ocr page 1

lt;5£gt;0 C/é

i

ocr page 2

v;

mmmmm

■

■ H

i ')

I ,■

■ ^'SÊiÊ ■

■

^py-r- -.;. vquot; quot; '$' v,; r '' '1 ' ;^;.

■I

|

ocr page 3

5amp;J c /6

De Archivaris der Rijks-Archieven in Utrecht

MR. S. MULLER Fz.

AAN

liet Metropolitaan-Kapittel van Utrecht.

BIBLIOTHEEK DEfl

RJJKSL-igt;ilV£RSlTEIT U T R C C V\ T.

ocr page 4

Mi:'-1 quot; ■ • ' gt; ' .■ -■ ■ ■ 1 ■

^ gt;:r^ï5v#

.. • - ; • ■;•••••

-S ' \ quot;■i-v

■ ■ ■

Mïf l-quot;St

■r

^ V; . gt; - '

::.JxAhï.

.y- S1

..'• 'r : .' ..'f!'

k

- -: y quot;.

Lf/ü ^ tf/

i ■.

: .. ■ :■.■ ■

j • ■ ƒ ^

• ■ v -' WW'**

' '■ ' V ' 'V

...vi - . , ■ •:

■ . . . ...i,. :-.. S$:r0:

.. . • V ■■

' i yft£ . ■ quot;- ■■. ,

ocr page 5

DE ARCHIVARIS DER RIJKS-ARCHIEVEN IN UTRECHT

MR. S. MULLER Fz.

AAN

het Metropolitaan-Kapittel van Utrecht.

Eerw. en Wij dl. Heeren.

Op verzoek van den tegenwoordigen bewaarder uwer archieven, den Weleerwaarden Heer Deelder, heb ik mij gedurende de laatste vijf weken bezig gehouden met het onderzoeken en regelen van deze merkwaardige verzameling.

Ik neem de vrijheid, naar aanleiding daarvan aan uwe vergadering een en ander mede te deelen en voor te stellen.

Het archief is in de vorige eeuw dooreen Franschman geordend, die alle stukken (met uitzondering der volumineuse collectie oude brieven, die reeds vroeger tot deelen ingebonden was), systematisch geordend en in pakken gebonden heeft, door hem van Latijnsche opschriften voorzien. Omstreeks 1830 is deze orde voor een goed gedeelte verstoord door den bekenden Doirr van B'lensburg, die de stukken verdeelde in kistjes volgens de plaatsen, waarop zij betrekking hadden, doch die naar het schijnt plotseling zijn arbeid heeft afgebroken; immers verscheidene kistjes bevatten nog eenige nauwelijks losgemaakte pakken; anderen verwarde hoopen papieren, blijkbaar voorloopig ter zijde gelegd. Sedert Dodï's vertrek waren de etiquotten van de meeste doozen verloren geraakt, de inhoud was door latere gebruikers eenigszins dooroengeworpen, en er hadden zich langzamerhand buiten de kisten tal van archiefstukken opgehoopt, die van tijd tot tijd in het archief gedeponeerd waren. Het gevolg was, dat het onmogelijk was den weg te vinden en men slechts als bij toeval een gezocht stuk kon aantreffen.

Aan dezen min wenschelijken toestand is thans een einde gemaakt, en hoewel de ordening slechts oppervlakkig is geschied en bepaald nog herziening eischt, is er in de dringendste behoefte voorzien. Eene definitieve ordening en inventarisatie zou eenige jaren vereischen.

ocr page 6

2

Het archief, thans in de pastorie in den Driehoek bewaard, bestaat uit twee geheel verschillende deelen: 1°. het eigenlijke Aartsbisschoppelijke archief en 2°. eene verzameling van verschillende gedeelten van andere archieven, die daar, door grootendeels onbekende oorzaken, bijeengekomen zijn. Deze beide afdeelingen, die niets met elkander te maken hebben, zijn thans door mij gescheiden. De eerste verzameling bestaat voor ongeveer '/3 uit gebondene deelen, voor tl3 uit de door den bovengenoemden Franschman gemaakte pakken, en voor '/3 quot;h eene ordelooze massa. In hoofdzaak zullen daarbij drie rubrieken te onderscheiden zijn: 1°. De correspondentie der Aartsbisschoppen sedert Sasbout Vosmeer (zéér volumineus). 2°. Correspondentiën en andere stukken betreffende de uit Frankrijk gekomene bewoners van Port-Royal en hunne volgelingen. 3°. Bescheiden betreffende stichtingen, die onder beheer of toezicht van den Aartsbisschop of van uw kapittel stonden, zooals het college Hoogenheuvel, fundatiën van Marsman, van Wijk e. a., de vestiging op Nordstrand enz. Dit een en ander kan zonder al te groote inspanning door een niet tot archivaris opgeleiden persoon geordend worden; zoo noodig wil ik gaarne met raad en daad bijstaan.

Anders is het gesteld met de tweede afdeeling; de bescheiden uit andere archieven afkomstig. Reeds het schrift dezer voor verreweg het grootste gedeelte van vóór de reformatie dagteekenende bescheiden, levert voor niet deskundigen een bezwaar; doch bovendien is een zeer groote plaatselijke kennis noodig, om deze uit alle oorden des lands afkomstige archiefstukken behoorlijk te regelen en te beschrijven. En toch is dit bepaald en dringend noodig. Praktische waarde hebben deze papieren niet meer; alleen voor geschiedkundige onderzoekingen hebben zij een zeer groot belang. Uwe vergadering heeft getoond dit te beseffen: zij heeft, zoover ik weet, ieder die zich aanmeldde, op de meest vrijgevige wijze in staat gesteld, studiën in deze archieven te doen. Doch terwijl ik deze bewijzen van verlichte mildheid gaarne erken, en dankbaar waardeer, moet de verklaring mij toch van het hart, dat inderdaad deze papieren in den tegenwoordigen toestand bij lange na niet het nut doen, dat zij konden en behoorden te geven.

1°. In de eerste en voornaamste plaats is het nauwelijks bekend, welke schatten zich in dit archief bevinden. Hebben ook enkele bijzonder merkwaardige stukken de alge-meene aandacht getrokken en is hunne verblijfplaats daardoor voldoende bekend, men vermoedt niet en kan niet vermoeden, dat in het archiefkamertje van de pastorie in den Driehoek, stukken uit Zeeuwsche, Geldersche, Overijsselsche e. a. archieven berusten. Hoe ernstige schade door die onbekendheid aan groote wetenschappelijke belangen wordt toegebracht, moge u blijken uit de volgende twee staaltjes.

De uitgave van het Nieuwe Oorkondenboek van Holland, door den Rijks-Archivaris, door Professor Muller te Leiden e. a. van wege de Koninklijke Academie van Wetenschappen ondernomen; — eene publicatie, van welks welslagen de geheele studie van de oudste tijden onzer geschiedenis afhangt, — is door uwe vergadering met de meeste welwillendheid gesteund. Met juisten blik het groote wetenschappelijke belang der zaak erkennende, hebt gij zelfs niet geaarzeld, het belangrijke Liber rubeus van St. Jan te Utrecht voor geruimen tijd naar 's-Gravenhage te zenden ten gebruike voor de Commissie.

ocr page 7

3

Doch niemand — noch de Rijks-Archivaris, noch uwe vergadering of de bewaarder uwer archieven zelf — wist, dat in die archieven nagenoeg alle oudste charters der beroemde Hollandsche abdij van Coninxvelt berustten, waaronder Charters van Roomsch-koning Willem en van verscheidene andere leden van het Hollandsche gravenhuis, voor het ondernomen werk van het allerhoogste belang. En zoo is in dit standaardwerk, dat door de geheele wereld bekend is en gebruikt wordt, eene lacune gebleven, die thans onherstelbaar is. — Een ander voorbeeld. De beroemde Amsterclamsche Hoogleeraar der Kerkgeschiedenis, wijlen Professor W. Moll, heeft jaren geleden eene biographie van den Martelaar Angelus Merula samengesteld en — in een lijvig en terecht beroemd boekdeel — uitgegeven. Van alle zijden ontving de Hoogleeraar den gewenschten steun en medewerking. Ook de toenmalige bewaarder van uw archief, — de Weleerwaarde Heer van Werkhoven — stond hem met de meeste voorkomendheid met de onder zijn bereik staande schatten bij. Doch noch Professor Moll, noch Pastoor van Werkhoven vermoedden, dat ik in uw archief de (naar het schijnt eigenhandige) verdediging van den martelaar tegen de aanklacht der inquisitie (een lijvig boekdeel) met andere stukken hem betreffende zou ontdekken, die thans niet meer kunnen gebracht worden in het kader, waarin alle belangstellenden in de geschiedenis ze zoo gaarne hadden aangetroffen. Wat zoo doende verzuimd is, kan niet meer ongedaan gemaakt worden. Men kan de stukken nog afdrukken, maar ze komen niet meer, zooals natuurlijk geweest ware, in de handen van allen, die het Oorkondenboek van Holland en Moll's leven van Merula gebruiken.

2°. Doch al zou men door eene bekendmaking van den globalen inhoud dei-verzameling daarop eenigszins de aandacht vestigen, daarmede ware inderdaad niet het doel ten volle bereikt. Ik, die nagenoeg het geheele archief stuk voor stuk heb in handen gehad, zou zonder al te groote moeite kunnen aanwijzen, waar een stuk te vinden zou zijn. Doch een nuttig en gemakkelijk gebruik der stukken is zonder eene definitieve ordeningen stuksgewijze beschrijving niet mogelijk. Het zoeken naar elk stuk kost nog altijd veel tijd, al is het niet onmogelijk.

3°. Een derde bezwaar is de noodzakelijk beperkte gelegenheid tot studie. Daar dit gedeelte van het archief meestal betrekking heeft tot geestelijke gestichten uit alle deelen des lands, kan men verwachten, dat bij voorkeur personen van buiten de stad zich voor de studie daarvan zullen aanmelden. Vroeger vergunde de Heer Mulder, die mij sinds jaren kende, mij in zulke gevallen, het te gebruiken stuk tegen recu mede te nemen naar het Rijks-Archief alhier, waar de bezoeker dan dagelijks van 9—4 uur dit kon raadplegen.

Thans is door uwe vergadering bepaald, dat geene stukken zonder verlof van het geheele kapittel mogen afgegeven worden. Het is verre van mij, daarop eenige aanmerkingen te maken. Integendeel is de maatregel, na de droevige ondervindingen, door uwe vergadering (naar men verhaalt) in vroegere jaren opgedaan, zeer wel te verklaren, en zij schijnt zelfs in het belang der goede bewaring van het archief. Doch desniettemin spreekt het van zelf, dat daardoor het gebruik van de stukken zeer bemoeielijkt wordt. Zal de maatregel iets goeds uitwerken, dan moet de raadpleging der stukken

ocr page 8

plaats hebben in tegenwoordigheid van den bewaarder en het is natuurlijk, dat deze, wien andere, dringender plichten dikwijls buitenshuis roepen, en wiens tijd ook bovendien zeer bezet is, slechts nu en dan een uur aan dergelijk toezicht kan wijden. Bij alle welwillendheid en belangstelling, mij en anderen zoo herhaaldelijk betoond, is dus de raadpleging van het archief door personen buiten de stad feitelijk onmogelijk. Gedurende de wintermaanden is uw archief geheel gesloten, door het ontbreken van een verwarmde kamer ter beschikking van de bezoekers. En daar een groot deel van uwe vergadering buiten de stad woont, is het verkrijgen der gewenschte toestemming tot het gebruiken van stukken buiten de stad moeielijk, terwijl het ook in den aard der zaak ligt, dat dergelijke toestemming alleen bij uitzondering kan en zal verleend worden. Zoo is niet zonder de grootste bezwaren de publicatie van het belangrijke register van priesterwijdingen uit uw archief mogelijk geworden. Eerst moest een persoon hier ter stede gevonden worden, die tijd had en bekwaam was om het kopieëren op zich te nemen (de uitgever zelf toch woont buiten de stad). Na lang zoeken gelukte het, iemand te vinden, die het werk, ofschoon gebrekkig, verrichten kon. Gedurende den winter is de arbeid gestaakt. En zoo komt het, dat de uitgever, die het werk gaarne zelf had willen verrichten, na verloop van een jaar tegen hoog loon nog slechts de helft eener zeer gebrekkige kopie in handen heeft. En nog mag hij zich gelukkig rekenen, dat ik iemand gevonden heb, die hem helpen kon; want mijne ambtenaren, die gewoonlijk zulk werk verrichten, kunnen natuurlijk slechts 's avonds kopieërwerk te huis op zich nemen.

Wanneer ik deze beschouwingen, — wier Juistheid ik vermeen, dat bezwaarlijk zal te ontkennen zijn — onder de aandacht uwer vergadering breng, dan doe ik dat in de overtuiging, dat zij met mij van oordeel is, dat eene zoo ruim mogelijke gelegenheid tot studie dezer archieven behoort te bestaan, en dat deze papieren alleen daardoor eenig nut kunnen doen; immers het feit, dat zoovele geschiedkundigen van naam in dit archief zijn toegelaten, geeft mij de zekerheid, dat uwe vergadering dit haar bezit niet tot een dood kapitaal, maar tot eene vruchtenbrengende kweekplaats van studie wenscht te maken. In deze overtuiging waag ik het, aan uwe welwillende aandacht eenige voorstellen te onderwerpen over de wijze, waarop men deze archieven het best aan hunne bestemming zou kunnen doen beantwoorden. Vooraf moet ik echter daartoe de vraag beantwoorden: hoe en tot luellc doel kunnen en moeten deze papieren gebruikt worden?

De aard dezer verzameling is een zeer bijzondere. Terwijl het eigenlijke archief van uw kapittel, evenals alle andere archieven, een samenhangend geheel uitmaakt en alleen door hen geraadpleegd worden zal, die zich met de geschiedenis van de Roomsch Catholieke kerk na de hervorming en van de volgelingen van Port Royal bezighouden, is het met de andere afdeeling van uw archief zoo eenvoudig niet gesteld. Deze afdeeling bestaat uit allerlei brokstukken van andere archieven, die uit alle oorden des lands hier bijeengebracht zijn; slechts bij groote uitzondering is hier over het eene of andere gesticht een eenigszins bruikbaar geheel bijeen.

De overlevering verhaalt, dat deze collectie haar ontstaan dankt aan de goede bedoelingen van eenige kloosterlingen, die in de onrustige tijden op het laatst der 16de eeuw

ocr page 9

5

de archieven hunner stichtingen aan hunnen aartsbisschop ter bewaring toevertrouwd hebben, ten einde zoodoende de eigendommen en de voorrechten der kloosters, waartoe zij behoorden, in betere tijden te kunnen handhaven. Daar die gehoopte tijden niet kwamen, zouden na den dood der bewaargevers deze stukken van zelf in het archief van het aartsbisdom gebleven zijn. Deze voorstelling blijkt echter bij het doorzien der stukken niet geheel juist of althans veel te algemeen gesteld. Reeds dadelijk zou het, indien dit het geval was — bevreemding wekken, dat slechts bij hooge uitzondering een geheel archief hier bewaard is; immers het is niet wel te begrijpen, hoe de bewaargevers, wanneer zij het beheer der archieven hunner kloosters hadden (en alleen de beheerders zeiven konden het archief wegnemen,) slechts enkele stukken daaruit, en volstrekt niet altijd de belangrijkste, hebben afgegeven. Onverklaarbaar is ook de aanwezigheid van gedeelten van archieven van stichtingen , die niet bij de invoering der hervorming zijn ondergegaan, b.v. van de Utrechtsche kapittelen. Deze archieven zijn tot heden toe in hun geheel bewaard gebleven; zij hebben zich tot 1811 toe welgeordend in de goed geslotene archiefkamers der kapittelen onder het beheer dezer lichamen zei ven bevonden, en het is niet duidelijk, hoe, waarom en door wie een zeer klein deel daarvan onder den Aartsbisschop gedeponeerd zou zijn geworden. Nog vreemder is het feit, dat zich in het archief bevinden rekeningen van nog bestaande gasthuizen, voor en na de hervorming door een college van regenten bestuurd, die in de wisseling van den staatsgodsdienst geene aanleiding konden vinden, om een deel hunner archieven naar elders te verplaatsen, waar deze geen nut voor hunne gestichten konden doen, — documenten uit de archieven van regeeringscolleges (o. a. eene begrooting van het Napelsche hof) en stedelijke besturen, die, wanneer men ze al aan de wettige eigenaars wilde onttrekken, zeker het allerminst in een aartsbisschoppelijk archief thuis behoorden — drie volle kisten eindelijk met stukken over politieke zaken, meestal betreffende de betrekkingen der republiek met Engeland en Frankrijk in de 1® helft der 17lt;le eeuw of ingekomene stukken bij de Staten van Utrecht, die men zeker hier niet zou zoeken en die ook zeker nooit in handen van katholieken der 17de eeuw zullen geweest zijn. Ik meen dan ook, dat men slechts voor zeer enkele gestichten, wier archieven nagenoeg volledig hier bewaard bleven, (b.v, het Utrechtsche St. Maria Magdalena-klooster, het Delftsche St. Barbara-klooster, het Schiedamsche St. Ursula-klooster) tot eene bewaargeving mag besluiten (en dat nog wel alleen voor Utrechtsche gestichten tot eene bewaargeving aan den Aartsbisschop); voor de aanwezigheid van andere archiefstukken moeten andere redenen bestaan. Ik geloof dat ik eenige dier redenen kan aanwijzen.

In de eerste plaats is het mij gebleken, dat de eerste aartsbisschoppen na de hervorming voortdurend belang zijn blijven stellen in de vroegere kerkelijke geschiedenis van hunne diocese. In verschillende archiefstukken zijn aanteekeningen gemaakt, die bewijzen, dat zij steeds er op uit waren om documenten, die deze geschiedenis toelichtten, te verkrijgen; door schenking en koop hebben zij zoodoende vele verspreide archiefstukken verzameld; ook hebben somtijds leden der kapittelen, hunne belangstelling kennende, hun wel eens stukken vermaakt, die zij als kanuniken uit de archieven hunner kapittelen geleend hadden. In de tweede plaats zijn vele papieren, die tot de boedels behoorden

ocr page 10

6

van personen, die legaten aan den aartsbisschop maakten of fundaties onder zijn toezicht vestigden, met de op deze giften betrekking hebbende stukken vermengd in het archief van uw kapittel gekomen; ook stukken, die zulke personen in hunne qualiteit van ambtenaren bezaten en die hun dus niet behoorden, zijn daaronder. In de derde en voornaamste plaats heeft de beroemde Hugo van Heussèn, wiens uitstekende Batavia Sacra grootendeels uit de studie van uw archief ontstaan is, blijkbaar overal bouwstoffen voor dit voortreffelijke werk verzameld; overal vindt men op uwe archiefstukken aanteekeningen van zijne hand, en ik houd het er voor, dat een zeer aanzienlijk deel der op Holland betrekking hebbende stukken door hem bij de toenmalige bezitters opgespoord, aangekocht en later in uw archief gekomen is. Eindelijk vindt men nog de sporen, dat sommige door partikulieren aangelegde en in banden vereenigde verzamelingen van staatsstukken door aankoop of op andere wijzen voor uw archief verkregen zijn; zoodoende zijn daar o. a. tal van politieke stukken gekomen, die daar niet behooren.

Uit dit overzicht kan uwe vergadering eenigszins opmaken, uit welke bestand-deelen dit archief bestaat. Het is bijna ongeloollijk, hoe zonderling het lot gedeelten van archieven heeft verspreid. Zoo berusten b.v. onder u twee quaterns van de notulen der Staten van Utrecht, terwijl de geheele collectie van honderde banden, waaraan deze quaterns ontbreken, in mijne archieven bewaard. worden, — een tiental minuten van schepenbrieven uit het begin der lGdo eeuw, die bewijsbaar afkomstig zijn uit de banden dier serie, die in meer dan 300 deelen onder mij berust, — één enkele minuut van een brief van Bisschop Filips van BouRGCNDië, waarvan een geheel pak, met dezelfde hand geschreven, zich in het Utrechtsche Rijks-archief bevindt. Meer voorbeelden van gevallen, dat uw archief een of twee deelen uit eene lange bij mij bewaarde serie, ja zelfs gedeelten van onder mij berustende deelen bevat, zou ik u gemakkelijk kunnen geven. Hoe waar het is, dat uw archief (met uitzondering van de zeer schaarsche gevallen, die ik boven aanduidde) niets, wat op eenige volledigheid kan aanspraak maken, bezit, blijkt wel uit het volgende. Uit den aard der zaak zijn de Utrechtsche archieven het talrijkst vertegenwoordigd; zij vormen meer dan 1/i van de geheele collectie. Zoo zijn daar b.v. van geene stichting meer stukken bewaard dan van het kapittel van St. Jan te Utrecht, dat twee kisten met losse stukken en 5 deelen telt; toch is zelfs dit nog slechts een hoogst onbeduidend fragment van het geheele, onder mij berustende archief, dat 34 planken met deelen en ongeveer 3000 charters bevat! En nog is dit het gunstigste geval: van de kapittelen ten Dom, Oudmunster en St. Pieter bezit uw archief te zamen slechts 1 kist en 6 deelen terwijl mijn archief daarover 176 planken met deelen en ongeveer 12000 charters bezit.

Het antwoord op de vraag, waartoe dit deel van uw archief gebruikt kan en moet worden, is nu gemakkelijker geworden. Degene, die deze stukken gebruikt, zou slechts over de kloosters van St. Maria Magdalena te Utrecht, St. Barbara te Delft en St. Ursula te Schiedam iets goeds kunnen leveren, en monographieën over deze onbelangrijke stichtingen zouden denkelijk kwalijk de daaraan besteedde moeite loonen; slechts voor de geschiedenis der steden, waar zij gevestigd waren, der orde, waartoe zij behoorden,

ocr page 11

7

leveren de archieven dezer kloosters waarschijnlijk nuttige bijdragen. Voor de geschiedenis van alle andere kloosters, kapittels, steden en regeeringslichamen levert uw archief slechts spaarzame, hoogst onvolledige, doch hier en daar onmisbare bijdragen. De conclusie is dus, dat niemand, die, hetzij van uwentwege, hetzij met uw gunstig verlof, zijn leven aan de bearbeiding van dit deel van uw archief en aan de publicatie van de daar voor-handene schatten zou wijden, bij mogelijkheid iets goeds zou kunnen leveren. Voor de geschiedenis van uw Kerkgenootschap is een groot deel van deze archieven van geen het minste belang: stukken uit het aartsbisschoppelijk archief van voor de invoering van den Gereformeerden godsdienst zijn daarin zoo goed als niet aanwezig, en daarentegen vindt men er tal van stukken van zuiver wereldlijken en politieken aard. Het kan dus nauwelijks met genoeg nadruk gezegd worden: voor uwe vergadering heeft het bezit dezer schatten geen belang hoegenaamd, voor hen, die de bij deze brokstukken beboerende archieven beheeren of raadplegen, zijn ze daarentegen van het grootste gewicht. Door den tegen-woordigen toestand wordt, wanneer eenmaal de voorhandene schatten behoorlijk ter algemeene kennis zijn gebracht, aan bijna iederen historicus, die een of ander onderwerp betreffende onze middeleeuwsche geschiedenis behandelen wil, de noodzakelijkheid opgelegd, om eene nalezing te houden in uw archief, om het elders gevondene te completeeren. En daar de stukken van een archief elkander onderling aanvullen en ophelderen, behoef ik u niet te zeggen, hoe bezwaarlijk zulk eene studie van verspreide bronnen is, vooral voor personen, die van buiten de stad moeten komen. En helaas! bij de bewerkers van het meerendeel der stukken zal juist dit zeker het geval zijn, daar meer dan de helft der archieven uit Holland, Gelderland, enz. stamt.

Door al het bovenstaande meen ik voldoende bewezen te hebben, dat dit gedeelte van uw archief, ook bij de beste bedoelingen, met de meeste moeite en kosten onmogelijk van uwentwege kan beheerd worden, zooals dit in het belang der geschiedkundige wetenschap behooren zou, zóó dat deze stukken al het nut doen, ded zij kunnen en moeten doen.

Twee middelen zijn er, die een beteren toestand kunnen vestigen, en die ik thans achtereenvolgens wensch te bespreken.

1°. De besprokene af deeling van uw archief zou door u in bewaring gegeven kunnen worden aan het Rijk, ter plaatsing in de Utrechtsche Rijks-archieven. Dergelijke overeenkomsten heb ik reeds met verschillende gemeenten en bijzondere personen gesloten en zij werken steeds tot aller tevredenheid. De eigendom blijft dan bij den bewaargever, die het archief ieder oogenblik kan opvragen, als hij dit wenscht terug te hebben. Er wordt een inventaris vervaardigd en een contract op zegel opgemaakt, dat als regu dient; de stukken worden allen voorzien met een stempel, die den eigendom van den bewaargever vaststelt; zij worden afgezonderd van de andere archieven bewaard. De archivaris, die ze namens Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken in bewaring neemt (en die des gewenscht van wege uw kapittel afzonderlijk aangesteld en beëedigd zou kunnen worden) is verantwoordelijk voor de goede bewaring der stukken, is verplicht ze te doen inventariseeren en opknappen, moet ze aan bezoekers des gevraagd voorleggen en ten gebruike geven (onder , zulke bepalingen als de bewaargever vaststellen wil) en doet bovendien

ocr page 12

voor den bewaargever zulke nasporingen in het archief, als deze in zijn belang noodig heeft. De archieven worden geborgen in het nieuwe brandvrije archief-gebouw op de Drift en zönder verlof van den bewaargever daaruit niet verwijderd.

2°. De bedoelde 'stukken kunnen aan het Rijk in eigendom worden afgestaan. Als equivalent zou het Rijk aan uwe vergadering o. a. kunnen restitueeren de zeer omvangrijke ■* verzameling papieren van Rovenius , in 1640 door den magistraat van Utrecht in beslag genomen en thans nog onder de hier bewaarde rechterlijke archieven aanwezig. Door zulk een maatregel zou inderdaad eene hinderlijke lacune in het eigenlijke archief van uw kapittel worden aangevuld; terwijl de correspondentie van bijna alle aartsbisschoppen in tal van deelén daar aanwezig is, vindt men van Rovenius, een der belangrijksten, slechts uiterst weinig; de rest berust onder mij, en ik zou mij gelukkig achten, indien ik kou medewetken, deze en de andere papieren ( o. a. een register van de door den aartsbisschop gewijde priesters, dat het vervolg is van een in uw archief bewaarden, zeer belangrijken band uit vroegeren tijd) op hunne plaatsen terug te brengen. En ik twijfel niet, of aan deze restitutie zou nog een nader overeen te komen som gelds kunnen toegevoegd worden. Ik ben door Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken niet gemachtigd, aan uwe vergadering een dergelijk voorstel te doen, doch ik vertrouw, dat Zijne Excellentie gewis bereid zou,gevonden worden, eene dergelijke overeenkomst te sluiten.

De eerst besprokene regeling zou u alle voordeden, aan den eigendom der stukken verbonden, laten, en u van alle lasten, van het beheer onafscheidelijk, Ontheffen. Terwijl uwe vergadering de vrije beschikking over de stukken steeds bleef behouden, en zich ieder oogenblik van de behoorlijke nakoming der voorwaarden kon vergewissen, zpf de bezoldiging van eenen deskundige voor het behoorlijk regelen en beschrijven der oude, moeielijk leesbare stukken, onnoodig worden. Uwe vergadering verkreeg zonder kosten bétere waarborgenj dat de stukken noch door brand, noch door vocht of verwaarloozifig te loor gingen. En ook het publiek zou zeer veel winnen; immers het verkreeg de gelegenheid,■ om dagelijks van 10—4 uur de stukken'te raadplegen, en daarvan zoo noodig tegen eene geringe vergoeding door deskundigen kopieën te laten maken. De schikking bevêelt zich bovendien aan door de gemakkelijkheid der uitvoering: in twee of drie dagen zou alles kunnen afloopen; terwijl in het andere geval, ook al werd Zijne Excellentie dadelijk bereid gevonden de archieven aan te koopen, allicht eenigszins langdurige onderhandelingen over de bepaling van den prijs zouden moeten voorafgaan.

Toch zou ik voor mij aan de definitieve overdracht de voorkeur geven. Eerst door de mogelijkheid, om deze brokstukken van archieven terug te zenden aan de depóts, waarvan zij eenmaal deel uitmaakten, om ze te hereenigen met de andere stukken, waarbij zij béhporen en die zij kunnen ophelderen, zouden zij geheel aan hun doel kunnen beantwoorden en zouden de belangstellenden ze op de plaats zelf en in verband met de andere bronnen; gemakkelijk kunnen raadplegen. Mij persoonlijk zou het natuurlijk onverschillig zijn, of de archieven in eigendom of in depót werden afgestaan; doch voor uwe vergadering zou de afstand in eigendom een belangrijk voordeel opleveren.

Wanneer ik wel eens aan de bewaarders uwer archieven gevraagd heb,

ocr page 13

waarom, terwijl men blijkbaar op het behoud der archieven prijs stelde, en hun gebruik voor de studie wenschte te bevorderen, zoo weinig gedaan werd vooVeenó , behoorlijke regeling daarvan, dan werd mij steeds ten antwoord gegeven, dat het geldquot; daartoe ontbrak. Is dit juist, dan zou thans eene schoone gelegenheid gevonden kunnen worden, om eene betere regeling te verkrijgen. Wanneer door afstand der niet in uw archief behoorende stukken, de noodige ruimte op het archief kamertje verkregen werd, dan zou het u niet moeielijk kunnen vallen, het overblijvende daar behoorlijk in te richten. De stukken, die het archief van het aartsbisdom uitmaken, en die onder u zouden blijven berusten, vormen wel is waar ruim 2I3 van den aanwezigen voorraad, doch zij zijn bijna zonder uitzondering goed te lezen en ze zijn zeker voor niemand verstaanbaarder en beter in hun onderling verband te regelen en op hunne goede plaatsen te brengen, dan door eên priester van uw kerkgenootschap. Wanneer dus onder de leerlingen van uw seminarie een intelligent persoon gevonden kon worden, die belang stelde in de geschiedenis en het verleden van uw kerkgenootschap (en het antwoord zal toch bezwaarlijk ontkennend kunnen luiden!) dan zou deze, in de ruime pastorie gehuisvest, tegen eene betrekkelijk geringe toelage in een paar jaren behoorlijk kunnen ordenen en beschrijven wat nu nog gedeeltelijk in totale wanorde verkeert. Een paar honderd gulden voor banden, portefeuilles en kistjes uitgegeven, — een paar honderd gulden voor het drukken van den inventaris besteed! en wat nu in beklagenswaardigen toestand verkeert zou een sieraad en de roem van uw kerkgenootschap geworden zijn!

Nog meer. Eenmaal zoover gevorderd, zou men gemakkelijk verder kunnen gaan. Wanneer Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid Monseigneur Heykajip zich verwaardigen wilde, evenals wijlen Monseigneur Schaepman, zich aan het hoofd te stellen van een tweede «Archief van het Aartsbisdom Utrecht», dan twijfel ik niet, of eene dergelijke onderneming zou met schitterend succes bekroond worden. Uwe vergadering meene niet, dat uw kleiner kerkgenootschap, dat uit den aard der zaak minder medewerkers zou kunnen leveren, niet in staat zou zijn met het orgaan der Roomsch Catholieken te wedijveren! Is de schare kleiner, de schatten, die de archieven van uw aartsbisdom.voor de geschiedenis der Roomsch Catholieken bergt, zijn zoo onvergelijkelijk veel rijker dan alles, wat de Roomsch Catholieke priesters met veel moeite van heinde en verre vergaderen, dat uw orgaan het oudere met minder moeite verre zou kunnen overtreffen. En dat het debiet daarvan verzekerd zou zijn, wie kan dit betwijfelen, die weet, dat de medewerkers van het thans bestaande Archief, hoewel veel minder belangrijk dan het uwe zou kunnen zijn, nog thans, nu zij door het overlijden van Monseigneur Schaepman van een grooten steun beroofd zijn, vrij hooge honoraria voor hun werk genieten! Is eenmaal door het publiceeren van den inventaris de bij u bewaarde schat algemeen bekend, dan kan het niet missen, of de medewerkers moeten toestroomen en de uitgave van het tweede Archief daardoor mogelijk worden!

Een tweede doel voor het besteden der te verkrijgen gelden ligt voor de hand. De kérk en pastorie van St. Geerte bergt m alle hoeken en kasten schatten van oude kunst. De beroemde albe van St. Bernulf, de merkwaardige gothieke hamer van St. Maarten, de zilveren -drinkschaal van Musius, eene marmeren buste van Rombout Verhulst, eene prach-

ocr page 14

10

tige gedreven kan en schotel, fraaie antieke lessenaars, banken, stoelen en tafels, gegraveerde koperen platen, zeldzame incunabelen, oude zegels van bisschoppen, geïllustreerde oude getijdenboeken, schilderijen zonder tal, en vooral eene zeer omvangrijke verzameling oude geborduurde misgewaden; dit alles zag ik reeds nu en dan als bij toeval. Hoeveel moet een systematisch onderzoek hier niet aan den dag brengen! Deze ééne pastorie bergt reeds de elementen van een museum van oude kerkelijke kunst, — voorwerpen, die nu zonder doel en zonder nut verspreid liggen en gedeeltelijk verwaarloosd worden. Ik had eenmaal gehoopt, dat uwe vergadering althans aan de merkwaardigste voorwerpen dezer collectie in het stedelijk museum een passend en veilig onderkomen zou willen verzekeren. Dit voorstel scheen u niet toe te lachen, en ik heb mij gewacht daarop verder aan te dringen. Doch waarom zou uwe vergadering thans niet zelve een tweede Aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht stichten? De pastorie van St. Geerte bevat kamers genoeg om er eene van voor dit doel af te zonderen. Alleen de noodzakelijke kosten voor de inrichting der zaal en voor het aanschaffen van eenige vitrines en kasten zouden moeten gemaakt worden, en daartoe zouden de thans te verkrijgen gelden kunnen worden besteed. De hulp en voorlichting van bekwame deskundigen zouden u bij zulk eene onderneming gewis niet ontbreken. En als eenmaal een begin gemaakt is, kan het niet missen, of ook uit andere kerken en pastorieën moeten merkwaardige oude voorwerpen, die thans niet of slechts zelden gebruikt worden, te voorschijn komen en de verzameling vergrooten. Zoodoende zal een geheel ontstaan, dat wel is waar niet gelijk zal zijn aan het tegenwoordige Aartsbisschoppelijk Museum, voor welks vermeerdering jaren lang groote sommen besteed zijn; doch dat zeer zeker aanzienlijker zal zijn dan het begin van het andere museum was. Reeds de beroemde albe van St. Bernulf alleen zou tal van bezoekers daarheen kunnen lokken.

Doch niet alleen de wensch om met anderen te kunnen wedijveren, zelfs niet alleen de belangstelling in oude kunst behoeft uwe vergadering tot zulk eene onderneming aan te zetten, reeds de natuurlijke wensch, om uwe kostbare eigendommen behoorlijk te bewaren en voor schade te beveiligen, behoort u daartoe te dringen. Ik heb de albe van St. Bernulf gekend, in een sigarenkist geborgen; ik heb het acht eeuwen oude weefsel zien uitslaan om het stof daaruit te verwijderen. De met zilver beslagene kostbare hamei-van St. Maarten was eertijds geborgen in de opene lade van een trumeau! De marmeren buste van Veriiui.st is sedert jaren aan weer en wind blootgesteld, heeft vele winters in de vorst buiten doorgebracht; en reeds is het kostbare stuk daardoor zwaar beschadigd! Er is in de bewaring dezer voorwerpen eene groote verbetering ontstaan, sedert de Weleerwaarde Heer Deelder daaraan (en aan het archief) zijne belangstellende zorgen gewijd heeft; doch nog blijft veel te wenschen over, nog zijn de schilderijen grootendeels gebarsten en van vernis ontbloot, nog is eene som gelds noodig om deze soms kostbare stukken van een zekeren en spoedig naderenden ondergang te redden.

Ik durf voorspellen, dat — wordt daarin niet spoedig voorzien, het Vaderland eene onherstelbare schade lijden zal door het verlies van eenige der bedoelde kunstwerken. Uwe vergadering meene niet, dat ik overdrijf: ik kan mijne voorspellingen met argumenten staven. Zie hier wat gebeurd is. Toen in 1863 de Minister Thorbecke besloot tot de

ocr page 15

u

vestiging van een Museum van Oude Kunst te 's-Gravenhage, werd aan de provinciale archivarissen opgedragen, zich te wenden tot alle corporatiën in hun ressort, die oude kunstvoorwerpen bezaten, met verzoek om deze, wanneer zij ze niet gebruikten, aan het nieuwe museum af te staan. Mijn voorganger wendde zich tot uwe vergadering, en ontving straks de vriendelijke toezegging, dat 2 schilderijen, 2 versierde stoelen met gobelins bekleed en 3 glasschilderingen voor het Haagsche museum door u bestemd waren. Zooals bekend is, kwam er toen van de stichting van het museum niets. Elf jaren later heeft Jhr. Mr. V. de Stuers de zaak doorgezet, en de in 1863 toegezegde voorwerpen zijn toen allerwege opgevraagd. Het antwoord, dat mijn voorganger namens uwe vergadering ontving, luidde, dat van de in 4863 beloofde voorwerpen niels meer aanwezig was! Een dezer verlorene schilderijen (in 4863 als «het minst beschadigde» geroemd!) maakt thans een sieraad uit van het Aartsbisschoppelijk Museum. Zoo is langzamerhand gewis veel verloren gegaan. Het is tijd, dat maatregelen genomen worden, wil men redden wat nog te redden is. Uwe vergadering wake voor hare kostbare bezittingen, door ze uit het duister te voorschijn te halen en ze door vereeniging in een passend lokaal blijvend voor verderf te bewaren. De tegenwoordige bewaarder der schatten zal, ik twijfel daaraan niet, uwe plannen met ijver en belangstelling steunen.

Dit alles kan geschieden, wanneer uwe vergadering besluiten mocht, dit deel van uw archief, dat niet in de pastorie van St. Geerte, maar in andere archief-depóts thuis behoort, aan het Rijk over te doen. Slechts één argument schijnt tegen zulk een afstand te kunnen pleiten. De bedenking zou kunnen geopperd worden, dat het niet passend scheen, om wat de vrome zin der voorvaderen aan zijnen aartsbisschop toevertrouwde, thans voor geld van de hand te doen. Doch het komt mij voor, dat deze tegenwerping van weinig gewicht zou zijn. Reeds meen ik bewezen te hebben, dat deze legende zoo niet geheel, dan toch grootendeels onwaarheid spreekt, en dat de meeste stukken door nasporingen der geestelijkheid zelve ontdekt en zeker althans voor een deel voor geld verkregen zijn. Bezwaar kan dus niet bestaan tegen den verkoop van wat eenmaal gekocht schijnt te zijn. Maar ook al ware alles slechts door gevluchte kloosterlingen hier in bewaring gegeven, dan nog schijnt de vervreemding geheel in hunnen geest! Zij bedoelden daarmede hunne kloosters in het bezit hunner rechten en eigendommen te bewaren. Dit doel is thans voor goed onbereikbaar geworden; de oude kloosters zijn allen verdwenen, de bevolking is sedert eeuwen uitgestorven. Het eenige wat men thans nog voor hen doen kan, is de herinnering aan hun leven en streven te bewaren en aan de nakomelingschap over te leveren. En dit doel kan alleen bereikt worden door de gelegenheid tot studie en publicatie der thans zuiver historische oorkonden zoo ruim mogelijk open te stellen. De middelen, die ik de eer had aan uwe vergadering ter overweging te geven, schijnen daartoe het meest doelmatig. Dat deze zienswijze ook door anderen gedeeld wordt, kan ik u met een schitterend voorbeeld bewijzen.

De Roomsch-Catholieke bisschop van Haarlem, Monseigneur Bottemanne, wiens archiet zonder twijfel geheel gelijken oorsprong heeft als het uwe, verzocht onlangs mijnen

ocr page 16

42

ambtgenoot in Noordholland, dit archief voor hem te willen rangschikken en beschrijven Het werk is verricht, en mijn ambtgenoot heeft, nadat alles doorzocht was, gemeend zijnen doorluchtigen lastgever er op te moeten wijzen, dat zich in dit archief vele stukken bevonden, die niet daarin doch in andere depóts thuis behooren.

Het gevolg is geweest, dat ik in het afgeloopene jaar van mijnen ambtgenoot namens den Bisschop van Haarlem een groot pak stukken heb ontvangen, ten geschenke voor het Utrechtsche Rijks-Archief. Van dit kostbare en belangrijke geschenk, waardoor weder eene leemte in mijne archieven op zoo gelukkige wijze is aangevuld, is dankbaar melding gemaakt in de Staats-Courant; doch het staat niet op zich-zelf, ook andere openbare archiefdepóts zijn bij deze gelegenheid weder verrijkt met stukken, die daaruit vroeger op voor de wetenschap beklagenswaardige wijze verwijderd waren.

Ik heb bij dit doorluchtige voorbeeld van verlichten zin en vrijgevige belangstelling in de oude documenten onzer geschiedenis niets op te merken; de daad spreekt voor zich-zelve.

De Archivaris der Rijks-Archieven in Utrecht, S. MULLER Fz.

ocr page 17
ocr page 18
ocr page 19
ocr page 20