ocr page 1

T'' -.. ^ • ? - . j

• *, ^ ¥ -. . ^ r

' MC lt;- „ •gt;■■ gt;' • gt; gt;•■'gt; V

gt; ■ quot;•■ ■ .. ^ quot; ... i »--r

^ i1

I r, J ' ^

; it ? ^

hi je ». ■*

fcx r •'■• i *quot;■gt;. -- ^

quot;jij j. ' * ^WjL % v( ■ ■ - v. - ^ fe i *4 \_jf

I . ■..■ - . igt;,/ - ■■-# ^

il ,:j vquot; . ''vlt;^ * . , ' ■. .. ;

quot; V ■** «V lt;x * '^V ■ k t .7' % ■ Ëk, ml X.

ü •*- , ' ., 'Vj

vgt; ' gt; •gt;■ .. ^.

• *quot; ^ V ™ V

•i» - ! r ^ - v

■**, ^,, »»5 . » ■'* «• ,■

./ t *\f 4 v» ,«

«'. . , ,,- • . *gt;, .

' •quot; a quot; m quot;JU»quot;

t V{^i r.-H k% |

\ r * quot; quot; *n

^ - v^-/ » * lt;•

'r , * v v *'■

. • ■ gt; » ** 4^.

gt;\ ■ V ^

«K ■ ^ \* % 4 . ■■

. - ■amp;•.'? *1 lt; *

f'. % , , i * gt; ■

M} . ' ï ■*■** *' ' • v

^ x#

gt; ^ V ' ,- 4 gt; 'fr

X. ' V # v1 ■quot;'

* i «r . vgt; ''

.ï:' -

' • V;

' V I « . -? ^

• ' f '

, . «• #*■

\ è'^ ^

Égt; ï'V ♦ fS i^v 'quot; ■ ''^ wquot;' quot; '^-V' H • :« * V • *

_**, W VT.-f-H, , -fc • Hf. « ,:: ;lt; amp;%*■■/ ■ , \ ^ i » N ' 'ïÈt *-■ - - A. . . Wy 7 ^ %

■f , •'.., „. ,■ ,.

vl quot;gt; ^ ? -f V.'7.

quot;és, lt; vf* •.* ' f

l ■■' ' ? ■ .,' s, %,V j ni: #•.-•' lt;♦. -I # v .

Fir -' .IV-vi- Ssf 'ql ■ .quot;S *'». ■* ^ V jj.' *' .; ..#_i. * »••

ftf'quot;- 'vVöt ,!•'«•*?.♦. lt; l' iv^ - V--. - %'■*. • ♦-• ^ f,

^ x;-^n V-v . 7;w...:. -'.7 wvv_ - ♦ ..'.:. .;.

Mv. ♦ V?^- . :JL7:y.4 ■ * ^ lt;gt;: ■M'J ^V'.-- gt; J.quot; ■ Vlt; s i'i quot; ' • # v ' '

■ ■ v.,. v Ar,-v 1,.. ,'•gt; i

StC^ v'JT quot;., *■amp;' ■ ■ . *.■,* -T.

'« ■ ^ k- k. ^ TT . v. Je - - ■*

C V' ■ v-w k ' 4 ■ quot;

f gt;.• t .vj

Ki :•gt; 't ^ *• ''quot; ' -ï' i 'Jf1. -C ■' ^ m^-Vti ifv'A/#' A - .;5\. -v' v • .. A,

nf amp;y ^ iJL^siV • ■ . •.gt; «. ' ^^'v.-. ■ ^

ii;v f'S^: '^0 / • •

• ^ v gt; ■» j ; ^

$*.... ' ■ V' ;

!♦ .1 '. */ •• .

• V *

*7 , % / ■■■•fyi *• f' quot; i/v•,' * % •;. ; v ' ' V' ' j v », -• ■ ■s^- .,■»■ vri

il / 7W ^.-w # H iL- „«*lt;gt;• r-i^ \ ^ ' .;, • ■• - gt;.J

«.t ;•» - -Vv- .i'-.., - ♦. ■gt; vt',' •quot; '** s » i ■■'Vt

^rv-..'acquot; 'V A v. .■ ^ • -\-j ?„ • • - ,* », ,

• pH^i'' ■» 't. ^ # '» s.« ■ t- k v «gt;lt;* * i'* 'gt;■ /' •

IfSfeL-': . , - 'rgt;^A7 gt; ' ■' ' ** * tH'X ■ fr' A, ■ ;V

V 1 ^ Vquot;c* -■ quot; -V ■ ^ 's * '4. M . quot;k L*' , '' . *■; ■ * ' i amp;gt;*' T*-' '• *.

' 4^ 'A- k ^vgt;-r v*':^7 ?

ai

■:f 1

ocr page 2

QE5CHENK VAN /MEVR. DE WED.

DR. O. P. VAN T i E N H O V E N= N1NCK BLOK.

O. qu.

532

ocr page 3
ocr page 4

üi

■

ocr page 5

♦

Baeteriologisehe Memoranda.

-----cEJo----

TABELLEN

TEN GEBRUIKE BIJ HET PRACTISCH WERKEN

DOOU

Dr. F. W. VAN HAEFTETST.

Utrecht. G. J. C. SCKINKRIUS. 1899.

ocr page 6
ocr page 7

INHOUDSOPGAAF.

ri»dz J

i

Actinomyces............2 |

Bacillus anthracis . ........4 !

Vibrio cholerae asiaticae ......6 j

Bacillus coli communis........8

Bacillus diphtheriae.........10 |

Diplococcus pneumoniae.......12 j

Gonococcus........ ... 14 )

gt;

Bacillus leprae...........16 gt;

Bacillus mallei...........IB gt;

Bacillus oedematis maligni......20 j

Bladz

Bacterium pestis..........22

Bacillus pneumoniae........24:

Bacterium pyocyaneum........26

Staphylococcus pyogenes ......28

Streptococcus pyogenes erysipelatis ... 30

Bacillus tetani . . .......32

Bacillus tuberculosis........34

Bacillus typhi abdominalis......36

Malaria parasieten..........38

Spirochaete Obermeieri........41


ocr page 8
ocr page 9

INLEIDING.

Hoewel bewust van de onvolledigheid der in dit geschrift verzamelde her-inneringspunten, betrekkelijk de voornaamste eigenschappen en kenmerken van de thans bekende micro-organismen, zullen m. i. deze tabellen als hulpmiddel bij het practisch werken niet misplaatst zijn

Ook van de gebreken, die de gebezigde vergelijkingen kenmerken, ben ik overtuigd; immers zij geven slechts bij benadering de werkelijkheid weer en natuurlijk kon er geen sprake van zijn in deze korte beschrijvingen alle afwijkingen op te nemen. Ik heb echter getracht in beknopten vorm van elke bacterie het typische beeld te kiezen, ontleend aan de meest betrouwbare bronnen Wordt met de bovenstaande opmerkingen bij voorbaat rekening gehouden, dan kan een scherper geschetst beeld vooral den beginnenden bacterioloog gemak opleveren, zonder aan zijne zelfstandige ontwikkeling schade te doen.

De Schrijver.

Utrecht, Februari 1899

ocr page 10

T

S)

Jlctinomi)cco.

I. vorm. Straalschimni el, aanwezig in macroscopisch zichtbare zwavelgele

korrels, die zoo groot zijn als een zandkorrel., of een mosterdzaadje en soms verkalkt zijn. Polymorph; kenmerkend is echter de astervorm: de kolonie is vaak niervormig en heeft een radiaire bouw, aan de peripherie vindt men straalsgewijs gerangschikte sterk-lichtbreJcende draden, als kris!al-takken, waaraan knotsvormige lichamen (kolven) zitten, terwijl in het midden een dradennet is. Verder kan de straalschimmel zich voordoen als een minder sterk vertakt dradennet, zonder knotsen; dit zijn jonge vormen, die er macroscopisch als doorschijnende, grijze, slijmerige, soms vastere lichaampjes uitzien.

Eindelijk komt zij in de anaërobe culturen voor als staafjes en als groepen van holletjes, die aan coccen herinneren, maar bij kweeking tot draden uitgroeien.

In de culturen van de aërobe species treft men lange draden aan met rechthoekige vertakkingen, die door uitspruiting ontstaan zijn.

De knotsen vindt men alleen in het aangetaste organisme, niet in de reinculturen buiten het lichaam.

Twee hoofdspecies: de anaërobe van M. Wolff en J. IsiiAiir,; de aërobe van Bostuöm e. a.

II. Bewegelijkheid. Geen eigen beweging.

De groei op gelatine is niet zoo goed als op agar en langzaam.

Hiervan maakt men gebruik voor de reinkweeking . men neemt vóór den Men dag van die plaatsen der platen, waar schijnbaar niets is opgekomen en ent over op andere voedingsbodems, bijv, op glycorine-agar.

In steekcidtuur. --------

Op platen.

Op Voedinysagar. Op agar) bij 37 0C en bij afsluiting der dampkringslucht, ontstaan na 2—5 dagen zeer kleine, afzonderlijk liggende, doorschijnende bolletjes, als dauwdroppeltjes; na 8 dagen zijn zij ondoorschijnend,

[II. Groei op voedings-gelatine.

In streepcul-tuur.

ocr page 11

3

zoo groot als een speldekop, worden niet grooter. Zelden con-flueeren zij tot een wit beslag. Tevens vindt men eenige groot ere, witte, rozet vorm ige knobbels, die in het midden hooger en afgeknot kegelvormig zijn, op regelmatige afstanden gleuven bezitten en met wortel vormige nitloopertjes in de agar dringen.

De aërobe species vertoont bijna overeenkomstige kolonies, maar deze groeien betrekkelijk snel.

Glycerine-ayar is een goede voedingsbodem.

In houillon. Bouillon blijft, zoowel bij enting met de aërobe als met de anaërobe

species, helder, met gedeeltelijk Hotteerende, kleine, witte, korrelige kolonies.

Op aanlap- De aërobe species van BosïRÖiM e, a. vormt op aardappel een bak-

Pe,en- steenrood beslag.

IV. Verhouding tot lucht.

Op andere voe- De anaërobe species vertoont de volgende culturen in eieren: 1°. In dingsbodems. rauwe eieren, bij 37° C.: na 9—28 dagen geen gasontwikkeling, in wit en dojer ondoorschijnende, witte klompjes en puntjes, of men vindt in het vloeibaar blijvende eiwit strepen van een massa, die op troebel neus-slijm gelijkt. 2°. In eieren, die 3—4 minuten gekookt zijn: na 9—28 dagen geen gasontwikkeling, op de grens tusschen wit en dojer: ondoorschijnende, witte klompjes en puntjes; of een vuilkorrelige massa langs het steekkanaal.

Anaërobe species van M. Wolff en J. Isuaei,; aërobe species van Boström e. a.

V. Temperatuur. Optimum 37 0 C; de aërobe species groeit ook goed bij kamert.

Soms zeer langzame vervloeiing.

VII. Verhouding tegen- Kleuring met picrocarmijn; of met carbolfuchsine, onder verwarming; over kleursto[fen. 0f volgens de methode van Gram-Gilnther.

VUL Dierproef. De aërobe species van Bostköm e. a. is niet met zekerheid pathogeen.

Daarentegen is het Wolff en Israel gelukt, door intraperitoneale injectie, zoowel van agarculturen, als van culturen in eieren en door injectie van een suspensie van de schimmels in de lever, bij konijnen, cavias en een schaap multipele abdominale tumoren te doen ontstaan, die talrijke actinomyces-kolonies bevatten.

VI. Verhouding tot gelatine.

ocr page 12

4

jBttCÜTltO auiljvacis. (Pollender; Davaine).

1 I. Vorm en sporen- Recht en dik staafje, lang 5—6—10 micron, breed 1—1,5 micron, vorming. raet schotelvormige verdiepingen aan de uiteinden, of recht

hoekig afgesneden (Is dikker dan bac. oed. maligni),

In de culturen schijndraden.

Vormt glinsterende, ovale sporen, slechts bij aanwezigheid van vrije zuurstof; tijdens het leven worden noch in het bloed, noch in de organen, sporen gevonden; ook niet in het ongeopende, versche cadaver van aan miltvuur gestorven dieren.

Het sporenvormend vermogen gaat o. a, verloren bij kweeking hoven 42 0 C. en door toevoeging van caibolzuur —^), of van Kal-bichromat (JL) aan de voedingsmedia.

Miltvuursporen zijn zeer resistent, sterven eerst bij een hoogere temperatuur en bieden meer weerstand aan uitdroging dan de bacillen.

II. Bewegelijkheid. Geen eigen beweging, (bac, subtiiis is wei bewegoiyk).

III. Groei op voedings- --

gelatine.

In streepeul- -------------------— —

tuur.

In steekcultuur. Langs het steekkanaal strekt zich een witachtige streep uit, waarvan rondom draadvormige vertakkingen uitgaan, veel gelijkende op een omgekeerden denneboom. Aan de oppervlakte vormt zich een dikke, vlokkige cultuur. De gelatine vervloeit hoven het eerst.

Karakteristieke plaalcullum-. er ontstaan ronde, viltachtige kolonies, die opgebouwd zijn uit sterk dooreengegroeide draden; reeds bij zwakke vergrooting is de draderige structuur te herkennen en zien de kolonies er uit als haarbosjes. In de omgeving der kolonies wordt de gelatine vervloeid.

Groeit ook best op agar, in streepcultuur; niet typisch,

De bouillon blijft helder, maar daarin ontstaan vlokjes of pluisjes van dooreengevlochten draden.

Op platen.

Op voedings-aqar

In bouillon.

ocr page 13

Snelle groei, in weinige dagen vormt zich een dikke, droge, grijswitte laag.

Op aardappelen.

Op andere voe- Melk: gecoaguleerd, dingsbodems.

Aëroob (grooit ook bij afwozighoicl van vrije 7Aiiirstof.)

Minimum 12° C.: optimum 35° O.: maximnm 45° C.

Kweeking bij 42quot; C.: vermindering van de virulentie der miltvuurbacillen (Vaccins van Pastetr).

Boven 4 2quot; C.: geen sporen vorming meer.

I V. Verhouding tot lucht.

V. Temperatuur,

VI. Verhouding tot Vervloeiing (meestal langzame).

gelatine.

VII. Verhouding tegen- Praeparaat van bloed, verkregen door scarificatie aan de peripheric ova'' klcu™lt;°tr™- der pustula maligna.

„Gramquot;: positief.

In weefseldoorsneden: Carbol gentiaan violet — Gram— Bismarckbruin of eosine als tegen kleur.

VJH. Dierproef. Witte muis en cavia.

Wordt 1 c.M3 bloed of sereuse vloeistof uit de Anthrax-pnist onderhuids ingespoten, dan ontstaat op de plaats van injectie een gelatineus, oedeem en treedt na ongeveer 48 uur de dood in, door septicaemie. Bij de obductie vindt men de milt sterk vergroot en week. In de oedeemvloeistof, in het bloed en in de milt kunnen, zoowel microscopisch als door middel van de cultuur, anthrax-bacillen worden aangetoond.

(Vorgel. bac. dipliteriae).

Het konijn is minder gevoelig; \\iamp;v intravenease Het schaap

is zeer gevoelig voor de infectie; daarentegen bieden het varken en de hond zeer veel weerstand. Het meest resistent zijn de vogels

(Tjoroomclo proof van PasteuII: inCocüe van do in water afgokoolde kip).

1

ocr page 14

li

quot;giTitmo djofcrac aoiaftcac. (Koch).

r. Tom ca sporen- Gekromd, kommavormig staafje; liezit 1—2 ciliën, ook meer vovminfi- en geen trilharen. Hoe meer de cholera bestudeerd is, des te meer ver

schillende vormen heeft men gevonden. Men lieeft de bacil zeer dun en zeer dik gezien, ook, op coccohacillen gelijkende vormen. Vormt, voor zoover bekend, geen sporen; volgens Hilppe Arthrosporen.

] 1. Bewegelijkheid.

Eigen beweging (ontbreekt soms). In den hangenden druppel, als ^dansende muggen.quot;

111. O roei op voedings-(jelatine.

In streepcul-tuur.

In steekcultuur. N ap v o r m i g e vervloeiing: een platte, breede nap met troebele vloeistof (en een luchtbel) rust op een steel van bacteriën, als een ouder-wetsch champagneglas. 1) (Staphylococcus pyogenes aureus: trechtervormige vervloeiing).

Op platen. Vormt, na ongeveer 24 uur, korrelige, sterk lichtbrekende kolonies

met onregelmatige omtrekken, gelijkende op gebroken glas; later trechtervormige vervloeiing der gelatine.

Op I 'nedingsagar.

Niet karakteristieke, grijsachtige kolonies.

In bouillon. In bouillon, die troebel wordt, heeft in ongeveer 3 dagen de

vorming van een v 1 iesj e aan de oppervlakte plaats en riekt de bouillon dikwijls naar muizeurlne.

Op aardappelen.

Groeit alleen bij een temp. boven 210 C., vooral als men den aardappel

alkalisch maakt: Oe cultuur horiimert aau die van bacillus mallei en is een grijsbruin beslag.

1

J. m: Haan* on Dn. M. STiiAnn: Voordrachten ovor bactoriologie, blz. 38.

ocr page 15

7

Op andere voe- In een waterige oplossing van pepton Cornélis (1 proc.) en keukenzout dincjsbodcms. ^ proc.), die met een vlokje cholerafaeces geënt is, vormt zich na ongeveer 12 uur, bij 37° C., een vliesje aan de opperulakte. Geeft krachtige nitroso-indolreactie

Melk: er zijn er, die haar coaguleeren en andere, die dat niet doen.

IV. Verhouding tot Facultatief anaëroob (waarschijnlijk is voor den grooi toch steeds zuurstof noodig).

lucht.

Minimum 8° C.; optimum 30—iO0 C.

Gelatine wordt vervloeid, maar in verschillende epidemieën vertoonden de bacillen verschillen in de vloeibaarmaking van de gelatine.

quot;VI. Verhouding tot gelatine.

VII. Verhouding tegen- Faeces-slijmvlokje kleuren.

over Meuvstoffen- nGramquot;. ontkleurt.

Carbolgentiaanviolet — Gram —- tegenkleuring met een waterige solutie van fuchsine: cholerabacillen rood, — bacteriën, die door „Gramquot; gekleurd blijven: violet,

Methode van Strauss voor het kleuren der „levendequot; trilharen: verdunde waterige fuchsineoplossing.

VIII. Dierproef. Cavia.

Niet constant is de volgende reactie van Pfeiffer: bij in-traperitoneale injectie van 1—3 c.M3 eener jonge cultuur van rholera-bacillen sterft de cavia aan peritonitis cholerica (een gevacdnecrdo cavia niet), De virulentie voor Cavia is echter variabel.

Cholerarood- of indolnitrense reactie berust op de eigenschap, dat cholerabacillen in dol vormen en nitraten in ni trieten kunnen omzetten. Voegt men bij culturen, die bijv. gegroeid zijn in peptonhoudende voedingsbodems, eenige droppels verdund zuiver zoutzuur (vrij van sal-peterigzuur) toe, dan ontstaat een rose-roode of purperroode kleur.

V. Temperatuur.

Bacillen van sommige epidemieën hebben de reactie niet gegeven (geen afdoend criterium).

!

1) Zio Nccl. t. voor (i. quot;il Oct. 181)3: over de bact. diagnose v. A/.iat. cholera door Prol'. C. II. II. Spuo.nlk.

ocr page 16

ö

^aciffus coft communis (Escherich).

l Vorm en Sporen- Kort, dik staafje met eenigszins spitstoeloopende uiteinden, I vorming a]s |ijllz|ln(i pest-ltacil heeft meer afgeronde uiteinden), zeel' polymorph. Zij k U 11 U e 11

ciliën bezitten, doch meestal in minder aantal dan de typlmsbacil. Vormt yeen sporen.

Met bloedserum van typhuslijders oefent geen specifieke agglutineerende werking uit op den coli-bacil.

II. Bewegelijkheid.

rcn.

Bewegelijk (niet constant).

lil. Groei op voedings- De colibacil groeit nog wel op de buisjes, waarop de typhushacil ,J'',aUnc- eenigen tijd gegroeid is; daarentegen groeit de typlmsbacil er niet meer op.

in sireepcuitu- Ruimer groei dan de t y p li us b a c i 1, vormt een ondoorschij-

nende laag.

l» steckcultu Groeit zoowel in het steekkanaal. alwaar zich kleine, ondoorschijnende, witte kolonies ontwikkelen, als aan de oppervlakte, alwaar uf een melkwitte, óf een bijna doorschijnende laag gevormd wordt.

Op platen. Aan de oppervlakte der gelatineplaten ontstaan kolonies, die relatief

grooler zijn dan die van den typlmsbacil, meestal ondoorschijnend en bruin van kleur zijn, met onregelmatige gelobde randen. In de diepere lagen der gelatine groeien kleinere, korrelige, gele kolonies.

Op voedingsagai'.

In bouillon.

Groeit op agar-agar beter dan in bouillon, vormt een tamelijk dikke cultuur, die minder doorschijnend is dan die van bac typhi abd.

De bouillon wordt gewooniijk troebel en aan de oppervlakte vormt zich dikwijls een vliesje. Vaak is aan de cultuur fnccniiiiiiciw waar te nemen (Vergei. imo. oedematis mui.). Voegt men bij 10 c.M'5 van een peptüll-bouilloncultuur 1 c.M3 van een 0,02 proc. opl, van kaliumnitriet en eenige druppels zwavelzuur, dan wordt de vloeistof rood: niiroso-indolreactie.

ocr page 17

9

Op aardappelen. Groeit op aardappel meestal overvloedig, als een dikke en

bruingele cultuur (typhusbacil groeit zwak op aardappel.)

Op andere voedings- In bouillon plus een mengsel van (gelijke deelen) lactose en krijt heeft

I idcn.s gott ontwikkeling plaats ((feen gasproductie met typhusbacil.)

Melk meestal » ci gecoaguiccrd.

Facultatief anaëroob.

V. Temperatuur.

IV Verhouding tot lucht

Han zich nog onfnikkclcn bij 46« C.!

(De typhusbacil groeit niet meer boven 45» C.)

Geen vervloeiing.

VIL Verhouding tot kleurstoffen.

VI. Verhouding tot gelatine.

„Gramquot; ontkleurt.

Löfiier's methyleenblauw en Carbolfachsine zijn voor de kleuring geschikt. Dikwijls poolkleuring.

17III, IHerprorf. Cavia en konijn.

Er zijn soorten van bacterium coli, die virulent zijn en bij subcutane injectie cavia en konijn dooden onder een vorm van diarrhoea als hij cholera. In het cadaver worden echter geen typische afwijkingen gevonden. De muis is i m m u u n.

ocr page 18

10

jJSacUTus bipljtljenac. (Klebs-Löffler).

T. Vorm en Sporen- Staafje, waarvan de lengte en dikte in de verschillende culturen ver-vorming. schilt (variëteiten). De bacil kan aan liet ééne uiteinde verdikt zijn

(trommelstok vorm), of aan beide uiteinden (haltervorm); of, bij tinctie, aan de uiteinden sterker gekleurd zijn. Dikwijls groepeering in haarden, „alsof men een hoop lucifers onverschillig had neergeworpen.quot; Soms draden.

Vormt waarschijnlijk geen sporen; (volgen Cornil on ümjès wei).

Geen eigen beweging.

II. Bewegelijkheid.

UI. Gi •oei op voedings-gelatine.

Groeit nauwelijks op gelatine.

Idem.

Idem.

Ronde, witte kolonies.

In bouillon ontstaat na 24 uur een min of meer korrelig bezinksel pmgs de wanden en op den bodem, en een geringe homogene troebelheid: later vormt zich een dun vliesje aan de oppervlakte

(oen gosteriliseci'il sponsje over ile vorcladito pharynx strijken en in bouillon brengen — voorloopige cultuur).

ijji aai'duppe- lifBn dun beslag.

Ie n.

Oj) andere voe-

Op Löfjler's serum na 24 uur: ronde, bolvormige (pa pule use), dings odems. geeiachtige kolonies, in het midden ondoorschijnend; later platter, vaak met een navel in het midden.

In streepculta-ren.

In steekcullu-ren.

Op platen.

Op voed in gs-agar.

l)i bouillon.

ocr page 19

ii

r

Gepepioniseerd gistdecoct:1) reeds na 24 uur, bij 35quot; C., snelle, krachtige groei; vorming van een zeer dik, wit vlies aan de oppervlakte.

Melk: niet gecoaguleerd.

IV. Verhouding iot lucht.

Facultatief anaëroob.

Diphtheriebacil kan alleen bij een temp. boven 20° C. groeien, bij 420 (J. heeft geen groei meer plaats.

VI. Verhouding tot Geen vervloeiing.

gelatine.

Vil. Verhouding tot ^Gvctin positief.

kleurstoffen. js fraai te kleuren met Löfflf.r's methyleenblauw en verdunde cav-

bolfuchsine. Carbolgentiaanviolet veroorzaakt al licht overklenring.

Duhbclldeuring volgens M. Neisser: Azijnzure methyleenblauwopl. — water — waterige Vesuvineopl. Staafjes bruin; aan één of beide uiteinden, soms ook in het midden, blauwe korrels.

VIII. Dierproef. Cavia.

Bij een cavia wordt 1 c.M3 eener bouilloncultuur, die gedurende 24 uur zich bij 37° C. ontwikkeld heeft, sub cut a an in den buikwand gespoten. Na ongeveer 40 uur, of later, sterft het dier. Bij de obductie wordt ter plaatse van de injectie een oedeem aangetroffen. Verder wordt een hyp eraemie van de bijnieren geconstateerd en in de pleuvaholten (soms ook in de pericardiaalholte en in het abdomen) een sereus of haemorrhagisch exsudaat.

De diphtheriebacil wordt uitsluitend teruggevonden in de oedeemvloeistof ter plaatse van de injectie, niet in het bloed en niet in de

Organen (vergel. bac. anthracis).

Het konijn is minder gevoelig; hier ontstaan bij subcutane infectie niet zelden echte diphth. spier ver lammingen.

V. Temperatuur.

Bij den mensch worden durante vita de bacillen bijna alleen in de pseudomembranen gevonden; post mortem zijn zij vaak ook in het bloed en in de organen te vinden.

1

Zie Ned. T. v. G. 23 April 1898 no. -17. Gistrloc.oct, een nieuwe cultuurvloeistof voor de bereiding

ocr page 20

pipfococcits pneumoniae. (Fraenkel-Weichsclbaum]

ot

Streptococcus lanceolatus Pasteur.

1. Vom. Paarsgewijze naast, elkander liggende coccen (d ubbe 1 coceen) niet

v 1 a m v o r m i g naar buiten spitstoeloopende uiteinden, omgeven door een kapsel; soms tot ketens aaneengeschakeld.

In de culturen meeatni geen kapsel.

IT. Bewegelijkheid. Geen eigen beweging.

j 111. Groei, op voeding»- - ---—

gelatine.

In streepcultu- Schrale groei op gelatine; bij gewone kamertemperatuur geen groei

ren' (de diplobacillus van FniEDi.ANDER gro(!it goed op gelatine: spijkereultuur).

In steekcuHu-ren.

Op platen.

Op voedings- Op agar groeit de pneumococcus wel beter dan op gelatine, maar de

a9ar' kolonies blijven toch klein; na ongeveer 16 uur zijn bij 35° C., op

platen, reeds ronde, doorschijnende, kleine knopjes, gelijkende

op dauwdroppeltjes, zichtbaar.

Heeds na j—(i dagen hebben de diplococcen luinno virulentie verloren.

in bouillon. In bouillon heeft de pneumococcus een temp. van 37° C. noodig om

te groeien; de groei is dan snel, de vloeistof wordt echter maar iveinic) i) oehél.

Op aavdappe Groeit Op aardappel niet sterk (de diplobacillus van FriedlaNüer groeit beter Of.

Isn. aardappel; met gasontwikkeling.)

Op andere voc Op konijnejthloedsernm en op Löffler's serum vindt bij 350 C. krachtige

ding shod ems. ^^yikkeling plaats : slijmerig beslag.

Melk: door sommige variëteiten gecoiiguleerd.

ocr page 21

13

r

Facultatief anaëroob (bij amiëroben groei behoudt liij zijn virulnutie voel langer).

IV. Verhouding tot lucht.

■ V. Temperatuur.

VI. Verhouding tot gelatine.

Minimum 24quot; C.; boven 42° C. geen groei. Optimum 34—39° 0.

Geen vervloeiing (de dipiobaciii us van PmKDr.ANDKii rnaakt de gelatine ook niet vloeibaar).

Dekglaspraeparaat van een zeer dunne laag van het roestkleurige sputum, of van de vloeistof, die men van de doorsnede der geïnfiltreerde long kan afstrijken.

„GïClDlquot; '. positief. (Pneumobacillus. — „Gramquot;: ontkleurt).

Het kleuren van p n e u m o c o c c e n in sputa, exsudaat, pus; Carbolgentiaanviolet-Gram. De kapsel wordt door „Gramquot; ontkleurd. Tegenkleuring met eosine.

Kapselkleuring, volgens de methoden van Friedlander en Ribbert.

VIII. Dierproef. De muis is het gevoeligst voor de infectie. Op de subcutane

inspuiting, onder de huid bij de staart, van sputa, exsudaat of slechts geringe doses cultuur (0,1—0,2 c.M3) volgt na 24—48 uur de dood, onder temperatuursverheffing.

Beantwoordend aan de plaats van injectie vindt men meestal niets, soms wat oedeem. De milt is vergroot. Vooral in liet bloed en in hét beendermerg worden pneumococcen aangetroffen. Het dier krijgt geen croupe ii se pneumonie, maar een acute s e p t i c a e m i e.

Na de muis is het konijn het gevoeligste proefdier: oedeem, acute septicaemie en maar geringe miltzwelling. (De dipiobaoiiius van FriediXndeh

is veel mindor pathogcon voor het konijn).

Proef van Garnaleia: Bij schapen worden pneumococcen gebracht 1°. op met tart ras emeticus behandelde trachea en 2quot;. op zonder vooraf daarmede behandelde dieren. In het eerste geval vatten de pneumococcen en ontstaat een flbrineuse pneumonie; het slijmvlies is daar beleedigd.

A'Jl. Verhouding tot Ideurstoffen.

Honden bieden veel weerstand aan de infectie; vogels schijnen absoluut resistent te zijn.

I

ocr page 22

14

(^onococcitS. (Neisser).

I, Vonn. Paarsgewijze, met de concave zijde tegen elkander liggende, betrekke

lijk groote niervormige of koffieboonvormige coccen (diplococcen); vooral in ettercellen en in epitheelcellen ingesloten. Vormen nooit ketens.

Sporenvorming niet waargenomen.

II. Bewegelijkheid. Geen eigen beweging, Oscillatorische en rotatorische beweging.

lil. Groei. 10- „Platen: kleine ronde witte kolonies, welke zich soms als een

a '^quot;zure^lersdib^onilion rV00r^09e^je een weinig boven de gelatine-oppervlakte verheffen; de ont-

'/a—1 pi'oc. pepton, 10 wikkeling gaat soms voort tot 15 a 30 dagen.

proc. gelatine.

Wanneer men eene kolonie geheel wegneemt, blijft veelal op de plaats, maar men ze weggenomen heeft een klein kuiltje, dat als ligplaats der kolonie heeft gediend, achter. De kolonie op zich zelf is slijmachtig.

2°, Uitstrijkplaten: groeien binnen 48 uren 24° G. langs de streep met een witachtig beslag, dat zich langzamerhand over de oppervlakte der gelatine uitspreidt.

3°. S teekculturen; Groeien langs het geheele steekkanaal, als een witte, korrelige streep, welke van boven meestal wat breeder wordt en aan de oppervlakte der gelatine soms een trechtervormige opening laat, soms een breede kolonie rondom de entingplaats yormt.

4°. Streep culturen: Groeien langs de geheele streep vlakte veelal als een rij kleine kolonies, die soms als een parelsnoer naast elkander liggen, soms als een beslag, dat zich meestal tot 3 a 4 millimeter breedte uitspreidt en wallen vormt.

vrine-ayar (Finger e.a.), 1°. Platen (u i ts t r ij k plat en): Groeien binnen 24 uren bij 35—370 C.

aikaiische^vfcesciibouü- met' een w't ^at son:is tot een smal lintvormige streep uitgroeit en

ion, 1 proc. pepton, 2 proc. soms een vrij groot aantal kleine ronde kolonies vormt. Worden de

agar-agar; 2 doelen; ver-

sche urine: 1 deel. strepen met een platina haakje gemaakt, dat met zijn punt door den agar snijdt, dan ontwikkelen ze zich ook in deze spleet of groeve tot witte kolonies.

2°. Steekculturen: Groeien langs het geheele steekkanaal en breiden zich aan de oppervlakte soms ver van de entingsplaats uit.

3°. Streepculturen: Idem als bij de uitstrijkplaten.

ocr page 23

15

Groeien tamelijk vlug en vormen een vrij dik vlies aan de oppervlakte.

Groeien in 36 uren bij 35° C. langs het streepkanaal en breiden zich de volgende dagen tot een 5 a 7 m.m. breed wit beslag uit.

Snelle ontwikkeling in 24 uur bij 35—37° C. zonder vlies-vorming.

Vormen een wit bezinksel, de bouillon zelf blijft helder.quot;1)

Op menschenbloedserum (Bumm), bij 30—34° C, een zeer dun, dikwijls nauwelijks zichtbaar, bij opvallend licht grijsgeel beslag met een vochtige, gladde oppervlakte, en scherpe niet vervloeiende randen. Er komen overal spitse uitwassen, zoodat de cultuur met hare scherpe randen het voorkomen krijgt van een bergplateau of van een eiland met steilajloopende wanden.

Plaatcultuur op bloedserum, waaraan agar-agar is toegevoegd (Wertiieim); kolonies, na 3 dagen, met korrelige oppervlakte, als braambessen.

Gecoücjuleerd konijnen-bloedserum (Christmas) is een eledieve voedingsbodem; na 18 uur zijn bijna alleen de gonococcen opgekomen; dan moeten zij worden overgeënt.

Aëroob.

Groeien bij 24—37° C.

Geen groei op gelatine.

„Gram2: ontkleurt*

Het kleuren van (jonocoecen in uitvloeiing, of in de „dradenquot; bij (jon. slijmvliesontstekinfj:

Carbolgentiaanviolet, daarna methode van „Gramquot; toepassen en na-kleuren met fuchsine; de pyogene coccen zijn dan violet gekleurd, de gonococcen rood.

Voor de enkelvoudige kleuring van gonococcen is Kühne's methyl een blauw een geschikte kleurstof; de gonococcen worden sterker gekleurd dan het protoplasma der cellen, waarin zij liggen.

Bij inspuiting van Gonococcen-culturen in de urethra kunnen menschen wel, dieren geen gonorrhoe krijgen.

Peyton-urine.

Op aardappelen.

In zure bouillon (Turro).

In Löffler's houü-lon.

Op mensshenbloed-serxom: (Eisenberg1 1891).

I V. Verhouding tot lucht.

V. Temperatuur.

VI. Verhouding tot gelatine.

VII. Verhouding tot kleurstoffen.

VIII. Die rpruvj.

1

Ontleend aan A. N. van Pkawï. Ovei' de Aetiologie en 1'atliogenese van don zoog. rheumatismus gonorrhoicus. Akad. proofschrift Amsterdam 16 Nov. 1894.

2

Zie ook Cehtralbl. f. Bact. u. Parasitenkunde Dd. 16, 2 Juli 18SJ4; l inger: Archiv. 1. Uenaatol. und Syphü. Bd. 28.

ocr page 24

1Ü

J$adffu5 fcpvae. (Amauer Hansen). ')

I. Vorm en sporen- Dun, eenigszins gebogen staafje, gelijkende op den tuberkelbacil, vorming. maar ecu weinig kleiner; soms korrelig.

In de lepreuse nieuwvormingen liggen de bacillen zoowel ingesloten, in de z. g. lep ra cellen (in vacuolen), als buiten de cellen, in de lymphvaten. Ook in de vloeistof, die men uit lepraknobbels persen kan, zijn zij microscopisch aan te toonen.

In het bloed van den lepralijder zouden de bacillen slechts tijdens de t ij d p er k en van t e m p e r a t u u r s v er h oo g i n g te constateeren zijn. Waar vele bacillen samenliggen, wordt een soort „kapselquot; gevormd. Echte sporen schijnen zij niet te vormen. Prof. Spkoxck heeft een gemodificeerd leprabacillenras kunstmatig kunnen cultiveeren: de bacillen zijn in het algemeen iets groot er (langer en dikker) dan leprabacillen, worden na voorafgegane, sterke tinctie met anilineolie- oi Carbolfuchsine door salpeterzuur (25 proc.) sneller ontkleurd, er worden door inwerking van F lemming's vloeistof niet zwart gekleurd. Het bloedserum van lepralijders oefent op deze bacillen een specifiek agglutineerende werking uit.

li. Bewegelijkheid. Geen eigen beweging.

ill. Groei op verschil- mieeii op geneutraliseerde glijcerineaardappclen kunnen uit lepreus weefsel \jodcuiTedinCJS' kolonies verkregen worden: de kolonies zijn eerst na 10 dagen (38° C.)

voor het bloote oog zichtbaar, van de grootte van een glomerulus, lichtgeel van kleur, als satellieten rondom weefselstukjes gegroepeerd, bij de uitzaaiing op de aardappelen gedeponeerd.

De kolonies kunnen worden overgeplant, o. a. op Löffler's gestold

paardensei'Um, maar nld op anrdaiiiicien („de bacillen ontleenen aanvankelijk de voor hun groei benoodigde voodingsstolTen aan het uitgezaaide, lepreuse weefsel; toch schijnt het kweekbed niet geheel indifferent, want alleen op geneutraliseerde glycerine-aardappelen gelukte het tot dusver kleine kolonies te verkrijgenquot;).

Bij overplanting op Löffleu's gestold paar den-serum, 37° C.; iicht-c i t. r o e n g e 1 e culturen.

1) Zie: de cultuur van den bacil van Hansen en do sero-diagnostiek van Lüphadoor C. H. U.Spronck; Weekblad van het Ned. T. v. G. 1 Oct, ISDS no. ii.

ocr page 25

17

Op agar: Kleur loo ze culturen, die talrijke vertakte ui Hoopers vertoonen en vaak sterker lichtbrekende klompjes bevatten, herinnerende aan die van cholerakolouies in gelatine.

In vischbouillon (tarbot-; k ab el j au w -b o uill o n) en in gistdecod (als voor de bereiding van diphtheriegif): slijmerig bacillenbezinksel, dat aan de wanden van de cultuurtlesscben kleeft.

In vleeschbouillon: zwakke of geen vermenigvuldiging der bacillen.

Gelatine, bij 25—26° C.: ontwikkeling merkbaar op en in de gelatine; bij 37° O. groeien de bacillen in gelatine vrij krachtig.

Glycerine (5 proc.) en glucose (1—2 proc.) bevorderen den groei in geringe mate.

IV, Verhouding tot lucht.

V. Temperatuur.

Groeien aërobe en anaërobe.

Optimum: 37° C.

VI. Verhouding tot gelatine.

Geen vervloeiing.

„Gramquot;: positief.

VII. Verhouding tot Ideurstojfen.

■

VIII. Dierproef.

Kleuring als de tuberkelbacil; worden bij toepassing van de methode van KoCH-EhRLICH uncller ..............

Schijnen voor dieren niet pathogeen te zijn; de door Prof. Spronck gekweekte bacillen zijn voor cavia, konijn, muis, kat en duif onschadelij k.

ocr page 26

IS

pSttCifflts maffci. (Löffler-Schütz).

r. Voi-m en Sporen- Slank staafje, soms iets gebogen, ongeveer zoo groot als, maar dikker vorming. dan de tuberkelbacil, met verdikte uiteinden. Vertoont vaak afwis

selend donkere en lichtere gedeelten. Het is niet met zekerheid bekend, of liij sporen vormt.

Is moeielijk te kweeken uit het neusslijm van het aan kwade droes lijdende dier, komt daarentegen nagenoeg in reincultuur voor in de geïnfiltreerde halslymphklieren.

TT. Bewegelijkheid. Geen eigen beweging.

ITT. Groei op voedings- Zeer Schrale groei op gelatine (beneden 22—23o C. geen groei).

gelatine.

Idem.

Idem.

In slreepcullu-ren.

In sicekculiu- Idem. reu.

Op platen.

Op voedings- glycerine-agar.

agar.

In bouillon. Bouillon wordt zeel' troebel (malleine is een glycerine-extract uit zeer virulenle

bouillonculturen).

Op aanlappe- ^'ddppelcultuur van den droeshacil is typisch.

lci1' Bij enting van pus of klierpulpa vormt zich na ongeveer 2 dagen een

vochtige, slijmerige, glinsterende, eerst doorschijnende, honiggele, later ondoorschijnende, chocoladekleurige cultuur. Om de cultuur wordt

d e aardappel blauw groen! (Zie de aardappel-cultuur van bac. pyocyaneus).

Op andere voe- Glycerine-agar is de beste voedingsbodem; op platen: geelachtige, dingsbodems. vochtig-glinsterende, korrelige cultuur.

Facultatief anaëroob.

IV. Verhouding tot lucht.

V. Temperatuur. Minimum 22 — 25° C.; Optimum 37—38quot; C.; maximum 42° C.

Bij een vochtige warmte van 15—16° G. zijn de bacillen na 5 dager

ocr page 27

19

VI.

afgestorven; bij een vochtige warmte van 23° (J. zijn zij na 20 dagen nog virulent

Geringe vervloeiing.

„Gramquot;: ontkleurt,

Vooral in coupes moeielijk te kleuren, wordt gemakkelijk ontkleurd; bijtmiddelen zijn noodig om de kleurstof te doen pakken. Is o. a. te kleuren met een combinatie van gentiaanviolet en een gesatu-reerde oplossing van aniline-olie. Verder, met alk. methijleenblauwopl. ; methode van Löffj.er.

Verhouding tot gelatine.

VIL Verhouding tot kleurstoffen.

VIII. Dierproef. Mannelijke Cavia (Strauss).

In de buikholte van een mannelijke cavia wordt aardappelcultuur of pulpa van een lymphklier ingespoten; na 2 — 3 dagen wordt de huid van het scrotum rood en zijn de testikels gezwollen. Ongeveer op den 15lt;llt;!quot; dag sterft het dier en constateert men een heftige puru-lente ontsteking van de tunica vaginalis propria: de beide, bladen zijn door een purulent exsudaat met elkander verkleefd. In de pus vindt men de bacillen; ook zijn deze reeds vóór dat het dier sterft, namelijk, zoodra maar de orchitis te constateeren is, in het door punctie verkregen exsudaat microscopisch aan te toonen en daaruit te kweeken. Bij onzuiver entmateriaal kan het proefdier aan septicaemie en peritonitis bezwijken. Vrouwelijke caviae krijgen o. a. ulceraties aan de labia majora. Voorts worden in inwendige organen op tuberkels gelijkende, doorschijnende knobbeltjes gevonden.

De Ezel is zeer gevoelig voor de infectie, krijgt meestal acute malleus na bestrijking van gescarificeerde huidplekken met neusslijm. Vatbaar voor de infectie zijn verder: paarden, geiten en katten; schaap en hond minder; het varken biedt veel weerstand. Runderen schijnen immuun te zijn. Zeer virulent voor veldmuis, minder of niet voor de witte laboratorium-muis. Vogels zijn onvatbaar; de duif is onvolkomen immuun.

Malleine als onderkenning smiddel bij kwade droes'. Spuit men bij paarden, die aan kwaden droes lijden, malleine in, dan ontstaat: a. een eigenaardige (?) temperatuursverhooging; b. zwelling ter plaatse van de injectie; c. algemeene ziekteverschijnselen (Nocard). Geen afdoend bewezen, betrouw-i baar diagnosticum.2)

Zie Veeartsenijk. bladen voor Ned. Indië. Deel 9. 1895; R. A. Plempeh van Balen: Proeven de tenaciteit van den kwaden-droesbacil te bepalen.

2) Idem. L. J. Hoogkamer: malleine.

ocr page 28

20

jBcicilTus. ocbewatiö mafigni. (Gaffky, Koch),

(Vibrio septicus. Pastkur).

T. Vorm en spot-en- Staafje, meestal zoo lang als de milt vuur bacil, maar dunner vonmmj. en me(- afgeronde uiteinden. Zij bezitten trilharen. Niet alleen in de

culturen, maar ook in het levende organisme vormen zij lange, dikwijls gekromde draden. Zij ontwikkelt zich na den dood in het bloed, niet bij

het leven. Vormt mcuslul iiiiililclNtniifligv Spurcu (evenals bac. aiitlnacis).

Culturen als bij den bacil van het boutvuur („Rauschbrandquot; oi „Charbon symptomatiquequot;)-bac. sarcophysematos; echter geen groei in eon atmospheer van lichtgas (Heim. 1898).

II. Bewegelijkheid. Hebben eigen beweging (bacillus anthracis niet)»

rn. Groei op voedlngs- Kweeking b ij afsluiting van zuurstof.

Aan de culturen op de gewone voedingsbodems neemt men stank waar.

Groei alleen in de diepere, O: vrije lagen, met vervloeiing van de gelatine en onder overvloedige gasontwikkeling (vooral bij toevoeging van reduceerende stoffen). Volgens Liborius geen gasont-wikkeling bij reinculturen.

Ronde kolonies, die er uitzien als glinsterende, met vocht gevulde kogeltjes.

Op platen.

Op voedings-agar.

In bouillon.

Op aardappe-

Ruime groei in bouillon, die eerst gelijkmatig troebel wordt; later ontstaat een wit neerslag en ontwikkeling van koolzuur en waterstof.

(Vergel. gaMiiitwikkclisig^ bij bacillus coli commune).

Druivensuiker-gelatine en druivensniker-agar zijn geschikte voedings-

len en andere , ,

ge'ati/ie.

In sleekcullu-ren.

voedingsbo- bcK,eills-dems.

IV. Verhoudinc/ tot lucht.

folxlrckt anavronli. (Hac. tctani is ooit anaiiroob, maar niet absoluut).

ocr page 29

21

V- Temperatuur. Groeit zoowel bij 16quot; O., als bij 37quot; O.

VI. Verhouding tot Vervloeiing.

gelatine.

VU. Verhouding tot Kleuring van de afscheiding der geïnfecteerde wond.

kleurstofreu. „Gramquot;: ontkleurt.

Is gemakkelijk met de gewone aniline-kleurstoffen te kleuren, o. :i met gentiaauviolet. Sporenkleuring volgens MOlluk.

VUL Dierproef. Cavia.

Subcutane injectie van oedeemvloeistof of bouilloncultuur in de dij van een cavia veroorzaakt na ongeveer 24—36 uur den dood. Bij de autopsie vindt men ter plaatse van de injectie een oedeem: ere pi-te er en de zwelling door een gashoudende, bloederige vloeistof. In deze vloeistof zijn de bacillen in groot aantal aanwezig: daarentegen vindt men bij een onmiddellijk na den dood verrichte autopsie i geen bacillen in het bloed en in de inwendige organen

Tuinaarde, waarin de bacillen dikwijls voorkomen, diep onder huid geschoven, veroorzaakt hetzelfde (Vecgei. bac. tctaui.)

IHetHet schaap is zeer gevoelig voor de infectie; daarop volgen; de hond, de cavia, de witte muis en het konijn. Ook pathogeen voor paarden, geiten, varkens, kippen, duiven en eenden.

|

|

ocr page 30

22

{Jottckn'htm pcstis. (Uersiu. Kitasato.)

I. Vorm en sporen- Zeer kort en dik staafje (cocco-bacil), als een cylnider met afgeronde vorminq. gt;, • , x • . ,

Ulleinden, (V'ergol. bac. coli commune on bat. typhi abd.) IS OVei'lgeilS polyiliorph. Bij

kleuring blijlt liet centrum ongekleurd. Vormt geen sporen.

Tn het bloed komen de bacillen slechts in zware gevallen voor; talrijk vindt men ze in de gezwollen lymphklieren.

II. bewegelijkheid.

Geen eigen beweging.

111. Groei op voedings gelatine.

Ju slreepcultu-ren.

In sirekcultii-reu.

Op platen.

Lichtgeel, droog beslag.

Fijnkorrelige, bruine kolonies.

Op voedings- Op agarplaten ontstaan na 24 uur, kolonies als dauwdroppels, na

48 uur als grijswitte knopjes, met gekleurde randen.

In bouillon Bouillon blijft helder, met een v 1 o k k ig b e z i n k S e 1 (evenals liij streptococcus

pyogenes!) Volgens Gladin1) alleen als de bouillon alkalisch gemaakt is met Na2 C O3; in bouillon Na O H: vliesje en diffuse troebeling. Gee» indolreactie, (Vergei. bac. typhi abd.)

Op aardappelen.

Op andere voe-dimjs'iodems.

Niet-typische cultuur; bij 37° 0. een grijswit beslag.

Glycerine-agar en bloedserum zijn geschikte voedingsbodems. In suikerhoudende media geen gasvorming.

Melk: geringe groei; coiigulatie. (?)

JV. Verhouding tot lucht

Ttëroob*

Optimum 37° G., groeit ook bij kamertemp. (14 24 G.)

V. Temperatuur.

lgt; ülaüin'j Rel', van Diss, in Ceiitralbl. f. iJact. Btl, 28 Oct. 1898.

ocr page 31

Geen vervloeiing.

„Gram.1: ontkleurt.

Is traai te kleuren met methyleenblauw; c e n t r u m blijft o n g e k 1 e u r d

(poolkleurhuj.)

Baf: wordt door inoculatie met. cultuur, of met pulpa van bubones, in 40—60 uur gedood. Bij de obductie vindt, men ter plaatse van de injectie oedeem; verder zwelling van de regio na ire lymphklieren, V e r g r o o t i n g van de milt en van de lever. In de vergroote milt zijn vaak op tuberkels gelijkende knobbeltjes aangetroffen. Verder zijn haemorrhagieën in den buikwand, hyperaemie van den darm, van de nieren en bijnieren waargenomen. In deze organen ((Mi in het bloed zelfs tijrleas het leven, kost vóóaiat het dier sterft) zijn talrijke pestbacillen aanwezig. Cavia en konijn zijn minder gevoelig dan de rat. Ook de grijze aap (seninopithecus entellus) is zeer vatbaar voor infectie; de bruine aap (Alakake Alacacus radiatus) minder. Pestbacillen zijn gevonden bij vliegen en vlooien van ratten.

vi. y 'crhondiny lot gelatine.

Vil. Verhouding lot kleurstoffen.

VIll. Dierproef.

ocr page 32

24

jBactffus pneumoniae. (Fviedliinder).

1. Vorm,

Ovale bacil, gewoonlijk paarsgewijze naast elkander liggende (diplo-bacillus) en meestal omgeven door een „kapsel.quot; Polymorph, soms tot kelens verhonden (gonococcmi mot).

In de ciilluren geen kapsel.

II. Bcwecidijkhcid.

Geen eigen beweging.

[II. Groei op vocdinrjs- Gloeit op gelatine goed [on b ehonilt daarop veul langer zijn virnliMitie dan de diiilococcus

gelatine. pneumoniae (Fii,\i-:.Mii:U|.

In streepcul-tureii.

In steckcultu-rcn.

De steek cult uur in gelatine heeft een fi/pisrhe spijkervorm: aan de oppervlakte ontwikkelt zich een slijmerige, p or s ele i n ach t i ge, witgrijze en glinsterende cultuur in den vorm van een spijkerkop; langs het geheele steekkanaal; samenhangende, kleine, ronde wille korreltjes.

Op platen. Ronde kolonies, als porseleinachtige, glinsterende, kleine

k n o pj e s.

Op voed in ys- In streepcultuur op agar: melkwitte, porseleinachtige, slij-a'Jar' m e r i g e cultuur.

In bouillon. Bouillon wordt troebel; er vormt zich een vliesje op de wanden en

een slijmerig bezinksel.

Op aardap Dikke, gele, slijmerige laag en KnmMitwiiikciins. (wannoer de tomp. hoog genoeg is);

pelen. de diplococcus pneumffliao groeit op aardappel niet sterk.

Op andere voe- Brengt in druivensuikerhoudende media gisting teweeg. Proef met diwjsbodems. ij 0 u j [ i 0 n plus lactose en c ar b o nas cal cis.

Melk: niet gecoiiguleerd.

ocr page 33

On

IV. Verhouding tot luc.ht.

Facultatief aëroob.

V. Temperatuur. Groeit zoowel bij gewone kamert., als bij 37° O.

Geen vervloeiing, (ook niet door diplococcus pnoutnoniae).

„Gram,quot; onlklcnrt (Dipbcoccus pnenmoniae, ,,Giamquot;: positiof).

Kapsellcleuring volgens de methoden van Friedlander en Ribbert.

Rnf. wordt door subcutane injectie met een versche bouilloncultmir gedood door septicaemie; in het bloed zijn de kapselcoccen talrijk aanwezig. Locaal oedeem (zeer slijmerige vloeistof) en groote milt.

Het konijn biedt veel meer weerstand aan de infectie met bacillus pneumoniae dan aan die met diplococcus pneumoniae, is echter niet

onvatbaar, (konijn infecteeren voor de dillerentieel-diagnostiek).

VI. Verhouding tot gelatine.

VII. Verhouding tot kleurstoffen.

Til, Dierproef.

\

■

tl

ocr page 34

20

jJScickmun pi)oci)ancum. (Gessard).

I. Vorm ensporenvar- Kort staafje, voorzien van een trilhaar.

Inquot;lt;a' Polymorph, groeit in de culturen o. a. uit tot korte ketens.

Secerneert verschillende kleurstoven, o. a. pyo cyan ine en een fluo-rescee rende, groene kleurstof. Maar van den voedingsbodem hangt het af, welke kleurstof geproduceerd zal worden; door n.1. den voedingsbodem te wijzigen, kan men verschillende rassen kweeken. Verliest in het levende organisme zijn kleurstof-afscheidende eigenschappen, komt waarschijnlijk meer voor, dan men vroeger gemeend heelt.

Vormt geen Sporen en heeft iveiniy weerstandsvej'mogen

(verscliil met stapliylococcus pyogenes aureus).

Zie; de bact. cyanogenes van de blauwe melk.

11. Bewegelijkheid. Vlugge eigen beweging.

UI. Groei. Het karakteristieke van de culturen van bact. pyocyaneum is de

groene of blauwgroene verkkuriny van den voedingsbodem door de afgescheiden kleurstof, die in den voedingsbodem diffundeert; de culturen zelf zijn meestal niet groen (vwschii mot biM protiigiusum).

Vaak bezitten zij een •«crnloiilc lurlit (vwgol. im^t bac. coli connnnnis).

Anlayonisnie tusschen bacillus pyocyanens en bac. an t lira cis; hij belet den miltvuurbacil te groeien.

Op voedingsgeJntine.

instreepcuUuren. Vervloeiing van de gelatine, onder afscheiding van een groene kleurstof.

Insteekcuhuren. Na ongev. 2 dagen kolonies, die een witte streep vormen . gewoonlijk is reeds den 3'11quot; dag vervloeiing van de bovenste lagen der gelatine waar te nemen, als een champagneglas (zie.-vibrio ciioierue asiaticiie).

Op platen. Xa 2 dagen ongev.: geelachtige, korrelige kolonies, die later ver

vloeien ; de gelatine krijgt een groene tint.

Op voeclingsafietr. Ruime groei op agar: vuilwitte cultuur; de agar zelf krijgt een groene tint.

ocr page 35

In bouillon. De bouillon wordt zeer troebel, fraai groen van kleur; in

oude culturen verandert de pyocj'anine in pyoxanlhose en wordt de bouillon bruin gekl eurd.

De bouilloncultuur vertoont de karakteristieke 'pyociianine-reactie: „ammonia toevoegen en met chloroform schudden, dan lost de pyocyanine met een hemelsblauwe kleur in de chloroform op. Vervolgens (door zwavelzuur of zoutzuur) aangezuurd water toevoegen: de blauwe kleur verandert in een roode. Met ammonia keert de blauwe kleur weer terug.quot;

Op aardappe- Ruime groei op aardappel, cultuur van verschillende kleur, vaak

hfuin, (zie lie Aai'flaiiiicIcnlUuir- van bar. inallei;.

Op andere voe- Melk', gecoiiguleerd en gepeptoniseerd.

duujbbodems. Helder gestold eiivit v): geschikte voedingsbodem.

[V. f erhcnidilig tot Facultatief anaëroob (kan wol zoiulcr O leven, maai' vervaardigt dan geen IdeurstoC). lacht.

V. Temperatuur. Groeit zoowel bij 16° C. als bij 37° C.

VI. Verhouding tot Vervloeiing.

gelatine.

Vif. Verhouding tot „Gram'quot;-, ontkleurt; ook positief.

hieurstoff'en.

VUL Dierproef. Cavia en konijn worden bij wtraveneuse injectie met de cultuur gedood

door septicaemie; dikwijls nephritis.

1) Zie: Verslag van hol l.ahor. te Weltevreden 1888. j)r. C. Khkmax en van Ekckk

ocr page 36

28

g)fapl)i)fococcu5 pijocicncs. (Rosenbach)

I. Vorm; ienadteit. Tn druiventrosvorwige groepjes bij elkander liggende coccen; ook geïso

leerd en als diplococcen.

Variëteiten; au reus, al bus en ci trens.

Het weerstandsvermogen tegen schadelijke invloeden is groot (gescliikthokl

van staphylococcus pyogenes aureus voor ilosirifectieproeven).

II. Bewegelijkheid. Geen eigen beweging.

ril. Groei op voedings- Vormt een dikke streep, die een naar de variëteit verschillende kleur bezit: goudgeel, wit of stroogeel.

In streepriillu-re n.

Jn steekcullu- In de gelatine wordt langzamerhand een kegelvormige vervloeiing teweeg-

rcn- gebracht; in de punt van den kegel verzamelt zich een geelwitte neerslag

van COCCen (Vprgol. de napvormUje vervlooiïng van vil)rii) cholerae asiaticae).

Op platen. Kleine, witte (of stroogele, of goudgele) korrelige kolonies,

die zuiver rond zijn en waaromheen zich langzamerhand een rond vijvertje van volkomen heldere, vervloeide gelatine vormt.

agar.

Ojgt; voedings- Welige groei op agar, tot een dikke cultuur, die (naar de variëteit)

oranje, wit of citroengeel van kleur is en een vetachtige glans als olieverf bezit.

In baai lion. Re bouillon wordt zeer troebel; aan de oppervlakte van het cul

tuurbuisje vormt zich een vliesje, langs de wanden een samenhangende neerslag.

Op nardappe- Een krachtige groei op aardappel, de cultuur is dik en bezit een naar de variëteit verschillende kleur.

ocr page 37

29

Op andere voe- Op Löffler's serum langzamer groei dan bac. diphtheriae.

Melk: gecoiiguleerd.

IV. Verhouding iot Facultatief anaëroob (Dn aureus prnrtuoeert lilourstnf alleen bij aanwezigheul van zuurstof),

lucht.

V. Temperatuur. «roei mugcnjk bü inge («miu: minimum 6° C.; optimum van 34—38° G.

maximum 44° C.

VI. Verhouding lot Meestal langzame, typische vervloeiing (staphylococcus cereus albus cn flavus

gelatine. maken gelatine niet vloeibaar, vormen op gelatine kolonies als wasdruppeïs).

VII. Verhouding tot „GrCtmquot; : positief. (Gonococcus; ontkleurtquot;),

kleurstoffen. Kleuren van pis, exsudaal: gentiaanviolet, of Löffleb's methyleenblauw,

gevolgd door „Gram.quot;

VIII. Dierproef. In het algemeen, voor dieren minder pathogeen; het konijn is het

gevoeligste proefdier.

Konijn: In de rand vena van het oor worden 2—10 droppels eener bouilloncultuur, die zich gedurende 24—48 uur bij 37° C. ontwikkeld heeft, geïnjicieerd. Na ongeveer 8 dagen treedt de exitus in. Obductie levert het volgende op: kleine abscessen in de nieren, de spieren, het myocard.

Bij een jong konijn is bovendien soms een acute osteomyelitis e p i p h y s a r i a te constateeren.

Succombeert het dier eerder, dan vindt men gewoonlijk alleen hyperaemie der inwendige organen. Uit het hartbloed, o. a., kunnen reinculturen van staphylococcen worden gekweekt.

Staphylococcus cereus albus eu flavus zijn niet pathogeen.

dimjsbodems.

ocr page 38

30

gtfrqjfococcus pyogenes cr^sipd'atis. (Fehleisen).

I. Vorm.

In rijen (parelsnoervormig) achter elkander liggende coccen, Korte en lange ketens.

Verschilt zeer waarschijnlijk van de gewone streptococcus pyogenes alleen door de virulentie, die evenwel wisselvallig is.

[I. Bewegelijkheid,

II. Groei op voedings-gelatine.

In streepcul-turen.

Geen eigen beweging.

Groeit slechts matiy op gelatine als kleine, ronde, afzonderlijk liggende kolonies aan weerszijden van de gemaakte streep, die later tot een band met geschulpte randen samengroeien, zoodat het geheel er dan uitziet als een varenblad (Fehleisen).

In steekcultu- De steekcultuur bestaat uit kleine, ronde, afzonderlijk liggende reu- kolonies.

Op pluten. Er ontstaan zeer kleine, witte, korrelige kolonies, die de gelatine

niet vloeibaar maken.

Op voedings-agar.

Er ontwikkelt zich een uit afzonderlijk liggende kleine kolonies bestaande cultuur, als Jijne 'puntjes.

In bouillon. Bouillon is een uitstekende voedingsbodem; blijft echter meestal

helder, maar vlokjes, bestaande uit in elkander gevlochten fijne draden, verzamelen zich op den bodem van het cultuurbuisje. (Zie de bouilloncMilUiur van den Pest-bacil).

Op uardap- Schrale, niet karakteristieke groei op aardappel, slechts een aanwijzing

pelen. van ggj, cultuur.

Op andere voe- LÖFFI.EIl's Sei'Um is een geschikte voedingsbodem (maar de groei is todgt; dingsbodems. m(,estai langzamer dan bijv. van bac. diphtlieriae).

Melk: gecoaguleerd,

ocr page 39

31

IV Verhouding lot lucht.

Facultatief anaëroob.

Optimum 30—37° C.

V. Temperatuur

VI. Verhouding tot gelatine.

Meestal geen vervloeiing. (Staphylococcuc pyogenes aureus: veroloe.iïiig).

Exsudaat, verkregen door incisie aan den rand der ontstoken plaats, onderzoeken.

vGrCl)llquot;: positief. (Gouoeocciis, „Gramquot;: ontkleurt).

Is te kleuren met de gebruikelijke aniline-kleurstoffen; o. a. mei Löffler's methyleenblamv.

/III. Dierproef,

Uit een bouilloncultuur, die zich gedurende 24 uur bij 37H C. heel t ontwikkeld, wordt 0,1—0,2 c.M3 van het bezinksel sub cut a an in het oor geïnjicieerd.

Na pl. m. 48 uur is liet, geïnfecteerde oor sterk ontstoken (semise, vervolgens puruiente ontsteking): rood, dik, hangend oor met lymphangitis.

Is de cultuur virulenter, (o. a., na passage van konijn op konijn), dan sterft het dier eerder, aan septicaemie; bij de obductie vindt men algemeene hyperaemie der inwendige organen, — soms pyaemie, (nier-abscessen, osteomyelitis enz.). Uit het hartbloed worden bij enting reinculturen verkregen.

Volgens Heixi is de vatbaarheid van het konijn onzeker en is de witte muis het beste proefdier (intraperitoneale of subcutane injectie).

Cavia is nagenoeg onvatbaar (dit IS van groote waanle vonr het aantoonen van tuberkelbacillen in sputum of van Kwadedroeshacillen in neusslijm door de dierproef).

VII. Verhouding tot kleurstoffen.

ocr page 40

32

quot;^aciü'uö lctani (Nicolaier.)

'l. Vorm en sporen- Slank, b o r s t e 1 i g-s t ij f staafje, gemiddelds—5 micron lang. Meestal vorming. ontwikkelt zich aan één uiteinde een endogene spore, zoodat de

bacil dan gelijkt op een speld of een muzieknoot.

Groeit in de culturen dikwijls uit tot draden.

I

II. Bewegelijkheid, Geringe bewegelijkheid, die bij aanwezigheid van zuurstof ophoudt,

1 De sporenhoudende bacillen zijn onbewegelijk.

lil. Groei op voedings- Reincultuur volgens de methode van Kitasato.

gelatine. Groeit op alle gebruikelijke voedingsbodems, waaraan druivensuikey

In streepcultu- , . , . , • ,

(2 proc.) is toegevoegd en bij afsluiting van de dampkringslucht,

Aan de culturen is een eigenaardige onaangename lucht van gebrande

hoorn waar te nemen.

In steekcultu- Na een week is alleen in het onderste deel van het steek-rtn- kanaal groei te constateeren, als een grijswitte streep, waarvan dikwijls

tal van kleine uitloopers uitgaan, gelijkende op een dennenboom, of op een

lainpeglas-borsteltje (evenals de cultuur van bac. anthracis).

De gelatine wordt vervloeid.

Op platen, Bij kamertemp. ontstaan op den 5di;n dag kleine kolonies, die uit

een geel centrum bestaan, met straalsgewijs verloopende, vedervormige uitloopertjes en er dus als distels uitzien.

Op voedings- De steekcultuur gelijkt op die in gelatine.

agar.

In bouillon. De bouillon wordt troebel.

Op aardappe- Vormt slechts een dun, bijna onzichtbaar, vochtig beslag (oven-

len- als de li/pliiisbacil-VMt.i.Aiiü en Vincent).

ocr page 41

33

Op andere voe- In druivensuiker-houdende bouillon vindt bij 37u O. krachtige groei diugsbodems. piaatS) onder overvloedige gaMuiitwikkciing

De bouillon wordt troebel; later helder, met een grijswitten neerslag.

Druivensuiker-gelatinv, plaatcultuur: kolonies als distels.

Melk is een goede voedingsbodem, maar wordt niet gecoüguleerd.

IV. Verhouding tot lucht.

V. 2'emperataur,

Anaëroob (lllet clbSOlUUt.)

Groeit niet beneden een temp. van 14—-160 C; de sporen verdragen

een verhitting tot 80 UG. (op dezo eigmschap is do tnethoile cour l eincitliuur van Kitasatu gebaseerd).

VI. Verhouding tot gelatine.

Vil Verhouding tot kleurstoffen.

Langzame vervloeiing.

Pus uit de wond kleuren.

„Gramquot;: positief.

Gemakkelijk te kleuren met de gewone aniline-kleurstoffen.

VIII. Dierproef. Cavia.

Cultuur, wondsecreet, aarde of een splinter uit de wond wordt in de dij subtucaan ingebracht. Na 24—48 uur sterft het dier, onder de typische verschijnselen van tetanus; in de inwendige organen geen tetanusbacillen en ook niet in het bloed, dat echter specifiek giftig is, Na de Cavia is de muis het gevoeligste proefdier (typisch ziektebeeld, karakteristieke houding, met uitgestrekte pooten, als van een zeehond); vatbaar voor infectie zijn verder geiten, schapen, paarden, varkens, honden en katten; bijna immuun zijn duiven, terwijl kippen geheel immuun zijn.

De cavia is zeer veel gevoeliger dan het konijn.

ocr page 42

34

^aciffuö htbcxxxtfooio. (Koch).

Dun, eenigszins gebogen staafje, gemiddeld 3—4 micron lang, in de culturen in groepjes, als een gedraaide snor. Vaak vertoont de gekleurde bacil donkerder en ongekleurde gedeelten (vacuolen; valsclie sporen ?) en doet zich dan voor als een keten van coccen (coccothrixvorm. Unna.); daarentegen wordt de smegmabacil, die er veel op gelijkt, homogeen gekleurd. Ook de leprabacil gelijkt op den tuberkelbacil; komt in de organen evenwel talrijker en in groepen, als pakjes sigaren voor.

Tuberkelbacillen zijn vet houd end; een cultuur wordt door Flemming's vloeistof zwart gekleurd (de loprabacillen van Sigt;ri).nck: bruin).

ir. Bewegelijkheid. Geen eigen beweging.

III. Groei op verschillen- Op de gewone voedingsbodems is de tuberkelbacil moeielijk te de voedingsbodems. kWeeken; wel groeit hij goed op bloedserum, glycerine-agar, glycerine-bouillon en glycerine-aardappel. Uit sputum is hij moeielijk direct te kweeken, omdat hij langzaam groeit en dus door kolonies van andere bacteriën overwoekerd wordt. Men gaat daartoe aldus te werk: van een (met tuberkelbacillen-houdende sputa) geïnfecteerde cavia wordt een stukje van de (tuberkels-bevattende) milt aan de oppervlakte van gecoagu-leerd bloedserum gebracht. Pas na ongeveer 14 dagen vormen zich om dat stukje kolonies in den vorm van kleine, g r ij z e, droge velletjes; na 4—6 weken wordt hiervan overgeënt op serum en van de 5'lu serumgeneratie ent men glycerine-houdende voedingsbodems in.

Kalfsvleeschbrndllon met 6 proc. glycerine', blijft helder, maar over de oppervlakte vormt zich een dik, droog vlies (actinomyces, bouillon blijft

helder, met kolonies als iJoorschijiieiulo korrels).

Op glycerine-agar, d. i. agar, waaraan 6—7 proc. glycerine is toe gevoegd, vormt zich een droog, g r ij s beslag.

I. Vorm en Sporen-vorming.

Op glycerine-aardappel (5 proc. glycerine, 0,6 proc. keukenzout) ontwikkelt zich een dikke, Wrat ach tige CUltUUr (zie de cultmn- van inc. leprae)

In steekculturen: groei slechts aan de oppervlakte.

ocr page 43

35

IV. Verhouding tot lucht.

Aëroob*

Minimum 2 8 — 2 90 C.; optimum 37—38° 0.; maximum 410 (1

Brengt geen vervloeiing teweeg.

„Gramquot;: positief, (bac. leprae ook).

Bijzondere kleur methoden zijn noodig om den bacil te kleuren,

(ilezelftle metlioilen als voor leprabaoillon, die echter sneller ontkleurd worden) die hierop 1)6-

rusten, dat tbcbacillen de kleurstof door hun vetgehalte moeielijk opnemen, maar ééns gekleurd, de kleurstof vasthouden, en deze zelfs bij inwerking van verdunde zuren niet meer loslaten.

Het kleuren van tuberkelbacillen in sputa; 1) op dekglas drogen enz.; 2) Ziehl's carbolfuchsine daarop droppelen, verwarmen tot dampen opstijgen, afgieten, 2 maal herbalen; 3) in water afspoelen; 4) in acid nitricumopl. (1 op 2 water), ongeveer 3U min.; 5) in water afspoelen; 6) Küiine's blauw — ongeveer 2 minuten; 7) in water afspoelen, drogen tusschen filtreerpapier, Canadabalsem.

Kleuring van tuberkelbacillen in coupes: 1) paraftinesnede brengen in benzine, ongev. 5 minuten, daarna in alcohol 96 proc., 2 min., in water, 2 min.; 2) in Ziehi.'s carbolfucbsine, 25—60 min. (in de broedstoof); 3) in water afspoelen; 4) in waterige opl. van hydrocbloras anilini 1:500, .6 seconden; 5) in alcohol 96 proc. tot het praep. bleek ziet; 6) in water afspoelen; 7) Küiine's blauw ongeveer 3 min.; 8) water; daarna alcohol absol. en Canadabalsem.

Onderzoek van urine op tuberkelbacillen: de urine „per catheterquot; ontlasten (smegmabacillen), centrifugeer en en van het bezinksel dekglas-praeparaten maken

111. Dierproef.

Cavia is zeer gevoelig; (denken aan de mogelijklieid, dat het dior reeds vóór de proet tuberculeus is); orgaanstukje (milt bijv., zie hiervoren) met bouillon tot een emulsie fijnwrijven en hiervan ongeveer 0,2 c.M3 onder de huid aan de binnenvlakte der dij inspuiten.

Op de plaats van injectie ontstaat een ulcus, na 12—14 dagen is zwelling van lymphklieren in de lies waar te nemen; na 6 weken—2 maanden dood aan algemeene tuberculose.

Het konijn: is veel minder gevoelig, kan dus dienen om den virulentie-graad te bepalen; „animal de prognostic.quot;

V. Temperatuur.

quot;VI. Verhouding tot lielatine.

quot;VU. Verhouding tot kleurstoffen.

ocr page 44

^SaciffUö aöbotltinafis. (Eberth; Gaffky),

Kort, dik staafje, in het midden breeder, met afgerond'e uit

6 i ïl (1 6 11J ZC6r polymorph. (De vorm komt ovorccn mot dinn van bac. coli commune en o. a. ook met den gele-koortsbacil van SANiVUKU.i). bCZittCll clclll 111X11116 Ilit6ill(l011 611 ONG.l

hunne lengte trilharen.

Sporenvorming niet zeker bewezen (de typhusbacil zonder sporen bezit een zeer groot weerstandsvermogen tegen uitdrogen.

Hebben een levendige beweging door ciliën.

II, Bewegelijkheid.

[TI. Groei op voe,dings-gelatine.

In sireepcultu-ren.

In stec.kcultu-

Oy platen.

Op voedings-agar.

Groeit langzaam, vormt vaak slechts een dun beslag.

Groeit niet alleen langs den steek, maar ook aan d c oppervlakte rondom de entplaats, alwaar hij een dun doorschijnend laagje, of soms een dikkere, ondoorschijnende cultuur vormt.

De gelatineplaten vertoonen aan de oppervlakte, na 4 dagen bij 22° G. in de broedstoof gestaan te hebben, gewoonlijk een aantal kleine, ongev. speldeknopgroote, doorschijnende vlekjes, glanzend als panrlemorr, met onregelmatig ingesneden randen, geaccidenteerde oppeivlakte en een blauwachtige tint, gelijkende op „ijsbergenquot; (de kolonies van bact. coli commune zijn dan grooter).

In de diepere lagen der gelatine komen de kolonies maar weinig tot ontwikkeling.

Gewoonlijk is de groei van den typhusbacil op gewone agar-agar schraler dan die van bacterium coli commune.

I. Vorm en spovcn-vorming.

Maakt bouillon troebel »), later ontstaat een grijs sediment. (• met

een

hi bouillon.

Op aardappelen.

droppel bloed uit de milt enten).

Maakt op aardappel gewoonlijk slechts schr ale, bij n a onzi ch t-bare, eenigszins vochtige, glinsterende culturen, die de kleur van den aardappel meestal niet veranderen. (Zie do aaiYiappdcA.it.u.r va,,tetani).

i) Zie: Cu. 11. Au Conr.N'. De typhusbacil. Akad. Proefschrift. Groningen. 25 Januari 1888.

ocr page 45

37

Op andere voe- Op qhicerine-aqar ontwikkelt zich na eenige dagen een tamelijk dikke, dingsbodems. witte culhmr-

In bouillon plus een mengsel van (gelijke deelen) lactose en krijt: geen gasproductie (vergel. bac. coli ('.011111111110).

Melk nooit gecoaguleerd (bacillus coli conumme: meestal wel).

Facultatief anaëroob.

Groeit het krachtigst bij een temp. van 25—35° G. Moven «i© 450 c.

geen groei.

Maakt gelatine niet vloeibaar. (Coli ook met; protens vulgaris wei).

„Gram': ontkleurt.

Meestal moe iel ijk er te kleuren met de gebruikelijke aniline-kleurstoffen dan de meeste andere soorten. Kleurt goed door langdurige inwerking, (tot 24 uur), van Zieiii/s carbolfuchsine en Löffler's methy-leenblauwopl. of volgens de methode van NlCOLLE (tannineoplossing om het me-

thyleenblauw op de praeparaten te fixeeren en onoplosbaar in alcohol te maken; dubbelldeuring met tannine-eosine-solutie).

Cavia en muis.

De resultaten der infectieproeven zijn onstandvastig. Cavia en muis kunnen gedood worden dooreen vorm van septicaemie. Bij de obductie zijn wel eens de kenmerkende pat hol. anatom. afwijkingen (miltvergrooting, zwelling van de solitaire follikels en van de Peyersche plaques) en typhus-bacillen, o.a. in de milt, gevonden.

Het konijn biedt zeer veel weerstand aan de infectie.

Het bloedserum van lijders aan typhus abdominalis oefent een specifieke agglutineerende werking uit op een cultuur van typhusbacillen, die onbewegelijk, misvormd en aan elkander vastgekleefd worden. De te voren geïsoleerd liggende bacillen worden tot groepjes ver-eenigd, als de eilanden van een archipel. Het is wenschelijk voor de proef een jonge cultuur te nemen, daar in oude culturen de bacillen soms reeds tot groepen vereenigd kunnen zijn en midden uit het cultuurhuisje, niet van den bodem te nemen. Ten overvloede overtuige men zich vóóraf van de geïsoleerde ligging der bacillen. De reactie wordt dikwijls het eerst, waargenomen op den 5d'!n—8sten dag der ziekte, valt dus al in het begin der ziekte positief uit (bij uitzondering pas op den 1.5den—20steu dag); zij is negatief in het reconvalescentie-tijdperk (1—22 dagen na de apyrexie), berust dus niet op immuniteit.

IV. Verhouding tot lucht.

V. Temperatuur.

VI. Verhouding tot gelatine.

VII. Verhouding tot kleurstoffen.

VIII. Dierproef,

Agglutinatie-reactie. (Grüuek-Widal).

ocr page 46

38

$;Tafcu*ia-:pcu*aöidcn. (Laveran e. a.)

Haemosjjoridium malariae s. plasmodium malariae.

I. Vorm. Eencellige organismen, in het bloed van malanalijders parasitair-

levende protozoën, van verschillende grootte (1—10 micron).

Verschillende vormen: Groote en kleine vormen; de kleine parasieten zouden vooral voorkomen bij tropische malaria.

Verder: 1°. Homogene profoplasinaklonipjes, die amaehoïde bewegingen maken en dus van veranderlijke gedaante; met een relatief groote kern, die echter alleen in het gekleurde praeparaat duidelijk zichtbaar wordt: jonge parasieten.

2°. Ronde lichamen (corps sphériques), die niet bewegelijk zijn, gewoonlijk een pigmenthoudend protoplasma en een betrekkelijk kleine kern bezitten. Meestal zonder membraan.

Het pigment, waarschijnlijk een haemoglobinederivaat (malariapigment of melanlne), is geelbruin of zwart van kleur, fijn- of grofkorrelig, soms als kleine naalden (tot 1 micron) en vertoont dikwijls een eigenaardige, dansende beweging, die veel gelijkt op de Browx'sciie mo 1 e-culairbe weging.

3quot;. Ronde lichamen met zeer bewegelijke nitloopers of zweepdraden (flagella): zweepdraadcellen. In het bloedplasma komen ook vrije zweep-draden voor, blijkbaar van de ronde lichamen losgelaten, die ook een zeer levendige beweging kunnen vertoonen.

4°. Halvemaanvormige lichamen (corps en croissant), ongeveer 8—10 micron lang, in het, midden 2—3 micron dik, steeds pigm e n t houdend. Zij hebben een membraan (niet constant), een dubbele contour; maken geen amaeboïde bewegingen, maar kunnen langzamerhand van vorm veranderen : spoelvorming, ovaal en rond worden.

Het pigment is meestal in het centrum van het halvemaanvormige lichaampje opgehoopt en ligt dan stil, of het is onregelmatig verspreid en in beweging. Het lichaam van de parasiet schijnt op een restant van een r. bl. 1. te zitten.

5°. Ronde lichamen, ontstaan uit halvemaanvormige lichamen. Het pigment ligt hier meestal in kransvorm tegen de peripherie; zij vertoonen vaak een membraan (dubbele contour). Ook deze ronde lichamen kunnen uitloopers verkrijgen: de membraan barst dan open en rolt zich op tot

ocr page 47

39

een „mutsjequot;, dat op de parasiet blijft vastzitten, en waaraan zij van de eigenlijke corps sphériques te onderkennen zijn.

6°. Zegelringvormige lichaampjes: gesloten of geopend; zeer kleine lichaampjes.

7°. Sponilatievormen: lichamen met een eigenaardigen ro set-vorm, als een „madeliefjequot; (corps en rosace).

Het pigment ligt opgehoopt in het centrum, van waar stralen uitgaan naar de peripheric; segmenten (sporen) die daardoor ontstaan, geraken uit het openbarstende roode bloedlichaampje vrij in het bloedplasma, vormen zich tot jonge plasmodiën, welke later in roode bloedlichaampjes binnendringen en daar, volgens Lavekan, verschillende ontwikkelingsstadia doormaken.

De sporen bevatten geen pigment; dit wordt door leukocyten opgenomen.

Volgens Gor.r.] heeft men niet met één parasiet in verschillende stadia van ontwikkeling, maar met verschillende rassen van parasieten te doen.

II. Cultuur. Is nog niet gelukt.

lil. Verhouding tot Bloed nemen, 3—4 uur vóór den koortsaanval!, en vóórdat

kleurstoffen. patient chinine genomen heeft. Liefst ook ongekleurd bezichten.

Kleuring met de oplossing van Plehn :') Vingertop met aether reinigen ; dekglas en objectglas met absolute alcohol. Met gedesinfecteerde naald in den vingertop een prik maken, zoodat een kleine bloeddroppel verkregen wordt (een geringe hoeveelheid bloed is een vereischte, de roode bloedlichaampjes mogen in het praeparaat niet in geldrollen, maar moeten voor het grootste gedeelte vrij liggen). Dekglaasje even in aanraking brengen met den bloeddruppel en vervolgens snel op het object glas leggen (snel werken is een vereischte om de r. bl. 1. in ongeschonden toestand te behouden. Druk op het dekglas moet zorgvuldig vermeden worden). 1) Het dekglaasje met den kleinen bloeddroppel (niet te weinig bloed, want dan kleven de dekglaasjes aaneen en is kracht noodig om ze van elkander te schuiven, waardoor de r. bl. 1. geschonden worden) op een tweede leggen, van elkander schuiven, zonder druk uit te oefenen, aan de lucht drogen. 2) Vervolgens ongev. 10 min. in absolute alcohol om te fixeeren, niet in de vlam. 3) Aan de lucht drogen. 4) Kleuren in

l) Uutleeml aan liet 4kacl. Vroefschrift van A. Bünkhakker „het I'lasmodium malariae.quot; Amstenlam 1801.

ocr page 48

40

Plehn'sche alkalische oplossing van inetliyleenblauw-eosine (geconc. waterige opl. van methyleenblauw: 60; 1li proc. eosineopl. in 75 proc. alcohol: 20; gedest. water: 40; 20 proc. kaliloog: 12 droppels) — gedurende één uur. 5) Afspoelen in water, totdat geen kleurstof meer wordt afgegeven. (5) Drogen tusschen liltreerpapier 7) Praeparaat even door de vlam halen. 8) Conserveeren in xylol-Canadabalsem.

De kleurstofoplossing moet steeds verseh bereid worden.

Snehnethode van A. van deb Scheer: een dunne methyleenblauw-op-(lossing —ji-) laten vloeien in de capillaire ruimte, die overblijft, wanneer het dekglas, op de gewone wijze met bloed bedekt en geflambeerd, met behulp van een paar stukjes paraffine op het objectglas is vastgehecht.

Ook fraaie kleuriny met hoematoxyline.

Inentingen met malariaparasieten-bevattend bloed op dieren hebben tot dusver negatieve resultaten opgeleverd.

ocr page 49

41

ggt;:pirocl)aete ^Ccrmcicri (Recurrens-spiril).

I. Vorm en sporenvor- Dunne, kurketrekkervormig-gekromde bacil met talrijke muuJ' schroefwindiiigen en spitstoeloopende uiteinden, 16—40 micron lang.

Bezitten trilharen.

Zij zijn in het bloed van lijders aan febris recurrens tijdens den aanval, vooral 12—24 uur na de temp.-stijging, talrijk aanwezig. Vier uur na de defervescentie zijn zij gewoonlijk daaruit verdwenen. Een paar uur vóór den volgenden koortsaanval keeren zij daarin terug.

Ontbreken in de secreta der lijders.

Sporenvoriiiing niet zeker bekend.

11], Cultuur.

IV. Verhouding lot kleurstoffen.

11. Bewegelijkheid. Snelle eigen beweging.

Tot dusver is het nog niet gelukt den recurrens-spiril buiten het dierlijk lichaam te kweeken.

yGrartiquot;: ontkleurt.

Kleurmethode van Güntiier toepassen, om de spirillen in het bloed te kleuren.

Vour coupes: methode van Kühne-Soudakewitz.

V. Dierproef. Aap (langstaartige macaco.)

Koen en Carter hebben apen met gedetibrineerd bloed van lijders aan febris recurrens subcutaan ingespoten: in het bloed van de geïnfecteerde dieren werden spirillen aangetoond. Wel kregen de dieren een koortsaanval, maar geen febris recurrens.

ocr page 50

WÊSÊÊSÊSmê

«n

-

mBBaamsm

ocr page 51
ocr page 52
ocr page 53

Baeteriologisehe Memoranda.

—-oKo-

TABELLEN

'tEN GEBRUIK E BIJ HET PRACTISCH WERKEN

DOOI?

DR. F, W, VAN HAEFTEN.

2lk' en 3lk' Aflevering'.

ÜtUEOHT.

C. SCKINERIÜS. 1 8 9 9.

G.

J.

ocr page 54
ocr page 55

INHOUDSOPGAAF.

I'ladz.

Achorion favosa........

. . 08

Aspergillus fumigatus......

. . 63

Boutvuur...........

B. Cholerae gallinarum......

. . 79

Gele koorts..........

. . 42

Gist zwammen . . . .'.....

. . 67

B. Icteroides .........

. . 42

B. Influenzae.........

. . 46

Kippencholera.........

. . 79

B. Jlesentericns......, .

. . 48

Microsporoii furfur.......

. . 72

Mucor Mucedo.........

. . 60

Oïdinm albicans . . ......

. . 65

Oïdium lactis.........

. . 61

Penicillum glaucum.......

. . 62

B. Prodigiosurn........

B Proteus fluorescens......

B. Proteus vulgare.......

. . 54

B. Rhnsiopathiae suis......

. . 82

Sacchaiomycetes........

. : . 67

Sarcina ventriculi. ......

B. Sarcophysematos bovis.....

. . 85

B. Septicaemiae haeraorrliagicae. . .

. . 88

B. Subtilis . . ......

, . . 58

Trychophyton tonsurans . . . . ,

. . 74

Varkens vlekziekte.......

. . 82

BIJLAQEN,

| Bladz.

I K'euren van bacteriën....... 1

a) Kleurstoffen.

\ Aniline-kleurstoffen......... I

; Anilinewatergentiaanvioletopl......I

f Carbolgentiaanvioletopl.......II

Eosine-alcohol...........II

Gram's oplossing..........II

i Kühne's methyleenblanwopl......II

J Löffler's methyleenblanwopl.......11

j Lugol's oplossing..........II

| Nicolle's Carbolthionineopl.......II

; Ziehl's Carbolfuchsineopl........II

| b) Kleurwijzen.

| Enkelvoudige kleuring van coupes.... III Enkelvoudige kleuring van culturen ... III

Kleuring volgens Orum......IV-V

| Kapselkleuring....... XI-XII

Sporen-kleuring-.......VI-VII

i JKweepdraden-kleuring..... VII-X

II. Microscopisch onderzoek van

schimmels........XIII-XVII

III. Onderzoek van de schimmels

der dermato-mycosen. . . . XVIII-XXII


ocr page 56

42

^acilflts ictci'Oibcs. (Sanarelli). i!)

r. Vorm en sporen- Staafje met afgeronde uiteinden, lang 2—4 micron, gewoonlijk voiming. paarsgewijze naast elkander liggende. Bezit lange trilharen (4—8).

(bac. coli communis ook).

Sporenvorming is niet waargenomen.

Wordt aangetroffen in het bloed en de organen (milt, lever, nieren) van lijders aan gcic k«oru (febris Üava), — gedurende de ziekte in relatief

gering aantal j (steeds vindt mpn naast den bacil, andere microben: bac. coli communis, strepto-coccus, staphylococcusj proteus, scciDiclciivs infecties) maar talrijk, op den 7dcn—8S' dag, dus tegen het einde van een normaal verloopen ziektegeval.

Voornaamste Ziekteverschijnselen. tijdperk: Incubatietijd 2—4 d,; koude rilling,

gevolgd ^.oor snelle stijging van de temp. (tot 41' C.); de koorts du jrt 2—5 dagen. Den 3Jen dag worden de conjunctivae geel (hieraatogene icterus); inde urine is eiwit aan te toonen (albumlnurie); hardnekkig braken.

Sile tijdperk: den 5lt;len dag wordt de t;mp. normaal of subnormaal en blijft dit eenige uren tot 2 dagen. Sde tijdperk: do temp. stijgt weer; er wordt hloed gebraakt, ook bloedingen uitmond, neus, oor, blaas, uterus en darmbloeding. Dood op den Sden—7den dag.

II. Bewegelijkheid. Eigen beweging.

Groei op voe- -------------

dings gelatine.

Instreepcidtuur. Typische S t r e e P C U 11 U U r (als men n.l. slechts een spoortje bloed of miltsap

van een geïnfecteerd dier uitzaait).

Na eenige dagen ontstaan geïsoleerde, melkwitte kolonies, als timrelsquot;; deze kunnen even groot blijven, of zij groeien aan en druipen dan naar de laagste deelen van het buisje af, zoodat een aantal kronkelende strepen ontstaan, die er uitzien als „beekjes van schitterende, witte teasquot;, In deze strepen ziet men later doorschijnende aderen.

in deekcultuur. Aan de oppervlakte geen of geringe groei; rondom de entplaats kan zich een halfdoorschijnend schijfje vormen, gelijkende op een droppel slijm; vooral in de diepste deelen van het steekkanaal ontstaan afzonderlijk liggende, kleine, ondoorschijnende, ronde kolonies.

') Zie: Annales de l'lnstitut Pasteur. No. 6 en 8 1897.

ocr page 57

43

Op platen. Bij ± 20° G. zijn reeds na '24 uur puntvormige kolonies zichtbaar,

die er, bij zwakke vergrooting-, fijnkorrelig en sterk glinsterend uitzien, op witte bloedlichaampje* gelijken, maar geen kern bevatten.

Langzamerhand vormt zich bijna altijd een centraal of peripherisch gelegen, min of meer donkergekleurde kern, (soms 2 kernen), die steeds door een lichten hof omgeven is en waarvan straalsgewijze fijne korrels naar de peripherie der kolonie uitgaan. Dikwijls zijn de kolonies niet rond, maar niervormig en ligt de kern aan den hilus. Met het bloote oog zien zij er als melk of als grijze was uit.

Den 5den of 6Jen dag (Je kolonies, die zich in de diepere lagen der gelatine ontwikkelen,

meestal vroeger) worden de kolonies zwart, behalve een ronde zone, waarin de kern zich steeds scherp blijft afteekenen; zij zien er bij zwakke ver-grooting uit als „druppels inktquot;.

Soms ontstaan atypische vormen (polymorphe kolonies), o. a. in oude culturen, die geel of bruin van kleur kunnen zijn (verwisseling met bac. coli communis; jongt kolonies van bac. icteroides zijn steeds owi/eWewcZ, die van bac. cnli communis worden meestal eerder Irum van kleur.)

Op voedingsagar. De s t r ce pcu 11 uur op agar is een voortreffelijk diag-

jiosticum voor bac. ieteroides,

Bloed, lever- of milt-sap van een lijder aan gele koorts, liefst wanneer er maar weinig secundaire infecties bestaan, stci-k verdund op schcefgestolden agar uitstrijken.

Plaatst men het cultuurbuisje eerst in de broedstoof bij 37° C., dan neemt men na 12—24 uur een aantal niet-karakteristieke, doorschijnende, grijsachtige, ronde kolonies waar; doch, wanneer men daarna het buisje in de stoof van 20—22° C. overbrengt, is 6—10 uur later om ieder dei-kolonies (ten minste als er weinige opgekomen zijn) een ondoorschijnende, witte, paarlenioerachtig-glinsterende, ringvormige wal ontstaan, die boven het centrale, doorschijnende gedeelte uitsteekt.

Laat men de cultuur bij dezelfde temp. van 20—22° C. staap, dan wordt de wal steeds grooter en krijgt de kolonie het voorkomen van een „lak stempelquot;. Zijn vele kolonies opgekomen, dan vloeien de ringen samen en is het, alsof men op den agar een dikke laag paraflne gegoten en daarin met een ronden stempel zóóveel diepe indruksels gemaakt had, als het aantal doorschijnende kolonies bedraagt, die zich het eerst, in de broedstoof van 37quot; O., ontwikkeld hebben. Allengs groeit de wal benedenwaarts over den agar aan en vloeit eindelijk, als een straal terpentijn naar den bodem van het cultuurbuisje: op zijn weg veree'nigt

ocr page 58

d'i

jJSacUTits ictcvoiöes (Sanarelli),

(Vervolg van pag. 43.)

deze zich met de stralen van naburige kolonies en ontstaat dus een netwerk. De kolonies, die zich bij 37° C. ontwikkeld hebben, blijven echter als diepe indruksels op hun plaats.

Den l(V'ea dag ongev., zijn de ringen en daarvan uitgaande stralen platter en doorschijnend geworden: de cultuur is veranderd in een dun, doorschijnend vliesje en, daar de kolonies, die bij 37° C. gegroeid zijn, OHdoorschijnend worden, worden deze in de membraan langzamerhand duidelijk zichtbaar, als de eilanden van een archipel.

Een tegenovergestelde groeiwijze neemt men waar, als men het geëntte agarbuisje eerst in de stoof van 20—22° C. brengt, want dan vormen zich: boven de oppervlakte der agar verheven kolonies, als „droppels melkquot;. Wanneer men het buisje daarna in de broedstoof van 37° C. overbrengt, dan ontwikkelt zich om iedere knopvormige, witte kolonie een plattere, doorschijnende cultuurmassa.

In Bouillon, De bacil groeit slecht in Loffler's bouillon, namelijk wanneer hij

direct uit het cadaver daarin uitgezaaid wordt, of van een oude agar-cultuur afkomstig is; beter, wanneer hij reeds aan kunstmatige voedingsbodems geaccomodeerd is: de bouillon wordt troebel, geen vliesvorming of neerslag.

Op aardappelen. Spaarzame groei; dun, doorschijnend, nauwelijks zichtbaar vliesje

(verschil met bac. coli communis.)

vp andere voedings- Melk\ wel groei, geen coagulalie.

bodems. Gecoüguleerd serum: snelle, doch spaarzame groei; een nauwelijks

zichtbaar, doorschijnend, glinsterend laagje, of, geïsoleerde kolonies

als dainvdmppeUjes,

ocr page 59

45

Vleegch-Bouilfon itlng een mengsel T«n lactose S pet. en krijt: Welige groei 5 beate TueiiingHburtein. (liet krijt dient om den voedingsbodem neutraal te houden en om infectie met bac. eoli, staphylococcus on streptococcus te herkennen.) Geen bezinksel, geen vliesvorming en geen zichtbare suiker-gisting (gasproductiebij bac.coii communis.)

Agar met lakmoestinctuur: den 2d'!I1 tot 3de'' dag verandert de blauwe kleur in een roode, ten bewijze, dat melksuiker door bac. icteroides toch wel wordt ontleed.

Facultatief anaëroob.

Groeit zoowel bij 20° C., als hij 37quot; C. ■

IV. Verhouding tot lucht.

V. Temperatuur.

VI. Verhouding tot gelatine,

VIL Verhouding tot „Gramquot;: ontkleurt, (bac. coii communis ook.) Is gemakkelijk te kleuren kleurstoffen. . , i i ,

quot; met de gewone anilme-kleurstoffen.

Kleuring der zwermdraden volgens Nicolle en Morax. (zie bac. subtiiis.)

VUL Dierproef. Entmateriaal van Sanarelli: een cultuur, die zich gedurende 24 uur ontwikkeld heeft in bouillon -j-

lactose 2% Carbonas calcis.

Bac. icteroides is pathogeen voor de meeste huisdieren.

Witte muis, cavia en konijn worden gedood respect, na ongev. 6, 6—8, en 5 dagen door septicaemie; de bacteriën worden echter pas 24—48 uur vóór den dood in het bloed gevonden.

Het konijn is een zeer geschikt proefdier; vettige degeneratie van de lever.

Bij cavia en konijn kan de ziekte teweeggebracht worden door infectie van de luchtwegen.

Bij den hond ontstaan de typische verschijnselen der gele koorts van den mensch: bloedbraken (vomito negro), icterus, vettige degeneratie van de lever, gastro-enteritis haemorrhag., haematurie, albuminurie, nephritis, uraemie; voorts, post mortem te constateeren gelijktijdige infectie met andere bacteriën.

Bij den aap kan ook de cyclische ziekte worden veroorzaakt, voorts een sterke graad van degeneratio adiposa hepatis enz.

Bij de geit en het schaap worden de nieren sterk aangetast. Bacillus icteroides heeft, behalve steatogene, haemolytische en enietische, ook toxische eigenschappen.

Geen vervloeiing.

ocr page 60

46

j$aderium inffuengae. (R, Pfeiffer.) ■')

I. Vorm en sporen- Koi't, dlin staafje, 0,2 : 0,5 micron (bereikt nauwelijks de dikto van don bekenden vorming, fijnon bacil van de vlekziekte der varkens en van dien der muizen-septicaemie).

Heeft afgeronde uiteinden (zie bact. pestis).

Vaak liggen zij paarsgewijze aan elkaar, —deelingsvormen —, een kapsel is echter nooit waargenomen, (vergel. bac. pneumoniae-FmEDLtoDER.)

Soms vormen zij in het sputum korte schijndraden; in culturen , die 3—4 dagen oud zijn, dikwijls lange schijndraden.

Sporen schijnt de influenza-bacil niet te vormen; het weerstandsvermogen, tegen uitdroging vooral, is gering (verschil met staphylococcus pyogenes aureus.)

De bacillen worden zelden en spaarzaam in het bloed aangetroffen; komen echter talrijk voor in de sputa, bijna in reincultuur vindt men ze in het secretum der kleine bronchi van aan influenza bezweken lijders.

In het sputum liggen zij in hoopjes bij elkaar, zoowel tusschen, als in de leukocyten (rondom, nooit in de kern).

In het reconvalescentie-tijdperk zijn de bacillen vaak zeer klein en brokkelig en liggen de meeste in leukocyten (beteekenis voor de leer der pliagocytose.)

II. Bewegelijkheid. Geen eigen beweging.

III. Groei. Kenmerkend voor den influenza-bacil is, dat hij niet groeit op de

gewone, maar uitsluitend op haemoglobine-houdende voedingsbodems.

Wel heeft men op gewone voedings-agar, uit sputa, culturen verkregen , maar deze konden niet meer op agar worden voortgekweekt; de bacillen hadden hier de voor hun groei noodige haemoglobine ontleend aan het bloed-bevattende sputum (roestkleurige sputa vindt men bij influenza betrekkelijk zelden.)

Methode van reincultuur volgens Pfeiffer. Als entingsmateriaal gebruiken: sputum (herhaalde malen wasschen met gedest. water en, mi dde n uit het klompje, een stukje nemen), of pulpa uit lobulair-pneumonische

*) Zie, o. a. R. Pfeiffer. Deutsche Meel. quot;Wochenschrift. No. 2. 1802 en Levy Klemperer. Klin. Bnktpnologie. Berlin 1808.

ocr page 61

47

haarden van aan influenza bezweken lijders. Hiervan een kleine hoeveelheid verdunnen met 1—2 c.M3. bouillon en tot een homogene emulsie fijn wrijven. Enten op bloed-agar (en, ter controle, ook op gewone glycerine-agar).

De meest geschikte voedingsbodem is dnivenbloeil-Bgar (duivenbloed is zoer rijk aan haemogiobine): van gewone agar een plaat gieten; na stolling der agar, een groote droppel, aseptisch verkregen duivenbloed daarop brengen en het, tot een dnnne laag, daarover doen uitspreiden. Men kan het bloed, ook vóórdat de plaat gegoten wordt, bij de gesmolten agar voegen.

Over deze platen wordt de sputum-emulsie met behulp van een pla-tinalis eenige malén, zonder nieuwe belading, uitgestreken, — of, men strijkt de platinanaald snel achtereenvolgens in een zeker getal buisjes scheefgestolde bloed-agar af, ook, zonder haar opnieuw te beladen.

■Op bloed-agar. Na 24 uur, bij 37° C.: dicht op elkaar staande, zeer kleine, ma-

In streepcultuur. croscopisch nauwelijks zichtbare kolonies, als „glasheldere dauwdroppeltjesquot;, die meestal geïsoleerd blijven; in het condensatiewater ontstaan witte cultuur-vlokjes, wanneer van de oppervlakte der agar wat bloed daarin geloopen is.

In bouillon bioed. Niet karakteristieke, witte vlokjes.

IV. Verhouding tot Aëroob.

lucht.

V. Temperatuur. Minimum 26—27° C.; optimum 37° C.; maximum 42° 0. Groeit

niet bij gewone kamertemp.

quot;VI. Verhouding tot Sputum-onderzoek: het ver sch opgehoeste sputum op een bord met zwarten bodem brengen en hiervan de groenachiig-gele, meest samenhangende klompjes uitzoeken voor het dekglas-praep.

„Gramquot;: negatief.

Kleuren met verdunde carbolfuchsine , of met Loefflersche alc. methyl eenblauwopl.

Dikwijls, sterkere tinctie der uiteinden: poolkleuring (vergel. bac. choleras gallinar.; bac. coli communis; bac. diphtherias; in acht nemen voor verwisseling met diplococcen.)

Bij den aap bracht Pfeiffer een „op influenza gel ij k e n d e(?)quot; ziekte (koorts en hoest) teweeg, door inspuiting van een reincultuur

kleurstoffen.

VU. Dierproef.

ocr page 62

48

door den borstwand direct in het long weefsel; ook, door het inbrengen van een cultuur op het ongelaedeerde neusslijmvlies.

Het konijn kon door intraveneuse injectie van een groote dosis cultuur gedood worden, onder verschijnselen van spierzwakte en praemorlale daling van de lichaamstemp. (tot 32,2° C)

Voor cavia, muis, rat, varken, hond en kat schijnen de door Pfeiffer geïsoleerde bacillen onschadelijk te zijn.

De influenza-bacil produceert toxinen: door chloroform gedoode culturen zijn voor proefdieren, o. a. konijn, pathogeen, veroorzaken dyspnoe, — verlammingsverschijnselen enz.

jBaciffus mcscnfcnats. (Flügge; Globig.) (Aardappel-bacil.)

I. Voi'm eu sporen- Staafje, van verschillende dikte, dikwijls tot di aden veieenigd en vorming. voorzien van lange trilharen (evenals b subtnis), - na kleuring volgens

Löfflee , gelijkt de bacil met zijn ciliën wel wat op een „spinquot;.1)

Vormt endogene, middelstandige sporen (bac. tetani: eindstandige sporen.)

De bacil komt o. a., aan tuinaarde klevend, op de schil van den

aardappel (vooinl. in de zoog. „ongeilquot;) VOOr ; ook op zemelen (brood-bederf door bac. me-!, vulgatus.)2)

D6 SpOVCH zijn zeer renlsfent tegen liooge temiiepafuren» (noodzakelijkheid der gcfrac-tionneerde (afgebrokene) sterilisatie op hooge temp., 120o C., van aardappelen, die tot voedingsbodem-moeten dienen; zie ook bac. subtilis).

Variëteiten: B. m. vulgatus; B. m. fuscus; B. m. ruber.

II. Bewegelijkheid. Eigen beweging: slinger-beweging (verg. bac. subtiüs.)

lil. Groeiopvoedings- Er vormt zich een huidje; de gelatine wordt vervloeid.

gelatine.

1

Dr. G. Itzerott u. F, Niemann. Mikrophotngrapli. Atlas der Baliterienkunde 1895.

2

Zie Khatscii.mku en Niicmitowicz: Wiener Klin. Woehenschr. 1889 en A. P. de Groot: onderzoekingen over liet voorkomen van bacteriën in brood Proefschrift. Groningen 18. 0.

ocr page 63

49

In houillon. Aan de oppervlakte vorrat zich een v Hesje.

Op aaidappelen. Er ontwikkelt zich een geelwit of geelbruin, slijmerig vliesje;

hac. mes. ruber vormt een roodachtig-geel, later rozerood huidje

(bac. coli communis: hrainyeh cultuur.)

Het vlies krijgt langzamerhand plooien en r i m p e 1 s (overeenkomst met

de agar-streepcultuur van bac. subtilis. Eistnherg.) en doet dan deilkCll aan een ~ -

teriumquot; (darnischeil).

Melk: gecoagnleerd en gcpeptonisecm.

Aëroob (evenals bac. subtilis.)

Groeit zoowel bij gewone kamert., als bij 37° C.

Vervloeiing.

Neemt gemakkelijk anilinekleurstoffen op.

Kleuring der zwermdraden: zie Bac. subtilis.

Van pathogeniteit voor mensch of dier is niets met zekerheid bekend.

Wol secerneert de bacil verschillende fermenten;

1) een peptoniseerend ferment, dat eiwitlichamen in peptonen verandert, en waardoor de gelatine vervloeid wordt;

2) een dinstatisch ferment, waardoor zetmeel in glucose omgezet wordt;

3) een lehfermmt, dat uit melk de caseïne neerslaat.

Op andere voedinys-bodems.

IV. Verhouding tot lucht.

V. Temperatuur.

VI. Verhouding tot gelatine.

VII. Verhouding tot kleurstoffen.

VIII. Pathogeniteit.

ocr page 64

50

£3admtm proMgiosum (Ehrenberg.)

I. Torrn en sporen- Meestal zeer kort staafje; na deeling, als een coccus, — cocco-vorming. A 7

OdC'li (vroeger micrococcus prodigiosus of monas prodigiosa, wondev-monade genaamd.)

Is veranderlijk van vorm, nu eens cyiindrisch, dan weder elliptisch; lange vormen bij kweeking in bouillon met wijnsteenzuur (proeven van Wasierztig).

Zeer verbreid; komt voor in de lucht, op brood, (gekookte) aardappelen en andere (gekookte) zetmeelhoudende stoften, op (gekookt) vleesch, in melk, soms in water.

Vormt een helder-roode kleurstof: pigment-, of chromogene bacterie; vei oorzaakt roode vlekken op meel, brood enz. (sarcina rubra brengt ookeeuroodo kleurstof voort, heeft echter een pakketvorm; zie ook: saccharomyces rosaceus).

De kleurstof vindt men vooral in oude culturen duidelijk als korrels itisschen de staafjes*) diffundeert niet in de voedingsbodems

(verschil met bacteiium pyooyaneum); lost niet op in water, is wel, maar moeielijk oplosbaar in alcohol. Door toevoeging van kalüoog verandert de roode kleur in een gele; door zoutzuur in een violette (overeenkomst met zekere aniline-kleurstoffen, heeft echter een ander spectrum dan fuchsine, waarmede de kleurstof wel eens go-ïdentiliceerd is.)

Van invloed op de kleurstof-productie is de aard van den voedingsbodem: krachtige pigmentvorming treedt o. a. op, bij kweeking op aardappelen.

Het kleurstofvormend vermogen gaat verloren: 1. bij hooge temperaturen, (dus niet kweeken bij 37o c.i); 2. bij afsluiting der dampkringslucht.

Behalve de roode kleurstof, kan bact. prodigiosum, bijv. op aardappel, trimethylamine vormen.

Indeeling der „chromogenequot; (kleurstof-vervaardigende) bactertën;

I. Gekleurde: de kleurstof blijft in de cellen;

a. Chronwphore: de kieuistof heeft een bepaalde physiolog. functie.

b. Parachromophore; de kleurstof schijnt slechts een passief stofw.-product te zijn.

II. Kleurende (Chromopart, Beijkiunok) ; cellen zelve kleurloos, een gekleurd stofw.-product wordt uitgescheiden.

') Zie: C. tiii.NTMËIi. Hakteriologie, V AuH 1898.

ocr page 65

51

\\. Bewegelijkheid. Meestal geen eigen beweging; volgens Schottelius vertoont hij,

bij kweeking in vloeibare voedingsbodems, levendige eigene beweging.

m. Groei op voe- Aan de oppervlakte ontstaan vervloeiende, rood e, kolonies, met dingsgelatine. onregelmatige randen; in de diepere lagen der gelatine zijn zij van kleur

Op platen. ^een kieu^tof wordt voortgebracht bij afsluiting van de dampkringslucht.)

Op voedingsagar. Roode cultuur; de agar zelve wordt niet rood gekleurd, het pigment

dringt er iiiet door heen.

Op aardappelen.

In Bouillon.

Frauie pigmentvovming op acii'dctppel / meestal bloediood, slijmeiig beslag. Vorming van trimethylamine: reuk naar haringpekel.

Op andere voedings- Melk', gecoaguleeid.

bodems. Veroorzaakt gisting van suikerhoudende voedingsbodems.

Aël'OOb. (kan, evenals bact. pyocyanenm, wel zonder O leven, maar vormt dan jee» kleurstof.) Optimum 2 5° c.; bij 37o C. gaat, na eenige overentingen, het kleurstofvormend vermogen verloren.

IV. Verhouding tot lucht.

V. Temperatuur,

VI. Verhouding tot Vei vloeiing.

gelatine.

VIL Verhouding tot ^Gï'üm ! Ontkleurt,

kleurstoffen.

VIII. Pathogeniteit. Niet pathogeen.

ocr page 66

52

^actcrtum protcits flïtoresccns. (IT. Jager). *)

ZcGi polymoiphe niicrobG^ voorzion vru trillitirön (zie ooic bact. proteus vuigare); bezit, in het menschelijk lichaam, vaik een kapsel.

Produceert een groene, finoresceerende kleurstof.

Is door H. Jager gevonden in de urine en in de organen van aan MorbuN AVeiiii bezweken lijders.

(Epidemie to Söflmgen, een dorp, gelegen aan een zijtak van de Donau. Door bewoners van dit plaatsje was dood govogelto, uit Italic geïmporteerd, tot bemesting gebezigd. Onder de kippen ter plaatse brak een epidemische ziekte uit, veroorzaakt door bact. proteus fluorescens; bij militairen, die stroomafwaarts in de door hot dorp stroomende rivier gebaad hadden, kwamen gevallen van Weil'sche ziekte {koorts; icterus; milUumor; nephritis) voor. HeUI. 1898.

Sporenvorniing is niet waargenomen.

I. Vorm en sporeii' vorming.

Eigen beweging. (evenals Vibrio choler

II. Bewegelijkheid.

erae asiaticae;.

(Kweeken uit urine van lijders aan Morbus Weilii).

In steekcultuur. Nap- of kratervormige vervloeiing bij langzame groei (evenals vibrio

choierae asiaticae); anders — als een omgekeerde slaapmuts.

Op platen. Kolonies als die van bact. proteus vuigare; soms als die van bac.

IL'i, Groei op voedings-gelatine.

anthracis (haarbosjes), als van bac. typhi abdominalis, of van vibrio choierae.

Op voeding sa tj ar.

Reeds na 48 uur een dik, geelwit beslag; de agar zelf wordt

groeil, fluorenccerenil. (Vergel. bact. pyocya.ieum). ftuoresceeren: het uitstralen van eigen licht onder den invloed van bestraling, zooals wordt waargenomen bij vloeisplaat (fiuor-catcium), petroleum enz.; iriseeren: het schitteren van lichamen met de kleuren van deu regenboog).

In bouilloii.

De bouillon wordt troebel.

') Zie: Jatimi. Zeitschrift f. Hygiene u. Infectionskrankh. 1892 Hd. 12. blz. 525.

ocr page 67

53

Op aardappelen. Bij kaniert. geelwitte, later donkerbruin gekleurde cultuur; (evenals

bac. mallei); de anrdaiiprl zelf wordt uiccslal loodgrljn of grljnblauw ïbu kleur.

IV. Verhouding tot Facultief anaëroob.

lucht.

V. Temperatuur. Groeit zoowel bij kamert. als bij 37° C.

VI. Verhouding tot Vervloeiing {»iet «onstant, volgens Jager een belangrijk kenmerk).

gelatine.

VII. Verhouding tot „Gramquot;: ontkleurt.

kleurstoffen. Kleuren met carbolfuchsine. In coupes: Carbolfuchsine 3—5 min.;

daarna ontkleuren in azijnzuuropl. (1 dr. op 30 c.M'. watcrj; eindelijk

in alcohol absol,

VIII. Dierproef. Wio ook : bact. proteus vulgare).

De beste dierproef voor de diagnose van bact proteus lluoiescens

is die op de muis: door int r ape r ito ne ale injectie van 0.1 c .M .

eener bouilloncultuur sterft het dier gewoonlijk binnen 24 uur. Bij lt;le

sectie vindt men, o. a milt-verg rooting, vettige degeneiatie

van de lever en de nieren en in de organen zijn de bacillen, zoowel

microscopisch, als door de cultuur aan te toonen.

Verder is de bacterie zeer virulent voor kippen en duiven.

ocr page 68

54:

^Sacfmmn profeus uufgare. (Hauser).

I. Vorm en sporen- Zeel' poWmorplie microbe, (wegens de groote veranderlijkheid m vorm „Proteusquot;

vomnng. genaamd), korte staafjes, lange draden, schroefdraden (spirulinen), spenna-

tozoid-achtige en andere vreemde vormen.

Bezit zeer vele trilharen; na kleuring (volgens Löffler) ziet de bacterie er uit, als een „veder-haardquot;.

Sporenvorming is niet waargenomen.

De bacterie komt zeer verspreid voor en Terweht rouing (omzetting van eiwitachtige stoffen, onder vorming van stinkende gassoorten).

Proteus vulgaris, P. mirabilis en P. Zenkeri zijn geen verschillende soorten, maar gemodificeerde rassen, die o.a. verschillen in vorm en t. o. van gelatine aanbieden.

II. Bewegelijkheid. Teer bewegelijk.

III. Groei. (Kweeken o.a. uit etter van een „putridequot; phlegmone).

De culturen verspreiden een eigenaardige stank nuar „rotte kaasquot;,— Heim. Lehrb. der bakteriol. 1898. (Verge], bao. coli commusis en bac. tetani).

Op voedingsgelatine, In steekcultuur.

Op platen.

Snelle groei; vervloeiing langs het geheele steekkanaal.

Karakteristieke gelatine-plaatcultuur.

Geelachtige kolonies, met franjevormige randen; deze uit-loopers dringen hier en daar verder door de vervloeiïde gelatine heen, terwijl de bacteriën zich levendig blijven voortbewegen, zoodat eigenaardige figuren, „als haarkrullen!'' ontstaan: b. figurans. Vaak snoeren zij zich van de moeder-kolonie af en liggen dan geïsoleerd als eilandjes daaromheen. (Zie de plaatcultuur van bac. anthracis : haarbosjes).

Wil men het „zwermenquot; der bacillen tegengaan, dan moet liet gelatine-percentage van de» voedingsbodem op 10 gebracht worden.

Op voedingsagar.

Vochtig, grijswit beslag.

') Zie: Hauser, Ueber das Vorkommen von Proteus vulgaris bei einer jauchig-phlpgrnonosen Eiterung nebst einigen IBemerkungen zur Iliulogie des Proteus, Müchen, med, V/ochenschrift, 18!I2 No. 7.

ocr page 69

55

Op aardappelen. Vuilgrijs beslag, (bac. coli communis: bruingele cultimr.)

In bouillon. De bouillon wordt troebel en er ontstaat een bezinksel.

Melk: gecoaguleerd.

Op andere voedingsbodems.

Facultief anaëroob.

Groeit zoowel bij gewone kamért. als bij 37° O, Optimum 20—24° C.

IV. Verhouding tot lucht.

V. Temperatuur.

VI. Verhouding tot Vervloeiing, (niet constante intensiteit; jjrotofs Zcnken vervloeit lt;1« gelatine bac.enU

gelatine. cominiiniH geen vervloeiing)*

quot;VIL Verhouding

„Gramquot;: positief (bac. coli communis: „Gramquot; ontkleurt).

tot kleuistoffen. ^ moeielijk te kleuren met waterige oplossingen van aniline-kleur-stoffen. Kleurt goed door Ziehl's carbolfuchsine.

Kleuring der zwermdraden volgens Löfflek (zie bac subtms).

VIII. Dierproef. ') Proteusbacillen bleken pathogeen te zijn voor muizen, k o n ij n e n ,

caviae en honden; post mortem waren de bacillen bij muizen in het bloed, bij de andere dieren, in verschillende organen, abscessen en exsudaten, constant en in groote menigte te vinden.

Zij hebben behalve infectieuse, ook „toxischequot; eigenschappen.

Bij den tnensch kunnen zij cystitis veroorzaken, — voorts, in nymbioHe met pyogene bacteriën optreden en tot rotting van den etter van phlegm on en aanleiding geven, ook met diphtheriebacillen. 1)

1

i) Dr. W. Küiinau. Über Mischinfection mit Proteus bei Diphtherie der Halsorgane. Zeitschr. f. Klin. Medicin lid. 31 IS!)?.

ocr page 70

5(3

lt;£ai*ctna Dentricxtl'i (J. Goodsir). ')

I. Vorm en sporen- Kogelronde of eenigszins ovale, kleurlooze of geelachtig-bruin gekleurde cellen (micrococcen), die zich in drie loodrecht op elkaar staande richtingen deelen en na de deeling in kuboïdische groepen met elkander verbonden blijven, — die aan „wol-halenquot; doen denken.

Sarcma = pak; is, wegens eene verwijderde overeenkomst in vorm, wel eens gehouden voor gebroken primitief bundels van spieren. Zie: Suringar.

Iedere cel heeft een diameter van ongev. 1,5 micron; de buitenste wand der Sarcina-cel vertoont celluo se-reactie: Lugol'sche oplossing, daarna zwavelzuur (blauw).

Kenmerkend voor Sarcina is het uit acht coccen samengestelde pakket, maar in culturen vindt men bij microsc. onderzoek, vaak slechts coccen, diplococcen en te trad en (d. z. vlakke groepen van vier micrococcen).

Sporenvorming is niet waargenomen (wet is dit door Hausisb geconstateerd bij, Sarcina puimonum). Wordt aangetroffen in braaksel van menschen en dieren, vooral in gistenden maag-inhoud, o. a. bij gastritis chronica — meestal te zamen met gistcellen en bacteriën; is ook gevonden in faeces, in de mondholte 2) (S. flava, S. lutea, S. aurantiaca).

...................... Volge-ns-Flvöök ^-is S. ventliculr geen bepaalde 'species.'.........

Sarcina-soorten. Hieronder vindt men vele kleurstof vormende soorten: S. alba; S. lutea; S. erythroxomaj S. aurantiaca; S. viridis llavescens; S. rubra; S. puimonum (Vmciiow).

II. Bewegelijkheid. Geen eigen beweging.

III. Groei op voe- Entingsmateriwil v. FaucicniiiiIM : van het bezinksel van maaginhoud een druppel op een voorwerp-dingsgelatine. glaasje brengen, met den microscoop een sarcina-rijk plekje opzoeken en hiervan met een naald overbrengen.

Op gelatine-platen, na 06—48 uur: ronde, eenigszins verheven, geelachtige kolonies (Falkenheim) 4).

In Bouillon. De bouillon blijft meestal helder; er ontstaat een neerslag. Bij.

microsc. onderzoek vindt men in bouillonculturen vaak: typische cubi.

') De Sarcine door Dn. W. F. R. Slrixo.vr, Leeuwarden 1805, on Goonsiii, Edinb. med. and surg-Journal 1842.

*) Fheund in Baumgartens Jahresbericht 1894, pag. G08.

3) Fliigue. Die Mikro-organismen, 1896, pag. •184.

'') Dn. II. Fai.kicniieim. Ileber Sarcine Archiv. f. Exper. pathol. u. pharmakolbgie. Bd. 19, d885, pg. 339.

ocr page 71

57

Cteneufritl. Hool-infiins; plus 2 0|o riet- of «Iriilvesiilkcr. (FaLKENHEIm). Aan

de oppervlakte vormt zich, na 2 dagen een vliesje, dat uit kleine, bruinnciiiige schubjes bestaat en er ontstaat een bruinachtig gekleurdr vlokkig bezinksel.

Bij microsc. onderzoek: typische cnhi!

Bloedserum: Kleine, ronde, een weinig verheven, lichtgele kolonies.

V. Temperatuur,

quot;VI. Verhouding tot gelatine.

]V. Verhouding tot FaCllltief anaëroob. (Volgens Pfeffer kunnen S. lutea en S. rosea zuurstof in zich op-lucht. hoopen en deze in een zuurstof-vrije omgeving weder afgeven. ')

Groeit zoowel bij gewone kamert. als bij 37° C.

Geen vervloeiing.

De gelatine wordt o. a. vervloeid door: S. viridis flavescens; S. aurantiaca en S. rubra; niet vloeibaar gemaakt door: S. alba; S. lutea; S. erythroxoma; S. pulinonmn.

Vil. Verhouding tot kleurstoffen.

„Gramquot;: positief.

Kleuren met waterige methyleenblauwopl. of verdunde fuchsineopl.; waken tegen overkleuring, om de afzonderlijke celgrenzen duidelijk te kunnen zien.

Ook ongekleurd bezichtigen in den hangenden druppel.

VIII. Pathogeniteit.

Kan volgens Eiiret 2) gisting van maaginhoud veroorzaken; viruiem wordt Sarcina alleen onder bepaalde, praedisponeerende omstandigheden, — 1. bij motorische insufliïcientie in belangrijken graad, 2. door symbiose met s p r u i t z w a m me n.

In gistenden maaginhoud met vcei ««rein» en niet meer spruitzwammen en bacteriën dan gewoonlijk voorkomt, vindt soms meer gasvonning plaats, dan wanneer alleen spruitzwammen, ook al zijn deze nog zoo talrijk, aanwezig zijn.

Op andere voedings bodems.

Dat de gisting hier inderdaad van Sarcina afhankelijk is, leidt Ehret verder af uit het feit, dat het verminderen en ophouden dei-gisting samengaat met veranderingen in den groei dezer organismen.

') Zie Pfeffer; Jahresbericht x d. Fortschritte v. d. Gtthrungsorganismen, ISOG, pg. 51. 2) Dn. H. Eiiret. üeber das Verliiiltnis der Sarcinen zu den MngengÉii'ungen Mitteilimgen aus den Grenzgebieten der Medizin u. Chirurgie, lid. II. 1897.

ocr page 72

58

jBactl'fltS 5UBttft5. (Ehrenberg).

Hooi-bacil.

I. Vorm en sporen- Recht staafje met afgeronde uiteinden, ongev, even lang als de vorming. . i , i • i ^

m111vuur-bac11, gem. 5—6 micron, maar dunne 1' („subtilisquot; = dun).

Bezit vele trilharen (zie bac. mosontericus).

Polymorph, zijn dikwijls tot sch ijnd raden vereenigd; in culturen,— bijv. het vlies op gelatine-steekculturen, liggen zij in groepen te midden

Van een slijmerige massa: zoocjloea (Je voedingsboiiem is van invloed op don vorm. H lüiciiNEii.). Vormt endogene, middelstandige of eindstandige spot 'dll (verschil van

endogene sporen met arthvospofen, d. sporen, die uit een geleding van een bacteriëmlraad zijn afgesplitst

De sporen zijn opvallend groote, glinsterende, eivormige

lichaampjes met een dikken cel wand; zeer talrijk vindt men ze in oude culturen.

Onder daartoe gunstige voorwaarden kunnen zij tot een nieuw staafje ontkiemen: aan den ae qua tor komt aan één zijde een scheiu

in de spore-membraan, waaruit, loodrecht op de lengteas der spore, het jonge staatje groeit.

Het ontkiemen ran sporen llt;an op 3 wijzen geschieden: I. de spore verliest haar glans, zweltmeei en meer op en bereikt eindelijk de grootte van het vegatieve bacterielichaam, dat zich verder door dealing vermenigvuldigt, terwijl onder bepaalde omstandigheden weder sporenvorming optreedt, bijv. bij bnc, anthracis, *2. de spore verliest haar glans, wordt grooter en baar UiIkhkI verandert in een staafje, dat een eigen, dunne membraan krijgt: de spore dillerentieert zich dus in een endosporium en een exosporinm; in een volgend stadium neemt men waar, dat de spore-membraan aan een der polen gescheurd en daaruit oen staafje is uitgetreden; de membraan blijft vaak nog eenigen tijd als een mutsje op de jonge bacterie zitten, maar verdwijnt ten slotte; 3. als '2, behalve dat de spore-membraan aan den aequator inscheurt.

De SpOl'en bieden een grooten wcerglnnd ami Imogc (eni|icr»tiircn (TYNDAfiL),

(zie bac. mesentiricus).

(Noodzakelijkheid van de gefractionneerde sterilisatie, het kiemvrij maken der voedingsbodems door deze drie dagen achtereen, telkens gedurende V» u.—20 min. te brengen in stroomenden waterdamp onder boogere spanning, bij 115—120» C.)

II. Bewegelijkheid. Onderzoek in den hangenden droppel.

Eigenaardige, „schommelendequot; eigene beweging: slingerbeweging,

tbac. anthracis is niet bewegelijk; bac. oedematis maligni vertoont eigen beweging.)

III. Groei op voedings

gelatine.

In streepcultuur.---

In steekcultuur. Vervloeiing langs het steekkanaal: aan de oppervlakte vormt zich

een di o ogj sc h u b b ig, wit vlies, als ^kctuiyisvlquot; (zoogioea-vormmg); de

ocr page 73

vervloeide gelatine is eerst troebel, maar wordt daarna helder, terwijl onder in het steekanaal een neerslag van witte vlokjes ontstaat.

Kleine, witte, puntvormige kolonies, die naar alle richtingen even sterk voortgroeien en dus een zuiver ronden omtrek behouden.

Later worden ze s c h o t el v or mi g en vindt men de oorspronkelijke cultuur als: a. een wit puntje in het ingezonken centrum, è. daaromheen een grijswitte zone en eindelijk c. een scherp begrensden witten rand, die de door de cultuur vervloeide gelatine van de nog vaste scheidt» T5,pisch is het microscopische beeld der gelatine-plaalcultuur ') : Bij zwakke vergrooting ziet men in het midden een grijsgele kern, waaromheen een ring, uit een vlechtwerk van schijndraden en bewegelijke staafjes samengesteld, en eindelijk een straienkrang-vonuiBe rand, waarvan de het meest naar buiten gelegen bacillen, ,,«/§ een rij lansenquot;, loodrecht op de nog vaste gelatinelaag gericht zijn. (C. Fraenkel).

Op voedingsagar. In streepcultuur.

In bouillon. Op aardappelen.

Wit, gemakkelijk loslatend beslag met regelmatige „plooienquot;, (zie de aardappelcultuur van bac mesentericus) als de tot een lint vereenigde geledingen van een taenia.

Aan de oppervlakte vormt zich een wit, geplooid vlies, a.]s „Icaamselquot;.

Welige groei, wit (soms wijnkleurig), roomachtig beslag.

Op platen.

Op andere voedings- Op bioedKernm t wit, geplooid vlies; het serum wordt vervloeid.

bodems.

IV. Verhouding tot ASroob. (bac. mesentericus is ook streng aëroob; bac. antliracis voornl. aëroob: bac. oedematis lucht. maligni: anaëroob); op de grdlglield wannucdc bac. «ubdll» xuiirnfuf «bsorbPiTf. is

o. a. de raad van Liborius gebaseerd om voor de cultuur van anaërobe bacteriën bac. subtilis mede in den voedinsbodem te enten. 2)

V. Temperatuur.

VI. Verhoudin(j tot gelatine.

VII. Verhouding tot

kleurstoffen.

VIII. i'athogeniteit.

Minimum 10quot; C.; optimum 30° C.; maximum 45° C,

Vervloeiing, (bac. anthracis ook).

„Gramquot; : positief.

Niet pathogeen.

') C. Fiuenkel. Grundriss d. Haktericnkmide. Derlin '181iü. !) ZeiUclir. f. Hygiene. Bd. 1. 188j.

ocr page 74

60

lamp;Tucor it cc 5 o.

I. Vorm en sporen- Mucor Mucedo (de knop- of v i'u c h t e n-schimuiel) is een zeer ver-vormmfl. breide schimmelsoort, die o. a. op brood, aardappelen, vooral ook op paardemest gevonden wordt. (Mucor = schimmel; mucedo — id.)*')

Bestaat uit een „boomachtigquot; vertakt mycelium, waaruit sporangiën-dragers groeien.

Kenmerkend is, dat, tot aan het intreden der sporangiënvorming, het myceiiinii eénoeiiig is, nergens tusschenschotten vertoont

(verschil met Penicillium glaucum.)

De sporangiëndrayers groeien loodrecht uit het mycelium naar boven, zijn ééncellig en niet vertakt, worden in het licht 2—3 c.M., in het donker 10 c.M. langy2), zijn meestal dikker dan de takken van het mycelium.

Aan het bovenste einde van den sporangiëndrager vormt zich een geelbruin of zwart, kogelrond, vaak reeds met het bloote oog zichtbaar lichaampje — het sporangium (sporenhulsel), van den drager gescheiden door een tusschenschot, dat zich in het sporangium insluipt tot een zuilvormig lichaampje, — de columella.

Elk sporangium bevat in rijpen toestand een groot aantal ovale

Sporetl (dit zijn endosporen; conidiou = exosporen.)

Steeds vindt men aan de oppervlakte der sporangiën — dicht op elkander staande kristalnaaldjes van oxalas calcis.

Uit de sporen, die door het barsten van het sporangium naar buiten treden, ontwikkelt zich een nieuw mycelium.

De voortplanting geschiedt voorts 1° door de vorming van juk-sporen (zy gosporen): twee naast elkander gelegen myceliumdraden zenden zijdelings een takje uit, dat aan het einde een knotsvormige verdikking krijgt, door een tusschenschot van het verdere takje gescheiden; de takjes groeien zóó lang voort, tot zij elkander aanraken, terwijl de inhouden van beide einden samensmelten.

2°) Door de vorming van Chlaynydosporen of Gemvien.

(In een draad ziet men oen of meer naast elkaar gelegen, meestal eivormige lichaampjes, met een dikkeren wand, door tusschenschotten van het overige gedeelte der draad gescheiden, — chlamydo- of mantelsporen; zij zijn de onontwikkelde aanleg van een sporanglën-drager, waaruit, ■bij andere levenscondities, een sporangien-drager met sporangium kan groeien.)

Andeve Mucorine'én : Mucor corymbifer; M. rhizopodiformis; M. racemosus; M. stolonifer.

*') Zie Oödemans: Revision des Champignons enz. Amsterdam 1897. **) Hl,'go nr. Vuil'.s. Leerboek der plantanphysiologie 1885, blz. '238.

ocr page 75

Cl

II. Groei. Op gesteril. brood: vormt zich een op „wattenquot; gelijkende schim

melzode.

III. Temperatuur. Groeit goed bij gewone kamert,; niet hij 37° C. (onderscheid met patiio-

gene schimmels.)

IV. Microscopisch011- Zie: Bijlagen.

derzoek.

V. Pathogeniteit. Schijnt voor den mensch niet pathogeen te zijn. (Mucor corymWfer en

M. rlüzopodiformis zijn, o. a. voor konijnen, pathogeen.)

0ï5tunt foctis.

I. Vorm en conidiën Oïdium lactis (melk-, ei- of 1 i d schimmel) is een zeer verbreide vorming. schimmelsoort, die vooral in zure melk en boter voorkomt.

Bestaat uit een mycelium van rechte, of eenigszins gebogen, lange draden, die vorksgewijs vertakt zijn.

Voorts vindt men ronde, eivormig-ovale peervormige, meestal echter cylinder vormige lichaampjes, conidiën of exosporen (grooter dan de conidiën

van Penicillium glaucum en de sporen van Mueor Mucedo.)

De conidiën worden, na elkaar, aan den top van een hyphe afge snoerd, zoodat de onderste van een keten de jongste is.

Sporangiën zijn niet gevonden.

II. Groei op verschil- Vormt op gesteril. broodschijfjes, aardappel, koolraap e. a. voedings-

iende voedingsbo- bodems: witte of gele schimmelculturen.

dems.

III. Temperatuur. Groeit goed bij gewone kamertemp.

IV. Microscopisch on- Afdrukpraeparaat (Klatsch of contact-praeparaat): een dekglaasje dersoek. even aanraiiing brengen met boven melk drijvende cultuur van Oïdium

lactis. In een droppel verdunde glycerine (33 quot;[Ó) bezichtigen.

Zie ook: Bijlagen.

V. Pathogeniteit.

Niet pathogeen, (Zie: Oïdium albicans.)

ocr page 76

62

^cniciffium gfauciim (crustaceum).

1. Vormenconidiën- Penicillium glaucim (de groene penseelschimmel) is een zeer vorming. verbreide schimmelsooit, die o. a. als een groen beslag op zure

vruchten voorkomt; vormt soms op ingemaakte vruchten en inkt: dikke, lederachtige vliezen.

Bestaat uit een mycelium, waarvan de draden gekenmerkt zijn door

Vele tUSSChenSChotten (de draden van het mycelium van Mucor Mucedo hebben geen tusschenschotten.)

Van dit mycelium stijgen de conidiëndragers op: deze zijn eveneens voorzien van vele septa; aan hun uiteinde vertakken zij zich

penseelvormig (kenmerk tegenover Aspergillus en Mucor.)

De zijtakken verdeelen zich in dunne spits-toeloopende, flesch-vormige cellen, sterigmata. Aan de toppen der sterigmata worden de conidiën afgesnoerd.

De conidiën (icxosporen) zijn rond, glad, „blauwgroenquot; van kleur en vormen rozenkransvormige ketens.

Zelden ontstaan in het substraat kleine pseudoparenchymatische lichaampjes — sclerotiën; — hierin ontwikkelen zich, uit een gedraaide hyphe, spore buizen (asci), waarin 8 sporen gevormd worden. Ten slotte wordt op deze wijze het geheele perilhecium met sporen gevuld.

II. Groei op verschil- Vormt op gesteril schijfjes brood, aardappel, koolraap e. a. voedingswees voe(Un(Jsho- bodems aanvankelijk witte culturen, die, als zich conidiën vormen, (het eerst in het midden) groen worden.

lil. Temperatuur. Groeit bij kamert.: niet bij 37° C.

IV. Microscopisch on- Droog op het voorwerpglas brengen, een droppel alcohol, laten da'~ock- drogen en eindelijk in water onderzoeken.

Zie: Bijlagen.

V. Pathogeniteit.

Niet pathogeen.

ocr page 77

Jtepcrgiflits fumtgaUto. ^1)

I. Vorm en conidiën- Aspergillus fumigatus (r o o k k 1 e u r i g e k w a s t s c h i m m e 1), — een vorming. zeei, ve^g^g schimmelsoort, die o. a. op tarwe, rogge , gierst, mais ,

meel, tuinaarde, vooral brood gevonden is. (A.spergillmn = de wijkwast.)

Bestaat uit een mycelium van draden met tusschenschotten, waaruit rechte, niet vertakte draden, — conidiëndragers, opstijgen; deze zijn aan den top kolfvormig verdikt. Op dit verdikte uiteinde staan, „straalsgewijzequot;, — korte, fleschvormige of kegelvormige cellen, de sterigmata; hiervan snoeren zich in rijen opeengestapelde conidiën af.

Uit de conidiën kan een nieuw mycelium ontstaan.

Aspfi-gillussoorteir. I niet-patliogene (A. glaucus en A. niger); II uathogene (A. flavescens en A. fumigatns)

Aspergillus fumigatus heeft dunner myceliumtliaden, korter conidiëiuiragers en kleiner conidiën dan A. glaucus.

II. Cultuur. Groeit bij voorkeur op zure voedingsbodems, op pruimen-afkooksel,

broodpap enz.

III. Groei op voedings Op gelatine, langzame groei (invloed der kweek-temperatuur.)

gelatine.

Op voedingo-agar. Bij 37° C., ontstaat reeds den 2de8 dag een witte cultuur, die later

blauwgroen, eindelijk bruin- of „asch-grijsquot; van kleur wordt,

in bouillon. Er ontstaan mycelium vlokj es in de bouillon, die helder blijft.

Ojj aardappelen. Bij 37° O., snelle groei; in weinige dagen vormt zich een dikke

cultuur, die eene donkergroene kleur aanneemt.

In vloeistof van Ran- In vloeistof VCltt liciulifl '(de klassieke voedingsbodem voor Aspergillus nigor) Welige Mn, d.i. een vloeistof, . ., , , ■

van zure reactie, die groei; reeds na ongev. 15 uur ontwikkelen zich talrijke vlokjes.

i/ee» eiwitstof en bevat,

uit water, kandijsuiker en een aantal zouten is samengesteld.

IV. Verhouding tot Aëroob.

lucht.

*') Zio o. a. LicilTMKrjT. Berl. Klin. \V. IS82, No. 9 en 10.

ocr page 78

64

V. TemperatUV/r, Optimum 37° C. (verschil met de n/e(-pathogene Aspergillus glaucus.)

VI. Verhouding tot Vervloeiing (in geringe mate.)

gelatine.

VII. Verhouding tot „Gramquot;: positief.

kleurstoffen.

VJIJ. Pathogeniteit.*1) iüj vogels (duiven o. a.) wordt de schimmel op het mondslijmvlies aangetroffen, waar een.

ulcus ontstaat; voorts op de mucosa der luchtwegen en veroorzaakt zij een pneumonie; in de alveoleii' vindt men dan een kaasachtig exsudaat, met schimmel bedekt, die, waar het tot conidiënvorming gekomen is, een grijsbruin beslag vormt.

Bij den mensch zijn ook gevallen van pneumonomycosis arpergillina waargenomen en wel bij, duivenfokkers, die de duiven met den mond voerden (gaveurs de pigeons.)

De duif (ook ganzen en kleine vogels, o. a. de musch) kan men infecteeren door haar stof van gedroogde conidiënhoudende schiininelcultuur te laten inademen, — inhalatie-infectie Lde diiif gedurende 10—20 min. opsluiten in een kleine kooi, waarin men een oude cultuur (op brood) uitklopt.] Na 3-5 dagen

sterft het dier; bij de obductie vindt men een „pneumonomycosis aspergillinaquot;: de longen zijn gedeeltelijk gehepatiseerd, het parenchym met schimmeldraden doorwoekerd.

Intraveneuse injectie van 1 c.M3. eener cultuur in vloeistof van Raulin in de vena axillaris doodt de duif na ongev. 15 dagen; biji de obductie vindt men in verschillende organen , long en milt, maar vooral in lever en nieren tal van grijswitte, mi li a ire knobbeltjes, die bij microsc. onderzoek een kluwen van myceliumdraden blijken te bevatten:: pseudo-iuberculosis. Fructificatie-organen worden niet aangetroffen en het aantal ziektehaarden is evenredig met de hoeveelheid sporen, die men heeft geïnjicieerd.

Vatbaar voor infectie zijn voorts — ganzen en eenden, het konijn, de aap; paarden (zeiden) en runderen.

Katten schijnen immuun te zijn; Rivolta heeft één geval bij een. h 0 n d waargenomen. ^2)

Zie 0. a. Kitt. Bakteriënkunde, 189'.).

«2) Rivolta, Giorri. di anat. fysici, e. pat. degli animali. 1885, pag. ill.

ocr page 79

65

0ïöutm aHMcatlö (Robin.)

Saccharomyces albicans (Audry). ^1)

T. Vorm. Een schimmel, die voorkomt bij «pruw (stomaio-mycosis o'idica) in de

melkwitte, kaasachtige vlekken op het mondslijmvlies (bijzuigelingen,zuigkaiveren en kippen), verder op het slijmvlies van den oesophagus, bij uitzondering op het maagslijmvlies, — soms op de epiglottis, de ware stembanden, in broncho-pneumonische haarden, — voorts op de vaginaalwanden, kolpitis s. Mycosis vaginae, vooral bij zwangeren (TREuu-Leerb. der Gynaecologie.)

Polymorph.

In het exsudaat, dat, behalve de parasiet, voornl. plaatepitheclcellen, leucocyten en meestal ook de leptothrix buocalls bevat, bestaat zij uit:

1.) een mycelium van lange, vertakte draden, met tusschenschotten, of als uit cellen samengesteld.

2.) talrijke ronde of eivormige cellen, gelegen tusschen en aan de uiteinden van draden.

In culturen treft men zeer uiteenloopende vormen aan; 2 hoofdvormen:

a. draad-vormen, die bijna uitsluuend uit myceliumdraden bestaan met weinig of geen cellen;

h. op gistcellen gelijkende vormen.

Volgens Grawitz is de parasiet een gist- of spruitzwam, die, onder bepaalde voedingscondities, draden (hyphen) vormt.

Volgens H. 0. Plaut is zij identisch met Monilia Candida, een zeer verbreide saprophytische spruitzwam.

II. Cultuur. Groeit zoowel op zure, als op neutrale of zwak alkalische voedings

bodems (Atjdry) !

De uitzaaiing geschiedt als volgt: een klein stukje van het kaasachtige exsudaat wordt in steriel water verdeeld en met één druppel van dit water een plaatcultuur gemaakt.

III. Groei.

Op voedingscidatine.

In steekcuituren. Typische gelatine-steehcnltuiir. Witte, of geelachtig-witte kolonies

met vertakte, „straalsvvijzequot; in de gelatine dringende uitloopers. *2)

*') Audry. Revue ile médecine. 1887.

*2) A. Baqinsky. Übor Soorculturen. Deutsche ineii, W. 1885. S. 8üG.

ocr page 80

CG

Ronde, witte kolonies die meestal klein blijven,

Op voedingsagar. Bij 37° C. snellei' groei dan op gelatine (invloed van de temperatuur!); witte

cultuur.

Op aardappel.

Gp peen.

Dik, wit beslag.

Op stukken gesteriliseerde wortel, in buisjes van Roux, ontwikkelt zich na ongev. 2 dagen: een welige, helderwitte cultuur.

in houiUon, gesterii. Witte pluisjes, op den bodem van het cultuurbuisje, terwijl de

Mw7/t, vloeU(of van . , , , ,.. ,v

Kicgcii. vloeistot helder bhjtt.

Op platen.

Aëroob,

Optimum; 37° C. (Levy-Klemperer.)

IV. Verhouding tot lucht.

V. Temperatuur.

Geen vervloeiing.

Dekglaspraeparaat van materiaal, verkregen door een stukje gester. spons langs het mondslijmvlies te strijken,

„Gramquot;: positief.

Kleuring der weefseldoorsneden: met Carbolthionin (Th. Kitt). Zie: Bijlagen.

VI. Verhouding tot gelatine.

VII. Microscopisch onderzoek.

VIII. Inentingsproe- Jonge duif.

Door herhaalde penseeling van het keelsl ij m vlies met reinculturen en inbrengen daarvan in den opengesneden krop ziin positieve infectie-resultaten verkregen.

Oudere duiven en kippen bieden dikwijls weerstand aan de infectie.

Konijn.

Injectie van cultuur in de randvena van het oor kan aigemeene myoositt en den dood veroorzaken. 'xl)

ven.

Bij hooge uitzondering is ook bij den mensch een metastatische verspreiding van de schimmel waargenomen en vond men haar o. a. in de lever, de milt en de nieren.

*') Zio: TjKvv u. Kt.KMPnnuR. Griimlriss der Klin. Bakt. -1808. S. 3(50.

ocr page 81

G7

giacc^avomijcefes. *')

Spruit-1 knop-, qf gistzwammen.

I. Vorm. Ronde of ovale cellen, zonder bladgroen, met een dunnen wand,

een korreligen inhoud, (met celvocht gevulde) vacuolen, olie-drup pels en waarin glycogeen is aan te toonen.

Vermenigvuldiging, — 1.) door hnopTorming: aan een moedercel ontstaan één of meer knopvormige uitstulpingen of spruiten, die tot nieuwe cellen (dochtercellen) aangroeien. De dochtercellen kunnen zich door afsnoering geheel vrij maken, of blijven met de moedercellen samenhangen, vormen uitstulpingen, zoodat „vertakte groepen van gistcelleri' ontstaan; 2.) door endogene gporenvorming: de cellen veranderen in spore-blazen, waarin 4 of 8 sporen worden voortgebracht.

Eenige spruitzwammen kunnen, onder bepaalde voedingscondities, myceliumdraden vormen.

Verschillende gist-soorten en rassen: S. cerevisiae, — biergist; S. elllpsoideus, — wijngist; S. Pnstorianus, — in bedorven, bitter bier; S. mycoderma, — de zoog. »kimquot; aan de oppervlakte van verschalenden wijn, azijn en op ingelegde augnrken.

Chromogene soorten: Eosa-gist (S. rosaceus), S. niger, —zwarte gist. Het kleurstofvormend vermogen gaat bij kweeking op hooge temp. verloren-

II. Cultuur. Plaatculturen op gelatine 5 0|0 glucose ^ 0|0 pepton, of op biermout

gelatine.

III. Microscopisch on- Zie. Bijlagen.

derzoek.

IV. Pathogeniteit. Veroorzaken gisting, kunnen koolhydraten omzetten in alcohol, kool

zuur e. a. ontledingsproducten en bij toediening per os, maagdarm-catarrh teweegbrengen.

De meeste spruitzwammen zijn bij subcutane injectie voor dieren onschadelijk.

Pathogeen is de S. farciminomm,*2) de ooizaak van de tympiiangK»» faroinoiden van het paard en het rund, ,,iiHeiido-drocHquot;.

*') Zie: Leerb. d. Plantkunde d Oudemans en he Vries. 1890. *2) Zie; Kitt. Dakterlenkunde. '189!(. S. 377.

ocr page 82

68

Jlc()cu*iou faoosa (Schoenlein.) tfl)

Een draadschiramel (hyphomyceet), constant voorkomende bij fni-ug. Vele variëteiten (Quincke, Neebe, Unna).

Het mycelium bestaat, uit breede, niet recht doorloopende, maar eenigeimate gebogen draden die uit langwerpige leden bestaan (in culturen vindt men gewoonlijk geen septa). De draden zijü enkelVOUclig, of VOrliS-gewijs vertakt; eenige vertoonen knopvormig opgezwollen uiteinden, andere loopen in een conidiënketen uit.

Een eigenaardige vertakking van myceliumdraden vindt men in de favuskorsten: een draad verdeelt zich aan den top in 3—4 takken, die gerangschikt zijn, als de middenvoetsbeenderen ten opzichte van den voetwortel, „tarse faviquequot;.

De conidiën zijn verschillend in grootte en vorm, rond, ovaal ot hoekig; men kan daaraan een membraan en een korrelige inhoud onderscheiden. Zij zijn tot ketens vereenigd, en liggen ook onregelmatig verdeeld tusschen de draden.

In culturen heeft Kral, zoowel aan do uiteinden van draden als zijdelings daarvan, eigenaardige lichaampjes waargenomen, — uit wasjes, waaruit, wanneer zij openbarsten, gele korrels te voorschijn treden.

De schimmel woekert in de opperhuid, soms in de oppervlakkige lagen der lederhuid, dringt slechts bij uitzondering in het onderhuid-sche bindweefsel; groeit voorts in de haanvortelscheeden en in het

haai' (zoowel inlra- als ea^'K-folliculair.)

I. Vorm en conidiëa-vorming.

In de follikelopeningen ontwikkelen zich de, centraal door een haar doorboorde, favus-lichaampjes, d. z. droge korsten van een zwavelgele of vuilbruine kleur, met een convexe ondervlakte en een schotel-of nap-vormige bovenvlakte. Zij worden ook scutula, scholeUjes of schildjes genoemd en bevatten epidermiscellen, leukocyten, myceliumdraden, conidiën, — voorts bacteriën en coccen.

11. Cultuur.

nirihoiic i an Hrai. Brokjes van een geïsoleerd, typisch scutu-lum, — of een favushaar, in een gesteril. mortier langdurig wrijven met het versch gegloeide (steriele) en indifferente poeder van amorph kiezelzuur (acid. silic. praec.) Hierdoor worden korstjes en baren, — met parasieten, zeer lijn verdeeld (zonder, dat, zooals dit bij proeven met glaspoeder ge_ gebleken is, een groot aantal schimmelsporen door de scherpe kanten van het poeder vernietigd worden.)

Zie Archiv I'. Dermatologie u. Sypliilis. Bd. 37. 189). F. Jvuai,. Untersn. über Favus.

. *

ocr page 83

69

Met den platinadraad neemt men een oog vol van dit poedormengsel en brengt het in een buisje met, vóóraf op het waterbad gesmolten en bij 42° C. vloeibaar gehouden agar.

Hiervan worden nog 2—3 verdunningen gemaakt en platen gegoten.

Van de opgekomen kolonies worden die van Achorion favosa afzonderlijk op gunstige voedingsbodems {glycerine-bouillon of glycerine-agar) overgeënt.

III. Groei, Volgens Duclaux en Verujski is een zure voedingsbodem ongunstig

voor de ontwikkeling van Achorion Schoenleinii.

Gunstig zijn voedingsbodems, die veel pcpton bevatten.

De culturen, verkregen op de meeste vaste voedingsbodems, vormen, als zij (gedurende 3—4 dagen in den exsiccator) gedroogd zijn, een mortelachtige, brokkelige, gele massa, die macro- en microscopische overeenkomst met een favus-scutulum vertoonen (Keal).

Op voedingsgelatine.

( 10 % pepton.)

In steekcuLtuur. Langzame groei; aan de oppervlakte ontstaat een witte schimmelcultuur, met slechts korte, mosachtige uitloopertjes aan de ondervlak te; in de naaste omgeving wordt de gelatine, pas na ongev. een maand, wat verweekt en vchroomgeelquot; van kleur.

Op platen.

(in de zoog. doozen van Na 48 uur zijn kolonies van ± 0,5—0,75 m.M. middellijn waar te nemen; na 14 dagen is de diameter gem. 2—2,5 m.M., — de kolonies zijn dan onregelmatig van vormgr ij s g e e 1 van kleur en liggen niet op, maar i n de gelatine.

Pas na 3—4 weken beginnen zij zich meer naar de oppervlakte te ontwikkelen en vormen zij langzamerhand: boven het niveau der gelatine uitstekende, gr ijs gele schim mei-cult uren, nagenoeg zonder luchtmycelium. Dan ook eerst begint de gelatine te ver-weeken en krijgt zij een gele kleur,

Üp voedings-agar. 2 0|0 i'ci.e.n-Ag.tr is een gunstige voedingsbodem.

( 2 % 2gt;epton.)

In streep cultuur.

Bij 37° C., snelle en welige groei: schimmelvegetatie met bizonder duidelijke, karakteristieke, „mosachiige uitlooperfjesquot;.

ocr page 84

70

Op platen. Bij 37° C., snelle groei: ontwikkeling van gr ijs gele kolonies,

vooral in de diepere lagen der agar, met lange „mosachtige uit-looperijes^ aan den omtrek.

In bouillon. Bij 37° C. ontwikkelt zich langzamerhand een, door mosachtige

( pepton.) uitloopertjes begrensde, cultuur; er ontstaan geen luchthyphen aan de oppervlakte. De bouillon blijft helder.

Op aaidappelen. Bij gewone kamertemp. slechts spaarzame groei; ontwikkelt zich

daarentegen goed wj ss» c.« hooge grijsgeelachtige culturen, met nauwelijks zichtbaar luchtmycelium.

Melk: bij 37° G., eerst sneeuwwitte, later „m ais-ge elquot; gekleurde

Up andere voedings- Beetwortel: bij 37° C., cultuur als op aardappelen, maar weliger.

Melk: bij 37°

schimmel-vegetatie.

IV. Verhouding tot Aëroob.

lucht.

V, Temperatuur, Optimum: 3/° C.

VI Verhouding tot Geen vervloeiing; wel verweeking na ougev. 30 dagen.

gelatine.

VIL Microscopisch Zie : Bijlagen.

onderzoek.

VIII. Inoculatieproe- Inentingen bij den mensch hebben niet altijd positieve resultaten opgeleverd; echter moet in aanmerking genomen worden, dat, zooals de klinische ervaring leert, eene bizondere persoonlijke voorbe-schiktheid voor het ontstaan van parasitaire huidziekten noodig schijnt te zijn.

Bij muizen komt een op favus gelijkende dermatomycose voor, waarvan de schimmel volgens Boer identisch is met die van den mensch; met goed gevolg is zij op de muis overgebracht door de schimmelbevat-tende huidschubjes te brengen op de (met een mesje opengekrabte) epidermis der hoofdhuid — Flügoe en Nicolaier.

Verschillencle inentingsmethoden:

1.) met een getand pincet een weinig van de cultuur nemen en dit

ocr page 85

71

zoo sterk mogelijk in een huidplooi persen; de geïnoculeerde plaats bedekken met een in sparadrap gevat horlogeglas. #1)

2.) Methode van Unna:*2) De huid van den linker voorarm zorgvuldig reinigen met zeep, water en alcohol, niet met sublimaat; hierop een sporenhoudende reincultuur zacht inwrijven, daarna met gesteriliseerd getahpercha-papier bedekken en dit met lijm bevestigen. Na 3—4 dagen wordt het verband afgenomen. Onder zoo'n verband wordt de huid vochtig gehouden en worden de cellen van de hoornlaag weeker, hetgeen den groei van de parasiet bevordert.

*') ür. A. W. Nieuweniiuis. Tinea imbricata (Manson). Geneesk. t. v, Ned. Indie. PI. 38. ISOS. *'1) Monatshefte f. prakt Dermatologie. Bd. 10. S. 4G5.

ocr page 86

72

jïiTicrosporott fxirfur. (Eichstedt.) w1)

1. Vorm en conidiën- Een draadschimmel (h yp ho m yc ee t), die constant aangetroffen vorming. wordt in de geelachtige, „café au laitquot;-kleurige, schilferige huidvlekjes

bij pityriattu verxicoior. In de huidschubjes bestaat zij uit een mycelium en zeer talrijke conidiën.

De myceliumdraden zijn gewoonlijk tort, eenigszins gebogen en weinig vertakt.

De conidiën zijn van verschillende grootte en vorm.

Kenmerkend is, dat zij (in de huidschubjes) gegroepeerd zijn in druiven trosvormige hoopjes of nesten.

In culturen worden de conidiën vaak in rijen gevonden.

De parasiet woekert in de oppervlakkigste lagen der huid, n.1. in het Stratum COmeum, nooit in de haren, (onder de schimmelwoekering gaat pigment in het rete Malpighi verloren.)*2)

II. Cultuur. Van een aangetast huidplekje, met een spatel, schilfers afkrabben

en deze volgens de methode van Kr ai, behandelen. (Zie; Achorion favosa,) Plaatculturen in zoog. doozen van KRaL.

III. Groei.

Op voedingsgélatine. Zeer langzame groei op gelatine.

In steekcidtuur. Rondom de entplaats vormt zich na eenige dagen een zeer dun,

witachtig vlies je; in de diepere lagen der gelatine ontstaan pas na een week enkele puntvormige kolonies, van onregelmatigen vorm.

Op voedingsagar. Groeit slecht op gewone agar.

In streepcultuur. Na 48 uur ontstaan kleine, ronde kolonies, of een samenhangend grijs- of geel-wit vliesje. Veel later vertoonen de kolonies een donker centrum, een lichte hof en „mosachtige uitloopersquot; aan de randen.

Bi Bouillon. Langzame groei. De bouillon blijft helder; op den bodem van

het cultuurbuisje ontwikkelt zich een vlokkige cultuur.

»•) Zie: Archiv. f. Oermat, u. Syphilis, lid. 37. Spietschka. Unters». u. d. Mikrosporon furfur. *'*) Jaarverslag v. li. Laboratorium voor Path. Anatomie en Bacteriologie te Weltevreden. IS'JO.

ocr page 87

73

Op aardappel. Langzame groei.

Op andere voedings- Melk: zeer langzame groei, na 3 maanden is meestal slechts een bodems. nauwelijks speldeknopgroot vlokje ontstaan.

Urine-agar (1 : 10); «lycerlne-iiepton-agar; «lyoerine-guiker-agar Zijn de beate

Toeding§bodem8: dikwijls zijn reeds na 24 uur kleine, puntvormige kolonies zichtbaar, die na 8—10 weken ongev. een middellijn van 6—8 m.M. hebben. In het midden van zoo'n kolonie ziet men een of meer witte puntjes, die, bij doorvallend licht, levendig bruin van kleur zijn; daaromheen — een dunnere hof, dofwit, respectievelijk licht-bruin van kleur en eindelijk, aan de randen, — straalsgewijze verloopende fij n e uitloopertjes, die er als mosloof uitzien, en eenigszins aan de „arhor vitae der kleine hersenenquot; doen denken.

Ziveet-pepion-agar (1 : 10): is geen gunstige voedingsbodem.

Cteeoaguleerd eiwit en geooagulecrde eldojer zijn geschikte Voedingsbodems.

Spietschka verkreeg op eiwit een plaatcultuur, waarbij de kolonies een prachtig bruin pigment geproduceerd hadden; de kleur geleek volkomen op die van Pityriasis Versicolor-vlekken.

IV. Verhouding tot Aëroob.

lucht.

V. Temperatuur.

VI. Verhouding tot Geen vervloeiing.

gelatine.

Vil. Verhouding Van de vlekken, met een spatel, schilfers afkrabben en op het

Stoffen™' ohjectglas in 50|0 kaliloog bezichtigen.

Culturen kleuren met Löffler's methyleenblauwopl.

VIII. Pathogeniteit. Het is Spietschka éénmaal gelukt door inwrijving van reincul

turen van microsporon furfur bij den mensch een huidziekte te doen ontstaan, die bestond in de vorming van bruine, sterk schilferende vlekken, zonder ontstekingsverschijnselen. In deze schubjes werd de typische schimmel teruggevonden en reinculturen daarvan verkregen.

ocr page 88

74

^ricDop^ton Icmsurcms.

Boinytis trichophyton (Saboueaud.)

I, Form. Een draadschimiuel (hyphomyceet), die constant aangetroffen

wordt bij klinisch verschillende dermatomycosen, samengevat onder den naam van »gt;lt;ryciioi»iiyUe8quot;.

Sabourai'd*1) onderscheidde verschillende soorten. Twee hoofdtypen:

I. Trichophyton macrosporon, gekenmerkt door conidiën,— diameter van 7-8 micron, terwijl het mycelium tusschen de sporen steeds zichtbaar is.

Is vooral een iiarsnict van dc eiiidermis) de oorzaak van it'ichophytie der onbehaarde (met lanugohaav bedekte) huid.

T. macrosporon kan echter ook de behaarde huid aantasten en, bij kinderen, trichophytia capitis veroorzaken, maar wordt hier minder dikwijls aangetroffen dan de T. microsporon en het huidlijden is dan ook meestal goedaardig.

De parasiet woekert slechts tn, niet buiten om de haren: cndothïin de haren zijn niet-atrophisch en kort boven de follikelope-n i n g afgebroken.

De oorspronkelijk-dicriijkc T. macrosporon is een (endo-)ecto»ri*^2) heeft pyogene eigenschappen#3) en gewoonlijk worden Kerion Celsi

(«Suppurating ringwormquot; van liet behaarde hoold bij kinderen), Sycosis barbae en Pdri/olU-

culitis agminata door deze trichophyton-soort veroorzaakt.

II. Trichophyton microsporon, gekenmerkt door kleine conidiën, — diameter van ongev. 3 micron; een mycelium is niet zichtbaar.

Is een pamsict van het iiaar, de oorzaak van de meeste en de hardnekkige gevallen van Herpes tonsurans capillitii bij kinderen.

T. microsporon tast waarschijnlijk nooit onbehaarde (met lanugo-Laar bedekte) plaatsen aan.

Men vindt de conidiën niet alleen in, maar ook talrijk om het haar: cetotiirix; de haren zijn dun, atrophisch en op e enig en afstand boven de follikelopening afgebroken.

Volgens Sabouuaud identisch met Microgporon Audouini.

*'} S\noun.\uii. Annales de dermatologiö et de Svphiligrapliie. Paris pg. lOGI.

«2; Mem. Juli 1803.

Sauouhaud. ïricliopbytios a Doimite profonde. Ann. de l'liist. Pasteur. dSDIJ. pg. 407.

ocr page 89

75

Krul*1) meent, dat de door Sabouraud gescheiden soorten, variëteiten eener zelfde soort zijn.

Dezelfde schimmelsoort kon verschillende ziektevormen veroorzaken en uit klinisch gelijksoortige dermatosen konden verschillende schimmelvariëteiten gekweekt worden.

II. Cultuur. CuHnnr-methoden.

De aangetaste huidplek met alcohol wasschen en daarvan, met een curette, squamae afkrabben en deze brengen op een vooraf geflambeerd voorwerpglas; dit bedekken met een ander steriel voorwerpglas. Kleine stukjes uitzaaien op bijv. 4 buisjes, — gewoonlijk wordt dan op 1 of 2 daarvan een cultuur verkregen, die zuiver genoeg is om er andere buisjes van in te enten. [Wenscheiijk is het, om veel (6—8) buisjes te nemen.] Kweeken bij een temp, van i8-«o0c.!i bij deze temp. wordt de groei van verontreinigende microben vertraagd.

Een (met een pas uitgegloeid pincet) geëpileerd hciciv wordt, op een steriel voorwerpglas, met een geflambeerde, lancetvormige naald in kleine stukjes gesneden; met een platinanaald brengt men een enkel stukje in een ge-schikten voedingsbodem.

Zie ook: Methode van KnaL, bij Achorion favosa.

Voed i ngsbo d e m g.

BicrWOVt ( 2% suiker, — herhaakle malen steriliseeren op 125° C): is door SabOU-

raud als voedingsbodem aanbevolen, omdat, hoewel trichophytonsoorten er langzaam in groeien , de meeste microben er in het geheel niet in groeien.

[Bierwort is een moutsuikerhoudende vloeistof, — infuus of ilecoct van mout en hop. Mout, is kunstmatig gekiemd graan (meestal gerst), waarbij de ontkieming vervolgens, (door drogen, of eesten) gestoord wordt; bij het kiemen van gerst ontslaat daarin een ferment, dat, ook na het drogen, de eigenschap bezit het zetmeel van het graan om te zetten in moutsuiker (maltose), — Cu l'l2j O,, Uj O en dextrine.]

Is van wisselende samenstelling.

Maliose-pepion-agar. Maltose: 3.70 gr.; pepton: 0,75 gr.; water: 100 gr.; agar l1^—20|0.

Voor de cultuur van Tinea imbricata (Manson) *2) hebben pep-tonhoudende voedingsbodems beter voldaan dan sterk suikerhoudende, nl.:

Pepton-manniet-agar, — 4:quot;|0 pepton; 'jj0],, manniet; 2Ü|0 agar.

*') K. KhAi,. Ueber den Pleomorphismus pathogener Hyphomyceten. Archiv. f. Dermatologie u. Syphilis. ISiH.

Dr. A. W. NieuwEiNieuis. Tinea imbricata (Manson). Geneesk. ï. v. Ned. Indië. 1898.

ocr page 90

76

Cultuureigenschappen van trichophyton macrosporon (Sabouravd).

III. Groei.

Op voedingsgélatiné. Geelwitte CUltUUl'.

op bierwort-agnr. Pas op den avond van den 4den dag, of op den 54en dag ontstaat

een donzig vlekje. Dit vlekje is sneeuwwit van kleur en doet zich dan reeds „als met meel bestrooidquot; voor.

Den 6den dag is een dicht lucht-myceliim waar te nemen [het

mycelium van t. microsporon vormt meer een (stervormig) mycelium in de diepere lagen van den voedingsbodem.]

Na 15—16 dagen is de geheele cultuur „als met meel bestrooidquot;, (volwassen cultuur.) Het stof, dat de kolonie bedekt, blijft nooit zuiver wit, maar wordt, na ongeveer 3 weken, licht-bruin van kleur

(verschil mot t. microsporon.)

Vaak ontstaat een bruin-gekleurde, knopvormige kolonie, n.1. een centrale navel, met een dikke ring daaromheen.

Na 3 weken vindt men straalvormige vertakkingen, die van de periferie der cultuur in den voedingsbodem dringen.

Op gewone pepton- Donzige, later, (na ± 15 dagen) melige culturen. Dikwijls ontstaat

lt;l(ja'' een verkleuring van den voedingsbodem (rood, violet, rozerood

of roodbruin).

In hier wart.

In bouillon.

Drijvende eilandjes, bruin van kleur, met een wit stof bedekt.

Als op bierwort, maar de kleur der culturen is niet zoo donker.

Op naidappeien. Bruine cultuur, met een rand van lichtbruin gekleurd stof; de

aardappel zelf krijgt ook een bruine kleur.

Cultuur-eigenschappen van trychophyton mier. sporon (Sabouraud.)

Evenals bij trichophyton macrosporon is pas op den avond van den 4den dag met het bloote oog een cultuur te zien.

Op voedings-gelatine. Donzige, niet karakteristieke cultuur.

op biern-ort-agar. „In het beginquot; is haast geen lucht-mycelium waar te nemen (verschil met

t. macrosporon). Den 6dequot; dag zijn, in de diepere lagen van den voedings-

ocr page 91

77

bodem, rondom het uitgezaaide materiaal als centrum , naar alle richtingen mycelium-draden van gelijke lengte gegroeid, zoodat de kolonie zich zuiver rond voordoet en gelijkt op „het zijdeachtige zaadje van den populierquot;

Later worden de luchtdraden talrijker en langer. Na 3 weken ontstaat concentrisch om de oorspr. cultuur een tweede ring van luchtdraden, — van het centrale, donzige kuitje gescheiden door een bijna kale, circulaire ruimte.

Kenmerkend tegenover t. macrosporon is; dat de culturen zuiver wit blijven en niet poederachtig zijn,

Op qewone pepton- Ongeveer als op bierwort-agar.

agar.

In Jnerwort en in Ronde kolonies in de vloeistof, die niet bruin van kleur zijn.

bouillon.

Op aardappelen. Langs den streep ontstaat een op gedroogd bloed gel ij kende

cultuur, waaruit witte luchtdraadjes groeien, die hier en daar als „tuiltjesquot; bijeenstaan.

Volgens Waelsch'quot;) is in de eerste plaats het ivatergehalte van den voedingsbodem van invloed op den vorm der culturen; zoo werden op water-ar me voedingsbodems gekleurde Culturen verkregen, die, op water-rijke media overgeënt, weder wit werden.

Een luchtmycelium nam hij pas waar, wanneer de voedingsbodem uitgeput begon te raken.

IV. Verhouding tot Aël oob.

lucht.

V. Temperatuur. Groeit zoowel bij gewone kamert., als bij 37° C.

VI. Verhouding tot Vervloeiing (niet constant).

gelatine.

VII. Microscopisch ^'e : Bijlagen.

onderzoek.

'*) Waklscii. Arcliiv. t. Dermatologie u Sypliilis. IM. 37. S. 3—35,

ocr page 92

78

VIII Fathogeniteit. Behalve bij den mensch wordt T. tonsurans o. a. gevonden bij

runderen, paarden, honden, katten, geiten, schapen en varkens.

Inentingsproeven op den mensch geven niet altijd positieve resultaten. Verschillende factoren zijn van invloed op het al of niet slagen daarvan: individuele praedispositie (reactie van het zweet), de techniek der inoculatie enz.; de ouderdom der cultuur schijnt echter volgens Sabouraud van weinig beteekenis te zijn, — hij verkreeg positieve resultaten met een cultuur, die 3 maanden oud was.

Trioiioitiiytun macrosparon: Mensch. Na 4 dagen ontstaat op de plaats van inenting een verheven roode vlek, met „moetenquot;, die eenigerraate gelijken op de follikelopeningen van geëpileerde haren, — waarin de parasiet kan worden aangetoond. De vlek is na 10 dagen verdwenen, of, er ontstaat daaromheen een erythemateuse ring, die squameus wordt.

Trichoidiyton microNiioron; Er ontstaat slechts een licht erytheem, met geringe desquamatie, — geen d u i d e 1 ij k e ring.

Cavia. Niet constante resultaten; Sabouraud verkreeg een huidlijden als bij K i n d e r - H er p e s tonsurans, dat met haaruitval begon (na 8 dagen), drie weken duurde en spontaan verdween.

De Muis schijnt immuun te zijn voor alle trichophytonsoorten.

Inoculatieiucdiodc tan Sabouraud.

1.) De in te enten plaats rigoureus désinfecteeren (anders ontstaat er

folliculitis en mislukt de enting.)

2) Steek methode toepassen; de gemaakte piqiïre met een horlogeglas bedekken.

(Scarificaties zijn te ontraden, omdat de typische laesie daardoor onkenbaar gemaakt zou worden, het entingsinateriaal er slecht op gefixeerd wordt en licht buiten de gescarilieeerde plaats geraakt.)

3.) Op verschillende tijdstippen van den dag de reactie van het zweet controleeren; bicarbonas natricus toedienen om een alkalisch reageerend zweet te verkrijgen.

ocr page 93

79

jJScicinïts ctjoferae qafl'inantm (piirroncito; Pasteuk.) Bacterium avicidum (Kitt.) ^1)

I. Vorm en sporen- Zeer kort (0,8—2 micron), ovaal staafje, — coccobacil (vertoont

vorming. morphologische gelijkenis met den bacil der septicaemia haemorrhogica en met bac. rhusiopathiae suis,

maar de laatste is dunner). Soms zijn de microben i' o n d, als coccen, — jonge vormen, alleenstaande of paarsgewijs verbonden: microhes en huit.

Na kleuring, waarbij de uiteinden sterker getingeerd zijn dan het middenstuk, gelijkt de bacil eenigszins op den gonococcus.

Heim nam in het bloed van een, met culturen geïnfecteerde duif „k aps elb on d en d equot; bacteriën waar.

Vormt geen sporen.

Wordt gevonden in het bloed , de inw. organen (vooral in de milt) en in de faeces van kippen, die aan kippenchoicra (cholera gallinarum),

of vogel-seiitlcaemle lijden.

Verschijnselen van kippencholera-. Men onderscheidt een peracute, acute en chronische vojm van kippencholeia. In hot eerste geval sterven de dieren binnen enkele uren (2—5) onder hevige krampen. Bij den acuten vorm zijn zij treurig, somnulent en hebben geen eetlust; de veeren staan overeind en de vleugels hangen. Het voornaamste verschijnsel is de diarrhee, waarhij eerst grijze en daarna bloederig-gchuimende faeces, gemengd met witte brokjes, ontlast worden. Kam en slijmvliezen zijn cyanotisch. De dood treedt in na 12—60 uren. Bij den chronischen vorm vermagert het dier snel en heeft aanhoudend diarrhee. Na weken sterft het aan uitputting.

II. Bewegelijkheid. Geen eigen beweging.

lil. Groei op voedings- Zeer langzame groei op gelatine.

gelatine.

In steekcultuur. Aan de oppervlakte vormt zich een zeer dun, grijswit beslag;

langs het steekkanaal ontwikkelen zich witachtig-doorschijnende, puntvormige kolonies, die later samengroeien.

Op voedingsagar. Dun, glinsterend, witachtig beslag.

Bouillon blijft helder, geelwit bezinksel.

*'1 Til, Kitt. Bakterienkunde. VVien 1899. S. '230.

In bouillon.

(geneutraliseerde bouillon van vogel-«jtleren. Pasteur.)

ocr page 94

80

Bij 37° C., wasachtig-doorschijnende, grijsgele, dunne laag.

Melk: gecoagnleerd.

Bloedserum : dof-wit, dun beslag.

Aëroob.

Optimum 37° C.; groeit ook bij gewone kamertemp. Op aardappel: alleen bij 37° O.

VI. Verhouding tot Geen vervloeiing.

gelatine.

Vil. Verhouding tot Dekglaspraeparaat van bloed van de nog levende kip, of zoo klem stoffen. mogelijk na den dood.

„Gram'quot;: ontkleurt.

Neemt aniline-kleurstoffen gemakkelijk op; „pool-kleuringquot;. (vergcl. bacr coii communis; bac. influenzae enz.) Dubbelkleuring van een bloed-praep. met eosine en gentiaanviolet.

VUT. Dierproef. De duif is het beste proefdier; na enting boven de borstspier

(met een scalpel een 2—3 c.M. lange huidsnede maken en de wond bestrijken met virulent bloed, lever-

of milt-pulpa.) neemt men het volgende waar:

1.) snelle dood, reeds na 12—48 uur;

2.) Typische patJwl.-anal. veranderingen bij de autopsie, n.1. a.) een omschreven zwelling op de plaats van inoculatie, die bij insnijding blijkt te bestaan uit een stroogeel, fibrineus exsudaat, h.) pericarditis fibrinosa, met eccliymosen van hetpericard, c.) enteritis haemorrhagica, met bloedengen, chocolade-kleurigen darminhoud;

3.) in het bloed en in de inwendige organen zijn de specifieke bacillen talrijk aanwezig

De kiii sterft, op dezelfde wijze ingeënt, na 12—24 uur, soms pas na 2—4 dagen; de plaatselijke reactieverschijnselen zijn zeer uitgebreid, — men vindt op de plaats van inenting: een grijs-of roodachtig-witte, brokkelig vaste, necrotische massa, die op „gekookt spekquot; gelijkt en zich over de geheele borstspier uitbreidt. Bij de sectie constateert men vaak, behalve pericarditis en enteritis, pneumonie en

pleuritis haemorrhagica, (quantitatief verschil in pathogeniteit met bact. septicae-miae hacmorrhagicae.)

Op aardappel.

Op andere voedingsbodems.

IV. Verhouding tot lucht.

V. Temperatuur.

ocr page 95

81.

Eenden en cjanzsn vertoonen meestal geringe locale reactieverschijnselen ; daarentegen vaak een heftige darmontsteking.

[Vergel. bacillus anthracis, waartegen vogds zeer resistent zijn.]

Het konijn is zeer vatbaar: door cutane infectie (van een aan het oor gemaakt huidwondje) met slechts een kleine hoev. virulent vogelbloed treedt na ongev. 10—20 uur, onder diarrhoea, de dood in; bij de obductie wordt vaak pleuro-pueumonie waargenomen. (Pasteur's raad om

de konijnenplaag in Australië met bacillen der kippencholera te bestrijden.)

Caviae, schapen en paarden konden door cutane of subcutane enting onder algemeene ziekteverschijnselen gedood worden; evenwel ontstonden meestal slechts locale processen, — absces op de plaats van injectie, waarin de bacteriën weken lang in cultuur bleven!

Bij huis- en veldmuizen zijn dikwijls negatieve resultaten verkregen. V oe d er ing spr o e v en. Bizonder gevoelig voor intestinale infectie is

het konijn (modus infectionis: een koolblad bestreken met bloed of bacillenhoudende kippenfaeces);

honden en katten zijn daarvoor onvatbaar.

Door subcutane injectie van (bacterienvrije) cultuur fil tra ten werden bij proefdieren verschijnselen van slaapzucht te weeg gebracht zooals bij spontane kippencholera.

Vaccinatie tegen kippen-cholera In 1880 ontdekte Pasteur, dat culturen van bacillen der kippencholera, die men langen tijd had laten staan, d. w. z. niet had overgeënt, zóódanig in virulentie verzwakt waren, dat zij bij kippen wel ziekte, maar slechts bij uitzondering den dood konden veroorzaken. „De herstelde hippen waren niet vatbaar meer voor de infectie met het onverzwakte virusquot; (eerste proeven van Pasteur over immuniteit.)

Identiteit van de bacillen der kippenoholera met die der „konijnen-septicaeiniequot;Bacicrimn ciiniciiiiciiinin» (Davaine , R. Koon en Gaffky.)

Volgens Hueppe en Kitt is bact. avicidum identisch met den bacil der konijnen-septicaemie; kippen en eenden, die ingeënt waren met de verzwakte vaccins van kippencholera, bleken tevens immuun te zijn geworden tegen konijnensepticaemie-virus; controle-proefdieren stierven, na enting met septicaemie-bacillen, onder de typische verschijnselen van kippencholera.

ocr page 96

82

^acUfus r^xtöiopatöiae sttis.quot;)

Bacterium eri/sipelaios suum.

I. Vorm en sporen- Zeer klein, slank staafje (bact. avicidum is itfomp), slechts 1—1,5 micron voiming. lang; in culturen, vaak dunne draden.

Van sporenvorming is niets met zekerheid bekend; heeft weinig ■weerstandvermogen tegen hooge temperaturen.

Is de oorzaak van de vlekziekte der varkeim (rouget de pore, schweine-rothlauf) en van andere klinische ziektevormen bij varkens, — eiiiioc»r.

ditig TBlvulnris bacillutm en urticaria»

Bij varkensvlekziekte worden de bacillen aangetroffen in het bloed, echter veel talrijker in de milt, de lever en de nieren; men vindt, ze ook in de excrementen.

Verschijnselen der vlekziekte1.) Acute, vorm, — Hevige koorts, buitengewoon snelle dooti, roode vlekken op de liuid, gezwollen oogleden, soms epistaxis en braken, hangende staart (er is geen krul in de staart), hyperaemie van het maag- en darm-slijmvlies, zwelling van de klieren in de nabijheid der maag en van de Peyersche plaques;-2.) Subacute vorm — meestal de dood, begint met vermindering van eetlust, later diarrhoea, roode vlekken; 3.) Chronische vorm: Na de ziekte blijven de dieren mager en krijgen zwelling van verschillende gewrichten (la goutte) en lijden veelal aan endocarditis verrucosa. Soms ontbreken de vlekken op de huid. Soms ziet men urticae, in andere gevallen vesicae.

II. Bewegelijkheid. Geen eigen beweging.

III. Groei. Diagnose van vlekziekte door de cultuur', miltsap van het aan vlek

ziekte bezweken varken op een muis of duif inenten en pas van het hartebloed dezer proefdieren een steekcultuur maken.

Op gelatine.

In slreepcultuur. Aan de oppervlakte nauwelijks zichtbare kolonies, waarvan fijne, penseelvormige vertakkingen naar de diepere lagen der gelatine doordringen.

In steekcultuur. Typische gelatine-steekculiuugt;'\ geen groei aan de oppervlakte der

gelatine; langs het steekkanaal ontstaan opeengehoopte, grijswitte bolletjes, ongeveer ter grootte van een speldeknop, waarvan straalsgewijs fijne uitloopers uitgaan; na 6—10 dagen gelijkt de cultuur opeen „lampe.-borstelquot;-

*) Zie o. a.: Kitt. liacterienkuivle. Wien 1899.

ocr page 97

83

Op platen. Na 2—3 dagen ontstaan in de gelatine halfdoorzichtige, blauwachtig-

grijze kolonies.

Op voedings-agar. Zeer dunne, nauwelijks zichtbare laag.

Op aardappelen. Geen gl'Oei.

in Bouillon. De bouillon wordt eerst een weinig troebel, later helder met een

grijswit bezinksel.

Aëroob.

Groeien zoowel bij gewone kamertemp. als bij 37° O.

Geen vervloeiing (geringe verweeking. IIeim.)

Dekglaspraeparaat van milt-, lever- en milt-sap.

„Gramquot;: positief.

wuic of grijze iiiiiHmniH; Subcutane inoculatie, — in de huid boven de staart een knipje of snede maken en door de gemaakte opening, met de platinanaald, een kleine hoev. reincultuur, varkensbloed of miltpulpa in het onderh. bindw. schuiven. Na ongeveer 24 uur is de muis duidelijk ziek, zit ineengedoken, met overeind staande haren, heeft respiratie versnelling en vertoont een heftige conjunctivitis muci-pera, Na 2—4 dagen sterft het dier.

Veldmuizen schijnen immuun te zijn.

De dnif is, evenals de witte muis, zeer gevoelig voor de infectie. Deze geschiedt heel gemakkelijk door de huid boven de borstspier met een door bloed, of pulpa besmet mesje open te krabben. De dood volgt gewoonlijk na 3—4 dagen.

Het virus wordt in duiven giftiger.

De musch sterft meestal een dag eerder.

In het bloed en in de organen dezer proefdieren worden de vlekquot; ziekte-bacillen gevonden.

Het konijn is voor subcutane injectie minder gevoelig; spuit men in onder de huid van het oor; dan ontstaat dikwijls slechts een locaal erysipeloid ontstekingsproces, dat geneest, of soms door algemeene infectie gevolgd wordt. Niet zelden ontwikkelt zich een chronisch lijden. Daar-

IV. Verhouding tot lucht.

V. Temperatuur.

VI. Verhouding tot gelatine,

VII. Verhouding tot kleurstoffen.

VIII. Dierproef.

ocr page 98

84

entegen wordt het konijn bij intraveneuse injectie in den regel binnen 3—6 dagen gedood.

Het varken kan men, met culturen, vlekziekte bezorgen, o. a. ook door voedering met excrementen van daaraan lijdende dieren.

(experimentele bevestiging van een veelvuldige oorzaak van verspreiding. Verschil met bac. sarcophyse-matos bovis.)

Inentingen van runderen, schapen, paarden, ezels, honden, katten, ca viae, kiiipeii, cjanzen en eenden hebben tot dusver iicgBtie»c resultaten opgeleverd

(verge!, bac. cliolerae gallinarum.)

Immunisatie van konijnen en schapen tegen vlekziekte kan worden verkregen: door herhaalde onder huidsche inspuitingen van gedoode culturen.

Witte muizen heeft men onvatbaar kunnen maken door injectie van Woedserum, afkomstig van geïmmuniseerde konijnen.

Vaccinatie van varkens tegen vlekziekte:

1.) door „subcutane injectiequot; van culturen van verzwakte bacillen, maar alleen dan, als de bacillen nog virulent genoeg zijn om in de circulatie te geraken; — een konijn inspuiten met virulente vlekziektebacillen en wanneer het dier slechts met een locaal ontstekings-proces reageert, uit het exsudaat de nu „verzwaktequot; bacillen kweeken :

de iihhhnge iloor liet konijn heeft de bacil verzwakt voop liet varken;

2.) door culturen van gedoode bacillen, slechts onder voorwaarde, dat men deze direct „in het bloedquot; inspuit, niet bij subcutane injectie.

3.) door hloedserum van tegen vlekziekte actief geïmmuniseerde varkens, die bovendien, korten tijd vóórdat men hun bloed neemt, nog weer met een virulente cultuur ingespoten worden.

De bacil van de vlekziekte der varkens is zeer na verwant (rasvariatie), waarschijnlijk identisch met dien der nuiizcii-nci.ttcacmie (naoiiiua muriaciiiiciiH). Beide schijnen niet pathogeen te zijn voor veldmuizen en ca viae, wel voor witte muizen, duiven en konijnen: zij komen mor-phologisch overeen en de culturen vertoonen slechts geringe verschillen. Toch is het nog nooit gelukt met bact. murisepticus bij het varken vlekziekte te weeg te brengen.

Volgens Lorenz zijn konijnen, die tegen vlekziekte geïmmuniseerd zijn, ook onvatbaar voor muizen-septicaemie en bleken konijnen, die aan muizensepticaemie geleden hadden, refractair tegen vlekziekte te zijn.

ocr page 99

85

jBacU'htS savcopljx^emafos fioüis (Bollinger; Fesek.) w)

Boutvnur-bacil,

I. Vorm en sporen- Recht staafje, lang 3—6 micron, breed 0,5—0,7 micron (Rewooniyk, vorming. kol,tel,

en dimner clan bac.-anthracis, waarmede hij vroeger dikwijls verward is), heef t alge 1' O 11 (1 e Uiteinden (gelijkt das veel op bac. oedem. maligni; de uiteinden van bac, anthracis zijn, na kleuring, rechthoekig afgesneden, of met schotelvormige verdiepingen).

Bezit vele trilharen; ook komen vrije, blijkbaar van den bacil losgelaten en vaak tot groote, spiraalvormige bosjes vereenigde ciliën voor in bloedserum-culturen (niet in gelatine-culturen).

Vormt glinsterende, ovale sporen, eind- of middelstandig gelegen; de sporendragende bacil gelijkt op een „trommelstokquot;, of op een „kolfquot;. (In het spiersap vindt men ook vrije sporen.) Ook tij de us het leven heeft in de, weefsels sporenvorming plaats (verschil met bac. anthracis.)

De bacil is de oorzaak van het bouivuur („Rauschbrandquot; of Charbon symptomatique) en wordt bij aan deze infectieziekte gestorven dieren,— runderen e. a., slechts spaarzaam in het bloed aangetroffen, maar talrijk in het spier vlees ch, in de haemorrhag. transsudaten van het onderhuidsche bindw. en der verschillende lichaamsholten en in de gal.

Voornaamste verschijnselen van houtvuur: hooge koorts, huid-cmphyseem, beven, kreupel loopen met een lidmaat waaraan meestal-zwelling wordt geconstateerd, t. g. van emphyseem door gas-ontwikkeling, — sereus-bloederige transsudaten in spieren (vooral inborst- en dijspieren); de dieren sterven ongev, 40—50 uren na de infectie. Vooral jonge runderen (1—3 jr.) worden aangetast.

Door het cmphysemateKS karakter der zwollingen onderscheidt zich deze ziekte van miltvuur. Komen uitwendige zwellingen hij deze ziekte voor, dan zijn zij allijd oodemateus. Boosaardig oedeem is bij runderen hoogst zeldzaam en stond bijna altijd met partus m verband.

II. Bewegelijkheid. Ronddraaiende eigen beweging; sporendragende bacillen zijn meestal

Onbewegelijk. (Zie: hac. tetani; bac. oed. maligni is bewegelijk, bac, anthracis niet).

III. Groei.

Op voedings-gélatine.

In steekculturen. Groei alleen in de diepere lagen, onder vervloeiing der gela

tine en givHoiitwikkclhig. (zio o. a. bac, coli commune on bac. oed. maligni).

*) Zio: Kitt, liicterienkunde u, Pathol, mikroskonie, Wien 1800,

ocr page 100

80

Op platen. Ronde kolonies, als met vocht gevulde kogeltjes in de gelatine, waar

van draadvormige vertakkingen uitgaan. (Zie: bac. oedem maiigni.)

Op voedingsagar. Karakterisiielce agar-steeJcciiltuur: bij 37° C. reeds na 24 uur ganont-

wikkeling, die zóó overvloedig wordt, dat de agar er als door lucht-blazen gespleten uitziet.

In bouillon.

CtivXamp;'houillon, Kweeking in waterstofgas, bij 37° C.: na 24 u. is de bouillon

troebel, er ontstaan witte vlokjes en aan de oppervlakte vormt zich schuim.

De bouillon-cultuur riekt naar ranzige boter.

Op aaidappelen. Bij afsluiting van dampkringslucht, —- cultuur als van hac. typhi

ahdominalis\ schrale, bijna onzichtbare, eenigszins vochtige culturen.

IV. Verhouding tot Anaëroob, [kan zich ook ontwikkelen bij toetreding van dampkringslucht; kweeking in groot»

lucht. hoeveelheden ('/j—l Liter) bouillon, waarin veel virus is uitgezaad ;—bac oedem. maligni is ook anaëroob.]

V. Temperatuur. Minimum: 10—18° C.; Optimum: 37° C. De sporenvorming in

culturen geschiedt sneller bij 37° O. dan bij gewone kamertemp.

VI. Verhouding tot Vervloeiing (bac. anthracis en bac. oedem. maligni ook.)

gelatine.

VII. Verhouding Kleuring van spiersap, — van (sereus-bloederig) transsudaat.

Stoffen™' *leW „Gramquot;: ontkleurt (volgens HeIJI ook positief.) [Bac. anthracis: positief!;

bac, oedem. maligni: ontkleurt,]

Dubbelkleuring met eosine en gentiaanviolet.

VIII. Dierproef. Bij den meiisch is nooit een geval van houtvuur waargenomen

(maligne oedeem komt, hoewel zeldzaam wei bij den mensch voor.)

T. Zeer vatbaar zijn: runderen, schapen, geiten en ca viae.

II. Minder vatbaar zijn: paarden, ezels, witte ratten (vertoonen slechts locale reactieverschijnselen na de infectie).

III. Het konijn is, onder normale omstandigheden, nagenoeg refractaii

ocr page 101

87

tegen houtvuur; verder schijnen buffels, varkens, honden, katten, eenden, kippen en duiven schijnen zoo goed als immuun te zijn.

Modus infectionis: kunstmatige infectie slaagt niet bij cutane, wel bij suhcutane enting: het virus moet diep onder de huid, liefst tot tusschen de spierbundels gebracht worden. Runderen zijn resistent tegen

intraveneUSe injectie (beteekenis van de porte d'entrée van een virus.) 1)

Zelfs door invoering van groote hoeveelheden spierpulpa, hebben voederingsp roeven, meestal negatieve resultaten opgeleverd

(verschil met bac. rhusiopathiae suis.)

Kikvorschen kunnen houtvuur krijgen, als men ze, na de infectie, brengt in een omgeving, waarvan de temperatuur 22° O. bedraagt.

Materiaal voor de entlngsproeven: culturen (die in bouillon verliezen hunne virulentie in ongev. 8 dagen; op vaste voedingsbodems behoudt de bacil zijn virulentie veel langer),

spiersap, poeder van in warme lucht gedroogd spier-vleesch (Kitt.)

Inentingen met poeder van spiervleesch: Kitt heeft waargenomen, dat spiervleesch van aan houtvuur bezweken runderen, gedroogd in warme lucht, jaren lang virulent blijft. Door poeder van zulk vleesch, met water gemengd (1 gr. 20 water) kan men proefdieren dooden: Injectie van eenige droppels van dit mengsel bij een cavia onder de huid van de dij, doodt het dier in 24—48 uur; op de plaats van injectie ontstaat oedeem, het onderh. bindweefsel en de spieren zijn donkerrood gekleurd en in het transsudaat vindt men talrijke boutvuur-bacillen. Schapen en runderen sterven door de injectie van 1—5 c.M3. van het poedermengsel.

1

Zie: LiiVï-KLEMPEBER. Klinische Üakteriologie. Berlin 1808. pg. 31.

ocr page 102

88

■§3adcmtm se^ticacmiae ^acmon^agtcac1) (Bollinger,Hueppe,Kitt.)

Bacillus pansepticus.

I. Vorm en sporen-vorming.

Zeer klein, ovaal , plomp staafje (morphologische overeenkomst met bac. chn-lerae gallinanim, bac. rhusiopathiae suis is slank), 0,6-1 lUid'OU lailg' 611 0,3 mid'On

breed; ook rond, als een coccus.

De uiteinden worden door bas. aniline-kleurstoffen sterker gekleurd dan het middenstuk: bact. bipolare multicidum.

Sporenvorming is niet waargenomen.

Wordt aangetroffen in het bloed, de inw. organen, de exsudaten van herten, wilde zwijnen, paarden, runderen, varkens en

andere aan geptlcacmi» liaeniurrlmgics (HüEPPe) ot und Rinderxcnchequot;

(Bollinger) lijdende dieren.

Voornaamste verschijnselen van Septicaemia haemorrh agica der runderen: een met bloedingen gepaard gaande acute septicaemie (bactenaemie); 3 vormen, — l.) de exanthematische vorm (uitgebreid ontstekingsoedeem van de huid, oedemateuse infiltratie van de uitw. weeke doelen door een seieuse of haemorrhagische vloeistof, zwelling van de tong enz.), 2.) de pectorale vorm (fibrineuse pleuro-pnemnonie, fibrineuse pericarditis, mediastinitib), 3.) de intestinale vorm (haem. enterititis, die evenwel gewoonlijk ook bij andere vormen voorkomt.)

He exanthematische vorm zou desnoods met houtvuur kunnen verwisseld worden. JJe zwellingen crepiteeren eveiwol nooit; zij houden altijd liet karakter van heete oedemen.

II. Bewegelijkheid.

Geen eigen beweging.

III. Groei.

Op voedingsgelatine. De culturen vertoonen overeenkomst met die van bac. cholerae gallinanim.

Witte, hyaline, kraakbeen a chtige, drop p eivormige kolonies; geen vervloeiïiig.

Idem,

Grijsgeel beslag.

Aëroob,

Groeit zoowel bij gewone kamert., als hij 87° C

Op voedingsagar. Op aardappelen.

IV. Verhouding tot lucht.

V. Temperatuur.

VI. Verhouding tot gelatine.

Geen vervloeiing

1

Zie: Kiït. liacterienkuiule u. Pathol, mikroskopie. AVien 1890.

ocr page 103

89

„ Gramquot;: ontkleurt.

Pool kleuring: (bac. cholerae gallinarum ook.)

Zeer gevoelige proefdieren zijn de witte muis en het konijn; door enting met bloed, stukken van organen en reinculturen gaan zij snel te gronde.

Ook door voeding met bloed, stukken van organen, die de bacteriën bevatten, (gestreken op brooj of koolbladen) kunnen muizen en konijnen gemakkelijk geïnfecteerd worden.

De witte muis sterft ongeveer 12—36 uur na de sub cut an e ot

C U t a n e infectie (de punt van het oor afsnijden en de wondvlakte bestrijken met virulent bloed

of milt-sap); bij de obductie vindt men de milt sterk vergroot.

Het konijn is zóó gevoelig, dat een uiterst geringe hoeveelheid van het virus voldoende is, om het in korten tijd te dooden (scarinoatie

van da huid van het oor met een met bloed besmet mesje). Post mOl'tem ; Constant

voorkomen eener laryngo-tracheïtis, dikwijls haem. enteritis j haera. pneumonie, oedema pulmonum.

Caviae konden niet besmet worden door cutane enting, werden echter door subcutane injectie van het virus gedood.

Yatbaar voor een doodelijke infectie zijn verder gebleken: runderen (subcutaan), varhens, een geit, een schaap (subcutaan) en een paard.

Duiven en musschen (kleine vogels dus) werden door subcutane enting meestal in 12—24 uren gedood.

Door voeding met stukjes vleesch, afkomstig van een aan septicaemia haem, gestorven konijn, stierven twee koolmezen na één en anderhalven dag.

iioendcrs•) werden, zoowel door subcutane, als door intra-musculaire infectie met materiaal, afkomstig van aan septicaemia haem. gestorven dieren en met reinculturen niet gedood (verschil met bac. cholerae gallinarum.)

Toch is bact. septicaemiae haemorrh., hoewel zwak, in zooverre toch wel pathogeen voor kippen, omdat bij subcutane inenting, op de plaats van injectie in het onderhuidsche bindw. en in de spieren een analoge path.-anat. verandering gevonden wordt als die, welke plaatselijk door injectie der kippencholera-bacillen wordt teweeggebracht

(vergel. bac. cholerae gallinarum).

VII. Verhouding tot kleurstoffen.

VIII. Dierproef.

De microben werden ook in de eerste dagen na de injectie in het bloed der hoenders aangetroffen.

*) Zie het Jaarverslag van het Laboratorium voor pathol. anat. en bacteriologie te Weltevreden over het jaar 1890.

ocr page 104

mmmm

mGrnmsm

msmmmmmsm

m

Pï: '

iwi

11 '■

ocr page 105

I.

$id fifeurctt tgt;an Bacfenë».

I. Kleurmiddelen. Aniline-Kleurstoffen.

Benzol, C6 H6, is een vloeistof, die aangetroffen wordt in de lichte steenkolen-teerolie. Daaruit kan men met salpeterzuur nitro-benzol, C6 H5 NO2 bereiden, dat door inwerking van waterstof in statu nascente wordt omgezet in amido bemol of aniline C0 H5 n H 2.

Toluol is methyl-benzol. C6 H5 CU3; dit wordt door salpeterzuur omgezet in nitro-toluol, Ce H NO8 CU3 dat door reduceerende stoffen overgaat in amido-toluol of ioluidine, C6 II1 N II! C II 3.

Anüineolie is een mengsel van aniline en ioluidine, — de grondstof voor de bereiding van anillne-kleurstolfen.

Door oxydatie van anilmeolie ontstaat rosaniline:

C6H'N 2 C7 H' N 30= 3 II20

Aniline. Toluïdine. Rosaniline.

Vele in de bacteriologie gebruikelijke kleurstoffen zijn „zouten van de basische verbindingr os aniline,quot; of van substitutiederivaten van rosaniline.

Men onderscheidt basische en zure aniline-kleurstoffen; in de eerste is een base het kleurend bestanddeel, in de tweede een zuur (Ehulicii). De kleuring wordt opgevat als een chemisch-physisch proces.lif) —

(physische absorptie; acidophiele en basophiele weefsel-elementen.)

Gebleken is, dat Toomameiijk de kemen en bacteriën de basische kleurstoffen vasthouden, dat zure kleurstoffen de weefsel-elementen diffuus kleuren.

Basische kleurstoffen kleuren echter niet alleen de kernen en bacteriën, maar, na kleuring van een bacteriënhoudend weefsel, zullen door ontkleuringsvloeistoffen, bijv. door alcohol, achtereenvolgens ontkleurd worden: 1. de tusschenstof; daarna 2. het cel-protoplasma, terwijl 3. de celkernen en 4. de bacteriën de kleurstof het langst vasthouden.

De voornaamste basische (d. z. kern- en bacteriën-kleurende) kleurstoffen zijn: Qentiaanviolet, methyleenblauw, fuchsine, Bismark-bruin (Vesuvine).

Erhlich's analinewater-gentiaanviolet-oplossing; 2:y)

Anilineolie 21|2 c.M3 schudden met 50 c.M.3 water, lltreeren door een met water bevochtigd filter en ö1^ c.M.3 verzadigde alcohol, geatiaanviolet-opl. toevoegen; sterk schudden eu filtreeren.

'') Vergel. Dn. M. C. Dkkiiuuzen. De aard van het proces der kleuring van rnicrosc. praeparaten, Nederl. T. v. G. 'I88G, blz. 585. Dl. II.

2■) Deutsche med. Wochenschriit 1882, blz. 270.

ocr page 106

II

Carhol-gentiaanviolet-oplossing : (gemakkelijker te b3i'eiclen dan en niet veranderlijk zooala aniline gentiaaiivioletgt;«plossing).

1 Gram gentiaanviolet (of krystal-violet) in een mortier fijnwrijven en verdeelen in 10 c.M.1 alcohol absol. en, bij gedeelten, 100 c.M.3 eener 1 0|0 oplossing van cavbolzuur hieraan toevoegen (oorspr. voorschrift: verz. opi. van gentiaanviolet in alchol 95 % — 10 c.M3; carljolzuuropl. 1 % — lOO c.M3.

Kri/stal-violet: is van constanter samenstelling dan gentiaanviolet.

Löffler's methjleenblauw-oplossing: 1{f)

Verzadigde alcohol, methyleenblauwopl. 30 c.M.3; waterige oplossing van kaliloog (1 : 10.000, of 10 m.Gr') — 100 c.M.3.

Kühne's methyleenblamvoplossing:

Methyleenblauvv 1,5 Gram; Alcohol absol. 10 c.M.3; Carbolzuuropl. 5 l 100 c.M.3.

Nicolle's Carhol-ihionine-oplossing:

Thionine 0,5 Gram; Alcohol absol 10 c.M.3; Carbolzuuropl. 1 0|o —

100 c.M.3. (oorspr, voorschrift; verz. opl. van thionine in 50 0/0 alcohol — IC c.M.3; carbolzuuropl 1 quot;/d — 100 c.M.3; aan te bevelen voor het kleuren van bacteriën, die „Gramquot; niet nemen, sterk kleurend vermogen, is weinig opl. in abs. alcohol, wanneer zij op bacteriën gefixeerd is).

Zieiil's Carbolfuchsineoplossing : 2's)

Fuchsine 1 Gram; Alcohol absol 10 c.M3; Carbolzuuropl. 5 0|o — 100 c.M.3.

Eosine-alcohol:

Verzadigde alcoholische (96 0|o) oplossing van eosine — 1 dl.; alcohol 96 0jo — 2 dln.

Eosine is een zure, de weefsels diffuus kleurende aniline-kleurstof.

Gram's of LngoVs oplossing:

2 Gram Jodetum kalicum oplossen in 300 c.M.3 gedest. water en hierin, onder wrijven, 1 Gram Jodium oplossen.

Nicolle 3') heeft een sterkere oplossing aanbevolen: Jodium 1; Jod. ka). 2; Aqua dest. 800 c.M.3, de bacteriën worden sterker gekleurd en bieden meer weerstand aan ontkleuring.

1

') Annales de 1'Institut Pasteur. 1895. Tome 9.

2

Deutsche med. AVochenschrift. ISSi. blz. 451.

ocr page 107

Ill

11. Fixatie op het Neemt een zorgvuldig gereinigd en gedroogd dekglaasje (dat vetvry gemaakt

dek glas. is jq,,,. |le(. dekglaasje te bewaren op, alcohol-aether ana partes, en het, vóór het gebruik nog door de

vlam te halen), -—brengt hierop, met een vooraf gegloeide platinanaald, een druppel steriel water (voor culturen in vloeibare voedingsbodems neme men een druppel van de cultuurvloeistof),— verdeelt daarin een zeer kleine hoeveelheid van de bacteriën-massa en strijkt den druppel tot een zoo gelijkmatig mogelijk laagje over het dekglaasje uit. Men laat het dekglas nu liggen, tot het. goed lucht droog geworden is en haalt het daarna, met de praeparaat-zijde naar boven, drie maal langzaam, „zooals men brood snijdtquot;, door de (blauwe) Vlam Van een Bunsenschen brander. (Bloed-praep. niet in de vlam (Ixeeren maar eenige min. in absol. alcohol loggen en aan de lucht laten drogen).

III. Kleurwijzen. In het algemeen is voor de kleuring van bacteriën in culturen

Carbolgentiaanviolet of carbol-kr ystal vi olet aan te bevelen.

In weefsel-doorsneden: me thy leen blauw-, of thionine-oplossing; als tegenkleur; picrocarmijn of eosine-alcohol.

EnkelTondlge kleuring

I. Van culturen:

Brengt het geüxeerde dekglas in een horlogeglas met carbolgentiaanviolet, met de praeparaatzijde naar beneden op de oppervlakte der kleurstof, laat het ongev. 1 minuut hierop liggen; spoelt de kleurstof af in een schaal met water of ouder de straal der waterleiding (of hevelflesch) droogt het tusschen filtreerpapier en legt het dan op het voorwerpglas (in water onderzoeken voor de diagnose; om het le bewaren, insluiten in canada-balsem).

II. Van exsudaat, pus, bloed, orgaan-pulpa :

Kleuren met carbol-methyleenblauwopl. van Kühne (2—4 min.) of met carbol-thionineoplossiug (2 min.).

III. Kleuring van coupes met bacteriën, die door „Gramquot; ontkleurd tcorden:

1.) De parafflne-doorsnede brengen in benzine 5—10 min., daarna in alcohol 96 0|o 1— 2 min., dan in water afspoelen; 2.) in Kühne's methy-leenblauwopl.; — 5 min.; 3.) in water afspoelen; 4.) even in tannine-

oplossing 10 0|o (heeft volgens Nicolle de eigenschap om het methyleenblauw op het praep. te fixeeren i

onoplosbaar in aihohoi te maken); 5.) in water afspoelen ; 6.) in alcohol absol. — 1 min.;

in xylol; in Canadabalsem. (Een geschikte bact.-kl. is hier ook carbol-thionine opl., '1 min.). Dubbelkleuring met tannine-eosine-oiüossing.

ocr page 108

IV

ififeuïing uofgcns lt;|ra«t.

Gram vond in 1884 een methode om een weefseldoorsnede, waarvan alle elemententen gelijkmatig gekleurd zijn, (dus: tusschenstof, celprotoplasma, kernen en bacteriën) zóódanig te ontkleuren, dat alleen de bacteriën (bepaalde) gekleurd blijven.

Het bleek, dat wanneer men een waterige oplossing van Jood-Joodkali laat inwerken op, door basische aniline-kleurstoffen gekleurde bacteriën, bepaalde bacteriën daarna niet door absol. alcohol (of aniiine-oiie, of aceton-aicohoii:2.gt; ontkleurd worden.

I. ITXetliode van Oram voor nCuKarenquot;.

De methoile van Guam l') bestond daarin, de coupe gedurende 1—3 min. te brengen in Eiinucu's aniline-water-gentiaanvioletoplossing, daarna 1—3 min. in Lugol's oplossing, vervolgens in abs. alcohol, tot geen kleurstof meer wordt afgegeven; eindelijk in nagelolie te bewaren.

A. Methode v. Gram-Giinther. **)

Günther had waargenomen, dat, vooral bij praeparaten die lang op slechte alcohol gestaan hebben, de ontkleuring der kernen vaak langzaam en onvoldoende geschiedt, na de ontkleuring met alcohol, paste hij nog een na-ontkleuring met 3 0|0 zoutzuur-alcohol toe.

a.) in kleurstof, — 1 min.; Zgt;.) in Lugol's opl. — 2 min.; c.) in alcohol, — ^ min.; d.) in 3 0|0 zoutzuur-alcohol, — precies 10 sec.; e.) weder in alcohol, ter verdere ontkleuring; ƒ.) in xylol (is te verkiezen boven

nagelolie, omdat deze de bacteriën op den duur ontkleurt).

B. „Gramquot;, gewijzigd door Nicolle: 3ii')

1. kleuring: op het gefixeerde dekglas praep. (uit een druppel-fleschje) eenige druppels van een, vóór het gebruik telkens weer gefiltreerde oplossing van carbolgentiaanviolet brengen en deze 4—6 sec. hierop laten liggen;

2. behandeling met sterk ere Gram's of Lu go I's oplossing: de overtollige kleurstof laten afdroppelen op flltreerpapier (anders ontstaat er latei-

een neerslag en kan het praep. niet behoorlijk ontkleurd worden) eil , zonder liet praep. In

water af te spoelen, eenige druppels Gram's oplossing daarop brengen. Na 4—6 secunden de oplossing afgieten; 2 a 3 maal ververschen.

3. Aceton-alcohol absol. (1: 2) op het praep. droppelen, tot

het pmep. er onthleurd uitziet', (aceton-alcohol ontkleurt sneller en zekerder dan absol. alcohol;, ^s een niet zoo veranderlijk reagens als anilin;-olio).

4. in water afspoelen, drogen tusschen flltreerpapier, insluiten, in Canadabalsem.

') Fortschritte der mod. 1884. No. 6: Über die isolirte Fltrbung enz, v. Dr. 0. Gram, aus Kopenhagen. 2) Zie Deutsche med. Wochenschrift. 1887. No. 22.

3') Nicou.e : Pratique des colorations microbiennes par Nicou.e Annales de l'Inst. Pasteur.. Tome 9. '18!)5, pag 664.

ocr page 109

V

De volgende wijziging der methode v. Gram verdient aanbeveling ■Is)

1.) Kleuring in carbo 1-kry st al viole t-op 1 o ssi ng (Roux) — 15 a 30 sec.; afgieten.

2.) Gtram's oplossing opdroppelen (zonder het praep. vooraf in water af te spoelen), — ongev. 1 min.

3.) In gedest. water afspoelen.

4.) Absolute alcohol opdroppelen, tot het praep er ontkleurd •uitziet.

5.) In water afspoelen, drogen en insluiten.

II. mcdiodo van Oram voor «iConpenquot; (dubbelklenring).

Om de bacteriën fraai gekleurd te krijgen, is het beter de tegen-kleur het eerst te laten inwerken.

a.) De parafine-doorsnede brengen in benzine 5—10 min., daarna in alcohol 96 0|0— 2 min., dan in water afspoelen; b.) in picro car mijn (Ranvier), 5 min.; afspoelen in water; c.) carbolgentiaanviolet, 1 min.; d.) Lugol : 3 maal; e.) alcohol absol. enz.

Of: eerst „üramquot; toepassen, daarna in Bismarckbruin 20\0—1 min., alcohol, xylol.

Kleuring van bacillus diphtherias volgens M. Neisser. 1*)

1.) Het dekglaspraeparaat brengen in de volgende azijnzure jnethyleenblau w-oplo ssing, gedurende 1—3 sec.

Methyleenblauw (Grübler, Leipzig) 1 Gram.

Alcohol (96 0|o)......20 c.M.2.

Acetum glaciale......50 c.M.3.

Aqua dest. ........ 950 c.M.3.

2.) Afspoelen in water.

3.) In Vesuvine (Bismarckbruin) — opl., gedurende 3—6 sec.

Vesuvine......2 Gram.

Kokend gedest. water . . 1 Liter.

Filtreeien!

4). Afspoelen in water, drogen en insluiten.

Volgens C. M. Mol 3'3f) e. a. valt de dubbelkleuring (blauwe korrels in bruine bacil) soms ook bij pseudo-diphtherie-bacillen positief uit; volgens Kurth is de reactie soms bij echte diphtherie-bacillen negatief.

1

') Zeitschrift f. Hygiene 1897. Bd. XXIV.

2

') 0. M. Mol. Onderzoek naar nieuwe, differentiëele, kenmerken tussclien Dipht.herie en Pseudo-• diphtherie-bacillen. Proefschrift. Utrecht. Maart 1899,

ocr page 110

VI

fifeui'cn wan sporen.

Kleuring van sporen volgens Möller. ^1)

1.) Het luchtdroge dekglaspraep. wordt drie maal door de vlam gehaald, of 2 min. in abs. alcohol gebracht, (het laatste is beter, het Ikeeren in de vlam is een niet altijd even gelijkmatig proces.)

2.) Daarna 2 minuten in chloroform, (om intra-liacteriele granula: vet-droppeltjes, lecithine, cholesterine, die, wanneer zij gekleurd zijn, tot verwisseling met sporen aanleiding kunnen geven, — op te lossen.)

3.) In water afspoelen.

4.) In 50|0 oplossing van chroomzuur, — % — 2 min.

(chroomzuur is een maceratiemiddel voor de spore-membraan, grijpt deze niet zoo sterk aan als geschiedt bij langdurige verwarming.)

5.) Kuim afspoelen in water.

6.) Op het praeparaat een oplossing van carbolfuchsine (Fuch-sine 1 gr.; alcohol abs. — 10 c.M3.; carbolzuuropl. 50|0 — 100 c.M3.) droppelen en dit eens, gedurende 1 minuut, boven de vlam opkoken.

7.) De kleurstof afgieten en het praep. dompelen in 5010 oplossing van zwavelzuur, totdat het ontkleurd is.

8.) Zorgvuldig afspoelen in water.

9.) Dabbelkleuring: gedurende 30 sec., in een waterige oplossing van methyleenblauw.

10.) Afspoelen in water, drogen tusschen filtreerpapier, insluiten in Oanadabalsem.

Sporen donkerrood; bacterie-lichaam: blauw.

Kleuring van Sporen volgens Alex. Klein. w2)

1.) Op een horlogeglas 2—3 dr. physiol. k euk en zo ut opl. brengen; hierin een oog vol van een jonge sporenhoudende cultuur tot een gelijkmatige emulsie verdeelen.

2.) Een gelijk aantal dr. eener pas gefiltreerde, versch bereide (Zieiil's) Carbolfuchsineopl. toevoegen en met de piatina-naald even omroeren.

*') Dr. H. Möller: Centralbl. f. Bakt. 1891. I3cl. X., bl. 273

Zie Alex. Klein. Eine einfache Methode znr Sporenfarbjiiff. Centralbl. t. Bact. 1809. No. 1.

ocr page 111

Vil

3.) Het horlogeglas met een. tweede glas bedekken (om verontreiniging te voorkomen), zeer hoog boven een kleine vlam plaatsen en gedurende « minuJen verwarmen, zoodat slechts een weinig damp gevormd wordt.

4.) De kleurstof cultuur even laten bekoelen, het horlogeglaasje

wat heen en weer schudden (om bacillen en sporen gelijkmatig door de kleurstof te verdeelen)

en van een droppel een dekglaspraep. maken; dit luchtdroog laten worden en, ter fixatie, twee maal door de vlam halen.

5.) Het dekglaasje, ter ontkleuring in 10|0 oplossing van zwavelzuur; 1—2 seconden.

6.) Goed afspoelen in water.

7.) In een waterig-alcohol-opl. van methyleenblauw: 3—4 min.

8.) Afspoelen in water, drogen, insluiten in xylol-Ganadabalsem.

Hcutren van gweevöraöcn (ciliën).

jTfonotrichai de bacterie bezit slechts een enkele zweepdraad aan het eene uiteinde.

Lophotrioiiiti vertoont een bundel van zulke draden aan een pool,

(lophos = vederbos.)

Aniiihitriciia; aan iedere pool, een zweepdraad.

igt;eritrioiia i bezit rondom een groot getal zweepdraden.

Kleurmethode van Löfflek. ^1)

1.) Een zeer dun dekglaspraep. maken op zorgvuldig gereinigde, in alcohol en aether ana partes vetvrij gemaakte dekglaasjes.

2.) In de vlam fixeeren.

«') Zie Centralbl. f. Bakteriol, 4880. Bd. 6 en 7.

ocr page 112

VIII

3.) Op het praep. een droppel brengen van het volgende bijtmiddel, Samenstelling van het bijtmiddel'. Vooraf een verz. opl. van ferrosulfaat

bereiden, n.1.

Sulphas ferrosus.....20 Gram.

Aqua dest.........30 c.M,3.

Dit eenigo dagen laten staan, zoodat een forri-oerbinding ontstaat.

De samenstelling is nu aldus:

Koud verzadigde opl. van ferrosulfaat . „ . . . 5 c.M3,

• Tannine oplossing (20 Gram oplossen in 80 c.M3 warm water) 10 C.M'.

Verzadigde alcoh. of wat fuchsineopl...... 1 c.M3.

Het bijtmiddel moet zuur gemaakt worden bij alkali-vormende bacteriën (met 1 quot;/u opl. van zwavel-zuur) en alkalisch bij zuur-vormendo bacteriën (met 1% opl van Na O II.).

Verwarmt het praep. boven de vlam, (de vloeistof steeds in beweging houden), totdat een weinig damp gevormd wordt (niet koken!) en laat het bijtmiddel nog even (^—1 min,) op het dekglaasje.

4.) Ruim in gedest. w a t e r afspoelen, vooral de randen (anders ontstaan

neerslagen van bijtmiddel met kleurstof.)

5.) In alcohol absól. uitwasschen.

6.) Op het dekglaspraep. 2—3 droppels van het kleurmiddel brengen, eenigen tijd heen en weder bewegen en voorzichtig verwarmen, totdat een lichte damp opstijgt.

Samenstelling van het kleurmiddel:

Verzadigde alcoh.-oplossing van fuchsine ... 11 c.M3.

Alcohol absol.................. 10 c.M3.

Anilinewatei' (4 c.M3. anilmeolie op lOO c.M3. water).....100 c.M3.

7.) In gedest. water afspoelen; drogen tusschen filtreerpapier; insluiten in Canadabalsem.

Kleurmethode van M. Nicollk en V. Morax.*1)

1.) In een horlogeglaasje met eenige droppels gewoon water, zooveel van een recente agar-cultuur verdeelen, dat een nauwelijks troebele vloeistof verkregen wordt.

2.) van deze verdunning met een pipet een droppel brengen op een zorgvuldig gereinigd en te voren sterk geflambeerd dekglaasje , schuin houden en de overtollige hoev. vocht met filtreerpapier opzuigen.

3.) Laten drogen aan de lucht, tegen stof beschut

*') Annales de l'lnstitul Pasteur. Tome 7. 1893. ng. 554.

ocr page 113

TX

4.) Het bijtmiddel van Löfflek op het praep. brengen

(toevoeging van natron- of zwavelzuuropl. is overbodig)- bOVCn een kleine Vlam , — de

veilleuse van een Bunsenschen brander, verwarmen en, zoodra zich dampen vormen, (na ongeveer 10 sec.) het bijtmiddel afgieten en het praep.

zorgvuldig , ruim afspoelen in water - (2—3 maal het bijtmiddel opbrengep en weder

afspoelen; na elke wassching de ondervlakte van het dekglaasje zorgvuldig afvegen.)

5.) «een alcohol na het bijtmiddel, maar, na afspoeling in frater, een paar droppels Zie hl's C a r b o 1 f U c h s i n eo p 1. (in plaats van het kleurmiddel van van löffler) op het praep. brengen, (één of twee maal) boven de vlam verwarmen, tot dampen opstijgen, — ongev. ^ min.

6.) In water afwasschen.

7.) In water onderzoeken.

Om praecipitaten te voorkomen:1') ruim afspoelen in'water; lift bijtmiddel niet direct op het praep. droppelen, maar een stukje filtreerpapier op het dekglaasje brengen en daarop het bijtmiddel droppelen.

Kleur methode van Pitfield, gewijzigd door E. Mum. 'x'2)

De (hkglaasjes zorgvuldig reinigen, door ze 24 uur te laten liggen in do volgende oplossing (v. Ermemgem); geconc. zwavelzuur — 6 c.M3,; bichromat. kal. — 6 Gram; water — 100 c.M3. Daarna zorgvuldig uitwasschen in stroomend water, in een schoon bakje overbrengen en in alcohol absol. bewaren.

1.) Op het dekglaspraep. een droppel brengen van het volgende bijtmiddel; verwarmen boven de vlam, totdat een weinig damp gevormd wordt, dan het bijtmiddel ongev. één min. op het dek glas laten.

Samenstelling van het bijtmiddel:

Waterige opl. vamp;n tannine 10o|o.......10 c.M3.

Verzadigde waterige opl. van sublimaat... 5 c.M3.

Verzadigde waterige opl. van ahuu..... 5 c.M3.

Kleurstof oplossing (zie hieronder)......... 5 C.M3.

Een nacht laten staan en de heldere, bovendrijvende vloeistof met een pipet in een schoon fleschje overbrengen. De oplossing blijft 1 a 2 weken goed.

2.) Afspoelen in stroomend water (ongev. 2 min.) en daarna boven de gasvlam drogen.

3.) Een droppel van de volgende kleurstofopl. op het dekglaspraep. brengen, boven de vlam verwarmen, tot een weinig damp gevormd wordt en 1 min. op het dekglas laten.

Kleur stof oplossing:

Verzadigde alcoh. opl, van gentiaanviolet ... 2 c.M3. Verzadigde wat. opl. van aluin........10 c.M3.

De kleurstof blijft 2—3 dagen goed.

4.) Afspoelen in stroomend water, drogen tusschen filtreerpapier, insluiten in Canada-balsem.

1

2) Edinburgh mod. Journal. January 1899, p. 85.

ocr page 114

X

Kieurmeihode van E. van Ermbngem. 1)

1.) Zorgen voor zeer zuivere dekglaasjes; de dekglaasjes koken in een mengsel van: kal. bichrom., acid. sulfur, conc. aa 6 Gr., water 100 Gr., herhaalde malen afspoelen in water en in alcohol absol. en, zonder ze af te vegen, op den kant onder een klok te drogen zetten.

2.) Van een jonge (10—18 uur oude) agar-cultuur een zeer dun

dekglaspraep. maken (om de bacteriën geïsoleerd en zoo min mogelijk neerslag te verkrijgen);

laten drogen aan de lucht en (tusscken de vingers gehouden!) drie maal door de vlam halen.

3.) Op het praep. het volgende bijtmiddel droppelen:

Waterige opl. van osmiumzuur 2 amp;j0............1 dl.

Waterige opl. van tannine 10-250|o { • 4-5 dr. Acetum glaciale opi00c.Ms.) 2 dln,

en dit, zonder het praep. te verhitten, ^ uur laten inwerken (ol 6 min. bij een temp. van 50—60° C.)

4.) Ruim afspoelen in water en in alcohol.

5.) Het glaasje gedurende eenige sec. dompelen in een 0,5—0,25o|(] opl. van zilver nitraat —• ziiverbaa.

6.) Niet afspoelen in water, maar het praep. onmiddellijk overbrengen in het zoog. reductiebad-.

Acid. gallic......... 5 Gr.

Tannine........... 3 „

Kal. acet. fus . ...... 10 „

Aqua dest.......... 350 „

Eenige oogenblikken hierin laten liggen.

7.) Nogmaals in het zilverbad brengen en dit bad voortdurend in beweging houden, totdat de zilver opl. zwart begint te worden.

8.) Afspoelen in veel water; drogen tusschen filtreerpapier; insluiten in Canadabalsem.

1

Zie; Referaat in Centralbl. f. Bakter. No. 15. 1894. S. 969.

ocr page 115

XI

^ctpsef-Meimng.

Kapsel-bacteriën noemt men bacteriën, waarvan de cel-wand sterk gezwollen en in een slijmige , geleiachtige massa veranderd is; deze verandering van den cel-wand treft men meestal alleen in hot dierlijk lichaam aan, hoogst zelden in culturen. Brengt men kapsel-bacteriën in een aniline-kleurstofopl. dan wordt de kleurstof sterker door den celinhoud dan door den celvvand opgenomen.

Kapsel-kleuring hij bacillus anthracis volgens Joiine.

Het is slechts mogelijk bij praeparaten van weefsel sap en culturen op vloeibaar bloedserum (paai'den-serinn), niet in culturen op andere voedingsbodems, een kapsel aan te toonen.

1.) Het bloed-dekglaspraep. of de cultuur op paaidenserum brengen in waterige opl. van gentiaanviolet 10|0 (0,5—20|0); boven de vlam houden, tot dampen opstijgen, — ongev. 10—15 secunden.

2.) In azijnzuur opl. 20|0, gedurende 10 sec.

3.) Ruim afspoelen in water.

4.) In wnler! bezichtigen. (Bacteriën doen zich in balsem kleiner voor danin water; vele ■ details, — bijv, kapsels, zijn in balsem niet te zien.)11)

Kapsel-ldeuring hij Diplococms pneumoniae volgens Riübert. *quot;2)

Dekglas-praeparaat van oen zeer dunne laag van het roestkleurige sputum, of van de vloeistof, die men van de doorsnede der geïnliltreerde long kan afstrijken. De methode is niet geschikt voor weefsel-doorsneden,

1.) Het dekglas-praep. brengen in: Acet glaciale — 12,5 ; Alcohol — 50; Water — 100; uaiiiin tot verzadiging bij verwarming.

Slechts even met deze oplossing in aanraking brengen; de kapsel mag slechts lichtblauw, de coccen moeten donkerblauw van kleur zijn.

2.) Afspoelen in water.

3.) Drogen tusschen filtreerpapier; insluiten in Canada-balsem.

Kapsel-kleuring volgens Friedlüxder.

a.) Sap van pneumonische longen. *3)

1.) Het luclitdroge praep drie maal door de vlam halen.

2.) In azijnzuuro pl. 10|0, gedurende 1 of eenige min.

(Verdund azijnzuur lost alleen uit de omgeving der pneumonie-coccen een stof op, die sterk te kleuren is met anilinewater-gentiaanviolet-opl., maar niet uit de coccen en hunne kapsels.)

1

3) C. FniEDl.aNDER. Fortschritte dor modioin. 1885. S. 757.

ocr page 116

Xli

3.) Het azijnzuur van het praep. verwijderen door blazen met een puntig uitgetrokken glazen buis en het praep. snel drogen aan de lucht.

4.) In verzadigde anilinewater-gentiaanviolet-opl., — slechts eenige secunden.

5.) Afspoelen in water,

h.) In coupes.

1.) In de volgende zure opl. van gentiaan violet, gedurende

50 c.M3. 100 c.M3.

10 c.M3.

24 uur:

Verzadigde alcoh. opl. van gentiaanviolet. .

Aqua destill..................

Acid. acetic..................

2.) Ter ontkleuring in azijnzuur opl. 0.10|0, — 1 a 2 min. 3) Even in alcohol absol. (water-onttrekking.) 4 \ In nagelolie (om het praep. doorschijnend te maken.)

*') C. FliiKDi.aNDEn. Fortschritte der medicin. 1885. S. 92.

ocr page 117

XIII

^Ticroscopisc^ onbci^ocl1 uan ^cljitnmefs.

I. SchitnmelouKuren (ongekleurd.)

a. Praeparaat, geschikt tot onderzoek, maar niet ter bewaring.

1.) Met een pincet (met fijne punten) brengt men een klein vlokje van de schimmelcultuur op een voorwerpglas.

De pnnten van het pincet vooraf met water bevochtigen, daar de myceliumdraden er anders te zeer aan kleven.

2.) Dan plaatst men op het vlokje een druppel ammonia-alcohol (1 dl. ammonia liquida, 4 deelen alcohol 96quot;l,,)*1) en pluist men het met praepareernaalden uit.

Het onderzoek wordt nooit direct in water! verricht, daar schimmels (omdat zij een vetlaag bezitten) geen water in zich opnemen, en dan dus allicht luchtbellen aan het praeparaat zouden kleven, die, onder het dekglas mede ingesloten, de duidelijkheid van het praep. zouden storen.

3.) Na verdamping van den ammonia-alcohol, een druppel v e r-dunde glycerine (1 dl. op 2 dln. water) toevoegen.

Niet direct in sterke glycerine, omdat de cel-structuur daardoor zou lijden.

4.) Het dekglas v O O l'Z i C ll ti g (om te voorkomen, datluchtonderhetdekglasbiyrt)

op het praep. neerleggen.

b. Duurzaam „ongekleurdquot; praeparaat van schimmels: volgens G. Winter ^2)

1.) Naast het dekglas (met het in water liggende praep.) een druppel van de volgende aanvullingsvloeistof brengen.

Glycerine.........1 dl.

Alcohol of azijnzuur ... 2 dln.

Gedest water.......3 dln.

2.) Het praep. onder een klok plaatsen, om het tegen stof te beschutten.

3.) Na een paar uur: een tweede druppel van de vloeistof laten doortrekken.

4.) Is, na verloop van één dag, de ruimte onder het dekglas nog niet overal niet glycerine gevuld (water en alcohol verdampen; glycerine blijft'terug), dan weer een droppel laten doortrekken enz., tot geen leege ruimte meer aanwezig is (ongev. na een weekt)

1

2l G. Winter. Die Pilze Deutschlands. Oesterreichs und dor Schweiz. 1884. S. 25.

ocr page 118

XIV

5.) De overtollige, buiten het dekglaasje afvloeiende glycerine, — door middel van tiltreerpapier zorgvuldig wegnemen (anders hecht het lak niet.)

6.) Met een fijn penseeltje (met kort afgesneden haren) een dun laagje eener snel-opdrogende lak-soort op den rand van het dekglas strijken. Is dit eerste laagje opgedroogd, dan nog 1 a 2 maal. met lak penseelen.

Een ander insiuKiiignniiddei voor ongeuieurde pracparaten is glycerine-gelatine. 1')

Gelatine ...... 1.—

Aqua.........6

Glycerine...... 7

Carbolzuuropl. 10|0 . 1

Verwannen en liltreeren.

„Het in te sluiten praep, eenige dagen in glycerine laten liggen, daarna, door middel van een penseel, met alcohol zoo volledig mogelijk de aanhangende glycerine wegnemen.

Nu legt men er een klein stukje glycerine-gelatine op en verwarmt even boven een spiritus-vlam, zoodat het stukje smeltquot;. ^2)

Gelatine-oplossing van Unna*3) kan ook als insiumngdmiddei dienen:

Gelatine 1; liq, Ammon. caust., Spiritus aa 25.0; Glycerine 15,0; Aq. dest. 35,0.

Deze vloeistof wordt door schimmels cpgencmen neemt luchtbellen weg een maakt het praep. doorschijnend,

AfHluKingHmiddcleii voor g ly eer i ne-praeparaten; lak, paraffine of Gold size (Grübler, Leipzig)

11. Het kleuren van Schimmels

Voor een voorloopig onderzoek is kleuring onnoodig, omdat men hier met sterk lichtbrekende cellen te doen heeft en de hyphen en sporen meestal reeds natuurlijke kleuren bezitten,

In het algemeen worden de gebruikelijke waterige oplossingen van aniline-kleurstoffen door schimmels minder goed opgenomen dan door bacteriën; meestal echter gelukt de kleuring wel met Loffler's alca-lische methyleenblauwopl.

1

3) Unna. Zur Untersuchungstechnik der Hyphomyceten. Centralbl. f, Bakt l89'2 Bd. 11 S. 7.

ocr page 119

XV

Kleuring van coupe», ivaarin schimmels.

1.) Het weefselstukje (liefst zoo versch mogelijk) brengen in fixatievloeistof: fomo/-MÜLLER (Ortli),1') gedurende 12 uren — 3 dagen:

Müller's vloeistof

Formaline................... l dl.

Bichromas kal. 50 Sulfas natric. 20 9 dln. Aqua dest. 2000

Telkens versch bereiden en in een bruine llesch bewaren!

2.) Het stukje in een cylinderglas onder de kraan van de waterleiding plaatsen (het uitspoelen in stroomend water dient om de fixatievloeistof te verwijderen, anders zouden kristal-praec. in het praep. ontstaan), — gedurende ± 24 lUU'.

3.) In alcohol 96 0(0, — ongev. 12 uur en daarna in alcohol-abs., — ongev. 3 uur (om te harden.)

4.) In toluol, 6—24 uur.

5.) In toluol-paraffine, (geconc. opi.) 6—24 uur.

6.) In paraffine (in de stoof bij 55° C.), ongev. 3—6 uur.

7.) Insluiten; snijden; coupe ontplooien op lauwwarm water en op dekglaasje plakken.

8.) De paraffinesnede brengen in benzine — 10 min.

9.) In alcohol 960|0 — 2 min,

10.) In water — 2 min.

11.) In aluinhaemateine*2), — ongev. 15 minuten (of in Lüffler's blauw, gedurende 1—2 uur.)

Aluin........ 50,—

Gedest. water. . . . 1000.—

Daaraan een oplossing van haemateine 1 gr. in alcohol ab.?. 50 c.M3 toevoegen.

Kleurt kernen eri o. a, intensief: Aaiiergillnx-tioorteii.-^3)

12.) In water, tot de coupe er blauw uitziet.

13.) Tegenkleuren met eosine-alcohol, — ongev. 5 min.

14.) In carbol-xylol, (acid. phenyl. 1; xylol 3.)

15.) Insluiten in Ganadabalsem.

1

2) Annales de l'Inst. Pasteur. Bd. 7. 1893. pg. 002.

G. Schmorl. Path. hist. Unt. methoden. 1897. S. 102.

ocr page 120

KVl

Methode „Gram-Weigertquot; voor coupes. 1')

1.) De pavaffine-snede brengen in benzine (10 min.); ia alcohol 960|0 (2 inin.); in water (2 min.)

2.) In uuiion-cHrmijn, oiig. 20—30 min.

Carmijn...............2,5 Gram,

Verz. opl. van Lithion carbonicum 100 c.M3.

filtreeren.

3.) Afspoelen in water.

4.) Diiferentieeren in zou tz uur-alcohol (Acid hyjrochior. i dl.; Aicoiioi 70%! — w din.), — gedurende 10 min.

5.) Zorgvuldig uitwasschen in water.

0.) Ill anlliiie\v«(cr-gentiaBiiïloleloiiI., 5-10 min.

7.) Afspoelen in water, of in 0,6 Oj0 keukenzoutopl.

8.) Het praep. drogen met filtreerpapier,

9.) In „Gram's oplossingquot; (Jodium 1 Gram; Jodetum kal. 2 G.; Aq. 300 c.m3), 1-3 min.

10.) Drogen met filtreerpapier.

11.) Ontkleuren met anilineolie, tot de coupe rood wordt (de olie

2—3 maal ververschen).

12.) lu xylol, tot de coupe doorscbijnend is-, insluiten in Canada-balsem.

Kleuring van pithogene Mucorineen in coupes volgens L. Lichtheim.

De coupes behandelen met picrocarmijn, dan wordt het weefsel wel, het mycelium niet (of slechts zwak) gekleurd.

Picrocarmijn kleurt evenals eosine, het gehoelo weefsel, is standvastiger kleurstof, trekt er niet zoo gauw uit; aluincarmijn kleurt voora) de kernen.

Pas na langer dan een jaar verdwijnt liet verschil in lichtbrekingsvermogen tusschen de schimmels en het weefsel.

Oidium albicans*') is te kleuren volgens „Geamquot;,

Kleuring van coupes.

1.) Voorkleuring met carmijn.

2.) Dan „Gkam-Weigertquot; toepassen, — zóó gewijzigd, dat de coupes niet alleen met aniline-olie, maai' daarna nog

met 95oj0 alcohol behandeld worden (de ontkleuring is dan meer volkomen. Heller.)

Voor de insluiting van met aniline-kleurstoffen gekleurde schimmel-

praeparaten heeft Mollek*4) Slrtipun gimplex en verzadigde kalluiiiacetaaloploMHlng

aanbevolen, in plaats van glycerine en glycerine-gelatine, omdat de praeparaten in laatstgenoeinde vloeistoffen op den duur ontkleuren.

1

:,j Heller. Ü Mtrag zur Lehre vom Soor. Deutsch. Archiv. f. Klin. Med. 1894. S. quot;125.

'■'*) H. Möller. Centialbl. f. Bakt. quot;1892. bJ. i-2. S. 043—544.

ocr page 121

XVII

Kleuring van Spruitzwammcn.

Spiuitzwammen nemen aniline-kleurstoffen gemakkelijk op, worden allicht overkleurd. Een geschikte kleurstof is een sterk verdunde waterige oplossing van bismarckbruin.

liernhleuring rolgenH Miillcr. 1')

1.) Het dekglaspraep. fix eer en in 10|0 met jodium verzadigde j o od k al iu m o p 1.

(Dilfundeert gemakkelijk door membranen, tast den celinhoud chemisch weinig aan.)

2.) In verdunde glycerine, of in zuiver water koken, —go-durende 1—2 min.

Hierdoor wordt het praep. gehord.

3.) In 3—4Ü|0 o pi. van zwavelzuur ij ze roxyd-ammoniak, minstens 2 uur.

4.) Even afspoelen in water.

5.) In verzadigde waterige opl. van Haematoxyline, — ^ uur.

6.) Goed uitwasschen in water.

7.) Het „o ver kl eurdequot; praep. brengen in zwavelzuur ijzeroxyd-ammoniakopl., ^—2 min.

(Om te differmtieeren; hoewel de kern de kleurstof weinig vasthoudt, doet zij dit in grootcre mate dan liet protoplasma; zwavelzuur ijzeroxyd-ammoniak is een zwakker differentieerbigsmiddel dan alcohol, of 1% azijnzuur.)

8.) Insluiten in nir» Himiilev of in verzndigile opl» vnn knliiimncctant*

Aan de sir. simplex wat jodoform toevoegen om het beschimmelen te voorkomen.

Onderzoek van Saccharomyces hominis „in coupesquot; voigens Busse ;2)

I. Ongekleurd praeparaat.

De versche weefsel-doorsnede onderzoeken in 10|0 n a t r o n 1 o o g-o p-lossing.

Natronloog maakt het weefsel-protoplasma helder, zoodat do parasieten duidelijk zichtbaar worden.

II. Gekleurd praeparaat.

1.) Vóórkleuring met aluin-haemateino.

2.) Nakleuring met een sterk verdunde Zieiil's Carbol-fu ch sineop 1. *3), 2—3 min.

Celkernen donkerblauwroodj spruitzwammen (die vooral affiniteit tot aniline-kleurstolïen hebben,) helrood.

1

3) Zie ook; Zeitschr. f. Hygiene u, Inf, kr, Bd, 21, 1896. S. 24. Lydia Rabinowitsch. Unters. über

pathogeno He fo-ar toni

ocr page 122

XVIII

Onamp;cvjocf; uait 6e gcOimmcfs öcv öennato-mi)co5en.

Onderzoek van haren.

I. Methode. 11)

1.) Het zieke haar met een pincet op een voorwerpglas brengen en eerst droog bezichtigen.

2.) Een droppel bijtende kaliloogopl. toevoegen en daarop een dek-glaasje plaatsen.

quot;IC/o Kaliloogopl. voor blonde haren; 33% bij donkere haren.

3.) Het geheele voorwerpglas gelijkmatig en zacht (boven een kleine vlam) verwarmen, ± 10 secunden.

Door de inwerking der kaliloog, wordt het haar doorschijnend en treden de schimmels duidelijk voor den dag. De vloeistof mag niet koken , anders valt het haar niteen.

II. Methode van Sabouraud. ^2) Duurzaam praeparaat.

1.) Het volgens methode I behandelde haar uit de verwarmde kali-loog overbrengen in gedest. water, — gedurende enkele minuten.

(om het van potasch-kristallen te reinigen.)

2.) Het uitgewasschen haar op een voorwerpglas in een droppel glycerine brengen; met een dekglas bedekken en op den rand van het dekglaasje een laagje paraffine strijken.

Onderzoek van Scutula, korsten, haren enz.

Methode van Unxa. *3) Zoog. rdrukpraeparaatquot;.

1.) Een stukje van het voorwerp op een voorwerpglaasje brengen cn bedekken met een droppel acid. ace tic. conc.; kruiselings hierover een tweede, eveneens zeer dik voorwerpglas brengen (geschikt zijninervooi o. a. de zoog. «kristalglazenquot;). Nu wrijve men deze glazen, onder het uitoefenen van een stevigen druk op het voorwerp, zóó lang tot dit minstens 5—6 maal het oorspronkelijk oppervlak inneemt en dus in een voldoende

1

3) I \na Monatshefte f. Prakt. Dermatologie. lid. 13 en 21.

ocr page 123

XIX

dunne laag is uitgebreid. Dan rukt men de glaasjes van elkaar af eu dampt het azijnzuur boven de vlam uit.

2.) Op het praep. aether-alcohol droppelen (om te ontvetten.)

Aether sulf.

Spir. fort. ana partes.

3.) De aether-alcohol voorzichtig boven de vlam verdampen.

ï. Kleuring van een „drukpraeparaatquot; volgens de Boraxmethyleenblauw-plantea-zuurmethode.

1.) Het drukpraep. brengen in Borax-methyleenblauw-opl, — 5 min.

Borax..... 1.-

Borax

Methyleenblauw aa 1 Aqua........100

II. Kleuring van een „drukpraeparaef met Gentiaanviolet en eoslne.

1). Het drukpraep. brengen in An ili n e w a t er-g e n t i a a n vi ol e t-opl., — 5 min.

• , ) Anilineolie 4| Gentiaanviolet-1 ^

n newater ^ A degt 100 J anilinewater \ Verz. alcoh. Gen-

' ' J tiaanvioletopl. 2

2). Afdrogen met filtreerpapier.

3). In waterige opl. van eosine 0.1 ü|0 -f Jodium 0.5 0|0 -k .Tod-kal. 5 0j0, gedurende 2 min.

4). In Anilineolie 1 oj0 hydrochloras anilini, ongev. 3min.

5). In anilineolie tot voldoende ontkleuring.

6). X3rlol; Canadabalsem.

Deze metlioden zijn niet geschikt ter bestudeering van de parasieten in loco, daar de haren en ■schubben in een drukpraep. uiteengeperst worden.

MethyleenWauwoBl. { kSo's t..»!0'101'01'1' T' mequot;lyU1' ' ^ }

2.) Afspoelen in water.

3). 1 0|0 oxaalzuur, of 1 u|0 citroenzuur opdruppelen tot voldoende ontkleuring, ongev. 5—10 secunden.

(Oxaalziuu' en citroenzuur zijn differentieerings-vloeistoffen, ontkleuren liet te sterk geklemde hoornweetsel).

4). Spoedig afspoelen in water (of in alcohol).

5). Drogen boven de vlam.

6). Canadabalsem.

Borax-methyleen-blauw.

of

Methyleenbl.opl. 20,— Aqua.....100.--

ocr page 124

XX

Methoden voor de bestudeering van de parasieten „in locoquot;.

1.) Kleuren (onder verwarming ± ^ min.) met an i line wat er-gentiaanvioletopl., en 1 min. liggen laten.

2.) Afdrogen met flltreerpapier.

3) In waterige opl. van: (Jodium 0,5 0|o Jodet. kal. 50|0 eosine 0,1 üi0) — 2 min.

4.) Afdrogen met flltreerpapier.

5.) In een horlogeglas met zeer groote hoev. van de volgende vloeistof gedurende ^ uur zacht verwarmen (liefst op een zandbad.)

100,— 0,1 0,01

Anilineolie . Acid. nitr. , Acid. picrin

6.) In aniline olie, tot voldoende ontkleuring.

7.) Xylol; Canada-balsem.

JB. 1.) In Gentiaanviolet-anili ne wa ter, — 15 min.

2.) Afdrogen met flltreerpapier.

3.) In 5 quot;|0 Joodkaliumopl. waterstofsuperoxyde (gelijke dealen), ongev. 3 min.

(Volgens U.nna bezit waterstofsuperoxyde in sterke mate liet vermogen om hoornweefsel doorschijnend te maken; de aanwezige pigmenten worden tot kleuilooze zuurstofverbindingen gemaakt).

4.) In aniline olie 100 acid. pi erin. (0,020—0.030), gedurende 2 uur tot 1 nacht.

Aanbeveling verdient het deze vloeistof om de 2 uur te ververschen.

of in eosine-anilineolie: 0,01 op 100.

5.) In aniline olie tot voldoende ontkleuring.

6.) Xylol; Canadabalsem.

Uleiiriuvllindc van WaclHch, voor Aoliorloii favogn1') In oouiicü.

1.) Kleuren in gentiaanviolet-anili new ate r op 1., 10—15 min.

2.) Daarna de coupe overbrengen in een versch bereid mengsel van g e 1 ij k e d e e 1 e n Joodkaliumopl. 5 0|0 en g e c o n c. water-stofsuperox yd , 3—5 min.

3.) Ontkleuren in een 1 ü|0 mengsel v an z o u t z u ur e n a n i-1 in e o 1 i e.

De methode is een modificatie van die van Wkkiehï voor librine.

1

') L. Waei.sch. Refer, in Centralbl. f. Alaemeine Pathologie u. Path. Anatomie. 1896. Bd. 7. S. 903.

ocr page 125

XXI

Onderzoek van huidschilfers.

Het verwijderen der schilfers»

I. Spitelmethode: Met een spatel schilfers van de huid afschrapen, maar zóó, dat 7.00 min mogelijk bloeding wordt veroorzaakt.

II. Pleister-methode:

1.) Men plakt stukjes pleister Beiersdorff (empl. oxydi zinci.) op de huid, laat de stukjes eenige minuten zitten en rukt ze dan af.

2.) De pleistertjes, waarop de huidschilfers vastgekleefd zitten, brengen in een horlogeglaasje met benzine.

Het zinkwit slaat neer, de schilfers laten los.

3.) De schilfers voorzichtig overbrengen in 10|o z 0 u t z u u r-a 1 c 0 h 01.

Hierin scheidt zich het. nog aanklevemle zinkwit af en de schilfertjes drijven als doorschijnende vliesjes op de vloeistof.

4.) In Gedest. water, — eenige minuten (om de schilfers voor de kleuring geschikt te maken.)

Ongekleurd praep. van huid-schilfers.

De schub brengen in glycerine-water (1 op 3); na % uur ongeveer treden aanwezige sporen duidelijk voor den dag. Na 24 uur is het praeparaat reeds verbleekt.

Door toevoeging von eenige korreltjes reaorcine (Unna) wordt de duurzaamheid van het praeparaat zeer bevorderd.

Onderzoek van huid-schilfers volgens Bizozzero. *')

Bizozzero bevrijdt steeds de te onderzoeken epidermis eerst van vet; voor schubben van de behaarde hoofdhuid vindt hij dit noodzakelijk, voor de andere huid niet onontbeerlijk.

De epidermisschubben worden daartoe eenige uren in alcohol abs. gelegd, die na een paar uur vervangen wordt door aether sulf, waarin ze 1—2 dagen blijven. Daarna worden ze weer in alcohol abs. overgebracht, waarin men ze gedurende onbepaalden tijd geschikt voor het onderzoek kan houden.

De aldus ontvette schubben behandelen volgens methoden A, B of 0.

Methode A.

De ontvette epidermisschub brengen in acid. ace tic. glaciale aqua (ana partes), of in kaliloogopl. 10o|o, — gedurende een paar minuten.

Do schimmels treden in het doorschijnend gemaakte schubje scherp voor den dag; de azl'nztiur-■praeparaten kan men conserveeren door van af den rand van hot dekglaasjo glycerine te laten doortrekken.

■quot;'l Zio: LeiiI'Rmas'.v en R.VTKOwsia Microsc. Teclmik. iSM.

ocr page 126

XXII

Methode B.

De schub brengen op het voorwevpglas in een droppel glycerine,, zwak gekleurd door methyleenblauw; met de punt van een naald het schubje in de vloeistof heen en weer bewegen.

Na ongev. 15 min. treden de schimmels goed gekleurd voor den dag.

Methode C.

1.) De schub brengen op het voorwerpglas in een druppel 500|0 acid. acetic., gedurende 10—20 min. en, met naalden, vlak uitbreiden.

2.) Het azijnzuur voorzichtig boven de vlam uitdampen en 3—4 maal door de vlam halen.

3.) Op de schub kleurstof droppelen, — 15 a 30 min.

Gentiaanviolet, vesuvine, methyleenblaivw enz.

4.) Uitwasschen in water.

5.) Drogen boven de vlam; insluiten in Canadabalsem.

Kleuring der hiiidxeliilferii Tolgens Boeoh.*1)

1.) De te onderzoeken huid-plek penseelen met Sahli's Borax-methyleenblauw-opl.

5 ü|0 waterige opl. van borax.... ......16 dln.

Verzadigde waterige opl. van methyleenblauw 20 „

Water......................24 „

2.) Met watten afdrogen, eenige schubjes van het nu scherp te voorschijn tredende zieke weefsel afkrabben en brengen in verdunde glycerine (1 dl. op 3 dln. water), of volgens een der bovenbeschreven methoden kleuren.

Deze methode verdient aanbeveling daar waar men zeker wil zijn de schub te krijgen van het p ethologische huidgedeelte.

*') Bokck. Monatsh. f. Prakt. Oermat. Ed. 18.

ocr page 127

INHOUDSOPGAAF.

blad/.. )

Acliorion favosa..........68 ï

Actinomj'ces............2

B. Anthracis...........4

Aspergillus fnmigatus........(13 ;

Boiitviim'.............85 |

Vibi'io Cholerae asiatieae.......;

B. Cholerae gallinaruni........79

B. Coli communis..........8

B. Diphthcriae...........10

Diplococcus pnenmoniao.......12

Gele koorts. ...........42 j

Gist zwannnen .... ......^ i

Gonococcus.........■ . . 14 !

B. Icteroides...........42 j

B. Iniiuenzae...........40 gt;

Kippencholera . . . ......79 *

Kwade droes...........18

B. Leprae....... .... 10

Malaria-parasieten..........38

B. Mallei.............18

B. Mesenterieus......, ... 48

Microsporon furfur.........72

Mucor Mucedo...........00

B. üed mnligni..................20

Miltvuur........................4

Oïdium albicans..........05

Oïdium lactis....................01

Penicillnm glaucum . ............02

B. Testis.............22

Pgt;. Pneumoniae....... ... 24 ?

1). Pneumoniae...........12

B. Prodigiosum..........50

B Proteus Üuorescens...... .52 gt;

B Proteus vuigare.........54 |

B. Pyocyanemn ... ......20

B. RhusiopatUiae suis . . ... .82

Sacchaiomycctes .... .....07 !

Sarcina vcntriculi. ........50

B. Sarcopliysematos bovis......85

lilad/.

B. Septicaemiae haeraorrhagicae.....88

Spirochaete Obermeieri........41

Stapliylococcus pyogenes.......28

Streptococcus pyogenes erysipelatis ... 80

li Subtilis............58

li. Tetani....... .... 32

Trychopbyton tonsurans ....... 74

B. Tuberculosis..........34

B. Typhi abdominalis........30

Varkensvlekziekte.........82

BIJLAGEN.

1. Kleuren van bacteriën....... I

a) Kleurstoffen.

Aniline-kleurstoffen..................1

Anili ne watergen tiaanviolctopl......1

Carbol gentiaanvioletopl........11

Eosine alcohol...............11

Gram's oplossing..........II

Kiihne's metliyleenblanvvopl........II

Löfiler's methyleenblauwopl.......11

Lugol's oplossing..........II

Nicolle's Carbolthionineopl.......II

Ziehl's Carbolfuchsineopl........II

b) Kleurwijzen.

Enkelvoudige kleuring van coupes .... Ill Enkelvoudige kleuring vim culturen . . . Ill

Kleuring volgens («ram......IV-V

Kapsel-kleuring .... . . XI-X1I

Sporen kleuring........ VI-VII

Zweepdraden-kleuring..... VII X

11. Mioroscopisch onderzoek van

schimmels.......XllI-XVII

. XVIII-XXII

III. Onderzoek van de schimmels

der dermato-mycose


ocr page 128
ocr page 129
ocr page 130

.

ocr page 131
ocr page 132

* ' :

■ )»v - ,

y , ...

^ iT/ ' '

.•■- v#

^ c \

V- A,^ ,; gt;i' ^ '

■^H rt^V

V v -r*' if .

.v.- •'^••( ' • ^ -

gt; *■ ♦ • V

. * \ ' ■ V

#;. v

- X ^ ,*. lt;i. , ■ l«

■ v' ' ». » ,.

«