ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

'X... .f! f)

r Ggt;

VERSLAG van het verhandelde op de algemeene vergadering der bisschoppen en priesters van het aartsbisdom van Utrecht en het bisdom van Haarlem, gehouden te Utrecht, op den 14 en 15 Mei 1889.

Tegenwoordig waren de drie bisschoppen, de Hoogeerwaarde heeren:

Joh. Heykamp, Aartsbisschop van Utrecht. G. J. Rinkel, Bisschop van Haarlem. G. Diependaal, Bisschop van Deventer.

Vorder 24 priesters, n.1.

Uit hot aartsbisdom van Utrecht:

T. van Vlooten, pastoor te Amersfoort.

(1)J. II. de Jamaer, rustend pastoor te Utrecht. G. A. Harderwijk, pastoor te Gouda.

G. H. van Vlooten, „ „ 's Gravenhage.

J. A. van Beek, „ „ Botterdam.

(2) G. van Vlooten, „ „ Kuilenburg.

(3) J. H. van Oort, „ „ Schoonhoven.

G. Gul, „ „ Hilversum.

Uit het bisdom van Haarlem:

H. Dievenbagh, pastoor te Enkhuizen.

J. J. van Tiiiel, president v/hSemin. te Amersfoort. E. Wijkeu, pastoor te Amsterdam.

G. G. van Sciiaik, „ „ Krommenie.

Door verhindering afwezig waren:

J. Veriieij, rustend pastoor te Schoonhoven. J. van Greuningen, pastoor te Egmond a/Zee.

H. J. Hoovkaas , pastoor te Oudewater.

Dordrecht. Delft.

Rotterdam.

Leiden.

Utrecht.

T. van Santen, G. A. Harderwijk, N. B. F. Spit, .1. M. van Beek, P. M. Rinkel, B. Smits,

N. Frins, pastoor te Aalsmeer.

G. van der Foll, „ „ Zaandam. (4) G. L. Rinkel, kapelaan,, Egmond a/Zee. F. Kennink, leeraar in hot Semin. te Amersfoort.

G. Diependaal , G. Deelder,

pastoor te Amsterdam. „ Utrecht.


Na een kort openingswoord, waarin dc Aartsbisschop de aanwezigen welkom heet, en hun dank zegt voor hetgeen zij in hunne bijzondere vergaderingen hebben gedaan, waardoor deze algemeene vergadering voorbereid en mogelijk gemaakt is, verklaart Z.H.W., dat bij nader inzien art. 7 van het reglement

(1) Alleen den eersten dag. (2) Komt dinsdag omstreeks 12 uur. (.'{) Alleen den eersten morgen. (-1) Alleen den eersten «lag.

ocr page 4

2

van orde wel achterwege had kunnen blijven. Wat hierin wordt gezegd: „Deze stemming dient alleen om het gevoelen der vergadering kenbaar te makenquot;, volgt van zelf uit den aard onzer bijeenkomst, die niet ten doel heeft wetten te maken, maar over de aangegeven punten te beraadslagen en het gevoelen der geestelijken daaromtrent te leeren kennen. Op de hiertegen aangevoerde bedenking, dat men dan oven goed schriftelijk zijne meening had kunnen mededeelen, wordt door den A.B. geantwoord, dat wisseling van gedachten zeer nuttig is en eene daarop gevolgde stemming meer waarde heeft en het gevoelen der geestelijken beter doet kennen.

Daar van de drie benoemde secretarissen slechts één aanwezig is, stelt de A.B. als tweeden secretaris aan pastoor van Santen.

Alsnu komt aan de orde pant 1 der agenda.

I.

Wijziging in de viering der Heiligendagen.

Hierover ontstaat eene breedvoerige gedachten wisseling. Dat de viering der Heiligendagen, zooals die volgens de letter van het kerkelijk gebod zou moeten plaats hebben, verandering behoeft en de bisschoppen het recht hebben, het getal Heiligendagen te verminderen en te vermeerderen, wordt algemeen erkend. Sommigen echter willen enkele Heiligendagen bepaald afschaffen, terwijl anderen meenen, dat zulks onnoodig is en, wellicht aan dezen en genen ergernis zou geven, terwijl het doel even goed kan bereikt worden door eene wijziging in de viering der Heiligendagen. De A.B. zegt herhaaldelijk die uitdrukking met opzet gekozen te hebben; de bedoelde wijziging zou hierin moeten bestaan, dat men voortaan zooveel mogelijk op die dagen de heilige mis leze en bijwone; vroegdienst en vespers zouden dan vervallen, behalve daar, waar de gemeente die liever mocht behouden.

Ten slotte wordt aan eene commissie opgedragen in den geest van het gesprokene een formule samen te stellen. Bedoelde commissie diende den volgenden dag een voorstel in, luidende aldus: „Het vieren der Heiligendagen, gelijk die tot heden als geboden Heiligendagen gevierd werden, is niet verplichtend.

De pastoors zullen echter trachten op die dagen de heilige offerande op te dragen en dit zooveel mogelijk regelen naar den toestand hunner gemeenten.

De gedachtenis dier Heiligendagen zal men ook kunnen houden op andere dagen der week, wanneer de omstandigheden der gemeente dit mochten verlangen.

„De vastendagen voor de dagen der Heiligen vervallen.quot;

Nadat hierover op nieuw gediscussieerd is, wordt het ontwerp met de volgende wijziging in de laatste alinea eenstemmig aangenomen: „De vastendagen voor de dagen der Heiligen vervallen, behalve die vóór Petrus en Paulus, Maria Hemelvaart en Allerheiligen.quot;

II.

(ieinengde huwelijken. Hoe te handelen met hen, a/ die een zoodanig huwelijk willen aangaan, ot )»/ gesloten hebbeni

Pastoor van Vlooten van Amersfoort brengt hierover zijn referaat uit, waarvan de slotsom is, dat zij, die zulk een huwelijk willen aangaan of gesloten hebben, zich aan groote zonde schuldig maken, en derhalve niet tot de h. Communie moeten worden toegelaten, tenzij zij berouw toonen. Van verschillende kanten wordt hier tegen aangevoerd: dat bedoelde personen zich zeker aan groot gevaar blootstellen, maar dat men niet kan zeggen, dat zij een doodzonde begaan; men wijst op het woord van den h. Augustinus, die zegt, dat er in het N. T. geen verbod hieromtrent wordt gevonden. De zaak zelve is zeker af te

ocr page 5

3

keuren en moet daarom ontraden worden, doch men gebruike de h. Communie niet als een middel van dwang. Het is zeker in de practijk voor de pastoors wel het gemakkelijkste eene strenge wet te maken en zich daaraan te houden, maar heeft men daar recht toe ? bevordert men daardoor het heil der betrokken personen en dat onzer kerk in 't algemeen? Hiertegen wordt aangevoerd, dat de oude canones 5 jaar boetvaardigheid voorschrijven wegens de ergernis, die men door een gemengd huwelijk geeft.

Nadat hierover nog geruimen tijd gesproken is, ook in de namiddag-bijeenkomst, wordt het volgende voorstel in stemming gebracht: „Wanneer beide partijen beloven, dal de kinderen katholiek zullen worden gedoopt en opgevoed, dan wordt de katholieke partij tot de sacramenten toegelaten.quot;

Eenentwintig stemmen, waarvan twee voorwaardelijk, verklaren zich hier voor, éen stemt tegen, en éen onthoudt zich van stemming.

Na een korte discussie over de vraag; Hoe te handelen met hen, die een gemengd huwelijk hebben aangegaan, worden de volgende voorstellen met alle stemmen aangenomen, terwijl éen zich buiten stemming houdt.

1°. Wanneer na gesloten huwelijk de katholieke man éen of meer kinderen protestant laat doopen en opvoeden, wordt hij niet toegelaten tot de sacramenten vóór den tijd, waarin hij zijn macht en invloed op de godsdienstkeuze zijner kinderen verloren heeft. Na dezen tijd, indien hij teekenen geeft van berouw, kan hij worden toegelaten.

i20. Wanneer na gesloten huwelijk de katholieke vrouw toestemt en goedvindt, dat één of meer kinderen protestant worden, wordt zij behandeld als de katholieke man sub 1°; wanneer zij dit echter met weerzin dulden moet en blijk geeft van berouw en van den goeden wil om hare kinderen katholiek op te voeden, kan zij, na eenigen boetetijd, worden toegelaten tot de sneramenten.

UI.

De Vespers.

President van Thiel leest zijn referaat voor en doet de volgende voorstellen:

1quot;. Bij de namiddag-godsdienstoefening zal uitsluitend de moedertaal gebruikt worden; 2°. Er worde een ruimere keuze van psalmen ingevoerd; 3°. De psalmen in proza-vertaling worden gezongen op de bestaande acht Gregoriaansche toonen; 4°. Met uitzondering van enkele zullen de antiphonen vervallen; 5°. Hymnus en Magnificat blijven behouden; 6°. Het gesproken woord worde er aan toegevoegd.

Na eenige discussie wordt het sub 1°. 2°. 4°. 5°. en 6°. voorgestelde eenstemmig aangenomen. Op voorstel van een lid der vespercommissie, dat meent, dat hierover eersl beslist kan worden na een proefneming met zang en orgelspel, daar ook van een berijmde vertaling met nieuwe melodiën een ontwerp namens de commissie is aangeboden, wordt punt 3 tot de namiddag-vergadering aangehouden. Alsdan verklaart de groote meerderheid, vooral wegens de moeilijkheden, aan het invoeren der nieuwe melodiën verbonden, zich voor de Gregoriaansche zangwijze, met toevoeging van enkele andere melodiën. Ook worden, overeenkomstig het voorstel van den Referent, nog een paar leden aan de commissie toegevoegd en haar het recht toegekend ook deskundige leeken te assumeeren.

IV.

Hoe to handelen na den dood van hen, die hun Paaschplicht verzuimd hebbend

Pastoor van Schaik, namens de commissie ad hoe hierover refereerende, komt tot het volgende voorstel:

1°. Wanneer een lid van een onzer gemeenten door onverschilligheid gedurende één of meer jaren verzuimd

ocr page 6

4

lieefl hot h. sacrament des altaars te ontvangen (en wel omtrent Paschen) en zulk een lid vóór zijn overlijden over deze zijne nalatigheid geen teekenen van berouw gegeven heeft, worden na zijn dood geen kerkelijke plechtigheden verricht, d. w. z. voor hem worden noch de gebeden der bcaarding gelezen, noch zieldiensten gehouden of de h. offerande opgedragen.

In gemeenten, die een eigen gewijde begraafplaats bezitten, wordt het lijk van bedoeld lid wèl op dat kerkhof begraven, doch zonder eenige kerkelijke plechtigheid.

i0. Wanneer een lid van een onzer gemeenten door onverschilligheid gedurende één of meer jaren verzuimd heeft het h. sacrament des altaars te ontvangen (en wel omtrent Paschen) doch vóór zijn dood berouw betuigd heeft over deze nalatigheid en zijnen biechtvader vrijheid gegeven heeft, om, zoo noodig, dit aan de mede-gemeentenaren van genoemd lid bekend te maken, wordt na diens overlijden voor de rust zijner ziel de h. offerande der Mis opgedragen. De gebeden der beaarding blijven echter als maatregel van kerkelijke tucht achterwege.

In gemeenten met eigen kerkhof wordt in dit geval het lijk zonder kerkelijke plechtigheid op die begraafplaats ter aarde besteld.

Bij de hierop gevolgde discussie worden o. a. de volgende gedachten geuit. De h. Communie is zeker een hoogst gewichtige zaak, tot welker waardig gebruik men de geloovigen dikwijls moet aansporen. Men gebruike echter geen dwang; dat is niet naar den geest van Christus. Deze heeft zeer zeker gezegd, dat men zijn Vleesch en Bloed moet ontvangen, doch Hij heeft niet gezegd, hoe dikwijls men dit moet doen. Eene wet, als die van Lateranen, is zeer geschikt om huichelaars te kweeken; men nadert uit gehoorzaamheid aan het kerkelijk gebod, niet uit behoefte, uit innig verlangen. Die gehoorzaamheid moge in sommige gevallen iets goeds hebben, het ware is dat toch niet. Christus' wil en kerkelijke wet worden daardoor te zeer verward. Ook is genoemde wet volgens Fleury en prof. Reusch eigenlijk gemaakt tegen de Albigenzen. Iemand, die eenigen tijd niet nadert tot de li. Communie, behoeft dit nog niet uit onverschilligheid te laten; daar kunnen familie- en andere omstandigheden zijn, die het communicecren zeer bemoeilijken; het kan zelfs uit eerbied voortkomen, dat men zich geruimen tijd van de Communie onthoudt. Van vele Heiligen leest men, dat zij jaren lang niet communiceerden. Men leze liever den canon van Trente voor, die opwekt, doch niet dreigt met straf. Ook in het doen van z. g. zieldiensten bestaan veel misbruiken; die diensten mogen niet zoo talrijk zijn; geen verschil van stand of klasse mag daarbij in aanmerking komen; ook moesten particulieren niet door makingen daaromtrent bepalingen kunnen maken, doch liever, hetzij aan kerk of aan armen, iets geven en zich eenvoudig in de gebeden aanbevelen.

Referent merkt op, dat de voorstellen der commissie enkel spreken van onverschilligen; deze onverschilligheid moet bij het leven zijn gebleken. Ook wordt er opgemerkt, dat er toch eenige tucht moet zijn. Dit wordt erkend, doch de toepassing eischt voorzichtigheid. Eigenlijk zou de bisschop zulk een onverschillige na herhaalde aanmaning moeten ex-coinmuniceeren; dan kon ook na het overlijden het gebed enz. worden geweigerd; nu echter niet, daar hij steeds lid der gemeente is gebleven. Zoo zou het zeker moeten, doch in onze kleine kerk zou dat meer kwaad dan nut stichten en ex-communi-catie mag alleen worden toegepast, indien het heil van don betrokken persoon ol dat van anderen daardoor bevorderd kan worden. Op de bemerking, dat de pastoor of biechtvader, geroepen bij het sterfbed van hem, van wien hier sprake is, alleen kan beoordeelen, wat gedaan mag worden en daarin naar zijn geweten moet te werk gaan, wordt geantwoord, dat de pastoor ook tegenover zijne gemeente staat en te zorgen heeft, dat aan deze geen aanstoot worde gegeven. Men zou aldus kunnen doen: Wanneer iemand sterft, die in het vervullen zijner kerkelijke, godsdienstige plichten nalatig is geweest, dan make men, des zondags b. v., dat overlijden aan de gemeente bekend en beveelt de ziel in de gebeden aan, zonder meer; heeft de zoodanige berouw getoond en toegestaan, dat dit aan de gemeente be-

ocr page 7

5

kend gemaakt en haar voor de gegeven ergernis vergiffenis gevraagd wordt, dan doe men verder alles gewoon. Nadat er ook nog op gewezen is, dat de uitdrukkingen: „De offerande zal opgedragen,quot; of „Het jaargetij zal gehouden worden voor N.N.quot;, dienen vervangen te worden door deze: „Heden zal bij de h. offerande de gedachtenis - of de jaarlijksche gedachtenis - gehouden worden van N.N.quot;, omdat de eerste de dwaling in de hand werken, als werd de h. offerande bepaald voor één persoon opgedragen, en niet, gelijk toch werkelijk steeds het geval is, voor allen, wordt het volgende voorstel met algemeene stemmen aangenomen:

„Die gedurende zijn leven door woord en daad minachting toont omtrent het h. sacrament des altaars en in die gezindheid sterft ontvangt niet na zijn overlijden de kerkelijke begrafenis, enz.

De pastoor maakt het overlijden dezes der gemeente bekend en beveelt de ziel aan in de gebeden der geloovigen, zonder meer. Wanneer echter zulk een op zijn ziekbed berouw getoond heeft over zijn handeling, ontvangt hij de kerkelijke begrafenis, enz. In bijzondere gevallen, die aan het oordeel van den pastoor worden overgelaten, kan de pastoor eischen, dat openbaar vergiffenis gevraagd worde wegens de gegeven ergernis.quot;

V.

Kindergebedenboek.

Pastoor Spit, namens zijne medeleden refereerende, deelt mede, wat aanleiding gaf tot het benoemen eener commissie door Cor unum et anima una, wat de inhoud moet zijn van zulk een boekje, en wal daarvan tot heden door hen is gemaakt. Het laatste wordt ter inzage aangeboden. Referent acht twee boekjes noodig: een voor kinderen van zeven tot elf a twaalf jaren, een ander voor kinderen van den daarop volgenden leeftijd. De commissie zag gaarne andere leden benoemd, nog beter wellicht en tot bespoediging der zaak ware het, indien aan één persoon de samenstelling van het eerste, aan een ander die van het tweede boekje werd opgedragen. Nadat omtrent vorm en inhoud eenige wenken zijn gegeven, wordt dezelfde commissie uitgenoodigd met haren arbeid voort te gaan.

VI.

Catechismus ter vervanging van den Nap. Catechismus.

Pastoor van Santen deelt mede, dat hij, in vereeniging met nog een tweetal heeren, door C. U. E. A. U. uitgenoodigd om een grooteren catechismus samen te stellen, daaraan zijne krachten beproefd heeft, doch zich te weinig theologant en stilist gevoelt, om een werk te vervaardigen, waaraan men terecht hooge eischen mag stellen. Uit de hierop gevolgde discussie blijkt, dat algemeen de behoefte wordt erkend aan een catechismus, die beknopt en helder godsdienst- en zedeleer behandelt; aan een bepaald vragenboek bestaat geen behoefte; dat der drie Henri's is uitstekend, maar het zou een werk moeten zijn in den vorm van de bekende Doctrine chrétienne. Den Nap. Catechismus acht men geschikter als handleiding voor de geestelijken dan -als leerboek voor de jeugd. Nadat verschillende catechismussen genoemd zijn, die in eenig opzicht als voorbeeld kunnen dienen, wordt aan eene commissie van drie leden opgedragen aan een catechismus in doorloopenden vorm hunne krachten te beproeven.

VII.

Bevordering van den godsdienst in het huisgezin.

(Omwerking van Royaumont.)

Bij de bespreking van dit punt blijkt, dat de samenstelling wordt verlangd van een practiscli stichtelijk huisboek. Er worden in de huisgezinnen over 't geheel weinig godsdienstige boeken gelezen;

ocr page 8

6

voor een deel komt dit ook hieruit voort, - hierop beroept men zich althans, - dat onze boeken, hoe degelijk ook van inhoud, wat stijl en vorm betreft, verouderd zijn. Er moet dus gezorgd worden voor een of meer werken, die door vorm en inhoud uitlokken tot lezen en voedsel bieden voor hoofd en hart. Allen zijn het eens in de waardecring van Royaumont, doch met allen eerbied voor „den man van den Bijbelquot; (de Saoy) meenen velen, dat de keuze der behandelde feiten niet altijd even gelukkig is en de allegorische verklaring wat al te kwistig gebruikt wordt. Voorts wordt gewezen op dergelijke werken van Roomschen en Protestanten uit den tegenwoordigen tijd, die veel navolgingswaardigs bevatten. Ten slotte wordt goedgevonden, dat pastoor Deelder , die reeds met iets dergelijks was begonnen, zal worden uitgenoodigd een stichtelijk huisboek saam te stellen.

VIII.

De verhouding onzer kerk a/ tot de Oud-Katholieken in Duitschlaud,

b/ tot die in Zwitserland en c/ tot de Anglicanen.

Op voorstel van den Voorzitter wordt eerst punt c/ behandeld. Bij deze behandeling blijkt, dat er geen sprake kan zijn van vereeniging met de Anglicaansche kerk. Er zijn in die kerk personen, die liet Katholicisme meer nabij komen, maar katholiek, zooals wij dat verstaan, zijn zij niet. Uit het bekende werk van bisschop Browne: „An Exposition of the Thirty-Nine Articles. Historical and Doctrinal by E. H. Browne, Lord Bishop of Winchester 12quot;' Edition London 1882,quot; blijkt, dat de Anglicaansche kerk niet gelooft aan de Transsubstantiatie.

In de Eucharistie blijven volgens haar leer brood en wijn, terwijl Christus op een geestelijke w ijze tegenwoordig is voor degenen, die het sacrament met geloof ontvangen. Evenmin zijn zij katholiek in hunne beschouwing over de offerande, en hoe verleidelijk ook somtijds hunne uitdrukkingen mogen klinken , zij verstaan er geheel iets anders door dan wij, zoodat er, wat de zaak betreft, tusschen hen en ons geen eenheid bestaat.

De punten a. en b. van No. VIII. zijn op de agenda geplaatst, omdat het in den laatsten tijd gebleken is, dat een nauwere aansluiting gewenscht wordt, dan die, welke tot heden tusschen bedoelde Oud-Katholieken en ons heeft bestaan. Alvorens daartoe over te gaan, is het tot handhaving van ons katholiek standpunt noodig, eenige opheldering te vragen omtrent sommige punten, die ons een nauwere aansluiting zouden kunnen verbieden. Het zijn vooral deze twee: Het primaatschap van den bisschop van Rome en b/ de Eucharistie; Het maakt op velen onzer een pijnlijken indruk, wanneer de Duitschers en Zwitsers spreken van „breken met Romequot;; toch klinkt dit harder dan het werkelijk is en heeft in hun mond een andere beteekenis dan in den onzen. Na 1870, toen hunne oogen geheel open gingen, moesten •/ij in veel dingen breken met Rome, waaraan zij zich tot dusverre onderworpen hadden. In hoofdzaak zijn wij het echter met hen eens. Zij erkennen, evenals wij, het primaat en den bisschop van Rome als den drager daarvan. Maar er kunnen redenen bestaan om tijdelijk aan dezen of genen bisschop van Rome de gemeenschap op te zeggen, b. v, als hij in ketterij vervalt. Het laatste is in 1870 geschied. Toen heeft de paus een leer verkondigd, die toch duidelijk door het concilie van Constanz is veroordeeld. Zij doen dus hetzelfde, wat b. v. ook Hilarius tegenover paus Liberius heeft gedaan. Al achten wij het beter hen daarin niet na te volgen, onkatholiek zijn zij daarom niet, zoolang zij het beginsel zelf niet aantasten , en zich bereid verklaren den paus weer te erkennen, zoodra hij van zijne ketterij terug komt.

Wat het 2e punt betreft, do Eucharistie; de nauwere aansluiting met de Anglicanen, sommige uitdrukkingen bij verschillende gelegenheden gebezigd, hebben de vrees doen ontstaan, dat de Oud-Katholieken hierin meer en meer tot de leer der Calvinisten overhellen. Het moge waar zijn, dat het woord

ocr page 9

• V

7

Transsubstantiatie niet voor allen dezelfde beteekenis heeft, de leer die daar in hare uitdrukking vindt: dut het brood en de wijn veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus, zoodat er na de Consecratie geen brood of wijn meer is, maar enkel de gedaante daarvan, is de katholieke en moet door ons allen beleden worden. Willen de Duitschers en Zwitsers dus eenheid met ons, dan moet dit ook hunne leer zijn. Daarom dienen wij hen te vragen of zij daarin met ons medegaan, en hen uitnoodigen zich op dit punt, ook tegenover de Anglicanen, duidelijker uit te drukken. Wij van onzen kant willen niets liever dan éénheid, en zullen die dus om geen verschil in vorm of bijzaak prijs geven; doch nimmer mogen wij vrede en éénheid boven de waarheid stellen. Na breedvoerige discussie wordt goedgevonden, dat onze bisschoppen op de wijze, die hun het geschiktste voorkomt, met de bisschoppen Reinkens en Heu/.og in overleg zullen treden, ten einde de noodige opheldering te verkrijgen.

Over het laatste deel van Art. VIII: De apostolische successie der Anglicaansche bisschoppen, draagt pastoor Prins, namens de commissie van onderzoek, een uitvoerig referaat voor, waarvan de slotsom luidt, dat er veel voor, maar ook niet weinig tegen de wettigheid der wijding van de Anglicaansche bisschoppen kan worden aangevoerd, doch dat de zaak vooralsnog zeer twijfelachtig is, en zonder nadere gegevens geen bepaald oordeel kan worden uitgesproken. De conclusie zou eerder strekken tot verwerping dan tot erkenning van bedoelde wijdingen. Daar niemand, na het uitvoerig en degelijk referaat over deze zaak nog iets nieuws weet te zeggen, wordt besloten in deze zaak nog geen beslissing te nemen, maar aan de Anglicanen te berichten, hoe ver wij in ons onderzoek zijn gekomen en hen om nieuwe bronnen te verzoeken.

De Aartsbisschop sluit de vergadering met een woord van dank voor de medewerking en de toewijding, door de aanwezigen aan den dag gelegd, hen tevens aansporende tot nauwgezette plichtsbetrachting, tot ijver, en trouw aan hunne schoone roeping.

Aldus opgemaakt naar de notulen.

De Secretarissen,

Hotïerdam, Juni 1889.

N. B. P. SPIT.

T. VAN SANTEN.

P. S. Leden der verschillende commissies, aan welke men bijdragen of opmerkingen kan zenden, zijn:

Voor de Vespers: J. J. van Thiel, G. Gul, N. B. P. Spit, G. C. van Schaik, N. Prins, W. J. Heyligers Tm/... A. B. Verhey (beiden te Rotterdam) en Mr. J. Heyligers te Amersfoort.

Voor het Kindergebedenboek: N. B. P. Spit, J. M. van Beek, G. A. Harijerwijk (Delft).

Voor den Catechismus: G. Gul, C. Deelder, F. Kennink.

Voor het Stichtelijk huisboek; C. Deëi.der.

ocr page 10
ocr page 11
ocr page 12