ocr page 1

DIALECT-BIBLIOTHEEK III.

HET b:_LECT

\ \ n

DR A. OPPREL,

Leeruur aan hef Gi/htnatiirn fc HrtrJle.

Deventer.

H. P. TER BRAAK.

f 2 50.

■i _- -_____ . v'quot; ■quot;

i

ocr page 2

NEDERL. LEESZAAL

D 17

ocr page 3

-T

TD W Of^P

ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7

DIALECT VAN OUD-BEIERLAND.

ocr page 8

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

- . » * I I ^ «

1503 9328

ocr page 9

DIALECT-BIBLIOTHEEK III.

HET DIALECT

ArAN

OUD-BEIERLAND

DOOI?

DR. A, OPPREL,

heeraar aan het Oi/mnasium te. Brielle.

—i 1 ugt; L. i O l O . w . v w

tLUKSUNIVERSI rE.lT 'Ci S rl « «rt T.

Deventer. H. P. TER BRAAK.

ocr page 10
ocr page 11

INLEIDING.

Het dialect van Oud-Beierland behoort geenszins tot de belangrijkste der Xederlandsche tongvallen, althans niet uit een taalhistorisch oogpunt. De plaats, waar het wordt gesproken, is niet oud; eerst in 1557 werd vergunning gevraagd het land te mogen bedijken, dat nu den Oudbeierlandschen polder vormt. Met vrij groote zekerheid kan worden aangenomen, dat het spoedig aanzienlijke dorp zijne bewoners zoo goed als uitsluitend uit de naaste omgeving (de oude heerlijkheden Putten en Strijen) heeft getrokken. Een op zichzelf staand geheel vormt het dus evenmin. Maar juist daarom kan het eenigszins als norm gelden voor de taal, die op de Zuidhol-landsche eilanden (met uitzondering van Overflakkee en Goeree) gesproken wordt. Toch make men hieruit geene verkeerde gevolgtrekking. Wat hier gegeven is, geldt alleen voor Oud-Beierland en, in zijn geheel althans, niet voor andere plaatsen op die eilanden. Zoo is, om iets te noemen, de hier beschreven uitspraak der heldere a niet eigen aan dorpen in de Hoeksche Waard, die op een of twee uur afstands liggen van de hoofdplaats. Trouwens ieder, die zich met dialect-studie heeft beziggehouden, zal dat weten.

Het antwoord op de vraag, tot welke groep van tongvallen het Beierlandsch behoort, is door het voorgaande reeds gegeven. Op de eilanden ten zuiden der Maas wordt Hollandsch, het z.g. Maas-Hollandsch gesproken; alleen Overflakkee en Goeree zijn Zeeuwsch. kenmerkende Zeeuwsche eigenaardigheden, als de uitspraak uu

ocr page 12

inleiding.

voor ui, ie voor vj (en u i. p. v. ij voor een lipletter), de uitgangs-e bij vrouwelijke woorden enz., vindt men, voor zoover ik weet, boven het Hollandsch Diep niet. Opmerkelijk is in dit opzicht nog de Friesche vorm zei voor zal, die zich geheel Holland door heeft uitgebreid, maar ten zuiden van het Hollandsch Diep niet wordt gehoord: op Flakkee zegt men reeds zal (zie Van de Schelde lot de Weichsel I, 157 en vlgg.). Wat de taal van de Zuidhollandsche eilanden gemeen heeft met die van Zeeland (bijv. onderscheiding van zachte en scherpe e en o) vindt men ook op het vasteland (bijv. om Gouda en Rotterdam). Wel zijn de punten van overeenkomst tusschen Zeeuwsch en Beierlandsch talrijker dan die tusschen Zeeuwsch en de taal van Delfland bijv., maar hoogstens volgt daaruit, dat de Zuidhollandsche eilanden een overgang naar het Zeeuwsch vertoonen. Zeeuwsch zijn ze in geen geval; de door ons genoemde eigenaardigheden, die hier worden gemist, zijn daartoe te karakteristiek. De grens tusschen Zeeuwsch en Zuidhollandsch kan o. i. geen andere zijn dan Haringvliet en Hollandsch Diep. Afgaande op de geschiedenis zou men geneigd zijn voor Voorne en Putten hiertegen bedenkingen te opperen en volgens Winkler {Algemeen Dialecticon II, 162) zou de taal van den zuidoost, hoek van Voorne, o. a. die van het gehucht De Tinte, Zeeuwsch zijn. Maar al zijn deze landen oorspronkelijk Zeeuwsch geweest, het zal met de taal gegaan zijn als met het recht (zie de Inleiding op de „Oudste rechten van het Land van Puttenquot; in Verst, en Meded. van de Vereeniging tot Uitg. der bronnen van het Oud Vadert. Becht N0. I—VI, Den Haag 1885): eeuwen lang was de aansluiting aan Holland zoo nauw en het verkeer met Zeeland zoo gering, dat wat er Zeeuwsch in die taal is geweest, zoo goed als geheel daaruit is verdwenen.

ocr page 13

K L A N K L E E R.

A VOCALEN EN DIPHTHONGEN.

1- Uitspraak en schrijfwijze.

spraak der JglSe Z'kZ^IZ^k beSC,'aal''' Neder,aquot;dsch ^ uit-geldende leekens zijn behouden; ' ' WaarV00r dan ook lie ••''gemeen

als de ndl. if iM l/aff.

f' als de n'quot;- ? in ierk of hek -als de luJi- u in dom of kop-,

als de ndl. ? i,, dik-,

!f' aIs 'le le in gieten en hier -als de ndl. S in

:ofrr,s;e ^

e' als de lldl- oe in koe en boer-als de quot;dl- iquot; peul en Ceur-001' a,s do ndl. ooi in hooi-,

Wquot;, als de ndl. ieu in nieutv.

6) A,quot;wijkend van het beschaafd i i .

volgende tweeklanken, waarvoor ^ der

rV0,g de gesPa'iëerde teekens zullen worden

ndl. ei, waarvan het eerste riool

-«• waarvan het ^ « CO;

waarvan het eerste deel 3Tl V'5 (a^;

ml', eeu, waarvan het eerste deel 1 quot;esproken als scherpkorle o (öi).

« * » — ..e, uCu. •rrquot;'•••'quot;quot; lt;*n

.1« .1 d, ^ ^ ............

1« de tesctoa,. „L 're' »«

quot; quot;quot;quot;«ir ' quot; ïquot;quot;°n,sl ~ ^ m ~ ......- -——....... ...........

i

ocr page 14

2

1) de volkomen of gerekte a, ilie nu eens wonit uilgesproken als in 't Ndl. '), en dan weer klinkt als een gerekte ae (in het laatste geval hier geschreven als ae).

2) de volkomen of gerekte e, die in uitspraak verschilt naar gelang ze zacht of scherp is. De zachte a (gebruikt teeken ê, ÖT') komt in uitspraak overeen met de ndl. e, ee; do scherpe (gebruikt teeken è, eè) klinkt als de ndl. e, ce voor r. Lang aangehouden krijgt do 5, ëë een palatalen, de é, ee een gutturalen naslag.

3) de volkomen of gerekte o, wier uitspraak eveneens verschilt naar gelang ze zacht of scherp is. Ook hier klinkt de zachte o (5, óö) als in 't Ndl.; do scherpe (6, (5ö) als de ndl. o voor r.

d) Tusschen au en ou kan ik in het Beierl. evenmin verschil hooren als in 't Ndl. Vandaar dat ik beide klanken door een zelfde letterteeken ou heb voorgesteld. Ik moet hierbij echter opmerken, dat er zijn, die beweren wel onderscheid te hooren. Het zal dus hiermee juist hetzelfde zijn als in het beschaafd Ndl., waar de een wel, de ander echter geen verschil waarneemt. (Vgl. ook Taal en Letteren, 1, 286, over de au, ou in het Zwolsch).

e) De onduidelijke vocaal, hetzij uit een vroeger duidelijke, hetzij door Swarabhakti ontstaan, is in overeenstemming met het algemeen gebruik door 9 voorgesteld. Zij klinkt als in 't Ndl.

II. Vergelijking der vocalen en diphthongen met die van het Westgermaansch.

a.

§ 2. a) In gesloten lettergrepen beantwoordt aan de wgm. a in den regel ü: dag (os. dag), hand (os. hand), an (os. an, naast ana, ndl. aan), plak («plaats» van plakka; daarnaast ook plek), stappa (ohd. stapfó», ags. slrcppan: daarnaast echter ook steppa) -), blad (os. blad; daarnaast echter ook om mij onbekende reden bied; zie Woordenlijst).

Opm. In plaats van ik zal enz. (os. seal) gebruikt men steeds de in bijna geheel N. en Z.-Holland voorkomende vormen ik zet enz., die wel op Frieschen invloed zullen berusten. — Ik ken enz. voor het hier ongebruikelijke ik kan enz. is eigenlijk het praesens van het ww. kennen (os. kennian).

b) Een scherpkorte ö (ó') in plaats van de ndl. Ti hebben óf (ofri. of, ags. of) en och (ohd. ah, mhd. och). Een zachtkorte 5 (0) vinden we in het achtervoegsel -schóp (ond. -scap, ohd. -scaf). Liever dan te denken aan invloed der oostelijke dialecten (vgl. mnd. -schop en zie PBB. 17, 302), zou ik de ó in het laatste geval willen toeschiijven aan den geringen toon der lettergreep en de werking der vol-

') Soms echter eenigszins, maar dan heel weinig, overhellend tot no.

-] Zoo ook step, znw. naast stap. Nooit ê, maar steeds « heeft echter slap, « trapje langs den waterkant ».

ocr page 15

3

gondo labiaal (vgl. mul. lancsom en zie Van Hei.ten, MnL Sprhk., § 34, b, Opni. 1).

Naar analogie van 't meerv. is verder de a van het praet. sing, der sterke verba van de l6 klasse in 5 (ö of ó) veranderd: ik bónd (os. band). Vgl. echter § 13, 6.

c) In dezelfde woorden als in 't Ndl. werd do » voor )• gerekt, evenwel niet lot aai maar tot ac: kaer (os. kur), aerd (os. ard\ barrd (ohd. hcn't), baers (mhd. bars), rjaent (znw., ohd. yam), varrl (os. fard), woerd («mannetjeseend», mnd. war te; daarnaast ook de fri. vorm woerd), zwaerd («huid van 't varken», mnd. swarde; daarnaast ook de fri. vorm zwoerd), gaennet (ndl. garnaal; zie Ned. Wdb. i. v.). Alleen de vreemde woorden kaart (lat. charta) en taart (fr. tarte) hebben aa.

I£en volgende r -f- heterort/ane consonant deed de wgm. ö overgaan in r (ae). Vgl. behalve de algemeen ndl. woorden ermff, merrgk, seherrgp, sterrak, zerrak en zwerram nog de beierl. der ram (ohd. daram), errabaid (os. arbèd), erram (znw. en bnw. os. arm), Herrama (ndl. llarmen), herrap (zekere zeef; wel hetzelfde als ohd. harp fa, harfa), terraw of terrü, werrom (os. warm) en misschien verraka, tenzij dit laatste de regelmatige voortzetting is van onl. 'fürkrn en dus een umlauts-e heeft.

In eenige dezer woorden is vervolgens de e nog in u overgegaan: kurrapar of kurrapal (mnl. carper, ohd. charpfo), murrag (os. »iary), vurraf (ohd. far{a)wa), wurraf (os. hwarf) en midlgvar (uit quot;marvel', zie § 48).

Opm. 'l erwijl in het Ndl. de a niettegenstaande de r -|- heterorgunc consonant in sommige woorden is gebleven, mag men voor 't beierl. dialect als regel zonder uitzondering aannemen, dat een wgm. a in het bedoelde geval steeds in e (of u) is overgegaan. Woorden als ndl. bark, hark, garf, larve enz. zijn daarmede niet in strijd; zij behoorden en behooren nog heden niet tot dit dialect en wie ze nu gebruikt spreekt Nederlandsch, geen Beierlandsch. Een üeierlander weet alleen van schuit, rijf, schóbf en risp of póp. — Geheel hetzelfde is het ook met de vreemde woorden als ark, harp (muziekinstrument) enz. Maar zoodra deze door veelvuldig gebruik burgerrecht hebben gekregen, hebben ook zij zich naar den regel geschikt. Vandaar dat men zegt: kerrawai, kerrapet, kerraiuas, kerrama-nada, raberrabar enz.

d) Over de verbindingen aid en alt zie men § 3i.

§ 3. Aan de wgm. quot;i in gesloten lettergrepen, gevolgd door een umlautsfactor, beantwoordt e: net (*natjo-), bed (got. badi), end (got. andeis), bes (*basja), schcppa (*skapjan), zetta (got. satjan), inesta (*mastjan), belstar (ond. hel if tra uit 'haliftr-), hespala, yahespal (vgl. ohd. haspil), srnekko (uit *smakkjan, nhd. smeek en).

Opm. !. Evenals de oorspr. r (zie § 8) of dc e uit « (zie § 2, c), kon ook deze e overgaan in i, a of u: kil (*kaljo), glinta (van *galantjo-), schil ('skaljó-), schillap {'skalpió; zie echter § 8, b) in (ndl. en, uit ende, *andi), string (van garen; altijd echter de strenga van het paardentuig; quot;strangï), wjnsbroitw uit winksbrauw (van *winken, wenken, *wankjan); sterrakas (uit -kars van *krasjón); runna (got. rannjan), blussa (*bilaskjan), gurrgfschaaf (van gerwen, 'garwjan).

ocr page 16

4

Oprti. 2. Of we ook te doen hebben met umlaut in woorden als. kaers (uit *karzia), Maart (uit Martins), Maert of Maerta (Martinus), paerd (ohd. pfarifrid), vaers (uit *farsjo), vaerdag (ohd. fartig) en icaerd (ohd. warid) is moeilijk uit te maken, daar zoowel een vroegere ti als een vroegere 2 voor r homorganen consonant tot ae kon worden. Toch schijnen anhvoord en têgBwoordag er op te wijzen, dat ook hier de umlaut door de verbinding rt (rd) werd verhinderd (vgl. g 14, O).

Opm. 3. In één woord is de umlauts-? onder invloed van volgende nasaal consonant gewijzigd tot ai: hainst uitheingst uit *hangisto, vgl. § 8, e) en Fiunck i. v. einde.

§ 4. Aan de wgm. a in open lettergrepen beantwoordt in den regel a, aa of ae. Men vergelijke:

aap (ags. apa), gaar (os. garo), gatvaar (os. giwaro iverdan), haan (os. /mno), knaap (ags. cnapa), maag (ags. maga), naam (os. namo);

vandaeg, zack (ook wel zaak);

dravs (mhd. traben), hagal (ags. hagnl), karsg (os. karag), klaga (ohd. chlagón), schada (ohd. scado), scha va (ags. sceafan), waka (os. tvakón), ivatar (os. watar);

graeva (os. graban), laeka (os. lacan), naeggl (os. nagal), vaera (os. faran), daega (rnv. van dag), vaeta (mv. van vat), glacza (bnw. en mv. van glas).

Met opzet heb ik hier veel voorbeelden gegeven, omdat het mij niet gelukt is te ontdekken, volgens welken regel de oude a nu eens tot a, aa en dan weer tot ae geworden is. In lettergrepen, die tegenwoordig gesloten zijn, is ae zeker uitzondering (van de aangehaalde woorden kan vandaeg analogie-vorming zijn naar daega), maar komt toch voor; en in lettergrepen, die open zijn gebleven, treft men a en ae ongeveer even dikwijls aan. Ook de omringende consonanten kunnen ter verklaring niets bijbrengen. Waarschijnlijk moet dus de oplossing gezocht worden in de onzuiverheid van het dialect.

Opm. Een onvolkomen a heeft dakka naar analogie van het enk. dak. Bovendien is onvolkomen geworden de a, die in vreemde woorden in een lettergreep met bijtoon stond: kammaraad, kammanet (kabinet), rammalas, mannafactura, maggazijn, jallazie enz. Zoo werden ook ndl. paraplu en parasol tot parraplu en parrasól. Daarop is parraplu in overeenstemming met § 2, e geworden tot perraplu en parrasól volgde dit voorbeelden veranderde in perrasul.

§ 5. Voor zoover een volgende umlautsfactor invloed oefende op de oorspr. a in open lettorgrepen, veranderde deze u in ê, êê, behalve voor r waar zij è, éè werd:

bêtar (got. baliza), êêgd (ohd. egida van quot;agjan), T-.al (got. asilus), ketal (got. katils), Icpol {'lapilo) enz.; verder bëës {aerabëês, moerbrês; mul. bêse, got. basi), këêf (kóikaskëêf; uit *kabi), drêga naast draega (os. dragan; met r naar analogie van hel part. gedrêgen, dat zijn ê te danken heeft aan het participiaal suffix-in); méér (got. marei), niéra 'marjan).

Verkorting vertoonen: vremd naast vreemd (vgl. ags. fremde), end (endakróos) naast ëênd (vgl. ohd. ant, mv. atüi), lest uit letst (os. letst, letist), mennag (ohd.

ocr page 17

5

mcnicj, manag), mrrrie (olid, meriha) en hij het (met syncope nit heft voor hcvct) waarnaast ook hij halt (vgl. Van Hki.ten, Mnl. Sprk. § liO).

§ 6. Aan wgm. d beantwoordt bijna zonder uitzondering a, aa of ae. Ook hier is liet inij niet gelukt de oorzaak van dit verschil in uitspraak te vinden. Men vergelijke:

haar (os. bdra), daad (os. ddd), ganado (os. gindlha), haal (os. hdhala), kwaad (mnd. quüt), maal (ohd. mdl), maan (os. mdno), raad (os. rad), raza (ags. rcèsan), ivapon (os. ivapan);

(tel (ags. a*/), -aer (meuldnaer enz.), daer (os. thar), haer (os. hor), jacr (os. jdr), laeg (mhd. liïge), naeld (os. nddla), naet (ohd. nat), aevund (os. dband), hlaezd (ohd. bldsan), laetd (os. Idtan), slaepa (os. shipan).

\ erkorting der oorspr. d of der d uit an voor harde spiralis vertoonen:

''-'y i ZÜ brakka, sprakkd, gavvj, alt,* enz. (os. brdkun, gtihan) naar analogie van het enk. brak, gaf euz.: jammar (mnl. janier, os. jdmar), gadachta (ohd. giddhli), gjdachUmis, andachtarj enz., alsmede zacht (onl. *siifti).

Opni. Naast zacht (bijv. in : zacht wéi;r) hoort men zeer vaak zucht (9ïi zochta péèr). Naast ducht (os. pdhta), gadücht, brócht (os. brdhta) en gabrócht is geen dacht enz. in gebruik.

§ 7. De umlaut van d komt alleen voor in eenige weinige woorden, die uit de oostelijke tongvallen zijn ingedrongen; hij luidt dan «■:

bsdeesd (van 'bedezen, vgl. hgd. ddsig), bjwèrg (*biwdrjan), gadwee (van quot;pwdpi). leeg (mhd. hege; naast laeg, dat in (ig. zin altijd gebruikt wordt: un laega daad), meed (zie Woordenlijst; ags. mu:d, ofri. mede) en misschien ook dwêpa (vgl. dwdp, dwèp, gek.; fri. dtvdpen, dtvepen).

e en i.

S 8. a) Aan de wgm. c in gesloten lettergrepen beantwoordt e (hetzij cquot; of ae): vel (os. feil), recht (os. reht), berrag (os. berg), hellapa (os. helpan).

b) Voor st werd wgm. 5 soms tot?: gist {6M. jest), gistara {oM. gestarön). Vandaar ook wel, dat hier naast mis (met assimilatie uit mist) geen bijvorm mesit) in gebruik is. — Van rippa voor reppen heeft waarschijnlijk reeds in 't onl. een vorm met ? ('rippón) naast 'reppdn bestaan. Verder vinden we nog i voor wgm.

s, hiU3p voor schelp (wanneer dit laatste althans berust op *skelpü en niet op *skalpi(i, vgl. ^ 3, optn.). Naast schillap wordt ook gebruikt schullap (en als ww. steeds schullapa), dat of uit schillap is ontstaan (zie § 0, c). of van ouds met klankwisseling daarnaast stond (vgl. wil. hulp uit 'help,) of Vudpjn en rust uit *rasliö of *rustjó).

In vele vreemde woorden beeft voorts de ?■ neiging om lot i over te gaan; vgl. spiktakal, sildarij, vardUtalawêera.

c) Ook bij de e heeft de r de regelmatige ontwikkeling het meest gestoord. Een gt;• homorgane consonant heeft een oorspr. ? deels lot u of tot ae (over

ec), deels tot ó doen worden. Een a vindt men, behalve bij de algemeen nld.

ocr page 18

6

woorden garst (os. gcrsta), hart (os. herta), smart (olui. smcrzd), tarta (?) en star (os. sterro), soms ook in kars (ohd. chersa). — Een ac hebben haerd (os. Jierth), staert (ohd. sterz), waerd (bnw. en znw. os. werd en werd), zwaerd (ohd. swert), paers (fr. pars).

Opni. Dat werkelijk deze ac uit een vroegere ee (en niet door jongere rekking uit a) is ontstaan, blijkt uit het feit, dat men een dertig jaar geleden deze woorden nog met ee uitsprak; althans bij Hoog-werf, Cypres-, zilver-, goud-, oranjelovers (Dordrecht, 1870) komen nog voor de vormen weerduj (blz. 23) en peers (blz. 32). Vgl. ook Franck i. v. aarde.

Een o uit oorspr. e vertoonen bórst,) (os. brestan), ivórda (os. wcrctan) en pórs (onl. pressa) met de afleidingen pürsa en pórsangg, bij diarrhee.

Daarentegen heeft een r -|- heterorgane consonant in eenige woorden de wgm. e in u veranderd (vgl § 2, c): badurravo (uit *perhan), wurrapa (alleen in de bet. «jongen werpen» van paarden; os. loerpan), langwurrapag, wurr-jpzak (werp-net), mastivurrap en fur ram (fr. ferme).

d) Een u voor oorspr. c (over den tusschenvorm 7; zie § 9, c), vinden we bovendien nog in het reeds genoemde schullap, verder in gunt, gunter, guns in wécr (? zie Franck i. v. ginder) en in sunt (ndl. sint uit sent), onder invloed van de volgende l of n.

Opm. Naast sundar(d)aklaas (verbastering van sinterklaas) gebruikt men ook sondar(d)aklaas.

o) Onder invloed van de volgende nasaal -j- consonant werd de oorspr. c gewijzigd tot ai in vainstar uit fenestra.

§ 9. a) Aan wgm, ï in gesloten lettergrepen beantwoordt in den regel ï: kind (os. kind), wil (os. ivillio), hitte (ohd. hizza), pik (os. pik', daarnaast geen pek), ik bin (onfr. bim, bin), mil (os. mid).

b) Voor m staat soms e: zwemma, stom. Maar ook ?; klimmn, krimpa enz.

Voor r is de i overgegaan in e: scherram (ohd. scirm), hert (cervus, ohd. hiruz), kerrak (os. kirika), werraka enz. In sommige woorden heeft deze r evenwel in latei-tijd weer veranderingen ondergaan. Volgde nl. een rhomorgane consonant, dan kon de ï' overgaan in a of n, of zij kon worden gerekl en dan in ac veranderen (vgl. § 8, a): harsas (uit *hirsni), dartag (zelden; os. thritig); dórda {os. thriddio), dórtien, dórdallaf, kórsamas, kórsaweg (met bet eerste deel Kors, Korst uit Jicrst, Krist), vórs (ohd. frisc); kueran (uit *kirnjó).

Waar echter op de r een heterorgane consonant volgde, is uit de ë soms ü ontstaan; kurramas (kermis, kerkmis) en lourraval {wervel, ohd. wirbil, wirfel).

Een c uit oorspr. i treffen we verder nog aan in wet (onl. *witod) en waarschijnlijk ook in hetta (zie Franck i. v. hitte); verder in grent naast grint (vgl. ags. grindan), niettegenstaande de nasanl consonant toch ooi; als in 't Ndl. de t begunstigt; In kebbala naast kibbala (mud. kibbeln) en in legga voor ligga, door de bekende verwarring der beide verba, die reeds in 't Mnl. voorkomt.

De e van slechta (ohd. slihtcn) is ingedrongen uit het adj. slecht (ohd. sleht).

ocr page 19

7

c) Tot een u is de wgm. i geworden in runnoko (? ndl. ruin ikfn), lm (uit litse), spul (os. spil), sunt (innd. sint), hun en hum (ags. him), tummara (os. timbrjan) en zullavar (onl. *siluhar), door invloed der volgende of voorafgaande l, n o( m. Verder bij dut (os. thit), misschien naar analogie van gunt.

Opm. Ook naast sunt (sinds) hoort mon een enkel maal sont; vgl. § 8, d) opm.

d) Rekking van wgm. ï voor nasaal -j- consonant komt alleen voor bij Dijnsday, Pijnstam en wijnsbrouw, die door assimilatie zijn ontstaan uit Dijngsdarj, 1'ijnk-steren en wijnksbroutv, voor Dingsdarj (welke vorm ook wordt geboord), Pinksteren en winksbrauw (bijvorm van wenkbrauw).

Opm. Wat Jelunguaus, Niederl. Mundarten, s. 76 meedeelt omtrent « Vocaldebnung vor m und » ais zou die « haufiger » zijn «in den zu Zeeliindiscber Spracbe neigenden Landschaften von Oud-lieier-land enz.» is, voor zoo ver het dit dorp betreft, volstrekt onjuist. Behalve de drie genoemde zijn mij geen voorbeelden van rekking des klinkers voor m en n bekend.

§ 10. o) Aan wgm. e, zoowel als aan wgm. i, in open lettergrepen, beantwoordt in den regel ê, lx (behalve voor r):

nëëf (ags, na fa), gëua (os. geban), T-ta (os. clan), keel (ond. kela), zêT-n (os. *semi), regan (os. regan); zêkar (os. sikor), krPgal (*krigal), hrmal (os. hinül), scheen (ags. scina), streep {*stripi-), wij brta (os. bittin), gabrta (os. bitan). Verder nog kweeka (zoo ook in Groningen, zie Urne Volkstaal 2, 56; uit ouder *quikón, os. aijuikón, naast *quaikjan, vanwaar ndl. kweek en), schëëf (znw. ond. skifo-; zoo ook in Brabant, zie Unze Volkstaal 1, 222; vgl. verder !• ranch i. v. schiften), slrpa (waarnaast geen sliïpe; zie Tijdschrift U, ir.8; onl. *slipón), streek (zoowel m. als vr., uit 'striki; vgl. Tijdschrift 14, 159).

Opm. I. Deze zachte e blijft ook in de woorden, die na syncope der d zijn samengetrokken: mm (bijw. os. midi), trêê (onl. *tridi), prrëka (ond. predicdn), kivêrla (ohd. quitilón), lêêg (mhd. ledec). Daarentegen heeft véc (uit *uehe, os. feho) een scherpe e (vgl. hiermee de o van altoos, § 15, a) opm. 1).

Opm. 2. Aan wgm. e of i beantwoordt een ee in twee woorden, nl. in deel (plank, ohd. dito) en in ntéc (honingdrank, ags. meodo, ohd, metu). Vormen, die wijzen op scherpe e komen van déél ook voor in Groningen (zie Onze Volkstaal 2, 55 en Moi.ema i. v. achter-ofdylen en latdylen), in Westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen (zie Taalgids 5, 309) en op Walcheren (zie Sch.t. VF. I, 144). Misschien is deze vorm door verwarring met dn'l, gedoelte, ontstaan (zie Taalgids 5, 311 vlgg.). Ook bij mét; zou men aan verwarring met mee, meekrap, welks «• wel uit ai zal zijn ontstaan, kunnen denken.

Opm. 3. Wat de vreemde woorden met e uit een klinker betreft, in tegenstelling met de regels onzer spelling hebben b/7èst en feest een scherpe, kaniëêl een zachte e (vgl. Tijdschrift, 14, 161 en 162).

b) Voor r is deze wgm. e of i steeds tot ê geworden (vgl. § 1, c, 2): begéèra

ocr page 20

s

(os. r/rró») bn-r (iirsiis, ags. Itrra), vorlrro (ns. lerian), wéér (znw. on bijw. os. wedar en widar).

c) Po oorspr. i is gebleven (geschreven als ie) in kiel (mnl. kidel, uit *kidi\), kiel dl j (uit *kitilon), loiemala, gewiomol (os. *wimilim), soms in triem (uit *lrimic! gewoner is echter trrPni) en misschien in hiel'ie (verkleinw. van os. bili) zwiep (? zie echter § 20, a, opni. 3) en Hema (zie Woordenlijst, naast wvl. lême; van ouder *iimi'?).

d) De uit i ontstane e is door invloed van een volgende o overgegaan in eu bij de woorden: deuza (ontstaan in de vormen met de uitgangen met o), lexma (os. Idinón), reus (olid, riso), speuln (os. spilón), teuge (uit 'lijegon'! daarnaast evenwel meer en meer lëg.i), veul (os. vilo, -u), zeuva (ags. seofon), heur (uit de vormen met o: *hiro) en soms ook in heuni (onfr. himo). Vgl. Tijdschrift 14, 114 vlgg.

§ 'I I. Aan de wgm. lange e (gesloten e) beantwoordt als in 'l Ndl. ie: brief, spiegel, biel (uit lat. bèta), Griel, Piet, hier, schier(lsk); sliep, liet enz. Vgl. Van Helten, Mul. Sprk., blz. 502 en 503.

Opm. Evenals ndl. beet (met zachte e? vgl. mnl spëghel naast spiegel en ndl. lëgel naast ohd. ziagal) naast biet wijst op een vroegtijdige verkorting der è, zoo gaan ook de eigennamen KnTdas en Knïvl (of Knêlid) niet direct terug op lat. Cornêlis en Cornèlia, maar op tusschenvormen met e.

Aan een lat. è beantwoordt overigens ook soms ij, evenals in 't Ndl.: krijt, spijs, zij, pijn, fanijn enz.

§ 12. a) Aan wgm. lange i beantwoordt ij, behalve voor r, waar ie wordt gezegd : grijpa (os. gripan), vijf (os. fif), ijzar (os. isarn), vijs Cfis; ndl. vies met dial, klinker), mier (ags. mire), klier (oud. *klira).

Opm. Ook in enkele vreemde woorden is do oude i (ie) overgegaan in ij: fabrijk (opzichter, architect; vgl. bij Hooft, Gedichten: fabrijken, slichten; cd. Leendertz 1, 260) kalijk en de eigennamen IJ zak, Uda, Mar ja en F [ja (Sophia), alsmede Junij en Julij; maar nooit in Jannawari en Fêbrawari.

b) Aan Frieschen of Saksischen invloed is de ie toe te schrijven in driest (os. pristï), kiem (ohd, kimo), griezala (ags. agrisan), knieza (ooslfri. kuisen), iel (voor ijl uit ijdel, os. idal), iela (delirare), iep (naast ijp), ievarag (van ijver, mhd. if er), mtsliepa en sehaerasliep van slijpa (ohd. slifan).

c) Opmerkelijk en mij onverklaarbaar is de ai in brain («zoo zout as on brain, brainzout»); vgl. ags. brine en zie ook Noord en Zuid 3, 221.

d) Verkorting van oorspr. ? of van i uit in voor scherpe spirans vertoonen: lichaam (os. likhanw), licht- (levis, os. Hht), dicht (mhd. diltte) en linno. Undo (os. linin).

Opm. Dicht in de bet. «niet open, toe» on in die van « snel, schielijk » (dicht ?ta, dicht prata) behoudt steeds de i; in do bet. «niet ver» luidt het woord echter ducht.

ocr page 21

9

O en u.

§ 13. a) In gesloten lettergrepen beantwoordt aan een wgm. u eigenlijk een o (of met jongere rekking cxi) en aan wgm. u een ti :

hóf (os. hof), döchtor (os. dohtar), plókka (uit *ploccón); moord (os. morth), woord (os. word) enz.;

óp (os. up), jók (olid, juli), schóppn (mnd. schupperi).

In den loop der tijden is hierin echter groote verwarring gekomen, en evenals in het beschaafd Nederlandsch is menige tegenwoordige u ontstaan nit wgm. o (bijv. mós, ohd. mos; móllakarij, vgl. nhd. molkc, mhd. molkm, ags. molccnl) en omgekeerd menige ó uit wgm. ü (bijv. voor r). Daar dus de uitspraak der hedendaag-sche o in 't Beier), niet meer afhangt van den oorsprong, geel'ik hier, zonder op dio afkomst te letten, de woorden, waarin de uitspraak der o afwijkt van de beschaafde spreektaal (vgl. daarvoor Ned. Wdb., Deel 10, kol. 3):

zachtkorte 5 hebben: góllaf, jók, mót, niótrêgan;

scherpkortc o: knöbbal, poddung, vod, köjfor, sclwfféèrd, poeha, snuikkala, dól en slóp (znw).

Bij pols weifelt de uitspraak; het vaakst hoort men póls (zoo altijd in de bet. polsstok). Bovendien is de o voor r, behalve in mórso en mórsdoöd, steeds scherp; ik hoor althans niet het minste verschil tusschen bórral en kórral.

h) Voor een )•, die gevolgd werd door een heterorganen consonant ging de vroegere o (hetzij dan uit wgm. o of uit wgm. it; vgl. ook § 8, c) over in «; vgl. kurraf, gasturrava, burraga, vnrrak, wurram, durrap met bórd, morra, sc/iurs, kórt, lór, tórrana.

Opm. 1. De eenige uitzondering op dezen regel vormt vuri (= voort) met (?, hoewel op de r een t volgt.

Opm. 2. Vermelding verdient hier het verschil, dat men maakt tusschen morgen (ochtend, volgende dag) en morgen (vlaktemaat). Het eerste luidt murraga, zelden of nooit merraga; het laatste daarentegen zonder uitzondering merraga (met e als umlaut van ïi; zie Franck i. v. morgen en vgl. ags. morgen, got. maurgins naast ags. morgen uit *morgan). Dit onderscheid berust niet op verschil in oorsprong; een dergelijke diflerentiêering der uitspraak, zich vasthechtende aan verschillende beteekenissen van een zelfde woord, treft men ook elders aan: vgl. voor dit dialect slap en step S; '2, a, zacht en zócht •; 6, laeg en Iny § 7, xverrapa en lourrapa § 9, b, dicht en ducht § 12, d enz,

c) Over de verbindingen old en oil zie men ^ 3i.

§ 14. a) In gesloten lettergrepen komt de umlaut van ö alleen voor in een paar woorden, waarin die ï) door vroegtijdige verkoiting uit ö is ontslaan, ui. in garucht, harucht, lóidruchtag (alle van os. hrópan) en gatnicht (uit quot;gihofti, 'gihófti).

b) Aan wgm. u gevolgd door een umlautsfactor beantwoordt in dit geval in den regel «: dun (ags. pynné), mud (os. muddi), mug (zie Woordenlijst; os. muggia), rust (*rustjó'? vgl. § 8, b), schultar (ags. scytta), zult (ohd. sulzia), kussa (znw. ohd.

2

ocr page 22

10

cliusshi); lucht, vrucht, schuld, yoduld, gunst (en daarnaar gunnn) en kunst (de laatste niet generaliseering der in de casus met i ontwikkelde u).

Ook bij vroegtijdige verkorting der wgm. il vinden we hier h : zucht (uit *sufti, *siifti), zuchto (ohd. suftión) en ducht» (? uit *puhljan).

De verbinding rt heeft echter den umlaut der u verhinderd, blijkens antwoord (aangezicht) en IPyuwoorday met rekking uit antword en teyenivordig; vgl. ohd. antwurti, mhd. antwürte.

Op»t. In vele woorden vinden we evenwel niet den klinker, dien we in verband met de §§ 13 en 14 zouden verwachten. Voor een gedeelte is dit toe te schrijven aan analogie-werking. Daartoe behoort o. a. het in Winki.ER's Dialecticon gebruikte, maar thans nagenoeg onbekende ww. vólh, voor het regelmatige vullg (quot;fulljan), ontstaan door invloed van vul (uit quot;fullo-). Maar ook zonder dat men aan analogie kan denken wordt soms o aangetroffen, waar men n zou verwachten, zoo in zóndo (os. sundia), bükko (uit 'buckjan), jekke en jókto (vgl. echter mhd. jucken naast jücken), mós (uit *muska naast 'muskja ?), óm (misschien ohd. umb naast umbi ?).

b) In eenige woorden is door invloed eener volgende i of j de oorspr. ü in gesloten lettergrepen in T overgegaan: luppnh (van *huppjan), klippsl (klippal/iout; uit: 'kluppilo-), grip (uit *grupjó), krik (ags. cryce), pit (ags. pylt), rik (rug, zie § 37, c; ags. hrycg), stik (ags. styce). Misschien ook in brigbóüm (zie de Woordenlijst), wanneer dit een samenstelling is met brig, ags. brycg; men zegt hier echter brug als in 't Ndl. Risp, omzetting van rips, (zie § 41 B, b, ü, opni., en vgl. nvl. ripsene, ripseme) heeft misschien den invloed ondergaan van een synoniem woord, behoorende tot den stam van reppen.

§ 15. a) Aan wgm. o zoowel als aan wgm. u in open lettergrepen beantwoordt ö, öö, behalve vóór r, waar steeds ó, ób wordt gehoord:

höpo (os. *hopön), böda (ohd. bolo), kövl (brandstof, ohd. cholo), büög (os. bogo), höüs (windhoos; waarschijnlijk hetzelfde woord als ags. hose), kööt (mnl. kote), stüüf (ags. stofe), schüta (mv. van schol), strööt (ndl. strot, uit *strutu), wij bodn enz. (os. budun); bmr (*borö), vóvr (os. fora), door (uit doder).

Opni. I. Deze zachte o blijft ook in de woorden, die na syncope der d zijn samengetrokken: böö (uit bode), züö (uit zode, mnd. söcie). Daarentegen heeft allóiis (uit allo ges) een scherpe o, wat hoogstwaarschijnlijk ook reeds in 't Mnl. het geval was.

Opm. 2. Aan wgm. o beantwoordt li, óti in khuf (mnd. klove] maar ook klaf'1. vgl. Lübben-Walther. Is de ó niet oorspronkelijk, dan laat zij zich verklaren door den invloed van klaiivs, *klaubjan); ranidr (roemer, met de scherpe o van Rome, dat toch zeker van invloed is geweest op dit woord). Vreemd is ook de scherpe o in bvbschóp. Zij is misschien toe te schrijven aan invloed van den bijvorm hixirschóp, die regelmatig scherpe o heeft tengevolge van de r.

Opm. 3. Opmerkelijk is de vorm boejam, naast bojem voor bodem.

ocr page 23

Mag ter verklaring hiervan gedacht worden aan ndl. uilroeien, welks verhouding tot uitrooien niet geheel duidelijk is?

Opm. 4. Wat de vreemde woorden met o uit een klinker betreft, in tegenstelling met de regels onzer spelling hebben ü, m) de woorden fóla, Josvp, kroon, mólak, pArmn, Bamis, sakkorlmt, tmn en tróbn. In de Me en in verscheidene hedendaagsche dialecten vindt men de meeste dezer woorden eveneens met scherpe o. — Ken zachte o heeft daarentegen püövsr (vgl. Taal- cn Lellerbodc 4-, 228).

b) Verkorting der vocaal vertoonen grof (verbogen grövva, uit quot;V/rubo-?), löl (ndl. loot, oostfri. lote), en hólh (ndl. holen; naar analogie van 't enk. hól). Vgl. ook komma voor komen.

§ 16. a) Aan wgm. it in open lettergrepen gevolgd door een umlautsfactor beantwoordt cu. Vgl. behalve algemeen ndl. woorden als: beul, deugd, deur, heug, heup, heusch, jeugd, keuken, leugen, peul {*puli), peul (ags. pyhoe), reuk, teugel, vleug, vleugel enz., nog: deur (voorz. 'purih), geut (*guti), heunong (os. honiri), keunong (ags. cyning-, gewoner is echter könong en het ww. künimga, zie Woordenlijst), kneuksl (*knukil), meula (ohd. niulin), neut (ags. hnuti — in samenstellingen), veugal (ohd. vogila; zie Van Helten, Vondels Taal, blz. 11), weuna, gaweunta, geweunlak (ags. wunian), zeumar (^uit de vormen met i; got. mv. sumr-jus), zeun (desgelijks; os. mv. suni) en soms veur (znw. *furih) en veur (vz. bw. os. furi; bijv. in vourhmd).

Tot zachte e is de ou geworden in krepal (ags. crypel) en stêna (ags. slunian).

b) Verkorting vertoonen: buttar (uit *butira ; vgl. mnl. buetre), hummag {*humig), jukka (ond. jukid), schuttal (mnd. schotel), vulla (ndl. veulen; ohd. fuliri* en zum-nwr naast zeumar.

§ 17. Aan wgm. ii beantwoordt oe: voet (os. fót), vloed (os. flod), broc{da)r (os. bróder); ik voer (os. fór), doen (os. dón).

Door invloed der «u-haltige» labialen en gutteralen, die de parasiet, welke zich achter ó had ontwikkeld, tot een u-klank vormden, beantwoordt echter in eenige woorden aan wgm. ó soms een ou: houf (paardenhoef en hoefblad; os. hóf), houve (ags. behófian) '), ploug (ags. plóh), plouga, prouva (onl. *probón), proufie {proeiie), schouva (?Zie Woordenlijst op ófschouva), schoitfhaak, vouga (os. fógjan) en vroug (bnw. en bijw. mnd. vróch). Zoo ook bij het vreemde woord trouf voor troef.

Opm. Hoogstwaarschijnlijk hebben we hier te denken aan invloed van een naburig dialect. Oorspronkelijk is deze klank voor deze streken wel niet; in de middeleeuwsche oorkonden en geschriften betreffende Zuid-llolland (d. w. z. het Zuid-Holland der Middeleeuwen) komt hij eerst laat (na 1450) voor, zoo bijv. in de Oudste Rechten van Dordrecht (ed. Fruin), terwijl hij bij Mattiiijssen en in de Oudste Rekeningen van Dordrecht (ed. Dozy) nog geheel ontbreekt. Na 1450 vinden we ou echter vrij vaak, niet alleen in de genoemde Oudste Rechten, maar ook in Privilegiën enz. van Dordrecht

') Daar de lange o geen umlaut heeft ondergaan, zooals in de volgende § wordt gezegd, neem ik hier ook op die woorden, waarin de ó door i of j wordt gevolgd.

ocr page 24

12

(eJ. Van de Wall) en in de Privilegiën van de Zwijndrechtsche Waard (ed. Nibbelink). Dit feit, alsmede de nog tegenwoordig voorkomende OM-uilspraak der oe, verbieden ons met Van Helten , Mnl. Sprkk. bh. 104, in deze stukken te denken aan de hand eens Westvlaamschen afschrijvers.

b) Door verkorting werd de ó deels tot o deels tot o:

blom, vardómnu, -dum en misschien ook nómma (nu ongebruikelijk, maar zie Hoogwerf, Lovers 31 en vgl. Van de Wall, Privilegiën enz. 1743, a0 1655 en vlgg ; voomomde), door de verkortende werking der m; rjanóch{t) door een zelfden invloed van de (auslautende) spiralis, waardoor misschien ook móst uit moest is te verklaren (vgl. echter Franck, Mnl. Gramm., § IGG). Naar het voorbeeld van dit móst en van hij mót (onder de werking der oorspr. dubbele t verkort uit moet, mótut) zijn ontstaan de vormen ik, hij mót, wij mótta en de inf. mólta.

óksal (end. uhsla), lót (ond. tóte), zócht (os. sóhta), gazöcht, en vroeger ook in róppo, zókka, vlókkn, kókkabak enz. (zie Hoogwerf, Lovers enz.), welke vormen nu nog slechts een heel enkel maal van zeer ouderwetsche lui worden gehoord.

§ 18. Als umlaut van ó komt eu voor in een paar woorden, die uit oostelijke dialecten zijn ingedrongen; hetik (ags. bèke uit *bökjón), mexU, meutHe (vgl. mnd. móje, ohd. muoja), Weunsdag (vgl. eng. Wednesday van *Wéden uit *Wódin, naast Wódan) en misschien in beuzsm en beuzama (zie voor het laatste de Woordenlijst; ndl. boezem, ags. bósm; maar vgl. mnl. buessem: «in gheineenre buessem bliven silten » Landrecht van Buren aquot; 138^, aangehaald in Ned. Wdb. 3, 235).

§ 19. a) Aan wgm. ü beantwoordt ói, behalve voor r, waar uu staat; dóif (os. düba), gebröika (os. brükan), zóiga (os. sügan), bóita (os. hntan), röizie (ook elders in gebruik, zie Sch. I. W., 1, 260; mnl. nlzie; ndl. ruzie is een gewestelijke vorm), góist (góista vaerza; ook elders in Holland; uit *giisti), smóil (smóil hebba in; van een stam smul naast smull'!), goil (ndl. geul; ook op Walcheren in gebruik, zie Sch. t. W. 1, '118; misschien van stam *gül ?), óislar (uit uinster, uunstcr van mlat. *uni-statera 1 vgl. den op Fransche bemiddeling wijzenden Beluwschen vorm lunster in Onze Volkstaal 2, 95); schuur (ohd. sch ra), slura (mnd. stóren; ndl. sloeren heeft dial, oc), tuur (met syncope der d en daarna contractie uit mnl. hlder, dat in andere dialecten tot Hü-j-er, luier werd; vgl. door naast dooier, vaar naast vajer, voeren naast voejeren enz.), uur (van een koe, geit enz. uit ü-er, mnl. üder, waaruit ook ndl. uier).

Opm. Ook hier heeft, zooals uit enkele der genoemde voorbeelden blijkt, een volgende umlautsfactor geen invloed op de ontwikkeling der ij gehad.

b) lien oorspr. ü, waarachter ter vermijding van een hiaat een w was ingelascht, ging in ou over bij: nou (nu), douw,/ (duwen; voor düen , ohd. duhen) en douw, waarschouwen ('t laatste deel van schuw uit *sktlh), soms in schouw (in den zin van « vrees aanjagend »; een vertelsel bijv. kan schouw zijn), verder bij rouw (mnl. rü, ruw, ags. rnh) en bij het daarmee in verband gebrachte rouwdaras (vgl. mnl. rudarijs en wvl. rudaris, Onze Volkstaal 2, 22, De Bo2 831).

c) Een u, uu i. p. v. de te verwachten öi hebben krumal (dim. van kruim, van

ocr page 25

13

st. krüm), duzand (ags. pïisencl) en gruwhmanta (van 'yruzcl; dim, van rnnl. grüs). Daarentegen hoort men soms di in menöita voor ndl. minuten.

d) Met uitzondering van sloeren treffen we dialectische ue voor ü aan bij dezelfde woorden als in 't Ndl.: boer, hl era, roes, soezo, snoet (t).

e) Verkorting der vocaal vertoonen; do en ot vocht ') (ohd. fülhi en füht) en dóffart (onl. dübru).

ai.

§ 20. a) Aan de oude ê (germ, ai) die niet door een i of j werd gevolgd, beantwoordt in den regel cc:

lécna (uit Ichnen, ohd. lèhanóri), eer, ivrsla, iï'war/, lecivnrrok, sneeuw enz.

béên, brééd, divg (ags dnh), divl, ^'d, /v'H, eest, géï'st (znw.) geest (bnw.: geèste vcwrzc; verwant inot fr. gtistl), hix'l, gahécl, héét, hceta, kleed, leed, lecluk, leest, inn'S, meest, garécd, reep, spn'k, stéïw, teen, vrees, vreed (ndl. wreed), tvéèk, zeep, zweet, héèster (uit *haistro-), gcesal (uit quot;gaislo-), zweep (t), wees (uit quot;waisori). smêèke (?), fléènio (?), léï'p (?).

Opmerkelijk zijn nog de volgende woorden:

keet, uit *kaito, zie Franck i. v. kit: Kiuaen: kirte; wvla. keete (Onze Volkstaal '2, 9); zoo ouk op Walcheren (Sch. I. W. i, 120), op Schouwen (id. 1, 154)en in de baronie van Breda {id. 1, 325).

repa, repelen van 't vlas; Van Dale geeft repen als Zuidnederlandsch, en in 't Brabantsch schijnt het woord blijkens Onze Volkstaal I, 221 werkelijk zachte e te hebben. Dat echter ook vormen met ablaut voorkomen, bewijzen mnl. repen, reipen en vl. repe, znw.

speet, (modderspat en spét'ta, ww., die te vergelijken zijn met vl. speiten, spee-ten = spuiten en oostfri. speiten, sprengen; zie Franck i. v. spui t.

vrêka, Van Dale, wreken', Kiliaen daarentegen «.wreken, Holl. j. wreyeken, extorquere e manibus». Vgl. got. wraiqs.

Onverklaarbaar is mij de TJê in zweem (mhd. sweini), schcêf (bnw. ags. sedf; vgl. echter hgd. schief met nog onopgehelderde vocaal), nëê (naast: bel mrnt), wcë (als tusschenwerpsel; maar wei' als znw. en bnw.) en klênar (in Brabant khrver, mnd. klever, eng. dover, ags. cloifrclt;^*daifri- en dus ons klaver een fri. vorm ?)

Opm. 1. Ook deze eè blijft natuurlijk bij samentrekking na het wegvallen eener d \ schee (scheede, ags. sceadh).

Opm. 2. Naar analogie van het meervoud is de cij veranderd in cc in het praet. sing. ind. der verba, die vervoegd worden als bijten. dus ik bTvt (os. bét), naar tv ij beta (os. bitun). Denzelfden overgang zien we in bijna alle dialecten, die nog heden t; en 5 in uitspraak onderscheiden en ook in het Zeeuwsch der 17° eeuw (zie Tijdschrift '14, *150).

Opm. 3. Bij een tweetal der bovengenoemde woorden, nl. bij hécta en

') Het vrl. woord heeft (evenals het bnw. vóchtag) zijn klinker gewijzigd naar at vocht.

ocr page 26

14

zwcèp komen ook vormen met ie: hieto en zwiep voor, die waarschijnlijk zijn ontstaan door holl.-fri. invloed (vgl. voor zwiep echter Franck i. v. zweep, waar zwiepen als een westfaalsche dialectvorm naast zwepen wordt verklaard).

b) De ei (ai) in vreemde woorden is gewoonlijk ai, soms echter door invloed der beschaafde spreektaal ij geworden; kerrawai, jilaistar, plailn, hakkolaie, aera-bai, plain, kastalain enz., maar blijn (ndl. balein), kaptijn, fontijn, trijn, palijs.

Een iv hebben behalve de reeds vroeg ontleende méèstar en liïk ook secs (ndl. sjees, fr. chaise) en séêl (ndl. sajet).

c) Vroegtijdige verkorting vertoonen:

echt (ofri. aft, rhaft), ettor (ohd. eitar), ellof (os. êlleban), Hendrik (uit quot;Hamric), vent (vl. veinl uit *veimnoot)

§ 21. Aan de germ, ai gevolgd door een umlautsfactor beantwoordt ai (ndl. ei):

aiga, (got. aigin), aika (uit *aikin), ais (ags. ffisce), bai (ndl beide os. bêdia), baital (uit een grondvorm op -il), blaike (ags. blaican), (vaijbrai-ja (os. brêdian), draiga (os. prvgian), errabaid (os. arbêdi), gail {*gaili), gait (ags. gat, maar ook verbogen vormen met i-umlaut; zie Sievers, Ags. Gramin. § 284), -ftaid (uit *haidi), haidan (ags. hapen), hail (ags. hcèt), haimalak (uit 'haimilik). klain (ags. cltène), lai-ja (ndl. leiden, ags. loidari), raigar (uit *hraigiro), berai-ja (got. garaidjan), raika (ags. rSican), rain (ohd. hreini), rais (uit *raisi), schai-ja (?), sprai-ja (ags. sproidan), staigare (vgl. ags. stoigar), stail (ags. stoigl), t a i k a n a (ags. twenan), vailag (met een suffix-ij), vlais (ags. /Ilcsc), wai (uit *waidi), waigara (vgl. ohd. weigir), wainag (niet suffix ig), zaika (ohd. seihhen uit *saigjan).

Langs analogischen weg kregen umlaut blaik (bnw. en znw.), taikan en bovendien andere woorden als hailag, waitas enz., waarbij dit ook in 't Ndl. geschiedde.

Daarentegen is de werking van de volgende i verhinderd door grondwoorden, die geen umlautsfactor hadden bij woorden als belëêdaga (met mij onverklaarbare ëê), dcèle, ci'wag, héèla, wéèka enz.

au.

§ 22. a) Aan de wgm. au beantwoordt, ook daar waar een umlautsfactor volgde, in den regel lt;3, óo: diio/, groot, hmg, blóïit, óitg, kml (caulis), kóttpa, lóbpa, stmte, luKira, óiiza (water uitscheppen, on, ausa), rota (vlas —; ohd. röftên, uit quot;rautjan; met klankwisseling naast os. rotön, rnnl. roten), dróüg (vgl. on. draugr; dit woord had reeds scherpe o in de meeste mnl. dialecten en later in 't Zeeuwsch, zie Tijdschrift li, 165), schrmm, schrónta (zie Tijdschrift 14, 103), shxif (afgetobde vrouw) en s/iiua (zie Fkan'CIv op die woorden en vgl. voor slóva nog de uitspraak op Zuid-Beveland in Taal- en Letterbode 4, 228), smóka (zie Tijdschrift li, 103).

Onverklaarbaar is mij de öö in chööchala (ndl. goochelen), lööchana (zoo ook in Rotterdam; zie Ned. Wdb. 10, 6) on vröülak (vgl. echter prof. Cosi.in in Museum 1, 402).

Opm. 1. Dat ook deze ó, óci bij samentrekking blijft, bewijzen óulak

ocr page 27

(mn'. ódelijc), him (mnl. blóde, os. blódi) en zi'iii (van gras; germ. *saujgt;ön).

Opm. 2. liet praet. sing. ind. van de verba, die vervoegd worden als gieten en buigen, heeft zachte o naar analogie van het rneerv. ik böög, goot.

Opm. 3. Aan Frieschen invloed zijn toe te schrijven de vormen baka (ol Vicrbako, een buurt onder Oud-Beierland; fri. baren, ohd. houhhan) en in lichto laio vlam (uit *lauga).

Opm. 4. Voor oest naast wgst, zie Tijdschrift 5, ISO.

b) Vroegtijdige verkorting vertoonen:

kucht (uit *kaufta), ggkucht, bróilóft (ohd. brüthlauft), bros (mnd. brósch: vgl. ook Tijdschrift 14, 102), misschien lóf voor Imif en ók voor ook, nuk (?X

iu.

§ 23. a) Aan de wgm. io (got. iu) beantwoordt ie:

lief (os. Hof), dief (os. piof), dier (ags. déor), dieno {os.piomiri), diep (os. diop), ziek (os. siok), r/ieto (os. giotan), liep (os. hiiop), riep (os. hriop), ielak (os. eogilih), {n)ieuW3rs (uit quot;eohwar).

Door Saks. invloed hebben ee als in 't Ndl. véertien en féertog.

Voor róiko (ohd. riohhan, ags. réocan), waarnaast geen rieka, zie men Van Helten, Mnl. Sprkk. § 168.

Afwijkend is verder duvol (os. diubo.l, van gr.-lat. diabolus).

In enkele woorden is echter deze ie tot ij geworden: dij (onl. fiio), lij (os. hleo) en wija (ndl. wieden, os. xviodön; vgl. wëicn in het Brabantsch, Onze Volkstaal I, 234).

b) Evenzoo zijn tot ie geworden de diphthongen io, ia of ea, die door contractie zijn ontstaan: vriend (os. friond), zien (os. sehan, ags. séon), drie (os. prea), bie (ags. beo uit *bi-ó).

c) Verkorting vertoonen alleen licht (znw. os. lioht), Birrek, (eerste lid: ohd. diota), ómmsrs (reeds mnl.; uit emmars; zie Van Hei.ten, Mnl. Sprkk., blz. 56; en dit uit eo-mér) en vrind.

§ 24. Aan de wgm, iu (got. iu) beantwoordt in den regel ui, behalve voor r, waar ttu of ie staal;

dnister (os. piustri), gatóir/a (mhd. zimje), tóig (mlid. rjeziuc), badinjj (ohd. d'niten), kóika (uit *kiukin); guur (vgl. os. unhiuri), schuur (ohd. sciura), dier (bnw. os. diuri), stiara (*stiurjan), vier (onl. fiur).

Opm. Voor ndl. stuit (been, ohd. stiuz) gebruikt men hier meestal stiet, maar soms ook stuut. Zoo ook zal diel naast een minder gebruikelijk duul staan voor een regelmatig duil, dat in het Vlaamsch nog wordt gebruikt. —Vgl. voorts nog lui (lieden, os. liudi) naast lie in samenstellingen: wijlie, jullie enz., en luu in vrouluu.

Vroegtijdige verkorting vertoont alleen juk (naast jók), ohd. jiuh.

ocr page 28

16

Diphthongen uit vocaal parasietische ï of u.

Sj 25. a) Wgm. « voor J ontwikkelde 7 werd tot ai: ai (ndl. ei), /iai (vgl. ohd. heia), haidy klai, lai.

b) Wgm. a, ë of ? -f- voor w' ontwikkelde u werd lol on: douw (ndl. dauw), nauw, toinv, houw.i, schouwo; brouiva, rouw; yatrouw, sprouiv.

§ 20. a) Wgm. lt;? voor ƒ- ontwikkelde i werd tol ai: draiff, krai, maio, naio, waio, zaio en misschien ook baia (ohd. bdian).

b) Wgm. ó (gol. ó) voor J2 ontwikkelde i werd tol oei: bloeio, broei» («da strael, an verrako broeio»), (jloc'w, groeio, moei a, roe'w, schroei», vloeia.

c) Wgm. (i (got. a«) voor j- ontwikkelde i werd lol ooi: dooia, hooia, kooi, looia, strooia. Zoo ook gooia en schooia met ó uil üw. — Voor ailand zie men Tijdschrift 14, 27 en 28.

d) Wgm. d en wgm. ö (uil au) voor xo- ontwikkelde u werden beide tot ou; blouw, gouw, klouw, louw, wijnsbrouw, vrouw (en als verkorte vorm vrómmas).

e) Wgm. ? voor wquot; ontwikkelde li werd ü of ou: huwa, maar daarnaast soms houwalak. Zoo ook spiwati^-spiuwan^-spuwen of spouwen en dan door analogie (zie Fiunck i. v. spuwen) spouga, waarnaast later een vorm spoei/s opkomt (vgl. § 17).

f) Wgm. é en wgm. è (uit ai) voor w- ontwikkelde » werden beide tot éèu: géêuwe (ohd. gewén), leeuw (ohd. lewo), méc'uw (ags. muiw), schrécuwa (uil tscrêwón), sneeuw (got. snaiws), spreeuw (uit *spraiwon '?), eeuw (got. aiws).

De onduidelijke vocaal.

§ 27. In loonlooze lettergrepen zijn alle wgm. klinkers en tweeklanken tot een onduidelijke vocaal geworden, zoowel in begin-, als in middel- en eindsyllaben. Ook in en- of proclitisch — en dus toonloos — gebruikte woordjes staal deze klinker.

Evenals elk dialect is ook het Beierl. in hel loonloosmaken van lettergrepen en van en- of proclitica de algerneene taal, vooral de schrijftaal, vooruit. Laten we wat deze tongval gemeen heeft met de algerneene spreektaal rusten (dus ook het toonloos worden van achtervoegsels als ag, ang, lak en dgl. en dat van eenige woordjes, die zonder nadruk in den zin staan als het lidw. en, de pronomina me, man en zan, verder as, eens, dar, daar, darop etiz.), dan heeft het verschil vooral betrekking op vreemde woorden, terwijl de afwijkingen bij ndl. woorden vrij gering zijn.

a) De slotsyllabe is toonloos geworden in: hoeval (naast iioe véull), zoovol (n, zoo véul), dikkvls, aevand, vrómmas, bóugart.

b) Een loonlooze beginsyllabe hebben: bazondar, bakant (bijkans), balangana (bij lange na), bariim of varóm, maschie of baschie (misschien), warachtag of varachlag, vardeur (eig. voor deur, d. i. buiten), varbij, varöit enz.

c) Zeer algemeen is het onduidelijk worden van een niet betoonden klinker in vreemde woorden: fabriek, tabak, papier, warentog, vaziela, ramoer, maziek, kaniijna, kaniiek, kanijn, allamanak, maggazijn, diamant, Jallozie, kanimanet, enz. enz.

ocr page 29

Tengevolge daarvan is oen klinker -|- liquiila of nasaal soms overgegaan in liiiniila of nasalis sonans: prlret, frni)ls, Wlicr, sokk'laat, nfkwra, welke

gewoonlijk echter nog weer is overgegaan in 3: patret, fannis, mskéèro, patóffal, ihgriet. — Aan den anderen kant evenwel komt het ook voor. dat in dit geval een medeklinker wordt ingelascht, om de toonlooze lettergreep te steunen, zie § 40, a en c.

§ 28. Geheel weggevallen is de onduidelijke klinker in glmf, glmva (verl. deelw. rpf/hHifd) en (jlijk en in de vreemde woorden hlijn (balein), knijn (n. kanijn), drek (direct), krek (correct) kros (karos), kra({l) (karaf), KnëP.l, Knêlas en Knêlia, Mrie (n. Marie), kaplacil en kaptijn.

Aau het begin viel een onduidelijke vocaal at' bij mangala, amandelen, zoowel de vrucht als de beide klieren in de keel, en kiet, op bet biljart, voor acquit.

§ 29. Om de uitspraak gemakkelijker te maken is een onduidelijke klinker ook soms ingevoegd:

a) in enkelvoudige of afgeleide woorden tusschen de liquidae I en r en eon •volgenden heterorganen consonant (Swara'ohakti), dus; vurraf, errava, errag, karachie (kaartje), irerraka, erram, durrap, hallaf, mullavar, gallag, vrlLu-ine (velletje), kallak, vmllam, hellapa.

b) bij liquida en volgenden homorganen consonant alleen tusschen r en n: toran, koran, kar ran, lantaeran, lorrana, kaerana, gaeranct.

c) Ook in eenige samengestelde woorden, meestal eveneens om de uitspraak gemakkelijker te maken: aerabai «aerbei, aardbei), acraneut «aerneut, aard-noot), aelahas, lléèramóis, zalamakar, khrratnakar, sc/ioe)!fi»iafc.v)'(waarnaast sc/io^ makar), hemtarok, horstarok, deuganiet (vgl. nog Anganirt en singanH voor Agnirt en nignct), mrapeutar, bóriniakruipartHe.

Geheel op zichzelf staat pasallant.

B MEDEKLINKERS.

^ 30. De uitspraak van de consonanten in het Beierlandsch wijkt van die in 't Nedcrlandsch slechts in bijzondere, soms geheel op zichzelf staande, gevallen af. Vandaar dat ik hierbij in den regel de gewone ndl. teekens heb behouden, ook daar, waar zij phonetisch geheel onjuist zijn. Zoo heb ik, om iets te noemen, de slot-niula in overeenstemming met onze spelling soms geschreven als media, hoewel zij wordt uilgesproken als tennis. Slechts in een paar gevallen (gt; voor ie, s voor si7i) hen ik hiervan afgeweken, om mogelijke vergissingen te voorkomen.

Halfklinkers.

S 31. Ken oorspr. ; is evenals in 't Ndl. in enkele woorden tot g geworden. Doch voor gij en ge wordt hier nooit anders dan Jij en ja gebruikt. De mansnaam Gilles luidt ook steeds Jil{las).

3

ocr page 30

18

§ 33. De uitspraak der w is als in 'I Ndl. labio-dentaal, behalve vóór r, waar zij als v klinkt: vrat, vrijiDie spirantische uitspraak heeft de iigt; ook soms, wanneer zij door de onduidelijke vocaal van de r is gescheiden: rarom naast iiwóm, weerom, varachtag naast vjracJitjg, vorenlscj naast warentag, varempal naast warempal.

Een vroegere w is overgegaan in h bij hd, wel (hel zrkar! bel, bel!) en soms bij harónx naast w.iröm, varum. De vorm bel komt ook in Brabant en Zeeland en waarschijnlijk ook wel elders voor. Ook het Vlaatnsch kent de wisseling «im .inlaut» van b en ie (zie bijv. Schuermans op hinde en borrewolf), evenals eonige hgd. dialecten (vgl. Paul, Grundriss 1, 579).

Door samensmelting met een eertijds voorafgaande n is soms de w van het enclitisch pron. pers. v. d. 'len pers. mv. tot m geworden (vgl maar uit ne waar): taema voor laen-wa uit laten we, ivimnia voor win-tva uit willen we, zumma vooiquot; zun-wa uit zullen wc, henima voor hen-iva uit hebben wc, gêvame voor geven we.

Behalve in hoe (os. hwu) en hoest (ags. hwósta) is uit de verbinding hw vooi-gutteralen klinker nog h ontstaan in hoeneer (voor *hwun-êr? vgl. *hwón—-pon (ons toen) naast wan — dan ?)

Als tusschen- en sluitletter heeft de w dezelfde geschiedenis gehad als in 't Ndl In f (v) is zij overgegaan steeds bij gurraf(schaaf ) en gewoonlijk bij vurraf en vurrava, waarnaast echter nog vurraw en vurrawa.

Vloeiende letters.

§ 83. Deze wisselen soms onderling. Zoo gaat

a) een vroegere l over in r bij fraivcèl naast ftewéèl voor fluweel, door invloed der volgende l (dissimilatie), en bij pijzar (mnd. pisel, pesel', zie Woordenlijst);

h) een vroegere r over in l bij kullak voor kurk, pielakas (in: hij is róTir da pielakas, ten doode opgeschreven) voor pierkes (? vgl. Onze Volkstaal '2, 100), dnhhol naast döbbar, maneuval (fr. niancuvre), fêtal naast fêter (veter) en verder als gevolg van dissimilatie bij kurrapal naast kurrapar, karper (zie § 2, c), schorsanêi'l voor schorseneer en vardistolewéera voor {yer'ylestrueeren.

Overgang van vroegere l in n vertoont hoogstwaarschijnlijk hnussa uit knutsen voor klotsen {da bulla knusta têga makaar). Waarschijnlijk evenwel niet het gewone klippalhout naast het zeldzame knippalhout, die denkelijk wel op verschillende grondvormen berusten.

§ 34. De verbindingen ld en It blijven als in 't Ndl. onveranderd na e, i en «, maar smelten met voorafgaande a en o samen tot oud, out', geld, wild, schuld; koud (os. kald), mout (os. malt), goud (os. gold), hout (os. holt). De eigennaam Kalt zal een verkorting zijn van den gelatiniseerden vorm van Boudewijn.

ocr page 31

10

ha likes, bcrromól voor marmot, soms in bosch ic naast moschie voor misschien en, naar ik meen, in hadcsl voor modeste. De beteekenis van dit laatste woord is «stein-inij;, kalm, niet in 't oog loopend»: :in hadest mais'ie, ar badesl hitzien. hadcsl anrjaklccd zijn. Nog daargelaten dat een verkorting van m voor st in het beierl. dialect niet voorkomt, pleit ook de beteekenis stellig eer voor samenhang met fr. modeste dan voor een verkorting uit bedeesd. Bovendien baart bij deze verklaring ook niet de minste moeilijkheid de verbogen vorm badesta: an badesta kleur, gezegd bijv. van de stof voor een japon, liet woord is ook in 't Oostfri. bekend (zie Ten Doohnkaat Koolman, Wtb. der Ostfri. Spr. i. v.) en door Sturunrurg is de m. i. ware verklaring reeds in zijn Ostfri. Wtb. (1857) gegeven.

Opm. De overgang van ni in b is een verschijnsel, dat in andere dialecten en ook in de algemeene taal sporadisch voorkomt. Bekend zijn de vormen benier, benierlijk en benist bij Brederoo en het algemeen ndl. bezaan uit mezzana. Dialectisch komen nog voor hedeen (Vlaanderen), beshanden (Vlaanderen en Zeeland), besmeten en bekanderen (Brabant). Bestèl voor Mastelle (Brabant) en beniere (Betuwe). Gewoonlijk (zie bijv. Fhanck i. v. bezaan) wordt opgegeven , dat deze verwisseling alleen in toonlooze lettergrepen zou voorkomen ; doch de woorden hónibak(kas) (zoo ook in de N.-Betuwe, zie Onze Volkstaal 2, 81) en berramót bewijzen, dat ook lettergrepen met klemtoon dien overgang kennen.

b) Op ander atleidingssuffix dan ndl. kaam {*kêmo, hgd. kahm) berust de vroeger ook in 't Ndl. gebruikelijke vorm kaan (*kêno, hgd. kalm, lui,, kaen). Hetzelfde is het geval bij dóön en ihlïinag (beide adj., in de bet, « min of meer vochtig»), die te vergelijken zijn met got. dauni-, damp naast ndl. doom, zuw. (Mnl. Wdb.: damp; Kii„: (land., vapor; Bilderdijk, Geslacht l.: damp), iloomen {Mnl. Wdb. en Kil-.) en doornig (vgl. Camera Obscura '255: domig), die beantwoorden aan lat. f/ïmus. Wijl mij de herkomst van ndl. jammen (aardappelsoort) niet bekend is, kan ik met zekerheid niets zeggen omtrent den hier gebruikelijken vorm janna. Misschien heeft men hier eenvoudig met een volksetymologie te doen, die het woord in verband bracht met een uitdrukking als « een jan van een appel». — Voorts nog m voor n in kiema en kieniaspul voor kienen en kienspel.

c) Overgang van een oudere n in / zien we bij: vastalaavenda ('s winters gaan logeeren, afgeleid van vastalaaoand) voor vastenavonden ; bulla fooi (in: óp da bulla fooi doen, üp — gaan) van fr. bonne foi; fasöl (in: öit zan fasól rukka) van fr. fai;on; bóidellang (zie Woordenlijst). Maar niet bij rammalas (volgens Van Dale gewestelijk) uit it. rainolaccio.

d) Overgang van nd in n;/ (vgl. 't lloll. hongdlt;^hond enz.) vevloonen: tnangallt;^ amandel, vinga uit vindan, winga uit winden, wing voor winde, kelderwing (naast kelderwint, onz.) voor kelder winde, binga uit binden, bing uit hint (zie Woordenlijst), grengal uit grendal en spong (? besstëêspong, vooruitstekend plankje of balkje ter halver hoogte van de bodstede, om den voet op te zetten voor men in 't bed slapt). Zoo zegt men in plaats van stónd, praet. van staan, stóng o( sting; dit laatste blijkbaar door analogie naar ging en hing, terwijl het eerste — stóng —

ocr page 32

20

op zijn beurt aanlmiling zal hebben gegeven tot de vormen gniif/ en Iniiitj. die n.iast de beide genoemde worden gehoord.

Lipletters.

§ 36. In hoofdzaak is de ontwikkelingsgang van wgm. p, h, f en li dezelfde geweest als in 't Ndl., waarom wij ook hier slechts de afwijkende vormen vermelden.

a) Een zachte labiaal is voor r, I en n in eenige woorden verscherpt: prots, prdisa (van bier bijv. en van woedende personen; Van IJai.e geeft prutsen) voor bruis, bruisen, frrln, /let (muurbloem) uit violet, /léèranwis, lloers, llowéèl (ofr. veluel); soms in fluk, bijw. (Jlak hij, /lak dsrnaasl) en misschien ook in /lem (zekere stof, waarvan vrouwenrokken worden gemaakt) en /lemnio, adj. (? samenhangend met Vlaam(sch)r!). Die verscherping vindt men soms ook, wanneer de labiaal dnor de onduidelijke vocaal van de genoemde medeklinkers is gescheiden: fernis, fjrwéèl, fgnijn en fanijnag. Verscherping van v schijnt zelfs te kunnen voorkomen, waar volgende /, r of n ontbreekt, zoo in fëtar, f7tul en /igaléèra.

b) Aspiratie van p voor liquida hebben fltns (franje aan karpet, gordijn enz.) voor pluis (zie Taal- en Letterbode 4, 290 vlgg.) en [ruts voor pruts.

c) Een vroegere 6 is overgegaan in m bij kerramenada, karbonade en kammanct, kabinet, welke vormen ook elders voorkomen. Vgl. nog karnwnade bij Buedeudo 1, 3'27 en misschuitjes id. 2, 104; verder ndl. bami, ohd. barbo.

d) De verbinding ft is na korte (of verkorte) klinkers vaak in cht overgegaan, tenzij verwante vormen de f deden blijven, dus juist zooals in 't Ndl.; kracht enz.., maar schrift, gift, hellaft, brniliift, zift, heft of hechl (veikleinw. hef/ie) enz. Doch afwijkend is bovendien nog zóft (ook wel soft), dat wel niet in Oud-Beierland, maar in een buurtschap daaronder (de Zinkweg) nog wordt gehoord. Naast dög (voor docht, zie § 43) kom! geen doft voor; omgekeerd naast schaft (van een laars) geen schacht.

e) Opmerkelijk zijn bovendien nog: .lózep met p uit /' (reeds in 't os. en ags. en ook in 't mnl., zie bijv. Alex 4, 538), stövva, stónde (stof afnemen1 tegenover stu/fa, stófta (pochen) en bram- of bremhoos met b door bijgedachte aan braam, brem, voor framboos.

Keelletters.

§ 37. a) De wgm. k is in 't Beierl. geheel op dezelfde wijze behandeld als in 't Ndl., ook in de verbinding sk\ aan het begin der woorden werd hier de k tot toon-looze spirans (V/ij, in het midden en aan het einde werd zij met de s geassimileerd.

b) Üok ten aanzien van de wgm. ch (h) valt weinig bijzonders op te merken. Verwarring met de aanvangs-ft, zooals dat in naburige dialecten voorkomt, is hier zoo goed als onbekend, liet vreemde woord arlüzie, dat reeds in 't fr. stomme h heeft, bewijst niets. Evenmin bötaram, dat misschien etymologisch oen zuiverder vorm is dan ndl. boterham (zie Franci; i. v. ham). Zeer zeker is dat het geval met mza (mnl. ozen, on. ausa) ndl. hoozen. Ook het woord nik (voor hik met voorgevoegde n en verlies der hl) is minstens twijfelachtig, vgl. nik{ken): snik(ken) als nokken: snokken. Mij zijn dan ook slechts twee woorden bekend, waarvan met

ocr page 33

zekerheid is te zeggen, «lat zij ten onrechte een h krijgen, nl. këlastick en hoest (voor oest, oogst). Bij het laatste woord is bovendien de vorm oest minstens even gebruikelijk.

c) Wgm. g is als in 't Ndl. zachte spirans. Alleen rik (voor ruy, uit ruyghe, riyghe) en hik (uit bigge) hebben nog een rest van de niet-spirantische uitspraak der geminata bewaard. Daarentegen is de k in blacsbalhk voor blaasbalg toe te schrijven aan volksetymologie.

tl) Overgang van g tot j vertoonen: gezaid, hij zail, lait, braid (ags. brcgdan), zail, paih, dwail, hahiDng, maid, zais enz. Daarentegen is de tot J geworden g met de voorafgaande vocaal samengesmolten lot ij in blijn (blaar, ags. bicgen) en tijl (lat. tegula ?). — In plaats van hij zai, hij lai gebruikt men hier de vormen hij zëë, hij lëë} die uit zeide, lelde schijnen ontstaan te zijn door het wegvallen der j achter de e. Dat deze e zacht moest worden, bewijzen, behalve het ndl. verdedigen van dagading, ook de rijmen der mnl. dichters; zie Van Helten, Mnl. Sprkk. ^ 98 A, opm.

e) In Angoniet en singdnet schijnt zich ng te hebben ontwikkekl onder den invloed der volgend»» n. Men vergelijke de in quot;t Mnl. voorkomende vormen en beninge.

Tandletters.

§ 31. a) De geschiedenis van wgm. t, d on p is in het Heierl weer iti hoofdzaak dezelfde als in quot;t Ndl. De afwijkingen zijn van'ondergeschikt belang. Ken d in plaats van de te verwachten / vindt men in smukt r Ma as (sinterklaas nil sint her klaas en in porniandog (van pamiant'l) Verder schijnt het adj. riejy voor rieden den oudei en vorm van ndl. riet. rieten te hebben bewaard, tenzij men hierbij moet uitgaan van twee in slotconsonant verschillende stammen (zie Van Mklten in Taal en Letteren 5, 230 noot).

b) Ken jongere t is door de scherpe uitspraak van den slotconsonant in het grondwoord ontstaan bij stattj, naar de stad gaan (van stad, uitgespr. stat), hemtdrok voor hemdrok en in bijdehand {dn bijddhantd jongv). Analogice hebben een / in plaats van d de woorden róntóm en rónteng (naar rond, uitgespr. rónt en roadto. uitgespr. rónta), alsmede guntdr (ginder, naar gunt, gunt,)). Niet duidelijk is mij de t in wette, wedden, sotduiietdr, sodemieter, in het soms voorkomende blunt,i voor blonde ('t laatste ook in 't wvl.; zie Onze Volkstaal % l i) en in varanteg (van * warende, borg).

c) In overeenstemming met den algemeen geldenden regel, dat wgm. s aan het begin voor klinkers tot z werd, is het znw. zëkal, ndl. sikkel. Geen uitzondering op dien regel vormen de adj. Sondagsa en Saetardagsa welke oruler invloed van Sondags en Saeterdags (d. i 's Zondags en '.s Zaterdags) zijn ontstaan. Daarentegen is nieso in strijd met de wet, dat een intervocalische s eveneens verzacht werd. Het ww. bónsa (zie een paar vbb. uit het algemeen Ndl in Ned. Wdb. 3, 37'.)) zal zijn s wel aan het subst. verschuldigd zijn.

d) Overgang van s (en z'!) in sj vinden we in hanssjóp, sjarra (iem. plagen), sjeula (voor zeiden), karsjet (voor corset) en misschien o.ok in sjek (/.ie Woorden-

ocr page 34

22

lijst), indien ilit kan slaan voor k.fsjek, kcsjak, Ir. cascujue (vgl. kcczjak, boezeroen, te Katwijk, Taal- en Letterbode, 3, 50, en keeszak te Vlaardingen, Noord cn Zuid 3, 11 o). — Het omgekeerde verschijnsel zien we bij sayydrijn, fr. chayrin, sées voor sjees, fr. chaise, sievpjaer voor chiffonnière en musien voor machine.

Geminatie van consonanten

§ 39. a) Onder invloed van een onmiddellijk volgende j werd een medeklinker (met uitzondering van r en iv), die op een korte vocaal volgde, reeds in tie oude taal verdubbeld. Vandaar met dubbelen consonant: legga, zelta, Jukkn {quot;jukjan) en andere verba op -jan ', de verbogen vormen van bec/, Jie(; en andere-jo stammen.

b) Zoo'n zelfde verdubbelende kracht hadden ook gt;% l en n. Vergelijk behalve algemeene ndl. woorden als appal, addar, akkar, billar, droppal, etter, janimar, moddar, prikkal enz. nog bladdar (uit *bladró), bullar (tnnl. better), e/fa (uit *ebno-), ne/fa, rigijal (uit *ri(/lo-), sehuttal (nml. scuttel), zunimar (got. sunirm) en ook vulla ('.' ndl. veulen).

Geen geminatie echter hebben zëkal (ndl. sikkel) en kietale (ndl. kittelen uit 'kitlón, *kitilón).

§ 40. Van geheel anderen aard is de verdubbeling der m in blóm (mv. blumma), -dom, vardontnia, brdigóm, gram, hunimag, komma, lam, nómnia (zie § 17, b), ómmars, sómmag(t)a, (am, urónimas en zómmadéên. Waarschijnlijk was de dubbele m hier slechts het middel om de (door welke oorzaak ook) verkorte vocaal aan te duiden.

Ook in de verbogen vormen van nat, smal, lek, gamak, hól, dak enz. diende de dubbele consonant voor hetzelfde doel.

De dubbele t in vulla en rót la berust misschien op generaliseering van den klank in sommige conjugatie-vormen.

Op zichzelf staande en niet heel duidelijke gevallen zijn kettang (waarnaast geen këta), mennag, merrie, burrie en luina

Grammatische figuren. l)

§ 41. Assimilatie van medeklinkers.

A. Gedeeltelijke assimilatie vinden we in prónt (pront klaar) uil promt,prompt ; zampad voor zandpad en voorts van n voor b tot 7)1 in ambras (zie Woordenlijst), ómbddacht, imbóttrliny enz.

B. Volkomen assimulatie.

a) Progessief:

1) Een volgende d of t is aan den voorafgaanden consonant geassimileerd in;

') Om onnoodige uitvoerigheid te vermijden, hespreek ik hier alleen die woorden, welke afwijken van de ndl. schrijftaal.

ocr page 35

23

vdrvrêni!) (of vdrvrTïï'm)iij)lt;C,Vi'rvreemden, wenno (hooi-, karirla-Xroewrf/'??, sp'nKZ spind.t, kinnvmandrlt;^kindemande (indien dit althans verwant is met kinnetje; zie Woordenlijst en vgl. Tijdschrift II, 52 vlgp.), worm (wier, (jDWorr'j)lt;Z\vorden, vdrr)UK)rralt;^oei%nioorden lt; sparrAv (,it ivat.fr spar7'jlt)lt;^spartelen (vgl. ook tegen-sporrelen en tegensporrelig), tnttatlt;C,totdat, ijunyidlt;jjunl'Oy gindsclie, prakkozeèro uit pracliseeren \ misschien liilhklt;Cjiiltik (zie Woordenlijst), en verder rislt;^rist, mis en missalt;^mvtt, mest en misten, mesten (maar steeds mestn, vet maken). Waarschijnlijk geen assimilatie van d hebben we in spel (en spelhkussa), dat wel een oudere vorm zal zijn dan ndl. speld.

2) in dikkols uit dikwijls, waar de toonloosheid der lettergreep wel de oorzaak is geweest.

3) van v met voorafgaande f: o/fcgd enz.

4) van h met voorafgaande s: hoissouwo enz.

b) Regressief :

1) mmlt;^nm in ómmacht, ómmögolok enz.

2) rrlt;^lr in hörrap uit bolrap, bolraap (zie Woordenlijst).

3) sslt;^.i (of tz) en ds. Zeer algemeen: grms (en daarvan zelfs grwzv, groïtzvrd, (jr(H)ZDghaid enz.), plaes, klessd, bcvsschóp, hesstT7?, guns, hansvat, broes (bnw.), löös (loods); /iarseèrlt;^hartzeer. Zoo 0(»k reks (lt;^recïis, rechts), knechs, achsto.

4) sslt;lsy ns en rs: as (als), eest (eerst), sterrokas (-kers), hij dóst (v. dorst, durfde), 6()ssta/lt;borstel en soms ook sc/iós-^schors. Verder ées (eens), uistor (zie § 19, a), {n)errngüs, saevds, smurrogos.

Üpm. Misschien zijn enkele hiervan te rekenen onder syncope; zie voor eest Van Helten, Mnl. Sprkk. § l'iï) en voor als en andere iVoo/v/ en Zuid G, 332.

5) sslt;^fs, gs of ks: stijssjl, herrost (voor herrnfst, herfst); kwadêrs of kwaad-(frrslt;[kwaa(ldeegs, hainst voor heingst, hengst, Dijnsdag; Pijnstord on wijnsfirouw (zie § 9,. d), ilcss9llt;Z}\ekse\.

Opm. Geen assimilatie maar een soort metathesis hebben we in must (waarnaast echter ook mus) voor muts en risp voor rips. Ook met gesjt en geps en soms ook met wesp en iveps, rasp en raps is men hier wel eens in de war.

§ 42. P r o c o p e.

Een n is geprocopeerd in (K)sstal voor noodstal, Kif., noodstal, \. hoefstal; I^ürben-Waltiier : nótstal, ein enges (einengendes) Gehande oder Gestell, besonders von dem Sialic, in welchem die Schmiede die Pferde beschlagen, angavium. Verder in ikkorstaert, arroslT7? en arratikkvr, maar gewoonlijk niet in het ww. nano, Ken duidelijk bewijs, dat de n bij de substantiva werd opgevat als behoorende tot het voorafgaand determinatief, daar zij bij het werkwoord in den regel behouden blijft. De vorm arro voor narrn is m. i. eerst later onder den invloed der znw. ontstaan.

§ 43. Apocope.

a) Een t valt soms af na k, ch, f cn p: drek (direct), krek (correct); huch, buchie voor bocht, bochtje (zie Taalgids 4, 30), dog (roeibank , mv. dóggn), ik mug

ocr page 36

24

(inv. ito im'irjga), ditj doen, dicj hij, duch yanóchl, lich rpnócht; hij roep, hij t/Trf nenjos óm, hij zoek zon aigo vütmUxl, hij tob zon aigs dfibd, hij vraag nae zon hoed, rechbank, stip (bnw.).

h) een n is afgevallen bij bónimezj door volksetymologie, mgschie of bosrhie, ba (ndl. haan, vooral op liet ijs; verkleinwoord haachie), en voorts achter een toon-looze e: rnepo, leij, zij vroego; ijorópo; koeio, menso', jongo, verroko (vandaar in quot;t meerv. jongos, verrokos), lego of teugo, êvo (vandaar êvolHes), öpo (waarnaast gewoner ïiöp), aigo (vandaar fipolok, aigolok); gowoo, zullovoro enz. ')

Na een toonloo/.e e is de n echter behouden:

1) in de woorden rëgon, zegon, laikon en wapon, door invloed van vormen als rëgono enz.

'2) in hóron (znw.), töron, kaeron, vóron (znw.) en dóron, waar de vormen zonder swarabhakti-vocaal als hóüm enz. de n zullen hebben bewaard. In kóro en gnero is de n evenwel toch verdwenen, waarschijnlijk omdat de vormen hoorn en gaarn niet genoeg meer leefden, om op de andere van invloed te zijn.

Opm. In plaats van mon, den toonloozen vorm van het pron. poss. v. d. 'len pers. gebruikt men soms ook mo.

S 44. Syncope.

1) eener iv in ert voor er tol.

Ll) eener l in hazoneut voor hazelnoot en zukko of zókko voor zulke.

3) eener r in huvrouiv voor buurvrouw, schoemantol voor schoermantol, lielouu voor lierlauw. — Gewoonlijk echter zegt men schierlijk voor schielijk.

4) eener f in hótjd voor hoofd, hij hail en het voor hei ft, heft, ndl. heeft.

5) eener k in int voor inkt en mart voor markt.

G) eener s in kröiduron naast krnisdóron (volgens Van Dale is de eerste vorm gewestelijk).

7) eener t na ch: ochond, zwachol (zwachtel), Machol (ndl, Machteld) en in de verkleinwoorden als lichie, zachies enz. In het laatste geval is de t ook weggevallen na andere consonanten, vgl. § 54, In samenstelling is syncope der t regel na s, ch en f, wanneer het tweede lid niet begint met nasaal of liquida, w en h: rusdag, vasplakko, lichfaerdog, rechdeur, huifpijn.

Misschien ook is een t gesyncopeerd in gróömoedor: maar dil schijnt eerder een analogie-vorm te zijn van grmfador, waar, blijkens de uitspraak met f, de t is geassimileerd.

8) eener d in króineut voor kruidnoot en dalok voor daad lijk.

Uovendien wordt de d in den regel gesyncopeerd tusschen twee vocalen en de dan ontstane hiaat door j of (na ou) door te aangevuld, of de beide lettergrepen worden samengetrokken; bijv. bai-jo (voor baido, beide), drae-jo (draden), gobêjo, hrm-jo, bö-jom, hie-jo, rie- jo (ndl. rieten), wai-jo (weiden), nüj-jo, poe-jor, woe-jond,

') In de doorloopende rede komt de apocope hier overeen met wat Van IIei.ten daaromtrent beeft opgemerkt Tijdschrift 12, 167. Alleen heeft men hier niet zooveel bezwaar tegen een hiaat. Zoo zegt men altijd: zeuvo el, nrgo el. Vaak kan men hooren: manna in vrouwo, hóigo of bórsto enz.

ocr page 37

Uói-jo (hiiiilen), zui-ja; i/onwo, schou-tuar, wou-wn (wilden) en met samentrekking: scha, néér, lëêt/, voer,/ (voederen), broer enz. Deze syncope der d is regel; toch zijn er niet weinig woorden, die de d behouden. Voornamelijk zijn dit adj. op. -if/: nobdog, zrdiKj, nijdoij, lt;joedalt;j, bloeday, spoedde/ enz.; maar ook andere woorden: vadar, moedar, cxdal, Z-dal, bcdala, jöda, rnaida enz. Waarom de d hier behouden bleef, is mij, voor de meeste woorden althans, niet duidelijk.

Opni. Niet bij alle hier opgenoemde woorden behoeft men aan syncope der d en wat daarmee samenhangt te denken Zie daarover Van 11ki.tkn, Mul. Sprkk. § 98 B, § 120, 9 en S 130. De daar gemaakte onderscheidingen moeten evenwel tot willekeur leiden; en omdat bovendien het resultaat toch hetzelfde is, heb ik dit alles hier bijeen genomen.

§ 45. Prothesis.

Een n is voorgevoegd in nóöm, naers en soms ook in nvèsl.

Prothesis van s vertoont sjaerlaks en een enkel maal ook smaimdalaks door bijgedachte aan 'sjaers en het bij analogie gevormde 's maands. Zoo hoort men ook sniaandagsa en sweundagsa door invloed van 's maandags en 's weundags. Vgl. nog Sóndagso en Saeterdagsa § 38, c.

§ 46. Epenthesis.

a) Bij vreemde woorden om een toonlooze lettergreep te versterken: ar zijn, kar-zijn, karslaiav, kómhaal, visentécra en nog een paar die onder c) zijn genoemd.

b) Om de uitspraak te vergemakkelijken is een d ingelascht bij touwhaandar, fasoendalak en in den compar. van adj. op n en l als schmndar, vi'iildar. Om dezelfde reden vindt men een epenthetische t in den compar. van adj. op s (ook sch) als tóstar, fristar (vgl. hiermee soms vistar voor visscher, wastar voor wus-scher en badistala voor bedisselen). Waarschijnlijk eveneens om de uitspraak gemakkelijker te maken, werd een s ingelascht in wijnsbrouw (zie § 9, d), slóüskanl (geassiin. uit sloolskant, slootkant), stiHiskant «stootskant, stootkant) en hansval «handsval, handvat).

0]mi. Epenthesis eener p bij de verba tusschen m van den stam en I of d van den uitgang is niet duidelijk waarneembaar. Men zegt als in 't Ndl.: hij nrrml, hij kómt Maar daarnaast hoort men toch: hij nëêmp, hij kómp enz. wanneer het volgende woord met een onduidelijken klinker begint: hij nét'mp ar éèn van, hij kómp ar niet, hij klimp ar óf (maar: komt-ie?); en deze vormen moeten, met apocope der I (zie § 43, a) zijn ontstaan uit nëêmpt, konipt, klimpt, want nooit zegt men: hij nanip er éèn van. Voor de epenthesis der p pleiten eveneens de verkleinwoorden hempie en vrërmpie, zie § 54, e, opni. — Epenthesis van b na rn hoort men soms in omblaeg, onxblcig voor ondaag.

c) Een gevolg van volksetymologie is de epenthetische letter in bëêldwil voor bëê'wil (zie Woordenlijs!), irngaal voor egaal (zie Woordenlijst), krimptvra (volgens Van Dale gewestelijk) voor crepeeren, rondóil voor fr. réduit (? /ie Woordenlijst) en ónstrant voor astrant, assurant, door bijgedachle aan beeld, een,krimpen, rond

4

ocr page 38

26

en afleidingen met liet praelix on. — Dooi* invloed van andere woorden of vormen is verder een consonant ingelascht bij v.niierzd (vgl. varlóor, vdrlórd), (n)ergors naast (n)erg3S, uit nergens, naar analogie van (n)iewors, en misschien ook in hel vrij vaak gebruikte sómnidgtd en êènoyty (zoowel bijvgl. als zeifst.) naar het voorbeeld van mênogta: sommagte mensa, écnegta mensa; sommggta, éènagta zegga.

(I) Aan invloed van een voorafgaande lettergreep is de s toe te schrijven in spaarspöt en schanspaljoen (Kiliaen: schampelioeri).

lt;!) Onbekend is mij de reden der epenthesis van d in linda, lindakast, lindagoed, halleflinde naast tinna enz. en van de r voor s in hóorschóp, rnnrsa en marzal (zie Woordenlijst) naast het gewone hmsschóp enz. Men vergelijke voor het laatste geval intusschen, behalve arzijn enz. van a), de vormen schaars, schaersoriërs (Seh. t. W. 1, 162) en ouwerwers (id. 1, 293).

§ 47. P a r a g o g e.

Meer of min vaak vindt men een d of t aangeveegd bij; ankald, duhhald, raanid (meerv. raamda), ijanócht, gast (gas), roest (bij da roe*', varkóiipa), kanst, wast (wasch), schellaft (steeds schellafta als werkw.), kraft (mv. krafta, karaf), zTT'fl, in 't ganiept (het Ned. Wdb. kent in 't geniep, of alleen geniept) en in eenige woorden op ar als kikkard, kanjard enz.

Opm. Zonder paragogische n zegt men hier pëê (paerdapëê, söikarpëê), soms ook têè (verkleinw. têèchié) en een heel enkel maal ook schoe {schoemakar). Het meerv. dier woorden luidt pëê-ja, téène en schocna.

§ 48. Metathesis vindt men in radentalak voor ordentelijk en in eenige vreemde woorden als parsies, parhéèra, parzent, kontarbusie, rampalzant, knrn-pal(a)mcnt, waar de liquida door versmelting met de volgende vocaal eerst sonan-tisch is geworden. Verder nog in de reeds genoemde woorden must, risp enz. (zie S 41 13, h, 5, opm.) en bovendien nog in mullavard (soort knikker, zie Woordenlijst) voor murraval, miirval*^nierve!lt;^marvel (vgl. nml. marbel, Zeenwsch mur-pel, zie N. Mag. van .Verf. Taalk. 2, 22H, alsmede mulmar in ürabant. Onze Volkstaal 2, 173, waar meer dergelijke omzettingen voorkomen).

ocr page 39

V O R M L E E R.

ZELFSTANDIG NAAMWOORD.

Geslacht.

§ 40. Ter beantwoording van de vraag, of — en zoo ja, in hoeverre— men nog onderscheid maakt tusschen liet mannelijk en vrouwelijk geslacht, kunnen we ons, zooals later zal blijken, niet meer beroepen op den uitgang der bepalende woorden, die de znw. vooraf kunnen gaan. Alleen de pers. en bezitt. vnw. van den 3en pers. enk. kunnen ons hier den weg wijzen. Toetsen we de znw. ten opzichte van het gebruik dier woorden, dan zien we het volgende:

a) Het onderscheid tusschen het m. en vrl. geslacht is bewaard bij de znw., die personen noemen: Waer is da maidquot;? Roep za ëua.

b) Vrouwelijk zijn (d. w. z. dat men om aan te duiden of te bepalen den vrl. vorm der genoemde vnw. gebruikt) die stofnamen, welke niet onzijdig zijn; dus ook die, welke in de ndl. schrijftaal m. zijn; Ja ken da pap niet êta, zoo werrani in za. Zei da koffie óf, za köökt. Drink jij die wijn maar, za is mijn ta zuur. — Als voorwerpsnamen zijn zij echter ml. Vergelijk: Ilebbi al snoek yayrte? Ju, ik heb za joint van middaij yahad. Kijk as wat an snoek! — Wacht dun zei ik am as eva slrikka. — U'af is da turraf toch dier.' - Ja, maar varlëê jaer was za noj dier dar. Jonya, waer is die turraf rjableva, die hier galêga het'! — Ik heb om net op da kachal gagooid.

c) Wanneer een afzonderlijke naam voor het mannetje en wijfje bestaat, is bij diernamen hot vrl. geslacht soms, maar lang niet altijd, behouden Feitelijk heerscht hierbij de grootste verwarring. Zoo zegt men, van een kat sprekende, nu eens: hij hel van nacht yajongd, en dan weer: za het dar jonga variant,*. Van een koe heet het: hij staat dróög en ik heb am var kocht, maar ook: die koe dar mellak Dat men hier naar een onbewnsten regel handelt, geloof ik niet; de verwarring bewijst, dat het gevoel voor vrouwelijk geslacht in de taal zelfs in dit geval verdwijnt. Reeds nu heeft het ml geslacht, naar ik meen, de overhand. Gemakkelijk na te gaan is dit evenwel niet, omdat de vnw., wier vorm hier beslist, tamelijk weinig in gebruik zijn. Vraagt men bijv. aan iemand: hoe gaat het met je zieke koequot;? dan luidt het antwoord: nou, die is wéér bêlar; en op de vraag: geeft die koe veel melkquot;? heel

ocr page 40

hot in den regel: 0, daer heb ik ieUku kéi'r .m cninisr mclluk van (of mot nadruk : van die heb ik.....)

d) Alle andere zinv. zijn óf onzijdig óf mannelijk (d. w. z. om aan te duiden of te bepalen gebruikt men den ml. vorm der bovengenoemde vnw.): Ihgt; lamp brandt tlt;i hard, doe-t-am wat h-èynr.

§ 50. Het onzijdig geslacht is evenals in 't Ndl. duidelijk waar te nemen, in de eerste plaats aan het bepalend lidwoord. Op eenige weinige uitzonderingen na heerscht hierbij dan ook volkomen overeenstemming met onze beschaafde schrijf-en spreektaal. De mij bekende afwijkingen zijn de volgende:

a) Onzijdig zijn de woorden:

bóörd, rand aan kleedingslukken, halsboord: :)t bóurd (van cm kous) opzelta-, et bmrd van an hemd; an schuiin bóürd ómdoen. — Vgl. Ned. WdJb. i. v. en Taal en Letteren 4, '234.

ka er, tremel in een molen: Dat kaer is veuls to klain. — Vgl. ilnl Wdb. 3, 10117.

inasien, machine: Gëêf at naimasien as an. Doe-lt;-at wasten (petroleum-toestel) maar óit. Ik heb an nieuw masien in ma fabriek gakocht. — In het laatste geval echter gebruikt men ook het ml. masiena: Dn niasiena is kapot, hij staal al véértien daerj stil.

plak, plek, plaats: an vast plak in da kerrak. Ik zit op at plak van jou. schóft, vierde deel van den dag (bij werklieden). Bij Van Dale v.; doch vl. schof ook onzijdig (zie De Bo2 867).

zwad: hooi van 't zivad kóöpa. — Vgl. mud swat, o.: mnd. swad en swed, o.; hgd. schivad, tn. eu o.; ags. swaut. o.

b) Niet onzijdig (en dus manlijk) zijn:

biljart: hij staat têga da biljart.

bommozij: Wat kost die bommazij? — Met veranderd geslacht is hier een gevolg van volksetymologie.

deel, menigte: Waer kómma dien deel mensa toch vandaeW?

dónkar, duisternis: dan dónkar valt vrouy in. — Zoo ook in De Zaan (zie Boekenoogen i. v.) en reeds in de '17110 eeuw.

hal, bevroren plek in den grond: da hal zit nog in da grond. — Zoo ook in De Zaan; zie Boekenoogen i. v. hel (11).

kanijn, knijn: vette knijn. Varkmp-ie die kanijn

kloen, kluwen: gééf ma die kloen stopgaran as an. — Zoo ook in De Zaan; zie Boekenoogen i. v.

pad: da zampad \ op da middepad loopa; óit da pad gaan; da pad varlegga.— Vgl. mul. pat, m.; olid, pfad, m.; ags. poith, in. en het ml. geslacht van het woord in vele ndl. dialecten.

p o s s ê g a 1: hebbi da possëgal op dan brief gedaen ?

s a m e n t: voor die stoep is géén goeia sament gabróikt. Wie lust die sament (zie Woordenlijst) nog1?

snót, neusvocht: da snul loopt zan neus óit.

tófcr: Waer is da bróine teer geblcoa ?

ocr page 41

29

11'a s: Die tras dcuy niet voor dat mcssolworrdk. — Misschien zoo wel algemeen; zie Ncd. Wdb. i. v. bastaardtras.

c) OnzijJig of' mannelijk zijn:

Li lók; Gooi dien blók maar óp jt vier. Ley dan bijl Uier óp dan blók. Waur is dsn hakblok? (Zoo ook in liet wvl. Zie Uk lio i. v.). Maar: Van wies is dal blók höizg?

boor: Grêf m:i dal bmr daer is. Wie hail nou dat hóór weer gubi-óikl 9 Zelden: Gëêf ms dien boor es. — Ook bij Kiliaen en Dk Bo is het woord onzijdig.

boeket: Van xvie is die (of dat) boeket?

fabriek: D.' hééls fabriek is ófgsbrand. Hij weunt verbij st gasfsbrick. — Onzijdig wordt fabriek ook gebruikt in Limburg (zie Onze Volkstaal *2, 243) en in Üe Zaan (zie Boekenoogen i. v.). Vgl. verder Taal en Letteren 224.

midde: Ik ken ds niidds niet vinys. JJrai eest maar in 'Ij midd.t. In l midds loop,'.

rdö s t e r, «leest onz.: Leg st róóstsr in ds kaehsl.

slijm: Msn vsrkonwsndsgfiaid is nou veul minder; de slijm zit nou los. Zelden onz. Vgl. mnd., nnd. slim, m. en onz., itihd. slim, nlid. schleim, rn.

slik: Gërf ss wal dn'ntgs slik. In ds slik blijvs steks. — Zelden onz,: Doet cèst st slik van js schoen,).

Voorts nog maziak, school, foguur, omslag, jiort (van een brief), als in de beschaafde spreektaal; zie Taal en [.etteren 5, 224.

Meervoudsvorming.

Sj 51. In hoofdzaak heerscht hier overeenstemming met het Nederlandscli, waarom we alleen enkele afwijkingen vermelden.

a) liet meervoud der ndl. woorden op toonlooze e, dat gevormd werd door achtervoeging van n, is hier reeds vroeg niet meer als zoodanig gevoeld, toen nl. de slot-H in toonlooze eindlettergrepen niet langer werd uitgesproken. Vandaar dat men bijv. in de IG110 eeuw aan dien niet meer gevoelden meervoudsvorm nog een s ging toevoegen. Zoo vinden we bijv. bij Van de Wali., Privilegiën enz, van Dordrecht, o. a. gedeeltens (blz. 1438), weddens (blz. 14(18, a0 1585, blz. 1469, 1472 en passim), boodens (blz. 14G9, a0 1585), die toen reeds als gedeeltes enz. moeten zijn uitgesproken. In het tegenwoordige Beierlandsch hebben dan ook alle znw., die uitgaan op toonlooze e een s in 't meerv.: lentss, groentss, bödss, bsdiendss, gs-déèltss, gsraamtss, róimtss, mandas (enk. mands), lendss (enk. lends; 't meerv. komt echter zelden voor). Ook van de znw., die vroeger op toonlooze e uitgingen, hebben vele eveneens een meerv. op s; beddes (enk. bed, maai' vgl. mul. en wvl. bedde), hemdss (mnl. en wvl. hen ids), nniddss (ranl. en wvl. mud de), muggss (mnl. mugge), bruggss (mnl. brugge), vlaggss (oudt. vlugge), vraegss (mnl. vrage; alleen de vragen uit het zoogenaamde vraet/sboekie, dat op de catechisatie wordt gebruikt: vraegss lêèrs, ópzegys, anders vraegs).

Opm. 1. Nooit s in 't meerv. hebben de als persoonsnamen gebruikte bijvuw.: errsms in rijks.

ocr page 42

30

Opni. k2. Niet duidelijk is mij de s in vlcrrukus (enk. vlcrrok) en hur-rokds {op zdn hurrvkds zittd).

Hel spreekl van zelf, dat de znw. op toonlooze -C7i in 't ineerv. eveneens op -us uitgaan: hekkos (mv. van hckko{n); daarnaast ook een enk. hek), harsus en de als plur. tant. op te vatten woorden (jvómmüs en knórros in yrómmos, knor rus krijyj.

h) Bij substantiva op -dl gaat het meerv. ook wel uit op y, zonder dat de woorden daardoor iels deftigs of ongewoons krijgen , vn züöchin appold, ouwd acr[o)p:dj.

c) Meervoud op ors, oro. — In pla its van lammurd zegt men gewoonlijk iawiwip; voor bêendora altijd béena. Ook kalhf heeft dikwijls kalljvu. Een meervoud op ors vinden we nog bij dbigors, (jactors (hij het tjaetars in zon kouso), houtors, linturs en soms ook bij enters naast endd (vgl. Brabantsch dinger, einder of entjder, (jaotrr, hauler en linter in de Woordenlijst van Bhauantius, Onze Volkstaal 1,199 vlgg.). Boven lien ook soms bij eenige mannelijke substantieven: ballukors {du hallu-kurs leyyu noy niet ónddr ut ijs; halljkurs ondur du 6b(ju hebbu, van zwakte of vermoeidheid), ventdrs, stéendurs en kaiurs. Minder dikwijls bij jónyurs, drielingurs en hökkolingors. Misschien zoo ook bij kustaiurs (lt;^kuslanjurs, kastanjes), waarnaai* dan een enkelvoud kustaiur is gevormd.

d) Over de korte vocaal in dakku en höllu zie § 4, opni. en § 15, b.

e) Naast smëju hoort men ook soms smiltu.

f) Van boom in de bet. lemoenboom van een wagen is het meerv. ook. b(Kgt;)ns.

Verbuiging.

ij 5C2. Ten opzichte van dit punt is het Beierl. bij gemeen znw. geheel in overeenstemming met de algemeene spreektaal. Den meervoudsuitgang daargelaten, bepalen zich de veranderingen, die de subst. kunnen ondergaan, tot de volgende twee gevallen:

a) Ken oude gen. of dat. is gebleven in bijwoordelijke uitdrukkingen, spreekwoorden en enkele zegswijzen: smurrugus, saevds, sunwiurs, snaehs; dans wijs stans eer; van harte, m du weeg, oil du wëëg.

b) Achter het subst., dat in genetivo het bepaalde woord voorafgaat, komt een s; het daarbij behoorend determinatief blijft onverbogen: zun vadurs geld, zun moedurs pórsie (erfdeel).

Vaak wordt evenwel deze gen., alsook die welke in enkele spreekwoorden voorkomt, vervangen door den gewonen vorm van het subst., gevolgd door het po-ses-sieve zun of dur: Waer is du jongu zun hoed? Waer is 't maisHe dur kleed:' Waer binnu du jon (jus dur hoeju? 'n mens zun lust is un mens zun lêvu.

§ 53. Anders is het gesteld met voornamen en vannen van personen, alsmede met enkele verwantschapsnamen. Wanneer deze niet worden voorafgegaan door een determinatief, hebben zij twee vormen: de gewone, overeenkomende met het Ndl., geldt alleen voor den nominatief; de andere gevormd door aanhechting van e of s voor de casus oblicj. Daarbij krijgen de meeste woorden u; s hebben de namen op toonloozen klinker (en dus ook die op -un), de meerlettergrepige op betoonden klinker of tweeklank en de woorden vadur en moedur. Voorbeelden:

ocr page 43

81

2e nv. Janna must, Mienn jurrdk, mxmw say aar, Piet Masto deur; tanlas hord, Aries pel (maa!- Ai je pet), vadors pijp.

3c nv. Ik heh ot Janna rjagêvo. Ik heb at uadars gazaid.

4e nv. //.- heb Uenka niet yazien. II eb bi nóuma (j./sproka V fk heb Srhellinga nog gakend. — 7ëga Kaerala, hij ntHima, v(7gt;r uadars, Këës van Köbaza (= Kees KobuRzoon). Haal-t-at maar bij Sniilta. Breng at hij Van dar Lindas.

Maar: ik ga eest na ma nóom. Ik zei at têga zati vadar zegga.

Opm. 1. (lp gelijke wijze wordt gehandeld met buurman cnbuvrouw: Ik was net bij huurmanna.

Opm. c2. Op de vraag: Wies pet is dut? luidt liet antwoord:'/e/am?;?, da n(K)ma, de vadars, dan Aries.

Vorming der zelfstandige naamwoorden.

§ 54. a) Bekend is de afwerping van het voorvoegsel ga bij sommige woorden in het lloll. dialect. Bij de ook van elders bekende voorbeelden kan voor het Beierlandsch nog gevoegd worden het znw. schot (ook bij Kiijakn), ndl geschot in de lende: zij hrt at schot in dar lenda, at lendaschót. Maar geen ga is afgevallen in het mannelijke substantief vricht, wreef van den voet, dat blijkens het geslacht niet kan staan voor ndl gewricht, onz. Eerder zal het laatste een alleiding zijn van het eeiste. Hiervoor pleit in de eerste plaats, dat ndl. gewricht van jongen «latum is: in 't Mnl. ontbreekt het nog. En in de tweede plaats de analogie van mid. gewriste, een alleiding van wrista, ndd. wrist, ags. wrist en hgd. rist, alle waarschijnlijk uit *wrihst, van wortel wrih, waarvan ook wricht met ander suffix.

b) Andere ach Ier voeg seis dan bij de overeenkomstige ndl. woorden, treilen wij aan bij hengal, m. ndl. hengsel, o; hókkam. böns,mi, ndl. bokking, bonzing en oudta, leeftijd: hij is van mijn oudta. Verder schijnt beierl. tuning zich door een suffix van het gelijkbeteekende ndl. laan te onderscheiden. — Over -al en ar zie § 33, a en b.

c) Vrij veelvuldig is het gebruik van een subst. op -haid, dat van een meestal niet voorkomend adjectief op -ag schijnt afgeleid. Gewoonlijk hebben deze substantieven een ongunstige of minachtende beteekenis. Zoo hoort men o. a : vrömaghaid, knappaghaid, (on)wijzaghaid, balëèfdaghaid, mooiaghaid, vremd^ghaid, galêi'rdag-liaid, varlëgandaghaid, ondeugandaghaid, grmzaghaid, zinnaghaid enz. Vergelijk voor de bet.: Och, al die galéerdaghaid, daer schiet ja niks mëë óp. Nou ja, die vrömaghaid van heur, die kenna iva wel. — Zie ook Ned. TVd/?. op gezond igheid.

§ 54. Verkleinwoorden.

De gewone verkleiningsuitgang is hier -ie, met de bijvormen -Jie (d. i. ie met mouilleering van den voorafgaanden consonant), -t'ie, -atHe, -pie, -cine en achie.

a) ie krijgen de substantieven op /', g of ch, p, k en toonloos -ang: griffie, stööfie, hallafie; dachie, daechie, gallachie, rinchie, d inch ie-, póppie, hmpie, dur-rapie, lampie; dakkie, hankie, vollakie; kettankie, róttankie.

Opm. 1. De woorden op b nemen voor den verkleiningsuitgang gewoon-

ocr page 44

32

lijllt; den onderen vorm op -hbs aan (zip onder ƒ). Alleen krib heeft krippie.

Opm. 2. De substantieven op clit en ft laten hun t vallen en nemen dan ie: kncchie, nachie, harhie, buchie, kraffic (van kraft, karaf).

Oprn. 3. Jóng:gt; en iwrr^kp verlie/cn hun^ en luitien: joiichic en vcrrjkie.

ft) -j'w krijgen do substantiva op d, t en s: handïie, mondJie, pol'ie, puölnc, hnrl i'', zuamp;ie, lióisJie.

Opm. 1. Ook hier heeft het diminutief sorns een ouderen vorm van het zmv. bewaard: beddachie, muddachie, toddachie, hc.mmachir K^hemdachie).

Opm. 2. De subst. op st laten hun t vallen: kisiie, kasgt;ie.

Opm. 3. Van de subst. op -rd, rt met voorafgaande korte vocaal heeft alleen bord—borrachie. Bij voorafgaanden langen klinker hebben deze zmv. soms -He: paerdne, staerOie, maar gewoonlijk luiden zij: paerachie, stanrachic, karachie enz.

c) -Vie krijgen de subst. op l, n, r met voorafgaande lange of toonlooze vocaal: zaall'ie, köUVie. haan tJ ie, bóunl'ie, uur Vie, deur Vie, taefalVie, rêganVie, kólfarlHe.

d) a Vie hebben de woorden met het niet geheel toonlooze achtervoegsel -ing: wandolingaVie.

é) -pie krijgen de znw. op ni voorafgegaan door een lange of onduidelijke vocaal: bwmpie, errampie, bêzampie.

Opm. Feitelijk op dezelfde wijze gevormd is vrïïêmpie, verkleinwoord van an vreemd (ndl. oen vreemde) of liever van vrëênipl met achter p weggevallen I en hempii:lt;Jiempjelt;iliemplja; vgl. 40, ft, opm.

f) -ehie krijgen de znw. op een klinker of w: mandachie (v. manda), meulachie (v. meula), vullachie, tóbbachie, krabbachie; laachie, téèchie (vr. téè, teen), zöüchie, aiehie; tou(w)ehie, dou(w)chie.

Opm. Cij de woorden op a uit an is er weifeling. Zoo boort men wn-

(jenVie (of tvageOie), keukenVie (of keukaUe), hekkanVie van waga, keiika, hekka.

g) -aclne nemen de woorden op l, n, r en m met voorafgaanden korten klinker: hdllachie, veüachie, lomiachie, kannarhie, sterraehie, hórraehie, kammachie, blóm-machie.

BIJVOEGLIJK NAAMWOORD.

§ 55. In tegenstelling met het Nederlandsch of liever met de ndl. schrijftaal worden in 't Beierlandscb als attributieve adj. nog gebruikt: hijdehant; an bijdahanta jónga: kapot: an kapótla stoel; toe: an toea deur. hij kwam voor an toea kerrak: ói t: an èita kachal, en mis: dat is hier an missa boel, on mis antwoord.

ocr page 45

33

§ 50. Verbuiging.

a) liet attributieve adjectief heeft drie vormen: 1) den stamvorm: groot; 2) een vorm mot den uitgang 3: gróoto, en 3) een met den uitgang ooi: (jroolon. De eerste vorm wordt alleen gebruikt in liet onz. enk. na een (Udw. en telw.) en de bezitt. vnw.: on groot kind, mon vet vorroko. De derde vorm komt alleen in 't m. enk. te staan voor vele woorden, die beginnen met een klinker of /i, of met de consonanten h, d en t: on cjrooton ctppol; goeion Jiemol! on grootoii betas, on dooion diendor; on hóogon tóron (zie daarover nader bij het lidwoord). Overal elders gebruikt men den vorm op o'. on, do grooto man, vrouw (zoowel le als 4e naamval); mon ouwo vador, moedor', ot hoogs hóis; grooto appolo; dooio diendors. Van verschillende vormen voor de onderscheidene naamvallen is daarbij dus geen sprake. Onbekend zijn ook onderscheidingen als ndl. een groot man en een groote man ; zijn blind paard en zijn blinde paard.

b) In het onzijdig verliezen sommige stoflelijke bijvnw. na on en de bezitt. vnw. den uitgang o (ndl. on)', on goud orlozie, on goud ijzor, on diomatit knoppie, mon koper kettonkie, dor zullovor spellochie, on ijzor bouPie enz. Maar: ot gouivo orlözie, on gouivo bobt, die zul(lo)voro kettong.

Deze i-egel geldt echter volstrekt niet voor alle stollelijke bnw. Men zegt bijv.. on stalo kettenkie, on blikko dobsne, on zinko dakkie, on tinno soldaaVie, on houto pinnochie, on stécno spaarspoOie, on popiero doosJie, on leero tas'ie, on glaezo spoil-'ie.

Opm. Ook in andere dialecten komt dit verschijnsel voor; zoo bijv. in het Nederbetuwsch: bolt he ff, een botten (beenen) heft, ee' goud orloozie, enz.; zie Onze Volkstaal % 81. Vgl. ook nog ndl. goud tientje en de Aanm. bij gouden in het Ned. Wdb.

§ 57. Trappen van vergelijking.

Over de inlassching van d na / en n en van t na s (sch) zie men § 40, b.

Een dubbelen comparatief hoort men vaak in bëtordor (niet alleen van zieken) en ook wel in gróbtordor.

Van wainog maakt men ook regelmatig wainogor en wainogst.

Alleen als superlatief komt voor endosto, uiterste (zie Woordenlijst).

Omschrijving van comparatief en superlatief door meer en meest komt niet voor. Als vergelijkingswoord bij een comparatief doet dienst as : hij is veul klaindor as zon broer.

§ 58. Vorming der bijvoeglijke naamwoorden.

Een ander suffix dan de overeenkomstige ndl. woorden hebben akolok (zie Ned. Wdb. i. v. akelig) en dronkog. Den vorm van een stoffelijk bnw. heeft glint o in glinton hainong (zie Woordenlijst). Van het achtervoegsel-/Vy is voorzien het vreemde bnw. pikant: ze zij)i pikantog op mokaar. — Vorskallofd {en vorskallofdo koe, maar ook: vorskallofdo melldk) is te vergelijken met ndl. adj. als platboomd.

ocr page 46

34

VOORNAAMWOORD.

Persoonlijk voor n a a m w oor ii.

§ 59. Verbuiging.

a) 1 pers. enk. Sulij. ik, ok, ikko mv. S. wij, wa, wijlie.

Obj. mijn, mo 0. ons.

Ikke wordt alleen gebruikt bij verzwegen werkwoord: Wie hait dat ipdacn? — Tkka.

De vorm mij als object komt wel nooit voor; zonder nadruk zegt men ma, met nadruk mijn: Dal had ja toch mijn ók wel kenna zerjya.

De eerste persoon mv. luidt soms ook wullie (zie Hoogwehf, Lovers, blz. 23), uaar analogie van hullie, waarnaar ook de vorm van den 3en pers. zuil it; en van don 2en jullie (?)

Voor ma in plaats van wa zie § 32.

b) 2e pers. enk. S. jij, ja mv. S. jullie, ja.

0. jouw, ja O. jullie, ja.

Over den vorm van het werkw. na jullie zie § 70, op»!. 3.

c) 3e pers. enk. S. m. hij, ie vrl. zij, za ouz. hel, at.

O. » hum, heum, am, zijn » heur, za, dat- » het, at. meerv. S. zij, za, hullie, hexilie, zullie.

Ü. hullie, heulie, za.

In plaats van ie boort men vaak die of tie\ oftie, astie, kendie, kan bij? kwam-die? zeidie? gaf tie:' Ook glóbfda-n-die 9 hoorda-n-die'? Zoo we bier al niet te doen hebben met het aanw. vnw. die, dan beeft dit toch zeker invloed op dezen vorm geoefend. Vgl, zëêdie niks'? — Ncê, hij zëê niks. Laitie (bijv. een kip) al? —Nêë, die (of hij) lait nog niet.

Zijn als O. staat alleen met nadruk; Wal heb ja mit zijn ta maka? — Za als O. in 't vrl. wordt nooit gebruikt na voorzetsels: Dat heb ik van dar gakrêga,

In bet meerv. S. is heidie gewoner dan hullie of zullie. Daarentegen is in het m. enk. O. hum gewoner dan heum.

§ 60. liij wederkeerende werkwoorden wordt in plaats van zich gebruikt zan aiga, dar aiga enz., eigenlijk versterkingsvormen, die gelijk staan met ndl. zich zelf enz. Hij is net bezag om zan aiga ta wassg. Zij varsprak dar aiga. In het vrl. staat bier (mits niet met nadruk sprekende) ook wel dar: Za istar (is dar) anklétja. Toen gong zo dar êèst wassa. Maar naar het schijnt kan in 't ml. aiga niet worden gemist; men zegt niet: hij is am (of zan) ankléèja. Toen gong-die am (of zan) êèst wassa.

In een voorzetselbepaling beboorende bij een infinitief, die afhangt van een der werkw. zien, hiiïira, voela, vinda zegt men niet zich maar am, dar: Toen zag-tie zan vadar vóör am staan. Zij hoor da da maid an dar roepa.

Voor zellaf gebruikt men ook wel zellavars: Dal mótta ze zellavars maar xuêta.— Vgl. Van Helten, Mul. Sprkk. sj 357 en dez., Vondels Taal I, § 123.

ocr page 47

35

B e z i 11 e I ij k v o o r n a a in w o o r i).

§ 61. liijvoeglijk.

l6 pers. enk. mijn, nun, ma rneerv. onzs, ons.

2e » » jouw, ja » jullie, ja.

3e » » m. OTiz. zijn, zan, hum |

vi'. heur, dar, ar

Het gebruik van den len pers. stemt overeen met de ndl. spreektaal. Voor ma zie men Van Helten in Tijdschrift 12, 170.

De vorm ja in den 2en pers. meerv. wordt alleen gebruikt als het meervoudig begrip tocb reeds duidelijk is: Jont/as, ypva jullie ja klómpa as hier!

Hum in plaats van zijn staat alleen met nadruk, vooral in tegenstelling met zijn (aiya): Hij trók hum jas wéér oil in zen aige jas an. Hij hail hum hand gabrand (nl. die van een ander). Hij halt zan hand gabrand (zijn eigen hand). — Evenzoo is het gesteld met heur.

b) Zelfstandig.

■te pers. enk. da (at) mijna meerv. do {at) óma.

2° » » da (at) jouwa » da {at) Jullie.

3e » » m. da (at) ziina of humme |

y \ n da (al) heuhe.

v. da (at) heura

Daarnaast; die (dat) van mijn, van jouw enz.

Aanwijzend voornaamwoord.

§ 62. a) Bijvoeglijk.

m. v. deuzd(n) o. dut meerv. deuzd.

m. v. die{n) o. dat » die.

m. v. guntd{n) o. gunt » gunta.

Over (le vormen met n zie men bij het lidwoord.

Als overal in de spreektaal wordt die (dat) vaak na een znw. herhaald: bi mo vrouw die zW', dat . ... In dt kind dat tvas zoo gdschrókke, dat ....

Waarschijnlijk als oude dativi vrl. zijn op te vatten: van dieddr lengto, yrmttd, dikto enz., waarin dieddr zal staan voor dierd, den ouden 3en nvl. van die.

Voor dut en dat komen soms dutta en dattd voor: Weilok paerd is zoo oud? Dutte? — Nëë, dattd. Dut paerd in dattd, — Deze vormen vinden we ook in de 17° eeuw (zie Nauta , Aant. op Brederoo, § 91*) en in het Mnl. (zie Van Helten, Mnl. Sprk. § 354, g en 349). Een eigenaardige zelfstandige vorm is don deuze, don dieo, do gunte: Welloko hoed is van jouw? Don dieo of don denzo? — Nëë, do gunto. Zoo ook : Don deuzo zêë dut, don dieo dat voor de een . ... de ander. — Ook deze vormen komen in de 17e eeuw voor en tegenwoordig ook nog in 't\Vvl., zie De Bo2 188 op de.

Vragend v o o r n a a m w o o r (i.

§ 03. Zelfst. m. v. wie {ivies) o. wat mv. wie.

bijvgl. m. v. welloko{n) o. weilok mv. welloko.

De k2e nvl. van wie luidt wies of wordt omschreven: Wies kind is dat? Wie zon hoed is dat? De vorm wies (uit den gen. ingedrongen, vgl. Tijdschrift *2, 54) staat

heulie, dor, or.

ocr page 48

36

ook nu voorzetsels: Van wies weet jo dal? Bij wies bin-ja gawëêst? Vóör wies hij-ja (heb je) dat gadaen ? En zelfs als lijdend voorwerp: Wies hij-ja daer ga zien 9 Voor wat is ook weer watta in gebruik (vgl. Van Helten, Mnl. Sprkk. § 360): Ik heb at ja wel gezaid. — Watta

§ 64. De betrekkelijke en onbepaalde voornaamwoorden hebben niets bijzonders. Als in de beschaafde spreektaal wordt de genitief omschreven en gebruikt men voor vaii wie, met wie enz. ook waervan, waermêê. Gelijk van zelf spreekt komen bij de betr. vnw. de dat. en acc. met den nom. in vorm overeen.

LIDWOORD.

§ 65. Lidwoord van onbepaaldheid: an voor alle geslachten en naamvallen.

Lidwoord van bepaaldheid: m. en v. da{n) o. het {at) mv. da.

Voor het nv (en v.) enk. is da de gewone vorm in alle naamvallen, behalve voor znw., die met een klinker, een /i, ö, d of t beginnen. Voor een klinker staat steeds dan: in dan angst, in dan aap gdlögêerd, in dan aak, in dan olie enz. Van de woorden, die met h, b, d of t beginnen, hebben sommige in alle naamvallen van het enkelvoud steeds da, andere steeds dan. Dat in het laatste geval, evenals bij de woorden die met een klinker beginnen, de welluidendheid den doorslag heeft gegeven, is op zichzelf reeds niet waarschijnlijk, maar wordt bovendien weersproken door het feit, dat in het meerv. van den vorm dan geen sprake is. Ook in de volkstaal van andere streken moet dit verschijnsel, zij het ook niet zoo sterk en misschien niet voor alle genoemde consonanten, voorkomen. Dat bewijzen in de eerste plaats de algemeen gebruikelijke eigennamen Den Boer, Den Bisschop, Deïi Broeder en «ie bij Winkler genoemde Den Burger, Den Breejen, Den Dikke, Den Doove, terwijl namen als Den Visser, Den Kuiper enz. althans bij Winkler niet voorkomen. In de tweede plaats wijzen hierop eenige gegevens uit andere dialecten. Zoo gebruikt men in De Zaan: den deuze (volgens Boekenoooen i. v. deze de eenige vorm, waarin den gebruikt wordt), in de N. Betuwe den hen en den duif (zie Onze Volkstaal % 88), in Noord-Brabant: den beest sperden (Onze Volkstaal 1, 106). En: Looft den Heer, voor den dag, op den duur hoort men overal in de beschaafde spreektaal (zie Van den Bosch, Pleidooi, blz. 60).

Door mondelinge mededeeling van een geboren Brabander kan ik hier nog bijvoegen, dat men in het land van Heusden en Altena ten dezen opzichte bijna geheel spreekt als in Oud-Beierland.

Volledige verklaring van wat hieromtrent nu volgt, kan ik niet geven. Naar mijn meening heeft men den vorm den als kenmerkend voor het enkelvoud nog vrij lang gevoeld en dien vorm gegeneraliseerd ter wille van de welluidendheid voor allo woorden, die met een klinker beginnen. Voor de andere gevallen meen ik een groote plaats te mogen inruimen aan de vroegere geslachtsonderscheiding.

Het komt mij voor, dat in dialect althans de vorm da7i nog meer leeft, dan men

ocr page 49

37

gewoonlijk vermoedt. Om op dit punt de aandacht te vestigen '), zal ik daarom een groot aantal voorbeelden voor het Beierlandsch geven. Ik neem daartoe liefst voorzetselbepalingen, omdat ik daarbij het verschil het duidelijkst hoor, maar merk op, dat het geheele enkelvoud met den gegeven vorm correspondeert.

Woorden met h;

in da havo (geslacht in de ndl. schrijftaal: v.), van da hand (v.), da hai;var (v.), in da hel (v.), in da hóbgta (v.), in da hitta (v.), om da hellaft (v.), da hór (ndl. horde, v.); op dan haerd (m.), dan heistar (m.), dan haerang (m.), an dan haal (?), om dan hals (m.), ati dan haak (m.), dan haan (m.), an dan hiel (ra.), in dan hëmal (m.), in dan herrast (m.), op dan hoed (m.), an dan hóóp (m.), om dan hoek (ra.), dan héér (ra.); dan hóig (v.), dan hainong (v.), deur dan h a e s t (v.), mit dan hak (v.).

Woorden met b:

op da haan (v.), deur da hank (v.), ovor da balie (v.), an da hel (v.), in da ben (v.), in da beurs ^v.), ovar da brug (v.), om da beurt (v.), in da buit (v.), in da boeta (v.), in da hessteë (v.), da bocht (v.), van da bórst (v.), an witta btiïin (v.), da buttar (v.), in da bus (v.), da bói (v.), op da hurrie (v.), in da huurt (v.), in da broek (v.), voor da bróid (v.); in dan hóom (m.), in dan bóiigard (ra.), op dan hüjam (ra.), in dan brand (ra.), van dan boer (in.), in dan bast (ra.), in dan bloei (m.), dan baital (m.), in dan bek (ra.), op dan berrag (m.), in dan bijbal (m.), deur dan bliksam (m.), in dan brief (m.), dan bout (ra.), in dan hak (ra.), op dan bók (ra.), dan bal (ra.), an dan hós (ra.), an dan baud (m.), an dan hallak (m.); in da boel (m.), dan béést speulo (vroeger v.), in dan bi óm (v.), in dan biest (v., maar in verwante talen m.), dan bons (v.), in de bijt (v., mnl. tn.: vgl. ook De Bo i. v.), in dan brij (v., mnl. tn.).

Woorden met d:

in da diepta (v.), in da deur (v.), in da dms (v.), deur da drukta (v.), deur da dierta (v.), ondar da dëka (v.); in dan donkar (in.), op dan dijk (m.), luliir dan duval (m.), ondar dan doek (m.), op dan dag (m.), voor dan dmp (m.), in dan draf (ra.), op dan durrapal (ra.), in dan drop (m.), in dan douw (ra ), an dan drank (ra.), op dan duur (ra.), op dan dam (m.), bij dan dömanëë (rn.), dan diendar (m.), deur dan dooi (m.), voor dan dorst (m.), in dan dop (m.), in dan dróttm (m.), in dan dut (in.), in dan drak (m.); ora da dood (m., mnl. v.), in dan derrie (v.), don dóif (v.), in dan drift (v. bij Dn Bo m.), mit dan d w a i I (v., bij De Bo ra.).

Woorden met t:

in da tent (v.), mit da tang (v.), op da taefal (v.), in da ton (v.), in da tabak (v.).

•) Trouwens reeds De Bo2 253 heeft dat gedaan voor het Vlaarasch. Is zijn voorstelling juist — en bij de groote nauwkeurigheid van dezen schrijver durft men daar nauwelijks aan twijfelen — dan schijnt de vorm met n in 't Vlaamsch voor alle woorden, die met genoemde consonanten beginnen in het enkelvoud tc zijn gegeneraliseerd.

ocr page 50

38

in da tijl (v.), in dn loh (v ), op da tong (v.), da trrtis (v.), in da terrö (v.); in dan löin (in.), op don tóran (m.), hij dan tel (m.), in dan top (m.), an dan teen (m.), ondar dan tegal (m.), in dan trog (m.), op dan trek (m.), in dan tas (m.), ó i t da tijd (m., mill, onk v.), in dan tóit (v. bij De Bo m.).

Men ziet, bij verreweg de meeste woorden stemt de vorm overeen met het geslacht van de schrijftaal. Enkele der afwijkingen kunnen verklaard worden uit een ouder geslacht. Maar dan blijven er nog onverklaarbare uitzonderingen over, die misschien bij verder onderzoek nog met andere vermeerderd zouden moeten worden.

Opm. Dezelfde znw., die van 't lidw. den vorm dan voor zich nemen, krijgen ook van de bnw. en van de aanw. en vrag. vnw. de vormen op -n: ait grmtan appal, an doojan diendar, dien boer, wellakan hoed'?

§ G6. Overblijfsels van oude dativi zijn: dit da licht gaan, m da licht slaan, óit den huis, van da jaer (dit jaar, vgl. van da xvëêk, van da zummar enz,). In dan donkar is als zoodanig niet meer te herkennen.

Weglating van liet lidwoord treft men aan in de uitdrukkingen op straet; ondar dijk (maar steeds op dan dijk); op in, bóita durrap; op stëê. Geheel bijwoord geworden is vardeur = vóór deur, met de bet. « buiten ».

TELWOORD.

§ 07. Dij de hoofdtelwoorden is niets bijzonders op te merken. De vormen twëê, zeuva, dórtien, dartag en duzand zijn reeds vroeger besproken. Als in de algemeene spreektaal zegt men ook hier: féirtag, seslag, seuvantag en tnëgantag, maar een in veertig, éèn in vijftag enz,, naast éèn in sestag, twëê in seuventag, enz.

Bij de rangtelwoorden zijn alleen te veimelden de vormen nadarst (of twëêdarst), derdarst, vierdarst enz., die bij hel spel worden gebruikt, oin de volgorde der spelers aan te duiden.

WERKWOORD.

Hoofdvormen der conjugatie.

A. Klassen der sterke verba.

§ 68. Eerste klasse: i(e) — ö — o — o.

a) Over de ng in binga (hóng, bunga, gabónga), winga en vin ga, zie men gt;; 35, d. Over de u in plaats van o bij de verba, wier stam eindigt op r -|- he terorganen consonant vgl. § 13, b. Voor barst a, badurrava en wurrapa, § 8, c en voor wórra {wier, wiera, ga wórra) § 41 B, a, 1.

ocr page 51

39

b) Ondor invloed van het part. pass. luiden de praet. der verba sterrzvj en hellapo ook sturrof en hóllap naast stinrof en hielop.

c) Een zwak praet. wordt meer of minder vaak gehoord bij: berrarjd, (benwjdo of bur rag), kcrrava {kerrofdo, geen kurr.tf), delbvu (dcllofda of dnllaf), mellakd, schenka, zinka, zwellaga, zwella en misschien nog bij enkele andere. Het praet. van hór sta is natuurlijk steeds zwak: ik horstic.

Opm. In het algemeen bestaat een onbewuste, maar vrije sterke neiging, bij vele verba dezer conjugatie een zwak praet. te gebruiken. Niet zelden gebeurt het, dat men één zelfden persoon dicht achter elkaar den sterken en den zwakken vorm van hetzelfde werkwoord hoort bezigen. Waar wij dus in het vervolg zwakke vormen opgeven , wordt daarmee bedoeld, dat zij naast de sterke voorkomen, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is vermeld.

d) Geheel of gedeeltelijk gaan nog naar deze klasse:

zwingala zwingalda gazwóngala.

slingara slóngar (slingarda) gaslóngara.

errava urraf gaürrava.

§69. Tweedeklasse: ë — u — a — ö.

Over de a in den plur. v. h. praet. zie men § (i.

a) Van stëla luidt het praet. naar analogie van het part. pass. ook stool, waarnaast wel een zwakke vorm stëëlda, maar zelden of nooit stal wordt gehoord.

b) Behalve bij stëla komt nog een zwak praet. voor bij: bavëla en slëka, minder dikwijls bij brëka en spreka.

§ 70. Derde klasse: ë — n — a — r.

Over de a in het praet. plur. zie men 6.

d) Naast liet sterke bidda, bad, badda, gabëja staat het geheel zwakke hul da, bid da, gah id.

b) Van wëga luidt het praet. wöög of wëëgda en het part. pass. gawöga en ook wel gawoega.

c) Ken zwak praet. hebben soms lïza, mëta en ganëza.

§71. Vierde klasse: ij — ë — ë — ë.

Over de zachte e in den sing. v. h. praet. zie ^ 20, opm. 2.

a) Een zwak praet. hoort men soms bij: d rij va, vardwijna, gl ij-ja, h ij sa, hij va, knijpa, rij ga, rijva, slijpa, slijta, snij-ja, sir ij ka, vrij va en misschien nog bij andere.

b) Naar deze klasse gaan ook:

vrija vrëë (mv. vrë-ja) gavrêja.

twijfala twëfal gatwëfala.

brai-ja hrëë gabrëja.

schat-ja schcë gaschëja.

Wat de beide laatste betreft, de vormen brcë en schêc kunnen physiologisch uit breide en scheidde zijn ontstaan (vgl. /w en zëë uit leide en zeide) en daarna met den infinitief, wiens klinker, hoewel er van verschillend, toch overeenkwam met dien van bijten enz., aanleiding hebben gegeven tot de vorming van het sterke verl. deelwoord.

ocr page 52

40

§ T^. V ij f d o klasse: ie (ói) — ö — ö — ö.

Voor de zachte o in den sing, van hel praet. zie 22, opm. 2.

a) Een zwak praet. wordt gehoord hij: gonicto, dröipj, klóivd, schóivD, snóivo, zuipD, rüik,' en minder vaak bij gietjj schic.tj en spöitj.

h) Tot deze klasse behooren nog:

staan slaan vracyo draego {drêgo) jaga

sting of' stong

sloeg » slöög

vroeg » vröog

droeg » droog

joeg » jöög

róih rööl

döikdlo dokol

stróikolo strökal

§ 73. Zesde klasse: a (ac) — a) Opmerking verdienen;

gorölo.

godökdlo.

gaströkdld.

— a (ae).

gaslaan.

(jaslaego, gaslöga, rjosloecp, cjastêrp. cjgvröcja.

rjadraerjo, gadrüga, godroega, gaclrëgo. ijajügo, gitjocrja i).


b) Een zwak praet. ka» men hnoren bij: graeva, vaera, draego en ook bij vraega, dat tevens een zwak part. pass. kan hebben. Geheel zwak is ook jaga in de bet. « op de jacht zijn ».

§ 74. Zevende klasse: praet. i of ie.

a) Opmerking verdienen:

hing of hang uing » vóng ging » góng

hieuw hief of hieuw riep » rüöp

b) Een zwak praet. hebben ook blaeza, doepa, ra-ja, wassa (ndl. wasschen en wassen), stóota en hoeva.

B. Zwakke vervoeging.

§ 75. a) Soms, vooral bij werkw. wier stam eindigt op d of t, wordt tusschen den stam van het ww. en den uitgang van het praet. -an- ingelascht. Zoo kan men men bijv. hooren; hij pralanda, wij zallanda, hij hooranda, enz., waarschijnlijk uit pratada, enz.

gahanga.

gavanga.

gagaan.

gahouwa.

gahoeva (gahouva). garöpa.

hange vanga gaan

houwa (houden of houwen)

hoeva (houve)

roepa

b) Een part. pass. op -a (ndl. -en) wordt gevormd van de werkw. dansa igadansa), zwéiHa, niesa (praet. niesta, part. ganiesa), hoesta, lusta en dorsa. Zoo ook bouwa in den zin van «land bebouwen n: hij het altijd ongalukkag gahouwa.

Persoonsuitgangen.

§ 76. Tegenwoordige t ij d. De drie personen van het enkelvoud zijn in den regel aan elkaar gelijk; zoo ook de drie personen van het meerv. In 't enk.

') Üok als bnw.; Za was da lesla kéër al zoo gajoega.

ocr page 53

41

hebben alle drie den uitgang l of geen uitgang, wanneer deze t naar § 4ii, a kon

afvallen. De uitgang van de drie personen meerv. is u (uit on).

ik past hoort Iwsl brëck{V) glïëfu)

jij » » » » »

// ij i) » » » )gt;

wij passo hoitro IT;zd hrrko tjroo

jullie » » » gt;) »

zij » » )gt; gt;) »

Opm. I. Zelfs bij andere verba dan die, wier stam op f, p, vh en !: uitgaat, kan in 't enk. de t verdwijnen: hij luiï»' 7iiks1 hij I7ü?s yard.

Opm. quot;i. Naar analogie van de andere verba hebben ook de eenlettergrepige doen, zien, zijn, //««;?, staan en slaan in liet praes. plur. meestal eene e aangenomen: wo doend ons best. Ziend jullie dal niet'? ^\rlt;) zijno bij Dntkandor. Zij (jano dor na tor.

()lgt;ni. lï. Na jullie kan het ww. soms den ook in de ndl. spreektaal gebruikelijken vorm van het enk. hebben: jullie past, hi? (naast: jullie passo). Vooral gebruikelijk zijn: jullie bi}i, jullie keu en jullie durrof. Maar gewoner zijn toch jullie hen (= hehbo), durrevo, zeilo, nunjyo enz., welke vormen steeds worden gebezigd, zoodra men met nadruk spreekt.

§ 77. Verleden tijd. Het enk. heeft hier slechts één vorm, overeenkomende met den eersten persoon van het Ndl.; zoo ook zijn alle drie personen van 't meerv. gelijk. Hij de zwakke verba zijn dus door de apocope der )i in den uitgang . » allf zes personen aan elkaar gelijk:

jij, hij brak; ivij, jullie, zij brakko.

ik, jij, hij, wij, jullie, zij hoordd.

S; 78. Gebiedende wijs. Deze heeft slechts één vorm, dien van het enk.: Kind, fjTT-f hier! Jonyos, kom hier! Kom vurt, jonyos!

Opmerkelijk zijn de niet meer als imperatief gevoelde vormen: kijko en Iuhwo voor een volgend subst. in het meerv.: Kijko die paerdo daer os liHipo. Ilintro die jomjos daer os o)i lëuo mako.

Onregelmatige werkwoorden.

§ 70. a) Behalve de reeds hier en daar genoemde, vertoonen nog afwijking in de vorming der tijden de werkwoorden:

rake— rocht—gorócht (zoo reeds iti 't Mnl.; vgl. ook I'ranck i. v. rakeiP, Si 'helo—schouw—yoschêêld,

deuyo—deuydo of docht—yodeuyd (docht ook in Mnl.),

proevo (prouvo)—prüTif of proefdo (proufdo)—yoprövo,

spoeyo (spouye) —spöng (spoeydo) — gospögo.

h) Bovendien zijn onregelmatig:

mayyo (ndl. mogen), praes. sing, may, plur. may go; praet. móy, nwyyo; part. pass. gomógyo of yomayyo.

0

ocr page 54

42

kcino (ndl. kunnen en kennen) praes. sing, ken, plnr. hcnno-, prael. hón,kcmnc-.

part. pass. (jakcnrw, gakend, gokcun:gt;.

zdla (ndl. zullen) praes. sing, zrl, pl. zelh; praet. zouw, zomve-part. pass. ontl.i pokl, willo, praes. sing, wil, plnr. with, praet. wouw, wouw, part. pass. gjwild.

mullj (ndl. moeten) praes. sing, mót, plur. nuUUi (ook món: z.i món ot zdlovars wête); praet. nuis(t), niósta; part. pass. gomótto.

doen, praes. sing, doe(t) plur. docn(a); drT', drjo; part. pass. gadam.

hehbn of hè: ik lu'h, jij hel) (of het), hij huil (of het), plur. hehb.i (of/ioi), piaet. had, hadda (hun), part. ynhud.

zijn (ivêzv), praes. siug. ik bin, jij himt) hij is, plur. binn;gt; (zijn.i): praet. was, ivazzj; part. gaxvëêsl ').

leggo (ndl. liggen en leggen) praes. sing, ik leg, jij leg, hij luit, plnr. legga; praet. lëT', léêju-, part. galêga (hiernaast evenwel ook inf. ligg.i, praet. lag, lagga).

BIJWOORD.

§ 80. o) Bijwoord van graad. Za;r als bijw. is ongewoon; moil zegt daarvoor /i(v7, hard of errag: heel gouw, hard ziek, errag hinig.

Jln'l voor een buw. wordt hn-la, indien het bnw. zelf een uilgang krijgt: an hMa goeja vent, h'-rle goeja mensa.

Geen bijw. s heeft bakunt ndl. bijkans uit bijkants.

b) Bijw. van tijd. Voor wanneer gebruikt men steeds hoenéi,r.

Geen bijw. s heeft sunt, ndl. sinds.

Opmerkelijk zijn nog iedaranduur, iedarandurag of redduur, mtdurag in den zin van «telkens», madê!:n, zommadmn, dadelijk en ondarlest, onlangs, laatst.

c) Bijw. van plaats. Naast erga(r)s en ncrga{r)s gebruikt men ook iemvars en nieuwars.

Voor banéda wordt bier steeds ondar gezegd: Wa weuna ond./r in staepa hüua.

Opmerkelijk zijn bovendien: dutóp (herwaarts) en guntóp met de comp. dutóppar en guntuppar (de superl. dutópst en guntópst worden gebruikt als bnw.); voorts nxiiis in wnT voor heen cn weer.

de adv. hnua, ondar, binna, bóita enz., afhangende van eeue praepositie lulden: (van) bövana, binnana, ondara; (na) böitana enz.

d) Bijw. vau wijze. lu plaats van aigalak wordt door verwarring zeer dikwijls aindalak gezegd.

') Vrij dikwijls vervoegd met het hulpwerkwoord hebba: Ik heb ar gawëëst. Maar steeds: hij is ar gawëëst, hij is dood.

/00 ook worden de werkw. blijva en luunma vaak met hebba vervoegd: /is ja y able va huil. As ja vroegar gakomma had (vgl. Mnl. Wdb. 3, '21)1 en Van IIki.ïen, Vondels Timl li 00).

ocr page 55

43

Ook luidt hier ók en ouk wei (i,nl. walmeer liet np zielizelf slaat als vraagwoord: Jij is hard gagroeid, ókk,/:'

Een enkel maal kan men in afhankelijke zinnen nog de ontkenning niet — cn hooren: Kijk lt;'st of il.i kctchol niet uit vti is, 1'as op, hoor, dii-jij dut niet meer on duet. Denk .»• om, dat ja niet lung weg :gt;n hlijft. Jj mag wel i/uun, us ,it maar niet on regont. Ik ken ja zeggo, dal ik vt niet ,/n wëêl. ■— Maar nooit staat on als niet op het werkwoord volgt: Gliitif mo nou, ik weel ot niet. Ik ken ut niet zeggo, want ik wcèt ot niet.

e) Van dikkols wordt een comp. dikkotstor ndl. vaker gevormd. /00 ook hoort men soms een comp. van andors: Dat hè 'k veul andorstor godaèn.

f. Verkleinwoorden van adverbia zijn zeer gewoon: elfontHcs, strakkies, saampics, gouwchies enz.

VOORZETSEL

(5 81. ÜMr in tijdsbepalingen heeft niet alleen betrekking op de toekomst, maar ook op het verleden: Ik bin dor ovor on wëêk nog gowêêst.

ISa duidt ook een richting aan: //,■ góng na om loc. Zoo ook )iuvonant uit nu avonant, naar avenant.

In plaats van naast gebruikt men meestal nc/fo of boiujfo: Hij zat /lak ne/jo, boiujl'o mo.

ocr page 56

W O O R D E N LUS T.

A.

aan —; zie an.

achtaranschijto, st. ww. intr. Achteraan-komen. Alleen in verbinding met k o in e n. {{ Och ja, jij kóm natnurlak weer achtaran-schijto. — Vgl. nog ANSCHUia. Volgens Bii-derdijk, Aant. op Uuygens 4,145 wa-ren schij t en en sch ij teren vroeger plompe benamingen voor drenlelen, talmen , dralen.

achtaröitboero, zw. ww. intr. Achteruit-(jaan. — Volgens liet Ned. Wdb. i. v. in Holland weinig bekend, maar hier en in andere streken zoowel in eig. als fig. zin algemeen in gebruik.

achtersta, bnw. Zegsw. Op zon ach-1 o r s t a p üo t o gaan s t a a n, op zijn acIUerpooten 'jaan slaan 1| Al góng jo nou op jo achtersta pooto staan, jo krijg toch jo zin niet. — Evenzoo in de Neder-Betuwe (Onze Volkstaal % 77). Zoo ook School-Dicester bl. 35. Vgl. voorsts. aordodonkar, bnw. Pikdonker. Alleen praedicatief. H Ga maar niet to laet na hóis, want ot zei van aevand aerdadgnkar wórra. — Vgl. Zaansch: 't 1 s pik en e e r d, 't is pikdonker (Bokkknoogen i. v. aard e). aerepal, znw. in. Aardappel. — Zegsw. Aerapala m i t blixita voetiies, aardappels zonder rjroente of vleesch (spek) er hij. — Zan aerapala ófgieta, wateren (zie Doekenoogen i.v. aardappe 1), zal wel algemeen Nederlandsch zijn. — In dan aerapal, in den tijd, waarin de aardappels gedolven worden. {{ As wa nou damêê in dan aerapal nog maar wat goed wéér hebba.

aerapala, zw. ww. intr. Aardappels ver-bouwen. H Vroegar wastie an gmilan boor in nou aeropalt-ie nog zix) wat.

af —; zie óf —.

ai, znw. onz. Ei. — Zegsw. at van a ia ra maka, hel bont maken, opspelen. |1 Wat hebba die jóngas at wéér van aiara ga-maakt. Evenzoo in het Westen van Noord-Brabant (Onze Volkstaal I, 201) en eldeis. — Dal is at aiara -êta niet, dal is de zaak niet, daar wringt de schoen niet. aiarwaga. znw. in. Lichte vrachtwagen op vier wielen en geivoonlijk zonder vee-ren . |1 Dat vrachie ken ja mit dan aiarwago wel wegbrenga. — Vgl. kros.

akalak, bnw. en bijw. Akelig. Zie § 58. algaanda (hoofdtoon op al), lijw. Gaandeweg, allengs. || Dat gat wordt algaanda gmgt;-tar. — Zoo ook bij Boekenoogen. allamenselak, bijw. Buitengewoon. |{ Dat kind is dan allamensalak ondeugand. Ik heb allainensalak venl plazier gohad. — Ook als uitroep: Allamensalak, wat is die vent sterrak! — Zoo ook elders.

als; zie as.

ambras , znw. m. Drukte, beweging-1| Ho, ho, wat an ambras; hou-ja maar an bietJie kunst. Van fr. embarras.

anbranda, zw. ww. intr. Toornig, boos worden. || Ja mag wel oppassa, want hij brandt gouw an. — Vooral dikwijls zoo het verleden deelw. — Het Aeci. Wdb.


ocr page 57

ANG3WIND—BAK,

45

geeft deze beleekenis van a a n b r a n d e n als verouderd. Doch behalve in Zuid-Nederland (zie Di: Ho en Scuckrma.ns) is hel woord ook elders bekend; zie IJukkenuoc.kn i. v. en vgl. Vondel (ed. Tiiijm) 1, 303, waar het a a n g e b r a n d e w ij f staat zonder ophelderende aanteekening van den uitgever.

angewind, bnw. Alleen praedicatief. Kukel in de uitdrukking angawind zijn, )iaar zekeren kant gekeerd zijn, van den wind. |{ Do schuur is heelamaal öfgobrand, maar ot huis is blij va staan, want ot was niet angowind. As ot angowind is, ken ja hier da bóbta óit Kotterdam hlt;x»ro llóita. — Vgl.

ÓFG3WIND.

angrónda, zw. ww. trans. Gronden, mei de voelen grond, kunnen krijgen in hri ivaler. Gewoonlijk met k u nnen. || Jongos, pas maar op init zwemma in ga alléén maar op plaesa, waer ja 't ken angronda. anhómmole, zw. ww. intr. Zich vaslhech-tm aan. Van ijs olquot; stollend vet. || Giet dat vet maar 6it dat pannachie, andars gaat ot maar anhómmala in dan ken ja't damêö niet scIhmju krijga.

ankléeje, zw. ww. trans. — Zegsw. lem. m it wat {ergens mee) a n k 1 et? j a, 1) iem. de schuld van iets geven. |{ Och zw, jonga, hebba za jou daer weer mëê angaklet'd. — 2) iem. met iets opschepen. || Nou, dan bin-ja ók angakletsl, as ja zob'n dómma jónga mót leèra.

anloeto, zw. ww. trans. Den grond om de aardappelplanten, wanneer deze een zekere grootte hebben bereikt, ophoogen. {| Mólte die aerapela nog niet angaloet wórra ?

Vgl. Sciiuermaxs op a a n r i n g e n en a a n k u i 1 e n en zie loet. annemaling, znw. m. of v. Jongmensch, dat lidmaat van de kerkelijke gemeente wordt. || Weet ja ók, hoeveul annêMnalinga don domanëë van da jaer hail? Zoo ook elders. — Het ww. a a n n e in e n in den zin van lot lidmaat een er kerkelijke ge-meente maken komt voor in hel Ned. Wdb.; het daarvan afgeleide subsi, ontbreekt er echter.

anschijta, st. ww. intr. Langzaam of te laat aankomen. Alleen in verbinding met k o m e n. || Wat kom jij weer lammanadag anschijto. Daer komt hij ók nog anschijta. nou wij klaar zijua. — Vgl. achTjIRAN-SCHUTa en zie Moi.ema i. v. an schieten, antwoord, znw. onz. Tegenwoordigheid, aangezicht. Alleen nog in de uitdr. i n i e m' s a n t w cm» r d, waar hij bij is. || Dui ralquot; jij am dal in zan antwcMwd zegga? — Vgl. got. and-wairpi, mul. antwerde enz. as, voegw. Als. Vgl. § 57. — Soms nog iu den vorm a z z a en wel voor het toonlooze Wfgt;, :j of dor (niet voor ja) en voor wij, wijlie, jullie, heidie en zullie. || Azza wa ganócht hebba. Azza jullie klaar binna. Azza heulie nou maar wilia. — Vgl. Boeken-OOGEN i. v. a 1 s.

aventuro, zw. ww. trans. Wagen. || Durraf ja dat niet avantura? Nou, ik avantuurda at maar; at zei wel luk ka. — Zoo ook bij 1)1-: lio. Zie voorts Ned. Wdb. op a v e n-t u r e n.

B.

badderaaf, znw. Scheldwoord. Alleen in s c li n I a n b a d d a r a a f. Uij Sciiüeiimans komt een woord b a t r a a f voor, waaronder hij verstaat «de personen, die de steenkolen uit de schepen op de voertuigen laden ». Uit woord is wol een samenstelling van bat (/.ie Ned. Wdb.% 10(30) en raaf (de personen zoo geheeten naar hun zwart uiterlijk). Uit persoonlijke medcdeeling is mij gebleken, dat dit batraaf te Maastricht als gewoon scheldwoord wordt gebruikt. Misschien is dus het Beierl. badda-r a a f hetzelfde woord.

baerdterrö, znw. m. Tarwesoort, waarvan dc aar evenals bij yerst kafnaalden bezit. — Vgl. EXGTERRO.

baerze, zw. ww. intr. Jiaars vanijen. {| Wa binna wöza baerza. Oit baerza gaan. Wêêt-ja goeja slóöt, om to baerza? — Even-

zoo elders; zie Büekenooge.n 27. bak, znw. rn. Zie de wdbb. Het verkleinwoord bakkie beteekent ook 1) kopje |{ an bakkia koflie. — 2) schoteltje || komnia-chies in bakkies. — Beide beleekenissen


ocr page 58

BANK—B3SLACHTE.

zijn ook in de volkstaal van andere streken bekend; zie Ned. Wdb. *-2, 871 en 87t2. quot;bank, znw. m. Een eyale donkere si reep streep van wolken, die zich langs den horizont uitstrekt. H Wo krijga zêkor ivgon; | kijk daer os on bank in ot Westo zitlo. — Evenzoo elders; zie Boekenoogen 31, Mo-lema 19, De Bo2 70 en Ned. Wdb. 2,979. bodest, bnw. en bijw. Zedig, stemmig, in-getogen. Vgl. behalve § 35, a, ook nog Molema i. v. bede s d.

bedrijf, znw. rn. Zetboer; iem. die voor een ander diens boerderij bestuurt en daarop dan ook woont. || Hij bait twcT' slöêjo; op don tv no weunt-ie zeilof in op don andore bait-ie on bodrijf zitto. beeldwit, bnw. praed. Iemand, die beeldwit is, is volgens bet volksgeloof meteen be Hem geboren en bezit daardoor eenige gebeirnzinnigeeigenscbappen,die hem meestal niet veel plezier bezorgen. Heeds van te voren weet hij , wie er in zijn buurt zal sterven; ook een ander kan dal te weten komen door hern, die beeld w it is, over den linker schouder te kijken. Een doode, die boven aarde staat, wordt van te voren — natuurlijk om twaali uur 's nachts -begraven door hen, die beeldwit zijn. Wee dan een gewoon mensch, die op dien tijd midden over straat loopt en den on-zichtbaren stoet tegenkomt! Zonder iets te zien, wordt hij eenvoudig opgenomen en aan den kant gezet. Nog een ander verhaal zegt, dat iemand die beeldwit is, eenige keeren —weer 's nachts om twaalf uur— buitenshuis moet komen, wanneer dicht bij hom een sterfgeval ophanden is. — Vgl. nog Onze Volkstaal k2, 148 en voor de geschiedenis van het woord behalve ^ 40 c, nog Mnl. Wdb. i. v. b e 1 e w i 11 e, alsmede Paul, Grundriss 1, 1019, waar een andere, maar m. i. verkeerde etymologie wordt gegeven.

behaimd, bnw. Alleen praedicatief. Geheimzinnig. H Vraeg-t-or hum maar nip(t) na; hij is or zoo bohaimd mtv, dattie ot toch niet zait. — Te Mijdrecht beheimsl.

bahang, znw, onz. Behangsel. H 't Wordt tijd, dat or os on nieuw bohang op die

muur komt. — L ven zoo elders; zie ue uo-84, Mole.ma 23 en Boekenoogen 46. bakaijo, zw. ww. intr. In llauwte vallen, bezwijmeji. || Ju zou hier bokaijo van do stank, bokant, bijw. Bijkans. Zie § 80, a. || Dat

was bokant raak.

balazara, zw. WW. trans. Voor den gek h o uden, bei I riegen. 11 \ V ë-j o (= 11 riljj) m ij»» bolazoro'? Nëë, vrind, dan mö-jo (mót-jo) vroeger opstaan! — Vgl. het volgend artikel, alsmede la/hrból, LAzaaa, LA/auu, lazhrs en OPLAZi-ma. Al deze woorden, die alleen in platte taal voorkomen, staan op de een of andere w'jze in verband met den bekenden Lazarus uit den Bijbel. Alle zijn tevens in die platte taal zachtere uitdrukkingen voor aequivalente samenstellingen met of aÜeidingen van donder, belazerd, bnw. Gek. || lün-jo bolazord!Bo-lazordo kaerol! Zie Mnl. Wdb. op b e Ia-se rt. — Buwei' bodondord.

berzie, znw. m. Hoop, menigte. {{ O, ik ken dor best wat misso, ik heb or toch on heel o berzie van. 'n berzie jongos. — In denzelfden zin ook op Walcheren (Sch. t. U'. 1, 138) en in Groningen (Molema 30). Hoewel de beteekenis verschilt, zal het wel hetzelfde woord zijn als Zaansch berzie. smeerboel, vuiligheid (Boekenoogen 53) en Hoogveluwsch bar zie, vuile rommel {Onze Volkstaal 1, k247).

boschijte, st. ww. trans. 1) Met een zaak als object: er voor bedanken, niet willen doen. || Ik boschijt het wel lekker. — 2) Met een persoon als object: niet willen doen, wal iem. wenscht.\\i\i. boschijt oin,laet-ie ot zeilof doen.

besjoechele, zw. ww. trans. Beet nemen, bedriegen. Alleen in den inlin. || Pas op, laet Jo niet bosjoecholo. Hij wou mo bo-sjoecholo, maar hij had gtvn kanst. — Het woord ziet er Joodsch uit, vgl. echter het volgend artikel.

besjoechold, bnw. Bezeten, gek. || Be jo (= Bin /e) bosjoechold? — Zoo ook aan de Zaan, zie Boekenoogen 55, waar het fri. bisiuhi (mill, besiect) wordt vergeleken, baslachte, zw. ww. trans. Slachten, lijken op. || Dan boslacht ik net jou! Hij boslacht


ocr page 59

B3SMETT3L3K-BLIK (II).

47

ók al Ja rest (hij ia nel als alle anderen). basmottalak, bnw. Licht hesmel wordende, gemakkelijk vuil aannemende.. || 'n basmf-t-lolijke stóf. — Zo» ook elders, bessteebord, znw. odz. Plank in ile hrd-stede aan het voeteneind. {{ Man naclitmust lait op at besstêëbord.

bessteeplank, /.mv. m. Losse plank aan den voorkant cener bedstede, heddepUutk. f)e bessteepl ink staat in oen glenlquot; en kan weggenomen worden.

bostöita , ww. trans. Alleen in infin. Ojh/#';'-

nemen. [| Dat diirraf ik niet bastóita. bastdöts, ww. Ilotzelfde als i-.hstóitm. botoetord. bnw. Alleen in de zegsw. Uin-ja ba toet a rd? Ben je ijrl;:' — Vgl. Boekenoogen 59.

beugalzoet, znw. m. Blanke aafftuppel.—

Vgl. bi.omzoet.

beuzomo, zw. ww. inlr. Met zen tweeën naast elkander {en niet achter elkander, zooals hier gewoonlijk geschiedt)schaatsen rijden, waarhij men dan elkaar mei ge-kruiste armen de handen geep. || liij bait dan héèla middag mit ol/.ollafde maisJie gabeazamd.

biggol, znw. m. Keitje, steentje. || Slit on biggal gooia. — Misschien ndl. b i k k e I. kei Ier grootte ven een bikkel ( Va\ Daij:), rnnd. bickelstên. S'olgens Dk Ja(;i;i; , Freg. I, 2G zoi men voor bikkelen, met bikkels spelen, voorheen ook bigge-1 e n. Vgl. nog b i g b e 1, sluiter of groole. knikker in Onze Volkstaal 'i, '21'2. biggalhobp, znw. m. Grindhoop. bijlappa, zw. ww. trans. Alloen in i e ni. dor bij la pp o, icm. heboden. || As ja IrgownoiHlog maar vóil op straet gooit, wór-jo dor al bij go lapt.

bing, znw. m. Steviy touw, om ren roer hooi enz. op ibni wagen vast te hinden. Eigenlijk wordt do p o 1 d o r b on m (zie dat woord), die over het voer ligt, er van achteren mee aan den wagen gebonden. || Jongos, dat voer zit veuls to los, haal do hing nog wat strak kar an. — Daar van voren de p o I d o r b m onder de sporten van een leer wordt gestoken, kent rnen hier geen v o o r- en a c h t e r b i n t, zooals elders; zie bijv. Moi.ema '2 en Bokken-oog en 0.

binnavettar, znw. m. Iemand, die onder den schijn van niets te bezitten, een aar-dig kapitaaltje heeft, dat al aangroeit.— Zoo ook elders. Van Dale kent dit woord niet; wel binnenvetje in overeen-komslige heteekenis.

bladdoro, zw. ww. inlr. liij kleine stuhjes loslaten van een ergens op aangebrachte laag. Vooral van verf: in hobbels trekken en dan loslaten. || Hier an da zonkant gaat allo vnrrof bladdoro. — Hoewel Van Dale het woord niet geeft, schijnt het toch algemeon Ned. te zijn; vgl. Mnl. Wdb. i. v. blader en De Jager, Freg. 2,35. bladdorog, Imw. Schilferig. || Do muur wordt bla-klorog. — Vgl. Boekenoogen G9. bied, znw. onz. Blad in sommige beteeke-nissen. || Bled van on tang, on vurrok en/,. lUed van on kachol (= deksel). — Zie § 2, a en vgl. .]/;lt;/. Wdb. op biet.

blèës, znw. m. Bast van vruchten. Volgens Van Dai.e alleen van graankorrels; hier ook van andere vrnchten || blözo van króis-dorons, aelobessa.

blentar, znw. m. Groole mond, mater. || Hou jo blentor toch wat! —OoV.: iem.,die een bloder heeft. || Nou ja, die vent dal is on groot on blentor, maar as ot or op ankomt, dan durrof-t-ie nie(l) venl. blentara, zw. ww. inlv. Ken groote)! mond opendoen, veel en luid pralen. \\ Hoor dat wijf daer wihm* os staan blentoro.

bles, znw. m. Witte streep voor aan den kop der paarden, van het voorhoofd tot aan den neus. I)iigt; niet precies wat Van Dale geeft. Zie voorts kol en snuit en vgl. De Hu- '129 en Molema op blespeerd. blik (I), znw. Het geslacht blijkt niet. Alleen in de zegsw. Er is blik in do k a art, wanneer er onder het stok k e (zie op dat woord) een of meer kaarten omgekeerd raken. — Zoo ook aan de Zaan en waarschijnlijk ook elders.

blik (11), bnw. Waar men gemakkelijk kan inzien, open en bloot, te kijk. || liet gordijn mót jo wat laeta zakko. andars is ot z.óo blik in hóis, in dan ken ja van dan


ocr page 60

BLIKS3M—B0LL3K.

4S

dijk of zób inkijka. Wat zit-jo hier enog 1 Ijlik. _ Rit van ilon \vt. van blijken afgeleide woord komt ook in Groningen , voor; zie Moi.ema 40. Hetzelfde is het Zaan- j sche g 1 o o i en het Overijselsche s p e e. | Vgl. Tijdschrift 3, -17.

bliksom, znw. m. Zie de Wdbb.—- Zegsw. blo u wan blik sa m (euphemisliscb: i b 1 o u \v on b 1 i k k i e), zekere water- en meelkost. — Andere benamingen voor ile- | zelfde spijs zijn oi.ipin' en POüwaNBOUT. blikkie, znw. rn. Zie voiig art.

blikskatar, znw. m. Basterdvloek. 1| lo blikskator, wat is ot koud. — Zoo ook i elders. Ook bij Boekenoogen ~i en in 1'riesland, maar in den vorm de, di blikskater.

blikskaters, bijw. Vervloekt. \\ 't Is bbks- |

kators koud! Dlikskalors, wat is ot koud! bloed—aiga , bnw. In i/cii hloech? vrwnnl. tn de uitdr. bloed-aigo fomilie. — Zoo ook elders in Holland en Utrecht (zie { Boekenoogen 75) en misschien wel alge- \ racen.

blöka, zw. ww. trans, hen oor/sl, het gewas opnemen. |{ Sunt Jan is ziki do tijd om lo blöka. Ik bin van ochond os wêzo bloko, maar ik glóöf, dat do appolo nog al raêë zello vallo. — Vooral in de uitdr. tiend blók o, het horen rjaan hezieldii/en of (laan schatten, ten einde bij de tienduer-koopinyen te kunnen bieden. Dit geschiedt 0quot;k wol door personen, welke daarvoor worden aangesteld (vgl. tiendmlokhr). |i Vetkooping der tienden onder Strijen, ge-blookt wordende door P. Daim (uit een advertentie).

blómzoet, znw. m. Blanke aagt appel. Vgl

beuoei./oet.

bloot, bnw. Zie de Wdbb. — Zegsw. blc«it-s c h 1«! f, nadat het gewas van het land is verwijderd. || Dit perceel is to aanvaarden blootschoof IHSI5 (advertentie). — Mow boort ook wel eens s c h i«i f b 1 oo t. |{ De landerijen zijn tot scboofbloot 1900 ver-buurd (advertentie). — Zie nog een zegsw. op AERMPaL.

bócht, znw. onz. Zie de Wdbb. Schuini, uitvaagsel, in toepassing op personen. 1|

't Is jo aigo schuld; dan mót ja mit dat bocht maar niet omgaan. Die héèlo fomilie deug(t) niel, 't is allemaal bocht. — Volgens Ned. Wdb. 3, '2't is deze beteekenis in Noord-Nederland verouderd.

boeno, zw. ww. trans. Met water nat maken en vervolgens met een boender, bezem of veger schrobben. || Da straetboene. Planka boons. — Nooit zegt men bier s t o e! a boen o, maar steeds s t o e 1 a v r ij v a. Zie verder Ned. Wdb. 3, 151.

boera of boerokalaza, zw. ww. intr. Zeker jongensspel. Naast enkele plat op elkaar liggende stoenen (k a i a s) staat een steen rechtop (boer), waarbij een jongen (eveneens boer geheoten) de wacht houdt. Nu trachten andere jongens den kalos met een steen omver te gooien. I.nkt hun dit, dan roepen zij : « boer zet ja kalos op » en trachten, terwijl de boer dit doet, bun s'een weg te halen, zonder door hem getikt te worden. Wie den recbtopslaanden steen omgooit, wordt zelf boer. — Zie Ned. Wdb. 3, 159 en vgl. kai.mzm. böidellang, znw. m. Losse vloer in een roeiboot of aak. || Tarug binna-ma komma zaila. Had ja dan an zail bij jj'? Nee, maar wa bebba da böidellang opgazet (overeind gezel, letjen de docht aan). — Vgl. voor andere vormen Boekenoogen i. v. b u i k-d e n n i n g.

boita, bvw. Huilen den dijk, dns aan den kant der rivier of haven. H Hij weunt l óito (volstrekt niet buiten bet dorp). Wim-mo (= willen we) os boita gaan kijka, of dat da Lóm nog niet an an is.

böitanöf, bijw. op een andere plaats, builen het dorp. Vooral van griendwer-kers. 1| Is jo man tóis'? Niü, die is al veertien daeg bóitanóf.

bókkam, znw. m. Bokking. Zie Scd. Wilb. bölijs, znw. onz. liomij^. |{ Langs do kant is at allomaal bölijs. — Evenzoo op Over-llakkre; zie Sch. t. H'. 1, 102.

böllak, znw. rn. /ijrlak van den bikkel, dat tegengesteld is aan de pulzijde. Dit zijvlak is eenigszins bol, zoodat de naam misschien oen alleiding is van heigen, zwellen', zie Ned Wdb op bolk (11). lt; )p


ocr page 61

BOLSTBR—B0UW3 (II).

49

ürk {Taal- en Leltevhodc 6, 42) heet deze zijde b o k I; e i-1 (misschien voor b o 1 k e r t ?). bolstsr, znw. m. Kleine, witte schubbetjes op het hoofd tengevolge van voos. Zoo ook bij Kiliaen: bolster.... furfures. bómma, zw. \vw. intr. Stooten, bonzen. {{ Hij viel in bómilo mit zon bood tHgo da muur. Ik heb nog al hard op do deur gebómd, maar jullie hóordo niks. — Vgl. Boekenoogen op bommen enNed.Wdb. 3, 336.

bómmand), znw. m. Iets dat groot is in zijn soort. || Wat au bómmard vananappal. Die aerapala binna niet lekkar; !t zijn alla-maal zukka gróota bómmars. — Vgl. Boekenoogen 90 en Ned. Wdb. 3, 323. bónk, znw. m. Groote, donkere wolk. |{ De lucht zit vol bónka; wa krijga nog méor vóll wéér. — Vgl. Ned. Wdb. 3, 358. bónkog. bnw. Groote, donkere wolken ver-

toonend. |{ 'n bónkaga lucht.

bónöf, bnw. Alleen in de uitdr. bón ó 1'

z ij n, goed af zijn.

bónsam, znw. m. Bunzing. Zie Ncd. Wdb.

op b o n z i n g.

bónsama. zw. ww. intr. 1) Op de bunzing-jacht gaan. |{ Dat is an goejan hond om mëë te bónsama. — 2) Door alles heen loopen, zonder iels te ontzien. {| Géén won-dar, dat die jonga altijd mit vóila klompa tóis komt; hij bónsamt ók ovaral maar deurhëën.

bóntovink, znw. m. Botvink. Misschien

een volksetymologische verbastering, bobnekippa, zw. ww. intr. Zeker jongensspel , gewoonlijk echter niet met boonen, maar met grifjes, knikkers, noten'of iets dgl. gespeeld. Een der jongens neemt enkele grifjes (meestal niet meer dan vijf of zes) in de gesloten hand en zegt dan «bóbne-kip?» waarop de ander antwoordt: «Al-las mijn!» No. quot;1 vraagt dan; «Rai-as (Raad eens) h o e v a 1 dar in z ij n? » en no. 2 noemt nu een getal. Heeft hij juist geraden, dan krijgt hij de grifjes; zoo niet dan legt hij het verschil bij.

bdbrs, znw. m. He ziekte, die elders b o r of hort heet. Zie Ned. Wdb. i. v. b o r t. bobt, znw. m. Kleine bundel gereept vlas.

waarvan er negen een grootere bos vormen. Het gereepte vlas wordt in dergelijke bundeltjes gebonden door vrouwen, van wie dan gezegd wordt, dat zij op do vloer werken.

bobt a, zw. ww. trans. Het gereepte vlasin booten binden. Gewoonlijk alleen in den Infin. || Ik ga al jaera lang nie(t) meer b(«)ta., borrap, znw. onz. Bolraap. Van het vlas, dat bij het repen voor of tusschen de reep blijft zitten, hebben alleen de bollen om het zaad nog waarde. Om die er af te krijgen, kan het niet worden bewerkt als het andere vlas. Het wordt op een groot kleed (z a e d k 1 ét' d) uitgespreid en dan door paarden beloopen, of ook wel op de straat neergelegd en dan gratis behandeld door voorbijgangers, voertuigen en niet het minst door de schooljeugd. — Vgl. ook Ned. Wdb. 3, 291.

börspöt, znw. m. Kleingoed van de slacht. || Wa hebba dan bórspót al héèlamaal opga-gêta in mótta nou an da zijja baginna. — Zie Ned. Wdb. 3, 579.

bout, znw. m. Eend. — Zie de Wdbb. — Alleen nog in de samenstelling b o u t-sc h i e t a r, jager op eenden, ganzen enz. Wellicht hetzelfde woord is bout, znw. m., vleesch van vogels, konijnen, hazen enz. || Sondags êta wa gaweunlak bout. Ik heb voor afwisseling wéér as lievar bout as vlais. Vgl. Ned. Wdb. i. v.

bouto, zw. ww. trans. Bout maken van. || Wa zella dien haan maar vetmesta in bouta. Varkoop-ie die knijn of bout ja m? bouwa (I), zw. ww. (met sterk verl. deelw.), Kneden. Vooral van boter gezegd. || Doe nog wat zout op die buttar in bouw za dan goed deur makaar. Nou mót-ja deur dat gahakt as an paar aiara bouwan in wat baschóit, dar. zel-ja as proevo hoe lekkar.— Het woord is ook elders in dezen zin bekend; zie Mnl. Wdb. i. v. en vooral Ned. Wdb. 3, 776.

bouwa (11), zw. ww. Intr. De bouwerij (akker, stallen) gaan bekijken, opnemen. || Ik kom van de wöêk as bij ja bouwa. — Evenzoo elders in Holland, Gelderland en Utrecht; zie Ned. Wdb. 3, 788.


7

ocr page 62

B0V3SERR3MES—DÉÉK,

50

bövaserramas. bijw. Mlt;'t dc hand hoven den schouder opgeheven. |j Bovaserramas gooie (in dezen zin is de tegenst. o n d a r-serromas; zie aldaar). Hij sloeg er bo-vaserromas op. De jongas vielo bovaserrames op makaar. — In de beide laatste voorbeelden heeft de bet. zich gewijzigd tot die van: uil alle macht, met geweld. — liet woord is ook bekend in Brabant (Onze Volkstaal i, 198).

braija, St. ww. trans. Breien. Zie de Wdbb.— Ook in den zin van vlechten. {| on toompie braija; at haar braija.

brain. znw. onz. Brijn , brem. — Vgl. S '12, c. brigbdbm, znw. m. Alleen in de uitdr.: z üö st ij f as an b r i g b óo na, roo stijf als een staak. — Vgl. S 14, b.

broeder, znw. ni. Groot ketelrjehak, bestaande uit bloem, ivater of melk, krenten en succade. Bij Boekenoogen i. v. een gebak, dat anders is samengesteld.

brok, znw. in. Balletje van dik en taai gekookte stroop of bruine suiker, kokinje, babbelaar. — Ook elders, bijv. te Leiden is het woord in gebruik. Kenigszins anders van vorm zijn de kussentHes; zie aldaar.

brokkasóikar, znw. m. Donkerbruine suiker. Zoo geheeten, omdat er b r o k k e n van worden gebakken.

brul. znw. m. Zegsw. Z óo r óo d as a n brul, zoo rood als een boei. — Misschien beteekent brul hier stier, naar het brullen. Iemand met rood haai' wordt hier gescholden voor r ob j a s t i e r.

buchia, znw. onz. Bultje. \\'ii man mit an bucbie. — B u c h i e is het verkleinwoord van buch(t), bocht: vgl. nog Taalgids 4, 30.

bul. znw. onz. Voc/. Gewoonlijk in het meerv. in de beteekenis rommel. || Toe, riddar die bulla as op! — Vgl. Onze \olkstaal '1,198. bulsom, znw. m. Korteliny, dwarshout aan een stelling of steiger. Met het eene eind zitten de bulserns in den muur; het andere eind wordt vastgebonden aan het kruispunt van stellinghout (de rechtopstaande paal) en scheringhout (horizontaal liggende paal voor aan de stelling). — Bij

Kramers : b u n se m; zie De Bo op b u 1-sterhout.

bunzag, bnw. Bang, bevreesd. {| Ik was niks bunzag, toen ik daer voor die hóoge héora stong. — Dit woord komt ook op verschillende andere plaatsen voor; zoo te Dordrecht (Taalgids 4, 30), Vlaardingen {Noord en Xuid 3, 113), op Zuid-Beveland (JV. Mag. v. Ned. Taalk. i, 219), in Waterland (Bouman i. v.) en in Groningen (Molema).

buttarbies, znw. m. Naam eener in sloo-ten groeiende plant. Lat. Typha. Zoo geheeten, omdat het binnenste gedeelte, dat door de jongens wordt gegeten, in kleur en smaak aan boter doet denken, buttarspaan, znw. m. Groole snijtand in de bovenkaak. j| Kijk ik hier as an paar buttarspana hebba staan. Ik wou, dat die buttarspaan dar óit was.

buurta. zw. ww. intr. Ken buurpraatje houden. || Ik kom gouw as bij ja buurta. hoor!

D.

daas. znw. m. Paardenvlieg. Mnl. daes; wvl. daas (zie De Bü) ; kil., daese, daesele, daesene. —- Volgens Van Dale is het woord gewestelijk.

dallaka, zw. ww. intr. Slenteren. Bijna uitsluitend in verbinding met 1 uo p a. || Hij loopt da godgansan dag maar ovar straet te dallaka. — Soms heeft het ook de beteekenis van baggeren, bonsama (zie aldaar), die ook bij Sciiuermans staat opgegeven. |l Deur da slik dallaka. Deur da sneeuw dallaka.

darnpa, zw. ww. trans. Mei vocht besprenkelen, lichtjes vochtig maken (zie De lio-186). 1| Ik zal van aevand dut goed nog dampa, dan ken jij at murraga strijka. deeg, znw. m. Zegsw. d êö g hebba, genoegen hebboi. || Kijka die jongas as an dêêg hebbo. — Ook elders in gebruik; zie Boekenoogen 134.

déèk, znw. onz. of m. Biet, biezen, hout enz., dat bij hoog water tegen den dijk aangespoeld, daar achterblijft. Vuil {water-


ocr page 63

DEEL—DIJK3R.

51

plantoi) uil de dooien. || '1 Wator is zrw hoijf; gswêüst, dat ot déek tot bövo op dan dijk lait. Ik zo» éèst dien drék maar os oit do sloot halo. — Zoo zal ook wel gelezen moeten worden voor liet mij onverstaan-bare veek in Keur v. d. polder, art. 10: 8 De dijken en wegen te zuiveren van alle stekels, onkruid, veek, hout en dgl. » — Ook elders is het woord hekend; zie Boe-kenoogen 13i.

déél, znw. m. Menigte, hoop, boe/. ||'n déél mensa. Waer komt dien déél mensa an éès vandaen ?

deemale, zw. WW. intr. Horsen, onzindelijk hanleeren. || Ja mót mit ja êta niet zóö déèmala. Deur da moddar hivn déèmala. — Gelijke beteekenis hebben ook de wvl. ww. debbelen, d e w 1 e n en d e e f e I e n (zie De Bo i. v.).

déêmst, znw. m. Damp, lichte mist. || Van óohand was-t-ar an biet-Ue dërmst, maar dat is héél gouw opga trok ka. — Misschien gevormd van het volgende woord, déemsteg (déëmstareg), bnw. Min of meer mistig. || Gistaranaevand was at al drömstag in van óchand was at zóö mistag, da(t) ja gét-n tien hóiza ver kon zien. — Kil. d e m s t i g h. Fris. j. deemster. Vgl. verder d e e m s t e r i g te Vlaardingen , Noord en Zuid 3, 113 en te Boskoop, id. 3,182, en zie Mul. W'db. op deemster. Waarschijnlijk is d ëë m s t a r s g een uitbreiding van d ëê ni s t a r en is d ëê m-stag uit dëëmstarag ontstaan naar analogie van andere woorden.

debsame, zw. ww. intr. Morsen, jj Wat sta-ja daer wéér ta dw'sama. — Ook in den zin van d a 11 a k a, b o n s a m a (zie aldaar). || Hij déèsamt ók overal maar deur-hëën. — Wel een alieiding van déèsam, znw., dat als scheldwoord zoo wat gelijk staat met d w a i 1. || Vóilan déèsam ! del, znw. vr. en onz. 1) Morsig of gemeen vrouwspersoon. || Nou, maar ja laet die vóilen del maar stil lóöpa. Ik zoumitzóö'n del niet ta doen willa hebba. — In deze beteekenis komt het woord ook elders voor; zie Mnl. Wdb. op dille. Van Dai.e geeft het echter als gewestelijk.—'2) Vod, nietswaardig ding. || 'n del van an jurrak. dellaf. znw. m. !) Het delven der aardappels. || Hij bait dan dellaf bij dien boer. — 2) lie tijd, waarin de aardappels gedolven worden. || Uamëë in den dellaf heb ik héèlamaal géén tijd méér.

domót!. bijw. Aanstonds, meteen. || Ik kom dornëë. - Evenzoo op vele andere plaatsen. Vgl. voor de verschillende vormen van het woord Boekenoocen 140 en Molema83.— De vorm d a m ëë kan echter wegens de zachte e moeilijk beantwoorden aan mnl. tunieer. Eerder is hij met syncope der r ontstaan uit dormëë, evenals noordholl. damee uit daarmee (vgl. Gron. damet, dommit, damt, domt bij Molema en zie De Vries, Vocalisme van Noordhorn §27). Dat ook de vormen met t aan het begin (Overijs. lammee, tamee; Geld. temee, Utr. en Amstelland temee) denzelfden oorsprong hebben, is minder waarschijnlijk. In Noordwijk hoorde ik tamet in den zin van aanstonds: Bin ja nog niet klaer1? — Ja, tamet.

derrom. znw. m. Scheldwoord. || 'n minnan derram van an vent. — Een verkorting van het eveneens gebruikelijke: an minna zjenderram, van fr. gendarme. deurmiddo, bijw. Middendoor. || Deur-midda brëka, slaan. — Evenzoo in de N. Betuwe (zie Onze Volkstaal 2, 83) en elders. In plaats van deur m i d d a zegt men ook d 9 u r da m i d d a.

diel (daarnaast ook duul, bijv. aan De Zinkweg), znw. m. Naam eener plant, die in sloot en groeit. Lischdodde, lat. Typha. — Evenzoo elders; De Zaan: d uu 1 of d u i 1 (zie Boekenoocen 187), Friesland (Hai.-biïrts.ma 775) en ook in Zuid-Nederland (d u i I. Noord en Zuid 0, 20). — De bloemaren dezer plant heeten hier POELa. dij, znw. rn. Uitzcttiny, grroei. || Oar zit geen

dij in die jonga.

dij kb eest, znw. onz. Onbehomren mensch. || Wou-ja ia non mit zoo'n dijkbwst ófgëva? dijker, znw. m. Dijkwerker. — Zegsw. ë I a as an dij kar, verbazend veel eten. — Zoo ook in Gron. en Oost-Friesland (Molema 73).


ocr page 64

DINCHIE—DOT.

52

dinehie. znw. oiiz. Maatje van '2 dL. || 'n dinchie erta, 'n hallava kop in an dinehie. dippa, z\v. w\v. intr. Jongensspel. Met een lederen riem centen naar een zeker dool langs den grond voortslaan. — Aan de j Zaan heet hetzelfde spel dagen (Boeken-oogen 128) en in Dordrecht tikduitje spelen (Taalgids 4, 46).

dipriem, znw. ra. Smalle strooi; leder,

waarmee men dipt.

dirrokandons. znw. Zie icaiiDONS. dis, znw. Het geslacht blijkt niet. Zegsw.

maak géén dis, wees niet fauw. döbbal, znw. ra. Zie de Wdbb. — Zegsw. dar zei an k w a j a n dobbel o v a r j loo pa, het zal verkeerd uitkomen. || As daer maar géén kwajan dóbbal ovarloopt, dat hij zólt;) opgawónga is.

doezalag bnw. Soezerig, donmelir/. || Wat

ziet die jonga dar doezaleg óit.

döija, zw. ww. intr. Tuiten. |{ Wat inaka die kindara toch an leva; man obra dóija darvan.

döimales (raet bijtoon op -les), znw. onz. ] Omslag van een schrift of hoek. {| .Ie mag wel as an nieuw dóiraales om dat boek doen. doivalseta, znw. onz. Paddestoel. — Vgl.

De Bo2 2i4.

doivalssterrak, znw. onz. Zekere blauwe | stof, waarvan borstrokken en onderbroeken xvorden gemaakt. — Zoo ook aan de Zaan (Boekexoogen 185) en in eenigszins | andere beteekenis in Groningen (Molema 94). j dol (I), znw. in. Last, moeite. || Mit die jonga heb ik al wat dól gahad. — Zoo ook in | Brabant (Onze Volkstaal 1, 200) en in 1 Zeeland: Domenie, heb je niet dól mit de guus (jongens)'!

dól (11), bnw. Zie de Wdbb. Ook geheel en al, als bijwoord. || Dól lêëg. — In deze laatste beteekenis ook aan de Zaan ( Onze Volkstaal \ I, 35), hoewel Boekenoogf.n het niet geeft. Wel hetzelfde als het bekende bnw. bijw. | dol, in gewijzigde beteekenis.

dómpa, zw. ww.— 'l)lntv. Voorover duikelen. {{ Lait (= Laad) da kar van vöra niet j ta zwaer, andars dórapt-ie. Stëêk ja rib nog wat verdar ondar da zerrak, dan dómpt-ie j van zellaf. — 2) Trans. Voorover doen dui- \ kelen, naar beneden doen dalen. \\ Ik zal da kar dómpa. Nou raótta jullie da zerrak an gunt end dómpa, dan zal ik ar hier da rib ondar óit halo. — Voor de etymologie zie Francic i. v. dompelen, dóndarbuslie, znw. onz. Slaghoedje op

geweer of pistool.

dóndarkop, znw. ra. Alleen in 't ineerv. Wolken, die donder voorspellen. || Kijka daer in 't Westa as an dondarkoppa zitta.

— Evenzoo elders (BoekknOOGEN 102, Mo-

1.eji.v 92). In Zuid-Nederland noerat raen ze d o n d e r t o r e n s (De Bo 216 en Sciiuer-mans). Als algeraean Nederlandsch geeft Van Dale (op kop II); er k o ra e n koppen opzetten, er zetten zich koppen, er komen donderwolken in de lucht.

dóndarstëen, znw. m. Scheldwoord. || Liv-

lakan dóndarstéèn! Ook elders.

dóns, znw. ra. jBons. || Wat gaf dat an dóns!

— Vgl. Gron. dons, daons, slag op den rug, een bons, een slag die bonst (Molema 83), Ooslfri. duns, dreunende val. — Zie het volgende woord.

dónsa, zw. ww. intr. Stampen, bonzen, dreunen. || Wie l()bpt ar toch zóo op da zoldar ta dónse? Hoort dat as dónse! — Vgl. Kil. op d onsen en De Jager,Freq.

2, 82. Ook in Groningen en Oost-Friesland is het woord nog bekend: zie Molema 83. Waarschijnlijk is hel verwant met ndl. deunen, mnl. deunen, doner:, dreunen ; zie Ned. Wdb. op g e d o n s.

ddbdetar, znw. m. Sul, sukkel. || Denk ja, dat ik rait zoö'n dóüdêtar óit wil gaan. Dat is dan an echte dóodêtar; as-t-ar nog as wat ta doen is, wil-d-ie altijd raaar tóis blijva. — In dezen zin ook bij Molema 84; in andere beteekenis bij Van Dale.

ddbn, bnw. Vochtig, klam. || 't Wasgoed is nog dexin. Dut vartrek is altijd min of méér doTin. — In dezen vorm ook aan de Zaan en elders in Noord-Holland (Boeken-oogen 105). Over den oorsprong zie men § 35, b.

ddbnag, bnw. Hetzelfde als dóon. || 't Wasgoed is nog dóbnag.

dót, znw. ra. Menigte, hoop. ||'n dót mensa.


ocr page 65

DRAINZ3—EEGD.

53

Hij hait on héclati dót geld. — Syn. herzie,

dóol, sjerzie.

drainza, zw. wvv. intr. — i) Vocht, vooral olie, doorlaten. || Da lamp drainst.— 2) Door iets heendringen, van vocht. || Don olie drainst deur do lamp. Jo vloeibord staat niet goed, want ot water drains! or ondor j deur.

dribbala, zw. ww. intr. Met de beide voeten vast leijen elkaar aangesloten springen. {I Ovar dut slóbt-iie ken ik gamakkalak dribbala. — Zoo ook te Sliedrecht (Taaien Letterbode 5, 193) en waarschijnlijk { ook elders. Dez.e beteekenis wordt althans als de gewone opgegeven door Huydecoper | op Melis Stoke 3, 371.

drieling, zn.v. m. Aardappel, die in grootte, op den pater volgt. {{ Bij da aerapala heb-ie kriel, poters, drielinga iu gnïita. Soms ook in uitgebreider zin voor wat niet groot is. {{ Die jonga groeit ók niet hard; hij zei altijd wel an drieling blijva. — Deze bet. is misschien voortgevloeid uit. een oudere, nu nog in het Wvl. bekende, van het drie vierde van iets', zie De Bo2 232.

dril, znw. Het geslacht blijkt niet. Alleen in de uitdr. dril an iem. hebba, niet geven om. || Laet am maar te keer gaan , ik heb toch dril an am. — Vgl. m e r t hebben a a n.

drills, zw. ww. trans. Hetzelfde als ii:i-sciiUTa. || Nou maar ik zou am lekkor drilla, éèr ik dat vóór am dëê.

droel, znw. m. Kouwelijk persoon. || Dien droel zit ók altijd maar bij da kachal. — Zie het volgende woord.

droela, zw. ww. intr. Lang-aam schieten of stooten bij knikker- of biljartspel. || As-t-ie da balla maar in an hoekie hait, dan j ken-die wel an éès óitdroela. — Een hieruit afgeleide bet. kan droela hebben in de uitdr. a c h t a r do kachal d r o e I o, steeds bij do kachel zitten. — Dat het woord j hetzelfde is als ndl. druilen, talmen, \ schijnt te volgen uit het Dordtsche d ruilen, dat in bet. met beierl. droela over- I eenkomt; zie Taalgids 4, 31. Vgl. ook nog De Jager, Freg. 1, 90, alwaar een drietal voorbeelden van d r o e 1 e n in den zin van druilen. Maar zie ook Boekenoogen i. v. drol en drollen.

d roil O rog, bnw. Regenachtig, dreigend met regen. || 't Is dróilarag wwrüie. Het luchie staat maai' dróilarag. Zoo ook elders, droipo, st. ww. intr. — 1) Vallen , van vruchten gezegd. || Van deuzan bóom dróipa altijd veul appals. — 2) Vruchten laten vallen, van vruchtboomen gezegd. || Ouwa bóbma in bóoma op maegara grond dróipa at erragsta.

druk, bnw. Zie de Wdbb. Zegsw. H ij hait at z ób druk as an sc héér baas m i t éè n a klant, schertsend voor: hij heeft zoo wat niets te doen.

drusao, zw. ww. intr. Altijd en aanhoudend tegenspreken, met elkaar redetwisten. || Ja neef is gwn prettaga man om mir te prata; hij drust altijd zoo. Nou binna jullie op zan best bij makaar in nou zit ja al te drussa.

drussard, znw. m. Iem., die drust. || Ja

bin an echtan drussard.

dui-, zie op dói-.

dutóp, bnw. bijw. iVaar dezen kant. || t Dutopsta hóis is van hum. Hij weunt an endiie dutoppar. Zoo ook elders.

duul, zie diel.

dwail, znw. m. of vr. Syn. van dei. in beide beteekenissen. || Die must staat as an dwail op Ja bood. 'n dwail van an must. — Bovendien wordt d w a i I hier ook gezegd van mannen, vooral van hen, die beschonken over straat loopen. 1| Dien dwail van an vent loopt ielakan dag zóo. — Dweil vr. morsige vrouw is algemeen Ned. dwaila, znw. ww. intr. Slenteren. || Ik wil niet hebba, dat jij saevas maar ovorstraet lijiip dwaila. — Evenzoo hij De Bo2, 248 en elders.

E.

eegd, znw. m. Egge. || Het slechten moet geschieden met eegden, voorzien van ijzeren tanden. Keur v. d. polder art. 5. — Mnl. egede, Kn.. eeghde, De Bo eegde. Zie verder Franck op egge. — Naast eegd is evenwel ook eg in gebruik.


ocr page 66

EEGD3-EV3L

54

eegds. 7.\v. ww. traus. Kggen. || Is dat I'tnd al gaêegd'? — Het wordt echter zelden gehoord, daar men gewoonlijk slecht a gebruikt.

een, vnw., telw. Zie de Wdbb. — Bijvoegl. Een zekere. {{ ICen-ja hier niet étmo Jansa? — In zon éèntHe, alleen. || Ik zit j saevas altijd maar in mon éènUie te wer- I roka. — Zoo ook elders, vgl Boi:kenoogen 189.

éèngaal, bnw. K/fen, gelijkmatig, gezegd van de lucht, wanneer ze geheel betrokken j is en men geen wolken kan onderscheiden. {| 't Wonit on óèngala lucht; da bói zei hétda- j maal óitregana. 'n wngala reganlucht. — Van fr. ég al door bijgedachte aan een. Met gelijke verbastering, maar in anderen | zin ook elders gebruikelijk ; zie bijv. Molema 481 (yngaal), 495 (a in ga al) en 581. eenken (met bijtoon op -ken), bnw. Eenkennig, van kleine kinderen. ||'t Is zóbpla-zierag, as da kindara niet éènken zijn. — Aan de Zaan zegt men een k end (Biie-kknoogen 190).

eenlak, bnw. Daarnaast ook eentalak; Eenzaam. |1 Wat weun ja hier ivnlalakl 'n (h'nlaka weg.— Zoo ook bij De Boquot;-!254: ; e e n d e 1 ij k , e e n 1 ij k, solilarius; zie ook Mnl. Wdb. i. v.

eentalek bnw. Zie wxl:ik.

eeuwes, znw. m. Laag, moerassig weiland, \ dal bij hoogen waterstand wel eens geheel [ onderstaat. 1| Da Jongas hen {hebben) al schaesse gorêjo op dan éèuwas. — Vgl. [ hiermee het brab. eeuwsel (ön ze Volkstaal 1, '20'2) en mnl. eeusel, eeuse-line; zie Mnl. Wdb. op die woorden, effles, bijw. Eventjes. 1| Ik mót nogasefiies

weg.

ei-, zie al—.

eldor, znw. Volgens. Di: Jager, ilag. van Ned. Taalk 5, 41 moet dit woord op de Z.-Hollandsche eilanden in gebruik zijn voor uier of borst. In Oud Beierland en naar ik meen in den geheelen omtrek is het onbekend.

end, znw. onz. Einde. Zie de Wdbb. — Zegsw. Daer is at end van varlóra, van weg, daar komt geen eind aan.

Aan de Zaan met andere beteekenis; zie Boekenoogen 195. — T e n d a z ij n, klaar zijn. || Bin ja nog niet haast tenda? — Ten da asam zijn, doodaf zijn. || 't Paerd ken nio(t) méér loopa; at is tenda asam. — Ten dan an, aan het einde van. || Ga jij maar tendan an de taefal zitta. Zie De Vries in Die Jager's Archief 1,76. endelang. bijw. In de lengte. |{ Da balla-kars legga endalang(tegenst.: overdwars). Endalang óit valla (zoo dat men in zijn geheele lengte op den grond ligt). — Vgl. ags. a n d 1 o n g.

endeste, bnw. Uiterste. || Dan endestan biibm zou ak maar ómhakka. — Vgl. mnd. e n-deste, mnl. end els te, overijs. e n-d ens te en gron. endels te (Molema 101), alle in denzelfden zin.

eng. znw. m. Naald aan het kroonkafje van zekere graansoorten, jj Twee hectaren tarwe in Kalisland, geteeld van Canada-tarwe zonder baarden of engen (uit een advert.). — Vgl. gron. ang (Molema 8); mnl. a n g e, stekel; ags. o n g a; ohd. a n g o en on. angi, en met i-suffix ndl. angel onz.

engelse, zw. ww. trans. Aait de Engelsehen verkoopen. || Mooi zijn da krieka niet; ik glóof dat at 't beste is, om za maar ta engalsa. As ja da krieka engalst, maak ja wel niet zoo veul, maar ja heb ók veul minder last. — 't Werkwoord is van zeer jongen datum en eerst in den laatsten tijd in gebruik gekomen, sedert men allerlei vruchten naar Engeland zendt. Van het al of niet trekkff van dan Engalsman hangt tegenwoordig dan ook veelal de marktprijs dier vruchten af.

engalse kroiwago. znw. m. Een stoot met de knie tegen iem.'s achterste. || Wacht, ik zei jou as an paar engalsa króiwagas gëva. — In Dordrecht zegt men daarvoor pofkonten; zie Taalgids 4, 41. engterrö, znw. m. liaardtarwe. Zie BAicitü-terrö.

ët9, st. ww. — Zie zegsw. op DUicm.

ëval, bijw. Evenwel.\\ Xou, sla-t-am maar niet, hij zei at öval wel doen. Zoo ook in Noord-Holland; zie Taalgids 1, 102 en


ocr page 67

FALIE—FLIPD0IM3.

Boekenoogkn 123. Vgl. voorts Ned. Wclh. ' op a 1 e v o 1.

F.

falie, znw. m. Alleen in de zegsw. op z a n falie h e b b o, k r ij g a, staag krijgen en op zon falie g ê v a, komma, slaacj rjeven. || ,tonga, as ak ja krijg, zal ja [ flink op ja falie hebba. Ik zei am as Hink j op zon falie gHva. — Van Dale geeft de ; uitdr. als gewestelijk. In den zin van retjen-manlel voor vrouwen (Van Dale) is het woord falie hier niet bekend.

fasie, znw. m. Gelaat, wezenstrekken. {{ Ik gloof nog niet, dat hij bëtar is; zan lasie sta ma ta minsta nog niks an. Da fasie van zan vadar lait dar wel in. — Van fr. face. Ook elders bekend.

fanijn, znw. onz. Zie de Wdbb. op venijn. Ook collectief voor verschillende insecten, zooals rupsen en luizen, die schade doen aan planten en vruchten. || Dor zit veul fanijn in de bóbma. 'n llinke onwéèrsbcM zou an hoop van dat fanijn varniela. — Zoo ook bij De Bo2 278.

liboldafors, bijw. In eens, hoofd over i kop. || Dat góng or maar fibaldafors van deur. 't Mot ar ók alias zoo fibaldafors na j toe. — Misschien een verbastering van fr. vive la force. — Men zegt ook: mit an fibaldafors!e.

fljchie, znw. onz. Verkleinwoord van !■' ij a, Sophia. — Zegsw. f ij c h i e da v «) r s t o, haantje de voorste. || Natuurlak, dat hait zij j ók al wéér; zij is mit alias fijchie de voorsta, flnansle, znw. m. Zegsw. fin an s ie z o e-ka, uitkomst zoeken, zich zoeken te redden. || Ik ken da jongas nie(t) rnéiT houwa; 1 zo mótte nou zellaf maar finansie zoeka. fint, znw. Alleen in 't meerv. Streken, hu- j ren. || Och, die maid hait altijd van die fin to. Doe nou maar niet of ja ziek bin, want dat zijna toch maar flnta. — Ook op Flakkee (Sc/t. I. W, I, 156).

fip, znw. m. Elastieken speen, waarop men kleine kinderen laat zuigen, om ze zoet te houden. Vgl. ndl. feppen enz.

Happare, zw. ww. intr. Op- en neeryuan eener vlam. || Kijk do lamp os (lapparo; slaat do pijp maschio to vast? — Eon andere, maar toch verwante boteckoiiis hebben ned. flapperen en f 1 a b b e r e n; zie De Jager, Freq. 2, 110 en 102.

flem, znw. m. Zekere gestreepte wollen stof, waarvan vrouwenrokken worden ye-inaakt. || Hier heb ik ar. mooi slik goekóöpa Hem. — Zie § 3ö en De Bü2 1147 op v I a m i n g.

flpmma bnw. Van jleiii. || 'n llemme i'ok. flens, znw. tn. Oorveeg. || Hou ja stil, of ja krijg on flens om jo óora. — Ook elders. flCES3, zw. \vw. trans. Werpen, gooien. || Ik zei ja an emmar watar övar ja kop llensa. Hij llensta-n-am lêga da grond. — Vgl. Taal- en Letterbode i, 208. Vercoullie i. v. flansen en Molema 155.

flëtar, znw. Hot geslacht blijkt niet. Alleen in de uüdr. van bëtar tot flëtar. Zie op nëTiiR.

fleut, bnw. Krachteloos. || Da koffie is Heul, is flent gaköökt (heeft zoo hard gekookt, dat alle kracht er uit is). Bij Schuermans komt een adj. fleutig voor met gelijke beteekenis.

fliestert-iie, znw. onz. Ken dun sneedje, schijfje van iets. || Ik éèt saevas maar wai-nag, maar twëë zukka lliesterliies brood.— Evenzoo aan de Zaan ; zie Boekenoocen 212. flikkor. znw. m. Bastaardvloek. Een syn. van falie en mi etui (zie aldaar). Zegsw. iemand op zan f 1 i k k a r g ë v a , k ó m m a, hem een pak slaag geven. Op zan flikkor k rij ga, slaag krijgen. — Ook aan de Zaan is de uitdr. bekend (Boekenoogen 212). — In denzelfden zin hoort men ook sötaflikkar, doch dit kan van flik kar zijn gevormd naar analogie van m i e t o r— sotamietar. Misschien is flik kar hier bliksem, welk woord in platte taal evenals don dar de het. van lichaam krijgt.

flipdèima, zw. w w. intr. Wijze van knikkeren, waarbij de knikker niet met den kneukel, maar met den nagel van den duim wordt voortgescboten. .luist hetzelfde dus wat in lIiLDEURANn s knikkertijd met minachting nagelen werd genoemd; zie


ocr page 68

FLIPD0IM3R—GEEL.

5f)

N. Reets , Na vijftig jaar 181. — Vgl. ook j flippo.

flipdoimor, /.uw. m, lem., die /lipduimt. — In do Camera Ohscura blz. i heet zoo'n | jongen een n a g e 1 a a r. Zie het vorige woord.

flippa, zw. \v\v. intr. Jongensspel, waarbij een grilje of iets dergelijks wordt vooruit-gestooten met den nagel van den wijsvinger, die van te voren tegen den binnenkant van den duim wordt aangedrukt, flöis, znw. onz. Franje aan ecu karpet of gordijn. H Jo mag an dat kerrapet wel os nieuw llóis zetta. — Zie § 36, b.

flöitar. znw. m. Aardappel, waarin mui- | zen of insecten een gat hebboi gebeten. || Dan dellaf ga(at) maar slecht; ik heb veul kwaja in nog al wat llóitars.

foef, znw. m. Voorwendsel, smoesje. Vooral als verkleinwoord f o e f i e. || Maak maar géén foefies! -— Het woord is waarschijnlijk door geheel Nederland bekend; vgl. Boeicenoogen 217 en Molema 111. fokseera, zw. ww. trans. Dwingen. || Ja mot dat zakie niet ta veul fokséèra. Doe dat non as kalmpies an in fokséer dat nou as niet. — Een verbastering van fr. f o r-c e r. Het is ook in Groningen en elders bekend, doch schijnt te Gron. den invloed te hebben ondergaan van een ander werkw., dat beantwoordt aan fr. v e x e r (zie Mo-lema 105).

fruts, zinv. m. Kleinigheid. || Iets voor an fruts varkóops. Toen ak at varkocht, heb ak ar an fruts vutir gahad. — Vgl. pruts. fut. znw. m. Kracht, opgewektheid, levenslust. {| Da fut is ar bij hum uit. Dar zit géén fut in. — Evenzoo elders in de vormen fut en fuut (Molema 113, 518, Boeken-oogen 220). — Fut beteekent in platte taal ook sperma. Ook De Uu= 292 geeft het woord in dezen laatsten zin. Ueeds door De Jager , Freg 2, i31 is opgemerkt, dat het woord ten onrechte in onzeWdbb. ontbreekt.

G.

gaanda, bijw. Gaandeweg, allengs. || Dat gat wordt gaanda gróular. — Vgl. algaanda.

ga to lx», zw. ww. trans. Wegkapen. Bijvorm van gappen, die ook te Botterdam voorkomt; zie De Jager, Freq. 2, 136. gabbard, znw, m. Guit, slimmerd. || 't Is toch zoo'n echta gabbard. — Evenzoo elders; zie Boekenoogen 223 en Bouman 30. gaeranet, znw. m. Garnaal. — Zie voor de verschillende vormen, waarin dit woord voorkomt Ned. Wdb. i, 208.

gail, bnw. Zie de Wdbb. Ook broeiend, van de lucht of het weer. {{ Ja, ik doch wel damma {dat ive) onweer zouwa krijga, van ochand was at al zoo'n gaila lucht. Wit dut gaila weer ken ja da mellak géén ballavan dag goed houwa. — Vgl. nog geèls. gal, znw. m. Klein wittebroodje, langwerpiger dan een kadetje. — Ook in Groningen; zie Moi.ema 114 en 519.

galbult, znw. m. Klein bultje op de huid, dat niet de warmte opkomt en verdwijnt en hevige jeukte veroorzaakt. |{ Mitdawer-ramta heb ak dalak last van galbulta. Ik heb an galbult op ma vingar. — Vgl. g a I-bonkol bij Boekenoogen 223 en bette-b oei en bij Molkma 156.

gang, znw. m. Een stel. — 'n gang w a-tar, zooveel water als men in één gang halen kan. 1| Dat is nou da twêêda gang, die ja haait, is at niet? —Ook elders, o. a. bij Molema 114. Aan de Zaan is het woord in deze bet. onzijdig; zie Boekenoogen 225. gappa, zw. ww. trans. StiUetjes wegnemen. || Wie het dat gagapt? Hij gapta alias, wat hij krijga kon. — Zoo ook elders, o. a. in het stadsfri.; zie Onze Volkstaal 2, 181. In het oosten van ons land zegt men daarvoor gapsen {Onze Volkstaal 1, 120). Het is hetzelfde woord als het bovengenoemde gabb3.

gadóns, znw. onz. Gebom, geraas, leven. || Wat batëëkant dat gadóns op da deur toch? — Volgens Ned. Wdb. 4, 612 in de alge-meene taal thans verouderd. Zie DÓNSa. geel, bnw. Zie de Wdbb. — Gêla zucht, geelzucht. || Zij hait da gêla zucht gahad. Volgens Ned. Wdb. 4, 069 is gele zucht in 't Ndl. thans verouderd. Het woord leeft ook nog in Groningen; zie W. de Vries, Vocalisme van Noordhorn, 54.


ocr page 69

GEELHAER-GRIEST,

57

gêëlhaer, znw. onz. Taaie, lichtgele sub- \ slantie in hel vleesch, beslaande uit lange, \ dikke vezels. Dus niet hetzelfde als z ëc n. I Ook in Groningen bekend (Molema 116); vgl. ook Noord en Zuid 7, 1 S'.i. Kiliaen geeft: glieel hayr, niolus inslrunten-tuni e.c vinculo amp; nervo conflalum, me-diaei/ue inter ilia naturae, q. d. filamen-tuni llaoum Zie verder Bolkenoogen 555 op I a n g h a a r.

geels, bmv. bijw. Walgelijk zoet, een laf-zoeten smaak hebbend. Gezegd van spijzen { en dranken, die wegens hun llauwzoeten I of al te zoeten smaak tegenstaan. || Paerdo- | inellok in gaitomellak smako géèls. Ik ving, l dat spersies zoo'n géèlse smaak kenno hebba. j — In vorm gelijkt het woord op het door Kiliaen vermelde ghaelsch, ingratus, insuavis sapore aul odore. Doch het is eerder een afleiding van g a i I, dat soms in dezelfde beteekenis wordt gebruikt. {| Ik wêêt niet, hoe of jij die gailj inellok ken drinks. — Vgl. ook geil bij De Bo2 309, | gezegd van koffie, die een brakken of on- j aangenamen nasmaak heeft.

geest, bnw. Gust, niet drachtig, van vrouwelijke dieren, als koeien en geiten. {| Géèsta vaerza. — Ook op Voorne is het woord j bekend, blijkens een advertentie in de N. j Bolt. Courant van 4 April 1895, 2e blad A. j Van denzelfden stam als ndl. geest,znw. vr.; zie Ned. Wdb. 4, 735.

geil, bnw. Zie (.ail.

gasjochta, bnw. In de uitdr. gosjóchto zijn, '1 kind van de rekening zijn. || As I Ja dal doet, dan bin ja gasjóchta. — Vgl. i ook Molema 120. Naar den vorm te oor-deelen, lijkt bet woord wel aan de Jodentaal ontleend te zijn.

gespo, zw. ww. intr. Hard loepen, ervan doorgaan, op hol gaan. {| Net toema {toen we) varbij da meula gónga, bagon da knol to gespa, dat ar géén houwa an was. — Vgl. giespen op Zuid-Beveland, Noord en Zuid 3, 176.

go went, znw. onz. Stuk land, dat door slooten van een ander is gescheiden. Alleen met betrekking tot deu weg of den dijk. || Op at dordo gawent van don dijk óf liep ar an haas. — Het eerste gawent is het land juist over weg- of dijksloot; het tweede ligt daar achter enz. Gawent is dus niet hetzelfde als méèd (zie aldaar) en wat De Bo2 327 gewende noemt, is in Oud-Beierland een méèd. — Vgl. nog Molema 470 op wend, gewend.

giep, znw. m. In de uitdr. Op da giep zijn, gaan, ervan door zijn of gaan. || Toen da jongas dan diendar zagga ankóm-ma, gónga za gouw op da giep.

gijle , zw. ww. intr. Geilen. || Kijk hij as slaan ta gijla, oftie ók niks krijgt. — Vgl. over de verwarring der beide ww. g ij I e n en geilen Ned. Wdb. 4, 908, maar ook Mnl. Wdb. 2, 1970.

glad, bnw. Zie zegsw. op glisjie.

glinta , bnw. Alleen in an g I i n t o n h a i-nang, een heining, bestaande uit smalle plankjes met gelijke tusschenruimten verticaal op twee horizontale ribben gespijkerd, glipin. znw. m. Zekere meelspijs. Zie b I o u-

w a n b I i k s a m i. v. ulikshm.

glis'ia, znw. onz. — Zegsw. zóö glad as an g 1 i s j i e, zeer glad. || Hoe sta ma dat jas^ie? — O man, at staat zóo glad as an glis^ie, dar is géén rimpalUie in. goekdbp, bnw. en bijw. Goedkoop. — Dikwijls in den vorm goeja koop. || Nou da's goeja kóöp, hoor!

göist, bnw. Gust, niet drachtig. || Góista vaerza. — Ook elders in Holland o. a. te Moordrecht bekend, blijkens advert, in de N. Rolt. Courant van 4 April 1895, 2e blad A. Ook in het Ndd. komen vormen met langen klinker voor.

grieks, bijw. In de uitdr. grieks in dwars, verward, scheef. || Wat zit dat goed wéér grieks in dwars an ja lijf! Wat staat hier alias toch grieks in dwars deur makaar!

griendöil, znw. m. Minachtende naam voor

een griend u:erker.

griest, znw. m. Eerste, nog ondrinkhare melk aener koe, die pas gekalfd heeft. Zij wordt vooral door bakkers gebruikt. — Het woord komt ook voor op Schouwen {Onze Volkstaal I, 27) en in Vlaanderen, maar dan in tie bet. biest (De Bo2 341).

S


ocr page 70

GRIP—HENN3-HENN3.

ris

grip, znw. m. Greppel, zie § H, h. groentaboer, znw. ra. Groenboer. — Zie Ned. Wdb. 5, 854, Zoo ook steeds groenta-v r o u w, g r o e ii 10 k (xi p 9 r enz. gröit, znw. onz. Verschillende waterplanten, o. a. ook eendenkroos. H 't Gróit niól óit die sUïit gahaald worra. Ja mót at gróit óit die sloot maar om da bóomo gooia. — Vgl. Iviluen: gruyle, Fland. lentieula pedustris; Bilderdmk, Geslachtlijst: g r u i t of g rui te, 't kroos in glooien of kreken. Op Schouwen kent men een woord grieten in de bet. eendenkroos {Onze Volkstaal I, '28). Er is dus geen reden, om met Ned. Wdb. 5, 1170 hot er voor te houden, dat kruaen deze bet. van g r u i t zou hebben verzonnen.

grdbs, bnw. Trotsch. — Zegsw. zóiï gr «is as a n b ê z a m of z ób gr óo s as an basliktan hond, buitengewoongrootsch. groot, bnw. Zie de Wdbb. — Zegsw. da g r iiTi t o k e r r. a k, de kerk der Ned. Herv. gemeente. \\ Dölétïra jullie ók al? Nöë wa zijna nog au da gróota kerrak. — Vgl. Ned. Wdb. 5, 1064. —- Da g r óo I a n er ra ma, het armbestuur der gemeente, in tegenstelling met het kerkelijk armbestuur. || Zij krijg niet van da diakanie, maar wel van da grootan errama.

guist, bnw.; zie oóist.

guntóp(somsook gu nI ap,evenals du 1 top), bnw.enbijw. Naargindsc/tenkant. || 'tOunt -ópsta hóis. liij weunt nog wat guntóppar.

H.

haakmust, zmv. m. Gehaakte muts. Uootó-deksel voor vrouwen uit de lagere standen; ook als nachtmuts gebruikt.

haal, znw. m. « Ih't vlies, dal hij koeien en merries na het jongen afkomt)» (vgl. Schuiürmans i. v. bed). — Op de Veluwe zoo ook heel, placenta, nafirhoorte {Taaien Jjetlerhode 5, 231). Sommige boeren hangen hier de h a a 1 van merries in de hoornen, omdat dan de jonge paarden met den kop in de hoogte zullen gaan loopen. Dezelfde gewoonte bestaat ook hier en daar in Noord-Brabant.

haars (ook wel li a a s), bnw. Ileesch. || Ik bin zoo haars in mon kêêl. — Ook van wat de keel op onaangename wijze prikkelt. || Wat is dat spek haars (bijv. omdat het zont is). Lëvartraan bait on haarse smaak. — Vgl. verder Kiliaen op heers en Fr anc k i. v. hees c h.

habbas. bijw. Alleen in de uitdr. da's h a b b o s, dat is goed af, dat is binnen. || Ik heb en kwarUie gokrëga, da's habbas! haijQg, bnw. Zoel en min of meer met warme dampen bevracht. Alleen van de lucht. || Do lucht is haijog. — Vgl. voor de afleiding Franck i. v. hei (11). Het woord is waarschijnlijk algemeen Nederlandsch, vgl. bijv. de weerberichten in de N. Bolt. Courant.

haimalok. bijw. — Zegsw. h a i m o 1 o k wat, nog al wat.\\ Hij hait haimolok wat cento.

hainst, znw. Hengst. Zie § 3, — Zegsw. z do z u u r as o n h a i n s t, buitengewoon zuur.

happog. bnw. Knap, pink, kranig. Van oude menschen gezegd. || Jo groomoedar is nog on happag oud mens; ja zou niet zeg-go, dat zo al tachlag jaer was. —Vgl. Dk D()2 358.

har, znw. m. Kier. || Do deur op on har zetta. Zet da deur an harrachie ööp. — Zie Mid. Wdb. i v. harre.

harrol, znw. m. Vlasstengel. — Dk Ho on Schuermans geven h e r e I, h e e r 1; zie verder Mnl. Wdb. op heer le en oer le. hartstikke, bijw. In de hoogste mate. 11 a r t s t i k k a d oo d, morsdood (bij Van Dai.e daarvoor hartsteken dood). Zoo ook elders, zie bijv. Onze Volkstaal 2, 82. — 11 a r t s t i k k a d óo f, stokdoof. Evenzoo elders.

héeromoes, znw. m. Ileringmoes, hermoes. hellamseel, znw. onz. Helpzeel, hennepzeel. hengal, znw. Hengsel. || Dor is gévn bengal an dien emmar. — Zoo ook in 't Mnl., zie Mnl. Wdb. i. v., en bij Kiltaen. henna-henna, in de uitdr. 'tis hen noli en no, 't is er op af, '/ is net aan. || 't Was henna-henna of ak da boot nog kon halo. — Dit henna is waarschijnlijk een


ocr page 71

HERR3K—HÖKK3MÖKK3,

alleiding van hand; vgl. mnl. gehende, nabij en onze uitdr. li e n of omtrent.

herrak, znw. m. Ucrik. |1 llyrrdk goeft dan boer zan werrak; «wit {zie dat woord) is dan lioer zan dixid.

herrep, znw. m. Harp, hellende :ee/', docli niet om koren te ziften, zooals Van Dai,e geeft, maar voor aardappels in gebruik om ze van 't losse slik te zuiveren. Dienovereenkomstig bestaat de bodem uit latten met een a twee duim tusschenruimte. |{ ïe koop een aardappelmud met berp en zeel (zie dat woord). — Waarschijnlijk hetzelfde woord als b arp, muziekinstrument en dan zoo geheeten om de overeenkomst in vorm. Maar ook het Franscb kent b e r p e. crible d pied.

horrape, zw. \vw. trans. Met de harp ziften. || Mótta wa die aerapala herrapa'?

heter, znw. liet geslacht blijkt niet. Alleen in de uitdr. van hëtar tot flêtar s c h e u r a of slaan, in stukken, kort en klein. || Dan bliksam bait dien bóöm van hê-tar tot llrtargaslöga. Do klaina jonga bait da krant van hëtar tot llêtar gascbeurd. — In Brabant zegt men daarvoor tot héter en f 1 ê t e r, zie Onze Volkstaal 1, 20ü. Héter is misschien verwant met mnl. beteren, toetakelen (zie Mnl. Wdb. i. v.) en met bgd. bader, lomp, lap. Een zelfde betee-kenis als b ë t e r beeft ook f let er (vgl. Wagenaar, Vad. Hist. 14, 173: een algemeen salvo, welk de ligbaamen aan (leteren geslaagen zou hebben; zoo ook aldaar blz. 175); waarschijnlijk is het te vergelijken met eng. flitters, bgd. f 1 i 1 t e r en ndl. fletter (door Franck vermeld i. v. f 1 e n t e r).

heusijs, znw. onz Grondijs. Zie bet volgend artikel. Evenzoo elders bekend; zie Ned. Wdb. i. v. g r o ii d ij s.

heuzD. zw. ww. intr. Hard vriezen met mistiij weer, vooral met bet oog op biit buitenwater, waar dan veel h e u s ij s (d. i. grondijs) ontstaat.

hiehta. zw. ww. intr. '/.waar en moeilijk ademhalen, sterk h jijen. Elders hechten. {{ Wat heb-ja wéér hard golófgt;pa, je bicht net.... Eerst begon za ta hiebta in toen la schréinva (schreien) van heb ik Jouw daer! Zie verder De Jaueh, l'req. '2, 888, Onze Volkstaal '1, 121 en BECKiiiiixG Vinc-kers, E-Le'jie, blz. 119, nool.

hülak, znw. m. Bikkel. || licvna, köpara billakies. — Is dit woord misschien ontslaan uit bil tik (Van Dai.e; M)tl. Wdb. op hiltekijn en bil ten), dat blijkens brab. bilt (Onze Volkstaal 1, '200) toch den klemtoon op de eerste lettergreep heeft? Vergelijk ook hot volgende woord.— De billakies hier in gebruik zijn van been, tin of koper en hebben vier zijvlakken, die de namen dragen van put, de «putDzijde; bóllak aan de put tegenovergesteld (zie bollek; elders heet deze zijde stoof; zie Taal en Letteren 3, 143); staan en stöüf (op tinnen en koperen bilkjes zijn de beide laatste alleen onderscheiden door stipjes of streepjes), hillaka. zw. WW. intr. Met bikkels spelen, bikkelen, mnl. hitten. {{ Wimma as hillaka'.' — Evenzoo te Sliedrecht, zie Taal- en Letterbode 5, l'.li. Het ww. bilteken komt voor in de Lijst van Rariteiten bij Anna folie 2, 102, aangehaald door De Jageh, i're/j. 2, 033.

hitte, zw. ww. intr. Treffen, juist raden, juist aanlegrjen. || Dat ken ak zuo net niet bitta, wat ja dat wel kost. Nou, dat heb-ja ok netiies gahif, om zót» parsies op at öta to komma. — Ook op Walcheren bekend; zie Sch. t. Ur. 1, 11S: at mocht wel itta, da'k em tuus vond. Zie voorts Mnl. Wdb. op hitte n.

hoed, znw. onz. Inhoudsmaat voor steenkolen ter ijrootte van 18 mud. Vgl. mnl. boet. hoerajakker, znw. ra. Hoerenjager. — Zoo ook te Sliedrecht, zie Taal- en Letterbode 5, 194.

höil. znw. onz. Honk, vrijplaats bij de kinderspelen. || Wimma os krijgortiic speulo in dan nergars hóil.

hokkemokka, zw. ww. intr. Bij elkaar hokken, bij elkaar zitten of ivonen. Steeds in ongunstigen zin, bijv. in een kleine ruimte of van een paar, dat feitelijk niet bij elkaar hoort. || 't Is daer toch zoo'n rommal! Ik gloof, dat za mit dar tiena in dat vartrekkie


ocr page 72

H0LL3B0LL3G—HUMM3G.

hokliDmókko. Zo hóklomókko bij mokaar, maar za zijn niet gatrouwd. — Het werkw. zal wol zijn samengesteld uit de twee infm. li o k k e n (vgl. ook Boekenoogen i, v. h o k k o 1 e n) en mokken (op een klomp bijeen zitten '1, vgl. ook Francic i. v. m o k-k e I). Bij Van- Dale heeft het enkelvoudige hokken dezelfde beteekenis als het beierl. h o k k 9 m u k k a.

hóllabölleg, bnw. Hobbelig,ongelijk. |{ Wat an hóllabóllaga weg is dut! — Evenzoo in Noord-Holland; zie Boekenoogen op holle-bollig.

hónd(I), znw. m. Hond. Zie zegsw. op GRooS. hónd (II), znw. onz. Zekere landmaat, ter grootte van 100 □ roeden. Eigenlijk hetzelfde als honderd, vgl. got. h n n d. Tegenwoordig is het woord weinig bekend, maar nog bewaard in eenige namen van stukken land, zoo genoemd naar hun grootte. || Het Vijfhondje. De Elfhond (advert. Hoeksche Waard 10 Juni 1895). hóndoslaegor. znw. m. Onderkoster in de kerk, die voor de orde in zeker deel der kerk tijdens den dienst zorgt. — Zoo ook ongeveer in Groningen (Mot.ema 165). In het Mnl. beteekende hondeslager nog hij die losloopende honden opvangt en doodt (zie Mnl. Wdb. i. v.).

höbfstööf (ook h oo s t üö f en hooistööf), znw. m. Knotwilg. || Die hoostöva mótta garooid worra. — Ook te Sliedrecht heet de boom hoatstoof, zie Taal- en Letterbode 5, 194. Het woord is samengesteld uit hoofd (vgl. het gelijkbeteekende k op-wilg, hgd. k o p f w e i d e) en s t öo f, waarvoor men vgl. Taalgids 2, 121. hoog, bnw. Zie de Wdbh. — an h uo g a w i n d, noordenwind-, de wind is h ób g, is noorden. Vgl. omhoog.

hooije, zw. ww. intr. en trans. || Die górza wórra méèstal ielak jaer gahooid. — Zegsw. Ja mót niet gaan h o oij a, je hoeft je niet zoo te haasten, gezegd tegen iem., die te snel eet. — Vgl. 'tls gien hooi-t ij d bij Boekenoogen i. v. hooit ij d. hór, znw. Het geslacht blijkt niet. In de uitdr. z óo d r óo g as an hór, buitengewoon droog. || Dar wordt errag na rêgan varlangd; da grond is zoo droog as an hór. — Vgl. het volgende woord.

hórdrdbg, bnw. Kurkdroog. j| Nou is at wasgoed in óènan dag hordróbg in varlëë wöëk was at Saetardags nog dilTm. — In Groningen zegt men daarvoor d r e u g as hod (Mor.ema 160); in Vlaanderen kent men nog harddroog (De Bo2 359) in dezelfde beteekenis; doch het is niet waarschijnlijk dat de beierl. uitdrukking met een van deze twee zal samenhangen, hórentöran, znw. m. Wesp. Beeds door Kh.iaen in dezen vorm opgegeven als IIoll. Fris. Vgl. verder Mnl. ]Vdb. op hornete. hort. znw. in. Verkleinw. hortJie. 1'oos, poosje. || Wat hé-ja (bin-ja) an hort weg gawëëst. Toe, blijf nog an hortüe.— Evenzoo op vele andere plaatsen; door Van Dale wordt het echter vermeld als gewestelijk, hósklós, znw. m. Lomp, onbehouwen mensch. Van hotsen en klotsen. Vgl. verder noERanoSKLCS en Zaansch: Hij loopt altijd maar hosklos (d. i. hotsend en klotsend), zonder zijn bienen op te tillen; Boekenoogen i. v. h o s k 1 o s.

ho tome toot, znw. m. Onmisbaar persoon, de man om wien alles draait. || Hij zou graeg bij zan baas voor hötamatööt speule. Zij is daer nou zoo wat liótomatóTit, sunt da vrouw diwd is. — Wel hetzelfde woord is Zeeu wsch o t a p a t o t a r, zie Onze Volkstaal 2, 146. Vgl. ook Boekenoogen i. v. hotemetoot.

houwolas, znw. ? In de uitdr. t a n h o u-walas kóm ma, terecht komen, neerkomen. || Hij kwam weer op zan béèna tan houwalas. 't Zei ma banieuwa, waer hij nog as tan houwalas komt.

houwas, znw. ? In de uitdr. ó i t h o u w a s (voor houwens), bij hot spel. Houdende wat men gewonnen heeft. Tegengestelde van ó i t j o k s, om niets. || Kindara magga niet óit houwas speula. — Ook zegt men tan houwas kóm ma, terecht komen: zie het vorig artikel. {| WCët-ja ók, waer die vent toch tan houwas is gakómma? hummag, bnw. T-'ims, duf, vermuft. || 't Hait an hummaga smaak. — Zie Mnl. Wdb. op h o m in i c h en vgl. § 40.


ocr page 73

HUSS3L3—KAB3L-0P-ZEE.

lil

hussala, zw. WW. inti . Zeker spel, zoo ge-heeten naar het schudden der centen in de hand. Ieder speler geeft een of meer centen, die door een van hen in de gesloten handen worden dooreengeschud en daarna opgeworpen. De centen, die nu met króis boven liggen, zijn voor hem, die heeft gehutseld, de andere voor den medespeler. — Vgl. de aant. van Van Hasselt op Kiuaen. — Speelt men met meer dan twee personen, dan wint hij gewoonlijk al de centen, die de meeste k roisters gooit; het spel heet dan h u s k r ó i s 3.

huttoro, zw. ww. intr. Lukken, gaan. || 't Zei wel huttora. — Huttara is. een fieq. van ndl. hotten in wel, kwal ij k hotten. Zie verder Mul. Wdb. i. v. hotten.

I.

iedaronduur (ook i e d a r a n d u rag), hijw. Telkens. H Wat zou die mau toch ioJaranduur hier kómma doen'? — Elders, zoo h.v. in Amstelland, is in dezen ziu ook elke n d n r i g in gebruik.

ieuwors, bijw. Ergens. || Waer ienwars weunt-ie? — Evenzoo elders; ueMnl.Wdb. op i e w a e r. Van Dale noemt het geheel verouderd.

ijsschöit'io, znw. onz. Bak of schuit mrl mast cn zeil, op een onderstel van schonen, waarmede men over het ijs zeilt. — Het woord is misschien wel algemeen Ne-derlandsch; zeker is het op meer plaatsen bekend dan te Oud-Beierland en aan de Zaan (Boekenoogen i. v.).

indoeks, zw. ww. intr. Weggaan, zijne

biezen pakken. {| Ja ken wel indoeka. intaressant, bnw. Zie de Wdbb. — Ook in «Ie bet. indringerig en inhalig. || Za is altijd zoo intarassant; za wil alias wêta. Denk ja, dat die intarassanta vent ar an göva zei? — Ook bij Müle.ma 180.

J.

jöks, znw. m. Jok, scherts. Alleen in de uitdr. óit jóks, om da jóks, o»! niel, uit jok. Het tegenovergestelde daarvan is óit h o u w a s (zie aldaar). — Elders ook j u k s, zie Boekenoogen.

job, znw. m. Jongen. Alleen bij aanspreking. {| Zeg, job, kom as hier! Toe, jób, doe jij dat nou as.

jöbko, zw. ww. intr, \) Sterk naar iets verlangen, haken naar. {| Hij jóukt om klaar ta kómma. — Evenzoo in de 17® eeuw; zie bijv. Vondel 2, (edit. Thijm) en Hooft's Gedichten 1, 238 (edit. Lekndertz). — '2) Zaniken. {| Die jonga jóbktdan lnvlon dag ók al, om maar mêê ta magga gaan. juttoro, zw. ww. intr. Schult;llt;lcn, wiegelen. || Wat staat die taefal toch ta juttara. .luttar ziJi niel an da taefal. — Evenzoo in de Neder-Betuwe; juttere, jottere, t j o t te re (zie Onze Volkstaal 2, 90) en op de Veluwe: j o 11 e r e n (zie Noord en Xuid 4, 267).

K.

kaag, znw. in. Lichte dijk, zomerdijk, die de binnen gorzen legen niet al le hooge vloeden beschermt. {{ Is 't watar nog ovar da kaag hfrn gawöëst? Da koeja lóopa au da kaag. — Is dit woord op de een of andere wijze ontstaan uit ka, kade? Vgl. nog Zaansch kaag en de bij Boekenoogen i. v. kaag genoemde vormen keeg en keag, wier beteekenis zich aansluit bij die, welke het woord in Oud-Beierland heeft, kaan, znw. m. Kaam. Zie § 35, b. kaanhalze, zw. ww. intr. In de uitdr. w e r r a k o, dat ja kaan halst, :oo hard, dat men niet meer kan. — Waarschijnlijk zal kaan h a 1 z e n een zekere door walging ontstane werking der keel aanduiden als in ndl. kik halzen (zie De Jager, Freg. 2, 223) en k o k h a 1 z e n. Wrat dan echter kaan moet beteekenen, is mij onbekend.

kabal-op-zéë. Naarn van een kinderspel, elders wolf en schaap geheeten; vgl. Onze Volkstaal 2, 149. Van een menigte jongens zijn twee om beurten herder, een derde is wolf en de rest zijn schapen. De beide herders gaan op eenigen afstand van [ elkaar staan, de wolf blijft tusschen in. De


ocr page 74

KAB3L3—KAN3BRAIJ3.

• 12

herder, die bij 't begin geen schapen heeft, roept dan aan den anderen: «llerdor, laet jo schaepies gaan!» Deze antwoordt; «'k Durraf niet.» Nadat nu de eerste weer heeft gevraagd: «Waarvan niet?» en de tweede heeft geantwoord: «Van dan bóozo weer-wolKif niet» volgt de geruststellende verzekering van den eersten: « Die zit gsvanga tussa twêë ijzara tanga, tussa zon in maan; herdar, laet ja schaepies gaan!» Daarop loopen de schapen over en zorgen dan dooiden wolf niet gegrepen te worden. — Behalve op Overtlakkee is dit spel ook nog elders bekend; zoo bijv. te 's-Hertogenbosch, waar in het versje alleen sprake is van een wolf, niet van een weerwolf, en in Groningen (Molema 580).

kabala , WW. Alleen in de uitdr. k i e z a of kabalo, kiezen of deeleii. Vgl. Mul. Wdb. op c a b e 1 e n en c a v e 1 e n en De Jager, Schjnb. Frequent. 51.

kaer, znw. onz. Tremel, spits toeloopende vierkante bak met een opening van onder, waardoor het rjraan in den molen loopt. Zoo ook bij Boekenoogen en Schuer-mans. Do bij beiden tevens opgegeven be-teekenis vierkante niet yaten doorboorde houten bak, om levende visch te bewaren, is zeker algemeen Nederl.; zie Ned. Wdb. i. v. a a I k a a r. — Voor den oorsprong van het woord zie men Fraxck en Mnl. Wdb. i. v.

kaerana, zw. ww. intr. Zaniken, zeuren. || Wat lait die jonga toch ta kaerana. — Ware ndl. malen, zajiiften, één woord niet malen, fijn maken, dan zou men dit voor de bet. kunnen vergelijken. Al is dit echter ook niet het geval, toch is er in het volksbewustzijn wel verband tusschen de beide werkw. ra alen, en zoo zou het ww. kaerana (d. i. karnen in eig. zin) onder invloed van m alen deze afgeleide betee-kenis hebben kunnen krijgen. Doch ook zonder dat is die beteekenis wel te verklaren, vgl. ndl. d i- a a i e n.

kaernamellak (of k a e r e m e 11 a k), znw. m. Karnemelk. — Zegsw. Man bloed wordt k a e r a m e 11 a k , mijn bloed beijint te koken, ik word bons. — Ook elders.

kaeskop, znw. in. (of kaeshóbd, o.). Kletskop, zeer hoofd. Vgl. Boekenoogen i. v. 1' a r m e z a a n d e r.

kaft, znw. in. en onz. Omsla;/ van een schrijfboek, spansel (zie dat woord) van een boek. || Zon naam op da kaft zetta. Ik zei om dat boek as an schoon kaflie doen. — Waarschijnlijk algemeen Ned., hoewel Van Dale het niet geeft. Zie Vercoui.lie i. v. kafta, zw. ww. trans. Ken omslaij om een boek doen. 1| Ja mót al ja boeka os neUies kafta. — Ook elders.

kalogöziehtG, zw. ww. intr. Alleen in den Infin. zaniken. {| Leg niet ta k a 1 a-g a z i c h t a. — Evenzoo elders; zie Taalgids 4, 35, Taal- en Letterbode 5, 1'J5, Boekenoogen 390 en Molema *213. kalaza, zw. ww. intr. Zeker jongensspel. Op een rechtopstaanden steen (k a 1 a s) zet elk der spelers een of meer centen. Daarna trachten zij de k a 1 a s om te gooien. Wie dit doet, wint die centen, welke binnen een vooraf bepaalden afstand van zijn steen liggen. De andere blijven aan de kalos en naar die centen wordt nu geworpen, om ze met den werpsteen binnen den bepaalden afstand te bereiken.

kallabas (en kali o bast u r), znw. m. Roodgeaderde, wit marmeren knikker.— In Vlaardingen (Noord en Zuid 3, 183) en te Westzaan (Boekenoogen i. v. al ik as) kalebas, k a 11 e b a s en k a 11 e b a s-ter geheeten. In 't Ndl. luidt de naam voor den knikker a I b a s, albast, waaruit vormen als allebas en allebaster (ouderen vorm) zijn te verklaren, maar k a 11 e b a s (t e r) niet. Waarschijnlijk heeft hier een ander woord aanleiding gegeven tot verbastering, maar welk dat kan zijn, valt moeilijk te zeggen. Aan kalebas, een soort van pompoengewas, valt wel niet te denken.

kalle va, zw. ww. intr. Braken. || Ga maar an bietiie óit da wëëg, hij mót kallave. — Zoo ook bij Molema 189 en ook elders. Van Dale heeft in dezen zin k a I v e r e n. Zie ook nog Boekenoogen 391 i. v. kalf (III) en Mnl. Wdb. op calf, 2). kanataraija, zw. ww. intr. Hetzelfde als


ocr page 75

K3RD0MS,

63

KAN3S-,

k a 1 o g 0 z i c h t o. || Leg niet ta kanobraijo! Wat zit je nou weer te kanabraija! — Evun-zoo bij Mole.ma 213. Eig. kanen braden'!

kanos, znw. m. Mand met hengsel, waarin men vruchten plukt. De kleine, van geschilde teenen gevlochten, dienen voor het plukken van krieken; de grootere, van ongeschilde teenen, zijn eenigszins buik-vorrnig d. \v. z. in 't midden wijder dan onder- of bovenaan en worden gebruikt bij het plukken van appels en peren. — Van Dale kent het woord in de bet. bedekte vischkorf ; in anderen zin is het bekend aan de Zaan, zie Boekenoogen 31)0. Vgl. voorts Mnl. Wdb. 3, 1171.

kankatog. bnw. Lastig, kiesch ; jaloersch. || Ja mót niet zm kankatag op ja r-ta zijn. Die lói zijn ók zoo kankatag op makaar. — Bestaat dit woord uit k a n k en a t a g en mogen we hiermee vergelijken het bij Ki-liaenvoorkomende kies-aetigh, kies-etigh, curiosus in edendo? Maar wat kan dan kank - beteekenen?

kant, bnw. Flink, helder, zindelijk, net. || 'n kant wijf. Ja mag ar garust in hóis kóm-ma; alias ziet ar ëva kant óit. — Op verschillende plaatsen is dit bnw. bekend; vgl. Boekenoogen 307 en de daar genoemde schrijvers.

kappotorie. znw. onz., of \n. Stijve omslag om een boek. Dus niet hetzelfde als kaft. || Da kappatorie zit los.— liet woord is ook in andere dialecten bekend, soms in eenigszins anderen vorm: k a p p e t o r i s, k a-p e s t o r i u m enz. Reeds Hilderduk (Geslachtlijst) bracht het tot Lat. c o ö p e r-t o r i u m, waaraan eveneens het bij Kilfaen genoemde en nog heden in 't Vlaamsch voorkomende koffertuur, alsmede het Sliedrechtsche k o f f e r e n t u u r (Taal- en Letterbode 5, 190) met minder verbastering is ontleend.

kar, znw. m. Alleen in de uitdr. lt;1 a k a r i n d a h a n d , een lichte ontwrichting van den pols. Om die te genezen wordt een doekje of riempje zeer stijf om den pols gebonden. Vooral waschvrouwen lijden aan de k a r. Waarschijnlijk zoo geheeten naar het k a r r e u of k e r r e n , d. i. kraken, knarsen (zie Mnl. Wdb. i. v. k er ren), dat men dan hoort bij het bewegen van den pols.

kastolomaija, zw. ww. trans. Tem. opzijn schouders of rug dragen. || Bé-ja {bin-je) op ja kousa'? Wacht dan zei ik ja wel ëva kastalamaija. — Te Sliedrecht zegt men in eenigszins andere beteek. kakkestoele-maien (Taal- en Letterbode 5, 105); op Urk en ook te Zwolle met omzetting kak-kemaijestoelen (Taal- en Letterbode G, 36) en zoo ook in Groningen k a k k e-manjestoelen (Molema 188). Elders k a k k e b u i z e n.

katt0 (1), zw. ww. trans. Gekochte koopwaren, die niet voldoen aan het monster, weigeren in ontvangst te nemen. || Hij had zan terrö wel varkocht, maar za hebba za gakat. — Zie verder Boekenoogen 407. katta (II), zw. ww. intr. Zeker spel. Een van twee jongens (de k a t) zet een zeker aantal hazelnoten achter elkaar op een rij. Do ander tracht dan de voorste te raken. Doet hij dit. dan gaan behalve de voorste gewoonlijk ook andere uit de rij. Is hot aantal dier noten nu even, dan zijn zij voor dengeen, die gooit; is het aantal oneven, dan geeft hij aan den ander nog zooveel noten als hij van de rij heeft afgegooid, kattabakkie, znw. onz. Bommel, roo. || Hij blijft mit at luvla kattebakkie zitta. — in een andere beteekenis komt kattebak voor aan de Zaan; zie Boekenoogen 400. kattakoppie. znw. onz. Het achtste van een ton bier.\\ In da zeumarmaanda kenna wa alla veertien daeg an kattakoppie bier an. — In Brabant zegt men ketskop; zie Onze Volkstaal 1, 200.

kennas, znw. m. Zegsw. Kennas hebba an iets, iets als zijn eigendom kennen || Heb jij soms kennas au die zaddoek? Ik hel» ar geen kennas an. — Vgl. Boekenoogen 412. Misschien wel algemeen Ned. kardons, znw. m. In de uitdr. deur da k a r dons m ó t t a, eig. door twee rijen jongens moeten doorloopen, die naar hartelust mogen s/arm; fig. door een zuren appel moeten heen bijten. — Zoo ook in Brabant en elders; zie Onze Volkstaal 1,


ocr page 76

KERR3KAS- KIKK3R(D).

208. — Ook in de verbastering d i r r a-k a ii d ó n s. De oudere vorm der strafoefening, zooals die door Boekenoogen 498 i. v. kordon wordt opgegeven, is hier niet meer bekend.

kerrokas, znw. m. Omwonden dxin ijzer-draad, dat voor in een keuvel wordt rje-naaid, om die daar stijfle te yeven. Het wordt alleen dan gebruikt, wanneer de keuvel voor niet juist om het hoofd moet sluiten. — Zie Van Dale i. v. k a r k a s. kerrakazasie, znw. m. Volksetymologische verbastering van catechisatie. || Mó-jj (= moet je) naar da kerrokozasie ? — Syn. van 1 wrang, zie aldaar.

kerramas (of kurromas), znw. m. -— Zegsw. v a n an k o u w a k e r r a m a s t ö i s k ó m ma, met do kous op den kop thuis komen, err/ens slecht afkomen. — Waarschijnlijk algemeen. — De kermis, die hier vroeger einde September viel, werd mooie mart genoemd.

kespal, znw. m. Oud, vervallen huis. j| N'ou^ 't wier tijd, dat zo die kespal ófbrakka. — Syn. van k a v a 1 i e, ndl. kavalje. kastaiar (of karstaiar), znw. m. Kastanje.

Zie !; 46, a en § 51, e.

keuchiesbuttar, znw. vr. Zekere boter, bestaande uit varkensreuzel met kancel en stroop. Het woord is dus een samenstelling met het verkleinwoord van keu, varken. Vgl. ndl. k u d d e b o t e r. keutaldrafüe, znw. onz. Sukkeldrafje. {| Op an keutaldraffie lóopa. — Van Dale kent wel keutelen, keutelaar, keutelwerk enz., docli dit woord geeft hij niet. keu val, znw. m. Vrouwenkap, muts. Het gewone hoofddeksel der vrouwen, overeen klein zwart mutsje heengedragen. De keuvel is óf van gaas met een breedeu zoom in de rondte óf van tule (t u 1 i e of k w i s-p a 11 u 1 i e) en dan door echte of nagemaakte kant omgeven. Van voren sluit de keuvel of vast of hoekig (zie KEBIiaKAS) om het voorhoofd. Zij daalt over de ooren en schouders tot ongeveer halverwege den rug. Het gedeelte van het achterhoofd tot onderaan heet s t a e r t. Door enkele vrouwen wordt onder de keuvel noir een ü o u dij z e r en voor op het hoofd gouden of diamanten hoofdspelden (h óö d s p e 11 a) gedragen. Alle dragen verder krullo, welke aan een ijzer (ook van zilver) zijn bevestigd, dat achter om het hoofd sluit en in de ondermuts wordt vastgespeld. Gewoonlijk worden dan achter de krullen nog een paar gouden of diamanten spelden gestoken. Bij rouw worden rouwmutsen (nooit met kant) gedragen en alle versierselen, behalve de krullen, achterwege gelaten. — Voorde alleiding en oudere beteekenis van hot woord keuvel zie men Küanck i. v. en Mnl. Wdb. op c o v e 1.

këzamanda, znw. ra. Lanje, niet te wijde mand met twee ooren, vooral gebruikt om krieken in te verzenden. |{ Da krieka zijn van aevand varkocht voor drie gulda da këzamanda.

kiep, znw. m. Ouderwetsc/ie v rouwen hoed. || Da kiepa baghnia óit da möda ta raka. — Ook schertsend voor vrouwenhoed in 't algemeen. — Evenzoo aan de Zaan (zie Boe-kenoookn 4'20) en elders in N.-Holland, vgl. kiepje bij Beets, Na vijftig jaar, 60. Zie verder Mnl. Wdb. i. v. k i e p e en Taalk. Mar/azijn 4, 679.

kik, znw. m. In de uitdr. da kik an of in iets êta, zoo dat men het niet meer lust. {| Ja ëêt veuls ta veul bcxina, net zoo lang tottat ja ar da kik an heb. — Waarschijnlijk hetzelfde woord als liet eerste lid van k i k h a I z e n.

kikka, zw. ww. intr. Een nauwelijks hoorbaar geluid geven. || Hij dorst nie(t) meer kikka. — Vooral in de zegswijze z o n d a r kikka of mikka, zonder hel minste geluid te geven. Zoo ook in het Wvi. (De Bo 457), in 't Mnl. en ook in het latere Ndl., vgl. De Jager, Fre*/. 2, 223. kikkar d i, znw. m. 1) Kikvorsch. Zegsw. 'n k a I a k i k k a r t, een jonge vogel, die nog geheel kaal is. Vgl. het elders gebruikelijke k a 1 e d o t met zijn vervormingen en het vla. paddebloot. — 2) Ee)i soort van wervel; klein houten klampje, dal om een spijker draait en dient om luiken enz. dicht te houden. — Even/ooaan de Zaan: zie Boekenoogen 431.


ocr page 77

KIMM3LKETT3NG—K.NIEK.

kimmalkettang, znw. m. Kinkelting aan het yebit der ■paarden. — Vgl. Tenth. ky in mei, kynrep en Mnl. Wdb. op k i rn m ij n.

kinkoio, zw. w\v. intr. Kronkelen. || Ilat gaera kinkalt. — Het woord gaat terug op een ogm. stam kink, draaien, warren, waarvan ook ndl. kink, znw. vr. en met klankwijziging konkel en k o n k e 1 e n. kinnomando, znw. m. Mand ter grootte van '/3 HL. en vooral gebruikt voor de verzending van appels en peren. — Waarschijnlijk wel met assimilatie uit *k i n d e-mande en dus verwant met ndl. k i n-netje; zie Tijdschrift 11, 52 vlgg. kis1 ie, znw. onz. Zie de Wdbb. — Ook: Voorbank op een boerenwagen of Bierwagen. Inderdaad doet de afgesloten ruimte onder deze bank gewoonlijk dienst als kistje of kastje. — Zoo reeds in de -Me. hier en daar, vgl, Mnl. Wdb. i. v. 1 i s e. kissataillo, zw. ww. intr. Treuzelen, rondscharrelen zonder iets uit te richten. |{ Van óchand heb ok maar lótipa kissabilla in nou van middag is an éès allo drukto gokómmo. — Overeenkomstige bet. vertoo-nen do elders gebruikelijke vormen kissebissen, eig. k i z 7. e b i z z e n en k i s s e-vissen, fluisteren, zacht spreketi. Zie De Jager, Freq. I. 844.

kittag, bnw. en bijw. Levendig, vlug, flink voor de jaren, kranig; hard, sterk. — Kl-ders ook kiddig. 1| Wat zie jo gróomoedin-dar nog kittag óit. 'n kittag oud mens. Hot rëgant, vriest kittag. — Ook in 't Ndl., althans als bnw. bekend, maar in eenigszins andere beteekenis.

kleddarag, bnw. Morsig. || Da weg is zoo kleddarag. — Ook in het Geldersch (Gallée, Wdb. v. h. Geld.-Overjs. dial. 21) en elders, kleed, znw. onz. Zie de Wdbb. — Ook schort. Ij Ja mót óèst au schoon kléèd voordoen.

klef. bnw. Niet goed doorbakken en daardoor kleverig, tetsig. || Wat is dat brood klef. — Ook elders in dezen zin gebruikelijk; zie Uoekknchksen 442, Taal- en Letterbode (i, 7 vlg., en vgl. De lio 46i. Zie ook het volgend woord.

kleffarag, bnw. Hetzelfde als klef; zie

aldaar. || Kleffarag brood.

klerrek, znw. m. Soort krieken. Zij komen ongeveer veertien dagen na de vroege, die w i I s i e s heeten.

klik, znw. m. Hak van een schoen of muil. — Vgl. het Zaansche klikkertjes, muilen met houten hielen bij Boe-kenoogen 450.

klip, znw. rn. Bots in zee; zie de Wdbh.— Zegsvv. Têge «la klippo op, uit alle macht, verbazend veel. || Hij liegt tëge klippo op. Die jongo ëêt töga do klippo op in toch blijft-ie zoo maegor as on hout. — Ook elders met eenige wijziging in den vorm; zie Boekenoogen 452.

klis ( I), znw. rn. In de uitdr.: op da klis gaan, z ij n, op hol gaan, zijn, van paarden. y Dat paerd is niet ta vartrouwa, at is al au paar kéèra op da klis gawêëst. klis (11), znw, ra. Uitslaande schuld in winkels. Zegsw. Op da klis kóbpa, hala, op den borg. — Zoo ook bij Boekenoogen 452; bij Van Dale en De Bo2 406: op d e (n) klets.

kloddar, znw. rn. Klomp van een dikke brijachtige slof. jj 'n kloddar stroop. — Het wordt hier ook wel gezegd van dunnere vloeistoll'en. || 'n kloddar int, spoeg enz. — Van Dale geeft het woord als gewestelijk, maar het is in verscheidene streken gebruikelijk ; zie Boekenoogen 453 en De Boa 46!i. klómpie, znw. onz. Kandijklontje. || Do-manêësklompies. — Klontje wordt hier alleen gebruikt in de zegsw. z ób klaar as an k I o n t i i e, heel duidelijk; vgl. Molema 207.

klo'bta, zw. ww. intr. Met de kloot (s c h i e s-k 1 óo t voor sch iets kloot, vgl, ndl, sc h ietbal in Mnl. Wdb. 3, 1591) werpen. Het spel kwam niet lang geleden in Oud-Beierland nog wel voor, vooral op het ijs, en is waarschijnlijk in den omtrek hielen daar nog in gebruik.

klos, znw. m. Sneeuwklomp onder schoenen en klompen.—Aan de Zaan gebruikt men in dezen zin klonster en klos ter; zie Boekenoogen.

| kniek, znw, in. Knak, denk. || Dar is on


9

ocr page 78

KNIEK3—KON3NG3.

G(i

livlaka kniek in man hoed. — Ook elders, knieko, zw. ww. trans. Knikken, knakken. |j Pas op da-ja at stóêlfjie nou niet an kniek. — De vorm k n i e k e n in plaats van knikken komt ook elders voor; zie Mnl. Wdb. i. v. c n i c.

knoei, znw. m. In de uitdr. in da knoei zitta, in de klem, in 'I nauw zitten. Vgl. Boekenoogen i. v.

knook, znw. m. Zie de Wdbb. — Overdr. ook hand. |{ Hou ja knöka tóis. — Evenzoo elders in Holland en West. Utrecht, knurraf, znw. m. Sterke kerel. || 'n knurraf van an vent. — Zoo ook in de Saksische streken; zie Gai.lée, Woordenboek, 2'2. koekoekspoug, znw. onz. Bruine harsachtige zelfstandigheid, die zich vooral aan kersen en pruhneboomen bevindt. Dus iets geheel anders dan wat Van Dale en De Bo2 482 onder koekoek- of k i k-kerspog verslaan. Maar vgl. koekoeks-1 ij m op Z.-Beveland(Nooi'd en Zuid 3,*17G). koeramarzo, zw. ww. trans. Hetzelfde als k a s t a 1 a m a i j a; zie aldaar. — Kan dit ww. misschien staan voor schoeramarsa en dus beteekenen: iem. als een mars op zijn schouders dragen? Voor een /; die aan het begin der woorden (vóór r) uit sch is ontstaan, kan men dan mogelijk vergelijken knie r naast scharnier (vgl. Van Dai.e op scharnier) en Wvl. k o e r i e-moeri naast Ndl. schorremorrie (De Bo 469).

kofüeleut, znw. m. of vr. Iemand, die veel van koffie houdt; die veel koffie drinkt. — Zoo ook bij Boekenoogen 483. kèikaskop, znw. m. Gewoonlijk in 't meerv. Korreltjes, die in te lang i/eioelde biest komen. — Zoo geheeten naar den vorm. koil. znw. m. Schijf, die als wiel gebruikt wordt aan lage warjens (of sleden); ook het wieltje aan een kinderkruiwagen. koilo, zw. ww. intrans. Bollen. || Wil ak as an gulda ovar taefal laeta kóila? Vgl. k uien in Taalgids 0. 115'J en het Over-ijselsche kuloën, rollen en kulo, gezegd tot een kind, als iets aan komt rollen, köilaslée, znw. m. Laag voertuig oji vier kuilen. Het dient om ploegen en ander

zwaar landbouwgereedschap 'e vervoeren, köis (1), znw. gem. (vgl. § 49, c). Kalf van 't vrouwelijk geslacht. Van Dale geefl k u i s c h k a 1 f, jonge slier; maarBlLDER-dhk, Geslachtlijst, kuis, jonge koe, v. Dat onder k ó i s hier een vrouwelijk kalf wordt verstaan, blijkt o. a. uit advertenties (in het Nieuwsblad van de Hoeksche Waard van 30 Maart '1895), waarin te koop worden opgegeven: «8 kuishokkellngen, 7 oshok-kelingen en 2 hokkelingstieren » en « 2 éénj. stieren, 5 oshokkelingen en 5 kuishokkellngen.» — Ook elders in Holland is het woord voor vrouwelijk kalf bekend; zoo bijv. te Moordrecht (advert, in de N. Itott. Cour. van 4 April 1895, 2e blad A).

köis (H), bijw. Geheel en al. || Kóis varrot. Kóis badurrava. — Bij Bkabantiüs, Onze Volkst. 1, 211, beteekent het zuiver, schoon, geheel en al: alles kuis opeten. Deze zegswijze is in Oud-Beierl. niet bekend. Vgl. ons schoontjes en mnl. s u v e r. kol (I), znw. m. Pit in noten, appels en peren. 1| Deuza peer is nog niet rijp; da kollo binna nog wit. — Ook de aniandelpitten in bruidsuikers worden k o 11 a genoemd. — Evenzoo elders, bijv. te Dordrecht (Taai-gids 4, 37) en Sliedrecht (Taal-en Letterbode 5, 196).

kol (11), znw. m. Ronde, witte plek cp het voorhoofd van paarden. Dus niet hetzelfde als bles, zooals Van Dale opgeeft. — Zie nog bles en s n ó i t en vgl. ook Molema 210.

kómfóbrt, znw. onz. Belegstuk, aan den hiel van schoenen en laarzen. || Watta slappo kómfóbrta binne dar an deuza schoe-na. — Van fr. contre-fort; wvl. k o n-terfoord; zie De Bo2 487.

kómöf, znw. m. Afkomst. || Mij is van honga kómöf. — 2) Afkomen. || Dar isgeènkótn-óf au die vent. — Evenzoo aan de Zaan (Boekenoogen 480) en in West-Vlaanderen (De Bo2 485). Van Dale geeft alleen de eerste beteekenis en wel als gewestelijk, könanga. zw. WW. intr. Zeker spel. Een aantal hazelnoten worden naast elkaar op een rij gezet; de eerste ter rechterhand heet de k ö n a n g. Naar deze noten wordt


ocr page 79

KOOIG—KRIESJIE.

67

nu met oen uout (jooincut) gegooid. Wie oen noot weggooit uit de rij, wint deze, benevens alle links daarvan gelegen. Wie dus den k ö n o n g raakt, wint alles. — Aan de Zaan wordt het spel, minder oorspronkelijk, met knikkers gespeeld en heet daar g or ren; zie Boekenoogen 25G. köbke, zw. ww. intr. Neiginy hebben tol braken, tvalgcn. || Hij knokt têgo zon üta in. — Ook de neigbiy tol braken opwek-ken. || Dat vet kiïikt ino don hoela middag in ma këêl. — Evenzoo elders, bijv. aan de Zaan (zie Boekenoogen 492) en in het Sladsfriesch ('?), zie Onze Volkstaal '1, 178 i. v. g r i e z e n. liet woord zal wel samenhangen met kokken en kok in k o k-halzen, waarvoor ook koekhalzen ( Taalgids 6, 140) en dus evenals deze woorden een klanknabootsing zijn.

koollof (of k óo 11 o u w), znw. m. Tuin-of landbouwgereedschap, schrepel (zie aldaar) mei huigen steel, waarmee men rechtopstaande kan wieden. — De oorspronkelijke vorm k o o 1 h o u w wordt in Zeeland gebruikt (Sch. t. W. 1, 120) en in Groningen (Molesia 218). liet is eigenlijk dus een werktuig om het koolzaad van onkruid te zuiveren (vgl. analoge samenstellingen bij De Bo als hommelhouwe, r o o d h o u w e), maar later is de beteeke-nis uitgebreid tot de tegenwoordige, koppolt'ie-doikelo, zw. ww. intr. Over het hoofd buitelen. Hij ken zuö leklor kop-polüie-duikala. — Aan de Zaan zegt men met hetzelfde vreemde diminutief koppel-tj etuimeien (zie Boekenoogen 497) en in Groningen koppeltje buitelen (Müi.ema 219).

kortaevenda, zw. ww, intr. 's Avonds bij iein. op visite zijn, den avond bij iem. korten. || Nou deuzo wëêk heb ak nog gét-n tijd, maar da volganda kóm ak nog as bij ja kortaevanda. — Vgl. voor de vorming innl. c o r 11 i d e n.

kortvoer, znw. onz. Veevoeder, bestaande uit haksel, aardappelen, erwten, graan enz. In tegenstelling met 1 a n g v o e r, d. i. hooi. — Zoo ook elders; zie Boekenoogen 501, Molema 221.

kraak, znw. in. Kraahsleen in kersen, pruimen onz,

krabbachio, znw. onz. Ribbetje van een varken, karbonade. — Evenzoo in do X.Betuwe (Onze Volkstaal 2, 93). Hoewel Van Dai.e het woord niet kont, schijnt bet algemeen Ndl.; zie Mnl. Wdb. i. v. c r a p-p e. Vgl. het volgende woord.

krap (1), znw. m. In de uitdr, da natta krap, stuk van den hals van een geslacht varken, om de plaats waar het is gestoken. Het wordt gewoonlijk aan arme luid-jes gegeven.

krap (II), bnw. en bijw. Nauw, nauwsluitend; schaars, schraal. || Dat lijfie zit ma ta krap. Ma jas wordt ta krap. Dieschoena zijn ma wel wat krap. N:eeinp-at nou niet to krap. Hij zit ar errag krap bij. Hij bait at têgawoordag maar krappies. — (Fig.) Och toe, dat mó-ja zóö krap niet nëma, zoo nauw niet nemen. — Zoo ook elders. Vgl. o. a. Boekenoogen 511 en Molema 224. Van Dale geeft k rap alleen als bijw. krats, znw. m. Kleinigheid. || Voor an krats varkubpa. 't Schouw {scheelde) maar an krats.

kréen, bnw. Lastig van humeur, zanik-aehtig. Vooral van kleine kinderen gezegd, bijv. van die tanden krijgen. — Ook elders in eenigszins afwijkende beteek. bekend; b. v. precies, overdreven nauwkeurig of stipt. Vgl. o. a. De Jager, Freg. I, 319 en Noord en Zuid 3, 115 en 183 en wvla. kruweel.

krek, bijw. Juist. || Dat is krek éèndar. —

Van fr. correct. — Ook elders, krentarag. bnw. Gierig, schriel. {| Hij is altijd zoo krentarag. — Als bijw. Op schriele wijze. j| Wat is dat weer krentarag van am gahandald. —- Het woord is in dozen zin ook elders bekend; zie Boekenoogen 513 en Molema 227.

kreukal, znw. m. Kreuk, vouw. || .la ovar-hemd is vol kreukals. — Volgens Van Dale gewestelijk.

kriea'ie, znw. onz. Kleinigheid. || Het schéélt maar an kriesJte. — Meestal met ontkenning g ét' n k r i e s i i e, geen zier. || Ik heb nog géén kriesüe gahad. Ik ken dar géén


ocr page 80

KROEL—LAIK (I),

krie^ie van tnissa. — Zoo ook aan de Zaan; zie Boekenoogen 515.

kroel, znw. m. In de uitdr. sn werrama kroel, een kooltje vuugt;\ een stoof met vuur. || Hier, ik zei ja as an werrama kroel gêva. — Een afleiding van 'l volgende woord, kroelo, zw. ww. intr. Xic/i koesteren, dicht tc(/en elkaar liggen of zitten. || Da kippa kroela in 't zonnachie. Ondar da dökas kroela. — Ook elders in N. en Z.-Holland bekend; zie Boekenoogen 519,

kröia, st. ww. trans. Zie de Wdbb. — 'n m e ii 1 a k r 6 i 9, hem van stand doen veranderen en naar den wind zetten. — Misschien wel algemeen; zieMolema230en Boekenoogkn 527; den laatste ook voor de hier gebruikelijke samenstellingen kroi-k e 11 a n g en k r 6 i r a d.

kroil, bnw. en bijw. Vlug, parmantig, hupsch. || Wat an króil ventüe. As ja 'm op zan sondags ziet, dan ziet-ie dar wat króil óit. Wat staat dien onwa man nog króilUies op dat jtatret. — Elders kruiïg. krooi (of k r öö), znw. m. Menigte. || 'n h(tèla krooi jongas. —Vgl. verder Tijdschrift \2, 120.

kroos'ie, znw. onz. Beteckenis? In de uitdr. om kroos Mes gaan, om zeep gaan, sterven.

krop, znw. m. Mond van een zak. — Volgens Van Dale gewestelijk.

kurraüe, znw. onz. Maat van 2'/., kop. Voor aardappels en dergl. || Wat kost an kurrafle van die pèra'?

kussant'ie, znw. onz. Kokinje. Zoo gehee-ten naar den vorm. De kussentjes zijn van betere qualiteit dan de brokken en worden van suiker gekookt.

kwadees, bnw. Sukkelend, ziekelijk. || Is-tie al lang kwadëës gawëëst? — liet woord, dat geassimileerd is uit k waaddeegsch. is ook elders bekend (Boekenoogen 541). liet is niet heel gewoon; meestal zegt men dar slecht (niet goed) an z ij n. kwak, znw. onz. Hoop, menigte. || Ja ken gloova, dat die vent an kwak centa bait.— Zoo ook in de X.-Betuwe {Onze Volkstaal 2, 94).

kwebbala, zw. ww. intr. Druk praten.

Ook ruzie hebben. || llóöra die wij va wéér as kwebbala. — Ook elders bekend; zie Gallée, Woordenboek, 24 («veel en slordig praten») en De Jager, Freq. quot;1,351 (« babbelen, snappen, snateren »).

kwéèsala, zw. ww. intr. Veel spuwen. Vooral van iemand, die tabak kauwt. || Dattie próimt is nog zoo errag niet, maar da vent kwéèsalt dar zóo van.

k wij bars, bnw. Gezegd van haar, die bij het hilleken (bikkelen) den opgeworpen stuiter niet vangt en haar beiert daarom aan een ander moei overgeven. || Ik mót nou speula, want jij was kwijbars.

L.

labbekak, znw. m. Vgl. Van Dale. Hier echter nooit in de daar eerst opgegeven bet., maar steeds in die van benauwde, vreesachtige kerel, welke als gewestelijk staat vermeld, zoowel bij Van Dale als in het Mtü. Wdb. 4, 3 (i. v. la bay, slot), labas, znw. m. of vr. Groote, jlauwe kerel of meid. || Kijk daer nou die grnota labas die klaina kindara as plaega. — Elders lobbes (Van Dale). Bij Gat,lék. Woordenboek, is I a o b e s een onverschillige kerel. Eveneens afwijkend in beteekenis is 1 a p e s of I a b b e, sukkelaar, sul bij Sciiuermans en labben, lummel, sul bij De Bo. ladder, znw. m. Tusschenzetsel tusschen den staart van de keuvel en het mutsje. — Alleen in deze beteekenis (en als technische term in molens: Jacobsladder) wordt deze Friesche vorm gebruikt; in alle andere bett. zegt men leer.

laeg lieog i, bnw. Zie de Wdbb. — au la ego wind, zuidenwind; da wind is laeg, zuidelijk. Vgl. om laeg.

lai, znw. m. Leidsel. \\ Houd da laia as eflan-tües vast. Vgl. het gron. 1 a i d e (Molema 235).

laik (1), znw. m. Baggerschop. Geen bagger-heugel, zooals aan de Zaan (zie Boekenoogen 547); evenmin een zeis, zooals staat opgegeven in Mnl. Wdb. i. v. 1 a d i k e n (vgl. hierachter s c h o u f h a a k). De laik bestaat uit een ijzeren schop met opstaande


ocr page 81

LAIK (II)—LEUT.

randen (behalve vooraan), die onder een scherpen hoek aan een langen stok is bevestigd. Vooral wordt de la ik gebruikt bij het róto van 't vlas, oin modder uil de slooten te halen en over de bossen heen Ie leggen, ten einde ze zoo onder water Ie houden. — Het ww. laai ken, dat aan de Zaan en elders voorkomt, is hier niet in gebruik. Zie verder over het woord Mnl. Wdb. i. v. 1 a d i k e n en Boekenoogen 547. laik (II), bnw. Vul modder. || Dat is Dn las-taga sloot om ovar to springs; hij is ziki laik, dat ja póls dar middanin blijft stëka. — Op de een of andere wijze moet dit bnw. met het in 't vorige artikel genoemde znw. in verband staan.

laks, bnw. Slof, traan, niet nauwrjezel || Dien tummarman, da's zób'n laksa vent, die zei dat wel wéér vargêta. — Indezalfde beteekenis ook elders, o. a. in Groningen (Mülema 23G) en in het Vla. (sctlukiim VNS).— Ten nauwste schijnt dit woord verwant met mnl. lac, loszinnig en ook traag, loom (Mnl. ^Vdh. i. v.).

lammonadog. bnw. Lamlendig, akelig. || Dat ving ak lammauadag werrak. — Zoo ook elders, bijv. in Amstelland, aau de Zaan (Boekenoogen 553) en in Groningen (Westerkwartier; zie \V. de Vries, Vbca-lisme van Noord/iorn § 41, 3 en Molema 236), alsmede op Urk, waar het woord lammenaotig luidt (Taal- en Lel ter-bode G, 38).

lamstraal, znw. m. of vr. Lammeling.—

Vgl. het volgende woord.

lamzak, znw. m. of vr. Lammeling. — Ook elders in gebruik. Vgl. voor de vorming ndl. dikzak, goedzak enz. langvoer, znw. onz. Hooi en stroo. In tegenstelling mot k o r t v o e r. — Zoo ook elders.

laning, znw. m. Aan weerskanten met hoornen beplante zijweg, ndl. ia an. lapmando, znw. m. — Zegsw. in da 1 a p-m a n d a z ij n , voortdurend ongesteld zijn. — Zoo ook in Brabant (Onre Volkstaal 1, '212). En in geheel Holland schijnt de uitdr. in de lappemand bekendtezijn. lazarböl, znw. ra. Scheldwoord. ZieBuLAZana.

lazaro, zw. WW. 1) intr. a) Zaniken. \\ Leg niet ta lazaro. — b) Vallen. || Hij lazarda in da slóöt. — 2) trans. Werpen, gooien. || Hij lazarda at têga da grond. — Zie ua-i.a7.ar3.

lazarij , znw. m. Lichaam, puchel. |{ Iemand op zan lazarij gêva. — Verder ook iu ver-wenschingen. {{ Lóöp na da lazarij! Da lazarij haal-ie, as ja dat doet.

lazors, bnw. Vervloekt. 1| Lazarsa vent. — Ook als tusschenwerpsel. |1 Wel lazars! — Vgl; bal.azare en mieï.hr.

léelam, bnw. Erg vermoeid, zoodat men armen en boenen moeilijk meer kan bewegen. || Ik ken at voela, dat ak gistara hard gawerrakt heb; ik bin net zoo lêêlam. leep, bnw. Slim, doch zonder de ongunstige bijbeteekenis van sluw. || 't Is an léèpa vent. Hij is niet errag léèp (wat onnoozel). Dat is ók niet léèp van ja. — Evenzoo ook aan de Zaan (zie Boekenoogen 562).

leerang, znw. m. Catechisatie. Hot woord is hier en elders wel degelijk ook in gebruik bij de Protestanten (vgl. Van Dale). — Soms hoort men ook wel leerling.

legga, onr. ww. trans. Zie de Wdbb. Ook in den zin van pöta, planten. \\ Hebbi al aerapala galêga'.' Bóona legga.

leggoed, znw. onz. Vrucht, die men gebruikt om te poten of te planten. || Deuza b«gt;na houw ik zellaf voor leggoed.

lemoen, znw. onz. Dat gedeelte van het onderstel van een wagen, waaraan de burrie wordt bevestigd. — Evenzoo elders. Van Dale geeft I a m oen, disselboom met twee armen, als verouderd en gewestelijk. In dezen laalsten zin nog op Voorne. leunas, znw. m. Onnoozele vent. — Volgens Van Dale gewestelijk.

1 eur, znw. m. Zie de Wdbb. Alleen in de zegsw. v (3b r an leur in an z e u r, voor een kleinigheid. || Iets voor an leur in an zeur mótta vark(X)po.

leut, znw. m. 1) Pret, plezier. || Wa hebba daer héél wat leut gahad. Zoo maar voor da leut (uoor de grap). — Ook elders in Noord-Nederland op verscheidene plaatsen bekend; zoo te Dordrecht (Taalgids 4,39), Sliedrecht (Taal- en Letterbode 5, 196),


ocr page 82

LEUT3—LOERT.

70

aan de Zaan (Boeiienoogen 573), in de N.Betuwe (Onze Volkstaal 2, 9i), liet Westen van N.-Biabant (Oji:e Volkstaal I, 213), en Limburg (luit. Onze Volkitaal 2, 39).

— Van Dai.e geeft evenals De Bü en Sciiuekmans den vorm leute.

2) Optjcwarmde en ook wel versche koffie, tegenwoordig bijna alleen als schertsende benaming. || Wé-ja (wil-je) nog an koppie leut'? — Zie Boekenoogen 573. leuta, zw. ww. intr. Zeker knikkerspel. Wei wordt gespeeld door vijf jongens, van wie er een, de leut, door de andere, die twee aan twee eikaars maat zijn, niet geraakt mag worden.

leutag, bnw. I.olliij, prettig. || Da's leutag, bi?

levandag, bnw. Ook in de bet. levend. {{ 't Is bondard wondar, dattie dar lëvandag ondar vandaen is gokomma. — Zoo mis-scliien overal elders in Noord-Nederland, lielouw, bnw. Lierlauw. {| Zot die koffie nog maar as op; za is nog maar lielouw. —-Vgl. Franck i. v. 1 i e r 1 a u w.

liem, znw. m. Alleen in 't meevv. Houtach-tigc stukjes, die uit hel vlas worden rje-zwimjeld. Hetzelfde als scbêë va. || As ja da bamma wil laeta rcïike, dan mót ja za brenga bij mensa, die nog liema stöka. — In Vlaanderen lemen, zie De Bo 541 en Schuermans 329. Vgl. verder over bet woord Mnl. Wdb. i. v. 1 e ra e en hiervoor §10, c. lijkona, zw. ww. intr. Lijken. || t Patret lijkant goed. Hij lijkant net op zan vadar.

— Vgl. eng. to liken. — Zoo ook in verschillende andere Iloll. dialecten en in de N.-Betuwe (Onze Volkstaal 2, 95). Vgl. ook De Jager, Freq. 2, 802, waar o. a. voorbeelden uit Huygens, Bilderdijk en Booaers zijn te vinden.

link, znw. m. Vuile streep in linnen of katoen. {| Wat is dat hemd slecht gawassa, alia linko staan dar nog in. — Vgl. De Bo2 562 (i. v. 1 i n k s e 1) en Schuermans 342. Andere beteekenissen geven Van Dale en Hoeufft 361. Zie ook Mnl. Wdb. 4, 662. lóddarain, znw. in. Eau de eologne. {| Wat is dat hier werram, hi! Wé-ja (wil-je) niet wat loddarain? — Verbastering van 't fr. l'eau de reine. Ook elders bekend; vgl. het volgende woord.

löddoraindobSJle, znw. onz. Een zilveren doosje, waarin een niet eau de cologne gedrenkt sponsje. — De naam is met de zaak bijna geheel verdrongen door den flacon. — Ook elders in ons land bekend; vgl. Moi.ejia 240, Onze Volkstaal 3, 68 en Camera Ohscura 171 met de verklaring van N. Beets in Na vijftig jaar, 105.

loedor, znw. m. Gemeene kerel. || 'n loedar van an vent. — Van Dai.e geeft het als gewestelijk en met het vrouwelijk geslacht. Ook in Brabant (Onze Volkstaal 1, 213) wordt loeder vr. gebruikt; doch elders wordt het ook alleen van mannen gezegd; zie Boekenoogen 584, Moi.ema 246 en De Bo 563.

loei-je, zw. ww. trans. M't een touw of ketting den kop van koe of paard aan de voorpooten vastbinden. Daardoor belet men het dier den kop te hoog op te lichten en schade aan vruebtboomen toe te brengen, {j Ja mót ja koe loei-jo in andars mót za dan bóogart óit. — Zie het volgende woord.

loejang (ook loei), znw. m. Touw of ketting, dienende om koeien of paarden te loei-ja. || Da koe bait zan loejang stik ga-trokka. — Bij koeien gebruikt men meest een ketting; bij paarden een touw, dat tusschen de voorpooten door aan een gordel om het lijf is verbonden. — Misschien is het woord hetzelfde als wvl. 1 o e n i e, I o e n j e (zie De Bo 564).

loei , znw. m. of vr. In de uitdr. o u w a loei voor oude man of vrouw, zeurig persoon. Maar ook als lief koozingswoord : 1 e k k a r a loei.

loeram, znw. m. Zegsw. in da 1 o e r a m nöma, in 't ootje nemen, voor den gek houden. || As-t-ie van aevand komt, zella-ma'm as in da loeram nêma. — Waarschijnlijk wel hetzelfde als Groningsch 1 oe-rom in: in de loer om (of lorum) w e z e n (Molema 246) en het Zaansche lorum; zie Boekenoogen 592.

loert, znw. m. Leverworst. || Ik zei an end loert voor ja mêëbrenga. — In deze beteek.


ocr page 83

LOET—MÉÊD.

71

echter zeldzaam. Meestal schertsend voor drol.

loet, ziiw. m. Tuinbouwgereedschap, omde aardappelplanten aan te aarden of a n to 1 o e t e (zie aldaar). — Ook elders is het woord 1 o e t (e) bekend, maar in andere heteekenis.

lurrapo, zw. ww. intr. hanyzaam drin-ken. || Die doet don héèlan dag maar niks andors as koffie Inrropa. Wat zit jo toch an dat kómmachie koffie toinrropo?—Zeker wel verwant mot het Zaanschc lerp, tong (zie Boekenoocen 570).

M.

Ma, vrouwennaam. Verkorting van Maaltje. Wegens den klinker is samenhang met den hier gehruikelijken mansnaam M a e r t (naast M a e r t o) niet waarschijnlijk. — Vgl. Boekenoogen G01 en de beide, in het volksbewustzijn althans verscheiden, vrouwennamen Marijchie (van Maria) en M a r o c h i e.

maibeono, zw. ww. intr. De voelen hui-tcmvaarts keeren onder het loopen. Bijna uitsluitend van paarden. || Keral, ik zou dien hit niet kóopa. Heb ja wel gazien, hoe-die maibivnt ? — Zoo ook bij De Bo 578. Van Dale geeft dit ww. niet, wel maaivoeten.

malang, znw. Alleen in de uitdr. malong h e b b a an, om iets of iem. niet geven. H Nou ja, ja doe maar; ik heb toch malang au ja.

mando, znw. m. Mand. Zie § 51, a. — Ook in het wvl. is de vorm m a u d e bekend ; zie De Bo 584.

manzo, zw. ww. trans. Baas kunnen. || (lij is niet gniot, maar hij zou dan andara toch wel manza. — Bij Schüermans m a n-nen, dat ook aan de Zaan (Boekenoogen 611) bekend is. Is manza een verbaal x-alleidsel, en te vergelijken met ndl. heer-schen, kleinzen, wvl. klaarzen enz.?

marzel (of mazzal), znw. Het geslacht blijkt niet. In de uitdr.: mijn an m a r-zall 't is mij onverschillig- maak géén mazzals, lig niet te zaniken, maak geen grappen; ik heb mar zal an a m = ifc heb malang an am. — Aan de Zaan gebruikt men mazzel in den zin van een goede, voordeelige knop (Boekenoogen 087). In den .Spectator van 1871 vergelijkt lloNlGH daarmee het Hebr. m a s-sel, geluk en Joodsch-Duitsch m a s s e 1-t o h f f, goed, veel geluk.

mato, zw. ww. intr. Knikkerspel, gespeeld door vier jongens, die twee aan twee el-kaars maat zijn, d. w. z. elkaar in 't spelen helpen.

matjokol (of ma t jak ou w), znw. m.

Watjekou, oorveeg.

m9ch.ól, znw. vr. Zegsw. an dikka m a-c h ó 1, dikke, vette vrouw. — Misschien samenhangend met het dial., door Van Dale genoemde moggel. Vgl. nog wvl. ina-c bochel (De Bo 581).

madeen, bijw. Dadelijk. || Ik kom madéèn.

— Vgl. z o in m a d éè n.

meed, znw. m. Gedeelte van een akker tusschen twee greppels. || Ik heb op dan éèrsta méèd andara aerapala gapoöt. — Ook in den naam van vele stukken land. || De Vijdaaggemeeden {uit advert.). ■— Verwantschap met ndl. meten, g e m o t is zoowel wegens de scherpe e als wegens de slot-rf onmogelijk. Die laatste omstandigheid verbiedt ons ook in het woord een alleiding te zien van got. mal tan, snijden {Onze Volkstaal 1, 165), hoewel zich daardoor de bet. uitstekend liet verklaren (vgl. gr. té/xevo;, stuk land naast rê^cexof, moot, beide van refivw). Klaarblijkelijk is m ét' d hetzelfde woord als rnnd. mode, ofri. mêth, ags. m cc d, eng. mead, weide enz., welke woorden weer verwant zijn met ndl. mat, hgd. matte enz. en met maaien. Even goed als nu mat een zekere landmaat (l/2 HA. en % morgen; eig. zooveel land als een maaier op één dag kan maaien) is gaan beteekenen, kan ook m ee d zijn bot. hebben gewijzigd tot die van stuk land van zekere grootte, welke dan weer aanleiding kan hebben gegeven tot de tegenwoordige. De vorm méèd komt ook voor aan de Zaan (zie Boekenoogen 001 i. v. ma ad) en in het Mul.; zie Mnl. Wdb. op made.


ocr page 84

MEMM3LIJS—MULL3VER(D).

72

rncmmalijs, zuw. ra. Zanikerd, zemcl-knooper, /lauwe, kinderachtige kerel. — Het laatste deel der samenstelling is waarschijnlijk lijs, zemelknoopend man (Van Dale). Het eerste deel is misschien het oude mem, m e m m e, moeder (zie Boe-kenoogen 0'23).

mendeur, znw. m. Groote deur in een schuur. — Evenzoo bij Schüekjians en elders (Onze Volkstaal 1, '28, 127). Vgl. menna.

meneuvel, znw. m. Gewoonlijk meervoud. Grimassen, kuren. || Kijk hij os rara ma-neuvals malo! Wat zijn dat wn'r voor moneuvals. — Evenzoo elders in den vorm m e- of maneuver, maneuvel (Boeken-oogen 611, Molema 2C0). Van fr. manoeuvre.

menne, zw. ww. trans. Het hooi of den ooijst binnenhalen. || Heb ja al terrö ga-mend. — Zoo ook in Groningen (Molema '2C0) aan de Zaan (Boekenüooe.n G'24) en in Vlaanderen (De Ho- 599) en misschien wel overal elders, hoewel Van Dale het als gewestelijk geeft. Vgl. Mnl. Wdb. op m e n-n e n.

merd, znw. Het geslacht blijkt niet. Alleen in de uitdr. merd heb ba an, niet geven om. || Ik heb merd an am. — Ook elders bekend; zie Boekenoogen 640 i. v. mirt en Tijdschrift 2, 204, noot. meul-ie, znw. vr. Tante. Zelfs bij de gegoede burgerklasse is dit woord nog in gebruik. Vgl. § 18. — Zegsw. 'n o u w a ment, een oude tante. || Ze zit dar net bij as an ouwa ment.

mèzek, znw. m. Mwj. || Ik zou da raarnda saevas maar toehouwo, andars krijg ja nog zoo veul mëzaka in hóis. — Het woord is in deze beteekenis ook in gebruik te Slie-drecht; zie Taal- en Letterbode 5, 197. K i liaen geeft m e u s i e, m o s i e, culex; Schüeh.mans en De Bo hebben m e z i e, me u zie en meuze, mugge. Mnl. m ö-zie, mezie van germ. *musjó, lat. musea. Gr. uvlx. Daarvan is mêzak wel niet te scheiden.

midde, znw. m. of onz. Midden. Zie §50c en vgl. nog DEURMlDDa.

mies, znw. Alleen in 't meerv. Centen, geld. || 't Is dar éèn, die veul mieza hait, daer ken ja op an. — Vgl. Boekenoogen 636 en Onze Volkstaal 1, 39.

mieter, znw. m. In allerlei beteekenissen; vgl. Taal- en Letterbode 4,16, vlgg. || Lóóp na da mietar. Ik gëëf dar da mietar van. Ik heb dar géén mietar an. Ik gééf dar géén mietar om. Op zan mietar gêva, komma. — Verder hiervan allerlei alleidin-gen en samenstellingen, als m i e t a r a, opmietara, bamietard, raietars.

— Voor mietar wordt in gelijken zin ook sota mietar gebruikt.

miezereg, bnw. Regenachtig, vochtig', van het weer. —Waarschijnlijk wel algemeen; zie Boekenoogen 636.

mijter, znw. m. Mijt. || Kijk daer as an mijlar in dien blom zijn. Da raijtar is in dat hout. — Vgl. Boekenoogen 638. mik, znw. Alleen nog bekend in de uitdr. b i n n a ra i k k a, fig. binnen, geborgen. || Nou hoor, hij is biuna raikka. — Voor den oorsprong zie raen Boekenoogen 639. min, bnw. Klein, nietig. || 't Is maar an min ventre. — Fig. gemeen. || 'n minna kêral. 'n minnan derrara. — Ook elders is ra i n als bnw. gebruikelijk.

misse, zw. WW. trans. 1) Het land bemesten. || Galóöf ma, ja mót ja land veul méér missa. — 2) Den mest uit den stal wegnemen en ojj den mesthoop brengen. || Ik zei éèst maar da stal gaan raissa. — Ook elders gebruikelijk. Vgl. Mnl. Wdb. op messen.

móddeke , zw. WW. intr. Morsen, niet /link werken. || Wat staat die maid daerta mód-daka. — Vgl. ra o d d e n bij Van Dale en bij Boekenoogen.

mn ff a , zw. ww. intr. — Ja in a g ar op

m u f fa, je mag er jaloersch op zijn. mug, znw. in. Vlieg. — Zoo ook elders;

zie Boekenoogen 651.

mullavor d), znw. ra. Knikker van albast met roode en blauwe lijnen overtrokken.

— Zoo ook te Dordrecht (Taalgids 4, 40) en te Sliedrecht (Taal- en Letterbode 5, 197). Vgl. § 48.


ocr page 85

NAARLING—ÖFSCH0UV3.

73

N.

naarling, znw. in. Naar, onaangenaam persoon; zie naaróog.

naardbg, znw. m. Naar, onannyenaam persoon. || Die nëüf van jou, dïi's ók on och to naardbg. — Ook bij Boekenoogen 655.

nachtwaker, znw. m. Nachtwacht, of liever nachtwachter (zie Van Dale); dus één persoon. De nachtwakers zijn ook tevens omroepers.

nadarst, bnw. De tweede, bij het spel; zie § 07.

naed. znw. m. llaarscheidiny. || Hij draegt do naed in ot middo. — Zoo ook in het Noorden van N.-Holland; zie Boekenoogen 654.

nakand. bnw. Naakt. — Volgens Van Dale gewestelijk; doch op tal van andere plaatsen bekend. — Zoo ook in de samenstellingen moeder nako n d en spie r-n a k o n d.

naplakke. zw. ww. trans. Afschrijven va)} een ander\ vooral door schooljongens gebruikt. || Ik wil wel gldbva, dattie die som ók goed het; hij het om bij mijn nagaplakt.

nar. znw. m. Engte. Alleen in de uitdr. in do nar zit to, in 7 name zitten. Syn. van in do rats zit to (zie op rats). — liet subst. nar, engte (vgl. ofri nara, druk, klem) is nauw verwant met het adj. naar; vgl. nog benard en Zaansch nartel (? Boekenoogen 657). Op andere plaatsen, bijv. te Rotterdam, gebruikt men eng in den zin van naar.

neetnek, znw. m. Grimmig, lichtgeraakt mensch, neetoor. || 'n echto nëëtnek van on vent.

nëgerét, znw. m. Een soort van donkerbruine pruimtabak, die ;n dunne koekjes wordt verkocht. {| Waer k6()p jij die nëgo-ret? — In Groningen heet deze tabak ne-g err it (Molkmv 'lil).

net, bijw. Juist, precies. || Net ('vndor (precies gelijk). Ik kom dor net vandaen. Hij kijkt zoo net (nauw) niet. Net toen ik ot zëë, kwam die binno. — Zoo ook elders; vgl. Boekenoogen 663.

neusiie-droipo, st. ww. intr. Alleen in infin. Bij het spel in gebruik om te zien, wie er eerst zal spelen. Men laat daarbij uit de hand, die men bij den neus houdt, een knikker of zoo iets vallen, zoo dicht mogelijk bij een streep, die men vooraf heeft getrokken. — In andere bet. zegt men aan de Zaan neusje-tip-doen; zie Boekenoogen 664.

nipp9, zw. ww. In de zegsw. as ot nipt in weer nipt (dan kan ik het wel doen, bijv.), als het dringend noodig is, als het er op aankomt. — Vgl. ndl. nippertje en d e n o o d n ij p t.

nor. znw. in. Gevangenis. || Hij zit in do nor. — Evenzoo elders; zie bijv. Boekenoogen 674.

o.

öf. voegw. Soms zegt men ó v v o en wel voor de tooidooze woordjes wo, zo of dor (niet voor jo) en voor wij, wijlie, jullie, heidie en zidlie. || Ik wöët niet óvvo wijlie dor ók mótto wëza. — Vgl. het gebruik van a z z o voor als.

öfbladdara, zw. ww. intr. Afschilferen, vooral van verf. — Vgl. mladdhh en verder Mole.ma 202 en Boekenoogen lk2. OfgGwind, bnw. Alleen praedicatief. Kukel in de uitdr. ó f g o w int z ij n, niet naar zekeren kant gekeerd zijn, van den wind. || Ik heb do klok niet hooro lóijo; 'tis zëkor ófgowind. — Vgl. angiiwind.

öfgieta, st. ww. trans. — Zie de uitdr. op aeR3p:il.

ofjakka, zw. ww. trans. Afjakkeren. || 'n paerd ofjakko.— Jakko is onverstandig hard loopen of rijden.

óf kamps. zw. ww. intr. De wol of sajet afhechten, bij het breien eener kous. || Ik mót denzo kous nóg ófkampo, dan heb ik or van do wëök net twöö gobi'ëjo. — Evenzoo in Amstelland.

üfseliouvo, zw. ww. trans. Gras, diélen (zie aldaar) enz. langs de kanten der sloot en weghakken. || Do kanten der slooten langs de wegen.... doen afschouven, de vellen en ruigten uit de slooten halen (Keur

10


ocr page 86

OFTIPP3L3—ONT (Hi.

74

v. d. politer, art. 11). Dit geschiedt met den schoufhaak (zie aldaar), öftippela, zw. w\v. trans., met de bepaling heel wat, al wat als object,

delcn, aftrippclen. || Ik heb op dien dag héél wat ofgatippald. Zij hait vandaeg al wat ófgalippald. — Zie TiPPai.a en vgl. Boekf.noogen 10.

öistar, znw. onz. Unster. Zie § 19, a. üitdooja. zw. ww. trans. levi. af Diaken bij het knikkerspel. Hem dooitenl || Doe jij nog rnêë? Ik doch, da jo al lang óitgo-dooid was.

öitréoj9 , zw. ww. trans. Met den r tv k a m (zie aldaar) uitkammen. — Zoo ook elders; zie Mm.km\ 290.

öitsliepa. zw. WW. trans. Met den eenen wijsvinger over den anderen strijkend iemand uitlachen. Men zegt daarbij dan : sliep óit, sliep óit, alh jonyos lacha ja óit. Zoo ook in Groningen (Molema 291) in N.-Brabant (Onze Volkstaal 2, 110) en in het Stadsfri. (Onze Volkstaal 2, 182). Misschien wel algemeen; vgl. Grundrissi, 647, waar het als Fri.-Saks. vorm wordt gesteld naast uitslijpen. Van Dale kent in-tusschen noch het een noch het ander, ómbij, bijw. Om; bij bet rijden. || Nou, rij jij nou as an endüe, maar bij da meula mót ja ombij kéèra.

omhoog, bnw. alleen praed. in de zegsw.

de wind is o m h ób g, noordelijk. omlaeg (ondéèy, omblaey, ombléèg), bnw. alleen praed. in de zegsw. de wind is omlaeg, zuidelijk.

ómmakant, znw., m. IIacht, dik stuk brood. || Nou maar as ja twëë van die ommakanta dar in heb zitta, dan zei jij 't wel an paar uur óitbouwa.

ómmendsbij , bijw. Nagenoeg. || Dar wazza dar ommandabij honderd. — Ook elders. Uit om e n (d e) b ij. Schukkmans geeft o rn -mede b i, Molema 297 om en b i e. ómstëka, st. ww. intr. Eene bepaalde wijze van ontraden. Uitsteken. Door het vooruitsteken van de band en het laten raden naar den inhoud, bepalen wie van twee personen iets hebben zal of (bij het spel) met iets zal beginnen. Meestal van kinderen. De een neemt een aanta'. grifjes, knikkers of iets dgl. in de hand en steekt die vooruit; de ander moet dan raden, of de inhoud on o f ê va is. — Evenzoo bij Boekenoogen 082.

óndarlest, bijw. Ontoif/s. || Ik heb am on-

darlest nog gazien, — Zoo ook elders, óndsrserramas, bijw. Met de hand niet boven den schouder opgeheven. || Ondar-serramas gooia. — ïegenst. van BOvaSKR-Rasias.

óndorvcst, znw. onz. 1 'est. || Die jónga lóbpt altijii in zan óndarvest (zonder jas).— Zoo ook te Aardenbnrg (Noord en Zuid %). Volgens Ned. Wdb. zoo alleen in België bekend.

óngaal. bnw. Slecht, onstuimig. Van het weer. || Wa hebba da lesta daega maar ongaal wét'r gahad. — Soms ook ongeveer in de beteekenis van onbestendig gebruikt, waarschijnlijk onder den invloed van ét' n g a a I.

ónneus, bijw. Bij het spel: on neus doen, valsch spelen. || Ik speul nooit méér mit hum; hij ken at niet laeta om onneus ta doen. Vgl. de beide volgende woorden, ónneuza. zw. ww. intr. Valsch spelen. — Te Sliedrecht in gelijken zin onneurzen (zie Taal- en Letterbode 5, 197). Waarschijnlijk is bij het laatste woord de r epenthetisch, vgl. § 40, e.

ónneuzard, znw. m. Valsche speler. \\'lis

zoo'n onneuzard.

ónstrant, bnw. bijw. Astrant, brutaal. Zie § 46, c.

ónt (1), in tan ontóphou wo, st. ww. trans. Ophouden. || Houw ik ja niet tan ónt op? Kom ja wéér tan óntophouwa? ónt (II), bnw. Vuil. || 'n ónt wijf. 'n ónta boel. Ont wéér (waaruit verbasterd ; honde-weer'ï) — Overeenkomstige vormen vindt men te Dordrecht (o n t, o n n é t. Taalgids 4, 40), te Sliedrecht (Taal-en Letterbode 4, 197), in de N.-Betuwe (Onze Volkstaal 2, 97; ook o n n u t), in Brabant (Onze Volkstaal 1, 218), in Groningen (onnut; Molema 304) en bij Sciiuermans. — De oorsprong van het woord is niet bekend. Verbastering uit onnut, onnet of on-


ocr page 87

OOP—-0PTESS3.

75

t ij ff (onlijdifi) is niet aan te nemen; vgl. Ned. Wdh. op outer on o n t ij lt;J i g I, 3. — Gebruikelijke alleidingen zijn o n I a c li-t a g, o n t a g, o n t 0 g h a i d en o n t 3 r d. oop. bijw. Open. || Do deur is riöp. —Even-zoo in de samenstellingen o o p d o e n, o o p g a a n, o o p m a k o, oopschóivo enz. — Misschien ontstaan door verwarring van öpo met een vroeger op; zie Boeken-oogen C98.

dbrek, znw. m. Ituyi/cwcrucl van het Lurken || Ik heb lie var an krabbachie as an óörokie.

dbsbak, znw. m. Hoosvat. Aan de Zaan zegt men daarvoor hoos of hoosschop. (Boekenoogen 345). — Zie verder bij óoza. öbsekéësjie (of óö si i es k êê s j i e), znw. onz. Een soort taailap, ter tvaarde van één cent. — Bij Van Vloten , Baker- en Kinderrijmen 149 komt een woord oord-jeskaasje voor. Men zou gaarne het Beierl. woord voor een verbastering daarvan houden, maar dan vereischt de zachte e van k e e s i i e nog nadere opheldering. ÖOSStal, znw. m. Hoefstal. — Ook in Brabant {Onze Volkstaal 1, 218). Daarnaast noodstal in Limburg (O)izc Volkstaal '2, 224) en n os stal in de N.-Betuwe (Ojize Volkstaal 2, 97). Vgl. verder § 42.

Öbt, znw. m. Wilde haver. || oöt is dan boer zan dood. Vgl. bij her rak. — Het woord komt ook elders voor; vgl. Boekenoogen 6911, Molejia 287, De 1!o 5G (ate). Het Eng. kent o a t (s) in de bet. haver, zoo ook ags. a t a, ate. — Van Dale geeft bet als gewestelijk.

dbtapai, znw. m. Onnoozele vent of jonrjen. Misschien ontslaan door de verwarring van paai en o t a p a, grootpapa.

dbt'ie, znw. onz. Oude vrouw, bestje. Ook schertsend tegen kleine meisjes. — Deze vorm, een verbastering van grootje, komt ook elders voor; zoo aan de Zaan (Boekenoogen (gt;97), in Groningen en in Oost-Ei iesl. (Molema 307).

öbza, zw. ww. trans. Iloozen. Zie ^ 37, h. ópboero, zw. ww. intr. Oprispen. — Van

Dale heeft wel boeren.

opdoeke, zw. ww. intr. Ophoepelen, i)i-doeken, zie aldaar. || .la ken wel opdoeka. ópkarro, zw. ww. intr. VVeygaan, vertrekken. || Och jonga, kar o)i. Of-t-ie gouw opkarda, toen ik am dat ondar zan neus douwda. — Bij Van Dale staat het woord vermeld als Zuidnederl. Aan de Zaan en elders gebruikt men alleen den inlin. (Boekenoogen 702). Vgl. Mul. Wdb. op era m e n.

óplataefal, znw. m. Opstopper. Vgl. Boe-j kenoogen i. v.

Óplazor. znw. m. Opstopper, klap. || Ga weg, of ik gêêf ja an oplazar. Iemand an oplazar varkoopa. — Evenzoo elders, oplazaro, zw. ww. intr. Wegyaan, z. wegpakken. || Kom vent, lazar op. Wé-ja (wil je) wel as oplazara.

óplebabbar, znw. m. Opstopper, oplazer. || Pas op, of ik zei ja an óplababbar göva, dat ja van da wereld niet of an wëêt. — Bij Molema 235 staat in gelijken zin 1 a b-babbel opgeteekend.

óprnake, zw. ww. trans. De laatste hand aan het gezwingelde vlas leggen en het in knullen draaien, waarvan er vijf een steen vormen. — Dit opmaken geschiedde vroeger steeds, en geschiedt nu nog wel, in den p ij z a r (zie aldaar).

ópmakor, znw. m. tem. die het vlas opmaakt.

] öpoe, znw. vr. Grootmoeder, alleen in kin-j dertaai. Door invloed van ó p a verbasterd uit o o m o e, groornoe enz. — Ook elders bekend; zie Ned. Wdb. 5, 1121. ópscutaro. zw. ww. trans. In vel laten braden, opsnerken. {| Vlais, aerapala op-seutara. — Vgl. SEtrnma.

ópstala, zw. ww. trans. Op staal (zie aldaar) zetten. || at hooi opstala.

óptessa, zw. ww. trans. Ophitsen. || Honda têga makaar optessa. — Wel geen verbastering van ophitsen, maar een samenstelling met tetse n of litsen, dat nog in het Vla. (vgl. De Bo en Schuermans) voorkomt in den zin van prikkelen, aansporen, tergen. Vgl. ook mul. tissen, overhalen, tot iets bewegen (Sp. Hist. 2', 37, 40 en de aant. in de Nalezing blz. 515; Alex. 7, 358, conjectuur van Fiunck) en


ocr page 88

bTT3R3-PIEK3.

7(5

o n t i s s e n verleiden, verlokken (Instr. van Philips Wielant blz. 144).

Ottera, zw. ww. inlr. Alleen in den infin. met laten. Laeto ottars, laten loo-pen, laten yuan, aan zijn lot overlaten, yeen toezicht hotiden op. || Za laet do jongas ok maer óttora; 't ken heur niet schêla, wat ar van tarecht komt. — Zoo ook aan de Zaan; zie Onze Volkstaal, 1, 40. oudta, znvv. m. Ouderdom, leeftijd. || Hij

is zób wat van mijn oudta.

ovarleefd, bnw. Volksetymologische verbastering van overleden. — Zoo ook te Sliedrecht (Taal- en Letterbode 5, 197).

P.

pal. zinv. onz. Ondersta van den voel,bal. \\ Ik heb an blaer ondar an at pal van ma voet.

parlovinkar, znw. m. Iemand, die {meestal met een eigen schuitje) op België en het Noorden van Frankrijk vaart en daar handel drijft in kaas. Vroeger meestal rumoerig volkje, dat veel dronk, graag vocht en menig avontuurtje bij de lt;( Belsa » beleefd heeft. Zij behooren nu haast tot de geschiedenis. — Het werkw. parlevinken, dat hier niet wordt gebruikt, komt elders in Nederland voor in den zin van «rondventen» (te Vlaardingen; zie Noord en Zuid 3, 117), «schacheren» {Noord en Zuid 3, 183) en «scharrelen, haspelen» (Groningen, Moi.ema 318). Ook het Oostfri kent het ww. parrelfinken in derge-lijken zin. — Ter verklaring van het woord heeft men gedacht aan de fr. ww. p a r 1 e r en v a i n c r e (dus parlevinker; iem. die overwint door zijn welbespraaktheid! Zie Navorschcr van 1802). Een ander vermoedde samenhang met vl. p e r 1 ó v e, leugen, verdichtsel, praatje (dus p a r I e-v i n k e r, eig. praatjesmaker). Maar 't een zoo min als 't ander is waarschijnlijk, patjakker, znw. m. Fielt, schurk. {| 'n echta patjakkar van an vent. Gaméima patjakkar! — Is dit misschien hetzelfde woord als vl. patjikker, p i t j a k k e r, dut ook beteekent slcchlpaard, dat moeilijk looptl — Vgl. voor de bet. dan ndi. gladakker.

patsor, znw. m. Fielt, schurk. Hetzelfde als p a t j a k k e r. || 'n patsar van an vent. Hij is an gameèna patsar. — Ook elders en in de studententaal bekend.

peet, znw. rn. Alleen in de zegsw. zan p êë t ó i t s I ó v a , zijn uiterste best doen. 1| Nou, dat is heel mooi gadaen, daer heb ja nou toch ja pëêt as op óitgasloöfd. pentere, zw. ww. intr. Sterk afdingen bij het koopen. {| 't Is zóo'n lastag vrómmas óm an ta varkóbpa; za wil altijd maar pentara. — Volgens Schui.tz Jacobi, Nederl. Doodendans 11 is peuteren in den kleinhandel in gebruik ^oor afdingen, af-knibbelen, iem. zoo veel mogelijk afhalen. In een andere bet. komt peuteren voor in zeemanstaal (zie Franck op p e n t e r-h a a k) en nog anders op Zuid-Beveland («wachten»; zie Navorschcr 11, 376). Daarentegen wijken in vorm af het brab. p e n k e r e n {Onze Volkstaal 1, '219), limb, pinkele {Onze Volkstaal 1, VSo) en ndl. pingelen. Onderlinge samenhang van al deze woorden is intusschen niet waarschijnlijk.

perdoes, bijw. Onverwachts, plotseling. |{ Hij blêëf pardoes stilstaan. Hij viel pardoes op am an. — Zoo ook elders; zie MuLkma 3-20. — Van Pale kent het intusschen alleen als interjectie.

piek (I), znw. m. Met een ijzeren punt voorziene stok, waarmede men, op een slede zittende, deze over ijs of sneeuw voortduwt, piek (II), bijw. Vlak, juist. |{ Da wind is piek nóbrd. Piek recht. Piek ovarend. — Wel hetzelfde als het bekende znw. piek, dat hot eerst door de zegsw. piek recht, eig. zoo recht als een piek, de versterkende bijwoordelijke kracht heeft gekregen. Vgl. ned. stok enz.

piekanteg (klemtoon op -kan-) bnw. Afgunstig, naijverig. Van fr. piquant. || Die twêë zijn altijd piekantag op makaar. — Evenzoo bij De Bo2 740; vgl. nog § 58. pieke, zw. ww. intr. Op een slede zittend zich met pieken over het ijs of de sneeuw voortduwen. — Van piek (1).


ocr page 89

PIEKSLEE—POLDBRBOOM.

77

piekslée, znw. m. Ecu slede, die men met

pieken kan voortduwen.

pielakes, znw. meerv. Alleen in de uitdr. v ob r do p i o ! a k a s /. ij n, len doode opgeschreven, verloren zijn. — Over de vermoedelijke afkomst zie men § 33, b. piet, znw. m. Euphemislisclie benaming voor luis. — Zoo ook elders. {| Dat kind liait nooit géén piëta.

pietakam, znw. m. Luizenkam, fijne haarkam.

pijp, znw. in. Zie de Wdbb. Ook lampeglas. || Da lamp brandt zóo slecht, omdat da pijp schëüf staat.

pijzar, znw. m. Vertrek in het huis eener vlasserij, waar men vroeger het vlas opmaakte. Tegenwoordig veelal gebruikt als bergplaats of ook wel als woonvertrek. Soms ook was de p i j z e r een afgeschoten gedeelte in de schuur. — Bij Kiuaen komt het voor als p ij z e 1 met de bet. culina. Van Dale geeft p ij z e I als Zuidned. in den zin van graanzolder', Lübben-Walïher : pisel, pesel, ein heizbares Gemach, aestuarium; diegroszc Stube, Staatsstube. Zie over verdere verwanten en over den oorsprong van bet woord VerCOULlie , Etyni. Wdb. op p ij z e 1.

pil, znw. m. Zie de Wdbb. Schertsend ook voor dikke boterham. Syn. van o m m a-kant. || Nou as ja drie van zulka pilla in ja maag heb, dan ken ja 't ók wel üithouwa. pilo, znw. Bombazijn, de stof waarvan jas, vest en broek der arbeiders gemaakt worden. Zoo ook elders. — Vgl. o. a. Gali.ée , Wdb. v. h. Geld.-Overijs. dial. 33.

pip, znw, in. Ziekte bij vogels, bestaande in een verzwering der staartklier. — Zie Molema 325, waar deze bet. ook staat opgegeven naast die, welke Van Dale vermeldt.— Schertsend wordt da pip hebba ook gezegd van personen, die ziek zijn. pit, znw. m. Zie de Wdbb. — Ook nog \) Put in den haard, waarin de brandstof ligt. Menschen die 1 i e m a (zie aldaar) stoken, doen dit «op da pit». — 2) Hoop aardappelen, kool enz. met stroo en een dikke laag klei bedekt, om ze den winter over op het land te kunnen bewaren. |{ Wa zella da aerapals maar an da pit doen. — Vgl. hiermee het vl. p u t h o m m e 1 bij De liu2 785.

pitta, zw. ww. trans. Van aardappels, enz. An da pit doen, Z(.' ophoopen en met stroo en klei bedekken. || Zou ia die aerapals maar niet pitta? — Vgl. De Do2 785 op putte n. — Van eigenlijke putten is echter in Beierland hierbij geen sprake, platvoeta, zw. ww. intr. Wandelen op 't ijs; in tegenstelling met schaatsenrijden, || Ik bin dan héèla wêëk wêza rija; ik ga nou vandaeg as platvoeta. — Vgl. p 1 a t-v o u t (s) bij Molema 320,

plekka, zw. ww. intr. Vlekken krijgen. \\ Dut goed hait zëkar op an vóchtaga plaes galëga; kijk at as gaplekt zijn.— Zoo ook iu hot Vlaainsch; zie De liu- 755.

plok, znw. m. Ruif. || Jonga, ga éèst wat hooi in da pluk doen. — liet woord behoort bij p 1 ó k k a, plukken.

plug, znw. m. Zie de Wdbb. Ook iviggetje. || Zie ja niet, dat die kast voorover helt'? Ja mót ondar da voorpóbta an pluchie legga. poel (I), znw. in. Bloemaar der lischdoddc.

— Vgl. hiel.

pool (11), znw. m. Jonge eend, pijl of piel.— Ook als lokwoord tot eenden: poelit, poeh! pöfla. zw. ww. trans. In de asch braden; van ongeschilde aardappels, boonen, kastanjes enz. — Van Dale geeft dit ww. in deze bet. als Zuidned. Vgl. ook Zaansch pafappel (Boekenoogen 727).

pöis'ie, znw. onz. Puntig zakje. || an papiera poisiie, een puntig papieren zakje, peperhuisje. — Vgl. biermede het Vlaardingscbe pom poesje (Noord en Zuid 3, 117). poldar, znw. m. Losse houten vloer op een anderen van steen. || Ik heb in da keuka an poldar laeta maka, want da maid klaagde altijd o var kouwa voeta. Man aerapals legga in da keldar, maar altijd op an poldartüe.— Vgl. Kiuaen: polder, parva tabulata, trabs, trabes. Het woord kan dus één zijn met fr. poutre en een alleiding wezen van mlat. p u 11 e t r u s , p o 1 e d r u s , veulen.

poldorbo'bin, znw. m. Vrij lange paal uf ronde balk (bóbm), die in de lengte over


ocr page 90

POOT—PROS.

78

ccn voer wordt gelegd. Om hem vast te maken aan den wagen, wordt liij van voren onder de sporten van een soort leer gestoken en van achteren met do b i n g vastgebonden. — Van dit woord bestaan in verschillende dialecten verschillende vormen, wier onderlinge verhouding niet duidelijk is. in Zeeland heet hij p o m m e r-b oom; op doeree en Overllakkee p o n-g e 1 b o o m (Boers, Beschrijving enz. blz. 54; aangehaald bij De Jager, Freq. 1, •iüü) in Noord-Holland ponder, zie Boe-kenoogen i. v. achterbint; in Groningen pönt'er, pon ter boom (Mo-eema 333); in het Noordfri. p u n t e r n e of pon ter; in Ditmarschen punter of punterboom (Onze Volkstaal 3, 177). Nog andere vormen geeft Molema t. a. p. K ilia en kent pon ter boom, la eter in de beteek. longurius en Plantijn geeft later oft p o u t e r b o o m (1. ponter-hoorn) in den zin van: un bois long qn'on met sur une charrèe de foin ou de blé pour Ie tenir ferme sur la charrette (zie Mnl. Wdb. i. v. late r).

poot, znw. in. Zie de Wdbb. — Zegsw. pmt-a n s p e u I o, hard werken. || As jo dat alios van daeg nog klaar wil krijgo, dan zei jo ók pobt-an mótta speula. — Evenzoo in Groningen, Molema 333 en elders. Vgl. Boekenoogen op j) o o t.

pöta, zw. ww. trans. Planten. || Aeropalo, boona pöta. — Volgens Van Dale in dezen zin gewestelijk. Ook de zegsw. poten z u 11 e n b o o m e n w o r d e n (hier; pöö t-j i e s wn r r o b ob in o) staat bij hem (i. v. poot, vr.) als gewestelijk vermeld. pöt-ët0. znw. onz. Alleen in de zegsw. an r a ar p o t - ê t a, een vreemd, zonderling mensch. — Vgl. Molema 334.

pöt-nat, znw. onz. Hetzelfde als p o t - ë t a. || 7 Is j}i raar pót-nat. Ook bij Wolff en Dek en.

pöttabakkor, znw. hl. Knikker van klei gebakken. — Ook bij Scih elmans. Vgl. voorts Ned. Wdb. 'i, S'.H op ba k k er (II). pouwanbout, znw. m. Zekere meelspijs. Hetzelfde als b 1 o u w o n b 1 i k s a m. Zie blikshm.

prak, znw. onz. Fijngemaakt en dooreen-gemengd eten, fijn gekookte aardappels. || Lus jij dat prak nog? — Ook in den zin van menigte. || 'n hiH'la prak. — Zie prakkh. prak. bnw. Fijn, niet heel; van eten. || Do

aerapals zijn to prak. — Zie prakkh. prakka, zw. ww. trans. Fijn maken en dooreenmengen van 't eten. || Prak ja aerapals maar. Ik zei man bóbna maar deur man aerapals prakko. — Op verscheidene plaatsen zijn de woorden prak en prakken of alleidingen ervan bekend; zoo te Dordrecht {Taalgids 4, 41); Vlaar-dingen (Noord en Zuid 3, 117); aan de Zaan {Noord en Zuid 3, 313); in West-Friesland {Onze Volkstaal '2, 175) en in Groningen (Molema 375).

prakkie, znw. onz. Overgeschoten eten. || Ik heb nog zob'n lekkar prakkie staan; wil ak dat as voor ja opwerrama? primie , znw. m. Premie. — Evenzoo elders, pröis, znw. onz. Schuim, dat door een opening heendringt] van gistende dranken en ook van woedende personen. — Elders proes en broes. || Kijk dat bier as gawerrakt hebba; da stop zit héèlamaal ondar't próis. 't Próis stong op zan mond.

próise (1), zw. ww. intr. Bruisend, schuimend ergens doordringen. || .la, die kruik is gascheurd. Kijk maar, at bier próist ar deurhêën. — Vgl. wvl. p r u i s c h e n , De Bo- 778.

pröis0 ^11), zw. ww. trans. De darmender geslachte varkens schoon maken en verder den afval van de slacht redderen. Vroeger waren er hier vrouwen, die in den slachttijd «uit próisa gónga ». Het schoonmaken der darmen geschiedt door ze met den rugkant van een mes uit le drukken en af te schrappen, waarbij dan alle vuil als «pruisend» overal door den wand dringt. Misschien dus is dit ww. één met het voorafgaande, pros, znw. onz. Alleen in uildr. als on prós van a n m e n s, a n p r o s v a n a ii v r o u w, een schoonc, maar tevens groote en gezonde vrouw. || Dat zij toch z(k) jong gasturrava is; zwmi pros van an mens! — Gewoonlijk wordt het alleen van vrouwen gezegd. Toch hoort men ook wel


ocr page 91

PRUTS—REEKAM.

79

o n pros van on k ê r d 1, on pros van on k i n J.

pruts, znw. on?.. 1) Kleiniyheid. \\ lels vmv on pruts varküöpa. - Vgl. fru ts. - 2) Nietswaardig goed. || Wat zei ik init al dal pruts boginno? — In deze laatste bet. ook bij De Bo2 778, maar met het manlijk geslacht; terwijl Van Da/.e het als Zuidned. en vr. geeft. Vrouwelijk is het woord ook in Brabant (Onze Volkstaal 1, 220).

prutsa , zw. ww. intr. Knutselen, beuzelen. || Wat zit jo daer nou wéér to prutsa ? — Zoo ook bij Die Bo'2 779 naast prutselen. prutsar, znw. m. Knutselaar. — De Bo :

p r ii t s e 1 a a r.

prutswerk, znw. onz. Knutselwerk. -Ook in Vlaanderen (De Bo- 779) en in Brabant (Onze Volkstaal 1, 220).

puffe, zw. ww. inlr. Blazen. \\]\\} puft van do werramla. Vgl. eng. to puff. — Van Dale noenit deze bet. ten onrechte verouderd.

pullop, znw. m. druis ran de beetwortels, nadat er de suiker uitgetrokken is. De boeren geven de p u 11 o p als voedsel aan 't vee. — Van fr. pulpe, residu 'les bette raves. Wvl. p u il pe (De Bo2 780). Hoewel het woord bij Van Dale ontbreekt, is het wellicht bij de uitbreiding der beet-wortelsuiker-fabricage algemeen Ned. geworden.

pummel, znw. m. I.omperd, lummel. \\ Boerapummal. - Ook elders; zie o. a. Gai.i.Ée, Wdb. v. h. Geld.-Oi'crijs. dial. 35. punnako, zw. ww. intr. Peuteren || In zan neus zitto ta punnako. — Zoo ook aan de Zaan (Onze Volkstaal 1, 41), waar men echter ook zegt p u r r e k e n en poe r e-k e n. Algemeen Nederlandsch is pulken (zie Van Dale, De Bo2 782 en Sciiuermans).

R.

raashobd, znw. onz. Raaijbol. — Evenzoo r a a g s b o o f d te Leiden en Dordrecht (Taalgids i, 42) en met verdere assimilatie tot ra os bood te Sliedrecht (Taal- en Letterbode 5, 198). Schueumans geeft daarvoor ragers hoofd.

rama. zw. ww. 1) trans. Ziften. Voor zoover mij bekend, alleen vau boekweit gezegd. — 2) intr. Overslaan. || Deuzo kip lait vast ielaka twëê daega in raamt dan dan derdo. Nou, ja mag nou wel as rama; jo gaat an-dars zón garëgald. — Of we bier met één werkwoord te doen hebben, is intusschen twijfelachtig.

rats, znw. rn. Alleen in de uitdr. in da rats zitto, in het nauw zitten, omdat men bevreesd is voor wat zal volgen. || Hij zit léelok in da rats, want hij denkt, dat zan vador at wëêt. — De uitdr. is ook elders bekend, doch zij ontbreekt bij Van Dale.

redduur (of redd n rog), bijw. Gedurig, telkens. || Hij is redduur in de war. — In de N.-Betuwe bekend in den vorm reide u r; zie Onze Volkstaal 2, 102. ree, znw. Het geslacht blijkt niet. Alleen in de uitdr. géén réè k e n n a schieto mit, niet klaar kunnen komen, niet kunnen opschieten. || Toe, parbéèrt at maar nie méér, want mit hum ken jo toch géén réé schieto, — In Vlaanderen zegt men: g éé ii ree' n (r e e ë n) met i e m. k u n-n e n schieten in den zin van met iem. niet kunnen overeenkomen (De Bo en Schueumans). In eig. zin beteekent een roe schieten, een greppel graven; doch de bet. greppel voor ree is hier niot gebruikelijk.

reeja, zw. ww. trans. Met een grooten kam kammen, van het baar, eig. in orde maken. Vgl. boll. dial, ik zal het wel reeë, d. i. klaarspelen. — Ook elders bekend; zoo te Sliedrecht (uitreeën, Taal- en Letterbode 5, 198), in Groningen (reien of redden, Molema 343), in Friesland (re ij en Halbertsma) en te Axel (r e e ën, Sciiuermans).

reekam, znw. m. Groote karn om het haar te réèja. — Evenzoo te Sliedrecht. Bij Hal-hertsma r e i d e k a m. In Groningen is een r e d k a m, een roskam (Molema 342). Te Axel daarentegen beet een groote kam een reefkam. Dit laatste is een ander woord en hangt samen met vl. reef, scheiding in 't haar (bij De Bo niet afzonderlijk ver-


ocr page 92

80

rek-schaid.

meld, maar i. v. blesse genoemd als synoniem van haarscheel).

rek, zmv. m. Dc eigenschap van Uun, dradig en daardoor rekbaar te zyn. Voo.al van brood, dat te lang heelt gelegen H Do rok is in dat bróöd. - Ook wel van bier. H Jo mag dat bier wel öitdrinka, andors komp a.' do rek toch in. - Zoo spreek men ook in quot;Vlaanderen van rek ach tig,

r ek k ig (Dk Tto2 805).

rout iepapeu, bijw. Alles door elkaar

^e'lNon.a.'tis^ora^^n.s

at reutiiepapeu, dat wett jo. ^ S ruitepatuie, ruitepetu.e, pelc-

méle (üe Bo- 833).

n,,ri 7ie S 3quot;, c. Bij den land-nk, znw. m. Hug. ^ie b J

bouw ook het iets hooger gelegen middengedeelte van een m éo d (zie aldaar).

Vgl. De Bo 815.

rollaag, znw. m. De steens, cUe aan weerskanten eener goot zijn opge.et. Zoo ook bij Molema 353; maar anders bij

Van Dai.e.

rómmantóm. bijw. Om ende om. De be^in-»quot; zal hel woord wel verschuldigd zij aan rondom. Door Dr. J. te Winkel werd het in Xoord en Zuid 0, 83 verklaard als te zijn ontstaan mt er om

e n d e o m. ,

róndöit. znw. m. In enkele plaatsen m de Iloeksche Waard en op Overilakkee een

,iuis ov den dijk, dat vroeger voor wachthuis of iets dergelijks heeft gediend. H Hy hail da rondóit gokocht. — hll.IAEN ken in dien zin rond buys, .|. wachl-h u v s statio. Vgl. hiermee nog rondeel te Amsterdam en Rotterdam. Toch ish.er-mee do vorm ronduit niet voldoende verklaard. Schuilt er misschien een volks-elymologische verbastering m van i. re du it, dcmi-lune dans une

róïtGng- '-v. 11 Wimnia nog

an rontonkie doen? nog om't een of ander hcemvandelen. - '2) De helft van een naadje bij het breien eener kous. - Vooi den vorm van het woord zie men * 38, ö. rouwdargs (met hoofdtoon oP rouw-), znw. m. Een ruw mensch, een wilde jon-

s.

sassanbloed (van —)• bljw'

nioe.te, met opoffering gepaard H k ze dor ók an mêë botalo, maar ot gaat sassanbloed. - Misschien wel algemeen. Dit sassen is geassimileerd uit sarsen. sart sen voor 's hart sen (zie voor dezen genitief Noord en Ztud 8,3 ^.zoo-

dat degeheeleuildr.eenverbastenng.van

.s harten bloed. Vgl, nog Van Dale

schaer'znw. Het geslacht blijkt niet. Naam van e^n jongensspel. - laders scharen. Zie .le beschrijving bij Büekenooc.en i J. herrie '2), Ook in de N,-Betuwe; zie Onze Volkstaal % 104. - Wel hetzelfde als ndl schaar, menigte en zoo geheeten, omdat de getikte jongens zich aan de quot;J schaam schaid, znw. on?.. Afscheiding, grens. 1 Net

st'u ' . ,, „,n n land — Ook elders on het schaid van l lana.

bekend vooral in samenstellingen; zie ue

1,0= 848 op-schee enBOEKENOOGENi.v.

b a n s c b e i d.

| gen. H Jo broertüe is dan on echto rouw-

dares.-Vgl. §19, benmnb rudarijs.

runna. zw. ww. inlr. 1) Hardloopen, gt;en-

' W— .u.,,. - « e™

.pel, gelijkeiide «P '

uit de Camera Obscura (zie N, Heets, Na vijftig jaarquot;- blz. 168). Hel wordt gespeeld door vier personen, van wie er twee aai sla- zijn, terwijl van de andere een met een bal gooit naar een plank, die de tegenpartij ophoudt, en de andere den wegges age bal tracht te vangen. Als hij, die aan slag | is d0n bal heeft weggeslagen, moet hij over 1 drie door steenen aangewezen plaatsen ! weer naar zijn standplaats loopen en zorg 1 dragen daarbij niet geraakt te worden met 1 den intusscben opgezochten bal. ^

1 «laat ook de tweede, die aan slag is en doe desgelijks. Wordt de bal onder 'l voortvliege door de tegenpartij gevangen, of weet deze

een der spelers er mee te raken, of eindelijk

hem op de staanplaats te leggen, voordat 7ij, die aan slag waren, zijn teruggekeerd, dan worden de vollen verwisseld.


ocr page 93

SCHANSP3LJ0EN—SCHULL3P3.

schanspaljoen, znw. om. Knippatroon.— ! Het woord is ook elders bekend, maar gewoonlijk in den vorm scha m p e I j o e n. Zie Kii.iaen, Oudemans en Molema 3GI. Vgl. ook Vercoüllie, Etym.Wdb. en Kluge5 i. v. s c h a b 1 o n e.

sehêronghout. znw. onz. Dwarshout aan

een stelling. — Zie BULSaM.

schieto st. ww. intr. Zie de Wdbb. — Ook i in het zaad schieten, van nog te veld j staande gewassen. {| Mit al die regon is at kora gaschölo in da erla zella ók wel gaan { schieta. — Zoo ook elders. Vgl. schot. — 2) a n sloot schieto, niet zooals Van l Dale geeft delven, maar in orde brengen, door de kanten, die door 't vee ais anderszins uitzakken, weer op te halen en de sloot ! op haar vroegere breedte te brengen, schietsehouw (of s c h i e s c h o u w), znw. m. Gewone roeiboot, die van onderen voorzien is van een paar schenen en voor j den overtocht over niet al te sterk builen- \ ijs wordt gebruikt.

schik , znw. m. Zie de Wdbb. — ra i(t) sch ik, bijw. nitdr., bijna, haast. |{ Hij is mi(t) j schik al tóis.

schingel. znw. m. Schommel. Zie het vol- j

gende woord.

sehing0l8, z\v. ww. intr. Schommelen. — In eenigszins andere bet. ook in 't vl. (De ] IJd- 863) en westfaalsch. Algemeen ndl. zijn j s c h o n g e 1 e n en s c h o n g e 1, waarmee schingelen inderdaad wel één zal zijn. j schoemantol (of s c h o e r m a n t a 1), znw. tn. Vrouwenmantel zonder mouwen en los ! over de schouders geslagen. Alleen nog gedragen door oude vrouwen. — Over den } vorm scboer voor schouder zie ^ 34, opm.

schoft, znw. in. Schuif aan een deur. Ter-wijl een g ren gal op of aan de deur is j bevestigd, zit een schoft er in gewerkt. Vlaarasch sch of onz. (De l!o2 807). In tegensielling met bet Vlaamsch zegt men hier an deur op da schoft doen. schoifolo. zw. ww. intr. Platte steentjes { over het water laten scheren, zoodnl ze verscheidene malen weer opspringen. — Zoo ook in N.-Brabant, Onze Volkstaal 1, | 224. Voor de verschillende namen van dit spel vgl. men De Jager, Verscheidenheden 148 en IGS.

schöiflók, znw. m. Smeerlap. || Kijk zób'n

gaméèna schóillók daer nou as lóopa. schöilomakko, zw. ww. intr. Heimelijk uit school of kerk blijven. — In Sliedrecht: schooltje of karksie makken (Taal- en Letterbode 5, quot;195 en 199). Met het oog op het Sneeksche sc hu uitje maken (Molema 553) is men geneigd dit in a k k 0 op te vatten als maken, doch de vorm blijft vreemd.

schónk, znw. m. Zie de Wdbb. — Ook: stuk vleesch van de dij van een rund, schenkel. || Wa zella voor da zult maar an schónk kóbpa. — Vgl. dial, opperdnitsch sch u nke, ham en zie verder Franck op schenkel, alsmede Onze Volkstaal 3, ■149 waar voor Neeritter sjónk, met de bet. ham staat opgegeven.

schoof, znw. m. Het te veld slaande gewas. || Tjonga, daer staat an mooia schoof op dat land. — Vgl. nog een uitdr. op b 1 cx) t. schot (I), znw. onz. Geschot. Zie § 54 a). schot (II), znw. onz. Driejarig rund van 't vrouwelijk geslacht. — Bij De Bo2 873 is s c h o 11 e r, tweejarige veers.

schot (Hl), znw. m. De eigenschap van het schieten bij te veld slaande gewassen. Zie schikt;!. |{ Daer is schot in die terrö. schoufhaak, znw. ra. Aan een stok bevestigde zeis, waarmee de slooten worden « ofgaschoufd ». Zie op ÓESClluuva. schrepel, znw. m. Land- of tuinbouwge-reedschap, dat men gebruikt bij het wieden om het v ó i 1 om te hakken. Een schrepel is wat kleiner dan een k ób 11 o u \v (zie dat woord) en heeft een veel korteren steel. — Vgl. De Bo'- 87(1: schrepel, heulhouwlje om hel land te schrepen. Mnl. s c h r e p e n, krabben, schaven.

schroot, znw. ra. Smalle, niet regelmatige lgt;la)ik van geringe waarde, gebruikt bijv. voor heiningen in 't land enz. — De zachte o laat niet toe, het woord met mnl. sc roden, snijden, hakken in verband te brengen, schullopo, zw. ww. trans, Ken plank, balk enz. in de lengte doorzagen. Zoo ook in

U


ocr page 94

SCHUURLÖKK3—SLÓIF.

S2

't mi. schulpen, aan dunne planken splijten of zarjen, schilferen. Van denzelfden wortel als schelp. Dus van anderen oorsprong dan het gelijkbet. wvl. schur-pen, dat waarschijnlijk verwant is met scherp.

sehuurlokka, zw. ww. intr. of rell. Zich schurken. Ook van personen. |{ Die jonga hait zêkar ongediert, ja mót maar as op-letta, hoe-die redduur zit te sehuurlokka. séèt, znw. m. Sajet. Zie § 20, b.

seksie, znw. Alleen in 't meerv. indeuitdr. ra i t s e k s i e s, volop, in menigte. || Da appals viela mit seksies van da bóoma. Da mensa kwamma mit seksies anlóopa. — Vgl. ndl. sectie, afdceling, troep. sement, znw. vr. Erwtensoep. {| Lus jij die sament nog? — Nëê, ört zo zellaf maar op. seutoro. zw. ww. intr. Een sissend, snerkend geluid maken, van iets dat gesmolten wordt, als boter, vel en:. Ook iets zoo laten koken, dat het snerkt. — Evenzoo in 't wvl. (Di; Bo2 885). Vgl. opseutara, dat ook te Dordrecht wordt gebruikt (Taai-gids 4, 40). Zie ook Van Zeggelen, De Ridder en de Dames 15. Gewoner is de vorm sudderen, o p s u d d e r o n; zie Dk Jager, Fm/. 2, 03i, De Bo- 974 en Taalgids 1, 200.

sijsioslijmor. znw. m. Flauwe vent. zemelknooper. — Misschien verwant met oostvl. s ij s e n, met prullen omgaan en s ij se rij, beuzeling, flauwe praat (zie Onze Volkstaal 3, 30)

sintaio, zw. ww. intr. Een prikkelend gevoel hebben in de ledematen. || Man hand, man voet sintalt. — Bij Tuinman, Fakkel 1,370 is sinteren hetzelfde als tintelen in den zin van prikkelen of steken, zooals men voelt in den arm of den voet, die gezegd wordt te slapen. De Bo en Schuer-mans hebben hiervoor zinderen en z e n d e r e n. Zie verder De Jager, Freq. 2, 513.

sjakas, huw. Alleen in de ook van elders bekende uitdr. zich s j a k a s h o u w a, zich van den domme houden. |{ Nou ja, houw jij ja maar niet sjakas, ja wêët ar wel méér van. — Vgl. Boekenoooen 375 op j a k e s. — Misschien van fr. Jacques (b o n h o m m e) ?

sj appietouwar, znw. m. Losbol, door-draaier, lichtmis. || Vroegar was 'tannetta vent, maar nou is 't an echts sjappietouwar. sjek. znw. onz. Boezeroen. H As ja zóo in mêël in blom werrak, mot ja wel an wit sjek anhebba. — Gewoonlijk echter nachtjak voor vrouwen. — Vgl. § 38, d.

sjerzie, znw. m. Menigte. || Dar wazza an

héèla sjerzie jongas.

slaepar, znw. ra. Gewoonlijk meervoud. Gedroogd vuil in de hoeken der oogen. {{ Jonga, ja heb ja niet goed gawassa, da slaepars zitta nog in ja óögo. — Evenzoo bij De Bo2 893. Vgl. ook Mul. Wdb. op c o b b e. Waarschijnlijk wel algemeen Ned., hoewel Van Dale het niet geeft. Vgl. echter wat hij zegt i. v. kaan (11).

sleg, znw. m. Slegge, groote houten hamer. — Evenzoo in Brabant, Onze Volkstaal 224. — Zegsw. an kop as an sleg, een zeer groot hoofd.

sliert, znw. m. Bij, reeks. \\ 'n langa sliert.—

Evenzoo elders: Onze Volkstaal 1, i54. slij, bnw. Gierig. |{ 't Is dan au slija vent; nooit zei die an cent an an erram mens gëva. — ïe Leeuwarden beteekent slij, zeer begcerig; zie Taalgids 9, 303. slingar. znw. m. Zie de Wdbb. — Ook platte, groote oorbel, welke bet. bij Van Dale als gewestelijk staat vermeld. — Zegsw. zan slingar hebba, zijn draai hebben, veel plezier hebben. slingardaslang. bijw. Slingerend, zigzags-gewijze. || Dat kóbrd mót ja nou slingardaslang op ja jurrak legga.

slip, znw. Alleen in de zegsw. slip 1 óo p a, spaak loopen, verkeerd uit komen. {{ Let ar maar op, of die zaak niet slip loopt. — De uitdr. is ontstaan uil de verwarring van spaak loopen en slib vangen, slib k r ij g e n.

slóf, znw. m. Zegsw. in da s 1 ó f b 1 ij v a, niet gedaan worden. {| As ja 't vandaag niet doet, blijf at in da slóf. — Zoo ook elders. Vgl. ndl. sloffen, nalatig zijn. slöif, znw. m. — I) Omhulsel. || an slóilie om da vingar doen (elders d u i m e 11 n g of


ocr page 95

SLONS—SNAAR.

83

vingerling). Wil ,jo os on slóifio om dut scluiorUie tnaku ? — 2) Pijpcdop. || Van wies is die pijposluif. — Vgl. rnd. s 1 ti f, otuludsel, huls, bast en zie verder Franck i. v. s 1 o v e n.

slóns, znw. m. Onderste jedeclle, rand van een japon of rok. — Zoo ook te Dordreclit (Taalyids 4, 4i). — Deze bet. van liet woord, die bij Van Dale niet voorkomt, moet ouder zijn dan de daar genoemde havelooze vrouw, morsebel-, vgl. slet, dweil enz. Kig. beteekent bet dattjene wat sleept, slingert of iets dgl. Zie Franck i. v.

sldbta, zw. ww. intr. Niet alleen, zooals Van Dale opgeeft, slooten maken, maar ook, zooals bij Schuermans, '£ slijk uit de slooten halen.

slóp, bnw. Slap, los. |{ Dien band zit venls to slóp. Wat zit dat goed slóp an jo lijf. Die schoeno zitto mo to slóp. — Elders, b.v. in Overijsel, slok. Het wordt ook gezegd van sloten, die verloopen zijn, niet goed meer veeren. — Vgl. De Do- 'J00.

slóppa, zw. ww. intr. Loszitten, niet sluiten. || Deuzo schoeno binno mo to gróót, zo slóppo, ze sluiten niet en glijden daardoor aan den voet. Vandaar ook ik slóp or óit. slouw, znw. m. Geul, nauw, ondiep slootje, greppel bij een mestput. — Misschien verwant met ags slóh, moerassige plaats, holte in een weg.

slura, zw. ww. intr. Traag voortgaan, lang blijven hangen. || Wat zei die zaak lang sluro. — Gewoonlijk met laeto: iets laeto sluro, in den loop laten. || Hij schiet niet op, hij laet do zaak maar sluro. — Schuermans geeft sluren in de bet. slepen, sleuren, uitstellen (vgl. echter De Bo3 904). Mnd. slüren, o. a. trage sein, mhd. s I u r, luilak. Met klankwisseling naast ndl. sleuren en dus waarschijnlijk niet op een lijn te stellen met vl. sluw e-r e n, sluieren, dat in bet. geheel overeenkomt.

smiecht, znw. m. Gemcene kerel. || 't Is on echto smiecht van on vent — Ook elders in gebruik; vgl. Onze Volkstaal 1, 154en Mülejia 386.

smij , bnw. Zacht, week. || IJo buttor is srnij. — Hel woord staat voor s m ij d e. Vgl. mnl. g e s rn i e d e (g e s m i d e? zie Franck i. v. s m ij d i g) naast g e s m i d i c h. smoeg, bnw. Zacht, smijdig. || Jo mót die buttor maar os goed bouvvj, dan zei zo wel wat smoegor wórra. —Waarschijnlijk voor s m o e d o g, vgl. ags. s m è- d e, glad, zacht, uit quot;s m ö- pi en mnd. nnd. s m ó d «, smedig, buigzaam, ndl. in verschillende dialecten smeu, d. i. zacht, malsch, van meelspijzen, van een i/^sroó, glad zijn. smoes ie, znw. onz Praatje, uitilucht. || Nou dat is ók maar on smoes-iie. Allornaal smoesiies. Maak nou geen smoesJies (maak geen gekheid). — Ook i Iders bekend; zie Molema 387 en Taalgids 4, 44.

smoeze, zw. ww. trans. Vallen, begrijpen. \\ Hij wil ons voor do gek houwo. Heb jo dat nou nog niet gosmoesd? Nou ik smoesdo -n-ot al lang. — Men zegt ook i e m. in do s m o e z o h e b b o, k r ij g o, hem begrijpen, weten waar hij heen wil. || Ik heb om al lang in do smoezo; 't is om do dubbolUies to doen. Toen ik om in do smoezo krëëg, is-tie gouw ofgozakt.

smoil, znw. ui. Smul, lust. — Zegsw. smoil op of in iets hebbo, lust hebben in. — Zie § 19, a.

smdbka, zw. ww. intr. Zie de Wdbb. — Ook motregenen. || Rëgont of.' Nourëgano niet, maar ot smóTikt on biot-'ie. — Bij De Buquot; 908 heeft s m o k e 1 e n deze beteekenis, en ook het klankwisselende s m u i k e n. Ook Kiuaen geeft sin o o c k e n in den nauw verwanten zin van vaporare. smdbr, znw. m. — Zegsw. do s m ixi r i n hebbo, het zeer slecht naar zijn zin hebben. || Nou as-tie tóis komt in hij ziet, wat or gobeurd is. dan zei-die ók do smoor in hebbo.

snaar, bnw. bijw. Vinnig, vlug, levendig. Alleen met betrekking tot het gezicht. || Snaar kijko (van jonge kinderen, vlug uit de oogen zien). Dor óochies staan dor wéér snaar bij (tegengest. aan dof). — Vgl. ml. snar, snel, fnnl. snare, ingespannen, ijverig, degelijk en vl. s n a ren, naarstig zijn (L)e Bü- 911). Zie verder Franck i. v.


ocr page 96

SNIJ3RSGAT—STAP.

SI

snaar en Van Dale, die s n a r geeft in j den zin van bits, vinnig, heviij, fel. In on- j gunstigen zin wordt snaar hier evenwel j nooit gebezigd.

snijorsgat, znw. onz. Spinet op zijde in !

et'ii vrouwenrok. Ndl. k rasgat.

snoek. znw. Zie de Wdbb. — Ook in de zegsw. snoek z ij n, in het water geleyen hebben. — Vgl. Van Dai,k op snoek v a n g e n.

snöit, znw. m. Zie de Wdbb. — Ook de witte plek aan de bovenlip bij sommige paarden. Vgl. bles en kol. snèitmerrie, znw. vr. Een merrie met een witte plek aan de bovenlip. — Van het voorafgaande s n o i t.

snor (I), znw. m. Soort omnibus, een groot rijtuig, dat door twee paarden wordt voortgetrokken. — Dus niet wat Van Dale geeft i. v. s n o r wagen: een rijtuigje met één paard. — Vgl. verder Noord e» Zuid 4, 181 en Taalgids 4, 45.

snor (11). Alleen in de uitdr. óit da snor ra 1 ziek z ij n, óit da s n o r r 0 da k ób r s heb ba, zeer erg ziek zijn of de koorts hebben.

snubboka . zw. ww. intr. Snuffelen. \\ Wal snubbak ja wéér in die papiera? — Even- j zoo te Sliedrecht; Taal- en Letterbode 5, i 199. — Wel een intensief-formatie van i *s n u h b e n , dat verwant is aan s n u i- ] ven, snuffelen enz.

sötaflikker. — Zie op flikksu. sötomietar. — Zie op mietmr en vgl. § 38 b. spanssl, znw. onz. Losse omslag, die om boeken wordt gevouwen (gespannen). || Ja mag wel as an nieuw spansal om dat boek doen. — Ook: omslag van een schrift.— Vgl. kakt.

spansolo, zw. w\v. trans. Een spansel om

een boek doen. — Vgl. kaftji. spantouw, znw. om. Touw, waarmoe men de achterpooten der koeien onder 't melken vastbindt. —- Evenzoo elders; zie b.v. Molema 303.

sparralG , zw. ww. intr. Spartelen. — Zegsw. köka, dat at sparralt, zeer hard koken.

spatpie , znw. onz. Borrel. || Güêf ma nog an spat'ie. —Ook elders; zie GALt.ÈE, Wdb. v. h. Geld.-Overijs. dialect 41.

spiespöke, zw. ww. intr. Met lange tanden eten. || .la heh zëkar wéér géon trek, dat ja zoo zit ta spiespöka.

spot in bobne (voor —bijw. uitdr. Zegsw. v ob r spot in b óo n a z i 11 a, v ob r spot i n b ób n a m ëë d o e n. — Elders voor spek en b o o n e n (zie Van Dale i. v. s p e k). Vgl. nog v o o r spot en spiegel in Noord en Zuid 7, 348.

spoug, znw. onz. Spoeg. — Zie koekoek-SPOUO.

sprant, znw. m. Uitspruitsel. || Ik glóuf niet, dat dien blóm dóód is. Kijk maar, hij krijg nieuwa spranta. Heb ja nooit en vrat mit spranta gozien (ook sprantvrat geheeten)? — Ook elders bekend; zie De .Iaoeu, Freq. 1, 082. Waarschijnlijk is het woord van een stam, die zonder nasaleering ons s p a r t e-1 e n heeft opgeleverd.

spul, znw. onz. Spel. Zie de Wdbb.— Ook woning, huis met schuur. || Hij bait an nieuw spul laeta zetto. — Evenzoo elders; zie Molema 395 (spil) en 565 (sp u 1). staal, znw. m. Laag takkenbossen, stroo of iets dergelijks, die in de schuur wordt gelegd, om daarop het hooi of het koren te stapelen. Men doet dat, om het vochtig worden van onderen te voorkomen. Ook wordt een staal gelegd onder een mest-put, om scheiding te houden tusschen den mest en den ondergrond. Verder heet nog staal het onderste gedeelte van hooihoo-pen (rooken, maar zoo noemt men ze hier niet) op liet land. In het algemeen is sta al dus een grondslag. In de bet. grondslag van oen dijk is het woord algemeen Ned., hoewel het bij Van Dale ontbreekt; zie verder Franck i. v.

staan (ook wel staander). — Zie op HILLjIK.

stalbuttar, znw. vr. Ilooiboter; de witte boter, die van koeien verkregen wordt, welke op stal staan en met hooi worden gevoederd. Tegengest. aan grasbuttar. — Evenzoo elders; zie Molema 500. I stap, znw. ra. Plankier, trapje langs den


ocr page 97

STEE-STOK.

85

waterkant, waar het wascligoed wordt gespoeld en ander nat werk wordt verricht. || Ik zei die kêtol maar êva op da stap schuro.

— Evenzoo in Drente (!)]■; .Iai, .-1 rchirf 1, 349), in Friesland (Weiland) en te Sliedreclit (Taal- en Letterbode 5, 199). Zie ook SCHÜEBMANS i. V.

steè, znw. tn. Verkorting van hofstee, boerenhofstede, boerenwoning. || Hij hait an aiga stöê mit land. — Evenzoo in de Meijerij; zie Sch. t. W. \, 340.

stéê van (of in s t êê va n). In plaats van. || Eet vet stêë van buttar (of; in stëë van bnttar).

steen, znw. ra. Zie de Wdbb. — Ook yewichls-eenheid bij den handel in afgewerkt vlas, wecjende ti pond op 1 il2 ons na, d.i. 2,85 KG.

— In het oosten van Brabant is een steen i KG., in het westen 3,'2 KG. (Onze Volkstaal i, 227). In Aardenburg, waardesteen als gewicht wordt gebezigd in den meel-handel, staat hij gelijk met 3 KG. (Onze Volkstaal Van Dale geeft «steen, oudtijds: zeker gewicht = 0 Anist. pond of 2.7 kilo.»

Stek, znw. onz. Uitschot van vruchten, vooral van krieken en kersen. — Evenzoo in de N.-Betuwe (Onze Volkstaal 2, 107). De I5o vermeldt in dezen zin uitstek, stëka, st. ww. intr. Met centen naar een op den grond getrokken streep werpen.— Dit dobbelspel is algemeen bekend, maar draagt allerlei verschillende namen als botten (Boekenoogen 103), schreefie gooien (te Sliedrecht, Taal- en Letterbode 5, 199), drillen (Schuermans) enz. stekkara , zw. WW. intr. Loopen, gewoonlijk nog al hard, || Hij stekkarda raaar deur. Nou dan stekkar ik maar wéér na hóls. stekslee, znw. m. Prikslee, piekslee, een slede, die door den persoon zelf, die er op zit, op sneeuw of ijs kan worden voortgestoken met p i e k o.

stelleng, znw. m. Woning, huis met schuur. |1 'n boerostellong; an vlassorsstellong of vlasstellong. Hij zit op on aerdag stel-lankie. — Syn. van spul. stellenghout, znw. onz. Rechtopstaanda paal eener stelling. — Vgl. bij liULSaM.

stempal, znw. m. Zie de Wdbb. — Ook stut, schoor. {| Nou dor zóo veul wicht op jo zóldor luit, zou ik dar on stempal ondar-zetta.— Zoo ook dial, duitsch; zie FranCK i.v. en in Tenth.

stempala, zw. WW. trans. Stutten, ondersteunen door een stempel onder te zetten. || Voor dat ja die wéèg wegbreekt, mot Ja i5èst at dak in da zoldor goed stempala. Stiekem, bijw. In 't geheim, stilletjes. || Hij is stiekam weggalóöpa. — Zoo ook elders; zie bijv. Mm.i;.ma 403, öOO. liet woord is uit hel Bargoensch (zie Onze Volkstaal 3, 198) en misschien wel overal bekend, al ontbreekt het ook bij Van Dai.e.

Stijl, znw. tn. /weertje op de oogleden, strontje, scheetje. — Overeenkomst met dit woord vertoont hot Zaansche s t ij g (Noord en Zuid 3, 310) en het Stadsfri. s t i e g Moi.ema 507).

stik, znw. onz. Boterham. — Evenzoo elders, stink. bnw. — 1) Bedorven. || Dieaiars zijn stink. — 2) in het spel: af, kwijt. || As ja varkéèrd rait (raadt), bin ja stink.

stoel, znw. m. Aardappelplant boven den grond. || Da stoela van da sjampijons binna gróotar as van da janna. Tjonga die aerapals hebba al groota stoela; ja zei za gouw kenno anloeta.

stoep. znw. ra. Zie de Wdbb. — Schuins oploopend pad of rijweg tegen een dijk, april. || As ja van da stoepa rijdt, mót ja do paerda strak houwa; andars schieta zo wel os vaorovor. — Evenzoo to Sliedrecht (Taal- en Letterbode 5, 199). Reeds in 1608 komt het woord mot deze bet. voor in de Handvesten enz. van de Zwijn-drechtsche Waard (ed. XI hb.ii.ink), blz. 146: degene die eenige stoupen willen afrijden.

stöike, zw. ww. trans. Alleen in do was, at wasgoet stóika, het polsen, het uit de kuip optrekken en daarna weer onder water duwen. — Evenzoo in Brabant (Onze Volkstaal 1, 228).

stok, znw. in. Niet alleen, zooals Van Dale geeft, de overblijvende kaarten, maar ook het gcheele spel. || leder vier kaarta, dan blijvan dar acht op stok. Zog baas, geef as


ocr page 98

SfOKK3—TJ0NK3,

86

0n nieuws stok kaarta. Mot-ja on stok van 52 of ét'ii van 3'2 hebba?

stókka 7.w. ww. trans. Dc kaarten door elkaar schuilden. || Zeg, wil jij os voor ma stokka? Dat ken ik zoo slecht, stokvurraf. znw. m. Stopverf. — Evenzoo in Groningen en Oost-Friesl. (Molema 407). stóöf (of stof ie). Zie iiilliik.

stdbma, ZW. ww. intr. ZiedeWiibb. — Ook walmen, pijlen ccner lamp. || Kijk do lamp os stómiio; draait ain wat léègor. — Zoo ook bij Molema. 408.

StOUWS. zw ww. trans. Alleen in béèsto s t o u w o, vee drijven (vanwaar b éo s t a-s t o u w a r, veedrijver) en in den zin van veel eten en drinken, die bij Van Dale als gewestelijk staat vermeld. j| Ik vorzêkor ja, dat bij béèl wat stouwa (vorstouwa, wegstouwa) ken.

strëën, znw. m. Streng. — Zegsw. iem. aebtar do strêêna zitto, achter het jak zitten, 'narijden. || Hij is nou do lesto tijd goed opgaschnta; maar ik heb om dan ók goducht achtar zon strêna gozêta.

strööt, znw. m. Strot. Zie 15, a en France op strot.

T.

taps, bnw. bijw. Spits toeloopend, van oen rond gat. Op de wijze van een tap. 1| Mót dat gat overal êvo wijd zijn of mót at taps toelóopo ?

tëmas, znw. m. Haarzeef voor melk. Ned. teems. Do vorm tem es komt ook voor in Tenth. Van het germ.-fr. tamise. tengal, znw. m. Angel eener bij of ivesp. {| Kijk die bie ma as gastöka hebbo; don tengol zit dor nog in. — Misschien één met vl. tingel, netel (zie De Go2 99!»). longoio, zw. ww. trans. Steken, van een bij of ivesp. || Hait an bie jouw zóo ga-tongold

tiendbaar, bnw. Waarvan tiendrecht moet worden gegeven, tiendplichtig. || Met tiendbare vruchten bezaaide gronden (advert.).

tiendblokar, znw. m. Door den notaris

aangesteld persoon om de tienden op te nemen en inlichtingen te geven aan de tiendkoopers. || Nadere inlichtingen zijn te bekomen bij de respectieve tiendblokers (advert.).

tiendvrij, bnw. Vrij van tiendrecht. ||

Tiend vrij land.

tiendvrucht, znw. m. Tiendplichtige ge-wassen. || Openbare verkoop van tiendvruchten. — De hier genoemde all. en samenst. van tiend ontbreken bij Van Dale, maar zijn misschien niet dialectisch, tiet, znw. m. Horst eener vrouw. || liet kind an tiet gëva. — Evenzoo elders; ook in eenigszins gewijzigden vorm. Schuer-mans, têt; De Bo, tette; Molema, titte (zoo ook On:e Volkstaal 1, 176). Kil, titte, mamma, mammilla. Vgl. ndd. titte, ags. tit, eng. teat, en hgd. z i t z e. Vgl. verder Franck op tittel, tikkor , znw. m. Soort arrestee, ivat kleiner en vlugger van vorm dan de gewone. — Zie het volgende woord.

tikkoro , zw. ww. intr. Het een tikker arren. — Wel een afleiding van tikken, naar het geluid der bellen.

til, znw. m. Zolder. Meestal nog boven een anderen en vooral in boerenschuren. || As het niet op zoldor lait, dan mot ja maar as op don til kijka; maschie heb akotdaerna toe gobrocht, omdat do zoldor toch al zoo vol was. — Vgl. ndl. duiventil. — In Slie-drecht (zie Taal- en Letterb. 5, 200) is t i I een snuivertje of vertrekje, dat tot keuken en bergplaats dient en waaronder benedendijks een schuur of woninkje is. In bet. komen overeen telt bij Schüermans : zoldering van sparrenstokken boven den stal om hooi, stroo enz. op te tassen; til te op Over-llakkee {Sch. t. W. 1, 180) endilte, d e 11 e bij De Bo2 205.

tin tol. znw. tn. Triitcliiij. || Ik heb don tintal

in man handa.

tippolo, zw. ww. intr. Met korte maar haastige schreden gaan. — Vooral van kinderen. || Kijk ze daer as höën in wéér tippolo.

tj ónko, zw. ww. intr. Een holklinkend geluid geven, van een ijsvlakte 's avonds


ocr page 99

TOR3NTOFF3L—Vim

bij vriezend weer. {| As ot saevas errag stil | is, dan ken jo at ijs wel an katier ver [ hóbra tjónka. — Het ww. is een klanknabootsing en komt als zoodanig reeds bij j Oudaen voor, volgons De Jager, Freij. 2, : 651, die nog als voorbeeld uit Rotterdam I geeft: het ijs tjonkerde onder mijn voeten. \ törentoflol, znw. vr. Een lastig, verward • vrouwspersoon. || Die maid, dat is toch zoo'n ! verwarde tórantófl'al, daer ken ja niks rri~ | baginna. — Bij Wolff en Deken komt i voor een ouê torntoffel (van een j vrouw), volgens Noord en Zuid II, 153. touwbaandar, znw. m. Touwslager. trappéèro, zw. ww. trans. Betrappen. || As ik ja hier nog méér trappeèr, dan zei I ja dar slecht of kómma.— Van fr. at trap er. ! tréëm (of triem), znw. m. Boom van een wagen, arm een er gewone hanglamp en i sport van een stoel. — Vgl. Noord en Zuid 4, 25; Onze Volkstaal 2, 144 (Aardenburg) en Schuermans. In de N.-Betuwe is treem, tand van een kam {Onze \ Volkstaal 2, 109); in Limburg zijn trie-men, de balken waarop de zoldering is vastgehecht (Onze Volkstaal 2, 230). j De Bo2 1019 i. v. traam geeft als bijvorm ook triem en voor Oost-Vlaanderen treem. Kii.iaen vermeldt tramo. Fris. j. sportc. Climacter, gi'adus scalae. Mnd. tramo, Querstab, Sprosse einer Leiter, Treppe eines Stuhles. Ook in Waterland is triem bekend in den zin van sport v. e. stoel (Taalgids 4, 310); zoo ook in Groningen (Molema 430). Natuurlijk staan j trëëm (triem) en tra me met ablant naast elkaar.

triem, znw. m. Zie treem.

trippa, zw. ww. intr. Jongensspel. Met dezelfde ingrediënten, nl. bal en tripplank, gespeeld als het r u n n a; maar slechts door twee spelers. — Vgl. De Jager, Freq. 1, 800 en 801. liet daar uit Schmki.leh aangehaalde ; t r i b e 1 n, jongensspel, waarhij men met een stok op het einde van een kort slokje slaat om dit in de lucht te doen vliegen, komt vrij wel overeen.

troel, znw. vr. Liefkoozingswoord. j{ Lieva, lekkara troel (tot een meisje), ouwa troel.

u.

ui zio ni—.

uro, zw. ww. inlr. Opzwellen van den nier eener hoe of geil {ook wel van een paard) in het taalsl der dracht.— Kvenzoo elders, zie Mom:ma 4IV7. — Van 't volgende woord, uur. znw. onz. Llier. Zie 19, a.

v.

vaer, bnw. Niet drachtig. Alleen invaera koe. — Vgl. fri. far, far, feer, nog niet gehaard hebbend, nog niet drachtig, en zie Franck i. v. vaar s. vastalacvende, zw. ww. intr. 's Winters uit logeeren gaan. || Ik kóm nou mit kór-samas as bij ja vastalaevanda. — Evenzoo te Noordwijk a. Zee; zie Sch. t. U'. 1,200. 'veek; zie déèu.

verdikkeme, interj. Bastaardvloek. || Wel vardikkoma! wat valt ma dat têga! — Vgl. Molema 444 i. v. verdik k e. vermiezold, bnw. Zeer klein, nietig. || 'n vai miezald ventüe. — Vgl. De Jager, Freq. 1, 379 waar vermizeld of ver m ij-zal d als Zeeuwsch staat vermeld. Bij Weiland, Fakkel 2, 221 is v e r m i s e 11, klein, dor, schraal. — Het woord hangt samen met zuidn. miezelen of rn ij z e I e n (De Bü- (509), in kleine stukjes breken, verbrijzelen. Vgl. ook Boekenoogen C3G op miezel.

vorninkt. bnw. Niet eetbaar, vooral van spijzen, die te zout zijn. || Da aerapala zijn varninkt van 't zout.

verpaft, bnw. Een gevoel van volheid hebbende tengevolge van veel drinken, of van loomheid tengevolge van de hitte. || Jo, drink nou niet zoo veul bier, ja wordt ar nog zoo varpaft van. — In beteekenis is het woord geheel gelijk aan ndl. paf, opgezet, opgeblazen ; lusteloos, loom. veurhdbd, znw. onz. (van bouwland). Dat gedeelte, dat aan het eind van de m éo d ligt, waar de ploeg wordt omgedraaid, viere, zw. ww. intr. Zio de Wdbb. — Ook 't gewone woord voor weerlichten. 11 Nou jongas, 't onweer is ovar, ga maar garust


ocr page 100

VILTLOK—WAT3RDRUK,

88

na bed, want vioro ken ot don héola nacht nog wel. — Van Dale vermeldt deze bet. als Zuidned.

viltlok. znw. tn. Haarbos aan de poolen ilcr paarden, vellok. — De Hl'- geeft vil lok; Sciiuermans vil lok in eenigs-zins andere beteekenis.

vlasvlooi. znw. m. Aardvlon. — Evenzoo

bij Sciiuermans.

vloeiboek, znw. m. — Zegsw. d 0 w i n d is in do vloeiboek, de wind is N. Tl' eig. waait uit dien hoek, dat een hooge vloed te wachten is.

vloer. znw. m. Dorschvloer.— Zie bij boot. vloerverreks (of alleen ver ra ka), znw. onz. Sloffer, Gëêf ot (vloer)verraka es, dan zei ik do kachol os wat anvêga. — V a r-ken als handstoffer geeft ook Van Dai.e. VÓcht, znw. m. Vochtigheid. {| Die boeko zijn nitgaslaego van da vocht. — Evenzoo elders. Vgl. ohd. f 11 h I i, vocht, waterdamp. voet, znw. m. Zie de Wdbb. — Ook een vierde van een geslacht dier. |{ Ik slacht swintars an verraka in koop an voet vlais.

— Evenzoo bij Schuermans. Te Noordvvijk aan Zee schijnt het woord een half beest aan te duiden; zie Sch. t. TV. 1, 200. — Vgl. nog een zegsw. op a era pal.

voetstraet. znw. m. De kleine sleenen aan weerskanten van de straal. 1| Jongas loop toch vooral op da voetstraet in niet op da middapad.

vöilblik, znw. onz. Vuilnishlik. — Evenzoo bij De Bo3 1170. Een even gebruikelijke naam is v I 0 e r b I i k.

voilproim. znw. m. Vuile, smerige kerel. Vuilpoes. {{ Die vent is an echta voilproim.

— Ook bij Moi.ema 457.

voorst, znw. m. Het voorstuk van een schoen. |1 .la mót op die schoena maar as nieuwa voorsla laeta zelta.

voorsta, bnw. Zegsw. voorsta poota,

voorpootcn. — Vgl. aciiterstji.

vores (van —), bijw. uitdr. Van Ie voren. {|

Ik heb at ja van vöras gazaid.

vrêk0, zw. ww. inlr. — Met (jewcld wringen. Ij Nou mot ja an die knop niet zoo vrêka, andars gaat-ie kapot. — Fig. As ja dat hebba wil, zei ja 't wel óit zan banda motto vrêka {er ontzettend veel voor moeten betalen). — 2) Met inspanning van alle krachten werken, j] As-tie wat óf wil hebba, dan vréokt-ie net zoo lang. tótlat-ie nie meer ken. — Vgl. § 20 a.

vrek8r(d), znw. m. lem. die steeds met inspanning van alle krachten werkt. 1| Dat is an echta vrèkard; as-tie mit 't éèn of andar bezag is, dan weet-ie van gwn óitschaija.

vrommes, znw. onz. Vrouwspersoon. Soms eenigszins minachtend, jj *n Hink vrómmas. 'n raar vi ómmas. — Vgl. § 20 c.

w.

waan, bnw. Niet gaaf; in 't bijzopder van hout, waaraan de bast nog te z;en is. {| Wana dét'la. — Zoo ook aan D- Zaan, Onze Volkstaal 1, 44. Vgl. nog Müf a\ op w 0 a n en Franck op w a n (II).

wach-te. zw. WW. trans. Hoeden, j, \oeia wachta. — Ook vrijhouden van de vogels. \\ Kóra wachta; krieka wachta. — Van Dale geeft deze bet. als Zuidned.; zij wordt dan ook vermeld bij De Bo'1 '1177.

wal, znw. vr. Modder uit een sloot, die over 't land wordt uitgespreid als mest. {| Zou ja da wal nog op staal zetta, of gooi-ja za maar dadalijk deur dan boogart ? wanraad, znw. m. Onraad. {| Dar is wan-raad. Ga jij as kijka, of dar geen wanraad is. — Vgl. Noord en Zuid 7, 180. wansehoft (of wanschót), znw. onz. Bitterzoet, zekere plant. — De stengel wordt door jongens hier veel gekauwd en door ouderen gebruikt tegen verkoudheid. Van Dai.e geeft in dezelfde beteekenis walschot als gewestelijk.

wantswevar, znw. gem. Druk, woelig nirnsch; woelwater, jj Heb ja ooit zoon wantawëvar van an jonga gazien? — Vgl. bij Schuermans het ww. w an te weven, altijd met handen of voeten in beweging zijn. Zie ook Archief voor Ned. Taalk. 2, 100.

waterdruk, znw. m De gewone drukletters in onze boeken, in tegenstelling met de z.g. Gotische letters. Alleen van


ocr page 101

WEEG—:

S9

•ZEEL.

bijbels, waarin tot voor korten tijd de Gotische letters alleen gebruikelijk waren. Vandaar dal deze dan ook nog wel b ij-b 3 1 d r u k heeten. — Evenzoo elders; zie bijv. Sch. t. W. 1, 202.

weeg, znw. m. Wand, muur. Ook wel van steen, maar meestal van hout; vooral in boerenschuren. || Da koeia stóngo mit dar koppa na da wéèg. — Van Dale noemt het verouderd en gewestelijk. Vgl. De Bo2 1187. In de samenstelling weegluis is het woord nog algemeen bekend, wéèrsam, alleen in w el w éè r s a m (s)!

Basterdvloek.

weg, znw. m. Fijn tarwehroodje. Alleen nog In korsaweg, eim lanr/werpir/, aan beid !■ zijden spits toeloopend broodje met An Hen en succade. — Van Dale geeft h als verouderd. Zie verder Kiliaen op « g g h e. Zoo geheeten naar den dubbe-!quot;• wigvorm; zie Franck i. v. wegge, wèsé, zw. ww'. trans en intrans (impers.) Drogen. || Het vlas, hooi laeta wêla. In Vlaandaro laeto za at vlas niet zób lang wêla as bij ons. 't Wïrlt vandaeg leklor. -— Vgl. mnd. welen, tvelck werden, trock-nen: dat gras welet (Lubben); oostfri. (zie Ten Doornkaat Koolman): welk werden, welken, verdorren. De laatste brengt bet in verband met ags. w e a I o w i a n. Misschien eerder van denzelfden stam als ons verwelken; zie Franck i. v. werrokondag, znw. m. Werkdag. — Vgl.

Mul. Wdb. op l.

wiemol, znw. m. Slaag, in de nitdr. wie-in a I k r ij g a. — Evenzoo in de N.-Betuwe; zie Onze Volkstaal 2, 114.

wiomola. zw. ww. intr. Draaien, heen en weer bewegen. {| Jónga, leg zoo niet ta wiemala. An da taefal wiemalo. — Evenzoo in de Saksische streken van ons land; zie Onze Volkstaal 1, 160; elders wiebelen. wijdwaga. bijw. Wagenwijd. || Da deur stóng wijdwagen ööp. — Zoo ook elders in Holland en voorts bij Molkma 472 en 578; vgl. ook vvid wage lös in Onze Volkstaal 1, 1G0.

WLjO. zw. ww. trans. Wieden. Zie § 23, a. wijnsbrouw, znw. m. Wenkbrauw.lie§9,d.

wilsie, znw. in. Vroege soort krieken. —

Zie klei;lihk.

witseheet, znw. m. of vr. Scheldwoord tot iemand die bleek ziet. — Vgl. Boekenoogen i. v, bleekscheet.

woerek, znw. m. Kikvorsch, pad. — Zoo geheeten naar het geluid, dat het dier voortbrengt.

Wöit, znw. m. Groote, vooruitstekende kin. {{ 't Is wel an knappa maid, maar za het an groota wóit.

wr — ; zie vr—.

z.

zaddor (ook zat), bijw. Genoeg, meer dan genoeg. {{ Heb ja ganócht? — O, ja zaddar. — Evenzoo op verscheidene andere plaatsen in Holland en elders; zie Onze Volkstaal i, 45, 243; Noord en Zuid 3, 48 en Molema 482. — Natuurlijk verwant met ndl. zat, welks t uit een vroegere d is ontstaan.

zaed'ie. znw. onz. Inzet in hel spel, goedje. || Nou dan haal ik man zaedJie wéér oit. — Zoo ook in Vlaanderen (De Boquot;2 1220) en te Sliedrecht. Vgl Van Dale op zaadje, zaikard (of z a i k n e s t), znw. m. Zaniker d. || quot;n zaikard van an jonga. zakwatar, znw. onz. Water, dal uit den grond op lagere plaatsen samenzakt. || Do bóiza an dan binnakant van dan dijk hebba wel as last van zakwatar.

zeèchies an. bijw. nitdr. Zachtjes aan. || 't Gaat mit da zieka zêëchies an vooroit. — Hot woord is een samentrekking van z e d i g j e s aan. Vgl. z êë g, mak, lam, gedwee in Brabant (Onze Volkstaal 1,235), Limburg (id. 2, 234), de N.-Betuwe (id.'i, 115) en Groningen (Molema 581).

zeel. znw. m. Zeef voor aardappels. Een vierkante bak met op gelijke afstanden van elkaar gelegen latten tot bodem. Ver-scbilleml van li e r r a p. De zeel wordt als een gewone zeef heen en weer bewogen en is te dien einde van handvatsels voorzien. De h e r r a p is een schuins hangende zeef, die niet wordt bewogen en waarover de bovenop uitgestorte aardappels van zelf

12


ocr page 102

ZÉEM3—ZWING.

90

afglijden; daartoe is de benedenkant opengelaten.

zee ma, zw. ww. trans. Met een zeem af- 1 wrijven. H Zijn da glaeza al gazéemd ? — | Volgens Van Dale gewestelijk.

zeemalap (klemtoon op -lap), znw. in. Een van zeemleder vervaardujeie doek. — Zoo ook elders.

zeen, znw. onz. Zenuw, maar alleen in het I vleesch, dat men eet. || Nou dat zëên ken ; ja ók wel opëta, as ja 't maar fijn snijdt.— , Zoo ook elders. — Mnl. zêne, mnd. sëne, ags. s i n u. — in andere bet. luidt het j woord z ë n a w of z ë n a n g. || Za krëëg at op da zënawa (zëuanga).

zeet, znw. m. In de uitdr. zan z ëë t n ë-rn a, zich eryens neerzetten, ook fig. van ziekte of pijn. —Waarschijnlijk hangt hier- . inee ook samen s ëë s in de uitdr. niet s ëë s (= zeets?) k e n n a k o m m a, niet klaar kunnen komen. || Hij hait al lang gazocht; hij ken ók niet gamakkalak sëës j komma.

zegana. zw. ww. intr. Zegsw. in makaar zég a na, inzëgana, ineenstorten. H Za was z«^» gaschrókke, dat za in makaar j zëganda. — Wel verbasterd uit zijgen, i zeeg, gezegen.

zëkal • znw. m. Sikkel, zie ^ 39, b en 38, c. j zèmala, zw. ww. intr. Zeuren, zaniken. || .Tonga, wat leg ja toch ta zêmala. — Schuer-mans geeft het ww. in de bet. leuteren. Vgl. ndl. ze m elknooper en Moi.ema 484.

zënang, znw. Alleen in 't meerv. Zie zëëN. zjenderram znw. m. Scheldwoord. H 'n minna zjenderram. Gaméena zjenderram. — Vgl. derrhm.

zöidessal. znw. m. De plant, het blader-roset der paardenhloem. || Heb ,ia al zói-dessals voor da knijna gazocht? — In Gelderland heet de plant soedessel (Noord en Zuid 2, 61). Met andere bet. vindt men s ii d i s t e 1 (sonchus oleraceus) in Tijdschrift 7, 280. Nog anders in 't mud. s u-distel. Name fur verschiedene pflan-zen: endivia, paliurus, sabnenta. In vorm verschilt du id est el bij De I3o: sonchus asper en sonchus oleraceus. zómmadéèn. bijw. Zoo dadelijk. \\ Dat zei ak ja zommadeèn wel as zegga. — Uit z o o en m e d éè n; zie dat woord.

zout. znw. onz. Zie de Wdbb. — Zegsw. Dat heb al; nog nooit z 6b zout gagëta, da*, heb ik nog nooit zoo aangetroffen, nog nooit beleefd. — Ook elders in Holland bekend.

zuur, bnw. Guur, van 't weer, koud en mistig. || 't Is nou kwaad weer mit zób'n zura mist.

zwaluwstaert. znw. rn. Ken soort han-getje, waarvan de bladen den vorm van een zwaluwstaart hebben.

zwiet, znw. m. Praats, beweging. || Za hebba wel an hoop zwiet, maar geen centa. — Zegsw. zwiet sla a n , praats hebben , den grooten heer uithangen', vgl. Onze Volkstaal 1, 156 op s w i e t. Ook bij Cremer komt de uitdr. voor. — Van fra. suite.

zwing. znw. m. Aan de burr ie bevestigd hout, waaraan de strengen worden vastgemaakt. Ook een los hout, dat aan slee of ploeg kan worden gehaakt. || Te koop twee sleden met zwingen en tuig. — Vgl. Van Dale i. v. z vv e n g e 1 h o u t.


AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN.

Hij § o opm. is nog te voegen: sijptT, cypersche kat.

§ 37, b. Over boterham vergelijke men nu echter Dr. Moller in Tijdschrift '15, 1 vlgg. § 41. A moet «ambras (zie Woordenlijst),» vervallen.

ocr page 103
ocr page 104
ocr page 105
ocr page 106
ocr page 107
ocr page 108