BIBLIOTHEEK NED. H£RV. KERK
£gt; . Clâ .
I
'
EVANGELISCHE ^
GEZANGEN,
OM NEVENS
HET BOEK DER PSALMEN
BIJ DEN
OPENBAREN GODSDIENST
IN DE
NEDERLANDSGHE HERVORMDE GEMEENTEN
GEBKUIKT TE WORDEN;
OP UITDBUKKELIJKEN LAST VAN
ALLE DE SYNODEN
DER
VOORNOEMDE GEMEENTEN
«meenvekzameld en in orde 6ebba6t in de jaren 1803, 1804 en 1805,
ti amsterdam, bij
J. BRANDT EN ZOON.
| i te haarlem, bij
B1BI lOTHSEK 1 JOHANNES ENSCHEDE EN ZONEN. NED. HERVÃ KERK]
tb ghoxingkn , bij
de Erven R. J. SCHIERBEEK en o* Erven de Wed. M. tan HEYNINGEN BOSCH.
1 8 8 6.
ï
I
De Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk houdt geene afdrukken van dit Evangelisch Gezangboek voor echt, dan die onderteekend zijn door één der leden van de benoemde commissie van toezigt.
AAN DE
NEDERDUIÃSCHE
HERVORMDE GEMEENTEN
IN ONS YADERIAND.
Geliefden in den Heebe Jezus Christus.
Een der voornaamste gedeelten van onze openbare godsdienstoefening is het gemeenschappelijk gezang hierdoor brengt de geheele gemeente openlijk hare hulde toe aan God en den Heere Jezus Christus onzen dierbaren Zaligmaker, door den Heiligen Geest; hierdoor verklaart zij haar geloof in, en haar vertrouwen op Hem, die ons zoo lief heeft gehad, dat Hij zijn' eengeborenen Zoon voor ons heeft overgegeven, opdat wij zouden leven door Hem; hierdoor wordt zij versterkt in het geloof aan die waarheden, die een milde bron van allen wezenlijken troost en blijdschap zijn in leven en in sterven; hierdoor wordt haar ijver opgewekt, aangevuurd en onderhouden, om het pad van geloof en godzaligheid, in afhangen van Gods goeden Geest, standvastig te bewandelen, hare heiligmaking te voleindigen, en zoo geschikt te worden voor die zaligheid, tot welke wij door Jezus Christus geroepen worden. Trouwens, bij het openbaar kerkgezang vereenigen zich niet alleen de dicht- en toonkunst, om de aandoeningen onzer zielen in beweging te brengen, maar ook het gemeenschappelijk zingen, en onze bijzondere deelneming daaraan, de menigte der stemmen, de plegtigheid der vergadering, de statelijkheid van de plaats en den tijd, de belangrijke inhoud, benevens het doel van het gezang, en andere omstandigheden meer, die op het hart werken, geven aan het gezang den voorrang, boven andere deelen der godsdienstoefening. Niet ligt zal er iemand gevonden worden, wiens gemoed eenige indrukken van godsdienst heeft, die niet meermalen dezen veelvermogenden invloed van het gezang op zijn eigen hart ondervonden heeft, en door het zingen der Psalmen, tot dus verre alleen onder ons in gebruik, in eene aanmerkelijke mate gesticht is. De Psalmen, die dit boven alle andere dichtstukken vooruit hebben, dat zij van een goddelijke herkomst zijn, behelzen zoo veel schoons, zoo vele treffende uitboezemingen van velerlei godsdienstigen aard, dat zij daardoor uitnemend geschikt zijn, om het echt godsdienstig gevoel bij ons te verwekken, te verlevendigen en te bevestigen.
Geen wonder dan, dat de Nederlandsche Kerk, overtuigd van de hooge waarde der Psalmen, tot
hare
hare stichting van dezelve heeft gebruik gemaakt, en zich niet weinig verheugde, toen zij, voor ruim dertig jaren, eene zoo schoone berijming van dezelve ontvangen heeft: doch, dewijl de Christenheid, door alle eeuwen heen, geestelijke gezangen bij de Psalmen gevoegd heeft; daar alle de Protestant-sche Kerken buiten 's lauds Evangelische Gezangboeken hebben; en de Hervormde Engelsche en Wal-sche gemeenten in ons Land derzelver nuttig gebruik hebben ingevoerd-, ja zelfs achter ons gewoon Psalmboek eenige gezangen gevoegd zijn; zoo is het niet vreemd, dat een aanzienlijk deel onzer gemeenten, opgewekt door de proeven van gezangen, in den geest en toon van het vervulde Evangelie gestemd, reeds lang naar een Evangelisch Gezangboek verlangd heeft.
Alle de Nederlandsche Synoden hebben, om aan dit verlangen te voldoen, ons benoemd en gelast een zoodanig Evangelisch Gezangboek te vervaardigen. Wij, vereerd met dat vertrouwen, hebben deze zeer moeijelijke taak, onder Gods zegen, ten einde mogen brengen, en danken den hemelschen Vader, dat Hij ons bewaard en onder dezen arbeid gesterkt heeft; zoo dat wij allen, de Groninger Hoogleeraar lubbers alleen uitgezonderd, die door zijnen medearbeid aan de nieuwe Psalmberijming de Nederlandsche Kerk aan zich verpligt heeft, het einde van ons werk mogten zien.
Schoon wij meermalen in de gelegenheid zijn geweest, te betreuren, dat de Nederlandsche dichters over het geheel zoo weinig hebben gedaan voor het kerkgezang, hebben wij nogtans het genoegen gehad, eenige schoone gezangen te vinden in de werken van Lodensteijn, Vollenhoven, Sluiter, Schutte, van Alphen en anderen, die nog in leven zijn, welke, door de noodige veranderingen in den vorm, voor het kerkgebruik zijn gereed gemaakt, en nu niet weinig strekken tot aanprijzing van dezen bundel. Voor het overige hebben sommige leden van onze Vergadering, of oorspronkelijke stukken, of navolgingen en vertalingen geleverd, 't welk ook door andere dichters en dichteressen geschied is, die wij openlijk daarvoor onzen dank betuigen: wij hebben van dezen arbeid zoodanig gebruik gemaakt, als wij meenden met de stichting onzer gemeenten meest overeentekomen, zonder dat wij eenigzins aan andere stukken, die niet door ons gebruikt zijn, den roem, dien ze als dichtstukken verdienen, willen onttrekken.
Wij bieden aan onze Geloofsgenooten dit Evangelisch Gezangboek, te hunnen dienste vervaardigd, met zoo veel te grooter gerustheid aan, als zij zullen zien, dat wij geene andere gezangen hebben geplaatst, dan die met de belijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk, uitgedrukt in hare formulieren, overeenkomen. Trouwens, gelijk wij voor ons in deze belijdenis van harten instemmen, zoo beseffen wij tevens, hoe weinig wij haar belang zouden behartigd hebben, indien wij de leerstukken, die onze belijdenis kenmerken, en die een' zoo vermogenden invloed hebben op de heiliging van ons hart, en op onzen troost in leven en in sterven, niet klaar en krachtig hadden willen voorstellen.
Ja, wij meenden met grond te mogen vertrouwen, dat onze liederen, aldus vervaardigd, onder Gods zegen van groot nut zouden kunnen wezen, om de zuiverheid der leer, midden in den stroom van
ve-
velerlei gevaarlijke nieuwigheden, in onze gemeenten te bewaren; gelijk de oude en latere kerkgeschiedenis, zoowel als de ondervinding van den tegenwoordigen tijd, leeren, dat zulke liederen daartoe altijd van groote nuttigheid geweest zijn.
Er zal eenig onderscheid van toon en wijs van spreken in een en ander lied gevonden worden; in het eene, bij voorbeeld, een toon, die meer hoog en dichterlijk is, in het andere een toon, die meer eenvoudig is: dan, en de onderscheidene dichterlijke vernuften, waaraan wij de gezangen verschuldigd zijn, en de natuur der onderwerpen zelve gaven daartoe aanleiding; wij konden juist hierdoor voor allerlei soort van kerkleden des te nuttiger zijn. Uitersten hebben wij getracht te vermijden.
Wat taal en spelling betreft; reeds bij den aanvang onzer werkzaamheden, in den jare 1803, hadden wij daaromtrent bepalingen gemaakt, die, gedurende den voortgang onzer verrigtingen, grooten-deels bevonden werden overeentekomen met de onlangs algemeen aangenomene regelen, die door den Hoogleeraar Siegenbeek zijn voorgedragen, en hebben getracht hierin met de meeste naauwkeurigheid te werk te gaan.
Wat de Melodijen aangaat; wij hebben ons niet alleen bediend van de aangenaamste onzer gewone psalmwijzen, maar ook van de meest bekende zangwijzen in de Hoogduitsche Kerken gebruikelijk; doch hebben getracht te zorgen, zoo wel voor de gemakkelijkheid, als voor de welluidendheid; en wenschen hierdoor zoo veel te meer toegebragt te hebben tot opwekking van den heiligen zanglust.
Wij erkennen, ons werk zal op verre na niet volmaakt zijn; dan het hoofddoel onzer werkzaamheden, de stichting der Gemeenten, en hare opbouwing in dat geloof aan de genade, 't welk heiligt en zaligt, heeft ons, in deze en gene gevallen, wel iets doen opofferen aan de uiterste kieschheid in de Dichtkunde, en deze wederom aan die der Taal; zoodat wij ons wel eens vrijheden hebben moeten veroorloven, welke wij anders niet zouden genomen hebben.
Even datzelfde hebben wij ons ook veroorloofd ten aanzien van den spreektoon in de liederen zeiven, die niet altijd de toon is van eene sprekende gemeente, maar toch altijd van eenen spreker in en met de gemeente; waarvan men nog daarenboven dit voordeel heeft, dat onderscheidene gezangen ook voor het meer bijzonder of huisselijk gebruik kunnen dienen, waartoe wij dezelve ook meenen te mogen aanprijzen.
Ontvangt dan, zeer geliefde Geloofsgenooten! dit gezangboek, met hetwelk wij nogmaals op de pleg-tigste wijze betuigen, niets anders, dan de eer van God en onzen gezegenden Zaligmaker, en uwer aller leering en ware stichting bedoeld te hebben: de ondervinding zal u leeren van hoe groote nuttigheid het voor uw hart, onder den goddelijken zegen, wezen zal, wanneer het zonder vooroordeel gebruikt wordt.
Ver-
Vergunt ons in het bijzonder de vrijheid, dat wij u onzen arbeid, bij de godsdienstige opvoeding uwer kinderen, met allen nadruk aanprijzen: jonge harten, in welke de zaden van godsdienstige kennis en godsvrucht vroeg gestrooid zijn, kunnen, onder Gods zegen, daarvan, zoo lang zij leven, groote nuttigheid hebben. Den troost voor onze harten te genieten, dat wij in dit gewigtig stuk aan het â welzijn van het opkomende geslacht medegearbeid hebben, is een van onze allervurigste wenschen.
God zegene ons werk daartoe! Hij zegene zijne Kerk in dit Land, ook door het gebruik van deze gezangen, om zijns Zoons wil, door zijnen Heiligen Geest! Amen.
Gegeven in onze algemeene Vergadering in den Haag,
dezen 6 Sept. 1805.
(Jit aller naam
A. van den BERG, Praeses. J. A. LOTZE, Scriba.
J. SCHARP, Scriba.
:: â it ^
VER
VERKLARING
gevoegd achter het
AUTHENTIQUE AFSCHRIFT
der
EVANGELISCHE GEZANGEN.
Wö ondergeschrevene Predikanten en Ouderlingen, door alle de Synoden der Nederlandsche Hervormde Gemeenten, volgens derzelver bijzondere Resolutien, gecommitteerd en geauctorizeerd tot het verzamelen en vervaardigen van een evangelisch gezangboek, om, benevens het Boek der Psalmen, bij den openbaren Godsdienst gebruikt te worden, daartoe opzettelijk alhier in den Haag vergaderd, verklaren de voorstaande evangelische gezangen, overeenkomstig onze gedane keuze, gemaakte veranderingen, aangenomene spel- en schrijfregels geboekt te zijn, en dus voor het eenige echte afschrift van dezelve te houden; als mede dat wij met alle naauwkeurigheid hebben toegezien, dat daarin niets mogte voorkomen, eenigzins strijdig met de aangenomene leer der Nederlandsche Hervormde Kerk, zoo als die naar Gods Woord, in den Heidelbergschen Catechismus, de Belijdenis des geloofs, en de Canones van het Synode Nationaal, te Dordrecht in de jaren 1618 en 1619 gehouden, vervat is; gelijk wij ook in gemoede verklaren, dat in dezelve niets gevonden wordt, in het allerminste afwijkende van de bovengemelde Formulieren van eenigheid: het welk alles wij getuigen met onderteekening onzer handen.
(Js geteekend)
Wegens de Synode van Gelderland:
AHAZUÃRUS van den BERG, Predikant te Arnhem.
PETRUS ISAACÃS de FREMERIJ, Professor en Predikant in den Bosch,
Wegens de Synode van Zuid-Holland:
JAN SCHARP, S. S. Theol. Doctor en Predikant te Rotterdam.
MATTHIAS JORISSEN, Predik, in 's Gravenhage.
Mr. PIETER LEONARD van de KASTEELE, Oud-Ouderling in 's Rage.
Wegens de Synode van Noord-Holland:
ENGELBERTUS MATTHIAS ENGELBERTS, Predikant te Hoorn.
ABRAHAM RUTGERS, Predikant te Haarlem.
We-
Wegens Zeeland:
HERMANNUS ADRIANUS BRUINING, Predikant te Vere.
PETRUS JANSSEN, Predikant te Bergen op Zoom.
Wegens de Synode van Utrecht:
GERHARDUS MASMAN, Predikant te Utrecht.
JOHANNES ANTHONIJ LOTZE, voorheen Predikant aan den Maartensdijk, nu Theol Doctor.,
Professor en Academie-Prediker te Franeker.
BAREND TAAIJ, Predikant te Rhenen.
Wegens de Synode van Vriesland:
MARCUS JAN ADRIANI, Predikant in Aengwirden.
BERNARDUS van WEEMEN, Pred. te Leeuwarden.
Wegens de Synode van Overijssel:
Mr. RHIJNVIS FEITH, Oud-Ouderling te Zwolle.
Wegens de Synode van Stad en Landen van Groningen:
HERMAN MUNTINGHE. Theol. Doctor, Professor der H. Godgeleerdheid en Kerkelijke Geschiedenissen, en Academie-Prediker te Groningen.
JOHANNES RUTGERS, Predikant te Groningen,
Wegens de Synode van Drenthe:
GERARDUS SMIT, Predikant te Meppel.
{Lager staaf)
De bovenstaande onderteekening is geschied in de algemeene Vergadering der Gecommitteerden voornoemd, den 6 Sept. 1805.
mij present
J. S C H A R P,
Scriba.
-oooogsooc-o-
EVAN-
EVANGELISCHE
G E Z A N G E
|
/ j 1 |
P' l 'i 'vi Vii^i |
... y. , â y ' \it* i |
|
L;?J: |
VAN GOD EN ZIJNE VOLMAAKTHEDEN.
|
Moet al het schepsel zingen. steit 2. Halléluja! lof zij den Zoon! Gedaald van 's hemels hoogen troon, Tot heil van ster velingen ; Hem, die voor onze zonden 3. Halléluja! den Geest zij eer! Als in zijn' tempel daalt Hij neêr In 't hart van geëerd! Uw' roem, daar Jjij ^ als^ God regeert, Moet al het schepsel zingen. |
dank bewijzen! Ja Hem, die ons zoo eindloos goed Verzorgt en in gevaar behoedt, Moet al het schepsel prijzen. Heft aan, heft aan! roemt zijn' gena'! Hij sloeg ons mededoogend ga'. Hij schonk ons zijn bescherming. Zingt dan den hoogen God ter eer! Aanbidt Hem! buigt u dan kend neêr! Looft God! looft zijn ontferming! 2. Ja, Vader! ja, ons lied zijt Gij! Wij eeren uwe heerschappij, O Bron van licht en le |
ven! Uw grenzenlooze magt gebiedt; Daar
rijzen werelden uit niet, Van uwen glans
=3s:=
ââ¢vââvi â 1 --1 -ââ
omgeven, 't Is wijs en goed al wat Gij werkt.
Gij heerscht alom en onbeperkt, U loven
alle tongen! ü, Vader! wien 't heelal
vereert, Ã danken wij, dat Gij re-
A geert,
Hem, die ons troost en
stervelingen:
AAN GOD.
Gez. 2, 3.
geert, Nooit wordt uw lof volzongen.
AAN GOD. Wijze: Psalm 89.
w
ij loven U, o God! wij prijzen uwen naam!
3. Geloofd zij 's Vaders eenge Zoon! Hij bragt
ons van zijns Vaders troon De rijkste zege
|
ningen: Hem, onzen helper in den nood, Hem, onzen redder van den dood. Moet al wat ademt zingen. Verlosser, Midlaar, Hoofd en Heer! Voor U knielt uw gemeente neer, Lofzingend in uw wooning. Eens wordt alom U toegebragt Lof, eer en heerschappij en magt; Zoo heerscht G' als aller Koning. rnj; â_ 1 _ __.â a _ g- ~T~ sSÃâ-»-â^-A--â amp;==-â» lt;gt; Zquot;» i-r: 4. Den Heilgen Geest zij eer en prijs! Hij wil door godlijk onderwijs Ons in zijn waarheid leiden. Hij, van ons erfdeel 't onderpand. Hij wil ons door zijn eigen hand Ten hemel toebereiden. O Geest van God! bestuur ons |
U, eeuwig' Vader! U verheft al 't schepsel zaam. Zingt Serafs, Englen zingt! heft mag-ten aan en troonen! Onafgebroken rijz' uw =--7r=y^=T:=:= Câ 6 â â»-^Ce: ft lied op hooge toonen! Gij, driemaal heilig zijt G', o God der legerscharen! Dat aard en hemel steeds uw grootheid openbaren. ag;â=--=- ; =_=_^ a â a â6-g-g- g 2. U looft d' Apostelschaar in heerlijkheid, o Heer! Profeten, Martelaars vermelden daar uw eer. Door heel uw Kerk wordt steeds. daar boven, hier beneden, In strijd en zegepraal, uw groote naam beleden; Zij looft, o Vader! ü, oneindig in vermogen. Onpeil |
baar in verstand, onmeetbaar in meêdoogen.
J.U . ---= . ^ amp; âa fr: ^â a , -
3. U, Vader! ü zij lof, op een' verhoogden
3ârâ-------=-g--6 -f--
toon! Lof uwen eigenen, uw' eengeboornen Zoon! Lof uwen Geest, die ons ten Troos
ter is gegeven. Ten Leidsman op den Aveg
~ âav:-»--A:-ft
hart. Verbeter ons, troost ons in smart,
Schenk moed en kracht in lijden! Zoo zul
len wij, door ü geleid, Eens in vol
maakte zaligheid Ons eindeloos verblijden.
5. Zingt, aard en hemel! zingt uw' Heer! Het
driemaal heilig meld' zijn eer! Zingt Hem op
naar 't eeuwig zalig leven! U looft uw Kerk
alom, waar Gij die ook vergaarde, U loov'.
hooge toonen! De lof van God vervuil'
wat loven kan, in hemel en op aarde.
3=â----=---â--^
4. Ã, Christus onzen Heer, bekleed met majesteit t
't heelal. Die is, die was, die ko
men zal, En onder ons wil woonen.
AAN
-jâHr-J.
GOD.
Gez, 3, 4.
|
steit! ü, 's Vaders eengen Zoon, zij lof in eeuwigheid! Het menschdora lag in schuld en vloek voor God verloren, Gij werdt, den mensch tot heil, uit eene maagd geboren; Gij hebt aan 't kruis voor ons den dood zijn magt ontnomen, Zoo I a ^ ' n' o quot; ---5=^âtr a baandetG'ons den weg, om weêr tot God te komen. 5. Gij zit in heerlijkheid aan 's Vaders regter- hand, Tot dat G' als Regter eens de laatste vierschaar spant: Laat ons in geenen nood uw' bijstand ooit ontberen! Gij kocht ons met uw bloed; blijf. Heiland! ons regeren, Blijf ons, uw erfenis, door uwe magt bewaren. Wil, met uw heilgen, ons voor uwen troon vergaren. 6. Wij zegenen, o Heer! uw goedheid al den dag! Geef, dat eeuw in eeuw uit ons lied U loven mag. Geef, dat we bij uw komst on-straflijk wezen mogen! Ontferm, ontferm U, Heer! toon ons uw mededoogen! Op U steunt |
De Heer is groot, zijn naam is groot. De luister -â.v-A--âA-amp;--£-sfe--A----H zijner deugden groot. Oneindig groot zijn wezen. -» . â » « A________. 2. Hij is, en blijft al wat Hij is. Tot in all' â» o---râ»- eeuwigheden; Wie zal zijn naams geheimenis ^ -4tâ' Ontdekken, wie ontleden? Wij menschen zijn van gistren, wijl Maar, eer het aardrijk was, --£-A- was Hij, Ja! eerder, dan de heemlen. 3. Zijn' troon omringt een glansrijk licht. Te schittrend voor onz' oogen; Zelfs Englen dekken't aangezigt, Aanbiddend neêrgebogen: Der heemlen boog omvat Hem niet. Hij is onzigt- âamp;-A- baar, 'tschepsel ziet Hem enkel in zijn werken. ⢠---r.-------- 4. Waar waren wij, had zijne kracht Ons niet ftâp-;--W ^TV-----â--,v- » » â-£ gevormd ten leven? Hij kent ons, kent al 't geen zijn magt Ooit aanzijn heeft gegeven; Bij Hem is wijsheid en verstand, ^ Bij Jïem is sterkte; zijne hand Omspant en aard en hemel. 3^===^:-âââ¢Â»-Vâ ^ -- 5. Hij is, hoe^ver Hij schijnen moog, ^Nabij, |
onze hoop, o God van ons vertrouwen! Zij wor
waar w' ons bewegen; Geen nacht bedekt ons
voor zijn oog, Hij ziet al wat wij plegen:
Voor Hem verbergt geen duisternis; De kiem zelfs
-4â-yâ----^^ ^
*
der gedachten is Niet voor zijn oog verborgen.
6. Wie, buiten U, zal voor den val Deez'aard,
â T-y » ifcâfrâ, _ -â«âO-^--^-J.
den nooit beschaamd, die op uw goedheid bouwen.
o God! behoeden? Wie, buiten U, dit gansch
schepslen Heer, Zoo heerlijk, zoo volkomen?
heelal Altegenwoordig voeden? Gij slaat A 2 de
GODS VOLMAAKTHEDEN.
____^-«râ
Gez. 4, 5, 6.
schrijflijk Voor menschentong en Eng-lenstem, Bestaat Hij enkel door zich zei-
de gansche schepping ga'. Gij zijt barmhar-
tig, vol gena'. Een vader, een ontfermer.
7. Gij zijt regtvaardig, heilig, goed. Bij reinen
amp; m ... -amp;-â--amp;--. â » giC
ven, En al, wat is, bestaat door Hem.
|
wilt Gij woonen; Hem, die uw' wil met vreugde doet, Zult G' ook met vreugde kroonen: Gij hebt d'onsterflijkheid alleen. Hoogst zalig zijt G'in eeuwigheên, à rijke Bron van vreugde! 8. Of, zou de gloed dier majesteit Mij zondaar ook verteren ? Neen! nu 't geloof uw heerlijk heid In Christus mag vereeren, Nu klimt mijn lied: de Heer is groot! l)e jleer is onuit-spreeklijk groot! Oneindig groot in liefde! |
3. Hij wenkt, en millioenen wezens En werelden, als 't zand der zee. Zijn door dien wenk aan 't niet onttogen. En Hij deelt zich aan allen meê: En zulk een God gedenkt ook mijner! Hij schiep het stof. Hij schiep ook mij. Dacht Gij ook aan een' worm, een made ? Oneindig' God! dacht Gij aan mij ? 4. Maar, toen die God voor mij, godloozen. Zijn' Zoon ter kruisstraf overliet. Zoo groot. |
|
5. GODS GROOTHEID. Wijze: Psalm 66. O1 neindig, onbegrijplijk Wezen! 't Heelal gehoorzaamt uw gebied; Maar d' uiterst' einden van uw schepping Omschrijven uwe grootheid niet. Gij leeft en heerscht, waar stofjes zweven. Waar geesten denken, gren- zenloos; Maar 't heerlijk licht van uwe wooning Bedekt voor 't schepsel ü altoos. ^ f â------^-â^=--0â 6 -^= â » / 2. Zelfs gij kunt onzen God niet kennen, Gij Geesten van het hemelhof! Gij zijne groot heid niet bevatten, En wat zou dan de â---â O--Jrâ g g--- |
zoon van stof? Vrijmagtig, eeuwig, onbezoo godlijk, zoo oneindig Zie ik Hem in de schepping niet. 'k Aanbid U, nooit begrepen Liefde! Ik zink, mijn Vader, God en Heer! Voor Ã, in sprakelooz' aanbidding. Bedwelmd door uwe grootheid, neêr. 6. GODS EEUWIGHEID. Wijze: Gezang 4. =_» f - â fl . neindig Wezen! door geen' tijd Beperkt, of ooit bewogen, Het denkbeeld, dat Gij eeuwig ' fl --. ^ » xV 1 â * i* __ zijt. Verzwelgt mijn denkvermogen. Al peinz' ik eeuwen zonder tal. Ik weet niet, hoe ik 't vatten zal, Gij waart en blijft steeds eeuwig. -----lt;v--â »-----7-----/.------- 2. Geen nieuwe zon schoot nog haar licht Op hare O1 |
GODS E E U
Gez. 6. 7.
hebt de hoogste zaligheid Uw'vrienden eeuwig
toegezeid; Ook mij, ook mij voor eeuwig!
hare wereldbollen, . Men hoorde nog geen lofge-
dicht Van Ãngl en tongen rollen ^Het drooge was nog niet, geen meir Dreef nog op 't vlakke ginds en weêr. En toen reeds waart Gij eeuwig. 3. Gij zaagt reeds van all' eeuwigheid, 't Aan- j
8. O God! die mij d' onsterflijkheid Daar boven
staand heelal verschijnen; Maar blijft de-
zelfde Majesteit, Wat word', of moog ver-
eens zult schenken, Houd mij voor uwe komst
dwijnen. Van d' Engel tot den worm in
bereid. Laat mij daaraan steeds denken; Die
zij mijn troost, mijn dierbaarst goed. Die sterke
mij met kracht en moed. Om tot uw eer te leven.
naar uw woord, Reeds zien wij haar verouden:
Maar nimmer groeit uw jaartal aan. Gij zult in
|
eeuwigheid bestaan. Gij zult dezelfde blijven. 5. Ja, eeuwig blijft Gij 't geen Gij zijt. Wat ââ-4-«V,---- ---^----^ heb ik dan te vreezen ? Gij zult, in nood en dood, altijd Mijn rots, mijn toevlugt wezen. |
daar is God; Waar mijn gedachten zwe-gü |
|
Uw trouw en uw erbarming is Zoo eeuwig, als - quot;fr-- uw wezen is; Heil mij! die daarop bouwe! 6. Mijn ligchaam^ sterft, maar niet mijn geest, Dien zal ik U vertrouwen. O troost! daar Gij ^ ----^ â ./â mij zelf op weest, Eens zal ik U aanschouwen! Mijn ligchaam rust slechts voor een poos, Dan ^-Tâ--«â .--^^---- , ---»--itLâit--A-- zal ik bij U eindeloos. Volmaakt gelukkig leven. |
nabij; Wie steunt op zijn vermogen, Dien dekt en zegent Hij; Hij hoort de jonge raven, Bekleedt met gras het dal. Heeft zelfs voor wormen gaven. Ja, zorgt voor 'tgansch heelal, 3. Gij aardrijks woest gewemel, Gij, die in 't water zweeft. Of onder zijnen hemel. Of in zijn' hemel leeft. Gij alle zijne werken Ont- A 3 dekt |
GODS OVERALTEGENWOORDIGHEID.
Gez. 7, 8.
|
dekt bij dag en nacht, In 't voeden, hoe- den, sterken, De goedheid zijner magt. 4. Roem, Christen! aan mijn slinke En reg-terzijd' is God; Waar 'k magtloos nederzinke. Of bitter lijd', is God; Waar trouwe vrien-denhanden Niet redden, daar is God; In dood en doodsche banden. Ja, overal is God! |
hoeft noch hemelheir, noch aard. Noch dui- O a LU i' zend wereldklooten: Geen schepping, hoe volmaakt z'ook zij. Voegt iets tot uw vol- f,-^--. J_ * n egt; » O »âHâ maaktheid bij. Niets kan haar ooit vergrooten.^ 5. U zelv' genoeg, U zelv' gelijk. Schoon alles buiten U bezwijk'. Schoon werelden verouden. Gij blijft; uw Evange |
liewoord Zal eeuwig met U onge-
riept in het wezen; Eer d'aanvang was van
stoord Zijn kracht en stand behouden. 6. Dat berg en heuvel nederstort'. Dat klip en rots verbrijzeld word'. Dat aard en zee verdwijnen; 0 God! uw eeuwig heil
verbond Rust op een' onverwrikbren
Waart G' alles, wat Gij
plaats en tijd.
heden zijt. Oneindig, nooit volprezen.
grond. Dien niets kan ondermijnen.
7. Wat klaag ik in 't verdwaasd gemoed.
2. En dan, als van 't gesloopt heelal Geen
|
spoor meer over wezen zal. Zult Gij de-zelfde blijven: Uw grootheid en uw won- |
Wat zucht ik dan om nietig goed Van «â»=3^:=-^=:=:^===--:--ââ â-- 't onbestendig leven! Wat jaag ik naar |
| ||||||||||||||||||
|
4. Gij zijt al 't geen Gij eeuwig waart, Be- | ||||||||||||||||||
9. Gewis, mijn misdrijf is geboet. Gij hebt m'om
Je-
GODS ONVERANDERLIJKHEID.
Gez. 8, 9.
-*â »
|
Jezus dierbaar bloed Genadig aangenomen; Uw liefde leidt mij bij de hand, En ik, ik heb het onderpand Van uw gena' bekomen, --» a »-5- --r--ff . 10. Ja, U behoor ik, U, mijn God, Beschikker van geheel mijn lot! Van U zal niets mij scheiden: De wereldvreugd vergaat met haai\ Maar Gij zijt onveranderbaar; Uw heil wil ik verbeiden. |
al, hoe groot, hoe uitgebreid: Voor U ligt -â y | »--»--g- â â â , ^ » '6 âfa ieder schepsel open, En ieder punt van d' eeuwigheid. O Gij, die 't al weet op te noemen. Wat was, wat is, wat worden zal. Wie kan naar eisch uw kennis roe men? God! uw verstand heeft geen getal. 4. Ja, U bewondren, U vertrouwen Is 'teerst, --^ o ⢠- ââ=* |
|
9. GODS ALWETENDHEID. Wijze: O süsser Stand, o selges Leben! |
dat mij mijn hart gebiedt; Met eerbied mag ik U beschouwen, Maar U begrijpen |
kan ik niet. Naar 't heerlijk licht van
w3
aar zijn de wijzen, die mij zeggen Al
quot; . ai _ ^
't geen de hooge Godheid kent? Wat stervling
uwe wooning Zoek ik met onverzaadbren
lust: Dat ziet G' en brengt, tot mijn beloo
weet mij uit te leggen. Waar Gods verstand
begint en endt? Hem, in 't onnaakbaar licht gezeten, Heeft nimmer menschenoog gezien. Hoe is zijn naam? zoudt gij hem weten? Wat eindig schepsel noemt mij dien?
2. Zoo ik d'ontelbre starrenheiren, Elk deeltje
-4â
Verstand en hart in U tot rust.
ning.
5. üw alziend oog schrikt m' af van 't kwade.
Van zelfbedrog en huichlarij; Ik denk,
Gods oogen slaan mij gade, Hoe diep ik ook
verborgen zij. Voor Hem kan mij geen af
|
van het licht der zon, Elk zandj' aan d' oevers van de meiren, Van hunnen oor- II .....---»-T- _- g-------, sprong, tellen kon; Zoo zou ik mooglijk wijzer wezen. Dan immer mensch of Engel â p---- ----â--- p====^:â^5-- wordt. Maar 'k schoot bij U, alwetend Wezen! Nog onbegrijplijk veel te kort. tHK----xâs------5âT---=zs=3gt; |
grond dekken. Geen valsche schijn bedriegt ----- ~ amp; s-----g s zijn oog, Dat oog zou mij nog schrik verwek-- , _: ^ = T gquot; 53 .= || ken, Waar 't mooglijk, dat ik d'aard ontvloog. m 6. Wie kan zijn eigen hart vertrouwen. Zijn J. .V - âyâ O » -O .â - _ oâ â V hart, zoo vol arglistigheid? Gij blijft het. Heer! geheel doorschouwen, Daar 't voor |
ü naakt en open leit. Treft Gij mij aan
A 4 op
3. üw alziend'oogen, Heer! doorloopen 't Heel
GODS ALWETENDHEID.
Gez. 9, 10, 11.
5. Gij schreeft natuur haar wetten voor, En sints
op booze wegen. Zoo leid mij op de regte
baan; Dan lacht mij in het eind de
kon niets haar' loop beletten; ^Maar, waar 'tuw
wijsheid ooit verkoor, Onthief één wenk haar aan die wetten: Dan staafdet Gij uw eindloos al-
zegen Van ongeveinsde godsvrucht aan.
beid lof, Uw almagt glorie toetezingen.
bestuur Als Opperheer en Schepper der natuur.
6. Maar meest in uw genaderijk Vertoont uw
almagt liefdemerken; Uw lokken is geen'
dwang gelijk. Gij werkt het willen en het
Och! dat ons hart opregt uw eer bedoel',
werken: Uw liefde wekt in ons dien liefde
gloed , Dat ook ons hart U eeuwig lieven moet.
7. Zoo vaak dan 't hart tot Jezus vlugt, En zich
Zijn niet besefF, zijn onmagt diep gevoel'! 2. Uw oppermagt reikt verder, Heer! Dan aar
|
de, zee, en hemel reiken; Uw adem werpt den -ügt;- ceder neêr. En velt de honderdjarig' eiken: Daar siddren wij, en toch vertoont die kracht beveelt aan zijn genade, Of op uw woord ver- |
-A- trouwend zucht. Dat ons uw bijstand koom te stade; Dan breekt uw magt der zonden heerschap |
pij , En maakt de ziel ten eeuwgen leven vrij.
De schaduw slechts van uw geduchte magt.
3. Natuur voelt op uw enkel woord Zich tot uw
8. Erbarmer! o die liefdemagt Verheerlijk'
|
godlijk doel beperken; Gij zet uw wijz' ontwer- . ---^ ^ ft . ââ.v- â pen voort, En 't gansch heelal moet medewerken: Gij spreekt, het is; Gij wenkt, het staat reeds |
zich door heel ons leven! Gij werkt al 't goed, _ A- ° ''J en elke kracht Ter deugd is ons door U gege ven. Hij, die 't getrouwst op aard zijn taak |
daar, Wat immer was, en zonder U nooit waar.
verrigt, Is 't meest aan U en uw gena' verpligt.
o *â «â/
4. Uw wil riep zonnen uit het niet. Daar dreven
z' op uw welbehagen; En waar het oog uw' hemel
ziet. Hij meldt de magt, die hem blijft schragen;
li
Meldt, dat de wenk, die hem heeft uitgerekt.
ü
niets dan klaarheid. Niets dan vlekloos licht
uit
Hem en zijn heir ten eeuwgen pijlaar strekt.
L I G H E I D.
» O 6
Gez. 11, 12.
GODS HEI
|
uit welt. Laat uw heiligheid, o Heer! Onze -Jfc- * harten meer en meer Zoo bestralen, zoo verhoogen. Dat zij heilig worden mogen. 2. Heilig is, o God! uw wezen. Reiner, dan het zonnelicht: Englen zelfs, hoe rein in |
het rein in Jezus bloed. Heer! uw goede Geest geleide Ons verstand en harte beide. 6. Heilig' God! doe ons gelijken Naar uw godlijk deugdenbeeld: Heiligst'! alle smet t' ontwijken Zij, wat hier ons 't meeste streelt, ^ |
Tot wij eens voor uwen troon, Gansch
wezen. Dekken voor U 't aangezigt: Wij
zijn nietig, onrein stof. Onbekwaam tot
verlost door uwen Zoon, Onder reine He-
mellingen, 't Heilig, Heilig, Heilig zingen.
12. GODS GOEDHEID.
Wijze: Psalm 66.
goedheid Gods! nooit regt geprezen! Heet
uwen lof. Vol van zonden, vol van vlek
ken, Die ons angst en schrik verwekken.
3. Nooit kunt G' iets beminnen. Vader! Hoe vol
O1
komen 't ons ook schijn'. Wat uw heiligheid
|
niet nader', ü niet poog gelijk te zijn. -a,. ^ 1 a a.--^^ J Ãch! neem U dan onzer aan, Die op 's le vens donkre paan Uit ons zeiven niets vermogen, Niets, dat goed is in uw oogen. ^ a A a;-?r ^ ^ 4. Wat uw rein verstand ooit denke. Dat is heilig, rein en goed. Wat uw wil tot aan- f4 â----* ft » jgg----\ / zijn wenke. Dat is heilig, rein en goed: Ons verstand is zwak en kïein. Onze wil is diep onrein; Ach! dit moet, bij zoo veel vlekken, Smart en vrees in ons verwekken. 5. 0, verzacht die vrees, die smarten! Is hier onze kracht te klein. Schep Gij zelf j ^ a -o *-*---* ons reine harten, Gij zijt rein, maar maakt ook || ^^ . amp;=Z=S=Z * XI é, i rein: Wasch ons diep onrein gemoed, Wasch |
hij een mensch, dien gij niet treft ? Hoe snood ondankbaar moet hij wezen. Die 't hart niet vrolijk tot u heft! Neen! alles aan God dank te weten Zij steeds mijn pligt, mijn werk, mijn lied! De Heer heeft nimmer mij verge- ij j, . ----^â 4^' quot; âv-----rquot;----Xü---' _ f |â ten; Vergeet, mijn ziel! den Heer ook niet! ^ ^ ------=W='i:â/ 2. Wie wou mij wonderbaar bereiden? Die God, die mij niet noodig heeft. Wie wou mij u 6 ^^ ^ o- 1 , âr zoo geduldig leiden ? Hij, wien mijn hart zoo vaak weerstreeft Wie sterkt in mijn gemoed den vrede, Wie schoort mijn' geest met nieuwe kracht, Wie deelt mij zoo veel zegen mede ? Is 't niet zijn arm, zoo sterk van magt ? [1 ; â â ' â ----' ' ' ' _ _-l A ft' i 3. Sla 't oog, mijn ziel! op 't ander leven, A 5 Uw |
Gez. 12, 13
13. GODS GETROUWHEID. Nieuwe zangwijze.
G1
od sprak (men steil' op berg en rots Zijn
woord in eeuwig schrift; En ieder, die dat
.» H
niet.
// En
u
zijn goedheid niet verstaan? Hij zou mij raden, ik niet leeren? Den weg, dien Hij mij wijst, niet gaan? Zijn wil bestier' mijn hart en zinnen. Zijn woord blijv' mij bestendig bij! God moet ik boven alles minnen, En mijnen naasten, zoo als mij.
5. Dit is mijn dank, dit zijn behagen, Ik moet volkomen zijn als Hij; Mag ik mij naar dit doel gedragen. Dan prijkt zijn heerlijk beeld in mij : Leeft zijne liefd' in mijne ziele. Zij leert
y â¢- A. p ~ 'A - 4.H 'A. A.' ^ - v-~ 1
mij doen, wat Hij gebiedt. En schoon ik vaak uit zwakheid viele. Toch heerscht in mij de zonde niet.
6. Dat uwe zorg en trouwe hoede, Mijn God! mij steeds voor oogen zij! Die sterke mij gestaag in 't goede, Dat ik U heel mijn leven wij'! Die leide mij in blijde dagen. Die trooste mij in tijd van nood, En leer' mij zonder schrik verdragen Het aaklig denkbeeld van den dood!
4. En dezen God zou ik niet eeren. Ik zou
//plaats verzett', Ik zal uw toevlugt zijn!quot;
6. Elk leez' dit als het woord van God, En neem 't geloovig aan: Want eeuwig en
3' â quot; ^ ⢠. â â .â â â ^^ â (j.
onwankelbaar Is, wat Jehova spreekt
biquot;â-- ~ -----4^ â â ^ ^
7. Ja, zijn verbond staat eeuwig vast. Zoo
staat geen berg, geen rots; En toeft Hij
i--â^ ^
al. Hij kent zijn' tijd, Hij komt, Hij komt gewis.
schrift aanschouwt. Die leze, wat Hij sprak;)
I ' »--^^- O ^ ^
2. n Eens wordt de sterkste rots vergruisd, En '/ 't hoogst gebergt stort in; Maar mijn gena-
tâ- - ââ quot; â^ ^--S IT
n verbond met u, Opregten! wankelt niet.
I ' â» ~â- 0--«itâ 3- lt;gt; â
3. // Treedt heen door gloeijend vuur en
â^-r- ~---amp; ^ ââ-----
//vlam, Door waterstroom en zee; En // 't vuur verzengt u zelfs geen hair,
// schaduw e des doods; Vreest daar geen kwaad,
^--^^ ? s ^ » H
//ik ken die paan. Ik zal daar bij u zijn.
5. v Schoon 't alles 't onderst boven raak, 't Ge-
t---^ . , . â- ^ i â quot;
4. //Treedt stout door 'tijslijk schrikdalheen Der
// bergt in zee verzink', En d' aard zich uit haar
't water schaadt
LOF DES SCHEPPERS.
11
Gez. 14.
uw geslachte. Wat nacht zich om ons henen stort'. Een wijz' en liefdrijk' oorzaak wordt Ook van den mensch geprezen. O stervling! hoe gij hier ook schreit. God riep u tot
ft - ? quot;---fr-^âr---â-
aanwezigheid. Het doel moet godlijk wezen!
tl quot; ^ ^ ^ ^ ^ 1 ------ââââ
4. Ja, groote Schepper van 't heelal! W'ont
VAN DE SCHEPPING EN VOORZIENIGHEID.
Gij bedekt voor 't sterflijk oog, Uw naam
gloeit aan den hemelboog In duizend, dui
zonken door den diepsten val Aan onzen
|
zend zonnen. O hemel, aarde, zee! hoe luid Roept gij uwa Scheppers glorie uit! In u zien Hem onz' oogen: Gij meldt een wijseersten luister. De trekken van uw heerlijk |
-______--------- â -v- ---- - beeld. Ons eens zoo glansrijk meêgedeeld. m Verzwolg een aaklig duister: Maar in dien nacht van 't bangst verdriet Ontzonken w'aan uw liefde niet; Wij durven wederkeeren, Daar w' U op een' genadetroon, Gegrond in 't bloed E= V ,1 : -jg ~=^--A-0â^iâH van uwen Zoon, Ook als Herschepper eeren. |
|
nog waart verborgen? 0 zon! wie teekend' u het spoor Door d' ongemeten ruimte voor. geschaard, Op 't woord huns veldheers zwenken ? ; zijn hand. -â ^ ^.............. v r Wij allen zijn van zijn verstand Een enkele //gedachte!quot; Dus juichen z' allen uwen lof. En wij, wij voelen ons in 't stof. Oneindig'! |
- ^ ^ v -- 5. Nog spreekt uw almagt: quot; Er zij licht!quot; En ⢠^ ^------ --ââ--^ ^ â m nacht en duisternisse zwicht In onze donkre harten. En onder eenen tranenvloed. Dien 't waar berouw ons weenen doet, Kiemt ons ^ »â .--- ; --==^ quot; geluk uit smarten. Dan zien w'in Jezus onzen Heer, In U den lieven Vader weêr. Die alles heeft vergeven; En ons, door U ter deugd bereid. Door deze zigtbre schep-: ^ ^ i?._ ~ ^ ^ 11 ~ ------9--------v-h ping leidt Tot een onsterflijk leven. 5r^' ^.....^ ^ v * quot; â 9 6. Hoe blinkt in bloem, in gras, in kruid, Dan een weldadig' almagt uit. Waarop wij |
|
12 LOFDESSCHEPPERS. Gez. 14, 15. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
nu |
LOF DES SCHEPPERS.
13
Gez. 15, 16.
|
nu alom. Om Jezus in dat heiligdom. Door 't stil geloof, te vinden; Tot Hij ons zelf in heerlijkheid. Door 's hemels ruime vel- 1=5= 9 ' » ^ ^ -- den, leidt Als zijn verhoogde vrinden. â¢H1-'1' i » 1 â ^ t â-5.--bâE 5. De rijke, vrolijke natuur Doe ons haar schoonheid, uur op uur. Vollediger bevatten; ^ .....^ â ' â-- Hoe meer zij ons den Schepper toont, Hoe meer zij onze vlijt beloont, Hoe hooger wij haar schatten. Een zoon beschouwt zijns vaders magt, Zijn' rijkdom, wijsheid, liefd' en pracht. Met oogen nooit verzadigd; Hoe scherp beluistert hij die stem. Die van zijn' vader spreekt tot hem. Zijns vaders eer verdadigt. 6. Als wij in stroom of waterval, In zee, in storm, bij rots of dal Gods majesteit bewon- dren, Dan zwelt een traan in 't kinderoog; Ja, moedig hooren wij omhoog Den God der --------------â quot; -ice= eere dondren. Is Hij een God, die ons behoedt, Maar eiken vijand vlugten doet Als golven voor de winden ; Dan is Hij 't ook, aan wien w'in nood. Ook in den strijd met hel en dood, Een rots der eeuwen vinden. 7. Vertoont ons worm, en rups, en mier, En vlieg, en mug, ja 't kleinste dier Zijn wijz' en goede wetten ; Dan stremt ons onze kleinheid |
niet. Om ons vertrouwen, bij verdriet Ãn leed, op Hem te zetten. In Jezus Christus zijn wij groot. Hij Midlaar, 's Vaders Troongenoot, Verhoogd' ons tot zijn leden; Zou God, daar hT zijn' Zoon bemint. Aan hen, die Hij in Hem bemint. Zijn' rijkdom niet besteden? 8. Laat eens de glans van zon en maan Bij 's werelds avond ondergaan, Ons zal geen licht -â ^; O1»' ^--:----- ontbreken. Als 'tLam de kaars is daar omhoog: Daar zal eerst voor 't verhelderd oog De schep ping zigtbaar spreken; Daar zal natuur op ieder blad. Dat zij op aard verzegeld had. Geheimen ons doen lezen. Hier is de wijsgeer slechts een kind; Maar die hier Jezus meest bemint, Zal daar de wijste wezen. 16. GODS VOORZIENIGHEID. Wijze: Gott ist mein Lied. G1 od is mijn lied, Hij is de God der krach- ten; Heer is zijn naam, groot zijn zijn werken 't achten. Het gansch heelal is zijn gebied. 2. Hij spreekt als Heer, En wereldstelsels worden , Hij spreekt als Heer, en uit zijn' stand en orden Keert alles tot zijn niet straks weer. 3. Zijn kleed is 't licht. En zijne keus de beste; Hij heerscht als God, en zijnes zetels |
ves-
GODS VOORZIENIGHEID.
14
Gez. 16, 17.
12. In gras en halm Zien wij zijn wijsheid
veste Is op de trouw en 't regt gesticht.
|
4. Oneindig rijk, Volzalig, nooit volprezen, E2Ã=a |
Voor d' eeuwen God, om eeuwig God te pralen; Gij lucht, gij zee, gij velden, bergen, ---ââ ----.......- .«gt; «i» , . , jp. dalen! Gij zijt zijn loflied, gij zijn psalm. |
|
wezen, O Heer! wie is aan U gelijk? 5. 't Zij klein of groot Op aard, in zee of hemeL, Hij kent het al, al hun gemengd gewemel, Wat is, of was ligt voor Hem bloot. |
13. Gij drenkt het land, Schenkt blijdschap aller- U| ' - ---â â . A y. » =»----y-14 Tl1' O --Zâ-5â. :---------- wegen. En dag en nacht, en koorn en wijn. en zegen Ontvangen wij van uwe hand. 14. Valt hier op aard Geen musch, dan met uw' wille. Heer! dat mijn hart zich met dien troost -Oâ _ quot; ^ i.Vâ-â a â ^ =H= dan stille, Dat d' eigen zorg ook mij bewaart. 15. Is God mijn schiïd. Wil God mijn Redder wezen. Wat heb ik dan met mijnen God te vreezen. Wat woede d'afgrond om mij spilt? |
|
zweve. Al waar ik ben, verzelt Hij mij. 8. Hij kent ons hart. Ons wenschen, bidden. smachten, Wat kwaad wij doen, wat goed wij |
17. GODS VOORZIENIGHEID. Wijze: Wer nur den lieben Gott laszt walten. w1 ie maar den goeden God laat zorgen, En |
|
ooit betrachten. En ijlt ter hulp in onze smart. 9- Hij woog mij af. Wat mij zijn gunst wou geven, Schreef in zijn boek, hoe lang ik hier |
3. Men blijv' eerbiedig God verbeiden. En zwijg' den |
i
|
Gez. 17, 18. G O D S V O O R Z I E N I G H E I D. 15 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Zult | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
GODS VOORZIENIGHEID.
16
Gez. 18, 19.
=2Ã
Zult Gij ons, zelfs elk' oogenblik, bewaren; Zoo staat het vast, dat nimmer ongeval. Of menschenhand ons leven korten zal. 9. Zoo ziet Gij ons, zoo blijft Gij voor ons waken,
Met eene trouw, die alles wel zal maken;
^ 6 -y---O
de majesteit: 't Moet alles voor uw wenken
bukken. Niets kan zich aan uw magt ont
rukken ; Maar deze magt werkt zaligheid.
Zoo leidt Gij ons, zelfs door den grootsten nood, Tot aan, tot in, tot over graf en dood.
19. GODS VOORZIENIGHEID. Wijze: Auf dich, mein Vnter! wil ioh trauen. (veranderd.)
|
0* God! gelijk Gij ons het leven Ten reg- â j----x.» ^ ^ -------ft «*â ten tijdstip hebt gegeven Met wijsheid, magt g * - » sjs»---EsgE--a = at en menschenmin ; Zoo telt Gij ook naauw-keurig d' uren, Hoe lang ons aanzijn hier zal duren. Met wijsheid, magt en menschenmin. 2. Wie, wie van alle menschenkindren Kan ooit uw' vrijen raad verhindren? Geheel ons lot --A-... --y---^--^ is in uw hand; üw wenk doet. Heer! ons ademhalen. Uw wenk doet ons ten grave dalen. Uw wil, uw raad houdt eeuwig stand. _________________â----A-A.â--- ü 3. De maat van onze levensjaren. Van onze _ _ , . ----Afâ.....jr--, ! --- , . . --------â-- rampen en bezwaren, Hebt Gij ons wijs- â-----^^â-amp;z ' ^ lijk toegedeeld; Uw tuchtigen was enkel liefde, En, waar de smart ons immer griefde, Gij hebt die wonde weer ^geheeld. 4. Gij hebt, o albestierend' Koning! De plaats |
6. O Vader! wat wij ooit bedoelen. Van U afhanklijk ons te voelen Zij onze blijdschap hier beneên; Woudt G' altijd onzen wensch verhoeren, Dan was 't geluk voor ons verloren; Uw' wijsheid kent ons heil alleen. 7. Laat nimmer ons te dwaas begeeren. Dat G'onze dagen moogt vermeêren. Noch ja gend wenschen naar den dood: In uwe hand zijn w'altijd veilig . Al wat Gij doet is wijs en heilig. En liefd' is al, wat Gij besloot. 8. Leer ons dan steeds op U vertrouwen. Op uw bestelling hope ^bouwen, Geef ons, dat wij den kostbren tijd Getrouw in uwen ^ dienst besteden, Om door 't geloof Hem na- Z=amp;=A- Sgt; a â--ârte tetreden, Door wien Gij onze Vader zijt. â-:----- -------- » J Se 9. Zoo zal ons hart den dood verachten, En vro- |
17
GODS VOORZIENIGHEID.
-V- . --TT--
Gez. 19, 20, 21.
â II »â-ff----TT-â
|
vrolijk op uw toekomst wachten; Och! houd ons steeds voor U bereid; Zoo zij ons ster- . g ââ--â-------= qEEEES. â =amp;= ven, vroeg of spade. Om Jezus bloed, door |
trouw verpand Voor onze komst in 't vaderland. 7. Waar ons geen schepsel helpt, helpt Hij , Als alles vlugt, staat Hij nabij; In rust en vreugd, =XE= |
uw genade, Een ingaan in de zaligheid.
in nood en strijd, Blijft Hij dezelfde t' aller tijd.
8. Als wij de doodsvallei betreen, Laat ons elk
aardsche vriend alleen; Maar Hij, de beste
vriend in nood, Verzelt ons over graf en dood.
9. Komt! treên wij dan gemoedigd voort, In vast
of ongeval. Naar wij behoeven, zenden zal.
vertrouwen op zijn woord; Hoe moeilijk ons de
weg ook schijn', Het eind zal zeker zalig zijn.
21. TEVREDENHEID IN GODS BESCHIKKING. Wijze: O gesegnetes regieren!
2. Hij, die ons gansch bestaan doorziet.
Houdt ook de schaal van ons ver
driet; Zijn wijsheid weet, of ongeneugt
|
Ons best bereidt voor hemelvreugd. 3. Hij, die zijn' eigen' weg wil gaan, Ziet dwaallicht vaak voor starren aan, En, gaat hij op dat schijnsel door. Dan dwaalt hij ligt van 't regte spoor. 4. God kent alleen het naaste pad. Dat uitloopt op de hemelstad; Hij weet, wanneer in ons n o ây â ' â âjy -g- ^ gemoed. Of smart, of blijdschap voordeel doet. 5. Daar die verwachting in ons leeft. Behaagt eilig, heerlijk Opperwezen! Die het groot |
heelal gebiedt, Alles moog verdonkring vreezen, Maar dat vreest uav luister niet; Zitten wij in treurig duister. Nog behoudt dat eeuwig licht Al zijn' glans en al zijn' luister. Waardig aller lof en dicht. 2. Gij alleen zijt alles waardig, Wij, die stof zijn' niet met al; Alles zij ten dienst U vaardig. Of het sta, dan of het vall'; Zoo ff |
|
ons alles, wat Hij geeft; Wijl elke last, ons opgeleid, Ons vormt tot hooger zaligheid. 6. Hij, die ons leidt door 't aardsche dal. Die uw luister maar mag blinken, Doe dan |
vrij al wat Gij doet; Of wij drijven, of wij zinken. Wat Gij doet is even goed. |
3. Zou die ootmoed ons niet voegen? Wij zijn
B niet
nimmer ons verlaten zal, Heeft zijne liefd' en
|
TEVREDENHEID IN G ââ--^ a » 18 |
ODS BESCHIKKING. 4 » A quot;p â â â Gez. 21, 22. |
|
niet, dan voor den Heer; In uw' wil is ons genoegen, En ons heil is in uw eer, En spreeklijk wijze vonden Van des aardbols wigt en maat. Waardoor 't al is afgeteekend. |
Kunstig op zijn plaats gesteld. Eeuw en dag
en uur berekend, Starrenheir en stof geteld.
.......... ---ïi
8. Onbegrijplijk hoog beramen. Raad, waar-
--7â---- .. -- â .â â â Y-â¢Â»
uw eer in al uw werken. Zelfs als Gij ons
zinken doet: Kunnen wij uw' lof maar
sterken. Wat Gij doet is even goed.
4. Diepe wijsheid zijn uw paden. Wijsheid
naar de hemel zweeft. Al het schepslenheir
te zamen Zich beweegt en roert en leeft.
zonder eind of paal Zijn, o hooge God! uw
5. Wie zou dan uw doen bedillen? Kwaad,
Die de raadren en de veren Van dit mag-
tig uurwerk drijft. Zoo dat, in hun tal
loos keeren. Niets verwrikt, of achterblijft. 9. Ja, wij bukken voor dien wijzen. Dien
bepaalden raad, die wis Al ons lieven, al
|
zegt somtijds ons gevoel Op uw godlijk doen en willen; Maar die wijsheid mist haar doel. Konden w' ooit de reden ramen, Waar- =35:- om dus de Hemel koos. Ach! hoe zouden wij ons schamen. Onze zin bleek zinneloos. 6. Vaak, door eigenheid bedrogen. Waanden wij, des Heeren eer. Wijsheid, goedheid. alvermogen Bleek op andre wijs veel meer; Maar wij lieten ons verleiden, En wij feil- --------^--=35= |
ons prijzen, Meer dan alles waardig is; Wie zou ooit, om eigen voordeel, Wenschen, ^ -iy=3E=sââ-------5-é:-- dat die keten brak, Of dat schatten in zijn oordeel Ligter, dan zijn ongemak? 10. Nutter ging nog, een' der dagen. Dit ge- â uâ. ^ ^ a ^ â7 heele wereldrond. Dan uw godlijk welbeha-gen. Dan een stip daarvan, te grond. Hier verdwijnt, wat ooit moog blinken. Vrienden, rijkdom, eer of staat, Laat het vallen, |
laat het zinken. Niets besta dan deze raad.
22. DE BESTE KEUZE. Wijze: Glück zu, Creutz, von gantzem HertzenI
R1
Raad, waardoor de hemel staatf Onuit-
â*
ust, mijn ziel! uw God is Koning, Heel
de
den in dien vond. Omdat anders, dan wij
zeiden, In dien raad geschreven stond.
7. Raad, dien schepslen nooit doorgronden,
Gez. 22,
«â4-
23.
19
DE BESTE KEUZE.
^ amp; j., o y
|
de wereld zijn gebied; Alles wisselt op zijn wenken, Maar Hij zelf verandert niet. ^- 6 âââa,_ ââ¢gt;â^â 2. Ieder woelt hier om verandring, En betreurt 3=--^=^^=â--^--^a â»- ze dag aan dag, Hunkert naar het geen hij zien zal, Wenscht terug 't geen hij eens zag. 3. Rust, mijn ziel! uw God is Koning, Wees jâ-ftâO-- fl. - V _ _ â »_ --yr â tevreden met uw lot; Zie, hoe alles hier verandert, Ãn verlang alleen naar God. 23. TEGEN ONMATIGE ZORGEN. Wijze: Wenn mein Stündlein vorhanden ist. |
heerlijkst goed verrijzen I Mozes, David na. Staar Jezus aan op Golgotha, En leer Gods weg aanbidden. --S=:-3amp;^EÃ:~SZ 7 ======= ^ ~ ÃÃS 4. Waartoe ^ u ^ dan beangst, bedroefd In dit kortstondig leven? Uw Vader weet, j ft_=5--s » ââ¢Â»â-y==^---Ta:â-=d Oog Jozef, wat gij behoeft, En zal 't u zeker ge stut. ven. Alleen Hij kent uw duurzaam nut; Zijn wijsheid blijv' in nood uw Op haar verlaat g' u veilig. 5. Wat ziet gij van de toekomst toch. Wat |
|
wl mensch Bezield voor oogenblikken, hier de toekomst naar zijn' wensch En klein --â---lt;â -y-- at zwoegt een handvol stofs, tot Om â» é ontwerp te schikken! Daar wijsheid, die geen' eindpaal heeft, En tijd en eeuwigheid doorzweeft, 't Heelal bestuurt en regelt. ià 2. Een blik op d' eindelooze baan Van 't vast gesternt daar boven. Waar zon-j, , -- -g- A . -----»-/ nen op Gods wenk ontstaan, En op Gods wenk verdooven, Stelt mij mijn kleinheid in den dag. Die luttel weet, die niets vermag, En toch met God durft twisten. 3. Mijn ziel! pleeg met d' ervaring raad, Dan -â a---â »â ^ o ^ ââ *-------- |
van den dag van morgen ? Uw vrees =^è-â r == «=â-eââoâ^ en hoop zijn zinbedrog, En dwaasheid al uw zorgen. Volbreng alleen getrouw uw' pligt. En eens wordt u het duistre licht. Wat d' uitkomst hier moog wezen. 6. Uw verdre zora: is louter trots. Uw â n---=y---»âB---.V------- pogen stout vermeten; Of waant g' in 't liefd- fl- ^----3: ⢠⢠--jg;--^^--quot;yâ^ rijk plan uws Gods Het miertje zelfs vergeten? Neen, aan 't geluk van 't groot geheel Strekt ieders heil ten onderdeel , Zijn liefd' omvat die allen. 7. Zou ik, wie ooit hier twijflen moog', Uw â M' --= O »--T =^=r'gt;-â.=^.=2 trouw, mijn God! verdenken. Nadat uw |
goedheid U bewoog, Om mij uw' Zoon
-«S 6 a ---
te schenken? De flaauwste twijflinp: waar
B 2 hier
wordt uw klagen prijzen; Hoe vaak
deed God uit schijnbaar kwaad Het
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
gen |
ONDER RAMPEN.
21
Gez. 25, 26.
|
gen. Wat mij nog drukt, is weldaad. Heer! Het zuivert, heelt^, maar doodt niet meer. Geheiligd door uw lijden. â jt-j-j--â : *.⢠---â ^-y-----|-- 3. Door U geleerd ken ik in God Den aller-besten vader. En ieder onspoed in mijn lot |
26. ONDER RAMPEN. Wijze: Psalm 130. dagen ziet, Gij! die mijn ellende, Mijn bange Tot wien ik d' oogen wende In nachten van verdriet. Ver |
Brengt mij zijn liefde nader; Hij leidt mij op
ayâ.s â . : â^====. âp-
hoor , o God! mijn smeeken,
Waar
door ramp en druk, Tot ^ware deugd en rein geluk: Daarvoor zal ik Hem danken. 4. Zou ik, in 't prangen van mijn' nood. Den
alles mij ontvlugt; Aanschouw de tranen
Van 't hart, dat tot ü zucht.
beken
2. Ach, Heer! waar straalt erbarmen. Waar
lacht mij redding aan. Dan in uw Va-
bittren heildrank schroomen, Daar Gij -.. »_ -------------
|
door uw' verzoeningsdood Het wrangst aan hebt ontnomen? Neen, starend op dat liefdepand. Kus ik de vaderlijke ______a____.a__^^____^______u hand, In 't midden van mijn lijden. 5. Mogt ik maar onder tegenheên In deugd en godsvrucht winnen. En U, mijn' Leidsman hier beneên. Steeds vuriger beminnen! Met U, wat zegt mij aardsch' ellend? ^Met U bereik ik 't zaligst end. Met U blijf ik verwinnaar. - -----------^ 6. Zoo juich ik midden in 't verdriet. Waar TTT-T-ââ âA---»--. â-â --^----- andren angstig vreezen. Mijn Vader! och verlaat mij niet. Kastijd mij, waar 't moet wezen; Dat ik, voor eigenliefde doof. Aan uwe liefd' ---y-â r~--------------------M alleen geloov', En aan uw trouw, o Vader! |
derarmen, Die mij nog open staan ? Mijn angst en al mijn zorgen. De nood, die 't hart beknelt, Zijn niet voor à zien. Mijn' eigen' wil te dooden. En d'uwen hulde biên. Toon mij ~bij al uw slagen, Dat Gij nog vader zijt. Wat kan mijn hart niet ïragen, Zoo lang m' uw wil verblijdt ? 4. Ja, bron en steun mijns levens, Mijn Vader en mijn God! Uw liefd' en wijsheid tevens Pi Bestuurden steeds mijn lot. Wat rampen mij bestrijden, Wat om mij zamenspant, De beker ~ van mijn lijden Komt van een vaderhand. B 3 5. Ook |
|
22 ONDERRAMPEN. Gez. 26, 27, 28. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
TROOST IN TWIJFELMOEDIGHEID.
Oez. 28, 29.
23
|
alleen, Hij kan helpen, Hij alleen. 4. 'k Weet zijn woord is Ja en Amen, Zijn --= 5-1 â g jgâg â beloften feilen niet. Nimmer zal Hij ons bescha men : 'k Weet zijn woord is Ja en Amen, Zijn beloften feilen niet. Zalig hij, die tot Hem vliedt! 5. Ja, in duizend bange stonden Heeft Hij steeds getroost, gered, Eeuwig wordt Hij trouw bevonden: Ja, in duizend bange zwoegen. Wordt mij zegen op den duur; |
a--^ 1 . T a â ^ - quot;quot;quot;gquot; ' ^ -L1- Zquot; Ruischen in deez' dorre landen Ook geen bron nen door de zanden, Heeft de nacht niet zelfs zijn licht. Schoon de zon schuilt voor 't gezigt? g7i^~ 5â--=== a a .v a » 3. Zijn niet alle mijne zinnen Bronnen van vermaak voor mij? Elk geluk, dat wij gewinnen, Wie verleent het ons, dan Gij? Hebt Gij, Heer! mij met het leven Deze |
|
Heeft Hij steeds getroost, Op het kinderlijk gebed! stonden gered 6. Weg dan met uw bange zorgen. Volg gehoorzaam zijn gebod, Vrees niet voor den dag van morgen. Laat Hem, uwen Vader, zorgen: Volg gehoorzaam zijn |
zinnen niet georeven, Mij genot voor O O elke kracht. Als een vader, toegebragt? 4. Heer! hoe vele blijde dagen Vloeiden zonder tegenheên. Zonder kommer, zon-der klagen, Als een klare beek daarheen! Kwelden m'immer leed of zorgen, 't Was |
gebod, Hij, uw Redder, is uw God.
slechts kort, en eiken morgen. Als mij uwe
|
29. DANKLIED. W ij z e : Jesu, meines Lebens Leben! loei nu, laat u niet bedwingen, Stille traan! voor God geschreid. Vloei nu, vloei nu onder 't zingen Van het lied der dankbaarheid: Tot een eeuwig zalig leven Is mijn aanzijn mij gegeven; 'k Voel verrukt reeds hier beneên. Wat ik word' voor eeuwigheên. 2. Elke dag geeft mij genoegen, Stof van danken ieder uur, Zelfs de smart, die mij deed V |
zon verheugt, Spelt ze mij vernieuwde vreugd. 5. Wilt Gij, boven 't geen ik denken. Boven ==3iJ:= 't geen ik bidden mag, Mij niet haav' en voedsel schenken, Schut en hulp op eiken dag? Komt Gij mij met uwen zegen Onverwacht niet telkens tegen. Was U ooit gevaar te groot. Waarin Gij geen' bijstand boodt? 6. Van de velden, uit de stroomen. Uit de diepten van de zee, Uit de wolken, van de boomen Deelt G' ons milden zegen mee; B 4 Ja- |
|
24 DANK |
LIED. Gez. 29, 30. trâ7--t-----------------^ |
|
Jaren, maanden, dagen, stonden. Altijd, |
mij gegeven: 'kVoel verrukt, in 't aard- |
|
Vader! ondervonden Wij uw liefde, wij |
sche dal. Wat ik eeuwig worden zal. |
|
uw magt; Eeuwig zij U eer gebragt! |
30. BLIJDSCHAP IN GOD. Wijze: Psalm 35. â¢pvf (p a t - 9 . |
|
[jth â » oââ s j | |
|
7. Maar wat weldaan ons omringen. Nog ont | |
|
breekt ons steeds, o smart! 't Wijs gebruik |
jl) eez' aarde zij een tranendal. Verdriet en |
|
dier zegeningen. Met een regt tevreden hart; |
moeite zij het al. Wat haar genot ons ooit |
|
^ ^ ^ -â quot;^1 â ^ ^ ^âr-t/f | |
|
Daarom vlieten, daarom vloten Rijke bron- |
kan geven; De Christen mag er vrolijk |
|
^ â â O â ^^ ^ ^ |
^ â oâ^ |
|
nen, ongenoten, Ons voorbij aan alle |
leven, Hij vindt, bij 's werelds eb en vloed, In God voor 't hart een vaster y ' â â »---lt;gt;-----â gt;-â:- . a A J |
|
H ^ sV ^ -O--â | |
|
kant. Als een woudstroom in het zand. | |
|
8. Veiligheid in onze landen , Orde, wet, |
goed. Een goed, dat met de reinste |
|
en regt, en wacht. Deze sterke, vaste |pr-â-1-7--- -~quot;gquot;--lt;râ1^=^â7ây, ,/ |
vreugd Hem zelfs voor d' eeuwigheid verheugt. tnpââtâ^ ---â7 gquot;âgf |
|
banden Voor het menschelijk geslacht, ii a--â gt;-------- . -g- ? ' |
2. Ja, wereldvreugd is smart hierbij, Hoe |
|
Vrienden, die ons hart verblijden. Die ons ij' p ~~ t $ â JS â^â= ⢠â ' jquot; __ j |
streelend haar genot ook zij; Men vindt |
|
troosten in ons lijden. Raad en hulp, ja |
steeds doornen aan haar rozen. Zij doet in |
|
-.-=-^----=-- eindloos meer. Hebben wij van Ã, o Heer! |
't eind van schaamte blozen, Z' ontrooft ons |
|
9. Hebt G'ons in dit droevig leven Reeds zoo U~*-A |
allen zielevreê; Maar vreugd in God brengt â n--- --â »---»â ft â i'» T-âââ / |
|
ft' ---:----- â - â , -------jjt:-- veel geluk bereid; 0! wat heil zult G'ons t{; 'r ' gâ-y-^^-- |
zielrust meê. Een zielrust, die geen weêrga' |
|
eens geven In de zalig' eeuwigheid, Als ,n--â^--------^--^ââ---5â-â5-- |
heeft. Die voorsmaak van den hemel geeft. ^ |
|
w'aan 't einde van dit strijden. Als ver-g * êri===.s----=CTrâ |
3. Al wordt de ziel door zondenschuld Met |
|
â=.. .......^--*-â¢quot;*-^--â----- winnaars, ons verblijden Bij 't ontvangen van de kroon Uit de hand van uwen Zoon! .......:--- â â =-y--y---â |
droefenis en rouw vervuld. Dit treuren zelfs |
|
geeft meerder vreugde, Dan hier den zon | |
|
10. Vloeit nu, laat u niet bedwingen, Stroomt |
daar ooit verheugde: Het vast geloof aan / |
|
nu onder 't lofgezang. Dat wij God ter |
Gods gena' Op 't offerbloed van Golgotha |
|
|[ ^ âo-â9-»- âj; ^--^â-- |
^ ^~âgt;--â--2- |
|
eere zingen. Vreugdetranen van mijn' dank! u a--^------'tâxâ^r:--â â-amp;â '------^--/ |
Geeft vreugd aan 't hart, hoe 't oog ook |
|
Tot een eeuwig zalig leven Is mijn aanzijn |
schreit. Zulk treuren zelfs is zaligheid. 4. Die |
BLIJDSCHAP IN GOD.
25
Gez. 30, 31.
|
4. Die vreugd in 't hart kweekt ware deugd, ---- quot; |
hemel, aarde, leven, dood, Is alles 't onz'! »--frâTâ, â-ff- |
|
Geen deugd voor God, dan met die vreugd; Gij, Vader! wacht die van uw kindren. En nooit zal zij in 't hart ^vermindren, Dat kinderlijk tot U zich wendt, In Christus U als g 1 ^ j-EEE ^ -5--^ Vader kent. En, bij het vlieden van het kwaad. Zich daaglijks meer op à verlaat. |
In allen nood Is 't vreugd in U, die sterkte geeft, 't Is ons genoeg; Gij, Vader! leeft. ELLENDE EN VERLOSSING. 31. ONZE BESTEMMING. Wijze: Psalm 65. sterveling! gevoel uw waarde; Wat u O1 |
|
5. De zorg eens aardschen vaders spreidt Door -*--r -----O-A » --/ 't huisgezin tevredenheid, En kindren sma ken stil genoegen, Als zij naar 's vaders wil zich voegen; Maar meer genoegen smaakt uw kind. Dat in uw zorg zijn ruste vindt. Daar d' almagt in zijn' nood voorziet: Zoo zorgen aardsohe vaders niet. 6. Gij, die geen vogelken vergeet, Ofschoon â-- het van geen zaaijen weet, En leliën. die nimmer spinnen. Zoo kleedt, dat zij 't van Vorsten winnen, Hoe waardig zijt Gij, dat ons hart, In hoe veel levenszorg verward, Op ü voor voedsel, voor kleedij, Voor alles zonder kommer zij. 7, Wat iramer ons op aard ontbreekt Is U I ^ ^ - O gg ^ --a ---»â ---- bekend; uw almagt spreekt, Straks dient t-6---O 6 Orâ----S-------------------- Wat zult =1==^ |
ons alles op uw wenken: in 't stof nog vleit. Uw hart is veel te groot voor d' aarde, Gij leeft voor d' eeuwigheid: De tijd, die alles weg doet zinken, Bepaalt uw grootheid niet; Gij ziet voor uw vol Een eindeloos verschiet. 2. Zoudt g' om een wuft geluk hier slaven, Dat bij 't genot reeds vliedt, En met een handvol stofs begraven Wat eeuwig' aanwinst biedt? Uw hart, dat eindloos blijft bëgeeren, Is niet bestemd voor schijn; Uw grootsche taak is hier te leeren Aan God gelijk te zijn. 3. Daartoe wordt g', onder smart en strijden. Gevormd en opgevoed; Daartoe verboot, bij 't vreeslijkst lijden. Uw Heiland eens zijn bloed; Daartoe roept God en sterkt u tevens Door d' Evangelieblaan; Daartoe biedt den Geest des levens U als uw Vader aan. making blinken |
G' ons met uw' Zoon niet schenken? Ja, I 4, Dit aanzijn zal u ras begeven, O mensch!
ge-
B 5
|
26 i gebruik het wijs; Het heeft, verknocht aan 't volgend leven. Een' eindeloozen prijs; De kleinst' ontwikkling houdt haar waarde, Wat ooit de tijd verstoort; Maar 't zaad, dat hier ver- mmmmrn ONZE BESTEMMING. i n Gez. 31, 32. |
oorden smachten, Waar 't heil gedurig groeit; Dan zullen w', onder 't aardsch gewemel, Op d'aangewezen baan Voorspoedig rijpen voor den hemel. En dien eens binnengaan. |
|
eeuwigheden Aan gindsche zij' van 't graf. stikt in d' aarde. Brengt nimmer vruchten voort. -$E= 6. Och! dat wij nimmermeer vergeten. Als ons de zonde vleit, Hoe zij der rust van ons geweten Haar doodïijk striknet spreidt, Hoe di^p wij van 't geluk vervielen, tfoe duur wij zijn verlost. En wat de reduw beeld op aarde. Bestemd tot heil van hooger waarde. Was, Heer! ü waardig, regt en goed. Voorzien van kracht en licht Tot |
eiken reinen pligt, à ter eere; Uw Adam was. Uw Eva was In alle neiging onbevlekt. 2. Geen de minste lust tot zonden Werd in ||ii==Hi==== 't onschuldig hart gevonden. Zij minden ü. wat Gij schiept, was goed; Ook de mensch. |
ding onzer zielen Aan Jezus heeft gekost.
U, Heer! alleen. Vrij van sterven, vrij van
|
7. 0 Gij, aan wien wij deugd en leven En al- *==3=5 les zijn verpligt. Getrouwe Heiland! leer ons streven Naar 't rijk door U gesticht; Dat wij den prijs der menschheid voelen, Zoo hoog door U vereerd. En altijd dat ge luk bedoelen, Dat d' eeuwigheid vermeert. 8. Dan zal ons hart het stof verachten, Dat dwazen aan zich boeit, En naar de zalig' |
zorgen. En vrolijk als de schoonste morgen. Die ooit d' onschuldig' aard bescheen; Zij ken- den ramp noch druk. Daar stroomen van ge luk Voor hen vloeiden, Door dat genot Steeds meer tot God, Meer tot volmaaktheid opgeleid. 3. Maar die rein geschapen menschen, Geluk- 4:ââ-O--====â ------â=r / kig boven alle wenschen. Door helsche list te snood verleid. Durfden Gods gebod vertreden, |
STAAT DER REGTHEID EN VAL.
_lt;s-
27
Gez. 32, 33.
|
den. En stortten uit die zaligheden In jam- Ã ?------ââ- 9 âjtfâ mer en ellendigheid: Die afval staat ons duur; Daar, mensch 1 is uw natuur^ Diep bedorven, Met zond' en schuld Voor God men nergens rusten; 'k Ontzeg aan Gods bevel gehoor. Maar liefelijk klinkt |
py.......^--j. -â-Hâ in mijn oor De lokstem der verleiding. 3. Hoe vaak gaaft Gij mij raad en licht In mijne |
|
vervuld. En onbekwaam tot eenig goed. 4. Treuren wij! want wie zou 't wagen De p -lt;râ^ IV---tfâ^------Crâ--r~ hooge Godheid aanteklagen, De mensch is |
duisternisse, Maar^altijd wederstond ik pligt. Gevoel, verstand, gewisse; Vol onrust, tot Had wederstand ik 't kwaad volbragt. |
|
schuldig. God is goed; Laat ons onzen ^ val betreuren, Maar 't hoofd ook dankbaar opwaarts beuren, Zelfs nog is God voor zondaars goed: Door Jezus Christus bloed Is onze schuld geboet. Welk een liefde! ---»---gr--^---^ Nog hier op aard, Hoe zeer onwaard, =1- ^ ^ â=--â quot;SI-L ^ â . ^-41^ Vernieuwd zijn Geest ons naar zijn beeld. 33. Z E D E L IJ K B E D E K F. Wu z b : Gezang 4. ^ ijn God! hoe krachtloos, hoe ontaard |---:---»â^ Maakt mij 't vergif der zonden! Wordt ^â--------- ergens zoo betreurenswaard Een schepsel j----» 6 âCT . â . â-- Gods gevonden ? Ach! Adams val heeft ip==-- â 1 âa g: â. --â mij zoo zeer Bedorven, dat ik ü, o Heer! Kan vreezen, noch beminnen, ^ » ±--» ~=S: n , 7 2. Hoe zeer is mijn verstand verblind, â nâ- --^--gt;--o ,gt;â ----vc Mijn willeen slaaf der lusten. Laat, buiten 't kwaad, dat hij bemint, Mij arhier zelden kracht, De zonde zegepraalde. |
4. Wie deez' ellend ook loochnen moosr. Ik ---------------BI_____/ niet, o God! mij armen. Mij opend' uw ont- ml--y-- ferming 't oog. Geloofd zij uw erbarmen! Ik fl 1 â fV ----â -------â â â---------y M ^ kreeg verlichting, en mijn hart Gevoelde mijn â ...----r- iV---â »--^^ bederf met smart, ^ Den jammer mijner zonden. 5. Gij trokt mij. Heer! en steldet mij Den weg rr a , â â â *----ââ ^â----»â-j. des heils voor oogen; Gii hebt, o ia! zoo goed waart Gij, Mijn trotsch gemoed gebogen: 'kNam VT A- â-râ --------------------- quot; â â â â - .tv- uw gena' in Christus aan. En straks vond ik 7-ââ »-âra;â-A---±:--«X--- mij aangedaan Met lust en kracht ten goede. 6. Verbreek in mij nu, voor altijd, De neiging -xV-.----âty-^'~J tot de zonden, Geefjnij, dat ik in dezen strijd Ver winnaar word' bevonden; Versterk mijn FT--p-â^=:=^=^===---â-y--^ kracht tot alle goed. Dat ik, met een op- -r---=3^==^=^==-^â^-é g 11 regt gemoed, Godvruchtig voor U wandel'. 7. Nog immer zweef ik in gevaar. Nu zwak, -----»â---â---o----o-â dan traag in 't werken: O God! Gij kent dat |
J
ZEDELIJK BEDERF.
-AâUi
28
Gez. 33, 34, 35.
|
dat groot gevaar. Bewaar mij, wil mij sterken; Maak mij voorzigtig, welbedacht, En tegen 't kwaad^ steeds op de wacht. En kloek van moed in 't striiden, 8. Verflaauw ik, help mij zwakken gaan. Och! bli^f mijn krachten stijven. Spoor zelf mijn Jiart tot bidden aan, Zoo moog ik staande blijven; Of val ik. Vader! vat |
3. Ons hart, waarin de zonde leeft. Aan 't kwaad ter prooi gelaten. Verwerpt den â¢H--J-=---ââ: â â-gf-r Aââ âg--- raad, dien Gij ons geeft, Bemint, wat G' ons ----tN----»---lt;gt;---» .--â- a --- leert haten. O God! o God! wat hulp, wat raad! Waar vinden wij het ende Dier ellende? Ons denken zelfs is kwaad. Ja, tegenU vijandig! 4. Wij komen nogtans tot uw' troon. Met al die schuld gevloden; Gij laat ons immers in^ |
uw' Zoon Als zondaars tot U nooden; Wij
mijn hand,
Dat ik naar 't hemelsch £
|
vaderland Mijn reis met vreugd volbrenge. 34. Z E D E L IJ K BEDERF. Wijze: Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ! w schuldbesef verslagen: Ontferm U, och! ---r--x---quot;jTT ft-»â . _____ë ontferm U, Heer! --râ--»-- ij werpen ons voor U ter neer, Door Och hoor, verhoor ons ---^ -:-- Zoudt gedoogen, klagen! Wij zijn 't niet waardig, neen, o neen! Dat Gij ons voor uw oogen Doch waar, o God! |
komen. Heer! op uw gebod, O Heer! wil ons vergeven. Schenk ons 't leven; Des zondaars dood, o God! Kan U toch niet behagen. 35. BEL IJ DENIS VAN ZONDEN. Nieuwe zangwijze. God! door waar berouw bewo-^ gen Belijden wij voor uwe heilig' oogen. Dat w' onrein stof, rampzaalge zondaars zijn, In schuld en smet ontvangen en geboren, |
Geneigd tot kwaad, en die de kracht verloren
--*â â 3E-
dan heen? Waarheen met zoo veel zonden?
|
2. Ach! ons verstand, door waan misleid, -O A â ---y---ffâ ft _---r----- iüü Door zinlijkheid verdonkerd. Miskent, o God! V 5= ft--é S â- r=- m uw heerlijkheid, Hoe helder die ook flonkert; Het eert uw heiige wetten niet, Hoe rein die in onz' oogen Schittren mogen; Gij ziet het. God! Gij ziet, Hoe diep wij zijn gezonken. |
Tot alle goed, dat meerder is, dan schijn. 2. Dit diep bederf, die bron van all' ellenden. Doet daaglijks ons uw reine wetten schen- j-p---------**---g----I»--^----5=: den. En woelt en woedt in opstand met uw eer; Dit diep bederf blijft elke heilbron stop- â --------------â:---6 O ---.v--p- ^ â ' - --=â ' =--- pen. Het doet in ons een bang geweten kloppen, |
BEL IJ DENIS VAN ZONDEN.
Gez. 35, 36.
29
|
pen, 't Stort in een' poel van jamren ons ter neêr. 3. Dan, Heer! een waar gevoel van onze zonwrikt vertrouwen. Leert op God te bouwen! 2. Door zijn vredeboden Doet God zon- |
⢠-O-â*_ |
daars nooden Tot het hoogste goed; God
O O
E==-?â =--
heeft ons vergeven, God schenkt ons
-o-
den, Een hartlijk leed, dat w' uwe wetten
schonden, Doen ons voor U beschaamd, ver
oordeeld staan. Ontfermend' God! kom ons met
het leven. Door des Heilands bloed. Ja,
de Heer Wil nog veel meer. Boven bid
den, boven denken. Alles aan ons schenken!
-igt; -â » O. J.
uw genade In onz' ellend en diep bederf te
stade, Gij, Gij alleen biedt ons nog redding aan.
|
4. Hoe gansch onwaard w' uw gunst ook wezen =SE= |
3. Hoe ook afgezworven, Hoe geheel bedor- £-sV-_A- |
ven, Hoe gehecht aan 't kwaad; Wilt gij ^
zalig wezen. Niets hebt gij te vreezen,
- ----^------
mogen,^ Verheerlijk nog aan ons uw mededoo-
gen, O Gij! die steeds erbarmer zijt geweest;
|
«â - Vertroost ons hart door vaderlijk ^vergeven, En schenk, vermeêr ons voorts door al ons fr- leven De gaven, Heer! van uwen goeden Geest. 5, Zoo treur' in ons een diep getroffen harte, g g -g g g---y g g --p 'o ^ ^ ^ Zoo voelen wij die ongeveinsde smarte. Die |
Hier is hulp en raad; God vergeeft. De Midlaar leeft. Zelfs heeft Hij 't rantsoen gevonden Voor de grootste zonden! 4. Zalig, die 't gelooven! Troost, hun nooit ^------------------------A--- t' ontrooven. Wekt hen steeds tot vreugd; |
Kracht tot goede werken V oelen z' in zich
ons steeds meer der zonden sterven doet:
Zoo zullen wij die eedle vruchten dragen,
sterken, Kracht tot liefd' en deugd: Door
|
Die U, o God! om Jezus wil, behagen, ^ ^ ft ' A _-L _ quot;7quot;---L II En blijken zijn van een vernieuwd gemoed. |
Gods kracht, In hen volbragt. Komen zij gedurig nader 't Beeld van hunnen Vader, 5. Woord ^ waarop wij ^ bouwen, Daar wij op vertrouwen, Evangeliewoord! Bergen mogen wijkerT, Gij zult nimmer wijken, --A-*---^----:--- Want gij zijt Gods woord! Dat ons, |
ZONDE EN GENADE.
30
Gez. 36, 37.
|
37. ZONDE EN GENADE. Nieuwe zangwijze. zonde, bron van al d' ellende. Die 't vlugtig menschdom, sints 't u kende, Verzinken doet in leed, 'k Heb duizendmaal u afgezworen; Wat kon m' op nieuw in u bekoren. Dat ik voor u mijn' God vergeet? 2. Die eeuwig' onrust van mijn harte. Die stille, diep verborgen smarte. Die alle vreugd ontvlugt. En mij zoo vaak voor 't beste Wezen Als voor een' dwingeland doet vreezen, Is, wreede zond'! uw wrange vrucht. 3. Ach! om mij voor 't verderf te winnen. Begoochelt zij mijn wufte zinnen, En 'k zie 't bedrog niet door; Schoon 'k weet, dat zij met duurzaam wroegen Ãen vlugtig oogenblik genoegen Voor't hart beloont, dat haar verkoor! 4. Geen opzet baat, waar z' aan komt lokken; Mijn hart,van diep bederf doortrokken. Staat haar vervoering bij: Daar zinken wil en krachten beide. En, wat ik gistren nog be-schreide. Wordt heden ligt weer lust in mij. O1 |
ik, niet ik, o Heer! Och! leer m'aan Gods gena' gelooven, Dan kom ik eens haar kracht teboven, En zonde heerscht in mij niet meer. 6. Schoon niets mijn snoodheid evenaarde. Genade ziet niet neêr op waarde. Daar allen zondaars zijn: Nooit heeft ze, dan om niet, vergeven, Opdat zij, op de zee van 't leven, Voor alle vleesch ter noordstar schijn'. 7. Hoe 't ongeloof zich, onder 't roemen. Getrouwheid met zich zelf moog noemen. En zijn gestalten kroon'; Zijn nedrigheid is hoovaardije, Z' ontwringt gena' haar heer-schappije. Uw albetalend bloed ten hoon. i 8. Zou 't zondig stof aan zich nog denken. Waar God het godlijk wil beschenken? Dit waar te snood een waan: Gods liefd' is aan zich zelv' verbonden, Ãén schuld en millioe- nen zonden Verzinken in dien oceaan. 9. Oneindig' God! bij uw genade Wat komt in zich den worm te stade? Gij ziet op zondaars neêr. Ach! eer ik 't aanzijn mogt er langen , Had ik vergeving reeds ontvangen: |
|
5. Mijn Heiland! hoor mijn angstig smeeken; ü r -3*:- Gij slechts, Gij kunt die banden breken. Niet |
Ik ben hier niets; Gij alles. Heer! 10. Mijn Jezus! schoon 'k ü niets kon toonen. Dan |
^'L v-
|
Gez. 37, 38. ZONDE EN GENADE. 31 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
won- |
ALLES IS GENADE.
Gez. 38, 39,
32
voor den troon. Dan herhaal ilc nog die
wonden Van mijn zondig hart geneest. Die
mij 't waar geluk leert kennen, Mij vervult
God is liefd', o Englen
klanken:
met Christuszin, En door dankbre wedermin,
m.
^---âv--*-----*--------^1-
Mij aan zijne dienst wil wennen: God is liefd', o Englenstem, Menschentong, verheerlijkt Hem!
3 â â^ -o ^ â 'ââ--ââ â 1 quot;â ââ â â
6. Dat heet gadelooz' ontferming. Dat, genade, rijk en vrij! God schenkt redding, schenkt bescherming. Schenkt z'aan zondaars, schenkt z'ook mij; Dan zelfs, als mijn onvermogen, 1.1s mijn diep bederf mij smart. Toont mij
regte baan Op den dwaalweg zijn ver
vallen: 't Regte pad ^ leert Hij hen
Jezus neemt de zondaars aan!
gaan.
|
,, ^--TV---9-^ 't godlijk Vaderhart Zijn verlossend me-dedoogen; God ia liefd', o Englen stem, Menschentong, verheerlijkt Hem! Ui ---i---Q.--i --------- 7. Kan een vrouw haar kind vergeten. Als iirr=131^=1==^=ââz^â==--- haar zuigling schreit van pijn ? Zou z' een ware moeder heeten. En zoo weinig moeder s zijn? Maar, al kon dit mooglijk wezen, Vader! die mijn nooden ziet. Vader! Gij vergeet mij nietr^ -â^^ ^ ^ ^ Neen, dit heb ik nooit te vreezen: God is liefd'. o Englenstem, Menschentong, verheerlijkt Hem! i 8. Zal eens't graf mijn stof verzaamlen, Juichend zal, in stervenspijnquot; 't Laatste woord, dat ik zal staamlen. Vrije gunst, genade! zijn; Ja, die zal ik eeuwig danken, Waar 'k den Vader en den Zoon Eeuwig lofzing |
2. Geen genade zijn wij waard; Maar in d' Evangeliebladen Heeft ons God zijn gunst verklaard: Dat wij, hoe met â=^5=^. , -g. schuld beladen, Dan geloovig tot Hem gaan! Jezus neemt de zondaars aan! 3. Als een herder wil Hij trouw 't Schaap, in een woestijn aan 't dwalen, Daar 't zich zelf verliezen zou. Van den doolweg wederhalen, Brengen op de regte baan: Jezus neemt de zondaars aan! 4. Komt gij allen, komt tot Hem! ---- â^^â--âlt;»-,--- Zondaars, komt! wat zou u hindren? Jezus roept u, hoort zijn stem. Hij maakt â *â ââ--â v â ' ââ^----- zondaars tot Gods kindren: Vrij moogt gij . ---^T-==IS=-Sc=^-^-» ^--h tot Jezus gaan; Jezus neemt de zondaars aant |
|
V E R L O 5. O! dit geeft mij nieuwen moed Bij de grootheid van mijn zonden. Door zijn godlijk offerbloed Heeft Hij mijn rant soen gevonden; Nu kan ik er vast op » Jezus neemt de zondaars aan! 6. Ja, nu spreekt mijn hart mij vrij. Wie bij God mij aan mogt klagen; Die eens vonnist over mij, Die heeft zelf mijn schuld gedragen. Niets kan mij nu -$6.- eeuwig scha^n, Jezus neemt de zondaars aan! 7. Jezus neemt de zondaars aan. Mij ook heeft Hij aangenomen, Mij den hemel Ã3EEV opgedaan; 'k Mag vertrouwend tot Hem komen: 'k Juich dan, zelfs aan 't eind der baan, Jezus neemt de zondaars aan! Van Adam vindt In U een' vader weder! 2. Zijn afval bragt Al 't nageslacht^ In ein- delooz' ellenden; Ontaard als hii, Vol- â^ ^--^ g--^-- Gez. 39, 40, 41. gaan, harden wij Uw reine wet te schenden. 3. Door zinlijkheid En waan verleid Tot --------â --------------=3JE==--^----lt;gt;-ââ¢Â£ ongeregtigheden, Wordt dag aan dag Uw |
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1
J
DE ONTFERMER.
Gez. 41, 42.
34
5. Als ik dien troost des levens mis, Als Jezus ,
-â » -1,_». ^__t,__. , a--
ti Heer vergeet. Verlaat de zijnen in hun leedquot;?
|
3. quot; Maar kan een moeder haren zoon, Haar' 't lieven zuigling ooit vergeten? En ware 't al, // dat zij haar' zoon, Haar' eerstgeboornen h kon vergeten; Ik, zegt de Heer, vergeet u // niet, Ik, zegt de Heer , verlaat u niet.quot; 4. Dat hebt Gij zelf, o God! verklaard. Wij t7=y;^S=âs-=-=p:--y-?;- .. â mogen 't op uw woord gelooven; Wat ramp ons hier ook wedervaart. Niets kan ons van dien troost berooven: Sterk dat geloof uw' naam ter eer, Ja, Amen! wij gelooven 't, Heer! 42. TROOST DER VERLOSSING. Wijze: Ich danck dir schon, durch deinen Sohn. (met eene kleine verandering in den tweeden regel.) O1 denkbeeld, dat ons leven geeft! Wat stervling waant u door te denken, Dat God zoo liefde wereld heeft. Om ons zijn' Zoon te schenken?^ 2. Gij boven 't perk der eindigheid Omringd^ van heiige duisternisse, Gij treft ons door uw majesteit, En stilt ons het gewisse. 3. Van 't wonder zamenstel der zon Kon ik verstomd nooit reden geven; Maar 'k zag haar schijnsel, en ik kon Bij hare warmte leven. 4. Zoo kan mijn geest Gods hoogen raad In ^ |
niet voor mii wou sterven, Niet God, niet mijn --â » » y-lt;r » -ÃïlÃiià Verlosser is, 'k Moet dan in wanhoop sterven. 6. Zoo 'k in zijn woord Gods zin niet ken. Moet al , . »-^ --»â â---4-----^ mijn kennis dwaling heeten. En 'k zal, wat God is, wat ik ben En worden zal, niet weten. ^ 7. Neen, dezen troost der Christenheid Zal mij , A -Ut_-lt;gt; . -»---^ -- geen spotter ooit ontrooven; Neen, ik gevoel zijn godlijkheid, 'k Gevoel z', en blijf gelooven. y-----â---tv-ââ-15-â 8. 'k Ben 't eigrendom van 's Vaders Zoon, Door , -lt;», ___-sgââ.vâo--------g-o--- lt;⢠J wien ik 't eeuwig leven erve; Dit is mijn troost, mijn roem, mijn kroon. Mijn leven, alsiksterve. 9. Hij geeft ons zijnen Geest, het^pand, Waar- ^ aan wp zijne liefde merken. En vormt ons door zijn eigen hand Tot alle goede werken. _ ââ ---tü--... ? --â »-.--^^--j- 10. Als ik met vreugd zijn' wil betracht, In goed â fl. ^ -4»---W-%--amp;---pfâ|----â 4»--------A J- te doen mij mag vermaken, 'k Voel dan een goddelijke kracht, 'k Mag rust en vrede smaken. ^ 11. Als mij 't gevoel der zonde krenkt, En ik tot â__^ lt;gt;----jr-t- --a â^ Jezus kruis mag treden, 'k Zie daar, dat Hij aan mij gedenkt, Mij hoort op mijn gebeden. ij , ââ-== *---«»quot; -» â --yâ 12. Ik weet het, dat mijn Heiland leeft, En â p-O lt;gt; lt;⺠âo-»---y ft ^ dat ik, uit het stof verrezen, Als Hij zich ^ TV---IT â » -â »- |
|
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ZIELVERHEFFI 1 tr: g .. Trek tot ü ons hart naar ste stof; boven, Dat w' ü eeuwig lieven, loven. 44. AAN JEZUS. Wijze: Die Wanderschaft in dieser Zeit. Nm ij knielen voor uw' zetel neer, Wij Heer! en al uw leden, En eeren U als onzen 86 |
NG TOT JEZUS. Gez. 43, 44, 45. men. Ja, Halleluja! ja Hij komt! Juicht, menschen, Englen, zamen! Juicht met een vreugd, die 't al verstomt. Juicht allen, Amen! Amen! 45. AAN JEZUS. Wu z e : Gezang 19. Gr1 ij Jezus! die ten troon verheven. Door |
duizend, duizenden omgeven. Geplaatst zijt
â â â lt;» »---O â - --- . fl â ^
aan Gods regterhand. En daar uw vreugde
=Z^5.-â »â-5=â--ÃFâ s g--»-7*
ziet volmaken. Nu al die duizenden reeds
smaken De vruchten van uw offerand;
2. Die ons, gewasschen in uw bloed, Tot
2. Gij ziet ook duizend, duizend zielen Hier
|
Priesters hebt verheven. En ons den hoogen rang, den moed Van Koningen gegeven; U zij de roem, U zij de lof! ü d' eer kroon opgedragen, Geheel deez' aard en 't hemelhof Moet van uw eer gewagen. 3. U, die als Heer der heerlijkheid Verreest tot heil der volken. Verwachten wij in ma- ------«.-----------a â-râ----âV--o-^ iesteit Eens weder op de wolken. Hii komt! ââ »--»-» o ftââ^----^ a ?â elks ooge zal Hem zien, Ook die Hem ---^ g a ^=g:---- 6 â heeft doorsteken; Elk zal Hem juichend hul de biên, Of om ontferming smeeken. 4. Hoe ras of traag de tijd verdwijnt. Die dag zal zeker komen; Het licht, dat aan de |
kim verschijnt. Wordt reeds van ver verno-op uw voetbank nederknielen, En bij die duizenden ook mij! Voor U, die met uw bloed en tranen Den toegang ons tot God woudt banen, Voor uwe voeten knielen wij. 3. Wij knielen neder op die aarde. Die aan 't heelal een schouwspel baarde. Waar al wat groot is voor verdween; Toen bij 't gejuich der Hemellingen, Die 't heil der aardbewooners zingen, D' Oneindig' in het vleesch verscheen. 4. Die eer was aan deez' aard beschoren. Hier werdt Gij, Jezus! Gij geboren. Gij, die ons beter zijt, dan 't licht; Hier zien w'uw liefde nederdalen, En hier met al haar' luister pralen Gods grootheid in uw aangezigt, 5. Dit |
|
Maar doornen U in 't vleesch gegeven. Het zag uw liefd' en 't zag uw' strijd; Het heeft uw bloedzweet ingedronken. En 't zag, dat Gij, aan 't kruis geklonken, 't Vertrouwen van het raenschdom zijt. 6. Al moest het gansch heelal bezwijken, De liefde, die G'op aard liet blijken, Is duur4. Een Vorst heet groot, wien alles dient, Wien zaam als uw majesteit; Zij, met uw mensch- --------^ |
---S-TV-,---^--Sgt;- gansche volken vreezen; Maar Jezus komt, om 's menschen vriend. En 's Vaders knecht te wezen. 5. Hij komt, behoeftig en gering. En zendt v . . . zijn Englen henen, Opdat zij, aan den veldeling, Niet bij zijn krib, verschenen. ~ ^ 3EÃ=! |
|
heid niet geboren, Ging met uw sterfuur niet verloren, Z'is 't kenmerk uwer godlijkheid. ^ 7. Hier op deez' aard, die wij bewoonen, Daar zond' en dood haar krachten toonen, Hier toont G' ons, wat genade zij; En op deez' aard, waar ^ Gij woudt lijden, Ãn ons van zond' en dood |
6. Hjj^ die der zee haar palen zet, Als üiü God der eere dondert. Woont in 't ver- ---⢠tyâr1rââ--â------â^r- achte Nazaret, Miskend en afgezonderd. 7. Hier leert Hij ons reeds in zijn jeugd. Wat mensch te zijn, beteekent, Hij, die de godsvrucht en de deugd. Als mensch, zijn grootheid rekent. |
bevrijden. Hier zingen, hier aanbidden wij.
8. Hier gaf een zachte needrigheid, Die zich
met wijsheid paarde. Aan d'ijver voor
Gods majesteit Een onbekende waarde.
9. Ja, wie met godsvrucht immer spott'. Hier ^ blonk zij zonder zonden, En hier heeft z' ook
quot; quot; =3S:=
zijn heerschappij, Al is een stal zijn wooning.
gena' bij God, En bij den mensch gevonden. TWEEDE AFDEELING.
|
2. Zijn grootheid schittert niet door pracht. Zijn 10. Geen heerschzucht vormt Hem tot den |
-j6- |
kroon is niet bepereld; Zijn koningrijk, zoo
â------ - -----^ »-
troon. Maar ootmoed tot het lijden;
Hij wacht uit 's Vaders hand zijn kroon,
C 3 Maar
lang verwacht, Is niet van deze wereld.
A
J
1
-*------aâ----â¢!-
JEZUS GROOTHEID.
38
Gez. 46 â*-^
19. Die onverschrokken, wee u! zegt, Verflaauwt
i, » » ï»â^ â» -A--£-j.
Maar wacht die kroon na 't strijden.
11. En al zijn strijd is voor Gods eer râ»-»--H--»
Dat elk
ââ »ââyâ^
niet in 't vermanen; Maar stort, daar d'ondeugd
doornen vlecht, Om hun gevaar, nog tranen.
zijn' Vader prijze; Gods liefd' is d'inhoud van
|
zijn leer, Gods wil te doen zijn spijze. 12. Hij, gansche nachten in 't gebed. Wil â | a . a ft 6 lt;⢠âO- â / in weldadigheden, Alom, waar Hij zijn H---g. â L.---^---g-- ^ -pâ----frâ voeten zet. Den ganschen dag besteden, PïhââTT vgt; râ a __^_-y-ré 13. Die alle lofspraak scherp verbood, Maar God â p. o âlt;gt;-ÃV---â- O a â»--»--»-^ |
m 20. Geen' mensch, hoe groot zijn schuld ook waar, pâ-«V » O âTTâ^-Jr-,----»----g------- Ontzegt Hij zijn ontferming; Den diepst ver- --^ . - ' à -â »- achten Tollenaar Verleent Hij zijn bescherming. 21. Hij, vol van God, aan allen goed, Brengt hen der Godheid nader, 't Zij Hij bestraft, of rrâ-»vâ-gr--.-l .---*- ^ âis--~-- |
wondren doet; Die Hem ziet, ziet den Vader.
DERDE AFDEELING. T- 'v a- ^â-----amp;â
22. O Zoon van God 1 o eeuwig Woord! Wiens
oogen 't al regeren. Wiens stem de gansche
schepping hoort. Dien w' als den Vader eeren!
g-j-- ----â --5~S â --V
23. Hoe groot U uw verneedring maakt Kan ^
|
kent geen andre^wenschen; Hij doet al wat Hij doet, om God, En niets om gunst van menschen. 16. Al vloekt de boosheid Hem het meest. Bij 't zien der grootste krachten; Hij blijft ontfer mend, en geneest AH', die zijn hulp verwachten. 17. Hij, schoon met almagt aangegord, ^ Hij |
God alleen waarderen; Uw Vader weet, wat y-y- g â----âyâgt;v----gquot;--ââ(Iâ Gij verzaakt. Die kan alleen U eeren.^ 24. Hij, die zelf God, wat God is, weet, 't Geen ---^â----»â-Vâj »-- schepsels vruchtloos wenschen. Hij kent den prijs, -â »--âTri---^ 6 ~lt;i tV---y--x--/ââ dien Gij besteedt, O eeuwig God! voor menschen. 25. Gij, die 't gesternt voor U ontbiedt. De |
zonnen maakt tot lichten, En d' Englen in
-H»--JTâ a- ^ --9-----B---y--X--^âflâ
uw rijksgebied Gebruikt als bliksemschichten;
26. Gij vindt, daar Gij Gods troon verlaat, Enster-
---amp;----^-----r--»----y---O ±---» ^
ven komt op aarde, Daar G' U met 's menschen
schuld belaadt, In niets, dan menschheid, waarde.
27. Wij
JEZUS GROOTHEID.
Gez. 46.
39
27. Wii zinken voor uw voeten neêr, Ter-
⢠-ftâê-A-.--kS---- -A--lt;t_
wat gij verdient. Hij sterft voor uwe zonden!
35. Ziet, hoe geducht zijn lijden is. En leert
--iv-r-----ö-~---------d--
van uw eer, Uw zondaarsliefde zingen.
de zonden haten; Hij wordt, in nare
=CE=
duisternis. Om haar van God verlaten.
36. En daar ook blijft uw Jezus groot; Men spot,
daar Hij vertrouwde. En eischt, bij 't grimmen
van den dood, quot; Dat Hij zich zelv' behoude.quot; 37. Maar Hij, wiens adem 't aardrijk schudt. Die
O---ft--A---ft--.â-â-----A--«u_
wijl de Hemellingen Als 't hoogste toppunt
|
op 't kruis te dragen; Gij 't beeld van 's Va- â II » f'==sr 1 A --Oâ--^âââ-ââ ders heerlijkheid. Gij 's Vaders welbehagen! --Tâ-Xgt;---?----â 30. Gij, die, als Hij, de zonde haat. Wilt ---ââ¢â !»âeâ^ â o---gâ» » U zoo diep verzaken, Dat G' onbesmet U â¢g-^ . ----fr----^ -liâ zeiven laat Voor ons tot zonde maken. -fj-fl, a--j'-------^ ftâ=^3^1â-y==3é 31. Uw liefd' is groot, is groot als Gij, Door d' eeuwen nooit volprezen; Oneindig als ~ ^ * -4t-z uw heerschappij. Onpeilbaar als uw wezen. VIERDE AFDEELING. H (|, , --------------je-â -gâ» . 32. Buig, zondig menschdom! buig u neêr. Ons heil is in 't gelooven, Zing Jezus liefde, -----------------frâ:â zing zijn eer. Al gaat z'uw' lof te boven. ju quot;quot;quot;T---1~--------'y 33. Bidt aan, verbaasd, verrukt van geest, Bidt aan, verloste scharen! Ziet, hoe uw zonden -amp;===^:- |
dood en graf deed beven, Die mensch werd tot =amp;=:=« zijns vijands nut. Wil sterven en vergeven. 38. Hij sterft, gelijk Hij heeft geleefd, Gelas- Tt-4-â » ftâOâft-.-----â---«â - meer, terd, maar geduldig. Behoeftig, maar aan God verkleefd, Menschlievend en onschuldig. 39. Hij sterft en geeft zijn' Vader d'eer. Door 't menschdom^ snood geschonden, Hij sterft, en geeft aan 't menschdom Dan z' ooit in Eden vonden. 40. 't Heelal zag nooit o-ehoorzaamheid Tot --»---*--é zulken top geklommen, Daar d' Englen voor de majesteit Van Jezus deugd verstommen. 41. Z' aanbidden Hem als 's werelds licht, ^Terwijl zij 't kruis omringen. En met gedoken |
|
't allermeest Zijn grootheid openbaren. 34. Aanbidt Hem, zondaars! ais uw' vriend, Aanbidt Hem in zijn wonden; Ziet in zijn' dood, |
Hem driemaal heilig zingen. aangezigt D O Jood 42. Ja, d' Englen^zingen d^ir een lied,_Schoon met onzigtbre koren, Het klinkt, al hoort de C 4 |
JEZUS GROOTHEID.
-â¢Â»ââ »â75--^-s , . -ttâ rr ^
Gez. 43,
40
|
Jood het niet, Den Heiden zelfs in d' ooren. ^ 43. Gods Englen zweven Jezus na, Min om zijn Godheid t' eeren. Dan om van Hem op Golgotha Gehoorzaamheid te leeren. |
Van allen dwang ontbonden! 51. n Het Lam verwon al wat op aard Het Gods- â gââ4^ .v-â__T-»--^ //rijk zocht te stuiten; Triomf! triomf! het '/ Lam is waard Gods zegelen t' ontsluiten!quot; ^ // en vrij, Hfh A |
44. Ja, uw gehoorzaamheid zoo groot^ Als
52. Komt^strijdgenooten! ook een lied Hier in
deez' aardsche wooning, Al zien wij Jezus
nooit Gods oogen zagen, Immanuël! ver
|
wint den dood, En doet ons d' eerkroon dragen. VIJFDE AFDEELING. ffïj; t âaâaquot;ââ gt; 45. Uw Vader is met ü voldaan, Dat 'sin uw heilig' oogen, O Heiland! op uw glorie-baan, 't Geen 't meest U kan verhoogen. âIlt;r â JL. ââAt |
luister niet, Hij is ook onze Koning! â JT-r----------XV---Tâ--â--gty__-------itV-- liâ 53. Hier opent Hij Gods raadsbesluit, Beslist het lot der staten. Schept natiën, delgt volken uit, En vormt zich onderzaten. 54. Al d'eeuwen liggen bloot voor Hem, Zijn »---«â -«-_________O______^____Oquot;- |
46. Hij zelf verheft uw heiligheid. En wil
uw menschheid kroonen Met zulk een' glans
=£=amp;=
wijsheid bindt die zamen; Hij zal door
d' Evangeliestem Het ongeloof beschamen.
55. Zijn Kerk, gevestigd in zijn bloed. Zal voor
âlt;v---fc--tw____â »-4--^_______»_âA-
en majesteit. Als slechts bij God kan woonen.
geen' vijand bukken; Geen list, geen magt, hoe
PTquot;-
|
v eeuwig waard t'ontvangen De wijsheid, rijk- S:â-âé- â^-^===:g: » - [[â // dom, eer en kracht. En dankbre lofgezangen! â ___ _tv-----y------quot; .-gây--^ 49. »Hij overwon met leeuwenmoed De hel -----»---â-----V-.--6 ----y----- //en al haar magten. Hij kocht ons Gode -pââr=3g:___^_^=---â » » â[tâ // met zijn bloed Uit allerlei geslachten. ^ 50. /gt; Triomf! als Priesters naadren wij, Gerei- â--â »--^â J. o â aâ-gâa-â4â-----/ // nigd van de zonden, Als Koningen gekroond |
sterkte geeft. Wat kwaad ons ook bejegent. ^ 57. Hij meet de maat van al de smart, Die ooit tt--â »â=»:=â--y--â»--^---â »â----râ/ ons hart bestormde. En heeft den toegang tot 11 ^ 1---â »- *- âa---~'S J. ttâ dat hart. Dat Hij ^als^ Sdiepper vormde. 58. Die in ons oog de moeite leest, Toont ons â n-â-a-------â-g---âo--â » .% â/ zijn medelijden; Hij is, als wij, verzocht trâtt-.--â »------- -y .-l _ II geweest. En sterkt ons, als wij strijden. 59. Hij |
JEZUS GROOTHEID.
Gez. 46, 47.
41
59. Hij is 't, die al ons lief en leed Beschikt,
â A *âA.--- â A--â---A.----A--J.
67. Kom, Christenschaar! kom, waken wij!
60. Triomf! die voor ons stierf regeert! Hij
â¢quot;-------- » »-a ----4---4- v
stof begeert. Voor eeuwig bij den Vader.
of wil gehengen, Om op het spoor, dat
J_quot;TV â quot;'K*quot;quot; A ----i , II' '
Hij betreedt, Ons weêr tot God te brengen.
â ⢠_g-â/
tigde de zonden! Triomf! voor eeuwig is
ter, is nabij, Hij , 't voorwerp onzer zangen!
47, JEZUS LOF OP AABDE.
Wijze : Psalm 36.
Hij let op onze gangen, Hij, onze Reg-
â A--------------A.------------------
betaald Van goddelijke waarde. Al wierd
p-j--xr O- --TT iv---V-
de dood Door Jezus dood verslonden!
62. Hij is't, die op de wolken komt! Buigt, Christ-^ nen! buigt u neder Voor Hem, voor wien 't heelal verstomt; Hij komt! ja. Hij komt weder!
deez' aard, door onze schuld,
Met
smart, en angst, en vloek vervuld. Al
staamlen onze tongen. Hier op deez' aavd,
|
63. Hij komt en^ draagt de gloriekroon, God ^ toont zijn welgevallen. En geeft aan Hem, des menschen Zoon, Het oordeel over allen. 64. Al 't hemelheir, geheel de hel, Al d'aard -*â --Aâ«â-â¢Â«â,â-A- voor Hem gebogen. Erkennen Hem d' Im-manuëU Wiens grootheid wij verhoogen. |
daar Jezus leed. Daar Jezus eisch voldeed. Hier zij zijn lof gezongen. 2. Gij Zoon van God! Gij mensch, als wij. Gij Jezus! onze roem zijt Gij, Gij 's Vaders eer op aarde! Gij grootst, daar Gij diepst verzaakt. Hebt hier door lijden ü Gods aan |
|
65. Hij vonnist, en de hemel juicht: '/Hij is â -O- //die eere waardig!quot; Hij vonnist, en 't heelal getuigt: //Zijn vonnis is regtvaardig!quot; treâïâ , ------7â -»â a. â^ 66. Hij vonnist. Hij, de vriend van God, De vriend â pââ¢Â»-»-â^--â »-^------ oâ a ^^-J- ook van de menschen! Waar kan de zondaar yây-rg-â ^ -g--- beter lot. Waar beter' Regter wenschen? |
volmaakt. En gaaft der menschheid waarde. O welk een heil! o welk een eer! Valt, volken! valt voor Jezus neêr. Aanbidt den Zoon des menschen. Ons heil staat vast voor d' eeuwigheid, Gods Zoon voldeed Gods majesteit; Wat kan men grooter wenschen? C 5 3. Deez' mi |
JEZUS LOF OP AARDE.
Gez. 47, 48.
42
|
3. Dcez' aard, waar Gij uw lijden leedt. Uw ^^---^-S-ââ â---- lessen gaaft, uw wondren deedt, Waar *-==ââ--. ; 's llegters vloek U griefde; Deez' aarde, --3*=Z die uw bloedzweet dronk, Waarin uw lijk - -â¢Â»-^ ^ »--â ten grave zonk, Verkondig' uwe liefde: Dat elke knie voor U zich buig'. Dat elke tong uw' lof getuig', Elk hart, ü |
4. Die ons door zijn bloed Kocht tot onderdanen, En ons stug gemoed, i Tot de reinste deugd. Tot de hoogste vreugd, Hier den weg wil banen. 5. Die ons, bij de hand. Door dit moeilijk leven, Leidt naar 't vaderland; En, wie op Hem bouwt. Woord en |
|
opgedragen, Zij à een lied, zij U tot vreugd, En wij, och! dat w' in liefd' en deugd, Ãw beeld op aarde dragen. |
trouwe houdt Tot in 't eeuwig leven. 6. Ach! ons schamel lied, Vurigst aangevan- à gen, Meldt uw liefde niet. Och , vergeef ons, â â---â .±^=-A. O » Heer! Onzen dank, onz' eer. Onze lofgezangen. SEE ÃIee 7. Wat, wat zien w'in 't stof. Heiland! van uw waarde! Wat is hier uw lof! Van 't verlossingswerk, Jezus! ziet uw Kerk Slechts een stip op aarde. |
|
het laagste stof Klink' uws Redders lof. Waar ook menschen woonen. 2. Zingt des Hoogsten Zoon, Ons van God gegeven! Van zijn' hoogen troon, |
8. Wat Gij ons geslacht. Toen de dood U griefde. Heer! hebt aangebragt. Meldt slechts d' eeuwigheid: Niets, dan d' eeuwigheid. Meldt een eeuwge liefde. 9. Welk een licht hier schijn'. Wat wij heilrijks wenschen. Alles, wat wij zijn. U alleen Zijn wij U verpligt, |
|
hoog verheven. Zondaars wil ontslaan; Elk, die tot Hem vlugt. Welk een straf hij ducht', Alles wil vergeven. |
Redder van de menschen! verpligt, 10. Ja, U kiest ons hart Eeuwig tot â==1^ zijn Geld' Koning! Ouder vreugd en smart |
|
hart uw' Geest Eeuwig tot een wooning! 49, AAN JEZUS DEN VERLOSSER. Nieuwe zangwijze. V1 erlosser. Vriend! o hoop, o lust Van ^ die U kennen, neem het lied, Dat U in 't stof *-«â----^---^«-------^ ^ een stervling biedt, Een zondaar, die uw |
'tschepsel dient, JDer Jlng^len Hoofd en Koning, Verwacht mij in zijn wooning; Ik ben zijn vriend!^ 4. Bedreigt mij leed, ontmoet mij smart. Ik vrees geen kwaad, maar klaag het Hem; Hoe -â-âJ2b--^-.-fr -------^ groot in eer. Hij hoort mijn stem; Hoe ver ^ van d'aard. Hij kent mijn hart, Gods Zoon |
|
^voeten kust^ Een zondaar, een verlost], o Heer! En nu geen zondaar meer: O! neem het aan. Gij laat geen' bidder staan, -â--iN â â.gt;----*gt;-â ^ ^ \S . - lt;gt;----/ Gij^ hoor^ in Hemellingen Verloste zon daars zingen ; O! neem het aan. 2. Ja, 't was uw lust, een mensch te zijn! |
vergeet ^ler^ broeder^iiet, Dien Hij op^ aarde ^ ^ ^liet; Hij is mijn hoop. Hij wiesch^mij^ niet ^ zijn' doop. Hij geej't mij brood en beker, 'kBen van zijn liefde zeker; Hij is mijn hoop! ^ 5. Waar is een vreugd, een kalmt', een heil, Zoo zalig, als dit hoogst genot? Het vloeit -4t----ty-»-ââ--- |
Uw Vader heeft, op uw gebed. Zijn eer
--£--aâ--
uit God, en keert tot God, Het heeft, noch
|
gehandhaafd, ons gered; Uw liefd' ontzag, noch leed, noch pijn; Daar traadt Gij op, met moed en kracht. Tot heil van ons ge- ^ slacht. Wij zijn verlost. Maar 't heeft uw' ,-4».--A-â-é-r------ a- lt;.v--â dood gekost, ^ Gij^l^gft, Gij leeft! en 't leven Wordt ons teruggegeven; Wij zijn verlost! 3. Nu leeft Gods Zoon in menschlijk vleesch! Hij stierf voor ons^, inaar leeft bij God, En sterft niet meer. O zalig lot! Gods Zoon, dat d' aard haar' Schepper vreez'! Gods Zoon, n iâ-6--A---£--O-ââ »--â -a--â------ £ verhoogd in heerlijkheid, Heeft mij daar plaats |
maat, noch perk, noch peil; In Jezns is miin ...O O ---------------amp;-Z zalig lot Verborgen bij mijn' God; Hij is T- * ^ ^ ^------.âL^,-- mijn lust. Ook als mijn stof eens rust. jâ----fr O---J».-------amp;- O! pi'ijst Hem mijn gezangen ! Ik blijf zijn komst verlangen; Hij is mijn lust! 50, A A N JEZUS. Wijze: Gezang 38. ff alleluja! lofgezongen Jezus Christus onzen Heer! Paart, verlosten ! hart en tongen, Juicht zijn liefd' en magt ter eer! Hem, die redt uit alle nooden, Die waarachtig en getrouw , |
|
44 A A N J E Z ü S. Gez. 50, 51. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
JEZUS TROUWE.
Gez. 51, 52.
45
|
wenn'; Laat vooral mijn laatste dagen Blijken dragen, Dat ik Jezus eigen ben. GELOOF E N VERTROUWEN. |
Door den kruisdood van zijn' Zoon; Onder Pontius Pilatus Heeft Hij onze schuld betaald, ü Is gestorven, is begraven, Is ter helle neergedaald. rxâr--gâs--Ã:--g o-x gg---âquot;quot;quot;SF1? 5. Hij verrees ten derden dage, Wien de döod niet houden kon. Die, door sterven en herleven, Dood en graf en hel verwon: Zoo bleek Hii Gods Zoon te wezen. Zoo is tâ.... a--^ Hem ons heil betrouwd. Hem, wiens sterven |
|
vertrouwen Als mijn' Vader en mijn' God. 2. Ik geloof in Jezus Christus, D'eengeboren' Zoon van God, Door wien alles is geworden, 't Woord bij God, en zelf ook God; 'k Eer dien Zoon, gelijk den Vader, 'k Buig mij dankbaar voor Hem neer. Die mij vrijkocht en verloste, Hem erken ik voor mijn' Heer. |
de heemlen doorgegaan; Aan Gods regterhand gezeten Nam Hij 't roer der schepping aan; Zoo werd Hij ten Heer en Christus, Door Goda Englen toegejuicht, 't Voorwerp van der men- schen hulde. Voor wien eens 'theelal zich buigt. 7. Eenmaal zal Hij wederkomen. Eenmaal houdt Hij , 's menschen Zoon, Plegtig oordeel |
3. Van den Heilgen Geest ontvangen, En ge- i over allen, Rigt Hij levenden en doón,
|
boren uit een maagd, Is Hij vleesch voor ons geworden. Hij zoo diep voor ons verlaagd; Ja, Gods Zoon werd onze broeder. Zoo bemint Hij Englen niet; Englen zijn wel hooger wezens, Maar Gods Zoon hun broeder niet. 4. Jezus, onze Zaligmaker, Leed vervolging, smaad en hoon, God verzoende zich de wereld |
Elk naar 't geen hij deed in 't lig- -----------------y------ chaam, Zoo beslist Hij ook mijn lot; Maar dit troost mij. Hij, mijn Regter, Heeft ^ mijn ^ schuld betaald bij God. 8. Ik geloof van ganscher harte In den Heil- tf=^=- . . ^ -rr=:^j=: ^----^ gen Geest, dien Geest, Die Gods Kerk en mmm heilgezanten Steeds ten Leeraar is geweest; Die |
46 DEGELOOFS
ARTIKELEN.
m * M.---.
Gez. 52, 53.
|
Die ook mij wil troosten, leiden, En, be tracht ik eenig goed. Beide 't willen en 't volbrengen Godlijk in mij werken moet, 9. Ik geloof een Kerk, die heilig, Christlijk rr quot;â â â 1 - ~âa ^ »-- is, en algemeen, In geloof, en hoop, en liefde. En in zalig uitzigt één; Ook der heiligen gemeenschap, Zamen één van zin en hart, Deelend' in elkanders vreugde, Deelend' in elkanders smart. |
^ waar is uw prikkel? Graf! waar is uw zegepraal? 13. Eeuwig, onbegrijpïijk Wezen, Vader, Zoon en Heiige Geest! Leer mij daaglijks meer U kennen, U gelooven allermeest; 't Heil van zondaars voert uw liefde Tot den allerhoogsten top; Amen! godlijk Evangelie ! Amen! zegt mijn ziel daarop. 53. GELOOF AAN GOD. Wijze: Psalm 36. |
|
10. Ik geloof de schuldvergeving ^Enkel om des Midlaars bloed; In mijn eigen werk en waarde Is geen troost voor mijn gemoed . Alles, alles is genade: Hoe strafschuldig ik dan zij. Ja, mijn Vader! ik ge-loove. Al mijn schuld vergeeft Gij mij. 11. Ik geloof, dat dit mijn ligchaam. Schoon tot stof en asch vergaan, In den jongsten aller dagen Weêr verheerlijkt op zal staan; Dan onsterflijk, onverganklijk, Kent het geen verderfenis. Dan zal 't schoon en heerlijk wezen. Als mijns Heilands ligchaam is. 12. Ik geloof een eeuwig leven. Mij door Jezus EEErEi* zelv' bereid. Ongekende hemelvreugde, Stoo- relooze zaligheid, Leven zonder ooit te sterven, Vreugde zonder eind of paaL Zond' en dood! |
^ 1 â '» â--------- ijn God! wat ooit in mij verdoov'. Dat ik altijd aan U geloov', Aan deugd en eeuwig leven; Dan zal 't gevoel van mijn waardij, Hoe hobblig hier mijn pad ook zij, Mijn' boe- â ----ZZZ^ ----quot;1=--- zem nooit begeven. Op welk een' nacht mijn oog ook zink'. Schoon ook geen star meer voor mij blink'. Met U zal ik niet vreezen: Zweeft Gij m'in nood nog voor 't gezigt. Dan zal, wat om mij vall' of zwicht'. Mijn deugd beveHigd wezen. 3 ^ .....^ ^ ' ----â ^ ^ 2. Gij, algenoegzaam in U zelv'. Die 't wormpje ïi;-JS=--3 ^ ^ ==^=3/: schiept, en t stargewelf Met zonnen hebt rF- ' ' -^----Tââ . . ==^3* 1 g ^ O â ^ ---4- v ^, _ g ââ-â ontsteken, Zijt ook mijn Schepper, ook mijn stof Bezield' uw liefde tot uw' lof. Niets kan dien band verbreken. Gedachte, die mijn ziel j-ti-g--« â f --^ ^ 6 -^=3!E=:^g verrukt, Hoe diep in 't stof ter neergedrukt, In troost niet aftemeten! //Ik nietig //stip- |
k
trrrtv-^
i
47
GELOOF
Gez. 53, 54.
AAN GOD.
4â» â
|
//stipje in 't heelal Ben, onder 't maatloos ^â amp; «^r.. . //schepslental, Niet van mijn' God vergeten!quot; 3 0! zooquot;mijn hart, nog afgeleid Door mijne diep' onwaardigheid. Uw liefde kon mistrouwen; Hoe zinkt mijn laatste twijfling neêr, Als ik op uw geschenk, o Heer! De gift uws Zoons, mag schouwen: Och! dat ik starend' op dien Zoon, Altijd tot uw' genade-troon Vertrouwend, vrolijk nader'. En, veilig in uw' liefdeschoot, Tot U nog stamel' in den dood, //Mijn Schepper en mijn Vader!quot; door gena'? O zalig hij, die, uit zijn nooden Tot Jezus en zijn heil gevloden. Daar dank-bre liefdetranen schreit! Op 't woord des Vaders te vertrouwen. En door 't geloof den Zoon jg â :-3Eâ ft j KL o * lt;«âö---- t' aanschouwen Is hier de weg tot heiligheid, 3::±1L-S -------ZIT . ^ 9 ^ ^^--- 2. Geen heiligheid wordt hier gevonden. Die niet op dezen wortel groeit; Hieraan is alle |
3. 't Geloof, ja, leert ons heilig leven, Daar ^ 't pligt uit dankbaarheid betracht, Maar 't wer- ^ ken kan die rust niet geven. Waarnaar de ^ ziel zoo hijgend smacht. Hoe dieg g' uw schuld voor God moogt voelen, De zonde zal ^ steeds feller woelen. Zoo lang gij niet op ^ Jezus ziet. Rigt, waar g'ook henen wilt, uw gangen, Als zondaar moet j;ij gunst ontvangen, Uw eigen deugd verdient die niet. Vergeefs 't wanhopig kermen, zuchten. Niets --g-- wijken, üw vast verbond zal niet bezwijken, Uw eed wordt nooit van kracht beroofd; Ãw -A- Zoon voldeed aan uw bevelen, Volbragt uw wet in al haar deelen; En ik, ik heb in Hem geloofd. 5. 0 Gij, die onze schuld woudt boeten Door uwe gadelooze pijn, O Heiland! leer mij aan |
|
deugd verbonden. Die immer voor den hemel -O ft,â |
uw voeten In eigen oog een zondaar zijn. .^-r----jC, |
bloeit. Vergeefs is al het moedloos duchten.
Met al mijn deugd, bij al mijnwerken. Vind
ik
J
J
NOODZAKELIJKHEID DES GELOOFS IN JEZUS CHRISTUS. Gez. 54, 55, 56.
48
ik geen' troost, die mij kan sterken, Geen
hoop, dan die ik op U bouw: Op uw genade
zal ik leven. Op uw eena' den doodsnik
y -F-â----v---£ » O-Vâft
geven, 0 Heer! aan wien ik mij vertrouw.
met in ^al zijn smarte. Dat hem zijn vader mint? Geen dwaze vrees beklemm' uw harte. Uw Vader kent zijn kind.
2. U al uw zonden te vergeven Dat is
|
dan ooit doen beven. Zelfs in 't allergrootst gevaar? 't Woord van God blijft eeuwig waar, âijfcâ1 1 -Si:£:=.âlt;lââ^5:==^ . , s--fr---g-â Zelfs in 't allergrootst gevaar; Wat zou ons dan ooit doen beven ? God heeft ons zijn woord gegeven! 2. Trotsche bergen zullen wijken. Vaste rot sen eens vergaan; Zijne trouw zal nooit be zwijken, Zijn verbond blijft eeuwig staan â-j. Laat de wereld zelfs vergaan. Zijne trouw =*= blijft eeuwig staan; Wat ooit wan kien moog of wijken. Zijn verbond zal nooit bezwijken. 3. Treurigen, het hoofd naar boven! 't Hoofd naar boven, hoopt op God! Wat Hij zweert moet gij gelooven, Zelfs in 't hachlijkst levens- liili lot. ^ Vest uw vaste hoop op God, Zelfs in 't hachlijkst levenslot; Heft blijmoedig 't hoofd naar boven! Wat God zweert moet gij gelooven. |
uws Vaders eer; En, hebt gij ook op --yâ--â â??===^â^---»- nieuw misdreven, Reeds heeft, wat wilt gij meer? Uw Vader al die schuld vergeven: Geef dan uw' Vader d' eer. : ft ---B-â^âO O ~ 3. Nog leeft, nog werkt in u het kwade, -------4---J. 't Is billijk, dat gij vreest; Maar hoop âg-------lt;â ---»'---:-râ--- met een op Gods genade, En bid om zijnen Geest; Die overwint in u J ___3-t -â--y--------H- het kwade, En alles, wat gij vreest. u , ---fr- ff a ---/ 4. Het kind vertrouwt zich aan zijn' tt 6 â . âI-T-j_» «vgt;---- vader. Dat is een vader waard; Uw ttâ-»-*r--TTâ---^ »- xc a -â , -TCâ» J- Vader ook! wien hebt gij nader In hemel nâ»â---B-â-=quot;7â^ât of op aard ? Uw Schepper is uw trouwe lülü Vader, Al uw vertrouwen waard. 5. Ontvang het pand van ziine liefde, 1=^--7^:^=--=:quot; Aâ--ffâ^ Ontvang zijn' eigen' Zoon; Omdat uw treu- |
OPWEKKING TOT KINDERLIJK VERTROUWEN.
49
Gez. 56, 57.
ÃiÃÃE
treurig lot Hem griefde Verliet Hij
't goede. Maakt Gij mij het hart! ^Die ^
|
zijnen troon. En stierf voor zondaars: God m is liefde! Ontvang Hem in zijn' Zoon. 6. Och! was ik zoo uit God geboren. Ik |
op ü vertrouwen^ Doet G' uw heil aanschou- ^ wen. Redt G'uit alle smart. Nimmermeer Doet Gij, o Heer, Vriend en troost in i |
|
deed eeen zonde meer *, Zoo zucht gij: H--3--:----- 't is ook u beschoren. Geloof en dien den Heer; Dan juicht g', ik ben uit God geboren. Ik doe geen zonde meer! 7. Wij mogen ^ alles van Hem wachteiv, Geen vader is zoo mild: Hij geeft op |
droefenissen! Mij verkwikking missen. ^ 2. 'k Zal met zijl en lusten In uw' wil be- --4 mij toe met moed. rusten. Wat Gij wilt is goed: Niets vermag v mijn |)ogen; Maar uw mededoogen Rust Als 't heelal Zich â -a6 neigt ten val, Als uw oordeel angst |
zal wekken, Zult Gij mij bedekken. 3. Aan mijn laatste snikken Denk ik zon-
-----A--âT.yyâ----------------
Gevallen
=S=a6
Wie kiest zich zelv' den dood? -o.-
der schrikken. Mijn Verlosser leeft! 't Lig-chaam moog verderven,, 'k Weet, dat Hij, na 't sterven, 't Heerlijk wedergeeft. Bange
dood, 0 laatste nood! Doe vrij 't hart van zondaars siddren. Wat heb ik te siddren?
Englen mogen beven, Maar gij, vrees gij
geen' nood; Gij kunt met Jezus eeuwig
|
is hel, noch dood. Voor =^=XE:= leven, TCp==^== 9. Geen dwaze vrees beklemm' het harte. |
4. Ook voel ik met smarte Zonde, die in 't harte Mij met kracht bestrijdt: Doch |
|
Of wanhoopt ooit het kind? Het voelt, te midden zijner smarte, Dat hem zijn vader mint; Ueen dwaze vrees l)eklemm' dan 't harte. Uw Vader kent zijn kind. |
uit al ^dit kwade Redt mij uw genade. Naar uw woord, altijd. 't Zuchtend hart, Dat in zijn smart Redding van uw gunst blijft wachten. Zult Gij niet verachten. i=-K .v JTâT--------=^â-^-=^=^==^=2,*^ 5. Dat ik in U roeme, U mijn' Vader noeme. Vrij tot U mag treên; Dat ik, als ik sterve, D Uwen |
BLIJDSCHAP DES GELOOFS.
Gez. 57, 58-
50
|
Uwen hemel erve, Komt van U alleen. Dat uw hand Mij houdt in stand, Dat Gij mij behoedt voor 't kwade, O! dat is genade. 6. Jezus, die uw leven Voor mij hebt gegeven. Opdat nimmer nood ^ Hopeloos mij griefde, Groot is uwe liefde, Sterker dan de dood! En ik. Heer! Zou tot uw eer In uw heil mij niet verblijden. Uw mijn hart niet wijden? 7. Ã opregtte vreezen Moet mijn blijdschap wezen, Zonde mijn verdriet; Wereldscl^vergenoegen , ^ O! dat is 't genoegen Mijner ziele niet; Mijn gemoed Kan al het goed. Waar hier |
die trouw is, is mijn vrind. En zijn Geest zegt aan mijn harte. Dat ik eeuwig ben Gods kind. Vrees voor straf doet mij niet sagen. Wil mijn hart mij al verklagen, Nogtans vat ik moed in smart; God is meerder, dan mijn hart. 2. Hij , de kenner van 't verborgen, Kent ook mij, en weet alleen, Hoe ik hier in al mijn ^ zorgen Hijg' naar zijnen dienst alleen. Ja, Hij weet, hoe diep mijn zonden Steeds op , Mijn geloof dat ziet Hij aan. Door nieuw mijn ziel doorwonden: Niet mijn on geloof en waan 3. Mij heeft Hij zijn' Zoon gegeven, ] |
dwazen ooit naar trachten, Rijk in U, verachten.
't geloof nam ik Hem aan; Ja, ik weet
het, ik zal leven, En door Hem ten he-
8. Heeft het goed der aarde Wezenlijke waarde.
Schept het vreed in 't hart ? Neen ! wat ziin ver-
ââ »-
mei gaan. Zelfs eer ik nog was geboren,
maken. Daar wii hier naar haken? IJdelheid ----â_----
Heeft mij God in Hem verkoren. Eer de stem
|
en smart. Gij verheugt Met ware vreugd; Gij zult allen, die ü eeren, Eeuwig weder eeren. 9. Vol van uw genade. Trouw behoed voor van zijne magt Immer iets had voortgebragt. 4. Wie zou dien nu nog verklagen, Wien God |
zelf verkoren heeft? Wie zou daar 't verdoemen |
't kwade. Leef ik in U blij; Dat die vreugd mijn ^
wagen. Waar God zelf de vrijspraak geeft?
Neen, geen hel kan mij vervaren, Wien God
harte, In de grootste smarte, Steeds tot sterk
te zij! Zoo verblijd Wacht ik den tijd. Om het
doodsdal door te streven Naar het eeuwig leven.
zelf wou vrij verklaren, Wien geen schuld, hoe
groot, verdoemt, Daar mij God regtvaardig noemt.
5. Jezus Christus is gestorven, Is verrezen
ook voor mij; Heeft de zegepraal verworven ,
|l
i
G E L 0 0 F S R O E M.
Gez. 58, 59.
51
ven. Die verworven ook voor mij. Aan E$=5==
van menschen, raad van vrinden, Bittre haat
van kwaadgezinden, Hoogte, diepte, vreugd
Gods regterhand gezeten, Zal Hij nim-
---- quot;
Het DANKBAAR LEVEN van den CHRISTEN.
mer mij vergeten; Neen, uit deernis met of rouw, Niets ontrooft mij aan Gods trouw.
mijn lot. Treedt Hij voor mij in bij God.
59. WEEKDADIG GELOOF. Wijze: Mir nach, spricht Christus, unser Held.
6. Trots de wereld en haar' laster. Trots de
hel en al haar woên. Steun ik op Gods liefde
|
vaster; God zal mij getrouw behoên. Niets dat mij van God kan scheiden, 'k Zal, wat ramp mij moog verbeiden. Juichend mid- -JSx den in de pijn, Meer dan overwinnaar zijn. 7. Ruwe stormen mogen woeden. Alles om mij heen zij nacht. God, mijn God zal mij behoeden, God houdt voor mijn heil de wacht. Moet ik lang zijn hulp verbeiden, Zijne lief- |
1 wie Gods woord niet houdt, en zegt, quot;wik kenne Godquot;, spreekt logen; 't Geloof is in hem niet opregt. Hij heeft zich zelv' bedrogen; Maar wie dat woord getrouw bewaart, Die is uit God, en niet van d' aard. 2. 't Geloof, dat door het woord ontstaat. Dat moet ook liefde werken; Hoe hooger uw vertrouwen gaat, Hoe meer het die -3^:- |
|
hoe digt. Voert Hij mij in 't eeuwig licht. 8. Ja, verleidend is 't vermogen. Op ons hart, van 's werelds goed. Glans van eer verbij- - ==amp;= stert d' oogen, Weeldeteugen smaken zoet; Vleijend is de gunst der grooten. Vaak met groot gevaar genoten; Hooge lof leidt ligt van God, En nog ligter bittre spot. 9. Maar, wat lot, of dood of leven. Smaad of eer, mij ooit verwacht', Jezus zal mij nooit bege |
ven ; Ben ik zwak, bij Hem is kracht: Gunst alleen. Het sterkt, en reinigt ons met een. 3. Gezuiverd door des Heilands bloed. Schenkt God ons zijn genade; Die dit vertrouwen quot; op Hem voedt, Die wacht zich ook van 't kwade: Hij wordt dus daaglijks, meer en meer. Gelijk aan 't beeld van zijnen Heer. 4. Zij zijn 't, die God in gunst aanschouwt. Die zich gehoorzaam toonen; In elk, die Gods geboden houdt, Moet ook de liefde woonen; Een daaglijks werkzaam Christen D 2 toont de blijft mij leiden; Door een'nacht, hoe zwart, ! moet sterken: 't Geloof verlicht ons niet iü-Ã1 |
WERKDADIG GELOOF.
Gez. 59, 60.
52
|
toont Het waar geloof, dat in hem woont. 1 -â-11â ââ- ^ â 5. God blijft in ons, en wij in Hem, Als ^ --------â~rz: s ^ w1 in de liefde blijven, Door haar voelt |
ken tot een' vader strekken. Deel onder --â__a. â-sâ . â sâ/ hen uw haav' en goed; Nog niets hebt g'in Gods oog gegeven. Zoo liefd' en dank uw hart - ----------- |
niet dreven, Niets, dat u eenig voordeel doet.
zich der Englen stem Tot Gods verheffing
drijven; God is de liefd', en Hij bemint
4. Beschaam den grootsten heldenmoed. Red
steden, volken, heele landen. Vergiet voor
-----iV---x---:----. --------*râ ⢠T-
Geen hart, waar Hij geen liefd' in vindt.
|
60. BRON VAN GOEDE WERKEN Wijze: Wenn zur Vollführung deiner Pflicht. Fjpf====p= .a--» a ----â--: oo gij, in ijver tot uw' pligt. Niet door Gods liefde zijt ontsteken. Zoo roem niet, dat g' iets goeds verrigt. De ware deugd blijft u ontbreken; Zoo wel- lust, . vleeschlijk overleg. Of hoogmoed u ten goede raden. Al doet gij ook de beste V_^ --_______--quot;t daden. Bij God hebt g' uw belooning weg. 2. Wees, door de grootheid van uav' geest. Het wonder en 't^geluk der menschen, Bedoelt g' u^ zelv' in alles meest, Is d' eer het wit van uwe wenschen, Is 't niet Gods liefde, die u drijft. Zoo weet, dat gij, bij 't grootst vermogen, Bij Ãnglenwijsheid, in * ssss ^ 31 _ ^ s Gods oogen Niets meer, dan klinkend koper, zijt. 3. Sticht huizen, geef daar d' armoe' brood. Deel kleedren uit, die naakten dekken. Ontruk de weduw aan haar' nood. Blijf 't wees-'t vaderland uw bloed, J^aat voor de waar-^ |
beid u verbranden; Voert niet de liefd' in u 't gebied, ïe dwaas zoudt g'u daar op verlaten; 't Kan alles u voor God *â»= niet baten. Hij acht all' uwe werken niet. 5. Was doen bij Hem alleen de pligt, Zoo kon Hij ons tot alle dingen, Door banden der natuur, zeer ligt, Door krachten zijner uâ:--------- â-6------gâ--S==5à almagt, dringen; Voor Hem, die alles geeft IT g _a:.- ------r-âTT - en maakt. Geldt wijsheid niets, niets gelden krachten; Hij wil het doel zïïn van uw~ ----------L--â--^j----â --- trachten, Hij eischt, dat gij in liefde blaakt. quot; -=A. -g-ISà 6. Een hart, voor dwaze zelfsmin doof. Door ijdlen hoogmoed niet verheven. Vernieuwd ^ tot liefd' uit waar geloof. Door zuivre --yâ----------5--â »--â »=_' godsvrucht aangedreven; Dat is 't, wat ^ God in ons behaagt. En, zoo wij niet -^ quot; quot;TTââX â? dat hart bezaten. Zoo zou een leven ons niet baten. Dat roem op Englendaden draagt. 7. Ver- |
53
EDE WERKEN.
Gez, 60, 61.
BRON VAN GO
â Jfe-
|
7. Vergrijp u dus niet aan den schijn, Noch aan den klank der ijdie namen, Vraag niet 4=3:=--s----»----- slechts, wat uw daden zijn. Vraag meer uit heiligheid; ,â-lt;^â--- 1 |
De schrik van Horeb is ver- --»--------B----7-â^= kunt gedoogen, Eischt dankbre liefd' en -------------O--» -- dwenen, Gena' en waarheid zijn versche |
|
welk een hart zij kwamen, Doorzoek voor God, die alles ziet. Of 't ook door liefde zij ontsteken; Hij, wien 't aan liefde blijft --=-----T5-----â »-tr-5â-- ontbreken, Heeft ook het waar geloove niet. 8. Bezielt u liefde jegens God, Zij zal u in het goeddoen sterken. Gij zult de kracht van haar genot Aan liefde tot den naasten merken; De liefde, die gij oef-nen; D'Immanuël uit Ephrata Wou, door |
gehoorzaamheid en lijden. Ons van^den vloek der wet bevrijden, Dat is volbragt op Golgotha. flTil) ? = âil. J ±. a..... ..^=â-2â1^--- 2. Maar, als ik in 't geloove roeme, Doe ik dan ook de wet te niet? Neen! Jezus! wien 'k mijn' trr--=-----------5---g Heiland noeme. Dat leert uw Evangelie niet! , r-----s-r-r---â»â --±â-*-?-=:===*==^ 'tjGebod^is heilig, wijs, regtvaardig, 't Geloof maakt mij tot goeddoen vaardig, 'k Ge- â .--:------y k-^rây-^ u -TT » ^ 'IVâ-=x=:zï£ |
hoorzaam uit erkentenis; 'k Geloof, en toon ^ graag in mijn daden, Dat,^die miji^ scheld op zich wou laden, Geen dienaar van de zonden is. 3. Al ben ik niet als Abrams zonen 't Egyp
tisch diensthuis uitgeleid, God wil mij grooter
-------------------------------------------------lt;E=
gunst betoonen. Voor vloek schenkt Hij mij
-feâr-fr 1^= lt;gt;----g---y----
nen zult, Is goedig, zonder list of tre
ken, Lacht nooit ^om 't aanzien van gebre
ken , Zij zwelt niet op, z' is zelfs geduld.
9. Zij sluit het oog voor 's naasten kwaad.
Neemt nimmer in zijn' val behagen. Werkt
nooit uit schandlijk' eigenbaat, Kan 't al ge'
|
looven, hopen, dragen; Zij is 't, die ons met kracht voorziet. Om naar volmaakte deugd te streven, ^iij maakt Gods wil uw vreugd en leven. En namaals zelfs begeeft z' u niet. |
zaligheid; ^ Hij wil mij al mijn schuld vergeven, Opdat ik tot zijn eer zou leven. Dan, dan ben ik in waarheid vrii; Geef mii, mijn God! ^ââ »ââ4â dat ik uw wetten Ten regel van miin doen --in â x--------*-a-â%----- |
|
61. W E ï VAN GOD. Wijze: Gezang 54. r |
k nader voor uw heilig' oogen, Onein-moog zetten. Uit dankbaarheid gehoorzaam zij. 4. Ik ben den dienst der valsche godeii, Ik ben der groov' afgoderij , Bij 't licht der waarheid, |
wel ontvloden. Daar is geen ander God, dan
dig' Oppermajesteit! Gij, die geen zonde
D 3 Gij;
HÃÃÃÃÃ
WET VAN GOD.
Gez. 61.
.o ^
54
bereid': Mijn arbeid eindig' in zes dagen. En
Gij; Maar, ach! het snood bedrog der zinnen,
En 't zondig eigen t' overwinnen, Dat valt mij
mijn gezin, van werk ontslagen, Vier' dan
den rustdag nevens mij. Uw roem, mijn Schep-
* -A- *
zwaar, en baart mij smart: Och! mogt, wat ooit
|
mijn driften streelde, Geboorte, rijkdom, eer of weelde, Nooit afgod wezen voor mijn hart. 5. Geen beeïdendienst kan mij bekoren, Ik buig voor hout noch steen de kniên; Maar of ik daarom naar behooren U steeds in geest en waarheid dien'? Ach! neen, ik blijf in 't pligt betrachten Te vaak mijn eigen daden achten, Naar 't geen voor menschen deugdzaam scheen; Naar 't geen in uw oog niets betee-kent. Heb ik miin' godsdienst vaak bere- _ ----___---:fe O lt;» .s t|-- kend. Gij, God! ziet op het hart alleen. 6. Laat nimmer mij iets zwaarder wegen. Dan uw geduchte naam, o God! Nooit worde laf door mij gezwegen. Wanneer men uwen naam bespotBehoed mij voor ligtvaardig zweren. |
Maar dat, nu Jezus is per! zij geprezen, . quot;it verrezen, Die rustdag Hem geheiligd zij! 8. Geef, Heer! dat ik mijn ouders eere. Voor hunne zorge dankbaar zij, Uit hun ervaring wijsheid leere, Door liefd' en eerbied hen^ ver- blij'. Dat elk, wat rang hij ook bekleede, Zijn kracht tot aller heil bestede, En nut tig zij in ^zijnen stand. Opdat, door U, o God van orde! Elk naar uw woord geze- xV ^ ^ * Voor hen, die zijne beulen waren, In 't midden -------fc-nrâ-- . . â»â -*r « --â--tV-â»4 gend worde In een gelukkig vaderland. 9. Partijschap, haat en zucht tot wreken. Wan neer men mij beleedigd heeft, Blijv' eeuwig ver van mij geweken. Daar Gij mij al mijn schuld vergeeft; Mijn Heiland bad voor moordenaren. |
|
Voor misbruik van den naam des Heeren, Wan- neer ik met mijn' naasten spreek, En, kan ik uwen eed niet mijden, Leer mij dan liever alles lijden. Dan dat ik ooit dien eed verbreek. 7. Uw eerdienst zij mijn zielverlangen, Zij steeds mijn eer en zaligheid, Dat uwe heil-» â ».â * leer, daar ontvangen. Mij voor den hemel toevan de felste pijn; En ik, zou ik, om beu- |
»â ---X--.H ------- zelingen, Mijn' medemensch naar 't leven r-T~- âââyâ»- ^ ^ââ »---.vâftâ dingen, Ik liever 't beeld des satans zijn? ^ ==--- ^ ^ 10. Heer! reinig Gij mijn hart en daden; Ook dan, wanneer geen mensch mij ziet. Vest Gij VTA âTi ! uw oog op al mijn paden, En donkerheid be- ----â ^ dekt mij niet; Laat mij het huwlijk heilig wezen , |
i
Ã
L'
I
T
WET VAN GOD.
55
Gez. 61, 62.
|
zen, Leer mij d'afschuwlijk' ontucht vreezen, Ontzag voor U behoede mij; Help mij verzoe- M-j 1 TT I^t ââ â ^ â â -t^râ^ ---- . * â -----^ 7^ kingen verwinnen. Beteugel drift en lust der Trr-gâPâ _ V. â*P -ft » -A--- zinnen. Geef, dat ik biddend waakzaam zij. TT' â--:---â2L==S kV-----£=: 11. Geef, Heer! dat ik in al mijn' wandel De |
aan mij genadig biedt: Leer m'U voor alles _lt;6._ dankbaar eeren, 0 God I zoo jial ik nooit be- ------»--^--â-»â --4gt;- 14. Ja, 'k weet het, à geheel te minnen, U boven geeren Mijns naasten goed, ook 't minste niet. al, mijn Heer en God! Met kracht, gemoed, ver |
stand en zinnen, Is 't eerst en tevens 't groot
gebod: Maar 'kweet ook, dat mijn'medemen-
schen Te doen, te willen en te wenschen. Al
wat mijn hart voor mij verlangt. Daaraan gelijk
*
staat. God der goden! En dat aan deze twee
geboden De hoofdsom mijner pligten hangt. 15. O God! ik beef! zoo moest ik wezen. Maar
wat ben ik ? wat zijn mijn daan ? 'k Moest £= ââ
uw geduchts te straffen vreezen. Zoo Gij mijn
laat de valschheid wreken; Opregten rijst het ^
licht altijd! Dat ik nooit twist of tweedragt zaaije.
Mijns naasten woord noch daadverdraaije. Nooit
zijne kracht. Ontsteek dat hart tot ware
â
anders spreke, dan ik denk; Moet ik een prooi
|
des lasters wezen, O God! die in mijn hart kunt ^ --afc. O- tf, . -- lezen. Dat mij uw gunst vertroosting schenk'! 13. Heer! maak mij in mijn lot tevrede Met wat ik heb, en wat ik ben. En deelt G'aan an-M | r â-=EE==i=:r===Tâ»=^5=5; 5 ------------------â dren gaven mede. Die ik niet heb, ja zelfs [1 . ----»â O-- 0 ft---^ â / niet ken; Leer mij dan uw bestelling prijzen, -J , -----^ ^ ' â ft A . --ârâTZ 'k Verdien niet een der gunstbewijzen. Die Gij |
liefde. Want in dit ééne woord de -â v----- liefde Wordt uw gehcele wet volbragt. heiligheid! Hemelsch voorbeeld! al de luister D 4 Van |
ft
JEZUS VOORBEELD.
Gez. 62.
. â /
56
|
Van Englenheiligheid wordt duister. Bij 't licht van uwe heiligheid: à Gij! zoo onbesmet, Gij zijt mijn Hoofd en wet; Heiige Jezus! O, heilig -----ââ â ---------^------------------â mij ! Dat ik als Gij In hart en wandel heilig zij. 2. 's Vaders wil was boven allen, O Jezus! steeds Tj-»--» .v O _ â-.-L ----= uw welgevallen. Gij zweegt voor Hem op alles stil; Och! mogt, all' mijn levensdagen, Wat Hem behaagt ook mij behagen, Mijn wil zich is voegen naar zijn' wil, Dat ik met al mijn' lust In zijnen wil berust'; Hoor mijn zuchten, O, heilig mij! Dat ik als Gij In alles onderworpen zij. 3. Steeds arbeidzaam, vol van zorgen. Waart G'altijd bezig, van den morgen Tot aan den laten avondstond; 's Vaders wil was daags uw 11, .v f -r-^â--^-g--^--' spijze, 't Gebed uw nachtrust, Hem ten prijze: Och! dat G'ook mij nooit ledig vondt. Maar werkzaam nacht en dag. Waar ooit uw oog mij zag; Leer mij waken, O, heilig mij ! Dat ik als Gij Ook in mijn roeping wakker zij. |
verspreid; Dierbre Heiland! O, heilig mij! Dat ik als Gij In al mijn' omgang minzaam zij. 5. Gij, o^Jezus! Gij onschuldig Verdroegt het scherpste leed geduldig, Gij scholdt niet we-£=- =_ââ-- ~-â der, wie U schold; D'eer uws Vaders aan te Fp-3:-â â-âg--«*â â»---o â0-â^== randen Mogt uwen ijver doen ontbranden, Eg==~=ZI-- Gij zweegt wanneer 't uw eere gold; Geen terging stoord' uw rust, Vergeving was uw lust: Lieve Jezus! O, heilig mij! Dat ik mi als Gij Zachtmoedig, graag vergevend zij. Ã=3é 6. Ootmoed deed U, Heer der heeren! Den lof -*â¢â-*= van menschen ligt ontberen, Uws Vaders eere zocht Gii maar; Waar men aardschen roem ^ ---f______XL--â »---- of voordeel Ooit voorkeur gaf, uw wikkend oordeel Bestuurde juist den evenaar: Gij , die geen hoogheid zocht, Hoe groot G' ook ^ wezen mogt, Gij, d' ootmoed zelf! O, heilig mij! Dat ik als Gij Voor God en mensch ootmoedig zij. 7. Reine Jezus! geene togten Van 't vleesch. |
4. Welk een liefde, wat meêdoogen, Wat tee---1»-â
geen driften overmogten De reinheid immer
van uw hart, Kuischheid heerscht' in al uw
derheid blonk in uw oogen, Wat minzaam
|
heid in uw gelaat; Haters zelfs, zoo wel ais jp-A---T--y-âO-__-- vrinden, Elk mogt U willig, vaardig vinden tot troost of hulp, met raad en daad: Ãch! ---: ^---£~~ |
waar die minzaamheid Ook in mijn doen leden, Nooit waart Gij, door begeerlijkheden. Of lusten in haar' strik verward; Uw doen was naar Gods wet. Uw denken onbesmet: -Aâ.«yâ Gij Kuische Jezus! O, heilig mij! Dat ik als |
JEZUS VOORBEELD.
57
Gez. 62, 63.
|
Gij Ook kuisch van hart en wandel zij. 8. Matig in uw levenswijze Mat U de rede drank en spijze, Nooit dartelheid of lekkernij; en begeerlijkheden. Dat aan mij alles U gelijk', ------------------------------------aâ* Niets, dat meer uw' honger stilde, Dan 't doen van 't geen uw Vader wilde. Dit was uw spijs, uw lekkernij; In zelfsverloochening Vondt G^uw verzadiging: Heiige Jezus! 0, heilig mij! Dat ik als Gij In drank en spijze matig zij. 9. Hdlge Jezus! vorm mijn leden, Mijn krachten 't Oog in 't^zien, de voet in 't wandlen; Dat in mijn denken, spreken, handlen, In alles uwe beeldnis blijk'; Hervorm vooral, volmaak Mijn hart naar uwen smaak; Heiige Jezus! 0, heilig mij! Tot ik als Gij Geheel volmaakt en heilig zij. |
â M* â i i â i » Ij I * iâ â i ^ quot;y â i i 1 ^ nen 't nimmermeer, Englendoorzigt zou hier feilen. Elk staat hier verstomd, o Heer! 0 genaderijk ervaren, Onuitspreeklijk zalig goed, Dat Gij ons hier smaken doet! 5 weldadig * ^ ^ ^ -ArzA - ââquot;-- zorgen, sparen, Liefdrijk weldoen aan een kind, Dat U veel te flaauw bemint! 3. wij mogen ons beroemen In dat heerlijk ^ kinderlot, à in Christus Vader noemen, £â â ^ jl--- , SL^ =:-= Q Vader, U, oneindig' God! Wij, wij weder-spannelingen, Wij, bedorven van natuur, Overtreders ieder uur, Vnj van zulk een voorregt zingen! Nimmer geven w' U, o Heer! Van die gunst, naar waarde, d'eer. 4TW weerspannig, tegenstrevend, Spottend met uw hoog gezag; dij verschoonend, graag vergevend. Steeds ontfermend al den dag; Wij gevoelen, wij gevoelen. God! daar is geen God, als Gij, Gij alleen zijt waard, dat wij (Jnze liefd'~eri ons bedoelen Eenig rigten naar U heen, Vader! ja, naar U alleen. 5. öch! drong eens dat alvermogen Uwer liefd' alomme doorquot;; Open aller blinden oogen, mm Open aller dooven oor; Geef, dat alle sterve- |
EE2:
|
kiez' of doe, Komt het U niet eeuwig toe? ⢠⢠⢠2. Wie kan uwe liefde peilen? Neen, wij kun- |
lingen. Geef, dat ouderdom en jeugd. Jood en Heiden, eens verheugd, Van uw liefd^ D 5 in |
|
ie blijft U geen liefde schuldig, Die uw trouw zoo menigvuldig Voor een' worm, een Adamskind, Jezus! voor een' zondaar vindt? Wij gevoelen 't, maar ons harte Zegt ons daaglijks nog met smarte, Dat, wat onze liefd' ook schijn'. Wij te flaauw in liefde zijn. 2. Waar blijkt ons opregt verlangen. Om uw ^ gunstbewijs t' ontvangen? Waar is liefd' in ^ U alleen. Nergens buiten U, tevreên? Dank ^ voor uw verzoenend lijden, Kracht, om voor W' |
Gez. 63, 64, 65. _ , ^ --- Dit, dit regte liefdeteeken Zien w' ons overal ontbreken; Vreugd en rouw, verkeerd geduld, Moed en vrees ontdekken schuld. 5. Onze liefde doelt op voordeel. Zoekt ons zelven slechts; uw oordeel. Eer en liefde ---j~7 -quot;y~â~~=-- geldt daar minst. Waar gewinzucht vlamt op 1- . â â »â^=â6-tv- O . -A-.----.yâ»â winst: Wereldliefde, die ons prikkelt, En in 1 â¢Â»-g a--------.V â -----âyâ:-----V- TOT GOD. zoo veel kommer wikkelt. Schoon van ouds -«i»--^ uw vijandin. Wint, betoovert hart en zin. 6. Heiland! Liefdebron vol liefde^ Die U diep in 't harte griefde, 't Leven kostte met uw bloed. Stook, och stook een liefdegloed -A^-Oâ In ons koud gemoed genadig. Sterk dat liefdevuur gestadig. Dat het, in geluk |
en nood. Altijd gloeije tot mijn' dood!
uw eer te strijden, Vreugd, die zich in
U verlust. Moed, op uw gena' gerust?
3. Waar is vlijt, die uw behagen Trouwlijk dient
^â/
niet los bij vlagen. Schrik voor 'tkwaad, dat
U verstoort. Ootmoed, bevend voor uw woord,
|
Hart en hand, tot hulp ontsloten Van uw O «!gt;- arme gunstgenooten, Deugd, die uit uw liefde welt. Kwaad met weldoen vroom vergeldt? â¢ff Jh---\ IS- 4. Waar blijkt ongeduld, ontsteken Als men U te na durft spreken? Waar geduld, dat lief en leed U ten dienst geheel vergeet ? |
de; Och, wierd alom dien Redder uit ellende, Van mij, van elk die hulde toegebragt! 2 'kHeb Jezus lief. Hij heeft Gods regt voldaan; Geen vloek der wet kan immermeer ons treffen. Wij mogen 't hoofd vrijmoedig opwaarts heffen , Ziin Midiaarsdood brag-t ons verzoening aan. 3. 'k Heb |
LIEFDE TOT JEZUS.
Gez. 65, 66.
59
|
3. 'k Heb Jezus lief! Hij reinigt mijn gemoed, Door woord en Geest, van mijn onreine vlekken. Die Hem tot smart, en mij tot schande strekken, Daar Hij zijn beeld in mij herleven doet. 4. 'k Heb Jezus lief! Hij leidt mij langs zijn pad. En stiert daarop mijn kinderlijke schreden, Hij ziet vooruit het wanklen mijner treden. En, eer ik val, heeft Hij mijn hand gevat 5. 'k Heb Jezus lief! ik zal verruimd van hart. Den last, dien Hij mij oplegt, willig dragen; Zijn doel, zijn wil is ook mijn welbehagen. Wat Hem mishaagt is mijn verdriet, mijn smart 6. 'k Heb Jezus lief! Hij zal mij door zijn' raad Geleiden tot den laatsten mijner dagen; Dan wordt mijn ziel van alle zond' ontslagen. Dan dank ik Hem voor al 't geleden kwaad. 1. 'k Heb Jezus lief! de blijde dag genaakt, Die alles voor en in mij zal volenden; 't Gewormte moog in 't graf mijn ligchaam schenden. Geen nood, daar ~Hij, Hij zelf mijn stof bewaakt. 8. Verlosten, juicht! hebt Jezus lief, dat wij. Dat wij quot;ons zaam in dat gevoel vereenen; Laat dankbaarheid aan zijne voeten weenen. Wie, wie verdient die tranen, zoo als 'Hi* |
66. AFMAKING VAN DE ZONDE. Wijze: Die Seele Christi heil'ge mich! God! die, eindloos goed en groot, Voor ons uw' Zoon gaaft in den dood. Gij eischt, dat deugd en heiligheid Ons hier ten hemel voorbereid'. 2. Och! dat uw Geest ons hart verlicht', In ons de magt der zonde zwicht'. En wij , door uwen Zoon geleerd. 0' Zien, hoe G' ons waar geluk begeert. 3. Wat oogst de mensch hier zonder deugd? Een lang berouw na korte vreugd; Bedwelming wijkt, verdooving zwicht. En nu, nu dreigt het jongst gerigt. 4. Wie hier zijn kracht der zonde wijdt, Wijdt een bedrieglijk werk zijn vlijt; 't Geluk, dat hij zoo angstig zoekt. Wordt vaak zelfs bij 't genot vervloekt. 5. Maar die op uw genade bouwt, En dankbaar uwe wetten houdt, Vindt hier de rust reeds in 't gemoed. En eens bij U het hoogste goed. 6. Bij eiken pligt, getrouw betracht, Verliest de zond' iets van haar kracht, |
Bij
AFMANING VAN DE ZONDE.
60
m
Gez. 66, 67.
|
Bij eiken lust hier eens voldaan , Wint zij te meer in krachten aan. 7. Algoede God! och, leer ons zien , Dat wij , waar wij de zonde vliên , En ons ontworstlen aan haar juk, |
onze nooden bij, Sta ons in En maak ons van de zonde vrij. 67. OOTMOED. Wijze : Gezang 29. ij naar alles stil te voegen, Hoe ver |
|
Den weg betreên tot waar geluk, 8. Leer ons , hoe 't zaad, met smart gezaaid, Ãerlang met blijdschap wordt gemaaid; De zaaijer hier slechts uren schreit, De maaijer juicht voor d' eeuwigheid. 9. Leer ons, hoe 't kwaad ons zelv' verlaagt, Aan 't waar geluk des levens knaagt, Ãn, onder al de vreugd der aard, In 't eind toch niets, dan wroeging baart. 10. Leer ons, hoe bij al 't aardsch verdriet. |
acht en bitter 't schijn'. Zonder woorden, met genoegen. Aller knechten knecht te zijn. Nooit te pralen met mijn gaven, Nooit om menschenroem te slaven, Heer! ik zoek bij U alleen Deze wijsheid met gebeên. 2. Leer mij stil op paden wandlen. Waar uw oog alleen mij ziet. Stil verdragen, zwij gend handlen. Al ziet mij de wereld niet: Z?st- Jezus! Gij kunt, door uw leering. Harten vormen tot bekeering; Bron van ootmoed! leer Gij mij Stil, ootmoedig zijn als Gij. 3. Schoon 'k vergeten, oiigeprezen. Bitsen hoon te lijden had. Schoon 'k mijn' broedren vreemd |
|
11. Leer ons, dat wie U Vader noemt. Daar hij in 't kruis van Jezus roemt, Bij 't licht, dat zijne leer verspreidt, Hier daaglijks rijpt voor d' eeuwigheid. 12. O Vader! Gij, die op 't gebed Van zondaars, om uws Zoons wil, let. |
mogt wezen, Elk van mij terugge trad, doen 'k Zou nog vrolijk juichen mogen, Sloeg ik maar gedurig d'oogen, Jezus! op het geen Gij deedt. Toen Gij alles voor mij leedt. |
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3. In | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
BROE DERLIEFDE. Ã
Gez. 69, 70, 71.
het ons, dat wij Ook vergevend zijn, als Gij.
62
3 In Hem is God onz' aller God; Ãén Hei
|
land, één behoeder Is onzer aller broeder: Ãén uitzigt is onz' aller lot. Ãén Geest, die allen leidt In 't spoor der zaligheid. 4. Als één van ziel, als één van zin. Die één belang gevoelen, Die 't zelfde wit bedoelen, Verbinden w'ons in broedermin ; Zoo dat w', in vreugd en pijn, Ãlkandren alles zijn 5. Komt, wandelaars op't zelfde spoor! Wij reizen met elkandren. Wij helpen d'een den andren; Ãén vriend, één leidsman gaat ons voor, In Hem, en door zij n kracht, Maakt eendragt meerder magt. 6. Komt, sterken wij dien liefdeband! Ãén strijd is 't, dien wij strijden. Ãén lijden, dat wij lijden, Op reis naar 't hemelsch vaderland, Waar w' een- maal binnentreên. Daar zijn wij eeuwig één. 7. Gij, Jezus! die ons zaam verbindt. Wil zelf dien band versterken. Laat liefde liefde werken ; Dat, waar ons ooit de wereld vindt, Zij, 2. Ja, uw liefd', uw zondaarsmin Stort ons liefde |
ââ- aââft---â*--lt;r---lt;r â/ tot verdragen. Naar uw godlijk voorbeeld, in; Wie ons haten, lastren, plagen, Wij vergeven graag, o Heer! Ons vergeeft Gij eindloos meer. 3. Wie zal bij uw ma-jesteit Zijn geringheid ooit gevoelen. En nog wraak en bitterheid In zijn harte laten woelen? Ootmoed maakt het hart gedwee. Duldt geen' wrok, zoek t liefd' en vreê. 4. Lijden w' immer om uw zaak Gij zult zelf uw zaken rigten, Nimmer staat aan ons de wraak; 't Blijft de zaligsf onzer pligten. Dat wij ook in lijdzaamheid Volgen, waar het Lam ons leidt. 5. Geef ons, dat wij in geloof Op des Heilands - voorbeeld staren; Hij, voor smaad en laster doof, Bad zelfs voor zijn moordenaren. Toen men Hem aan 't kruis verhief: Zoo had Hij zijn' vijand lief. 71. LIEFDE TOT V IJ A N D E N. Wijze; Psalm 65. |
|
uwen naam ter eer, Van ons ook liefde leer'. 70. LIEFDE TOT VIJANDEN. Wijze: Abglantz aller Majestat! G1 od! oneindig in gena'. Eindloos groot in 't schuldvergeven, Slaat Gij ons, uw haatren, ga'. Schenkt G' afvalligen het leven; Hoe betaamt |
nimmer iemands nadeel zoeken, Schoon ^ hij mijn nadeel zoekt; Mijn' vijand wil ik nooit vervloeken. Ofschoon hij mij vervloekt. Zachtmoedig wil ik hem bejeegnen; Al dreigt hij, 'k dreig hem niet, En scheldt hij mij, ik wil hem zeegnen. Omdat mijn Heer 't gebiedt. 2. Mijn |
LIEFDE TOT VIJANDEN.
Gez. 71, 72.
63
|
2. Mijn Heiland, aan geen misdaad schuldig. Vergold met liefde haat. En leed zachtmoedig en geduldig Het allergrootste kwaad. Zou ik, zijn leerling, wederschelden, Daar Hij nooit wederschold. Ik niet met liefde haat vergelden. Gelijk Hij haat vergold? 3. 't Is waar, mishandling te vergeten Blijft steeds een zware pligt; Maar, als voor God een goed geweten Ãns vrijspreekt, valt het ligt. 'k Wil mij verbeetren, en niet klagen, Dan leert mijn vijand mij. Dan leer ik wijzer mij gedragen, Hoe leed hem dit ook zij. 4. 'k Zal dan met zorg den misslag mijden, Dien hij van mij verzon; Ãn ook dat kwaad in mij niet lijden, Dat hij niet weten kon. Zoo wil ik mij zachtmoedig wreken, Zijn' lof elk doen verstaan, Ãn sluiten 't oog voor zijn gebreken; Kan hij mij dan nog smaan? 5. Ãm hem zijn' wrevel moe' te maken. Ver72. MEDEDEELZAAMHEID. Wijze: Gezang 4. |
el hem, die zich verstandig draagt, -JiS--A-------------Aâ Waar d'armoe' zit te kwijnen. Of, waar z'in 't donker^ kermt of klaagt, Een' straal van troost doet schijnen, Wiens hart om 's naa sten lijden bloedt, En die hem graag, met _2è:-- raad of goed. Uit al zijn magt wil helpen. '--^-----Tâ-- 2. Wil ons op aard, ontfermend' God! Voor -â v----*v----agt;- ==^ broodsgebrek bevrijden. Maar geef, dat w'uit ^---- een ruimer lot D'ellende mild verblijden: Och! laat ons elk in nood, of pijn, Of armoe' straks ter hulpe zijn, En Jezus voorbeeld volgen. » ------ 3. O Jezus, troost in alle leed, Getrouwe Vriend der armen! Al wat ^ij hier aan men-schen deedt Was eindeloos erbarmen; Voor ons zelfs gaaft G' U in den dood. Wat moeten wij dan in den nood Niet graag aan armen geven ? J^^=::r^==^=---â »â--â--ft------- 4. Maak ons volvaardig op hun klagt, ^-âamp;--A â ---^---^-- w1 |
Tot hulp in hunne smarte. En, zoo 'tons
ooit ontbreekt aan magt, 't Ontbreek ons
:--3V------» . -or-âs- .---
nooit aan 't harte; Elk liefdewerk word'
in uw kracht, In uwen naam, door ons
____ - â ^
volbragt. Dan zal het God behagen.
73. w A A K-
WAAKZAAMHEID.
64
Gez. 73.
|
73. WAAKZAAMHEID. Wijze: Gezang 17. N{ een, 'k heb den prijs nog niet verkre gen, Nog zwak blijft hier de beste deugd. Maar, waakzaam steeds op al mijn wegen, Jaag ik dat kleinood na met vreugd; ^ Ons hart, ontbloot van waakzaamheid. |
drift kan u vervoeren. Daar toch elk hart zijn wereld heeft: Hem, wien noch goud, noch eerzucht -----=*==:amp;== roert. Heeft vaak een lonk, een woord vervoerd. 6. Vaak slaapt in 't hart de drift ten kwade. Gij schijnt zachtaardig van gemoed; Nu kunt gij dulden, dat men smade, Maar straks stuift gij J., ag__â--ââââ==quot;7--: weer op, en woedt, En scheldt zoo liefdeloos, |
Wordt tot zorgloosheid ligt verleid.
O O
zoo heet. Als die u eerst schold immer deed.
|
2. Zoo lang ik omzwerf door dit leven, Ben ik een kind, dat wagglend gaat; 't Past elk be- 0:= dachtzaarn acht te geven. Die, als zijn naaste - âO--^--^--6-â valt, nog staat: Zelfs een bestreden booze lust Wordt nooit in ons geheel gebluscht. 3. De tijd kan ook verbeetring baren, Is dan verbeetring altijd deugd? Het wordt bedaardheid met de jaren. Wat heete drift was in --^---TV-- de jeugd^ En, ach! hoe vaak ziet onze |
7. Vaak waant gij, in het eenzaam leven, U deugdzaam in de stille rust, Naauw hebt g' u in 't gewoel begeven, Of aanstonds werkt de --=3g--amp;-==amp; O-«- booze lust; Dan wordt gij ras het waken râ\V-=:g=:=£:==aE=:r=---y- ------g-- ^ n - moe'. En geeft aan 't kwade strafbaar toe. 8. Gij offert zwakkre driften Gode, Door strengheid in uw levenswijs. Maar hebt uw liefste lusten noode, Zeer^ noode, voor zijn liefde prijs; Dit is het oog, dit is de |
waan Voor deugd het werk der jaren aan! 4. Vaak is het kunst en ijdel pralen. Hetgeen men godsvrucht in u acht; De nijd, of snoode
voet, Die gij u zelv' ontrukken moet.
9. Gij zijt regtvaardlg; ook bescheiden? Mint
matigheid; maar ook geduld? Gij laat geen'
|
zucht tot smalen Had ^u welligt in haat ^ gebragt; Gij wilt voortaan voorzigtig zijn. Vliedt niet de laakzucht, maar den schijn. 5. Omdat een drift u niet kan roeren, Die sterk armen hulp verbeiden; Vergeeft g'uw' vij- ^ |
atid ook zijn schuld? Uw hart, hoe goed het 3^=^^:===:^-0 ü |SÃÃ==Ã===i -3S:ârgâgE---lt;râ; u ook schijn'. Moet aller zonden vijand zijn. 10. Ach! 't hart is vol van snoode listen, Vol |
van bedrog in eiken hoek; Dus past de
waak-
in 't hart van andren leeft, Waant gij, geen
%
WAAKZAAMHEID.
Gez. 73, 74.
=3CE=
65
waakzaamheid den Christen, En daaglijks
-A-
2. De deugd, o ja! ik vind ze schoon. Zij
strekt ^zich zelv' ten grooten loon. Ik volg
ernstig onderzoek: Hoe vaak ziet onze dwaze
|
waan Den schijn van deugd voor 't wezen aan. 11, God kan alleen dat hart doorgronden: Maar zoekt gij, voor zijn aangezigt, Opregt naar uw verborgen zonden. Hij geeft u quot;telkens^ meerder licht; Dan is uw weg en gang gewis, Dan wandelt g' in geen duisternis. 12, Wees niet vermetel, waak ten strijde. Zeg nooit, ik heb genoeg gedaan; Ãlk hart heeft zijne zwakke zijde, Daar valt de zielevij- IJ-T-- â ...... - _........ . ^--- -ft---iv â â4»--Ji. and aan: ^ Zorgloosheid dreigt u met den val. Waak daarom steeds, waak overal. 13, Wil mij, door uw genade, sterken Tot al wat aan mijn roeping past, En zet, op 't pad van goede werken, O God! mijn wankle schreden vast, En houd mijn hart, in waakzaamheid, Altijd voor uwe komst bereid. 74. G E E S T E L IJ K E S T B IJ D. Wijze; Gebed des Heeren, ff |
oe naauw ik mij aan U verbind'. Wat zahaar pad met vreugd en moed. Ik weet, dat. die geen zonde doet. Die zijne pligten niet vergeet, Met reden hoogst gelukkig heet. 3. Maar, o hoe ras word ik ontrust Door on- â-------------------* » derdrukten boozen lust! Die zet mij tot zorgloosheid aan. Tot hoog gevoel en trot- schen waan; Gelukt hem dit, ik dwaas! dan schijn Ik straks mij zelv' een held te zijn. â ~s=s= of smart, Aan 't strijden moet; hoe ligt, hoe ligt Verliest hij alle kracht, en zwicht! 6. Ik voel mijn zwakheid, ja, mijn God! Hoe u |
|
ligheid ik in U vind', Nog houdt de lust van , » «⢠ââ »- --^ aâ |
't zondig vleesch Mijn hart, o God! gestaag ligt verleidt gevaar en spot, Verstrooijing, --»ââ' 4.=â^ driften, trotsche waan , Kwaad voorbeeld, ï--y---TT-TT--- . .-------X-A----7----^- |
weekheid van bestaan. Een fijn gevoel voor weeld'
F?---------:---
drang. Wat valt die strijd mij zwaar en bang!
of smart, Hoe ligt verleiden zij het hart!
E quot; 7. Wie
in vrees; Hoe sterk gevoel ik vaak dien
GEESTELIJKE STRIJD.
Gez. 74, 75, 76.
66
|
mijn hoop, en anders geen; Och! dat mijn -4-. -»-- zwakheid immer mij. Ten mijnen nutt', voor - ------y- v --Vquot; v ------- oogen zij; Och! dat ik op ü bouw' in nood, Aan U getrouw tot in den dood. 7. Wie kan mij helpen? Gij alleen. Gij zijt ^ i, â - â-i-â _ --. f â4---- |
waar ? Mijn vijand dreigt aan alle zij'; Waar vlugt ik heen? waar berg ik mij? 5. Gij Jezus! moet ons hulpe biên. Ik blijf t I â y---7--_--â . S van uwe leên. Uw broeder. Heer! uw |
|
75 TOEVLUGT IN VERZOEKINGEN. Wijze: Gebed des Heeren. ier is het nog beproevingstijd, Hier le ven wii nog steeds in strijd. Hier, waar de âAâA »â!?.V--â â 6.---O:-^--^---r-- booze heimlijk loert. Het zwakke vleesch zich H1 ---^---------»--TV . .N .---^---- zelv' vervoert. De kracht der zinnen lokt en j=^====^â^^=w====-===^==â---= trekt. En menig voorbeeld lust verwekt. |
vleesch en been? Verlaat mij niet in dezen staat, Opdat ik U ook niet verlaat. 6. 'k Erken, 'tgeloof is zwak, maar Gij, Gij sterke Held! Gij staat mij bij, Ik weet, wat ik van U verwacht. Wat ik vermag door uwe kracht; Op à verlaat in allen nood Mijn hart zich vast tot in den dood. |
|
2. Vaak nemen zonden d' overhand. En over- |
_jt-7. Met U, o Heer! kan ik bestaan. Al zou de -Z |
|
stroomen 't gansche land; Wees op uw hoe de , 't jongst gerigt Brengt al 't verborgen zit aan het licht; Wees door 't geloof altoos be- ^====^====!F===--^^^=====^ reid. En bid met ernst om waakzaamheid. 3. De wereld kleedt haar schandlijk kwaad Voor 't oog somtijds in deugdsgewaad. Prijst ons |
wereld zelfs vergaan; De huichlaar beev', de zondaar schrikk'. Maar ik, ik vrees geen' oogenblik; Want hij, wiens toevlugt bij is. Komt nimmer in verdoemenis. 8. Gij zijt het dan, op wien ik hoop In 't moeilijk ^perk van mijnen loop , Tot daar |
|
't genot des levens aan, Houdt vroomheid voor bedrog en waan; En wie verwacht standvastigheid Van hem, die zelf graag wordt verleid? 4. Mijn opzet is wel toetezien. Maar hoe zal ^ 'k al dat kwaad ontvliên, Daar ik gevaren tr-.âamp; â¢*** â-^-i----â -âtv--------- |
bij gevaar. En strik bij strik, alom ontde kroon in 't eind mij wacht. Waarnaar mijn hart zoo hijgend smacht; Heer! sta in allen :-ta strijd mij bij, Dat ik door U verwinnaar zij. 76. OM BIJSTAND VAN GODS GENADE. Wijze: Psalm 51. r k vind mij Heer! zoo broos, zoo zwak van |
Gez. 76, 77. OM BIJSTAND VAN GODS GENADE.
67
|
aard. Verleid, vervoerd, en van uw' weg gewe ken: Och help mij. Heer! der zonden boeijen breken, Verbreek het juk, dat mij zoo zeer bezwaart. Och! breng mij weer te regt door uw gena'. Die is 't begin, de voortgang en het ende Van 't pad des heils; al waar ik elders ga. Verzink ik, ach! nog dieper in ellende. 2. Zoo uw gena' niet voor mij henen gaat, Geen' aanvang maakt, niet wekt, niet mee wil werken, Niet bij mij blijft, wie zal mijn'arm dan sterken? Helaas, mijn God! dan weet ik troost noch raad. Schenkt Gij geen licht, zoo kan mijn oog niet zien, En zie ik niet, wat goeds zal ik bedrijven? Verlaat Gij mij, dan zal ik moeten vliên, En moet ik vliên, hoe zal ik bij ü blijven? 3. Uw goedheid werk' het willen en het doen, Zoo werk ik ook met vreezen en met beven, Gij zelf hebt mij uw' eigen' Zoon gegeven, |
c=â==£â-S----âA-Sr- *--»-^â-O-^- In heil en ramp beschaduw' door uw hoede: Zoo sta ik pal in blijdschap en in smart. Doe mij verstaan, hoe ver uw goedheid gaat. Wat Gij belooft; zoo krijg ik nieuwe krachten, Dat sterkt mijn hart in onspoed en in smaad, Dat leert mij,_ü ter eer, mijn pligt betrachten. 5. Och! mogt mijn pligt mij steeds ter harte gaan, Ãn wordt die eens ^an uwen wil gewogen. Laat mij ook dan voor uwe heilig' oogen. Door uw quot;gena', in Jezus bloed bestaan! Gij hebt uw hulp mij dikwijls aangeboón. Gij zendt mij die zoo menigmaal van boven. Verleen mij die nu weder in uw' Zoon, Zoo zal mijn hart, zoo zal mijn mond ü loven. 77, C H R I S ï E N P L I G T. Wijze: Psalm 84. aak. Christen! waak, blijf in 't geloof, Dat niemand u die kroon ontroov'. Gedraag |
|
Gedenk, o God! aan Hem en aan zijn' zoen; Gaaft Gij Hem niet om onzentwil ten dood ? Wat hebben wij dan niet van U te wachten? Ik weet, dat Gij geen' smeekeling verstoot: 't Gebroken hart zult Gij toch niet verachten. 4. Dat uw gena' met zachte kracht mijn hart. Mijn ziel, mijn' zin beweeg en buig' ten goede. |
u manlijk, wees kloekmoedig In 's Heeren X =---â---S=5=__ . =--quot;*.=2 aanbevolen werk. Standvastig, onbeweeglijk, sterk, Volijvrig, altijd overvloedig: Uw arbeid zal in onzen Heer Niet ijdel wezen; Hem zij d' eer! 2. Voeg, Christen! bij geloove deugd, Den fleren moed in smart en vreugd. Om steeds het kwaad te wederstreven; Voeg bij de deugd E 2 |
|
63 deugd een kloek verstand, Dat eigenzin en waan verbant; Bij kloek verstand een matig leven; Voeg bij de matigheid geduld, Als God wil, dat gij lijden zult. 3. Voeg bij geduld godzaligheid, Opdat, daar gij uw licht verspreidt. De menschen op uw voorbeeld staren; Blijf, naar 't volmaaktst en_groot gebod,_Met liefd' en ^ eerbied jegens God, De broederlijke liefde paren, En, met dien broederlij- _________^_______.âjS_:_r3E:- ken zin, Ook d' algemeene menschenmin. |
Gez. 77, 78. -.V-â »-- m Dat, wie de ware godsvrucht smaadt,Een Chris ten zonder huichlarij Altijd de beste burger zij. 2. Zich zijner roeping steeds bewust Werkt hij in zijnen kring met lust ; Hij streeft naar grootheid, '----------------------------------:lt;e== ------------ geld, of goed, Nooit hooger, dan hij streven moet. ~ . 5: 3. Zoo, vlijtig in zijn eigen werk. Jaagt ^ hij naar rang in Staat, noch Kerk ; Wat God hem geev', of wat hij miss', Hij schaamt zich nooit hetgeen hij is. 4. Erkentnis van Gods albestuur Dooft in hem =iC£:3i:=y=:3Ea: --=^- al 't onedel vuur Van wrok, partijschap, 0^=35!;^=^=â===S==5===3gt;:= CHRIS TENPLIGT. |
|
4. ö God! sta met uw' Geest ons bij, Opdat dit alles in ons zij, Steeds meerder in ons word' bevonden; Dan zullen wij met waar gevoel Het heilig, U betaamlijk doel Van 't groot verlossingswerk doorgronden. Och! dat ons zoo de jongste dag Niet ledig, niet onvruchtbaar zag, 5. Dan, zoo geheiligd in 't gemoed. Zoo voor |
den hemel opgevoed. Dan zien w'ons rijkelijk vleijerij, Wie ook aan 't roer van zaken zij. 5. Hij geeft gewillig schot en lot. Hij bidt voor 't heil des lands tot God; Getrouw, gehoorzaam aan 't gebied. Schendt hij zijn heilig' eeden niet. 6. Ãf, roept hem God tot hooger' staat, Om nut te doen met raad of daad. Dan is hij edel, deugd- zaam, vrij. De steun en d'eer der maatschappij, 7. Zoo, Heiland! zijt Gij voorgegaan. Zoo heb^Gij |
zelf ons voorgedaan; Gij, die de Vorst der Vor-
=XE=
beschoren Den ingang in uw eeuwig rijk;
God! die zoo genadiglijk In Jezus ons hebt uitverkoren: Hem zij de lof, door al
sten waart, Werdt dienstknecht op uw eigen aard.
8, O, dat uw voorbeeld elk en mij , Als mensch
|
't geslacht. Hier en daar boven toegebragt! 78, DE WARE CHRISTEN, DE BESTE BURGER. Wijze: Psalm 100. |
en burger, heilig zij; Dan wordt nooit, in den =*= burgerstaat. Uw naam, om mijnentwil, gesmaad. ÃÃ |
9, Verheerlijkt op den troon van God Bestuurt
Gij
|
Gez. 78, 79, 80, Gij aller volken lot; En orde, regt, en veilig- heid Komt ons van U, door d' overheid. 10. Mogt overheid en burger nu Eerbiedig bukken, Heer! voor U: Elk vreez' dien God, die 'tgansch heelal Door U regtvaardig rigten zal. 11. Zoo bidden w'U, voor wie regeert. Wie Reg- ter is, wie Godsdienst leert, Zoo bidden w' U voor elken stand; Geef orde; heil zij 'tvaderland ! OEFENING BN VOORDEELEN DKS GEBEDS. |
dig hart vervuil' met schrik. Geen onheil ons Joe wijken! Neen! voor den troon, waar God ons wacht, Is raad, en troost, en moed, en kracht: Welk hart zou dan bezwijken? 'tlsGod, dieonze tranen telt, Ãn 't smeekend kind ter hulpe snelt. 4. Stort eigen dwaasheid ons in smart, lt;5^ dat geen vrees ons weenend hart Verwijder' van Gods oogen! God is een vader, die vergeeft. Die blijdschap in verlossen heeft, Ãen God DE WARE CHRISTEN, DE BESTE BURGER. 69 |
|
79, NUTTIGHEID DES GEBEDS. W ij z f.: O Ewigkeit! du Freudenwort! Heer! hoe heuglijk is het lot, Hoe zoet, hoe zalig is 't genot, Dat hier het hart mag smaken, Als 't U in Christus Vader noemt, Bij 't bitterst leed in U nog roemt. Die 'tal |
les wel zult maken, à zelfs zijn minste noo-vol mededoogen. Die, op het stil geloofsge-bed. Het zuchtend kind uit angsten redt. 5. à Jezus! die den strijd volstreedt. Die lijdend badt, en biddend leedt, Wil Gij ons bidden leëren; Uw Geest vuur' onzen ijver aan, Die leer' ons tot den Vader gaan, En Hem als Vader eeren: Zoo worden wij reeds hier bereid Voor 't eeuwig ïied der dankbaarheid. |
den klaagt, En uit elk onheil redding vraagt.
2. Wat heil voor zondaars, welk een eer, Tot aller heeren Opperheer Als kind te mogen spreken, Van Ãem vertroosting, kracht en licht. Bij elk bezwaar, tot eiken pligt Vertrouwend aftesmeeken! Zulk bidden in de grootste
2. Mijn trouweVader, die zijn kind, Hoe zeer 'took
smart Dat is reeds troost voor 't biddend hart.
|
-â¢ââ-v -----------v-- 3. Dat dan geen donker oogenblik 't Kleinmoeaf moog zwerven. En tegen Hem 'tbederven, |
E 3 Ala |
KINDERLIJK TOEVERZIGT.
Gez. 80, 81.
70
|
Als 't zwarte van zijn oog bemint: Die 'tgeen ik heb misdreven Mij altijd wil vergeven. :n»Eâ |
Hij geneest mijn smarte, Ãn reinigt mij het harte. 9. Al blij ftquot; in alles, waf zij zegt. Mijn stramme |
ââ---------------------------
3. Mgn goede Vader stelt zijn eer In eindeloos
tong schier steken, 'k Durf tot mijn' V ader spreken.
*-W:
|
ontfermen. Hij luistert naar mijn kermen: Kom ik tot Hem in Christus weer, Met tranen en met zuchten, Zoo heb ik niets te duchten. 4. Bekommeringen ken ik niet Voor heden of mâ-a-â-'rïft----yây-----^ voor morgen; Ik laat mijn' Vader zorgen; Mijn Vader, die mijn nooden ziet. Zal mij, door heel mijn leven. Al wat mij nut is geven. |
Hij kent mijn taal, al spreek ik slecht. Tot staam-len neigt Hij d'ooren. Zelfs zwijgen wilHijhooren. 10. Wil Hij mij somtijds door verdriet En rampen zwaar kastijden, 'k Draag met geduld dat lijden; Een' bastaardzoon kastijdt Hij niet: Ãn zou 'k die liefdeslagen Dan als zijn kind niet dragen? 11. Ik mag, hoe zeer een ander schrikk'. Wanneer hij p-pâ--â ây--y--O 'x- God hoort noemen. Ik mag m'in Hem beroemen: |
zijne lusten, In'sVaders wil kan rusten, Zijn'
Ik vrees voor Hem geen oogenblik. En waarom
|
wensch kan missen zonder smart, En zich kan vergenoegen, Hoe hij het ook wil voegen. 6. Schenkt Hij mii hier een sober deel, Dat doet |
zou ik vreezen? Hij wil mijn Vader wezen. 81. OM OPGEWEKTHEID TOT BIDDEN. W ij ze : Gezang 23. |
|
Hij uit genade, Iets meerder deed mij schade 'k Heb weinig, want mij nut niet veel: Zou Hij niet best het weten, Hoe Hij 't mij toe moet meten ? 7. Schiet ik aan moed of kracht te kort. Om tegen 'tkwaad te strijden, Mijn Vader ziet mijn lijden; Ja, zelfs de tranen, die ik stort. Wil hij met zorg vergaren, En in zijn flesch bewaren. 8. Zijn immer zonden mij tot smart. Die ik, hoe , _ _x -ft quot;quot;^TT'râ:â â¢*?*â¢---gâ quot; ----- ---»y-^- zij m' ook knagen. Nooit aan een' mensch durf klagen, 'kOntlastbijHemmijnzwoegendhart: Want |
God! hoe zalig is 't voor 't hart Zijn --tâ--râttâ1---tt---târ--t-:-et-- nooden U te klagen! Hoe zalis;, met berouw -r---?râ»âS-WZ.--â en smart, Vergeving U te vragen! Hoe zalig, U naar 'themelhof, In geest en waar- * heid, onzen lof Vertrouwlijk op te zenden! 2. Maar, ach! ons hart, zoo hard als steen, Zelfs bij 't gezigt van zonden, Wil niet tot U naar boven, neen! 't Is vast aan 't stof gebonden; 't Ontbreekt ons. Heer! aan lust en moed. Wij kunnen 't logge vleesch en bloed a |
1
O zaligheid! wanneer mijn hart, Gespeend aan
^___________A.J----^---A-,-.V---
OM OPGEWEKTHEID TOT BIDDEN.
tâ----S-»ââ gr--X- 5 **--
Gez. 81, 82,
71
bloed Tot bidden naauwlijks dringen. 3. Geef, dat wij op uw Vadertrouw, Hoe schuldig
j -----â A , A--^ ---,------â â ---»â â -------araA
|
3. O God! dat kwaad orieft ons zoo zeergt; Meer Tâ^--»--e-»-----^==âlt;--===^=: dan all' aardsche smarten; Woont dan uw -=5- . .v__-Sv ^=z^=0 quot;;r:ây goede Geest niet meer In hard' en koude harten ? Is Hij dan met zijn onderrigt, Vertroosting, aandrift, krachten licht, Bedroefd, van ons geweken ? 4. 't Is waar, wij durfden vaak zijn stem En leiding wederstreven. Zoo hebben wij, wij zelv' aan Hem Daar reden toe gegeven ; Wij pleeg den met het vleesch steeds raad. Dies woog de neiging tot het kwaad In ons gedurig over. -TT, â â ----â-----------y- A ---_ â- ây- 5. Zie ons dan. Vader! in den nood Tot |
uwen schoot gedreven; Wat aardsche vader zou, voor brood, Zijn' kindren stee-zich ons hart beschouw'. Niet twijfelen, of Jezus bloed Heeft al die schuld voor ons geboet. 4. Dat steeds in ons dit vast geloof De liefde tot het kwaad verdoov'. En dagelijks ons meer geleid' Tot Christendeugd en heiligheid. 5. Geef ons, dat uw getuigenis En woord, dat eeuwig zeker is. Ons alles zij in vreugd en smart. Als 't eenig rustpunt van ons hart. 6. Dat steeds, o hoogste Majesteit! Ons hart uw tegenwoordigheid. Bij al zijn pogen, diep gevoel\ Opdat Jiet {j ^alleen bedoel'. 7. Stort ons die liefde tot U in, Die zich vertoont I -3Cquot; --ââ . V A, ' . â ^--wtS ⢠â â in menschenmin: Opdat, waar w'op uw aard ook |
nen geven? En Gij, zoudt Gij niet nog veel
treên. Wij vreugd verspreiden om ons heen.
8. Dat onze hand graag tranen droog'. Weldadig
heid ons hart verhoog', En, onder hoog of laag
meer Den Geest, waarom w' U smee-ken, Heer! Ons op ons bidden schenken?
|
82. DAGELIJKSCH GEBED. W ij z E: Herr Jesu Christ.! dich zu uns wend! |
bedrijf, De menschheid ons steeds heilig blijv'. 9. Sterk , ^ waar verzoeking lokkend lacht, |
Ons zinlijk hart door uwe kracht.
0=
groote God, die t'aller tijd In Christus
|
onze Vader zijt! Wij storten onzer aller nood Ootmoedig in uw' Vaderschoot. 2. Doe ons gelooven op uw woord, Dat Gij ons arme zondaars hoort. Niet om onz' eigen waar-digheên, Maar om uw' Zoon, om Hem alleen. |
En geef ons tot de deugd steeds moed. Al kost z' ons welvaart, eer jen goed. 10. Lacht ons op aarde voorspoed aan, Dat wjj naar ^ dankbren ootmoed staan; Of vloeit ons ramp op ramp hier toe, Dat z'ons uw' Zoon g-eliiken doe. E 4 11. Dat |
. u atuM.m i iBiJ
72
Gez. 82, 83, 84.
DAGELIJKSCH GEBED.
11. Dat slechts, bij voorspoed of bij leed, Ons hart
tot uw' troon Den weg ons weêr ontsloten.
^^
|
geen' oogenblik vergeet, Hoe, zonder zelfver loochening , Geen sterv'ling ooit ten hemel ging. 12. Dat wij in welstand of in nood Gedurig den- ken aan den dood, En die gedacht' ons daag- lijks meer Bedachtzaamheid en wijsheid leer'. . , ' ' ^ -T--.------- -----XV------- 13. Zal onze leeftijd hier voortaan Uit oogenblik- ken slechts bestaan. Zoo vind' de dood ons vroeg bereid. En rijp voor U en d'eeuwigheid. -A---Aâ*----- ===E^==3!!;= 14. Of wel bestemd' uw albestier Ons eene langre loopbaan hier, Begeef, wat immer ons ontschiet', Ons dan ook in de griisheid niet! -----quot;g---?-----â v^-gVV----O----»â7/ 15. En is ons eind eens daar, o Heer! Zie dan genadig op ons neer. En dat, om Jezus dierbaar bloed, Uw vrede heersch' in ons gemoed. 83. BEDE OM GELOOF EN HEILIGHEID. Wijzb: Fransche Cant. 104. Gimi,imi, od, enkel licht. Voor wiens gezigt Niets zuiver wordt bevonden. Ziet ons bevlekt. Met ^.rrrS? schuld bedekt. Misvormd door duizend zonden. 2. Der sterren pracht Is bij Hem nacht, Hoe hel tij schittren mogen: En wij belaan Met ttSSâ--IH---ü-- euveldaan, Wat zijn wij in zijn oogen? 3. Heer! waar dan heen? Tot quot;U alleen, Gij zult ons niet verstooten; Uw eigen Zoon Heeft |
4. Ja, Amen! ja. Op Golgotha Stierf Hij voor onze zonden; En door zijn bloed Wordt ons gemoed Gereinigd van de zonden. 5. Maar, ach! wat smart! Dit dwaalziekhart Doet ons gedurig vreezen. O God! G'aanschouwt, Hoe 't ons berouwt Steeds weêr bevlekt te wezen. 6. Wtlfu ter eer. Steeds meer en meer 'tGeloof in ons versterken! Dan zuflen wij, Ge-' reed en blij, Ãit liefde 't goede werken. 84. ZUCHT OM MEEKDERE HEILIGING. Wijzr: Gezana: 28. ader, vol van mededoogen! Zie op mijn --===-7-£-r- ellende neêr, AVendt tot mij erbarmend'oogen; r-*â~--=-iz=---:===ây-â--TTâsâ^ ---â - --------â~ââ-------ââ-- Vader, vol van mededoogen! Zie op mijn el lende neêr. Vorm mij, vorm mij tot uw eer. ââââ â 2. O! Gij ziet het, wat ik lijde Bij 't bederf, dat pp==r===â---â ; ; .jé in mij woont, Hoe ik worstle, hoe ik strijde; O! Gij ziet het, wat ik lijde Bij 't bederf, dat TZ7amp;=?EZ ^ â â-----â~ in mij woont, En zich telkens nieuw vertoont. i-lilliâa.ZE5==^=^=ââUilâ 3. Duizend bittre hartetranen, L alleen beken- T-.----,» a - de smart. Doen de vreugd mijns levens ta nen; Duizend bittre hartetranen, U alleen be- ZZZ1amp;: kende smart. Knagen rustloos aan mijn hart. 4. Moet mijn eigen deugd mij schoren, 't Regt |
ZUCHT OM MEERDERE HEILIGING.
=3S=
Gez. 84, 85.
|
't Regt hier gelden, geen gena', Ach! ik waar gewis verloren. Moest mijn eigen ---ââ--------------- deugd mij schoren, 't Regt hier gelden. geen gena'. Als ik voor uw vierschaar sta. t'quot; I' ^ ^ â , --------- 5. Zelfs mijn tranen en gebeden Keeren schuldig li .fr a ? , --â~ ~ tot mij weêr, Als ik tot uw' troon mag treden; Zelfs mijn tranen en gebeden Keeren schuldig =;s= tot mij weêr, Smeeken om vergeving, Heer! 6, Hoe ik dieper poog te delven, Ãoe |
dertrouw blijft bouwen; 0! dat kinder- â¢Ã¯Ã¯-r â------'â ----^--âââ--7 â 6â £ ^ ^ lijk vertrouwen, Dat, bij al quot;t gevoel van schuld, In 't'gemoed geen twijfling duldt! 10. Dit geloof geeft moed en krachten. Staaft, dat God waarachtig is: O! hoe blijft mijn harte smachten, Hoe naar dat geloove trachten. Dat, bij voorspoed en gemis. Leeft op Gods getuigenis! 11. Dierbre Heiland! hoor mijn smeekenquot; |
ik meer bederf ontmoet; Ach! ik wan-
;---y--lt;.--â » » ^-r-:--7i-tt'â---râ
Wek in mij dien kinderzin; Dan moog
|
Daar mijn kracht voor zwichten moet. 7. Heiland, eindloos van ontfermen! Die geen' zondaar ooit versmaadt; Heiland, eindloos van ontfermen! 'kWerp mij raad- |
^ =5: -kinderzin Voor uw liefd' en bijstand in! 12. Blijf, in leven en in sterven, 't Eenigst ^ rustpunt van mijn hart! Wat, wat kan i mijn ziel niet derven, Blijft G' in leven - ryâ^ hoop aan mij zeiven: Hoe ik dieper poog ^ ! alles mij ontbreken: Dierbre Heiland! hoor te delven, Hoe ik meer bederf ontmoet, | mijn smeeken. Stort mijn hart dien m mm |
|
loos in uw armen: Nu mij alles hier verlaat. Daar, en daar alleen is raad. ---T---T.=^^=E^Ei^=g 8. Ja, in U is redding, leven, Schuld-vergeving^ kracht tot deugd, Van uw' Vader mij gegeven; Ja, bij U is red- ^ ding, leven. Schuldvergeving, kracht tot |
en in sterven, Onder voorspoed, onder smart, 't Eenigst rustpunt van mijn hart! |
mijn toevlugt in het lijden. Kracht in
Ware zielrust, reine vreugd.
deugd,
|
9. O! dat kinderlijk vertrouwen, Dat, bij al 't gevoel van schuld, Ãp Gods Va't strijden. Als de nood het bangste viel! |
2. Zie mij voor uw' troon gebogen, Sla E 5 uw |
|
GEBED IN VE g ^ :=--é. uw oogen Gunstig neder op mijn smart; 't Woelen der verdorvenheden In mijn leden, Zond' op zond' ontrust mijn hart. 3. Naauw ben ik gevaar ontvloden. Of mijn nooden, Nieuwe nooden groeijen aan; Nieuwe heiren van verzoeking. Wier verkloeking Ik, helaas! niet kan weerstaan. 4. Strijden moest ik, maar mijn krachten Zijn slechts klagten ; Ach! waar berg, waar = berg ik mij! 't Hart, steeds morrend, ontevrede. Strijdt niet mede, Groot' Ãntfermer! sta mij bij. 5. Aller schepslen mededoogen En vermogen Schiet te kort in mijnen nood: Licht Vader! Gij alleen, o Vader! en Rader! Gij zijt Redder uit den dood, 6. Jezus Christus heeft geleden. Heeft volstreden. Overwonnen, ook voor mij, Helsche list en magt gebonden, Dood en zonden Overwonnen, ook voor mij. 7. Jezus streed, en leed onschuldig En geduldig, Klaagde, dat Gij Hem verliet; Zoudt Gij, Vader! mij verlaten? Mij verlaten. Nu G* in Jezus op mij ziet? 74 m |
RZOEKINGEN. kwaad: 'k Zal Hem dan standvastig volgen, Hoe verbolgen Ook de zee van rampen slaat. 86. TEGEN VERSTBOOIJING VAN GEDACHTEN, Nieuwe zangwijze. elaas, dat zwerven der gedachten! Hoe leidt ons 'tijdel zingenot Steeds af van 'theil, dat wij verwachten. Van 't geen Gij wilt dat wij betrachten, Van uw gemeenschap zelfs, o God! 2, Niet slechts bij aardsche bezigheden Kwelt ons die zwerfzucht van het hart, Maar dan zelfs, als wij met gebedel Of dankerkentnis tot U treden, Gevoelen wij die bittre smart. 3. Bij onze godsdienstoefeningen, In 't eenzaam en in 't openbaar, Is d' aandacht naauwlijks te bedwingen. Gestaag verrast door beuzelingen; Helaas! wat valt die last ons zwaar. 4. Wie helpt ons dit met moed bestrijden. Wie breekt de kracht der ijdelheên, Wie zal ons treu m rig hart verblijden. Wie zal ons van dien last bevrijden. Van zulk een zwerfzucht? Gij alleen! ==-==Hquot;â--:i===E=: 5. Och! zie ons aan uw voeten weenen, 0 Je- -----^âgt;vâ5 _ --------i-- zus! zie op onze smart. Och! wil ons vaardig Gez. 85, 86. Hs Hür hulp verleenen; Nooit zondt Gij klagers hulp |
loos henen. Nooit kon U dat van 't liefdehart.
8. Geef mij Jezus Geest in 't lijden.
En
in 't strijden Jezus afkeer van het
6. Leer Gij ons dan ootmoedig smeeken, Gij,
die
f
Gez. 86, 87. 88. TEGEN VERSTROOIJING VAN GEDACHTEN.
75
|
die d'ontferming zelve zijt, Help ons de kracht der zwerfzucht breken; Dan wordt ons den |
Bij de VIERING van den OPENBAREN GODSDIENST. |
88. voortreffelijkheid der openbaring boven de rede.
Wijze: Psalm 113.
0
men : Het woord van uw gena' Blijft,
Vader! eeuwig Ja, In Christus, Ja en Amen.
mensch, geloof aan uwen God!quot; Is,
Heer! uw onbepaald gebod. Och! dat uw Geest dien pligt ons leere! Wat komt, in
dezen kinderstaat. Ons meerder dan 't geloof
=S£=
te baat? 't Bevel daartoe is weldaad, Heere!
=3ï;=
ken en ons spreken Geheel, alleen aan U gewijd.
|
2. Gij, die ons bidden ziet. Verlangt ook, dat ------A----iv--xr--^ wij niet Slechts vragen, maar verwachten: Ons bidden is geen wensch, Die opgaat tot een' mensch, Wien 't faalt aan avü , of krachten. -tr--s--__=3»:= 3. Ons oog is op uw' Zoon, Die ons tot » f»-â-«ââ uwen troon, Als Midlaar, in wil leiden; Al wat ons hart begeert. Gelijk zijn voorschrift leert. Dat mag 't geloof verbeiden. 4. Geeft ware Christuszin Ons reine wen- «gt;--A---.V------- schen in. Heeft die ons hart genezen. Dan moet de gansche ziel, Die biddend nederviel, Bij 't opstaan, Amen wezen. 5. Dit Amen geeft U eer. Dit Amen vraagt niet meer. Zou God mijn bede schenken ? Dit Amen stelt gewis, Dat Hij, die ügggiü^m ==3E= d' Amen is, Zijn waarheid nooit zal krenken. |
2. Wat zou ons naauwbeperkt verstand. Ons kortziend oog, dat schaars 't verband Der dingen doorziet, ooit ontdekken. Zoo uw on-faalbaar =onderrigt Ons niet, waar onze rede zwicht. Ter heldre fakkel mogt verstrekken? 3. Waar zou ons hart, in eiken nood. Waar, bij het naadren van den dood. Ooit uitkomst^ zien in zijn ellende, Zoo 't niet, in zijnen donkren nacht. Bij 't licht, door Jezus aange-bragt. Zich tot een' God, een' Vacïer wendde? 4. Wat wisten wij met zekerheid Van alles, :3s:= wat na 't graf ons beidt. Slechts door het redelicht omgeven ? Waar leerden wij die pligten aan. Die ons, in dit ons eerst be staan, Reeds vormen voor een hooger leven? 5. Ja, uw bevel is weldaad. Heer! Waar zou, was |
VOORTREFFELIJKHEID DER OPENBARING BOVEN DE REDE.
Gez. 88, 89.
76
|
was hier 't geloof niet meer, heid de rust verbeiden? Neen! in ons tegen- woordig lot Kan onbepaald geloof aan God Alleen tot hooger' stand ons leiden. Onz' eindig Iliüüi 6. 't Zegt weinig, of de geest in 't end, In 't geen ârtr.--ff hij van uw werken kent. Ãén stip meer van 't geheel vergader'; Maar, dat van 't eindloos schepslental Geen muschjen ooit op aarde 89. VOORTREFFELIJKHEID VAN JEZUS LEER. |
Wijze: Psalm 84. W at zwoegt g', o mensch! naar goud of eer. Daar gij in Jezus reine leer Den grootsten schat bezit op aarde! Waar is u ïiooger heil bereid'? Zij voedt u op voor d' eeuwigheid. En schenkt u eenmaal Englenwaarde, Zij stemt uw hart tot ware |
|
vall'. Dan met uw'wil, dit troost ons, Vader! 7. 't Zegt weinig, dat ons zoekend oog Eén star te meer ontdekken moog. Waar millioe-rïen 't oog ontvlugten; Maar, dat dezelfdequot; Majesteit, Die z' allen voert, ook ons geleidt, =lt;5= Dit doet ons voor geen rampen duchten. ='=â¢5^ ding door dit 8. 't Geloof aan God verhoogt den moed. Het troost 'ons hart in tegenspoed. En leent in nood en dood ons krachten. Och! dat w' oot moedig, needrig, kleen, Met dit geloof ons pad betreen, Van dit geloove troost verwachten! 9. Stort, Vader! ons dien kinderzin. Dat Uii^i onbepaald vertrouwen in Op uwe lei |
even, Dat wij gerust aan 't grootst geschenk in zich bevat. Dat in het stof u kon verbeiden, Een gift der hoogste liefde waard, God gaf ze door zijn' Zoon aan d' aard, Om menschen tot Hem opteïeiden: Zij wijst, bij al den aard- lt==2_ââ--- -Vâââ ^ 'i' Jl schen druk. Den zeekren weg tot waar geluk. iUi-^--»==''' --- «= 3. Lacht u hier ware grootheid aan, Gij kunt z', op uwe levensbaan. Alleen van haren invloed wachten; Z' is juist geschikt voor uwen stand. Staat met uw' aanleg in verband, En is berekend naar uw krachten: Mensch! zoo zij u geen' bij |
uwe hand Hier spoeden naar het vader-
-tr- igt; A
stand biedt. Bereikt gij uw bestemming niet.
4, Beproef, of ooit in schooner licht Volmaak-
land, En op uw woord den doodsnik geven.
Gez. 89. VOORT HEFFEL IJ KHEID VAN JEZUS LEER
maakter beeld voor uw gezigt Van men-schelijke grootheid zweefde, Dan d'echte
77
tot zijn taak ligt wekken: Voor liefde, ware
liefd' alleen, Was pllgt en zaligheid steeds één.
______ââ ----gr v ^ v _ . j 4^ â ^ i * â âv i . ^ Vquot; i T â¢--
Christen wezen zou. Die, aan zijns Hei- 8. De liefde tot den hoogen God Vereent
|
lands leer getrouw, Haar met zijn hart en daan beleefde. En daaglijks in die deug- mi^==is_:___ den won, Die hij door haar bereiken kon. 5. Waar vindt g'een' God, een Majesteit, Zoo vlekkeloos in heiligheid. Zoo boven allen lof verheven, Zoo vreeslijk voor het boos |
ons hart met zijn gebod. Doet ons Hem dienen zonder vreezen; De liefde tot den ÃÃ evenmensch Maakt zijn geluk tot onzen wensch. Doet ons hier alles voor hem wezen; Waar is een deugd, die meer be- koort. Waar vloeit z' uit reiner bronnen voort? |
|
gemoed. Maar voor 't boetvaardig hart zoo goed. Zoo rijk, zoo mild in 't schuld vergeven ? Kom, toon m' een' God, zoo groot, 9. Waar wordt aan uw beklemd gemoed Vergeving, om een godlijk bloed. Voor al uw schuld om niet geschonken? Waar wil een |
Geest, door niets beperkt. Die 't willen en 't volbrengen werkt, Uw hart, uw magt-
zoo goed. Als Jezus leer aanbidden doet.
6. Waar dringt de reinste menschenmin Met
|
zoo veel kracht ten boezem in. Waar zijn de driften min verbolgen, Dan daar, waar EEEEri? 't hart geen' vijand heeft. Voor haatren bidt, altijd vergeeft. En 't beste Wezen na leert volgen; Waar spreidt menschlievendheid zoo schoon. Zoo goddelijk een' glans ten toon? 7. Baart liefd' alleen hier reine deugd, Slechts loos hart ontvonken? Waar loopen Gods vol- |
-----^=â==3« komenheên Zoo met ons waar geluk in een? 10. Waar vindt de mensch in zijn verdriet Den troost, dien Jezus leer hem biedt? Waar is in 't lijden God hem nader? Waar ziet zijn oog in schooner ïicïit. Ook waar de tuchtroe' nimmer zwicht, Het doel van een' ver- Er3cÃ==2 |
Jezus leer, die 't hart verheugt. Doet haar gevend' Vader? Waar is zijn eeuwig zalig ter l)ron der deugd verstrekken; Wie zon- | lot Gegrond op d'eer van zijnen God? der liefd' om d'eerkroon loopt, Wordt ligt door loon of straf genoopt. Kan hoogmoed
VOORTREFFELIJKHEID VAN JEZUS LEER. Gez. 89, 90, 91.
78
|
uw' jongsten snik zult geven; Zij is het -----------ââ _--Tv- ^ : licht voor uwe voet. De staf, die u voor wanklen hoedt, Uw zeekre gids tot beter leven; Met haar zijt gij in eiken 11 kring, In eiken stand Gods kweekeling. |
ons als Vader hoort: Zend uwen Geest nu in ons midden, Verlicht, vertroost ons hart, o Heer! Dan zal ons zingen, hooren. bidden Ons zalig zijn, en U tot eer. 91. VOOE DE PREDIKATIE. Wijze: Psalm 84. |
ij wijden, gunstrijk' Opperheer! Deez'
D1
Heb
feestdag aan uw' dienst en eer:
90. VOOB DB PREDIKATIE. Wijze: Psalm 66.
at w' U deez' dag, o Jezus! wijden.
dank! uw godlijk welbehagen Vergunt ons rust van bezigheên. En roept ons, om aan U alleen Godsdienstig' offers op te-
Hem vrolijk vieren in den geest, Den
dag, waarop wij ons verblijden. Dat Gij
weer uit het graf verreest; Laat ons uw
eer alleen bedoelen, Uw eer, die al ons leven is. Dan zullen w' in ons hart
==*C-
Verhef ons hart nu boven
dragen ;
't stof. En stem het. Heer! tot uwen lof.
|
gevoelen De kracht van uw verrijzenis. 2. Hier zuflen wij ons ïnet uw vrinden. Die voor uw godlijk aanzigt staan. Door liefd' en door geloof verbinden. Vermelden uwe liefdedaan; Hier, waar uw heilgen zich verzaamlen. Hier zingen w' U ons needrig =fied. Al kunnen wij uw' lof maar staam- len; 't Ootmoedig hart versmaadt Gij niet. 3. Hier danken w' U, met al uw leden, Hier wordt uw liefdestem gehoord, Hier zenden â _ -â----3^=^- A -ây-=r=sâ w', in uw' naam, gebeden Tot Hem, die ^-'â^==--g--*=---y |
2. O Vader! dat uw vriendlijk oog Ons hart bestrale van omhoog! Daar wij met onze smeekgebeden, In naam van Jezus, uwen Zoon, Vertrouwlijk naadren tot uw' troon: O milde Bron van za ligheden! Stort, in den rijksten over vloed, Uw' zegen uit in ons gemoed. ^ â .zrr----------ârr 3. Och! dat uw Geest den Leeraar sterk'. Het zegel zett' op al zijn werk; Dan zal uw woord ons hart doordringen, Dan brengt het schoone vruchten voort: Door dank- |
VOOR DE PREDIKATIE.
Gez. 91, 92, 93, 94.
79
|
dankbren ijver aangespoord Zal onze mond dan vrolijk zingen; Dan is ons leven, voor |
5. Uw eer, ons heil zij 's Leeraars doel. Ver- ft ^--gt;gt; quot;fequot; O ^ wek in hem een warm gevoel Tot krachtig |
|
' g ' â » -g--- altijd, Geheel aan uwen dienst gewijd. 92. VOOR DE PREDIKATIE. Wijze: Psalm 24. w® ij, allerhoogste Majesteit! In uwe ----Oâ~ A. quot; .---â--r tegenwoordigheid Godsdienstig in uw huis verschenen. Wij buigen ons eerbiedig neêr. En smeeken U, wil, U ter eer. Ons uwen Geest bij 't woord verleenen. 2. Bepaal Gij zelf' ons zwerfziek hart. Zoo ligt B== â gt;-CT---y--a .V. =====»:s=S=£= in zond' en zorg verward; Verleen Gij zelf ons luistrend' ooren. Doe ons de waarheid regt verstaan. En laat ons diep ter harte gaan. Wat Gij ons tot ons heil doet hooren. 3. Maak, door uw woord, ons zoo bekend Met VJâ-1-Xt-----^-= ons bederf en diep' ellend, Dat wij in oot- |
moed die betreuren. En geef, dat uw getuispreken, vurig bidden; Gij hebt ons immers zelf verklaard, //AI waar men in mijn' naam '/vergaart. Daar ben Ik zelf ook in uw midden.quot; uw bevel vergaderd. Waar ons hart in uwen naam Dankbaar tot den Vader nadert; Ãch! wees zelf nu in ons midden. Bij ons danken, bij ons bidden. 2. Heiland! Gij hebt aan uw Kerk Uwen Heilgen Geest gegeven, Die 't geloof in 't harte werk' Door uw woord ten eeuw gen leven; Dat ons nimmer iets op aarde Bij uw heilleer koom in waarde. 3. Zet ons harte door dien Geest Voor uw lief- |
|
genis Van 't geen uw Zoon voor zondaars is, Ons uit die droefnis op moog beuren. 4. Wil, door een vast geloof, ons hart, l3ij lief en leed, bij vreugd en smart, In Hem vertroosten en versterken; Ontsteek dus, in |
delessen open, Dat wij daaglijks onbevreesd Op uw heilbeloften hopen, Tot dat G' ons geloofsvertrouwen Eens verwisselt in aanschouwen. 94. VOOR DE PREDIKATI Wijze; Psalm 38. |
FtPS
aSâ-:±~ ______
la, o God vol mededoogen! Sla uw
Ã
gloed Tot dankbaarheid en goede werken.
oogen Nu genadig op ons neêr. Daar
wij,
s
ons koud gemoed. Een' onuitbluschbren ijver-
VOOR DE PREDIKATIE.
Gez. 94, 95, 96, 97, 98.
80
wij, in uw huis verschenen, Ons veree
97. b ij d E n d o o p.
Wijze: Gezang 40.
nen, Naar uw voorschrift, tot uw eer.
|
2. Dat ons hart uw' Geest verbeide. Die ons ïeidequot; In uw waarheid, naar uw woord; Schenk uw' bijstand tot geïooven Nu van boven; Spreek dan, uw gemeente hoort. 95. na de predikatie. Wijze: Psalm 138. |
üi 2. Hoe zondig zij â n-jâ â »â^------â--a- |
Ook zijn, als wij, ^---- God en Heer! Zij eeuwig eer. Wij roemen uw genade; Ontfermend slaat Gij ook ons zaad. Om Jezus offer, gade. Onrein voor U geboren; Gij, zalig lot! -----ö Gij zijt hun God, Aan wien zij toebehooren. |
3. Heeft uwe hand Den Doop, ten pand Van
Vader! ü zij lof en prijs Voor 't on-
|
â-- derwijs. Aan ons gegeven. Uw woord, uw waarheid maak ons vrij, Ãn blijv' ons bij. Door al ons leven: Doe ons, o Oppermajesteit! Uit dankbaarheid Uw' wil gjgEEgÃrr9. _ ^ ^ âzâ^= betrachten, En steeds geloovig, om uw _Zoon, Van uwen troon Uw' zegen wachten. 96. NA DE PREDIKATIE. Wijze: Herr und Aeltster deiner Creutz-Gemeine! |
uw verbond, gegeven. Die blijde troost Doet ons dit kroost, Met vreugd, U overgeven. 4. Uw zondaarsmin Stort blijdschap in, En lust, ^ en moed, en krachten : Der oudren pligt, Hoe zwaar, wordt ligt. Voor hen, die op U wachten. 5. Wil ons beleid Met waakzaamheid. Ons kroost uw' zegen geven; Zoo zullen zij. Zoo zullen wij U hier, en eeuwig leven. |
|
alleluja! eeuwig dank en eere. Lof, aanbidding, wijsheid, kracht. Word', op â-----a' yâ==- aard en in den hemel, Heere! Voor uw â-------r-â77------ liefd', à toegebragt! Vader! sla ons steeds â«â ----g-ââT === 5 .- --0-- OI âié ff in liefde gade; Zoon des Vaders! schenk ons uw genade; Uw gemeenschap. Geest van God! Amen! zij ons eeuwig lot. |
98. NA DEN DOOP. Wijze: Psalm 103. ij danken U, barmhartig'God en Vader! ââ==----A g â^ Dat G' uit gena' ons en ons kroost te gader, m En Om 't bloed uws Zoons, all' onze schuld vergaaft, Ons door uw' Geest hebt tot uw Kerk doen komen, Tot leên uws Zoons, tot kindren aangenomen, |
NA DEN DOOP.
Gez. 98, 99.
81
En door den Doop dit heil ons plegtig staaft. 2. Wij bidden U, wil ons om Jezus hooren,
Aanschouw het kroost, thans door den Doop her-
--------- -
zijn schuldrantsoen; Och! dat w', in liefde zaam-
- . -x ------------â ' -H
verbonden. Uw liefde dankbaar hulde doen.
2. Ja, zondaars zijn wij, diep bedorven.
W' erkennen dit voor ü met smart; Maar
Jezus, aan het kruis gestorven, Geeft
rust en troost aan 'tschuldig hart:
boren! Dat hen uw Geest, uw Heiige Geest regeer , Opdat het, vroom en Christlijk opgetogen.
In ware deugd steeds wandle voor uw oogen.
|
En wassen moog in Christus, hunnen Heer. 3. Zoo word' uw gunst, uw Vadergunst geprezen, Die G' ook, o Heer! ons allen hebt bewezen; =*E= Zoo stemm' ons hart steeds met uw wetten in, Opdat het trouw, in alle deugdbetooning, Zijn' Heiland volg', als Leeraar, Priester, Koning, En onder Hem, wat zonde kweekt, verwinn'; 4. Opdat uw Naam, o eindloos goede Vader, O Zoon, o Geest, o eenig' God te gaderl Door hen en ons altijd verheerlijkt word'; Opdat ons hart U dankbaar eer bewijze, U vrolijk roem', U rustloos loov' en prijze. Tot dat de tijd in d' eeuwigheid zich stort. 99. BIJ DE BELIJDENISPREDIKATIE. Wijze: Psalm G6. gâ .s. «- z ie ons te zaam uw' naam belijden, O God! |
waarheid is 't, die ons te zamen Aan U, en uwen wil verhecht, Waarop ons hart geloo-vig, Amen, Met al uw kindren, Amen zegt. 3. Door éénen Heer zijn onze harten. Door éénen ^ Geest en doop vereend, Ãén Trooster is het, die ^ in ^smarten Ons zamen sterkt, en hulp verleent; 't Is één geloof, waardoor wij leven. Ãén hoop op uwe zaligheid; Ãén hart wilt Gij ons allen geven. Dat hebt Gij zelf ons toegezeid. 4. Och! heilig ons dan in uw waarheid, Zij voer' in ons steeds heerschappij, Uw woord, o Vader! is de waarheid; Zet Gij ons licht en ijver bij, Zoo zullen w' uwer ons nooit schamen, Wien hart en mond geheel behoort. Zoo, zoo verbinden w'ons te za men In trouw aan U, en aan uw woord. |
5. Gedenk aan onze nieuwe leden, Die, door 't be
met eerbied voor uw' troon, Ons zeiven U ten
dienste wijden In Christus uwen lieven Zoon,
» O
lijden van uw' naam, Met ons nu in verbindnis
treden ; O Vader! heilig z'in uw'naam, Dat
F niets
Vereenigd in gevoel van zonden, In uitzigt op
BIJ DE BELIJDENISPREDIKATIE.
Gez. 99, 100.
-O -t- amp;âJ
82
m
|
niets hun' ijver ooit verdoove. Uw liefd', uw waarheid blijv' hun bij , Dat hun geloof opregt |
geloove, Hun keus de keus des harten zii. 0 tot uw gedachtenis, Ons zaam vereenen zouden , En, met het oog op die gena', Die G' ons - ^--.v- 6 a .. . âO o ^ *-- beweest op Golgotha, Uw liefdefeestmaal houden. |
|
6. Bewaar, o God! hun ziel en zinnen, Dat, hoe de wereld vleijen moog. Zij boven alles U beminnen, In vreeze wandlen voor uw oog: Zoo rigten zij getroost hun treden Op Jezus spoor, hoe zwaar 'took schijn', Zoo zal, op 't geen zij nu beleden. Hun wandel 't sprekendst Amen zijn. |
3. Ontfermer! nooit verdienden wij 't Geringste ^^---- ^ â_ââ¢gt; » âp mededoogen, Gena'v oneindig groot en vrij, Wilt Gij aan ons verhoogen: Verslaafd aan pâ = .s a ff g---g 't zinnelijk genot. Geheel afvalligen van God, Vertreders van zijn wetten. Had ons de --^===^^==^==^==vi hoogste Majesteit Ten doel van haar ge- regtigheid En straffen kunnen zetten. |
4. Uw tusschenkomst hebb' eeuwk; eer! Ver
teeder maar ons harte, Dan vallen w' aan
âg- , a =»:-ïr--
w'in uw bitter lijden. Met diepen oot-
moed, ons, o Heer! Aan 't Avondmaal ver
uw voeten neêr. Dan voelen wij, metsmarte. Met weedom, voor uw aangczigt. Wat snoodheid in dien afval ligt. Wat boosheid in de zonden: Bewaar ons bij dat smartgevoel. Opdat w'oot-
l| i lt;-------------öâOquot;-^--^--A--
|
blijden; Wil ons, bij 't naadren van dit feest, jây----y---^ â--^--â-- .N â-â »---^ Den^ invloed van uw' goeden Geest Ter voorbereiding schenken. Opdat w' aan uw' verzoeningsdood , Die zoo veel heils voor ons |
moedig, naar uw dojel. Uw' liefdedood verkonden. 5. Geen ontrouw, die Gij in ons ziet, Geen - â fcâ--- . ---«.â--6.. flaauwheid in het strijden, Geen misdaad blijv' er, die wij niet U weenende belijden; Op- |
regtheid, die geen kwaad verbloemt, Geen
ontsloot, Naar waarde mogen denken.
|
2. Uw liefde, die aan ons nog dacht In 't bit- --^-v--amp;--------â â »â terst van uw lijden. Toen G', in den allerbang- â a . â --â ^ -»â ----aé sten nacht, Uw' laatsten strijd gingt strijden: zonden immer zwakheên noemt. Beziel' ons |
---Xl. voor uw oogen: Gij, die voor ons aan 't kruis voldeedt. Wiens liefde van geen öâV,- |
wanklen weet. Zult onze tranen droogen.
6. Of
Uw liefde schonk ons dezen disch. Daar wij,
BIJ DE VOORBEREIDING TOT HET AVONDMAAL.
Gez. 100,101.102.
83
6. Of zouden w'aan uw liefdemaal, ü, Jezus!
. A âatoasgfe - â »-
Heer der heerlijkheid! Geef haar zwak
nog verdenken, ü, bij dit vriendelijk onthaal,
Die bedrukt van
-â »- lt;⺠a --
vertrouwen krachten;
Ã
verre staan. Neemt Gij met ontferming aan.
5. Halleluja! Jezus dood Wordt de we
Nog geen vertrouwen schenken? Och! leer
ons hier, bij brood en wijn, ^ Die panden
|
uwer liefde zijn. Uw ligchaam onderscheiden. En dankbaar, in verbindtenis Met al uw volk, -O-----^_______o |
reld door verkondigd, Jezus dood, die ons, hoe snood, Hoe ontaard, bij God |
ontzondigt; Zondaars! zwaar ^ met schuld
aan dezen disch ü w' roem naar eisch verbreiden.
belaun-, Neemt zijn heil geloovig aan. 6. Ja, tot in den hemel dringt Ons gezang met
blijde klanken. Waar, van Engelen omringd.
Alle zaligen Hem danken. Eeuwig juichen
-4â
van gena', Van zijn liefd' op Golgotha.
|
lost van zonden Geven ^wij Hem hart en dood, hand; Zijn verbond houdt eeuwig stand. 2. Neemt en eet, gij eet zijn brood, Jezus Christus werd gegeven Voor den zondaar in den dood; Neemt en drinkt, gij drinkt ten leven. Ja, Hij gaf zich in den In den bittren zondaarsdood. 3. Laat, die zich met toeverzigt, Jezus! in uw heil verblijden. Eeuwig wandlen in uw licht. Eeuwig aan uw' dienst zich wijden; Dat hun hart van hoogmoed vrij. Vol van uwen ootmoed zij. 4. Help de ziel. die raadloos schreit, Naauw-lijks op uw heil durft wachten, Help haar. |
|1=âE Mogt ootmoed, mogt geloof ons hart versieren, Zoo ging de rouw met stifle vreugd gepaard: Bewondren wij met diep' eerbiedigheid Zijn menschenliefd', op Golgotha gebleken. Nu Hij zijn' disch voor zondaars heeft bereid. Hun van die gunst ten onderpand en teeken. 2. Dat niemand zegg', ik heb te zwaar misdaan! ^-----: Of is Hij voor godloozen niet gestorven, En heeft Hij niet hun' zoen bij God verworven, F 2 ' En |
1
c*
BIJ HET AVONDMAAL.
Gez. 102, 103, 104.
t é
84
|
En wijst Hij ons dit aan zijn' disch niet aan? Laat schuldgevoel, bij zijne liefd', uw hart Tot meer geloof en sterker liefde dringen; -o-ââ^ -a. â â ^ ^ Zoo wijkt de vrees, zoo lenigt zich de smart. En rust en vreugd zal ons met kracht omringen. 3. Ik neem, geloof, en val aanbiddend neer; Wat zal ik, Heer! tot al uw goedheid zeggen? |
't Leven vinden in uw' dood. Wil ons licht gedenken. uw en toegang schenken; Laat ons uwen dood 't Leven vinden in dood, Bij 't genot van wijn en brood. 2. »Neemt, het brood wordt u gegeven Heer! dit^ was uw eigen taal, // 'k Heb mij u zelv' voor u gegeven, Neemt den wijn, |
|
Ik kan mij slechts voor uwe voeten leggen. Gij kent mijn hart; ik heb geen woorden meer. Geeft Gij U zelv' aan mij, ik mij aan U, Sterk mijn geloof, dat werk van uw vermogen. Aan uwen disch, en 'k leef alleen, om à In leed en vreugd als Redder te verhoogen. 103. bij het avondmaal. Wijze: Psalrn 138. I erhoogde Heiland! trek ons hart Ãit ---- â ^ ^ ^ , ~ 1 ^----^-- vrees en smart Tot U naar boven; Laat ons, door uwen Geest geleid, In needrigheid Uw woord gelooven: De waarheid straal ons helder aan. Leer' ons verstaan. Wat Gij wilt schenken. Opdat wij bij dat godlijk licht. Naar lust en pligt, Uw' dood gedenken. |
quot; gij drinkt ten levenHeer! dit was uw eigen taal In den nacht aan 't Avondmaal. 3. Werwaarts zouden wij ons wenden, Riept Gij ons, o Heiland! niet, Zoo vol nooden en ellenden? Werwaarts zouden wij ons wenden, Wisten niet, Dat G' op zondaars nederziet ? 4. Zwaar zijn onze wanbedrijven. Onze schuld is veel en groot. Maar wie zou teruggeblijven Omlijn zware wanbedrijven? Onze schuld zij nog zoo groot, Zulken zijn het, die Gij noodt. 5. Waren wrin onz' eigen oogen Niet bederf, van top tot teen. Gij zoudt ons hier niet gedoogen; Waren w' in onz' eigen oogen Niet bederf, van top tot teen. Dan zondt Gij ons ledig heen. Heiland! |
6. Vol van schulden en van zonden Ko
104.
men wij, met waar berouw, Gij hebt
ons rantsoen gevonden: Vol van schulden
en
Gez. 104, 105, 106.
O N D M A A L. 85
Mijn Middelaar! De schat is daar Van allen.
die u vreezen; Daar wil mijn hart ook wezen.
en van zonden Komen wij, met waar
B IJ HET A Y
IIIIÃ
berouw. Op uw woord: Gij zijt getrouw!
2. Mijn Heer en Heiland! welk een dank Betaamt
na de bediening.
|
'--------------------------- 7. U te loven, U te danken. Steeds te leven tot uw eer, Met opregte vreugdeklanken à te loven, U te danken, Steeds te leven tot uw eer, Zij nu al ons heil, o Heer! 8. IJdel was, o ja! ons pogen. Steunden^ wij op eigen kracht; Maar uw eindloos alvermogen ^ Ondersteunt het fïaauwe pogen, Helpt en sterkt |
mij in dcez' uren! Wat hooge toon voegt aan mijn' ^zang. Om 't geen Gijjnoest verduren! Gij mindet mij, Gij stierft voor mij , Gij hebt voor mijne zonden Denzoen bij God gevonden. 3. En ü, mijn Vriend! U zou ik niet Alsjnijn' Verlosser roemen ? Niet ijvrig doen, wat Gij gebiedt, U al mijn heil niet noemen? Niet |
de zwakke kracht Van de ziel, die U verwacht.
hand aan hand, In naauw verband Met all'
uw ware vrinden, M' in liefd' aan ü verbinden?
-s----A.----a------o-z
4. Och! wil mij hier, bij brood en wijn, In
---jfcz=:S£:râ-------;--â----:--â---^---
9. Wacht, o ziel! dan met vertrouwen Op
den Heer, als Hij verbeidt, Blijf op Hem
|
uw hope bouwen; Zulk een wachten met vertrouwen, Zelfs wanneer de Heer ver beidt, Strekt Hem meest tot heerlijkheid. 10. Ja, die keus is nu bezworen Bij 't gebruik van brood en wijn; Heer! wil ons gebed verhooren. Sterk ons in die kras, bezworen Bij 't gebruik van brood en wijn. Dan zal zij voor eeuwig zijn. |
't waar geloof versterken, ^ Om ü steeds meer getrouw te ziin, Steeds naar Gods wil te werken: -5^-----. ---â-----1;-â-â- Zoo word ik. Heer! Steeds meer en meer Gelaten, zacht en goedig, En naar uw beeld ootmoedig. ----fââyâr-â 5. Eens komt de tijd, o ja! zoo wis Wij zaam hier zijn gezeten. Dat ik met U, aan uwen __â__S--O- ^ ------------ disch Daar boven, eens zal eten; O zalig |
|
105. BIJ HET AVONDMAAL. W ij z e : Was Gott thut, das ist wohlgethan. |
goed! Hoe groeit^mijn moed. Tot hopen en vertrouwen: Geloof wordt eens aanschouwen. |
ff
ier ben ik, om aan uwe smart. Uw' bit-
B IJ HET AVONDMAAL.
Gez. 106, 107.
86
|
verloste ziele! Jezus zelf wil u vergasten; 't Staat u vrij hier toetetasten, Ook voor u heeft Hij zijn leven Willig in den dood gegeven: Kom u hier, met al zijn vrinden, Weer op nieuw aan Hem verbinden. verblijden Bij 't gedenken aan zijn lijden, Aan zijn tafel spijzen, drenken, Uit zijn volheid alles schenken; Kom, kom vol geloof en liefde, O hoe groot was zijne liefde! 3. Ik verheug mij. Heer! met beven, 'kNeem uit uwe hand het leven, Hier wilt Gij U met uw vrinden, Ãok met mij, op't naauwst verbinden , Mijne schuld niet meer gedenken, U, U zelv' mij eeuwig schenken; Uw gena' is onafmeetlijk, O! zij is mij onvergeetlijk. |
4. Heiland! laat mij waardig komen. Drinken uit uw levensstroomen; Ja, Gij zult ook zingen. Dat z' eens hier dat brood ontvingen; Jezus! 'k val hier aan uw voeten. Doe mij waardig^ U ontmoeten. Eten van uw he-' melspijze. Mij tot heil en U ten prijze. 6. 'k Vier gedachtnis van uw lijden. Tot een proef van dat verblijden, Dat Gij hebt voor mij verworven. Toen Gij zijt aan 't kruis gestorven, Zoon des Vaders, Licht en Leven! Gods-lam, ons ten zoen gegeven, Godlijk offer voor mijn zonden. Schuldig om mijn schuld gevonden! 7. 'k Zal mij in uw heil verblijden. Eeuwig, eeuwig mij U wijden, Om alleen voor U tequot; leven, Naar volkomenheid te streven; 'k Zal ü eens, o Heer! daar boven Beter kennen, beter loven, Beter, vuriger beminnen, Help mij, help mij overwinnen! 107. DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL. Nieuwe zangwijze. k H1 eb aan 's Heilands disch gezeten, quot; zamp;Z |
|
Ach! hoe vaak zat ik te dorsten. Naar U, Levensbron! te dorsten; Nu mag ik blijmoe mijne klagten Nu verhooren, nooit verachten .------r= .v / dig komen. Drinken uit uw levensstroomen. 5. Gij, wien 's hemels reine scharen. Die als Ui ik ook zondaars waren. Dank en lof en eere |
'k Heb gegeten Van het brood, dat zielen voedt; Daar, daar werd mij wijn ge- - . -â »- ft ft - »---»quot;--gt-'A-- schonken. Die, gedronken, Zjelverkwikking smaken doet; Jezus zelf had door zijn boden Mij doen nooden, Ik verscheen op hoog ontbod, En was welkom; dank zij God! 2. 'tBrood. |
|
Werd m' een teeken Van zijn ligchaam, dat weleer Werd voor mij aan 't kruis verbroken. En doorstoken; 'k Zag den kruisdood van mijn' Heer; In den wijn, dien 'k uit zag gieten, Zag ik 't vlieten Van zijn toen vergoten ^--*-pand. Bij 't herdenken van zijn lijden. Van zijn strijden Tegen zonde, dood en hel; Dat al d' aard zijn' lof ver teil'! |
6, Wie zou Hem geen' dank bewijzen. Hem niet prijzen, Hem niet loven ? wie zich |
bloed; 'k Zag door Hem mijn schuld geboet.
niet Aan dien Herder overgeven, Die
zijn leven Voor zijn schapen niet ontziet? Wie Hem niet tot Heer begeeren, Hem
3, Laat ons zaam, met blijde klanken, Je
zus danken; Christenschaar! die ook van
Hem 't Heil, dat Hij mij deed erlangen.
niet eeren. Die ons van 't verderf behoedt.
Ons gekocht heeft door zijn bloed?
Hebt ontvangen. Loof den Heer met hart
|
en stem! Laat de dankbre vreugdegalmen. Liedren, psalmen Stijgen voor des Hoog-sten troon. Zing ter eere van Gods Zoon! 4. Lof zij Hem, die oijs onthaalde. En bestraalde Met gena' en majesteit ; Lof zij Jezus, door wiens sterven Wij verwerven Ein- delooze zaligheid! Jezus stierf aan 't kruis geklonken; Hij, gezonken In het graf, en op- ----^---â -»----» -lt;»â--V-----------1 gestaan. Heeft aan 's Vaders eisch voldaan. qâ _ s ât-â- o ;=g=S5£5c ---------- 5. Lof zij Hem, die, opgetogen In den hoo- 0--=--TTâ-. _----- gen Aan des Vaders regterhand. Ons nog, door een zigtbaar teeken. Toe wil |
7. 't Lust ons, naar zijn welbehagen. Steeds te jagen Naar de hoogste heiligheid; 't Lust ons ^ Hem met vaste schreden Na te treden. Daar Hij ons ten hemel leidt; 't Lust ons Hem het oor te leenen. Ons te spenen Van de we-reldsch' ijdelheên, Hem te dienen, Hem alleen. 8. Dierbre Jezus! zoo weldadig, Zoo genadig, Dierbre Zaligmaker! Gij, Die 't geloof, dat G' in ons werktet. Heden sterktet. Sta met uwen Geest ons bij. Die verleen' ons moed en krachten! Al ons trachten Naar volmaking vordert niet. Zoo uw Geest geen' bijstand biedt F 4 108. DANK- |
DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL.
Gez. 108, 109.
88
|
108. DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL. Wijze: Psalm 103. ij hebben zaam aan Jezus disch gezeten. Zijn' wijn gesmaakt en van zijn brood gege- â¢â¢Â«= quot; ~ w1 |
Van aangezigt tot aangezigt, aanschouwen Bij 't lied des Lams aan 't beter Avondmaal. m 109. DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL. W ij z e : Sieh, hie bin ich, Ehren-König! ââ O--=\v-zffâ |
|
ten, En zijn vervuld met dank en vrolijkheid: Nu hart en mond voor God en mensch ontsloten! Komt, heffen w', als versterkte dischgenoo- ten. Den lofzang aan der hoogste Majesteit. ==3Ã= |
ezus! die voor doemelingen. Door uw' kruis- |P= dood, hebt geboet. Zou ik niet uw liefde zingen, â _â________^ â .... --mJ Daar Gij mijn bezwaard gemoed Zoo weldadig, ---^-ttv--o----»--ââ »-^ Zoo genadig, Aan uw' feestdisch hebt gevoed ? |
2. Gij hebt ons. Heer! oneindig veel vergeven, j 2. Meer verkwikking smaak ik nimmer. Wat mij
--jrr==z=zz==-----â
â¢EEEâ---â-*gt;--^â
Die onze schuld verzoende door zijn bloed!
Om Jezus dood vergunt Gij ons het leven, ook de wereld bied'; Arme wereld! waar'k mij ^
immer Dwaaslijk door verleiden liet. Wat m'ooit ^^--aâ--^
|
Zie ons dan hier, vol dankbaarheid en vreugde. Vol van den roem der hoop, die ons verheugde. Met nieuwe kracht bij wijn en brood gevoed. 3. Die kracht zij U, zij U alleen geheiligd. |
lustte, Zieleruste Vond ik, buiten Jezus, niet. â n-j-,...... 7-- 3. 'kZal zijn liefde nooit vergeten; Hij, wiens dood mijn leven is. Deed mij naadren, nemen, eten, i_y_______________^--- Drinken aan zijn' liefdedisch, Gaf m' in handen _ lt;gt;â ^ ---^---^ |
En door 't geloof, in uwe kracht, beveiligd, j D'onderpanden Van mijn schuldvergiffenis.
Voor elk ten blijk wat Jezus dood vermag; 4. Amen! Amen! ik geloove; Jezus! geef, dat
Ãii
|
Dan zullen wij als broeders zamenwoonen, E==5EE5|=Si2 Zijn heilig beeld in ons gedrag vertoonen rüSErErft:â-^iEr^i^rEEEEE En kinderlijk ü dienen met ontzag, 4. Genaakt de tijd, dat onze ziel, ontbonden Van 't logge vleesch, die kweekplaats van de zon den , Niet langer deelt op aard aan 't Avondmaal, Dan zullen w' Ã, 0 God van ons vertrouwen! |
schuld noch strijd Immer mij dien troost ontroove: --'â »--.V----------O .»-3:-^-.ar-â «£ Blijft het hier beproevingstijd. Uw genade Slaat ^ ---1 ^ - sN _ :: Cgt; â¢gt; ^ ^ â1|â mij gade, 'kWeet, dat Gij mijn Heiland zijt quot; ^ quot; 5. Blijf mij in die hoop versterken; Zalig, dat Gij eeuwig leeft! Mogt maar elk aan mij bemerken, --râ-.----±-=A=gt;a£ Dat de troost, dien Gij mij geeft, Op mijn' handel. Op mijn' wandel. Tot verbeetring invloed heeft. 110. DANK- |
Gez. 110, 111. DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL.
89
slaan. Moest Gij ons meer, dan alles wegen.
6. Maar, ach! Gij kent uw maaksel. Heer! Gij weet, hoe ras 't zich van U keer', Naauw door ü aan den dood ontrezen; Och! dat uw liefd'
T
ons tot U trekk'! Wat uit ons voortvloeit blijft
|
zwaard, gemoed Gesterkt hebt met uw vleesch en bloed Tot een onsterflijk zalig leven. 2. Nu juichen wij uit onzen nood; Wij lagen midden in den dood. Maar vonden 't leven in uw liefde: Ãch! ~dat ons hart het nooit vergeet. Wat Gij, Getrouwe! voor ons deedt. Toen U de doodschicht voor ons griefde. |
gebrek. Wat G'in ons werkt zal heilig wezen. 7. öch! dat de Geest, door U beloofd, Die in U is, gezegend Hoofd! Ook ons uw leden meer doe leven! Dan leven wij, getrouwe Heer! Tot uw en tot uws Vaders eer, Ãn ons geloof zal vruchten geven. OP CHRISTELIJKE FEESTDAGEN. |
|
3. O! vierden wij gedachtenis Van eene liefd' aan uwen disch. Die duizend levens niet vergelden; â---lt;V__â----*r Hoe moesten w' in het lage stof. Door onzen wandeh uwenïof, Uwgadelooze gunst vermelden! 4. Ontvlam, mijn ziel! ontvlam voor Hem, Paar dankbaar voor Hem hart en stem. Zijn eer zij eeuwig uw bedoelen! Dat, wat in zoncï' en wereld blink', Bij à voor eene liefde |
Gij hebt U zelf de sterflijkheid verkoren. Gij Eeuwge! kiest een mensch te zijn, en leeft. quot; |
2. Gij, op den troon van 't groot heelal gezeten,
zink'. Die zelfs de dood niet kon verkoelen.
lil
|
5. Ja, dierbre Jezus, vriend in smart! Gij slechts hebt quot;aanspraak op ons hart. Gij hebt ze door uw bloed verkregen; Ja, dierbre Jezus! ja voortEum Moest elke polsslag voor U |
Zaagt reeds vooruit de lange jammerketen, iPüi Die 't schandlijk kruis met uwe kribbe paart; Gij hebt voor U die jamren zelf berekend. Gij zelf 't ontwerp van alquot;uw leed geieekend, F 5 Gij |
|
ken, Gij zaagt uw kruis, maar Gij onttrokt U niet. -amp;= 4. De tijd snelt aan, en Gij voorspelt uw banden, Gij ziet van ver uw' vijand knerssetanden, Gij weet, hoe reeds zijn list en boosheid woedt, Gij ziet uw kruis. Gij telt de naadrend' uren, Maar trekt vol moeds naar 's wreevlen vijands muren, Daar G' openlijk een plegtig' intree doet. 5. Gij, die op zee de stormen doet bezwijken. Gij kunt de magt uws vijands wel ontwijken, Gij, sterke Held! die't Englenheir gebiedt, Gij, wïens bevel uw volgelingen spaarde. Wiens woord, quot;Ik ben 't,quot; uw vangren wierp ter aarde. Gij toont uw magt, maar Gij ontvlugt hen niet. 6. Immanuël! o doelwit onzer zangen! Al zien wij U in 't stof door angsten prangen. Daar, in dat stof, ontvouwt G' uw majesteit; Gij klaagt, quot;en lijdt met een gevoelig harte. Gij lijdt, maar lijdt gewillig al die smar-te, Uw lijden is bij God gehoorzaamheid. |
//Niet mijn, niet mijn, uw wil alleen geschie'.quot; 9. Gods wil geschiedt. Wat schriktooneel op aar de! Toen om U heen d' ontboeide hel zich ---âVquot;»---------------ââ-- schaarde, U hoonde met haar bitse spotternij. Met vreugd, van dorst, üquot;Jezus! hoorde klagen, En diepst verneêrd aan uwen Vader vragen, quot;//Mijn God, mijn God! waarom verlaat Gij mij?quot; 10. Ja, Jezus! Gij gevoelt, en daarom klaagt Gij, Gij hebt ons lief, en daarom, Jezus! draagt Gij, Uw lust= is, dat Gij 't leven ons verwerft; 't Is vruchtloos, wat het woên der hel U verge, Hoe z' U Verzoek', =en hoe z' U lastrend terge. Het' is vergeefs, Gij Jezus! zwijgt, en sterft. A. G E- Gez. 111. 7. Men hoort, als God zijn gramschap toont, U klagen. Gij kunt dien last niet onverschillig |
OP JEZUS GEBOORTE.
Gez. 112, 113.
91
A GEZANGEN OP JEZUS GEBOORTE.
re vreugd bereidt, Gedachte vol van maje
|
in 't groot heelal Door J ezus is en wezen zal. 2. Men had hem eeuwen lang verwacht. Tot dat Gods tijdperk was volbragt. Toen zond Hij ons van zijnen troon Het heil der wereld, zijnen Zoon. 3. Als ik dit wonder vatten wil. Staat mijn verstand vol eerbied stil, 't Verstomt bij 't geen het niet =*:= doorziet, 'k Aanbid, maar ik doorgrond het niet. 4. Opdat de zondaar leven moog. Daalt zelfs de Schepper van omhoog. Verbergt zijn hooge majesteit, Wordt vleesch, wordt onzequot; zaligheid. 5. U, die voor ons geboren zijt, U zij ons hart, ons lied gewijd. Wij voegen juichend onze stem Bij 't Ãnglenheir van Bethlehem. 6. Geloofd, die komt in 's Heer en naam! Wij Christnen zeegnen U te zaam, U Vredevorst! der vaadren wensch, U Zaligmaker, God en mensch! 7. Gij, al ons heil, ons hoogste goed! Vereenigt U steit, Die heel ons hart ten hemel leidt! |
9. Door ééne misdaad vielen wij. Dooréén'Verlosser zijn wij vrij; Wie vreest nog, die een' Heiland heeft. Die voor ons bij den Vader leeft ? 10. Roem, hemel! dien geboortedag. Den schoon-sten, dien de wereld zag. Juich, aarde! nu g'uw' Koning ziet. Zing hem een nooit gezongen lied. 11. Dit is de dag, dien God ons schenkt. Waaraan eens heel de wereld denkt; Hem viere, wat in 't groot heelal Door Jezus is en wezen zal, 113. OP JEZUS GEBOOKTE. Wijze: Psalm 36. uicht, Christnen! juicht tot God omhoog! Dat dankbre tranen uit uw oog Voor Hem d' Algoedheid vloeijen! Viert vrolijk dezen blijden dag. Den schoonsten, dien ^e wereld zag Aan hare kimmen gïoeijen: Gods liefde, met ons leed begaan, Zag 't schuldig kroost van Adam aan; En Jezus werd geboren. Hoe diep de =lt;e=3£ menschheid zonk ter neer. Nu rees zij uit dien afgrond weer. Veel schooner dan te voren. |
met vleesch en bloed. Wordt onze vriend en ; 2. Wij voelen 't, Vader! onze lof Zinkt bij uw broeder. Gij, Ãn, o! Gods kindren worden wij. | liefde weg in 't stof; Wie kan haar waardig 8. Gedachte vol van zaligheid. Die ons de wa- | denken! Toch kltmlTons danklied tot uw' troon.
Gij
OP JEZUS GEBOORTE.
92
Gez. 113, 114.
Gij schonkt ons uwen eigen' Zoon, Gij zult
haar ons eeuwig lied verheff'. En dankbaar
|
ons alles schenken. O Jezus, Broeder, Redder, Heer! Wij vallen voor uw kribbe neêr. Daar voelen w' onze waarde: Maar, wat ons in de toekomst beid'. Gij blijft al onze heerlijkheid. Gij, troost en licht der aarde! 3. Hoe duur is 't menschdom U verpligt! 't Versland, door uwe leer verficht. Kwam straks der waarheid nader: Gij bragt ons tot Gods lt;â - Jà |
liefde weêr, Het schuldigst hart valt in U tot à rijze! Maar dat vooral ons hart haar eer'. En elk, naar Jezus reine leer, ü door zijn' wandel prijze; Wat schijngenot het stof moog biên. Dat wij op onzen Broeder zien. En onze grootheid voelen; Of zou de menschheid, in uw' Zoon Verheven tot den wereld troon, Voortaan iets laags bedoelen? 114. OP JEZUS GEBOOKTE. Wijze: Psalm 134. |
|
neêr Voor een'vergevend'Vader. Het rijk des doods verloor zijn magt, 't Verslindend graf zijn' donkren nacht, 't Gordijn werd opgeheven. En 't oog zag aanzijn gindsche kust. Na eene korte, zoete rust, 't Onsterflijk, eeuwig leven. 4. Wie had in 't weemlend stof des (foods. Bij zoo veel schuld, in zoo veel noods. Die uitkomst durven wenschen? Ontvlamd van god-lijk liefdevuur, Naamt Gij der Ãngelen natuur Niet aan, maar die der menschen: Gij heft z' uit haar' verachten stand; Gij voert ze tot Gods regterhand, Niets kan haar eer vergroo- ten. Wij staren op uw rijksgebied. En zien een eindeloos verschiet Van heil voor ons ontsloten. 5. Cgt; God! dat zoo veel liefd' ons treff'. Dat |
og juicht ons toe die zaalge nacht. Waar in 't gestarnt met nieuwe pracht, Ãn 't Englenheir met nieuwe vreugd, â5'~Tâ--a~â:^= Zich over Jezus komst verheugt. 2. Hij komt, die 't beeld des Vaders draagt, Geboren uit een reine maagd, Gods Zoon in 't vleesch, der Englen Heer, God zelf. Hij komt, elk zing' Hem eer! 3.0 Zoon van God! den mensch gelijk, Voor wie verlaat G' uw' troon en rijk, Voor wie wordt Gij in 't stof verneêrd. Die met een' wenk 't heelal regeert? 4. Voor wie? voor heilig' Englen? neen! Die zingen 't heil der aard alleen: Voor zondaars daalt der Englen Heer, Voor |
OP JEZUS GEBOORTE
Gez. 114, 115.
en
93
|
Voor arme zondaars daalt Hij neer. 5. 't Is hier, waar niets dan zonde woont.
Gena' den mensch, Gods Zoon daalt neêr, Geluk, o aarde! God zij d' eer! 7. Kom, Christenschaar! kom, zingen wij! Het is voor ons, voor u, voor mij, ^ Dat God zijn' Zoon gegeven heeft. Het is voor ons, dat Jezus leeft. 8. God mensch voor ons! voor menschen ? ja! O diept', o rijkdom van gena'! Buig, zondig menschdom! buig u neêr. Aanbid Gods liefd', en zing Gods eer! |
zonden vrij: Dies juichen en aanbidden wij. 12. Geloofd zij God, die ons bemint. Om U in ons behagen vindt, En d' aard vervult met zijn gena', Geloofd zij God! Halléluja! 115. OP JEZUS GEBOORTE. Wijze: O Jesu Christ! dein Kripplein ist. ier, blij van geest. Vier 's Heilands feest, =--° ====-â lt;1 Zing, Christen! Hem ter eer op schoone -7==::-: === wijzen; De liefde zij De melodij, Waarop wij Hem, den God der liefde, prijzen! i---------**â¢---------:----- 2. Juich in uw lot! Zoo mind' ons God, Dat i-ââ---â-- 1 â Hij zijn' Zoon der wereld wilde geven; O! wie zijn wij. Mijn God! dat Gij Uw' eigen' Zoon der wereld wildet geven! - -y==i5-l- 3. Hij, God, werd mensch; Der vaadren wensch 3===â==-^^-==^» =^â^ Werd onze vriend, toen wij zijn haters wa ren, Werd ons gelijk, Om 't godlijk rijk En 's Vaders liefd', in 't vïeesch ons t' openbaren. | |||||||||||||||
4. Geloof Gods stem! Neem deel aan Hem,
voor U, Immanuël! Voor U, die smart en
|
armoe' lijdt, Omdat Gij onze Heiland zijt. 10. Verberg hier vrij uw majesteit. Ãns heil is in uw sterflijkheid: Wat zou uw leven zijn voor d'aard. Zoo Gij als mensch niet sterflijk waart? 11. Dies loven w'ü, Immanuël! ÃJw dood ver |
Die, ons tot heil, zich zeiven wou verzaken. Hij gaat u voor Op 't hemelspoor; Volg, volg Hem na! Hij zal ons zalig makerT. *.....â » 5. 'k Zal, in uw leên, Uw vleesch en been, U, Zoon van God! U kleeden, spijzen, dren- |
ken; Der armen hart In hunne smart
Ver-
wint en dood en hel, Uw dood maakt ons van
1
Wij buigen ons op Gods bevel. Voor U,
OP JEZUS GEBOORTE.
94
Gez. 115, 116, 117, 118.
|
â V----â V------- ,.1f VT ....A.â4 Vertroosten, Heer! en U daarbij gedenken. 6. Door uwe raagt Is voortgebragt Al wat bestaat op aard en in den hoogen; Uw' roem verbreidt De Christenheid, En alle knie wordt eenmaal ü gebogen. 7. Loof, mensch! uw' God: Juich in uw -----â---»â-- lot. Nu Jezus komt, om voor uw schuld |
God heeft in den mensch behagen! Lof en dank en heerlijkheid Zij der hoogste Majesteit, Eeuwig, eeuwig, opgedragen! |
|
te lijden! Halléluja! Halleluja! Wil, ---^ v ~ - â-â---^ v â4|H menschdom! u in Jezus komst verblijden! 116, OP JEZUS GEBOORTE. Wijze: Psalm 150. J of en dank en heerlijkheid Zij der hoogste Majesteit, Die in't ongenaakbaar licht Zijnen zetel heeft gesticht: Eeuwig blijde hemelkoren! Zingt een nooit gezongen lied, Zingt het wonder nu geschied, Jezus, Jezus is geboren! |
God geeft zijnen Zoon aan d' aard; God heeft in den mensch behagen, Vreed op aarde, Jezus leeft! Alles loov' wat adem heeft: God heeft in den mensch behagen, B. LIJDENS-GEZANGEN. 118. OP HET L IJ DEN VAN JEZUS. Wijze: Hertzliebster Jesul was hast du verbrochen! eer mij, o Heer! uw lijden regt be- --Tc---*r-»-----TV V---.-fe- â---XV- trachten, In deze zee verzinken mijn ge |
2. Aarde! zing des Hoogsten lof. Nimmer hadt
dachten, O Liefde! die, om zondaars
|
gij schooner stof; Hij verscheen, der vaadren wensch, 't Woord wordt vleesch, Gods Zoon een mensch: Wat geluk hebt gij verkregen^ 't Zaligst heil, den waren vree Brengt u Jezus komste meê. Aarde! juich om dezen zegen, 3, Menschen, juicht! de ïiooge God, Diep bewogen met uw lot. Schonk u zijn' ge liefden Zoon, 't Loflied rijze tot den troon: te bevrijden. Zoo zwaar woudt lijden. |
2. 'k Zie U, God zelv', in eeuwigtaid geprezen , Tot in den dood als mensch ge-hoorzaam wezen, In onze plaats gemarteld en verslagen, De zonde dragen. i ü 3, Ons hart bezwijkt, het beeft en doet ____-y c__^ ^6 lt;gt;---^r---£--tl ons deinzen. Ontzaglijk kruis! als w'aan pfÃ------tr--g-â- ^ ==? uw wondren peinzen, O Liefde! 'k zie en voel |
Gez. 118.
voel in uwe wonden Den vloek der zonden.
|
4. De Heer is regt, een wreker van het -O-U. kwade. De Heer is goed, en schenkt ons r~»-^---g- _ ---- zijn genade: 'k Mag liefd' en wraak met beving en vertrouwen Aan 't kruis beschouwen. ^ 5. Dit slaat mijn' trots, al mijn verdienste, neder, 't Verlaagt mij diep, maar o! 't ver- hoogt mij weder: 't Meldt mij mijn heil, die |
10. Het goed te doen, het kwaad met zorg te mijden. Heer! dezen pligt leert mij uw heilig lijden: Zou 'k tevens mij het kwaad verooreloven En 't kruis gelooven? 11. Daar G' U voor mij hebt in den dood -» »:--- gegeven, Hoe zou ik dan naar mijnen wil nog leven ? Zou 'k U, o Heer! die voor mijn schuld woudt lijden, Mijn hart niet wijden? 12. Zou ik mijn leed in kommerlijke dagen, Het drukkendst kruis met lijdzaamheid niet dragen ? Daar Gij zoo veel uit liefde |
daar 'k voel, hoe ik U griefde, In uwe liefde.
7. Zij overklimt onz' eindige gedachten,
âty â^
Voor mijne schulden.
wildet dulden
13. Hoe zoud' ik ooit mijn broeders durven
|
Maar 'k moet van God iets goddelijks verwachten: Ik ben een mensch, zou |
-A-haten. Voor wie Gij zelf uw leven hebt gelaten? Neen, 'k zend als Gij voor |
hen, die mij vertreden. Tot God gebeden.
die zich onderwinden
Haar uittevinden ?
8. 't Is 't grootst in God genade te bewij-
S:â-â¢Â£
14. Ik wil geen' haat met wederhaat vergel-
â
|
zen; 't Is 't grootst in ons ootmoedig die te prijzen. Te zien hoe hoog, als __----H wij gena' verkrijgen, Gena' kan stijgen. 9. Mijn Heiland! laat uw' Geest mij Jielkens leeren, Hoe 'k in geloof uw' kruisdood den, Niet die mij scheldt ooit grimmig |
â tnâ»âV'---'ff-=:^:=:â:7r= ---------- wederschelden; Gij Heer, ons Hoofd! Gij hebt p-r-T--=-^--=~=~===ââ.-*----ââH nooit kwaad vergolden. Nooit weêrgescholden. 15. Ãch! dat mijn hart naar 't uw' in rein- --a - ------4-----lt;gt;.------/ heid zweeme, En in Gods kracht ik U |
ten voorbeeld neme: Dit is de dank, dien*quot;
'k voor
moet vereereu, Om in mijn hart de
I â
OP HET L IJ DEN VAN JEZUS.
Gez. 118. 119.
-â »---r-H-
96
dien hij versmaadde, O Heer, genade.
'k voor uw bitter lijden ü toe moet wijden.
16^0neindig heil! Gij leedt voor^ ons ten
goede. Ik ben verzoend in uwen dier-
22. Och! als ik, Heer! om mijne zonden
n ââo ^»--a J
beve. Dat dan uw kruis mij weder rus
bren bloede: Mijn heil bij God hebt Gij,
te geve: Dat kruis zij mij dan vreed
i
en vreugde tevens, O God mijns levens!
119. OP HET L IJ DEN VAN JEZUS. Wijze: O Jesu, Quel der Gütigkeit!
dat heil ontrooven. Ik zal, door U met
0'
ntsluit, o Heer! ontvlam ons hart, En
wil ons kracht verleenen! Wij denken aan
heerlijkheid omgeven. Voor eeuwig leven.
uw lijdenssmart, Aan uwe liefd' en wee-
18. Dit^moet mij tot den strijd steeds moe
â3«E=
dig maken. Mij in 't geloof en in 't gebed
nen; Wat wondren van barmhartigheid
|
doen waken, 'k Heb dan. zoo waar als Je-zus leeft, den zegen Zijns doods verkregen. |
Hebt Gij voor ons ten toon gespreid. En * --- aan het kruis bewezen! Uw liefd' en trouw. |
19. Lokt mii 't gevlei der lusten in zijn strik-
- _____â¢'_____-e-___lt;t--y---»--
die 't al volbragt. Hier nooit genoeg door
|
ken. Dan doe uw kruis mij voor de zon de schrikken, En zoo ik ooit verflaauw' in goede werken, Moog 't kruis mij sterken. 20. Hoor 'k ooit uw kruis door wereldwijzen slii doemen, Een ergernis of eene dwaasheid noemen; Och! dat het mij, wie ooit er â n-jâ--------------^-----â »-^ spot meê drijve, Gods wijsheid blijve. |
21. Vertoef! och wil die spotters niet verons herdacht. Zij eeuwiglijk geprezen! 2. Schoon Gij God zelf, Gods eenge zijt. Gij in het vleesch gekomen. Gij hebt, daar Gij voor zondaars lijdt. De schuld op U ge nomen. 't Verraad barst los, de hel genaakt, De vriendschap slaapt, de woede blaakt. Gij wordt beangst, verslagen: '/Mijn Va-/â /der! Zoo het moogljjk zij, Och! deze beker |
ga voorbij!quot; Zoo moet de Godmensch klagen.
i , x -»---£--=x--=3^=^=1^=-- r*
3. Uw zweet wordt bloed. Gij bukt in 't stof
Ge-
teren ! Och! mogt nog een dier dwazen
zich bekeeren, Zoo vinde hij bij U,
OP HET L IJ DEN VAN JEZUS.
Gez. 119.
97
zonden draagt. Gij draagt ook onze pla-
â----5-=---$â =: f z-4: XE S
gen; Gij d' onschuld zelv', Gij duldt en
Vorst van 't hemelhof Hervat het bidden
weder; Gij voelt, daar onze straf ü treft,
zwijgt, Daar Gij voor ons ten kruisberg
â ' e O â »--
Gelijk een worm ter neder; En Gij, Gij
En d' angst der ziele zich verheft, Ãw hart
ing; Gij
stijgt. Gelijk een lam ter
=g::^lt;E=» --J, w--a .
ondergingt het dood sgeweld ^ En duldt, dat U de woede velt, U, Israels verwachting.
j-r---.y â» ^ ^
7. Hoe klimt de nood! zij hebben wreed Uw
Tâtt----T--
hand en voet doorgraven. En als^U dorst, staan zij gereed. Om U met gal te laven;
in liefd' ontbranden; G' onttrekt U niet
aan onze schuld, ^Maar geeft met godde
lijk geduld U in der boozen handen.
4. Gij Isrels Vorst, Gods eigen Zoon! Ge
vangen en gebonden, G' ontvangt der over-
â----^
|
treedren loon, En Gij, Gij kent geen zon den; Men lastert U, Gij groot van moed Verdraagt en zwijgt; men eischt uw bloed. Gij laat het willig stroomen. Om met dat bloed tot God te gaan, Zijt Gij, met onzen vloek Jaelaan, In 't uur des doods gekomen. ^ 5. Verachtelijk ten toon gesteld, Maar altjjd groot van harte. Verdraagt Gij valschheid, smaad, geweld En d' allerwreedste smarte; --yâ-==-8-- = gt; _ Men ziet in U, schoon lang verbeid. Thans geen gedaant' of heerlijkheid. Durft zelfs _^ ff i a--a-â-- uw Godheid schennen: Voor U, wiens trouwe nimmer zwicht. Verbergt uw vriend zijn aangezigt. En veinst U niet te kennen. 6. Gij 't offer, dat^ aan God behaagt, Waarop al d' offers zagen, Dat naar Gods raad de |
Uw smart ontvlamt hun spotternij, Roept Gij tot God, dan lagchen zij, Zij lastren uw vertrouwen: '/Hij heeft,quot; dus wordt uw hoop bespot, »Hij heeft vertrouwd op //zijnen God! Wat is nu zijn vertrouwen?quot; 8. Bij 't zwijmen van het zonnelicht. Ver laten van zijn vrinden. Verbergt Hem God zi n aangezigt. Waarin Hij troost moest vin- ^ den; Hij riep en zweeg, nu klaagt Hij weer, ------ --------------â----:--------A---- Hij roept. Gij antwoordt niet, o Heer! Hoor aarde! hoor Hem klagen: »Mijn God! waar- âfeââ3c===3c ; g. --5==âquot; //om verlaat Gij mij 'Q De boosheid spot; en mm Gij, ook Gij, Mijn God! Gij laat Hem klagen. 9. Ziet heemlen, ziet Gods eengen aan. Van zijnen God verlaten! Die smart heb ik Hem J -------y- m aangedaan, Om mij werd Hij verlaten: De G mensch, |
OP HET L IJ DEN VAN JEZUS.
=5E=2Ã
Gez. 119, 120, 121.
98
|
G' in hem gevonden? Mijn Jezus! 't is gena' alleen. Och! dat ik nooit weêr, als voorheen, U kruisig' door mijn zonden! |
10. W' aanbidden U! Gij wankelt niet. Gij treedt den dood zelfs nader; En, daar Gods wil bre zangen Loven uwen liefdegloed. Gij woudt van den hemel dalen Op deez' diep bedorven aard. Ãn voor ons de schuld mensch, die U dien arbeid kost, Wat is de mensch, dien Gij verlost? Wat hebt --- -6â^ betalen. Die ons bang gemoed bezwaart. 2. Liefde! met wat medelijden Zaagt Gij Adams u==f=--!!====£ ! é==3E=Ã-r»-â kindren aan! Voor die snooden woudt Gij strijden, Zulken van den vloek ontslaan; Ja, |
|
aan ü geschiedt. Noemt G' onzen Regter, =Sc= Vader: Gij neigt het hoofd, en 't aardrijk beeft. Gij sterft, en 't veege menschdom leeft, Gij 't eind der offeranden! Het voorhang scheurt, de weg staat vrij. Het is volbragt! de heerschappij Des doods ligt nu aan banden. 11. Gij sterft, en laat dien troost ons na, De zonden zijn vergeven; Gij hebt voldaan op Golgotha, Dit geeft ons kracht ten leven; |
Gij storttet bloed en tranen In het bang Gethzemané, Om voor ons den weg te banen Naar 't gewest van rust en vree. I n'. -â g -A--g-b---âaBa------- 3. Liefde! Gij moest spottaal hooren. Die U drong door merg en been; Ja, Gij droegt uws Vaders tooren, Gij voor allen. Gij alleen: Welk een' beker moest Gij drinken Op het aaklig Golgotha! Daar liet G' U aan 't kruis hout klinken, Daar aanbidden w' uw gena'. |
4. Liefd'! in U is al ons leven, Gij, Gij
J---r---~T : . âA a /
Uw zoendood lenigt onze smart, Verkwikt,
|
M1 |
iddelpunt van ons verlangen. Trooster van 't ontrust gemoed Jezus! onze dank-zijt ons hoogste goed; Ja, uw kruis heeft ons gegeven Wat ons eeuwig juichen doet. O hoe zijn w'aan ü verbonden, Jezus, =srâS----=g==5=r==-^T------sâj-- Redder, 's Vaders Zoon! Onze harten, onze monden Juichen dankbaar tot uw' troon. 121. JEZUS GROOTHEID IN ZIJN L IJ DEN. Wijze: Psalm 24. nielt, Christnen! voor uw' Redder neer, Geeft |
JEZUS GROOTHEID IN ZIJN L IJ DEN.
-aâ » . o-a-
Gez, 121, 122.
99
|
Geeft aan den grooten lijder eer, Wien Eng- ffFS= |
SE== schoonste stof, Z' is 't lied der Hemellingen. -â »---â »---. â len zelfs hun' lofzang wijden; Hoe diep Hij 2. Wat Jezus deed was welgedaan; Hij |
2.0 Jezus! groot, waar 't oog hier staart, I Hem d' afgrond aan, Ãnstraffelijk bevonden. Gij spreekt, zoo spreekt geen mond op aard. Gij zwijgt, uw zwijgen velt quot;de
IÃÃ
3. Geen aanklagt laat Jeruzalem Noch Ga-
mi
lilea hooren: //Ik vind geen schuld, niets
|
snoodheid; Uw grootheid rijst bij spoten hoon, Uw kruis strekt U ten glorietroon, ÃÃ Hier is veel meer, dan menschengrootheid. |
//kwaads in Hem,quot; Zoo klinkt Pilatus i--gâ ----» lt;gt;--^--o- o----h Regterstem Der Priesterschaar in d' ooren. 4. En hij, die Jezus gangen weet. Zelfs zijn |
3. Gij strijdt, zoo als geen menseh ooit streed, ^
verborgen paden. Sprak, toen hij stervend
---------------- --
|
Gij lijdt, zoo als geen mensch ooit leed, Niets deed U ooit uw zielrust derven; Gij kent, Gij voelt en kiest uw lot. Gij sterft, en wie U ook |
schuld beleed. En aan de waarheid hul- -»â---- de deed, //'k Heb d' onschuld zelv' verraden!quot; ------------â-»â --------:--O--.S . ----â yâ â---zrfrârzzquot;--- â» y -gt;T 5. Maar, o! wat haalt getuigenis Van |
Regter en verrader Bij 't geen oneindig
1' r
4. Kniel, aarde! kniel voor Jezus neêr. Geef,
hemel! geef Hem eeuwig' eer, Hij, Hij moet
meerder is? Hij heeft, ^in ziin verrii-
----------g=^Ã==Ã=---
zenis. De vrijspraak van den Vader.
i^iT-rr------O---g-----r---x-=^
bespott'. Gij redt een wereld in uw sterven.
aller lof ontvangen; Maar gij, o mensch! j 6. Ja, Jezus| Gij^ ja Gij alleen Zijt rein aanbid in 't stof, Wijd uwen Redder al
in 's Vaders oogen. Uw deugd blinkt
m
|
uw' lof. Zijn grootheid eeuwig uw gezangen. 122. JEZUS ONSCHULD. Wijze: Mein Hertzens Jesu, meine Lust! (met weglating der herhaling.) eelal getuig' van Jezus lof! Laat |
door de wolken heen. En, door haar' glans, -6---------â¢Â»â quot;fr â â^râh wordt hier beneên De Heiden zelfs bewogen. -lt;â - - n 7. Ja, Jezus is beproefd als 't goud, Al -â »â---â---- braakt de heigeest laster; Het is vergeefs. |
ons zijn onschuld zingen; Al klinken on- wat kwaad men brouwt, Wat list de boosheid
zich verstout, 't Maakt Jezus deugd te vaster.
G 2 8. Hij
ze toonen dof, Zij geeft aan d' aard de
k
|
Gez. 122, 123, 124. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
JEZUS ONSCHULD.
ICO
DE VERLOSSER AAN HET KRUIS.
Gez. 124, 125.
m
101
nenkrans, Waar stroomen bloeds bij nederdalen.
hier ooit om sma', 'k Draag zijn kruis Hem vrolijk na.
ââ--â---â--ââ---ââ---â-v------â
3. Daar zie 'k zijn lijf gescheurd, mismaakt, Het lijf van Hem, die 't vee met huiden, Den mensch
=3»:=
8. Mijn Verlosser hangt aan 't kruis, En ik zou in
droeve dagen Troostloos klagen ? Klagen ? neen!
bij dit gezigt Valt mijn zwaarste last mij ligt.
met kleêren, 't veld met kruiden, De lucht met
~QlZ-
starren dekt, gansch naakt. Zijn hemelsch
9. Mijn Verlosser hangt aan 't kruis; Hem verheer-
â----------------_____----v----
aanzigt, elks verlangen. Zoo schoon als immer
lijk'al mijn handel. Al mijn wandel; Hem, die met
|
zijn bloed mij koopt, In wiens dood ik ben gedoopt. T---ââ--- . quot; ââr--â------*--â jfr 10. Mijn verlosser hangt aan 't kruis; 'k Heb mij. Heer! in dood en leven U gegeven; 'k Leef, in vreugd en tegenheên, 'k Leef en sterf voor U alleen. 125. KRUISLIED. Wijze: Psalm 17. M1 ijn Heiland, Davids Zoon en Heer! Wat zou mijn' lust, mijn tong bedwingen, Om van uw' kruisdood niet te zingen, Waar 'k zoo veel nuts en godlijks feer? Hier leer SZ---- ' -jS=:Ejjj==L.j!âA3: 3icâ$ ik, wijs, mij zelv' vergeten. Mijn' levensdroom vol ijdelheid, Den lust, die vleijende verleidt, Den valschen waan van veel te weten. |
aanzigt was. Bestierf daar, als een bloem in 't gras, Die 't hoofd verflenst laat nederhangen. 4. Maar 'k wijt het aan geen Pharizeen, Geen Priesterschaar op Hem gebeten, Geen' Regter over Hem gezeten; 't Is onze schuld, 't is d'onz' alleen: Wij zondaars, wij, wij zelv', ^------ââ ---- ----------------- wij schonken ü. Heer! dien kelk, zoo wrang, vol gal. Dien Gij aan 't kruis geheel en al. Ten bodem toe, hebt leêg gedronken. 5. Regtvaardigheid hield aan om straf, Ge- nade dong om vrijgeleide. Hier trad Gods wijsheid tusschen beide. Die z' alle bei' voldoening gaf. O wonderbare gunstbetoo- |
~as.== _ _ ________
ning! O licht, dat zich van 't kruis
2. Daar hangt mijn Midlaar, Zoon van God,
Den armen mensch tot heil geschonken. Aan
» âv â âv ^âv---v---
verspreidt! Hier schittert Gods geregtig-
|
't ijsïijk moordhout vastgeklonken. Den Heiden en den Jood ten spot. Daar zie 'k dat hoofd, dat eens met stralen Zoo heerlijk blonk â »ââ«»»â ââ. . I I v âI, .v ~ van hemelglans, Gekroond met eenen door- |
à heid. Hier straalt genadige verschoon ine. LE2 â Hem 6. Hem looft nu onze blijde tong, loven onze dankbre zielen; Komt, laat ^ons zaam voor Jezus knielen. Die voor G 3 ons |
KRUISLIED.
102
Gez. 125. 126, 127.
|
ons aan den kruispaal hong; Hier hebben wij 't bewijs gevonden Van volle schuldver- giffenis; Daar hangt, waar Hij gekruisigd is, 't Gescheurde handschrift van de zonden. 7. Komt, volgen w' onzen Heiland na. Komt, dat w' ons kruis, met welbehagen. Ook achter Hem gemoedigd dragen! Na 't kruis volgt ook de kroon weldra: Zoo kan men best |
à â -----^---- â â^v V klagt Ons 't hart doorboren. Triomf, triomf! van Golgotha Zal nu weldra De wereld hooren. 3. Gevallen zondaars! ziet op Hem, à lokt â.~ZS.--i'i' O -aâ---â »- zijn stem. Om toe te treden; Hij lijdt. m Hij sterft. Hij overwint, Uw heil begint Voor eeuwigheden. Triomf, triomf! zing wereldrond. Uit één en mond. Hij schenkt ons 't leven! Ja, Halleluja! 't is volbragt! |
Wacht, stervling! wacht 't Onsterflijk leven.
de kruisles leeren, Zoo dooden w' ook den
|
heeft weêr van 's hemels trans. Met nieu- =*:= wen glans, Het kruis beschenen. Het is volbragt, Immanuël Heeft dood en hel Hun prooi ontnomen. HetTis volbragt! van Golgotha Doet Gods gena' Vertroosting stroomen. 2. Wat Jezus doen moest is volbragt. Zijn aâââ --^ ^ v ^ ^ â -5- deugd hield kracht Door heel zijn leven; 't Geen Hij moest lijden is geleên, De strijd volstreên, De vree hergeven. Nu zal, daar alles is volbragt. Geen bange ouden mensch, Zoo zal in ons de nieuwe mensch Zijn krachten daaglijks zien vermeêren. |
volbragt, ja, Amen! Het is voor ons volbragt bij God. Het groote werk, dat Hij aan-vaardde. Al d eeuwen door met smart ver- â p------^----TT-S-=---â -----r-^ wacht. Dat is volbragt. Juich hemel, aar de! Juicht zondaars! 't is voor u volbragt. r. - O » aâ ---5â 2. Gij Jezus! hebt den last gedragen. Dien T . â»---y~--^-----W----_ g /â zond' en schuld te dragen gaf. God zag uw --y-====^»rr5â ---^---â---- werk met welbehagen, En wendt van ons zijn straffen af: Wij schuldig, snood, van God verdreven. Wij bleven ver van Eden staan. Maar 't kruis werd ons de boom van ü 't leven, Dien wees uw Vader zelf ons aan. 3. Wat |
1
103
Gez. 127, 128.
HET IS V
O L B R A G T.
zii eere. Verlosser, Redder! 't is volbragt! -» â »----------------------
3E2
Wat voorgevoel van eeuwig leven Wekt deze
zegetoon in mij! Ja, mijne zonden zijn ver-
quot; ----
3. Wat cToude godspraak deed verwachten, Wat
ooit Gods regt gevorderd had, Hebt Gij vol-
bragt met al uw krachten, Volbragt op
|
't moeilijk lijdenspad; Geen vlek, geen' mis tred zagen d' oogen Der vlekkelooze Ma jesteit, En 't vonnis, dat ons zal ver- hoogen, Is d'uitspraak der regtvaardigheid. 4. Gods heiligheid, op aard verdonkerd Door Adams diep^ ontaard geslacht. Daagt op met nieuwen j^lans, en flonkert Bij 't heilrijk woord, »Het is volbragt!quot; Men hoort den Seraf lof betalen Aan uw verheven menschen-deugd. Ja, van uw menschheid schijnen stralen. Waarin de Godheid zich verheugt. 5. Wij willen needrig Gode leven, U volgen, waar Gij ons geleidt. Ons U ge heel ten offer geven Met nooit vol- bragte dankbaarheid. Getrouwe Leidsman! sla ons gade. Voleinder! laat, door uwe kracht. Het heerlijk werk van Gods ge- nade In ons ook eenmaal zijn volbragt. 128. HET IS VOLBEAGT. Wijze: Psalm 66. ^---»-r, J a. Halleluja! wat verkeere. Dat God be-ëF- looft houdt eeuwig kracht; Ja, Halleluja! U geven. Opdat ik mij in God ^verblij'. |
2. Zou ik door ongeloof versmaden Hem, die zijn trouwe nimmer krengt. En mij, hoe zwaar met schuld beladen. Van alle schuld vergeving schenkt? Zou 'k, met uw eigen ^ woord gezegend. Door twijfelzucht van verre staan? En, daar mij zoo veel gunst bejegent, Niet vrolijk tot een' vader gaan? 3. Ja, 't is volbragt! en Gij, mijn Vader! Be Ãch! rust in 't offer van uw' Zoon: dat ik op uw roepstem nader'. En U door twijfling niet meer hoon'! Uw gift is uit genade, Heere! Uit onverdiende gunst alleen; Wat kan een zondaar, U ter eere. Dan op uw woord slechts toetetreên? ^ 4. Leer mij, o Heer! dien pligt betrachten. Door kinderlijk geloof geleid. Dan zal mijn hart van liefde smachten. Dan vind ik kracht tot heiligheid; Dan zal mijn hoop mij nooit beschamen. Daar 'k alles van uw waarheid wacht. Dan zeg ik needrig, dankbaar, Amen Op 't woord uws Zoons; //Het is volbragt!quot; G 4 129. DE |
DE STERVENDE JEZUS,
Gez. 129, 130.
104
onz' oogen, Dekt de schaamt' ons aange-zigt. 't Zondig stof ontvangt gena', Jezus
-at.--;------------------------|
in hart en ader. En Jezus leeft niet meer.
|
2. Hij sterft voor ons, o Christenscharen! Voor ons vloeit Jezus bloed. Zijn dood redt ons uit doodsgevaren, Daar Hij voor zondaars boet: Och ! dat uw hart Hem dankbaar nader', Wien zoo veel liefde drijft; Gij vindt door ïlem in God een' vader, Die eeuwig vader blijS. 3. Komt, vallen wij voor Jezus neder. Hij hoort ons dankgebed. Zijn sterven schonk ons 't leven weder. Zijn dood heeft ons gered: Wou Hij voor ons aan 't kruishout sneven. Voor ons geen' smaad ontzien. Och! dat wij eeuwig voor Hem leven, Hem eeuwig hulde biên! ft -- 4. Zie, daar wij in uw' naam vergaren, O Je-zus! op ons neêr! Uw Geest, daar w'op uw' kruisdood staren, Ontvlamm' ons tot uw eer: |
Och! dat wij zoo uw' dood gedenken. Dat sterft op Golgotha! Voor een wereld diep verloren Geeft God zijnen eengeboren'. 2. Heilig, heilig, heilig Wezen! Aan uw wetten is voldaan; Heilig, heilig, heilig Wezen! Siddring grijpt ons zondaars aan. O hoe schrik-lijk hangt Gods Zoon Voor de zonde hier ten toon! God! om 't kwaad door ons bedre- ven Moest uw Zoon aan 't kruishout sneven. 3. Ja! Hij leed voor zulke snooden Helsche smart in zijn gemoed. En Hij redt uit al hun nooden Adams kindren door zijn bloed. Englen staamlen zijnen lof. Ach! wat kan hier 't nietig stof? Wij verzinken in die lief de, Die voor ons aan 't kruis Hem griefde. 4. Kan het hart die liefde roemen, Dat de zonde nog bemint ? Neen, wie ooit uw' naam moog |
i
Gez. 130, 131, 132.
105
NDE JEZUS.
DE STERVE
s lt;râ a ^ âT1
|
raoog noemen, Jezus! zij als Gij gezind. Wie zich op uw bloed verlaat, Ãn de zonde schuwt noch haat, Zal zijn snood vertrouwen boeten; Hij vertreedt uw bloed met voeten. 5. Om van zond' ons te bevrijden. Stierf Gods -y---^---fl ^ ^-- Zoon den wreedsten dood; Wie zijn hart Hem toe wil wijden Houde, wat zijn mond y gebood: Hoe de zond' ons ooit omring',^ Jezus! dat uw liefd' ons dring'; Woudt G'uit liefde voor ons sneven, Dat wij eeuwig voor U leven! 6. Jezus! uw verzoenend sterven Blijft het rust punt van ons hart. Als wij alles, alles derven, ---------------- ⢠» Blijft uw liefd' ons bij in smart. Och! wanneer v aâ ^ â¢*---.lt;».-lt;» » mijn oog eens breekt, 't Angstig doodzweet |
Gij niet; Wat angsten, pijnen, slagen. Wat smart aan 't kruis, wat spot Hebt Gij, o j-â---aT~â^---g-â* *â¢---*âif .. II Zoon van God! Niet met geduld verdragen! 2. Dat dulden in uw smart Stilt in ons zwel- -â--g lend hart De drift, die los wou breken; Daar :z±=d zelfs de Heiland zweeg, Hoe hoog het lijden^ steeg. Past mij daar ooit het spreken? ^ 3. Laat mij, o Heer! altijd, Maar meest in zwaren strijd. Op U in 't lijden staren! Dat zal in mijn gemoed, ^Hoe zeer ook 't onregt woed', Het stil geduld bewaren. 4. Dan dulden w' allen haat, ^ Al^wordt met schand' en smaad Zelfs onze trouw vergol den; Al word ik onverdiend. Zelfs van mijn' |
van mij leekt. Dat uw bloed mijn hoop dan
oudsten vriend. Gelasterd en gescholden.
|
wekke. En mijn schuld voor God bedekke. 7. Vader, vol van me^edoogen! Zie ons arïne zondaars aan. Sla op ons uw vriendlijk' oogen; Jezus heeft voor ons voldaan. Ja! gJL heeft voor ons voldaan. God neemt ons als zondaars aan; 't Zelfde regt, dat Hem deed sneven. Schenkt ons 't eeuwig zalig leven. 131. GEDULD NAAR JEZUS VOORBEELD. Wijze: Maria's Lofzang. W1 |
at bitter zielverdriet, O Jezus! leedt 5. Dan draag ik allen last. Dien G' op mijn schouders past, Hoe zwaar die vall' te dra- ^ gen; Dan zal ik in mijn' nood. Al duurt die tot mijn' dood, Niet morren, zelfs niet klagen. ^6. ^Dan drink ik met geduld, Den kelk, dien Gij mij vult. Gij zult dien heilzaam maken, ^ En mij, hoe wrang hij vall', Hoe zeer door- mengd met gal, Uw liefd' er in doen smaken. 132. GEDULD NAAR JEZUS VOORBEELD. Wijze: Psalm 73. ooit viel mijn' Heiland kruis te zwaar, G 5 Hoe |
*
Gez. 132, 133.
2
oogen slaan. Op U, die mij door korten
|
bleef altijd met welbehagen. Wat Hem zijn ---- --â--=: Vader oplei', dragen; Geen enkel onbetaam- lijk woord Werd ooit uit zijnen mond ge hoord; Hij, die nooit kwaad met kwaad vergold, Ilij zegend' elk, wie Hem ook schold. 2. Och! volgd' ik steeds dat voorbeeld na. Dat voorbeeld zonder wedergaf; Ãch mögt ik steeds dat spoor betreden. Al is 't met onge- lijke schreden: 'k Weet, dat mijn vleesch daartegen streeft. En mij gansch andre wet ten geeft; Maar geef, o Heer! mij lust en kracht. Dat ik kloekmoedig die veracht'! =-*=^ 3. Dan draag ik al wat mij de Heer Heeft opgelegd, al waar 't nog meer; Zou Hij mij met een' last bezwaren. Die niet mijn kracht zou evenaren? Dies zwijg ik Hem; al wat Hij doet Is altijd heilig, wijs en goed; Drukt mij zijn hand een poos ter neêr, Ik vrees niet, want Hij redt mij weer. ^ 4. Aan hoe veel kwaads ik schuldig sta, Mijn Regter zelf schenkt mij gena'; En ik, zou ik zijn Vaderslagen, Als zijn gehoorzaam kind, niet dragen? O God! op wien mijn hoop blijft staan, Leer mij op U mijn |
druk Hier opkweekt voor het hoogst geluk. 133. MENSCHEL IJ KE ZWAKHEID. Wijze: Psalm 38. ch! hoe dwaas is 't met vertrouwen Heil te bouwen Op iets sterflijks, wat is roem? iPiHU Wat standvastigheid van menschen? Zij verflensen. Zij vergaan gelijk een bloem. 2. Jezus vrienden zelfs bezweken. Stout in 't spreken, In 't beloven wonder groot; Maar zij zien Hem pas gegrepen Hener^ sleepen, Of z' öntvlugten Hem in nood. 3. Ach! hoe zwaar viel Hem dit lijden. Dusquot; te strijden Ongetroost en onverzeld! Maar Jeez' zwakheid toont Hem krachtig En al-magtig; Gansch verlaten houdt Hij 't veld. 4. Christen! schaam u dan, die boozer En trouwloozer, Christus, vrij van ramp, verlaat : Schaam u, als dien Heer onwaardig. Die niet vaardig Ãm zijn' dienst het liefste haat. 5. Nog zijn ons veel zwaarder pligten ^ Te ver-rigten; Ach ons armen!wie houdt stand Tegen 's werelds dreigen, hoonen, Vleijen, loonen? Bied, o bied ons. Heer! de hand. 6. Gij, van allen eens verlaten. Wie ons ha- |
MENSCHEL IJ KE ZWAKHEID.
Gez. 133, 134, 135.
107
|
haten, Of ontwijken, blijf ons bij! Blijf ons met uw liefd' omarmen, En beschermen, Schoon ons alles ontrouw zij. 7. Leer ons hart zijn ontrouw kennen En ontwennen. Sterk ons in den jongsten nood: Daar ons goed, en bloed, en leven Gansch begeven. Blijf ons bij , ook in den dood. 134. OP JEZUS BEGRAFENIS. Nieuwe zangwijze. w Heiland wordt in 't graf geborgen, ^---------*v-.-- Deez' aard ontvangt Hem in haar' schoot; ---^^ - ------O -A--.lt;t.--.»â ». v En, Christen! zoudt gij dan nog zorgen, -A- Nog angstig zijn voor graf en dood? 2. Hij, voor uw schuld aan 't kruis gestor ven , Nam ook den vloek der zond' in _O-â__st---it--__lt;L--amp;-lt;L |
5. Nu zal u 't graf ten rustbed^ strekken; Haast, Christen! breekt die morgen aan, . O --^ âO-___±---^ b . lt;v . l-^ Dat Jezus zelf ook u zal wekken. En gij voor eeuwig op zult staan. C. GEZANGEN OP JEZUS OPSTANDING. in gedachtenis. Zing Jezus, die verrezen is. 2. Voeï alle dankbaarheid voor Hem, Als hoor-let g' in dit uur zijn stem, Als sprak Hij, '/dat //u vrede zijVerblijd ü zoo, mijn geest! in mij! 3. Zie naar omhoog en bid Hem aan! Hij leidt de starren op haar baan, Hij leeft en heerscht in |
|
Zoo is u 't leven weêr verwor- ven, Zoo sterft g' ook eens der zonden af. 3. Hier rust Hij uit van al zijn lijden, _____A________A------------» / Hier eindigt al zijn smaad en schand'; Zoo -N amp; -L^____^_______ aanstonds volgt de kroon op 't strijden, Zijn geest is reeds in 's Vaders hand. 4. Dit graf houdt Hem s niet^ lang__gebor- y gen,_Wat zegel ook den ^grafs^een slultj ^ wacht slechts tot den derden morgen, En stapt dan als verwinnaar uit. 't graf; -lt;V° 0- |
't hoogst bewind; Hij is uw Koning en uw vrind. 4. De magt, de lof, d' eerbiedenis Zij Hem, die was en eeuwig is. Zijn naam word' overal verbreid. Zijn roem verdure d' eeuwigheid! -ny---lt;E- 5. Geloof! gij heft ons hemelwaart, Wat wordt de grootheid dezer aard, Wanneer mijn geest het heil Si bedenkt. Dat God, in zijnen Zoon, ons schenkt? 6. Eens zonder zonde, ramp of pijn. Als Eng- len eeuwig zalig zijn; Is mij, ook mij, die heerlijkheid. Oneindig' God! door U bereid! 7. Mijn |
DE OPSTANDING VAN JEZUS. Gez. 135, 136, 137
108
7. Mijn hart bezwijkt van vreugd daarbij, Verwondring, liefde dringen mij; En vol van eerbied.
5. Ja, Jezus leeft! veel duizend harten Ge
voelden in de bangste smarten Den hoogen
dank en pligt Val ik, o God! op 't aangezigt. j troost, dat Jezus leeft; In heeten strijd met
|
136, DE OPSTANDING VAN JEZUS. Nieuwe zangwijze. tl a, Amen! Jezus is in 't leven! Zijn' groo-ten naam all' eer te geven Moet u nu ernst, o Christen! zijn. Mijn Heiland,^aan het kruis gestorven, Heeft leven uit den dood verworven: God en een eeuwigheid is mijn. 2. Laat ons Hem met aanbidding eeren, Hem nooit door twijfeling onteeren. Hij leeft, wij eindeloos met Hem, Hij leeft, o hooge ziele-^ ruste! Hij leeft, wat ons nu ooit geluste. Al wat wij doen, doen wij door Hem. 3. O ja. Gij leeft! Gij ziet ons hopen. Ons hart, ons doen ligt voor ü open, Ãen schrik zij ons, wat U mishaagt; Ons moet, wat Gij niet deedt voor dezen. Wat Gij verbiedt, een EE=$;ESEE helle wezen, Schoon iedereen er roem op draagt. 4. Ja, Jezus leeft! dat voelt ons harte. Als 't Hem geïoovig zoekt in smarte; Het graf besluit Hem langer niet: Hoe meer wij Hem aanbiddend eeren. En zijne liefd' in 't hart |
boezemzonden, In hangen doodstrijd, onder- vonden Veel duizend harten, dat Hij leeft. 6. Gij leeft, o Jezus! welk verblijden. Wat zielverkwikking, als wij lijden, Hoe zacht een troost in alle pijn! Gij leeft. Gij leeft, en in den hoogen Aanschouwen w' U met deez' --â onz' oogen, Als w' eens met U onsterflijk zijn. 137. DE OPSTANDING VAN JEZUS. Wijze: Gezang 39. ezus leeft, en wij met Hem, Dood! waar is ââ*------» 'V----â---------â---------- uw schrik gebleven? Jezus leeft, en zijne stem Roept ook ons eens weer in 't leven, Zal ons eens met eer bekleên: Dit is onze troost alleen. 2. Jezus leeft, zijn is het rijk. Elk moet Hem als Koning eeren; Wij ook zullen Hem gelijk, Eeuwig eens met Hem regeren. Zou Gods woord ooit wanklen? neen! Dit is onze troost alleen. 3. Jezus leeft, wie nu nog vreest. Zou, en Hem, en God onteeren; Zondaars mogen onbedeesd Zich tot zijn genade keeren. Jezus zendt geen zondaars heen; Dit is onze troost alleen. |
vermeêren, Hoe meer Hij op ons nederziet. 1 4. Jezus leeft, ons hoogste goed. Hem behoort
ge-
DE OPSTANDING VAN JEZUS.
Gez. 137, 138, 139.
109
leidt, Mist zijn bitterheid; 't Graf, uw schrik weleer, Is geen kerker meer.
geheel ons leven; Ons past reinheid van gemoed,
Ons, het kwaad te wederstreven. Jezus sterkt
der zwakken schreên: Dit is onze troost alleen.
8. Aarde! ken uw' Heer, Christnen! geeft Hem
|
5. Jezus leeft, dit is gewis; Waar ons pad ook heen moog leiden, Zelfs geen magt der duisternis , Niets zal ons van Jezus scheiden; 't Steunen eer. Zondaar! hoor zijn stem, Englen hoo- |
-:--V.' --^--rsErnrgirrrrtfcrr--jfr----- ren Hem; Hij. de hel te sterk, Hij voltooit zijn werk. Leef, o Koning! leef, Dat |
op zijn mogendheên, Dit is onze troost alleen.
6. Jezus leeft, nu is de dood Ons een ingang
-tc-
ü niets weêrstreev'; Geef, dat w'aan uw
hand Treên naar 't vaderland; Maak ons
los van d' aard, 't Spoor loopt hemelwaart.
tot het leven; Welk een rust in stervensnood
Zal dit woord ons harte geven: quot;Gij, o Hei-
=30:=
4. Eeuwig leven wij Opgewekt als Gij;
|
'/land! Gij alleen. Gij zijt onze troost alleenquot;. 138. DE OPSTANDING VAN JKZUS. VV u z e : Psalm 47. Te ezus heeft vol- uich nu, Christenschaar! Juich! het feest is daar. Alles is volbragt, Wet noch dood heeft magt, ---- v vâ----- â â---- daan. Hij is opgestaan. God verklaart Hem vrij: Eeuwig leven wij, Aardsch en helsch geweld Zijn ter neêr quot;geveld; Heer- lijk stijgt Gods Zoon Uit het graf ten troon. 2. Christen! juich, Hij leeft. Die u 't le ven geeft, Jezus overwon; Al wat doo den kon, Al der zonde kracht Is te ^ ^^ * ï niet gebragt; Christen! hoor zijn stem, |iZ:iZZZg!ï=^===s=|^iiiii 't Sterven, dat door Hem à ten hemel |
Hemel, zing triomf! Aarde, galm triomf! - v---â «--â v-rf-â?-'â Onze woonplaats is Thans zijn erfenis: Englen, juicht triomf! Menachen, roept triomf! Daar zijn rijkstroon is. Ligt onz' erfenis; Eeuwig leven wij Opgewekt als Hij. 139. DE OPSTANDING VAN JEZUS. Wijze: Psalm 24. omt, heffen w' onzen lofzang^ aan! De Heer is waarlijk opgestaan; Ons past gejuich in plaats van klagen. De Levensvorst heeft door zijn kracht Den dood den doodsteek toegebragt: De laatste vijand ligt verslagen. 2. Hij, die voor ons zijn leven gaf, Voor ons 83 5k SSc EEiEEüS â â¢â¢â¢amp; â ' a â â, b --â de kluisters brak van 't graf. Hij heeft voor ons den strijd volstreden; Nu zijn wij met Hem |
DE OPSTANDING VAN JEZUS.
Gez. 139, 140.
110
|
â--ââ v â â â Hem opgestaan, Nu vangt het nieuwe leven aan, Dat w' eeuwig in zijn' dienst besteden. 3. Dat vrees noch angst ons hart quot;beknell'; Hij leeft voor ons: Immanuël Kan, wil, noch zal ons ooit begeven; Verwon Hij niet voor ons den dood ? En nu, wat zegt onz' aardsche nood ? Wij zullen eeuwig met Hem leven. die stierf op Golgotha, Geeft zich zelv' het leven weder: Looft zijn' naam, Halléluja! Ziet, Hij stierf op Golgotha! Looft, aanbidt t o r? g â --.aâ-.e.â v -st== en dankt Hem teeder! Uit den grafkuil keert Hij weer -, Aard en hemel geeft Hem eer! rnzAZ--====^=~-Zzl 2. Laat ons zijne grootheid zingen. Dat ons 't hart van blijdschap beeft! Laat ons lied ten hemel dringen Hem, die stierf en eeuwig leeft. Dat ons 't hart van blijdschap beeft! Laaï ons, laat onsquot; vrolijk zingen Hem, die stierf en eeuwig leeft. Hem, die stierf en eeuwig leeft! 3. Door uw leven vrijgesproken, Zingen wij verrukt uw' lof! Door dat heil tot ernst ontstoken, Rukt de geest zich los van 't stof. |
Stijgt zijn dank naar 't hemelhof: Door uw leven vrijgesproken, Looft U, Godmensch! aller mond, U, die stierft en overwon! 4. Toen in d' ochtendschemeringen Nog het luistrend aardrijk zweeg. Toen uit 's hemels hooge kringen 's Heeren Engel nederzeeg, ^ --^--- ââ a^-ï-- - '⢠En bij 't graf aanbiddend zweeg, Stondt Sâ^---e-^---»â^ ^ Gij op: de Hemellingen Zongen straks in 't Englenhof, Doodvernietiger! uw' lof. ---^-----â~~~------- zrzâ___LI 5. Om Hem in het graf te vinden, Ging zij heen, waar Christus sliep: Maar wat moest BSi^i:=g=^=5=-igt;-v A o''- zij ondervinden. Toen Hij zacht, //Maria!quot; -SS---â âft O â riep, En toen zij, '/Rabbouni!quot; riep? Heer! âi*-V---3-------^--------â »--*-^--«â -^ ik zal G ook eens vinden In het einde van mijn lot. Waar uw God is en mijn God. iSSZZ^III â-4 S-ïZIZZ âgr-zll -------*--EiEES: 6. Breekt G'eens van ons graf de kluister, Als G'ons met uw komst verblijdt; 'k Zie uw aanschijn dan vol luister, Met de kroon op uwen strijd; 'k Zie U dan gelijk Gij zijt; Breekt G' eens van ons graf de kluister, O! dan ben ik in uw rijk U, mijn Heiland! ü gelijk. 7. Locift den Heer, zingt Hem nu psalmen! Jezus Christus overwon! Vlecht den overwinnaar palmen. Dien de dood niet hou-â . â *gt;*â ' ^ --â den kon: Jezus Christus overwon. Zingt Hem |
Gez. 140, 141, 142. DE OPSTANDING VAN JEZUS.
111
Hem hooge zegepsalmen! 't Lied van 't over-winrenkoor Galmt den wijden hemel door.
wekken; Hij, d'eersteling in zijnen stand.
Kan ons ten zeekren onderpand Van ons
|
Hij zegepraalt. De volle losprijs is betaald. De kwijtbrief afgegeven; God spreekt van zijn' genadetroon: f'k Berust in 't offer van '/mijn' Zoon, ïfij leeft, en gij zult leven.quot; 2. Triomf! wij zien op 't moordveld neêr, 0-1--ââ---S- m ^ â ..fi. , --- W quot;.,.E Maar Jezus hangt aan 't kruis niet meer-, ^ â -â--quot; quot; â â ^ ââ Reeds is de dood verslonden; Daar, waar |
strekken; Triomf! triomf! wat hier bezwijk'. Eens zullen wij, aan Hem gelijk, Verklaard, onsterflijk wezen. Ja, opstaan, opstaan zal ons stof; Zingt, stervelingen! Jezus lof! Zijn naam blijft onvolprezen. -----y ' -------â 1 -v â 1 vâ^-v--------- 2. Hij stond gewillig 't leven af. Zoo wou Hij onze schuld betalen: Nu rijst Hij heerlijk uit het graf. Opdat wij, vrij van zond' verrijzen |
|
het zoekend oog Hem mist. Hangt, maar ï '' 9--tt=â«-ââ â ^ quot;ÃZI-- voor eeuwig uitgewischt. Het handschrift van de zonden. Triomf! triomf! op Golgotha Ontspringen stroomen van gena', Geen donder laat zich hooren; In 't suizen van een' zachten wind Spreekt God als vader tot zijn kind. Nu langer niet verloren. q ^ - r- -=â ^ ^ 3. Triomf! de Heer is opgestaan. Wij kunnen vrolijk grafwaarts gaan, Zijn liefde zal ons en straf. Op dood en graf eens zegepralen. |
3. Ã Jezus! doe ons meer de kracht Van uw verrijzing in ons merken; 't Geloof aan 't geen Gij hebt volbragt. Dat gord' ons aan met moed en magt. Tot wederliefd' en goede werken. 4. Dat sterk' ons in den vasten grond, Waarop wij onze hope bouwen. De hoop op dien gewenschten stond, Dat w', opgewekt door uwen mond, U in uw heerlijkheid aanschouwen. 5 Wel- |
DE OPSTANDING VAN JEZUS.
Gez. 142. 143.
112
|
5. Welzalig die U toebehoort. Dien kan geen dood of graf doen beven, Die gaat zijn' weg gemoedigd voort, Daar hij zich vast houdt aan uw woord: «Die Mij gelooft zal eeuwig leven.quot; 143. DE HEMELVAART VAN JEZUS. Wijze: Psalm 81. arde! zucht niet meer, Kom den hemel nader. Zing uws Redders eer: D. GEZANGEN OP JEZUS HEMELVAART. |
| |||||||||||||
Hij, de Vorst der aard, Jezus Chris- | mensch is 't Heengaan geen verlaten.
|
tus vaart Tot zijn' God, zijn' Vader. 2. Starren, zon en maan! Dient Hem op zijn wenken, Heemlen! bidt Hem aan, Englen! hoort zijn stem, Mensch! vertrouw op Hem, Die aan u blijft denken. |
8. Deed Hij aan het kruis Ons zijn liefde blijken, In zijns Vaders huis. Waar Hij 't heil voltooit. Zal zijn lief de nooit. Nooit weêr van ons wijken. =*£= 9. Zondaar! hoor zijn stem. Buig u voor |
| ||||||||||||
|
11. O! die dag breekt aan 'k Zie zich | ||||||||||||
Langs de hemelbaan;
Hem neder. Waak, en wacht op Hem!
hemel nader. Zingt uws Redders eer: Hij, het heil der aard, Jezus Christus vaart Tot uw' God, uw' Vader! 5. Hij, des menschen Zoon, Hij, die
d' Englen scharen
|
Gez. 143, 144, 145. DE HEMELVAART VAN JEZUS. 113 | ||||||
| ||||||
|
den weg bereid. 144. DE HEMELVAART VAN JEZUS. Wijze: Gezang 32. .4gt;-âJ- |
J ooft den Konins, alle volken! Looft Hem,
TâTT--^ - â:CEâ====
die boven lucht en wolken Ten troon stijgt,
Hem, Gods eigen' Zoon! Looft uw' Heiland,
Ã--^---TV-V--â--â---iv---g-â^^^--
lot. Halleluja! Deugd triomfeert. Want
S-_âaâ»=
-3« Gij regeert. Ja, Halleluja! Gij regeert!
|
Christenscharen! Ziet Hem voor u ten hemel =amp;= ----â ----------âââ---------ââ-Vquot;»1 varen, U plaats bereiden voor Gods troon: Verheft zijn majesteit Met diep' eerbiedig- n-------:----â-râ?ââ gt; â â .........^ heid. Halleluja! Loof wereldrond! Uit eenen mond. Loof Jezus Christus, wereldrond! 2. Menschheid! tot Gods troon verheven, Wie teijcy-=^:-=â--fe--y-»â^ â-:3Vââ- _ j- alle magt reeds is gegeven In Jezus, waar God schepslen heeft, Menschheid juich, ge voel uw waarde. Uw lot is niet bepaald aan d' aarde. Eens leeft g' omhoog, waar â----------ââââ ---^ Jezus leeft; Hoe zalig is 't verschiet, Waar 't oog den Koning ziet In zijn' lui- *----zu |
Ten hemel voer met eeuwig' eer. Hij dood- en heiverwinnaar; Een wolk ont voert Hem aan het stof. En ijlings juicht âO---- het hemelhof. Lof zij den overwinnaar! 2. Des hemels Heer, des menschen Zoon Stijgt in triomf op 's Vaders troon. Nu jui- =0E:: chen alle troonen: Hij komt, de Heer der heerlijkheid. Hij komt, bekleed met jtâ--â --lt;â --»-- majesteit, Om eeuwig hier te woonen. 3. Heel 't Englenheir knielt voor Hem neêr, En juicht, Messias, onze Heer, menschen Englenwaarde, Hij heeft het Geeft |
ster. Weg stof der aard. Een hart onwaard, Dat eens tot God ten hemel vaart.
E-
grootste werk volbragt. Zijn is de wijs-
treedt vooraan. Voor ons zijt G'een-
H maal
eere, Lof, dank, aanbidding, eeuwig' eere
R T VAN JEZUS.
Gez. 145, 146.
114
DE.HEMELVAA
-±i-A
|
maal ingegaan. Wij volgen U ten hemel. naar 't hemelhof. Van 't stof, tot U verheven. -ffâ-»â -â:=^:--*=si 5. O Heer! die hemel, zee en aard Al- mm magtig riept, en nog beAvaart, O Heer! door wien wij leven: Zoo lang wij zwoe gen in het stof, Blijv' steeds^ ons hart 6. Onttrek ons hart door uwe kracht. Die 't al les werkt, daar 't al op wacht. Aan 't aardsch'. waar 't aan blijft hangen. Laat ons van uw' genadetroon, 0 Zoon des Vaders, 's men- |
God te staan, En zijnen vrienden voor te gaan. Die hier den strijd begonnen. 2. Triomf, Halleluja! triomf! Ja, tot in eeu~ wigheid triomf! De strijd is afgestreden; De dood en ïiel knielt voor Hem neêr. De gansche hemel geeft Hem eer. Nu Hij zal binnen treden: quot;Hij komt, zoo roept de Seraf uit. Hij komt, roept heel de hemel uit, Al d' Ãnglen knielen zamen; Ellas, Enoch, Abraham En Mozes knielen voor |
|
sehen Zoon! Tot strijden kracht ontvangen. ^ 7. Ja, Gij gedenkt aan onzen nood, Gij, die voor ons gingt in den dood, Dat wij dit nooit, vergeten: Gij zult, schoon G' in den hemel woont. En 't Englenheir uw grootheid toont. Uw broeders nooit vergeten. 146. DE HEMELVAART VAN JEZUS. Wijze: Psalm 36. riomf, Halleluja! triomf! Ja, tot in eeu- wigheid triomf! O glorie aller dagen! Hal- léluja! Halleluja! Wij staan niet meer op Golgotha, Maar bij den zegewagen, Die onzen Vorst, met blij geschal, Door ==3S= |
het Lam, 't Juicht alles dankend, Amen! 3. Triomf, Halléluja! triomf! Ja, tot in eeuwigheid triomf! Nu staat de toegang open; De Regter is geen Regter meer. Wie wil, mag veilig op zijn' Heer, Als op zijn' Vader, hopen. Snelt aan gij allen, wien de =SE= schuld Het bevend hart met vrees vervult. Uw sterkte zij vertrouwen: Berust in 't geen quot;ST heeft volbragt. Wie hier op Gods genaïe wacht Zal eeuwig Hem aanschouwen. 4. Triomf, Halleluja! triomf! Ja, tot in eeu-wigheid triomf! Nu is de Zoon gezeten Als Midlaar aan Gods regterhand. Nu is |
de hemel vaderland. Dat mag verlossen
heeten! Nu vindt het neergedrukt gemoed
Een'
lucht en wolken voeren zal. Ver boven
duizend zonnen, Om, ons tot heil, voor
A
115
Gez. 146, 147, 148. DE HEMELVAART VAN JEZUS.
|
Een' rijken troost in tegenspoed, Voor duizende geslachten; Miljoenen zullen, Hem gewijd, In druk beproefd, voleind in â- â âlt;»â¢--âXâA=rzz:â5gt;:â strijd, Zijn toekomst zalig wachten. V1 147. DE HEMELVAART VAN JEZUS. Wijze: Psalm 36. erheft u, Christnen! boven 't stof, Ver- eenigt u tot Jezus lof. Nu wij Hem zien vergeen vervolging, hoon of smaad, Wij kunnen |
= ârzy--j».--i rustig zingen: Nu Gij regeert, is alles wel, --z.-â=========^= De zonde, wereld, dood en hel Zijn uw ver- T ^--tr---» X--aT quot;Aquot; wonnelingen. Wij wachten 't heil door U beloofd, Wij zijn uw leden, Gij ons Hoofd, Gij zult ons nooit begeven; Gij hebt den ^ hemel ons bereid. Waar wij met U in heerlijkheid öok quot;eeuwig zullen leven. |
|
hoogen; De luister van zijn majesteit Straalt, in het rijk der heerlijkheid, In aller Englen =3Sr= quot; ---------- |
148. DE HEMELVAART VAN JEZUS. Wijze: Psalm 105. |
|
oogen. Dat ook de mensch zijn grootheid zing'. Daar Hij het rijksbewind ontving. En glorierijk aanvaardde; Hij , schoon geen sterflijk oog Hem ziet, Is 't voorwerp van 't vereenigd lied Van hemel en van aarde. 2. Wij buigen ons ootmoedig neêr Voor U, |
Komt heffen wij het hart naar boven! Daar zit de Koning op zijn' troon. Daar zegeviert Gods groote Zoon; Daar zij ons hart, daar i m is de schat. Die al ons heil in zich bevat. ----=~-------r==^ 2. Is Hij ons Hoofd, zijn wij zijn leden. Dan |
voegt het ons Hem natetreden: Al zwerven
O
gezalfde Vorst en Heer! Elk juich', de Ko-
----------Vquot;--quot;V---V---------V-------------ââ
ning leve! Dat uw genadeheerschappij Al
wij in tegenheên En vreemdlingschap nog
|
d' eeuwen door gezegend zij, En heil aan =tc= 't aardrijk geve: Och! dat de klank van 's Konings woord Bij alle volken word' gehoord , Ãn elk zijn beeldnis drage. Wij, eeuwig aan uw' dienst gewijd, Verlangen biddend |
hier beneên; Ons burgerregt is niet op aard. Hij baande 't spoor ons hernel waart. ^ 3. Hij ging ons voor met lijdzaam lijden. Hij ging ons voor in 't moedig strijden; Nu aan Gods regterhand gekroond. Ziet Hij zijn' ar- Ãiill naar dien tijd; Och! dat die heileeuw dage. ! beid rijk beloond: Komt, volgen wij ons heer- |
â^--â------â¢--------------^=34,-^
lijk Hoofd! Ook ons is zulk een loon beloofd.
H 2 4. Wil.
3. Ãns hart, dat zich op U verlaat. Schroomt
116
-â ïf!
DE HEMELVAART VAN JEZUS. Gez. 148, 149, 150.
=é.
|
----*--ââ----------â--- 4. Wil, Heer! in ons dien ijver wekken. Wij voelen ons naar d'aarde trekken; Maak, Jezus ! maak ons los van d' aard, Trek zelf ons harte hemelwaart. Schenk ons den Geest, door V**1 Q «fr ' ---â ânzz:--â- ^ -EL ^ U beloofd, Dan volgen w' U, gezegend Hoofd! E. GEZANGEN OP DE UITSTORTING VAN DEN H. GEEST, EN VERDERE GEVOLGEN VAN JEZUS VERHOOGING. li) 11 t if 149. DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST. verslagen; Gods Englen daalden neêr op d' aard. Niet langer met den vloek be- -â »---^ zwaard. Dien had Hij weg gedragen. ^--=^â-- 2. Hij voer weêr op, 't gestarnt voorbij. En heeft, ten loon, de heerschappij Uit |
's Vaders hand verkregen; Die Jezus ken4. Wie zou, daar Jezus voor ons stierf, Ãn ons den Geest ten troost verwierf. Wie zou zijn beeld niet dragen, Ãn vol van God, die in ons woont. Den Geest, dig ons zijn 5. Wij mogen 't heil voor Jezus Kerk, Des jpasagc' iV ' y â EESSSS: 1 ^ Vaders lust, des Geestes werk. Al d'eeuwen door verwachten: Hem, die bij God voor zondaars spreekt. Hem, wien 'taan liefde nooit vriendschap toont. Niet zoeken te behagen? ^ ---^â » -é-- ontbreekt. Ontbreekt het nooit aan krachten. |
|
nen zijn verheugd, Gods Englen deelen in |
hun vreugd. Al 't schepsel in hun' zegen. 3. Elk heff' met ons een' lofzang aan! Gods Zoon heeft aan Gods regt voldaan, Hij ook ons verblijden: Die voor ons stierf ontving, na 't zwaarste lijden. Den grootsten loon. 2. Zoo zegepraalt op aarde Jezus eer. Zoo â â ,=*==. . j£i «=3= daalt van Hem een stroom van zegen neêr. Zoo blijkt Gods trouw, zoo keert de vrede weêr; Zingt Gode psalmen! Elk tempelkoor moet van 't gejuich weêrgal- men |
Gez. 150, 151. DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST.
117
|
men: Deez' aard herleeft! Wij deelen in dien zegen. Nu God zijn' Geest,quot; gelijk een' milden regen Na droogte, geeft. 3. Juich, Christen! juich, in uwen God ver heugd! Dat alle vleesch thans deel' in onze vreugd. Dat rijk en arm, dat ouderdom en jeugd Voor God zich buigen ! Het laatst geslacht moet van dit heil getuigen. Valt, volken! neêr. Bukt voor Gods alvermogen, Die Davids Zoon met luister wou verhoogen Tot aller Heer! 4. Ja, Jezus heerscht! het ongeloof verstomm'. De leer van 't kruis verspreid' haar kracht alom. Heel 't aardrijk word' dien Heer ten eigendom, Zijn haatren zwichten: Trots alle ^ magt zal God zijn' zetel stichten; 't Geloof verbeid'. Dat elk Hem eere geve. Hem hulde doe, en juich', de Koning leve In eeuwigheid! trouw' Bestierder onzer gangen! L), die ons in de waarheid leidt, Ã, die ons 't hoogst geluk bereidt, U loven onze feest |
U, die in ons al 't goede werkt. Bewaart, vermeerdert en versterkt. 2. Toen Jezus alles hier op aard Volbragt had, voer Hij hemelwaart. En schonk ü, om zijn Kerk te planten; Bij sterken wind, die 't huis doordrong, Zag elk verbaasd een vuurge tong Ãp 't hoofd van uwe heilgezanten; Straks waren zij met kracht omgord, Ãn hun uw gaven ingestort. 3. Straks leerdet Gij door hunnen mond. Dat elk verstomd, verbijsterd stoïïd, In velerhande vreemde talen; Straks wrocht Gij wondren door hun hand. Genezing, overal door 't land. Van ongeneesselijke kwalen; Dus bleek, wat grootheid Hij bezat. Die U en hen gezondenquot; had. 4. Nu quot;zegepraalde Jezus leer. De Jood aanbad Hem als zijn' Heer, Vervuld met schuldbesef en boete; De Heidenen, bij schaar op schaar. Vergruisden afgod en altaar, Ãn vielen smeekend Hem te voete; Zoo werd zijn rijk in korten tijd Verbreid, gevestigd, wijd en zijd. SiiHEEE:^---=âI3L--ESEE--E3EEEEEEi=mn£ 5. Wij zelv', wier vaderen voorheen Hier kniel-llliëi ==zamp;E. den voor een hout of steen, Wij zelv' H 3 zijn gezangen , |
DEN HEILIGEN GEEST. Gez. 151, 152.
-j.
DE UITSTORTING VAN
118
|
zijn sprekende bewijzen. Ook hier hebt Gij uw rijk gesticht. Ook ons bestraalt uw godlijk licht: Wat tong kan ü naar waarde prijzen? Niet ons, o Heer! niet ons, o Heer! Uw naam alleen hebb' eeuwig d' eer. 6. Ãch! brak die dag ook spoedig aan, Dat TI® 152. DE UITSTORTING VAN DEN H. GEEST. Wijze: Psalm 19. w dankbre Christenschaar, Verhoogde Middelaar! Juicht in uw heerlijkheid; Van uwen troon vol eer Zondt Gij den Leeraar neer. Die in de waarheid leidt: Uw woord houdt eeuwig stand, Gij hebt uw Kerk geplant, Gij blijft haar lot bestieren. Gij schenkt haar uwen Geest, Waarvan wij, =op dit feest. Verheugd gedÃchtnis vieren. 2. Toen kindsch' eenvoudigheid. Door deme wereldrond, In vreemde talen sprak, |
g----B- -:l---------r^ Toen vielen volken neêr. Gewonnen voor P--gquot; ' T 1 ârâ --- -----. . JL een leer, Die eer noch wellust baarde; De tempels stortten om, Het weerloos Christendom Verwon de magt der aarde. 3. Och! dat die heilfontein. Zoo godlijk, mild en rein. Niet vruchtloos voor ons vloeij'; Dat door de zaligheid. Zoo ruim ons toe-gezeid. Ons dankbaar hart ontgloeij'. O Levensvorst! heb dank. Dat w' onder ^ 't blij geklank Dier heilmaar zijn geboren. En voor een' schooner' dag, Dan immer 't menschdom zag, Door ü zijn uitverkoren. ^ 4. Och! waren w' aan uw' Geest Altijd getrouw geweest, Hoe rein waar onze vreugd: ^ Ach! elke goede zucht Was van dien Geest ^ de vrucht. Zijn lokstem tot de deugd. 0 Heiland! leer ons zien, Dat wij, door 't licht te vliên , Altijd uw' Geest weêrstre-ven: En dat aan ons gemoed Elk aandrang tot het goed Was door dien Geest gegeven. 5. Geef nu, dat voor zijn licht Het blind vooroordeel zwicht'. Het bijgeloof verzink'. |
Uw eigen leer ons leid'. En deugd en
heiligheid Uit uw verlosten blink'; Dat
nooit
zen Geest geleid. Het licht der aard
ontstak, De Galileesche mond. Voor 't rui-
Gez. 152, 153, 154. DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST.
119
j
|
nooit het diep gevoel Van onmagt ons verkoel, ^ Maar w' aan uw woord gedenken: '/De goede Vader let Op 't kinder-quot;lijk gebed, Hij zal zijn' Geest u schenken.quot; 6. Dat ras al d' aard à roem'. De Jood zich naar ü noem'. De Heiden voor U buig', Ãn, waar het oog zich wendt, Ãok 's werelds uiterst end Van uw' triomf getuig'! O Jezus, trouwe Heer! Het mensch-dom volg' uw leer. Die 't menschdom moet ^____O ^ ^_____^________ verhoogen; O Koning van uw Kerk! Bekroon uw eigen werk. Uw wenk is alvermogen. Christen! rijz' omhoog! De Kerk heeft 's Vaders Geest ontvangen. Hij daald' op aard voor aller oog; Aan vuurtong, wind en y-----â ~~zirr. . . â vreemde talen Erkennen w' onzes Koninnrs trouw. Daar Hii den Geest ons neêr. doet ^ ---â »-y -g--^â â ft-ââ--:âttâ dalen, Den Geest, dien Hij ons zenden zou. =----- 2. De vreemdste volken zelfs getuigen, Hier werkt, hier spreekt Gods majesteit. Daar scharen zich aanbiddend buigen Voor Jezus magt en heerlijkheid; Triomf! zoo leeft, zoo heerscht de Koning, Zingt zijne zegepraal alom! De^Geest, het pand van zijne kroo-ning, Maakt zich het hart ten heiligdom. |
___r__.______________^___cj_______ 3. Dankt, feestgenooten! dankt den Vader, =3CC= Geeft eer aan 's Vaders grooten Zoon, Zijn Geest brengt ons der Godheid nader, En voert ons loflied voor den troon; U, U, Herschepper van ons harte! U, trouwe Leidsman, goede Geest! U, Waarheidsleeraar, Troost in smarte! U wijden wij dit heuglijk feest. 4. Bewaar ons, dat w' U nooit bedroeven, Uw =»:= invloed is ons toegezeid; ^ Gij weet en schenkt, wat wij behoeven. Gij blijft ons bij in eeuwigheid: Zoo maakt G'ons vrolijk, moedig, heilig. Zoo sterkt G' ons in den bangsten nood; Met uw geleide zijn wij veilig. En gaan wij juichend in den dood. 154. UITBREIDING DER KERK. quot;Wijze: Gezang 68. â --â » =5----------- O1 p, nu op, het hart naar boven! 't Is de - _ --:--3---g â-------- van zaligheid; Alles noopt ons God te loven Voor het licht, dat Hij verspreidt. Daar men in den ouden dag Alles slechts door neevlen zag. fyr--ârâ------- 2. Maakte God, in vroeger jaren, Jakob slechts EEE5=;jEEEEEE zijn woord bekend; Nu wil Hij zich openbaren, H 4 Zelf» |
UITBREIDING DER KERK.
120
Gez. 154, 155, 156.
^
Zelfs tot 's werelds uiterst end: 't Heuglijk Evangeliewoord Wordt van volk tot volk gehoord. 3. Zij, die nooit van Jezus hoorden, Heid-
nen, blind en woest van aard, Ver in
rrâ»-----x ' ------ 1 ' - â
't Zuiden, ver in 't Noorden, Worden tot
â gSgSsg 55---quot;ftâ g t1-' âSS
Gods Kerk vergaard: Neger, Moor en
ââ-e--g ---g _ --
vreugd! Hemel, aarde, weest verheugd!
3. Ja, wij zien ontelbre scharen
Lui-
Indiaan Bidden ook den Heiland aan. =amp;-
dalen uit de wolken
Stroomen neêr
4. Goddelijke liefdekoorden Trekken hen naar Jezus heen. Maken uit verschillend' oorden,
Wie z' ook zijn, hen met ons een. Een in Heer,
Zelfs in 't land van sla-
-ââ Sf.-
van heilgenot:
|
geloof en doop. Een in keuze, liefd' en hoop. 5. Nieuwe broeders, Jezus leden! Ja, wij zijn nu lotgemeen; Smelten w' onze smeekgebeden Voor elkaar dan ook in een, Een in wensch, in hart en zin; Bij 't geloof voegt broedermin. 155. UITBKEIDING DEE KEKK. Wijze: Gezang 88. 1} ingt, gij afgelegen landen! Zingt, gij verste volken! zingt; Jezus reikt u zelf de handen, Vol-vernij Maakt de Zoon in waarheid vrij. |
5. Zoo, zoo zien wij 't Godsrijk komen, 1=........ g *â '= ü j Ãà üg 't Koom steeds meerder eiken dag! Amen, zeggen alle vromen. Kom, ja kom, o ^ blijde dag! Dat al 't menscheïijk geslacht Aan den Heer word' toegebragt! 156. BEWARING DER KERK, Wijze: Ein veste Burg ist unser Gott. (met verandering iu den 1. en 3. regel.) |
ken, hoort! zijn^heilstem dringt Ook in 't ein
ff
oudt Christus zijne Kerk in stand, Zoo
|
de tot u door; Al wat leeft dank' Hem daarvoor. 2. Jezus wil zijn' roem verhoogen, Jezus, ^ Gods en 's menschen Zoon; In zijn hand |
mag de hel vrij woeden; Gezeten aan Gods regterhand. Kan Hij haar wel behoeden; Hij is in alle leed Tot hare hulp gereed, |
Hij staaft zijn' roem alom. En waakt voor
't Christendom: Dies mag de hel vrij woeden.
2 God
Menschenliefd' omringt
JÃ.. V-
is alvermogen,
-»---
zijn' troon: Welk een stof tot lof en
BEWARING DER KERK.
Gez. 156, 157.
121
|
2. God ziet zelfs Vorsten op den troon Zich tegen Hem verzetten, ziet hen zijn' gezalfden Zoon Versmaden in zijn wetten; âQ ââquot;quot;quot; ^ â ââ----- Zij schamen zich de leer Van Jezus onzen Heer, Zijn kruis is hun ten spot; Maar hoe belacht hen God! Zij mogen zich verzetten. 3. De spotter mag de waarheid smaan, Ons amp;^==:=^=â==^==----==^---â= kan hij haar niet rooven, D' onchristen mag rn1â----;--o » â haar tegenstaan. Wij blijven haar gelooven: tot U Jezus, U zij d' eer! Die ü verkiest Heer, Uw woord opregt betracht. Dien kan geen helsche magt De zaligheid ontrooven. ^ 4. Gij, Christen! die op Hem vertrouwt. Gij siâââfsâ moet geen dreigen vreezen; Die God, die van den hemel schouwt. Zal ons een toevlugt wezen: ---~ â â ----I , ---------' ------- Der legerscharen Heer Waakt voor zijn woord |
2. Maar ach! dat dierbaar, godlijk woord Wordt schaars van zondaars regt gehoord, Hun dwaas. hun onbekeerlijk hart, In 's werelds woest ge- -iS= druisch verward, Is voor die stem der liefde doof, En wordt aan 't wis bederf ten roof. 3. Och Heer! och Heer! leen ons gehoor, Och! ^ open zulken dooven 't oor, Och! wierden r -O.--â »--, .vâ-fr,----lt;â gt;â --â^.v--^^ z' eens hun groot gevaar, Met ernst, met diep gevoel, ontwaar; Elk levensuur kan 't laatste zijn, En ach! wat zal dan 't einde zijn?quot; 4. Maak hen gevoelig voor den druk Van 't hard en schandlijk zondejuk; Zij wanen, -r-^---^ ^â-0----ây â â â â - in die slavernij, Zich zeiven, ach Avat dwaasheid! vrij, Hoe zeer haar keten hen onteer', En tot den laags ten dienst verneêr'. 5. Vertoon hun, hoe hun ledig hart Eens |
word' verscheurd van felle smart, Wanneer
----±---r.v--o. â lt;gt;
en eer. Geeft ons geduld in nood. En kracht,
|
en moed in dood. Wie zou dan dreigen vreezen? 157. OM BEKEERING VAN ZONDAARS. Wijze: Gebed des Heeren. T k wil niet, dat de zondaar sneev',quot; Zoo mm zweert God zelf, //maar dat hii leev';quot; Hii Pâ................*-----3:^==*--A-- roept, ^bekeer, bekeer u dan Tot Mij, die vu behouden kan. Verlaat, verlaat uw kwa-//de paan, Waarom zoudt gij verloren gaan?quot; de smaak van 's werelds zoet Verkeert in |
alsem, gal en roet; Wanneer een vreugd, die haast vergaat, Hun niets dan wroeging overlaat. ^ 6. Met wat geduld, wat teederheid Heeft uwe ^ hand hen niet geleid? Wat zware rampen afgeweerd, Geschonken, wat hun hart be geert, Ver boven allen wensch gedaan? ü^g=Ãi Maar wat G' ook deedt, daar hielp niet aan. H 5 7. Gij |
Gez. 157, 158.
vliedt,
liU al wat leeft, U hulde biedt!
3. Hoe rilt, hoe beeft op dat gezigt. Wie
m
hun uwen lieven Zoon, Hij, neergedaald van
----y----â¢â â â z=z:
uwen troon. Vergoot voor zondaars eens zijn
bloed; Maar, ach! zij treden 't met de voet.
iüüüüliü
|
8. 0 God! geef onze beê gehoor. Och! open ---------------------A---^-gt;£â m^mw. hun het hart en oor. Toon hun al 't goed, â jj-jââ -»---^--o----5-â door hen veracht. En wat verschrikking |
't geweten prikkels had. Zich alles gaarn' als fabel droomde. Hij ziet Ã, ijst, gilt uit: //Hij is 't!quot; Hij voelt zijn eeuwig lot beslist. |
hen verwacht; Bewerk hen tot geloof, bekeer, Bekeer Gij zelf den zondaar. Heer!
4. Maar wie, o God! zal daar bestaan. Daar
hier zelfs onze beste daan. Getoetst aan
|
eens zult wezen; Opdat ik hier, bij el-ken pligt. Bij ieder werk, door mij ver-rigt, Ãw uitspraak afwacht' zonder vreezen, En juich', daar ik uw toekomst eer: kom, Jezus! ja, kom haastig. Heer! 2. 0 dag van schrik en heerlijkheid! Als voor uw' glans en majesteit De glans der zonnen zal verdwijnen, De dood U als ver winnaar eert. Het stof ten leven wederkeert , Gij op de wolken zult verschijnen; Als aard en hemel voor U onzen pligt, bezweken? Wie zal bestaan, |
â ............, Y.- waar 't heiligst regt Het lot van groot en klein beslecht. En waarheid 't vonnis uit zal spreken. Terwijl 't geweten voor 't heelal 't Regtvaardig vonnis staven zal? 5. Hij, die, daar hem zijn deugd begeeft. Zijn' Midïaar In zijn' Regter heeft, Tot wien 't geloof hem had gedreven. En sints zijn vreugd en wellust vond, Om, naar de leer uit Jezus mond, ïïier dankbaar voor zijn' God te leven, Hij iiet gerust het oordeel aan; Gods waarheid doet hem veilig staan. ^ 6. Wie beev', hij beeft niet voor 't gerigt, Hij wandëld' in het godïijk licht; En, sloeg 't bederf hem duizend wonden, Hij weet, |
HET LAATSTE OORDEEL.
Gez. 158, 159, 160.
123
|
-----------âââ--------------â |
weet, hij voelt in zijn gemoed. Hem reinigt Jezus Christus bloed. Het reinigt hem 3. Wil in dit jaar, weldadig' Heer! Ons ook uw' zegen geven. En uwen Geest, om U ter |
eer In uwe vrees te leven: Gij deelt ons aard-
van alle zonden: Geen vonnis baart hem vrees
r
't.
heil en raad
------^fr-âââââ------------- --------â
of smart; Hij heeft de vrijspraak in zijn hart.
7. Mijn Heiland! dat uw toekomst mij Tot troost in mijne loopbaan zij. Tot baak en rigtsnoer van mijn' handel. Ter noordstar, die mij veilig leidt Ijp mijne reis naar d' eeuwigheid; Opdat ik als een wijze wandel'. En juich', daar ik uw toekomst eer: Kom, Jezus! ja, kom haastig. Heer! OP BIJZONDERE TIJDEN EN GELEGENHEDEN.
159. OP HET NIEUWE JAAR.
Wijze: Es ist das Heil uns kommen her.
s God, die 't licht heeft voortge-
sche welvaart mee. Als wij maar, met ons
â 1 â . â---- ââ. .---
lot tevreê, Naar 't ware heilgoed streven. 4. Geef ons, naar uwe liefd' en trouw, Genoe-gelijke tijden; Maar, zoo die vreugd ons schaden zou. Geef ons dan kruis en lijden: Versterk met lijdzaamheid ons hart. En laat ons nooit in druk en smart, Gelukkiger' benijden.
|
5. Toon Neêrlands volk uw Vaderhart, Gelijk | ||||||||||
| ||||||||||
|
stig ieder goede daad, En wil, o God! met lüi | ||||||||||
Onz' overheden schragen.
|
bragt, De zon en maan doet rijzen. Om ons 't verloop van dag en nacht, En maand en jaar te wijzen: Laat ons, voor 't afgeloopen jaar. Met dank den Opperzegenaar, Den God der eeuwen prijzen! - fen!- 2. U, groote God! die eeuwig leeft. Van wien wij 't licht ontvongen, Die ons een veilge ÃSg 'iquot;,C |
6. Dat wijsheid hier haar majesteit. En 't regt m. *iV 6 â gquot; ~ ^-'quot;quot;^T--^ 3-Sâ» ââ T â--- zijn' luister toone; Dat godsvrucht en te vredenheid In onzen lande woone; Dat trouw en liefde bij ons zij; Dit, lieve ül^iiüü Vader! bidden wij In Christus uwen Zone. 160. OP HET NIEUWE JAAR. Wijze: Gezang 21. |
wooning geeft, U zij een lied gezongen! U,
ren, dagen, maanden, jaren Vliegen als
een schaduw heen; Ach! wij vinden, waar
wij staren, Niets bestendigs hier beneên!
Op
die ons vreed en welvaart schenkt. Met raad quot;en troost aan ons gedenkt, U loven onze tongen.
verleden. Schoon 't ons toegerekend blijft! 2. Voorgeslachten kwijnden henen. En wij
6. Snelt dan, jaren, snelt vrij henen Met uw
blijdschap en verdriet; Welk een ramp ik
moog beweenen. God, mijn God, verandert
bloeijen op hun graf; Ras zal 't nakroost ons
|
beweenen; 't Menschdom valt als blaadren af. 't Stof, door eeuwen zaamgelezen. Houdt het --.v. -r=^==^!gt;===amp;==*P==V=amp; zelfde graf bewaard: Buiten U, o eeuwig Wezen! Ach! wat was de mensch op aard! 3. Maar door ü aan 't niet onttogen. Liet uw gunst hem niet alleen; Godlijk licht omscheen zijn oogen, Ãn zijn nietigheid verdween: Onder uw genadeleiding Wordt |
niet: Blijft mij alles hier begeven, Voortge-leid door zijne hand Schouw ik, uit dit
| ||||||||||||||||||||||
|
Slechts ontwikkling, hem deze levensbaan voorbereiding Tot een eindeloos bestaan. 4. Dat de tijd hier 't al verover'. Aan geen tijdperk hangt mijn lot; Gij, Gij blijft mij altijd over. Gij blijft Eindeloos mijn Godquot; Welk een ramp mij hier ook nader', 'k Vind ==3E= in U mijn rustpunt weer; Gij blijft in uw' Zoon mijn Vader, Wat verander', wat verkeer'. 5. Vader, onder al mijn nooden. Vader, onder E5= heil en straf. Vader, ook in 't rijk der doo-den. Vader, ook in 't zwijgend graf; Waar ik ooit verandiing schouwe, Gij, o God! |
spa'. Elk levensuur, daar vliegt het heen 't Keert nooit terug op ons geween! 2. Dat ieder oogenblik van 't leven Mij boven alles dierbaar zij! Geen uur, mij tot mijn nut gegeven. Ga immer ongebruikt voorbij. Nog is het dag; straks komt de nacht. Mijn taak zij voor zijn komst volbragt. 3, Ik ^ie mijn' tijd daar henen snellen, O ^ Heer van tijd en eeuwigheid! Leer mij mijn oogenblikken tellen. En houd mij ^ tot uw komst bereid: Elk stipje van mijn' ttsA=^:âsaz----±---â »----------^-- levenstijd Zij U geheel, alleen gewijd! 4. Leer |
OP HET NIEUWE JAAR.
Goz. 161, 162, 163.
125
|
4. Leer mij naar mijn volmaking streven. En in mijn roeping al den dag Steeds waakzaam door 't geloove leven. Tot ik JJ daar ^ aanschouwen mag. Waar eens de mensch te rijker maait, Hoe meer hij hier op aarde zaait. 162. OP HET NIEUWE JAAR. Wijze: Psalm 113. treên een' nieuwen tijdkring in, In uwen naam zij ons begin. Getrouw' Behoe
G'onze lotgevallen; Met wijsheid hadt Gij die bepaald. En nimmer heeft uw raad gefaald: Uw alziend oog waakt over allen. 3. Ãw liefd', Ontfermer! kent geen peil, Gij zorgdet teeder voor ons heil, Gij, die ons |
sterkt in à zijn' God, Ook kinderlijk uw rein gebod In zijne roeping blijft betrachten. 5. Wanneer 't geloofsoog op U ziet. Dan kwelt de donkre toekomst niet. Dan is geen nacht voor ons te duister; Dan juichen w' op onef fen patin, En zien, bij d' uitkomst van uw ----------- ------- quot; daan, Uw liefd' en wijsheid in haar' luister. â -- 6. Gord Gij ons aan met nieuwen moed. Gij, Gij almagtig, wijs en goed! Blijf ieder' avond, ieder' morgen Ons uitzigt, ook in hangen nood; Al trof dit j'aar ons zelfs de dood. Gij kunt. Gij zult voor eeuwig zorgen. 7. Dat quot;ieder dan het zorgen staak, Geen' kommer voed', maar biddend waalt, ^ijn pHgt betracht', U blijv' gelooven. Dan schrikt ons hart voor geen gevaar; Ãn niets zal, in 't vernieuwde jaar, Uw gunst, o Vader! ons ontrooven, 163. OP DE LENTE. Wijze: Allein Gott in der Hoh sey Ehr! PThâr a-----ââ »â | ||||||||||||||||||
|
uwen Zoon woudt geven. Die eens voor onze zonden stierf, Uw Vadergunst voor ons verwierf. En ons hier vormt voor 't hemelleven. 4. Welzalig hij, die op U bouwt. Geheel zijn lot aan U vertrouwt. En dag aan dag op U blijft wachten. Die dus, ge |
JJ ooft God! laat ons, zijn' naam ter eer, ^ Een' blijden lofzang zingen; Looft God! daar is de lente weer Met al haar ze- Looft God, die, wat Hij schiep, bewaart, Ã^l _ zijn' aard; Looft, looft Hem al zijn werken! gemngen; 2. De En alles zegent naar |
|
ten leven weder; Daar stroomt, met eiken nieuwen dag. Een nieuwe zegen neder: De rups, die op een blaadje leeft. De vogel, die de 3ce- lucht doorzweeft. Verheugt zich in zijn leven. 3. Den mensch verkwikt een zachter lucht; De bloemen, rijk in kleuren. Doorwasemen die zachter lucht Met zoete balsemgeuren; Het vee. ontweken aan de stal. Vindt jeugdig groen langs berg en dal. En huppelt door de velden. |
uw almagt zijn, Verkondigen uw goedheid. 7. Daar stroomt zelfs uit uw donderlucht. Als al uw schepslen beven. Versterking, wasdom, rijke vrucht. Gezondheid, voor spoed , leven; Dan breekt de zon op nieuw weer door. En mensch, en vee, en vooglenkoor Zijn weder in U vrolijk. 8. Gij geeft al wat ons hier verheugt. Gij, Gever aller gaven! Maar wil ons eens |
M /tr-ÃÃ:
met hooger vreugd. Uit Jezus vol
4. quot;t Gelaat van 't aardrijk is verheugd, 't Ge
|
boomte lacht ons tegen, De groenend' ak ker juicht van vreugd. En groeit bij 's Hemels zegen: Want God, wiens hand aan al wat leeft Het aanzijn en het =#:= ' leven geeft, Betoont zich allen gunstig. |
|
5. Looft God! want Hij is ons nabij, Zin^t alle
L1
aat ons van uwe voorzorg zingen.
O God' in 't zoele jaarsaizoen; Dat wij,
ÃÃÃ
zijne heiren! De Heer is ons alom nabij In
|
heemlen, aarde, meiren: U looft, o God! ons hai't en mond; G'omringt ons, waar wij HP zijn in 't rond. Met uwe gunst en liefde. 6. Gij roept de wolken over 't land, Dat zij de velden drenken, En ons de gaven van uw hand In rijken voorraad schenken; Dauw, dat al uw stervelingen Uw mildheid dank- |
to 1 ^ â baar hulde doen^ Van d' opgang tot den nedergang VerhefT U aller lofgezang. 2. Waarheen in 't rond onz' oogen weiden, Maakt Gij uw wondre goedheid groot; Der kudden geeft Gij ruime heiden, En uwen menschen- kin- |
|
de bij. Den kleinsten worm verzadigt Gij. 3. Met uwe zomerzon stroomt leven In elke E5EEE2Ã borst, in elke plant; De vreugd gaat door de dalen zweven^ Het rundvee dartelt op het ^ land; Bezield door haren zachten gloed, |
het stof, Voor uwe goedheid, hooger lof. 165. OP DEN HERFST. Wijze: Gezang 119. R1 eeds daalt, met een omwolkt gezigt. De zon - ---Bâ--ST--Xf--5-=^=g vroegtijdig neder, En later toont haar zwakker |
licht Zich aan den hemel weder: Het schoon
=*E=
Vermaakt de visch zich in den vloed.
|
4. Onz' akkers juichen van uw' zegen. Als hun de dauw verfrissching schenkt. Of hen na |
saizoen is heengesneld, En reeds wordt op het ------ â â » % ----'ââ dorre veld De ruwe storm vernomen; Het laat- |
droogt' een malsche regen Tot zwelling hun-
=lt;gââ»---
ste bloempje neigt ter aard. En d'adem van
den herfst ontblaa.rt De schaduwrijkste boomen.
2. Zoo wijkt de zomer met zijn pracht. Maar
niet, o God! uw zegen: Neen, boom en weid'
en akker smacht Der winterrust reeds tegen;
=3gt;:==:^=3CE=
ner airen drenkt; De beek, die door de dalen
zwiert. Verkwikt den wandlaar en 't gediert'.
5. Zoo heffen dalen, wouden, velden, Veree-
nigd U het loflied aan; Daar staan ze, die
|
uw eer vermelden. Het groeijend ooft, het rijpend graan; Wat plantje, dat Gij niet voorziet? Het kleinste zelfs vergeet Gij niet. 6. Wij blijven op uw voorzorg bouwen, En, met den landman, bij zijn vlijt. Den oogst |
Die rust maakt nieuwen groei gereed. Ook loont de dorschvloer 's landmans zweet: Geen -a- spijs zal ons ontbreken. Daar God in al ler nood voorziet; Of leidt Hij zelfs de voog- len niet. Om spijs, in warmer streken? |
|
aan uw bestel vertrouwen: Bewaar ons zijn' -o--»-â^ gazetten tijd. Uw heil verblijd'ons! nooit ver- - â------rr*r------::-------------,J m Ãü acht Gij 't hart, dat op uw' zegen wacht. 7. Wat leeft en ademt loovquot; den Heere! Zingt |
3. üw voorraadschuren opent Gij, O God! voor menschenkindren, De ruwheid van het âii3gl-- jaargetij Zal ^nooit uw zorg vermindren; Al wierd uw liefde menigmaal Door ons â fj----Tg----------------------4- â â â â---T» |
miskend bij 't mildst onthaal. Gij wilt
â z=ZÃ=L=.amp;-=-«Vryg:-------^----y---^---18--
nu deez' aard reeds zulk een lied, Hoe zal zij
juichen Hem ter eere. Als zij zich eens her
die schuld vergeven: Och! geef ons, dat
w ,
i
OP DEN HERFST.
128
Gez. 165, 166.
=fc==*E=EdE=?Ã
|
w', in ons gedrag, ^ U vruchten dragen dag aan dag, En dankbaar voor U leven. ------ 4. U, die ons steeds ten vader zijt, U blijven wij verwachten, Al nadert 's levens winter- â »--------y^rTT- tijd, Al slijten onze krachten; Ook in dien herfst des levens zal Ons hart,^bij smart of ongeval. Niet vruchtloos op U bouwen: Gij ..... blijft den ouderdom ten staf. Gij blijft tot aan, tot over 't graf, In Christus, ons vertrouwen. |
jaagden rustloos bij. Hij sprak: gij stroomen stolt! zij stolden; Gij meuren woedt! en ijlings rolden Hun golven, ijlings bruisten zij. 3. Van haren arbeid rust onz' aarde. Zij sluimert, door Gods hand bedekt, Opdat zij nieuwe kracht vergaarde. Tot dat de lent' O-
E=E=$==5 4. Zoo zinken wij in 't eind ook mede, Vermoeid en afgemat, in d'aard. En sluim-ren daar in stillen vrede, Door Hem, die | |||||||||||||||||
nimmer slaapt,^ bewaard. Opdat ons stof
verren In 'tkortst der dagen, maan en ster
|
ren Bij heldren, langen winternacht, De zeen, ^ ontweldigd aan haar kluister. Verkondigen des --4».â Scheppers luister, Verheffen zijne liefd' en magt. |
herrijz' in waarde. Geeft Hij het afge teld aan d' aarde. En eischt het eens van d' aard weer af; Zijn eeuwge lentedag |
zal komen, Dan, dan verlaten zijne vro-
ï---------â--»â£--^---^---
men Vol nieuwe levenskracht het graf.
2. Hij riep de zon en sprak : keer weder Te
rug op uwe wijde baan! Zij ging, zonk
daaglijks vroeger neder, En lacht' ons
halfrond schaars meer aan. Hij riep de ,
^-----^---ȉ^ !
5. O dag des levens, dag der weelde! Hoe
wenscht mijn hart uw heil nabij! Verrijs-
|
winden, en zij brulden; De sneeuwwolk, en haar vlokken vulden Den grond, en |
niszon! wier hoop mij streelde. Wanneer zult g' opgaan over mij ? 'k Moet eerst verrot- |
Gez. 166, 167, 168.
rotting nog aanschouwen, 't Verganklijk' eerst
't mij wezen, Het loopt in eeuwig leven uit!
in Christus bloed. Waarin w' uw Vader
liefde smaken. En in die liefde tot U bla
0!
zij uit uwe hand; Die schenkt hun over-
vloed van spijze, Zoo dat zich elk, op
ken , Die Gij ten dank ontvangen moet
168. IN DEN OOGST. WIJZE: Gezano' 8.
Vader! die uw kindren voedt. Wie is
als Gij, zoo mild, zoo goed ? W' erken
|
zijne wijze. Gelukkig vindt naar zijnen stand. 2. Om ons bij 't leven te bewaren, Schenkt Gij ons volle korenairen, Maakt Gij haar kor-len zwaar en groot; Het voedzaam brood, dat zij ons schenken, Doet ons aan uwe goed heid denken, Die, die alleen verleent ons brood. 3. Gij schept de vrucht van struik en boomen. Gij hebt de knopjes voort doen komen. Gestoofd in warme zomerlucht, De malsche vruchten. die ons laven; Wat boomgaard, weid' en beid' ons gaven. Van U is 'tal, en vee, en vrucht. 4. Gij, Heer! schenkt alles; Gij verzadigt. Gij helpt. Gij sterkt. Gij begenadigt Uw scheps |
len door uw grensloos rijk; Al waar U uwe nen uwen zegen; Erkennen ? neen! w' erken nen 't niet! Onrein is 't hart, en koud -è:--O is 't lied. Al stroomt uw gunst ons tegen. 2. Ontfermer! Gij, Gij geeft ons brood. De graankorl, die haar kiemt je schoot. Woudt G' in den grond bewaren: Bij regen, dauw en zonneschijn Doet Gij haar' j ! .1.--âfl~ââ--a--^ halm geladen zijn Met vette korenairen. 3. Verzorger! God van al wat leeft, Die ons zelfs boven bidden geeft. Wie moet uw' naam niet prijzen? Och! mogt de E==2 toon van 't staamlend lied. Het welk ons ------â ----*â-â »--JtâA. zondig hart ü biedt. Tot U ten hemel rijzen. ^ 4. Dat steeds ons hart op U vertrouw'. Steeds I op |
J
OOGST.
130
IN DEN
--ȉ
Gez. 168, 169, 170.
|
op uw Vaderzorge bouw', En nooit U moog verdenken; Gij schonkt ons uwen derroe'. God wordt het weldoen nimmer moe'. 5. Maar ach! men bleef zijn goedheid tergen. |
|
eigen' Zoon; Wat^zult jGrij, ader! van uw' troon Ons met dien Zoon niet schenken? wij hart en ooren. Belijden w' elk ons snood E55 bestaan. Bij 't roemen van Gods groote daan. 2. Wij juichen, Heer! om uwe daden, Gij hebt ons Land en Kerk gespaard, Ons boven duizenden bewaard, En met uw weldaan overladen, Bevoorregt met uw hei- rUT â gt; - V â . âXP---g--------A- |
Hoe schaars erkende 't Vaderland In alles zijne goede hand; De zonde steeg tot hoo-ge bergen. Zijn dienst werd roekeloos vertreên. Zijn waarheid schandelijk bestreen. 6. à ja! dat moeten wij belijden Voor U, o God! die alles weet, Och! dat het elk in waarheid deed, Elk U 't verslagen hart mogt wijden. En pleiten om vergiffenis, Die in uw' Zoon oneindig is. 7. Leer elk, hoe hij is afgeweken. Bekeer ons ieder tot zijn' pligt, Ãch! treed met ons niet in 't gerigt; Wil tot ons hart van vrede spreken, Stort uwen Geest op E==3E:=:r:y=5==S= |
|
lig woord. Met uw gena', alom gehoord. 3. Ons land ligt in geen' vloed bedolven. Nog tiert op heid' en weid' ons vee, God hoedt de scheepvaart op de zee. Ãn leidt ze door de woeste golven. Hij schenkt der nijverheid üm het brood. En maakt alom zijn goedheid groot. 4. Laat ons zijn trouw, zijn gunst verheffen, â¦tââ â â â lt;gt; â â ' Im-A.- ------TZT'^ ~à â keerde zware rampen af. Hij mengde zoet in bittre straf; En, welke smart ons i |
Neerland neêr. Opdat het tot U wederkeer'. 8. Dan zult Gij 't Vaderland verschoonen. Dan blijft ons d'oude zegen bij. Dan roemen, ja, dan juichen wij; //Der vaadren God blijft //bij ons woonen. Wij zijn een volk, een //erfenis, Wiens God de Heer der heeren is.quot; 170. OP EENEN BEDEDAG. Wijze: Psalm 51. k zal dan, op deez' statelijken dag, Een- |
ooit mogt treffen Zijn roede bleef een va- i stemmig met de duizenden van zielen, Door
't gan-
tl
|| tl
|
Gez. 170. OPEENENBEDEDAG. 131 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
I 2 mag: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
132
OP E E N E N
Gez. 170, 171.
BEDEDAG. T,... â^
mag: Zoo blijk', dat Gij aan schuldigen vergeeft Op smeekgebeên, in Hem U opgedragen;
't rond Het edelst bloed den bangen grond.
5. Maar Gij, Gij streedt met hunne scharen.
|
Zoo blijk', dat Gij, de God der vaadren, leeft. En bij ons blijft met gunstig welbehagen. 171. OP EENEN BEDEDAG. Wijze: Gezang 17. Li ie ons ootmoedig tot ü naadren, 0 God! zoo eindloos goed als groot. Gij waart de God van onze vaadren , Gij Avaart hun Redder in den nood; Wij staren op het voorgeslacht, En zien alom uw liefd' en magt. 2. Hoe nietig klein was hun vermogen, Hoe groot de taak door hen volend. Wat ramp is hen 3. God! zou ons hart het ooit vergeten. Wat Gij voor onze vaadren deedt. Toen dwinglan- dij het vrij geweten Met al de magt der aard bestreed. Uw almagt, uw ontferming - =* ^ bood Hun 't eenigst uitzigt in den nood. 4. Hier moesten zij 't geweld verduren Van oorlog, hongersnood en pest; Daar rezen iEEE=EEifc:EEi2 |
En benden slonken om hen heen; Pest, oorlog , honger, moorden aren ^_En^ bloedgerigt ^ werd afgestreên. En uit den zwartsten nacht ±--»---*â=3*-----ââ »-g-ââHâ van nood Verrees het lieflijkst morgenrood. 6. Nu eens scheen zelfs de hoop verloren, Daar gg Tvquot; ' ' ' _ $ â^ 1 quot;â ââ*4 slechts een wonder redden kon; Maar Gij, Gij hadt hun hulp beschoren. En 't zinkend Vaderland verwon: Zelfs eeuwge wetten --9-----âgg---^---'^quot;quot;3^ WÃ. der natuur Eerbiedigden uw albestuur. veegen erfgrond inteslokken. Of aan verwoe- -----» â »---»--Oâ 7. Dan scheen de zee hun aan te wrokken, En i dreigd', op 't buldren van d'orkaan, Hun' Ãl m sting aftestaan: Daar rees de noodkreet tot uw' 4- a âlt;.------a--------------1*. troon; Gij wenkt, en zee en stormwind vloón. 8. O Gij, der vaadren vast vertrouwen, Hun fq==^--7:â- y -----â hulp en toevlugt in 't gevaar! Waar kan ons oog deez' grond aanschouwen. Daar niet uw almagt zigtbaar waar? Geheel het oude Ne-â n-^â5---*â --^-----gâr--»--?---r- derland Was steeds een wonder van uw hand. 9. Hoe diep in 't stof zonk 't nakroost neder, Sints 't ü der vaadren God verliet: Och God! |
och God! keer tot ons weder, Wü zinken.
wreede martelvuren, En moordschavotten
r-----â-âr--==----^
door 't gewest; En overal doorweekt' in
redt uw almagt niet; Reeds oogsten w'op onz'
ei-
|
Gez. 171, 172, 173. eigen paan De wrange vruchten onzer daan. 10. Wij pleiten, Heer! op uw genade, Die nooit den boeteling verstoot; Ook zij kwam 't voorgeslacht te stade. En blijft nog altijd eindloos groot: Wij pleiten, knielend voor uw' troon. Op 't bloed van uwen lieven Zoon. 11. Red, schraag, versterk door uw vermogen Wat eens uw hand gewrocht heeft. Heer! En 't Vaderland slaat dankbaar' oogen Van nieuws 0 - *=:=»* op U, zijn' Redder, weer: Zoo word' door voor- en nageslacht Uw' naam de glorie toegebragt. 172. IN GROOTE DROOGTE. Wijze: Psalm 51. à |
bestaat door uwe hand: W'erkennen. Heer! uw oppermajesteit. Wat ons ook treff', uw oordeel is regtvaardig; Wij pleiten steeds op uw meêdoogendheid, Al zijn wij zelfs uw zwaarste slagen waardig. 3. Gij toch, o Heer! die slaat, en ook geneest, Gij tuchtigt ons, maar plaagt ons niet van harte; Gij waart van ouds een toevlugt onder smarte, Ontfermer is uw naam altijd geweest; Och! om uws naams en om uws Zoons wil. Heer! Verkwik =lt;c= het land door eenen milden regen, Zie |
Tquot;ââ3^
|
et aardrijk dorst, het zucht tot God omhoog. Zijn vrucht verdort, het graan verdroogt in d' airen; En, hoe het oog den hemel aan moog staren. Geen wolkje toont zich aan zijn' effen' boog; Och Heer! och Heer! zie hoe het alles kwijnt, Het zucht tot U, die alles draagt en zegent, Die met uw zon de boozen zelfs be-schijnt. En over hen, en over goeden regent. 2. Gij, Gij behoudt quot;natuur in haren stand, Almagtig' God! Gij wenkt, daar zinkt zij neder, Gij wenkt op nieuw, daar rijst |
niet op ons, maar op zijn offer neêr. En geef, o God! onwaardigen uw' zegen. waterplas Op onze drassche velden. O Gij! die onzen kommer ziet. Gebied de wolken, .p-âââ---â --y--^ --â¢Â»â dat zii niet Des landmans hoop verwoesten. 2. Ontsluit uw zegenrijke hand. Verkwik, in rrp--»â. ------â»â-J- onze dalen. Eens weer het halfverdronken ââ^V.-------y -ft-gEy-TTTâ » ^/ G wei- land Met warme zonnestralen; Geef drooge I 3 |
134
BIJ OVERVLOEDIGEN REGEN. Gez. 173, 174, 175.
EaÃ
weiden aan ons vee, Ãn deel een'rijken voor-
ÃT-TS---^=:lt;X=5==^:=:-«v *---^=0
raad meê Van voedzaam brood voor menschen.
wind en stroomen, Een wenk zal die betoomen.
Sgt; :30C=â^--
3. 't Is waar, wij hebben zwaar misdaan. Altijd gehecht aan 't kwade; Maar zie ons in ontfer-
B:q==i::amp;:===:lt;E£===g:-- '6 -3-------6--z
ming aan, Verleen ons. Heer! genade: Zoudt Gij,
|
die ons het hemelsch brood, In uwen Zoon, zoo a==^=^:=âââ= y--g-âH gunstig boodt,Ons 't aardsche brood onthouden? ---»-^-=r3^:=z=3!«==g== 4. Och! hoor ons, en bewaar ons. Heer! Den oogst en zijne tijden; Schraag onze wankle hope , .--TV........ y â .V------^---A---jL weêr, Dat^v' ons in U verblijden, Als 't graan, met zoo veel zorg gezaaid, In volle schoven, :!fcr blij gemaaid. Gevoerd wordt in de schuren. 174. IN WATERSNOOD. Wijze: Psalm 31. ff elp God! de nood is hoog gerezen, De |
Hem, die, en wind, en baren Deed be daren, Knielt voor Hem aanbiddend neêr. 2. Door der stormen loeijend woeden. Stortten vloeden. Hoog gestegen, plotsling neêr; Wij, door d'ongetemde golven Schier bedolven, Zagen nergens uitkomst meer. 3. Maar Gij Heer! woudt ü ontfermen. Op ons kermen; Op ons roepen, wij vergaan! Toondet Gij uw alvermogen: Op getogen Zien wij onze redding aan. |
|
vloed groeit immer aan, Behoed ons, wij vergaan ! Och! wil ons toch genadig wezen, Gij , genadetroon, Aanschouw ons in uw'Zoon; Ach! -----.-------------------- A -Sü=é. Redder uit gevaren. Gij kunt alleen bewaren. 2. Ontfermer! zie ons biddend knielen Voor uw' zou de vloed ons land vernielen, De vrucht des velds doen sterven, En haav' en vee verderven ? 3. Beveilig onze vastigheden, Schraag die door uwe hand. Houd dijk en dam in stand. Bestraf, o Hoorder der gebeden! 't Geweld van |
4. IJlings woudt Gij uitkomst schenken; Op uw wenken Toonde 't al gehoorzaamheid; Gij geboodt, de winden zwegen. Ja, zij zwegen Voor die stem der majesteit. 5. Nu, nu juichen onze harten. Vrij van smarten; Heer! wat zijt Gij goed en groot! Gij, door eindloos mededoogen Straks bewogen, Schenkt ons leven uit den (food. 6. Wil nu aan verleegnen denken, Hulpe schenken, Waar men nog geen uitkomst ziet, Leer |
M ii
NA STORM EN WATERSNOOD.
Gez. 175, 176.
135
ï==d
Leer ook daar uw redding wachten; Don-
met gebeên: Wat is onze zwakke raagt Te-
=CE=
craaCEr
|
kre nachten Worden licht, als Gij 't gebiedt. 176. IN OORLOG. Wijzk: Sinten wir aus Hertzen GrundI |
gen uw geduchte kracht? Zoo Gij in 't ge-rigt wilt gaan. Ach! hoe zouden wij be staan ? Wij vergaan! ach! wij vergaan! |
6. Jezus Christus! met het bloed. Dat voor
ie erbarmend op ons neer! Om erbarming.
|
God en Heer! Om erbarming smeeken wij. --------------------------ââ Heer! wie is een God als Gij, Wie een God, zoo goed, zoo groot? Hoor ons, red ons uit den nood! Overal dreigt zwaard en dood. 2. D'oorlogsvlam stijgt in de lucht, Vrede, vreugd en zegen vlugt: 't Krijgsheir stroomt aan al- Spquot;-â-â..........' A quot; quot; 6quot;' 1. ' Aft 6quot;quot; le kant. Als een zondvloed, over 't land, Alles smijt het in zijn vaart. Als een hagelstorm, ter aard; Bloed en dood begeert zijn zwaard. 3. Ach! daar onregt en geweld Ook den besten krijg verzelt, Wie, o God! wie siddert 4'â ---aSSrzgEâSÃrââ a. -------6 amp;â niet, Als hij aan all' oorden ziet. Dat ook ware heldenmoed Straks uit heete wraakzucht woedt! Wat vergiet hij? broederbloed! |
snoode zondaars boet. Treedt G' uit loutre menschenmin Voor hen bij den Vader in: Wees daar onze Voorspraak, Gij! Om erbarming smeeken wij; Och! om redding smeeken wij. 7. Schenk ons uwen Geest, wiens kracht 't Hardst gemoed als was verzacht. Van den vijand broedren maakt, In wier hart de liefde blaakt; Zend dien Geest ons van omhoog! Allen slaan wij 't schrei- jend oog Smeekend tot à naar omhoog! 8. Gij, almagtig' God! wiens wil Tot de stor men spreekt: weest stil! Spreek nu ook op onze beê Tot het zwaard: keer in de scheê! =2= Spreek nu tot de tweedragt: wijk! Weer het |
4. Zien wij al die gruwlen aan, Siddrend moe
ten wij vergaan! Om erbarming smeeken wij;
--g----gss---,---ag----g--
Een erbarmend God zijt Gij! Och! gedenk niet aan de schuld. Die ons hart met schrik
oorlog uit uw rijk! Want de wereld is uw rijk.
9. 't Menschdom om die gunst verheugd Looft
dan uwen naam vol vreugd; Met de harpen
in de hand Dankt U 't volk van ieder land.
|
vervult; Red ons spoedig! schenk geduld! 5. Allen, volk en overheen. Dringen tot ü |
Hoor ons! hoor ons! smeeken wij; Een ontfer mend God zijt Gijl Och! om vrede smeeken wij. I 4 177. in |
IN VREDE.
136
Gez. 177, 178.
dig mee; Gij zult zelv' uw koren maaijen.
177. IN VREDE.
Wijze: Psalm 150.
5. Stedelingen! looft den Heer! Hoopt op
|
Jj ooft God met verrukten geest! Looft Hem op ons vredefeest! D' oorlogsvlam- ----------.-te:--: . ff -Tr=z:-------- ==A men zijn gebluscht. Alles is in vreed en rust. Laat ons zaam met jubelklanken, Met de stem, en met het hart, Boven alle vrees en smart, Onzen Redder juichend danken. 2. Loof Hem, dierbaar Vaderland! Dank oot moedig, dank de hand. Die aan 't woedend krijgsgeweld Eindlijk perk en palen stelt! Die ons aan den last ontrukte, Aan den last, voor ons zoo bang, Aan den last, die nu -------:-------------------- |
d'oude welvaart weêr; Voor den koopman druk vertier. Nering voor den winkelier. Bezigheid voor handwerkslieden. Ãn, voor -----^------------V---1------------ schamel' armen, brood: God, die ons den vree gebood, Wil zijn heil daartoe gebieden! 6. Mogt vooral ons hart van dank Gloeijen alquot; iJl- --:----2â-=------ ons leven lang! Mogt voorvaderlijke deugd In de Nederlandsche jeugd. Met den Godsdienst, weêr herleven! Mogt hier spaarzaamheid en vlijt Woonen, als in vroeger' tijd! Dat zou hoop op welvaart geven. |
7. Schenk daartoe uw' Geest, bekeer. Heer!
zoo lang Onze zwakke schouders drukte!
|
3. Looft Hem, visschers aan het strand ! Steekt gerust en blij van land! Vreest geen onrust op de zee, ^AÃes, aües is in vreê! 'Loof
wei', Drijft uw schapen op de hei'. Gaat gerust uw akkers zaaijen: 's Vijands hand sleept thans uw vee Langer niet geweldit volk, uw volk weleer; Geef aan d'Evan- |
geliestem. Op de harten, kracht en klem. Och, dat velen die gelooven! 15at zal ons, na bangen druk. Zegenen met dat geluk, Dat geen oorlog ons zal rooven. steit; Zijn almagt sprak, en vrolijkheid Vervangt | ||||||||||||
IN VREDE.
Gez. 178, 179.
137
â
'k mee tot God genake, Daar 't^morgenlicht zijn stralen spreidt. En ik verkwikt ontwake.
:;XE=
vangt de bangste smarte: Geeft eer Dien
Heer! Halleluja! Halleluja! Dat uw klan
|
ken Hem, den God des vredes, danken! 2. Heft aan! God geeft ons juichensstof; Wat juichen kan verheff' zijn' lof! Heft aan! Hij geeft ons vrede; Hij heeft de vlam des krijgs gebluscht, 't Keert alles op zijn'wenk tot rust. Het zwaard keert in de schede. Uit nood Ãn dood Heeft Hij 't leven Ãns hergeven! Steden, velden. Alles moet zijn heil vermelden. 3. Keer, handlaar! zee- en landman ! keer Nu dankend tot uw ruste weêr; God zelf heeft z' u geschonken: Bij vlijt en godsvrucht zal ons land Herleven, als in vroegren stand, Hoe diep ook nu gezonken. Zoo groeij' En bloeij'. Bij Gods zegen. Allerwegen, Door den Neêrlands vrede, welvaart op uw bede! 4. Ja, God des vredes! blijf ons bij; Uw vreed, uw gunst in Christus zij Ons uitzigt, aller vreugde. Dat elk, dat jeugd en ouderdom Zich, bif dit vredefeest, alom, In Ã^alleen verheugde! Dat nu Tot U 't Halleluja, 't Halleluja Hooger rijze! Halleluja! U ten prijze. |
Tot Hem verheft zich hart en stem. Voor zijne gunstbewijzen; Ik leef, beweeg m' en ben in Hem, Zou ik mijn' God niet prijzen? 2. Ja, Schepper van dit wereldrond. Maar in ^ uw' Zoon mijn Vader! Duld, dat ik in deez' ochtendstond Eerbiedig tot U nader': Deez' ^ dag zij heel aan U gewijd. Dat blijven al mijn dagen! Dan zal ik, door uw gunst verblijd, Mijn' onspoed vrolijk dragen. 3. Is voorbereiding 't groote doel Van dit üiiiüüi^üü^üll kortstondig leven. Dat ik den prijs des tijds gevoel'. Mij tot die taak gegeven! Och! dat ik vlijtig woekren leer' Met d' afgewogen uren; Het eens vervloogne keert niet weêr, Maar wat het wrocht blijft duren. 4. Ik ken 't verderf, dat in mij woelt, En mijne kleine krachten; Maar als mijn hart zijn'pligt bedoelt. Durf ik uw' bijstand wachten. Ach! zou ik angstig voorwaarts treên. En bij uw heilwoord vreezen ? Gij wilt mijn leidsman hier beneên. Waar 'kfeil, mijn Vader wezen. |
|
6. Door uwen goeden Geest geleid. En moedig door uw' zegen, Voel ik mij tot mijn taak -tn-gâ^--^---y--x--^ bereid. Juich ik deez' dag weêr tegen; Dat ik, met kinderlijk ontzag, Slechts aan uw 'k Treed dus op mijn bestemming aan, Door lief en leed te gader. En ook de stil geween- -=$L-ââ de traan Brengt mij haar telkens nader. |
ik mij, waar vlugtt' ik heen? Maar neen! ik mag, ik wil niet vreezen. Gij spreekt mij |
|
wetten bange. En een, mijn roeping j----g-â~ . a ââ »--- waard, gedrag Mijn morgenlied vervange! m moge nederdalen. Maar Gij, mijn Licht! begeeft mij niet; Gij woudt mij met uw |
vrij om Jezus bloed; Dit zal 't verslagen hart --â »-â .=^=^=~=---s----==â=tt genezen. Zoo smaak ik rust voor mijn gemoed. --:-~5=--3E-*-â¢*quot;---a-- 4. Laat uwe hand mij nu ook dekken, 'k Ver- 1â^---âg---â .lt;» â^--â laat m' op U, ook in den nacht; U word', â--â-------»----»-â----------;--^ als Gij rmj weêr zult wekken. Op nieuw mijn lofzang toegebragt; En zoo ik nooit weêr mogt ontwaken. Aan U beveel ik dan ----------= _ r---g- _ » / mijn' geest. Om voor den troon die rust te â^--r---=amp;==^===^=-.=^== ft smaken. Die hier mijn uitzigt is geweest. ::=---»- |
5. Ik weet, aan wien ik mij ver trouwe,
-
Al wisselen ook dag en nacht; ik ken
ir^=:=-_5:-----7--=i^=^:==S==^
ÃïE
de rots, waarop ik bouwe, Hij feilt niet.
die uw heil verwacht. Eens, aan den
E£==E$E
avond van mijn leven. Breng ik, van
zorg en strijden moe'. Voor eiken dag, mij
^-------^--------------------
lijkheid; Deez' avond roept mij, na mijn
hier gegeven, U hooger, reiner loflied toe.
DOOD
OP DEN DOOD.
Gez. 181, 182.
139
Dat, Heer! bij 't breken van mijn oog. Mij
DOOD EN EEUWIGHEID.
|
181. OP DEN DOOD. Wijze: Gezang 178. |
-----------------------1 1â v--v---- tot uw dooden zamelt; Veelligt omgeeft mij ook hun nacht, Eer ik deez' bede heb vol- |
|
-0-1-----SL---»---- -= v _ âââ oe zal 't mij dan, o dan eens zijn! Als ----â ---â gt; v ' ââ ff |
bragt. Uw' lof heb uitgestameld. Vader! |
ik, verlost van smart en pijn. Ontwaak tot
ââââ----gt; v â --quot;V V â â â â
hooger waarde. Door geene zonde meer mis
Vader! Ik bevele. Ik bevele In uw han
den
Nu mijn' geest in uwe handen.
|
leid, Ontheven van de sterflijkheid. Niet ^1 meer de mensch van aarde: Wees blij In mij. Voel, tot sterking. Hier de werking Van dat leven, Ziel! dat God u daar zal geven. 2. 'k Verheug m', en echter beeft mijn hart, Zoo drukt mij nog het juk der smart. De vloek der zonde neder: Maar God, God zelf verligt mijn juk. Mijn hart versterkt zich door den druk, Gelooft, verheft zich weder. Jezus Christus! Wil mij geven, U te leven, U te sterven, 't Rijk uws Vaders eenmaal t'erven. 3. Veracht den doodschrik dan, mijngeest! De donkre doodsweg, dien gij vreest, Is 't pad tot blij aanschouwen; Wat beeft, wat ijst gij |
5. Ligt breekt dat uur nog lang niet aan, 'k Ben ligt nog ver van 't eind der baan. Waar d'eerekroonen blinken; Maar zal, terwijf ik ü verbeid. De hutte mijner sterflijkheid Eerst laat in d' aarde zinken: Wil Gij Dan mij, Vader! sterken; Dat mijn werken Mij daar volgen. Voor den troon des Regters volgen. 6. Hoe zal mij 't dan, o dan eens zijn! Als ik, verlost van smart en pijn. Hem beter loof naar waarde. Volmaakt in onbesmette deugd, Een deelgenoot der hemelvreugd, Niet meer de mensch van aarde: Heilig, Heilig, Heilig zingen W U daar, zingen Prijs en eere, U, die waart en zijn zult, eere. |
|
voor uw lot? De donkre doodsweg voert tot God, Hij voert tot blij aanschouwen: Die rust, Gods rust Gaat ons denken, Al ons denken n ^ 3$: ------â=z:â^ En gelooven Onuitspreeklij k ver te boven. 4. 'k Weet niet, wat uur het wezen moog. |
driet en nooden. Rustplaats na den strijd der |
OP DEN DOOD.
=?*=
Gez. 182, 183, 184.
140
|
der deugd! Zouden wij voor't sterven beven, Siddren voor dien jongsten nood? Jezus liet voor ons zijn leven, Jezus overwon den dood. 2. Jezus leeft! Hij is verrezen, Jezus leeft in eeuwigheid! Ik zal eeuwig bij Hem wezen , Dat heeft Hij Tnij toegezeid; Ãéns zal ik als Hij verrijzen. Juichend opstaan uit mijn graf, En dien Heiland eeuwig prijzen. Die mij 't eeuwig leven gaf. 3. Zou ik naar die kroon niet streven. Naar â -____ _ _ --â3âj. die kroon, die nooit vergaat? 'k Wil alleen u ÃESEESEEg: 5 5 -----^--gE---5â1â5â voor Jezus leven, Die mijn hoop geheel verzaadt; Wereld, ach! wat is uw waarde Bij 't voïzalig hemelhof? Wijk, ja wijk, o nietig' aarde! Wijk al wat mij boeit aan 't stof. 4. Vrome, vroeg gestorven vrinden! Slechts â¢zijt gij mij wat vooruit, 'k Zal u allen we- dervinden. Als ons Jezus 't graf ontsluit; Eerlang zal ik met u rusten, 'k Rijp al vast mm voor d'eeuwigheid, 'k Staar vast op die blij- Hà de kusten. Daar mij 't hoogst geluk verbeidt. 183. OP DEN DOOD. |
Al wat ons hart nog aantrekt hier beneên Is ijdle damp, waar dwazen slechts naar streven: Niets houdt hier stand, niets dan de dood alleen. à Het zeker eind van 't nietig menschlijk leven. ~ âg- ^----JS. âfeââai 2. Oneindig' God! wiens onbegrensde magt f=yâ:ââââ Der menschen tijd zoo juist heeft afgemeten. Och! dat ik steeds aan mijne broosheid dacht', -»-----y-«v---â »- Och! dat ik nooit mijn sterfuur mogt' verge ten; Zoo ijl ik 't lot, dat mij hierna ver wacht, Blijmoedig toe met een gerust geweten. t-r--------âg--=.lt;r--y- 3. Om Jezus wil maak ons van schulden vrij, T., ----------------------^ De band is sterk, die ons aan 't stof blijft --*-x-----iv-------------------- - -J, knellen, De zondedienst is d'ergste slavernij, ââx *, â a âCT- . â ---'â Hij knelt te meer, hoe meer de jaren snellen; Zoo vliegt de dag der zaligheid voorbij, En ijlings zal de zeis des doods ons vellen. 4. Vorm tot uw' dienst ons hart, o heilig' God! Dan zal in ons een vuur van ijver branden; Uw dienst alleen geeft onvermengd genot, â6-----y---lt;v-------av--a -77âââ:----=--- En maakt ons vrij van droeve zondenbanden; Dan juichen wij *in ons toekomstig lot. En stellen ons blijmoedig in uw handen. |
Wijze; Psalm 119.
W®!
ijk aardsch geluk vol wisselvalligheën, ^
Ontwijk ons oog! wat heil kunt gij ons geven?
OP DEN DOOD.
Gez. 184, 185.
141
|
des doods betrede, Dan gaat Gij, Heer! mijn toeverlaat. Met uw genade mede: Zijt Gij w1 mijn toevlugt steeds geweest. Ook dan beveel |
185. OP DEN DOOD. Wijze: Gez. 23. il mij, wanneer mijn sterfuur naak', O |
|
ik U mijn' geest. Gij zult hem wel bewaren. 2. Mijn schuld is zwaar, en veel, en groot. Maar dat doet mij niet sagen; Ik vrees wel, in den laatsten nood, Nog veel gewetensslagen: Maar aan uw' dood zal mijn gemoed. En aan uw god-lijk offer Woed Dan nog met vreugd gedenken. 3. Ik ben uw lid. Gij zijt mijn Hoofd, Noch En- gel, dood, noch leven. Niets, dat mij ooit aan â quot; ' U ontrooft, Gij hebt m' uw woord gegeven; En sterf ik nu, ik sterf den Heer, Gij zelf hebt mij het leven weêr Door uwen dood verworven. 4. Ãmdat Gij uit het graf verreest. Zal ik ook eens verrijzen. En, waar Gij mij een erfdeel weest, Verheerelijkt U prijzen; Dan kom ik bij ü in quot;uw rijk, En leef met ü onsterfelijk; Daarop ontslaap ik blijde. 5. Waar, waar is dan uw roof, o graf! Waar dan uw prikkel, zonden! Hier leggen wij de wapens af. Na zoo veel strijd en wonden; En is de doodslaap eens volbragt. Dan wekt Gi^ ons door uwe kracht, O Jezus! voor den hemel. |
Jezus! niet begeven; Geef, dat mijn hart dan naar U haak'. Veelmeer, dan in dit leven: Dan wordt mijn ziel door ü be hoed , Die ziel, waarvoor G' uw dierbaar bloed Aan 't kruishout hebt vergoten. 2. O Heiland! dood van onzen dood. En leven van ons leven. Indien mijn schuld, zoo zwaar, zoo groot. Mijn hart dan nog doet beven, Laat mij dan alles, wat Gij deedt. Wat Gij voor mij zoo bitter leedt. Tot mijnen troost gedenken. 3. Zoo 't hart dan nog voor sterven vreest. En voor de laatste snikken. Och! mogt mij dan uw goede Geest Met heil en »-TVâTV--------=---/ vreugd verkwikken: Weer allen hangen angst dan wijl; 'OpdatT ik, in den laatsten strijd. De zege weg moog dragen. 4. Verkwik mij, in den laatsten nood. Met uwe laatste pijne. Uw ziel, voor mij bedroefd ten dood, V ertrooste dan de mijne: Mijn Heiland! och! verlaat mij |
OP DEN DOOD.
142
Gez, 185, 186.
|
mij niet, Wanneer ik, in dat zwaar verdriet. Daar lig van elk verlaten. 5. Men zag^ uw ^bloedzweet in den hof Op d' aarde nederdruipen, En U, gelijk een worm in 't stof. Vol bittren zielangst kruipen: Geef, dat mij dit tot maar Den geest gewillig wezen, Dan zal ik, zelfs in geen gevaar, Hoe schrik- Vâ-----â_ amp;==iz==amp;=z=amp;==â^^ lijk ook, ooit vreezen: Hoe donker 't dal des doods ook zij, Gaat Gij maar met en nevens mij, Dan kom ik ras ten einde. I ! _ â ---... â ..........â ---â- quot;A ---- 1 quot; ' 'fl 7. Uw vreê, bij mijnen laatsten snik, Be- â p-o-----g----^---gâ^ waar mijn hart en zinnen, 'k Zal dan y- - ... --5 â---g:=--quot;»---â »--* kloekmoedig allen schrik En smart des doods verwinnen; Geef mij, dat ik, met vol verstand, Mijn' geest beveel in 's Va ders hand. Uw' troost gevoel' in 't harte. |
Daar mijn heil in 't sterven daagt? f~g ----------»-----â-;- â ---- 2. Treurig' oogenblikken lijdens Brengen 1--â â -... ... a . â=S=t--j- mij in rust en vreugd; Weinig oogenblikken strijdens Leevren mij de kroon der deugd. Die de Heer elk', die gelooft. Zelf eens drukken zal op 't hoofd. 3-â-y----ââ-arâââ ---= 3. Onze korte, droeve dagen. Vol van delijk, Kom, haal m', o Jezus! in uw Ja, Amen! ja, kom spoedig! quot;jk, T------------.--â---------------------- jamren en geween. Snellen spoedig on- i der 't klagen Ongemerkt als droomen heen; Want ons leven en ons leed Zijn een hand, een hand slechts breed. 4. Heiligen van vroeger' jaren Kwijnden |
|
8. Laat zorg of liefde mijn gemoed Aan jj-------lt;râ-yrr 6 1,gt; / 't aardsche niet doen hangen, Doe mij naar U, mijn eeuwig goed, Met alle kracht verlangen; Dan roep ik onophouhier, gedrukt van kruis: Nu zijn zij, |
bij d' Englenscharen, Eeuwig bij hun' ----- Vader t' huis; Schoon hun vleesch, in ---â »--^--gâffâ; 't graf verteerd, Reeds tot stof is weergekeerd. 5. Word |
OP DEN DOOD.
Gez. 186, 187, 188.
143
5. Word ik ook bij mijne vaadren In
leger kwijnen In tranen en verdriet;
Zijn ze
gen stroomt hun tegen. En God vervult dien
het graf ter neêrgeieid; God zal eens
zegen. En wijkt ook van de zijnen niet. 6. Nu dalen , onder zangen. Om zijne ziel t'ontvangen , Gods Englen om hem heen: Hij
mijn stof vergaadren, Leven doen voor
d' eeuwigheid: Daar verwacht mij vol
genot Bij mijn' Heiland en mijn' God.
|
al de vreugd van 't leven Den zondaar moet begeven , Daar vangt de vreugd des Christens aan. |
stemt in hunne koren, Doet d' eer huns Ko- nings hooren, Door hem als liedder aangebeên. 7. Leer mij, o God! hier streven Naar dat regt Christlijk leven. Dat zulk een eind verwerft. Opdat ik, na dit zwerven. Ook eenmaal moge sterven. Zoo als de ware Christen sterft! |
|
2. De dood verbreekt zijn banden, Hij heft zijn dankbre handen Tot God, zijn' steun en hoop, Die hem geen' troost laat derven , Maar vreugdevol leert sterven Na eenen welvolbragten loop. E^ES=S====E$==ÃE==EÃ==3: I_jE__3£= 3. Zijn kalm, gerust geweten Wordt niet van =5^ een gereten Door bange vrees voor straf; -9â----^ ' / Het licht van Gods genade Komt zijnen nacht te stade, En glanst hem voor tot over 't graf. 4. Niets doet zijn heilzon tanen; Hier vlieten geene tranen Van angst, hier steent geen klagt; Zijn â n- -g---y------g----â-o-â- a r hart, tot God verheven, Schouwt in het eeuwig |
2. Thans nog gedrukt door 't zwaar gewigt, EE==â$E5E Door 't lastig pak der zonden, Vergeet ik telkens mijnen pligt; Wie kent, wie telt |
leven. En zielrust schudt zijn sterfbed zacht!
mijn zonden? Maar eens word ik van
.-----------------b---3----g----»â -â »----
5. Hij troost en leert de zijnen. Die om zijn i zonden vrij, Eens heilig, zalig. Heer!
als
⢠-
HET TEGENWOORDIGE EN TOEKOMENDE LEVEN. Gez. 188, 189.
E --- ff ----irr---3===Ã
==«£=
als Gij, Wat troost voor mij in 't leven! ! 7. Heer! wat Gij over ons bescheidt, Schenk
ÃÃ; i ^ ^ -----------------
144
Hl
|
3. De spotter smaadt uw' Zoon, o God! Den Zoon, voor ons gestorven. Versmaadt, om 't nietig aardsch genot, Het heil, door Hem verworven: Maar eens, eens beeft der spottren tal. Daar Hij als Regter zitten zal, En wij, wij eeuwig juichen. - --------------â -tt-------yâ 4. Hier klaag ik vaak U, dag en nacht, Met tranen mijne zorgen. En 't hart herhaalt de- iüii li |
ons dien troost in 't harte; Zoo sterk' de hoop op d' eeuwigheid Ons in onz' aard- sche smarte: Dit zij mijn heil, wanneer ik sterf. Het deel, dat ik voor eeuwig =g=^igÃ==^=^|= erf. Voor eeuwig, ja, voor eeuwig! 189. DE HOOP DEE ZALIGHEID. Wijze: Psalm 66. z1 oo blij de landman moe' van 't ploe |
|
zelfde klagt. Bij 't licht van eiken morgen; H _ -----z=rrr=â.7^-;--â-â amp;=z=3é Een blik ten hemel troost mijn hart. En eens vergeet ik alle smart In 't eeuwig zalig leven. 5. Denk ik, wat ramp mij hier nog wacht'. Wat smart in verre dagen; En vraag ik, ach! van waar dan kracht, Om al dien last te dragen ? Dan maakt een blij voor- uitgezigt Op d' eeuwigheid mijn lasten ligt, En geeft mij moed en krachten. 3:=:=^:=^â==Xr--- 6. Wanneer de dood, 't zij traag of ras, --»r-------^---â **---:---------- Tot mijne sponde nadert. Wanneer tot --âT^r;---g- -' X------TT .....--- mijner vaadren asch God ook mijn asch vergadert. Dan sterf ik blij: voor Jezus troon Vindt elk, die overwint, zijn' =â5= loon. Ook ik zal dien daar vinden. |
gen De neigend' avondschaduw groet; Zoo blij zien wij bij al ons zwoegen, Dat =-lt;r-s---s---â »--^-36:=^ onze dag ten einde spoedt: Niet eeuwig zal die hope kwijnen. Die naar het uur der ruste smacht; Die oogenblik zal haast verschijnen, Hoe lang ook hijgend ingewacht. ------â¢Â»â/ 2. Eens zullen wij met Jezus leven, Dan t amp;=--i=^=â^z=z^=z: $--^^ voelt, dan kent men geen verdriet; Dat uitzigt moet ons nooit begeven: Zij die âââ--------. --g = jg--:âa gelooven haasten niet. De dood zal ons die ruste schenken. Dies stappen wij met vreugd naar 't graf; Blijmoedig aan het graf te denken Is ook een vrucht, die 't kruis ons gaf. 3. Zinkt haast ons vleesch in 't graf ter neder, jâjfc----jg lyzz--â--g- . rr- == 1 y ; In 't graf is geen vermoeijing meer; Eens hoo- |
DE HOOP DER ZALIGHEID.
145
Gez. 189, 190.
hooren wij de wekstem weder Tot hooger
â-r ^ ârA--»-=3:-:â^=
heil bij onzen Heer: En dan, dan wor
den w' al te gader Door Hem volzalig
ingeleid In 't eeuwig huis van zijnen
^ â - ------â ------------H
iü
Vader; Daar heeft Hij zelf ons plaats bereid.
--=^=^==W--»-iF-râ----
4. Nooit kan 't geloof te veel verwachten, Des
verbant! Daar is de vreemdlingschap ver
geten ; En wij, wij zijn in 't vaderland!
|
Heilands woorden zijn gewis; 't Faalt aard-schen vrienden vaak aan krachten, Maar --a . ----------------lt;y-âa-- nooit een' vriend als Jezus is: Wat zou ooit zijne magt beperken? 't Heelal staat onder zijn gebied, Wat zijne ïiefde_\vil be- werken, Ontzegt Hem zijn vermogen niet. =-.±==d 5. Die hoop leert wijs en heilig leven, Zij lenigt zelfs den zwaarsten druk. Zij zal --ft . ^---?râ=d aan 't hart voldoening geven, Dat smach- ^ ââââ-â _ ----8---â »-«v-gâ---y tend uitziet naar geluk; Zij geeft gelatenheid in 't lijden, Als 't kwaad onsquot; aangrijpt of belaagt. Zij leert in boeijen zich ver-â' â lt;â â^---râ' â-- blijden. Als d'onschuld die om Jezus draagt. |
zonden, In vrije lucht, in 't vaderland daar boven. God voor zijn' troon t' aanbidden en te loven: Geen wachter, die bij nacht Met meer verlangen smacht Naar 't lichtquot;, eer 't aan komt breken; Geen moe' gevloden hert. Dat ooit met grooter sniert Verlangt naar waterbeken. 2. Ãch! of ons God haast derwaarts t'huis wou halen, In 's Vaders huis, het eind van alle kwalen. Waar Hij ons zelf de tranen van onz' oogen. Hier rood geschreid, teêrhartig af zal droogen; Daar, waar wij^ vrij van pijn, Bevrijd van moeite zijn. En eeuwig vrij van klagen; Daar, waar wij voor altijd, Als win |
6. Die hoop moet al ons leed verzachten: -----»-------^-- ---
naars van den strijd. De zegekroonen dragen.
|
Komt reisgenooten! 't hoofd omhoog! Voor hen, die 't heil des Heeren wachten, Zijn âTy--y---â-----y=-------â-â»---g--- bergen vlak en zeeën droog. O zaligheid |
3. Daar zal na 't licht geen duisternis meer komen, Daar wordt geen vreugd door droef- âârr---y:-----y----r â ⢠â - y1 quot; ' ~ beid weggenomen, Daar heeft men voor |
geen krankheên ooit te vreezen, De zwak-
K ste
niet aftemeten! O vreugd, die alle smart
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Met |
4
DE OPSTANDING.
Gez. 191, 192.
147
|
:--y--lt;t 1 ----Tâs-z=77T â-±.Z---^ Met het oog op U geslagen, Kan geen last mijn' loop vertragen; Wat is 't leed, dat hier ons beidt, Bij de vreugd der eeuwigheid? 192. TROOST DES EEUWIGEN LEVENS. Wij z e : Gezang 17. a eene proef van weinig dagen Is ons een eeuwig heil bereid; Daar, daar verandert al ons klagen Voor eeuwig in tevre--«â --^--âlt;gt;---^ denheid: Hier oefent zich der vromen deugd. Die d' eeuwigheid bekroont met vreugd. 2. 't Is waar, de vrome smaakt op aarde Reeds menig blij, ja zalig uur; Maar al die blijdschap, van wat waarde, Is onvolmaakt en kort van duur: Hij blijft een mensch, 't be- ââ-^V-- daardst gemoed Is wisselbaar als eb en vloed. 3. Nu plaagt hem veege ligchaamssmarte; Dan »1===^==-----â-jâ^â=-.===sâ=amp; kwelt hem 's werelds woest gerucht; Nu kampt eens binnen in zijn harte Een vijand, die meer ___â â------. -*gt;â â - â »---amp;--Jr / |
vrij van pijn, Hoe vrij van eigen zwakheid zijn? 5. Hier zoeken wij, 't wordt ginds gevonden. Daar zullen wij, in 't heiligst licht, Al 't god- lijk schoon der deugd doorgronden, Waarvoor =z*:=:*:=±=.â*- al andre schoonheid zwicht, Als wij den God der liefde zien, En eeuwig, eeuwig hulde biên, 6. Daar zal Gods heilige beschikking Mijn wil zijn, en mijn zaligheid; Daar vind ik eeuwige verkwikking, In al wat mij omringt, verspreid; Daar doet steeds nieu-we heilwinst mij Gevoelen, dat ik eeuwig zij. 7. Daar zal 'k in helder licht betrachten. Wat hier op aarde donker scheen ; Daar wonder baar en heilig achten. Wat niemand doorzag -=^=^1===^-tr---^==1^--- hier beneên; Daar eert mijn ziel, met lof gezang , Gods schikking in haar' zamenhang. 8. Daar zullen wij den troon omringen. Waar God zich heerlijk openbaart, Het heilig, hei |
wint, dan vlugt; Dan zinkt hij weêr, door
----V---»------------»â ---rv---yââ£:=:s-ââH
lig , heilig zingen Hem, die voor ons eens
|
's naasten schuld, In kommer en in ongeduld. 4. Hier, waar de godsvrucht vaak moet lijden, Waar d' ondeugd vaak op rozen treedt. Waar zich de welvaart ziet benijden. Waar 't hart bedrukten ligt vergeet; Hoe kan een mensch hier |
stierf op aard; En heel der Englen zalig koor Juicht, prijst Hem al de heemlen door. 9. Daar zal ik met de blijde scharen. Gelijk in licht en reinheid, staan. En 't nooit ge stoord geluk ervaren Met heilgen heilig om-K 2 te- |
148
TROOST DES EEUWIGEN LEVENS.
Gez. 192.
==3é
-4.---1.
tegaan: Daar wordt, tot eeuwige geneugt, | Veelligt een zalig' ook tot mij, '/Wees wei-Hun heil mijn heil, mijn vreugd hun vreugd.
quot;kom, gij hebt mij het leven, ^ De ziele mij
|
10. 'k Zal daar den vriend mijn' dank betalen, Die mij den heilweg wijzen wou. En hem, zelfs millioenen malen. Nog zeegnen ^voor zijn liefd' en trouw; ^ Daar vind ik bij mijn' God en Heer, |
behouden, ^gij â¢quot; b Q Jjod! wat zaligheid, hoe groot! Een ziel te redden van den dood. 12. Wat zijt gij, ondermaansche kwalen, Bij ^ al den glans der majesteit. Die ons daar |
LIJST
L IJ S T
DER
GEZANGEN.
|
1, VAN GOD EN ZIJNE VOLMAAKTHEDEN. Gez. 1. Aan God. 2. - 3 .-- 4. Gods Volmaaktheden. 5. -Grootheid. 6. - Eeuwigheid. 7. - Overaltegenwoordigheid. 8. - Onveranderlijkheid 9. - Alwetendheid. 10. - Airaagt. 11. - Heiligheid. 12. - Goedheid. 13 .--Getrouwheid. 2. VAN DE SCHEPPING EN VOORZIENIGHEID. Gez. 14. Lof des Scheppers. 15. - 16. Gods Voorzienigheid. 17 .--- 18. --- 19 .-- 20. Rust in Gods bestuur. 21. Tevredenheid in Gods beschikking. 22. De beste keuze. 23. Tegen onmatige zorgen, 24. Bemoediging. 25. Onder rampen. 26. - 27. - 28. Troost in twijfelmoedigheid. |
Gez. 29. Danklied. 30. Blijdschap in God. 3. ELLENDE EN VERLOSSING. Gez. 31. Onze bestemming. 32. Staat der regtheid en val. 33. Zedelijk bederf. 34. - 35. Belijdenis van zonden. 36. Het Evangelie. 37. Zonde en genade. 38. Alles is genade. 39. Verlossing. 40. - 41. De Ontfermer. 42. Troost der verlossing. 43. Ziel verheffing tot Jezus. 44. Aan Jezus. 45. - 46. Jezus grootheid. 47. Jezus lof op aarde. 48. Aan den Verlosser. 49. Aan Jezus den Verlosser. 50. Aan Jezus. 51. Jezus trouwe, 5. GELOOF EN VERTROUWEN. Gez. 52. De Geloofsartikelen. 53. Geloof aan God. 54. Noodzakelijkheid des geloofs in Jezus Christus, 1 55. Vaste grond der hoop. K 3 Gez. |
|
150 L IJ S T D E R Gez. 56. Opwekking tot kinderlijk vertrouwen. 57. Blijdschap des geloofs. 58. Geloofsroem. 5. HET DANKBAAR LEVEN VAN DEN CHRISTEN. Gez. 59. Werkdadig geloof. 60. Bron van goede werken. 61. Wet van God. 62. Jezus voorbeeld. 63. Liefde tot God. 64. Liefde tot Jezus. 65. -â 66. Afmaning van de zonde. 67. Ootmoed. 68. Zelfsverlooehening. 69. Broederliefde. 70. Liefde tot vijanden. 71 .-- 72. Mededeelzaamheid. 73. Waakzaamheid. 74. Geestelijke strijd. 75. Toevlugt in verzoekingen. 76. Om bijstand van Gods genade. 77. Christenpligt. 78. De ware Christen de beste burger. 6. OEFENING EN VOORDEELEN DES GEBEDS. Gez, 79. Nuttigheid des gebeds. 80. Kinderlijk toeverzigt. 81. Om opgewektheid tot bidden. 82. Dagelijksch gebed. 83. Bede om geloof en heiligheid. 84. Zucht om meerdere heiliging. 85. Gebed in verzoekingen. 86. Tegen verstrooijing van gedachten. 87. Amen. 7. BIJ DE VIERING VAN DEN OPENBAREN GODSDIENST. Gez. 88. Voortreffelijkheid der Openbaring boven de Rede. 89. Voortreffelijkheid van Jezus leer. 90. Vóór de Predikatie. |
I E Z A N G E N. Gez. 91. Vóór de Predikatie. 92 .-- 93 .---- 94 .-- 95. Na de Predikatie. 96 .--- 97. Bij den Doop. 98. Na den Doop. 99. Bij de Belijdenispredikatie. 100. Bij de Voorbereiding tot het Avondmaal. 101. Bij het Avondmaal. 102. â--- 103 .--- 104 .-- 105 .-- 106. ---- 107. Dankzegging na het Avondmaal. 108. ---- 109 .-- 110. --- 8. OP CHRISTELIJKE FEESTDAGEN. Gez. 111. Jezus vrijwillige vernedering. A. Gezangen op Jezus geboorte. Gez. 112. Op Jezus geboorte. 113. - H4. -- 115. - 116. - 117 Engelenzang. B. Lijdensgezangen, Gez. 118. Op het lijden van Jezus. 119. - 120. Jezus liefde in zijn lijden. 121. Jezus grootheid in zijn lijden. 122. Jezus onschuld. 123. Zie den mensch. 124. De Verlosser aan het kruis. 125. Kruislied. 126. Jezus op Golgotha. |
151
9. OP BIJZONDERE TIJDEN EN GELEGENHEDEN.
Gez.
159.
160. 161. 162.
163.
164.
165.
166.
167.
168.
169.
170.
171.
172.
173.
174.
175.
176.
177.
178.
179.
180.
Menschelijke zwakheid. Op Jezus begrafenis.
Gez.
143.
144.
145.
146.
147.
148.
E.
Gez.
181. Op den dood.
182. --
183 .---
184. â â--â
185. -
186. -
187.
188.
189.
190.
191.
192.
Gez.
149. De uitstorting van den Heiligen Geest.
150. -----
151. -
152 .---
153. -
154. Uitbreiding der Kerk.
155. -
156. Bewaring der Kerk.
157. Om bekeering van zondaars.
C. Gezangen op Jezus Opstanding.
Gez.
135. De opstanding van Jezus.
136. -
137. â-
138 .--
139. ---
140. --
141 .--
142 .--ââ-
Gez.
127. Het is volbragt,
128. -
129. De stervende Jezus.
130 .--
131. Geduld naar Jezus voorbeeld.
132. ---
133.
134.
Gezangen op de uitstorting van den H. Geest, en verdere gevolgen van Jezus verhooging.
D. Gezangen op Jezus Hemelvaart.
De hemelvaart van Jezus.
L IJ S T DER
De dood van den Christen.
Het tegenwoordige en toekomende leven.
De hoop der zaligheid.
Het verianoren naar den hemel.
O
De opstanding.
Troost des eeuwigen levens.
In groote droogte. Bij overvloedigen regen. In watersnood.
Na storm en watersnood. In Oorlog.
In Vrede.
Op de Lente. Op den Zomer. Op den Herfst. Op den Winter. In den Oogst.
Op een en Bededag.
GEZANGEN.
Gez.
158. Het laatste oordeel.
Op het nieuwe jaar.
Morgenzang. Avondzang.
10. DOOD EN EEUWIGHEID.
LIJST
L IJ S T
VAN ALLE
GEZANGEN,
NAAR RANG VAN HET A. B. C.
|
Aarde! zucht niet meer, Ach! hoe dwaas is 't met vertrouwen Alle roem is uitgesloten! Almagtig' God! door waar berouw bewogen Als de nacht van bange zorgen Als ik, wanneer mijn sterfuur slaat. Al wie Gods woord niet houdt, en zegt, B. Broeders, komt! de Heiland noodt, D. Daar laat Gods liefdestem zich hoeren, Dat nu elk d'Algoedheid prijze. Dat w'Ã deez' dag, o Jezus! wijden, Deez' aarde zij een tranendal, De Heer is God, en niemand meer; De Heer is God, de Heer is God! De Heer is waarlijk opgestaan. Den hoogen God alleen zij eer! Diep, o God! in 't stof gebogen, Dit is de dag, dien God ons schenkt, E. Een ander zij vervuld met schrik, G. Geef, Jezus! dat ik in mijn' nood Gez. 143. 133. 38. 35. 24. 184. 59, 101. 169. 175. 90. 30. 4. 178. 149. 2. 130. 112. 80. 25. |
Geen dwaze vrees beklemm' uw harte; Gij Jezus! die ten troon verheven. God, enkel licht. God heeft ons zijn woord gegeven; God is mijn lied. God! oneindig in gena', God sprak (men steil' op berg en rots God wenkt, daar storten regen vloeden H. Halleluja! eeuwig dank en eere. Halleluja! lofgezongen Halléluja! lof zij den Heer! Halleluja! looft den Heer, 'k Heb aan 's Heilands disch gezeten, 'k Heb Jezus lief! Hij is mijn licht en kracht, 't Heelal getuig' van Jezus lof! Heer! uw schepping, aard en hemel. Heiige Jezus! mij ten leven, Heilig' God! voor wien steeds waarheid. Heilig, heerlijk Opperwezen! Helaas, dat zwerven der gedachten! Help God! de nood is hoog gerezen. Herinner u met vreugd, mijn geest! Het aardrijk dorst, het zucht tot God omhoog, Het hart omhoog! wij vieren 't heuglijkst feest, Het heuglijk tijdstip nadert weer. Heugelijke tijding, |
Gez. 56. 45. 83. 55. 16. 70. 13. 166.
|
NAAR RANG VAN HET A. B. C. 153
L
Gez.
Laat ons. Heer! uw' dood gedenken, 104.
Laat ons van uwe voorzorg zingen, 164. Leer mij , o Heer! uw lijden regt betrachten, 118.
Leer ons, Vader! U verbeiden, 27.
Liefdevolle Hemelvader! 85.
Lieve Jezus! zie ons zaam 93.
Lof en dank en heerlijkheid 116.
Looft den Koning, alle volken! 144.
Looft God! laat ons, zijn' naam ter eer, 163.
Looft God met verrukten geest! 177.
Looft Gods Zoon, den doodvertreder! 140.
M.
Middelpunt van ons verlangen, 120.
Mij naar alles stil te voegen, 67.
Mijn eerst gevoel zij dankbaarheid, 179.
Mijn God! hoe krachtloos, hoe ontaard 33.
Mijn God! wat ooit in mij verdoov', 53.
Mijn Heiland, Davids Zoon en Heer! 125.
Mijn Verlosser hangt aan 't kruis, 124.
Moet gij steeds met onspoed strijden, 28.
N.
Na eene proef van weinig dagen 192.
Neen! 'k heb den prijs nog niet verkregen, 73.
Nog juicht ons toe die zaalge nacht, 114.
LIJST VAN ALLE GEZANGEN,
Gez.
Hier ben ik, om aan uwe smart, 105.
Hier is het nog beproevingstijd, 75.
Hoe blinkt uw majesteit alom 15.
Hoe hijgt ons't hart, om, van dit vleesch ontbonden, 190. Hoe naauw ik mij aan ü verbind', 74.
Hoe zacht zien wij de vromen 187.
Hoe zal 't mij dan, o dan eens zijnl 181.
Hoog, omhoog, het hart naar boven! 43.
Houdt Christus zijne Kerk in stand, 156.
I.
Ja, Amen! Jezus is in 't leven!
Ja, Amen! Vader, ja!
Ja, Halleluja! 't is volbragt!
Ja, Halleluja! wat verkeere.
Ja! Jezus sterft, aan 't kruis geklonken.
Jezus, die voor doemelingen,
Jezus is mijn Heer en Koning,
Jezus leeft, en wij met Hem,
Jezus neemt de zondaars aan!
Ik ben een vreemdling op deez' aard.
Ik geloof in God den Vader,
Ik nader voor uw heilig' oogen.
Ik vind mij, Heer! zoo broos, zoo zwak van aard,
wik wil niet, dat de zondaar sneev',quot;
Ik zal dan, op deez' statelijken dag,
Immanuël! o doelwit onzer zangen!
In welken oord men vromen vindt,
Is dat, is dat mijn Koning!
't Is God, die 't licht heeft voortgebragt,
Juich nu, Ohristenschaar!
Juicht, Christnen! juicht tot God omhoog!
Juicht heemlen op een' hoogen toon,
136. 87.
126. ]28. 129. 109.
51.
137. 39.
188.
52. 61. 76.
157. 170. 111. 69. 123. 159.
Nooit viel mijn' Heiland kruis te zwaar, 132.
K.
Knielt, Christnen! voor uw' Redder neer. Kom, Christenschaar! kom, knielen wij Komt, Christnen! laat ons Jezus loven. Komt, Christnen! toont met woord en daad. Komt, heffen w'ons eerbiedig hemel waart! Komt, heffen w'onzen lofzang aan!
Komt, knielen wij voor Jezus zamen.
O.
|
138. |
0! dat van mijne levensdagen |
161. | |
|
113. |
0 |
denkbeeld, dat ons leven geeft! |
42. |
|
41. |
0 |
eindelooze Maj esteit! |
14. |
|
0 |
Geest van Vader en van Zoon! |
151. | |
|
0 |
Gij! die mijn ellende, |
26. | |
|
0 |
God! bewaar het veldgewas. |
173. | |
|
121. |
0 |
God! die, eindloos goed en groot. |
66. |
|
46. |
0 |
God! eer 't aardrijk was gegrond. |
8. |
|
148. |
0 |
God! gelijk Gij ons het leven |
19. |
|
78. |
0 |
God! hoe zalig is 't voor 't hart |
81. |
|
102. |
0 |
goedheid Gods! nooit regt geprezen! |
12. |
|
139. |
0 |
groote God! die t' aller tijd |
82. |
|
127. |
0 |
Heer! hoe heuglijk is het lot. |
79. 0 |
|
154 LIJST VAN ALLE GEZANGEN, Gez. |
RANG VAN HET A. B. 0. Gez. |
|
O hoe blij te moede, 57. O Jezus! dat ik nooit vergeet, 158. O mensch, geloof aan uwen God! 88. Oneindig' God! het nietig stof 10. Oneindig, onbegrijplijk Wezen! 5. Oneindig Wezen! door geen' tijd 6. Ons hart verheugt zich, dat bij God 20. Ontsluit, o Heer! ontvlam ons hart, 119. Op bergen en in dalen, 7. Op, nu op, het hart naar boven! 154. O sterveling! gevoel uw waarde, 31. O Vader! die uw kindren voedt, 168. O zonde! bron van al d' ellende, 37. R. Reeds daalt, met een omwolkt gezigt, 165. Rust, mijn ziel! uw God is Koning, 22. S. Sla, o God van mededoogen! 94. Spoedig zal het uurtje komen, 186. Stijg nu mijn loflied! daar de Heer 145. Stille rustplaats van Gods dooden! 182. T. Treed nu toe, verloste ziele' 106. Triomf, Halléluja! triomf! 146. Triomf! triomf! Immanuël 141. Twijfling zwijg, zwijg bange smartel 58. U. U, God en Heer! 97. ü loov' en dank' wat in ons is, 110. Uren, dagen, maanden, jaren 160. ü. Vader! U zij lof en prijs 95. Uw dankbre Christenschaar, 152. Uw Heiland wordt in 't graf geborgen, 134. V. Vader, vol van mededoogen! 84. Verheft u, Christnen! boven 't stof 147. Verhef, verhef uw zegezangen, 153. Verhoogde Heiland! trek ons hart 103. |
Verlosser, Vriend! o hoop, o lust 49. Vier, blij van geest, 115. Vloei nu, laat u niet bedwingen, 29. W. Waak, Christen! waak, blijf in 't geloof, 77. Waartoe toch al dat angstig schroomen? 54. Waar zijn de wijzen, die mij zeggen 9. Wat bitter zielverdriet, 131- Wat zwoegt een handvol stofs, tot mensch 23. Wat zwoegt g', o mensch! naar goud of eer, 89. Wel hem, die zich verstandig draagt, 72. Wie blijft U geen liefde schuldig, 64. Wie maar den goeden God laat zorgen, 17. Wij, allerhoogste Majesteit! 92. Wij danken U, barmhartig' God en Vader! 98. Wij hebben zaam aan Jezus disch gezeten, 108. Wijk aardsch geluk vol wisselvalligheên, 183. Wij knielen voor uw' zetel neêr, 44. Wij loven U, o God! wij prijzen uwen naam! 3. Wij treên een' nieuwen tijdkring in, 162. Wij werpen ons voor U ter neêr, 34. Wij wijden, gunstrijk' Opperheer! 91. Wil, groote God! in onze lofgezangen 18. Wil mij, wanneer mijn sterfuur naak', 185. 'k Wil nimmer iemands nadeel zoeken, 71. 'k Wil U, o God! mijn' dank betalen, 180. Z. Zal een kind zijn' vader minnen, 63. Zalig, zalig, niets te wezen, 68. Zie erbarmend op ons neêr! 176. Zie ons ootmoedig tot U naadren, 171. Zie ons te zaam uw' naam belijden, 99. Zing, Christenschaar! de schoonste stof, 47. Zingt, gij afgelegen landen! 155. Zingt., zingt blij te moe', 48. Zoo blij de landman moe' van 't ploegen 189. Zoo brak 't gewenschte tijdstip aan, 142. Zoo gij, in ijver tot uw' pligt, 60. Zoo slaat G' uw oog, 40. Zoo wijd op aarde schepslen leven, 167. Zou mij dood en graf dóen beven? 191. |
LIJST
LUST
DER
GEZANGEN,
DIE OP EENERLEI WIJZE GEZONGEN WORDEN,
EN DER
OORSPRONG! IJ KE ZANGWIJZEN,
----
|
No. 1, Nieuwe zangwijze. 2, 14, 15, 47, 53, 113, 141, 146, 147. Ps. 36. 3, Ps. 89. 4, 6, 25, 33, 72. Mein Hertzens Jesui 5, 12, 90, 99, 128, 153, 189. Ps. 66. 7, Nieuwe zangwijze. 8, 145, 149, 168. Fransche Cant. 65. (verand.) 9, 127, 180. O süsser Stand! 10. Preis, Lob, Ehr, Ruhm! 11, 43, 55, 130. Ps. 42. 13. Nieuwe zangwijze. 16, Gott ist mein Lied. 17, 73, 161, 164, 171, 192. Wer nur den liebenGott. 18, Fransche Cant. 86. (verand.) 19, 45. Auf dich, mein Vater! (verand.) 20, 114. Ps. 134. 21, 52, 120, 160, 182. O gesegnetes regieren! 22, Glück zu, Creutz, von gantzem Hertzen! 23, 81, 184, 185. Wenn mein Stiindleinvorhanden ist, 24, Nieuwe zangwijze. 26, Ps. 130. 27, 64. Ps. 77. 28, 84, 104. Nieuwe zangwijze. |
No, 29, 58, 67, 191. Jesu, meines Lebens Leben! 30, Ps. 35. 31, 71, 129. Ps. 65. 32, 62, 144. Wachet auf, ruft uns die Stimme. 34, Ich ruf zu dir. 35, Nieuwe zangwijze. 36, 57. Jesu, meine Freude! 37, Nieuwe zangwijze. 38, 50, 63. Sollt ich meinem Gott nicht singen ? 39, 101, 137. Jesu, meine Zuversicht! 40, 97. Ach Gott und Herr! 41, Mir nach, spricht Christus, (verand.) 42, Ich danck dir schon. (verand.) 44, Die Wanderschaft in dieser Zeit. 46, Ich danck dir schon, durch deinen Sohn. 48, 143. Ps, 81, 49. Nieuwe zangwijze. 51, 85, 94, 133, 175. Ps. 38. 54, 61, 166. Nieuwe zangwijze. 56. Nieuwe zangwijze. 59. Mir nach, spricht Christus. 60. Wenn zur Vollführing deiner Pflicht, 65. Ps. 116. 66. Die |
GEZANGEN, DIE MEN OP
EENERLEI WIJZE ZINGT.
156
|
No. 66. Die Seele Christi heil'ge mich! 68. 154, 155, 186. Liebe, die du mich zum Bilde, 69. Ps. 21. 70. Abglantz aller Majestat! 74, 75, 157. Gebéd des Heeren. 76, 102, 170, 172. Ps. 51. 77 , 89, 91, 151, 158. Ps. 84. 78. Ps. 100. 79. O Ewigkeit! du Freudenwort! 80. Nieuwe zangwijze. 82. Herr Jesu Christ! dich zu uns wendt 83. Fransche Cant. 104. 86. Nieuwe zangwijze. 87. Simeons Lofzang. 88. 162. Ps. 113. 92, 110, 121, 139. Ps. 24. 93, Liebster Jesu! wir sind hier. 95, 103, 126. Ps. 138. 96. Herr und Aeltster deiner Creutz-Gemeine! 98. 108, 111. Ps. 103. 100. Mein Hertzens Jesu! (verand.) 105. Was Gott thut, das ist wohlgethan. 106. Schmiicke dich, o liebe Seele! 107. Nieuwe zangwijze. 109. Sieh, hie bin ich, Ehren-König! 112, 135. Vom Hirnmel hoch. 115. O Jesu Christ! dein Kripplein ist 116, 117, 177. Ps. 150. |
No. 118. Hertzliebster Jesu! 119, 165. O Jesu, Quel der Giitigkeit! 122. Mein Hertzens Jesu! (verand.) 123. o Haupt, voll Blut und Wundenl 124. Nieuwe zangwijze. 125. Ps. 17. 131. Maria's Lofzang. 132, Ps. 73. 134. Nieuwe zangwijze. i 136, 167. Nieuwe zangwijze. 138. Ps. 47. 140. Sollt ich meinem Gott. (verand.) 142. Nieuwe zangwijze. 148. Ps. 105. 150. Ps. 22. 152. Ps. 19. 156. Ein veste Burg, (verand.) 159. Es ist das Heil. 163, 188. Allein Gott in der Höh sey Ehr! 169. Ps. 58. 173. Wo Gott der Herr nicht bey uns halt. 174. Ps. 31. 176. Singen wir aus Hertzen Grand! 178, 181. Wie schön leuchtet der Morgenstern' 179. Was mein Gott will. 183. Ps. 119. 187. Nun ruhen alle Walder. 190. Ps. 79. |
TE HAARLEM, GEDRUKT BIJ
JOHANNES ENSCHEDÃ EN ZONEN.
1 8 7 4.
.
1
fe
V«a-'quot;iw-Sj â ®iamp;i
i BIBLIOTHEEK
NED. HERV. KERK
1
J
BIBLIOTHEEK NED. HERV. KERK