i
ONTWIKKELING VAN HET F^ECHT
BETREKKELIJK DE
KANTONGERECHTEN.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0935 2547
L . R . I. TO c ThT
Q Q O
Mr. C. M. VAN DER KEMP'S
ONTWIKKELING VAN HET RECHT
BETRKKKKLl.fK DK
klMOMiERRillTEN
VIER-ÃE i )lM Iv
UEWEKKT DOOI;
Jhp. Mi'. VV. E. T. M. VA\ DER DOES DE WILLEB01S,
Rechter 'm de Arroii(li$$eïiieut*-Rechtb(uik te A rnheffi.
r
L
bibliotheek der rijksuniversiteit
UTRECHT
Ss*
t
H K LT S D E N,
L. J. VEERMAN. 1S9S.
yOORBERICHT
j
VAN DEN EERSTEN EN TWEEDEN DRUK.
In hot voorbericht voor de eerste uitgave, geteekend den 23 Maart 1847 schreef ik:
âMen verwachte hier alles behalve eene diep indringende ârechtsgeleerdheid: niets meer dan eene bij een verzameling âen rangschikking der soms zeer verspreide wetsbepalingen âbetrekkelijk de Kantongerechten, met bijvoeging der ârechtspraak of rechtsuitlegging, meestal getrokken uit âhet Weekblad /an het Regt en het Regtsgeleerd âB ij b 1 a d; hiermede vertrouw ik dienst te doen aan âmenigeen, die zich met kantongerechtelij ke zaken heeft âbezig te houden. Wel is waar, bestaat er een boeksken âvan Mr. W. W. Noodt, getiteld: Handboek voor âden Kantonregter in deszelfs betrekking tot âhet Burgerlijk Wetboek, in 1839 te Leeuwarden âuitgekomen, maar volgens het verslag van de Nederl. âJaarboeken Deel II blz. 548, vindt men er slechts âeene woordelijke mededeeling van artikelen uit het Burgerlijk Wetboek alleenlijk in zake van huwelijk, voogdij ,,en boedelscheiding, voorts enkele zeer oppervlakkige âaanteekeningen en eenige formulieren. Hoe vele gebreken âmijn werk ten aanzien van volledigheid en nauwkeurig-âheid ook bevatten moge, vlei ik mij echter, dat het niet âzoo geheel buiten alle bekwaam gebruik zal gerekend âworden. Het zal mij aangenaam zijn er alle bescheidene âaanmerkingen op en tegen te vernemen. â Wat mijne âspelling betreft, zoo volg ik meestal, ofschoon gants niet âuitsluitend, die van Bilderdvk, als welke gewoonlijk, âmijns inziens, op goede gronden berust.quot;
Ik heb hier niet veel bij te voegen, dan dat het mij aangenaam is dezen tweeden druk te kunnen bezorgen en alzoo in de gelegenheid te zijn, vele gebreken en leemten, in den eersten aanwezig, te herstellen en aan te vullen.
IT
Veel dank ben ik hieromtrent schuldig zoowel aan den Heer Mr. P. Cl. ten Zeldam (iAXSwyk, thans Kantonrechter te Alphen, die mijn werk niet eene gunstige beoordeeling in de Themis vereerd en mij op vele punten, die verbetering behoefden, opmerkzaam gemaakt heeft, als vooral ook aan den Heer Mr. Gr. !gt;. Kmants, vroeger Kantonrechter te Voorburg, die mij zijne uitvoerige aanteekeningen op mijn werk met groote welwillendheid heeft medegedeeld. Mocht ook deze tweede uitgave een dergelijk lot te beurt vallen! Hoewel de volmaaktheid in een dusdanig werk als dit nimmer te bereiken zal zijn, brengt echter onderlinge gedachteuwisseling ul nader en nader tot eene gewenschte volledigheid. Ook het werk van De Witt Hamek, Handboek voor de Kan tenger eg ten (Schoonhoven 1848) heeft mij zeer veel dienst gedaan; jammer maar, dat het den gantsehen omvang van des Kantonrechters werkzaamheden niet omvat. Indien ik mij niet met alle de gevoelens dier Heeren heb kunnen vereenigen, heb ik toch getoond op hunne aanmerkingen gelet te hebben, 'tzij door eene meer duidelijke voorstelling mijner meening, 'tzij door eene opneming en wederlegging hunner gevoelens, zoodat hunne aanmerkingen voor mij niet vruchteloos blijken geweest te zijn.
Met dit al is het er verre af mijne geuite meeningen, als onomstootelijk waar, te willen opdringen. Niemand kan minder dan ik zich gehecht toonen aan zijne overtuiging, waar het op nietigheden van vormen aankomt. Kr zijn toch vele wettelijke voorschriften, wier zin verschillend kan worden opgevat, die ook niet gebiedend zijn voorgeschreven, wier doel soms op andere wijze veel beter kan worden bereikt en die mij zonder volstrekt belang voorkomen, in vele dier zaken heb ik de gewoonte te handelen, naar gelang de wind mij waait of de bestaande, nimmer afgekeurde gewoonte het medebrengt. Hier vooral komt de spreuk van Salomo te pas; âWees niet al te rechtvaardig en houd u zei ven niet al te wijsquot;, dat is; sta niet al te zeer op eigen recht en op eigene meening. Daarom niemand werpe mij als Kantonrechter ooit tegen, in mijn werk anders geoordeeld te hebben! Het eenige doel toch van hetzelve is, om door eene zooveel mogelijk volledige uiteenzetting van al wat het Kantongerecht betreft, aan degenen, die in dat vak bezig zijn of er mede te
Ill
maken hebben, een handboek te versehafi'en, waardoor zij gemakkelijk en geleidelijk een geheel overzicht van de door hen verlangde onderwerpen verkrijgen kunnen en op de hoogte zijn om verder voort te komen.
Twee punten evenwel zijn buiten mijn doel gebleven, de levering van formulieren, en de beschouwing der strafwetten. In het eerste is, zoo ik hoop, voorzien door het in 1851 te Goes uitgegeven werkje van J. van den Bossche, (Jrillier bij het Kantongerecht te Kortgene, getiteld: Formulierboek ten dienste der Kantongeregten, doch hetwelk mij nog onbekend is. Voor liet andere punt bestaan er twee werkjes, beide te Groningen bij W olters uitgekomen; bet eene in 18ö4, getiteld: Handboek voor de Kantonregters, de Ambtenaren van het O. M. bij de Kantongeregten en/... bevattende de Wetten en Besluiten, waarvan de overtredingen vervolgd worden bij de Kantongeregten, zoowel volgens de bestaande, als volgens de nieuwe daaromtrent gemaakte bepalingen, met korte aanteekeningen van een Kegtsgeleerde; het andere is uitgekomen in 1855 en getiteld: Handboek voor den Kantonregter en den Ambtenaar van het O. M. bij de Kantongeregten voor de behandeling van strafzaken, door Mr. E. F. de Joxgh en Mr. A. Oi'Demax. Het eerste is mij nog onbekend, maar het tweede kan ik zeer aanbevelen.
Drukker en l itgevers hebben mijnen dank voor de zoo spoedige en goede uitvoering van dit mijn werk.
's Gravenhage, den 7 Juiij 1855.
VOORBERICHT VAX DEN DERDEN DRUK.
loen ik op mij nam een derde uitgave van Van der Kemp's werk te bezorgen, gevoelde ik zeer goed, dat die taak geen gemakkelijke zou zijn.
Sedert de 2de uitgave verscheen, (op eenige dagen na, \ ijt en twintig jaren geleden) was er toch zóóveel veranderd, gewijzigd, bijgekomen, afgenomen, was zelfs de betrekking van Kantonrechter in sommige opzichten een andere geworden, dat ik niet dan met tic grootste voorzichtigheid, als het ware stapvoets, den weg kon afleggen die voor mij lag.
TV
Kn hoe voorzichtig ouk, toch bleven vergissingen niet uit.
Op 1)1. 185 bijv. liet ik naar art. 23() der Algemeene Wet van 26 Aug. 1822 (Stbl. Nquot;. 38) processen-verbaal voor den Kantonrechter beëedigen, afgaande op de mij gegeven verzekering dat die wet. die mij anders erg oud voorkwam, nog geheel van kracht was, toen mij welwillend onder de aandacht werd gebracht, dat die beëediging werd afgeschaft bij art. 11 der \\ et van 4 April 1870 (Stbl. Nquot;. 61). en dat de Ambtenaren daarbij genoemd, voortaan hun verbalen opmaken op den eed bij den aanvang hunner bediening gedaan.
Zoo sprak ik op bi. 260 van ,,dezelfde provinciequot; en van âin een andere provinciequot; om op bl. 290 in de noot te melden, dat de Wet van £0 Mei 1877 (Stbl. N0. 138) mij was ontsnapt, eu de rechterlijke indeeling geen provinciën meer kent.
Zulke Haters zullen er wel meer gevonden worden, behalve de gewone drukfouten, die men intusschen alle met den mantel der liefde gelieve te bedekken, daarbij in rekening brengende de zeer drukke betrekking, die vóór alles mijn tijd vorderde, zoodat, alleen in snipperen late avonduren, bij wijze van uitspanning, Van dei-Kemp kon worden ter hand genomen.
Ondanks fouten en vergissingen, hoop ik toch niet geheel en al onbruikbaar werk te hebben geleverd.
In den vorm van het werk, behandeling in §§, bracht ik geen verandering, om op die wijze het gebruik gemakkelijker te maken, en ook, opdat men door te vergelijken zou kunnen zien, wat er zij van dat aanlokkelijke âveel vermeerderde en verbeterdequot;.
In het 5('e Hoofdstuk was door het afschaffen der emolumenten voor de Kantonrechters, en het bezoldigen der Ambtenaren van het O. M., een geheele revolutie in tic §§ onvermijdelijk. Verder zal men hier en daar §§ vinden waarin niet veel meer staat, dan dat ze overbodig zijn geworden: men zal er vinden, die van kleine §§ tot zeer lijvige zijn uitgesponnen, een gevolg, of van de partieele herziening van sommige onzer wetten, wier geschiedenis ik tot beter verstand meende te moeten mededeelen, of van het mededeelen van rechtspraak en literatuur, öf van alles te zamen, omdat het mij nu en dan aanleiding gat om mijn gevoelen over een en ander te-zeggen; waarin.
V
naar mijn meening, Van der Kemp wel eens wat te spaarzaam geweest was; wat wel juist kan gezien zijn, want hij was een goed en wijs man. Ik daarentegen heb waar het pas gaf, (misschien ook wel te onpas) de pen den vrijen teugel gelaten. Dat komt, omdat ik een ander man ben, niet zoo goed en wijs als Vax der Kemp. Maar waarin we samenstemmen, en het is mij een genoegen dat te constateeren, is dit, dat het treffelijk ambt van Kantonrechter dit vooral dan kan on zal wezen, wanneer de Kantonrechter geen letterknecht is, zich krampachtig vasthoudende aan het daar staat geschreven; maar een practisch man, zich zelf niet al te wijs achtende, maar zonder de waardigheid en de waarde van zijn ambt uit het oog te verliezen, geeft en neemt, handelt, naar bevind van zaken, of, zooals Van der Kemp het zelf hierboven uitdrukt, ânaar gelang de wind waait of de bestaande, nimmer afgekeurde gewoonte medebrengt.quot;
En hiermede heb ik alles gezegd wat ik te zeggen had; en leg ik de pon neder op den dag, waarop ik twee en (1 e r t i g j a r e n geleden de eer had uit dit zelfde 's Gra-venhage mijn eerste benoeming tot rechterlijk ambtenaar te ontvangen.
's ( i UAVKXHAGE. /â¢iDni-x-T-
16 Juni 1880. GRKKVE.
Bij mijne bewerking van Van der Kemp's boek bleef ik getrouw aan het oorspronkelijke plan: eene bijeenver-zameling en rangschikking der wetsbepalingen voor de Kantongerechten van belang, waar noodig toegelicht door rechtspraak of literatuur. In één opzicht geef ik aanmerkelijk meer: nu gaandeweg 's Kantonrechters bevoegdheid in strafzaken buitengewoon werd uitgebreid, meende ik dat eene oenigszins uitvoerige behandeling van alles wat met de strafrechtspleging in verband staat, niet langer mocht ontbreken.
In de indeeling van het werk bracht ik eene groote verandering. Waar geheele paragrafen vervielen, andere gesplitst werden, geheel nieuwe werden ingevoegd, achtte ik eene zooveel mogelijk systematische verdeeling van
VI
meer gewicht, dan het verband met de vroegere uitgaven. Hierin wijk ik dus af van Mr. Grkeve.
Ziende, dat de tweede uitgave 364 bladzijden telde en de derde 615, en bij de bewerking steeds moetende toevoegen, meende ik, waar mogelijk, te moeten laten vervallen, wat, hoe belangrijk dan ook, slechts geschiedkundige waarde heeft. Zoo Mr. Greeve's beschouwingen over het O. M. bij de Kantongerechten in civiele zaken o); zoo zijne beschouwingen over de toeziende voogdij der Indische weeskamers h).
Evenals Mrs. Van der Kemp en Grkeve, meen ik voor een werk als dit een beroep te mogen doen op de welwillendheid van den lezer. Waar de stot zoo uitgebreid is, is licht iets blijven staan, wat had moeten vervallen, iets vergeten, wat had moeten zijn opgenomen. In eene lijst van aanvullingen en verbeteringen, maakte ik o. a. melding, voorzoover ik dat niet onder het afdrukken kon doen, van de veranderingen die tot op dit oogenblik plaats hadden. Men zij er intusschen aan indachtig, dat de eigenlijke bewerking van het strafrechterlijke gedeelte in '95 plaats had, zoodat ik daar op volledigheid slechts aanspraak maak tot einde '94.
Arnhem, October 1897.
VAN DER DOES DE WILLEBOlS.
a) Derde uitgaye blr.. 10â19. h) â â â 449â4 o 7.
INHOUD.
Blad*.
S J. Inleiding.............. ]
HOOFDSTUK I.
DK SAMKXSTELIJNC DIOR KANTONS F.N' DKR KANTOXCtKRKCHTEN.
§ 2. Hamonstclling der Rechterlijke Macht ... o
â o. Heclitcrlijke indeeling des Itijks..........(;
.. 4. SMiHonstclling der Kantongerechten .... 2S ,, â¢gt;. Rang der Plaatsvervangers van den Kantonrechter ..............2lt;.(
â li. 1 lun dienst.............y,]
.. 7. Hunne hcvoegdheid om gelijktijdig met den
Kantonrechter werkzaam te zijn.....8o
,, 8. Vervanging van den (JriHicr.......
j) ^ ereiscliten, den Kecliterlijken Amlitenaren
hij de Kantongerechten gesteld.....34
.. 10. Hunne henoeniing....................;}i)
â 11. De Klerken ter Griilie.........42
â 12. Het Openhaar Ministerie........43
â 13. De Deurwaarder...........47
HOOFDSTUK H.
VKRSCIII I.I.KNDK RKCHTKN' KN VEItl'I.ICIfTINCtEX VAN DE RECIITEUI.IJKE AMBTENAREN HU DE KANTONIrEREClITEN.
S 14. De eedsaflegging...........,53
., ló. De installatie............54
â Ui. De titulatuur............/y-,
.. li. Het ambtsgewaad...........
â IS. Verplichtingen betreffende de woonplaats;
standplaatsen der Ambtenaren van het O. M. ös â lil. Waar de terechtzittingen gehouden worden:
vaststelling der dagen daarvoor.....(gt;2
â 20. Kegeling omtrent verloven....... (gt;4
â 21. Verbod otn de Rechtspraktijk uit te oefenen . W
VIII
Bladz.
§ 22. Rechterlijke tucht...........
23. Vrijstelling van briefport en seinkosten. . . 71
HOOFDSTUK III.
DE STRAKVERVOI.GIXfT BIJ DE KANTONGERECHTEN.
AFDEELING I.
DE BEVOEGDHEID DER KANTONGERECHTEN7.
§ 24. Volstrekte bevoegdheid.........74
A. Het Wetboek van Strafrecht.....77
B. Oudere wetten..........77
C. Nieuwere wetten.........89
D. Algemeene maatregelen van bestuur . . 92
E. Eenige verdragen met buitenlandsche mogendheden..........99
F. Provinciale Reglementen......102
G. Gemeenteverordeningen.......105
H. Waterschapskeuren........Hö
â 25. Betrekkelijke bevoegdheid........l-;gt;
â 2(5. Regeling van Rechtsgebied.......12ö
AFDEELING II.
DE WERKZAAMHEDEN VAN HET OPENBAAR MINISTERIE.
§ 27. Algemeen beheer van het parket.....12lt;S
â 28. Bemoeiïngen naar aanleiding van bijzondere
wetten en verordeningen.......1^1
â 29. Machtiging tot betaling der hoogste boeten . 134
â 30. Tenuitvoerlegging van het vonnis.....137
AFDEELING III.
HET AANHANGIG MAKEN DER ZAAK.
§ 31. A fzonderlij ke (lagvaarding i n elke zaak; voeging 1 11
32. Inhoud der dagvaarding in het algemeen . . 145
â 33. Het feit..............14,5
â 34. De tijd..............^
â 35. De plaats..............
â 36. De beteekening der dagvaarding.....158
AFDEELING IV.
HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING.
§ 37. Openbaarheid der terechtzitting.....1,')-
3S. Andere algemeene voorschriften voor de terechtzitting; de handhaving der orde . â . 163
IX
Bladz.
89. 's Griffiers werkzaamheid; liet proces-verbaal
der terechtzitting..........165
40. Verschijning van den beklaagde in persoon
of bij gemachtigde.....⢠. 168
-11. Begin van hot onderzoek; continuiteit en
schorsing daarvan..........16!)
42. Verschooning en wraking dos Rechters . . . 173
43. Exception; ook de raadsman kan die voordragen 176
44. Voordracht der zaak; mededeeling van de
namen der getuigen.........178
4ó. Niet-verschijning der getuigen......178
46. Orde van liet getuigenverhoor......180
47. Voorloopige ondervraging en beëediging der
getuigen.............181
48. Aflegging dor getuigenissen.......185
49. Wie getuigenis kunnen afleggen en wie zich
daarvan kunnen vorschoonen......187
50. Weigering van den getuige om eed of verklaring
af te loggen............191
51. Voorlezing van getuigenverklaringen .... 192
52. Valsche getuigenissen.........193
53. Deskundigen............194
53a. Voorlezing van processen-verbaal, verslagen van
deskundigen of andere stukken.....195
54. Ondervraging van den beklaagde.....196
55. Tolken...............198
56. Woordvoering van het Openbaar Ministerie
en van den beklaagde........200
57. Bevel tot aanvulling van het bewijs .... 201
58. Verzwarende omstandigheden, die niet in do
dagvaarding zijn vermeld.......202
59. Opmaken van proces-verbaal Ier zake van een
ander strafbaar feit.........204
60. Voeging van de beloodigde partij.....205
61. Sluiting van het onderzoek.......208
AFDEEL ING V.
DE UITSPKAAK.
62. Punten door den Hechter te beoordeelen . . 209
63. liet bewijs in hot algemeen.......210
64. Bewijs door getuigen.........212
X
Bladz.
65. Row ijs door geschriften........214
66. Beschouwingen van deskundigen.....'218
(gt;7. Bekentenis.............quot;220
68. Aanwijzingen............220
69. Onheëedigde verklaringen........225
70. De qualificatie............226
71. De straf; strafverminderingen strafverhooging;
straftoemeting; hoofd- en l)ijkomende straffen 227
72. Beslissing omtrent de kosten......237
73. Vrijspraak: ontslag van rechtsvervolging; niet-
ontvankelijkverklaring van het Openhaar Ministerie.............238
74. Bevel tot heropening van het onderzoek . . 244 7ö. Beslissing omtrent de stukken van overtuiging 245 70. Inhoud van het vonnis en uitspraak daarvan 247
AFDEELlXd VI.
UECUTSMIDDELEN TEGEN DE UITSPRAAK.
77. Verzet...............252
78. I looger heroep............255
7lt;-). Cassatie en revisie..........260
80. Gratie...............266
272 279
279 2S( I
280 281 282
283
284
287
288 295
HOOFDSTl'K IV.
BUITENGERECHTELIJKE HANDELINGEN IN STRAFZAKEN.
81. De Kantonrechter als Hulp-Ofhcier . . . .
82. Vertooning van een gevangene......
83. Bemoeiingen in geval van nasporing van een
verdachte.............
84. Huiszoeking voor den llechter-Commissaris
85. Nasporing van weggenomen goederen
86. Papier-onderzoek...........
87. (retuigenverhoor voorden llechter-Commissaris
88. Uitzetting van vreemdelingen......
89. Beëcdiging van Politie- cn spoorweg-beamhten 1)0. Beëcdiging van processen-verbaal van bekeuring
91. Binnentreden van woningen ter handhaving
van verschillende wetten........
92. Machtiging tot verkoop van in beslaggenomen
goederen..............
xr
BI adz.
IT OOF I) ST CK V.
HET KKCHÃSfiEDIN(i IN lUIRIiEHLI.IKK ZAKEN.
93. Grenzen van administniticve en rechterlijke
macht..............297
94. De Rechtbank is de gewone rechter; des Kan
tonrechters rechtsmacht is eene buitengewone 3(.)1
95. 's Kantonrechters volstrekte bevoegdheid . . 304
96. Persoonlijke rechtsvorderingen (§ 95, I) . . 306
97. Rechtsvorderingen tot betaling van renten,
huren en pachten, alsmede van interessen of gedeelten van inschulden (§ 90, II) . , 313
98. Rechtsvorderingen tot vergoeding van schade,
hetzij door mensehen, hetzij door dieren toegebracht, aan land, houtgewas, boom-,
tuin- of veldvruchten (§ 95, III) . . . . 320
99. Rechtsvorderingen tot herstel aan het ge
huurde (§ 95, IV)..........322
100. Rechtsvorderingen tot betaling van loonen
en/. (§ 95, V)...........323
101. Rechtsvorderingen ter zake van mondelinge
beleediging (§ 95, VI)........325
102. Rechtsvorderingen tot ontruiming wegens ge-
eindigde huur (§ 95, VII)......326
103. Rechtsvorderingen tot ontbinding van huur
en dientengevolge ontruiming (§ 95, VIJ1) 328
104. Rechtsvorderingen tot ontzetting uit eigendom
tot het atweren of stuiten van besmetting
(§ 95, IX)............330
lquot;-). Persoonlijke rechtsvorderingen door of tegen
landverhuizers ingesteld. (§ 95, X) . . . 333 106. Verzoeken tot verbetering van kiezerslijsten
(§ !»5, XI)............334
10/. 's Kantonrechters bevoegdheid liij vrijwillige
verschijning van beide partijen.....337
108. Bevoegdheid van een anderen Rechter of van
scheidslieden om kennis te nenun van Kantongerechtszaken ..........339
109. Betrekkelijke bevoegdheid van den Kanton
rechter ..............342
110. Kegeling van rechtsmacht.......348
XIT
BlacU.
§ 111. Kostelooze procednren.........348
112. Aanhangig maken der zaak.......Söó
â 113. Beteekeniug der dagvaarding......356
114. Inhoud der dagvaarding........366
.. Hó. Termijnen van dagvaarding.......374
â 116. Op welke dagen en uren een exploit van
dagvaarding mag worden uitgebracht . . 378 â 117. Nietigheid van dagvaarding.......378
118. Openbaarheid der terechtzitting en handhaving der orde...........380
â 11'.). De behandeling der zaak geschiedt in de
Nederlandsche taal.........383
120. Verschijning der partijen in persoon of bij
gemachtigde............383
â 121. Niet-verschijning van een der partijen. . . 389
122. Het geding ter terechtzitting......394
123. De verwering van den gedaagde; de geheele
rerwerimj in eens-, geene afzonderlijke beslissing over de exception........397
â 124. Mededeeling van stukken.......401
â 125. Incidenteele vorderingen........404
126. Wraking van Rechter en Griffier.....405
127. Verzoek tot zekerheidstelling door vreemde
lingen ..............
128. Verzoek tot oproeping in vrijwaring . . . 412
129. Verzoek tot verwijzing naar een anderen
Rechter.............417
130. Verzoek tot voeging der zaak bij eene andere,
bij denzelfden Rechter aanhangig .... 419 â 131. Valschverklaring van stukken......419
132. 's Rechters beslissing omtrent het toelaten van
bewijs door getuigen; mededeeling daarvan aan de tegenpartij; oproeping der getuigen; dwangmiddelen tegen hen.......420
133. Wie onbekwaam zijn om te getuigen, wie
onbevoegd; wie als getuigen kunnen worden gewraakt en wie zich als zoodanig kunnen
verschoonen............
.. 134. Het verhoor der getuigen.......432
â 135. Bericht van deskundigen.......442
â 136. Plaatsopneming ,..........445
XII [
Bladz.
137. Verhoor op vraagpunten........44(5
138. Openlegging van koopmansboeken .... 403
139. Opdracht van een beslissenden of van een
aanvullenden eed..........456
140. Minnelijke schikking.........464
141. Reconventie............46(5
142. Schorsing en hervatting van liet geding . . 4(5!)
143. Afstand van de instantie........471
144. Verval van de instantie........472
145. Voeging en tusschenkomst.......473
146. Wijziging of vermindering van den eisch . 474
147. Vordering tot voorloopige tenuitvoerlegging 475 14S. Lijfsdwang.............480
149. De beslissing omtrent de kosten.....483
150. De uitspraak............490
151. Rechtsweigering...........492
152. Het audiëntieblad; het vonnis en de expeditie 493
153. Verzet tegen het verstekvonnis.....495
154. Request civiel............499
155. Verzet door derden..........502
156. Hooger beroep...........503
157. Cassatie..............506
158. Tenuitvoerlegging van het vonnis .... 509
HOOFDSTUK VI.
BUITENGERECHTELIJKE HANDELINGEN IN 1ÃURGERLIJKE ZAKEN.
159. Verzoek om des Kantonrechters tusschen
komst, ook door onvermogenden .... 511
160. Voogd ij voorzieningen.........518
161. Benoeming van een toezienden voogd . . . 536
162. Benoeming van een curator over dc ongeboren
vrucht..............539
163. Bemoeiingen, in geval een tot eene voogdij
geroepene weigert haar te aanvaarden . . 539
164. Wie voogdij benoemingen kunnen vragen; do
Kantonrechter kan ze ook ambtshalve doen 540
165. Wijze van benoeming.........544
166. Personen die benoemd kunnen worden . . 557
167. Eedsaflegging der benoemden......563
XIV
lilad/..
10)8. Bepaling van het bedrag, waarvoor de voogd
zekerheid moet stellen........
10)9. Wijze van zekerheidstelling.......
170. Consignatiekas...........;)'0
171. Verandering van het bedrag waarvoor hypo
theek moet worden gestelil......;gt;72
172. Bepaling van het bedrag, dat de minderjarige
jaarlijks zal kunnen verteren.....572
173. Boedelbeschrijving door den voogd .... n73
174. Gevallen waarin de voogd 's Kantonrechters
machtiging noodig heeft.......574
17ö. Voorzieningen voor minderjarigen bij afwezigheid van den vader.........öS7
17(). Gevallen waarin minderjarigen's Kantonrechters verlof voor het sluiten van een huwelijk
noodig hebben...........ÃS9
177. Beperkte handlichting.........â¢gt;â¢'1
17,S. Bepaling van eene jaarlijksche uitkeering aan
de ouders, bij gemis van vruchtgenot . . 099 179. Benoeming van een bijzonderen curator en
een bij zonderen voogd........599
150. Machtiging waar brieven van meerderjarig-
verklaring worden verleend......'iquot;l
151. Machtiging van bewindvoerders.....001
182. Machtiging van eene getrouwde vrouw . . 0)02 1S3. Tusschenkomst in geval van huwelijk van
meerderjarigen...........wo
184. ('urateele.............«04
185. Verzegeling van boedels........'ÃO
186. Verzet daartegen...........'gt;15
187. Wijze van verzegeling.........'quot;lO
ISS. Voorwerpen die niet verzegeld worden . . 622
189. Eedsaflegging na de verzegeling.....623
190. Proces-verbaal van verzegeling......625
191. Verzet tegen de ontzegeling.......626
192. Vordering tot ontzegeling.......628
193. Gevallen waarin zij niet geoorloofd is . . . 628
194. Vereischten tot ontzegeling.......629
195. Wijze van ontzegeling.........631
196. Werkzaamheden daarbij te verrichten . . . 631
197. Ontzegeling met of zonder boedelbeschrijving 633
XV
Bladz.
§ 198. Proces-verhaal van ontze^eling.....(ioT
» 1 Verzegeling en ontzegeling volgens nog be-
l)estaande Fransehe wetten......(ioT
â 200. Beëediging der boedelbeschrijving na verzegeling .............(541
â 201. Beinoeiïngen omtrent verkoop van roerende
goederen, tot eene gemeenschai) behoorend (542
,, 202. Bemoeiingen bij boedelscheiding.....(gt;44
â 203. Verplichtingen den Kantonrechter opgelegd bij art. 18 der Wet van 14 Januari ISlö {Sthl. Xo. 4) en bij circulaire van den Minister van .Justitie, van 12 Juni 1847 . (502 â 204. Verzegeling enz., bij echtscheiding of scheiding
van tafel en bed..........(;r)4
â 205. Acten van bekendheid.........().quot;)4
â 206. Bemoeiingen omtrent onderhandsche en omtrent olographische uiterste wilsbeschikkingen ..............(;5.5
â 207. Bemoeiingen bij verkoop van met hypotheek
bezwaarde onroerende goederen.....(gt;(gt;0
â 208. X'erzegeling bij faillissement......(UU
â 209. Bemoeiingen bij beslaglegging......065
â 210. Gijzeling..............(^if;
,. 211. Gevallen waarin de Kantonrechter den Voorzitter der Rechtbank vervangt.....668
â 212. Bemoeiingen omtrent onbestelbare stukken
en brieven............(570
â 21 o. Benoeming van deskundigen tot onderzoek
van een schip; scheepsverklaringen . . . 672 â 214. Waarmerking van registers van protesten . 674 â 215. Waarmerking van hypothcekregisters . . . 674 â 216. Werkzaamheden volgens de Wet op de registratie ..............(575
â 217. Werkzaamheden volgens de Wet op het
successierecht...........(;78
â 218. Beëediging van landmeters.......(585
â 219. Verklaringen van erfrecht.......(585
â 220. .Werkzaam)icden ten aanzien van achterlijke
belastingschuldigen.........086
â 221. Dwangbevelen............d.S?
â 222. Zeebrieven.............(jyy
XVI
Bladz.
§ 223. Bemoeiingen bij pensionneering van burgerlijke Ambtenaren..........691
,, 224. Bemoeiingen bij zoogenaamde onteigening ter voorkoming van besmetting en bij ter plaatse
begraving van lijken.........692
â 22ö. Bemoeiingen bij door de Tweede Kamer der
Staten-Generaal ingestelde enquêtes . . . (gt;94 â 226. Bemoeiingen omtrent krankzinnigen . . . 696 â 227. Bevoegdheid van den Kantonrechter om in een buitengewoon geval een testament te
verlijden.............699
â 22S. Overgedragen werkzaamheden van andere
collegiën.............700
â 229. Berichtgevingen...........703
HOOFDSTUK VII.
BIJZONDERE WERKZAAMHEDEN DER GRIFFIERS.
§ 230. Bestuur der Griffie..........703
â 231. Acten en registers der minuten; bewaren van ter Griffie nedergelegde stukken in de fail-
lissements-procedure.........70ö
â 232. Bijzondere werkzaamheden zonder Kantonrechter..............708
HOOFDSTUK VUL
DE GELDELIJKE VOORDEELEN VAN DE RECHTERLIJKE AMBTENAREN BIJ DE KANTONGERECHTEN EN VAN DE DEURWAARDERS.
§ 233. Jaarwedden der Kantonrechters, Ambtenaren
van het O. M. en Griffiers......712
â 234. Som voor kleine onkosten toegestaan . . . 713 â 235. De Kantonrechters en hunne plaatsvervangers
genieten geene vacatiën........714
â 236. Reis- en verblijfkosten........717
â 237. Emolumenten der Griffiers.......722
â 238. Invordering van het den Kantonrechter en den Griffier verschuldigde, bij weigering of
verzuim van voldoening.......728
â 239. Belooning der Deurwaarders......729
Aanvullingen en verbeteringen
ONTWIKKELING VAX HET RECHT
I5ETREK K EI.I.I K DE
KANTONGERECHTEN.
S 1. Gelijk do gcheele inrichting der rechterlijke macht in Xnlorland, wat hare hoofdtrekken betreft, allo overeenkomst heeft met, en gevormd is naar die, welke in Frankrijk bestaat, zoo is dit ook bepaaldelijk waar van de Kantongerechten. Deze vervangen de Fransche Vredegerechten zoo als die het eerst zijn ingesteld bij de Wet van 1(3â^4 Aont. 1790, bepalende: qn'il y aura en cbaque canton unjugcdepaix cl des pruil' Jiomriics nvcr asscsscurs ') en sedert bij latere Wetten in eenige opzichten veranderd. Het verschil tusschen de beide instellingen betreft voornamelijk den naam en de rechtsmacht. De reden der naamsverandering schijnt gelegen te zijn zoowel in het gebrek van gezonden zin, dien de naam van Vrederechter oplevert, als in het niet verwezenlijken der hooge verwachtingen, die men in de eerste revo-lutionnaire tijden van die instelling gekoesterd had. De naam heeft het voorkomen, als of in één persoon de werkzaamheden van vredcniiikcn en vonnissen ten aanzien derzelfde zaken vereenigd waren, terwijl zij beide elkander uitsluiten, daar hij, die door bemiddeling vrede maakt, niet vonnist of recht spreekt; en wederkeerig hij, die vonnist, geen vrede maakt, dan (wil men) in dien zin, waarin zulks van alle rechters hoegenaamd zou mogen gezegd worden. Men had dien naam overgenomen van eene instelling in Engeland, wier ambtenaren vroeger l redebewaarders genoemd
') Zie over de gesdiiedems der iastelling van de Vrederechters in Frankrijk: G-eorge Mautin, Les justices de paix en France. Lyon Aimé Vingtrinier 1859, de Inleiding.
werden en toen eene louter administratieve betrekking tor bewaring van rust en vrede hadden, maar nador-hand om politieke redenen ook eene zekere rechterlijke betrekking ontvingen en toen met den minder voegenden naam van Ww/t-m /itecs bestempeld werden. Vgl. Meyer IhkL'.IikI. II. 112, V. oüS. Maar met den naam werd de Kngelsche instelling zelve niet overgenomen. Bij de Fransche instelling werden veel hoo-gere verwachtingen, tot in het bespottelijke, gekoesterd. Toen de bovengenoemde Wet in de Wetgevende Vergadering werd voorgedragen, zeide een afgevaardigde: Représenlez-vous mi iiiin/istrdl ij ui ne jiciini', qui n' exintc que pour si's concitoycn*. Les uiincurs, les uhsens, les in-tevdits sunt l' objel parliculier de ses soUleiludcs; c'est un père au milieu de ses enfaus. II dit tin mot, et les injustices se répannt, les dii'isions s' éleiyneut, les pleinies cessent; ses so ins eonslans assurent Ie bonheiir de tous; voila le jurje de paix l'. En een ander voorspelde bij dezelfde gelegenheid als een gevolg der Vredegerechten: l'ujri-cuUure seru diisonnnis plus lioinirée, Ie sójouv des chumps plus recliefche, les campaynes seront peuplées d'hommes de merite de tons les yenros. Dientengevolge werden de Vrederechters niet alleen in het rechtspreken van vele wettelijke vormen ontslagen, maar werd hun ook opgedragen in alle twistgedingen, die van hunne bevoegdheid niet waren, vooraf eene bevrediging dei-twistende partijen te beproeven. Doch gelijk alle overdreven verwachtingen, zoo bleken ook deze niet anders dan ijdele droombeelden te zijn. Over het algemeen voorkwamen de Vrederechters geen twistgedingen en waren zij de bevorderaars niet van een gelukkig landleven. Hoe kon dit ook anders? Zij waren rechters
ï) Vergelijk hiermede het oordeel over de Nederlandsche instelling door een quot;voormalig Kantonregter, thans in eene hooge zeer moeij el ij ke betrekking geplaatst, waarbij vooral veel zelfstandigheid en vastheid van karakter te pas komenquot; luidende: quot;de instelling van het Kantonyereqt is de ver-ivetiginy van de eerlijke regtspraalc, *te vinden bij Mr. f. j. e. van zlnnlcq Bergmaan. De uitbreiding van de regtsmacht der Kantonregters. 's Bosch, Wed. de Roov, 1874, bl. G3âG4.
3
eu rechterlijke ambtenaren, wier tusschenkomst men slechts noodshalve inriep, omdat do wet dit vorderde. Rechtsgeleerdheid toch en wetenschappelijke opleiding werden in hen niet gevorderd; slechts gezond verstand en geschiktheid om met menschen om te gaan en te handelen. Bij bovengemelde gelegenheid werd gezegd: H femt (/((« lout hunnnc dr bien, pour pcu i/u'il nit d cxpcrience et d'usage, ])ui**e Otrc jwje d(i paiv. La justice de puix sera déjuijce de jonnes qui obscurcisseut tellement les procés que le juije le plus exjiêrimcnté tie suit pas lt;pii a tort ou raison. La competence de ces ju.ges doit ètre bornée au.v choses de conventions três-simples et de la plus petite valeur, el auc choses de fait qui ne â penvent ètre bien jugées que par l'lioiiiuie des champs, qui vérifie sur le lieu-même l'ohjet du Uiige et qui trouve dans son experience des décissions plus sures (pu; la science des jonnes et des lois n'en peul fournir aux tribunau.r. Wel moge hier en daar, vooral op het platte land, de Vrederechter, als hij een braaf, kundig en bekwaam man was en door geene andere mannen van kunde en bekwaamheid daar ter plaatse geëvenaard of overtroffen werd, door het vertrouwen, dat zijne meerderheiden rechtschapenheid in boezemde, vele twistende partijen hebben weten te bevredigen, met of zonder vonnis; wel moge het waar zijn, wat men leest in \V. v. h. 11. n0. l;3G van zekeren Vrederechter in Gelderland, die in een kanton van JöOOO zielen, gedurende bijna zeven jaren, slechts éénmaal in het bevredigen eener partij is te kort geschoten; aan wien het gedurende dat tijdvak slechts zeven malen is gebeurd, dat twistende partijen in een eenvoudig advies niet hebben willen berusten, maar vonnissen hebben verlangd, waarvan niet geappelleerd is en die voorts honderden andere zaken met eenvoudige raadgevingen heeft uit de wereld gemaakt; â wij gelooven, dat zulk eene gunstige uitkomst meer als uitzondering dan als regel moet worden beschouwd; meer aan personen en omstandigheden, dan aan de instelling zelve is te danken.
4
Wie er belang in stellen mocht het gehalte te kennen der Nederlandsche Kantonrechters wat braafheid, kunde en bekwaamheid aangaat, kan zijn weetgierigheid dienaangaande volkomen bevredigd vinden bij het nalezen der debatten in de Tweede Kamer gehouden over de Wet van 12 April 1S74 fSihl. n0. 68' Bijblad van dc Nclt;l''i'lundsi:lie Skiati-Courant, 1873â1874, blz. 1108â1187, en daarmede vergelijken Mr. F. J. E. van Zinnicq Bergmaxx t. a. p. blz. 56.
Te recht heeft men voorzeker, l)ij de nieuwe rechterlijke organisatie den naam van Vrcdrvrdiler in dien van Kantonrech Irr veranderd, hem ontslagen van de verplichting om in zaken, die boven zijne bevoegdheid zijn, eene bevrediging der twistende partijen te beproeven, hem meer met andere rechters gelijk gesteld en aan rechterlijke vormen gebonden. Wat voor het overige het verschil van rechtsmacht betreft, zoo is het onnoodig dit in bijzonderheden na te gaan of de waarde der veranderingen te beoordeelen. Genoeg is het, in het algemeen aan te merken, dat de bevoegdheid van den Vrederechter zoo wel in burgerlijke als in strafzaken, binnen engere grenzen dan die van den Kantonrechter besloten was; dat hij ook niet kon oordoelen over handelszaken, noch over vorderingen tot ontbinding van huur en ontruiming van gehuurde panden; dat hij daarentegen mocht kennis nemen van rechtsvorderingen over het bezitrecht, welke aan den Kantonrechter onttrokken zijn. Voorts is het stelsel der familieraden afgeschaft en is hunne bevoegdheid met eenige wijzigingen overgebracht, deels naar den Kantonrechter deels naaide Rechtbank. Zoo ook zijn afgeschaft de wettelijk hypotheken ten behoeve der minderjarigen en vervangen door speciale ingeschreven hypotheken, wier grootte door den Kantonrechter bepaald wordt; ingeval van huwelijk zijn de acten van eerbied vervangen door de in te roepen tusschenkomst des Kantonrechters; de opening van gesloten testamenten, vroeger opge-
dragen aan den President der Kechtbanlc, is nu den Kantonrechter toevertrouwd; bij verkoop van onroerende goederen van minderjarigen is des Kantonrechters tegemvoordigheid niet meer uoodig. Men vergelijke overigens over do verschillen tusschen de bevoegdheid Viin \ rederechter on Kantonrechter en hun gewicht, twee belangrijke vertoogen in U'. n0. loG, 104, eu .). \ kei:uk, \\/â nKchcn en Vcrwachlingcn vii}\ ren htiiiiourcchlci' Irn fihith'u IkikIi'. (Utrecht, 1842.)
HOOFDSTUK' 1.
DE SAMENSTEi.LIXC DEK KAXTOXGERE('HTEX.
§ 2. Volgens art. 1 der Wet van 18 April 1827 (Slhl. nquot;. 20) op de l{crlil( r:ijlïc oryunisiilK; en ltd beleid der Jnniiiii' 1) wordt (!lt;gt; rechterlijke macht uitgeoefend door 1°. do Kantongerechten, 2quot;. de Arrondissements-Rechtbanken, de (ierechtshovon, 1'. den Iloogen Kaad; en zulks onverminderd de rechtsmacht over bepaalde onderwerpen, bij de Grondwet of bij andere wettelijke bepalingen aan bijzondere Collegiën toegekend. Dit artikel geeft uitvoering aan het voorschrift van art. ]â )â¢gt; der Grondwet. Alleen het bestaan van den Hoogen Raad wordt uitdrukkelijk voorgeschreven iu de Grondwet, overigens is de gewone wetgever vrij om rechterlijke collegien of rechters aan te wijzen. Opmerking verdient echter dat liet opschrift \an de tweede aldeeling van het vijfde hoofdstuk dei Grondwet thans niet meer luidt; â \ an den Hoogen âKaad en de Regterlijke Collegión,'' doch: âvan de âRegterlijke Magtzoodat nu niet meer kan gezegd worden dat de Grondwet uitsluitend zou bedoelen rechtspraak door collegien.
1
Deze wel is o.n. gowij/.ijr,! bij do wetten v:iu 28 April 1835 (Sti'. 10). 15 Juli 18(59 (.W. 124), i Juli 1871 'Sl/j/. 90). 9 Aovonitcr 1875, (Sti/, 200), 9 April 1877 (SU/, 72 eu 73), 20 April 1884 (SU/. 92) cu 15 April 1886 (Sti/. (54.)
6
§ 3. Hot gehcelc land is voor de rechtspraak verdeeld in Arrondissementen; deze weder in Kantons. Bij do samensteling der Arrondissementen is niet zooals vroeger rekening gehouden met de grenzen der Provinciën. De Kantons bestaan uit meerdere (lemeen-ten; die te Amsterdam en lloltenhiin uit gedeelten van Gemeenten. (irocpen Arondissemonten vormen het gebied van een Gerechtshof. De Hooge Raad is het opperste Gerechtshof voor het geheele Kijk en zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.
Het rechtsgebied der Gerechtshoven wordt geregeld l)ij do wet van 10 November LS7ö (Stbl. 204), dat der Arrondissements-Rechtbanken on Kantongerechten bij de wetten van !⢠April 1S77 (Slhl. 74â7S). Bij die laatste wetten wordt tevens een zetel voor elk Kantongerecht aangewezen. Do wet van (t April 1S77 (Sthl. 79) stelt do klassen der Kantongerochton vast.
Dienovereenkomstig is de verdooling in Kantons als volgt:
i;ecjits(;ebied \quot;ax
HET CJERECHT.SHOE TK 's IIEKTOGEXBOSCIL A1{1{()NJ)LSSEMENT: 's llrrUxjmhuxch. ls,c kaxtox r 's llcrloijcvhosch.
's Ilcrtogenbosch; â Engelen; â Empel en if eer-wijk: â Rosmalen; â Berlicmn c. a.; â den Dun-gen ; â St. Michielsgestel; â Hoxtel; â Esch; â Haaron; â Helvoirt; â Vuclit; â Cromvoirt.
2''c kaxtox: Oss.
Oss; â Geifen; â Xuland; â Alem c. a.; â Lith; â Uthoijen; â Oijen; â Megen c. a.; â Berchem; â Heesch; â Xistelrode; â Schaijk; â Iveek; â (Jrave; â \ clp; â Herpen; âHuisseling c. a.; â Ravestein; â Deursen c. a.; âDieden c. a.
;gt;de KAXTOX: Ili'ilsdcn.
Heusden; â Hedikhuizen; â Ilerpt c. a.; â Bokhoven; â Wijk c. a.; â \'cen; â Andel; â Rijswijk ; â (üessen; â Woudrichem;âde Werken c. a.; â Werkendam; â Almkcrk c. a.; *) â Bussen e. a.; â Drongelen c. a.; â Meeuwen v. a.; â Heesbeen c. a.; â Oudhensden c. a.
4do kaxtox: W'atihoijl;.
Waalwijk : â Baardwijk : â Besoijen ; â C'apelle; â Vrijhoeve-!'apelle: â Waspik; â Sprang; â Loon op Zand: â Vlijmen; â Xieuwkuik c. a.; â Drunen.
ödo kaxtox: VcijIiiI.
\eghel: â Schijndel; â ileeswijk : â Dinther; â Uden ; â Zeeland; â Boekei; â Erp ; â St. Oedenrode.
*) Hij de nol vau 22 April 187!» {St/i/. Cl), is ilc Gemeente Kmnuk-hovcn Yorconigd mei Almkerk.
8
Glt;le kanton : l'ioxutccr.
Boxmeer; â Beugen c. a.; â Oeftelt; â Cuijk c. a.; â Linden; â Gassel; â Escharen; â Mill c. a.; â Beers; â Haps; â Wanroij ; â Sambeek; â Ãploo c. a.; â Vierlingsbeek; Maashees c. a.; â Bergen; â Ottersum; â Gennep.
t'10 kanton ; Eindhoven.
Eindhoven; â Tongelre; â Stratum; â Gestel c. a.; â Zeelst; â Strijp; â Woensel c. a.; â Son c. a.; â Xuenon c. a.; â Geldrop ; â Zes Gehuchten; â Aalst; â V/aalre; â Veldhoven c. a.; â Oerle; â Duizel c. a.; â Eersel; â Riethoven; â Westerhoven ; â Bergeijk; â Luijkgestel; â Borkel c. a.; â Dommelen; â Valkenswaard; â Ileeze; â Leende.
8ste kanton; Oirsrliot.
Oirschot; â Moergestel; â Hilvareubeek ; â Tlooge en Lage Mierde; â Reuzel; â Bladel c. a.; â Ilooge-loon c. a.; â Vessem c. a.; â Oostelbeers c. a.; â Diessen; â Best; â Liempde.
â 2fl0 ARRONDISSEMENT: Brciln.
late kanton; llrcdit.
Breda; â 1'rincenhage; â Terheiden; âTcteriu-gen ; â (iinneken c. a.; âChaam; â Rijsbergen : â Zundert c. a.
2lt;ie KANTON ; Ooxti'fhoul.
Oosterhout; â Zwaluwe; â Made c. a.; â Geer-truidenberg; â Raamsdonk; â 's Gravenmoer; â Dongen.
kanton; /crcnhcyrjcu.
Zevenbergen; â Oudenbosch; â Rucphen; â Hoeven c. a.; â Etten c. a.; â Klundert; â Willem-
9
stad; â Fijnaart; â Dintoloord c. a.; âStauddaar buiten; â Oud- en Nieuw-Gastel.
4(le kanton: Berrjcn op Zoom.
Bergen op Zoom ; â Roosendaal c. a.; â .Steenbergen e. a.; â Nieuw-\ osseiucer: â Halsteren; â AVoensdrecbt; â Ossendrecbt; â Putte; â Huij-bergen; â Wouw.
5de kanton: Tilburg.
Tilburg; â Berkel c. a.; â Oistenvijk; â Utlen-liout; Goirle : âAlpben e. a.; â Baarle-Nassau; â Gilze c. a.
3lle ARRONDLSSEMEXT: Ma^tnrht.
lste kanton: Maaxtrictit.
Maastricht; â Oud-Vroenboven; Borgbaren; â Itteren; â Bunde; â l lestraten; â Meerssen : â Houthem; â Ambij; â Heer; â Gronsyeld; â Mescb; â E ijsden; â Rijckbolt; â 8t. Pieter.
2(llt;' kanton: Heerlen.
Heerlen ; â Sobaesberg: â Ubacb over Worms: *) â Nieuwenbagen; â Eijgelsboven: â Kerkrade; â Voerendaal; â Klimmen; â Wijandsrade ; â Xutb ; â Jloensbroek ; â Amstenrade; â Merkelbeek; â Bruns-sum; â bcbinveld; â Huls])erg; â Scbimmert.
3cle kanton : kil tan I.
Sittard; â Munstergeleen; â Jabeek; â Bingel-rade; Oirsbeek; â Spaubeek; â Scbinnen; â Geul; â Beek; â Elsloo; â Geleen; â gt;Stein ; â Urmond; â Obbicbt en Papcnboven; â Greven-
*) Bij de Wet van 10 December 1880 {S/6/. 212) werd de Gemeente Rimbury vereenigd met Uhac/t over Warms.
10
bic-bt; â Born; â Roosteren; â Susteren; â Niemv-stailt; â Limbricht; â Broeksittard.
4de kaxtox : Glltpcil.
Gulpen; â Valkenburg; â Oud-Valkenburg; â Scb in op Geulle; *) â Wijl re; â Wittem; â Sim-pelveld ; â Bocholtz; â Vaals; â Slenaken ; â Xoor-beek; â Mheer; â St. Geertruid; â Margraten; â Cadier en Keer; â Bemelen; â Berg en lerblijt.
â¢l(te ARRONDISSEMENT: Homnoiid.
lste kanton: Itocmwnil.
Roermond; â Maasniel; â Ilerkenboscb en Me-â St. Odilienberg; â Vlodrop ; â Posterbolt; â Montfort; â Echt; â Ohé en Laak; â Stevens-quot;weert; â Tliorn; â Wessem: â ^Taasbraclit, Linne ; â Herten; â 11 cel en Panheel; â Beegdeu; â Horn; â Haelen; â Buggeiuun; â Nunhem; â Neer; â Swalmen; â Beesel; â Kessel.
2cto kanton: Ven la.
Venlo; â Tegelen; â Bolfcld; â Maasbree; â Helden; â Sevenum: â 1 torst; â Venraij; â Wans-sum: â Meerlo; â Broekhnijsen ; â Arccn en Velden ; â Grubbenvorst.
3lt;lp kanton : Weert.
Weert; â Budel; â Soerendoiik ; â Maarheeze; â Ned er weert; â Meijel; â Roggel: â Heijthuijsen ; Baexem; â Grathem; â llunsel; â Ittervoort; Neerritter; â Staniproij.
4de kanton: llclniond.
Helmond; â Mierlo; â Stiphout; â Lieshout; â Aarle-Rixtel; â Beek en Donk; â Gemert; Bakcl c. a.; â Deurne c. a.; â Vlierden; â Asten; â Lierop; â Someren.
*) liij de Wet van 8 Augustus 1S78 {SIhl. 112) is de Gemeertc Strucht voreenigd met Schin op Grulle.
11
RECHTSGEBIED VAN HET GERECHTSHOF TE ARNHEM.
1»'« ARRONDISSEMENT: Amhn,,.
ist0 kanton: Anilicin.
Arnhem; â Rozendaal; â Rhedcn; â Wester-voort; â Duiven ; â Zevenaar; â Herwen en Aerdt; â Pannerden.
2lt;^(â kanton: \\TaiJ/')iililt;IC)l.
Wageningen; â Renkum; â Doorwerth; â Ede; â Veenendaal; â Rhenen.
3de kanton: xjnirtj/'ii.
Nijmegen; â Milliugen; â Ubbergen; â Groes-beek; â Mook; â Heumeu; â Overasselt; â Bal-go ij; â Wijchcn: â Beuningen.
4dc kanton : Eist.
Eist; â Huissen; â Gent; â Bemmel; â Valburg; â Hemmen; â Heteren.
kanton: Jiorshovijh.
Doesborgb; â Angerlo; â Didam; â Wehl; â Hummelo; â Steenderen.
0lt;le kanton: Tcfhonj.
Wisch ; â Bergh; â Gendringen; â Dinxperlo ; â Doetincbem (Stad); â Doetincbem Ambt); â Zelhem.
2'le ARRONDISSEMENT: Zmphrn.
l8te kanton: Zulplirn.
Zutphen; â Warnsveld; â Vorden; â Hengelo; â Locbem; â Laren; â Gorssel; â Brummen.
12
2cl0 kanton: Groenlo.
Groenlo; â Lichtenvoorde; â Aalten; â Winterswijk; â Eibergen; â Neede; âBorculo; â Ruurlo.
s'1® kanton : Apeldoorn.
Apeldoorn; â Voorst; â Epe; â lieerde.
kanton: Deventer.
Deventer; â Diepenveen; â ülst; â Wijhe; â Kaalte; â Bathmen.
3lt;ie ARRONDISSEMENT: Tld.
is'e kanton : T'iel.
Tiel; â Ecliteld; â Uzendoorn; â Dodewaard; â Kesteren; â Lienden; â Maurik; Buren; Zoelen; â Wadenoijen.
2tle kanton: Geldennalxen.
Geldermalsen; â Est enOpijnen; â Ophemert; â Varik; â Waardenburg; â Ilaaften; â Deil ; Bee^d; â Buunnalsen; â Culenborg ; â Beusichem
3de kanton: Zalthommcl.
Zaltbommel; â Driel; â Ammerzoden ; â Hedel; â Nederhemert; â Poederoijen; â Brakel; â Zuili cliem; â Gameren; â Hunvenen; â Heerewaardeu; â Rossum; â Kerkwijk.
4cl1' kanton: Druten.
Druten; â Ewijk; â Bergharen; â Batenburg; â Ilorssen; â Appeltern; â Dreumel; â Wamel.
kanton: l'itnwn.
Vianen; â Ilagestein; â Everdingen; â Hei-ei
I
13
Boeikop; â Schoonrewoerd; â Leerdam; â Aspe-ren; â Leerbroek; â Lexmond.
4de ARRONDISSEMENT: Zwulle.
lste kaxtox: Zwolle.
Zwolle; â Zwollerkerspel; â Hattum; â Heino; â Dalfsen; â Nieuwleuzen; â Staphorst; â Hasselt; â Zwartsluis; â Vollenhove (Stad-); â Vollenhove (Ambt-;; â Blokzijl.
2je kaxtox: Kampen.
Kampen; â Oldebroek; â Kamperveen; â Zalk en Veecaten; â Wilsum; â IJsselmuiden; âGrafhorst; â Genemuiden.
3de kaxtox: Harderunjk.
Harderwijk; â Ermelo; â Putten; âNijkerk; â Doornspijk; â Elburg.
4gt;'e kaxtox: Ommen.
lt; )mmen (Stad-); â lt; )mmen (Ambt-); â Den Ham; â Hardenberg (Stad-);â Hardenberg (Ambt-); â Grams-bergen; â A vereest.
5'ic ARRONDISSEMENT: Almelo.
i810 kaxtox: Almelo.
Almelo (Stad-); â Almelo (Ambt); â Wierden; â Hellendoorn; â Vriezeveen; â Tubborgen; â Oot-marsum; â Denekamp; â Borne; â Weerselo.
2tle kaxtox: Enschedé.
Enschedé; â Lonneker; â Losser; â Oldenzaal; â Hengelo; â Haaksbergen.
14
o'1quot; kanton: Goor.
Goor; â Dcklen (Stad-); â Delden (Ambt-); â Diepenlieim; â Markelo; â Holten; â Rijssen.
RECHTSGEBIED VAN
HET GERECHTSHOF TE 's GRAVENHAGE.
l8te ARRONDISSEMENT: 's Gravcnhaye.
1ste kanton: 's Gravcnhagc.
's Gravenhage; â Wassenaar; â Veur; â ^roor-burg; â Rijswijk; â Loosduinen.
â¢2de kanton: Delft.
Delft; â Stomp wijk ; â Zegwaard; â Zoetermeer; â Nootdorp; â Pijnacker; â Berkel en Rodenrijs; Vrijenban; â Schipluiden; â de Lier; â Monster; â Naaldwijk; â Wateringen; â Hof van Delft.
3lt;le kanton: Leiden.
Leiden; â Leiderdorp; â Zoetenvoude; â Voorschoten ; â Valkenburg; â Rijnsburg; â Katwijk; â Oegstgeest; â Warmond; â Noordwijkerhout; â Noordwijk; â Voorhout; â Sassenheim.
4de kanton: Alphen.
Alphen; â Hazerswoude; â Benthuizen; â Boskoop ; â Zwammerdam; â Aarlanderveen; â Nieuw-veen; â Rij n sater woude; â Ter Aar; â quot;\V ou-brugge; â Koudekerk ; â Oudshoorn.
2lt;le ARRONDISSEMENT: Rotte,-dam »).
1ste kanton: Rotterdam No. 1.
Het p-edeelte van Rotterdam aan den rechter-Maas-
o
a) 13e vordceling van dit Arrondissement in kantons en de samenstelling der kantons Rotterdam no. 1, no. 2 en no. 3 en Schoonhoven is thans vastgesteld bij de wet van 20 Juli 1895 {blbl, 133.)
15
oever gelegen aan de westzijde van het water dat, onder den naam van de Schie, vervolgd in de Delftsche vaart, door de Vlasinarktslnis, den Steiger, onder door de Groote Markt, de Kolk en de Oude Haven tot aan de Maas, de gemeente doorsnijdt.
2t,e kanton: lldlti'nldin ao. 9.
Het gedeelte van Rotterdam aan den rechter Maasoever gelegen aan de oostzijde van het hiervoren genoemde water, met dat water zelf; â Capelle aan den IJssel; â Bergschenhoek; â Hillegersberg; â Schiebroek.
3de kanton : Itolh'i'dani No. 3.
Het gedeelte van Rotterdam aan den linker Maasoever met de nieuwe Maas zelve, daaronder begrepen de Oost- en Westkous; â Rhoon; â Poortugaal; â Hoogvliet; â Pernis.
équot;16 kanton: Scliirdam.
Schiedam; â Overschie; âKethel en Spaland; â Vlaardingerambacht; â Maasland; â 's Gravezande; â Maassluis; â Vlaardingen.
5lle kanton: Gondii.
Gouda; â Hekendorp; â Lange-Ruigeweide; â Reeuwijk ; â Waddinxveen ; â Moercapelle; â Biels-wijk; â Zevenhuizen; â Nieuwerkerk aan den IJssel; â Moordrecht; â Gouderak.
6(,t' kanton: Schoonhoven.
Schoonhoven; â Willige Langerak; âJaarsveld; â Lopik; â Polsbroek; â Benschop; âWilleskop; â Hoenkoop; â Vlist; â Haastrecht; â Stolwijk; â Berkenwoude; â Ouderkerk aan den IJssel; â Krimpen aan den IJssel; â Lekkerkerk; â Bergambacht; â Ammerstol.
16
7de kanton: Briellc.
Brielle; â Oostvoorne; â Rockanje; â Nieuw-Hel voet; â Nicuwenliooni; â Ilellevoetsluis; â Oudenhoorn; â Zuidland; â Hekelingen; â Spijke-nisse; â Geervliet; â Heen vliet; âAbbenbroek;â Zwartewaal; â Vierpolders; â Rozenburg.
89te kanton: bommelsdijk.
Sommelsdijk; â Middelbarnis; â Stad aan t Haringvliet; â den Bommel; â Ooltgensplaat; â Oude Tonge; â Nieuwe Tonge; â Herkingen; â Dirks-land : â Mclissant; â Stellendam; â Goedereede; â Ouddorp.
3'le ARRONDISSEMENT: Dordrecht.
istr kanton: Dordrecht.
Dordrecht; â Dubbeldam; â Zwijndrecht. ') 2c'e kanton : Oud-Deijerland.
Oud-Beijerland; â Nieuw-Beijerland; â Piershil; â Goudswaard; â Zuid-Beijerland; â Numansdorp; Strijen; â 's Gravendeel; â Maasdam; â Putters-hoek; â Heinenoord; â Mijnsheerenland; âWestmaas ; â Klaaswaal.
3de kanton: Ridderkerk. quot;)
Ridderkerk; â Usselmonde; â Oost- en Wcst-Barendrecht; â Heerjansdam; Hendrik-Ido-Ambacht; â Alblasserdam; â Nieuw-Lekkerland; Krimpen a/d Lek.
i) Bij de wet van 28 Juni 1881 {SUL 10Ã) is de Gemeente Groote LimU vereerigd met Zwijndrecht. Bij de wet van 20 Juli 1895 (S/W. 133) is, overbodig dunkt me, nogmaals de samenstelling van liet kanton Dordrecht geregeld.
a) De samenstelling van dit kanton is thans geregeld bij de wet var. 20 Juli 1895 {Stbl. 133.)
17
4di' KANTOK : (iiiniwlirrn.
Gorinchem; â Arkel; â Vui'en; â Hei'wijneu; â Iloukelum; â Kedicliem; â Nieuwland; â Meerkerk; â Ameide; â Tieuhoven; â Noordoloo.s; â Hoornaar; â Hoog-lUokland; â .Sclielluincu; â Giessen-Nieuwkerk; â Hardiuxveld.
5dc KANTON': Slicdrccht. a)
.Sliedreclit; â Gicssendam; â Peursum; â Molenaarsgraaf; â Ottoland; â Goudriaau; â Lahgemk ; â Nieuwpoort; â Groot-Ammers; â Brandwijk; â ââ Streefkerk; â Oud-Alblas; -â- Papendrecht;â gaarden; â Bleskeusgraaf en Hofwegen.
â¢l'l-' ARRONDI83E.MENT:
1^quot;' kanton : Mitldrllrtd-!/.
Middelburg; â Nieuw- en St. Jooslaud : â Arnemui-den; â Veere; â⢠St. Laurens; â Grijpskerke; â Serooskerke; â Vrouwepolder; â Oostkapelle; â Domburg; â Aagtekerke; â Westkapelle; â Melis-kerke; â Zoutelande; â Biggekerke; â Koude-kerke; â Vlissingen; â likthem; â Oost-en West-Souburg.
'i'10 kanton: (!(ir.lt;.
Goes; â 's 1 leer-Abtskerke; â Nisse; â 's Gravenpolder; â Hoedekenskerke; â Baarland; â Oude-lande; â Ellewoutsdijk ; â Driewegen: â Ovezande; â Borsselen; â 's Heerenhoek; â Heinkenszand; ⢠'s Heer-Arendskerke: â Wolphaai'tsdijk; â Kort-gene; â \\rissekerke; â ('olijnsplaat; â Kats; â Kattendij ke; â Kloetinge; â Kapellc; â Weniel-dinge; â IJerseke; â S(.:]iore; â Kruiningen; â Waarde; â Krabbendijke; â Killand-Batb. ^
«) De samenstelling van dit kanton is thans geregeld bij de wot van 20 Juli 1895 (SM. 133).
') Bij de wet van 10 December 1S77 (Siil. 217) is deze Oemeentü gevormd uit de Oomeenten Rilland en Bath.
18
gdo icaxtun; Ooalhiirii.
Oostburg; â Waterlaudkerkje; â IJzondijkc; Biervliet; â Hoofdplaat; â Ãchoondijke; â Bros-kens; â (Iroede; â Nieuwvliet; â Zuidzande; â Cadziuid; â Retranchement; â Sluis: ') â Aardenburg; â Eede; â St. Kruis.
4cle KANTON: Ter Xciccii.
Ter Neuzen; â Hoek; â Philippine; â Sas van (icut; â Westdorpe; â Axel; â Zaamslag.
f)''0 kantox : Hulst.
Hulst; â Clinge; â Graauw; â Hontenisse; -Ossenisse; â Hengstdijk; â Boschkapelle; - Stoppeldijk; â St. Jansteen; â Koewacht; â Zuiddorpe; â Overslag.
TA ARRONDISSEMENT: Zin-ikzrr.
lstl! kanton: Zicrihzcc:
Zierikzee; â Ouwerkerk; â Nieuwerkerk; âOos-terland ; â Bruiuisse; â Dreischor; â Noordgouwe; â Zonnemaire; â Brouwershaven; â Duivendijke; â Eikerzee; â Ellemeet; â Xoordwelle; â Renesse;â Haamstede; â Burgh ; â Serooskerke; â Kerkwerve.
2^e kanton : Tholen.
Tholen; â Oud Vossemeer; â St. Philipsland; St. Anualand; â Stavenisse; â St. Maartensdijk; -Scherpenisse; â Poortvliet.
REC' IITSGEB1 ED VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM.
lstu ARRONDISSEMENT: Aiwlerdaui.
Het rechtsgebied van de Amsterdamsche kanton-
') 15ij de wet vau 23 April 1S80 (S/li/. G4), zijn de Geinecnteu St. Anna ter Muideu en Heile vereenigd met de Gemeente Sluis.
19
gerechten werd wegens een daarin ontdekte dwaling, voor het Ist1', o1'0 en 4'''' kanton nader gewijzigd Ijij de Wet van (5 Mei 1S7.S nn. ;gt;1) in verband met
de Wet van 29 Mei 1879 {sihl. uquot;. 107.)
1ste KANTON; Alllsli'rililin Au. I.
De grenslijn van het tot dit kanton behoorend gedeelte der gemeente Amsterdam is getrokken vanaf de Hooge Amstelbrug, langs den Binnen-Amstel en Kloveniersburgwal O. Z. dwars oA-er de Nieuwmarkt, ten oosten van en langs do St. Anthoniewaag en ten westen van en langs de Zeevischmarkt, langs do Gel-derselie kade O. Z.. Kamperhoofd, Ivraansluis, langs de Oosterdoksdijk W. Z. en het terrein waarop zich het hulpstation van den Oosterspoorweg bevindt (oostelijk Stationeiland bij den Oosterdoksdijk) W. Z., N. Z. en O. Z.; voorts langs den oever van het open haven front en het V (de ligplaatsen en de handelskaden in het kanton begrepen in oostelijke richting tot aan den afsluitdijk en van daar langs dien dijk \\ . Z. tot aan de grens der gemeente volgende tot aan de Weesperzijde, en langs de Weesperzijde tot aan het uitgangspunt de llooge Amstelbrug; â Watergraafsmeer; â Diemen.
2''° kanton: Ainslcriliiin .\(i. 'J.
De grenslijn van het tot dit kanton behoorend gedeelte der gemeente Amsterdam is getrokken vanaf den Kloveniersburgwal hoek oude Hoogstraat, langs den Kloveniersburgwal en Binnen-Amstel W. Z., do Utrechtsche zijde tot aan den limietpaal, de grens der gemeente tot aan de zuidzijde van het rij-en wandelpark, langs de zuidzijde van het rij- en wandelpark in rechte richting over de Singelgracht, de Singelgracht O. Z. tot tegenover de Looiersgracht, Looiersgracht, Runstraat, lluidenstraat en Heisteeg Z. Z., het Singel W. Z. tot aan de Beulingstraat, dwars over het Singel,
20
het Spui Z. Z., dwars over het Rokin ten noorden van en langs de Kraaminrichting, de Grimburgwal Z. Z., de Oudezijdsvoorburgwal O. Z., de oude Doelenstraat en Oude Hoogstraat Z. /. tot aan het uitgangspunt Kloveniersburgwal; â Nieuwer-Amstel, Ouder-Amstel; â Uithoorn.
;^de SAXTON: At)iMenhim Ao. .'J.
De grenslijn van hot tot dit kanton behoorend gedeelte der gemeente Amsterdam is getrokken vanaf het Kamperhoofd langs de Geldersche kade A\ . Z., ten westen van en langs de Zeevischmarkt en ten oosten van en langs de St. Athoniewaag, dwars over de Nieuwmarkt, Kloveniersburgwal \V. Z. tot aan de Oude Hoogstraat, Oude Hoogstraat en Oude Doelenstraat N. Z., Oudezijdsvoorburgwal ^ â Z- tot aan den Grimburgwal, Grimburgwal Ts. Z., ten noorden van en langs de Kraaminrichting, dwars over het Rokin, Spui N. Z.. Singel O. Z. tot aan de Korte Heisteeg, Heisteeg, Huidenstraat, Runstraat en Looiersgracht N. Z. dwars over de Lijnbaansgracht, Schans en Singelgracht, Singelgracht W . Z. tot aan de zuidzijde van het rij- en wandelpark, Z. Z. van het rij- en wandelpark tot aan de grens der gemeente, langs do grens der gemeente tot aan de Kuipersloot, de Kui-persloot Z. Z., Raambarrière, Bloemgracht Z. Z., Prinsengracht O. Z. tot aan de Leliegracht, Leliegracht, Oude Leliestraat, Torensteeg en Molsteeg Z. Z. over de Donkere sluis, Mozes en Aiironstraat Z. Z. het Damplein, ten westen van en langs de Beurs naar het Damrak O. Z., voorts den oever volgende langs de Texelsche kade (de steigers niet in het kanton begrepen), de Haringpakkerij, den Korten Singel, het aangeplempte terrein bij den Westerdoksdijk (westelijk stationeiland) O. Z., N. Z. en W. Z., den Westerdoksdijk (de steigers niet in het kanton begrepen), de buitenzijde der Houthaven, en voorts langs den
21
zuidelijken oever van het Noordzeekanaal tot aan de grens der gemeente, aldaar over het Kanaal die grens volgende tot aan den afsluitdijk te Schellingwoude, dien dijk volgende langs den westelijken oever en voorts langs den oever van het Y en het open havenfront (de Handelskade en de ligplaatsen niet in het kanton begrepen), langs de O. Z., N. Z. en W. Z., van het terein waarop zich het hulpstation van den (Josterspoonveg bevindt (oostelijk stationeiland bij den Oosterdoksdijk), den Oosterdoksdijk en Kraansluis W. Z., voorts in noordelijke richting langs den oever van de Krommewaal tot aan het uitgangspunt het Kaniperhoofd; â Buiksloot; â Xieuwendam; â Kansdorp.
4de IvAxtox ; .[iiixlcriluin So. 'i.
De grenslijn van het tot dit kanton behoorend gedeelte der gemeente Amsterdam is getrokken van den hoek van den Niemvezijdsvoorburgwal en Molsteeg X. Z., door de Molsteeg N. Z.. Torensteeg N. Z., over de Torensluis, Oude Leliestraat en Leliegracht N. Z., Prinsengracht \\'. Z. tot aan de Bloemgracht, Bloemgracht X. Z., Raambarrière, Kuipersloot X. Z., de grens der gemeente tot aan den zuidelijken oever van het Xoordzeekanaal, aldaar in oostelijke richting dien oever volgende langs de buitenzijde der Houthaven, den Westerdoksdijk en het aangeplempte terrein bij dien dijk of westelijk stationeiland \V. Z., X. Z. en O. Z. (de steigers in het kanton begrepen) den Korte Singel, Haringpakkerij, Texelsche kade, (de steigers in het kanton begrepen) Damrak W. Z., ten noorden van en langs den Dam, Mozes- en Aiironstraat X. Z. over de Donkere sluis tot aan het uitgangspunt Xieuwe-zijdsvoorburgwal; â Sloten.
ö'lc kanton: Hit ei-mi tti.
Hilversum; â Laren; â Blaricum; â Huizen; â Bussum; â Xaarden; â Muiden; â Weesp; â
quot;Woesperkarspel; - Nedcrhorst den Berg; - Ankc-voeu. _ 's (Iraveland: â Kortenhoef.
A U KON I )1SSHMENT: MkiiKiar.
lstlt;' kanton: a
Alkmaar; â Kgmond Binnen; â F.ginond aan
/ee. _ Bergen; â Schoorl; â Noordscharwoude;
Zuidschanvoude; â Broek op Langendijk; â Heer lluowvaard; â Oterleek; â Oudorp; â Scliermer-l10rn . _ Zuid- en Noordschermev; â Graft; â Uijp; -Akersloot; â Uitgeest; â Castricum; â Limmen;â lleilo; â Sl.Paucras; â Koedijk.
â 2^e kanton; Srhauoi.
Scliageu â â St. Maarten; â Petten; â; ^ijpo; ('allautsoog; â Anna Paulowna; â Wieringerwaard; -Harsingerlioru; - Winkel; - Xiemve Xiedorp;-Oude Niedorp; â Oudkarspel; â W'annenlmizen; 1 laren karspel.
3^ kanton; Helder.
nd.lor; â Texel; â Vlieland; â Wioringen.
4do kanton; Uooi'ii.
Hoorn ⢠â Schellinkhout; â Wijdenes; â Urk;-Venhuizen; - Boven karspel; - Enkhuizen;-Grootebroek; â H oogkarspel; â Blokker; Westwoud, Zwaag; â Woguum; â Ursem; â Avenhorn; Beets; â Oudendijk; â Berkhout.
öde kanton ; hlil;.
Medemblik; â Opperdoes; Werverslioof; â Au aijk; â Nibbixwoud ; â Midwoud; Ãijbekarspel; â Opmeer; â Spanbroek; â Obdam; Hensbroek, Hoogwoud; â Abbekerk; 1 wisk.
23
3lt;l'- ARRONDISSEMENT: Haarlem.
lsk' icaxtox: llddvlrin.
Haarlem ; -â Bloemendaal; â Zandvoort; â Benne-Lroek; -â Heemstede; â Haarlemmerliede eu Spaarn-woude; â Ãpaartidam; â Schoten; â Velsen; â Beverwijk; â Jleemskerk; â Wijk aan Zee en Duin. â
â¢jtle kanton' : /(lilndillil.
Zaandam; â \\ estzaan; â Assendelft; â W'onner-veer; â Krommenie; â Zaandijk; â Koog aan de Zaan ; â ()ostzaan.
3llc kanton': l'ui'llicrcild.
Purmerend; â Ilpendam; â Broek in Waterland; â Marken; -â Monnikendam; â Katwoude; â Edam; â Kwadijk; â Middelie; âWarder; â Oosthuizen;â-Beemster; â 'isp; â Wormer; â W'ijdewormer; â Landsmeer.
4''1' kanton : i[mii'lcnidicvniccr.
Ilaarlemmenneer: â Lisse; â llillegom; âAlke-made; â Leimuiden: â Aalsmeer.
4'i'' A KHOXDISSEMENT: l lrrrhi.
lslc kanton: l'lrccld.
l'treclit; â Maartensdijk; â de liilt; â Zeist; â Jutphaas; â IJsselstein; â \'reeswij k: âOudenrijn.
2lt;^' kanton: Bfcu liflrii-y, ijcuyodc,
lïreukelen-Xijenrode: â liroukelen-St. Pieters; â Loosdrecht; â Loenen ; â Loenersloot; â X'reeland; â Nigteveclit; â Abcoude-Proostdij; â Abcoude-Baam-brugge; â Vinkeveen eu Waverveen; â Mijdrecbt; â Wiluis; â Kuwiel: â Kockengen; â Laagnieuw-
24
koop; â Ilaarzuilens; â Maarssen; Maarsseveen; 'rienhoven; â Westbroek; â Achttieuhoven; â Zuijlen.
kanton: amci'tfooi't.
Amersfoort; â Hoevelaken; fetouteul-iug , l'.arneveld; â 1 [oogland : â Bunschoten; â Eenmes; â [gt;.l.u.n. â Soest; â Leusden: â Maarn; Wou-den berg; â Scberpenzeel: â Kenswoude.
4lt;li' kanton: Wijlt l'Ã Lhiurxtcdr.
Wijk bij Duurstede; â Langbroek; Amerongen; Leersum; â Doom; â Driebergen; Kijsenbuig, lUmnik: â Odijk; â Werkhoven; â Cothen; â Houten : â Schalkwijk; lull en t \\ aal.
.l'li' kanton: \\iierilcn.
Woerden; â Kamerik; â Zegveld; â Nieuwkoop; â Zevenhoven; â Bodegraven; Kietveld, Bai-woutswaarder; â Waarder; - Papekop; â Oude-â \vater; â Snelrewaard ; â Montfoort; Linschoten; â Veldhuizen; â Vleuten; â Harmelen.
JvECHTSGEBIED VAX HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN.
1ste AUUONDISSEMENT; Lcrinnirilni. [»tigt; kanton: Lcraiiwrdcii.
Leeuwarden; â Leeuwarderadeel; â Idaarderu-deel; Baarderadeel.
â¢2(le kanton r Ijerlicuui.
Menaldumadeel: â 'tBildt; â Ferwerderadeel.
ivle kanton: Ãith'lïll in.
Dokkum; â Westdougeradeel; â Oostdongera-Jccl; _ Kollumerland en Nieuwkruisland ; â Dan-tumadeel; â Ameland; â Schiermonnikoog.
4|10 kaxtox; Bcrjuni.
Tietjerksteradeel; â Achtkarspcleu.
kaxtox: IldrHiKjen.
Ilarlingen; â Franeker; â Franekeradeel; â Bar radeel; -â Terschelling.
(jtlc kaxtox: Sncrl;.
Sueek: â IJlst; â Wijmbritseradeel; â Kauvver-derhem.
t'11* icaxtox: Jlnhwuril.
Bols ward; â Heuuaarderadeel; â Wonseradeel; â WOrkuni; â lliudeloopeu; â Stavoren ; â Hemelumei Oldephaert en Xoordwolde.
2cl1' A H KONDISSLM ION T: Ilrcfcnfccn,
istc kaxtox: Ilcrrcnvccu.
Schoterland; â Aengwirden; â I laskerland; â Utingeradeel; â Weststellingwerf.
2cle kaxtox: l'cctxIcrziniliKl.
Smalliugerland; â Opsterland; â Ooststellingwerf
o1'0 kaxtox: l.cuiiiirr,
Leinsterlaud: â Doniawerstal: â Sloten: â Gaas-terland.
kaxtox: Slmnrijli.
Steenwijk: â (lietlioorn; â Wannejierveen; â Blankenham: â Kuinre; â Oldcmarkt: â Steenwij-kerwold.
â¢20
3llgt;' A IIRONDTSSEMKNT: Gronhujcn.
1sto kanton'; (ïi'imh}(j''ii.
Groningen; â Haren; â Noorddijk.
2lt;tlt;' kanton; /iiitllioni.
Znidhorn ; â Aduard ; â Lzinge; Oldehove ; Grijpskerk; â Oldekerk; â Grootegast; â Maruni; â Leek; â Hoogkerk.
o1'0 kanton; aiiinnririlani.
Appingedaiu ; â Delfzijl ; â ü ie rum; â 't Zandt; â Loppersnm ; â Stedum ; â Pen Boer; Sloeliteren.
4lt;le kanton ; Onilci'dcinlmn.
Beduni; â Middelstnin ; â Kantens; â l itluiister-meeden ; â rithuizen ; â Us(|uert; â \\ arlluni; Hallo; â Eenrum; â Kloosterburen; Llrum; Leens; â W'insum; â Adorp.
4de AURONDISSEMKNT; U quot;iiixcholi'H.
l»quot;1 kanton; Wilifcholfii.
Winschoten ; â Oude Tekela; â Nieuwe Pekela; â On^twedde; â AVedde; Xlagtwedde, lgt;elling-wolde; â Nienweschans; â Finsterwolde; Beerta
2tlo KANTON! /Hhlhrocl;.
Zuidbroek; â Meeden; â Selieemda; â ^lid
wolda; â Nienwolda; â Termunten; Noord
ljro,.k; â Sappemeer; â Hoogezaud: â Munten dam; â X'cendam; â Wildervank.
r,lt;io AKHONDIHSKMKNT; As*ru. l«te kanton; Assen.
Assen; â Rolde; â Borger; â Gasselte; Gieten; -
Anlo; â Zuidlaren; â Vries; â Eclde;â 1'eize; â Roden; â Norg; â Smilde.
2^° KANTON: I/ooijcrrt'n :
Iloogevcon; â Oostevhesselen; â Zweelo; â W'cs-terbork; â Beilen; â Ruinen; â Zuidwoldo.
o'1'' KANTON: .l/ry(/W.
Meppel; â de Wijk; â Uuinerwold: â Xijeveeu; â Jlavelte; â \ ledder; â Diever; â Dwiugelo.
-ldl' kanton: lünnicn.
Etnmen; â Dalen; â ('oevorden; â .Sieon; â Odoorn; â Schoonebeek ])
Kr bestaan dus in liet gebed 10( Kantons, waarvan de hoofdplaatsen gevestigd zijn in de eerste bier opgenoemde gemeente van ieder Kanton.
Nauwelijks was de nieuwe rechterlijke indeeling ingevoerd, ot reeds bleek hot dat, lioe zorgvuldig de Regeering en Vertegenwoordiging die ook hadden ontworpen en vastgesteld, zij toch nog tot moeilijkheden en onopgeloste vraagpunten kon aanleiding geven.
Do Kantonrechter te (loes, veroordeelde bij vonnis van !â¢) December 187lt;) eeuige personen terzake van te zamen te zijn bevonden op de Oosterschelde, beboorende tot do verdronken landen van Zuid-Beveland , liezig mol bet vangen van oesters, beneden de S centimeters oj) een gesloten bank.
\ an dat vonnis werd hooger beroep aangeteekend oj) 29 December 18/G, en de stukken oj)gezonden naar de (iritHe van de Rechtbank te Goes. Daar bij de opheffing dier Reehthank, 15 Mei 1S77, die
1
Bij dr wet van 21 April 1884 (i'M/. 05) is ecu gedeelte vau de öe-meenlo Dalen afgeselieiden en gevonnd tot eene nieuwe Gemeente Srlioo-nebeek. Tevens wrd l-ejiaald dat Selioonebeek /on bebooren tot bet Kanton Eninien.
28
zaak nog bij die Rechtbank aanhangig was, werd zij, krachtens art. 17 der Wet van 9 April 1877 (Stijl. nü. 80), overgebracht naar de Rechtbank te Middelburg.
De Rechtbank verklaarde, bij vonnis van 14 September 1877, den Kantonrechter te (ioes onbevoegd om over de ondenverpelijke zaak te oordoelen, en verwees de beklaagden daar waar zulks behoorde, op grond: dat bij de wetten op de rechterlijke indeeling, ook bij die van 'â¢Â» April 1877, onder de ressorten dor Kantongerechten niet gebracht zijn zekere streken in haar geheel, maar bepaald opgenoemde gemeenten met haar grondgebied; dat eene gemeente zich niet uitstrekt over bet aan haar grenzend doch niet bij haar ingedeelde water; en dat, waar alzoo in casu niet was bewezen, dat de plaats waar de overtreding begaan werd, was gelogen binnen bet rechtsgebied van hot kanton (ioes; en vermits do beklaagden aldaar noch woonden noch waren aangehouden , de Kantonrechter zich ten onrechte bevoegd had verklaard.
De Hooge Raad bevestigde, overeenkomstig do conclusie van don Advocaat (feneraal Polis, het vonnis der rechtbank te Middelburg, bij arrest van It) November 18/7. \ onms en arrest te \inden in ,V. Lij hl. X. Reeks. Dl. IV 1S7.S, Afd. A bl. 3â7 en W. van :gt; Januari 1878, nn. 41 SS.
In deze leemte word voorzien bij de wet van 23 April 18.s() (Sth!. Gli) tot indeeling van de Wester-Scholde tot aan den spoorwegdam tusschen Noord-Brabant en Zeeland en van het Sloe tot aan don spoorwegdam tusschen den Suzanna- en don Jacob-poldor bij de aangrenzende gemeenten.
§ A. Artikel 31 dor Wet op de Rechterlijke Organisatie wil, dat er znllon zijn bij elk Kantongerecht óón Rechter, twee of ton iioogste vier plaatsvervangers, volgons do bepalingen daaromtrent dooide Koningin to maken, en een (Iriffior.
29
Te vergeefs zocht ik naar wat den wetgever bewoog om, terwijl hij zonder meer bepaalde dat er bij elke Rechtbank ton hoogste vijf plaatsvervangers zouden zijn, voor de Kantongerechten niet alleen eenminiinum vast te stellen, maar ook voor te schrijven dat de Koningin het aantal voor elk Kantongerecht zou bepalen. In de wet van 1(5 April 1827 (Slbl. 20) volgens welke de Kantonrechter vaak met assessoren zat, was dat voorschrift echter wel degelijk van belang. Vermoedelijk heeft men bij de wijzigingswet van 2S April ISoó (Slbl. n10) gedachteloos dit toen doelloos geworden voorschrift gehandhaafd. Waarschijnlijk is het aan die overbodigheid toe te schrijven, dat nooit een Koninklijk Besluit tot vaststelling van het aantal plaatsvervangers werd genomen, en dat, zoowel bij de benoemingen gedaan bij K.igt;. van 10 Sept. l.SMS als bij die van 1 Mei 1877, bij sommige Kantongerechten slechts één Plaatsvervanger werd benoemd. Ook bij de Wet van April 1877 (Stbl. 79), die blijkens haar iniilulé niet bedoelde de samenstelling der Kantongerechten te regelen, werd de bepaling eenvoudig over het hoofd gezien, immers in den Staat gevoegd bij art. 2 dier Wet wordt vermeld: âBij elk Kantongerecht hoogstens vier Kantonrechters-plaatsvervangers.quot;
§ 5. Bij verhindering of ontstentenis van den Kantonrechter wordt hij vervangen door een Plaatsvervanger naar rang van benoeming, zoodat de oudst-benoemde Plaatsvervanger den Kantonrechter vervangt, de tweede den eersten en zoo vervolgens. Art. 32 P. O. gewijzigd bij de Wet van 9 April 1877 (Slbl. n0. 7o). De rang der Plaatsvervangers regelt zich naar den dag hunner benoeming. Indien verscheidene benoemingen bij een en hetzelfde Besluit gedaan zijn, heeft degeen, die daarbij het eerst genoemd is, den voorrang; en indien de benoemingen gedaan zijn bij onderscheidene Besluiten van denzelfden dag, dan regelt de Koningin den voorrang.
30
volgens art. 1G en 17 Regl. 1 van het Besluit van 14 Sept. 1S3S, {Slhl. un. 36). Maar wat, indien zij na vijfjarigen dienst, volgens art. 37 R. O. (gewijzigd lgt;ij de Wet van t) April 1.S77 Slhl. nn. 73) weder benoemd worden; regelt de rang zich dan naar den dag der nieuwe benoeming, of blijft dan de oude rang stand houden? De Witt Hamer Ihiinlb. voor lt;lr Kdulomjcv. blz. ü, meent het eerste.
\'ax dkh Kkmt trachtte hier met mij weinig overtuigende gronden aan te toonen, dat dit niet het geval is. De praktijk is en m. i. terecht in overeenstemming met wat Van dek Kemp leert. Intus-schen ware m. i. in de Wet niet overbodig geweest, eene bepaling als de laatste alinea van art. 30 der nooit ingevoerde rechterlijke organisatie van 1.SÃ1 luidende: âdie rang wordt voor de plaatsvervangers der kantonrechters door hunne eerste benoeming bepaald.quot;
De Wet heeft alleen daarom de orde der plaatsvervanging voorgeschreven , opdat alle twist onderling tusschen Kantonrechter en Plaatsveivangers zoude vermeden worden. Wil do Kantonrechter zich doen vervangen, hij moet daartoe zijn Plaatsvervangers naar orde aanspreken; het staat hem niet vrij eene keuzo naar welgevallen te doen en de voorbijgegane Plaatsvervangers zouden zich deswege, ingevolge hetgeen wij zeggen zullen § '11, mogen beklagen en herstel zoeken voor het vervolg. In de Afdd. der Eerste Kamer werd gevraagd of het niet beter ware de aanwijzing facultatief over te laten aan den Kantonrechter, maar de Minister meende, dat die vraag ontkennend moest worden beantwoord, daar bij eene facultatieve aanwijzing door den Kantonrechter, de schijn van partijdigheid door hem kwalijk ware te ontgaan. HIJ hl ml 1876/77. I. blz. 279.
Met onderling goedvinden echter mag de plaatsvervanging geschieden zonder inachtneming der gestelde orde. Misschien zou van hooger hand hier-
31
tegen mogen worden voorzien, maar liet publiek, dunkt mij, heeft hier niets mede te maken; de rechtzoekenden zouden geen recht hebben om te vorderen, dat de wettelijke orde in acht genomen worde. Nergens toch staat het, dat de acten de redenen der plaatsvervanging moeten vermelden; en daarom komt het mij voor, dat eene acte, door een Plaatsvervanger, buiten de wettelijke orde opgemaakt, niet is nietig wegens onbevoegdheid, hoezeer het tegendeel geleerd wordt door m; I'inïo, Ihiinll. li. O. 2tl(' gedeelte § 84. 1°, en de W'itt IIamkk, blz. 7.
§ ü. De Plaatsvervangers zijn, naar rang van benoeming, verplicht tot dienstvervulling, ingeval er wettige redenen bestaan, waarom de Kantonrechter zich moet doen vervangen, liet staat niet aan zijn willekeur om zelt rust te nemen en een ander aan het werk te zetten. Als wettige redenen noemt thans art. 32 li. O. crrhindvrinii of ontalcnleiih van den Kantonrechter. In artikel 32 stond vroeger wczkjIic'kI rji brlciquot;. I)(_â nieuwe redactie is juister. Zij omvat zoowel dat de Kantonrechter dooi' het een ot ander, ook door wraking of verschooning verhinderd is, als dat er geen Kantonrechter is. Daar niemand rechter in eigen zaak kan zijn zal ook een Plaatsvervanger moeten optreden wanneer de Kantonrechter zelf partij is in een civiel geding of de bekeuring iu de strafzaak instelde.
Maar maakt alk' verhindering, alle ontstentenis van den Kantonrechter de plaatsvervanging verplichtend, ook indien hij zich zonder verlof en zonder noodzaak buiten zijn Kanton verwijdert, of ook indien hem andere vrijwillige bezigheden beletten mochten? Wij gelooven van ja, ingeval de werkzaamheden van het Kantongerecht zouden moeten stilstaan, indien er door eenen Plaatsvervanger niet in voorzien werd. Maar deze heeft het recht zich deswege te beklagen, ingevolge hetgeen wij zeggen zullen § 22. â Wanneer èn Kantonrechter èn Plaatsvervangers ontbreken
o£ verhinderd zijn de werkzaam lied en waar te nemen, moet de belanghebbende partij zich wenden tot de Arr. Rechtbank met verzoek, dat haar een anderen Kantonrechter binnen het arrondissement moge worden aangewezen, en zulks naar aanleiding van art. 41 B. K. en art. 331 S.r.v.
Art. 1 der Fransche Wet van 10 Venluse au A7/ bepaalde dat uitdrukkelijk; eene dergelijke bepaling komt in onze Wetgeving echter niet voor. Vak der Kemp vond het vreemd dat he Pinto (HancU. It. O. 2de gedeelte § 34) meent dat onze wetgever het geval als een casus nou dabilis beschouwd heeft. Ik kan mij met de meening van de Pinto wel vereenigen. De zorg van van der Kemi- doet mij denken aan het eene lid der Kamer, dat bij de vaststelling van art. 259 W. v. Sv. de opmerking maakte, dat er o'een rechter was aangewezen voor het geval dat er door vijf magistraten tot de verschillende hoven be-hoorende gezamenlijk een strafbaar leit, waarvan de Rechtbank kennis neemt, wordt gepleegd, liet is natuurlijk mogelijk dat èn Kantonrechter en Plaatsvervangers ontbreken maar met de Pinto ben ik het eens dat het niet zeer waarschijnlijk is dat dat zal gebeuren.
Wanneer er gezorgd wordt dat eene opengevallen Kantonrechtersplaats niet te lang open blijft, en dat er steeds een voldoend aantal Plaatsvervangers is; wanneer de betrokken autoriteiten, de Kantonrechter zelf in de eerste plaats, hierin eenig beleid gebruiken, zal het geval zich niet licht voordoen.
Mr. Greeve deelt mede dat na 1877 zich het geval werkelijk heeft voorgedaan. Een Kantonrechter werd verplaatst en tijdens de vacature stierf zijn eenige Plaatsvervanger. Ik zou willen gevraagd hebben, was het niet wenschelijk geweest, reeds toen er nog een Kantonrechter was, naast dien Plaatsvervanger, zeer zeker wanneer die oud of ziekelijk was, er nog een te benoemen; en had dat niet in alle geval moeten
33
geschieden toen de Kantonrechter naar elders verplaatst werd '1 Was het bovendien niet mogelijk geweest den vertrek ken den Ivantonrechter in functie te laten tot zijn opvolger kwam?
§ 7. Men heeft wel eens gevraagd, of de Kantonrechter en zijne Plaatsvervangers te gelijker tijd in verschillende zaken mogen werkzaam zijn. Ik geloof, dat, daar gelijk hierboven reeds gezegd is, in de acten de redenen der plaatsvervanging niet behoeven vermeld te worden, eene acte, opgemaakt ot verricht door een Plaatsvervanger te gelijker tijd met eene andere acte van den Kantonrechter zeiven, geenszins nietig zijn zou. liet geval is zeer denkbaar, en beeft zich zelfs voorgedaan, dat op één dag, binnen bepaalde uren, op twee verschillende plaatsen, eene verzegeling dringend werd geëischt. \\ aarom zou dan niet de Kantonrechter op de eene en een der Plaatsvervangers, als ze zoo beleefd willen zijn, op de andere plaats kunnen werkzaam wezen gt; Ook zie ik niet in, dat, indien de Plaatsvervanger met toestemming van den Kantonrechter werkzaam is, hier iets tegen kan worden ingebracht. Maar zeker dunkt het mij, dat tegen den wil van den Kantonrechter zulks niet geschieden mag, en in dat geval de Plaatsvervanger zich strafbaar maken zou. (Jok dunkt mij, dat een Plaatsvervanger daartoe door den Kantonrechter niet zoude kunnen verplicht worden, dewijl er in dat geval geene plaatsvervanging, maar eene tehulp-koming bestaan zou. Maar anders is het, wanneer bij de Wet uitdrukkelijk de Plaatsvervanger nevens den Kantonrechter genoemd wordt, als in geval der be-ëediging van processen-verbaal in plaatselijke belastingen. Vgl. § 90. Dan is de Plaatsvervanger als zoodanig niet slechts bevoegd, maar ook op gedane vordering verplicht.
§ 8. Bij verhindering of ontstentenis van den Grittier worden zijne ambtsverrichtingen waargenomen
3
34
door een ingezetene van het kanton, ten minste drie en twintig jaren oud, te benoemen door den Kantonrechter tot wederopzeggens toe en to beëedigen. Maakt het kanton een gedeelte uit eener gemeente, zoo is het voldoende dat de benoemde zij ingezetene dier gemeente. Art. 33 11. O., gewijzigd bij de Wet van 9 April 1877 {Slbl. 73). Vroeger stelde de Wet geene ver-eischten voor den persoon, die den Griffier verving, en bestond er strijd of hij voor een tijd kon aangesteld worden, dan wel of bij iedere verhindering van den Griffier op nieuw benoeming en belediging moest plaats hebben. 15ij Koninklijk besluit van 8 Juni 1877 (Slt;W. n\ 144) werd het formulier van den eed vastgesteld, volgens het veranderde artikel 33 R. O. door den waarnemenden Griffier af le leggen. Dat formulier luidt:
âIk zweer (beloof) trouw aan de Koningin, gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat, en dat ik mijne betrekking met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen zal waarnemen.
Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk, noch onmiddellijk, onder welken naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen mijner aanstelling, aan iemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven.
Ik zweer (beloof), dat ik nimmer eenige giften of geschenken, hoegenaamd, zal aannemen of ontvangen van eenig persoon, welken ik weet of vermoed in eenige regtszaak te zijn of te zullen worden betrokken, in welke mijne ambtsverrigtingen zouden kunnen te pas komen.quot;
âZoo waarlijk helpe mij God Almagtig! (Dat beloof en verklaar ik!)quot;
§ 9. De Kantonrechters moeten den ouderdom van 25 jaren, hunne Plaatsvervangers , hunne Griffiers en de Ambtenaren van het Openbaar Ministerie bij de Kantongerechten dien van 23 jaren bereikt hebben.
Zij moeten mot uitzondering van de Plaatsvervangers op eene Rijks of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit den graad van doctor in de Rechtswetenschap verkregen hebben. 1) Art. 35 R.O. gewijzigd bij de Wet van 9 April 1877 (Sthl. 73), Vroeger stond in dat artikel ook dat de Kantonrechter moet voldoen aan vereischten bij de Grondwet gesteld. Dat is natuurlijk voor hem en de opgenoemde Ambtenaren nog het geval. Artikel G der Grondwet bepaald: Jedei' Nederlander â¢/» lol elke landsbediening benoembaar. Geen vreemdeling i* hiertoe benoembaar, dan volgens de he/ialnujen der WCl. De landsbedieningen, waartoe vreemdelingen benoembaar zijn, worden opgenoemd in de wetten van 4 Juni 1858 {btbl. 40) en 11 Juli 1882 {Slbl. 87); eenige landsbediening bij de Rechterlijke Macht wordt daar niet in vermeld. Het Nederlanderschap wordt thans geregeld bij de Wet van 12 December 1892 {Slbl. 2GS). Het maakt geen verschil of het Nederlanderschap werd verkregen door geboorte dan wel door naturalisatie.
Met uitzondering van de Plaatsvervangers mogen de Kantonrechters en de Ambtenaren bij de Kantongerechten niet tevens zijn advocaten, procureurs, notarissen, solliciteurs of eenig ambt bekleeden, waaraan eene vaste wedde verbonden is; evenwel mag de Kantonrechter zijn lid van de Prov. Staten, den gemeenteraad, lid en secretaris van een hoogheemraadschap, dijk- en polderbestuur, curator van hooge en andere scholen, lid van eene commissie van openbaar onderwijs, of van alle inrichtingen, welke niet als eigenlijk bezoldigde ambten kunnen worden beschouwd. Alle twijfelingen deswege worden door de Koningin beslist. Art. 8 R. O. Reeds is
1
Intusschen kunnen volgens art. lOdcrWetvan 9 April 1877 {Stl/l. 80) de niet gegradueerde Kantonrechters en Griffiers bij de door die Wet ontbonden Kantongerechten respectievelijk weder tot Kantonrechter en Orifiler bij een Kantongerecht worden benoemd.
3G
hieromtrent bij Kon. Besl. van !) Febr. 1839, te lezen in Wbl. n'. 13, vastgesteld, dat met het lidmaatschap der rechterlijke macht wel vereenigbaar is do betrekking van assessor van het plaatselijk bestuur, schoolopziener, lid eener commissie van landbouw, eener kamer van koophandel, eener commissie van administratie der gevangenissen, commissarissen van de wisselbank te Middelburg; maar dat met het lidmaatschap der Rechterlijke Macht niet vereenigbaar is de betrekking van burgemeester eener stad en ten platte lande, secretaris bij eeue commissie van administratie der gevangenissen, amanuensis of rentmeester van algemeene godshuizen, aan welke van wege het openbaar gezag eene jaarlijksche bezoldiging is toegekend, onderwijzer aan de hoogescholen, de gymnasiën, de latijnsche en andere zoodanige middelbare en lagere scholen, welke niet onder particuliere of bijzondere kunnen gerangschikt worden. Vgl. de 1'into li. O. § 10. Op '20 Dec. 1.S40 is bij Kon. Besl. beslist, dat de rechterlijke functiën niet vereenigbaar zijn met de betrekking van ontvanger van een dijkbestuur, aan welke of eene bepaalde som of percentsgewijze geregelde jaarlijksche bezoldiging is verbonden; noch ook met de betrekking van auditeur bij eenen schuttersraad. Zie 1'rov. blad van Zuid huil. 1841 n0. 44. Op 13 Dec. 1850 heeft de Koning beslist, dat ook de betrekking van brievengaarder onbestaanbaar is met het lidmaatschap der Rechterlijke Macht. Ook is bij de Gemeentewet van 29 Juni 1851 {Stbl. n0. 85) in art. 02, 89, 98, 107 bepaald, dat burgemeesters, wethouders, secretarissen en ontvangers der gemeenten niet mogen zijn leden der Rechterlijke Macht, uitgenomen rechter-plaats-vervangers, noch ook ambtenaren van het openbaar ministerie of van de grifiie bij eenig rechterlijk collegie. â Op grond van die bepalingen kan ook een Kantonrechter, lid van een Gemeenteraad, niet benoemd worden tot \Vetlxoudev-I'laatsvervanger, omdat
37
wanneer hij öf als Wethouder, óf als zoodanig voor den Burgemeester zou moeten optreden, hij een met die betrekkingen onvereenigbaar ambt zou bekleeden. Zie o. a. Gcmccntestetn n0. 4quot;} en Weekblad van D. A. nn. 66ö.
Vóór 1lt;S77 schreef art. 35 voor dat de Kantonrechters en hunne Plaatsvervangers zouden worden gekozen uit de kundigste, bekwaamste, gegoedste en meest geachte ingezetenen, doch bij voorkeur uit meesters of licentiaten in de rechten. Wanneer voor de vervulling van eene Kantonrechtersplaats eene keuze wordt gedaan uit de ingezetenen, die de wet aanwees, dan bestaat er inderdaad groote kans dat men een uitstekend Kantonrechter benoemt. Niettemin was het zeer goed gezien de bepaling te laten vervallen, daar hare aanwezigheid in do wet niet de minste waarborg geeft. Over de kenteekenen van een en ander zal toch al evenveel verschil van gevoelen bestaan als over die van geschiktheid en maatschappelijken welstand in oen veel besproken grondwetsartikel. Een waarborg voor eene goede rechtspraak zocht de Wetgever van 1877 terecht in den doctoralen graad in de rechtswetenschap voor hem die, alleen en vaak gebrekkig voorgelicht, rechtspreekt.
Dat de vereischten voor de betrekking van Plaatsvervanger van den Kantonrechter andere en minder zijn dan voor die van den Kantonrechter is natuurlijk daaraan toe te schrijven, dat het, vooral ten platte lande, niet gemakkelijk is overal in rechten gegradueerde personen aan te treffen, geschikt en gezind die betrekking waar te nemen. Dat bezwaar bestond reeds onder de werking van de vroegere desbetreffende bepalingen, en dat bezwaar is zeker niet minder geworden, na de afschaffing der emolumenten. Kr was vóór te zeggen de emolumenten van den Kantonrechter af te schaffen, maar men heeft in zijn ijver om met het bestaande te breken, vergeten, dat de Kantonrechter toch bezoldigd wordt
é
38
voor zijn werkzaamheden, maar dat de Wet den Plaatsvervanger geen duit toewijst voor de door hem te verrichten werkzaamheden. En toch, het kan gebeuren dat hem vele belangrijke en vooral tijd-roovende werkzaamheden als zoodanig worden opgedragen. Daar men echter de Wetten hoeft willen aannemen, hoeft men niet willen acht geven op bescheiden opmerkingen door de praktijk in het midden gebracht. En de Kantonrechters onder de Leden der Tweede Kamer, ze hebben gezwegen, en zóó is een toestand in het leven geroepen, waarin men, en wel binnen een niet te ver verschiet, vei-anderiug zal moeten brengen.
Werd van de vereischten van den Griffier in de Wet vroeger niet gesproken, thans is in die leemte, bij de Wet van 9 April 1877 (676/. n0. 73), voorzien. Do Griffier moet den ouderdom van 2o jaren bereikt hebben en op eene Rijks-, of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit den graad van Doctor in de rechtswetenschap hebben verkregen *).
Art. 10 11. O. luidt, dat bloed- of aanverwanten tot tien derden graad iinjrslulen , niet te zamen kunnen zijn raadtsheeren, rejIers, ambtenaren van het O. M. en ;/n/-pers in den hoogen raad, of in hetzelfde hof of m dezelfde reglbatik. Aan dat artikel werd bij art. 1 der Wet van 9 April 1877 {Stbl. nJ. 72) als laatste lid de volgende bepaling toegevoegd : De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. Daar nu hier van bet Kantongerecht niet gesproken wordt, gelijk wel geschiedt in art. 20, zoo rijst de vraag. of het ook soms onder de benaming van rechtbank begrepen, en dus ait. 10 ook op het Kantongerecht toepasselijk is. Ik geloot van neen; zoo men dat gewild had, men zou, nu men
1) Zie art. 22 der Wet Van 9 April 1877 (iW. Xo. SO) hiervoren aangehaald.
39
toch art. 10 ging herzien, en het dus las en herlas, bij amendement bijv. er liet woord Kantonrechter wel ingebracht hebben. Maar daarvoor bestond dan ook geen aanleiding. Do reden dier wetsbepaling toch is te verhoeden, dat niet eenig lid van een rechterlijk collegie door verwantschap met een ander lid of met een ambtenaar van het O. M. of met een Griffier eenige meerderheid boven zijne medeleden verkrijge. Maar die reden vervalt bij een Kantongerecht, waarin slechts één Rechter is. Onder de Fransche Organisatie had men in art. 63 der Wet van 20 April 1810 eene gelijke bepaling als van ons art. 10. Rondonn. 1, 507. Maar wij zien niet, dat zij ook op de Vredegerechten is toepasselijk gemaakt. Merlin Rép. v. parenté n0. G. Bij het zwijgen der Wet kan het alzoo gebeuren, dat lt;le Kantonrechter, zijn zoon als Griffier naast zich heeft, en zijn schoonzoons de betrekking van Ambtenaar van het O. M. en van zijne Plaatsvervangers bekleeden.
§ 10. Wanneer een plaats van Kantonrechter open valt, zendt de Rechtbank, de Officier van Justitie daaronder begrepen, aan den President en Procureur-Generaal van het Gerechtshof, tot welks ressort zij behoort, een lijst van aanbeveling van drie kandidaten, welke lijst alphabetisch ingericht, aan de Koningin wordt aangeboden, om daarop zoodanig acht te slaan als Zij zal dienstig oordeelen; zóó luidt thans art. 52 der Wet op de R. O. De benoeming der Plaatsvervangers en van den Griffier geschiedt onmiddellijk door de Koningin, zonder daartoe eene voordracht te behoeven. De Kantonrechters worden voor het leven benoemd; de Plaatsvervangers voor vijf jaren. Zij zijn bij aftreding weder benoembaar. Art. 37 R O.
Vóór 1877 werden de Kantonrechters voor den tijd van vijf jaren benoemd. Ernstige bestrijding ondervond liet Regeeriugsvoorstel om de Kantonrechters voor het leven tc benoemen. Men achtte dat zelfs
40
in strijd met do Groudwot. quot;). Mr. Greeve maakte zich hier tor plaatse vroolijk over hen die bezwaar hebben tegen '0 Kantonrechters benoeming voor hot leven. âWij verwijzenquot;, zegt hij, âallen wie het âlusten mocht te weten waarom er geen onbrnikbare, âmiddelmatige en trage personen zijn bijv. onder do âraadshceren of leden van Uechtbankon, maar nit-âsluitend onder de Ivantonroohtors (natuurlijk niet âtevens leden der Tweede Kamer), naar de uitvoerige âdiscussie gevoerd in de Tweede Kamer over art. 37 âK. O. zooals het nu luidt, te vinden in het Bijblad âvan de Nederl. Staatscourant 187G 77 11.quot; Dit nu raakt het vraagstuk niet. Ook dan wanneer slechts in alle opzichten uitstekende mannen tot Kantonrechters benoemd werden, zou liet de vraag blijven of het wel wenschelijk is, hun hun leven lang dan toch vaak nietige zaken te laten behandelen, als hot ware buiten de samenleving, bijna uitsluitend in aanraking komend met menschen aan wie oenigo wotonschappolijke opleiding geheel vreemd is lgt;). Men begrijpe hot wel, het stellen van die vraag vindt zijn oorsprong niet in gebleken ongeschiktheid onzer tegenwoordige plattelandsche Kantonrechters. Wanneer men is voorstander van don leeftijdsgrens voor Rechterlijke Ambtenaren, geeft men volstrekt niet te kennen, dat steeds hij, die dien heeft overschreden,
a) Zie o. a. Mr. S. ill'NAI.DA iu Niomoa Bjdra.ijrn, Nieuwe rci-lis, 3o deel 1S77 , 110. 3 blz. 372â398 en 4c deel 1878, no. 1 blz. 100â132 W. 1105 eu 1187. Thans schrijft art. 16G der Grondwet uitdrukkelijk voor de henoeming voor het leven van de leden der Rechterlijke Macht met rechtspraak belast.
t) Laatstelijk kwam dit ter sprake toen de Juristcnvcreeniging behandelde het al dan niet wcnsclielijke van de uitbreiding der Rechtsmacht van den Kantonrechter in burgerlijke zaken (zie Handelingen 1895 meer bijzonder deel \ blz. 37, 04 en 05). Prof. l'OCKKMA Amdbeae heeft er gemiddeld evenveel zien inslapen in eenc groote, als hun bbk zien verruimen in eenc kleine omgeving. Mr. \ ogki. meent dat na ten hoogste twee of drie jaren den jeugdigen magistraat ten platte lande ernstige gevaren bedreigen.
41
tot rechtspreken ongeschikt zou zijn; een blik in eigen omgeving leert vaak wel beter. Waar ik de vraag zonder eenig voorbehoud ontkennend beantwoord, maar ook meen, dat terecht de Grondwet de onafzetbaarheid van den rechter voorschrijft, zou het mij het meest toelachen om door de Hoven de leden der Rechtbanken om beurten voor eenige jaren als Kantonrechters ten platte lande te laten aanwijzen. Iets dergelijks deed ook het ontwerp Rechterlijke Organisatie door den Minister van Justitie van dek Brugghkx in 1857 ingediend. Dit liet echter alle Kantonrechters in de Arrondissement-hoofdplaatsen verblijven. Zonder eenigen twijfel voor de leden der Rechtbanken zal het vele bezwaren hebben voor eenige jaren ten plattelande te gaan wonen. Hieraan zou echter te gemoet te komen zijn door bij voorkeur de jongstbenoemde rechters daartoe aan te wijzen, wellicht ook door de Kantonrechters-zetels in de Arrondissements-hoofdplaatsen en andere steden eveneens door de leden der Rechtbanken te laten bekleeden. Het belang van het platte land eischt, dunkt me. Rechters die in hunne Kantons wonen, terwijl het voor eene Rechtbank van onschatbare waarde zal zijn, dat hare leden land en volk van onderdeelen van het arrondissement van nabij kennen. Met het oog op de bezwaren aan verandering van woonplaats verbonden, zou de aanwijzing tot Kantonrechter voor niet te korten tijd bijv. 4 jaren moeten geschieden met bevoegdheid voor den aangewezene om die nog met 4 jaren verlengd te zien. Na het eindigen van zijn Kantonrechterschap, zou het lid eener Rechtbank moeten recht hebben om gedurende even langen tijd gewoon Rechter te zijn en verplicht wezen dat gedurende bijv. ten minste 4 jaren te zijn. Door de Rechtbank-tractementen te laten doorloopen voor hen, die als Kantonrechters dienst doen, zoude in vele gevallen de kosten der woonplaatsverandering ruim-
42
schools vergoed worden; in andere zou daarvoor eeue schadevergoeding kunnen gegeven worden. Zoo ooit, dan zou er ook bij eene dusdanige organisatie, van uitbreiding der bevoegdheid van den Kantonrechter in burgerlijke zaken sprake kunnen zijn. Bij verhindering of ontstentenis van een Kantonrechter zou, bij gebreke van een geschikt Plaatsvervanger in het Kanton, een ander Kantonrechter uit het Airondis-sement of een gewoon lid der Rechtbank de terechtzittingen kunnen waarnemen. Ook zoude, wanneer zulks voor een Kantonrechter niet te bezwaarlijk was en de dienst in het Kanton en bij de Rechtbank daardoor niet geschaad werd, een Kantonrechter in eene Kamer der Rechtbank kunnen zitten. Onder deze voorwaarde zou bijvoorbeeld ook het verblijf van den Kantonrechter ten platte lande kunnen
verlengd worden.
Opdat ontstane vacaturen geregeld vervuld zouden worden, moeten er door den Officier van Justitie, volgens ministeriëele aanschrijvingen, alle drie maanden voordrachten worden gedaan of negatieve staten ingeleverd betrekkelijk het personeel der Kantongerechten, en ingezonden aan den Procureur-C icneraal bij het Hof, die ze met zijne consideration aan den Minister van Justitie moet doen toekomen. â Bij eene merkwaardige aanschrijving van den Minister van Justitie van 9 April 1842 is 's Konings uitdrukkelijke last te kennen gegeven, dat niemand zich voortaan bij request tot Z. M. mag wenden, om eenigen rechterlijken post te bekomen, zijnde het stelsel van solliciteeren met den aard van zoodanigen post niet vereenigbaar, en de tot dien tijd toe bestaande noodzakelijkheid om zich zeiven aan te bevelen, eene voor hot gevoel van den wezenlijk vei-dienstelijken man hoogst kwetsende verplichting. Doch ik geloof, dat erbij Koning en Minister zelven aan deze aanschrijving niet meer gedacht wordt.
§ 11. Het staat den Griffier vrij de noodigo klerken
43
voor zijne griffie aan te stellen onder goedkeuring van don Kantonrechter, gelijk hij zo ook naar welgevallen ontslaan mag, en dit doen moet, zoodra hij daartoe door den Kantonrechter wordt aangemaand. Indien ook op die klerken toepasselijk geacht zou moeten worden Regl. I, betreffende den inwen-digen dienst van den Hoogen Raad, de Hoven en Rechtbanken, vastgesteld bij Besluit van 14 Sept. 1838, (Slbl. nn. 36), dan zouden zij den ouderdom van 1G jaren moeten bereikt hebben, tot geheimhouding verplicht zijn en daartoe den eed of belofte moeten afleggen in handen van den Kantonrechter. Zij mogen onder geen voorwendsel hoegenaamd eenige giften of geschenken aannemen van hen, welke voor liet Kantongerecht zaken te verrichten hebben, en zulks noch voor het spoedig uitreiken van afschriften, noch om eenige andere redenen; wanneer zij zich hieraan schuldig maken, moeten zij onmiddellijk worden ontslagen. De Griffier is persoonlijk aansprakelijk voor alle geldboeten, restitutiën, schade en onkosten, welke uit de onrechtmatige daden, verzuimen en onnauwkeurigheden van de door hem aangestelde klerken voortvloeien, behoudens zijn verhaal op hen, die zich daaraan mochten hebben schuldig gemaakt. Art. 71-73 Regl. I.
§ 12. Bij art. 1 der Wet van '.J April 1S77 {sUgt;l. 73) werden ingesteld Ambtenaren van het Openbaar Ministerie bij de Kantongerechten. Vroeger werd, ingevolge art. 45 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, het Openbaar Ministerie bij de Kantongerechten bij de behandeling van strafzaken waargenomen door het hoofd van het bestuur der Gemeente waar hel Kantongerecht zetelt; deze kon zich echter door den Commissaris van Politie, een lid van het Gemeentebestuur of, met goedkeuring van den Procureur-Generaal, door een bijzonderen persoon doen vervangen. Mr.Gkeevk wijdde hier verscheidene bladzijden aan de vraag of bij de Kantongerechten thans het
4-i
Openbaar Ministerie ook in burgerlijke /.aken optreedt «)â . 1 1 T-» Ik acht bet overbodig die bier af te drukken. De
Wetgever van 1S77 bad, zooals ook prot. van Bo-neval Fauhe b) zegt, duidelijker kunnen zijn. Zijne bedoeling was m. i. ongetwijfeld den toenmaligen werkkring van de Ambtenaren van bet O. M. bij de Kantongerecbten niet uit tlt;? breiden. Het Openbaar Ministerie bij de Kantongerecbten beperkt zicb dan ook in de praktijk tot de strafzaken, trouwens zijne organisatie zou op verscbeideno plaatsen bemoeiingen in civiele zaken onmogelijk maken.
Zeer zeker, bet was wenscbelijk in den toestand, waarin bet O. M. bij do Kantongerecbten vóór 1S77 verkeerde, verbetering te brengen; of eebter de regeling, die men trof, gelukkig kan worden genoemd, mag' worden betwijfeld lt; ). Toen men in België iets soortsgel ij ks als onze Ambtenaren van bet O. M. â men heeft daar denzelfden toestand als wij voor 1S77 hadden â wilde invoeren, had de Minister Baka daartegen ernstig bezwaar. Hij noemde die instelling hi jilus mauvaiso pépinièrc ipi'on jmisse tronvrr pour recrutcr la mmjhtralure. Crs fonctionnahra qui uuronl vu Ir* alfah-c* par leur pclit cotr, zeide bij, viendvonl import uner Ie ,jouvenicmcnt et Ir* muqiHlrals pour ohtenir ,1c l'avancement. Daar beerscht eenige overdrijving in die woorden. Zoo een slechte leerschool is, bij ons althans, dat ambtenaarschap niet; bewijzen het zoovelen die daar begonnen en later werden sieraden van onze Rechterlijke Macht. Maar toch, ook waarheid steekt er in. Daar zijn voor die Ambtenaren te veel uiterst nietige zaken, te nietig om zelfs een kleinen kant te hebben. Ik wijs slechts op beklaagden
n) Men zie hierover liet Aoiulemisch proefschrift vim Mn. E. J. H. M. vax Rijckkvorsei.: Df werkkriny van het Openbaar Mmislmc bij de Kanlonijerechlen in Burgerlijke Xak'n. Maastnchl 1888.
b) Het Nederl. burgerl. procesrecht I, 138.
c) Liatstelijk werd hierover geschreven in W. 57/2. 57S2 en
45
van openbare dronkenschap en van zoovele politie-overtredingen. Wat wilt ge daaraan bekijken, wanneer er, wat dan toch bij de Kantongerechten niet meer dan 60 van de 100 zaken geschiedt, verstek-behandeling plaats heeft? En het eigenaardige is wel, dat waar het totaal aantal zaken stijgt, buiten verhouding het aantal onbeduidende zaken toeneemt; ga ik mijne herinnering na, dan had ik in verhouding vrij wat meer zaken van beteekenis bij de Kantongerechten ten platte lande dan bij dat in de hoofdplaats van het arrondissement. Is het, zou ik ook willen vragen
' o
wel wenschelijk den nieuw benoemden Ambtenaar van het 0. M., die dan toch zijne betrekking nog moet loeren , dadelijk op eigen wieken te laten drijven? De klerk, die reeds bij den voorganger werkzaam was, zal wel zorgen dat heel wat op den ouden voet wordt voortgezet; maar die klerk is er niet steeds. Ik weet ook wel dat er zijn Officieren van Justitie en oudere Ambtgenooten die inderdaad den niemv-ling leiden; maar dat is toch niet altijd het geval, en bovendien vrij wel onmogelijk wanneer de Ambtenaar zijne standplaats heeft buiten de Arrondisse-ments-hoofdplaats. Mij zou het om al die redenen wenschelijk voorkomen de zelfstandige Ambtenaren van het O. M. bij de Kantongerechten af te schaften, en, evenals het ontwerp van der Brugguen en de Ui'clilcrlijUe Organisatie van 1861 bepaalde, de Officieren van Justitie met de waarneming van het O. M. bij de Kantongerechten te belasten. Mocht men er eenmaal toe komen, wat dan toch zal moeten gebeuren, om het straf bevel iu te voeren, dan kan ik niet inzien welk bezwaar tegen die regeling bestaat a). Het aantal ter terechtzitting der Kantongerechten te behandelen zaken zal dan alvast zeker met 6o0/0 â de tegenwoordige verstekzaken â afnemen en natuurlijk met nog veel meer, waardoor het aantal
a) loelatiug van transictic, zou al liocwol niet zoo afdoende, reeds verbetering kunnen brengen.
4G
terechtzittingen aanmerkelijk zal ^nnen worden verminderd. Onder dc zaken, die dan ter tereclitzittu 0
van het Kantongerecht komen, zullen allicht belang-
riike zijn. Bovendien bedenke men, dat tor terech -zitting van de Rechtbank ook niet louter belangrijke strafzaken behandeld worden. Vele administratievo werkzaamheden, dan bij de parketten der Rechtbanken te behandelen, zullen daar, evenals thans by die der Kantongerechten, aan klerken kunnen worden toevertrouwd. Ik acht het bovendien en voor de vrijheid der ingezetenen, die dan toch met noodeloos behoeven te worden bemoeilijkt, èn voor de berei-king van het met eene wet of verordening beoogd doel, van het grootste gewicht dat iemand die staat op het standpunt van den Officier van Justitie, meer van nabij ziet op welke wijze uitvoerende ambtenaren die wetten en verordeningen meenen te moeten handhaven. Eene merkwaardige circulaire van den Minister van Justitie van 27 Juni 1893 a) waarbij het Openbaar Ministerie er op wordt gewezen, dat slechts dan behoort te worden vervolgd, wanneer inderdaad vervolging wenschehjk is, zou e meer tot haar recht komen. De parketten bij do Rechtbanken zouden natuurlijk moeten worden vei-
steikt, men zou echter do dan ook jongere substituten
gedurende hunne eerste dienstjaren eene wat lageie bezoldiging kunnen geven. Opgelost zou ook zijn de moeilijkheid van de vervanging van de Am tenaren van het O. M. Zooals bekend, moet thans voor ieder Kantongerecht door den Kantonrechter bij verhindering of ontstentenis van den Ambtenaar van het O. M. een Kantonrechter-Plaatsver-vanger worden aangewezen h) om het O. M. waar a) Zie mjvoc^l op hel Staatsblad va. Mr. 1893,
l6i)enuitórukker,jke aanwijzing is uoodig ook voor hrtaautcekeneiivan
, ; J âââ.âtic zie O. a. vonnis Rechtbank Dordrecht 3 JNov.
hoogcr beroep ol cassatie, /.il ,cn, -«7 r.n', V r J.
1S93 W. 6-134 en Rechtbank Almelo 23 Jan.
1894, 42.
47
nemen a). Bij zoovele Kantongerechten hij dus is aangesteld, zooveel plaatsvervangers heeft hij. In de standplaats van den Ambtenaar zal de Plaatsvervanger den dienst althans loopende kunnen houden, maar in de. buitenkantons zal dat slechts gaan wanneer daartoe in de standplaats van den Ambtenaar in groote mate medewerking wordt verleend, feitelijk daar het werk geschiedt, en buitenaf slechts wordt geteekend. Mr. Greeve zeide het reeds: het element âklerkquot; zal dan sterk op den voorgrond treden.
§ 13. Het maximum van hot getal Deurwaarders bij de Rechterlijke Gollegiën en bij de Kantongerechten wordt thans behoudens de bepalingen van art. 13 der Wet van 1U November 1S75 (Slb/. 204) /') en van art. 14 der Wet van 9 April 1877 (Stbl. nquot;. 80) c) geregeld bij K. 13. van 15 Juli 1879) (Sth/. 143) d).
n) De Plaatsvervanger, die in ecne zaak als Ambtenaar van het O. M. heeft gedagvaard, kan natuurlijk niet in diezelfde zaak als Kantonrechter zitten. Zie ook arrest II. E. 19 Juli 18-15 \VT 053.
b) Dat artikel luidt: IJ- d-unca-.rd rs bij de ontbond'71 Gerechtshoven worden yeackt te zijn aangesteld hij het nituw' Gerechtshof te vestiytu ter plaatse waar het ontbonden Hof, Kaarbij zij hunne bediming uitoefenden zijn zetel had, of, zoo daar getn nieuw Gerechtshof gevrstigd wordt, bij de Arrnndissements-Rechtbank ter p'aatse waar hel ontbonden Gerechtshof ge-vcstigd was.
Zij blijven in hel laatste geval in het genot hunner volle wedde zoolang zij als Deurwaarder bij de Arrondissements-Rechtbank in functie zijn.
c) Dat artikel luidt: De Deurwaarders bij de ontbonden Rechtbanken of Kantongerechhn worden geacht te zijn aangesteld bij de Rechtbank of de Rechtbanken, bij hel Kantongerecht of de Kantongerechten, waartoe hel gebied behoort van de ontbonden Rechtbank of het ontbonden Kantongerecht, waarlij zij hunne bediening uitoefenden. Zij zijn niet verplicht hunne woon-plaatser, naar een der nij uwe zetels over te brengen.
d) Merkwaardig is het dat ook bij dit Koninklijk Bisluit, terwijl het wel degelijk het getal Deurwaarders bij de Kantongerechten regelt, èn in het intitule èn iu de considerans slechts sprake is van de Rechterlijke Collegiën. Een bewijs te meer dunkt mij, dat, tenzij men te doen heeft met ecne met zorg bewerkte Wet, het zeer bedenkelijk is uit de omstandigheid dat er slechts sprake is van Rechterlijke Collegiën af te leiden dat de bepaling niet zou gelden voor de Kantongerechten. Onze Wetgever schijnt maar niet te kunnen breken met zijne gewoonte om het Kantongerecht een Collegie te noemen.
Dat maximum wordt vastgesteld: voor den Hoogen liaad op vier; voor eeu Gerechtshof op drie; voorde Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam op twaalf, voor die te Rotterdam op zeven, voor die te 's Gra-veuhage op vijf, voor do overige op vier, allen aan te stellen in de Arrondissements hoofdplaatsen; daarenboven kunnen nog in elk Kanton ten hoogste twee Ar-rondissements-Deunvaarders worden aangesteld wi.lko hunne verblijfplaats buiten de Arrondissements-hoofd-plaats moeten hebben: voor de Kantongerechten op één. Aan de Deurwaarders bij de Arrondissements-Rechtbank, die niet zijn aangesteld tot Deurwaarders bij het Kantongerecht, kan de bevoegdheid worden gegeven om, in het Kanton waar zij gevestigd zijn, ook bij het Kantongerecht te fungeeren.
Volgens art. 2 Reglement IV mogen de Deurwaarders bij de Gerechtshoven tevens zijn Deurwaarders bij de Rechtbank in de residentie van het Gerechtshof zitting houdend, die bij de Arrondissements-Recht-banken ook bij het Kantongerecht in welks ressort zij resideeren.
Behoudens enkele werkzaamheden uitdrukkelijk aan de eerste Deurwaarders opgedragen, zijn alle Deurwaarders in hun ressort gelijkelijk bevoegd tot de waarneming hunner bediening (art. 1 Reglement IV) «). Dat ressort wordt geregeld in art. 8 Reglement IV. Voor die bij den Hoogen Raad b) is dat ressort
a) Men vraagt, of in geval van lijfsdwang een Deurwaarder, die in zijn Kanton iemand in gijzeling genomen heeft, hem daarbuiten voeren mag om in gijzelirg gesteld te worden ? De Rechtbank te Assen Ueel't dit bevestigend beslist op 9 Januari 1845, op grond, dat de aanhouding als het eigenlijk exploit van gijzeling moet worden beschouwd en de verdere verrichtingen om in gijzeling te brengen, slechts gevolgen zijn van dat hoofdexploit, hetwelk de bevoegdheid regelt; terwijl voorts de Wet van slechts één Deurwaaider ter gijzeling spreekt, en de overgifte van den gegijzelde aan een anderen Deurwaarder op de grenzen van het Kanton onuitvoerbaar zou wezen. W. van 27 November 1845, no. 055.
b) Bovendien zijn zij in strafzaken bevoegd door het geheele land arresten en bevelschriften van den Hoogen Raad te beteekenen en ten uitvoer te leggen.
49
het Arrondissement 's Gravenhage; voor die bij de Gerechtshoven a) het Arrondissement, waarin het Gerechtshof zetelt, voor die bij de Rechtbanken en voor die bij de Kantongerechten respectievelijk het ressort der Rechtbank en van het Kantongerecht waarbij zij zijn aangesteld.
De Deurwaarders moeten den leeftijd van 23 jaren hebben bereikt. Zij worden bij voorkeur gekozen uit personen, die gemimen tijd onafgebroken gewerkt hebben op het kantoor van eenen praktizijn of notaris, of bij eenen deurwaarder of aan een kantoor van registratie van gerechtelijke akten of op de Griffie van een der Rechterlijke Collegiën h) binnen dit rijk.
Alvorens bij het Kantongerecht in dienst te treden legt de Deurwaarder op eene openbare civiele terechtzitting der Rechtbank, die hem benoemde, den eed of belofte af. Die eed (belofte) is behalve den eed (de belofte) van zuivering voorgeschreven bij K. B. van 25 Februari 1817 c) van den navolgenden inhoud :
âIk zweer (belove) getrouwheid aan de Koningin âen dat ik de Grondwet zal onderhouden en naar-âkomen (lees nakomen).
âIk zweer (belove) dat ik mij in allen deele zal âgedragen naar de wetten en reglementen op mijne âbediening daargesteld; alle exploiten, waartoe ik âzal worden verzocht, of die mij zullen bevolen âworden, getrouwelijk en met naarstigheid te zullen
a) In strafzaken kunnen zij daarenboven in het geheele ressort van hun Gerechtshof de arresten en bevelschriften van den Hoogen Raad en van alle Gerechtshoven beteekenen en ten uitvoer leggen.
b) Zie aanm. d bladzijde 47; hier wordt onder Collegie natuurlijk ook het Kantongerecht bedoeld.
c) Die eed te vinden in S/61, no. 13 van 25 Februari 1817 luidt:
'Ik zweer (verklare) dat om tot.........te worden benoemd, ik
quot;directelijk of indirectelijk aan gecne personen, hetzij in of buiten het quot;bestuur, oneer wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven quot;beloofd of gegeven heb, noch beloven of geven zal.quot;
50
âuitvoeren, en in het algemeen mijne functiën met quot;nauwgezetheid en eerlijkheid, en tevens met allen âeerbied voor de Rechterlijke Autoriteiten te zullen âwaarnemen (art. 3 llegl. 1\).
De Deurwaarder bij hot Kantongerecht w ordt aangesteld door de Arrondissements-rechtbank a) waaronder het Kantongerecht behoort, op een voordracht van den Kantonrechter, in te zenden aan den Officier van Justitie, gelijk bepaald is bij het Reglement N0. IV op de organisatie en den dienst der Deurwaarders en verdere rechtsbedi enden, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 14 September 1838 (nn. 36); en door dat College beëedigd h). De voordracht kan uit één of meer personen bestaan, maar dat de Rechtbank nimmer mag aanstellen buiten de voorgedragene personen, zoodat, indien zij hen allen afkeuit, ei eene nieuwe voordracht geschieden moet, is alzoo begrepen door de Arrondissements-Rechtbank tc Assen in 1854, toen zij weigerde te beëedigen een Deurwaarder door het Hof benoemd buiten de voordracht van drie personen, door haar gedaan. Wbl. van 27 Maart 1S54 nft. J524. De Hooge Raad was echter van eene andere meening, en gelastte bij Arrest van 31 Maart 1.854 aan de Rechtbank te Assen, overeenkomstig het rekwisitoir van het O. M., om den buiten de voordracht benoemden Deuiwaarder te beëedigen. Dat Arrest was in strijd met de concl. van den Procureur-Generaal van Maaxen, die het in principe wel met den Officier eens was, maar concludeerde tot niet ontvankelijk verklaring omdat,
a) De Officier van Justitie werkt daarbij uiet mede. Zie arrest 11. E.
29 April 188ö W 5285.
b) Art. 3 Regl. IV. Bij Koninklijk Besluit van 29 April 1877 {Stbl. no 92) 'werd bij art. 2 bepaald, dat de Deurwaarders, die yolgens de art. 13 eu 14 der Wet van 9 April 1877 {Sl6!. no. 80) werden geacht te zijn aangesteld bij liet Kantongerecht of de Kantongerechten waartoe het gebied behoorde, van het ontbonden Kantongerecht waarbij zij hunne bediening uitoefenden, hunne bediening zouden blijven uitoefenen op den vroeger door hen afgelegden eed.
51
volgens hem, de zaak wel voor appèl maar niet voor cassatie vatbaar was. Indien den Deurwaarder bij zijne aanstelling geene bepaalde residentie is aangewezen, moet hij zijne woonplaats houden in de hoofdplaats van het Kanton (art. 9 Regl. IV). Bij de Kantongerechten waarbij slechts één Deurwaarder is aangesteld, fungeert deze als cemlc Deurwaarder a) (art. 5 van Regl. IV) en is hij als zoodanig meer bepaaldelijk belast met den dienst op de terechtzittingen.
De Deurwaarder, die niet den dienst op de terechtzittingen belast is, moet aldaar een half uur vóór den aanvang tegenwoordig zijn, behoorlijk in het zwart gekleed, hebbende om den hals een zilveren penning met 's Rijks wapen aan een oranjelint; voorts ter griffie lichten een uittreksel van de zaken, die moeten worden opgeroepen, de zaken ter rolle oproepen, zorg dragen, dat niemand vreemds de gehoorzaal, wanneer de deuren gesloten zijn, binnentrede zonder toegelaten te zijn, en onder de orders van den Kantonrechter handhaven de politie op de terechtzittingen, alsmede op gelijke wijze bij alle andere com-paritiën, waar de Kantonrechter zulks noodig mocht achten, den inwendigen dienst verrichten. Art. 5 Relt;d. II, en art. 6 regl. IV. â De Deurwaarder is verplicht zijn dienst te leenen te allen tijde als die wordt ingeroepen; en ingeval hij meent te mogen weigeren, moet hij daarvan dadelijk kennis geven aan den Kantonrechter, hoezeer hij desniettemin voor die weigering in allen opzichte jegens de partijen verantwoordelijk blijft. Art. 10 Regl. IV zegt niet, wat de Kantonrechter ingeval van die kennisgeving doen moet, maar het ligt in den aard der zaak, dat hij
d) De Deurwaarders worden onderscheiden in eerste en gewone Deurwaarders (art. I Segl. IV). Art. G van liet Reglement bepaalt dat de Voorzitters der Collegiën, waaronder ook wordt verstaan de Kantonrechter, wanneer zulks noodig is tijdelijk ter vervanging van den eereten Deurwaarder een anderen kunren aanwijzen.
52
den Deurwaarder de noodige inlichtingen en vermaningen moet geven, zoo deze in dwaling verkeeren moeht. â De Deurwaarders mogen, misschien met uitzondering van het geval van rechtsweigering, waarvan hierna gesproken zal worden, niet exploi-teeren voor, wel tegen, hunne bloedverwanten of aanbehuwden in de rechte lijn, en in de zijlijn tot den graad van broeders- en zusters-kinderen ingesloten^ doch wel voor de aanbehuwden hunner vrouwen volgens den in ons recht steeds geldenden regel: a ff int tas non parit alfinitalem a), hoezeer zulks bij art. 66 Cod. Proc. civ. verboden geweest is. Wbt. n0. 313. In geval van beletsel wegens verboden graad, en zoo er geen andere Deurwaarder in het Kanton aanwezig is, wijst volgens art. 16 W. B. li. de Kantonrechter van de plaats, waar het exploit gedaan moet worden, daartoe eenen bepaalden persoon aan, die, hoezeer zulks niet uitdrukkelijk is voorgeschreven, al de vereischten van eenen Deurwaarder behoort te hebben en mitsdien te zijn Nederlander en boven de 23 jaren oud. Art. 4 Regl. IV. De Wet zegt niet, in welker voege de aanwijzing van dien persoon geschieden moet, maar mij dunkt, dat men hierin het best volgt de wijze, bij art. 7 \\ . B. R., ofschoon voor een ander geval voorgeschreven, namelijk dat de Kantonrechter zijne aanwijzing stelle aan het hoofd van het exploit. Eene mondelinge aanwijzing door ' dien persoon in het hoofd van zijn exploit vermeld gelijk art. 290 voor een ander geval voorschrijft, zou zeker ten dezen niet volstaan kunnen. â Bij onachtzaamheid in de bediening of bij wangedrag mag de Deurwaarder door den Kantonrechter worden berispt of voor den tijd van acht dagen tot drie maanden geschorst of ook geheel ontzet naarmate der omstan-
fl) Te recht is het opgemerkt in li. Bijblad. Ut, 105, dat men in art. 350 B. W. inplaata van bloedverwanten der echtgenootcn lezen moet tcht-yenooten der bloedverwanten.
53
digheden. a) Vreemd is het, dat, terwijl de aanstelling door de Arrondissements-recbtbank geschied is, de ontzetting door den Kantonrechter gedaan kan worden. Art. 14 Regl. IV.
HOOFDSTUK II.
verschillende rechten ex verplichtingen van de rechterlijke ambtenaren bij de kantongerechten.
S 14. Alvorens in dienst te treden, moeten de Kantonrechters, hunne Plaatsvervangers, de Griffiers en de Ambtenaren van het Openbaar Ministerie bij de Kantongerechten, in handen der Rechtbank van het Arrondissement, waaronder zij behooren, afleggen den eed of de belofte, bij art. 29 E. O. voor alle leden der Rechterlijke Macht voorgeschreven; dat zij getrouw zidleu zijn cum dr. Koningin, en de grondwet zullen onderhouden en nakomen, dat zij middellijk noch onmid-dellijk, onder welken nauiii of voorwendsel, tot het verkrijgen huivier aanstelling, aan iemand, wie hij ook zij, iets hebben gegeven of beloofd, noch zullen geven of beloven, dat zij nimmer eenige giften of geschenken hoegenaamd. zullen aannemen of ontvangen van eenig quot;persoon, welke)) zij weten of vermoeden eenig rechtsgeding of zaak te hebben of te zuilen krijgoi, in welke hunne ambtsver-richtingcn zoude)) kun))/)) te pas komen; dat zij voorts hunne posten met. eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien ran personen zullen waarnemen en zich. i)i de uitoefening h)inncr heilieni)u] gedragen, zoo als braven en eerlijken rrch terlij ken Ambtenaren betaamt. Art. 1 Regl. 1. â Er is geen tijd voorgeschreven, binnen welken de eedsaflegging geschieden moet. Volgens hel Arrêté van li» vend, an 9 (Fortuvn II. 134), moesten de Vrederechters eu hunne Plaatsvervangers zich daartoe aanmelden binnen een maand
d) Bij arrest van G NovtMiibcr 185.') {W . 179G) besliste de Hoogc Raad dat een Deurwaarder geen beroep heeft tegen de bcsehikking waarbij hij ingevolge Art. 14 Regl. IV uit zijne bediening is ontzet.
54
na de kennisgeving hunner benoeming op strafTe van verval dier benoeming. Doch deze bepaling past niet op de Kantonrechters en hunne Plaatsvervangers, die slechts moeten afwachten de aanschrijving van den Officier van Justitie, op wiens requisitoir de eedsaflegging geschieden moet, en wel op een rechtsdag, die voor de behandeling van burgerlijke zaken bestemd is. Hiervan wordt eene acte opgemaakt, die, benevens het besluit der benoeming, wordt ingeschreven in een daartoe bij de Rechtbank gehouden register, waarvan een uittreksel, bevattende de acte van den afgelegden eed, aan den beëedigde wordt uitgereikt tegen voldoening der daarvoor bepaalde griffierechten. Art. '2 en 3 Regl. I. Daar de Plaatsvervangers slechts voor 5 jaren worden aangesteld, zullen zij bij elke herbenoeming opnieuw den eed moeten afleggen. Over de eedsaflegging van hem die den Griffier vervangt zie § 8.
§ 15. De installatie van de Kantonrechters, hunne Plaatsvervangers, de Ambtenaren van het Openbaar Ministerie en de Griffiers bij de Kantongerechten geschiedt door de eenvoudige voorlezing der acte van beëediging ter terechtzitting van het Kantongerecht door den Griffier of door hem die hem vervangt. Art. 4 Regl. I. ') Eene plechtige installatie met aanspraken en toespraken, als soms geschiedt (zie Mhl. nn. 1011), schijnt in strijd met de woorden van het Regl. hetwelk spreekt van de eenvoudige voorlezing, en zulks tegenover de plechtige zitting der Oollegiën.
Vóór de installatie kan de nieuw benoemde geenerlei functiën uitoefenen. Met van dek Kemp's meening, dat de nieuw benoemde Kantonrechter zich zelf zou kunnen installeeren, kan ik mij dan ook niet vereenigen.
i) Overeenkomstig liet Koninklijk besluit van 20 April 1877, {SM. no. 91), had de beöediging en installatie der nieuwe Arrondisscments-Kechtbanken en Kantongereehten plaats op den 14 Mei 1877 in pleehtige algcmeene terechtzittingen, van elk der Gerechtshoven, binnen wier Rechtsgebied de Rechtbanken eu Kantongerechten gevestigd zijn.
55
Mij dunkt het is duidelijk dat de terechtzitting niet kan geopend worden door den niet geinstal-leerden Kantonrechter; dat moet een Plaatsvervanger doen. Is op diens verzoek de akte van beëediging voorgelezen, dan eerst kan de nieuw benoemde Kantonrechter zitting nemen. Het Reglement voorziet zelf het geval van installatie van een nieuwen Griffier door te spreken van hem die dezen vervangt. De nieuw benoemde behoeft ter terechtzitting niet tegenwoordig te zijn.
§ 1G. Volgens Art. 1 van Regl. 11, voeren de Kantonrechters den titel van Edel Achtbare Ilceren. De Ambtenaren van het O. M., en de Griffiers worden in dat art. niet genoemd. Eene bepaalde reden van uitsluiting vindt men niet gemeld. Van der Kkmp dacht in de 2lIe editie van dit werk aan een âslordigheid van redactie.quot; liet is vreemd, dat men bij de algemeene schoonmaak in 1877 er niet aan gedacht heeft die lacune te herstellen, en dat te meer, omdat èn de Ambtenaren van het ü. M. èn de Griffiers behooron tot de leden van de Rechterlijke Macht.
§ 17. Het ambtsgewaad, of naar de taal der wet, âhet Costuumquot;' der I(echter]ijke Ambtenaren bij de openbare terechtzittingen, gelijk mede wanneer zij, hetzij en corps hetzij bij commissiën uit hun midden ten Ilove verschijnen, of ambtshalve, openbare plechtigheden bijwonen, werd vastgesteld bij art. 2 Reglement 11 van het K. B. van 14 Sept. 183S (btbl. Xn. 36) on bestaat: uit eene zwarte onderklee-ding, een zwart bovenkleed of simare, gesloten met eenen breeden nederhangenden gordel, een zwarte tabbaard ot toga met wijde mouwen, een zwarte muts tot hoofddeksel en eene nederhangende geplooide
') bij oen zoogenaamd Cunr. \0lgeu3 de IT. R. is liet verschijnen en corj.s van dat eollegie op een cour, toch een individueel verschijnen ten Hove, omdat de Voorzitter, bij het voorbijtrekken, de namen der leden met luider stemme uitspreekt.
56
bef van wit baptist, naar de onderscheidingen bij dat artikel vermeld.
Het voorlaatste lid van dat artikel, betreffende het costuum van Kantonrechters en Griffiers, werd gewijzigd bij K. B. van 30 Mei 1877 (Stbl. n0. 142) waardoor âde slordige strijdigheidquot; zooals van «er Kemp zich uitdrukte, die daarin omtrent den gordel bestond verdwijnen kon en ook het costuum der Ambtenaren van het Openbaar Ministerie worden bepaald, welke bepaling noodig was geworden omdat voor do Ambtenaren van het ü. M. bij de Kantongerechten, die vroeger niet tot de Rechterlijke Ambtenaren werden gerekend te bobooren, geen costuum was voorgeschreven.
Het eenig Artikel van het K. B. van 30 Mei 1877 {Stil. N0. 142) luidt:
Het voorlaatste lid van art. 2 van het Reglement II wordt gelezen als volgt:
âVoor de Kantonrechters, de Griffiers en de âAmbtenaren van het Openbaar Ministerie bij âde Kantongerechten, de simare, de toga en de âmuts van zwart grein; de gordel van zwarte âzijde.quot;
Van een das en haar kleur is in het Reglement 11 art. 8 geen sprake. Hij, die daaruit de gevolgtrekking zou willen maken, dat hij zonder das ter terechtzittingen mag verschijnen, of in ieder geval met een das van de kleur die hem het meest bekoort, zou zich echter schromelijk bedriegen. Die hoogst belangrijke kwestie is eenmaal uitgemaakt bij vonnis van de Arrondissement Rechtb. te Amsterdam van 15 April 1840, W. 4 Mei 1840, N0. 92.
Mr. F. A. van Hall, de latere minister van Justitie, kwam ter rolle als Advokaat met een zwarte das. De president (Mr. A. Q. Peksijn) berispte hem daarover. Mr. Van Hall verzocht akte dat hij erkende met een zwarte das, doch tevens met een nederhangende bef te zijn verschenen, en dat hij
57
bereid was uit deferentie voor den President een anders gekleurde das aan te doen.
Maar de Officier van Justitie (Jhr. Mr. D. Rutgers van Rozenburg, subs, off.) nam daarmede geen genoegen en eischte de niet-toelating van den Heer Van Hall.
De Rechtbank verklaarde daarop den lieer Van Hall als advokaat dien dag niet te kunnen toelaten en verdaagde de zitting.
Zij overwoog; dat de bij het reglement voorgeschreven nederbangende bef van wit baptist, niet anders kan verstaan worden dan één geheel met do das uittemaken, daar van ouds de bef is geweest eene verlenging der dasslippen, door magisstraats-personen gedragen, tengevolge waarvan het ten ee-nemale overbodig werd na het bepalen der kleur en van den vorm der bef, nog afzonderlijk van de kleur der daarbij beboorende das in het reglement te gewagen. Mr. \ ax Ham. berustte in dit vonnis.
Voor de geschiedenis voeg ik hieraan nog toe de vermelding van het feit, dat in hot Engclsch dagblad âThe Courierquot; van 20 April 1lt;S-10 als oorzaak van het geschil werd genoemd, een pikanterie der âministerial judgesquot; tegen Van Hall, als schrijver van eenige artikelen in het Handelsblad over de mini-sterieele verantwoordelijkheid.
Individueel ten Move verschijnende of openbare plechtigheden bijwonende, zullen volgens artikel 3 van reglement Ti, de leden van de Rechterlijke Macht het navolgende costUum kunnen dragen; zwarte ge-kleede lakensche rok met zwarte zijde gevoerd; zwarte onderkleeding; driekante hoed met zwarte liggende pluimen en een oranje-kokarde; degen met verguld gevest, met deze onderscheiding, dat voor de Kan-
') â¢' ⢠ScitAlïP, Oudheid- en Geschiedkundige Verhandcliug over de Beffen of Halskragen, enz. Rotterdam bij J. 1'. van Ginkkl, 1800, opgedragen aan den Edelou Groot-Achtbaren Raad der stad Rotterdam.
58
tonrechters en Griffiers alleen de kraag en opslagen der mouwen geborduurd zullen zijn niet eiken- en oranjetakken van zwarte zijde ter breedte van vier duimen, terwijl de knoopen van zwarte zijde moeten zijn.
Bij circulaire van den toenmaligen minister van Justitie Mr. F. A. van Hall, van 10 September 184-2, (te vinden o. a. in Bijv. tot hd Slaatshlad, uitgaaf d'Engelbroxnkk, tweede serie bl. 161) werd medegedeeld, dat bet Z. M. bebaagd bad, eene wijziging daar te stellen in bet costuum der Recbterhjke Ambtenaren individueel ten Ilove verschijnende, en te bevelen dat dat âHof-costuumquot; zal zijn:
Zwart lakensche gekleede frak, met zwarte zijde gevoerd, volgens de snede van het costuum der leden van den Raad van State, zwarte casimieren pantalon met galon belegd ter breedte van 4 Nederl. duimen, driekanten hoed met zwarte liggende pluimen en eene oranje-kokarde, degen met verguld gevest; voor de Kantonrechters en Griffiers bet borduursel van zilver en alleen op de kraag en de opslagen dei-mouwen ter breedte van 4 duimen.
Echter werd bepaald dat de Rechterlijke Ambte-tenaren bij hunne verschijning ten Ilove, zich bij voortduring kunnen blijven bedienen van bet costuum voorgeschreven bij art. 3 van bet reglement H goedgekeurd bij K. B. van 14 September 1838 {Sihl. N quot;. 3b). ^ Tenzij men mocht meenen dat bovenstaande bepalingen, gegeven in een tijd toen er bij de Kantongerechten nog geene Ambtenaren van het Openbaar Ministerie bestonden, ook op hen toepasselijk zijn, zal voor hen gelden bet hofkostuum, zooals dat in
bet algemeen is voorgeschreven.
§ 18. De Kantonrechters en hunne Plaatsvervangers hebben bun vast en voortdurend verblijf in het Kanton, in welks hoofdplaats zij hunne terechtzittingen houden.
De Griffiers hebben in die hoofdplaats bun vast
en voortdurend verblijf, tenzij bun door de Koningin
59
eon andere plaats in het Kanton tot vast en voortdurend verblijf werd aangewezen.
Wanneer het Kanton een gedeelte eener gemeente uitmaakt, is het voldoende dat de Kantonrechter, zijn Plaatsvervangers en de Griffier, binnen die gemeente hun vast en voortdurend verblijf hebben.
Van der Kemp meende uit de verplichting om in het Kanton te wonen te mogen afleiden dat de Kantonrechter niet buiten zijn Kanton mag werkzaam zijn, zelfs geene jurisdictio voluntaria uitoefenen. Daar gelaten of dit laatste waar is «) ontgaat me in alle geval het verband tusschen die onbevoegdheid en de verplichting om te wonen binnen hét Kanton.
De Ambtenaren van hot Openbaar Ministerie bij de Kantongerechton, hebben hun vast en voortdurend verblijf ter plaatse door do Koningin aan te wijzen, zegt Art. 34 R. O. zooals het is gewijzigd bij de Wet van 9 April 1877 {Sihl. no. 73.)
Bij verschillende Koninklijke Besluiten zijn do standplaatsen en dienstkringon dor Ambtenaren van hot Openbaar Ministerie thans geregeld als volgt:
in hri Arrondisssemcnl 's HERTOGENBOSCH:
Standplaats 's Hortogenbosch : voor het Kanton 's Hertogenbosch;
Standplaats 's Hortogenbosch: voor de Kantons Oss, Heusden, Waal wij k en Oirschot;
Standplaats Eindhoven: voor de Kantons Eindhoven, Veghel en Boxmeer;
in het Arrondissement BREDA:
Standplaats Breda: voor de Kantons Breda on Tilburg;
Standplaats Breda: voor de Kantons Oosterhout, Zevenbergen en Bergen op Zoom;
Zie ook W. 1229.
60
in het Arrondissement MAASTRICHT: Standplaats Maastricht: voor de 4 Kantons;
in hel Arrondissement ROERMOND: Standplaats Roermond: voor de 4 Kantons;
vi het Arrondissement ARNHEM:
Standplaats Arnhem: voor de Kantons Arnhem, Doesborgh en Terborg;
Standplaats Nijmegen: voor de Kantons Nijmegen, Wageningen en Eist;
iu het Arrondissement ZU1PHEN:
Standplaats Zutphen: voor de 4 Kantons;
in hel Arrondissement TILL:
Standplaats Tiel: voor de Kantons Tiel en Clel-dermalsen;
Standplaats Tiel: voor de Kantons Zalt-Bommel, Druten en Vinnen;
iu hel Arrondissement ZWOLLL:
Standplaats Zwolle: voor de 4 Kantons;
in het Arrondissement ALMELO:
Standplaats Almelo: voor de 3 Kantons;
in het Arrondissement 's G RAVEN H AGE:
Standplaats 's Gravenliage: voor de Kantons 's Gra-venhage en Delft (twee Ambtenaren);
Standplaats Leiden: voor de Kantons Leiden en Alphen;
i)i het Arrondissemcut ROTTERDAM:
Standplaats Rotterdam: voor de Kantons Rotterdam I en Schoonhoven;
Standplaats Rotterdam: voor het Kanton Rotterdam 11;
61
Standplaats Rotterdam: voor de Kantons Rotterdam IIJ en Gouda;
Standplaats Schiedam; voor de Kantons Schiedam, Brielle en Sommelsdijk;
in het Arrondissement DORDRECHT: Standplaats Dordrecht: voor de ö Kantons;
in het Arrondissement MIDDELBURG: Standplaats Middelburg: voor de Kantons Middelburg en Goes;
Standplaats Middelburg: voor de Kantons Oostburg, Ter Neuzen en Hulst;
in het Arrondissement ZIERIKZEE: Standplaats Zierikzee: voor de 2 Kantons;
in het Arrondissement AMSTERDAM: Standplaats Amsterdam: voor het Kanton Amsterdam I;
Standplaats Amsterdam: voor het Kanton Amsterdam II;
Standplaats Amsterdam: voor de Kantons Amsterdam III en Hilversum;
Standplaats Amsterdam: voor het Kanton Amsterdam IV;
in IkU Arrondissement ALKMAAR: Standplaats Alkmaar: voor de Kantons Alkmaar, Schagen en Helder;
Standplaats Hoorn: voor de Kantons Hoorn en Medemblik:
in het Arrondissement HAARLEM: Standplaats Haarlem: voor de 4 Kantons;
in het Arrondissement UTRECHT:
Standplaats Utrecht: voor de Kantons Utrecht en Wijk bij Duurstede;
Standplaats Utrecht: voor de Kantons Amersfoort, Breukelen-Nijenrode en Woerden;
02
bi het Arrondissement LEEUWARDEN : Standplaats Leeuwarden: voor de Kantons Leeuwarden, Berlikum, Dokkum en Bergum;
Standplaats Bolsward: voor de Kantons Harlingen, Sneek, Bolsward;
ijj Jict Arrondissement IIEERENVEEN: Standplaats Heerenveen: voor de 4 Kantons;
in het Arrondissement GRONINGEN: Standplaats Groningen: voor de 4 Kantons;
in het Arrondissement WINSCHOTEN: Standplaats Winschoten: voor de 2 Kantons;
in het Arrondissement ASSEN:
Standplaats Assen: voor de 4 Kantons.
§ 19. Indien het niet reeds van zelf sprak, dat er voor ieder Kantongerecht een lokaal moet beschikbaar gesteld zijn tot het houden der openbare terechtzittingen, zou dit volgen uit de bepaling van art. 252, 253 in verband met art. 224 laatste lid van het Wetboek van strafvordering, uit artikel 27 laatste lid van het Reglement I van 18b8 en uit tal van andere wetsbepalingen, onnoodig hier alle te vermelden.
Tot aan het jaar 1800/61, werd in de behoefte aan localen voor de Kantongerechten voorzien door de Gemeenten, waarin die gevestigd waren. Men steunde daarbij op zeker Arrêté van 30 fructidor an X qui règle Ie traitement tixe des Greffiers des Tribunaux de police dans les villes ou il y a plusieurs Justices de paix (Bulletin des Lois Nquot;. 1988).
De zucht om de gemeenten in hun finantieelen nood tegemoet te komen, was aanleiding dat men ook bij de vertegenwoordiging, onder anderen bij de behandeling der Staatsbegrooting voor 1859, er op
63
aandrong dat de gemeenten zouden worden ontheven van verschillende uitgaven, die ten laste van den Staat moeten komen, waardoor van zelf de vraag aan de orde kwam, of werkelijk de gemeenten verplicht waren, te zorgen voor localen voor Rechts-collegiën binnen hare muren gevestigd, óók met het oog op de bepalingen der Provinciale- en Gemeente-Wet.
Dat het onderzoek niet anders dan in het voordeel der gemeenten kon uitvallen was licht te voorzien, vooral toen het bleek, dat het voorzegd Arrêté nimmer hier te lande werd executoir verklaard.
Nadat de Heer Mr. M. H. Godefroi, toen lid van de 2cie Kamer der St. Generaal, in 1859 op niet te wederspreken gronden had aangetoond '), dat niet op de gemeenten, maar op het rijk rustte de zorg voor een lokaal ten dienste van het Kantongerecht, bracht hij, in Maart 1860 tot Minister van Justitie benoemd, als zoodanig in praktijk, wat in theorie door hem was verdedigd en leverde daardoor het bewijs, dat het niet altijd waar is, wat wel eens beweerd is, dat hij, die de betrekking van controleur verwisselt met die van goeverneur, ook tevens den bril verwisselt, waardoor hij de zaken pleegt te bekijken.
En zóó hebben de Kantongerechten het aan hem te danken, dat ze uit billardkamers, kroegen of kleine donkere achter-raadhuis-kamertjes werden verplaatst naar zoodanige omgeving en lokalen, als met de waardigheid van het Rechtswezen meer schijnt te strooken. Heeft de Wet van 1877 tengevolge gehad,
O O O '
dat menig bruikbaar lokaal moest verlaten worden en vervangen door een daarvoor minder geschikt, de regeering zal zeker altijd bereid gevonden worden aan billijke eischen te voldoen, wetende, dat het haar
') Zie het belangrijk betoog quot;Een woord over de verpligting der gemeenten tot voorziening in de hniavesting der Rechterlijke Collegiënquot; in Bijdragen tot de kennis van het Staats-, Provinciaal-en Gemeentebestuur in Nederland. Deel III, bl. 280â2ÃÃ.
64
plicht is te zorgen voor behoorlijke huisvesting der
Rechtscollegiën.
Volgens art. 27 en 2S van het Reglement I zijn ook na de invoering der wetten van 9 April 1877, de dagen der gewone terechtzittingen a) en het uur van haar aanvang door ieder Kantongerecht, binnen drie maanden na de installatie, bij een bijzonder reglement bepaald geworden, dat, na door den Minister van Justitie te zijn goedgekeurd, bij aanplakking aan het gebouw van het Kantongerecht en door middel der dagbladen openlijk werd bekend gemaakt.
Voor zooveel andere bepalingen van dat Reglement I ook op de Kantongerechten van toepassing mochten zijn, zullen die te gelegener plaatse worden vermeld.
liet artikel 90 van dat Reglement bepaalt o. a. dat alle andere beschikkingen, rakende den inwen-digen dienst, welke mochten worden noodig bevonden, en die, als van bijzondere omstandigheden afhankelijk, in dat Reglement I niet zijn kunnen worden begrepen, door ieder Kantongerecht worden vervat in een afzonderlijk Reglement van orde, hetwelk met het advies van den Hoogen Raad, aan de goedkeuring der Koningin wordt onderworpen, en daarna door aanplakking en door middel der dagbladen openlijk moet worden bekend gemaakt. Dan de noodwendig eenvoudige gang van zaken bij de Kantongerechten doet ons twijfelen of er wel zulke afzonderlijke Reglementen bij eenig Kantongerecht zullen noodig geacht zijn. Zeker toch is het dat, voor zooveel betreft het Kantongerecht der Residentie, âde oudste menschen zich niet herinneren, ooit zoo'n reglement van orde te hebben gezien.quot;
§ 20. De Kantongerechten genieten geen vacantie-tijd. Art. 17 R. O. toch, hetwelk de overige Collegiën als vacantietijd genietende opnoemt, sluit daardoor
a) Wanneer een goede gang van zaken liet vereisclit, kan de Kanton-rccliter ook bepalen dat er ceno buitengewone terechtzitting zal worden gehouden, art. 29 Reglement I.
05
van zelf de Kantongerechten uit. Ket tegendeel af te leiden uit art. 0 Regl. I, hetwelk bepaalt wat de Leden der lieehterlijke Macht doen moeten, die zich buiten den tijd der vacantie zouden wenschen te verwijderen, zou niet dan bij ecne uiterst gedwongen verklaring kunnen geschieden, gelijk reeds is aangetoond in R. Bijbl. III. 371â370. W. n0. 225 uk Pixto, R. O. II § 12.
Art. 10 der Wet op do K. O. luidt thans: de Leden van de lieehterlijke Machl kuiincii huilen den tijd der vacanüën zich van de plaats van hun. vast en voortdurend verblijf ') niet verwijderen zonder daartoe verlof te hebben n, I li echt zegt ijl Pixïo (K. O. II § 12) dat, wilde men dit artikel letterlijk opvatten, het geen Lid der Rechterlijke Macht zou vrijstaan zich, buiten dc vacantiën, ook maar een oogenblik buiten zijne standplaats te begeven zonder verlof. 1) Hij meent echter dat de Wetgever hier onder zich verwijderen verstaat langer dun acht dagen afwezig zijn. Zeker is het dat art. 0 Regl. I slechts spreekt van verlof voor het geval de afwezigheid langer dan 8 dagen duurt. liet bepaalt o. a. dat, wanneer hun dienst niet gevorderd wordt 8), de Kantonrechter en de Griffier om zich langer dan 8 dagen uit het Kanton te verwijderen, verlof moeten hebben van den President der Rechtbank, waar zij onder ressorteeren. Dc Ambtenaren van het Openbaar Ministerie bij de Kantongerechten hebben, wanneer zij zich langer dan acht dagen willen verwijderen uit de Kantons, waar zij hunne bediening uitoefenen, verlof noodig van
5
1
In de Wet van 31 Mei 18G1 {Stbl. 49) werd de bevoegdheid om zich zonder verlof gedurende minder dan 8 dagen uit zijne standplaats te verwijderen uitdrukkelijk gegeven.
66
den Officier van Justitie bij de Arrondissements-Hechtbank waaronder zij behooren. Verloven van langer dan ééne maand worden slechts verleend door den Minister van Justitie, liet Reglement bepaalt dat de Minister alvorens op een dusdanig verzoek te beschikken inwint, het bericht van den President en van den Procureur-Generaal of van den Officier van Justitie van het Collegie waartoe de Ambtenaar behoort. Aan de Kantongerechten is hier ook weer niet gedacht. Het is echter gewoonte dat voor verloven van langer dan ééne maand van hunne Ambtenaren de Officier van Justitie wordt gehoord.
Om zich buiten het Koninkrijk te mogen begeven moeten alle Rechterlijke Ambtenaren steeds verlof hebben van de Koningin. Er wordt slechts verlot verleend wanneer door de afwezigheid van den Ambtenaar, die verlof verzocht, geen nadeel aan den dienst der Justitie wordt toegebracht. Het spreekt van zeil dat de bevoegdheid om voor minder dan 8 dagen zonder verlof het Kanton te verlaten, beperkt wordt door de belangen van den dienst. \ erlaat de Kantonrechter , de Griffier oi de Ambtenaar van het O. M. het ressort, zonder dat er iemand is die wanneer dat vereischt wordt, hun dienst waarneemt, of wanneer het belang der Justitie hunne tegenwoordigheid eischt, dan verwaarloozen zij hun ambt. Van de Plaatsvervangers wordt ten dezen niet uitdrukkelijk gesproken, maar als behoorende tot de Leden der Rechterlijke Macht, schijnen zij aan dezelfde bepalingen als de Kantonrechters onderworpen.
§ 21. Artikel 29 B. Rv. luidt: Be Rechters in werkelijke n dienst, de Procureurs-generaal, de Advokaten-jeneraal, de Ojficievcn van Justitie of hunne Substituten, de Grijfiers en Substituut-yriffiers zulloi zich niet nuvjen belasten met het verdedijen van do zaken der partijen, hetzij mondelimj, hetzij schriftelijk, hetzij onder den naam van consultatie, zelfs niet voor andere Hoven of Rechtbanken, dan die bij welke zij hunne functicn waarneytien.
67
Echlcr zullen zij hij alle Hoven en Jti-chtbanken hunne eujene zaken en die hunner vrouwen, hloedverinantcn of aamjehuwden in de rechte Unie, en hunner pupillen mot/en bepleilen.
Zij zullen ook geeue scheidslieden mogen zijn.
fret artikel is ongetwijfeld slordig geredigeerd. Stond in den aanhef niet de algemeene uitdrukking llech-ters, mon zou het. waar verder slechts sprake is van Hoven en Rechtbanken, bezwaarlijk op de Kantongerechten kunnen toepassen. De bedoeling is echter klaarblijkelijk liet geheele artikel van toepassing te doen zijn op de Kantongerechten, 'j Neemt men die bedoeling niet aan, dan versteekt men de Rechterlijke Ambtenaren bij de Kantongerechten ook van het voorrecht in liet 2« lid gegeven; dit kan de bedoeling van den Wetgever niet zijn geweest. Daar het artikel uitdrukkelijk spreekt van Rechters in werke-lijken dienst is het niet van toepassing op Plaatsvervangers. Het ligt echter in den aard van liet Rechterambt dat geen Plaatsvervanger zal oordeelen in eene zaak, waarin hij op eenigerlei wijze is werkzaam geweest, en dat hij in eene zaak, waarin hij als Rechter heeft gezeten, later niet op eenigerlei andere wijze zal werkzaam zijn.
Met de meening, vroeger hier uitgesproken, dat art. 24 lï. O. -) ook van toepassing zou zijn op den Kantonrechter en zelfs op den Griffier van het Kantongerecht, kan ik mij niet vereenigen. Mij dunkt, het artikel zegt duidelijk genoeg voor wie hot geschreven is, en aan eene onnauwkeurigheid valt liter
') Het geldt dus ook vooi- de later ingestelde Ambtcuaren vau liet Opeubaar Ministerie bij de Kantongerechten.
-) Dit artikel luidt: De Leden ran den Hoog en Raad, de Uoven en Rechtbanken mogen zich niet directelijk of indireetelijk over eenige voor hen aanhangige geschillen, of die zij welen of vermoeden, dat voor hen aanhangig zullen worden, in cenig bijzonder onderhoud of gesprek inlaten met partijen of derzelver Advokaten of Procureurs, noch eenige bijzondere onderrichting, memorie of schrifturen aannemen.
68
te minder te denken, waar men in de Wet van 1861 hetzelfde bepaalde, en bij de vaststelling dier Wet meende dat de uitzondering door het bijzonder karakter van den Kantonrechter geboden werd (zie FAURE Procesrecht I, blz. 127).
Al is de bepaling niet voor de Kantongerechten gesclneven, dit neemt niet weg dat het zeer wen-schelijk is, dat zij ook daar worde nagekomen. De alleensprekende rechter, die buiten de behandeling tor terechtzitting nog met een der partijen de zaak gaat bespreken, loopt al heel groot gevaar het uudito et alteram partem uit het oog te verliezen.
§ 22. De Procureur Generaal bij den lloogen Raad en die bij de Gerechtshoven en de Officieren van Justitie waken ieder in hun ressort in het bijzonder voor de handhaving en uitvoering der Wetten en Reglementen bij het Kantongerecht. Art. 52, 54 en 55 van Regl. I. Hiërarchisch hebben zij ook het toezicht over de Ambtenaren van het O. M. bij de Kantongerechten.
Handelen de Kantonrechters, hunne Plaatsvervangers of Griffiers in strijd met de waardigheid van hun ambt, verwaarloozen zij hunne ambtsbezigheden of -plichten, oefenen zij een verboden beroep uit of overtreden zij de voorschriften omtrent hun vast en voortdurend verblijf, dan kan hen de President der Rechtbank, waaronder zij ressorteeren, ambtshalve of op vordering van den Officier van Justitie, na hen in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord, de noodige waarschuwing doen (art. 14 R. O.) Alle leden der Rechterlijke Macht, onverschillig of zij voor bet leven dan wel voor een bepaalden tijd benoemd zijn, kunnen door den Hoogen Raad, doch slechts op vorderimj van den Procureur-Generaal, bij een met redenen omkleed arrest uit hun ambt worden ontzet:
1°. wanneer zij wegens misdrijf' tot gevangenisstraf of hechtenis zijn veroordeeld;
69
2°. wanneer zij verklaard zijn in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen, of wegens schulden zijn gegijzeld;
3°. wegens wangedrag of onzedelijkheid, of bij gebleken voortdurende achteloosheid in de waarneming van hun ambt;
4°. wegens overtreding van de bepalingen der Wet, waarbij hun het uitoefenen van eenig beroep wordt verboden of een vast en voortdurend verblijf wordt aangewezen, doch slechts wanneer zij te voren reeds wegens gelijke overtreding gewaarschuwd zijn.
Zij, wier ontzetting wordt gevorderd, worden ten minste 14 dagen te voren door den Prokureur-Gene-raal, bij gesloten brief, behelzende de redenen der vordering, bij Deurwaardersexploit te bezorgen, opgeroepen ten einde te worden gehoord. Getuigen kunnen zoowel ambtshalve als op verzoek van den Prokureur-Generaal of van den opgeroepene worden gehoord. Het onderzoek geschiedt in Raadkamer, de uitspraak in bet openbaar (Art. 11 R. (J.).
Alle Leden der Rechterlijke Macht worden op de zelfde wijze uit hun ambt ontslagen:
1°. bij gebleken ongeschiktheid door ouderdom, door aanhoudende lichaamsziekte of tengevolge van zielsziekte;
2°. wanneer zij onder curateele zijn gesteld; 3°. wegens de aanvaarding lt;i) van een ambt of betrekking onvereenigbaar met het Lidmaatschap der Rechterlijke Macht.
\ oor de aanspraak op pensioen der wegens onge-
«) Bij arrest van 11 Januari 1853 (\V. 1 165) besliste de If. R. dan ook dat, daar nergens bepaald is dat vaa rechtswege ophoudt Lid der Rechterlijke Maclit te zijn, hij, die eene met zijn ambt onvereenigbare betrekking aanvaardt, het geen grond voor cassatie oplevert, indien hij na die aanvaarding nog aan Rechterlijke gewijsden is blijven deelnemen. Art. 15 der Rechterlijke Organisatie van 31 Mei 1S61 (674/. 49) bepaalde uitdrukkelijk, dat aanvaarding van de onvereenigbare betrekking van rechtswege het Lidmaatschap der Rechterlijke Macht doet verliezen.
70
scliikthoid door ziels- of lichaamsziekte ontslagen Ambtenaren wordt geen nader bewijs van do oorzaak der ongeschiktheid gevorderd. (Art. 12 R. O.). Merkwaardig is het zeker dat een laatste lid van dit artikel dat met het artikel bij de Wet van 4 Juli 1874 (Stbl. 90) was ingevoerd, reeds weder bij do Wet van â¢J November 1875 {Stbl. 200) moest worden ingetrokken. (()
Elk Lid van de Rechterlijke Macht, tegen wien hetzij een bevel van gevangenneming of gevangenhouding, hetzij machtiging tot opneming in een huis van bewaring of geneeskundig gesticht voor krankzinnigen is verleend, of op wien lijfsdwang is ten uitvoer gelegd, wordt, op de vordering van den Pro-cureur-Generaal, door den Hoogen Raad in zijne bediening geschorst. Gelijke schorsing kan door den Hoogen Raad, op de vordering van ilen Procureur-Generaal, worden uitgesproken ten aanzien van elk Lid der Rechterlijke Macht, tegen wien rechtsingang zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding is verleend. Do ophelting der schorsing na den alloop van de vervolging, na het ontslag uit het huis van bewaring of geneeskundig gesticht, of na het ontslag uit de gijzeling, geschiedt op de vordering van den Procureur-Generaal, of op verzoek van den geschorsten Rechterlijken Ambtenaar, den Procureur-Generaal gehoord. Schorsing in de bediening brengt geene schorsing mede in bet genot der bezoldiging. (Art. 13 R. O.).
Het artikel 70 van het reglement l volgens hetwelk de Kantonrechter den Griffier kon berispen, is afgeschaft bij art. 7 K. B. van 20 April 1877 {Stbl. 90).
Te raadplegen is hierbij Mr. M. de 1'into, Bijdrage tot de leer der disciplinaire bestraffingen van Staats-
a) Die aliiicu luidde: zij die onlslaycn worden ach ter volg erts lo. (ziels-of lichaamsgebreken) behouden hunne volle jaarwedde.
71
â wegc bedreigd. Leiden. Jn. Hazenberg Corn.zn. 1876 2t'e hoofdstuk.
Het forum priveligiaiuui, vroeger den Rechterlijken Ambtenaren bij de Kantongerechten in art. 65 R. O. gegeven, werd bij de Wet van 26 April 1lt;Q84 [Slbl. 92) afgeschaft. Op hen zijn dus thans de gewone bepalingen van het Wetboek van (Strafvordering toepasselijk. Maakt een van hen zich echter schuldig aan een feit, waarvoor hij voor zijn eigen Kantongerecht zou moeten terechtstaan, dan wijst de Ilooge Raad een ander Kantongerecht aan om van de zaak kennis te nemen (art. 259 W. v. Sv.).
In geval de Griffier zich schuldig maakt aan eene overtreding voorzien bij art. 13 a) van den lston titel van het tarief van justitie-kosten en salarissen in burgerlijke zaken, vastgesteld bij de Wet 2S Augustus 1843 {bthl. n0. 37), neemt, op de vordering van het Op. Ministerie, de Arrondissements-Rechtbank, waaronder hij ressorteert, op een civiele terechtzitting daarvan kennis. De vervolging van de overtreding heeft overigens gebeel en al plaats als die van eeue overtreding waarvan de Rechtbank kennis neemt, terwijl alle bepalingen in het le boek W. v. S.r. op overtredingen vastgesteld ook voor haar gelden h) (art. 854 W. v. 15. Rv. c) gewijzigd bij de Wet van 31 December 1887 {Sibl. 265)).
§ 23. De Alphabetische lijst van de autoriteiten
a) Gehandhaafd en gewijzigd bij art. 10 uo. 7 eu 11 der Wet Tan 15 April 188G {StöL 6 l).
d) De Griffier kan dus ook door betaling der hoogste boete de terecht-stellicg voorkomen. Artikel 74 W. v. Sr. toch geldt ook voor overtredingen, waarvan de Rechtbank kennis neemt, Artikel 20 van het tarief werd daarom afgeschaft (S.midt V blz. 317). lu het Wetboek van Strafvordering ontbreekt wel een voorschrift voor de Rechtbank als in art. 254 voor het Kantongerecht werd gegeven, tegen analogische toepassing bestaat echter m. i. geen bezwaar.
c) Alhoewel men, toen het art. gewijzigd werd, t;e reedel ijk de vragen (zie van Kossem B.H.v. art. S54) waartoe het aanleiding gaf, had kunnen oplossen, geloof ik toch dat er thans geen bezwaar meer bestaat om de bepaling te interpreteeren zooals ik hoven deed. Door art. 11 der invoeringswet toch wordt het strafbaar feit waartegen art. 13 van het tarief voor-
72
aan wie vrijdom van briefport is toegekend, werd gepubliceerd bij eene instructie van den Minister van Finautiën van 25 Juni 1.S34 (opgenomen in n'exgklbroxxer, Bijvoegsel tot het Staatsblad, 3° serie, bladz. 173â185). Voor zooveel betreft de Rechterlijke Ambtenaren werd zij aangevuld bij resolutie van dien zelfden minister van 17 December 1842 (d'En-gelbronnkk, 4« serie bl. 197). Werd aanvankelijk slechts vrijdom verleend aan de Kantonrechters en de Ambtenaren van het O. M. voor hunne dienst-correspondentie binnen zekeren kring, gaandeweg werd die uitgebreid. Zoo werd bij K. B. van 17 Aug. 1887 (Mr. H. J. Dijckmeesïer, Bijvoegsel tot het Staatsblad, 1887, blz. 336) bepaald, dat portvrij zouden kunnen correspondeeren de Kantonrechters van het geheele Ilijk onderling; bij K. B. van 23 Aug. 1888, dat dit zou kunnen geschieden door de Ambtenaren van het O. M. en de Burgemeesters in het geheele Rijk. Feitelijk is de toestand thans, dat de Rechterlijke Ambtenaren bij de Kantongerechten voor hunne dienstcorrespondentie met Ambtenaren vrijdom van port genieten. Waar zich de behoefte aan vrijdom doet gevoelen, en zij nog niet werd verleend, is de postadministratie vrijgevig. Ik acht het overbodig hier de geheele lijst der vrijstellingen op te nemen, daar zij herhaaldelijk gewijzigd wordt; bij twijfel wende men zich tot het postkantoor.
De bepalingen omtrent de vrijstellingen van briefport zijn thans opgenomen in het K. B. van 19 December 18112 {Slbl. 284). De verzending kan plaats hebben in geheel gesloten omslagen. Pakketten mogen
ziet, eene ovcrlrtdiny en kan er dus geen sprake meer van zijn, dat de bestraffing slechts een disciplinaire maatregel zoude wezen. Vreemd is het zeker, dat men het 2e lid van art. 19 van dat tarief handhaafde; het had gernst kunnen vervallen; dan zou toch hetzelfde gebeurd zijn als daar staat voorgeschreven. Zijne handhaving kan aanleiding geven tot moeilijkheden. Het laatste lid van art. 19 omtrent de verjaring is, daar het niet gehandhaafd werd, zeer zeker vervallen; daarvoor gelden dus ook de gewone bepalingen voor overtredingen.
73
niet zwaarder zijn dan 21/o KG. en niet meer dan 75 c.M. in lengte, breedte of hoogte meten; slechts wanneer splitsing onmogelijk is, worden zij toegelaten tot een gewicht van ö K.G.; de afzender moet dan eene verklaring omtrent die onmogelijkheid op het adres stellen en onderteekenen. Open kaarten mogen niet kleiner zijn dan 1) c.M. in de breedte en 12 in de lengte en niet grooter dan 13 in de breedte en 18 in de lengte. Het papier behoort ten minste even stevig te zijn als dat der briefkaarten.
De afzender van portvrije stukken is verplicht die te waarmerken, door op het adres zijne gewone hand-teekening te stellen, voorafgegaan door de aanduiding der ambtsbetrekking, waarin door hem aanspraak wordt gemaakt op vrijstelling van port. Bovendien is bovenaan ter linkerzijde van het adres, het woord dienst te vermelden. Zij behoeven niet aan hot postkantoor bezorgd te worden, tenzij zij door hunnen omvang of aantal de brievenbus verstoppen.
Indien daartoe wegens het bijzonder gewicht van eenig dienststuk aanleiding bestaat, wordt het, op verlangen van den afzender, bij de verzending op het begeleidend advies ingeschreven en alleen tegen bewijs van ontvang aan den geadresseerde uitgereikt. Die stukken moeten aan het Kantoor worden aangeboden en het opschrift te advhccren dragen.
Bestelling van dienststukken vindt alleen plaats voor zoover dat zonder nadeel van de gewone bestellingen kan geschieden; zij moeten anders worden afgehaald. Bestelling van dienstzaken op Zondag of op eenen algemeen erkenden Christel ij ken feestdag, geschiedt alleen wanneer zij, blijkens ecue door den afzender gewaarmerkte aanwijzing op het adres, spoed vereischen.
De postambtenaren moeten waken tegen misbruik van portvrijdom; bij vermoeden daarvan behoort de geadresseerde het stuk in hunne tegenwoordigheid te openen.
74
Art. 4 der Wet van 15 April 1891 (Sibl. 87) bepaalt thans, dat het port van brieven dienstzaken, betretfende, afkomstig van door den Minister van W. II. en N. aan te wijzen Ambtenaren, zonder eenige verhooging kan worden geheven van de bijzondere personen, aan wie zij geadresseerd zijn. «) Die brieven moeten op het adres worden ingericht als de dienstbrieven.
Krachtens art. 7 i van het Rcgloncul voor den dienst der Bijksteleijraaf goedgekeurd bij K. B. van 4 Juli 1891 {Slll. 14ö) wordt een telegram van den Kantonrechter over dienstzaken als regeeringstelegram behandeld, wanneer dat bij de aanbieding wordt verzocht. Hij behoeft dan daarvoor niets te betalen, b)
HOOFDSTUK III.
i)k strafvervolging ui.i de kaxïoxgerechten.
Afdeeling 1.
de bevoegdheid der k a xtong kr echt en.
§ 24. Volstrekte bevoegdheid. De Kantonrechter oordeelt in strafzaken over alle overtredingen, tenzij ze uitdrukkelijk aan zijne rechtspraak zijn onttrokken c); hij oordeelt bovendien over één misdrijf: eenvoudige strooperij (art. 44 R. O.).
cf) Do Kantonrechter kan vau deze bepaling o.a. gebruik maken voor zijne correspondentie met notarissen of bijzondere personen over boedelscheidingen en voogdijen.
i) De Ambtenaren van het O. M. kunnen niet kosteloos telegrafeeren; zij dienen echter voor door hen betaalde diensttelegrammen declaration in.
c) De burgerlijke Hechter oordeelt niet over strafbare feiten, behoudens overtredingen van liijks belastingen, begaan door hen die behooreu tot het Leger. Pleegt echter een militair een strafbaar feit, waarover de burgerlijke Ueehter oordeelt, in verbinding met een burger, of waarin een burger is betrokken, dan staat ook de militair terecht voor den burgerlijken Hechter (art. 13 en H van het Crimineel Wetboek voor het krijgs volk te lande). Hetzelfde geldt ook voor hen die behooren lot de zeemacht (zie arrest H. I?. ó Mei 1863, Rechtsgeleerd Bijblad,
75
Overtredingen zijn de strafbare feiten voorkomende in:
A. het derde boek van bet Wetboek van Strafrecht;
B. de Wetten uitgevaardigd vóór 1 Maart 188à welke bij art. 10 der Wet van 15 April 1886 (Slbl. (J4) zijn gehandhaafd (art. 11 dier Wet);
C. Wetten na dien dag uitgevaardigd van welke die wetten zelve zoggen dat het overtredingen zijn «);
D. algemeene maatregelen van bestuur;
E. eenige verdragen met buitenlandsche mogendheden (Art. G Inv.wet);
F. provinciale reglementen (art. 28 Inv.wet);
G. gemeente-verordeningen (art. 28 Inv.wet);
H. keuren van waterschappen, veenschappen en veenpolders (art. 28 Inv.wet).
Aan zijne rechtspraak zijn onttrokken:
1°. alle overtredingen ter zake van Rijks-, Provinciale- of Gemeente-belastingen b) (art. 50 R. O. art. 7 Invoeringswet);
76
2°. de overtredingen van art. 432 en 4o8 W. v. S.r.: bedelari] en landlooperij (art. 56 R. O.);
3n. de overtredingen van art. 465, 466, 467 en 468 W. v. S.r., gepleegd door Ambtenaren van den Burgerlijken Stand of andere bewaarders (art. 4 en 5 der Wet van oi December 1887 {Stil. 265);
4°. do overtredingen van de Wet van !) Juli 1842 ,876/. no. op het yoturisaiiiht (art. 10 n0. 6 en 11 Inv. wet);
5°. de overtredingen van de Wetten van 28 Augustus 1843, stbl. nquot;. 37 (art. 13) en Stbl. nquot;. 38 (art. 7) houdende vaststelling vu)i het tarief van Jtistitiekosten rn salarissen in burgerlijke zaken (art. 10 n08- 7 en 8 en art. 11 Inv. wet);
6:). de overtredingen van art. 7 der Wet van 7 April 186'.) {Stbl. 57) bclre/fende de maten, gewichten en weegwerkluigen gepleegd door Ambtenaren (art. 30 dier Wet gehandhaafd bij art. 10 n0. 22 Inv. wet);
71. de Ambtsovertredingen begaan door de hooge Ambtenaren opgenoemd in art. lt;.)2 11. O. «) zooals dat is gewijzigd bij art. 13 der Wet van 26 April 1884 {Stbl. 02);
8°. de strafbare feiten waarbij als verdachte betrokken is do Kantonrechter of een ander Rechterlijk Ambtenaar behoorende tot het Kantongerecht of een Lid of een Rechterlijk Ambtenaar van de Rechtbank h) waaronder het Kantongerecht
a) Art. 92 R. O. Ie lid luidt: Be Hooge Raad neemt in hel eerste en laatste ressort kennis van de ambtsmisdrijven en ambtsuvertredingen begaan door de leden der Staten-Generaal, de hoofden der ministerieele departemen ten, de Gouverneurs-Generaal of de hooge Ambtenaren ondereen anderen naam met gelijke macht bekleed in de koloniën of bezittingen des R'jks in andere werelddeel en t de leden van den Raad van State en de Commissarissen der Koningin in de provinciën.
b) Hij neemt dus wel kennis van eene orertreding gepleegd door een Rechterlijk Ambtenaar van het Gerechtshof waaronder hij ressorteert. Wordt in een dergelijk geval hooger beroep aangeteekend dan is ingevolge het 2e lid van art. 259 S.v. de Rechtbank onbevoegd. Zoo wees dan ook onlangs de Hooge Raad de Rechtbank te Utrecht aan om kennis te
77
ressorteert art. 250 S.v. Onder de Rechterlijke Ambtenaren tot het Kantongerecht behoorende is ook begrepen de Kantonrechter-Plaatsvervanger (H. R. 12 Januari 1894 W. 6463) niet de Plaatsvervanger van den Griffier (IT. R. 16 Sept. 1889âN. R. CLII, blz. 306 quot;\\r. 6463). Wanneer uithoofde van deze bepaling het Kantongerecht onbevoegd is, doet de Ambtenaar van het O. M. daarvan mededeeling aan den Procureur-Generaal bij den Iloogen Raad. De Ilooge Raad wijst dan een anderen Kantonrechter aan om van de zaak kennis te nemen. Bij deze aanwijzing heeft de Hooge Raad slechts te onderzoeken of uithoofde van art. 259 de Rechter waarvoor de verdachte zou moeten terechtstaan onbevoegd is, niet of het feit voldoende bewezen of strafbaar is. Zie de pinïo, Ih'l her:. Wetboek, art. 359 n0.
De Kantonrechters vonnissen dus thans behalve over eenvoudige strooperij over de overtredingen voorzien bij ;
A. het derde boek van het Wetboek van Strafrecht met uitzondering van de weinige bovengenoemde;
B. De Wetten a) in werking getreden vóór 1 Maart 1886, welke hieronder zijn opgenoemd:
nemen van eene overtreding eener bouwverordening gepleegd door een lid van liet Gereelitshof te Arnhem, die in liooger beroep kwam van een vonnis van den Kantonrechter te Arnhem, Uet schijnt mij echter twijfelachtig ot' hier overeenkomstig de bedoeling van art. 259 gehandeld is. De ratio van art. 259 schijnt toch te zijn te voorkomen dat een Rechterlijk Ambtenaar terechtstaat voor zijn eigen Collegie of Kantongerecht (alinea 1). De tweede en derde alinea van dat artikel schijnen slechts te bedoelen te voorkomen dat dat in hooger beroep geschiedt. Gevaar daarvoor bestaat niet, wanneer eene Eechtbank in hooger beroep kennis neemt van eene overtreding gepleegd door een lid van het Gerechtshof, waaronder ze ressorteert.
a) Hier is slechts sprake van de overtredingen geboren uit niet-na-koming van de Wetten zeiven, geenszins van die gepleegd door niet-nakoming van krachtens die of andere Wetten uitgevaardigde algemeene maatregelen van bestuur, waaromtrent andere bepalingen gelden waarover later zal gesproken worden. Wordt dus eene Wet niet in deze groep opgenoemd, dan volgt daaruit geenszins dat tegen overtreding van een daaraan ontleenden A. M v. B. geen straf meer zou zijn bedreigd.
78
1°. Art. 12 van de publicatie van 34 Februari 180(1 houdende bepalingen omtrent een algemeen rivier- of tmtcrrecht, art. 7 van titel XXVIII en, voorzoover de provincie Limburg betreft, de artt. 42, 43 en 44 van titel XXVII van de Ordonnance des eaux et forêts du main d'uoüt lOdO â
2°. de Wet van 22 Juli 1814 (Sthl. 86) houdende verbod van alle vreemde of'particuliere, loterijen gewijzigd bij de Wet van 20 Juli 1870 {Stbl. 132);
3'. de Wet van 1 Maart 1815 [Slbl. 21) houdende voorschriften Ier viering der dagen aan den openbaren Christelijken Godsdienst toegewijd «);
4°. de Wet van 10 September 1853 (Stbl. 102) tot regeling van het toezicht oji de onderscheidene Uerhgenool-schappen h) â
5°. de Wet van 21 December 1853 (Slbl. 128) houdende bepalingen betrekkelijk het bouicen, planten en hel maken van andere werken binnen zekeren afstand van vetting werken van den Staal c);
G '. de Wet van 28 Juni 1854 (Slbl. 100) lol regeling van het armbestuur gewijzigd bij de Wet van 1 Juni 1870 {Slbl. 85) d);
a) Op de opmerking der Eerste Kamer, dat de straf van sluiting der herbergen of openbare plaatsen diende te vervallen, antwoordde de Minister dat het de bedoeling was deze in het Strafwetboek niet bekende straf even als die van sehorsing in de burgerschapsrechten bij de Wet op de kerkgenootschappen te laten voortbestaan (Smidt V blz. 311)
ö) Het komt mij echter voor dat art. 10 dier wet, dat geene strafbepaling is en evenmin is eene bepaling, omtrent eenig onderwerp in het eerste boek W. v. Sr. geregeld, niet door art. 3 el Inv.wet is afgeschaft. Dientengevolge zal de overtreding van art. 9 ter civiele terechtzitting van de Rechtbank moeten worden behandeld, en eerst die van art. 12 als eene gewone overtreding door den Kantonrechter worden berecht. Door de handhaving van art, 13 verjaart het recht tot strafvordering eerst in twee jaren.
c) Door hunne niet-handhaving zijn de artikelen 14 en 5G 2e lid, voor zoover dit laatste eene strafbepaling behelst, vervallen.
d) Het tweede lid van art. 11 is vervallen door de Wet van 22 April 1864 {S/dl. 29) en blijft vervallen ook na intrekking dier laatste Wet. Smidt V blz. 321 vlg. Het derde lid van dat art. evenals het derde lid van art. 12 zijn door hunne niet-handhaving vervallen.
79
7quot;. de Wet van 22 April 1855 (Stbt. nn. 32) tot
regeling en bemerking der uitoefening van hel rechl van vereeniging en vergadering, gewijzigd bij de Wet van 14 Sept. 186lt;3 {Stbl. n0. 123) «);
8°. de Wet van 13 Juni 1857 {Stbl. 87) tot regeling der jacht en visscherij gewijzigd bij de Wet van 14 April 1886 [Stbl. 61) b);
Ter uitvoering van deze Wet strekt liet Koninklijk Besluit van 21 Juli 1886 {Stbl. 123) houdende nadere regeling dor zalm en elftoiischerij;
9°. de Wet van 20 Augustus 1859 {Stbl. 93) houdende bepalingen, op de loodsdiemt voor zeeschepen, gewijzigd bij de Wet van 6 April 1875 {Stbl. 62) c);
Naar aanleiding van deze Wet werden vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 23 Januari 1879 {Stbl. 25):
a) Door zijne niet-handhaving ia art. 4 dier Wek vervallen.
ö) De artt. 51, 52 en 54 zijn door hunne niet-handhaving vervallen. Het komt mij voor dat dat ook het geval is met art. 39 3e en 4e lid. Dat zijn zeer zeker bepalingen omtrent een onderwerp, behandeld in titel VIII boek I W. v. S.r. Die titel handelt blijkens zijn opschrift in het algemeen o. a. over het verval van het recht tot strafvordering. Zoo oordeelde ook de Kantonrechter te Amersfoort bij zijn vonnis van 30 September 1889 (W. GÃ46); anders de Rechtbank te Alkmaar bij haar vonnis van 4 Juni 1893 (W. (3372).
Door de afschafllng der transactie is doelloos geworden het voorschrift om de processen-verbaal van overtredingen dezer Wet in te zenden bij den Ofilcier van Justitie. Men verzuimde echter art. 39 le lid te laten vervallen.
De Tweede Kamer (zie Smidt V blz. 325 en vlg.) hechtte bijzonder aan de handhaving van art. 44. Zij vreesde ten onrechte dat, wanneer dat Artikel verviel, de jachtovertreders zwaarder zouden kunnen worden gestraft. Zij zag echter over het hoofd, dat juist door het t weede lid van dat Artikel het mogelijk is het bejagen van eens anders grond zonder akte en vergunning te bestrallen met twee geldboeten. Bestoud Art. 44 niet meer, dan zou Art. 55 W. v. Sr. slechts toelaten ééne geldboete op te leggen.
c) Door zijne niet-handhaving is art. lü dier Wet vervallen.
Daar art. S van de Wet van 30 December 18135 {Slhl. 173) tot regeling van het loods- en hakenwezen op eenige wateren t n siroomen en art. 2 van de Wet van 22 December 1807 [Sthl. 158) houdende aanvulling dier Wet â beiden eveneens gehandhaafd in Art. 10 no. 15 der Invoeringswet â verwijzen naar Art. 1G der Wet van 13 Augustus 1849 {Sthl. 40) wordt hunne overtreding als eene belastingovertreding behandeld voor de Rechtbank.
80
o. liet gewijzigde algemeen reglement op de loodsdienst mcl hel daarbij behoorend tarief van vergoeding voor reis- en verblijfkosten der loodsen;
b) de gewijzigde bijzondere reglcmenlen op de loods-diensl in de dislrielen:
1 Friesche zeegat en de Eems;
2 Terschelling en het Vlie;
3 Texel;
4 en 5 Goedereede, Maas en Brouwershaven; 6 Monden der Schelde.
Dat K. B. werd gewijzigd:
bij K. B. van 31 Deo. 1880 {Sthl. 262) voor wat
betreft b, 4 en 5 ;
bij K. B. van 19 Jnli 1883 {Stbl. 122) voor wat
betreft b, 4 en 5 ;
bij K. B. van 20 Aug. 1884 {Stbl 194) voor wat
betreft het tarief;
bij K. B. van 23 Sept. 1884 {htbl. 204) voor wat
betreft b, 3;
bij K. B. van !â¢gt; Jan. 1885 {Sthl. 0) voor wat
betreft h, 4 en 5;
bij K. B. van 25 b'eb. 188/ (S(/'/. 39) voor wat
betreft h, O ;
bij K. B. van 17 Aug. 1887 (Sthl. 157) voor wat betreft h, 1 ;
bij K. B. van 2,.l Oct. 1889 {Sthl. 149) voor wat
betreft h, 4 en 5 ;
bij K. B. van 21 Maart 1890 {Slhl. 32) voor wat
betreft h, alle reglementen;
bij K. B. van 17 Dec. 1892 {Sthl. 283) voor wat
betreft a;
10quot;. de Wet van 1 Juni 1861 {Stbl. 53) houdende bepalingen omtrent den doortocht en hel vervoer van landverhuizers gewijzigd bij de Wet van 15 Juli 1869 {Slhl. 124*.
Naar aanleiding van in deze Wet werden genomen het Koninklijk Besluit van 27 November 1865 {Slhl. 130) tot nadere uitvoering van art. 24 der Wet van 1 Juni 1861 {Sthl. 53} houdende bepalingen omtrent
cSl
den doortocht en het vervoeren van landverhuizers, gewijzigd bij K. B. van 30 Sept. 1809 {SUA. 155) en 21 Juli 1875 {Slbl. 133).
11°. de Wet van 1!J Augustus 1861 {Sihl. 72) hc-Irekkelijk do nationale militie o) gewijzigd bij de Wetten van 1 Mei 1SG3 {Slbl. 44), 22 April 1864 {Sthl. 22), 24 April 1884 {Slhl. 70), 4 April 1892 {Slbl. 56) en 20 April 1895 {Stbl. 68);
12o. de Wet van 1 Juni 1865 {Stbl. 60) regelende do uitoefening der geneeskunst b) gewijzigd bij de Wet van 23 April 1880 (Slbl. 65) ;
13°. de Wet van 1 Juni 1865 {^ibl. 61) regelende de uitoefening der artscnijbereidkunst c);
14°. de Wet van 14 September 1866 {Stbl. 138) houdende bepalingen betrekkelijk dc inkwartiering en het onderhoud van hel krijgsvolk en de transporten en de
a) De artt. 185, 1H6, 187 no. 3, 188 on 189 zijn door hunne nict-handhaving vervallen.
Merkwaardig is de geschiedenis van het vervallen van art. 180. De Regeering had dat artikel terecht in haar ontwerp Invoeringswet gchand-haafd. Aan eene opmerking van de Commissie van Rapporteurs, die meende dat Art. 441 van liet W. v. S.r. in het onderwerp voorzag, en dat dus art. 18G kon worden gemist, gaf zij te kwader ure toe. Bij zijn arrest van 19 Nov. 1894 (W. 0580) besliste de H. R. dat art. 444 W. v. S.r. niet toepasselijk is op den geneeskundige, die door den militieraad aangewezen om een zieken of gebrekkigen loteling in diens woning te onderzoeken, nalaat aan die opdracht gevolg te geven. Men zie hierover in W. 6602 onder Berichten en een ingezonden stuk in W. 6604. 13ij zijn arrest van 15 Mei 1894 (W. 6508) besliste de II. R. dat het niet voldoen aan eene oproeping van den Commissaris der Koningin dooreen loteling die een aanvankelijk niet dienstplichtig nummer trok, doch die later wordt opgeroepen ten einde het contingent eener gemeente voltallig te maken (Art. 115), nergens is strafbaar gesteld met name niet bij art, i84 W. v. S.r.
b) Door zijne niet-handhaving is Art. 18 dier Wet vervallen, everals het 3e lid van Art. 19.
(?) Door hunne niet-handhaving is het laatste lid van Art. 31 en het laatste lid van Art. 32 vervallen, evenals de verbeurdverklaring van Art. 33. Op grond van Art. 219 laatste lid W. v. S.v. zal de Rechter echter de on-bruikbaarmaking kunnen gelasten. Door de handhaving van Art. 31 is het onbevoegd uitoefenen van het apothekersbedrijf strafbaar volgens dat Art. en niet volgens Art. 436 W. v. S.r.
6
82
leverantiön voor 'sKonings legers of vcsiingcn (jcvorderd, a)
gewijzigd bij d© Wet Viin 2'J Alaart 1877 (Stbl, 53) gewijzigd bij de Wet van 10 Mei 1890 [Stbl. 83). De gewijzigde tekst der AVet is herplaatst bij K. Igt;. van 27 Augustus 1892 {Slhl. 214).
Naar aanleiding dezer Wet werd genomen een K. B. van 10 November 1892 {Stbl. 253) houdende vaststelling der reglemeiitdire bepalingen ter uilvoering van de Wet, betrekkelijk de inkwartieringen cn het onderhoud van het krijijsvolk en de transporten cn leverantiön voor de legers of verdedigingsirerken van het Rijk gevorderd, van den l'i Septeinher ISSà {Stbl. n0. 138) zooals die Wel is gewijzigd hij de Wetten van 20 Maart I Si 7 {Stbl. 53) van !â 'gt; April IS$ü {Stbl. 01) cn van 10 Mei 1890 {Slhl. S3) en bepalende hel tijdstip waarop de laatsteermelde Wet in werking treedt, dit K. 15. is gewijzigd bij K. 13. van 5 Augustus 1S95 {Stbl. 147);
15°. de' Wet van G April 186!i {Slhl. n0. 3'.») houdende intrekking der Wetten van 29 Floréal au X en 7 Ventóse an X1L b);
1(3quot;. de Wet van 7 April 18(39 {Stbl. 57) betreffende de maten, gewichten, weegwerktaigen en gasmeters, c) gewijzigd bij de Wetten van 27 Mei 18(39 {Stbl. 88), 19 Juni 1871 {Stbl. (32), 31 December 1872 {Stbl. 100 en 1(31) 8 Juli 1874 {Stbl. 9(3), 28 December 1879 {Stbl. 249), 30 Dec. 1880 (Stbl. 254) en 30 Dec. J881 {Stbl. 253);
a) Niettegenstaande Art. 42 en Art. U ]e en 3e lid in de Invoeringswet, (Art. 10 no. '20) niet zijn gehaudhaafd, blijven die bepalingen toch van kracht, daar het respectievelijk zijn bepalingen van straCvorderingen, militair recht en een disciplinair, voorschrift.
b) De aangehaalde Fransche Wetten hielden bepalingen in omtrent het vervoer op de landwegen. Pc Wet, die ze introk, bepaalt thans dat, terwijl de Provincie natuurlijk vrij blijft bij reglementen in het onderwerp voor andere wegen te voorzien, dc Commissarissen der Koningin het vervoer van vrachten op dc wegen in onderhoud bij het Rijk op voordracht van den betrokken hoofdingenieur van den Waterstaat, bij invallend dooiweder tijdelijk kunnen verbieden of beperken.
Zij bepaalt cene straf tegen de overtreding van het bevelschrift.
c) Pe tekst der Wet is herplaatst bij K. P. van 29 November 1874
88
Naar aanleiding van deze A\ et werd genomen een K. B. van 1(3 October I8G9 (Sthl. 150) tot vaststelling \an feu i'ccjlciiicul bclrc/fcndc dfn vorm, de scuiieiislcllinn cn de ofmeiimj der muien en (iciricltlen, gewijzigd bij K. Bn. van 1G Ang. 1871 {Sthl. 121), 8 Nov. 1875 (Slid. 185), 1 Sept. 1S77 (Stbl. 175), 5 Maart 1878 (Slbl. 15), 27 Juli 1878 (Slid. 101), 8 April 187!) {Slbl. 54), 7 Juni 1881 (S/LI. 03) en 14 Juli 1891 [Slbl. 1 :!2).
17J. de Wet van 10 April 1CC!) (SUd. 05) tot vaststelling van be [a (ii i}'/m beh'ekh'cljk het bejt'uven vun lijken, de heijfmifplaalsen en de Imjmfriiurechlen «.);
Naar aanleiding van deze Wet werd genomen een Koninklijk Besluit van 18 October 1861» {sthl. 1G2) houdende beiHilintjcii omlvenl de vijze icnuroji met lijken vun per.twien aan boord, van in zee zijnde Nederlandschc schejien «verleden moet irorden ijelnuideld, alsmede maar op het vervoer van lijken uil Xe,Ierland naar hel buitenland en uit het buitenland naar Xederland kan morden toegelaten, een en ander ter uitvoering van art. :) der Wet van 10 April ISG'.I {Slbl. li'));
18°. de Wet van 20 Juli 1870 (Slid. 131) tot regeling run het veearlnenjknndig staalsloezieht en de vec-artsenijkundige Politie h) gewijzigd bij de Wet van 1 Augustus 1880 (Slid. 123);
19°. de Wet van â¢! December 1872 (Stbl. 134) tot voor-
(StbL ]4.j). Dtiaiin zijn al (Tc tot o]i dat tijtlsliji gemaakte veranderingen opgenomen. De na dien tijd over dit onderwerp gemaakte Wetten l e-treilen slechts wijzigingen van in de Wet gestelde termijnen; zij hebben thans hunne beteekenis verloren.
JJoor hunne nict-handhaving hebben .Art. 28 2o en Art. 36 hunne kracht vcrlorcu.
a) Poor lumue iiiet-handluwmg ziju vervallen Art. 41 no. 12 en Art. â¢13 nos. 1, 5 on G, alsmede Art. 44.
b) Art. 40 en tl zijn door hunne niet-hardlmving vervallen. Art. 40 echter met de uitdrukkelijke verklaring dat Art. 1 \V. v. S.r. zoo moet uitgelegd worden dat ook na de afschalling van Art. 40 recht zal ziju wat dat Artikel voorschreef. Art. 3'J laatste lid werd gehandhaafd bij Art. 12 der Inv.wet, doch is een misdrijf.
84
zirniiKj tegen besmettelijke ziekten a) gewijzigd bij de Wetten van 3 December 1S74 (Sthl. 188), 28 Maart 1877 (Stbl. 3G) cn 8 April 1893 (Slbl. G4);
20°. de Wet van 8 Juli 1874 (Slhl. 98) tot regeling van de uitoefening der veeartsenijkunst h) (Sthl. 98) gewijzigd bij de Wet van 10 Aug. 1.874 (Sthl. 118) en van 4 April 1875 {Slbl. 37);
21°. de Wet van 9 April 1875 {Slbl. 67) tot regeling van de dienst en het gebruik der spoorwegen c) gewijzigd bij de Wetten van 31 Dec. 1880 {Slbl. 258) 10 Mei 1882 {Slbl. 66) en 8 April 1893 {Stil. 62.)
Xaar aanleiding van deze Wet werd genomen een K. B. van 27 October 1875 {Slbl. 183) tot vaststelling van een algemeen reglement voor de dienst op de spoorwegen gewijzigd bij K. Bin. van 4 April 1880 {Slbl. 36), 11 Sept. 1882 (sm 126), 25 Jan. 1884 {Slbl. 10), 25 Xov. 1885 {Slbl. 196), 26 Maart 1887 {Slbl. 44), 1 Juli 1890 {Sthl. 104) en 19 April 1892 {Slbl. 89) en een K. B. van 9 Jan. 1876 {Slbl. 7) houdende vaststelling van een algemeen reglement voor het vervoer op de spoorwegen gewijzigd bij K. Bin. van 2 Aug. 1883 {Slbl. 127), 25 Nov. 1885 {Slbl. 195), 20 Mei 1887 (Sthl 87) 9 Juni 1891 {Sthl. 100) en 9 Januari 1894 {Sthl. 4) ;
22°. de Wet van 2 Juni 1875 {Sthl. 95) tot regeling van het toezicht bij het oprichten van inrichtingen welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken d) gewijzigd bij de Wet van 19 Dec. 1876 {Slbl. 255);
23°. de Wet van 5 Juni 1875 {Slbl. 110) tot vasl-
a) Art. 30 lo, Art. 31 lo en 3o, Art. 32 en Art. 33 ziju door hunne niet-handharing vervallen.
I) Het eerste lid van Art. 12 en Art. 13 zijn door lumno niet-handhaving
vervallen.
c) Art. 5t Ie lid, Art. 55, Art. 50 le lid, Art. 55 ?c lid voor zoover dat stralbaar stelt het niet voldoen aan een krachtens Art. 22 der Wet gegeven bevel, Art. 57, 59, 00. 01, 02 en 0') dier Wet zijn dus door hunne niet-handhaving vervallen; Art. 64 wordt gehandhaafd door Art.
19 der Invoeringswet.
d) Art. 23, Art. 22 voorlaatste lid en Art. 29 voor zoover het verwijst naar art. 23 zijn door hunne niet-handhaving vervallen.
85
stelling van bepalingen bij hel voorkomen van hondsdolheid a) gewijzigd bij de Wet van 15 April IS!J1 iStbl. 80);
24°. de Wet van 5 Juni 1875 (Sthl. 113) betrekkelijk hel nemen van maatregelen legen overbrenging van ilen Colorado-kever;
'25°. de Wet van 28 April 1876 102) tot re
geling van hel hoog er onderwijs b), gewijzigd bij de Wetten van 0 Mei 1877 (Slbl. 101), 7 Mei 1878 (Slbl. 33), 28 Juni 1S81 {Slbl. 107), 15 Juni 1883 (Slbl. 75) 23 Juli 1885 {Slbl. 141) en 0 Mei 1890 {Slbl. 78);
2ü0. de Wet van 24 Juni 1870 (Slbl. 117) houdende regeling van de voorwaarden tot verkrijging der afzonderlijke becocijdheid tot uitoefening der landheelkunsl en van de uitoefening dier knust c);
27°. de Wet van 1/ November 1870 (Slbl. 227) tot regeling der coöperatieve vereen igingen d) gewüzigd bil'de Wet van 7 Mei 1878 [Stbl. 41);
28°. de Wet van 28 Maart LS77 [Slbl. 35) tot wering van besmetting door uit zre aankomende schepen e) gewijzigd bij de Wet van 8 April 1893 (Slhl. (53);
29,l. de Wet van 28 Maart 1S77 (Stbl. 43) tot vervanging der koperen door bronzen pasmunt;
30°. de Wet van 17 Augustus 1878 (Slbl. 127) tot regeling van hel lager onderwijs /') gewijzigd bij de Wetten van 5 Aug. 1880 {Slbl. 155), 27 Juli 1882 {Slbl. 117), 3 Jan. 1884 (Slbl. 2), 11 Juli 1884 {Slbl.
a) Het 5e lid van Art. G, Art. 7 1c lid, Art. 8, voor zooveel liet betreft Art. 3 eu 'J, eu Art. 9 zijn door hunne niet-handhaving vervallen.
b) liet 2e lid van Art. 3 en het ?e lid van Art. 102 zijn door hunne niet-handhaving vervallen.
c) Door hunne niet-handhaving zijn het le en 3c lid van Art. 9 vervallen.
d) Door zijne niet-handhaving is het laatste lid van Art. 22 vervallen. c) Art . 18 en 20 dier Wet zijn door hunne niet-handhaving vervallen. Æ) Art. 9, 2e en 8e lid en de strafbepaling Tan art. 73 zijn vervallen
door hunne niet-handhaving. Art. 33 en 34 blijven bestaan als zijnde disciplinaire voorschriften.
so
123) 8 Dcc. 1.889 (Sihl. 175), a) 9 AFci 1890 (Slbl. 78), 30 Dec. 1892 (Slhl. 292) en 13 Sept. 1895 (Sibl. 159).
Ter uitvoering van Art. 4, geldt thans een K. B. van 4 Mei 1883 {Slbl. 41) gewijzigd bij K. B. van 30 Aug. 1884 {Slbl. 197);
31°. de Wet van 23 April 1880 {Stbl. G7) betreffende de opcnharf muldclcn van verroer nirl iiil-oiidering der xpourivcfidienstcii. b)
Naar aanleiding van deze Wet werd genomen een K. B. van 31 Jnli 1880 121) houdende Ier verzekering van de ve'd'ujheid drr reizigers met open-bare uiiddelen van vervoer',
32°. de Wet van 25 Mei 1880 {Slhl. 89) tot heseher-ming van diersoorlen iiullig voor landbouw en hoallccll.
Naar aanleiding van deze Wet werd - genomen een K. B. van 24 October 1892 {Slhl. 236) houdende nadere vaststelling van bepalingen ter uitvoering van art. 3 der \\ et van 25 Mei 1880 {Slhl. 89) tot bescherming van diersoorten, nuttig voor landbouw of houtteelt. Dit K. B. bevat eene opnoeming der nuttig geachte dieren. Het werd aangevuld bij K. B. van 9 Juni 1893 {Slhl. 87);
33°. de Wet van 21 Juni 1881 {Slbl. 70) houdende bepalingen onitrenl de zeevisseherijen gewijzigd bij de Wetten van 7 October 1884 {Slbl. 211) en van 14 Juni 1890 {Slhl. 05). c)
Xaar aanleiding dier Wet werden genomen een K. B. van 15 Mei 1884 (Slbl. 107) houdende vaslMelliruj
a) Dc gewijzigde tekst der Wet is herplaatst in liet Staatsblad 110.177 van 14 December 18S1'.
b) Door hunne niet handhaving zijn Art. 10 en het voorlaatste lid van Art. 9 vervallen.
c) Door laatstgenoemde Wet werden de artikelen 8 en 17 der oorspronkelijke Wet, zooals die gewijzigd werden bij de Wet van 7 October 1884 {Stbl. 211), ingetrokken. Door zijne niet-handhaving bij de Inv.wet is Art. 17^ vervallen. De Wet van 7 October 188-1 {Slbl. 211) heeft dus geheel hare kracht verloren. Art. 19 heeft door zijne niet-handhaving eveneens zijne kracht verloren. Het letterteeken bedoeld in Art. 2 der Wet is vastgesteld bij Besluit van den Minister van W. 11. en N. van 26 Juli 189-4 te vinden bij Luttj^bekg.
87
van voorscltrlflcn tul beschermimj der teelten tol regelinrj der visschenj van schelpdieren in de Zuiderzee, de Wadden, de. Lauwerzee en den Dollar!, gewijzigd hij K. B. vuu 8 Jan. 1885 (Stbl. 3) eu een K. B. van 11 Augustus 1892 [Slbl. 198) houdende vaslsteUinij van een nieuw reglement op het bevisschen van de Schelde en Zeeuwsche stroomen;
34°. de Wet van 28 Juni 1881 {Sibl. u0. 97) houdende wettelijLe bepalingen tot regeling van den kleinhandel in sterken drank en tol beteugeling van openbare dronkenschap gewijzigd bij de Wetten van 23 April 1884 [Slbl. 54) en 10 April 1885 {Stbl. 78); «) 35°. de Wet van 7 December 1883 (8lt;R 202) ter
voering van de op O Mei [88*2 le 's (1 ravenhage gesloten internationale overeenkomst bj lid regeling van de politie op de vissclierij in de oordzee buiten de territoriale wateren c)
gewijzigd bij de Wet van 31 Dec. 1887 (Stbl. 265);
36quot;. de Wet van 27 April 1Q84 (Stbl. 96) tot regeling can het slaatstoezicht op krankzinnigen', d)
37°. de Wet van 23 Juli 1885 [Stbl. 142) tot regeling der Staatsloterij c);
Naar aanleiding van deze Wet werd genomen een K. B. van 14 December 1885 {Stbl. 256) houdende
«) De tekst der Wet is herplaatst iu Staatsblad uo. 118 van 10 Mei 1883. Door hunne uiet-handlumng zijn vervallen de Art. 17 lo, 19, 20, 21, 22 en 24. Artikel 25 blijft bestaan als zijnde een voorschrift van strafvordering. (De nummers der Artikelen zijn die der herplaatste Wet.) Over deze Wet zie men o. a. Mr. F. W. George Snijder van Wjssen-kehke, La drankwet) Gouda, 1S85, en Mr. J. L. C. van Essen, Opmcr-kinyen over de drankwet, Utrecht, 1891.
h) De tekst dezer overeenkomst is opgenomen in Slhl. do. 40 van 20 Maart 1884, die van de wijziging daarvan in Sthl. no. 199 van 28 Dcc. 1889. Laatstgemclde wijziging werd goedgekeurd bij de Wet van 30 Aug. 1889. {$lhL 119).
r) Het tweede en derde lid van Art. 9 en Art. 13 zijn door hunne niet-handhaving vervallen.
d) Door hunne niet handhaving zijn Art. 30 lo, 2o, 4o en laatste lid, Art. 3/ laatste lid en Art. 39 vervallen.
e) Art. 16, IS en 20 zijn door hunne nict-handhaving vervallen. Art. 17 is door Art. 12 der Invoeringswet gehandhaafd; dat strafbare feit is echter een misdrijf.
88
voorschriften omtrent de onderwerpen, aangewezen bij art. 22 der Wet van 23 Juli 1885 [Stbl. 142) tot regeling der Staatsloterij.
Voor de toepassing der Wetten welke vóór 1 Maart 18Sö zijn ingevoerd gelden voor overtredingen hunner eigen bepalingen waarover de Kantonrechter oordeelt, de navolgende algemeene regelen:
I. Strafbepalingen of bepalingen omtrent onderwerpen in de 8 eerste titels van het eerste boek van het W. v. S.r. behandeld, in die Wetten opgenomen, zijn slechts van kracht voor zoover ze gehandhaafd zijn bij art. 10 der Wet van 15 April 1880 {Sill. n0. G4) (de zoogenaamde InvoevingsweC) met de daarin bij dat artikel gebrachte wijzigingen. De bij die strafbepalingen bedoelde feiten zijn overtredingen doordat ze in art. 10 zijn opgenoemd (art. 3d en 11 le lid Inv.wet).
II. Voor zoover in een gehandhaafd artikel gevangenisstraf mocht zijn bedreigd wordt die vervangen door hechtenisstraf met een maximum van gelijken duur doch den tijd van één jaar niet overschrijdende en met een minimum van één dag. Het minimum der bij een gehandhaafd artikel bedreigde geldboete wordt gesteld op of verlaagd tot vijftig cent. (Art. 11, 3e en 4 e lid Inv.wet.)
III. Wanneer in die Wetten op herhaling van overtreding zwaardere straf is gesteld, zonder vermelding van eenig tijdvak, binnen hetwelk die herhaling moet hebben plaats gehad, of met vermelding van oen anderen aanvangstijd, dan is die bepaling slechts van kracht wanneer tijdens het plegen van de overtreding nog geen 5 jaren zijn verloopen sedert de vroegere veroordeeling van den schuldige onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald. (Art. 11, 5e en Ge lid Inv.wet.)
IV. Wanneer in die Wetten de poging et) wordt
a) Reeds bij de totstandkoming der Invoeringswet werd er op gewezen dat de hier bedoelde feiten met de poging bedoeld bij Art. 45 W. v. S.r* slechts den naam gemeen hebben.
89
strafbaar gesteld, blijft ze als zelfstandige overtreding strafbaar. (Art. 11, 2(gt; lid Inv.wet.)
\ . l'envijl alle iu die Wetten opgenomen bej)a-lingen, van andoren aard dan die ouder I opgenoemd, tenzij zij uitdrukkelijk ziju afgeschaft, blijven bestaan a), is dat zelfs het geval met de bij die Wetten verleende bevoegdheid tot het opsporen der overtredingen, ook dan wanneer de overtreding niet meer voltrens
O
de speciale Wet doch volgens het Wetboek van Strafrecht wordt gestraft. (Art. 13 Inv.wet.)
C. De Wetten in werking getreden sedert 1 Maart 188G, welke hieronder zijn opgenoemd:
1°. de Wet van 1 â¢quot;gt; April 18S(J {sibl. 65) houdende )ïntatregelen Ier uilvoenn'j rtm de internaliouale ove.re.en-kowsl iot bexchoinbitj van (niderzee.iche telcrfraafkabeh, b) gewijzigd bij de Wet van 4 Juli 1887 (Slbl. 109). Slechts do feiten strafbaar gesteld bij art. 3 der Wet zijn overtredingen;
2U. de Wet van 5 Mei 1889 {Slbl. 48) houdende hepalhujen tol het teijeiuiaan van overmatinen en (jevaur-lijkcn arbeid van jeugdige personen en vtm vrouwen (ar-bciJsiret) e), gewijzigd bij de Wetten van 20 Juli 189rgt; {Sibl. I:{7 en 138); de feiten voorzien bij art. 20 dier Wet zijn echter misdrijven;
a) Zoo blijveu o. a. bestaan alle bep.ilingeu oratreut onderwerpen geregeld in liet Wetboek van Strafvordering of' in de Wet op de Rechterlijke Organisatie tenzij zij uitdrukkelijk zijn at'geseliaft.
/j) De internatiouale overeenkomst, welke tot deze Wet aanleiding gaf, werd opgenomen in liet Staatsblad bij K. 13. van 1G April 1SSS {Stbt. no. 7*0; de Wetten, bij welke eenige Art ikelen zijn goedgekeurd, zijn die van 18 April 1885 {Stbl. 89) en 31 Mei 1S87 {Stbl. (Jü). Deze Wet be-seliermt alleen de telegraafkabels bui en de territoriale wateren.
c) Tot uitvoering dier Wet werden genomen de navolgende Algemeene Maatregelen van Bestuur:
bet Koninklijk Besluit van (J December 1SS9 {Stbt. 176) tot vaststelling van eenen Alyameenen Maatrcycl van Bestuur als bedoeld bij de Artikelen 5 7 en 11 der Wet van 5 Mei 1889 {Stbl. 48), gewijzigd bij K. Bn. van 30 Oct. 1890 {Stbl. 158), 17 Oct. 1891 {Stbl. 172), en 10 Juni 1892 {Sblt. 136); het Koninklijk Besluit van 15 Juli 1891 {Stbl. 147), tot vaststelling
6 a
90
3°. de Wet van 23 Juni 1889 (SM. 82) houdende bcjXt Initjfii tol voorkoDiiinj ccdi blt;'dyo(j iu den holci'hutulcl u}t 4''. de Wet van 20 October 1889 (Sthl. 135) tot vaststelling van brpalinijcii tc(jcn hel visscheu door 0)i-vcifenden vtin vi'eetude vcKtvluifjen in de tei'i'ilot'itile tociteien
van het Jtijk; h)
5°. de Wet van 9 Mei 1890 (.SV6/. 81) houdende ver-bodsbepalinycn tegen het dragen van wapenen ; c)
0°. de Wet van 15 April 1891 {hlbl. 84) houdende hepalhvjen ter Hiteoermg van de op JU November IS^7 te 's Grctvcnhctgc gesloten internutioyutle overeenhomsl, strekkende tot het tegengaan der inishruiken, voortvloeiende ait den eerkoop can sleeken drank omter de vissch^ts op de Noordzee, huiten de territoriale imiteren, goedgekeurd hij de Wet van 1 Aagustus ISSS (Sthl. 1-23) en lot hel
ran een en Algemeenen Maatregel van Bestuur als bedoeld hij Art. i der Wet van 5 Mei 1889 (Stil. 48), gewijzigd bij K. B. van 11 Augustus 1892 (Stbl. 199), herplaatst in 5/4/. 29 Sept. 1892 no. 229. Beide opgenoemde A. M v. li. werden gewijzigd bij K. B. van 7 Februari 1893 {S/dl. 47)-het K. B. van 2 April 1S9Ã {SM. 63) tot regelini/ van den werkkring en de bevoegdheden van de bij Art. 12 der Arbeidswet bedoelde inspecteurs en verdere ambtenaren.
Zie omtrent deze Wet Mr. II. Goeman Bouoesius, De arbeidswet, en Mr. Jacques OppeNHEIM, Be Wet van 5 Mei 1SS9 (674/. 4S).
a) De Wet van 30 Oct. 18S9 {Stbl. 155) bepaalde het iu werking tredou dezer Wet op den l Januari lb(Jü.
b) In deze Wet wordt eeue uitzondering gemaakt op de bepalingen van strafvordering in zoover, dat wanneer een vreemd schip, volgens de bepalingen dezer Wet wordt opgebracht naar eene Nederlandaehe haven, het Kantongerecht, waaronder die haven behoort, van de vervolging kennis neemt. Tegen het bij verstek gewezen vonnis kan, wanneer het vreemde vaartuig is opgebracht, geen verzet meer worden gedaan indien 2 maanden zijn verloopen sedert het vonnis kan worden ten uitvoer gelegd.
c) Be Minister van Justitie bepaalde bij besluit van 27 Sept. 1890 ingevolge Art. 3 welke Ambtenaren of beambten onder zijn departement behoorende behalve de in de Wet genoemde een wapen bij zich mogen hebben. Uit besluit is te vinden iu W. 5925. De Kantonrechters en de Deurwaarders zijn daarin opgenoemd.
De opnoeming der wapenen iu de Wet is enuntiatief. Komt dus het voor wapen gehouden voorwerp, dat de van overtreding dezer Wet beklaagde bij zich had, niet iu de Wet voor, dan zal de Rechter moeten uitmaken of het een wapen is. Zie een arrest van den H. U. van 9 October 1893 (W. 0403, P. v. J. 1893, no. 84.)
91
Iri/enyaan van .toortgrljl.a mishmikcn In de territoriale waleren des Illjl.s a) gewijzigd ])ij de \\ret van 30 De-cember 189:5 (Sthl. 2G2);
/n. de \\ et van lo April 1891 {^thl. 87) lol regeliai/ der brievenpo lerij. h) Bij K. B. van 11 Februari 1S92 (blhl. 41) is bepaald dat deze Wet den 1 April 1892 in werking treedt;
8°. de Wet van 13 Juli 1895 {stld. 113) houdende bepalnifien omtrent verivnimien â¢
9°. de Wet van 20 Juli 1S95 (Sthl. 137) houdende hepalingen tot beueilujiinj bij het vertdijren in fabrieken en werl,â plaatsen (veiligheidsn-el) ⢠e)
a) Hetzelfde wat ik boven zcide omtrent de AVet van 26 October 1889 (AW. 135), geldt ook voor deze Wet. Voor zoover de overtredingen zijn gepleegd buiten de territoriale wateren straft deze Wet ze slechts wanneer ze gepleegd zijn aan boord van een in Nederland tehuis beboorend schip of door iemand daartoe beboorend.
Mij de Wet van 7 Augustus 1888 (SM. 123) is goedgekeurd de inter-nalioi ale overeenkomst, bij die van 22 Juni 1893 (674/. 92) de daarin op 14 Februari 1893 gebrachte wijziging.
De geheele overeenkomst is bekend gemaakt in S/6/. no. 59 van 19 April 1891.
Bij de Wet van 20 April 189-1 {SUL 60) is bepaald dat de Wet den 23 Mei 1891 in werking treedt. l!ij besluit van 27 April 1894 (tevinden bij Luttexbeug) stelde de Minister van W. H. en x. vast het merk-teeken voor schepen die vergunning liebben tol het verkoopen van sterken drank (art. 7 der Wet).
4) Tol uitvoering dezer Wet strekken de Koninklijke Besluiten van 14 December 1895 (St/il. 222 en 223.)
c) De strafbare feiten voorzien bij art. 23 der Wet zijn misdrijven.
Art. 32 der Wet bepialt uitdrukkelijk dat de Wet kan worden aangehaald onder den tifel van vcilvjhndswft. Zoo gaf de Wet van 20 Juli 1895 (AW. 138) aan die van 5 Mei 1SS0 (SM. 48) den naam arbeidswet. Zoo wordt in een ontwerp tot wijziging der Wet van 13 Juni 1837 (S/bl. 87) voor die Wet voorgesteld de naam van jnrhlwet. Alhoewel die Wet veelal de jachtwet genoemd wordt, komt mij toch die benaming minder wenschclijk voor zoolang bij diezelfde Wet ook de veel gewichtiger vis-scherij wordt geregeld. Minder gelukkig vind ik ook den nacm van hindenert toegedacht aan de Wet van 2 Juni 1875 (Slbl. 95.) Het thani aangenomen beginsel om onze Wetten korte namen te geven verdient ongetwijfeld ioejuiching. De eer van daarop de aandacht te hebben ge-vestig 1 komt toe aan Mr. 11. Vehkocteken in zijn: Hoc citeerm wij onze Wetten! opgenomen in W. C297. Zie ook een ingezonden stuk van Mr. V. in W. 6724 en onder Berichten in W. 6721.
92
10°. de \Vet van 15 April 1890 (Sihl. 69) houdende rcycling van het toezicht op het (jebrmk van stoomtoestcllcn â¢,
N'oor de Wetten, ingevoerd sedert 1 Maart 1880, gelden de volgende algemeene regelen:
I. In die Wetten zeiven wordt bepaald of dc niet-nako-ming er van is een misdrijf dan wel eene overtreding,
II. Maakt de Wet het strafbaar feit tot eene overtreding dan gelden daarvoor de regelen in de acht eerste titels van het Wetboek van Strafrecht, in dat van Strafvordering en in de Wet op de Rechterlijke Organisatie gegeven, voorzoover de Wet zelve niet uitdrukkelijk anders bepaalt.
1). Algemeene Maatregelen van Bestuur:
Veel is er langen tijd gestreden over de vraag of wanneer bij Koninklijk besluit voorscbrilten o\ci cenig onderwerp werden gegeven, die voorscbrilten ook dan door de Wet van 1818 konden worden gehandhaafd, wanneer den Koning niet uitdrukkelijk bij de Wet was opgedragen het onderwerp te regelen. In 1887 werd in de Grondwet gebracht een artikel luidende: Door deii Ronituj v.'ovdcïi ahjcniecue iuaat-regelen van bestuur vastgcstehl.
Bepalimjen, door Htvafj'en te haitdlinven, ii'onlcn in die maatrcijden niet gemaald dan kmehten* de Wet.
]h- Wet rcgi'lt de o/i te leggen stra/feji.
Sints 1 September 189.'i is artikel 1 der Wet van G Maart 1818 (Stbl. 12) voor goed afgeschaft. lt;() Nadat
«) Ka bij dc Invoeringswet tijdelijk tot 1 September 1888 to zijn gehandhaafd, werd vijf maal voor don tijd van een jaar zijn levensduur verlengd. Het laatst bij do Wet van 10 Aug. 1892 (S/bl. 181). Die verlengingen hadden plaats om do golegonboid to geven om kanaal-reglo-menten, bagger-reglemonton, tol roglemonton on dergelijke welke onder do heerschappij van dat Artikel bij K. li. werden vastgesteld, door straffen to handhaven. Do 11. 1!. ontleende 's Konings bevoegdheid tot het vaststellen dier reglomonton aan Art. 190 G. W. van 1848 (zie arrest II. B. 30 Juni 1879 W. '1104) of 577 B. W. (zie arrest 6 Oct. 1884 W. 5086).
In overeenstemming met do door don H. K. gehuldigde leer werd op 31 Maart 1887 nog bij K. B. vastgesteld oen reijlcmi-nt op hel bagywn.
93
eerstgenoemd artikel in onze Grondwet is opgenomen en het laatstgenoemde uit onze Wetgeving verdwenen, heeft die strijd voor het strafrecht zijn gewicht verloren, en mag ik mij van de bespreking daarvan ontslagen rekenen. Er mogen bezwaren tegen het Grondwetsartikel zijn aan te voeren. «) Het moge waar zijn wat Mr. Brvs beweert, dat het nieuwe Grondwetsartikel vrijheid laat om ook in de toekomst bij eene AVet, evenals die van 1818 deed, stratbepalingen vast te stellen tegen het overtreden van Koninklijke Besluiten. Onomstootelijk vast staat, dat, nu die Wet er niet is, â en laat ik er in een adem bijvoegen dat er ook al heel weinig bezorgdheid behoeft te bestaan dat die er zal komen â geene bepaling door straiten te handhaven in een Algemeenen Maatregel van Bestuur kan worden opgenomen, tenzij eene Wet aan de Koningin opdraagt hot onderwerp te regelen. Die Wet moet tevens de straf vaststellen die aan den overtreder van het Besluit zal kunnen worden op-o-eleo-d. Terecht merkt Mr. Brvs h) op, dat het beter ware geweest indien de Grondwet de koningin de bevoegdheid had gegeven om tusschen de in de Wet gestelde grenzen de straf vast te stellen.
Alhoewel het in den aard van het delict ligt dat ook het niet-nakomen van een Algemeenen Maatregel van Bestuur, berustende op eene Wet na 15 April 1880 uitgevaardigd, eene overtreding en geen misdrijf zal zijn, is het toch bij geene algemeene Wet bepaald, zoodat iedere speciale Wet dat zal moeten doen.
Door de afschaffing van art. 1 der Wet van (_! Maart 1818 (Slhl. 12) zouden natuurlijk ook hunne poenale sanctie verliezen do bepalingen van Alge-
graven en visschfn van. voorwerpen en hel werpen ran (jrond of andere zinkende sloffen in de riv eren en langs de zeekusten. Dat rcglcmoiit verwees voor de bestrafling van liet niet nakomen zijner bepalingen naar de Wet van 6 Maart ISIS {Slbl. 12).
a) Zie Mr. J. T. Buys, de Grondwet, III, biz. 8G en vlg.
b) Zie Mr. J. ï. Buvs, terzelfde plaatse.
94
nieeiie Maatregelen van Bestuur, uitgevaardigd krachtens cnic \\cl vóór 15 April 188(3 in werking getreden, wanneer die Wet de bestraffing aan de Wet van 1818 heeft overgelaten. Daarom bepaalt art. 20 der invoeringswet dat de strafbare feiten, voorzien bij Alge-meene Maatregelen van Bestuur krachtens die Wetten genomen of te nemen, zullen worden bestraft met hechtenis van ten hoogste 14 dagen of geldboete van ten hoogste f 100.â. Art. 28 maakt die feiten tot overtredingen.
Heeft echter eenc bijzondere Wet, vóór 1 Maart 188(3 in werking getreden, zelve bepalingen tegen de overtreding van krachtens haar uitgevaardigde Algemeene Maatregelen van Bestuur gemaakt, dan worden ook die bepalingen, voor zoover ze straffen vaststellen of eenig onderwerp betreffen, dat geregeld wordt in de acht eerste titels van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht, bij art. 19 der Invoeringswet uitdrukkelijk gehandhaafd. Wat boven onder II, III en IV is medegedeeld omtrent de bij art. 10 der Invoeringswet gehandhaafde Wetten, geldt door de toepasselijk verklaring van art. 11 ook voor de bepalingen waarvan hier sprake is. Door die toepasselijk verklaring wordt het niet-nakomen van eene bepaling dier Algemeene Maatregelen van Bestuur eene overtredimj. Art. 19 bepaalt verder dat de bepalingen a) in die Wetten omtrent solidariteit bij veroordeeling tot boete, voorziening in geval van wanbetaling daarvan, bestemming van boete en van verbeurdverklaarde, niet vernietigde of onbruikbaar gemaakte voorwerpen, verval van het recht van strafvordering door transactie of door vrijwillige betaling van het maximum dei-boete, alsmede omtrent verzachtende omstandigheden blijven of zijn ingetrokken.
De Algemeene maatregelen van Bestuur tegen wier
/gt;) Al de hier opgenoemde bepaliugeu zonden, waren zij niet uitdrnk-kelijk ingetrokken, zijn gehandhaafd door het eerste lid van het Artikel.
95
overtreding straf is bedreigd, zijn behalve dc reeds bij de verschillende Wetten opgenoemde:
1°. het Koninklijk Besluit van 5 Mei 1877 (blhl. 100) houdende hcpui'mijcii otnlrcnt dooruoci' vun arscnicKtn houdende ufvul van an'dbicfahnekcn a)
2°. het Koninklijk Hesluit van 24 December 1883 (Stbl. 248) houdende hepalhujen Ier ultvoerhuj der over-eenliomst lol wer'nuj der t/na/fins h) gewijzigd bij K. Bu. van 14 Deceniljer 1889 {SU/l. 178) en 2G Mei 1894 (S/fc/. (30);
Mrs. B. en 11. H. A. vax IIoyex, l)r xlrafireli/cviiuj inct bctrehkhiii lol de Kantonficrechtcn (Ijlz. ;!0-'!) merken
d) Deze Algemeene Maatregel van Eestuur is genomen naar aanleiding vau de Wet van 28 Juni 1876 {Stbl. 15U) liondende maatroyelfn teyen het (jf.vaar hetwelk door den in , door- of vervoer van vergiftige stojj'en kan ontstaan, gewijzigd bij Art. 1U no. 3G, Art. 11 en Art. 19 alinea 4, Invoeringswet. De Wet geeft de Koningin de bevoegdheid om de in-, door-of vervoer van in den Algemeenen Maatregel van Bestuur aan te wijzen vergiftige stollen te verbieden of aan zoodanige voorschriften te OLderwerpen als in het belang der openbare gezondheid noodig voorkomen. Zij bedreigt eene geldboete van ten hoogste Æ 500 of hechtenis van ten hoogste zes maanden tegen de overtreding dier Koninklijke Besluiten, en eene zelfde boete of hechtenis van ten hoogste 4 maanden tegen de gehandhaafde poging daartoe (Art. 11 Tnv.wet). Zij bevat verder eenige voorschriften omtrent opsporing, inbeslagneming en verbeurdverklaring. In de eigenlijke regeling van het onderwerp, wanneer zulks noodig is, laat de Wet de Koningin vrij V) Deze Algemeene Maatregel van Bestuur is genomen krachtens de Wet van 6 December 1883 (Stbl. 181) betreiiende de uitvoering der op 3 November 1881 te Bern gesloten internationale overeenkomst tot wering der druifluis (phylloxera). De Wet bepaalde zich er toe de regeling van het geheele onderwerp op te dragen aan den Koning. Daar ze zelvegeene straf bepaalde werd de overtreding gestraft volgens Art. I der Wet van 6 Maart 1818 {Sthl. 12), en thans volgens art. '20 der Invoeringswet. Oorspronkelijk bepaalde Art. 2 der Wet van ü Dcc. 1883 [Stbl. 181) dat die Algemeene Maatregel van Bestuur binnen 2 jaar na de inwerkingtreding der Wet aan bekrachtiging bij de Wet moest worden onderworpen. Kadat die termijn bij de Wetten van 15 April 1886 (Stbl. 68) en 30 Dec. 1S87 {Stbl. 258) was verlengd, werd eindelijk Art. 2 bij de Wet van 15 April 1890 {Stbl. 48) geheel afgeschaft. Die Wet is nu wel de kortste die we bezitten. Bij de Wet van ü December 1883 {Stbl. 178) werd onze toetreding tot de op 3 November 1881 te Bern gesloten internationale overeenkomst over dit onderwerp goedgekeurd. Daarbij werden tevens de bepalingen dier overeenkomst openbaar gemaakt.
96
terecht op dat deze Algemeene Maatregel van Bestuur ook geldt voor den Rijn.
3°. het Koninklijk Besluit van 28 Juni 1877 {Sthl. 155) houdende vaststelling van een ren lemen t betrekkelijk de onlijiniiiiuj van sleenkolciDuijticn en zulks mcl intrckkinij van art. VI, XVI en XXVII van het Keizerlijk decreet van â gt; Jananri IS 1:1 n);
4°. het Koninklijk Besluit van 15 October 1885 houdende vaststelling van voorfichriften omtrent het vervoer den in-, uit- en doorvoer, verkoop en opslalt;j van huskruit en andere ontplof hare *toj]'en b) \ gewijzigd liij K. B. van 10 (October 1891 (Sihl. 162);
5°. het Koninklijk Besluit Aan 27 Juli 1887 (Stbl. 141) regelende de verplichlvuj der inrjeze'encn tol het doen van aanjifle voor de bevolkimjxreijialers c), niet intrekking van liet l\. Igt;. van 3 November 18(51 {Stbl. 95) gewijzigd bij dat van 5 Mei 1870 {stbl. 73);
6°. het Koninklijk Besluit van 27 Juli 1887 [Sthl. 142) tot rcijeliny der innchrjvinlt;j in reyislern van personen, samenwonende in yeboawen, yeslichten of schepen, slaande onder bestuur of toezicht van Jljksmeye, met intrekking der Koninklijke Besluiten van 23 September 1877 (Stbl. 185) en van 30 December 1886 {Stbl. 252);
7°. het Koninklijk Besluit van 20 Mei 1890 (Stbl. 93) houdende vaststelling van een Alyemeen Iteylcment voor den dienst en het vervoer op dc spcorweyon bedoeld
a) Tegen de overtreding van dit reglement, vroeger strafbaar krachtens Art. X der Wet van 21 April 1810, wordt thans straf bedreigd bij Artikel 21 der Invoeringswet.
b) Deze Algemeene Maatregel van Bestuur is genomen krachtens de Wet van 26 April 1881. {Stbl. 81) die de regeling van het onderwerp grootendeels aan de Koningin opdraagt. Zij werd gewijzigd bij Art. 19 laatste alinea der Inv.wet.
c) Dit K. li. werd even als het volgende genomen krachtens de Wet van 17 April 1887 {Sthl. 07) tot vaststelling van bcpalinyen bntreffende hel houden van bevolkinysregisters, wier eenige bepalingen zijn eene stralbedreiging en eene opdracht aan de Koningin om het onderwerp te regelen. De opneming der strafbepaling in beide K. B. is overbodig. Bij veroor-deeliug zal moeten aangehaald worden Art. 2 der Wet.
97
in Art. 1 der Wei van 28 October 1889 {Slbl. 140) lokaalspoorwegen) gewijzigd bij Iv. B. van 19 April 1892 {Slid. 1690);
8°. liet Koninklijk Besluit van 18 Mei 1892 {Slbl. 102) tot vaststelling van een retjlemcnt ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op openbare wateren in hel liijk, die voor de scheepvaart openslaan a) â¢
9'. liet Koninklijk Besluit van 13 Augustus 1891 (Slid. 15S) tot vaststelling van een algemeen reglement van politie voor rivieren, kanalen, havens, sluizen, bruggen en daartoe behoorende werken, onder beheer van hel Rijk b), gewijzigd bij K. B. van 17 April 1894 {sibl. 57);
10'. het Koninklijk Besluit van 15 Februari 1892 [Stbl. 44) houdende vaststelling van een reglement op Ik l baggeren, graven en visschen van voorwerpen en het roerpen van grond of andere zinkende sloffen in de. rivieren, onder beheer van hel Rijk, en langs de zeekusten, onder beheer van hel Rij); r). Gewijzigd bij K. Bn. van 17 April 1894 [Slid. 58) en 18 December 1895 {Slbl. v24);
De beide in de laatste plaats opgenoemde Alge-meene Maatregelen van Bestuur zijn uitvloeisels van eene zeer belangrijke Wet van 28 Februari 1891 (Slbl. (59) tol vaslslelling van bepalingen belre/fende 's Rijks
a) Dit Koninklijk Besluit werd genomen naar aanleiding van de Wet van 15 April 1891 (Sibl. 91) houdende hepalinycn tol voorkoming van aanva-rtn'J 0f ciamlnjving oy; de openbare wateren in het Rijk, dl: voor de scheepvaart openstaan. De Wet bepaalt zich er toe met erkenning van de bevoegdheid van andere besturen om het onderwerp in hun kring te regelen, de regeling van het onderwerp in haren geheelen omvang aan de Koningin op te dragen, liet reglement geldt ook voor de territoriale wateren; het geldt niet voor den Rijn, de Waal, de Lek, de Merwedc, de Noord en de Nieuwe Maas (Art. ?, reglement). Overtreding is strafbaar volgens Art. 4 73 W. v. S.r.
h) Dit reglement trad in werking den 1 September 1892 krachtens K. B. van 28 Juni 1892 {Sth/. 1G9). Het is slechts toepasselijk op die rivieren en kanalen welke in Art. 1 (gewijzigd) van het reglement zijn genoemd.
c) Ook dit reglement geldt slechts voor de met name in Art. 1 van dat reglement opgenoemde rivieren.
98
imterstaalswerken. Tal van reglementen voor kanalen, havens en bruggen zijn bijzonder in bet jaar LS92 naar aanleiding van deze Wet vastgesteld a) en beel wat kunnen er naar aanleiding daarvan nog genomen worden.
Eindelijk zij bier nog vermeld dat bij bet bestaan binnen of buiten 's lands van Aziatische cbolera, pest, gele koorts of pokken door de Ivouingm bij Abn'inoenen Maatregel van Bestuur voor ten boogste één jaar in-, door- en vervoer van verscbillende goederen kan verboden worden en maatregelen kunnen worden genomen om personen en goederen at te zonderen en te ontsmetten. De Wet b) zelve geeft nocr eenige voorscbriften welke alle sleebts gelden voor overtreding van die Algemeene Maatregelen van Bestuur, immers nquot;3- 2 en 3 van art. 2 zijn, daar zij bij de Invoeringswet niet uitdrukkelijk ge-bandbaafd zijn, vervallen. De Wet bevat ook eene straf-
a) Ik acht het, daar die reglcmeuteu meer een lokaal belang hebben, niet noodig hen hier op te noemen. Voldoende zij het te zeggen, a ie reglementen, wil hunne overtreding kunnen bestraft worden, moeten z.jn vastgesteld ua het tot stand komen dezer Wet. Die reglementen toch welke hunne poenale sanctie ontleenden aan de Wet Van 1818, hebben die door de afschalllug dier Wet verloren, en herkregen ze met doo. Art 20 der Invoeringswet. Dat Artikel toch is slechts geschreven voor de gevallen waarin cene Wet het geven van nadere voorschriften ^an bestuur aan de Koningin overliet. Eu uu moge men in overeenstemming met de jurisprudentie van den lloogen Raad beweren dat de Komn n hare bevoegdheid om reglementen als waarvan hier sprake is vast stellen, ontleende aan het Haar bij de Grondwet gegeven Opperbestuur van den Waterstaat of aan Art. 577 ^7^181 dat men iu de Invoeringswet naast Art. 20 in Art. 22 de VUt van 1818
tijdelijk handhaafde o. a. voor deze reglementen. , , .
\) Deze Wet is die van SC April 1884 {SM. 80) houdende bmtenyeuione maatraden tol afwending van eenige besmMelijke ziekten en M *â¢* karer uMreidmg en gevolgen, gewijzigd bij de Wetten van 20 Juli 1884 {SIM. 164) en 15 April 1880 {Stil. 04) (art. 19 laatste alinea^ Tot u t-voering dezer Wet strekte o. a. een K. 13. van 15 Jan. 1885 {SI . ^ ), tot vaststelling der regelen volgens welke krachtens die Wet in beslag genomen voer- of vaartuigen met hunnen inventaris, tegen zekerheid worden ontslagen.
9!»
verzwaring voor herhaling der overtreding (art. 3) «).
E. Verdragen niet buitenlandsche mogendheden, vóór 1 Maart 18S6 gesloten, welke hieronder worden opgenoemd h):
1°. de overeenkomst gesloten met België den 20 Mei 1843 geplaatst in het Staatsblad hij K. 15. van !» Sept. 1843 {sihl. nquot;. 45) lt;â¢);
a) Ik deel dus uiet de raeeuing uitgesproken in Mrs. li. en II. II. A. tan Koijen, Di' shaJ'iüL'tyrviny owl bdrckhiny tot de Kantonynrechten (blz. 249), dat Art. 2, 2o niet zou zijn vervallen, en ook niet dat Art. 3 niet zou gelden voor de overtreding der bewuste Algemeene Maatregelen van liestuur. Ik wijs daarvoor slechts op de omstandigheid dat de lie-geering verklarende dat Art. 2, 2o en 3o vervallen, toch de straf-verzwaring in Art. 3 handhaafde, die nu alleen op die Algemeene Maatregelen van Bestuur kan betrekking hebben. (Smidt V blz. 420).
Ik zou veeleer van meening zijn dat hier geldt dezelfde opmerking, die zij bij bladzijde 3 is omtrent iets dergelijks maken, dat men namelijk aan een verzuim van den Wetgever denken moet.
h) Art. 0 der Invoeringswet bepaalt, dat bepalingen omtrent onderwerpen in de acht eerste titels van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht of strafbepalingen in die verdragen voorkomende worden gehandhaafd, en dat de feiten, bij die strafbepalingen voorzien, worden beschouwd als overtredingen. Ook van deze overtredingen neemt de Kantonrechter slechts kennis voor zoover het geen belasting-overtredingen zijn. Terwijl in den regel bij internationale overeenkomsten de mogendheden zich verbinden om strafbepalingen te maken, wat dan elke con-tracteerende mogendheid zelfstandig doet, zijn bij de hierbedoelde overeenkomsten de strafbepalingen in de overeenkomst zelve opgenomen. Genoemd Artikel 0 bepaalt uitdrukkelijk dat krachtens dat Artikel de bedoelde strafbare f uten slechts dan als overtredingen worden beschouwd wanneer de strafbaarstelling niet geschiedt door toepasselijk verklaring van het nationale recht. Wordt dus bij tractaat bepaald, zooals o. a. met Frankrijk geschiedde, dat vreemde letterkundige eigendom hier te lande dezelfde bescherming zal genieten als de nationale, dan blijft nadruk, geploegd tea opzichte van het vreemde werk, een misdrijf. Niets belet ook thans in het tractaat, de strafbepalingen op te nemen; zij moeten dan echter, ingevolge Art. 51) der Grondwet, door de Staten-Generaal zijn goedgekeurd, en tevens zal moeten worden bepaald of de strafbare feiten misdrijven dan wol overtredingen zijn.
c) Dit tractaat werd gesloten naar aanleiding van den op den 19 April 1839 te Londen met lielgie gesloten vrede en van het tractaat den 5 November 18i2 met dat land gesloten. Daar de destijds van kracht zijnde Grondwet dat niet uitdrukkelijk voorschreef, zijn de strafbepalingen bindend, niettegenstaande ze niet bij de Wet zijn goedgekeurd, en blijven ze dat krachtens de overgangsbepalingen der Grondwet.
100
Bij die overeenkomst werden vastgesteld. ,(. het mghmenl voor de xcherpvaarl op de Schelde en hare mondingen, waarin strafbepalingen voorkomen
in artikel 22 en 29;
h hel regie,nenl belrelfendr hel loodswezen en het ;/e-meemchappoUjk toezicht op de Schelde en eemge andere wateren in dat reglement opgenoemd, waarin strafbepalingen voorkomen in art. 23 en 00 o);
het reglement betrelfende de vhtcherij op de Schelde cn eenige in het reglement opgenoemde wateren. Strafbepalingen komen voor in art. 19 en art. 21 ;
d. het reglement letretfende de vaart op de Unnenwa-teren iu**chcn Schelde en llijn. Strafbepalingen komen voor in art. 27. 32, 33 en 3.quot;, van dat reglement;
het reglement betrekkelijk de scheepvaart op de Maas b). Strafbepalingen komen voor in art. 4.) van dat reglement; t , r f. hel reglement helreffendr de scheepvaart op het ha-
naai van Terneuzm c). Strafbepalingen komen voor in art. 11 en -11 van dat reglement;
9o Het verdrag van 17 October 18(38 betreffende de scheepvaart op den Rijn, waaronder begrepen zijn de Lek en de Waal, waarvan eenige bepalingen zijn goedgekeurd bij de Wet van 4 Apiil 180J 0')
en die in baar geheel is opgenomen in Stbl. lo van
3 Mei 1809.
fl) Art. 59 van dat reglement bepaalde dat de in «at Art genoemde overtredingen zouden worden bestraft volgens de Wet van ü Maart U . Wegens de afs.O.affing der Wet we-d naar aanleiding der overeenkomst vanquot; 4 Mei 1S91, bij de Wet van 2 Januari 1S92 (iVW. U), b^aald dat
die strafbare feiten .ouden worden bestraft met l.eehten.s van ten hoogste
14 dagen of geldboete van ten hoogste Æ 100.- en tevens dat d^ sh al-bare feiten zouden worden beschouwd als overtredingen. De overeenkomst van 4 Mei 1S91 is opgenomen in Stbl. 4o van 19 Pebiuaii -â¢
l) Dit reglement is gewijzigd bij de overeenkoms van 8 M 18ol f, plaatst iu SM. 133 van 3 September 1851 goedgekeurd by de Vet -2 Sept. 1851 (Stbl. 132) en bij overeenkomst van 31 Octobei
âlaatst in SI hl. 30 van 12 Februari 18SG.
c) Gewijzigd bij de overeenkomst van 24 September 1862 geplaatst in
Stbl. 2 van 14 Januari 18G3.
101
Naar aanleiding van deze overeenkomst werd genomen :
I. het K. B. van 2!) Juli IS,S3 {Slhl. 123) houdende voorschriften oivlrcnl de aanduiding van den yrootat loe-'j/'laten dieprjamj en de aanvidlinij van de scheepspatenten der Ilijnschepen â¢
II. het K. !gt;. van 2 Maart 18S7 [Slid. 41) tot vaststelling van hepahiKjen voor hel vervoer ran bijlende en venjifliip' sloffen langs den IHjn ;
III. het K. U. van 2quot;) Februari 1890 {Slhl. 28) tot bekrachtiging van poliiiobepalingen voor hel vervoer van petrolewni in kctelschepen langs den Jtijn ;
IV. het K. B. van 12 April 1S02 (Stbl. 8(3) tot bekrachtiging van een veglemcnt van politie voor de scheep-vaavt en de vlotvaart op den Jiijn en andere rivieren gewijzigd bij K. B. van 30 Januari 1893 (Stbl. 29), 23 December 1S93 {Stbl. 219) en .quot;5 Januari 1895 {Stbl. 1);
\ . het K. B. van 5 September 1892 (Stbl. 210) houdende bepalingen omtrent de Itjnschippers en scheeps-patentcn en oinlrent de iustellingen van conimissiën van deskundigen voor de Ilijn vaa rt, gewijzigd bij K. B. van 2 Januari 1894 (Stbl. 1) en 28 November 1894 (£,^/.174);
VI. het K. B. van 29 Maart 1894 (Slhl. 49) houdende bekrachtiging van pohliebepaHngen op het verveer van licht ontvtainbare, niet ontplofbare sloffen op den llijn'
VII. het K. B. van 28 November 1894 (Slid. 174) houdende bepalingen omtrent hel ijken van Rijnschepen.
Ter voldoening aan de bepaling der Rijnvaartakte, die wil dat er in ieder land tierechten zullen worden aangewezen om van overtredingen der overeenkomst in eersten aanleg en in hooger beroep kennis te nemen, bepaalt de Wet van 10 Juli lüOO (S-bt. 139) o. a. dat de Kantongerechten zullen kennis nemen van de binnen hun gebied gepleegde overtredingen der Rijnvaartakte, en dat van hunne daarvoor vatbare vonnissen hooger beroep zal zijn bij de Rechtbanken, waaronder zij ressorteeren.
102
F Provinciale Reglementen.
Krachtens artikel 134 der Grondwet, in verband met art. 140 en 141 der Wet van G Juli 1^0 {hlbl
nn. 3(-~0' rcrjclcndc de samrn^L-lUwj en macht van de Provinciale Stalen, kunnen rrovinciale Staten reglementen maken, -lie zij in het belang hunner provincie noodig oordeelen a). Die reglementen kunnen echter
a) Eene zeer belangrijke vrang voor provincialo reglementen en Ge'quot;eente; verordeningen is: Wat is alge.neen Rijksbelang? Wat Frcnnnnaal belang Wat Gemeentebelang? Men z.ie daarover Mr. J. T. Hos, de Grondwet 11 ad Art. 131 eu Art. 140. Blijkbaar stond de Orondwe- op hetatand-punt dat er vaste grenzen voor die belangen zonden zyn te vmden Mr J ï. Hrvs !(t. a. p. 191) zegt: -tenzij Wet of G.-ondwet .u drukkel.jk «anders bepale, komt het reel.t om de elt;-onom.scl.e belangen ^r bm^e's .te behartigen toe aan dat gezag, 't welk op een gegeven oogenbhk tot het âvervullen van die taak de meeste geochiktheid moeht bez.tten . Aolgens hem wordt du» iets van Algemeen of Rijks belang alleen door dat de Rijkswetgever het regelde. En slechts voor zoover als de Kykswetgever het regelde is het van Algemeen of Kijksbelang. ^iets belet dus dat over hetzelfde onderwerp bepalingen worden gegeven door verschillende machten, mits slechts de lagere macht niet een onderdeel van het onderwerp regele dat de hoogere reeds geregeld heeft en geene bepalingen make die lijnrecht tegen die van eene hoogere macht m Iru.schen. Mets belet alzoo dat hij Gemeenteverordening bepaalde soortc.i van stiaat-Bchcnderij, burengerucht of bedelarij, strafbaar worden gesteld, niettegenstaande in het Strafwetboek bepalingen over dezelfde onderwerpen voorkomen in art. 424, 431 en 435 (zie o. a. arrest 11. R. 4 Mei 1885,^ . 5170 12 December 1892, W. 6285). Vindt de Rechter dat zonder eemgen twijfel eene bepaling van een lagere macht iets regelde dat Grondwet of irewone Wet die macht verbood te regelen, ol dat die bepaling reet s vroeger door eene hoogere macht werd gegeven , of dat zij lijnrecht m strijd is met wat die hoogere macht voorschreef, aan uiort luj dlc bJj1^ als niet geschreven beschouwen. (Zie o. a. arrest H R. o Jum 1889 W. 572S 30 Juni 189:) W. 5908, 7 Nov. 1S92 W. b263 en 6259, 30 Juni 189o' W. 5908, 29 Juni 1S91 W. 0008, U Jan. 1895 W. 6fgt;!6. Daartegen is geen beletsel Art. 11 der Algemeene Bepalingen , f . t Bestaat er twijlel omtrent een of ander dan is zij verbindend tot dat de Koningin haar vernietigd heeft (Art. 150 Geni.wctA. Zicjok arr^t H li. 12 Maart 1888 W. 5534, 2S Mei 1883 W. 5oB?, Is Maart 1889 W. 6679. Ofschoon de Provinciale Wet geen voorschrift inhoudt als vervat
in Art. 150 2e lid der Gemeentewet, oordeelde toch de Hooge Raad by zijn
arrest van 23 Mei 1866 (W. 2800) dat de vraag of eene provinciale verordening iets van algemeen rijksbelang regelde, bij twijfel staat ter bean-woording aan de Koningin, dat dus de Rechter de twijfelachtigebepahng zal moeten toepassen, wanneer zij door de Koningin is goedgekeurd.
103
gcene bepalingen omtrent onderwerpen van algemeen Rijksbelang inhouden en moeten om rechtskracht te hebben door de Koningin zijn goedgekeurd. Zij treden in werking op den achtsten dag na de dag-teekening van het Provinciaal blad, waarin zij zijn geplaatst (art. 101 P. W.) liet formulier van afkondiging is opgenomen in art. 102 der Provinciale AVet.
De bepalingen dier reglementen houden van rechtswege op te gelden, zoodra omtrent het daarin geregelde onderwerp door eene AVet of een Algemeenen Maatregel van Bestuur voorschriften worden gegeven a) (art. 1-12 1'. W.).
Krachtens art. 23 der Invoeringswet, waarbij met conige wijzigingen gehandhaafd wordt art. 1 der Wet van 2ö Mei 18S0 {Sibl. SU) tot herziening der AVet van 6 Maart 1S18 (Slhl. 12) kunnen Provinciale Staten
a) Belangrijk zijn dc gevolgen voor de bepalingen door eene lagere niaeht omtrent eenig onderwerp gegeven, wanneer eene hoogere macht ook slechts eenig onderdeel van dat onderwerp regelt. Volgens de vaste jurisprudent ie van den 11. 11. komen dan alle die bepalingen te vervallen. Zoo oordeelde de 11. H. bij zijn arrest van 2 Mei 1887 (W. 5111) dat van rechtswege vervallen was Art. 87 no. 10 der Politieverordening van Waalwijk van 7 Januiri ISSfi, waarbij verboden was het eenvoudige werpen met sneeuwballen op den openbaren weg, door de invoering op 1 September 1886 van art. 42 i van het Wetboek van Strafrecht, dat een bep. ald soort straatsehenderij, evenwel niet die bij de Waalwijksche verordening voorzien, strafbaar stelt. Zoo ook besliste hij bij zijn arrest van 17 Oct. 1SS7 OV. 5i82) dat Art. 2u no. 19 der Politieverordening van *s Herto-(jtmhosch van 7 Juni 1878 waarbij strafbaar werd gesteld het aanheffen van geschreeuw oi het maken van buitengewoon geraas, zijne reehtskracht had verloren door de invoering van Art. 431 van dat zelfde Wetboek, waarbij een bepaald soort van burengerucht, n.1. slechts dat waardoor de nachtrust kan worden verstoord, wordt strafb iar gesteld. Zie ook arresten 11. E. 4 Juni 1888 (W. 5566), 22 Mei ]88S (\V. 556?) 3 Februari 1879 (W. 4352), 13 Nov. ISO3 (W. 0428), 19 Jan. 1891 (W. 5992). Ten overvloede zij hier opgemerkt dat, zooals ik boven (vorige aanmerking) zeide, mochten na het tot stand komen eer Art. 424 en 431 van het Wetboek van Strafrecht, soortgelijke bepalingen als in do Waalwijksche en Bossche verordeningen voorkwamen, tot stand komen, die bepalingen ook naast die Artikelen zullen gelden. Zoo besliste de 11. R. laatstelijk bij arrest van 22 April 1895 (W. üü54) dat eene Gemeente niettegenstaande Art. 459 W. v. S.r. nog bepalingen kan maken omtrent het onbeheerd zijn van vee. Zie in anderen geest een K. 13. van 13 Mei 1896 opgenomen in W. C817.
104
tegen overtreding hunner reglementen hechtenis van ten hoogste 12 dagen of geldboete van ten hoogste Æâ 75.â bedreigen. Wordt echter eeue boete van meer dan /' 00.â opgelegd, dan kan niet meer dan 12 dagen hechtenis daarvoor in do plaats treden. Deze laatste bepaling werd vastgesteld opdat niet bij het ondergaan der subsidiaire straf, de lichtere straf van geldboete feitelijk zwaarder zou worden dan de principale hech-tenisstraf. a) Ook kan verbeurdverklaring van de aan den veroordeelde toebehoorende voorwerpen, welke door overtreding zijn verkregen of waarmede de overtreding is gepleegd, worden bedreigd.
Door art. 27 der Invoeringswet wordt in destijds bestaande provinciale reglementen de gevangenisstraf vervangen door hechtenis, het minimum der hech-tenisstraf bepaald op 1 dag en der geldboete op /'0.50; terwijl, mocht vrijheidstraf en geldboete te zamen ot afzonderlijk zijn bedreigd, slechts een van beide straffen kan worden opgelegd. Artikel 2S dierzeltde Wet maakt de strafbare feiten in destijds bestaande of in do toekomst vast te stellen reglementen tot overtredingen. Door artikel 27 wordt eveneens gehandhaafd art. 3 der Wet van 25 Mei 1880 (Sthl. Sti). Men beoogde daardoor in stand te doen blijven de strafbepalingen opgenomen in provinciale reglementen naar aanleiding van het oorspronkelijke art. 2 dei-Wet van 6 Maart ISIS {Slbl. 12). Daarin wordt echter eveneens gevangenisstraf veranderd m hechtemsstiaf met een minimum van één dag, terwijl het minimum
a) Dit goede beginsel werd elders in do Invoeringswet zelve (in Art. 20) en ook in eeue later tot stand gekomen Wek van 2 Januari 1S02 {SI61. 11) niet in liet oog gehouden. Volgens die bepaling toeh kan eene subsidiaire heeliteuis van 20 dagen of eene prlneipale van slechts i-1 dagen worden opgelegd. Die zelfde fout beging men in Art. 1) der AVet van 13 Juli 1895 {Stil. 113). Ten onrechte werd die bepaling in de memorie van antwoord verdedigd met ceu beroep op Art. 456 van liet â \V. v. S.r. AVel wordt daar boete van ten hoogste Æ 3000.âof hechtenis van ten hoogste ti maandeu bedreigd, doch Art. 23 \\ . v. S.r. maakt het onmogelijk dan meer dan ti maanden subsidiaire hechtenis op te leggen.
105
der geldboete wordt gebracht op f 0.50 en de cumulatie van vrijheidstraf en geldboete, zoo die er mocht zijn, vervalt. Door zijne niet-handhaving vervalt art. 2 der Wet van 25 Mei 1880 {Sthl. 86) en komt dus de opbrengst der geldboeten volgens art. 35 W . v. iquot;\r. aan den Staat.
(t. Gemeente-verordeningen.
Krachtens art. 144 der Grondwet in verband met Art. 135 en 150 der Wot van 29 Juni 1851 {Sthl. n0. 85) rr'jrlrndr ilr .larnnixleUbKj, rnrlchIUkj en hr-vonjclIwiil der (irtifcntchcslurcn a) kunnen de Gemeenteraden verordeningen maken die in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid llt;\ worden vereischt en andere betreffende de huishouding der Gomeente. Die verordeningen treden niet in hetgeen van algemeen rijks- of provinciaal belang is. c) Bij twijfel ot eene verordening dit deed, verbindt zij tot zij door de Jvoningin is geschorst of vernietigd ü). De bepalingen van Gemeente-verordeningen in wier onderwerp door eene Wet, een Al-gemeenen Maatregel van Bestuur of een provinciaal reglement wordt voorzien, houden van rechtswege op te gelden c) (art. 1-)1). Die strafverordeningen worden binnen 1 maal 24 uren in afschrift aan Gedeputeerde Staten medegedeeld. (iedeputcerdc Staten geven binnen 14 dagen na dat hun liet afschrift is geworden bericht van ontvang (art. 107). De afkondiging geschiedt binnen 14 dagen na de dagteekening van dat bericht van ontvang, tenzij dat bericht inhoudt dat de verordening der Koningin ter schorsing of vernietiging is voorgedragen, dan geschiedt de afkondiging eerst wanneer aan liet Gemeentebestuur is gebleken dat de Koningin geen redenen tot schorsing of vernie-
a) Gewijzigd bij de Wet van 7 Juli 18(15 (Stbl. 79).
b) Deze opnoeming is emintiiticf; zie Mr. Bivs t. a. p. IT. Hz. 180.
c) Zie hieromtrent aanmerking a blz. 102.
d) Zie hieromtrent aanmerking a blz. 102.
e) Zie aaum. a blz. 103.
lOG
tigiug heeft gevonden (art. 100 en 170) In spoed-eischende gevallen kan de raad besluiten tot het doen afkondigen eener verordening onmiddellijk nadat zij is vastgesteld (art. 171). Artikel 173 stelt een formulier van afkondiging vast, luidende:
De Burgemeester en Wethouders Aan......
doen te weten, dat door den raad dier Gemeente ',',in zijne vergadering van ... is vastgesteld de vol-âgende verordening:
(titel der verordening)
(inhoud der verordening)
âZijnde deze verordening aan de Gedeputeerde Staten van . . ⢠volgens hun bericht van den . . .
âin afschrift medegedeeld.
âEn is hiervan afkondiging geschiedt, waar het
behoort denquot; enz.
In het geval van art. 171 worden de woorden
âvolgens hun bericht van denquot; weggelaten en wordt tusschen de woorden âhiervanquot; en âafkondiging het raadsbesluit tot bespoediging der afkondiging vermeld. Is de verordening door twee ot meer Gemeentebesturen gemeenschappelijk vastgesteld, dan wordt dit en tevens de machtiging en goedkeuring der Koningin of der Gedeputeerde Staten vermeld.
De verordeningen verbinden niet dan wanneer zij behoorlijk zijn afgekondigd (art. 168). Indien zij geen ander tijdstip daartoe aanwijzen, treden zij m werking op den derden dag nadien, waarop zij zijn afgekondigd (art. 174). De afkondiging geschiedt op de wijze tequot;bepalen bij eene plaatselijke verordening, die tevens het noodige voorschrift bevat, om van de gedane afkondiging te doen blijken (art. 172).
De inachtneming van het formulier van artikel 173 is van het grootste belang, en talrijk zijn de vonnissen waarbij eene Gemeente-verordening op grond van eene kleine afwijking niet bindend werd verklaard. Intusschen is de tegenwoordige leer van den Hoogen liaad, dat eene kleine afwijking met
107
schaadt. liet komt mij gewenscht voor eenige arresten der laatste jaren over dit onderwerp te vermelden. Bij arrest van 9 Maart 1885 (W. 5149) besliste de II. R. dat niet nietig is de afkondiging eener Gemeenteverordening waarin tusschen den titel der verordening en den inhoud zijn ingevoegd de woorden: Do Itand der Gemeente l'lrccht; ijelrl op arl. /7lt;S' der Wel van 2!) .Juni IS'i I iSlbl. S.')! ; besluit : vast te stellen de navolgende verordening: âVerordening oji het houwen en slaopen.quot; In dienzelfden geest was een arrest van 22 October 1883 (W. 4953). Eene bijvoeging als de hierboven aangeduide, wordt daar uitgemaakt op zich zelve de gedane afkondiging niet krachteloos te maken, om dat ook met die bijvoeging de afkondiging alleen inhoudt wat zij volgens art. 173 der Gemeentewet moet inhouden. In zijn arrest van 20 Mei 18S5 (W. 5173) overweegt de Hooge Raad dat eene afkondiging behoorlijk is, niettegenstaande het woord verordening vóór den titel der verordening ontbreekt en het teeken ( : ) staat achter het woord volgende. Ook 'daar heet het dat niettegenstaande die afwijking de afkondiging niets anders inhoudt, dan wat zij moet inhouden. In denzelfden geest zijn arresten van 11 Februari 1884 (W. 5029), 30 Juni 1884 (W. 50G8) en 18 Feb. 1889 (\\r. 5679).
In een arrest van 15 Juni 1885 (\V. 518') besliste de H. R. dat de behoorlijke afkondiging niet behoeft te blijken uit het ter (Jrittie van het Kantongerecht aanwezige exemplaar, dat het voldoende is indien dit blijkt uit de oorspronkelijke verordening ter secretarie bewaard «).
Een arrest van 18 Januari 1880 (\V. 5268) maakt uit dat nietig is eene afkondiging luidende: De Jiur-(lemeeater en 11 ctliouders van Veere doen te welen, dut door den Raad dier Gemeente in zijne vergadering van
a) Bij dit arrest werd tevens lütgemanld dat de oorspronkelijke verordening nog iu cassatie kan worden in liet geding gebracht.
!' I
10S
KI Scpt./l? Oct. ISIS is VLixtgcstcld enz. In de afkon-dio-ino- mag slechts één datum voorkomen; uit deze afkondiging blijkt niet in welke vergadering zij is vastgesteld n). In denzelfden geest een arrest van -â¢) ^nn\ 1S85 (W. 5184). Nietig is eveneens eene veror-denino- afgekondigd op de volgende wijze; De Bur-rieiveesta- eu Welti ouders ven Oudenhosch ;
Doen te ireleu, dat, door den llaad dier Gemeente m -ijne Openbare Ver,,adering van den 10 December IS^ gcwijzhid in die van den W Janoari IS50 is vastgesteld
de volgende:
Verordening op de slraalpolitie.
Uit die woorden toch blijkt niet, dat die verordening is behandeld in de vergadering van '20 December ISoo, en vervolgens gewijzigd in liaar geheel is vastgesteld den 10 Januari 1856. De mogelijkheid bestaat, dat zii in de eerste vergadering in haar geheel is vastgesteld en in de tweede vergadering slechts de u yzi-.incren zonder dat toen de geheele verordening wederom in haar geheel in stemming is gebracht
(arrest 20 Juni 1893 \\ . lt;gt;370). -
Volgens een arrest van O Juni 1884 (W . o06^) is eveneens nietig eene afkondiging wanneer daarin
ontbreken de woorden: De Blt;nVvnecstn- en VMe.s
vau _ tiurii 1,- welen en dus niet blijkt dat de
afkondiging is gedaan van wege de daartoe door de Wet aangewezen Ambtenaren. Ken arres vm -â gt; Februari 1880 (W. 5(388) verklaart geldig eene zclt-standioe verbods- en strafbepaling (voor wier toepassing .lus de oorspronkelijke Gemeenteverordening niet noodig is), opgenomen in eene behoorlijk afgekondigde wijziging in eene Gemeenteverordening, niettegenstaande de oorspronkelijke Gemeenteverordening als niet behoorlijk afgekondigd, verbindende kracht mist.
Tr^Tae proviiicinlc veglemcuteu geldt hetóiVle. ^ ^ gt;quot;ov. 1886 (W. 5370) waarmode m strijd een K. B. vin (W. B. A. 197G).
109
Het niet naleven van art. 178 der Gemeentewet, dat wil dat ten minste eenmaal in de 5 jaren de (Gemeenteraad verklaart welke zijner strafverorde-deningen nog gelden, brengt goene nietigheid mede voor de verordeningen, voor welke die herziening verzuimd is. De Ilooge Raad overweegt daaromtrent in zijn arrest van 27 Dec. 1880 (W. 4600), dat de Wetgever niet bepaald heeft, d.vt bij zoodanig verzuim eene plaatselijke verordening van rechtswege vervalt, gelijk dit in andere gevallen uitdrukkelijk door den Wetgever bepaald is, terwijl blijkens het omtrent de redactie van art. 178 bij de Staten-Generaal verhandelde, dit ook geenszins bedoeld is geworden. Zie ook arrest 11. R. 17 Februari 18i)(J W. lt;gt;709.
Eene uitvoerige bespreking van de straf wetgevende bevoegdheid der Gemeentebesturen, hoe aanlokkelijk ook, zou buiten liet kader van dit werk vallen a). Ik meen er mede te kunnen volstaan er op te wijzen, dat, wanneer er twijfel bestaat of de Gemeenteverordening treedt in hetgeen van algemeen Rijks- of Provinciaal belang is, de Rechter de verordening zal moeten toepassen, tot zij door de Koningin geschorst of vernietigd is (art. 150 Gem.w.) â eene leer ook herhaaldelijk door den Hoogen Raad gehuldigd h) â maar acht het niet ondienstig hier enkele arresten van den Hoogen Raad van den jongsten tijd te vermelden.
Bij een arrest van 27 October 1884 (W. 5088) besliste de H. R. dat de Gemeenteraad aan art. 135 der Gem.wet de bevoegdheid ontleent om bij politieverordening te bepalen, dat eigenaars van slooten of wateren gelegen in het bebouwde gedeelte der Ge-
a) Zie hieromtrent o.a. Mr. J. T. Buys t. «. p. en ad Art. 147 (oud) G. W. en de daar aangehaalde litteratuur; L. F. Cr. P. Schkevdeb, dd plaatselijke strafioelgev 'ng en Politie; ICepi-rtoritnn; VAN' Ol'l'EN «I'asicrisiequot;, onder; Gemeenteverordening, Bouwverordening en Brandverordening. Leon's Rechtspraak, Gemeentewet op de Artikelen.
h) Zie o. a. arrest van 4 Mei 1SS5 (W. 5170), 12 Maart 18S8 (W. 5534) 22 April 1895 (W. 6654).
110
meen te op aanschrijving van B. en W. moeten /.01 dragen dat die binnen een door B. en \\ . te bepalei tijd op ecne aan te geven diepte van 110 c.m. geneden waterpeil uitgediept zijn.
Een arrest van 1 Februari 1886 (W. ^ 3) overweegt, dat een Gemeentebestuur bevoegd is Politieverordeningen te maken voor de openbare wegen in zijne Gemeente, onverschillig of de gronden, waarover die wegen loopen al dan niet zijn het ^ge^oni van b.j-zondere personen, en dat volgens art. -gt; ' ' eigenaar daar dan geen gebruik van kan maken in strijd met die verordening. [Zie ook arrest 1 Juni 188o
W 51-0), 19 Oct. 18» (W. 521«) « 24 Kebman 1890 w. 6775)]. Een arrest van 10 Maart 1888 (v. d II. (-. /⢠XXXVII 173) beslist, dat het verbod om op bijzondei eigendom binnen een afstand van 10 Meter van openbare wegen of voetpaden meBtvemm.ehngen te hebben, eleel.ts eene geoo.lootde l.eperkmg van be eigendomareebt beoogt en geensjma is m etnjd mot
de Wet van 2 Juni 1875 (btbl. 95).
Evenmin is nietig .le bepaling der Gemeenteverordening van Goes luidende: Jn het l'apa.jcuuMraatic Zag n.ft mei Hand- of sierl^m* gereden, en mogen
qeene vaten, hetzij rollende of tuimelende, verroerd loonlcn
(arrest 27 Februari 1P93, W. 631(3), al moge daardoor ook eene beperking ontstaan in het gebruik van een alleen door dat straatje toegankelijk pakhms noch art 4 en 151 der Grondwet, noch art. - der l a en \ worden door de Goessche bepaling gesdmndem
In zijn arrest van 20 Januari 1896 (W. b^bo) besliste de H. li. dat niet bindend zijn de twee eerste leden van art. 1 der Arnhemsche verordening op he bouwen en sloopen. Door die bepaling toch zou het !len (iomeenteraad vrijstaan bij gt;vijZe van blonde,, regeling, naar de inzichten van het oogenblik passend geoordeeld voor het bepaald geval dat zich voordoet, het eigendomsrecht te beperken, ei^J1 alleen kan geschieden door eene algemeen reikende
L
Ill
verordening. Reeds herhaaldelijk besliste de 11. R. dat het den Gemeenteraad niet vrijstaat in zijne verordening het vaststellen der rooilijn geheel over te laten aan B. en W'. zonder in de verordening daaromtrent regelen te geven. Zie o.a. arrest van 23 December 1892 (W. 6290) omtrent de verordening van Maastricht en dat van 27 Juni 1892 (W. i)21o) omtrent de verordening van Zwolle. Zie ook het Academisch proefschrift van Mr. Cl. F. Baron thoe Schwarzexberg en HoHENLANSiiERU, Bcpcrkiwi van den eigendom door plaatselijke houwverordcnincicn.
Bij zijn arrest van ;i Dec. 1883 (W. 4981) verklaarde de H. R. een (lenieentebestnur onbevoegd, de het bij art. 193 Gem.w. opgedragen regeling, met betrekking tot den duur der te verleeuen diensten, over te dragen op den Burgemeester. Derhalve mist de oproeping tot zoodanige dienstpraestatie, wier duur ingevolge de verordening door den Burgemeester is bepaald, een wettigen grondslag cn is niet voldoen daaraan niet strafbaar.
In zijn arrest van 17 Maart 1890 (W. 5854) sprak de H. R. de nietigheid uit van artikelen, waarbij de Gemeenteraad van Zandvoort de aan den Gemeenteraad toekomende bevoegdheid om aan de eigenaren van openbare wegen voorschriften te geven omtrent het onderhoud dier wegen, overdroeg aan B. en W. De Advocaat-Generaal Mr. Gregory concludeerde in tegenovergestelden zin.
Een arrest van 28 November 1892 (W. G277) overweegt dat nietig is het geheele artikel der Gemeenteverordening van Wieringen, waarin, na tal van voorschriften omtrent het rijden met hondenwagens, eene slotbepaling voorkomt luidende: Met het ouij op de plaatselijke iiesteldhcid hehben J{. en Al . de bevoegdheid om hierin wijziging te brengen. De slotbepaling behelst eene ongeoorloofde delegatie van macht, en maakt nietig het geheele artikel waarmede zij een geheel uitmaakt.
112
Evenzoo is nietig do bepaling der ZwoUclxc verordening, waarbij aan den Burgemeester zonder eenig voorbehoud de bevoegdheid wordt gegeven bet sluitingsuur der heibergen in bet algemeen of voor enkele localiteiten, voor bepaalden of onbepaalden tijd te wijzigen, en daaraan zoodanige voorwaarden te verbinden als hij dienstig acht (arrest 11. 1\. 17 Februari ISiX) lt;(), met een naschrift opgenomen hi^NN. 67(.)9). Zie ook arrest 11. K. 5 -Maart 1894 (W. (3477).
Daarentegen oordeelde de li. K. bij zijn arrest van 14 October ISSlt (W. 5784) dat de bepaling in de Gemeenteverordening van Groiiingcn, dat niemand vuilnisstotfen in eenig vaartuig aan den openbaren weg mag inladen, zonder penuissiebiljet van den directeur der Gemeentereiniging, geen ongeoorloofde overdracht van wetgevende macht op dien directeur in het leven roept. Zie ook arrest H. R. 19 November 1894 (W. 0589).
Het artikel der Gemeenteverordening van Bed; en Donk: Het i* aan cujenaavs of (jeh-iders van wagenwonnKjen verboden op publieke wegen Inmne trekdieren uit ic^iannen, den wagen ie laten staan en te overnaehten. Zij zijn gehouden op de eerste aanmaning der Polilie de gemeente te iei-lalen, zullende zij bij gebreke van dien, op hunne konten door de Polilie verwijderd worden, achtte de II. R. bij zijn arrest van 3 Juni 1889 (W. 5728) wat het tweede gedeelte betreft nietig. De Ilooge Raad overweegt, dat deze bepaling is in strijd met art. 4 der Grondwet. Maakten alle Gemeentebesturen dergelijke bepalingen dan zou aan ingezetenen of vreemdelingen in strijd met de Wet het verblijf in het Kijk kunnen worden
ontzegd. ,,
Een Gemeenteraad is volgens de H. li. (aires ^7 Mei 1890, W. 5882) wel bevoegd te bepalen, dat woonschepen zonder vergunning van B. en A\ . niet in openbare wateren, zelfs al bebooren deze aan pav-
a) Zie ook onder Berichten in W . G771.
113
ticulieren, mogen liggen. Ook kun hij bepalen, dat men niet met een woonwagen mag verblijven op den openbaren weg of op eenig openbaar terrein zonder vergunning van B. en W. (arrest 9 Juni 1890, W. ÃSST).
Bij zijn arrest van 2.J Juni 1891 (W. 6068) ontzegde de H. R. rechtskracht aan een artikel der Gemeenteverordening van Zwolle, waarbij verboden wordt visch, die niet aan den afslag verkocht is, langs de huizen te venten. Die bepaling is, niet in het belang der openbare gezondheid genomen, zij kan evenmin strekken in het belang der openbare orde of zedelijkheid en is in strijd met de destijds van kracht zijnde patentwet; zie in gelijken zin arresten 30 Juni 1390, W. 5908 en 7 November 1892, W. 6263. Daar thans de patentwet vervallen is, wordt, zooals reeds vermeld wordt in \V. 6263, de vrijheid van bedrijf niet meer als vroeger beschermd.
In een arrest van 7 November 1892 (met eene aanteekening opgenomen in W. 6259) overwoog de H. li. dat do bepaling der Ilaagsche Gemeenteverordening; HeL is verboden zonder vcrgunnhiy van den Bunjeiiieesler (jeschrcven of gedrukte stukken te verspreiden of te koop aan te bieden, is in strijd met art. 7 der Grondwet, dat vrijheid van drukpers waarborgt, en dus nietig a). Dit arrest werd genomen in strijd met de conclusie van den Advokaat-Generaal Mr. Gregory die in de bepaling der Ilaagsche Gemeenteverordening eene volkomen wettige bepaling ziet, genomen in hot belang der orde op den openbaren weg en makende geen inbreuk op de vrijheid van drukpers.
Een arrest van 20 Mei 1889 (W. 5720) heslist, dat rechtskracht mist het voorschrift der Arnhemscho Gemeenteverordening voorschrijvende dat de bepaling van breedte, peil, richting en profiel van nieuwe straten, (zonder welke bepaling men niet mag be-
a) Zie iu denzelfdcn geest o. a. een K. B. van 21 December 1S94 {S161. 23/) ook opgenomen in W. G5S7 waarin op gelijke gronden eene Kijmeegsehe bepaling omtrent bet Tenten van gedrukte stukken wordt vernietigd.
8
114
ginnen te bouwen), niet geschiedt dan na afgifte eener schriftelijke verklaring van den belanghebbende, dat het gedeelte van de straat of van het plein, dat op de hem toebehoorendo perceelen ligt, benevens eene strook gronds van daar tot aan den openbaren weg, een en ander minstens ter halve breedte van de ontworpen straat of het ontworpen plein, ten algemeene nutte is bestemd. De Hooge Raad overweegt dat art. 625 B. AV. in verband met art. 135 ( iem.wet wel toelaat dat in hot belang der openbare orde, zedelijkheid of gezondheid liet eigen-domsgebruik door eene plaatselijke verordening wordt beperkt, maar dat die beperking niet zoover kan gaan, dat zij het verlies van dat gebruik ton gevolge zou hebben, liet is dus als het ware eene onteigening. De Advokaat-Generaal Mr. vax Maanen concludeerde in tegengestelden zin; hij zegt o. a.: âdit is geene âonteigening, want de verklaring heeft niet tenge-
77 O O' J
âvolge, dat degeno, die haar afgeeft den eigendom âvan zijn grond verliest, al moet die zijn ten dienste âvan het publiek, immers wordt de grond aan die âdienst weder onttrokken, dan krijgt hij dien in âvollen en vrijen eigendom weder terug; hij kan den âeigendom verkoopen onder den daarop drukkenden âlast, en blijft dus eigenaarquot;.
Zonder in eenige kritiek omtrent bovenstaande uitspraken te willen treden, wensch ik toch de opmerking te maken, dat de beantwoording der vragen of eene Gemeenteverordening al dan niet eene geoorloofde beperking van het eigendomsrecht of eenig ander recht bevat, en of zij eene ongeoorloofde delegatie inhoudt, â vragen, die aanleiding gaven tot bovenstaande arresten â vaak in zeer verschillenden geest mogelijk is. In het geval van het Papegaaistraatje werd met recht de vraag gedaan of het geen buitengewoon groote beperking van het recht van eigendom is een pakhuis om zoo te zeggen onbruikbaar te maken. Mr. van Maanen meende, en terecht, dat wat de Arnhemsche Gemeenteverordening bepaalt, geene out-
115
eigening, doch slechts eene beperking in het gebruik is, die volgens Z. E. H. A. steeds geoorloofd is. En inderdaad wanneer men de meening deelt der Haagsche Rechtbank (vonnis 7 April 1885, W. 5154 en 5165), dat een Gemeentebestuur bevoegd is voor te schrijven dat een eigenaar op bevel van B. en W. verplicht is een sloot of ander water, waarin een riool uitmondt, te dempen of te overkluizen â eene meening ook gedeeld door den H. R. in zijn arrest van 24 Sept. 1872 (AV. 3512) â dan is er voor het gevoelen van Mr. van Maanex zeer veel te zeggen.
Mr. Gregory was van gevoelen, on ook voor dat gevoelen is veel te zeggen, dat evenals in het belang der openbare orde de Gemeenteraad de vrijheid der burgers kan beperken, hij dat ook in dit opzicht kan doen, en dat het recht bij artikel 7 der Grondwet gewaarborgd, eigenlijk geheel en al onverlet blijft. Mr. Gregory meende, en ook voor deze meening is veel te zeggen, dat de Zandvoortsche verordening geene ongeoorloofde delegatie inhoudt. âAlleen B. âen W.quot; zegt Z. E. H. A. âzullen naar gelang van den âeisch van het oogcnblili en naar gelang van de omstan-âheden het best kunnen beoordeelen wat noodig is, âopdat aan het voorschrift der verordening worde âvoldaan, en wanneer dan in casu de verordening âaan B. en W. opdraagt de aanwijzigingen te doen, âniet die zij goedvinden maar die noodig zijn om de ânakoming van liet gebod in art. 136 gegeven te âverzekeren, dan betreft dit m. i. een maatregel tor âuitvoering der verordening, die volgens art. 179a âGemeentewet, behoort tot de taak van het dagelijksch âbestuurquot;.
Door art. 24 der Invoeringswet zijn o. a. afgeschaft de art. 161â165 en daarvoor in de plaats getreden de navolgende artikelen:
Art. 161. De Raad kan op overtreding zijner verordeningen, voor zooveel daartegen niet hij eene Wet, eenen Algemeenen Maatregel van inwendig Bestuur of eene Provin-
116
ciale verordening is voorzien, hechtenis van ten hoogste zes dagen of cjcldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden stellen, alsmede verbeurdverklaring van de voorwerpen door middel van de overtreding verkregen o f waarmede de ocertrc-ding is gepleegd, voor zoover zij den veroordeelde toebehooren.
Art. 162. Indien tijdens hel plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden of daarvoor vrijwillig de geldboete is betaald u), kan de regter geldboete of hechtenis tot het dubbel van het voor elk gesteld maximum uitspreken b).
Artikel 27 der Invoeringswet vervangt in de destijds bestaande Gemeenteverordeningen gevangenisstraf door hechtenis, stelt het minimum der hech-tenisstraf op 1 dag en dat der geldboete op / 0.;)0, en bepaalt dat mocht vrijheidsstraf en geldboete te zamen of afzonderlijk zijn bedreigd, slechts een dier straffen kan worden opgelegd.
Artikel 28 dier Wet stempelt alle de destijds in Gemeenteverordeningen voorziene of iu de toekomst te voorziene strafbare feiten tot overtredingen, en maakt dus daarmede alle voor overtredingen bestaande wettelijke voorschriften op die feiten toepasselijk.
H. Keuren van waterschappen, veenschappen en veenpolders.
Alhoewel ik mij hier natuurlijk zal moeten onthouden van uitvoerige beschouwingen over een hoogst belangrijk onderwerp als den rechtstoestand der waterschappen hier te lande c), meen ik er toch een kort woord aan te moeten wijden.
n) Wegerjs art. 7-1 S.r., dat ook hier toepasselijk is, is do vermelding van de vrijwillisie betaling overbodig.
4) Dit Artikel wordt dus door den Rechter toegepast zonder dat het in de Gemeenteverordening behoeft te zijn opgenomen.
c) Ik verwijs daarvoor naar Mr. J. ï. Buys, de Grondwet II Art. 192 en 193, III Art. 190 en 191 en de daar aangehaalde litteratuur.
117
âBij de Grondwetsherziening van 1848,quot; zegt Mr. Buus, âheeft men zich de Waterschappen ongetwijfeld âvoorgesteld als publiekrechterlijke lichamen, in het âopenbaar belang bestaande, en juist omdat hun dit âkarakter word toegekend, heeft men die lichamen âonderworpen en kunnen onderwerpen aan het rogee-âringsgezag der Staten.quot;
Oudtijds hadden die waterschappen wetgevende, rechterlijke en uitvoerende macht, liet decreet van 11 Januari 1811 ontnam hen hun publiekrechterlijk karakter. De Grondwet van 1815 hergaf hen dat, die van 1848 handhaafde het «). Tevens werd de macht der Provinciale Staten te hunnen opzichte aanmerkelijk uitgebreid althans duidelijker in de Grondwet omschreven, onder nadrukkelijk voorbehoud van 's Konings goedkeuring. Onder heerschappij der Grondwet van 1848 hebben de Provinciale Staten in verscheidene provinciën tal van alge-meene provinciale reglementen omtrent de waterschappen in hunne provinciën vastgesteld; nieuwe waterschappen opgericht, bestaande gewijzigd, ver-eenigd of vernietigd; de reglementen, die den grondslag van de waterschappen uitmaken, gewijzigd of daarvoor andere in de plaats gesteld. Tegen bekrachtiging van daartoe strekkende besluiten der Staten is door den Koning geen bezwaar gemaakt, terwijl de Hooge Raad [zie o. a. arrest van 30 Dec. 1859 (W . 2133) en 19 Febr. 1880 (AV. 4538)] eveneens die macht der Provinciale Staten erkende. Omtrent de vraag of de Waterschappen strafverordeningen zouden kunnen uitvaardigen zweeg de Grondwet echter. Wel heeft men gemeend, dat de Grondwet dit uitdrukkelijk aan Provinciale Staten opdroeg,
alsmede Mr. J. L. de Leao Lag una, Dc slraficelycvendü bevofydheid der waterschapsbesturen {Tijdschrift voor Strafrecht III, biz. 183); Repertorium en Pasicrisie ouder quot;Dijk- eu polderzaken, quot;Tenenquot; en 'Waterstaatquot;.
a) Art. 1 der reeds genoemde Wet van 9 October 18 H {Stbl. 42) bepaalt uitdrukkelijk dat zij geene rechtsmacht hebben.
118
doch die meening is zeer stellig onjuist. «). De reeds genoemde Wet van 12 Juli 1855 {Sthl. 102) gaf hen dan ook de bevoegdheid om door straffen hunne keuren te handhaven. De macht om die keureu uit te vaardigen ontleenen zij aan hunne aloude bij do Grondwet van 1815 erkende reglementen of aan de hen daartoe door Provinciale Staten gegeven bevoegdheid. Krachtens art. 158 der Provinciale Wet moeten de keuren der waterschappen aan do goedkeuring van Gedeputeerde (Staten worden onderworpen.
Dien bestaanden toestand te handhaven beoogden de artikelen 190 en 191 der tegenwoordige Grondwet. Men moge al met Mr. Buys de redactie van art. 191 minder gelukkig vinden, de toelichting zelve moge al eens minder duidelijk zijn geweest, daarnaast staat dat de Regeering ook zeer duidelijk hoeft gezegd, dat do artikelen beoogden den bestaanden toestand te handhaven. Slechts ééne nieuwe bepaling gaf de Grondwet in dit opzicht: z;j maakte, althans erkende, veenschappen en veenpolders als publiekrechtelijke lichamen. Die veenschappen en veenpolders worden in de Grondwet op denzelfden voet behandeld als de Waterschappen.
Bij de Wet van 12 Juli 1855 {Sthl. 102) tot voor-loopige voorzicnimj in ftommige walcmtaalahcinwjen werden in art. 1â5 de straffen geregeld, die do waterschappen h) tegen overtreding hunner keuren kunnen
d) Men meende dat de Grondwet onder reglementen der waterschappen, waaromtrent alle macht aan Provinciale Staten wordt toegekend, ook hunne keuren Terstond. Mr. Buys toonde ech er zonneklaar aan dat de Grondwet hier onder reglementen der waterschappen verstaat, wat ik zou willen noemen hunne constitutien. Tu den geest van Mr. Buts werd laatstelijk gewezen het arrest van den H. K. van 13 November 1893, W. 6420. Bij dat arrest werd tevens nog eens overwogen, ten overvloede zij daarop hier de aandacht gevestigd, dat de macht om verordeningen uit te vaardigen tevens geeft de bevoegdheid om het eigendomsrecht te beperken, zonder dat die bevoegdheid uitdrukkelijk behoeft gegeven te worden.
b) Vóór de Wei van 20 Juli 1895 (Stbi. 191) hadden de veenschappen en veenpolders geene bevoegdheid om strafverordeningen te maken. Bij
119
bedreigen. Die artikelen werden afgeschaft bij art. 2G der Invoeringswet en door andere vervangen. Tevens werden in de destijds bestaande waterschapskeuren de straffen in overeenstemming gebracht met die van het strafwetboek en de strafbare feiten gemaakt tot overtredingen.
De Wet van 20 Juli 1895 {Slbl. 191) ter uitvoering van artikel 191 der Grondwet bepaalt, dat slechts do besturen van die waterschappen, veenschappen of veenpolders keuren kunnen maken, welke du bevoegdheid daartoe bij het reglement der instelling uitdrukkelijk erlangden. Besturen van waterschappen, welke toen de Wet tot stand kwam, die bevoegdheid wettig uitoefenden behouden haar tot dat door de Staten onder goedkeuring der ivoningin anders is beslist.
Art. 7â11 der Wet regelen de openbaarmaking van het ontwerp en de vaststelling der keur, hare inzending bij Gedeputeerde Staten, het beroep tegen de beslissing van dat collegie en de afkondiging der keur a).
De keuren treden, indien zij geen ander tijdstip daartoe aanwijzen, in werking op den derden dag na dien waarop zij zijn afgekondigd (art. 12). Een afdruk of afschrift der keur wordt o.a. toegezonden aan het Kantongerecht en aan het Openbaar Ministerie daarbij.
De verordeningen van waterschappen enz. mogen geene bepalingen inhouden omtrent puiilcn, waaromtrent bij eene Wet, een Algemeene Maatregel van Bestuur, eene provinciale verordening, of het regie-
zijn arrest van 27 Maart 18S2 (W. 4 75S) besliste de Ilooge Kaad dat zij geen waiersdiappen zijn. Juist naar aanleiding van dat arrest werden de veenschappen en veenpolders in de Grondwet opgenomen. De Regeering meende dat het noodig was nevens de vcensehappen ook de veenpolders op te noemen, uit vrees dat men ze niet onder veenschappen of waterschappen zoude begrijpen.
a) Bij arrest van 10 December 1892 (W. 62SS. P. v. J. 1893. no. 20) besliste de Jloogo Raad dat, wanneer bij een provinciaal reglement een formulier van afkondiging voor de waterschapskeuren is vastgesteld, eene geringe afwijking, die geene verandering brengt in den zin van het formulier, de afkondiging niet krachteloos maakt.
120
ment der instelling is voorzien. De bepalingen dier verordeningen, in welker onderwerp wordt voorzien door eene Wet, een Algcmeenen Maatregel van Bestuur, eene provinciale verordening, of liet reglement der instelling, houden van rcchtsiveijc op te gelden n) (art. 3). Bepalingen eener keur, welke reeds door Gedeputeerde Staten of door de Koningin zijn goedgekeurd, doch die later blijken met het Algemeen belang te strijden, kunnen door de Koningin, den Raad van State geboord, worden vernietigd h) (art. 19.)
Elke keur wordt binnen tien jaar na bare goedkeuring herzien. Die termijn kan door Gedeputeerde Staten of door de Koningin eens of meermalen, maar in het geheel met niet meer dan één jaar worden verlengd, wanneer eene herziening bij Gedeputeerde Staten of bij de Koningin in onderzoek is of de goedkeuring aan eene herziene keur is onthouden.
a) De keuren mogen dus wel aanvullen eene bestaande regeling door een hooger gezag gegeven, voor zoover die regeling dat toelaat. Regelt een hooger gezag eenig onderwerp, dan vervalt van rechtswege wat eene bestaande keur daaromtrent voorschreef. Dit laatste werd bepaald om de waterschappen enz. te dwingen hunne bepalingen omtrent eenig onderwerp steeds in overeenstemming te brengen met die van een hooger gezag. Ten opzichte van eene keur is het reglement, dat is de constitutie der instelling, een hooger gezag, niet echter de Gemeenteverordening. De waterschappen enz. werden of worden toch opgericht om binnen een bepaalde uitgestrektheid zekere belangen te behartigen; zij staan daarbij geenszins onder doch wel naast de Gemeentebesturen. Door de verplichte mededeeling der ontwerp-keur'aan de besturen der Gemeenten, op wier grondgebied de keur kracht zal hebben, beoogde men zooveel mogelijk polderkeur en Gemeenteverordening met elkaar in overeenstemming te brengen.
b) Eene uitdrukkelijke bepaling dat keuren niet treden in hetgeen van algemeen Rijks of provinciaal belang is, werd niet gegeven omdat zij overbodig is. liet waterschap enz., tot behartiging van bepaalde belangen opgericht, kan toch reeds krachtens zijne instelling zich geene andere belangen aantrekken. Alhoewel gegeven met eene goede bedoeling en met de uitdrukkelijke verklaring dat men er geen misbruik van zou maken, is Art. 19 m. i. een zeer gevaarlijk artikel. Feitelijk kan door dit artikel het centrale gezag, waar het last ondervindt van de bepalingen eener keur, die steeds buiten werking stellen.
I
121
Verlenging van den termijn wordt ten spoedigste bekend gemaakt op de wijze waarop de afkondiging der keuren geschiedt. Na verloop van den termijn is de niet herziene keur vervallen. Van de keuren die meer dan vijf jaren vóór de Invoering der Wet zijn goedgekeurd, heeft de eerste herziening plaats binnen vijf jaar na die invoering «) (art. 16).
Op overtreding der keuren kan hechtenis van ten hoogste 6 dagen of geldboete van ten hoogste f 25.â worden gesteld, alsmede verbeurdverklaring van de voorwerpen door middel van de overtreding verkregen, of waarmede de overtreding is gepleegd, voor zoover zij den veroordeelde toebehooren. De feiten aldus strafbaar gesteld, worden beschouwd als overtredingen. Indien tijdens liet plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis of geldboete tot het dubbel van het gestelde maximum worden opgelegd (art. 5 en 6). Verbiedt een artikel eener keur zonder vergunning van het uitvoerend bestuur iets te doen of na te laten en heeft het bestuur aan zijne vergunning bepaalde voorwaarden verbonden, dan wordt het niet nakomen dier voorwaarden geheel en al beschouwd als eene overtreding van dat artikel (art. 18). b)
a) Aan niet-herziening binnen den termijn het vervallen der keur te verbinden, was noodig, omdat voor liet tot stand komen en liet na zekeren tijd van kracht blijven der keur vereiseht wordt de medewerking van Gedeputeerde Staten of van de Koningin. Verviel de keur niet na den termijn, dan zou het bestuur der instelling door de keur niet te herzien, deze wellicht tegen den wil van eene hoogere macht kunnen laten voortbestaan.
b) Art. 18 bepaalt ook dat die voorwaarden uitsluitend mogen strekken tot bescherming van die belangen, om welke het vereischte van vergun-ning is gesteld. Door alleen deze voorwaarden toe te laten wilde de Wetgever voorkomen dat polderbesturen bij het verleenen van vergunningen uitsluitend op het behalen van geldelijk voordeel voor den polder zouden bedacht zijn, als het ware handel zouden garn drijven in
i
122
Met de opsporing van de overtredingen der keuren zijn in het bijzonder belast de voorzitter en de leden van het bestuur en dat bestuur zelve, alsmede de beambten der instelling.
Het bestuur kan gedurende 30 dagen na de bekeuring met de bekeurden iu schikking treden. De opbrengst der boeten bij schikking opgelegd, komt ten bate van de instelling. De betaling van het bij schikking bepaalde doet het recht tot strafvordering vervallen (art. 15).
Bij de behandeling van het artikel in de Eerste Kamer kwam de vraag ter sprake of transactie ook zou worden toegelaten wanneer tegen eene overtreding uitsluitend hechtenis was bedreigd. Terecht werd m. i. beweerd dat art. 15 ook in dat geval transactie niet belet. De Regeering verkondigde aanvankelijk de meening, dat het van zelf sprak dat dan van geen schikking sprake kon zijn. Diter wees zij er op, dat het slechts uiterst zeldzaam voorkomt dat eene keur uitsluitend hechtenis bedreigt, en dat er eenige reden is om aan te nemen dat bij do polderbesturen de meening bestaat dat dan schikking niet geoorloofd is. Tevens herhaalde zij dat ook art. 15 slechts beoogde het bestaande '/) te bestendigen.
vrijstellingen van bepalingen der keuren. Geenszins was de bedoeling te verbieden liet hellen van eene billijke schadevergoeding van hem die van eene vrijstelling gebruik maakt. Voorwaarden door het bestuur in strijd met de Wet gesteld, kunnen volgens de regelen door de Wet te geven of in de reglementen opgenomen, worden vernietigd met handhaving van de verleende vergunning.
a) De bevoegdheid om te schikken werd erkend in Art. 22 der Wet van 9 October 18-tl {Stbl, 42) betrekkelijk de Rechtsmacht der hooge en andere Heemraadschappen, Dijk- en Polderbesturen enz. ])e bepaling werd met de toevoeging dat de opbrengst der boeten, bij schikking opgelegd, komt ten bate van het waterschap, gehandhaald bij de invoeringswet. Die toevoeging was noodig omdat van toen af verviel de algemeene bepaling dat alle boeten, ook die door den Rechter opgelegd, kwamen ten bate van het Waterschap. Dat in Art. 10 no. 5 en niet in § III der Invoeringswet sprake is van deze waterschapswet is waarschijnlijk daaraan te wijten, dat oorspronkelijk de Regeering deze transactie wilde laten
123
Oorspronkelijk kwam in art. 15 ook nog voor eene bepaling dat betaling bij schikking niet wordt gelijk gesteld met betaling der hoogste boete en dus niet voor herhaling in aanmerking kan komen. Met de juiste opmerking dat zij overbodig is, liet men die bepaling vervallen.
Bij het tot stand komen der Wet van 20 Juli 1895 {Slbl. 13i)) werden afgeschaft art. 1â(5 der Wet van 12 Juli 1855 (S/W. 1U2) en art. 20 der Wet van 15 April 1880 (Slbl. 04). De vraag of nu ook niet de keuren, die op die artikelen steunden, waren vervallen, gaf aanleiding tot uitvoerige beraadslagingen in de Eerste Kamer, waaruit zonneklaar bleek dat liet in alle geval de bedoeling was van den Wetgever die reglementen te laten voortbestaan. M. i. i.s dat voortbestaan met eene goede Wets-interpretatie wel te vereenigen a).
Op eene vraag of ook niet moesten worden afgeschaft art. 22 der Wet van 9 October 1841 {Sill. 42) antwoordde de Regeering terecht, dat dat artikel nog moest blijven gelden voor het geval de strafbedreiging was gegeven, niet in eene keur, doch in het reglement der instelling zelve.
§ 25. Betrekkelijke bevoegdheid. Werd vroeger, bij gebreke van eene uitdrukkelijke bepaling omtrent de betrekkelijke bevoegdheid van de Ambtenaren van het Openbaar Ministerie bij de Kantongerechten,
Tervallcu, en ze eerst bij door de Kegeering overgenomen amendement van de C. v. R. bij de behandeling in de Tweede Kamer weder in de Wet werd gebracht. Merkwaardig is het zeker, dat dezelfde Wetgever, die en tereeht de schikking voor de polderkeuren handhaafde, dat niet deed voor de jachtwet, en in het algemeen niet op maatregelen bedacht was om bij tal van kleine zaken de behandeling ter terechtzitting te voorkomen.
a) Intussehen dacht men er m. i. wel eenigzins anders over toen tot stand kwam Art. 3 der Wet van 26 Mei 1SS0 {Stöl. 86) en toen men dat artikel bij Art. 27 der Invoeringswet uitdrukkelijk handhaafde.
124
bij analogie aangenomen dat daarvoor dezelfde regels golden als voor de Officieren van Justitie n), artikel 22 W. v. S.v. maakt thans dat voor in liet binnenland gepleegde strafbare feiten, in den regel slechts de Kantonrechter bevoegd is, in wiens Kanton het feit gepleegd werd. Ook den Kantonrechter van de woonplaats van den verdachte of dien van de plaats waar deze wordt gevonden, bevoegd te verklaren, ging moeilijk; vooral met het oog op de overtredingen van plaatselijke verordeningen.
Is een strafbaar feit gepleegd hier te lande, doch op een watergebied, dat bij geene Gemeente en dus ook bij geen Kantongerecht is ingedeeld, wat het geval is met onze territoriale wateren langs de Noordzeekusten, de Zuiderzee, de Wadden, de Lauwerzee en de Dollart, dan is bevoegd de Kantonrechter in wiens Kanton de verdachte 1° woont, of 2° gevonden wordt, of 3° zijne laatste bekende verblijfplaats heeft gehad. Wordt een verdachte volgens deze bepaling voor meerdere Kantongerechten vervolgd, dan is slechts datgene bevoegd zich de zaak aan te trekken, dat eerder opgenoemd is. Mocht het gebeuren dat een verdachte, die een strafbaar feit pleegde op dat watergebied, hier niet woont, noch gevonden wordt, noch eene laatste bekende verblijfplaats heeft gehad, dan is het Kantongerecht te Hoorn aangewezen om van de zaak kennis te nemen b). Datzelfde Kantongerecht neemt kennis van de zaak, wanneer zij, die verdacht worden tezamen een strafbaar feit op dat watergebied te hebben gepleegd, in verschillende kantons wonen, worden aangehouden of hunne laatste bekende verblijfplaats hebben (art. 24amp;(s W. v. S.v.).
Niet alleen is het Nederlandsche strafrecht toepas-
«) Zie o. r,. arrest 11. R. 26 October 1885, W. 5226.
i) Zie de uitzondering hierop bij de Wetten van 26 October 18S9 (S/i/. 135) en 15 April 1891 (Sli/. 84).
125
selijk op iedereen, hij zij Nederlander a) of vreemdeling, die zicli binnen het Kijk L) aan eenig misdrijf of eenige overtreding schuldig maakt, zelfs aan boord van een vreemd vaartuig, dat geen oorlogschip is art. 2 W. v. S.r. maar zelfs buiten het Rijk, of iedereen die dat doet aan boord van een Nederlandsch vaartuig, in volzee of in een vreemd land (art. 3 W. v. S.r.).
Bevindt het vaartuig zich wanneer het strafbaar feit gepleegd wordt, niet hier te lande, dan is de Kantonrechter van de plaats waar de eigenaar van het vaartuig woont of de reederij is gevestigd, bevoegd om van de zaak kennis te nemen, art. 25 W. v. S.v.
De Nederlandsche strafwet bindt ook den schipper en de opvarenden van een Nederlandsch vaartuig c) buiten het Rijk, zelfs buiten boord, wanneer zij zich schuldig maken aan eenige scheepvaartovertreding voorzien bij titel IX van het derde boek (art. 7 W. v. S.r.). Zij bindt ook den Nederlander, die zich in een vreemd land schuldig maakt aan een feit, dat door onze strafwet als een misdrijf wordt beschouwd, mits dat ook door de Wet van dat land met straf wordt bedreigd (art. 5 n0. 2 W. v. S.r.). Zelfs kan hij ingevolge dit artikel vervolgd worden, die eerst na het plegen van het misdrijf Nederlander werd. Tot kennisneming van strafbare feiten buiten het Rijk niet
a) Wie Nederlander is, wordt thans geregeld door de Wet van 12 De-cember 1892 {Stbl. 2G8).
b) Om de omslachtige uitdrukking '/het koninkrijk in Europaquot; te vermijden gebruik ik daarvoor de minder juiste uitdrukking quot;het Rijkquot;. Onder de uitdrukking «het Rijkquot; zijn dus niet onze Koloniën en bezittingen begrepen, wel onze territoriale wateren.
c) De uitdrukking quot;Nederlandsch vaartuigquot; is ruimer dan «Nederlandsch schip.quot; Art. 86 van het Wetboek van Strafrecht stelt vast de beteekenis van quot;Nederlandsch schipquot; in dat Wetboek. Dat artikel verwijst naar de Wet betreffende de zeebrieven enz. van 28 Mei 1SG9 {Stbl. 90). Aan de wetenschap wordt overgelaten uit te maken wanneer een vaartuig Nederlandsch is. Zie Smjdt T ad Art. 86 Zie ook Mr. D. C. J. H. Kkopveld, De begrippen Nederlandsch scJnp en Nederlandsch vaartuig in het Wetboek van Strafrecht (ï. v. rf. IV blz. 152 vlg.).
12G
aan boord van een Nederlandsch vaartuig gepleegd, is bevoegd de Kantonrechter, onder wiens Rechtsgebied de verdachte 1quot; woont, of 2', gevonden wordt, of 3J zijne laatste bekende verblijfplaats heeft gehad. Hetzelfde, wat boven gezegd werd omtrent den voorrang van Kantongerechten, geldt ook hier. Wanneer de verdachte hier noch woont, noch gevonden wordt, noch eene bekende verblijfplaats in het Rij k heeft gehad, dan is hot Kantongerecht n'\ 1 te Amsterdam de bevoegde Rechter. Hetzelfde Kantongerecht trekt zich de zaak aan wanneer meerdere verdachten, die in het buitenland een strafbaar feit pleegden, in de Rechtsgebieden van verschillende Kantongerechten wonen, gevonden worden of hunne laatste bekende verblijfplaats hebben gehad (art. 26 W. v. S.v.).
De heerschappij van het Nederlandsch strafrecht (men denke aan vreemde gezanten en oorlogschepen en aan het Nederlandsche vaartuig in den vreemde) wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend a) (art. 8 W. v. S.r.).
§ 20. Regeling van Rechtsgebied. Wanneer onderscheidene Rechterlijke Collegiën of Rechters, aan welke bij de Grondwet of andere wettelijke bepalingen Rechtsmacht is opgedragen, zich de kennisneming van dezelfde of van samenhangende overtredingen hebben aangetrokken; of wanneer zij, terwijl de strafzaak noodwendig door een van hen behoort te worden berecht, zich hebben onbevoegd verklaard daarvan kennis te nemen, moet er regeling van Rechtsgebied plaats hebben. Art. 308 Strafv. Deze regeling geschiedt door de Rechtbank, zoo het geschil bestaat tusschen Kantongerechten in hetzelfde
a) Hen zie daarover: Mr. II. J. Tasset. De volkenrechtelijke uitzonderingen van Art. 8 Wetboek van Strafrecht, Amsterdam, 1892; naar aanleiding daarvan Mr. J. B. Br. in W. 0271.; Mr. A. E. Bles. Eenige opmerkingen betrej/'ende art. 8 Wetboek van Strafrecht. (T. v. S. VII 257) en naar aanleiding daarvan D. S. iu P. v J. 1893, no. 86.
127
Arrondissement; door het Gerechtshof, zoo het geschil bestaat tusschen een Kantongerecht en eene Rechtbank of tusschen Kantongerechten in verschillende Arrondissementen gelegen; en door den H. liaad, zoo het geschil bestaat tusschen Kantongerechten onderling of tusschen een Kantongerecht en eene Rechtbank niet behoorende onder hetzelfde Gerechtshof. Art. 54 n0. 1; G5; 88 nn. 1 «) R. O. De verzoeken tot regeling van Rechtsgebied worden gedaan bij request en alleenlijk bij memoriën behandeld. Het Rechterlijk Collegie uitspraak doende over het jurisdictie-geschil, moet tevens uitspraak doen over allo handelingen en vonnissen, welke door den Rechter, aan wien de zaak onttrokken wordt, mochten gedaan of gewezen zijn. De wijze van procedeeren ingeval van regeling van Rechtsgebied is aangewezen bij de artikelen 308â320 van het Wetboek van strafvordering. Volgens het laatste artikel is het eindvonnis vatbaar voor hooger beroep, terwijl bij artikel 54 R. O. wordt gezegd, dat de Arrondissements-Rechtbanken in het hoogste ressort kennis nemen van alle jurisdictiegeschillen tusschen de Kantongerechten van hun Rechtsgebied. Deze tegenstrijdigheid is niet anders te verklaren en op te lossen, dan door aan te nemen, dat art. 55 alleen ziet op burgerlijke zaken. Kemper III 2G3. Zie gevallen van regeling van Rechtsgebied o.a. H. R. 11 Febr. 1803. Bijbl. 13''o deel 1863, hl. 5G0â564. II. R. 31 Mei 1870. W. 25 Juli 1870. X0. 3228.
De wijzigingen, in deze bepalingen gemaakt bij de jongste herziening van het Wetboek van Strafvordering, zijn van zeer geringen aard. Volgens art. 344 is het thans niet meer noodig dat de beteekening van het daar bedoelde vonnis door een Deurwaarder geschiedt. In art. 31(5 werd âhechtenisquot; vervangen door âverzekerde bewaringquot;. Het gewichtigste was
a) Van toepassing van Art. 88 no. 3 zal thans geen sprake moer kunnen zijn.
128
liet vervallen van art. 349 (oud) dat eeno boete bedreigde tegen hem die in het ongelijk werd gesteld bij zijn verzoek tot regeling van Rechtsgebied.
AFDEELING II.
DE WERKZAAMHEDEN VAX HET OPENBAAR MINISTERIE.
§ 27. De Ambtenaar van bet O. M. schrijft de processen-verbaal naarmate hij ze ontvangt in hot parketregister; zij krijgen dan tevens een volgnummer. In dat register worden vermeld naam, voornamen, ouderdom, geboorteplaats, beroep en woonplaats van den verdachte, de naam van den verbalisant, eene korte omschrijving van het strafbaar feit, en de tijd en de plaats waar het gepleegd werd. Verder wordt daarin aangeteekend, de reden waarom eene zaak niet vervolgd wordt, de betaling der hoogste boete of de veroordeeling met de vermelding van tie opgelegde straf en of dat bij verstek of contradictoir geschiedde. Is er eene principale vrijheidsstraf opgelegd, dan wordt ingeschreven de ten uitvoerlegging; bij geldboete de verzending v;in het extract-vonnis aan den ontvanger der registratie. Wordt er hooger beroep of cassatie aangeteekend of komt de veroordeelde in verzet, dan wordt dat vermeld evenals de uitslag van een en ander.
In de eerste dagen der week zendt de Ambtenaar aan den Officier van Justitie een afschrift van dat register, voor zooveel betreft de in de afgeloopen week ontvangen processen-verbaal (de weckalaat) «). In
a) Omtrent de week-, maand- en kwartaalstaten zijn geene algemeene voorschriften gegeven. Wel bestaan daaromtrent circulaires van Procureurs-Generaal bij Gerechtshoven krachtens Art. 5. 11. O. De weekstaat steunt op Art. 29 S.v. Tn liet ressort van liet Gerechtshof te Arnhem worden de maandstaten verzonden vóór den vijfden dag der maand en de kwartaalstaten voor den vijftienden.
129
de eerste dagen der maand een tnaanilalual omtrent de vonnissen in de vorige door het Kantongerecht gewezen. In de eerste dagen van Januari, April, Juli en October een hwcivlcuilslaut, waarop alle in zijn register opgenomen zaken voorkomen en blijven voorkomen tot dat op den kwartaalstaat is gebleken dat de zaak voor zooveel betreft het Kantongerecht beëindigd is. Mot beëindiging wordt gelijkgesteld verzending van het extract-vonnis aan den Ontvanger of signaleering in het Politieblad.
Oordeelt do Ambte lltlt ir het noodig, naar aanleiding van hem ter vervolging toegezonden proces-verbaal, nasporingen te doen of een nader onderzoek in te stellen, dan kan hij dat opdragen aan een veldwachter of aan oen hulp-officier van Justitie, niet echter aan een Kantonrechter. Aan den Ambtenaar zelf werd in art. 8 n0. 0 uitdrukkelijk de bevoegdheid onthouden om strafbare feiten op te sporen; hij kan dus daarvan geen proces-verbaal opmaken. Daarmede zijn belast do in art. 8 \\ . v. S.v. opgenoemde Ambtenaren «), bovendien voor speciale Wetten, de bij die Wetten aangewezenen.
Acht de Ambtenaar eene zitting noodig //) dan zendt hij overeenkomstig art. 50 Reglement I de stukken aan den Kantonrechter met verzoek om de behandeling dier zaken te bepalen op den dag dien hij voorstelt. De Kantonrechter kan ook een anderen dag aanwijzen.
a) De veld wachters moeten luinne proeossen-verbnal binnen 24 uren doen toekomen aan den Commissaris van Politie, en in eeue Gemeente waar geen Commissaris is, aan tien Burgemeester. Deze zijn verplicht de processen-verbaal binnen 24 uren bij den bevoegden Ambtenaar in te zenden (art. 21). Latere inzending ontneemt echter geenszirs aan de processen-verbaal hunne bewijskracht. Zie o. a. arrest U.K. 29 Mei ISflU W. 2S03.
b) Er bestaat geenc verplichting om op den dag bij het bijzonder leglement bedoeld in Art, 27 van Reglement T steeds eene terechtzitting te houden, doch slechts dan wanneer de behandeling van zaken dat ver-eiseht. Die aanwijzing van een dag in het bijzonder reglement heelt
9
130
De xVmbtenaar zorgt dan voor de dagvaarding a) der beklaagden en getuigen tegen den vastgestelden dag, en zendt de beteekende dagvaardingen, wanneer hij zo allen althans grootendeels hoeft terug ontvangen, niet de processen-verbaal naar de Griffie b).
Na de uitspraak doet hij de verstekvonnissen be-teekenen, voor zoover de beteekening geschiedt in de Kantonnale hoofdplaats op de minuut, daarbuiten op de expeditie (art. 14 lv. B. IS Dec. 1874 Slbl. 212).
Door den Griffier worden afschriften afgegeven van alle vonnissen c) in strafzaken gewezen, en met een staat van gelijkluidende vonnissen toegezonden aan den Ambtenaar, die een en ander, na do afschriften voor gezien geteekend te hebben, inzendt bij den Officier van Justitie d). Een termijn voor die inzending is niet voorgeschreven, 't Is echter gewoonte dat ze geschiedt binnen enkele dagen na de uitspraak.
echter dit gevolg, dat wanneer een veroordeelde in verzet komt, zijne zaak behandeld wordt op den eerstvolgenden rechtsdag bij dat reglement aangewezen, ook al had de Kantonrechter geene behandeling van strafzaken op dien dag bepaald. Zie ook arrest H. R. 35 November 1873 W . 3552.
а) Zijn de getuigen in de kantonnale hoofdplaats gevestigde Politiebeambten dan worden ze niet gedagvaard, doch opgeroepen. De in een ander Kanton te beteekenen stukken worden gezonden aan den Ambtenaar in dat Kanton.
б) Ingevolge no. 25 van de circulaire van 25 Februari 18% moet hij bij elke vervolging op grond van Art. 314 of 453, 4e lid W v. S.r. bij de stukken vóór of op de terechtzitting voegen, een geboorteextract en een uittreksel uit het strafregister, gehouden ter Griffie van de Recht-tank vau het Arrondissement, waarin de beklaagde geboren is, oi, is hij buiten 's lands geboren, aan het Departement van Justitie.
c) Dusdanige afschriften worden echter niet gevraagd vau vonnissen waartegen hooger beroep of cassatie is aangetcekeud. Zijn vonnissen met uitzondering alleen van naam, tijd en plaats eensluidend, dan wordt slechts van een dier vonnissen een afschrift gegeven. Van al die met in afschrift medegedeelde vonnissen wordt melding gemaakt op den staat
(Art. 83 reglement I). , , ⢠, oni-
d) Ingevolge Art. 1, lo en 3o vau het K. 13. van 19 1'ebruari 1886
{Slbt. 29) tot instelling van strafregisters maakt de Griffier strafbladen op van alle veroordeelingen wegens strooperij of tot plaatsing in eene rijkswerkinrichting wegens overtreding van Art. 453, 4e lid W. V. S.r. binr.en 14 dagen nadat zij onherroepelijk zijn geworden. Hij verzenc-t i e strafbladen met de bijbehoorende geboorteextracten uit de dossiers om
131
Voor het toezicht op de cleclaratiën der Griffiers en Deurwaarders houdt de Ambtenaar registers waarin worden aangeteekend de stukken, die hem door do Griffiers zijn afgegeven en van de exploiten of andere gerechtelijke verrichtingen, die hij aan de Deurwaarders opdroeg (art. 54 Tarief).
Binnen 8 dagen nadat cene veroordeeling onherroepelijk is geworden, of eene bij verstek opgelegde geldboete of vrijwillig liet maximum is betaald, vult de Ambtenaar eene telkaart «) in, model C (rood) voor mannen en model I) (groen) voor vrouwen. Binnen de eerste 14 dagen van liet kwartaal zendt hij de in het vorige kwartaal ingevulde telkaarten aan den Procureur-Generaal bij het Gerechtshof.
§ 28. Eens in de maand doet de Ambtenaar aan den Burgemeester van de woon- of verblijfplaats der veroordeelden wegens jagen zonder acte of wegens eene overtreding van art. 41 of 42 der quot;Wet van 13 Juni 1857 {Slhl. 87) toekomen een staat vermeldende: lt;(. de namen, voornamen, het beroep en de woon-of verblijfplaats van de veroordeelden;
h. de dagteekening van het vonnis en den Rechter door wien het is gewezen;
c. de qualificatie en de opgelegde straf; (/. den dag waarop de veroordeeling kracht van gewijsde heeft gekregen.
Inzending van een negatieven staat is niet voorde-schreven h).
de 14 dagen, echter niet nuu den Ambtenaar doch aau den Officier van Justitie hij de Rechtbank, waaronder liet Kantongerecht behoort.
Over de strai bladen en -registers werden verder voorschriften gegeven in eene circulaire van den M. v. J. van 25 Februari IS'Jfi.
lt;x) Eene instructie voor bet invullen dier voor de gerechtelijke statistiek bestemde telkaarten is gevoegd bij eene circulaire vau den Al. v. J. aan de Prokureurs-Generaal van 21 December 1805. Zie ook circulaire M. v. J. van 28 April 18% W. O/'Jü.
b) Circulaire van den Minister van Justitie van G September 1878, opgenomen in LüTTEKBEKO. Do circulaires van den M. v. J. zijn in den regel opgenomen in het Bijvoegsel tot bet Staatsblad. Zijn zij ook elders opgenomen dan vermeld ik dat bij de circulaire.
132
Zoo spoedig mogelijk zendt hij aan den districtsveearts eene opgave over de in het afgeloopen jaar ingestelde bekeuringen wegens overtredingen van Wetten o) en verordeningen betreffende het veeart-senijkundig staatstoezicht. Hij vermeldt daarbij de ambtsbetrekking en do standplaats van den verbalisant, den aard der overtreding, do uitspraak des hechters c. q. ook die in hooger beroep of cassatie. Hij geeft ook op de redenen die tot niet-vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging hebben geleid l).
Den uitslag van alle vervolgingen eer zake van de A\ et van 20 Juli 1870 (Slbl. 131), voor zoover daarbij vee of goederen in beslag is genomen, bericht de Ambtenaar aan den Raad van State en den Burgemeester en don Ontvanger der Gemeente waar de inbeslagneming plaats had c).
Vóór 1 Mei zendt hij den Officier van Justitie eene tabel, c. (j. negatief, van alle vervolgingen in het afgeloopen jaar betreffende overtreding van geneeskundige Wetten of verordeningen betrekkelijk de volksgezondheid d).
Binnen 3 dagen na de uitspraak stuurt de Ambtenaar een afschrift van alle vonnissen omtrent overtredingen van geneeskundige Wetten aan den Inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht, opdat desnoods overleg omtrent hooger beroep kunne plaats vinden c).
De Ambtenaar bericht vóór 1 Mei aan den Inspecteur van liet Staatstoezicht op krankzinnigen de \eivolgingen gedurende het afgeloopen jaar wegens
a) Hiertoe behoort ook de quot;Wet van 5 Juui 1875 {SUL llö) Zie circulaire M. v. J. 15 Jan. 1889 W. 5657.
i) Circulaires van den M. y. J. van 23 April 1S72 en 6 Januari 1888. c) Circulaires van den VI. v. J. vau 25 Sept. 1875, 25 April 1888 (W. 5511) en 29 Sept. 1836 (W. 5330).
tl) Circulaire Tan den M. v. J. van 29 Juli 1S70. «) quot; » quot; » » 29 Juni 1891.
133
overtreding der Wet vau 27 April 1884 (Slhl. 9G). De vorm voor deze mededeeling is vastgesteld a).
De Minister van W. II. en N. ontvangt van den Ambtenaar een afschrift van allo vonnissen uitgesproken Avegens overtredingen in zake de Rijnvaart b) en het K. D. van 21 Juli 1886 (hiht. 123) (zalmvis-scherij) c); de Raad van toezicht op de spoorwegdiensten een van alle vonnissen wegens overtreding der 'W et ten en verordeningen op deu spoorwegdienst lt;l.)
De Amhteuaar doet mededeeling van elke in kracht vau gewijsde gegane veroordeeling wegens overtreding van eene strafbepaling der drankwet (die van art. 23 uitgezonderd), van art. 42(J, 453 en 454 \\r. v. S.r. aan B. eu W. der woonplaats van den veroordeelde c). Zijn de veroordeelden wegens dronkenschap spoorwegbeambten, dan geschiedt ook mededeeling aan de betrokken spoorwegmaatschappij; f) zijn het militairen, aan deu Commandant van liet corps ;/).
In geval hij een proces-verbaal ontvangt wegens overtreding van art. 426 of art. 4quot;)3 vau het W. v. S.r. tegen eeu beambte vau de Maatschappij tot exploitatie van (Staatsspoorwegen h) of van de Ilollaudsche IJzeren Spoorwegmaatschappij i), bericht hij dat respectievelijk aan den Directeur-Generaal eu aan deu Raad van Administratie der maatschappij.
Van eene veroordeeling of een ontslag vau rechtsvervolging uitgesproken ter zake van de arbeidswet of van eeuige op die Wet steunende verordening, geelt de Ambtenaar in vastgestelden briefvorm, kennis
a) Circuiairo van deu M. v. J. van 28 Isov. 1891.
quot; quot; quot; quot; quot;17 October 1894.
c) quot; quot; u quot; quot; 14 Februari 1887.
(I) Circulaires « quot; -/ // 28 November 1862. 26 Juui 1866 eu 9 Juui 1871.
c) Circulaire van den M. v. J. vau 10 Juui 1885 (W. 5161).
/) quot; quot; quot; quot; quot; 24 April 1885.
ff) quot; quot; quot; quot; quot;13 October 1885.
/') quot; quot; quot; quot; quot; 27 April J 894.
i) quot; quot; quot; quot; quot;17 Juui 1895.
134
aan den Inspecteur van den arbeid, binnen 8 dagen na de uitspraak, opdat overleg omtrent hooger beroep mogelijk zij a). Wenscht de Ambtenaar een te dier zake opgemaakt proces-verbaal niet te vervolgen, dan zendt hij het met een korte toelichting, de reden van niet-vervolging behelzend, aan den Inspecteur, opdat deze zoo noodig schriftelijk of mondeling met hem in overleg trede b).
Aan het Gemeentebestuur deelt de Ambtenaar de vonnissen mede, waarbij de beklaagden ter zake van overtreding zijner politieverordening zijn vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging, tengevolge van de interpretatie dier verordening met opgave der rechtsoverwegingen c).
Volledigshalve vermeld ik hier nog dat eene circulaire van den Minister van Justitie van 6 Augustus 1881, wenscht mededeeling aan den districts-school-opziener, van den uitslag van elke vervolging van een onderwijzer wegens misdrijf (misdaad of wanbedrijf); iets wat bij de Kantongerechten wel zeldzaam zal gebeuren.
§ 29. Het recht tot strafvordering wegens overtredingen d) waarop geene andere hoofdstraf is gesteld dan
a) Circulaires Tan den M. v. J. 2t Maart 1890 (W. 5847) en 28 Juli 1891 (W. G055).
b) Circulaire van den M. v. J, van 2 Februari 1894 (W. 6 448).
c) Circulaires van den M. v. J. van 25 JS'ovember 1S51 en 23 September 1876.
d) Ts de overtreding gepleegd door een kind dat den leeftijd van 10, doch nog niet dien van 16 jaren heeft bereikt, dan zal de Ambtenaar summier moeten onderzoeken of de verdachte handelde met oordeel des onderscheids, althans hij zal geene machtiging moeten afgeven, wanneer hem blijkt dat de verdachte handelde zonder oordeel des onderscheids, liet maximum der tegen het feit in het algemeen bedreigde boete wordt voor een kind verminderd met een derde. Zie hierover ook Mr. P. J. van der BllAKDELEll in W. 5300. Voor de beantwoording der vraag of voor de bepaling van het maximum der bedreigde straf de omstandigheden, die voeren tot vermindering of verhooging der strafbaarheid, moeten worden in aanmerking genomen, zie men ook nog eene beschikking der raadkamer van het Gerechtshof te 's Gravenhage van 31 October 1893
135
geldboete, vervalt, ook wanneer reeds is gedagvaard, door vrijwillige betaling van het maximum der boete. Is ook verbeurdverklaring op het feit gesteld, dan moeten tevens de daaraan onderworpen voorwerpen worden uitgeleverd of do waarde, waarop zij zijn geschat, betaald. Betaling en uitlevering geschiedt op machtiging van den Ambtenaar, binnen een termijn door hem te stellen, bij den ontvanger der Registratie. In het exploit van dagvaarding wordt, zoo het eene overtreding geldt als hier bedoeld, die bevoegdheid vermeld (art. 74 \\. v. S.r. art. 254 W. v. S.v.).
Werd vroeger op de machtiging door art. 254 (oud) verlangd het visum van den Kantonrechter, het gewijzigd art. 254 vraagt dat niet meer. Eveneens verviel de verplichting van den bekeurde om de quitantie van den ontvanger over te brengen ten parkette van den Ambtenaar. Administratief is thans voorgeschreven «) dat de machtiging op den dag waarop de betaling heeft plaats gehad, nadat daarop is aangeteekend do boeking van liet betaalde en de ontvanger dat heeft onderteekeud, door dezen aan den Ambtenaar wordt toegezonden. Vóór den vijfden dag van elk kwartaal zendt de Ambtenaar de van den Ontvanger in het voorgaande kwartaal terug ontvangen machtigingen aan den Directeur der Registratie. Heeft hij geene machtigingen terug ontvangen, dan geeft hij een negatief bericht.
Waar in vele gevallen letterlijk niets te zeggen is voor eene behandeling van eene overtreding ter terechtzitting en alles er tegen, verdient het alleszins toejuiching den verdachte in de gelegenheid te stellen
(W. 6413, P. v. J. 1893, 96) alsmede eene van dat te 's Ilertogenboseli van 14 December 1802 (W. 0402), de daar medegedeelde literatuur en mengelwerk in W, 6400.
a) De circulaire van den M. v. J. van 21 October 1887 omtrent dit onderwerp is opgenomen in W. 54 73.
136
dc strafvervolging to voorkomen, hom dut zoo gemakkelijk mogelijk to maken. De Wetgever zelf was er van doordrongen; vandaar de verplichting om de bevoegdheid tot vrijwillige betaling te vermelden op de dagvaarding; vandaar zelfs het vervallen van het visum van den Kantonrechter. Merkwaardig dat de Wetgever ons niets beters heeft kunnen geven dan het onbruikbare beginsel van art. 74 van het A\'. v. 8.r. Zeer juist stond in bot V. V. omtrent dat artikel (Smidt l blz. 485); âVrijwillige betaling âvan het maximum dor boete zal, bij de groote spe-âling in dit ontwerp tusschen minima en maxima âgelaten, wel nooit meer plaats hebben.quot; Had men dan toen niet iets beters moeten geven; zou het dan thans niet dringend noodig zijn om dat zoo spoedig mogelijk te doen? Men bedenke het wel: hier ligt hot zwaartepunt wanneer men zoekt naar een eenvoudiger berechting der overtreding. Xiet in vereenvoudiging van de behandeling ter terechtzitting â ze kan bezwaarlijk eenvoudiger â maar in voorkoming dier behandeling zal men haar vinden. Heeft men bezwaar tegen iets dergelijks als eene voor-waardelijke dagvaarding, waarin ik trachtte te vereenigen het goede van het Duitsche strafbevel met het goede van onze strafrechtspleging, men geve ons dan een of ander transactiestelsel. In alle geval, hoe men ook moge denken over iets anders, dit staat vast dat art. 74 ook om andere redenen niet te verdedigen is. Het strijdt togen bet beginsel dat de boete geregeld wordt naar de omstandigheden waar onder de daad gepleegd werd, en naar de persoonlijke omstandigheden van den dader zelf, waartoe dan toch zeker ook behoort zijne meerdere of mindere welgesteldheid. Door niet toe te laten die in aanmerking te nemen is artikel 74 zelfs schromelijk hard tegenover den minder bemiddelde, iets waarop bijzonder in onzen tijd wel do aandacht mag vallen. Overigens meen ik te kunnen volstaan met te verwijzen naar
137
wat ik over dit onderwerp schreef in T. v. S. V. meer bijzonder blz. 79 vlg. en blz. 85.
§ 30. De tenuitvoerlegging van bet vonnis geschiedt, zoo spoedig liet daarvoor vatbaar is, door den Ambtenaar van bet O. M.
Boeten, verbeurdverklaarde voorwerpen, of de waarde waarop deze zijn gescbat, worden echter in naam van den Ambtenaar ingevorderd door den Ontvanger der registratie binnen wiens dienstkring de veroordeelde woont [art. 3*14 W, v. S.v. art. 1G der Wet van 16 Juni 1832 [Slhl. 29)]. Do Ambtenaar zendt daarvoor aan den betrokken ontvanger lt;i) binnen 14 dagen nadat bet vonnis kan worden ten uitvoer gelegd een door bem voor gezien geteekend extract-vonnis (art. 12, 51 en 52 tarief). Voldoet de veroordeelde niet binnen twee maanden aan zijne verplicbting tot uitlevering of betaling dan zendt de ontvanger bet extract-vonnis terug aan den Ambtenaar. Ten einde den Directeur der Degi-stratie in staat te stellen bet noodige toezicht te houden, ontvangt deze jaarlijks vóór den 15 Januari van den Ambtenaar een staat over de in bet afgeloopen jaar verzonden extract-vonnissen vermeldende den datum van bet vonnis en den datum der afgifte b).
Voor zoover de ruimte in de gestichten dat veroorlooft, roept de Ambtenaar zoo spoedig mogelijk nadat li ij de extract-vonnissen van den Ontvanger terug beeft ontvangen, de veroordeelden op om hunne vervangende bechtenisstraf te ondergaan.
De veroordeelde kan echter, zoo hij dat wenscht.
a) Is de woonplaats van den Tcroordeclde buiten liet ressort van den Ambtenaar dan wordt het afschrift toegezonden aan den Ontvanger fot wiens dienstkring behoort de plaats waar hot veroordeelend Kantongerecht zetelt.
a) Omtrent de invordering der geldboete enz. gat de Minister van Finantiën voorschriften den 11 Aug. 1SS0 (opgenomen bij Duckmeester). Die voorschriften werden bij circulaire van den M. v. J. van 2 November 1880 medegedeeld aan de Ambtenaren van het O. M. met verzoek dienovereenkomstig te handelen.
138
natuurlijk zoo er plaats is, zijne straf ook vóór het verstrijken van den betalingstermijn uitzitten. Steeds, ook nadat de Ontvanger het extract-vonnis aan den Ambtenaar heeft teruggezonden a), bevrijdt betaling der boete den veroordeelde van de hechtenis-straf. Is de uitvoering der hechtenis reeds aangevangen, dan bevrijdt betaling van een gedeelte der boete van een evenredig deel der vrijheidstraf.
Bij veroordeeling tot geldboete worde in liet oog gehouden, dat vóór alles wenscbelijk is dat de opgelegde boete betaald worde. Kan de Kantonrechter daartoe medewerken door boete en vervangende hechtenis in juiste verhouding op te leggen, in hooge mate kan dat ook de Ambtenaar. Is er eene hooge boete opgelegd dan kan liet wenscbelijk zijn machtiging te verleenen om in termijnen te betalen. Het kan ook wenscbelijk zijn den veroordeelde na bot verstrijken van de twee maanden nog eenig uitstel te geven om te betalen. Intusschen dient de Ambtenaar een en ander slechts te doen, wanneer er gegrond vooruitzicht bestaat dat de boete inderdaad zal worden betaald, opdat niet noodeloos de uitvoering der straf worde vertraagd. Stelde de veroordeelde eenmaal bet in hem gestelde vertrouwen te leur dan worde hem verder geen gunst verleend h).
Gevangenisstraf wordt ondergaan in de strafge-
a) Teneinde te voorkomen dat de hechtenisstraf wordt ten uitvoer gelegd op hen die betaalden, moeten de Ontvangers wanneer boeten worden betaald, nadat ze de extract-vonnissen hebben teruggezonden, terstond daarvan mededeeling doen aan den Ambtenaar. Is de Ontvangei niet gevestigd in dezelfde plaats als de Ambtenaar, dan geschiedt de mededeeling zoo mogelijk per telegraaf, anders per aangeteekenden brief. Droeg de Ambtenaar de executie aan een ander op, dan onderricht hij dezen van de betaling. Circulaire van den M. v. J. van 9 Juli 1880 opgenomen bij Luttemjerg.
b) Over het verleenen van uitstel en van machtiging tot betaling bij gedeelte handelt eene circulaire van den M. v. J. van 0 November 1871 (opgenomen hij Luttemjerg). Er is, en m. i. terecht, beweerd dat Art. 23 voorschrijft de vervangende hechtenisstraf ten uitvoer te leggen wanneer de twee maanden zonder betaling zijn verstreken, en dat dus de
339
vangenis; hechtenis, daaronder begrepen die welke in de plaats der boete treedt, in het huis van bewaring. Zij kunnen niet in hetzelfde gesticht worden ondergaan. Op hem, die gevangenisstraf ondergaat, kan echter, zoo hij nog vervangende hechtenis te ondergaan heeft, deze laatste straf bij uitzondering in de strafgevangenis worden ten uitvoer gelegd (art. 1'J en 25 W. v. S.r).
De gestichten, waar vrijheidstraf wordt ondergaan, worden aangewezen bij de Wet van 3 Januari 1SS4 (Slll. 3) gewijzigd Jjij de Wetten van 28 Aug. 1lt;SSG {SlbL 130), 10 Dec. i8.S3 {Sihl. 176), G Mei 1889 {Slht. 51) en 29 Oct. 1892 {bill. 241). Art. 6 dier Wet luidt:
âIn iedere Arrondissements-hoofdplaats of in eene âonmiddellijk aangrenzende gemeente is een huis âvan bewaring en, voor zooveel noodig, eene gewone âstrafgevangenis gevestigd.
âDoor Ons wordt bepaald op welke andere plaatsen âhuizen van bewaring of passantenhuizen zijn gevestigdquot;.
Bij K. B. van 2 Juli 18S0 werden die plaatsen aangewezen. In T. v. S. deel V is opgenomen een staat van die gestichten; sintsdien werd echter een Rijksopvoedingsgesticht gevestigd te Veldzicht, Gemeente Avereest.
De wegens dronkenschap veroordeelde mannen
Ambtenaar clan geen uitstel meer mag verleeneu. Dezelfde gevolgtrekking kon men ook maken uit Art. 1 der Wet van 22 April 180 4 {Stbl. 29). Toeh sprak de aangehaalde eireulaire, onder heerschappij dier Wet gegeven, uitdrukkelijk van liet verleenen van uitstel. Het verdient ook opmerking, dat Art. 24 W. v. S.r. slechts eene gedeeltelijke al betaling kent, wanneer do uitvoering der hechtenis is aangevangen. Mocht dus na het betalen van een ol' meer termijnen de betaling vóór de algeheele voldoening der boete gestaakt worden, dan zal de geheele hechtenisstrafmoeten woeden ondergaan. Mocht men uit Art. willen afleiden dat betaling in termijnen dus thans niet geoorloofd is, dan moet ik er de aandacht op vestigen, dat ook de Wet van 22 April 1864 (673/. 29) geene voorschriften bevatte omtrent betaling bij termijnen, en dat toch de aangehaalde circulaire de bevoegdheid daartoe uitdrukkelijk erkende.
140
ondergaan de straf van plaatsing in eene Rijkswerkinrichting te Hoorn] de vrouwen in die te Oegstfjcrsl. Jongens, wier plaatsing in een Rijksopvoedingsgesticht is gelast, worden gezonden naar dat te Alkmaar; meisjes naar dat te Munifoort.
Na zich overtuigd te hebben dat er in het gesticht gelegenheid is tot plaatsing, roept de Ambtenaar den veroordeelde op. Hetzelfde geldt voor hem wiens plaatsing in een Rijksopvoedingsgesticht werd gelast. Voldoet de veroordeelde niet aan de oproeping dan requireert de Ambtenaar Rijks- of gomeente-politie voor de aanhouding of signaleert hem in het Politieblad zoo hij niet kan worden gevonden. Voor de overbrenging naar de Rijkswerkinrichting requireert hij eveneens Rijks-politie.
Woont de veroordeelde buiten het ressort van den Ambtenaar of moet om eenige andere reden de straf in eene strafgevangenis of in een huis van bewaring buiten zijn ressort worden ten uitvoer gelegd, dan zendt hij de executiestukken aan zijn betrokken Ambtgenoot.
Over de wijze, waarop op het executieextract de straftijd moet worden vermeld, handelt een ministe-rieele circulaire van 27 Mei 188D (opgenomen bij LrTTEXnKKO).
Voor wat verder do uitvoering der vrijheidstraf betreft, meen ik te kunnen volstaan met te verwijzen naar den tweeden titel van het eerste boek van bet Wetboek van Strafrecht, naar de reeds genoemde gestichtenwet en naar de Wet van 14 April 188G [blbl. 62) vaststellende de bryinsclcn van hel ficvanyenis-irczon.
De uitvoering van 's Rechters beschikking over de stukken van overtuiging, berust ook, als deel uitmakende van het vonnis, bij den Ambtenaar.
Heeft de Kantonrechter bevolen teruggave van de stukken van overtuiging, dan zorgt de Ambtenaar dat, tenzij er ter Griffie beslag is opgelegd, zij zoo
141
a
spoedig mogelijk aan den in het vonnis genoemden persoon worden teruggezonden «).
Bepalingen omtrent ten behoeve van den Staat verbeurd verklaarde en andere op de Griffie dei-Rechterlijke Collegieu en Kantongerechten berustende voorwerpen werden gegeven bij K. B. van 30 September 1862 [Sthl. 176). Voor zoover die voorwerpen niet moeten worden vernietigd of onbruikbaar gemaakt, worden zij jaarlijks in de maand April, met eene door den Ambtenaar voor gezien geteekende lijst, overgegeven aan den Ontvanger der Registratie tot wiens dienstkring de Kantonshoofdplaats behoort. Moeten /.ij vernield worden, dan geschiedt de overgifte slechts voor zoover het overblijvende verkoopwaarde heett. Zelfs wanneer in het vonnis de vernieling niet is gelast, behoort die te geschieden wanneer de Ambtenaar die in het belang der openbare orde noodig acht h).
Zijn verbeurdverklaarde maten of gewichten niet behoorlijk van ijk- of stempelmerken voorzien, dan dient de Ambtenaar te zorgen, dat ze daarvan voorzien worden, alvorens de ontvanger ze verkoopt c).
AFD KELING 111.
HIÃT AANHAXGld MAICKX DER STRAFZAAK.
§ 31. De strafzaak wordt ter terechtzitting aanhangig gemaakt door eene dagvaarding vanwege den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het Kantongerecht aan den beklaagde beteekend, hetzij rechtstreeks, hetzij tengevolge van verwijzing van Iloogen Raad, Gerechtshof of Rechtbank (art. 141 W. v. S.v.).
i
Ml
sl
!
:l| |:{ li 11(| | 1 ilül!
â 1)11
ij
;
m
n) Circulaire van den M. v. J. van 2tj October 1895 (W. Ã718). i) Eene circulaire van den M. v. J. van 19 October 1893 schrijft den Ambtenaren voor te zorgen dat oude wapenen, klaarblijkelijk stroopers-geweren, steeds vernietigd worden.
c) Circulaire van den M. v, J. van 5 Juli 18J2 (W. 3-174).
i
i
1
i
i
142
Meerdere strafbare feiten worden bij ééne dagvaarding aanliauging gemaakt wanneer zij:
F. samenhangend zijn en het belang van het onderzoek zich niet tegen de voeging verzet; of
II. door denzelfden persoon begaan zijn, en het belang van het onderzoek zich evenmin tegen de voeging verzet; of
III. alhoewel geen der onder I of II genoemde gevallen aanwezig zijn, met elkander in verband staan en de voeging in het belang van het onderzoek is (art. 87 en 89).
Strafbare feiten zijn slechts samenhangend wanneer zij begaan zijn:
1°. door verscheidene vereenigde personen gelijktijdig;
2°. door verschillende personen op onderscheidene tijden of plaatsen, doch ten gevolge van eene door hen vooraf gemaakte afspraak;
3°. met het oogmerk om zich de middelen te verschaffen tot het begaan van een ander strafbaar feit, ot de uitvoering daarvan te bevorderen, of tot stand te brengen, of wel om zich tegen de straf van een ander strafbaar feit te beveiligen (art. 88).
\\ an neer de Wet spreekt van samenhang, veronderstelt zij de aanwezigheid van meerdere strafbare feiten; daarvan kan dus geen sprake zijn wanneer meerdere personen te zamen één strafbaar feit plegen (zie Bk Pixto, Het herziene \Vr. v. S.v. deel I, blz. 389 en arrest II. II. 16 Maart 1885 W. 5153). Alhoewel het nergens uitdrukkelijk is voorgeschreven, behoort toch ook, wanneer meerdere personen tezamen een strafbaar feit hebben gepleegd, de zaak bij ééne dagvaarding te worden aangebracht; stilzwijgend werd dit erkend bij art. 24bis, 2(3 en 214 W. v. S.v. In ieder geval is de Rechter volkomen bevoegd, wanneer beklaagden ter zake van één feit zijn gedagvaard, hunne zaken te voegen. Zoo waren, in het geval bij laatstgenoemd arrest behandeld, twee personen afzon-
143
Iflff
derlijk gedagvaard, ter zake van het uitkloppen van een tapijt, dat zij te zamen op verboden wijze hadden verricht. De eerste rechter had die zaken gevoegd; de Hooge Raad besliste, dat door die voeging geenerlei artikel van het Wetboek van Strafvordering met name niet de tegenwoordige artikelen 141, 87 en 88 geschonden waren.
Heeft een persoon meerdere strafbare feiten gepleegd, en een dier feiten in vereeniging met anderen, dan bestaat er, wanneer dezelfde Rechter bevoegd is, geen bezwaar alle beklaagden en den eene ter zake van alle feiten bij éene dagvaarding aan te brengen (zie ook arrest H. R. 20 (27) April 1855 W. 1417).
Van toepassing van art. 87 en 89 kan evenwel geen sprake zijn wanneer dientengevolge eenige wijziging zoude gebracht worden in de volstrekte of betrekkelijke bevoegdheid van den Rechter. Immers van nergens blijkt dat men eene uitzondering op de algemeene regelen, daaromtrent gegeven, heeft beoogd. Vraagt dus een beklaagde, gedagvaard voor de Rechtbank ter zake van een misdrijf en eene tot de bevoegdheid van den Kantonrechter behoorende overtreding, voor dit laatste verwijzing naar den Kantonrechter, dan zal hij daarvoor naar den Kantonrechter moeten verwezen worden en is deze dus bevoegd daarvan kennis te nemen. Eene tegenovergestelde meening verkondigt Mr. van Bemmelen in zijne Rechtsgeleerde opstellenI blz. 415. Het spreekt van zelf dat, wanneer een beklaagde ter zake van eene overtreding voor een Kantonrechter en wegens een misdrijf voor eene Rechtbank is gedagvaard, geene voeging kan plaats hebben; van voeging kan toch alleen sprake zijn wanneer er is gedagvaard voor een zelfden Rechter. De Kantonrechter mag zich ook in dat geval niet verklaren onbevoegd.
Daar do Ambtenaar van het O. M. bij het Kantongerecht, behoudens enkele uitzonderingen, die hier niets afdoen, slechts is belast met de vervolging van de in het Kanton gepleegde strafbare feiten, is het
f H
I
IHilll
f lt;{ii
i lli
lyif !i
if. b'
P
144
duidelijk dat een in oeu ander Kanton gepleegd feit door hem niet kan worden aangebracht, zelfs al was het connex met een door hem aangebracht feit; zoo oordeelde ook de Rechtbank te Zierikzee in 'haar vonnis van 27 September 1802, W. G3ü6. Evenmin mogen de daders van eenzelfde feit bij ééne dagvaarding worden vervolgd wanneer daardoor verandering wordt gebracht in de bevoegdheid van den Rechter. Dit werd erkend toen bij de Wet van 23 Juni !SS9 i'-a'L 5';i) eeiie wijziging werd gebracht in art. 20 van het Wetboek van btratvordering en in de derde alinea van het toen vastgestelde art. 24bIs van dat Wetboek.
In de gevallen onder I, II of III omschreven, kan, wanneer de zaken afzonderlijk aan de kennisneming van den zelfden Kantonrechter zijn onderworpen, deze in eiken stand der zaak, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van den Ambtenaar van het O. M., hetzij op \ erzoek van den beklaagde, do voeging bevelen. Is bij ééne dagvaarding door het O. M. meer dan eene zaak aangebracht op grond van art. bf), dan kan de Kantonrechter, in eiken stand dor zaak, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van den Ambtenaar van het O. M., hetzij op verzoek van den beklaagde, splitsing bevelen. Datzelfde kan hij m. i. zelfs ook doen wanneer het samenhangende of door een zelfden persoon gepleegde feiten betreft, wanneer het belang van het onderzoek zich naar zijne meening tegen gelijktijdige behandeling verzet. Bracht het Openbaar Ministerie bij ééne dagvaarding meer dan eene zaak aan, terwijl geen der onder I, II en III opgenoemde gevallen aanwezig zijn, dan is dat bevel tot splitsing verplichtend.
Het stelsel van den Wetgever voor dit onderwerp is zonder eenigen twijfel geweest: voor het O. M. groote bevoegdheid om zaken gelijktijdig aan te brengen, maar geene verplichting om dat to doen. En daarnaast voor tien Rechter, om aan het Openbaar Ministerie niet alleen over dit punt de beslissing te
145
laten, groote vrijheid om te voegen en te splitsen, maar evenmin verplichting om dat te doen, tenzij er gevoegd werd, waar de Wet het niet toeliet, (zie arrest H. li. 8 Januari 1S92, W. 0120). Ten slotte zij hier nog vermeld, dat al wat ik boven omtrent voeging schreef, ook geldt voor het geval er verwijzing plaats had door een anderen Rechter. Niets belet bet O. M. bij ééne dagvaarding aan te brengen eene zaak waarin bet rechtstreeks en eene waarin het krachtens verwijzing van een anderen Rechter dagvaardt. Dat in artikel 141 W. v. S.v. alleen van zaken waarin het rechtstreeks dagvaardt wordt gesproken, is uitsluitend daaraan te wijten, dat de bepalingen omtrent connexiteit, bij de instructie behandeld, bier toepasselijk worden verklaard op die waarin geenc instructie plaats heeft. Zie ook arrest II. R. 25 Juni 1888 W. 5592.
§ 32. De dagvaarding behelst op strafte van nietigheid :
1°. eene opgave van het feit dat wordt te laste
crftlpcrd â¢
2°. den tijd omstreeks welken het gepleegd is;
3°. de plaats waar het gepleegd werd.
Zij vermeldt ook de omstandigheden waaronder bet feit gepleegd is, zonder dat evenwel de niet-vermel-ding daarvan nietiirhcid medebrengt.
O O O
De bedoeling van artikel 143 is ongetwijfeld den toestand te laten zooals bij was onder art. 223 (oud). Het 2e lid schijnt voornamelijk te zijn opgenomen met het oog daarop, dat, nu alle misdrijven berecht worden door do Arrondissements-Rechtbanken en de akte van beschuldiging vervallen is, ook uit de Wet moet blijken, dat de omstandigheden, waaronder het misdrijf mocht gepleegd zijn, en die van belang zijn voor de verdediging, vermeld moeten worden in do dagvaarding. Zeer terecht geeft m. i. Mr. A. A. de Pinto de voorkeur aan het art. 223 (oud), boven het artikel 143. Al is het 2e lid
10
146
van art. 143 niet voor het geding bij den Kantonrechter geschreven, het is ook daar toepasselijk maar heeft daar evenmin als bij de Rechtbank eenig practisch gevolg a).
De andere vereischten der dagvaarding waartegen nietigheid bedreigd is, bespreek ik eenigzins uitvoeriger en vermeld daarbij nieuwere jurisprudentie.
§ 33. Het feil 6). Er wordt in het artikel niet gesproken van het strafbaar feit, maar van het feil. Is de dagvaarding duidelijk, staat er wel een feit in, maar niet een strafbaar feit, dan leidt dat tot ontslag van rechtsvervolging, niet tot nietigheid. Nietigheid is er slechts wanneer er geen feit, maar bijvoorbeeld louter eene qualiticatie instaat of de dagvaarding niet te begrijpen is. Wegens onduidelijkheid zal echter geene nietigheid behooren te worden uitgesproken wanneer beklaagde, zonder zich op nietigheid te beroepen, zich verdedigd heeft en getoond heeft de dagvaarding te begrijpen. Zie arrest 23 Febr. 1841 (W. 169).
Er moet echter een feit in staan en niet eene qualiticatie. Eene qualiticatie is te eenenmale overbodig in de dagvaarding; oordeelt de Rechter de feiten bewezen, maar eene in de dagvaarding daaraan gegeven qualiücatie onjuist, hij zal de qualiticatie als eene overbodige toevoeging als niet geschreven beschouwen.
Er dient intusschen in het oog gehouden te worden dat soms qualiticatie en feit te zamen vallen, en allerminst gaat het aan dan de dagvaarding nietig te verklaren. In de omschrijving van het feit dienen opgenomen te worden alle elementen. Ook de zoogenaamde interne: het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening bij strooperij. Ue niet aanwezigheid van een fait d'excuse is geen element en behoeft dus niet in de dagvaarding te worden opgenomen.
a) Zie ook Jlr. B. van Rouen, R. Mag. VI, 33.
i) Zie ook Mv. 13. vak Koije.n, «Non bis in idemquot; E. Mag. X 437.
147
Evenmin behoeft daarin opgenomen te worden de omstandigheden die leiden tot ontvankelijk verklaring der actie.
Ik geef hier onder eenigc arresten van den II. R. op een en ander betrekking hebbend.
Ten onrechte is nietigverklaring uitgesproken, op grond dat niet in de dagvaarding waarbij iemand werd gedagvaard ter zake van overtreding van een provinciaal reglement, staat dat de quaestiense weg voorkomt op den legger. Bij die dagvaarding toch wordt een bepaald feit met opgave van tijd en plaats te laste gelegd waarop de beklaagde zich kan verdedigen (17 Februari 1890 W. 58;{0).
Wanneer is gedagvaard ter zake van het te Amsterdam vervoeren van eene hoeveelheid bedorven en bij verbruik door menschen voor de gezondheid schadelijk rundvleesch, dal voorzien was van een aantal afkeuringsmerken hij de keuriiKj op het abattoir der Ge-rneente op dat vlccsch (jcstcld, dan kan veroordeeld worden ter zake van overtreding der Gemeenteverordening, die bepaalt dat het strafbaar is ondeugdelijk vleesch te verkoopen. De omstandigheid, dat de gecursiveerde toevoeging nergens strafbaar is gestold, en dat die afkeuringsmerken zelfs geen wettig bestaan hebben, doet daar niets aan af (H. II. Nov. 1890 W. 5971 P. v. J. 1891, 23); zie ook H. li. 4 December 1877 W. 4203.
Vmchen (arrest G Februari 1882, \V. 4752) en zich in kennclijken staat van dronkenschap bevinden (arresten 19 October 1885 W. 5220, 27 Dcc. 1887 W. 5522, 18 Juni 1888 W. 5575) zijn uitdrukkingen, die zoowel voor het feit als voor de qualificatie kunnen worden gebruikt. Nergens is verboden dat voor de aanduiding van het feit in de dagvaarding dezelfde woorden worden gebruikt als in de verbodsbepaling (arrest 22 Februari 1892 W. 6100), maar van den anderen kant behoeven in de dagvaarding niet dezelfde woorden gebruikt te worden. Zoo is het voldoende voor de overtredintr
148
van art. 427 nquot;. 5 W. v. S.r. (het op een openbaren Avesi een rij-, trek- of lastdier laten staan, zonder de noodige voorzorgsmaatregelen tegen het aanrichten van schade te hebben genomen) aan den beklaagde te laste te leggen, dat hij zijn trekdier op den openbaren weg geheel los en onbeheerd heeft laten staan (arrest 30 April 1888, W. 5557, P. v. J. 1888, G7). Zoo kan, wanneer het voorschrift luidt dat de paarden moeten stappende gehouden worden, gedagvaard worden ter zake dat zij hebben gedraafd (arrest 16 Nov. 1891, W. 0111).
De dagvaarding vermeldende âdat de beklaagde âop den quot;2 Dec. 1887, des voormiddags te omstreeks â113/4 uur, aan den openbaren weg, hot Slagveld âhoek Diergaardelaan, te Rotterdam, terwijl hij tegen âpand nquot;. 2 op een ladder stond en de glazen waschte, âniet de noodige maatregelen had genomen om de âvoorbijgangers tegen mogelijk gevaar te waarschuwen' is nietig. Die dagvaarding behelst in hoofdzaak eene qualificatie en geen feit. Er had moeten instaan, welk gevaar er te duchten was, en welke maatregelen hij naliet om dat af te weren (arrest 14 Mei 1888 W. 5558 P. v. J. 1888, 72).
De dagvaarding behoeft van den anderen kant, wanneer zij de feiten geeft, niet te vermelden hunne qualificatie. Zoo is hot voldoende, waar het te Nieuwer-Amstel verboden is in den bebouwden kring zonder vergunning van 13. en \\ . varkens te houden, te vermelden dat zulks geschiedde aan den Oetewalerweg nquot;. 12, zonder daaraan toe te voegen dat dat is in den bebouwden kring. De Rechter zal onderzoeken of die plaats moet worden gequalificeerd; bebouwde kring (arrest 23 Mei 1893 W. 0352). Eveneens is het voldoende bij vervolging ter zake van valschheid in geschrifte het valsche stuk a) zelve in de dagvaarding
a) Is in de dagvaarding cenc valsche quitantio in haar geheel overgenomen, en is daaraan toegevoegd dat ware ze echt en onvervalscht daaruit eene bevrijdiug vau schuld kon ontstaan, dan km bij het vonnis die
149
in zijn geheel over te nemen; onnoodig is het daaraan toe te voegen dat dat is een (jeschrifl waaruil ecnuj recht, ccnifje verhintcnix, of ccnvjc bevrijdinrj van schuld kan ontskuni. Aan den Hechter is het om, zoo dat geschrift zoo behoort te worden gequalificeerd, dat te doen (arrest 19 Januari 1891, W. 59S4).
Waar aan bestuurders van rij- of voertuigen, bij Gemeente-verordening tc Haarlem, zekere verplichtingen zijn opgelegd bij het aan- of uitgaan van bijeenkomsten in schomvburgeu, concertgebouwen of andere druk bezochte plaatsen, daar is het voldoende, dat in eene dagvaarding ter zake van overtreding van die bepaling, wordt vernield dat het feit plaats greep bij den afloop van het in de groote kerk gegeven orgelconcert en dat er bezoekers waren. In de dagvaarding behoeft niet te staan dat dat concert druk bezocht was. De kerk is dan wel niet noodzakelijk eene druk bezochte plaats, doch kan dat zijn. De Hooge liaad wil dat de Hechter naar aanleiding van die dagvaarding onderzoekt en de kerk op dat tijdstip al dan niet qualificeere ccnc druk bczochlc plaats (arrest H. K. 21 Dec. 1S8S, \\ . 5tJ55). Ik kan mij intusschen niet dit arrest minder goed vereenigen; ik zoude meenen dat âdruk bezochtquot; feit en qualificatie is; in alle geval geloof ik dat er in de dagvaarding iets had moeten staan omtrent hot aantal bezoekers. Zie ook arrest H. R. (i Februari 18^2, W. 4752, en 5 Januari 1885, \\r. 513 1.
De dagvaarding behoeft niet te vermelden de reden waarom iets strafbaar is (arrest 11. R. 2 Januari 1S82, W. 4734). Evenmin als van eenige Wet of Wettelijke verordening behoeft, bij overtreding van een door een
onjuiste rechtsbeschouwing als niet gesclireveu beschouwd worden en uitgemaakt worden dat dat geschrift bestemd was om tot bewijs van een feit te dienen (H. R. 15 Juli 1S92 W. 621S K. R. lül, 323 P. v. J. 1892 no. 87). Zio ook arrest 19 Juni 1882 W. 4802.
150
Burgemeester krachtens de Wet van o Juni 1875 {Slbl. 110) (hondsdolheid) uitgevaardigd bevelschrift, in de dagvaarding van het bestaan van dat bevelschrift melding te worden gemaakt (arrest 28 October 1889 W. 5702). Ook behoeven in de dagvaarding niet te zijn opgenomen de omstandigheden â waar het eene in Duitschland gepleegde oplichting betreft: dat de schuldige zij Nederlander en het feit strafbaar jin Duitschland â waaruit de ontvankelijkheid der strafactie voortvloeit. De Rechter doet daarna zelfs ambtshalve onderzoek, niettegenstaande ze niet in de dagvaarding vermeld zijn, maar ze maken geen element uit van het misdrijf (H. R. 30 November 1801 a) W. 0110, P. v. J. 1802, 5). Zie ook arrest H. R. 13 November 1803 W. G433.
Zeer verschillend wordt vaak beantwoord de vraag, of eene omstandigheid is een fait d'excuse, dan wel of hare afwezigheid is een element van het strafbaar feit. Bekend is de leer: Is er een algemeen verbod om iets te doen of na te laten en is iemand bij uitzondering van dat verbod vrijgesteld, dan is die vrijstelling een fait d'excvse; het niet aanwezig zijn daarvan behoeft in de dagvaarding niet te laste gelegd en dus ook door het O. M. niet bewezen te worden; de beklaagde moet er zich op beroepen en het aannemelijk maken. Is er echter oen gebod om slechts onder zekere voorwaarde iets te doen of na te laten, dan is de afwezigheid der voorwaarde een element van het strafbaar feit. Die afwezigheid moet in de dagvaarding te laste gelegd en door het O. M. bewezen worden. Is zij niet in de dagvaarding te laste gelegd, ontslag van rechtsvervolging zal moeten volgen. Oppervlakkig gezien, scherp van elkaar on-
a) Niettegenstaande in dit en het volgende arrest telkens in de dagvaarding is gesteld dat beklaagde was Nederlander, vloeit uit de medegedeelde overweging voort dat dat niet in de dagvaarding behoeft vermeld.
151
derscheiden cn in vele gevallen inderdaad niet met elkaar te verwarren, zal echter niet zelden in dezelfde bepalingen de een zien een algemeen verbod, waarvan bij wijze van uitzondering vrijstelling wordt verleend, de ander een gebod om een in bet algemeen geoorloofde bandeling slechts op zekere wijze te verrichten. Tot staving van dit gevoelen wijs ik bijvoorbeeld op het hier na te melden arrest van den H. R. van 24 October 1S87 (W. 5487) en de daaraan voorafgaande conclusie van den Advokaat-Generaal Mr. Gregory.
Een algemeen verbod geeft artikel 20 der jachtwet om in open jachttijd zonder de vereischte jachtakte met geladen schietgeweer zich in het veld te bevinden. Is wegens overtreding van dat voorschrift iemand gedagvaard, dan zal het bezit van het consent van artikel 16 of van de buitengewone machtiging van artikel 26 voor hem een fait il'excuse zijn (arrest II. II. 17 October 1887 W. 5486). Algemeen is ook bet verbod van art. 186 der jachtwet om te jagen tusschen zonsondergang en zonsopgang. De omstandigheid, dat men een der jachtbedrijven onder c, f, g en h in artikel 15 genoemd uitoefende of eenden schoot, zal kunnen zijn een fait d'ejpcusc (arrest H. R. 27 Februari 1893 W. 6313 P. v. J. 18!gt;3, 28). Algemeen ook is het verbod van art. 25e dier Wet om met keernetten te visschen. De omstandigheid, dat het keernet werd gebruikt bij de palingvangst (art. 25e 2e lid) of in een afgesloten vischwater (art. lob), zal kunnen zijn een fait d'cxcuse (arrest PI. R. 13 Mei 1889, W. 5719). Algemeen is eveneens het verbod in art. 16 nquot;. 2 der drankwet om zonder de vereischte vergunning sterken drank in het klein toe te dienen (arrest II. R. 7 November 1892 W. 6267); dat van art. 12a van het Reijl cm ent van Politie op het nchmik der openbare wec/cn in de provincie Noord-Brabant, om met voertuigen, met paarden bespannen, buiten noodzakelijkheid te rijden over de bermen van kunst-
152
wegen (arrest H. R. 21 November 1892, W. 6274, 1'. v. J. 1893, 6); dat van art. 9 der \\ et van 1 Juni 1865 {Stbl. 60) aan allen, die de geneeskunst uitoefenen, om geneesmiddelen af te leveren (arrest 22 Juni 1891 \\'_ 6063). De omstandigheid in het eerste geval, dat de drank werd toegediend aan logeergasten (art. 15); in het tweede geval, dat er was verlof van de beheerders van dien weg; in het derde geval, het aanwezig zijn van een der uitzonderingen in art. 9, 10 of 20 opgenoemd, zal kunnen zijn een fait d'excuse.
Geen onvoorwaardelijk verbod is gegeven in art. 283 der Politieverordening van Amsterdam: âHet is verboden (joederen, tmarroor erne bepaalde marktplaats is aaiujewezen, zonder vergunniwi door of namens B. en W. verleend of op eenen anderen dan den voor de markt bestemden lijd len verkoop uit te stallen. De Hooge Raad oordeelt dat hier slechts voor het in het algemeen, ook bij het bestaan van vaste markten, geoorloofde venten van goederen op de straten in het belang der openbare orde eene vergunning van B. en W. wordt vereischt. Dat venten wordt eerst strafbaar wanneer het geschiedt zonder die vergunning. liet gemis dier vergunning is alzoo een element vanamp; het strafbaar feit; dat gemis moet dus in de dagvaarding te laste gelegd, en door het O. M. bewezen worden. Het O. M. was van een tegenovergesteld gevoelen (arrest 24 October 1S87 W. 5487). Eene beslissing in denzelfden geest gaf de Hooge Raad den 23 Januari 1888 (\V. 5.j13) omtrent art. 24 dierzelfde Politieverordening, waarbij is verboden bij het uitvoeren van een bouwwerk op of aan den openbaren weg een niet van eene rookverbrandeude inrichting voorzien stoomwerktuig anders te stoken dan met cokes of door B. en W. goedgekeurde brandstof. Hem, die gedagvaard is in het geval, in dat artikel voorzien, steenkolen te hebben gestookt, moet tevens te laste gelegd worden dat die niet goedgekeurd waren door B. en W.; anders zal ontslag van rechtsvervol-
153
ging moeten volgen. Eveneens oordeelde de Hooge Raad bij zijn arrest van 23 Mei 1887 (W. 5438) dat, waar de keur van den polder Laag-Boskoop verbiedt, zonder schriftelijke toestemming van het pol-derbestuur, eene niet draaiende plank te hebben over eene schomvbare wetering, het gemis van die schriftelijke toestemming is een element der overtreding.
Ik wijs er te slotte nog op, dat evenals het bevel tot dagvaarding en het exploit, waarbij dat stuk be-teekend wordt, een geheel vormt, zoodat het niet noodig is in het exploit het reeds in het bevel omschreven feit te herhalen (zie arrest H. R. 7 November 1887, W. 5508), zoo ook het bevel tot dagvaarding is een geheel. Betreft het dus bijvoorbeeld een misdrijf, waarvan een element is dat de beklaagde hot beroep van koopman uitoefent, (art. 341 AV. v. S.r.), dan is het voldoende indien bij de aan het hoofd dei-dagvaarding gestelde persoonsaanduiding wordt vermeld als beroep koopman; in de eigenlijke omschrijving van het feit behoeft dat dan niet meer voor te komen (arrest H. K. 19 Juni 18(J3 W. 63G3. P. v. J. 1893 61).
Nergens in de Wet is verboden de dagvaarding wat feit, tijd of plaats betreft alternatief te stellen a).
§ 34. De lijd. Artikel 143 W. v. ö.v. verlangt volstrekt niet dat er steeds een bepaalde dag in de dagvaarding worde genoemd, veel minder een uur, tenzij een bepaalde dag of uur hot feit, al dan niet strafbaar doet zijn. Do in dagvaardingen vaak gebruikte uitdrukking omstreek* den . ... 18 .. . voldoet geheel en al aan de Wet. Onder omstandigheden kan het zelfs voldoende zijn te schrijven: ojj een Jay in den loop van hel jaar IS . . . Eene vergissing in den datum sluit evenmin veroordeeling uit. De judex facti zal steeds te beoordeelen hebben of de dagvaarding aan het door art. 143 gesteld vereischte
a) Zie ook arrest H. B. 28 Oetober 1878 W. 4319.
154
omtrent den tijd voldoet. Is de verdediging er niet door bemoeilijkt; is er gebleken dat er geen twijfel bestaat of beklaagde en bet O. M. bedoelen betzelfde; er zal tegen eene eenigzins ruime of eenigzins onjuiste tijdsbepaling geen bezwaar bestaan.
Hier volgen eenige arresten van den Hoogen Raad van de jongste jaren.
Iemand was gedagvaard ter zake dat bij op een dag in bet tijdsverloop tusscben 1 Mei 18.S!) en 10 Nov. d. a. v. eene drankwetovertreding had gepleegd. De Kantonrechter en de Rechtbank verklaarden de dagvaarding nietig. De Hooge Raad verwierp het beroep in cassatie bij arrest van 27 Mei 1890 (W. 5883). De H. R. overweegt âdat art. 143 W. v. S.v. door met âbetrekking tot de tijdsbepaling niet meer te vorderen âdan dat de dagvaarding zal vermelden oms^wA-s welken âtijd het ten laste gelegde feit zal zijn begaan, vrij-âheid geeft om, zoo noodig, door bet aanwijzen van âeen tijdsbestek, binnen hetwelk bet feit gepleegd âzou zijn, do tijdsbepaling uit te drukken, doch dat âdeze vrijheid hare grens vindt in den eisch, dat de âdagvaarding, als volgens de Wet bestemd om den âbeklaagde bekend te maken met hetgeen hem te laste âwordt gelegd en hem tot de voorbereiding van zijne âverdediging in staat testellen, zoodanig worde inge-âricht, dat zij, ook wat de tijdsbepaling betreft, aan âhare bestemming beantwoordt, waaruit volgt dat, nu âde Rechtbank op gronden van feitelijken aard heeft âbeslist dat de gerequireerde door onvoldoende aanduiding in de dagvaarding van den tijd omstreeks âwelken bet feit zou zijn gepleegd, in zijne verdedi-âging is benadeeld, het aangehaald wetsartikel door âde nietigverklaring van de dagvaardig niet kan zijn âgeschonden of verkeerd toegepastquot;.
Wanneer een beklaagde is gedagvaard ter zake van een feit op zekeren dag gepleegd, dan kan hij veroordeeld worden, al blijkt dat dat feit op een anderen dag is gepleegd, mits hij in zijne verdediging
I
155
niot is benadeeld; hierin brengt geenc verandering, dat in de dagvaarding niet is vermeld dat het feit omstreeks dien zekeren dag zou zijn gepleegd H. R. 17 Nov. 1890 (W. 59(35, P. v. J. 1891. 25). Zie ook arrest H. R. 18 December 1893, W. (J445.
Iemand was gedagvaard ter zake van diefstal in den nacht van 4/5 April 1892; ter terechtzitting bleek dat het feit gepleegd was in den nacht van 4/5 Februari 1892; hieromtrent bestond eenstemmigheid tusschen Openbaar Ministerie, getuigen en beklaagde. Hij werd dan ook veroordeeld ter zake van het feit gepleegd in den nacht van 4/5 Februari 1892. Eene uitdrukkelijke beslissing omtrent het bestaan van eene vergissing kwam in het vonnis niet voor. Van de afwezigheid van die uitdrukkelijke beslissing werd een middel van cassatie gemaakt. De Hoosre Raad verwierp dat beroep bij zijn arrest van 29 Juli 1892 (\\ . (gt;227). De Ilooge Raad overweegt o. a. âdat de Rechter, die door de misstelling âder dagvaarding niet verhinderd werd over het âdaarin omschreven feit te beraadslagen, en dus, âondanks die misstelling, dat feit als het ton laste âgelegde had te beschouwen, ook, zonder de bij het âmiddel aangehaalde wetsbepalingen te schenden, âden requirant aan dat feit mocht schuldig verklaren, âterwijl eene uitdrukkelijke beslissing omtrent de âbegane schrijffout, kan geacht worden hier niet âvolstrekt noodig te zijn geweest, omdat uit het als âbewijsmiddelen aannemen van de bekentenis van âden requirant in haar geheel en van de getuige-ânissen boven allen twijfel blijkt, dat de Rechtbank âde aanwezigheid der vergissing in de dagvaarding âstilzwijgend heeft aangenomenquot;.
Eene bepaling van eene verordening omtrent de bevolkingsregisters te Rotterdam luidt: âZij, die binnen âde Gemeente verhuizen, zijn verplicht binnen 8 âdagen nadat zij de woning verlaten hebben, aan âhet bureau der afdeeling, waarin die is gelegen,
|
156
âdaarvan kennis te geven, met vermelding van hunne ânieuwe woonplaats.quot; Iemand was gedagvaard ter zake quot;dat zij op 2(.) April 1893 te Rotterdam, binnen die âGemeente vóór 22 April 1893 hare quot;woning oveige-quot;bracht hebbende van pand nc. 24 aan de Diergaarde-âlaan naar pand 002 aan de Crispijnlaan en pand 21 âverlaten hebbende, nog geene kennis van hare ver-âhuizing gegeven had aan het bureau der bevolking âin de 4e afdeeling in de Witte de A\ ithstraat, met âvermelding van hare nieuwe woonplaatsquot;. De Ilooge Raad verklaarde die dagvaarding nietig bij zijn arrest van 6 November 181)3 (W. 6425, P. v. J. 1893, 98). De Ilooge Raad overweegt o. a.: âdat wel in do dagvaarding is vermeld dat de requirante op 29 Apiil .,1893 nog geen kennis had gegeven van hare verhui-âzing nadat zij vóór 22 April te voren â dus meer dan ,.8 dagen eerder â hare woning van het huis waar âzij vroeger woonde naar het thans door haar beloonde had overgebracht, en dus het eerste had quot;verlaten, maar dat daarin niet is uitgedrukt wanneer âde verhuizing zou hebben plaats gehad, en in â \er-'^band hiermede, wanneer de voor de kennisgeving âvan de verhuizing gestelde termijn van 8 dagen âverstreken en derhalve de overtreding gepleegd quot;zoude zijn.quot; Inderdaad het tijdperk waarin de overtreding zou zijn gepleegd, wat het eind betreft in de dagvaarding behoorlijk begrensd, is dat niet wat het begin betreft; de overigens lange dagvaarding laat de mogelijkheid bestaan dat het verlaten van de vroegere woning op elk tijdstip vóór 22 April 1892 heeft plaats gegrepen, en dus ook dat de overtreding reeds lang verjaard is. Het juiste tijdstip van dat verlaten, behoefde natuurlijk ook hier niet in de dagvaarding te staan, maar eenige bepaling dat het bijvoorbeeld in den loop van het jaar 1892 plaats greep, was noodzakelijk, met behoud natuurlijk van
de vermelde data.
§ 35. Dc plaats. Wat ik omtrent den tijd mede-
157
deelde geldt in hoofdzaak ook voor de plaats. De AVet vordert niet dat zij wordt aangeduid door te zeggen in welke Gemeente het feit plaats greep; evenmin, zoo eene Gemeente genoemd wordt, in welk onderdeel der Gemeente. De judex facti zal beoor-deelen of do plaats duidelijk genoeg is aangegeven. Hij zal moeten nagaan, zoo zij ruim werd opgegeven, of niet voor beklaagdes verdediging eene nauwkeuriger plaatsbepaling noodig was geweest, en mocht hem blijken dat de dagvaarding in dat opzicht te kort schiet, haar nietig verklaren. Is er eene vergissing in de plaatsbepaling, hij zal dienen te overwegen of het blijkt dat er eenstemmigheid is tusschen Openbaar Ministerie, beklaagde eu getuigen, omtrent de plaats waar het feit werkelijk is gebeurd; van die overweging zal het afhangen of hij al dan niet zal veroordeelen. Een voorbeeld tot toelichting ook in verband met het hiervoor gezegde omtrent den tijd omstreeks welken het strafbaar feit gepleegd is. Wordt iemand gedagvaard ter zake van te 's Graven-hage in den loop van het jaar 1894 zich in kenne-lijken staat van dronkenschap te hebben bevonden, op den openbaren weg, dan zal die dagvaarding, tenzij beklaagde ter terechtzitting komt bekennen, nietig moeten worden verklaard. Zeer zeker zal dit moeten geschieden zoodra beklaagde beweert, dat hij zich op die dagvaarding niet behoorlijk kan verdedigen. Was dag en straat nauwkeuriger bepaald, beklaagde zou wellicht kunnen bewijzen dat hij toen daar niet dronken, wellicht dat hij daar in het geheel niet geweest is. Intusschen in vele gevallen zal zelfs in eene groote stad de straatnaam achterwege kunnen blijven.
Bij zijn arrest van 3 October 1892 (W. 0249, P. v. J. 1892, 91) overwoog de Hooge Raad dat het voldoende kan zijn, de plaats waar het strafbaar feit gepleegd is, aan te duiden door den naam der Gemeente waar het gebeurde, en dat de toevoeging
158
daarbij ter nadere aanwijzing van een ouden niet moer bestaanden plaatsnaam in geen geval nietigheid medebrengt. De plaatsaanduiding is ook voldoende (zie bet arrest van den H. R. van 29 Februari 1892 (W. G1G1, P. v. J. 1892, 47) wanneer worden genoemd twee in eikaars onmiddelijke nabijheid gelegen Gemeenten a) (in casu: tc Necdc of Lochrm). Nergens in de Wet is voorgeschreven dat de naam van eene enkele Gemeente zou zijn vereischt. Nietigheid zou hier slechts te pas komen wanneer bleek dat beklaagde in zijne verdediging was benadeeld.
§ 36. De beteekening der dagvaarding geschiedt door een Deurwaarder of een dienaar der openbare macht (art. 7 W. v. S.v.). liet begrip dienaar der openbare macht is ongetwijfeld zeer ruim. Zeer zeker valt daaronder een rijksveldwachter en een onderofficier der Koninklijke Marechaussée. De dagvaarding wordt met afgifte van een atschrift beteekend aan den persoon van den beklaagde. Is hij niet in verzekerde bewaring, dan kan zij ook, met achterlating van een afschrift aan een van zijn huisgenooten, worden beteekend, aan zijne woonplaats of, zoo hij hier te lande geene bekende woonplaats heett, aan zijne laatste verblijfplaats hier te lande. Zoo de dagvaarding niet aan den beklaagde in persoon beteekend is, dient in het exploit te staan dat de persoon, tot wien gesproken werd, was een huisgenoot van den beklaagde (zie arresten H. R. 7 Februari 1887, W. 5399, 28 Januari 1889, W. 5G72, P. v. J. 1889, n0. 25). Vindt de beambte, met de beteekening dei-dagvaarding belast, noch den beklaagde, noch iemand van diens huisgenooten aan zijne woon- of verblijfplaats, dan zal hij hot afschrift terstond ter hand stellen aan den Burgemeester of aan dengene, die
a) Bij Kantongerechten zal dit met liet oog op tic competentie slechts geoorloofd zijn wanneer de Gemeenten liggen in hetzelfde Kanton.
159
dezen vervangt. De Burgemeester ol' hij, die hem vervangt, zal de de oorspronkelijke dagvaarding voor gezien moeten teekenen, en het afschrift zoo mogelijk aan den beklaagde moeten doen toekomen, zonder dat van dit laatste echter in rechte zal behoeven te blijken.
Indien de beklaagde hier te lande geene bekende woon- of verblijfplaats heeft, geschiedt de beteekening der dagvaarding door middel van aanplakking van het afschrift aan het gebouw waar het Kantongerecht zitting houdt.
Beteekening in strijd met deze voorschriften brengt nietigheid mede tenzij de beklaagde ten dienenden dage vrijwillig verschijnt. Latere verschijning in het geding in verzet dekt haar dus niet.
Is de verblijfplaats van een beklaagde buitenslands bekend, dan wordt door den beambte, met de beteekening der dagvaarding belast, een tweede afschrift van de dagvaarding bij aangeteekenden brief aan den beklaagde verzonden. Tegen niet-nakoming van dit voorschrift is echter geene nietigheid bedreigd.
Wanneer de Ambtenaar van het O. M. beklaagdes woonplaats in de dagvaarding aanduidt, daarin eene bepaalde plaats als diens laatste bekende verblijfplaats aan-wij st, of wel vermeld dat ook deze is onbekend en daarom dagvaarding bij aanplakking gelast, zal hij zich natuurlijk zooveel mogelijk van de waarheid van een en ander overtuigen. De met de dagvaarding belaste beambte zal, wanneer hij aau het bevel gaat voldoen, zich op zijn beurt overtuigen: of hij inderdaad spreekt met den beklaagde, of met een van diens huisgcnooten; of hij is aan diens tegenwoordige woonplaats; of hij is inderdaad aan diens vroegere woonplaats; of inderdaad niet bekend is dat beklaagde sintsdieu elders hier te lande verbleef; en of inderdaad geene woon- of verblijfplaats van beklaagde, hier te lande bekend is. Heeft echter die beambte eenmaal in zijn exploit geconstateerd, dat het een of
100
net ander het geval is, dan behoeft de Rechter daaromtrent niet in onderzoek te 'treden alvorens verstek te verleenen, immers dat exploit is eene authentieke akte. Komt echter later de veroordeelde in verzet, en blijkt dan uit bet onderzoek ter terechtzitting juist te zijn diens bewering, dat de hem niet persoonlijk beteekende dagvaarding niet aan diens woning is uitgebracht, dan zal, niettegenstaande hot exploit vermeldt dat de dagvaarding wel aan diens woning werd uitgebracht, zij moeten worden verklaard nietig. De bij artikelen 176 vlg. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gegeven voorschriften, die bij de betichting van valschbeid van een geschrift moeten worden in acht genomen, zijn hier niet van toepassing; immers die zijn gegeven voor burgerlijke en niet voor strafzaken. Evenmin zal dan kunnen worden beweerd, dat de nietigheid der dagvaarding, is gedekt door veroordeeldes tegenwoordigheid bij de behandeling der zaak in verzet; immers allerminst is dat de verschijning op de dagvaarding, waarvan artikel 148 spreekt. (Zie arrest H. R. 27 Maart 1894,
W. 0482). , ,
Van het grootste belang is, dat het door den beambte voor den beklaagde bestemde afschrift, zoowel wat bevel tot dagvaarding als wat exploit betreft, juist zij. Immers de grondslag van beklaagdes verwering is niet het in handen van den beteekenenden beambte gebleven origineel, maar het aan den beklaagde gelaten afschrift; naar dat afschrift moet uitsluitend zijne verwering beoordeeld worden. Is het origineel volkomen in orde, maar is in het afschrift eenig gebrek dat de dagvaarding nietig zou doen zijn, wanneer de Rechter het afschrift onder do oogen komt, zul hij de nietigheid, tenzij ze wordt gedekt, moeten uitspreken. Natuurlijk niet elk klein verschil tusschen origineel en afschrift zal nietigheid medebrengen. Is er eene onnauwkeurigheid in de vermelding van het feit in het afschrift, beroept de
I
161
beklaagde zich er op, maar oordeelt de Rechter dat zij begrijpelijk bleef en dat beklaagde in zijne verdediging niet is benadeeld, hij zal haar niet nietig verklaren. Blijkt echter bij de behandeling in verzet dat in het afschrift der dagvaarding niet staat dat de persoon, met wien de beambte aan beklaagdes woning sprak, was beklaagdes huisgenoot, de dagvaarding zal moeten worden verklaard nietig, al stond het wel in het origineel. (Arrest H. R., 2S Januari 1889, . 5672). Alhoewel het in het algemeen zeker wenschelijk is, dat, is bij één bevel ile dagvaarding van meer beklaagden gelast, in het aan eiken beklaagde gelaten afschrift de namen zijner mede-beklaagden voorkomen, besliste toch de 11. R., bij zijn arrest van 11 Nov. 1889 (v. d. li. J. en V. X, 246 X. R. CLIII, 195), dat het niet vermelden van de namen der medebeklaagden in de afschriften geene nietigheid medebrengt. (Zie ook vonnis Rechtbank 's Gravenhage 14 Mei 1888 W. 5582).
Op straffe van nietigheid moet tusschen den dag, waarop de beteekening der dagvaarding plaats heeft, en dien der terechtzitting een termijn van ten minste acht dagen verloopen. Met toestemming van den beklaagde kan deze termijn worden verkort, mits in het oorspronkelijk exploit van dagvaarding, eene verklaring worde opgenomen dat hij daarin toestemt en hij die onderteekene. Kan de beklaagde niet teekenen, dan wordt dat in het exploit vermeld. De nietigheid, waarvan ik in de laatste plaats sprak, wordt eveneens alleen door de vrijwillige verschijning van den beklaagde op de dagvaarding gedekt.
Verzet tegen de rechtstreeksche dagvaarding, die, omdat er bij het Kantongerecht geene instructie plaats heeft, weinig nut zou hebben, is uitdrukkelijk uitgesloten. Evenzoo heeft daar geene beteekening van getuigen plaats. Onverminderd de bevoegdheid van den beklaagde om zelf getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of ter terechtzitting mede te
n
162
brengen, kan op zijn verzoek de Kantonrechter bevelen dat deze vanwege den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie zullen worden gedagvaard. Het spreekt van zelf dat de Kantonrechter dit bevel slechts geeft wanneer hij het in het belang van het onderzoek acht.
Omtrent exploiten in strafzaken zij in het algemeen nog opgemerkt, dat de H. R. herhaaldelijk uitmaakte, dat daarvoor niet gelden de voorschriften voor exploiten in burgerlijke zaken gegeven. Zoo is niet noodig de vermelding in het exploit van de woonplaats van den Deurwaarder (arrest H. R. 10 Maart 184/', W. 850). Zoo kan een exploit geschieden ook op een Zondag (arrest 8 Nov. 1842 W . 424 en 17 Dec. 1844 W. 588).
AFDEELING IV.
HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING.
§ 37. De Grondwet bepaalt in artikel 161 o. a., dat, behoudens de uitzonderingen door de Wet vastgesteld, de terechtzittingen zijn openbaar, doch dat de Rechter in het belang der openbare orde en zedelijkheid van dezen regel kan afwijken. Voor strafzaken maakte tot nog toe de gewone Wetgever geen gebruik van de hem bij dit artikel gegeven bevoegdheid. In aansluiting aan de Grondwet bepaalt art. 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie dat in strafzaken het rechtsgeding op de terechtzittingen in het openbaar zal worden gehouden, op strafte van nietigheid, tenzij bij de Wet anders mocht zijn bepaald, of de Kantonrechter om gewichtige, bij het proces-verbaal te vermelden redenen, mocht bevelen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats hebben. Die gewichtige redenen kunnen ingevolge de Grondwet slechts zijn ontleend aan het belang dei-openbare orde of zedelijkheid. Wanneer eischt de openbare orde of zedelijkheid gesloten deuren.' is
163
eene vraag die zeer verschillend kan beantwoord worden; men zal daarbij niet uit het oog moeten verliezen dat slechts gewichtige redenen geheime behandeling kunnen rechtvaardigen. Een waarborg tegen misbruik is de verplichting van de vermelding dier redenen in het proces-verbaal der terechtzitting (zie ook de Pinto R. O. II § 24). Ik meen er op te moeten wijzen, dat het soms van groot belang kan zijn gebruik te maken van de bevoegdheid om de behandeling slechts gedeeltelijk met gesloten deuren te doen plaats hebben. Het kan toch zoo wenschelijk zijn, dat, in een overigens zedekwetsend geding, eene verklaring, die dat niet is, in het openbaar wordt afgelegd, of dat in een geding, dat niet zedekwetsend is, eene enkele verklaring, die dat in de hoogste mate is, met gesloten deuren worde gedaan. Met gesloten deuren zal bijv. kunnen worden behandeld eene overtreding van eene verordening omtrent de prostitutie. De deuren zullen ook kunnen worden gesloten, wanneer het publiek in dusdanige stemming is, dat het te voorzien of reeds gebleken is, dat de beschikbare Politiebeambten de orde ter terechtzitting niet zullen kunnen handhaven.
Heeft de Kantonrechter eenmaal bepaald dat de terechtzitting niet zal zijn openbaar, dan is het geding niet nietig al is er publiek aanwezig geweest (zie arrest H. R. 24 November 1840 W 140, 143).
§ 38. De Kantonrechter moet zorg dragen, dat de zittingen stiptelijk op het bepaalde uur worden geopend. Indien hij daartoe door afwezigheid, hetzij van den Ambtenaar van het O. M., hetzij van den Griffier buiten staat is, kan hij hiervan proces-verbaal opmaken en dat opzenden aan liet Ministerie van Justitie. De Ambtenaar van het O. M. heeft dezelfde bevoegdheid. De duur der terechtzittingen wordt aan den Kantonrechter overgelaten, maar mag telkens niet korter zijn dan drie uren, ingeval de behandeling der zaken dit vereischt, terwijl ook de tijd,
164
voor de terechtzittingen bestemd, aan geene andere werkzaamheden mag worden besteed. Art. 31, 32, Regl. I.
De Kantonrechter leidt de terechtzitting en handhaaft de orde; hij geeft daartoe de noodige bevelen. Indien een der aanwezigen de stilte of orde op de terechtzitting stoort, of teekenen geeft van goed- of afkeuring, en vruchteloos door den Kantonrechter is gewaarschuwd of het bevel van den Kantonrechter om zich te verwijderen niet heeft opgevolgd, kan hij op diens last worden verwijderd en zoo noodig gedurende den tijd der terechtzitting worden in bewaring gehouden (art. löl NV. v. b.v. art. -48 Regl. 1). Dezelfde bevoegdheid wordt den Kantonrechtei ten opzichte van den beklaagde gegeven in artikel 179 AV. v. S.v. In dat artikel wordt niet gesproken van het geven van teekenen van goed- of afkeuring. Deze woorden kwamen in hot ontwerp wel voor, maar vervielen naar aanleiding van eene opmerking van den Raad van State, dat het veel te streng is den beklaagde te verbieden eenvoudige teekenen van good- of afkeuring te geven a). Het spreekt echter van zelf, dat, zoo hij op die wijze de orde mocht verstoren, hij wegens dat verstoren der orde zal kunnen worden verwijderd. Deze inbewaringstelling is geene straf, doch slechts een disciplinaire maatregel. De beambte, aan wien zij wordt opgedragen, zal den rustverstoorder dus in een arrestanten-bewaarplaats opsluiten of op zoodanige wijze in bewaring houden als het doelmatigst wordt geoordeeld. De bevoegdheid, den Kantonrechter vroeger gegeven, om den rustverstoorder ter terechtzitting onmiddellijk te veroor-deelen tot 24 uren vrijheidstraf, en om, zoo daar eenig strafbaar feit, waarover hij oordeelt, gepleegd werd, onmiddelijk vonnis te wijzen, heeft hij nu niet ' meer. Wordt ter terechtzitting een strafbaar
~at Zie hierover Mr. Dl! PlSTO, Het herziene Wetboek 11 Wz. 145, noot 1.
165
feit gepleegd, dan wordt de verdachte met de getuigen onmiddelijk ondervraagd, daarvan wordt door den Griffier proces-verbaal opgemaakt eu met den Kantonrechter onderteekend «). Dat proces-verbaal wordt door den Kantonrechter in handen gesteld van den Officier van Justitie of van den Ambtenaar van het O. M. (art. 196 W. v. S.v.). Een zoodanig procesverbaal wordt dus ook opgemaakt wanneer een der aanwezigen niet voldoet aan het bevel om zich te verwijderen, hem door den Kantonrechter krachtens art. 151 W. v. S.v. gegeven, eu zich dus schuldig maakt aan het misdrijf voorzien bij art. 185 van het W. v. S.r. Js er ter zake van het feit voorloopige aanhouding toegelaten dan kan de Kantonrechter een bevel daartoe afgeven en handelen volgens art. 41 W. v. S.v. Wordt dit niet afgegeven dan kan hij in ieder geval voor den duur ter terechtzitting in bewaring worden gesteld (zie ook dk Pinïo, Het herziene W. v. S.v. II, biz. 6U).
Herhaaldelijk werd er in den jongsten tijd op gewezen, dat vroeger de Hechter ter strafzitting krachtiger middelen tot handhaving van de waardigheid der Justitie had, en dat liet cene anomalie is, dat ter civiele terechtzitting vaak kan worden vonnis gewezen over het daar gepleegde strafbare feit, terwijl dit ter strafzitting niet kan lgt;). Hier zij slechts opgemerkt dat dat alles niet geldt voor do Kantongerechten. Immers ter strafzitting was daar die buitengewone rechtspraak ook vroeger zeer beperkt, en ter civiele terechtzitting heeft hij ze thans niet meer.
§ 39. De Griffier is verplicht om op de terechtzittingen van het begin tot het einde tegenwoordig te
а) Is een dusdanig proces-verbaal niet opgemaakt dan kan het ter terechtzitting gepleegde strafhare feit toch vervolgd worden. Zie ook § 52.
б) Zie over dit onderwerp o. a. Mr. Gr. S. i'. ScilELTEMA, Occr de middihn lol handhaving der orde op de openbare lerechlzillinij (ï. v. S. VII, blz. 391) en Mr. M. S. Pols, Be rechtsmacht van den burgerlijken Rechter in strafzaken (T. v. S. I blz. 418 vlg.).
16(3
zijn en aldaar de pen te voeren (art. 65 Reglement I). Hij houdt het proces-verbaal der terechtzitting waarin achtereenvolgens aanteekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak ter terechtzitting voorvalt. Dat proces-verbaal behelst tevens den zakelijken inhoud van de verklaringen der getuigen en van de opgaven van den beklaagde. De Kantonrechter kan gelasten, dat daarin van eenige omstandigheid, verklaring of opgave aanteekening wordt gedaan. Gelijke aanteekening geschiedt op vordering van den Ambtenaar van het O. M. of op bet verzoek van den beklaagde. Het proces-verbaal wordt door den Kantonrechter en den Griffier vastgesteld en onderteekend binnen den termijn bij het eerste lid van art. 226 vermeld; art. 19S. Dit proces-verbaal is een stuk van zeer veel o-ewicht. Wordt het in eene andere zaak, bijvoorbeeld bij eene vervolging wegens meineed van een getuige, gebruikt, dan kan ook op andere wijze worden bewezen dat een vorm, waarvan in dat proces-verbaal geen gewag is gemaakt, inderdaad in acht is genomen. In dezelfde zaak echter, bij eeue nieuwe behandeling, zal uitsluitend uit dat proces-verbaal kunnen blijken of bij de vroegere behandeling een vorm in acht is genomen. Blijkt uit dat proces-verbaal niet dat een getuige behoorlijk beëedigd is, bet vonnis zal, niettegenstaande dat die behoorlijke beëediging vermeldt, moeten worden vernietigd (/.ie arrest H. R. 3 Januari 1887 W. 5384, 27 December 1887, W. 5510, 20 Februari 1888 W. 5525). Alhoewel het natuurlijk van groot belang is, bijvoorbeeld voor de behandeling in hooger beroep, dat ook wat daarin staat van getuigenverklaringen en opgave van den beklaagde juist zij, zal echter, bij strijd in dit opzicht tusschen procesverbaal en vonnis, voor juist moeten worden gehouden, wat in het vonnis is vermeld. In cassatie kan dan ook niet worden onderzocht of daaromtrent strijd bestaat (zie arrest H. R. 29 December 1884 W. 5134,
1
167
30 Nov. 1891 W. G120 P. v. J. 1S92 n°. 23, N. R. 159, 273 en 30 October 1893 W. 6420). Alhoewel het proces-verbaal wordt vastgesteld door den Kantonrechter en den Griffier, dient niet uit het oog verloren te worden dat de Wet den (iriffier aanwijst om het op te maken. Kan de Kantonrechter zich dus niet vereenigen met het verbaal van den Griffier, en kunnen besprekingen hen niet tot eenstemmigheid brengen, dan zal in geen geval de Kantonrechter den Griffier kunnen gelasten het proces-verbaal te wijzigen. Mr. de Pixto meent, en ik kan mij met dat gevoelen wel vereenigen, dat de Kantonrechter dan het proces-verbaal met voorbehoud van zijne meening omtrent het betwiste punt zal moeten teekenen.
Er bestaat verschil van gevoelen over de betee-kenis in art. 198 der woorden: âbinnen den termijn bij het eerste lid van art. 226 vermeld.quot; Mr. de Pixïo (art. 1!)8, aant. 32) meent daaruit te moeten afleiden dat het voldoende is wanneer het procesverbaal wordt onderteekend binnen tweemaal vierentwintig uren na de uitspraak van het vonnis. Mr. Simons (bladz. 91) twijfelt van welken dag die tweemaal vierentwintig uren beginnen te loopen. Ik zou meenen van af de terechtzitting waarop het werd gehouden. Wanneer het Wetboek van Strafvordering spreekt van een termijn van een zeker aantal dagen, bedoelt het m. i. eenvoudig een tijdsverloop van dat getal dagen, zonder daarbij iets omtrent den aanvang van dat tijdsverloop vast te stellen, zoo in artikel 147. De Wet spreekt van het proces-verbaal van de terechtzitting, niet van het geding. Vordert een geding meerdere terechtzittingen, dan zullen er evenveel zelfstandige processen-verbaal moeten zijn als er terechtzittingen waren. Bij gebreke van uitdrukkelijke bepaling in de Wet, is er hierom, dunkt mij, veel voor te zeggen de termijnen te laten loopen van de terechtzitting waar het werd opgemaakt. Wanneer in eene zaak het onderzoek geschorst wordt, gaat
108
ra. i. ook elke waarborg voor de juistheid van het proces-verbaal verloren, wanneer men niet handelt overeenkomstig mijne uitlegging van art. 198. De beschikking, waarbij het onderzoek geschorst wordt, is toch niet een vonnis als bedoeld bij art. 22G. In de praktijk wordt meestal gehandeld overeenkomstig het gevoelen van Mr. dk Pixto: bij schorsing echter wordt met lift vaststellen van hot proces-verbaal, en terecht, niet gewacht tot een vonnis gewezen is.
§ 40. Verschijnt de beklaagde niet ter terechtzitting, dan wordt tegen hem verstek verleend, waarover nader zal worden gesproken, a). liet is evenwel niet altijd noodig dat de beklaagde in persoon verschijnt. Wordt hij niet vervolgd ter zake van strooperij, dan kan hij zich door eenen gemachtigde doen vertegenwoordigen. Iedereen kan hier als gemachtigde gekozen worden, ook minderjarigen en vrouwen, deze laatsten al zijn zij gehuwd, zelfs zonder bijstand van hun man (de Pinto II, 350). Die gemachtigde moet, zelfs al is hij prokureur, voorzien zijn van eene volmacht voor de vertegenwoordiging in die strafzaak afgegeven. Eene algemeene volmacht is dus niet voldoende. De volmacht, of, zoo zij notarieel is opgemaakt, een authenthiek afschrift daarvan, moet ter terechtzitting worden overgelegd en wordt aan het proces-verbaal der terechtzitting gehecht. De Kantonrechter kan evenwel bevelen dat de beklaagde in persoon verschijnt. Hij kan, docli is niet verplicht, daartoe het onderzoek der zaak tot eene bepaalde terechtzitting schorsen; verschijnt dan de beklaagde nog niet dan kan hij dat nogmaals doen. Blijft beklaagde in o-ebreke om persoonlijk te verschijnen, dan wordt tegen hem verstek verleend. Hetzelfde zal natuurlijk moeten geschieden, wanneer de volmacht niet in orde is, of werd afgegeven door een ter zake van strooperij beklaagde.
De Kantonrechter behoort de persoonlijke verschij-a) Zie hierachter § 77.
169
ning te bevelen vóór den aanvang van het onderzoek der strafzaak. Daarna zal hij dit niet meer kunnen doen. Volgens ons recht, althans volgens de jurisprudentie, blijft de eenmaal contradictoir begonnen zaak, haar contradictoir karakter houden gedurende de geheele verdere behandeling der zaak in dezelfde instantie, zelfs wanneer beklaagde niet meer verschijnt; verstek wordt slechts verleend vóór den aanvang van het onderzoek. Hij, die eenmaal in persoon verscheen, zal zich bij de verdere behandeling der zaak niet meer door een gemachtigde kunnen doen vertegenwoordigen, tenzij met toestemming van den Kantonrechter. Doet hij dat zonder toestemming, dan zal de eenmaal contradictoir begonnen zaak behandeld worden buiten zijne tegenwoordigheid, en dus bijvoorbeeld zijn raadsman geen vragen kunnen doen of niet kunnen pleiten. Niets belet dat hij, die aanvankelijk zich liet vertegenwoordigen, later zelf verschijnt; het spreekt echter van zelf dat hij niet door eenvoudige ontkenning de door zijn vertegenwoordiger afgelegde bekentenis kan krachteloos maken (arrest II. R. 18 Mei 1*47, W. 835).
§ 41. Zoo de beklaagde, wanneer de Deurwaarder zijn naam heeft afgeroepen, blijkt te zijn verschenen, zal de Kantonrechter het onderzoek een aanvang doen nemen door den beklaagde af te vragen, naam, voornamen, ouderdom, beroep, geboorte- en woon- of verblijfplaats. Zijn er meerdere beklaagden dan heeft die ondervraging plaats in de orde waarin zij in de dagvaarding voorkomen. De Kantonrechter vermaant den beklaagde vervolgens oplettend te zijn op hetgeen beklaagde zal hooren. Het onderzoek wordt onafgebroken voortgezet behoudens de gevallen, waarin de Wet schorsing toelaat of de Kantonrechter om eenige reden, die in het proces-verbaal moet worden vermeld, schorsing noodig oordeelt (152).
De Wet wil dat, wanneer eenmaal mot de behandeling der zaak ter terechtzitting een begin is gemaakt.
170
het onderzoek n) zooveel mogelijk onafgebroken worde voortgezet. Do Wet noemt eenige gevallen op waarin schorsing kan plaats hebben. Maar moest daarnevens wel bepalen, daar zij onmogelijk alles kon voorzien â men denke aan eenige feitelijke verhindering voor verdere behandeling â dat ook schorsing kan plaats hebben wanneer de Rechter dat om eenige in het proces-verbaal op te nemen reden noodig oordeelt. Feitelijk zal dus de Kantonrechter in ieder bijzonder geval hebben te beoordeelen ot er al dan niet geschorst wordt. Er worde echter wel bedacht, dat eene goede rechtsbedeeling slechts toelaat schorsing, wanneer ze dringend noodzakelijk is en voor zoo kort mogelijken tijd.
Uitdrukkelijk geeft de Wet bevoegdheid tot schorsing:
I. voor bepaalden of onbepaalden tijd: wanneer een gedagvaarde of opgeroepen getuige, deskundige of tolk of een raadsman niet aanwezig is (art. 157,176,183,1S7); wanneer er eerst op de terechtzitting blijkt dat oen tolk noodig is of diens wraking wordt ingewilligd (art. 183, 187, 1quot;)7);
II. voor bepaalden tijd: a. wanneer de verschenen getuige, deskundige of tolk weigert den eed af te lederen of aan eenige andere op hem rustende ver-plichting te voldoen (art. 16lt;j, 176, 187);
b. wanneer de beklaagde bij gemachtigde is verschenen. en de Kantonrechter persoonlijke verschijning beveelt (art. 150, art. .190);
a) Opmerking Terdient dat de Wot in Artikel 152 het onderzoek doet aanvangen met het afvragen van naam enz. en dus dat afvragen deel laat uitmaken van het onderzoek, in verband daarmede dan ook in Artikel 150* 2e lid juncto Artikel 190 spreekt van schorsiny van het onderzoek wanneer enkel naam enz. door den gevolmaclitigde zijn opgegeven, lerwijl elders, in Art. 204 en Art. 323 met onderzoek klaarblijkelijk bedoeld wordt het onderzoek van het bij dagvaarding te laste gelegde of, zooals het in Art. 153 heet, het onderioek der zaak zelve. Dit staat intussehen vast, dat terwijl Art. 219 (oud) sprak van rechtsgeding in Arl. 1.V2 voorkomt ondcrzvh omdat de uitspraak, die dan toch ook deel uitmaakt van het rechtsgeding, niet dadelijk na het sluiten van het onderzoek behoeft plaats te hebben.
171
c. wanneer de Kantonrechter nieuw bewijs materiaal noodzakelijk acht (art. 190);
d. wanneer de Kantonrechter een nader onderzoek noodig acht naar aanleiding van ter terechtzitting gebleken verzwarende omstandigheden, die niet in de dagvaarding waren vermeld (art. 192);
de Kantonrechter is bevoegd in de onder h, c en lt;/ genoemde gevallen om ten bepaalden dage de schorsing zoo noodig weder voor een bepaalden tijd te verlengen ;
III. voor onbepaalden tijd: tot na atloop van bet onderzoek, wat te dier zake bevolen wordt, wanneer een getuige of deskundige wordt verdacht van meineed (art. 174, 176).
Schorsing is verplichtend: a. met of zonder tijdsbepaling, wanneer de verdediging van den beklaagde een geschilpunt van burgerlijk recht betreft, van welks beslissing de Kantonrechter oordeelt dat de waardeering van het feit afhangt (art. 0); b. tot na beklaagdes herstel, wanneer hij na het plegen van het strafbaar teit is krankzinnig geworden (art. 415).
In alle gevallen, waarin schorsing van het geding plaats heeft, wordt de zaak op de nadere terechtzitting hervat in den stand, waarin zij zich op het tijdstip der schorsing bevond. De Kantonrechter is bevoegd om, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering-van den Ambtenaar van het O. M. of op het verzoek van den beklaagde, te bevelen, dat bet onderzoek ter terechtzitting op nieuw wordt aangevangen (art. 194). Door gebruik te maken van deze bevoegdheid zal het o. a. mogelijk zijn op den naderen rechtsdag eene zaak te behandelen ook wanneer dan een ander als Rechter mocht zitten dan op den oorspronkelijken rechtsdag.
De vraag of bij nieuwe behandeling op den naderen rechtsdag, wanneer de beklaagde, tegen wien reeds verstek was verleend, verschijnt, de zaak contradictoir moet behandeld worden, beantwoord ik bevesti-
172
gend a). Men zie in gelijken zin de conclusie van den Advokaat-Generaal Gkegory voorafgaande aan het arrest van den H. R. van 27 Juni 1892 (\V 6209). Alhoewel nergens voorgeschreven, zelfs niet voor eene contradictoire zaak, zal ook in eene verstekzaak, wanneer voor onhepaalden tijd is geschorst, de beklaagde tegen de nadere terechtzitting bij exploit moeten worden opgeroepen h).
Nieuwe behandeling zal m. i. op de nadere terechtzitting slechts kunnen plaats hebben, wanneer de beklaagde verschenen is. Immers verschijnt hij niet, dan zal natuurlijk de zaak niet contradictoir kunnen behandeld worden. Maar evenmin zal verstek kunnen worden verleend, daar geen der in art. 204 opgenoemde gevallen aanwezig is.
Het voorschrift dat de zaak op de nadere terechtzitting wordt hervat in den stand, waarin zij zich bevond op liet tijdstip der schorsing, is m. i. geen beletsel om na de schorsing een raadsman toe te laten, ook wanneer daarvóór er geen was opgetreden. Men zie hierover Mr. A. E. Blks in W. (33()0.
Art. 152 wil ook dat zal worden voorgelezen het bevel van verwijzing. Klaarblijkelijk wordt hiermede bedoeld, dat ter terechtzitting der Rechtbank zal worden voorgelezen het bevelschrift van de raadkamer
a) Om tot deze beantwoording te komen zal men moeten aannemen dat ook in Art. 194 onderzoek is gebruikt in den ruimen zin waarin liet iu Art. 152 gebezigd wordt.
V) Ik meen dat te mogen afleiden daaruit, dat zonder nadere oproeping nieuwe behandeling ter nadere terechtzitting, onmogelijk zoude zijn. Daarbij komt nog, dat de Wetgever in Art. 195 uitdrukkelijk bepaalde, dat bij uitstel voor bepaalden tijd aanzegging ter terechtzitting in de plaats treedt van nadere oproeping. Merkwaardig is he: zeker dat de Wet alleen in het geval van Art. 193, wanneer er schorsing voor onhepaalden tijd is geweest, beveelt oproeping bij exploit tegen de nadere terechtzitting. Alhoewel bij het tot stand komen van dat Artikel in de Tweede Kamer nadrukkelijk werd verklaard dat in eene verstekzaak oproeping van den beklaagde tegen de nadere terechtzitting niet noodig werd geacht, oordeelt de H. E., en m. i. terecht, dat Artikel 193 die ook in eene verstekzaak gebiedend voorechrijlt. Men zie het vermelde arrest van 27 Juni 1892 en Mr. de Pixto ad Art. 193, aanmerking 3.
173
der Rechtbank, waarbij de zaak is verwezen naar de openbare terechtzitting. Van het vonnis of het arrest van een anderen Rechter, dat de zaak naar de Rechtbank verwijst, is in het artikel geen sprake. Intusschen valt wel onder het artikel de beschikking der Raadkamer van een anderen Rechter, die de zaak naar de Rechtbank verwijst. Zoo zal dus ook ter terechtzitting van het Kantongerecht dienen te worden voorgelezen de beschikking der Raadkamer van een collegie waarbij de zaak is verwezen naar den Kantonrechter. Niet-voorlezing brengt intusschen geene nietigheid te weeg. Het geheel wil mij voorkomen eene vrij nuttelooze formaliteit te zijn, die alleen kan verdedigd worden met de woorden bij de toelichting van het ontwerp voor de verplichte voorlezing der dagvaarding aangevoerd, dat het is âeen eigenaardig begin van het procesquot; (Smidt I, blz. 484) of âeen goed begin na de opening van de zittingquot; (Smidt I, 487). Ten overvloede zij hier verwezen naar een arrest van den H. R. van 1U Nov. 1873 W. 3(J(i3, waarbij werd overwogen, dat de voorlezing van het arrest van den H. R., waarbij de zaak naar de Rechtbank verwezen werd, ter terechtzitting der Rechtbank niet noodzakelijk is. Die voorlezing wordt niet vereischt ten einde de Rechtbank van de zaak te saisisseeren, daar dit reeds plaats heeft gehad door de dagvaarding uitgevaardigd ten gevolge van 's Hoogen Raads arrest.
§ 42. Dadelijk na de ondervragen waarvan in de vorige § sprake was, moet de Kantonrechter, die redenen heeft om zich van de kennisneming der zaak te verschoonen, dat te kennen te geven, of de Ambtenaar van het O. M. of de beklaagde, die gronden meent te hebben den Rechter te wraken, die gronden voorstellen. In den loop des onderzoeks is men daartoe niet meer ontvankelijk. Art. 322 en 323.
Terwijl men in Burgerlijke zaken (art. 32 Rechtsv.) den Ambt. van het O. M. en den Griffier kan wraken
172
gend a). Men zie in gelijken zin de conclusie van den Advokaat-Generaal Gkegory voorafgaande aan liet arrest van den 11. li. van 27 Juni 1892 (W 6209). Alhoewel nergens voorgeschreven, zelfs niet voor eene contradictoire zaak, zal ook in eene verstekzaak, wanneer voor onbepaalden tijd is geschorst, de beklaagde tegen de nadere terechtzitting bij exploit moeten worden opgeroepen '»).
Nieuwe behandeling zal m. i. op de nadere terechtzitting slechts kunnen plaats hebben, wanneer de beklaagde verschenen is. Immers verschijnt hij niet, dan zal natuurlijk de zaak niet contradictoir kunnen behandeld worden. Maar evenmin zal verstek kunnen worden verleend, daar geen der in art. 264 opgenoemde gevallen aanwezig is.
Het voorschrift dat de zaak op de nadere terechtzitting wordt hervat in den stand, waarin zij zich bevond op het tijdstip der schorsing, is m. i. geen beletsel om na de schorsing een raadsman toe te laten, ook wanneer daarvóór er geen was opgetreden. Men zie hierover Mr. A. E. Br.Es in W. 6360.
Art. 152 wil ook dat zal worden voorgelezen het bevel van verwijzing. Klaarblijkelijk wordt hiermede bedoeld, dat ter terechtzitting der Rechtbank zal worden voorgelezen het bevelschrift van de raadkamer
a.) Om tot deze beantwoording te komen zal men moeten aannemen dat ook in Art. 194 onderzoek is gebruikt in den ruimen zin waarin het in Art. 152 gebezigd wordt.
t) Tk meen dat te mogen afleiden daaruit, dat zonder nadere oproeping nieuwe behandeling ter nadere terechtzitting, onmogelijk zoude zijn. Daarbij komt nog, dat de Wetgever in Art. 195 uitdrukkelijk bepaalde, dat bij uitstel voor bepaalden tijd aanzegging ter terechtzitting in de plaats treedt Tan nadere oproeping. Merkwaardig is he; zeker dat de Wet alleen in het geval van Art. 193, wanneer er schorsing voor onbepaalden tijd is geweest, beveelt oproeping bij exploit tegen de nadere terechtzitting. Alhoewel bij het tot stand komen van dat Artikel in de Tweede Kamer nadrukkelijk werd verklaard dat in eene verstekzaak oproeping van den beklaagde tegen de nadere âerechtzitting niet noodig werd geacht, oordeelt de H. E., en m. i. terecht, dat Artikel 193 die ook in eene verstekzaak gebiedend voorechrijlt. Men zie liet vermelde arrest van 27 Juni 1892 en Mr. de Pinto ad Art. 193, aanmerking 3.
173
der Rechtbank, waarbij de zaak is verwezen naar de openbare terechtzitting. Van liet vonnis of het arrest van een anderen Rechter, dat de zaak naar de Rechtbank verwijst, is in het artikel geen sprake. Intnsschen valt wel onder het artikel de beschikking der Raadkamer van een anderen Rechter, die de zaak naaide Rechtbank verwijst. Zoo zal dus ook ter terechtzitting van het Kantongerecht dienen te worden voorgelezen de beschikking der Raadkamer van een collegie waarbij de zaak is verwezen naar den Kantonrechter. Niet-voorlezing brengt intusschen geene nietigheid te weeg. Ifet geheel wil mij voorkomen eene vrij nuttelooze formaliteit te zijn, die alleen kan verdedigd worden met de woorden bij de toelichting van het ontwerp voor de verplichte voorlezing der dagvaarding aangevoerd, dat het is âeen eigenaardig begin van het procesquot; (Smidt I, blz. 484) of âeen goed begin na de opening van de zittingquot; (Smidt I, 487). Ten overvloede zij hier verwezen naar een arrest van den li. R. van 10 Nov. 1873 W. 36(i3, waarbij werd overwogen, dat de voorlezing van het arrest van den H. R., waarbij de zaak naar de Rechtbank verwezen werd, ter terechtzitting der Rechtbank niet noodzakelijk is. Die voorlezing wordt niet vereischt ten einde de Rechtbank van de zaak te saisisseeren, daar dit reeds plaats heeft gehad door de dagvaarding uitgevaardigd ten gevolge van 's Hoogen Raads arrest.
§ 42. Dadelijk na de ondervragen waarvan in de vorige § sprake was, moet de Kantonrechter, die redenen heeft om zich van de kennisneming der zaak te verschoonen, dat te kennen te geven, of de Ambtenaar van het O. M. of de beklaagde, die gronden meent te hebben den Rechter te wraken, die gronden voorstellen. In den loop des onderzoeks is nien daartoe niet meer ontvankelijk. Art. 322 en 323.
Terwijl men in Burgerlijke zaken (art. 32 Rechtsv.) den Ambt. van het O. M. en den Griffier kan wraken
174
en dezen zich kunnen verschoonen, is dat in strafzaken niet toegelaten, zonder dat de reden voor dat verschil recht duidelijk is. Zie de Pinto Strafv. 2de ged. bl. 493. Intusschen zullen Ambtenaren wanneer ze weten, en in den regel zullen ze dat wèl, dat er redenen van wraking kunnen opgeworpen worden, wel zoo verstandig wezen om de behandeling der zaak aan anderen OA'er te laten en op die wijze den last en de moeiten voorkomen die eene wraking in optima forma met zich brengen.
De gronden van wraking zijn bij de Wet aangewezen in artikel 321 Strafv., en negen in getal als: bloedverwantschap of zwagerschap in den vierden graad ingesloten, tusschen den Kantonrechter en den beklaagde; persoonlijk belang van den Kantonrechter bij de zaak; een vervolging wegens misdrijf binnen het jaar vóór de wraking, tegen den beklaagde of zijn echtgenoot of nabestaanden en aangehuwden in de rechte lijn op de klachte of door toedoen des Kantonrechters; een schriftelijk advies, al ware het ook bij brief, door dezen in de zaak gegeven; ontvangen of beloofde en aangenomen geschenken van iemand, die bij de zaak belang heeft en hangende het geding; een aanhangig burgerlijk rechtsgeding tusschen den Rechter, zijne vrouw of hunne bloedverwanten of aangehuwden in de rechte lijn ter eener, en den beklaagde ter andere zijde; 's Rechters betrekking als voogd, toeziende voogd, curator of toeziende curator, vermoedelijke erfgenaam of begiftigde vau den beklaagde; een hooge graad van vijandschap tusschen den Rechter en den beklaagde ; en eindelijk beleedigingen of bedreigingen tusschen den Rechter en den beklaagde sedert den aanleg van het rechtsgeding of binnen zes maanden vóór de wraking. Onderlinge dienstbetrekking wordt onder de redenen van wraking niet opgegeven en mag dus niet als geldig worden aangenomen. Carré, Lois de proc. civ. I. 100. Zoo ook wordt dat de be-
175
klaagde vermoedelijk erfgenaam des Rechters is, hoezeer eene reden van wraking in burgerlijke zaken, hier niet opgenoemd. Verschooning kan ook plaats grijpen, wegens andere billijke (jronden. Art. 329. Als zoodanig mag gelden, dat de Kantonrechter als hulpofficier in de opsporing van het strafbaar feit is werkzaam geweest.
De wijze waarop de wraking wordt voorgesteld, is deze, dat de wrakende partij den Kantonrechter een schriftelijke acte ter hand stelt, houdende alle de redenen van wraking, dewijl deze allen te gelijk moeten worden voorgedragen. Art. 324, 327. Het gevolg hiervan is, dat de Kantonrechter met het onderzoek der zaak niet mag voortgaan, maar bet moet schorsen, en de voorschreven acte benevens zijn schriftelijk advies onmiddellijk inzenden aan de Arr. Rechtbank, welke op de conclusion van het O. M. uitspraak moet doen; terwijl, ingeval de wraking geldig verklaard wordt, een der Plaatsvervangers van den Kantonrechter moet optreden, om van de strafzaak kennis te nemen. Art. 357. Vgl. bov. § G. Wil een Kantonrechter zich verschoonen, dan moet hij zich door een zijner Plaatsvervangers doen vervangen, of in geval ook dezen zich mochten verschoonen, (een geval dat denkbaar is, waar bet niet verboden is, dat de betrekkingen van Kantonrechter en Plaatsvervanger door nauw aan elkander verwante familieleden gelijktijdig worden bekleed, zie § 9), dan schijnt hij overeenkomstig het bepaalde van art. 3'27 de zaak ter kennis van de Arr. Rechtbank te moeten brengen; immers art. 329, hetwelk bepaalt, dat een Rechter, die zich verschoonen wil, zich deswege moet onderwerpen aan de beslissing van het Collegie, waartoe hij behoort, kan onmogelijk op den Kantonrechter worden toegepast. Maar hieruit af te leiden, dat deze zich niet zou mogen verschoonen en alleenlijk mogen gewraakt worden, schijnt niet wel aannemelijk, omdat er geen reden is uit te
176
denken, waarom de Wetgever den Kantonrechter zou hebben willen versteken van een recht, aan alle Rechters in het gemeen toekomende, om zich wegens vrees voor verdenking van partijdigheid door eene der partijen, van de kennisneming der zaak zoo mogelijk te onthouden. Zie Leox ad Art. 359 (oud). Indien de wraking of verschooning wordt geldig verklaard, geeft de Officier van Justitie hiervan kennis aan den Ambtenaar van het O. M. bij het Kantongerecht, naar hetwelk de zaak is verwezen, en wordt tevens de uitspraak aan den beklaagde van wege het Openbaar Ministerie beteekend. Art. 333. Maar de Wet voorziet niet in het geval, dat de wraking of verschooning niet wordt aangenomen. liet schijnt echter, dat dan de Ambtenaar van het O. M. bij het Kantongerecht aan den gedaagde de uitspraak der Rechtbank moet beteekenen, met dagvaarding tevens tot een naderen dag, ten einde de zaak op nieuw te beginnen of voort te zetten. In geen geval is het vonnis, ter zake van wraking, verschooniug en verzending gewezen, aan hooger beroep of cassatie onderworpen Art. 334.
In een Burgerlijk geding besliste de Arrond. Rechtb. te Winschoten bij vonnis van 2G Nov. 1873, W. 12 Mei 1874, N0. 3713, dat de redenen van wraking van Rechters tegelijk redenen van verschooning daarstellen.
§ 43. Xa die ondervraging is de beklaagde of zijn raadsman eveneens bevoegd voor te dragen en toe te lichten de exceptie van nietigheid van dagvaarding, niet ontvankelijkheid van den Ambtenaar van het O. M. of onbevoegdheid, indien een en ander zonder onderzoek der zaak zelve en dus reeds uit de dagvaarding kan blijken. De Ambtenaar van het O. M. kan daarop antwoorden. De beklaagde en zijn raadsman kunnen andermaal, en zoo de Ambtenaar van het O. M. wederom antwoordt, nogmaals het woord voeren. De Kantonrechter doet daaromtrent dadelijk uitspraak. Oordeelt hij de verwering ontijdig of ongegrond, dan
177
gelast hij tevens dat het onderzoek der zaak zelve omniddelijk wordt voortgezet. De bedoeling van het artikel is doelloos werk te voorkomen, wat natuurlijk zou verricht worden, indien er een onderzoek ter terechtzitting plaats had, waar reeds uit de dagvaarding zonder nader onderzoek blijkt: dat zij nietig is, dat de Ambtenaar van het O. M. is niet ontvankelijk, of de Kantonrechter onbevoegd. Is er sprake van ontslag van rechtsvervolging, dan is het verdere onderzoek ter terechtzitting geen doelloos werk met het oog op hooger beroep en cassatie. Daar behoeft dan, is reeds in eersten aanleg het feitelijke onderzocht, alleen te worden onderzocht of het feit al dan niet strafbaar is. De bevoegdheid aan den beklaagde gegeven, om reeds in den aanvang van het geding de opgenoemde exceptiën aan te voeren, is geene verplichting om dat dan te doen; hij blijft bevoegd het later te doen. De Kantonrechter is niet verplicht dadelijk de opgeworpen verwering aan te nemen of te verwerpen; door haar ontijdig te verklaren, kan hij zijn oordeel daaromtrent tot zijne einduitspraak opschorten. Niettegenstaande daarvan in dit artikel geen sprake is, ligt het in den aard der zaak dat beklaagde ook thans reeds bevoegd is, de praejudicieele kwestie (art. 6) op te werpen en op grond daarvan schorsing te vragen.
Waar hier sprake is van raadsman, worde een enkel woord daaromtrent gezegd. Dat bij de Kantongerechten de Wet een raadsman kent, volgt ook m. i. uit de algemeene verwijzing in art. 253 naar den vierden titel zonder eenig voorbehoud omtrent dit punt. Terwijl de vraag, wie bij de Kantongerechten raadslieden kunnen zijn, zijne beantwoording moet vinden in art. 13o. Dat kunnen dus zijn Advokaten of Procureurs. Komen zij als gemachtigden dan behoeven zij natuurlijk niet in ambtsgewaad te komen, als raadslieden wel. (Zie ook Mr. A. de Pinto het herziene W. v. S.v. II, blz. 351) vlg.). Wanneer de Wet
12
178
aan den beklaagde de bevoegdheid geeft om ter terechtzitting eenig verzoek of verzet te doen, dan komt die bevoegdheid ook toe aan zijn raadsman, art. 199.
§ 44. Vervolgens draagt de Ambtenaar van het O. M. de zaak voor, wat hij gewoonlijk doet door de dagvaarding voor te lezen, doch dat ook op andere wijze kan geschieden. Hij doelt aan den Kantonrechter mede welke getuigen hij wenscht te doen hooren, wat in den regel geschiedt door overlegging der getuigendagvaardingen of-oproepingen, of eenvoudige opgave hunner namen, zoo zij zonder oproeping of dagvaarding zijn verschenen. Ook do beklaagde geeft den Kantonrechter de namen der getuigen op, die hij heeft medegebracht. Daar bij de Kantongerechten geene beteekening der getuigen plaats heeft, komt eene getuigenlijst, zooals die bij de Rechtbanken op de beklaagdendagvaardingen wordt gevonden, niet voor, alhoewel de Wet toch vooronderstelt het bestaan eener getuigenlijst bij de Kantongerechten.
§ 45. Niet alleen vóór den aanvang van het getuigenverhoor, doch gedurende den geheelen loop van het onderzoek kan de Kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van den Ambtenaar van het O. M., hetzij op verzoek van den beklaagde, het onderzoek voor bepaalden of onbepaalden tijd schorsen, wanneer een van wege het O. M. gedagvaarde a) of
«) De Wet laat de vraag of de dagvaarding van een getuige in behoorlijken vorm en op behoorlijken termijn geschied is. geheel en al aan de beoordeeling van den Rechter over (arrest II. R. 5 Mei 18/9 v. d. H. S.r. 1879 no. 2943 bl. 129). Wordt het onderzoek voor bepaalden tijd geschorst, dan behoeven de verschenen getuigen niet tegen de nadere terechtzitting te worden gedagvaard; aanzegging van dien naderen dag door den Kantonrechter is voldoende (Art. 195). ïen onrechte wordt uit Art. 195 wel eens afgeleid, dat, wanneer de zaak voor bepaalden tijd wordt geschorst, steeds alle verschenen getuigen op do nadere terechtzitting moeten terugkomen. De bedoeling is, dat dat slechts zal geschieden indien en voor zoover de Kantonrechter dat noodig acht. Terwijl nergens is voorgeschreven dat bij schorsing voor onbepaalden tijd, de reeds gehoorde getuigen op de nadere terechtzitting steeds zouden moeten tegenwoordig zijn, is er geen reden denkbaar, waarom de Wetgever bij schorsing voor bepaalden tijd, dat zou hebben gewild.
179
opgeroepen getuige of een van wege den beklaagde gedagvaarde getuige blijkt niet tegenwoordig te zijn. Het is hierbij onverschillig of de getuige in het geheel niet is verschenen, dan wel bij de verdere behandeling der zaak is weggebleven, of, na de vergunning van den Kantonrechter om zich te verwijderen, niet op den bepaalden tijd is teruggekeerd. Hetzelfde kan geschieden wanneer de raadsman van den beklaagde niet verschijnt of gedurende de verdere behandeling der zaak achterblijft. De afwezige getuige moet, tenzij blijke van geldige verhindering, op de vordering van den Ambtenaar van het O. M. bij het vonnis, waarbij het onderzoek wordt geschorst, worden veroordeeld tot betaling dor noodeloos gemaakte gerechtskosten, bij lijfsdwang op hem te verhalen. De duur van den lijfsdwang is bij het artikel niet bepaald, en evenmin is aan den Rechter voorgeschreven den duur in zijn vonnis vast te stellen. Blijft de veroordeelde in gebreke die kosten te betalen, dan zal hij dus volgens artikel 591 W. v. B. R.v. ten langste 5 jaren in gijzeling kunnen'worden gehouden «). Die noodelooze kosten kunnen natuurlijk in het vonnis niet worden begroot; zij zullen bestaan in de kosten zijner nieuwe dagvaarding, en de aan de andere getuigen uit te keeren gelden, wanneer gelast wordt, dat deze weder moeten verschijnen. Wordt er geene schorsing bevolen, dan worden er door getuiges niet-verschijning geene kosten veroorzaakt, en kan dus ook van veroordeeling daarin geen sprake zijn. De Kantonrechter beveelt tevens, dat hij tegen den dag voor de nadere terechtziting bepaald, andermaal worde gedagvaard, en desnoods door een deurwaarder of dienaar der openbare macht voor hem worde gebracht (158). De afweziggebleven getuige kan ook door den Ambtenaar van het O. M. op de gewone
a) Bij het ontbreken van voorschriften omtrent lijfsdwang in strafzaken gelden daarvoor de voorschriften van liet W. v. B. R.v. Zie arrest van het Hof van Gelderland van 16 April 1845 W. 614.
ISO
wijze ter zake van overtreding van art. 444 W. v. S.r. worden vervolgd. Het bewijs wordt dan geleverd door het door den Griffier opgemaakt procesverbaal der terechtzitting. De getuige kan van de kosten, waarin hij volgens artikel 158 is veroordeeld, geheel worden ontheven, indien hij op de nadere terechtzitting voor zijn achterblijven gegronde redenen aanvoert; gedeeltelijk kan dat geschieden wanneer hij daarvoor verschoonende omstandigheden bijbrengt. Of die redenen gegrond en of die omstandigheden verschoonend zijn, staat ter beoordeeling van den Kantonrechter. In ieder geval moet de Ambtenaar van het O. M. omtrent die geheele of gedeeltelijke ontheffing gehoord worden.
§ 46. De Kantonrechter beveelt dat de getuigen, met uitzondering van dengene, die het eerst wordt gehoord, zich begeven naar het voor hen bestemde lokaal. Hij kan echter om bijzondere redenen aan een of meer getuigen, op hun verzoek, met toestemming van den Ambtenaar van het O. M. en van den beklaagde vergunnen zich vóór het afleggen hunner verklaring tot een- door hem te bepalen tijdstip te verwijderen. Eerst worden achtereenvolgens de getuigen a charje dan die a décharge gehoord. Daar, zooals ik boven' reeds zeide, eene lijst van getuigen bij de Kantongerechten feitelijk niet wordt opgemaakt, is de Kantonrechter niet aan eenige volgorde bij het hooren der getuigen gebonden. Verkieselijk zal het echter zijn de orde in acht te nemen, waarin zij door het O. M. of den beklaagde worden opgegeven. Mocht men willen aannemen dat de mededeeling ter terechtzitting van de namen der getuigen in de plaats treedt van de lijst, dan geeft in ieder geval art. 100 den Kantonrechter de bevoegdheid, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den Ambtenaar van het O. M. of op het verzoek van den beklaagde, in de volgorde verandering te brengen. De Kantonrechter neemt zoo noodig maatregelen om de getuigen te beletten,
181
dat zij vóór het afleggen van hun getuigenis onder elkander over het te laste gelegde feit, over den beklaagde of over het door hen gegeven of nog te geven getuigenis spreken (1G0). Gedurende den verderen loop van het onderzoek blijft de getuige, die reeds zijne verklaring heeft afgelegd, in de gehoorzaal, tenzij de Kantonrechter, met toestemming van den Ambtenaar van het O. M. en van den beklaagde, en zoo noodig met bevel om op eénen te bepalen tijd weder in de gehoorzaal aanwezig te zijn, hem vergunt zich te verwijderen.
Hoezeer als beginsel is aangenomen, dat niemand als getuige wordt toegelaten, die reeds bij het verhoor van andere getuigen tegenwoordig was, zoo besliste toch de H. R. bij arrest van 27 Februari 1844 W. 56S, dat niets belet als getuige te hooren iemand, die in de Rechtszaal aanwezig was, toen de reeds gehoorde getuigen hunne verklaringen aflegden.
§ 47. De Kantonrechter vraagt den getuige af: naam, voornamen, ouderdom, beroep en woon- of verblijfplaats. Do Kantonrechter vraagt den getuige verder of deze den beklaagde gekend heeft vóór dat het aanhangig strafbaar feit gepleegd werd, of deze bloed- of aanverwant is van den beklaagde en in welken graad, en of er dienstbetrekking tusschen dezen en den beklaagde bestaat of bestaan heeft. Tenzij de getuige zich verschoont, om een der redenen van art. 1G2, of de Kantonrechter beveelt dat hij buiten eede of in het geheel niet zal worden gehoord, (zie § 49) doet hij nu op straffe van nietigheid, naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den eed of de belofte van de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. Alhoewel de eed in dit artikel tot heel wat strijd heeft aanleiding gegeven, is de rechtspraak daaromtrent sinds lang gevestigd en gevestigd gebleven. Tenzij een getuige behoort tot een kerkgenootschap, dat verbiedt een eed te zweren, is hij verplicht dien af te leggen.
182
't Is daarbij onverschillig of de getuige al dan niet eenig geloof beleidt. Slechts de getuige, die behoort tot de doopsgezinde Gemeente of tot eenig ander kerkgenootschap, dat niet toelaat eeu eed te zweren, kan met de belofte volstaan. Individueele opvattingen van den getuige omtrent den eed, geven hem dus het recht niet om te volstaan met de belofte. (Zie o.a. arrest II. II. 25 Februari 188-4, W. 499(3, v. d. H. S.r. 1884, blz. 49.
Heeft het kerkgenootschap, waartoe de getuige be ⢠hoort, een ritueel voorschrift omtrent het zweren van den eed, dan geschiedt de eedsaflegging volgens dien ritus, zoo zal de Israëliet zweren met gedekten hoofde (zie o. a. arrest 11. R. van 28 Juni 1871, W. 3348 en een hoofdartikel in W. 3351). Terloops zij hier opgemerkt, dat echter wel eens bestreden is, dat de Israëlitische ritus die wijze van eedsaflegging zou voorschrijven, terwijl ook wel eens beweerd is, dat de Israeliet in plaats van twee vingers één vinger zou moeten opsteken. Heeft het kerkgenootschap waartoe de getuige behoort daaromtrent geen voorschriften, â wat het geval is bij al onze christelijke kerkgenootschappen, â of behoort hij tot geen enkel, dan legt hij den eed af zoo als zulks in deze landen van ouds te doen gebruikelijk was: hij steekt op de beide voorste vingers van de rechterhand en spreekt daarbij eerbiedig uit de woorden: âZoo waarlijk helpe mij God Almachtigquot;. Nergens is voorgeschreven op welke wijze deze eed moet worden afgelegd; de daarbij uitgesproken woorden echter komen herhaaldelijk in de Grondwet voor. Allerminst mag worden beweerd, dat door de afschaffing van het Souverein Besluit van 11 December 1813 (Stbl. 10) bij de Wet van 29 Juni 1854 {Stbl. 102) eenige verandering in dit onderwerp zou zijn gebracht. Immers, dat Souverein Besluit handelde slechts over den eed in een burgerlijk geding. Zoowel nu als vroeger berustte deze wijze van eedsaflegging op eene aloude met ons volk samenge-
183
groeide gewoonte. De Rechter zal moeten aannemen dat men het geloof heeft omhelsd waarin men werd opgevoed; liet zal daarbij onverschillig zijn of men al dan niet eene belijdenis heeft gedaan, en of men al dan niet zijne kerkelijke plichten waarneemt; slechts overgang tot een ander kerkgenootschap zal het oude geloof doen verliezen. De Rechter kan de omstandigheid, dat een getuige tot een zeker kerkgenootschap behoort, aannemen op diens eenvoudige verklaring; maar hij kan ook vorderen, dat daarvoor bewijzen worden aangevoerd. Moet een vreemdeling den getuigeneed afleggen, dan zal hij m. L, tenzij hij behoort tot een kerkgenootschap dat een bijzonderen eed heeft, dat moeten doen niet op de bij hem te lande maar op de bij ons te lande gebruikelijke wijze.
Mr. Greeve deelde hier mede wat er gebeurde bij het tot stand komen der Wet op de beëedigde transla-teurs, waarbij aan den als translateur toegelatene wordt gegeven de keus tusschen eed en belofte, en vond dat men dat doende op den goeden weg was. Ik kan daarmede al evenmin dweepen als met de regeling omtrent den politieken eed, bij de jongste Grondwetsherziening getroffen. Ik kan me, alhoewel zelf zeer beslist van eene andere meening, levendig voorstellen, dat men wenscht den eed geheel af te schaffen en daarvoor in de plaats te stellen eene plechtige verklaring. Ik zal gaarne toegeven dat, waar, zooals algemeen erkend wordt, de Wetgever van 1813 en die van 1S38 zich blijkbaar heeft voorgesteld dat iedereen tot een kerkgenootschap behoort, men gewichtige bezwaren tegen 's Hoogen Raads leer kan in het midden brengen. Maar ik kan mij niet begrijpen, hoe men er toe komt, de keus tusschen eed en belofte over te laten aan den belanghebbende. âHoe nu?quot; zou ik willen vragen, âgij vreest dat bij den getuige de angst voor den âbeklaagde of de vriendschap voor dezen grooter âzullen zijn dan de liefde voor de waarheid. Gij weet âdat elke Godsdienst leert, dat meineed is een ernstig
184
âvergrijp tegen de Goddelijke wetten, waarvoor in dit âleven en hier namaals zal worden geboet; eene leer âdie diep in het volksleven is doorgedrongen. Om âzooveel mogelijk waarborg te hebben dat hij waarheid âspreekt, dwingt gij hem zijne verklaring onder eede âaf te leggen. Dien waarborg hebt gij voor den zede-âlijk sterke niet noodig. Hij zal daarzonder ook de âwaarheid spreken. Die waarborg zal ijdel zijn bij den âslechte; met of zonder eed zal hij doen wat hem het voordeeligst toeschijnt. Maar bij den zedelijk zwakke â âde mensch is dikwijls zwak â zon het een vrij âkrachtige waarborg kunnen zijn. Maar ziet ge nu âniet in, dat gij dien zwakke, die tegen meineed op-âziet, als het ware er toe dwingt te verklaren de belofte âte willen afleggen, maar dat dan ook door die keus âhet eenige nut van den eed verdwenen is?quot; Hetzelfde is natuurlijk waar, wanneer men hem, dio niet tot een kerkgenootschap behoort, de keus laat tusschen eed en belofte. Daarenboven is dat in de hoogste mate onbillijk tegenover hen, die tot de kerkgenootschappen behooren; buitendien mag niet vergeten worden, dat er onder deze ook wellicht zijn, die individueel bezwaar tegen den eed hebben. Waar het zeer zeker niet op den weg van den Staat ligt, zijne onderdanen te dwingen een geloof te belijden, mag echter gevraagd worden of het zelfs van een zuiver staatkundig standpunt aanbeveling verdient een premie te stellen op het niet-behooren tot eenig kerkgenootschap. Allerminst geloof ik, dat men bij de vaststelling der translateurswet, voor do oplossing van het vraagstuk van den eed op den goeden weg was. Men heeft gevoeld, dat men daar den eed kon missen. Men gevoelde dat ook, bij de laatste herziening der Grondwet. Beter ware het geweest, dunkt mij, de politieke eed in verschillende gevallen, waar men hem slechts kan verdedigen, met eene variatie op eene verdediging, die ik boven vermeldde «), dat het in ieder geval een
a) Zie bladzijde 173 hiervóór.
185
eigenaardig begin voor don ambtenaarsloopbaan is, af te schaften. Dat ware waardiger geweest. Aanmerkelijk beperking van bet aantal eeden; wellicht op het gebied, dat ons bezighoudt, afschafting van den verplichten gotuigeneed; slechts verplichting om dien at' te leggen wanneer Rechter, Openbaar Ministerie of beklaagde dat wenschen, en in alle geval slechts één eed voor hem, die op eene terechtzitting in meerdere zaken als getuige optreedt; wellicht de eed na de getuigeverklaring in plaats van daarvóór; de eedsaflegging minder eene alledaagsche gebeurtenis, maar meer eene buitengewone plechtigheid; ziedaar wat m. i. verbeteringen in dit opzicht zouden kunnen zijn. Al geef ik gaarne toe dat er ook buiten de kerkgenootschappen, wier lidmaten met de beloften volstaan, gemoedsbezwaren tegen den eed kunnen gevonden worden, zoolang de mogelijkheid bestaat dat er zullen geveinsd worden door menschen, die tegen meineed opzien, geloof ik, dat elke poging om aan die gemoedsbezwaren tegemoet te komen, zal moeten leiden tot afschafling van den eed.
§ 48. De eigenlijke ondervraging van den getuige geschiedt door den Kantonrechter. De getuige legt zijne verklaring af zonder zich van een schriftelijk opstel te bedienen. De Kantonrechter kan echter om bijzondere redenen den getuige toestaan, bij zijne verklaring gebruik te maken van bepaalde geschriften of schriftelijke aanteekeningen. Zoo kan het bijvoorbeeld van belang zijn, dat de getuige gebruikt maakt van een door hem ontvangen brief, van een afschrift van een door hem verzondene, van aanteekeningen door hem gemaakt. De Kantonrechter zal in ieder bij zonder geval moeten beoordeelen of er eenige waarborg is voor de echtheid dier geschriften, en of zij niet in de plaats treden van liet verboden schriftelijk opstel. In het algemeen zal men den getuige niet in de rode moge vallen; wat echter den Kantonrechter niet belet dat te doen, wanneer het in hot belang van
186
het onderzoek wenschelijk is (art. 1G8). Heeft de getuige zijne verklaring afgelegd, dan kunnen hem door den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie, die daartoe aan den Kantonrechter het woord moet verzoeken, rechtstreeks vragen worden gedaan. Door tusschenkomst van den Kantonrechter kan de beklaagde en zijn raadsman vervolgens aan den getuige vragen doen. Hij kan ook tegen den getuige en diens verklaring inbrengen wat tot verdediging kan dienen. In het belang van een regelmatig verloop van het onderzoek is het zeker, dat do Kantonrechter er voor wake, dat wat van de zijde van den beklaagde thans in het midden wordt gebracht, betrekking hebbe op de verklaring van den getuige. De Kantonrechter kan ook den beklaagde en diens raadsman verlof geven om rechtstreeks den getuige te ondervragen. Dat verlof kan echter steeds worden ingetrokken. De Kantonrechter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op het verzet van den Ambtenaar van het O. M. of van de zijde van den beklaagde beletten dat aan eenige vraag door den beklaagde, of diens raadsman of door den Ambtenaar van het O. M. gedaan, worde gevolg gegeven.
Ook nadat zij hunne verklaring hebben afgelegd, kunnen gedurende don verderen loop van het onderzoek hun vragen worden gesteld (art. 170. 1S2, 189). De Kantonrechter kan hen ook, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van den Ambtenaar van het O. M. of op verzoek van den beklaagde, met elkaar confronteeren. Hij kan op gelijke wijze bevelen, dat na afgelegd getuigenis een of meer der getuigen de gehoorzaal verlaten, en dat een of meer hunner op nieuw worden binnengelaten, teneinde hetzij afzonderlijk, hetzij in elkanders bijzijn, nogmaals te worden gehoord. Op dezelfde wijze eindelijk kan bij bevelen, dat een of meer beklaagden de gehoorzaal verlaten, ten einde een getuige buiten hunne tegenwoordigheid worde ondervraagd. Op straffe van
187
nietigheid mag daarna echter niet met hot onderzoek worden voortgegaan, alvorens de beklaagden zijn onderricht van hetgeen in hunne afwezigheid is voorgevallen. (Artt. 172 en 173).
§ 49. Volstrekt onbekwaam (art. 104) om als getuigen onder eede te worden gehoord zijn:
1°. zij die den vollen ouderdom van 16 jaren nog niet hebben bereikt; wat echter niet belet dat een getuige ouder dan 16 jaren kan verklaren omtrent hetgeen hij beneden dien leeftijd heeft ondervonden. (Zie o. a. arrest IT. K, 26 Juni 1893 \V. (3373, P. v. J. 1893 n0. 70 X. R. 164, 257);
2°. zij die wegens ziekelijke storing der verstandelijke vermogens onder curateele of op Rechterlijke machtiging in bewaring zijn gesteld, al hebben zij bij tusschenpoozen het gebruik dier vermogens. De kennelijk krankzinnige, die niet in een der opgenoemde gevallen verkeert, is dus niet van het geven van getuigenis uitgesloten. Het zal echter aan den Rechter zijn, zooals steeds ingevolge art. 399, aan dat getuigenis de waarde te hechten, die bij daaraan zal meenen te moeten hechten.
De regel is dat evenmin als getuigen ouder eede worden gehoord:
I. des beklaagden of medebeklaagden bloed- of aanverwanten in de rechte lijn;
II. des beklaagden of medebeklaagden bloed- of aanverwanten in de zijlinie tot den derden graad ingesloten ;
III. des beklaagden of medebeklaagden echtgenoot of vroegere echtgenoot na echtscheiding.
Die personen kunnen echter mot toestemming van het O. M. en van den beklaagde als gewone getuigen onder eede worden gehoord a).
Het hooren van medebeklaagden als getuigen wordt in de Wet niet uitdrukkelijk verboden. Uit het verbod
a) Stilzwijgende berusting is niet voldoende. Zie arrest H. B. 22 Feb. 1842 W. 313 en 7 Dec. 1852 W. Uü3.
188
om des medebeklaagden naaste bloed- en aanverwanten en zijn echtgenoot als getuigen te hooren, vloeit echter voort, dat ook de medebeklaagde zelf niet als getuige kan optreden. Medebeklaagden zijn zij, die in hetzelfde geding voor denzelfden Rechter ter zake van een zelfde feit of van samenhangende feiten terechtstaan. De eenheid van het geding, waarvan de verschillende instantien de onderdeden uitmaken, brengt rechtens mede, dat medebeklaagden in eersten aanleg dit ook blijven in hooger beroep, al zijn een of meer hunner in eersten aanleg'vrijgesproken en al heeft het O. M. in die vrijspraak berust. Deze overwegingen, voorkomende in een arrest van den H. R. van 11 April 1892 (W. G173), brengen daar tot de beslissing dat niet in hetzelfde geding dezelfde personen eerst als beklaagden en daarna als getuigen kunnen optreden en dat alzoo niet in de hoogere instantie als wettig bewijsmiddel kan worden aangewend, wat in de vroegere instantie door de Wet als bewijsmiddel werd gewraakt. Dezelfde overwegingen voeren tot het weren van den medebeklaagde bij de eerste behandeling als getuige bij de behandeling in verzet.
De vraag of er zwagerschap is wordt natuurlijk beantwoord in het Burgerlijk Wetboek; zij bestaat slechts tusschen den eenen echtgenoot en de bloedverwanten van den andere, en houdt niet op door den dood van hem die haar veroorzaakt. Zie arresten H. R. 2 Juni 1SG3 W. 2493 en 1G Juli 18G9 W. 3134. Voor het erkend natuurlijk kind zal er slechts bloedverwantschap zijn met dengene zijner ouders, die het erkende; voor het niet erkende natuurlijk kind zal er zelfs geene bloedverwantschap bestaan met zijne ouders.
Zelfs al zijn Openbaar Ministerie en beklaagde bereid toestemming te geven om de onder I, II en III genoemden ouder eede te hooren, dan nog behoeft dat niet te geschieden. Dat volgt uit de letter der Wet en is rationeel. Zelfs zonder die toestemming kunnen
189
zij door den Kantonrechter worden toegelaten om zonder eedsaflegging inlichtingen te geven. Zij kunnen zich echter verschoonen zoowel van liet afleggen van getuigenis onder eede als van het geven van inlichtingen buiten eede. De Wet bedreigt nietigheid tegen het hooren onder eede van de opgenoemde personen zonder toestemming van O. M. en beklaagde. Onder het ongewijzigd Wetboek was de vaste rechtspraak dat nietig was het geheele onderzoek waarin de verklaring werd afgelegd, zelfs wanneer die verklaring in het vonnis niet medewerkte tot bet bewijs. Bij de wijziging in het Wetboek sprak de C. v. R. (Smidt S.v. I, blz. 217) als hare meening uit dat enkel de verklaring van den in strijd met de Wet gehoorden getuigen moest nietig zijn. Mr. de Pixto a) meent, dat het de vraag zal zijn, met het oog op het gevoelen der C. v. R., of de H. R. bij zijne vroegere leer zal blijven.
De Kantonrechter kan bevelen hetzij ambtshalve, betzij op de vordering van den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie, hetzij op verzoek van den beklaagde, dat niet anders dan buiten eede worden gehoord:
1°. zij die veroordeeld zijn wegens meineed tot welke straf ook of uit anderen hoofde tot gevangenisstraf van drie jaren of langer;
2°. zij tegen wie eene vervolging na verleenden rechtsingang aanbangig is ter zake van misdrijf waartegen eene gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd b) (art. 1G5). Uitdrukkelijk besliste de H. R., dat, zelfs al verzoekt de beklaagde, dat een der opgenoemde personen buiten eede worde gehoord, dan nog de Rechter bevoegd is hen onder eede te hooren. (Arrest 18 December 1893 W. 0445).
Zij, die uit hoofde van hunnen stand, â bijv. een
a) Het herziene Wetboek v. S.v. II, blz. 98.
b) lu Smidt, Geaelüodeuis Wetboek vau Strafrecht III, blz, 330 vlg. is te vinden eene lijst van artikelen gerangschikt naar den duur der bedreigde straf
190
bedienaar van den godsdienst â hun beroep â bijvoorbeeld een Advokaat, een geneeskuiulige, â of bun ambt â bijv. een notaris â tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschoonen van het geven van getuigenis, zelfs van het afleggen van eene onbeëedigde verklaring, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap ben als tot dien stand behoorende, of in de uitoefening van dat beroep of dat ambt is toevertrouwd (103). De bepaling van het artikel is zeer ruim. De Rechter zal in elk bijzonder geval moeten beslissen of de getuige er zich terecht op beroept. Steeds zal hij, die zich er op wenscht te beroepen, moeten beginnen met den eed af te leggen. Eerst dan wanneer zijn getuigenis gevraagd wordt omtrent punten waarvoor hij meent zich op grond van het artikel te mogen verschoonen, kan hij de redenen daarvoor in het midden brengen. (Zie arrest H. K. 24 Juni 1845 W. 034).
De bevoegdheid van hen, die door hun stand, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht zijn, om zich op grond van art. 103 van het afleggen van getuigenis te verschoonen, blijft bestaan, ook al heeft de beklaagde er geen bezwaar tegen dat de getuige alles openbare wat tusscben beiden is gesproken.
Arrest. Prov. Ger. Hof. Gelderland 12 Nov. 1857. R Bijhld. D. VIII. J 858. bl. 75. W. 5 April 1858, n0. 1944.
Men zie over de geheele bepaling overigens het aangeteekende op art. 189 bij Leon.
Eindelijk zij hier nog vermeld dat krachtens het exterritorialiteitsbeginsel tegen vreemde gezanten en het personeel dier gezantschappen, waaronder natuurlijk hunne dienstboden niet zijn begrepen, geen getuigendwang bestaat. Men zal hen niet kunnen dwingen als getuigen te verschijnen, en verschijnen zij, evenmin kunnen dwingen den eed af te leggen of getuigenis te geven. (Zie Jhr. Mr. W. A. C. de Jonge, Themis 1849, bl. 70-78).
191
Tenzij de Wet het onvoorwaardelijk verbiedt, of de Kantonrechter op de gronden in de Wet vermeld beveelt, dat er geene beëediging zal plaats hebben, of de getuige zich om eene in de Wet vermelde reden verschoont, is de Kantonrechter verplicht eiken vanwege het O. M. of vanwege den beklaagde voorge-brachten getuige onder eede te hooren. Het gaat dus niet aan buiten eede te hooren een getuige, die als belee-digde partij in het geding optreedt, of die is bruid of dienstbode van den beklaagde. Evenmin zal de omstandigheid dat er is innige vriendschap tusschen beklaagde en getuige of dat zij in concubinage samenleven, den Kantonrechter het recht geven om te weigeren den getuige te beëedigen. (Zie arrest H. R. 27 Aug. 187U W. 324(3) «). Niettegenstaande de Ambtenaar van het Openbaar Ministerie afziet van het hooren van een getuige zal de Kantonrechter dien getuige toch kunnen hooren, en hij zal dien getuige moeten hooren wanneer de beklaagde het verzoekt.
§ 50. Indien een getuige, op de eerste of de nadere dagvaarding verschenen, of voor den Kantonrechter gebracht, zonder wettigen grond weigert den eed of de belofte te doen of zijne verklaring af te leggen, kan de Kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie, of op het verzoek van den beklaagde, het onderzoek voor een bepaalden tijd schorsen. De weigerachtige wordt bij het vonnis, waarbij het onderzoek wordt geschorst, veroordeeld tot betaling der dientengevolge noodeloos gemaakte gerechtskosten bij lijfsdwang op hem te verhalen (Zie § 45). De
d) Intusschcp bestaat er oudere jurisprudentie (Leon ad Art. 183, no. 1) waarbij werd beslist dat eene niet gewettigde betrekking tusschen beklaagde en getuige (£« casu die van eene vrouw welke met een man buiten echt samenleeft) eenigermate met de burgerlijke kan worden gelijkgesteld, en een beletsel kan zijn voor het onder eede hooren van een getuige.
192
Kantonrechter beveelt tevens dut de getuige in gijzeling worde gesteld en dat liij op den bepaalden dasr weder voor hem worde gebracht. Het bevel wordt gegeven op vordering van den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie nadat de getuige in zijne verdediging, door hem ot zijn raadsman voorgedragen, is gehoord (art. 166). Alhoewel het niet uitdrukkelijk in de Wet staat, moet toch worden aangenomen, dat, wanneer op die nadere terechtzitting de getuige weigerachtig mocht blijven, hij toch niet meer in gijzeling zal kunnen worden gehouden. Immers de gijzeling is slechts een middel om den getuige te dwingen bij de verdere behandeling tegenwoordig te zijn. Daar de AVet alsdan geene nieuwe schorsing kent, zal het onderzoek dan afloopen en daarmede de reden der gijzeling en dus ook deze zelve vervallen. (Zie Mr. de Pixtu en Mr. Simons ad art. 166). Buitendien zal de weigerachtige getuige op grond van art. 192 W. v. S.r. kunnen worden vervolgd, ook al mocht er geene schorsing noodig geoordeeld worden. Een proces-verbaal van den Griffier zal daartoe aan den Officier van Justitie moeten worden opgezonden. Intusschen dient in het oog te worden gehouden, dat art. 166 niet toepasselijk is op den getuige, die niet weigert getuigenis te geven, maar van wien men vermoedt dat hij meer van de zaak weet. Kan men dezen dat vermoeden waar maken, hij zal kunnen worden veroordeeld wegens meineed.
§ 51. Indien een getuige, bij het voorloopig onderzoek of de instructie gehoord «), overleden is ot
a) lu Art. 1/5 (oud) was slechts sprake van een getuige bij de voor-loopige instructie gehoord. Dat gaf aanleiding tot de vraag, of het voorschrift ook gold voor ecue verklaring voor een opsporings-ambtenaar afgelegd. (Zie Leon ad Art. 1/5 (oud) aant. 4.) Om die vraag in bevestigenden zin te beantwoorden, spreekt thans Art. 167 ook van quot;Voorloopig onderzoekquot;.
193
niet is kunnen worden gedagvaard, of op de dagvaarding niet is verschenen, of verschenen zijnde weigert getuigenis te geven, en de zaak niet wordt geschorst, of wanneer in geval van schorsing, de getuige bij zijne weigering volhardt, kan de Kantonrechter hevelen dat de vroeger afgelegde verklaringen door den Griffier worden voorgelezen. Die voorlezing heeft op straffe van nietigheid plaats, wanneer zij door den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie gevorderd of door den beklaagde verzocht wordt (art. 16i). Dat hier nietigheid bedreigd werd, terwijl men over het algemeen en terecht in het Wetboek daar uiterst spaarzaam mede was, is in de hoogste mate zonderling. Het kan alleen verklaard worden dooide omstandigheid, dat men oorspronkelijk wenschte aan die getuigenverklaringen bewijskracht te geven a). Nu zij niet tot het wettelijk bewijs kunnen medewerken (zie hierachter § GO), was die nietigheid overbodig. Daar de mogelijkheid bestaat om aan te nemen dat het geheele onderzoek nietig is, is ze zelfs gevaarlijk.
§ 52. Indien een getuige verdacht wordt zich op de terechtzitting aan het misdrijf van meineed te hebben schuldig gemaakt, kan de Kantonrechter hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den Ambtenaar van het O. M. of op het verzoek van den beklaagde, dienaangaande een onderzoek bevelen met schorsing zoo noodig der zaak tot na afloop van dat onderzoek. In dat geval wordt door den Griffier dadelijk proces-verbaal opgemaakt en met den Kantonrechter onderteekend. Het proces-verbaal bevat de afgelegde verklaring van den getuige. De verklaring van den getuige wordt hem voorgelezen en door hem onderteekend. Bij gebreke van onderteekening bevat het proces-verbaal de weigering of de reden
a) Zie hierover Mr, E. BERGSitA. llt't herxiene Welhoek van Strafvur⢠(lering, T. v. S. III, blz. 424 en 425.
13
194
van verhindering (art. 174 W. v. S.v.). Aanduiding van de gronden, waarom de verklaring van den getuige wordt vermoed valsch te zijn, wos vroeger verplicht, thans niet meer. Het proces-verbaal wordt toegezonden aan den Ofticier van Justitie. Ook zullen aan den Ofticier zoo spoedig mogelijk moeten worden gezonden de stukken van de strafzaak, waarin hot van valschheid verdachte getuigenis werd afgelegd, in alle geval een afschrift van het proces-verbaal der terechtzitting. Ook kan de Kantonrechter een bevel tot voorloopige aanhouding afgeven. Mocht men meenen dat hij niet krachtens art. 175 daartoe bevoegd is, wat ik wel geloof, dan is hij dat in alle geval als hulp-Officier van Justitie. Ten overvloede zij opgemerkt, dat ook zonder dat een bijzonder proces-verbaal, als waarvan boven sprake was, is opgemaakt, eene vervolging van den getuige wegens meineed mogelijk is. Blijkt dus eerst na de behandeling der zaak, dat er meineed gepleegd is, dan kan het alleszins wenschelijk zijn, alsnog eene vervolging uit te lokken. Zie o. a. arrest II. R. 11 April 1892, W. 0171, P. v. J. 1892, 57, v. d. H. S.r. 1892, 140 N. R. CLX, 412.
§ 53. Alles wat in deze afdeeling gezegd wordt van den getuige, geldt ook voor den deskundige. ^ oor den eed of de belofte door hem af te leggen wordt in de Wet verwezen naar art. 52. Daar dit laatste artikel, dat slechts spreekt van den eed en niet van de belofte, den inhoud van den eed en niet de wijze waarop hij wordt afgelegd vaststelt, zal voor de wijze van eedsaflegging het voorschrift van art. 101, 2e lid gelden. (Zie ook arrest H. R. 5 Nov. 1888, W. 5034, P. v. J. 1888, 140). De deskundigen zullen dus op straffe van nietigheid op de wijze van hunne godsdienstige gezindheid, den eed ol de belofte moeten afleggen, dat zij hun verslag naar hun geweten zullen geven. Dezelfde persoon kan als getuige en als deskundige worden gehoord, mits hem vóór het af-
195
leggen van den eed of de belofte de inhoud van beide eeden worde voorgehouden.
Daar zonder eenigen twijfel de Rechter-Commissaris voor Strafzaken onbevoegd is om werkzaam te zijn in zaken, die aan de rechtsmacht van den Kantonrechter zijn onderworpen (zie Smidt strafv. I, blz. 173), kan het deskundig onderzoek bij de Kantongerechten vaak aanleiding geven tot moeilijkheden, bijzonder nu daar vele overtredingen zijn overgebracht wier behandeling zonder deskundigen onmogelijk is. Is het mogelijk de dagvaarding te stellen zonder dat hot deskundig onderzoek heeft plaats gehad, dan kan ten dienenden dage dc Kantonrechter, aan personen, voor wier tegenwoordigheid ter terechtzitting door het O. M. is zorg gedragen, een deskundig onderzoek opdragen, hen daartoe beëedigen, en tevens de verdere behandeling der zaak tot eene bepaalde terechtzitting schorsen. Doch dit kunstmiddel zal ten eenenmale onvoldoende blijken, wanneer het voor het stellen van de dagvaarding noodig is, gebruik te maken van de resultaten van een deskundig onderzoek. Dan hangt de mogelijkheid van behandeling der zaak geheel af van de bereidwilligheid van deskundigen of van een of ander kunstmiddel om den Staat de kosten te laten dragen (zie T. v. S. I blz. 587 II blz. 493.) Eigenaardig is het zeker, dat, terwijl de strafrechtspleging bij de kantongerechten in den regel te omslachtig is, in gevallen als waarop ik hjier doel, de regeling dier rechtspleging geheel onvoldoende is of eigenlijk ontbreekt. Twee wegen staan hier open. Of wel men make mogelijk in sommige gevallen een onderzoek door een rechterlijk ambtenaar vóór de behandeling der zaak bij het kantongerecht. Of wel men brenge de behandeling van sommige overtredingen terug bij de Rechtbank, met hooger beroep bij het Gerechtshof, wat mij het meest geweascht voorkomt.
§ 53. Processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere stukken worden op last van den Kanton-
196
rechter, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie gegeven, door den Griffier voorgelezen. Gelijke voorlezing heeft plaats op het verzoek van den beklaagde, tenzij de Kantonrechter, ambtshalve of op het verzet van den ambtenaar van het O. M., anders bevele.
Ten bezware van den beklaagde wordt op straffe van nietigheid op geene stnkken acht geslagen dan voor zooveel en voor zoover zij zijn voorgelezen; zie arresten II. II. 23 Dec. 1889 W. 5318 l\ v. J. 1880 ii0. 70, 6 Jan. 1800 W. 5825. P. v. J. 1800 n0. 27 li» Mei 1801, W. 6108, P. v. J. 1891 n0. 85, 27 Maart 1893 W. 6321 en P. v. J. 1893 n'. 34.
Voorlezing van processen-verbaal, waarin het plegen van het strafbaar feit wordt geconstateerd, wanneer ze niet gebruikt worden voor het bewijs, en van processen-verbaal, houdende de afgelegde verklaringen der getuigen, is dus in het algemeen overbodig (H. K. 20 Juli 1802 W. 6227). Stukken, waarvan alleen is gebruik gemaakt om te komen tot de beteekenis van een wettelijk voorschrift, behoeven natuurlijk-niet te worden voorgelezen. Zie arrest H. R. 23 April 18S9 W. 5714. P. v. J. 1880 n0. 63 v. d. H. G. Z. 38 blz. 86. Ook is het niet noodig, dat bij de voorlezing van het stuk hij, die het opstelde, tegenwoordig is (arrest II. R. 6 Mei 1880 \\ . o718 P. v. J. 1889 n0. 70. N. R. 152 blz. 36. v. d. II. Strafz. 1880 blz. 05). Zie over dit artikel ook nog Mr. B. van Roijen in Rechtsgeleerd Magazijn VII afl. 4 blz. 378 en 370.
§ 54. Nadat alle getuigen en deskundigen zijn gehoord, wordt de beklaagde door den Kantonrechter ondervraagd. Was bij het ongewijzigde wetboek reeds de bevoegdheid gegeven die ondervraging gedurende het getuigenverhoor te doen plaatshebben, thans kan ze zelfs daarvóór geschieden, wat vroeger tocli ook vaak gebeurde. Ook na de vordering van het O. M. kan de beklaagde nog nader worden ondervraagd (180). Bij de
197
Kantongerechten gaat zeer zeker op de bewering der C. v.R., dat do bevoegdheid om don beklaagde reeds vroeger te hooren zeer dienstig kan zijn om diens houding te beoordeelen. Bekent hij, dan kan de bewijsopneming ter terechtzitting vaak zeer vereenvoudigd worden.
Is er meer dan een beklaagde, dan geschiedt de ondervraging in de orde waarin zij in de dagvaarding voorkomen. De Kantonrechter kan echter hierin verandering brengen, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den Ambtenaar van het O. M. of op het verzoek van een der beklaagden (178).
De Kantonrechter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den Ambtenaar van het O. M. of op het verzoek van een beklaagde, bevelen, dat een of meer der beklaagden de gehoorzaal verlaten ten einde buiten hunne tegenwoordigheid een der beklaagden worde ondervraagd. In dat geval wordt op straffe van nietigheid, daarna met het onderzoek dei-zaak niet voortgegaan, dan nadat vooraf de beklaagde is onderricht van wat in zijne afwezigheid is voorgevallen. Ook de Ambtenaar van het O. M. kan, na daartoe van den Kantonrechter het woord bekomen te hebben, den beklaagde vragen doen. Een beklaagde of zijn raadsman kan ook aan zijne medebeklaagden vragen doen. Die ondervraging geschiedt door tus-schenkomst van den Kantonrechter, die echter eene steeds herroepelijke machtiging kan verleenen om rechtstreeks te vragen. De Kantonrechter kan ambtshalve, of op het verzet van den Ambtenaar van liet O. M., of van een der beklaagden, beletten, dat aan eene vraag, door een der beklaagden of diens raadsman of door den Ambtenaar van het O. M. gedaan, worde gevolg gegeven. Een voorschrift als voorkwam in art. 199 (oud), dat, wanneer de beklaagde in gebreke bleef op de hem gestelde vragen te antwoorden, de Rechter hem moest opmerkzaam maken op zijne verplichting om te antwoorden, is, waar die verplichting niet bestaat, terecht vervallen (179, ISO, 181).
198
§ 55. Indien een beklaagde of een getuige de Neder-landsche taal niet verstaat, of het gehoor en spraakvermogen of een dezer vermogens mist en nietschrijven kan, mag het onderzoek niet plaats hehben zonder bijstand van een tolk. Het spreekt van zelt dat de Rechter zal hebben te beoordeelen of de bijstand van een tolk noodig is. Blijkt oen beklaagde, die slechts gebroken Nederlandsch spreekt, zich daarin voldoende te kunnen uitdrukken en onze taal voldoende te verstaan, de tusschenkomst van een tolk zal overbodig zijn. Is een beklaagde zonder gehoor of spraakvermogens te missen, daarin dermate belemmerd dat het niet mogelijk is met hem een gesprek te voeren, een tolk zal wel noodig zijn. Zie arrest H. R. 7 Oct. 1803 W. 2527. Art. 196 (oud) schreef voor de benoeming van den tolk door den Rechter, thans wordt de keuze daarvan overgelaten aan het O. M. waaraan wordt opgedragen den tolk te dagvaarden. Is echter ter terechtzitting iemand aanwezig, dien men als tolk meent te kunnen gebruiken, dan kan hij als zoodanig optreden, niettegenstaande hij niet is gedagvaard. Blijkt ter terechtzitting de bijstand van een tolk noodzakelijk te zijn en kan daarin niet worden voorzien, dan kan de Kantonrechter ambtshalve, op vordering van den Ambtenaar van het O. M. of op verzoek van den beklaagde, de dagvaarding bevelen; zoo noodig kan dan het onderzoek worden geschorst.
De beklaagde kan den tolk wraken, mits hij daarvoor redenen opgeve. Met het oog op de moeilijkheid, die zich vaak zal voordoen om een geschikten tolk te vinden, bijzonder wanneer het betreft eene taal, die hier te lande slechts weinig bekend is, oordeelde men het beter in de Wet geene gronden van wraking op te nemen. Of dus de bezwaren, die een beklaagde tegen een tolk aanvoert, gewichtig genoeg zijn om dezen als zoodanig niet toe te laten, zal uitsluitend staan ter beoordeeling van den Kantonrechter. Hij
199
doet daarover terstond uitspraak. Oordeelt hij de redenen van wraking gegrond, dan zal hij het onderzoek kunnen schorsen. Bij dè behandeling der wijzigingswet in de Eerste Kamer werd gevraagd: âof de âtolk zelf de reden moet overbrengen, waarom hij âgewraakt wordtquot;? De Minister antwoordde, dat hij de beslissing omtrent die vraag aan de praktijk wenschte over te laten. Mr. de Pixto zegt, en m. i. terecht, dat hij niet kan inzien dat de vraag anders dan in bevestigenden zin kan worden beantwoord (II blz. 153).
Voor de vertolking eener vreemde taal moet de tolk den ouderdom van 18 jaren bereikt hebben; in andere gevallen dien van 10 jaren; ten overvloede vermeldt de wet nog dat in die gevallen de tolk geschikt moet zijn om met den gebrekkige om te gaan, daarmede te kennen willende geven, dat dezen tolk geene andere eischen behoeven gesteld te worden. âGeen der getuigen of der rejhters,quot; zegt art. 184, âdie van de zaak kennis nemen, wordt als tolk toegelaten.quot; Eigenlijk is hier de vermelding van den rechter overbodig. Immers het volgt uit den aard der zaak dat hij evenmin als de Ambtenaar van het O. M., de Griffier of de verdediger als tolk kan optreden. Zie ook Kempek II 513. Alvorens als zoodanig op te treden legt de tolk naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid den eed of de belofte af van getrouw zijne taak te zullen vervullen. Terecht werd in het verslag van de Tweede Kamer opgemerkt dat dit voorschrift in strijd is met de bepaling die aan de beëedigde vertalers steeds de keus laat tusschen eed en belofte. De minister antwoordde er op: âwat âbij de speciale wet omtrent de beëedigde vertalers âis bepaald, behoeft hier bij de tolken niet nood-âwendig te worden voorgeschreven.quot;
Kan de gebrekkige beklaagde of getuige schrijven, dan stelt dc Grittier do vragen en opmerkingen aan hem te doen, hem schriftelijk ter hand. Hij antwoordt
200
daarop schriftelijk. Al dat geschrevene wordt vervolgens door den Griffier voorgelezen. De getuige legt den eed of belofte evenzoo schriftelijk af.
Het stelsel van art. 196 (oud) omtrent dit onderwerp was zeer streng. Werden de voorschriften omtrent den tolk niet in acht genomen, dan was het geheele daarop gevolgde onderzoek ter terechtzitting en dus ook het vonnis, nietig. Oppervlakkig gezien zou men meenen, dat ook in het gewijzigde wetboek datzelfde stelsel gehuldigd wordt. Immers, én art. 183 én art.
185 geven hunne voorschriften âop straffe van nietigheid.quot; Maar volkomen terecht zegt Mr. de Pinto (II blz. 155), dat die woorden met het oog op art.
186 geen zin hebben. Dat artikel bepaalt, dat wanneer de bijstand van een tolk noodig is, hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen zonder voor den beklaagde vertolkt te zijn, voorzoover dit te zijnen nadeele strekt, geacht wordt niet te zijn gesproken of voorgelezen. Dat artikel en art. 184 bepaalt tevens, dat wat vertolkt wordt door iemand, die niet voldoet aan de vereischten, die de wet aan den tolk stelt, of omtrent wien de voorschriften over wraking of eedsaflegging niet zijn in acht genomen, voor niet vertolkt zal worden gehouden. Van algeheele nietigheid is dus hier geen sprake. Slechts wat in strijd 'met de voorschriften geschiedt is nietig. Werkt dat niet mede tot het bewijs, het vonnis zal niettegenstaande die verzuimen niet nietig zijn.
Verschijnt een gedagvaarde tolk niet, weigert hij den eed of de belofte af te leggen, dan gelden alle voorschriften voor die gevallen voor getuigen gegeven. Weigert hij zijne diensten te leenen, dan zijn alle bepalingen, gegeven voor het geval een getuige weigert getuigenis af te leggen, van toepassing. (Zie § 45 en § 50).
§ 56. Is de beklaagde ondervraagd en zijn de getuigen gehoord, dan kan de Ambtenaar van het Openbaar Ministerie het woord voeren; hij is dus daartoe niet verplicht. Na voorlezing legt hij zijne
201
vordering aan den Kantonrechter over. De beklaagde en zijn raadsman kunnen hierop antwoorden. De Ambtenaar van het O. M. kan daarop andermaal het woord voeren. Mocht thans de beklaagde of een getuige nogmaals worden gehoord, dan kunnen de Ambtenaar van het O. M. en de beklaagde of zijn raadsman weder het woord voeren. In alle geval zal de beklaagde en zijn raadsman op straffe van nietigheid het recht worden gelaten om het laatst te spreken, wat natuurlijk uit het proces-verbaal der terechtzitting zal moeten blijken.
Mr. van oer Kemp meende dat art. 59 Reglement I aan den Ambtenaar van het O. M. de bevoegdheid get ft om éénmaal uitstel te vragen voor het nemen van zijn requisitoir.
Ik acht het intusschen aannemelijker dat art. 59 uitsluitend ziet op civiele zaken. Tenzij de Kantonrechter om het vergevorderd uur of om eenige andere reden het onderzoek schorst, geloof ik, dat de Ambtenaar van het O. M. dadelijk zijn requisitoir moet nemen; in alle geval is zoo de gewoonte. Eerder zou ik mij kunnen vereenigen met zijne opvatting, dat, wanneer de Kantonrechter oordeelt dat de zaak tot genoegzame klaarheid is gebracht, art. 47 Reglement I hem bevoegd maakt de mondelinge toelichtingen van de zijde van het O. M. en van die van den beklaagde gegeven, te doen eindigen.
§ 57. Blijkt den Kantonrechter gedurende den loop van het onderzoek, dat het ter terechtzitting aangevoerde bewijsmateriaal niet voldoende is, dan is hij zonder eenig voorbehoud, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den Ambtenaar van het O. M. of op het verzoek van den beklaagde, bevoegd de aanvulling daarvan te bevelen. liet is daarbij onverschillig, of het bestaan dier bewijsmiddelen reeds vroeger bekend was, dan wel eerst ter terechtzitting bleek, hetzij door opgaven van beklaagde of getuige, of op eenige andere wijze. Het is eveneens onverschillig
202
reeds van te voren duidelijk was, dat de bewijs-aanvulling noodzakelijk was, dan wel of de noodzakelijkheid daarvan eerst ter terechtzitting, naar aanleiding van welke omstandigheid ook, bleek. De omstandigheid dat de Ambtenaar van het O. M. dat bewijsmateriaal had moeten en kunnen aanvoeren, beperkt dus de vrijheid van den Rechter niet. Het stelsel, bij artikel 190 gehuldigd, is dat de strafrechter bij zijn onderzoek de meest mogelijke vrijheid moest worden gelaten (Smidï S.v. I blz. 444 en 445).
Tot het volledig maken van het onderzoek is de Kantonrechter bevoegd te bevelen de oproeping van ter terechtzitting nog niet gehoorde getuigen of deskundigen, zoo noodig met last aan den deurwaarder of dienaar der openbare macht om hen dadelijk ter terechtzitting mede te brengen of de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging. Hij kan daartoe het onderzoek voor eenen bepaalden tijd schorsen en ten bepaalden dage zoo noodig de schorsing weder voor een bepaalden tijd verlengen. (Art. 190). Het volgt m. i. reeds uit de algemeene bepaling van art. 177 dat ook de op bevel van den Kantonrechter overgelegde bescheiden, willen zij ten bezware van beklaagde kunnen worden gebruikt, moeten zijn voorgelezen. Ten overvloede verwijst art. 190 nog naar art. 177.
§ 58. âIndienquot; zegt art. 191 in verband met art. 258 âuit het onderzoek omstandigheden zijn bekend âgeworden, die niet in de dagvaarding vermeld, âvolgens de Wet tot verzwaring van straf grond âgeven, maakt de Ambtenaar van het O. M. den âbeklaagde daarop opmerkzaam. Bij gebreke daarvan âwordt door den Kantonrechter op die omstandig-âheden geen acht geslagenquot;. De omstandigheden, waarvan hier sprake is, moeten natuurlijk niet van dien aard zijn, dat zij liet feit maken tot een geheel ander strafbaar feit.
Is in de dagvaarding te laste gelegd eeue overtre-
203
ding onder zekere verzwarende omstandigheid, en is zij inderdaad onder eene andere gepleegd, dan kan de Ambtenaar van het O. M. den beklaagde ter terechtzitting op het bestaan van die andere verzwarende omstandigheid opmerkzaam maken; artikel 191 is dan ook van toepassing (Zie arrest 11. R. 30 April 1S8S W. 5554).
De vraag is gedaan of het artikel uitsluitend toepasselijk is, wanneer van het bestaan der verzwarende omstandigheid eerst ter terechtzitting is gebleken, en niet wanneer vaststaat dat zij reeds vroeger bekend was. Bij zijn arrest van 11 Juni 1856 (v. d. H. Strafr. j.g. 1856 d. 1, p. 357-366 \V. 1882 R. d. LI 11 § 37) besliste de llooge Raad dat art. 203 (oud) ook van toepassing was, v.l stond niet vast dat het bestaan der verzwarende omstandigheid eerst ter terechtzitting was gebleken. (Zie in gelijken geest Kkmpeu Strafv. II, blz. 536 en 537). Van cenige bedoeling om art. 191, dat aan art. 203 (oud) ontleend is, eene andere strekking te geven blijkt niet. Met de bedoeling van den Wetgever om aan den Rechter bij zijn onderzoek groote vrijheid te laten (zie vorige §), strookt zeker aan te nemen dat het onverschillig is op welk tijdstip blijkt van het bestaan der verzwarende omstandigheid. Te ontkennen is het echter niet dat art. 191 spreekt van ornsland'ujlicden bij het onderzoek bekend geworden terwijl art. 203 (oud) spreekt van omslandiriliedeii waarover (jetnigenissen en andere hewijsmiddeleii bij hel onderzoek hadden tjeloopcn. Men doet de woorden der Wet wel eenigszins geweld aan, door aan te nemen, terwijl men toegeeft dat onderzoek is het onderzoek Ier (erechlzittiny, dat eene verzwarende omstandigheid eerst bekend wordt door het ter terechtzitting aangevoerde bewijs. Zie een vonnis der Ar-rondissements-Rechtbank te Zwolle, medegedeeld in T. v. S. VIII, blz. 53!). Zie hierover ook een arrest van het Gerechtshof te 's Ilertogenbosch van 30 Mei 1894, vernietigend een vonnis van de Rechtbank aldaar, beiden opgenomen in W. 6576.
204
Herhaaldelijk maakte de Ilooge Raad uit, dat art. 203 (oud) ook van toepassing is bij verstek-zaken (Zie Leon ad art. 270 nquot;. 7 eu laatstelijk arrest H. R. 31 Mei 1886 W. 5806 v. d. 11. Sr.v. jg. 188G bl. 115 R. d. CXLIII § 8). Hetzelfde zal dus moeten worden aangenomen voor art. 191; dat werd trouwens bij de beraadslagingen uitdrukkelijk erkend.
De Kantonrechter kan tot nader onderzoek der verzwarende omstandigheden, waarop de Ambtenaar van het O. M. don beklaagde heeft opmerkzaam gemaakt, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den Ambtenaar van het O. M. of op het verzoek van den beklaagde, het onderzoek voor een bepaalden tijd schorsen. Hij kan ten bepaalden dage de schorsing zoo noodig weder voor een bepaalden tijd verlengen. Terwijl anders op de nadere terechtzitting slechts het door den Rechter aangewezen bewijs kauworden bijgebracht, moet in dit geval natuurlijk aan het Openbaar Ministerie en aan den beklaagde worden overgelaten de getuigen, bescheiden en stukken van overtuiging bij te brengen, welke zij noodig oor-deelen. Ook in art. 192 wil bot mij overbodig voorkomen, dat uitdrukkelijk naar art. 177 wordt verwezen. Ook zonder die verwijzing zou ton nadeele van den beklaagde slechts acht kunnen worden geslagen op die schriftelijke bescheiden welke ter terechtzitting zijn voorgelezen.
§ 59. Indien uit liet onderzoek ter terechtzitting voldoende aanwijzing ontstaat, dat de beklaagde zich heeft schuldig gemaakt aan een ander strafbaar feit â onverschillig of dat al dan niet tot de bevoegdheid van den Kantonrechter behoort, â dan waarvoor hij terecht staat, wordt, wanneer de Ambtenaar van het O. M. het vordert, daarvan dadelijk door den Grifher proces-verbaal opgemaakt en door dezen en den Kantonrechter onderteekend. Dat verbaal houdt in, de verklaringen van de getuigen en van den verdachte ten aanzien van dat feit. Is er heeterdaad dan kan
205
de Kantonrechter als hulp-Officier van Justitie ook een bevel tot voorloopige aanhouding afgeven. Het proces-verbaal wordt door den Kantonrechter gesteld in handen van den Ambtenaar van het O. M. of van den Officier van Justitie.
De bevoegdheid hier gegeven, laat onverkort de bevoegdheid om dat strafbaar feit, al mocht er ter terechtzitting geen proces-verbaal van zijn opgemaakt, later op de gewone wijze te vervolgen. De bevoegdheid werd blijkens de M. v. T. slechts gegeven, om te voorkomen dat ter terechtzitting geleverd bewijsmateriaal verloren gaat, wanneer daarvoor vrees bestaat, of om zich te verzekeren van den persoon van den beklaagde.
§ CO. Indien de beleedigde partij hare vordering om schadevergoeding tot f 50.â of minder beperkt en niet bij den burgerlijken Rechter heeft aanhangig gemaakt, kan zij zich in het geding over de strafzaak voegen. Vraagt de beleedigde partij meer dan f 50.â, dan zal natuurlijk van geene toewijzing van een minder bedrag sprake kunnen zijn, maar zal de beleedigde partij in hare vordering moeten worden verklaard niet ontvankelijk, wat ten overvloede nog in art. 207 bepaald wordt. Hetzelfde moet plaats hebben, wanneer de vordering reeds bij den burgerlijken Rechter aanhangig was. De schade, ter zake waarvan vergoeding wordt gevraagd, moet het onmid-delijk en noodwendig gevolg zijn van de in de dagvaarding aan den beklaagde te laste gelegde daad. Dat is niet het geval wanneer de benadeelde vraagt schadevergoeding voor reiskosten, die hij geheel vrijwillig heeft gemaakt, om het feit tot klaarheid te brengen (Zie vonnis Arrond.-Rechtb. Almelo, 30 December J890, T. v. S. V. blz. 5(34 en Leon ad art. 231 n0. 22).
De Wet schrijft voor, dat de voeging geschiedt door eene verklaring van de beleedigde partij of haren gemachtigde onmiddelijk na de voorloopige onder-
206
vraging vau den beklaagde bij art. 152 bedoeld, of zoo deze niet is verschenen, na het verleenen van het verstek. Ik zal gaarne toegeven dat art. 231 (oud) slechts verplichtend stelde, dat die verklaring geschiedde vóór don aanvang van het getuigenverhoor, en dat men geene bedoeling had hierin verandering te brengen, zooals zeer duidelijk blijkt uit het -ontwerp voor art. 202, terwijl men met de tegenwoordige redactie slechts eenvoudigheid beoogde, maar kan mij toch niet vereenigen met een vonnis der Rechtbank te Almelo (W. 6474) waarbij de be-leedigde partij nog ontvankelijk werd verklaard, niettegenstaande zij zich eerst na de voordracht dor zaak door den Officier van Justitie in het geding voegde. En bij de Rechtbank te 's Hertogenbosch en bij die te Amsterdam zag ik als Substituut-Officier van Justitie herhaaldelijk de beleedigde partij niet-ontvan-kelijkverklaren, omdat zij zich eerst voegde? nadat ik de zaak had voorgedragen. Ik zal het al wederom gaarne toegeven dat door de interpretatie, die ik voorsta, de beleedigde partij in den regel niet-ont-vankelijk zal moeten worden verklaard, maar meen toch dat onmiddelijk in art. 202 geene andere toelaat. Trouwens, onze Wetgever regelde de bevoegdheid voor den benadeelde om bij don strafrechter schadevergoeding te erlangen voor het hem toegebrachte nadeel, eene bevoegdheid die het nieuwere strafrecht lang niet verwerpelijk acht, op dusdanige wijze dat zij in den regel toch onbruikbaar is.
Ook al had artikel 202 het niet voorgeschreven, dan nog zouden zij, die om in eene burgerlijke zaak in rechten te verschijnen, bijstand behoeven, of vertegenwoordigd moeten worden, voor de voeging moeten worden bijgestaan of vertegenwoordigd.
De beleedigde partij kan op hare kosten zich door eenen raadsman doen bijstaan. Als gemachtigde en als raadsman worden alleen toegelaten advokaten en prokurours. Eene schriftelijke volmacht is hier dus
207
niet noodig. (Zie ook § 43). Heeft de beleedigde partij hare woonplaats buiten de Gemeente, waar het Kantongerecht is gevestigd, dan is zij verplicht in die Gemeente woonplaats te kiezen.
De beleedigde partij mag harerzijds tot bewijs, dat door haar ten gevolge van het te laste gelegde feit, schade is geleden, of tot staving van het opgegeven bedrag der schade, stukken overleggen, doch geene getuigen of deskundigen aanbrengen. Zij zelve of haar raadsman kan echter aan de getuigen vragen doen, doch alleen voor zoover die betreffen het bewijs van de geleden schade, en liet bedrag dier schade. Alhoewel de Wet hier slechts spreekt van getuigen en niet van deskuiidigen, zal men toch moeten aannemen, dat er gelijke bevoegdheid bestaat ten opzichte der deskundigen (zie ook Mr. de Pinto, Het Herziene Wetboek v. 8.v. II ad art. 2(1quot;)). Voor die ondervraging is noodig de tusschenkomst van den Kantonrechter, tenzij deze veroorlooft dat zij zonder die tusschenkomst geschiedt, welk verlof echter steeds kan worden ingetrokken. De Kantonrechter kan ambtshalve, of op liet verzet van den Ambtenaar van liet O. M., ot van den beklaagde of diens raadsman beletten, dat aan eenige vraag door de beleedigde partij of haren raadsman gesteld, worde gevolg gegeven.
De beleedigde partij kan haren eisch toelichten of door haren raadsman doen toelichten, nadat de Ambtenaar van het O. M. zijne vordering heeft overgelegd. Zij heeft andermaal het woord, nadat de Ambtenaar van het O. M. in de gelegenheid is gesteld ten tweeden male het woord te voeren. Het hooren van den Ambtenaar van het O. M. naar aanleiding van de vordering der beleedigde partij is nergens voorgeschreven en dus overbodig (zie ook arrest H. R. 27 Juni 1887 W. 5447 N. R. 146 blz. 283).
De Kantonrechter doet over de vordering der beleedigde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak. Spreekt hij vrij, dan zal hij ook hare vordering moeten
208
ontzeggen. Volgt ontslag van rechtsvervolging, omdat het feit niet strafbaar is, dan zal zij eveneens moeten worden ontzegd, maar volgt dit omdat de dader niet strafbaar is, dan is het mogelijk dat de civiele vordering toch wordt toegewezen (zie Leon art. 231 n0 7). Bij toewijzing der eiviele vordering kan beklaagde eveneens worden verwezen in de kosten a), behoudens die van vertegenwoordiging en bijstand welke door de belee-digde partij gemaakt zijn (arrest II. R. 27 Februari 1888 W. 5523 1'. v. J. 1'88 n0 38). Is eene civiele vordering tegen meerdere medebeklaagden ingesteld, dan kan van hoofdelijke veroordeeling tot schadevergoeding zooals krachtens art. 55 G. P. geschieden kon, geen sprake zijn; ieder zal dan voor een gedeelte daarin moeten veroordeeld worden (zie ook vonnis Rechtbank Roermond 12 Februari 1889 T. v. S. Ill bl. 547).
Behalve de reeds aangehaalde werken zie men over dit onderwerp ook Mr. Jac. van Gigch De belccdigde partij ï. v. S. II (blz. 383â401) en Mr. N. Bi.ekker SchadevenjoedhKj bij duodslaj en verwonding Groningen 1888.
§ 01. Nadat aan den beklaagde de gelegenheid is gelaten om het laatste woord in het onderzoek te zeggen, sluit de Kantonrechter het en deelt mede wanneer de uitspraak zal plaats vinden. Dat kan geschieden op dezelfde terechtzitting of op eene volgende. Op die volgende kan de uitspraak wederom op een anderen dag bepaald worden. In geen geval kan de uitspraak later plaats hebben dan op den veertienden dag na het sluiten van hot onderzoek. Heeft de uitspraak dan niet plaats gehad, dan wordt de zaak op de bestaande dagvaarding op nieuw onderzocht. In de conclusie voorafgaande aan het arrest van 24 October 181»2 W. 6265 P. v. J. 1892 n0 99) ontwikkelt de de Advokaat Generaal Patijn het m. i. volkomen
a) Deze kunnen veroorzaakt worden door oyerlegging van stukken of door de gerechtelijke tenuitvoerlegging van liet vonnis.
209
juiste gevoelen, dat, is eenmaal de uitspraak op een aangewezen dag bepaald, die uitspraak niet op een vroegeren dag kan plaats hebben.
AFDEELING V.
DE UITSPRAAK,
§ 62. De Kantonrechter beslist naar aanleiding van de dagvaarding en van het onderzoek op de terechtzitting 1°. over het bewezene of niet-bewezene dei-feiten 2°. over derzelver qualificatie, 3°. over het bewezene der schuld van den beklaagde, 4°. over de toepassing van de straf bij de Wet bepaald.
Heeft de beleedigde partij zich in het geding gevoegd, dan overweegt hij tevens de ontvankelijkheid en gegrondheid der door haar ingestelde vordering (art. 211).
Hier zij opgemerkt, dat 's Kantonrechters onderzoek omtrent al de opgenoemde punten kan achterwege blijven, wanneer hem daarzonder reeds blijkt dat de dagvaarding nietig, de Ambtenaar van het O. M. niet ontvankelijk of hij zelf onbevoegd is. Een ontwerp-artikel, dat dit vaststelde, verviel, omdat men meende dat ook zonder dat artikel de rechtspraak dienovereenkomstig zou blijven.
Het spreekt, dunkt me, van zelf, dat het onderzoek of het feit inderdaad gepleegd werd en of werkelijk de beklaagde het beging in den regel zal samenvallen; toch zal eene afzonderlijke beslissing omtrent beide punten moeten worden gegeven.
Voor de beteekenis van het woord feit verwijs ik naar wat ik daaromtrent bij de dagvaarding zeide.
De Rechter mag voor de veroordeeling slechts letten op wat de beklaagde in de dagvaarding is te laste gelegd, behoudens wanneer beklaagde op eene
14
210
verzwarende omstandigheid ter terechtzitting is opmerkzaam gemaakt, (zie § 58).
Voor het bewijs zal de rechter in aanmerking moeten nemen de voorschriften van den een en twintigsten titel van het Wetboek, welke behoudens een viertal redactie-veranderingen, die in den zm dei-voorschriften geene verandering brengen, woordelijk in het ongewijzigde Wetboek voorkwamen. De rechtspraak en rechtsgeleerde beschouwingen over de artikelen 427 (oud)â445 (oud) hebben dus geheel hun
gewicht behouden.
§ 63. De voorschriften van het bewijs gelden intusschen slechts voor feiten en omstandigheden. Niet voor rechtsbeschouwingen, bijvoorbeeld ot iemand naar tien zin der spoorwegwet is ondernemer (arrest II. R. 7 Maart 1887, W. 5434, N. R. 145, blz. 271). Evenmin voor eene nog in de toekomst liggende gebeurlijkheid, waarvan de strafbaarheid van het feit afhangt; zoo besliste de Hooge Raad bij zijn arrest 18 Januari 1892 (W. (3151 P. v. J. 1892 nquot;. 35), dat de mogelijkheid van aanwas van den oever eener rivier, waardoor het storten van puin daarin strafbaar wordt a), behoort tot de gevolgtrekkingen, die de Rechter naar eigen inzicht maakt, uit hetgeen hem in het geding overigens is gebleken.
De Rechter kan uit eigen wetenschap in zijn vonnis vermelden, het tijdstip van zonsop- of zonsondergang, d-it een vast natuurverschijnsel is, voor ieder waarneembaar h) (arrest H. R. 19 Mei 1890, W. 5880,
a) Art. 1 der puUicalie van het Bataafsch Gemeenehest van 24 Februari l«0li houdende bepalingen omtrent een alyemeen rivier- of walerrechl over de rivieren en stroomen der republiek,
b) Uit kau natuurlijk niet gezegd worden van de omstandigheid of zeker tijdstip viel in den voor de nachtrust bestemden tijd; daarvoor zal wettig bewijs moeten worden geleverd en de Eechter zal zijn vonnis daaromtrent moeten motiveeren. (H. E. 2 Juni 1890, W. 5885 P. v. J. 1890, 73, N. R. CLV, 150, V. d. H. S.r. 1S9Ã, 111).
211
P. v. J. 1S90, ii0. 67, N. R. CLV, S7). Eveneens kan hij nit eigen wetenschap aannemen het bestaan en de voortdurende rechtsgeldigheid van bepalingen van vreemde wetgeving, zonder van de bron dier wetenschap rekenschap te geven (II. R. 8 Juni 1891, W. G061, N. R. CLVIII, 170, v. d. II. 1891, 211).
De Rechter is bovendien geheel vrij om voor zijne beslissing omtrent de feiten en omstandigheden, die door een beklaagde tot zijne verdediging worden aangevoerd, als bewijsmiddel te bezigen wat hem goeddunkt, (H. R. 27 Juni 1892, \V. 6214, N. R. CLXI, 311), zonder dat in zijn vonnis te behoeven te mctiveeren (H. R. 19 October 1891, W. 6098, l'. v. J. 3892, no. 9). Hij kan ze zonder eenige opgave van redenen niet-aannemelijk verklaren, wanneer ze hem niet aannemelijk worden gemaakt (II. R. 25 Maart 1889, W. 5703, P. v. J. 1889, n0. 54, H. li. 6 April 1891, W. 6019); ja behoeft er zicli zelfs in het geheel niet over uit te laten. In anderen geest is een arrest van 20 Februari 1893 (W. 6312, P. v. J. 1893, no. 26), dat gewezen werd in strijd niet de conclusie van den Advokaat-Generaal Gregory. Al neemt men aan, dat het bij dat arrest vernietigde vonnis onjuist was, dan nog geloof ik, dat men zich niet met het arrest zal kunnen vereenigen.
Niemand kan wegens misdrijf of overtreding veroordeeld worden, tenzij de Rechter door wettige bewijsmiddelen de overtuiging hebbe bekomen, dat een strafbaar feit werkelijk heeft plaats gehad, en dat de beklaagde daaraan schuldig is. Daaruit volgt, dat op bloote vermoedens of onvolkomen bewijs niemand mag veroordeeld worden (391). Als wettige bewijsmiddelen worden volgens de nader mede te deelen regelen alleen erkend 1° getuigen 2° schriftelijke bescheiden 3° bekentenis 4° aanwijzingen.
Overigens is nergens voorgeschreven dat, mits slechts voor het geheele strafbaar feit het wettelijk bewijs volgens die regelen voorhanden zij, een element van
212
het misdrijf niet door één getuige of eene aanwijzing zou kunnen worden bewezen (zie o. a. arresten II. R. 31 Aug. en 11 October 1886 W. 5337 en 5348 v. d. H. S.r. 1886 blz. 176 en 201 N. R. CXLIII § 44, en CXLIV § 5, alsmede dat van 31 Oct. 1892 W. 6266 P. v. J. 1802 105 N. R. CLXII, § 128 en verder de rechtspraak vermeld bij Leon art. 433 n0 5).
Geenerlei bewijsmiddel verplicht echter den rechter tot veroordeeling, wanneer hij niet volkomen overtuigd is, dat beklaagde het hem telastegelegde inderdaad heeft gepleegd. Waarom de rechter door het bewijs is overtuigd, behoeft uit het vonnis evenmin te blijken als waarom hij daar niet door is overtuigd (II. R. 23 April 1880, . 5^15 v. d. II. S.r. 1880 blz. 170 P. v. J. 1880 n0 61).
§ 64. Behoudens de in § 40 uitgeslotenen kan ieder getuigenis geven in strafzaken (306). Het afzonderlijk getuigenis van eenen enkelen getuige kan niet als wettig bewijs gelden o). Echter kunnen afzonderlijke en op zich zelve staande getuigenissen omtrent onderscheidene feiten als wettig bewijs gelden, wanneer zij door hunnen samenloop en hun verband strekken tot staving eener bepaalde daadzaak. Aan den Rechter wordt overgelaten te beoordeelen in hoeverre dit het geval is (art. 307). Onder daadzaak moet worden verstaan de vereeniging van afzonderlijke daden of omstandigheden, die samen het strafbaar feit vormen (zie arrest 17 Dec. 1877, W. 4100, v. d. H. S.r. 1877
282_204 N. R. CXVII § 32). Het is dus voldoende
wanneer twee getuigen ieder op een ander oogenblik hebben waargenomen, dat de beklaagde pleegde het strafbaar feit, onverschillig of dit al dan niet een voortgezet delict is (zie ook de rechtspraak bij Leon
a) latusBchen kan ook de verklaring van één getuige in verband met ééne aanwijzing wettig bewijs opleveren, zie O. a. arrest H. R. 2 Mei 1881, W. 4642 N. K. CXXVIII § 2.
213
art. 433 u0. 3.) Zijn aan een beklaagde meerdere feiten te laste gelegd, welke geheel op zich zelf staan, dan moet natuurlijk voor ieder feit volledig bewijs zijn (zie arrest H. R. 10 Dec. 1892, W. (5288, P. v. J. 1893 n0 20).
De verklaringen der getuigen mogen slechts loepen over datgene wat ze zeiven hebben ondervonden, of hooren of zien gebeuren. De getuigen moeten daarbij tevens uitdrukkelijk opgeven de redenen van wetenschap; (art. 398, le lid); in het vonnis behoeven die echter niet te worden opgenomen. (Zie o. a. arrest H. li,, 7 November 1892 W. 0202, N. li. CLX1I, 139, P. v. J. 1892, n0. 105). AVat de getuigen zeiven niet hebben waargenomen, doch bij redeneering slechts meenen of gissen, of wat zij hebben van hooren zeggen, kan niet het onderwerp zijn hunner verklaringen. De getuigenverklaringen zullen dus slechts kunnen jloopen over wat met de zintuigen waarneem â baar is; dus niet over het al of niet gerechtigd zijn om iets te doen, maar wel daarover of iets sterke drank was, of iemand op een ander geleek. (Zie Leox ad art. 434, n9. 12). Met verklaringen de audita moet de uiterste voorzichtigheid in acht worden genomen, en terecht. Ook in het dagelijksch leven wacht men zich voor praatjes. Terwijl toegegeven kan worden, dat wanneer blijkt, dat een getuige reeds dadelijk na het plegen van het strafbaar feit den dader noemde, zijne verklaring te geloofwaardiger wordt, blijft echter niet minder waar, dat, wordt er veroordeeld op grond van de verklaring van dien getuige en van een ander, aan wien hij dat dadelijk zeide, eigenlijk in strijd met de Wet op de verklaring van slechts één getuige wordt veroordeeld. Er bestaat echter hoegenaamd geen bezwaar om in het vonnis op te nemen eene verklaring de auditu of eene meening of gissing van den getuige, wanneer een en ander blijkbaar niet heeft medegewerkt tot het bewijs, doch slechts dient om aan te toonen hoe de getuige
I
214
tot zekere handeling is gekomen, wanneer er bijvoorbeeld instaat dat de politiebeambte, vernemende dat de beklaagde bet feit gepleegd bad of dezen daarvan verdenkende, bet onderzoek instelde, dat bij aan den lie ebt or mededeelt (arrest II. K. 13 Februari 1888, W. 5518). Slecbts de verklaringen der getuigen, die en voorzoover zij medewerken tot het bewijs, moeten inhet vonnis worden opgenomen; van bet andere is opname overbodig (arrest H. R. 19 October 1891, W. 6095, P. v. J. 1892, nn. 9, N. R. CL1X, 49). Bij de beoordeeling van de waarde der getuigenissen moetde Rechter bijzonder acht geven op de onderlinge overeenstemming der getuigen; op de overeenstemming der getuigenissen met hetgeen van elders aangaande de zaak en het geding bekend is; op de beweegredenen welke de getuigen kunnen hebben gehad om de zaak op deze of gene wijze voor te dragen; op de levenswijze, de zeden en den stand der getuigen, en in het algemeen, op alles wat op derzelver meerdere of mindere geloofwaardigheid invloed zoude kunnen hebben (399). Het in acht nemen van deze voorschriften behoeft intusschen uit het vonnis niet te blijken (arrest H. R. 20 April 1885, W. 5166, v. d. H. S.r. 1885, blz. 106, N. R. CXXXIX, § 49).
§ 65. De voorschriften omtrent de bewijskracht van authentieke en onderhandsche geschriften a) in burgerlijke zaken, (B. W. 1904 vlg.) moeten ook ten aanzien van bet bewijs in strafzaken worden in acht genomen. Echter zal in gevolge art. 394 in strafzaken tegen het authentieke geschrift steeds tegenbewijs kunnen worden aangevoerd. II. R. 27 Dec. 1887 (W. 5510) 20 Maart 1893, W. 6320. Uit art. 400 mag ook niet worden afgeleid, dat, waar in een buigerlijk
a) Art. 400 W. t. S.t. spreekt van openbare eu bijzondere schriftelijke bescheiden, doch klaarblijkelijk wordt dacrmede bedoeld, wat in het burgerlijk wetboek authentiek en onderhandsch heet.
215
geding getuigenbewijs niet is toegelaten, het ook niet is toegelaten in strafzaken ( H. R. 25 Juni 1888 W. 5589 N. li. CXL 282 1'. v. J. 1888 n0. 105).
Artikel 401 W. v. S.v. schrijft voor, dat de verklaringen, processen-verbaal of relazen, om als bewijs in strafzaken te gelden, moeten zijn opgemaakt op ambtseed of later met eede bevestigd. Intusschen besliste de H. R. herhaaldelijk (zie Leon, art. 436 n0. 1) dat in dit artikel alleenlijk worden bedoeld zoodanige verklaringen, verbalen of relazen van Ambtenaren, belast met het opsporen van strafbare feiten, die de strekking hebben het plegen daarvan te con-stateeren, en dat het dus niet toepasselijk is op andere authentieke stukken; zoo behoeven bijvoorbeeld niet op ambtseed te zijn opgemaakt de processen-verbaal van een Reehter-Commissaris, evenmin het proces-verbaal van den Griffier omtrent een ter terechtzitting gepleegd strafbaar feit (zie arrest 11. K. quot;J Mei 1887, AV. 5432). In den zelfden geest is een arrest van den H. R. van 10 October 1887 (W. 5479), waarbij werd beslist, dat, wanneer bij eene verordening eene verplichting aan bepaalde personen wordt opgelegd, ânadat door B. en \\r. eene waarschuwing,quot; is gedaan, dat dan een bij authentiek afschrift overgelegde brief van B. en W., waarin de bedoelde waarschuwing wordt gedaan, een wettig bewijsmiddel oplevert, zie ook II. R, 25 Nov. 1869, W. 5801, P. v. J. 1890 n0. 9.
Tot het bij proces-verbaal constateeren van alle strafbare feiten zijn bevoegd de Ambtenaren en beambten, opgenoemd in art. 8 W. v. S.v., ieder voor hot grondgebied waarvoor hij is aangesteld. Onder de daar voorkomende uitdrukking âveldwachtersquot; zijn volgens de vaste jurisprudentie van den Hoogen Raad niet alleen begrepen de Gemeente-, doch ook de Rijksveldwachters. Deze kaatsten zijn, evenals de Officieren en Onder-officieren der Koninklijke Maré-chaussée, bevoegd door het geheele land. Boschwachters als bedoeld in art. 8 zijn er niet meer. Stelt een
I
216
Gemeentebestuur bosehwachters aan, dan hebben die geene algemeene bevoegdheid tot het opsporen van strafbare feiten. Immers, zij worden niet opgenoemd in art. 190 en 191 der Gemeentewet (zie arrest H. 11. 24 Oct. 1887, W. 5489 N. R. CXLVII blz 119).
Buitendien zijn bevoegd processen-verbaal op te maken de ambtenaren en beambten, bij eenige bijzondere Wet of wettige verordening met eenig toezicht belast, ter zake van de feiten aan huu toezicht onderworpen a). Door die opdracht aan speciale ambtenaren en beambten blijft echter de bevoegdheid der in art. 8 opgenoemden onverkort. (Zie ook arresten H. R. 15 Maart 1875, W. 3837, N. R. CIX, § 23 en 27 Oct. 1884, W. 5096, N. R. CXXXVI1I, § 7). Die speciale beambten zijn echter onbevoegd om processen-verbaal op te maken ter zake van feiten, niet aan hun toezicht onderworpen. Zoo missen bewijskracht de processen-verbaal van agenten van Politie, ter zake van feiten bij het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld. (Zie arresten H. R. 9 Dec. 1889, W. 5811, P. v. J. 1890, n0. 17, N. R. ('LUI, blz. 351 en het reeds vermelde van 24 Oct. 1887, W. 5489). Zie ook omtrent do onbevoegdheid van de Rijksontvangers in Noord-Brabant, die niet speciaal belast zijn met het opsporen van overtredingen van de voorschriften omtrent de provinciale paardenbelasting, en uit den aard van wier betrekking het ook niet volgt daaromtrent authentieke akten op te maken, een arrest van den II. R. van 28 Juni 1886, W. 5323. Zie verder een arrest van den II. R. van 27 Juni 1892 (W. 6215, N. R. CLXI, 263, P. v. J. 1892, n0. 75) waarbij beslist werd dat de processen-verbaal van Ambtenaren van s Rijks belastingen, bij K. B. aangewezen om te zorgen voor de naleving der
a) Zij behouden die bevoegdheid, ook wanneer de straf bepalingen uit de bijzondere Wet naar het Wetboek van Strafrecht zijn overgebracht, (art-13 invoeringswet.)
217
voorschriften, gegeven tot wering van besmettelijke veeziekten, bewijskracht hebben omtrent de overtreding van die voorschriften. Zie eveneens een arrest van den H. R. van 11 Maart 1889 (W. 5091) dat de bewijskracht aanneemt van de ambtseedige verklaring van den Ambtenaar van het O. M. omtrent de tenuitvoerlegging van een vonnis.
Is een proces-verbaal niet op ambtseed opgemaakt, dan kan de eed, door den verbalisant ter terechtzitting als getuige afgelegd, niet gehouden worden voor eene bevestiging bij eede van dat proces-verbaal. Een voorbeeld van eene dusdanige bevestiging vindt men in art. 38 der jachtwet (zie ook Leon art. 4X7 no. 1.)
Daar een proces-verbaal in het wezen der zaak is een schriftelijk getuigenis van één persoon, waaraan de wet volledige bewijskracht geeft, geldt veel wat gezegd is omtrent de getuigeverklaring ook voor het proces-verbaal, behoudens dat hier de verklaring van één getuige volledig bewijs is, en dat dit procesverbaal ook dan volledig bewijs is tegen een beklaagde, wanneer de verbalisant uit hoofde van familiebetrekking niet als getuige onder eede zou kunnen worden gehoord (arrest H. R. 3 October 1881, AV. 4089, v. d. H. G. Z. D. 33 blz. 200, N. R. CXXIX bl. 1). Het zal dus moeten loopen over wat de verbalisant zelf heeft gehoord, gezien of ondervonden. Blijkt uit het vonnis, waarin de inhoud van het proces-verbaal, voorzoover die tot het bewijs medewerkt, op straffe van nietigheid moet worden medegedeeld (zie o.a. arrest H. R. 29 Mei 1893, W. 0354, P. v. J. 1893, n0. 50, N. R. CLXIV, 120, v. d. H. J. amp; V. 10, 233), dat tot het bewijs eene verklaring de auditu heeft medegewerkt, het vonnis zal moeten worden vernietigd (H. R. 14 Moi 1888, W. 5557). Het is echter niet noodig dat bet proces-verbaal inhoudt de redenen van wetenschap van den verbalisant. (H. R. 15 November 1886, W. 53G7, N. R. CXLIV, bl. 152). Het is evenmin noodzakelijk dat het proces-verbaal
218
door den verbalisant zelf is gesclireven. (IT. R. 23 Mei 1892, W. 6193, N. R. GLXI, 97 v. d. H. 1892, 219, P. v. J. 1892, nquot;. G9).
§ 66. Artikel 402 W. v. S.v. luidt: âDe rapporten van âdeskundigen, van ambtswege benoemd om over de âbijzonderheden of gesteldheid eener zaak hun oor-âdeel en hunne bevinding te verklaren, kunnen alleen âdienen om tot des Regters inlichting te verstrekken' . Alhoewel dit artikel voorkomt in de afdeeling âvan schriftelijke bescheidenquot; moet worden aangenomen, dat het ook geldt voor de mondelinge verklaringen der deskundigen ter terechtzitting. Uit het artikel volgt, dat volgens ons recht de deskundige beschouwingen der deskundigen nooit wettig bewijs kunnen opleveren. Zij kunnen slechts dienen tot inlichting van den Rechter. In het vonnis zal dus moeten vermeld worden, dat de Rechter zich met het gevoelen dei-deskundigen vereenigt, en dat hij dat overneemt. Staat er iets dergelijks niet in; wordt alleen door de verklaringen der deskundigen iets bewezen verklaard; hot vonnis zal in cassatie zeer zeker worden vernietigd (zie Leox art. 438 n03- 3, 5 en 11). Zonder eenigen twijfel is het in strijd met het gezond verstand van den Rechter steeds te eischen, dat hij zijn oordeel uitspreke over een wetenschappelijk advies; maar niet minder waar is het, dat de Wet dat nu eenmaal wil. Terecht heeft overigens de Wetgever aan den Rechter de beslissing gelaten, of hij zich bij het maken van gevolgtrekkingen uit in het geding gebleken feiten, of bij liet opsporen dier feiten zelve door deskundigen wil doen voorlichten; hij kan het nalaten, zelfs wanneer de beklaagde het verzoekt. (Zie Leon 438 n0. 2 en 443 n0. 2). Acht hij deskundige voorlichting noodig, dan staat het hem vrij er één of meer dan één te beëedigen; wordt oen onderzoek gewenscht, dan zal het echter in den regel wenschelijk zijn er twee te beëedigen. Al is volkomen waar wat Mr. de Pjnïo zegt: âer zijn geen zaken
219
âwaarvan de Rechter rechtens geen verstand heeftquot;, een verstandig Rechter zal natuurlijk bemerken, dat zulks feitelijk allicht het geval is, en niet lichtvaardig deskundige hulp versmaden of een degelijk deskundig advies verwerpen.
Intusschen is het geoorloofd den deskundige behalve als zoodanig, ook als getuige te beëedigen en te hooren. Dit zal steeds van belang zijn, wanneer aan den deskundige gevraagd wordt, niet slechts den Rechter voor te lichten bij het maken van gevolgtrekkingen uit de in het geding gebleken omstandigheden, maar ook om te verklaren omtrent hem bij zijn deskundig onderzoek gebleken feiten. Heeft de deskundige eene lijkschouwing verricht, dan zal hij als getuige kunnen verklaren, omtrent den toestand van de verschillende organen en van wonden en beleedigingen. De Rechter zal dan, zoo hij door den deskundige-getuige overtuigd is, diens verklaring als aanwijzing tegen den beklaagde kunnen gebruiken. De gevolgtrekking, die de deskundige daaruit maakt omtrent de oorzaak van den dood, zal geen bewijs zijn. Zij zal, zooals reeds gezegd is, den Rechter slechts tot voorlichting kunnen dienen bij de gevolgtrekking, die de Rechter zelf uit de bij de schouwing gebleken feiten moet maken, zich al of niet met die van den deskundige vereeni-gend (Leon art. 438, nquot;. 3).
Is iemand als getuige en als deskundige gehoord, dan moet natuurlijk uit zijne in het vonnis opgenomen verklaring blijken, wat hij bij onderzoek heeft geconstateerd, en wat hij bij redeneering daaruit heeft afgeleid. Daaruit blijkt voldoende wat eigenlijke getuigeverklaring en wat deskundige beschouwing is. Het is volstrekt niet noodig, dat de Rechter in zijn vonnis ook nog aanwijst, welk gedeelte dier verklaring hij als getuigeverklaring tot het bewijs laat medewerken en welk gedeelte hij als deskundige beschouwingen overneemt. (Zie o. a. arrest H. R. 16 Juli 1894, W. 653(3, P. v. J. 1894, n0. 74).
220
§ 67. Eene bekentenis, door den beklaagde ter terechtziting of voor den llechter-Comraissaris gedurende de instructie of de voorloopige informatien a) afgelegd, dat hij het aan hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd, en vergezeld van eene bepaalde en nauwkeurige opgave van omstandigheden, welke ook, hetzij uit eene verklaring van den persoon tegen â vvien het feit is gepleegd, desnoods onbeëedigd b), of uit andere bewijsmiddelen, bekend zijn en daarmede overeenstemmen, kan een volledig bewijs van schuld opleveren, doch slechts tegen hem die haar aflegde.
Het is intusschen niet noodig, dat ieder onderdeel eener bekentenis van elders bevestigd zij. Zie o. a. arrest H. R. van 27 December 1893, \V. 0458, P. v. J. 1894 n0. 22. Ofschoon het niet uitdrukkelijk in de Wet is voorgeschreven, volgt het uit den aard der zaak, dat ook eene bekentenis of erkentenis van den beklaagde alleen als direct of indirect bewijsmiddel in aanmerking mag komen, voorzoover ze loopt over feiten door den beklaagde zelf gehoord, gezien of ondervonden, (arrest H. R. 81 Augustus 1891, W. 6081, P. v. J. 1892 n0. 5, v. d. H. S.r. 1891 276). Voor strafzaken is nergens verboden de bekentenis van den beklaagde te splitsen (arrest H. R. 11 October 1886, W. 5348, N. R. CXLIV blz. 21).
Eene bloote bekentenis van schuld, door geenerlei in het geding bekende omstandigheden bevestigd, kan nooit wettelijk bewijs opleveren (404). De herroeping eener gerechtelijke bekentenis van schuld maakt haar niet krachteloos, tenzij die herroeping op aannemelijke redenen gegrond zij (405).
§ 68. Om goed te begrijpen wat eene aanwijzing
а) Zie o. a. het arrest vau flcn U. R. Tan 15 December 1884, W. 5131, v. d. H. S.r. 1888, 201 n. R. CXLIV § 5 en de rechtspraak bij Leon art. 439 no. 2.
б) Zie de rechtspiaak bij Leon art. 439 no. 3.
221
is, client men vóór alles als waarheid aan te nemen, dat de Wetgever ten onrechte de aanwijzing onder de bewijsmiddelen opnam. Dat zoogenaamde bewijsmiddel toch moet op zijne beurt, zooals Mr. de Pinto a) terecht opmerkt, door bewijsmiddelen bewezen worden, en dat is met het begrip bewijsmiddel bezwaarlijk te rijmen. Toen de Wetgever de aanwijzingen onder de bewijsmiddelen opnam, bedoelde hij klaarblijkelijk den Rechter vrijheid te geven om als bewezen aan te nemen, niet alleen wat rechtstreeks uit de getuige-verklaring of de schriftelijke akte voortvloeit, maar ook wat hij daaruit bij redeneering kan afleiden. Welke gevolgtrekkingen de Rechter maakt uit elk der hem gebleken feiten of omstandigheden in het bijzonder, en hoe hij er toe komt om door dat samenstel van feiten en omstandigheden het telastegelegde bewezen te verklaren, behoeft uit het vonnis niet te blijken; het spreekt echter van zelf dat het, met het oog daarop, dat later wellicht een ander Rechter geroepen wordt de zaak te beoordeelen, wenschelijk kan zijn dat een en ander in het vonnis wel vermeld wordt. In het maken van die gevolgtrekkingen, met andere woorden in de beoordeeling van de kracht der aanwijzingen, laat de Wet den Rechter volkomen vrijheid; slechts drukt zij hem, en terecht, op het geweten, daarbij de uiterste nauwkeurigheid in acht te nemen. Vaak wordt het voorgesteld alsof de Rechter, die scherpzinnig aanwijzingen verzamelt, en daaruit gevolgtrekkingen maakt, dusdoende zou handelen in strijd met de Wet. Is hij daarbij met nauwgezetheid en ernst en niet lichtvaardig te werk gegaan, dan kan ik die grief niet deelen. Veel meer zou ik meenen, dat die Rechter in zijne taak te kort schiet, die niettegenstaande hij innig overtuigd is, dat de beklaagde schuldig is, vrijspreekt, eenvoudig omdat er
a) Handleiding II, blz. 662, noot a.
222
geen rechtstreekscli bewijs is. Heeft de Rechter een-maal de overtuiging gekregen, dat de beklaagde werkelijk het feit gepleegd heeft, dan zal hij ernstig moeten nagaan hoe hij aan die overtuiging kwam. Want het voorschrift der Wet, dat er slechts veroordeeling mag volgen, wanneer eene overtuiging is verkregen door wettige bewijsmiddelen, kan niet verhinderen dat eene overtuiging zich in zijn binnenste vestigt, zonder dat hij naging of wettig bewijs aanwezig is. En dat nader onderzoek zal dan aan het licht brengen of, dat die overtuiging zich vestigde door volstrekt niet gewaagde gevolgtrekkingen uit behoorlijk bewezen feiten, en dus tot veroordeeling leiden, of wel, dat die gevolgtrekkingen waren gewaagd of die feiten niet behoorlijk bewezen. Men bedenke toch dat het 's Wetgevers bedoeling, toen hij hot bewijs regelde, niet was de veroordeeling van den schuldige vaak onmogelijk tc maken, doch slechts om do veroordeo-ling van onschuldigen te voorkomen. Hij moge daarin niet geslaagd zijn, een onbereikbaar doel nagestreefd hebben, te ontkennen is het niet dat, al was er geene wettelijke bewijstheorie, dat er clan nog vaste regelen zouden zijn voor het bewijs; dat ook dan nog de Rechter geen gewicht zou hechten aan wat een getuige slechts had van hooren zeggen, of slechts veronderstelde; dat hij ook dan uiterst voorzichtig zoude zijn met de verklaring van één enkelen getuige oi van een kind. Ook al had de W etgevei niet uitdrukkelijk voorgeschreven dat aanwijzingen slechts door rechtstreeksch bewijs kunnen bewezen worden, ook dan nog zou de Rechter zonder eenigen twijfel nalaten om door redeneeringen het bestaan van feiten aan te toonen, om vervolgens weder door redeneeringen uit die feiten te komen tot het bestaan van andere; voorwaar eene uiterst gevaarlijke bewijsvoering. Bij de bestrijding van het bewijs door aanwijzingen wordt vaak aangetoond, dat de verschillende aanwijzingen o/j zich zelvcn niets bewijzen, liet
223
valt in het oog dat tegen die redeneering in de eerste plaats moet worden in het midden gebracht, dat de kracht der aanwijzingen ook ligt in hun onderling verhand en samenhang.
Het bestaan der aanwijzingen kan slechts worden bewezen door:
1°. Getuigen ; hierbij valt op te merken, dat al hetgeen boven gezegd is, omtrent het bewijs door getuigen ook hier geldt, met name art. 397 2e lid, zoodat onder de daar vermelde omstandigheden voor het bewijs van elke aanwijzing één getuige voldoende is; (zie o.a. arresten H. R. 12 April 1887, W. 5418, N. R. GXLV bl. 452 en 30 November 1891, W. 0121 P. v. J. 1892 n0. 25, N. R. CLIX, 281);
2°. schriftelijke bescheiden',
3°. persoonlijk onderzoek of hezichtiging bij dat Rechter gedaan; zoo zal de Rechter als aanwijzing kunnen aannemen: de houding van den beklaagde ter terechtzitting (arrest H. R. 24 Nov. 1879 N. R. GXXIII § 21); de hem gebleken onvereenigbaarheid der verschillende opgaven van den beklaagde (H. R. 14 Nov. 1887, W. 5514, N. R. 147, 254); tie omstandigheid dat een beklaagde ter terechtzitting in gebreke is gebleven eene opheldering te geven, die hij naar 's Rechters oordeel had kunnen en moeten geven (H. R. 11 Dec. 1893, W. 6443, P. v. J. 1894 12 v. d. II. S.r. 1893, 30G); de hem bij persoonlijk onderzoek gebleken overeenkomst van het geschrift, (arrest H. R. 6 Maart 1880 N. R. CXXIV § 21) enz.;
4°. eigen erkentenis van den beklaagde, zelfs buiten gerechte gedaan. In de eerste plaats zij hier opgemerkt, dat de Wet onder bekentenis verstaat, de volledige belijdenis van schuld voor den Rechter gedaan; onder erkentenis niet alleen de erkenning van elementen van het strafbaar feit of van feiten of omstandigheden die tot het bewijs daarvan medewerken, doch ook de volledige bekentenis van schuld buiten rechte aan een Politiebeambte of aan een ander persoon gedaan.
224
Terwijl de Wet terecht de bekentenis slechts onder de directe bewijsmiddelen opnoemt, maakt zij ten onrechte de erkentenis uitsluitend tot een bewijsmiddel der aanwijzing; logisch toch is ook eene buitengerechtelijke volledige bekentenis zeer zeker een recht-streeksch bewijs van schuld. Eene eenvoudige bevestiging van de buitengerechtelijke bekentenis zal dus nooit een voldoend bewijs van schuld kunnen zijn; daarbij zal steeds nog eene aanwijzing of ander wettig bewijsmiddel moeten komen. Herhaaldelijk besliste de Hooge Raad, dat eene buitengerechtelijk bekentenis, ook dan als bewijsmiddel voor eene aanwijzing kan worden gebruikt, wanneer zij wel wordt herroepen, doch die herroeping niet op aannemelijke gronden rust (zie o.a. arrest 30 November 1891, AV. G121, P. v. J. 1892 n0. 25, N. R. CLIX, 281).
Nader in beschouwingen te treden omtrent de jurisprudentie over aanwijzingen, zou mij te ver voeren ; ik volsta met op te merken, dat de Rechter als aanwijzing kan aannemen wat hij daarvoor houdt, en te verwijzen naar Leon, art. 442, 443, 4 (4. Slechts wensch ik er uitdrukkelijk op opmerkzaam te maken, dat nooit als aanwijzing mag worden gebruikt be-klaagdes ontkentenis van het hem te laste gelegde of van eenig feit of eenige omstandigheid, die van elders in het geding bewezen is, (zie o.a. arrest H. R. van 24 October 1892, W. 6258 en Mr. nu Pinto, het herziene Wetboek van Strafvordering ad art. 408). Wel kan als zoodanig in aanmerking komen de bewezen onwaarheid zijner opgaven (zie Leon 412 n0. 9), wel het niet tegenspreken van de herhaalde aantijging, dat hij het feit zou hebben gepleegd (arrest H. R. 30 Maart 1885, W. 5150, v. d. H. S.r. 1885 blz. 72, N. R. CXXXIX § 39). Ook wensch ik nog de aandacht te vestigen op een arrest van den Hoogen Raad van 29 Juni 1885, (W. 5194 v. d. H, S.r. 1885 blz. 198, N. R. CXL § 39). Daarbij werd vernietigd een arrest van het Gerechtehof te Arnhem,
225
waarbij als aanwijzing was gebruikt de verklaring van een getuige, dat de verslagene hem dadelijk na de verwonding had medegedeeld, dat beklaagde de dader was. De Ilooge Raad besliste uitdrukkelijk, dat de omstandigheid dat de mededeeling omniddelijk na de verwonding plaats had, geeue verandering bracht in het feit dat de getuigeverklaring is eene verklaring de auditk en dus niet geoorloofd. Dat aanwijzingen niet door aanwijzingen kunnen worden bewezen, werd o.a. beslist bij arrest van den II. R. van 4 Februari 18S9, W. 5671, P. v. J. 1889, un. 31.
Ten slotte zij hier nog gezegd dat, wanneer door eene getuigeverklaring of eeue schriftelijke akte liet bewijs eener aanwijzing wordt geleverd, zulks dan uit het vonnis zal moeten blijken; blijkt het niet dan zal het er voor moeten gehouden worden dat een en ander slechts als rechtstreeksch bewijs is gebruikt (zie o. a. arrest H. li. 20 Mei 1880, W. 5721, N. II., CLII, blz. 90, P. v. J. 1889, n0. 75). Is echter door eene getuigeverklaring of schriftelijke akte zoowel rechtstreeksch als indirect bewijs geleverd dan behoeft uit het vonnis niet te blijken, welk gedeelte als rechtstreeksch en welk gedeelte als indirect bewijs heeft gediend. (Zie arrest II. R. 19 Januari 1891, W. 5988).
§ (59. Art. 409 van het Wetboek van Strafvordering luidt; âIn de gevallen waarin do Wet toelaat per-âsonen te hooren, die onbevoegd zijn om als getuigen op te treden, (zie art. 1G2, 104, 105 en 293) âzal derzelver verklaring alleen als toelichting mogen âworden aangemerkt. De Rechter zal alzoo geen vol-âkomen geloof mogen hechten aan hetgeen zoodanige âonbevoegde getuigen verklaren te hebben gehoord, âgezien en ondervonden, al ware zulks met redenen âvan wetenschap bekleed, maar hunne verklaringen âalleen doen strekken om bekend te worden met en âop het spoor te geraken van daadzaken, welke van âelders kunnen blijken of bevestigd worden.quot; a) liet
a) Zie ook art. 167.
15
226
artikel munt niet uit door duidelijkheid. Er blijkt intusschen uit, dat hetgeen de daarin opgenoemde personen verklaren, nooit tot het wettig bewijs zal kunnen medewerken. Is er slechts één getuige of ééne aanwijzing, het feit zal niet kunnen worden bewezen al zijn er de meest afdoende verklaringen van personen als in het artikel worden opgenoemd. M. i. kan de beteekenis van het - artikel alleen deze zijn, dat de Rechter bij het maken van gevolgtrekkingen uit behoorlijk bewezen aanwijzingen zal mogen gebruik maken van de verklaringen dier zoogenaamd onbevoegde getuigen. Intusschen zal men er voor dienen te waken, zich niet te laten verleiden door die onbeëedigde verklaringen om als aanwijzingen te gebruiken feiten en omstandigheden, welke den toets eener verstandige kritiek niet kunnen doorstaan.
§ 70. De qualificatie is, aldus het arrest van den II. R. van 29 Juni 1885, W. 5197, eene aan de Wet zelve ontleende rechtskundige benaming of omschrijving, de bijzondere kenmerken van het strafbaar feit uitdrukkende, hetwelk de Rechter aanwezig oordeelt; de bloote vermelding, dat bepaalde artikelen eener Wet of verordening zijn overtreden, is niet eene qualificatie. Voor het geval de Wet zelve het straf baai-feit een naam heeft gegeven: âstraatschenderij (art. 424), âstrooperijquot; (art. ^14), zullen die woorden zelve de qualificatie zijn. Doet zij dit niet, dan is het de gewoonte «), daarvoor te gebruiken zooveel mogelijk de woorden van het overtreden voorschrift met bij\oegmg van den naam der Provincie of der Gemeente, zoo het eene overtreding van een Provinciaal Reglement of eene Gemeenteverordening geldt. Men zie intusschen de belangrijke beschouwingen van den Bosschen Kantonrechter Mr. Abbe.ma in W. 5210, die voor het laatste geval eene andere meening huldigt.
«) Zoo doet ook de H. K. 2ie bijy. arrest vau 13 Mei 1889, (W. 5718.)
227
Van belang is in. i. een arrest van den H. R. van 17 October 18S7 (W. 5487), beslissende dat, daar in den titel tot opschrift dragende âmeineedquot; (Titel IX, boek II) slechts één artikel voorkomt, liet misdrijf, voorzien bij dat artikel, kan worden gequalificeerd âmeineed,quot; niettegenstaande die benaming in het artikel niet voorkomt. Men zou dus ook de overtreding van art. 450 kunnen qualificeeren: âovertreding betreffende hulpbehoevendenquot;. Valt een feit onder meer dan een artikel dan behoeft slechts gequalificeerd te worden volgens het artikel dat toegepast wordt. (Zie T. v. S.r. IV blz. 471, art. 55, n0. 6). De Rechter is niet verplicht de juistheid der door hem aan de feiten gegeven qualificatie met rechtsgronden te be-toogen. (11. R. 3U October 18(J3, W. 6422, P. v. J. 1893, nquot;. 92, N. li. CLXV, 92).
§ 71. Tegen de overtreding is als hoofdstraf in den regel geldboete bedreigd; vaak is de keus gelaten tusschen geldboete en principale hechtenis-straf; soms is principale hechtenisstraf verplichtend gesteld; bij strooperij heeft de Rechter de keuze tusschen geldboete en gevangenisstraf. De geldboete wordt opgelegd voor ten minste /'0.50, de vrijheidstraf voor ten minste één dag. De vrijheidstraf wordt in het vonnis aangewezen in dagen, weken en maanden, niet in gedeelten daarvan. Is er eene geldboete opgelegd, dan wordt in het vonnis tevens bepaald de duur der hechtenis die, bij niet-betaling binnen twee maanden na den dag waarop de Rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoergelegd, voor de geldboete zal in de plaats treden. De duur der vervangende hechtenisstraf is ten minste één dag, en ten hoogste zooveel maal een dag als het maximum der bedreigde geldboete vijf en de opgelegde een halven gulden bevat. Zij kan echter voor niet langer dan zes maanden worden opgelegd ; bij samenloop en herhaling voor niet langer dan acht maanden, (art. 23,21,18 en 1U, W. v. S.r.)
Valt een feit in meer dan eene strafbepaling dan
228
wordt slechts eene dier bepalingen toegepast; bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstiaf «) is gesteld. Indien voor een feit, dat in eene algemeene strafbepaling valt, eene bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze laatste alleen in aanmerking (art. 55).
Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zich zelf misdrijf of overtreding opleverende, in zoodanig verband dat zij moeten beschouwd worden als ééne voortgezette handeling, dan wordt slechts ééne straf toegepast, bij verschil die, waarbij de zwaarste hootd-straf is gesteld, (art. 5(3). De memorie van toelichting op
dit artikel zegt terecht, dat de vraag of er is eene voortgezette strafbare handeling, is eene bloot feitelijke vraag, die de Wet niet kan uitmaken. Zij zegt verder dat een voortgezet strafbaar feit alleen kan ontstaan uit de vereeniging van meerdere gelijkxoortigc teiten. Ware dit niet de meening van den Wetgever, dan was het 2e lid van art. 50 overbodig. Zoo oordeelde ook de H. R. dat het zich in kennelijken staat van dronkenschap bevinden en daarbij verwekken van rumoer of burengerucht, waardoor de nachtrust kan worden verstoord, nooit kan zijn eene voortgezette overtreding, immers het eene is eene overtieding betreffende de zeden, het andere eene betreffende de openbare orde. (Zie o. a. arrest 19 Maart 1894, A\ . 6179, P. v. J. 1894, nquot;. 40). Wanneer is geconstateerd dat iemand op verscheidene dagen achter elkander eene mestverzameling had op verboden wijze, dan moet, wordt in het vonnis aangenomen dat het zijn meerdere overtredingen, daaruit blijken waarom het niet is eene voortgezette (arrest l i. R. 5 Nov. 1888, W. 5035). Het kort achter elkander bejagen van verschil-
a) De zwaarste hoofdstraf is de gevangenisstraf, dan volgt de hechte-nisstraf, dan de geldboete. Waar den Rechter de keus tusschen twee hoofdstraffen is gelaten, komt bij de vergelijking alleen de zwaarste dier Straffen in aanmerking. De betrekkelijke zwaarte van gelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door het maximum. De betrekkelijke duur zoowel van ongelijksoortige als van gelijksoortige hoofdstraffen wordt eveneens bepaald door het maximum, (art. 61).
229
lende gronden waarvan het jachtrecht is bij verschillende personen, kan eene voortgezette overtreding zijn (arrest H. R. 30 April 18S8, W. 5556). Maar gelijksoortige handelingen behoeven niet eene voortgezette overtreding te zijn; zoo zal, hot spreekt eigenlijk van zelf, wanneer een herbergier op verschillende avonden het sluitingsuur niet in acht neemt, hij even zoovele overtredingen plegen. (Zie arrest H. li. 19 Maart LS94, W. 6480).
Bij samenloop van meerdere overtredingen, die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd, wordt voor elke overtreding zonder vermindering straf opgelegd. (Zie ook vonnis Rechtbank Amsterdam 29 April 1891. W. 6085). liet is daarbij onverschillig of beklaagde ook nog schuldig is aan misdrijven. De straften van hechtenis, vervangende hechtenis daaronder begrepen, mogen voor de overtredingen gezamenlijk den tijd van acht maanden niet te boven gaan. a) (art. 62). Niettegenstaande de bepaling van den langsten duur der vervangende hechtenis, blijft echter de Rechter vrij, de boeten zeiven ieder tot een onverminderd bedrag op te leggen, hoe hoog het gezamenlijk bedrag ook stijge. Eene andere meening zou leiden tot het zonderling resultaat, dat bij samenloop de boete van art. 4r)(gt; slechts voor een aanmerkelijk minder bedrag zou kunnen worden
a) Deze bepaling geeft tot onoverkomelijke moeilijkheden aanleiding daar er overtredingen zijn, waartegen heelitenis van een jaar bedreigd is, wat men over liet hootd heelt gezien. Bij samenloop zal men voor eene dergelijke overtreding m. i. inderdaad aanmerkelijk minder dan het maximum moeten opleggen, wat al heel zonderling is. De fout is klaarblijkelijk daardoor ontstaan dat men slechts rekening heeft gehoudenmet het hoogste maximum van het Wet boek (6 maanden), terwijl natuur lijk de bepaling bij samenloop van misdrijven gemaakt, (een derde boven het hoogste maximum) bij overtredingen onbruikbaar was met het oog op de vaak kleine straffen. Men had aan de bepaling moeten toevoegen, dat voor het geval tegen eene der overtredingen reeds meer dan 6 maanden mocht zijn bedreigd, dat dan het gezamenlijk bedrag der straffen niet meer dan een derde boven het hoogste maximum mocht gaan. Men zie ook Mr. J. v. W. P. in W. 5320.
230
opgelegd, dan wanneer de beklaagde zich alleen aan die overtreding schuldig maakte.
Heeft een beklaagde zich schuldig gemaakt aan meerdere feiten van strooperij, die geene voortgezette handeling uitmaken, doch als meerdere zelfstandige handelingen moeten worden beschouwd, dan wordt slechts ééne straf uitgesproken die niet hooger dan een derde boven de straffen van art. 314 kan gaan.
Intusschen dient er voor de toepassing van de regelen van samenloop op gelet te worden, of er wel inderdaad meer dan een strafbaar feit gepleegd is. Zoo zal het gelijktijdig ter zelfde plaatse op den openbaren weg onbeheerd laten staan van meer dan een trekdier slechts ééne overtreding zijn (arrest H. K. 4 Maart 1889, N. 11. CLI, 200). Evenzoo hot ter zelfde plaats en tijd verkoopen van meerdere brooden, die niet voldoen aan de voorschriften eener plaatselijke verordening (arrest 13 Mei 1889, W. 57J 8).
Indien iemand, na veroordeeling tot straf, op nieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding vóór die veroordeeling gepleegd, dan mag geene zwaardere straf worden opgelegd, dan zou kunnen geschied zijn, wanneer zij gelijktijdig waren aangebracht. (art. 63.) Volgens de regelen bij samenloop gegeven, zal dus de hoogste straf, die dan zou kunnen zijn opgelegd, moeten worden berekend. \ ermindert men deze met de reeds opgelegde, dan zal men de straf vinden, die men nog kan uitspreken. \ an belang is een arrest van den H. R. van 30 Sept. 1889, (medegedeeld in T. v. S. \ blz. 487), waarbij werd verworpen het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te Alkmaar van 4 Juni 1889, bevestigend een vonnis van het Kantongerecht aldaar. Bij dat vonnis werd beslist, dat de regelen van samenloop niet behoeven toegepast te worden, wanneer iemand terecht staat ter zake van openbare dronkenschap bij herhaling gepleegd op 8 Maart 1889 en hij reeds den 14 December 1888
231
wegens dronkenschap bij verdere herhaling was veroordeeld, welk laatste vonnis echter door een beroep in cassatie eerst den 25 Maart 1889 was onherroepelijk geworden. Dat arrest beslist dus, dat van toepassing van art. Go slechts dan sprake kan zijn, wanneer beide feiten zijn voorafgegaan aan de veroordeeling in eersten aanleg wegens het eerst berechte feit.
Behalve de hoofdstraffen zijn er nog bijkomende straffen, die de Rechter in de bij de Wet bepaalde gevallen bij veroordeeling kan uitspreken. Zij zijn:
1°. OnlzeUing van bepaalde rech ten, Ouders of voogden, die opzettelijk met een aan hun gezag onderworpen minderjarigen aan strooperij deelnemen, kunnen bij veroordeeling tot gevangenisstraf voor een tijd den duur der hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaande a), worden ontzet van de vaderlijke macht, de voogdij, de toeziende voogdij, de curateele of de toeziende curateele, zoowel over eigen kinderen als over anderen, (art. 30).
2°. Plaatsing in ren Rijksiverkinrichting. Bij veroordeeling op grond van art. 453 4e lid, W. v. S.r. kan de schuldige worden veroordeeld tot plaatsing in eene rijkswerkinrichting voor den tijd van ten minste 8 maanden en ten hoogste 1 jaar. Die plaatsing kan slechts geschieden, wanneer de veroordeelde tot werken in staat is. h) In het vonnis dient daaromtrent uitdrukkelijk in onderzoek te worden getreden. Wettig bewijs
a) Is er eene boete opgelegd, dan voor ten minste twee en ten hoogste vijf jaren. (art. 31).
b) Bij eirculaire van den Minister van Justitie van 2 October 1SQI (opgenomen in W. fiOS-i) wordt er de bijzondere aandacht der Ambtenaren van het O. M. op gevestigd, dat zij slechts dan plaatsing in eene Rijks-werkinrichticg mogen vorderen, wanneer de beklaagde inderdaad tot werken in staat is, en dat zij daaromtrent al'.e mogelijke inlichtingen moeten verzamelen. Ook worden die Ambtenaren er op gewezen, in hunne vorderingen den duur van het verblijf in eene rijkswerkinrichting zoodanig te regelen, dat de veroordeelde ontslagen worde op een tijdstip, dat hij met het oog op zijn ambacht, het meeste kans heeft om werk te vinden.
232
is daarvoor natuurlijk niet noodig. Het kan o. a. blijken door do verklaring van beklaagde of getuigen, of door 's Rechters eigen aanschouwing van den beklaagde.
3°. Verbeurdirrklaring van bepaalde voorwerpen. Zij is verplichtend in de gevallen voorzien bij art. 45 der Wet van 13 Juni 1857 {Slbl. 87) en bij art. 34 der AVet van 7 April 1800 [Slbl. 57). Zij kan geschieden m de gevallen van art. 314 en art. 440, A\ . v. S.r., bij overtreding van de Wet van 9 Mei 1890 [Slbl. 81) en krachtens Gemeenteverordening, (art. 33). Bij Gemeenteverordening kan echter slechts verbeurdverklaring worden bedreigd, voor zoover het voorwerp waarmede de overtreding is gepleegd, of dat door overtreding is verkregen, den veroordeelde toebehoort. Over de vraag of bij Gemeenteverordening de verbeurdverklaring ook imperatief kan worden bedreigd, zie de conclusie van den Advokaat Generaal Pati.tx, voorafgaande aan het arrest van den 11. R. van 29 Juni 1891 (W. 0004) en Mr. Krabbe; de straf wetgevende bevoegdheid der Geuieentebealuren. Ik zou ook meenen, dat hot in den geest van het Strafwetboek is, ook deze bijkomende straf slechts facultatief voor te schrijven. Zie over de vraag of verbeurdverklaring van levend jachttuig mogelijk is, S. in W. 579/.
Verbeurdverklaring van niet in beslag genomen voorwerpen wordt, ingeval die voorwerpen niet worden uitgeleverd of het geldelijk bedrag, waarop zij bij de uitspraak worden geschat, niet wordt betaald, binnen twee maanden na den dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, vervangen door hechtenis van ten minste een dag en ten hoogste G maanden. Die hechtenis wordt in het vonnis zoodanig bepaald, dat niet meer dan één dag hechtenis voor eiken halven gulden der geschatte waarde in
de plaats treedt, (art. 34).
4°. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Krachtens art. 8 der Wet van 23 Juni 1889 {btbl. 82)
233
kan de Rechter openbaarmaking gelasten op kosten van den veroordeelde van een vonnis wegens overtreding dier Wet of van een extract daarvan. Bij liet vonnis wordt tevens bepaald op welke wijze de uitspraak moet worden openbaar gemaakt. Daar die wijze niet is voorgeschreven, is zij geheel en al ter keuze van den Rechter. Zij zal bijv. kunnen geschieden door aanplakking of door plaatsing in een dagblad.
Bij samenloop worden de bijkomende straffen van plaatsing in eene rijkswerkinrichting opgelost in ééne straf, die echter in geen geval langer dan driejaren kan duren; de verbeurdverklaringen en de daarvoor in de plaats tredende straffen worden zonder eenige vermindering opgelegd; ontzetting uit dezelfde rechten kan voor niet langer geschieden dan boven is medegedeeld, ontzetting uit verschillende rechten wordt zonder eenige vermindering voor elk misdrijf afzonderlijk uitgesproken, (art. 62 en 60.)
Als daders van een strafbaar feit worden gestraft:
1°. niet alleen zij die het feit plegen, maar ook zij die het doen plegen of medeplegen, en verder 2°. zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding het feit opzettelijk uitlokken. Ten aanzien der laatsten komen alleen die handelingen in aanmerking, die zij opzettelijk hebben uitgelokt, benevens hare gevolgen, (art. 47.)
Omtrent hot doen plegen van een strafbaar feit zegt de M. v. T. (Smidï I S.r. ld. 404): âdader is evenzeer hij die het feit pleegt, niet persoonlijk maar âdoor tusschenkomst van een ander, als werktuig in âzijne hand, wanneer die andere wegens de onwetend-âheid waarin hij verkeert, do dwaling waarin hij âis gebracht of het geweld waarvoor hij zwicht, handelt âzonder schuld, opzet of toerekenbaarheid.quot; In eene conclusie van den Advokaat-Generaal van Maanen voorafgaande aan het arrest van den H. R. van 16 November 1801 (W. 6108) en in een arrest van den H. R. van 4 April 1893 (W. 6326, P. v. J. 1893,
234
nn. 36) wordt echter de meening uitgesproken dtxt de strafbaarheid van hem, die het teit doet plegen, niet wordt opgeheven door do strafbaarheid van hem die het pleegt. De genoemde conclusie wordt bestreden door D. S. in 1'. v. J. 181)2, n0. 21, het arrest in T. v. S. \ II, blz. 455 «).
Voor medeplcgen stond oorspronkelijk in het artikel opzettelijk medewerken tot het plegen. Prof. de A ries stelde voor medewerken of liever nog mededoen, maar vereenigde zich ten slotte met het door de Regeering nader voorgestelde medeplcgen. De zin dier woorden is dus dezelfde. Van medeplegen zeide de Regeering ook no^: het drukt precies uit wat bedoeld wordt, het verrichten van eene daad die óf {bij formcelc misdrijven) tot het vezen van het misdrijf behoort; óf (bij materieele misdrijven) rechtstreeks op den eventus gericht is, in welks bewerking het misdrijf bestaat. Xiettegenstaande deze toelichting, die natuurlijk ook mutatis mutandis voor overtredingen geldt, zal het onderscheid tusschen den mededader en den medeplichtige vaak tot groot verschil van gevoelen aanleiding geven, en de een reeds een mededader zien waar de ander slechts een medeplichtige zag. Toch is dat onderscheid van groot belang met het oog op de niet-strafbaarheid van medeplichtigheid bij overtredingen. Zoo zijn bij jachtwet-overtreding de drijvers, die voor den niet van eene jachtakte voorzienen jager het wild opdrijven, geene strafbare mededaders maar niet-strafbare medeplichtigen (arrest H. R. 30 Oct. 1893, W 6421). Over dat onderscheid zie men het Academisch proefschrift van Mr. A. J. Blok, Leiden 1893.
Strafbaar uitlokken kan alleen geschieden op de
a) Zie ook eene belangrijke verhandeling van Mr. 1). Simons, «Doenquot; pkyen in Themis 1895, no. 1, blz. 85â105 waarin met klem de ook m. i. juiste leer wordt verdedigd, dat hij die een delict doet plegen, aleehts dan strafbaar is, wanneer degene die het pleegde was het strafrechterlijk niet verantwoordelijke werktuig. Zie ook het academisch proefschrift van Mr. J. L. F. H. greelen, Middelijk daderschap, Amsterdam 1895.
235
wijze als in het artikel wordt vermeld. Men zie over dit onderwerp o. a. Mr. M. G. Tieboel van den Ham in T. v. S. VIII biz. 12G en het daar aangehaalde.
Als medeplichtigen aan strooperij [(niet aan eene overtreding) worden gestraft:
1°. zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van dat misdrijf;
2°. zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van dat misdrijf.
Poging tot strooperij (niet tot overtreding) is strafbaar, wanneer het voornemen des daders zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard en de uitvoering alleen ten gevolge van omstandigheden van zijnen wil onafhankelijk niet is voltooid.
Bij medeplichtigheid en poging wordt het maximum der tegen het misdrijf zelf bedreigde straf verminderd met een derde; bij overtredingen is noch het een noch het ander strafbaar, tenzij bij eene speciale Wet anders is bepaald, (art. 45, 46, 48 en 49.)
Blijkt het dat een kind ouder dan 10, doch jonger dan 16 jaren bij het plegen van een strafbaar feit heeft gehandeld met oordeel des onderscheids, dan wordt het maximum der tegen het feit bedreigde straf eveneens met een derde verminderd. Ontzetting van bepaalde rechten kan dan niet plaats hebben, evenmin kan de openbaarmaking van het vonnis worden gelast, (art. 39.)
Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzonderen ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel, hem door zijn ambt geschonken, kan de straf met een derde worden verhoogd, (art. 44 S.r.) Oorspronkelijk stond in dit artikel âmisdrijf;quot; naar aanleiding van de opmerking dat een politieagent zwaarder moet kunnen gestraft worden dan een ander, wanneer hij een politie-reglement overtreedt, werd in het artikel misdrijf veranderd in strafbaar feit.
236
Eene algemeene bepaling omtrent strafverzwaring bij herbaling van overtreding komt in het strafwetboek niet voor. Daarvan kan slechts sprake zijn, wanneer de bijzondere straf bepaling daarvan gewaagt. Voor strooperij komt eene strafverzwaring in geval van herhaling in het artikel zelve voor.
Tersoonlijke omstandigheden, waardoor de strafbaarheid verminderd of verhoogd wordt â jeugdige leeftijd, ambtelijk karakter, vroegere veroordeeling â komen bij de toepassing der strafwet alleen in aanmerking ten aanzien van den dader of medeplichtige, wien zij persoonlijk betreften. (art. 50.)
Over de straftoemeting zal ik natuurlijk in dit werk kort zijn. Het is in de praktijk eene zaak van persoonlijke opvatting, in werkelijkheid een diep wijsgeerig vraagstuk. Intusschen zal de door den Kantonrechter uit te spreken straf in den regel â doch lang niet altijd â zijn wat vox Liszt een âDenk-zettelquot; noemt en zullen er voor gelden de woorden van Rossi 7 /v111' dc lt;lroil pénul 1. III, CXII' aux cotilrc-vcnarts la loi vcul donncr un averlisscment plu* encore, que leur infJiijer mie peine. De straf, die dat doel heeft te bereiken, behoeft niet zwaar te zijn. Ik wijs er echter op, dat bijna eenstemmig is liet afkeurend oordeel over de hechtenisstraf uitgesproken. Ik wijs er ook op, dat het een plicht is van den Rechter wanneer hij eene geldboete oplegt, zooveel mogelijk de verhouding tusschen haar en de vervangende hechtenisstraf zoodanig te regelen, dat de geldboete wordt betaald «). Zeer beslist in strijd met de Wet is het, indien ze geene keus geeft tusschen geldboete en hechtenisstraf, de geldboete zoo hoog vast te stellen, dat van betalen geen sprake kan zijn. Ook worde niet uit het oog verloren, dat, wordt eene
a) Eene circulaire van den M. v. J. van 24 December 1S93 (opgenomen bij Luttenbebg) Kegt dan ook, dat het bedrag waarvoor een dag vrijheidstraf in de plaats treedt, vooral niet hooger moet zijn, dan het bedrag, dat de veroordeelde geacht kan worden per dag te verdienen.
237
geldboete opgelegd en de waarde van een verbeurdverklaard voorwerp geschat, de vervangende hechte-nisstraf voor boete en geschatte waarde betrekkelijk even hoog moet zijn. Uiterst moeilijk is natuurlijk de bestraffing van kinderen; hot gaat niet aan, wat zij misdeden straffeloos te laten ; maar van den anderen kant zal het bij hen dikwijls voorkomen, dat zij de vervangende hechtenis wel moeten ondergaan. Men zie over de geldboete de Ilandelingcii der Nederlandsche Juristm-vcreeniging van 1892; het praeadvies van Mr. J. Simon van der Aa en dat van den schrijver dezer regelen en de daar aangehaalde literatuur inzonderheid Mr. J. Verloren.
§ 72. Vroeger werd de veroordeelde verwezen in de kosten van het rechtsgeding. Bij art. 1 der Wet van 15 April 189G (Sibl. 70) houdende regeling hc-1 rekkelijk de gerechtskoslcn in strafzaken werd het 2e, 3e, 4e, oe en Ge lid van art. 214 W. v. S.v. vervangen door de volgende bepaling: âde kosten blijven, behoudens de uitzonderingen bij de Wet bepaald a), âvoor rekening van den Staat.quot; Veroordeeling in de kosten dient slechts om den Staat eenen titel te geven tot verhaal van door hem gedane verschotten. Nu als vroeger, is dus onjuist om, wanneer de Staat die verschotten niet vergoed krijgt, hem daarin te veroordeelen (zie ook de Pinto ad art. 214 aant. 7). Bij schuldigverklaring van den veroordeelde is het zelfs overbodig in het vonnis van de kosten te spreken; bij niet-schuldig-verklaring behoeft dat slechts te geschieden wanneer overeenkomstig art. 217 W. v. S.v. schadevergoeding wordt toegekend.
Wanneer een beklaagde is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging, of wanneer de Ambtenaar van het O. M. niet-ontvankelijk is verklaard,
a) Zoo wordt tenzij blijke van geldige verhindering, wanneer liet onderzoek wordt gesehorst wegens de afwezigheid van een getuige, die getuige veroordeeld in de noodeloos gemaakte gerechtskosten (Art 58 W. v. S.v.).
238
beveelt de Kantonrechter dat de kosten, door den beklaagde gemaakt tot dagvaarding en schadeloosstelling van getuigen of deskundigen of tot het bijbrengen van stukken, met uitzondering van die kosten, welke de Kantonrechter verklaart noodeloos te zijn gemaakt, den beklaagde door den Staat worden vergoed. Het bedrag der vergoeding wordt bij het vonnis vastgesteld. Door den Kantonrechter wordt daarvoor, zoodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, een bevelschrift van tenuitvoerlegging afgegeven, (art. 217).
§ 73. Indien de Kantonrechter niet uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft geput, dat het te laste gelegde feit is gepleegd, of dat het is gepleegd door den beklaagde, spreekt hij den beklaagde vrij. Motiveering van het vrijsprekend vonnis, alhoewel 'soms gewenscht, is nooit verplicht.
Indien het feit of de dader niet strafbaar is, ontslaat hij den beklaagde van alle rechtsvervolging te dier zake. Herhaaldelijk besliste de Hooge Raad â laatstelijk bij arrest van 25 Februari 1889, W. 5684 â dat een vonnis, houdende ontslag van rechtsvervolging, moet worden vernietigd, wanneer niet is onderzocht of het te laste gelegde is bewezen en het vonnis daaromtrent niet behoorlijk gemotiveerd.
Ontslag van rechtsvervolging zal niet alleen moeten worden uitgesproken wanneer het feit niet valt onder eenige strafbepaling, maar ook wanneer de Wet of wettige verordening, waarin zij voorkomt, niet behoorlijk is afgekondigd. Tenzij ze voorkomt in eene Wet zal de Rechter eveneens ontslag van rechtsver-ging uitspreken, zoo de strafbepaling in strijd is met de Grondwet of eenige andere Wet (zie hiervoor blz. 102).
Komt de strafbepaling voor in eene Wet, dan zal hij haar moeten toepassen, ook al acht hij haar in strijd met de Grondwet, immers de Wetten zijn onschendbaar (art. 121 G. W.). Men zie hierover vooral Mr. J. T. Buys, de Grondwet 1, art. 115, en een arrest
239
van den II. E. van 21 Jan. 1895, W. 661G. Wanneer men zich herinnert, hoe verschillend art. SO dei-Grondwet niet lang geleden werd uitgelegd, kan men het niet anders dan^ toejuichen dat de toetsing der Wet aan de Grondwet is des Wetgevers en niet des Rechters. Ware het anders, dan zou op eene zeor bedenkelijke wijze de Rechter in de Wetgeving kunnen ingrijpen en zijne onpartijdigheid ernstig in gevaar gebracht, althans niet zonder grond, verdacht worden. Strenge afscheiding van rechtsprekende en wetgevende macht was het eveneens die de Wetgever beoogde, toen hij den Rechter verbood de innerlijke waarde of de billijkheid van eenig voorschrift, gegeven door een hoogeren of lageren Wetgever, te beoordeelen. (Art. 11 Alg. Bep.).
Bij vervolging van een kind wegens een strafbaar feit, begaan na dat het den leeftijd van 10, doch vóór dat het dien van 10 jaren heeft bereikt, wordt, wanneer niet blijkt dat het heeft gehandeld met oordeel des onderscheids, eveneens ontslag van rechtsvervolging uitgesproken. Heeft de vervolging plaats ter zake van strooperij, dan kan in dat geval de Rechter gelasten dat het kind voor een door hem te bepalen tijd, doch in geen geval langer dan tot den leeftijd van 18 jaren, worde geplaatst in een Rijksopvoedingsgesticht. o) De zelfde Rechter, op wiens bevel het kind daar geplaatst werd, kan steeds het ontslag gelasten. Voor eene omschrijving van het thans algemeen verworpen begrip âoordeel des onderscheids,quot; verwijs ik naar Smidt I, ad art. 39. De afwezigheid van het oordeel des onderscheids behoeft in het vonnis niet gemotiveerd te worden; de aanwezigheid daarvan wei. Zij wordt in den regel afgeleid uit beklaagdes houding en antwoorden bij de bekeuring of oji de terechtzitting.
a) Bij eene circulaire van den m. v. J. van g April 1883 (opgeuomeu bij .I.UTTKNBi-lu,) wordt er op gewezen dat liet wenschelijk is dat in de vonnissen niet de duur der plaatsing docli uitdrukkelijk de dag van het ontslag worde vermeld.
240
Is beklaagde niet toerekenbaar wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner verstandelijke vermogens, dan wordt hij eveneens ontslagen van rechtsvervolging. De Kantonrechter kan dan echter de plaatsing gelasten in een krankzinnigengesticht voor een proeftijd, den termijn van één jaar niet
te boven gaande, (art. 37.)
De beklaagde wordt ook ontslagen van rechtsvervolging, wanneer blijkt, dat hij gedrongen werd door overmacht (art. 40) of handelde uit noodweer, zelfs al overschreed hij in radeloosheid door de aanranding veroorzaakt de grenzen van noodweer (art. 41).
Almede wordt er ontslag van rechtsvervolging uitgesproken, wanneer blijkt, dat het feit werd begaan ter uitvoering van een wettelijk voorschrift (ait. 42). Zie hieromtrent een arrest van den H. R. van 17
Dec. 1894, W. 6G03.
Is een feit begaan ter uitvoering van een ambtelijk bevel, gegeven door het daartoe bevoegd gezag, dan wordt eveneens ontslag van rechtsvervolging uitgesproken. Een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel heft de strafbaarheid niet op, tenzij het door den ondergeschikte te goeder trouw als bevoegd gegeven werd beschouwd en de nakoming daarvan binnen den kring zijner ondergeschiktheid was gelegen, (art. 43.)
Wanneer bestuurders, leden van eenig bestuur of commissarissen, worden vervolgd ter zake van eene overtreding, door het door hen bestuurde lichaam gepleegd, dan wordt diegene van hen, die bewijst dat de overtreding buiten zijn toedoen is gepleegd, ontslagen van rechtsvervolging (art. 51 ^ . v. S.r.) Zie omtrent de beteekenis van dit artikel een arrest van den H. li. van 26 November 1888, W. 5645,
P. v. J. 188(J nquot;. 3.
Indien uit anderen hoofde ter zake van het feit geen recht tot strafvordering aanwezig is, verklaart de Kantonrechter den Ambtenaar van het O. M. niet-ontvankelijk. Dat zal dus behooren te geschieden,
241
wanneer de vervolging betreft een feit, gepleegd door een kind, vóór dat het den leeftijd heeft bereikt van 10 jaren, (art. 38 W. v. S.r.) o) wanneer beklaagde reeds ter zake van het zelfde feit b), hier te lande of in onze koloniën, of onder omstandigheden zelfs in den vreemde, is veroordeeld, ontslagen van rechtsvervolging of vrijgesproken c), (art. 6.S W. v. S.r.), of de hoogste boete heeft betaald, (art. 74 W. v. S.r.) wanneer hij is overleden (art. 69 W. v. S.r.) of wanneer het recht tot strafvordering is verjaard, (art. 70 \\ . v. S.r.) Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring voor alle overtredingen, waarvan de Kantonrechter kennis neemt, in één jaar, d) voor strooperij in zes jaren (art. 70 W. v. S.r.). Do termijn van verjaring vangt aan op den dag na dien, waarop het feit is gepleegd (art. 71 W. v. S.r.). Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad den vervolgde bekend c) of hem op de bij de Wet voor gerechtelijke akten bepaalde wijze beteekend zij. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan (art. 72 W. v. S.r.). De schorsing der strafvervolging ter zake van een praejudicieel geschil schorst de verjaring, (art. 73).
De Ambtenaar van het Ã. M. zal eveneens behoo-ren te worden verklaard niet-ontvankelijk, wanneer de beklaagde vervolgd wordt ter zake van strooperij, gepleegd tegen zijne niet van tafel en bed of van
a) De burgerlijke Rechter, die de plaatsing iu eeu rijksopvoedingsgesticht gelaat van een kind beneden de 10 jaar, dat zich aan een misdrijf schuldig maakt, is de ArrondisBements-Iiechtbank (art. 1 der Wet van 15 Januari 1886, SUL 7.)
i) Zie hieromtrent twee arresten van den H. R. van 13 April 1S91, (W. 6020 cn W. 6022).
c) Is de rede, die vroeger leidde tot niet-ontvankelijk-verklaring vervallen, dan kan terzake van hetzelfde feit veroordeeling worden uitgesproken. Zie ook vonnis Rotterdam 27 Januari 1SS7, P. v. J- 1887 no. 6.
d) Zie echter art. 10 no. 10 der Invoeringswet.
e) Zie hieromtrent een vonnis van het Kantongerecht te Furmerend van 24 Mei 18lt;U (W. 6525).
16
242
goederen gescheiden echtgenoot. Hetzelfde zal moeten gebeuren, indien de strooperij gepleegd is tegen zijne van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot, een bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in den tweeden graad der zijlinie, ener geene behoorlijke klacht is gedaan (art. 31G W. v. 8.r.). Het indienen en intrekken der klacht geschiedt op de wijze, geregeld in art. 64â07 W. v. S.!*. en art. 13â15 W. v. S.v. Een Ambtenaar van het O. M. of een veldwachter is dus niet bevoegd haar te ontvangen. Bij een arrest van 16 Januari 1893 (W. 6292), besliste de H. R., dat, wanneer niet uit het proces verbaal blijkt, dat de door den verbalisant in schrift gebrachte mondelinge klacht aan den klager is voorgelezen, dat ook door getuigen kan worden bewezen.
Indien het den Kantonrechter blijkt, dat de kennisneming der zaak tot de bevoegdheid van een anderen Kantonrechter «) of van een Rechterlijk Collegie behoort, verwijst hij de zaak naar den bevoegden Rechter. Dien bevoegden Rechter behoeft bij in zijn vonnis niet aan te wijzen. (Zie arrest 11. R. 28 Januari 1895, W. 6619). De Ambtenaar van het Openbaar Ministerie doet de stukken dan aan den bevoegden Ambtenaar van het O. M. toekomen. Voor het aannemen der omstandigheden, die hem er toe leiden zich onbevoegd te verklaren, is de Rechter niet gebonden aan de regelen van het wettig bewijs, en evenmin door de artikelen 211, 221 en 223 van het Wetboek van Strafvordering. (Zie arrest H. R. 15 October 1894, W. 6562, 1'. v. J. 1894, 88). Ook is hij daarbij niet gebonden aan den inhoud der dagvaarding; hij mag daarbij acht slaan op alles
a) Het wil mij voorkomen dat men in Art. 218 dezelfde lont heelt begaan, die op zoovele plaatsen in onze Wetgeving begaan werd, dat men ook het Kantongerecht een Collegie noemde. Neemt meu dit aan, dan iH ook de strijd tusschen het le en 4e lid van dat artikel verdwenen. In het Regeeringsontwerp kwam de lout niet voor. Zie ook Art. 82 en 12/.
243
wat tor terechtzitting blijkt, ook op eene niet te laste gelegde verzwarende omstandigheid, waarop het O. M. den beklaagde ter terechtzitting niet opmerkzaam heeft gemaakt. (Zie arrest II. R. (j April 1S91, W. 6019, P. v. J. 1891, nquot;. 65, N. R. CLVII, 209, v. d. H. 1lt;S91, 101, en het hierboven vermelde arrest). Verklaart hij zich onbevoegd, dan mag hij natuurlijk in geen onderzoek der zaak zelve treden. (Arrest 11. R. 31 Oct. 1887, W. .1-189, N. R. CXLVII, blz. 147).
Betreft de verdediging van den beklaagde een geschilpunt van burgerlijk recht, maakt hij het bestaan van zijn beweerd recht aannemelijk, en oordeelt de Kantonrechter, dat daarvan de al dan niet strafbaarheid van het te laste gelegde afhangt, dan zal de rechtsvervolging met of zonder tijdsbepaling worden geschorst. Eene uitvoerige bespreking der praejudi-cieele kwestie zou buiten het kader van dit werk vallen. Ik verwijs daarvoor naar Leon ad art. 0 S.v. en naar de Pixto. Hier zij slechts aangeteekend, dat de beklaagde zijn beweerd recht wel degelijk aannemelijk moet maken; eene door niets gestaafde bewering daarvan dwingt geenszins tot schorsing van het geding. (Zie arrest H. R. 7 Nov. 1887, W. 0495, N. R. CXLVII. 197). Het moet zijn een geschilpunt van burgerlijk recht. Erkent de beklaagde dus bijv., dat op zijn grond rust het onus publicum van openbaren weg, maar beweert hij alleen, dat hij daardoor niet verplicht is tot onderhoud van dien weg, dan zal van schorsing geen sprake zijn. (Zie Leon art. (J n1. 19). Werpt de beklaagde de praejudicieele questie op dan zal de Kantonrechter over de al dan niet aannemelijkheid van haar bestaan eene beslissing moeten geven (arrest II. R. 29 Januari 1894, W. 6470, P. v. J. 1894, 28). Het vonnis, door den burgerlijken Rechter gewezen na de schorsing, zal den strafrechter na de hervatting van het strafgeding niet binden; zie de Pinto, Het herziene Wetboek I, blz. 481; anders Prof. van der Hoeven, Themis 1883, blz. 128, 129.
244
Is de schorsing voor een bepaalden tijd verleend en heeft na afloop daarvan de burgerlijke Rechter nog geene uitspraak gedaan, dan kan nogmaals de strafzaak worden geschorst.
Voor nietig-verklaring der dagvaarding verwijs ik naar wat ik boven zeide § 32â30.
§ 74. Blijkt don Kantonrechter bij liet nemen van zijne beslissing, dat zijn onderzoek niet-volledig is geweest, dan kan hij bij een met redenen omkleed bevel gelasten, dat op eene daarbij aangewezen tereebt-zitting bet onderzoek worde hei vat. Bij het bevel worden tevens aangewezen de getuigen of deskundigen, wier verhoor, of de bescheiden of stukken van overtuiging, welker inzage ot bezichtiging de Kantonrechter noodig acht. De aangewezen getuigen of deskundigen, alsmede de beklaagde, tenzij deze bij de uitspraak tegenwoordig is, worden door den Ambtenaar van het O. M. tegen den bepaalden dag bij exploit ter terechtzitting opgeroepen, liet onderzoek heeft dan op de gewone wijze plaats (art. 212).
Bij de totstandkoming van het artikel, sprak de Regeering als hare meening uit, dat bij het heropende onderzoek zoowel de Ambtenaar van het O. M. als de beklaagde reeds gehoorde getuigen mogen oproepen.
Terwijl bet ongetwijfeld waar is, dat het in het belang van de rechtspraak noodzakelijk kan zijn, bet onderzoek te heropenen nadat hot was gesloten, dient daarbij niet uit het oog te worden verloren, dat de bevoegdheid om dat te doen is eene uitzondering op de door den \\ etgever terecht als regel gestelde continuiteit van het eindonderzoek. Ook mag niet over het hoofd worden gezien het oude adagium litcs finiri ojiurtel, dat elke rechtspraak, wil ze goed zijn, in ecre moet houden. (Zie over dit onderwerp N. in W. 54:]5, Mr. L. W. van Giuch in W. 5526).
Bij een arrest van 22 October 1SSS (\\ . 5b31, 1'. v. J. 1888, n0. 139) besliste de H. R., dat er niet gehandeld werd in strijd met de Wet, met name niet
245
met artikel 212, toen eene Rechtbank na afloop der beraadslagingen op vordering van den Officier van Justitie het onderzoek heropende, omtrent den waren naam van den beklaagde; immers dit is geen onderzoek omtrent het feit.
§ 75. Wanneer de Kantonrechter in eene zaak zijn eindvonnis geeft, zal hij tevens, tenzij dat zijne onbevoegdverklaring mocht inhouden, moeten bevelen de teruggave der voorwerpen, die als stukken van overtuiging hebben gediend, na verloop van acht dagen nadat het vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, aan den met name in het vonnis te vermelden persoon, die de voorwerpen tijdelijk als stukken van overtuiging heeft afgestaan, of bij wien zij zijn in beslag genomen. Beslist de Kantonrechter echter bij eene vervolging ter zake van strooperij, dat hij, bij wien de voorwerpen, die als stukken van overtuiging dienen, zijn in beslag genomen, ze door strooperij heeft verkregen, dan kan hij de teruggave gelasten aan den met name in het vonnis te vermelden persoon, aan wien zij wederrechtelijk zijn onttrokken. .Spreekt hij eene veroordeeling uit wegens overtreding van art. 43!» 1° van het Wetboek van Strafrecht, dan moet hij in het vonnis bevelen dat de daar bedoelde militaire goederen, voor zoover zij bij den veroordeelde werden in beslag genomen, aan het militair gezag zullen worden uitgeleverd, (art. 253 n0. 5, W. v. S.v.) Aan het bevel tot teruggave der stukken van overtuiy-iiur wordt tïeen trevolir «re-
O «quot;⢠O O O O
geven, wanneer daarop binnen bovengenoemden termijn door den eigenaar of rechthebbende onder den Griffier beslag is gelegd overeenkomstig de voorschriften van liet Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Stukken van overtuiging zijn slechts die voorwerpen, welke in den loop van of na het getuigenverhoor den beklaagde of den getuigen vertoond en waaromtrent zij gehoord zijn (art. 188). Omtrent die voorwerpen, welke wel in beslag genomen of vrijwillig als stukken
246
vtin overtuiging zijn afgestaan, doch niet ter tereeht-zitting zijn voorgebracht, geeft de Rechter natuurlijk geene beslissing.
Is het door strooperij verkregene niet meer in natura bij den schuldig verklaarde aanwezig, maar is bijv. de opbrengst daarvan als stuk van overtuiging overgelegd, dan zal de Rechter de teruggave daarvan aan den schuldigverklaarde moeten bevelen. Zie in dien geest Mr. G. Wttewaall, Tivec opmerkingen over de leriKjyave enn orcrtuigiiKjssluhkoi, m T. v. y. 11, blz. 409 vlg. en het daar aangehaalde. Anders een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 November 1SS6 (W. 5352) en Mr. E. Bergsma, Teruggave ran overli(ig'uui*tukken, T. v. S. II blz. 222 vlg. Zie ook een arrest van den II. R. van 6 Mei 1889, W. 5717.
De Wet voorziet niet in het geval, dat onbekend is de naam van den persoon, uit wiens bezit de stukken van overtuiging in handen der Justitie zijn overgegaan, wanneer deze ze bijvoorbeeld heeft verloren. Het vonnis zal daarover dan geene beschikking moeten inhouden (de Pixto ad art. 219 n0. 8.)
I)e tweede alinea van art. 219 behelst een voorschrift, waarvan in de eerste plaats moet in bet oog gehouden worden, dat het niet is eene strafbepaling â ware het dat, het zoude geplaatst zijn in het Wetboek van Strafrecht â doch slechts een maatregel van veiligheid of politie a). De Kantonrechter zal dus de vernietiging of onhruikbaarmaking van werktuigen of andere voorwerpen â onverschillig wien zij toebe-booren â vervaardigd, geschikt gemaakt of gediend hebbende tot het plegen van eene overtreding of van strooperij, kunnen gelasten, onverschillig of verbeurdverklaring al dan niet geoorloofd is en of de beklaagde al dan niet veroordeeld wordt. Hij zal dien last dus geven, waar hij werkelijk van een politiair standpunt
«) Gratie kan er dus niet van worden verleend.
247
aanbeveling verdient, niet om te kunnen komen tot verbeurdverklaring, waar de Wet die niet toelaat. Zie over dit onderwerp Mr. B. van Rouen in Rechts-rjclccrd Magazijn A'III, 3, (besproken in W. 5/10) en een arrest van den H. R. van 21 Januari 1895 (W.6616).
Ten einde niet de uitvoering van bevelen, overeenkomstig art. 219 W. v. S.v. gegeven, onmogelijk te maken of onnoodig te vertragen, is in de Wet opgenomen art. 2G8 (gewijzigd art. 283, oud). Al boe wel dat artikel niet uitmunt door eeue fraaie redactie, is m. i. de zin daarvan deze: Wanneer de termijn van booger beroep of cassatie voor bet Openbaar Ministerie verstreken is, en er geen uitzicht bestaat dat veroordeelde tegen bet vonnis ooit of voorbands zal komen in verzet«), dan moet de Griffier de stukken van overtuiging aan de in bet vonnis genoemde personen, zoo zij dat verzoeken, teruggeven en zullen de voorwerpen, waarvan dat bevolen is, moeten worden vernield. De Griffier zal dan te voren eene nauwkeurige bescbrijving van die stukken moeten opmaken en ter Griffie neder-leggen. Acht de Kantonrecbter bet wenschelijk, dat eenige of alle stukken van overtuiging worden bewaard, dan moet bij uitdrukkelijk in zijn vonnis bepalen, dat zijn bevel omtrent die voorwerpen gedurende zekeren tijd of vóórdat bet vonnis onherroepelijk, of de straf onuitvoerbaar zal zijn geworden, niet wordt ten uitvoer gelegd.
O O
§ 76. De artikelen 221, 222 en 223 van bet Wetboek van Strafvordering bevatten, in hoofdzaak onveranderd, wat vroeger in art. 211 (oud) was opgenomen: de inrichting van bet vonnis, de wijze van uitspraak en de bedreiging van nietigheid tegen niet-nakoming van een dier voorschriften. Zeer zeker had men bij de herziening van bet Wetboek den wil te handhaven de interpretatie, die eene buitengewoon rijke recht-
a) Bijvoorbeeld doonlaf hij is overleden, in hel buitenland verblijft, of zijne verblijfplaats niet bekend is.
248
spraak aan artikel 211 (oud) had gegeven. Met hare ontwerp-artikelen 221 i i en 221 j j, beoogde de Regeering slechts art. 211 (oud) te verduidelijken. De Tweede Kamer achtte het echter, en terecht, beter art. 211 (oud) in hoofdzaak te behouden. Al kan niet toegegeven worden, dat dat artikel in de praktijk geene aanleiding tot moeilijkheden heeft gegeven, zooals in het Voorloopig Vcrdcuj wordt beweerd, waar is het, dat eene in hoofdzaak gevestigde rechtspraak die moeilijkheden heeft uit den weg geruimd a). Het is eene onbetwistbare waarheid, die Mr. de Pinto neerschrijft, wanneer hij, over art. 221 sprekende, h) zegt; âDe wet kan hier niet meer dan het beginsel âaangeven. Voor de goede toepassing is geen andere âwaarborg mogelijk dan de bekwaamheid en de ernst âdes rechters, wien na zijne beslissing nog de taak âoverblijft om daarvan in het openbaar rekenschap âte geven met die beknopte volledigheid, die een âvonnis onderscheidt, althans moet onderscheiden âaan de eene zijde van eene machtspreuk, aan de andere âvan eene verhandeling en van een proces-verbaal.quot; Zoo helder en duidelijk zeide Mr. de Pinto reeds elders c) hoe een vonnis moet gemotiveerd worden, dat ik niet beter meen te kunnen doen, dan dat ook hier over te nemen. Na er op gewezen te hebben, dat vele onzer vonnissen in strafzaken, die zorgvuldig alles vermelden wat door de getuigen is verklaard of door den beklaagde is opgegeven, op een proces-verbaal der terechtzitting gelijken, zegt Z.E.H.A.: âEen goed vonnis moet in fado niets anders bevatten âdan wat werkelijk tot bewijsmateriaal heeft gediend âmet de opgave der bewijsmiddelen, waaruit dit âmateriaal is geput, en waaruit dan ook tevens zal âblijken, naar lt;len eisch der wet en der jurisprudentie.
a) Zoo oordeelt ook Mr. DE PiKTO, ad art. 221, II, blz. 258, noot 1. h) Art. 221, II, blz. 258, noot 1.
c) Handleiding II, blz. 388, nool a.
249
âof en in hoeverre recht is gedaan op direct dan âwel op indirect bewijs (aanwijzingen). Al wat er âmeer in voorkomt, schaadt de logische constructie âder praemissen, waarvan de schuldigverklaring de âconclusie is, en geeft niet zelden juist aanleiding âtot hetgeen men er door wil voorkomen, de cassatie âwegens onvoldoende, wel te onderscheiden van eene âlange of breedsprakige, motiveering.quot;
Verder meen ik te kunnen volstaan omtrent het eerste vereischte, dat de wet aan het vonnis stelt, â dat het namelijk met redenen moet omkleed zijn, niet alleen wat betreft het feit zelve, maar ook wat betrett de omstandigheden, die het maximum der tegen het feit bedreigde straf verminderen of ver-hoogen â met te verwijzen naar hetgeen ik zeide bij het bewijs. Slechts zij er hier op gewezen, dat een vrijsprekend vonnis voldoende gemotiveerd is met de overweging, dat het feit noch wettig noch overtuigend is bewezen. Zie Mr. A. C. Wesenhagen: Motiveering van vrijsprekende utrafvonnissc» in T. v. S., VII, blz. 61 vlg. '
Het vonnis moet verder inhouden de beslissing van den Kantonrechter over de punten, in art. 211 vermeld. (Zie § 62.) Ingeval van veroordeeling moet het vermelden de toegepaste artikelen â opneming van hunnen tekst wordt niet meer voorgeschreven, zie arrest H. R. 4 April 1SS7, W. 5404 â eu de straf waartoe de schuldigverklaarde wordt veroordeeld.
De toegepaste artikelen, dat is niet alleen het artikel waarin het strafbare feit wordt omschreven, maar ook dat waarin de strafbepaling voorkomt of wordt gewijzigd, (arrest H. R. 16 Dcc. 1889, W. 5812, P. v. J. 1890 n0. 21, N. R. CL1II blz. 868) en, wanneer eene geldboete wordt opgelegd, art. 23 van het W. v. S.r. (H. R. 80 Dec. 1889 W. 5821, V. v. J. 1890 n0. 29 N. R. CLIII blz. 480). De artikelen der wet welke worden toegepast, dat zijn alleen die, welke strekken om de opgelegde straf te rechtvaardigen, niet de artikelen van straf-
250
vordering of algemeene voorschriften van strafrecht, zooals art. 47 W. v. Sr. (arresten H. R. 4 April 1888 W. 5541 en 11 Mei 1891 W. 6043, P. v. J. 1891 n0. 83, N. R. CLV11I, 45 v. d. IT. 1891, 143.) Worden twee personen veroordeeld ter zake van liet te zamen en in vereeniging plegen van vernieling, cn wordt geen gebruik gemaakt van de in art. 354 gegeven bevoegdheid tot strafverhooging, dan is vermelding van art. 350 W. v. Sr. voldoende (arrest H. R. 8 Februari 1892 W. 6161, P. v. J. 1892 nquot;. 43.) Is de verordening, welke wordt toegepast, bij eene latere gewijzigd, doch is bij die wijziging geene verandering gebracht in het overtreden voorschrift of de daartegen bedreigde straf, dan behoeft van die wijziging in het vonnis geen gewag te worden gemaakt (arrest H. R. 12 October 1891 W. 6091, P. v. J. 1892 n0. 7.) Bij eene veroordeeling op grond van art. 453 van het Wetboek van Strafrecht behoeft niet aangehaald te worden art. 3 der wet van 15 Januari 1886 (Slhl. n0. 6), waarbij dat artikel werd gewijzigd, vóór dat het Wetboek werd ingevoerd (arrest H. R. 26 October 1891, W. 6100.)
Het vonnis bevat eindelijk den naam van den Kantonrechter door wien het is gewezen en den dag van de uitspraak. Het kan natuurlijk alleen worden gewezen door den Kantonrechter of den plaatsvervanger, die het geheele onderzoek ter terechtzitting heeft gedaan (arrest H. R. 6 Juni 1887 \V. 5443,-N. R. CXLVI, 163.) Hot wordt op eene openbare terechtzitting in zijn geheel voorgelezen door den rechter die het heeft gewezen; is deze verhinderd, dan zal de uitspraak niet plaats kunnen hebben. De tegenwoordigheid van den Ambtenaar van het O. M. bij de uitspraak is niet vereischt (arrest H. R. 13 Juni 1887 W. 5444). De uitspraak moet in liet openbaar geschieden, ook wanneer het onderzoek met gesloten deuren plaats had (art. 20 R. O.)
Na hot uitspreken van een vonnis, waarbij de be-
251
klaagde tot straf veroordeeld of zijne plaatsing in een rijks-opvoedings-gesticht gelast wordt, geeft de Kantonrechter den veroordeelde, indien hij tegenwoordig is, kennis van het rechtsmiddel, dat tegen het vonnis openstaat, en van den termijn, binnen welken dat rechtsmiddel kan worden aangewend. Bestaat er twijfel of tegen het vonnis cassatie dan wel hooger beroep open staat, dan zal de Kantonrechter het best doen met mede te deelen, dat, zoo de veroordeelde mocht meenen van het vonnis te kunnen komen in cassatie, hij daartoe heeft een termijn van drie dagen, en zoo hij mocht meenen daarvan te kunnen komen in hooger beroep, een van veertien dagen. Zie ook Prof. van der Hoeven, T. v. S. V, blz. 565 vlg.
Ondergaat hij vrijheidstraf of is hij uit anderen hoofde in preventieve hechtenis, dan draagt de Ambtenaar van het O. M. zorg, dat de beklaagde bij de uitspraak tegenwoordig is. Is beklaagde daartoe niet in staat, dan wordt hem het vonnis door den Griffier ter plaatse, waar hij in verzekerde bewaring is, voorgelezen, met gelijke kennisgeving als de Kantonrechter ter terechtzitting na de uitspraak doet. Van een en ander wordt door den Griffier op het vonnis melding gemaakt. Art. 224, W. v. S.v. wil, dat de Griffier gelijke voorlezing in de gevangenis zal doen, wanneer de uitspraak buiten tegenwoordigheid van den beklaagde geschiedt, zoo deze wegens zijn ordeverstorend gedrag van de terechtzitting is verwijderd. De Griffier zal echter slechts aan dat voorschrift kunnen gevolg geven, wanneer do beklaagde is in bewaring gesteld; en ook in dit laatste geval zal het voorschrift tot moeilijkheden aanleiding geven, daar de voorlezing zal moeten plaats hebben vóór het einde der terechtzitting. Onder gevangenis schijnt in dit artikel te moeten worden verstaan de plaats waar iemand van zijne vrijheid beroofd is.
Het vonnis wordt binnen tweemaal vier en twintig uren na de uitspraak door den Kantonrechter, die
252
het heeft gewezen, en den Griffier onderteekend.
Is een hunner of zijn beiden daartoe buiten staat, dan wordt hiervan aan het slot van liet vonnis melding gemaakt. Zoodra het vonnis is geteekend kan de raadsman van den beklaagde en de beklaagde zelf, zoo hij niet in verzekerde bewaring is, daarvan en van bet proces-verbaal der terechtzitting inzage nemen. Is het binnen dien termijn niet geteekend, dan is Mr. de Pixto (ad art. 226) van gevoelen, dat de inzage niet kan worden geweigerd. Een afschrift of uittreksel zal er echter niet van kunnen worden afgegeven vóór dat het onderteekend is (art. 462 W. v. S.r.)
AFDEELING VI.
RECHTSMIDDELEN TEOEX DE UITSPRAAK.
§ 77. Tegen hem, die in gebreke blijft op de aan hem gedane dagvaarding ter terechtzitting te verschijnen «) of zich iu de gevallen, bij de wet voorzien, door eenen gemachtigde te laten vertegenwoordigen, wordt op vordering van den ambtenaar van het O. M. verstok verleend, waarna dadelijk wordt overgegaan tot het onderzoek overeenkomstig den zesden titel van het Wetboek van Strafvordering. Eveneens wordt verstek verleend tegen den beklaagde, die niet voldoet aan bet in art. 253, no. 2 vermelde bevel om in persoon te verschijnen. Verstek verleenen is niets anders dan bet verleenen van acte, dat de beklaagde behoorlijk gedagvaard werd (zie art. 144 en 147 W. v. S.v.) en op den hem in de dagvaarding beteekenden rechtsdag niet is verschenen. (H. R. 13 Juni 1S48, Rechtsg. Bijbl. X 290.) Gevestigd is de rechtspraak, dat het slechts kan worden verleend voor het geheele geding bij den aanvang daarvan, en dat, is eenmaal de beklaagde op de dagvaarding ver-
a) Ook hij, die in verzeterde bewaring is, kan verstek laten gaan. Zie Mr. A. Tak in ï. v. S., VTIâ blz. quot;2, on Mr. A. A. dk Pinto in W. 6538.
253
schenen, liet contradictoir is en blijft, ook al woont hij de verdere behandeling der zaak dien dag of later niet bij.
Het vonnis, bij verstek gewezen, waarbij de beklaagde is veroordeeld of waarbij zijne opzending naar een Rijks opvoedingsgesticht is bevolen, moet aan hem van wege den ambtenaar van het Openbaar Ministerie worden beteekend, ook dan wanneer de veroordeelde bij de uitspraak is tegenwoordig geweest. Die beteekening geschiedt door een deurwaarder of dienaar der openbare macht, (art 7.)
De veroordeelde of hij, wiens opzending naar een Rijks opvoedingsgesticht is bevolen, kan â ook vóór dat hem het vonnis is beteekend, â daartegen in verzet komen bij exploit aan den ambtenaar van het Openbaar Ministerie gedaan, uiterlijk binnen den tijd van veertien dagen na dien, waarop hij is aangehouden ter tenuitvoerlegging van de tegen hem uitgesproken plaatsing in een Rijks opvoedingsgesticht of van de principale of subsidiaire vrijheidstraf, a) Door dat verzet wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst; het wordt niet meer zooals vroeger daardoor vernietigd. Het door den ambtenaar van het O. M. tegen het verstekvonnis ingestelde hooger beroep vervalt, wanneer binnen 8 dagen na de aanzegging daarvan de veroordeelde tegen dat vonnis komt in verzet, (art. '228 W. v. S.v.)
Het verzet brengt van rechtswege dagvaarding mede op de eerste gewone terechtzitting, die na het gedaan
a) Hij, die, bij verstek veroordeeld, vrijwillig de hem opgelegde boete betaalt, blijft due steeds bevoegd daartegen te komen in verzet. Immers, hier is geen sprake van aanhouding en slechts deze doet den fatalen termijn een aanvang nemen (arrest II. R. 11 Maart 1895, W. 6G41, P. v. J. 1895, 34; N. R. CLXIX, 257). Mij dunkt, dat eene wetswijziging, om te voorkomen dat de meer vermogende steeds de strafverzwaring der reeidieve kan ontgaan, dringend gewenseht is. Betaling moet met aanhouding gelijk gesteld worden. Men zie in denxelfden geest een vonnis van Amsterdam I van 28 Januari 1888, W. 5511. Anders Rechtbank Leeuwarden 20 April 1889, W. 6801.
254
verzet, door het ingevolge artikel 27 van het Reglement ii0. 1 vastgesteld bijzonder reglement wordt aangewezen voor do behandeling van strafzaken. Eene nadere dagvaarding komt dus niet te pas. Zie arrest H. R. 27 Deo. 1893, W. 6455, P. v. J. 1894, 18 N. R. CLXV 457, v. d. II. S.r. 1893, 339. Verschijnt op die terechtzitting de in verzet gekomene niet, dan wordt het verzet vervallen verklaard, en het vonnis, bij verstek gewezen, zal ten uitvoer worden gelegd.
Verschijnt de in verzet gekomene daar wel, dan wordt de zaak, even als of er nog geen onderzoek vooraf was gegaan, als eene gewone contradictoire zaak op de oorspronkelijke dagvaarding behandeld. De getuigen en deskundigen zullen dus dan opnieuw moeten worden gehoord, de processen-verbaal opnieuw voorgelezen. Geeft dat onderzoek den rechter geene aanleiding om in het verstek-vonnis eenige verandering te brengen, dan zal hij het met die overweging eenvoudig bevestigen. Eene nieuwe schuldigverklaring of bepaling der straf komt dan niet te pas. Brengt dat onderzoek den rechter echter tot eene andere meening, dan zal hij met geheele of gedeeltelijke vernietiging van het verstek-vonnis opnieuw recht doen. a) Voor dat nieuwe vonnis zal hij alleen mogen gebruik maken van wat bij de nieuwe behandeling in rechte is gebleken. Bij gedeeltelijke vernietiging zal het verstek-vonnis voor het overige moeten worden bevestigd. Men zie hierover Mr. J. P. A. N. Caroli in W. 5641, bestreden door Mr. D. Simons en Mr. E. Bergsma in W. 5647, alsmede Mr. E. Bergsma in T. v. S. Ill, biz. 44G. Voor het in deze § behandelde verwijs ik ook nog naar het academisch proefschrift
a) Wanneer ten onrechte op eene nietige dagvaarding veratek is verleend, kan natuurlijk de verschijning van den beklaagde in de verzet-procedure die nietigheid niet meer dekken, (arrest H. K. 27 Maart 189-1, W. (ii82, P. v. J. 1894, no. 40, n. K. clxvi, 25 7. Anders Mr. J. Eoessinoh, T. v. ö. II. blz. 437 vlg.
255
van Mr. G. A. O. de Wit, Kenvjc vragen brtreffenda tilcl VI11, 11'. v. S.v., Amsterdam 1804.
§ 78. Do vonnissen door den Kantonrechter gewezen zijn aan hooger beroep onderworpen, tenzij tegen het feit geene andere straf is bedreigd dan eene geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden. Bij de beoordeeling van de vatbaarheid van een vonnis voor hooger beroep komt uitsluitend in aanmerking de straf, die tegen het feit, zooals het bij dagvaarding a) is te laste gelegd, in hut algemeen is bedreigd. Derhalve is voor hooger beroep vatbaar het vonnis, gewezen ter zake van het bejagen van eens anders grond, ook al kon door het niet-bemachtigen van wild geene verbeurdverklaring worden uitgesproken (arrest H. R. 2 October 1893, W. 6399, P. v. J. 1893 n0. 82). h) Wanneer de inhoud der dagvaarding onzekerheid laat bestaan, of tegen een vonnis hooger beroep dan wel cassatie openstaat moet de regel, dat is de vatbaarheid voor hooger beroep, niet de uitzondering, dat is de uitsluiting daarvan, worden aangenomen (arrest H. R. 20 Dec. l.S8t), W. 5377).
Tegen die aan hooger beroep onderworpen vonnissen kan de Ambtenaar van het O. M. in hooger beroep komen ook wanneer zij bij verstek werden gewezen. Hij kan dat doen, ook al is het vonnis den veroordeelde nog niet beteekend (arrest H. R. 4 Maart 1889, W. 5689, V. v. J. 1889, n0. 43). liet hooger beroep, door den Ambtenaar van het O. M. tegen een verstekvonnis ingesteld, vervalt echter, indien de veroordeelde binnen 8 dagen na de aanzegging daarvan tegen dat vonnis komt in verzet. Ook de contradictoir
а) Daarbij wordt uatuurlijk ook acht geslagen op de verzwarende om-etandigheden, waarop beklaagde ter terechtzitting mocht zijn opmerkzaam gemaakt.
б) Zie ook arrest H. R. 16 Sept. 1896, W. 6712.
256
veroordeelde, niet de vrijgesprokene, noch de van rechtsvervolging ontslagene, kan tegen zijn vonnis hooger beroep aanteekenen. De contradictoir van rechtsvervolging ontslagene, wiens plaatsing in een Rijks-opvoedingsgesticht is gelast, kan echter wel van dat vonnis in hooger beroep komen (arrest H. R. 19 Nov. 1894, W. 6588, P. v. J. 1894, nquot;. 98).
Indien tegen hetzelfde vonnis door den Ambtenaar van het O. M. hooger beroep en door den veroordeelde beroep in cassatie is aangeteekend,, of omgekeerd, wordt aan het hooger beroep geen gevolg gegeven, zoolang geene uitspraak is gedaan op het beroep in cassatie. In dat geval vervalt het hooger beroep van rechtswege, wanneer de voorziening in cassatie dooiden Hoogen Raad ontvankelijk wordt geoordeeld.
Tegen vonnissen, die geene eindvonnissen zijn, is het hooger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen het eindvonnis toegelaten. Eene definitie van eindvonnis komt in de Wet niet voor. Bij twijfel zal dus zelfstandig te beoordeelen vallen of een vonnis al dan niet een eindvonnis is. Ik meen hier te kunnen volstaan met te verwijzen naar de rechtspraak, te vinden bij Leon, op art. 242, n0. 13; de Pinto Handleiding II, § 169, en hel herziene Welhoek ad art. 228 en 354. Zonder dat zulks in de Wet uitdrukkelijk vermeld wordt, wordt steeds aangenomen, dat het aanteekenen van hooger beroep het vonnis schorst. Eene daartoe strekkende bepaling werd door de Regeering overbodig geacht.
Het hooger beroep wordt ingesteld, uiterlijk vóór het sluiten derGriffiea), op den veertienden dag na dien, waarop het vonnis is uitgesproken. Bij de berekening
a) In eene circulaire van den M. v. J. van 22 Mei 1896, (W. 6809), waarin de Ambtenaren van het O. M. woi-den aangeschreven de vonnissen niet ten uitvoer te leggen vóór het verstrijken van den veertienden dag, wordt er op gewezen, dat de Griffier bevoegd is op den veertienden dag ook nog na het vastgestelde sluitingsuur der Griffie, eene verklaring omtrent hooger beroep te ontvangen en daarvan eene akte op te maken.
van dien termijn is natuurlijk de dag na dien der uitspraak de eerste. (Zie Leon art. 242, nquot;. 2). De termijn wordt niet verlengd, wanneer de laatste dag een Zondag is. Moet het vonnis door den Griffier den beklaagde worden voorgelezen, (art. 224), dan loopt de termijn, zoowel voor den veroordeelde als voor den Ambtenaar van het O. M., van den dag waarop die voorlezing heeft plaats gehad (229).
Het hooger beroep wordt ingesteld door eene verklaring, mondeling af te leggen door dengene, die van het middel gebruik maakt, aan den Griffier van het Kantongerecht, dat het vonnis heeft gewezen (Leon art. 242, nn. 22). De verklaring van den veroordeelde kan ook namens hem geschieden door zijnen raadsman of door eenen bijzonder daartoe schriftelijk gemachtigde. Een Kantonrechter-plaatsVervanger moet, om voor het Openbaar Ministerie hooger beroep te kunnen aan teekenen, door den Kantonrechter zijn aangewezen als plaatsvervanger van den ambtenaar van het O. M. (vonnis Rechtbank Almelo 23 Januari 1S94, W. 6479, P. v. J. 1894, nn. 42). ;
Van de verklaring van hooger beroep wordt door den Griffier kosteloos eene akte opgemaakt, die door hem met dengene, die de verklaring aflegt, wordt onderteekend a). Indien deze niet kan teekenen, wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld. Geschiedt de verklaring bij gemachtigde, dan wordt de schriftelijk volmacht, of zoo zij voor een notaris in minuut is verleden het authentiek afschrift daarvan, aan de akte gehecht. Deze akte wordt in originali bij de stukken van het^geding gevoegd, terwijl van het afleggen der verklaring aanteekening wordt gehouden in een daartoe bestemd ter Griffie bei-ustend register.
a) Door dit voorschrift wordt bevestigd de meening, dat de verklaring dat iemand tornt iu hooger beroep niet schriftelijk, doch mondeling moet worden afgelegd. Zie ook arrest Gerechtshof 's Gravenhage 23 Maart 1S93. W. 6340, P. v. J. 1893. 34.
17
258
Binnen 14 dagen nadat zij de verklaring aflegde van in hooger beroep te komen, zal de beroepende partij aan de Rechtbank eene memorie kunnen indienen, behelzende de middelen en gronden, waarop zij haar hooger beroep steunt. Deze memorie moet door die partij of voor den veroordeelde door zijnen raadsman worden onderteekend: zij zal bij de stukken worden gevoegd. De tegenpartij of de raadsman van den veroordeelde zal er van inzage kunnen nemen. (232)
De Griffier van het Kantongerecht, dat het vonnis heeft gewezen, zal binnen drie dagen na de aantee-kening van het hooger beroep, de stukken van het geding moeten overzenden naar de Griffie der Rechtbank. (233)
Indien het hooger beroep is ingesteld door den Ambtenaar van het O. M., wordt van wege dezen aan den beklaagde daarvan bij exploit aanzegging gedaan. De aanzegging geschiedt, indien de beklaagde in verzekerde bewaring is, binnen drie dagen, in andere gevallen binnen acht dagen na het afleggen der verklaring. Het verzuim dier aanzegging heeft ten gevolge, dat, wanneer de beklaagde bij zijne verschijning ter terechtzitting van de Rechtbank daartoe verzoek doet, de zaak voor een bepaalden tijd wordt uitgesteld.
Zoolang niet in hooger beroep gedagvaard is, kan hij, die in hoogor beroep is gekomen, van het beroep afstand doen. De afstand geschiedt op dezelfde wijze als de aanteekening. De Griffier geeft daarvan onverwijld kennis aan den Officier van Justitie. Van den afstand door den Ambtenaar van het O. M. gedaan, geschiedt vanwege dezen bij exploit aanzegging aan den beklaagde.
Er is heel wat strijd geweest over de vraag, of partieel appel in strafzaken geoorloofd is. Er is inderdaad veel voor het gevoelen der tegenstanders te zeggen: geeft men eenmaal het middel van hooger
20!)
beroep, dan eischt èn de billijkheid, èn het recht, dat de hoogere Rechter in de aan zijn oordeel onderworpen zaak alsnog kunne doen wat naar zijne overtuiging de lagere Rechter had behooren te doen. Intusschen was en is de rechtspraak ook na de herziening van het Wetboek van Strafvordering gevestigd, dat in hooger beroep kan worden gekomen, niet alleen, wanneer meerdere strafbare feiten aan de kennisueniing van den Rechter wareu onderworpen, van een of meer dier feiten, maar ook van een gedeelte der uitspraak omtrent een enkel feit, bijvoorbeeld van de straf. Evenzoo kan van een ingesteld beroep ook gedeeltelijk afstand worden gedaan. Men zie de arresten van den H. R. van 22 October 1888, \V. 5630, N. R. CL, blz. 42, P. v. J. 1888, nquot;. 140 en 27 Nov. 1893, W. 6436, P. v. J. 1894, 4, N. R. CLXV, 248, v. d. II. Bel. XIII, 251. liet eerstgenoemde arrest is merkwaardig ook voor de overwegingen, welke daarin voorkomen over de wijze waarop wetten moeten worden uitgelegd a). Men zie daaromtrent ook beschouwingen in T. v. S. III, blz. 553 en 554. W. 5634, 5647, 5649 en 5652.
Vroeger werd naar aanleiding van eene ministerieele circulaire steeds door het Openbaar Ministerie hooger beroep aangeteekend, wanneer de veroordeelde dat had gedaan. Tweeërlei doel werd daarmede beoogd: de zaak in haar geheel te laten, wanneer de veroordeelde slechts voor een gedeelte was in appel gekomen, en den hoogeren Rechter de vrijheid te geven om eene
a) Bij het regeeringaontwerp werd het partieel appel uitdrukkelijk toegelaten. Bij de behandeling in de Tweede Kamer (Smidt, Strafvordering II, blz. 228 vl^. de PiNTO, het herziene Welhoek II, blz. 293 vlg.) werd de daartoe strekkende bepaling bij amendement uit de Wet geligt. quot;Waar nu echter het partieel appel niet in de Wet is verboden, meent de Hooge Raad, en m. i. terecht, dat men niet mag handelen alsot door de Eerste Kamer was aangenomen en door den Koning bekrachtigd eene bepaling, waarbij partieel appel is verboden.
260
zwaardere straf op te leggen dan ile lagere had gedaan, oene vrijheid hen door de bepalingen van het tegenwoordige art. 248 W. v. S.v, ontnomen. De grondgedachte dier circulaire was volkomen juist: de Rechter in hooger beroep onderzoeke do zaak en beslisse er over, zonder in eenigerlei opzicht gebonden te zijn door het onderzoek en de beslissing des eersten Rechters. Bedenkelijk was het intusschen bij rainis-terieele circulaire te gelasten het bij art. 250 (oud), den veroordeelde gegeven voorrecht hem steeds te ontnemen. Na de intrekking dier circulaire wordt, naar aanleiding van liet appel van den veroordeelde, door het O. M. slechts dan hooger beroep aangetee-kend, wanneer eene lagere straf werd opgelegd dan gevorderd werd, of wanneer dat noodig is om door het O. M. niet gedeelde overwegingen van den Kantonrechter omtrent de feiten of omtrent het recht aan het oordeel van den hoogeren Rechter te onderwerpen. Is hooger beroep aangeteekend door een kind, waarvan de Kantonrechter gelastte de plaatsing in een Rijksopvoedingsgesticht, dan zal het O. M. steeds mede moeten appelleeren. Mocht toch de Rechtbank oordeelen, dat het kind wel heeft gehandeld met oordeel des onderscheids, dan zal zij bij gebreke van hooger beroep van het O. M, geene straf kunnen opleggen, (arrest H. R. 28 October 1889, W. â¢quot;gt;793, P. v. J. 1889, 137).
§ 79. Is tegen bet feit geene andere straf bedreigd dan eene geldboete van ten hoogste f 25.â, dan staat voorziening in cassatie open tegen 's Kantonrechters vonnis, tenzij het eene zuivere vrijspraak is «). art. 44 R. O. 347, 353, W. v. S.v. Herhaaldelijk besliste de Hooge Raad dat tegen een zoogenaamd bedekt ontslag van rechtsvervolging, dat is een vonnis dat
a) lu dit geval kan de Prokureur Generaal bij den Hoogen Raad liet eehter doen, doch uitaluitend in hef belang der Wet (art. 347).
261
in den vorm is eene vrijspraak, doch inderdaad een ontslag omdat liet berust op 's Rechters uitlegging der Wet of verordening, beroep in cassatie niet is uitgesloten. (Zie o. a. arrest 11. R. IS December 1893, W. 6451, P. v. J. 1S94 iv'. 14, N. R. CLXV, 272 en Lkon art. 3iS2 n0. 16). Tegen een contradictoir vonnis kan zoowel de veroordeelde lt;i) als de Ambtenaar van het O. M. komen in cassatie, tegen liet verstekvonnis slechts de laatste.
Bij de wijziging van het Wetboek van Strafvordering werd over de vraag, of partieel beroep in cassatie geoorloofd is, in het geheel niet geproken. Daar het niet uitdrukkelijk is verboden, zal men moeten aannemen, dat het even als partieel hooger beroep is geoorloofd h).
De gronden van cassatie zijn: 1quot;. het schenden of nalaten van vormen bij het Wetboek van Strafvordering, op straffe van nietigheid voorgeschreven; 2n. de onbevoegdheid van den Kantonrechter; 3°. het nalaten of weigeren vau uitspraak te doen op vorderingen van den veroordeelde of van het O. M. gestrekt hebbende om gebruik te kunnen maken van een bevoegdheid of recht door de Wet toegekend, al moge de straf van nietigheid niet uitdrukkelijk zijn bepaald; 4n. verkeerde toepassing of schending der Wet c);
a) Hot was de Vcdooling bij tie lierzicniug do bovoegdheid om cassatie aan Ie teekeuoii, ook te geven aan den van reelitsvervolging ontslagene. Door de handhaving van hot woord veroordeelde in het le lid van art. 340, is dat doel niet hereikt. Tntnsschon mag men aannemen, dat, zoodra aan hot ontslag van rechtsvervolging eenige andere beslissing wordt verbonden, daartegen beroep in cassatie zal openstaan. Zie de Pinto Het herz. Wetho'k TT, blz. 480. Zie over cassatie ook Mr. Bergsma in T. v. S. ITf 451 vlg. en Mr. »]. Oounelifsen in T. v. S. III, blz. 58 vlg.
h) Zie ook de Tinto hef hrrziene Wrlhorh tl, blz. 4 73.
r) Is er eene andore straf opgelegd dan tegen hot feit is bedreigd (art. 34*,)), dan is er natuurlijk ook verkeerde toepassing of schending der Wet.
Mits slechts de opgelegde straf inderdaad tegen hot gepleegde strafbaar lolt is bedreigd, zal de veroordeelde in cassatie geeno vernietiging van het vonnis kunnen vragen, wanneer er oen misslag is begaan in de aanhaling der artikelen die zijn overtreden of waarbij do straf is bepaald (art. 351). Onder misslag is ook te verstaan niot-vermolding (arrest H. R. 23 Mei 1887 W. 5430. N. R. CXLVl, 120. v. d. H. Gom. Z. 36 blz. 349.)
262
5°. overschrijding van rechtsmacht. K. O. art. 99; Strafv. art. 346.
liet beroep in cassatie tegen vonnissen die geen eindvonnissen zijn, zal niet openstaan vóórdat het eindvonnis gewezen is; de vrijwillige voldoening aan zoodanige vonnissen kan in geen geval worden tegengeworpen als een grond van niet-ontvankelijkheid. Voor zoodanige voorloopige vonnissen worden niet gebonden die, waarbij beslist wordt over exceptiën van onbevoegdheid, verjaring of gewijsde zaak. (354) Een vonnis, waarbij splitsing wordt bevolen van gelijktijdig aangebrachte zaken, is echter een voorbereidend gewijsde (arrest 11. R. 19 Dec. 18S7, W. 5521, P. v. J. 1888 n0. 4.) Het vonnis, dat de behandeling der hoofdzaak schorst tot na de beslissing over een praejudicieel geschil is een eindvonnis. (Zie Leon ad art. 388 aant. 5).
Wanneer de veroordeelde of de Ambtenaar van bet O. M. in cassatie willen gaan, hebben zij daartoe drie vrije dagen na dien, waarop bet vonnis is uitgesproken. Is de laatste dag van dien termijn een Zondag, dan kan het ook nog geschieden op den daaropvolgende!! Maandag. Een algemeen erkende Christelijke feestdag wordt bier echter niet met den Zondag gelijkgesteld (arresten H. I\. 21 Maart 1887, W. 5416, en 9 Oct. 1893, W. 6404, P. v. J. 1893, 86).
De aanteekening van beroep in cassatie zal door den Ambtenaar van het O. M., den veroordeelde, diens raadsman a), of gemachtigde ter Griffie worden gedaan en onderteekend zoo door dengenen die de verklaring doet als door den Griffier /gt;). Indien degene, die de
а) Zie arrest H. R. 6 Januari 1890, N. K. CLIV, 25 v. tl. II. S.r. 1890, 1, waarbij uitdrukkelijk werd beslist, dat raadsman sleehts is bij, die den veroordeelde als zoodanig ter tereehtzitting bijstond,
б) Wanneer de Ambtenaar van het O. M. in eassatie is gekomen van eeu vonnis waarbij de beklaagde is ontslagen van rechtsrervolgiug, of tot een© andere straf veroordeeld dan de Wet tegen het feit bedreigd, kan de beklaagde incidenteel zonder voorafgaande aanteekening zich in cassatie
263
verklaring doet, niet teekenen kan, zal de Griffier daar melding van maken. De akte zal in een daartoe bestemd openbaar register a) kosteloos worden ingeschreven, waaruit een iegelijk gerechtigd is zich uittreksels doen afgeven (art. 355). Geschiedt de verklaring door eenen gemachtigde van den veroordeelde, dan zal deze eene behoorlijke volmacht moeten hebben; het is niet voldoende dat hij opgeeft mondeling gemachtigd te zijn (arresten H. li. 8 Oct. 1888, N. K. CL, blz. 6, v. d. H. Strafr. 1888 blz. 309, en 13 Januari 1890, W. 5826, P. v. J. 1890 n0. 13). Voor de aanteekening is verschijning in persoon of bij gemachtigde hij den Griffier noodzakelijk; men kan die verklaring niet per brief of telegram doen (arresten 11. R. 27 Dec. 1893, W. 6456, P. v. J. 1894, 20, N. li. CLXV 439, v. d. 11. S.r. 1893, 327, 22 Oct. 1894, W. 6565, P. v. J. 1894, 92; 17 Feb. 1896, W. 6773).
Indien de Ambtenaar van het O. M. in cassatie komt, dan moet hij die aanteekening, zoo de beklaagde in vrijheid is, dezen binnen 14 dagen laten beteekenen. Is de beklaagde in verzekerde bewaring, dan wordt de aanteekening binnen drie dagen door den Griffier aan den beklaagde voorgelezen met achterlating van een afschrift. Bij gebreke van behoorlijke beteekening of voorlezing, wordt, wanneer van wege den beklaagde op de terechtzitting daartoe verzoek wordt gedaan, uitstel verleend, met last dat de aanzegging alsnog geschiedde, (art. 357).
De beklaagde zal, hetzij hij het doen van zijne verklaring, hetzij binnen de tien volgende dagen.
bcroopen, doch uitsluitend ter zake van infonnaliteiten bij gelegenheid der tereehtstelling begaan (art. 350). Voor den vorm, waarin dit beroep moet geschieden, is niets voorgeschreven. Zie de arresten van den 11. K. van 2S Nov. 1892, W. 0279, P. v. J. 1893 no. 12 en 1 Mei 1S03, W. amp;345, P. v. J. 1S98 no, 44, N. R. CLXIV, 1.
a) Bij de processtukken zal dus dour den Griflier niet, zooals bij liet hooger beroep, de akte zelve, doch slechts een afschrift daarvan moeten worden gevoegd.
204
ter (irifïie vau het Kantongerecht lt;r), dat liet vonnis wees, eene memorie, houdende zijne middelen van van cassatie, inzenden. De Griffier zal hem daarvan een schriftelijk bewijs afgeven, (art. 358) Hij zal tevens den dag van ontvangst op het stuk aanteekenen. b) De beklaagde kan zijne memorie eveneens rechtstreeks binnen denzelfden termijn â zie arrest H. R. 0 Nov. 1893, W. 0423 â aan den Griffier van den Hoogen Raad inzenden (art. 302). Zendt de beklaagde zijne memorie later in. dan kan de Hooge Raad daarop geen acht slaan, wat echter niet belet dat hij, zoo het middel hem gegrond voorkomt, ambtshalve op grond daarvan het bestreden vonnis moet vernietigen, (arrest H. R. 17 Nov. 1890, W. 5904).
Indien de Ambtenaar van het O. M. zich in cassatie voorziet, is hij op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen denzelfden termijn eene memorie ter tiriflïe van het Kantongerecht in te dienen, houdende zijne middelen van cassatie (art. 359). Een bepaalde vorm daarvoor is niet voorgeschreven. Gebruikelijk is op te noemen de artikelen, die men geschonden of verkeerd toegepast acht, en aan te geven hoe dat zou gebeurd zijn, en dan die middelen tow te lichten. Zie ook Leox art. 394 aant. 2.
Onverminderd de middelen van cassatie bij de wederzijdsche memorie vermeld, kunnen bij de mondelinge behandeling der zaak voor den Hoogen Raad nog andere worden voorgedragen, behoudens de bevoegdheid van den Hoogen Raad, om aan de wederpartij, zoo daartoe gronden zijn, op het verzoek van
a) Alhoewel hei Xaulongererht in art. 358 niet wordt genoemd, moet het daar toch voor genoemd worden gehouden. (Zie de Tinto llandl. II blz. 580, en het herziene Wetboek II art, 3581.
h) ])e dag van ontvangst kan echter ook op andere wijze blijken, zie Leon art. 394, aant. 5. Indien de laatste dag van den termijn een Zondag is, kan de memorie ook nog worden ingediend op den daaropvolgenden Maandag. Zie Leon art «93 no. ld.
265
den Prokureur-Geueraul of van den beklaagde, eenen bekwamen tijd van uitstel te verloenen. (art. ;360) Zie de Tinto Ilandl. II blz. 587 en 58lt;S.
Binnen drie dagen na den termijn voor lt;le indiening der memoriën gegeven, zendt de Griffier bij het Kantongerecht met kosteloos op te maken inventaris alle de stukken van het geding aan den Griffier bij den Hoogen Raad. (art. SGf)
Indien bij een vonnis meerdere beklaagden zijn veroordeeld, en slechts een of eenigen hunner zich in cassatie hebben beroepen, zal, in geval van ver-nietlging van het vonnis, zulks ten aanzien van alle gelden ti). De beklaagde, die niet in cassatie is gekomen, zal echter bij een nieuw arrest h) tot geene zwaardere straf kunnen worden veroordeeld, dan hem bij het vernietigde vonnis was opgelegd (art. 374). Om de uitvoering dezer bepaling mogelijk te maken, wordt de tenuitvoerlegging der straf op den medeveroor-deelde, die niet in cassatie ging, wanneer hij dat verzoekt, geschorst tot na den afloop der zaak tegen den medeveroordeelde, die wel in cassatie ging. (art. 338) Wanneer tegen een vonnis van een Kantonrechter geen rechtsmiddel meer openstaat, zal het vonnis, onverschillig of daartegen al dan niet een rechtsmiddel is aangewend, kunnen worden geschorst en zelfs vernietigd, wanneer 1°. twee of meer beklaagden bij onderscheidene vonnissen als daders van het zelfde strafbaar feit zijn veroordeeld, en die vonnissen niet met elkander zijn overeen te brengen, maar liet bewijs van onschuld van den eenen of den anderen der veroordeelden medebrengen; of 2°. indien na de veroordeeliug van eenen beklaagde voor welk strafbaar feit ook, een
a) Ook nl ziju die bij verstek veroordeeld, zie arrest U. R. 30 April J88S, 1'. v. J. 1888 uo. 68.
ö) Waarschijulijk bij vergissiu;; bleef in liet tweede lid van art. 374 liet woord arrest staan. Do bedoeling zal wel ziju dat ook bij terugwijzing naar deu Jvantonreehter hem. die niet in eassatie ging. geene zwaardere straf kan worden opgelegd.
266
of meer getuigen, welke te zijnen laste getuigenis hebben afgelegd, ter zake van meineed in dat geding in rechte worden betrokken, a) (art. 375)
Indien in een dier gevallen, na den deünitieven afloop der zaak, van de onschuld van eenen persoon mocht blijken, welke reeds zijne straf heeft ondergaan, zal, op diens verzoek, de Hooge Raad den veroordeelde in zijne eer herstellen bij een arrest, hetwelk ten koste van den Staat zal worden afgekondigd. Indien de veroordeelde mocht zijn overleden, zal het verzoek daartoe door een zijner nabestaanden, of bij het ontbreken derzelve, door eenen curator ad hoe door den H oogen Raad te benoemen, mogen worden gedaan, en zal, in dat geval, de Hooge Raad de nagedachtenis van den overledene ontlasten van de veroordeeling, welke tegen hem was uitgesproken, (art. 379)
§ 80. Krachtens artikel 6S der Grondwet heeft de Koningin het recht van gratie van straffen, door rechterlijk vonnis /gt;) opgelegd. Onder gratie wordt verstaan zoowel vermindering, verwisseling als kwijtschelding van straffen. Gratie kan gevraagd en verleend worden, zoowel wanneer tegen het vonnis nog een rechtsmiddel openstaat als wanneer dat niet meer het geval is. Zij kan gevraagd worden zoowel door den veroordeelde zelf als door een ander te zijnen behoeve; zij kan ook verleend worden zonder dat hij het vraagt. Zoo de veroordeelde het uitdrukkelijk verlangt, wordt, wanneer de termijn tot het aantee-kenen van hooger beroep of cassatie is verstreken, of door den Hoogen Raad uitspraak is gedaan, het vonnis niet ten uitvoer gelegd vóórdat acht dagen verstreken zijn nadat het onherroepelijk is geworden, (art. 336). Binnen die acht dagen kan de veroordeelde een verzoekschrift om gratie, ongesloten, inleveren
a) Zie een voorbeeld liiervan in arrest U. R. (Raadkamer) van 27 Sept. 1887, W. 5474.
b) Is dus vrijwillig de hoogste boete betaald, dan kan niet bij wijze van gratie worden bepaald, dat liet betaalde wordt teruggegeven. Zie hierover o. a. Mengelwerk in W. .*»614.
267
of doen inleveren ter Griffie van het Collegie of liet Kantongerecht a), hetwelk de veroordeeling heeft uitgesproken. De Griffier houdt nauwkeurig aantee-kening van den dag der inlevering van zoodanig verzoekschrift; hij geeft daarvan kennis aan den Ambtenaar van het O. M. met de tenuitvoerlegging van het arrest of vonnis belast, en verzendt onmiddellijk het verzoekschrift aan het Departement van Justitie, ten einde aan de Koningin te worden ingeleverd.
Ook na het verstrijken van den genoemden termijn van acht dagen kan een verzoekschrift om gratie worden ingediend.
Op wat tijdstip ook het geschiedt, heeft het indienen van een verzoekschrift om gratie van rechtswege ten gevolge dat, zoo met de tenuitvoerlegging van het Aronnis nog geen begin is gemaakt, ze niet kan plaats hebben zoolang op het verzoekschrift niet is beschikt, (art. 340) Vraagt de veroordeelde gratie terwijl hij zijne straf reeds ondergaat, dan oefent de indiening van het verzoekschrift geen invloed uit op de uitvoering van de straf. Daar volgens art. 32 W. v. S.r. de straf van plaatsing in eene rijkswerkinrichting ingaat op den dag waarop de hoofdstraf eindigt, moet een daartoe veroordeelde naar eene Rij kswerkinrichting worden opgezonden, ook wanneer hij gratie vraagt terwijl hij de hechtenisstraf ondergaat, b)
a) In art. 337 seliijut, ovenals in zoovele artikelen, onder collegie ook te moeten worden verstaan Kantongerecht, liet spreekt van zelf, dat de veroordeelde zijn verzoekschrift ook steeds rechtstreeks aan do Koningin kan zenden. Door indiening Ier Griffie is hij echter zekerder gewaarborgd tegen exeentie.
b) Jure copsiiiulo schijnt eene andere meening niet wel mogelijk. Voorzoover ik heb kunnen nagaan wordt ook in de praktijk gehandeld zooals ik neerschreef. In T. v. S. II (aant. 1 op art. 32 W. v. S.r.) verdedigt een Ambtenaar van het O. M. de leer om een veroordeelde in dat geval, ten einde hem de schande der plaatsing in eene Rijkswerkinrichting, die hem wellicht wordt kwijtgescholden te besparen, delihcranterecjf. als passant in het huis van bewaring te laten verblijven. Men zie ook liet nader te vermelden opstel van Mr. Sni.tdke van Wissekerkb.
268
liigevolgt' art. 08 der Grondwet oefent de Koningin het reelit van gratie niet uit, dan na het advies te hebben ingewonnen van den Rechter, daartoe Vüj Algemeenen Maatregel van Bestuur aangewezen. De beantwoording der vraag welke Rechter daartoe zou worden aangewezen, heeft bij de jongste grondwetsherziening tot heel wat strijd aanleiding gegeven. De grondwetten van 1lt;S14 en 1815 stelden verplichtend het hooren van den Hoogen Raad k) op elk verzoek om gratie; die van 1848 deed dat alleen, wanneer eene andere straf dan geldboete of gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren was opgelegd, anders vroeg zij het advies van den Rechter die de veroordeeling uitsprak. De Algemeene Maatregel van Bestuur b) van 13 Dec. 1887 (blhl. 215) schrijft A'oor het hooren van den Rechter die de veroordeeling uitsprak c); slechts wanneer meer dan 3 jaren zijn verloopen sedert den dag waarop de straf werd opgelegd, is bet hooren van den Hoogen Raad verplichtend (art. 1), een geval dat zich natuurlijk bij straffen, door een Kantongerecht opgelegd, hoogst zeldzaam zal voordoen. Verlangt de Koningin het of acht de Minister van Justitie het wenschelijk, dan kan, wanneer dc Rechter, die de straf oplegde moet gehoord worden, daarenboven nog worden gehoord de Hooge Raad, en wanneer de llooge Raad moet worden gehoord daarenboven nog de Rechter die de straf oplegde, (art 18).
Een ingediend verzoek om gratie wordt door tus-schenkomst van den Minister van Justitie toegezonden aan den Rechter d), die daarover moet worden gehoord.
/7) Vroeger whh dus de bepaling van art. 340 W. v. S.v. van groot belang; thans heeft het zijne beteekenis bijna geheel verloren, 6) Ook opgenomen in W. 5 488.
6*) Is het Kantongerecht dat de straf uitsprak ontbonden, dan wordt gehoord de Kantonrechter, aan welken de rechtsmacht is opgedragen vroeger door dat Kantongerecht uitgeoefend.
Blijkt den Kantonrechter, aan wie liet verzoek om gratie tengevolge
26!»
Deze stelt het onverwijld in handen van den Ambtenaar van het Openbaar Ministerie om daarover verslag uit te brengen. Zoo de Ambtenaar van het O. M. niet reeds het indienen van het request van elders vernomen had en das reeds die maatregelen genomen had, zorgt hij onverwijld, wanneer de veroordeelde zijne straf nog niet ondergaat, dat zij niet wordt ten uitvoergelegd vóór dat op het verzoek is beschikt, (art G.)
Het verslag van den Ambtenaar van het ü. M. bevat opgaven omtrent den leeftijd en het gedrag van den veroordeelde, zoowel vóór als na diens veroordeeling en omtrent zoodanige andere omstandigheden als op de beoordeeling van het verzoek van invloed kunnen zijn. (art. S, le lid.) Het is verder gewoonte dat het inhoudt eene korte omschrijving van het feit, waarvoor in den regel de inhoud der dagvaarding wordt overgenomen.
Bij dat verslag worden gevoegd alle zoodanige bescheiden als ter toelichting dienstig worden geacht a) en eene tabel, houdende nauwkeurige aanwijzing van de namen en de woonplaats des veroordeelden, van de qualiiicatie van het strafbaar feit, van den dag-waarop en den Rechter door wien de straf is opgelegd, van reeds verleende vermindering of verwisseling-van straf, en, zoo de veroordeelde reeds zijne straf
van de niet-vermelding van den dag der uitspraak is toegezonden dat de straf, waarvan in dat verzoek sprake is, meer dan 3 jaren geleden door zijn Kantongerecht is uitgesproken, dan doet hij het met opgave van den dag der uitspraak toekomen aan den lloogen Kaad. (art. 7) I» hem het request tengevolge van eene vergissing toegezonden of is hij niet de Rechter die de straf uitsprak, heeft bijvoorbeeld een hoogere Rechter in de door den Kantonrechter opgelegde straf eene wijziging gebracht, dan zal hij liet verzoekschrift behooren terug te zenden aan den Minister van Justitie.
a) Bijvoorbeeld inlichtingen uit het gesticht waar de veroordeelde zijne straf ondergaat of van den Burgemeester of Commissaris van Politie zijner woonplaats.
270
ondergaat, van ingang en einde dor straffen, (art. S) Het is verder gewoonte dat de Ambtenaar van het O. M. in het verslag den Kantonrechter in overweging geeft te adviseeren tot afwijzing van het verzoek dan wel om de opgelegde straf te verminderen of te veranderen en dat hij mededeelt in welke mate hij meent, dat dat zou behooren te geschieden.
Het door den Kantonrechter uit te brengen advies behelst eene korte omschrijving van het gepleegde feit en van de omstandigheden waaronder het gepleegd werd, benevens eenu beknopte ontwikkeling van de gronden, die voor of tegen het verleenen van gratie pleiten, met achtgeving voor zooveel noodig op de door of ten behoeve van den veroordeelde aangevoerde redenen van verschooning. Het advies kan voor een en ander verwijzen naar het verslag, voor zoover dit aan de hier gestelde eischen voldoet en de Kantonrechter zich met den inhoud daarvan vereenigt. (art. 9) Het advies wordt onder overlegging van het verslag van het ü. M. en van de daarbij gevoegde bescheiden of van de afschriften van een en ander, vergezeld van de daarbij behoorende tabel rechtstreeks toegezonden aan den Minister van Justitie.
Terwijl ik gaarne toestem dat het niet wel te verdedigen is om, zooals de Algemeene Maatregel van Bestuur doet, den Rechter die de veroordeeling uitsprak, dan wel den Hoogen Raad te laten adviseeren naarmate ze al dan niet binnen 3 jaren vóór de indiening van het verzoek is uitgesproken a), moet ik er echter bijvoegen, dat uit den aard der zaak omtrent verzoeken om gratie van straffen door Kantongerechten uitge-
a) Zie hierover Mr. df. Pinto; liet herziene Wetboek (blz. 695 vlg. art. 340, nalezing). Eene andere meening verkondigt Mr. smjdeb vauWisSE-keiïke in zijne verhandeling Artikel G8 der Grondwet, Theorie en praktijk, (T. v. s. II blz. 293â326), die tevens eene zeer belangrijke toelichting is van den besproken A. M. v. B., aan welks totstandkoming, zooals Mr. de Pinto opmerkt, Mr. s. v. W. zeer zeker niet vreemd is gebleven. Men zie over die A. M. v. I!. verder onder Berichten in W. 5487.
271
sproken, evenals vroeger, lt;le Kantonrechter zal geroepen zijn om te advizeeren.
In eene uitvoerige bespreking der vraag of het wenschelijk is tot adviseeren te roepen den Hoogen Raad, dan wel den Rechter die de straf uitsprak, mag ik hier niet intreden. Ik verwijs daarvoor naar de lectuur in de noot vermeld. Ik volsta met mede te deelen dat naar mijne bescheiden meening het alleszins goedkeuring verdient tot adviseeren te roepen den Rechter die de straf oplegde. Die Rechter, het is vaar, kan eene van de algemeene opvatting afwijkende meening hebben omtrent het strafbare in abstracte van het delict dat de veroordeelde pleegde, maar daar uit het vonnis niet blijkt in hoever die opvatting op de bepaling der straf van invloed is geweest, zal het advies van een boogeren Rechter hier in den regel geene verbetering kunnen brengen. Ik zoude vreezen, dat het voordeel van de mondelinge behandeling der strafzaak ernstig bedreigd werd, wanneer steeds tot adviseeren geroepen werd een Rechter die de zaak slechts uit de stukken kent. Dat gevaar is slechts af te wenden door dat de hoogere Rechter op zijn beurt advies vraagt aan dengenen, die de veroordeeling uitsprak. En wat is men dan verder? Evenmin als in zijn vonnis zal de Rechter in zijn advies â gevallen waarin eene buitengewoon zware of eene buitengewoon lichte straf werd uoodig geacht buiten beschouwing gelaten â de strafmate kunnen motiveeren. Tot de bepaling dier strafmate kwam de Rechter niet alleen door den inhoud der verklaringen van beklaagde en getuigen, maar ook door de wijze waarop zij die verklaringen aflegden, door hun geheele optreden ter terechtzitting. Een indruk, wellicht een onjuisten, ik geef het toe, kreeg de veroordeelende, maar wil men beweren dat de indruk, dien een hoogere Rechter krijgt uit de stukken alleen, meer waarborgen van juistheid heeft?
Men heeft gemeend dat het beter zoude zijn niet
272.
ile Rechter, die de veroordeeling uitsprak, te laten advisceren, omdat deze, met de wetenschap later in een eventueel advies op een request om gratie op vermindering te kunnen aandringen, maar alvast zou beginnen met eene te zware straf uit te spreken. Ik heb eene dusdanige â om geene andere uitdrukking te gebruiken â weinig ernstige opvatting van het rechterambt in de praktijk nooit kunnen waarnemen. De Rechter legt de straf op die hij meent dat voor het feit in goede justitie dient te worden uitgesproken, niet minder maar ook niet meer. Slechts waar de Wet principale vrijheidstraf verplichtend stelt, kan het in het algemeen gebeuren dut de Rechter voor gratie zal adviseeren, ofschoon er geenerlei nieuw gezichtspunt in de zaak geopend is. Anders zal hij, wanneer hem niet gebleken is van eenigerlei omstandigheid na de veroordeeling ruchtbaar geworden of eerst daarna ontstaan, die zoude kunnen leiden tot vermindering van straf â zooals in dergelijke adviezen vaak gelezen wordt â afwijzend adviseeren.
Blijkt uit het vonnis of van elders dat den Rechter, die de veroordeeling uitsprak, objectiviteit bij het wijzen van zijn vonnis ten eenenmale ontbrak, handelde hij bijvoorbeeld onder den druk eener buitengewoon krachtige â maar daarom nog niet juiste â openbare meening, dan make de Kroon gebruik van de voorlichting van den Hoogen Raad. Doch dan zab deze ook elders licht moeten zoeken dan bij den veroordeelenden Rechter en in de stukken, dan zal deze op zoo ruime schaal inlichtingen moeten inwinnen, als niet mogelijk zoude zijn als hij alle verzoeken om gratie moest behandelen.
HOOFDSTUK V.
1!L'ITENOKHKCHTELl.lKE HAXDKLINCEN IN STRAFZAKEN.
§ 81. De Kantonrechter wordt in artikel 8 van liet
273
Wetboek van Strafvordering genoemd onder de Ambtenaren, die belast zijn met liet opsporen der strafbare feiten, voor zooveel aangaat de uitgestrektheid van het grondgebied, voor hetwelk hij is aangesteld en beëedigd. Als zoodanig is hij bevoegd ter zake van de strafbare feiten, die hij in zijn Kanton constateert, proces-verbaal op te maken. Mits op ambtseed opgemaakt, heeft zoodanig proces-verbaal, evenals die van verhoor van getuigen of verdachten, ingevolge art. 401 S.v. kracht van bewijs. Ieder, tegen wien een strafbaar feit is gepleegd of die daarvan kennis draagt, kan «) daarvan aangifte doen bij een opsporingsambtenaar, onverschillig of het opsporen van het gepleegde strafbaar feit tot zijn dienstkring behoort. Do schriftelijke aangiften zullen moeten worden onderteekend. Do mondelinge aangiften zullen door den opsporings-ambtenaar, die ze ontvangt, in geschrifte worden gesteld, en zoo door hem, als door den aangever worden onderteekend, zoo deze kan schrijven. In geval van beletsel wordt de reden daarvan vermeld, (art. 12)
Ook wordt de Kantonrechter in art. 34 S.v. genoemd onder de hulp-Officieren van Justitie. Als hulp-Officier van Justitie is de Kantomechter gehouden, om op de vordering van den Officier van Justitie, alle zoodanige narichten te geven en onderzoeken te bewerkstelligen ter zake van feiten aan de kennisneming der Rechtbank onderworpen als met welker vervolging deze Ambtenaar is belast, gelijk ook in het beheer der Justitie en rechterlijke politie, de bevelen na te komen, welke hun door denzelven worden gegeven, (art. 38)
Do hulp-Officieren zullen, wanneer zij aangiften ontvangen ter zake van feiten, met welker nasporing zij belast zijn, aanvankelijk alle narichten verzamelen
c) U hij getuige geweest van een der misdrijven in art. II genoemd, dan is hij verplieht tot het doen der aangifte bij den bevoegden opyporings-ambtenaar.
13
274
en inwinnen, welke dienstig kunnen zijn om over de zaak licht te verspreiden. Zij zullen die aangiften en eventuoele processen-verbaal van onderzoek zoo spoedig mogelijk toezenden aan den Officier van Justitie. Zij zullen dat laatste ook doen met de aangifte van strafbare feiten, wier nasporing niet tot bun dienst-kring behoort. Hunne processen verbaal zullen zijn gedagteekend, en zooveel mogelijk inhouden den aard en de omstandigheden van het strafbaar feit, den tijd wanneer en de plaats waar hetzelve is begaan, mitsgaders de bewijzen of aanwijzingen ten laste van den vermoedelijken schuldige (art. 36 en 37).
In geval van gelijktijdige bemoeiing van de Officieren van Justitie en van de Hulp-Officieren, zullen laatstgemelde zich van alle verdere bemoeiingen onthouden cn dezelve aan den Officier van Justitie overlaten, ten ware deze hen gelasten mocht in de door hen aangevangen verrichtingen voort te gaan ot hem
behulpzaam te zijn (art. 35).
Als Hulp-Officier van Justitie is de Kantonrechter bevoegd tot het ontvangen der klacht bij klachtdelicten, (art. 13 vlg. W. v. S.v. art. 64 vlg. W. v. S.r.)
Wanneer er ontdekking is op heeterdaad, en wat den opsporings-ambtenareii en Hulp-Officieren van Justitie dan te doen staat, indien het eenig misdrijt, hoe zwaar ook, of eenige overtreding, hoe licht ook, betreft, wordt geregeld in de art. 39 42. De bevoegdheden en verplichtingen der Hulp-Officieren, bij verhindering of ontstentenis van den Officier, in geval van ontdekking op heeterdaad van strafbare feiten, waartegen als maximum eene gevangenisstraf van 4 jaren of meer is bedreigd, zijn te vinden in de art. 43â52. Men zie hierover ook nir. L. O. Ureevk, üc Burgeiiwcslcr Hul[i-Officicr van
Bekend is het, dat vaak de vraag werd gedaan ot de Kantonrechter Hulp-Officier van Justitie en op-sporings-ambtenaar moet blijven. Mr. Grekve was er een beslist voorstander van, hier den bestaanden toe-
stand te haiulliaven. In de derde uitgave van dit werk schreef hij;
â âfn het ontwerp van Strafvordering van den Minister -;,G0DEFK0f, komen de Kantonrechters niet voor onder ,,de Ambtenaren met de opsporing van misdrijf belast, vnoch onder de 11 ulp-ofticieren. Jiij de M. v. zegt ,.de Kegeei'ing, dat de wenschelijkheid. dat de Kan-â ton rechters worden ontheven van do verpliclitingen, âhun hij art. 11 nn. ,3 en art. Strafv. opgelegd, âreeds bij de gedachtenwisseling over het ontwerp van âWet op de Rechterlijke Inrichting erkend was, 'â¢/(. n'.l('en quot;«'/''r Ih'Ioikj Ichorfde. Het komt mij voor, dat âdat nader betoog alleszins noodig zou zijn, omdat het, ânaar mijn bescheiden ineening, een fout van het âontwerp is, ten platten lande den hoogsten rechterlijken magistraat, die door zijn studie en den aard âzijner werkkring als daartoe geroepen schijnt, uitte âsluiten, te verbieden zelfs, om zich hij misdaden in âte laten met het instellen van het eerste onderzoek, âhet gewichtigste niet zelden, in het geheele proces, -en dat over te laten aan personen, voor wie het be-âhandelen van rechtszaken niet dan hijzaak is en âkan zijn. Van een in de praktijk zoo ervaren ma-âgistraat, als waarvoor men Mr. Ctodefroi algemeen âpleegt te houden, is mij zoodanig voorstel altijd âonverklaarbaar geweest.quot;
Bij de jongste herziening van ons Wetboek werd eene zwakke poging gewaagd om den Kantonrechter uit art. 8 (nieuw) te doen vervallen. Waarschijnlijk heeft de overweging, dat deze wijziging zou geacht worden te zijn buiten het kader der herziening, meerderen weerhouden die te steunen. Bijzonder ongelukkig was men toen in de keuze van argumenten ter verdediging van deze wijziging. Zoo de Raad van State. Deze meende, dat het gewenscht was in de plaats der Kantonrechters de Ambtenaren van het O. M. bij de Kantongerechten hulp-Ofticieren.te maken. ^ ei'd daarbij, wil ik vragen, niet te eenenmale uit
27«
het oog verloren, waarom de voorstanders den Kantonrechter hulp-officier wenschen te laten; en welke voorstelling maakte men zich dan toch van die Ambtenaren? Een lid der commissie van rapporteurs was, blijkens het voorloopig verslag der Tweede Kamer, van oordeel, dat in do praktijk de vertcniging van hulp-officier en waarnemend Rechter-Commissaris in den zelfden persoon tot moeilijkheden aanleiding geeft. âAls hulp-Officier toch,quot; lees ik daar, âheeft âde Kantonrechter geen enkel middel van contrainte âom de getuigen voor zich te doen verschijnen, als âwaarnemend Rechter-Commissaris wèl. In het eene âgeval ontvangen de getuigen schadeloosstelling, in âhet andere niet. Dergelijke verschillende behandeling âvan getuigen leidt somtijds tot ontevredenheid, en âstrekt geenszins om den eerbied voor den Rechter âte handhaven. Werd dan ook reeds bij de M. v. T. âvan het ontwerp van 1863 gezegd, dat het geen ânader betoog vereischte, dat in deze bepaling de âKantonrechter moest worden weggelaten, tie motieven âdaarvan klemmen te sterker, nu li ij als onafzetbaar âRechter is erkend, en zijne werkzaamheden bij ver-âschillende wetten en reglementen steeds zijn, en bij âhet tot stand komen der invoeringswet belangrijk âzullen worden uitgebreid.quot; Waar nog zoovelen den Kantonrechter hulp-Officier wenschen te laten, ware, dunkt mij, het nader betoog wol degelijk vereiscbt. De vrees voor overlading met werkzaamheden van plattelandsch Kantonrechters, zal velen doen glimlachen. De ontevredenheid der geen-schadeloosstelling-ontvangende getuigen zal al even weinig indruk maken als het lachende tehuis blijven van den wetgeleerden getuige, die door den Kantonrechter-hulp-Officier werd opgeroepen; a) het geldt hier toch niet de vraag of aan den hulp-Officier eenige bevoegdheden moeten worden gegeven, die thans slechts lt;lo
a) Zie Smidt, Stvafr., I, blz. 50.
277
liechter-Commissaris heeft. Al evenmin zal men overtuigd worden door de overweging dat het gezag van don Burgemeester zou gekreukt worden, wanneer in eene zaak, waarin deze reeds als hulp-Officier heeft onderzocht, later den Kantonrechter als hulp-Officier een onderzoek wordt opgedragen. «) Daargelaten, dat het de gewoonte is bij do parketten het onderzoek te doen voortzetten door den hulp-Officier die het begon, zal de Burgemeester tocli steeds gevaar loopen, dat de Kantonrechter als gemachtigde van den Rechtercommissaris onderzoekingen instelt waar de Burgemeester dat reeds als hulp-Officier deed. En vindt men dat hot instellen van een hernieuwd onderzoek op zich zelf reeds het prestige van hem, die het eerste onderzoek deed, op bedenkelijke wijze schokt, dan is het aantal af te schaften hooger beroepen ontelbaar. Het was dan ook voor Mr. Greeve eene aanlokkelijke taak naar aanleiding van die beraadslagingen nogmaals eene lans te breken voor hot hulp-Officierschap van den Kantonrechter. Hij deed dat in een lezenswaardig opstel in do Vvurjcn den Tijd* van Januari 1886 (blz. 240â2lt;37) waarmede hij hot succes mocht hebben zich het Werkblad van het Recht b) tot bondgenoot te maken.
Daar is zeker veel te zeggen voor het gevoelen dat men iemand, dien men, om hem zelfs van de Regeering onafhankelijk te maken, voor het leven aanstelt, niet moet belasten met do function van hulp-Officier, hem niet moet maken tot don ondergeschikte van den Officier van Justitie, het orgaan der Regeering bij uitnemendheid. Gaaruo onderschrijf ik wat Mr. de Tinto c) zegt: âdat de wet haar ('s Rechters onaf-âhankolijkheid) moet steunen en zelfs den schijn van âafhankelijkheid van de Rogeoring of hare organen âmoet to keer gaan met alle middelen waarover zij
a) Zie ömidt t. z. p.
h) Zie no. 5236 onder Berichten.
c) Hel herziene Wetboek van Strafvordering, T, blz. IGO.
âto beschikken heeft.quot; Merkwaardig is liet echter, dut, toen in do hitte van den verkiezingsstrijd van het jaar 1S!M de vraag werd gedaan: âmoet de Kantonrechter hulp-Otïicier blijven?'' men vond. dat de Kantonrechter door zijne onatzetbaarhoid te onafhankelijk was om hnl}) Officier te zijn. .a) .Men vreesde toen misbruik van macht van dien unathankelijken hulp-Officier. Waar blijft de beweerde afhankelijkheid des Rechters, waar men klaagt dat do ondergeschikte hulp-Officier te onafhankelijk wordt?
liet wil mij echter toeschijnen, dat ook de voorstanders van den Kantonrechtor-11 ulp-Oflicier, zich vrel aan eenige overdrijving schuldig maken. Ik stem toe dat de Kantonrechter vaak de eenige rechtsgeleerde in de streek is. maar moet er toch de aandacht op vestigen, dat. door electriciteit en stoom, het thans mogelijk is, dat de Officier spoedig ter plaatse is. Ook zal het allicht gebeuren, waar het Kantonrechterschap ten plattelande voor velen is eene der eerste betrekkingen, die zij slechts korten tijd bekloeden, dat deze Hulp-Officier niet heeft die ervaring en die kennis van land en volk, welke de voorstanders van den Kantonrechter-] lulp-Ofticier hem zoo gaarne toekennen.
Waar de Kantonrechter eenmaal Hulp-Oflicier is, men niet behoeft te vreezen, dat hij ten platte lande met werkzaamheden wordt overladen, en hij allicht een der hoogst ontwikkelden der streek is, geloof ik dat het wenschelijk is hem de (jiialiteit van Hulpofficier niet te ontnemen, /eer terecht wordt aan den Ambtenaar van het lt;gt;. M. bij het Kantongerecht de bevoegdheid onthouden aan den Kantonrechter nasporingen op te dragen ; liet zoude overweging verdienen den Kantonrechter niet te belasten met de opsporing van strafbare feiten waarvan hij zeil kennis neemt. Het spreekt overigens van zelf dat de Kantonrechter zich in den regel van het opsporen van
,r) Zie W. Ã543.
271»
strafbare feiten onthoudt. Heeft hij zelf een delict, dat bij zijn kantongerecht berecht wordt, geconstateerd, zooals mij als Kantonrechter eenmaal gebeurde, dan zal hij een plaatsvervanger daarover laten oor-deelen. Wordt bij hem kluehtc of aangifte gedaan, dan zal hij, tenzij het geldt een zeer zwaar misdrijf uf dadelijk optreden noodzakelijk is, den klager of aangever verwijzen naar Rijks- of Gemeente-Politie.
§ 82. Indien er tegen een beklaagde een bevel tot gevangenneming is uitgevaardigd en hij gevonden wordt buiten het arrondissement van den Rechter, welke dat bevel gegeven heeft, dan moet hij, alvorens in de gevangenis gesteld te worden, gebracht worden voor den Kantonrechter, den Burgemeester of den Commissaris van Politie van de plaats, waar hij gevat is, ter onderzoeking of het bevel van gevangenneming echt, en of de aangehouden persoon dezelfde is, als bij het bevel is aangeduid. In geval de Ambtenaar, voor wien de gevangene gebracht is, alles in orde bevindt, moet hij het bevelschrift voor ;/ci/Vn teekenen, en, zoo dat niet het geval is, er zijn bedenkingen op aanteekeneu, art. 105. Dat hij evenwel de bevoegdheid heeft de invrijheidstelling te gelasten, al mocht hem ten duidelijkste blijken, dat de expeditie van het bevelschrift niet echt is, of dat de aangehouden persoon niet de bedoelde is, gelijk Kemper II 154 meent, moet ik zeer stellig tegenspreken, daar hem die bevoegdheid nergens uitdrukkelijk gegeven is, noch ook de aanhouder verplicht wordt verklaard aan zijne bevelen te voldoen. Nadere inlichtingen vragen, zelfs door middel van den telegraaf, zal, dunkt mij, het eerste zijn wat den Kantonrechter zal te doen staan in zoodanig, zeker hoogst zeldzaam voorkomend, geval.
§ SS. In geval een beklaagde, tegen wien een bevel van gevangenneming is uitgevaardigd, niet kauworden gevat, moet het proces-verbaal van nasporing dooiden Kantonreehler, den Burgemeester of den Commissaris van Politie van de plaats, waar de nasporing
2 81)
o-escl)ii'd is, voor 'jczifn worden getoekeml, art. 107 Htrafv. Dit is daarom verordend, omdat die Ambtenaren liet best in staat zijn te oordeelen, of do nasporing behoorlijk geschied is, en zij inlichtingen zonden kunnen geven, waar de beklaagde zich soms mocht bevinden, en voorts het best in de gelegenheid zijn den beklaagde verder op te sporen, Kemper II, 165.
§ 84. Wanneer er huiszoeking moet worden gedaan door den Rechter-Commissaris, die daartoe steeds van den Ofticier van Justitie moet vergezeld zijn, kan hij zich, in geval van belet, doen vertegenwoordigen door den Kantonrechter, en de Officier door den Burgemeester. Art. 112 (Strafv. Dat woord helft moet niet in de enge beteekenis van volstrekte verhindering worden opgevat; in den regel is er belet, wanneer die Ambtenaren zich niet bevinden ter plaatse, waaide huiszoeking geschieden moet. Ook schijnen de hier vermelde vervangingen maar alleen te pas te komen in gevallen van huiszoeking binnen het arrondissement ; zoo de huiszoeking daarbuiten gedaan moet worden, behooren die Ambtenaren zich door hun ambtgenooten te doen vervangen. Kemper II, 188, 189.
§ 85. Wanneer er in gevallen van ontdekking op heeterdaad nasporing moet gedaan worden van weggenomen goederen, mogen de tot aanhouding bevoegde Ambtenaren in de huizen, werkplaatsen, getimmerten en de daaraan belendende omschutte en omheinde plaatsen ondanks den bewoner a) niet binnentreden, dan in het bijzijn van den Kantonrechter, van den Commissaris van Politie of van den Burgemeester of wien hem vervangt, terwijl het daarvan op te maken proces-verbaal moet worden onderteekend door hem, ten wiens overstaan het opgemaakt is. Art. 42 Strafv. Door zijn hijzijn wordt buiten twijfel zijn toezicht verstaan, hetwelk hij dus behoort te weigeren, wan-
a) Zie an-est H. R. 18 Out. 1870 W. 3260.
281
neer of de verzoekende Ambtenaren tot aanhouding onbevoegd zijn, of er geen ontdekking op lieeterdaad gedaan is, of er geen genoegzame zekerheid is, dat er goederen zijn weggenomen en dat zij ter plaatse der voorgenomen huiszoeking gevonden zullen worden. Ook moet hij toezien, dat de huiszoeking met bescheidenheid geschiede.
De tot aanhouding bevoegde Ambtenaren zijn hier niet alleen de rechterlijke Ambtenaren, welke bevoegd zijn een bevel tot voorloopige aanhouding te verleenen, maar al die Ambtenaren, welke onder de benaming van dienaren van de upenhare niavhl kunnen worden begrepen, en derhalve in het algemeen allen, die in dienst zijn van de openbare macht, zooals de Marechaussees, de Deurwaarders, Commiezen der belastingen enz., ja zelfs zij, die in dienst van particulieren zijn, doch door het openbaar gezag tot handhaving der politie zijn aangesteld als onbezoldigd Kijks-veldwachter, enz. Kemper I, 245, 251, 254.
§ 86. Wanneer in gevallen van op lieeterdaad ontdekte strafbare feiten, waartegen als maximum eene gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd, het waarschijnlijk is, dat liet bewijs des mis-drijfs kan worden verkregen uit de papieren of andere stukken en zaken in het bezit van den verdachte, dan moet de Officier zich doen vergezellen door den Kantonrechter, of wanneer deze zich niet op de plaats bevindt of op eenige andere wijze verhinderd is, door den Burgemeester of dien hem vervangt, en zich alzoo terstond begeven ter woonstede van den verdachte, om aldaar de noodige nasporingen te doen. Art. 47 Strafv. Daar hier wel van den Plaatsvervanger des Burgemeesters, niet van die des Kantonrechters gesproken wordt, zoo schijnt het, dat slechts de dienstdoende Kantonrechter hier bedoeld wordt en dat zijn Plaatsvervanger, terwijl de Kantonrechter zelf fungeert, hiertoe niet bevoegd is. Is de Rechtercommissaris reeds ter plaatse, en doet deze alzoo
282
de huiszoeking, dan moet liij zich ook door deri Kantonrechter of door den Burgemeester doen vergezellen. Zie ook dk Pinto, Ilandl. II, blz. 115. Is er door de Rechtbank verlof verleend tot papieronderzoek, ook dan moet, wegens de uitdrukkelijke verwijzing van art. 114 naar art. 4/, de Ivan tonrechter of de Burgemeester bij do huiszoeking tegenwoordig zijn. Zoo was dan ook de praktijk bij de Arrondisso-ments-Rechtbank tc 's Hertogenboseh toon ik daar werkzaam was, niet echter bij die te Amsterdam. Ook Mrs. van der Kemp en Grekve achtten 's Kantonrechters tegenwoordigheid dan niet noodig. Wanneer men overweegt, dat art. 110 (oud), thans onveranderd art. 114. ook bij vergissing naar art. 4(3 (oud) verwees, is er inderdaad voel voor de meening te zoggen dat het ook slechts bij vergissing gewaagt van art. 45 (oud), dat om zoo te zeggen onveranderd art. 47 werd. Terecht toch vraagt men zich af: waartoe die omslag?
§ 87. Indien door den Rochter-Commissaris een getuige of een verdachte moet worden gehoord die in een ander kanton woont dan waarin de Rechtbank zitting houdt, kan hij den Kantonrechter van die woonplaats machtigen om dien getuige of verdachte te hooren. Art. 72, Strafv. Deze machtiging moet den Kantonrechter worden bekend gemaakt door het O. M. met verzoek om de dagvaarding op last van hetzelve door een Deurwaarder of een dienaar van de openbare macht te laten beteekenen. Art. 61. Immers alles wat de uitvoering van eeu bevel van den Rechtercommissaris betreft, behoort tot het werk van don Ambtenaar van het O. M. Kicmpek I, 3)^. Intussuhen brengt het gebruik mode een minder omslachtigen wequot;' in te slaan, en zendt daarom de R.-C. den Kantonrechter direct zijn machtiging toe.
Waar de Kantonrechter als gemachtigde van den Rcchtor-Commissaris, verhoeren afneemt, moet hij zich doen bijstaan door een (iriftior.
283
liet overzonden van vnuigurtikelen, waarvan art. 73 spreekt, voor het geval, dat de getuige in een ander arrondissement woont en dan door den Rechter-Conuuissaris van die woonplaats moet worden gehoord, is voor den Kantonrechter niet voorgeschreven. Om hem echter op de hoogte te brengen zal het noodig zijn dat alle of eenige processtukken aan den Kantonrechter worden medegedeeld. Bij niet-verschij-ning van den gedagvaarden getuige kan deze op do gewone wijze volgens art. 444 \V. v. S.r. worden vervolgd. De Kantonrechter zendt dan het procesverbaal van niet-verschijning aan den Ambtenaar van het ü. M.
De Kantonrechter moet het proces-verbaal van het verhoor, besloten en verzegeld aan den Rechter-Com-missaris overzenden. Art. 77. Aangaande deze overzending vgl. § '23.
§ SS. Bij de Wet 13 Aug. 1849 {SU/I. n0. 39) tol regelhuj der toelalitig en uitzcttimj van vreemdelingen, is bepaald in art. 6 dat, wanneer de betrokken ambtenaar van politie meent, dat de door den vreemdeling verzochte verlenging van de reis- en verblijt'pas niet kan worden toegestaan, hij do weigering onverwijld aan de beoordeeling van den Kantonrechter moet onderwerpen om daaromtrent te handelen overeenkomstig art. 11, Voorts is bepaald, bij art. 10, dat toegelaten vreemdelingen niet over de grenzen kunnen worden gebracht dan op bevel van den Kantonrechter der plaats, waar zij zich ophouden of op last der Koningin. En bij art. 11, dat de Kantonrechter geen uitzetting-kan bevelen, dan wegens gemis der vereisebten, bij art. 1 omschreven, namelijk zoo de vreemdeling geen voldoende middelen van bestaan heeft of door werkzaamheden kan verkrijgen, en na hem te hebben gehoord of nadat hij daartoe behoorlijk is opgeroepen.
De tusschenkomst van den Kantonrechter wordt alléén ingeroepen ten aanzien van zoodanige vreemdelingen. die houders zijn van een te hunnen name
284
afgegeven, niet verloopeu reis- eu vcrblijfpas. âNiet-verloopeu reis- eu verblijfpasquot; omdat (/io pas slechts (jcldig zijnde vour drie maanden, de loelalimj ooi;, mei hel verstrijken van dim termijn ofdiondi, eu de vreemdeling, die geen verlenging heeft kunnen verkrijgen, volgens art. 6 terugkeert ia den toestand, waarin hij zich vóór de afgifte van du in zijn bezit zijnde reis-en verblijfpas bevond.
Conf. Circulaire van den Minister van Justitie van 5 April 1851 N0. 05, aan de hoofden van politie iti de gemeenten, betrekkelijk de uitvoering der wet van 13 Aug. 1S4(J [Sthl. X0. 3'.»), te vinden o.a. in W. van IV April 1851, Nquot;1. 1217.
Van het verhoor moet proces-verbaal worden opgemaakt. Indien de vreemdeling niet is verschenen, wordt daarvan in het bevel tot Uitzetting melding gemaakt. Dit bevel moet met redenen omkleed zijn. Van het proces-verbaal en het bevel van uitzetting moet de Kantonrechter afschriften zenden aan den Commissaris der Koningin in de provincie, hetgeen evenwel niet vermindert zijne verplichting om de uitgifte van zijn vonnis te zenden aan den Ambtenaar van politie, die bet rekwisitoir gedaan hoeft. Het bevel is uitvoerbaar, niettegenstaande een beroep op de Koningin of op den Iloogen Raad. o) Overtreding van 's Kantonrechters bevel wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden (art. 1!}7gt; W. v. Sr.)
§ 89. Volgens art. Ki en 17 van het K. B. van 17 Dec. 1851 (tStbl. n0. 16(5), houdende nadere bepalingen omtrent het beheer der ahjemeenc of liijkspolitie. moet de
a) Zie Mr. F. Tai .vay. de Tractateu van uitlevering van misdadigers door Nederland gesloten, beschouwd in verband met de vreemdelingenwet en Art. 8, 9, 10, van het Wetb. van Strafv. Amsterdam bij de Erven 11. van Munstek amp; Zoon. 18/2. De Wet van den 13 Aug. 1849 {Stbl. No. 39), regelende de toelating en uitzetting van vreemdelingen benevens de daartoe betrekkelijke ministerieele aansehrijvingen, Deventer. J. de Lanüe, 1859.
285
ambtseed door de ruspecteureu en lagere beambten van Rijkspolitie worden afgelegd in handen van den Kantonrechter. «) liet tormulier van den eed is daarbij voorgeschreven; de eed van zuivering moet er aan voorafgaan, voorgeschreven bij art. 10 van het K. B. van 25 Febr. 1817 (Xtbl. u0. 13), houdende voorschriften omtrent de beëediging der rechterlijke Ambtenaren enz. Deze zuiveringseed luidt als volgt: âIk zweer â(verklaar) dat om tot.... te worden benoemd, ik âdirectelijk of indirectelijk aan geene personen, hetzij âin of buiten het bestuur, onder wat naam of voor-âwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of ge-âgeven heb, nochte beloven of geven zal.quot; De ambtseed luidt: âIk zweer (beloof) getrouwheid aan de Koningin ; âdat ik de wetten van den Staat zal nakomen en âonderhouden, en dat ik mij in den dienst naauw-âgezet zal toeleggen op de vervulling mijner plichten, âzoo als een braaf politie-ambtenaar betaamt. Zoo âwaarlijk helpe mij God almachtig!quot;
De meening van Mrs. van der Kemp en Gheeve, dat het K. B. van 17 Dec. ISöl (Slbl. 1(56), ook geldt voor de Inspecteurs en lagere beambten der Gemeentepolitie, kan ik niet onderschrijven. Ik deel het gevoelen, door den lieer L. F. G. 1'. Schkeuder b) breedvoerig ontwikkeld. De Commissaris der Koningin is bevoegd den Kantonrechter aan te wijzen tot het afnemen van den eed aan de Gemeente-Veldwachters; hij kan dat echter ook aan een anderen ambtenaar, bijv. den Burgemeester opdragen; de Commissaris der Koningin stelt ook het formulier van den eed vast, en is daarbij evenmin gebonden aan hot K. B. van 1851. De Burgemeester stelt vast het formulier van den eed der andere dienaren der Gemeente-Politie, In-
a) Bij K. B. van 13 Februari 1845 {Slbl. 8) is bepaald, dat de officicren en onderofficieren der Koninklijke Maréchaussee den eed als hulp-officier van Justitie zullen afleggen voor de Rechtbank.
b) Zie zijn Beëed'.yinj van ambtenaren en beambten van Oemeente-Politie in Tijdschrift voor Strafrecht, IX, blz. 172 vlg.
2SC)
specteurs,Agenten, Nachtwakers enz. Daar den Burgemeester nergens de macht wordt gegeven aan den Kantonrechter op te dragen dien eed af te nemen, zal men bezwaarlijk kunnen aaimenien, dat hij daartoe de bevoegdheid heeft.
Van de beëecliging van alle Rijkspolitie-beambten a) van en beneden don rang van Inspecteur gedaan voor den Kantonrechter, moet blijken door een aan-teekening van zijnentwege aan den voet der akte van aanstelling of commissie. K. B. 17 Januari 1854, (Slhl. n0. 3). Ter uitvoering van dit Besluit diende eene aanschrijving van den Minister van Justitie van 8 Febr. 1854, volgens welke de Kantonrechters bij gelegenheid dier belediging de strekking van dier beambten aanstelling en instructie moeten verklaren.
Ingevolge art. 5(7 en 93 van liet Algemeen Reglement voor de dienst op de spoorwegen van 27 October 1875, (Slhl. 1^3), worden voor den Rechter van een der Kantons binnen het Rijk beëedigd;
de chefs en onderchefs der stations;
de beambten met den buitendienst op de stations belast;
de portiers der hoofdgebouwen op de stations en de nachtwakers:
de bestellers der goederen;
de wegopzichters, wachters en wachteressen; de hoofdconducteurs en conducteurs op de treinen. Die eed luidt: /A' zirerr ( beloof' dal ik al de plichten welke de wet tot regeliny van de dienst en het cjehmik der spoorwegen, de krachten* die wet uitgevaardigde al-
ei.) De dicust der Rijksveldwacht werd geregeld bij K. B. van 11 November 185G [Stól. 114), laatstelijk gewijzigd bij K. B. van 15 iViei 1893 (Slhl. 84). De indeeling der Kijksveldwaeht in districten en brigades geschiedde bij besluit van den Minister van Justitie van 30 Mei 1893. Kene instructie voor de onbezoldigde Ilijksveldwacbters werd gegeven bij besluit van den M. v. J. van 22 Juni 1893. Art 2 dezer instructie bepaalt, dat de Kantonrechter van de eedsaflegging van den onbezoldigd Rijksveldwachter dadelijk mededeeling doet aan den Inspecteur der Rijksveldwacht.
2«7
ijcuktki' nidrili'cfjclen vim iiui'oiiliii hrshini' en de knu lilciix ilic wel en die ahjemeoie inadiregelen vastijeslelde rei/le-menlen en vccordeninyen mij upleijjen, eerlijk en vlijlig zal vervullen.
Zoo waarlijk helpe mij God ,1 In}ach lig. /Dal beloo/' ik. l Ingevolge art. 70 en 77 van ileel A van liet K. B. van 26 Mei 1S90 (hlbl. 93) hom lende i'anlsteUinij ran een Ahjeween lieyletnenI raar den dienst en het eervoer op de spoorveijen, bedoeld in artikel 1 der wet van 2S Oeloher 1889 (Sibl. 146) (lokaalspoorwegen) worden voor den Rechter van een der kantons binnen het Rijk beëedigd:
de chefs en onderchefs der stations en halten, waaronder ook gerekend worden de beambten met den buitendienst op de stations belast; do stationsklerken;
de arbeiders-tel egrapbist;
de portiers en nachtwakers;
de bestellers;
de wegopziebters en wachters;
ile hoofdconducteurs en conducteurs op de treinen. De Minister van \V. II. en N. kan, na de bestuurders van den spoorwegdienst te hebben gehoord, andere dan de bovengenoemde beambten ter beëediging aan-
O O O
wijzen.
Die eed luidt: Ik zweer (beloof) dal ik al de plichten, welke de wellen tot regeling rati den dienst en hel gebruik der spoorwegen cn do krach lens die wellen uitgevaardigde algemeenc maatregelen van bestuur en daaruit voortgevloeide reglettienleu en verordeningen uiij opleggen, eerlijk en vlijtig zal vervallen.
Zoo waarlijk helpe mij Hod Ahnaehlig. [hal beloof ik) § 90. Het doen beëedigen van zekere processen-verbaal van bekeuring is ook aan den Kantonrechter opgedragen. Zoo is bij art. 38 der -fachlwet bepaald, dat de beambten, belast met het waken tegen overtredingen dier Wet, hunne schriftelijke relazen of processen-verbaal van begane overtredingen, wanneer
286
specteurs,Agenten, Niiclitwakers enz. Daar den Burgemeester nergens de macht wordt gegeven aan den Kantonrechter op te dragen dien eed af te nemen, zal men bezwaarlijk kunnen aannemen, dat hij daartoe de bevoegdheid heeft.
Van de beëediging van alle Rijkspolitie-beambten quot;) van eu beneden den rang van Inspecteur gedaan voor den Kantonrechter, moet blijken door een aan-teekening van zijnentwege aan den voet der akte van aanstelling of commissie. K. B. 17 Januari 1854, [Stil. n0. 3). Ter uitvoering van dit Besluit diende eene aanschrijving van den Minister van Justitie van 8 Febr. 1854, volgens welke de Kantonrechters bij gelegenheid dier beëediging de strekking van dier beambten aanstelling en instructie moeten verklaren.
Ingevolge art. 1)7 en 93 van het Algemeen Reglement voor de dienst op de spoorwegen van 27 October 1875, {Sthl. 183), worden voor den Rechter van een dei-Kantons binnen het Kijk beëedigd:
de chefs en onderchefs tier stations;
de beambten met den buitendienst op de stations belast;
do portiers der hoofdgebouwen op de stations en de nachtwakers;
de bestellers der goederen;
de wegopzichters, wachters en wachteressen; de hoofdconducteurs en conducteurs op de treinen. Die eed luidt: /A- zircr / hcloüf' dal ik al de plichten ireike de wet tot regelimj can de dienst en het (jebruik der spoorwegen, de knuhtens die wet 11 i tg erna rdigde al-
a.) De dienst der Rijksveldwacht werd geregeld bij K. 33. van 11 November 185G (6W. 11»), laatstelijk gewijzigd bij K. B. van 15 Mei 1893 (Slbl. 84). De indeeling der Rijksveldwaeht in districten en brigades geschiedde bij besluit van den Minister van Justitie van 30 Mei 189.J. Eene instructie voor de onbezoldigd»' Kijksveldwachters werd gegeven bij besluit van den M. v. J. van 22 Juni 1893. Art 2 dezer instructio bepaalt, dat de Kantonrechter van de eedsaflegging van den onbezoldigd Rijksveldwachter dadelijk mededeeling doet aan den Inspecteur der Rijks-veldwachl.
(jemeoiic maaIreij/'lcn vttn hiwonliij bextimr cn lt;ii' kmi'hlcns die wel en die ulyemeene inuatreijelen wtshjeslelde regie-men teti en verordeningen mij opleggen, eerlijk en vlijtig zal vervullen.
Zoo waarlijk helpc mij God Almaehlig. [Diil beloof ik.J Ingevolge art. 7lt;) en 77 van deel .1 van het K. B. van 26 Mei ISüG (hlhL 93) Uom lende vaalsleUing van een Algemeen Reglemenl voor den dienst en het vervoer op de spoorwegen, bedoeld in artikel 1 der wel van 28 October 1889 [Slbl. 140) (lokaalspoorwegen) worden voor den Rechter van een der kantons binnen het Rijk beëedigd:
de cheÃH en onderchefs der stations en halten, waaronder ook gerekend worden de beambten met den buitendienst op de stations belast; de stationsklerken;
de arbeiders-telegraphist;
de portiers en nachtwakers;
de bestellers;
de wegopzichters en wachters;
de hoofdconducteurs en conducteurs op de treinen. De Minister van W. 11. en N. kan. na de bestuurders van den spoorwegdienst te hebben gehoord, andere dan de bovengenoemde beambten ter beëediging aanwijzen.
Die eed luidt; Ik zweer [beloof) dal ik al de plichten, welke de wellen tot regeling van den dienst en het gebruik der spoorwegen cn de krachtens die wellen uitgevaardigde algemeene maatregelen van bestuur en daaruit voortgevloeide reglemenlen en verordeningen mij opleggen, eerlijk en vlijtig zal vercuUen.
Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig, f/lal beloof ik) § 90. Het doen beëedigen van zekere processen-verbaal van bekeuring is ook aan den Kantonrechter opgedragen. Zoo is bij art. 38 der Jachtwet bepaald, dat de beambten, belast met het waken tegen overtredingen dier Wet, hunne schriftelijke relazen of processen-verbaal van begane overtredingen, wanneer
288
zij ze niet hebben opgemaakt op ilen eed bij den aanvang hunner bediening afgelegd, moeten beëedi-gen binnen tweemaal 24 uren na de sluiting, voor den Kantonrechtei' of voor het hoofd, van het Gemeentebestuur, lt;() hetzij ter plaatse waar de overtreding is gepleegd, hetzij waar de beambten of een hunner wonen.
Volgens art. 275 der (ienfen tcwet moeten de processen-verbaal van de ambtenaren der plaatselijke belastingen omtrent verzet bij de invordering, weigering, verhindering of belemmering van visitatie, ontduiking of overtreding te dier zake, de poging daartoe of de medeplichtigheid daaraan, binnen 24 uren na de ontdekking van de overtreding worden opgemaakt, en zoo die opmaking door die ambtenaren niet is geschied op den eed bij den aanvang hunner bediening afgelegd, binnen tweemaal 24 uren na de opmaking voorden Kuiitonvcchlcr of zijn Plaatsvervanger
worden beëedigd. Vgl. §7.
§ 91. In tal van wetten wordt, ten einde strafbare feiten te kunnen opsporen, aan bepaalde Ambtenaren de bevoegdheid gegeven om eene woning, tegen den wil van den bewoner, binnen te treden (art. 158 G. \V.); niet zelden wordt 's Kantonrechtera tegenwoordigheid daarbij vereischt.
Bij art. 200 en 201 der Alg. Wet van 2G Aug. 1822 {Sill. n0. 38), is bepaald, dat, met uitzondering van het terrein, opgenoemd in art. 177 dier \V et, on van de gevallen van betrapping op heeterdaad, voorzien bij art. 1S2, er geen visitation in de
a) Uit de bepaling, dut de eed kau worden gedaan zoowel voor liet hoofd des bestuurs als voor den Kantom-eeliter. blijkt, dat deze niet behoeft te worden bijgestaan door zijn O rifller, wordende de eed niet afgelegd voor het Kantongerecht als reehtcrlijk Collegie, maar voor den Kanton-rechter als nmgiatraatspersoou. zooals ook het liooid des bestuurs is. Dit ia alzoo beslist door den II. Raad bij Arrest van 12 Oct. 1811. II. '25 April lg'(2, no. 280.
2Sigt;
huizen, erven en panden van particulieren mogen plaats hebben dan alleen na zonne-opgang en vóór zonne-ondergang en op autorisatie van dm Kanton-rcchlcr der plaats, waarin hot te doorzoeken pand of erf gelogen is; en dat de Kantonrechter zelf moet medegaan, of zijn Griffier, Deurwaarder of ander publiek Officier belasten om den Ambtenaar bij de visitatie te vergezellen; voorts dat de aanvrage tot adsistentie schriftelijk moet geschieden met uitdrukking van den tijd wanneer, de plaats waar, en den naam van den persoon, bij wien de visitatie moet gedaan worden; eindelijk dat die aanvrage door den hoogsten Ambtenaar in het Arrondissement moet gedaan of geautoriseerd zijn; en dat zij door den Kantonrechter niet mag worden geweigerd, tenzij op gegronde vermoedens, dat zij zonder genoegzame redenen mocht gevorderd zijn.
Bij de wet van 14 Dec. 1844 (Stbl. n0-66), is bepaald, dat alle huizen, erven en panden, binnen welke 's Rijks Ambtenaren vermoeden, dat eenige slachting ter sluik geschiedt of eenig tor sluik geslacht vee zich bevindt, aan de visitatie zijn onderworpen; dat echter deze visitatie bij particulieren, na zons-ondergang en vóór zons-opgang niet mag geschieden, dan op last van den Kantonrechter of van don Burgemeester; dat hij onverwijld zelf moet medegaan of een anderen beambte in zijn plaats gelasten, om 's Rijks Ambtenaren bij de visitatie te vergezellen; dat de last tot visitatie moet worden aangevraagd door den Controleur of Ontvanger over de gemeente, waarin het te doorzoeken huis, erf of pand gelegen is, en zulks bij oen door hem onderteekend biljet, vermeldende den persoon bij wien, de plaats waar en do roden waarom men de visitatie verlangt te doen; en dat genoemde last tot visitatie niet mag worden geweigerd dan om zeer gewichtige redenen, welke onverwijld door hem, die de weigering heeft gedaan, moeten worden vermeld op het biljet van aanvrage, hetwelk aan do
19
2110
Ambtenaren der belastingen moet worden teruggegeven. Hoezeer er dus, naar den regel, volgens de W Wet volstrekt geene nachtelijke visitation, ook zelfs niet op last des Kantonrechters, mogen geschieden, is echter ten aanzien van de belasting op het geslacht een geheel tegenovergestelde bepaling aangenomen, volgens welke nachtelijke visitatiën op last des kantonrechters geoorloofd zijn, maar over dag zijn last noch bijstand schijnen vereischt te worden Dat het proces-verbaal der visitatie, door de Ambtenaren op te maken, mede door den Kantonrechter, die bij de visitatie aanwezig is, moet geteekend worden, spreekt wel van zelf, al vindt men zulks niet uitdrukkelijk
voorgeschreven. ,r , -.oo.,
Volgens art. 33, § 2 der wet van 20 Maart 1833 (Sihl. X0. 4) houdende IwlaMhiu op hrt /Vr.-oicW zooals die nu door de wetten van den 2i» Dcc. 1S3.gt; N0. 43); 24 April 1?43, {Slbl. Nn. lrgt;): ^Iei 184-gt;' (Stbl. Nn. 22); 20 Juli 1S48 {Slbl. N'. 32) en 'â¢gt; April 18G9 {Slbl. Xquot;. 59) gewijzigd is, is een ieder verplicht aan de schatters met het doen der schattingen, tellingen en herzieningen belast, op iederen werkdag, van des morgens S ure tot zons-oudergang, den vrijen
toeoang tot 'de panden bij hem bewoond, of tot de hü hem in gebruik zijnde gedeelten van gebouwen, vertrekken enz. te verleenen, zoomede om hun de daartoe noodige aanwijzingen te doen. De gebrekige m deze zal verbeuren eene boete van / 25, en zal in lt; it o-eval. waarvan door schatters proces-verbaal zal moeten worden opgemaakt, de opneming geschieden »u-l bc-/((('/) van dm KiDilumrchlr,-.
Bij de wet van 31 Augustus 1853 (M/,/. S3) tot-r,--rkcnwi der iiiU-ocri)Vi rim xommi'V voorschnlWii van 'ulaals.lijkr vcrordcnnvjm wordt aan de Gemeentebesturen de bevoegdheid gegeven om tot handhaving van Gemeentelijke verordeningen, voor zoover die strekken tot handhaving van de openbare rust of veiligheid of tot bescherming van het leven ot de
291
gezondheid van personen n) te bepalen, dat de uit-voerings-Ambtenaren de woningen der ingezetenen buns ondanks kunnen binnentreden. Art. 3 dier wet schrijft voor. d;it dusdanig binnentreden slechts kan plaats hebben in tegenwoordigheid van den Kantonrechter, het hoofd ot een der leden van het Gemeentebestuur of een ('ommis-saris van Politic.
\ olgens art. â quot;gt; der Wet van 1 Juni ISu,quot;) (siht. öS), regelende het (jt'iircslnDuli'i hebben de met
dat toezicht belaste ambtenaren de bevoegdheid, mits voorzien van eene machtiging van den inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht, alle openbare gebouwen, scholen, gestichten van liefdadigheid, slaapsteden en tabrieken ot andere werkplaatsen, kazernen en gevangenissen binnen te treden, ten einde zich zooveel mogelijk bekend te maken met den toestand en de inrichting dier gebouwen, in het belang der gezondheid. Die bevoegdheid kan echter niet uitgeoefend worden dau in bijzijn vlt;ni don Kaïilonrrch Ier, hetzij van het hoofd of een der leden van bet gemeentebestuur of van een Commissaris van Politie, wanneer moet warden binnengetreden in gebouwen of gedeelten van gebouwen voor zooveel die niet openbaar zijn.
\ an dat binnentreden en van de redenen die daartoe geleid hebben, wordt door den Kantonrechter, zoo die daarbij is tegenwoordig geweest, binnen tweemaal 24 uren proces-verbaal opgemaakt en aan den ingezetene. wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld,
a) Bij Jv. B. van 2-1 April 1SÃ2 {Slbl. 11) werd overwogen, dat eene dusdanige strekking niet hadden bepalingen van eene Uemeente-verorde-ning van Naaldwijk, welke het sluiten der herbergen en tapperijen cm 10 uur des naehts bevelen, het spelen van dobbel- on hazardspelen in herbergen of tapperijen verbieden, en uitdragers verpliehten de door hen opgekochte goederen gedurende zekeren tijd ten toon te stellen en de hun verdacht voorkomende goederen voorloopig aan te houden. Voor zoover een artikel dier verordening de bevoegdheid galquot; om tot handbaviiur dier bepalingen woningen ondanks de bewoners binnen te treden, werd dat daarom vernietigd. Vac ook (icmecntcstcm 5 Mei 1802 jSo. 553.
Onverminderd het bepaalde bij art. 5 der \\ et van 1 Juni 18G5 {Stbl, N58) zijn, volgens art. 27 der wet van 4 Dec. 1872 {bill. N0. 134), houdende voor-zirniiifjcn iotjoi besmcttflijkn ziekten, bij het verschijnen van besmettelijke ziekten, de geneeskundige ambtenaren, leden en plaatsvervangende leden der geneeskundige raden, mits voorzien van eene machtiging van den geneeskundigen ambtenaar, bevoegd, tusschen zons op- en ondergang, in den kring waarvoor zij zijn aangesteld, de woningen der ingezetenen huns ondanks binnen te treden, doch niet dan n bijzijn van tien Kanlonvechter, of wel van het hoofd of een der leden van het gemeentebestuur. Van het binnentreden en van de redenen die daartoe geleid hebben, wordt door den Kantonrechter, zoo deze daarbij tegenwoordig is geweest, binnen tweemaal 24 uien proces-verbaal opgemaakt en aan hem, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.
Bij do wet van 1U April 1869 (Slbl. N0. 65) tot vaststelling van bepalingen betrekkelijk hel beyraven van lijken, ile beijmaïiilaalsen m de bejntfenisrechten is bepaald: in art. 10 dat, wanneer de toegang tot de woning ter verrichting der doodschouw of der gerechtelijke schouwing, of de afgifte van het lijk, hetzij ter begraving, hetzij ter vervoer naar het lijkenhuis wordt geweigerd, die woning, ondanks den bewoner, door de daarmede belaste personen op elk uur kan worden binnengetreden, mits in bijzijn van den Burgemeester, den Kantonrechter of den Commissaris van politie.
Volgens art. 14 der wet van 28 Mei 1869 {Slbl. 97), regelende het toezicht op het gebruik van sloomloeslellen, hebben de bij art. 3 dier wet genoemde Ambtenaren ten allen tijde vrijen toegang tot de plaatsen waar de stoomketels en toebehooren zich bevinden. Wanneer die stoomketels of hun toebehooren enkel door eene woning toegankelijk zijn, dan zijn die Ambtenaren bevoegd die woning, ook ondanks do bewoners, binnen te treden, mits voorzien van een schriftelijken last
293
van den Burgemeester en in bijzijn van den Kantun-rrchtitr, of van een der leden van het gemeentebestuur of van een Commissaris van Politie.
Bij art. 24 der Wet van 26 Mei 1870 (Slhl. N0. 82), betrekkelijk df Grondbelasting, wordt bepaald, dat tot het doen van metingen en schattingen overeenkomstig die wet, de daarmede belaste personen dagelijks, de Zon- en algemeen erkende Christelijke feestdagen uitgezonderd, toegang hebben tot de daarbij betrokken eigendommen; wat betreft de gebouwde, van des voormiddags acht uur tot zonsondergang, eu wat betreft de ongebouwde, van zonsop- tot zonsondergang. Indien hun die toegang wordt geweigerd of belet, roepen zij de lusschcnkomsl in van den Burgemeester of co» den Kantonrechter, op wiens bevel de toegang, ondanks den gebruiker van het eigendom, verschaft wordt.
Van die tusschenkomst, en de redenen die daartoe geleid hebben, wordt door de ambtenaren in het lstu lid van art. 21 bedoeld, binnen tweemaal 24 uren proces-verbaal opgemaakt, dat, door den Burgemeester of Kanlonrechter mede onderteekend, aan hem, tot wiens eigendommen de toegang is verschaft, in afschrift medegedeeld wordt.
Volgens Art. 5 der Wet van 20 Juli 1870 (SihL X0. 131), tot ]{clt;ielinlt;i van hel icearlttenijkutnlij Slanl*-toezichl en de veeartsenijkund'Kie Politie, zijn de Districtsveeartsen bevoegd binnen den kring, waarin zij werkzaam zijn, stallen enz., zelfs ondanks den wil dei-bewoners of gebruikers, alléén tusschen zons op- en ondergang binnen te treden, doch zij moeten daarbij voorzien zijn van een schriftelijken last van den Burgemeester of van den Kanton rechter en dien, desge-vorderd, Arertoonen.
Art. 4 der wet van 27 April 1884 [Stbl 9(gt;) tot regeling ran hel staatstoezicht op krankzinnigen, bepaalt dat de met het staatstoezicht belaste ambtenaren bevoegd zijn eene woning binnen te treden, wanneer volgens aangifte krankzinnigen daar verpleegd worden
294
ol wanneer wegons hot diiur zoudcr amigitto verplegen van krankzinnigen eene veroordeeling is uitgesproken. Zij treden do woning tegen don wil des bewoners niet binnen, dan voorzien van een schriftelijken last van don Burgemeester of van dm Ivantuiirechtor en in het hijzijn hetzij van den Kantonrechter, hetzij van het hoofd of een der leden van het gemeentebestuur, hetzij van een ( ununissaris van 1 olitie. \ an dit binnentreden en van de redenen, die daaitoe geleid hebben, wordt door hem, die daarbij tegenwoordig was, binnen tweemaal -4 nren een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk melding maakt van den schritte-lijken last des Burgemeesters of des Kantonrechters eu aan hem, wiens woning is binnengetreden, in afschrift wordt medegedeeld.
Krachtens art. 19 tier Arlrid^rrl hebben de Velden Boschwachters, de Beambten der Maréchaussee, niet zijnde Hulp-Officier van Justitie, en de Ambtenaren van Rijks- en (iemeente-Pulitie beneden den rang van Commissaris, slechts dan toegang tot alle plaatsen waar arbeid verricht wordt of pleegt verricht te worden, tenzij hem den toegang uit anderen hoofde vrijstaat, wanneer zij voorzien zijn van een schriftelijken bijzonderen last van don Burgemeester of den Kantonrechter. Zijn dergelijke plaatsen te\ens woningen of slechts door woningen toegankelijk, dan treden de met de handhaving der wet belaste Ambtenaren tegen den wil der bewoners daar niet binnen dan op vertoon van een schrittelijken ot bijzonderon last van den Burgemeester of van den Kantonrechter. Van dit binnentreden wordt door hen proces-verbaal opgemaakt en binnen tweemaal 24 uren aan dengenen, in wiens woning is binnengetreden, afschritt gelaten.
De Ambtenaren, belast met de handhaving der wet van 20 Juni l^l» (â¢s''/./. «2), huudende/'cpquot;''quot;!/''quot;
lat voorkomtii'i vtm hoih'ixj in ili'ii liufcvhundd, hebben ook tegen don wil van den gebruiker ot bewoner van des voormiddags S uren tol des namiddags 8 uren,
20.quot;)
behalve op Zondag, toegang tot de winkels of andere openbare verkoopplaatsen, waar boter of daarop gelijkende waren voorhanden zijn. is dusdanige plaats alleen toegankelijk door eene woning, dan treden zij deze tegen den wil van den bewoner niet binnen dan op schriftelijken bijzonderen last van den Kantonrechter of van den Burgemeester, welken lastbrief zij gehouden zijn den bewoner des verlangd te vertoonen. Van dit binnentreden wordt binnen tweemaal 24 uren procesverbaal opgemaakt en aan dengene, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld, (art. 4.)
De Wet van 28 Februari 1S91 (*ibl. (30) tol vasl-stcllimi van bepalingen brtri'/fetuh' 's Jlijk* Walcrstaals-luerkm bepaalt in artikel 6: ..De door Ons aan te âwijzen Ambtenaren zijn bevoegd voor zoover daarin âniet bij andere wetten is voorzien, ter verzekering âder uitvoering en handhaving van de krachtens âdeze Wet uitgevaardigde voorschriften, zich te allen âtijde te begeven aan boord der vaartuigen en vlotten, âdie zich in de in art. 1 vermelde wateren bevinden. âZij zullen evenwel niet tegen den wil des bewoners âbinnentreden in de gedeelten van het vaartuig of âvlot tot woning bestémd, dan op vertoon van eenen âschriftelijken last van den Kantonrechter of van âden Burgemeester der Gemeente, waarin het vaartuig âof vlot zich bevindt. Van dit binnentreden wordt âdoor dengene, die deze handeling heeft verricht, âproces-verbaal opgemaakt en aan dengene, in wiens âwroning is binnengetreden, binnen tweemaal vier-en-âtwintig uren in afschrift medegedeeld.quot;
§ 92. Artikel 279 der wet van 29 Juni 1851 (Slt;M. 85) regelende de mmemteUing. wrichiing en hevoegdheid der Gemeentebesturen bepaalt: dat ter zake van overtreding van plaatselijke belastingen aangehaalde goederen, wanneer de verbeurdverklaring daarvan bij rechterlijk vonnis is uitgesproken, in het openbaar door een deurwaarder ot ander daartoe bevoegd persoon worden verkocht. Goed echter dat gevaar loopt te
i
206
bederven of levend vee kan op machtiging van den Kantonrechter, te stellen op het proces-verbaal en vrij van zegel en registratie, spoediger worden verkocht. De opbrengst van den verkoop wordt in de kas van den Gemeente-Ontvanger gestort.
Naar aanleiding van de Wet van 20 Juli 1870 [Slbl. 131) (veeartsenijkundig staatstoezicht) inbeslag-genomen levend vee wordt, wanneer niet binnen 8 dagen na de inbeslagneming het bedrag der waarde, benevens hetgeen voor het onderhoud van het vee besteed is, bij den Gemeente-ontvanger is gestort op machlUjincj van den Kantonrechter, te stellen op het proces-verbaal en vrij van zegel en registratie, zoodra mogelijk in het openbaar verkocht.
Hetzelfde is bepaald omtrent inbeslaggenomen voor bederf vatbaar goed. Art. 37.
Krachtens artikel 29 der wet van 18 April 1874
(Slhl. G6) tot vastslelUnii dor tarieven van gerecht-kusten in strafzaken, waarvan de gewone rechter kennis noemt, kan de Voorzitter van het Rechtscollegie, de Rechtercommissaris of de Kantonrclt; hier, die van de zaak kennis neemt, machtiging verleenen om in beslag genomen goederen, aan spoedig bederf onderhevig, en levende dieren, in afwachting van het eindvonnis, teverkoopen, indien een of ander niet aan den eigenaar kan worden teruggegeven. De verkoop geschiedt in het openbaar, aan de meestbiedenden, door het bestuur der registratie of der belastingen. Zijn de voorwerpen van geringe waarden, dan kan dat bestuur door den betrokken Rechter worden gemachtigd tot een onderhandschen verkoop, a) De zuivere opbrengst wordt gestort in de kas van den ontvanger der registratie of der belastingen, ter beschikking van de rechthebbenden.
a) Door gebruik te makeu vau de hier gegeven bevoegdheid is het o. a. mogelijk te voorkomen, dat de honden, in gevolge de Wet van 6 Juli 1895 (.SW. 110) (hondsdolheid) in beslaggenomen,steeds worden afgemaakt, wanneer niet door betaling der hoogste boete de strafvervolging wordt voorkomen. Zie hierover een ingezonden stuk van Mr. IT. J. van Lulofs Umbo rove in W. 5718.
297
HOOFDSTUK V.
HET KK('irT.SGKDIN(i IN lil'KG KKU.I K'E ZA k'IOX.
§ 93. Zij het ook dat hier eene uitvoerige bespreking van een belangrijk onderwerp als de grenzen van administratieve en rechterlijke macht moet achterwege blijven a), eene korto aanduiding van wat in dit opzicht gevestigde rechtspraak is, mag daarom niet ontbreken.
Artikel 153 der Grondwet luidt: Allo ftvislgclinc/en oner CKjoidom of dauvuil voorlxjirullende rechlcn, over xelmldvorderhigcn rn andere burgerlijke rechten behooren bij iiilsluiling lol de kennisneitiing van de rechlerlijhe niaehl. Artikel 2 der wet op de rechterlijke organisatie bepaalt: De Leiinisneining en beslissing van alle geschillen over eigendom oj daarail voorlspruilende rechten, over schuldvorderingen of burgerlijke rechten en de toepassing van alle soort van ivettig bepaalde stralfen zijn bij uilslailiiig opgedragen aan de rechterlijke macht, volgens de verdeeting van rechtsgebied, de rechterlijke bevoegdheid en de iverkzaam heden bij deze wet geregeld.
Herhaaldelijk besliste de II. K. dat uit het aangehaalde Grondwetsartikel mag worden afgeleid, dat zoodra het geschil loopt over eigendom of eenig daaruit voortspruitend recht of over eene schuldvordering de rechterlijke macht bevoegd is, zelfs al vindt het geschil zijn oorsprong in het publiek recht. Zoo staat de vraag of iemands eigendom belast is met het onus publicum van openbaren weg uitsluitend ter beantwoording aan de rechterlijke macht en hebben dus de liggers daaromtrent geene bewijskracht (zie o. a. arrest H. H. 3 October 1887 W. 547G.) Zoo is ile Griffier van de Staten eener Provincie bevoegd
a) Ik verwijs daarvoor o. a. naar AFr. Huus ad art. 118; Mr. lv. Ha-zeluoff, ovei' de rompcfcnfic der gt;!KsflCic /af hamp;sïis.sm/j ran fivlsit/edincjen, voor!spruitende uit liet publiek recht en Mr. »). \V. 11. vagt;' Fdsinca, De administratieve rechtspraak en de constitutioneele monarchie.
20
298
den Staat te dagvaarden voor den burgerlijken rechter, tot betaling van zijn tractement (arrest H. R. 20 Juni 1890 W. 5S97.)
Mocht men meenen dat art. 1quot;)3 G. \\'. ruimte laat voor de opvatting, dat geschillen omtrent eigendom of schuldvorderingen slechts dan ter kennisneming staan van de rechterlijke macht, wanneer zij hun oorsprong vinden in het privaatrecht, dan is daartegen in alle geval afdoende een beroep op art. 2 11. O., dat gehandhaafd werd bij art. 2 der additioneelo bepalingen. In dien geest is o. a. het laatstvermelde arrest van den li. li., een van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 November 1893, \\ . 0425, oen vonnis van de Rechtbank te Groningen van 27 Januari 1894, W. G562 en een van het Kantongerecht te Amsterdam II, van 15 October 1894, \\ . 01338.
Intusschen is de rechterlijke macht onbevoegd om te beoordeelen of een eigenaar terecht is aangewezen als onderhoudsplichtige van een aangrenzenden weg lt;/) en om te beslissen over den omvang l) van dien plicht. Aan art. 720 B. W. ontleent het bevoegd gezag de macht, daaromtrent eene regeling lt;â ) te maken (arrest H. R. 5 December 1884, W. 5139). Kan een gewezen ambtenaar bij den rechter vorderen uitbetaling van het hem verleende pensioen, hij zal daar niet kunnen vorderen dat de Staat veroordeeld worde om hem een pensioen te verleenen (vonnis Rechtbank Am-
u) Zie echter ook arrest II. K. 20 Februari 1893, P. v. J. 1893 uo. 20 X. K. CLXIII, 130 waarbij wordt aangenomen, dat de rechterlijke macht wel bevoegd is om te beoordeelen of iemand terecht door het administratief gezag als onderhoudsplichtig is aangewezen, zoo door die aanwijzing inbreuk wordt gemaakt op een burgerlijk recht.
4) Bij eene strafvervolging kan echter de Rechter wel onderzoeken, of, wat van den beklaagde gevraagd werd, werkelijk was onderhoud, arrest 11. K. 28 Nov. 1892, W. (1270.
,.) Bij dat zelfde arrest beslistte de Hooge Raad echter dat de rechterlijke macht wel bevoegd is kennis te nemen vau de vordering van het administratief gezag tegen den nalatigen onderhoudsplichtige, tot terugbetaling van hetgeen het op zijne kosten deed verrichten.
299
sterdam 13 Juni 1893 P. v. J. ]S93, G9). Bij don Rechter zal de Staat kunnen worden aangesproken tot betaling van ecu predikantstractement; de vraag echter waarin de predikantsdienst bestaat, en wat er verricht moet zijn om hem als waargenomen te doen beschouwen, moet uitsluitend beoordeeld worden naar de reglementen van hot kerkgonootschap (arrest H. 11. 5 Dcc. 1890, W. 59Ã9). Grondt iemand zijn betwist recht om over eenen weg te rijden uitsluitend daarop, dat dat zou zijn oen openbare \veg, dan is de rechterlijke macht onbevoegd om van die vordering kennis te nemen (vonnis Rechtbank Amsterdam 19 November 1891, W. G1U6).
Art. 15 der Wet van 22 .Mei 1845 {Slbl. 22) op de invordcriny vim 's Itijk* dlrcctc hclasünrjcn schrijft voor dat men tegen een dwangbevel, behoudens in enkele gevallen, kan in verzet komen bij de rechterlijke macht en wel bij de Arrondissements-Rechtbank n). Gevestigd is de jurisprudentie, dat artikel 15 ook van toepassing is, wanneer hij, die meent de belasting niet verschuldigd te zijn, niet don weg inslaat van art. 15, doch betaalt en dan terugvordert. Door art. 200 der Gemeentewet, geldt het vorenstaande ook voor Gemeentebelastingen. Het voorschrift van art. 15 geldt echter niet h)) wanneer betaalde Gemeentebelasting wordt teruggevorderd op grond dat art. 245 der Gemeentewet verbood ze te heffen; is in dat geval het bedrag niet hooger dan /'200.â, dan is, ingevolge art. 38 n0. 1 R. O., de Kantonrechter bevoegd (arrest H. R. 19 December 1890, \\r. 5970).
De rechterlijke macht oordeelt zoowel in burgerlijke als in handelszaken, onverschillig of partijen zijn
a) Art. I.') der Wet van 9 October IS-li {Slht. J2) behelst eeue soortgelijke bepaling teu aanzien van dwangbevelen van watersehappen.
h) Zie echter oolc het arrest van den H. li. van 9 Juni 1893 i AV. in zake de stearine kaarsenfabriek quot;Apolloquot;. Zie over de terugvordering van beweerd onverschuldigd betimlde Gemeentebelasting eene heldere uiteenzetting van Mr. 8. J. M. van GtEüns in \V. ü.'!7.3.
300
Nederlanders of vreemdelingen a), wanneer de Wet bevoegd maakt den Rechter van de plaats waar het onroerend goed gelegen is, is hij bevoegd, ook wanneer beide partijen zijn in het buitenland gevestigde vreemdelingen b).
Rechtbanken van koophandel kent onze wetgeving niet. Waar de Grondwet of de Wet op de Rechterlijke Organisatie aan de rechterlijke machtopdraagt de berechting van burgerlijke zaken c), verstaat
a) Immers art. 9 der A-h/emeene licpaJ'mcjen luidt: Het hun/erltjk recht ran het Kom al r ijk is hetzel fde voor vreemdelingen, ah mor de Sederlanders, zoolang de Wet niet bepaaldelijk het tegendeel vaststelt. Een bevoorrechting voor den Xederlander, boven den vreemdeling, schept artikel 127 B. K.v. Dat artikel â blijkens zijne slotalinea ook op de Kantongerechten van toepassing â maakt alleen den Xederlander bevoegd om den in het buitenland gevestigden vreemdeling te dagen voor den Nederlandschen Rechter, ter zake van overeenkomsten, hier te lande of in het buitenland gesloten; de vreemdeling, ook jiI is hij hier te lande gevestigd, heelt dus daartoe de bevoegdheid niet.
Uit art. 127 leide men echter niet af dat een vreemdeling, die in Nederland verblijft, niet zou mogen worden gedaagd voor den Neder-landschen Rechter door een vreemdeling, ter zake van verbintenissen tusschen hen, in Nederland of in een vreemd land aangegaan (arrest IJ. R. 8 Januari 1858, R. LYHI § 3 blz. 18â24, v. d. H. 13. R. XXII, 1, W. 1922, vonnissen Rechtbank Arnhem 2G Oct. 1882 \V. 4%0, 2 Xov. 1882 W. 4840).
Behoudens de uitzondering van art. 127 is het voor de bevoegdheid van den Xederlandschen Rechter onverschillig of partijen zijn Xeder-landers of vreemdelingen ; waar het op aan komt is slechts, of volgens de regelen van de betrekkelijke bevoegdheid (zie § 109) een bepaalde rechter is aangewezen om van de zaak kennis te nemen.
Onder '/verbintenissenquot; wordt in art. 127 niet begrepen verbintenissen uit de Wet geboren. Aan dat artikel zal dus de Xederlandsche Rechter geene jurisdictie kunnen ontleenen over den in het buitenland gevestigden vreemdeling in een geding tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad (vonnis Rechtbank Amsterdam 11 Maart 1890, P. v. J. 1890, 80). Zie ook arrest Gerechtshof Amsterdam ü Xov. 1?91, P. v. J. 1892, 14.
b) Zie hierover § 109.
c) Dat in art. .'58 R. O. behalve van burgerlijke zaken ook van handelszaken sprake is, vindt zijne verklaring daarin, dat volgens het oorspronkelijk art. 44 R. O. aan den Kantonrechter rechtsprekende met 4 assessoren uit den handels- of fabrieksstand, kon worden opgedragen de berechting van handelszaken loopende over eene waarde van meer dan f 200.â.
301
zij (laarouder tevens handelszaken. Behoudens eenige uitzonderingen, die telkens zullen worden aangewezen, is de rechtspleging in beide soorten van zaken dezelfde.
Art. 154 der (Irondwet opent do mogelijkheid om ook de beslissing van andere twistgedingen dan in art. 153 worden opgenoemd aan de rechterlijke macht op te dragen «).
§ U-i. De gewone Rechter h) in eersten aanleg is de Rechtbank (art. 53 R. O.) Draagt de wetgever de berechting van bepaalde zaken aan een anderen op, bijvoorbeeld aan den Kantonrechter, dan is dat eene uitzondering die, als steeds, is strielissiinac inlerjirda-(ionis. In iedere zaak zal de Kantonrechter dus moeten onderzoeken of de wetgever hem bevoegd maakte; bestaat daaromtrent gegronde twijfel, dan wijke do uitzondering voor den regel en verklare hij zich onbevoegd. (Zie ook dk Pinto R. O. II blz. 03).
Waar het de volstrekte bevoegdheid geldt, komt uitsluitend in aanmerking de vordering, zooals die bij dagvaarding is ingesteld lt;â ), niet het geschil zooals het zich in elen rechtsstJjd tusschen de partijen heeft ontwikkeld lt;l) (arrest 11. li. 1G Juni 1!S93, W. 0352 1'. v. J. 1893, G7; zie ook vonnis Rechtbank Amsterdam 20 Juni 1802. W. 0229). Van toepassing is de regel (jKoiic* ilc ijiumlildtr ad jurisdicHoncin pcylincnlc iliucrihir, xetnpcr (juunlum pcUitur rjHasrcnduiii est, non ijudttluw dchealiii': L. 19. § I. D. da juvisdictione. (II. i.) Is de Kantonrechter volgens de dagvaarding onbevoegd, vermindering of verandering in den loop van liet geding zal hem niet bevoegd kunnen maken c).
a) ])}it gebeurde o. a. in de kieswet.
h) Zoo noemt hem ook nrt. 1.')7 I». Rv,
c) Zie echter in geval van betwisting van roclitstitel hierna § 97.
(/) Uitsluitend naar de dagvaarding wordt eveneens beoordeeld de bevoegdheid om in hooger beroep te komen.
e) Ten onrechte leerde Mr. A an der 1\emp op het voetspoor van Bekkiat de sr. Pkix (Cours de JProc, civ. p. 33 no. 57) het tegendeel.
302
Daar de Kantonrechter niet is Je gewone Rechter, dient uit de dagvaarding door den aard of de waarde der vordering uitdrukkelijk zijne bevoegdheid te blijken. Waar dus de bevoegdheid van den Kantonrechter tot een bepaald bedrag werd beperkt, kan hij niet kennis nemen van eene onbepaalde vordering u), zelfs niet wanneer vaststaat dat de schadevergoeding niet meer dan / 200.â kan bedragen, arrest H. R. 3 April 1862, W 2397. Van ambtshalve begrooting dier waarde kan geen sprake zijn. Zie ook Fauke I biz. 32G.
In de collegiale, meer met vormen omgeven rechtspraak van de Rechtbank stelde de Wetgever, en terecht, meer vertrouwen dan in de meer eenvoudige van den alleensprekenden Rechter. De Wetgever oordeelde echter, en alweder terecht, dat het algemeen belang niet toelaat aan elke zaak, hoe eenvoudig en nietig zij ook zij, den tijd en het geld te besteden die de Rechtbankprocedure vordert. De berechting dier eenvoudige en over kleine bedragen loopende gedingen droeg hij op aan den Kantonrechter. Het spreekt echter van zelf, dat de vragen: wat is eene eenvoudige zaak en wat is een klein belang, voor zeer verschillende beantwoording vatbaar zijn. De Wetgever oordeelde zakelijke en gemengde rechtsvorderingen niet eenvoudig genoeg en gedingen over eene waarde van meer dan f 200.â tc belangrijk, om ze aan den Kantonrechter toe te vertrouwen. Al dadelijk vinde de opmerking eene plaats, dat het uit den aard der zaak onmogelijk is, hier ook eene maar eenigszins juiste grens te trekken. Of
(i) Tut ussrlu'ii tie der dagvnjirtliu^ bij den Keehter «mi
belet niets om te doen zooals de* Ivantonreebter te Heusdeu deed in zijn vonnis van 23 Januari 1890 ^\V. (gt;068). Kr werd gevraagd betaling van eene som van /'173.88 ol' zooveel meer ol' minder als de Kantonrechter in billijkheid zal arbitreeren te behooren. ])e opgeworpen exceptie van onbevoegdheid verwierp tic Kantonrechter op grond dat uit de dagvaarding ondubbelzinnig bleek, dat het eiscbers bedoeling was zijne vordering te beperken tot ten hoogste Æ173.88.
303
eone zaak werkelijk eenvoudig is, zal eerst blijken wanneer men verneemt wat de eischer vraagt, vaak eerst wanneer men ook weet wat de gedaagde daartegen aanvoert. Een geding over eene waarde beneden de / 200.â kan voor een minder vermogende van oneindig veel meer belang zijn dan een over duizenden voor een meer vermogende, voor den eerste zelfs eene levensquestie zijn. Zoo kunnen dan, terwijl de Wetgever slechts beoogde de beslissing van eenvoudige rechtsvragen omtrent geringe belangen te brangen hij den Kantonrechter, ihderda:id zeer moeilijke rechtsvragen en zeer gewichtige beslissingen hem zijn toevertrouwd.
Terwijl ik op de volgende bladzijden uitvoeriger zal bespreken wat tot 's Kantonrechters bevoegdheid behoort, zij er hier volledigheidshalve reeds op gewezen, dat soms ook de wenschelijkheid van spoed en van plaatselijke bekendheid den wetgever er toe bracht, den Kantonrechter rechtsmacht toe te kennen. Zoo in de gevallen van art. u9, l'1 en 2° R. O.
Langen tijd scheen het wel, dat men de bevrediging der vraag naar vlug en goedkoop recht uitsluitend zocht in uitbreiding van 's Kantonrechters bevoegdheid; elke wijziging in de Rechterlijke Organisatie ging in dat opzicht verder: men scheen er niet aan te denken, dat ook de van traagheid en kostbaarheid beklaagde procedure bij de Rechtbank, minder traag eu minder kostbaar kan worden gemaakt, a) Zie ik goed, dan kwam hierin in den jongsten tijd eene kentering; bewijze het de wet Haktogu ; bewijze het ook de juristendag van met groote meerderheid
werd daar de vraag of 's Kantonrechters bevoegdheid in civiele zaken moet worden uitgebreid, verworpen, h)
(/} Zie ook prof. v. 1». r' I, hlz. 321.
h) Zie lumdeliu^en Xeclerl. .1 uristenvereeni^i1811.quot;». Over de vnui^: Jirhoort de rompcfculw van den JCan/onrec/ifer in Iniri/erlijke zaken te. worden nityehreid, mei ivijzhjinti, voor zooveel noodi//, van zijn verderen werl kriny / waren praeudviseurs Prof. mr. s. J. Fückema Akdmeae en mr. J. Gr. Vogel.
304
§ 95. Ter kennisneming van den Kantonrechter staan indien ze niet meer beloopen dan /' 200.â, behoudens hooger beroep indien ze meer beloopen dan f 50.â:
i. de persoonlijke rechtsvorderingen (§ 0(3);
i 1. de rechtsvorderingen tot betaling van renten, huren en pachten, alsmede van interessen of gedeelten van inschulden. Mits de rechtstitel niet worde betwist, is do Kantonrechter ook bevoegd wanneer het geheel, waarvan een termijn, de interessen of een gedeelte wordt gevorderd, meer bedraagt dan Æ 200 â (art. 3S K. O.) (§ 07).
Tor kennisneming van den Kantonrechter staan verder, zonder hooger beroep indien ze niet meer beloopen dan / Ã0.-â-, en behoudens hooger beroep tot welk bedrag ook (art. 39 en 40):
III. de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade, hetzij door menseheu, hetzij door dieren toegebracht aan land, houtgewas, boom-, tuin- of veldvruchten (§98);
IV. de rechtsvorderingen tot zoodanig herstel aan huizen, woningen, gebouwen en pachthoeven, hetwelk volgens de wet ten laste van den huurder valt (§ 99);
V. de rechtsvorderingen tot betaling van arbeids-loonen aan werklieden, huren van dienstboden, en het volbrengen van wederzijdsche overeenkomsten van meesters en hunne dienstboden of arbeidslieden (§ 100):
VI. de rechtsvorderingen ter zake van mondelinge beleediging. Nevens of in de plaats van eene geldsom kan ook een andere eiscb tot betering worden ingesteld ; geschiedt dat, dan is liet vonnis steeds vatbaar voor hooger beroep (§ I'll).
Ter kennisneming van den Kantonrechter staan voorts:
VII. de rechtsvorderingen tot ontruiming van:
h. huizen, gebouwen, pakhuizen, stallen, zolders en kelders, zonder onderscheid van liet bedrag der huur;
b. pachthoeven, landerijen, tuin-en andere gronden.
305
mits de huur, over het jaar berekend, of de waarde van dien, niet meerdan /'200,â bedraagt.
Voor het in dit nummer opgenoemde wordt de Kanton rechter intusschen onbevoegd, wanneer de verweerder te berde brengt een schriftelijk bewijs van bestaande, vernieuwde of verlengde huur. Hoe klein ook het bedrag der huur is, steeds is hooger beroep toegelaten (art. 41) (§ 102):
VIII. ile rechtsvorderingen tot ontbinding van huur en dientengevolge ontruiming van huizen, gebouwen, woningen, pakhuizen, stallen, zolders en kelders, mitsgaders van pachthoeven, landerijen, tuin- en andere gronden, ter zake van wanbetaling dor huurpenningen, mits de huur, over het jaar berekend, niet meer bedraagt dan f quot;200.â, behoudens hooger beroep, zoo die huurprijs meer dan /' 50.â bedraagt (art. 42) (§ 103);
De wet van 28 Augustus 1851 (Sihl. 125) regelende de ontcvjouinti (en alijeniecnen unite (art. 70), droeg aan den Kantonrechter op kennisneming van:
IX. do rechtsvorderingen tot ontzetting uit eigendom, tot liet afweren eener gevreesde of tot het stuiten eener aanwezige besmetting a), wanneer er geene minnelijke schikking tot stand komt. Het is hierbij onverschillig of de goederen zijn roerend of onroerend en hoe groot hunne waarde is. Tegen het vonnis van den Kantonrechter, dat zoo het de vordering toewijst tevens de schadeloosstelling bepaalt, is geen verzot, hooger beroep of cassatie toegelaten (art. 71.)
Bovendien bracht nog bij den Kantonrechter art. 27a der Wet van 1 Juni 1861 {Stbl. 53) houdende hepdlmtjeii owleenl den doorlocht en hel vervoer van landverhuizer*, zooals die is gewijzigd bij de Wet van 15 Juli 1869 {Stbl. 124):
X. persoonlijke rechtsvorderingen, tot welk bedrag
a) Zie ecue audere regeling iu gevallen van besmettelijke veeziekte hieraehter § 224.
306
ook, door of tegen landverhuizers inoesteld, voor zooveel deze rechtsvorderingen ontstaan uit overeenkomsten of daden, ter plaatse der inscheping of ten aanzien van vreemde landveihuizers bij hunnen doortocht hier te lande aangegaan of verricht. Bedraagt de vordering meer dan / 400.â. dan is hooger beroep toegelaten.
De Wet van 7 September 1896 (6154) tot rcgclhut can het kiewfht en tie benoeminrj van (ifgecaavdhjchtn ter Kersite en 'Tweede Kumev (b'r Stalen-Genenuil (kieswet) draagt aan den Kantonrechter op te oordeelen over:
XI. beslissingen door Gemeentebesturen genomen, omtrent verzoeken tot verbetering van kiezerslijsten.
De bevoegdheid om een eisch in reconventie in te stellen brengt geene wijziging in 's Kantonrechters rechtsmacht in eersten aanleg; zij heeft echter wel invloed op de vatbaarheid voor hooger beroep van zijne uitspraak. Zie hierachter § 141.
Omtrent de uitbreiding van 's Kantonrechters rechtsmacht, wanneer partijen zich vrijwillig bij hem aanmelden, zie § 107; omtrent de beperking daarvan in geval van opdracht der beslissing aan scheidslieden, zie § 10S.
Zie omtrent de bevoegdheid om kennis te nemen van de hoofdvordering ingeval van oene vordering tot van waardeverklaring van een beslag § 10^; aldaar ook over de bevoegdheid om te oordeelen over de veriiicatie-verschillen in een faillissement.
Zie omtrent de vereffening van gerechtskosten § 140. Over de geschillen over de tenuitvoerlegging van vonnissen van de Kantonrechters zie § 158.
In geval de Rechter onbevoegd mocht zijn uithoofde van het onderwerp des geschils, is hij, ook al is de exceptie van onbevoegdheid niet voorgesteld, ambtshalve gehouden zich onbevoegd te verklaren, (art. 156)
§ 96. De Wet spreekt van louter personeele rechtsvorderingen. Algemeen wordt echter aangenomen
(Uit de toevoeging van het woord Imiler lüer zonder eenige beteekenis is, en dat bedoeld wordt wat art. 129 B. Rv. persoonlijke o) noemt; dat zijn die, welke tot onderwerp hebben de vervulling eener persoonlijke verbintenis, uit overeenkomst of uit de Wet voortvloeiend.
Mr. Vax dek Kkmt meende uit de omstandigheid, dat in het oorspronkelijke artikel 38 K. O. sprake was van louter personeele rechtsvorderingen roerende zaken, letreffende, en dat bij eene herziening de gecursiveerde woorden vervielen, de gevolgtrekking te mogen maken, dat slechts dan de Kantonrechter bevoegd is, wanneer de rechtsvordering betreft eene geldsom, niet wanneer zij betreft eonig ander roerend goed l). In die meening werd hij versterkt door de omstandigheid dat in art. 39 en 40 R. O. sprake is van fjeldsommeu, terwijl art. 54 R. O. spreekt van wnardc.
Intusschen is dit gevoelen van Mr. Vax dkh Kkmp algemeen, en terecht, verworpen. Om den Kantonrechter krachtens art. SS 2° R. O. bevoegd te doen
n) Art. 129 I». Kv. verdeelt de reehtsvordermgeu in:
lo. 2)f'rsoo,,ï'jkfj, waarvan boven sprake is;
2ü. zakelijke, dat zijn die waarbij de eigendom van eene zekere en bepaalde zaak, olquot; wel eenig ander zakelijk recht geëiseht wordt;
.'Jo. (jemeuijde. dat zijn die, welke tegelijk persoonlijk en zakelijk zijn, te weten: de vordering tot verkrijging eener erfenis, die tot boedelsehei-ding, die tot deeling van genieensebap, die tot afpaling van bij elkander gelegen erven.
Het springt in bet oog, dat deze verdeeling niet juist is. Profquot;. Van Hon kva i. Ka vim-: (E blz. '207 vlg.) wijst er tereebt op dat daarin geene ])laats is voor die, welke voortvloeien uit zoogenaamde familiereebten, dat zij alleen omvat ven11ogensreel11er 1 ijke vorderingen. Z.II.G. wijst er eveneens oji. dat reebten die tegelijkertijd persoonlijk en zakelijk zijn niet bestaan, dat dus ontbreekt wat de Wet als kenmerk der gemengde rechtsvordering stelt, waarmede de gemengde rechtsvordering zelve valt.
Waar art. 120 naast jjersoott/ijke, zij bet dan ook ten onrechte, nog stelt f/emenlt;/(le reebtsvorderingen, spreekt het van zelf dat de louter persdoi/lijke van art. 38 11. O. samenvallen met de persoonlijke, en dus de toevoeging louter kan ontbreken.
/gt;) Men kan echter uit dat vervallen eveneens de juiste gevolgtrekking maken dat de Kantonrechter nu ook bevoegd werd, wanneer de persoonlijke rechtsvordering betrekking beeft op onroerend goed.
308
zijn wordt slechts vereischt, dat er is eeue persoonlijke rochtsvorderiuo- en dat zij niet eene hoogere waarde
betreft dan /'200.â.
Uit liet vereischtc dat liet is eene persoonlijke vordering volgt de uitsluiting der zakelijke en der gemengde rechtsvordering. Onjuist is de bewering dat een Kantonrechter zou bevoegd zijn tot kennisneming van eene vordering beneden de / 200. , tot betaling van tienden of van den canon en van bet vcrboekingsrecbt gegrond op een recht van erfpacht. Dat zijn zakelijke rechtsvorderingen (arresten^11. K.
27 Mei 1381 \V. 4667 «) en 8 Nov. 1889, W. 5793 P. v J 1889 nn. 144). Hvenzoo wordt, wanneer bij het vestigen van een recht van opstal wordt bedongen, dat de opstaller daarvoor eene jaarlijksche betaling zal doen. hierdoor eene zakelijke verplichting op het zakelijke recht van den opstalier gevestigd. De Kantonrechter is dus steeds- onbevoegd van eene vordering daaromtrent konnis te nemen. II. 11. 30 Dec. 1881 W. 4727. Dit arrest wordt bestreden door Prof. Van Bunkvai. Faiuk in Is. B. 1882, lo4 en door Xavkkh s in w. 473.quot;), verdedigd door Mr. B. J. Polen'Aar in W. 4742. Ten onrechte echter verklaarde een Kantonrechter zich onbevoegd om kennis te nemen van eene rechtsvordering van eene provincie, om een belastingschuldige te veroordeelen tot betaling van zijn atpislag ten bedrage van f 1. in de provinciale paardenbelasting; dat is eene persoonlijke rechtsvordering, en daarbij is bet onverschillig ot zij haar oorsprong vindt in het publiek recht (II. U. 28 .lanuari 1886, W. 5266, v. d. H. Bel. XII, 143). l'it de beperking van de opdracht tot een bedrag van
Æâ¢ 200_, in verband daarmede dat s Kantonrechters
rechtspraak is eene exceptioneele, volgt, dat hij is onbevoegd wanneer de waarde der rechtsvordering is
quot;ÃTm dit arrest word l'cslist dal wauuccr do Kool.tbank een vonnis
van don Kautonrooliter wegens onbevoegdheid rationo matonao vorniotigt,
,,ij niet bevoegd is 7.ieh verder de zaak au fond aan te trekken.
300
onbepaald. Zoo, waar slechts wordt gevraagd ontbinding eener overeenkomst of ontbinding met vergoeding van kosten, schade en interessen nader op te maken bij staat.
Over de vraag of niet steeds de vordering tot ontbinding eener overeenkomst is eene vordering van onbepaalde waarde, bestaat groot verschil van gevoelen. Prof. Vax Boneval Faüre (I blz. 325) meent, dat op wat wijze ook gedaan, het altijd eene onbepaalde vordering is. Gevestigd is intusschen de rechtspraak, dat ook waar ontbinding a) wordt gevraagd, enkel in aanmerking mag komen het belang dat de eischer daarbij stelt te hebben, en dat de waardeering van dat belang te vinden is in het bedrag van zijne vordering tot schadevergoeding, welke hij aan zijne vordering tot ontbinding toevoegt. De waarde der vordering tot ontbinding wordt dus niet bepaald door het belang dat partijen inderdaad hij de vordering hebben, doch uitsluitend door de gevraagde schadevergoeding b). Gaat deze /' 200.â niet te hoven, dan is de Kantonrechter bevoegd (arrest II. 11. 23 November lS!t4, W. 6591, 1'. v. J. 1895, uJ. 1 X. R. ('LXVIII 254, v. d. II. B. LX, 347).
Eene louter personeele rechtsvordering is niet eene, die wel gegrond is op art. 1401 B. W. maar wier toewijzing afhankelijk is van de beslissing omtrent een betwist zakelijk recht. Arrend. Rechth. Leeuwarden, 10 Januari 1871, A\r. 3381. Zio in anderen
a) Vroeger besliste dc H, R. herhaaldelijk, dat het niet geoorloofd was te vragen schadevergoeding wegens nict-nakoming eener overeenkomst, tenzij tevens gevraagd werd hare onthinding. Sints het arrest van 2't Nov. 1870 \V. 32ü8 bleet' echter gevestigd de rechtspraak, dat men kan vragen schadevergoeding zonder ontbinding. Zie Lkon art. 1303 H. W. aant. 3.
Men kan echter niet tegelijkertijd vragen ontbinding en nakoming eener overeenkomst. Zie hierachter § 103.
/») Zie hierover Mr. 1). Si'an.i aaiid : /V rechtcrlijTcc heroeydhe'ul ten aanzien van vorderingen tot onihindln/j ran ivederJceerif/e overeenkomsten in Rechlxgeleerd magazijn 15e jaargang 18%, blz. 300.
310
geest een vonnis der Rechtbank te Amstercliun van b Februari 1883, 1'. v. J. 1883, 13.b. 24.
Bij de berekening van de waarde der vordering moet men, het spreekt van zelf, niet alleen letten op het kapitaal, maar ook op de renten, die gevorderd worden, voor zoover zij tot de dagvaarding toe ver-loopen zijn. Deze renten maken met bet kapitaal de vordering uit a). De latere renten zijn slechts gevolgen der vordering en komen niet in aanmeiking.
Evenzoo worden de kosten van protest en de renten, sedert dien tijd verloopen, niet mede in de berekening der waarde begrepen, wijl bet geding gerekend wordt reeds met bet protest een aanvang te nemen. Bkkriat
dk St. Prix I, â¢').quot;) u0. G3.
Wanneer twee eiscbers van een gedaagde bij ééne dagvaarding vorderen betaling aan ieder hunnei \an /' 110.37' ter zake van een door ben gezamenlijk aan den gedaagde voor f 220.75 verkocht jij wiel, dan is dat niet ééne vordering van / 220.75. Dat zijn twee vorderingen elk van /â 110.375. De Kantonrechter is dus bevoegd daarvan kennis te nemen (arrest H. K. 20 Juni 1895, W. 6691, 1'. v. J. 1895, 59.) De Kan-tonreebter is eveneens bevoegd, wanneer bij ééne dagvaarding van twee of meer niet hoofdelijk gebonden gedaagden h) van ieder minder dan /' 200.â docb
a) «ij arrest van 13 April 1845 W. 621 «af het Provinciaal Gcreehts-hof vau Gelderland een antwoord op de vraag: -welke is de beteekems âvan de uitdrukking in hoofdsom voorkomende in artikel 54 no. 2 eu .3 âK. O.» Dat arrest kan ook «orden geraadpleegd voor de toepassing van
art. 38 R. O.
h) De Kantonrechter is echter niet bevoegd uitspraak te doen wanneer iemand, die eene som van meer dan Æ 200.- van gezamenlijke deekenootcn solidair te vorderen heelt, die vordering splitst, en eenen der quot;deelgenooten voor diens al zoo daargosteld aandeel van mmder dan Æ 200.â voor den Kantonrechter dagvaardt. Zoodanige splitsing, de strek-kin- hebbende om het onderworp der vordering van aard te doen veranderen en van belang te doen verminderen, om daardoor den verweerder van zijnen eompetenten rechter af te trekken, is in rechte met alleen onbestaanbaar, maar het staat bovendien vast, dat de Kantonrechter bij het minste onderzoek in deze, naar den grond der zaak, noodwendig had
311
gezamenlijk meer dan f 200.â wordt gevraagd. Dat is niet ééne vordering, doch dat zijn er zoovelen als er gedaagden zijn. Zie ook arrest H. li. 20 Oct. 1892, W. 6254, N. R.' CLXII, 61.
Vordert een eisclier echter van een gedaagde betaling van meer dan /'2U0.â, dan is de Kantonrechter onbevoegd. Het is daarbij onverschillig of bet vorderingsrecht ontstaat uit eene zelfde of uit meerdere schuld-oorzaken; immers art. 38 initio en 1°. R. O. kent dat onderscheid niet. Vorder ik van een gedaagde bij ééne dagvaarding f 150.â voor geleverde koopwaren en /' 100.â voor geleend geld, dan is de Kantonrechter onbevoegd, zie ook vonnis Rechtbank 's Hertogenbosch van 2(1 Juni 1894, W. 5078. Men beeft het dus in de macht, door zijne vorderingen in ééne dagvaarding te vereenigen of â voor zoover men daardoor niet in strijd mocht geraken met art. 38 initio en 2''. R. O. â in meerdere te splitsen, de Rechtbank of den Kantonrechter bevoegd te maken «). Terecht verklaarde echter m. i. de Kantonrechter te 's Gravenhage zich, bij vonnis van 24 Juni 1887,
moeten t.edeu in eene beoordeeling van de rechtmatigheid der van de gezamenlijke deelgenooten te vorderen hoofdsom en bijgevolg had moeten beslissen over een geldelijk belang te boven gaande de som van f 200. . H. R. 12 Maart 184/, eonel. eontr. W. v. d. 11. B. R. 8, .177 R. 25 § 82 p. -100.
d) Trouwens, waar het niet mogelijk is voor de beoordeeling der bevoegdheid een anderen maatstaf te nemen dan de dagvaarding, kan men niet voorkomen dat, door de vordering grooter dan f 200.â of onbepaald te maken, voor de Rechtbank wordt gebracht wat in des wetgevers systeem bij den Kantonrechter zou tehuis behooren. Blijkt zonneklaar, dat van te voren zichtbaar was, dat het eene Kantongerechtszaak was, en dat slechts voor de Rechtbank gedagvaard werd om den gedaagde op kosten te jagen, dan zou het als middel tegen dat kwaad aanbeveling verdienen die noodeloos gemaakte kosten te laten ten laste van den eischer, ook wanneer deze het geding won. Dat deed o. a. de Rechtbank te Arnhem in haar vonnis van 14 Dec. 1882, \V . 493(i. Zie ook vonnis Rechtbank Maastricht 30 Oct. 184.'), R. B. Vin, 511. Van den anderen kant kan de eischer door zijne vordering te beperken, door bijv. de schadevergoeding bij de ontbinding te stellen beneden de /'200.â, iets wat in *s wetgevers systeem voor de Rechtbank zou moeten komen, voor den Kantonrechter brengen.
312
onbevoegd kennis te nemen van twee vorderingen, elk beneden maar te zamen boven de f 200.â, bij verschillende dagvaardingen door den zelfden eischer tegen den zelfden gedaagde op de zelfde terechtzitting aangebracbt (Maandblad der Vereeniging van Deurwaarders III, 7). Wanneer men, zooals in dat geval blijkt, rechterlijke tusschenkomst inroept om meer dan /' 200.â van iemand in te vorderen, is zonder eenigen twijfel de Kantonrechter onbevoegd. Die onbevoegdheid is er niet, ook al mocht, nevens de ingestelde vordering, eischer nog meer, tot een gezamenlijk bedrag van boven de /'200.â, van gedaagde te vorderen hebben, wanneer bij voor dat meerdere niet dagvaardt; de mogelijkheid bestaat dan toch dat hij dat niet doet. Zie ook vonnis Rechtbank Amsterdam, 5 Dec. 1888, \\ . 5725 a) eu 15 Januari 1809, R. B. 20, 1870, do, Kantongerecht Amsterdam IV, ö Dec. 1805, R. B. 16, 1806, 73. Die onbevoegdbeid is er evenmin, althans kan den Kantonrechter niet blijken, wanneer eischer, na reeds voor een gedeelte der vordering vonnis te hebben gekregen, ot gelijktijdig bij een anderen Rechter dat vragend, den zelfden gedaagde wederom voor een gedeelte beneden de /' 200.â dagvaardt.
Ook al betreft het eene persoonlijke rechtsvordering beneden de f 200.â, dan nog is de Kantonrechter onbevoegd om van waarde te verklaren bet te dier
a) Zie iu anderen geest een vonnis van liet Kantongerecht te Dordrecht van 12 Aug. IS/.'i (W. 3G.V2). Daarbij werd een eischer, die met het kennelijk doel om zijne vorderingen telkens ter kennisneming van den Kantonrechter te brengen niet het volle bedrag zijner vordering maar slechts een gedeelte daarvan eischte, in zijne vordering verklaard niet-ontvankelijk.
Zie ook de volgende beslissing van het Kantongerecht te Deltt van 31 Maart 18G4, \\'. 2580. Wanneer de eischer, die eene som vordert van /*199.99 om de zaak ter competentie des Kantonrechters te brengen, en hij aan het hoofd der dagvaarding eene rekening stelt, volgens welke de gedaagde hem schuldig is Æ247.99, dat daarop in mindering is ontvangen Æ 33.â en bovenstaande rekening bij moderatie verminderd is tot o]) Æ 199.99, behoort de Kantonrechter zich onbevoegd te verklaren, zoo de gedaagde verklaart de vermeide kwijtschelding niet-aan te nemen.
313
zake gelegd conservatoir-, derden- of pandbeslag, artt. /34, 738, 703 H. 11.v. Art. 321 1gt; 11.v. bepaalt uitdrukkelijk, dat ook in handelszaken het verlof tot het leggen van conservatoir arrest moet worden verleend door den President der Rechtbank en het verzet tegen zulk arrest moet worden aangebracht bij de Rechtbank.
Ook het verzet tegen een dwangbevel ter zake van 's Rijks directe belastingen, voor zoover daarvan de burgerlijke rechter kennis neemt, behoort steeds, hoe klein de vordering ook zij, tot de bevoegdheid der Rechtbank (art. lö der wet van 22 Mei 18b), Stbl. 22). llotzelfde geldt voor de invoerrechten en accijnzen (art. 240 der algemeene wet van 20 Augustus 1822, Stbl. 38), de registratierechten en liet zegelrecht.
Art. 200 der Gemeentewet maakt art. 15 der wet van 22 Mei 184quot;) (sihl. 22) eveneens van toepassing op de Gemeentebelastingen; art. 15 der wet van 9 October 1811 (Sihl. 42) doet het zelfde voor de dijken polderlasten.
Zoo besliste dan ook de II. R. bij arrest van 12 Mei 1SS2 (\V. 4780), dat de vordering tot betaling van / 70,405 wegens verschuldigde polderlasten behoort tot de competentie der Rechtbank. Bij arrest van 11 Nov. 18S1 (\V. 4 709), besliste bij, dat de Rechtbank en niet de Kantonrechter kennis neemt van eene vordering, welke door een waterschap tegen een ingeland is ingesteld tot betaling eener som beneden de /' 200,â ter voldoening van eene bij aanbesteding gemaakte brug, welke de ingeland had behooren te onderhouden, maar niet onderhouden had.
§ 97. De bepaling van art. 38, 2,). R. O. heeft tot vele vertogen en rechterlijke uitspraken in verschillenden zin aanleiding gegeven.
Omtrent de bedoeling van de bepaling bestaat echter thans geen strijd meer. Wurdt die bedoeling, die â al had de redactie der bepaling juister kunnen zijn â met 's wetgevers woorden overeenstemt, niet uit het oog verloren, dan kan het artikel tot geene
21
314
moeilijkheden aanleiding geven, 's Wetgevers stelsel was, den Kantonrechter te laten oordeelen over persoonlijke vorderingen tot een bedrag van f 200,â.
Hiermede in overeenstemming is 'sKoogen Raads arrest van 5 November 1S75 (W. 3ill9), waarbij hij besliste, dat, wordt een gedeelte eener insehuld ingevorderd, voor ile bepaling van 's Kantonrechters bevoegdheid uitsluitend iu aanmerking komt het bedrag der dan nog bestaande vordering. Is die restantvordering beneden de / 200,â dan is, hoe groot de vordering oorspronkelijk ook geweest zij, de Kantonrechter bevoegd ook wanneer de rechtstitel wordt betwist. De hoofdsom is dan beneden de/'200,â. Uit den samenhang van art. 38 li. O. volgt, overweegt de Ilooge Raad, dat het 's wetgevers bedoeling was den Kantonrechter slechts te laten oordeelen over vorderingen beneden de /' 200,â. Overeenkomstig die bedoeling is het, den Kantonrechter de beslissing te onthouden over een gedeelte eener insehuld beneden de f 200,â wanneer de geheele dan nog bestaande insehuld is boven de f 20(1,â. Het springt in het oog, dat de rechter dan beslissende eene uitspraak geeft ook bindende voor het andere nog niet gevorderde gedeelte «). Eene dergelijke uitspraak geeft hij niet, alhoewel de rechtstitel wordt betwist, wanneer wel de oorspronkelijke schuld was boven do / 200,â doch het restant daar beneden.
Een grooter bedrag wordt het onderwerp van het geschil, wanneer wel slechts een bedrag van / 100 als interest van een geleend kapitaal van / 2500 wordt gevorderd, maar de gedaagde ontkent het kapitaal zelve
a) Hieruit volgt, dat, ook al mocht blijken dat de eiseher van een voor het Kantongerecht gedaagde nog meer te vorderen heelt, de Kantonrechter niet steeds door het betwisten der vordering wordt onbevoegd, ilij zal dat slechts worden, wanneer er tusschen die vorderingen een dusdanig verband bestaat, dat beslissing omtrent de eene, ook beslissing omtrent de andere medebrengt. Zie ook vonnis Kgt. Amsterdam f, 28 September 1888, W. 5(320.
315
verschuldigd te zijn, met andei'e woorden, den rechtstitel betwist. Het springt in het oog, dat hier eene beslissing omtrent de /' 1UÃ, tevens eene beslissing zou zijn omtrent de / 2000. In's wetgevers stelsel behoort die beslissing bij de Rechtbank.
Voor eene juiste interpretatie van art. 38 aanhef, en 2 '. li. O., kan het zijne waarde hebben, hier na te gaan de dwalingen die daaromtrent bestaan hebben.
Men heeft gemeend, dat inils de rri'lilslikd iiirl trorilv helmist in art. 38, 2''. R. O. betrekking bad op de geheide zinsnede. Dit is reeds daarom onaannemelijk, omdat dan ile Kantonrechter wel bevoegd zou zijn om te oordeelen over de vordering eener (irhcele in-schuld van minder dan /'200, ook al werd de rechtstitel betwist, maar niet om kennis te nemen van de vordering van een iiolrelle dierzelfde inscbuld, zoo de rechtstitel wordt betwist. Zulk eene verwaarloozing van den rechtsregel: ctd plas licel ei non debet non li cere ijnud minus est kan de wetgever niet bedoeld hebben. Zie ook de Tinto, U. O. 11, blz. 100.
De woorden mils de recldslilel niel worde bclwisl hebben klaarblijkelijk slechts betrekking op de onmiddellijk daaraan voorafgaande woorden zel/s iniiorul de rente, enz. Uitdrukkelijk werd dat o. a. beslist bij arrest van den IJ. 11. van 28 Juni 184-1, W. 512. Mr. Van der Kemt meent, en terecht, dat het beter ware geweest indien de wetgever in plaats van, zelfs in i/eval de rente enz. had geschreven, mils, in (jccal de voor rente, huur of pacht in hoar ijehecl hedomjen som of de hoofdsom der inschuld meer dan f ~0() bedruaijt, de rechtslilel niet morde helmist.
Ten onrechte leidde de Kantonrechter te Middelburg in zijn vonnis van 17 Juli 1843, W. 437 uit het gebruik van alte in art. 38, 2°. I!. O. af, dat de Kantonrechter over al de daar genoemde vorderingen, tot welke som ook, mag oordeelen, mits maar de rechtstitel niet worde betwist. Het is, dunkt me, bijna overbodig er de aandacht op te vestigen, dat een behoorlijk
310
lezen, ook van den aanhef van artikel 38 R. O., niet anders toelaat dan ook voor die vorderingen het bedrag van / 200 als grens van 's Kantonrechters be-bevoegdheid aan te nemen, zooals dan ook beslist werd door de Rechtbank te Groningen den 22 Dec. 3848 (R. Bijbl. 1851, blz. 00).
Mr. Va.v der Kemp meende, dat door de woorden renten, huren, jiuehlcn, blijkbaar werden verstaan de lennjnen waarin de in haar geheel bedongen ronle, huur of pachl moet betaald worden. Dat volgde, volgens hem, uit de hier gebruikte onderscheiding tusschen den enkel- en den meervoudigen vorm. De rente, ile huur, de paeUt was, meende hij, hier de in eens bedongen som, zonder aanmerking van liet aantal jaren of de tijdperken gedurende welke zij verschuldigd zijn. Met dk Pixto (2de ged. R. O. bl. 'J'j en 100) kon hij niet instemmen, dat de huur van een huis, verhuurd voor 5 jaren tegen /100 in het jaar, mitsdien zou zijn /'500. De bedongen huur, al moet zij vijfmaal betaald worden, was volgens hem, slechts /100: niet indien er / 500 huur bedongen was, te betalen in vijf termijnen van / 100 ieder jaar. Evenals Mr. Greevk komt het mij voor, dat het gevoelen van de Finto juist is, dat wanneer hel bestaan van de huur, de rechtstitel in dat geval, betwist werd, de vraag in geschil deze zijn zou, of de gedaagde al of niet schuldig was of worden zou f500, en dat de Kantonrechter alzoo onbevoegd zou wezen. Zie ook arrest Noord-Brabant van 10 Dec. 1839 (Nederl. Rechtspraak deel IV § 18 blz. 115).
De hier vroeger uitgesproken meening, dat de woorden rrntcn, huren, pachtcn, interessen enuntiatiet zouden zijn en evenzeer moeten worden toegepast op gelijksoortige uitkeeringen, welke op gezette tijden voldaan worden, kan ik niet onvoorwaardelijkdeelen «). Mij schijnt eene dusdanige uitbreiding slechts ge-
a) Zie ook de op bladzijde .'gt;08 vennel de arresten van den IT. H.
317
öorloofd voor uitkeeringon van persoonlijken aard, niet wanneer zij steunen op een zakelijk recht. Het was toch de bedoel ins; den Kantonrechter slechts te doen oordeelen over persoonlijke rechtsvorderingen. Nergens in de wet op de 11. O. wordt hem de kennisneming van zakelijke rechtsvorderingen opgedragen «); in art. 38 n0. 1 R. O. â liet beginsel dat in 38 nn. 2 R. O. voor bepaalde gevallen wordt toegepast â is uitsluitend sprake van persoonlijke rechtsvorderingen; in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. Ã7 en itS) wordt 's Kantonrechters bevoegdheid alleen voor persoonlijke rechtsvorderingen geregeld. (!rotidrctilr is geheel iets anders dan rente; cr//nidil dan iiaehl. Uit het feit, dat art. 38 21 R. O. reu Ie en pacU l noemde, mag men dus niet afleiden, dat ook t/rouâ Ij-ciitc en crfixichl bedoeld zijn. Met meer recht deed v.w dei: 1\ i:mi' een beroep op een antwoord van de Regeering liij de vaststelling van art. 38 2° R. O. Deze zeide toen, dat onder venim ook llendrn zijn begrepen (v. n. Hoxkht li. O. blz. 141). Hij had zich ook kunnen beroepen daarop, dat de Regeering bij de behandeling van art. 'J8 1gt;. Rv. zeide, dat de vordering tot betaling van grondrenten en uitgangen zoude zijn van zuiver persoonlijken aard (v. n. IIoneki' B. Rv. blz. 227). Van beide beweringen der Regeering valt niets anders te zeggen dan dat zij zijn onjuist.
âHevhuiiieiquot; wat heeft men daaronder te verstaan? Niet enkel de akte, bet instrument waarin de ver-plichting beschreven staat, maar ook het recht zelf, dat men uit het instrument wil afleiden, het ftiniln-nieiitmii iietendi, den grondslag der vordering. De meeste overeenkomsten, waarvan de niet-nakoming komt ter kennisneming van den Kantonrechter, worden mondeling aangegaan, zoodat bij dezen, aan geen
Jlem werd zelfs ontnomen de keuuisuemiug der zakelijke rechtsvordering o]) roerend goed betrekking hebbende, die hij in het Fransehe recht heeft, en die de Wet van 1801 hem teruggaf.
sis
rechtstitel, in den zin van instrument, kan gedacht worden. \V. 225, 353. R. B. IV, 505, VIII, SOG.
Het brhirislen van den rechtstitel is het ontkennen der geldigheid, hetzij van de akte of het instrument, of van het beding waarvan het bestaan door den eischer wordt beweerd: het ontkennen van den rechtsband, zooals die door den eischer, als bestaande tusschen hem en den gedaagde, wordt voorgesteld.
De rechtstitel wordt betwist, wanneer door den eischer wordt gevorderd betaling voor gekochte goederen, en van gedane uitschotten, en de gedaagde èn de levering èn de uitgave ontkent. Arroud. liechtb. Amsterdam, 21 Februari ISOI. W. 2290.
De Arrond. Rechtb. te (Troningen was van meening, dat door erkenning van den rechtstitel niet alleen is te verstaan erkenning van het bestaan der overeenkomst, maar ook van hetgeen bij de overeenkomst wordt gesteld. Vonnis van 20 Juni I860, W. n0. 24(39.
Wanneer de eischer beweert, dat wat hij van den gedaagde vordert, voortspruit uit èn in dagwerk èn in aanneming verdiend weekloon, tot een gezamenlijk bedrag van ruim f 400, en de gedaagde daarentegen beweert, dat er alleen een restant van een aannemingssom bestaat, waarin het gepretendeerde, in dagwerk verdiende bedrag, reeds zou begrepen zijn, dan bestaat er geschil over het object der vordering, dat alleen ü uit te maken door te treden in een onderzoek naar de rechtsverhouding tusschen partijen, en alzoo van den rech tslilcl. Ivant. 's Gravenhage 3 Jan. 1S73, W. 3548.
Wanneer de huurder, gedagvaard tot betaling van eenen bij anticipatie vervallen huurtermijn groot / 62.50, de onbevoegdheid des Kantonrechters beweert, op grond, dat hij bij de llechtbank tegen den verhuurder eene actie tot ontbinding der huurovereenkomst heeft ingesteld, dan stelt de verwering eene betwisting van den rechtstitel daar in den zin van art. 38, 2°. R. O. II. R. 8 Februari 1884, W. 5006,
319
N. 11. CXXXVl, 173, v. d. II. B. XLIX, 198. Anders Miiastricht, V\r. 5012.
Do rechtstitel wordt niet betwist, wanneer tegen de vordering wordt aangevoerd: gedane betaling, compensatie van schuld of dergelijke beweringen, die den grond der verplichting zelf niet betreft.
Het is niet genoeg, dat de gedaagde slechts zegge den rechtstitel te betwisten, hij moet tevens do gronden aanvoeren waaruit blijkt, dat het hem met dat beweren ernst is.
Immers, hot is oen recht des eischers om do hier vermelde rechtsvorderingen voor den Kantonrechter te brengen, en het kan nimmer do bedoeling des wetgevers geweest zijn, dat dit recht door een louter re;/;/?» des gedaagde zou mogen verijdeld worden. De wetgever moet gereken 1 worden den Kantonrechter slechts het oordeel over de, tegen de geldigheid van een rechtstitel, aangevoerde gronden ontnomen te hebben; weshalve, wanneer er geen gronden zijn aangevoerd, ook niets aan zijne bevoegdheid om te oordeelen in don weg staat. Zelfs indien de gedaagde louter schijngronden aanvoert, die blijkbaar niet dan gezocht zijn, kan de Kantonrechter de kennisneming der zaak aan zich behouden, dewijl hij moet nagaan, of de rechtstitel inderdaad betwist wordt, en niet of do gedaagde dien schijnt te betwisten; in zulk een geval is het niet noodig dat do Kantonrechter die gronden in zijn vonnis opneemt en beoordeelt; hij mag zoggen, dat de rechtstitel inderdaad niet betwist is. Doch voor hot overige, zoo hij slechts oonigermato zou moeten treden in een oordeel over de geldigheid van den rechtstitel, behoort hij zich van de kennisneming der zaak te onthouden «). l)e onbevoegdheid des Kantonrechters, in geval de rechtstitel betwist wordt, betreft het onderwerp des geschils, zoodat de Kantonrechter zich bij die be-
n) Zie in dozen «jeest zeer beslist een vonnis der Reehtbank te Amsterdam van 31 Oet. 1893 (1*. v. J. 1894, 7.)
320
twisting ambtshalve moet verklaren onbevoegd. Wij kunnen het derhalve niet eens zijn met Merlin Rép. v. jiKje de pai.r § 1G nquot;. 2, die bij een dergelijke â wetsbepaling oordeelt, zonder gronden, dat de onbevoegdheid persoonlijk is.
l'it onze wetsbepaling ontstaat nog eene vraag, namelijk, of in geval de Kantonrechter bij het betwisten van den rechtstitel onbevoegd zoude zijn, het den eischer geoorloofd is de zaak terstond voor de Arrond. Rechtbank te brengen en de gedaagde liet recht niet zou hebben haar verwijzing naar den Kantonrechter te verzoeken. .Mij dunkt, dat de eischer dat recht bezit, en de gedaagde geenc verwijzing naaiden Kantonrechter vragen kan, tenzij hij verklare den rechtstitel niet te zullen betwisten. De exceptio-neele rechtsmacht des Kantonrecliters eischt toch, dat de gedaagde, die de verwijzing vraagt, de bevoegdheid van den Kantonrechter bewijze en dus aantoone, dat de rechtstitel niet betwist wordt. Zie hierover een vonnis van de liechtbank te 's llerto-genbosch van 16 Maart 1812, en van die te Utrecht van 27 Juni 1849. 11. B. IV. SST, XI 402.
^ 98. Vreemd kan de bijvoeging schijnen: hclzij door inenschrii, hclzij door dieren toeijobrucht, immers daarmede zijn alle andere wijzen van schadetoebrenging uitgesloten als; liet instorten van een gebouw, liet omvallen van schoorsteenen enz. Doch blijkens de beraadslagingen over dat art. gehouden, wordt hier alleen die beschadiging bedoeld, die tot de overtredingen behoort, waarvan de Kantonrechter tevens als strafrechter kennis neemt, daar men hem geenszins de bevoegdheid heeft willen toekennen, om recht te spreken over alle gedingen tot vergoeding van schade aan land, houtgewas, boom-, tuin- of veldvruchten «), op welke wijze ook toegebracht, hetgeen
a) Schade door vee, aan audcrc dan hier genoemde goederen, hijv. aan uitgegraven turf, toegebraeht, vall niet onder art. 39, lo. (vonnis Kechthank Assen 10 «lan. 1881, w. I/IHi.)
:i21
met zijne exceptioneele rechtsmacht tea eenemale in strijd zou zijn; gelijk begrepen is door de Arrond. Rechtb. te Atmici-ilam bij vonnis van 6 Febr. 1851, \\. 1238. Maar ook moet men uit art. 3!) niet afleiden, dat de Kantonrechter over de andere wijzen van schadetoebrenging, of ook ten aanzien van andere goederen of bezittingen dan de bier opgenoemden, niet zou mogen oordeelen gelijk wel eens verkecr-tlelijk begrepen is. W. 15(5. Immers alle rechtsvorderingen tot schadevergoeding zijn uit haar aard louter personeel en behooren dus, mits blijvende onder de / 200,â tot ile bevoegdheid des Kantonrechters, volgens den regel van art. 38 u '. 1, maar art. 39 maakt eenige uitzonderingen op dien regel, en vermeldt de vorderingen tot schadevergoeding welke de som van /' 200,â mogen te boven gaan n). II. B. 111. 222-â225, Te recht meent dk Pixtd K. (). 2i1l' ged. hl. 105, dat deze exceptioneele bepaling der wet is in het belang der landbouwers, waardoor o. a. kostbare intjicclii'it hi loco en omslachtige procedures kunnen vermeden worden.
De schade waarvan in art. 30, 1quot;. it. O. sprake is, moet rcciilslrcck* door menschcn of dieren zijn toegebracht. Had de wetgever ook indi.cri toegebrachte schade op het oog gehad, de woorden door mcmschrn of dieren hadden kunnen achterwege blijven, immers elke schade, waarvoor men verantwoordelijk kan zijn, moet steeds direct of indirect door personen zijn toegebracht, vonnis Rechtbank 's liertogenbosch 2SI Mei 189G (W. 085!»).
De actie tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat en nid beperkt tot f 200,â, wegens het onrechtmatig uil roeien, wegvoeren en zich toeëigenen ran tioonieii, behoort, niet tot de bevoegdheid van den
a) Trouwens, uit den jiard tier /aak zal dii betlrag zelden 1 ico^er zijn dun Æ 200.â. Zie ook prol. Van !gt;om:v \l Fauke, IJ. Rv. 1, blz. 330. Zie echter een geval waarin eene schade vergoeding van Æ .*gt;0.000 werd gevraagd in \\ . lO'.M en 4098 ('s-llertogenbuseh 1 April 1881).
322
Kautourecliter, maar tot die van de Arrondissements Rechtbank. Die actie toch steunt niet op schade toegebracht aan boomen toebehoorende aan den eischer, maar op beweerde uitroeiing en wegneming dier boomen. Vonnis Arroud. Rechtb. 's (Iravenhage, 27 Juni 187(3, bevestigd door liet (.lercchtshof te 's Graven-hage, i)ij Arrest van 30 April 1S77. W. 41011, R. H. n. Keeks D. \'. 1879, bl. oOâ31. Zie ook een -vonnis der Rechtbank te Amsterdam van 22 Januari 1S7S, R. B. X. Reeks 1). V., 1870 bl. 32, 33 en een der Rechtbank te Zutfen van 23 Juli 1885 (VT. 5430.)
Er bestaat geen bezwaar tegen veroordeeling ter zake van het in art. 'JU, 1°. U. O. l)edoelde tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat, (vonnis Kgt. Loenen 28 Sept. 1853, \\ . 1489.)
S 09. Welk herstel ten laste van den huurder valt, leercn do artiken 1(310 en 162(1 B. W., namelijk geringe en dagelijksche reparatiën, als reparatiën aan: winkelkasten, sluiting der luiken of blinden, binnen-sloten, vensterglazen zoo binnen als buiteu's huis, en al hetgeen verder door het plaatselijk gebruik daaronder begrepen wordt; ook het schoonhouden der schoorsteenen. Door de woorden: vohjeiis do toel, wordt hier uitgesloten hetgeen volgens hel Inmrrontract ten laste des huurders komt. Zie v. n. [Ioniort, handh. bl. 40. Wanneer men echter op grond van het huurcontract eenig lierstel vordert, ook dan is de Kantonrechter bevoegd krachtens art. 38, mits de vordering maar blijve beneden de /'200,â. Db Pixto, R. ü. 2clc ged. 1)1. 10(3. Het is evenzoo met de vorderingen des huurders tegen den verhuurder tot schadevergoeding wegens verzuim van inbezitstelling of van berstellingen, die op den verhuurder rusten.
De Kantonrechter te Amersfoort verklaarde zich mlumc maleriac, op grond van dit artikel, onbevoegd te oordeelen over een eisch tot onmiddellijke tenuitvoerlegging van noodzakelijke en dringende repa-
323
ration en herstel van gebreken in eene woning en schuur, welke gebreken het behoorlijk gebruik van de verhuurde perceelen verhiiulerden; of bij gebreke van een en ander, tot machtiging van den eischer die reparation zelf te doen oji kosten van den gedaagde, alles niet vergoeding van de geleden schade tot een bedrag van /100.â of zooveel minder, als de rechter zou oordeelen. Vonnis van 31 Januari 1871, W. 3451.
§ 100. De woorden âmeestersquot; en âdienstboden âof arbeidsliedenquot; tooneu duidelijk aan, dat hier aan een direct ondergeschikten werkkring gedacht moet worden. Eene dergelijke verhouding bestaat niet tus-schen den eigenaar eener affaire eeuerzijds en zijn depóthouder anderzijds (Kechtbauk Amsterdam 28 Juli 1801, A\'. 6103.)
Onder ircrkllcdru worden hier in het algemeen lt;lie-genen verstaan, die onder een vasten meester werken, hetzij op een ambacht, hetzij in een winkel, hetzij in eene fabriek: daartoe behooren ook de meesterknechts in eene fabriek, zooals terecht begrepen is bij een arrest van het Hof van Holland van quot;22 Sept. .1840, W. 150. Maar er behooren niet toe werkbazen, aannemers, bouwmeesters en dergelijkon, die voor particulieren werken, wier overeenkomsten niet gerangschikt worden onder de diensthuurcontracten, maar onder de aanneming van werk, bedoeld bij artt. 1040â1653 1gt;. \\. Onder ircrkHrilcn zijn óók niet te begrijpen, architecten. Vonnis Arrond. Rechtb. Utrecht van 80 Maart 1852, W, 333, K. Igt;. IV, 505. â Colorist en directeur eener katoendrukkerij zijn niet als werk-Jicflcn, in den zin van art. 3'J, al. 3, R. O. te beschouwen, want aan bet woord workman in art. 3!», moet de meer gewone en beperkte beteekenis worden toegekend van hanflirrrksiiicDi, in verband met de artikelen 1637â1639 R. W. Vonnis Arrond. Rechtb. Amsterdam van 8 Nov. 1871, H. B. N. Reeks D. V. 1879, blz. 33. Hij, die heeft aangenomen zich te bevinden met zijn schip bij een aangenomen zee- of
324
rivierwerk, behoort niet tot do werklieden, bedoeld bij art. 39, 3°. 1!. O. Arrest Hof te 's Gravenliage 12 Maart 1877, IJ. B. X. Reeks ]). V., 1879, ld. 34â38.
Doov diciislhodfii verstaat men niet alleen de eigenlijke buurbedienden, maar ook allen die tot bet buis be-booren, ondergeschikt zijn aan den wil des meesters en van dezen hun loon trekken â hetzij zij dit loon in geld genieten, hetzij zij dienen voor den kost, kleeding of inwoning â als daar zijn : huisbewaarders, inwonende buis-onderwijzers of gouverneurs, particuliere secretarissen, winkeldochters, kantoorbedienden; in één woord allen, die met den heer des huizes een dienstbuurcontract kunnen geacht worden te hebben aangegaan en op wie van toepassing zijn de bepalingen der artt. ligt;3( â1(339 B. \\ hetgeen eigenlijk meer een qnncslïo fitclic dan juris is. Zie Lkon op Art. 39. U. O. en 1037 1gt;. W. Ook eene hah'r is eene dienstbode. Bij een vonnis van den Kantonrechter van het Kanton 1 te Amsterdam, waarbij dat uitgemaakt werd, werd tevens beslist, dat de meester willekeurig de overeenkomst, met een dienstbode aangegaan, kan verbreken, zonder tot betaling van eenige schadeloosstelling gehouden te zijn, als maar niet de dienstbode (in casu de baker) feitelijk baar dienstverrichting heeft aangegaan. Vonnis 21 Febr. 18G1, W. n». 2301.
Onder de f crcciil.oDislni, hier genoemd, worden niet gerekend alle mogelijke overeenkomsten, welke de meester niet zijn knecht sluiten kan, en die niets gemeen hebben met het dienstbuurcontract. De wet heeft hier alleen op het oog den meester als zoodanig en den knecht, in hunne onderlinge betrekking als meester en knecht tot elkander, in één woord, die overeenkomsten, welke een deel of onmiddellijk gevolg zijn van de dienstbaarheid of daarmede in een dadelijk verband staan. De vraag is meermalen behandeld, of daartoe ook behoort de rechtsvordering van een dienstbode tot bet terugontvangen van zijn goed bij het
325
verlaten van een dienst. Men vindt haar verschillend beantwoord. Meklin liép. jmje de pair. § 17 nn. 5, Thrrni* J, 27S. Di; Tinto, R. O. 2''« ged. ld. 108, meent, dat niet Drkanton, nquot;. 239, de vraag bevestigend moet worden beantwoord, omdat de moester, die een dienstbode met zijn goed bij zich in huis ontvangt, zich stilzwijgend verplicht, bij bet verlaten van den dienst, dut goed weer te doen volgen; de verbintenis tot afgifte, welke bij alzoo aangaat, is, meent bij, een verbintenis van den meester als zoodanig, jegens den bediende als zoodanig. Mr. Van der Kkmp intusschen beantwoordde, m.i. terecht, de vraag ontkennend, op grond dat de verplichting tot teruggave niet voortvloeit uit een uitdrukkelijk of stilzwijgend beding, even alsof zij zonder zulk een beding niet bestaan zou, maar uit bet eigendomsrecht van den dienstbode, die slechts zijn eigen goed terugvordert.
Het is duidelijk dat onder vorderingen tot volbrenging van wederzijdsche overeenkomsten tusschen meester en dienstbode of werkman, niet kan gebracht worden de vordering tot ontbinding der tusschen hen bestaande overeenkomst. Tenzij hij dat op grond van art. 38 1°. is, zal do Kantonrechter dus zijn onbevoegd om daarvan kennis te nemen. Zie ook vonnis Rechtbank Amsterdam van 14 Februari 1882, 1'. v. J. 1882, Bij hl. 20.
§ 101. Onder helccdiijinij wordt begrepen «cuvowliije Ijcleedujinij (art. 26(3 W. v. Sr.), smaad (art. 201 W. v. âºSr.) en laslrr (art. 202 \\. v. Sr.) De toevoeging van mondeling aan beleediging, sluit uit beleediging door geschriften of door gebaren of andere feitelijkheden. Tenzij zij beperkt wordt tot / 200, zal de Kantonrechter dus niet kunnen kennis nemen van eene vordering tot schadevergoeding wegens beleediging bij briefkaart gedaan (Kantongerecht Amsterdam III, 25 Juni 18S'/, \\.4120), of van eene vordering wegens mondelinge beleediging, waaraan is vastgekoppeld eene wegens gepleegd geweld (Kgt. Amster-
32(gt;
dam, 23 Nov. 1883, V. v. J. 1883, Bb. 51.) Evenwel hoedanig ook de hoon zijn moge, of in woorden of in geschriften of in daden bestaande, altoos kan de burgerlijke rechtsvordering te dier zake voor den Kantonrechter gebracht worden, mits zij alleenlijk strekke tot schadeloosstelling en zij de som van /'200 niet te boven ga; en zulks krachtens art. 38, un. I, K. O., DE PIN'ÃO bi. 108.
§ 102. Alhoewel de vordering tot ontruiming is persoonlijk, zou zonder uitdrukkelijke opdracht de Kantonrechter daarvan geene kennis kunnen nemen, daar zij is onbepaald.
Er dient wel in het oog gehouden te worden, dat de Kantonrechter slechts oordeelt over ontruiming, wanneer de gedaagde het te ontruimen perceel heeft gehad in huur. Over alle andere vorderingen tot ontruiming, bepaaldelijk wanneer de eigenaar beweert dat de gedaagde zonder recht of slechts bij vergunning het huis bewoont of in hot bezit is der pachthoeve, of ook als de kooper den verkooper tot ontruiming aanspreekt, is de Kantonrechter onbevoegd. K. b.
IV, 258, IX 594, W. 12, 870, 1245.
Over den omvang van het begrip ontruiming in art. 41 en 42 R. O. bestaat verschil van gevoelen. Mr. van deii Kemp meende, dat daaronder ook moet worden verstaan afbreken van het op den gehuurdeu grond gebouwde. In dien zelfden geest 1'rot. van' Boneval Fauke in eene quot;noot in R. B. 1871 blz. 420. Gevestigd is intusschen de rechtspraak, dat onder ontruimen in art. 41 en 42 R. O. slechts is begrepen het verwijderen van de tilbare have van een perceel, niet het afbreken van wat er op gebouwd werd; wordt dit laatste gevraagd, dan i.s de Kantonrechter onbevoegd. Men zie in dien geest een vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 26 Januari 1870 u)
a) Bij dat vonuis werd vernietigd eeu vonnis van liet Kantongoroeht te Loenen, dat zich bevoegd had verklaard van eene vordering tot ontruiming en amotie kennis te nemen.
327
(\V. 3240 R. B. 1S71, blz. 414). Tegen dat vonnis werd de cassatie verworpen bij arrest van den If. K. van 30 December 1870, \\'. 3301. Men zie in denzelfden geest een vonnis van bet Kantongerecht te Tiel van 7 Juli 1880, W. 4082, en een arrest van bet Gerechtshof te Amsterdam van 28 December 1888, W. 5011. Zie in anderen geest een vonnis van bet Kantongerecht te Amsterdam II van 20 Mei 1873. Dat vonnis werd bevestigd bij vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 26 Augustus 1873 (W. 3034), waartegen de cassatie werd verworpen bij arrest van den II. R. van 20 Februari 1874 a) (\V. 3093).
De bepaling van art. 41, R. O., van het te berde brengen van een schriftelijk bewijs, is algemeen, en is dus ook toepasselijk op mondeling aangegane huurovereenkomsten.
Zij werd in de wet opgenomen, ten einde te voorkomen, dat niet door een bloote, door niets gestaafde, ontkentenis van den huurder, dat tie huur is geëindigd, de eigenaar, die zijnerzijds aan de verplichting tot opzegging heeft voldaan, wederrechtelijk uit het bezit van zijn eigendom worde gehouden. Vgl. v. n. IIonekt, bi. 43, uk PtxTo, R. O. 2lle ged. bl. 109.
De Kantonrechter, bij wien eene vordering als bedoeld in art. 41 R. O. is aangebracht, is verplicht te onderzoeken of een door den gedaagde tot staving der exceptie van incompetentie te berde gebracht stuk is aan te merken als schriftelijk bewijs van bestaande, vernieuwde of verlengde huur (arrest H. R. 17 Juli 1894, W. 0537, P. v. J. 1894, 73). Zio ook een vonnis van bet Kantongerecht te Leeuwarden
a) Uit dit arrest leide men niet ai, dat de il. R. den Kantonrechter bevoegd acht om te oordeelen over eene vordering tot ontruiming met amotie. Wel had de Kantonrechter geoordeeld, dat er gevraagd werd ontruiming en amotie, maar de Rechtbank besliste, dat er eenvoudig gevraagd was ontruiming zonder meer.
328
van 2'J Nov. 1893, W. â¢3472 en van de Rechtbank te Utrecht van 20 December 1893, \V. 6454.
Dat men voor de onder b genoemde goederen des Kantonrechters bevoegdheid beperkte tot eene bepaalde huurwaarde is daaraan toe te schrijven, dat men daaromtrent allicht mondeling zal overeenkomen, terwijl bij eene eenigzins grootere waarde vin de onder a genoemde goederen een schrntehj contract wel zal zijn regel en do Kantonrechter reeds daardoor onbevoegd is. (v. igt;. Honeut, Ham . gt; z. 42, vlg.)
Dat in art. 41 sprake is van de immrde der huur, vindt zijn oorsprong hierin, dat op vele plaatsen de buur geheel of gedeeltelijk in praestatiën m natura wordt voldaan (v. igt;. Hoxert bl. 42.)
Onder pachtboeven in art. 41 R. O. verstaat de Wet bewoonde boerenplaatsen ot hofsteden, in tegenstelling met landerijen, waarmede onbewoonde gronden bedoeld zijn (arrest Gerechtshof Amsterdam 2o Juli
1888, P. v. J. 1888, 106).
Eene vordering tot ontruiming eener hofslcdr (waarmede, zooals in het geding vaststond, worden bedoeld de daartoe beboerende gebouwen, die met de tegelijk daarmede verhuurde landerijen één geheel uitmaken), waarvan als jaarlijksche pacht in de dagvaarding werd genoemd de som van / 1700.â, behoort niet tot de bevoegdheid van den Kantonrechter, daar art 41 al. 1 R- O. alleen slaat op de ontruiming
van op zichzelf verhuurde gebouwen (H. R. 20 Januari
1877, W. 4091). ^ _
§ 103. Uitdrukkelijke opdracht van de kennisneming
dezer vordering was noodig, omdat, zooals reeds o-ezegd, de vordering tot ontruiming «) is van onbepaalde waarde. Onjuist is bet dus uit die opdracht af te leiden, dat art. 3S 1' R. O. den Kantonrechter niet bevoegd zou maken tot ontbinding eener over-
a) Over de beteekeuis vau ontruiiniug zie hiervoor blz. 32t).
329
eenkomst ter waarde van niet meer dan f 200.â. /ie een vonnis der Kec-hllKink te Amsterdam van 4 April ISM), W. Ã72S, en een van liet Kantongerecht te Zevenbergen van 23 Februari 1893, Mb. Dw. 1X4. /Ai' ook hiervoor blz. 309. Onjuist eveneens hieruit af te leiden, dat do Kantonrechter slechts de ontbinding der huurovereenkomst kan uitspreken wegens wanbetaling der huurpenningen; bij zal dat ook wegens elke andere wanpraestatie kunnen doen, mits slechts eene schadevergoeding van niet meer dan / 200.â en geen bevel tot ontruiming worde gevraagd; zie een vonnis der Rechtbank te Ereda van 3 Maart 1896, \\ GWjy, en een vonnis der Rechtbank te Amsterdam van 5 Juni 1888, P. v. J. 1888, 110; in anderen geest een vonnis van liet Kantongerecht te (ironingen van 1 Nov. 188G, W. 5463.
ik vestig er echter de aandacht op, dat bij het tot stand komen van art. 42 R. O. in de Tweede Kamer een voorstel werd gedaan om achter de woorden: lei' zake i'an wttnJjclidiiuj dcv liniiriininiiiiiirii, te voegen; o/ hal mei nultOmcii vcm amlcrc vci'plichlinr/eu hij het liKurcoi.lrael oprjcnoitioi, maar dat dat voorstel geene instemming kon vinden (v. n. IIonkkt blz. 45). \\ anneer dus wordt gevraagd ontbinding van eene huurovereenkomst en ontruiming èn o^i grond van wanbetaling der huurpenningen èn op grond van eenige andere wanpraestatie, moet, waar er een huurprijs is van niet meer dan /'200.â in het jaar, de Kantonrechter, met onbevoegdverklaring voor het overige, zich bevoegd verklaren voor zoover de vordering steunt op wanbetaling der huur (Kantongerecht Goor 18 Jan. 1894, W. 6524, P. v. J. 1894,-n0. 37).
Men zij ook indachtig dat in art. 42 slechts sprake is van de huur over hel jaur hcrcUcnd. Is er dus eene huurovereenkomst voor een kort tijdsverloop voor aanmerkelijk minder dan /quot; 200.â gesloten, dan is de Kantonrechter onbevoegd, wanneer de herleiding
22
330
tot een huurprijs over een jaar een hooger bedrag dan f 200.â geeft; hetzelfde geldt ook voor de vatbaarheid voor hooger beroep.
Men kan niet omtrent eenc zelfde overeenkomst tegelijkertijd instellen ecne vordering tot ontbinding en eene vordering tot nakoming; ook niet wanneer men de eerste bepaalt tot de toekomst en de tweede tot liet verledene; dat strijdt tegen art. 1303 H. \V. Men kan dus niet wegens wanbetaling der huurpenningen vragen ontbinding der huur en tegelijkertijd betaling der niet-betaalde verschenen huurtermijnen. Niets belet echter hij de bepaling der geleden schade als een post daarvan aan te nemen dc niet-betaalde verschenen huurpenningen (arrest 11. R. 8 Juni 1SS3, W. 4922). Zie ook de conclusie, voorafgaande aan het arrest van den IL H. van 22 Maart 1804, W. 0470, P. v. J. 1804, 31, en de verdere Jurisprudentie, vermeld hij Lkon op art. 1303 B. \V. aant. 0.
Wanneer met de ontbinding en ontruiming tevens gevraasi'd wordt verwed in u' van kosten, schaden
C5 ~ O ~
en interessen, nttdcr o/i lc. nuthen hij xlunl, dan is de Kantonrechter onbevoegd van deze geheele vordering kennis te nemen (Provinciaal Hof van Zeeland 27 Oct. 1804, lï. B. IX, 224).
§ 104. 'quot;s Kantonrechters bemoeiing wordt ook vereischt l)ij de ontzetting uit liet eigendomsrecht tot het afweren of stuiten van don voortgang vaiv eene besmetting, in de Wet min juist onleigminy genoemd a).
a) Immers onteigening is inbezitneming vjin goed, om publieke of andere werken in bet algemeen belang lut stand te brengen. De zoogenaamde onteigening bij besmetting is een politiemaatregel om iets te vernietigen of onbrnikl aar te maken. Zie hierover en over dit onderwerp Mr. J. T. IJn.is, De Gromhccf li. nrt. I 17, Hf. art. 151. ló'i. Mr. VV. TllORBECKE, Sleisel en luepassl/!lt;/ der untei//en'ii///.sicel blz. (gt;.'3 vlg.
J)e Grondwet maakt thans in de artt. 151 en 1.V2 de onderscheiding tnsschen de onteigening en den politiemaatregel, waarvan hier sprake is, 3)e vorige Grondwet, waarop de thans nog geldende onteigeningswet L'ebouwd is. s/af in art. 14 7 aanleidimr tot de d\valin«r.
331
Voorschriften hieromtrent worden gegeven in de Wet van 'iS Angustus 1851 (sihl. 125), regelende de onlcKjcniiir/ ten alyciiicrurn nu!te in do artt. 70, 71 en 72, in verband niet de artikelen 20, 33, 55 en Gl.
Indien hij ontzetting uit eigendom tot liet afweren van eene gevreesde of tot hot stuiten van den voortgang van eene aanwezige besmetting geene minnelijke schikking kan getroffen worden, moet het bestuur, met de onteigening belast, een verzoekschrift aan den Kantonrechter indienen, daartoe strekkende, dat de ont-eigening door hem worde uitgesproken en de schadeloosstelling bepaald. Hij het verzoekschrift moet het besluit, dat de onteigening bepaald heeft, worden overgelegd. De Kantonrechter benoemt daarop onmiddellijk een of meer deskundigen in oneffen getale, die, na beëedigd te zijn, hun oordeel omtrent de hoegrootheid der schadeloosstelling uitbrengen. Bij het onderzoek der deskundigen, is de Kantonrechter met zijn (rriflier tegenwoordig. Hij laat terstond van hunne meening en de gronden, daarvoor door hen aangevoerd, door den (rriflier proces-verbaal opmaken en bepaalt onmiddellijk daarna of uiterlijk driemaal 2t uren later, de verschuldigde schadevergoeding. De eigenaar wordt, indien hij binnen de gemeente woont, waar het onderzoek moet plaats hebben, door den Kantonrechter zoo veel noodig schriftelijk uitgenoodigd bij het onderzoek der deskundigen tegenwoordig te zijn; desgelijks, indien het de onteigening van een besmet voorwerp geldt, de personen bij wie het gevonden is. Ook derde belanghebbenden kunnen bij het onderzoek tegenwoordig zijn, ten einde ook hunne schade te doen begroeten. De deskundigen leggen op de plaats des omlerzoeks, in handen van den Kantonrechter, den eed af. Zij kunnen op de gronden, in art. 1950 15, W. vermeld, door partijen gewraakt worden. De redenen van wraking mogen niet dan vóór de eedsaflegging worden voorgesteld. Do Kantonrechter beslist; van zijne beslissing valt noch hooger beroep noch cassatie.
332
In de plaats der deskundigen, die niet opgekomen zijn, of weigeren aan liunne verpliclitingen te voldoen, als ook in de plaats van die, tegen wie de wraking is aangenomen, benoemt do Ivantonreclrter andeien. Indien tengevolge liiervan liet onderzoek moet w 01 den uitgesteld, bepaalt hij daarvoor een naderen dag, â waarvan geene beteekening door partijen behoeft te geschieden. De Kantonrechter moet de bepaling der AVet omtrent de begrooting der schadeloosstelling, voor zoo veel ter zake vereischt wordt, ondei de aandacht der deskundigen brengen. Wanneer de deskundigen op den bepaalden tijd, otschoon behoorlijk geroepen, niet opkomen of zonder wettige redenen weigeren den eed te doen, ot de van hen geviaagde inlichtingen te geven, kunnen zij vervolgd worden op grond van art. 192 of 444 van het \V. v. S.r. Geenerlei andere formaliteiten behoeven hier in acht te a\ orden genomen. De termijnen worden naar gelang dei oni-standigheden door den Kantonrechter, desnoods \an uur tot uur, bepaald. Tegen zijn vonnis, waarbij de onteigening is uitgesproken, wordt noch veizet, noch hooger beroep, noch beroep in cassatie toegelaten. De overgang van den eigendom, voorzooverre bet loeiende goederen betreft, heeft niet plaats dan nadat de schadeloosstelling is betaald ot in bepaalde gevallen geconsigneerd. Is betaling of consignatie niet geschied binnen (3 maanden nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, dan vervalt het.
Voorzoover het onroerende goederen betreft, en de onteigende partij de bepaalde schadeloosstelling mocht weigeren aau te nemen, kan dc onteigenende partij, na aanbieding en consignatie, zich in het bezit doen stellen van het onteigende goed, op bevelschrift van den Kantonrechter, desnoods door middel van den sterken arm. Bij haar verzoekschrift aan den Rechter, moet zij een afschrift van het vonnis overleggen, waarbij de onteigening uitgesproken is, zonder meer. Ook de acte van aanbod
333
on consignatie, of wel alléén van lt;le consignatie, moet worden overgelegd. Daarbij gelden overigens allo bepalingen van hoofdstuk IV der \\ret.
In art. 5 der Wot van 4 December 1872 (Slt;6/. 134) tot i'oorzwn int/ lei/en l)c-lt;tiicllclijl;o ziel;tin, is de I5nrlt;gt;quot;c-meoster bevoegd verklaard tot onteigening van besmette ot van besmetting verdachte voorwerpen. Verder is do geheele regelingquot; van 18quot;)1 «laarop van toepassing.
In art. 14 der Wot van 2S Maart 1877 (Stbl 35), tot wering van besmetting door uit /.ee aankomende schopon, is hetzelfde bepaald omtrent goederen aan boord van besmette schepen.
\ oor de meest voorkomende gevallen van zoogenaamde onteigening, namelijk bij besmettelijke veeziekten, gelden niet de voorschriften der Wet van 1851; zij werden vervangen door veel eenvoudigere. Zie hierachter § 224.
§ 105. Art. 27« der gewijzigde Wet van 1 Juni IS(JI [Sihl. 53) spreekt van âalle persoonlijke of tot ârociviiilr zah'n helrrl.l.-dijkr rechtsvorderingen.quot; De toevoeging der gecursiveerde woorden zou doen denken, dat bier de kennisneming van zakelijke rechtsvorderingen wordt opgedragen. Terecht merkt Prof. Van Boxkvai. Faure (I, :{:{7) echter op, dat uit de verdere woorden van het artikel volgt, dat de vorderingen uit overeenkomst óf daden moeten voortspruiten en dus uitsluitend op persoonlijke rechtsvorderingen doelt. De gecursiveerde woorden hadden dus kunnen achterwege blijven.
De bevoegde Kantonrechter is hier die ter plaatse der inscheping. Is daar meer dan een Kantongerecht, dan wordt de vordering ingesteld voor een van deze ter keuze van den eischer. De gewone termijn van dagvaarding is van ten minste twee vrije dagen, maar in spoed vereischende gevallen kan de Kantonrechter verlof verleenen om van dag tot dag en zelfs van uur tot uur te dagvaarden op de wijze, voorgeschreven bij art. 7 van het Wetboek van
334
Burgerlijke Rechtsvordering, terwijl artikel 152 van dat Wetboek, op landverhuizers niet van toepassing is, d. i. da zij niet gehouden zijn zekerheid te stellen voor de betaling der kosten en schaden en interessen, in welke zij zouden kunnen verwezen worden.
De Kantonrechter kan in alle gevallen bevolen de voorloopige uitvoerbaarheid van het- vonnis op lt;le minuut vóór de registratie, mot of zonder borgtocht. De in het geding over te leggen stukken zijn vrij van registratie.
§ 106. Volgens art. 29 der kieswet is tot en niet den 15 April een ieder bevoegd bij liet Gemeentebestuur verbetering te vragen van de door dat bestuur vastgestelde lijsten van kiezers voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal, voor de Provinciale Staten cn voor den Gemeenteraad, op grond dat hij zelt of een ander, in - strijd met de Wet daarop voorkomt, niet voorkomt, of niet behoorlijk voorkomt.
Na den 23 April, doch vóór den 15 Mei neemt het Gemeentebestuur daaromtrent eene beslissing. De beslissing van het (icniecutebcstuur is met redenen omkleed en wonlt in haar geheel door den Burgemeester oj) ile secretarie der Gemeente voor een ieder ter inzage nedergclegd on in afschrift, tegen betaling der kosten, verkrijgbaar gesteld. De Burgemeester doet hiervan ten spoedigste, uiterlijk op den vijfden dag na dien der beslissing, openbare kennisgeving en deelt tegelijkertijd bij aangeteekenden brief de beslissing, is daarbij wijziging van de kiezerslijst bevolen, schriftelijk mede aan hem, wien de wijziging betreft, (lelijke mededeeling geschiedt, wanneer het verzoek om verbetering geheel ot ten deele niet is toegewezen, aan den verzoeker, zoo de gevraagde verbetering van de kiezerslijst hemzelven betrof (art. 33 en art. 50, 2c lid).
Gedurende vijf dagen, te rekenen van den dag der kennisgeving, kan door een ieder, die niet in de door het Gemeentebestuur genomen beslissing berust.
335
â¢Ie zaak liij een niet redenen omkleed verzoek, vergezeld van de bewijsstukken en van een afschrift der beslissing van het Gemeentebestuur, worden onderworpen aan de uitspraak van den Kantonrechter, binnen wiens ressort de lijst is opgemaakt. Is eene Gemeente in kiesdistricten verdeeld, en is tevens in die gemeente meer dan een Kantongerecht gevestigd, dan is de Kantonrechter bevoegd, binnen wiens ressort hij, over wiens kies-bevoegdheid verschil is, zijne woning heeft, of, indien hij wel inwoner dor gemeente is, maar niet binnen een bepaald kiesdistrict zijne woning heeft, alsdan de Kantonrechter of de Kantonrechters, binnen wiens of wier ressort liet eerste kiesdistrict der Gemeente gelegen is. Met inachtneming der navolgende bepalingen wordt dit verzoek als eene burgerlijke za-k berecht (art. 30).
De verzoeker laat zijn verzoekschrift met afschrift der bewijsstukken en dor beslissing van het Gemeentebestuur, binnen 2 dagen na de indiening beteekenen aan hen, die hij het verzoek aan liet Gemeentebestuur partijen zijn geweest. Hij doet het exploit van beteekening ter GrilHo van het Kantongerecht neder-leggon. De wederpartij kan binnen 5 dagen na deze beteekening eene memorie van antwoord aan den Kantonrechter indienen, met overlegging van bewijsstukken (art. 37 on 3.S).
Do Kantonrechter is bevoegd partijen te hooren en aan elke van haar bewijsvoering door getuigen of een eed op te leggen. Binnen G dagen doet hij zijne einduitspraak of logt hij het voormelde bewijs op. Legt bij bewijs op, dan kan hij bij zijne beschikking tevens hij provisie-wijziging der kiezerslijst bevelen. Beveelt de rechterlijke beslissing wijziging van de kiezerslijst dan wordt van die beslissing door den Griffier aan hot betrokken Gemeentebestuur uiterlijk den volgenden dag kennis gegeven (art. 3) en 4U 1° lid).
leder die hij de uitspraak van den Kantonrechter partij is geweest kan hare vernietiging vragen aan
33(3
den Iloogen Kaad doch alleen -wegens schending of verkeerde toepassing der wet. II ij legt daartoe binnen 14 dagen na den dag waarop het vonnis van den Kantonrechter is uitgesproken ter Griflie van den Hoogen Raad een verzoekschrift neder, waarin zijne gronden en eisch tot cassatie worden ontvouwd, met aanwijzing der wetsbepalingen, welke hij beweert te-zijn geschonden of verkeerdelijk toegepast. Hij legt daarbij over een afschrift van het vonnis, waarvan bij de vernietiging verlangt, en alleen die bewijsstukken, welke bij voor den Kantonrechter heett gebruikt. Hij laat binnen 8 dagen die nederlegging aan do wederpartij beteekeneu een afscbritt van liet verzoekschrift en oen afschrift van bet bewijs van die nederlegging, afgegeven door den Grifiier van den Iloogen Kaad. Hij legt verder bet exploit van beteekening neder ter Griffie van den Hoogen Raad (art. 40, 41 en 42).
Wanneer de Hooge Raad grond vindt tot vernietiging van het vonnis van den Kantonrecbter, beslist hij in hetzelfde arrest de hoofdzaak, zooals de Kantonrechter, die het vernietigde vonnis beeft gewezen, had bebooren te doen. Indien de beslissing der hoofdzaak afhangt van daadzaken of rechtspunten, welke bij de vroegere behandeling zijn onopgelost gelaten, verwijst de Hooge Raad het geding naar den Kantonrechter, ten einde niet inachtneming van de uitspraak van den Hoogen Raad, do hoofdzaak verder te bebandelen en te beslissen. Hebben partijen in liet vonnis van den Kantonrechter berust, dan is de Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad bevoegd cassatie in bet belang der Wet te vragen. Het dan te wijzen arrest kan eciiter de rechten, door de partijen verkregen, niet benadeelen (art. 46 en 47).
Alle de in deze § bedoelde verzoekschriften, stukken voor de reebtsvordering benoodigd, beslissingen, uitspraken en kennisgevingen zijn vrij van zegel-, griftie-en registratiekosten. Indien er geene wederpartij is,
337
of deze niet heeft geantwoord, komen de andere kosten, zoo het verzoek wordt toegestaan teu laste van den Staat (art 50 le lid en art. 4S.)
Al het in deze § medegedeelde is ook van toepassing op de beslissing van het Gemeentebestuur op het verzoekschrift van iemand, die zich bezwaard gevoelt doordat op de kiezerslijst is aangeteekend dat hij in het kiesrecht is geschorst (art. 35 en
§ 107. Eindelijk gaat dos Kantonrechters bevoegdheid over alle geschillen, welke ook de aard van het geschil en de waarde van het betwiste voorwerp zij, mits zij voor dading of compromis vatbaar zijn, partijen zich voor hem aanmelden en zijne beslissing inroepen, en liet geschil anders zou moeten gebracht worden bij een Kantonrechter of bij de Rechtbank van het arrondissement, waartoe zijn kanton behoort; in dat geval oordeelt hij altijd in het hoogste ressort, ten ware partijen in zaken, aan hooger beroep a) onderworpen, dat beroep hadden voorbehouden. Art. 43 U. O. Men kan over geene geschillen dading treilen, tenzij men de bevoegdheid hebbe om over de onderwerpen, die men daarin begrijpen wil, te beschikken, weshalve voogden en curators zich te dien einde moeten gedragen overeenkomstig de bepalingen van den JGcn en 18on titel van het if boek van bet Burg. Wetb.; gelijk ook gemeenten en openbare instellingen geene dading kunnen treftcn, dan met inachtneming der formaliteiten, voorgeschreven bij de wetten, die haar betrellbn. Art. 1880 1gt;. W. Er kan geen compromis worden aangegaan ter zake: van giften en legaten tot levensonderhoud, huisvesting of kleeding; van scheidingen tusschen echtgenooten, hetzij uit
a) Art. .*»2 der Kochtoriijlvc Or^nnisatie van 1801 sloot ook beroep iu cassatie uit, tenzij partijen zieh dat voorbehielden. J)ut zelfde art. bepaalde dat de Kantonrecliter, steeds in alle zaken aan beroep onderworpen, in hoogste ressort zou rechtspreken, wanneer de daartoe bevoegde partijen van te voren zich verbonden hadden van dat ivcht «jeen gebruik te maken. Iets dergelijks geelt onze Wet in art. 55 slechts voor het geding bij de Kechtbank.
338
den echt, hetzij van tafel en bed, hetzij van goederen ; van geschilpnnten, die den staat van een persoon aangaan, noch van eenige andere geschillen, waarover de wet geene dading toelaat. Art. 62 L B. R. Welke echter de geschillen zijn, waarover de Wet geene dading toelaat, vindt men nergens uitdrukkelijk bepaald; maar uit een antwoord der Kegeering, dienaangaande bij gelegenheid der voordracht van art. 1967 B. W. in de Staten-Generaal gegeven, zou men mogen alleiden, dat er geen andere bedoeld worden dan die, welke van het compromis zijn uitgesloten en zoo even zijn opgenoemd. Vookduix V. 545. De woorden van liet art. binnen hel ayrondmcmmt, zijn niet duidelijk doch schijnen te kennen te geven, het arrondissement van de Kechtbank, bevoegd om in eersten aanleg van het geschil kennis te nemen a), zoodat, indien de Kantonrechter zich eene zaak aantrok, tot een ander arrondissement behoorende, de veroordeelde partij, niettegenstaande hare toestemming, bevoegd zou zijn bet vonnis te doen vernietigen wegens overschrijding van rechtsmacht. Mkki.in liép. de jiid.r § 3. Dk I'ixto !!. O. 2de ged. blz. 117.
Opdat de Kantonrechter krachtens art. 43 bevoegd worde, is het noodig dat beide twistende partijen zich bij hem aanmelden. Zijn dus twee personen overeengekomen om voor de moeilijkheden, welke tusschen hen kunnen ontstaan, den weg in te slaan van art. 43 li. O., dan beeft, wanneer de eene den andere in eene Rechtbankszaak voor den Kantonrechter dagvaardt, die andere do exceptie van onbevoegdheid (arrest II. U. 23 Juni 18!)3, \\ . 6365, 1'. v. J. 1S93, 67, vonnis Rechtbank Rotterdam 6 Februari 1 SUo, W. 631ö, i'. v. J. liSlt;.)3, 37, vonnis Kgt. Rotterdam li 2(.» Juli 18!i2, W. 624quot;)). Zie ook vonnis Rechtbank
(r De door Mr. A an dku K i:mi* gestelde vrna^:, in do praktijk vuu â¢jyrn 1 elau^, of op zaken in eersten annle^ tot de kennisneming van de Hoven en den Hoogen Knad belioorend nrt. 43 R. O. wel van toepassing zon zijn, moet dus ongetwijfeld ontkennend beantwoord worden.
339
Utrecht 9 Maart 1S92, W. 6163, P. v. J. 1S02, 24.
Bij art. 7 van don Franschen Code do 1'roc. vond men eeno dergelijke bepaling als de onderhavige, maar met bijvoeging, dat de verklaring door partijen moest onderteekend zijn. Deze onderteokening is thans niet meer noodig; dan daar er niet dit al nu nog een uitdrukkelijke verklaring wordt gevorderd, zoo schijnt het voor hot minst noodzakelijk, dat de Griffier er melding van make in bet blad der terechtzittingen, waar partijen verschijnen zomlcr ilajvaurdiny. Stilzwijgende prorogatie toch kent de Wet niet, dan in geval eene exceptie van onbevoegdheid, ten aanzien des persoons, niet of niet tijdig genoeg zou zijn voorgesteld. En wanneer de beide partijen zich uitdrukkelijk verklaard hebben, bestaat er een overeenkomst, waaraan eene partij zich niet mag onttrekken, door hare toestemming terug te nemen. Dk Pinto R. O. 2de ged. blz. 116. Voorts moet men wel opmerken, dat des Kantonrechters bevoegdheid ten deze tevens eene verplichting is, waaraan hij zich niet onttrekken mag.
De bepaling van artikel 43 li. O. is enkel in het belang der rechtzoekenden of proccslustigcn in de Wet gebracht, ten einde hun veel omslag en vooral veel kosten te besparen.
Maar het publiek kent de bepaling niet of wil van baar niet gediend, want de gevallen zijn hoogst gering waarvan het bekend is, dat men hare toepassing gevraagd heetc. Do Ivautonrechters hebben, meende Mr. (Jukkvk, geen reden om in deze naar een verandering der publieke opinie te verlangen.
§ 10d. \ an al do rechtsvorderingen, die volgens bovengestelde regelen tot de bevoegdheid dos Kantonrechters behooren, kan ook door do Arrond.-Rechtbank, als zijnde de gewone Hechter, kennis worden genomen, a) Vlg. § 94. Zoo kan de Rechtbank, wan-
rt) Eeuo tussclR'u partijen ^ortloton ovorecukomst om nlle geschillen, welke tussehen huu mocliteu ontstaan, aan het ounleel der Kechtbank
340
neer zij ten gevolge der verwijzing van den Kantonrechter over de betwiste echtheid van een geschrift uitspraak doen moet, te gelijk bij een en hetzelfde eindvonnis ook uitspraak doen over de hoofdzaak, zoo deze voor zoodanige beslissing vatbaar is. Art. 100 B. R. Zie ook vonnis liechtbank Groningen, 14 November 1879, AV 4530, H. !gt;. 1881, A 15. â Hetzelfde is vaak het geval, wanneer van een interlocutoir van den Kantonrechter hooger beroep is ingesteld bij de Rechtbank. Zie hierna § 155. â Zoo moet zij in het hoogste ressort van de zaak, 't zij zij slechts in eersten aanleg, of ook zonder beroep bij den Kantonrechter behoort (zie vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Appingadam van 26 Januari 1854, W. 1515), kennis nemen, wanneer de eischer haar aldaar gebracht en de verweerder de exceptie van onbevoegdheid, 't zij uit hoofde des persoons, 't zij uit hoofde des onder-werps niet heeft voorgesteld, of ook tot die voorstelling niet gerechtigd is, bijv. door zijne berusting in een voorafgaand vonnis dos Kantonrechters, waarbij deze zich onbevoegd verklaard had. Art. 157 B. R. It. J'. Ill, 37, Vil, G84, IX, 355, X, 23'.». Dit beginsel schijnt miskend door de Arrond. Rechtbank te Amsterdam op 9 Juni 1846, W. 755, 877, die zich ambtshalve onbevoegd heeft verklaard ten aanzien eener burgerlijke rechtsvordering wegens mondelingen hoon. o[gt; grond, dat zij bij art. 40 R. O. aan den Kantonrechter is opgedragen. Ook is de verweerder tot de exceptie van onbevoegdheid bij de Arrond. Rechtbank niet gerechtigd, al zou hij in een vordering van meer dan /'200,â kunnen bewijzen minder dan die som schuldig te zijn, gelijk terecht geoordeeld is door de Arrond. Rechtbank te 's Gravenhage bij vonnis van 19 Febr. 1841, W. 179. Evenmin is hij
tf onder werpen, mankt tien Kautonreehtcr echter niet onbevoegd om lieniHH ie nemen van eene tot zijne competentie behoorende vordering, welke de eene partij in strijd met die overeenkomst bij hem heeft aangebracht (vonnis Kantongerecht's Gravenhage 2-1 Februari 1896, W. 6773;.
341
daartoe gerechtigd, wanneer bij een en hetzelfde exploit onderscheiden vorderingen zijn gedaan, die ieder afzonderlijk minder, gezamenlijk meer dan / 200.â bedragen, zoodat de Kantonrechter bevoegd zou geweest zijn, indien iedere vordering afzonderlijk gedaan was. Zie vonnis van de Arrond. Rechtbank van Arnhem van 10 Mei 1S41, \\r. 104. Misschien echter moet men onderscheid maken, of de sommen van al die schuldvorderingen in een enkel bedrag vereenigd, dan ieder afzonderlijk gesplitst, gevorderd worden; daar in het eerste geval eene enkele vordering, die op verschillende titels berust, gedaan wordt, maar in het andere geval meerdere vorderingen naar gelang der afzonderlijke titels. liet opeenhopon toch van vorderingen tusschen dezelfde partijen is nergens bij de Wet verboden, hoezeer De W'itt Hamkr blz. 78, 74, er anders over denkt. Vgl. Mkhlix K. dernier ressort § 6, 7. Evenmin heeft de gedaagde de exceptie van onbevoegdheid, al blijkt het zonneklaar uit den titel, waarop de eischer zich beroept, dat deze eene hoogere vordering doet dan hem toekomt, ten einde willekeurig de zaak, die bij den Kan tonrechter behoort, bij de Arrond. liechtbank te brengen. Deze willekeurigheid toch kan tegen den eischer slechts werken te zijner veroordeeling geheel of ten deele in de proceskosten, gelijk begrepen is door de Arrond. Rechtbank van Maastricht bij vonnis van 30 Oct. 1845, R. B. \ 111, 511. â Wanneer bij de verificatie der schuldvorderingen in een faillieten boedel, de toelating van een schuldeischer door den curator of door een mede-schuldeischei' wordt betwist, wordt dat geschil door de Arrond. Rechtbank beslist, ook dan wanneer de schuld beneden de /'200.â is, en alzoo de kennisneming tot de bevoegdheid van den Kantonrechter behoort. Art. 122 der taillissementswet. R. B. IV, 688. Verg. de Tinto B. R. 2e ged. blz. 213. â /oo is ook de Arrond. Rechtbank, door welke ingevolge art. loo B. R. een gelegd beslag
342
moet worden van waarde verklaard, tevens, uit hoofde van den samenhang, bevoegd om te oordeelen over de hoofdvordering, welke anders tot de bevoegdheid van den Kantonrechter zonde behooren. li. B. IV, 889. â Zoo kunnen geschillen, uit hun aard bij een Kantongerecht behooreude, tot de uitspraak van scheidsmannen gebracht worden; en indien partijen zich vooraf daartoe verbonden hebben, maar bij het ontstaan van het geschil niet onderling kunnen overeenkomen over de keus, moeten de scheidsmannen, ten verzoeke van de meest gereede partij, benoemd worden door den Kantonrechter welke bevoegd zoude zijn geweest om kennis te nemen van het geschil, bijaldien het compromis geen plaats had gehad. art. 020, 024 I!. U. n). Zijn daartoe bevoegde partijen behoorlijk overeengekomen, omtrent zaken waaromtrent dat geoorloofd is, geschillen, die tusschen hen zijn of zullen ontstaan, te onderwerpen aan het oordeel van scheidslieden, dan wordt daardoor de rechterlijke macht onbevoegd om van de zaak kennis te nemen. Zie o. a. arrest 11. IJ. 25 April 1895 (\\ . 0063, 1'. v. J. 1895, 49 N. R. ( LXiX, 375).
§ 109. De algemeenc regel voor peroonlijke rechtsvorderingen, dat namelijk bevöegd is de Rechter van de woonplaats van den gedaagde, geldt ook voor do Kantongerechtszaken. Ilij wordt gegeven in de niet keurig gestolde h) eerste alinea van art. 97 !!. R.v.
Indien er meer gedaagden zijn, dan geschiedt de dagvaarding voor den Rechter in wiens Kanton een
a) Partijen kunncu echter overeen kom en eene event ueole benoeming van selieidslieden op te dragen aan een anderen Hechter dan in art. 024 1». Rv. wordt genoemd. Door die overeenkomst wordt die andere Rechter dan daartoe bevoegd. Vonnis Rechtbank Amsterdam 5 Jnni 1892 P. v. .1. 1892, 104, Rechtbank Rotterdam 18 October 1895, W. 674/.
fj) De toevoeging van zuiver bij personeel is overbodig. Ook de woorden of' tol Toerende (joedeven hefrel'i'inlt;j hehhen, kunnen vervallen nu de Ivan-tonrevhter niet als de vrederechter over zakelijke actiën daaromtrent oordeelt. Zie v. li. F. I, 390 en .Mr. Van Rossem, art. 97 en 98, aant. 1.
343
hunner woonachtig is, ter keuze van den eischer, art. 97, alinea 2.
Indien de gedaagde in liet Koninkrijk in Kuropa geene eigenlijke woonplaats (hoofdverblijf, art. 74 I!. W.) heeft, dan moet hij gedagvaard worden voor den Rechter van het Kanton van zijn werkelijk verblijf«) ; heelt hij geen werkelijk verblijf in het Koninkrijk, dan voor den Hechter van het Kanton, waarin de eischer woont: zijn er in dit geval meer eischers in verschillende Kantons woonachtig, dan voor den Kantonrechter der woonplaats van een hunner, te hunner keuze.
Indien de gedaagde is openbaar ambtenaar, doch zijne vorige woonplaats heeft behouden, dan kan de eischer naar verkiezing hem dagvaarden voor den Kantonrechter van die vorige woonplaats of van do plaats waar do gedaagde zijne ambtsverrichtingen uitoefent b).
Wanneer van te zamen gedaagden de een eene bepaalde woonplaats en de andere alleen eene plaats van werkelijk verblijf heeft, dan zal ook de tweede alinea van art. 97 van toepassing zijn. Volgens art. 74 B. W. treedt dan de verblijfplaats in plaats van
«) I)(-' woorden verhlijf en irerhlljk rerUijf in art. 126 1'. llv., hebben niet dien zin, dat het enkel ter phuitso aanwezig zijn oj) liet oo^enblik der dagvaarding, den Keehter aldaar bevoegd doet zijn. 1 hiartoe is noodig dat men althans eeuigen tijd te dier plaatse hebbe vertoefd (vonnis Keehtbank 's Gravenhage 2ü Oct. 1880, W. 4G24\
Zoo nesliste dan ook de Keehtbank te Amsterdam (vonnis 11 Maart 1882, P. v. J. 1882, Jiijbl. 18) dat wanneer een te Parijs woonaehtige gedaagde nu en dan voor de zaken van zijn bijkantoor te Amsterdam in een hotel verblijf houdt, en hij, toen hem de dagvaarding werd beteekend, gedurende eenige weken aldaar vertoefde, een dergelijk voortgezet verblijf moet geacht worden te zijn het verblijf bij art. 12(i h bedoeld
In anderen geest is liet vonnis der Rechtbank te Amsterdam van Maart 1880 (P. v. J. Uijl.I. 1880, no. 21). Daar werd beslist, dat met werkelijk verblijf in art. 12u 13. Kv. wordt bedoeld de plaats waar iemand lichamelijk aanwezig is, zonder onderscheid of die aanwezigheid van langeren of korteren duur is.
1) Deze bepaling is een uitvloeisel van art. 77 I». \V. Evenals dat artikel zou zij dienen te vervallen. Zie v. IJ. F. F, blz. 370, .Mr. Van Kossem art. 97 en 08, aant. .3.
344
de woonplaats. De gedaagden zullen dus dan ook gezamenlijk kunnen gedagvaard worden voor den Kantonrechter van die plaats van werkelijk verblijf. (Van Kosskm, art. !)7 en 9S, aaut. 3.)
Wanneer van meerdere vreemdelingen-gedaagden, een in Nederland woont, dan kunnen allen, ook door een eischer-vreemdeling, voor den rechter der woonplaats van dien oenen in Nederland wonenden gedaagde worden gedagvaard (arrest Gerechtshof's-Her-togenbosch. It; Maart 1877, K. igt;. IV, 90 W 45S0).
Men houde in het oog dat de regel is: dagvaarding voor den domiciliairen rechter. Heeft dus van twee gedaagden de eene eene woonplaats hier te lande, de ander hier noch woon- noch verblijfplaats, dan zal de dagvaarding moeten geschieden voor den rechter van de woonplaats van den eerste; dagvaarding voor den rechter van de woonplaats van den eischer zal dan niet geoorloofd zijn. De tweede en derde alinea van art. 07 zullen dus dan buiten toepassing blijven. Zie arrest H. li. 2(j Maart J847, W. 840 ü. XXVI § 81, v. i). 11. Cf. Z. VI, HOâ05.
De vraag wat er moet gebeuren wanneer in het geval van art. 97 So en 4c lid, meerdere eischers bet niet eens kunnen worden over de keuze van een Kantonrechter, werd door Mr. Greeve beantwoord in den zelfden geest als door de 1'ixto (II, I, blz. 194). Mr. Greeve meende dat in dat geval ieder eischer afzonderlijk voor bet Kantongerecht zijner woonplaats moet dagvaarden. Mr. van Kossem (art. 97 en 9S aaut. 4) vestigt er terecht do aandacht op, dat dat advies niet kan baten wanneer de eischers gezamenlijk moeten optreden op straffe van te zien opgeworpen de cxccpüo phiriuin litis ronKorthim. Het zal beu dan onmogelijk zijn de rechtsvordering in te stellen.
Indien de Staat eischer of gedaagde is, wordt als zijne woonplaats beschouwd de plaats waar de Regeering haren zetel beeft (art. 97, 5e alinea.)
345
Uitzonderingen op den algemeenon regel van art. 97, 1° lid geeft art. 98.
De dagvaarding moet geschieden voorden Rechter van het Kanton, waarin het goed gelegen is, indien de rechtsvordering strekt:
1. Tot vergoeding van schade toegebracht, hetzij door menschen, hetzij door dieren, aan land, houtgewas, boom-, tuin- of veldvruchten. Vgl § 98.
2. Tot zoodanig herstel aan huizen, woningen, gebouwen en pachthoeven, hetwelk volgens de wet ten laste van den huurder komt. Vgl. § 99.
:gt;. Tot vergoeding van schade door den huurder aan het verhuurde goed toegebracht.
4. Tot ontruiming van huizen, gebouwen, woningen, pakhuizen, st.-.llen, zolders, kelders, pachthoeven, landerijen, tuin- en andere gronden, mitsgaders tot ontbinding van huur. Vgl. § 102 en 103.
Indien de onroerende goederen, te welker aanzien de rechtsvordering plaats heeft, in verschillende Kantons gelegen zijn, geschiedt de dagvaarding voor den Rechter van bet Kanton, onder welks gebied de hoofdplaats der bebouwing behoort, en bij gebreke van zulk eenc hoofdplaats, voor een der Rechters, binnen wiens Kanton een of ander gedeelte der goederen gelegen is, ter keuze des eischers. Art. 98 1!. R.
Ik acht bet niet overbodig er hier de aandacht op te vestigen, dat krachtens art. !⢠' een Kantonrechter bevoegd kan zijn om recht to spreken tusschen twee in het buitenland gevestigde vreemdelingen. Allerminst is art. 127 B. Rv. daarvoor oen beletsel; van toepassing daarvan kan slechts sprake zijn, wanneer de bevoegdheid van don Rechter wordt bepaald door het domicilie of het werkelijk verblijf van den gedaagde of van den eiscber. Zoo besliste dan ook de llooge Raad, dat de Kantonrechter te Maastricht krachtens art. 98, 4° bevoegd is om kennis te nemen van eene vordering tot ontbinding van huur en dien-
23
346
tengevolge ontruiming van een in het Kanton Maati-(richt gelegen onroerend goed, voor minder dan /'200.â in het jaar verhuurd, ook dan wanneer heide partijen zijn vreemdelingen, te IaiH;, gevestigd. (II. R. 20 Fe-hruari U-91, W. 5995 1'. v. .1. 1891, 21 N. R. CLV11, 135 R. en W. 1891, 138). a)
Daar de \\ret eene afzonderlijke regeling voor de betrekkelijke bevoegdheid bij de Kantongerechten gaf in art. 97 en 98, en in art. 125 niet gewaagde van art. 126, zal toepassing van eenige bepalingen van dit laatste artikel niet geoorloofd zijn h). In geval van gekozen woonplaats laat echter art. 81 B. W. toe dagvaarding aan de gekozen woonplaats. In zake van vrijwaring schrijft art. 74 B. R.v. voor dagvaarding vóór den Rechter, vóór wien de hoofdzaak aanhangig is.
In zaken van koophandel kan de eischer te zijner keuze dagvaarden voor den Rechter, binnen wiens rechtsgebied óf de verweerder woonachtig is, óf de verbintenis is aangegaan, óf de waar geleverd is, óf de betaling had moeten geschieden. Art. 314, 321 B. R.
Men zij indachtig dat art. 314 bevoegd maakt de Kantonrechter van de plaats waar is geleverd, niet die van de plaats waar tie levering had moeten plaats hebben. Zie o. a. het vonnis der Rechtbank te Amsterdam van 21 Feb. 1890 (P. v. J. 1890, 34j en een dierzelfde Rechtbank opgenomen in M. v. II. IV, 69, en een van een Kantongerecht aldaar van 1 Sept. 1893 (Mb. Dw. IX, 7).
Onder vei-linlenisscn worden in art. 314 niet begrepen de verbintenissen uit de Wet geboren (vonnissen Rechtbanken Middelburg 18 Sopt. 1889, W. 5771,
a) Over de beteekcnis vau artikel 127 zie men vooral de aan het arrest voorafgaande conclusie van den Prokureur-Generaal Mr. Polis.
h) Zoo zal bijv. de deurwaarder zijne gerechtskosten uiet kunnen invorderen hij den Kantonrechter waar ze gemaakt zijn (art. 12G, r). doch bij den volgens art. 97 bevoegden Rechter (Kgt. Goor ü Sept. 189-1, W. 6557, Rotterdam II 28 Sept. 1894, P. v. J. 1894, 87).
317
Dordrecht !l Mei 1894 1*. v. J. 1894, 4it, Groningen 9 Dec. 1894 P. v. J. 1895, 3).
Nergens is voorgeschreven, dat de dagvaarding moet vermelden de reden waarom de zaak wordt aangebracht voor den in de dagvaarding aangewezen Rechter, ook niet wanneer dit niet is de domiciliaire Hechter. Art. 5 nn. 4 schrijft dan ook slechts voor aanwijzing van een Rechter in de dagvaarding; niet vermelding van de reden waarom jnist die Rechter wordt aangewezen (vonnissen Rechtbanken Breda '23 Sept. 1890, \V. 0955, Amsterdam 9 Jan. 1891, P. v..I. 1891, 34, W. 6085, M. v. 11. Ill, 140,arrest Gerechtshof Arnhem 4 Jan. 1888, W. 5512). Alhoewel het, wanneer niet voor den domiciliairen Rechter is gedagvaard, wenschelijk is dat uit de dagvaarding blijke waarom een andere Rechter werd aangewezen, heeft de eischer gelegenheid om die redenen bij te brengen in den loop van het geding (vonnis Rechtbank Amsterdam 11 Jan. 1895, \Vr. 0036, P. v. J. 1895, 45). Blijkt den Rechter, die niet is gedaagdes gewone Rechter, noch uit de dagvaarding, noch uit het verdere geding waarom vóór hem werd gedagvaard, dan zal hij zich moeten verklaren onbevoegd (vonnis Kgt. Amsterdam 1 18 Dec. 1894, W. 6598).
Wanneer iemand is gedagvaard voor een niet-domiciliairen Rechter, dan rust, wanneer hij ontkent het bestaan der redenen, die de eischer daarvoor aanvoert, op dezen de bewijslast (vonnis Rechtbank Tiel 29 April 1892, W. 0234).
Is echter iemand gedagvaard voor den Rechter van de plaats, waar vaststaat dat kort vóór de dagvaarding was zijne woonplaats, dan heeft hij, beweert hij de onbevoegdheid van dien Rechter, te bewijzen dat daar zijne woonplaats niet meer is gevestigd (arrest H. R. 22 Oct. 1891, W. 0097, P. v. 1891, 88).
De wettelijke regelen omtrent de betrekkelijke bevoegdheid zijn niet van openbare orde. Bij het sluiten eener overeenkomst hebben dus partijen het
348
reclit bijvoorbeeld te bepalen, dat geschillen, die tns-scben ben mochten ontstaan, zullen worden gebracht voor den Hechter van de plaats-waar de overeenkomst tot stand kwam. is iets dergelijks bepaald, dan is elke andere en dus ook de domiciliaire Rechter onbevoegd (vonnissen Kechtbanken Maastricht J3 Maart 1854, W. 5075, 's Graveuhage 7 Januari 1890, \\'. 5861).
§ 110. AVanneer onderscheiden rechterlijke Collegiën zich de kennisneming van een en dezeltde zaak hebben aangetrokken, of wanneer zij, terwijl de kennisneming van deze noodwendig tot een hunner behoort, zich allen onbevoegd hebben verklaard, zoodat er regeling van rechtsgebied veroischt wordt, dan moet dit geschil gebracht worden voor een hooger rechterlijk Collegie, volgens de onderscheidingen, die wij hoven voor strafzaken hebben opgegeven.
De Arrondissements-Rechtbanken nemen in het hoogste ressort kennis van alle jurisdictie-geschillen tusschen de Kantongerechten van hun rechtsgebied. De Gerechtshoven oordeelen in eersten aanleg over juiisdictie-geschillen, tusschen eene Hecht bank en een Kantongerecht en tusschen Kantongerechten in verschillende Arrondissementen, binnen hun rechtsgebied voorvallende. Zijn de rechterlijke autoriteiten niet gevestigd binnen het rechts gebied van een zelfde Gerechtshof, dan beslist de II. R. over bet jurisdictiegeschil. Art. 54, 1quot;., 05, ln. Art. 88, 1' K. O. art. 276 B. R.v. Vgl. igt;k Pixto, R. O. 2'' ged. blz. 155 en 150. V ax Xootkx op art. 05. R. O.
§ 11J. Bij K. !'gt;. van 26 Mei 1824 (Sihl. 35) werd de kostelooze procedure geregeld. Daar in het wetboek van 1830 geene bepalingen daaromtrent voorkwamen, werd het bij K. 15. van S Juni 1829 {Sihl. 45) \oor-loopig gehandhaafd. Bij de herziening van het Wetboek in 1837 werden de artikelen 855â875 daarin opgenomen en vervielen dus ook de opgenoemde K. Bn., wier rechtsgeldigheid trouwens zeer twijfelachtig was.
Men boude in bet oog dat bet 's wetgevers be-
349
doding was het voorrcclit van kostulooze procedure niet alleen te geven aan geheel onvermogenden, maar ook aan hen, die niet in staat zijn om lt;le kosten van een rechtsgeding in het algemeen te dragen c). Maar men denke er ook aan, dat er goede redenen moeten zijn om iemand van belastingen vrij te stellen en een deurwaarder te verplichten kosteloos zijne diensten te verleenen. Ook wake men er voor, dat het niet worde een middel om meervermogenden met chicaneuse proeessen lastig te vallen.
In de tweede alinea van art. gt;55 wordt bepaald, dat arme en onvermogende vreemdelingen, mitsgaders buitenlandsche armen-directiën of kerkbesturen, slechts dan hier te lande kosteloos kunnen procedeeren, wanneer dat bij tractaat uitdrukkelijk is bedongen 'â¢).
Daar de Wet niet onderscheidt tusschen hier te lande gevestigde en in liet buitenland woonachtige vreemdelingen, meent Prof. Vax Boxeval Faukk m. i. terecht, dat, tenzij bij tractaat anders is overeengekomen, enkel Nederlanders kosteloos kunnen procedeeren c).
De vergunning om kosteloos te procedeeren kan niet alleen verleend worden vóór, maar ook gedurende het geding. Alhoewel men âbij wien liet geding hangende isquot; kan lezen als alleen behoorende bij âverweerder,quot; kan men toch ook ze terug laten slaan op âeischerquot;. Rationeel is de laatste opvatting zeker, het is toch mogelijk dat de eischer, die aanvankelijk de kosten van een proces kon dragen, hangende het geding dat niet meer kan, door do groote afmetingen die hot aannam of door geldel ij ken achteruitgang
(iï Men zie over de Ivosleloo/.e procedure ü. a. Mr. Van IJonkval Kaviik, jn'ocesreclil 1 f, bl/.. HM? â'il.'l en hel aeatleinisoh proelselirift van Mr. Cl. iïkoi \vi;r jzn., A nucnrcehf. Li 'rlcn issó.
Dusdauige traetateu zijn ^eslutou met Pruisscu [SUL 1822, uo.-10), Jle.sseu («SV//7. 182*1, uo. -10), Luxeml iir^ (Slhl. IS-il, uo. 27), ilauuover {S/U. IS-Kl, no. -IS), 1 la I ie \ I S.s I, no. 227) cn l»eli(ie (lt;S7i/. 189-1, no. 10).
c) Zie ook Toe/((/int/ eau crtemdvliuycn om hier /e lande kos/eloots /e procedeeren in \\ . 0112.
300
die hem trof. Zoo is dan ook de praktijk. Zie in anderen geest een vonnis der Rechtbank te Winschoten van 12 Maart 1840, W. 783. Zie ook Oudemax III, blz. 258 en Dikphuis, Ophwrk'nnjen en mcdcdcelni'jcn II. blz. 304â307.
Het verzoek wordt op ongezegeld papier geschreven en door of namens a) den verzoeker onderteekend. Het bevat de voordracht der daadzaken en summiere opgaven van de gronden der vordering of verdediging des verzoekers.
Ofschoon de Wet niet voorschrijft bij het verzoekschrift om kosteloos te procedeeren de vordering, welke men wil instellen, bepaald te noemen, moet daaruit echter blijken, waartoe zal strekken de in te stellen vordering. Do partij, die gratis admissie heeft verkregen, moet bij het instellen barer rechtsvordering zich houden aan het verleende verlof en behoort, indien zij daarvan afwijkt, te worden afgewezen (arrest IJ. 11. 19 Jan. 1866, \V. 27G7, R. dl. LXXXJI, § 9). Zoo kan niet wanneer verlof is verleend om ter zake van overspel kosteloos te procedeeren, dat geschieden ter zake van kwaadwillige verlating (Rechtbank Leeuwarden 13 April 1893, P. v. .1. 1893, 59); evenmin kan, wanneer gratis admissie werd verkregen om ten petitoire te ageeren, krachtens die beschikking worden geageerd ten possessoire (Rechtbank Utrecht 22 Mei 1889, W. 5848). Zie ook een vonnis der Rechtbank te 's Gravenhage van 10 Xov. 1891, \V. 6380 en Leon* ad art. 855, aant. 2.
Bij het verzoekschrift moet worden overgelegd een certificaat van het onvermogen des verzoekers, afgegeven door het hoofd van het bestuur zijner woonplaats, op het getuigenis hetzij van wijk-of buurtmeesteren, hetzij van ten minste twee bekende en geloofwaardige manspersonen (art. 85lt;S).
a) Door de toevoeging der gecursiveerde woorden loste de Wet Hartogh de moeilijkheid up, die bij het Kantongerecht ontstond wanneer de verzoeker niet schrijven kan.
351
Armeiiinrichtingen, besturen van gods- en gast-huizen, benevens de kerkbesturen der verschillende godsdienstige geziudbeden, binnen het Rijk, behoeven, wanneer zij verlof vragen om gratis te procedeeren, geen bewijs van onvermogen overteleggen (art. 874). Andere rechtspersonen moeten, wanneer zij kosteloos wenschen een geding te voeren, wel een bewijs van onvermogen overleggen (/.ie ook ( )udkman 111, blz. 256).
Grooten waarborg dat de houder werkelijk onvermogend is, geeft het bewijs van onvermogen niet. Eene circulaire van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 19 November 1S44 «) (opgenomen bij LuTTExr.KRfi) schrijft den burgemeesters voor uitsluitend te onderzoeken of de getuigen geloofwaardig zijn en op de hoogte van de omstandigheden van den onvermogende en zich te onthouden van een onderzoek omtrent de waarheid van hun getuigenis. Die circulaire gaat uit van het denkbeeld dat het eigenlijke onderzoek omtrent den vermogenstoestand bij de comparitie voor den Hechter zal plaats hebben, wanneer de tegenpartij het onvermogen betwist. In de praktijk is dan ook de bewijskracht van het certificaat van onvermogen tegen eene eenigszins ernstige betwisting niet bestand.
Terecht besliste het Kantongerecht te Woerden den 20 Dec. 1847 en den 18 Juni 1L49 (K. 1gt;. 1S53, blz. 254 en 262) dat een bewijs van onvermogen niet kan worden afgegeven op het getuigenis van slechts één persoon. Een vonnis van het Kantongerecht te Apeldoorn van 28 September 1853 (W. 1477) wil, dat uit het bewijs van onvermogen blijkt, dat hij aan wien het is afgegeven, onvermogend is om te procedeeren tegen een bepaalden persoon en bij een bepaalden Rechter. Men zie over dat vonnis in dat-
a) Kcne circulaire v.'iu den zelfden Minister van IS September 1844 (Luttknheikj hl/,. 905) geeft voorschriften omtrent afgifte van bewijzen van onvermogen aan personen die geene eigenlijke woonplaats kunnen aanwijzen en slecbts tijdelijk in de gemeente vertoeven.
352
zelfde Weekblad Mr. C. 1!. en de aanteekeningen van de redactie, die dat vonnis eon m dc judicalum noemt.
Wanneer een curator als zoodanig kosteloos wenscht te procedeeren, moet hij overleggen een bewijs van onvermogen van den door hem geadministreerden boedel (vonnis lieubtbank Rotterdam 3 Januari 18quot;gt;1, ]\. B. 1852, blz. oIJl! vlg.). liet zelfde geldt voor den voogd. Ten onreclite maakt m. i. Mr. \'ax dek Kkmi' uit een arrest van den 11. K. van 26 Mei 1842 (\V. 300) ecne andere gevolgtrekking. Men zie ook Lkon aant.
1 op art. 872.
A oor vreemdelingen moet het tractaat de wijze regelen waarop van bun onvermogen blijkt.
Bij een eenvoudig appointcment op het verzoek beveelt de Kantonrechter de oproeping van de wederpartij des verzoekers tegen een bekwamen termijn voor hem; welk appointement vervolgens te zamen met het request van wege don verzoeker door een Deurwaarder, ten minste vier dagen voorden bepaalden dag der comparitie, aan den persoon of aan de woonplaats der weder- partij kosteloos moet worden beteekend, met achterlating van een afschrift van beide stukken, «) alles vrij van zegel en met gratis registratie. Art. 859, 860, 867, 871.
De termijn van 4 dagen moet beschouwd worden als een gewone termijn, woont de tegenpartij in het gebied van een ander Gerechtshof, dan zal art. 8 al.
2 B. K. van toepassing zijn (arrest H. E. 17 Januari 185ü li. XXXLV, § 72). Vax dku lvkmi'meende ook, dat die termijn ingevolge art. 7 al. 3 kan worden verkort; anders Mr. II. F. in W. 1021.
Indien de geroepen partij b) op den bepaalden tijd voor den Kantonrechter verschijnt zal zij het verzoek
a) Een afschrift vau lid bewijs van onvermogen behoeft dus niet te worden beteekend (Xgt. Amsterdam 1888, W. v. N. R. 1079.)
h) Een vonnis van het Kgt. Amsterdam F s. d. (W. 4131) en een van het Kgt. Schiedam â ') Jan ISO.') . 2730) houden het verzoek voor vervallen, wanneer de verzoeker op den aangewezen dag niet verschijnt.
353
kunnen tegenspreken (art. 8(jl). De Kantonrechter onderzoekt of genoegzaam van liet onvermogen lt;les verzoekers blijkt, en staat in lt;lat geval het verzoek toe tenzij de Kantonrechter reeds bij voorraad mocht bevinden dat de voorgenomen vordering of verdedi-ging klaarblijkelijk van allen grond is ontbloot art. 802 a).
Wanneer de Kantonrechter het verzoek toestaat, heeft er geene toevoeging van praktizijn, als bij art. 804 vermeld, plaats, zegt art. 871, 3quot;. !gt;. R., waaruit al zo o volgt, dat de wet advocaten en prokureurs onder den algemeenen titel van praktizijn begrijpt.
De uitspraak van den Kantonrechter is aan geen hooger beroep onderworpen, 875 B. R. Zelts staat er het middel van cassatie niet tegen open, gelijk beslist is door den 11. Raad liij Arrest van 1. Maart 1S(.i5 W. 602U, 1'. v. J. 18!'5, 29 N. R. CLXIX, 183. Het vonnis van toelating om kosteloos te procedeeren, mitsgaders al de acten, welke daaraan zijn voorafgegaan, eu dus ook de volmacht om zich op de bevolen comparitie te doen vertegenwoordigen, zijn vrij van zesel en moeten gratis worden geregistreerd; ook mogen daarvan geen salarissen van deurwaarders worden gerekend, nog in eenig geval hetzij op den verzoeker hetzij op de wederpartij worden verhaald. Art. 867, R. 1!. 1, 127. liet gevolg der toelating is, dat de gerechtelijke acten van de zijde des verkrijgers in debet voor zegel worden geviseerd en geregistreerd, de daarop verschuldigde griffie-rechten en judicieële boeten in debet gesteld, mitsgaders aan hem geen salaris van Deurwaarders van zijne zijde gevallen, kan worden in rekening gebracht h) Deze kosten van
a) Zie over de vraag hoever 's Rechters bevoegdheid gaat hij het toestaan of weigeren Mr. A. Hkkmskkkk in T/iemis 1889 hl. 24.» vlg. Zie ook Mr. ]l. Vkkkoittkhhx, in W. .VI32 en .quot;gt;4.10 en Mr. I!. Simos en een onl pw/iciix in W. 5134. Zie ten betoogc der wensehelijkheid om de afwijzende beyehikking te motiveeren M r. ii. .1. van Lkeuaven inW. 5552.
/,) Toch zal de gratisproeedcerende nog vaak voor voor hom zeor bezwarende kosten staan. Zoo de vergoeding voor reis- eu verblijfkosten
354
zegel-, registratie-, griffierechten, boeten en salaris komen ten laste der wederpartij, zoo zij in de kosten van liet geding veroordeeld wordt. Indien daarentegen de verkrijger der toelating bij eindvonnis in liet ongelijk gesteld en in de kosten verwezen wordt, staat bet der wederpartij vrij om de kosten van bare zijde gevallen zoo mogelijk op bem te verbalen. Art, 868â870. Art. 21 Tarief in burg. zaken.
Gevestigd, alhoewel betwistbaar, is de jurisprudentie, dat art. 8(i9 aan bet bestuur der registratie bet recht geelt om, wanneer de wederpartij in bet ongelijk wordt gesteld, van deae recbtstreeks in te vorderen de ten beboeve van den kosteloos geprocedeerd hebbende in debet gestelde rechten. Zie o. a. arrest H. R. 18 Maart 1?42, W. 307 K. dl. XII § 78, V. d. li. B. R. dl. Ill p. 235â252.
De Rechtbank te Winschoten achtte o. a. bij haar vonnis van 23 Februari 1870 (W. 3244) art. 80!» ook van toepassing wanneer beide partijen kosteloos pro-cedeeren.
De vraag of bij, die machtiging bekwam om kosteloos in conventie op te treden, bevoegd is om met diezelfde machtiging kosteloos reconventionneel op te treden, wordt verschillend beantwoord. Bevestigend door de Rechtbank te Amsterdam (vonnissen 15 Oct. 1850 Amst. Rechtspr. dl. I p. 150â155 en 22 April 1892 1'. v. J. 1892, 86); ontkennend door de Rechtbank te Groningen (vonnis 28 Mei 1880, W. 4575) en door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (arrest 26 April 1881, \\ . 4703). Ken vonnis van bet Kantongerecht te Oud-Beijerland van 17 Jan. 1894 (P. v. J. 1894, 33) staat den verweerder, die machtiging kreeg om zich kosteloos te verdedigen, toe, krachtens die zelfde machtiging kosteloos een derde in vrijwaring op te roepen.
aan door hem bijgebrachte getuigen; zoo de kosten Aan zijnerzijds geplaatste advertentien. Over dit laatste zie Mr. C'. K. Vreede in W. 5353 en 5365 en de redactie in \V. 5361 en 5365.
355
De machtiging om kosteloos te procedeeren geeft geene bevoegdheid om kosteloos het vonnis te execu-teeren (vonnissen Rechtbank Groningen 15 Dec. 1882, W. 4867 en Rechtbank 's-IIertogenbosch 18 Juli 18!)!, W. 6073 â anders Rechtbank Assen 4 Juni 1860, W. 2927). De hier gerezen moeilijkheid is echter uit den weg geruimd door de wet Harïogh, die aan art. 872 als 2e lid toevoegde: Ook kan am» bchocfligen vcrcjunnhuj ivovdcn verleend lot hel kosteloos ton uitvoer leggen van rechterlijke hesclühk'nvjen en exceuteeren van ij rossen.
§ 112. Elke rechtsingang, tenzij partijen zich vrijwillig bij den Kantonrechter aanmelden (§ 107) vangt aan met eene dagvaarding, om het even of er toelating tot kosteloozc procedure is verleend of niet. Op dezen regel is eene uitzondering, namelijk bij eene reconventionneele vordering. (§ 141).
Ten onrechte werd hier vroeger geleerd, dat door de dagvaarding alleen de zaak bij den Rechter wordt aanhangig gemaakt. Daarvoor is nog iets meer noodig. Het feit, dat iemand ten verzoeke van een ander tegen eene bepaalde terechtzitting vóór den Rechter is gedagvaard, moet ter kennis van dien Rechter worden gebracht. Voor de collegiën is dit onderwerp thans volledig geregeld, vroeger in Reglement I, sintsl896 ook en terecht in het Wetboek van B. R.v. Uiterlijk daags vóór den dienenden dag is de prokureur van den eiscber verplicht de zaak op de rol te doen inschrijven; verzuimt deze dat, dan is de prokureur van den gedaagde daartoe bevoegd ter terechtzitting onder overlegging van de dagvaarding (art. 135 en 130 1gt;. Rv.) Voor die inschrijving geeft de prokureur van den eiscber aan den (iriffier een zoogenaamd jihiert, waarop de namen van eiscber en gedaagde en zoo mogelijk van beider prokureurs vooikomen. Art. 35 Reglement l legt den Griilier bij de collegiën de verplichting op om een rol te houden. Is de zaak op de rol gebracht en verschijnt ten dienenden dage
356
geen van beide partijen, dan zal bij analogische toepassing van art. 42 Reglement 1 de /.aak op de rol worden doorgehaald. (Zie ook Prof. Van Boxkval Fat re II blz. .157).
Voor het Kantongerecht is dit alles niet geregeld. De Wet kent daar geen rol. Feitelijk zal de Griffier echter vel een rol houden en zal ook de eischer reeds vóór de terechtzitting aan den Grifiier mededeelen, dat hij tegen die terechtzitting iemand heeft gedagvaard. De eischer is echter niet, zooals bij do Collegiën, verplicht dat uiterlijk den dag vóór de terechtzitting te doen; hij kan dat nog op de terechtzitting zelve doen. Doet de eischer geene inededeeling van de dagvaarding, dan zal de gedaagde dit ter terechtzitting, onder overlegging van het afschrift der dagvaarding, kunnen doen. Verschijnen noch eischer noch gedaagde ter terechtzitting, dan zal er niets gebeuren; stond de zaak reeds op de rol, dan zal zij worden doorge-iiaald. Is de zaak niet aangebracht op de terechtzitting tegen welke werd gedagvaard, dan zal het den eischer niet vrijstaan den gedaagde op de bestaande dagvaarding tegen eene nadere terechtzitting op te roepen (arrest II. I!. 3 Mei 1SSS, R. l lli, § 1, p. 1, \V. 5557, 1'. v. J. is,SS, 03.)
§ 113. De dagvaarding geschiedt door een Deurwaarder, die tot liet exploiteereu ter plaatse bevoegd is, en die verplicht is afschrift van het exploit te laten aan den persoon of aan de woonplaats van den gedaagde, waarover hieronder meer. Het afschrift geldt bij hem, die het ontvangen heeft, als oorspronkelijke dagvaarding, art. 1, 15. Rv.
Dat alleen de door den bevoegden Deurwaarder beteekende dagvaarding wettig is, steunt op het beginsel in art. 1905 van liet H. W. nedergelegd, dat de openbare ambtenaar, alleen binnen de grenzen hem bij de Wet of wettige verordeningen aangewezen, bevoegd is eene akte te verlijden, wil zij als authentieke akte geldig zijn. In den wettelijken vorm
357
verleden door den daartoe bevoegden Deurwaarder, is de dagvaarding eene authentieke akte. Is zij door een onbevoegden Deurwaarder beteekend, dan mist zij elk authentiek karakter en rnocl door den Kantonrechter worden nietig verklaard, zelfs dan, wanneer de gedaagde de nietigheid der dagvaarding niet inroept. B. R. art. 95. de Tinto, 2d(' ged. lsto stuk, blz. 33.
Aan eiken gedaagde moet, op straffe van nietigheid, een afschrift van het exploit worden gelaten. Echter zal aan echtgenooten, die niet van tafel en bed of van goederen gescheiden zijn, slechts één afschrift worden gelaten. Art. 3. B. II. Omtrent de vraag of wanneer een persoon in verschillende hoedanigheden wordt gedagvaard, een of meer afschriften moeten worden gelaten, bestaat verschil van gevoelen.
Een vonnis der Rechtbank te (Ironingen van 15 Juni 1Squot;)5 (li. I!. D. VI 1S5G, blz. 415) meent dat uit de 2cle zinsnede van dut art. 3 moet worden afgeleid, dat met liet woord cU; in de eerste zinsnede van dat artikel, niet kwuliteilcn, iwsxnv plujaieke jKTsorwn bedoeld worden; dat er al zoo geene verplichting bestaat tot het laten van zooveel afschriften aan een en denzelfden persoon, als deze kwaliteiten heeft, b. v. voogd, curator en hoofd der gemeenschap.
Een vonnis der Rechtbank te Amsterdam van 25 Februari 185/ (R B. 1857 blz. 405) besliste daarentegen dat de dagvaarding van eene tinna èn van liet eenig lid dier firma is nietiii', wanneer niet èn aan de firma èn aan dat lid, dus niet aan elk der gedaagden een afschrift gelaten is. De nietigheid werd echter gedekt, doordat de gedaagde verscheen en daardoor bewees niet te zijn benadeeld. Zie verder hierna § 117.
Ook Mr. \\ . vax Ross km, liet Nnli'rlamlsch Wetboek van Ban/erlijke Itechlsvorderinci, art. 3 aant. 1, meent dat er zoovele afschriften behooren te worden afgegeven als er hoedanigheden zijn, waarin de gedaagde wordt gedagvaard.
358
De wijze van beteekening is verschillend voor de onderscheiden gevallen bij de Wet voorzien.
De ahiemcme regel is, dat de Deurwaarder het exploit moet doen of aan den persoon zelf van den gedaagde, waar hij dezen ook vinden moge, of aan diens woonplaats. Over de woonplaats handelen de artikelen 74â82 B. W.; in het algemeen is iemands woonplaats, die waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Is er een gekozen woonplaats, dan treedt deze geheel iu de plaats dei-werkelijke (art. 81 B. W.).
Wanneer de Deurwaarder noch den gedaagde, noch iemand zijner huisgenooten tehuis vindt, dan doet hij het exploit en stelt het afschrift ter hand aan het hoofd van het plaatselijk bestuur, of aan hem die dezen, volgens art. 77 der Gemeentewet, vervangt; die bet stuk kosteloos voor ijezim teekent, terwijl de Deurwaarder van die terhandstelling melding maakt, èn in de oorspronkelijke dagvaarding èn in het afschrift. Art. '2. B. K.
De vermelding op het afschrift, dat het oorspronkelijk stuk voor gezien is geteekend, hoezeer noodig voor de volledigheid van het relaas van den Deurwaarder, is evenwel niet uitdrukkelijk voorgeschreven, kan alzoo geene nietigheid van het exploit ten gevolge hebben, indien het oorspronkelijke werkelijk voor gezien geteekend is. Arrond. Rechtbank Utrecht, 31 Mei 1844, K. B. VI. blz. 447â455.
Voor wat onder huisgenooten moet worden verstaan zie men Van Kossem B. Rv. (art. 2, aant. 2). Daar wordt, en m. i. terecht, de meening uitgesproken, dat huisgenoot van den gedaagde is ieder die met
O O O
den gedaagde in één huis woont en tot ééne huishouding behoort. Daarbij wordt een beroep gedaan op den Franschen tekst van het ontwerp van 1827, waarin de bepaling luidde: si ('huissier no trouve au domicile ni la partie, ui ancun aulrc individu de sa rnaison, il remetlra, enz. De hoofdbewoner en hij, die in hetzelfde huis afzonderlijk op eene kamer woont.
359
zijn dus geene huisgeuooten. Is de woonplaats gekozen op een kantoor, dan zal het afschrift kunnen gelaten worden aan iemand die daar werkzaam is (vant Kossem t. â /.. p.).
Eene dagvaarding voldoet niet aan de wettelijke vereischten, wanneer de Deurwaarder het exploit doet aan den Burgemeester en relateert, dat hij den gedaagde, Hoc/i. dien* ivoouplaats, in zekere gemeente gevonden heeft.
Het exploiteeren aan den Burgemeester toch, is dan eerst geoorloofd, wanneer de Deurwaarder wel de woonplaats maar mei den gedaagde aan die woonplaats gevonden heeft, noch iemand van diens huisgeuooten.
Een schipper, gedomicilieerd te //., maar tijdelijk met zijn schip verblijvende te U'., had die laatste gemeente reeds weer verlaten, toen den Deurwaarder werd gelast hem eene dagvaarding te heteekenen. De Deurwaarder, na vermeld te hebben, dat de gedaagde verblijf houdt aan boord van zijn schij) en gedomicilieerd was te II., relateerde in zijn exploit âhem en ook zijn schip niet vindende, mijn exploit doende aan den lieer Burgemeester van \\T.quot;
Bij de oppositie tegen het krachtens deze dagvaarding bij verstek gewezen vonnis, beweerde de geopposeerde, dat de Deurwaarder de woonplaats van den gedaagde wèl had gevonden, en wel, dat deze te II. was, en dat, daar nu de Deurwaarder wist dat, noch de gedaagde, noch iemand der zijnen te II. was, bet exploit te recht aan den Burgemeester te W. was gedaan.
Maar de Arrond. liechtb. te Amsterdam overwoog: dat deze geheele redeneering berustte op het onjuiste denkbeeld, dat woonplaats, wettelijk gedacht kan worden, zonder woning in de plaats waar men gezegd wordt woonplaats te hebben; dat toch, volgens art. 74 al. 1 B. W. eerst dan domicilie aanwezig was,
o 7
wanneer er is èn eene woning èn het voornemen om
360
van die woning een hoofdverblijf te maken; dat die opvatting van domicilie, ook in harmonie was met de overige wetsbepalingen, alwaar van woonplaats wordt gesproken, terwijl do artt. 82, 1429 al. 2 B. W.; art. 4 N0. 1, 2, 4 en (1, 15. R. en art. ISO K. vooronderstellen, dat woonplaats of domicilie, aan een woning en nicl aan een gemeente is verbonden. Zie vonnis van 24 Mei 1871, \\'. 3388. lt;()
De dagvaardingen en alle andere exploiten zullen gedaan worden op de wijze als volgt:
1°. Ten aanzien van de Koningin, de leden van het Koninklijk Huis en den Staat, aan den persoon of in het parket van den Prokureur-Generaal bij den Hoogen Raad.
2°. Ten aanzien van openbare instellingen of stichtingen en zedelijke lichamen, aan den persoon of ter woonplaats van het hoofd des bestuurs, of ter plaatse waar het bestuur zijn zitting of kantoor houdt. Art. 4 s.
3°. Ten aanzien van gemeenten, aan den persoon of ter woonplaats van het hoofd van het plaatselijk bestuur, of aan den persoon of de woonplaats van dengeen die hem vervangt. Art. 4 s.
Een dagvaarding tegen de gemeente en niet tegen den Burgemeester gedaan is nietig. II. R. 2 Dec. 1864, W. 2648. Wanneer echter op zoodanige dagvaarding de Burgemeester verschijnt, is de nietigheid gedekt. Hof Gelderland, 4 Oct. 1854, \\r. 1598. Zie Artikel 71 der Wet van 29 Juli 1851 (sihl. N0. Ã5).
4quot;. Ten aanzien van vennootschappen van koophandel, aan haar gemeenschappelijk kantoor, en, zoo er geen is, aan den persoon of de woonplaats van een der besturende vennooten; en na de ontbinding, aan den persoon of de woonplaats van een der vereffenaars. Art. 4 *.
Bij zijn arrest van 18 December 1891 (W. 6121) besliste de II. R. dat de bepaling van art. 4. n0. 4
a) Ygl. Mr. F. I). Graaf Schimmklpenninck. De beteckenis van quot;hoofdverblijfquot; eu verblijfquot; iu art. 245 der Cfeineeutewet. Leiden, 1879.
30i
R. R.v. niet is een voorschrift van openbare orde, zoo dat de rechter niet behoeft uit te spreken de nietigheid der niet overeenkomstig dat voorschrift gedane beteekening, wanneer de partij, die belang had dat het te haren opzichte werd nageleefd, uitdrukkelijk of stilzwijgend in de niet-naleving daarvan heeft toegestemd of berust.
Aan een alléén geldschietende en niet tevens besturende vennoot, kan alzoo de dagvaarding niet be-teekend worden.
Maar wat, wanneer eene firma werd gedagvaard in een persoon, die, op die dagvaarding in rechte verschenen, beweert nimmer deelgenoot te zijn geweest? Dan moet niet de dagvaarding nietig verklaard worden wegens schending van Art. 4 B. R., omdat de vraag, of hij, aan wien de dagvaarding beteekend werd, al dan niet lid der firma is of geweest is, en als zoodanig al dan niet aansprakelijk is, een punt van nader onderzoek tusschen partijen moet uitmaken, dat niet a limine iili* behoeft te worden onderzocht. Arrond. Rechtb. Amsterdam, 21 Oct. 1853, R. B. 1851, hl. 169â171.
5quot;. Ten aanzien van den boedel van een gefailleerde, of van iemand die in staat van kennelijk onvermogen is verklaard, aan den persoon of de woonplaats van een der bewindvoerders. Art. 4 5.
Hoezeer hier het woord bewindvoerders gebruikt is, zijn daarmede alleen bedoeld de curators, welke naam echter den steller van het Artikel niet bekend schijnt geweest te zijn.
6°. Ten aanzien van overledenen, aan de gezamenlijke erfgenamen en in ééns, zonder uitdrukking van namen of woonplaatsen, ter laatste woonplaats van den overledene; doch niet langer dan gedurende één jaar na liet overlijden. Art. 4 quot;.
Wanneer het jaar verstreken is, kunnen zij niet meer collectief gedagvaard worden, aan het sterfhuis d. i. de laatste woonplaats van den erflater. Arrond.
24
362
t
Rechtb. Groningen, 3 Doe. 1858, R. R. 1). IX. 1859, bl. 609.
De Arrondissemonts Rechtbank te Amsterdam, besliste eenmaal, zich daarbij grondende zoowel op de woorden, als op dö geschiedenis van het Artikel 4°, dat, wanneer een Deurwaarder een sterfhuis onbewoond vindt en alzoo niet in staat is het exploit te doen, hij niet kan volstaan met de vermelding âdat hij âaan het sterfhuis niemand aanwezig vond om exploit âte doen, en zich toen begaf naar den Burgemeester,quot; en dat zoodanige dagvaarding alzoo nietig is, omdat uit die algemeene bewoordingen niet blijkt, waarop die overtuiging gegrond was; doch de H. R. vernietigde, overeenkomstig de conclusie van den Adv. Gen. Gregory, die beslissing, op grond, dat uit het exploit zelf bleek, dat het geval bij art. 2, R. R. voorzien, aanwezig was, dat namelijk de Deurwaarder, noch den gedaagde, noch iemand van diens huisge-nooten, aan zijne woonplaats gevonden had, en dat eene nadere opgave en rekenschap van des Deurwaarders bevinding, zooals de Arrond. Rechtb. dat verlangde, bij artikel 2 R. R. niet werd gevorderd. Vonnis Arrond. Rechtb. te Amsterdam van 27 Oct. 1858 a) R. R. D. IX. 1859, blz. 175, W. 2090. Arrest van den H. R. van 7 Oct. 1859, W. 2106. Zie Mr. A. de Pinto, âOver de gevolgen van collectieve dagvaardingen van erfgenamenquot; in Themis Vil 1840, blz. 178â184, en âOver de verplichting van collectief gedagvaarde erfgenamen, om hun namen, woonplaats en aandeel op te gevenquot;, in Opm. en Meded. D. II. blz. 153â156.
Eene dagvaarding, waarbij eenige erfgenamen, andere erfgenamen dagvaarden aan het sterfhuis, om tot boedelscheiding mede te werken, is nielhj.
a) Bij datzelfde vonnis werd ook, en terecht, beslist, dut de bevoegdheid om binnen het jaar de gezamenlijke erfgenamen ten sterfhuize te dagvaarden blijft bestaan, ook al komt vóór dien tijd de boedelscheiding tot stand.
363
Daargelaten toch, of onder de woorden van art. 46, âten aanzien van overledenen,quot; niet alleen zijn begrepen de vorderingen tegen den overledene bij zijn overlijden reeds bestaande, maar ook dezulken, die, b. v. aan legatarissen uit zijn testament tegen de gezamenlijke erfgenamen toekomen; is echter zeker, dat de wetgever bij dit artikel alleen op het oog heeft gehad, vorderingen die tegen de gezamenlijke erfgenamen van den overledene moeten worden ingesteld, waaronder zeker niet behoort die tot boedelscheiding, daar deze alleen denkbaar is waar een of meer, tot den boedel gerechtigden, weigeren om tot eeue boedelscheiding mede te werken, die door de overige belanghebbenden wordt verlangd. Arrond. Rechtbank te Rotterdam, vonnis van 28 April 1879, Paleis van Justitie 11 Sept. 1879, nn. -' (j*.
Eene andere meening wordt intusschen uitgesproken in het arrest van den II. R. van 30 October 1890 (W. 5956). Daar wordt overwogen, dat er bij de totstandkoming der bepaling geen sprake is geweest van eene onderscheiding van vorderingen van schuld-eischers en van legatarissen en beslist, dat ook deze kaatsten de gezamenlijke erfgenamen kunnen dagvaarden aan het sterthuis. Dit arrest werd bestreden door Mr. II. Fkima in W. 5964 en 59G6.
Wanneer de laatste woonplaats van den overledene is buitenslands of onbekend, zal art. 47 en 4s van toepassing zijn.
Art. 4, 6quot;, is geen beletsel om de erfgenamen individueel op de gewone wijze te dagvaarden (Van Rossem B. R.v. art. 4 aant. 7).
7°. Ten aanzien van hen die geene bekende woonplaats in het koninkrijk hebben «), ter plaatse van
ci) Mr. Van Kossem (art. 4, aant. 8) restigt er terecht de aandacht op, dat heter ware geweest te spreken van hen die geen bekende woonplaats hebben en de woorden in het Konutkrijk te plaatsen achter iverktlijk verblijf. Zooals de redactie nu is, kunnen zij, die buitenslands eene bekende woonplaats hebben, op de wijze sub 7 beschreven, worden gedagvaard.
364
hun werkelijk verblijf. Zie art. 74, B. W. â Indien deze plaats niet bekend is, gelijk mede, in geval in rechte worden opgeroepen, houders van aandeelen in geldleeningen of maatschappijen, welke niet op naam staan, en waarvan de eigenaars uit dien hoofde onbekend zijn, door aanplakking aan de hoofddeur van de gehoorzaal van den Rechter voor wien de vordering gebracht wordt, terwijl een tweede afschrift moet worden overgegeven aan den persoon of de woonplaats van het hoofd van het plaatselijk bestuur, of van dengeen die hem vervangt, die dat afschrift moet doen toekomen aan den OfHcier bij de Arron-dissements Rechtbank, binnen welker rechtsgebied bet Kantongerecht gevestigd is. Art. 47 ea 4S.
Daarenboven moet het gedaan exploit worden aangekondigd in een dor dagbladen van de plaats, waai' het Kantongerecht zitting houdt, of bij gebreke daarvan, van eene naburige plaats.
Gelijkelijk zal worden gehandeld ten aanzien van naamlooze vennootschappen, bestaande of ontbonden, bij gebreke van gemeenschappelijk kantoor, bestuurder of vereffenaar, of wanneer de bestuurder of vereffenaar geene bekende woonplaats en geen bekend werkelijk verblijf binnen het koninkrijk heeft.
Onder annijckondUjd schijnt hier te moeten worden verstaan mededeeling, dat het exploit geschied is; opneming daarvan in zijn geheel in een dagblad, schijnt overbodig (zie ook Van Rosskm B. R.v. art. 4, aant. 8).
8°. ïen aanzien van hen, die in de koloniën van den Staat of buitenslands wonen, voorzooverre zij binnen het koninkrijk geen bekend verblijf hebben, op de wijze als hiervoor sub 7 is gezegd, behoudens dat hier geene aanplakking dn geene aankondiging in een dagblad veroischt wordt. Art. 4S.
n0. Ten aanzien van de getrouwde, niet van tafel en bed gescheiden vrouw, wanneer de dagvaarding haar ten verzoeke van haren echtgenoot wordt uit-
305
gebracht, aan haar in persoon of aan haar werkelijk verblijf, en, wanneer «lit is ter woonplaats van haren echtgenoot, alsdan aan haar in persoon, of, zoo de Deurwaarder haar aldaar niet vindt, aan het hoofd van hot plaatselijk bestuur van die woonplaats, of aan dengene die hem vervangt in voege als in art. 2 B. R.v. is voorgeschreven, terwijl bovendien in dat geval het exploit zal moeten worden aangekondigd iu een dagblad der woonplaats van den man, of bij gebreke daarvan van eene naburige plaats en een afschrift van die aankondiging zal moeten worden aangeplakt aan de buitenzijde der hoofddeur van het door hom bewoonde huis.
Deze aankondiging zal alleen bevatten de dagtee-kening van het exploit, de aanwijzing van den persoon te wiens verzoeke, en van de persoon aan wie liet exploit is gedaan, de vermelding van den Deurwaarder, die het gedaan heeft, en van don persoon aan wien afschrift van het exploit gelaten is; voorts de aanwijzing van den Rechter voor wien en van dag en uur der terechtzitting, tegen welke is gedagvaard. Het aangeplakte afschrift der aankondiging zal op het verzoek van de vrouw door den Deurwaarder onmiddellijk moeten worden verwijderd.
Indien do vrouw haar werkelijk verblijf niet heeft ter woonplaats van den man en de Deurwaarder aan dat werkelijk verblijf niemand aantreft, zal artikel 2 B. R.v. moeten worden toegepast. Indien de vrouw geen bekend verblijf binnen het koninkrijk hoeft a), zal het exploit moeten geschieden op de wijze onder 7 beschreven.
Eindelijk zij bier nog vermeld, dat alle dagvaardingen aan scheepsboord geëxploiteerd, voor oen schipper, een officier of scheepsgezel, of voor een passagier van waarde zijn. Art. 313.
a) Dit is ook hel geval bij bekend verblijf in het buitenland, /ie Mrs. A. I'. K. llAHTOciii on O. A. C'osmax, de Vel ran 7 Juli 1S% {SIM. lO.-!) blz. 0.
366
Intusschen belet niets, dat óók nog aan de woonplaats van den schipper enz., de dagvaarding beteekend worde, en in sommige gevallen kan liet blijken, dat ook in deze, het niet direct noodige niet schaden kan.
Vergelijk hierna blz. 371, ten opzichte van do woonplaats van een binnenschipper.
§ 114. Het exploit van dagvaarding zal moeten behelzen:
1°. den dag, de maand en het jaar, den voornaam, den naam en de woonplaats van den eischer, met opgave van de door hem gekozen woonplaats in de gemeente waar de Kantonrechter zitting houdt. Art. 51 B. R.
Vermelding van hel beroep van den eischer is niet noodig. Waar het intusschen eene handelszaak geldt, zal die vermelding toch niet overbodig zijn.
De vermelding van gekozen woonplaats, moet óók geschieden, wanneer de eischer woont in de gemeente waar do Kantonrechter zitting houdt. De bepaling is algemeen, gelijk de Arrond. Rechtbank te 's Hertogenbosch, bij vonnis van 30 Juni 1840, W. 139 en de Kantonrechter te Amsterdam den 24 Nov. 1842, (R. !gt;. 1842 d. IV, p. 879), â zie Lkon ad art. â aannamen, doch met welke beslissingen de Pinïo 2tle god. l^tc stuk, blz. 44, en ook Van dek Kemp zich niet konden vereenigen, wel de Witt Hamer, blz. 158.
Hoezeer ook het artikel de vermelding van do }i'(i(inplaatlt; van den eischer voorschrijft, zoo besliste tocli de H. R., bij arrest van 24 Maart 1873, W. 3564, dat het geen volstrekt vereischte is, dat in de dagvaarding met zooveel woorden genoemd wordt do naam van de stad of van de plaats waar de eischer woont, indien deze op andere verstaanbare en ondubbelzinnige wijze wordt aangeduid.
Aan de bepalingen van liet B. W. omtrent woonplaat* is niet gederogeerd bij hot K. B. van 27 Juli 1887 {Sthl. n®. 141), hetwelk niet anders dan als een administratieve maatregel is te beschouwen.
367
De ware bedoeling van artikel 7G B. W. is deze: dat, wanneer hot feit der inwoning blijkt en de beide verklaringen zijn afgelegd, niemand kan worden toegelaten tot het bewijs uit do omstandigheden, dat het verklaarde voornemen niet bestond of thans niet meer bestaat. Een soldaat in garnizoen te Leiden, hoewel geboren te Sneek en later gewoond hebbende te Bolsward, waar hij zich niet heeft laten afschrijven, moet te Leiden, als zijn woonplaats, gedagvaard worden. Vonnis van den Kantonrechter te Sneek van 2 Sept. 1872, W. 3G12. Zie ook vonnis Arrond. Kechtb. te Amsterdam van iJ Maart 1870, W. 3235 en Opzoomek B. W. I. pag. 112.
Wanneer cene dagvaarding wordt uitgebracht ten verzoeke van een Minister, als vertegenwoordigende den Staat der Nederlanden, behoeven de voornaam, de naam en de woonplaats van den Minister niet in de dagvaarding te worden opgenomen. De Minister toch is dan geen eischer, en voor dezen slechts bestaat de verplichting omtrent voornaam, naam en woonplaats; de Minister vertegenwoordigt slechts de Staat; eischer is de Staat zelf. (arrest H. R. 12 Dec. ]8()2, R. d. LXX11 § 4U, v. d. 11. B. R. d. XXVI1, 150â163; vonnis Rechtbank 's Gravenhage 18 Maart 1884, W. 5053). Om dezelfde reden bestaat die verplichting evenmin voor de leden van liet bestuur eener stichting, wanneer liet optreedt als vertegenwoordigende die stichting (vonnissen Rechtbank Arnhem 8 Nov. 1858 en 24 Maart 1859, \V. 21G6 en 2167). In denzelfden geest besliste het Gerechtshof te 's Gravenhage in zijn arrest van 25 Juni 1894 (\V. 6537, P. v. J. 1894,81) dat, wanneer Dijkgraven en Hoogheemraden van Delfland, als vertegenwoordigend het Hoogheemraadschap, doen dagvaarden, het niet noodig is hunne namen en voornamen in de dagvaarding op te nemen.
Daar art. 71 der Gemeéntewet voorschrijft dat in rechtsgedingen, de Gemeente betreffende, de Burge-
36S
meester als eisclicr of verweerder moet optreden, zal niet do gemeente doch de Burgemeester als partij optreden. Men zie hierover Mr. Van Kossem B. R.v. art. 5 aant. 4.
In alle gedingen waarin de Koningin als eischeresse optreedt, zal het exploit geschieden, en de zaak worden voortgezet, ten name van en door zoodanige gemachtigde als Zij zal aanwijzen (art. 6, 1° lid).
2°. Don voornaam, den naam en do woonplaats van den Deurwaarder; den naam en de woonplaats van den gedaagde, en de vermelding van don persoon aan wien afschrift van het exploit van dagvaarding gelaten is.
Indien de eischende of verwerende partij, eene corporatie, maatschap of handelsvereeniging is, za.1 hare benaming in de plaats van naam en voornaam moeten worden uitgedrukt.
De vermelding van den voornaam van den gedaagde is niet voorgeschreven, en men zal, indien men daaromtrent niet volkomen zeker is, dus voorzichtig doen dien idet te vermelden, teneinde mogelijke vergissing te voorkomen, die den eischer slechts noodelooze kosten zoude veroorzaken.
Bij een eisch tot ontruiming wegens wanbetaling, dagvaardde tie eischer Jan Pi kt kus i:, in de stellige meening dat dit de naam van zijn huurder was. Ten dienende dage, verscheen iemand die werkelijk Jax Pjkïkksk genaamd was, en hetzelfde huis bewoonde met zijn broeder Dirk, die de bedoelde huurder was. De dagvaarding, aan een der huisgenooten beteekend, kwam in handen van Jax, die, door zijn verschijning, op, voor den eischer minder aangename wijze, zijn broeder nog een ongezocht uitstel kon bezorgen.
Maar ook liet weglaten van den voornaam kan tot minder aangename verrassingen aanleiding geven, gelijk uit het navolgende blijken zal.
Twee personen van deuzelfdcn familienaam wonen in één huis. Een hunner wordt gedagvaard zonder
369
bijvoeging van voornaam. Hij, aan wien het exploit gedaan werd, komt op, en nu blijkt bet, dat niet bij de bedoelde persoon is. Moet nu ontzegging van eiscb plaats hebben of verstek verleend worden tegen den niet verschenen persoon? liet eerste. Vonnis Kanton Xquot;. I Amsterdam, van S Sept. INTO, R. B. X. Keeks 1). II, 1876, bl. 2Slt;.tâ'iOO.
Wanneer eene vrouw die nimmer gehuwd was, als weduwe wordt gedagvaard, en zij op die dagvaarding verschijnt, maakt die onjuiste kwalificatie de dagvaarding niet nietig. Vonnis van de Arrond. Kechtb. te Amsterdam van 19 (Jet. 1858, K. B. D. VIII, 1858, bl. 441.
Wat verstaat art. 5 Xo. 2 ]gt;. Kv. onder corporatie, Diaatschap of lumdcUvereeniyiyu/. âMen zou zeggen,quot; schrijft Prof. van Boxkval Fauke (II blz. 9), âdat .,de wetgever op bet oog moet hebben gehad rechtspersonen, zoowel stichtingen als zedelijke lichamen âen vereenigingen die als zoodanig althans pnrnona in judifio hebben, maar dan kan de bepaling âop de bui'gerlij ke maatschap niet worden toegepast, âdie toch wel in de algemeeue uitdrukking begrepen âis en ook wel door den wetgever bedoeld schijnt, âdaar de Fransche tekst van 1830 ta ne ver den met âden tegen woordigen overeenstem menden lloll. tekst âsprak van; eorpovnhvii Ki/tueté de coiiDticve:' ou autkk. ' Zoo wordt dan ook terecht algemeen aangenomen, zie o.a. arrest !i. U., 30 Jan. 1S74( \\'. 3r3S7) beslissende dat eene burgerlijke maatschap, al heeft zij geene rechtspersoonlijkheid, ontvankelijk is in bet instellen eener rechtsvordering; het is voldoende dat de benaning van de door de vennooten aangegane maatschap in de dagvaarding worde uitgedrukt.
Daar art. G der wet van 17 Nov. 1876 (Stbl. 227) aan de coöperatieve vereeniging rechtspersoonlijkheid toekent, zal ze, wanneer ze geene handelsonderneming ten doel heeft, onder cor^oratir moeten begrepen worden.
370
De bepaling in de statuten ooner naamlooze vennootschap (i. c. ile Nederlandsche Bank) volgens welke liet Bestuur haar in en buiten rechten verte^enwoordis-t,
O O '
derogeert evenmin als art. 44 W. v. K. aan het voorschrift van art. 5 2' B. Rv., waaruit volgt dat de naam der vennootschap alleen zonder opgave van voornamen of namen der bestuurders in het exploit van dagvaarding steeds voldoende is (arrest H. R., o Juni 1870, W'. 3228 en 15 Maart 1.878 \V. 4231 R. B. 1878 A. 195â200).
Zeer terecht maakt intusschen Mr. van Kossem (art. 5, aant. 0) de opmerking, dat art. 5, Xo. 2, laatste lid, slechts regelt de wijze van dagvaarding indien de daar genoemde lichamen als partij optreden, maar dat daarnaast krachtens art. 1092 15. W., art. 17 W. v. K., of de statuten eener naamlooze vennootschap de bestuurders van een zedelijk lichaam, de individueele vennooten of het bestuur der naamlooze vennootschap op de gewone wijze kunnen dagvaarden en gedagvaard worden. Aldus ook Faure (II blz. 10) ook voor de coöperatieve vereenigingen. Zie ook vonnis Rechtbank Amsterdam, 18 Aug. 1879, \V. 4438, II. R. 29 Juni 18,.t4, P. v. J. 1894, 65.
Waar eene dagvaarding moet uitgebracht worden, ten verzoeke van één enkel en op zich zelf staand persoon, handel drijvende onder eene firma, daar behoort het exploit gesteld te worden: ten verzoeke van .1., handelenilc onder de jinna .1. en Camp. Vergelijk Opm. en Meded. I). 3, bl. 10!)â111. Daarvoor geldt niet het voorschrift van art. 5, nn. 2, laatste lid (arrest 11. H. 11 Mei ISGO, W. 2798.)
De wijze van dagvaarding van eene firma, gedreven door een enkeion persoon, kan aanleiding geven tot nietigheid van de dagvaarding of tot incompetentie van den rechter, maar niet tot eene exceptie van non-kwalificatie. Vonnis van de Arrond. Rechtb. te Amsterdam van 19 Oct. 1877, en arrest van het ( ierechtshof te Amsterdam, R. B. N. R. D. IV. 1878, blz. 201 en 202.
371
Een gedaagde kan geacht worden in kwaliteit van vadervoogd te zijn gedagvaard, indien die kwaliteit wel uit het lichaam der sommatie en dagvaarding kan worden afgeleid, maar niet uitdrukkelijk aan het hoofd der dagvaarding wordt vermeld. Vonnis Arrond. Rechtb. te Rotterdam, van 9 Juli 187!), W. â¢442!).
Zoolang het tegendeel niet is bewezen wordt een aan boord verblijfhoudende binnenschipper vermoed op zijn schip zijne woonplaats te hebben. Kanton I, Amsterdam, 8 Sept. 1876, hierboven aangehaald, blz. oijii.
Men kan verschillenrle personen voor dezelfde scbnld dagvaarden bij een on hetzelfde exploit, maar het is niet geoorloofd verschillende personen te dagvaarden bij een exploit, wegens voor elk hunner verschillende vorderingen. Vonnis Arrond. Rechtb. te Maastricht van 28 Juni 1877, K. Jgt;, N. R. Igt;. IV. 1878, bl. 205. Dat men bij een en hetzelfde exploit meer dan eene schuld van denzelfdon gedaagde kan vorderen, en daarvoor veroordeeling bij niet voldoening eischen, mits maar het gezamenlijk bedrag beneden de f 200 blijve, is niet twijfelachtig. Zie § 108. Zie over de subjectieve en objectieve cumulatie ook Prof. vax Bonkval Fatke 11, bl. 12.
3°. Do middelen en het onderwerp van den eisch, met een duidelijke on bepaalde conclusie.
Dat de Wetgever gelukkig is geweest in de keuze zijner woorden in art. 5, nquot;. 3, kan niet worden beweerd, al is zijne bedoeling duidelijk.
Mr. Greevk gaf die bedoeling zeer juist terug in deze woorden: âDe gedaagde moet niet alleen weten wal men van hem eischt, maar ook mar.mm.quot; Staat dit in de dagvaarding, dan voldoet zij aan art. 5, n0. 3.
Prof. Vax Boxeval Fauke (11, blz. 10) gebruikt voor â miiJdclcii de uitdrukking rcchhfcilcii,, dat zijn zoodanige feiten, waaraan een rechtsregel het beweerde recht ais gevolg verbindt. Voor omlcnvrrji gebruikt Z.ll.G. strekkimj. De Pisto (11, blz. 49) dwaalt, wanneer hij meent uit do bepaling te moeten afleiden
372
vcvplichting tot opgave der artikelen in de dagvaar-dino-, waarop de eischer zijne vordering grondt.
Uit de geschiedenis der bepaling acht ik het van belang, het volgende mede te declen: Bij het eerste ontwerp, kwamen de woorden âdc mhlddctiquot; niet in het Art. voor, maar zij werden er ingebracht op verzoek van een der Afdeolingcn, die meende dat de kennis der middelen van den eischer, den gedaagde beter in staat stelde, om te beoordeelen of hij de vordering al dan niet moest tegenspreken. Zie van dkx iioxkrt, bl. U)4.
Aan een voorstel om de woorden âun'l een iluidclijkc en hcpaaldc conclunicquot; uit het artikel to nemen, werd niet voldaan, omdat de Regeering meende het voorschrift te moeten behouden, ten einde den gedagvaarde in de gelegenheid te stellen, om dadelijk te voldoen. Zie vax dkx Hoxkkt, II.
liet is alzoo noodig, dat bij eene actie tot schadevergoeding, de som die men verlangt, bepaaldelijk in de dagvaarding worde genoemd, wanneer gee no som wordt genoemd maar wordt geconcludeerd, tot veroordeeling in zoodanig bedrag âals de Kantonrechter in goede Justitie zal oirbaar achten,quot; zal de Kantonrechter zich onbevoegd behooren te verklaren, daar er alsdan eene vordering tot een onbepaald bedrag moet geacht worden, to zijn ingesteld. .Maar eene vordering tot een bepaald bedrag, met de bijvoeging âof zooveel minder als de Rechter zal goedvinden te bepalen,quot; voldoet aan het voorschrift der wet. Evenzeer die, met de bijvoeging âonder aftrek van zoodanig bedrag als de gedaagde zal kunnen aantoonen in mindering bereids te hebben betaaldquot;. Zie ook arrest Prov. Gerechtshof in Zuid-I lolland van 22 Mei 1 45, \\r. (322.
Uit art. â¢quot;gt; n0. 3 volgt dat eene dagvaarding moet inhouden- de gronden dor vordering. Daaronder zijn echter niet te begrijpen feiten, waaruit de ontvankelijkheid der vordering voortvloeit. Deze kunnen, naar gelang daartoe de noodzakelijkheid blijkt, in den loop
373
van het geding worden aangevoerd (arrest II. R. 22 Februari 1895, W. 0630).
Art. 5 nu. 3 verzet er zich niet tegen dat in eene dagvaarding wordt verwezen naar een anterieur exploit, en dat dit laatste dan als een integreerend deel der dagvaarding beschouwd wordt (arrest H. R. 17 Juli 18'Jl, AV. (gt;537).
4°. De aanwijzing van den Kantonrechter die van de zaak moet kennis nemen.
Vax deu IvENrr meende, dat het niet noodig was te vermelden, de plaats waar de Kantonrechter zijn terechtzittingen houdt. Noodig niet iu den zin van verplichtend, maar wel noodig, om den gedaagde niet de gemeente te laten rondzoeken naar dat lokaal. De praktijk heeft dat dan ook zóu ingezien, en steeds wordt in de dagvaarding het lokaal, waar de Kantonrechter zijne zittingen houdt, duidelijk aangewezen.
5°. Den dag en het uur waarop de gedaagde in rechte verschijnen moet.
Over den dag zal wel nooit verschil bestaan, maar wie beslist dat het uur daar is waarop de gedaagde tegenwoordig moet zijn? Zonder twijfel de Kantonrechter; en de gedaagde, die niet tegenwoordig was toen de zaak werd uitgeroepen, omdat hij meende dat het uur nog niet daar was, en tegen wien alzoo verstek werd verleend, kan van het middel van verzei zich bedienen. Zie hierna § 153.
De bevoegdheid om deu rechtsdag te vervroegen werd in art. 130 B. Rv. slechts aan den gedaagde bij de collegiën gegeven. Alhoewel dezelfde overwegingen, die er toe leiden om daar dat recht te geven, ook bij het Kantongerecht bestaan, zal men het, â nu dat artikel voorkomt in een titel, uitsluitend geschreven voor de collegiën en nergens art. 136 bij het Kantongerecht toepasselijk werd verklaard â bij het Kantongerecht niet kunnen toekennen.
Het exploit en het afschrift moeten door den Deurwaarder onderteekeud worden.
374
De dagvaarding en haar afschrift moeten op zegel van ten minste 15 centen geschreven worden, en de eerste binnen vier dagen na de beteekening worden geregistreerd. Art. 13 5 der Wet van 3 Oct. 1S43, (sthl. n0. 47) gewijzigd bij de Wetten van: 29 Juni 1S-14 (Sthl. n0. 29); 24 en 31 December 185G (Stbl. n0. 130 on 165); 7 Juli 1807 {Sthl. n0. 8n); !» April 1869 {Sthl. nn. 00 en lil) en 4 Juli 1874 {Stbl. nquot;. 87). Art. 20 en 34 der Wet van 22 Frimaire an VII, te vinden bij J. B. Vroom, âDe Wetgeving op de Registratie toegelicht en van Aanteekeningen voorzien.quot; Zwolle 1869, D. I, blz. 78 en 119.
Men zie over vragen die betrekking hebben op dagvaardingen, on in het algemeen op de roeping, rechten en verplichtingen van don Deurwaarder: âDe Nederlandsche Deurwaarderquot;, door J. Fiianse. Zierikzee, 1875.
§ 115. De gewone termijn van dagvaarding voor den Kautonrechtor, is ten aanzien van gedaagden die in het Koninkrijk wonen of hun verblijf houden, van ten minste vijf dagen. Echter kan de Kantonrechter op eon hem daartoe gedaan mondeling verzoek, den eischer toestaan in eene spoedeischende zaak, dien termijn te verkorten, in welk geval, de Kantonrechter aan het hoofd van het exploit, beter gezegd, hoven hot exploit, zijne beschikking op dat verzoek schrijft.
Of eene zaak spoedeischend is, staat uitsluitend ter beoordeeling aan den Kantonrechter; spoedeischend kan eene zaak b. v. worden doordat de gedaagde aanstalte maakt om to vertrekken. Ook in de bepaling van den verkorten termijn is hij geheel vrij; hij kan machtiging geven om van uur tot uur to dagvaarden. Bij de vaststelling van het artikel verklaarde de Regecring uitdrukkelijk dat de vaststelling van den verkorten termijn gobeel word overgelaten aan den Rechter; zij verzette er zich tegen om in de Wet den verkorten termijn vast te stellen op ten minste drie dagen. Zie De Witt Hamer blz. 175.
375
Van der Kemp meende, dat in een gewone spoed-eischende zaak, den gedaagde 24 uren moest gelaten worden, en het niet geoorloofd was, binnen dien termijn te dagvaarden, en hij grondt zich voor dat gevoelen op het feit, dat in onze Wet niet werd overgenomen de bepaling van art. 6 van den Code de Procedure civile, luidende: -Dans /es cas unjcns, la jwjc donnera unc cédille pour abnkjer les délais, al pourm pcrmcHrc dc citer, inèuie dans Ie jour et a Vheure indiijués, in verband met de omstandigheid, dat in geval van ontruiming bij artikel 122 B. li. bedoeld, de Kantonrechter kan bepalen te dagvaarden zelfs van mir tot uur (?/i den Zondag iiif/esloten.
De bedoeling van art. 122 schijnt intusschen te zijn om de ontruiming van gebouwen (niet van landelijke eigendommen) wegens geëindigde huur a) (niet om andere redenen) steeds te maken tot een spoed-eischend geval. Dat art. 122 zich er niet toe bepaalt om te verwijzen voor den verkorten termijn naar art. 7, schijnt eenvoudig eene slordigheid van den wetgever.
De bevoegdheid om den termijn van dagvaarding te bekorten, bestaat alleen voor de dagvaarding van artikel 7, wanneer naar den f/owonen termijn kan gedagvaard worden en niet voor de dagvaardingen van de artikelen 8, 9 en 10. Vgl. de Pinto, 2tle ged. lste stuk blz. 49. Zie ook arrest van het Prov. Ger. van Zuid-iiolland van oü Juli 1842 R. B. IV, 865, vonnis Rechtbank Amsterdam 11 Juni 1894, P. v. J. 1894, 89.
Bij eene verkorting van den termijn van dagvaarding kan de Kantonrechter die bepalen op eene door hem aan te duiden buitengewone terechtzitting. Zie hierover W. 1019 en 1033.
a) Voor ontruimhitf op gewonen termijn, om andere redenen of van landelijke eigendommen gelden dus niet de voorschriften van art. 122, 2e lid, 123 en 124; zie vonnis Ivgt. Schiedam 4 Juni 1870, \V. 3207.
Niels belet echter om, is eene in art. 122 niet genoemde ontruiming spoedcischend, op grond van art. 7 den termijn te verkorten. Vonnis Rechtbank Zutphen 19 Mei 1864, R. B. 180.'), 655,
376
De dag van exploit on lt;le dag van verschijning, worden niet inedogerokend onder den algemeenen termijn, voor dagvaardingen, aanzeggingen en betee-kingen bepaald, ^^et de dagen die worden aangewezen, zijn dus, wat men noemt âvrije dagenquot; bedoeld.
De termijn zal met ten minste acht duijen verlengd worden, wanneer de gedaagde binnen het rechtsgebied van een ander Gerechtshof woont, dan waarin de Rechter, die van den eisch moet kennis nemen, zitting houdt; en in het geval dat de gedaagde geene bekende woonplaats in bet koninkrijk beett en de dagvaarding ter plaatse van zijn werkelijk verblijf beteekend wordt, zal de termijn van dagvaarding ten minste van /cvy incutiKlcK zijn. Art. 8 en !â¢.
Wanneer de gedaagde mot in het koninkrijk \\oont is de termijn, volgens du wijziging die art. 10 B. it. bij de Wet van 7 April iSüü Nu. 54) onderging, als volgt:
van ten minste ccnc mncind, zoo hij woont in Ciroot-Brittannië en Ierland, Frankrijk, Belgié, 1 .uxombuig, Dnitschland, met uitzondering van Oostenrijk en Zwitserland;
van ten minste hccc luuuitdcu, zoo bij eldeis in
Europa woont;
van ten minste di'ic imtiiiidcu, zoo bij woont in de niet-Europeesche kustlanden der Middelandsebe of der Zwarte zee; uf in een der koloniën Suriname of Curacao;
van ten minste zes nidciiiden, zoo hij woont op Java,
Sumatra of Madura;
van ten minste i'ijl nKianden, zoo hij woont buiten Europa in een der hierboven niet genoemde landen aan deze zijde van do straat van Malakka, de straat Sunda en do kaap Hoorn;
van ten minste acht juaanden, zoo hij \\oont in een der hierboven niet genoemde landen aan gene zijde van de straat Malakka, de straat Sunda en de kaap Hoorn, dezen daaronder begrepen.
377
Wanneer meer personen, wegens dezelfde vordering, op verschillende termijnen zouden moeten gedagvaard worden, is voor hen allen de termijn van verschijning die, welke voor den verst verwilderd wonende bepaald is. Art. 12.
Al wat over de termijnen van dagvaarding gezegd is, had betrekking op gewone, d. i. burgerlijke zaken.
Voor handelszaken zijn andere termijnen bij de Wet bepaald, en wel deze:
de termijn is van ten minste hree vrije dagen, indien de gedaagde woont binnen de gemeente alwaar de Rechter, voor welken hij geroepen is, zitting houdt;
de termijn is van ten minste vier vrije dagen, indien de gedaagde woont binnen een andere gemeente van hetzelfde arrondissement;
de termijn is van ten minste rcs vrije dagen, indien de gedaagde woont binnen een ander arrondissement onder het rechtsgebied van hetzelfde Gerechtshof;
de termijn is van tien vrije dagen, wanneer de gedaagde binnen het gebied van een ander Gerechtshof woont dan waarin de Rechter, welke van den eisch moet kennis nemen, zitting houdt.
De algemeene bepalingen in den l9t⢠titel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsv. voorkomende, moeten ook ten opzichte der bovengemelde termijnen in acht genomen worden. Art. 301. Vgl. Kist II, blz. 10.
Ook in handelszaken kan de Kantonrechter op mondelinfj verzoek verlof verleenen, om van dag tot dag en zelfs van uur tot uur (den Zondag ingesloten) te dagvaarden. Art. 302 B. lv.
En zelfs zonder verlof van den Kantonrechter kan in zeezaken of die daarmede zijn gelijk gesteld, wanneer er partijen zijn die geene vaste woonplaats hebben, en voorts in zaken wegens scheepstuig, scheepsvoor-raad, scheepsgezellen, timmeringen aan schepen, die zeilree liggen, en andere zaken die onmiddellijk voorziening bij voorraad vereischen, de dagvaarding van dag tot dag en van uur tot uur, gedaan worden,
25
378
en kan het verstek dadelijk worden verleend. Art. 312.
g 116. Op een Zondag mag geen exploit gedaan worden; wel op de overige Christelijke feestdagen «); noch vóór zeven uur 's morgens en ua acht uren 's avonds; doch de Kantonrechter, voor wien de zaak dienen moet, kan verlof verleenen dat het exploit op een ander uur geschiede. Art. 14, 15 13. R. Hoewel het niet uitdrukkelijk is voorgeschreven, schijnt men evenwel uit het bepaalde van art. 7 te mogen afleiden, dat hij die vergunning aan het hoofd van het exploit stellen moet. Vgl. § 115. Maar in welke gevallen kau dat verlof verleend worden? Voor zooveel den Zondag betreft, stelt de Wet geene beperking, doch wat de uren betreft, spreekt zij uitdrukkelijk van zaken, welke huitenyvwonen spoed veveisLhen ; terwijl wij gezien hebben, dat, ten aanzien van den termijn van dagvaarding, de Wet de uitdrukking bezigt van zaken welke spoed vereischen. Evenwel zullen deze verschillende uitdrukkingen geene moeite in de toepassing kunnen geven, daar het uit deu aard der zaak volgt, dat er geen verlof mag verleend worden dan in gevallen van dringende noodzakelijkheid. Indien de laatste dag van deu termijn, binnen welken het exploit geschieden kan, op eeu Zondag invalt, kan het des anderen daags nog gedaan worden. Art. 14. Uit art. 14 mag niet worden afgeleid dat, wanneer dc civiele terechtzitting van het Kantongerecht wordt gehouden op Zaterdag, voor die terechtzitting in eene gewone zaak ook nog zou kunnen worden gedagvaard op den daaraan voorafgaanden Maandag (vonnissen Kgt. Winschoten 6 Juli 1878, \\ . 42U2. Kgt. Maastricht 15 Jan. 18S4, . 503S).
§ 117. Een exploit, dat niet aan do voorschriften van art. 1â5, 7, 8, 10â12, l iâ10 B. Rv. in §113â 110 verklaard, voldoet, kan op de vordering des gedaagden nietig worden verklaard (art. 92).
d) Zio arrest 11. R. 8 April 1850, W. 17-18.
370
In verband met de bepaling van art. 90, dat geenerlei exploit of akte van rechtspleging kan nietig verklaard worden, indien de Wet de nietigheid van dezelve niet uitdrukkelijk heeft bevolen, heeft het ontbreken van art. 6 en 0 in art. 92 aanleiding gegeven tot moeilijkheden.
Mr. Atan* Rossem (art. 92 aant. 1) zegt echter terecht dat art. 6 in art. 02 niet behoeft te worden vermeld; wordt in strijd mot art. 6 gehandeld, dan zal dat leiden tot niet-ontvankelijkheid.
Prof. Van Boxeval Faure (II blz. 89) wijat erop, dat de niet-vermelding van art. 9 daaraan is te wijten, dat deze bepaling eerst bij de herziening na 1830 in do Wet werd opgenomen. Met het oog op het uitdrukkelijk voorschrift van art. 90 acht Z. II. G. hier nietigheid uitgesloten.
Mr. Van Rossem (art. 02 aant. 1) meent dat hij niet-nakoming van art. 0 toch nietigheid zal behooren te worden uitgesproken. Mr. Van Rossem meent dat art. 90 uitsluitend ziet op niet-nakomen van vormen en dat niet-uakomen van termijnen van zelf nietigheid medebrengt. R. 13. VI blz. 143 en de Pinto II, 1, blz. 174 zijn in den geest van Mr. v. R. Men zie over dit onderwerp ook nog li. B. VI, 31 en 93â96.
Indien de gedaagde op de dagvaarding verschijnt en de nietigheid van het exploit inroept, kan de Rechter de exceptie verwerpen, wanneer het verzuim of de overtreding ATan dien aard wordt bevonden, dat de gedaagde daardoor in zijne verdediging niet is benadeeld en alzoo geen belang heeft zich van de nietigheid te bedienen. De Rechter zal echter, ingeval van verwerping, de aanvulling van het verzuim of de verbetering der onregelmatigheden, zoo daartoe gronden zijn, ten koste van den aanlegger bevelen. Art. 94. Op dit alles bestaat slechts ééne uitzondering, namelijk, indien de nietigheid op de onbevoegdheid des Deurwaarders gegrond is, hetzij die onbevoegdheid besta ten aanzien der plaats waar.
380
hetzij ten aanzien der personen voor wie het exploit gedaan is. Deze nietigheid moet door den Rechter uitgesproken worden, zelfs wanneer de verschenen gedaagde zich er niet op beroept, om het even of er al dan niet benadeeling in de verdediging plaats hebbe. Art. 95.
Indien een exploit door toedoen van den Deurwaarder nietig verklaard is, kan de Kantonrechter hem in de kosten van het exploit verwijzen, onverminderd de schaden en interessen van de partij, naaide omstandigheden. Art. 17. Zelfs zou de Deurwaarder in zijne bediening kunnen geschorst worden. Art. 96.
§ 118. Wat betreft de openbaarheid der civiele terechtzitting, gelden dezelfde bepalingen als voor de strafzitting; ik verwijs daarvoor naar § 3V. Van de bevoegdheid hem bij art. 161 G. W. gegeven om voor bepaalde gevallen de openbaarheid uit te sluiten, zooals hij dat deed bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed, (822, 82;:!, 826 B. Rv.) maakte de wetgever ook voor het civiele geding bij de Kantongerechten geen gebruik. Laat ik er bijvoegen, dat eene behoefte aan eene dusdanige beperking zich nooit openbaarde. Het zal trouwens uit den aard der zaak wel eene buitengewone zeldzaamheid zijn, dat de openbare orde en zedelijkheid behandeling van een civiel geding met gesloten deuren wettigen.
De partijen en haar Practizijns zijn gehouden de zaak met bezadigdheid te bepleiten en in alles den eerbied in acht te nemen en te bewaren, die men aan de Justitie schuldig is. Wanneer zij zich daarin te buiten gaan, moet de Kantonrechter hun dit herinneren (art. 22 B. Rv.). Oordeelt de Kantonrechter dat de zaak tot genoegzame klaarheid gebracht is, dan kan hij zich âgenoegzaam ingelichtquot; verklaren en de pleidooien doen ophouden. (Art. 47 Regl. I).
De toehoorders moeten do terechtzittingen met ongedekten hoofde bijwonen en voorts een betamelijk ontzag en stilzwijgen bewaren; al wat de Kantonrechter
381
tot handhaving der goede orde beveelt, moet stiptelijk en terstond ten uitvoer worden gelegd. (Art. 23.)
Terwijl bij de collegiën, wanneer verstoring der orde op de terechtzitting is vergezeld geweest van belee-diging of bedreiging van een rechterlijk ambtenaar, het misdrijf terstond kan worden berecht, is dat bij het Kantongerecht niet het geval. Alhoewel het ongewijzigde art. 2G in schijn ook aan den Kantonrechter de bevoegdheid gaf om dadelijk te straffen, gaf het die in werkelijkheid niet. Volkomen terecht schreef dan ook Mr. Gueeve; âVeel eenvoudiger en vooral prac-âtischer bepaalde art. 11 C. Proc., dat de vrederechter âhet recht had, om iu geval van beleediging of âverregaande oneerbiedigheid, jegens hem gepleegd, âden schuldige te veroordeelen tot een gevangenisstraf âvan ten hoogste 3 dagen; wantin den regel zouden âdaarmede wel gestraft zijn de meestal zonder kwade âbedoelingen op de terechtzitting gemaakte standjes.quot; Ook mij zou eene eenigszins ruime bevoegdheid om wat ter terechtzitting, vooral op die voor strafzaken, misdaan wordt, terstond te berechten, zeer gewenscht toeschijnen. Men hoort wel eens aanbevelen de be-voegdheid te geven om hem, die eene overtreding pleegde, onmiddellijk voor den Hechter te leiden. Daartegen bestaan gewichtige bezwaren; maar zoude het niet uiterst gewenscht zijn van het samenzijn van Rechter en delinquent partij te trekken voor dadelijke berechting, ook al moest voor het ter terechtzitting gepleegde zijne bevoegdheid eenigszins uitgebreid worden? Men stelle zich den weldadigen invloed voor op de toeschouwers, die er bij tegenwoordig waren toen liet feit gepleegd werd, nog onder den indruk daarvan, te vernemen welke straf er op volgt.
Wordt thans tor terechtzitting een strafbaar feit gepleegd, waarvan de Rechtbank kennis neemt, dan zal de Kantonrechter, na zoo daartoe gronden zijn (art. 43, 45 S.v.) den dader te hebben doen vatten,
i il l
,1
li!
.1 !
/J
1 fit:
382
proces-verbaal a) van het voorgevallene doen opmaken en dat stuk aan den Officier van Justitie toezenden (art. 27.)
De Kantonrechter heeft echter ook de bevoegdheid om ter civiele terechtzitting gepleegde ordeverstoring disciplinair te bestraffen. âIn geval,quot; zegt art. 24, âeen âof meer personen gedurende do openbare terecht-âzitting de stilte storen of teekens van goed- of afkeuring geven, of, hetzij ter gelegenheid van de âverdediging der partijen, hetzij ter gelegenheid dat âde Rechters of het Openbaar Ministerie het woord âvoeren, hetzij bij de aanmaning of waarschuwing âvan den voorzitter, hetzij bij het uitspreken van von-ânissen of bevelschriften, op welke wijze ook, geraas âmaken of beweging verwekken, en zij, op de waarschuwing van den deurwaarder, zich niet dadelijk stil âhouden, zal hun gelast worden te vertrekken b), en âdie zich daartegen verzet zal aangehouden en terstond âin een huis van arrest in bewaring gesteld worden âvoor den tijd van 24 uren c); zij zullen aldaar ingenomen worden op vertoon van het bevelschrift âvan den Kantonrechter of voorzitter van het Collegie. âDit bevel zal op het audientieblad vermeld worden.quot;
Wanneer er geraas of beweging veroorzaakt wordt door den Deurwaarder, die op de zitting dienst doet d), dan kan de Kantonrechter hem, boven en behalve de
a) Ook wanneer een dusdanig proces-verbaal niet ia opgemaakt kan de delinquent op de gewone wijze voor do Reehtbank worden vervolgd. Ter zake van een feit waarover de Kantonrechter oordeelt, zal geen proces-verbaal worden opgemaakt.
b) iS'iet-voldoeniug aan dit bevel is strafbaar volgens art. 185 W.v.Sr.
c) Ter strafzitting kan deze inbewaringstelling slechts plaats hebben voor den duur der terechtzitting.
d) Mr. Gkeeve teekent hier aan: quot;Of werkelijk zoo'n geval zich een-quot;inaal voorgedaan heeft, is mij niet gebleken. Naar de kennis die ik heb quot;van het personeel der Deurwaarders, gedurende meer dan 30 jaren, zou 'â¢een Deurwaarder van dat gehalte, als de wet vooronderstelt, een curiositeit quot;zijn, wjiard om te kijk te worden gesteld of naar een krankzinnigen-quot;gesticht te worden overgebracht. De vraag hoe men aan die bepaling quot;gekomen is, zal misschien de geschiedenis kunnen beantwoorden, maar «waar is die geschiedenis te vinden:quot;
383
voor alle anderen gestelde straf van 24 uren opsluiting in een huis van arrest, in zijne bediening schorsen voor den tijd van niet meer dan zes weken, zonder hooger beroep. Art. 14 Regl. IV geeft wel den Kantonrechter in het algemeen een recht van schorsing voor drie maanden, ja zelfs van geheele ontzetting, (vgl. boven § 13); maar hier schijnt geen hooger straf, dan die bij art. 25 B. R. bepaald is, te mogen worden opgelegd.
§ 119. Dat do behandeling der zaak op de terechtzitting in de Nederlandsche taal geschieden moet, spreekt van zelf. De Kantonrechter als zoodanig kent geene vreemde taal. N oor zooveel noodig, kan men zich nog beroepen op het Besluit van liet Algemeen Bestuur der Vereenigdc Nederlanden van 1 December 1813, Xquot;. 25, {Sihl. X0. 3), âhoudende bepalingen betrekkelijk de titulatures van Hoven en Rechtbanken, in de Vereenigde Xedcrlanden en van de openbare Aanklagers bij dezelven,quot; dat, uitgevaardigd onder den verschen indruk onzer bevrijding van de Fransche overbeersching, in het 5dc Artikel zegt: âlietgebruik âder Fransche taal, in alle justiciëele zaken en akten, âwel uitdrukkelijk te verbieden en te gelasten, dat âdezelven alleen in de Xederduitsche Moedertaal âworden behandeld en opgesteld.quot;
Indien een der partijen die taal niet machtig of ook doofstom of tijdelijk van het gebruik barer zintuigen van gehoor of van spraak beroofd is en niet schrijven kan, zal daarin door een gemachtigde, die de taal of de teekens verstaat, kunnen worden te ge-moet gekomen. Is geen zoodanig deskundige tegenwoordig, dan is het voldoende, zoo de Kantonrechter den vreemde of gebrekkige verstaat en zich zelf voor dezen verstaanbaar maakt.
§ 120. Ten dage en ure bij de dagvaarding bepaald a) of tusschen partijen bestemd, zegt art. 99 B. Rv.
a) Een recht vtm anticipatie als den gedaagde bij de collegiën in art. 130 gegeven, ie den gedaagde bij het Kantongerecht nergens toegekend,
384
zullen zij in persoon a) of bij gemachtigde voor den Kantonrechter verschijnen. De aanlegger zal zijnen oisch en do gedaagde zijne vordering voordragen zonder beteekening van eenige schriftelijke dingtalen.
Voor kleine zaken vlug on goedkoop recht, was de gedachte, die den wetgever bezielde, toen hij het Kantongerecht instelde en de rechtspleging daar regelde. Wil eene rechtspraak goed zijn, dan moeten talrijke vormen zijn voorgeschreven. De inachtneming dier vormen â die voor een gedeelte bestaan in den oisch van schriftelijke mededeeling â vraagt tijd en geld. Zij eischt ook in het belang der rechtsgelijkheid â men stelle zich voor den rechtstrijd, waarbij talrijke vormen moeten worden in acht genomen gevoerd door der zaken niet-kundigen â verplichte vertegenwoordiging; vandaar de instelling der prokureurs, eene instelling die echter ook weder tijd en geld vraagt.
Nu de Wet den partijen bij de Kantongerechten toestond in persoon te verschijnen b) en geene geschreven dingtalen vordert, ligt daarin opgesloten haar wensch om het geding zoo weinig mogelijk vormelijk te maken, althans om het verzuimen van vormen, zoo hot slechts eenigszins mogelijk is, aan partij geen nadeel te doen toebrengen lt;â ). Die per-
en komt hem dus ook niet toe. Merkwaardig is liet zeker, dat de oorspronkelijke eisoher in geval van verzet tegen een verstekvonnis wel het recht van anticipatie heeft (art. 83). Dit is alweder een gevolg van do eigenaardige wijze, waarop de wetgever de voorschriiten voor de proceduro hij hel Kantongerecht galquot;.
a) Kene uitzondering werd gemankt voorde Koningin in art. 6, 2e lid.
Alle gedingen tegen de Koningin worden voortgezet ten name van zoodanigen gemachtigde, als Zij zal aanwijzen. Indien zoodanige gemachtigde ten beteekenden rechtsdage niet verschijnt, wordt indien daartoe termen bestaan, het verstek verleend en vonnis gewezen ten name van den Prok u reu r-G ene raai bij den Hoogen Raad.
h) Zie Over het heyinsel der Xederl. ireiyevin/j dat ieder in staat is zijne zaak hij het Kantongerecht te behandelen, Mr. A. Otdkm an in Themis 9e Jaargang 18-18, hlz. 212â224.
c) Zie in dien geest een vonnis der Rechtbank te Tiel van 2 Januari 1891 (W. 602G) vernietigend een vonnis van het Kantongerecht te Vianen van 15 Mei 1890.
3S5
soonlijkc verschijning maakt het ook noodzakelijk, dat, zal er werkelijk recht gesproken worden, do Kantonrechter zijne lijdelijkheid vaak wel eenigszins laat varen. Wanneer zij geen rechtsgeleerden bijstand hebben, zal hij den eischer vaak moeten wijzen op de middelen, die de Wet hem geeft, om zijn recht erkend te zien, den gedaagde op die, om de vordering af te weren. Bij die inmenging ook maar den schijn van partijdigheid te ontgaan zal natnurlijk uiterst gewenscht, maar ook uiterst moeilijk zijn.
Bij de collegiën moest de wetgever de vertegenwoordiging, die hij verplicht stelde, wel regelen; zoo bepaalde hij de wijze waarop de prokureur gesteld wordt (art. 133, art. 137, j''t0 138); zoo is uit verschillende artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering af te leiden dat de prokureur geen volmacht behoeft over te leggen.
Bij de vertegenwoordiging voor het Kantongerecht boude men in het oog, dat de Wet die wel toestond, maar in het geheel niet regelde, en dat men dus voor de wijze waarop men iemand tot zijn gemachtigde aanstelt, voor de overeenkomst die er dan ontstaat, en voor de wijze waarop zij eindigt, zijne toevlucht zal moeten nemen tot de bepalingen omtrent lastgeving in het B. W. opgenomen (art, !£29â1856). Men zij er met name aan indachtig, dat de Wet bij de Kantongerechten geene prokureurs kent.
Hij, die vóór het Kantongerecht voor eene partij optreedt, zal uitdrukkelijk door haar schriftelijk of mondeling moeten worden gemachtigd. De schriftelijke volmacht kan zijn notarieel of onderhandsch, doch dan behoorlijk op zegel en geregistreerd.
Do volmacht moet bepaaldelijk strekken to verschijning in rechten, al zij bet juist niet voor de aanhangige zaak. Eene volmacht om voorden lastgever, eischend of verwerend, voor alle Kantongerechten op te treden, is voldoende. Is zij niet in orde, dan behoeft de gemachtigde niet te worden toegelaten.
386
Een algemeen gevolmachtigde, zonder dat hem uitdrukkelijk het recht van substitutie is gegeven, mag niemand anders in zijne plaats doen verschijnen, gelijk terecht begrepen is door den Kantonrechter te Winschoten, bij vonnis van 25 Febr. 1853, W. 1484.
Om iemand mondeling te machtigen moet partij ter terechtzitting niet dezen verschijnen en dat aan den Kantonrechter verklaren. Mr. Greevk meende, dat na die verklaring de vertegenwoordiger behoorlijk gemachtigd is voor het geheele geding, dat de lastgever zich dan kan verwijderen, en ook wanneer meer terechtzittingen mochten noodig zijn, niet meer behoeft te verschijnen n). De juistheid dier meening wordt betwist onder âBerichtenquot; in \\ . 5'!4lt;.). Ook mij komt het voor, dat nu de Wet stilzwijgt, hij, die mondeling volmacht geeft, steeds bij de behandeling zijner zaak zal moeten tegenwoordig zijn. Niet voldoende gevolmachtigd is dus hij, die ter terechtzitting eenvoudig komt verklaren dat hij voor den gedaagde optreedt en als bewijs daarvan slechts overlegt het afschrift der dagvaarding; in anderen geest is een vonnis van het Kgt. to Berlicum van 23 Juli 1881 (W. 4703). Evenmin is behoorlijk gevolmachtigd van den eiscber, hij die ten bewijze daarvan slechts bijbrengt eene dagvaarding waarin den gedaagde is medegedeeld dat hij voor den eiscber als gemachtigde zal optreden (F. A. in W. 3187).
De vraag wie gemachtigde (lasthebber) kan zijn b), vindt hare beantwoording in het Burgerlijk Wetboek; ook eene vrouw, zelfs zonder machtiging van haren man, en een minderjarige kan dat wezen. Alhoewel er bij de Kantongerechten geene prokurenrs bestaan, is er natuurlijk geen enkel beletsel dat eene partij
a) In dicnzolldcn gcesit ook Mr. Van Kn?i-EM, hh.. 160, aaut. 2. h) Dat liet wenschelijk zou zijn do vertegenwoordiging bij dc Ivanton-gerechten lo regelen, wordt betoogd in \\ . 0349. Zie ook beschouwingen yan Mr. A. A. de Pinto in Themis, 2c vcrz., dl. X, biz. '210 vlg., en Mr. Sassen aldaar, dl. VITT, bl. 421.
387
door een prokureur wordt vertegenwoordigd, mits deze slechts behoorlijk evenals ieder ander, gevolmachtigd zij. Hetzelfde geldt voor advocaten «). Zie hierover een vonnis van het Kgt. te Assen, van 9 Nov. 1843, W. 456, alsmede ingezonden stukken in W. 738, 745, 749 en 769.
liet Arrêté van 18 therm, an XI (6 aoüt 18031, Bulletin des Lois, X'. 303, porlant quo Irs fonclions d' Huissier ct celles de Défenscur officieux sonl incompatihles, te vinden bij Fortuyn. Verz. II. 273 heeft wel eens aanleiding gegeven tot de meening dat een Deurwaarder in geen geval als gemachtigde voor een Kantongerecht zou kunnen optreden; zoo, een vonnis van liet Kgt. Rotterdam I van 5 Februari 1851, W. 1211 en een van dat te Nijmegen van 16 Juni 1875, \Vr. 3876 (bestreden in W. 3882). Een vonnis van het Kgt. te Berlicum van 14 April 1851 (medegedeeld onder Dcrichien in W. 1219), ontzegt rechtskracht aan dat arrêté, vindt bij geene wetsbepaling het optreden van den Deurwaarder als gemachtigde verboden en laat hem als zoodanig toe. Zoo is ook de praktijk en de meening van Mr. Greeve.
Een vonnis van de Rechtbank te Dordrecht, van 30 Juni 1886 (W. 5359) h) oordeelt, dat wol nergens uitdrukkelijk is verboden, dat de ter terechtzitting dienstdoende Deurwaarder tevens als gemachtigde van eene partij optreedt, doch dat de opdracht der functiën in art. 6, Reglement IV en art. 24 B. Rv. omschreven (afroeping der rol en handhaving der orde) dat stilzwijgend verbiedt. Ook Mr. Gkeeve, alhoewel aanradende om het oogluikend toe te laten, was ook van meening, dat de dienstdoende Deurwaarder niet als gemachtigde kon optreden.
a) Art. 4, al. 2 en .3 van liet reglement F ff sprak ooraproukclijk ook van advokaten bij de Kantongerechten. Hij de wijziging van 5 Dec. 1844 (Stbl. 01) verdwenen hier de Kantongerechten. Men zie ook nog R. B. D. tl, 1840 blz. '29(.gt; on .'500 en 400 en 401.
h) Zie ook vonnis Kgt. Alphen 28 Oct. 1857, W. 1981.
388
Het Dordtsche vonnis wordt, m. i. afdoende, bestroden onder Bcrichlrn in \\'. 53G2 en door een Kkhtonrechter in W. 53G3. Tusschen partij en haar gemachtigde, die ook als Deurwaarder ter terechtzitting fungeert, is eene behoorlijke overeenkomst van lastgeving gesloten, die nergens in do wet niet nietigheid wordt bedreigd, en die uit haren aard niet tegen de openbare orde is «). Lijdt do dienst ter terechtzitting onder het optreden van don dienstdoenden Deurwaarder als gemachtigde, dan kan dat eene aanleiding zijn om hem dat te verbieden, desnoods hem disciplinair te bestraffen; het kan geene aanleiding zijn om een uit haar aard volkomen geldige overeenkomst van lastgeving nietig te verklaren. Terecht liet dan ook een vonnis van bet Kgt. te Schiedam van 5 Juli 1887 (W. 5444) den dienstdoenden Deurwaarder toe als gemachtigde van een der partijen.
l'it de omstandigheid dat de gemachtigde voor het Kantongerecht niet is Prokureur, volgt dat de handelingen van een gemachtigde niet op dezelfde wijze kunnen worden ontkend als ten aanzien van de Prokureurs bij de Hoven en Rechtbanken is voor-
a) loth soortgelijks vindt men in het volgende geval.
A'an het K. li. van 14 April 18-1(), No. 50, zegt art. : 'De Rijks-quot;Advocaten in de verschillende provinciën, zullen geen praktijk ten quot;behoeve van particulieren mogen uitoefenen, noch voor dezelve optreden â¢dan alleen in burgerlijke zaken, wfiarin noch de Staat noch de Regeering quot;directclijk of indirectelijk betrokken zijn.quot; Op grond van dat Besluit, weigerde de Arrond. Rechtb. te Zutpbeu bij vonnis van 28 Dcc. 181/, Mr. J. ^l. DI' K r.Mi'KNAKK, den lateren Minister van 1». Z., toe te laten als verdediger van twee commiezen, beschuldigd van een landbouwer te hebben mishandeld. Mr. di: kkmpknaek, die bovendien schriftelijk door den Arrond.-Directeur te Zutphen was verzocht die commiezen te verdedigen, kwam van dat vonnis in hooger beroep, dat dan ook werd vernietigd bij arrest van het Prov. (iereehtshof in (lelderland van 22 Kebr. 1818. W. 911. op grond, dat het niet aan den Rechter staat den Rijks-Advokaat op grond van dat Jiesluit niet als verdediger toe te laten; maar dat de vraag, of de Rijks-Advokaat al dan niet aan de voorwaarden zijner aanstelling ten deze voldaan had, stond ter kenniBiieming van don Minister van Financiën, aan wie do uitvoering van dat Koninklijk Besluit is opgedragen.
389
geschreven bij art. 263 en vlg. B. Rv. De gemachtigde, die zijn last is te buiten gegaan, is slechts op de gewone wijze naar de algemeene beginselen van lastgeving aansprakelijk. Carre III 110 R. B. VII, 8.
Terstond nadat de zaak is uitgeroepen moet worden uitgemaakt of hij, die als gemachtigde verschijnt, behoorlijk als zoodanig is gemachtigd. Heeft de tegenpartij eenmaal daarin berust, heeft de Rechter den gemachtigde toegelaten, dan kan daarop niet meer worden teruggekomen.
Er is natuurlijk niets geen beletsel om eerst in persoon en later bij gemachtigde te verschijnen en omgekeerd (vonnis Kantongerecht Amsterdam 1, 15 April 1870 W. 3218.)
§ 121. Zijn beide partijen bij het afroepen der zaak op de terechtzitting tegenwoordig, dan worden zij tot aan het einde der zaak tegenwoordig gerekend a), mochten zij ook al op de volgende zittingen, waartoe de zaak is aangehouden, niet verschenen zijn h). Arresten H. R. 8 Oct. J84i, W. 231. R. B. IV, 3U7. VIII, 614. en 24 Mei 1850, \V. 1138, De gedaagde, tegen wien verstek is verleend, heeft echter, zoolang ten profijte daarvan het vonnis nog niet is gewezen, de bevoegdheid om ten dienenden dage alsnog in rechten te verschijnen, waardoor de gevolgen van het tegen hem verleende verstek vervallen, behalve ten aanzien van do daardoor veroorzaakte kosten, waarop art. 89 c) van toepassing is (art. 89a).
Bij niet-verschijning moet men onderscheid maken
a) Van eeue andere meening is een vonnis van het Kantongerecht te 'sGravenhage van 15 Sept. 185(3 (W. 1793) en een van de Rechtbank te Alkmaar van 18 Juli 1840 (K. E. VII, 325.)
b) Dit geldt natuurlijk ook, wanneer voor een gedaagde, die eerst in persoon kwam, later een gemachtigde verschijnt zonder behoorlijke volmacht.
c) Art. 89 luidt: quot;De kosten van liet verstek, die van het vonnis quot;daaronder begrepen, mitsgaders die, welke als het gevolg der niet-//verschijning van den defaillant kunnen worden beschouwd, komen ten quot;laste van den defaillant, ten ware het verstek verleend ware op eene quot;dagvaarding die nietig verklaard wordt.quot;
390
tusschen den eisclier en den gedaagde. Indien de eisclier ten beteekenden rechtsdage niet verschijnt, moet er, op verzoek van den gedaagde, verstek tegen hem verleend en de gedaagde van de instantie ontslagen worden, met verwijzing van den eisclier in de kosten. Art. 75 B. R.
Maar wat indien meer eiscliers dagvaarden, en ten beteekenden dage niet allen verschijnen?
De Kantonrechter te Amsterdam I beslistte bij vonnis van 22 Febr. 1871, W. 3352, dat, wanneer van meerdere curatoren in een faillissement, die hebben doen dagvaarden, slechts een verschijnt, die eene, wanneer hij opgeeft door de anderen mondeling gemachtigd te zijn, de anderen behoorlijk vertegenwoordigt.
De Arrond. Rechtbank te Amsterdam bevestigde die uitspraak en overwoog, dat het voorschrift van artikel 75 B. R. uit den aard der zaak alleen kan worden toegepast, wanneer geene eischende partij in rechten optreedt omdat in dat geval, alleen door het wegblijven dier partij een vermoeden ontstaat, dat zij haar vermeend recht niet verder wil doen gelden, doch dat, wanneer van verschillende eiscliers een of meer in rechten compareeren, de verschijnenden door hunne tegenwoordigheid doen blijken, dat zij de zaak voortzetten; en dat, waar één eisclier alzoo verschijnt, de gedaagde geen belang heeft bij het verleenen van verstek. Vonnis van 2-i Mei 1871, W. 3373, R. B D. XXII. 1872, blz. 656â658 a). Van eon ander gevoelen was de Kantonrechter in het kanton III te Amsterdam. In een geval, dat van twee eischers, verhuurders, slechts oen ten dienenden dage verscheen, verleende hij tegen beide eischers verstek en ontsloeg den gedaagde van de instantie, daarbij overwegende, dat de beide eischers, blijkens de dagvaarding, te zaïnrti zijnde eigenaren van
a) Zie eene kritiek over dit vonnis in W. 3376.
391
het door den gedaagde bewoonde perceel, en als zoodanig te zaraen ageerende tegon den gedaagde, als huurder en bewoner eener kamer van dat perceel, ook beidm in rechten moeten verschijnen, zoodat waar slechts «in hunner verschijnt, zij moeten geacht worden niet te zijn verschenen. Vonnis van 9 April 1874, R. 15. N. li. D. II. 1874, blz. 57lt;) en 577.
Trof. Vax Boneval Faure (Rv. 11 blz. 158) is van meening, dat tegen de niet-verschenen eischers verstek moet worden verleend, en dat het geding, voor wat betreft de door de anderen ingestelde vordering, kan worden voortgezet. In dien geest concludeerde ook het O. M. in de zaak, beslist bij het reeds vermelde vonnis der Rechtbank te Amsterdam van 24 Mei 1871.
Wanneer bij het uitroepen der zaak ter terechtzitting blijkt dat een der partijen niet is verschenen, beslist de Kantonrechter dadelijk over het al dan niet verleenen van verstek; over de door den eischer ingestelde vordering kan hij de uitspraak aanhouden tot eene volgende terechtzitting. Alvorens echter verstek te verleenen, moet de Kantonrechter onderzoeken, of do voorgeschreven termijnen en formaliteiten voor de dagvaarding zijn in acht genomen. Art. 76. Zoo neen, dan moet hij de nietigheid dei-dagvaarding uitspreken en den eischer of ook den Deurwaarder, door wiens schuld de nietigheid mocht veroorzaakt zijn, veroordeelen in de kosten. Art. 92, 96. Zoo ja, dan moet hij tegen den gedaagde verstek verleenen en de conclusion des eischers toewijzen, ten ware zij hem onrechtmatig of ongegrond voorkwamen. Art. 76.
De bedoeling van den wetgever met het voorschrift van art. 76 was om den eischer vrij te stellen van de verplichting om volledig bewijs te leveren, wanneer gedaagde in hot geding niet verschijnt. Daarom veranderde men de redactie van het artikel dat vroeger luidde: indien rij' den Hechter rechtmatig en wel gegrond
392
voorkomen. Men meende dat uit die woorden aou kunnen worden afgeleid de verplichting om slechts dan ook bij verstek de vordering toe te wijzen wanneer zij volledig bewezen is.
Onrfchlmaluj is eene vordering, wanneer do gestelde feiten, ook wanneer zij bewezen waren, den eischer volgens de wet Lreen reciit zouden quot;even om van den
O O O
gedaagde te vorderen, en wat hij van dezen vraagt. Oafcchlinatig doelt op het onderzoek omtrent liet recht; ongegrond op dat omtrent de feiten. Omtrent de vraag hoever dat onderzoek omtrent de feiten kan gaan, bestaat verschil van gevoelen. Vast staat, dat volledig bewijs niet gevraagd wordt. Uit de omstandigheid, dat de gedaagde de hem behoorlijk bij dagvaarding beteekende feiten niet komt tegenspreken, mag de Rechter afleiden dat ze waar zijn. Terecht maakt hij die gevolgtrekking niet, wanneer blijkt, dat de afwezige gedaagde krankzinnig is. Die gedaagde is allerminst in staat om wat bij dagvaarding gesteld wordt te beoordeelen of tegen te spreken of daarin te berusten ; uit zijn wegblijven mag dus allerminst berusting worden afgeleid. Zie arrest 11. li. 30 November 1893 W. 6443, P. v. J. 1894, 5 N. R. ('LXV, 2SG, waarbij de cassatie verworpen werd tegen een arrest van het Gerechtshof te 's Gravenhage, waarin in aansluiting met de Rechtbank bovenstaande meening werd uitgesproken. Prof. A'an Boneval Faure (II blz. 162, 163) meent, dat dan alleen aan den eischer bewijs moet worden opgelegd, wanneer een uitdrukkelijk wetsvoorschrift verbiedt gedaagdes bekentenis als bewijs aan te nemen (bijv. art. 810 1gt;. Rv.), en dus ook bij gedaagdes verschijning het bewijs niet zoude geleverd zijn. Z. H. G. wijst er echter op, dat de Rechter, wanneer er geageerd wordt uit eene acte van schenking terecht de overlegging van de acte zal bevelen, doch dat is geene bewijsoplegging, doch slechts bevel tot aanvulling van den gebrekkigen feitelijken grondslag van den eisch; iets dergelijks geldt voor
303
de overlegging van titels waarop de vordering stennt.
Intusschen achtte de H. R. bij liet laatst vermelde arrest (het gold eene echtscheiding wegens overspel) getuigenverhoor ook toelaatbaar.
Men zie hierover ook R. B. IV, 01, 412, Van dkn IIonkrt, Handb. blz. 216, De Pinto 2e ged., le stuk blz. 158; Mr. D. Bixger, De leer van hel verniel; in Themis XXXV (1874) blz. 10 vlg.; de conclusie van den Advokaat-Generaal Gregory, voorafgaande aan het vermelde arrest van den den li. R. van 30 November 1S93 en verder bij Van Kossem, art. 76, aant. 6.
Indien van meerdere gedaagden één of meer niet verschijnen, wordt de zaak ten opzichte van de verschijnenden aangehouden en tegen de niet-verschijnen-den verstek verleend. Ieder der verschenen partijen heeft het recht om dit verstek aan de niet-verschenen partijen te doen beteekenen, met oproeping van alle partijen tegen den dag waarop zij de zaak opnieuw ter rolle wil doen dienen. Voor deze oproeping moeten in acht genomen worden de voor dagvaardingen voorgeschreven termijnen. Tusschen al de partijen wordt uitspraak gedaan bij een en hetzelfde vonnis, hetwelk als een vonnis op tegenspraak gewezen wordt beschouwd en waartegen geen verzet wordt toegelaten (art. 79, gewijzigd bij de Wet van 23 December 1S86, Sibl. 230). Omtrent het ontwerp voor deze wijziging zie Mr. A. F. K. Hartogh, in W. 5218.
Aan art. 79 is voldaan zoo beteekend wordt het feit, dat verstek verleend werd; beteekening van het vonnis, waarbij dat geschiedde, is niet noodig (vonnis Rechtbank 's-Bosch, 8 Maart 1895, W. 6724).
Verschijnt bij de nieuwe oproeping een gedaagde, tegen wien reeds verstek was verleend, dan wordt, ingevolge art. 89a, het verstek opgeheven.
De Kantonrechter moet eene getrouwde vrouw, die gedagvaard werd om te verschijnen bijgestaan en gemachtigd door haar man, wanneer die man niet verschijnt, hoewel die man ook behoorlijk werd gedag-
26
I
391
vaard, ingevolge art. 800 B. Rv., machtigen a) om in rechten te staan en tegen Je vordering van den eischer zich te verdedigen.
Die van een tegenovergesteld gevoelen zijn, steunen voornamelijk op de niet-opnarae van dat artikel in Art. 125 B. 1\. Men zal echter Art. 125 enuntiatief en niet limitatief moeten opvatten. Ook art. 134 wordt daarin niet vermeld, zoodat, vatte men art. 125 limitatief op, men voor den Kantonrechter nooit een eisch zou kunnen wijzigen of verminderen. Zie een vonnis van het Kantongerecht te Voorbarg van 7 Oct. 1846, W. 749; anders een vonnis van het Kantongerecht te Breda van 22 Oct. 1S51, W. 1274.
Zoo daarentegen de vrouw wegblijft, behoeft er tegen haar geen verstek te worden verleend, omdat zij alsdan gerekend wordt tegenwoordig te zijn dooide verschijning van haar man, die volgens Art. 160 B. W. het recht heeft om haar in rechten te vertegenwoordigen; gelijk te recht begrepen is door deu Kantonrechter te Amsterdam op 24 Sept. 1850, li. B. 1851, hl. 35.
Blijven beide partijen, hetzij op den eersten, hetzij op een naderen rechtsdag afwezig, dan zal er niets gebeuren, en wanneer de zaak op de feitelijk, zij het dan ook niet wettelijk, gehouden rol mocht voorkomen, zal zij daarop worden doorgehaald. Zie § 112.
§ 122. De behandeling van het geding voor den Kantonrechter geschiedt door de partijen zelf, zonder tusschenkomst van Prokureurs, en bij mondelinge voordracht, zonder beteekening van eenige schriftelijke dingtalen. Art. 99. Dit belet evenwel niet den Rechter geschreven verdedigingen Le overhandigen, noch ook om aan de partij te beteekenen acten van protest of dienende ter bewaring van zijn recht. De Rechter heeft te beoordeelen, of deze acten noodzakelijk waren en aan de in de proceskosten veroordeelde partij
a.) Zie hierover Mr. w. F. kui.li.inck in Themis ,1e verz. Jnarg. 1877 blz. 342 vlg.
395
mogen worden in rekening gebracht, Carré I, 25. Bij art. 13 Ood. Proc. was uitdrukkelijk bepaald, dat partijen voor den Vrederechter conirudictoir, dat is in elkanders tegenwoordigheid en met vermogen van onderlinge tegenspraak moesten gehoord worden; en hoezeer deze bepaling in ons Wetboek niet voorkomt, schijnt zij nochtans een noodzakelijk vereischte eener behoorlijke rechtsbedeeling te zijn. De punten, waarover het rechtsgeding gaat, betreffen of voorloopige verzoeken en exceptiën, of incidenteele vorderingen, of rechtstreeks de hoofdzaak. Uo meesten der bepalingen, die ten deze a'oor de Arrond. Rechtbanken en Hoven zijn voorgeschreven, zijn bij art. 125 B. R. ook toepasselijk verklaard op de wijze van procedeereu voor den Kantonrechter. De in dit art. opgenoemde bepalingen zijn die, welke vervat zijn in den 3(:lcn titel opzichtelij k de voorloopige verzoeken en exceptiën (art. 141 u) art. 152â159), de wrakingen van deskundigen (art. 225â227), liet hooren van partijen (art. 237â246), de incidenteele vorderingen (art. 247â249), de reconventie (art. 250â2quot;gt;3), het schorsen en hervatten van het rechtsgeding (art. 254â262), het doen van afstand der instantie (art. 277, 278), het vervallen der instantie (art. 279â2S4) en de voeging en tus-schenkomst (art. 28;)â288); gelijk mede de bepalingen van den 9tlen titel, handelende van verzet door derden (art. 376â380), en die van den Gdeu titel van het 2de boek, handelende van het vereffenen van kosten, schaden en interessen, mitsgaders van de kosten van den processe (art. 612â615). Hier nu ontstaan twee vragen; 1°. hoe de toepassing der hier genoemde bepalingen geschieden moet? 2°. of art. 125 in een beperkten zin moet worden opgevat, dan wel of het tot andere, daarin niet opgenoemde bepalingen mag worden uitgebreid? Omtrent de eerste vraag kan nauwelijks eenige twijfel zijn, dat namelijk de toe-
â
Zie hierover de volgende §.
396
passing der opgenoemde bepalingen geschieden moet met eene zekere wijziging, te weten, voor zoover die toepassing bij de Kantongerechten mogelijk is. Al die bepalingen toch hebben betrekking op de manier van procedeeren voor de Arrondissements Rechtbanken en Hoven, die door middel van Prokureurs meestal buiten de terechtzittingen geschiedt, en die dus formaliteiten inhouden, die door de Prokureurs en voor hunne akten moeten worden in acht genomen. Deze akten worden bij de Kantongerechten vervangen door de mondelinge voordracht der partijen zelf op de terechtzittingen, en de termijnen moeten na wederzijdsch verhoor der partijen, door den Kantonrechter bepaald worden. Immers het is nauwelijks te denken, dat de wetgever, die bij de Kantongerechten eene hoogst eenvoudige procedure gewild heeft, de meening zoude gehad hebben, om ten aanzien der boven opgenoemde onderwerpen de procedure bij de Kantongerechten voor de partijen te bezwaren, door deze zelf haar zaken, buiten den Rechter om, te laten instrueeren en de voorgeschreven Prokureursakten, tot voortzetting der gedingen dienende, door formeele Deurwaarders-exploiten en dagvaardingen te doen vervangen ; zulks meent nochtans De Witt Hamer blz. 206. Wat de andere vraag betreft, zoo is er geen blijk hoegenaamd, dat de wetgever, bij de opsomming der toepasselijk verklaarde bepalingen, van meening geweest is, alle overige, die toepaslaar zijn, uit te sluiten of liever haar toepassing te verbieden. Zulk een verbod zou eene menigte leemten in de procedure voor den Kantonrechter veroorzaken «). Dan zou men niet mogen toepassen art. 134 over het wijzigen en verminderen van den eisch, (vgl. li. Bijbl. IV. 371. V. 334, 616); art. 148 en 149 over het mededeelen van stukken; art. 5S'5 en volgg. over den lijfsdwang; art. 616â619 over het stellen van zekerheid. Doch
a) Vergelijk hetgeen over dit artikel reeds iö gezegd in do vorige §.
397
een verbod tot toepassing van deze en dergelijke bepalingen bestaat er niet, en de praktijk heeft reeds sedert lang de Wet in hare juiste bedoeling opgevat en toegepast. Vgl. de Pinto B. R. 2de ged. lste stuk blz. 200.
§ 123. Maakte vroeger het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering onderscheid tusschen exceptieve verweringen «) en verweringen van anderen aard, en tusschen de exceptieve verweringen onderling, dat onderscheid verviel door de Wet Hartogh. Werd vroeger de exceptieve verwering vaak van die over de hoofdzaak afgescheiden, en moest de Rechter over de exceptieve verwering eene beslissing geven, alvorens met de hoofdzaak kon worden voortgegaan (art. 1G1 oud); thans geeft art. 141, 2e lid, eene geheel andere bepaling. De eischer is nu gehouden alle exceptiën en zijn antwoord ten principale, tegelijk voor te dragen op strafte van verval dor niet voorgedragen exceptiën, en indien niet ten principale is geantwoord van het recht om dat te doen. Una aclu 1) de geheele verdediging, zie daar het stelsel der Wet. Dat stelsel maakt het onmogelijk, door het steeds opwerpen van exceptiën en door den strijd daarover in alle instantiën
a) Reeds dadelijk zij hier aangestipt dat de Wet thans, evenmin als vroeger, eene definitie geeft van het begrip exceptie De beslissing of iets eene exceptie is, wat met het oog op den bewijslast en met het oog op de bevoegdheid om het ook nog na liet antwoord voor te dragen van gewicht kan zijn, wordt nu als vroeger overgelaten aan de wetenschap; daarbij zal art. 159 le lid (oud) en 1G(J (oud) niet uit het oog moeten worden verloren (Mrs. Hartouh en Cowman art. 141 aant. 3 en bladzijde 86 aant. 1). Uitdrukkelijk spreekt de Wet nog van eene exceptie van nietigheid van dagvaarding in art. 94, van eene exceptie van onbevoegdheid in art. lóG en van eene exceptie van te verkeeren in termeu van beraad in art. 411.
h) Ken amendement om toe te laten op te werpen de exceptie van onbevoegdheid vóór alle andere weren en exception, werd met groote meerderheid verworpen. Dientengevolge zal hij, die zich bepaalt tot het opwerpen der exceptie van onbevoegdheid, wanneer de Rechter haar verwerpt, geene andere exceptie meer kunnen voordragen en zich ook niet ten principale kunnen verdedigen.
398
voort te zetten, den tegenstander af te matten, liet heeft ook zijne nadeelen: hij, die niet volstrekt zeker is dat de Hechter de opgeworpen exceptie als juist zal erkennen, zal zich, wellicht geheel nutteloos, de moeite moeten getroosten om alle zijne overige excep-tiën en ook zijne verdediging ten principale voor te stellen. Door de aanneming van dat stelsel konden vervallen a) de regeling, in de derde afdeeling van den derden titel van het eerste boek getroffen, omtrent het tijdstip waarop eene bepaalde exceptie kan worden voorgedragen en de verplichting van den Rechter om daarover vaak eene afzonderlijke beslissing te geven. De strijd of eene exceptie tot deze dan wel tot gene groep behoort, heeft thans zijn gewicht verloren. Zie ook H. it C. blz. GO.
Uit het 2e lid van art. 141 volgt volstrekt niet, dat men zijne geheele verdediging ten principale bij het antwoord moet voordragen. Heeft de gedaagde bij het antwoord slechts eene enkele verwering ten principale aangevoerd, dan kan hij, wanneer de eischer van repliek dient, bij dupliek die verwering aanvullen met andere middelen, mits eene verdediging ten principale en niet van exceptieven aard opleverend. Toch kan het gevaarlijk zijn bij het antwoord niet de geheele verdediging ten principale aan te voeren; repliceert de eischer niet, dan zal er geene gelegenheid bestaan om haar aan te vullen.
Op de verplichting om bij het antwoord alle exceptiën voor te dragen en verdediging ten principale
a) Ook had kunnen vervallen art. 154, luidende: die voor eenen Rechter geroepen is, welke onbevoegd is om van kef geschil kennis ie nemen, zal mogen vorderen dat de Rechter zich onbevoegd verJclare. ])ie bepaling was reeds overbodig in het systeem van den wetgever van 1838. ])e reden waarom men haar handhaafde, was de vrees van door hare intrekking voedsel te geven aan onjuiste gevolgtrekkingen (H. en C. blz. 87 aant. 3). Art. 155 kon en moest vervullen. Uit dat vervallen kon men niet de onjuiste gevolgtrekking maken, dat nu de gedaagde niet meer zou hebben de exeeptio incompetentiac ratione personae. Daaruit valt enkel af te leiden, dat ook deze exceptie gelijktijdig met het antwoord moet worden voorgedragen.
399
te voeren, bestaat ééne uitzondering: erfgenamen, weduwen en vrouwen, hetzij uit den echt, hetzij van tafel en bed of van goederen gescheiden, die in termen van beraad zijn, kunnen hunne verdediging tot een beroep daarop bepalen (art. 141, 3° lid).
Vóór het antwoord moeten worden gedaan: het verzoek tot oproeping in vrijwaring, (art. 68); het verzoek tot het stellen door den vreemdeling-eischer van zekerheid voor de kosten (art. 152); het verzoek tot verwijzing naar een anderen Hechter of naar scheidsmannen (art. 158); het verzoek tot voeging der zaak bij eene andere, bij denzelfden Rechter aanhangig (art. 159). Mrs. I I artogh en Cosmax (blz. 00) beschouwen dit echter niet als uitzonderingen op de verplichting tot de samenvoeging van alle exception bij het antwoord. â/ij betreffen,quot; zeggen Mrs. 11. en C., âveeleer âeen voorloopig verzoek, of om een term aan de straf-âvordering te ontleenen, een soort van praejudicieel âgeschil, betreffende de regeling van de procesorde, âals in artt. 158 en 159, of zich oplossende in de âvraag of het geding, geheel afgezien van strekking âen inhoud, kan worden voortgezet als in art. 152 âRv., of beoogende een derde in het te voeren geding âte betrekken, als bij het verzoek tot oproeping in âvrijwaring.quot;
Eene uitzondering op den regel: alle e.eceplicn in mis geeft nog art. G8: wordt er een verzoek tot oproeping in vrijwaring gedaan, dat slechts vóór het antwoord kan geschieden, dan kan slechts daarbij de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen worden; gebeurt dat niet, dan wordt de exceptie voor gedekt gehouden, tenzij de Rechter onbevoegd is uit hoofde van het onderwerp des geschils. Door het doen der andere voorloopige verzoeken in de vorige alinea ge-genoemd, verliest men niet het recht om bij het antwoord met andere exception ook die van onbevoegdheid op te werpen.
De opmerking ligt voor de hand dat art. 141 voor-
400
komt in den titel regelende het geding bij de colle-giën, dat nergens die bepaling wordt toepasselijk verklaard a) bij liet Kantongerecht, en dat evenmin ergens eene soortgelijke bepaling voor het Kantongerecht wordt gegeven. Die opmerking is juist. Ongetwijfeld is het echter de bedoeling geweest, dat ook bij het Kantongerecht de verwering zou zijn uno aclu ; er is ook geene enkele reden denkbaar waarom voor het Kantongerecht hier andere regelen zouden gelden dan bij de collegiën. Daarenboven, al ontbreekt eene uitdrukkelijke bepaling als art. 141, 2e lid, art. 99 zegt dat de gedaagde zijne vcrd'-dujing zal voordragen. Zijne verdediging kan eigenlijk, nu vervielen de bepalingen regelende in welke orde de verschillende verdedigingsmiddelen moeten worden aangewend en door den rechter beoordeeld, niet anders beteekenen dan zijne gchccle verdediging. De gesplitste verdediging vond toch eigenlijk haar oorsprong in de vroegere artikelen 155, 159, 160 en 161. Nu deze vervielen, verviel ook de gesplitste verdediging; allerminst verzetten zich de woorden van art. 99 tegen eene analogische toepassing van een groot beginsel van den wetgever van 1890: de geheele verdediging in eens. Daarenboven art. 125 verklaart uitdrukkelijk van toepassing bij de Kantongerechten de bepalingen, voor de collegiën gegeven, omtrent de voorloopige verzoeken en exceptiën; wel had de wetgever van 1S38 daarbij slechts op het oog de bepalingen van de derde afdee-ling van den derden titel, dit belet echter niet dat, nu de bepalingen omtrent de exception worden gevonden in de 2c en 3° alinea van art. 141, die alinea's ook van toepassing zijn bij het Kantongerecht.
a) Eigenaardig is het zeker, dat bij hel Kantongerecht de procedure bij het incident veel vollediger is geregeld dan die van de hoofdzaak. Zie hierna § 125. Dat de wetgever, waar mogelijk, de incidenteele procedure bij het Kantongerecht eenvormig regelde met die omtrent de hoofdzaak bij de collegiën, is, dunkt me, eene reden te meer om, waar mogelijk, eenvormigheid der procedure omtrent de hoofdzaak bij het Kantongerecht en de collegiën aan te nemen.
401
En gesteld eens, men acht het beginsel van art. 141 noch bij analogie noch krachtens art. 125 toepasselijk, dan zal wel lt;le verweerder, wanneer de eischer repliceert, na het antwoord nog nieuwe excep-tiën kunnen opwerpen, doch daar nergens den Kantonrechter de bevoegdheid wordt gegeven om daarover eene afzonderlijke beslissing te geven, zal hij bij één vonnis èn over de hoofdzaak èn over de exceptiën beslissen. Heeft de verweerder zich bepaald tot het opwerpen van exceptiën en repliceert de eischer niet, dan zal de Kantonrechter, terwijl de gedaagde zich niet op de hoofdzaak verdedigde, bij één vonnis daarover en over de exceptien beslissen.
In het v. v. der Eerste Kamer over de wet Har-togh werd, naar aanleiding van het beginsel van art. 141: de geherle vcrdrdigimj in eens, de vraag gedaan of de gedaagde bevoegd blijft om in eiken stand van het geding, overeenkomstig art. 1988 B. W., de exceptie van verjaring voor te dragen. Mrs. H. en C. (blz. 01 en 62) betwijfelen of een beroep op verjaring is een exceptief verweermiddel, met een beroep op 348 (oud) B. Rv. Is het dit echter wel, dan, zeggen zij, geldt de regel le.c speciali* derogat genera li en blijft dus art. 1988 15. W. van kracht naast art. 141 B. Rv.
Nu liet afzonderlijk geding over de exceptie verviel. kan hier eene verdere bespreking van hunne verdeeling en van de exceptiën a) zeiven achterwege blijven.
§ 124. De voorschriften omtrent de overlegging van stukken, luiden sints 1896:
Art. 147: De partij, die zich bij conclusie op eenig stuk beroept, is verplicht daarvan, tegelijk met bet afschrift barer conclusie, afschrift te geven, tenzij zulks reeds bij de dagvaarding geschied is, of de prokureur der wederpartij verklaart geen afschrift te verlangen. Bovendien is zij verplicht, indien de
a) Do exceptie van onbevoegdheid besprak ik reed» hiervoor blz. 306.
402
wederpartij bij akte van prokureur tot prokureur verklaart inzage te verlangen van het stuk zelf, dit, hetzij ter Griffie neder te leggen, hetzij tegen recepis aan den prokureur der wederpartij over te geven.
Indien eene partij, nadat de dag voor hot houden der pleidooien bepaald is, nog eenig stuk in het geding wenscht te brengen, geschiedt dit door mede-deeling van afschrift aan den prokureur der wederpartij met gelijktijdige nederlegging van het stuk ter Griffie, of overgifte daarvan tegen recepis.
Indien ten aanzien van eenig stuk aan eenig voorschrift van dit artikel niet is voldaan, of zóó laat, dat de wederpartij dientengevolge buiten staat is, daarop voldoende te antwoorden, zal zij alleen bij de pleidooien zich op die omstandigheid kunnen beroepen. De Rechter zal alsdan zoodanig stuk ter zijde kunnen leggen en daarmede bij zijne beslissing geene rekening behoeven te houden.
De stukken zullen ongezegeld en ongeregistreerd ter Griffie nedergelegd kunnen worden.
Art. 148: De stukken moeten worden teruggegeven binnen acht dagen na dagteekening van het recepis of van de kennisgeving aan de wederpartij, dat de stukken ter Griffie zijn nedergelegd.
Art. 149: Indien de stukken niet zijn teruggegeven binnen dien termijn, zal de gebrekige bij een bevelschrift van den president daartoe worden genoodzaakt, zelfs bij lijfsdwang, onverminderd vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.
l it deze artikelen is duidelijk te zien dat zij geschreven zijn voor de Collegiën en niet voor de Kantongerechten. Ook wordt in art. 125 geen gewag gemaakt van die artikelen. Doch namen Mrs. Van der Kemp en Greeve aan dat de artikelen 148â150 (oud), waarvoor de artikelen 147â149 in de plaats traden, ook golden voor de Kantongerechten. Ook Trof. Van Bonevai. Fauke (IV, 1 blz. 230) achtte met het oog op art. 1925 B. W. analogische toepassing
403
der artikelen bij het Kantongerecht geoorloofd. De bevoegdheid om ook in het geding bij den Kantonrechter vertooning van het oorspronkelijk stuk te vorderen (art. 1925 B. W.), gevoegd bij het gebrek aan regeling, schijnt mij ook thans nog te pleiten voor analogische toepassing der nieuwe artikelen.
Voor akte van prokureur tot prokureur zal bij de Kantongerechten in de plaats treden mondeling verzoek ter terechtzitting, terwijl de overgifte tegen recepis aan de partij zelve of haar gemachtigde zal plaats hebben.
De bijzondere macht den President der Rechtbank in art. 149 toegekend, schijnt echter, bij gebreke van een uitdrukkelijk voorschrift, den Kantonrechter niet toe te komen. Zie ook v. B. F. IV, 1 blz. 233.
Waar bij de Kantongerechten geene schriftelijke con-clusiën behoeven te worden genomen, allerminst een afschrift daarvan aan de tegenpartij behoeft te worden gegeven, zal daar ook geene verplichting bestaan om haar een afschrift te geven van het stuk waarop een beroep gedaan wordt.
Vóór de wet Hartogh gaf het verzoek tot mede-deeling van stukken aanleiding tot een incident. Die wet stelde daarvoor in de plaats verplichting om het stuk zelf, waarop men zich beroept, hetzij ter Griffie neder te leggen, hetzij aan de tegenpartij over te reiken indien deze inzage daarvan verlangt.
De wet laat aan partijen de vrijheid om gedurende den geheelen loop van het geding vrijwillig stukken bij te brengen. Ten einde echter te zorgen dat dit tijdig geschiedt, gaf zij den Rechter de bevoegdheid om, wanneer dit zoo laat gebeurt dat de tegenpartij daarop niet behoorlijk kan antwoorden, het ter zijde te leggen. Dezelfde bevoegdheid heeft de Rechter wanneer niet behoorlijk voldaan wordt aan een verzoek tot mededeeling van stukken. Ten einde te voorkomen dat hieruit een incident ontstaat, gaf de wet bij onregelmatige of tardieve productie het recht
404
om zich daarover uit te laten slechts bij pleidooien.
De in art. 147 gegeven vrijheid om de stukken on-gezegeld en ongeregistreerd ter Griffie neder te leggen, laat natuurlijk daarnaast van kracht blijvén voorschriften der zegelwet, die den Rechter verbieden recht te doen op ongezegelde en ongeregistreerde stukken (Mrs. H. en C. blz. 85). Maakt de Rechter er dus gebruik van in zijn vonnis, dan zal eerst aan die formaliteiten moeten zijn voldaan.
§ 125. Incidonteele vorderingen worden ten dienenden dage ter audientie gedaan bij gemotiveerde conclusie. Het verweren en voldingen heeft bij eene incidenteele vordering op dezelfde wijze plaats als bij de hoofdzaak «), behoudens dat conclusiën van repliek en dupliek slechts geoorloofd zijn, wanneer de Rechter die op eenparig verzoek van partijen toelaat, (art. 247, 141, 143, 144 en 147 tot en met 149).
Als regel geldt, dat de incidenteele vorderingen zooveel mogelijk in eens moeten worden gedaan. De kosten van die, welke naderhand worden gedaan en waarvan de oorzaken reeds te gelijkertijd met de vroegere bestonden, mogen niet worden teruggevorderd (art. 248).
De incidenteele vorderingen zullen eerst en vooraf worden uitgewezen, indien de zaak het medebrengt. Voor zooveel de zaak liet toelaat, zal de Rechter bij de beslissing op het incident tevens den dag bepalen, waarop de zaak weder ter rolle h) zal worden opgeroepen (art. 240, lc en 2t' lid). Mrs. IIartouh en ( 'osman (blz. 115 en 116) teekenen bij dit artikel aan dat het beginsel, dat de Rechter bepaalt wanneer de zaak weder ter terechtzitting zal dienen, waardoor vervalt
a) J)e regelin»; van het incident bij het Kantongerecht is veel vollediger dan die voor de hoofdzaak, met name geldt dit voor de mededeelin^ van stukken en voor de exception. Deze volledige regeling is toevallig tot stand gekomen doordat zij voor de collegicn thans in opgenomen in art. 24 7 en art. 125 naar art. 247â240 verwijet.
b) Zie over de beteekenis van fer rolle § 134.
405
het sommeeren bij Deurwaarder's-exploit, hier niet zoo algemeen als in art. 19 en in andere artikelen wordt voorgeschreven. Er zijn toch gevallen, waarin voor eene dagbepaling geene plaats is. Zoo bijv. indien de Rechter, oordeelende dat er geen grond aanwezig is om de iucidenteele Vordering vóóraf uit te wijzen, bij zijn vonnis, gelijk de aanhef van het artikel toestaat, tevens de zaak zelve beslist.
Beteekening van het vonnis op het incident gewezen, behoeft nooit plaats te hebben, tenzij tot verhaal van geldelijke verplichtingen, welke de wederpartij krachtens hetzelve heeft te vervullen. Dat volgt, voor zooveel betreft de interlocutoire en praeparatoire vonnissen, uit-art. 66 en overigens uit het ontbreken van eenig artikel dat die beteekening voorschrijft (Mrs. H. en C. blz. 19 en 20).
Wat onder eene incidenteele vordering wordt verstaan zegt de wetgever nergens. Men boude in het oog, dat de wetgever niet wil een incidenteel vonnis over eene opgeworpen exceptie, doch dat de beslissing daarover gelijktijdig moet geschieden met die aver de hoofdzaak.
Na in § 126 de wraking te hebben behandeld, wijd ik § 127â131 aan wat men voorloopige verzoeken kan noemen; grootendeels volg ik verder de orde hier vroeger in acht genomen; die orde laat m. i. wel te wenschen over; maar hier eene volgorde te nemen, die niet te wenschen overlaat, is m. i. onmogelijk,
§ 126. De beide partijen, ten dienende dage en ure verschenen zijnde, mogen den Kantonrechter wrakena) om redenen bepaald bij art. 30 B. R. Die redenen zijn elf in getal, namelijk degenen, die hiervoor in § 42 voor de strafzaken zijn opgegeven, met dien verstande evenwel, dat hetgeen daar van's Rechters betrekking
a) Men zio over het wrakingsproces voor den Kantonrechter Mr. J. van der Leeuw in N. Bijdr. jg. 18öl dl. XI, blz. 367.
40G
tot den beklaagde gezegd is, hiervan zijne betrekking tot eene der partijen moet worden opgevat, en dat hier ook de wederkeerige betrekking van eene der partijen als vermoedelijke erfgenaam des Rechters voor reden van wraking wordt opgenoemd. De twee overige redenen zijn 1° indien de Kantonrechter, zijne vrouw, hunne bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie, een verschil over een gelijksoortig onderwerp hebben, als hetwelk tusschen de partijen in geschil is; en 2° indien de Kantonrechter is bewindvoerder van eenige stichting, maatschappij of lichaam van bestuur, welke partij in de zaak is. De redenen om welke de Kantonrechter kan gewraakt worden, zijn toepasselijk op den Griffier, zegt artikel 32.
De partij, die eene wraking wil doen, moet, op straffe van verlies van haar recht daartoe, zulks vóór of in den aanvang van het rechtsgeding doen, alvorens zich over de zaak zelve uit te laten; ontstaat de reden van wraking later, dan kan zij ook later geschieden. Art. 33. Daartoe moet zij eene akte van wraking, door haar zelf of door een bijzonderen en bij authentieke akte gemachtigden persoon geteekend, en inhoudende al de redenen van wraking, den Griffier ter hand stellen, die, na een bewijs van ontvangst daarvan gegeven te hebben, haar onmiddellijk aan den gewraakten Rechter mededeelt, waarop deze de kennisneming der zaak tot eene nadere zitting uitstelt, om, naar gelang van den uitslag der wraking, alsdan de zaak óf zelf te behandelen óf door een plaatsvervanger te doen behandelen. Art. 33, 37. De gewraakte Rechter moet voorts binnen twee dagen onder de akte eene schriftelijke verklaring stellen, houdende óf berusting in de wraking, óf weigering om zich van de kennisneming der zaak te onthouden, met zijn antwoord op de middelen in de akte uitgedrukt. Art. 34. Berust hij, dan moet hij zich van de zaak onthouden. Art. 35. Maar indien hij heeft verklaard in
407
lt;le voorgestelde wraking uiet te berusten a), dan moet de Griffier, ter begeerte van de eerstgereede partij h), de akte van wraking met de verklaring des gewraakten, zenden aan den Officier van Justitie bij de Arrondissements-Recbtbank, waaronder het Kan-tongerecbt behoort, ten einde daarover door de Rechtbank beslist worde. Art. 40. Deze beslissing, die «looiden Griffier der Rechtbank aan dien van het Kantongerecht behoort te worden toegezonden, is in geen geval aan liooger beroep, revisie of cassatie onderworpen. Art. 42. De boete, vroeger bepaald bij art. 43, voor den eischer, die in zake van wraking werd in het ongelijk gesteld, is afgeschaft bij de Wet van 3 April 18ü9 {blbl. N0. 55), âhoudende afschaffing van eenige bepalingen van het Wetboek van B. R. over judicieele boeten en schadeloosstellingen.quot;
Indien de wraking is toegelaten, dan moet een plaatsvervanger van de zaak kennis nemen op de terechtzitting tot welke de zaak door den kantonrechter was uitgesteld, en zal het weer de Griffier zijn die hem, keimis gevende van de wraking van den Kantonrechter, daartoe oproej^t. Zoo ook de plaatsvervangers van den Kantonrechter van het geschil geen kennis kunnen nemen, of er voor het oogenblik geen plaatsvervanger is, moet de meest gereede partij zich tot de Rechtbank wenden met het verzoek om een anderen Kantonrechter binnen haar rechtsgebied tot beslissing der zaak aan te wijzen art. 41.
Kunnen partijen den Rechter wraken om bepaalde redenen in art. 30 opgenoemd, hij zelf kan zich ook verschoonen; hij is daarbij niet door art. 30 gebonden,
:Hll
a) Dc meening, dut opzending der akte naar do Rechtbank alleen behoeft te geseliieden wanneer de Kantonrechter heeft verklaard in de wraking niet te berusten, wordt nitgesproken in een vonnis der Rechtbank te Amersfoort van '25 Feb. IStil, \V. 227 7 en in Ujtm. en Med. d. XIV, blz. 37 vlg.
S) Onder partij kan hier slechts verstaan worden eene gedingvoerende partij, niQt de Kantonrechter. Vonnis Rechtbank Leeuwarden 26 Oct. 18-12, \V. 357.
408
doch kan dat ook om andere billijke redenen doen, evenals zulks in het Wetboek van Strafvordering (art. 320) uitdrukkelijk is bepaald (arrest H. R. 18 Oct. 1872 W. 3519 R. d. CII § 9). Eigenlijk is de verschooning in de wet niet geregeld, doch in art. 31 en 41 wordt de bevoegdheid daartoe erkend. Ten onrechte wordt uit artikel 31 afgeleid, dat de Kantonrechter zich niet zou mogen verschoonen. liet artikel had beter kunnen zijn gesteld. Zijne bedoeling is echter klaarblijkelijk om de verplichting te scheppen voor den tot een collegie behoorenden Rechter, wanneer hij weet dat er eene reden van wraking tegen hem bestaat, die te brengen ter kennis van zijn collegie. Die verplichting kon men natuurlijk den alleensprekenden Rechter niet stellen. Intusschen zal deze wel een plaatsvervanger laten zitten, wanneer hij om eenige reden het beter acht niet over de zaak te oordeelen. Eerst wanneer ook zijne plaatsvervangers zich verschoonen, zal er eene akte van moeten worden opgemaakt en de meest gereede partij overeenkomstig art. 41 zich wenden tot de Rechtbank.
§ 127. Alle vreemdelingen, eiscbers zijnde, of in eene aangelegde rechtszaak zich voegende, of tusschenko-mende, zijn gehouden ten verzoeke van de wederpartij, alvorens deze eenige weren van rechten of tegenzeggen behoeft te doen, zekerheid te stellen voor de betaling der kosten en der schaden en interessen, in welke zij zouden kunnen verwezen worden.
De partij, welke het stellen van zekerheid verzoekt, wordt niet geacht daardoor de bevoegdheid van den Rechter te hebben erkend (art. 152).
De vraag of iemand al dan niet vreemdeling is, moet worden beoordeeld naar de wet van 12 December 1892 {Sthl. 208) op het Scdcrlandcrschap en hel ingezetenschap).
Is de vreemdeling na de cautiestelling of Nederlander geworden, of met Nederlanders gelijk gesteld, dan zal er van eene verhooging der cautie in die in-
409
stantie, noch van het stellen van cautie of van het verhoogen der zekerheidsstelling appèl sprake kunnen zijn. Rechtbank Amsterdam 2 Juli 1861. W. 2302; Arrest Prov. Gerechtshof van Noord-Holland, 26 Juni 1862, W. 2447, liechtsgl. Adv. VII, bl. 129â131; anders Kgt. Winschoten 12 Januari 1855, W. 1618.
Algemeen wordt aangenomen, dat een vreemdeling in Nederland door een vreemdeling in rechten geroepen, kan vorderen, dat deze zekerheid stelle. Het burgerlijk recht toch is hetzelfde voor vreemdelingen als voor Nederlanders, zoolang de wet niet bepaaldelijk het tegendeel vaststelt (art. 9 A. B.); Regtsgel. Adv. D. I. bl. 12'.)â131; vonnis Rechtb. 's-Hertogenbosch 4 Nov. 1893, W. 6129 en Van Rossem art. 152, N\5.
Omtrent de vraag of de gedaagde vreemdeling, eisch-doende in reconventie, verplicht is zekerheid te stellen loopen de gevoelens uiteen. Zij, die haar toestemmend beantwoorden, gronden zich daarop dat de eischer in reconventie in ieder geval is eischer. Zij, die haar ontkennend beantwoorden, zien in de verplichting tot zekerheidsstelling slechts eene bescherming tegen den vreemdeling, die den rechtstrijd begint, wat natuurlijk niet kan gezegd worden van den reconveationeelen eischer. Terwijl ik mij eerder met de laatste meening kan vereenigen, schijnt mij in alle geval juist toe het vonnis der Rechtbank te Amsterdam van 21 December 1894 (P. v. J. 1895, 63) a). Tegen een vreemdeling was eene vordering ingesteld tot van waarde verklaring van een beslag. Reconventioneel vroeg de vreemdeling opheffing daarvan. De Rechtbank overwoog, dat, wanneer de reconventioneele vordering zoo onverbreekbaar verband houdt met die in conventie als hier het geval is, de vreemdeling, die haar in reconventie instelt, zeer zeker niet gehouden is zekerheid te stellen. Men zie hierover laatstelijk een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam
a) Zio hierover ook Van Rossem art. 152, aant. ló.
27
410
van 6 Mei 1892, W. 622S, en een van die te Groningen van 15 Dec. 1893, 1'. v. J. 1894, 27 en vorder de jurisprudentie bij Van Ross km op art. 152, aant. 21. Men zie ook o. a. Mr. v. B. F. Ill blz. 103, Rechtsgel. Adv. VI, 171, Themh serie I dl. V, blz. 435.
Een vreemdeling, die in verzet komt tegen een tegen hem bij verstek gewezen vonnis, behoeft geen zekerheid te stellen. De vreemdeling, zoo overweegt het vonnis der Rechtbank te Amsterdam van 6 Mei 1892, W, 6228, die gedaagde is krachtens de oorspronkelijke dagvaarding, behoudt die hoedanigheid ondanks het verzet; dat verzet toch is niets anders dan eene, zij 't ook later voorgedragen, verwering tegen den oor-spronkelijken eisch. Zie ook R. B. V, 789.
Ten bewijze dat de richting in de rechtspraak is, dat voor de toepassing van art, 152 de oorspronkelijke eischer steeds eischer blijft a), verwijs ik naar Van Rossem aant. 9 op art. 152, en dat als eischer moet beschouwd worden hij die dat feitelijk is, aldaar naar aant. 24. In laatstgenoemden geest is ook het arrest van den H. R. van 18 Oct. 1894, W 6569, P. v. J. 1894, 87.
Wanneer de gedaagde beweert dat de eischer is vreemdeling, rust volstrekt niet altijd op den gedaagde de last om dat te bewijzen. Het kan doordat eischer in het buitenland woont aannemelijk zijn, dat hij is vreemdeling; hij zal dan te bewijzen hebben dat hij is Nederlander. Woont de vreemdeling hier te lande, dan zal de gedaagde hebben te bewijzen dat eischer zich uit het buitenland hier vestigde; eischer zal daar bijv. dan tegen aan kunnen voeren, dat hij is genaturaliseerd. Men zie hierover Mr. v. B. F., B. Rv. III blz. 110 vlg. Vonnissen Rechtbank Amsterdam 19 Nov. 1868, W. 3096, 7 Jan. 1869, W. 3124, 15 April 1890, P. v. J. 1890, 100, Utrecht 4 Mei 1892 W. 6194.
a) Zie ook R. d. XI, 12ü.
411
Het Prov. Gerechtsh. van Gelderland, besliste bij arresten van 10 Juli 1844, W. quot;gt;25 en 16 Jan. 1856, W. 1742, dat ook de eischer-vreemdeling, die toegelaten is om kosteloos te procedeeren, tot het stellen van zekerheid kan worden veroordeeld, omdat, wanneer hij zijne zaak verliest, zulks hem niet vrijstelt van de verplichting om aan zijne wederpartij de door -i.ar gemaakte proceskosten te vergoeden. Art. 87' B. R. In dien geest ook v. B. F., B. H., d. Ill, lu4.
Mr. Gbeeve teekende bij die arresten aan: âHet âbillijke en juiste dezer beslissing ligt voor de hand, âterwijl hare toepassing een uitnemend middel is, âom een lichtvaardig uitgereikt bewijs van onver-âmogen zooveel mogelijk onschadelijk te maken voor âden gedaagde, voor het geval niet aanstonds volkomen âvan de ongegrondheid van des verzoekers beweren âblijken mocht.quot;
Dat het arrest overeenkomstig de Wet is, stem ik gaarne toe, maar de verdediging van de Wet zelve, vind ik allerbedenkelijkst. Zou dan het uitnemend middel van Mr. Gkeeve ook niet het middel kunnen zijn om een volkomen terecht verleend verlof om kosteloos te procedeeren, geheel en al onbruikbaar te maken? Me dunkt, tegen het gevaar, dat Mr. Gkeeve ducht, is maar een middel: meer afdoende waarborgen dat verlof om kosteloos te procedeeren niet lichtvaardig worde verleend.
Gevestigd is de rechtspraak dat verzoek tot zekerheidstelling in eiken stand van het geding kan worden gedaan. Zie laatstelijk vonnis Rechtbank Utrecht 8 Oct. 1890, P. v. J. 1890, 90 en Van Rossem art. 152 aant. 8. In dien geest is ook v. B. F. III blz. 109.
Het vonnis, waarbij het stellen van zekerheid bevolen wordt, moet do som uitdrukken tot het beloop waarvan de zekerheid moet gesteld worden.
De zekerheid kan volgens het goedvinden van de
412
partij, die haar stellen moet, verstrekt worden: hetzij door het stellen van een borg, die zich voor die som verbindt, hetzij door het consigneeren van die som, hetzij door het toestaan eener hypothecaire inschrijving op goederen in de Nederlanden gelegen en voldoende om de vastgestelde som daarop te kunnen verhalen. Zóódanig moet art. 153 B. R. worden verklaard, hoewel het eigenlijk zegt, dat hij die zekerheid heeft gesteld, ontslagen zal worden van het stellen van zekerheid a).
De consignatie, waarvan hier sprake is, geschiedt als elke gerechtelijke consignatie bij den ontvanger der Registratie (Wet 28 Nivose Xill, Foktuijn Tl, 330, K. B. 1 Dec. 1843, n0. 45.)
Wanneer de eischende vreemdeling in gebreke blijft de zekerheid te stellen, waartoe hij bij vonnis is veroordeeld, behoeft de gedaagde geencrlei weren van rechten of tegenzeggen te doen. De eischer zal dus geen verzoek tot voortzetting der zaak kunnen doen, zoolang hij geene zekerheid heeft gesteld. Zie hierover Van Rossem ad art. 152aant. 14; ook vonnis Kgt. Groningen 10 Juli 1888, W. 5598. Het stellen van zekerheid na het verstrijken van den daartoe verleenden termijn heeft niet tengevolge, dat de eischer in zijne vordering is niet-ontvankelijk (Rechtsgeleerde Adviezen XI, 1)1/,. 129.)
§ 128. Uit de plaatsing van de artikelen omtrent vrijwaring in den Titel âAhjcmeene bepalingenquot; volgt, nu geene bijzondere voorschriften daaromtrent voor de Kantongerechten gegeven zijn, dat ook die artikelen daar van toepassing zijn (v. B. F. Ill, blz. .99).
De eenvoudigere rechtspleging bij de Kantongerechten maakt het intusschen noodig, art. 08, 1quot;, 2e en 3e alinea, daar te lezen ongeveer als volgt:
Indien de verweerder vermeent gronden te hebben om iemand in vrijwaring h) op te roepen en hij die
a) Zie hierover ook Mr. Van Ro?sem aunt. 22 op art. 152.
b) In deze § is slechts sprake van de eenvoudige vrijwaring, d. i. het waarborgen in een aanhangig geding van de eene partij tegen de gevolgen
413
oproeping niet heeft gedaan vóór den dag waarop de zaak heeft moeten dienen «), zal hij zijn daartoe strekkend met redenen omkleed verzoek vóór alle weren moeten doen op den dag voor het voordragen der verwering bepaald U). Door zonder de exceptie van onbevoegdheid op te werpen, een verzoek te doen tot oproeping in vrijwaring, zal die exceptie voor gedekt worden gehouden, tenzij de Kantonrechter onbevoegd mocht zijn uit hoofde van liet onderwerp des geschils.
Indien de eischer vermeent gronden te hebben om iemand in vrijwaring op te roepen, zal hij het met redenen omkleede verzoek daartoe moeten doen ten dage, bepaald voor het dienen van repliek, d. i. wanneer hij op de verdediging des gedaagden antwoordt.
Een gedaagde kan zijn medegedaagde in vrijwaring roepen, R. B. VIII, G53 ; zoo ook Kechtbank 's Graven-bage Ui April ISiJó, \V. 6üo3. Een gedaagde zal echter niet een der eischers in vrijwaring kunnen oproepen (Rechtbank Rotterdam ö Nov. 1894, W. 6596). Zie ook Rechtbank 's Bosch 15 Febr. 1,S!»5, W. 671!».
Maar niet ieder verzoek tot vrijwaring is voor toewijzing vatbaar. Daarvoor is het allereerst noodig dat de oorspronkelijke gedaagde erkenne de juistheid van den grondslag der tegen hem ingestelde rechtsvordering, doch ten opzichte zijner aansprakelijkheid zich beroepe op een ander, die hetzij uit kracht der
van ccne veroordeeling. De zakelijke rrijwarin//, d. i. iu bepaalde gevallen het instaan voor liet rustig genot van eene zaak, komt bij het Kantongerecht, als zijnde eene zakelijke rechtsvordering, niet ter sprake.
n) De oproeping, gedaan vóór den dag waarop de hoofdzaak moet dienen, heeft noodzakelijk de schorsing der hoofdzaak gedurende den termijn bij dagvaarding tot vrijwaring vastgesteld tengevolge (Hof Xoord-Holland 23 Sept. 1852, K. I». 1853, biz. 11 en 12). Eene tegenovergestelde mecning wordt verdedigd, hoofdzakelijk op grond dat door in vrijwaring op te roepen iemand, die ver af woont, een proces bedenkelijk zou kunnen sleepend worden gehouden (zie Van Rosfem ad art. 68, aant. 23).
/gt;) !Na het antwoord is een verzoek tot vrijwaring niet-ontvankelijk (Rechtbank Amsterdam 15 (lü) Juli 18G7, W. 2949, R. B. 1807, blz. 804 Hof 's Bosch 5 Februari 1884. R. IJ. IV, 86.)
414
Wet, hetzij uithoofde eeuer overeenkomst, verplicht is hem te verdedigen tegen die rechtsvordering, of schadeloos te stellen voor eenc mogelijke veroordeeling.
Wanneer b. v. de eisch zich grondt op eene beweerde overeenkomst van koop en voorkoop, maar de gedaagde beweert, dat hij voor een ander ter leen heeft gevraagd, en ontvangen, dan is er geen reden dien derden in vrijwaring op te roepen. Zie Nederl. Pasicrisie, Alphabe-tisch Gedeelte, 4tte D. in voce Vrijwaring I. 19, 24 enz.
Het zou mot art. 68 B. R. in strijd zijn, besliste de Arrond. Rechtb. te Leeuwarden, bij vonnis van 15 Nov. 1S77, \\'. 4211, hen, die reeds in het geding zijn en tegen wion men dezelfde conclusie zou nemen als reeds geoorloofd is, nog weer afzonderlijk, met schorsing der principale zaak in het geding te roepen, en daardoor alzoo do bedoeling van dat artikel, bespoediging der- eu voorkoming van kosten in-rechtsgedingen, illusoir te maken.
Alzoo, de verzoeker moet er belang bij hebben den door hem genoemden persoon in vrijwaring op te roepen; het brengen van dien persoon in het geding, moet tot de oplossing, de beëindiging van het geding, kunnen leiden. Vgl. vonnis Arrond. Rechtb. Groningen, 27 Jan. 1873, W. 3624. Wanneer dat uiet het geval kan zijn, moet de Kantonrechter het verzoek afwijzen en tevens den dag bepalen, waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen, onder verwijzing van hem, die het verzoek deed, in de kosten op het incident gevallen. Art. 68 B. R. Vgl. Opm. en Mededeel. I. blz. 168â171. Indien bij de beslissing omtrent een verzoek tot oproeping in vrijwaring bereids is te voorzien dat de hoofdvordering zal worden afgewezen, dan moet het verzoek op grond van den regel: point d'intérèt point d'action worden ontzegd. (Rechtbank Almelo 11 Oct. 1893 P. v. J. 1894, 1). Eveneens moet dusdanig verzoek worden afgewezen, wanneer althans niet eenigzins aannemenlijk worden gemaakt dc feiten waarop het
415
steunt (Hof Amsterdam 13 April 1S94 P. v. J. 1894, 57, W. 6523, 20 April 1891 1'. v. J. 1894, 83, 27 April 1894 P. y. J. 1894, 43.)
Wanneer de Kantonrechter het verzoek toewijst, moet door hem een voldoende termijn worden verleend, naarmate van den afstand van de woonplaats van den waarborg, en de dag worden bepaald waarop zoowel de oorspronkelijke zaak als die in vrijwaring weder ter terechtzitting zullen dienen.
âEen voldoende termijn,quot; wat is de beteekenis dier woorden?
De wetgever heeft, geheel in overeenstemming met den aard en de strekking eener vordering tot vrijwaring, gewild, dat in den regel in alle vorderingen tot vrijwaring de oorspronkelijke zaak worde geschorst, totdat de waarborg óók in bet geding is gekomen. Maar daaruit volgt niet, dat wanneer de gedaagde vóór den dag dat de zaak dienen moet, iemand in vrijwaring heeft opgeroepen op een termijn van eenige maanden, de rechter vcrplicht zal zijn tot zoolang de behandeling der oorspronkelijke zaak te schorsen. De Wet Avil alleen, dat er een voldoende termijn zij, naarmate van den afstand van des waarborgs woonplaats a), omdat zij, door de oproeping tot vrijwaring, de hoofdzaak niet meer dan noodig wil hebben opgehouden.
Wanneer liet den gedaagde dus kennelijk te doen is, om de behandeling der oorspronkelijke zaak noode-loos te rekken, en al/.oo de belangen van den eiscber daardoor zouden worden benadeeld, dan heeft de Kantonrechter de bevoegdheid, het verzoek tot oproeping in vrijwaring geheel te weigeren b).
a) Keu arrest vim het Hof te 's Clraveuhage van 30 Oct. 1803, W. 6440, vernietigt een vonnis der Reelitbank te Rotterdam, op grond dat de termijn daarbij voor oproeping in vrijwaring verleend, niet kan geacht worden voldoende te zijn.
b) Een arrest van het Hof van Noord-Holland van 5 Maart 1874, W. 3719, overweegt dat de Rechter bij het toestaan of weigeren van
416
Wil hij echter, ten einde altijd mogelijke benadeeling voor den gedaagde te voorkomen, de behandeling schorsen gedurende een termijn waarin den waarborg behoorlijk tijd wordt gegeven aan de oproeping te voldoen, dan schijnt hij ook tot het geven van zoodanige beslissing in deze incidenteele vordering volkomen bevoegd te zijn. Vergel. Opm. en Meded. D. XII, blz. 314â323.
Het vonnis, waarbij de dagvaarding in geval van vrijwaring is toegestaan, behoeft aan den waarborg niet beteekend te worden, maar de dagvaarding moet den inhoud van liet vonnis behelzen, terwijl tevens zal moeten worden overgegeven kopie der stukken, welke aan of door den eischer in vrijwaring zijn beteekend, een geval dat zich kan voordoen, maaibij de procedure voor den Kantonrechter, toch zeker wel onder de zeldzaamheden behooren zal.
De dagvaarding behoeft niet een letterlijk afschrift van het vonnis te behelzen, maar den zakelijken inhoud. Arrond. Kechtb. te Amsterdam, 5 Januari 1843, 11. B. 1843 deel V, 070â079.
De eerste zinsnede van art. 74 luidt:
Die ter zake van vrijwaring gedagvaard zijn, zullen gehouden zijn, voor den Hechter, voor wien de oorspronkelijke zaak aanhangig is Ie procedeeren, zelfs wanneer zij ontkennen mochten waarborgen te zijn.
Uit de algemeenheid van het voorschrift leidde de Kantonrechter te Rotterdam II (vonnissen 11 Jan. 1805 W. lt;gt;023, 6637, P. v. â¢). 1894, 27) af dat het zoowel geldt voor de volstrekte als voor de betrekkelijke bevoegdheid. Wanneer dus twee partijen hun geschil krachtens art. 43 R. O. aan het oordeel van den Kantonrechter hebben onderworpen, dan kan een van hen een derde in vrijwaring roepen voor dien-
een verzoek tot oproeping in vrijwaring heeft te letten eensdeels op het al of niet spoedeischende der oorspronkelijke vordering, anderdeels op den korteren of langeren termijn, die voor de oproeping van den waarborg wordt vereischt.
1
417
zelfden Kantonrechter, ook al mocht de in vrijwaring ingestelde vordering uit haar aard behooren tot de bevoegdheid van de Rechtbank. In anderen geest Prof. van Boxeval Fauke, (111 blz. 80 vlg.) Z. H. G. meent, dat art. 74 slechts ziet op de betrekkelijke bevoegdheid, en eene zelfde regeling als art. 126 §14 geeft voor de Rechtbank ook wil treffen voor het Kantongerecht.
De Arrond.-Rechtbank te Amsterdam oordeelde 24 Oct. 1878 (() (W. 4357 R. B. 1879 A. 51 en 53) dat, wanneer bij een pactum de compromittendo is bepaald dat alle eventueelo geschillen tusschen den thans eischer in vrijwaring en gedaagde in vrijwaring beslist zullen worden door een arbiter, deze overeenkomst de toepassing van art. 74 en 126 nquot;. 14 uitsluit en de Rechter zich zal moeten verklaren onbevoegd om van de vordering in vrijwaring kennis te nemen.
liet slot van art. 74 bepaalt echter, dat wanneer duidelijk blijkt dat de oorspronkelijke eisch alleen gedaan is om de in vrijwaring opgeroepenen van hunnen eigen Rechter af te trekken, zij derwaarts zullen verwezen worden. De waarborg mag zich slechts voegen bij den gewaarborgde, zonder de zaak van dezen te mogen overnemen. Art. 72. Ingeval de oorspronkelijke eisch en die ter vrijwaring te gelijk in staat van wijzen zijn, moet daarop gezamenlijk worden recht gedaan ; is dit het geval niet, dan wordt de hoofdzaak, wanneer de oorspronkelijke eischer of verweerder dit vordert, afzonderlijk beslist. Art. 73.
§ 129. In zaken, welke reeds te voren, hetzij door een dagvaarding, hetzij door een vrijwillige verschijning volgens § 107 vooreen ander Jinchtcr zijn aanhangig gemaakt tusschen dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp, of welke reeds door dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp aan scheidsmannen zijn opgedragen en voor dezen aanhangig zijn, of ingeval
a) In dien geest ook Hof van Gelderland 6 Mei 1868, W. 3044, E. B. jg. 1870 p. ^170, zie ook Rechtbank Arnhem 20 Juli 1877, W. 4171.
418
het geschil aan een zaak verknocht is, die reeds voor een ander Rechter of voor scheidsmannen aanhangig is, mag de verwijzing gevraagd worden naar dien anderen Rechter of naar de benoemde scheidsmannen; dit moet geschieden bij met redenen omkleede conclusie vóór alle weren, op den dag voor het voordragen der verwering bepaald. Die verwijzing kan ook door den eischer gevorderd worden, maar alleen bij de conclusie van oiscb.
Men moet wel opmerken dat door dien anderen Rechter een binnen-, geen buitenlandsche Rechter te verstaan is, 11. B. VIII 333, 334, \\'. 1185.
Eene verwijzing naar een anderen Rechter toch is gegrond op eene verplichting tot onderzoek door dien anderen Rechter. Eene dusdanige verplichting ontstaat natuurlijk niet voor den buitenlandschen Rechter door de verwijzing van den Nederlandschen Rechter (Van Rossem art. 158 aant. 12, laatstelijk vonnis Rechtbank Rotterdam 12 Juni 1895, P. v. J. 1895, 93).
Nu de Wet in art. 158 niet aangeeft wat zij onder verknochtheid van zaken verstaat, moet die beteekenis worden afgeleid uit de taalkundige beteekenis van het woord verknocht. Deze nu wijst op een zeer eng verband, dat dan nog zoodanig moet zijn, dat beslissing in de eene zaak als van zelf die in de andere medebrengt (Rechtbank Leeuw. 4 Oct. 1894, P. v. J. 1895, 3). Van verknochtheid kan eerst sprake zijn, wanneer de beslissing van de eene zaak van invloed kan zijn op die van de andere (Rechtbank Amsterdam G Mei 1892, W. 6226, en s. d. W. 5623). Er wordt voor vereischt dat beide vorderingen en oorzaak en voorwerp gemeen hebben ; dit is niet het geval wanneer in beide gedingen wel de ontruiming van hetzelfde vaste goed, doch op geheel verschillende gronden gevorderd wordt (Rechtbank Amsterdam 29 Maart 1894, W. 6513, Rechtbank Rotterdam 30 Oct. 1893, W. 6424).
Voeging op grond van connexiteit kan wel van
419
invloed zijn op de betrekkelijke, niet op de volstrekte bevoegdheid (H. R. 4 Juli 1893, W. 6372, P. v. J. 1893, 71). De woorden van art. 158: voor ccn anderen J techier doelen dus alleen op den Rechter in eersten aanleg (H. R. 5 Juni 1SS5, W. 5181, N. R. CXL, 141).
Art. 158 geeft natuurlijk geen recht om rechtstreeks te dagvaarden voor een onbevoegden Rechter, in eene zaak die verknocht is aan eene daar aanhangige (arrest II. R. 11 April 1862, W. 2370, R. dl. LXX § 50).
§ 130. Ingeval voor denzelfden Rechter tusschen dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn, of voor denzelfden Rechter verknochte zaken aanhangig zijn, kan daarvan de voeging worden gevraagd. Indien dit gevorderd wordt door den gedaagde, dan moet dit geschieden bij met redenen omkleede conclusie vóór alle weren, op den dag voor het voordragen der verwering bepaald. De voeging kan ook door den eischer gevorderd worden, maar alleen bij de conclusie van eisch (art. 159).
Door de opneming van art. 159 werd in 1896 eene bestaande rechtspraak in de Wet bezegeld. Alhoewel vroeger nergens in de Wet een voorschrift als dat van art. ]59 gevonden werd, meende men toch bij analogische toepassing van art. 158 te mogen handelen, alsof dat wel het geval was. Het was ongerijmd, meende men, aan te nemen, dat de wetgever, die art. 158 schreef, dat niet zou gewenscht hebben (vonnissen Rechtbank Dordrecht 26 Juni 1895, W. 67U6, Rechtbank Maastricht s. d. \\r. 5893).
§ 131. Wanneer een der partijen verklaart een stuk als valsch of vervalscht te beschouwen, het schrift of eene handteekening ontkent of verklaart die niet te erkennen, moet de Kantonrechter daarvan akte geven, het stuk waarmerken en de zaak naaiden Rechter verwijzen, die daarvan, naar aanleiding van de S^0 afdeeling des 8'ien titels van het Dto boek van B. R., dat is art. 17o'â195, kennis moet nemen (de Rechtbank), en die tegelijk over de
420
hoofdzaak bij een en hetzelfde eindvonnis uitspraak kan doen, indien de zaak voor zoodanige beslissing vatbaar is. Art. 100. B. R. Vgl. boven § 10o.
Intusschen niet zoodra een der partijen de valsch-heid van een geschrift beweert, zal de Kantonrechter de zaak naar de Rechtbank verwijzen. ITij zal dat slechts doen, â wanneer het een onderhandsch geschrift is, zoo de partij, die het in het geding bracht, de ech heid er van wil staande houden, en wanneer het eene authentieke akte is, zoo de partij, die de valschheid beweert, bereid is om op de wijze van art. 17S hare bewering te bewijzen. Van der Kemp merkte op, dat het den Kantonrechter niet vrij staat om, wanneer partijen twisten over de echtheid van een geschrift, de verwijzing naar de Rechtbank te weigeren, omdat hij van oordeel is dat het geschrift voor de beslissing der hoofdzaak niets afdoet. Ik kan mij met die opmerking natuurlijk vereenigen, maar zou er toch wel bij willen voegen, dat in dat geval een zedelijk geweld van den Kantonrechter om het valschheid-proccs te voorkomen, uiterst gewenscht zal zijn.
§ 132. Indien partijen het omtrent de daadzaken niet eens zijn, het bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, en de daadzaken tot de beslissing der zaak kunnen leiden, moet de Kantonrechter, op verzoek van een der partijen, (jclnhjcn.verlioor bevelen. Hij kan zulks in dat geval ook ambtshalve bevelen, indien hij tot beslissing der zaak zulks noodig en dienstig acht. Art. 103, B. R., 1° en 2e alinea.
Dat bewijs is toegelaten in al de gevallen, waarin het door de wet niet is uitgesloten. Art. 1932. B. W.
Die uitsluiting heeft plaats:
1quot;. Indien het bewijs zou strekken om het aanwezen aan te toonen van eenige akte of overeenkomst, welke, hetzij eene verbintenis, hetzij een ontheffing van schuld bevat, wanneer het onderwerp de som of de waarde van driehonderd gulden te boven gaat. Art. 1933, B. W.
421
2°. Indien het bewijs zou moeten strekken voor hetgeen tegen of boven den inhoud der schriftelijke akte gevorderd wordt, of ook omtrent hetgeen men mocht beweren, dat vóór, ten tijde, of na het opmaken van zoodanige akte zou zijn gezegd, al mocht ook de som of de waarde, waarover het geschil loopt, minder dan driehonderd gulden bedragen. Art. 1934, B. W.
Over den zin en de toepasselijkheid van dit art. 1934, gaf de Kantonrechter de Vries eene te vermelden beslissing.
A vroeg aan B betaling van huurpenningen krachtens schriftelijk contract. B beweerde, dat men bij de laatste betaling der huurpenningen mondeling was overeengekomen, dat de verhuurder geen huur meer zou behoeven te betalen, vóór dat de verhuurder, A, eenige aangeduide reparatiën had aangebracht; en verzocht, toen A die overeenkomst ontkende, door alle middelen rechtens de waarheid van zijne bewering te mogen bewijzen.
De Kantonrechter stond het verzoek toe; daarbij overwegende: dat wel de wet geen bewijs door getuigen toelaat omtrent hetgeen men mocht beweren, dat na het opmaken eener schriftelijke akte zou zijn gezegd, maar dat hier, wat B beweerde, noch was een gezegde na het opmaken der schriftelijke akte, noch haar inhoud betrof, maar eene geheel nieuwe overeenkomst, waaromtrent het getuigenverhoor niet was uitgesloten, (vonnis Kantongerecht Amsterdam III, 3 Oct. 1872, W. 3513).
3°. Indien bij de rechtsvordering, buiten en behalve de hoofdsom, ook interessen gevorderd worden, welke, met de hoofdsom vereenigd, de som van driehonderd gulden te boven gaan. Art. 1936. B. W.
4°. Indien de gevorderde som, ofschoon minder dan driehonderd gulden, uitmaakt het overschot of een gedeelte van eene grootere inschuld, die niet bij geschrifte bewezen is. Art. 1933. B. W.
422
Maar ook in al deze gevallen geldt de regel on wordt het bewijs door getuigen toegelaten: a. in zaken van koophandel; b. wanneer een begin van bewijs door geschrift aanwezig is; r. wanneer het uit den aard der zaak niet mogelijk is geweest zich een schriftelijk bewijs te verschaffen. Artt. 1935, 1940 15. W.
Wanneer eene partij iets door getuigen wil bewijzen is het gewoonte, dat zij vraagt te worden toegelaten te bewijzen door alle middelen rechtens, ook door getuigen, of wel te bewijzen door getuigen en alle middelen rechtens. Het is eveneens gewoonte in het vonnis, waarbij het getuigenbewijs wordt toegelaten, ook toe te laten tot het bewijs door alle middelen rechtens. De woorden alk; middelen rechtens hebben echter hier geen zin en konden veilig achterwege blijven. Immers onder alle middelen rechtens kan hier niet verstaan worden schriftelijk bewijs: de partij, die dat in het geding wil brengen, doet dat zonder tus-schenkomst des Rechters. Evenmin het openleggen van koopmansboeken: daarvoor zijn bijzondere voorschriften gegeven. Evenmin een beslissende eed: hiervan kan eerst sprake zijn, wanneer een der partijen dien uitdrukkelijk heeft opgedragen. Evenmin een suppletoire eed: dezen legt de Rechter ambtshalve op, zonder medewerking der partijen.
In het algemeen schaadt de toevoeging der woorden alle middelen rechtens echter niet. Is echter bewijs door getuigen en allo middelen rechtens aangeboden en meent de Rechter getuigenbewijs niet te moeten toelaten, dan kan er geen sprake van zijn om toe te laten tot bewijs door alle of andere middelen rechtens. Hier blijkt dus het zinledige dier woorden. Men zie in dezen geest een vonnis der Rechtbank te Amsterdam van G November 1878, R. B. Nieuwe reeks, deel V. 1879. afd. A blz. 178 vlg. en aldaar blz. 180 vlg. eene verhandeling: De formule bewijs door alle middelen rechtens. Zie ook vonnis Rechtbank 's-Graven-hage. 29 October 1895, W. G741.
423
Het vonnis waarbij het getuigenverhoor bevolen wordt, moet vermelden de daadzaken welke moeten worden bewezen, mitsgaders de plaats waar, en den dag en het uur waarop de getuigen zullen worden gehoord (art. 103, 3° lid.)
Is eene partij toegelaten tot getuigenbewijs, ,dan heeft de andere van rechtswege het recht om ook getuigen te doen hooren.
Waar het tegenbewijs van rechtswege vrij staat (art. 104), raag dit niet worden beperkt tot het aan-toonen der onwaarheid van de bij de enquête afgelegde verklaring, maar kan dit evenzeer dienen tot staving van de onjuistheid der gevolgtrekkingen, welke men ten gunste der ingestelde vordering uit de aanvankelijk gebleken feiten zoude kunnen afleiden (arrest H. R. 17 October 1890, W. 5941, P. v. J. 1890, nquot;. 90). Men leze ook omtrent den zeer ruimen zin, waarin men het woord tegenbewijs moet opvatten, de conclusie van den Advokaat-Generaal Gregory, voorafgaande aan dat arrest.
Het verhoor tot het leveren van tegenbewijs (con^m-enquêle) wordt gebonden op de plaats, den dag en het uur bij het vonnis, waarbij de andere partij tot het getuigenbewijs wordt toegelaten of dadelijk na het verhoor dier getuigen (art. 104, le lid). Mrs. Hartogh en Cosman (blz. 34) teekenen hierbij aan: âhet is te wenschen dat de Rechter in allen âgevalle veelvuldig gebruik make van zijne bevoegdheid om bij het vonnis, hetwelk bewijs beveelt en âden dag voor het leveren daarvan bepaalt, tevens âdien der contra-enquête vasttestellen. Dan zal niet âbehoeven te gebeuren, wat thans veelal geschiedt, âdat er evenveel tijd (en die is bij drukke Rechtsbanken gemeenlijk bij maanden te tellen) tusschen âde enquête en de contra-enquête verloopt, als tusschen âeerstgenoemde en de uitspraak welke haar beveelt.quot; Tot zekere hoogte geldt dit ook voor de Kantongerechten. Door de contra-enquête te bepalen op den-
424
zelfden dag als de enquête, opent men bovendien de mogelijkheid van confrontatie der getuigen van beide partijen, wat zeer wenschelijk kan zijn.
Indien eeu der partijen verlenging van de termijnen van enquête of contra-enquête verzoekt zal dit incident dadelijk, zonder eenige voorziening daartegen beslist worden (art. 104, 2'- lid). Mrs. Hartogh en Oosman (blz. 35) teekenen hierbij aan: âAl bezigt âbier de wet het woord incidcnl, zoo moet daaronder âtoch niet verstaan worden eene incidenteele vorde-âring in den eigenlijken zin des woords (art. 247 e. v.) âmaar wat de praktijk noemt een volïncideut,quot;
De namen en woonplaatsen der getuigen worden ten minste drie dagen vóór het verboor aan de wederpartij beteekend. Daarbij zal, indien het vonnis, hetwelk het getuigenverhoor beveelt, niet uitgesproken is in tegenwoordigheid van de partij, afschrift van het vonnis worden overgegeven, zoo dit niet reeds vroeger is geschied. Indien partijen bij de uitspraak van het vonnis tegenwoordig zijn, zal van die tegenwoordigheid op het audientieblad worden melding gemaakt (10G).
De getuigen moeten in persoon of te hunner woonplaats worden gedagvaard, ten minste drie vrije dagen voor den dag van het verhoor, welke termijn met eén dag voor elke zes uren afstands moet worden vermeerderd. De dagvaarding moet melding maken van bet vonnis, van de plaats, van den dag en van het uur der verschijning, en de daadzaken behelzen, welke bewezen moeten worden. Art. 105, B. R.
Door vermelding van het vonnis verstaat de praktijk slechts de vermelding van dc da(i teekcuiny van het vonnis, wat uitdrukkelijk werd voorgeschreven bij art. 29 van den Code de Proc. Civ.
De Kantonrechter beeft het recht vrijgeleide te verleenen voor een door hem te bepalen tijd aan een getuige, tegen wien lijfsdwang is verkregen (art. 600, Nquot;. 5).
425
De gedagvaarde a) getuige welke niet verschijnt, of verschenen zijnde, weigert den eed of zijne verklaring af te leggen, zal worden veroordeeld tot vergoeding der vergeefs aangewende onkosten h). Hij zal opnieuw worden gedagvaard te zijnen koste (116). Indien de opnieuw gedagvaarde getuige andermaal in gebreke blijft te verschijnen, of het afleggen van den eed ot van zijne verklaring weigert, zal hij ten tweeden male worden veroordeeld in de vergeefs aangewende kosten, en daarenboven in de schade en interessen der partijen. De Rechter kan bevelen dat de gebrekige getuige door de openbare macht worde voor hem gebracht, om aan zijne verplichting te voldoen. Indien de getuige ook dan weigerachtig blijft om zijne verklaring af te leggen, zal de Rechter ten verzoeke der belanghebbende partij kunnen bevelen, dat hij ten koste dier partij in gijzeling zal worden gesteld, totdat hij aan zijne verplichting zal hebben voldaan (117). Indien de getuige bewijst, dat hij door goede redenen verhinderd is geweest om op den bepaalden dag te verschijnen, zal de Rechter hem, na het afleggen van zijne verklaring, ontheffen van alle de tegen hem gewezen veroordeelingen (art. 118). Van het vonnis, waarbij de tegen den getuige uitgesproken veroordeeling bevestigd of vernietigd wordt, valt geen hooger beroep (Van den Honert blz. 312). Zoo toch luidde het antwoord der Regeering aan de Staten-Generaal.
§ 133. Alle personen, bekwaam om getuigen te zijn, zün verplicht getuigenis in rechten af te leggen (art. 1946, 1« lid).
a) Is do getuige niet behoorlijk gedagvaard, dan kan natuurlijk van toepassing van dit artikel geen sprake zijn (Rechtbank Amsterdam ü Juni 1S82, W. 4868).
I) Strafrechterlijk kan hij, die behoorlijk als getuige opgeroepen wederrechtelijk wegblijft, worden vervolgd ingevolge art. 444 W. v. Sr. Opzettelijke niet-voldoening aan eenige andere verplichting, rustend op iemand die wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk is opgeroepen, is strafbaar volgens art. 192, 2o W. v. Sr.
28
426
Beter, meent Prof. Van Boneval Faure (IV, 2 blz. 34) dat het geweest ware, dc bepaling aldus te doen luiden: âIeder is verplicht getuigenis in rechte af âte leggen, die daarvan niet door de Wet is uitgesloten âof onthevenquot;. Daarvan uitgesloten zijn de onbevoegden, de onbekwamen en de gewraakten ; ontheven zijn zij, die zich kunnen verschoonen.
Onbevoegd a) om te getuigen zijn: de bloed- en aanverwanten van eene der partijen in de rechte lijn en de echtgenoot, zelfs na eene plaats gehad hebbende echtscheiding (art. 1947).
Alhoewel niet uitdrukkelijk in art. 1947 uitgesloten, valt daaruit af te leiden dat evenmin kan getuigen de partij in eigen zaak. Dus ook niet de Burgemeester in eene zaak waarin de gemeente partij is (arrest Gerechtshof 's Hertogenbosch 4 Maart 1S79, W. 4453). Zie ook arrest van hetzelfde Gerechtshof van 8 Februari 1881 R. B. 1884 afd. A, blz. 269.
Onbekwaam om te getuigen zijn zij, die den vollen ouderdom van 15 jaren niet bereikt hebben; zij, die ter zake van onnoozelhchl, krankzinni'jhcid of razernij zijn onder curateele gesteld. Art. 1949, le lid B. W.
Zelfs met goedvinden der partijen zouden zij niet mogen gehoord worden. Carré II, 360. Maar het staat den Rechter vrij, om de boven aangeduide minderjarigen, en onder curateele gestelden, die bij tusschenpoozen het genot hunner verstandelijke vermogens bezitten, zonder eedsaflegging te hoorcn tot loutere toelichting. De Rechter zal alzoo geen geloof mogen slaan aan hetgeen die onbevoegde personen verklaren te hebben gehoord, gezien, bijgewoond en ondervonden, al ware zulks met redenen van wetenschap bekleed, maar hunne verklaringen alleen doen strekken om bekend te worden met en op het spoor te geraken van daadzaken, welke door de gewone
a) ])e wetgever zelf noemt de hier opgenoemde onbekwaam. Beter is het hen onbevoegd te noemen. Zie v. 13. F. I\ . 2 blz. 34 en 35.
427
middelen nader kunnen worden bewezen. Art. 1949, 2e en 3e lid. Terecht maakt Prof. Van Boneval Faure IV, 2 de opmerking, dat men hier te doen heeft met eene gedachtelooze naschrijving van eene bepaling van het Wetboek van Strafvordering. De Rechter in burgerlijke zaken spoort toch niet daadzaken op, maar onderzoekt en overweegt alleen het door partijen aangevoerd bewijs. Z PI.G. meent dus, dat de bedoeling van art. 1949 3e lid is, dat de Rechter die onbeëedigde getuigen zal kunnen gebruiken om zijne overtuiging te vestigen, wanneer wettelijk bewijs van elders wordt geleverd.
Redenen van verschooning zijn: bloedverwantschap of zwagerschap aan een der partijen in de zijlijn in den tweeden graad, of aan den echtgenoot van een der partijen, in de rechte lijn onbeperkt en in de zijlijn in den tweeden graad, alsmede verplichte geheimhouding al uit hoofde van stand, beroep of wettige betrekking. Art. 1946 B. W. Dientengevolge zijn te verschoonen: advokaten, prokureurs, notarissen, ge-neesheeren, chirurgijns, vroedvrouwen, apothekers. Carré II, 350. Zelfs heeft de Arrond. Rechtbank te Amsterdam, bij vonnis van 27 April 1846, R. B. VIII, 545 begrepen, dat die verplichte geheimhouding bij een advokaat bestaat, ook al moge bij door zijn cliënt daarvan ontslagen wezen. Zie hierboven § 49. Maar andere redenen van verschooning dan de hier opgenoemde, mogen niet gelden, bepaaldelijk niet de zekerheid van geen schadelooststelling te zullen ontvangen, b. v. in geval van kostelooze procedure.
Als getuigen kunnen worden gewraakt: b)
m
a) Zie hierover het academisch proefschrift van Mr. J. A. Bkuun. Jlet heroepsyeheim en de verplichting tot het afleggen van getuigenissen in een burgerlijk geding. Amsterdam 1892.
h) Meu dient wel in liet oog te houden, dat van wraking slechts sprake kan zijn in de vier hier opgenoemde gevallen. Wel is waar, noemde art. 283 Code de procedure civile ook bepaalde gevallen op en nam de jurisprudentie toch aan, dat wraking om andere redenen kon geschieden
428
1°. die in de zijlinie bloed- of aanverwant is van eene der partijen, tot den vierden graad ingesloten;
2quot;. de aanverwant van den echtgenoot van eene der partijen in de rechte linie onbeperkt en in de zijlinie tot den vierden graad ingesloten;
3^. de vermoedelijke erfgenaam, de begiftigde, de dienstbode of bediende van eene der partijen of hij die een dadelijk of zijdelingsch belang bij het geding heeft;
4°. die in zake van meineed of van een der misdrijven, waarop in geval van herhaling artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk is, is veroordeeld.
De reden van wraking, onder 3 omschreven, geeft vaak aanleiding tot moeilijkheden. In de eerste plaats de vraag: op welk tijdstip moet die dienstverhouding bestaan? De dienstverhouding zal slechts dan eene reden van wraking kunnen zijn, wanneer zij bestaat op het oogenblik van het getuigenverhoor. Is zij dan werkelijk geëindigd, dan zal de getuige niet kunnen gewraakt worden, ook al had het ontslag plaats daags vóór het getuigenverhoor en klaarblijkelijk met het oog daarop. In dien geest is een vonnis der Rechtbank te Rotterdam, van 20 October 1894 (P. v. J. 1895, 5). Intusschen kan er na een dergelijk ontslag sprake blijven van een zijdelingsch belang en kan het ontslag eene reden zijn voor den Rechter om, volgens het voorschrift hem gegeven in art. 1945, bijzonder acht te geven op de geloofwaardigheid van den getuige. Men houde echter in het oog, dat er van
(Carré IT, 393) toch daartegenover staat, dat racn in het Nederlandsche recht wegliet redenen van wraking, bekend in liet Fransche recht.
Men houde ook in het oog, dat, wanneer eene partij beweert dat een getuige op grond van art. 1947 of 1949 13. W. niet mag worden toegelaten, dat is een verzet en geene wraking. Men wraakt dus geen Burgemeester als getuige in eene zaak, waarin de Gemeente partij is, doch men verzet zich daartegen (arrest Gerechtshof's Hertogenbosch 4 Maart 1879, W. 4453). llooger beroep, tegen eene beslissing omtrent de wraking uitgesloten (art. 108), is dat niet tegen eene beslissing omtrent een dusdanig verzet.
429
een werkelijk eindigen der dienstbetrekking geen sprake kan zijn, waar wel zoogenaamd ontslag, doch eigenlijk verlof is verleend gedurende een tijdsverloop waarin het getuigenverhoor plaats heeft, waar na het eindigen van dat tijdsverloop ile getuige weder zijn gewonen dienst bij partij zal hervatten.
Het spreekt, dunkt me, vanzelf, dat een ontslag uit den dienst, vóór de beteekening van de namen der getuigen of sterker nog vóór de introductieve dagvaarding, het aannemelijker zal maken dat de dienstbetrekking werkelijk geëindigd is, dan wanneer dat eerst om zoo te zeggen onmiddelijk vóór het getuigenverhoor is verleend; maar dit is ook de eenige invloed die het tijdstip op de beslissing omtrent eene opgeworpen wraking kan uitoefenen.
Men zie omtrent deze vraag nog vonnissen van de Rechtbank te Amsterdam van 2 Maart 1840 (R. B. VIII, blz 581) en 22 Maart 185quot;) (R. B. 1855, blz. 402), van die te Maastricht van 19 Nov. 1840 (W. 859 R. B. IX, blz. 195) en 2 Xov. 18tj6 (W. 2909) en van die te Rotterdam van 12 Febr. 1870 (W. 3900) en van het Kgt. Amsterdam III van 7 Sept. 1840 (R. B. VIII blz. 749).
Eene andere vraag is: wat heeft men te verstaan onder dicmlhoden of bedienden'!
Ter beantwoording van deze vraag acht ik het beste eenigzins breedvoerig de rechtspraak hieromtrent te vermelden.
liet begrip van dienst, dat ter bepaling van de juiste beteekenis der woorden dienslboden en bedienden van art. 1950 in aanmerking komt, geeft geene andere verhouding van gezag en ondergeschiktheid te kennen dan de zoodanige, die door de voorschriften van het burgerlijk recht wordt beheerscht. Militairen of anderen ambtelijken dienst heeft het artikel dus niet op het oog (arrest H. R. 23 Februari 1893, v. d. II., B. R. d. 59, blz. 61, \V. 0380, 1'. v. J. 1893, n9. 71.) Hetzelfde geldt voor ambtenaren in dienst der Gemeente (Recht-
430
bank Maastricht 3 April 1890, W. 5880), of van het Waterschap (Rechtbank Breda 27 Dec. 1887, W. 55S5). Onder clicnslhoden cn hcdioiden zijn slechts te begrijpen, de zoodanigen, die aan eenig bij zonder persoon ondergeschikt en van dezen afhankelijk zijn. (Beschikking Raadsheer-Commissaris Mr. I. Telting, 8 April 1885, v. d. II., B. R. d. 51, blz. 1, W. 5171). Bedienden zijn alle personen, die men als loontrekkenden tot zijn dienst heeft, al zij het ook voor bepaalde werkzaamheden, waar zij althans niet, zooals vele ambtenaren en beambten in dienst van het openbaar gezag, een meer onafhankelijk standpunt innemen. Bijgevolg is het niet juist, dat op den betrokken persoon, zal hij als bediende kunnen worden gewraakt, het dienstboden-recht toepasselijk zou moeten zijn, en is de wraking van een pakhuismeester eener stoomvaartmaatschappij als bediende dier maatschappij wettig (H. R. 13 Dec. 1878, v. u. H. B. R. XLIII 402, Rd. CXX, § 27, W. 4321, R. Bijbl. 187!», afd. A, blz. 78).
Onder dienstboden worden verstaan zij, die in het huis van partijen inwonen en dienstbaar zijn. Onder bedienden moeten zulke personen worden verstaan, die in eene onmiddellijke afhankelijkheid, voortvloeiende uit eene algemeene en onafgebroken dienstplichtigheid, staan tot de litigeerende partijen door wie zij als getuigen zijn opgeroepen; dit is het geval met een zetschipper (Rechtbank Maastricht 12 Mei 1866 W. 2881).
Onder bedienden moeten ook verstaan worden personen, zooals fabrieksarbeiders, die, schoon niet inwonende, uitsluitend en bestendig in dienst van eene der partijen zijn, zonder ander middel van bestaan (Kgt. Amsterdam III, 15 Oct. 1874 R. Bijbl. 1874 blz. 535).
Een machinist in dienst eener spoorwegmaatschappij is in den zin van art. 1950 een bediende, ook al heeft hij de bevoegdheid tot opsporing van strafbare feiten. (H. R. 4 Jan. 1870 W. 3183).
431
Als getuigen kunnen alleen gewraakt worden bedienden van meer ondergeschikten rang, maar niet de zoodanigen, die eene meer verheven en intellec-tueele betrekking vervullen, zooals die van rentmeester (Rechtbank Zutphen 22 April 1875, W. 3923). Evenmin een scheepskapitein (Rechtbank Zwolle 28 Maart 1871, W. 3376, M. v. H. d. XIII, R. bl. 90, 91.)
De vraag of iemand een dadelijk of zijdelingsch belang bij het geding heeft, is dikwijls moeielijk te beantwoorden.
Voor de aanwezigheid van belang als reden van wraking is het voldoende, dat de af te leggen verklaring den getuige of den echtgenoot van den getuige kan blootstellen aan eene rechtsvordering en zulks tengevolge eener algemeene wettelijke verantwoordelijkheid, zonder dat daarbij reeds dadelijk zou be-hooren tc worden uitgemaakt of hij mogelijkerwijze tegen die rechtsvordering eene verjaring zou kunnen inroepen, wat nog van bijzondere omstandigheden afhankelijk kan zijn, arrest II. R. 28 Juni 1878 v. d. II. B. R. XLIII bl. 288 W. 4270.
De algemeene strekking der woorden een dadelijk of zijdelingsch belang hij hel geding sluit geenszins uit het zedelijk belang, het gewichtigste van alle belangen (arrest H. 1!. 30 Nov. 18G0 v. d. H. B. R. XXIV, blz. 444â454 W. 2310 R. LXVI § 35).
Daar de inwoners eener gemeente ut singnli, noch persoonlijk, noch dadelijk, noch zijdelingsch belang hebben in een geding, waarin het Gemeentebestwwr ais zedelijk lichaam betrokken is, kunnen zij niet gewraakt worden als getuigen. Arrond. Rechtbank Maastricht 15 Mei 1851, A\'. 1265.
Ook kunnen geen ingezetenen eener gemeente als getuigen in eene procedure, die gemeente betreffende, worden gewraakt.
De uitslag der procedure moet in andere opzichten op hunne bijzondere en persoonlijke belangen, althans
432
rechtstreeks of merkbaar terugwerken, om grond tot wraking op te leveren. Arrond. Rechtb. 's-Bosch, 20 Maart 1868, W. 2999.
Hij, die lid is eener firma, welke in eene procedure voor de eischeres tot een zeker bedrag borg is gebleven voor alle kosten enz., waarin de eischende firma ten beboeve van den gedaagde zou kunnen worden veroordeeld, kan bij een getuigenverhoor, die procedure betreffende, worden gewraakt. Arrond. llecbtb. Rotterdam, 2U Dec. 1879, W. 4452.
§ 134. Het getuigenverhoor, op de terechtzitting geschiedende, moet juist daarom, volgens het gezegde in §117, naar den regel in het openbaar gehouden worden.
Door de afschaffing van artikel 205 bij de Wet Hartogh, is vervallen het eenige argument dat vroeger gold om het getuigenverhoor met gesloten deuren te houden.
Intusschen niet steeds behoeft de getuige te verschijnen ter terechtzitting van het Kantongerecht waar de zaak dient.
Indien de getuige wettiglijk verhinderd is uit hoofde van ziekte of anderszins, om voor den Rechter te verschijnen, zal de laatstgenoemde zich bij hom vervoegen, tot het ontvangen van zijne verklaring. Indien de getuige in dat geval a), buiten het rechtsgebied van den Kantonrechter woont, zal de Rechter verzoek doen aan den Rechter van de woonplaats des getuigen, om denzelven op de aan hem opgegeven vraagpunten te hooren. Van deze ondervraging zal door laatstgemelden Rechter proces-verbaal worden opgemaakt, waarvan het oorspronkelijke zal worden ingezonden.
Indien de getuigen buitenslands wonen, kan de Rechter aan eene door hem aan te wijzen autoriteit
a) ])c Kantonrechter kan dus slechts dan een anderen Xederlandschen Rechter het verhoor van een getuige opdragen, wanneer deze door ziekte of anderzins verhinderd is om voor hem te verschijnen; niet zooals bij de collegiën (art. 200) wanneer de getuige te veraf woont.
433
van het land hunner woonplaats verzoeken het verhoor te houden, of dat verhoor opdragen aan den Neder-landschen consulairen ambtenaar, tot wiens ressort de woonplaats dier getuigen behoort. De Rechter zal dan tevens den termijn bepalen, die in acht genomen moet worden bij het beteekenen aan de wederpartij, van dag, uur en plaats waarop dit verhoor zal gehouden worden en mede den dag vaststellen waarop de zaak weder ter rolle a) zal worden opgeroepen h). Jlet proces-verbaal van dit verhoor heeft gelijke kracht als dat van den Nederlandschen Rechter.
De getuigen moeten op straffe van nietigheid, alvorens hun getuigenis af te leggen, elk op do wijze zijner godsdienstige gezindheid, den eed of de belofte doen van de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. Over den vorm van de eedsaflegging vgl. boven § 47 en De Pinto blz. 193, god. lsic stuk. B. II. De Kantonrechter moet hun voorts afvragen hunne namen, voornamen, beroep, ouderdom en woonplaats of verblijf, mitsgaders of zij aan partijen of ecne van dezen in den bloede of door
a) Mrs. Hahtogh en (Josman, blz. 43, toekenen hierbij aan: Bij do quot;behandeling in de Eerste Kamer werd de opmerking gemaakt, dat hier quot;ter plaatse, waar het bijzondere bepalingen aangaande de wijze van quot;procedeeren vóór den Kantonrechter betreft, van oproepen ter rolle quot;gesproken werd, ofschoon het bij K. 1gt;. van 14 Sept. 1838 (Sthl. 3G) quot;vastgesteld Reglement T over het bestaan eener rol bij de Kantonge-quot;rechten zwijgt. Daartegen werd in het midden gebracht, dat hier in de quot;uitdrukking oproepen Ier volley het woord rol de beteekenis heeft van â¢gt;terechtzitting^ dus ecne andere dan in het voorschrift inschrijven ter 'rolle. In eerstgenoemden zin is het o. a. ook in art. 79 Rv. gebezigd, hetwelk quot;zoowel oj) Kantongerechten als op rechterlijke collegiën betrekking heeft.quot;
Mij schijnt de opmerking der Eerste Kamer juist. Ik geloof ook dat het beter geweest was te spreken van ter terecht zit (inlt;i dan ter rolle, nu bij het K antongerecht het reglement geen rol kent. Intusschen achtte ik het wenschelijk dit af te drukken, om de beteekenis van ter rolle voor den wetgever van 1896 te doen zien.
h) Bij de Kantongerechten gelden dus de hier gegeven voorschriften alleen, wanneer een verhoor aan eene buitenlandsche autoriteit of aan een Nederlandschen consulairen ambtenaar is opgedragen, niet wanneer dat geschiedt aan een Nederlandschen Rechter.
434
aanhuwelijking bestaan, en zoo ja, in welken graad, en of zij loon- of huisbedienden van deze zijn. Art. 107. De hier voorgeschreven orde, bestaande eerst in de eedsaflegging, daarna in de beantwoording der voorgestelde vragen, verschilt dus van de orde, die vroeger voor de Vredegerechten en de Rechtbanken van eersten aanleg bij art. 35 en 262 Code Proc. Civ. bepaald was. Volgens het eerstgemelde art. toch, moesten eerst de namen, het beroep, de ouderdom en woonplaats der getuigen worden opgegeven; dan de eed afgelegd, en eindelijk de vraag nopens familie-of dienstbetrekking beantwoord, terwijl bij het laatstgenoemde art. eerst al die vragen moesten worden beantwoord en daarna de eed afgelegd. Daar de partijen volgens art. 108 hare wrakingen moeten voordragen vóór het afleggen der getuigenissen, zoo heeft men gevraagd, of zij dit doen moeten vóór den eed, dan wel of zij hiertoe nog bevoegd zijn na de beantwoording der bovengemelde voorloopige vragen ; en terecht is het laatste, op grond van de volgorde en den samenhang van art. 107, 10 i en 109, B. R. begrepen geworden door de Arrond. Rechtbank te 's Gravenhage bij vonnis van 26 Nov. 1839, W. 92. Zie ook Rechtbank Utrecht 9 Mei 1884, W. 5023, en Gerechtshof 's Hertogenbosch 8 October 1877, R. B. IV, 88.
De wrakingen worden mondeling voorgedragen, v. d. Honert, blz. 233. Do getuige wordt daarop gehoord, en de Rechter doet uitspraak zonder hooger beroep a). Wordt de wraking geldig verklaard, dan
a) De vraag is gedaan of, wanneer de Kantonrechter als gedelogeerde van een anderen Rechter een getuige hoort, of dan de gedelegeerde, dan wel de delegeerende Rechter over de wraking moet beslissen. Ken arrest van 28 Juni 1878, met eene nanteekening opgenomen in W. 4281, meent dat in het geval van art* 200, 2e lid, daarover de beslissing is bij den delegeerenden Rechter. (Zie de verdere jurisprudentie bij Van Rossem art. 200, aant. 5.) Prof. Van Boneval Faure (IV, 2 blz. 84 en 85) is terecht van meening, dat in alle geval, nu de bijzondere bepalingen voor het verhoor voor een Rechter-Commissaris zijn vervallen, de Kantonrechter
435
mag het getuigenis van den gewraakte niet worden afgenomen. Art. 10S, B. R. Carré I, 84«). Indien een getuige, behoorlijk opgeroepen, niet verschijnt, of indien dezelve weigert te antwoorden, of ook indien een getuige is gewraakt geworden, kan de belanghebbende partij aan den Rechter eenen naderen termijn verzoeken (art. 108a). Uit artikel, bij de Wet IIarïogh opgenomen, is, met eene kleine wijziging, het bij diezelfde Wet vervallen art. 217. Gevestigd was de jurisprudentie b), dat art. 217 toeliet op de nadere terechtzitting nieuwe getuigen te hooren, bijvoorbeeld een anderen in de plaats van een ge-wraakten. Die blijft dus gelden voor art. 108a. Zie ook Prof. Van Boneval Faure IV, 2 blz. 70 en 77.
Het is aan het oordeel van den Rechter overgelaten om het verzoek om een naderen termijn al dan niet toe te staan. Hij is niet verplicht dien te geven; partij heeft daarop geen recht. Zie ook arrest Gerechtshof te 's Hertogenbosch van 19 December 1876, W. 41c.il, R. B. N. R. 1878, afd. A, blz. 90. De getuigen moeten ieder afzonderlijk op de terechtzitting gehoord worden, hetzij de partijen bij het verhoor zelf tegenwoordig zijn of niet; een geschreven opstel mogen zij niet voorlezen. Art. 109. Uit deze bepaling volgt, dat de partijen niet bij het getuigenverhoor behoeven tegenwoordig te zijn.
Niet al de getuigen, die gedagvaard zijn en wier namen aan de tegenpartij werden beteekend, moeien door den Kantonrechter gehoord worden, wanneer de partij, die ze dagvaardde, verklaart van het hooren van een of meer af lc zien. Daartegen kan de wederpartij zich niet verzetten, want de beteekening van
ook al» gedelegeerd Rechter zelfstandig over opgeworpen wrakingen moet beslissen.
a) Zie Mr. J. Jl. van Keen en. De beperkingen van het getuigenbewijs in Burgerlijke Zaken. Leiden 1871, blz. 73.
b) Arrest II. K. 11 November 1864, W. 2641, R. dl. LXXTTII, §25, v. 3). U. 13. R. XXIX, blz. 87â100. Zie verder de jurisprudentie bij Van Kossem art. 217 aant. 1.
436
de namen en woonplaatsen der getuigen heeft geene andere strekking, dan om de partij tijdig bekend te maken met de personen die men verlangt te hooren, en haar in staat te stellen te onderzoeken, of er ook voor haar redenen kunnen bestaan een of meer getuigen te wraken, of zich tegen hun verhoor te verzetten; maar belemmert niet den aanbrenger, in meerdere of mindere mate te beschikken over de bevoegdheid hem verleent, het bewijs voor de deugdelijkheid zijner vordering te leveren. Arrond. Rechtbank Amsterdam 7 Nov. 1878, R. B. N. R. D. V. 1879. blz. 77â78.
Ieder getuigenis moet met redenen van wetenschap bekleed zijn; bijzondere meeningen of gissingen, bij redeneering opgemaakt, zijn geen getuigenissen. Art. 1944. B. W. De partijen mogen de getuigen niet in de rede vallen, maar de Kantonrechter kan ten verzoeke van de partijen en zelfs van ambtswege, aan eiken getuige, na het afleggen van zijn getuigenis, zoodanige vragen doen, als hij noodig oordeelt. Art. 109. B. R. Maar wat, indien een getuige de Neder-landsche taal niet machtig, of indien hij doofstom of tijdelijk van het gebruik zijner zintuigen van gehoor of van spraak beroofd is en niet schrijven kan? Hierover heeft de Wet geen voorschrift. Men zal het er dus voor moeten houden, dat die ongelegenheid komt ten laste der partij, die den getuige voorbrengt, en die dus zorgen moet, dat deze zich, 't zij door een tolk, 't zij door schrift of teeken, of op andere wijze, aan den Rechter kan doen verstaan; de Rechter zelf behoeft hierin niet te voorzien. Carré II, C71. En wanneer de partij die daarin moest voorzien, niets daarvoor gedaan heeft, dan zal men moeten aannemen, dat de Kantonrechter, die als zoodanig geen vreemde taal kent, kan weigeren den getuige, ook als die b. v. onberoepelijk doof is, te hooren.
De nalatige partij zal dan, of van het hooren van dien getuige hebben af te zien, of een uitstel moeten
437
vragen, om hem op een naderen dag te hooren, welk verzoek door den Kantonrechter kan worden ingewilligd.
Van de verklaringen der getuigen dient de Kantonrechter aanteekening te houden, wanneer liet zaken geldt, die in het hoogste ressort worden beslist, dewijl dan het vonnis moet inhouden de vermelding der opgaven en verklaringen op de bovengemelde voor-loopige vragen, de antwoorden op deze, de eedsaflegging, de wrakingen en de antwoorden daarop, en eindelijk den summieren inhoud der afgelegde getuigenissen. Art. 110. B. R. Hier wordt gevorderd niet de summiere inhoud der gezamenlijke getuigenissen, maar die van ieders afzonderlijk getuigenis, evenals ook de persoon, van ieder getuige afzonderlijk moet worden opgegeven. Maar in zaken in het eerste ressort beslist, moet door den Griflier een proces-verbaal van het getuigenverhoor worden opgemaakt, dat bevatten moet, al wat zooeven voor het vonnis is opgegeven, en waarin de verklaringen der getuigen niet slechts summier, maar in haar geheel, en liefst woordelijk, moeten worden opgenomen. Dit procesverbaal moet aan ieder getuige, voor dat gedeelte hetwelk hem betreft, worden voorgelezen; hij mag daarin zoodanige veranderingen en bijvoegingen doen maken, als hem goeddunkt, en welke onder of op den kant van zijn getuigenis moeten worden vermeld. Ook dit moet hem worden voorgelezen. Voorts moet ieder getuige zijne eigen verklaring teekenen, en er anders melding gemaakt worden, dat hij niet teekenen kan.
Ten laatste moet het proces-verbaal worden onderteekend door den Kantonrechter en den Griffler. De onderteekening der partijen wordt niet gevorderd.
Indien de getuige schadeloosstelling vordert, zal zij worden begroot door den Kantonrechter op het afschrift der dagvaarding; daarvan zal melding worden gemaakt in het proces-verbaal (art. 111â113).
438
Een voorschrift als gegeven in art. 277 Code de Proc. dr., dat de toeschatting een executorialen titel maakte, wordt in onze wet niet gevonden. Wordt dus den getuige niet vrijwillig het hem toegeschatte voldaan, dan zal hij het op de gewone wijze moeten invorderen. Zie ook de Pinto hl. J97 en de Witt Hamer hl. 233. Mrs. Van der Kemp en Greeve meenden dat het van zelf spreekt, dat de toeschatting is een executoriale titel.
De begrooting moet geschieden volgens art. 65 en 66 van het Tarief van justitiekosten en salarissen in Burgerlijke Zaken, vastgesteld bij de wet van 28 Aug. 1843, {Stbl. N'. 40,) niet (jewijzigd of veranderd bij een der wellen van 1877. Art. 65 bepaalt, dat aan getuigen, naar mate van hun maatschappelijken stand en beroep in verband met hunne dagelijksche verdiensten, voor zooverre die in aanmerking behooren te komen, voor eiken dag, dat hunne tegenwoordigheid wordt ver-eischt, als schadeloosstelling moet worden toegelegd eene som van ten minste f 0,50 en ten hoogste f 4 per dag, gedeelten van dagen voor geheele dagen gerekend. Voor reiskosten en tijdverlies wordt tegoed gedaan aan de getuigen welke zich verder dan vijf mijlen van hunne woonplaats moeten verwijderen, voor iedere vijf mijlen afstand of gedeelte daarvan, a. aan die woonachtig in de provinciën Zuid- en Noord-Holland, indien zij blijven binnen het arrondissement, waarin hunne woonplaats gevestigd is Æ 0,75, en indien zij zich daarbuiten begeven, /1,â ; b. aan die woonachtig in de overige provinciën, indien zij blijven binnen het arrondissement, f 0,50 en indien zij zich daarbuiten begeven, / 0,75; en eindelijk c. in het algemeen aan getuigen, welke zich begeven buiten de provincie waarin hunne woonplaats gevestigd is, f 1,25. In geval echter de verplaatsing zich bepaalt tot een arrondissement, grenzende aan de provincie, waarin de getuige woonachtig is, wordt hem in de provinciën Zuid- en Noord-Holland slechts f 1,â, en
439
in de overige provinciën Æ 0,75 voor iedere vijf mijlen afstand goedgedaan. De kosten en tijd voor de terugreis gevorderd, geven in geen geval tot eenige vergoeding aanleiding. In de arrondissementen, waar, door de onvermijdelijke overvaart van wateren en rivieren, gevoegd bij het gemis van min kostbare reisgelegen-heden, de reiskosten noodwendig grooter zijn, wordt het aan de beoordeeling des Rechters overgelaten eene billijke verhooging daarvoor toe te kennen. Indien de tegenwoordigheid van elders wonende getuigen langer dan één dag wordt vereischt, wordt hun daarenboven voor eiken dag eene schadeloosstelling toegelegd van ten minste /' 1,â en ten hoogste f 4,â per dag, gedeelten van dagen voor geheele dagen gerekend.
In geval de getuigen niet op één dag gehoord kunnen worden, moet de Kantonrechter het verdere verhoor tot een naderen dag en uur uitstellen; noch aan de getuigen, noch aan de partij zal dan eene nieuwe dagvaarding geschieden, al ware ook de partij niet verschenen. Art. 114, B. R.
Op die nadere terechtzitting mogen geene nieuwe getuigen worden gehoord, doch slechts die, wier verhoor op de eerste terechtzitting niet kon geschieden. Dat volgt uit het voorschrift, dat tegen die nadere terechtzitting geene nieuwe dagvaarding geschiedt; daarzonder kan toch geen nieuwe getuige worden opgeroepen. Zie Prof. van Boneval Faure IV, 2, blz. 75. In dien geest zijn ook de vonnissen van de Rechtbank te Maastricht van 24 Jan. 1845, W. 622, van die te Rotterdam van 25 Sept. 1857, W. 1907, van die te Amsterdam van 19 Dec. 1862, W. 2471. Anders het arrest van het Provinciaal Gerechtshof van Noord-Brabant van 22 Dec. 1874, R. B. N. R. 1878, A. blz. 88â90.
Mag de Kantonrechter, na een eenmaal gehouden getuigenverhoor, andermaal een getuigenverhoor bevelen, wanneer de partijen het niet verzoeken? De Rechtbank te Amsterdam heeft die vraag, bij vonnis
440
van 27 Sept. 1844 11. li. VII, 32. W. 540, wel ontkennend beantwoord op grond, dat een verboor ambtshalve niets anders zou zijn dan eene gelegenheid voor de partijen om hare wederzijdsche beweringen te bewijzen, en zulk een tweede verhoor mitsdien strijden zou met de procesorde en zonder etlect zijn voor de partijen, welke die gelegenheid reeds gehad hebben, maar daar een getuigenverhoor ambtshalve, in de eerste en voornaamste plaats dient ter inlichting des Rechters, zoo dient hij, zich door een eerste verhoor niet genoeg ingelicht achtende, mitsdien in een tweede verhoor het middel te hebben oin zich nader te doen inlichten, ten einde alzoo een juister vonnis te kunnen vellen, hetgeen toch ook in het belang der beide partijen is. Bovendien, de Wet zegt niet in art. 103 B. K. wanneer of het verhoor amblxhalce wèl, en wanneer het niet kan bevolen worden. De Witt Hamer bl. 21G.
De partij die meer dan vijf getuigen over hetzelfde feit heeft doen hooreu, mag de kosten der verdere getuigenissen aan hare wederpartij niet in rekening brengen. Art 11 o. De Ivantonrechter moet uitspraak doen, of onmiddellijk na het afleggen der getuigenissen en na verhoor der partijen, of van die welke tegenwoordig is, wat zeker wel nooit geschieden zal, of op eene volgende door hem te bepalen terechtzitting. Art. 112. â Aan de verklaring van een enkelen getuige, zonder eenig ander middel van bewijs, mag hij geen geloof hechten; maar indien do afzonderlijke en op zich zelf staande getuigenissen van verscheidene personen omtrent verschillende feiten, door haar samenloop en verband strekken tot staving eener bepaalde daadzaak, dan wordt het aan s liechteis oordeel overgelaten, om aan die afzonderlijke getuigenissen zoodanige kracht toe te kennen, als de omstandigheden mochten vereischen. In de beooi-deeling van de waarde der getuigenissen moet hij bijzonder acht geven op de onderlinge overeenkomst
441
der getuigen, op de overeenstemming der getuige-nisssen met hetgeen van elders aangaande de zaak in het geding bekend is, op de beweegredenen welke de getuigen kunnen hebben gehad, om de zaak op deze of gene wijze voor te dragen, op de levenswijze, de zeden en den stand der getuigen, en in het algemeen, op alles wat op hunne meerdere of mindere geloofwaardigheid invloed zou kunnen hebben. Art. 1942, 1043, 1945 B. W. â Buiten hetgeen omtrent het afleggen van den eed is voorgeschreven, heeft het nalaten van eene of andere der overige formaliteiten alleen dan nietigheid des verhoors van den getuige ten gevolge, wanneer de belanghebbende partij daardoor in hare verdediging is benadeeld, en de begane ongeregeldheid niet kan worden hersteld; in het tegenovergestelde geval, kan de belanghebbende partij van den Rechter, zoo daartoe gronden zijn, de bevoegdheid bekomen, om de begane ongeregeldheden te haren koste te herstellen. Art. 120. Vgl. De Pinto blz. 199.
De Kantonrechter, vergezeld van zijn Griffier, kan in alle gevallen, op alle plaatsen van zijn rechtsgebied, en zonder voorafgaande beteekeningen of dagvaardingen, de verklaringen ontvangen van de getuigen, welke, door de twistende partijen gezamenlijk medegebracht, uit eigen beweging voor hem verschijnen; terwijl het proces-verbaal van zoodanig ge-tuigenverhoor, moet worden opgemaakt in voege voorgeschreven bij art. 110 en 111, B. R. Art. 121. Hoe ruim dit art. ook moge spreken van alle gevallen, schijnt het echter alléén op twistgedingen, voor den Kantonrechter aanhangig, te mogen worden toegepast. De plaatsing van dit art. onder 'de bepalingen betrekkelijk de wijze van procedeeren voor den Kantonrechter, schijnt die opvatting van het art. noodzakelijk mede te brengen. Ook schijnt het art. ondergeschikt aan de bepalingen over het bewijs door getuigen, zoodat het zich beperkt tot die gevallen, waarin
29
442
dat bewijs is toegelaten. De Witt Hamer bi. 230, De Pinto bl. 199.
§ 135. Op allergebrekkigste wijze regelde de wetgever bot bericht van deskundigen bij de Kanton-gereebten.
In de artikelen 101 en 102 wordt bet onderwerp zeer onvolledig geregeld; welke regeling eenigzins minder onvolledig wordt gemaakt door bet voorschrift van art. 125, dat de bepalingen omtrent bet wraken van deskundigen voor de collegiën gegeven (art. 225â227), ook bij bet Kantongerecbt zullen gelden.
Mij scbijnt bovendien juist de opmerking van De Pinto (11, § 04, blz. 200) dat de artikelen 101 on 102 slechts zijn geschreven vooreen deskundig onderzoek bij eenc gerechtelijke plaatsopneming. Prof. Van Boneval Faure (IV, J, blz. 57) heeft mij van de onjuistheid dier opmerking niet overtuigd. Mij dunkt, dat de aanhef van art. 101 niet anders toelaat, dan te denken dat het geheele artikel is geschreven voor het geval van eene gerechtelijke plaatsopneming. En neemt men eenmaal aan, dat art. 101 slechts op dat geval ziet, dan kan artikel Ul2 ook slechts op dat geval betrekking hebben. Trouwens, neemt men aan dat art. 102 met pi-occs-verhuul bedoelt proces-verbaal van hel bericht der deskuudujeu en niet proces-verbaal van plaalsopneminq, dan is nergens in de ^vet het voorschrift gegeven dat van eene gerechtelijke plaatsopneming bij bet Kantongerecht proces-verbaal zal worden opgemaakt.
Hoe dit echter ook zij, nu art. 125 toepasselijk verklaart de voorschriften elders omtrent de wraking der deskundigen gegeven, sluit het uit de toepassing der andere voorschriften in art. 222â23b omtrent de deskundigen gegeven. Mr. Van der Kemp ging dan ook m. i. te ver toen bij meende dat art. 222 en 223 ook bij het Kantongerecht van toepassing zijn en Mr. Greeve veel te ver toen bij dat meende ook van art. 231 en 232.
443
Het komt mij ecliter voor dat er geen bezwaar kan bestaan tegen analogische uitbreiding der voorscbriften, gegeven voor deskundig onderzoek, bij gelegenheid eener gerechtelijke plaatsopneming. Er is, dunkt me, geen reden denkbaar waarom de wetgever wel een deskundig onderzoek zou toelaten wanneer er eene gerechtelijke plaatsopneming geschiedt, en niet wanneer die achterwege blijft.
Men verkrijgt aldus het volgende samenstel van bepalingen:
Wanneer de Kantonrechter een deskundig onderzoek mocht noodig achten, benoemt hij bij vonnis drie deskundigen, ten ware beide partijen mochten verzoeken dat het onderzoek aan slechts éénen deskundige worde opgedragen. De deskundigen worden dooide meest gereede partij gedagvaard, met vermelding van de plaats, den dag en het uur en van het dispositief van het vonnis, ten aanzien der bevolen verrichting. Zij worden vóór den aanvang hunner verrichting be-eedigd op straffe van nietigheid (art. 101, 2C en 3e lid).
Daar het artikel niet van een verzoek der partijen tot benoeming van deskundigen gewaagt, zal men het er voor moeten houden, dat steeds de Kantonrechter daartoe het initiatief moet nemen. Ook zullen partijen de deskundigen niet kunnen kiezen. Door de inrichting van de procedure bij den Kantonrechter is deze echter ruimschoot» in de gelegenheid partijen hier ter wille te zijn.
De door den Kantonrechter benoemde deskundigen kunnen gewraakt worden uit denzelfden hoofde als de getuigen. De wraking moet altijd vóór de eedsaflegging worden voorgesteld. De deskundige wordt, zoo hij verschijnt, gehoord; de Kantonrechter doet uitspraak zonder hooger beroep (art. 225, lc en 3e lid).
â In geval de wraking aangenomen wordt, zal de Kantonrechter bij hetzelfde vonnis in plaats van den gewraakte of de gewraakten een of meer nieuwe deskundigen benoemen (art. 227).
444
Van toepassing van art. 220, dat eone wraking bij akte voorschrijft, zal bij bet Kantongerecht geen sprake kunnen zijn. De wraking zal daar mondeling bebooren te geschieden.
In zaken, aan hooger beroep onderworpen, wordt door den Griffier proces-verbaal opgemaakt. Dat procesverbaal houdt in het bericht van do deskundigen en doet van den door hen afgelegden eed blijken. Het proces-verbaal wordt door den Kantonrechter, den Griffier en de deskundigen onderteekend; indien deze laatsten niet kunnen teekenen, wordt daarvan melding gemaakt. In zaken, niet aan hooger beroep onderworpen, wordt geen proces-verbaal opgemaakt; dan wordt echter in bet vonnis vermeld de eeds-aflegging van (h' deskundigen en de slotsom van bun bericht (art. 102).
Een schriftelijk bericht van deskundigen als bij de collegiën, is bij het Kantongerecht dus niet bekend. Mr. Greeve was van eene andere meening.
Art. 230 is bij bet Kantongerecht niet van toepassing; intusschen volgt uit de 4° alinea van art. 101, dat de Wet de tegenwoordigheid van partijen bij het deskundig onderzoek veronderstelt. En hunne tegenwoordigheid brengt mede, meent Prof. \ an Bone val Eauke (IV, 1 blz. 100), hunne bevoegdheid, om aan de deskundigen, door tusschenkomst van den Kantonrechter, opmerkingen te maken.
De dwangmiddelen bij de collegiën tegen nalatige deskundigen in artt. 229 en 233 gegeven, ontbreken bij het Kantongerecht. Heeft intusschen een deskundige door de beëediging zijne benoeming aanvaard, dan zal hij civielrechterlijk verantwoordelijk zijn tegenover partijen voor nalatigheid. Zie ook v. B. E. i V, 1, blz. 101.
Alhoewel blijkbaar niet voor het Kantongerecht geschreven, zijn toch de bepalingen van bet tarlet omtrent deskundigen ook daar van toepassing. Bij het Kantongerecht zal echter geen bevelschrilt van tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 232 kunnen
445
worden afgegeven. Wordt de deskundige niet vrijwillig betaald, dan zal hij het hem toegeschatte op de gewone wijze moeten invorderen.
Wanneer de deskundige schadeloosstelling vordert, moet de Kantonrechter haar op het afschrift der dagvaarding begrooten en daarvan melding maken in het proces-verbaal «). Die schadeloosstelling is een vacatie-geld, geëvenredigd aan der deskundigen maat-schappelijken stand en beroep en het belang dor verrichting, ter beoordeeling van den Rechter, die het onderzoek heeft bevolen, doch niet hooger dan f 2 voor iedere vacatie van een uur, een gedeelte voor een geheel gerekend, tot de aan hen opgedragen werkzaamheden besteed. Zoo zij zich van hunne woonplaats hebben moeten verwijderen, moet bun voor den tijd tot de heen- en terugreize benoodigd, een gelijk vacatie-geld worden toegestaan, behalve nog het bedrag der door hen voor reiskosten gedane verschotten, naar billijkheid en ter beoordeeling des Rechters. Art. 61, 63, 66 Tarief.
Alhoewel art. 235 slechts bij de collegiën geldt, spreekt toch van zelf dat ook de Kantonrechter bevoegd is om, wanneer hij van de benoemde deskundigen geene voldoende inlichtingen verkrijgt, anderen te benoemen.
Het ligt in den aard van het bewijsmiddel, dat, niettegenstaande art. 236 bij het Kantongerecht niet toepasselijk is, toch de Kantonrechter in geen geval verplicht is het door de deskundigen geuit gevoelen te volgen, indien zijne overtuiging daartegen strijdt.
§ 136. In geval de Kantonrechter zich naar een plaats in geschil begeeft, hetzij tot bezichtiging, hetzij om tevens getuigen of deskundigen te hooren, moet hij vergezeld zijn van den Griffier, die de minuut van het vonnis, waarbij de verrichting bevolen is.
a) Alhoewel deze wijze Tan toeschatting niet uitdrukkelijk is voorgeschreven, is hier analogische toepassing van art. 113 gewenscht.
44G
moet medebrengen. De Kantonrechter kan op de plaats zelf, na afloop der bevolen verrichting, en na verhoor der partijen, dadelijk uitspraak doen a). Art. 101 B. R. Zoo de partijen in dit geval tot het doen eener reis zijn verplicht geweest, moeten de kosten, daardoor veroorzaakt, worden gebracht ten laste van de in de proceskosten veroordeelde partij, -overeenkomstig de daarvan door den Rechter te doene begrooting. Art. 67 Tarief. Vroeger, onder het Fransche Recht, was bij de Vredegerechten het verzoek der partijen ter plaatsbezichtiging van noode, en moest daarvan melding gemaakt worden op het procesverbaal, terwijl anders de kosten daarvoorniet konden worden in rekening gebracht, volgens art. 39 Code de Proc. Civ. in verband met art. 8 van het toenmalige Tarief. Bij ons moet men aannemen, dat de Kantonrechter haar evenals de collegiën, (art. 219) ook ambtshalve kan bevelen. Voor het opmaken van een proces-verbaal door den Griffier en voor de deskundigen, verwijs ik naar de vorige §. Prof. Van Boxeval Faure (IV, 1 blz. 58) meent, dat de deskundige hulp hier niet geregeld is, en acht geoorloofd analogische toepassing van de bepaling hieromtrent in art. 219, waarover Z.H.G. handelt IV, 1 blz. 50 vlg.
§ 137. Bij art. 125 worden op de Kantongerechten toepasselijk verklaard de wetsbepalingen betrekkelijk het hooren der parijen h) of juister het verhoor op vraagpunten. Daar echter deze in persoon hare zaken bij de Kantongerechten kunnen voordragen en be-
a) Zijn partijen niet tegenwoordig, dan zal hij dus zijne uitspraak moeten aanhouden.
b) Met het verhoor op vraagpunten verwarre men niet de bevoegdheid, den Hechter in art. 49 li. Rv. gegeven, om eene persoonlijke verschijning der partijen te bevelen. Art. 49 schept geen nieuw bewijsmiddel, doch dient slechts om den Kechtcr in de gelegenheid te stellen omstandigheden en feiten, die hem in het geding niet duidelijk zijn geworden, door partijen zelve te doen ophelderen. Vit den aard der zaak is het middel, dat trouwens ook bij de collcgicn niet toegepast wordt, bij het Kantongerecht van weinig belang. Men zie er over Prof. v, B. 1'. III blz. 167 vlg. en Mr. v. D. S. in Themis IV (1857) blz. 188.
447
handelen, mag men aannemen, meende de Regeering bij gelegenheid der voordracht van het tarief aan de Staten-.Generaal, dat' een afzonderlijk en bepaald verzoek tot het hooren op vraagpunten, onder dc zeldzaamheden kon worden gerangschikt. AV. 392, 405. De toepassing der artt. 237â24G zal dan ook voornamelijk plaats grijpen, in geval de partijen bij gemachtigden verschenen zijn, omdat, als zij in persoon verschijnen, zij dadelijk kunnen antwoorden en het voor hen gevaarlijk kan zijn dit na te laten.
Vele en belangrijke wijzigingen werden in 1896 gebracht in de regeling omtrent het verhoor op vraagpunten.
Partijen mogen bij incidenteele conclusie verzoeken om elkander, op ter zake dienende en niet tot iets anders betrekkelijke vraagpunten te doen hooren. De conclusie zal de feiten eu vraagpunten inhouden (art. 237, le lid). Ambtshalve bevel tot verhoor op vraagpunten is dus uitgesloten.
Partijen zijn de eischer en de gedaagde zelf, dus niet hunne gemachtigden in het geding (arrest H. K. 21 Sept. 1844, W. 535, R. dl. XVllI § 50, v. n. JI. B. R. dl. VI 1â20). In een geding door of tegen den Curator van een gefailleerde gevoerd, kan dus, daar de gefailleerde daarin geene partij is, deze niet op vraagpunten worden gehoord a) (vonnis Rechtbank 's Gravenhage 15 Oct. 1852, W. 1410; zie ook Rechtsgeleerde Adviezen V, blz. 215â221). In een geding, waarin eene getrouwde vrouw is gedagvaard en tot haren bijstand en hare machtiging haar echtgenoot, kan deze laatste niet op vraagpunten worden gehoord (P. II. van Zuid-Holland 22 Februari 1804, W. 2507.)
Schreef vroeger de Wet een verzoekschrift b) voor,
a) Hetzelfde geldt, wanneer een voogd voor zijn pupil procedeert. Zie ook v. E. F. TV, 2 blz. 238.
h) ])e vroeger gevoerde strijd, of bij het Kantongereeht dat verzoekschrift moest worden beteekend, (zie hierover Van Kossem art. 237 aant . 9) heeft door het vervallen van het verzoekschrift zijn belang verloren.
448
thans vordert zij eene conclusie, welke bij het Kan-tongerecht niet schriftelijk behoeft te worden genomen (art. 62).
L'it de omstandigheid, dat de Wet hier spreekt van eene incidcnleclc conclusie, volgt, dat daarop van toepassing is art. 247, en dat dus ook de wederpartij omtrent het verzoek zal moeten worden gehoord. Niettegenstaande liet voorschrift van art. 208, dat het hooren der wederpartij uitdrukkelijk voorschreef, verviel, blijft dus toch dat verhoor verplichtend.
Al wordt niet meer in de Wet gevonden, dat partijen in elke» stand van hel geding (art. 237 oud) het verzoek kunnen doen, zoo volgt toch uit de omstandigheid, dat conclusiën kunnen worden genomen zoolang den Rechter niet de stukken ter beslissing zijn overgegeven, dat ook thans in eiken stand van het geding een verzoek tot verhoor op vraagpunten kan worden gedaan. Die bevoegdheid houdt op, zoodra de Rechter de stukken, al zij het ook voor een interlocutoir, onder zich heeft (arrest H. R. 20 Juni 1895, W. 0089, F. V. J. 1895, 70).
Indien echter eene partij, nadat de dag voor het houden der pleidooien reeds bepaald is, zoodanig verhoor nog weuscht te vragen, zal zij daartoe aan den Rechter een verzoekschrift moeten inleveren, de feiten en vraagpunten inhoudende, en dit aan de wederpartij doen beteekenen. De behandeling van dit verzoek zal alsdan, zonder nadere conclusie van de verzoekende partij, geschieden tegelijk met die pleidooien, als wanneer de wederpartij gerechtigd zal zijn op dat verzoek mondeling en ook bij conclusie te antwoorden (art. 237, 2f' lid).
Door dit voorschrift, van meer belang voor de Rechtbank dan voor het Kantongerecht, beoogde de wetgever tegen to gaan een misbruik, dat bij drukke Rechtbanken van het verzoek tot verhoor op vraagpunten werd gemaakt, om namelijk een proces tot
449
in het oneindige te rekken. Was na maanden eindelijk de pleitdag aangebroken, dan deed de partij, die bij wachten belang had, een verzoek tot verhoor op vraagpunten. Zelfs al wees de Rechtbank het verzoek af, dan nog was de pleitdag weder voor maanden verschoven en zooveel tijd voor de talmende partij gewonnen. Dat kan nu niet meer gebeuren; de pleidooien gaan door; de Rechter doet tegelijk uitspraak over het verzoek en over de hoofdzaak; wijst hij het verzoek af, dan geeft hij zijne beslissing over de hoofdzaak; wijst hij het toe, dan houdt hij die beslissing aan.
Alhoewel liet nergens uitdrukkelijk is voorgeschreven, zoo volgt toch uit het nauwkeurig onderzoek der vraagpunten, dat de Wet van den Rechter vordert, dat het verzoek tot verhoor op vraagpunten eerst na het antwoord kan geschieden. Hij, die dat verzoek doet vóór bet antwoord, zal daarin zijn niet-ontvan-kelijk. Zie in dien geest een vonnis der Rechtbank te Rotterdam van 13 April 1891, W. 6020 en v. B. F. IV, 2 blz. 223 vlg.
De Rechter moet nauwkeurig onderzoeken of de vraagpunten tot het geschil betrekkelijk zijn; hij moet de zoodanige, die hij als strikvragen beschouwt, ter zijde stellen, of het verboor der partij, zoo daartoe termen zijn, geheel van de hand wijzen. De Rechter zal dit laatste evenzeer kunnen doen, wanneer na bet aanwijzen van een pleitdag liet verzoek zoo laat is geschied, dat de wederpartij buiten staat is, zich daarover uit te laten (art. 238). Mrs. IIarïogh en Cosman teekenen bierbij aan, dat de bedoeling van den slotzin van art. 238 is, dat de Rechter steeds in de gelegenheid moet zijn om het oordeel der wederpartij te vernemen, en dat aan deze laatste do gelegenheid niet mag worden ontnomen om door erkenning het verhoor overbodig te maken.
Staat bij het hooren der partijen toe, dan moot bij bij een vonnis gelasten, dat zij te dien einde voor
450
hem in de raadkaner a) ten bepaalde dage en ure verschijnen, terwijl hij, in geval van verwijderde woonplaats of van wettige verhindering, den Rechter van het Kanton van hunne woonplaats, tot dat hooren machtigen mag. Art. 239, 240.
Indien de wederpartij, in een der gevallen bij het eerste en tweede lid van art. 237 bedoeld, de gestelde feiten erkent, zal het verhoor vervallen (art. 237 3e lid). Heeft de erkenning der feiten plaats, vóórdat de Rechter het verhoor beveelt, dan zal volgens art. 23S, lc lid, de Rechter het verzoek moeten wijzen van de hand.
Het vonnis, waarbij het verhoor wordt bevolen, behoeft niet te worden beteekend. Dagvaarding van de te hooren partij is niet noodig; in art. 245 vervielen dan ook de woorden gedaagde en zonder n ieuwe dagvaarding.
Indien zij zonder wettige verhindering niet verschijnt, of weigert te antwoorden, zal daarvan melding worden gemaakt ten processe-verbaal, en de daadzaken, over welke de vragen loopen, zullen kunnen worden gehouden voor erkend. Maar indien de niet-verschenen partij zich nog vóór de uitspraak ten principale daartoe aanmeldt, kan zij worden gehoord, onder verplichting evenwel tot betaling der kosten, door haar wegblijven veroorzaakt, mitsgaders van schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. Art. 244. In geval ten dage tot het hooren bepaald, de partij van wettige verhindering blijken doet, moet de Rechter een anderen dag tot het hooren bepalen. Art. 245.
De partij moet in persoon, zonder eenig geschreven opstel te mogen voorlezen, antwoorden op de vragen, welke haar door den Rechter, luidens het vonnis, of ook ambtshalve zullen worden gedaan. De partij, die het verhoor heeft verzocht, kan daarbij tegenwoordig zijn, evenals de advokaten der beide partijen. Door
a) Raadkamer is hier gebruikt iu tegenstelling van âopenbare tereeht-zitting.quot;
451
de verzoekende partij of hare praktizijns zullen, door tusschenkomst van den Kantonrechter, uitsluitend over het onderwerp in do vraag genoemd, naar aanleiding van de gegeven antwoorden, vragen mogen worden gedaan; ingeval van verzet der wederpartij kan de Rechter weigeren de vraag te doen, zonder dat daartegen eenige voorziening is toegelaten (art. 211).
Verscheen vroeger slechts de te ondervragen partij voor den Rechter, de wetgever van 1896 bracht daar ook de tegenpartij en gaf haar ook het recht vragen te doen.
Door de tegenwoordigheid der tegenpartij en haar recht om te vragen, is een belangrijke waarborg verkregen, dat hij die ondervraagd wordt, niet in strijd met de waarheid antwoordt; niet een van buiten geleerd antwoord opzegt. Te ontkennen is het echter niet, dat hier een gevaar dreigt. liet nieuwe artikel maakt het mogelijk, dat het verhoor wordt een middel âom âde tegenpartij op zeer onredelijke en zeer onzedelijke âwijze als 't ware op de pijnbank te leggenquot; a). Daartegen wake de Rechter. Hij kan dat doen, door te zorgen dat de vragen blijven binnen de grenzen afgebakend in art. 241, zoo noodig door, wanneer de wederpartij zich verzet, te weigeren eene vraag te stellen.
Het nieuwe art. 241 munt m. i. niet uit door nauwkeurigheid van redactie. Terwijl toch de bedoeling schijnt te zijn h) dat de Rechter ambtshalve slechts vragen kan doen binnen de grenzen van het derde lid van art. 241, werd ook reeds in de Eerste Kamer terecht de opmerking gemaakt, dat art. 241, eerste lid, eigenlijk den Rechter een onbeperkt recht om te vragen geeft.
Omtrent de beteekenis der woorden onderwerp in de vraag genoemd, teekenen Mrs. Hartogh amp; Cos max
a) Woorden gesproken bij de behandeling der wet Hartogh in de Eerste Kamer, opgenomen bij Mrs. Hartogh en Cosm.vn, blz. 110.
b) Mrs. H. en (J., blz. 111 en 112.
452
(biz. 113) aan: âDat is: het punt waarover de vraag âmeer bijzonder loopt. Als deze dus, om een voorbeeld âte noemen, beoogt om tot klaarheid te brengen of âverkochte goederen al dan niet geleverd zijn, mogen âde latere vragen zich niet uitstrekken tot de hoedanigheid van het geleverde of iets dergelijks, slechts âin zooverre met de oorspronkelijke vraag verband âhoudende, dat het de zelfde rechtshandeling betreft.quot;
De bepaling omtrent het toelaten van de advokaten en prokureurs bij het verhoor, geeft aanleiding tot eene moeilijkheid bij de Kantongerechten. Daaraan is ook hier weer niet gedacht. Prokureurs zijn daar niet bekend; van hunne toelating kan dus daar geen sprake zijn. De gemachtigde is geheel iets anders dan de Prokureur. Xu de gemachtigde niet genoemd wordt, kan hij evenmin worden toegelaten. Maar hoe staat het met den Advokaat? Al kan zijn salaris niet onder de proceskosten worden gebracht, dit belet niet, dat wanneer eene partij in een proces voor den. Kantonrechter de diensten van een Advokaat als gemachtigde of als rechtsgeleerden raadsman gebruikt, deze is haar Advokaat. Ingevolge art. 241 zal deze toegang hebben tot het verhoor en daar aan de wederpartij vragen kunnen doen of haar partij bijstaan. Ik geef toe dat deze uitlegging van art. 241 tot onbillijkheden aanleiding zal geven. Men denke zich een verhoor op vraagpunten in een proces waarin eene partij de diensten gebruikt van een Advokaat en de andere van iemand die dat niet is; daar verschijnt de eene met haar Advokaat in raadkamer en de andere zonder iemand. Ik meen echter dat art. 24 L geene andere uitlegging toelaat.
Moeten besturen van openbare instellingen, stichtingen en zedelijke lichamen op vraagpunten worden gehoord, dan moeten zij een hunner leden benoemen om op de aan hen bij vonnis gestelde vraagpunten te antwoorden; zij moeten te dien einde eenen bijzonderen last geven, waarbij de antwoorden opge-
453
geven en waarachtig verklaard zullen worden; deze last mag worden voorgelezen. De partij behoudt het vermogen om de bestuurders van zoodanige instellingen, stichtingen en zedelijke lichamen over feiten die hen persoonlijk betreffen, te doen hooren, ten einde daarop bij den rechter zoodanig te worden acht geslagen als bevonden zal worden te behooren (art. 242). De Griffier moet een proces-verbaal van ondervraging opmaken en aan den ondervraagde voorlezen, welke daarin dan nog zoodanige veranderingen en bijvoegingen in zijn antwoorden kan maken, als hij noodig oordeelt, en welke aan het einde, of op den kant van het verhoor, moeten geschreven worden. Ook hiervan moet hem voorlezing gedaan en voorts het proces-verbaal door hem, benevens door den Kantonrechter en den Griffier, onderteekend worden. Art. 243. De antwoorden, door de partij op de vraagpunten gegeven, mogen slechts in het aanhangig geding dienen, en in geen geval als eene erkenning worden beschouwd ten opzichte van andere zaken. Art. 246. Het is bij de Wet niet verboden, dat, na een eenmaal gehouden verhoor op vraagpunten, in dezelfde instantie nog een tweede wordt gehouden (arrest H. R. 29 Maart 1883 W. 4898 R. dl. CXXXIII § 47).
Kan het proces-verbaal van een verhoor op vraagpunten zijn een begin van schriftelijk bewijs? Overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Cassatie in Frankrijk en de leer o. a. van Toulliek, beantwoordde de H. R. die vraag toestemmend, bij zijn arrest van 16 April 1352, W. 1329. In dienzelfden geest oordeelt Prof. Van Boneval Faure IV, 2 blz. 247. Anders Rechtsgeleerde Adviezen I \ , blz. 143â146.
§ 138. In den loop van een rechtsgeding kan de Kantonrechter, op verzoek van een der partijen of zelfs van ambtswege, de opcnleyginf) der koojnnansboeken bevelen, ten einde daarvan inzage of een uittreksel te doen nemen, voor zooveel het punt in geschil betreft. In geval die boeken zich bevinden op eene
454
andere plaats, dan die waar het Kantongerecht, voor hetwelk de zaak aanhangig is, gevestigd is, staat het den Kantonrechter vrij zijn ambtgenoot daar ter plaatse op te dragen, van die boeken inzage te nemen, en van zijne bevinding een verbaal op te maken en over te zenden. Art. 12 W. v. K.
Dit artikel schept voor den Rechter geene verplichting om op verzoek van eene der partijen openlegging der boeken te bevelen, doch slechts eene bevoegdheid. De gronden waarom hij van die bevoegdheid geen gebruik maakt, staan uitsluitend te zijner beoordeeling. Arrest H. R. 10 April 1891, W. 6020, P. v. J. 1891, 46, X. R. GLVII, 219, if. v. H. III, 233. Hij zal natuurlijk geene openlegging der boeken bevelen, wanneer om redenen van feitelij keu of rechtsgeleerden aard die boeken toch geen bewijs zullen opleveren.
Aan makelaars kan de Rechter bevelen de openlegging hunner boeken in rechten, ten einde de uittreksels, welke zij ingevolge artikel 67, le lid, aan de partijen moeten geven, met de oorspronkelijke aanteekeningen te vergelijken. Hij kan daaromtrent ook hunne toelichting vorderen (art. 67, 2e lid W. v. K.)
Hij, die nalaat aan het rechterlijk bevel tot het openleggen zijner boeken te voldoen, of wel die weigert die open te leggen, indien de tegenpartij zich aan dezen wil gedragen, doet daardoor een vermoeden in zijn nadeel ontstaan. In beide gevallen kan de Rechter aan de tegenpartij den eed opleggen, al ware er geen ander bewijs aanwezig. Art. 13, K. a)
Ook bij geheele ontkentenis der handeling kan, naar art. 12 K., openlegging der boeken bevolen worden. Tusschen dit en art. 10 bestaat geenerlei verband. Kantongerecht Ui Amsterdam, 3 Juli 1879, W. 443S.
a) Intusschen volgt uit dit artikel uiet, dat de niet-voldoening aan een rechterlijk bevel tot openlegging der boeken, uitsluitend in het daar bedoelde geval al.s vermoeden mag gelden. Arrest II. li. 27 Nov. 1885, \V. 5240. X. R. CXLI, 237, v. D. H. li. LI, 323.
455
Indien, zoowel door den eischer als door den gedaagde, tot bewijs hunner beweringen, koopmansboeken zijn overgelegd, zal de Rechter, bij verschil tusschen die boeken, uit de bijzondere omstandigheden van elders ten processe gebleken, moeten afleiden, wiens boek, ten aanzien van het feit in verschil, het meeste geloof verdient. Arrond. Rechtb. Leiden, 11 Jan. 1870, R. B. D. XX. 1870, biz. 10G.
Art. 6 van het Wetboek van Koophandel schrijft niet voor, dat al hetgeen daar is opgenoemd in één en hetzelfde boek, door elkander, doch naar volgorde des tijds, onmiddellijk achter elkander moet voorkomen.
Het is geoorloofd afzonderlijke dagboeken te houden voor bestellingen, afleveringen, betalingen, enz. De koopman, die slechts van een deel der zaken bij art. 6 vermeld, dagboek houdt, heeft wel onvolledig dagboek gehouden, doch kan niet geacht worden, in 't geheel geen dagboek te hebben gehouden.
In dat geval kunnen de overige boeken, bij art. 10 K. opgenoemd, tot aanvulling van het onvolledige dagboek strekken, indien het bestaan der handeling, tusschen partijen, in het algemeen is bewezen. Arrond. Rechtb. Utrecht 19 Maart 1879, R. B. N. R. I). V. 1879, blz. 249.
Men kan, zegt art. 11 K., niemand noodzaken om zijne boeken, balansen en verdere daartoe betrekkelijke papieren open te leggen, dan alleen ten behoeve van hem, die als erfgenaam, als belanghebbende in een gemeenschap, als vennoot, als aansteller van factoors of bewindvoerders, daarbij een regelrecht belang heeft, en eindelijk in geval van faillissement.
De bedoeling van deze exceptieve bepaling is, â óók blijkens het antwoord der Regeering op de aanmerkingen in de Staten-Generaal bij de behandeling van dit artikel, dat te vinden is bij Voorduin, Geschiedenis en Beginselen, D. VIII, blz. 82 en 83, â dat de partij die openlegging vraagt, rechl van mede-eigendom op die boeken hebbe, als vennoot, of in eene andere
45G
betrekking, in tegenstelling van art. 12, dat alleen spreekt van boeken aan eene der partijen toebehoorende, waaruit ern ander een uittreksel wil nemen, of waarvan deze inzage wil nemen.
Maar daarom is het ook onjuist te beweren, dat de comtniasiegever, mede-eigenaar zou zijn van de boeken van den commissionnair, voor dat gedeelte, hetwelk op die commissiezaken betrekking heeft. Arrond. Rechtbank Amsterdam 3 Maart 1870, W. 3253.
§ 139. Oordeelt de Kantonrechter aan oene der partijen den eed a) te moeten opleggen, 't zij den beslissenden eed op daartoe gedaan verzoek, 't zij den aanvullenden eed ambtshalve, dan kan hij dat doen zoowel bij een voorwaardelijk eindvonnis, als bij een interlocutoir vonnis. Aanvankelijk was de Hooge Raad van meening, dat dat bij voorwaardelijk eindvonnis behoort te geschieden. In zijn arrest van o Dec. 1848 h) oordeelde hij dat alleszins rationeel en overeenkomstig met eene goede praktijk; in zijn arrest van 9 Mei 1845 c) oplegging bij interlocutoir vonnis eene prac-ticale dwaling. Bij arrest van 11 Mei 1855 c/) besliste hij intusschen, dat noch art. 1977 B. W., noch art. 46 B. R. iets voorschrijven omtrent, het opleggen van den eed bij een interlocutoir of bij een eindvonnis.
De praktijk heeft, en m. i. terecht, eene voorliefde voor het voorwaardelijk eindvonnis. Die praktijk werd door verschillende rechtsgeleerde schrijvers bestreden. Zij werd verdedigd door Mrs. Van der Kemp en Greeve en door Prof. Van Boni;val Faure (IV, 2 blz. 320). âDewijl van het doen van den eedquot;, zeide
a) Men zie over deu eed liet aoademiseli proefschrift van Mr. Kn. Eeith : De decisoire eed. Leiden 1S92.
h) W. 983 R. d XXXII, § 27, v. D. H. B. R. d X p 161â175.
c) v. d. H. B. E. d VII, blz. 58â78, W. 602, R. d XX § 60.
d) W. 1644, E. d. L. § 20: v. d. H. B. E. d XIX p. 278-294. Zie ook arrest H. E. 23 Oct. 1873, quot;VV. 3652, M. v. H. XVI, 243.
457
Mr. Van der Kemp, âde beslissing der zaak geheel ,afhangt, en er na den gedanen eed geen onderzoek âmeer te pas komt, zoo kan er gevoegelijk een eind-âvonnis worden uitgesproken onder bijgevoegde voor-âwaarde van don eed «).quot;
Sprekende over eene bestrijding van het voorwaardelijk eindvonnis, voorkomende in Rechtsydeerde Adviezen II, blz. J 27â129, schreef hier Mr. Greeve: âIntussehen, hoeveel waars er ook in het betoog van âdit advies moge gelegen zijn, zoo geloof ik toch, âdat de beschouwing van den IT. R. de juiste is, en âde praktijk heeft naar ik ineen, het bezwarende van âdie voorwaardelijke vonnissen nog niet in zoo groote âmate doen gevoelen, dat er redenen zouden geacht âmoeten worden aanwezig te zijn, om van eene vrij âalgemeen gebruikelijke wijze van doen af te gaan.quot;
Prof. van Boneval Fat-re (IV, 2 blz. 320) ziet in de oplegging van den eed bij voorwaardelijk eindvonnis eene vereenvoudiging en bespoediging der rechtspraak. Z.ILG. zegt verder: âWaartoe tot twee-âmalen toe van den Rechter een vonnis gevraagd, dat âhij in eens geven kan? dat hij in eens geven kan âzonder in eenigerlei opzicht in zijne taak te kort te âschieten? Want wanneer eens de Rechter van oor-âdeel is, dat do eed moot worden opgelegd en hij die âbeslissing heeft gegeven, dan is daarmede ook het âoordeel dos Rechters over de vraag, wie van beide âpartijen in het gelijk moet worden gesteld, uitge-
a) Wordt aan den gedaagde een heslisaende eed opgelegd, dan zal het vonnis ongeveer aldus luiden;
«Dragen aan den gedaagde op te zweren den navolgenden eed, enz.»
quot;Voor het geval dat gedaagde dien eed zal hebben afgelegd of wel bij quot;terugwijzing door den gedaagde, eischer het afleggen van dien eed zal quot;hebben geweigerd:
quot;Ontzeggen don eischer zijne vordering, veroordeelen hem, enz.»
quot;Voor het geval dat gedaagde weigert dien eed af te leggen of terug quot;te wijzen of wel bij terugwijzing door den gedaagde de teruggewezen eed quot;door den eischer zal zijn afgelegd;
quot;Veroordeelen den gedaagde, enz.»
Zie arrest H. R. 18 October 1889, W. 5784.
30
458
âsloten. Wie gelijk of ongelijk moet hebben, hangt âeenvoudig van het afleggen of weigeren van den âeed af. En al wordt dan de einduitspraak van den âRechter eene voorwaardelijke, het is niet minder âeene einduitspraak, daar de Rechter niets meer in âde zaak te zeggen heeft, 's Rechters oordeel is niet âvoorwaardelijk en daardoor onzeker, maar hot staat âvast, en of ten slotte de eene ot de andere partij âgelijk krijgt, hangt af van een feit dat op de een âof andere wijze moet plaats hebben, maar waarin de âRechter niets te zeggen heeft. Men boude wel inliet âoog dat, indien juist is de spreuk Vintcrloculoire nc âlie van Ie jiigr, zij toch nooit of te nimmer op een âinterlocutoir vonnis, waarbij een eed werd opgedragen, âtoepasselijk zou kunnen zijn. Dat de wet alleen prae-âparatoire, interlocutoire en eindvonnissen tegenover âelkander stelt in art. 46, en daar van voorwaardelijke âeindvonnissen niet weet, kan tegenover het gezegde âniets afdoen. Dat art. 1(5 had geen aanleiding om âvoorwaardelijke eindvonnissen toe te laten of uit te âsluiten. Wanneer het in den aanhef zegt, dat de âRechter alvorens de zaak deiinitief te beslissen eene âpraeparatoire of eene interlocutoire uitspraak kan âdoen, dan belet dit den Rechter niet, ja, hij wordt âdaardoor zelfs implicite bevoegd verklaard om de âinterlocutoire uitspraak met de definitieve ce ver-âbinden. Als hij het niet noodig acht, omdat de aard âvan een of ander bewijsmiddel het niet gebiedt, dan âgeeft hij het interlocutoir niet, alvorens de zaak âdefinitief te beslissen, maar hij doet het een met âhet ander, omdat met het interlocutoir die beslissing âgegeven is.quot;
Ook Mr. VAX Rossem (art. 50, aant. 2) is voorstander van het voorwaardelijk eindvonnis.
Het vonnis, waarbij een eed wordt opgelegd, moet de daadzaken uitdrukken, waarop de eed gedaan moet worden. De eedsaflegging geschiedt in tegenwoordigheid van de tegenpartij, of deze behoorlijk opgeroepen,
459
ter terechtzitting van het Kantongerecht dat van de zaak kennis neemt'(). Indien een wettig beletsel aflegging ter terechtzitting onuitvoerlijk maakt, kan de Kantonrechter zich tot het afnemen van den eed begeven naar de woon- of verblijfplaats van hem, die haar moet afleggen. Is in dat geval die woon- of verblijfplaats buiten het rechtsgebied van den Kantonrechter gelegen, dan kan hij het afnemen van den eed aan den Rechter dier plaats opdragen, die tot het afnemen daarvan verplicht is. De eed moet persoonlijk worden afgelegd. Om gewichtige redenen is het den Rechter geoorloofd aan eene partij toe te staan om den eed door eenen bij zonderen, bij authentieke akte daartoe gemachtigde, te doen aileggen. De volmacht moet in zoodanig geval den af te leggen eed omstandig en nauwkeurig inhouden (art. 50, le lid, B. Rv., art. 1981 en 1982 B. W.)
De vorm van den eed in een burgerlijk geding is nergens bij de wet uitdrukkelijk voorgeschreven; maar uit art. 194S B. W., 107 B. li., 161 W. v. S.v. en 167 G. W. is af te leiden, dat de eed overeenkomstis:
' o
de godsdienstige gezindheid der partij moet worden afgelegd, gelijk terecht begrepen is door het Hof van Drenthe op 23 Juli 1844, R. B. VI, 712. Zie ook § 47 hiervoor. Uitdrukkelijk besliste de II. R. bij arrest van 22 Oct. 1891 (v. d. H., B. R. 57, bl. 309, R. d. 159, bl. 65, AV. 6096, P. v. J. 1891, 88) dat, ook waar in het B. W., in het W. v. K. en in het W. v. B. Rv. alleen gesproken wordt van een eed, steeds de Doopsgezinde met eene belofte kan volstaan.
Nergens in de Wet wordt een voorschrift gevonden, dat den Rechter verplicht den dag te bepalen, waarop de eed zal worden afgelegd 6). Het is echter gewoonte,
a) Kan werkelijk de eed bij eindvonnis worden opgedragen, dan had, meende Mr, Van pek Kemp, art. 1981 moeten spreken van den Rechter die van de zaak heeft kennis yenomen, niet van den Rechter die van de zaak kennis neemt.
V) In het ontbreken van een dusdanig voorschrift vond Mr. Van der Kemp een bewijs te meer, dat de wetgever wilde eedsopdracht bij
400
dat deze dag wordt aangewezen in het vonnis, waarbij de eed wordt opgedragen.
De beslissende eed kan worden opgedragen omtrent alle geschillon, van welken aard ook, behalve degene waarover partijen geene dading zouden mogen treffen, of waarin hare bekentenis niet zoude kunnen worden in aanmerking genomen. Dezelve kan in eiken stand van het rechtsgeding worden voorgedragen, zelfs dan wanneer geen ander middel hoegenaamd aanwezig is, om de vordering of de exceptie, ten aanzien van welke de eed gevorderd wordt, te bewijzen (art. 19(3/ B. W.) Die eed kan alleen worden opgedragen omtrent eene daadzaak, welke persoonlijk zoude zijn verricht door dengenen aan wiens eed de beslissing wordt overgelaten a) (art. 196S 13. W.) Geen eed kan opgedragen, teruggewezen of aangenomen worden dan door de partij zelve of door een daartoe bijzonder gevolmachtigd persoon (1971 B. W.)
Blijkens art. 1969 13. \V. moet de beslissende eed zoodanig luiden dat hij vatbaar is om in zijn geheel te worden aangenomen. Derhalve is art. 1969 13. W. juncto art. 1966 1°. B. W. geschonden door de oplegging van een eed omvattende drie verschillende posten, waaromtrent verschillende verdediging mogelijk en ook gevoerd was en bij tegenspraak waarvan denkbaar is, dat de eed ten aanzien van den eenen post aangenomen, ten aanzien van den anderen geweigerd kon worden (11. II. 24 Oct. 1895, \V. 6726 l'. v. J. 1895, 91). Zie over dit onderwerp ook K. 13. D XXII 1872 bl. 126.
Het staat den Rechter geenszins vrij eigendunkelijk door toevoeging, weglating of verandering wijziging
voorwaardelijk eindvonnis. Had dc wetgever een interlocutoirgewenscht, dan zou hij ook voorgeschreven hebten, ovenals voor andere interlocu-toiren, bewijs gelastende, den dag nan te wijzen waarop dat bewijs moet worden bijgebracht.
a) Dit art. is niet toepasselijk op den aanvullenden eed (H. R. 15 Mei 1884, v. u. 11., B. R. 49, bl. 389, R. d. 137, § 6, \V. 503G.)
461
tc maken in de bewoording van den naar art. 19GG n0. 1 B. W. opgedragen beslissenden eed. Deze vormt een judicieel contract tusschen partijen, waarin de Rechter zich niet mag mengen, veel minder buiten consent van weder/.ijdsche partijen daadwerkelijk in-oriipen (arrest il. R. 17 Feb. 1854 R. lt;1 XLA II § J v. i). H, B. R. d XVIII bl. 161â187 W. 1583 en 1 Dec 1854 W. 1598 11. d. XLVIll § 64).
De in hoedanigheid procedeerende voogd mag den beslissenden eed opdragen, zonder dat daartoe eene uitdrukkelijke machtiging wordt vereischt «). De beslissende eed toch is naar art. 1903 B. W. een bewijsmiddel en derhalve geene dading; al moge er eenige overeenkomst tusschen beiden bestaan, zoo worden zii geenszins door de Wet volkomen gelijk-gesteld (arrest II, 1!. *» Ue». 1870, R. d. V VI
§ 33, W. 3291).
Eedsopdracht aan meerderen is toegelaten ; zoo niet allen zich tot de aflegging van den eed bereid verklaren, heeft dit tengevolge, dat het feit, waarover do eed loopt, ten aanzien van hen die den eed weigeren, bewezen, ten aanzien der anderen niet bewezen is (11. R. 28 Mei 1880, R. d. GXXV § 11, W. 4524).
Des Rechters bevoegdheid om ambtshalve den aanvullenden eed aan eene der partijen h) op te leggen is aan geen ander voorschrift gebonden, dan dat do vordering of exceptie niet volledig bewezen, noch van alle bewijs ontbloot zij; dus kan hij ook â worden opgelegd, wanneer er slechts is eene verklaring van één getuige (arrest 11. R. 3 April 1890, W. 5856, 1'. v. J. 1890, 38 M. v. H. 11 290, v. igt;. 11. 1'.. LVI, 108, N. R. CLIV, 286).
â) Eene soortgelijke beslissing omtrent den Curator in een faillissement gaf de H. den 14 Juni 1893 (AV. Ã088, P. v. J. 1895, 69).
b) Onverschillig aan eischer of gedaagde (arresten 11. K. 18 Mei 188 , 1? d 149 bl/,. 02, W. 5500, 1'. v. J. 1888, 08 en 15 üet. 1891, V. D. H. 1!. K. d. 57 bl. 290, R. d. 159 blz. 33, \V. 0097); ook aan de gevoegde partij kan een eed worden opgelegd iH. K. 7 Juni 1889, W. o. 34).
462
Indien eene partij, aan welke een eed is opgelegd, door hare wederpartij is opgeroepen om dien af te leggen, en zij niet verschijnt, zal zij geacht worden den eed te hebben geweigerd, behoudens haar verzet «) in geval zij bewijst uit hoofde van een wettig beletsel te zijn verhinderd geweest (art. 50 le lid).
Zeker moet niet onder alle omstandigheden het stilzwijgen van hem, aan wien een beslissende eed is opgedragen, als weigering worden beschouwd, om dien eed aan te nemen of terug te wijzen (H. R. 14 Juni 3895, AV. 6688, P. v. J. 1£(J5, 69).
Wanneer de Wet hier spreekt van verhinderd, denkt zij blijkbaar niet aan het geval, dat het der partij, aan wie de eed werd opgedragen, volstrekt onmogelijk wordt dien af te leggen. Dit geeft tot moeilijkheden aanleiding, wanneer zij sterft vóórdat zij den eed heeft afgelegd, geweigerd of teruggewezen b). Bijzonder, wanneer de eed is opgedragen bij voorwaardelijk eindvonnis. Immers, dit vonnis bepaalt niet alleen dat zij het geding wint wanneer zij zweert, maar ook dat zij het verliest wanneer zij niet zweert.
Is de eed opgedragen bij interlocutoir, dan zal er niets geen bezwaar tegen zijn om bij een nieuw interlocutoir ander bewijs te bevelen. Immers de eed is een bewijsmiddel, waarvan de partij die den eed opdraagt, gebruik maakt en dat faalt, wanneer de tegenpartij, hetzij vóór de uitspraak van het interlocutoir vonnis, hetzij vóór het afleggen of terugwijzen van den eed sterft; arrest Gerechtshof Amsterdam 16 Maart 1888 c). De Hooge Raad bij zijn arrest van
a) Do wijze, waarop dit verzet moet geschieden, in niet geregeld; men zal zich daarom moeten behelpen met de regeling van het verzot tegen een verstekvonnis (v. B. F. IV, 2 blz. 329).
b) Wanneer een aanvullende eed is opgelegd, kan de moeilijkheid worden voorkomen, door op de wijze als het Gerechtshof te Amsterdam deed (arrest 16 Maart 1888, W. 5557) slechts een eindvonnis te geven voor het geval de eed wordt afgelegd, en voor het geval dat niot gebeurt partijen te gelasten voort te procedooren.
c) W. 5557, P. v. J. 1888, 61.
403
28 December 1888«) dat arres1 ]j;vefet,sequot; ^ HOC dat nergens is verboden een bewijsmiddel hotWelk om de een of andere reden komt te val en, door een ander te vervangen. Voor bet geval dat een eindvonnis gegeven werd, zou in de Wet moeten word n opgenomen, dat bij bet wegvallen van bet bewijs-
middel alles hersteld wordt in den tofand partiien waren, vóór de opdracht van den eed (v. B. y IV 2 ld/,. 323). Kunnen de rechtverkri]genden van den overledene nog tegen het voorwaardebj ' efndvonnis opkomen, dan .al bet bezwaar natuurlijk
'Tf Ld, vermits .lie, onafha.Mijk van .ijne
oorzaak, altijd eeo volstrekt beletsel «Tg⢠afieg-en van den eed te verschijnen leveit als zoo danfg noodwendig een wettig beletsel op m den m van art 50 B. R., ooh wannen- luj door cm,- vnjwi uj daad van de tot e dsal^/nvj gouden parhj is vcroo.-Taatf alleen dan zou er reden kunnen zijn om dit wettig beletsel bij een vrij willigen dood n^tteaten gelden als er verband was tusschen den zelfmooid en de gehoudenheid tot eedsaflegging, m.a. w. a s de zelfmoord geschied was met het bepaald oogmerk, om daardoor bet afleggen van den eed te outgêum m R 17 April 1891, v. o. H. B. H. d. o/ bl. loJ K ' (1 ' 157 blz. 253, W. 6028, 1'. v. J. 1891, nquot;. 44).
quot;is'een eed opgelegd bij interlocutrnr vonnis dan
zal wordt daartegen booger beroep aangeteekend, de eedsaflegging niet kunnen worden toegelaten De tenuitvoerlegging toch van een dusdanig vonnis van in niets anders bestaan, dan in het afleggen van den eed en de tenuitvoerlegging is 'quot;gevolge art oou
B Kv. geschorst (arrest 11. K. 30 April 188o, W. 5170)
Moeilijker is vast te stellen, welken invloed he hoooer berde]! op het voorwaardelijk eindvonnis moet hebben. Eene beschikking van den President der
W^Ol, 1'. V. J. 1889, 10. V. D. 11. 13. LIV, 308, N. K. CL, 243.
464
Rechtbank te Alkmaar van den 24 Juli 1S8S (W. 5602) overweegt daaromtrent; een dusdanig vonnis is tegelijk interlocutoir en eindvonnis; uit de voorloopig uitvoerbaar-verklaring der beslissing ten principale volgt niet het voorloopig-uitvoerbare der beslissing omtrent den eed; aflegging van dezen, hangende het hooger beroep, is onwettig en zonder gevolg, ook waar de hoofdbeslissing voorloopig uitvoerbaar is verklaard, dientengevolge is ook de hoofdbeslissing hangende het hooger beroep niet voor excecutie vatbaar.
§ 140. De Rechter kan in alle gevallen, en in eiken stand der zaak, wanneer dezelve hem voor minnelijke schikking vatbaar schijnt, hetzij op verzoek van partijen of van één derzelve, hetzij ambtshalve, partijen gelasten om in persoon of door of met derzelver praktizijns, voor hem te verschijnen ten einde eene vereeniging te beproeven. Indien eene minnelijke schikking tot stand komt, wordt, wanneer partijen zulks verlangen, een proces-verbaal opgemaakt en geteekend door partijen, of derzelver tot dat einde bijzonderlijk gemachtigden, waarin de verbintenissen, die partijen ten gevolge dier schikking op zich nemen, worden uitgedrukt. De uitgifte van dit proces verbaal geschiedt in executorialen vorm. Indien geene minnelijke schikking tot stand komt, bepaalt de Rechter den dag waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen (art. 19).
Het bevel om voor den Rechter te verschijnen wordt gegeven bij interlocutoir vonnis. Partijen verschijnen niet op de openbare terechtzitting, doch in raadkamer.
Bij de vaststelling van art. 19 werd blijkbaar alleen gedacht aan de collegiën; vandaar dat er sprake is van rechters-commissarissen en praktizijns. De gemachtigden der partijen zal men niet onder praktizijns kunnen verstaan. Uit den aard der zaak zal het artikel 19 bij den Kantonrechter slechts dan toepassing vinden, wanneer partijen het geding door gemach-
465
ticden voeren. Voeren zij het zelf, dan zal hij ook zonder artikel 19 toe te passen, in den geest van dat artikel kunnen werkzaam zijn. Het is duidelijk dunkt me, dat van toepassing van art. 19 meer kan verwacht worden bij het Kantongerecht dan bij de col-leliën. De Kantonrechter, allicht persoonlijk by en me partijen bekend, heeft meer het voor het schikken
vereischte persoonlijke prestige.
Verschijnt gee» van beide partijen op den dag voor de schikking bepaald, dan is zeer zeker de minnelijke schikking niet tot stand gekomen en zal de Kantonrechter m. i. den dag moeten bepalen waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen. \ an dek Kemp meende, dat in dat geval met analogische toepassing van art. 42 Reglement I de zaak op de
rol moet worden doorgehaald.
De vraag of iemand, die tot het aangaan eener dading machtiging noodig heeft, ook zonder die machtiging in eene minnelijke schikking, als bedoeld in art 19 kan treden, moet in het algemeen ontkennend worden beantwoord, a) Is echter de Kantonrechter, vóór wien het geding gevoerd wordt, de persoon die machtiging moet verleenen, dan zou men het er voor kunnen houden, dat in het bevel, waarbij de verschijning gelast werd, de machtiging ligt opgesloten. In alle geval zal dan die machtiging mondeling kunnen worden verleend bij de verschijning en m het proces-verbaal der schikking daarvan melding
kunnen worden gemaakt. , i
Alhoewel de wet het niet uitdrukkelijk voorschrijft, volct uit de omstandigheid, dat zij spreekt van een proces-verbaal, dat het stuk van de schikking opgemaakt, ook moet worden onderteekend door den Kantonrechter en door den Griffier.
Komt eene schikking tot stand en verlangen partijen daarvan geen proces-verbaal, dan zullen zij, bij gebreke
a) Zie ook Trof. Va* Hom:va'. Favbe III, blz. 16o cu 166,
466
van bewijs, aan die dading geene rechten kunnen ontleenen. Zie ook v. B. F. III, blz. 165.
§ 141. De gedaagde heeft de bevoegdheid om bij denzelfden Rechter, voor wien hij geroepen werd, in reconventie eene vordering zonder dagvaarding tegen den eischer aanhangig te maken. Deze bevoegdheid schept echter geene verplichting; de gedaagde kan zijne vordering ook bij afzonderlijke dagvaarding instellen (vonnis Rechtbank 's Hertogenbosch 26 Mei 1871, W. 3512, Kantongerecht Amsterdam II, 20 April 1871, R. B. 1871, 683. Eenig verband tusschen de vordering in conventie en die in reconventie behoeft er niet te bestaan; zij kunnen elkander geheel vreemd zijn (Van den Hoxert, blz. 333â338). Slechts is vereischt dat partijen in dezelfde hoedanigheden a) tegenover elkander staan in reconventie als in conventie â eene toepassing van den rechtsregel fol personae, tol qualitates â en dat de Rechter volstrekt bevoegd zij om over de vordering te oordeelen (art. 250). Betrekkelijke onbevoegdheid is geen beletsel voor eene rc-conventioneele vordering. Eene vordering in reconventie kan alleen worden ingesteld door den oorspronkelijke gedaagde, dus niet door den intervenient (vonnis Rechtbank Amsterdam, 30 Sept 1S7U, W. 3266).
Eene vordering in reconventie kan natuurlijk alleen worden ingesteld door den gedaagde tegen den eischer, niet door een gedaagde tegen een medegedaagde (vonnis Rechtbank Roermond, 27 October 1887, W. 5586.) Dat kan echter wel, wanneer de tegen den medegedaagde ingestelde vordering voornamelijk ge-
a) Onder hoedanigheid moet hier niet worden verstaan die van erfgenaam, legataris, vruchtgebruiker, kooper, huurder enz., waarop burgerlijke rechten zijn gegrond of waaruit deze voortspruiten, maar alleen die welke bevoegdheid geven tot het namens of ten behoeve van een ander uitoefenen of doen gelden van op die kwaliteiten, zelve niet gegronde of daaruit niet voortspruitende rechten, zooals de hoedanigheid van voogd, curator, gemachtigde (vonnis Rechtbank Maastricht 2 Juni 1870, \V. 3257, Rechtbank Amsterdam 24 Juni 1869, K. R. 1870 XX, 321).
467
richt is tegen den eischer, meende de Rechtbank te 'sGravenhage in haar vonnis van 19 Maart 1847 (W. 855). Is door een der gedaagden eene reconventioneele vordering tegen den oorspronkelijken eischer ingesteld, dan is hij daarin ontvankelijk; mochten medegedaagden daardoor benadeeld zijn, dan kunnen zij zich in het reconventionneele geding voegen (vonnis Rechtbank Amsterdam, 9 Nov. 1853, R. B. j.g. 1854, 149â 157). Anders Kantongerecht Meppel, 18 Nov. 1858 (R. B. 1859, dl. XI, bl. 65â67, W. 2200), bestreden door Mr. H. J. van Lier, in W. 2205. De gedaagde is ook bevoegd om slechts tegen één der eischers re-conventionneel op te treden (Kantongerecht Amsterdam III, Oct. 1891, R. B. jg. 1881, A. 224.)
De eisch in reconventie moet dadelijk bij het antwoord van den verweerder in conventie worden gedaan (art. 251.) Doet de eischer vóór den dienenden dag afstand der instantie of verschijnt hij dan niet, dan zal de gedaagde geen reconventionneele vordering kunnen instellen, daar hij geene gelegenheid heeft om te antwoorden (vonnis Rechtbank Hoorn, 19 Jan. 1848, R. B. 1848, X, 123â125; Kantongerecht Groningen, 28 Juni 1879, W. 4430.) Eene vordering in reconventie kan natuurlijk niet geschieden bij het exploit van verzet tegen een verstekvonnis (Kantongerecht Amsterdam I, 8 Juli 1875, R. B. 1876, A. 77.) Een vonnis van het Kantongerecht te Amsterdam I, van 19 Mei 1879, W. 4402, R. B. 1880, A. 9, acht art. 251 niet van toepassing op het Kantongerecht; anders Kantongerecht quot;s Gravenhage, 16 Oct. 1868, W. 3055.
De zaken in conventie en in reconventie moeten tegelijk voldongen en bij eenzelfde eindvonnis beslist worden, ten ware de Kantonrechter mocht bevinden dat de eene vroeger dan de andere kan worden afgedaan, in welk geval zulks zal vermogen plaats te hebben, blijvende niettemin de alsdan nog onafgedane eisch in conventie of reconventie, bij het Kantongerecht aanhangig tot het eindvonnis (art. 252).
468
Wanneer tusschen de vorderingen in conventie en reconventie een dusdanig verband bestaat, dat het niet wel mogelijk is in de eene zaak eene beslissing te nemen, zonder dat tevens in de andere te doen, is splitsing natuurlijk niet gewenscbt (arrest Gerechtshof 's Gravenhage 24 April 1893, W. 6371, M. v. H. V 228, P. v. J. 1893, 74). Dat is bijvoorbeeld liet geval, wanneer partijen staan in rekening courant, en dat de conventie uitmaakt de credit- en de reconventie de debetzijde dier rekening (vonnis Rechtbank Rotterdam 5 Maart 1892, W. 6220, P. v. J. 1892, 66). Zie ook Rechtbank Amsterdam 5 Mei 1892, W. 6203.
Het hooger beroep wordt toegelaten, indien het beloop van den eisch in conventie, gevoegd bij dien in reconventie, de rechtsmacht van den Rechter om in het hoogste ressort recht te spreken, te boven gaat. Maar wanneer de beide gedingen mochten zijn geplitst en daarin afzonderlijk gevonnisd, moeten de gewone regelen opzichtelijk de bevoegdheid tot hooger beroep worden gevolgd.
Waar de Kantonrechter bevoegd is om in eersten aanleg te oordeelen mits slechts elke vordering op zich zelf tot zijne bevoegdheid behoort, merkt Prof. van Boxkval Faure (III blz. 31) terecht op, dat het inconsequent is de bevoegdheid tot hooger beroep afhankelijk te stellen van het vercenigd bedrag van beide vorderingen. Beter was de bepaling der R. O. van 1861, dat, wanneer de reconventioneele vordering vatbaar was voor beroep, ook de conventioneele dat werd. Intusschen bleef ook daar het bezwaar bestaan, dat een gedaagde het in de macht heeft door zijne vordering in reconventie te maken, dat de Kantonrechter niet over eene zaak in hoogste ressort beslist, waar hij anders daartoe bevoegd zoude zijn.
Onjuist acht ik met Prof. van Boneval Faure de ook hier vroeger uitgesproken meening, dat de Kantonrechter het in handen heeft, om door al of niet splitsing der wederzijdsche vorderingen, zijne uitsj^raak
469
al of niet voor hooger beroep vatbaar te maken. De Kantonrechter kan toch niet naar willekeur splitsen, doch is gebonden door art. 252. Ik kan mij ook in het geheel niet vereenigeu met wat Mr. Greevkschreef: âHoewel,quot; zeide deze, âgeen Kantonrechter het daarop âzal toeleggen, zoo zie ik daarin nog zoo groot kwaad âniet. Hooger beroep, is in handen van een oneer-âlijken veroordeelde, een zeer te vreezen wapen, tegen âeen te goeder trouw zijnden eischer. Bestaat er alzoo âeen middel den gedaagde dat wapen te ontnemen, âde maatschappij, noch het recht, zullen er onder âlijdenquot;. Mij dunkt dat denkbeeld, om eenen in het ongelijk gestelde het middel van hooger beroep te onthouden, allerbedenkelijkst. Het zou eigenlijk moeten leiden tot algeheeie afschaffing van het hooger beroep.
§ 142. Volgens art. 12ö zijn ook de bepalingen van art. 254â262 over het schorren en het hervallen van het rechtsgeding, op het Kantongerecht toepasselijk. De loop van een rechtsgeding wordt geschorst door den dood van eene der partijen, of door verandering van haar persoonlijken staat, of door het ophouden der betrekkingen, waarin zij het geding voerde. Verandering van den persoonlijken staat heeft o. a. plaats door benoeming van een provisioneelen bewindvoerder (vonnis Rechtbank Amsterdam 14 Jan. 1S63, R. B. 1865, p. 860). Door het overlijden van het kind, welks wettigheid wordt betwist, houdt de betrekking op van den bijzonderen voogd (arrest H. R. 20 Maart 1885, W. 5151, R. d. CXXXIX, § 34). Maar in geen dezer gevallen mag de schorsing plaats hebben, of de beslissing van het rechtsgeding opgehouden worden, wanneer het in staat van wijzen is, dat is, zoodra de conclusiën door de beide partijen op de terechtzitting zijn genomen, en de Kantonrechter den dag der uitspraak heeft bepaald. De oorzaak der schorsing-moet, indien het rechtsgeding, b. v. ten gevolge van interlocutoire uitspraken, nog niet tot een eindbe-
470
sliasing kan worden gebracht, van wege de helang-hebbenden aan de partij worden beteekend, en zonder die beteekening kan bet rechtsgeding, al mochten zoodanige oorzaken bestaan, worden voortgezet. Onder belanghebbende kan slechts worden verstaan de partij, bij welke de oorzaak tot schorsing is ontstaan of hare rechtverkrijgende. Zie o. a. vonnis Rechtbank 's Gra-venhage IS Sept. 1894, W. G5S9, P. v. J. 1S95, 89, bevestigd bij arrest Gerechtshof 's Gravenhage 7 Oct. 1895, P. v. J. 1895, 89, arrest H. R. 1 Febr. 1850, W. 1111. Alle procednren na die beteekening zijn nietig en zonder eenig gevolg. De beteekening moet de verklaring behelzen, dat het rechtsgeding wordt hervat op de laatste gedingstukken; indien de beteekening dit niet inhoudt, heeft de wederpartij het recht om op de gewone wijze tot hervatting van het rechtsgeding, achtervolgens die gedingstukken, te dagvaarden. Indien op deze dagvaarding verstek wordt verleend, moet als profijt daarvan, het rechtsgeding hervat worden verklaard achtervolgens de laatste gedingstukken. Ook kan men tegen die uitspraken bij verstek in verzet komen.
Men boude in het oog, dat in de artt. 254â2G2 slechts sprake is van schorsing om eene rede, ontstaan hangende het geding, niet om eene ontstaan vóór den dienenden dag. Wordt dus de gedaagde onder curateele gesteld vóór dien dag, dan is eenige beteekening overbodig; verschijnt hij niet, dan zal de Kantonrechter verstek moeten weigeren. In dat geval zal echter ook de Curator van den gedaagde op de dagvaarding kunnen verschijnen (vonnissen Rechtbank Nijmegen 20 Sept. 1842, R. B. 1843, V 332â334, Rechtbank 's Bosch 5 Aug. 1842, R. B. 1842, IV 697â700 en 25 April 1843, W. 443.)
Alhoewel in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet uitdrukkelijk bepaald wordt, dat eene zaak kan worden geschorst tot na uitwijzing van eene andere zaak, welke met haar in zoodanig verband
47 i
staat, dat de beslissing van de eene op die van de andere van invloed moet zijn â zoo belet zulks toch niet, dat de Rechter bevoegd is, om in dit bij de Wet niet bepaaldelijk voorzien geval eene schorsing nit te spreken, wanneer zulks strekken zou en noodig wordt geoordeeld tot eene geregelde en gelijkmatige afdoening der aan zijn oordeel onderworpen geschillen (Rechtbank 's Bosch 16 Maart 18lt;.)4, W. (3579).
§ 143. Voorts noemt art. 125 als toepasselijk op de Kantongerechten de artt. 277 en 278 over het doen van afstand der ins tan lie. De eischer kan onder betaling der kosten, afstand doen van de instantie, mits zulks geschiede vóór het antwoord «); na het antwoord kan de afstand slechts plaats hebben met de toestemming der wederpartij. De afstand kan gedaan worden op de terechtzitting, indien de partijen in persoon tegenwoordig of bij gemachtigden, met behoorlijke volmacht daartoe voorzien, verschenen zijn.
Doet de eischer in conventie afstand van de instantie, dan is dat geen beletsel voor de voortzetting van de vordering in reconventie en omgekeerd (v. B. F. Ill bk. 142 aanm.)
Zijn er meerdere gedaagden, dan belet niets den eischer afstand te doen van de instantie ten opzichte van een van hen en het geding voort te zetten tegen de anderen (vonnis Rechtbank Arnhem 3 Sept. 1857, W. 1921, R. B. 1858, VIII, 194).
De afstand brengt van rechtswege mede, dat alles
a) Vóór den rechtsdag kan de afstand der instantie ook plaats hebben door intrekking der dagvaarding bij deurwaarders-exploit.
Dat voor afstand der instantie na het antwoord de toestemming van don gedaagde vereischt wordt, berust daarop, dat gedaagde, door zich in den rechtstrijd te begeven, recht heeft gekregen op eene beslissing des Rechters. Dat recht mag den gedaagde, zonder zijne toestemming, niet ontnomen worden. Waarom hij weigert daarin toe te stemmen, behoeft hij niet op te geven en mag de Rechter niet beoordeelen. Kgt. 's-Gravenhage 3 ])ec. 1855, W. 1734.
Over de beteekenis der woorden quot;Voor het antwoord quot; zie men een vonnis van het Kgt. Amsterdam II van 12 Oct. 18G8, \V. 3045.
472
over eu weder in denzelfden staat is teruggebracht, als waarin de zaak was vóór de dagvaarding, en dat de partij, die afstand gedaan heeft, verplicht is tot betaling der kosten; waartoe zij, des noodig, genoodzaakt wordt op het enkel bevelschrift van den Kantonrechter, aan den voet van de waardeering der kosten gesteld, welk bevel bij voorraad ten uitvoer kan worden gelegd. Door bet l'rov. Gerechtshof van Zeeland is op 10 Sept. 1839, R. B. VIII, 014, beslist, dat de vrijwillige afstand van de instantie door een eischer, die toelating bekomen heeft om kosteloos te procedeeren, deze toelating niet doet vervallen in dien zin, dat dezelfde eischer dezelfde vordering tegen denzelfden gedaagde op nieuw willende instellen, eene nieuwe toelating zoude behoeven, dewijl er geen wetsbepaling is, die den termijn voorschrijft, binnen welken de procedure op do ontvangen toelating behoort te worden aangevangen of voortgezet.
Over afstand van instantie schreef een academisch proefschrift Mr. A. L. Donker â Leiden, 1892.
§ 144. Mr. van der Kemp achtte het zonderling dat art. 125 onder de artt. op het Kantongerecht toepasselijk, ook opnoemt art. 279â284, handelende van het vervallen der instantie. âImmers,quot; zeide hij, âdaar âbij art. 270 bepaald wordt, dat dat verval plaats âheeft, indien de zaak binnen drie jaren tijds niet is âvoortgezet, zoo zien wij niet, hoe dit immer bij het âKantongerecht kan te pas komen, dewijl het niet âdenkbaar is, dat de zaken aldaar zulk een langen âtijd onvervolgd blijven hangen.quot;
Al schijnt dit meer een argument voor verkorting van den termijn van driejaren, dan voorniet-opneming van de art. 279â284 in art. 125, waar blijft het dat die artikelen slechts hoogst zelden zullen worden toegepast, zoodat verdere bespreking daarvan achterwege kan blijven.
Bij art. 15 Cod. de Proc. Civ. was in zaken voor de Vredegerechten, een termijn van vier maanden voor
473
verval der instantie bepaald; doch deze bepaling is in ons Wetboek niet overgenomen.
§ 145. Ten aanzien van vcctjtng en tusschcnkomst verwijst art. 125 naar de artt. 285â288. Een ieder, welke een belang heeft in een rechtsgeding, hangende tusschen andere partijen, kan vorderen daarin zich te mogen voegen of te mogen tusschenkomen. Dit verzoek wordt mondeling ter terechtzitting gedaan ten dienenden dage vóór of op dien, waarop de laatste conclusie in het aanhangig rechtsgeding wordt genomen. Bij dat verzoek geeft de belanghebbende of zijn gemachtigde de gronden op, waarop het berust, op straffe van nietigheid, liet verzoek tot voeging of tusschenkomst roept een incident in het leven, waarover de Kantonrechter eene afzonderlijke beslissing geeft. Bij die beslissing beveelt hij tevens paitijen voort te procedeeren en bepaalt hij den dag, waarop zij gehouden zullen zijn tot dat einde ter terechtzitting te verschijnen.
De wet geeft geene definitie van voeging, evenmin van hisschcnkoinst. Intusschen bedoelt zij met voegen het tusschenkomen in een geding, tot ondersteuning van het recht van eene der partijen, niet tot onmiddellijke handhaving van een eigen recht; met tus chen-komen, het zich mengen in een geding hoofdzakelijk tot handhaving van een eigen recht. Zie hierover v. B. F. III, hl. lt;33 vlg. Hieruit moet men echter niet afleiden, dat hij, die het verzoek doet tot voeging of tusschenkomst, moet verklaren bij welke partij hij zich wil voegen (arrest Gerechtshof Amsterdam 30 April 1891, \Vr. lt;3056, P. v. J. 18:J1, 64). Zie ook arrest H. R. G April 1894, W. 0485, P. v. J. 1894, 39, N. R. CLXVI, 27G.
Interventie heeft naar de wet ten doel, om in een rechtsgeding, hangende tusschen andere partijen, tusschen te komen. Derhalve kan de intervenient niet worden toegelaten tot liet geheel overnemen van het geding met buiten-processtelling van de oorspronke-
31
474
lijke partij. Arrest H. R. 15 Juni 1849, \V. 1035 R. XXXIII § 8 v. d. Honekt G. Z. dl. XI 126â153.
Over de beteekenis van belang in art. 285 zie men Mr. van Kossem ad art. 285 aant. 0. Daaronder wordt niet verstaan elk, ook bloot feitelijk belang a), maar alleen een belang, hetwelk een gevolg is van en bestaat in een genot van een recbt, den verzoeker tot interventie toekomende. Arrest H. R. 26 Juni 1891, W. 6028 V. v. J. 1891, C2. Hij, die intervenieert is verplicht te bewijzen, dat hij de hoedanigheid heeft waarin hij dat beweert te doen (arrest H. R. 6 Mei 1887, W. 5429 R. d CXLVI § 9.)
Hij, die intervenieert, behoeft echter slechts voor-loopig te doen blijken van het belang; het is niet noodig dat reeds a priori blijke, dat men zijn recht, waarop men zijn belang doet steunen, zal kunnen geldig maken (arrest Gerechtshof van 's Gravenhage 6 Jan. 1890, W. 5857). Ook in verstekzaken is interventie toegelaten (Rechtbank Amsterdam 23 Dec. 1892 P. v. J. 1893, 55 en 30 Oct. 1894, W. 6638).
§ 146. Art. 134, voorkomende onder de bepalingen omtrent het geding bij de collegiön, luidt: âDe eischer âis bevoegd tot den afloop der zaak zijnen eisch te âwijzigen of te verminderen, zonder nogthans het âonderwerp van den eisch te mogen veranderen of â(te) vermeerderenquot;. Een dergelijk voorschrift werd voor het Kantongerecht niet gegeven; evenmin wordt in artikel 125 artikel 134 opgenoemd. Wanneer de vraag bij het Kantongerecht zich voordoet, bestaat er geen bezwaar bij het stilzwijgen der Wet zijne toevlucht te nemen tot art. 134. Zie in dien geest v. B, F. II blz. 54 eu vonnis Rechtbank Groningen 16 Juni 1843, R. B. 1843, V, 616, R. dl. XX § 97.
In hoeverre een eischer binnen de grenzen van
a) Dus niet bijvoorbeeld de vrees, dat eeu bij verstek gewezen vonnis erroneus op iemand, tegen wien het niet werd gewezen, zal worden geëxecuteerd. ReehtVank Alkmaar 27 Deo. 1894, W. v. N. R, 1315.
475
art. 134 van de dagvaarding afweek, zal in elk bijzonder geval moeten worden onderzocht.
âHet verbod om het onderwerp van den eisch âte vermeerderen of te veranderenquot;, zegt een arrest van den H. R. van 15 November 18Ã4, W. 6579, âbrengt niet mede, dat de eischer met de uiterste âgestrengheid gebonden is aan elk in de dagvaarding âgesteld feit, maar dwingt hem alleen te zorgen, dat «hij zich houdt binnen de grenzen, waarbinnen zijne âbij dagvaarding gevoerde beweringen, in haar geheel âgenomen, behooren geacht te worden de grondslag âvan zijn vorderingsrecht te blijven uitmaken. De âeischer, die bij dagvaarding stelde, dat zekere handeling op uitdrukkelijken last des gedaagden verricht âwas, is dan ook gerechtigd om in den loop van âhet geding in stede van op diens stelligen last, beroep âte doen op de onmiddellijke goedkeuring der be-âtrokken handeling door den gedaagdequot;. Is er bijv. gevorderd rekening en verantwoording, over een als boekhouder in dienst van den eischer gevoerd geldelijk beheer, dan is art. 134 geen beletsel om later aan te bieden te bewijzen, dat dat beheer is gevoerd als des eischers boekhouder en procuratiehouder (H. R. 24 Dec. ISO], W. 612G, P. v. J. 1892, 4, N. R. CLIX 330, v. d. H. B. LYII, 441). In het algemeen kan van geene verandering der vordering sprake zijn, wanneer zij blijft steunen op dezelfde overeenkomst (H. R. 7 Mei 1885, W. 5160, v. d. II. B. R. LI, 00).
Uit art. 134 vloeit voort, dat te veel vorderen volstrekt niet de niet-ontvankelijk-verklaring of ontzegging van den eisch ten gevolge moet hebben. H. R. 21 Dec. 1888, W. 5653, R. CL § 38, v. n. H. B. R. LIV, 358.
§ 147. De partijen mogen eene voorloopige uitvoering der vonnissen a), niettegenstaande hooger beroep,
a) Zie hierover ook Mr. J. A. van Gilse: lets over de uilvoerhaarheid van vonnissen hij voorraad, Leiden 18Ã8.
476
verzet of cassatie, vorderen en de Rechter is iu sommige gevallen verplicht die vordering toe te wijzen; in andere is dit aan zijne wijsheid overgelaten; maar toch altijd moet de toewijzing op vordering, nimmer ambtshalve, altijd bij het vonnis van veroordeeling zelf, nimmer bij een nader aanvullend vonnis worden gedaan, art. 54, S2, 342 en art. 39S 3° lid B. Kv., Carré I, 381.
Uit de artt. 52 en 53, op zich zelf beschouwd, zou men kunnen afleiden, dat de Rechter ambtshalve een vonnis bij voorraad uitvoerbaar moet cn kan verklaren. Eene dergelijke uitlegging dier artikelen zou echter strijden met de lijdelijkheid des Rechters, die hem verbiedt meer toe te wijzen dan gevraagd is, een beginsel o. a. gehuldigd in art. 382, 2° B. Rv. (Mr. v. B. F. II, blz. 178 en 179.)
De voorloopige tenuitvoerlegging zal, wanneer zij gevraagd, wordt, moeten bevolen worden;
1°. indien de uitspraak bcra*l op een authen-tieken titel;
2ri. indien zij herusl op een onderhandsch geschrift, hetwelk erkend is door dengene, tegen wien men zich daarop beroept, of hetwelk rechtens voor erkend wordt gehouden ((), welke erkenning mede aangenomen wordt, m geval recht wordt gedaan bij verstek,
3°. indien er is eene voorafgegane veroordeeling bij een vonnis, hetwelk voor geen verzet of booger beroep vatbaar is.
Door te spreken van Icruslcn heeft de Wet IIartogii een ouden strijd beslist. In overeenstemming met de rechtspraak en de meeste schrijvers, is thans vastgesteld, dat bet vonnis op den authentieken titel of het erkend handschrift moet berusten; het is dus niet voldoende, dat de vordering middelijk of onmiddellijk daaraan haar oorsprong ontleent.
Kr bestaat geene reden om, ten aanzien van het
a) Zie artt. 1912 en 1913 B. W.
477
vonnis, regelende de wijze van boedelscheiding, niet aan te merken als eene voorafgaande veroordeeling, het vonnis, waarbij de boedelscheiding wordt bevolen (arrest H. li. 20 Mei 1887, W. 0440. v. n. H. B. R. dl. L1I1 p. 220, R. dl. CXLVI, § 17).
De gevallen, waarin het aan de wijsheid des Rechters is overgelaten de voorloopige tenuitvoerlegging te beA'elen, vindt men opgenoemd in art. 5:gt;. Voor 7x)over zij de bevoegdheid des Kantonrechters betreften, schijnen zij zich te bepalen tot dringende reparatiën; ontruiming van liet gehuurde, wanneer er geen schriftelijk bewijs van bestaande, vernieuwde of verlengde huur aanwezig is, of wanneer de huur is geëindigd; jaargelden of uitkeeringen tot levensonderhoud, en in het algemeen voldoening eener bepaalde geldsom; en alle provisioneele toewijzingen.
De bepaling in art. 53 n0. 3, omtrent de ontruiming, is kennelijk eene herhaling van die van art. 41 R. O. Uit art. 41 R. O. schijnt te volgen, dat de ontruiming wegens geëindigde huur van rechtswege is uitvoerbaar bij voorraad; art. 42 maakt art. 41 R. O. toepasselijk bij ontruiming wegens wanbetaling der huur. Art. 123 B. Rv. schrijft voor, dat de Kantonrechter, in het geval van art. 41 R. O., de onmiddelijke ontruiming bij voorraad kan bevelen en zulks op de minute ook vóór derzeiver registratie en zonder andere formaliteit dan de vertooning dier minute, ter woonplaats van do veroordeelde partij. De strijd, die er bestaat tusschen art. 41 R. Ã. en art. 123 B. Rv., lost Prof. Van Boneval Fa ure (III blz. 180) op, door aan te nemen, dat, terwijl art. 40 en 41 R. O. de vonnissen van den Kantonrechter omtrent ontruiming van rechtswege maken uitvoerbaar bij voorraad, art. 123 B. Rv. uitsluitend regelt de daarbij te vervullen formaliteiten. Mij schijnt het echter voorzichtig toe, dat de Kantonrechter, wanneer hij ontruiming beveelt in de gevallen van artt. 41 en 42 R. O. (in andere gevallen kan hij die niet bevelen) tevens in het
478
vonnis verklare, dat dat zal zijn uitvoerbaar bij voorraad. Art. 124 B. Rv. bepaalt, dat de ontruiming zonder verdere aanmaning of andere formaliteiten door den Deurwaarder, bijgestaan door twee door den Kantonrechter daartoe te benoemen getuigen, zal worden ten uitvoer gelegd, behoudens de betee-kening der minute van het vonnis, desnoods zonder voorafgaande registratie, binnen 24 uren aan de veroordeelde partij, en onverminderd de tenuitvoerlegging van den verderen inhoud van hetzelve op de gewone wijze. De Wet verplicht den Kantonrechter niet, om de twee getuigen bij het vonnis te benoemen. De Regeering weigerde nadrukkelijk dat in de Wet te bepalen (Van den Honert blz. 242). De Kantonrechter kan hen dus bij afzonderlijke beschikking benoemen; hij kan dat echter ook bij het vonnis doen. Van der Kemp wijst er op, dat het wellicht minder formeel, maar toch het eenvoudigste is, de namen der getuigen in het vonnis open te laten en eerst in te vullen wanneer het vonnis wordt ten uitvoer gelegd. Men zij er aan indachtig, dat de artikelen 123 en 124 uitsluitend gelden bij ontruiming wegens geëindigde huur en dat bij ontruiming na ontbinding der huur wegens wanbetaling, beteekening der grosse noodzakelijk is.
Wanneer het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, kau de Kantonrechter bevelen, dat de eischer, wanneer hij bij voorraad wenscht te executeeren, borg moet stellen. Artt. 52, oo.
In handelszaken kan ook buiten de gevallen van art. 52 de Kantonrechter bevelen, dat het vonnis zal zijn uitvoerbaar bij voorraad, doch dan moet hij tevens bepalen, dat de eischer zal borgtocht stellen of aanwijzing doen van voldoende zekerheid. Art. 315.
De uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan alléén plaats hebben ten opzichte van een toegewezen eisch. Het bevel, dat partijen zullen voortprocedeeren, kan niet bij voorraad uitvoerbaar worden verklaard.
479
Arrond. Eechtb. Amsterdam 10 Maart 1876, Bijbl. N. Reeks, dl. II 1870, blz. 178â180.
Dit kan nimmer ten aanzien van de proceskosten, al waren zij ook in plaats van schaden en interessen toegewezen. Art. 55.
Indien hij borgtocht beveelt, behoort hij tevens, volgens art. 616, den termijn te bepalen, binnen welken hij moet worden gesteld en door de partij aangenomen of betwist. Want, hoewel de gewoonte hiermede in strijd is, en deze zich schijnt te gronden op de leer van Carré, is zij echter niet ten onrechte tegengesproken door Dk Pintü § 424, W. 647. Omtrent den aanvang van den termijn, binnen welke een bevolen borgstelling moet gesteld worden, geeft do Wet met name art. 315 en 016 geenerlei voorschrift. Er bestaat dan ook geenerlei bezwaar, om dien te laten loopen van het oogenblik, waarop de executant heeft verklaard, gebruik te maken van het recht, om ondanks de hoogere voorziening, het vonnis ten uitvoer te leggen (arrest II. K. 17 Nov. 1892, W. 6272). Zie hierover ook v. B. F. II, blz. 177. Maar hoe moet het aanbod, de aanneming of betwisting van den borg geschieden ? Art. 617 en 618, welke daartoe prokureursakten vorderen, kunnen onmogelijk op de Kantongerechten worden toegepast. Vgl. boven § 122 over de niet-ver-melding dezer artt. in art. 125 B. R. Het kwam Mr. Van der Kemp voor, dat, indien de partijen daaromtrent vrijwillig overeenkomen, het aanbod mondeling moet gedaan worden op de daartoe bij het vonnis bepaalde terechtzitting; dat aan de tegenpartij op haar verzoek een uitstel kan worden gegund om zich over de al of niet aanneming uit te laten, en dat dan, na verhoor der beide partijen, de Kantonrechter zoo spoedig mogelijk uitspraak doen moet. Voorts moet de aangenomen of toegelaten borg zich ter Griffie van het Kantongerecht verbinden bij eene schriftelijke akte. Art. 619. Wel is waar, draagt art. 485 de kennisneming van geschillen over de ten uit-
480
yoerlegging van eindvonnissen der Kantonrechters aan de Arrond. Rechtbanken op, maar dit ziet slechts op zulke geschillen, welke tot de eind-uitvoering van het vonnis behooren, niet op dezulke, welke * nog een deel van het proces zelf uitmaken en noodzakelijke vereischten zijn om tot eene eind-uitvoering van het vonnis te geraken. R. B. VI, 304. Rechtsgel. Adv. II, 123â124. Vgl. Carkk I, 40. Berriat st. Prix p. 491 N0. 3. De Witt Hamer blz. 127â129. Uitstel van ten uitvoerlegging kan door den Rechter niet gegeven worden. Dit was wel onder de werking van het Fransche Recht geoorloofd bij art. 1244 Cod. Nap. en art. 122 Cod. de Proc. Civ., maar deze bepalingen zijn in ons Nederl. Recht niet overgenomen. Vgl. Voorduin V, 106.
§ 148. Men heeft wel eens betwijfeld, of de Kantonrechter lijfsdwang a) mag uitspreken, dewijl art. 125 B. R. niet verwijst naar de artt. die daarover handelen. Doch dit art. spreekt maar alleen van de manier van procedeeren voor den Rechter, en behoefde dus niet te handelen van den lijfsdwang, we ke tot de ten uitvoerlegging van vonnissen behoort. Anders zou men op dien zelfden grond kunnen beweren, dat geen vonnissen van Kantonrechters kunnen worden uitgevoerd. R. B. VII, 6G8, W. 510. Vgl. boven § 122 Lijfsdwang kan alléén plaats hebben in de gevallen bij de Wet bepaald, en alle hiermede strijdige overeenkomsten, zelfs buitenslands aangegaan, zijn van rechtswege nietig. Art. 58S. Ook moet hij, om te mogen worden ten uitvoer gelegd, uitdrukkelijk worden
a) Mr. greeve wijdde hier eenc lange annteekeuiug aan de vraag: woef lijfsdwang gehandhaafd blijven. Die vraag heeft hare beteekenis verloren en daarom kan die aanteekening vervallen. In art. 33 der fail-lissementswet toch wordt thans bepaald, dat cle .schuldenaar, die in gijzeling is, wordt ontslagen, zoodra het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan. Daar ook hij, die geen koopman is, failliet kan worden verklaard, springt in het oog, dat de gegijzelde het om zoo te zeggen in zijne macht heeft om de gijzeling te doen eindigen; hij vraagt slechts zijn faillissement.
481
uitgesproken, en waar hij niet gevraagd wordt, moet hij niet worden uitgesproken. Art. 589 en art. 382, 2n. 15. 11. Vgl. hiervoor § 147. Uitstel van die ten uitvoerlegging te geven, gelijk zulks onder do werking Van art. 127 Cod. Proc. Civ. geoorloofd was, is den Rechter niet meer vergund. Lijfsdwang kan worden uitgesproken: 1quot;. wegens stellionaat, omschreven bij art. 585 B. R.; 2quot;. in geval van herstelling in hot bezit, na en ten gevolge van feitelijke ontzetting, voor de teruggave van vruchten, welke de overweldiger wederrechtelijk gedurende het bezit heeft genoten, en voor de aan de rechthebbenden toegewezen vergoeding van kosten, schaden en interessen; 3°. wegens bewaargeving uit noodzaak; 4°. voor de teruggave van penningen, welke gesteld zijn in bewaring van daartoe op openbaar gezag aangestelde personen; 5quot;. voor de uitlevering van zaken, welke in handen zijn gesteld van sequesters, commissarissen en andere bewaarders; 6°, tegen alle openbare ambtenaren voor de vertooning van hun minuten, wanneer die in rechten bevolen is; 7''. tegen Notarissen, Deurwaarders en andere openbare ambtenaren voorde teruggave der aan hen ter zake van hun ambtsverrichtingen toevertrouwde titels en van de penningen, welke zij in die hoedanigheid voor hun meesters hebben ontvangen; 8\ voor de vergoeding van kosten, schaden en interessen, do som Van /150 te boven gaande, waartoe jegens de beleedigde partij is veroordeeld tor zake van een strafbaar feit of onrecht matige daad; 9 . voor het slot van rekening, verschuldigd door voogden, curators, gerechtelijke bewaarders en beheerders van gemeentelijke on andere openbare gestichten, die tot hot doen van rekening en verantwoording verplicht zijn, en voor alle teruggaven, welke ten gevolge van gemelde rekening moeten plaats hebben; 10-. togen alle vreemdelingen, welke geene vaste woonplaats binnen het koninkrijk bobben, voor alle schulden, zonder uitzondering, ten behoeve van
â¢180
voorlegging van eindvonnissen der Kantonrechters aan de Arrond. Rechtbanken op, maar dit ziet slechts op zulke geschillen, welke tot de eind-uitvoering van het vonnis behooren, niet op dezulke, welke -nog een deel van het proces zelf uitmaken en noodzakelijke vereischten zijn om tot eene eind-uitvoering van het vonnis te geraken. R. B. VI, 304. Rechtsgel. Adv. II, 123â124. Vgl. Carré I, 40. Berriat st. Prix p. 491 X0. 3. De Witt Hamer blz. 127â129. Uitstel van ten uitvoerlegging kan door den Rechter niet gegeven worden. Dit was wel onder de werking van het Fransche Recht geoorloofd bij art. 1244 Cod. Nap. en art. 122 Cod. de Proc. Civ., maar deze bepalingen zijn in ons Nederl. Recht niet overgenomen. Vgl. Voorduix V, 100.
§ 148. Men heeft wel eens betwijfeld, of de Kantonrechter lijfsdwang a) mag uitspreken, dewijl art. 125 B. R. niet verwijst naar de artt. die daarover handelen. Doch dit art. spreekt maar alleen van de manier van procedeeren voor den Rechter, en behoefde dus niet te handelen van den lijfsdwang, we ke tot de ten uitvoerlegging van vonnissen behoort. Anders zou men op dien zelfden grond kunnen beweren, dat geen vonnissen van Kantonrechters kunnen worden uitgevoerd. R. B. VII, 608, W. 510. Vgl. boven § 122 Lijfsdwang kan alléén plaats hebben in de gevallen bij de Wet bepaald, en alle hiermede strijdige overeenkomsten, zelfs buitenslands aangegaan, zijn van rechtswege nietig. Art. 58S. Ook moet hij, om te mogen worden ten uitvoer gelegd, uitdrukkelijk worden
d) Mr. Gueeve wijdde hier eene lange iianteekening aan de vraag; moet lijfsdwanfj gehandhaafd blijven. Die vraag heeft hare betcckenia verloren en daarom kan die aanteekening vervallen. In art. 33 der fail-lissementswet toch wordt thans bepaald, dat de schuldenaar, die in güâ¢1 ing is, wordt ontslagen, zoodra het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan. Daar ook hij, die geen koopman is, failliet kan worden verklaard, springt in het oog, dat de gegijzelde het om zoo te zeggen in zijne macht heeft om de gijzeling te doen eindigen; hij vraagt slechts zijn faillissement.
481
uitgesproken, en waar hij niet gevraagd wordt, moet hij niet worden uitgesproken. Art. 589 en art. 382, 2°. 15. R. Vgl. hiervoor § 147. Uitstel van die ten uitvoerlegging te geven, gelijk zulks onder de werking van art. 127 God. Proc. Civ. geoorloofd was, is den Rechter niet meer vergund. Lijfsdwang kan worden uitgesproken: P. wegens stellionaat, omschreven bij art. 585 B. R.; 2quot;. in geval van herstelling in het bezit, na en ten gevolge van feitelijke ontzetting, voor de teruggave van vruchten, welke de overweldiger wederrechtelijk gedurende het bezit heeft genoten, en voor de aan de rechthebbenden toegewezen vergoeding van kosten, schaden en interessen; 3quot;. wegens bewaargeving uit noodzaak; 4°. voor de teruggave van penningen, welke gesteld zijn in bewaring van daartoe op openbaar gezag aangestelde personen; 5quot;. voor de uitlevering van zaken, welke in handen zijn gesteld van sequesters, commissarissen en andere bewaarders; G'. tegen alle openbare ambtenaren voor de vertooning van hun minuten, wanneer die in rechten bevolen is; 7°. tegen Notarissen, Deurwaarders en andere openbare ambtenaren voorde teruggave der aan hen ter zake van hun ambtsverrichtingen toevertrouwde titels en van de penningen, welke zij in die hoedanigheid voor hun meesters hebben ontvangen; 8\ voor de vergoeding van kosten, schaden en interessen, de som Van f 150 te boven gaande, waartoe jegens de beleedigde partij is veroordeeld ter zake van een strafbaar feit of onrecht matige daad; 9 . voor het slot van rekening, verschuldigd door voogden, curators, gerechtelijke bewaarders en beheerders van gemeentelijke en andere openbare gestichten, die tot liet doen van rekening en verantwoording verplicht zijn, en voor alle teruggaven, welke ten gevolge van gemelde rekening moeten plaats hebben; 1Ã-. tegen alle vreemdelingen, welke geene vaste woonplaats binnen het koninkrijk hebben, voor alle schulden, zonder uitzondering, ten behoeve van
482
Nederlanders aangegaan; li11, in alle gevallen, waarin de AVet uitdrukkelijk den lijfsdwang toelaat. Maar tegen gehuwde of ongehuwde vrouwen wordt hij alléén toegelaten in de gevallen bij N0. 3, 2, 3, 5, 8 en 10 voorzien, en tegen personen, boven de 70 jaren oud, alléén in de gevallen bij Nquot;. 1, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 voorzien. Art. 585.
In handelszaken heeft lijfsdwang plaats: 1°. tegen alle kooplieden voor handelsschulden, zelfs voor de zoodanige, tot welke zij verbonden zijn jegens personen die geen kooplieden zijn;
(De verplichting tot betaling der storting op de aandeelen eener naamlooze assurantie-maatschappij, is geen handelsschuld. Het toetreden tot eene vennootschap van koophandel, bestaande in het bijeenbrengen van kapitaal, oui daarmede voor gemeene rekening handelszaken te verrichten, is, tusschen de vennooten zelf, een daad van zuiver burgerrechtelijken aard, en de vorderingen, die deze vennootschap, gezamenlijk tegen één hunner, tot nakoming zijner verplichtingen, uit de overeenkomst voortspruitende, instellen, zijn niet te beschouwen als voortspruitende uit handelsschuld. Kant. II Rotterdam, 18 Oct. 1872, W. 3531.)
2quot;. Tegen alle personen zonder onderscheid, die een wisselbrief hebben geteekend als trekkers, acceptanten, endossanten, of die hem door den borgtocht, aval genaamd, gewaarborgd hebben; 3°. tegen personen, geen kooplieden zijnde, die orderbriefjes, assignatiën of andere handelspapieren hebben geteekend, of wel zoodanige wisselbrieven, welke, om de verdichte opgave van naam of plaats, slechts voor gewone schuldbekentenissen worden gehouden, doch alléén indien de bovengenoemde personen zich verbonden hebben ter zake van koophandel; 4°. tegen alle personen zonder onderscheid, voor de uitvoering van contracten van zeehandel of van dien, welke daarmede bij de Wet is gelijk gesteld. Maar tegen gehuwde en ongehuwde
483
vrouwen, geen openbare koopvrouwen zijnde, zijn de bepalingen van Nn. 2, 3 en 4 niet toepasselijk. Art.
586. En in geen geval mag aan kinderen en verdere afstammelingen lijfsdwang worden toegestaan tegen hun bloed- en aanverwanten in de opgaande lijn. Art.
587. Krijgslieden in werkelijken dienst zien wij nergens van den lijfsdwang uitgesloten. Vgl. Carré V. 143.
Om voor een verstekvonnis, waarbij lijfsdwang is bevolen, zoowel den termijn van art. 80 in verband met art. 31G, als dien van art. 599 B. Rv., te doen aanvangen, is eene beteekening met bevel tot betaling voldoende (II. R. 18 Nov. 1895, AV. G741).
Lijfsdwang kan ook worden uitgesproken tegen hem, die als koopman eene schuld heeft aangegaan, doch op het oogenblik der dagvaarding geen koopman meer was (arrest H. R. 27 Dec. 1895, W. 6754, P. v. J. 1896, 12).
§ 149. Al wie bij vonnis in het ongelijk gesteld wordt zal in de kosten verwezen worden. Echter zullen de kosten in het geheel of ten deele gecompenseerd mogen worden tusschen echtgenooten, bloedverwanten in de rechte linie, broeders en zusters of aangehuwden in denzelfden graad, mitsgaders indien de partijen over en weder op eenige punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook zal de Rechter de kosten, die noodeloos werden aangewend of veroorzaakt, kunnen laten voor rekening der partij, die ze aanwendde of veroorzaakte. Bij provisioneele, praeparatoire en interlocutoire vonnissen kan de uitspraak over de kosten tot het eindvonnis worden voorbehouden. Het bedrag der kosten, waarin de verliezende partij wordt verwezen, wordt, voor zooveel die kosten vóór de uitspraak en niet door haar zelve zijn gemaakt, bij het vonnis bepaald (art. 56, le lid, 2e lid en aanhef 3e lid).
Door de compensatie worden, of beide de partijen veroordeeld haar eigen kosten te dragen, of alleen de verliezende partij veroordeeld slechts een gedeelte te dragen van de kosten der wederpartij. Berriat st. Prix I, 160, N\ 5. Ook al wordt de veroordeeliug in
484
die kosten door de partijen niet gevorderd, moet zij toch plaats hebben, Carre I, 362. Berriat st. Prix I, 157 Nn. 2. De Pixto bl. 130. Arrest H. R. 10 Mei 1804, W. 6502, P. v. J. 1804 40, X. R. CLXVII, 21.
De toepassing van deze bepaling is eenvoudig, wanneer er werkelijk is eene in het ongelijk gestelde partij. Wanneer bijvoorbeeld, niettegenstaande de tegenspraak van den gedaagde, aan den eiscber diens vordering wordt toegewezen. Maar moeilijker wordt hare toepassing, wanneer bijvoorbeeld de gedaagde des eischers vordering niet wederspreekt; zich, zooals men dat noemt, aan des Rechters oordeel refereert. Dan zal, wordt den eiscber zijne vordering toegewezen, dienen te worden onderzocht of de gedaagde de procedure noodzakelijk maakte. Is dat het geval, dan zal zij, niettegenstaande hare referte, in de kosten moeten worden veroordeeld. Dat is het geval wanneer bijvoorbeeld do gedaagde wel zich met woorden bereid verklaart om aan het gevorderde te voldoen, maar in gebreke blijft door daden van zijn ernstigen wil te doen blijken; niet, zooals men dat noemt, een reëel aanbod doet. Dat is ook het geval, wanneer de gedaagde wel een reëel aanbod doet, maar niet in het begin, maar eerst aan het einde van het proces, nadat eiscber zich opofferingen van tijd en geld getroostte, en wellicht juist daardoor den gedaagde tot toegeven bracht.
Werd de gedaagde eerst door de dagvaarding in gebreke gesteld, dan zal hjj, vóór den dienenden dag de schuld met de rente sints den dag der dagvaarding voldoende, ongetwijfeld vrij zijn van de kosten.
Ook dan, wanneer geene beslissing op de hoofdvordering meer mogelijk is, doordat de gedaagde na de dagvaarding daaraan heeft voldaan, kan de Rechter evenwel diens veroordeeling in de kosten van het geding uitspreken (arrest 11. 1\. 27 December 1878, W. 4334.)
Het onderzoek wie de kosten moet dragen, is dikwijls
485
van zoo feitelijken aard, dat ik niet beter meen te kunnen doen dan hier eenige rechtspraak over dit onderwerp te vermelden.
Wanneer een gedaagde na sommatie en dagvaarding, voor het eerst in het gevolgde geding erkent een bedrag iets kleiner dan het bij sommatie en dagvaarding gevorderde schuldig te zijn, en zich ook â echter zonder reëel aanbod te doen â bereid verklaart om dat schuldig erkende bedrag te betalen, dan heft hij daardoor de noodzakelijkheid zijner veroordeeling tot dat bedrag niet op. 't Is zeer wel mogelijk dat hij, gedaagde, dan ten slotte, ook al houdt de eischer vol het bij dagvaarding gestelde bedrag te vorderen te hebben, als de in het ongelijk gestelde partij beschouwd, en dus in de kosten veroordeeld moet worden, al wordt hij slechts tot betaling-van het door hem schuldig erkende bedrag veroordeeld (H. K. 24 Mei 1S95, P. v. J. 1895,53.. W. G673 N. li. CLXX, 85.)
Hij, wiens conclusien zijn afgewezen, wordt in het ongelijk gesteld en mitsdien terecht in de proceskosten veroordeeld. In dit geval verkeert de bij verstek veroordeelde, die in verzet is gekomen, op grond dat de vordering tot een te hoog bedrag was gedaan en concludeerde tot hare geheele afwijzing, terwijl de Rechtbank hem daarop veroordeelde om aan de wederpartij het door deze gevorderde te betalen, hoezeer dan ook met een gering bedrag verminderd. H. Iv. 26 Maart 1885, \V. 5153 v. d. H. B. L. 541.
Gevallen waarin beslist werd dat een bereidverklaring tot betaling ter terechtzitting den gedaagde niet meer van de kosten kan vrijstellen, zijn o. a. te vinden in de vonnissen van de Rechtbanken: te 's Gra-venhage van 1'J Dec. 1893, (W. 0447,) 21 Maart 1893, (W. G40Ã) en 20 Maart 1894, (W. 6552), te Amsterdam van 14 Oct. 1886, (W. 5610), 30 Maart 1886, (W. 5604) en 7 Juni 1878 (P. v. J. Bijbl. 1878, n'1. 27) en te Winschoten van 7 April 1886 (W. 5363) en van het
486
Kgt. te Amsterdam I van 31 Januari 1888. (W. 5508.)
Gevallen, waarin voldoening aan eischers verlangen na dagvaarding, doch vóór den dienenden dag niet vrijstelde van de kosten, zijn o. a. te vinden in een vonnis der Kechtbank te Groningen van 27 Juni 1892, W. 6555 en in een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 Maart 1878, R. B. IV, 81, W. 4294. De Rechtbank te 's-Gravenhage besliste den 2 Maart 1886 (\V. 52SJ) dat de gedaagde, die sedert de dagvaarding het gevorderde bedrag met de rente heeft betaald, eerst dan in de proceskosten moet worden veroordeeld, wanneer blijkt, dat hij in verzuim van betaling is geweest en mitsdien het instellen der vordering noodzakelijk was. Zie in denzelfden zin een vonnis der Rechtbank te Zutphen van 5 Januari 1S93 (W. 6345).
Waar op den dag, dat de zaak moet dienen, de gedaagde reeds geruimen tijd aan het verlangen van eischer had voldaan, daar zijn eene conclusie, waarbij de eisch geheel gehandhaafd en niet tot de veroordeeling van gedaagde in de kosten beperkt werd en de daardoor noodzakelijk geworden conclusie van antwoord, geheel overbodig; de kosten, er door veroorzaakt, zijn als ânoodeloosquot; aan te merken en komen ten laste van eischer die ze heeft aangewend. Amst. 24 Nov. 1892, W. 6604.
Nu ter gelegenheid eener renvooi-procedure in een faillissement blijkt, dat de eischende crediteur door zijne weigering om de verificatie zijner vordering tot eene volgende vergadering uit te stellen, die procedure onvermijdelijk heeft gemaakt, moet die crediteur, ook al wordt hij ten slotte nagenoeg geheel in het gelijk gesteld, in de kosten worden veroordeeld. 's-Hage 27 April 1894, W. 6517.
De gedaagde, die door zijne duistere verwering oorzaak is van'1 eene later doelloos gebleken oproeping in vrijwaring, moet daar de kosten van dragen. Assen 4 Deo. 1893, W. 6461.
487
Een gedaagde, aangesproken ter zake eener beweerde bezitsstoornis, roept zijn auteur in vrijwaring op. Bij eindvonnis wordt de eischer in zijne vordering niet-ontvankelijk verklaard. Nu moet toch de eiscber in de kosten der vrijwaring worden veroordeeld, zoo slecbts blijkt dat, ware de boofdvordering ontvankelijk en gegrond geweest, de oproeping in vrijwaring met reden zou zijn gescbied. Maastricbt 1 Maart 1894, W. 6564.
Wanneer met de ontzegging van den eisob ten principale, de vrijwaring van zelf komt te vervallen, moet niettemin de eiscber tot vrijwaring (oorspronkelijke gedaagde) in de kosten der vrijwaring veroordeeld worden, als uit de koopakte blijkt, dat de verkooper in den meest uitgebreiden zin niet tot vrijwaring was verplicht. Amst. 10 Nov. 1892, W. 6386.
Nu de eiscber een voldoend docb niet geconsigneerd aanbod vóór den dienenden dag gedaan, geweigerd heeft, moet bij in de kosten worden veroordeeld, en zulks ook al beeft de gedaagde omtrent een ondergeschikt punt eene ongegronde verwering gevoerd. Zwolle 21 Dec. 1892, W. 62S4.
Proceskosten kunnen niet bij gewone dagvaarding worden opgeëischt, zelfs niet in bet geval, dat de vordering daarvan, te gelijk met eene andere, voor den Rechter wordt gebracht, maar die proceskosten maken een punt van executie van het geslagen vonnis uit. Kant. I Amsterdam, 21 Juli 1876, R. B. N. 11. D. II A. 1876, blz. 292â294. Rechtbank Roermond 31 Oct. 18S9, W. 5807. In tegenovergestelde!! zin oordeelde vroeger de Arrond. Rechtb. Amsterdam 28 Maart 1871, W. 3346, toen evenzeer die vordering, te gelijk met andere, voor haar werd gebracht.
De veroordeeling in de kosten op te maken bij staat, geeft bij de Kantongerechten aanleiding tot moeilijkheden. Wel verklaart art. 125 uitdrukkelijk artt. 612â615 van toepassing op het geding bij het Kantongerecht, toch meende Van der Kemp, dat bij
488
verschil over dien staat, de Rechtbank en niet de Kantonrechter daarvan kennis moet nemen. Hij acht dat een geschil over de ten uitvoerlegging van een vonnis van den Kantonrechter, waarvan ingevolge art. 435 de Rechtbank kennis neemt. Een dusdanig geschil acht het ook een vonnis van het Kantongerecht te Rotterdam II van 28 Mei 18SG (W. 5410); daar wordt echter aangenomen, dat art. 125 door zijne verwijzing naar art. G12â015 derogeert aan art. 435 en de Kantonrechter dus wel bevoegd is. Ik acht die meening juist «). Een vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 1 Maart 1894 (W. 0531, P. v. J. 1894, 35) acht den Kantonrechter steeds onbevoegd om kennis te nemen van eene procedure omtrent de kosten, tenzij bij het vonnis in de hoofdzaak het bedrag der betwiste kosten niet hooger dan f 200,â wordt gesteld. Bij dit vonnis schijnt uit het oog verloren, dat het geding ter vereffening der kosten van het proces niet is een nieuw rechtsgeding, maar alleen de voortzetting van het geding omtrent de hoofdzaak, dat eerst daardoor geheel ten einde wordt gebracht (zie hieromtrent de rechtspraak vermeld bij Leon ad art. 612, aant. 1). De bevoegdheid om kennis te nemen van de hoofdzaak, geeft dus ook den Kan^ tonrechter de bevoegdheid om te oordeelen over de vaststelling der kosten. In dien geest is ook een arrest van den H. R. van 22 Juni 18-8 (W. 5579 R. dl. CXLIX § 41, v. d. H. B. R. dl. LIV, p. 262) waarbij beslist werd, dat wanneer de hoofdvordering appelabel is, na hare intrekking de uitspraak omtrent do kosten dat ook blijft, niettegenstaande deze laatste door haar bedrag op zich zelf beschouwd, niet vatbaar is voor hooger beroep. Het verband tussclien de uitspraak omtrent de hoofdzaak en die omtrent de kosten schijnt overigens zoo innig, dat het betwistbaar is of wel het geding omtrent de kosten kan genoemd
a) Zie ook vonnis Kgt. Tiel 7 Februari 1859, W. 2248.
489
worden een geschil omtrent de ten uitvoerlegging van het vonnis.
Bij de toepassing van art. 612â615 bij het Kantongerecht zal in het oog dienen te worden gehouden, dat die artikelen zijn geschreven voor de colleges en dat als op zoo vele plaatsen bij de toepasselijk verklaring bij het Kantongerecht de wetgever heeft verzuimd rekening te houden met de andere procesorde daar. Van eene akte van prokureur tot prokureur zal dus daar geen sprake zijn; evenmin van eene beteekening aan het gekozen domicilie (Kgt. Rotterdam II, 11 Juni 1886, \V. 5410). Zie ook Vax Kossem aant. 34 op art. 612.
Daar bij de Kantongerechten de partijen in persoon kunnen verschijnen, kunnen onder de proceskosten niet gebracht worden de salarissen van gemachtigden; evenmin die van advokaten «), daar de Wet hiervan den bijstand niet vereischt. De kosten, veroorzaakt doordat men zich verplaatsen moet om een beslissenden eed af te leggen, kunnen echter wel onder de proceskosten gebracht worden (vonnis Kgt. Groningen 15 December 1884, W. 51S8).
Volgens artt. 17, 58, 96, R. R. kunnen zelfs de Deurwaarders, die de belangen van het beheer, dat hun is toevertrouwd, verwaarloozen, persoonlijk en uit hun eigen beurs geheel of gedeeltelijk in de kosten \erwezen worden h). Het is niet noodig ben vooraf in bun belang te hooren, alzoo de verkeerdheden uit het proces zelf blijken en dus geene nadere toelichting behoeven of voor wederlegging vatbaar zijn, gelijk ook de Rechter ten deze ambtshalve te werk gaat en zonder vordering van partijen. Evenzoo kan ook een voogd of curator, die tot het voeren van een proces namens zijn pupil, niet behoorlijk gemachtigd is, en bevonden wordt zonder redelijken grond het
d) Zie ook arrest H. R. 7 Oct. 1872, R. dl. CTT § 4.
b) Over de verantwoordelijkheid van den gemachtigde tegenover den lastgever, zie R. B. VII, 8; en Themis II, blz. 297.
I
490
geding te hebben aangevangen of voortgezet, tot de betaling der proceskosten uit eigen beurs verwezen worden. Artt. 461, 506 B. W. Dat ook beneficiaire erfgenamen, of andere bewindvoerders, die de belangen van hun beheer verwaarloosd hebben, tot betaling der proceskosten uit eigen beurs kunnen veroordeeld worden, gelijk voorheen art. 132 Cod. de Proc. Civ, veroorloofde, volgt uit de algemeene bepaling van art. 58 B. R. Hoofdelijke schuldeischers, of schuldenaars, of ook medeërfgenamen, veroordeeld zijnde, kunnen evenwel niet hoofdelijk in de kosten veroordeeld worden, omdat de hoofdelijkheid ten deze bij de Wet niet bepaald is. Art. 1318 B. \V. Evenwel moeten de kosten gedragen worden niet gelijkelijk, maar naar gelang van ieders belang of aandeel. Berriat st. Puix 1, 158.
Zij, die in eene procedure den titel, waaronder zij opkwamen, niet konden doen gelden, behooren als bijzondere personen te worden beschouwd eu dus, in hun privé, in de kosten te worden veroordeeld, wanneer zii in het ongeliik worden gesteld. H. R. 16 Mei 1879, W. 4380.
De Rechter in eerste instantie aan wien eene zaak, met vernietiging zijner uitspraak wordt teruggewezen, moet opnieuw rechtdoende, uitspraak doen omtrent de door den hoogeren Rechter gereserveerde kosten (Amst. 1 Maart 1895, P. v. J. 1895, 53).
§ 150. De Rechter moet, zoo mogelijk, de zaak op de eerste terechtzitting beslissen of de uitspraak naar eene volgende, die juist niet de eerstkomende behoeft te zijn, verwijzen; en ook dan mag hij een nieuw uitstel nemen. Artt. 99, 112 B. R.
Alvorens de hoofdzaak te beslissen, kan het noodig zijn, dat de Rechter eene provisioneele, praeparatoire of interlocutoire beschikking geeft.
Voor het bewijs gelden de regelen in het vierde Boek van het Burgerlijk Wetboek gegeven. Voor zoover 's Rechters tusschenkomst tot het leveren daarvan
491
noodzakelijk is, werd het in de voorgaande para-graphen besproken.
Zijn volgens die regelen de door den eischer gestelde feiten bewezen, en geeft de Wet hem, op grond van die feiten, het recht te vorderen wat hij vordert, dan veroordeelt de Rechter den gedaagde. Zijn die feiten geheel of gedeeltelijk niet bewezen, dan ontzegt hij den eischer geheel of gedeeltelijk zijne vordering. Geeft de Wet den eischer in het geheel niet of slechts gedeeltelijk het recht om op grond van de bewezen feiten te vorderen wat hij vraagt, dan verklaart de Rechter hem geheel of gedeeltelijk niet-ontva-nkelijk. Zoo daartoe termen zijn, verklaart hij de dagvaarding nietig Is hij niet bevoegd om van de zaak kennis te nemen, dan verklaart hij zich onbevoegd.
Het vonnis moet in het openbaar, dat is met open deuren, worden uitgesproken, ook dan, wanneer de zaak geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren mocht zijn behandeld. Art. 1G1 G. W. Art. 2U R. O. Art. IS B. R. Vgl. boven § 118. Dit schijnt echter alleen voorgeschreven te zijn voor het geval, dat de uitspraak op de gewone plaats der terechtzitting geschiedt; elders op particuliere plaatsen, als na een getuigenverhoor of plaatsbezichtiging, of onderzoek van deskundigen, is die openbaarheid nauwelijks uitvoerbaar. Vgl. bov. § 136. De uitspraak behoort door den Kantonrechter zelf gedaan te worden. Art. 49 Regl. I. Vgl. § 76, blz. 250.
Bij de uitspraak van het vonnis wordt de tegenwoordigheid van partijen niet vereischt. Carré I, 29. Indien echter bij tusschenkomende uitspraak een getuigenverhoor wordt bevolen, moet van de tegenwoordigheid der partijen melding worden gemaakt.
Het vonnis moet, zoodanig als het door den Rechter wordt uitgesproken, behelzen, volgens art. 59 B. R., de namen en woonplaatsen der partijen, alsmede de gronden der uitspraak, zoo wat de daadzaken als het rechtspunt, ieder afzonderlijk, betreft, en de beslissing;
492
terwijl aan het slot, de naam van den Kantonrechter moet worden vermeld, met vermelding tevens, dat het is uitgesproken in tegenwoordigheid vau den Griffier, wiens naam en voornamen tevens daarbij vermeld moeten worden.
Het is gewoonte om, vóór het beslissend gedeelte, in de vonnissen in te voegen: recht doende in naam der Koningin en zulks op grond van art. 149 Gw.; dit is evenwel niet noodig. Vgl. Sed.Jaurh. VIII, 281. Overbodig is de bijvoeging: recht doende in eersten aanleg of zonder hoog er beroep. Immers dewijl de beroepbaarheid van het vonnis niet afhangt van deze bijvoeging, wier verkeerdheid het vonnis niet meer of minder beroepbaar maakt, zoo schijnt het verkieslijker haar geheel weg te laten. Cakrk III, 411.
§ 151. Indien een Kantonrechter weigert een voor hem aanhangig rechtsgeding te beslissen, al ware het ook onder voorwendsel van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid der Wet, (art. 13 Alg. Bep.) bestaat er rechtsweigering, waarvan het bewijs wordt daargesteld door twee gerechtelijke aanmaningen hem gedaan in den persoon van den Griffier en beteekend van drie tot drie dagen ten minste; tot het doen van welke aanmaningen, alle Deurwaarders, daartoe verzocht, gehouden zijn op straffe van aizetting.
Zes dagen na de tweede aanmaning kan de Kantonrechter tot vergoeding van kosten, schaden en interessen worden vervolgd. Deze rechtsvordering moet gebracht worden voor het Gerechtshof, dat daarover zonder hooger beroep beslist. Zij wordt aangelegd bij wege van een verzoekschrift, ingediend aan het Gerechtshof, en geteekend, behalve door den Prokureur, óók door den verzoeker, of zijn, bij authentieke of bijzondere volmacht daartoe gemachtigde, welke volmacht bij het verzoekschrift moet worden gevoegd, alles op strafle van nietigheid. Voorts moeten de bewijsstukken, indien er zijn, daarbij worden gevoegd, en moet de verzoeker woonplaats kiezen in
493
de plaats, waar het Gerechtshof zitting houdt. Hierop beveelt het Gerechtshof, dat het verzoekschrift aan den Kantonrechter worde medegedeeld, hetgeen geschiedt door de beteekening van een afschrift van dat bevel en van het verzoekschrift met de daarbij gevoegde bewijsstukken, ter griffie van het Kantongerecht. De Kantonrechter is gehouden binnen 14 dagen na die beteekening, zijn middelen van verdediging in te brengen, bij een schriftelijk antwoord ter griffie van het Gerechtshof, en dat antwoord bij afschrift aan den verzoeker te doen beteekenen. Na den afloop dier termijnen moet het Gerechtshof op de stukken uitspraak doen, tenzij het het indienen van nadere memoriën toelate. Indien de rechtsvordering door het Gerechtshof gegrond wordt bevonden, moet de nalatige Rechter veroordeeld worden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den verzoeker, en het geding, waarin de rechtsweigering heeft plaats gehad, zoo daartoe gronden zijn, naar een anderen Kantonrechter worden verwezen. Art. 844â852 B. R.
§ 152. Door den Griffier moet een audiëntieblad worden gehouden, waarop de geheele behandeling der zaak voor den Kantonrechter vermeld wordt. art. 64, regl. I. Wat in strafzaken is het proces-verbaal der terechtzittingen, is het Audiëntieblad in Burgerlijke Zaken a). En daarom moet de Griffier daarin aantee-kenen de namen en de woonplaatsen der partijen, en zoo zij niet in eigen persoon verschenen zijn, die hunner gemachtigden, de conclusien der partijen met haar gronden en motieven, den dag waarop de uitspraak bepaald wordt, de namen van den Kantonrechter en den Griffier, terwijl aan het slot behoort te worden vermeld, dat het vonnis in het openbaar werd uitgesproken. Op deze wijze meenen wij art. 59 en 62 B. R. te moeten vereenigen, verbeteren en aanvullen. Die artt, toch zeggen niet uitdrukkelijk.
a) Zie hiervoor § 39.
494
wat het Audiëntieblad zelf behelzen moet, maar slechts zoo wel wat het vonnis, zoodanig als het door den liechter wordt uitgesproken, als wat do expeditie of uitgifte van het vonnis, moet behelzen. Voorts spreken zij niet van de namen der gemachtigden, die voor de partijen verschenen zijn en wier vermelding toch noodzakelijk mag geacht worden. Ook zeggen zij niet, dat de vermelding van den naam des Griffiers nevens dien des Kantonrechters, noch ook van de plaats der uitspraak vereischt wordt. Daarentegen spreekt art. 62 van de aanhechting aan het Audiëntieblad van de door den Griffier gehouden aanteekeningen van de conclusiën der partijen. Door aanhechting schijnt hier vermelding, invoeging, te moeten verstaan worden. Het Audiëntieblad moet uiterlijk binnen tweemaal 24 uren opgemaakt en door den Kantonrechter en den Griffier onderteekend zijn. Indien een van beiden zich daartoe in de onmogelijkheid bevindt, moet daarvan door den ander op het blad worden melding gemaakt, art. 60, 61. Vóór de onderteekening mag de Griffier geene expeditie of uitgifte van het vonnis geven; art. 462 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt daartegen eene geldboete van ten hoogste f 50.â.
Voor het overige is de Griffier verplicht, op aanvraag der partijen, aan haar zoodra mogelijk expeditie van het vonnis uit te reiken, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen indien daartoe gronden zijn. Art. 64. Maar aan dezelfde partij mag geen tweede of verdere uitgifte in executorialen vorm van het vonnis gedaan worden, dan krachtens een bevelschrift van den Kantonrechter, door wien het gewezen is. Daarvoor moeten in acht worden genomen de vormen die voorgeschreven zijn ter bekoming van tweede grosse van akten. Aan den voet der tweede grosse moet worden melding gemaakt van het bevelschrift, mitsgaders van de som, waarvoor het stuk ten uitvoer kan worden gelegd, indien aan den inhoud van het vonnis gedeeltelijk mocht zijn
495
voldaan. De partij, welke zich eene dusdanige uitgifte wil doen afgeven, zal tot dat einde een verzoekschrift indienen. Art. 843. De expeditie van het vonnis wordt zonder medewerking der partijen opgemaakt en moet behelzen al wat wij boven van den inhoud van het Audiëntieblad gezegd hebben, met uitzondering van de gronden en motieven van de door partijen genomen conclusiën. Art. 62 B. R. Art 11 Tarief.
Aan het hoofd van de grosse van een vonnis moeten staan de woorden: âIn naam der Koninginquot;, ingevolge het voorschrift van Art. 430 B. R. Wel staan in art. 430 de woorden: âin naam des Konir.ys,quot; doch ingevolge art 1 a) der AVet van 22 Juni 1891, {btbl. 125), worden die woorden zoolang eene Koningin de kroon draagt gelezen: âfn naam der Koningin.quot; Die woorden zijn sacramenteel; zij moeten dus op straffe van nietigheid zoo en niet anders aan het hoofd van een executorialen titel gesteld worden. Zie o. a. arrest H. R. 4 Mei 1891, W. G036, P. v. J. 1891, 79 en mengelwerk in W. 5950.
Indien de grosse niet bevat, wat de Wet voorschrijft dat in het vonnis moet vermeld worden, is daardoor natuurlijk het vonnis zelf niet nietig, maar is alleen de uitvoering op die grosse verboden. W. 223, 227.
§ 153. De vonnissen der Kantonrechters zijn aan herziening onderworpen in de gevallen en op de wijzen, bij deze en de volgende paragraphen omschreven, waarin wij handelen zullen over: hel verzei tegen een vonnis hij versleb; over hel request civiel,
a) ])iit art. luidt : Zoolaixy eene Koningin de Kroon draagt, wordt bij het gehruik van alle ivettelijk vastgestelde formulieren, ambtstitels en officieel e benamingen, iraarin het woord â¢gt; Koning- voorkomt, in plaats daarvan het woord quot; Koninginlt;⢠gebezigd, met inachtneming van de daardoor noodzakelijk irordende. taalkundige veranderingen.
Op grond van dit artikel wordt dus thans trouw gezworen aan de Koningin en heeten de vroegere Commissarissen des Koning» Commissarissen der Koningin.
4!)6
over het verzet door derden, over het hoog er beroep, en over het middel van cassatie.
Over de vonnissen bij verstek gewezen, hebben wij gehandeld § 121. De gedaagde, die alzoo veroordeeld is, mag daartegen verzet doen, ook al moge hein het vonnis nog niet beteekend wezen. Het verzet moet worden gedaan binnen veertien dagen na de betee-kening van het vonnis of van eenige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte, aan den veroordeelde in persoon of na het plegen door dezen van eenige daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is. Buiten die gevallen is het verzet ontvankelijk tot dat het vonnis is ten uitvoer gelegd. De veroordeelde, die in het vonnis heeft berust, kan daar tegen niet meer in verzet komen.
Het vonnis wordt gerekend ten uitvoer gelegd te zijn; in geval van gerechtelijke tenuitvoerlegging op de roerende goederen, na den verkoop, in geval van gerechtelijke uitwinning van onroerende goederen, op den veertienden dag na den aanslag of de aanplakking der in de artikelen 515 en 517 vermelde billetten. Het verzet binnen de boven gemelde termijnen en in de hierna voorgeschreven vormen gedaan zijnde, stuit de tenuitvoerlegging indien dezelve niet bevolen is, niettegenstaande het verzet.
Dat een proces-verbaal van niet-bevinding {acte de carence) niet voor een tenuitvoerlegging gelden kan, is beslist door den Hoogen Raad bij arrest van 17 Juni 1853, W. 1459, R. dl. XLV, § 21, v. d. H., B. R., dl. XVII, p. 08â78.
Het exploit van verzet moet summierlijk de middelen van de partij behelzen en dagvaarding aan den persoon of ter gekozen woonplaats van den oorspron-kelijken eischer. De oorspronkelijke eischer heeft de bevoegdheid om, overeenkomstig art. 136 van het Wetboek, tegen een vroegeren dan den in het exploit
497
van verzet uitgedrukten rechtsdag op te roepen, a) art. 83.
Het verzet kan ook gedaan worden, hetzij bij buitengerechtelijke akte, hetzij ter gelegenheid van de be-teekening van het vonnis, of van elke andere akte. dienende om dat vonnis ten uitvoer te leggen, uitgezonderd ter gelegenheid van de aanplakking der aanslagbilletten, boven vermeld; maar in al deze gevallen is de opposant verplicht, om binnen drie dagen zijn verzet bij exploit, op boven voorschreven wijze, te herhalen. Art. 84. Van der Kemp meende, dat, zoo de herhaling niet binnen die drie dagen heeft plaats gehad, de veroordeelde niet meer ontvankelijk zoude zijn in verzet te komen. In de rechterlijke beslissingen, te vinden bij Van Rossem ad art. 84, aant. 2, wordt echter aangenomen, dat een dusdanig niet vervolgd verzet geen beletsel is voor een nieuw verzet. In geval van verzet wordt de zaak op nieuw aanhangig gemaakt voor hetzelfde Kantongerecht, maar nergens staat er, dat dezelfde Rechter haar weder beoordeelen moet; hetgeen ook dikwijls onmogelijk zou zijn en tevens onnoodig is, omdat de oorspronkelijke zaak alsdan behandeld wordt, even alsof zij voor de eerste maal in geding kwam. Met dit al spreekt het van zelf, dat, wanneer beide partijen verschijnen, op de vordering van den geopposeerde, de ontvankelijkheid van het verzet vóór de oorspronkelijke zaak moet worden behandeld. Indien de opposant ook thans niet verschijnt, ligt het in den aard der zaak, bij eenvoudige toepassing van art. 75, dat er tegen hem, als in dit geval eischer, verstek
a) lu do verzet-proccdurc bij de Kantonrechter heeft dus de oorspronkelijke eischer ecu recht vau anticipatie, terwijl de gedaagde dit iu de procedure in eersten aanleg niet heeft. Het recht ran anticipatie moest noodzakelijkerwijs gegeven worden, nu de verplichting om te dagvaarden tegen de eerstvolgende terechtzitting, verviel.
Daar bij de Kantongerechten geene Prokureurs bekend zijn, zal de oproeping tegen een vroegeren rechtsdag bij deurwaarders-exploit aan den opposant zeiven moeten geschieden (Mrs. H. en C., blz. 27.)
498
moet worden verleend en de geopposeerde, als in dit geval verweerder, van de instantie moet worden ontslagen, met verwijzing van den opposant in de kosten. Er komt alsdan geen nieuw onderzoek van het vonnis bij verstek te pas, alleenlijk behoort het uitdrukkelijk hckrachtigd te worden, opdat het blijke, dat de opposant tot het doen van een nieuw verzet tegen het vonnis niet meer ontvankelijk isa). In dezen zin toch schijnt verstaan te moeten worden de onnauwkeurige uitdrukking van art. 87, dat de opposant, die zich voor de tweede maal bij verstek laat vonnissen, niet meer zal ontvangen worden tot het doen van een nieuw verzet. Immers de opposant, die verstek laat gaan, toont daardoor in het eerste vonnis te berusten en eene uitdrukkelijke veroordeeling voor de tweede maal te willen voorkomen. Maar wat, indien de geopposeerde, de oorspronkelijke eischer, niet verschijnt? De woorden van art. 87, hetwelk slechts van den opposant spreekt, schijnen, volgens vant dek Kemp, bij tegenstelling, aan den geopposeerde het recht te geven, om van zijne zijde een verzet, tegen het tweede vonnis namelijk, in te stellen b). Het art. toch schijnt volgens hem te willen, dat dezelfde partij in dezelfde zaak niet tweemaal in verzet mag komen. Met dit al wees hij op een uitspraak volgens het Fransche Recht, te vinden bij Carré 11, 72, waarin men bij art. 22 en 165 Cod. de Proc. Civ. dezelfde bepaling als van ons art. 87 aantrof; bij welke uitspraak geoordeeld is, dat, wanneer de geopposeerde verstek laat gaan, het vonnis evenwel gerekend wordt als op tegenspraak gewezen te zijn, omdat hij de eerste reize, en de opposant nu in hun wederzijdsche belangen gehoord zijn. Doch hij meende, dat het voor een vonnis op tegenspraak niet genoeg is, dat beide partijen gehoord zijn, maar dat het noodig was dat zij daartoe in
a) Opjxmition sur opposition nc vaut.
h) Tot dezelfde conclusie komt ook Mr. Van Kossem (art. 87, aant. 2.)
499
elkanders bijzijn, ten einde elkander wederzijds te kunnen tegenspreken, gehoord zijn. Van een ander gevoelen echter is de Witt Hamer bl. 342 op het gezag van Carré. Zoo ook een vonnis van de Arrond. Rechtbank te Dordrecht van 26 Januari 1852. W. 1343 en de Pinto bl. 172. Voorts moet men opmerken, dat de kosten van het verstek, die van het vonnis daaronder begrepen, mitsgaders die, welke als het gevolg der niet-verschij ning van den defaillant kunnen worden beschouwd, ten laste van dezen komen. Art. 89. Dit art. voegt er als uitzondering bij; len ware hel verstek verleend ware op ccne dagvaarding, die nietig verklaard wordt. Daar nu volgens art. 92 op eene dagvaarding, die de Rechter nietig bevindt, geen verstek mag verleend, maar de nietigheid moet uitgesproken worden (vgl. boven § 121), zoo schijnt uit die bijgevoegde uitzondering te volgen, dat de opposant de nietigheid der reeds door den Rechter geldig beschouwde dagvaarding beweren mag en deze haar, zoo daar gronden voor zijn, moet uitspreken. Ook is het om het even, of die nietigheid alléén maar ligt in het afschrift, dan wel ook in de oorspronkelijke dagvaarding, daar dat afschrift voor den verweerder als oorspronkelijk stuk geldt, en hij dus alléén de nietigheden daarin voorkomende, kan aanvoeren, terwijl hij de oorspronkelijke dagvaarding zelf niet in handen krijgt. R. 15. V. 318, 412.
§ 154. Van het middel van request civiel a), waardoor de vonnissen op tegenspraak in het laatste ressort, en die welke op verstek gewezen en niet meer vatbaar voor verzet zijn, kunnen herroepen worden op het verzoek van degenen die partij geweest of geroepen zijn, kan men tegen de vonnissen van Kantonrechters geen gebruik maken, dan alléén in twee gevallen, namelijk: dat de beslissing berust op na de uitspraak ontdekt bedrog of arglist der wederpartij in de pro-
a) Zie over dit rechtsmiddel het academisch proefschrift van Mr. J. H. D. schey ken berg vagt; mlerol': Request civiel. Leiden 1890.
nOO
cedures gepleegd of een opgelegde eed door den strafrechter is verklaard valschelijk te zijn afgelegd, tenzij het geldt den beslissenden eed in artikel 1966 1° B. W. bedoeld; alsmede indien er gevonnisd is op stnkken (dat is niet, indien er in de procedure gebruik gemaakt is van stukken, maar indien het vonnis van veroordeeling berust op stukken), die na het vonnis voor valsch erkend of valsch verklaard zijn. Deze twee gevallen moeten beperkt worden opgevat, daar de overige zes, waarin tegen de vonnissen der andere Rechtscollegiën request civiel is toegelaten, ten aanzien v;n vonnissen van Kantonrechters niet toepasselijk zijn. Art. 382, 397 B. R. Ook minderjarigen zijn daarenboven tot het verzoeken van zoodanige herroeping nog ontvankelijk, indien zij niet verdedigd zijn geweest. Art. 383. Daar art. 506 B. W. den curandus gelijkstelt met een minderjarige, meent Van der Kemp dat ook de curandus het voorrecht van art. 383 heeft. Maar de Staat, de Gremeenten, de openbare inrichtingen, worden ten dezen niet met minderjarigen gelijk gesteld, gelijk vroeger bepaald was bij art. 481 Cod. de Proc. Civ. Indien er slechts grond is om herroeping te verzoeken van een gedeelte van het vonnis, mag dat gedeelte alléén worden herroepen, tenzij de andere deelen van het vonnis daarvan afhangen, art. 384. Het request civiel moet beteekend worden met dagvaarding binnen drie maanden, te rekenen van den dag, waarop het vonnis, waarover men zich beklaagt, is uitgesproken, of, zoo dit bij verstek gewezen is, van den dag waarop het niet meer vatbaar is voor verzet. Deze termijn gaat in het geval van artikel 383 eerst in op den dag der meerderjarigheid. Voor onder curateele gestelde laat van der Kemp den termijn beginnen op den dag der opheffing daarvan, art. 385. Indien de partij, die in het ongelijk is gesteld, overleden mocht zijn binnen de zoo even genoemde termijnen, kan het request civiel door hare erfgenamen of rechtverkrijgenden nog worden inge-
501
steld binnen drie maanden na het overlijden, of, zoo zij van het recht van beraad gebruik maken, binnen eene maand na afloop van den daarvoor gestelden termijn (art. 386, 341.) Indien het request civiel gegrond is op valschheid, bedrog of arglist, loopen de termijnen slechts van den dag af, op welken hetzij de valschheid, hetzij het bedrog of de arglist bekend zijn geworden, mits in geval van bedrog of arglist die dag bij geschrifte kunne bewezen worden. Art. 387. Het request civiel wordt aan denzelfden Rechter ingediend, die het beklaagde vonnis heeft gewezen. Indien dit vonnis wordt overgelegd in een zaak hangende voor een anderen Rechter, kan de Kantonrechter naar de omstandigheden, in de behandeling dier zaak voortgaan of haar schorsen. Art. 389. Het is niet noodzakelijk, dat de Kantonrechter, tot wien men zich met het request civiel wendt, dezelfde persoon zij als die het vonnis gewezen heeft; dewijl anders bij ontstentenis van dien persoon het middel vervallen zou wezen. Het request civiel moet worden ingediend door eene dagvaarding in den gewonen vorm en beteekend aan de partij of aan hare woonplaats. Het moet de middelen behelzen, waarop het verzoek gegrond is; geen andere middelen dan deze, mogen op de terechtzitting worden aangevoerd. Art. 390. Het request civiel verhindert de ten uitvoerlegging van het beklaagde vonnis niet, en deze kan door geen rechterlijk bevel belet worden. Art. 392. Indien hetzelve wordt aangenomen, wordt het vonnis herroepen en worden de partijen in denzelfden staat teruggebracht, in welken zij vóór dien tijd waren, hetgeen ten gevolge van de veroordeeling, bij het vonnis uitgesproken, genoten of ontvangen is, moet worden terug gegeven. Art. 394. Het geschil ten principale, waarover het herroepen vonnis gewezen is, moet gevoerd worden voor hetzelfde Kantongerecht, dat over het request civiel gevonnisd heeft. Art. 395. Na een eerst zoodanig request, hetzij hetzelve aangenomen of verworpen zij,
502
kan men geen tweede meer indienen, hetzij tegen het vonnis daarop gewezen, hetzij tegen het vonnis, hetwelk, na de aanneming daarvan, ten principale beslist heeft. Art. S'JÃ.
§ 155. Bij art. 125 B. R. zijn de artt. 376 en volgg. over het verzet door derden, a) mede van toepassing verklaart op de vonnissen van Kantonrechters. Derden namelijk, zijn bevoegd zich te verzetten tegen een vonnis hetwelk hunne rechten benadeelt, indien zij noch in persoon, noch wettiglijk vertegenwoordigd, of indien degenen, welke zij vertegenwoordigen, in het rechtsgeding niet zijn geroepen, of door voeging of tnsschen-komst geen partij zijn geweest. Art. 376. Van den Honert, bl. 416â419. De oorspronkelijke aannemer wordt niet benadeeld in den zin van art. 376 door het vonnis, waarbij de aanbesteder veroordeeld wordt zeker bedrag aan den werkman te betalen, die het werk voltooid heeft, toen de oorspronkelijke aannemer het liet zitten (arrest H. K. 14 Maart 1884, W. 5029, v. i). H., B. XLIX, 238, X. K. CXXXVI, 275.) Het verzet wordt beoordeeld door den Rechter, bij wien zoodanig vonnis is gewezen. Het wordt aangebracht door eene dagvaarding tegen al de partijen, tusschen welke het is gewezen, en de algemeene voorschriften wegens de wijze van procedeeren zijn op dit verzet toepasselijk. Art. 377. De rechter, die over een verzet van derden oordeelt, kan, indien daartoe gronden bestaan, de uitvoering van het aangevallen vonnis schorsen tot dat het verzet zal zijn uitgewezen (art. 379.) Van den Honert bl. 421.
Bij het bevel van schorsing, De Witï Hamer zegt het terecht, beslist de Kantonrechter geen geschil over de ten uitvoerlegging van zijn vonnis. Alleen dan wanneer de partij weigert aan het bevel van schorsing te voldoen, eerst dan ontstaat er een geschil over de ten uitvoerlegging, en behoort dat geschil
a) Zie het academisch proefschrift van Mr. N. M. Lehbet: Iets over verzei door derden. Leiden 1886.
503
aan het oordeel van de Arrond. Rechtb. te worden onderworpen.
Eene schorsing kan echter niet in ieder geval door den Kantonrechter worden toegestaan, maar daarvoor moet een dadelijk aanwezend en onbetwistbaar belang bestaan. Arrend. Rechtb. Winschoten . .. Jan. 1869, W. 3108 en Rechtbank Amsterdam 15 Nov. 1870, W. 4098. De schorsing van een vonnis op grond van art. 379, praejudicieert, noch de rechtmatigheid van het derde verzet, noch van het verzet tegen het origineele vonnis. Arrond. Rechtb. Amsterdam 15 Febr. 1877. R. B. N. R. 187 /. A. 83. Maar indien daarentegen oen vonnis, waartegen een verzet door derden bestaat, aan den opposant in een rechtsgeding, voor den Kantonrechter aanhangig, wordt tegengeworpen, staat het dien Rechter vrij, de schorsing van het rechtsgeding toe te staan, totdat het ingestelde verzet zal zijn uitgewezen. Art. 378. Bij de wettiging van het verzet, wordt hot vonnis, waartegen dit gericht is geweest, alleen in zooverre verbeterd, als het de rechten van derden heeft benadeeld, tenzij het on-splitsbare der uitspraak eene geheele vernietiging daarvan noodzakelijk mocht maken. Art. 380.
§ 15G. De partijen kunnen in hooger beroep komen van vonnissen, door Kantonrechters gewezen in zaken, waarin deze niet anders dan in het eerste ressort kunnen oordeelen. In geschillen over onbevoegdheid is het beroep echter ontvankelijk, ook wanneer de Kantonrechter, wiens bevoegdheid betwist wordt, van de zaak ten principale in het hoogste ressort kan kennis nemen. Art. 382, 333. Van veroordeelingen bij verstek valt geen hooger beroep, doch indien de oorspronkelijke eischer van het vonnis in hooger beroep komt, zal de gedaagde alle zijne verdedigingen in het hooger beroep kunnen doen gelden, zelfs bij wege van incidenteel beroep, zonder van het middel van verzet in eersten aanleg meer te kunnen gebruik maken. In het geval echter bij het slot van art. 79
504
voorkomende, zal de achterblijvende partij zich in hooger beroep kunnen voorzien, mits vooraf bij voorraad, tegen het stellen van zekerheid, aan het vennis voldoende, dan zelfs wanneer bij dat vonnis de voorloopige ten uitvoerlegging niet mocht bevolen zijn. Art. 335. Wanneer er van vonnissen ten principale hooger beroep valt, kan men ook in dat beroep komen van de praeparatoire, de interlocutoire en de provisioneele vonnissen. Het beroep van een praeparatoir vonnis zal niet mogen worden ingesteld, dan binnen den zelfden termijn en gelijktijdig met het eindvonnis. Het beroep zal ontvankelijk zijn, zelfs wanneer het praeparatoir vonnis zonder voorbehouding van dengene, die er zich mede bezwaard acht, was ten uitvoer gelegd. Van vonnissen, waarbij eene provisie wordt toegestaan of geweigerd, kan hooger beroep worden ingesteld vóórdat het eindvonnis geslagen is. Het zelfde kan plaats vinden ten aanzien van incidenteele en interlocutoire vonnissen, tenzij de Rechter daarbij verklaard hebbe, dat het hooger beroep daarvan niet dan tegelijk met het eindvonnis zal kunnen worden ingesteld, artt. 336, 337. Doch altoos binnen den hierna te melden termijn, hoezeer deze voor het eindvonnis nog langer moge loopen, gelijk beslist is door de Arrond. Rechtbank te Assen, bij vonnis van 23 Oct. 1843, en door het Prov. Gerechtshof van Gelderland, bij arrest van 8 Mei 1844, bij welk arrest ook is geoordeeld, dat een vonnis, waarbij een verzoek om een getuigenverhoor is afgewezen, geen interlocutoir, maar een eindvonnis op een tusschengeschil is, daar art. 46 B. R. voor interlocutoir houdt vonnissen, waarbij de Rechter een onderzoek of eene instructie beveelt. W. 457. R. B. VIII. 677. Carré III 395. Wanneer men in een vonnis berust heeft, is men niet meer ontvankelijk om daarvan te komen in hooger beroep. Art. 334. De termijn van hooger beroep is van drie maanden, te rekenen van den dag der uitspraak van het vonnis;
505
het kan, tenzij het vonnis werd verklaard uitvoerbaar bij voorraad, niet worden ingesteld binnen 8 dagen na de uitspraak. Art. 339, 342. Deze maanden moeten niet gerekend worden op het bepaalde getal van 30 dagen, maar volgens de Gregoriaansche tijdrekening, zoodat dus de termijn eenigszins langer of korter kan zijn naar gelang van den duur der maanden. Ten aanzien van een eindvonnis, waarbij een eed is opgelegd, loopt de termijn insgelijks van den dag der beteekening van het vonnis, en niet van dien der eedsaflegging, dewijl deze verrichting inderdaad reeds een uitvoering van het vonnis is. Carré III. 32S, 331. Het beroep wordt gebracht bij de Arrond. Rechtbank, onder wier rechtsgebied het Kantongerecht behoort. Art. 54 Nn. 5 R. O. In geval van beroep van een interlocutoir vonnis of van een vonnis, bij hetwelk niet anders dan op een tusschengeschil uitspraak gedaan is, moet de Rechtbank, wanneer zij het vonnis bekrachtigt, de zaak verwijzen naar den Kantonrechter, die het gewezen heeft, ten einde op de hoofdzaak te beslissen; ten ware al de partijen vorderden, dat zij zelf de hoofdzaak in het hoogste ressort afdeed, gelijk zij zulks ook kan doen, indien het geding in dien staat is, dat daarover bij een en hetzelfde eindvonnis kan worden beslist. Art. 355. Maar wanneer een interlocutoir vonnis is te niet gedaan, kan de Rechtbank in hooger beroep de zaak tot zich trekken en in het hoogste ressort ten principale vonnissen. Bij de te niet doening van een vonnis op een tusschengeschil gewezen, moet de Rechter in hooger beroep insgelijks de zaak tot zich trekken en in het hoogste ressort ten principale vonnissen, zoo al de partijen zulks vorderen, en hij kan het ook doen, indien het geding in dien staat is, dat zoowel op het tusschengeschil als ten principale kan worden beslist. Art. 356. Wanneer in liet eeval van het tweede lid van art. 68 een vonnis bekrachtigd wordt, waarbij de Kantonrechter zich bevoegd
33
506
heeft verklaard om van de zaak keunis te nemen, moet de Rechtbank de zaak naar hem verwijzen om ten principale te worden beslist, tenzij partijen begeerd mochten hebben, dat zij zelt de hoofdzaak zal afdoen. Art. 357. Indien daarentegen de Kantonrechter zich onbevoegd had verklaard en deze uitspraak wordt te niet gedaan, moet de Rechtbank de zaak ten principale naar denzelfden Rechter verwijzen, uitgezonderd wanneer beide partijen vorderen, dat zij zelt de zaak aan zich boude; alsmede wanneer zij naar den aard van het geding gronden vindt tot verwijzing naar een anderen Kantonrechter in haar arrondissement. Art. 358. Dat de Rechtbank den Kantonrechter bevoegd verklaarde is geen beletsel voor dezen, om zich om andere redenen te verklaren onbevoegd. Zie ook Rechtsgeleerde adviezen 11, 140.
§ 157. De vonnissen in burgerlijke zaken door de Kantonrechters in het hoogste ressort gewezen, kunnen, hetzij op de vordering van den Procureur-Cieneraal bij den Hoogen Raad in het belang der Wet, hetzij op die der partijen, door den Hoogen Raad bij casaatic worden vernietigd, doch alléén wegens onbevoegdheid of overschrijding van rechtsmacht, of ter zake, dat zij de gronden niet inhouden, waaropzij zijn gewezen, of niet met open deuren zijn uitgesproken. Art. 99 R. ü. Zonderling is het, dat in de Wet op de R. O. van de unhcvoegdheid, als een grond van cassatie, alleen maar ten aanzien van Kantonrechters gesproken wordt, zoodat men daaruit zou moeten afleiden, of dat dit woord synoniem is met overschrijding van rechtsmacht, of dat ten aanzien van vonnissen van andere Rechtscollegiën, geen grond van cassatie wegens onbevoegdheid verleend wordt, wat echter onaannemelijk schijnt. Doch tegen de synonymiteit strijden weder de bepalingen, zoo van het Wetboek van Strafvordering, (gelijk blijken kan uit hetgeen wij boven, § 79, gezegd hebben), als van het W etboek van Burg, Rechtsvord. Bij het laatste worden in art.
507
421 en 423 niet alleen onbevoegdheid en overschrijding van rechtsmacht onderscheiden, maar ook aan beide verschillende gevolgen toegekend. Wij meenen dus, dat er in do Wet op de R. O. eene zekere duisterheid en verwarring van begrippen ten dezen aanzien heerscht, die echter door de duidelijke bepalingen van liet Wetboek van B. R. wordt weggenomen, hoezeer het nog altijd de vraag blijft, wat door onhcvocgdhcid, door overschrijding van rerhtsmachl en door verkeerde loepassincj of schending der Wet, (als welke laatste wol een grond van cassatie voor de vonnissen der overige Rechtscollegiën, niet voor die der Kantonrechters oplevert), moet verstaan worden. Wij oordeelen, dat, ofschoon alle onbevoegdheid en overschrijding van rechtsmacht een wetschennis is, echter maar alléén ten aanzien van de vonnissen van Kantonrechters, zoodanige wetschennis een grond tot cassatie oplevert, welke onbevoegdheid of overschrijding van rechtsmacht daarstelt; terwijl dan door onherorgdheid verstaan moet worden, het rechtspreken over eene zaak, waarin de Kantonrechter geen recht spreken mag; en door overschrijding van rechtsmacht, het geval, dat de Rechter in eene zaak van zijne bevoegdheid, buiten de vordering der partijen, aan haar iets willekeurigs gelast, hetwelk geen grond in de Wet heeft. Vgl. W. 8S1, 1645. Wij moeten hier aanmerken, dat er geen strijd bestaat tusschen art. 99 R. O. hetwelk van cassatie spreekt, on art. 333 B. R. hetwelk hooger beroep wil. Het eerste art. toch ziet op het geval, dat een Kantonrechter, in het hoogste ressort recht doende, over de hoofdzaak heeft uitspraak gedaan in een geding, waarin hij onbevoegd was recht te spreken; het andere op het geval, dat er geschil over zijne bevoegdheid gerezen zijnde, hij daarop recht gedaan en zich uitdrukkelijk bevoegd of onbevoegd verklaard heeft, weshalve in het laatste geval hooger beroep, in het eerste alléén cassatie te pas komt, volgens arrest van den H. R. van 7 Mei
508
1847, W. 82!). Ook moet men in het oog houden, dat alleen van een verkeerd dispositief van een vonnis, en niet van verkeerde motieven, in cassatie kan worden gekomen, volgens arrest van den H. R. van 15 Juni 1849, W. 1033. Het beroep in cassatie moet worden ingesteld hinnen drie maanden, te rekenen van den dag waarop het vonnis, waartegen wordt opgekomen, is uitgesproken, art. 398 B. R., welke dag dus in dien termijn niet moet worden mede-gerekend, die na het einde van den laatsten dag der drie maanden is verstreken, gelijk beslist is door den H. R. bij arrest van 21 Dec. 1843, W. 461. Wanneer men echter in het vonnis berust heeft, is men niet bevoegd om daarvan te komen in cassatie. Dit beroep mag van een praeparatoir vonnis niet worden ingesteld, dan binnen denzelfden termijn en gelijktijdig met het beroep van het eindvonnis, maar is ontvankelijk, ook zelfs wanneer dat praeparatoir vonnis, zonder voorbehouding van dengene die er zich mede bezwaard acht, was ten uitvoer gelegd. Van vonnissen, waarbij eene provisie wordt toegestaan of geweigerd, kan beroep in cassatie worden ingesteld vóórdat het eindvonnis geslagen is. Het zeilde kan plaats vinden ten aanzien van incidenteele en interlocutoire vonnissen, tenzij de Rechter daarbij verklaard hebbe, dat het beroep in cassatie daarvan niet dan tegelijk met het eindvonnis zal kunnen worden ingesteld. Art. 399, 337. Van vonnissen bij verstek valt voor den veroordeelde geen zoodanig beroep. Art. 400. Indien de H. R. een vonnis vernietigt wegens onbevoegdheid, verwijst hij partijen daar en waar het behoort. Art. 421. Vernietigt hij een interlocutoir vonnis, dan verwijst hij het geding, volgens den aard der zaak, naar den Kantonrechter, die het vonnis gewezen heeft, ten einde niet inachtneming van do uitspraak van den H. R. de hoofdzaak verder te behandelen en te beslissen. Art. 422. Indien een eindvonnis vernietigd wordt ter zake van overschrij-
509
ding van rechtsmacht of van Jverkeerdo toepassing of schending der Wet, beslist de H. R. de hoofdzaak even en in dier voege als de Kantonrechter had behooren te doen; doch indien de definitieve beslissing der hoofdzaak afhangt van daadzaken of van rechts-punten, welke bij de vroegere behandeling zijn onopgelost gelaten, verwijst hij hetgedingnaar denzelfden Kantonrechter, om met inachtneming van die hoogere uitspraak de hoofdzaak verder te behandelen en te beslissen. Art. 423, 424. Maar wanneer een vonnis vernietigd wordt ter zake dat het de gronden niet inhoudt, waarop het is gewezen, of niet met open deuren is uitgesproken, dan moet de H. R. de zaak verwijzen naar de Arrond. Rechtbank, tot welker gebied het Kantongerecht behoort. Art. 106 R. O. Behalve de boven opgenoemde gevallen, waarin de voorziening is toegelaten, kan men zich nog in cassatie voorzien, in geval door verschillende Kantongerechten, in het hoogste ressort, tegenstrijdige vonnissen gewezen zijn tusscheu dezelfde partijen en op dezelfde gronden door partijen aangevoerd. Indien dan de H. R. het laatst gewezen vonnis vernietigt, moet bij gelasten, dat het eerste naar zijn vorm en inhoud worde ten uitvoer gelegd. Art. 427 B. R.
§ 158. Het vonnis bij tegenspraak gewezen, kan niet worden tenuitvoergelegd binnen 8 dagen na den dag der uitspraak; dat bij verstek niet binnen 8 dagen na de beteekening. In geval van dringende noodzakelijkheid zal de tenuitvoerlegging van het verstek-vonnis binnen dien termijn in bet vonnis kunnen bevolen worden a) (art. 342 en 80). In handelszaken kan het verstekvonnis worden tenuitvoergelegd één
d) Men verwarrc het bevel van art. 80, 2e lid, niet met dat tot voorloopige uitvoerbaar verklaring. Het staat daarnaast. Gaf do Rechter alleen het bevel van art. 80, 2e lid, en gaf hij geene voorloopig uitvoerbaar verklaring, dan zal het verzet schorsend blijven werken. Verklaarde hij uitvoerbaar bij voorraad, doch gaf hij niet het bevel van art. 80, 2e lid, dan zal binnen 8 dagen na de beteekening het vonnis niet kunnen
510
dag na de beteekening (art. 816). Verzet, hooger beroep of cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van bet vonnis (art. 82, 350, 398 lid 4). Is bet vonnis voorloopig uitvoerbaar verklaard, dan is bet vonnis bij tegenspraak uitvoerbaar dadelijk na de uitspraak. Werd bet vonnis verklaard voorloopig uitvoerbaar, dan blijft het uitvoerbaar, onverscbillig ot bet werd gewezen bij tegenspraak of verstek, niettegenstaande verzet, booger beroep of cassatie.
In geval van verzet door derden kan de Kan-tonrecbter, zoo daartoe gronden bestaan, de uitvoering van bet aangevallen vonnis scborsen, totdat bet verzet zal zijn uitgewezen. Art. 379. Maar bet request civiel verhindert de tenuitvoerlegging niet, en deze kan door geen rechterlijk bevel belet worden. Art. 392. Alle geschillen, over de tenuitvoerlegging van eindvonnissen van de Kantonrechters, moeten voor de Arrond. Rechtbanken worden gebracht. Art. 435 n). Tegen de juistheid dezer bepaling, die in het Fransche Recht niet bestond, maar waarvan bet tegendeel door de rechtspraktijk scheen aangenomen, kunnen gewichtige bedenkingen gemaakt worden. \\ . 1315.
De Rechtbank, waarvan art. 435 spreekt, schijnt die der plaats te zijn, waar de tenuitvoerlegging geschieden moet. Zóó ten minste was het onder het Fransche Recht, bij art. 442, 553. Cod. de Proc. Civ., met tenuitvoerlegging der vonnissen van koophandel.
Zie verder de toepassing van art. 435, nopens hot stellen van borgtocht, in § 147; nopens de veroordeeling in kosten, schaden en interessen, in § 149.
worden ten uitvoer gelegd. Zie ook Van Kossem art. 80 en vonnis Keehtbank Zierikzee 22 Maart 1887, \V. .V).').quot;!. Tn de beoordeeling of de dringende noodzakelijkheid van art. 80, 2c lid, aanwezig in, is deReehtor geheel vrij.
a) Hier worden bedoeld geschillen, waarvan de oplossing wordt gevorderd om de executie van een vonnis te Itunnen aanvangen of voltooien en niet geschillen, die hun grond vinden in de ten uitvoerlegging van het vonnis eens Kantonrechters dat reeds geëxecuteerd is (vonnis Kgt. Apeldoorn 30 Maart. 1887, W. 5562).
511
AFDEELING VT.
BUITENGERECHTELIJKE HANDELINGEN IN liURfiER-LIJKE ZAKEN.
§ 15'J. De tusschenkomst van ilen Kantonrechter wordt in vele zaken van het burgerlijk leven ver-eischt, hetzij ten behoeve van personen, die niet bij machte zijn in hun belangen te voorzien, hetzij ten behoeve van acten en handelingen, waaraan wettelijke kracht en gezag moet worden gegeven. Zijne werkzaamheden berusten eensdeels op de bepalingen onzer Nedcrlandsche wetboeken, anderdeels op art. GO der Wet van 16 Mei 1829 (S/h/. Nn. 29), houdende bepalingen wegens den overgang van de vroegere tot de nieuwere wetgeving, zooals die Wet is gewijzigd bij de Wet van 23 Dec. 1837 (Si/j/. N0. 78), volgens welk art. de Kantonrechter óók moet waarnemen al hetgeen bij bijzondere wetten en vorderingen op het oogenblik des overgangs, dat is op 1 Oct. 1838, tot de werkzaamheden van de Vrederechters behoorde en sedert niet is afgeschaft a).
Indien de Kantonrechter niet ambtshalve te werk gaat, moet zijne tusschenkomst of mondeling of bij behoorlijk verzoekschrift verzocht worden. Op zulk een verzoekschrift moet door hem worden beschikt, tenzij hij zich aan rechtsweigering wil schuldig maken. Art. 844 B. R. De procedure in zulk een geval van rechtsweigering is dezelfde als in geval van weigering om een aanhangig rechtsgeding te beslissen. Vgl. § lol. De beschikkingen op verzoekschriften behoeven niet, evenals vonnissen, in het openbaar te worden uitgesproken, gelijk menigmaal door den II. R. beslist is. W. 33, 43. R. B. I. 177, 241, 353. II. 113. Van al die beschikkingen valt hooger beroep, zoo het niet uitdrukkelijk in sommige gevallen is uitgesloten, besliste de H. R., bij arrest van 17 Mei 1860, W.
a) Welke die werkzaamheden zijn, vermelden wij hierna.
34
512
2S10, in strijd met een vroeger arrest van 13 Xov. 18Go, waarbij hij besliste, dat alléén dan wanneer de Wet uitdrukkelijk hooger beroep op rechterlijke machtigingen en beschikkingen toestaat, deze voor booger beroep vatbaar zijn, met welk gevoelen zich vereenigen de Rechtsgol. Adv. D. Ali.blz. 11/ â120. Dit beroep beboort bij de Arrond. Rechtbank, en moet insgelijks bij requeste «) worden ingesteld binnen twee maanden na de dagteekening der beschikking' floor hem, die baar verkregen beeft, en binnen twee maanden na bare beteekening door de overige be-langbebbenden 'lt;). Art. 345 B. K. Het nr.ddel van verzet is niet toegelaten tegen beschikkingen op rekwest. Prov. Gerechtsb. van Zuidholland 5 April 1843, \V. 389. A'gl. Dk 1'ixto, Recbtsv. 2^ ged. I8»0 st. bl. 460. Maar zijn de beschikkingen van den Kan tonrechter en de daarop gevolgde handelingen ook vatbaar voor cassatie? Art. 99 R. O. verklaart daarvoor vatbaar, zonder onderscheid, alle handelingen, arresten en vonnissen, en sluit slecbts de vonnissen der Kantonrechters in burgerlijke zaken uit, behoudens de uitzondering bij het 2lio lid van dat art. aangegeven en reeds hier boven vermeld, waaruit volgt, dat bunne beschikkingen en handelingen, in bet hoogste ressort gedaan, wol degelijk bij cassatie kunnen worden vernietigd. Zie de beschikking van den 11. R. van 20 April 1888, N. R. CXL\ III, 380. v. d. II. B. LIV, 179. De Regeering verklaarde dan ook aan de Ãtaten-t leneraal, dat zij mat de handrinKjen van art. 99 H. O. o. a. bedoelde, verzegelingen en ontzegelingen door Kantonrechters; de bepaling van
a) Arrest II. K. U Sept. 1893, \V. Ã.3'.t3, p. v. J. 1893, 78.
b) Verwanten, die ter gelegenheid der benoeming van een Toogcl door den Kautourechtev zijn gehoord, kunnen, als zijnde gcone belanghehhenden in den zin van art. 345 Rv., niet in hooger beroep komen van de beschikkingde,B betrokken Kantonrechters, waarbij deze in strijd met hun gevoelen, aannemende dut liij tot de voorziening in de betrokken voogdij bevoegd was een voogd benoemde (H. R. -1 -lan. ISO'i, A\. 6012, I*, v. J. 1895, 19, iS'. Ii. CLXIX, 10.
513
zekerheid door een voogd of curator te stellen; de soms vereischte toestemming des Kantonrechters tot een huwelijk; de benoeming van deskundigen en vele andere dergelijke onderwerpen, waaromtrent, voor cassatie vatbare, misslagen kunnen plaats hebben en zeer denkbaar zijn. R. B. I, 501. II. 339. De Wet van 26 Juni 1876 (Slbl. 124) bracht in art. 428 en 42!) B. Rv. eene regeling omtrent de wijze, waarop cassatie tegen beschikkingen op verzoekschrift wordt ingesteld. Dat geschiedt bij verzoekschrift. Uit het ontbreken van die regeling werd hier vroeger bewijs geput voor de onjuiste stelling, dat cassatie tegen eene dusdanige beschikking niet zoude zijn toegelaten. Dit alles ook is alleen te verstaan van zulke beschikkingen en handelingen, als waarin de Kantonrechter als Rechter, niet als eenvoudig ambtenaar werkzaam is. Terecht toch heeft de II. R. op 15 Oct. 1843, W. 436 beslist, dat de bemoeienissen van den Kantonrechter, waarin hij niet als Rechter werkzaam is, als het opmaken van authentieke akte», niet vatbaar zijn voor cassatie, zelfs niet in het belang der Wet, dewijl het zoowel uit het doel der instelling van den II. R. tot een opperst gerechtshof, als uit den aard van het middel van cassatie zelf, hetwelk eene gerechtelijke voorziening is, en uit de wijze van pro-cedeeren, door de Wet in cassatie voorgeschreven, genoegzaam blijkt, dat hiermede slechts handelingen kunnen gemeend zijn, door rechterlijke collegiën en door Rechters in die hoedanigheid gedaan; terwijl de Kantonrechter, alhoewel hij een rechterlijk ambtenaar is, evenwel ook buiten zijn eigenlijk rechterambt vele bemoeienissen heeft te verrichten en dus niet uitsluitend als een Rechter kan worden beschouwd. Ten aanzien dezer handelingen zou ook de Kantonrechter nimmer kunnen gewraakt worden. Carrk 1, 98. Voorts moet men opmerken, dat in alle zaken, waarin uithoofde van onverwijlden spoed eene onmiddellijke voorziening des Kantonrechters vereischt
514
wordt, en hij nochtans zwarigheid maakt die voorziening te doen, hetzij in geval vau verschil over verzegeling of ontzegeling, hetzij ten aanzien van zijne verplichting tot het staan over eenige wettelijke akte, welke geen uitstel kan lijden, de vordering kan worden gebracht op eene terechtzitting, te dien einde door den President der Arrond. Rechtbank te houden, op de daartoe door hem bepaalde vaste dagen, waarop de partijen of vrijwillig kunnen verschijnen om haar verschil in kort geding door den President te doen beslissen, of ten gevolge eener dagvaarding; terwijl bij nog meer spoedvereischende omstandigheden, de dagvaarding kan worden bevolen op den dag en het uur, den Zondag ingesloten, door hem te bepalen, zelfs ten huize van den President, wiens bevel, tot het doen van zoodanige vervroegde dagvaarding, dooiden Deurwaarder aan het hoofd van zijn exploit moet vermeld worden. Art. 289, 290 B. K. In kort geding zijn er geen Prokureurs van noode. De partijen moeten voor den President in persoon of bij gemachtigden verschijnen en mondeling hare belangen voordragen. De President is bevoegd de tenuitvoerlegging zijner uitspraak te bevelen bij voorraad met of zonder borgtocht, niettegenstaande verzet of hooger beroep, en zelfs op de minuut der uitspraak, desnoods zonder voorafgaande registratie. Art. 293, 297 B. R. liet verzet behoort bij de Arrond. Rechtbank, het beroep daarentegen, bij het Gerechtshof binnen welks Rechtsgebied de Arrond. Rechtb. gelegen is; het kan dadelijk na de uitsjiraak worden ingesteld, hetzij dezelve al dan niet bij voorraad kan worden tenuitvoergelegd, maar is niet meer ontvankelijk na verloop van veertien dagen sedert do uitspraak. Art. 294, 295 B. R. Doch het is niet te denken, dat een Kantonrechter het immer zoo ver zal laten komen, noch zelfs zich voor den President in kort geding, als ware hij een tegenpartij, zal laten dagvaarden. Bij een gemoedelijk bezwaar om aan gedane verzoeken te voldoen, zal
hem zeker de loutere kennis van des Presidents nieening genoeg zijn om dien overeenkomstig te handelen. Zelfs zouden wij meenen, dat, als hij vrijwillig in kort geding verschijnt, hij niet als partij moet worden aangemerkt, maar meer als Rechter, van wiens mondeling gegeven beslissing, de andere partij bij den President als in hooger beroep komt, en dat hij dus in dat geval in de kosten van het kort geding niet behoort veroordeeld te worden. Iets antlers is het, wanneer hij de vrijwillige verschijning zou geweigerd en al zoo de partij genoodzaakt hebben hem te dagvaarden. Vgl. Carré VI. Gquot;), GO. â Zijn het onvermogende personen of daarmede gelijkstaande lichamen, in § 111 aangeduid, welke's Kantonrechters tusschenkomst behoeven, dan kunnen zij, mits voor zooveel noodig voorzien van een bewijs van onvermogen in § 11L omschreven, hunne requesten, daartoe strekkende, met overlegging van dat bewijs, op ongezegeld papier aan den Kantonrechter indienen, en moet hun alsdan de beschikking, vrij van alle kosten, worden uitgereikt. Art. 872 B. li.
Over den zin en de bedoeling van dit art. 872 gaf het Gerechtshof te 's Gravenhage op 5 April 1876 eene beslissing, te vinden in 1{. B. N. K. D. II. A. 187(), blz. 228 en 229.
Iemand wenschte in hooger beroep te komen van eene beschikking der Rechtbank te Brielle, waarbij zijn verzoek tot benoeming van een bewindvoerder werd afgewezen, en verzocht, onder overlegging van een bewijs van onvermogen, toelating om het aan den Hove daartoe ingediend verzoekschrift kosteloos te doen registreeren, op grond van artikel 855 B. R.
liet Hof verklaarde den rekwestrant niet ontvankelijk, op grond, dat art. 8-r)5 in casu niet van toepassing was, en de rekwestrant, die eene rechterlijke beschikking verlangde op een eenvoudig rekwest, buiten eigenlijk rechtsgeding, krachtens art. 872 B. R., geen voorafgaande toelating om kosteloos te procedeeren
516
behoefde, maar kon volstaan met zijn rekwest, vergezeld van een bewijs van onvermogen op ongezegeld papier in te dienen, met dat gevolg, dat de beschikking daarop, zal zijn vrij van zegel en gratis worden geregistreerd, en wijders hem vrij van alle onkosten zal worden uitgereikt, en dat, wanneer op grond van art. GS § 5 der Wet van 22 Frimaire an VIT, in verband met art. 11 der Wet van 81 Mei 1824 [Slhl N0. 36), de registratie van die beschikking mocht kunnen worden gevorderd, die dan nog, ook zonder voorafgaand verlof of bevel van het Hof, alleen op het vertoon van het bewijs van onvermogen, gratis kon en behoorde te geschieden, omdat de vrijgevige bepaling van art. 872 B. R. niet in zoo'n beperkten zin moet worden opgevat, dat de onvermogende alleen zou zijn vrijgesteld van het betalen van het zegel van het in te dienen verzoekschrift en van de kosten der eindbeschikking, en niet óók van het betalen der andere kosten, die, om een eindbeschikking te bekomen, bovendien zouden moeten worden gemaakt.
Met deze beslissing is te vergelijken de circulaire ran dm Minister van Justitie van 3 Nov. 1845, \o. 83, te vinden bij d'Engelbroxxer, 4de serie, blz. 579, waarbij, in overleg met den Minister van Financiën, den Rechterlijken ambtenaren wordt medegedeeld, dat men de toepassing van artikel 872, streng moet bepalen tot de daarbij uitgedrukte gevallen van rechterlijke machtiging, goedkeuring of rechterlijke beschikking op rekwesten of andere aanvragen, en haar niet uitbreiden tot processen-verbaal van eedsaflegging der schatters, akten van bewaargeving, beëediging van boedelbeschrijving en dergelijke, als welke bij dat art. noch voorzien, noch bedoeld worden.
Het staat niet aan den Kantonrechter, om op grond van eigen wetenschap van het vermogen des verzoekers, tegen het bewijs van onvermogen in, eene kostelooze beschikking te weigeren. W. 417, 433.
Zijn alle beschikkingen der Kantonrechters aan
517
rc'iUlmlic «/» de minuut onderworpen? Die vraalt;^, zich telkens voordoende waar de Kantonrechter een bevel tot oproeping van bloedverwanten of aangehuwden uitvaardigt, werd verschillend beantwoord.
.Sommige ontvangers antwoordden bevestigend, op grond dat de beschikking van den Kantonrechter zou zijn een âordonntutrn sur rriinclr'' (art. 7 der Wet van 22 Frimaire an Vil) en zij hebben dien ten gevolge boete gevorderd van den Deurwaarder, die zoodanig bevel ongereijislrecnl aan de betrokken personen be-teekendo. Andere ontvangers waren van oordeel, dat het bevel behoorde tot de âcéilulesquot; welke bij art. 70 § 111 Nn. 10 dor Wet van 22 Krimaire an VII, in verband met tie Wet van 18 Thermidor an VII, van de formaliteit van registratie zijn vrijgesteld.
De Minister van Financiën, daarnaar gevraagd, heett, noch het een, noch het ander gevoelen als volkomen juist bestempeld, maar beslist, dat men ten deze had te onderscheiden; en wel bij Resolutie van 18 Januari 1879, Registratie Nquot;. 31, te vinden o. a. in W. 43oJ, welke Resolutie zegt:
âHet bevel tot oproeping van bloedverwanten of aangehuwden in zaken van voogdij of curateele kan ((lliicn dan onder de evenbedoelde âcédulesquot; worden begrepen, wanneer de Kantonrechter het ambtshalve d. i. niet naar aanleiding van â en alvorens te be-schikken op â een ingediend rekwest, uitvaardigt. \\ ordt daarentegen de oproeping bevolen naar aanleiding van een verzoek van den voogd of curator, b. v. om verlof tot het instellen eener rechtsvordering of om machtiging tot het vervreemden of bezwaren van roerende of onroerende goederen, dan behoort het bevel â vermits de eindbeschikking des Rechters door de Wet van 22 Frimaire Vil blijkens art. 68 § ill Nquot;. 7 als ehuhwom wordt aangemerkt (Bartstra N . 113) â tot de .,jugements préijaraloiirs ou inler-loculoires d'in*tructio)i des juges de paixquot;, welke ingevolge art. 7 dier Wet slechts op de expeditie aan
quot;518
de registratie zijn onderworpen en in art. 68 § 1 N0. 46 dier Wet zijn getarifieerd.
Wordt eindelijk op't request niet bij ronnis beschikt, zooals het geval is met do requesten bedoeld in de artt. 99 en 417 B. W. (verg. art. 100 en 414), dan is het bevel tot oproeping als eenvoudig appointement op request op de minuut aan de registratie onderworpen en dan, maar ook dan alleen, is dus de Deurwaarder die zoodanig stuk beteekent vóór de registratie, in overtreding van art. 41 der Wet van 22 Frimaire VII.quot;
Overal waar de Kantonrechter als zoodanig werkzaam is, kan hij voor zich denzelfden eerbied vorderen, welke hem op de terechtzittingen is verschuldigd. Hij heeft daartoe dezelfde rechten als wij hierboven § 117 hebben uiteengezet. En volgens art. 28 B. R. moet hij, indien er beleedigingen of bedreigingen tegen hem of zijn Griffier in het waarnemen hunner bedieningen, ofschoon buiten de terechtzittingen, hebben plaats gehad, na, zoo daartoe gronden zijn, de daders te hebben doen vatten, proces-verbaal van het gebeurde opmaken en aan den bevoegden Ambtenaar van het O. M. ter verdere vervolging opzenden.
§ 160. liet zijn voornamelijk minderjarigen en onder curateele gestelden, over wie de zorg van den Kantonrechter zich heeft uit te strekken. Wie minderjarigen zijn, zegt de Wet in artikel 385 B. W., namelijk zij, die den vollen ouderdom van drie en twintig jaren niet hebben bereikt en niet vroeger in den echt zijn getreden. Zij had er nog bij moeten voegen, en wie geen brieven van meerderjarig-verklaring zijn verleend «).
Wie onder curateele gestelden zijn, leert de 18de Titel van het lste Boek van bet B. W.
Minderjarigen, welker ouders beiden of een van beiden zijn overleden, staan onder voogdij, op den voet en de wijze als bij de derde, vierde en vijfde
a) OrzooMM, Het B. W. 2de deel bl. 318.
519
afdeelingen van den 16den Titel van het lsto Boek van het B. W. is voorgeschreven. Art. 3S5 B. W. «).
In iedere voogdij b) is slechts één voogd. Echter kan de vader aan de langstlevende echtgenoot een bijzonderen raadsman toevoegen. Ook is, hertrouwt de moeder-voogdesse, haar man van rechtswege medevoogd. Almede kan, heeft de hier gevestigde minderjarige in een of meer koloniën goederen, voor iedere kolonie een bewindvoerder worden gekozen (art. 386, 401, 406 en 418 B. W.)
Na de ontbinding van het huwelijk, door den dood van een der echtgenooten, behoort de voogdij der minderjarige kinderen, van rechtswege aan den langstlevende der ouders, onverminderd de bevoegdheid van den vader, om aan de langstlevende moeder een bijzonderen raadsman toe te voegen. Art. 400 en 401 B. W.
De langstlevende der ouders heeft het recht om een voogd over zijne minderjarige kinderen te benoemen, op de wijze en onder de voorwaarden bij de artt. 409â412 15. W. omschreven.
Buiten de opgenoemde gevallen wordt in de voogdij over minderjarige kinderen voorzien door den Kantonrechter. Art. 413 B. \\'.
De voogdij over den minderjarige wordt alzoo uitgeoefend door:
1°. den langstlevende der wettige ouders;
2°. na diens overlijden door dengeen die daartoe door hem werd benoemd;
S-1. door hem, die in de gevallen bij de AVet voorzien, als zoodanig door den Kantonrechter is benoemd.
âBij wettige kinderenquot; zegt Prof. Opzoomer, âzijn âer dus drie soorten van voogdij, waarvan de eerste
a) Oiv.oomir Aant. op Art. 1. b). 135.
h) Al moge er voor tc zeggen zijn, voor de meening, dat de voogdij over meerdere broeders en zusters zijn meerdere voogdijen (Mrs. Asseb en Vas Hevsde I, 360) toch is het vaste gewoonte voor hen slechts één voogd te benoemen.
520
âboven de tweede, de tweede boven de derde den âvoorrang heeft; de tutela leyithna, de lulela I es lam en-âfaria en de lulela daliva. Bij natuurlijke, wettelijk âerkende kinderen daarentegen, zijn er slechts twee, âde lulela leslamenlaria komt bij hen niet voor; maar âvan die twee heeft weer de tutela legitima den âvoorrangquot; a).
Wie is nu dc Kantonrechter die, daar waar geen lulela legitima noch lextamentaria bestaat, in de voogdij voorziet? h)
Art. 417 geeft daarop een vrij duidelijk antwoord, namelijk de Kanlonrechtcr van de woaniilaals van den minderjarige.
Welke die woonplaats is, zegt art. 78 in deze woorden: âminderjarigen volgen de woonplaats van hunne ouders of voogdenquot;. Uitdrukkelijk besliste de H. Ia. bij zijn arrest van 26 November 1880 e) (R. d. CXXVI, § 20, W. 4573) dat de woonplaats van den minderjarige na het overlijden van den voogd daar is. waar deze zijne laatste woonplaats had. Is echter de voogdij opengevallen, nadat de voogd zijne woonplaats naar het buitenland heeft overgebracht, dan acht de H R. (arrest 8 Mei 1888, R. d. 149, bl. 34, W. 5633) bevoegd de Kantonrechter van de woonplaats van den toezienden voogd. De H. R. overweegt, dat de minderjarigen, doordat do voogd zijne woonplaats overbracht naar het buitenland, geene woonplaats meer hier te lande hebben eu dat dus de bepaling van art. 417, dat de benoeming moet geschieden dooiden Rechter van de woonplaats der minderjarigen, niet kan worden opgevolgd. Hij overweegt verder, dat de den toezienden voogd in art. 431 opgelegde verplichting, om bij ontstentenis van den voogd een nieuwen voogd te doen benoemen er toe leidt, aan te nemen dat de toeziende voogd zich in dat geval
a) Het B. W. ir, bl. 322.
h) Kist, bl. 6.
c) In denzelf'deu geest P. v. A. in W. 4411.
521
tot den Kantonrechter zijner eigen woonplaats moet wenden.
In overeenstemming met het arrest van den H. R. van 26 November 1880 besliste de Rechtbank te Amsterdam, bij vonnissen van 23 Februari 1860 (\Vr. 2202, R. B. 1860, 420â423) en 27 Aug. 1860 (R. B. 1861, 73â76), dat de wettelijke woonplaats van minderjarigen, wier moeder door een opgevolgd huwelijk krachtens art. 405 B. W., de voogdij heeft verloren, daar blijft, waar de moeder het laatst hare woonplaats had toen zij nog voogdes was; de Kantonrechter dier laatste en niet die van eene nieuwe woonplaats is dus bevoegd tot de benoeming van eeneu voogd.
De verschillende gevallen waarin door den Kantonrechter in de voogdij moet worden voorzien, zijn:
1°. Indien, zegt Art. 413 B. VV., een minderjarig kind overblijft, zonder vader, moeder, of voogd door den vader of de moeder benoemd, gelijk ook wanneer de voogd, een der opgenoemde betrekkingen hebbende, zich in het geval van uitsluiting of vrijstelling bevindt, alsmede wanneer beide ouders ontzet zijn van de vaderlijke macht, zal in de voogdij door den Kantonrechter worden voorzien.
Dat dit artikel niet zegt wat het bedoelt, dat het letterlijk opgevat, onverstaanbaar is, is duidelijk. Hoe wil, om maar iets te noemen, iemand de betrekking van voogd hebben, die van de voogdij is uitgesloten of van haar waarneming is vrijgesteld; en wie zal er zich ooit op beroepen eene hctreUkimj te hebben, als hij of zij het voorrecht hebben vader of moeder te zijn? «)
De ware bedoeling van het artikel is in het kort deze: waar noch de wettige, noch de testamentaire voogdij bestaat of bestaan kan, daar benoemt de Kantonrechter den voogd. Dus ook over kinderen, die in een weeshuis zijn opgenomen, benoemt de
a) Vgl. OrzooMEB, ü. W. bl. 341.
522
Kantonrechter een voogd en toezienden voogd, die dat blijven tot aan de meerderjarigheid, doch ten opzichte van hunne verplichtingen omtrent beheer en toezicht, worden beperkt door de bepaling van art. 421 B. W., zoolang de minderjarigen in het gesticht verblijven a). Zie hierna § 1G7.
Vgl. een opstel van Mr. G. B. Emanïs, orer cle voogdij van rerjenten van gestiehlcn van tveldadiyheid, wannier dt' vader oj vroeger benoemde voogd nog In leven is. Ned. Jaarboeken, X. 407, R. B. 1841, bl. 235.
De vraag of de langstlevende der ouders van een natuurlijk wettelijk erkend kind het recht heeft over dat kind een voogd te benoemen, heeft tot groot verschil van gevoelen aanleiding gegeven (zie Leon ad- art. 401) aant. 1). Intusschen besliste de II. R. bij arrest van 6 Nov. 1855 (W. I(j96, R. B. 1-50, 115â120, Recht en Wet XI, 121â130) dat hij dat recht niet
a) Zie ook het arrest van den II. 11. 12 April 188.3, v. i). H., B. K. d 48 blz. 291, R. d CXXXili § 54, W. 4894.
Dat arrest beslist: Zoolang de minderjarigen zieh in liet gesticht bevinden of daartoe bebooren, zijn de regenten de eenige voogden dier minderjarigen. Die voogdij is eebter afhankelijk van de omstandigheid, dat de minderjarigen zich in liet gesticht bevinden of daartoe bebooren, zoodat regenten de bevoegdheid hebben om door de opneming die voogdij te doen ontstaan of haar door wegzending te doen ophouden. Tsergens is intusschen bepaald dat alleen regenten de bevoegdheid hebben om over de opneming of do wegzending te beslissen. Integendeel is bij art. 354 bepaald, dat het kind onder de vaderlijke macht blijft tot aan zijne meerderjarigheid, en bij art. 385: dat minderjarigen, wier ouders beiden of een van beiden zijn overleden, staan ouder voogdij, terwijl bij art. 413 wordt bevolen, dat in de daar vermelde gevallen door den Kantonrechter in de voogdij zal worden voorzien, zonder dat eene uitzondering is gemaakt voor het geval, dat de minderjarigen in een gesticht zijn opgenomen of daartoe bebooren. Die personen moeten beoordeelen niet alleen of het in het belang van de minderjarigen is, in een gesticht te worden opgenomen, maar ook of zij daar langer zullen verblijven, zoodat de vader of voogd, die een minderjarige in een gesticht plaatst, afstand doet van zijne macht zoolang de minderjarige in dat gesticht verblijft of daartoe behoort, doch zijne macht herneemt, wannneer hij van oordeel is dat het belang der minderjarigen hunne verwijdering uit het gesticht noodzakelijk maakt, evengoed als hij die macht zou terugbekomen, indien de minderjarigen door regenten van het gesticht werden weggezonden.
heoft. Bij de vaststelling der Wet bedoelde de Regeering ook niet hem dat recht te geven (Voorduin III, 80).
De vraag, of om iemand tot den langstlevende te maken, het overlijden van de echtgenoot noodig is, dan wel, of de verklaring van diens vermoedelijk overlijden voldoet, beantwoordt Prof Opzoomer in den eersten zin. âMet Massé en Vergé (zegt hij) zeg ik: âde verklaring van vermoedelijk overlijden is niet de âdood. Zij kan geen andere rechten geven dan die âonze negentiende titel er uitdrukkelijk aan verbindt. âZij laat het bestaan onzeker; de andere echtgenoot âweet dus niet, of hij wel de langstlevende is, en er âis voor de tulcla tcs lament ar ia geen plaats. Men âmoet tot de daliva komen.quot; zie het B. W. verkl. 2'lc deel, hl. 338, noot 1.
2°. Wanneer de moeder, die niet verplicht is de voogdij aan te nemen, weigert de voogdij over hare kinderen op zich te nemen. «) Art. 404 B. W.
De moeder, die van dit haar toekomend recht gebruik maakt, verliest do bevoegdheid om over haar kind een voogd bij testament te benoemen. Zie Opzoomer, aanteekeningen, lste deel, bl. 142â143.
Zij wordt daardoor ook onbevoegd, de woonplaats van haar kind te bepalen. De over dat kind benoemde voogd bepaalt die woonplaats, en de moeder kan niet vorderen, dat haar het kind worde uitgeleverd. H. R. 21 Mei 1S5S, W. 19G0.
Wanneer de moeder, om welke redenen dan ook, besluit de voogdij niet op zich te nemen, moet zij dat aan den Kantonrechter verklaren en de benoeming van een voogd van dezen vragen. Vóór dat deze benoemd heeft, moet de moeder de plichten der voogdij waarnemen, en is zij daarvoor verantwoordelijk totdat in de voogdij is voorzien. Intusschen is de Kantonrechter in dit geval ook bevoegd ambtshalve, zonder
a) Zie hierover Mr. A. J. Eicieman: De tceijering der moeder om de voogdij oeer eigen kinderen Ir aanvaarden. Leidon 1891.
524
dat de voogdij-weigerende moeder dat verzoekt, eenén voogd te benoemen. Zie vonnis der Eechtbank te Dordrecht van 17 Dec. 1890 (W. 6150) en de daarmede in verband staande procedure, waartegen de cassatie werd verworpen bij arrest H. R. 28 April 1892 (W. 0180.)
3°. Wanneer de moeder, voogdesse zijnde, tot een volgend huwelijk wil overgaan.
In dat geval moet zij, vóór het aangaan van haar tweede huwelijk, aan den Kantonrechter verzoeken, in hare voogdij te worden bevestigd. Verzuimt zij dat verzoek aan den Kantonrechter te doen, en heeft zij alzoo van rechtswege de voogdij verloren, dan kan echter de Kantonrechter, wanneer daartoe gronden zijn, haar opnieuw als voogdesse benoemen. Maar die herbenoeming is niet mogelijk, wanneer zij, vóór het aangaan van haar tweede huwelijk, geen toezienden voogd over hare minderjarige kinderen liet benoemen, en zij alzoo aan het voorschrift van art. 407 B. W. niet heeft kunnen voldoen. Hierna, onder 8, komen wij daarop terug.
Moet de moeder, hertrouwd zijnde, nadat haar vroeger huwelijk door echtscheiding was ontbonden, in de voogdij bevestigd worden, wanneer de van haar (jescheulcn echtgenoot komt te overlijden staande haar later aangegaan huwelijk?
In dit geval is door de Wet niet voorzien. In-tusschen het geval heeft zich, en zelfs meer dan eens, voorgedaan en tot rechterlijke beslissingen geleid.
De eerste bekende beslissing is een vonnis in kortgeding gewezen door den Voorzitter der Arrond. Rechtb. te Middelburg van 5 Nov. 1861, W. 2361.
De Kantonrechter te Vlissingen weigerde over te gaan tot de ontzegeling van een boedel waarin belanghebbenden waren, minderjarigen wier moeder, van hun vader wettig gescheiden, was hertrouwd, terwijl daarna de vader der minderjarigen was over-
525
leden en op verzoek der moeder over lt;lie kinderen een toeziende voogd was benoemd door den Kantonrechter te Helder.
De Kantonrechter te Vlissingen grondde zijne weigering hierop, dat de minderjarigen niet wettig waren vertegenwoordigd, omdat de moeder niet werd bevestigd in hare voogdij noch opnieuw als voogdes benoemd, na het overlijden van haar eersten man.
De Voorzitter voornoemd, verklaarde die weigering van den Kantonrechter ongegrond en wel op deze gronden: Toen het tweede huwelijk gesloten werd, leefde de vader der kinderen nog; de moeder was dus toen geen voogdes, en was dus niet gehouden op te volgen de voorschriften, gegeven ten opzichte der moeder-voogdes, die een tweede huwelijk aangaat; dat de Wet niet bepaald heeft, dat eene moeder, die tijdens het aangaan van een tweede huwelijk geen voogdes is, maar dat na het aangaan van het tweede huwelijk wordt, bevestiging of vernieuwing in de voogdij over hare kinderen uit het eerste huwelijk behoeft ; dat bij de Wet in het geval niet is voorzien, maar dat uit de bepaling dat, wanneer een kind overblijft o. a. zonder vader of moeder, in de voogdij door den Kantonrechter voorzien wordt, mag worden afgeleid, dat de moeder, overblijvende, ook al is het huwelijk niet ontbonden dooi' den dood van haar echtgenoot, maar door echtscheiding, na het overlijden van dien echtgenoot, van rechtswege voogdes mag zijn over hare kinderen, vooral met bijstand van haar tweeden echtgenoot, en dat deze alsdan moet geacht worden mede-voogd te zijn; dat dit gevoelen steun vindt in art. 404 B. AV. houdende, dat de moeder, weigerende de plichten van voogdes waar te nemen, een anderen voogd moet doen benoemen, en inmiddels verantwoordelijk blijft totdat een ander tot voogd zal benoemd zijn, en eindelijk, dat in de bezwaren, welke zouden kunnen bestaan tegen de voogdes of den medevoogd, wordt voorzien door de bepalingen
520
omtrent onbevoegd-verklaring, uitsluiting en afzetting
van of uit de voogdij.
Een tweede geval, waarbij de kwestie meer zuiver werd o-esteld, deed zich voor bij den Kantonrechter IV te Amsterdam, wien de moeder zelf verzocht, na overlijden van haar eersten man, te mogen bevestigd worden in do voogdij over haar kinderen ui haar eerste, door echtscheiding ontbonden huwelijk. Die Kantonrechter begreep óók, bij beschikking van 28 Sent 1871, dat die bevestiging niet noodig was, maar dat de moeder, bij het overlijden van haar eersten man, van rechtswege was geworden voogdesse over de kinderen uit haar eerste huwelijk.
De Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam besliste 17 Oct. 1871, echter anders en overwoog, dat de Wet als regel aanneemt, dat de vrouw, die een opvolgend huwelijk aangaat, de bevoegdheid verliest voo-desse over hare kinderen te zijn, tenzij door den â Kantonrechter in hare voogdij bevestigd of opnieuw als voogdesse benoemd; dat wel art. 440 B. W . bepaalt, dat na de ontbinding van het huwelijk door den dood van een der echtgenooten, de voogdij over de minderjarige kinderen van rechtswege aan den langs -levende der ouders toekomt, maar dat het gevolg, dat de Kantonrechter daaruit afleidde, als zoude dus in casu geene bevestiging of herbenoeming van de voogdesse te pas komen, waar zij van rechtswege voogdesse en haar tegenwoordige man medevoogd is, minder juist haar voorkwam, omdat bij zoodanige beschouwing een, volgens artt. 436 en 437 onbevoegde of uitgeslotene, ook van rechtswege voogdesse zou
kunnen zijn; dat er in het onderwerpelijke geval* el
van geene bevestiging in de voogdij, volgens art. 4( O sprake kon zijn, omdat de voogdij aan de moeder nog niet was opgekomen bij het aangaan van haar tweede huwelijk, maar dat er wel termen waren om haar opnieuw als voocjdesse Ic hcnocwcn, waaruit dan van zelf volgde, dat haar tegenwoordige echtgenoot
527
als medevoogd optrad. \V. van 18 Januari 1872, W. 3410.
Een derde geval deed zich voor bij den Kantonrechter te Amsterdam II, die evenals zijn ambtgenoot in liet IV^0 Kanton, de vraag, als niet bij de Wet voorzien beschouwde, maar ook van meening was en diensvolgens besliste, bij beschikking van 8 Aug. 1876, dat noch bevestiging noch herbenoeming der moeder te pas komen, daarbij nog overwegende o. a. dat, indien men aannam dat de moeder, wier eerste huwelijk door echtscheiding is ontbonden, en wier eerste echtgenoot na de voltrekking van haar tweede huwelijk is overleden, op grond van art. 405 B. W. onbevoegd is de voogdij over hare kinderen uit eerste huwelijk uit te oefenen, zij dan hierin zou achterstaan bij de moeder wier eerste huwelijk door den dood van haar eersten echtgenoot werd ontbonden, die de keuze heeft öf zich bij de beslissing van den Rechter neer te leggen of van haar voorgenomen huwelijk af te zien; eene ongelijkheid van rechtstoestand, die niet ondersteld mag worden in de bedoeling van den wetgever te liggen.
De Arrond. Rechtbank te Amsterdam vernietigde echter, conform de conclusie van het O. M. ook deze beschikking op 14 Sept. 1S7G, wees de zaak naar den Kantonrechter terug, ten einde alsnog, of de moeder als voogdesse aan te stellen, of wel een anderen voogd te benoemen «).
De Rechtbank, nu anders samengesteld dan vroeger, overwoog, dat uit de redactie van art. 400 B. W. duidelijk bleek, dat de wetgever zich in de 3de Afd. Titel 16, Boek I B. W., geen ander geval voor oogen heeft gesteld, dan dat de ontbinding des huwelijks door den dood van een der echtgenooten veroorzaakt wordt; dat men alzoo rn het onderhavige geval de keuze heeft tusschen twee opvattingen, te weten, of
a) Eigenlijk: ol' eeu imder dan haar, tot voogd te benoemen.
35
528
aan te nemen, dat de voogdij onder die omstandigheden niet van rechtswege aan den langstlevende der ouders behoort, of al de bepalingen der afdeeling in beginsel to handhaven, en met de noodzakelijke wijzigingen op dat geval toe te passen. Dat het eerste wordt uitgesloten door art. 285 B. W., dat bepaalt, dat ten opzichte der kinderen, de echtscheiding slechts deze werking heeft, dat de leiding der opvoeding aan een der ouders wordt ontnomen, waar de vader en de moeder overigens de rechten behouden, welke uit de ouderlijke macht of voogdij voortspruiten, en dat, daar er tijdens het leven van beide ouders van geene voogdij sprake kan zijn, met deze laatste woorden bedoeld moet zijn het recht van den langstlevende om, zoodra zijn echtgenoot overleden is, van rechtswege als voogd op te treden cn de aangehaalde woorden van art. 285 geene beteekenis zouden hebben, indien men dit laatste in twijfel trok. Dat echter uit art. 405, in verband met art. 408 B. W. volgt, dat dit recht aan de moeder niet onbepaald is gegeven, maar voor het geval zij hertrouwt, zij gebonden is aan de voorwaarde, dat de Kantonrechter zal beslissen of zij de voogdij zal kunnen behouden, terwijl bij eene bevestigende beslissing haar man van rechtswege mede-voogd is. Dat, terwijl dat beginsel vaststaat cn onbepaald geldt voor alle hertrouwde moeders, in casu dat beginsel eerst kan toegepast worden als de eerste man overleden is, en dat, wat de opmerking van den Kantonrechter betreft, omtrent de ongelijkheid van rechtstoestand bij het aannemen van een ander beginsel, deze bedenking vervalt, bij de veel grootere bezwaren, die ontstaan wanneer men in het onderhavige geval of aan de moeder de voogdij geheel zou weigeren, of aan haar echtgenoot de mede-voogdij ontzeggen, of wel omgekeerd hem die mede-voogdij zonder eenig onderzoek zou overlaten. Zie beide beslissingen in W. 4030, in R. B. N. K. D. II. A 1876, blz. 270â283.
529
JPP li
1 ilH
Dat de zienswijze van de Amsterdamsche Kantonrechters verre de voorkeur verdiende boven die der Arrond. Rechtbank, was niet twijfelachtig, maar dat de Arrond. Rechtbank dat zelf zou inzien, op hare beslissing zou terugkomen en zich met het stelsel der Kantonrechters vereenigen, is een verrassend feit, dat geboekstaafd is in R. B. N. R. D. III. 1877, A. bl. 15.
Vergelijk Mr. J. ue Vries J/.., Tijdschrift voor het Nederl. Recht van Oüdeman en Diephuis, D. IV, blz. 270.
Art. 405 B. W. zegt, dat op hot verzoek der moeder-voogdesse om in de voogdij te worden bevestigd, of op haar verzoek, om opnieuw als voogdesse door den Kantonrechter te worden benoemd, de Kantonrechter de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige hooren moet. Het artikel spreekt echter niet van het hooren van den toezienden voogd op die verzoeken.
Dat zijn verhoor dus niet verplichtend is, en de Kantonrechter, die zich aan de Wet houdt, niet in strijd met de bepaling der Wet handelt, is duidelijk «).
Maar even duidelijk is het, dat hij handelt noch naar de bedoeling van de Wet, noch in het belang der minderjarigen â op wier belangen de toeziende voogd juist dan vooral behoort toe te zien, wanneer die in tweestrijd kunnen zijn met die van hun voogd â wanneer hij zich aan de woorden van de Wet houdt.
Dat de moeder, of bij het aangaan van een tweede huwelijk de voogdij over de kinderen uit haar eerste huwelijk behoudt, of dat zij opnieuw als voogdesse over die kinderen benoemd wordt, is eene uitzondering op den regel, dat alleen mannen met de voogdij belast zijn; het is eene gunst die der moeder bewezen kan worden, wanneer zij zich öf die gunst niet onmogelijk gemaakt beeft, of indien er geen reden bestaan haar die gunst te onthouden.
Maar wie beter dan de toeziende voogd kan den Rechter omtrent een en ander inlichten.
a) Zie Opm. en Meded. IV, bl. 229.
pIHIN ^
iii
H
H,
li ÃkHWi
'Bi
If
lil
530
Geldt hét de nakoming van art. 407 B. W., de toeziende voogd kan alleen verklaren of de moeder-voogdesse aan het voorschrift in dat art. gegeven, voldeed, want hrm moet die staat worden aangeboden.
Is er sprake van verwaarloozing der belangen van de minderjarigen, die door het tweede huwelijk, met het oog op den persoon van den nieuwen echtgenoot, eer vermeerderen dan verminderen kan, de toeziende voogd is de eerste die, toeziende op de behartiging der belangen van de minderjarigen, dienaangaande vertrouwbare berichten kan geven.
Mr. Sxethlage a), die meent dat de bevestiging der moeder hoofdzakelijk geschieden zal met het oog op de geschiktheid van den nieuwen echtgenoot, vindt het vreemd, âdat men dezen dan niet mede laat verschijnen, vooral omdat de Kantonrechter dadelijk zijne beslissing neemt, un dus zonder dien persoon te kennen.quot; Mr. 8ntkïhlage hoeft volkomen gelijk, dat de Wet de verschijning van den nieuwen man had behooren te bevelen, niet omdat de Kantonrechter hem dan zal Iccrch hennen, wat moeilijk is aan te nemen, dat door een vluchtigen blik op zijn persoon zou kunnen geschieden, maar opdat hem zou kunnen worden aangezegd dat hij wordt medevoogd over de kinderen uit het eerste huwelijk. In de praktijk is het echter gebruikelijk te doen, wat de Wet vergat voor te schrijven; verschijnt bij de bevestiging de aanstaande echtgenoot, worden hem zijne verplichtingen voorgehouden en teekent hij zelfs het proces-verbaal. Er zijn zelfs Kantonrechters, die den mede-voogd beëedigen, op grond van het bepaalde bij art. 419.
Als verder Mr. Hnethlauk meent, dat de Kantonrechter geheel afhankelijk -is van de beslissing der gehoorde bloedverwanten, dat de bevestiging niets is dan een vorm; dan ook meent Mr. Gkeeve, dat hij te ver gaat en dat hij daartegenover mag stellen,
a) Mr. G. 11. Fuhri Snetiilagk. De uiioej'eniny van de opper-rooydij van den Staat door den Kantonrechter. Leiden 1S79 1)1. 39.
531
dat geene bevestiging in de voogdij ji^iats heeft, dan na degelijk onderzoek naar den aard en de gegoedheid (maatschappelijk en moreel) van den nieuwen echtgenoot, en dat zeer dikwijls juist om diens persoonlijkheid, bevestiging wordt geweigerd zelfs tegen het advies der vergoelijkende familieleden.
Vandaar dan ook dat de schrijvers, die, volkomen terecht, het hooren van den toezienden voogd bij bevestiging, naar de Wet niet verplichtend voorstellen, niet in gebreke zijn gebleven hot wenschelijke van diens verhoor in het licht te stellen.
Zoo vindt Mr. Kist «) het vreemd, dat het verhoor van den toezienden voogd, die toch waarschijnlijk de meest gewichtige inlichtingen zoude kunnen geven, door de Wet niet is gevorderd ; en hij acht dat verhoor inüi'nj en meent zelfs, dat de Kantonrechter wel zal doen hem te hooren.
DiKiMins h) acht het hooren van den toezienden voogd niet noodeloos, omdat hij dan bij die gelegenheid de belangen der minderjarigen behartigen kan, terwijl hij door zijne tegenwoordigheid er terstond kennis van krijgt, wanneer de voogdij mocht opengevallen zijn, door niet-bevestiging of niet-herbonoeming, en voor de benoeming van een anderen voogd dan zorg kan dragen.
Dk Witt Hamer c) noemt het natuurlijk dat ook de toeziende voogd worde gehoord, als zijnde het meest geschikt om den Rechter de noodige inlichtingen te geven.
Oi'zooMEii d) zegt, dat art. 105 en art. 407 in dat praktisch verband behooren te worden opgevat, dat de Kantonrechter de bevestiging in do voogdij niet verleene, vóór het hem gebleken is, dat de staat, in art. 407 gevorderd, is aangeboden.
ft) quot;De Kantonrechterquot; bl. 48.
b) II. bl. 272.
c) 11. bl. 411.
(/) Burg. Wetb. If. bl. 324 ia clc noot.
532
Hetzelfde gevoelen werd voorgestaan en toegelicht door den oud-Kantonrechter van, wijlen, het Kanton Maarssen, den oud-Hoogleeraar Lixtki.o Baron de Gekr van Jutphaas, in zijn praktisch: âIets over de artt. 405 en 407 van het B. W.quot; a)
Waar de letter der Wet alzoo ook naar het oordeel van de wetgeleerden, is in strijd met de belangen der minderjarigen, in strijd zelfs met de belangen der moeder-voogdesse, daar kan er geen bezwaar bestaan zich aan die letter niet te houden, maar geene beves-vestiging of herbenoeming te doen, zonder vooraf den toezienden voogd te doen verklaren of de moeder al dan niet aan het voorsclnift van art. 407 voldeed; want, eene bevestiging in de voogdij of herbenoeming tot voogdesse zonder dat daarover de toeziende voogd gehoord werd, is, wanneer later blijkt dat het aanbieden van den staat verzuimd werd, nietig cn van onwaarde, besliste, en naar mijn inzien volkomen juist, de Arrond. Rechtbank te Utrecht, bij vonnis van 28 Sept. 1844, W. 595.
Hoedanig moet die staat van art. 407 ingericht zijn? De Wet spreekt er niet van, maar vordert alleen ren behoorlijken staal b). Hij kan dus in eiken vorm worden aangeboden, mits het maar een behoorlijke staat zij, waarmede de Wet wel bedoeld zal hebben, een staat waaruit de toeziende voogd kan te weten komen, wat hij behoort te weten, namelijk, wat het vermogen van den minderjarige uitmaakt, zoo in roerende als onroerende goederen. Kan die staat vervangen worden door den inventaris van art. 182 B. W.? Ja, wanneer hij maar alles bevat wat op den inventaris behoort vernield te worden.
Het voorschrift van art. 407 is nagekomen, besliste de Arrond. Rechtbank te Amsterdam bij vonnis, sine
a) R. 15. V. 1813, bl. 719â752.
/y; Zie ook beschikking 11. R. 14 Jan. 1892, v. D. II. 13. R. d. 58 blz. 7, R. d. 100 hlr,. 03, W. 6149, 1*. v. J. 1892, No. 16. Zie ook onder Berichten in W. 6170.
533
die, opgenomen in W. 3891, wanneer de op 1 Juni 1871 hertrouwde vader eerst op 16 Maart 1871 een notarieele boedelbeschrijving heeft doen opmaken, welke door den toedienden voogd is goedgekeurd, en waarin verklaard wordt, dat die inventaris bevat al de goederen der minderjarigen en moet dienen voor den staat bij art. 407 bedoeld.
Maar ook zonder die bijvoeging ol' bepaalde aanwijzing, schijnt het Prov. Gerechtshof van Gelderland gemeend te hebben, dat de staat van 4U7 kan vervangen worden door den inventaris van art. 182, mits maar die inventaris alic goederen der minder-iarigen vermeldt en den toezienden voogd werd aangeboden. Immers dit volgt uit zijn arrest van 18 Nov. 1874, hierboven aangehaald.
Waar wij hierna in § 173 zullen handelen over de verplichting van den voogd tot het opmaken van een inventaris, zullen we gelegenheid hebben nog op deze aangelegenheid terug te komen.
Wanneer bewezen is a), dat de langstlevende der ouders niet voldaan heeft aan de verplichting van art. 407, 2'quot; lid, verliest hij van rechtsweer de voogdij (arrest H. R. lü April 1883, v. d. 11. B. R. d. 52, blz. 157, W. 5279). Intusschen blijft het een zeer betwist punt of rechterlijke tusschenkomst hier inderdaad niet noodig is; zie Leon ad art. 407, aant. 7.
4°. Wanneer de moeder hertrouwd zijnde, in de voogdij is bevestigd of opnieuw benoemd en alzoo haar man van rechtswege tot mede-voogd heeft, maar deze tot de voogdij onbevoegd is, of daarvan, buiten de gevallen van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij ontzet wordt. Bij de ontbinding van het tweede huwelijk treedt de moeder echter in dit geval terug in de voogdij. Art. 406.
5 . Wanneer de moeder hertrouwd en in de voogdij gebleven zijnde, een voogd over de kinderen uit haar
a) Zie beschikking H. K. 1 Dcc. 1892, v. igt;. 11. 13. K. d. 58, blz. 121, R. (1. 102, blz. 319, W. 6279, V. v. J. 1893, 9.
534
eerder huwelijk benoemd heeft. In dit geval is die benoeming niet van waarde, vóórdat zij door den Kantonrechter is bekrachtigd. Art. 412.
6quot;. Wanneer het de voogdij betreft van natuurlijke wettelijk erkende kinderen, wier vader, of bij gebreke van dien, wier moeder nog minderjarig is. Deze voogdij duurt slechts gedurende de minderjarigheid van dien vader of die moeder. Art. 408.
7°. Wanneer het de voogdij over natuurlijke niet-wettelijk erkende kinderen betreft. Art. 420. Waar geen erkenning heeft plaats gehad, is in het oog der Wet geen vader of moeder bekend en kan natuurlijk alleen door den Kantonrechter in do voogdij voorzien worden. Diephuis, II. 705.
8quot;. W anneer de voogdij is opengevallen of door de afwezigheid van den voogd is verlaten. Art. 431 a).
De benoeming ter zake van afwezigheid is niet eene benoeming bij voorraad, zoodat, indien de voogd mocht terugkomen, daardoor de in zijne plaats benoemde voogd niet weer als zoodanig aftreedt h). De Wet vooronderstelt hier dan ook niet eene tijdelijke onbe-teekenende afwezigheid, maar eene afwezigheid waarop een terugkeeren niet kan worden verwacht c).
9°. Wanneer een onder eurateele gesteld persoon, die minderjarige kinderen heeft, overleden is, en de andere echtgenoot ook overleden is, of zich buiten de
a) Vgl. Kist, «De Kantonrechterquot;, hl. 37. Dibpuuis 1). \\, Xo. 948. h) Zie hiervoor sul). 3o.
c) In een bijzonder geiral, waarin de voogd verhinderd is de voogdij uit te oefenen, voorziet art. 4 40a 33. W. Dat art. bepaalt o. a. dat, wanneer de voogd of toeziende voogd tot eene vrijheidstraf van meer dan één jaar wordt veroordeeld of zich ter zake van zoodanige veroordeel in*; tijdens liet bekomen der voogdij of toeziende voogdij in verzekerde bewaring bevindt, de Arrondissement s-Revhf ha uk tijdelijk in de uitoefening zijner werkzaamheden kan voorzien, door de benoeming van een plaatsvervan-genden voogd of toerienden voogd. Het beheer van den plaatsvervangenden voogd of toezienden voogd eindigt van rechtswege met de invrijheidstelling van hem, dien hij vervangt. ])e bepaling der Wet, betreffende de rechten en verplichtingen van voogden en toeziende voogden, zijn op den plaats-vervangenden voogd of toezienden voogd toepasselijk.
535
mogelijkheid bevindt om de voogdij waar te nemen. De curator over den onder cnrateele gestelde is volgens art. 507, tevens voogd over diens minderjarige kinderen, maar hij is dat, âinsgelijksquot; zooals de Wet zegt, omdat hij curator is. Houdt hij op curator te wezen, dan eindigt ook zijn waarneming dor voogdij. Zoo dat niet het geval ware, zou, naar Van dick Kemp terecht opmerkte, indien de curator gebruik maakte van de bevoegdheid hem bij artikel 515 verleenden hij als curator ontslagen werd, de minderjarige bij de benoeming van een nieuwen curator dus twee voogden hebben, in strijd met den algemeenen regel van art. 386. B. W. Zie hierna § 184.
10'. Wanneer een der echtgenooten, minderjarige kinderen uit een vroeger huwelijk hebbende, of ook, wanneer vader of moeder, weduwnaar of weduwe zijnde, hunne woonplaats hebben verlaten, zonder voor hunne minderjarige kinderen te hebben gezorgd, dan voorziet dc Kantonrechter bij voon-aad in do voogdij. Art. 553 Igt;. \V.
Deze voogdij is voorloopig, en de benoemde voogd zijn rijk is uit, zoodra de vader of de moeder die afwezig was, zal teruggekeerd zijn, en het spreekt van zelf, dat de benoeming bij voorraad alleen dan geschieden kan, wanneer er minderjarigen zijn achtergelaten. Heeft de vader of de moeder de minderjarigen met zich medegenomen, dan zijn er geen verlaten kinderen en is het artikel alzoo niet toepasselijk. Komen aan hen gedurende hunne afwezigheid rechten op, dan worden zij vertegenwoordigd door een bewindvoerder volgens art. 519 B. W. «)
11°. Wanneer vader of moeder afwezig is, of de eene echtgenoot overlijdt nadat de andere zijn woonplaats heeft verlaten, zonder voor hunne minderjarige kinderen te hebben gezorgd, gelijk mede in het geval, dat minderjarige natuurlijke kinderen onverzorgd zijn achtergebleven. Art. 554 B. W.
n) Vgl. Kist. De Kantonrechter, b). 36.
536
§ 161. In elke voogdij, met uitzondering van die over minderjarigen, die in eenig gesticht van weldadigheid zijn opgenomen, en dientengevolge, zoolang zij zich daarin bevinden of daartoe behooren onder de voogdij der Regenten van dat gesticht staan, moet door den Kantonrechter een toeziende voogd worden benoemd. 422, B. W.
In elke voogdij; dus de benoeming van een toe-zienden voogd komt niet te pas, waar de vader voor vermoedelijk overleden verklaard werd, omdat de moeder in zoodanig geval niet de voogdij, maar de ouderlijke macht uitoefent. In zoodanig geval kan er, wanneer de moeder gaat hertrouwen, van eene beslissing of zij al dan niet de voogdij behouden zal en daarin bevestigd worden, dus ook geen sprake zijn. Kanton I Amsterdam, 6 Juni 1873, W. 3611.
Dat de benoeming van den toezienden voogd nooit door de ouders, hetzij door den eerststervende, hetzij door den langstlevende, kan geschieden, meende De Pinto noodig op te merken. § 265.
Wanneer de voogdij, zegt art. 424 B. W., door den Kantonrechter is opgedragen, zal de benoeming van den toezienden voogd onmiddellijk na die van den voogd plaats hebben en bij een en dezelfde akte geschieden.
Dat art. zegt wat anders dan het bedoelt te zeggen.
Er zijn toch gevallen waarin de voogdij door den Kantonrechter wordt opgedragen, terwijl er niet tevens eenc benoeming van een toezienden voogd plaats heeft, bijv. wanneer de langstlevende der ouders gestorven is en in diens plaats, op verzoek van den toezienden voogd, een voogd wordt benoemd of wanneer een door den Kantonrechter benoemde voogd komt te overlijden, uit de voogdij wordt ontzet, of op zijn verzoek ontslagen. Wie zal er in die gevallen aan denken om dan tevens opnieuw een toezienden voogd te benoemen?
Alleen dan zal dat gebeuren, en ook op dat geval
537
doelt het artikel, wanneer hij, die tot dusverre toeziende voogd was, door den Kantonrechter tot voogd wordt benoemd of wel, indien, wat niet zelden vooral in den minderen stand voorkomt, de langstlevende der ouders steeds verzuimde een toezienden voogd te doen benoemen, in welk geval, na diens dood, in de voogdij en toeziende voogdij gelijktijdig cn bij dezelfde akte zal moeten worden voorzien.
De langstlevende der ouders of hij, die door dezen als voogd is aangewezen, is verplicht alvorens de voogdij te aanvaarden, een toezienden voogd te doen benoemen, op gevaar van uit de voogdij te worden ontzet en onverminderd hunne gehoudenbeid tot het vergoeden der schade, die zij door hun verzuim den minderjarigen mochten berokkend hebben. (Art. 423.) Uit dit artikel volgt, dat de voogd de voogdij niet mag uitoefenen alvorens aan de daar gestelde verplichtingen te hebben voldaan, niet dat hij daarvoor geen voogd zou zijn (arrest H. R. 24 Aug. 1883, v. i). H. B. R. d. 48, bl. 493, R. d. CXXXIV, § 41, W. 4lt;.»31, R. B. 1884, afd. A. bl. 11). De woonplaats van den minderjarige is derhalve reeds dadelijk bij den voogd.
Daar het stelsel der toeziende voogdij daarom voornamelijk is ingevoerd, om bij gemis der weeskamers een toezicht of controle te scheppen, ten einde op de handelingen van den voogd een wakend oog te houden a), zoo is het in de practijk gebruikelijk, dat de toeziende voogd wordt gekozen uit de lijn, waartoe do voogd niet behoort. De Wet heeft echter zeer wijselijk daaromtrent geen voorschriften gegeven '»), want het geschikt zijn voor de betrekking van toezienden voogd hangt af van het individu, niet van de lijn waartoe hij behoort. Wanneer toch in deze een bepaald voorschrift bestond, dan zou, vooral wanneer de voogdij door de moeder wordt waarge-
a) Zie SlïETiiLA(iJ5, late gedeelte. h) Zie ook R. E. II, 376.
538
nomen, menig zeer geschikt oudste zoon onbevoegd zijn, zijne moeder als toeziende voogd ter zijde te staan, zeker niet in liet belang der minderjarigen.
Toch valt het niet te ontveinzen dat, waar, of door den vader, of door de moeder de voogdij wordt waargenomen, het benoemen van een zoon tot toe-zienden voogd, bedenkelijk l;an zijn, wanneer diens persoon niet de noodige waarborgen geeft, dat hij werkelijk, op den vader-voogd, of op de moeder-voogdesse zal toezien a).
Art. 432 luidt: Do bedi ening van toeziende) i voogd eindigt op hetzelfde tijdstip als de voogdij, dat wil zeggen, als de minderjarige, meerderjarig geworden of overleden is, eu er dus geene voogdij meer kan uitgeoefend worden; als de voogd dus eindigt voogd te zijn en er op hem als nh zoodanüj niet meer valt loe tc zien, eindigt ook de betrekking van den toe-zienden voogd h).
De Tinto beweerde eenmaal, dat in het geval van Art. 418 B. W., er even zooveel toeziende voogden moesten worden benoemd als er bewindvoerders werden aangesteld, omdat, hoewel hij erkende dat de Wet hot niet uitdrukkelijk bepaalde, ieder bewindvoerder een vooijdj uitoefende c). Dit gevoelen vond echter weinig steun bij anderen en zelfs Prof. Dikphuis, die zich eerst met het gevoelen van de Pinto vereonigde, kwam daarvan later terug d) terwijl Prof. Opzoomek, die zelfs de bepaling van Art. 386 B. W. voor overbodig hield, zich nimmer met het gevoelen van de Pinto kon vereenigen e).
Het belang van den minderjarige, voor wiens rekening al die toeziende voogden zouden moeten benoemd worden, wraakt reeds het gevoelen van de Pinto. Maar
a) Vgl. Kist. J)o Kuntonrcehtcr, hl. 45â46.
//) Vgl. DiEi'iiuis, 2de deel, § 94 7. Kist, 1)c Kautoiirechtcr, bl. 40.
c) § 265.
d) § 755.
e) Aant. op Artt. late deel, bl. 148 en B. W. 2de deel, bl. 319 en 44 1.
539
hij zelf gaf de beste wederlegging van zijn eigen gevoelen door te erkennen, dat de wet liet niet uiidrak-kelijk zegt. En dat de wet het niet heeft willen zeggen, bewijst hetgeen Mr. van den Beug mededeelt, op bl. 16 II., en op welk bewijs door Prof. Opzoomer, als volkomen juist gewezen wordt «).
§ 162. Indien na het overlijden van den man de vrouw verklaart, of, daartoe wettig opgeroepen, erkent zwanger te zijn, zal door den Kantonrechter een curator over de ongeboren vrucht worden benoemd, op dé wijze als ten opzichte der benoeming van voogden is voorgeschreven.
Deze curator is verplicht alle noodige en dringende maatregelen in het werk te stellen, welke tot behoud en beheer der goederen vereischt worden en zulks zoowel ten bate van het kind, indien hetzelve levend ter wereld komt, als van alle andere belanghebbende personen.
Wanneer het kind levend ter wereld komt, wordt die curator van rechtswege deszelfs toeziende voogd, ten ware reeds voor de andere kinderen een zoodanige toeziende voogd mocht bestaan.
§ 163. Een ieder die niet van de voogdij is uitgesloten of verschoond, is verplicht haar te aanvaarden (art. 387 1quot; lid). Alhoewel niet verplicht om de voogdij aan te nemen, moet toch de langstlevende moeder in geval van weigering de voogdij voorloopig waarnemen ; dat moet ook hij doen die zich van eene voogdij wenscht te verschoonen (art. 435).
Blijft hij, die tot eene voogdij geroepen h) is, weigerachtig of in gebreke om haar uit te oefenen, dan zal daarin door den Kantonrechter worden voorzien door de benoeming van eenen bewindvoerder, in de plaats en ten koste van den voogd.
Blijft de toeziende voogd in gebreke zijne betrek-
a) Aaut. op Artt. 1ste deel, bl. 136.
b) De Wet spreekt van benoemde)} voogd, daaronder moet eehter worden vstaan ieder die tot voogdij geroepen ia (Diephuis V, blz. 370).
540
king te aanvaarden, dan zal de Kantonrechter op dezelfde wijze een ander persoon benoemen (425).
Omtrent dezen bewindvoerder bevat de wet geene verdere voorschriften; Mrs. Asser en van Heusde (I blz. 380 en 387) meenen dat de benoeming zal kunnen worden gevraagd door de in art. 417 B. W. opgenoemden en door den toezienden voogd, 403.
§ 164. De benoeming van een voogd, toezienden voogd of curator over de ongeboren vrucht, geschiedt op verzoek van den voogd, den toezienden voogd, de bloedverwanten of schuldeischers van den minderjarige of andere belanghebbende partijen; zij geschiedt ook ambtshalve door den Kantonrechter.
Terecht waren Mrs. Van der Kemp en Greeve van meening, dat de Kantonrechter ook in eene wettelijke of in eene testamentaire voogdij het verzoek van den voogd niet behoeft af te wachten. Intusschen is ook wel eene andere meening verkondigd; ik deel daarom hieronder eenige uitspraken mede.
De Kantonrechter in het voormalig Kanton Oudenbosch benoemde eenmaal een toezienden voogd over minderjarigen, zonder daarin den vader-voogd te kennen. De bloed- en aanverwanten door den Kantonrechter opgeroepen, verschenen allen, maar weigerden hun gevoelen over de te doene keuze den Kantonrechter mede te deelen, terwijl hij, die daarop door den Kantonrechter ambtshalve, zooals het heette, tot toezienden voogd werd benoemd, weigerde die betrekking te aanvaarden.
Door den Kantonrechter werd daarop het procesverbaal der benoeming aan de Arrond. Rechtbank te Breda ingezonden, welke Rechtbank bij vonnis in Raadkamer gewezen, van 9 Januari 1844, W. 530, besliste, dat de Kantonrechter te Oudenbosch in casu verkeerdelijk ambtshalve een toezienden voogd had benoemd, en dat er geen termen aanwezig waren om, bij weigering van den benoemden toezienden voogd, art. 425 in verband met art. 387 B. W. toe te passen,
541
waarom zij de benoeming door den Kantonrechter gedaan, verklaarde te zijn van onwaarde, daarbij overwegende, dat het voorschrift van art. 422 B. W. als een algemeen voorschrift was te beschouwen en onbeslist laat te welker gelegenheid en te wier verzoeke de benoeming van een toezienden voogd zal plaats hebben. Dat bij de onmiddellijk daarop volgende artt. is vastgesteld, dat de wettelijke en testamentaire voogden, alvorens hunne functiën te aanvaarden, de benoeming van een toezienden voogd moeten vragen en bij gebreke van dien kunnen worden ontzet, terwijl de Kantonrechter, in het geval dat de voogdij door hem wordt opgedragen, bij een en dezelfde akte in de benoeming van den toezienden voogd moet voorzien. Dat hieruit volgde: âdat de sanctie van het algemeen âvoorschrift in het eerste geval, in de verplichting âvan den voogd en de bedreiging, dat hij, daarin te âkort komende, kan worden ontzet, is gelegen en dat âde wetgever al zou niet heeft gewild, dat de Kantonrechter in dat geval ambtshalve tot de benoeming âvan den toezienden voogd zal overgaan;
âdat dit systema met de kieschheid, welke de Wet âbij wettelijke of testamentaire voogdij wil hebben in âacht genomen, in overstemming isquot;.
Een tweede geval deed zich voor bij den Kantonrechter te Boxmeer. Deze riep den vader en de naaste bloed- en aanverwanten van kinderen op, wier moeder in den loop der maand September bevorens was overleden, om op 5 October voor hem te verschijnen, ten einde over de benoeming van een toezienden voogd over die minderjarigen te worden gehoord.
De opgeroepen personen verschenen, maar weigerden hun gevoelen mede te deelen en toen daarop de Kantonrechter een der bloedverwanten tot toezienden voogd benoemde, weigerde deze zich die benoeming te laten welgevallen en den gevorderden eed af te leggen.
Het proces-verbaal van benoeming, aan de Arrond. Rechtbank 's Bosch ingezonden zijnde, concludeerde
542
het O. M. tot het benoemen van een bewindvoerder overeenkomstig het bepaalde bij art. 425 B. W., ten koste van den benoemden toezienden voogd.
De Arrond. Rechtbank vereenigde zich met die conclusie, bij vonnis van 27 Oct. 1843, W. 544, en benoemde een bewindvoerder in de plaats en ten koste van den benoemden toezienden voogd en zulks met al de gevolgen bij de Wet bepaald, daarbij overwegende: dat, waar de vader-voogd niet had gevraagd de benoeming van een toezienden voogd, de Kantonrechter alleszins bevoegd was, de bloedverwanten op te roepen en ambtshalve een toezienden voogd te benoemen en dat, daar de van ambtswege benoemde toeziende voogd niet had beweerd van de voogdij te zijn uitgesloten of wettig te zijn verschoond, hij gehouden was de hem opgedragen betrekking te aanvaarden. Beide tegenstrijdige beslissingen werden aan een uitvoerige critiek onderworpen in de Weekbladen N . 530, 544 en 550.
Men zie ook de op bladzijde 524 medegedeelde beslissing der Rechtbank te Dordrecht.
Wanneer de benoeming ambtshalve geschiedt, kan de Kantonrechter aan den ontvanger een zegel op crediet aanvragen, mits die aanvrage schriftelijk geschiede.
Opdat de Kantonrechter zou weten waar en wanneer er in eene voogdij of toeziende voogdij zal moeten worden voorzien, is de ambtenaar van den Burgerlijken Stand verplicht, den Kantonrechter kennis te geven van het overlijden van alle personen, welke minderjarigen mochten nalaten en van alle tweede en volgende huwelijken van ouders, die minderjarige kinderen hebben; aldus art. 417 B. W.
Reeds vroeger werd bij K. B. van 31 Juni 1828 {Stbl. N0. 51), aan de ambtenaren van den Burgerlijken Stand de verplichting âopgelegdquot; om van alle sterfgevallen, zonder onderscheid, schriftelijke mededeeling te doen aan den Vrederechter van het Kanton waarin de overledene gewoond heeft en zulks binnen
543
vier en twintig uren, nadat de aangifte van het sterfgeval zal zijn gedaan.
Sommigen meenden, en daaronder Prof. Diephuis d), dat dat Besluit bij de invoering der nieuwe wetgeving was afgeschaft. Intusschen verklaarde de Minister van Binnonl. Zaken bij missive van 12 November 1S3S, N0. 94, lste Afd., te vinden o. a. in W. 907, dat dat Besluit voortdurend geldig was, van welk gevoelen ook Mr. Kist is b) op grond, dat het Besluit is een strafwet, de Wet van G Maart 1818 (Sill. N0. 12) daarop toepasselijk is, terwijl de bepaling van art. 417 een burgerrechtelijke bepaling is, die door geene strafwet kan worden afgeschaft.
Sedert besliste dan ook de H. li. bij arrest van 10 Oct. ISüO, W. 221G, dat het genoemde K. B. uiel is afgeschaft door latere wettelijke bepalingen, speciaal niet door art. 417, al. 2 B. W., maar dat het nog volkomen geldig is, en hij veroordeelde, met vernietiging van het vonnis der Arrond. Rechtbank te Maastricht van 19 Juni 1860, den Burgemeesterâ Ambtenaar van den Burgerlijken Stand te Heerlen tot twee geldboeten aran /10 c. e., wegens het niet binnen 24 mm na bet overlijden aan den Kantonrechter opgave doen van twee sterfgevallen. Door de afschaffing der Wet van G Maart 1818 mist dat besluit echter thans zijne poenale sanctie.
Door eene letterlijke opvatting van het laatste gedeelte van art. 417, wordt het goede doel dat daarmede beoogd werd, geheel gemist. De mededeeling van tweede huwelijken, beoogt immers te voorkomen het verliezen der voogdij door vader of moeder, krachtens artt. 405 en 407 B. W. r); maar als het huwelijk reeds voltrokken is wanneer de Kantonrechter daarvan kennis krijgt, kan de voogdij reeds verloren zijn en is herstel onmogelijk. Daarom is het wenschelijk,
aï II. § 73-1.
h) J)e Kjiatourechter, bl. 21.
c) Zie hiervoor bl. 533.
30
544
dat van liet voornemen tot het aangaan van een tweede huwelijk den Kantonrechter worde kennis gegeven, opdat er gelegenheid zij, vóór de voltrekking te zorgen voor de belangen van ouders en kinderen. Mr. Gkiceve toekent hierbij aan: âDe Ambtenaren van den Burg. âStand in mijn Kanton passen dan ook op die wijze âart. 417 toe, terwijl die der Hofstad de welwillend-âbeid beeft, bij de aangifte van het tweede huwelijk âden belanghebbenden een, door mij verstrekte, âwaarschuwing uit te reiken «)quot;.
§ 1G5. Wanneer in zake voogdij, bet hcoren van bloed- of aanverwanten noodigis, zal de Kantonrecbter dezen doen oproepen.
De oproeping krachtens bevelschrift van den Kantonrechter gedaan, beboort tot de zeldzaamheden. In den regel verschijnen de bloed- eu aanverwanten vrijwillig voor den Kantonrechter, wat zeer in het belang van de minderjarigen is, die de kosten daardoor veroorzaakt, zouden moeten betalen. Is echter de oproeping door den Kantonrechter noodig, wegens onwil van de familie, dan geschiedt deze bij bevel, welk bevel door een Deurwaarder aan de daarin genoemde personen moet worden beteekend h).
Dat de Kantonrecbter óók den voogd en toezienden voogd kan en moet doen oproepen in de gevallen waarin hunne verschijning noodzakelijk is, is natuurlijk, hoewel de Wet dat niet uitdrukkelijk bepaalt. 11. B. II, 190.
Art. 414 B. \V. bepaalde oorspronkelijk slechts de oproeping van de familie, ten einde lc zamen te worden geraadpleegd. Uit die bewoordingen volgde, dat den Kantonrechter niet de bevoegdheid was gegeven de familieleden afzonderlijk te booren, wat dikwijls tot groote moeilijkheden aanleiding gaf. Door de Wet
n) Vg. Opm. en Meel. X, bl. 123 cn v., cn Tijdschrift voor Ned. Hecht, 1871, I). IV, W. 268 cn v.
h) Zie wat gezegd is over lift al dan met registreeren van dat hevel op blz. 516 vlg.
545
van 15 Nov. 1876 {Sill. Nn. 195) is echter aan dat bezwaar tegemoet gekomen, naar aanleiding van een opmerking in liet voorloopig verslag a), door toevoeging van een nieuw lid aan art. 414, luidende: âDe ingevolge art. 388 'i'10 lid, en art. 389 3^' lid âopgeroepen bloedverwant of aangehuwde kan ook âafzonderlijk worden gehoord.quot;
Mr. Greeve meende, dat het door die bijvoeging mogelijk was geworden steeds de bloed-of aan verwanten bvrtten elkanders tegenwoordigheid en zelfs op verschillende dagen te hooren. De daarvan op te maken afzonderlijke verbalen zouden op het zelfde zegel kunnen geschreven worden, wanneer maar blijkt, dathettweede verhoor is de voortzetting van het eerste. Dit volgt uit Art. 7 letter h der Zegelwet van 3 Oct. 1843 {Sibl. N'. 47) waarbij is bepaald, dat op het zelfde zegel mogen geschreven worden o. a. âaden welke niet in écnc zitting kunnen worden voltooidquot;. En die onmogelijkheid bestaat, wanneer, om welke redenen dan ook (in het eerste verbaal te vermelden) de Kantonrechter in de onmogelijkheid is bij de eerste verschijning de benoeming te doen.
Volgens art. 388 B. W. moeten, wanneer naar aan-leidin g van den titel de tusschenkomst van
bloedverwanten of aangehuwden noodig is, deze steeds ten getale van vier worden opgeroepen, uit de naasten en zooveel mogelijk in de beide liniën. Jhj de Wet van 15 Nov. 1876 werd, ook naar aanleiding van een opmerking in het Voorloopig Verslag, de 17de titel, van âHandligtingquot; daarbij gevoegd, omdat, letterlijk opgevat, het twijfelachtig was, of wel voor handlichting ook het bepaalde bij art. 388 geldende was Ij).
Verder werd bij die zelfde Wet aan dat artikel nog de bepaling toegevoegd dat, indien eenig opgeroepen bloedverwant of aangehuwde niet verschijnt,
a) Zie Ifnndel. der 2de Kamer, gedrukte stukken, zitting 1875â1876, No. 177, en 1876â1877, No. 58.
h) Zie hierna § 177.
54(j
de Reohtor do verschijning kan gelasten van een ander bloedverwant of aangehuwde, zelfs in verderen graad; eene toevoeging, waarvan de praktijk het wenschelijke had ingezien.
ITet hooren van een bloedverwant âzelfs in verderen graadquot; werd, volgens de memorie van toelichting, aangeprezen met het oog op de mogelijkheid, dat ook zij den Rechter belangrijke inlichtingen konden verschaffen. Op de aanmerking in het Voorloopig Verslag, dat de woorden âzelfs in verderen graad overtollig waren, antwoordde de Minister Van Li.ixdem: âHet behoud van de woorden âzelfs in verderen graadquot; ofschoon niet bepaald onmisbaar, schijnt echter, met hot oog op het gebiedend voorschrift van het eerste lid van art. 38S, dat do nabestaanden zullen worden gekozen uit dc ânaastenquot;, ter voorkoming van twijfel, in die gevallen waarin niemand den minderjarige in gelijken graad bestaat als do niet-verschonen verwanten, wenscholijkquot;.
De bloedverwanten of aangehuwden marlen zijn manspersonen, meerderjarig en binnen het koninkrijk woonachtig, en wanneer zich geon genoegzaam getal bloedverwanten of aangehuwden binnen hot koninkrijk bevindt, is de Kantonrechter slechts gehouden zoodanige te hooren, die binnen het koninkrijk woonachtig zijn.
Waarom rnari de Kantonrechter geen familieleden hooren, die nicl in hot koninkrijk woonachtig zijn, terwijl de wet hem niet verbiedt, tot voogd of toe-zienden voogd een in het buitenland woonachtig broeder of oom of neef te benoemen?
Uit de gewisselde stukken over de wet van 15 ]Sov. 1S7G blijkt van die reden.
Bij hot Voorloopig Verslag toch over die wet werd gevraagd: âIs het wel noodig, dat het in art. 388 verboden blijve diegenen op te roepen, welke buiten het koninkrijk, doch in de onmiddellijke nabijheid wonen? Ware het niet voldoende te verklaren, dat
limine persoonlijke verschijning niet kan worden gelast?quot; en de Minister van Lijnden antwoordde: âDe bevoegdheid te verleenen tot het oproepen van personen, te wier opzichte geen dwangmiddel bestaat om hen tot het voldoen aan de oproeping te noodzaken, acht de ondergeteekende niet wenschelijk. Indien zij echter vrijwillig verschijnen, schijnt geene enkele bepaling hun verhoor te beletten.quot;
Uit dat antwoord volgt dus, dat de reden van uitsluiting zit in het onmogelijke om hen tot verschijning te dwingen: maar de verzekering, dat geene wettelijke bepaling hun verhoor verhicdt als zo viij-willig verschijnen, is eene verrassende verklaring, tegenover het imperatieve: moeten binnen hel koninkrijk leoonaehlig zijn van art. 388, waarmede men, des verkiezende, zijn voordeel doen kan, en waardoor het gemoed erg wordt verlicht, van hem, die in strijd met de wet, wel eens een buitenlandsch familielid, vrijwillig verschenen, toeliet, en wiens inlichtingen en raadgevingen den minderjarigen niet onvoordeelig waren.
Het middel van lastgeving staat tien bloed- of aanverwant en den toezienden voogd ten dienste. Telkens wanneer hunne tegenwoordigheid vereischt wordt, zullen zij zich door een bijzonder gevolmachtigde kunnen laten vertegenwoordigen, welke gevolmachtigde slechts in naam van één persoon kan optreden. Art. 389.
Mr. Greeve meende, dat het van zelf spreekt, dat dc gevolmachtigde moet beantwoorden aan dezelfde vereischten, die de Wet aan de te hoeren familieleden stelt. Voor hem was het dus niet twijfelachtig, dat de gevolmachtigden kunnen zijn noch minderjarig, noch vrouw. Hij leerde, dat de persoon die voorden Kantonrechter verschijnt, moet hebben het radicaal, dat dc Wet vereischt om over de benoeming van voogden te worden gehoord en daarover een gevoelen uit te spreken. Mij dunkt, dat bij gebreke van eenige
548
beperking hier zullen gelden de algemeene regelen van lastgeving en dus volgens art. 1835 B. W. wel degelijk ook vrouwen en minderjarigen tot gevolmachtigden kunnen worden gekozen.
Volgens art. 389 mag de voogd niet bij gemachtigde verschijnen. Waarom mag dat niet? Bij het meergenoemd Voorloopig Verslag over de Wet van 15 Nov. 1876, werd die vraag ook ter sprake gebracht. Aannemende, dat in den regel de voogd in persoon verschijnt, zoo wees men toch op gevallen, bijv. die waarop artt. 390, 393, 481 on andere betrekking hebben, waarin vertegenwoordiging van den voogd geen bezwaar kan opleveren. Wanneer toch, zoo besloot men, de Hechter de bevoegdheid heeft om persoonlijke verschijning te gelasten, dan zou men voortaan daar, waar die last niet gegeven wordt, ook de vertegenwoordiging van den voogd kunnen toelaten.
Maar de Minister Van Lijnden antwoordde: âWaarom in de aangeduide gevallen het persoonlijk verhoor van den voogd minder noodig zou zijn dan in andere, kan niet worden ingezien. Ook in die gevallen blij ve derhalve, op de in het Voorloopig Verslag aangegeven gronden, zijne persoonlijke verschijning verplichtendquot;. Intusschen zal men te vergeefs in het Voorloopig Verslag zoeken naar âaangegeven grondenquot; waarom de voogd altijd persoonlijk moet verschijnen. Bij de openbare behandeling «) kwam men op deze aangelegenheid niet terug en bleef alzoo alles bij betonde, en wordt dientengevolge dagelijks tegen de Wet gezondigd, want, de praktijk, veel verstandiger dan de Wet, ziet er geen bezwaar in om den voogd, of de voogdesse, wanneer zijne of hare tegenwoordigheid niet bepaald noodig is, ook bij gemachtigde voor den Kantonrechter te doen verschijnen.
Nog eene andere belangrijke toevoeging verkreeg art. 380, luidende': âDe Rechter kan gelasten, dat hij,
a) Himdclingcn der Tweede Kamer, 1876â77, zitting Tan 28 Oet. 1S7(), bl. 277â280.
54fgt;
die zich heeft laten vertegenwoordigen, in persoon verschijnequot;, en volgens de Memorie van Toelichting, werd die bijvoeging wensehelijk geacht, met het oog op de vrijwillige rechtspraak, omdat de gevolmachtigden soms ten eenen male onbekend zijn met de bijzonderheden, die op 's Rechters beslissing van invloed beboeren te zijn.
In het Voorloopig Verslag achtte men die toevoeging echter zeer bezwarend, ook met het oog op sommige lokale toestanden, waardoor bijv. in den winter, het bereiken van het Kantongerecht zeer moeilijk, soms onmogelijk is. Enkele leden wilden daarom de bepaling in dien zin veranderd hebben, dat men een ander, mits ook tot de verwanten van den minderjarige behoorende, kon machtigen.
Maar de Minister Van Lijnden' kon zich in de Memorie van Beantwoording met den wensch der âenkelenquot; niet vereenigen, op grond, dat met den last tot persoonlijke verschijning de bevoegdheid tot vertegenwoordiging niet wel vereenigbaar was.
âMen magquot; besloot de Minister, âbovendien ver-âwachten, dat, indien werkelijk voor eenig persoon âbijna de onmogelijkheid bestaat, de plaats waar de âfamilieraad moet worden gehouden, te bereiken, de âRechter in dat geval diens persoonlijke verschijning âniet zal gelastenquot;.
Een beroep alzoo op het gezond verstand er. praktisch beleid van den Kantonrechter, die hem dan ook deze nieuwe bepaling niet anders zullen doen toepassen, dan wanneer dat volstrekt noodzakelijk is.
Bij de discussiën over de Wet, verklaarde de toenmalige Kantonrechter te Leiden, Mr. Van dkk Kaay, om dit; bepaling tegen het ontwerp te zullen stemmen, omdat die bepaling hem toescheen te steunen op eene illusie. Volgens hem waren toch in den regel de familieleden geen belangstellende bloedverwanten, die, ook dan als ze in persoon verschijnen, den Rechter geen inlichtingen kunnen of willen geven,
550
terwijl do belangstellende bloedverwanten wel meestal in persoon verschijnen. Pen slotte meende hij reden tc hebben om te verwachten, dat van die bevoegdheid door den Kantonrechter wel geen misbruik, maar toch veel gebruik zou gemaakt worden, omdat de Kantonrechters, in den regel zijn jongelui nog vol illusiën, die dikwijls bloedverwanten in persoon zouden doen oproepen, in de hoop daardoor een helder licht te krijgen, en omdat de Kantonrechter van Leiden dat voor een illusie hield, stemde hij tegen de Wet.
Mr. Greeve schreef hier: âOp het gevaar af van âóók nog te worden gerangschikt onder âde jongelieden vol illusiënquot;, moet ik verklaren, dat mij de âonderwerpelijke bijvoeging, door Mr. Van Houten âgenoemd âhetopleggen van dwangarbeid aan onwillige âbloedverwantenquot; voorkomt te zijn, een werkelijke âverheleriiuj in onze Wet. Het goede, het pmklische âdezer verandering, heeft do Minister Van Lijnden âmet veel juistheid in de Eerste Kamer, waar die âbepaling óók door enkelen verkeerd begrepen scheen, âhelder uiteengezet, en ten slotte do hoofdbedenking âtegen de bepaling afdoende wederlegd door deze âopmerking: âin die enkele gevallen waarin het voor ââde belangen der minderjarigen volstrekt noodzakelijk ââis, om de persoonlijke verschijning van bloed- of ââaanverwanten voor den Kantonrechter te doen ââgelasten, moeten de bezwaren, daaraan verbonden, ââminder wegen, dan de gezegde belangen van den ââbetrokken minderjarige, welke op den voorgrond ââgesteld dienen te wordenquot;quot; a).
âSedert de Wet werd ingevoerd, heb ik van die âbepaling maar eenmaal gebruik gemaakt, en wel ten âopzichte van een persoon, die, om zoo te zeggen, ânaast het Kantongerecht woonde, maar die men, naar âik vermoedde om bijzondere redenen, en wat later
a) Handelingen 1876â77, bl. 22, 27 en 28.
551
âbleek juist te zijn, een volmacht had doen geven, âen die gaarne daartoe had medegewerkt, omdat hij âliever, als 't kon, niet wilde zeggen, wat in het belang âder minderjarigen moest gezegd worden, maar wat âhij deed toen hem werd lerolcn in persoon te verschijnen en welke âdwangarbeidquot; voor de minderjarigen, die het aanging, inderdaad zeer gewenschte âvruchten afwierpquot;.
Wanneer hij, die in zaken van minderjarigen of van onder curateele te stellen of gestelde personen, of van hen die in een krankzinnigengesticht zijn opgenomen, als bloedverwant, aangehuwde, echtgenoot, voogd of toeziende voogd, curator of toeziende curator, voor den Rechter geroepen om to worden gehoord, noch in persoon, noch, waar dit is toegelaten, door tusschenkomst van een gemachtigde verschijnt, zonder geldige reden van verschooning, wordt hij gestraft met geldboete van ten hoogste /'60.â. (Art. 445 W. v. Str.)
Van de niet-verschijning wordt door den Griffier proces-verbaal opgemaakt dat aan den Ambtenaar van het O. M. ter vervolging wordt toegezonden.
Ten slotte zij hier nog vermeld, dat bij de openbare behandeling der Wet van 15 November 1876, de oud-Kantonrechter van Kampen, Mr. Sakdberg, den Minister trachtte te bewegen, óók art. 405 in de voordracht op te nemen, en dat artikel zoodanig uit te breiden, dat ook het hooren van den toezienden voogd over een verzoek tot bevestiging in de voogdij werd verplichtend gesteld; en de heer Sandberu voerde daarvoor in hoofdzaak, dezelfde gronden aan, die wij hiervoor hl. 529â532 hebben vermeld.
Doch de Minister was daartoe niet te bewegen. Vooreerst meende deze, dat die verandering niet paste in het kader der wet in behandeling, maar hij achtte de verandering ook gevaarlijk. Dat gevaarlijke was volgens den Minister hierin gelegen, âdat men juist dan zou komen tot de conclusie, dat de toeziende voogd niet moet worden gehoord bij handelingen, bedoeld
-
552
bij andere artikelen, waar die zoogenaamde omissie desbetreffende ook bestaat, en de Minister wees op Art. 4J3 B. W. en volg., betreflende de lulcla da!ivu, waarbij zich gevallen voordoen, dat er moot worden voorzien in een opengevallen voogdij, waar dus reeds een toeziende voogd is, en waarbij toch ook wordt gezwegen over hot hooren van toeziende voogden.quot;
Mr. Sandbekg kwam na dit antwoord op zijn voorstel niet terug.
Het is in het belang der minderjarigen, dat de oproeping der familieleden, zooveel mogelijk kosteloos geschiede, en zoo gebeurt het dan ook in den regel. Want wanneer, gelijk wij hiervoor reed^ zeiden, er weigerachtigen zijn, behooren dezen, krachtens bevelschrift van den Kantonrechter «) bij Deurwaarders-exploit te worden opgeroepen, maar de kosten dezer oproepingen komen ten laste der minderjarigen. De wet bepaalt geen termijn voor de dagvaarding in deze. Men kan die echter, als algemeen aangenomen en gebruikelijk, stellen op den gewonen termijn, dat is, van vijf dagen.
Deze dagvaardingen moeten, evenals alle andere, gezegeld en geregistreerd zijn; hoezeer de Wet van 18 Thermidor an Vfl, dienende ter aanvulling der nog van kracht zijnde Wet van 22 Frimaire an VII, die dagvaarding verklaart vrij van registratie ; omdat, volgens beslissing van den Minister van Finantiën van 28 Maart 1851, N115, de Wet van Thermidor in do Noordelijke Provinciën van liet Rijk nooit executoir werd verklaard h).
In de voogdij over natuurlijke kinderen komt geen verhoor van familie te pas. Art. 420, B. W. Wel wordt dit betwijfeld ten aanzien van wettelijk erkende kinderen, in li. B. 111, 378, doch, daar de erkenning niet verder dan vader of moeder reikt, volgens Art. 335 B. W., zoo volgt daaruit, dat een natuurlijk kind
a) Zie hiervoor bl. 516â518 eu 541.
h) Periodiek Woordenboek, No. 271.
553
geen familie buiten zijn ouders bezit. Dikphuis II, § 370.
. Wanneer geene bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige binnen het Koninkrijk aanwezig zijn, of ook wel wanneer geen der nabestaanden, behoorlijk opgeroepen, verschijnt, zal de Kantonrechter alleen tot de keuze overgaan. Indien de opgeroepen nabestaanden slechts gedeeltelijk zijn opgekomen, zal de benoeming plaats hebben na verhoor der tegenwoordig zijnde bloedverwanten of aangehuwden (416). Het spreekt van zelf, dat van behoorlijke oproeping slechts sprake kan zijn, wanneer dat geschied is bij Deurwaarders-exploit en dat de Kantonrechter vrijheid heeft om bij gedeeltelijke opkomst overeenkomstig art. 388 verschijning van andere bloed- en aanverwanten te bevelen.
Art. 414 B. W. zegt, dat de Kantonrechter na de raadpleging van de door hem opgeroepen bloed- of aanverwanten, dadelijk den vooyd moe! benoemen. Na de verandering die art. 389 bij de Wet van 15 Nov. 1876 {Slhl. N0. 47) onderging, en die we hiervoor bespraken, moet dat art. 414 alzoo worden verstaan, dat de Kantonrechter de benoeming doen moot zoodra alle verhoeren hebben plaats gehad, die door hem bevolen waren.
De Kantonrechter is aan het gevoelen der gehoorde familieleden niet gehouden, maar het proces-verbaal behoort te vermelden de uitgebrachte gevoelens der comparanten, opdat daaruit blijke, of de Kantonrechter zich al dan niet met het gevoelen der meerderheid heeft vereenigd.
Want, de benoeming van voogd of toezieuden voogd is dadelijk van kracht, wanneer de benoemde door de meerderheid der gehoorde familieleden werd aangewezen.
Indien daarentegen de keus op oenen anderen valt dan die door de meerderheid is opgegeven, zal de Kantonrechter, wanneer de cene of andere der tegen-
554
woordig zijnde bloedverwanten of aangehuwden zulks vordert, verplicht zijn het proces-verbaal onverwijld aan de Arrondissements-Rechtbank in te zenden. Deze zal na verhoor of behoorlijke oproeping van dezelfde nabestaande, de benoeming moeten goedkeuren of wel definitievelijk eenen voogd aanstellen. (Art. 415.)
Men boude in het oog dat, terwijl volgens het stelsel onzer Wet in den regel, zooals blijkt uit art. 38 vlg. R. O. en 332 H. Rv., hooger beroep openstaat tegen alle handelingen, beschikkingen of vonnissen van Kantonrechters, tenzij de Wet uitdrukkelijk appèl uitsluit (beschikking II. R. KJ Sept. 1892, W. 6241), voorziening tegen de beschikking des Kantonrechters in voogdijzaken, slechts dan ontvankelijk is wanneer zij uitdrukkelijk is toegelaten. (Beschikking H. R. 1 Juli 1892, v. i). 11., B. R. 58, 335, R. 161, 316, W. 6219, P. v. J. 181)2, 72.)
Wanneer in hooger beroep kan worden gekomen tegen de benoeming van een voogd of toezienden voogd, wordt geregeld bij art. 415, 2'' lid a).
Dat tweede lid geeft slechts dan bevoegdheid om van de benoeming van den Kantonrechter bij de Rechtbank te komen in hooger beroep, wanneer de Kantonrechter is afgeweken van de meerderheid. De wet vraagt niet eene volstrekte meerderheid. Staken de stemmen, dan is er geene meerderheid, de Kantonrechter ook niet van het gevoelen der meerder-
n) Art. 41.') ziet intusschen slechts op liet geval dat de Kantonrechter tot liet doen Van eene benoeming bevoegd is. Dat «rtikel is dus geen beletsel om te komen in hooger beroep van eene benoeming door den Kantonrechter, wanneer men diens bevoegdheid bestrijdt of van eene weigering om daartoe over te gaan (iJ. R. 11 April 1895, W. GG49, r. v. .J. 1895, 47 N. R. CLXIX, 304). (Beschikking U. R. 16Septl892,
. 6241, reeds vermeld en Lkon art. 415, aant. 7). De omstandigheid, dat iemand als bloedverwant bij de voogdij benoeming is gehoord, maakt hem echter niet tot belanghebbende, bevoegd om ingevolge art. 345 H. Rv. van eene voogdijbeschikking te komen in hooger beroep (Beschikking II. R. I Jan. 1895, A\ . 6012, Leon art. 415, aant. 6).
555
heid afgeweken, wanneer hij dengene kiest, die door een paar familieleden is aangewezen, en dus daarvan ook geen hooger beroep (beschikking H. R. 1 Juli 1892, v. n. II. B. R. d. 58, 335 R. 161, 310, W. G219 P. v. J. 1892, 72.) Zie ook Mrs. Asser en van Heusde I blz. 372.
Terwijl het natuurlijk wenschelijk blijft, overeenkomstig art. 388 de bloedverwanten zooveel mogelijk uit beide liniën op te roepen, besliste echter de If. R. bij arrest van 12 April 1883 (v. rgt;. II., B. R. d. 48, bl. 291, R. d. 133 § 54, W. 4891), dat waar niet blijkt dat dat gebeurd is, toch geene schending van dit artikel heeft plaats gehad. Zoo ook wordt aangenomen, dat het niet-hooren der naaste familieleden geene nietigheid medebrengt (vonnis Rechtbank Arnhem 27 Juni 1878, W. 4209, R. B. 1878, A. p. 304).
De akten van benoeming en beëediging van voogden en toeziende voogden, van curators en toeziende curators, zijn vrij van zegel, ingeval het onvermogen der minderjarigen, of onder curateele gestelden, blijkt uit een getuigschrift van het bestuur hunner woonplaats, mits op de akten van dat getuigschrift worde melding gemaakt. Art. 27 A, N0. 10 der Wet van 8 Oct. 1843 (StbJ. Xquot;. 47).
Hetzelfde geldt ten aanzien der volmachlen, dienende om in zaken van voogdij of curateele, de opgeroepen bloed- of aanverwanten te verdedigen, ingeval op voorschreven wijze blijkt van het onvermogen, hetzij der minderjarigen of onder curateele gestelden, hetzij der lastgevers. Art. 27, A. N0. 10 en Circ. Min. van Fin. van 2 Mei 1849, Nn. 812.
Deze volmachten worden alsdan gratis geregistreerd ingevolge K. B. van 9 Mei 1849, No. 119; Circ. Min. van Fin. N0. 813 : terwijl, ten aanzien der akten van henoonmg en beëediging, wat het registratie-recht aangaat. Art. 872 B. R. toepasselijk is, door welk artikel het K. B. van 20 April 1829, N0. 116, is vervallen.
550
Het bestuur der registratie toch, neemt, sedert een vonnis der Arrend. Rechtbank te Arnhem van Januari 1863 aan, dat art. 872 B. R. toepasselijk is op alle akten, welke een rcchtnrlijhe handeling voor onvermogenden constateeren. Mitsdien worden de hier bedoelde akten van benoeming en beëediging, gratis geregistreerd, wanneer van het onvermogen, hetzij der minderjarigen of onder curateele gestelden, hetzij van den te beëedigen, blijkt, uit een getuigschrift van het hoofd van het bestuur hunner woonplaats, op het getuigenis, hetzij van wijk- of buurt-meesters, hetzij van ten minste twee bekende en geloofwaardige manspersonen. Wordt zoodanig getuigschrift niet overgelegd, dan is de vrijstelling niet toepasselijk, want, geen ander bewijs van het onvermogen wordt toegelaten. Ros. Min. van Fin. van 11 Mei 186;J, X0. 71. 1'. W. 4195.
Plet vereischte getuigschrift moet voorts aan den Ontvanger worden vertoond, ten ware de Kantonrechter van liet getuigschrift in de akte mocht hebben melding gemaakt. Res. Min. van Fin. van 23 Xov. 1865, Nquot;. 14. F. W. 4842.
Ingeval van overlegging van een certificaat van onvermogen voor voogdijstellingen, is de Kantonrechter bevoegd onderzoek te doen naar het vermogen van den verzoeker, en indien hem blijkt dat het certificaat ten onrechte werd afgegeven, kan hij weigeren om de benoodigde beschikking kosteloos te geven, zegt een Ros. van den Min. van Binn. Zaken van 11 Maart 185S, N0. 127, 2de Afd. Bijv. 65, aangehaald bij Cremeks op art. 872 B. R.
Mr. Greeve wijdde hier verscheidene bladzijden aan de vraag; Blijft cene weeskamer in Nederlandsch Indié, krachtens de Nederlandsch-Indische weUjevincj toeziende voogd geworden, over een daar gevestigd Nederlandsch kind, toeziende voogd ook wanneer de voogd in Nederland gevestigd is'?
Sintsdien kwam het arrest van den H. R. van 6
557
April 1882 «) (v. n. H,, R. R. d. 47, bl. 301, R. d.
GXXX, § 44, W. 4758) de vraag in Mr. Gkeeve's geest beslissen. Ik meen dus te kunnen volstaan met te verwijzen naar de verhandeling van Mr. GnuEVEin Themis (3° verz. 4e jaarg. 1873, blz. 52â63). Wat bij bier over bet onderwerp scbreef, beboort, hoe belangrijk het ook zij, met het oog op den omvang van dit werk, te vervallen.
§ 166. Tot voogd, toezienden voogd of curator over een ongeboren vrucht kunnen worden benoemd allen, die bij de Wet tot de voogdij of toeziende voogdij niet zijn onbevoegd verklaard, noch daarvan uitgesloten. Zij echter, die redenen van verschooning hebben en ze willen laten gelden, behooren niet benoemd te worden. Tot de voogdij of toeziende voogdij zijn onbevoegd i) (art. 436):
1°. Minderjarigen;
Deze kunnen dus geen voogdij uitoefenen over hunne natuurlijke, wettelijk erkende kinderen, zelfs niet wanneer zij de zoogenaamde beperkte bandlichting hebben ontvangen. Alleen bij het ontvangen van vcnia acta lis hebben zij de voogdij, omdat volgens art. 478 R. W. de meerderjarig verklaarde gelijk staat met den meerderjarige.
2°. Zij, die onder curateele zijn gesteld;
Opneming in een krankzinnigengesticht op zicb-zelve is geene reden van onbevoegdheid (zie Mrs. Asser en Van ITeusdk I, blz. 376, vonnis Kgt.
a) Auu het ingezetenschap van Nederlanders in Nederlandseh Oost-Indie, besliste dat arrest, kun slechts een tijdelijk karakter worden toegekend, if et burgerlijk recht in Nederlandseh Indië is daarom wel toepasselijk op alle Europeanen eu daarmede gelijkgestelde ingezetenen van Nederlandseh Indië, maar deze bepaling heeft alleen kracht totdat het ingezetenschap ophoudt. Toen nu de vader van den minderjarige in de voogdij door den in Nederland wonenden voogd werd vervangen, hield het ingezetenschap van den minderjarige in Nederlandseh indië op en werd deze onderworpen aan do Nederlandsche Wet.
è) Bij ontstaan van onbevoegdheid gedurende de voogdij, schijnt geene ontzetting noodig (A. en v. il. I, bic. 375).
Rotterdam II, 11 Febr. 1895, W. 61)41). Diit men de opneming in oen krankzinnigengesticht hier niet opnoemde, vindt zijne verklaring daarin, dat, toen art. 436 tot stand kwam, die opneming slechts kon plaats hebben na onder curateele stelling. Aan het verzuim van den wetgever kan echter te gemoet worden gekomen, door de onder curateelestelling van den krankzinnigen voogd te bespoedigen.
3°. Vrouwen, behalve de moeder;
Weshalve de grootmoeder nimmer benoemd kan worden, wat wel het geval was onder den C. N.
4°. Allen die in persoon, of wier vader, moeder, echtgenoot of kinderen tegen den minderjarige een rechtsgeding voeren, waarin de staat van dezen, zijn fortuin of een aanmerkelijk gedeelte zijner goederen betrokken is. Onbevoegd kwamen aan Van dek Kemp mede voor, vreemdelingen, buiten het koninkrijk wonende, al zouden zij zich hunne benoeming laten welgevallen, omdat de benoeming tot voogd is een verplichtend bevel, hetwelk buiten het koninkrijk niet werken kan. Het tegendeel is terecht begrepen door de Arrond. Rechtb. te Maastricht op 28 Dec. 1843, W. 473, R. V. 109. Ook De Witt Hamer hl. 441, is van oordeel, dat vreemdelingen bevoegd zijn tot de voogdij, hoezeer zij er niet toe zouden kunnen verplicht worden. De door hem aangevoerde grond, dat zij bij de Wet niet zijn uitgesloten, kan, meende Van der Kemp, niet opgaan, omdat de voogdij, hoezeer ook vrijwillig aanvaard, altijd verplichtingen oplegt, en geen vreemdeling als zoodanig bij de Nederl. Wet verplicht worden kan.
De Arrond. Rechtb. te Amsterdam nam ook de mogelijkheid der benoeming van een vreemdeling tot voogd aan, door te beslissen, dat wanneer een vreemdeling, in kwaliteit van voogd over Nederland-sche kinderen intervenieert, van hem kan gevorderd worden de caudo judicalum solvi, wanneer blijkt, dat hij niet door de in art. 461 B. W. geëischte machtiging
559
van den Kantonrechter gedekt is. Vonnis van 15 Maart 1871, W. 3345. Zie hierna § 174.
Van de voogdij of toeziende voogdij zijn uitgesloten en kunnen zelfs worden ontzet;
IA zij, die tot eene onteerende straf zijn veroordeeld a) ;
2°. zij, die een bekend slecht levensgedrag houden.
De uitoefening van het beroep van bordeelhouder stelt niet daar bet houden van een slecht levensgedrag (arrest Gerechtshof Arnhem 21 Dec. 1892, \V. G301).
3'. die in de waarneming der voogdij of toeziende voogdij onbekwaamheid of ontrouw aan den dag leggen;
4°. die van eene andere voogdij of toeziende voogdij zijn ontzet geworden; en
5°. die in staat van faillissement of kennelijk onvermogen verkeeren. Art. 437.
De homologatie van het accoord geeft aan den gefailleerde wel vermogensrechten terug, maar doet den staat van faillissement bij art. 437, al. 5 bedoeld, niet ophouden. De staat van faillissement houdt niet op vóór de rehabilitatie b). Arrond. Rechtbank te Amsterdam 27 Juni 1870, quot;W. 3-64.
Mede zijn uitgesloten, die bij strafvonnis van het recht om voogd of curator, hetzij over vreemde, hetzij over eigen kinderen te zijn, ontzet zijn. Art. 30, Wetboek van Strafrecht. Surseance van betaling wordt onder de redenen van uitsluiting niet opgenoemd en kan dus als zoodanig niet beschouwd worden. Nog zij hier opgemerkt, dat de ontzetting uit de voogdij, in de gevallen van art. 437, wel kan, maar niel hehoejI uitgesproken te worden, en er wel
a) ])oze bepaling iu 1881 ouveraiiderd behoudeu, blijft dus gelden voor ile onder de vroegere strafwetgeving tot eene onteerende straf veroordeelden.
h) In denzelfden geest de hieronder vermelde beschikking van den II. K. van 20 Nov. 18(.)1. ])eze beschikking werd echter gegeven onder het oude faillissementsrecht. Thans bepaalt art. Kil: quot;zoodra de homologatie quot;van het akkoord in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt liet faillis-quot;sementquot;. Echter is de rehabilitatie behouden gebleven, zoodat de beschikking van den 11. K. ook thans nog juist schijnt.
37
560
zeer gewichtige redenen moeten bestium om dat ait.
toe te passen.
De H. R. besliste bij zijne beschikking van 20 Nov. 1891 (v. d. H., B. K. 57, 348, R. 159, 181, \V. 6117):
De bepaling van art. 437 is evenzeer op den langstlevende der ouders, als op andere voogden van toe-passsing. Wel kan in de verschillende gevallen, in dit artikel opgenoemd, eene rechterlijke beslissing noodig zijn, ingeval de grond tot uitsluiting na de aanvaarding der voogdij mocht zijn ontstaan, ot wanneer de voogd, hoezeer volgens de Wet uitgesloten, reeds als zoodanig mocht zijn werkzaam geweest, maar wanneer dit een ot ander niet het geval is, wordt er geene rechterlijke beslissing vereischt. W aar in art. 437 wordt gesproken van het reeds werkzaam zijn als voogd, is bedoeld: dat die werkzaamheid, uit eenige handeling als voogd verricht, moet zijn gebleken, zoodat de bewering niet kan opgaan, dat de vader steeds onmiddellijk zou werkzaam zijn, ook al had hij nog geene enkele handeling in de hoedanigheid van voogd verricht. Indien dus de langstlevende der ouders in staat van faillissement verkeert, kan door den Kantonrechter een voogd over de minderjarige kinderen worden benoemd, zonder dat de vader vooraf uit de voogdij behoeft te zijn ontzet.
Geen persoon, die den minderjarigen niet als bloedverwant of aangehuwde bestaat, kan genoodzaakt worden de voogdij of toeziende voogdij te aanvaarden, wanneer zich binnen het gebied van de Arrond. Rechtb., alwaar de voogdij of de toeziende voogdij is opgedragen, bloedverwanten of aangehuwden bevinden, in staat de voogdij of de toeziende voogdij uit te oefenen, dat is, zoodanigen, die bij de Wet noch onbevoegd, noch uitgesloten zijn, en wier redenen van verschooning door de Rechtbank niet zijn geldig verklaard, R. B. 11, 223.
De Wet onderscheidt niet irclke Rechtbank bevoegd
561
zou zijn om te oordeelen over de redenen, door eenigen voogd of toezieuden voogd ter verschooning voorgedragen; evenmin wijst zij daarvoor bepaaldelijk aan den Rechter der woonplaats van den voogd en allerminst sluit zij den Rechter uit, binnen wiens rechtsgebied de voogdij is opengevallen, of de voogdij is opgedragen, bovenal wanneer die voogdij nog niet is aanvaard.
De Arrond. Rechtbank binnen wier rechtsgebied de vader alzoo was gedomicilieerd, kan kennis nemen van het verzoek tot verschooning van den testamen-tairen voogd, ook dan, wanneer deze onder het rechtsgebied van eene andere Rechtbank mocht gedomicilieerd zijn. Vonnis Arrond. Rechtb. te Rotterdam 9 Nov. 1877, R. B., N. R. A. Dl. IV 1878, bl. 50â55.
Verschoonen nu kunnen zich .1. die zich in dienst van den Staat buitenslands bevinden; 11. krijgslieden in werkelijken land- of zeedienst; C. zij, die buiten de provincie hunner woonplaats met openbare ambten bekleed zijn of ter oorzake van die ambten verplicht zijn zich op bepaalde tijdstippen buiten de provincie te begeven.
De C. N. vergunde, in art. 427, aan Ambtenaren, zich van een hun opgedragen voogdij of curateele te verschoonen, wanneer zij hunne functiën uitoefenden buiten de provincie, binnen xoclkc do voogdij openvalt. Onze wetgever heeft die omschrijving niet overgenomen, maar kennelijk heeft hij het privilegie van zich te verschoonen, beperkt tot hen, die ambten bekleeden buiten de provincie, binnen ivelke do voogdij wordt gevoerd, onverschillig waar de voogdij is opengevallen.
De voogdij wordt gevoerd, waar de voogd woont, ook al vindt deze goed zijn pupillen buiten de provincie zijner woonplaats waar hij als ambtenaar moet wonen, te doen verplegen en ten onrechte beroept hij zich alzoo, in dat geval, op zijne ambtsbetrekking tot ontslag van de hem opgedragen voogdij. Vonnis
562
Arrond. Rechtb. te Rotterdam van 9 Nov. 1877, hierboven aangehaald.
1). Zij, die den vollen ouderdom van 60 jaren hebben bereikt; âWanneer zij vroeger benoemd zijnquot;, zegt de Wet, âkunnen zij zich op hun vijf en zestigste âjaar van de voogdij of toeziende voogdij doen âontslaanquot;. Alhoewel strikt genomen de Wet niet toelaat hem, die ouder dan 60 jaren eene voogdij aanvaardt, later op grond van 65-jarigon leeftijd te ontslaan, heeft toch de rechterlijke macht, en terecht, algemeen aangenomen dat het wel kan. Dat verplichte beheer van stokoude voogden is toch allerminst in het belang der minderjarigen; zie Lkon art. 434, aant. 6, en Mrs. A. en v. H. I, blz. 383.
E. Zij die door een zware en behoorlijk bewezen ziekelijkheid of ongemak gekweld zijn; F. zij die kinderloos zijnde, met twee voogdijen of toeziende voogdijen belast zijn; G. zij die een of meer kinderen hebbende, met één voogdij of toeziende voogdij zijn belast; //. zij die op den dag der benoeming vijt wettige kinderen hebben, daaronder begrepen die, welke in den krijgsdienst van het koninkrijk gestorven zijn. Art. 433
De personen sub A, It en lt;. vermeld, kunnen zich van de voogdij of toeziende voogdij doen ontslaan, indien de daarbij vermelde redenen van verschooning na hun benoeming zijn ontstaan; en die sub D kunnen hun ontslag verzoeken, wanneer de ziekelijkheid of het ongemak na hunne benoeming is ontstaan.
De vader kan om geen der redenen hierboven vermeld, zich van de voogdij over zijn eigen kinderen doen ontslaan.
liet ontslag moet worden gevraagd aan en verleend door de Arrond. Rechtbank en wel bij verzoekschrift, volgens Art. 435. Zoowel de Rechtbank van de plaats waar de voogdij is opengevallen, als die van de woonplaats van den voogd, is bevoegd om van dat verzoek kennis te nemen (arrest Gerechtshof 's Her-
563
togenbosch 28 April 3 891, W. G202). Dc bevoegdheid om binnen de acht dagen van art. 435 ontslag te vragen, gaat niet verloren door het afleggen, van den eed, immers de benoemde is verplicht bij voorraad de voogdij waar te nemen (arrest Gerechtshof 's Gra-venhage 17 Feb. 1891, W. 6003, 1'. v. J. 1891. 34).
Art. 435 voorziet in de waarneming der voogdij hangende het verzoek om ontslag, en art. 431 B. W. wanneer de voogdij is opengevallen.
De voogd, die dus ontslagen is, is van de verdere waarneming ontheven; hij behoeft niet te wachten, noch is aansprakelijk, totdat zijn opvolger benoemd is. De toeziende voogd neemt na het ontslag ex art. 431 de voogdij waar. Vgl. arrest van het Gerechtshof Amsterdam 30 Juni 1876, R. B. N. li. D. III, 1877, hl. 37 en W. 4022 a).
§ 167. De door den Kantonrechter benoemde voogd moet de voogdij aanvaarden op den dag zijner benoeming, wanneer zij in zijne tegenwoordigheid heeft plaats gehad, of anders op den dag, waarop de benoeming aan hem is beteekend geworden. Art. 419. Hier wordt dus eene betcekening door Deurwaarders-exploit vereischt, die door geene andere wijze van kennisgeving kan vervangen worden, zoo de benoemde weigerachtig is. Eene uitzondering, daar in den regel, de benoeming wel zal plaats hebben, nadat men zich overtuigd heeft, dat de benoemde zich de benoeming zal laten welgevallen. De beteekening kan geschieden van wege een iegelijk, op wiens verzoek de benoeming heeft kunnen gedaan worden, dus ook ambtshalve vanwege den Kantonrechter. Vgl. § 164. Ook hij, die redenen van verschooning wenscht aan te voeren, is verplicht de voogdij bij voorraad waar te nemen, totdat daarover definitievelijk zal zijn beslist. Alvorens iemand eene voogdij of toeziende voogdij aanvaardt, is hij verplicht af te leggen, in handen van den
a) Vgl. OrzoojiEK. Hot 13. W. 2iilt;' D. bl. 367â309.
564
Kantonrechter, door wien de benoeming gedaan werd, den eed of de belofte, naar gelang van de godsdienstige gezindheid van den benoemde, dat hij de aan hem toevertrouwde voogdij naar behooren en getrouwelijk zal waarnemen. Art. 4J9. Bij de wettelijke, of de door den langstlevende der ouders benoemde, of door den Kantonrechter bekrachtigde voogdij komt het doen van den eed door den voogd niet te pas, maar wèl indien eene moeder, ten gevolge van een tweede huwelijk, de voogdij verloren hebbende, opnieuw tot voogdesse wordt aangesteld, dewijl art. 405 uitdrukkelijk wil, dat die aanstelling zal geschieden met inachtneming der voorschriften van art. 413 tot 420. Een gelijke eed en onder dezelfde bepalingen, moet door den toezienden voogd, alvorens hij zijne werkzaamheden aanvange, worden afgelegd, want de ecnigs-zins verschillende woorden, volgens welke hij zweren moet, zijn plicht dciujdvljk en netrouivciijk te zullen waarnemen, leveren geen verschillenden zin. Art. 420. Van den curator over een ongeboren vrucht, en den bewindvoerder aan een voogd toegevoegd, wordt het doen van den eed niet met zoo vele woorden gevorderd ; maar die verplichting ligt toch in den aard iler zaak, gelijk zij ook kan worden opgemaakt uit de bepaling van artt. 403 en 418 B. W., volgens welke hun benoeming geschieden moet op dezelfde wijze als ten opzichte van voogden is voorgeschreven, terwijl toch het doen van den eed is de voltooiing der benoeming. Wanneer de benoemde in een ander Kanton woont, kan hij in handen van den Kantonrechter zijner woonplaats den eed afleggen. De Kantonrechter is verplicht toe te zien, dat de voorgeschreven eetisaflegging gedaan worde. Wanneer dus die eed door een ander dan door hem, die de benoeming deed, kan worden afgenomen, zal hij zijn ambtgenoot verzoeken, tot de eedsaflegging den benoemde uit te noodigen en van de plaats gehad hebbende beëediging hem bericht te geven. Bij onwil
van de zijde (les l)Oiioeiiilt;lcii, nioet hij liem bij Deur-waarders-exploit doen oproepen om op bepaalden dag en uur te dien einde voor Item, voor den Kantonrechter van de woonplaats van den benoemde, te verschijnen. Bij gebreke van aan die oproeping te voldoen, moet de Kantonrechter «) een bewindvoerder benoemen in plaats en ten koste van den gebrekige. De/e benoeming heeft plaats zonder eenig voorafgaand verboor. Artt. 387, 425 1gt;. \V.
§ 1(38. Alle voogden, met uitzondering der regenten van eenia; gesticht van weldadigheid, ten aanzien der minderjarigen in hun gesticht opgenomen /'), van den curator over een ongeboren vrucht en van de bovengenoemde bewindvoerders, zijn verplicht tot zekerheid van hun beheer hypotheek te geven tot het beloop eener aan bet beheer der voogdij geëven-redigde geldsom. Art. 390. Zelfs ook de langstlevende der ouders, bet wettelijk vruchtgenot van de goederen zijner kinderen hebbende, is tot het stellen van hypotheek verplicht, hoezeer hij bij art. S32 B. W., ongehouden verklaard is om voor het vruchtgenot zekerheid te stellen. W. 7n6. Te dien einde, om liet even of de voogd al dan niet onroerende goederen bezit, moet de Kantonrechter onverwijld na de benoeming van den voogd, of, in geval van wettelijke
a) Zie art. 1 dor quot;Wet van 18 April 1874 {SthL No. 68).
h) Zie nog over de voogdij van Begenten, het arrest van den H. K. vim 3 Jan. 1873, AV. 3540, en de hoogst belangrijke conclusie van den l'rokureur-tieneraal Kahsküoom, bij welk arrest is beslist, dat de voogdij van regenten bij art. 421 li. W. omschreven, moet beschouwd worden als een bijzonder soort van voogdij, in aard en karakter niet verschillend van de overige soorten, en niet als een zelfstandige, naast de eigenlijke gezegde voogdij bestaande en aan haar ondergeschikte bewindvoering of beheer.
De voogd kan de betrekking van minderjarigen tot het gesticht, waarin zij worden verpleegd, doen opbonden, waardoor de voogdij van Begenten vervalt. Arrond. Kechthank Amsterdam 26 Sept. 1877, B. B. N. B. 1). IV, 1878, hl. 49, W. 4183. Vgl. Het Academisch Proefschrift van Mr. H. A. vKn de VKt.itK, 'Opmerkingen over art. 121 lï. â Leiden 1880. Zie ook hiervoor blz. 52Ã.
566
voogdij, na de benoeming van don toezienden voogd en dus zoo mogelijk bij een en dezelfde akte, of anders op verzoek der partijen, zoo zij nog geen dadelijke opgave doen kunnen, bij een nadere akte, hooren den voogd, den toezienden voogd en de opgekomen bloedverwanten of aangeliuwden van den minderjarige en dientengevolge de som bepalen, waarvoor hypotheek gesteld moet worden. Zelfs is do Kantonrechter ter bepaling van die som ambtshalve verplicht, al ware bet ook togen den wensch of het verzoek der nabestaanden, dewijl art. 390 hom die verplichting zonder eenige uitzondering of beperking-oplegt. W. 352, 35!), 363, 371. R. B. II, 84. Voor de Arrond. Rechtbank zou do vordering tot bepaling dier som niet rauwelijks mogen gebracht worden. R. B. IX, 541, W. 847. In de bepaling van die som moot de Kantonrechter acht slaan: op den aard der goederen den minderjarige toebehoorende, op hunne opbrengst en op do verantwoordelijkheid, welke ten laste van den voogd uit hot beheer dier goederen zoude kunnen voortvloeien. Art. 390. Blijkt bijv. den Kantonrechter, dat bij boedelscheiding tusschon den vador-voogd en zijne minderjarige kinderen de schulden do baten zullen overtreffen, dan behoeft de Kantonrechter geeno som voor do hypotheek te bepalen (beschikking van den Kantonrechter to Goriuchom van 18 Februari 1889, bevestigd door de Rechtbank te Dordrecht, waartegen de cassatie word verworpen bij beschikking van den H. R. van 13 Sopt. 1889, alles opgenomen in \\ . 5803). Inschrijvingen op het grootboek dor nationale schuld, ten name der minderjarigen, zijn van zoodanigen aard, dat, daar de voogd zo niet kan wegmaken zonder de machtiging van don Kantonrechter, zij ook niet in do berekening van de hypotheeksom bobooven to komen. Hetzelfde geldt voor het onroerend goed (arrest Gerechtshof Arnhem 6 Sept, 1876, W. 4028). Zie ook R. B. 1877, afd. A, blz. 37. Indien de voogd verzoekt, dat de
567
effecten aan toonder, aan den minderjarige toebehoo-rende, in de consignatiekas worden in bewaring gegeven, kan de Kantonrechter dit verzoek, na verboor van den toezienden voogd en do familieleden, toestaan ; in welk geval de waarde dier effecten bij bet bepalen van de boegrootbeid der bypotbeek niet in aanmerking moet worden genomen. Art. 391. Bij bet op te maken proces-verbaal moet de Kantonrecbter summiere opgave doen van de onderscbeiden geuite meeningen en de redenen zijner beslissing vermelden. Zijne uitspraak moet, indien de voogd onroerende goederen bezit of zoodra bij ze verkrijgt, door de zorg van den toezienden voogd, en op diens verantwoordelijkbeid, bij voorraad worden ten uitvoer gelegd, niettegenstaande bet booger beroep, waarvan in art. 393 wordt gesproken. Art. 390 en 428. Met die tenuitvoerlegging beeft de Kantonrecbter niets te maken. R. B. II, 84. De eeboudenbeid van den toezienden voogd om in
«D *-
bet belang van den minderjarige toe te zien op bet stellen en inscbrijven der voogdij-bypotbeek brengt mede de verplicbting, om, ook uit kracbt deralgemeene bepaling van art. 427, te waken, dat de zakelijke zekerheid voor den minderjarige tot het einde van des voogds beheer onverkort blijve. Buiten de gevallen dat vermindering der bypotbeek op aanvraag van den voogd is toegestaan, of de oorspronkelijke bypotbeek in overeenstemming met de Wet is vervangen door eene andere of door een verband op een dei-grootboeken van de nationale schuld, is de toeziende voogd niet bevoegd om vóór bet einde van des voogds beheer toe te stemmen in de doorhaling van de inschrijving der voogdij-hypotheek (arrest II. R, 22 Nov.' 1889, v. d. II, 'b. R. 56, 327 R. 153, 260, W. 5794, P. v. J. 1889). Door dit arrest werd eene zeer belangrijke procedure beëindigd, welke ik zelf als curator in een staat van kennelijk onvermogen begon. Tot dien boedel beboorende landerijen werden verkocht door eene hypothekaire scbuldeiscberesse, krach-
56S
tens haar beding van onherroepelijke volmacht. Ik bevond echter, dat de oorspronkelijke op die landerijen gerust hebbende voogdij-hypotheek tot vestiging dier nieuwe eerste hypotheek, met machtiging van den toezienden voogd was doorgehaald. Daargelaten de vraag of naar analogie van art. 304, 2^ lid, de Kantonrechter de doorhaling bad kunnen bevelen, kwam het mij voor, dat in alle geval vóór het einde der voogdij, de toeziende voogd tot het geven van machtiging tot doorhaling onbevoegd was. Die voogdij-hypotheek was dus in mijn stelsel onbevoegd doorgehaald, er rustte dus geene andere eerste hypotheek op en die landerijen moesten teruggebracht worden in den boedel, wat ook gebeurde. Het in deze zaak den 2 Maart 1888 door de Rechtbank te 's Gravonhage gewezen vonnis is te vinien in W. 5540; het arrest van bet Gerechtshof daar in W. 5678. Men zie over dit onderwerp ook bet Academisch Proefschrift van Mr. S. K. D. M. van Lier: Doorhaluifj mn rooi/dij-hi/aoihcch, Utrecht 1800, besproken in W. 5000. It. May. TX, blz. 620.
Mr. Grkeve teekent hierbij aan, âdat art. 301 behoort âook onder die, welke naar mijn meening, wel aan de âaandacht der Herzienings-commissie mag worden âaanbevolen. Zoo als het artikel nu luidt, is consuj-âvalic alléén dan mogelijk, wanneer de voogd goed âvindt haar te verzoeken ; doet bij dat niet, dan kan ânoch de toez. voogd hem daartoe dwingen, noch de âKantonrechter ambtshalve de consignatie bevelen, âwaarom niet? Waarom, indien de voogd zelf geen âvast goed heeft, noch een goed vriend heeft, genegen âom zijn goed, terwille van den voogd, te bezwaren, âden toezienden voogd niet dezelfde verplichting ten âopzichte van de consignatie opgelegd, als die hem âten opzichte van bypotbeekstelling en inventarisatie, âbij art. 428 werd voorgescbreven? Een geldende âreden om dat niet te doen, kan ik mij niet voorstellen âdat bestaan kan, en een zoodanig voorschrift zou
569
âvrij wat nuttiger zijn dan het geheel nuttelooze, dat âde familie gehoord moet worden over een verzoek âtot consignatie. Welk bloedverwant zal tegen de âconsignatie zijn, als niet in het belang van den âminderjarige? Ik zou de familie willen te huis laten, âen den Kantonrechter op- of zonder verzoek de âconsignatie doen bevelen, ter diligentie van den âtoezienden voogd.quot;
§ 169. De voogd kan, in plaats van op zijn eigen goederen, hypotheek stellen op die van een derden daarin toesteramenden persoon, of ook, ten behoeve van den minderjarige, verbinden inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, berekend naar den koers van den dag. Art. 397.
De hypotheek, zegt art. 396, zal worden gesteld, hetzij bij de akte der benoeming van den voogd of bij zijne eedsaflegging, hetzij bij ell.c andere anlhen-iichc akte.
De slotwoorden van dit artikel hebben tot veel strijd aanleiding gegeven.
Welke authentieke akten bedoelt hier de Wetgever? Sommige lazen voor authentieke, notarieele akten, en begrepen daaronder dus geen andere akten van den Kantonrechter, dan die der benoeming of eedsaflegging. Anderen meenden weder, dat andere wilde zeggen; andere akten van den Kantonrechter, en notarieele akten waren uitgesloten. Weder anderen eindelijk meenden, dat zoowel bij elke akte van den Kantonrechter, als bij notarieele akte, de hypotheek kon gesteld worden.
Prof. Opzoomer «) heeft met juistheid aangetoond, dat onder aiUhentiekc akten niet anders kunnen verstaan worden, dan notarieele akten, en de daar tegenover staande gevoelens b), afdoende wederlegd.
Ten overvloede zij hier nog aangehaald de bij van
a) liet Burg. Wetb. 2clc deel, bl. -127â129.
b) Kis-t, J)e Kantonreehter, bl. 08. DiEPuns II, 2do 1)., § (itij en v. lgt;. Beku IX, bl. 49 en volgg. 1)e Witt Uameh, bl. 487.
der Kemp te dezer plaatse vermelde Ministerieele aanschrijving van 18 Juni 1840, gegeven op last des Konings, in overeenstemming met de adviezen der Ministers van Finantiën, van Justitie en van den Raad van State, te vinden in W. 120; R. 13. TV, 380, en Bijv. Slaatsblad 1840, X0. 240, bij welke aanschrijving door den Koning wordt verstaan, dat door die andere authentieke akten, niet bedoeld zijn andere akten van den Kantonrechter, maar andere authentieke akten, waarbij hypotheek kan worden verleend, zoodat, ook volgens Z. M., de Kantonrechter alleen bevoegd is bij de akten van benoeming of beëediging van den voogd, de hypotheek te doen stellen.
Mr. Greeve teekent hierbij aan:
âOf het artikel niet kon gemist worden wil ik niet âbeslissen. Alleen meen ik te mogen veronderstellen, âdat het stellen van hypotheek, bij akte van den Kan-âtonrechter, hoogst zeldzaam voorkomt, als ik toch ânaga, dat mij, gedurende de ruim 24 jaren dat ik als âGriffier of Kantonrechter werkzaam was, nimmer de âtoepassing van artikel 396 B. W. is voorgekomen.quot;
Alle geschillen over de waarde der tot hypotheek aangeboden goederen, moeten door den Kantonrechter worden beslist, na verhoor der bij art. 390 vermelde personen en behoudens het beroep aan de Arrond. Rechtb., welke dan zal handelen als bij Artikel 393 is voorgeschreven, en zonder verderen vorm van proces, bij uiterlijk gewijsde, de som zal bepalen, tot welker beloop de hypotheek zal moeten worden gegeven. Art. 395 «).
§ 170. De consignatiekas mag geen effecten aan toonder, den minderjarige toebehoorende, in bewaring nemen, of, met uitzondering der vervallen coupons van interest, teruggeven, dan wanneer er wordt overgeleverd een behoorlijk authentiek afschrift van het
a) Zie Mr. Pu. W. SchüLTEN, Over het stellen van hypotheek door de ouderlijke voogden. Themis, 3de verz. IV, hl. 28â40.
571
door den Kantonrechter, of in geval van hooger beroep, door de Arrond. Rechtb. gegeven bevel tot consignatie of tot teruggave, waarin de in bewaring te stellen of terug te geven stukken nauwkeurig moeten omschreven zijn. Voor tijdelijke afgifte dier stukken, hetzij tot het verkrijgen van stellen nieuwe coupons, hetzij tot eenig ander einde, is hetzelfde rechterlijk bevel noodig, waarbij tevens moet worden bepaald, binnen welken termijn do stukken weder in bewaring moeten gebracht zijn. Bij nader rechterlijk bevel kan deze termijn verlengd worden. Indien do bewaargevers in gebreke blijven, om de stukken binnen den bepaalden termijn weder te brengen, moet de bewaarder van de hypotheken en van het kadaster daarvan kennis geven aan den betrokken Kantonrechter, die dan, desnoods na verhoor der familie, bevelen kan dat de hypotheek vergroot worde. Zie art. 6, 8 en 9 der Wet van den 2G9teu Mei 1841, {Slhl. N0. 14), houdende nadere bepalinyen nopens de consignatie van effecten aan toonder, welke aan minderjarigen uf onder curateele gestolde personen toehehooren.
Bij art. 1 dier Wet wordt de bewaring der consignatiekas opgedragen aan de bewaarders der hypotheken en van het kadaster in de residentie der Provinciale Gerechtshoven, gezamenlijk met den Griffier dier Hoven, terwijl de Koning zich daarbij voorbehield, om des noodig of nuttig, die bewaring voor het Arrondissement op te dragen aan den aldaar gevestigden Bewaarder der hypotheken en van het kadaster, gezamenlijk met den Griffier van de Arron-dissements-Rechtbank.
Krachtens die laatste bepaling is dan ook, na opheffing der Prov. Gerechtshoven, bij K. B. van 1 Febr. 1876 [StbL Nquot;. 36), ter uitvoering van Art. 1 der wet van 26 Mei 1841 quot;bepaald, dat de consignatie wordt opgedragen in de Provinciën Zeeland, Utrecht, Overijssel, Groningen, Drenthe en Limburg, voor ieder Arrondissement, aan den in de hoofdplaats van het
572
Arrondissement gevestigden Bewaarder der hypotheken, gezamenlijk met den Griffier der Arrond. Rechtb. â Vgl. de Instructie van V-'i -falij IS'i I, bij n'EN(ielbronner, serie 1841â1845, bi. 55.
§ 171. Indien gedurende de voogdij de gegoedheid van den minderjarige merkelijk toeneemt, of ook buiten de schuld van den voogd, eene aanmerkelijke vermindering heeft ondergaan, moet de Kantonrechter behoudens beroep op de Rechtbank, na verhoor van den toezienden voogd en de familie, de vergrooting van de hypotheek bevelen, of kan hij op verzoek van den voogd hare vermindering toestaan, beide met een door hein te bepalen som. Art. 394. Even zoo kan de voogd ook gedurende de voogdij zijne hypotheek vervangen door eene dergelijke op goederen van een dorde, of door ten behoeve van den minderjarige verbonden inschrijvingen, als § 109 gezegd is. Art. 397. Mr. van der Kemp meende, dat ook hiertoe verlof van den Kantonrechter, na verhoor als meermalen gezegd is, vereischt wordt. Zie echter in anderen geest een arrest van het Provinciaal Gerechtshof iu Overijssel, van 18 .Juli 1842, R. B. V 4U1â400.
§ 172. Bij het aanvaarden van elke voogdij, met uitzondering van die welke door den vader of de moeder gevoerd wordt, moet de Kantonrechter, na verhoor van den toezienden voogd en de familie, bij raming en naar gelang der goederen, die bestuurd moeten worden, het beloop der som bepalen, welke de minderjarige jaarlijks zal mogen verteren, gelijk mede de kosten, welke op hot beheer der goederen kunnen vallen ; alles behoudens hooger beroep, indien de Kantonrechter zich niet niet de meening van het meerendeel der verschenen nabestaanden vereenigt. Bij dezelfde acte moet ook worden bepaald, of en in welke zaken, de voogd gemachtigd is, om zich in zijn beheer te bedienen van één of meer loontrekkende bewindvoerders, onder zijne verantwoordelijkheid de zaken waarnemende. Art. 446 B. W. Het is in
573
den aard der zaak gelegen en bij de wet niet verboden, dat bij vermeerdering of vermindering der fortuin of behoeften van den minderjarige in ieder gegeven geval, gedurende do voogdij eene nadere raming of wijziging van bet vroeger bepaalde door den Kantonrechter kan worden toegestaan. Voordulin III. 106. Wanneer de inkomsten niet toereikend zijn om den pupil eeue passende opvoeding te geven, bestaat er geen bezwaar, om de som die deze jaarlijks zal kunnen verteren, hooger te bepalen dan zijne inkomsten. Vonnis Rechtbank 's Hertogenbosch 15 Dec. 1893, W. (J484. Zie meerdere beslissingen in dien geest, Leox art. 446, aant. 2.
§ 173. Na den dood van een der echtgenooten is de langstlevende (voogd of voogdesse) verplicht, indien er minderjarige kinderen overblijven, binnen den tijd van drie maanden, eene boedelbeschrijving te doen opmaken, in tegenwoordigheid van den toezienden voogd, welke inventaris ook onderhands kan worden opgemaakt. Bij gebreke eener boedelbeschrijving, duurt de gemeenschap voort ten voordeele van de minderjarigen, doch nimmer te hunnen nadeele. Art. 182 B. W.
üe boedelbeschrijving doet de voortgezette gemeenschap eerst ophouden op het tijdstip, waarop zij, volgens art. 678 W. v. B. Kv., in handen van den Kantonrechter is beëedigd en ter Griffie van het Kantongerecht is overgebracht. (Arrest Gerechtshof Leeuwarden 13 Sept. 1876, W. 4()3U, li. B. 1876 A, blz. 335 vlg., bevestigd bij arrest II. B. 13 April 1877, V. d. II. B. B. d. XLII, blz. 184, B. d. CXV § 55, W. 4115.
Na het aanvaarden van de voogdij, moet er dooiden voogd, ook in tegenwoordigheid van den toezien-den voogd, eeue boedelbeschrijving van de goederen der minderjarigen worden opgemaakt, art. 444 B. W. Wordt die inventaris onderhands opgemaakt, dan behoort die door den voogd voor den Kantonrechter te worden beëedigd, die daarna beveelt de overbrenging ter Grifüe.
074
Wordt de inventaris ten overstaan van een notaris opgemaakt, dan zal de beëediging voldoende zijn in diens handen, door hem die vóór de beschrijving in het bezit is geweest van het beschrevene, volgens art. GS1. N0. 7. B. R.
Met Mrs. Van dek Kemp en Geeeve meen ik, dat alzoo art. 414 moet worden opgevat, welk artikel minder duidelijk is gesteld en de ongerijmdheid schijnt te willen, dat ook de reeds door de huisgenooten, waaronder soms de voogd, of de vader-voogd of moeder-voogdesse, beëedigde notarieele inventaris nog afzonderlijk door den voogd als zoodanig moet be-eedigd worden. In plaats van in alle gevallen, leze men liever in allen gevalle, en vatte dat op in de beteekenis van altoos a); en dan komt de zin van het geheel hierop neder dat, hoewel de inventaris ook onderhands kan worden opgemaakt, hij evenwel moet beëedigd worden en in zooverre gelijk staat met een notarieelen inventaris, die insgelijks moet worden beëedigd. R. B. I, 159, 321â330, 401 IV. 96, VI. 087. Léon art. 444, aant. 2.
Dat artikel 444 slechts ziet op de eigen goederen van den minderjarige, bij den aanvang der voogdij, en niet op alle inventarissen van inboedels, waarbij minderjarigen belang hebben, is bij aanschrijving van den Minister van Justitie in 1844 begrepen geworden. W. 533. R. B. VI, GS3.
§ 174 b). De voogd heeft nu en dan de machtiging van den Kantonrechter noodig, tot het verrichten van daden of het nemen van administratieve maatregelen, in het belang van den minderjarige.
Men is gewoon de taak, die bij verschillende wets-
a) ^ Kantonrechter, bl. 107â113. Mr. CIkeeve teekent
quot;hier nan: quot;Het is mij maar ééns voorgekomen, dat een Voogd-Vader quot;verlangde, een reeds beëedigde Notarieele Boedelbeschrijving nogmaals quot;in handen van den Kantonrechter te beëedigenquot;.
h) Deze § neem ik woordelijk uit de derde uitgave over. Waar ik iets moest toevoegen, deed ik dat met aanmerkingen, met letters geteekend.
575
artikelen ten deze aan den Kantonrechter werd opgedragen, te bestempelen met den naam vrijwillige rechtsmacht van den Kantonrechter; jwW-tiiciio yo/un-taria, in tegenstelling der jurisdicllo contenliosa. Terwijl bij de laatste beslist moet worden, in een rechtsstrijd die twee of meer personen verdeeld houdt, heeft de vrijwillige rechtsmacht alleen tot onderwerp, de beoordeeling van het belang dat hij, te wiens behoeve eene voorziening gevraagd wordt, daarbij heeft. 1 erwijl bij de laatste rechtskennis hoofdvereischte is, staat â bij de eerste kennis van den feitelijken toestand en beoordeeling van belangen op den voorgrond.
De overweging, dat de Kantonrechter als plaatselijk Rechter, beter op de hoogte kan zijn van teiten en toestanden, dan de Arrondissements-Rechtbank, heeft er toe geleid, de vrijwillige rechtsmacht van den Kantonrechter uit te breiden, bij de U cl van den ISlt;leti April /87 '), {Slhl. N'. 68), tut ovcrbrcnijhiij van enkele bevoegdheden der Arrondmernents-Reehtbanken bij de Kantonrechters.
Niet zonder veel strijd is deze Wet tot stand gebracht, gelijk men bij de raadpleging barer geschiedenis 1) kan zien, en gelijk het meer gaat, men heeft toen veel gesproken wat ongezegd had kunnen en behooren te blijven, en andere punten onbesproken gelaten, die wel verdiend hadden nader te worden toegelicht 2). Aanvankelijk vond dan ook de toepassing der Wet in den eersten tijd veel moeilijkheden en gaf zij op één punt zelfs tot zooveel tegenstrijdige rechterlijke beslissingen aanleiding, dat tie Procureur-
1) De geschiedenis dezer Wet is te vinden zoü wat de daarover gewisselde stukken, als de gehouden debatten betreft, in Handelingen der Sta ten-U eneraal. 2de Kamer. 18/2/73, Bijlagen Ao, 100 ; 18y3//4, Bijlagen No. 24 en Handelingen blz. 1108â1130, 113/ en 1138 en van do 1ste Kamer 1873/74, blz. 216, 221 en 222.
Vgl. Mr. Bouvix It. Inleiding, en liet hiervoor op blz. 2 in de noot aangehaalde geschrift van Mr. F. J. K. van Ziknicq Eergmann.
2) Vgl. Mr. ¥. H. M. van Lilaar. De wijze van beraadslaging in Wetgevende Vergaderingen. Leiden 1879, o. a. blz. 3, 4, 201 en volg.
38
Generaal bij den II. R. zich verplicht achtte eene beslissing van den H. R. in het belang der Wet uit te lokken, van welke beslissing hierna te zijner plaatse zal worden melding gemaakt.
Sedert is, naarmate de \\ret ouder werd, de kalmte teruggekeerd, en meen ik, dat dezelfde grieven, die men in deze vroeger had bij de behandeling dier zaken voor de Arrend. Rechtbanken, en die bij de discussiën misschien wel Ir breed werden uitgemeten, bij komediespel zelfs vergeleken, nu kunnen gelden voor de behandeling bij het Kantongerecht. Het is toch maar waar. dat verschijning bij gemachtigde in deze zaken evenveel voorkomt, als de persoonlijke verschijning der bloed- of aanverwanten, maar dat daarmede zóóveel bedorven wordt, gelijk men in de 2cle Kamer beweerde, heb ik nog niet kunnen ondervinden. Intusschen, en daarin bestaat naar mijn oordeel de waarde der Wet, de behandeling der zaken wordt door haar bespoedigd; de Kantonrechter kent beter den toestand of kan zich gemakkelijker daarvan op de hoogte stellen.
Of men minder betaalt dan vroeger bij de Arrond. Rechtbank het geval was, zou ik, ondanks het imperatief tarief in de Wet opgenomen, niet durven verzekeren.
Bij de Wet van 18 April dan, zijn de bevoegdheden in de artikelen 160, ISO, 365, 373, 387, 447. 451) 452, 454, 45G, 457, 459, 460, 465, 466, 479, 1722 van het Burgerlijk Wetboek, en het ode lid van artikel 28 der Wet van 29 Mei 1S41 (Slhl. N0. 20) ;;an de de Arrondissemeuts-Rechtbanken opgedragen, overgebracht bij de Kantonrechters en werd het laatste lid van art. 166 van het Burgerlijk Wetboek ingetrokken.
Oorspronkelijk was ook in de Wet artikel 691 van liet Wetb. van B. R. opgenomen, doch, blijkens de tusschen de Regeering en de 2de Kamer gewisselde stukken, daaruit weggenomen, om redenen die we
577
hierna bij de behandeling van art. 451 B. W. zullen vermelden.
\ erder werd Art. 798 ]gt;. R. daarbij zoodanig ge-wijzigd dat het alsnu luidt: âIndien een man, hetzij omdat hij onder curatele gesteld is, of om andere redenen zich in de onmogelijkheid bevindt om zijne vrouw te machtigen, ot indien hij een tegenstrijdig belang heeft, moet de vrouw, die machtiging noodig heett, om deze te verkrijgen een verzoekschrift indienen aan den Kantonrechter, die daarop zijne beschikking stelt.quot;
Deze gewijzigde redactie was noodig nu de bevoegdheden in de Artt. 1G9 en 180 B. W. ook op den Kantonrechter werden overgebracht.
Na ieder verhoor, waar dit is voorgeschreven, moet de Kantonrechter den dag bepalen, waarop hij zijne beschikking geven zal.
Uit een antwoord dat de minister de Vkies gaf op de vraag, waurant deze bepaling? bleek, dat zij in de wet was gebracht, ten einde de belanghebbenden zouden kunnen weten wanneer de termijn van 14 dagen voor het hooger beroep begint te loopen.
Ik heb reeds elders er op gewezen I), hoe deze bepaling in de praktijk tot moeilijkheden kan aanleiding geven. Zooals de lieer Godkfroi hij de beraadslaging opmerkte, is de bepaling 'wis nieuws. âTegenwoordigquot;, vervolgde hij, âvangt de termijn van appèl van beschikkingen op requesten, voor den verzoeker ook aan van den dag der uitspraak. De termijn van o maanden is echter hier terecht verkort tot 14 dagen. Maar de dag waarop de beschikking zal gegeven worden, wordt niet bepaald. De procureur of de belanghebbende die het request heeft ingediend, informeert ter Griffie naar den dag der uitspraak.... Ik zie niet waarom deze praktijk niet kan blijven
1) Nieuwe Bijdr. voor Rechtsgeleerdheid en Wetgeving 1875 j). 1, blz. 1/2.
578
bestaan; strekte deze bepaling um den dag van beslissing te bepalen, de zaak ware anders, maar dat is niet mogelijk; en daarom geldt zij alleen in geval er verboor beeft plaats gehad, niet als er geen verboor is, zooals bijv. bij bet geven van macbtiging aan eene gebuwde vrouw om te procedeeren .... Nog iets. Men beeft in de stukken gevraagd: als de Kantonreebter zijne beschikking uitstelt, welken vorm zal hij daaraan seven? Het antwoord was: dan zal eene nieuwe be-schikking noodig zijn, die den naderen dag bepaalt. Maar boe kan de belanghebbende het weten? Er zou dan moeten bepaald worden dat de Kantonrechter kennis geeft van het uitstel.quot;
Op al deze gronden, die ik daarom in eclenso mededeel, omdat naar mijn gevoelen, de geachte spreker, al de bezwaren die tegen de bepalingen later zijn gebleken te bestaan, als met een zienersblik, aangaf, stelde de heer Godki-koi voor, die bepaling uit de wet te lichten, maar de minister de Vries verklaarde zich krachtig te verzetten tegen dat amendement, en meende zelfs, dat de heer Godefuoi âmiste een oogenblik zijne gewone scherpzinnigheid toen hij dat voorstel deed,quot; en de heer Gudekhui schrikte daarvan zeker zóó, dat hij zijn amendement introk, doch niet zonder nog even verklaard te hebben: âHet eerste lid blijft mij eene onvolledige en gebrekkige bepaling, maar zij schaadt niet, ik erken het, en daarom berust ik er in.quot;
Wel jammer; want al schaadt de bepaling niet, wat ik gaarne toegeef, ze is volkomen onpmklisch, wat zelfs uit de bestrijding van den heer Ggdefkoi door den Minister bleek, en dat, dunkt mij, was reeds genoeg om haar niet in de wet op te nemen.
Stel dat eene waardeering van deskundigen aan de beschikking moet voorafgaan, dan kan de Kantonrechter immers den dag van zijne beslissing niet anders aangeven, dan op deze wijze bijv.: een of twee dagen nadat de deskundigen hun rapport zullen hebben
579
ingeleverd. Dan is aan do Irtter der wet voldaan, maar moeielijk valt het te ontkennen, dat hare br-iloeling faalt; en de belanghebbenden niets beter hebben te doen, dan, de hemel weet hoeveel dagen achtereen, op de Griffie te komen informecren of de deskundigen hnn rapport reeds indienden. En men bedoelde juist den belanghebbende onnoodige moeiten te besparen en hem terstond na het verhoor de wetenschap te verzekeren, wanneer de termijn van hoogcr beroep voor hem zou beginnen te loopen.
Maar, ita scripia, en de Kantonrechter heeft zich aldus naar de geschreven wet te gedragen, en is verplicht na elk verhoor een dag te bepalen.
Binnen veertien dagen na den dag der beschikking kan hooger beroep worden ingediend door den verzoeker en door ieder die op het verzoek gehoord is; en het bepaalde bij art. 342, B. 1!. is bier niet toepasselijk.
Een nieuw verhoor kan in hooger beroep worden bevolen en indien de verzoeker zelf niet in beroep is gekomen, dan wordt op het beroep niet beslist, zonder dat hij is gehoord of opgeroepen om gehoord te worden.
In hooger beroep, moet het O. M. gehoord worden.
Over de wijze van uitvoering der wet, zie men Mr. Bouvin.
Ook met het oog op het doel waarmede de wet in het leven geroepen werd, vermindering van omslag en kosten, blijf ik van meening 1), dat het opmaken van een procesverbaal van elk verhoor, noch wen-schelijk, noch noodig is. De Kantonrechter kan volstaan met in zijne eindbeschikking de verschijning der belanghebbenden te vermelden, met opgave van het door ben uitgebrachte gevoelen, met welk gevoelen hij dan al of niet zich vereenigt. Zoo zal, wat den Minister voor het opmaken van een proces-verbaal
n Vlg. iN'. Bijclr. II.
Ã80
scheen te stemmen, de zaak ingeval van hooger beroep, wel toegelicht bij de Rechtbank komen. Mocht zij nader en meer licht verlangen, de Wet geeft haaide bevoegdheid een verhoor te gelasten 1).
Door de \\ et van 18 April 1874 zijn alzoo de gevallen vermeerderd, waarin, in zake voogdij, de machtiging a) van den Kantonrechter voor zekere handelingen gevorderd wordt, en wordt sedert die machtiging vereischt in de navolgende gevallen, als: a. tot het, door den voogd, in natura bewaren van zekere goederen, den minderjarige bij de opening dei-voogdij of gedurende haar loop te beurt gevallen, en zulks na verhoor of behoorlijke oproeping van den toezienden voogd en der bloed- of aanverwanten. Art. 447, 1ste lid h).
h. tot bet, door den voogd, in het openbaar of onder de hand verkoopen van roerende goederen, die eerst, krachtens verlof, in natura bewaard werden, ook na verhoor als voren. Art. 447, 3de lid.
(â¢. tot het, door den voogd, opnemen van geld c) voor den minderjarige, het vervreemden of verpanden van diens onroerende goederen, het verkoopen of overdragen van diens effecten, schuldvorderingen en
1) Handel. Tweede Kamer, blz. 1122.
a) Zie omtrent liet karakter dezer rechterlijke machtiging een arrest van den H. K., van 10 Sept. 1885 (v. d. H. B. R. d 51. bl. 256, R. d 140, bl. 345). Bij art. 1122, wordt daar beslist, wordt niet aan den Rechter opgedragen den verkoop te bevelen altijd, wanneer niet blijkt, dat de redenen, waarom do verzoekers van oordeel zijn dal het belang des boedels den verkoop zon vorderen, niet bestaan of' ongegrond zijn, maar hem alleen de bevoegdheid gegeven den verkoop te gelasten, indien hem na onderzoek is gebleken dat er gronden bestaan om het verzoek in te willigen.
It) Tnsschen a en h dient nog ingevoegd: agt;. Tot het in het belang van den minderjarige onder de hand verkoopen van bepaalde goederen, welke niet in natura mogen bewaard blijven, voor of boven den prijs waarop ze door daartoe te benoemen deskundigen mochten geschat zijn.
e) Onder yeld opnemen is blijkens art. 471, al. 2, niet begrepen het door den voogd doen van voorschotten uit eigen beurs (arrest H. R. 9 Maart 1893, v. D. H. B. R. d 59 blz. 90, R. d 163 blz. 197, W. 6318).
581
actiën, welke machtiging de Kantonrechter niet zal verleenen, dan uit hoofde eener volstrekte noodzakelijkheid of van een klaarblijkelijk voordeel a) en na verhoor of behoorlijke oproeping van den toe-zienden voogd en van de bloed- of aanverwanten van den minderjarige, Art. 451. h) Ingeval van verkoop van onroerende goederen, zal de voogd, bij zijn verzoekschrift moeten overleggen een staat van al do goederen van den minderjarige, met opgave van die welke hij zou wenschen te vervreemden, welken verkoop de Kantonrechter dan kan toestaan, hetzij van zoodanige andere, wier vervreemding aan hem minder bezwarend in het belang van den minderjarige mocht toeschijnen. Art. 452.
Indien de Kantonrechter naar aanleiding van Art. 451, verlof verleent tot den verkoop van effecten, kan hij tevens bevelen, dat die verkoop onder dc hand, door middel van makelaars geschiede, mits de effecten van dien aard zijn, dat hunne waarde, op den dag van den verkoop, door gewone prijscouranten kan worden aangetoond. Art. 456.
De formaliteiten bij art. 451 voorgeschreven, zijn niet toepasselijk wanneer bij een vonnis, op verzoek van een der medeeigenaars van een onverdeeld stuk goed, de verkoop bevolen mocht zijn, behoudens echter, dat die verkoop steeds in het openbaar zal moeten geschieden. Art. 455.
a) Zie een geval waarin uj» grond van ontbreken van volstrekte noodzakelijkheid en klaarblijkelijk voordeel, do gevraagde maehtiging word geweigerd, in W. 6526. (Besehikking van don Kantonreohter te Arnhem van 13 Juni 1894, bevestigd door de Keehtbank don 28 Juni 1894).
h) Om ten behoeve van don minderjarige gebruik te maken van liet hem bij art. 965 li. W. gegeven reoht, â om wanneer des minderjarigen wettelijk erfdeel wordt benadeeld door een gosohouken of vermaakt vruehtgebruik of lijfrente, die bosehikking uit te voeren of aan den begiftigde of legataris af te staan het bosehikbaar gedeelte â heeft de voogd de maehtiging van den Kantonrechter niet noodig; hier is art. 451 B. W. niet van toepassing. (Beseh. li. R. 2.') Sept. 1892, v. d. 11., 13. R. d 58, blz. 363, R. d. 162, blz. 6 W. 6243).
582
Het was de toepassing van art. 451, zoover dit door de Wet van 1874 gewijzigd was, die al dadelijk tot moeilijkheden en, gelijk ik hierboven zeide, tot eene beslissing van den H. 1\. in het belang der Wel aanleiding gaf.
De Kantonrechter te Delden, verstond, dat de bevoegdheid door art. 1122 1gt;. \V. aan de Arrond. Rechtb. opgedragen, door de AVet van 1874, niet op den Kantonrechter was overgebracht, W. 372i).
De Arrond. Rechtbank te Nijmegen besliste op 1 Aug. 1874, W. 3742, dat bij aanvrage om machtiging tot verkoop van goederen tusschen meerderjarigen en minderjarigen gemeen, de Kantonrechter bevoegd is, óók wanneer in het verzoekschrift een beroep gedaan wordt op art. 1122 B. W.
Van deze beschikking kwam de Proc. Gen. bij den IT. R. (Kaeseboom) in hel belang der Wel iu cassatie, en vernietigde de H. R. bij Arrest van 6 Nov. 1874, W. 3785, de door do Arrond. Rechtbank te Nijmegen in Raadkamer gegeven ordonnantie, daarbij overwegende: dat wel verre dat de niet-opname van art. 1122 1gt;. W. in de Wet van 1874, aan een onwillekeurig:
7 o
verzuim zou zijn toe te schrijven, integendeel, blijkens de geschiedenis der Wet, zulks voorbedachtelijk is geschied, dewijl men het voorschrift, dat alle bevelen ot machtigingen, tot verkoop van vast goed, wanneer die tot boedelbereddering of scheiding noodig zijn, zonder uitzondering, van de Rechtbank moeten worden gevraagd, onaangetast wilde laten, en de Regeering zelfs oj) dien grond art. Gül 13. R., dat oorspronkelijk ook in de Wet van 1874 was opgenoemd, daaruit heeft teruggenomen.
Omtrent de vraag, of de gezamenlijke erfgenamen, waaronder minderjarigen, die verlangen te verkoopen de onroerende tot den gemeenen boedel behoorende goederen, ten einde tot een behoorlijke verdeeling te kunnen komen, niet gerechtigd zijn, hot bij art. 1122 bedoeld hevel te verzoeken, maar verplicht zijn
583
den bij art. 451 aangewezen weg in te slaan o), overwoog de If. R., dat blijkens den duidelijken zin van art. 451, de daar bedoelde rechterlijke machtiging slechts aan den voogd kan worden verleend en derhalve ook slechts door hem en niet door anderen, dus ook niet door mede-erigenamen van den minderjarige, utilitrr kan worden gevraagd; dat art. 1122 daarentegen aan ieder erfgenaam de bevoegdheid geeft het bevel tot verkoop van de onroerende goederen des boedels, zoo hij dien noodig oordeelt, van den Rechter te vragen; dat het artikel die bevoegdheid geoft aan mede-erfgenamen of aan een of meer hunner, meerderjarig of minderjarig, zonder eenige beperking of onderscheiding; dat do Rechter dus, op zoodanig verzoek beschikkende, niet handelt, voor zooveel de minderjarigen betreft, uit kracht van de zoogenaamde volontaire rechtsmacht van art. 451, gelijk de Arrond. Rechtb. van Nijmegen beweerde, maar uit kracht eener speciale en zelfstandige, hem op bet stuk van boedelscheiding verleende bevoegdheid, met dat gevolg, dat eene eventueel op grond van art. 451 voorafgegane, in welken zin ook gegeven, beschikking, hem in zijne beslissing in geenen deele zou binden; dat de bewering, dat art. 1122 een verschil van meening tusschen de erfgenamen zou onderstellen en dus niet toepasselijk zijn zou, waar allen het eens zijn, niet is overeen te brengen met de duidelijke bewoordingen, waarin liet is vervat, noch ook met den uitsluitend bet belang der gezamenlijke erfgenamen bedoelend en wil van don wetgever, dat het belang des boedels toch de zekerheid van liet tot stand komen van den verkoop kan vordéron, en deze nu wel door een rechterlijk bevel, maar niet door eene, op een gegeven oogenblik, bestaande eensgezindheid der erfgenamen, die immers licht in verschil van zienswijze kan ver-
a) Zie hierover ook liet acudemiscli proefschrift vau Mr. A. J. aan lU'UKKN. Kerntje opmerklmfeu vaar aan leiduif/ can arf. 151 en 1122 B. TK Leiden 1893.
584
keeren, gewaarborgd wordt en dat derhalve de gezamenlijke erfgenamen gerechtigd zijn het bij art. 1122 bedoelde bevel te vragen a), en de Hechlhank bevoegd is op hun verzoek te beschikken 1).
Wanneer de rootjd alléén, aan den Kantonrechter verzoekt, machtiging om, wanneer de medeëigenaars hunne aandeelen in een onroerend goed verkoopen te gelijk met dezen, te verkoopen het aandeel dat den minderjarige in dat zelfde vast goed toekomt, dan is, naar mijn gevoelen, èn de voogd tot zoodanig verzoek ontvankelijk èn de Kantonrechter bevoegd op dat verzoek te beschikken h).
tl. Tot het, door den voogd, in buitengewone gevallen en wanneer het belang van den minderjarige dat mocht vorderen, onder de hand verkoopen van onroerend goed, welk verlof echter niet kan worden toegestaan, dan op een met redenen omkleed verzoek van den voogd en met eenparuj goedvinden van den toezienden voogd en van de bloedverwanten of aan-gehuwden van den minderjarige. Indien de opgeroepen
a) Voor de toepasselijkheid van art. 1122 H. W. is het onverschillig of er al dan niet eene boedelscheiding plaats heeft; de Rechtbank kan ook machtiging verleenen tot verkoop van in gemeenscha]) bezeten onroerend goed. wanneer dat is in het belang van deu boedel, tot betaling van schulden of om andere redenen (Beschikking van den li. R. van 24 -\ugiistus 1892, v. d. H. IJ. R. d. .'gt;8, blz. 341. R. d. 16, blz. 346, W. 6226, J'. v. 1892, no. 82). Zie verder Leon art. 1122, aant. 17; zie ook R. 15. 1883. afd. A, blz. 51.
Art. 1122 is van toepassing zoowel wanneer boedelscheiding bij vonnis is bevolen, als wanneer partijen vrijwillig daartoe medewerken (arrest II. R. 24 J uni 1881, v. igt;. H., 13. R. d. XLVT, blz. 478, R. d. CXXVIII § 32).
Avt. 11 22 is ook van toepassing als alle erfgenamen minderjarig zijn ((lerechtshof Amsterdam 29 Juni 1883 vernietigend Rechtbank Haarlem 12 Juni 1883, W. 4926, 5009, R. IJ. 1884, afd. A, hl. 78).
1) Zie over dat arrest Mr. 1*. P. Kist, in W. 3802.
h) Vgl. Mr. Bouvin. Hij dra ge tot de verklaring van de bevoegdheden vervat in de artt. 451 en 1122 van het IJ. AV. in N. Bijdr. 1875, D. I, blz. 93â153.
De H. R. gaf bij zijn arrest van 7 Oct. 1887, v. igt;. 11., B. R. 53, 282, R. 146, 327, W. 5485, eene beslissing in deu zin als door Mr. Ghkeve uitgespreken.
585
bloedverwanten of aangelmwdcn niet allen verschijnen, zal het eenparig goedvinden van degenen dje opkomen voldoende zijn. Het onroerend goed zal voor geen lager prijs mogen â worden verkocht, dan waarop hot vóór liet verleend verlof zal zijn geschat door drie deskundigen, door den Kantonrechter tc benoemen. Art. 454.
c. rot het, op eeno andere wijze dan in de openbare veiling, koopen door den voogd van ecu onroerend goed van den minderjarige, welke koop echter niet van kracht is, dan ten gevolge der goedkeuring van den Kantonrechter verleend, overeenkomstig de voorschriften en onder de bepalingen van het tweede, derde en vierde lid van art. 454. Art. 457.
/'. Tot het, door den voogd, voor zichzelf, buren of in pacht nemen van de goederen van den minderjarige, wat hij niet kan doen, tenzij de voorwaarden, dooiden Kantonrechter, na verhoor of behoorlijke oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, mitsgaders van den toezienden voogd, zullen zijn goedgekeurd, in welk geval de toeziende voogd bevoegd is om de huur- of pachtovereenkomst met den voogd te sluiten. Art. 458.
ij. Tot het, door den voogd, aannemen van eene opdracht van rechten en schuldvorderingen jegens den onder zijn voogdij staanden persoon. Art. 458.
h. Tot het, door den voogd, verwerpen van eene erfenis, den minderjarige opgekomen a). Art. 459.
i. Tot het, door den voogd, aannemen van eene gift aan den minderjarige gedaan b). Art. 460.
/.-. Tot het, door den voogd, instellen van eene rechtsvordering voor den minderjarige, of tot het zich verdedigen op eene rechtsvordering tegen den minder-
a) Dat Tcrloi' zal echter niet worden verleend dan op een met redenen bekleed verzoek van den voogd, en na verhoor of behoorlijke oproeping van de bloedverwanten ol aangehawden van den minderjarige. «
h) Zie aanmerking a.
58(3
jarige ingesteld, na verhoor van den toezienden voogd en de naaste bloed- of aanverwanten. Art. 461.
I. Tot het, door den voogd, berusten in eene rechtsvordering tegen den minderjarige ingesteld, na gelijk verhoor. Art. 462.
m. Tot het, door den voogd, vragen eener scheiding of verdeeling. Die machtiging heeft echter de voogd niet noodig om te antwoorden op een eisch tot scheiding of verdeeling tegen den minderjarige gedaan. Art. 46:3.
De voogd, die eene actie tot scheiding en verdeeling instelt, zonder machtiging of verlof van den Kantonrechter, is in die vordering ontvankelijk, want zoowel in het geval van art. 461 als in dat van art. 463, is het niet vragen van verlof of machtiging, facultatief a) en heeft alleen dit gevolg, dat de voogd de rechtsvordering voor zijne verantwoordelijkheid heeft ingesteld b). Vonnis der Arrend. Rechtb. te Zwolle van 19 Juni 1872, W. 3531.
Bij vonnis van 3'! Juni 1875, \V. 4102, gaf die Rechtbank eene gelijke beslissing, die echter door het Prov. Gerechtshof in Overijssel, bij arrest van 13 Dec. 1875 werd vernietigd en bij welk arrest het besliste, dat luidens art. 463, het vorrixrhIr verlof is iinprratiet. Het arrest is te vinden bij Mr. L. Hertzveld, âOnuitgegeven Burgerlijke Rechtspraak van het Prov. Gerechtsli. in Overijsselquot;, 's IIage 1876. blz. 122.
In overeenstemming met dit arrest besliste de Arrond. Rechtb. te Assen, 7 Dec. 1847, W. 1040, en die te Brielle, 2 Jan. 1874, W. 3005.
Vgl. het vonnis der Arrond. Rechtb. te Amsterdam
a) lu douzelfdcn lipcst Mrs. Asser cn Van Heusde I, llü.
//) Hij kan dun tot betaling der proces-kosten uit eigen beurs worden veroordeeld, indien wordt bevonden, dat bij zonder redelijken grond liet rechtsgeding aangevangen of volgehouden beeft, onverminderd zijne gebondenheid tot verdere vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. Hetzelfde kan plaats hebben, indien mocht blijken, dat de voogd door valsche voorgevens, of verberging der waarheid, zoodanig verlof mocht hebben verkregen. Art. 461.
587
van 15 Maart 1871, W. 3315, reeds aangehaald hiervoor in § 16G.
De toeziende voogd is wel bevoegd, wanneer de belangen van den voogd hieromtrent met die zijner pupillen in strijd zijn, voor de minderjarigen tot scheiding en verdeeling eener nalatenschap te ageeren, maar hij moet, evenals de voogd, in zoodanig geval door den Kantonrechter worden gemachtigd.
O O
Bij gebreke van die machtiging moet hij zelfs, ambtshalve, in die vordering niet-ontvankelijk verklaard worden. Arrond. Rechtb. te Maastricht, 7 April 1868, W. 3175.
Zie; Aanteekening op art. 4G3 B. W. door Mr. G. W. de Vos van Stkenwi.tk, in Themis 1873, D 34, 3de Verz. 4de Jaarg. hl. 52â03.
n. Tot het, door den voogd, aangaan van eene dading inden naam van den minderjarige, of tot het opdragen van de beslissing eener zaak aan scheidsmannen, na verhoor, art. 405;
o. Tot het, door den vader of de moeder, gedurende een bepaalden tijd, en zelfs tot de meerderjarigheid, in gemeenschap met de minderjarigen aanhouden van de goederen, de nering, het bedrijf, den handel, de fabriek of dergelijke, na verhoor.
Deze machtiging kan niet worden verleend tenzij aan den Kantonrechter, na inzage van de boedelbeschrijving zij gebleken, van het aanmerkelijke belang der minderjarigen en van den waarborg, dien de voogd of de voogdesse oplevert. Zij zal, op verzoek van den voogd of van den toezienden voogd, na verhoor als voren, kunnen worden ingetrokken. Art. 466.
§ 175. Indien een vader zijne woonplaats verlaat met achterlating van minderjarige kinderen, zonder orde op zijne zaken gesteld te hebben, zal de moeder alle rechten van den man uitoefenen a), zoowel met be-
a) ])e Rechtbank to 's-Gru-venliage meende in hare beschikking van 29 Jan. 1895, dat eene moeder, om bij afwezigheid van den vader te vragen verbetering van de geboorte-akte van haar minderjarig kind, had
588
trekking tot de opvoeding der kinderen als het beheer hunner goederen.
De bloedverwanten of aangehuwden van den afwezigen vader, kunnen zich daartegen bij den Kantonrechter verzetten, die alsdan, behoudens beroep bij de Arrond. Rechtb., uitspraak doet. Art. 552.
Hoever de macht van den Kantonrechter in deze gaat, zegt de Wet niet en is zelfs niet duidelijk.
Het kwam Van der Kemp voor, dat de Kantonrechter de verlaten moeder van geen slechteren toestand kan maken, dan de moeder-voogdesse wezen zou, en dat hij dus niet meer doen kan, dan haar iemand toevoegen om haar, in den vorm van toezienden voogd, ter zijde te staan, of ook, haar van het opzicht over hare kinderen en hunne goederen te ontzetten in dezelfde gevallen, waarin zij als moeder-voogdesse zou moeten ontzet worden.
Prof. Opzoomer «) meent, dat het woord daartegen onmogelijk op iets anders kan zien, dan op het ge-heele optreden der vrouw in de plaats van, den afwezigen man, en men moet, volgens hem, onze taal geweld aandoen, om in dat artikel te lezen, dat de bloedverwanten of aangehuwden van den afwezigen man, zich tegen bepaalde handelingen kunnen verzetten. De Kantonrechter heeft dus te beslissen of de vrouw, het recht bij art. 552 haar gegeven, al dan niet zal behouden. Prof. Opzoomer meent, dat de Kantonrechter alzoo een voogd over de minderjarigen zal moeten benoemen.
Prof. Diephuis h) en Mr. De Witt Hamer c) zijn van meening, dat het verzet alleen tegen sommige handelingen der moeder moet en kan gedaan worden.
uoodig, machtiging vau deu Kantonrechter. Het Grerechtahof daar oordeelde den G Maart 1895 die machtiging niet noodig. Beide beschikkingen zijn opgenomen in W. 6651.
«) Aant. op Artt. 1ste deel, bi. 184â186.
b) 2de deel § 1295.
c) bl. 465â468. Vgl. Leon, Art. 552, B. W.
581)
en de Kantonrechter de moeder die aangevochten handeling dan zou moeten verbieden. Intusschen komt ons het gevoelen van Prof. Opzoomer aannemelijker voor. Maar ivat de Kantonrechter eigenlijk volgens het 2t'e lid van art. 552 te doen heeft, is niemand duidelijk.
§ 17G. In geval van huwelijk hebben minderjarigen, wier ouders en grootouders ontbreken, zoo ook natuurlijke niet-erkende kinderen die minderjarig zijn, en degenen die na de erkenning hunne ouders verloren hebben, ot wier ouders buiten de mogelijkheid zijn hun wil te verklaren, alsmede minderjarige kinderen van een onder curateele gestelden persoon, het verlof van den Kantonrechter noodig, indien beiden, voogd en toeziende voogd, of een van beiden, de toestemming tot het huwelijk weigeren. Art. 95, 98, 514 B. W. Het gebrek van onmogelijkheid om den wil te verklaren, heeft maar alleen plaats in geval van onnoozelheid, krankzinnigheid, of razernij en afwezigheid, niet in geval van veroordeeling tot eene ont-eerende straf, gelijk te recht beweerd wordt in li. 1gt;. III, 52. Tot de weigering van voogd of toezienden voogd behoort ook het geval, dat zij wegens strijdig belang met den minderjarige, hunne toestemming niet geven mogen, bijv. wanneer de zoon van den voogd, of toezienden voogd, met de minderjarige verlangt te trouwen. Als vader kan hij belang hebben bij het huwelijk zijns zoons, hetwelk aan den anderen kant tegen zijn belang als voogd of toeziende voogd der minderjarige strijden kan. Er zijn er, die meenen, dat in dit geval, daar huwelijk liefde en eensgezindheid tusschen de aanstaande echtgenooten onderstelt, en men dus van geene tegenstrijdige belangen tusschen hen zou mogen spreken, dezelfde persoon, als vader en voogd, aan beide de aanstaande echtgenooten de toestemming tot het huwelijk geven kan. Doch daar die onderstelling dikwijls voor de waarheid moet wijken, meenen anderen, dat hier eene benoeming
590
van een voogd of toezienden voogd ad hoe te pas komt. Maar zulk een voogd is ten deze bij de wet onbekend. Daarom oordeelen wij, dat hier een wettelijk beletsel van toestemming bestaat, hetwelk hetzelfde gevolg als eene stellige weigering moet hebben ; zoodat dus ook hier het verlof van den Kantonrechter moet gevraagd worden, li. 15. VI 819. VII, 155, 370. Ifet verlof wordt gegeven op verzoek van den minderjarige, na verhoor of behoorlijke oproeping van den voogd en den toezienden voogd, mitsgaders van vier uit de naaste, binnen het Rijk woonachtige en meerderjarige bloedverwanten, tot den graad van vollen neef ingesloten, zooveel mogelijk in gelijk getal uit de twee liniën te verkiezen.
Van dek Kemp meende dal vier mannelijke leden moesten gehoord worden, maar dat gevoelen vindt in de wet geen steun. Dat art. 389 13. W. in deze van geen toepassing is, is niet twijfelachtig, en vrouwelijke naastbestaanden, mits in den vierden graad den minderjarige bestaande, schijnen alzoo evengoed te kunnen worden gehoord a).
Bij het verzoek aan den Kantonrechter om verlof, moet het ontwerp der huwelijksvoorwaarden gevoegd worden, ten einde daaromtrent gelijktijdig worde beschikt. Art. 206. Die beslissing is voor hooger beroep vatbaar. Art 96. Bij gebreke van dit verlof kan een voorgenomen huwelijk gestuit, of zijne voltrekking door den Ambtenaar van den burgerlijken stand geweigerd worden. Art. 118 X0. 1, art. 129. Ook kan een huwelijk vernietigd worden, indien de voogd of do toeziende voogd door den Kantonrechter niet mochten gehoord zijn. Art. 146.
Zoo besliste het Prov. Gerechtshof in Limburg bij Arrest van 12 Oct. 1868, W. 3098 dat, nadat in het eerste lid van art. 126, aan den toezienden voogd, gelijkelijk met den vader, de moeder, de grootouder-s
d) Vgl. Diephuis, 1). 2, § 469. Kist, J)e Kaïitonregter, bl. 99.
591
en den voogd, het recht is toegekend om de nietigverklaring te vorderen van een huwelijk des minderjarigen, dat zonder de vereischte toestemming is aangegaan, dat recht moet geacht worden ook voor den toezienden voogd, hoewel niet tot de âbloedverwantenquot; hehoorende, te zijn beperkt, overeenkomstig het 2cle lid van dat artikel; bij welk Arrest werd vernietigd eene geheel tegenovergestelde beslissing van de Arrond. liechtbank te Maastricht van 30 Januari 1868, en waarbij het huwelijk, waarvan in deze de rede was, werd nietig verklaard.
De voogd en de toeziende voogd kunnen aan den minderjarige hunne toestemming tot liet aangaan van een huwelijk niet weigeren, alléén op grond, dat hij in gemeenschap van goederen wenscht te trouwen. Arrond. Rechtb. te Amsterdam 15 December 1868, W. 3118.
§ 177 a). De tusschenkomst van den Kantonrechter wordt ook vereischt, wanneer een minderjarige de zoogenaamde hcpi'ikle handlichting verlangt te ontvangen. Sedert Van der Kemp deze aangelegenheid behandelde, werd daarin eene zeer belangrijke principiëele verandering, en men maginderdaad zeggen, verbetering gebracht bij de Wet van 4 Juli 1874 (Stbl. N0. 91) tot Wijziging der Bepalingen van het Burgerlijk Wetboek over de beperkte handligting h).
Was vroeger het verleenen dier beperkte handlichting geheel overgelaten aan het bon plaisir van
a) Deze § neem ik, met hare aanteekeningen, ongewijzigd over uit de derde uitgave.
bi De geschiedenis dezer Wet is te vinden: Het eerste ontwerp met de Memorie van Toelichting, van 11 Januari 1873, in Handel. Tweede Kamer, zitting 1872â1873, Bijlagen No. 99, Iâ4. Verslag der Commissie » van Rapporteurs, Bijlagen No. 99, 5âlü. Gewijzigd ontwerp van 11 April 1874, zitting 1873â1874, Bijlagen No. 27, 1â2. Openbare behandeling, begonnen in de zitting van 7 Mei 1874, gesloten met de aanneming op 8 Mei 1874, met 45 tegen 10 stemmen. Handel. 1873â1874, blz. 1443â1469.
Eerste Kamer, Handel. 1873â1874. Eindverslag bl. 253; aanneming zonder beraadslaging met algemeene stemmen op 29 Juni 1874, bl. 259.
39
592
den vader of de moeder, die slechts voor den Kantonrechter hadden te verklaren, dat zij hun zoon handlichting verleenden tot hot uitoefenen van eenig bedrijf, nering of beroep, terwijl alleen bij gebreke der ouders, de handlichting werd verleend door den Kantonrechter, op verzoek van den minderjarige, na verhoor van diens voogd, toezienden voogd en naaste bloed- of aanverwanten, thans kan handlichting, waarbij aan een minderjarige bepaalde rechten van meer-derjarigheid worden toegekend, alléén op aanvrage van den minderjarige, wanneer dezen den vollen ouderdom van achttien jaren bereikt heeft, worden verleend duor den Kantonvechlvr, doch niet tegen den wil van dengene der ouders, die de vaderlijke macht uitoefent. Art. 480, B. W.
Het belangrijk verschil tusschen beide stelsels springt dadelijk in het oog, en voor niemand was het een geheim, dat de nieuwe bepalingen strekten, om aan ouders een zeer gevaarlijk en dikwijls misbruikt wapen uit de handen te nemen, waardoor het hun mogelijk werd, op de meest wettige wijze, zich van het fortuin hunner minderjarige kinderen meester te maken, en daarvan ten eigen nutte gebruik te maken. De Minister Dk Vkiics kon dan ook volkomen terecht zijne Memorie van Toelichting aldus aanvangen: âBekend zijn de misbruiken, die van de beperkte handlichting worden gemaakt door de ouders, die haar verleeneu. Zeer dikwijls reeds maakten deze misbruiken een onderwerp uit van gedachtenwisseling tusschen de vertegenwoordiging en de Regeeringquot;, en toen hij bij de openbare beraadslagingen zijne verdediging liet voorafgaan, met nader die misbruiken met naam en toenaam aan te duiden, toen was er niemand die de onjuistheid der feiten door hem aangevoerd, aantoonde of zelfs maar beweerde u).
») Meà zou zoo tienken, dat een wetsontwerp over een zóó belangrijk, in alle standen en kringen haar werkingvindend onderwerp, de bijzondere aandacht van den wetgever moest wekken. ïe merkwaardiger zijn daaroan
593
Bij het eerste ontwerp ontbrak aan art. 480 het tweede lid, luidende: Tegen den wil van dengene der ouders, die de vaderlijke macht uitoefent, wordt zij niet verleend.
Bij het voorloopig verslag werd den Minister De Vries verweten, dat het voorstel der Regeering niet alleen niet eerbiedigde de door het B. W. ten aanzien der' ouderlijke en maritale macht gehuldigde beginselen, waardoor de eenheid der familie gehandhaafd wordt, maar dat het voorstel zelfs die beginselen in den hartader aantastte en zoodoende het familierecht ondermijnde, waarvan volgens onze wetgeving de ouderlijke macht de grondzuil is.
De Minister, die reeds bij de Memorie van Toelichting erkende, dat voor het vereischen dier toestemming veel pleitte, en meende, dat zeer zeker geen Kantonrechter tegen den stelligen wil der ouders tot het verleenen van handlichting zou overgaan, tenzij zeer overwegende redenen hem daartoe mochten bewegen, meende toch, vooral met het oog op de mingelukkige verhouding, die soms tusschen ouders en kinderen of tusschen de echtgenooten bestaat, dat de wetgever, die algemeene regelen stelt, het vragen of verkrijgen der handlichting niet van de toestemming der ouders afhankelijk kon maken, waardoor men het verkrijgen van handlichting zou moeten ontzeggen.
dan ook de feiten, dat, toen de openbare behandeling der Wet in de Tweede Kamer aanving, de eerste spreker, de heer Van zinnicq Bebghann, zelfs de tusschenkomsl van den Voorzitter der Kamer moest inroepen, daar hem het spreken onmogelijk gemaakt werd, door het ged/ruisch dat andere Kamerleden maakten en dat, toen later de heer Van Lijnden van Sandenburg, zijne ernstige bedenkingen wilde blootleggen, zóó ernstig, dat hij den Minister zelfs bescheiden het ernstige verzoek deed het ontwerp in te trekken, hem vóóraf deze verzuchting van het harte moest: Hoe gering ook de belangstelling, en mijns inziens zeer ten onrechte, schijnt te zijn die in dit ontwerp wordt gesteld, acht ik mij toch verplicht trn enkel oogenhlik de aandacht van de Kamer te verzoekenquot;. Die weinige belangstelling bleek echter alleen te bestaan bij de niet-juristen in do Kamer, waarvan er dan ook maar 29 bij de eindstemming over de Wet, afwezig waren. Vgl. Mr. v. Lilaak bl. 19, 84, 85.
594
bijv. bij gebreke van de toestemming van den vader die zijn kinderen verlaat, of van de moeder die hen verwaarloost.
Toen echter bij het later gevolgd schriftelijk overleg den Minister de vraag werd gesteld, hoe deze over de in het voorloopig verslag gemaakte opmerking dacht, bleef de Minister bij zijn gevoelen volharden, dat de nadeelen van het in het verslag aangeprezen stelsel, grooter waren dan de daaraan verbonden voordeelen en dat eene uitdrukkelijke toestemming niet moet worden gevorderd; doch meende hij, ter bevordering van het gemeen overleg te kunnen toegeven, dat aan dengene der ouders, die de ouderlijke macht uitoefent, een recht van veto tegen het verleenen der beperkte handlichting werd toegekend, door toevoeging van een 2^ lid aan art. 480, geheel gelijkluidend aan het thans bestaande, met deze uitzondering, dat daarin van oadrriijke macht sprake was, welk woord echter tijdens de beraadslagingen, na eene opmerking van den lieer Wisïgens, door den Minister werd veranderd in vaderlijke.
Bij die openbare beraadslaging verheugde men er zich over, dat de Minister van een verkeerden en verderfelijken weg, door hem genoemd âden modernen weg, den weg der nieuwere rechtsbegrippenquot; was teruggekeerd, maar de Minister meende, dat het wetsontwerp door de bijvoeging van het 2c1l' lid was gewijzigd noch verzwakt, en volgens hem lag de kracht van de Wet hierin: âdat de Eech ter de handlichting kan weigeren, óók al stemmen de ouders in het verleenen er van toequot;'.
Uit het voorgaande blijkt, hoe de Wet van 1874 eene belangrijke, diep in het familieleven ingrijpende, aangelegenheid nader regelde, en hoezeer zij de aandacht van den wetgever verdiend had. Wellicht zou dan het 2dlt;gt; lid door den Minister weer zijn teruggenomen, wanneer men nader de bezwaren daartegen had willen overwegen, want die bezwaren waren
595
niet ongegrond, en waarom bij vonu uclalis bet veto der ouders niet bestaat, en nu wel bij de beperkte handlichting is voorgeschreven, had óók wel eens nader kunnen worden overwogen, vooral nadat de Heer Godefroi er op had gewezen, dat er bij aanneming der Wet, âeen niet-gerechtvaardigde strijd van beginsel op dit punt zou ontstaan tusschen de renia aclalix en de beperkte handlichtingquot;. En, al is het al eene kracht der Wet, dat de handlichting kan geweigerd worden, ook dan wanneer de ouders zich daartegen niet verzetten, het is naar mijn bescheiden meening een zwakte der Wet. dat de Kantonrechter de gevraagde handlichting moet weigeren te verleenen, ook dan wanneer hij overtuigd is, dat die toestemming zonder grond door vader of moeder wordt geweigerd, en die weigering is in het nadeel van den werkzamen, oppassenden minderjarige «).
Wanneer beide de ouders in leven zijn, beslist de Kantonrechter na verhoor of behoorlijke oproeping van dengene der ouders, die de vaderlijke macht uitoefent, en van de bloedverwanten of aangehuwden.
Staat de minderjarige onder voogdij, dan beslist de Kantonrechter na verhoor of behoorlijke oproeping van den voogd, den toezienden voogd, de bloedverwanten of aangehuwden en van den vader of de moeder, zoo een van beiden in leven mocht zijn zonder met de voogdij belast te wezen, en zijn de artt. 388 en o;9 B. \Vr. daarop toepasselijk IA.
De Kantonrechter kan, alvorens te beslissen, de persoonlijke verschijning van den minderjarige gelasten.
Vóór het sluiten van het verhoor bepaalt de Kantonrechter den dag waarop hij zijne beschikking geven zal.
Binnen veertien dagen na den dag der beschikking,
«) Vgl. do Minister ])e Vries. .Handel, bl. I 102.
h) Hoe men hel bij deze vrij duidelijke bepHling, lgt;ij dr behaudeliug der Wet vim 15 Nov. 1876, (67A/. No. 195) in de 2e Kamer nog fwijj'el-achtig kou vinden, of art. 388 I». AV. bij himdlichting wel toepasselijk was, i« inderdaad moeilijk te begrijpen. Vgl. bierroor bl. 545.
596
kan hooger beroep worden ingesteld door den minderjarige en door ieder die op het verzoek gehoord is.
Art. 342, B. R., waarbij de termijnen worden aangegeven binnen welke het hooger beroep van een vonnis, dat niet bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd, moet worden ingesteld, en dat bepaalt, dat de uitvoering van vonnissen, die niet bij voorraad ten uitvoer kunnen gelegd worden, gedurende acht dagen wordt geschorst, is hier niet van toepassing.
Een nieuw verhoor kan in hooger beroep bevolen worden, en wanneer de verzoeker zelf niet in beroep is gekomen, dan wordt op dat hooger beroep niet beslist, zonder dat de verzoeker is gehoord of opgeroepen om gehoord te worden. Art. 481.
Bij het verleenen der handlichting bepaalt de Kantonrechter uitdrukkelijk, welke rechten van meerderjarigheid aan den minderjarige worden toegekend Art. 482; terwijl de minderjarige, die de handlichting bekomen heeft, als meerderjarig wordt beschouwd, maar alléén opzichtelijk de daden en verrichtingen, die uitdrukkelijk aan hem zijn opgedragen en hij kan daar tegen, op grond van minderjarigheid, niet in zijn geheel worden hersteld.
Voor het overige blijft hij in den volslrekten toestand van minderjarigheid. Art. 483.
De bevoegdheid en de rechten, uit krachte der artt. 480, 481 en 482, aan den minderjarige toe te kennen, mogen zich niet verder uitstrekken dan tot de gedeeltelijke of de geheele ontvangst, de uitgave van, en de beschikking over zijne inkomsten; het sluiten van verhuringen, bet bebouwen zijner landerijen en het uitoefenen van zoodanige bedrijven als daartoe noodzakelijk zijn; het uitoefenen van eenig handwerk, het oprichten van, of deelnemen in eenige fabriek, en eindelijk tot het drijven van nering en handel. Art. 484, lsto lid.
In dit artikel 484 lag het gevaar dat vroeger bestond, omdat bij een tweede lid de minderjarige maar alleen
597
niet bevoegd werd verklaard zijne vaste goederen te vervreemden of te bezwaren. Over zijne roerende goederen, zijne effecten, inschrijvingen, enz., had hij echter de vrije beschikking.
Daarom werd dat gevaarlijke 2de lid, bij de Wet van 1S74, vervangen door een nieuw tweede en derde lid, en daarbij bepaald, dat wanneer handlichting verleend wordt tot het uitoefenen van eenigen handel of nering, of wel tot het oprichten van of deelnemen in eene fabriek, de minderjarige wel bevoegd is om, evenals een meerderjarige, alle verbintenissen te sluiten, tot die fabriek, nering en handel betrekkelijk, doch met uitzondering van de vervreemding en do bezwaring zijner vaste goederen en van de vervreemding of verpanding zijner rentegevende effecten, inschrijvingen in grootboeken van openbare schuld, hypothecaire schuldvorderingen en aandeelen in naam-looze of andere vennootschappen a), dat hij ter zake der handelingen, waartoe hij krachtens de verkregen handlichting bevoegd was, hetzij eischende of verwerende in rechten kan optreden en dat voor die handelingen art. 78 B. W. (over de woonplaats van den minderjarige) niet geldt. Art. 484, 2de en 3de lid.
De handlichting, bij artikelen 480â484 omschreven, kan door de Arrondisscmenls-lleehthank worden ingetrokken, indien de minderjarige daarvan misbruik maakt of er gegronde vrees bestaat, dat hij dit doen zal. Wanneer beide ouders in leven zijn, geschiedt de intrekking op verzoek van den vader of, zoo de vaderlijke macht door de moeder wordt uitgeoefend, op haar verzoek; en wanneer de minderjarige onder voogdij staat, op verzoek van den voogd of den toe-zienden voogd.
Op het verzoek wordt niet beslist, dan na verhoor of behoorlijke oproeping van den minderjarige en van den voogd, indien het verzoek door don toe-
a) lu liet eerste ontwerj) had men deze omschrijving niet, maar Terwees het artikel naar art. 451, 13. \V.
zienden voogd, of van dezen, indien het verzoek door den voogd is gedaan. De Arrond. Rechtbank kan gelasten, dat ook de bloedverwanten of aangehuwden en de vader of de moeder, zoo een van beiden in leven mocht zijn zonder met de voogdij belast te wezen, zullen worden opgeroepen om gehoord te worden. De Arrondissements-Rechtbank beslist zonder dat tegen die beslissing hooger beroep is toegelaten. Art. 485.
In het oorspronkelijk ontwerp, werd bevoegdheid tot intrekking van de handlichting aan den Kanlon-vechlcr gegeven, met deze toelichting van den Minister: âEr is geene reden te geven waarom deze (de Kantonrechter) niet zoude kunnen intrekken wat door hem is verleend.quot; â Maar op eenc vraag van de Commissie van Rapporteurs, welke oplossing de Regeering gaf aan de bezwaren gemaakt tegen het toekennen van uitvoerbaarheid bij voorraad aan do intrekking der Handlichting door den Kantonrechter, erkende de Minister, dat intrekking tegen den wil van den minderjarige niet was een handeling van vrijwillige, maaleerder van contentieuse jurisdictie. Om een en ander scheen het dan ook volgens hem overweging te verdienen de intrekking bij voortduring aan de Arrond. Rechtb. op te dragen, waartegen te minder bezwaar bestond, nu uitsluiting van het hooger beroep in het ontwerp der Nieuwe Rechterlijke inrichting«), als mogelijk werd aangenomen.
Uit die overweging veranderde de Minister het artikel zooals het nu luidt.
Verleende handlichting en ingetrokken handlichting moeten openbaar bekend gemaakt worden, bij behoorlijke afkondiging en plaatsing in de Staatscourant en in het dagblad van de woonplaats van den minderjarige, of bij gebreke daarvan in het dagblad eener naastgelegen plaats, in welke afkondi-
a) Dat uiet werd jumgouomen.
599
ging nauwkeurig moet vermeld worden, hoedanig en tot welk einde de handlichting is verleend, terwijl vóór die afkondiging de handlichting, zoo min als hare intrekking, tegen derden werkt. Art 486.
§ 178. Als regel stelt art. 366 B. W. dat staande huwelijk de vader, en na de ontbinding de langstlevende der ouders heeft het vruchtgenot van de goederen der minderjarige kinderen. Tloudt dat vruchtgenot om eenige reden op, of wordt het verloren, dan heeft de Kantonrechter de bevoegdheid om aan de ouders uit de inkomsten der kinderen eene jaarlijksche uitkee-ring toe te leggen, ten einde gedurende hunne minderjarigheid, tot bevordering hunner opvoeding te worden besteed (art. 873 B. W.)
§ 179. In alle gevallen waarin de vader een tegenstrijdig belang met dat zijner minderjarige kindereu mocht hebben, worden laatstgemelden vertegenwoordigd door een bijzonderen curator door den Kantonrechter te benoemen (art. 365 B. W.)
Art. 315 B. W. bepaalt, dat de rechtsvordering tot het ontkennen van de wettigheid van een kind, zal moeten gericht worden tegen een bijzonderen aan het kind toe te voegen vooyiL Terwijl er eenstemmigheid bestaat dat we hier niet te doen hebben met een eigenlijken voogd, maar slechts met iemand die voor den minderjarige a) optreedt in het geding omtrent diens wettigheid, bestaat er groot verschil van gevoelen omtrent de wijze van benoeming van den bijzonderen voogd.
Db Pinto, Schuu-er, Vkknede, Diephuis en Toulier, meenen, dat daar we hier met eene datieve voogdij te doen hebben, die benoeming alleen door den Kantonrechter moet en kan geschieden. Mr. Greeve stemde daarmede in.
Prof. Diephuis b) schrijft dat, daar er in deze, noch
d) Een bijzondere Toogd komt sleehts te pas bij een minderjarig kind, niet bij een meerderjarig (eonel. O. M., arrest H. R. 20 Maart 1885, v. d. II. K R. d. ÃO, blz. 518, R. d. 139, blz. 245, W. 5151). Zie ook Ingezonden stuk in W. 5156.
h) § 69.
600
van een langstlevenden vader of moeder, noch van een door dezen benoemden voogd sprake kan zijn, daaruit volgt, dat de Kantonrechter hier de eenige bevoegde macht is, omdat, behalve de twee genoemde soorten van voogden, de overigen alleen door een Kantonrechter kunnen worden benoemd.
Prof. Opzoomer a) noemde dat geen afdoend argument, omdat de Kantonrechter ook curators benoemt en toch de bijzondere curator, van wien art. 365 B. W. spreekt, en wiens gelijkheid aan den bijzonderen voogd van art. 315 men niet betwisten kan, door de Rcchthank werd benoemd.
Maar daar nu die benoeming door de Rechtbank, reeds bij de Wet van 18 April 1874 {SihJ. N0. 68), op den Kantonrechter werd overgebracht, mag dit argument van Prof, Opzoomer als vervallen worden beschouwd. Trouwens, ook hij is van meening, âdat de rechtsvordering en art. 315, moet gericht worden tegen een voogd, die uitsluitend voor het bestrijden van den eisch aan het kind wordt toegevoegd en wiens benoeming de eischer vooraf bij den Kantonrechter moet uitlokkenquot; b).
Ook Mrs. Asser en van Heusde (I 310) houden den Kantonrechter voor bevoegd.
De Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam vernietigde overeenkomstig de conclusie van bet O. M. de beschikking van een Kantonrechter, waarbij bij eene verschijning van bloed- of aanverwanten had bevolen, op grond, dat bij art. 413 B. W. geene melding wordt gemaakt van de voogdij, bedoeld bij art. 315 en deze voogdij, als 'uitsluitend betreffende den staat van den minderjarige en het voeren van één enkel geding, en geenszins het beheer over diens bezittingen, in het geheel niet kan worden gelijkgesteld met die bedoeld in de 5e afd. van den 16cn titel van het 1® boek en dat de daarbij voorgeschreven formaliteiten alzoo
a) liet B. W. J). 2, hl. 108.
h) bl. 167.
601
hierop niet toepasselijk zijn te achten. Vonnis van 9 April 1877, R. B. N. Reeks DIV A. 1878blz. 49. Evenzoo de Kantonrechter te 's Gravenhage (vonnis 3 Oct. 1883, W. 5012) en de Rechtbank te Middelburg (vonnis 20 Maart 1889, P. v. J. 1890, N0. 14). De Rechtbank te Heerenveen besliste bij vonnis van 13 Dec. 1889 (W. 5829, P. v. J. 1890, N0. 12) dat die benoeming behoort te geschieden door de Rechtbank. Een vonnis van de Rechtbank te 's Gravenhage van 8 Dec. 1891 (W. 6123) acht zoowel de Rechtbank als den Kantonrechter bevoegd.
Mr. Van dkr Kemp meende, dat, daar de wet niets omtrent de benoeming bepaalt, deze behoort te geschieden door de Rechtbank voor welke het geding omtrent de wettigheid van het kind gevoerd wordt. Hij achtte benoeming van een rechtsgeleerde ge-wenscht. Dat laatste deed ook Mr. Greeve.
§ 180. Wanneer de Hooge Raad aan een minderjarige brieven van meerderjarigverklaring {yenia aetatis) verleent, kan hij in het belang van den minderjarige in die brieven de bepaling voegen, dat hij, aan wien dezelve verleend worden, desniettegenstaande, totdat hij den vollen ouderdom van 23 jaren hebbe bereikt, zijne onroerende goederen niet anders zal mogen vervreemden of bezwaren, dan met toestemming van den Kantonrechter zijner woonplaats, na verhoor of behoorlijke oproeping van den vader, of, deze ontbrekende, van de bloedverwanten of aangehuwden «). In geval van verkoop, mag de Kantonrechter ook toestaan dat dezelve onderhands geschiede. Art. 479.
§ 181. Heeft de Rechtbank een bewindvoerder benoemd voor een afwezige, dan gelden voor het beheer van dien bewindvoerder, voorzoover niet door de Rechtbank anders is bepaald, de voorschriften gegeven voor het beheer van goederen van minderjarigen (B. W. boek I, titel XVI, afd. XI) voor zooverre
a) quot;Voor liet verhoor dor bloedverwanten en aangehuwden, zie hiervoor § 165.
602
die op zijn beheer van toepassing kunnen worden gemaakt, (art. 520 B. W.) Niet zelden zal hij dus des Kantonrechters machtiging behoeven.
De bewindvoerder, ingevolge art. 33 der Wet van 27 April 1884 {Stil. 9ö) door de Rechtbank benoemd over een in een krankzinnigengesticht verpleegde, kan geene andere daden dan van zuiver beheer verrichten, tenzij op machtiging des Kantonrechters. Die machtiging wordt alleen verleend om gewichtige redenen en na verhoor of behoorlijke oproeping der â vier naaste bloedverwanten of aangehuwden en van den echtgenoot, zoo zij er zijn. De bepalingen van de artt. 2 en 4 der Wet van 18 April 1874 {bibl. 68) zijn op deze machtiging des Kantonrechters van toepassing, behoudens de in laatstgemeld artikel voorkomende bepaling, omtrent de vacatiën der Kantonrechters, welke vervallen is door art. 3 der Wet van ij April 1877 {Slbl. 73).
Omtrent den bewindvoerder, dien de Kantonrechter benoemt, wanneer hij, die tot de voogdij geroepen wordt, weigerachtig of in gebreke is om die te aanvaarden, bevat de wet geene nadere voorschriften; evenmin omtrent den provisioneelen bewindvoerder bij onder curateelestelling. Zie omtrent een en ander Mrs. Asser en Van Heusde II, blz. 386 en 442.
§ 182. Wanneer de man, uit hoofde van afwezigheid of andere redenen, wordt verhinderd om zijne vrouw bij te staan of te machtigen, of een tegenstrijdig belang heeft, kan de Kantonrechter van de woonplaats der echtgenooten haar de bevoegdheid verleenen om in rechte te verschijnen, verbintenissen aan te gaan, beheer te voeren en alle andere akten te verrichten (art. 16(J).
De man beheert de goederen der gemeenschap. Wanneer echter de man afwezig is, of zich in de onmogelijkheid bevindt om zijnen wil te verklaren, en er onverwijlde noodzakelijkheid bestaat, kan de vrouw de goederen van de gemeenschap verbinden
60Ã5
of vervreemden, na daartoe door den Kantonrechter te zijn gemachtigd (art. 180.)
Omtrent de wijze waarop die machtiging moet gevraagd worden, bepaalt art. 798 li. Rv., dat de vrouw daartoe een verzoekschrift moet indienen bij den Kantonrechter en dat deze daarop zijne beschikking stelt.
§ 183. Ingeval van huwelijk moeten zoowel echte als natuurlijke wettelijk-erkende kinderen, die meerderjarig zijn, doch den vollen ouderdom van 30 jaren nog niet hebben bereikt, indien zij de toestemming hunner ouders gevraagd, doch, althans die van den vader a), niet bekomen hebben, de tusschenkomst inroepen van den Kantonrechter, binnen wiens gebied de vader of moeder metterwoon gevestigd zijn. Art 99, 104. Deze moet dan binnen drie weken na het gedaan verzoek voor zich doen verschijnen den vader, of bij gebreke van dien, de moeder, mitsgaders het kind, ten einde hun al zoodanige vertoogen te doen, als hij in hun wederzijdsch belang zal oorbaar achten. Mr. Van dek Kemp meende, dat het in den aard der zaak lag, dat de verschijning in persoon, niet bij gemachtigde moet plaats hebben. Mr. Greeve zag geen bezwaar in verschijning bij gemachtigde omdat de Wet dat niet verbiedt. Van de verschijning of niet-verschijning der partijen maakt de Kantonrechter een proces-verbaal op, zonder daarbij de redenen op te geven, die over en weder zijn aangevoerd, art. 100, 101. Het is den Kantonrechter niet verboden om bij niet-verschij-ning der partijen, haar op nieuw op te roepen, mits altijd die nieuwe verschijning geschiede binnen de drie weken na het gedane verzoek. Voorduin II, 191. Evenwel wanneer het kind niet. verschijnt, kan het huwelijk niet worden voltrokken, zonder een hernieuwd verzoek tot tusschenkomst, art. 102. Bij gebreke daarvan kan het huwelijk wel gestuit, of zijne
a) Zie arrest H. R. 1.3 Jan. 1854, W. 1505, R. XLVT, § 80, Regt en Wet XX, blz. 85.
604
voltrekking door den Ambtenaar van den burgerlijken stand geweigerd, maar niet vernietigd worden, art. 11G, N0. 2, art. 129, 154. De akte, waaruit van de vereiscbte tusscbenkomst blijkt, moet bij de voltrekking des huwelijks, aan den ambtenaar van den burgerlijken stand ter hand gesteld worden. Art. 126, N0. 3. Zijn de ouders in het buitenland gevestigd, dan kan het kind niet de tusscbenkomst van den Kantonrechter zijner woonplaats inroepen (arrest H. R. 27 Dec. 1851, v. d. H. B. R. dl. XlII, bl. 398â403, li. d. XL, § Gó); anders, en m. i. juister, een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, van 11 Oct. 1883, W. 5054. Daar wordt overwogen, dat art. 99 B. W. de aanwijzing van den bevoegden Kantonrechter alleen doet voor het geval dat de ouders eene bekende woonplaats hebben binnen het Rijk, dat derhalve voor alle andere toestanden gelden de regelen, gesteld bij de artt. 97 en 126 Rv. Inden geest van dat laatste arrest een vonnis van het Kgt. te Nijmegen van 4 Aug. 1884 (W. 5086) en een vonnis der Rechtbank te Zwolle van 1 Mei 1885 (W. 5268). De Kantonrechter van de woonplaats des verzoekers werd daar bevoegd verklaard, en voor de wijze en den termijn van oproeping der overlevende moeder, (die zich in het buitenland gevestigd had, doch wier verblijfplaats was onbekend) verwezen naar art. 4, N0. 7, en art. 9 B. Rv.
§ 184. Meerderjarigen, die zich in een gedurigen staat van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij bevinden, alsmede die zich aan verkwisting overgeven en ook de zoodanigen, die zich door zwakheid van vermogens buiten staat gevoelen hun eigen belangen behoorlijk waar te nemen, kunnen door de Arrond. Rechtbank onder curateele gesteld worden. Art. 487, 488, 490.
Bijzondere regelen voor onder curateele stelling van iu krankzinnigengestichten verpleegden, worden gegeven in § 5 der wet van 27 April 1884 {Slbl. 96),
605
tot regeling van hel staatstoezicht op krankzinnigen. Wanneer zij gevraagd wordt, nadat de eerste machtiging tot verlengd verblijf ingevolge art. 24 dier Wet werd verleend, worden de formaliteiten belangrijk vereenvoudigd. Zoo kan de beteekening van stukken geschieden aan het bestuur van het gesticht, ingeval een aan het gesticht verbonden geneeskundige aan den deurwaarder verklaart, dat de beteekeuing aan den verpleegde in persoon voor dezen schadelijk zou wezen. Die verklaring wordt dan in het exploit vermeld en door den geneeskundige onderteekend, een en ander op straffe van nietigheid van het exploit.
Het verzoek tot onder curateele stelling van een bloedverwant volgons art. 488 B. W., kan door den voogd gedaan worden voor zijn pupillen. Dat volgt uit het bepaalde bij art. 441 B. W. De wetgever heeft voor minderjarigen geene uitzondering gemaakt ten opzichte van de uitoefening van het recht, in art. 488 gegeven. Prov. Gerechtshof van Gelderland van 4 Juni 1873, R. B. N. K. D. 11, A. 1870, bl. 54â63.
Zoodra de uitspraak der Rechtbank tot curateele kracht van gewijsde bekomen heeft, moet zij door de zorg van hem, die haar gevraagd heeft, ter kennis gebracht worden van den Kantonrechter, welke dan een curator en een toezienden curator over den onder curateele gestelden persoon moet benoemen op dezelfde wijze, als waarop de benoeming van voogden en toeziende voogden over minderjarigen geschiedt. Art. 503. De uitspraak heeft kracht van gewijsde a) twee maanden na hare beteekening (art. 345).
Wanneer de curandus voor de Rechtbank niet verschijnt, wordt geen verstek tegen hem verleend,
o) Zie over de vraag van het in kracht van gewijsde gaan van een vonnis van onder curateele-stelling; Mengelwerk in W. van 17 Nor. 1856, No. 1800. In de Opm. en Meded. van Oudeman en DlEl'UUIS, D. XII, 2de reeks, I). II, bl. 1â16, wordt door Mr. Tiuemk dat betoog ia het breede bestreden. Zie ook W. van 18 Jan. 1858, Jio. !922.
606
doch slechts akte van non-comparitie. Immers de procedure tot onder curateele-stelling is eene procedure op verzoekschrift en daarbij komt geen verstek te pas. Het vonnis tot onder curateele-stelling is dan ook geheel en al eene beschikking op request; daartegen staat slechts open hooger beroep, doch niet verzet (arrest H. K. 4 Mei 1882, R. d. CXXXI, § 2, arrest Gerechtshof Amsterdam 28 Juni 1892, W. 6221, 6236, P. v. J. 1892, 84).
In geval de onder curateele gestelde eene getrouwde vrouw is, kan er van benoeming van een curator geen sprake zijn, omdat haar man van rcchtswegc baar curator is. Van dezen is beëedigiug evenmin noodig als van den vader, die van rechtswege voogd over zijne minderjarige kinderen is.
Maar behoort er een toeziende curator benoemd te worden? Mr. Van der Kemp beantwoordde die vraag ontkennend «). Volgens hem is de curateele van den man eenvoudig eene voortzetting van de maritale macht, tot wier uitoefening hij geen toezienden persoon of curator behoeft.
Mr. Gkeeve h) kan zich daarmede niet vereenigen, en meent, m. i. terecht, dat ook dan een toeziende curator zal moeten worden benoemd. Het argument van Mr. Van der Kemp beantwoordt hij met de vraag: of dan de vader-voogd geen toezienden voogd naast zich moet hebben, niettegenstaande hij niet ophoudt vader over zijn kind te zijn?
De verhouding tusschen de echtelieden als zoodanig blijft dezelfde, maar door de onder curateele-stelling der vrouw komt de man tegenover haar nog in eene andere verhouding, namelijk als haar voogd, die voor haar, als voor een minderjarige, heeft te zorgen, zonder dat zij zelve bijv. bij verwaarloozing van haar belangen, de bescherming der Wet daartegen kan
a) lu dien geest ook Diephuis, § 1095, Dk plnto, § 306, De Witt Hamer, bl. 401â463.
b) In dien geest ook Mrs. Asseb en Van Heusde I, 448.
007
inroepen en waarom het dus van het grootste belang is, dat als zoodanig den man ter zijde sta een toeziener, die, desnoodig, voor de verwaarloosde belangen der vrouw de bescherming der Wet kan vragen «).
De vrouw kan tot curatrice over haar man benoemd worden. In dat geval zal de Kantonrechter, na verhoor of oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden van den onder curateele gestelde, eenen toezienden curator aanstellen, mitsgaders den vorm en de voorwaarden der besturing regelen, behoudens het beroep van de vrouw aan de Arrondissements-Rechtbank, zoo zij vermeent door de beschikkingen van den Kantonrechter bezwaard te zijn. Art. 505. Uit het voorschrift van art. 505 heeft men ook afgeleid, dat de man-curator geen toezienden curator naast zich behoeft.
Hangende de procedure over de onder curateele-stelling, kan de Rechtbank, zoo daartoe gronden zijn, een provisioneelen bewindvoerder benoemen, om voor den persoon en de goederen van hem, wiens curateele gevraagd is, zorg te dragen en welke bewindvoerder later aan den curator rekening en verantwoording zal moeten doen. Zoo hij zelf curator wordt (als b. v. de man) zal hij die verantwoording aan den toezienden curator moeten doen. Art. 495 en 503 B. W. I)
Betrekkelijk den aard der betrekking van den voov-loopigen bewindvoerder, krachtens art. 495, B. W. benoemd over iemand, wiens onder-curateele-stelling is verzocht, verwijs ik naar een zeer belangrijk arrest van den H. R. Iemand, wiens onder-curateele-stelling wegens verkwisting verzocht, doch nog niet uitgesproken was, kwam, zelfstandig en zonder bijstand van den over hem benoemden provisioneelen bewindvoerder, in verzet tegen een op zijn onroerende goederen gelegd executoriaal beslag. De Arrond.
a) Vlg. Kist. De Kantouregter, bl. 53â50, en Schkumek, bl. 255 eu 256. Wenschelijk is liet iutusseheu dat de Wet zicli duidelijk uitspreke.
I) Aan wien zal de mau-curator rekening en verantwoording doen als» er geen toeziende curator benoemd wordt.
40
608
Rechtb. te Maastricht verklaarde hem niet-ontvankelijk, omdat er eeu verzoek tot onder-curateele-stelling tegen hem aanhangig was en een provisioneele bewindvoerder over hem was benoemd. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vernietigde dat vonnis en verwierp de niet-ontvankelijkheid door do Rechtb. aangenomen. Men beweerde nu schending van de artt. 495, 500, 501, 503, 1350, 1365 en 13(30 B. W., docli de H. R. verwierp, conform de zeer lezenswaardige conclusie van den Adv.-Gen. Polis, het ingestelde beroep, op grond o. a. dat wel de bewindvoerder volgens art. 495 zorg moet dragen voor den persoon en de goederen van dengene, wiens curateele verzoek l is, en ook uit art. 503, 2ae lid, 15. W. wel volgt, dat hij over die goederen beheer uitoefent, maar, dat noch bij deze artikelen, noch bij eenige andere wetsbepaling, aan hem, wien een voorloopig bewindvoerder is toegevoegd, doch wiens curateele nog niet is uitgesproken, de bevoegdheid ontnomen is om, bij het stilzitten van dien bewindvoerder, in rechten op te treden ter bescherming van zijn eigendom. Dat te minder mocht worden aangenomen, dat de ontneming van die bevoegdheid stilzwijgend ligt opgesloten in de opdracht van het beheer aan den bewindvoerder, omdat in alle gevallen, waarin hij, die door de Wet geroepen tot het beheer eens anders goed, dezen tevens in rechten moet vertegenwoordigen of bijstaan, dit uitdrukkelijk door de Wet wordt bepaald, gelijk o. a. blijkt uit de artt. 160, 441 in verband met art. 506 B. W. en art. 813 K., arrest van 12 Dec. 1879, W. 4454. R. B. 1880, A. 43, 294.
De Arrond. Rechtbank te Amsterdam besliste echter even te voren bij vonnis van 13 Nov. 1879, W. 4486, dat de pr visioneele bewindvoerder den persoon, wiens curateele verzocht is, vertegenwoordigt, terwijl deze laatste zijn jus standi in judicio heeft verloren. Zie dit laatste vonnis bestreden door Mr, N. F. van Nooten in W. 4491, en verdedigd door G, T. in W,
609
4498. Zie de volgende § over de vertegenwoordiging bij verzegeling.
Indien de onder curateele gestelde persoon minderjarige kinderen heeft, en de andere echtgenoot overleden is, of zich buiten de mogelijkheid bevindt om de voogdij te kunnen waarnemen, zal de curator van den onder curateele gestelden insgelijks voogd van die minderjarigen zijn. Art. 507 B. W.
Maar is de toeziende curator tevens toeziende voogd over die minderjarigen? Mr. Gkeevk meende van niet.
Mrs. Asser en Van IIeusds (I, 449) nemen stilzwijgend het tegendeel aan; mij dunkt terecht.
Oji den curator en toezienden curator is verder toepasselijk al hetgeen vroeger is gezegd omtrent den voogd en den toezienden voogd «). De onder curateele gestelde namelijk staat gelijk met een minderjarige. Art. 506. Dientengevolge, wanneer hij, die uithoofde van verkwisting onder curateele gesteld is, zich in het huwelijk wil begeven, zijn daarop toepasselijk de bepalingen van artt. 95 en 206 met de gevolgen van dien, bepaald bij artt. 96, 118 n0. 1, en 146 B. W. Vgl. bov. § 176. Zoo ook noemt art. 50(5 de artikelen op, wier bepalingen omtrent de voogdij insgelijks gelden moeten bij de curateele. Maar duidelijk schijnt het, dat de artikelen, die met de uitdrukkelijk opgenoemde nauw samenhangen, ofschoon zij niet zijn opgenoemd, mede toepasselijk zijn. Zoo zijn uitdrukkelijk toepasselijk verklaard de artt. 386 tot en met 399, voor welke men zie bov. §§ 163, 165, 168, 169, 171. Maar dientengevolge zijn mede toepasselijk, ofschoon niet opgenoemd, art. 418, artt. 414, 415, 416, (vgl. § 165), art. 419, (vgl. § 167). Voorts noemt art. 506 als toepasselijk de artt. 424 tot en met 443, art. 444, 445, 446, 449 en volgende van de elfde en twaalfde Afdeeling en van den 16deu titel, van het
a) Zie over de benoeming en belediging in geval van onvermogen, hiervoor bl. 555 en 556.
610
l«te Boek van het B. W. (vol. §§ 161, 166, 167, 172, 173 en 174).
§ 185 «). Eene niet onbelangrijke werkzaamheid waartoe Je Kantonrechter kan geroepen worden, is de vnrzefjelbiii h) van den boedel of van een afwezige, op de vordering van den benoemden bewindvoerder te doen, art. 51'.» en 520 B. W., of van een overledene. De laatste geschiedt of op verzoek of ambtshalve. Die verzegeling tt? doen, nog tijdens de ziekte van den eigenaar en vóór zijn dood, meende \ an dkr Kkmp, dat zou strijden met alle regelen van welvoegelij kheid en ik voeg er bij, ook met de bepaling der wet. De Witt Hamer meent echter, dat het verzoek door den zieke zelf kan geschieden 1). Kan, maar het is de vraag, of de Kantonrechter verplicht zou zijn oin aan zoodanig verzoek te voldoen. Zoolang de patient leeft, zijn er geen erfgenamen, zij kunnen dus niet afwezig zijn, en van den patient zelf kan men toc-h moeilijk beweren dat hij «Iwezh/ is. Het is waar, dat eene langdurige ziekte van dezen of genen erfoom, onder de goede zorgen van vrienden, behendige of oneerlijke dienstboden,. zeer nadeelig kan zijn voor het aandeel dat diens erfgenamoM. later uit de nalatenschap zal blijken te moeten worden uitgekeerd, maar .... ook eene verzegeling is tegen zoodanige verrassingen geen afdoend middel. Zij is voor een eerlijk man niet noodig en helpt niet tegenover de listen en lagen van den schurk. En meent men nog dat de eed aan het einde der verzegeling-af te leggen, door hen die in het bezit der goederen waren, nog eenige kans zou aanbieden het geweten
a) Deze § necra il woordelijk over uit de derde uitgaTC, toevoegingen deed ik in aanmerkingen aangeduid met a h c enz.
h) Zie hierover Mr. K. J, AimiNO Hisgst. De verzegeling en ontzege-Jing nfi overlijden. Leiden 1891 aangekondigd in K. en W. 1891, 197,
T. v. N. IX, 127.
1) In welk stadium vau krankheid, ion wel een lieke pleizier hebben zich te vermeien in den sou.sa van zijn aanstaanden dood her
611
van den oneerlijke te doen ontwaken, ik voor mij heb de ondervinding opgedaan, dat zij, die er geen been in zagen hnn meester te bestelen, of te dwingen tot afgifte van geldswaarde of gelden, bijzonder weinig er tegen opzien om zelfs met een soort van zalving de vingers op te steken. Maar bovendien, wat helpt den erfgenaam een eed van een tronw en eerlijk oud-gediende, als buiten diens weten bijv. eene boezemvriendin van den overledene goedvond, of reeds te voren eenige waarden in zekerheid te brengen, óf eene zoodanige gunstige beschikking te haren voor-deele uit te lokken, als waardoor de billijke aanspraken der erfgenamen beduidend worden ingekort.
Voor mij is daarom eene verzegeling eene handeling waarvan men spaarzaam moet gebruik maken, en waarvan men de bepalingen, op de meest ruime wijze moet verklaren en toepassen, gelijk ik hierna nog zal aangeven.
Do verzegeling na overlijden kan worden gevorderd, l'1. door den overgebleven echtgenoot en door al degenen, die met eenigen schijn van waarheid, beweren eenig recht te hebben n) op de nalatenschap of de gemeenschap; zie 11. Raad 15 April 1853, W. 1437; 2°. door de schuldeischers der nalatenschap, voorzien van een executorialen titel, of anders na summier onderzoek van de gegrondheid hunner vordering en van hun belang bij eene verzegeling, op een verlof van den President der Arrond. Rechtbank; 3''. ingeval de personen, onder nquot;. 1 vermeld, niet tegenwoordig zijn, door diegenen die in dienst waren van den overledene of met hem te zamen woonden; 4°. door de uitvoerders van den uitersten wil: 5°. door de naast-bestaanden van belanghebbende minderjarigen of onder curateele gestelden, indien dezen van geen voogden of
a) Zoo de erfgenamen bij versterlquot;, wauuoer er volcloeude omstftudigliedeii aanwezig zijn, welke de geldigheid van het testament, dat die erven uitsluit, niet hoven alle verdenking verheven doet zijn. 11. K. 14 .Nov. 1856, W. 1803.
612
curators voorzien, of hunne voogden of curators niet tegenwoordig zijn; 6°. door den curator eener onbeheerde nalatenschap, art. 520, 1056, 1174 B. W., 659 B. R.
De erfgenaam, die zijn erfrecht verkoopt, verliest door dien verkoop het recht om de nalatenschap te doen verzegelen, H. E. 26 Mei 1865, W. 2700, bevestigende een arrest van het Prov. Gerechtsh. in Z. H. van 11 Mei 1864, W. 2594.
Wanneer partijen vrijwillig samenkomen tot het opmaken van den inventaris eener nalatenschap, kan, wanneer er geschil bestaat over de goederen die geïnventariseerd moeten worden, een der belanghebbenden alsnog verzegeling vorderen. President Arrond. Rechtb. Gorinchem, kort geding, 31 Maart 1874, W. 3736.
Bij de onder 5° gebruikte woorden voogden of curatory, heeft men natuurlijk alleen te denken aan het geval, dat de minderjarige noch voogd, noch toezienden voogd heeft. Indien een van beiden bestaat, en dat zal in den regel wel het geval wezen, is het, zooal niet in strijd met de letter, dan toch zeker in strijd met de bedoeling van de Wet, verzegeling te vragen of die ambtshalve te verrichten. Vreemd is het, dat aan Vax dkr Kemp ambtshalve verzegeling wel verplichtend toescheen, indien slechts een toeziende voogd of toeziende curator aanwezig was, maar niet verplichtend, indien dezen ontbraken, maar er wel voogd of curator aanwezig was 1).
Ambtshalve en zonder het verzoek daartoe, zoo er personen zijn die de verzegeling vorderen kunnen, te behoeven af te wachten, is de Kantonrechter tot verzegeling verplicht, in geval een minderjarige of onder curateele gestelde, die in de nalatenschap belang- of medebelanghebbende is, geen voogd of
1) Zie W. 1002. Van een tegenoTergesteld gevoelen is Kist, bl. 103. Vgl. SuEINüAR, bl. 48.
G13
curator heeft; vergelijk hetgeen we hierboven hebben gezegd omtrent 5°.; of indien de voogd of curator of de echtgenoot van den overledene, of een der medeerfgenamen niet tegenwoordig is eu geen, bij schriftelijke volmacht, gemachtigde heeft aangesteld om hem te vertegenwoordigen, zoodat zelfs een door de Rechtbank, volgens art. 51!' 13. W., benoemde bewindvoerder voor geen schriftelijk gemachtigde zou kunnen gelden.
Men moet intusschen, waar er sprake is van het eigenlijk afwezig zijn, niet vergeten, dat n'wt leyen-iroonlici zijt} nog iets anders, en heel wat anders, beteekende ten tijde dat deze bepaling in de wet werd opgenomen dan in onze dagen. .
Iemand te Amsterdam woonachtig, die het geluk heeft een rijke erfoom of tante te 's Gravenhage te verliezen, is niet afwezig, waar bet vaststaat, dat hij door den telegraaf, eenige seconden na het overlijden daarvan reeds kennis kan dragen, en hem meer dan ééne gelegenheid is gegeven om op een dag heen en weer, en zelfs meer dan eens, van de Hoofdstad naar de Residentie te reizen. Hetzelfde zal men zelfs kunnen zeggen van den erfgenaam die tijdelijk te Parijs verblijft, ook hij, terstond met het overlijden in kennis gesteld, kan op één dag zich aan hot sterfhuis bevinden. In één woord, tenzij men niet lecjcnwoordig zijv, in den meest letterlijken zin opvatte, vermeen ik, dat ambtshalve verzegeling te dier zake alleen dan moet geschieden, wanneer men door andere belanghebbenden de overtuiging heeft, dat de afwezige afwezig wil zijn en blijven, opdat er verzegeld worde.
Verder kan de verzegeling ambtshalve geschieden, indien de overledene openbaar bewaarder van eenige zaken was, in welk laatste geval de verzegeling ambtshalve, maar alléén plaats beeft ten aanzien der voorwerpen, iiv die bewaarhouding begrepen: weshalve, indien tevens de verzegel ing ook op de eigen goederen van den overledene verzocht wordt, zij insgelijks
614
moet plaats hebben, zonder dat evenwel daartoe twee afzonderlijke processen-verbaal van noode zijn, meende Van der Kemp, maar ik vereenig mij geheel met het gevoelen van De Witt Hamer, bl. 517, die volkomen juist meent, dat hier twee afzonderlijke en op zich zelf staande boedels zijn, en de bewering van Van der Kemp, dat de Kantonrechter, twee afzonderlijke processen-verbaal opmakende, twee boedels wederrechtelijk zou schiften, zooals hij het noemt, komt mij inderdaad onbegrijpelijk voor.
Ten aanzien van overleden Notarissen, ofschoon openbare bewaarders zijnde, zijn echter bij de Wet op het Notariaat van 9 Juli 1842, (Slbl. N1. 20), bij art. 62âG8, ook na de wijziging dier Wet bij de wetten van 26 April 1876 {Slbl. N0. 85) en 6 Mei 1878 {Slbl. N0. 29), zoodanige bepalingen gemaakt, dat er geene verzegeling ambtshalve meer te pas komt.
De verplichting van de uitvoerders eener uiterste wilsbeschikking om de nalatenschap te doen verzegelen in de gevallen, bij art. 1056 B. W. bepaald, vermindert in niets de bevoegdheid van den Kantonrechter tot verzegeling ambtshalve. Zelfs wanneer de testateur den executeur-testamentair bij testament heeft vrijgesteld van de wettelijke verplichting de verzegeling van den boedel te vragen, blijft de Kantonrechter niettemin bevoegd, zoo daartoe termen aanwezig zijn, den boedel te verzegelen. Zie W. 1720. Beschikking President te Winschoten, N0. 903.
Van een ander gevoelen is De Witt Hamer bl. 515, op grond, dat nergens de afwijking van de uitzondering op den regel, vervat in art. 660 B. 11., geschreven staat. Doch deze bewijsreden was Van der Kemp niet duidelijk. De verplichting tot verzegeling ambtshalve strekte zich, volgens hem, ook uit tot het geval dat een boedel of door afwezigheid verlaten, of door niet-aanvaarding onbeheerd is. Zelfs bij het bestaan van medeërfgenamen of van erfgenamen in den volgenden graad, aan wie art. 546 B. W. het
615
bezit des geheelen boedels toekent, kwam, volgens hem, rle verzegeling ambtshalve te pas, indien de nalatenschap opkomt aan iemand, wiens bestaan onzeker is. W. 1518.
Zoo besliste dan ook de President der Arrond. Rechtb. te Middelburg, bij beschikking van 4 Febr. 1854, W. 1518, dat de Kantonrechter bevoegd is de goederen eener nalatenschap ambtshalve te verzegelen, wanneer hij, wiens bestaan onzeker is, als medeërf-genaam tot die nalatenschap geroepen wordt.
§ 186. Indien iemand zich tegen de verzegeling verzet, of indien men daarbij beletselen ontmoet, of ook indien zich hetzij vóór, hetzij gedurende de verzegeling zwarigheden opdoen, moet daarover in kort geding door den President der Arrond. Rechtbank worden beslist, tot welk einde, na de verzegeling gestaakt te hebben, de Kantonrechter buiten, of naar gelang der omstandigheden, zelfs binnen het huis bewaarders moet stellen en voorts de zaak onmiddellijk aan de beslissing van den President onderwerpen; zelfs kan hij, indien de zaak geen uitstel gedoogt, bij voorraad beschikken en met de verzegeling doorgaan en die ten einde brengen, behoudens zijne verplichting om zijne beslissing naderhand aan die van den President te onderwerpen. Art. 665, 15. R. Vgl. boven § 159. Van dek Kemp meende, dat de beslissing van den President op bet proces-verbaal van verzegeling moet geschreven en ouderteekend worden. Hij vond het vreemd, dat deze bepaling, die men voor het geval van ontzegeling en van gijzeling aantreft in art. 604 en 675 B. R., hier niet is opgenomen, gelijk vroeger bij art. 922 Cod. Proc. Wegens die niet-opneming oordeelen De Pinto, blz. 732, en De Witt Hamer, blz. 526, dat in geval van verzegeling de regel van art. 296, hetwelk de inschrijving van de minuten van 's Presidents uitspraken in een afzonderlijk register voorschrijft, moet gevolgd worden, hoezeer er dan ook geen redenen denkbaar zijn,
616
waarom de wetgever hier een verschillenden rechtsvorm zou bepaald hebben. Het is geenszins de bedoeling dezer wetsbepaling, dat, bij verzet tegen de ontzegeling de Kantonrechter als eene eigenlijk gezegde partij in het geding zou moeten optreden (vonnis Eechtbank Amsterdam 2 Oct. 1868, W. 3053, arrest Gerechtshof aldaar, 23 Nov. 1803 o), W. 6481, P. v. J. 1804, 35).
§ 187 h). De verzegeling geschiedt door den Kantonrechter van de plaats, waar verzegeld moet worden, in tegenwoordigheid van den Griffier, art. 658; en alleen op die woningen en vertrekken, welke de bijzondere woning van den overledene uitmaakten; ten aanzien van andere woningen of vertrekken, waarin goederen van den overledene zijn mochten, moet de Kantonrechter zich bepalen tot de verzegeling of opschrijving dezer goederen. Bij derden, die in bezit zijn van goederen der nalatenschap, kan geene verzegeling gedaan worden, meende Van der Kemp, met verwijzing naar Cakré VI, 52, Berk. st. Prix II, 698 (44) Nquot;. 8. Ik deel dat gevoelen echter niet en meen integendeel, dat de Kantonrechter, wanneer bet hem blijkt, dat het eigenlijke fortuin van den overledene bij een derde bewaard wordt, bevoegd is ook te verzegelen ter plaatse waar het zich bevindt. Mag men daarbij al in aanmerking nemen den persoon bij wien de effecten zijn gedeponeerd, het recht van den Kantonrechter kan daardoor in niets verminderd worden.
De veelal gebruikte bestrijding, dat de overledene den bankier vertrouwde en er dus geene reden bestaat
a) Bij dat arrest word ook «jcoordcekl dut de beslissing van don President in geval van verschil over verzegeling niet behoort tot de bij art. 289 J3. R. bedoelde onverwijlde voorzieningen bij voorraad, maar dat daarbij definitieve^ijk behoudens hooger beroep hij het Hof, de verzegeling bevolen, of het verzet daartegen gegrond verklaard wordt, zonder dat daarbij gelijk lgt;ij een met een presidiaal verlof gelegd beslag, eene nadere bekrachtiging daarvan door de Kochtbank noodig i«.
h) Deze § noem ik met de aanteekening woordelijk uit de derde uitgave' over.
617
om ten zijnent âden aapquot; van den overledene te verzegelen, kan er wel toe leiden om den bankier, na de effecten te hebben verzegeld, aan te stellen tot bewaarder van die verzegelde goederen, maar de verdere gevolgtrekking vervalt, dunkt mij. Op het oogenblik dat de erflater sterft, is het diens goed niet meer dat de bankier bewaart, maar het goed, pro indiviso der erfgenamen, van wie hij geen mandaat heeft tot bewaring.
Indien cr ten aanzien van een boedel verzegeld moet worden in verschillende Kantons, moet zulks door de verschillende Kantonrechters, ieder in zijn eigen Kanton, geschieden. Cakkk VI, 57. De Pinto, bl. 722. De Kantonrechter moet zich bij de verzegeling van een daartoe bestemd zegel bedienen. Art. 658. Hierdoor, meende Van der Kemp, had men te verstaan een zegel, hetwelk bepaaldelijk tot dat en geen ander oogmerk gebruikt wordt, zoodat men zijn eigen cachet daartoe niet meer bezigen mag. Voor de wettelijke eenvormigheid meende hij dat het misschien wen-schelijk ware, dat er omtrent het kantonrechterlijke zegel vaste bepalingen gemaakt werden. Het gevoelen van De Witt Hamer, bl. 510, dat het zegel bestaan moet in 's Rijks wapen, zoodanig als het is vastgesteld bij art. 1, Besl. 24 Aug. 1815, (Sthl. N0. 46), met de benaming van het Kantongerecht, nam Van der Kemp niet aan, omdat hij niet begreep, hoe hetgeen bij dat Besluit verplichtend was verklaard voor liet Rijk en 's Konings Huis, ook voor de Kantongerechten kon gerekend worden verplichtend te zijn.
Van den Honert, in zijn Formulierboek, 2de druk, bl. 347, zegt; âWelk cachet de Kantonrechters bij âverzegelingen moeten gebruiken, is nergens voor-âgeschrevenquot;; en Suringar, bl. 84, Nquot;. 109, acht het niet onwaarschijnlijk, âdat onze Wetgever, toen âhij voor do verzegeling rrn daarloe hes land zegel âvoorschreef, het voornemen gehad heeft, door eene ânadere verordening daarin te voorzien, doch dat
618
âdie verordening tot dusverre in de pen is gebleven. âIn afwachting daarvan gebruikt men, zoo ik meen, âoveral het gewone stempel van het Kantongerecht, âhetzelfde dat op brieven en andere stukken wordt âafgedruktquot;.
Hoewel De Witt Hamer zijn gevoelen niet motiveerde, geloof ik toch, dat het aannemelijker is dan dat van Van dek Kemp, en dat er reeds een daartoe bestemd zegel bestond vóór het in werking treden van art. 658, 2 B. R. en nog bestaat. De gronden voor dat gevoelen wil ik aangeven.
Bij het Besluit van den Souvereinen Vorst van 11 Dec. IS 13, N0. 1 (bill. X0. 10), houdende bepalingen ten aanzien van de Lijfstraffelijke Rechtsoefening in de Vereenigde Nederlanden, wordt in art. 33 bepaald: âDe Vrederegters zullen weder bij n roei sic van hun eigen cachet in plaats van het Fransch keizerlijke gebruik makenquot;.
Hoe die bepaling nu verdwaald kwam in het bekende zoogenaamde Geesel en Brandmerk Besluit, is zeker vreemd, maar duidelijk is het, dat de Vrederechters onder de Fransche overheersching als cachet hadden het Keizerlijke wapen, den Fransclieu Adelaar met bijvoeging van den naam van het college, dat het gebruik van die cachetten werd verboden, bij provisie vergund werd van eigen cachet gebruik te maken, in afwachting zeker, dat een Nedcrlanchrli rachel zou zijn vastgesteld.
Die vaststelling nu had het eerst plaats bij Besluit van den Souvereinen Vorst der Vereenigde Nederlanden van 14 Januari 1814, Nquot;. 133 {Stbl. N0. 9), bepalende bet wapen van Z. K. H. den Heer Prinse van Oranje Nassau, Souverein Vorst der Vereenigde â¢Nederlanden, want art. 11 van dat besluit luidt woordelijk als volgt:
Hel tegenii'oordig besluit zal, op de geironc ivjze, worden (jcpubliceerd en (jeïnsercerd in hel islaalshlad, zullende tevens aan de Hoofden der verschillende tal;ken van publiek bestuur een genoegzaam aantal afdrukken van het bij
619
art. I omschreven wapen worden toegezonden, ten einde hij hun voor dk publieke dienst te gebruiken cachetten, dien overeenkomst'uj te vervaardigen, met dien verstande, dat ieder op het voor zijne administratie bestemde cachet, de benaming dier administratie vermelde.
Bij Koninklijk Besluit van 24 Aug. 1815, N0. 71 (Stbl. N0. 46) waarbij het Itijks wapen wordt vastgesteld, werd art. 1 van het Besluit van 1814 gewijzigd in zóóverre, dat daarbij wordt bepaald, dat het Rijks wapen zal bestaan in ons aangeboren Geslachtswapen van Nassau, zijnde een klimmende Leeuw van goud, getongd van keel, op een veld van Azur, bezaaid met gouden blokken, welk wapen wij alsnu vermeerderen door te bepalen, dat de Leeuw zal zijn gekroond met een Koninklijke Kroon, en dal hij in den rechter voorklauw een opgestoken zwaard houden zal, etc in den linker een bundel pijlen met gouden punten, de punten- omhoog en de pijlen met een gouden lint te zarnen gebonden.
Nu is het waar, dat het Koninklijk Besluit geen bepaling inhoudt als art. 11 van het Souverein Besluit, en hoewel zij ook in het eerste volledigheidshalve had kunnen voorkomen, zoo was dat echter niet volstrekt noodig, omdat er moeilijk een reden zou te vinden geweest zijn, waarom ten opzichte van het Koninklijk wapen niet het zelfde zou gebeuren als met dat van den Souvereinen Vorst plaats had.
En dat er werkelijk alzoo is gehandeld, is mij bij onderzoek, daartoe welwillend in staat gesteld en waarvoor ik hier gaarne mijn dank betuig, duidelijk gebleken.
Reeds kort na de vaststelling van het Koninklijk wapen in 1815, bleek het, dat daarin in het plaatsen der daarop voorkomende blokken, niet die nauwkeurigheid was in acht genomen als behoorde, waarom door den Hoogen Raad van Adel die onnauwkeurigheid werd hersteld.
Toen bij Koninkl. Besluit van 24 Juni 1816, N0. 77, dat Hooge Staatscollege door Z. M. gelast was die
G20
veranderingen en verbeteringen a) ter algemeene kennisse te brengen, zond de H. K. v. A. bij missive van 2 Juli 1810, N0. S78/iu aan alle Staatscollegiën een verbeterd model met uitnoodiging, om op de reeds gebruikt wordende cachetten enz. âdie veranderingen te doen werkstellig makenquot;.
De Minister van Justitie zond bij missive van 28 âºSept. 1810, N0. 407, o. a. aan liet Hoog Gerechtshof in 's Gravenbage, afschrift van de missive van den H. R. v. A. met een daarbij gevoegd verbeterd model van het Rijks wapen, met uitnoodiging om de voorgeschreven veranderingen en verbeteringen op de cachetten, waarvan men zich tot biertoe bediend bad, te doen bewerkstelligen, en om âuwe ondcrhoorvjrn voor zoo verre zij in hel (jeeal mochten zijn om zich van een cachet met hel llijks wapen te moeien bedienen, met het gegeven voorschrift te willen bekend makenquot;.
Waar nu bet feit vast staat, dat elk Kantongerecht heeft een zegel bestaande in het Rijks wapen met bijvoeging van den naam van het Kantongerecht, daar meen ik, bij inductie, als oorzaak van dat feit te mogen stellen, een gegeven bevel om dat wapen op die wijze voor den publieken dienst te gebruiken.
Wanneer men het nu verder met mij eens is, dat het zegel of cachet van den Kantonrechter gebruikt wordt voor den publieken dienst, óók dan wanneer hij er mede verzegelt, dan dunkt mij, dat de woorden âeen daartoe bestemd zegelquot; van art. 058, B. R. zijn verklaard, en dat het gevoelen van Van dex Honkrt, dat nergens is voorgeschreven welk cachet de Kantonrechter gebruiken moet, of dat van Van dek Kemp en Kist, dat de Kantonrechter slechts zal hebben aan te wijzen welk zegel hij voor verzegelingen loil bestemmen, maar dat hij dan ook tot geen
a) De min juiste plaatsing der blokken (billattes), was niet de eenige onnauwkeurigheid die veranderd en verbeterd moest worden, maar ook werd o. a. bevolen quot;het teeken, hetwelk het geslacht des Leeuws aanduidt, zichtbaarder te doen stellen.quot;
021
ander einde zal mogen gebruiken, niet vrij van bedenking schijnt, in ieder geval, niet genoegzaam is gerechtvaardigd.
De Kantonrechter moet ook een bewaarder van de gelegde zegels aanstellen, waartoe hij, in den regel, bij voorkeur den persoon zal benoemen, die door de belanghebbenden hem wordt voorgesteld, indien deze hem toeschijnt de vereischten daartoe te bezittten Art. 658. Die vereischten worden nergens opgegeven, en geheel aan het oordeel des Kantonrechters overgelaten. Raadzaam echter, meende Van der Kemp, is het, dat hij daartoe iemand verkieze, die wat te verliezen heeft en tegen wien lijfsdwang kan ten uitvoer gelegd worden, hoewel Van bek Kemp deed, wat in den regel gedaan wordt, tot zegelbewaarders aanstellen, een of meerdere dienstboden ten sterfhuize, die om het hierna te noemen honorarium gaarne zich daartoe benoemd zien, en naar mijne ervaring, nooit het vertrouwen te leur stelden, dat in hen gesteld werd. Aan den bewaarder, die zelf bij de bewaring geen belang heeft, of in geene andere betrekking er mede belast is, een medeërfgenaam bijv., moet voor eiken dag, kost en onderhoud daaronder begrepen, worden toegelegd, indien hij geen medebewoner is vau het huis of de plaats, waarin de verzegeling heeft plaats gehad, per dag /' 1,â en indien hij medebewoner is, per dag f 0.40. Art. 60 Tarief. â De vroegere bepaling van art 915 Cod. l'roc. houdende, dat de sleutels der verzegelde voorwerpen blijven in handen van den Griffier, en dat hiervan melding gemaakt wordt op het proces-verbaal, is niet vernieuwd geworden. Noodig is het daarom niet, maar het gebruik, en ik meen een zeer goed gebruik, brengt mede, dat de Kantonrechter de sleutels der brandkasten, kisten of meubelen, die door hem verzegeld zijn, met zich neemt, en onder bewaring van den Griffier stelt, om ze bij de ontzegeling weer op te leveren.
622
§ 188. Het is niet volstrekt noodig, dat eene gansche nalatenschap worde verzegeld en beschreven. Wanneer executeuren, of andere belanghebbenden, den Kantonrechter verzoeken, de verzegeling en beschrijving te bepalen bij de door hen daartoe aangewezen voorwerpen, dan weet ik niet, waarom de Kantonrechter niet aan dat verzoek zou voldoen, en daarbij zijne werkzaamheid bepalen. De eed aan het slot wordt daardoor niet minder noodig en verliest niets van zijn gewicht voor de huisbewoners.
Van sommige voorwerpen echter in den boedel aanwezig, kan en behoort geene verzegeling plaats te hebben. Indien namelijk bij de verzegeling des boedels een niet verzegelde uiterste wil mocht worden gevonden, al ware het ook een onder de werking van het Fransche Recht opgemaakt olographisch testament, hetwelk volgens art. 49 W. Overg. soms nog gelden kan, wat nu wel tot de zeer hooge uitzonderingen zal behooren, moet hij daarvan melding maken in zijn proces-verbaal, waarvan nader en indien eene zoodanige onderhandsche beschikking wordt gevonden, als waarbij volgens art. 982 B. W. maar alleen en bij uitsluiting executeuren mogen worden aangesteld, bestellingen van begrafenis gemaakt, legaten gemaakt van kleederen, lijfstoebehooren, bepaalde lijfsieraden en bijzondere meubelen, dan moet hij daarvan in zijn proces-verbaal melding maken, en verder, overeenkomstig art. 983 B. W. bij afzonderlijk procesverbaal geven eene beschrij ving van den staat, waarin dat stuk ziuh bevindt, en het eindelijk ter hand stellen aan een Notaris, om het onder zijne minuten te bewaren. Art. 662 «). â Indien er verzegelde papieren gevonden worden, moet de Kantonrechter van den uitwendigen toestand daarvan doen blijken, gelijk mede van het zegel en van liet opschrift zoo er een is, voorts den omslag met de tegenwoordige
a) Zie hierna § 206.
023
partijen waarmerken, bijaldien zij kunnen schrijven, en dag en uur opgeven, waarop het pakket door hem zal worden geopend; hetgeen door hem ten bepaalden dage en ure, zonder dat er eenige dagvaarding noodig is, gedaan moet worden; hij moet voorts van den staat dier pakketten doen blijken en hunne voorloopige overlegging ter Griffie van het Kantongerecht ter beschikking van de belanghebbenden bevelen. Indien evenwel uit het opschrift of anderszins mocht blijken, dat de papieren niet tot de nalatenschap behooren, dat de opening verboden is, of dat de overledene deswege eene bijzondere bestemming heeft aangeduid, dan moet de Kantonrechter die gesloten aan de belanghebbenden overgeven, indien niemand zicli daartegen verzet, of anderszins bevelen, dat zij ongeopend ter Griffie van hot Kantongerecht zullen worden overgelegd, ten einde naderhand te worden uitgereikt aan wien zij zullen bevonden worden te behooren. Art. 603â604. Indien er iu den boedel handelspapier wordt gevonden, hetwelk niet buiten schade zoude kunnen worden verzegeld, moet de Kantonrechter daarvan in zijn proces-verbaal eene beschrijving doen en het aan de belanghebbenden uitreiken. A.rt. 000. â Indien er zich in den boedel roerende goederen bevinden, welker gebruik noodzakelijk is voor de huisge-nooten, of die niet gevoeglijk kunnen worden verzegeld, dan moet de Kantonrechter in zijn proces-verbaal eene summiere beschrijving der niet-verzegelde voorwerpen geven. Art. 000. â Indien er echter in den boedel geene roerende goederen hoegenaamd worden gevonden, moet de Kantonrechter daarvan bij eene op te maken akte, waarvan nader in § 190, doen blijken. Art. 660.
§ 189. Bij het sluiten der verzegeling moet de Kantonrechter door degenen, welke het huis bewonen, alwaar zij gedaan is, den eed doen afleggen, dat zij niets verduisterd hebben, noch gezien hebben, noch weten dat er iets verduisterd is, hetzij middellijk,
41
of onmiddellijk. Art. G01, n0. 7. Hoezeer de Wet ten deze geen onderscheid maakt, ligt het echter in den aard der zaak, dat niet al de huisbewoners den eed behoeven af te leggen, maar alleen diegenen, die met den overledene en met zijn boedel in zekere verplichte betrekking en omgang stonden, zooals, die met den overledene gezamenlijk huishielden, zijne dienstboden, de verhurende hoofdbewoner, indien de overledene slechts kamers van hem in huur had; maar niet medehuurders, die afzonderlijke vertrekken bewonen, of dezer dienstboden, gehee1 afzonderlijke huishoudingen uitmakende, noch ook de kinderen of de dienstboden van den hoofdbewoner, tenzij zij den overledene mochten bediend hebben. Zonder twijfel is de beslissing over de vraag, wie al dan niet be-hooren beëedigd te worden, aan den Kantonrechter overgelaten; daarbij moet bot zijn streven zijn zoo min mogelijk onnoodig eeden te doen afleggen. Mr. Van der Kemi' was van meening, dat art. 1949 B. W. hier toepasselijk zou zijn en dat de Kantonrechter dus geen eed moet vorderen van hen, die den vollen ouderdom van 15 jaren niet hebben bereikt, of die ter zake van onnoozolheid, krankzinnigheid of razernij zijn onder curateele gesteld, behoudens met dit al zijne bevoegdheid om hen zoo noodig te liooren en hunne verklaringen af te nemen. Indien soms degenen, die tot het doen van den eed verplicht zijn, zich bij de verzegeling niet te huis bevinden of weigerachtig zijn, is het behoorlijk, dat de Kantonrechter daarvan melding make in zijn proces-verbaal. Mr. Van der Kemp achtte het mogelijk, hen later nog te beëedigen bij afzonderlijke akte. Mr. Greeve acht dat, hoewel in de Wet niet voorgeschreven, toch ook niet uitgesloten en in geen geval verboden, soms zelfs wen-schelijk. âEenmaal op Zaterdag verzegelende,quot; zegt Mr. Greeve, âweigerde een bejaard orthodox Israëliet âden eed te doen, maar verklaarde zich daartoe âbereid nadat de Sabbath zou geëindigd zijn. Om
âbijzondere redenen werd aan zijn verzoek voldaan âen van hem den daarop volgenden Maandag de âeed van art. G61 7°., B. R., door mij afgenomenquot;.
Door den gestelden bewaarder behoeft, als zoodanig, geen eed te worden afgelegd. Terecht heeft onze wetgever de al te strenge bepalingen van art. 615 Cod. de Proc. niet overgenomen, namelijk dat noch de Vrederechter, noch zijn Griffier zich, tot de ontzegeling toe, op straffe van afzetting, mogen begeven in het huis, waar de verzegeling gedaan is, tenzij hem zulks verzocht zij en er een met redenen bekleed bevel aan zij voorafgegaan.
§ 190. Van de verzegeling moet blijken door een proces-verbaal, inhoudende:
l0. den dag en het uur, mitsgaders de beweegredenen der verzegeling; ook, indien de verzegeling eerst na de begrafenis mocht gevorderd of gedaan zijn, van de reden daarvan ;
2 \ den voornaam, den naam en de woonplaats van hem, op wiens vordering do verzegeling gedaan is, en de keuze van woonplaats in de gemeente, waar zij gedaan is, indien hij daar niet woont;
3quot;. de machtiging van den Voorzitter der Arrond. Rechtbank verleend aan een schuldeisoher der nalatenschap om de verzegeling te vorderen; of wel de vermelding van den executorialen titel, uit kracht waarvan de vordering tot verzegeling door zoodanigen schuldeischer is gedaan;
4°. de verschijning en de vorderingen der partijen ;
5°. de opgave der plaatsen en der voorwerpen, waarop het zegel gezet is, en eene korte beschrijving der goederen, welke buiten verzegeling zijn gebleven ;
6°. de namen, de woonplaats en het beroep van den bewaarder;
7'. den eed bij de sluiting der verzegeling afgelegd.
De acte van ontbreken van roerende goederen, waarvan wij bov. § 188 gesproken hebben, moet, hoe zeldzaam een zoodanig geval zich ook al moge voor-
620
doen, voor het overige geheel zijn ingericht volgens het zoo even vermelde proces-verbaal en mitsdien ook den eed bevatten, door de huisbewoners afgelegd. Art. 661. De Pixto, bl. 728.
Indien de Kantonrechter ambtshalve verzegelt, kan hij schriftelijk aan den Ontvanger der Registratie een daarvoor uitsluitend te bestemmen zegel aanvragen. Circ. Min. van Fin. van 22 Juni 1844, N'. 716P. W. 1/1845, bl. 72, Nn. 85, en circulaire van denzelfden Minister van 24 Oct. 1845, N . 784, P. W. 1/1846, bl. 80, Nn. 157.
In ieder proces-verbaal van ver- en ontzegeling, moeten het uur waarop zij aanving en eindigde vermeld worden, opdat de Ontvanger der Registratie wete, hoeveel rechten hij heeft te heffen. Dat is alzoo bepaald bij het Keizerlijk Decreet van 10 Brumaire an XIV (1 Nov. 1805) Bulletin des Lois N0. 63 (Art. 1 en 2), te vinden bij Fokti lix II, 368; bij Kist, vervolg op Baktstra Wetg. op de Registr. D. II 2dfi atl. bl. 134; Vkuom, Wetg. op de Registr. 2de dr. X\ 910, en Volledig Wetb. op de Registr. van Ramaer, 6de druk, bl. 02.
Indien de Kantonrechter bij de verzegeling uit den boedel aan een derde een som gelds ter hand stelt, ter bestrijding van noodzakelijke kosten voor het doorzetten van het huishouden, begrafenis, enz. enz., en deze dat ter hand stellen erkent en het procesverbaal teekent, is daarvoor echter geen evenredig registratierecht verschuldigd. Decisie Min. van Fin. 18 Dec. 1847, N0. 69, 1'. W. 496.
Evenmin zijn de beschikkingen, die volgens de Wet bij ver- en ontzegeling noodig zijn, als b.v. de benoeming, belediging en het ontslag van de personen bedoeld bij art. 661, Xquot;. 6 en 7, en 665, N0. 7, B. R., aan een afzonderlijk Registratierecht onderhevig. Resolutie van den Min. van Fin. van 5 Oct. 1858, X0. 75; R. W. 3255.
§ 191. Op de verzegeling volgt natuurlijk de out-
G27
zeijeUtxj. Volgens art. 6G7 mogen zich tegen de ontzegeling buiten hunne tegenwoordigheid verzetten alle diegenen, die recht hebben om tegenwoordig te zijn bij het opmaken van den inventaris, dat zijn, volgens art. 679 al degenen, die het recht hebben om verzegeling te vorderen, met uitzondering der personen, bij art. G59 n0. 3 vermeld, namelijk dergenen, die in dienst van den overledene waren of met hem te samen woonden. Vgl. § ISö. Ook de schuldeischers der erfgenamen of der overige belanghebbenden in den boedel kunnen ter voorkoming eener bedrieglijke verkorting hunner rechten geen verzet doen. Zelfs was hun dit vroeger bij art. 934 Cod. Proc. uitdrukkelijk verboden, maar ofschoon dit verbod in ons Wetboek niet is overgenomen, volgt het echter uit de opnoeming van hen die verzet doen mogen, onder welke van die schuldeischers geene melding gemaakt wordt. Vgl. Cakré VI, 80. Het verzet moet gedaan worden bij cene geschreven of mondelinge verklaring van den opposant, bevattende do redenen van zijn verzet en keus van woonplaats in de gemeente waar de verzegeling gedaan is, zoo hij daar niet woont; deze verklaring moet door den Kantonrechter in het proces-verbaal van verzegeling ingeschreven worden. Art. 66S. Minder juist zegt dit art. dat de o/i/w.sniU zijne vcvklav'iny mort doen nixihrijcc)}, even alsof hij zelf over het gebruik van het proces-verbaal beschikken kon.
Maar do bedoeling is, dat hij recht heeft te vorderen dat zijn verklaring worde -opgenomen in het proces-verbaal van den Kantonrechter. En wat, zoo deze weigert, of uitstelt, of stilzwijgt? Juister meende Van der Kemp, was daarom de bepaling van art. 920 Cod. Proc., volgens welke het verzet kon gedaan worden op het proces-verbaal, of bij een exploit be-teekend aan den Griffier van den Vrederechter. Ook scheen hieruit te volgen, dat do Griffiev zonder den Vrederechter de verklaring van verzet kon aannemen
628
cn inschrijven. Ons art. zegt hieromtrent niets uitdrukkelijk en blijft dus bij het algemeen beginsel, dat, daar het proces-verbaal eene acte is van den Kantonrechter, er ook geene verklaringen in mogen worden opgenomen, dan door hem zelf ontvangen. Tot de opneming der verklaring van verzet is hij verplicht; de gegrondheid van het verzet mag hij niet beoor-deelen. Caki;i'; VI, 70. De Tinto bl. 734. Het schijnt echter niet meer ontvankelijk na de 24 uren vóór de ontzegeling, omdat alsdan niet meer zou kunnen geschieden de aanmaning om bij de ontzegeling tegenwoordig te zijn, over welke aanmaning zie § 194.
§ 192. De vordering tot ontzegeling mag gedaan worden door allen, die volgens de voorgaande § het recht hebben om zich tegen de ontzegeling buiten hunne tegenwoordigheid te verzetten; mitsdien door allen, die volgens art. 059 recht hebben om verzegeling te vragen, uitgezonderd alleen zij, die het zegel hebben doen leggen krachtens X0. 3 van dat art., art. 671. Wanneer de uitvoerders eener uiterste wilsbeschikking, volgens art. 1055 B. W. in staat zijn gesteld tot de betaling of afgifte der zuivere en onvoorwaardelijke legaten, of indien het blijkt dat deze reeds voldaan zijn, cn indien al de erfgenamen het daaromtrent eens zijn om op die wijze, aan de uitvoerders het bezit van do goederen der nalatenschap te ontnemen, dan meende Van der Kemp, dat zij geen recht hadden om ontzegeling te vorderen. Mr. Greeve meende, en terecht, dat zij dat recht ook dan behouden. In den geest van Mr. Greeve zijn beschikkingen van den Tresident der Rechtbank te Breda van 8 Juli 1879, \V. 44!)5 en van dien te Utrecht van 23 Aug. 1881, W. 4698.
§ 193. Behalve in het geval van dringende noodzakelijkheid, waaromtrent de Kantonrechter beslist zonder hooger beroep, mag het zegel niet worden opgeheven dan na drie volle dagen sedert de begrafenis, indien bet vóór dien tijd gelegd is, of anders
629
na drie volle dagen sedert het gelegd is, indien dit eerst na de begrafenis heeft plaats gevonden. Art. 069. Wel zegt ilit art. niet uitdrukkelijk, dat de beslissing van den Kantonrechter geschiedt zonder hooger beroep, maar ons dunkt, dat deze uitlegging haar grond vindt in de vergelijking met het overigens eensluidende art. 928. Cod. Proc. hetwelk die beslissing aan den President der Rechtbank zonder hooger beroep opdroeg. De reden, waarom het zegel zoo lang moet blijven liggen, is om aan de belanghebbenden gelegenheid te geven bij de opheffing tegenwoordig te zijn of zich tegen haar te verzetten. Bkuriat sï. Prix 694, Nquot;u. 25. Het zegel mag ook niet worden gelicht, indien de erfgenamen of eenigen van hen minderjarig en zonder voogden zijn, alsvorens in hunne voogdij voorzien zij. Art. 670. Het is echter niet noodig, meende Vax dkr Kemp, dat er ook in de toeziende voogdij voorzien zij, tenzij de belangen van den voogd mochten strijden met die der minderjarigen. Het schijnt echter geheel in de bedoeling der Wet en den aard der betrekking, dat zelden tot ontzegeling zal worden overgegaan, buiten tegenwoordigheid van den toezienden vouud. Zie \\ . Nquot;. illl. Doch op liet nalaten of verzuimen van al deze formaliteiten, is geen de minste straf gesteld. Anders was liet bij art. 928 Cod. Proc. dat nietigheid van het proces-verbaal van ontzegeling bepaalde en vordering tot schadevergoeding tegen den Vrederechter verleende.
§ 194. Om tot ontzegeling te kunnen overgaan, moet er bestaan:
1quot;. de vordering daarvan, op het proces-verbaal van verzegeling aangeteekend, mot keuze van woonplaats in de gemeente, waar de verzegeling gedaan is, indien de verzoeker daar niet woont, tenzij die keuze reeds bij de verzegeling gedaan is. Art. 931 Cod. Proc. bepaalde niet, op welk proces-verbaal, dat van verzegeling, of dat hetwelk tot ontzegeling moest dienen,
630
de vordering moest worden aangeteekend; weshalve er alstoen hieroyer verschil bestond. Carré VI. 75;
2°. het bevel van den Kantonrechter, den dag en het uur voor de ontzegeling bepalende;
Het proces-verbaal van ontzegeling mag worden opgemaakt, vóór dat het bevel daartoe is geregistreerd. Beslissing van den Min. van Fin. van 25 Febr. 1847, X0. 57, P. AV. 546 en van 24 Juli 1860, Nquot;. 9, P. W. 3613.
3quot;. do aanmaning om daarbij tegenwoordig te zijn, welke ten minste 24 uren vóór de ontzegeling gedaan moet worden aan den overgebleven echtgenoot, aan de vermoedelijke erfgenamen, voor zooverre die bekend zijn, aan de uitvoerders van den uitersten wil, aan de schuldeischers, op wier vordering de verzegeling gedaan is, en al degenen, welke tegen de ontzegeling buiten hunne tegenwoordigheid zijn opgekomen. Voor de schuldeischers en opposanten moet die aanmaning gedaan worden te hunner gekozen woonplaatsen, en voor de overige opgenoemde personen is er geen noodig, in geval zij buiten het Arrondissement woonachtig zijn, doch dan moet de Kantonrechter te hunnen koste een Notaris of ander vertrouwd persoon stellen, om hen bij hunne afwezigheid in de opheffing der zegels en de beschrijving des boedels te vertegenwoordigen. Art. 072. Die benoeming, als zij bij het bevel van ontzegeling geschiedt, is niet aan een afzonderlijk registratierecht onderworpen. Beslissing van den Min. van Fin. van 7 Febr. 1859, N1. 7, P. W. 3243. Anders P. W. 2/1850, 244. Indien de voormelde personen bij de ontzegeling tegenwoordig zijn, is het bewijs der gedane aanmaning natuurlijk onnoodig. Ook schijnt tot dit bewijs geen Deurwaar-ders-exptót vereischt te worden meende Van dek Kkmi', maar mag het uit alle andere omstandigheden worden afgeleid. Het staat den Kantonrechter vrij, om na de eerste zitting ter ontzegeling en boedelbeschrijving, geene andere geroepenen bij de volgende
»331
zittingen toe te laten, dan den overgebleven echtgenoot, de vermoedelijke erfgenamen of hun vertegenwoordigers, en de uitvoerders van den uitersten wil; voor de overige geroepenen benoemt hij één gemachtigde om hen gezamenlijk te hunnen koste te vertegenwoordigen, tenzij die personen omtrent zulk een gemachtigde, zonder uitstel, mochten zijn overeengekomen. Indien echter een dezer belanghebbenden bijzondere of tegenstrijdige belangen mocht beweren, kan de Kantonrechter hem vergunnen in persoon te blijven verschijnen, of wel zich te zijnen koste door een bijzonderen gemachtigde te laten vertegenwoordigen. Art. 673.
§ 195. De ontzegeling moet gedaan worden dooiden Kantonrechter, in tegenwoordigheid van den Griffier, die het proces-verbaal schrijft. Weigert de Kantonrechter, na daartoe gedane vordering, de zegels op te heffen, dan moet dit verschil door den President der Arrond. Rechtbank in kort geding worden uitgemaakt. Art. 674. Hetzelfde schijnt rechtens, indien hij tegenstand ontmoeten mocht, evenals in het geval van verzegeling. Vgl. bov. § 159. Zie Ckemers, op art. 674 B. K.
Ontzegeling kan niet bij rauactie van de Rechtbank worden gevraagd, besliste het Prov. Gerechtshof in Utrecht, bij arrest van 2 Sept. 1850, W. 1163.
Niet tegen den Kantonrechter, maar tegen hem, die de verzegeling gevraagd heeft, moet de actie tot ontzegeling, die in kort geding wordt ingesteld, dooiden requirant van ontzegeling worden ingesteld. Vonnis Rechtbank Winschoten 9 Maart 1859, W. 2274. In anderen geest arrest Prov. Gerechtsh. in N.-Holland van 7 Dec. 1854, R. B. 1856 VI, 6â9, R. LVI, § SU.
§ 196. Tot ontzegeling overgaande, moet de Kantonrechter nagaan, of al de personen, wier tegenwoordigheid vereischt wordt, aanwezig zijn; letten op hunne vorderingen en beweringen ; onderzoeken, of de zegels gaaf en ongeschonden zijn; zoo hij ze niet
632
zoodanig bevindt, moet hij den toestand van deze goed opnemen, de oorzaken van een veranderden toestand sedert zij gelegd werden nagaan, den bewaarder en andere personen, welke daarvan moebten afweten, ondervragen, en voorts alles doen wat hierboven bij § 81 vermeld is, dewijl verbreking van zegels een misdrijf is, strafbaar volgens art. 191) \\ . v. tSr. Doch in dit geval heeft bij niet noodig de ontzegeling te schorsen tot nader bevel van den President der Kecbtbank. Caukk VI, S3. Hij moet voorts, indien daartoe gronden zijn, een Notaris en schatters benoemen, zoo de belanghebbenden daarin niet kunnen overeenkomen; eu van de schatters, indien de boedelbeschrijving in zijne tegenwoordigheid gedaan wordt, den eed van gemoedelijke schatting afnemen; die beëediging der schatters schijnt on-noodig, zoo de partijen vrij beheer hebben, gelijk te recht is opgemerkt in li. B. 1, 238, hoezeer in strijd meteen vonnis der Rechtbank te Brielle 10 Mei 1850, W. 1120, 1134. Ingeval van zwarigheden en verschillen, waarop eene uitspraak moet vallen, moet hij de partijen verwijzen naar den. President der Arrond. Rechtbank in kort geding, wiens bevelschrift, houdende zijne beslissing, op het proces-verbaal van ontzegeling moet worden ter neder geschreven. Art. 675.
Tegen de beslissing van den Kantonrechter, waarbij hij, naar aanleiding van art. 675, N0. 7, B. R. een Notaris heeft benoemd, te wiens overstaan na ontzegeling de boedelbeschrijving zal worden opgemaakt, kan niet in kort geding bij den President der Arrond. Recbtb. worden opgekomen. President Rechtb. Sneek, 26 Maart 1841. Rvchl in .Xrdcrland 111, blz. 32.
Er is naar de Wet zwarigheid en verschil bij de ontzegeling ontstaan, wanneer, nadat de Kantonrechter tot de ontzegeling eener nalatenschap heeft willen overgaan, de bewaarder de goederen niet dan onder voorbehoud heeft willen aanwijzen, en een der overige belanghebbenden bet ontslag van den bewaarder met
033
benoeming van een anderen bewaarder beeft gevorderd onder verzet tegen de ontzegeling. Van de beslissing van den President omtrent zoodanige zwarigheid en verscbil is geen booger beroep (arrest Prov. Gerecbts-bof Overijssel, 13 Juni 1870, bevestigend bescbikking President Keebtbank Zwolle, 24 Nov. 1809, W. 3254, 3302).
§ 397 «). Indien bij de opbefting der zegels de reden tot verzegeling niet is vervallen h) en er te gelijkertijd eene boedelbescbrij\ing moet plaats bebben, moeten de zegels worden opgeheven, naar gelang deze bescbrijving gedaan wordt. Aan het einde van elke zitting moeten zij weder op bet reeds ontzegelde doch nog niet beschrevene gelegd worden. Art. 070. De redenen voor het leggen der zegels zijn opgegeven § 185. Daar nu de Wet, in geval er afwezige belanghebbenden zijn, schriftelijke volmacht vordert, ten einde de verzegeling te mogen nalaten, zoo is bet bij ontzegeling niet genoeg, dat er een bewindvoerder benoemd bij de Rechtbank volgens art. 519 B. W. c), of een tijdelijke vertegenwoordiger, benoemd door den Kantonrechter volgens art. 072 W. B. R., tegenwoordig zij. Anders dacht er over de President der
a) Deze paragraaf ueem ik woordelijk uit de derde uitgave over; toe-voegingeu doe ik in. aanmerkingen gemerkt a, h, c enz.
h) Wanneer de eenige reden van verzegeling was de afwezigheid van erfgenamen van den overledene en de onbekendheid met een testament waarbij tot eenige erfgenaam werd ingesteld een aanwezig persoon, dan houdt oj» te bestaan door het vinden van dat testament de reden der verzegeling (vonnis Keebtbank Winschoten 9 Maart 1809. W. 2274).
Onwettigheid der verzegeling brengt van zelve mede opheffing der zegels in eens, zonder inventarisatie in tegenwoordigheid des Kantonrechters (vonnis Tlechtbank Zutfen 2 April 1S40, W. 164, Amsterdam 27 Jan. 1S93, 1*. v. »1. 1893, 4 7, arrest Cfereehtshof aldaar, 23 Juni 1893. P. v. J. 1893, 77.)
lt;â¢) Zie in anderen geest en m. i. juist eene beschikking van den President der Rechtbank te Zutpben, van 10 Nov. 1891, W. 0200, waarbij een verzoek tot ontzegeling wordt toegewezen, terwijl over een der belanghebbenden nog geen curator, doch slechts een provisioneele bewindvoerder benoemd was.
034
Arrond. Rechtbank tc Rotterdam, bij diens beschikking van 27 Nov. 1S73, \V. 3ÃG2. De ontzegeling van een boedel werd verzocht, die wegens afwezigheid van erfgenamen werd verzegeld. De Kantonrechter be noemde, volgens art. 672, .S1 1?. R., een âvertrouwd persoonquot; om sommigen dier erfgenamen, buiten het Arrondissement woonachtig, bij de ontzegeling te vertegenwoordigen, en wilde nu niet de zegels in eens opheffen, maar meende, dat deze naar gelang de boedelbeschrijving plaats zou vinden, moesten gelicht worden. De benoemde âvertrouwd persoonquot; verzette zich daartegen met den specialen gemachtigde der overige belanghebbenden, en de President beval, dat de ontzegeling zon plaats hebben op de wijze als bij art. 677 B. R. is voorgeschreven. Mij komt, met allen eerbied voor de kunde van mijn voormaligen hoog-geachten President, Mr. Bicnox van Ysselmonde, die beslissing bedenkelijk voor. Met Van der Kemp meen ik, dat ondanks den fraaien naam van âvertrouwd persoonquot;, 'die de Wet geeft aan don door den Kantonrechter benoemden vertegenwoordiger van de onbekende erfgenamen, deze niet is hun gevolmachtigde, maar alleen de persoon, die door den Kantonrechter is aangewezen om de ontzegeling en de boedelbeschrijving mogelijk te maken, daarbij te doen wat zij of hun gevolmachtigde, indien zij er een hadden aangewezen, zouden bebooren te doen. Zeer zeker acht ik de reden dor verzegeling in zoodanige gevallen niet vervallen, en de tegenwoordigheid van den Kantonrechter bij de boedelbeschrijving alzoo verplichtend.
De Kantonrechter behoort toe te zien, dat de boedelbeschrijving in orde toega. Indien er in den boedel, niettegenstaande hot verrichte bij de verzegeling, alsnog verzegelde papieren, niet tot de nalatenschap behoorende, mochten gevonden worden, moet hij daarmede handelen overeenkomstig het voorschrift van art. 662, 663 en 664, boven vermeld § 188. Art.
635
681, NI 8. Wat de verzegelde papieren der nalatenschap betreft, deze kunnen dadelijk worden geopend en beschreven. Eenigszins bevreemdend is het, dat art. 681 N0. 7 bepaalt, dat bij het sluiten der boedelbeschrijving al degenen, die vóór deze in het bezit der goederen zijn geweest of het huis bewoond hebben, waarin die goederen zich bevinden, in handen van den Kantonrechter den eed moeten afleggen, dat zij niets hebben verduisterd, noch gezien hebben, noch weten dat iets verduisterd is. Immers daar diezelfde eed reeds bij de verzegeling door de huisbewoners is afgelegd, zoo zou er uit schijnen te volgen, dat er thans eene herhaling van denzelfden eed door dezelfde personen zou moeten gedaan worden. Doch men moet opmerken, vooreerst dat, daar dit art. van twee gevallen spreekt, namelijk zoowel als er boedelbeschrijving plaats heeft buiten, als wanneer zij plaats heeft na verzegeling, hier voornamelijk gedoeld wordt op het eerste geval, als wanneer de eed in handen van den Notaris, gelijk het art. mede bepaalt, moet worden afgelegd; en ten tweede dat, voor zoover het art. spreekt van de eedsaflegging in handen van den Kantonrechter en dus daarbij het geval van plaats gehad hebbende verzegeling onderstelt, er, naar Van der Kemp meende, aan de wetsbepaling genoeg voldaan wordt, zoo de Kantonrechter slechts die huisbewoners beëedigt, welke bij de verzegeling niet hadden kunnen beëedigd worden, en zoo hij de reeds vroeger beëedigden aan hun eed herinnert. Waarop echter die meening van Van der Kemp steunde gaf hij niet aan, en is mij niet duidelijk, bij de niet duistere taal der wet. Tot de eedsaflegging verplicht het art. ook diegenen, die vóór de boedelbeschrijving in het bezit der goederen geweest zijn. Dat men door dezen geen andere dan de mede opgenoemde huisbewoners verstaan kan, en hem, wien de bewaring van bepaalde waarden of goederen werd toevertrouwd, is, dunkt mij, duidelijk. Dat niet de Notaris, maar de Kantonrechter, wanneer
036
hij bij de boedelbeschrijving tegenwoordig is, den eed behoort af te nemen, zal wel om zijne ambtswaardigheid van zelf spreken. Zie echter R. B. I. 404, 405. De Pinto bl. 741. In geval de reden der verzegeling vervallen is, eer de ontzegeling is aangevangen, of terwijl zij plaats heeft, bijv. indien al de belanghebbenden tegenwoordig of vertegenwoordigd, én de minderjarigen, die in de verzegelde nalatenschap zijn betrokken, van voogd en toezienden voogd voorzien zijn, dan moeten de zegels in eens worden opgeheven en houdt de verdere tegenwoordigheid des Kantonrechters bij de boedelbeschrijving op. Art. 677. Zie R. B. 1. 33. Wanneer een of sommigen der belana-
o o
hebbenden vorderen, dat de outzegeling plaats hebbe, naar gelang de boedelbeschrijving gedaan wordt, en anderen, dat zij in eens geschiede, dan, beweerde Van der Kemp, behoort aan de vordering der eerst-gemelden gehoor gegeven te worden, omdat hunne vordering toont, dat de reden der verzegeling niet vervallen is. Hij was het niet eens met hen, dié willen, dat billijkheidshalve de meerdere hierdoor veroorzaakte kosten komen ten laste niet der nalatenschap, maar slechts van hem, die de vordering daartoe gedaan heeft, want de algemeene bepaling van art. 1087 B. W. scheen volgens hem, zich tegen deze uitzondering te verzetten, en te willen, dat de kosten der verzegeling, ontzegeling en boedelbeschrijving, door wien ook in zijn bijzonder belang veroorzaakt, blijven ten laste der nalatenschap. Omtrent het laatste punt kan ik Van der Kemp gereedelijk toestemmen, maar wat het eerste betreft, begrijp ik niet, waarop hij dat gevoelen steunde a). Wanneer de tegenwoordigheid van den Kantonrechter verplichtend is, is bij de Wet vrij duidelijk aangegeven. Dat hij ook dan zou moeten tegenwoordig blijven, wanneer de
a) Ik acht de meening van Mr. Van igt;eii Kemp juist; Mr. Gbeeve ziet over het hoofd dat de reden van verzegeling blijft bestaan, zoolang ook slechts een enkele erfgenaam haar wenscht.
637
meerderheid der belanghebbenden goedvond dat alzoo te wenschen, heb ik nergens gelezen. De tegenwoordigheid beeft niet ten doel politie uit te oefenen, of om door bet prestige van zijn ambt onaangenaamheden te voorkomen, of als die mochten ontstaan, die bij te leggen, en liet werken den Notaris alzoo aangenamer en gemakkelijker te maken. Hij is alleen tegenwoordig, als er afwezigen zijn voor wier belangen moet worden gewaakt. Zijn er geen afwezigen in den zin der Wet, dan mag de Kantonrechter de beleefdheid hebben de boedelbeschrijving bij te wonen, bij kan daartoe niet worden verplicht, al verlangden al de belanghebbenden, met den Notaris incluis, zijne tegenwoordigheid.
§ 198. Van de ontzegeling moet een proces-verbaal worden opgemaakt, bevattende de vermelding van dag en uur, waarop zij gedaan wordt; den naam en woonplaats of gekozen woonplaats van hem, die haar gevorderd heeft; de vermelding van liet bevel tot ontzegeling en van de aanmaning om tegenwoordig te zijn, voor zoover de belanghebbenden niet tegenwoordig zijn; de verschijning en al do vorderingen of beweringen van partijen; de herkenning der zegels; de vermelding van bun toestand en van de maatregelen door den Kantonrechter noodig geoordeeld en genomen, in geval bij bevonden heeft, dat de zegels niet gaaf, noch ongeschonden waren; de benoeming van een Notaris en van schatters door de partijen of door den Kantonrechter, en de beëediging der schatters; eindelijk de opgave der zwarigheden en verschillen bij de ontzegeling ontstaan, met de verwijzing der partijen naar den President der Rechtbank en diens beslissing. Art. 075.
§ 199 a). Er zijn nog eenige bijzondere wetten, waarbij eene verzegeling ambtshalve gelast wordt, waarvan het volgens Van dek Kkmi' twijfelachtig is, of ze al dan niet nog van toepassing zijn. Zoo bestaat
a) Deze paragraaf neem ik woordelijk uit de derde uitgave over.
638
er eene Fransche, hier te lande executoir verklaarde Wet van 11 Ventose an 11 (1 Maart 1794) relative auv scellés apposes aprè* Ie dccès des ciloi/ens donl lei défenseurs de la patrio sant héntiers. Daarbij is bepaald, dat de Vrederechter onverwijld na de verzegeling, aan die erfgenamen, zoo hij weet waar zij zich bevinden, alsmede aan den Minister van Oorlog bericht der verzegeling moet geven, het dubbel zijner brieven ten deze aan het slot van zijn proces verbaal nog vóór de registratie en zonder vermeerdering van kosten, moet inschrijven, en na een maand wachtens zonder dat de erfgenaam iets van zich heeft doen hooren, of eene volmacht heeft overgezonden, op de vordering van den Burgemeester, een familieraad moet bijeenroepen, om een curator over den afwezige te doen benoemen, die dan met de verdere bereddering des boedels belast is. Fortuyx T, 261. Betwijfelbaar was het, volgens hem, of deze wet, die men als een privilegie voor de verdedigers des vaderlands kan beschouwen, nog van toepassing is, ofschoon men voor hare toepasselijkheid dezelfde gronden kan aanvoeren, waarom zij ook nog na de invoering van den Cod. Nap. hare toepassing vond. De bepalingen dezer wet zijn bij eene Wet van 16 Fructidor gt;vii II (2 Sept. J794) Loi additionnolle a cello da II Ven lose, uitgebreid tot boedels, waarvan officieren van gezondheid en andere burgers, aan het leger verbonden, erfgenamen zijn. Fouti'vn 1, 226. In geval van toepasselijkheid dezer beide wetten, behooren de werkzaamheden, daarbij aan de Vrederechters opgedragen, volgens de Wet op den Overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving, tot de bevoegdheid der Kantonrechters. Ook is er nog eene Wet van 27 October 1796 (6 Bru-maire an V) contenant des mesures pour la conservation des proprictés des défenseurs de la patrio. Fortuin I, 297. Zoo bestaat er ook een Fransch Arrêté van 13 Nivóse an X (3 Januari 1802), relatif a Vapposition des scellés a prés le décès des officiers généraux ou superieurs, des
039
ctmiNiissiti/ c.s-oi*doiDiiitcKt's, des inspcdrurs mix vivres et lie* o/'licicrs de ftanW-, waarbij bepaald is, dat terstond na den dood van een Hoofdofficier van het lejrer
o '
verzegeld moeten worden de militaire papieren, kaarten, plannen en memoriën, uitgenomen die, waarvan de overledene de auteur is, en zulks door den Vrederechter van de plaats des overlijdens, in tegenwoordigheid van den Burgemeester, die respectievelijk verplicht zijn er kennis van te geven aan den commandeerenden Generaal en aan den Minister van Oorlog, terwijl voorts voornoemde Generaal binnen de tien volgende dagen een Officier moet benoemen, om bij de ontzegeling en inventarisatie tegenwoordig te zijn en over te nemen die voorwerpen, waarbij bij oordeelt dat het Gouvernement belang heeft. Fort u vn 11, 173.
Omtrent beide eerste wetten en het Arrêté van Nivose, teekent de commissie, benoemd bij K. B. van 5 Febr. 1S49 {Ãihl. N'. 5) in haar rapport aan, dat zij alle zijn afgeschaft door de algemeene bepalingen der tegenwoordige Burgerlijke Wet over de rechten van afwezige en niet tegenwoordige erfgenamen, over verzegelingen enz., terwijl zij omtrent de Wet van 6 Brumaire an V aanteekent, dat, voor zooverre die al niet door de invoering van het Burgerlijk Wetboek afgeschaft is, er thans zeker geene gronden bestaan, om een zoodanig exceptioneel recht te behouden.
Van der Kemp twijfelde aan de nog voortdurende werking van het Arrêté, te meer, daar bij K. B. van 14 Oct. 1S2-1 en 11 April 1^26 gelast is de verzegeling door den Commandant der plaats, of waar geen garnizoen is, door den Vrederechter, van alle kaarten, plans, memoriën enz., don fortificatiedienst betreffende, zonder de geringste uitzondering, die bij het overlijden van een actief dienend of gepensionneerd Officier van het korps ingenieurs of van den generalen staf in den boedel mochten aanwezig zijn. Zoo is ook
u
640
bij urt. 33Ãâ340 van het Reglement voor den garnizoensdienst, vastgesteld bij K. B. van 11 Jan. 1815, bepaald, dat de Vredorecbter de geheele nalatenschap van een (leneraal of ander Officier, van welken rang ook, bij afwezigheid der erfgenamen moet verzegelen in tegenwoordigheid van den plaatselijk adjudant, alsmede, indien de overledene tot een der korpsen van het garnizoen heeft behoord, in tegenwoordigheid van een Officier van dit korps, die dan moeten toezien, dat de onder de nalatenschap berustende gelden of papieren, den dienst betreffende, niet verzegeld, maar aan hen tegen kwitantie uitgeleverd worden u).
Evenzoo bestaat er een Keiz. Decreet van 6 Nov. 1813, hier te lande toepasselijk, sur la conservation cl Vadrninislraiion des hiens que posscde Ie denje duns plusieurs parlies de Vempire. Igt;ij art. 7 is bepaald, dat, wanneer titularissen in het genot dier goederen treden, de Vrederechter er een proces-verbaal van moet opmaken, inhoudende den eed omtrent het behoorlijk gebruik dier goederen; bij art. 16â19, dat na den dood van den titularis de Vrederechter ambtshalve moet verzegelen zonder eenige belooning voor zich en zijn Griffier of eenige kosten, behalve die van het gezegeld papier; dat de ontzegeling moet plaats hebben in tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van den Thesaurier der kerk-fabriek h) en van de erfgenamen, en dat alsdan de Vrederechter moet procedeeren tot de vergelijking der aanwezige goederen met den boven verordenden inventaris. Bij art. 29, 37, 38 en 39 zijn dergelijke bepalingen gemaakt ten aanzien der kerkelijke tafelgoederen in het bezit van Bisschoppen en Aartsbisschoppen. Fortuyn III, 5(3. Daar de inrichting der Roomsche Geestelijkheid hier te lande eenigszins van die in Frankrijk verschilt,
a) Ons Ministerie van Oorlog beschouwt liet Reglement van 1815 als nog van toepassing.
I) ])it is eene woordelijke vertaling van fahriques d'étjlise.
641
zoo was het voor Van dek Kemp onzeker, of die verordeningen alhier hare toepassing vinden konden.
De hiervoor genoemde Commissie, rangschikt in haar rapport dit Decreet onder de wetten die dadelijk behooren te worden afgeschaft, en teekent er bij aan: âDit Decreet is zelfs in Limburg en Staats vlaand eren ânooit in werking gebragt: voor zooverre het niette-âmin mogt kunnen geacht worden, naar strikt regt, âaldaar nog te bestaan, kan het om deze reden ge-âmakkelijk gemist worden.quot;
§ 200. Des Kantonrechters bemoeiing wordt ook vereischt ingeval van boedelbeschrijving, buiten zijne tegenwoordigheid gedaan. Indien toch de belanghebbenden daaromtrent eenstemmig zijn, kan de boedelbeschrijving, na de opheffing der zegels, onderhands worden opgemaakt. Do acte daarvan moet dan door partijen onderteekend en door hen voor den Kantonrechter van de plaats, waar het sterfhuis gevallen is, worden beëedigd en voorts overgebracht ter griffie van het Kantongerecht op dezelfde wijze, als dit ten aanzien van minderjarigen bij art. 444, B. W., is vastgesteld. Art. (373, 1!. R. Vgl. § 173. Deze formaliteit van beëediging en ter griffie-brenging is ook toepasselijk op de onderhandsche boedelbeschrijving, welke volgens art. 182, B. W., na het overlijden van een der echtgenooten, de langstlevende, indien er minderjarige kinderen overblijven, verplicht is, op te maken van de goederen, die de gemeenschap uitmaken, binnen den tijd van drie maanden, in tegenwoordigheid van den toezienden voogd. Zij heeft rechtens niet bestaan, zoolang beëediging en depót niet hebben plaats gehad. Tot op dien dag dus duurt de gemeenschap voort. Gerechtshof te Leeuwarden 13 Sept. 1876, 1\. B. X. II. D. II, A 1876, bl. 335â341. Aldaar ook het door het Hof vernietigde vonnis der Arrond. Rechtbank te Leeuwarden van 12 Januari 1875, met opmerkingen der redactie. Dit arrest werd bevestigd bij arrest van den IL R. van 13 April
G4'2
1877, W. 4115, R. dl. CXV, $ 55, v. d. H. B. 15. lt;11. XLII, 184â194.
Geen der bepalingen van de 4e atdeeling van den 2,-,n titel Fgt;. Rv., beslist iets omtrent de plaats waaide boedelbeschrijving moet geschieden. (Arrest H. R. 31 Maart 1882 «), W. 4704, R. dl. CXXX, § 41, v. d. H. B. R. dl. XLVII, 281â292.)
De beëediging der boedelbeschrijving door den toezienden voogd, als niet gevorderd bij art. 444 1gt;. AV., is ook in de overige gevallen niet noodig, daar hij ook niet kan begrepen worden onder de algemeene benaming van puriijcn, waarvan zich art. (gt;78 bedient. Omtrent do beteekenis van het woord partijen in art. G78, zie ook een vonnis der Rechtbank te Tiel van 12 Maart 1852, W. 1370.
Op verzoek van zijn ambtgenoot van Kinantiën, heeft de Minister van Justitie bij circulaire van 3 Nov. 1845, N0. 83 (n'KxuELiuioNSKK, 4du serie, bl. 579) ter kennis van de Kantonrechters gebracht, dat abten van heivucirijevlnii en hvi'cdifj m'j van hitcdclhcschrijvhiy, Si\swG(\Q eedsaflegging van schalier*, nimmer, óók niet als een bewijs van onvermogen daarbij gevoegd is, op ongezegeld papier kunnen worden opgemaakt, noch gratis geregistreerd. Zie ook circulaire van den Minister van Finantiën van 25 November 1845, ^0. /78.
§ 201. Wanneer er ter bereddering van een nagelaten boedel, waarin minderjarigen, onder curateele gestelden of afwezigen belang hebben, of de partijen verschillen, verkoop van roerende goederen moet plaats hebben, dan moet die verkoop, naar den regel, in het openbaar geschieden, art. ÃS4. Indien echtei alle belanghebbenden daarin toestemmen, zal de Kanton-
a) Bij dit arrest werd verworpen liet beroep iu eaasatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 29 Juni 1881, W. waarbij was beslist, dat de inventarisatie behoort te geschieden, waar do nagelaten goederen ten tijde van het overlijden aanwezig zijn, tenz-ij mocht blijken dat deze met gemeen overleg of uit noodzaak naar elders zijn overgebracht. Het vonnis der Rechtbank te Groningen van 12 Xov. 18SU dat bevestigd werd, is opgenomen in W. 4647, K. ü. 1881, A. 119.
643
rechter, ook wanneer onder de belanghebbenden minderjarigen of onder curateelo gestelden zijn, naar gelang der omstandigheden kunnen toelaten dat de verkoop geschiede op eene der andere wijzen, voorge-schreven bij art. 447 van het 15. \\r., te weten, wat koopmanschappen betreft, onder de hand door middel van makelaars tegen den koers; wat vruchten van landgoederen betreft, ter markt of anderszins tegen den marktprijs; en wat andere roerende goederen betreft, voor of boven den prijs, waarop zij door deskundigen, hiertoe te benoemen, mochten geschat zijn, art. lt;380. De Kantonrechter, die in dit alles het belang der verzorgden moet in het oog houden, is evenwel niet verplicht daartoe den raad der familie in te winnen : dit toch is hem nergens voorgeschreven.
Wanneer de partijen niet eenstemmig zijn, kan slechts sprake zijn van toepassing van art. 686. Dat art. bepaalt: Wanneer de verkoop in het openbaar moet geschieden, zal de Kantonrechter op verzoek van eene der partijen kunnen bevelen, dat tot dezelve worde overgegaan. Hij zal daartoe den dag bepalen, en den openbaren ambtenaar aanwijzen, door wien dezelve zal worden gedaan, zoo de partijen deswege niet zijn overeengekomen. Hij zal tevens gelasten, dat van dit een en ander aan de overige belanghebbenden kennis worde gegeven op zoodanige wijze en binnen zoodanigen tijd, als hij naar de omstandigheden zal vermeenen te bchooren a).
Mr. Van dkk Kkmp meende, dat bevel ingevolge
o o
art. 086 ook noodig is, wanneer de partijen eenstemmig zijn; âomdatquot;, zegt hij, âdo Kantonrechter âtoch altijd op de belangen der verzorgden moet âtoezienquot;. Kn verder: âhet artikel 686 spreekt zeer âin het algemeen, en door partijen behoeven juist âgeen tegenpartijen verstaan te wordenquot;. Hij verschilde daarin met K. B. 111, 364, De Pixïo, hl. 746 en de
Bijv. bij a«ngctcckcndcn brief.
(544
Witt Hamkr, 1gt;1. 553, rlie, on tcrcclit, dat bevel slechts noodi^ achten, wanneer partijen niet eenstemmig zijn.
De algemeene volmacht, om oen belanghebbende bij vereffening eens boedels te vertegenwoordigen, en zelfs nitdrukkolijk vermeldende do macht om mede te werken tot allo verkoopingen, is nirl voldoende om een bevel, als bedoeld bij art, b8b 13. lv., van den Kantonrechter te vragen, besliste do Kantonrechter te 's Clravenhage, Mr. van Bell, bij beschikking van 30 Oct. 1861, W. 2325.
§ 202. De bemoeiing des Kantonrechters is ook noodio- in b,)lt;ulehchridiniicii, wanneer er deolgerechtig-den a) zijn, die hot vrije beheer over hunne goederen niet bezitten, of die weigeren ot nalatig zijn om tot de boedelscheiding, nadat zij bij vonnis bevolen is, mede te werken en voor wie in dit geval door de Arrond. Rechtbank een of moer bewindvoerders benoemd zijn, of die afwezig zijn en insgelijks door een bewindvoerder vertegenwoordigd worden. Art. 520, 1117 B. W.
Indien al do doelgerochtigden hot vrije beheer over hunnequot; goederen hebben en tegenwoordig zijn, kan do boedelscheiding plaats hebben op de wijze on door zoodanige akte, als zij goedvinden, (Art. 1115 B, W,)
De bepalingen omtrent dit onderwerp van kracht, zijn die, welke bij de Wetten van 31 Mei 1843, {Sihl. N'*, 22 en 23) zijn voorgeschreven. Over die Wetten zie men (ieschwdems en licijinsclcn der Mcllm van 'M Mei (Stbl. A'0. -J-J en 2-)) helrrkkelijl; ItoedehchnHinyen, door J o an van DKN Honkrï Hz,, ' x-G ravcnhag e
Do in art, 1118 B. W, bedoelde Kantonrechter is ongetwijfeld die, hinnen ir'irns ijebied dr erfem* is otjen-ijci'aIh'ii. \'Tgl, Van dkx IIonert, bl, 85.
Nergens bij de Wet is intusschen uitdrukkelijk
a) Wel spreekt art. lil?, 2e lid, vim erfffeitatnen, doeh daaronder moet worden verstaan deelgerechtigden. Vonnis Eechtbank Botterdam 17 Februari 1879, VV, 435'. T, igt;. n. IV, bl/., 21«,
045
aangewezen welke Kantonrechter uitsluitend niet de goedkeuring der akte van boedelscheiding is belast. Wel kan naar aanleiding van de art. 1116 vlg. B. \\r. in verband met de artt. 126 en 695 vlg. B. Rv. worden aangenomen, dat de Rechter van het Kanton waar de erfenis is opengevallen, daartoe in de eerste plaats bevoegd is, maar bij gemis van stellige wetsbepaling volgt hieruit niet, dat deze bevoegdheid van zoo uitsluitenden aard is, dat daarvan in geen geval zou kunnen worden afgeweken.
Indien eene erfenis buitenslands is opengevallen, waarin een minderjarige, in het koninkrijk woonplaats hebbende, deelgerechtigd is, zoodat de goedkeuring van de scheiding door den Kantonrechter vereischt is, en indien alle deelgerechtigden, waaronder de voogd van den minderjarige, de akte van scheiding willen doen opmaken in het Kanton waarin zich de woonplaats van den minderjarige bevindt, dan is de Kantonrechter van dat Kanton bevoegd om van de voorgenomen boedelscheiding kennis te nemen en daaraan zijne goedkeuring to hechten. (Bosch. 11. R. 16 Februari 1893, v. d. 11., B. R. 59, 47 R. 163, 107, W. 0301, 1'. v. J. 1893, N0. 41.)
Indien de Kantonrechter van oordeel is, dat de voogd en de toeziende voogd beiden, of de curator en de toeziende curator beiden, of de bewindvoerders zooeven genoemd, een met de door hen vertegenwoordigde erfgenamen tegenstrijdig belang hebben, moeten door hem, ambtshalve, een of meer deel-voogden lt;t) benoemd worden, om bij de scheiding te waken voor liet belang van die erfgenamen. Art. 1118 B. \\T. De Kantonrechter gaat hier geheel eigenmachtig te werk; ook do wijze eenor gewone voogdij-benoeming komt hier niet te pas. R. B. VI, 188. Hij behoort alleen dan te benoemen, zegt Van der Kemi*, wanneer de scheiding zoo ingewikkeld is, dat
a) Zie hierover Mr. J. B. Ridder de van der Scuueren. Kenl/ie opwerTciv(fen omfretif de deelvooffdvn (JS'. Bijdr. voor J\. en W. 1875, bi. 38).
040
hij de hulp van een onpartijdige behoeft, om alle posten in bijzonderheden te beoordeelen. De deelvoogd heeft voor de juistheii der akte van scheiding, slechts voor zooveel den minderjarige, door hem vertegenwoordigd, betreft, te zorgen; met den ontvang dei-gelden eu verdere bezorging is hij niet belast. Maar indien het tegenstrijdige belang bestaat tusschen een vader en zijne minderjarige kinderen, bij het leven der moeder, als wanneer er nog geene voogdij is, dan moet er geen deelvoogd, maar een bijzondere curator door den Kantonrechter benoemd worden om die kinderen te vertegenwoordigen, volgens art. 365 B. W., zooals bet is gewijzigd bij de Wet van 18 April 1874 {Sthl. N0. 68).
Indien er ter waardeering van de goederen der nalatenschap deskundigen moeten benoemd worden en er ten deze verschil bestaat tusschen de belanghebbenden, moet die benoeming ten getale van drie gedaan worden door den Kantonrechter, binnen wiens Kanton de erfenis is opengevallen, of, voor zoover het de waardeering van onroerende goederen betreft, en mede slechts in geval van verschil der belanghebbenden, R. B. VII, 361, door den Kantonrechter, binnen wiens gebied die goederen gelegen zijn. Voorts moeten, uitgenomen de makelaars, alle andere deskundigen, hetzij door de belanghebbenden, hetzij dooiden Kantonrechter benoemd, vóór de waardeering beëedigd worden door den Kantonrechter, binnen wiens Kanton de erfenis is opengevallen, of, voor zoover het de waardeering van onroerende goederen betreft, door den Kantonrechter, binnen wiens gebied die goederen gelegen zijn; en ten aanzien van onroerende goederen, buiten het koninkrijk gelegen, indien de partijen omtrent de deskundigen niet kunnen overeenkomen, moet de Rechter van het Kanton, waar de erfenis is opengevallen, bepalen, hoe die deskundigen benoemd en beëedigd zullen worden, en is hij zelf tot die benoeming en beëediging
647
bevoegd. Art. 1124 15. W. Dit art. is iilgemecn en ziet zoowel op het geval dat er eene boedelbeschrijving zouder, als mei voorafgaande verzegeling is opgemaakt; altoos moet de beëediging der deskundigen door den Kantonrechter, nimmer door den Xotaris geschieden, gelijk beslist is door den II. R., bij Beschikking in Raadkamer, conform de conclusie van den Adv. Gen. Grkgoui.i, van den o'1quot;1 October 1850, W. 117:5, bij welke beschikking werd bevestigd een beschikking der Arrond. Rechtbank te Brielle van 10 Mei 1850, \\r. 112f.), waarbij werd gegrond verklaard, de weigering van den Kantonrechter, om zijne goedkeuring te hechten aan een ontwerp-boedelscheiding, gegrond op een boedelbeschrijving, waarbij de schatters niet door den Kantonrechter, maar door den Notaris werden beëedigd. liet ontwerp der boedelscheiding, vrij van zegel en registratie, moet namens de gezamenlijke erfgenamen aan de goedkeuring van den Kantonrechter onderworpen worden. Art. 1121. Zoolang de erfgenamen het onderling nog oneens zijn over de scheiding, komt er geene wettelijke beoordeeling van het ontwerp van de zijde des Kantonrechters te pas. Daar het zijn plicht is te waken tegen allo benadeeling ten doze van die erfgenamen, welke het vrije beheer hunner goederen niet bezitten, of door een bewindvoerder wegens weigerachtigheid of nalatigheid vertegenwoordigd worden, zoo moet hij vooreerst toezien, dat al die personen, behoorlijk vertegenwoordigd, als verschijnende partijen er in voorkomen, bepaaldelijk ook, dat de toeziende voogden en toeziende curators er mede in verschijnen, daar dat laatste op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Art. 1117, 1118 15. W. Voorts moet hij nagaan, of de scheiding op eene behoorlijke, overeenkomstig de Wet opgemaakte boedelbeschrijving berust; immers, indien er nog geen zoodanige bestaat, moei zij, hetzij vooraf bij eene afzonderlijke, hetzij te gelijk met de boedelscheiding, en bij een en dezelfde acte worden opge-
CAS
maakt, overeenkomstig de voorschriften van de Wet «). Indien echter al de erfgenamen, tijdens het overlijden van den erflater tegenwoordig zijnde en het vrije beheer over hnnne goederen hebbende, geene boedelbeschrijving hebben opgemaakt, en later voorgevallen veranderingen in den staat des boedels, de naleving der wetsbepalingen daaromtrent onmogelijk maken, moet de boedelscheiding aanvangen met eene zoo nauwkeurig mogelijke opgave van den boedel, zoodanig als die door den erflater is nagelaten, van de daarin sedert voorgevallen veranderingen en van zijn tegenwoordigen staat. De deugdelijkheid van die opgave moet daarbij voor den Kantonrechter worden beëedigd door hen, die in het bezit der onverdeelde nalatenschap zijn gebleven. Art. 1119 B. W. Ook moet hij onderzoeken, of al de op het tijdstip der boedelscheiding aanwezige goederen, volgens hunne juiste waardeering er in zijn opgenomen, namelijk de schuldvorderingen en aandeelen in maatschappijen, welke in prijscouranten, op openbaar gezag daargesteld en uitgegeven, vermeld zijn, gewaardeerd volgens die prijscouranten op bet tijdstip van, of zoo namogelijk bij de scheiding; andere roerende goederen tegen de waarde, waarop zij bij de boedelbeschrijving geschat zijn, ten ware een of meer erfgenamen eene nadere schatting door een deskundige mochten verlangen; eindelijk de onroerende goederen tegen den prijs, door de benoemde deskundigen bepaald. Art. 1123, 1159 B. W. Eindelijk moet hij nagaan, of de regeling
a) Dc boedelbeschrijving is niet een onderdeel der boedelscheiding; wel gaat zij daaraan vooraf en kan zij zelfs volgens de bepaling van art. 111«) H. W., bij dezelfde akte plaats hebben, maar zij behoort niet tot de eigenlijke scheiding; ook bevat de benoeming van een Notaris, Ie wiens overstaan de akte van boedelscheiding zal worden verleden en te wiens kantore partijen daartoe moeten samenkomen, niet eenige opdracht van rechtsmacht aan dien Notaris en evenmin eenige aanwijzing van de plaats, waar de boedelbeschrijving zal plaats hebben, bepaaldelijk niet dat ook deze ten kantore van den Notaris zon moeten worden aangevangen (arrest Jl. E. 31 Maart 1882, v. n. H. H. K., d. 17, bl. 281, R. d. 130. § 41, \V. 4704, bev. Rechtb. Groningen 12 Nov. 1880, AV. 4647.
649
van den inbreng en van hetgeen door den boedel aan een of meer der erfgenamen, uit welken hoofde ook, verschuldigd is, de inkorting of vermindering van hnwelijksvoordeelen, schenkingen of legaten, die de bij de Wet veroorloofde waarde te boven gaan, alsmede de bepaling van het overschot des boedels en van liet aandeel van ieder erfgenaam of staak behoorlijk gedaan zijn. Art. 1125 B. W. Indien hij zijne goedkeuring aan het ontwerp van boedelscheiding verleent, moet deze, ook al mogen er niet dan gereede penningen te verdeelen zijn, op straite van nietigheid, worden verleden bij akte ten overstaan van een, door partijen gekozen, of in geval van verschil, door de Arrond. llechtbank, op het verzoekschrift van de meest gereede belanghebbenden, benoemden Notaris lt;(), in tegenwoordigheid van den Kantonrechter, die tot bewijs daarvan de akte mede onderteekent, zonder daarvan echter een proces-verbaal op te maken. Art. 1120 B. W. De tegenwoordigheid van den Griffier wordt hier niet vereisclit 0).
Uit de hier aan partijen overgelaten keus van een Notaris heeft men willen afleiden, dat die keuze zoo wijd strekt, dat het zoude geoorloofd zijn er een te kiezen buiten het arrondissement, waar de erfenis is opengevallen, en dat dientengevolge, daar toch geen Kantonrechter buiten zijn rechtsgebied werkzaam zijn mag, W. 1217, hier bedoeld zoude worden de Kantonrechter van de plaats, waarde scheiding tot stand komt; doch terecht heeft de Procureur-Generaal bij liet Hof van Xoordliolland bij circulaire van 22 Nov. 1844 begrepen, dat uit art. 126 B. K. kan worden afgeleid, dat hier de Kantonrechter van de plaats, waar de erfenis is opengevallen, bedoeld wordt, en dus de keus van ecu Notaris zich niet buiten liet arrondissement van die plaats mag uitstrekken, K. B. VII 147, 310, W. SU4, 817, 829.
«) Zie v. ]gt;. Honeet, W. 84. //) v. 1). HoNEKT, bl. s; en Dl.
650
Maar indien de Kantonrechter zijne goedkeuring weigert en do gezamenlijke erfgenamen en hunne vertegenwoordigers mochten meenen, dat zulks niet gegrond is, moet hij zijne redenen opgeven in een proces-verhaal, hetwelk de Notaris moet opmaken, en waarvan deze eon afschrift, benevens de ontworpen boedelscheiding, na door hem en den Rechter gewaarmerkt te zijn, brengen moet ter griffie van de Arrondissements Rechtbank. De Rechtbank doet uitspraak, desnoods na verhoor van den Kantonrechter en de partijen. Bij de goedkeuring van het ontwerp, moet het door den l'resident cn den Griffier worden gewaarmerkt, en moet daarna, overeenkomstig het ontwerp, de boedelscheiding worden verleden in tegenwoordigheid van den Kantonrechter, art. 1121 B. W. Het vereischte der goedkeuring van den Kantonrechter, betreft niet enkel het aan elk der deelgenooten toegekend bedrag, maar tevens den aard der daarvoor toebedeelde waarden.
Die goedkeuring moet geheel afhankelijk zijn van de overtuiging des Kantonrechters, omtrent het belang der minderjarigen, welker juistheid wel is onderworpen aan de beoordeeling dor Rechtbank, maar waaromtrent bij de Wet geen regelen zijn gesteld. Arrest 11. R. 24 Juli 1882, v. d. II., B. R. d 47, bi. 496, R. d CXXXI, § 33.
Wanneer in den boedel bijv. is onroerend goed, zal bet wenschclijk kunnen zijn, dat aan den minderjarige toe te deelen. De al of niet wenschelijkheid daarvan, zal van tal van omstandigheden afhangen. Dat aan den minderjarige in strijd met des Kantonrechters gevoelen geen vastgoed wordt toegedeeld, kan eene reden voor dezen zijn om zijne goedkeuring aan het ontwerp te onthouden. Intusschen des Kantonrechters bemoeiingen bij de boedelscheiding, worden slechts vereischt in het belang der minderjarigen. Hij zal zijne goedkeuring dus niet bobooren te weigeren, op grond dat aan de minderjarigen te veel is
G51
toebedeeld. (Beschikking der Rechtbank te (Ironingen van 27 October 1885, W. 5308, T. d. N.l\r, bl. 139). liet belang der minderjarigen eischt echter wel degelijk, dat de boedelscheiding geschiede overeenkomstig de Wet. Is dat niet het geval en loopt zij daardoor gevaar later te worden aangevallen, dan zon hij zijne goedkeuring moeten onthouden.
De Kantonrechter te Groningen weigerde goed te keuren een concept-akte boedelscheiding, omdat niet bleek dat bij de hoedelheschrijving de toeziende voogd tegenwoordig was. Hoewel erkennende, dat in het algemeen de minderjarige door zijn voogd of voogdesse wordt vertegenwoordigd, zoo wees hij op art. 444, waar de tegenwoordigheid van den toezienden voogd is voorgeschreven, en beweerde dat, daar de inventaris de grondslag der scheiding is, die inventaris, opgemaakt buiten tegenwoordigheid van den toezienden voogd, laboreerde aan eene radicale informaliteit, haar ongeschikt makende om te strekken, waartoe ze was overgelegd. Bovendien bleek, dat er ten tijde der inventarisatie zelfs geen toeziende voogd benoemd was.
De Arrond. Rechtb. te Groningen vernietigde echter de beschikking van den Kantonrechter en keurde het ontwerp scheiding goed, op grond, dat de W etgever in art. 681 B. R. heeft voorgeschreven wat de boedelbeschrijving moet bevatten, o. a. de namen der tegenwoordige of vertegenwoordigde personen, en dat, daar nu volgens art. 441 minderjarigen door hun voogd worden vertegenwoordigd, de tegenwoordigheid van den toezienden voogd niet noodig is, ten ware de voogd tegenstrijdige belangen met de minderjarigen mocht hebben; dat deze hare zienswijze werd bevestigd door de omstandigheid, dat de Wet bij de inventarissen van 182 en 441 B. W. van hoedanigen inventaris in cam geen sprake was, de tegenwoordigheid van den toezienden voogd heeft gevorderd, wat onnoodig zou geweest zijn, zoo bij lederen inventaris, waarin minderjarigen betrokken zijn, de toeziende voogd uit
052
den aard der zaak moest tegenwoordig zijn. Eindelijk besliste zij, dat nergens met nietigheid is bedreigd, liet optreden van den voogd of de voogdesse, vóór dat nog een toeziende voogd benoemd werd. Vonnis van 24 Dee. 1875, R. B., N. K. 3, 1877, A., bl. 20.
Eene boedelscheiding, die niet met medewerking van alle deelgerechtigden, in persoon of wettig vertegenwoordigd, is tot stand gebracht, is volstrekt onbestaanbaar en radicaal nietig.
Wanneer bij het vonnis, dat de boedelscheiding beveelt, een onzijdig persoon is benoemd, om een der deelgerechtigden te vertegenwoordigen, voor het geval, dat deze, behoorlijk opgeroepen, mocht weigeren of nalatig zijn op den bepaalden tijd voor den Notaris te verschijnen, is die deelgerechtigde n'wt vertegenwoordigd bij eene scheiding waarbij, als niet blijld dat hij weigerachtig of nalatig is om te verschijnen, de bedoelde persoon in zijne plaats optreedt. Arrest Prov. Gerechtsh. in Gelderland, 18 Dec. 1872, R. B., N. R., D. 11, 1874, bl. 109â11(3.
Zoo de belanghebbenden met onderling goedvinden de toescheiding der gemaakte aandeelen niet hebben kunnen regelen, en zulks door het lot moet worden beslist, overeenkomstig art. 1125, moet de Kantonrechter toezien, dat de loting behoorlijk toega. Indien er tusschen de erfgenamen verschil is over hem, in wiens bewaring de algemeene boedelpapieren zullen blijven, moet de Kantonrechter daartoe de benoeming doen, art. 1128 B. W. Zie over dit onderwerp een werkje in 1846 of 1847 te Sneek uitgekomen, getiteld; Bchandel'mcj van vmaf/tsiukken en uanleekenmyeH oji de VV et van boedehcheidiniien «).
§ 203. Van dek Kemp meende hier de aandacht nog op de twee volgende punten te moeten vestigen. Het eerste is, dat bij art. 13, Wet 14 Jan. 1815 (Sihl. N0. 4) houdende bepalingen op de
a) Vgl. \V. 78G.
653
inschrijving van kapitalen in liet Nieuwe Grootboek dei-Nationale Schuld, den Vrederechters, benevens andere daar opgenoemde personen, op hunne verantwoordelij k-heid, wel uitdrukkelijk gelast was, om bij het inventariseeren, toebedeelen of andere boedelberedderingen, zorgvuldig te letten, dat aan bepalingen, in die Wet vervat, stiptelijk voldaan werd, namelijk dat, ingeval diaconiën, godshuizen, voogden, curators of andere dergelijke collegiën of personen, door aankoop, versterf of anderszins in het bezit mochten geraken van certificaten of acten van deelgeving van nationale schuld, die certificaten of acten van deelgeving ten spoedigste moeten worden overgebracht bij de Directie van het Grootboek, ten einde door inschrijvingen op naam en kwaliteit vervangen te worden, en wel uiterlijk binnen den tijd van drie maanden, te rekenen van den dag af, dat de possessie door den vorigen eigenaar of bezitter zal zijn ontruimd, of dat de boedel, waar dit te pas komt, zal zijn gescheiden of de curateele zal zijn gedecerneerd. Wij meenen echter met hem. dat deze bepalingen niet meer van toepassing zijn, als vervangen door art. 450 B. W., hoezeer het misschien goed is, dat de Kantonrechter bij boedelscheidingen als anderszins de betrokken personen op die bepaling opmerkzaam make. â Het andere punt is, dat bij circulaire van den Minister van Justitie van 12 Juni 1847, N0. 55, houdende voorschriften tot het nauwkeurig doen toepassen van de Wet, vaststellende bet tarief voor het honorarium der Notarissen, (d'En-uelbronner, 5de serie, bl. 159) de Kantonrechters zijn uitgenoodigd, om, ieder in zijn Kanton, de personen, welke met de waarneming der belangen van minderjarigen of andere toezicht-behoevenden zijn belast, bij iedere gepaste gelegenheid niet slechts met den inhoud der Wet van 31 Maart 1S47 {Sthl. N0.12), houdende vaststelling van het tarief tot bepaling van de hoegrootheid en van den vorm van taxatie van het honorarium der Notarissen, gelijk mede van
054
verschotten welke aan hen in rekening zullen worden geleden, maar ook met tie beginselen, waarop zij berust, zooveel mogelijk bekend te maken, en ook bepaaldelijk hunne aandacht te vestigen op de verant-woordelijkheid, waaraan zij zich blootstellen, door het betalen van declaratiën van honorarium en verschot voor werkzaamheden, door Notarissen als zoodanig verricht, welke niet, volgens de beginselen der Wet, vooraf aan de taxatie van den Voorzitter der Rechtbank zijn onderworpen. W. 827. Van dek Kb.mi' meende, dat deze aanschrijving niet wel in praktijk zou zijn te brengen, dan voor zoover de Kantonrechter kan te weeg brengen, dat de Notaris, in de akte melding makende van het voldoen zijner declaratie, er bij voege, dat hij haar vooraf aan de taxatie van den voorzitter der Rechtbank zal onderwerpen.
§ 204. Verzegeling, boedelbeschrijving en waardeering der door den man beheerde goederen, kunnen ook gevorderd worden door de vrouw gedurende dé procedure tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of scheiding van goederen. De vrouw namelijk heeft de bevoegdheid om, daar de rechten van den man opzichtelijk het beheer der goederen, gedurende het geding niet geschorst worden, ter bewaring van haar recht gebruik te maken van de behoedmiddelen, welke bij art. 80S B. R. op dat stuk zijn aangewezen. Zij heeft echter daartoe de machtiging van den President der Rechtbank noodig. De goederen hier bedoeld zijn, ook in art. 270 «), niet slechts de eigen goederen der vrouw, maar ook die der gemeenschap, omdat door de scheiding daarop rechten voor de vrouw kunnen geboren worden. Art. 245, 270, 301, B. W., 808a, 825 B. Rv.
§ 205. De tusschenkomst van den Kantonrechter is óók noodig in geval van huwelijk, tot het afgeven eener akte van bekendheid voor dien der aanstaande
a) Eeschikkiiig (Jerechtshof Leeuwardeu 2.') April 189-1, \V. 0498. Arrest H, K. '28 Juni 1872, W. 3487.
655
echtgenooten, die buiten de mogelijkheid is om zijne geboorteakte of ook akten van overlijden, tot het aangaan van een huwelijk vereischt, te vertoonen. Hij moet zich daartoe vervoegen bij den Kantonrechter te zijner geboorteplaats of woonplaats, met vier getuigen van het mannelijk of vrouwelijk geslacht, bloedverwanten of geen bloedverwanten zijnde, wier verklaring moet inhouden de vermelding van de plaats en zoo na mogelijk van het tijdstip der geboorte, of van dat van liet overlijden, mitsgaders de oorzaken die beletten om eene akte daarvan over te leggen. Art. 127, 128, 15. W.; K. B. van 29 Maart 1839, N9. 85, u'Kxgkr.iironxer, 3lle serie, bl. 525.
§ 206 a). De werkzaamheid van den Kantonrechter wordt vereischt óók ten aanzien van uiterste willen, indien namelijk na het overlijden van den erllater gevonden wordt, een onderhandsch, door den erflater geheel geschreven, gedagteekend en onderteekend stuk, waarbij zoodanige beschikkingen na doode gemaakt zijn, als bij art. 982 B. W. worden opgenoemd, namelijk ter aanstelling van executeuren, ter bestelling van begrafenis, tot het maken van legaten van kleederen, van lijfstoebehooren, van bepaalde lijfsieraden en van bijzondere meubelen, dan moet bet aan den Rechter van het Kanton, alwaar de erfenis is opengevallen, worden aangeboden, die, indien het verzegeld is, het moet openen en in allen gevalle een procesverbaal van de aanbieding, alsmede van den staat, waarin het zich bevindt, moet opmaken en het eindelijk aan een Notaris ter hand stellen, ten einde het onder zijne minuten te bewaren. Art. 9S3. Volgens aanschrijving van den Minister van Justitie van 12 Oct. 1840, heeft de Notaris niet noodig eene akte van bewaarneming op te maken, maar moet de overgifte van het stuk aan den Notaris door den Kantonrechter in zijn proces-verbaal worden geconstateerd en hiervan eene expeditie of extract aan den Notaris uitgereikt,
a) Deze § neem ik -n-oordelljk uit de derde uitgave over.
43
656
ten einde in zijn protocol tot blijvend bewijs te strekken van de herkomst van bet in bewaring gegeven stuk.
Die aanschrijving van den Minister van Justitie, jaren acbtereen gevolgd, is ecbter geheel ter zijde gesteld door eene Resolutie van den Minister van Financiën van 12 Maart 1870, N5, P. W. 56S4, waarbij is beslist, dat de Notaris art. 43 der Wet van 22 Frimaire an VII overtreedt en alzoo /'25 boete beloopt, wanneer hij een onderhandsch stuk, zooals bedoeld is bij art. 982 B. W., in bewaring neemt, alvorens dat stuk is geregistreerd.
Die resolutie, boe fiscaal-juist deze ook moge zijn, is zeker in strijd met den aard en de bedoeling van art. 982 B. W. Do Kantonrechter vindt een stuk als dat artikel bedoelt, in een boedel tijdens de verzegeling, of het wordt in een boedel, die niet verzegeld werd, door een executeur of' erfgonaam gevonden. De AVet geeft nu in art. 983 aan, wat behoort gedaan te worden ten einde zooveel mogelijk te zorgen, dat aan dat document niet alleen uitvoering worde verzekerd, maar óók, dat dat document kome in handen van den wettigen bewaarder, zóóJanig als het door den overledene ivcrd nagelaten. Den kortsten en veiligsten weg geeft de Wet daartoe aan. De vinder biedt het den Kantonrechter aan, deze beschrijft het stuk en overhandigt het aan den Notaris om het in zijn protocol te bewaren. Zoo gebeurde het overal. De administratie dacht er hier en daar echter anders over, en meende, dat ieder Notaris, die een zoodanig stuk ongeregistreerd in ontvangst nam, beboetbaai was volgens de Wet van Frimaire, en zij vorderde dus eene voorafgaande registratie. De kundige Inspecteur der Registratie W. Blaauw, den aard en de bedoelingen van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek ten deze juist opvattende, waagde in 1874 eene poging, opdat op die resolutie van 12 Maart 1870 mocht worden teruggekomen, echter zonder gunstig gevolg, daar de Minister van Financiën, bij missive
657
van 30 Januari 1875, N'. G8, verklaarde, dat het voorstel onaannemelijk was en de resolutie dus voortdurend moest worden toegepast.
Daar nu eene resolutie, vooral wanneer aan hare niet naleving eene boete is verbonden, zwaarder pleegt te wegen dan de bepalingen der Wet, heeft die missive van den Minister van 1875, die aan al de Notarissen in mijn Kanton is medegedeeld, ten gevolge gehad, dat sedert de lleeren Notarissen van mij stukken, als bedoeld in art. 982 B. W., overnemen, bij akte van depot, welke akte dan met het gedeponeerde stuk gelijktijdig ter registratie wordt aangeboden, omdat door mij geweigerd werd te voldoen aan de missive van den Minister, volgens welke de Kantonrechter zelf, alvorens het stuk te beschrijven, het kon doen registreeren. Niet om de moeite, die betrekkelijk gering zou zijn, maar om het beginsel, kon ik daartoe niet besluiten. De Kantonrechter, die het geregistreerde stuk beschrijft, beschrijft het stuk niet zooals het door den erflater werd achtergelaten, en de waarborg, dat het onveranderd zal worden gedeponeerd, zal er zeker niet op vermeerderen, wanneer het eerst nog een 24 uur zal zijn onder hot bereik van kantoorbeambten, gezwegen nog van het gevaar waaraan het blootstaat van, op welke wijze dan ook, in het ongereede te geraken, liet overnemen bij akte van depót geeft, ik erken het, genoegzame waarborgen, maar ook die waarborgen bestonden, toen de Notaris het zonder voorafgaande registratie overnam van den Kantonrechter, die het stuk vooraf behoorlijk beschreef, soms geheel overschreef, en in zijn verbaal van de aanneming door den Notaris melding maakte, in welk geval geene akte van depót gevorderd wordt, zooals ook gezegd wordt in P. W. 3700, in verband met P. \V. 1/1841, hl. 170 en 1/J842, bl. 135, welke plaatsen echter in 1875 aan de aandacht schijnen ontsnapt te zijn.
Ook onder de Fransche Wet mochten de Notarissen
G5S
de /li^-geregistreercle, krachtens art. 1007 C. N. aangeboden olograpbiscbe testamenten in depot nemen, (Decision 29 Sept. 1807. Inst. Gen. Nquot;. 359), terwijl volgens decisie van 9 Sept. 1812 in zoodanig geval geene akte van depot vereischt werd. Een vonnis van de Rechtbank van Colmar van 12 Juni 1826, komt met de beslissing van 29 Sept. 1807 geheel overeen.
Het is mij intnsscben gebleken, dat de ontvangers van de Registratie buiten bet Kanton 'sGravenhage nimmer kennis kregen van de niet aanneming van het voorstel des heeren Blaauw, en dat men bijna overal elders, op de oude, min kostbare en niet omslachtige, met den geest dor Wet overeenkomende wijze te werk gaat, en art. 983 B. W. toepast. Het is mij echter raadselachtig, hoe die resolutie van 1870 alléén voor Den Haag toepasselijk zijn kan.
Op gelijke wijze moet de Kantonrechter ook bandelen zoowel met een olographischen uitersten wil, welke gesloten aan een Notaris is ter hand gesteld, als met een besloten of geheimen uitersten wil. De Notaris, welke zoodanigen uitersten wil onder zijne minuten bezit, moet dien aanbieden aan den Rechter van het Kanton, alwaar de erfenis is opengevallen; de Rechter moet dien openen en proces-verbaal opmaken van aanbieding en opening, alsmede van den staat, waarin het stuk zich bevindt en daarna bet teruggeven aan den Notaris, die de aanbieding gedaan heeft. Art. 984, 989. Eene akte van depót door den Notaris, om het ongeregistreerde stuk van den Kantonrechter over te nemen, is uitdrukkelijk bij de Wet van Primaire onnoodig verklaard. Er bestaat echtei een verschil van gevoelen nopens den Kantonrechtei, aan wien de aanbieding van een gesloten olographiscben uitersten wil moet gedaan worden, dewijl art. 984 niet uitdrukkelijk, gelijk door art. 983 en 989 gedaan wordt, daartoe aanwijst den Rechter van het Kanton, alwaar de erfenis is opengevallen, weshalve er zijn die meenen, dat hier de Kantonrechter van de rc si-
659
dentie van den Notaris wordt bedoeld, ook dan wanneer het sterfhuis elders mocht gevallen zijn. Voor dit gevoelen vindt men een betoog en een vonnis der Arrond. Kechtbank te Maastricht van 5 Juni 1845, in W. 88, 686. Doch het komt mij met Van der Kemp voor, dat dit gevoelen met de bedoeling des wetgevers ten eenen male in strijd is, omdat er geene reden is uit te denken, waarom hij verschillende Kantonrechters voor soortgelijke gevallen zou bedoeld hebben, maar ook met de letter der Wet is die opvatting in strijd. Art. 984 verwijst naar den Kantonrechter van art. 989, en dat is dezelfde Kantonrechter als die van art. 983. Dit is ook zóó begrepen door de Arrond. Rechtbank te Roermond, bij vonnis van 16 Februari 1854, W. 1525. Wel moge de aanbieding aan den Kantonrechter van het sterfhuis, hetzij van oen olographischen, hetzij van een geheimen uitersten wil, soms groote moeilijkheid opleveren, wanneer de Notaris elders, misschien verre weg, gevestigd is; doch deze moeilijkheid kan aan het duidelijke voorschrift der Wet niets te kort doen, en wordt niet weggenomen door middel eener toezending van den uitersten wil aan een ambtgenoot ter plaatse van het sterfhuis, om de aanbieding te doen; althans men vervalt dan in andere zwarigheden. W. 55, 64. R. B. 1, 507. VIII, 507. Dk Pixto § 518. Misschien, meende Van* dkr Kemp, kon in de zwarigheid voorzien worden, bij toepassing van art. 25 R. O., door middel van letteren requisitoriaal, waarbij de Kantonrechter van het sterfhuis, vernomen hebbende van den elders wonenden Notaris, dat deze een testament van den overledene bezit, verzoekt en machtigt den Kantonrechter van de woonplaats van dien Notaris, om liet testament aan te nemen en er mede te handelen overeenkomstig art. 989; dit middel wordt voorgesteld in R. B. IV, öiiG. Doch hiermede vereenigt zich, en naar mijn inzien terecht, niet De Witt Hamer, bl. 499â501. Intusschen, al moge de
660
opening van het testament door een onbevoegden Kantonrechter geschied zijn, zie ik niet in, dat zulks iets aan zijne geldigheid te kort doet, daar art. 1000 B. W., hetwelk de straf van nietigheid op het verzuim der formaliteiten bedreigt, toch wel niet anders kan worden verstaan, dan van de inwendige formaliteiten van den uitersten wil, zonder welke geen uiterste wil gedacht kan worden, en geenszins van die formaliteiten, welke na den dood des testateurs door vreemden moeten worden in acht genomen.
Dat echter in deze bij de Wet in élt;';n geval niet is voorzien, heeft mij de praktijk geleerd. Meer dan eens kwam het mij voor, dat personen die in Den Haag hun olographisch testament deponeerden, in het buitenland, waar /.ij sedert lang zich gevestigd hadden, kwamen te overlijden. Zou nu de Notaris naar Parijs, Brussel of Wiesbaden reizen om aldaar het testament te doen openen? Ik heb er nooit eenig bezwaar in gemaakt mij met de opening te belasten, overtuigd als ik was, dat de geldigheid van het testament daardoor in niets gevaar liep. Toch is het wenschelijk, dat de Staats-Com missie tot herziening van het B. W. ook op deze aangelegenheid haar aandacht vestige, en zij, of de gaping aanvulle, of, wat nog beter zou zijn, het meer rationeele beginsel in de Wet opneme, dat het testament wordt geopend door den Kantonrechter binnen wiens kanton het werd in bewaring gegeven. Op die wijze zou tevens de nu toch altijd bestaande anomalie vervallen, dat de Notaris buiten zijn Arrondissement fungeert.
§ 207 a). De bemoeiingen van den Kantonrechter zijn ook noodig ten behoeve van schuldeischers. Zoo wordt zijne tegenwoordigheid vereischt in geval van willige verkooping van met hypotheek bezwaarde goederen, welker ontlasting van de hypotheken men vorderen wil. Te dien einde moet de verkooping
a) Doze paragraaf neem ik woordelijk uit de derde uitgave over; toevoegingen doe ik in aanmerkingen gemerkt a. ft. c enz.
661
plaats hebben in tegenwoordigheid van den Rechter van het kanton, alwaar alle of het meerendeel der goederen gelegen zijn, art. 1254, 1255 B. W. Waartoe alsdan zijne tegenwoordigheid vereischt wordt, vindt men bij de Wet niet opgegeven ; en dat zij toch geene bloot lijdelijke zijn kan, volgt nit de bepaling van art. 1223 B. W., houdende, dat een eerste hypotheekhouder, die onherroepelijke volmacht tot verkoop bedongen heeft, bij dien verkoop de voorschriften van art. 1255 moet in acht nemen, met uitzondering alleen, dat de tegenwoordigheid van den Kantonrechter niet vereischt wordt 1). Zie over de bevoegdheid en de verplichtingen des Kantonrechters bij verkoopingen van onroerend goed: âart. 1255, B. W. 857-859 K.quot; Mr. G. B. Emaxts, Themis, Ã, IX, 18t?, hl. 576 589. Hoezeer op eene daartoe gedane vraag in de Staten-Generaal, de Regeering niet heeft geantwoord, (zie Voorduin TV, 529, 530, 699), had echter de wetgever buiten twijfel ten doel, dat de Kantonrechter door zijne tegenwoordigheid zon zorgen, dat de belangen der bij den verkoop betrokkenen niet verwaarloosd worden, en dat de verkooping plaats heeft, overeenkomstig do door de Wet voorgeschreven formaliteiten ; zoo niet, dan moet hij met zijn gezag tusschenbeide komen. Om nu dit gezag te kunnen uitoefenen, spreekt het van zelf, dat hij niet alléén vooraf met de bescheiden, de voorwaarden, den tijd en de wijze van verkooping moet worden bekend gemaakt, maar dat ook zijne goedkeuring en toestemming op dit een en ander moet worden verkregen. Doch wat, indien hij zijne goedkeuring en toestemming niet verleent, en Notaris of partijen zich aan zijn oordeel niet gelieven te onderwerpen? Er bestonden hieromtrent vroeger bepaalde voorschriften bij de Wet van 12 Juni 1816 (.S7/)/. N0. 26) en het Besl. van 12 Sept. 1822 (gt;'/gt;/. N0. 43), doch bij de invoering der Nederl. Wetboeken
H Zie Mr. L. \V. van Kleitens, over bedingen bij Hypotheek. Groningen 18G1. bl. 41 en vlg.
662
zijn die vervallen. Zie circulaire van den Minister van Just. 25 Sept. 1838. Mij dunkt, dat naar de beginselen van ons tegenwoordig recht, de Kantonrechter alsdan zijne tegenwoordigheid en medewerking bij den verkoop weigeren mag a), en dat er voor de partijen geen ander rechtsmiddel overschiet, dan het verschil te brengen in kort geding voor den President dor Rechtbank, aan wiens beslissing de Kantonrechter onderworpen is, volgens art. 289 B. R. Vgl. bov. § 159. Van een ander gevoelen echter is Emants, dio oordeelt, dat de Kantonrechter zijne tegenwoordigheid niet weigeren mag, maar in geval van verschil proces-verbaal opmaken moet. Doch art. 289 beslist mijns inziens het verschil. â Wij zagen hot zooeven, dat in geval van art. 1223 15. W. de tegenwoordigheid van den Kantonrechter niet vereischt wordt. Van dek Kemp meende, dat, zoo de eerste hypotheekhouder met beding van volmacht, aan den kooper de bevoegdheid wil geven tot zuivering, hij dan wel degelijk de vermelde tegenwoordigheid vorderen moet, dewijl art. 1223 het recht van zuivering niet op het oog heeft, maar dit recht bij art. 1255 geregeld wordt. R. 13. XI, 222. Xll, 286. Aldus ook oordeelt Mr. Lokb, Handboek 1). 1, bi. 184, in de Noot 2. Zoo ook besliste de Arrond. Rechtb. te 's Gravenhage bij beschikking van 26 Augustus 1 79, W. 4414, toen door mij bezwaar was gemaakt tegenwoordig te zijn bij een verkoop, krachtens onherroepelijke volmacht; âdatbij verkoopen âde tegenwoordigheid van den Kantonrechter wordt âvereischt, om zuivering te kunnen vragen van de
a) Zie een geval, waarin de Kantonrechter weigerde bij den verkoop tegenwoordig te zijn, in P. v. J. 1890, no. 14. Bij de beschikking die do President der Rechtbank te Amsterdam gaf den 17 Mnart 1890, oordeelde deze echter, dat de Kantonrechter ton onrechte weigert tegenwoordig te zijn, wanneer hij dat doet op grond dat hem niet wordt overgelegd het bewijs van inschrijving eener tweede hypotheek, ten hypotheek kant ore. J)it gevjil wordt ook besproken in Themis 1890, Xo. 14, door Mr. C. Kbabbe, hoofdzakelijk omtrent de vraag of de Kantonrechter dan door den President in de kosten kan worden verwezen.
663
âhypothecaire lasten, die don koopprijs te boven gaan.' Do Rechtbank gclust'e daarbij den Kantonrechter alsnog de dagen van den verkoop te bepalen.
Twijfelachtig is het niet, dat, daar een ieder mag afzien van het recht, in zijn voordeel vastgesteld, er van de formaliteit, die de tegenwoordigheid van den Kantonrechter eischt, door de gezamenlijke schuldeischors kan worden afstand gedaan «). W. 246, 256, 276. â Maar moet de Kantonrechter hierbij van zijn Griffier vergezeld zijn? Wij meenon mot Dk Witt Hamer, bl. 610, van ncrn, en wel om dezelfde roden, als waarom de tegenwoordigheid van den Griffier in boedelscheidingen niet gevorderd wordt. De werkende hoofdpersoon bij de verkooping is de Notaris, die de handeling bestuurt en regelt, terwijl de Kantonrechter er slechts bijkomt om toe te zien en te waken dat alles in orde toega. Van hier ook, dat er door dezen geen proces-verbaal behoeft te worden opgemaakt, maar hij slechts de koopakte van den Notaris, ten blijke zijner tegenwoordigheid en goedkeuring, moet medeteekenen. Omtrent de inrichting dier koopakte zie men eene aanschrijving van den Minister van Justitie van 12 Oct. 1840. â Bij aanschrijving van denzelfden Minister'van Juni 1847, hiervoor in § 203 aangehaald, zijn de Kantonrechters ten ernstigste verzocht aan het O. M. bij de Arrond. Rechtb. van hun ressort te willen mededeelen, bepaaldelijk die overtredingen, waarbij Notarissen in strijd met art. 21 en 22 der Wet van 9 Juli 1842 (Slbl. N0. 20) op het Notarisambt, gewijzigd bij de Wetten van 26 April 1876 {Slbl. y.0. 85) en 6 Mei 1878 (Slbl. N0. 29), en met art. 4 der Wet van 31 Maart 1847 {Slbl. N .12) hiervoor in § 203 aangehaald, bij den verkoop, de verhuring of verpachting van onroerende goederen, hetzij ter voldoening van hun honorarium, hetzij
a) In clenzelfdeu geest ook Prof. DiEPiivis vit, bl. 514, die echter de opmerking maakt, dal dusdanige afstand wegens de kleine kostenbesparing slechts hoogst zeldzaam zal voorkomen.
664
mede ter bestrijding van sommige onkosten, bedingen boven en behalve de door hen uitgeloofde koop-, huur- of pachtpeuningen, een evenredig loon of zoogenaamd rantsoen. W. 827.
§ 208. Wanneer een verzoek tot faillietverklaring is gedaan, kan de Rechtbank den verzoeker toestaan hangende het onderzoek den boedel te doen verzegelen. Zij kan daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling, tot oen door haar te bepalen bedrag verbinden (art. 7 lc lid faillissementswet.)
Na de faillietverklaring doet de curator, zoo hij of de Rechter-Commissaris dat noodig acht, dadelijk den boedel verzegelen (art. 93, l1' lid dier Wet)
Beide verzegelingen geschieden door den Kantonrechter.
Buiten de verzegeling blijven steeds: 1°. de goederen vermeld in art. 447, N'. 2â5 a) van het W. v. B. Rv. ;
2°. de gelden of jaarwedden tot onderhoud, welke door den erflater of schenker voor geene inbeslagneming vatbaar zijn verklaard;
3°. indien de gefailleerde schipper of schepeling is, de gagie;
4'1. het auteursrecht;
5°. hetgeen in het eerste lid van art. 448 h) W. v.
a) Artikel 4 47 nos. 2â5 verbiedt beslag te leggen op:
het noodige bed en beddegoed van do personen tegen welke liet beslag gedaan wordt, of van hunne bij hen inwonende kinderen, noch op de kleederen waarmede zij en hunne kinderen gekleed en gedekt zijn;
de toerusting van personen in krijgsdienst, volgens hunnen dienst en graad:
de gereedsehappen van ambachtslieden en werklieden, tot hun persoonlijk bedrijf behoorende;
den in het huis voorhanden zijnden voorraad van spijs en drank, dienende tot behoefte van het huisgezin gedurende eene maand.
h) Art. 4 48 luidt:
Insgelijks kan er geen beslag gelegd worden:
lo. o]) de boeken betrekkelijk tot het beroep van den persoon tegen wien het beslag gedaan wordt, tot de som van twee honderd gulden, te zijner keuze:
2o. op de werktuigen en gereedschappen, dienende tot eenig onder-
665
B. Rv. is omschreven, tenzij in liet faillissement schuldeischers opkomen wegens vorderingen vermeld in het tweede lid van dat artikel.
Daar de curator onmiddelijk de hoeken, gelden, kleinodiën, effecten en andere papieren onder zich neemt, blijven die goederen buiten do verzegeling, wanneer deze eerst plaats heeft na de faillietverkhiring. Eveneens blijven dan daarbuiten de voorwerpen tot het bedrijf van den gefailleerde vereischt, indien dit wordt voortgezet.
Alles wat buiten de verzegeling blijft, wordt echter steeds in het proces-verbaal kortelijk beschreven.
§ 209. Indien er in geval van beslag op roerende goederen, beesten of werktuigen voor den landbouw, of vruchten te velde, welke reeds van den grond zijn afgescheiden, zijn in beslag genomen, dan kan de Kantonrechter, op verzoek van den executant en na verhoor of behoorlijke oproeping van den geëxecuteerde, een geschikt persoon aanstellen, ton einde voor de bebouwing en inzameling zorg te dragen. Art. 451 B. 11. Eene soortgelijke bepaling geeft art. 761 B. K. in geval van pandbeslag voor huren en pachten; in dat artikel is echter ook sprake van vruchten welke nog tak- en wortelvast zijn. Dat in art. 451 niet gesproken wordt van do vruchtcn wctkc nog lal;- en world vast zijn, in het anders gelijkluidende art. 761 mede opgenoemd, is niet te verwonderen,
wijs, of beoefening van kunsten en wetenschappen, ten bedrage van de zelfde som, en te zijner keuze;
3o. eindelijk, op eene koe, of twee zwijnen, of twee geiten of vier schapen, ter keuze van dengenen tegen wien het beslag gedaan wordt, met liet benoodigde stroo en voeder voor dat vee, gedurende eene maand.
Echter zullen de zaken, in dit artikel genoemd, kunnen worden in beslag genomen:
lo. wegens levensbehoeften, verstrekt aan den persoon tegen wien het beslag gedaan is;
2o. wegens de gelden, verschuldigd aan personen, welke die voorwerpen vervaardigd, hersteld of verkocht hebben;
3o. wegens huren en pachten van onroerende goederen, waarin of waarop de gemelde zaken voorhanden zijn.
066
daar eerstgenoemd art. maar alleen ziet op roerende goederen, waaronder die vruchten niet behooren. Vgl. De Pixto bi. 7(JG. Art. 5lt;.)4 Cod. Proc. vorderde het verhoor of de oproeping niet alleen van den ge-executeerde, maar ook van den eigenaar; welk laatste dus nu niet meer noodig is.
§ 210. De bemoeiing des Kantonrechters is noodig in geval van gijzeling van een schuldenaar, et) Geen gijzeling toch mag geschieden in het huis door den schuldenaar bewoond, of in eenig bijzonder huis, dat niet voor een iegelijk open staat, ten ware de Deurwaarder vergezeld /.ij door den Kantonrechter in de gemeente, waar deze zijne woonplaats heeft, en iu andere gemeenten door het hoofd van het gemeentebestuur of dengene die hem vervangt. Art. 000, Nquot;. 4 B. R.
Ook wanneer de schuldenaar gegijzeld wordt in de tap- of gelagkamer van zijne eigen woning, behoort de Kantonrechter of de Burgemeester tegenwoordig te zijn. De woorden dal nicL voor een iegelijk open slant hebben slechts betrekking op cenhj hijzm.der /mis; zij slaan niet terug op de woning van den schuldenaar (arrest Gerechtshof Leeuwarden van 29 Jan. 1877, W. 4135.)
De tegenwoordigheid dezer Ambtenaren moet tot waarborg strekken, dat de Deurwaarder niet anders, dan op daartoe door de bevoegde autoriteit verleend bevel, zich in de bijzondere woningen der ingezetenen begeeft. Zie v. Hoxkrt, bl. 501 B. R. Zij mogen dus hunne medewerking weigeren, indien hun niet blijkt van eene behoorlijke beteekening van het vonnis met bevel tot betaling, gedaan ten minste één dag vóór de tenuitvoerlegging van den lijfsdwang, tenzij er verlof is van den President der Arrond. Rechtbank tot dadelijke tenuitvoerlegging. Art. 599 B. R. Het verzoek en de toestemming tot vergezelling van den Deurwaarder, behoeven niet schriftelijk gevraagd aj Zie hierover bl. 480â483.
067
en gegeven te worden; zelfs schijnt de mede-teekening van het proces-verbaal niet noodig; genoeg is het, zoo de Deurwaarder er melding in maakt, dat hij door den bevoegden Ambtenaar is vergezeld geweest. Carré V, 160. De tegenwoordigheid van den Kantonrechter of van het hoofd van het Gemeentebestuur, is niet verder noodig dan totdat het huis, waarin de te gijzelen persoon zich bevindt, is binnengetreden, en de bevoegde Ambtenaar zich overtuigd heeft, dat de persoon dien men gijzelen wil, voor hem verschenen is. Hij stelt hem daarna ter beschikking van den Deurwaarder. Indien de te gijzelen persoon in verzet komt, is noch Kantonrechter, noch Burgemeester verplicht, zich mede naar den President der Arrond. Rechtb. te begeven. Hunne taak is geëindigd, zoodra die van den Deurwaarder aanvangt. De Kantonrechter of Burgemeester moet van den beginne af tegenwoordig zijn. Zoo ze eerst later kwamen, zou de schuldenaar de nietigverklaring der gijzeling kunnen vragen. (Berk. st. Pkix 11, 690, N'J. U).
Eene merkwaardige vraag omtrent art. 600 4'. B. Rv., werd beantwoord door de Rechtbank te Maastricht in haar vonnis van 27 Augustus 1891 (W. 6090). Terwijl de Kantonrechter in het Kanton Heerlen niet te Heerlen woont, had een Deurwaarder, die een schuldenaar in diens woning te Heerlen gijzelde, zich daarbij doen vergezellen door een te Heerlen woonachtigen Kantonrechter-plaatsvervanger. De schuldenaar beweerde, dat, wijl te Heerlen- de Kantonrechter onbevoegd wss, dit ook daar de plaatsvervanger was. De Kantonrechter toch kan, meende hij, aan zijn plaatsvervanger geene grootere macht overdragen dan hij zelf heeft. De Rechtbank vereenigde zich hiermede. De Substituut-Officier van Justitie, Mr. Geradts, was van meening, dat hier een geval van verhindering van den Kantonrechter aanwezig was, waarin de plaatsvervanger wel degelijk bevoegd was. âStelquot;, zegt Z.E.A., âer is ontstentenis van don titularis, stel, de titularis
668
âis overleden, stel, hij is met verlof naar het buiten-âland, dan zal toch ongetwijfeld de oudste plaats-âvervanger, die te Heerlen woont, bevoegd zijn âom bij eene gijzeling aan den Deurwaarder de be-âhulpzame hand te biedenquot;. Voor de beide eerste gevallen deel ik het gevoelen van Mr. Geradts, voor het laatste niet. Te ontkennen is het niet, dat de leer van het Maastrichtsche vonnis tot zonderlinge resultaten voert. De fout zit echter in de Wet, die de Kantonrechter in zijn geheele Kanton bevoegd had moeten maken.
§ 211 a). De Kantonrechter vervangt in drie gevallen den President der Arrond. Rechtb., doch alléén ter plaatse waar geene Rechtbank gevestigd is. Het eerste geval is dat van beslag tot opvordering van roerende goederen. Indien namelijk degeen, bij wien zich de goederen bevinden, welke men in beslag wil nemen, de deuren weigert te openen, of zich tegen de in beslag neming verzet, kan men zich onverwijld vervoegen bij den Kantonrechter. Art. 724 B. R. Vreemd is het, dat het art. niet zegt, wat dan dooiden President of den hem vervangenden Kantonrechter mag of moet gedaan worden. Ook in de Staten-Generaal had dit bevreemding verwekt, de aanmerking daaromtrent is echter door de Regeering onbeantwoord gelaten, v. u. Honeut. Doch uit art. 725, dat bepaalt, dat dit beslag in denzelfden vorm zal geschieden als de in beslag neming bij executie van roerende goederen, mogen wij afleiden, dat wij hier tot art. 444 verwezen worden. Dit art. bepaalt, dat bijaldien de deuren gesloten zijn, of de opening daarvan geweigerd wordt, gelijk mede, bijaldien geweigerd wordt eene kamer, of stuk huisraad te openen, mitsgaders wanneer bij niet-tegenwoordigheid van den persoon, tegen wien het beslag geschiedt, er niemand gevonden wordt om hem te vertegenwoordigen, de Deurwaarder
a) Deze § neem ik woordelijk over uit de derde uitgave. Toevoegingen doe ik iu aanmerkingen gemerkt a, h, c, enz.
609
zich vervoegen moet bij den daar aangeduiden Ambtenaar, in wiens tegenwoordigheid de opening van de deuren en het huisraad aldan gedaan zal worden. Mij dunkt, art. 724 moet uit art. 444 worden aangevuld voor het geval, dat de persoon, tegen wien het beslag geschiedt, noch iemand van zijnentwege tegenwoordig is. Voorts moet de in beslag neming zelve in het bijzijn van den in voege voorzegd geroepen Kantonrechter geschieden, die er het procesverbaal van mede onderteekenen moet. Wel moge De Witt Hamer bl. 587 oordeelen, dat het beneden de waardigheid van den President en den hem ver-vangenden Kantonrechter schijnt, hen gelijk te stellen met de Ambtenaren, in art. 444 opgenoemd; doch ik voor mij zie hier geen verschil in trap van waardigheid. Vgl. echter De Tixto bl. 770. â Het tweede geval, waarin de Kantonrechter ter plaatse, waar geene Rechtbank is, den President vervangt, is dat van beslag tegen een schuldenaar die geene bekende woonplaats in het Kijk heeft. Ieder schuldeischer toch, Nederlander of vreemdeling, zoo als terecht beslist is door het Kof van Holland bij arrest van 31 Juli 1841, W. 212, De Pinto bl. 797, zelfs die geen schriftelijk bewijs in handen -heeft, kan op de goederen van zoo-danigen schuldenaar beslag leggen, maar heeft daartoe, ter plaatse waar geene Arrond. Rechtbank zitting heeft, de vergunning van den Kantonrechter noodig a). Art. 764 B. R. Waar echter eene Arrond. Rechtbank gevestigd is, heeft de Kantonrechter tot het geven dier vergunning geene bevoegdheid. V. d. Honert. â Het derde geval bestaat, wanneer de aanneming van koopmanschappen of goederen, die door voerlieden of schippers zijn aangebracht, geweigerd wordt of daarover geschil valt; alsdan moet, ter plaatse waar geene
a) De bevoegdheid om zich tot den Kantonrechter te wenden is eene bevoegdheid, geene verplichting. Arrest Uerechtshoiquot; Arnhem 22 Mei 1678, W. 427Ã.
07quot;
Arrond. Rechtbank gevestigd is, de Kantonrechter op een eenvoudig verzoek, waarop de wederpartij, zoo zij zich daar ter plaatse bevindt, moet worden gehoord, de noodige voorziening doen tot het opnemen van liet goed door deskundigen, en maghij insgelijks bevelen dat de goederen in eenc behoorlijke bewaarplaats worden opgeslagen, om daaruit aan den voerman of den schipper hot beloop van zijn vrachtloon of onkosten te voldoen. Art. 94 W. K.
§ 212. Bij een hier te lande uitvoerbaar verklaard Keiz. Decreet van 13 Aug. LS10 (Fortuin UI, 161) werd bepaald, dat vrachtgoederen, waarvan of de ontvangst geweigerd, öf de aangewezen persoon niet te vinden was, na zes maanden, sedert hunne aankomst, door den Vrede (Kanton) rechter moesten worden geopend en geïnventariseerd in tegenwoordigheid van een Hoofdambtenaar der registratie en van de ondernemers van het expeditie-kantoor.
De Commissie, benoemd bij K. B. van 5 Febr. 1849, (Sthl. Nd. 5), beweert dat dit Decreet is afgeschaft dooide bepalingen van het Wetboek van Koophandel (zie § 211) en het K. B. van 21 Nov. 1829, (Stbl. X0. 73), houdende een Reglement op den dienst der openbare middelen van vervoer te lande a).
Het K. B. van 9 Januari 187G {Slbl. X0. 7), houdende vaststelling van een Algemeen Reglement voor het vervoer op de spoorwegen, bepaalt in art. 03, handelende over den omvang en duur der verantwoordelijkheid der ondernemers van spoorwegdiensten, dat in geval gerechtelijke bezichtiging van goederen noodig is, deze dan geschiedt door deskundigen, op verzoek van eene der partijen, door den Kantonrechter (daar waar geen Arrond. Rechtb. is) te benoemen eu te beëedigen.
«) ])it K. B. in sintHdieu vervullen door de Wet van 23 April 1880 (Stbl. No. 97) quot;betreHende de openbare middelen van vervoer, niet uitzondering der spoorwegdienstenquot;. Hierdoor herleefde echter liet decreet natuurlijk niet.
071
Art. 22 dor Wet van 15 April 1S91 (Sthl 87), tot rccjeling der hrievmjwslcrij, bepaalt o. a.:
âDe stukken, waarvan de aanneming geweigerd is, âof die om eenige andere reden niet aan den geadresseerde kunnen worden uitgereikt, worden zoo âmogelijk aan den afzender teruggezonden. Is dit âniet mogelijk, dan worden zij nog gedurende drie âmaanden ter beschikking van den afzender of ge-âadresseerde bewaard. Na verloop van dien tijd worden âzij op last van don Kantonrechter te 's Gravenhage âen onder de voorzorgen door Ons te bepalen, geopend, âen, met uitzondering van de stukken welke geldswaardige papieren bevatten of waarin voorwerpen âgevonden worden, die geacht worden voor den be-âlanghebbende waarde te hebben, vernietigdquot;.
Art. 11 van het K. B. van 11 Februari 1892 [Slbl. 42) tot uilvoering van onderscheidene bepalingen der Wet van 15 April 1801 (Slbl. 87), bepaalt, dat de opening der onbestelbare stukken geschiedt door den ambtenaar bij het Hoofdbestuur der Posterijen, belast met het beheer der geweigerde en onbestelbare brieven en verdere stukken, daarin bijgestaan door een of meer door den Minister van W. 11. en N. aan te wijzen. Dat artikel bepaalt verder dat de brieven, die blijken geen geldswaardig papier of voorwerpen van waarde te bevatten, worden verscheurd, zonder dat van den inhoud wordt kennis genomen. Eenig voorschrift van belang voor den Kantonrechter bevat het niet.
De Wet van 12 April 1850 {Slbl. 15), die vroeger de brievenposterij regelde, schreef voor, dat de opening der onbestelbare stukken moest geschieden onder toezicht van den Kantonrechter. Mr. Van der Kemp schreef in de tweede uitgave van dit werk in 1855, dat aan dat voorschrift toen nog geen gevolg was gegeven en Mr. Greeve vermeldde in do derde uitgave dat hij nog nooit bij de opening en vernietiging van een onbestoldeu brief was tegenwoordig geweest. Hem
44
672
werd slechts ter teekening aangeboden een staat van de geopende brieven, tegelijkertijd gelastte hij dan hunne vernietiging.
Bij de nieuwe Wet werd dan ook in de M. v. T. (Van der Hoeven, Wclyeviny IS'.i I, hrievcn posier ij blz. 195) gezegd, dat de tegenwoordigheid van den Kantonrechter bij de vernietiging der brieven in de praktijk onuitvoerbaar was gebleken. Daarom werd slechts gevraagd diens last. In het V. V. der Tweede Kamer werd de opmerking gemaakt, dat nu het toezicht verviel, de last ook wel kon vervallen. In do M. v. A. achtte do Minister echter behoud van den last gewenscht, met het oog op art. 159 «) der Grondwet.
§ 213. De schipper is, alvorens in zijn schip voor eene reis naar buitenslands lading in te nemen, ver plicht, ten verzoeke van ieder belanghebbende, op diens kosten, zijn schip door deskundige beëedigde personen, daartoe aangesteld, ot door de Arrondisse-ments-Rechtbank, en zoo deze ter plaatse van de ligging van het schip niet is gevestigd, door don Kanlonrcchter te benoemen, te laten nazien, ot hetzelve van al het noodige is voorzien en in staat geoordeeld wordt de reis te kunnen ondernemen, (art. 347, W. v. K.)
Voor den Kantonrechter van de haven waar een zeeschip binnenkomt, wordt eveneens de gewone en de buitengewone scheepsverklaring h) afgelegd; hem wordt eveneens hot scheepsjournaal getoond. Behoort die haven tot eene Gemeente, waarin meerdere Kantonrechters werkzaam zijn, dan is ieder dier Kantonrechters bevoegd.
De gewone scheepsverklaring is elk schipper ver-
a) Uat art. luidt; Het geheim der aan de post of andere openbare »instelling van rervoor toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve »op last des Eegters, in do gevallen in de Wet omschreven.»
b) Men zij er aan indachtig, dat de bepaliugen omtrent scheepsverkla-ringen zeer onlaugu bij eene et van begin 1897 zijn gewijzigd.
673
plicht af te leggen, uiterlijk binnen drie dagen â den Zondag «) niet medegerekend â na den dag zijner aankomst in eene haven. De sscheepsverklaring houdt in:
1°. de plaats en den tijd van zijn vertrek;
2'\ den koers, dien hij genomen heeft;
3'. de gevaren, welke hij geloopen heeft, de ongeregeldheden welke aan boord hebben plaats gehad en de andere merkwaardige omstandigheden van zijne reis.
Binnen denzelfden termijn moet hij zijn journaal vertoonen en daarop door den Kantonrechter het exhibitum doen stellen.
Op de eerste plaats van aankomst wordt eene buitengewone scheepsverklaring afgelegd in geval van schipbreuk, van het inloopen in eene noodhaven of van schade.
In dat geval moet het scheepsjournaal worden vertoond uiterlijk op den eersten dag â denZondag niet medegerekend â na den dag der aankomst cu daarop het exhibitum worden gesteld. Tegelijkertijd of daarna, doch uiterlijk binnen drie dagen â den Zondag niet medegerekend â na den dag der aankomst wordt de buitengewone scheepsverklaring afgelegd. De verklaring omtrent de ongevallen wordt afgelegd door den schipper, met een voldoend aantal personen van de bemanning, ten genoege van den Kantonrechter die de verklaring ontvangt.
Alle verklaringen, welke tot bewijs van geleden verliezen, rampen, schade of van eenige vordering hoe ook genaamd, moeten strekken, moeten door hen, welke dezelve hebben afgelegd, met eede bevestigd zijn of worden voor de daartoe bevoegde macht, welke den schipper, de officieren en scheepsgezellen, en zelfs
a) Onder Zondag is niet begrepen een algemeen erkende Christelijko feestdag; deze wordt trouwens bij buitenlandsehe seheopsverklaring uitdrukkelijk genoemd.
674
de passagiers betrekkelijk de daadzaken kan ondervragen en daartoe kan oproepen. Art. 379, 3S0, oSI, 383 en 384 W. v. K.
Welke schepen met zeeschepen worden gelijk gesteld leert art. 748. Schepen, welke bij uitsluiting varen op binnenlandsche zeeën, zijn geene zeeschepen, art. 749. De bepalingen van art. 347, 379, 3SÃ, 381, 383 en 384 gelden niet voor schepen, welke niet zijn zeeschepen of daarmede gelijk gesteld (art. 75o).
§ 214. De Kantonrechter moet nummeren en waarmerken de reqisier*, waarin de Notarissen, de Griffier van het Kantongerecht en de Deurwaarders binnen zijn kanton, de door hen gedane protesten van wisselbrieven en ander papier moeten inschrijven. Art. 183 W. K. Hier zien wij niet uitdrukkelijk gevorderd het teekenen van het register op het eerste en laatste blad, gelijk gevorderd wordt ten aanzien der registers van den burgelijken stand door den \ oorzitter der Arrond. Rechtbank. Art. 15 13. W. Evenwel schijnt het toch noodzakelijk en in allen gevalle ordelijk, zoo om een bijvoeging van meerdere bladen, dan oorspronkelijk aanwezig waren, te voorkomen, als om van den naam van den Kantonrechter te doen blijken, tot wiens volledige handteekening, als in hetzelfde stuk voorkomende, een eenvoudig waarmerk, dat slechts uit de eerste naamletters bestaat, altijd moet gerekend worden te verwijzen.
§ 215 «). Dit nummeren en waarmerken, mitsgaders het teekenen op het eerste en laatste blad, wordt uitdrukkelijk gevorderd ten aanzien der algemeene en der andere hypotheekregisters, welke de bewaarders der hypotheken moeten houden volgons art. 23 en 30 van het K. B. van 1 Aug. 1828 {sibl. Nquot;. 52) en en het K. B. van 8 Aug. 1838 {Slbl. Nu. 27); alsmede ten aanzien hunner registers van scheepsbewijzen, volgens art. 4 van het K. B. van 21 Juli 1830 {Stbl.
De^c para graat neem ik woordelijk over uit dc derde uitgagt;e. loe-voegiugen doo ik in aanmerkingen gemerkt a, h} c enz.
675
N0. 41). Dat vereischte moet vervuld worden door den Kantonrechter der plaats waar het kantoor is gevestigd, voor zooveel de registers betreft, voorgeschreven bij art. 23 en 30, en die der scheepsbewijzen ; en ten aanzien der algemeene registers, gelijk ook van het afzonderlijk algemeen register voor de mijnen en steengroeven, moet zulks gedaan worden door de Kantonrechters, in welker kantons de betrokken gemeenten gelegen zijn; ook moet, volgens art. 5 van het K. Igt;. van 8 Aug. 1838, die formaliteit kosteloos verricht worden binnen vijf dagen na de aanbieding der registers. Opmerkelijk echter is het, dat dat Art. 5 zegt, dat die registers ovcrcrnkomslig art. 30 van het Besluit van /828, door den Kantonrechter moeten worden gekantteekend en gewaarmerkt, terwijl van een en ander in dat art. 3U met geen woord zelfs melding wordt gemaakt. Wanneer men zich stipt wilde houden aan dien termijn van binnen vijl dagen, zou die al heel bezwarend kunnen zijn, wanneer de Kantonrechter, zooals mij vaak gebeurt, plus minus 40 registers elk van 200 bladzijden, in ééns ter waarmerking worden toegezonden. Gelukkig dat de humaniteit van den Hypotheekbewaarder bij de toepassing van het artikel mij nimmer ontbreekt.
Onder deze rubriek van nummeren en waarmerken vinde plaats de herinnering, dat art. 11 der Wet van 17 Nov. 1876 {blhl. X '. 227), tot regeling dei-coöperatieve vereenigingen, luidt: âIn het kantoor der vereeniging ter plaatse barer vestiging, wordt gehouden een onyezeijeUl register «), door ilen Kantou-rechler vooraf gekantteekend en gewaarmerkt.quot;
§ 216 h). Ook bij de Wet van 22 Frim. an VI I (12 Dec. 1798) op de registratie (Fortüvn I, 484) zijn den Kantonrechters eenige werkzaamheden opgedragen. Bij art. 18 is bepaald, dat, zoo er verschil is
re) In dnt register, dnt dngelijks wordt bijgehoudeu en dat voor ieder kosteloos ter inzage ligt, worden opgenomen de statuten, de ledenlijst enz. h) Ik neem deze paragraaf woordelijk uit de derde uitgave over.
67G
tusschen de beide deskundigen, die door de Administratie en den belanghebbende, ter waardeering van goederen benoemd zijn, zij een derde deskundige moeten benoemen, of dat, bij verschil, deze benoeming geschieden moet door den Kantonrechter der plaats, waar de goederen gelegen zijn. En volgens de Wet van 15 Nov. 1S08, relative cmx demandes en expertise d'hnmeublcs situés dans Je ressort de plusicurs tribunaur, (Foetuyn III, 34), moet de beëediging der deskundigen gedaan worden voor den Kantonrechter der zelfde plaats. â Volgens art. 30 zijn de Kantonrechters verplicht aan de openbare Ambtenaren, in hun Kantons wonende, welke voorschotten van registratierechten voor de partijen, ten wier behoeve zij werkzaam geweest zijn, gedaan hebben, af te geven executoiren ter terugbekoming dier voorschotten. â Evenzoo is ook toepasselijk art. 53, waarbij bepaald is, dat de registers (répertoires) der Notarissen, Deurwaarders en Griffiers der Kantongerechten moeten genummerd en gewaarmerkt worden door den Kantonrechter hunner woonplaats. Wat de registers der Notarissen betreft, zoo is die bepaling stilzwijgend afgeschaft bij art. 30 der Wet van 25 Vent. an XI, contenanl Vorganisation du Notariat, (16 Maart 1803) op hot Notariaat, waarbij bet viseeren, nummeren en waarmerken hunner registers is opgedragen aan den President der Rechtbank hunner woonplaats. Daar nu ook weder deze Wet uitdrukkelijk is afgeschaft bij art. 80 der Wet van 9 Juli 1842 op hot Notarisambt (Slbl. N0. 20), in verband met hot K. B. van 20 Sept. 1S42 {Slbl. N0. 24), houdende bepaling van het tijdstip waarop de Wet van 9 Juli 1842 zal aanvangen te werken, welke niets verordent nopens het nummeren en waarmerken van de registers der Notarissen, zoo is hieruit de vraag ontstaan, wat thans ten deze rechtens zij. Immers het schijnt met alle rechtsbeginselen te strijden, dat de vroeger afgeschafte wetsbepaling der Wet van 22 Frim. an VII, door de
677
afschaffing der Wet van 25 Vent. an XT weder stilzwijgend herleefd zou zijn. En toch hebben de Ministers van Justitie en Financiën, bij circulaire van 23 Nov. 1842, houdende bepalingen nopens het quoteeren en parapheeren der repertorie van Notarissen, na de invoering der Wet op het Notarisambt van 9 Julij 1842 (d'Enoelbronneu, 4dc serie, bl. 1SG), aangeschreven, dat het geenszins twijfelachtig is, of de répertoires der Notarissen moeten, naar aanleiding van art. 53 der Wet van 22 Frim. an VII, worden gequoteerd en geparapheerd door de Kantonrechters als vervangende de bij die wet genoemde Vrederechters; en dat dit overeenstemt met hetgeen te dezen aanzien door de llegeering bij de voordracht der wet op het Notarisambt, en wel bij de beantwoording van het tweede proces-verbaal aan de Staten-Generaal is te kennen gegeven. Men leest hierover vertoogen in verschillenden zin in W. 333, 338. R. B. IV, S47, 892, 895, 912; V, 140. Mij dunkt, dat dientengevolge, wat ook rechtens zij, de Kantonrechters veilig kunnen nummeren en waarmerken de registers, die huu daartoe door de Notarissen binnen hun kanton worden aangeboden. Wat de registers der Deurwaarders betreft, zoo volgt uit art. 53, in verband met een advies van den Staatsraad van '3 Juli 1810, portant (]uc les repertoires des huissirrs étahhs prés la cours et Iribimaux, doivenl étrc cut és et paraphés pur Ie président, (Fortuyn III, 152), dat de Kantonrechters slechts de registers hunner eigen Deurwaarders behoeven te nummeren en waarmerken, en niet die der overige Deurwaarders; art. 53 alleen is hieromtrent eenigszins twijfelachtig. De commissie, benoemd bij K. B. van 5 Febr. 1849 {Slbl. N0. 5), teekent in haar rapport omtrent het .lm du conseit dit aan: âVermits âart. 12 van het tegenwoordig reglement op den dienst âder Deurwaarders, vastgesteld bij K. B. van 14 âSept. 1838 {Sthl. Nquot;. 36) deze geheele formaliteit âniet voorschrijft, moet dat advies, als behoorende
678
âtot de Fransche organisatie, worden gehouden voor âvervallenquot;.
Daar dat art. 12 ook nu not] van kracht is, kan dus het waarmerken worden achterwege gelaten a). En wat de registers van de Griffiers der Kantongerechten betreft, zoo was zulks reeds vroeger voorgeschreven bij art. 3 der Wet van 2G Frim. an IV, waarvan nader in § 231, waar wij tevens zullen spreken van de verplichting der Kantonrechters, om op hun eigen verantwoordelijkheid te zorgen voorde nakoming door de Griffiers der hun voorgeschreven ja'arlijksche nederlegging van de minuten van het Kantongerecht in het daartoe bestemde vertrek. â Bij art. 58 der Wet van 22 Frim. an VII is bepaald, dat de Ontvangers der registratie geene extracten uit hunne registers aan derde personen mogen afleveren dan op een bevelschrift van den Kantonrechter. â Ook de ongezegeldc registers dier Ontvangers, houdende de verklaringen der openbare Ambtenaren tot het houden van openbare verkoopingen van roerende goederen, moeten door de Kantonrechters hunner woonplaatsen worden genummerd en gewaarmerkt zonder kosten. â Volgens do Wet van 16 Therm, an IV (3 Augustus 179G) relative ü la preslation de sermcnt de* employes do la régie, de Venregistrement, des gardes fores Hers, des experts, etc., te vinden bij Fortuyn I, 289, kunnen de beambten, bij de ontvangst der registratie, hun eed doen bij den Kantonrechter, als zij niet gevestigd zijn ter plaatse, waar eene Rechtbank gevestigd is. Vgl. De Witt Hamer, bl. 616.
§ 217 h). Bij art. 28 der Wet van 13 Mei 1859, (Sthl. Ne. 36), op het Recht van successie en van overgang bij overlijden, zooals zij nu luidt, na de wijzigingen en aanvullingen daarin gebracht, bij de Wetten van 28 Mei 1869 (-sthl. N\ 95), en van 9 Juni 1878 {hthl. N.0 95), moet de aangever van een boedel
a) Zie Franse, bl. 124 en 203.
h) Ik neem deze § woordelijk over uit dc derde uitgave.
679
van een ingezetene des Rijks, binnen één maand na de aangifte, naar de wijze zijner godsdienstige gezind-hc'ul, in persoon, voor den Kantonrechter te zijner keuze, den volgenden eed afleggen;
Ik zweer (cerhlaar! dat ik in gemocde vermeen, dal ik hij de door mij gedane aan'jifle van hehjeen door het overlijden van X. N. wordt geërfd of verkregen, niets heh verzwegen wat daartoe behoort en voor de regeling van de regten van successie en van overgang heeft moeten worden aangegeven;
dat ik dezelfde schuld niet twee of meermalen heh gebragt;
dat ik geen schuld heb opgegeven, welke niet uit den boedel moet worden betaald',
dat ik de huilenlandschc bezittingen /:oo er zijn/ en de roerende goederen, welker waarde uitsluitend naar de begrooting des aangevers wordt gerekend, o}) die waarde heb gesteld, welke ik in gemoede vermeen bij de wet te worden gevorderd;
dat ik evenzeer in gemoede vermeen, dat geene waarden, niet in de aangifte vermeld, uit dan boedel zijn of zullen worden afgegeven, welke naar mijne overtuiging niet reeds vóór den dood des erflaters aan den daartoe aangewezene in eigendom toebehoorden ;
eindelijk zweer (beloof) ik, dat ik dadelijk aangifte zal doen van en de reg ten van successie en van overgang zal voldoen voor al hetgeen ik naderhand zal vernemen niet of kwalijk te hebben aangegeven.
Zoo waarlijk heipe mij God almagtig. (Dat beloof ik.)
Men heeft hier, kennelijk ondoordacht, eene oude formule gevolgd, want voor den niet-eedzwerende, is het âDat beloof ik,quot; niet genoeg, maar behoorde er te staan: Dat verklaar èn beloof ik.
Bij Ministerieele Resolutie van 17 Sept. 1864, N'. 96, P. W. N0. 4595, is medegedeeld, dat genoegen kan worden genomen met de beëediging, eener door de
080
vrouw ingediende memorie van aangifte, door de vrouw zonder hijstand van haar man.
Ingeval van ziekte, afwezigheid buiten het Rijk, of andere wettige reden van verhindering, kan de eed, met toelating van den Minister van Finantiën, krachtens eene bijzondere volmacht worden afgelegd voor den Kantonrechter ter heuze van den lasthebber.
Geen eed wordt afgelegd, door den erfgenaam in de rechte nederdalende linie en door den met hem gelijkgestelden langstlevenden echtgenoot, indien hetgeen aan elk hunner uit het actief opkomt, volgens de specifieke aangifte, geen duizend gulden te boven gaat. De erfgenamen in de rechte nederdalende linie, leggen, indien in boedels legaten zijn besproken, niet van het recht vrijgesteld en niet bestaande in vaste en bepaalde sommen, dozen eed (verklaring) af; Ik zweer [verklaar' dat ik in gemoede vermeen voor den boedel van .V. .V. alles, waarvoor reijt van successie of van overgang verschuldigd is, opregtelijk te hebben aangegeven. Zoo waarlijk hel pc mij God Almachtig. [Dat verklaar ik/. Die erfgenamen leggen evenwel wel den eed (verklaring) af, bedoeld in art. 28, indien het niet van het recht vrijgestelde legaat bestaat in een vruchtgebruik van de geheele nalatenschap of van een evenredig deel daarvan. Art. 29, (na de wijziging in 1878).
De eedsaflegging geschiedt dan alleen kosteloos, wanneer de eed op de gewone burgerlijke terechtzitting wordt afgelegd. Het proces-verbaal wordt, op ongezegeld papier, In duplo opgemaakt en gratis geregistreerd. Een der duplicaten blijft ten kantore van registratie. Art. 32.
Art. 38 der successiewet bepaalt op welke wijze, indien de binnen het Rijk gelegen of gevestigde onroerende zaken, in art. 23, N0. 1 onder de letters a en c, en de door de aangevers gewaardeerde roerende zaken, aldaar onder de letters b, d en f vermeld, voor dc regeling, hetzij van het recht van successie, hetzij
6S1
van de rechten van overgany, niet overeenkomstig hunne wezenlijke waarde schijnen te zijn aangegeven, de Rijks Ambtenaar bevoegd is, eene waardeering door deskundigen te vorderen. Die vordering geschiedt bij exploit, houdende vermelding der som waarop 's Rijks Ambtenaar het goed waardeert, het bedrag dat voor het recht en boete wordt verschuldigd geacht, met dagvaarding voor den Kantonrechter van het Kanton, waarin de overledene zijne laatste woonplaats had, of, wanneer het onroerende zaken betreft, waar het te waardeeren goed, of het voornaamste gedeelte daarvan, volgens het kadastrale inkomen gelegen is, ten einde zich omtrent de keuze van drie deskundigen te verstaan, of bij gebreke daarvan, dezen door den Kantonrechter, ambtshalve, te hooren benoemen.
Art. 224, al. 1 en 2; artt. 225 tot 229, art. 230, al. 2, art. 231, al. 1, artt. 232 en 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn in dezen toepasselijk.
De artt. 232 en 233 B. R. zijn, naar men beweert, bij ongeluk in het artikel blijven staan. Wat daarvan is, weet ik niet. Wel weet ik, dat niet alleen onder goedkeuring, maar zelfs op verlangen der Administratie, de benoemde deskundigen nimmer hun bericht ter Griffie van het Kantongerecht overbrengen, ondanks het bevel in het vonnis van den Kantonrechter daartoe gegeven.
Volgens art. 40, kunnen de belanghebbenden de aan te geven waarde der in het eerste lid van art. 38 vermelde zaken, te hunnen koste, door deskundigen doen vaststellen. De vordering daartoe wordt ook gedaan bij exploit met dagvaarding van den ontvanger, voor den Kantonrechter bij het tweede lid van art. 38 aangewezen, en ten einde als daarin is omschreven. Het derde, vierde en vijfde lid van art. 38 zijn hierbij van toepassing. De waarde volgens de schatting der deskundigen aan de zaak toe te kennen, wordt aangegeven en strekt ten grondslag voor de berekening van het recht.
6S2
De eed werd in zijn ouden vorm door de 2de Kamer gehandhaafd op 34 Mei 1S7S bij de vaststelling der wet op de successie in de rechte lijn a), en zulks, niettegenstaande zij in hare zitting van 8 April 1878 bij de behandeling der wet op de hcëedigde translateurs, door den lieer IIeijdknrijck meer juist genoemd âop de officieele vertalers of de vertalers naar de beloftequot; h), als beginsel aannam, dat, de eenvoudige belofte met den eed moet worden gelijk gesteld, en het doen van het een of ander aan den betrokken persoon worden overgelaten.
Of het echter bij de successie dus alleen de vraag is tot welke gezinde de aangever behoort, dan wel of hij naar zijne gezind/ieid kan beloven of zweren, is mij, ook na de aandachtige lezing der gevoerde debatten niet duidelijk. Toen den Minister Gleichman door den Heer Insixger werd gevraagd: âkan mm âden eed weigeren maar wel afleyrjcn de verklaring, of âmoet men, om mei eene verklaring te kunnen volstaan, âbewijzen lid te zijn der Doopsgezinde gemeente?quot; beschouwde de Minister de discussie daarover als gesloten en verwees den vrager ânaar de verklaring die in de stenografische aanleekeningen is opgenomenquot;, met die aanteekeningen werd bedoeld, hot antwoord van den Minister op bl. 887 der Handl. voorkomende, maar, het ligt natuurlijk aan mij, in dat antwoord kan ik geen bepaald antwoord vinden op de door den Heer Insinger gedane vraag, hoewel de Minister, toen ook andere leden c) op een kalhegorisch antwoord aandrongen, verklaarde zich te houden aan zijne in id él overwogen termen gegeven verklaring. Intusschen verklaarde de Heer Verniers van der Lokff den indruk te hebben gekregen dat men mei eene simpele, onbeëedigde verklaring zal kunnen volstaan, en de
ff) Hand!. Tweede Kamer 1877â1878, bl. 882â888. 4) Handl. bl. 882.
lt;â ) Van Nispbn tot Srvenaer, Van Baak.
683
Heer Mackay constateerde, opdat hierover jcen misverstand zou heerschcn, met herinnering aan de verklaring van den Minister van Justitie op 3 April bevorens gedaan, dat het aan iederen translateur zou worden overgelaten den eed te doen of de belofte af te leggen, dat âdalzelfde beginsel wordt aangenomen hij den eed o/i de successie, en de bedoeling niet betaal om te ug te komen op het votum van 3 April //.; en de Minister heeft beide opvattingen niet weersproken.
Maar wat moet de Kantonrechter doen, wanneer, zooals mij reeds meer dan eens voorkwam, de aangever, hoezeer niet Doopsgezind, geen eed maar wel eene belofte wil doen?
Naar mijne meening raakt dat den Kantonrechter niet. Hij heeft alleen te constateeren dat er is of afgelegd een eed, öf gedaan eene verklaring en belofte; dan zal het aan den Ontvanger of den Minister zijn te beslissen, of de administratie met een of ander kan genoegen nemen. Wenschelijk echter komt het mij voor, dat de betrokken persoon, als hij dat wil, zich vooraf overtuige, hoe de ontvanger gestemd is, want het geval heeft zich voorgedaan, dat de ontvanger niet met eene belofte tevreden was, maar een eed vergde.
Mijne ervaring is het, dat eigenlijk niemand wezenlijk bezwaar heeft te zeggen, ik zweer, maar wel, dat er tal van personen zijn die bezwaar hebben, de woorden âzoo waarlijk helpe mij God Almachtigquot; uit te spreken, om welke redenen dan ook.
Die formule is historisch, want bij art. 30 van het Geesel en Brandmerkbesluit wordt bepaald, ,wanneer door eene der partijen een eed in eenige zaak moet worden afgelegd zullen daartoe de van ouds gebruikelijke formulieren worden gebezigd.
Welke formulieren werden bedoeld ? We hebben het aan het stedelijk bestuur van 's Gravenhage te danken, dat we omtrent die woorden eene authentieke interpretatie bezitten.
Het schijnt dat dat Bestuur, óók na hot K. B. van
GS4
1813, van Israëlieten die den eed moesten doen, nog iets extra's vergde. Althans de commissie voor de zaken der Israëlieten, verzocht aan Z. M. dat Bestuur aan te schrijven, âom van Israëlieten bij alle voorkomende âgelegenheden hetzelfde eedsformulier af te vorderen, âhetwelk voor de overige ingezetenen is vastgesteld, âmits geschiedende met gedekten hoofde.quot;
Dat verzoek was de aanleiding tot het K. B. van 9 Juni 1817, L. X1, a), waarbij de Koning, herziende art. 20 van liet Besluit van 1813, verklaarde, dat met dc van ouds gebruikelijke eedsformulieren worden verstaan: welke vóór de verceniging van het voormalig Koningrijk Holland rnrt het Fransche Rijk zijn in gebruik geweest cn het alzoo 'ui gecnen deele Onze intoitic heelt kunnen zijn, om te doen herleven hel zoogenaamd formulier van den Joodschen eed, hetwelk door hel besluit van lc2 Sept. 1808, N^. 1 b) op goede gronden en met hel hoogste regt is afgeschaft geworden.
Op dien grond werd het Stedelijk Bestuur van 's Gravenhage te kennen gegeven, dat van personen, lol het Israël ie iisehe Kerkgenootschap behoorende, op geene andere wijze eerige eed kan of behoort te worden afgenomen dan volgens hel formulier voor alle onze onderdanen gebruikelijk, dat echter de Israëlieten den eed met gedekten hoofde behooren af le leggen.
Deze âervaringquot; gaf aanleiding tot het K. B. van 26 October 181S, Lett. L., âhoudende de wijze waarop de Israëlieten zullen worden beëedigdquot;. d'Engelbron-ner lste serie, bl. 447.
Maar nu heb ik er reeds hiervoor, bl. 182, op gewezen, dat het gansche K. B. van 11 Deo. ISlo, dus ook dat art. 30, werd afgeschaft bij art. 24 der Wet van 29 Juni 1854 (Stbl. N0. 102). Niemand in de
a) Bij d'Enoeluronner niet te vinden.
h) Decreet van Koning Lodewjjk, te vinden in Verzameling van Wetten van Z. M. den Koning van Holland, 4de deel, 18Ã97 bl. 270 waar abusievelijk staat 12 Sept. 1809.
685
Tweede Kamer schijnt daaraan gedacht te hebben. De opmerking lag anders voor de hand, dat de Regeering, in do successiewet, handhavende de woorden âzoo waarlijk enz.quot; het oude dat voorbijgegaan was, weder invoerde en dus wel ouderscheid maakte tus-schen gezinde en gezind/)eirf.
Intusschen blijkt het al weder welk gevaar er aan eene pariiecle herziening onzer wetten is verbonden. Wie heeft er in 1854 aan gedacht, dat hij met het geeselen ook de oude zweer-formulieren afschafte?
§ 218. Het K. B. van 28 Juli 1805 {Slbl. 87), gewijzigd bij K. B. van 30 Juni 1882 (btbl. 78), tot intrekking van dat van 31 Juli 1825 (Slbl. 63) en regeling der voorwaarden, waarop het diploma van geëxamineerd en beëedigd landmeter verkregen wordl, draagt in art. 6 de beëediging op van hen, die het diploma verkregen, aan den Kantonrechter van het Kanton waarin zij wonen.
Die eed luidt;
]k zweer [beloof! dat ik in de uitoefening van het beroep van landmeter, eerlijkheid, nauwkeurigheid en onzijdigheid zal betrachten.
Zoo loaarlijk helpe mij God Almachtig. (Dat beloof ik.J
De Kantonrechter, in wiens handen de eed of belofte is afgelegd, stelt daarvan aanteekening op het diploma.
§ 219. Bij art. 34, Besl. 22 Dec. 1819 N0. 56 (Bijv. tot het Slbl. VI, 1586) is aan de Kantonrechters opgedragen bet afgeven van verklaringen ten behoeve van hen, die betaling vorderen van 's lands gelden, aankomende aan personen die overleden zijn, welke verklaringen moeten behelzen, dat de Kantonrechter zich ten volle, hetzij anderszins, verzekerd heeft, dat de personen, die voor voldaan hebben geteekend of die eene betaling vorderen, met uitsluiting van alle anderen, eenig en alleen bevoegd en gerechtigd zijn tot ontvangst der gelden, den overledene aankomende. Deze bepalingen zijn echter, volgens art.
686
37, niet toepasselijk op betalingen, te doen ten behoeve van overleden predikanten van den Hervormden Eeredienst. Volgens art. 27, N0. 36, Wet van 5 Oct. 1843, Stbi Nn. 47, zijn de verklaringen van gerechtigheid, ten behoeve van schuldeischers van den Staat afgegeven, wanneer de schuldvordering de som van /' 25 niet te boven gaat en dit uit die verklaringen blijkt, vrij van zegel, anders moeten zij op zegels van 50 cents geschreven zijn.
§ 220. Bij art. 17, Wet van 22 Mei 1845 {Slhl. 22) is bepaald, dat, alvorens tot de uitvaardiging van dwangbevelen, tegen achterlijke belastingschuldigen, in zake der directe belastingen over te gaan, de Ontvanger, op daartoe bekomen machtiging van den Kantonrechter, den nalatige door inlegering tot betaling kan dwingen ; dat in de aanvrage, tot bekoming dier machtiging, moeten worden vermeld de persoon of personen, bij wie de inlegering zal plaats hebben, met opgave hunner woonplaats; en dat de machtiging niet mag worden geweigerd, dan om zeer gewichtige redenen, welke door den Kantonrechter moeten worden vermeld op de aanvrage, die aan den Ontvanger moet worden teruggegeven. â Volgens art. 20 dier wet moeten de Deurwaarders der directe belastingen kosteloos worden beëedigd door den Rechter van het kanton, waarin zij resideeren, en moet van die be-eediging op hunne acten van aanstelling worden melding gemaakt, welke vermelding volgens art. 23 vrij is van zegel en van het recht van registratie.
De af te leggen eed is te vinden in de Instructie voor do Deurwaarders der directe belastingen van 18 Aug. 1845, N8. 61, d'Engelbronner 4de serie, bl. 549. De eed luidt:
Ik zweer j beloof1 dat ik mij in allen dcele zal gedragen naar de wetten en reglementen op mijne bediening vastgesteld; dut ik alle e.rploiten, die van mij zullen worden gevorderd, getrouwelijk en met naarstigheid zid uitvoeren, en in het algemeen mijne
687
/unctiën met nauwgezetheid en errlijhheid zal waarnemen.
Ik zweer (beloof! dal ik, om dezen mijnen post van Deurwaarder der directe belastinc/en Ie verkrijgen, aan niemand hoegenaamd en onder wat voorwendsel ook, middellijk of onmiddellijk eenige gift of belofte heb gedaan of doen zal:
Zoo waarlijk hel [ie mij God Almachtig. â (Dat beloof ikj
De regelen dezer wet ten aanzien der waarschuwing en aanmaning van den belastingschuldige, der inlegering bij en van het dwangbevel tegen hem, zijn bij art. 2G0 der Gemeentewet van 29 Juni 1851, {ègt;lbl. Nquot;. 85), ook geldend verklaard voor de invordering der plaatselijke belastingen.
§ 221. Dwangbevelen ter zake van de belastingen moeten worden uitvoerbaar verklaard, en wel: die in zake van registratie, zegel en recht van successie, door den Kantonrechter der plaats, alwaar de ambtenaar, die het dwangbevel heeft afgegeven, zijne gewone functiën uitoefent. Art. 64 der Wet van 22 Frim. an VII, art. 35, Wet 3 October 1843 {Stbl N47), art. 62 der hiervoor in § 217 aangehaalde Wet van 13 Mei 1859 (Stbl. N'. 36); die in zake der rechten van in-, uit- en doorvoer en der accijnsen, door den Rechter van het Kanton, waarin de debiteur of zijn borg woonachtig is, art. 291, Wet van 26 Aug. 1822 [btbl. N0. 38); â en die in zake der directe belastingen door den Rechter van het Kanton, waarin het kantoor gevestigd is, alwaar de belastingschuldige ten kohiere is gebracht, art. 14, Wet 22 Mei 1845 (btbl. N0. 22); voor zooveel betreft de vermogensbelasting, door den Kantonrechter in wiens kanton het kantoor der successierechten gevestigd is, art. 42, Wet 27 Sept. 1892 {Stbl. 223).
De Kantonrechter mag de executoir-verklaring van een dwangbevel tot invordering der rechten en boeten, in zake van zegel verschuldigd, alleen weigeren,
45
688
wanneer een dwangbevel in den vorm mocht nietig zijn of door een daartoe onbevoegd ambtenaar mocht zijn uitgevaardigd. Immers over de gegrondheid van het dwangbevel heeft binnen zekere grenzen do Rechtbank en niet de Kantonrechter te oordeelen (arrest 11. K. in het belang der wet gewezen, van G Dec. 1889, concl. conf. W. 5807, P. v. J. 18'JO, 4, v. d. H. B. LV, 341, N. R. CLIII, 343, ook opgenomen bij Luttenberg).
De Kantonrechter, die weigert een hern aangeboden dwangbevel, als bedoeld bij art. 259 der Gemeentewet, executoir te verklaren op grond, dat hem door den ontvanger niet is opgegeven of, en zoo ja, wanneer aan den in het dwangbevel genoemden persoon zoowel eene waarschuwing als eene aanmaning was toegezonden. handelt in overeenstemming met gemelde bepaling (beschikking H. R. 17 Mei 1894, W. 6504, P. v. J. 1894, 49, N. R. CLXVI1, 52). Zie hieromtrent ook nog een vonnis van het Kgt. te Schoonhoven van 20 Sept. 1884, W. 5083, besproken in W. 5086 en 5089 en W. B. A. 18.gt;0.
§ 222. De Wet van 28 Mei 1869, (Slhl. N0. 96), bevat bepalingen betrekkelijk de afgifte van zcc-hrieien en vergunningen tot het voeren der Neder-landsche vlag.
Alle zeeschepen, welke de Nederlandsche vlag voeren, met uitzondering van die, opgenoenuLin art. 1 van de wet, moeten voorzien zijn van een zeebrief, afgegeven overeenkomstig de voorschriften der wet.
De zeebrieven worden uitgereikt door den Minister van Financiën, op de schriftelijke, met eed (belofte) bevestigde verklaring, dat het schip voldoet aan de voorwaarden bij art. 2 der wet gesteld.
Deze verklaring wordt, volgens art. 4 der wet, afgelegd: of door den eigenaar; of door den boekhouder der reederij ; of door een der vennooten onder de firma; óf door een der hoofdelijk, voor het geheel aansprakelijke vennooten van de commanditaire vennoot-
689
schap ; of door een der bestuurders van de naamlooze vennootschap of vereeniging; naarmate het schip aan éen of meer personen, of wel aan eene vennootschap van koophandel of vereeniging toebehoort.
Voor die verklaring zijn drie formulieren vastgesteld bij K. B. van 21 Sept. 18G'.», {Stbl Nquot;. 153), nader gewijzigd bij het K. B. van 13 Dec. 1875, (Stbl. N0. 242,, ten opzichte van de benamingen der inhoudsmaten. Die verklaring moet geschreven worden op een zegel van 50 cent, vermits daarop de later te vermelden verklaring van den Kantonrechter moet worden gesteld. Zij is aan de formaliteit van registratie onderworpen.
Hij, die de verklaring heeft onderteekend, moet die met eed (belofte) bevestigen voor den Kantonrechter zijner woonplaats, tot hot afleggen van welken eed hij zich bij verzoekschrift, geschreven op een zegel van 15 cent, wendt tot den Kantonrechter, welk verzoekschrift aldus kan luiden: Aan den Kantonrechter te .. . Geeft to kennen N. N. wonende te .. . dat hij hierbij overlegt de bij art. 5 dor wet van 28 Mei 1SG9, {Stlgt;l. Nquot;. 96), opgenoemde stukken, en dat hij verzoekt te worden toegelaten tot het beëedigen van de daarbij gevoegde verklaring, tot bet bekomen van een zeebrief voor bet schip genaamd N. N. 'tWelk doende enz. (get.) N. N.
Bij dat verzoekschrift worden de volgende stukken gevoegd: a de te bevestigen verklaring; b een meetbrief afgegeven volgens de bestaande wettelijke voorschriften; c het bewijs, dat het schip hier te lande is in- of overgeschreven in de daartoe bestemde openbare registers; d de koop- of bijlbrief. Wanneer een of meer dezer bescheiden ontbreken of niet in overeenstemming zijn met do aangeboden verklaring, of wel, wanneer daaruit blijkt, dat hot schip in een of ander opzicht aan de vereischten tor verkrijging van een zeebrief niet voldoet, wordt de bevestiging der verklaring geweigerd. Ten blijke hiervan wordt
690
eene met redenen omkleede beschikking op het verzoekschrift gesteld. De bevestigde verklaring en de meetbrief worden bij de aanvrage om den zeebrief overgelegd.
Zijn de bescheiden echter in orde, zoo laat de Kantonrechter den belanghebbende toe, tot het be-eedigen van de ingeleverde verklaring ter openbare terechtzitting van het Kantongerecht. Van de eedsaflegging geschiedt aanteekening op het audientieblad, terwijl het verzoekschrift daaraan gehecht wordt zonder dat het noodig schijnt, daarop bepaald te beschikken, liet feit der toelating tot de beëediging kan voor beschikking gelden.
Bij bevestiging der overgelegde verklaring, overeenkomstig art. 4 en 5 der wet, wordt op die verklaring door den Kantonrechter het volgende relaas gesteld: âBovenstaande verklaring is door mij vergeleken âmet den meetbrief, met het bewijs van in- of overschrijving in de daartoe bestemde openbare registers, âen mot den (koopbrief) (bijlbrief) alle welke stukken âik met die verklaring in overeenstemming heb âbevonden, terwijl mij daaruit niet is gebleken, dat âhet schip in eenig opzicht niet voldoet aan de âvereischten gesteld bij art. 2 der wet van 28 Mei 1869 {Stbl. Nquot;. 96).quot;
âDe verklaring is vervolgens ten mijnen overstaan
âen in tegenwoordigheid van den Griffier door.......
âwonende te........overeenkomstig de wijze zijner
âgodsdienstige gezindheid a) met (eed) (belofte) be-âvestigd.quot;
âDe Kantonrechter te..........
(volgt diens gewone onderteekening) In kennis van mij Griffier
(volgt diens gewone onderteekening)quot; Achter het meergemeld K. B. van 21 Sept. 1869 zijn onder de letters A, B en C de formulieren gevoegd, die voor de verklaring tot bekoming van een a) Val. bl. 1S1.
691
zeebrief moeten gevolgd worden. De Kantonrechter te Zuidbroek had de eedsaflegging ter verkrijging van een zeebrief, bij gemachtigde toegelaten. Daartegen werd cassatie, in het belang der wet, aangeteekend en als middel aangevoerd, schending van art. 4 en 5 der Wet van 28 Mei 1869 {Sthl. Nquot;. 96), in verband met het K. B. van 21 Sept. 1869 (Sthl. N0. Iö3), op grond, dat de daarbij voorgeschreven persoonlijk af te leggen eed niet mag worden gedaan door een gemachtigde. De H. R. besliste, dat eedspraestatie uit haar aard moet zijn een persoonlijke daad, behoudens de gevallen, waarin uitzondering op dien regel is toegelaten; dat in casu zoodanige uitzondering niet is toegelaten niet alleen, maar integendeel de woorden, zoowel der wet als der formulieren, doen vooronderstellen dat de wet renc persoonlijke erdsallegiiing heeft ueivihl (arrest van 27 Mei 1870, M. v. IT. 1870, D. XII, R. bl. 14/, N. R. D. XCV, 1870, D. 2, bl. 88â97.
§ 223. Burgerlijke ambtenaren hebben na bekomen ontslag o. a. recht op pensioen, wanneer zij na tieiijarigen dienst, uithoofde van ziels- of lichaamsgebreken, voor de waarneming van hun ambt ongeschikt zijn. Gewezen burgerlijke ambtenaren, die den lande minstens 10 jaren als zoodanig hebben gediend, hebben o. a. mede recht op pensioen, wanneer zij ziels- of lichaamsgebreken bekomen, die hen ongeschikt maken voor de waarneming van eenig ambt als waaruit zij ontslagen zijn.
Tot het bewijs der ongeschiktheid wordt gevorderd ecne met redenen omkleede schriftelijke verklaring van twee geneeskundigen. Deze geneeskundigen worden benoemd door den Minister, hoofd van het Departement, waaronder de belanghebbende behoort. Indien de aanvraag tot benoeming geschiedt tengevolge van een door of namens den belanghebbende gedaan verzoek, of indien hem ingevolge den uitslag van het onderzoek pensioen wordt toegelegd, worden de kosten van het onderzoek door hem gedragen.
692
Indien hij die niet dadelijk voldoet, worden zij door den Staat voorgeschoten en op hem verhaald. De belanghebbende, aan wien ingevolge den uitslag van het onderzoek geen pensioen wordt toegekend, is bevoegd een nieuw onderzoek door twee andere geneeskundigen te vorderen. Deze geneeskundigen zullen op aanvrage van bet Departement van Algemeen Bestuur, waaronder de belanghebbende behoort, worden benoemd en beëedigd door den Kantonrechter van de woon- of verblijfplaats van den belanghebbende. De uit dit nader onderzoek voortvloeiende kosten worden door den Staat gedragen. Alle stukken betreffende het onderzoek naar de ongeschiktheid van burgerlijke ambtenaren voor verderen dienst, zijn vrij van zegel en worden gratis geregistreerd (art. 3 en 5 der Wet van 9 Mei 1890, b'bl. 78, tot regeling van de pensioenen der burgerlijke ambtenaren).
§ 224. Eene geheel van de Wet van 1851 afwijkende regeling omtrent de zoogenaamde onteigening, werd getroffen voor het geval van besmettelijke veeziekten. Hield men bij de onteigeningswet nog vast aan het vermeende beginsel der Grondwet, dat ook ontzetting uit den eigendom bij besmetting zou zijn onteigening en achtte men het daarom noodzakelijk, dat de Kantonrechter de schadeloosstelling bepaalde, bij de Wet van 20 Juli 1870 [Slhl. 131) tot regeling van hel veeartsenjkuiutig staatstoezicht en de veeartsen jkundige politie, beperkte men 's Kantonrechters bemoeiingen tot een minimum.
Die wet, die in gevallen van besmettelijke veeziekten alleen onteigening van roerend goed schijnt toe te laten a), vereischt 's Kantonrechters tusschen-komst alleen tot benoeming van deskundigen. De schadeloosstelling voor af te maken vee wordt in het algemeen bepaald door een door den Burgemeester te benoemen deskundige. Wanneer de Burgemeester, of de veehouder, of beiden geen genoegen nemen
o) Zie Mr. Tuobbbcke, t. u. p. blz. 299.
693
met de waardeering van den deskundige, benoemt de Kantonrechter, op verzoek van den Burgemeester, nog twee deskundigen. De beëediging der deskundigen geschiedt, zoo verlangd, in handen van den Burgemeester (art. 24). Do hier bedoelde stukken zijn vrij van zegel en registratierechten en uitvoerbaar ook vóór dut zij zijn geregistreerd (art. 43).
De regeling omtrent dit onderwerp, getroffen bij de genoemde Wet van 20 Juli 1870 (Sthl. 131), werd ook toepasselijk verklaard bij de Wet van 5 Juni 1875 {Sthl. 110) tot vaststelling van hct a1inricn bij het voorkomen van hundsdolheid (art. 5) en bij de \\ et van 23 April 1879 (876/. 73), houdende huUcmjewonc maalreqelcn tot afwendhuj vati bemncHflijke zieklcn en tot toering ha-er uitbreiding en gevolgen. (Art. 3.)
De meergenoemde wet van 1870 bepaalt ook nog in art. 31 (alinea 4, 5 en 6):
âWanneer de begraving of de verbranding door âeenige omstandigheid onmogelijk is op het erf of âhet land, waar het stuk vee gestorven of afgemaakt is, âen geeu erf in de gemeente voor den Burgemeester âbeschikbaar is, doet deze de begraving plaats hebben âter naaste lage en vergoedt de daardoor eventueel âveroorzaakte schade aan den eigenaar van den grond.
âWanneer het vee in een stal of in eene schuur âis gestorven of afgemaakt, en geen gemeentegrond âbeschikbaar is, wijst de Burgemeester een terrein âaan voor de begraving of verbranding op minstens â50 Meters van stallen, woningen of drinkwaterputten âgelegen en vergoedt de daardoor eventueel veroor-âzaakte schade aan den eigenaar van den grond.
âBij verschil over het bedrag der schade, in de âbeide vorige zinsneden bedoeld, wordt deze door den âKantonrechter begroot, bij beschikking op verzoek âvan de meest gereede partij, zonder hooger beroepquot;.
Ingevolge art. 43 dier wet zijn ook de hier bedoelde stukken vrij van zegel eu registratierechten en uitvoerbaar vóór dat zij zijn geregistreerd.
694
Art. 2 der Wet van 10 April 1869 (Sthl. 65) tot vaststelling van bepalingen betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafjtlaatsen en de brijrafenisrechlen, bepaalt o. a.:
âLijken, die, uithoofde van den staat van ontbin-âding, niet naar eene begraafplaats kunnen worden âovergebracht, worden ter plaatse waar zij gevonden âzijn of in de onmiddellijke nabijheid zonder kist, âmits ter diepte van ten minste één meter, begraven, âmet ongebluschte kalk ter hoogte van twee decimeters âen verder met aangestampte aarde overdekt.
âIs het niet mogelijk, dat de begraving, in dit âartikel bedoeld, in Rijks-of gemeen te-grond geschiede, âdan moeten de eigenaars of gebruikers van den âgrond, dien de Burgemeester daartoe aanwijst, de âbegraving aldaar gedogenquot;.
âDe schade, die aan den eigendom mocht worden âveroorzaakt, wordt door den Kantonrechter begrootquot;.
âAls schade komt niet in aanmerking de aanwezig-âheid van het graf zelfquot;.
§ 225. Volgens art. 7, 3do lid, der Wet tot regeling van hel recht van onderzoek [Enquête) van 5 Augustus 1850 [hlbl. N0. 45), kan de commissie van onderzoek, indien een getuige of deskundige door ongesteldheid verhinderd wordt om voor de commissie te verschijnen, het verhoor opdragen aan den Kantonrechter der woonplaats van den getuige of deskundige, om hem daar ter plaatse, en naar gelang van omstandigheden, zelfs in zijne woning te ondervragen.
Van dat verhoor moet de Kantonrechter procesverbaal opmaken en dat met den verhoorde na voorlezing onderteekenen en aan de commissie inzenden.
De commissie kan vorderen, dat de getuigen of deskundigen, die den ouderdom van zestien jaren vervuld hebben, onder eede worden gehoord, in welk geval op de wijze van ieders godsdienstige gezind/ieid, de getuige zweert (belooft) de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen; en de des-
695
kundige, zijn verslag naar eer en geweten, en overeenkomstig zijne beste wetenschap, te zullen uitbrengen.
Indien de behoorlijk gedagvaarde getuigen of deskundigen niet verschijnen, wordt daarvan door den Kantonrechter proces-verbaal opgemaakt, dat behoudens tegenbewijs, een volledig bewijs oplevert van hetgeen daarin vermeld staat; het moet eene nauwkeurige omschrijving der akte van dagvaarding behelzen en wordt door den Kantonrechter aan de commissie van onderzoek toegezonden, die, als zij dat noodig acht, het in handen stelt van het O. M. bij de Rechtbank van het Arrondissement, waarin de in gebreke gebleven getuigen of deskundigen wonen.
Indien de opgeroepene verschijnt, maar weigert te antwoorden of den eed of belofte af te leggen, maakt ook daarvan de Kantonrechter proces-verbaal op, dat dezelfde rechtskracht heeft als het vorig proces-verbaal, de redenen van weigering moet inhouden en aan de commissie van onderzoek moet worden ingezonden.
De Rechtbank van het Arrondissement kan de gijzeling van den weigerachtigen getuige of deskundige gelasten. Die gijzeling wordt voor een tijdvak van zes maanden uitgesproken, doch houdt oj), wanneer de getuige of deskundige vroeger aan zijne verplichting mocht hebben voldaan.
Zij, die uithoofde van hun stand, beroep of wettige betrekking tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschoonen getuigenis af te leggen, doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.
De getuigen en deskundigen ontvangen, desver-kiezende, schadeloosstelling door den Kantonrechter te begroeten overeenkomstig liet bepaalde omtrent getuigen en deskundigen in de artt. 61, 63, 65 en 66 van den VIC'CU titel van het Tarief van Justitie-kosten en salarissen in burgerlijke zaken, vastgesteld bij de Wet van 28 Augustus 1843 (Sibi N0. 41).
696
§ 226. Bij dc Wet van 27 April 1884 {Stbl. 96), tot regeling van het staatstoezicht op krankzinnigen, werden verscheidene bemoeiingen aan den Kantonrechter opgedragen.
Ieder meerderjarig bloedverwant of aangehuwde, in de rechte linie onbepaald, in de zijlinie tot den derden graad ingesloten, alsmede de echtgenoot, voogd of curator van een krankzinnige zijn bevoegd om schriftelijk aan den Kantonrechter van de woon- of verblijfplaats des krankzinnigen machtiging te verzoeken, hem voorloopig in een gesticht te doen plaatsen, hetzij dit in het belang der openbare orde of in dat van den lijder zeiven wordt vereischt (art. 12). Iedere meerderjarige, die gevoelt dat zijn toestand verpleging in een krankzinnigengesticht wenschelijk maakt, kan zijne plaatsing overeenkomstig art. 12 verzoeken (art. 15). In de in de artikelen 12 en 15 vermelde verzoeken wordt het gesticht genoemd, waarin plaatsing verzocht wordt. Daarbij moet worden overgelegd eene uiterlijk zeven dagen voorliet verzoek opgemaakte, onderteekende en met redenen omkleede verklaring van iemand, bevoegd om hier te lande de geneeskunst uit te oefenen en die niet aan dat gesticht verbonden is, waaruit blijkt dat de persoon, voor wien plaatsing verzocht wordt, in een toestand van krankzinnigheid verkeert. Bij de verzoeken kunnen bovendien omstandigheden vermeld en bescheiden overgelegd worden, waaruit de staat van krankzinnigheid nader blijkt (art. 16).
Wanneer do verklaring van den geneeskundige, hetzij alleen, hetzij in verband met de vermelde omstandigheden en overgelegde bescheiden, het bestaan van krankzinnigheid aanvankelijk genoegzaam aantoont, of wanneer in het geval bij art. 15 vermeld, de staat van krankzinnigheid voldoende blijkt, zoo verleent de Kantonrechter do verzochte machtiging. Deze kan op het verzoekschrift gesteld worden en is uitvoerbaar op de minuut en vóór de registratie.
697
De Kantonrechter is bevoegd, alvorens op liet verzoek te beschikken, den persoon, wiens plaatsing verzocht is, zijne bloedverwanten of aangehuwden, echtgenoot, voogd of curator daarover te hoeren, wat eerstgenoemde betreft, al of niet in tegenwoordigheid van een geneeskundige door den Kantonrechter aan te wijzen.
Vindt de Kantonrechter geene voldoende redenen om machtiging tot plaatsing te verleenen, zoo verklaart hij dit op het verzoekschrift en zendt dat stuk ten spoedigste onder aangeteekenden omslag aan de Rechtbank waaronder hij ressorteert, of laat het aldaar tegen bewijs van ontvangst ter Griffie afgeven. De Rechtbank beslist dan in hoogste ressort.
De machtiging van den Kantonrechter of van de Rechtbank wordt niet beteekend aan den persoon wiens plaatsing verzocht is.
Zij kan na 14 dagen sedert hare dagteekening niet meer ten uitvoer worden gelegd (art. 17).
Opneming vau een krankzinnige in een gesticht geschiedt tegen overlegging van eene expeditie der machtiging tot plaatsing of, indien de uitvoering gelast is op de minuut, op vertoon van die minuut, waarvan dan in afwachting van de expeditie, ten spoedigste door den Giiftier op te zenden, onmiddellijk in het gesticht een afschrift of uittreksel wordt genomen (art. 18).
Bij elke plaatsing van een krankzinnige in een gesticht, tengevolge van eene machtiging van den Kantonrechter, geeft do Kantonrechter daarvan onverwijld kennis aan den Burgemeester der laatste woon- of verblijfplaats des krankzinnigen. De Burgemeester deelt die kennisgeving onverwijld mede aan de bekende naaste bloedverwanten of aangehuwden, of aan den echtgenoot, voogd of curator van den krankzinnige (art. 19).
Do machtiging van den Kantonrechter moet binnen 4 weken door machtiging van de Rechtbank worden gevolgd. Zonder nadere machtiging kan gedurende
698
die 4 weken de krankzinnige naar een ander gesticht worden overgebracht (art. 22 en 25).
De stukken, vereischt tot de opneming, het verblijf, de verplaatsing, het verlof en hot ontslag van personen in en uit krankzinnigengestichten, zijn vrij van zegel en worden, voorzoover zij aan registratie onderworpen zijn, gratis geregistreerd (art. 42).
Door den Staat worden bij gebreke van tijdige betaling op andere wijze, als voorschot, voldaan de kosten, voortvloeiende uit:
1°. het bij sluiting van een krankzinnigengesticht bij K. B. overbrengen van krankzinnigen naar andere gestichten, en hunne opneming en verpleging aldaar;
2°. de overbrenging naar en de opneming en verpleging in een gesticht van krankzinnigen, omtrent wie het onzeker is door wien de kosten moeten worden gedragen of wier plaatsing of verdere verpleging ingevolge de wet geschiedt, op requisitoir van het Openbaar Ministerie;
3°. het vervoer en de verpleging, waar ook, van krankzinnigen, op bevel van den Burgemeester of die hem vervangt, in bewaring gesteld in spoed vereischende gevallen ingevolge de wet.
Deze kosten worden door den Staat verhaald:
a. op de bestuurders der gestichten, indien de uitgaaf het gevolg is van nalatigheid of verzuim hunnerzijds;
en anders;
h. op de inkomsten en bezittingen van den verpleegde, en voor zoover deze daartoe ontoereikend zijn ;
c. op zijne bloed- of aanverwanten, die naar de nrtt. 37G, 377, 378 en 383 van het Burgerlijk Wetboek tot zijn onderhoud verplicht zijn;
d. op de gemeente, die volgens de Wet tot regeling van het armbestuur de verplegingskosten van den krankzinnige heeft te voldoen u).
a) De kosten van hot vervoer naar en de verpleging in oen rijksgesticht voor krankzinnigen van een arme krankzinnige komen ook dan ten laaie
699
De kosten die niet verhaald kunnen worden op de wijze sub b en c vermeld, worden beschouwd als voor armen te zijn gedaan.
De kosten van verpleging in de Rijksgestichten worden aan de personen of gemeenten, sub /), c en d genoemd, in rekening gebracht (art. 40).
Het verhaal geschiedt uit kracht van een bevelschrift van tenuitvoerlegging, gesteld op de aan den Rechter overgelegde behoorlijk gesplitste en, zooveel mogelijk, door bewijsstukken gerechtvaardigde staten van kosten. Het bevelschrift wordt verleend door den Kantonrechter der woonplaats van hem, tegen wien het verhaal wordt uitgeoefend of, geschiedt dit tegen meer dan één persoon, der woonplaats van één hunner. Is geen Rechter binnen het Rijk in Europa bevoegd krachtens deze bepaling, dan wordt het bevelschrift verleend door den Kantonrechter te 's Gravenhage. Tegen het bevelschrift wordt verzet toegelaten bij den Kantonrechter of, indien het gevorderde bedrag zijne bevoegdheid overschrijdt, bij de Arrondissements-Rechtbank. Art. 438 ct) B. Rv. is daarbij van toepassing (art. 41).
§ 227. In plaatsen, met welke alle gemeenschap, uithoofde van de pest of andere besmettelijke ziekte verboden is, kunnen de uiterste willen gemaakt worden voor elk openbaar ambtenaar, in tegenwoordigheid van twee getuigen. Die uiterste willen moeten door de erflaters, alsmede door degenen voor wie zij verleden zijn, en ten minste door een der getuigen onderteekend worden. Indien de erflater of oen der getuigen verklaart dat hij niet schrijven kan of belet wordt te teekenen, zal van die verklaring, alsmede van de oorzaak van het beletsel, in do akte uitdruk-
van de gemeente, wanneer de krankzinnige in het gesticht is geplaatst op last van den strafrechter (arrest H. R. 14 Nov. 1889, W. 5796).
a) Dit artikel luidt: De wederspraak of het verzet van den geëxecuteerde sluit den aanvang of de voortzetting der executie niet, behoudens de bevoegdheid van den geëxecuteerde om daarop door den President der Arron-dissements Rechtbank hij kort geding te doen beslissen.
698
die 4 weken de krankzinnige naar een ander gesticht worden overgebracht (art. 22 en 25).
De stukken, vereischt tot de opneming, het verblijf, de verplaatsing, het verlof en het ontslag van personen in en uit krankzinnigengestichten, zijn vrij van zegel en worden, voorzoover zij aan registratie onderworpen zijn, gratis geregistreerd (art. 42).
Door den Staat worden bij gebieke van tijdige betaling op andere wijze, als voorschot, voldaan de kosten, voortvloeiende uit:
1°. het bij sluiting van een krankzinnigengesticht bij K. B. overbrengen van krankzinnigen naar andere gestichten, en hunne opneming en verpleging aldaar;
2°. de overbrenging naar en de opneming en verpleging in een gesticht van krankzinnigen, omtrent wie het onzeker is door wien de kosten moeten worden gedragen of wier plaatsing of verdere verpleging ingevolge de wet geschiedt, op requisitoir van het Openbaar Ministerie;
3°. het vervoer en de verpleging, waar ook, van krankzinnigen, op bevel van den Burgemeester of die hem vervangt, in bewaring gesteld in spoed vereischende gevallen ingevolge de wet.
Deze kosten worden door den Staat verhaald; a. op de bestuurders der gestichten, indien de uitgaaf het gevolg is van nalatigheid of verzuim hunnerzijds;
en anders;
h. op de inkomsten en bezittingen van den ver-ploegde, en voor zoover deze daartoe ontoereikend zijn ;
lt;;. op zijne bloed- of aanverwanten, die naar de artt. 37G, 377, 378 en 383 van het Burgerlijk Wetboek tot zijn onderhoud verplicht zijn;
d. op de gemeente, die volgens de Wet tot regeling van het armbestuur de verplegingskosten van den krankzinnige heeft te voldoen a).
a) De kosten van het vervoer naar en de verpleging in oen rijksgesticht voor krnnkzinnigen van een arme krankzinnige komen ook dan ten laste
699
De kosten die niet verhaald kunnen worden op de wijze sub b en c vermeld, worden beschouwd als voor armen te zijn gedaan.
De kosten van verpleging in de Rijksgestichten worden aan de personen of gemeenten, sub h, c en d genoemd, in rekening gebracht (art. 40).
Het verhaal geschiedt uit kracht van een bevelschrift van tenuitvoerlegging, gesteld op de aan den Rechter overgelegde behoorlijk gesplitste en, zooveel mogelijk, door bewijsstukken gerechtvaardigde staten van kosten. Het bevelschrift wordt verleend door den Kantonrechter der woonplaats van hem, tegen wien het verhaal wordt uitgeoefend of, geschiedt dit tegen meer dan één persoon, der woonplaats van één hunner. Is geen Rechter binnen het Rijk in Europa bevoegd krachtens deze bepaling, dan wordt het bevelschrift verleend door den Kantonrechter te 's Gravenhage. Tegen het bevelschrift wordt verzet toegelaten bij den Kantonrechter of, indien het gevorderde bedrag zijne bevoegdheid overschrijdt, bij de Arrondissements-Rechtbank. Art. 438«) B. Rv. is daarbij van toepassing (art. 41).
§ 227. In plaatsen, met welke alle gemeenschap, uithoofde van de pest of andere besmettelijke ziekte verboden is, kunnen de uiterste willen gemaakt worden voor elk openbaar ambtenaar, in tegenwoordigheid van twee getuigen. Die uiterste willen moeten door de erflaters, alsmede door degenen voor wie zij verleden zijn, en ten minste door een der getuigen onderteekend worden. Indien de erflater of een der getuigen verklaart dat hij niet schrijven kan of belet wordt te teekenen, zal van die verklaring, alsmede van de oorzaak van het beletsel, in de akte uitdruk-
van de gemeente, wanneer de krankzinnige in het gesticht id geplaatst op last van den strafrechter (arrest H. R. 14 Nov. 1889, W. 5796).
a) Dit artikel luidt: De wederspraak of het verzet van den geëxecuteerde stuit den aanvang of de voortzetting der executie niet, behoudens de bevoegdheid van den geëxecuteerde om daarop door den President der A.rron-dissements Rechtbank bij kort geding te doen beslissen.
700
kelijk worden melding gemaakt. Deze uiterste willen zullen krachteloos zijn, indien de erflater komt te sterven 6 maanden nadat de oorzaak waarom dezelve in dien vorm zijn gemaakt, heeft opgehouden te bestaan. (Art. 995â997 B. W.)
§ '228. Voorts zijn er nog eenige werkzaamheden, welke, hoezeer tot de bevoegdheid van andere rechterlijke Collegiën behoorende, echter door deze aan den Kantonrechter kunnen worden overgedragen, en zulks ingevolge art. 25 R. O., volgens hetwelk de rechterlijke Collegiën en Ambtenaren onderling verplicht zijn aan letteren requisitoriaal ten dienste der justitie wettig gevolg te geven. Immers, dat hier door A mbtenarcn niet slechts die van het O. M., maar ook de Kantonrechters bedoeld zijn, is uitdrukkelijk door de Regeering verklaard bij de voordracht van dit art. Zie Van den Honekt. Dan deze letteren requisitoriaal dienen zich te bepalen bij de onderwerpen door de wet aangeduid. Zoo moet volgens art. 47G B. W. op een verzoek om meerder-jarig-verklaring de H. R. hooren den vader, of bij gebreke van dezen de moeder van den minderjarige, of bij gebreke van beiden, den voogd en den toezienden voogd en de familie. Doch volgens art. 477 kan de H. R. dat verhoor aan den Kantonrechter van de woonplaats van den minderjarige opdragen, in geval van te grooten afstand dier woonplaats van den zetel der Arrond. Rechtbank, aan welke anders die opdracht geschieden moet. De Kantonrechter moet voorts van het door hem gehouden verhoor een verbaal opmaken, met bijvoeging van al de inlichtingen en aanmerkingen welke hij noodig oordeelt, en het verbaal opzenden aan den H. R. â Zoo bepaalt art. 331 B. W., dat, wanneer de H. R. advies moet uitbrengen over een aan de Koningin ingediend verzoek tot wettiging van natuurlijke kinderen, hij alvorens moet hooren of doen hooren de bloedverwanten der verzoekers. De H. R. kan dus dat verhoor opdragen aan den
701
Kantonrechter, die daarvan een proces-verbaal moet opmaken, als zooeven is voorgeschreven. â Zoo bepalen art. 119, 200, 347 B. K. dat, indien er bij het Kantongerecht of de Arrond. Rechtbank of het Hof of den H. Raad, een getuigenverhoor wordt gevorderd en de getuigen te ver verwijderd wonen, of verhinderd worden op te komen, de Rechter het verhoor dier getuigen kan opdragen aan den Kantonrechter van hunne woonplaats, ook al moge deze woonplaats buiten het rechtsgebied van den opdra-genden Rechter gelegen zijn en moet er voorts proces-verbaal van het verhoor worden opgemaakt en overgezonden. De Kantonrechter blijft voor de uitvoering van de opdracht Kantonrechter en kan daarom ook niet anders handelen dan zooals de Wet wil dat de Kantonrechter handele (Prof. Van Boneval Faure IV, 2 blz. 85). Hij houdt het dus op dezelfde wijze als het geschiedt in eene zaak, waarover hij zelf oordeelt; hij beslist ook zelf over wrakingen. Wanneer er een bericht van deskundigen vereischt wordt, dan kan het Hof of de Rechtbank bevelen, dat de eed der deskundigen worde afgelegd voor den Rechter van het Kanton, waarin de bevolen verrichting moet plaats hebben. Art. 224 B. R.
Zoo kan ook het Hof of de Rechtbank of de Kantonrechter, na het hooren der partij te hebben toegestaan, den Kantonrechter van hare woonplaats, in geval van te verren afstand of van wettige verhin-
o '
dering, daartoe machtigen. Het staat den gemachtigden Kantonrechter vrij, om aan de partij, behalve de aan haar beteekende feiten en vraagpunten, ook ambtshalve eenige vragen te doen naar aanleiding der beteekende. Het proces-verbaal van ondervraging moet door den Griffier worden opgemaakt en aan den ondervraagde voorgelezen, die daarin vervolgens nog zoodanige veranderingen eu bijvoegingen in zijn antwoorden brengen kan, als hij uoodig oordeelt, en welke aan het einde of op den kant van het verhoor
702
moeten geschreven worden. Ook hiervan moet hem voorlezing worden gedaan, en het proces-verbaal ge-teekend door den ondervraagde, den Kantonrechter en den Griffier. Art. 240, 243 B. R. â Zoo staat het in den loop van een rechtsgeding aan den Rechter, die of aan een of aan beide partijen de openlegging der koopmansboeken beveelt, ten einde daarvan inzage of een uittreksel te doen nemen, voor zooveel het punt in geschil betreft, vrij om ingeval die boeken zich bevinden op eene andere plaats dan die waar de Rechtbank, voor welke de zaak hangt, gevestigd is, aan den plaatselijken Rechter op te dragen om er inzage of een uittreksel van te nemen, en van zijne bevinding een verbaal op te maken en over te zenden. Art. 12 K. â Zoo kan een Rechter het afnemen van een opgelegd en eed opdragen aan den Rechter der woonplaats of van het verblijf van hem, die tot de eedsaflegging verplicht is, in geval diens woning of verblijf te ver mocht zijn verwijderd of buiten het rechtsgebied van de Rechtbank gelegen. Art. 1981 B. W. â Zoo kan, in geval er een verzoek is tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed, en de eischer woonachtig is buiten de plaats, alwaar de Rechtbank is gevestigd, de President het hooren des eischers om hem de noodige bedenkingen op het verzoek te doen, aan den Kantonrechter van des eischers woonplaats opdragen, die dan van dat verhoor een proces-verbaal moet opmaken en zonder verwijl aan den President inzenden. Art. 816 B. R.
Alhoewel niet bij de wet voorgeschreven, is toch in geval van wettige verhindering van eene der partijen om zich voor eene Arrond. Rechtb. voor de verschijning, voorgeschreven bij art. 257 en 258 B. W., te vervoegen, de Rechtbank bevoegd te bevelen, dat die verschijning voor den Kantonrechter der woon- of verblijfplaats der verhinderde partij zal plaats hebben. Rechtb. Arnhem 28 Febr. 1870, W. 3272.
De Rechtbank overwoog, dat het geval bij de wet
703
niel was voorzien en er dus in deze eene h'emtr bestond, die echter ex analogia art. 816, 200 en 2-iO B. R. en uit een beginsel van billijkheid mocht worden aangevuld, omdat de wetgever eene verschijning voorden rechtsprekenden Rechter zelf voor eene deugdelijke beslissing geheel overbodig achtte.
De Rechtbank benoemde een Rechter-commissaris; zij beval partijen te verschijnen voor den Kantonrechter te Ommen op den door dezen te bepalen tijd, en noodigde dien Rechter uit verbaal te maken en dat op te zenden aan den benoemden liecbter-commissaris.
Het is hier ook de plaats om melding te maken van art. 70 der Wet van '28 Juni 1854 (S'/W. Xquot;. 100), tot regeling van het Armbestuur, gewijzigd bij de Wet van 1 Juni 1870 [Slhl. Nquot;. 85), in werking getreden op den 15 Juli 1870. Dat artikel verplicht de Kantonrechters, op aanvraag van Gedeputeerde Staten, personen onder eede of belofte te hooren over feiten betreffende geschillen aangaande het domicilie van onderstand van armen, en daarvan proces-verbaal op te maken. Dit proces-verbaal is vrij van zegel- en griffierechten on wordt gratis geregistreerd volgens art. 77 der wet.
§ 229. Eindelijk zijn de Kantonrechters, even als alle andere rechterlijke Ambtenaren, verplicht, zoowel bericht en consideratiën te geven, wanneer zulks van wege -de Koningin gevraagd wordt, als om aan den II. R. de gevraagde berichten en informatiën, die deze dienstig oordeelt, te geven, met of zonder voortbrenging of opeisching der stukken, betrekkelijk een zaak, waarin de 11. R. moet oordeelen. Art. 22, 107 R. O.
HOOFDSTUK VIL
DE BIJZONDERK WEKIvZAAMHEDEN DER (iltllTlEKS.
§ 230. Buiten de werkzaamheden aan de Griffiers bij de wet opgedragen, zijn zij belast met het beheer
704
der griffie en met het bewaren van lt;le minuten, registers en stukken aan de Kantongerechten, waarbij zij zijn aangesteld, behoorende, alsmede van de gelden en het geldswaarde hebbende papier en andere zaken of stukken, die ter griffie zijn overgebracht, zoo ook van de verzamelingen van wetten en besluiten, alsmede van de boekwerken van het Kantongerecht. Te dezer gelegenheid valt op te merken het bepaalde bij art. 175 der Wet van 20 Juni ISöl (.VM. NJ. 85), dat namelijk de afgekondigde verordeningen van den Gemeenteraad worden medegedeeld aan het Kantongerecht, waaronder de gemeente behoort, en aan het Openbaar Ministerie. Hetzelfde geldt voor de keuren van waterschappen, veenschappen en veenpolders (art. 13 der wet van 20 Juli ISOó, bill. 139). He Griffier is verder belast met het behoorlijk houden van de rollen (die hem evenwel niet gebiedend zijn voorgeschreven), alsmede van de onderscheiden registers van het Kantongerecht en van het audien-tieblad. Hij is verplicht op de terechtzittingen van het begin tot het einde tegenwoordig te zijn en aldaar de pen te voeren; zoo ook den Kantonrechter bij te staan in de gevallen, waarin de wet zulks vereischt en er een proces-verbaal van wege den Kantonrechter moet worden opgemaakt, en de expeditiën der akten met behoorlijken spoed aan de belanghebbenden uit te reiken. Hij is verplicht de Griffie open te houden op de uren, door den Kantonrechter te bepalen, en althans gedurende zes uren eiken dag, den Zondag-uitgezonderd.
Zondacj, dus op geen andere dagen, kan de Griffie gesloten y.ijn. Dit is noodig in het oog te houden in het belang van hen, die zich in hooger beroep of in cassatie van een tegen hen gevallen strafvonnis wenschen te voorzien.
Het karakter van Cliristelijken feestdag, ontheft den Griffier niet van de verplichting, hem bij art. 68 van het Reglement opgelegd.
70quot;)
Zoo is de eerste Kerstdag, ofschoon een algemeen erkende ('liristelijke feestdag, bij do wet niet onder de wclthje feestdagen opgenomen. Op den lsti;n Kerstdag, moet dus ook de gelegenheid tot het aanteekenen van cassatie of appèl bestaan. H. R. 24 Maart ISöT AV. 1975.
Wanneer de otlt' dag voor het aanteekenen van cassatie valt op den 2^quot; Kerstdag, dan is de Griffier verplicht die aanteekening op dien dag te ontvangen en de CJriffie oj) de gewone uren open te houden; ofschoon ook de 2di; Kerstdag is een algemeen erkende lt; liristelijke feestdag, is deze echter niet ouder de ivrltijc ft-esldugoi aangenomen. H. R. 3 Maart 1863, W. 21(38.
Op de dagen der terechtzittingen moet de Griffie ten minste een uur vóór haar aanvang geopend zijn. Art. (31, (34âGO, OS Regl. I. Dat er een bepaald lokaal moet bestaan, waar de Griffier zitting houdt, volgt uit art. 444 B. W., 078 B. U. 23 K. 250, in verband niet art. 230 Strafv.
Bij een arrest van den H. R. van 8 Maart 1855, W. 1480, werd beslist, dat waar de (irif'fier is, daar ook de Griffie moet geacht worden te zijn. Bij een later arrest en wel van 23 Xov. 1874, W. 3798, is de H. R. aan dat beginsel getrouw gebleven en heeft hij uitgemaakt, 1°. dat de woorden âter Griffiequot; voorkomende in art. 230 Strafv., geacht moeten worden hetzelfde te beteekenen als âvoor den drifficrquot; en in dien zin opgevat worden, dat die Ambtenaar voor dat geval in zijn persoon de Griffie vertegenwoordigt; en 2quot;. dat uit art. G8 van het Reglement op de eedsaflegging enz., niet is af te leiden, dat de Griffier niet bevoegd zou zijn op andere uren, of buiten het lokaal ⢠Ier Griffie, ambtelijke verrichtingen te vervullen.
§ 231. De Griffiers moeten voor hunne akten gebruiken gezegeld papier van wege het Rijk uitgegeven, dat in den regel van zeer slecht gehalte is. Zij kunnen evenwel, voor zoover het perkament, niet papier,
706
betreft, ook gebruik maken van de vergunning, in bet algemeen toegestaan om het te doen stempelen, alvorens daarvan gebruik te maken. De boete, tegen de overtreding bedreigd, is van /'25. Ook mogen zij niet meer dan een bepaald getal regels en lettergrepen op de bladzijden, door elkander gerekend, stellen en zulks op eene boete van /10 voor ieder stuk. Art. 14, 15 Wet 3 Oct. 1843, {Slbl. N0. 47). â Volgens art. 3 der Wet van 26 Frim. an IV (7 Dec. 1795), (jui délcrniiiic Ic lieu on aeront dépo*êi's le* minuien des acte.-' de* jwjes de pctix, te vinden bij Rondonn' III 219 en Foktuyn' I 276, moeten de Griffiers registers houden, door hunne Kantonrechters genummerd en gewaarmerkt, en daarin dag op dag inschrijven de dagteekening der akten, en haar aard; de processen-verbaal en lt;le vonnissen, opgemaakt of gewezen, mitsgaders de namen der partijen. Ter uitvoering dezer wet bestaat er een Arrèté da Directoire exéculif, eonceriiciut Ui tenue des ve^ertuires el ht remise aHiiuelle des minutes des justices de paix, van 28 Brum, an VI (18 Nov. 1797), te vinden bij Rondonn III, 236 en Fortuyn I, 363.
Volgens art. 4 der genoemde Wet van 20 Primaire an IV moesten de Kantonrechters jaarlijks binnen de eerste tien dagen van Januari zorgen, dat de minuten hunner akten in burgerlijke zaken werden overgebracht naar een lokaal in het Raadhuis, daartoe door bet Gemeentebestuur aangewezen a). Bij K. B.
a) Mr. üreeve plaatste hier de volgende aanteekening:
'Vermakelijk is de considerans van deze wot: Le conseil des cinqcente, /'considérant que rinstitution des Justices de Paix a etc faite pour que quot;chaque citoyen trouvat, commt au milieu de sa familie, la justice et la âpaix; â que tons les actes et jugements de ces tribunaux doivent toujours quot;être sous Ia main des justiciablcs; que .le dépot des minutes, qui a ete quot;fait annuellement dans les grelfes des Tribunaux de district, contredit quot;inanifestement le but de ces ctablisscments salutaircs; Adopte la réso-quot;lution suivante: Art. 4. Les minutes des actes des juges de paix, en quot;maticre civile seront deposées tous les ans, dans un local de la maison quot;de radmiiiiitration municipale, et les expeditions en seront délivrées
707
van 23 Mei 1S39, Nquot;. 72 (d'Engkliïrokner III, bl. 536) werd dit voorschrift nog uitdrukkelijk gehandhaafd. Art. 1 der Wet van 15 April 1891 (v/;/. 82), bepaalde echter terecht, dat voortaan h) die akten ter Griffie van het Kantongerecht zouden worden bewaard. Voor de overbrenging naar het Raadhuis was inderdaad, zooals Mr. Grekve reeds beweerde, geene enkele goede reden te vinden. Allerlei huismiddeltjes werden bij de uitvoering van dat niet wel te verdedigen voorschrift te baat genomen. Zoo was bijv. te Oirschot, waar het Kantongerecht is gevestigd in het Raadhuis, de Griffie van het Kantongerecht door liet Gemeentebestuur als bewaarplaats aangewezen voor de burgerlijke akten. Jaarlijks werd dan van wege het Gemeentebestuur een recu afgegeven voor do akten over het afgeloopen jaar, terwijl die akten eenvoudig ter Griffie bleven. Dat recu werd dan overeenkomstig de voorschriften aan den Officier van Justitie toegezonden. Juist omdat dergelijke toestanden meer voorkwamen en de akten feitelijk ter Griffie bleven, kon art. 2 der wet volstaan met te bepalen, dat wanneer de toenmalige bewaarplaats niet was de Griffie, een K. B. kon gelasten overbrenging derwaarts.
Do Officieren van Justitie dragen zorg, dat de registers, welke de Griffiers moeten houden volgens hot boven vermelde, worden genommerd en gewaarmerkt door de Kantonrechters en mede door hen gesloten in de eerste tien dagen van Januari; terwijl de Officier verplicht is zijn iv'sk te stellen na de sluiting der Kantonrechters. Zij moeten voorts vóór het einde der maand o) de nalatige Kantonrechters of Griffiers opgeven aan den rrocureur-Generaal bij het Hof, die daarvan in de eerste tien dagen van
«j)ur les grcllicrs de ees juges. Hoe is het toeli mogelijk, dat ile Hollanders quot;zich onder liet bestuur van zulke huiselijke wetgevers niet tehuis kondeu quot;gevoelen r*
b) Het artikel geldt voor alle akten, opgemaakt na 31 Deeember 1889.
a) Uet Arrêtc spreekt hier van twee decaden, doch bij de veranderde organisatie der rechterlijke macht is dit ondericheid vervallen.
70S
Februari verslag moet doen aan den Minister van Justitie.
Ter (rrit'fie van het Kantongerecht worden neder-gelegd door den curator gewaarmerkte afschriften van :
1°. de boedelbeschrijving;
2°. den staat, waaruit de aard en het bedrag van de baten en schulden des boedels, de namen en woonplaatsen der schuldeischers, als mede het bedrag van ieder hunner blijken.
3°. de lijst van voorloopig erkende schuldvorderingen en de afzonderlijke lijst der vorderingen die de curator betwist;
4°. de door don Rechter-Commissaris goedgekeurde uitdeelingslijst.
De nederlegging geschiedt kosteloos, en kosteloos liggen die stukken ter inzage van een ieder.
Wil de gefailleerde dat over het ontwerp-accoord op de vergadering tot verificatie der schuldvorderingen kan worden geraadpleegd en beslist, dan moet hij het ten minste 8 dagen vóór die vergadering ter kostelooze inzage van een ieder, ter Griffie van het Kantongerecht nederleggen.
In alle deze gevallen geschiedt de nederlegging ter Griffie van het Kantongerecht, binnen welks ressort zich de woonplaats, het kantoor of het verblijf van den gefailleerde bevindt, naarmate de faillietverklaring is uitgesproken door het rechterlijk collegie van do woonplaats, het kantoor of het verblijf van den gefailleerde. Indien de zetel van het Kantongerecht is gevestigd in de gemeente, waar tevens de zetel is van de Rechtbank waarbij het faillissement aanhangig is, dan geschiedt geene nederlegging ter Griffie van het Kantongerecht (art. 07, 114, 13'.* en 183 der fui 1 lissoiioi Is wel).
§ 232. Behalve de reeds vermelde werkzaamheden des Griffiers, waarin hij als penvoerder den Kantonrechter ten dienste staat en gezamenlijk met dezen werkzaam is, heeft hij nog andere werkzaamheden.
70!»
die alleen aan zijne zorg en bemoeiing zijn aanbevolen.
Do (!riflier moet afzonderlijke registers houden van verzet, hooger beroep en cassatie, waarvan degeen, welke er zich tegen de vonnissen des Kantonrechters van bedienen wil, de aanteekening verlangt. Die aanteekening moet bevatten de vermelding van de namen der partijen, de dagteekening van het vonnis en die van het verzet, het hooger beroep of de cassatie. Art. 85, 433 ]i. li.
Indien geen der deskundigen, door het Hof of de Rechtbank benoemd om een schriftelijk bericht op te maken, zich daartoe in staat bevindt, dan moet het worden opgemaakt door den Griffier van het Kantongerecht der plaats, waar de werkzaamheden zijn verricht, en alsdan door hem medegeteekend worden.
Op de plaatsen, waar geene Rechtbank gevestigd is, moet ter griffie van het Kantongerecht een afzonderlijk daartoe bestemd register worden gehouden, waarin de vennooten onder eene firma de akte van hunne vennootschap, in het kanton gevestigd, behooren te doen inschrijven. De vennooten kunnen echter volstaan met de akte slechts bij uittreksel te doen inschrijven, mits dat uittreksel in authentieken vorm vervat of door alle de vennooten onderteekend zij. De Griffier is verplicht aan ieder, die zulks verlangt, de ingeschreven akte te laten inzien en daarvan ten koste des verzoekers afschrift to geven. Van de overbrenging der akte ter griffie tot het doen der inschrijving, behoeft evenwel, volgens circulaire van den Minister van Just, van 24 Febr. 1842, âhoudende âdat er geene akh- eau dcjtól meer behoeft te worden âopgemaakt van het overbrengen van stukken ter âgriffie der regtbanken in de gevallen voorzien bij âart. 2U7 B. \\r. en art. 23, 24, 30 en 571, W. v. K.quot; (d'Enciici.iironxek 2tle serie, bl. 109), geene akte van bewaargeving te worden opgemaakt. Aan dezelfde formaliteit van inschrijving is onderworpen elke akte.
710
waarbij de firma eener ontbonden vennootschap wordt aangebonden, of eenige verandering in de oorspronkelijke overeenkomst gebraebt. De inschrijvingen moeten worden gedagteekend op den dag, op welken de akte ter griffie gebracht is. Art. 2o, 25, 27, 30, 31 K.
De leden eener coöperatieve vereeniging zijn verplicht de notarieel verleden akte van oprichting in haar geheel te doen inschrijven ter Griffie van het Kantongerecht, in welks gebied de vereeniging is gevestigd, in de daartoe bestemde openbare registers. Deze voorschriften gelden ook voor veranderingen in de voorwaarden en verlenging der vereeniging. Ieder kan die registers kosteloos inzien en daarvan te zijnen koste uittreksels bekomen. Een exemplaar van de Staatscourant of van het bijvoegsel, waarin de akte is opgenomen, wordt door den Minister van Justitie aan ieder Kantongerecht toegezonden en daar bewaard, ter kostelooze inzage voor de belanghebbenden (art. 5 der wet van 17 November 1876, Slbl. 227). De opzegging van het lidmaatschap eener zoodanige vereeniging kan geschieden, door eene aantee-kening in het register op het kantoor der vereeniging. Weigert het bestuur om daartoe mede te werken, dan wordt de verklaring afgelegd ter Griffie van het Kantongerecht, in welks gebied het kantoor is gevestigd. De Griffier maakt daarvan proces-verbaal op. Binnen 24 uur zendt de Griffier bij aangeteekenden brief afschrift van dit proces-verbaal aan het bestuur. Dat proces-verbaal en dat afschrift zijn vrij van zegel en registratierechten (art. 13 en 14 dier wet). â De rekening en verantwoording, die het bestuur der vereeniging verplicht is binnen de eerste zes maanden na afloop van het dienstjaar op eene algemeene vergadering te doen, legt het binnen ééne maand na hare goedkeuring neder ter Griffie van het Kantongerecht, in welks gebied de zetel van het Kantongerecht is gevestigd. Ieder kan daarvan kosteloos inzage en te zijnen koste afschrift bekomen. De reke-
711
ning en verantwoording, voorzien van liet bewijs der goedkeuring, is vrij van zegel en registratierecht (art. 16 dier wet, gewijzigd bij de wet van 7 Mei 1878, Stbl. 41).
De protesten van non-acceptatie en van non-betaling van wissel-, order-brieven en assignatiën worden gedaan, behalve door een Notaris of een Deurwaarder, ook door den Griffier van liet Kantongerecht, die, evenals de Notarissen en de Deurwaarders, verplicht is de door hem gedane protesten naar orde des tijds in te schrijven in een bijzonder register, door den Kantonrechter genummerd en gewaarmerkt, (vgl. § 214), en een of meer afschriften van het protest aan de belanghebbenden, die zulks begeeren mochten, te leveren. Art. 182, 183 K.
Publieke verkoopingen van meubelen en roerende goederen kunnen, behalve door Notarissen en Deurwaarders, ook door Griffiers gedaan worden, overeenkomstig de Wet van 22 Pluv. an VII (10 Febr. 1799) qui igt;rrs(:rit les fovmalilés poult;' Ie* voiles d'objetx mobiliei's, in verband met het Arröté du Directoire exécutif van 12 Fruct. an IV (29 Aug. 1796), iiorhmt defense a lout autre que les nutaires, greffiers el huissiers, dc s'imnnsecr dans les prisees, estimations el ventcs publiques de meubles et effels mobiliers te lezen bij Fortuvn 1, 292. II, 2. Deze leert ter eerstgemelde plaatse, dat, zoover hem bekend is, het genoemde Arrêté door geene latere wetten vervallen is ; en ter andere plaatse, dat de genoemde wet nog als de hoofdwet omtrent het daarin vervatte onderwerp is te beschouwen. Maar volgens eene aanschrijving van den Minister van Finant. van 9 Nov. 1838, d'Engelbronner, S1'quot; serie, bl. 490, is door Z. M., in overeenstemming met het advies van den Raad van State beslist, dat genoemd Arrèté is vervangen en ingetrokken door de genoemde wet. Hoewel nu die wet slechts in het algemeen zegt, dat do openbare verkoopingen van roerende goederen niet gedaan kunnen worden dan
712
ten overstaan van openbare Ambtenaren, die daartoe bevoegdheid hebben, (en dus niet meer door particulieren), en zij evenwel die Ambtenaren niet opnoemt, zoo is het duidelijk, dat op dit punt het gemelde Arrêté, hetwelk de Grif tiers opnoemt, nog wel degelijk van kracht is. Zoo is het dan ook begrepen bij de wet van 9 April 1877, {Sihl. Nquot;. 80), van welke het art. 12 zegt, dat aan de Griffiers dor ontbonden Kantongerechten, zoolang zij niet een andere openbare betrekking aannemen, door den Koning, onder vast te stellen voorwaarden, tot weder opzeggens toe, kunnen worden toegekend de bevoegdheden die hun tot dusverre toekwamen, krachtens art. 182 Wetboek van Koophandel en krachtens de, wet van 22 Pluv. Vilde jaar en (]e daarmede in verband staande verordeningen. Ook bij art. 81 der wet van 9 Juli 1842 (S/fc/. N0. 20), is dc wet van 22 Pluv. en al de daarmede in verband staande veror leningen verklaard in stand te blijven.
HOOFDSTUK VII!.
DK (iKI.UEI.UKK VOOiMlEEI.EX VAN DE UECHTERI.l.IK K AMÃTENAUEN IU.1 DE KANTONGERECHTEN' UN VAN DE DEURWAARDERS.
§ 233. De Kantonrechters, niet do PlaalsvervangerN, de Ambtenaren van het Openbaar Ministerie en de Griffiers, genieten eene vaste jaarlijksche bezoldiging, overeenkomstig het S'1'3 lid van art. 63 der Grondwet, door de wet geregeld.
Die bezoldiging hangt, voor zooveel den Kantonrechter en Griffier betreft, af van de klasse waartoe zij behooren. Die klassen en jaarwedden zijn vastgesteld bij art. 2 der wet van 0 April 1877, (6^/. N1. 79).
De Kantongerechten zijn nu verdeeld in drie klassen.
Tot «Ie oersle klasse behooren de Kantongerechten te: 's Hertogenbosch, Maastricht, Arnhem, Zwolle, 's Gravenhage, Leiden, Rotterdam (de 3 kantons).
718
Middelburg, Amsterdam (de 4 kantons), Haarlem, Utrecht, Leeuwarden, Groningen en Assen.
Tot de iweetic klasse behooren: Eindhoven, Breda, Bergen-op-Zoom, Tilburg, Roermond, Nijmegen, Zut-phen, Deventer, Tiel, Almelo, Delft, Schiedam, Gouda, Brielle, Dordrecht, Gorinchem, Goes, Zierikzee, Alkmaar, Hoorn, Amersfoort, llarlingen, Sneek, Ileeren-veen, Appingedam en Winschoten.
Tot de derde klasse behooren: Oss, Heusden, Waalwijk, Veghel, Boxmeer, Oirschot, Oosterhout, Zevenbergen, Heerlen, Sittard, Gulpen, Venlo, Weert, Helmond, Wageningen, Eist, Doesburg, Terborg, Groenlo, Apeldoorn, Geldermalsen, Zaltbommel, Druten, X'ianen, Kampen, Harderwijk, Ommen, Enschedé, Goor, Alphen, Schoonhoven, Sommelsdijk, Oud-Beijerland, Ridderkerk, Sliedrecht, Oostburg, Ter Neuzen, Hulst, Tholen, Hilversum, Schagen, Helder, Medemblik, Zaandam, Purmerend, Haarlemmermeer, BreukelenâNijenrode, Wij k-bij-Duurstede, Woerden, Berlikum, Dokkum, Bergum, Bolsward, Beetsterzwaag, Lemmer, Steenwijk, Zuidhorn, Onder-dendam. Zuidbroek, Hoogeveen, Meppel en Emmen.
De jaarwedde der Kantonrechters is:
voor die van de lste klasse /' 3000;
voor die van de 2de klasse /2500;
voor die van de 3de klasse /'2200;
De jaarwedde der (irifiiers is:
voor die van de lste klasse / 900;
voor die van de 2,llt;gt; eu S'1'' klasse /' SOO.
De Kantonrechters-Plaatsvervangers genieten geene bezoldiging.
De jaarwedde van de Ambtenaren van het Openbaar Ministerie bedraagt /1200: na driejarigen dienst wordt zij gebracht op /1600; na zesjarigen op/'2000.
§ 2S4. Bij K. Pgt;. van li) Juni 1851, Nquot;. 66, houdende bepalingen nopens de toegekende kleine onkosten aan de Provinciale Gerechtshoven, Arrond. Pech tb. en Kantongerechten, d'Engkuvroxxek 6l11' serie, bi.
714
55, wordt met intrekking van het K. B. van 17 Febr. 1841, N0. 25, een staat gevoegd, houdende opgave van de som die aai) de Kantongerechten voor dage-lijksche kleine onkosten zouden worden uitgekeerd. Bij art. 2 van dat besluit wordt gezegd, dat onder de benaming van dagelijksche kleine onkosten zijn begrepen, de uitgaven voor schrijfbehoeften, druk-loonen, registers, bindloonen, dagbladen en andere kosten van dien aard; voorts de kosten van vuur en licht, het schoonmaken der lokalen, mitsgaders de bezoldiging der bedienden.
Dat besluit is nog van kracht, maar de staat is gewijzigd bij K. B. van 16 Augustus 1877, N0. 31 a), en dr.arbij alsnu hot bedrag der kleine onkosten voor de Kantongerechten bepaald als volgt: voor die der l8tc klasse /151); voor die der 2lt;,e klasse /quot;100 en voor die der 3de klasse / 75.
Aan de Ambtenaren van het O. M. wordt bij dien staat ter bestrijding van dagelijksche kleine onkosten een som van Æ 200 te goed gedaan. Die bepaling is echter gewijzigd bij K. B. van 3 April 1878, Nn. 11, en wel voor de Ambtenaren te Amsterdam, 's Graven-hage, Rotterdam. Sintsdien werd hij voor de verschillende Kantongerechten gewijzigd; het gewone bedrag is /quot; 350. Als men gelieft na te gaan wat de Kantonrechters al moeten betalen uit die zoogenaamde kleine onkosten, dan zal het zeker niemand verbazen, dat er in den regel op wordt te kort gekomen, en zelfa het verhoogd bedrag voor sommigen zelfs niet dekt de mcrfil uoodhjc uitfjavcn.
§ 235 h). Art. 36 der wet op de Rechterlijke Organisatie en het beleid der Justitie, zooals het is gewijzigd bij de wet van 9 April 1877 (Slbl. Nc. 73),
a) Dit besluit, en dat van 19 Juni 1851 zijn vreemd genoeg niet in liet Bijvoegsel tot het Staatsblad opgenomen.
li) J)eze § neem ik woordelijk over uit de derde uitgave. Toevoegingen doe ik in Aanmerkingen a, h, c, enz.
715
-
ââ
ââ
verbiedt den Kantonrechters en hun Plaatsvervangers, voor buitengerechtelijke verrichtingen, vacatie- of andere loonen in rekening te brengen, en verklaart alle met dat verbod strijdige verordeningen te zijn ingetrokken.
Alleen mogen zij reis- en verblijfkosten in rekening brengen op de wijze als wij in de volgende § zullen aanwijzen.
Reeds hiervoor, op bl. 37, heb ik er aan herinnerd, dat bij de wetten van 1877 de vacatieloonen voor de Kantonrechters en hunne Plaatsvervangers werden afgeschaft en mijn gedachten gezegd over die verandering, vooral ten opzichte der Plaatsvervangers.
Van het daar gezegde neem ik niets terug. Ik blijf die verandering verkeerd achten. Al heb ik persoonlijk voor de welwillendheid mijner Plaatsvervangers niets dan lof, toch blijft het een waarheid, dat in kantons waar veel werk is, en ik geloof dat het kanton 's Gra-venhage onder die kantons mag gerekend worden te behooren, het verbod voor de Plaatsvervangers om zich eenige belooning toe te kennen, voor hen zeer onbillijk, en voor den met werk overladen Kantonrechter, zeer bezwarend is. Dat deze éénmaal in het jaar zich een paar weken ontspant, is toch inderdaad niet te veel gevergd, maar het is wel te veel gevergd van zijn Plaatsvervangers, dat dezen, geheel belangeloos, zijn gansche werk zullen op zich nemen en eene verantwoording op zich laden, die inderdaad niet gering is.
Bleef het nog bij den dienst in hel gebouw van het Kantongerecht, het zou reeds genoeg zijn om bezwaar te maken een ander, zonder eenige vergoeding, daarmede te belasten. Maar daarbij blijft het niet en kan het niet blijven. De Kantonrechter wordt ook hmten dal ychouw geroepen zijne betrekking uit te oefenen. Ik deuk niet alléén aan ver- en ontzegelingen, maar óók en wel voornamelijk aan het assisteeren bij scheidingen, publieke verkoopingen, of aan het afnemen
71(5
van successie-eeden aan huis. welke laatste sedert ile successie belasting in de rechte lijn, zorgwekkend zijn toegenomen.
Nu zegge men niet. de Kantonrechter is niet iw-plicht aan huis te gaan ; er zijn gevallen waarin, personen waarvoor, men wel onderscheid moei maken. Nu laat ik nog geheel buiten rekening, die goed lt;jc-drrsscerdc zenuwen (en die heel wat te kommandeeren hebben), die zich onmiddellijk doen gelden, zoodra er sprake is van âaan het Kantongerecht te moeten komenquot;: maar ik wijs op zieken, op zwakken, herstellende kranken, op hoogbejaarde personen, die niet kunnen komen en toch moeten geholpen worden. Maar veel grooter is het getal van hen die niet willen komen, en die als een recht meenen te kunnen doen gelden, dat de Rechter of zijn Plaatsvervanger zich ten hunnent vervoegt. Dat is immers altijd zóó geweest, dut is het aangename, praktische, eigenaardige der betrekking, voor het publiek gemakkelijk en niet bezwarend, voor de Ambtenaren niet onbillijk. Ja dat tüci» zoo, maar nous avons change loul cola; men is dat eigenaardige niet indachtig geweest, toen men, óók voor de Plaatsvervangers, de emolumenten afschafte, en ... , men heeft verkeerd gedaan.
Zelfs wanneer de Plaatsvervangers bij onlslentcnis van den Kantonrechter, meer dan zeven maanden, diens functies waarnemen, wordt hun verzoek, om hen, ten minste het door die vacature vrijvallende gedeelte van het tractement des Kantonrechters uit te keeren, afgewezen, op de volkomen juiste overweging, dat het in strijd zou zijn met de wet, om den Kantonrechter-Plaatsvervangers ten gevolge van vacature vrijvallende jaarwedde uit te keeren, daar zij geen jaarwedde genieten. Zie W. 4417.
In den tegenwoordigen stand van zaken, bij de toenemende werkzaamheden, óók door de wet van 9 Juni 1878 {Slbl. N0. 95) in het leven geroepen, zal men te eeniger tijd op art. Sti R. Ã. dienen terug
717
te komen, en geoorloofd tevens schijnt mij de vraag, of niet de Regeering thans meer nog dan vóór do wetten van 1877, er ernstig op bedacht moet zijn te zorgen, dat de gebouwen voor de Kantongerechten zijn, daarvoor geschikte lokalen, ook voor een fulsocnlijk publiek niet alléén toegankelijk, maar ook toegangbaar en niet als in Amsterdam, onder de hanebalken verscholen «), of als in de Koninklijke Residentie, in een oud, onbewoond, onbewaakt langs donkere kippetrappen te beklimmen bijgebouw, tot tijd en wijle men weer een ander hulplokaal zal gelieven aan te wijzen.
§ 23ij. Vergoeding voor reis- en verblijfkosten ter zake van dienstverrichtingen of verandering van woonplaats I') in 's Rijks belang, wordt verleend naar de regelen van het K. 13. van 5 Januari 1884 {Slbl. 4.)
Reeds dadelijk wensch ik er op ts wijzen dat uit den aard der zaak de bepalingen van dit Besluit slechts hoogst zelden van toepassing zullen zijn op de Kantonrechters en hunne Griffiers, in den regel toch zullen hunne bemoeiingen betreffen burgerlijke of strafzaken, en dan zullen zij reis- en verblijfkosten ontvangen volgens do voor die zaken vastgestelde tarieven.
De reizen moeten in den regel gedaan worden met openbare middelen van vervoer en langs do kortste route, tenzij bij do lastgeving tot reizen een ander voorschrift is gegeven. Ook kunnen afwijkingen van dezen regel na het volbrengen iler reis door het hoofd van het betrokken departement van algemeen bestuur of van een door dezen aan te wijzen ambtenaar of Officier worden goedgekeurd. Wanneer de aard en do
a) Siutsdieu werden de Kantongorechtcii te Amsterdam alleszins voldoende geli nis vest.
b) Voor verandering van woonplaats op eigen verroek wordt geene vergoeding verleend (art. 1, 2e alinea); evenmin wanneer de reis naar de nienwe woonplaats niet langer dan ü uren heeft geduurd (art. 13. b).
718
duur der reis dit toelaten, moeten retourbiljetteu worden genomen. (Art. 8.)
De Ambtenaren worden voor de toepassing van dit K. B. verdeeld in vijf klassen; in de derde klasse komen voor de Kantonrechters, de Griffiers en de ambtenaren van het Openbaar Ministerie bij de Kantongerechten. (Art. 2.)
De ambtenaren der derde klasse mogen, wanneer zij reizen met een openbaar middel van vervoer, gebruik maken van de eerste klasse. Zij mogen voor reiskosten in rekening brengen de werkelijk uitgegeven vracht, zoomede hetgeen daarboven betaald is voor het vervoer van reisbenoodigdhedeu, voor veer-, tol-en bruggelden en voor het vervoer van voorwerpen, ingevolge algemeenen of bijzonderen last medegenomen. (Art. 9 en 10).
Reizen naar eene stad of plaats (onderdeelen van gemeenten daaronder begrepen), op geen verderen afstand dan van öl/3 K.M. buiten de woonplaats, geven geen aanspraak op vergoeding wegens reiskosten, behalve wanneer op denzelfden dag twee of meer dergelijke plaatsen zijn bezocht, en de werkelijk afgelegde afstand met inbegrip der terugreis of reizen, meer dan 11 K.M. bedraagt. Veer- en overvaartgelden worden terugbetaald, voor zooverre het hoofd van het betrokken departement daartoe termen vindt. Wegens vervoer binnen de bebouwde kom eener Gemeente worden geene reiskosten vergoed. (Art. 11).
De Ambtenaren der derde klasse genieten per etmaal voor verblijfkosten a) een bedrag van f 6,â in het binnenland, van f 8,â in het buitenland b). Zij worden voer elke reis afzonderlijk berekend, over
d) Vergoeding voor verblijfkoateu wordt slechts voor 2/3 verleend wanneer het verblijf buiten de woonplaats 30 dagen op dezelfde plaats heeft geduurd (art. 14).
b) De hoogere vergoeding wegens verblijfkosten buitenslands wordt niet berekend, wanneer tot uitvoering van eenige dienstverrichting binnenslands de grenzen van het Rijk worden overschreden (art. 12, 3e lid).
719
het tijdvak aanvangende met het uur van vertrek en eindigende met het uur waarop de reis eindigt. Gedeelten van etmalen, 12 uren of meer bedragende, worden voor een geheel â kleinere voor een half etmaal gerekend. Wanneer de belanghebbende niet verplicht is geweest langer dan 6 uren van zijne woonplaats afwezig te blijven of in eene bezoldigde betrekking reeds geacht moet worden te bestemder plaatse aanwezig te zijn, worden geene verblijfkosten gegeven. (Art. 12 en 13).
De declaration a) wegens reis- en verblijfkosten vermelden:
«. dag en uur waarop iedere reis is aangevangen en geëindigd h);
b. de gevolgde route, met duidelijke aanwijzing van de verschillende middelen van vervoer waarvan gebruik is gemaakt;
c. de betrekking waarin gereisd is, en de klasse van het tarief waarnaar wordt gedeclareerd;
d. de verklaring dat de reis is geschied voor 's Rijks dienst en dat de declarant zich op de dagen van het verblijf werkelijk op de aangegeven plaats of plaatsen heeft opgehouden en heeft moeten ophouden;
e. de verklaring, dat wegens reiskosten, de vracht van goederen en andere bijkomende kosten hieronder begrepen, niet meer in rekening is gebracht dan hetgeen door den declarant is uitgegeven:
f. de verwijzing naar de Wet, het K. B., de instructie, de doorloopende machtiging of bijzondere lastgeving krachtens welke gereisd is.
Bij de declaration worden overgelegd de lastgevingen, waar die bestaan, zoomede de (juitantiën wegens in rekening gebrachte kosten van bijzondere vervoermiddelen.
Overeenkomstig dit Besluit ontvangen de ambte-
a) Een model voor deze declaration is achter het K. Ji. opgenomen.
b) Wanneer het een verblijf op dezelfde plaats buiten de woonplaats geldt, wordt bovendien begin en einde van dat verblijf vermeld.
720
naren van het O. M. vergoeding van reis- en verblijfkosten a) voor het houden van zitdagen b) en het bijwonen van terechtzittingen in de Kantons waar zij niet gevestigd zijn (art. 36, 3e lid II. O.)
De bepalingen van dit K. B. zijn zooals ik reeds zeide, niet van toepassing wanneer de Kantonrechter zich tot hot doen van verrichtingen waarvoor hij vroeger vacatieloon mocht berekenen c) buiten zijne woonplaats, anders dan naar de hoofdplaats van zijn Kanton begeeft. Dan geldt art. 2 van het tarief van Justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken. (Wet van 28 Augustus 1843, stbl. 37).
Volgens dat art. kan hij aan de belanghebbenden in rekening brengen /' 1,50 voor iedere 5 mijlen afstand, tusschen de hoofdplaats van het Kanton en de plaats waar de verrichting moet geschieden, of, indien deze nader bij de woonplaats van den Kantonrechter is gelegen, alsdan voor den afstand van dezelve, zonder in eenig geval voor de terugreize te kunnen rekenen, liet gedeelte van ö mijlen wordt, wanneer hetzelve minder dan de helft bedraagt, niet berekend, doch die afstand te boven gaande, geldt hetzelve voor volle 5 mijlen. De noodzakelijke transportkosten worden door den Kantonrechter gespecificeerd en des-gevorderd door quitantiön bewezen, in rekening gebracht.
Voor de Grithors gelden voor die verrichtingen wat betreft de reiskosten, dezelfde voorschriften als voor de Kantonrechters: waar de Kantonrechters echter f 1,50 mogen in rekening brengen, kunnen de Griffiers slechts f 1.â vorderen, (art. 9, tarief).
n) Een inod'-l voor de declaratie der Ambtenaren van het O. M. is vastjesteid bij eeue circuirire van den M. v. J. van 28 Januari 1884. circulaire ia opgenomeu 'li het nijroeysrl tot hel Staatsblad.
Mij is niet botend dat dergelijke zitdagen ooit worden gehouden; ik althans deed het nimmer.
c) Deze verrichtingen eijn te \ iaden in art. 1 der Wet van 28 Augustus 1843 (Sthl 37).
721
Art. 10 en 12 a) van het tarief bepalen hetzelfde voor den Griffier, wanneer hij zich tot het doen van nazoeking van stukken of voor wisselprotesten, buiten de hoofdplaats van het Kanton moet begeven.
De bepalingen van het K. B. van 5 Jan. 1SS4 (.S^'Z. 4) gelden evenmin voor strafzaken. Dan zijn van toepassing artt. 43, 44 en 45 van de tarieven van gerechtskosten in strafzaken b), vastgesteld bij de Wet van 18 April 1874 ISthl. 66). Die artikelen bepalen dat, wanneer Rechterlijke Ambtenaren, en beëedigde klerken ter (rriffie, zich buiten hunne woonplaats moeten begeven tot plaatselijk onderzoek, of andere bij de wet bevolen verrichtingen, door hen in rekening worden gebracht de uitgegeven vrachtpenningen naaide eerste klasse van het tarief van het gebezigde openbaar vervoermiddel en dat, indien de gelegenheid ontbreekt om van een openbaar vervoermiddel gebruik te maken, of dit uit anderen hoofde niet mogelijk, of in het belang der zaak niet wenschelijk is, de uitgegeven prijs van een afzonderlijk rijtuig inrekening wordt gebracht. Indien de plaats niet anders dan door buitengewone middelen van vervoer te water te bereiken is, wordt de betaalde huurprijs voor een afzonderlijk vaartuig berekend; terwijl veer-, brug- en tolgelden insgelijks worden teruggegeven. Daarenboven wordt wegens verblijfkosten voor iederen dag genoten, door alle rechterlijke Ambtenaren f6: door de be-eedigde klerken ter Griffie f 4. Die op denzelfden dag heen- en terugreist en dus niet buiten zijne woonplaats overnacht, geniet slechts de helft der verblijfkosten. Die een of meer nachten buiten zijne woonplaats heeft
o) Art. 12 bepaalt noj;, (.lat, indien het protest op onderscheidene in dezelfde richting gelegen plaatsen moet geschieden, alleen de afstand van de verst gelegene in aanmerking komt, en dat voor reis- en transportkosten van ieder der getuigen de helft van die van den Griflier wordt berekend.
h) Van toepassing van dit tarief zal uisluitend sprake kunnen ziju, wanneer de Kantonrechter als hulpofficier of met den Uriffier, ingevolge opdracht van den K. C'. werkzaam is.
722
vertoefd, erlangt insgelijks voor den dag der terugkomst de helft der verblijfkosten.
Reizen, op geen verderen afstand dan van vijf kilometers buiten de woonplaats, geven geen aanspraak op vergoeding voor reiskosten, of voor kosten van vervoermiddelen, bedoeld in het lsto en 2l'e lid van art. 43, en evenmin op vergoeding voor verblijfkosten, in geval de reis op een en denzelfden dag heen en weder wordt afgelegd. Op deze bepaling echter kunnen uitzonderingen worden toegelaten door den Minister van Justitie. Door dienzelfden Minister wordt ook beoordeeld, of in de gevallen, bedoeld in het 2tlt' en 3''° lid van art. 43, noodzakelijkheid bestaat, of bestaan heeft, om van een afzonderlijk vervoermiddel gebruik te maken.
§ 237. Bij art. 5 der reeds meermalen aangehaalde wet van 9 April 1877, (Sthl. N0. 73) is bepaald, dat de belooningen van de Griffiers blijven, gelijk zij bij het in werking treden dier wet zijn geregeld, totdat daarin nader is voorzien. In afwachting van dat ânader voorzienquot; gelden dus nog altijd de bepalingen van art. 5â12 der wet van 28 Augustus 1848 (Slbl. Nu. 37) en die der wet van 18 April 1874 [Sthl. X '. G8). Men heeft er nu wel niet op gelet, dat art. 7 der wet van 1843 het vacatie-loon van den Griffier bepaalt op drie vijfde van het vacatie-loon des Kanlonrechlcrs in de gevallen waarin den Kantonrechter het berekenen van vacatie-loon is toegalaan, zoodat, nu de Kantonrechters geen vacatie-loon meer berekenen mogen, de Griffiers dus, voor de meeste buitengerechtelijke handelingen, naar de niet dubbelzinnige, zeer duidelijke letter der wet, geen vacaties mogen in rekening brengen; maar men moet, waar partieele herziening bij ons plaats grijpt, niet alleen vragen, hoe do wetgever in de wet spreekt, maar ook en meer nog, wat hij bedoeld heeft, in verband met andere afgeschafte of herziene artikelen derzelfde wet a).
a) Vgl. Mr. W. Win tg ens, Redevoeringen iu de Tweede Kamer der Staten-Geueraal, 1S73â1875. Gravenhage 1875, bl. 12! en vlg.
723
En volgens die methode moet men dan ook nu nog de werkzaamheden der Griffiers, voor zooveel betreft hunne belooningen, onderscheiden in die, welke zij in rechtsgedingen, en in die, welke zij in buitengerechtelijke handelingen verrichten, en zich daarbij aan de oude tarieven houden.
In rechtsgedingen dan is aan den Griffier geene belooning verschuldigd, indien de vordering / 25 of minder bedraagt. Maar gaat zij die som te boven, mitsgaders in geval het geldt de ontbinding van huur, de ontruiming van gehuurde panden en de vrijwillige rechtsgedingen, bij art. 41â43 R. O. vermeld en waarvan wij in § 102, § 103 en j 107 gesproken hebben, dan zijn aan den Griffier de volgende belooningen (waaronder echter geen rolrecht) verschuldigd.
1. Voor de aanteekening op het audiëntieblad van het in eene zaak op iedere terechtzitting verhandelde, /' Ã.25, en indien meer dan éi'-n partij in één geding, hetzij als eischer, of als verweerder voorkomt, /'0.25 daarenboven voor iedere partij, terwijl personen, welke een gelijk belang bij eene zaak hebben, slechts als één partij worden aangemerkt. Deze rechten moeten door hem, die de zaak aangebracht, of het geding vervolgd heeft, voldaan worden, terwijl door hem, die geene schriftelijke conclusie hoeft overgelegd, nog bovendien aan den Griffier, voor de daarvan te houden aanteekening, moet betaald worden f 0.50.
2. Wegens recht van redactie; â van een interlocutoir of praeparatoir vonnis, waaronder niet begrepen zijn eenvoudige uitstellen ter terechtzitting of het enkel verleenen van verstek, / 0.50, â van een eindvonnis, waaronder ook een vonnis op provisioneele eischen, /' 1. â van een proces-verbaal van getuigenverhoor, voor één getuige / 0.50, voor eiken getuige daarenboven / 0.25. â van een proces-verbaal van verhoor op vraagpunten f 1. â liet recht van redactie wordt voldaan door de partij, welke do zaak vervolgt of te
724
wier verzoeke de verrichting heeft plaats gehad. Art. 5 Tarief. Het kwam Van der Kemp uiterst vreemd voor, dat de Griffier verplicht wordt om in dezelfde zaak voor de verschillende verrichtingen, hier onder X0. 1 en 2 vermeld, do verschillende partijen tor bekoming zijner rechten aan te spreken. Waarom niet liever bepaald, dat de rechten zouden moeten voldaan worden door de partij, welke die stukken zou opvorderen, behoudens haar verhaal naar gelang der veroordeeling in de kosten, en dat, indien de stukken niet gelicht werden, de Griffier slechts die partij zou mogen aanspreken, welke in de proceskosten veroordeeld is? In de praktijk is het zóó, en dat is wel zoo eenvoudig, dat ieder die eene zaak aanbrengt of daarvoor deponeert, na afloop, al de kosten betaalt, zoodat de Griffier er nooit een cent aan te kort komt.
Van eedsafleggingen eu andere verrichtingen die geen gevolg zijn van eenig rechtsgeding, geschiedt, wanneer zij ter terechtzitting plaats hebben, en wanneer daarvan geene afzonderlijke akte of jiroces-verbaal wordt opgemaakt, aanteekening op het audiëntieblad. Voor die aanteekening betaalt de belanghebbende /'0.20. Indien eene afzonderlijke akte wordt opgemaakt, heeft er geen aanteekening plaats op het audiëntieblad. Art. 6 Tarief. â In do gevallen, waarin aan den Kantonrechter het berekenen van vacatie-loon vroeger werd toegestaan, en waarbij de tegenwoordigheid van den Griffier vereischt wordt, mag deze voor de minuut van de akte, of van het proces-verbaal, berekenen drie vijfde van het vacatie-loon dat vroeger bij de wret aan den Kantonrechter werd toegestaan, terwijl hij voor de minuut van elke andere akte of ieder proces-verbaal, welke ten overstaan van den Kantonrechter in tegenwoordigheid van den Griffier, of door laatstgenoemden alleen worden opgemaakt, ingeschreven of overgeschreven, berekenen mag / 1, met bepaling dat, indien zij meer dan 1.200 lettergrepen bevatten, voor elke 300 lettergrepen
725
daarboven, verschuldigd is /' 0.25. Art. 7, 8. Evenwel mag volgens circulaire van den Minister van Justitie van 24 Febr. 184), âhoudende inlichting nopens het ârekenen van salaris door de Griffiers bij Kantongerechten en Arrondissements-Ilechtbanken voor de âminuten en afschriften van de processen-verbaal âvan eedsafleggingen, betrekkelijk het recht van âsuccessiequot; (d'Engklkrosnek 4'ie serie, bi. 3G3), de Griffier geene belooning rekenen, zoo voor de minuten van de processen-verbaal der eedsafleggingen betrekkelijk het recht van successie, als voor de afschriften, die daarvan worden afgegeven. \V. 498. Doch de juistheid dezer aanschrijving, meende Van der Kemp, dat twijfelachtig was. W, 499. â Bij de hierboven aangehaalde wet van 18 April 1874 (Slbl. GS) is bepaald, dat ter zake der werkzaamheden door de Griffiers krachtens art. 1 dier wet verricht, zij geen andere helooninyen ten latle der helarifjhebbenden mogen berekenen dan voor elke eindbeschikking, gegeven na verhoor van ouders, voogden, verwanten of medebelanghebbenden, en na waardeering door deskundigen /'2.40; voor elke eindbeschikking, gegeven na verhoor van ouders, voogden, verwanten of medebelanghebbenden, / 1.50; voor elke eindbeschikking, gegeven zonder voorafgaand verhoor, / 0.90; voor schrijfloon van alle stukken, door den Griffier ten verzoeke van belanghebbenden uitgereikt, voor elke bladzijde gewoon papier, houdende 25 regels, elk van 12 lettergrepen of gedeelten daarvan, f 0.20.
Voor het nazoeken in het archief van stukken, waarvan geen grossen of afschriften worden aangevraagd, mag hij, indien de stukken in het loopende jaar verleden zijn, geene belooning vorderen, maar anders mag hij berekenen /0.30 voor het aangewezen jaar, en zoo er geen of meer dan één jaar is aangewezen, / 0.30 voor het eerste, en / 0.15 voor ieder ander jaar, waarin de nazoeking plaats heeft. Art. 10.
Als schrijfloon van alle stukken, welke door hem
726
worden uitgegeven, uitgezonderd wanneer er vacatie-loon is voorgeschreven, daar nimmer gelijktijdig vacatie-loon cn redactierecht of schrijfloon voor een en dezelfde akte mag gevorderd worden, W. 406, mag hij in rekening brengen, voor elke bladzijde gewoon papier, houdende 25 regels, elk van 12 lettergrepen of gedeelten daarvan /quot;0.20. Art. 11. â Eindelijk is aan don Griffier verschuldigd voor protesten van non-acceptatie, of niet-betaling van wissels, orderbiljetten en dergelijke, (copie en overschrijving op het register daaronder begrepen), / 3, voor akten van interventie aan den voet der protesten f 0.75, voor iederen getuige bij een protest /'0.25. Art. 12. â Indien de Griffier wordt opgeroepen, om stukken, die onder zijne berusting of bewaring zijn, voor den Rechter over te brengen, dan wordt hem voor iedere vacatie (zeker van drie uur of minder) toegelegd Æ 3. Art. 64 Tarief. Voor de den Griffier in verschillende gevallen toekomende reiskosten zie § 236: daar eveneens de reiskosten van de getuigen bij wisselprotest.
De Griffier is verplicht om, in dorso van al de door hem afgegeven stukken, het bedrag der daarvoor aan hem verschuldigde rechten of belooning, mitsgaders de zegel- en registratierechten, afzonderlijk aan te teekenen, op strafte eener boete van ten hoogste / 20 voor ieder stuk, dat zonder zoodanige aanteekening is afgegeven, om het even of hij die gelden al of niet heeft ingevorderd of voornemens is in te vorderen. Ook bij de invordering van rechten, belooningen, zegel- en registratierechten ter zake van werkzaamheden, welke geen afgifte van stukken ten gevolge hebben, moet hij op gelijke boete het bedrag van het verschuldigde afzonderlijk omschrijven. Art. 13. Vgl. bov. § 22.
Ook in strafzaken komen aan de Griffiers eenige belooningen toe.
Men vindt die aangewezen bij de Wet van 18 April 1874 {Sthl. Nn. 66) tot vaststelling der tarieven
van gerechtskosten in strafzaken, waarvan de gewone Rechter kennis neemt a).
Bij die wet zijn ingetrokken de Keizerlijke Decreten van 18 Juni 1811 en 7 April 1813: de Koninklijke Besluiten van 8 Juni 1829 N0. 44), 7 Febr.
1860 {Stil X0. 9), 5 Mei 1800 {SUL Nquot;. 18), de besluiten 1 en 16 Nivóse an V en al de te dien tijde bestaande tarieven van kosten in strafzaken, waarvan de gewone Rechter kennis neemt.
Art. 79 der wet van 1874 bepaalt, dat alle stukken die krachtens die wet en den volgens art. 78 bedoelden algemeenen maatregel van bestuur, worden opgemaakt en afgegeven, zijn vrij van zegel en registratie.
Hoofdstuk VI handelt over de belooningen der Griffiers. In de Artikelen 30 tot en met 33 wordt daarbij bepaald, dat de Griffiers voor extracten, grossen of afschriften, gevorderd door het Openbaar Ministerie, den Minister van Justitie of door de partijen die de afgifte verzoeken te bunnen koste, de volgende belooningen berekenen:
u. voor ieder extract uit vonnissen, arresten, registers of andere stukken, een vast recht van / 0.25:
b. als schrijtioon voor grossen of afschriften, voor
d) Bij art. 7S dier wet is bepaald, dat omtrent verseheiden bij dat artikel genoemde aangelegenheden, bij algemeenen maatregel van bestuur, voorschriften zullen worden gegeven.
Dat geschiedde bij K. B. van 18 Dee. 1874 (Sfbl. No. 212), waarvan de 3de Afdeeling, in de artikelen 10âló, handelt ran de aft/iffe van extracten, afschriften cn jrossen en ran de afgifte en verzending van minuten en processtnlcken; de 5de Afdeeling, in art. 17, ran het aan getuigen te r er strekken voorschot roor reis- en verblijf kosten; de 6e Afdeeling, in art. IS, ran de porten van brieven en pakketten; de 9e Afdeeling, in de artikelen 22â4Ã. ran de bewijsstukken, de opmaking, indiening en verzending der declaraticn en de daarop te stellen verklaringen ; de 11de Afdeeling, in de artikelen 51 en 52, van de verzending van stukken tot invordering van hetgeen op de veroordeelden moet worden verhaald.
De wet van 18 April 1871 en het K. B. van 18 Dcc. 1874 zijn, krachtens het K. B. van 22 Juni 1875 {Stbl. No. 123), in werking getreden op den Isten Januari 3 876, en de wet, is gewijzigd bij die van 28 Juni 1870, {Sthl. No. 141), 28 Augustus 188') (Sthl. 131 i en 15 April 1896 (-S7A/. 70\
728
iedere bladzijde, houdende 25 regels, iedere regel van. 12 tot 14 lettergrepen, /'0.10.
De eerste bladzijde wordt voor eene geheele gerekend, al is ook de uitgebreidheid van het stuk minder. Indien het stuk, behalve de volgeschreven, ook nog eene slechts gedeeltelijk beschreven bladzijde beslaat, wordt niels gerekend voor de helft of kleiner se-
O O
deelte van eene bladzijde; grooter gedeelte dan de helft worden voor eene geheele bladzijde gerekend.
Bij uitzondering op het bepaalde bij letter a, wordt de belooning voor het bij art. 83 van het Reglement (vastgesteld bij 1\. B. van 14 Sept. 1838 [Sthl. N0. 3G) bedoeld extract uit vonnissen of arresten berekend per bladzijde, naar den maatstaf voor afschriften vastgesteld.
Dat art. 83 luidt: âExtracten van alle vonnissen in strafzaken, vergezeld van eene staatswijze opgave van de zaken, waarin die gewezen zijn volgens daarvan op te maken model, worden, wat de Kantongerechten aangaat, door de Ambtenaren van het Openbaar Ministerie bij dezelve gezonden aan den Officier bij de Arrondis-sements-Rechtbank, waaronder zij behooren,quot; enz. enz.
Geene kosten worden in rekening gebracht voor den inventaris bij de processtukken te voegen, evenmin voor het geven van inzage van ter Griffie nederge-legde stukken of van de in de openbare registers ingeschreven acten, noch voor het doen van nazoekingen of het geven van inlichtingen, het opmaken van staten, het vervaardigen van minuten en andere verrichtingen van dergelijken aard. De gronden en motieven van de genomen conclusiën en requisitoiren worden niet in de extracten, 'grossen of afschriften overgenomen.
§ 238. Bij weigering of verzuim der voldoening van de den Kantonrechter toekomende reiskosten of van de aan den Griffier verschuldigde rechten, belooningen, zegel- en registratierechten, moet op de volgende wijze geprocedeerd worden. Art. 14 Tarief.
729
Het bedrag van het verschuldigde wordt aan den voet van een door den Kantonrechter of Griffier ingeleverde rekening, begroot door den Voorzitter der Rechtbank van het arrondissement, waartoe het Kantongerecht behoort, of door een daartoe door hem benoemd fad, en daaronder door dezen gesteld een bevelschrift van tenuitvoerlegging, die op de minuut geschieden kan. De Kantonrechter of(gt;riffier kan de herziening der begrooting aan de Rechtbank vragen bij een verzoekschrift, waarop niet mag worden beschikt, dan nadat de belanghebbenden voor twee Commissarissen, uit de Rechtbank daartoe benoemd, zijn opgeroepen, ten einde in hunne belangen te worden gehoord. Ook hij, ten wiens laste het bevelschrift is afgegeven, kan daartegen verzet doen, welk verzet gebracht moet worden voor het College, welks voorzitter, of benoemd Lid, het bevelschrift heeft afgegeven, waar het als een gewone burgerlijke zaak afgedaan wordt De uitspraak op het verzet, en de beschikking op een verzoek om herziening, zijn niet vatbaar voor verzet, hooger beroep, of voorziening in cassatie. De schuldenaar wordt tot de betaling genoodzaakt, hetzij krachtens het bevelschrift van tenuitvoerlegging, van den Voorzitter of van don benoemden Rechter, hetzij krachtens de beschikking, door de Rechtbank op een verzoek tot herziening, of tengevolge van oen verzet genomen. De begrootingen van den Rechter zijn niet aan rechten van registratie of griffie onderworpen. Art. 15âIS.
§ 239. De gelden, aan de Deurwaarders bij de Kantongerechten verschuldigd, vindt men bepaald in tit. 5 Tarief. Voor het doen van 'icdcy «) exploit, van welken aard ook, en betrekking hebbende tot een geding voor den Kantonrechter, is den Deurwaarder verschuldigd /'0.50, indien het gesteld aan hem is ter hand gesteld, maar het dubbel mag hij
a) Zie over dat ieder, on doze gansche aangelegenheid, hot roods op bl. 374 aangehaalde' work van don Hoer FkaSSE, bl. 133â144.
730
rekenen, zoo hij zelf niet het opmaken van het exploit is belast geweest: daarenboven geniet hij voor schrijfloon, zoowel van het origineel, als van elk afschrift, voor elke 300 lettergrepen /'0.10. Art. 53. â Indien het exploit aan het parket van het O. M. of eenige andere Autoriteit of College wordt gedaan, of eenige akte aldaar moet worden beteekend, en op het origineel een visa wordt vereischt, of wel, indien dat, of eenige andere stukken worden aangeplakt, of in een dagblad aangekondigd, rekent de Deurwaarder, boven het bovengemelde salaris, voor ieder dier bemoeienissen /quot; 0.30, ten aanzien van ieder stuk waaromtrent een der hier bedoelde werkzaamheden heeft plaats gehad. Art. 54. â Voor afschriften van alle stukken, welke bij do ouderscheiden exploiten worden overgegeven, voor zoover die door den Deurwaarder zijn gemaakt en geteekend geworden, is hem verschuldigd voor elke 300 lettergrepen / 0.15. Art. 55. â De Deurwaarder, die zich tot het doen van eenige verrichting buiten zijne woonplaats begeeft, berekent, boven de aan hem voor die verrichting toegekende belooning, / 1 voor iedere vijf mijlen afstand tusschen zijne woonplaats en de plaats waar zij geschiedt, zonder voor tie terugreis te kunnen rekenen. Het gedeelte van vijf mijlen wordt of geheel niet, of voor volle mijlen berekend, naar gelang het al of niet minder dan de helft bedraagt. Indien eenige verrichting in dezelfde zaak op onderscheiden in dezelfde richting gelegen plaatsen geschiedt, wordt alléén de afstand naar de verst gelegen plaats in aanmerking genomen. Art. 56. â De Deurwaarder, ter rolle dienst doende, berekent voor de oproeping van iedere zaak, waarin de vordering meer dan f 25 bedraagt, mitsgaders in die over ontbinding van huur of ontruiming van het gehuurde, of bij vrijwillige verschijning der partijen, bij art. 41â43 R. O. behandeld, f 0.20, welke moeten worden voldaan door de partij, die de zaak heeft vervolgd. Hetzelfde mag hij, bij verschijning voor
731
den Kantonrechter, vorderen van de partij, te wier verzoeke de comparitie wordt gehouden. Indien zij ambtshalve plaats heeft, moet de belooning door do belanghebbenden, ieder voor een gelijk aandeel, gedaan worden. Art. 59.
Hoofdstuk VII van de Tarieven van gerechtskosten in strafzaken handelt van de salarissen der Deurwaarders in do artikelen 34â42 a) en wordt daarbij o. a. bepaald, dat aan de Deurwaarders wegens het doen van exploiten is verschuldigd; u. voor het origineel van ieder gedaan exploit f 0.35; b. voor ieder overgegeven of aangeplakt afschrift fO.2^; het schrijfloon is hieronder begrepen. Slechts één origineel wordt in rekening; gebracht, indien dezelfde akte
o o '
door denzelfden Deurwaarder wordt beteekend aan meerdere personen.
Voor afschrift van stukken, welke bij de exploiten worden overgegeven of welke moeten worden aangeplakt, voor zooverre die door de Deurwaarders zijn vervaardigd en geteekend, rekenen zij voor iedere bladzijde van 28 regels en 15 of 16 lettergrepen per regel, /'0.10, met dezelfde bepaling omtrent het meer of minder beschreven zijn der bladzijden als blz. 728 ten opzichte van de Griffiers is vermeld.
Indien het te beteekenen stuk gedrukt is, dan komt den Deurwaarder voor de onderteekening van elk over te geven of aan te plakken afdruk toe/'0.10.
Aan de Deurwaarders wordt, volgens art. 46, in geval zij zich in die hoedanigheid verder dan twee kilometers buiten hunne woonplaats moeten begeven, toegekend eene schadeloosstelling voor reiskosten. Die vergoeding is voor iederen kilometer afgelegden afstand f 0.07. Art. 47.
Voor verrichtingen in een ander Kanton, dan waarin zij wonen, worden door de Deurwaarders geen hoogere reiskosten berekend, dan naarmate van den afstand tusschen de plaats der verrichting en de
a) Vgl. Fbakse bl. 144â16U.
732
hoofdplaats van het Kanton, waartoe de plaats behoort. De afstand wordt echter berekend van hunne woonplaats, indien de afstand van daar minder bedraagt. In geval zij, bij afwezigheid, belet of ontstentenis van den Deurwaarder in het kanton, of in spoed verei-schende zaken, worden belast met exploiten of verrichtingen buiten het kanton hunner woonplaats, wordt de werkelijk afgelegde afstand berekend, art. 52, dat echter niet toepasselijk is op Deurwaarders der Directe Belastingen.
fl
I
*
Lijsl vjin aanvullingen en verbelepingen.
Bladz. 5 regel 11 v. b. staat: De samemlellinq der Kantongercchlev, lees: De namenslellinq der Kantons en der Kantongerechten.
Bladz. 18 vlg.
Bij de wet van 30 December 189G [Stbl. 242) is de samenstelling van eenige kantons aldus gewijzigd:
Amsterdam No. 1:
De grenslijn van het tot dit kanton behoorende gedeelte der gemeente Amsterdam is getrokken uit een punt in den Binnen-Amstel ten westen van het midden van de Halvemaansteeg tegenover het midden van de Kloveniersburgwal, van daar door het midden van de Kloveniersburgwal tot de Nieuwmarkt, over de Nieuwmarkt tot en langs de oostzijde van de St. Anthoniewaag, ten westen en ten noorden van de Zeevischmarkt tot het midden van de Geldersche Kade, door het midden van de Geldersche Kade en van de Geldersche Kade waterkeering, van daar in de richting van het midden van den oostelijken doorgang naar het Openhavenfront, door het midden van dien doorgang, in oostelijke richting langs de noordzijde der de Ruij terkade en van den toegangsweg naar de oostelijke Handelskade, langs do zuidelijke, westelijke en noordelijke grenzen van de oostelijke Handelskade tot het zuidelijk aanvangspunt van den Schellingwouderdijk en van daar langs de westzijde van dien dijk, van de stoomgemalen en van do Oranjesluizen tot aan de grens der gemeente (de steigers, havens, gebouwen en getimmerten, grenzende aan de
48
786
vooromschreven lijn, waar die eene oeverlijn aanwijst, in het kanton begrepen), aldaar dien dijk, langs de grens der gemeente, over en verder die grens volgende tot aan het midden van den Amstel, van daar in noordelijke richting door het midden van den Amstel (de drijvende zwemschool en badinrichting in het kanton begrepen), en door het midden van den Binnen-Amstel tot aan het uitgangspunt; â Watergraafsmeer; â Diemen.
Amsterdam No. 2 :
De grenslijn van het tot dit kanton behoorende gedeelte der gemeente Amsterdam is getrokken uit het uitgangspunt van de grenslijn van kanton No. 1 in oostelijke richting langs die grenslijn tot aan de grens der gemeente midden in den Amstel (de drijvende zwemschool en badinrichting niet in het kanton begrepen), van daar langs die grens naar den westelijken oever van den Amstel en verder, de grens der gemeente volgende tot aan het midden van de Over-toomsche vaart (bij de Dubbele buurt), door het midden van, die vaart tot het midden van de Singelgracht, door het midden van die gracht tot het midden van de Leidsche gracht, door het midden van die gracht tot aan de Heerengracht, van daar die gracht dwars over naar en door de Beulingstraat, het Singel dwars over tot en over het Spui tot aan het Rokin, het iiokin dwars over in de richting van de zuidzijde van de brug over de Grimburgwal tot het midden van het Rokin, door het midden van het Rokin en door het midden van den Binnen-Amstel tot het uitgangspunt; â Nieuwer-Amstel; â Ouder-Amstel; â Uithoorn.
Amsterdam No. 3 :
De grenslijn van het tot dit kanton behoorend gedeelte der gemeente Amsterdam is getrokken uit het uitgangspunt van de grenslijn van kanton No. 1 in westelijke richting langs de grenslijn van kanton No. 2 tot de grens der gemeente in de Kostverloren
737
Vaart (bij de Dubbele Buurt), vandaar in noordelijke richting die grens volgende tot het midden van de ontworpen de Clercqstraat, door de ontworpen de Clercqstraat en de de Clercqstraat door de (gedempte) Rozengracht, over het midden van de brug over de Prinsengracht, vandaar over de Westermarkt tot en over het midden van de brug over de Keizersgracht voor de Raadhuisstraat, door die straat, den Nieuwe-zijds Voorburgwal in noordelijke richting tot aan de Mozes en Aiironstraat, langs de zuidzijde van die straat, over den Dam tot het westen van en langs de Beurs, de noordzijde van de Beurs tot de oostzijde van bet Damrak, langs de oostzijde van het Damrak, in westelijke richting langs de zuidzijde van de Nieuwebrug in noordelijke richting langs de oostzijde van de doorvaart door die brug tot de noordzijde van die brug en verder in westelijke richting langs de noordzijde van de Prins Hendrikkade tot den Korten Singel, de oeverlijn van dien Singel in noordelijke richting volgende, langs de uoordwestzijde van de westelijke doorvaart, in westelijke richting langs de noordzijde van de de Ruijterkade, langs de oostzijde van den Westerdokdijk, langs de noordoostzijde van de Houthaven, en voorts langs den zuidelijken boord van het Noordzeekanaal tot de grens der gemeente ten westen van de Petroleumhaven, aldaar langs die grens het kanaal over en voorts, die grens volgende, tot de westzijde van den Schellingwouder dijk, van daar in zuidelijke richting langs de grenslijn van kanton No. 1 tot het uitgangspunt (de steigers, havens, gebouwen en getimmerten, grenzende aan de vooromschreven lijn, waar die een oeverlijn aanwijst, niet in het kanton begrepen): â Buiksloot: â Nieu-wendam; â Ransdorp.
Amsterdam No. 4:
De grenslijn van het tot dit kanton behoorend gedeelte der gemeente Amsterdam is getrokken van de grens der Gemeente ten westen van de petroleum-
73S
haven, in oostelijke richting langs de grenslijn van kanton No. 3 tot de grens der gemeente langs de Kostverloren Vaart bij de Baarsjes (de steigers, havens, gebouwen en getimmerten, grenzende aan de voren-omschreven lijn, waar die eene oeverlijn aanwijst, in het kanton begrepen) en in noordelijke richting die grens volgende tot het uitgangspunt; â Sloten.
Bladz. 77 te voegen als aanmerking bij A:
Door de Wet tor invoering van de faiUissemcninwel, 20 Jan. 1896, {Stbl. 9) wordt de aanvang van art. 442, 2°. W. v. Sr. gelezen:
2°. âde bestuurder of commissaris eener vennootschap, maatschappij, vereeniging of stichting, welkequot; enz., terwijl art. 441 verviel.
Blad. 70; 8°. De wet is nader gewijzigd bij de wet van 13 Juli 1896 {Stbl 105) waarbij o. a. is bepaald, dat de wet van 13 Juni 1857 {Stbl. 87) kan worden aangehaald als jagtwet.
Bladz. 79, aanmerking c;
De wetten van 30 December 1805 (Stbl. 173) en 22 December 1807 (Stbl. 158) zijn vervallen door de wet van 20 April 18Ã5 {Stbl. 71) tot regeling van het bakenwezen op openbare wateren. Eene strafbepaling komt in die wet niet voor.
Blz. 83 bij 16° in te voegen: Deze wet is nader gewijzigd bij de wetten van 11 Juli 1882 {Stbl. 91) en 2 Mei 1897 {Stbl. 122).
Bladz. 83 bij te voegen tusschen 17° en 18°;
17«. de wet van 28 Mei 1809 {Stbl 96) betrekkelijk de afgifte van zeebrieven en vergunning lot het voeren der Neder la n dsch e vlag.
Strafbepalingen komen voor in de artt. 19 en 20. Door hunne niet-handhaving zijn vervallen de artt-17, IS en 21. Art. 23 der wet blijft bestaan ; alhoewel bet m.i. voorzichtiger ware geweest, de tweede alinea van bet artikel te laten vervallen, althans daarin te
73!)
spreken van Kantongerecht in stede van Itcchlbank zal toch, ingevolge art. 11, le lid, der Invoeringswet, de Kantonrechter van de overtredingen dezer wet kennis nemen.
Bladz. 83, bij 18° te voegen;
Deze wet is gewijzigd bij de wet van 15 April 1896 [Slbl. 68). Een K. B. van 10 Juli 1896 {Slbl. 104) bepaalt, welke ziekten van liet vee voor besmettelijk moeten worden gebonden, en welke maatregelen bij het heerschen of bij het dreigen van elk dier ziekten moeten worden toegepast.
Bladz. 84, No. '1'2, bij to voegen:
Deze wet is gewijzigd door de wet van 4 September 1896 [Slbl. 152) waarbij o. a. werd bepaald, dat de wet kan worden aangehaald als hinderwet. Eene nieuwe strafbepaling, waarvan do Kantonrechter kennis neemt, geeft art. 22 bis. Het strafbaar feit van art. 23 is een misdrijf dat bij de Rechtbank behoort.
De gewijzigde tekst der wet, in werking getreden den 1 Januari 1897, werd bij K. B. van 15 December
1896 herplaatst in Xlbl. 222.
Bladz. 87, toe te voegen bij 36°:
Deze wet is gewijzigd bij die van 7 December 1896 (Stbl. 191.)
Bladz. 89, toe te voegen bij 2°:
Bij de wet van 31 December 1896 [Slbl 259) is een nieuw tweede lid ingevoegd in art. 7 der arbeidswet. De algemeene maatregel van Bestuur, bij dat nieuwe lid verlangd, werd gegeven bij K. B. van 27 Maart
1897 (Stbl. 78.)
Bladz. 89, aanm. c:
Een Algemeene Maatregel van Bestuur, als bedoeld bij art. 4 der arbeidswet, werd laatstelijk gegeven bij K. B. van 21 Januari 1897 {Stbl. AG); daardoor verviel het K. B. van 15 Juli 1891 (Stbl. 147) met de daarin gebrachte wijzigingen.
740
Black. 91, te voegen bij No. 9:
De algemeene maatregel van bestuur, bedoeld bij art. 6 en 7 der veiligheidswet, werd vastgesteld bij K. B. van 7 December 1896 {Slhl. 215.) Bij K. B. van 7 December 1896 {sihl. 216) werd bepaald, dat de veiligheidswet in werking treedt den 1 Januari 1897.
Bladz. 92, bij 10° te voegen als aanmerking:
De wet kan worden aangehaald als stoomioet. Een K. B. tot uitvoering dier wet werd genomen den 19 October 1S96 en geplaatst in Slbl. 163.
Bladz. 92, in te voegen aebter No. 10:
11°. de wet van 7 September 1896 {Slbl. 154) tot regeling van hel kiesrecht en de benoeming van afgevaardigden ter Eerste en Tweede Kamer der Slalen-G ener aal (Kiesivel). Overtredingen, waarvan de Kantonrechter kennis neemt, komen voor in de artt. 152, 153, 154, 155 en 156 dier wet.
12°. De wet van 2 Mei 1897 {Slbl. 141) tot oprichting van Kamers van Arbeid /Wel op de Kamers van Arbeid/; overtredingen waarvan de Kantonrechter kennis neemt, komen voor in de artt. 41 en 42.
Bladz. 92. Bij algemeene maatregelen van bestuur in te voegen:
De wet van 26 April 1852 [Stbl. 92) houdende regeling der afkondiging van algemeene maatregelen van (inwendigJ bestuur van den Staat is gewijzigd bij de wet van 23 Juni 1893 {Slbl. 111). Bij plaatsing in het Staatsblad en in de Staals-Courant is de A. M. v. B. thans bindend op den tweeden dag na dien der dag-teekening van beide.
Bladz. 97 toe te voegen bij 9°:
Dit K. B. is nader gewijzigd bij K. B. van 23 April 1897 {Stbl. 105).
Bladz. 98 in te voegen tusschen regel 5 en 6 v. b.:
11°. Het K. B. van 24 April 1897 {Slbl. 107) tot vaststelling van gewijzigde bepalingen ter voorkoming van
741
aanvaringen op zee, en tot icijziging van het K. li. van iO October 1875 JStbl. 178J aangevuld bij K. B. van 3 Augustus 1896 [Sthl. 1A7J.
Dit K. B. vervangende liet K. B. van 26 Juli 1885 (Stbl. 168) dat gewijzigd was bij K. B. van 16 November 1S96 {Sthl. 173), is genomen naar aanleiding van art. 1 der wet van 11 Juli 1882 {Sthl. 86) houdende bepalingen ter voorkoming van aanvaringen of aandrijvingen up zee. Overtreding van dit K. B. wordt gestraft bij art. 473 W. v. Sr.
Doordat overtredingen van dat K. B. thans strafbaar zijn ingevolge art. 473 W. van Sr. en niet meer volgens art. 2 der wet van 11 Juli 1882 {Stbl. 86) is vervallen de bijzondere regeling omtrent de bevoegdheid van art. 5 dier wet. (Arrest H. R. 8 April 1890, W. 5862, P. v. J. 1890, 53 N. R. 154, 312, v. d. H. Sr. 1890, 37).
Bladz. 102. Bij art. 17 der wet van 28 April 1897 {Stbl. 112) is bepaald dat de wet van 6 Juli 1850 (Stbl. 39) kan worden aangehaald onder den titel van Provinciale Wet.
Bladz. 105. Bij art 21 der wet van 28 April 1897 {Stbl. 110) is bepaald dat de wet van 29 Juni 1851 {Stbl. 85) kan worden aangehaald onder den titel van Gemeentewet.
Bladz. 132, regel 15 v. b. staat den Raad van State, lees: de Rekenkamer.
Bladz. 195, regel 2 v. o. staat § quot;)3, lees: § 53a.
Bladz. 273, regel 7 van boven als aanmerking bij te voegen:
Bij art. 74 der wet op het personeel wordt hem de bevoegdheid ontnomen ter zake van overtredingen dier wet proces-verbaal op te maken.
Bladz. 286, toe te voegen bij de noot a:
Bij K. B. van 24 Maart 1897 {Stbl. 74) zijn ingesteld rijksveldwachters-rechercheurs.
742
Bladz. 290: Door de invoering der wet van 16 April 1896 (Stlil. 72) tot regeling der personeele belasting vervalt regel 15â31 v. b.; daarvoor treedt in de plaats;
Voor de opnemingen van huurwaarde en waarde van het mobilair hebben de daarmede belaste personen toegang tot alle gedeelten van het perceel en van de ongebouwde aanhoorigheden van bet perceel, waar de opneming moet worden gedaan.
Gedurende de eerste twee maanden van het jaar hebben de ambtenaren der directe belastingen tot het opnemen der paarden toegang tot alle stallen.
Gedurende de maanden Februari, Maart, November en December hebben de ambtenaren der directe belastingen, mits voorzien van eene lastgeving van hunnen inspecteur, die zij desgevorderd moeten ver-toonen, tot bet opnemen van het getal haardsteden, toegang tot alle gedeelten van elk perceel.
Toegang kan in deze drie gevallen, behalve op Zondagen en algemeen erkende Christelijke feestdagen, dagelijks worden geëischt van voormiddags 8 uur tot zonsondergang.
Wordt de toegang belet of geweigerd, dan verschaifen de volgens het bovenstaande tot den toegang bevoegde personen zich dien, desnoods met behulp van den sterken arm, na bekomen machtiging van het hoofd van liet Gemeentebestuur of van den Kantonrechter, die daarbij een persoon aanwijst om hen te vergezellen.
De stukken, krachtens de wet op het personeel op te maken en uit te vaardigen, zijn vrij van zegel; wanneer zij moeten worden geregistreerd, geschiedt dat kosteloos (art. 70 en 71 der wet).
Bladz. 292, regel 18 v. b. in te voegen:
Art. 36 der wet van 14 September 1866 {Slbi 138) houdende bepalingen betrekkelijk de inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, en de transporten en leverantiën, voor 's Konings legers of vestingen gevorderd bepaalt;
âIndien de weigering of nalatigheid betrekking
743
âheeft op middelen van vervoer of op leverantiën âvan voorwerpen, die niet onverwijld ten koste van âden weigerachtige of nalatige te verkrijgen zijn, kan âhij, die de vordering gedaan heeft, zich in het bezit âvan het benoodigde stellen. Hij kan tot dat einde âdesnoods last geven tot het binnentreden der woning âvan den weigerachtige of nalatige, diens ondanks.
âDit binnentreden geschiedt niet anders dan in âtegenwoordigheid, hetzij van den Kantonrechter, âhetzij van een der leden van het Gemeentebestuur.
âDaarvan, alsmede van de redenen, die tot het âbinnentreden geleid hebben, wordt door hem, die âkrachtens de bovenstaande bepaling daarbij tegen-.woordig is geweest, binnen tweemaal 24 uren proces-âverbaal opgemaakt en aan den ingezeten, wiens âwoning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.
âIn geval van oorlog of oorlogsgevaar blijven de ,beide voorgaande alinea's buiten toepassing.quot;
Bladz. 292, 9 laatste regels en blz. 293, 3 eerste regels te veranderen:
Volgens art. 16 der sloomwet van 15 April 1896 (Slbl. 69) hebben de thans in art. 7 dier wet genoemde ambtenaren voor het tegen den wil van den bewoner binnentreden eener woning noodig een schriftelijken bij zonderen last van den Burgemeester of den Kantonrechter. De tegenwoordigheid van den Kantonrechter of van een der leden van het Gemeentebestuur of van den Commissaris van Politie bij dat binnentreden is niet meer voorgeschreven.
Bladz. 295 toe te voegen aan het slot van § 91;
Art. 17 der Wet van 2 Mei 1897 [Stil. 124) tot herziening van de belastbare opbrengst der gebouwde eigendommen, bepaalt:
âDe voorzitter, leden, plaatsvervangende leden en âde secretaris der hoofdcommissie, de voorzitters, âplaatsvervangende voorzitters, leden en plaatsver-âvangende leden der commissiën, hebben, al dan
744
âniet vergezeld run de rijks-ambtenaren of verdere âpersonen, die lien bijstaan ter uitvoering van de âbepalingen dezer wet, toegang tot de gebouwde âeigendommen, bedoeld in art. 1, en hunne aaulioo-âriglieden, alsmede tot de daarbij in gebruik zijnde âongebouwde eigendommen, dagelijks, de Zon- en âalgemeen erkende Christelijke feestdagen uitgezon-âderd, van des voormiddags 8 uur tot zonsondergang.
âIndien huu de toegang geweigerd of belet wordt, âroepen zij de tusschenkomst in van den Burgemeester âof tien Kantonrechter, op wiens bevel de toegang, âondanks den gebruiker van het eigendom, desnoods âmet behulp van den sterken arm, verschaft wordt.
âVan do tusschenkomst, de redenen, die daartoe âgeleid hebben, en het binnentreden vau gebouwde âeigendommen, ondanks den gebruiker, wordt door âhen, aan wie de toegang geweigerd is, binnen twee-âmaal 24 uur proces-verbaal opgemaakt, dat door den âKantonrechter of Burgemeester mede onderteekend, âen aan den gebruiker van het gebouw in afschrift âmedegedeeld wordt.quot;
Art. 84 dier zelfde wet bepaalt, dat alle stukken, welke krachtens die wet worden opgemaakt of ingediend, vrij zijn van zegel en van de formaliteit van registratie.
Bladz. 407. aanm. n bij te voegen:
Omtrent de verzet-procedure zie men ook in W. 6921: hu procedure vo^r ((â¢â¢Â« Kantonrechter ontzield, van Mr. B. J. Polh.vaar ; gevolgd door Remedie van Mr. P. in W. 0923. Mr. P. wordt m. i. afdoende bestreden door Mr. W. van Kossem in W. 6926. Mr. v. E. betoogt, dat, ai had de wetgever beter gedaan in art. S3 al. 2 te verwijzen naar art. 407 en niet naar art. 136, dit nog niet tot moeilijkheden behoeft aanleiding te geven, dat toch, nu de wetgever art. 136 zonder meer van toepassing verklaart bij het Kantongerecht, het van zelf spreekt, dat voor Prokureursakte in de plaats komt iJenrwaardersexploit aan den opposant. Nader
745
licht Mr. P. zijne meening toe in W. 6927 en vestigt er zeer terecht de aandacht op, dat de wet Hartogh niet voldoende op de procedure bij het Kantongerecht bedacht was. Nader wordt hij bestreden door Mr. v. R. in W. G933.
Beide schrijvers zijn het hierover eens, dat het te betreuren is, dat bij de jongste herziening verviel de verplichting voor den opposant van dagvaarding tegen de eerstkomende terechtzitting.
Bij de hoogst gebrekkige wijze waarop onze wetgever de civiele procedure bij het Kantongerecht regelde, is deze pennestrijd ook van belang voor de interpretatie van zoo menig artikel, dat niet voor het Kantongerecht geschreven en daar eigenlijk niet te gebruiken, daar toch moet worden toegepast.
Bladz. 511 staat AFDEELING VI, lees: HOOFDSTUK VI.
Bladz. 655, regel 14 v. b. staat a, lees «).
Bladz. 672, aanm. a: De hier bedoelde wet is niet van begin 1897, doch van 31 December 1896 {Slbl. 244),
Bladz. 678, § 217 in te voegen: De wet van 13 Mei 1859 {Slbl. 36) is nader gewijzigd bij de wetten van 31 December 1885 {Slbl. 263) en 24 Mei 1897 {Slbl. 154).
Bladz. 694: Toe te voegen aan het slot van § 224:
Hier zij er ook nog op gewezen, dat, indien dooiden bakendienst schade wordt toegebracht aan particuliere eigendommen, en het bedrag der vergoeding daarvoor niet in der minne wordt vastgesteld, zij door den Kantonrechter wordt bepaald. Art. 3 dei-wet van 20 April 1895 {Stbl. 711 tot mqcJing van het hakenwezcn op openbare wateren.
Bladz. 700, regel 6 v. b. staat 227, lees 22S.