V. 1297. Het bloed der kinderen van Thyestes. â V. 1303. Het koor heeft onder de vorige anaptusten de trappen naar het tooneel beklommen om in geval van nood den Koning naby te zyn. |
58
|
XOPOT s a. 'Eyw piv ü^lv rijv £(av)v yvi^v gt;-£7u, irpbc lUfix SfDp' xtTTOÃai wpvTCsiv fioyv, XOPOT 5 /3'. 'EfM/ §' aVw? rxxurrx quot;/ ly.~i7sn loxsl kx) 'Trpxyfi ê?.éyx£''J v^ppvrcp XOPOT 5 /. Kxyu toiovtov yva^xTo; y.oivxvo: uv \pyilt;plfyf*,xl Ti (ipxr ro w péhteiv S' xk, XOPOT e S'. 'Opxv KapsaTr (ppoiy.ixfyvTxt yap cc: Tupxvvfèoz (TyftsTx TrpxasovTc: Trohsi, XOPOT ó s'. Xpovifypsv yup. oi Si tü? ^eXXovs y.'Aks ttsSoi nxTOvvTSS o-j xxbsóècvviv %epi. XOPOT ö 5-'. Oijy. o]lx fisu/.ïjc farivo: TU%UV )Ayu. rov dpüvTOc U Ti xx) to (3ovtevlt;rxi psvsi. XOPOT ó r. Kxyu toiovtoc s]f/J, sire) quot;êurwzxvü hóycitri rov Sxvovt' xvkttxvxi ttxKiv. XOPOS. 'A/./,a xoivx7u[4amp;', xvlpsi, xrCx'/.yj povtev/tXTX. 1310 1315 1320 |
Koorleider. Mannen, op! wat ons te doen stnat, zij onmidd'lijk (overlegd! (De grjjsanrds vormen een krinfc voor de poort van het paleis.) Eerste grijsaard. Wat ik het noodigst reken, is, dat wij terstond De burgers samenroepen naar liet koningshuis. Tweede grijsaard. Neen, neen, ik oordeel: ras naar binnen, en de zaak Getoetst, terwijl der inoord'naars kling nog druipt van (bloed. Derde grijsaard. Ook ik, beken ik, beu die meening toegedaan; Ik stem voor hand'len; niet te weiflen is nu plicht. Vierde grijsaard. Juist, duid'lijk is het; want een voorspel schijnt hun (doen. Alsof zij streefden naar tyrannen-heerschappij. Vijfde grijsaard. En wij, wij dralen! Zij, den roem van wijs beraad Met voeten tredend, gunnen aan de hand geen slaap. Zesde grijsaard. Ik ben onzeker, welken raad ik geven moet; Slechts van wie handelt, is de raad ook van gewicht. Zevende grijsaard. Ik zeg hetzelfde, daar het ons onmoog'lijk is. Den doode weder op te wekken door het woord. |
|
v. 1307 oodil. KOiwauueb «v emend. K. â v. 1316 codd. oi Sè rfc fteMovrK kXioc,, emend. Hermannus e Tryphone in Waltzii Rliet 8.741. â v. 1317 codd. itélov, emend. Hermann.-v. 1319 codd. rev SfuvTÃ^ iffn xcei to (Ssi/Afi-irai fff', emend. K. Weil iaudat, sed mavult r Sf Uv n x. r. li- népi. |
V. 1308. De voor de deur van het paleis, met het gelaat naar de toeschouwers gekeerde grysaard spreekt het eerst, dan de twee aan weerszijde van don eersten, vervolgens de twee aan weerszijde volgenden, enz.; de aanvoerder van het koor, die tegenover den eersten grijsaard staat, sluit de beraadslaging. |
59
|
XOPOT o vii kx) (3iov tsIvovtss «§' vireltio/tev lo'/^uv hxtxktxvvtijpfi toItV yyovpsvots; XOPOT a AAA* cm ixvsxtov, x/Om kxtSxvsïv y.pxTeï' â xsirxiTspx yxp fMlpx rijg Tvpxvvlloc. XOPOT 'o t. yxp rsky.vjpi' sittiv, ol/zcoy^xtuv [/.xvrsvïcpsaSrx rxvlpos dq èXcaXÃTOs; 2«^' sISiJtxi; xpy TwfSê SuftoütrSxi vrept' to yxp rottx^ay rov axty siïsvxt $l%x. XOPOT a (p'. Txutw sxxivsiv TTUvrobsv Kfr/iSvvsy.ev, Tpxvüs 'ATpsfèyv eihhxi â /.upovv^ ottcos. 1330 1335 KATTAIMNH2TPA. üoAAwy KtipoiSsv y.xipiac apyf/Jmv Txvxvri' inrav ovx. STrxurxuvSytroftxi, KÃg «v Ti? sx^poTg êx^px mpirvvMV, Cpiï.oic Ssxovffiv avxi, 7ryj[t.ovyiv xpy.utrTXTOv (ppxi-siev vrpog y.peüaircv sxtt^/i^xto; ; £|t40( §' xyuv aS' ouk x(ppivTilt;rTog ttxKxi 1325 |
Achtste grijsaard. Wat! wij, zoo 't leven rekkend, zouden wijken, laf. Voor hen, die 't huis onteerden, buigen voor hun macht? Negende grijsaard. Neen, niet te dulden! neen, verkieslijk waar' de dood! Een zoeter lot is 't, dan tyrannenslaaf te zijn. Tiende grijsaard. Maar zijn er dan bewijzen? is die noodkreet ons Een vast getuigenis, dat de moord bedreven is? Elfde grijsaard. De zaak moet blijken, eer de gramschap hand'len mag1; Een los vermoeden is nog ver van 't weten af. Koorleider. Met dit gevoelen stemmen wis wij allen in: Het moet ons blijken, hoe 't met onzen koning- staat. (Op het oogenblik, dat liet koor het paleis wil binnendringen, wordt de poort geopend; men ziet op den vloer van het vertrek twee baren naast elkander staan, waarop de lijken liggen van Agamemnon en van Kassandra, elk met een kleed bedekt; ook een zilveren badkuip wordt ontwaard. Klyttumnestra staat aan het hoofdeinde der baren, met een bloedspat op het voorhoofd. De grijsaards scharen zich terstond in een halven kring voor Klytromnestra.) Klytaemnestra (tot de toeschouwers, niet tot het koor, sprekend). ' Veel, wat ik vroeger heb gezegd naar de' eisch des tijds, Herroepend, zeg ik zonder schroom het tegendeel. Hoe anders zou men aan een vijand, die als vriend Zicli voordoet, vijand blijken, en des onheils net Hem spannen, hooger dan de koenste sprong hem heft? Bij dezen kampstrijd was ik reeds voorlang bedacht |
|
v. 1322 codd. XTeïvovTe?, emend. Canter. â v. 1326 codd. reicpyip'ioiffiv f§, emend. K. â v. 1328 codd. puSoVirïjcci, emend. E. A. J. Ahrens. âv. 1330 codd. tAijSi/vO/KCS/, emend. Httitimj.â v. 1334 codd. ww; yctf Ti;, emend. K. |
V. 1331. Zoodra Klytromnestra te voorsehjjn treedt, verbreken der grijsaards voor de deur den kring en scharen zich in een gebogen lijn voor de vorstin. â V. 1332. Xaar Grieksch gebruik werden de lijken steeds in het sterfhuis gelijkvloers ten toon gelegd, met de voeten naar de deur gekeerd; zoo denke men de tooneelschikking ook hier. |
60
|
vtKyg TTxhxixi' faSs evv yjtva ys ftyv iïTyxx 5' svè' ITTM?' tV' sl:etfyxi[j.s\)0i:. Outu S' eirpxt-x, xx) rxV om a-.vv^o^xi, ut; pyiTS (peiiysiv wt' x^vvxabxi [tópov XTTSipOV XfA^iphyiTTpOV, KJTTSp TrspHTTIxl^U, Tr'/.OVTOV si^XTO: kxkov. ttxU: Si viv S/c' xxv luoTv o'lpuy/jixtiv [j.sbijy.sv xïitov y.xKx' y.x) ttstttccxoti Tphyv sVfvS/Sw.ci/, roü kxtx ¼vo? Aio? vwpüv «rwrijps? süxrxlxv %,xpiv. Ovtu ftsv xvrii bupov ipyxivei TTTVtrCOV xxxtpi/Ticcv c^elxv x'i,u,xtcgt;; %lt;xgt;.yv jSxhXst [t êpspwiji \pxxxSi Cpor/i'x; Spstrcu, Xxipoucrxv ovliv y^iroy y IiotIstcxi yxvei UTrop^ro: mhvMi iv /.oyj^^x^i'J. 'D,s w§' sxÃvtuv, Ttpéaftoc Apysiuv ro'Ss, Xx/poir' xv, el xxipoir, iyïc S' s-svxoy.xi. e'i §' iji/ irpsTrovTX owTp' èirurfflvfoiv vsupif, riS' xv Ziy.xicc? yv, uTrsphixw; i-th ovv. tsjÃvSs y.pxTijp' êv rió^ot: y.x.y.av oSs TTZyirxs xpxlccv xüto: ixTrlvet tj.o/.ccv. X0P02. QxufjJ.amp;fjJy crov yKavaxv, cc: bpxjvrrTOftCc, jjTi? TOWvV SK xvlp) KOlATTX^Si; '/.oycj. KATTAIMNH2TPA. Wsipxaba [mu yvvxiy.o; üi xtppxfftovoi' iyu S' xTpécrTcp y.xp'hicf, Trpot; e'iliTX? '/.syw lt;rh S' xlvsïv éhs pes xfjéystv Sshsis 'oftctov. ovto; sittiv 'AyxyJpt,vccv, spo: %Ãlt;tic, vsxpoc Ss Tijfls quot;ès^ixc xspo? ipyov, ^r/.x'ix: Texrovo:. rxV «S' |
Op zeek're zege; nu, ten laatste, kwam de dag, En sta ik, waar ik toestiet, na volbrachte daad. Ja, ik volvoerde 't, â looch'nen wil ik dit geenszins, â Zoo, dat geen vlncht noch tegenweer hem baten kon. Een ruimen mantel snoerde ik, als een visschersnet, Vast om hem heen, een schitt'rend, rijk gewaad des doods. En tweemaal tref ik; bij den tweeden stervenskreet Is 't lichaam macht'loos uitgestrekt. Toen hij daar lag. Tref ik ten derden male; 'k had dien groet als dank Den albehoeder, ginds in 't schimmenrijk, gewijd. Om 's levens kracht dien god te brengen, zwelt zijn borst; En plots'ling blaast zijn adem 't bloed als regen uit En treft mij met een donk'ren drup van rooden dauw. Mij even welkom, als des hemels paar'lend vocht Aan 't zaaisel, dat zijn enge hulsels zwellend breekt. (Tot hot Koor.) Zoo is 't! en gij, eerwaarde hoofden dezer stad Verheugt u, zoo dit u behaagt; ik jubel luid. Ja, ware 't passend, dankbare oifers bij een lijk Te plengen, 't ware hier gerecht, en meer dan dit; Want zulk een kelk van vloek en wee, als hij zijn huis Heeft volgeschonken, drinkt hijzelf teruggekeerd. Koorleider. Ik sta verwonderd bij de stoutheid van uw taal, Dat gij op dezen doode u te beroemen waagt. Klytaemnestra. Gij waant, zoo schijnt het, mij een zwakke, schucht're (vrouw; Doch met een onverschrokken geest herhaal ik u, â En of gij 't loven of mij laken wilt, het is Mij één: âDaar ligt hij, Agamemnon, mijn gemaal, Als lijk, als 't werk van deze mijne rechterhand, Die recht deed, toen zij dit volbracht.quot; Zoo is het, ja! |
|
v. 1338 codd. n'xti? Trahaixf, eraend. K. - v. 1347 codd. quot;Aiêcv vezpwv, eraend. Enger. â v. 1348 codd. ovtu tov civtov ïjvfxlv óffituivsi TTcffuv, eraend. K. â v. 1349 codd. oti[xciTOS ff0wyy]v, emend. K. â v. 1351 codd. ovSèv yaffov vj 5*0^ votu ySv. eJ rircpviTOq, eraend. Person. â v. 1355 codd. el S' gt;v TpfTOi/Twv uttt*, eraend. K.; iam Martin ttpétrov tu ffworp. |
V. 1347. Aan Zeus den Redder werd gewooniyk do derde beker gewijd. |
61
|
X0P02. (TTp. Ti HXKOV, « yvvxi, X^ovorpsCps; siïxvov yj ttotov TrxvxyJvx :urix; st; xgt;.o: oppsvcv róV STTsbcu fiVTO: dxfiobpdou? t dpk? a.7reèixs:; xxeraiw;, xTroTroKiq S' evsi [/,7lt;rot; ilpPpipov 'itrTOic. KATTAIMNH2TPA, NDi/ pèv ix ttÃKsu: Qwyyv s^o) kx) [javo: xttSc'j (t^fyJ'dpcv: r' exen xpx?, ovl' ev raS' xvlp) ryS' svxvtIov (pspajv S? oö TrpoTipwv, uvirspe) Qotov pópov, (tttjAwv CpXei'jTuv euTÃy.m: vouevy.xftv, eSuaev x-jtov â rrxï'hx, CpihTtxryv è/to) cciïïv', sttuSviV Qpyxlccv xvi[/,xtmv. Ov toütov sx yïj; rijalie %pijv a' xy'SpyhxTelv pt,ixlt;rfAXTüiv arror/; èirfaoo: «' s'aav 'ipyw 'Sixzvry: zpxxii: eï. Key a §£ croi, TOIXÃT' XTTeiXelv us Trxpsry.euxTpsv/i èy. tccv óft'.luv, zeip) vixfaxvr sy.oïi xpxeiv èxv Sè TOVfiTrxXiv xpxivy beo:, yvamp;asi hèxxSe); tys yovv to vuQpoveïv. XOPOS. XVTUTp. MeyxXÃwTtc el, TTSplippovx 5' tKxy.ee, ZiTTrep ow Cpovo}.i(3eï rvxy Qpvv eTriftxiverxi kItto? fV óppixruv x'ipxTOc ev vrpéxeiv xrierov Iti ae XPV trrepopiévxv Cplhcov tu's.'ax rvu,u.xTi tïjxi. 1370 1375 1380 1385 1390 |
Koor (eerste koorhelftl. O vrouw, welk vergif Verzwelgt gij, 't zij van d' aard geteeld, Of 't zeediep ontweid? Gij draagt roem, ontzind. Op zulk gruwelmerk? den volksvloek belacht Gij driest? Verworp'ling, beef! ontwijk deze stad. Allen burgers een afschuw! Klytaemnestra. Mij laadt gij, vonnis strijkend, ballingschap dus op. Den haat der burgers en den luiden vloek des volks? Doch geen, geen schuld, neen! legt gij dezen man te last, Die niets ontziend, alsof een lam der kudde stierf, Gelijk een vruchtb're weide er talloos vele fokt. Zijn dochter slachtte, mijner weeën dierbaarst kind, â Opdat de booze noordenwind bezworen wierd! Moest hij door u niet uit dit land verbannen zijn Ten zoen van zulk een gruwel? Slechts wat ik volbracht. Toetst gij gestreng- als rechter. Doch dit zeg ik u, â Ik, die tot dreigen ben bereid zoo goed als gij, â Dat, valt de zege uw hand ten deel, ik uw gezag Moet dulden; wordt het anders door een god beschikt, Dan leert gij, zij 't ook laat genoeg, bezonnenheid. Koor (tweede koorhelft). Gij zijt trotsch van zin En overmoedig spreekt gij; ja, het blijkt. Dit moordbad verdwaast uw geest; want gij waant. Die bloeddruppel siert u 't voorhoofd en roept Geen wraak! De stonde komt, en eens, vriendenloos. Boet gij wonde met wonde. |
|
v. 1369 codd. fW5?, emend. Stanley. â codd. ópu/Mvn (Farn. lpui*£vov), emend. Abresch. â v. 1370 codd. èxéïjov Srvo(, quam vocem furorem sigiiifieare contendunt. Keek eorrexit fxCaoq - v. 1371 codd. xiréSiKis z7rÃT£ftê$ d' 'étti, Keckius emendavit: iivjixs?; anoTeKeïs, uttÃitoKis S' 'éaei, sed Weilius priefert biréStxee uitcTduvc, utÃttoKis S Cffsi. iTróroKif est emendatio Seidleri.â v. 1370 codd. faroV uópov, Keckius tuetur; TTÃpov tarnen ei in mentem venit, Hartung coniecerat yovov. â v. 1377 Flor. Farn. |
eiiróxoit, Ven. eiréieaii â v. 1379 codd. ènuln bpviiciuv re KypixccTUV, emendd. Karsten et Cantor. â v. 1883 codd. TrctpsfKSvciiTfASvys, emend. Wcllauer. âv. 1390 codd. ATVc^, eorrexit Porson. â vv. 1390, 1391 Ven. eixpéinixv risrov, Flor. ev irpéxsi avTi'erav, Farn. ev npénti irierov. Koek eorrexit sii â tpéTeiv xvTirov, Weil mavult xtiêto'j â v. 1392 codd. ruu.y~ t l uu%, emend, fter. Vossius. V. 1370. Het gruwelmerk is de bloeddrup op liet voorhoofd, v. 1350. |
62
|
KATTAIMNH2TPA. \ Kx) [Jtgt;yiv xxoveiq opxiuv è/^üv Ãéftiv' ftèc ryv rsXstov rij? èpyjs ttmios Ainyv ayvyv 'Epivvv b', mui tovv scrCpxt-' syu, ou /mi (AeXiSpuv sKtt)? sywarsiv riryv sus oiv xiSy Trvp è$' sarlxg èy^s AfyurSo?, wf to irpórSsv el (ppovwv spol. ovto: yup ynüv ou tT/Mxpu Spxtrou:. ['O S' au (tóftOKri Sua-ftei/fa avyp 5'Sf] xilrxi, yuvxixog rijirds AUfixvr/jp TTixpog, Xpuayfèoiv ysi/.ty^.x txv 'I//m' ij' t' aixfta'AcoTOs !?§£, y.x) Tspx^nórrof hm mivótextpos tovüs, srea-cpxt^oyeï 7ri77'/t l;uv£uv0s' vxutlxuv §£ (7£?-.[/,xtuv 'iaTOv rpifixg. xripx S' oüy. èrrpxt-XTqv. 1410 'o ph yxp ovtccc, $ Si roi y.uy.vou liy.v,-j tov uvtxtcv yJ?,\px(rx Sxvx?iy.ov yoov xenxi QO.vjTup toDS', èyo) §' STrityxysv stövitf 7rxpo\pc!!vyipx rfa iysfc x'/.tiy,;. X0P02. (7Tp. x!. lt;Igt;£y, Tig xv sv rxx£'i W Kspixèwoc, y.v^s leyviOTypnc, poXoi tov xls) Cpspouo-' hyij Mö7p' xtstevtov ütïvov, quot;hxy-évtog quxxaog suiuvsgtxtou, 1410 1395 1400 1402 1405 |
Klytaemnestra. Neen, neen, ik zeg u met de kracht mijns lieil'gen eeds: Bij 't recht mijns kinds, bevredigd door dit schuldig bloed, En bij den wraakgeest, wien ik dezen heb geslacht. Ik ducht niet, dat een wreker ooit mijn huis betreedt, Zoolang jEgisthos aan mijn haard het vuur nog boet En zooals vroeger mij zijn vriendschap wijden blijft; In hem bezit ik steeds een schild van moed en kracht. Maar deze, vijand van zijn eigen huis en stam. Ligt dood, de bitt're krenker dezer echtgenoot. Der Chrysesdochters zoete lust voor Ilion; En deze krijgsgevang'ne, teekenduidster, ja. En bedgenoot hem tegelijk, orakelt hem. Naast hem gevlijd uu; trouwens, van het scheepsdek kent Het paar de lusten! 't Waardig loon ontving het hier. (Zij licht des konings lijkkleed op, doch laat het huiverend weder vallen; daarna onthult zij Kassandra's lijk.) Aanschouwt hem hier! en deze, die, gelijk de zwaan. Nog eerst haar laatste, 't stervenslied, gezongen heeft. Ligt hier, zijn liefste; bij de weelde van mijn lust Bracht zij, snel stervend, mij een zoete toespijs aan. Koor. De zes in het midden van den halven kring staande grijsaards. Kwame nu, ach! en snel, zonder te groote smart, (zonder 't angstige ziekbed, Tot mij de dood! bracht hij mij den altoos Lieflijken, eeuwigen slaap! Verslagen Ligt de trouwe herder daar. |
|
v. 1393 codd. HM T^vS', emend. K. â v. 1395 codd. quot;Atiiv 'Epivv^'v Koek coi-ïexit «yv^v, quum ry.g rruiloq Alxvi nunc plncata sit; Weil nmvult quot;Artfv r' 'EfivOv aïtri ktX , quibus nominibus una eademque persona indicaretur. â v. 1396 codd. cv poi (pólSov ^f'Aaamp;pcv fA5rilt; èn%ciTeï, emend. K. â v. 1400. Ante huno vcrsuir, ununi versum excidisse, demonstrat Keckius, qui Incumim explevit; minus bene Homannus, lacuna perspecta, post huno versum novum addiderat. codd. Aiz/uavTifpio?, emend. K. â v. 1404 codd. SeatpXTvhcycg, emend. K. â v. 1406 codd. |
ItrTOTpifi/f, emend. K. â v. 1410 codd. eivijf, emend. K. â Trapxil/fav/tx, emend. Casaubonus. â v. 1413 (pspcvff év gt;in7v, emend. K. â Qui vero putat pronomen omnino tuendum, legat cum Weilio Qéfovaa x'tph. V. 1416. Helena, om wie de tocht naar Troje ondernomen werd. Zij bracht, zie v. 059 en 721, als eene Erinnys verderf aan de Priamiden, thans ook aan de Atriden. De door Keek ingevoegde verzen werken dit denkbeeld uit. Door anderen wordt het bestaan eener belangrijke gaping, die Hermann het eerst aanwees, ontkend. |
63
|
TTOï.ex rï.mroc yvvxixb: §;«/⢠Trpci; yvvxiKo: 5' xiréffiiTsv fiiov. |
Wien een vrouw vele rampspoeden schiep, Wien een vrouw thans het leven heeft ontroofd. (Z|j begeven zich onder de volgende anapiesten naar liet hoofdeinde der baar; de koorleider heft hot lijkkleed op.) |
|
TU3T, p . 'la 'SL'/.hy- xxr' sKxvvy.ixv [/.ia ra: Trokkx; rx: ttu-jv TroKKas ^JUXX; jA£7J!tr' XJTÃO Tpolei' NDv §£ Tsï.elav [rii ciixQbsipxv' 'Ayaps/tvovlav ctpy-vivj quot;Ar-/,:, ê'yXpty.tpxyJvy rol: lt;xlt;7Ksiioi; 7rs/Jy.£i xporatpois, lQay/i: Ixlpiuv Tri.i/TO'/.y.óq n: TTXvdï.CCTOS.] fjTp, quot;/. 7rohufiVi%(TTCv STryvbivco xï/x' xvitttov, h iófiomv 'Epivlz spfèyxTÃ? b' 'éhxvlpo; Ol^ó:. KATTAIMNHSTPA. (7U7T, 5'. MijSsy bxvxTOv poïpxv sttsuvov TCÃffSs (ixpvvbs'if y/iï si? 'K/Jy/ju y.ÃTCv sxTpéipw, cc: xvdptf.sTsip', cog yix ttoM.ïcv txviïpav ipuxxs Azvxüv éhétrxe' xpy.ÃTTXTOv xXyos sTrpxi-sv. X0P02. XVTHTTp. X . AxïfMv, o? êftirirveit quot;hxyxai y.xi hCpvioilt;ri TxvTxhfèxieriv, v. 1416 codd. y.y.'i 7Tc,KXy.. Frnnz x-m delevit, Wioaoler TsAf'a scripsit. â v. 1418 codd. iii srapavójuoi/c 'EXiva, omend. K. â v. 1421. Ilic plures versus excidisse, primus iudicavit Hermann; lacunam explevit K. - Hesychius: xaxivöis, ib'hcls, cnrafxexsCoii;' AhxvXcs Ayccité^Mi. CH'. tarnen qua; disputaverunt Enger in âKliein. Mus. f. Philol.quot;, 1865, p. 252 et Wecklein in Stud. z. jEsch. 1872, p. 143. âv. 1426 codd. êirwSieu St' Xifi' anJTTOv, Hermann '/ addidit, Wellauor Si' delevit. âv. 1427 codd. tfris yv tót f'v iópcis 'épiq èfièixuTOs ivSpif iityc, emend. K. -- 1420 1425 1430 1435 |
O Helena, gij met onzaligen naam. Die alleen, gij alleen, zoo onnoemelijk veel Voor Troja zielen geveld hebt! En die nu dezen zeeg'rijk keerenden held. Met het moordende net hem omvangend, versloegt. En de bijl hebt gewet, die do slapen hem trof. Door geen helm meer beschut, â ja waarlijk, gij werdt Hem een booze, verderflijke dienion. Bloedige paarlen, onwischbare droppen draagt gij. Dezer woning een vloekgeest, In manslag groot, in jamm'ren juichend! Kly taemnestr a. Neen, smeek om den dood niet, van kommer bezwaard Door wat gij aanschouwt, En tref met uw gramschap ook Helena niet. Als mannen verdelgster, als had zij alleen Zoo velen doen sterven en eindlijk des nets Omknellende mazen gevlochten. Koor. De zes aan het hoofdeinde der baar staande grijsaards. Schrikk'lijke geest, die zwaar Tantalus' huis bezoekt, (beide telgen des stambooms, v. 1435 codd. zft/ffTKTOV emend. K. â v. 1436 codd. JfnriTTfi?, emend. Canter. â codd. SiipueTffi, emend. Hermann. V. 1430. Men kan zich voorstellen, dat onder deze en de volgende anapresten van Klytiomnestra zich telkens twee der grijsaards, die het lijk beschouwd hebben, naar den ingang begeven, waar aan weerszjjde een vat met water (dat van elders aangebracht moest zijn) geplaatst is, om zich door besprenkeling te reinigen. - V. 143G. Het koor spreekt den Alastor, den vloekgeest des huizes, toe, dien het aan het hoofd der lijken in zijne verbeelding aanwezig ziet. |
64
|
y.puTo; T ]lt;ro\pvxov sy. yvvxixoïv xxphsè'/jxTOv SIM) Kpxróysi;, èvrl ts vu^xto: 'Sixxv xopano; sx^poü lt;TTstSs)g smpu? V(/,VCV VfAVSÃV poijis SIMI Aiy.Xi. KATTAIMNHSTPA. avTiavirr. S'. NDv §' üpSuirxs eTÃ/AXTOi yvüwv, TOV TpiTTamp;XlJVTOV ÃMpiOvx yévi/yii TijrSt yjy.'/.ytry.xv. sk tsïi yap spw; xiiiXTShotxói' veipy rpétyrxi, xp)v xxTxhfêxi to Kxï.xiov èixoc, véoi ix®P- XOPOS. trrp. f'. rH (Asyxv ohsTXic quot;èxipicvx y.x) (Sxpu/tyviv xhsls, Cpeü (peü, xxkov xhov XTy- pxi TUXXS XMpéeTCU' icc lij Six) Aio? TrXVXITICV KXVSpySTX. ti yxp (ZpiToli xvsu Aiss Tshsnxr, Ti TWfS' CU SsÃKpXVTOV STTIf; 1440 1445 1450 1455 |
't Gelijk gemoed dezer vrouwen toont mij, 't Hart mij verscheurend, uw overheersching. Als een wreede raaf verheft Gij bij 't lijk driest uw stem, ja, beweert 't Zegelied aan te heffen krachtens 't recht. Klytaemnestra. Thans hebt gij hersteld, wat uw mond had gefaald, En gij riept wel te recht Nu den wraakgeest aan, die zich mest door moord! Want zijn is de dorst, dien hij lescht met bloed; Of hij zwelle van zncht, â eer 't oudere leed Is verzacht, steeds blijft hij het voeden. Koor. De drie links staande grijsaards. Waarlijk, gij kent dit huis Roemend een machtigen, feilen geest toe; Wee! schrikk'lijk verheft uw loflied onverzadelijk onheil! En ach! dit leed beschikte Zeus, die alles werkt, die alles doet! Want wikt gebeurt den sterv'ling buiten Zeus ooit? Wat ooit tegen den wil der goden? (Z|j begeven zich onder de volgende anapeesten naar het hoofdeinde der lykbaar.) |
|
ffyyT. ?â¢. 'Iw iw pxaO.su pxnteü, â au? es ^xy.pvrru; Cppevb? sy. (pigt;Jx? ri kot sIttcc ; KsTa-xi a' xpxxw; amp; utpxtrpxTi txV xamp;sPsï bxvxTcc fiiov sy.TTveuirxs [spimly^], 1460 |
O gij, o gij, mijn koning en heer, Hoe beween ik uw dood, En hoe uit ik mijn diepe vereering? Hier ligt gij, verstrikt in de webbe der spin. En een gruw'lijke moord Ontroofd' u den adem des levens! (Z|j beschouwen het lyk.) |
|
V. 1458 T addidit Hermann. â codd. èx. ytvaixwu. emend. K. â Hnrtung conieoit Ãx yVjxIMe,. v. 1439 codd. KXfllci SsjktÃv, emend. Abresch. - v. 1440 codd. fjri If... iixw pol, emend. K.â v. 1441 Ven. Flor. èvMÃ^q, Farn. ènvófio.q. -- v. 1442 codd. ijuvov vfxveiv é-nixj^WA, emend. K. Cf. scholiasta ad h. 1. â v. 1444 codd. Tplt;9rayiucv, em. Bamberger. â v. 1447 codd. \eïp£t, emend. Casaub. â v. 1449 codd. OiKOiq rciïaèc-, emend. K. Weil vj ftéyav, */} fxéyciv 0*1x01$, cf v. 1473. â v. 1462 fXTvf'av, emend. Hartung, explev. K. |
65
|
rrp. £'⢠quot;£l[/,ci [/.ci Kohav rivV avshsóSepiv Zohioftópou lx[j.siq SK xspo? xftQiTÃfiQ pehé/tvy, KATTAIMNHSTPA. (7VTT. y'. Avyjl: sJvm tóle Toöpyov sy-cv 1465 [y.cvy. xpvoïi/txr (j/zi {Mi quot;o a7s(3ij SivxTcy [;//$' svrOdfy,: 'Aycifi.stj.vovlxv iivxl (j! a,gt;.oxcj-CpavratyiAevos Ss yvvxm) vsy.pov roïil' ó Trxhxios Zpipb; x'/.xvrccp 'Arpécci xx^£7rcü SsivxTijpc; 1470 TÃvV XITSTITSV, TS'ASCV vsxpoïc STTlSilTXe. XOPOS. dvTITTp. s'. 'Cl; iJ.i-J xvxTO? sï tovIs Cpóvou ric ó ftxprupsjiruv; ttw, 7r.ï; TTxrpsSsv §£ evM.y- 1475 KTccp yhoiT xv xKxarup, fipuxamp;Txi S' ópoaTrópoi? èinppoxïviy xlfiXTuv, iu.sy.xg quot;Apy: öiroi quot;èoy.el Trpoftxivuv, Trxx'Sn xoupo(3ópu] vxpsamp;i. 1480 |
Wee! wee mij! smaadvol zie ik u neergevlijd; 11 velde, scherp gewet Plots'ling de bijl van verraad en arglist. Klytaemnestra. Uit werk is het mijne, verklaart gij hier luid. En ik loochen het niet; Doch noem dezen dood geen gruw'lijken moord. En voed niet den waan, Agamemnons gade hier voor u te zien. Neen, in de gestalte der vrouw dezes mans Heeft d' oude, de felle wreker van 't huis. Dien Atreus' gruwel in 't leven eens riep. Van hem hoete geëischt En den man voor de knaapjes geofferd. Koor. De drie rechts staande grijsaards. Niemand, gewis, verklaart U bij den moord dezes mans voor schuldloos; Neen, neen! doch als helper stond u deze vloek des geslachts bij. Hij raast met wild gejubel voort in stroomen van verwantenbloed. Waarheen 't hem lust, en schrijdt gelijk een wurggeest. Nu eens 't kinderenmaal hem mestte. (Zjj begeven zich ouder do volgende nnapivsten naar het hoofd-einde der lijkbaar.) |
|
xvrmfT, s. '1« IM fixGlKsà (3X7I?.SV, ttü; (7£ 'SxxpvvM; Cppevig ix (pi/Jxc ti ttst' f'/srw; Ksiaxi §' xpxxws *1 uQxiri/.xTi rwS' |
O gij, o gij, mijn koning en lieer, Hoe beween ik uw dood. En hoe uit ik mijn diepe vereering? Hier ligt gij, verstrikt in de webbe der spin. |
|
v. 1477 codd. emend. Karaten. â v. 1479 codd. ottoi Ss y.X' TTCCffpaivuv, emend. K. Canter iam zfsfiy.huv â v. 1430 codd. TiZ^va, emend. K. Cf. v. 1444. (De voce 'zy.'/j/z vide Tzetz. Hist. 9. 305.) |
9
1
14C3 codd. IoAiw Itifif, emend. K. â v. 1465. Systema j esplevit K. â v. 146G codd. wl' fTnAfXamp;is, emend. Gei'. Vossius. Keckius cum Aurato STrihexSfö. â v. 1473 codd. avainoe, emend. K. Weil: ü; /wèu mulnos él au Cf. v. 1449. â '
66
En een gruw'lijke moord
Ontroofd' n den adem des levens.
(Zjj beschouwen het lijk.)
xasjoiï
fiiov sy.Kvs-jtrx: [spr/.vlyj'],
1485
|
MTlVTp, r. quot;CLij.01 (jm xslrxv tzvV ws/.svbspoy 2o?.ioy,:p:ii iïxy.s): in Xsxy-^ir:y.:y fishspvu. KATTAIMNH2TPA. zyTirÃTT. yj'. OJr' xvshevSspov clyxi bavxrcv ruls ys-jhbxf ouls yxp ouTi? quot;SoxUv ÃTSjy olmtriv sSy/y.' «/./.' sy.oy sy. tjDS' spvs: y.spSh. t/i'j noXwKxvTÃv t 'Hpiysvslxv IpMx: afyx Ktxrjxuv y/ilh h ''Ailis-j y.syM.xvxs'iTx, Sxvxt# ritrx? ciivsp spiisv. XOPOS. fTTp» 1500 'A[M1XXV:C (ppsuTfèo; cTspySs): e\j7rxKxyx-j yepiyjz'j CTTX TpXTTCOy.Xl, TTITVOVTO? Cr/.CV. Isbiiy.x S' cyfipiv y.TVTrcy 'Soy.oirQxtii tov xlyxrypo'j' â â pxy.x: Ss )^ysi. Aly.x: stt x/./.o rrpxyyx Syy/xvei â zp): quot;Atx: fyyavxiTi Moïpx. 1488 1490 1495 |
Wee! wee mij! smaadvol zie ik n neergevlijd; U velde, scherp gewet, Plots'ling de bijl van verraad en arglist. Klytaemnestra. Geen smaadvol lot, zoo acht ik, viel hem Ten deel bij den dood; Want niemand spande de strikken des moords In zijn huis, dan de sprnit, Die hijzelf bij mij won, en ook zelf heeft gemaaid. Heeft hij met dit eenwig bejammerde kind Gehandeld naar recht, dan leed hij naar recht. En hij roep' ook in Hades' huis geen wraak. Want de bijl, die hem trof. Deed hem boeten geheel naar zijn werken. Koor. De zes aan het hoofdeinde der baar in het midden staande grijsaards. Ik beu ontdaan, fel geschokt en raad'loos; 't Denken begeeft mij; 'k zie niet. Waarheen ik mij wend, als het hnis ineenstort. Ik huiver; ha! 't klettert, 't is een stroom van bloed. Die 't huis ten val brengt; geen drupp'len is dit! Tot nieuwe wrake wordt het zwaard des rechts gewet Door 't noodlot, ach! op 'swaanzins wetstaal! (Gedurende de volgende annpresten keeren de grijsaards allen terug, en vormen weder een halven kring vóór de lijkbaar.) |
|
v. 1489 pi'wcedentes duos versus; ovr . ⢠⢠ywéabm maleHci'-miinnus aliique editores, pnrounto Seidlero, eiiciunt. - codd. ciSè yup ïCtc:, emend. K. -- v. 1491 codd. 'épvos aspjt'v, emend, K., qui prreterea interpunctionem mutavit. â v. 1493 codd. dfuaxs, emend. Uormann. â v. 1496 codd. emend. Naber.â |
v. 1498 codd. ii/Techzpwu emend. Karsten. â vv. 1502, 1503 codd. l'invi 2 stt c/.aXc fy.ysi PXafivs rrpoq uXXxic; Sv.yóivxiS ftcïpa. Keckius coniec.: unsamp;v fV ahho Trpxypsi Svyxvei P'itpcvt; TTpos quot;At%s SrviyuvciKTi McTp^, Weilius qiurdam mutans prrctulit: Aiazz. - ^tA. lam Karstenus l'iws. . (3fAo^. V. 1502. Er wordt op de wraak van Orestes gedoeld. |
67
|
xvTiirvtrT. 13'. 'iw yö, yx, s'lSr' s/j.' êSéljcj, Trph TOVV SKIISÃV xpyvpoTolxou Ipoirxi y.xTSxovTCi xxpswyv. Ti: 'o SxTpuv vivi ris o SpyrJiTcav; ? (7u tc'S' 'éptjxi TX-Zifsi, xreivxtr' xv'Spx tcv xÃTij; x7roy.ay.vlt;rxi \puX'lt;i r xxxpiv xxpiv xvt epyccv fj.syx/.Kv xhims êirwpxvxi; XVTKTTp, y'. Ti: S' STTiTvy-pio: oïy.ro: sir' xvSp) amp;f/co (TVV quot;hxKpvaw IXTTTCCy xl.xbsitjL CppsvUv TrovJiusr, KATTAIMNH2TPA. (TVTT. I , Ov (re Trpsiryjy.si to x/Jysiv toïito' Trph: yiJMV y.XTfjïeai, xxtSxvs, y.x) y.XTxbx\pcy.£v cuX vto yJ.xuSy.civ t«v sl; ohccv, [siSf tto'/Jtx: 1gt;s7 Trxpxiréyspxi TTsySr/irijpx; yospoT: Srp-Jivoi:.] x?.?S 'iCpiyèvsix viv xeTTxaia; buy XT-/: p, cis xpy, KXTtf XVTlX7X(jX Kpo; KKVZCpOV mpbysuy' xxsccv Trsp) Xs^Px fix'AOtKTX CpO.y^St, XOPOS. XVTlTTp. quot;Ovsi'So: %y.si tóV xvt' óvsi'Soii:, Ivcyxx* ^ 'amp;71 y-ptvw Cpkpsi CpSpOVT'' sktIvsi S' à xxivciiv. yJyjsi Si yJy.i/CVTCs sv öpóvy Aio; Trxbsïv Tm Spi-X'JTX. Srètrpiov yxp. v. 1510 oodd. vj/i jjïv ü^xfiv, emend. Hermann. âv. 1512 codd. rU S' èxiTUUpioi; ciwoq, Keckius conieeit óiuro^. Fortasso pnostnt oTktov (vel aTvov). -- v. 15U Farn. ffüv óxxpuots, Flor. Ssexpvow, emend. Person. â v. 151G codd. laMita kéyen, emend. Karsten. â |
O aard! acli, waar' ik besloten in n, Eer ik dezen moest zien, zoo ter neder geveld, Op den bodem der zilveren badkuip! Wie leidt hem ten grave? wie jammert om hem? Waagt gij, die uw heer en gemaal hebt gedood, Dit te doen, hem een klachte te wijden in d' aard? Voor zijn roemvolle daden verwaten zijn schim Onheilige hulde te brengen? Wie zal bij 't graf van den godd'lijken held hem eeren? Wie met tranen en klachten In waarheid 's harten rouw hem wijden? Klytaemnestra. Niet u komt dit toe, niet uwer de zorg Hiervoor; door mij Zonk hij neder en stierf; ik bestel hem ter aard. Doch niet bij 't geween der verwanten van 't huis; En 't wordt niet geduld, dat der burgeren stoet Naar het graf hem geleid' met jainm'rend geklaag; Want Iphigenia, zijn kind, zal gewis Met betamende vreugd. Haren vader ontmoetend bij 't ruischen des strooms. Die de schimmen omklotst, Met lieflijken kus hem begroeten. Koor. De zes in het midden staande grijsaards. Voor 't oud vergrijp komt dit nieuw'; ontwarring Dulden zij niet; zij dragen Weer zaad, dat kiemt. Doch de moord'naar boet steeds. Zoo lange Zeus blijft gezeteld, blijft van kracht: âDe dader moet lijden.quot; Heil'ge wet is 't. post v. 1519 lacunam, ab Hermanno indica'am, explevit Keckius. â v. 1522 codd. zAA' IQiyévSixV '(V aff?ra(r;w;.. ⢠emend. Stanley. v. 1530 codd. jjpóvw, emend. Schütz. |
68
|
tIc amp;v yovxv xpsiïov sxpahoi dópav; y.syJ/./.yrxi yhovs Trpo: aipyj. KATTAIMNHSTPA. avTitrutrr. i'. 'E? tcvS' êvsfiy l-vv xXytSsiy. Xpy,7[M:, êyu 5' cvv iSré?M Sxlficvi TM nhsiTSsvtèwv opnovs Ss/tév/i Tttis fih ïTspyuv, (gt;VlTT?.yiTX vrsp CvSf', O §£ Ã.OIKOV, (VvT* ix TÃvhs SsyMV x/./.y/V ysvsav Tplpstv SXVXTOI: C.vSsyTXKTIV y.Tsdvuv TS (JLspo: Sxiov èzcus-fi kxv KTrixpyi y.oi [JLXvix,: [y.s/J.bp:oy cO.Ky,).o$oyou: x$£Ksvt/i. 1545 1550 1555 Airi20O2. 'XI tpsyycc svQpov vy.épxs 'Sr/.^ópou. (pxlyv x'j ^'/i rj'j ppiTccy riyxépov; össv: xvxSrsv yyjs sttotttsvsiv iyyi lS:cy v^xyrsis h 7rs7r?.ct: 'Epivvccv Toy a-jèpx rs'y'Ss y.siysyoy cplhuz s;j.o) , Xspoz TTxrpcixs sy.rivoyTX [/.yiXxydz. 'Arpsuc yhp xpzccy t^Is yij:, toótzu kxtvp, Trxrkpx amp;vs7Tqy Toy sy.oy, ü? ropcce Cppxext, xuTcij t ddshCpiv, xfitplï.sy.tc* Siy y.pxrsi, v^py^MT-^sy sy. kÃï.sx? ts y.x) ^sy.xv, Kx) kpcatpótrxiss sttIx; yoKuy Trxï.tv T/.yfmv Q'j£7T'//r [JLOlpxy y/jpsT1 x7$xXyi, to y/j Sxvuy TrxTpüov xiy.x'^xi Tré'Sov xvtctï' l;hix Ss TCÃiès IvvSso: txtyp 'ATpsve, TrpoSróycc? y.x'/J.cv y, lt;pi?.oi? rrxTp) 1535 1540 |
O, delgd' eens iemand uit dit huis het vloekgewas! 't Omsnoert vast lid voor lid des stambooms. Klytaemnestra. Tot zoo verre, tot hem, ging met waarheid saam Uw spreuk. Doch ik AVil thans met den d.emon van Plisthenes' stam Mij verdragend, het nu mij getroosten, hoe zwaar Dit te torsen ook zij, opdat hij voortaan Vördwijn' uit dit huis en een ander geslacht Bezoek' en verdelg' door verterenden moord. En al blijft van mijn schat Mij luttel, een niets, â wat het zij, 't is genoeg. Indien ik dit huis Zoo bevrijd van den moordenden waanzin. (iEgistlios ia onder de lantste regels van rechts, van de zijde der stad, met gewapend gevolg opgekomen, en plaatst zich aan het hoofdeinde van Agamemnons lijkbaar. Klytasmnestra treedt terug.) Aegisthos. O schoone lichtglans dezes dags, die wrake bracht! Ja, nu erken ik, dat der goden strenge blik Hierboven toeziet op de gruw'len dezer aard; In 't lijkkleed, weefsel der Erinnyen, ligt hier, â 't Is wellust voor mijn oogen â deze man gehuld, En boet de treken, die zijns vaders hand volbracht. Zijn vader, Atreus, heerscher in dit land, verdreef Thyestes, mijnen vader, â duid'lijk zij 't gezegd, â Zijn eigen broeder, bande, twistend om 't bezit Der heerschappij, hom uit de stad en 't vaderhuis. En wederkeerend tot der oud'ren heil'geu haard, Verkreeg de balling die beloofde veiligheid. Dat hij niet sterven, met zijn bloed der vaad'ren grond Niet kleuren zoude; als gastgeschenk bood dezes mans Godlooze vader vriendlijk aan den mijnen nu, â |
|
v. 1532 coild. ysvJiv f'acv, emond. Ilorrannn. â v. 1533 codd. yévts v(c7xi}gt;xi, emend. K. â v. 1535 codd. x^rT/xcv, emend. Casnubonus. â v. 1542 codd. cnró%w pci S' iAAv)Xo^ov5i7lt; //aticis /isï.zljfuv, emendd. Erfurdt et Dindorf. â v. 1547 codd. |
Auratus üyy], Keckius coniecit Xayjq â v. 1558 codd. «ursi/, emend. Blomfield. â¢- v. 1559 codd. vj emend. K. â Versus a Schützio et Engere damnatus. |
69
|
tw,«c5 xpeoupyov Zj/txp suèoivx; aystv 'Soxüv, TTxpstjXs ^zlrx ttmüsIuv xpsüv. Ta pt,sv zdhyp-/] y.x) %spciy ay.pcu; y.rèvxs söpvTrr' awSsv ci'jlpy.y.cc: ^xrovpisvo? ó s' ccvtüv xxjtIk iyvoici hxfiuv stStsi popxv atrccTOv, uc 'opci:, yhsu hxttsit' STTiyvcv: 'épyov ou y.xTixivioy aftut-sv, xy,7rt7rT£i S' xtto trQxyxs spiiv, y-ópcv S' xQspTOv nsXOTritixi; sttiuxstxi, htxxTitrftx Is'nnw f-vvhly.y nSrii? 'Apx, aura? ê?u7^£ïv ttxv to n^sirSéyou; yéjog. SX twvss (Til ttsdóvtx tóvv l'Ssïv TTXpX. Kxyu ciixxio; toü'Ss toü (póvov ta^só:. rphcv yxp cvtx ft sti quot;hvvxS'Mtc Trxrp) vwsl-sXxvvsi tutÃcv 'Ãvt h mrxpyxvot;' Tpxtpévrx ó' xïiSis y\ S/kjj xxT/,yxysy. xxi tovSs rxvlpoi y-Jjxy^y öupxïc; cóv, ttxtx'j (jvvx-^xc wxxvyv 'sutpouï.ix?. o'jtm xxXov §gt;; xx) to xxrbxvsh êfto) ÃSóvtx tcvtcv rijs Sixvs iv epxetiv. 1560 1565 1570 1575 XOPOS. 1580 1581 1582 1584 1585 A'lyi7Sr\ vppiamp;is' h xxxoJai S' oü crspcc [t7£l/,volt;7t0[/.lt;sy ts xx) Spxwv xilpt,7rov sJyxy]. eh l' xy'êpx TÃy'Ss Cpifis sxuy xxrxxTxyeïy, [/,óyoï S' sTroixTCv TÃy'Ss fiovtewxi Cpcvov; oil (pyft' x/.uamp;iy sy Sixv, to troy xxpx Sfj/uoppifaT?, trxQ' hSi, ?*evlt;rtpovs xptx,;. |
Den gast meer eerend dan zijn eigen huisgezin, â Een offermaal, doch zette zonenvleesch hem voor. Hij gruist der teenen en der ving'ren leden fijn, â Aan 't liooger einde 't vleesch verdeelend, man voor (man, â Onkenbaar zijn ze. De argelooze neemt zijn deel. En eet, hier ziet gij 't, wat den huize vloek bereidt. Doch weldra wordt hem 't gruwelstuk bewust; hij slaakt Een kreet, valt rugg'lings over, braakt de moordspijs uit. En slingert op den ganschen stam onmeet'lijk wee. En roept bij 't omgeschopte maal den geest der wraak, Dat die aldus 't geheel geslacht verderven moog'. Om zijn verwensching ziet gij dezen hier geveld. Ikzelf, ik smeedde dezen moord, en 't was naar recht. Ja, want ik derde, de een'ge, die mijn vader bleef. Werd met hem uitgebannen, klein, in winds'len nog; 't Eecht zelve voerde mij volwassen hier terug. En dezen man hier greep ik aan, van buiten af, Want heel het weefsel dezer list is mijn bedrijf. Thans zeg ik, sterven ware mij een roem, een Inst, Daar ik nu dezen in het net des rechts aanschouw. Koor. Aanvoerder van het linker midden. Gij pocht, yEgisthos; doch eens lafaards tiere taal En schett'rend woordgeklater, wekt mij geen ontzag. Gij dooddet, zegt gij, voorbedachtlijk dezen man; Alleen beraamdet gij den diepbeklaagb'ren moord? Nu dan, ik zeg u, voor 't gerecht ontgaat uw hoofd Den vloek des volks niet, noch, weet dit! de steeniging. |
|
v. 1560 codd. ev^CuLcc ityeiv, emend. K. â v. 1563 codd. uvSpaxai; nxb^piivoq, emend. Wecklein. Keek: KX^/^ivu. Casaubonus: â v. 1564 codd. «Jvi/za J' uutüv, emend. Dindorf. â v. 1567 codd. iiv. Tritmi, emend. Canter. â codd. aQuyïis, emend. K. â v. 1569 codd. ^i/vSiKUi rftsis xpp, emend. K. â v. 1570 codd. oAf'ffS*!. emend. K. -- v. 1573 codd. {j. êirï Sin' aSAf'w, emend. Schneider. âv. 1579 Fnrn. ÃJsvTf â v. 1580 codd. vfififyiv év xetKÃaiv ov aéftu, emend. K., simul lacunnm post liunc versum, iam viris doctis manifestnm, e\plens. |
Non bene Hermannus nnius versus defectum post v. 1582 suspicatus erat. â v. 1581 codd. töv^' emend. Pauw. V. 15G3. De gastheer zat hooger, of aan 't boveneinde der tfifel» sneed het vleesch voor en verdeelde het; hij kon dus, zonder dat het opgemerkt werd, aan ïhyestes zijn bijzonder deel doen toekomen. Volgens een andere opvatting van den bedorven Griekschen tekst zaten, naar de wijze van den heldentijd, de gasten elk aan zyn eigen disch, en waren de vergruisde vingerleden boven over Thyestes' spijs gestrooid, onkenbaar. |
70
|
Ainsoos. 2u rxuTz Cpuvsïc veprépef, Kpcv/i/tsvoi; Kclnry, xpxrouvniv tüv stt) ^uy.y Sspo;; yjxusi yépw Siv cc; 'hilxvy.sjby.i fjxpii, tw tvï.ixsvtü ïMCppaveïy slpypévov. Ssa-^ö? §s ySi ro yypx; ai re r/ilt;rTtèsc 1590 Ijxi Silxry.siv S^cxxtxtxi QpsvSiv IxrpofixvTste. C'j% ipy: ópüv Trph: xévrpx w /.xy.ri'^e, y.y, trxiax; /tcyyc. XOFOS. Tu'jvi; tv rob: qy.oyrxs sy. y.xz'/,: pévuv oly.ovpo:, s-jyjy x-Shpo; xhxvvxv xy.x 1595 ixvèp) TTpxvvys T:-JV SI3:V?.£U7X; yJpw; Ainseos. Kxi txïizx rxry, y.gt;.xvy.xrccv xpzww/,. 'OptyJ §£ y}M7lt;rxv r'/iV syxvrixv ezsis. o [/.h yxp vr/e ttxït' xtto Xxpx, (tv §' êamp;pivxs â /, Tri cv: v).xyy.x7iy 1(iu0 x^er y.pxTy/Jeic S' â¢/jy.spxTspcs QxvsT. XOPOS. Ui.- oy, (tv iJ.oi TÃpxyvoi 'Apysiuv stsi, 'ês cvy., sTstiy, rxV spiv'/.svïx: yJpcv, 'Spxa-xi tÃV 'épycv cvy. sr/.^s xvrcy.rivx:; Ainseos. Ta yxp gt;)0gt;.c~:(TXi tph; yvjxr/.oc $v vxCpx:' 1603 êyw S' 'ókcktc: syjipss vt Trxlxiyerj:, [b y,v/.x(3s7r xv vvv S' èy:c y.pxTcly h'y.:cy] sy. Tfcvls TCvls XP'/IIJLXTÃIV 7T£lpX70y,Xl xpxsiv mgt;.iTKy' tov §£ /y-vf zsiSxvopx Zsv!::lt;3 (ixpeixi: ovrt y.y, rrsipxQcpcv 1010 v. 1593 cotld. twsi?, emend. Hermann. Butloi' coniecit TraiVa?. â v. 1594 codd. yivcn (Tv, emend. Meineke. â codd. èy. ndy^v,: vécj, emend. Wieseler. â v. 1595 codd. ul'j'/'S'.ïiJ, emend. K. â v. 1600 codd. faiois, emend. Pauw. â v. 1602 codd. èy, |
Aegisthos. Wat! gij, g-ezeteu op de laagste roeiersbauk, Gij dreigt den hoog're, die het schip te sturen heeft? Zoo leer als grijsaard, dat het leeren moeilijk valt, Wordt op uw jaren u bescheidenheid gelast. Doch ook aan grijsaards prenten kluisters die wel in. En hongernepen, wonderartsen voor de ziel. Onovertrefbaar! Zijt gij ziender oogen blind? Sla niet de verz'nen op de prikkels; die doen pijn. Koor. Aanvoerder van den linkervleugel. Verwijfde lafaard! gij, die 't keerend leger thuis Hebt opgewacht en dezes krijgers bed onteerd. Hebt gij den veldheer met zoo snooden moord belaagd? Aegisthos. Ook dit gezegde wordt u wis een tranenbron. Voorwaar, van Orpheus' tong hebt gij het tegendeel; Want zijne klanken boeiden alles door genot; Uw keffen ergert zelfs den zachtste, en slaat welras Uzelf in boeien; temmen zal u harde dwang. Koor. Aanvoerder van den rechtervleugel. En hoe kunt gij ooit heerscher hier in Argos zijn. Gij, die den dood van dezen man beraamd hebt, ja. Maar tot het plegen van de daad den moed niet hadt? Aegisthos. Het overromp'len moest de taak der vrouw wel zijn; Ik ware als erflijk vijand hem verdacht geweest En hij wis op zijn hoede. Nu beheer ik 't huis. En met de schatten dezes imms beproef ik hier Als vorst bewind te voeren. Wie zich stout verzet, Hem leg ik 't juk op, dat hij aan de lijn uiet meer emend. Hartung'. â v. 1607 ab Hermaimo additus, qui tarnen scripsit u(TT yvAafaTr' av, quod K. correxit. V. 1592. JEgisthos wijst hierbij op zijn gewapend gevolg. |
71
|
XpÃÃVTX Tiii'/.OV à O-XÃTC;! 'MfMC f;vv0iK0s [j.x/.bx.y.ó'j lt;rtps irsipsTXi. XOPOS. Ti Sij tov èivdpx rcvti' xtvo xxxij? om X.VT0: wó-ffe;, amp;/.'/gt; h crvyTpiiSfa Xupx? yJxrrpz y.M bsxv syxupixv sy.Tsiv'; 'Ops7T'/i; Kpu â zou fihéirsi Cpds:, ottcc: y.xTt'/.bav Ssüpo vpsuy.svsï tu%;/i apCpoh yév/jrxi TÃlvhe z-xy/.px.r/i: tyvsó:; Airi2©OS. 'AAA' stts) 'èoKsi; toS', t pis tv (y.x) ï.éyeiv yvxTsi tiz%,x 1619 [có? SixcTTXTsï' l-iQcu/.'/.o: d sy.SxfM xo^Trxir/^ciTuv. X0P02. n.vr 5-j §v) r/.y^st y.tizsTbxi (y.xt yépsvTiv avhpxaiv, 1G20 Airi20OS. II !;ttpo: pupèo; y.pxTitrry y.x) ykpvjTx: vsvSrsrsïv. XOPOS. 'AA/w'd ttcc: t-iCpoc Tivx^ai xs)p xvxïmi: y.x) y.xv.v,;] Airi20OS. Eix Stt, Cpihot UxÃTXt, rovpyov o-jx èxxc toSs. 1821 X0P02, 1615 EÃx 11;, irpiwirov -ax: ti: svrpsTn^sTX, v. 1C12 codd. ETTO'^cTy.l, ememl. Karaten, â v. lC14codd. «AAs! svv yi/vi), emend. K. â post v. 1C19 unum pluresve versus |
Als 't weeld'rig veulen dart'le; neen, des hongers neep, Gezel van 't kerkerduister, kneedt hem week als was. Koor. Aanvoerder van het rechter midden. Spreek, waarom hebt gij, lat' van ziele, dezen man Niet zelf verslagen, waarom moest een vrouw, uw boel, 's Lands goden honend, 't land bezoed'lend met zijn bloed. Hem vellen ? 'k Meen, Orestes leeft, aanschouwt de zon. Opdat hij eenmaal door de gunst van 't lot hier keer' En roem verwerve door het dooden van dit paar! Aegisthos. Nu, daar gij dit wilt, zoo blijkt u, (en terstond, wat wijde kloof Tusschen woord en daad is! 't pochen (wordt u dooi' mijn kling verleerd. Koorleider. Wat! gij waagt het, â gij ? â te vechten, (en voor grijsaards beeft gij niet? Aegisthos. 't Zwaard is steeds een beste roede, (die ook grijzen wijsheid brengt. Koorleider. Maar de hand, die 't zwaard wil zwaaien, (moet niet krachtloos zijn en laf. Aegisthos (tot zijn volgers). Op! gereed! mijn wakk're krijgers, (want het uur der daad is daar. Koorleider (tot de grijsaards). Op! gereed! het zwaard getrokken! (tot den strijd sta ieder pal! excidisse iamdudum viros doctos non latuit; Keckius compertum habens quatuor tetrametros deesse, lacnnam explevit. |
72
|
Airi20O2. 'A/./.x /jiijv y.xyïo irponuvii ovy. (XVXi'JOfAXi Sxvsïv. XOPOS:. AsxoyJvot: ï.syei: Savslv us' rvjv ri/zw KxpiroupeSa. KATTAIMNH2TPA. Mfixpcic, co CpihrxT' xvlpüv, (X/.?.X IpXTUtJLSV y.x.vM. 1(525 xhjx y-x) rxV Qx^ijtrxi a7:ép;j.xT' ornwh Sspcz. 1627 ttwcvk S' xfj; r v-xpyjf wlh xliJ.xr:onsbx. 1626 axtppwo: yvxpy,: 0' x^xprm (tov y.pxTöZyrx [~xï 7rp£~f;]; 'Zrelyj y.xi tv x0'1 y^P^e? Tïpb: oóy.ouï KSTrpcapisvouc, T5i)(7§f Trph Trxbsïv xxxipcr (xpijv rdo' cis sxpx^x[isv. 1030 sl 5J rot yJyJiiM yévaiTO lixluris, xv Ixipovos xvgt;-ii fapt'p S(5rTu%«? nszl.r/ntvoi. rnS' tyj1 gt;^70; yuvxr/.h:, s'! tis x'^tol ^x^sïv. AiriS0O2. 'A'/.'/.x tovtIs IJ.01 (jmtxIxv yï.üircrxv cd' xxxvSktxi y.xy.fix'/.slv sTT'/j tcixZtx %xiy.cvo? Trsipccftsvcvc; v. 1G2» codd. «AAs! xi'/u UW, emend. Porson. â v. 1624 codd. Tijv rvxw èpoCueba, emend. K. â v. 1627 codd. ahXx w TUà èamp;nv.w Siarmv '0 Schtttzius correxit amp;£gt;54, reliqua Keckius. Non recte Hermannus huno versum post sequentem xwwc collocaverat, K. libroruin ordinem restituit. -v. 1626 codd. vnupx* et tlnetTU^sbei, emend. Auratus. -v. 1628 in libris post v. 1635 sic legltur: ruCppovoi; ywHK S' awrïrov xfxrovvTU, emend. Hermann et v. transposuit; K. explevit. - v. 1629 codd. ffT£iX£T6 y oi -/éfsvrot;, emend. Franz. - codd. srpo; |
Aegisthos. Ja, ook ik, ik trek het zwaard nu, (en liet sterven ducht ik niet. Koorleider. Wat! gij spreekt van sterven? goed zoo! (gunstig teeken; 't breng' ons heil! Klytaenmestra (naar voren tredend). Neen, geen nieuw, geen ander onheil, (liefste man, ons nu bereid! Ach, wat wij tot hier toe maaiden, (was een oogst, in jamm'ren rijk. Leeds genoeg is er geleden, (neen, geen bloed bevlekk' de hand! Laakbaar is het, zoo een' heerscher (zich door drift besturen laat. Ga dus, gij, en ook die grijsaards, (naar den elk bescheiden haard. Ja, eer hen een onheil treffe! â (Wat wij deden, moest gedaan. Doch zoo 't noodlot waar' bevredigd, (0, hoe welkom waar' ons dit! Want de dubb'le klauw der wrake (trof ons zwaar, tot stervens toe. Zie, dit is der vrouwe raadslag; (dat er elk gehoor aan geev'! Aegisthos. Zouden zij, verdwaasd van tonge, (zóó mij prikk'len met hun schimp. Zulke vloeken op mij sling'ren, (vol vertrouwen op 't geluk? Sépovs nnfunéwc, ToCaie \ Tfiv tmeTv. 'éamp;uvru (Flor. 'éfcmTiq), emend. Weil. - v. 1631 codd. yivoiTO twvS' 7' f;£s;|«êamp;' Sv, Hermann S££«'gt;samp;' Keck â v. 1632 Ven. Farn. Flor. X0^à ~~ c0lt;1(1, fap1'quot;!1 emend. K. - v. 1634 codd. Uiramp;$iffcu, emend. K. âv. 1635 codd. luipovxt;, emend. Casaubonus. V. 1632. Op den Alastor wordt gedoeld, door wien thans reeds Iphigenla en Agamemnon gevallen zijn. |
73
|
XOPOS. Oön xv 'Apysluv toS' eivi, cpütx Trpowxlvsiv kxkov, Ainzeos. 'AAA' syü a* tv u/TTspxiviv yftépxi? fyJreif/,' 'én. X0P02. Ouy. mv IxlfMiv 'OpévTyv lt;)£Ãp' xvrev^üv/t (xoKslv. Ainseos. OlS' syu (psuyovTXC xvlpxc è'ATtihxq vno\)^kv:v;. XOPOS. Técog (ru ttixIvou, pixlvuv ryv Siuyv, eVf) vrxpx. 1010 Ainseos. quot;IffSv Süruv xmivx rijvSs ij.ccpixt xxpiv. XOPOS. Ké'j.xxtov öxpvcov, x/Jy.Txp muts Sy'/.elxz Tréhxs. K ATT AIMNH2TP A. Mij irpoti^^yi: [axtxImv twi/§' vXxy^xrwv êyu xx) cru Bfaoysv y.pxtoüvts tüv'Ss (iupxrcov kx'aüs. v. 1640 codd. tfuaas, tticiivov, emend. K. â v. 1042 codd. licTtef, emend. Scaliger. - v. 1643, 1644 êyi) et xaAS? e |
Koorleider. Zulk een boozen man te vleien, (past aan Argos' burgers niet. Aegisthos. Nu, geloof me, in later dagen (scherp ik zulk een hoon u in. Koorleider. Nimmer, zoo 't geluk Orestes, (ooit in Argos keeren doet. Aegisthos. Ja, ik weet het, voor een balling (is het hopen daag'lijksch brood. Koorleider. Mest terwijl u vet, bezoedel ('t heilig recht, zoolang het gaat. Aegisthos. Weet, eens zult gij duur mij boeten (voor de driestheid dezer taal. Koorleider. Goed zoo, pronk eens met uw veed'ren, (als de haan voor 't oog der hen. Klytaemnestra. Let niet verder op dit keffend (woordgeschetter; gij en ik Willen saam dit huis besturen, (dat zijn luister heerlijk straal'! scholiastte annotatione addita a Cantero et Heathio. |
/ tUjrjtïii )C 'hf quot;»quot;a
' f-'^...:, ft#-**
]
quot;/(A.
X
T'
/f Ã?l/^ ' â¢
to , ^^OjKJLOc
' I
x nw^ ^
J,
;» â¢
/ 5' '
/
/ f gt; â ' gt;â .â¢â
V
//,.
1 tl
CORRIGENDA.
1:
Pag. 8. V. 160. post ry^wf adde pimctum.
â 19. V. 455. scribe 'U/au.
â ead. annot. ad v. 433. scribe 'lA.
# 27. V. tert. post 630. scribe (péyyot. â sequitur v. 631, non v. 361.
â 51. annot. ad v. 1194. scribe alou.
r, 54. V. 1248. scribe sv Srsüv y.piTsi.
:
:S| ,
:
sosy
-af-