hladzijden uit de gescliledenis
VAN DE
HHKaHESHLMEHBDEB
'OBBICHT en LEUTH,
benevens eene bijdrage tot
het hoQgsr beroep naar Aken,
nnim
R O E U MOND,
J. floMEN en Zonen,
0=, n,
i ïXni
J
â¡
Instituut voor R^hHgcsrt^edenis èer Rijksuni»er%gt;4«t4 ie Vitrecht
7~\
ââ-
juk m
9
IS*
«â â
li
Eenige bladzijden uit de geschiedenis
VAN DE
HHK8H11RLHKHEDEH
OBBICHT en LEUTH
benevens eene bijdrage tot
het hoogor beroep imr Aken,
Se
UOÃU
ë* 1» lilüMllllB
ROERMOND,
J. .1. ROMEN en ZONEN.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1196 5252
4
iisïiiULJv voor Ke«!.
Eenige bladzijden uit de geschiedenis van de rijksheerlijkheden
Obbieht en Leuth,
benevens eene bijdrage tot
HET HOOGER BEROEP NAAR AKEN.
INLEIDING.
Het nieuw wapen van ons hertogdom herinnert ons aan de vier voornaamste staatjes, die voorheen het grondgebied van dit gewest besloegen. Ieder van die staatjes had zijne directe leenen, die in zake van verheffing, van verkoop, van schenking, van verpanding, van deeling, van twist over eigendom, bezit, ot grensscheiding, aan de algemeene statuten van het centraal leenhof onderworpen waren. De vier staatjes, die vroeger, zonder uitzondering, tot het Duitsch Rijk behoorden, sloten echter niet aan elkander vast, maar lieten op vele punten tusschenruimten voor verschillende onafhankelijke, immediate rijksheerlijkheden. De bezitters dezer laatste heerlijkheden maakten zich in den loop der eeuwen tot leenman van den een en den anderen naburigen hertog, graal of ridder. ïen opzichte van die leenheeren werd dan de leenman de mindere, maar tegenover den Keizer bleef hij dezelfde als voorheen. De Keizer duldde dan ook zulk leenverband slechts in zooverre het hem en het Rijk geen nadeel veroorzaakte. De heerlijkheid onderging trouwens door dit leenverband geene verande-
4 â
ring; zij bleet'rijksheerlijkheid; de verheffing, die er van moest geschieden bij de verschillende leenheeren, drukte slechts op den bezitter. Wat de verhouding betreft, waarin de leenman zich ten opzichte van de verschillende leenheeren bevond, die ontsproot niet uit het jus feudale, maar uit de afzonderlijke overeenkomsten, die hij met hen was aangegaan (l). Gewoonlijk bestond zij hierin, dat hij hunne bescherming zou genieten, hun in den oorlog zou ^bijstaan en dan zijn kasteel, geheel ot gedeeltelijk, te hunner beschikking zou stellen. Door verandering van toestanden waren, op het eind der middeleeuwen, deze voorrechten en verplichtingen te looi- gegaan, en de leenverheffing alleen bleef nog als een zware last, als eene soort van liooge successie- en overgangsrechten op de rijksheerlijkheden drukken.
Middelerwijl was het ook gebruikelijk geworden, dat de erfgenamen van den heer hunne geschillen over de erfenis voor één dier leenhoven brachten, waaraan de rijksheerlijkheid leenroerig was, dat de schuldeischers van den heer aldaar hunne bewijsstukken van hypotheek lieten registreeren en hem daar in rechten betrokken, in geval van wanbetaling. Ofschoon zulke rijksheerlijkheid oorspronkelijk geen ander verband met dat leenhof had dan de bloote leenroerigheid, en de leenman geene andere verplichtingen had op zich genomen, dan die in de private overeenkomst met den leenheer waren uitgedrukt, ontstond door gemelde toevlucht, die men tot het leenhof nam, de gewoonte, dat men de statuten van het leenhof op zulk buitenleen toepasle. Zoo voltrok het leenhof de immissio possessoria, verleende rechtsingang, oordeelde over testamenten en schuldvorderingen, deed de pandbetreding, zond
(1) Men verg. K. F. Eichhorn : Deutsche Staats- und ftechtsgesch. II. Th. p. 571.
â 5 â
leenboden ter dagvaardiging, voltrok zijne eigene vonnissen, of die van een ander leenhof, waaronder zulke heerlijkheid soms ook, ten gevolge van leenroerigheid, ressorteerde, zonder dat de schepenbank der rijksheerlijkheid tegen die inmenging in verzet kwam.
De Rijksdag, die in den zomer van 1548 te Augsburg gehouden werd, bracht daarin verandering. Bij besluit van den 26tn Juni werd aldaar bepaald, dat de Burgondische Kreits, zooals hij in het Besluit omschreven werd, voortaan niet meer zou behooren tot de jurisdictie van het Duitsch Rijk, behalve in het geval van wanbetaling in de beden. Gelderland en het land van Valkenberg waren onder den Burgondischen Kreits begrepen. De buitenleenen van de respectieve leenhoven dier twee Landen bleven er aan leenroerig, d. w. z. moesten daar verheven worden, ook na 4548; dat was een gevolg van de oorspronkelijke overeenkomst tusschen leenman en leenheer; maar de statuten van die twee leenhoven waren rechtens niet meer toepasselijk op de buitenleenen, die rijksheerlijkheden waren, wijl de opzegging van de jurisdictie, tusschen hel Bijk en den Burgondischen Kreits, wederkeerig was. Men verviel echter weldra tot onregelmatigheden. De bezitters der rijksheerlijkheden, deels uit onwetendheid, deels uil veroordeelenswaardige kansberekening, droegen nu eens hunne geschillen over leenzaken op aan hel K. Kamergerecht, alwaar zij voortaan te huis behoorden, en dan weer aan de leenhoven van Valkenberg en Gelderland, waaraan zij sedert 1548 onttrokken waren. Ook de twee onderwer-pelijke leenhoven bleven voortgaan ir.ei het registreeren der hypotheken, testamenten enz., die op de buitenleenen betrekking hadden. Alsof het jaar 1548 geene verandering had gebracht, gingen zij voort met kennis te nemen van leenzaken die de buitenleenen betroffen, en spraken zij
â 6 â
vonnissen uit, waarvan men in hooger beroep kon gaan bij den Raad van Brabant in Brussel. Deze deed weer uitspraak ; maar indien de veroordeelde partij ten slotte weigerde, zich aan het vonnis te onderwerpen, wat dan ? De Raad van Brabant, en de leenhoven, die er onder ressorteerden, konden sedert 1548 geene parate executie meer doen buiten den Burgondischen Kreits. Ten einde uit de verwarring te geraken, vroeg dan de overwinnende partij aan den Raad van Brabant requisitoriaalbrieven aan het adres van het K. Kamergerecht. Daar werd dan hel proces opnieuw onderzocht, en ingeval dat het K. Kamergerecht met de einduitspraak, te Brussel verkregen, genoegen nam, hechtte het zijne brieven van attache aan de requisitoriaalbrieven. Daarna kon de overwinnende partij het pand aanslaan en, desnoods, de parate executie bij het Kamergerecht aanvragen.
De verwarring, door het besluit van den 2GCquot; Juni iS-iS ontstaan, werd nog vermeerderd door de kwaadwilligheid der Hoven van Gelderland en Valkenberg. De meeste leden dier Hoven hadden tevens zitting in de respectieve, gewestelijke Staten, die het globaal aandeel in de beden weer omsloegen over de verschillende banken en heerlijkheden van hun Land. Hoe meer dorpen men bijgevolg tot het Land kon rekenen, des te kleiner was de afzonderlijke aanslag in de bijdrage, en uit dien hoofde trachtte men de buitenleenen tot het direct gebied van Gelderland en Valkenberg te trekken. Het spreekt van zelf, dat de buitenleenen daartegen in verzet kwamen. Om dezelfde reden waren zij ook gekant tegen de inlijving bij de nieuw opgerichte bisdommen, wijl bij die gelegenheid de koning van Spanje, wegens de leenroerigheid, abusievelijk optrad als dominus directus van Obbicht, van het graafschap Horn, van het Land van Ravestein etc.
Ook de buitenleenen waren medeplichtig aan de verwarring. De belastingen toch behoorden tot die aangelegenheden, welke steeds in de openbare volksvergaderingen besproken en vastgesteld werden. Noch de heeren, noch de onderdanen konden dus op dit stuk onwetendheid voorwenden. Het gebeurde echter niet zelden, dat, wanneer de Westphaalsche Kreits eene bijdrage in de algemeene bede van hel Rijk uitschreef, de heeren zoowel als de ingezetenen van meerdere rijksheerlijkheden zich, onder voorwendsel der leenroerigheid, den schijn gaven, alsof zij tot het direct gebied der Spaansche erflanden van den Burgondischen Kreits behoorden, ten einde op die wijze alle belastingen te ontduiken.
Er bestonden evenwel twee onderscheidingsteekenen, waardoor men met volle zekerheid kon weten, of eene heerlijkheid, die aan Valkenberg of Gelderland leenroerig was, al dan niet tol het direct gebied van die Landen behoorde, en bijgevolg of' zulke heerlijkheid al dan niet in 1548 bij den Burgondischen Kreits was ingelijfd ; die kenteekenen waren; 1° de deelneming aan de gewestelijke landdagen, en 2° het hooger beroep in civiele rechtszaken.
De immediate rijksheer kon, naar omstandigheden, zich tol leenman maken van zooveel naburige heeren als hij wilde, daardoor kreeg hij geene zitting in de Staten van een dier leenheeren. Ue hertog van Gulik heeft nooit, als heer van Ravestein, zitting gehad in de Staten van Brabant; de heeren van Elsloo, Stein, Leuth en Limbricht waren niet medeleden van de Staten des lands van Valkenberg, de heer van Obbicht wordt nooit aangetroffen op de vergadering der Staten van het Overkwartier. Filips van Benlinck verscheen er wel, maar dal was als drost van Montforl; en wanneer wij hem een enkel maal aantreffen bij de Stalen van het prinsdom Luik, wegens de leenroe-
â 6 â
vonnissen uit, waarvan men in hooger beroep kon gaan bij den Raad van Brabant in Brussel. Deze deed weer uitspraak ; maar indien de veroordeelde partij ten slotte weigerde, zich aan het vonnis te onderwerpen, wat dan? De Raad van Brabant, en de leenhoven, die er onder ressorteerden, konden sedert 1548 geene parate executie meer doen buiten den Burgondischen Kreits. Ten einde uit de verwarring te geraken, vroeg dan de overwinnende partij aan den Raad van Brabant requisitoriaalbrieven aan het adres van het K. Kamergerecht. Daar werd dan hel proces opnieuw onderzocht, en ingeval dat het K. Kamevgerecht met de einduitspraak, te Brussel verkregen, genoegen nam, hechtte het zijne brieven van attache aan de requisitoriaalbrieven. Daarna kon de overwinnende partij het pand aanslaan en, desnoods, de parate executie bij het Kamer-gerecht aanvragen.
De verwarring, door het besluit van den 2Gen Juni 4548 ontstaan, werd nog vermeerderd door de kwaadwilligheid der Hoven van Gelderland en Valkenberg. De meeste leden dier Hoven hadden tevens zitting in de respectieve, gewestelijke Staten, die hot globaal aandeel in de beden weer omsloegen over de verschillende banken en heerlijkheden van hun Land. Hoe meer dorpen men bijgevolg tot het Land kon rekenen, des te kleiner was de afzonderlijke aanslag in de bijdrage, en uit dien hooide trachtte men de buitenleenen tot hel direct gebied van Gelderland en Valkenberg te trekken. Het spreekt van zelf, dat de buitenleenen daartegen in verzei kwamen. Om dezelfde reden waren zij ook gekant tegen de inlijving bij de nieuw opgerichte bisdommen, wijl bij die gelegenheid de koning van Spanje, wegens de leenroerigheid, abusievelijk optrad als dominus directus van Obbicht, van hel graafschap Horn, van het Land van Ravestein etc.
Ook de buitenleenen waren medeplichtig aan de verwarring. De belastingen toch behoorden tot die aangelegenheden, welke steeds in de openbare volksvergaderingen besproken en vastgesteld werden. Noch de heeren, noch de onderdanen konden dus op dit stuk onwetendheid voorwenden. Het gebeurde echter niet zelden, dat, wanneer de Westphaalsche Kreits eene bijdrage in de algemeene bede van het Rijk uitschreef, de heeren zoowel als de ingezetenen van meerdere rijksheerlijkheden zich, onder voorwendsel der leenroerigheid, den schijn gaven, alsot zij tot het direct gebied der Spaansche erflanden van den Burgondischen Kreits behoorden, ten einde op die wijze alle belastingen te ontduiken.
Er bestonden evenwel twee onderscheidingsteekenen, waardoor men met volle zekerheid kon weten, ot ecne heerlijkheid, die aan Valkenberg ot Gelderland leenroerig was, al dan niet tol het direct gebied van die Landen behoorde, en bijgevolg of' zulke heerlijkheid al dan niet in 1548 bij den Burgondischen Kreits was ingelijfd; die kenteekenen waren : 1quot; de deelneming aan de gewestelijke landdagen, en 2° het hooger beroep in civiele rechtszaken.
De immediate rijksheer kon, naar omstandigheden, zich tot leenman maken van zooveel naburige heeren als hij wilde, daardoor kreeg hij geene zitting in de Staten van een dier leenheeren. De hertog van Gulik heeft nooit, als heer van Ravestein, zitting gehad in de Staten van Brabant; de heeren van Elsloo, Stein, Leuth en Limbricht waren niet medeleden van de Staten des lands van Valkenberg, de heer van Ãbbicht wordt nooit aangetroffen op de vergadering der Staten van het Overkwartier. Filips van Bentinck verscheen er wel, maar dat was als drost van Montfort; en wanneer wij hem een enkel maal aantreffen bij de Staten van het prinsdom Luik, wegens de leenroe-
â^-r
â 8 â
righeid zijner heerlijkheid Obbicht aan Loon: die verschijning, welke zonder precedent was, die zich niet herhaald heeft, en waarop zich nimmer beroepen werd, is eene anomalie geweest, eene uitzondering, die den regel bevestigt. Bovendien was aan het recht van rechtstreeks of onrechtstreeks vertegenwoordigd te worden op de Statenvergadering verbonden de verplichting, om in de som, waarvoor zulk land, b.v. dat van Valkenberg, in de bede werd aangeslagen, bij te dragen. Op die wijze was menige rijksheerlijkheid, b.v. Limbricht, tot viermaal toe moeten aangeslagen worden: eerst in de matriculaire bijdrage van het Rijk, en dan in de bijdragen van Gulik, Loon en Valkenberg, als buitenleen ! Wanneer, na lang geknoei, zulk buitenleen van het Keizerrijk eindelijk was losgescheurd, noemde de Spaansche regeering het une lerre franc he, die niet in de beden bijdroeg, maar rationsgelden betaalde voor het onderhoud van ettelijke soldaten, en die bovendien met hare civiele rechtsgedingen voortaan in hooger beroep moest gaan bij een naburig Spaansch gerechtshof. De Hollanders maakten er nog kortere metten meê; zij lijfden met geweld zulke rijksheerlijkheid in bij het land van het naburig leenhof, alsof zij van ouds tol het dominium directum er van behoord had.
Een nog zekerder kenteeken, om te weten of de heerlijkheid, al dan niet, den Keizer tot dominus directus had, leverde het hooger beroep in civiele rechtszaken op. Oudtijds ging men niet in hooger beroep tegen de winnende partij, maar tegen de rechters, die het vonnis gestreken hadden. Daarvandaan dat in moeielijke gevallen de schepenen onderrichting (beleering) haalden bij de bank, waarheen men van hun vonnis in hooger beroep kon gaan. Zij wachtten er zich dus wel voor, de rechters der tweede instantie voor het hoofd te stooten. Maar de procesvoerders
hielden nog meer vast aan de traditie nopens het ressort van justitie. De overwinnende partij liet zich, in hooger beroep, niet voor een onbevoegden rechter dagen; en werd zij daar gevonnisd, dan had zij bij den bevoegden rechter éen dubbel wapen tegen den appellant in handen en bovendien medestanders in de rechters der eerste instantie. Zoo bleef, ondanks alle leenroerigheid, de justitie van het land van Ravestein dan ook ressorteeren onder een Rijksland: het hertogdom Kleet; Elsloo, Slein en Obbictu bleven in hooger beroep gaan naar de Rijksstad Aken. Leuth onderbrak wel een tijd lang zijn hooger beroep naar Aken, maar stelde intusschen zijne appellen in te Susteren, alweer in een Rijksland: het hertogdom Gulik. Die verandering had niet kunnen plaats hebben dan met toestemming der ingezetenen. Indien echter de leenroerigheid aan Valkenberg van eenige beteekenis was geweest voor wat men zou kunnen noemen de engere nationaliteit der heerlijkheid, dan had Leuth toen moeten de voorkeur geven aan de Valkenbergsche hoofdbank van Beek, die veel dichter in de buurt lag dan Susteren.
Omstreeks 1580 schonken de meeste bezitters van rijks-heerlijkheden in deze streken nog eenmaal klaren wijn aan den Keizer, toen zij poogden aan de stral te ontkomen, die zij beloopen hadden, door te visschen in het troebel water van het Spaansch gebied.
Nu nog een woord over de bronnen, waaruit wij geput hebben. De onuitgegeven bescheiden over Obbicht hebben wij afgeschreven op het Rijksarchief te Maastricht. Daar vonden wij ook, in het Wetzlarsch archief, n0 68, de processtukken over het geschil Bongart-Vlodrop, betrekkelijk Leuth. Wat onze taak daar zeer vergemakkelijkte, waren de inlichtingen, die de geleerde archivaris, de Eerwaarde Heer Jos. Habets, in den loop van dezen arbeid, ons bij
â 10 â
voortduring, verstrekte. Hem zij hiervoor openlijk onze dank betuigd.
Op het Rijksarchief te Maastricht raadpleegden wij nog een werkje, getiteld: De gelwele yeschapentheyt vandt t rf//-ferent ende executie (vant) Uuys te Leuth. (Ende bygevolge tegens den Graef van Flodrof (Door) Den Hertog li van Meu-borgh (ende hoedanigh het met die saeckc gelegen is.) â Delft, door Pie ter Verstraeet in 't Galt'Moyses,) ^l». Ch. MDCLXI1. De twaalf bladzijden, die het brochuurtje beslaat, bevatten niets dan het: Extract uyt het Register der Resolutien van de Ho: Mo: Heeren Staten Generael der Vereenighde ISeder-landen. â Mercury den 13 September 1662. Deze resolutie was eene bedekte oorlogsverklaring aan den hertog van Nieuwburg. Ofschoon zij van sophismen wemelt, bevat zij nochtans eenige datums, die ons den status quaestionis nader leerden kennen.
Ten slotte geven wij twee lijsten van steden en dorpen, die in nauwe verbinding stonden met den koninklijken stoel van Aken. De twee stukken, die in ons bezit zijn, zijn goed leesbaar; maar hel zijn copieën, (vooral het oudste), die door eene onkundige hand zijn genomen van oudere afschriften. Wij geven ze, zonder eenige critiek, zooals zij zijn, als een ruwe bouwstof, die de studiën over dit onderwerp, door den heer Mr G. D. Franquinet, (in het IX' Deel dezer Publications), en door Prof. /)' H. Loersch, (in; Gesch. Achens, von Friedr. Uaagen, 1. 1!.) kan aanvullen en hier en daar wijzigen.
.1. L. MEULLENERS.
Maastricht, December 1886.
SUPPLEMENT
OP DE GESCHIEDENIS VAN
OBBICHT 1H FAFEMH0TEM.
§ 1. De familie van der l)ouck.
In 1397 was Dirk van der Donck te Sevenum overleden. In genoemd jaar werd er eene minnelijke schikking getroffen tusschen diens weduwe Agues en de kinderen: Claes, Johan, Dirck, Lysbet en Griet (1).
Tusschen de gebroeders Claes en Dirck ontstond er naderhand twist over de goederen te Sevenum. Zij kozen Johan van den Butck tot scheidsrechter. Dirk deed toen afstand van zijne goederen ten behoeve van Claes, en deze verhief ze, in 1403, voor Willem, heer van Broekhuysen (2).
Claes van der Donck trouwde met Mechtelde...... Zij
hadden één zoon: Johan (die volgt), en twee dochters: Catharina, kloosterjulvrouw te Herckenrode, en Ililla, kloosterjufvrouw te Nijmegen. Mechtelde leefde nog in 1469.
Jan van der Donck, heer van Erp en van Sevenum, trouwde 1quot; met Henrica van Hove, die ook wel eens genoemd wordt; ten Have. üit dit huwelijk sproten twee zoons: Claes, (die volgt), en Gerlach, en eene dochter Mechtild, getrouwd met Arnold van Oy, heer van libber yen. Jan trouwde 2C met Adelarda Pieck, (docliler van Frans Pieck), met welke hij had twee dochters: Margareta en Cornelia. In 14(39 trad hij in eene schikking met zijne twee zoons (3).
(1) Uijlage 1. (2) Bijlage II. (5) Bijlage 111,
â 12 â
Gerlach van der Donck werd domheer van Utrecht. Den leu April 1486 verklaarde Rutgerus van den Stadeacker, Jans zoon, uit Oirle, voor de Bosscher schepenen; Rutgerus de Erpe en Theodericus de Hynden, dat hij aan Franco de Lanijel, den gevolmachtigde van Gerlacus van der Donck, verkocht had eene jaarlijksche rente van drie raalder rogge, staande op huis, stallingen, tuin, weide en een erf, genaamd een venneken, alles naast elkander gelegen in parochia de Oirscot, i7i pastoria de Aerle. Twee jaren iia datum kon Gerlacus van der Donck van den koop afzien en honderd gouden Peters, tegen achttien stuiver den Peter, terug-eischen (1).
Arnt van Oy, heer van Ubberyen, had met zijn broeder Gerit het ouderlijk erfgoed nog niet gedeeld, toen hij in veertienhonderd in de vijftig het huwelijkscontract sloot met Mechtild van der Donck. Uit het fragment, dat van het oorspronkelijk stuk nog over is, zien wij, dat van den kant der bruid, bij het huwelijkscontract, o. a., tegen-wooi'dig waren : haar vader Jan, haar broeder Claes, benevens »Derick ende Arnt van Blittersivyck, gebruederen.quot;
Jan van der Donck schonk aan zijne dochter «achtien hondert enckell overlentzsche kurfurster gulden,quot; binnen twee jaren te betalen. Daartoe verpandde hij de tienden van drie kerspelen (2) en bovendien »syn huysinge, mitten have, mit alle synen toebehoer, gelegen in den kerspel van Arpe.quot; Middelerwijl gaf hij aan zijne dochter eene jaarlijksche rente. Verder zou hij «Joncffr. Mechtelt, syn dochter vurs., Arnt van Oy voirs. redeliken uitsetten, ende mit klederen ende vrouwelike kleynoiden alsoe besorgen, als oer temelic ende behoirlic is, buten Arnts schade.quot; Daarenboven werd bepaald, dat Arnold van Oy, binnen het
(1) Origin, op perkament, de zegels der twee schepenen verloren. Rijksarch. Ie Maastricht. (2) De namen zijn verdwenen.
â 13 â
jaar na het overlijden van Jan van der Donck, «noch hebben ende bueren sail, in rechter medegaven, negen hondert overlentsche kurfurster rijnsche gulden,quot; waarvan hij er acht honderd «bynnen den neesten jair weder beleggen sail in den Scependom van Nymegen, off in den Ryck, by raide ende guetduncken aen eiker syden twee oerer vriendequot; (1).
Claes van der Donck, (zoon van Jan en van Henrica van Hove), trouwde met Oda van Petershem, erfdochter van Obbicht.
Zijn zoon Hendrik volgde hem op. Het volgend uittreksel uit een schepenbrief van Sevenum (1517) heeft betrekking op dezen Hendrik van der Donck, heer van Obbicht: )gt;Geryt van Holtmoelen ende Kerstgen van Aerdt, onthaldende mannen van leen, ende Gerken vanden Bergen ende Geryt vanden Bergen, scepenen,quot; getuigen, dat voor hen «koemen syn Johan vander Hatert, Ilenricx soen,quot; als ophouder »van den hoff, ter Lijnden geheitcn, ind gelegen in den kerspel van Seven hem, !Sesa, hoir moeder, ind Aert van Kessell, hoir zwager, ind Lysbeth, syn huysfrouw,quot; die bekenden verkocht te hebben aan nHenrick van der Donck, soen toe Bycht, alle sulcke vyer malder roggen, myt hoiren rechten ende touwbehoeren, als hoyn Henrick vurs. jaerlix geldende is (2) van vier morgens landts, gelegen inden Weysleryck, herkoemende uyt den boft ter Lijnden vurs.quot;
«Geschiet int jaer ons heren dusent vyffhondert ind seventyen, op Sinte Johans dach evangelist, des heiligen Apostelsquot; (3).
(1) Fragment van het origineel, op perkam., zegels verloren. R. arch, te Maastricht. (2) Schuldig is.
(3) Op perkam., zegel van Gerard van Holtmolen verloren, eveneens dat van Herman van Druypt, (in plaats van dat van Christiaan van Aerdt, die geen eigen zegel bezat.) R. arch, te Maastricht.
â 14 -
Hendrik van der Donck trouwde met Johanna de Roover, dochter van Jan de Roover, heer van Breyre, en van Marie de Gudegoven, erfdochter van Uane/fe (I).
§ 2. De familie de Roover.
Willem van den Rosch (de Rusco) (2) had eene gifte onder de levenden gedaan ten voordeele van Dirk van Hom, heer van Cranenburg, of aan de eventueele houders van dien schenkingsbrief. Na den dood van Willem van den Bosch was Dirk van Horn (3) de voornaamste schuldenaar des overledenen en bijgevolg van diens erfgenamen, bestaande uit de volgende familiën: de Roover, Koe van Neerijnen, Cnode en van Heyllu (4). Er werd eene transactie aange-
(1) Men vergel. S. Bormans : Les Seign. allod. du pays de Liége, p. 92, s. s.
(2) In dien tijd bezat een Guilielmus de Bnsco, miles, de tienden en eene hoeve te Hilvarenbeek, alsmede de hooge justitie en een gedeelte van de heerlijkheid Gestel. Kort daarna waren daarvan beurtelings bezitters Dirk van Horn en Berta, vrouw van Gerard heer van Boutershem. Later bezat Arnoldus Rover, miles, de tienden van Hilvarenbeek, en de heer van Boutershem een gedeelte van de heerlijkheid Gestel. (L. Galesloot : Les feudal aires de Jean III, due de Brab. p. 5i. (3) Nadere bijzonderheden over de ouders van dezen Dirk van Horn deelt mede L. Galesloot: Les (endataires de Jean III, due de Brabant, p. 274, note (i) In de eerste halve eeuw, die verliep na den slag van Weeringen (1288), vinden wij alzoo eene familie van Heyllu, vermaagschapt aan de ridders Koe en van den Bosch, die met lof in de Rt/m-kronyk vermeld worden. Het is echter in het oog vallend dat de van Heyllu's, in de eerste helft der veertiende eeuw en ook naderhand, geene leengoedoren in Brabant bezaten, terwijl de familiën Koe, de Roover en Cnode herhaaldelijk in het aangehaald werk van Galesloot worden aangetroffen. Ook leest men den naam van Heyllu niet meer in de nadere schikking, die de erfgenamen Koe, Roover en Cnode in 1377 over de nalatenschap van Willem van den Bosch troffen. De van Heyllu's hadden waarschijnlijk reeds vroeger hun aandeel ontvangen. Het vermoeden zal wel niet ongegrond zijn, dat de van Heyllu's vreemd waren aan Brabant, en zoo kon baron van Spaen nog wel gelijk hebben, die de bakermat van den schrijver der Rijmkronijk over den slag van Woeringen zocht in Gelderland. (Men vergel. Rijmkronijk van Jan van Heclu, uitgegeven door J. F. Willems, Introd. p. VI.)
â 15 â
gaan, waarbij zijnerzijds, onder verpanding zijner goederen, Dirk van Horn zich verbond, om le beletten, dat ooit het bedrag van gemeldcn schenkingsbrief op de nalatenschap van Willem van den Bosch zou verhaald worden. Dit geschiedde voor Bosscher schepenen in 1346.
In het jaar 4377 was de deeling nog niet voltrokken. De erfgenamen benoemden toen, insgelijks voor Bosscher schepenen, gevolmachtigden en bepaalden, dat de drie bescheiden, die op de deeling betrekking hadden, zouden bewaard worden in eene kist met vier sleutels, ten huize van Dirk de Roover, wonende op den Markt te 's Hertogenbosch (1).
Twee andere Bosscher schepenbrieven, die op de familie de Boover betrekking hebben, bevatten het volgende :
Geiiacus die Rover had twee kinderen: Edmond, die de tienden te Goirle erfde, en Jlilla, welke in eigendom kreeg de hoeve ter Kemenaden, onder de parochie Zonne, (Son). Hilla de Roover trouwde met Hendrik van Eyugelberch. Daniel Roesmont had echter eene rente van tien malder rogge, maat van Son, op de hoeve Kemenade, welke rente door Hendrik en Hilla werd uitgekoclit. Hunne dochter, Johanna van Eyngelberch, trouwde met Arnold Sher Martens, zoon van Matthias. Deze twee laatste echtelieden schonken op den September 1454 bovengemelde rente van tien malder rogge aan Jacob van Eyngelberch, den natuurlijken zoon van Hendrik van Eyngelberch, en verpandden daartoe de hoeve Kemenade, benevens de tienden welke Emond die Rover bezat te Goirle. «rl estes interfuerunt scabini in buscoducis Henricus die Roester et Goeswinus de Beeck (2).quot;
(1) Bijlage IV.
(2) Een en ander orig., op perk., zegels verloren. Rijksarch. te Maastricht.
â 16 â
§ 3. De familie van Vlodrop.
üe heerlijkheid van Obbicht ging over op Anna van der Donck, eene der dochters van Hendrik van der Donck en van Johanna de Hoover. Anna van der Donck trouwde met Willem van Vlodrop, heer van Odenkirchen.
Den 17equot; Februari 1438 verpandde Johan van Heinsberg, graat van Loon, zijne grienden onder Grevenbicht en Obbicht aan Godart van Vlodrop, heer van Leutli. De schoonvader van Anna van der Donck, die even als haar gemaal W illem heette, liet den pandbrief viseeren voor het gerecht van Roermond den 29 September lo24 (l).
Op Willem van Vlodrop en Anna van der Donck slaat de Obbichtsche schepenbrief', dien wij hier verkort mede-deelen, evenwel uitvoeriger dan het woord verkort zou doen veronderstellen, om reden dat hij eene evaluatie van munten bevat: l0- Januari 1Ã53, «Wyr Willem van Vlodrop, heer tzoe Dalenbroich, Odekirchen, Grutsburch, Opbicht, Papenhoven ende Reckheim, in bywesen, wille, weten ende consent Anna van der Donck, mynder wettiger huysfrouwen, kennen mitz desen openen brieff, voir ons, onsse erven ende nacomelingen, ende overmitz ende in tegenwordicheit Scholtis ende Scepenen ons gericlits ende herlicheiden tzoe Opbicht ende Papenhoven, mit namen: Heniick vanden Broick, scholtis in tyt, Gurt Gruyssen, Lemtnen int Panhuys, Jacob van Papenhoven, Goissen van den Attenhoven, Johan op die Merge ende Peter Specken, onse Scepenen, Wye dat wyr vercocht hebben den Eersa-men Andries van Eijck, mit Annen Noitstockx, synder vvit-tiger huysfrouwen, lakenmecker binnen der stadt Maestricht ende borger der selve, sestich brabants gulden, twintich stuver brabants van den gulden, jaerlicker, lyfflicker lois
(1) Bijiage V.
â 17 â
renten, omme rede voir eyn zekere somme van penningen, te weten; duysenl brabants gulden, in stucken ende par-celen, hier nae volgende: Inden yersten sevenhondert ende twintich gehlersche Rijders: tstuck voir drie ende twintich stuver brabants, noch vier ende twintich Carol us gulden in golde: tstuck voir eyn ende twintich stuver brabants. noch seven Andries gulden ende vyff Wilhelmus schilde: ider tstuck voir eyn ende dartich stuver brabants, noch vyff ende twintich zonnen croenen: tstuck voir negen ende dartich stuver brabants, noch vyff ende twintich ylaliaensche croenen: tstuck voir acht ende dartich stuver brabants, noch daer by in payement stuvers ende vur stuvers, maeckende metten voirs. parcelen: duyseni brabants gulden, twintich stuvers voir den gulden.
»Soe hebben wy Wilhem ende Anna, voirgenoempt, lot eynen onderpande gesadt onsen windt, gelegen achter die Jxircke van Opbicht, reygenoit nae Stockhom: die Mase, in eynre, ende die gemeyn strate: in andere syden.quot;
Verder stellen zij nog tot onderpand hunne heerlijkheden en verdere bezittingen (1).
Op de keerzijde staat er: «Desen brieff cost te scriven eynen philippus gulden, don wellicken Andries van Eyck betaelt heetl,quot; en wal lager: «Befindt sich in dem Inven-tario aller briefte und siegell, das diese verschreibung durch den herrn zu Dahlenbroch ist abgelost.quot;
§ 4. De familie van lironckhorst en Batenburg.
nGegeven am siebenden dach April. Anno unsers llcrn duijsent vielfhondert Einundseeslich.quot; Uittreksel uit liet huwelijkscontract, op geraelden datum gesloten tusschen »den
(1) Origineel, op perk., de drie zegels: Vlodrop, Donek en die der schepenbank van Obbieht, verloren: R. arch, te Maastricht. 2
â 18 â
Edelen und Welgeboren Karl von Bronckhorst und Batten-burch, her zli Berendrecht, wettigh soen Jonekeren Herman von Bronckhorst, freyhern tot Battenburch und Stein, seliger gedachtenis, und jouffrauwen Petrondle van Praet, freier derselbigen landen, ter eime, und die Edele und Welgeboren jonckfrauw Al vera von Vlodrop, wettiche dochter jonekeren Willems van Flodrop, freijhern zu Reckum, hern zu üalenbroch, Odenkirchen, Dichten, Henneft und Einipt, und joncktrauwen Anna van der Donck, geboren dochter van Dichte etc., seliger gedechteniss.quot;
nPelronella van Praet gefft iren son Karl von Dronckhorst, zu einer heijlichs mitgave, ir levenlanck zu lieiferen und wal zu betalen uff dat hochtijt Paaschen, vierhondert bra-bants gulden, twintich stuveren faluieret vur jeglichen gulden; und nach dotlicher aftganck gerurter seiner moder sal die herlicheit Berendrecht im zu khomen, mit allen ge-rechtigheit und thobehoren, dergeleichen sein anpart vander Battenburgischen pantguederen, ufi valeur, wie geestimiert, ungeverlich uff dreyhondert brabants gulden des jaers; und wes zu der zeit der deilonge an staenden renten zu Berendrecht und uff der Vel ouwe nit befunden wurde, sal der freijherr zu Dattenburch (1) gehalden sein [zu ersetzen, durch gul]tige assignation und verweysung zu dem, voorts an anderen gueden, erffrenten, tho der somme und jaer renthen van twee duysent gulden, werde vors.quot;
Willem van Vlodrop schenkt er, voor den duur van zijn leven, aan Alvera zijn aandeel in Huys, heerlijkheid en inkomsten van Hane/fe, bedragend eene jaarlijksche rente van 300 brab. gulden. Voor uitrusting geeft hij haar 2000 brab. gulden, te heffen uit de achterstallen van Haneffe, of bij ontstentenis daarvan, uit de inkomsten van Beckheim. Na den dood van Willem van Vlodrop zullen de getrouwde (1) Willem, heer van Stein.
dochters do uitrusting in de deeling inbrengen. De drie dochters zullen de pandschappcn, erfrenten en gereede goederen gelijkelijk deelen en gezamelijk de schulden betalen. Uit de heerlijkheden der ouders zal de oudste dochter de eerste en de derde dochter de tweede keuze hebben; de overblijvende heerlijkheid zal zijn voor de tweede dochter (1).
»In orkonde der warheit hebben wij, vrouw Petronella van Praet, als moder, Wilhelm van Bronckhorst, freijher zu Battenburch und Slein, als broder, und Karl van Bronckhorst und Battenburch, herr von Berendrecht, Bruidengom, an eine, und Wilhelm van Flodrop, freijher toe Beckhum, herr zu Dalenbroeck, Odenkirchen und Biecht, als vader der Bruidt, Florins van den Boel zier, freijherr van Langkerack, und Odilia von Flodrop, frauw von Langkerack, eheleude, vur sich und von wegen der Bruydt, nn die andere seyden, als sachwalden und principalen magen und verwanten, so wyr tsementlich und jeder besonder, so viel uns einigsins aengaen mach, hier in gudtwillich bewillicht und geschlot-ten, diese gegenwortige heylichs vurwarden mit onsen angeboren Insiegelen bcvesticfet und daran wissentlich ce-
c, cJ ~
hangen, und auch gebeden die Edelen und Welgeboren Wessel van den Boelzlar, freijherr zu Asperen uud Langkerack, und Ballhasar von Flodrop, hern zu Leudt, Byckolt, Bulant und Eijsden, unsen lieven oemen und neflfen, dat sy nefFens und mit uns diese heilichs verschreibung, mit iren eygenen angeboren siegelen versiegelen und bevestigen wolken, welches wir Wessel vanden Boetzelar, freijher toe Asperen, und Balthasar van Flodrop, herr toe Leut, uff
(t) De oudste dochter, Odilia, koos Odenkirchen; de derde dochter, Alverla, nam zich Obbicht; toen bleef er voor de tweede dochter, Anna, later getrouwd met Hatlard van Palandt, de heerlijkheid Dalenbroek over. Het schijnt dat het pandschap van Reckheim met den dood van Willem van Vlodrop verviel.
â 20 â
begeren unseren lieven Neven, Nichten und verwanten, alsoe gerne gedaen hebben, om alle punclen und articulen stede und vast to onderhalden, wey vers. steit. Gegevenquot; etc. (1).
Viglius schrijft, den 23⢠Mei 1007, aan Hopperus, dat Dirk en Gijsbert van Bronckhorst en Batenburg, die toen pas gevangen genomen waren, de broeders waren van dien Batenburg, die onder den hertog van Savoije gediend had en in Frankrijk was krijgsgevangen geweest (2). Dat is hoogst waarschijnlijk Willem, heer van Stein geweest, üp die wijze verklaart zich ook hoe de Zwijger er toe kwam, om hem het commando over het legercorps van den weg-gejaagden Lumey op te dragen. De heer van Stein was, in deze veronderstellinsr, immers sreen nieuweling in den
c7 7 c? ö
krijgsdienst.
Anna van Bronckhorst, eene der twee dochters van Karei van Bronckhorst, was getrouwd met den Italiaan, Joseph Malagatnba (3). Deze bekleedde den rang van kapitein in het regiment hoogduitschers van Filips van Bentinck en was in 1386 commandant van het kasteel te Wel! (4).
§ 5. Filips van Bentinck.
Bij open brief van den 6quot;quot; Juni 1601 verleenon de aartshertogen aan Filips van Benlinck »die hooge heerlicheyt
(1) De plaats, waar het contract geleckcnd werd, slaat er niet vermeld. De acht ze.ae'.s zijn verloren. Op de zeven staarten dn; er nog aan hangen, leest men 1° vrow Petronrlla van Praet, (tweede verdwenen), 5° herr Karl van Bronckhorst, Brudigam, .lquot; Herr Wilhelm von Flodrop, freyher zu Reckhum, 5quot; Herr Floris van den Boetzlar, freyher zu Langkeragk, (!quot; Odilia von F odrop, vrow zu Langkeragk, 7quot; Her Wesscl, freijher zu Asperen, (achtste onleesbaar.) (Orig., op perk. R. arch. Ie Maastricht.) (2) C. 1'. Hov.nck van Papenduecht, Analectn Belgica: torn I, Pars sec. p. i28. De zoogenaamde kinderen van Batenburg, Dirk en Gijsbert. waren toen 23 jaren oud.
(3) Simon van Leeuwen: Batavia llhislrata, blz. 1009.
(4) Pnbl. etc. du duché dc Limb. t. XX, p. 60
â 21 â
van de alinge kerspelen van Doornick en Bessen, gelegen in de Overhetuwe, vervallen aen C0 raquot;quot;'1 by den dootlycken afganck van jonckheer Willem van Ardemberch, sonder maniyck hoir achier te laeten.quot; Uit den brie! blijkt, dat F. van Bentinck reeds tijdens het leven van Filips II hel verzoek gedaan had ora, lot belooning van bewezen diensten, dit leen te ontvangen, te meer wijl hij was «edelman vanden selven quartiere en in de selve heerlicheden rede-lycker wys geërfft.quot; Bovendien was «die verleeninge van cleijner importancie, als maer consisterende in Hooge Heer-licheyt, gevende meer eer dan proffyt.quot; Het eerste verzoek was indertijd tot advies verzonden geweest aan «meester Jan Puyn, richter der Stadt Niemegen, oyck adelicken Raedt van Gelrelandt,quot; doch het stuk was niet teruggezonden, wegens het overlijden van Puyn. Eindelijk werd er aan het herhaald verzoek voldaan, en ontving Bentinck, tot loon zijner «getrouwer diensten,quot; dit «man ot' sadelleen, ten gelresschen rechtenquot; te verheffen (1).
Uit een verkoopbrief, gedagteekend 28quot;quot; Juui 1608, en bezegeld, namens de schepenbank «der Vagdien Gelrelandtz,quot; door de «mytstoellbroeders Cornelis Broers ind Gerit Pae-pen,quot; blijkt, dat F. van Bentinck indertijd gekocht had van van «Julian Paelandt, heeren tho Issem, den alingen Ilors-manshofl', myt allen synnen beygehoer, fry und franck von pacht, tyntz, gewin uad gewerff.quot; Up gemelden datum verkoopt hij uit dezen laathof, met toestemming van zijn zoon Kaspar-Karel, en van zijn schoonzoon »Julian van Wytenhorst, heer tho der Horst,quot; aan den «ersamen Guerdten ter Porten, ter Alderkercken, und Entgen Kluede, synuer hoisfrouwen, eyn stuck laiidlz in Uorsmanshoff, haldende seste halff ferdell, seven royen, tyen voitt, who (zooals) dat selbige dnrch Johan Meissertz, schepen und geschworen
(1) Orig. op peikamcut. li. arch, te Maastricht.
landlmeler, dorgh torderonghe Johan Plenck, crafft synner Ibllmacht, ortenlich gemeten und affgepast, voer eyn somma van penningen, die Guert ter Porten und Anna Kluede eyndeyl op Kluickenhoff, als: ses und tachtentich daller, verschalen, und die ander rest, als: ses untwintich daller, twintich stuver, die beloeftde koepspenningen, ganss verricht und betalt hebben.
»Soe gelaven ich, heer van Bicht, voer mich und mynen erven, desses erftkoeps wehr und werschap, who (zooals) affkoeps recht is. Och (ook) soe ist in desen koep myt voerbehalden dat sy, kuepere, my ader mynen erven, jaers, op Horsmans sail plaitz, iho tyntz geven suyllen eyn talbaer hoen, und tho wynnen und the werffen, als eyn handt verstuerffi: magh die levende handt die verstorven handt wederomme moegen wynnen myt dobbelen tyntz, als: mit twe talbaer hoenner; soe beide hand versterven, soe moegen die naeste erven dye beyde handt, soe verstorven syn, weder ommb gewynnen myt twe dobbel tynssen. als: myt vyer talbar hoenner, und mehr nyt, und dat bynnen eyn jhaer ende sess wecken tho gesynnen ende wynnen, mytt laeten, heyer (hier) in der Vaghdien, op Horsmans sail plaitz, und widers nyttquot; (1).
§ G. Familie de Leerodt.
Maria-Anna-Augusta de Leerodt-Schmittburg trouwde in 1770 met Sigismond-Reinhard-Hugo-Joseph, vrijheer van Bongardt, heer van Wynandsrade, Paffendorf etc. (2).
Hendrik Prinssen, drost van Obbicht en Papenhoven, was gehuwd met eene zuster van jonker Wilhelm von Wicherding
(1) Grig., op perkara., zegels verloren. R. arch, te Maastricht.
(2) Jos. Strange; Genealogie der Herren etc. von Hung art, biz. 63.
â 23 â
zu Berscheii. Deze jonker stichtte een beneficium (kapelanie) in de parochie Raeven en stelde daartoe eene hypotheek van 1200 patacons op zijn erfgoed Berscheit. Na diens dood, maakte zich Hendrik Prinssen weigerachtig tot het uitbetalen der jaarlijksche renten. In 1732 beslistte de Raad van Brabant te Brussel, dat de erfgenamen van den stichter het kapitaal moesten aflossen (I).
§ 7. Topograpliische bijzonderheden en leenverheffingen.
Johannes Haspenghouwere kocht van Gerard van der Marck een eiland, gelegen aar. deze zijde (ab ista parte) der Maas, bij Rothem, naast Stockhem, groot 12 of 14 bunder. Het was allodiaal goed; maar Egidius Haspeghouwere, Janszoon, droeg het op in handen van den hertog van Brabant, en werd er meê beleend te Park, bij Leuven, in het jaar 1329 (2).
Naderhand deed ook Gerard van der Marck de verheffing van dit leen bij den hertog van Brabant (3).
»Ogerns, filius Johannis, dicti Voeght, de Trajecto, justi-ciam de Byechten, cum feodalibus, censuariis et pertinentiis suis, etc. Ogems de Haren relevavit hec bona quasi mam-burnus ipsius Ogeriquot; (4). Het is nochtans niet zeker of hier onder Byechten Obbicht moet verstaan worden.
Topographische kaart van Obbicht en Papenhoven. Zij werd ons medegedeeld door den Eerw. Heer S. Engels, rector te Grevenbicht. Alvorens de legende, die aan den voet der kaart in het Fransch staat, mede te deelen, maken wij een paar aanmerkingen ; 1° vóór 1643 liep de hoofdstroom der Maas reeds door de punten, genoteerd H. I.; dat bleek reeds uit het eind der hierboven geleverde
(i) Cn. Qmx: Der Kreis Eiipcn, blz. 128, v. (2) Galesloot, loc. cil. p. -15. (3) Ibid. p. 61. (4) Ibid. p. 218.
â 24 â
bijdrage tol de familie Vlodrop; 2° In 1643 heeft de hoofdstroom der rivier zich naar rechts verlegd en toen kerk en dorp weggespoeld.
Légende: A. A. A. A. A. Cinq ruptures de la digue, arrivées anno 1755.
15. I!. 15. 15. Limites entre Berg, pays de Juliers et Obbicht.
C. D. E. Lieux sur lesquels la Meuse passé avec beau-coup de violence, en cas du moindre débordement.
F. F. Plan et projet d'une nouvelle digue ii construire.
G. G. Alluvions liégeoises, a la place de l'ancienne situation du village d'Obbicht, lequel y a été emporté ci-devant.
H. Lieu, oü les eaux commencent ü manquer ü la super-ticie du terrain et faire mie valiée.
J. Bras que la rivière y a laissé de son ancien cours.
K. K. K. Vieille Meuse, encore actuellement coulante.
L. L. L. L. Endroits, oi-i les eaux, par H. J. et K. découlantes, doivent retomber et se jeter dans la Meuse.
M. M. Alluvions située au-dessus d'Obbicht, laquelle ne peut que fort peu et lentement accroitre, a raison quelle est exposée aux cours trop violens des eaux, qui viennent par les endroits marqués G. D. et E.
iN. IST. N. Bords et ilattes d'Obbicht.
O. 0. Vieilles battes d'Obbicht, siluées a l'autre cóté de la Meuse, depuis l'an 1740.
Carte de la terre franche d'Obbicht el Papenhoven, avec le plan d'une nouvelle digue h construire, pour arrêter, rompre et détourner l'impétuosité de l'eau, dressée anno 1755.
Gopié pai moi G. Gooien, géomêtre ii Ruremonde.
§ 8. Obbicht eene Rijksheerlijkheid.
Adriaan vrijheer van Virmond, heer van der Neerssen, keizerlijk krijgscommissaris, schreef den 10equot; April 1664
ULIEH5
J
'Ap
ENHQYEH
Ij E lJULisas
n
â 25 â
uit Keulen aan den heer en de ingezetenen van Obbicht en Papenhoven, dat zij zich den 23'' daaraanvolgend moesten doen vertegenwoordigen op hot klooster der Preêkheeren te Keulen, om er te accordeeren over hunne bijdrage in den oorlog tegen de Turken. De schout Caspar Uademacher verscheen er als gevolmachtigde. Obbicht moest de helft der kosten, benoodigd lot het onderhoud van een voetknecht, opbrengen, en betaalde voor één jaar rijksdaalder.
Ue W' de Bcrlo weigerde daartoe bij te dragen uit de goederen, die zij onder Papenhoven bezat, en zij protesteerde bij den Raad van Brabant te Brussel tegen de be-slaglegging, welke de justitie van Obbicht op die goederen gedaan had. Ue schepenbank kreeg hierover eene strenge berisping uit Brussel den 20lt;;â ' December 1GGT. Maar den 14cquot; Februari van het volgend jaar richtte hel keizerlijk Kamergerecht van Spiers, over deze inroeping van vreemde lechtsspraak, tot de W0 de Berlo eene citatio viulatae mrisdictionis Imperii, ut et mandatum de cassando et non evocando (I).
Gehoor gevend aan een verzoekschrift van de ingezetenen van de heerlijkheid Obbicht, schreef den 20c,, November iGTl keizer Leopold 1, uit Weenen, een briel (waarschijnlijk^ aan de Directeurs van den Westphaalschen Kreits, dal zij de aanmatiging van het geldersch hof ie Roermond en van den Raad van Brabant te Brussel moesten doen ophouden, op grond dal de uitheemsche leenroerigheid, niet noodzakelijkerwijs de erkenning van de opperheerschappij, noch de rechtsbevoegdheid, in zich sluit (2).
(1) Arch, van Wetzlar, nü 189, in het Rijksarch. te Maastricht.
(2) Bijlage VI.
§ 0. Gemeente.
Aan een request dat schout en schepenen van Obbicht den 2uL'n October 1757 aan de hooge regeering te Drussel inzonden, ontleenen w ij hel volgende ;
»Dat dese heerlyckheyt inet 28000 gulden capitael be-swaert is en daevat' do jaerlyxe intressen moet betalen, ende daerenboven eene jaerlvxe contributie van 270 gulden brab. aen haere Majesteit, beneffens 25 pattocons tot de hoffhaldinge; dat dese heerlyckheyt in desen oorlogh, door logementen, leverantiën en karvrachten, ontrent dryduysent
c? 1
pattacons schade heeft geleden.
«Dat de batten ende dycken deser heerlyckheyt soodanigh van tydt tot tydt syn worden geruïneert, dat daerdoor bynae een derde deel van haer territoir is afgespoelt.
«Dat hertog Karei van Lorraine, den 15 Nov. 1749, de helft dier contribution voor 10 jaer, en den 5 july 1751 de andere helft voor 7 jaer heelt quytgescholden, onder conditie dal die penningen aan de dijken werden besteed; dal daerenboven nog 4500 pattacons sedert 1749 lol 1756 aen batten en dycken zijn ten coste gelegt.
«Dat legen het aide hercoramen in do commandant van Ruremonde, sedert den 15 Augustus 1730 tol op vandaeg, de gemeente jaerlycx dwingt carwijen te doen voor de troepen tusschen Roermond en Weert, welcke karvrachten eenige jaeren 160, oft 180 ende meer pattacons jaerlycx aen de gemeente gecost hebben.
»ln dcscn jaare 1757 is tusschen dese heerlyckheyt Obbicht ende de stadl Stockem eene schipbrugge, vanden 22 April lol in Auguslo, over de Maese, tot passagio der franse hulptrouppen, geslagen geweest, ende t' sedert afgebroken zijnde, tot den 22 deses (Octob.) aldaer opt landt is blyven liggen; ter occasie van welcke brugge dese ge-
â 27 â
meente door alle karrevrachten, tol transport van broodt, vleisch, haver en allerhande gereedschap, soo voor de pontonneurs als voor de ('ransche detachementen, 446 gulden onkosten heelt gehadt. Ende alsoo de voors. brugge alsnu wederom ter selver plaetse geslagen is, soo heeft dese gemeente noch tweemael soo veel onkosten te vreesen.
§ 10. Kenigo pastoors van ObMclit.
1400. Everarclus de Goldsteyne, absens. Deservitor: Joannes Coper at.
1443. Henricus Wiricus, absens. Deservitor: .Joannes Cr ons.
1483. Pehus Gvrnjsen, studens Coloniae juri canonico. Deservitor: Joannes Uultermans.
1554. Thomas Odendael, absens. Deservitor presbyter sajcularis idoneus. !
Aegidius Miranda, 1027â 1673.
Pastoor Feller was, vóór zijne benoeming in 1745 tot pastoor te Obbicht, gedurende zes jaren huiskapelaan geweest op het kasteel Ie Born.
BIJLAGE 1.
Scheidsgerechtdijke deeling der nalatenschap van Dirk van der Donck te Sevenum.
â 1397 â
Allen luden dy deseii brief suelen sien ot ho...........oen, Wy
Wilhem, here to Druechusen, Ritter, Heinryck, here to Wickeraede, Hitter, Johan van Kessell, Ritter, Mathijs van Kessel, Ritter, Zibrecht, her [to Blit\tevswyck, Julian van Bruechusen, des heren soen van Bruechusen, was kont ende kenlyck dat wy, oin beden wille ende om ontheits wille, als verkooren segges lude ende scheytslude ende als vriende ende maeghe van beyden partyen, gescheyden hebben ende scheyden joufrouwe Nesen, eermaele wetlike wyt was Dirckx van der Donck, god genedich sy, Claes, Johan, Dirck, Lijnbetten ende Grieten, wetlicke kinder Dirckx vurs. ende joufrouwe Nesen vurs., van allrt alsulken erfenisse als joufrouwe Nesen ende hueren kinderen aengevallen is van doede Dirckx van der Donck vurs., in alsulker voeghen, dat Johan vurs. dy kereke ende dy pastoerschaep te Zevenheim hebben ende behaldeii saell, in voegen als dy brieve be-gripen ende in halden, dy Johan daerop hevet. Nort sael Dirck bezitten ende hebben aenden twee â muelen to Zevenheim, tot onderpande, wanneer hy tot synen mundigen daegen koompt, vur dusent gelres gulden, als inder tyt der betalingen genge ende geve suelen syn, of hondert gelres gulden daer aef jaerlix te geven, want ter tyt dat dy dusent gelrts gulden wael betaelt weren. \ort sael Lysbet, Dirckx dochter vurs., hebben ende behalden den hoef tgenen Kruchaem, mit alle synen toebehoer, vur acht hondert gelres gulden, to hilix lecht, tol einen onderpande, ende twe hondert gelres gulden, ot twintich gelres gulden, daer aef jaerlix te geven, want ter tyt dat dy twee hondert gelres gulden wael betaelt syn : allet alsulke gelres gulden als inder tyt der betalingen genge ende geve suelen syn. Vort sae Griet, die ander zuster, hebben ende bezitten den boel te Her sell,
â 29 â
gelegen inden kirspell van Heringa?} ende twe hondert gelres gutden, payement als vurs. is, of Uvintich gelres gulden daer aef jaerlix te geven, want der tyt dat dy twe hondert gelres gulden wael betaelt syn. Vorts saell joufrouwe Nese hebben ende behalden vyf ende seventich gelres gulden, des vurs. pavements, jaerlix aender teenden to Zevenheijm, tot huere tocht. Ende vorts sael Claes, huer aldste soen ende svn rechten erven, alle goet behalden, orabekrot ende onbekroent synre bruedere Johans ende Dircks, synre zusteren Lysbeth ende Grieten, of huere rechten erven, of yemants van huen.
(Daarna beloven de vier jongere erfgenamen dat zij nooit tegen deze regeling zullen opkomen.)
«Gegeven int jaer ons heren dusent dryhondert seven ende negentich
op sint.....quot; (Origineel, op perk , zegels verloren. R. archief te
Maastricht.)
BIJLAGE IT.
Dirk van der Donck doet afstand van zijne goederen te Sevenum ten voordeele van zijn broeder Claes en deze verheft ze voor Willem van Broekhuijsen.
- 1403 â
Wy her Willem, ritter, heer tot Bruychisen, doen kont allen luden dve desen bryelï soellen syen off horen lesen, dat voor ons komen is Derick vander Donck, Derichs witlike soen was vamler Donch, den got genedich sy, ende heefi't opghedragen ende overghegeven ende uitgegaen met hande, met monde ende myt synen vryen wille, inder lyt dat hy des mechtich was ende tot synen mundigen dagen komen was, Claes vander Donck, synen broeder ende synen rechten erven, all alsulken erffenis, goet, laeten, renten, jaergulden, hoeff, leenen ende tienden, kercgychten, beende, bosch ende broeck, als hem aen verstorven is van Devies wegen vander Donck vors. syns vader, ende boem naemaels aen versterven mach van Joffrouwe Nesen, sinne witkliker moeder, dat men af te samen haldende is te leen van ons her Willem voers., wie ghelegen syn inden kerspel van Zevenhem,
â 30 â
Claes vander Donck, synen broeder ende rechten erven. Ende Derick vors. is alle deser vors. erffenis, goel, renten, laeten, jaergulden, hoeve, leenen, teenden, keregychten, beende, bosch ende broeck uytgegaen voer ons her Willem voers., als voer enen rechten leenheer, ende heell't daer oji vertegen, ende heell't hoem ende syn erven daer ali' onterfït tot ewigen dagen toe, ende heell't Claes ende syn erven daeraen gheërfft. Ende wy her Willem vors , leenheer, hebben Claes voers. all dese vors. erven, gueden, renten, juergulden, hoeve, leenen ende teenden, kercgychten, beende, bosch ende broeck vors., met all horen toebehoren, beleent, met vvyllen Derics vander Donck voers., want hy tot synen [mundigen] dagen komen is. Ende ick Willem vors. heb Claes vors. all dese vors. leen beleent, als een leenheer, van recht, sculdich is te doen, in aire vorwaerden ende recht als Derick vander Donck, hoer vader, dat van ons her Willem voers. te leen plach te halden, beheltenis Ons her Willem ende onsen erven ons rechts ende leens aen allen desen vors. leenen ende gueden, tot ewigen daegen toe. Ende hyer over ende aen syn geweest Johan van Dnnjchusen, geheeten vander Gonden, ende Johan vanden Bulck, mynmau (1) Daer wy her Willem vors. Claes voers. all dese vors. leen beleent hebben tot allen leenrecht ende soellen hoem daer aen halden tot ewigen dagen, want Derick vors. dit gedaen heelft myt synen vryen wille, in aire maniren als vors. steet. AU argelist, quade, nye (2) ende aide vonde, all lieholp geistli\ olï wereltlix gerichts, ende allet dat desen vors. Derick ende synen erven tgeghen desen bryeff vorderen mach, uytgescheiden ende all' gedaen in dese vors. saken. In orkunde der waerheit deser vors. saken, ende want wy her Willem vors , leenheer, willen dat sy vast, stede blyven ende wael gehalden werden, tot ewigen dagen toe, so hebben wy vor ons ende voer onss erven ons zegel, myt onsen vryen, vordachten wille ende met onsnr vordacht wetenheit, aen desen brielT ghehangen. Ende wy Johan van Dnnjchusen, geheiten vander Gonden ende Johan vanden Bulck, als man ons lyeven heren vors., hyer over ende aen geweest hebben ende ons dese saken kundich syn, so heb wy, om beden wille van alle partien, onss zegel als man vors., by ons leenheren zegel voers. aen desen bryelï ghehangen. Gheg. int jaer ons
(1) Bemiddelaar. (2) Nieuwe.
heren dusent vyerhundert ende drye, des neesten raanendages vor sunte margareten dacii. (Origineel, op perk., zegels verloren. R. arch, te Maastricht.)
BIJLAGE III.
Scheidsgerechlelijke deeling lusschen Jan van der Donck te Sevenum en diens voor- en nakinderen.
â 1469 -
Wy Jan van Erpe, Gerith ind Louff, Jeger, gebrueder, ind Derick van Haeren, doin kondl ind bekennen myt desen apenen brieve, dat wy als mage ind vrunde, online swaerheit, last ind ongonst tusschen gebruederen ind gesusteren te verbueden, soe voill des in onss is, een mynlieh magescbeit ind eriïdeilinge geuiaeckt ind gescbeyden hebben, als myt naenien tusschen Claes vander Donck ind beren Geerlaich vander Donck, gebrueders, echte kynderen Johans vander Donck, Ritters, die by by jouffrouwen Ilenric van Hoeve, wilicke heren Jobans voirs. elige huysvronwe was, selliger gedachten, ain die een, ind vrouwe Alart, echte dochter F [ranch l'iecken, nu ter tyt rechte huysvrouwe oick is beren Johans vander Donck voirs., joul-frouvve Margrieten ind joufl'rouwe Cornelien vander Donck, gesusteren, beren Johans ind vrouwe Alarls voirs. elige kynderen, ind oeren rechten momberen, ain die andre side, in maten bier nae bescreven: Te weten dat Claes ind here Geerlaich, gebruederen voirs., terstont na doede heren Johans vander Donck, oirs vaders voirs., hebben, behalden ind ainlangen sulion ind moegen alle sulcke erflleenguede, lyffgewinne, tzynse, molenpechten, laetgueden ind alle andere eilTguede ind gheysteliche gjften, soe waer ind woe die inden kerspel van Zevenheim gelegen moegen syn, gelyck ind als die solve here Johan voirs., op dach data des lirieils, in noot ind bruyekweeren heet, uyt-gescheyden alle alsulke rnakingbe als her Johan voirs. uyter den gueden, die by voirtyts der joulfrouwe van Heynsbergh af gegolden ind daer voirt, in die gaits ecren ind der armer beboeff, dair uyt gemaict heefi't, off dair uyt noch makende mach werden, sonder
â 32 â
argelist, sulcke Claes ind here Geerlaich voirs. allet vast, stede ind onverbrekelich halden sullen. Ind soe dan jou (Vrouwe Katheryn vander Donck, cloister juffrouwe tot Herkeur aide, oick twyntich malderen roggen, bruss. maeten, tot oeren lyfftochten, ind jouffrouwe Hille vander Donck, cloister julTromve tot Nymegen, vyfftien Ryns. gulden, tot oeren lyfftochten, oick uyter den voirgem. gueden tot Zevenhem jaerlix geldende hebben, die selve lyfftochten voirs. sullen Claes ind her Geerlaich voirs. oick betaelen, of jouffr. Kathryn ind jouffr. Hille, nae doede heren Johans, dat beliefden; ind na der jouffrouwen voirs. doede, soe sal die voirs. iyfftocht dan wederomme ain Claes ind heren Geerlaich voirs. ind ain oeren erven vervallen, sonder argelist; ind vrouwe Alart ind oere twe dochteren voers. en soelen mytter selver lyfftochten oick niet te scaffen hebben. Oick sullen Claes ind her Geerlaich voirs. den hoff tot Vinckraide, als die inden kerspell van Greveraide gelegen is, ind all sulcke kerckgiffte ind rechte tot Cointsheim (1) hebben, soe her Johan, oirer byder vader voirs., daer op, dach data des brieffs, toe gerechticht mach wesen; ind vrouwe Alart ind oere twee dochteren voirs. sullen den voirgem. Claes ind heren Geerlaich vander Donck, gebrueders voirs., dese voirgem. guede vrien van aire scholt, dair sy alsdan, na doede heren Johans voirs., mede bezweert moegen wesen; dan oick uytgenomen, hedde yemants van geestelichen off weerlichen personen van altz enige jair-gulden, tzyns, of pechte dair uyt geldende, die en sulden vrouwe Alart ind oere dochteren voirs. nyet te scaffen hebben, sonder argelist. Dan vrouwe Alart ind oere twee dochteren voirs. sullen nemelich ver-nuegen ind betalen die jouffrouw vanden Egenen, soe wes men oir schuldich were te doin, ind oick Johan Tengnagel, genuympt Kortjan, na inhalt synre brieven, dair hy vyff morgen lants, off dair ombtrent, ain sinen handen voir te pande stainde heet; ind voert Griet van Sceelberch ind Henrick van Nuymhem te voldoen, na inhalt oeren brieven; ind voirt aen alle witliche ind bewyssliche scholt, die her Johan vander Donck op die voirs. guede sculdich were te vernuegen, ind die aff te stellen, buyten hynder ind schade Claes ind heren Geerlaichs, gebrueders voirs.; ind hyer en thegen sullen Claes ind her Geerlaich voirs. Arnt van Oge, Greve tot Upbergh, oeren swager, (t) Naam onduidelijk geschreven: Comntsheim ?
â 33 â
vernuegen ind betaelen, na doede heren Johans, oiren vaders voirs., alle alsulcke negenhondert Ryns. gulden, als hem, na inhalt synre hilixvoirwarde, verscreven syn, buyten hynder ind scade vrouwe Alarts ind oerer twee dochteren voirs., sonder argelist. Ind dair toe sullen Claes ind her Geerlaich, gebrueder voirs., oick vrouwe Alart vander Donek ind oeren tween dochteren voirs., nae dode heren Johans voirs., vernuegen ind wail betalen sevenhondert golden Ryns. gulden, off die weerde dair voer ain anderen gueden pagh (1), als nemelich driehondert Ryns. gulden bynnen den neesten sinte peters dage ad calhedram, bynnen een jaer, nae dode heren Johans voirs., sonder einige pachte dair van te geven, ind twe hondert Ryns. gulden van den Sinte peters dage ad cathedram voirs. aver twee jair, myt vieren-detwyntich brus. malderen roggen, tot Grave te leveren, ind noch twee hondert Ryns. gulden vander sommen voirs., van den Sinte peters dage ad cathedram voirs. aver drie jair, myt twelff malderen roggen, der maeten voirs., oick tot Grave te leveren. Ind see als her Johan vander Donck ind vrouwe Alart voirs. den huysraet tot Erpe, den Claes ind Geerlaich toe behoirden, gebruyet, genoot, versleten ind hem afhendich gemaict hebben, dair voir sullen die selve, Claes ind her Geerlaich voirs., na dode heren Johans, oers vaders voirs., behalden den huysrait, opten buys tot Zevenhem wesende, als die huden, op data dis brieffs, dair op is, ind den niet te verargeren. Oick sullen hoin korten viertich golden Ryns. gulden ainden iersten somme vanden driehondert Ryns. gulden voirs., te weten dat die ierste somme dan syn ind bliven sal tweehondert ind tsestich golden Ryns. gulden; voirtaen sullen vrouwe Alart vander Donck ind oere twe dochteren voirs., na dode heren Johans vander Donck, oers huysheeren ind der twe dochteren vader voirs., hebben ind erffelich behalden alle alsulcke geit, gehalt, profyt, genot ind opkominge als her Johan voirs. op dat Ample tot Grave ind des lants van Kuyck, huden op data des brieffs, stainde beeft. Oick sullen vrouwe Alart ind oere twee dochteren voirs. behalden dat buys ind holï tot Grave, als her Johan voers. dat tegen den Eerweerdigen Abt ind Convent des cloisters van Sinte marien weerde gekoft heet, dat inder vriheit vanden Grave gelegen is. Oick sullen vrouw Alart ind oeren twee
(1) Payement.
dochteren voirs., na dode lieren Johans voirs., hebben ind behalden alle erlïenisse ind guede inden lande van Kuyck gelegen, uytgenomen oil her Johan voirs., totter eeren gaitz of tol behoeff der armen, uyter den holl ind guede, geheyten die thoeven, yet makende worde, sulcks snlde van weerden wesen ind bliven, buylen yemants hynder oil bekroene. Noch sullen vrouwe Alairt ind oere twee dochteren, na dode heren Johans voirs., hebben ind behalden alle verscheenen pechten, die tot Zevenhein ind vanden hove ten Vinckraide vervallen ind verschenen weeren, ind oick alle anderen reede guede, te weeten; dat koerne opten hoeve dat af gemeydt weere voer beren Johans voirs. sterffdach, ind oick alle scholt die men heren Johan voirs. sculdich weere, ind oick alle reet gnet, huysraet ind have tot Grave, oil inden lande van Kwycke, off soe wair dat gelegen weere op sinen sterffdach, beheltelick dat Claes ind her Geerlaich voirs. alle beesten, als: peerden, koyen, schape ind verken, als opten hove inden voir-horch tot Zevenhem ind opten hove then Kruycheim weeren, behalden sullen, welke hoeve voirs. men, sonder argelist, reedelich mit beesten hesat lalen sal; Oick beheltelieh ind uytgesceyden off jouffrouw Mechtelt vander Donck, heren Johans vander üonck voirs. moeder, aflivieh worde ee (I) heren Johan, oeren soene voirs., alle alsulcke guede alsdan heren Johan voirs., van dode synre moeder voirs., ain quemen, die sal by bruyken ind genyeten, ind die erftale, nae svnre dode, laeten gain, nae rechte ind ervalle der heyliger kerken, nae leenrecht, statrecht ind lantrecht, ther plaetsen dair sy gelegen weeren, hoeffden ind hoirden; uytgenomen soe, na dode jouffrouwen Mechtelt voirs., Sander- vanden Egeren, of sinen kynderen, vyffhondert Ryns. gulden sculdich is te geven, ind soe jouffrouwe Mechtelt voirs. noch vorder beschuldt is, soe sal ind mach her Johan voirs. soe voill van oeren nagelatenen erlTguede dan vercopen, dair men die selve vyffhondert Ryns. gulden, ind soe wat sy meer bewysselich sculdich weere bleven, die dair mede te betalen, ind soe, dat vrouwe Alart ind oere twee dochteren voirs. die scolt niet sunderlings te scaffen hebben en sullen, dan soe voill vrouwe Alart oil' oere dochteren, nae oeren aindeel des vervals, dair van ainclevende is, sonder argelist. Mede is bededingt, oll't sake weere, dat her Johan vander Donck (.1) vóór.
vnirs. tot enige lasten van gefenckenscappe off anderen kenlichen lyffnode queeme, snicker got verhueden' will, dair hy toe syns guets behoifllich vveere, dat sail die selve her Johan voirs. neemen gelyck halff vanden gueden die Claes ind her Geerlaich vander Donck voirs. toe gescheiden syn, ind die andere helffte vanden toe gescheiden gueden vrouwen Alarts ind oerer tvveer dochteren voirs. Voirt ist mede hededingt, oft sake weere dat jouflrouwe Margarita ind jouf-frouwe Cornelia, heren Johans dochteren voirs., alllivich worden, off enich van hen beiden, sonder echte, wittige, blivende gehoerte, soe sullen alle oeren gnede weder omme gaen ind erven den wech dair sy heer komen weeren, als nemelich: die guede die van heren Johans wegen voirs. gekoemen weeren, die sullen weder omme erven ain heren Johans voirs. rechte erven, dan off sy yemants dair ain ge-tuchticht bedden, beheltelich den selvcn syns tochtrechts te behalden, sonder argelist. Mede is hededingt, sulcke scholt, kommer ind be-zweernisse, als opten gueden Uien Heytraick ind te Herzell steet off gemaict weere, dat des vrouwe Mart vander Donck ind oere twee dochteren voirs. oick niet te schaffen of dair mede te doin hebben en sullen. Ind alle voirs. puncten sonder argelist ind ongeveerlich. Ind want wy Johan van Erpe, Gerith ind Louff' die jegher, gebrue-deren, ind Dirick van Haeren, als mage ind vriende, dit voirs. magescheyt als gecoeren segslude ind gescheidslude voer een mynlich magescheyt ind erlldeylinge deser voirs. partien, uyter der selver partyen begheerten, erffelich gescheyden hebben, deren elcker syn magescheits brieve in maten voirs. heel't, hebben wy, des te orkonde, elcker van ons, gecoeren segslude voirs., onse segele, in geluychenisse der waerheit aire puncten voirs., ain elck deser magescheyts brieven gehangen. Ind want wy Johan vander Donck, Ritter voirs., vrouwe Alart, syn elige huysvrouwe, Willem van Marwyck, als momboir jouffrouwen Margrieten (1), die elige dochter is heren Johans ind vrouwe Marden voirs. synre huysvrouwen, ain die een, Ind Claes vander Donck, heer tot Obiecht ind heer Geerlaich vander Donck, Doymheer Eulrechl, gebruederen, ain die ander side, dit voirg.
(1) Bij B011 L. de Herckenrode : Collection de tombes, épitaphcs elc., p. G20, komt voor: Arnold de llochollz, seigneur de Tongerlaer, t'iiousa Jeanne de Menuyck de Kessei, dont la mère: Dunck.
â 36 â
magescheit ind eriïdeylinge, gelyck voirs. sleet, malckanderen myn-lichen halden willen, gelyck onse mage ind vriende voirs. dat op dach data dis brieffs, tot onser beeden ind begeerten wille, gemaict ind geseheyden hebben, die wy dair voer dancken, hebben wij partien voirs., elck van ons, onsse segelen ain desen magescheits brieven, by onsser magen ind vrienden voirs. segelen, oick in getuychenisse ind stedicheit aire puncten voirs., mede gehangen, geloevende onder den selven onsen segelen, op eenre peenen van dusent franckrycsche alden srilden vervallen te wesen, dat een dordendeel tot behoelT des heren vanden lande, dat ander dordendeel tot behoef!' der gecoren segslude voirs., ind dat dorde dordendeel tot hehoe!T der haldenren partien (1) voirs., gelyck wy dat oick voir den Scepenen te Grave verwilkort ind verpeendt hebben, Alle puncten des magescheits ind erffdeilinge voirgeruert, soe voill elcken van ons partien voirs. dat aintreffen mach, malckanderen volkomelich ind mynlich voltrecken ind geloofflich halden sullen ind te doin halden, dair niet tegen te doen off te doin doin in eniger wyss dan opter peenen voirs., sonder argelist. Gegeven inden jair ons heeren dusent vierhondert negenind-tsestich, des Saterdages, na den heyligen Cruys dach Inventionis. (Origineel, op perkament. Zegels verloren. R. arch, te Maastricht.)
BIJLAGE IV.
Vidimus-brief der schepenen van 's Hertogenbosch (gedagleekend rquot; Februari 1377), betrekkelijk eene transactie in 1340 door Dirk van Hom, heer van Cranenhurg, aangegaan met de familiën de Uoovkk, Kok van Nederijnen, van Hevi.ix en Cnode.
Nos Woltherus de Erpe et Johannes de Erpe, scabini in Buschoducis, notum facimus universis, quod nos literas scabinorum de Buschoducis infrascriptas, non cancellatas, non aboletas, non abrasas, nic in aj liqua] sui parte viciatas, sed veris sigillis eorumdem scabinor[um in iijsdem Uteris contentorum sigillatas, vidimus, tenuimus, ac de verbo ad (1) Der aan het contract getrouw blijvende erfgenamen.
verbum legi audivimus, hunc tenurem continentes; dns Theodoricus de Huerne, dns de Cranenborch, miles, palam recognovi[t et projmisit, ut debitor principalis, super se et bona sua, Jolmnni dicto Rover, filio quondam dni Theodorici Roveri, militis, ad opus dicti Johannis atque fra[tris? fratrura?] ejusdem Johannis, Nee non ad opus dni
Johannis.........[dic]ti, ecclesia} de Wansem presbyteri, dni Johannis
dicti Koe de Nederynen, militis, Johannis de Heyllu, fratrura quoque et sororum Johannis de Hejllu, liberorum quondam Emondi Rover, nee non............ dicti Cnode, quorum nomine videlicet dns Theodoricus antedictus, cum Uteris, scabinorum de Buschoducis sigillis sigil-latis, in quibus dudura dns [ Wi]llelmus de Buscho, miles, ipsi duo
Theoder[ico] ..........am magnara pecunie summam promisit, ut
dicebatur; aut eciam aiiquis alius qui easdem literas de manu prelati
dni Theodorici acquirere poterit in futurum, ......dictos, Johannem
dictum Rover, ejus ............... em de tula, dnni Johannem, dictum
Koe, Johannem de Heyllu, fratres quoque et sorores ejusdem Johannis de Heyllu, ac Geerlaeum dictum Cnode, quo ad [oninija eisdem jam
dictis creditoribus................o in ipsius testamento legata, seu de
morte ejusdem dm Willelmi ipsis creditoribus prefatis, jure succes-
sionis hereditarie advoluta, sola.......ac tantundem et de null........
......................... movere valebit, aut aliquo modo vetare. Teïtes
interfuerunt scabini in Buschoducis Bertholdus de Hoesden et Petrus
de Waderle. Datum feria quarta post diem................ [anno] dm
millesimo CCCmü quadragesimo sexto. Quibus Uteris sic a nobis visis et auditis, ut principaliter constituti coram nobis: dns Ar noldus Rover, dns Rieoldus Koe, dns Thcodorieus Rover, railites, Theodoricus, filius quondam dni Johannis Rover, militis, et Henricus Cnode, palam recognoverunt dictas literas fore in quadam cista, consistente in domo habitationis dicti dni Theoderiei Rover, sita in Buschoducis, ad forum. Quob quidem cista habebit quatuor claves; de quibus vero quatuor clavibus dns Arnoldus Rover unam, dns Rieoldus Koe, milites, imam, Theodoricus unam et Henricus Cnode unam clavem habebunt et obti-nebunt. Ita videlicet, quod nullus eorum, alio absente, dictam cistam veleat aperire [nisi] antedicti dni Arnoldus, Rieoldus, Theodoricus,
â 38 â
inilites, Theodoricus et llenricus, ut debitores principales, inutuo. Quod si aliquis ad dictas literas presumens, prefatis Uteris indiguerit, extunc dicti quatuor clavigeri cmn dicto dno fheodorico equaliter dictam cistam aperient, et indigcnti dictis Uteris easdeiu literas porri-gent et concedent, et cum is, cui dicte litere porrede fuerint, opus
suum .........perfecerit, extunc ipse easdem literas integras et illesas
dictis quatuor clavigeris porriget, et ipsi clavigeri predicti dictas literas, cum dicto dno Theodorico Rover, in dicta cista icponent. Ibidem, et sub eorum custodia, post, antea luerint, permanserintque. In cujus rei testimonium Nos Woltherus et Johannes, scabini predicti, sigilla nostra presentibus duximns opponenda. Datum autem visionis istius, in prefesto purificationis beate marie virginis, Anno domini millcsimo CCCmo septuagesimo septimo. (Origineel, op perkament, zegels verloren. R. arch, te Maastricht.)
BIJLAGE V.
Vidimus üff' den brielf, dair innen her Johan van Loen ind her zo Hensberg Guddartten van Flodorp, herren tut Leuth, die werden zo Bicht vür 1000 reinmhe gulden pant-geweisz in gebrauch gifft, anno 1438.
Wir Dederich vain Kruehtein, richter, innd Itnbet vain Dorsdaele innd Johain Mariell, Sclieffen der stalt Ruremundt, doen kondt aller mallich, ofl'entlichen betzugende innde bekennende, das der Erentveste innd vrome Wilhelmen van Floedroff', hern zu Dalenbroich etc., uns l'ur halt braicht, sein innde hoeren laissen einen pergamentz briefi, mit drij anhangende tzegelen betzegelt innd ungecanselirt an schrifltein innd segelen, ouch sus sonder allen anderen archwanyge vielen innde suspicien, sprcchende ulï die werde zü Grevenbichl, inhalt dis schvnn brills, begerende innde gesynnende van uns innd dor uns innd dor over cyn Vidimus innd transsumpt schriven zu laissen, innd mit onsen anhangenden zegelen zu besiegelen, umb dem selven Vidimus und transsumpt, bynnen innde bussen gericht, glich dem originalle hoifl
â 39 â
brieff, geloven zu geven. Unci volght der selver briell', vain worde zü worden hir nae geschreven, innd luidt alsus:
Wyr Johan van Loen, hern zü Hensherch innde zü Leivenbercht etc., doen kündt innde hekenne vür üns innde ünse erven, init deisen effenen brieve, dat vvir rait goeden.... raide, ind ümb redenen wille, üns dor tzo berürende, Goedarde van Floedroff, here zo Leulh, alsnlcke werde zü Biecht (1) gehorende, init namen ünsen werdt van hodries, item der küwerl van hoidries, item smeels wert, item vergudelen wert, item dat kleyn wertghen, item der gans vert van Biecht innd Stockem, versait innde verbonden haven, ind mit desen ünsen brieve versetzen innde verbynden vür düsent rcinsche gulden, mit alsülcher vürwerden, dat der vürs. Goddart die vürs. werde, ind wes dar all kompt, gebruchen innde in synen ürber keren sail, aen (2) eynicherleye
reiden (3) off ....... üns off ünsen erven dar aff zü doin, bisz zer
tzit dat wir, off unse erfgenamen, Godarde ol' sinen erfgenamen betzalt innde uysgericht soelon^hain düsent reinsche gülden, mit ther jair rentten, asz wir, off uns erven, dat loesen werden. Ouch is vürwarde, dat Goddart vürs. den ghenen den wir die vürs. werde verhuert off verpacht haven, yren toust van jaeren halden innde ge-brüchen sal laissen, innde desgelix asz die tzit kompt, dat Goddart vürs. kompt die vürs. werde zü verluieren off zü verpachten, asz dat gewontlich is, innde wir, oil ünse erven, dan dat loiseden mit düsent reinsche gu'den,- mit der jair rentten, asz vürs. is, so süllen wir, off ünse erven, denselven lüden, den Goddart die vürs. werde verhuert off verpacht sail haven, yren toust van jaren halden innde gebrüchen lassen. Ayn (2) arglist. Innd des zü ürkündt haven wir ünsen zigel an diesen briell' doin hanghen; innde zü merer sicherheyt haven wir gebeden ünsen lieven, gemynden hern ind soin Johan, hisschoifj zit Lütge, hertzoiche zo Bullion innd greve zü Loen, innde ünsen lieven eldsten soin zü Hensherch innd zü Lewenberch etc., dat sy dit mit üns zegelen willen, dat wir Johan, büschoff zü Lutge, herzoiche zü Bullion innd greve zü Loen, innd Johan vain Loen, eldeste soen zü Himberch innd Lewenherch vürs,, zer beiden innd begertten uns lieven hern innd vaiders, genie gedain ünde ünse zegele hier an gehanghen haven, im jare üns heren düsent vier
(1) Gixvenbidit. (ij Oline. i5) Heden, ickenschap.
â 40 â
hondert achtinddrissich, des sevenlhienden daiclis in februario. Unnd want wik Dederigh van Cruchtem, richter, Rahet vain Dorsdaile
innd Johan Martel, scheffen viïrs. den üpgemelte brieve ...... dit
vidimus ..... innd dat ein rait dem anderen glich overdragende be-
fonden, zu (i) haven wir, des zü ürkündt der warheyt, ünse zegell, zer begertten innd gesynnens des vürs. Wilhehns von FloidroiHs, an diesen brieff gehangen, indem jair üns heren düsent vünffhondert innd vierinndtzwantzich, üll donnersdaich des neuninndtwintichsten
daichs septerabris.
sCopiam prescriptam ne verbo quidem discrepare a suo vero et non viciato originali proiitetur Bado de Gravia, sacra iniperiali aucto-ritate Notarius et Scriba civitatis Ruremundensis publicus, hoe suo usus chirographo.quot; (Origineel, op perkament, de drie zegels verloren. R. arch, te Maastricht.)
BIJLAGÃ VI.
Missive waarin keizer Leopold I verklaart, dat Obbicht eeue rijks heerlijkheid is, en niet ressorteert onder het Gel-dersch hof van Roermond, noch onder den Raad van Brabant te Brussel.
â 20quot;quot; Nov. 1671. â
Leopoldus etc.
Ex adjunctis, cum libelli supplicis, nobis nomine imperialis Dominii Obbicht et Papenhoven humillime exhibitum (2), litterarum etiam, a Scabinatu civitatis et sedis nostra imperialis aquisgranensis earn in rem dataruni, copiis pluribus, videbitis quie ad nos querelae deterantnr; quod, licet memoratum dominium, cum ratione collectarum circulo iniperiali Westphalico, tum in contentiosis causis dictae sedi nostrae iniperiali, (testibus tam matriculis et documentis quam actibus contri-butionum et contentiosa; jurisdictionis adhuc quotidianse), subjectum,
(1) Zoo. (2) lees: exhibiti.
tarnen ab aliquo jam tempore cancellarius et consilium geldrense, sub pretextu, ac si ex semisse (1) geldro-sutphanicum, adeoque extraneum feudum esset, non uttento quod fendum extraneum nullam tribuat jurisdictionem aul superioritatem, in ipsius sedis nostra; imperialis aquisgranensis, ejus denique notorice jurisdictionis prcejuditium, juris-dictionales ejus causas ad lorum suum evocare atque pertrahere attentent, deraisse supplicando ut, authoritate nostra Ca;sarea apud vos interposita, incompetentes ejusmodi evocationes atque collectationes sistere, suumque hac in parte patrocinium suscipere clementer digna-remur: Nos ituque ejusmodi precibus, quod aïquitate ipsoque jure gentium nitantur, quodque sacri imperii ejusque membrorum ac imprimis diet® sedis nostras imperatoriai in suis juribus conservatio nobis quam maxime curae sit et esse debeat, baud gravatim locum dantes, vos benevolenter requirimus, ut memoratas evocationes, impositiones, collectationes aliaque id genus gravamina, utpote cum nostro et autboritatis nostrae dictique Dominii praejudicio suramo conjuncta, sistatis, nee ejusmodi molestationibus eos in posterum gravari permit-tatis, sed potius, quo jure suo libere uti sinantur, predictis cancellario et consilio geldrensi serio districteque injungere velitis. ld uti asquitati consonutn, sed ad bonam amicitiam atque vicinitatem conservandam opportunum visum est. Nos, quod reliquum est, gratise nostrae csesareae ali'ectum clementer vobis conlirmarnus, Viennas, 20 Novembris 1671. Erat signatum ; Leopoldus (2).
(1) Semisse âsemiâesse. Obbicht was voor de andere helft Loonsch, wat de leenroerigheid betrof. (2) Deze brief van den keizer was waarschijnlijk gericht aan de directeurs van den Westphaalschen Krcits.
Erratum. Op blz. 96 staat: jouffrouw vanden Eijenen, lees: vanden Egeren.
TWEE PROCESSEN
OVEIl DE
rijksheerlijkheid Leuth.
1'. Proces van Adriaan-Balthasar baauderlieer van Tlodrop, lieer van Leuth en Well, tesen Werner van Bongart tot Paffendorf, heer van Wij-nandsrade, en diens oudsten zoon Willem van Bongart.
Willem van Vlodrop, die in 1562 aan zijn vader Bathasar opvolgde als heer van Leuth, was getrouwd met Joanna von der Veltz, nit Luxemburg. Hij koos de partij van \\illem-den-Zwijger; uit aien hooide werden de goederen, die hij bezat in de spaansche Nederlanden, zells de rijksheerlijkheid Leuth, in I08I (1) aangeslagen door den prins van Parma. Tegen deze laatste beslaglegging kwam hij op bij den Keizer, met het gunstig gevolg, dal hij reeds in 1585 (2), als in het bezit dezer heerlijkheid hersteld, wordt aangetroffen. Zijn kasteel bleef ecliler nog lang eene Spaansche bezetting behouden. Door zijn rentmeester Vussen (Servatius) Dries liet hij op het voogdgeding, dat den 'IS-0 September 1594 te Leuth gehouden werd, aanvragen, dat
~Ã) Lieuwe van Aitzema ; Saken van Staet en Oorlogh, (Tweede uitgave), V^ D. blz. 322. (2) Blijkens schepenregisters van l.eulh, staals-arch. Ie Maastricht, trad in dal jaar voor het schepengerecht Ie t.euth herhaaldelijk op Severin Rademecher, sfcretaris der schepenbank van ühbicht, als pleitbezorger van Willem van Vlodrop. Hademecher bleef steeds de advocaat van dezen heer, cn ook later van de vrijvrouw weduwe.
de inwoners van Leuth en Meeswijk in het onderhoud en de soldij dier bezetting zouden voorzien. De verzamelde inwoners erkenden, onder dankbetuiging, dat zij door de bemoeiingen van den heer, in den laaisten tijd van inkwartiering waren verschoond gebleven, en besloten, hem, om die reden, te vereeren met honderd hollandsche rijksdaalders, maar zij verzochten tevens, dat (met uitzondering van de herbergiers), voortaan de particulieren zeiven hun bier vrij mochten brouwen, gelijk het in de naburige heerlijkheden het geval was, en dat zij niet meer gedwongen werden, hun bier te halen in het panhuis van den heer. Hij overleed omstreeks 1603 te Leuth. Alhoewel Adriaan-Balthasar van Vlodrop, als oudste zoon, de leenverheffing deed te Valkenberg, den IGen Juli van laatst gemeld jaar, bleef de moeder nog een jaar ot tien, waarschijnlijk tot aan haren sterfdag, de heerlijkheid besturen. De kinderen bleven bij haar te Leuth, althans de ongehuwde.
Den 12Cquot; November 1613 deed de tweede zoon, Jan-Willem van. Vlodrop de verheffing van Leuth, voor het leenhof van Valkenberg (I). Over hem, als heer van Leuth, vonden wij in een los stuk het volgende: voor het leenhof van Curingen had hij den 26en September 1614 een vonnis verkregen te^en sfraat Maximiliaan van Broncklwrsl, heer van Slein. De zaak, waarover het geschil liep, wordt in ons stuk niet vermeld. Den 'li⢠October daaraanvolgend appelleerde de heer van Stein aan het Keizerlijk Kamergerecht van Spiers. Hij betwistte aan het leenhof van Curingen de bevoegdheid in de onderwerpelijke quaestie; bijaldien het echter competent geweest was, dan wilde hij zijne stappen beschouwd hebben als een hooger beroep eens dotnini immediati a judicia jiarium an uns (den Keizer) und unser Kays. Cammenjerichl, ah judicium immediahm. Den
(1) Jos. Haiiets: Leenhof en Leenen van Valkenburg, tilz. 117.
_ 44 â
20° dcrzeltde maand dagvaardde Keizer Mathias unseren unci des Heiclis lieben unci getreuwen Johan Willem van Flodorff zu Leuth, om op den 30equot; dag, na ontvangst van het exploot, te Spiers te verschijnen.
Na het kinderloos overlijden van Jan-Willem van Vlodrop, ging de heerlijkheid van Leuth over op den derden zoon, Otto-Hendrik. In het jaar 1616 stelde deze bij testament tot zijn universeelen erfgenaam aan zijn neet Willem van Bongart, den oudsten zoon zijner zuster Anna-Catharina van Vlodrop, sedert 1597 gehuwd met Werner van Bongart tot Paffendorf, heer van Wijnandsrade. Volgens hetzelfde testament moest de drost van Leuth, Adam Dries, levenslang bewindvoerder zijn der erflating, en ontving diens zoon eene landhoeve (l) van groote waarde. Otto-Hendrik van Vlodrop bezat 1quot; de waardigheid van erfbaanderheer in Luxemburg, 2° hof en meijerij te Zessingen, 3quot; het Huis Moerstorf, 4° het kasteel Veltz, 5« het achtste gedeelte van het kasteel Befort (2). Dit waren de Luxemburgsche goederen. Verder bezat hij 6° de rijksheerlijkheid Bycklwlt en 7° de rijksheerlijkheid Leuth. Deze laatste bestond uit: aj slot en plaats van dien naam, bj de dorpen Eijsden (linker Maasoever), en Meeswijk, c) grienden, op Guliksch gebied, langs den linker Maasoever gelegen, d) de landhoeven te Veldwezet, Lanklaar en Vimich, e) de schepengoederen, gelegen onder Stockheim en Uilsen.
Op het einde van 1619, oi in het begin van 1620 werd Otto-Hendrik van Vlodrop in Luxemburg vermoord. De eenig overgebleven broeder was Adi iaan-Balthasar van Vlodrop,
(1) Waarschijnlijk de Hanenhoff, onder Geleen, «groot in landerijen, beemden en weiden, honderd en eenige bunders.quot; Den l^cquot; November 1620 liet Adam Dries dit groot leen te Valkenberg verheffen door Willem van Gouthoven. Jos. Hadets: t. a. pl. blz. 307. (2) Men vergel. Jos. Strange: Genealogie der Herren von Bongart, blz. 54â57.
â 45 â
heer van Well. Hij, zoowel als Willem van Bongart, maakte aanspraak op de geheele erfenis. Het spreekt van zelf, dat Werner van Bongart de partij opnam voor zijn zoon Willem. Met het oog op het aanstaand proces haastten zij zich alle drie, om de noodige leenverheftingen te doen i0 in Luxemburg, 2° te Gronsveld, wegens Ryckholt, 3° to Thorn, wegens Eysden, 4° te Valkenberg wegens Leuth (1), 5° te Born, wegens de Maasgrienden. In hunne eischen gingen echter beide partijen te ver, evenals de overledene in zijn testament was te ver gegaan. Deze kon wel beschikken over Ryckholt en over de Luxemburgsche goederen, maaide rijksheerlijkheid Leuth, met ap- en dependentiën, was een fideicommis van de familie Vlodrop, en devolveerde, in dit geval, ratione primoyenilurce et lideicommissi, op Adriaan-Balthasar van Vlodrop, heer van Well. Beide partijen hadden dus ongelijk, doordat elke afzonderlijk aanspraak maakte op de geheele erfenis.
Adam Dries haastte zicli de heeren van Bongart in het feitelijk bezit te stellen van de kasteelen van Leuth en Byckholt. In eerstgenoemde heerlijkheid verscheen den i2en November 1620 Werner van Bongart, vergezeld van den Maastrichtschen notaris Willem Goldthoven (2). voor de vereenigde schepenbanken van Leuth, Eijsden en Meeswijk, en verzocht dat zij aan hem, den tegenwoordigen bezitter van hel Huis Leuth, aan zijne echtgenoote en aan beider zoon den eed van getrouwheid zouden doen. De schepenen vroegen een uitstel van zes weken en verlangden de overhandiging van het testament van wijlen den laatsten heer, benevens andere bescheiden. Het verzoek werd wel niet van de hand gewezen, maar er werd ook niet aan voldaan. Reeds den 19e derzelfde maand werden de drie banken andermaal door Werner van Bongart op het Huis te Leuth
(1) Jos. Habets ; t. a. p. blz. 117. (2) Willem van Gouthoven.
â 46 â
ontboden. Er werd hun voorlezing eedaan van het testa-
0 ö
ment en de stukken, die er mede in verband stonden. De schepenen van Leuth en Eijsden, in aanmerking nemende, dat niemand tot dusver aan den heer van Bongart het Huis te Leuth betwist had, deden nu den eed van getrouwheid aan Werner van Bongart, diens vrouw en zoon. De twee aanwezige schepenen van Meeswijk behielden zich nader beraad voor. Na de gebruikelijke afkondiging in de kerk, namen de schepenen van Leuth en die van Eijsden, zoowel voor de gewone als voor de buitengewone genachten, bezit van hunne respectieve banken, in naam van gezegde heeren. De schepenen van Meeswijk, daarentegen, besloten eenparig, den gevraagden eed te weigeren.
De heer van Well, Adriaan-Balthasar van Vlodrop, begon zich nu ook voor goed te doen gelden. Vergezeld van den stadhouder van het Thornsch leenhof, voltrok hij, in de laatste dagen van December 1620, te Eijsden en te Meeswijk de formaliteiten der bezitneming en liet zich in beide plaatsen getrouwheid zweren door de inwoners. Bij die gelegenheid had hij eene ontmoeting met Willem van Bongart. Oom en neef zagen toen elkander voor het eerste maal in hun leven. De oom voer hevig tegen den neet uit en daagde hem uit tot het wisselen van een paar kogels. De bezitneming van Eijsden en Meeswijk was evenwel maar eene bijzaak. Om zich daar te handhaven moest men in hel bezit zijn van het Huis te Leuth. Dit dorp toch was eene immediate rijksheerlijkheid. Men behoefde daarvan slechts in hel werkelijk en rechtmatig bezit le zijn, dan volgden de ap- en dependentiën van zelf. Dan, hoe groot eene onafhankelijkheid en zelfstandigheid Eijsden en Meeswijk ook hadden, wat betrof het inw:endig bestuur, met betrekking tot de hooerheidsrechten van hel fidei-commis
c; ö
der Vlodrops, waren zij slechts een aanhang van Leuth.
â 47 â
Wat de leenroerigheid van Leuth aan Valkenberg betrof, die had met hel onderwerpelijk geschil niets te maken; zij kon wel eenigszins verklaren de aanwezigheid van Spaansche soldaten, die de aartshertog Albert, in zijne hoedanigheid van graat van Valkenberg, vóór ruim drie jaren op het kasteel te Leuth in garnizoen had gelegd.
De heer van Vlodrop had zijn intrek genomen te Stock-heim, in eene herberg. M' Frans Kupers, keizerlijk notaris te Sittard, stond hom als procureur ter zijde. De notaris Gabriël van der lleytlen te Stockheim stelde de noodige schrifturen op. Alvorens het proces tegen de heeren van Bongart aanhangig te maken, ging de heer van Vlodrop eene laatste poging wagen, om in het bezit van Leuth te geraken. Op Oudejaarsavond van 1G20 liet hij op de kerkdeuren van Eijsden en Meeswijk aanplakken zijne immissio possessoria, alsmede de proces-verbalen zijner inhuldiging in beide dorpen. Vergezeld van den notaris van der Heyden en van twee getuigen, reed hij 's anderendaags 's morgens uil Stockheim naar Leuth. in de straat tusschen het kasteel en.de kerk vond hij de schepenen en inwoners van Leuth vergaderd, die door Werner van Bongart dien morgen opgeroepen waren tot het afleggen van den eed van getrouwheid. De heer van Vlodrop gaf zijn verlangen te kennen, om zijn zwager te spreken. Deze verscheen juist op dat oogenblik buiten de poort van hel kasteel; hij werd gevolgd door Adam Dries, door spaansche soldaten en door eigen trawanten uit Wijnandsrade, allen met pistolen en musketten gewapend; hij reed in galop naar den onge-nooden ruiter loe. De heer van Vlodrop verklaarde toen voor schout, schepenen en gezamenlijke ingezetenen, dat noch hel groot getal soldaten, noch de overweldiging van het Huis Leuth door indringers, hem van zijn goed recht zouden doen afzien en dat hij alleen de wettige heer van
Leuth was. Daarna vroeg hij aan zijn zwager Werner, waarom hij de onderdanen had bijeengeroepen? of het was, om hun eed en hulde af te dwingen ? Werner van Bongart beraadde zich een oogenblik daarop met Adam Dries en gaf' ten antwoord; »gij hebt u door de schepenen en ingezetenen van Eijsden en Meeswijk laten eed en hulde doen; ik wil hetzelfde te Leuth uitvoeren.quot; De heer van Vlodrop verklaarde toen, dat hij niet wilde handelen dan volgens recht. Hij verzocht diensvolgens zijn zwager, van alle geweld af te zien en hem den toegang tot het kasteel niet te beletten; hij bood hem de verzekering aan, met belofte van reversaal-brief handteekening en zegel, dat, indien de gerechtelijke uitspraak te zijnen nadeel mocht uitvallen, hij zonder verwijl het Huis zou ruimen, en dat de tijdelijke bezitneming ervan den eene, noch den andere tot prejudice zou strekken, nee in petitorio, nee in posses-sorio; hij hoopte, dat zijn zwager aan die uitnoodiging zou voldoen, en alvast een aanvang zou maken met hel wegzenden der soldaten, die niet dienden dan tot bederf en ondergang der ingezetenen. Werner van Bongart gaf daarop kortweg ten antwoord: «het is beter, dat ik op het kasteel blijf.quot; ïoen smeekte hem de heer van Vlodrop, toch niets te doen ten nadeele der onderdanen, en hen niet tot den eed van getrouwheid te noodzaken. Ten slotte stelde hij voor, de zaak aan onpartijdige rechtsgeleerden te onderwerpen, om te zien of alles in der minne kon beslecht, dan wel een of ander punt ter decisie aan het gerecht moest overgelaten worden; op die wijze toch kon het geschil vereffend worden, zonder verdrukking van de onderdanen. Ook op dit voorstel wilde Werner van Bongart niet ingaan. Nu wendde zich de heer van Vlodrop tot de menigte en herhaalde luide wat hierboven medegedeeld is; hij protesteerde tegen. het geweld en verbood hun, aan
â 49 â
iemand anders dan aan hem den eed te doen; indien zij tegen dit verbod handelden, zou hij henzelven en hunne goederen op alle oorden en plaatsen aanhouden, en op hen den schade zooveel mogelijk verhalen. Daarop begat hij zich naar het panhuis (de banale brouwerij), werwaarts alle de onderzaten hem volgden, die hem, één voor één, de hand gaven.
In den namiddag van den 1⢠Januari 1631 gingen, op bevel van Werner van Bongart, drie soldaten der bezetting van het kasteel van Leuth naar Eijsden, met last, om de stukken, die de heer van Vlodrop op de kerkdeur aldaar had doen aanplakken, er al te scheuren, en om de ingezetenen dier plaats te dwingen lot de waarneming van de wacht op het kasteel te Leuth. De soldaten vonden er de huisdeuren overal gesloten en vervielen weldra tot geweldenarijen. Zij schoten onder de kippen van de hoeve der abdis van Thorn en poogden er een paard uit den stal te halen, maar de pachtersvrouw hield de deur van binnen versperd. Daarna beproefden zij eene koe te ontstelen aan eene zwangere vrouw, die zij hevig op de armen sloegen, doch zij liet de koe niet los. Op dat rumoer verzamelden er zich eenii?e inwoners: de soldaten ontvingen tot nieuw-jaarsgilt een pak ransel en keerden met de kous op het hoofd naar Leuth terug. Do heer van Bongart rapporteerde onmiddellijk daarna aan den spaanschen commandant te Maastricht, dat de inwoners der drie dorpen : Leuth, Eijsden en Meeswijk, beurtelings op hel kasteel van Leuth moesten wacht doen, dat die taak er thans volbracht werd door soldaten uit Maastricht, dat die manschappen derhalve recht hadden op a) hunne maandelijksche soldij, b) service-en c) wachtgelden, een en ander te voldoen door de inwoners, die door de soldaten vervangen werden. Daarop
â 50 â
zond de commandant nieuwe soldalen ler versterking va» de bezetting te Leuth.
Op liet Guliksch gebied, dat zich tusschen Mecswijk en de Maa.i bevond, bezat de heerlijkheid Leuth eenige grienden langs den oever dezer rivier. 13e heer van Vlodrop had daar den Januari 1621 eenige werklieden uil Meeswijk aan den arbeid gezel, tot hel afkappen van wis-hout. In den ochtend van dien dag reed hij uil Stoekheim met iwee bedienden te paard, derwaarts, om toe le zien, dal er den arbeiders geen geweld werd aangedaan. Met dal doel volgden hem te voet de notaris Gabriel van der Heyden en de twee Stockheimsche getuigen; Hendrik Colla en Hendrik Heppenert. Omstreeks tien ure bereikten zij de grienden. Tegelijkertijd kwam 11 illeui van Bungart, achter den dijk om, spoorslags op hem toegereden. Hij werd gevolgd door vier ruiters: Adam Dries en drie trawanten uit Wijnandsrade; de smid Wolter van Keipen, N. Rullen en Basliaan de trompetter, leder hunner had twee pistolen in de zadeltasschen. Op helzellde oogenblik rukten van den anderen kant van den dijk spaansche voetknechten aan, zoodal zich de heer van Vlodrop eensklaps omsingeld zag. Willem van Bongarl vroeg hem; «moet dit werk op zulke wijze verricht worden ?quot; De heer van N lodrop antwoordde. «ik ben door mijn genadigen heer (den hertog van Gulik), in hel bezit gesteld van dit terrein, indien gij mij er uil wilt zetten, doe hel dan langs den gerechtelijken weg.quot; Intusschen stieten de spaansche knechten, met hunne vuurroers, de arbeiders heen en weer. Toen de heer van Vlodrop dat wilde beletten, hiel Wolter van Kerpen de overgetrokken pistool op, om hem dood te schieten, maai hij liet het vuurwapen weer zinken, op de waarschuwing van den Urmondschen tolgaarder, die hem toeriep: «zie toe wat gij doet, gij bevindt u op Guliksch grondgebied.
De heer van Vlodrop verklaarde luide, dat men volgens recht en niet met geweld moest handelen. In dien zin protesteerde hij ook voor notaris en getuigen. Dat protest zou de aanvallers niet belet hebben., den heer van Vlodrop en zijn gevolg gevangen te nemen, maar in de verte zagen zij reeds vele inwoners uit Meeswijk, met wapenen voorzien, zelfs vrouwen en dienstboden, komen toesnellen, om den heer van Vlodrop le verdedigen. Nu zochten ruiters en knechten ijlings een heenkomen zuidwaarts, op de heerlijkheid Vuchl, die lot het kathedraal kapittel van Luik behoorde. De heer van Vlodrop zond toen zijne arbeiders weg. Hij gaf de drie paarden 'er bewaring over aan de twee Meeswijkenaren: Willem Rongen en Gerard Pickels, die eigen arbeid aan de Maas te verrichten hadden, en hij liet zich de rivier overzetten naar Urmond. Van daar verzocht hij aan den voogd van Sittard om toezending van eenige schutters, die moesten dienen zoowel tot lijfwacht als tot afweriner van verder ireweld.
ö c?
Doch hij bleef aldaar den geheelen dag te vergeefs wachten in het huis van den Tolgaarder. Toen de duisternis begon in te vallen, voer hij weer naar de overzijde, in gezelschap van zijne twee bedienden, van notaris van der Heyden, Colla, Heppenert en Mewis van Nerom. Op de terugreis naar Stockheim sloegen de drie laatstgenoemden een zijpad in, lot bekorting van den weg. Zij kwamen echter weldra, onder hulpgeschreeuw, teruggeloopen, en werden achtervolgd door vier ruiters, die zich evenwel achter den dijk weer terugtrokken, zoodra zij den heer van Vlodrop bemerkten. Do reis werd voortgezet, maar nauwelijks traden zij van den Gnlikschon op den Meeswijk-schen bodem, ot de vier ruiters kwamen andermaal in galop op hen toegereden. Hol waren: Willem van Bongart, Adam Dries, Wolter van Kerpen en de trompetter Dastiaan.
De heer van Vlodrop, die lien aanstonds herkende, wilde hen toespreken, maar eensklaps kwamen er vele Maastrichtsche musketiers uit schuilhoeken en struiken te voorschijn. Zij hadden de brandende lonten reeds op de musketten geschroeid. In een oogwenk zag hij zich van aanvallers omringd. Eenigen zotten hem den loop van hun geweer op de borst; anderen slieten hem met hun vuurroer heen en weer; een knecht zwenkte zijne musketvork zoo tel, dat zij met één slag terecht kwam op den rechter arm van den lieer van Vlodrop en up het hoofd van Willem Bongen, en aan drie stukken vloog. Wederom anderen stieten Hendrik Colla in eene sloot. Te midden van dat gewoel vernam men de stem van den heer van Vlodrop, die om Gods wil smeekte, dat men toch geen geweld zou gebruiken. Terwijl hij zich met zijn paard aan het gedrang ontworstelde, klampten Gerard Pickels en Willem Bongen zich aan zijne beenen vast. Nu regende hel slagen van musketvorken op menschen en paarden. Een spaansch soldaat greep zelfs het paard van den heer van Vlodrop bij den toom en riep; »allons, marche !quot; maar een Meeswijkenaar, Kerst ,legers, greep het gebit aan den anderen kant vast, en rukte zoo hard, dat de spaansche knecht den toom moest loslaten. De heer van Vlodrop protesteerde zoo hard hij kon tegen het geweld, maar 'Willem van Hongart en Adam Dries schreeuwden tegen: »neemt hen gevangen !quot; Hendrik Golla was intusschen uit de sloot gekropen. Hij drong druipnat tot Willem van Hongart door en smeekte hem, dat hij toch in vriendschap den weg van het recht zou opgaan. «Ditmaal niet,quot; snauwde Willem hem tegen.
Toen hel geschreeuw, dat heinde en ver weerklonk, ook te Meeswijk vernomen werd, kwamen de inwoners dadelijk den heer van Vlodrop te hulp. Maar Adam Dries rukte met spaansche knechten legen hen op en deed musketten
â 53 â
op hen afvuren, doch wegens de duisternis werd er slechts één Meeswijkenaar gewond. Het gedruisch, door schieten, slaan, schreeuwen en hulpgeroep ontstaan, werd ook gehoord te ürmond en te Stockheim, zelfs door de bezetting van het kasteel, in het laatstgenoemd stadje. De heer van Vlodrop ontkwam eindelijk aan het gedrang en bereikte het Guliksch rechtsgebied, maar Gerard l'ickels. Kerst .legers en Willem Bongen, alsmede de notaris van der Heyden, werden gevankelijk naar het kasteel van Leuth gevoerd.
's Anderendaags begaven zich nv Coeu Sieyels en Julian Yerna, deze schepen en secretaris, gene oud-burgemeester van Stockheim, naar Leuth, om de loslating van hunnen medeburger van der Heyden te eischen. Werner van Hon-gart ontving hen op het kasteel; bij gaf hun ten antwoord, dat de notaris wegens particuliere redenen werd gevangen gehouden, maar dat hij waarschijnlijk nog in den loop van den dag zou worden op vrije voeten gesteld. Daarna begaf zich m' Coen Siegels naar de drie Meeswijksche gevangenen. Hij vond hen in een toren opgesloten, geboeid en met hun drieën aan elkander gebonden. Willem Bongen had op het hoofd eene diepe wond ; Coen Siegels verbond ze. Toen Siegels en Yerna, op hunne terugreis naar Stockheim, aan de kerk van Meeswijk voorbijgingen, was m' Simon Jmusscn, burgemeester van Stockheim, er juist bezig met het aanhechten van het volgend bevel, dat dien dag ook op de kerkdeur van Ãijsden werd aangeplakt;
Wir Guiliam vanden Bungart, erffbaenderherr des her-togdoms Lutzenburch etc., herr zu Leuth, Eisden und Meszwijck etc., doen condt aen allen onsen ondersatcn ende onderdaenen, besonder van Eijsden ende Meszwijck, vund bevelen hun well expresselick dat sy binnen vier vund twintig uhren, nae publicatie deses, hun sullen ergeven
ende wederom keeren in bunne gewoenlicke pachthoven off huijsplaelsen, waar ut sij op gisteren sijn gewecken ende gevlucht, op poene dat wij, den vors. lijt van vier entwontig uren overstreken siende, sullen aenschlaen hun gereedt endu erven, ende procedecren tot vercoopinge van deselve, mitz geloeffte dij wij hij desen hun doeu in aede-licke worden, van vrij geleijde eude remissie absoluut, voer dese reise, van bet gene sij tegen ons mogen mis-bruickt ende raisdaen bebben in bet stuck van ongehor-samheijt ende ontrouwicbeijt aen hunnen wettelicken beerr, ende dat wij, ter causen van dien, geen binder oft' leisel en sullen aen doen an hunne persoen ottte goeden, behou-delick dat sij wederom bun geven ende stellen in onse subjeclie, ende bun dragen als goede ende getrouwe ondersaten. Actum tot Leuth, den dritten Januarij duijsent ses honden een entwintig.
Wilhelm de Bongardt.
Ten bevele voors. Heerr:......eijde.
In die twee verlaten dorpen legde Willem van Bongart nog op dienzelfden dag inkwartiering, x.ooals bij later voorgat: ter inning van de waebt- en serviesgelden !
Den 4en en öen Januari liet de heer van Vlodrop, bijgestaan door den notaris m' Frans Kupers uit Sittard, verscheidene getuigen te Stockbeim in verhoor nemen, ten huize van Anult Nollteuiaus, oud-burgemeester, en in tegeu-woordio'heid van nLeomirdt van Oelercii, scholtis ende
c?
schepen, Jo: d'Yerna, schepen ende secretaris, Reiner Schüttgens, scheffen (en) Hnybrechl Bouthen, schepen.quot; De zitting was nauwelijks ten acht ure 's morgens geopend, ot m' Simon Janssen verscheen ten huize van den gerechtsbode Wolter de lines, met eene in schrift gestelde volmacht.
â DO â
Daarin verzocht Willem van Bongarl copie van de artikelen, waarover de lieer van Vlodrop de getuigen wilde verliooren. De bode begaf zich naar de gerechtskainer en deelde de aanvraag mede, terwijl Simon Janssen aan de deur bleet staan. De heer van Vlodrop antwoordde, dat Willem van Bongart niet met het getuigenverhoor te maken had. Daarop ging hij naar buiten en vroeg aan Janssen, ot' hij daar stond als spion, om toe te zien, welke getuigen er zoo al mochten in- en uitgaan. Janssen verwijderde zich, maar protesteerde 's anderendaags in jorma tegen die handelwijs. Dien dag duurde het getuigenverhoor tot in den avond. Ten halt drie verscheen er een inwoner uit Eijsden, met het plakkaat, dat wij hier boven hebben medegedeeld, en dat hij van de kerkdeur aldaar had afgescheurd, om het den heer van Vlodrop- te overhandigen. Deze gat' het ten onderzoek aan schout en schepenen, die er het volgend advies over uitbrachten : »Wir scholtheis und scheffen referiren und atlestiren, das die schrift! ermeltes patents uberall Gabrielen von der Heiden eigene schrifft und uns woll kundig, aber die underschrifft: Wilhelm de Bungart, uns unbekandt seie.quot;
In de zitting, die des anderendaags 's morgens te halt' negen begon, verscheen ook de notaris van der Heyden, oud 34 jaar. Den avond te voren was hij losgelaten. In de eevanerenis te Leuth hadden Willem van Boneart en
ö cj
Adam Dries hem willen dwingen lot het opstellen van een relaas van het voorgevallene, en tot opgave van de stukken die hij ten behoeve van den heer van Vlodrop had opgemaakt. Ilij had zich niet tot de inwilliging van die twee eischen laten bewegen ; hij had zich echter wel genoodzaakt gezien, om, onder dictee van den schout Booms van Maastricht, een plakkaat ie schrijven aan het adres van de ingezetenen van Eijsden, geheel in strijd met hel bevelschrift
- 56 â
dat de abdis van Thorn, door den stadhouder van haar leenhof, onlangs in deze heerlijkheid had doen uitvaardigen. Hij had ook gezien dat m'' Simon Janssen een dergelijk stuk opstelde, gericht aan de inwoners van Meeswijk.
De geweldenarijen der Bongarts hielden hierdoor niet op. Den waard in het panhuis te Leuth, Lambert Claessen, werden vee en verder alle roerend goed ontnomen, omdat hij zijnen eed, als schepen van Leuth, aan de heeren van Bongart gedaan, herroepen had. Den Mcu Januari 1621 vielen andermaal, op bevel der Bongarts, spaansche ruiters en knechten Eijsden en Meeswijk binnen, mishandelden de inwoners en bleven er op execulie liggen.
Den '12en Januari 1621 benoemde »Adrian Balthasar frey Bannerherr von Flodro/f' tot zijnen »procuratorn und An-waldtquot; te Spiers »Dietrich f)uiman, der Bechten licentiaten, Keys. Cammergerichts Advocaten und Procuratornquot; en diende aldaar zijne aanklacht in. Beeds den 19° daaraanvolgend gaf het Kamergerecht van Spiers een mandatum de relaxandis captivis, sive de restituendo et non ampiius turbando, tegen Werner en Willem van Bongart. Daarin werden vader en zoon op scherpe wijze aangemaand, de gevangenen los te laten, de heerlijkheden te ontruimen, hun vermeend recht voor de justitie te bewijzen, en zich binnen de dertig dagen na ontvangst van het mandaat, te Spiers over het verbreken van den landvrede te verantwoorden.
Hans Weijenmayr, bode van het K. Kamergerecht, bracht den O1-quot; Februari 1621 het mandaat naar Leuth. Hij klopte aan het kasteel aan en vroeg naar jonker Willem van Bongart. De schout Johan Künhart verscheen onder de poort en zeide, dat de jonker op de jacht en Adam Dries te Bijckholt was, en dat de bode maar de terugkomst van den heer in eene herberg moest afwachten. De bode antwoordde, dat zoo iets niet paste. In bijzijn van twee getuigen gaf
â 57 â
hij toen aan den schout twee afschriften van het mandaat: het een voor Willem van Bon^art en hel ander voor Adam Dries. De schout beloofde, dat hij ze aan de twee belanghebbenden zou overhandigen. Den Gquot;quot; Februari ging de bode naar Rijckholt, en daar liet, hij, in afwezigheid van »Peter Demeis,quot; een afschrift in handen van diens huisuouw. Een vierde afschrift moest er aan Werner van Rongart te Wijnandsrade bezorgd worden. Daar echter deze heerlijkheid niet tot het Dijk behoorde, en Sittard de dichst nabijgelegen duitsche stad was, plakte de bode hier op den 7en Februari, in tegenwoordigheid van twee getuigen, een afschrift aan, op den voorgevel van het stadhuis, en zond hij een bode dezer stad, Johan Welters, met een vierde copie en met een begeleidenden brief naar Wijnandsrade. Toen Welters daar aankwam, bevond zich Werner van Bongart juist vóór de poort van het slot. ilij nam brief met mandaat in ontvangst en zeide, dat hij zich te Spiers zou verantwoorden.
Het mandaat van Spiers had de heeren van Bongart tot nadenken gebracht. Reeds den 7en Maart l()21 verscheen Willem van Bongart voor schout en schepenen van Leuth en verklaarde hij, dat hij ex pura gratia Corst .legers, Willem Bongen en Gerard Pickels uit de gevangenis ontsloeg. 's Anderendaags werd de invrijheidstelling gedaan op het kasteel van Leuth, in tegenwoordigheid van njohau Harden (1) scholtys, Leiuiert Couiüen, pastoer tzoe Evsden, voer raych ende Lennert Leppers, geriexboede tzoe Leuth, als scribens unervaeren, Johan David Sartoriv.s, coopman von Luttich, vor miech und mit auf begeren von Walt her van Cerpen, als scribens onverfaren,quot; welke getuigen den 9e dier maand het stuk teekenden.
(I) Harden: op een ovaal schild, twee rechtstaande spijkers: een dwarsspijker van rechts naar links, onder den eersten door en over den tweeden spijker heen.
Middelerwijl gaven den 8Uquot; Maait 1621 ^Werner und Wilhelm, respectieve Vatter und Sohn von (tem Bonganlt, Herren zu Henvtjnandzrode, zu l'aU'cndorll', und Erbcammeren des Furstontluimiis Gulich, wie auch Adam Dries (I), Dros-sart zu Leuth,quot; aan den licentiaat lierman Cran te Spiers de volmacht tol het voeren van hun proces. Den 19° daaraanvolgend diende lierman Cran de repliek in. De zaak kwam in de drie eerstvolgende maanden zeven maal in behandeling. Reeds den 26''quot; Juni van dat jaar onderwierpen zich de heeren van ISungan aan het gemotiveerd bevelschrift van den I9cn Januari 11. en ontruimden de rijks-heerlijkheid Leuth (2). Het kwam tusschen de procesvoerders tot een aocoord. Willem van Bonjan ontviuer de Luxem-
c? c?
burgsche goederen, en Adr. B. van Vlodrop de rijksheerlijkheid Leuth.
Willem van Bongart begaf zich later in den krijgsdienst. Gedurende het beleg van Maagdenburg voerde hij het bevel over üOO Beiersche kurassiers (3). In de eerste uren der bestorming van de stad, op den 20ci1 Mei 1631, kwam hij met zijne kurassiers den bijna omsingelden Pappenheim te hulp (4). Hij sneuvelde den IT0quot; September 1631 in den slag van Leipzig, als «Lieutenant Coronel de mille chevaulx en l'armée du conté de Thilly.quot; Hij was zells het eerste slachtoffer dal er viel in dien droevigen dag ; «Als Generael Tilly de Konincklijcke Sweelsche, die hoe langs so nader op hem toe advanceerden, vermeynde al onder een canon-schoot te zijn, begroete den selven van boven de hooghto af met drie, edoch vergeet'sche, scheuten, ende maeckt alsoo den beginsel van het treffen; den welcken de Koningh (5)
(I) Dries: ovaal; drie gekn oude appeli-n: bo^en lerifro kroon drie appeltjes. (i) Men vergel. Hijksnrch. Ie Maastricht, aid Arch 'â¢an Wctzlar, nquot; (iS.
(3) O' de Villkhmom : Tilly, on la guerre de. Trente ans, t. II, p. MH.
(4) Ibid, p ilti. (o, Gustaaf-Adolf.
met twee halve carlouwen liet beantwoorden. Elide is soo datelijek van den eersten scheut den Oversten Buonuiaert ghetroffen ende verplettert gheweest: het weleke de Key-serlijcke voor een quaet urnen ende teycken hebben gehouden, om dal soo terstont eenen 0\ersten was ghebleeven (I).quot;
Werner van Dongait overleed den 6°quot; Januari 1045.
2quot;. Proces van Jan van Virmond, lieer van der Neerssen, en van diens zoon, Adriaan-Willem van Yirmond, tegen Adriaan-Kalthasar van Vlodrop, lieer van Lenth.
Adriaan-Balthasar van Vlodrop had nog een anderen zwager, namelijk Julian van Vinmnid (2), zoon van Ambrosias van Virmond (i 28 Juli 1588), lieer van der Neerssen, en van Alveradis Qaadl van Wickerath, (dochter van Julian Qnadt en van Anna van Vludrop.) Johan van \irinoud werd geboren den 7equot; Juli 1588. Sedert den 12lquot; Juli 1011 was hij gehuwd met Adriaan-Balthar's zuster, namelijk met Johanna-Maria van Vlodrop, vrijvrouw van Leuth. Hij nam dienst in het leger van 77////. Onder dien generaal maakte hij den veldtocht mede naar Hohemen, in den winter van 1020, het bevel voerend over 300 kurassiers (8). In den zomer van 1.022 werd zijn regiment voor tijd en wijl afgestaan door Tilly aan de Inlante Isabella, gouvernante der Spaansche Nederlanden. Onder Gonzalez de Cordova nam Virmond toen, op den 29''quot; Augustus, deel aan het hardnekkis,1 trevecht van Fleurv, tee;en Ernst van Mansveld. Van daar voerde hij zijn regiment naar Bergen-op-Zoom,
(II Aitzema : I D. blz. 1181. de Vii.i.eiimom, loc. cit. 1. I', p. 177, nocQit hem abusievelijk Itaumgarten. (^) Luitenant von Oidïman gaf eene genealogie der familie Virmond in der yicderrhein, nquot; 2S, v. v., jaargang 1878. (5) O' ue Vii.i.kkmom, ibid. I. I, p. 118 et p. 155.
â 60 â
ilat destijds door de Spanjaarden belegerd \verd. Den 10quot;quot; December 16:23, in een brief aan de Infante Isabella, resumeerde Tilly volgenderwijs de militaire loopbaan van Johan van Virmond: »Le baron de Virmont, seigneur de Neerssen, coronel de 600 chevaulx en cette armee, a servy, depuis le commencement de ces guerres d'Allemagne, avec beaucoup de valeur et de zèle el en diverses charges, si comme de capitaine, de lieutenant coronel en chef et de coronel absolut, s'estant courageusement comporté en toutes occasions aux quelles il s'est trouvé, en Bohème, Hongrie, Austrice et au Palatinat, aussy en Brabant et au sióge de Berghes, et, en cette dernière campagne, aux pays de Paderborn et de Munster, partont avec uue reputation, digne d'un cavalier d'honneur, et un ponctuel soing des devoirs de sa charge et de l'entretien de ses trouppes, que jusques a trois tois, en changeant de charge, il a levées, non sans I ray er notables sommes du sienquot; (1). Don 2°quot; Januari 1626 treffen wij hem wederom aan als bevelhebber over een regiment ruiters in het leger van Tilly, dat toen tusschen Leine en Wezer de winterkwartieren had opgeslagen. Te midden van den wapenstilstand werd hij daar op dien dag verraderlijk door den vijand overvallen en verloor hij 300 man van zijn regiment (2).
In den brief, dien Tilly den !0equot; December 1623, uit zijn hoofdkwartier te Hirschfeld, aan de Infante Isabella schreef, zeide hij verder, dat de goederen der vrouw van Johan van Virmond, gelegen in Gelderland, wegens deelneming van nu wijlen den vader Willem van Vlodrop, aan den opstand tegen Spanje, door den koning waren aangeslagen ; dat Johan van Virmond, wegens de drukte van den krijgsdienst, den tijd niet had gehad om ze terug le vragen, en dat hij bovendien groote vorderingen had ten
(1) Wid. t. II, p. quot;293â294. (2) Ibid. t. I, p. 333.
laste van de heerlijkheid Leuth (1). De beroemde veldmaarschalk drukt, ten slotte, de hoop uit, dat de infante de beslaglegging zal opheffen en den eiseh van Virmond zal steunen, deels wegens de onschuld der dochter, deels wegens de groote diensten, door den schoonzoon aan het Huis van Oostenrijk bewezen (2). Het eenig gevolg van dien brief was, dat zich de heer van Vlodrop nu den schijn gaf, alsof de verbeurdverklaring der heerlijkheid Leuth andermaal in 1624 was bekrachtigd (3). Indien dat zoo was, waarom wendde hij zich toen niet lot den Keizer, gelijk wijlen zijn vader in 1581 en hij-zelt in 1621 gedaan had ? Johan van Virmond, in de meening verkeerend dat zijn zwager de waarheid zeide, riep nogmaals de hulp in van zijn militairen chef, ten einde de teruggave van de verbeurd verklaarde goederen te verwerven. Dat was in het begin van het jaar 1626. Tilly wendde zich toen aan den markies Ambrosius Spinola, opperbevelhebber van het leger der Infante. Dat werkte beter. Het voorwendsel der verbeurdverklaring hielp voorshands niet meer. Reeds kort daarna gaf de heer van Vlodrop aan zijne echtgenoote, Isabella van Dorth (4), de noodige volmacht tot het aangaan van een vergelijk met Johan van Virmond. Beide partijen teekenden een accoord den 26cquot; April 1626. De heer van Vlodrop liet. bovendien de overeenkomst voor den Raad van Brabant te Brussel bekrachtigen door eene condemnatio vohintaria. Waarom wees er de heer van Vlodrop niet op, dat de bekrachtiging, voor zoover de schuldvordering op Leuth betrekking had, niet te Brussel, maar te Spiers moest geschieden ? Het accoord en de schuldbekentenis
(I) In de twee aangehaalde brieven Icist graal' de Villermont telkens abusievelijk Lendt voor Leuclt. (2) Ihid. t II. p. 295â201, (5) Aitzema, \' ü. blz. 322. (4) Doibter van Dirch tan Dorth tot Dorth, lid van de ridderschap in het graafschap Zutphen.
bleven dan ook eene doode letler. .lohau van Virmond, dien de steeds voortdurende oorlog den tijd niel gunde, om persoonlijk te Brussel le verschijnen, wendde zich alweer tot den grijzen veldmaarschalk. Onder dankbetuiging voor de moeite, die de spaansche veldheer zich ten deze reeds gegeven had, schreef hem Tilly opnieuw, den 23equot; Januari 1027, dat Spinola nogmaals de bekende aangelegenheid zoo zou gelieven te behartigen, alsof het Tilly's eigen zaak gold (1). Ook aan dit verzoek gat Spinola gehoor. Onder die pressie deed, den Sü'-quot; November IG27, Isabella van Dorth, namens haren man, aan Johan van Virmond overdracht van de Haueiiiiof', onder Geleen (2). De schuldvordering, ten laste van de heerlijkheid Leuth, werd echter op de lange baan geschoven. Kort daarna verliet Johan van Virmond het leger der Liga en begaf zich in dienst van den Keizer. In de lente van 1628 wierf hij, op bevel van Wallenstein, een regiment voetvolk, waarmede hij zich in Augustus van dat jaar voegde bij het leger der Intanie (3). De heer van Vlodrop behoefde nu niet meer de tusschenkomst van Tilly ie vreezen. [lij haastte zich dan ook de overeenkomst van den 2üen April 1620 ledoen schorsen. Te dien einde verwierf hij, in 1628, van den Raad van Brabant in Brussel, den hquot; Vlei «open brieven,quot; den Ion Augustus «brieven van daechselquot; en den 8cn November schorsing der transactie »ende opgevolghde vry-willige condemnatiequot; (4).
Johan van Virmond bleet deelnemen aan de onaferebroken
c5
reeks van veldlochlen, die men den derligjarigen oorlog noemt. Hij was zoo verknocht aan de katholieke zaak, dat hij, naar het getuigenis van Tilly, niet schroomde uit
(I) Gquot; nu Villehmont, loc. cit, I. II, p. 385â584. (2) Jos. Habets, I. a. p. blz. 509. (5; O ue Villehmont, il/id. t. I, p. (i) Het different etc, blz. 9.
â 63 â
eigen middelen te voorzien in de soldij van zijne soldaten. Hij klaagde dan ook dat hij in de schulden stak, toen bij, op den I8e,! December 1630, van jonker Pieter Bock van Ilaesdal 3200 rijksdaalder leende, en daartoe de llu-nenhof verpandde (1). Verder weten wij nog over hem, dat hij in 1630 oen keizerlijk regiment voetvolk bezat, in het begin van 1631 den post van majoor-generaal bekleedde bij het legerkorps van Pappenlieim (2) en dal hij in 1635 op drie- ii vier-en-veertigjarigen leeltijd overleed. Zijne vrouw, .Johanna-Maria van Vlodrop, was reeds in 1630 ten grave gedaald (3).
Tilly had niet overdreven, loen hij verklaarde, dat de drukke krijgsdienst aan Johan van Virmond den tijd niet gunde, om zijne particuliere zaken te behartigen; anders moest deze laatste geweten hebben, dat de Spaansche beslaglegging, die in l(i2'i zou herhaald zijn (4), zich hoogstens tot een deurwaardersexploot kon bepaald hebben, en dat de heer van Vlodrop ongestoord voortging de opbrengst der goederen te innen, zoowel te Leuth als in de Spaansche Nederlanden, dat hij die goederen verkocht (5) en met hypotheken belastte, alsof' zij zijn onbetwistbaar eigendom waren, en dat de Spaansche bezetting, die zich op het kasteel te Leuth bevond, niet daar lag op executie, ter voltrekking van de beslaglegging, maar alleen uit een strategisch oogpunt, gedurende den oorlog. Bovendien zou hij, na onderzoek, vernomen hehhen, dat men hem ten opzichte van den bevoegden rechter op een dwaalspoor bracht.
Ten bewijze diene het volgende. Den 20°quot; October 1627 gat Adriaan-Balthasar van Vlodrop op zijne echtgenoote, »habella de iludro/l, filU' de Dorlh, constitutie tol het op-
i|) Jos. Haiikts. ibid. (5) O de Vii.i.tkmont, ibid. t. H, p.-12 en p. 58, (3) t.' von Oiütman, ibid, (t) Aitzkma, V'' lgt;. blz. 522. (.quot;)) .Ins. Mahkts, t. a p, blz. 288.
â 64 -
nemen van 2000 patacons op de goederen van Leuth. Beiden verpandden daartoe alle hunne goederen, inzonderheid «den hoff van Leuth,quot; gelegen te Veldwezet, en »den Broccxhoffquot;quot; onder Lanklaer. De gevolmachtigde substitueerde, den 3üequot; November van dit jaar, le Maastricht, den schout-rentmeester van Leuth, Godarl Ueyssen, bij akte van den notaris m' ISicolaas van der Maei. De echtelieden Aerl Pvuenen en Maria Dries, van Maastricht, leenden op dien dag de 2000 patacons, legen een jaarlijkschen intrest van 61/4 0/0. Bij nadere overeenkomst tusschen den notaris Gabriel van der Heyden, gevolmachtigde van Pruenen-Dries, en den schout Heyssen, werden ei- uitsluitend tot onderpand aangewezen landerijen, die onder de jurisdictie der bank van Leuth lagen, en waarvan men ten allen tijde de pacht kon in beslag nemen, ingeval van wanbetaling der intresten. De stukken werden in de schepenregisters te Leuth ingeschreven den 'I8en Augustus 1629. Van de betaling der intresten kwam er echter hoegenaamd niets. Maria Dries was intusschen weduwe geworden, üp het voogdgeding, dat den 23°quot; Mei 1647 te Leuth gehouden werd, vroeg zij immissie in de verpande goederen on order aan de pachters, om aan haar voortaan te betalen. Zij bad daartoe volmacht gegeven aan Peter Toe!en, en deze had zijne lastgeving overgedragen op mr Edmond van der Eye ken. Maar «der scholtis, in name sijns Genedigen Heeren,quot; wees den cisch van de hand, wegens gebrek in den vorm, 1quot; wijl l'eter Toelen niet persoonlijk verschenen was, 2quot; wijl de substitutie van Emont van der Eycken niet in de volmacht was aangehaald, 3° wijl in het overhandigd stuk latijnsche woorden voorkwamen, die de schepenen niet verstonden, 4quot; wijl sedert jaren le Leuth het gebruik van latijnsche woorden in officiëele stukken verboden was, en 5° wijl de gerechtsbode
â 65 â
niet vooruit betaald was (1). Indien de beslaglegging, van spaansche zijde, iets meer was geweest dan eene bloote formaliteit, de scherpzinnige schout zou haar wel aan de spits gesteld hebben van de statige reeks zijner consideransen. Van deze beslaglegging werd ook niet gerept door den advocaat van den heer van Vlodrop, wanneer de zaak werd bepleit voor de schepenbank. Ten andere zien wij in de schepenregisters, dat de heer de pacht van kwade betalers invorderde door vonnissen van het schepengerecht. Er bestond alzoo geene effectieve beslaglegging van spaansche zijde; maar wie zou nu den onderteekenaars van hel Westphaalsch vredestractaat van 1648 wijsmaken, dat de koning van Spanje de heerlijkheid Leuth gekonfiskeerd en in eigen bezit had? Hiervan verdenken wij Adriaan-Balthasar van Vlodrop. De gegrondheid van ons vermoeden zal blijken uit de bijzonderheden, die wij verder zullen mededeelen.
in dezelfde jaren dat hij zijn zwager met de eene exceptie na de andere afscheepte, begon hij meè te tellen onder de invloedrijke personaadjes van de Republiek der Vereenigde Provinciën. Zijne alliantie met de familie van Dorlh droeg veel daartoe bij. Na den dood van zijn schoonvader, Dirk van Dorth, verzocht hij aan den Gelderschen Landdag, die op bet einde van Maart 1626 te Arnhem gehouden werd, opname in de ridderschap van het Zut-phensch kwartier, maar er werd voorshands afwijzend op de aanvraag beschikt, «ut oorsaken hy in eedt van een utheems Heer en in militairen dienstquot; was (2). Later werd
(1) Schepenregisters van Leuth, op het Rijksarch. te Maastricht.
(2) Jhr. Alexander van der Cappeixen: Gedenkschriften, lc D. blz. 395. Op den Gelderschen Landdag, gehouden te Arnhem in December 16i3, verscheen A, B. graaf van Vlodrop, als benoemd door het graafschap Zutphen tot vredes-gezant naar Munster. In de volle zitting van den 22'quot; December kwam het daar, tusschen hem en Willem van Lintelo, van smaadwoorden tot handtastelijkheden, (Ibid. 11« D. blz. 51â66.) 5
er evenwel aan zijn verzoek voldaan. Toen bracht hij het weldra zoover, dat hij niet slechts de gewestelijke stalen van het graafschap beheerschte, maar, als gecommitteerde van Gelderland, zelfs eene groote rol speelde in de Slaten-Generaal te 's Gravenhage (1).
In hetzelfde jaar dat Jan van Virmond overleed, zijn talrijk gezin in geen benijdenswaardige omstandigheden achterlatend, trad, in de schaduw van de hollandsche vlag, Adriaan-Balthasar van Vlodrop ook als een invloedrijk man in dit gewest op, en pronkte hij bovendien met den titel van graaf. Doch wij zullen hier in de volgorde voortgaan, die ons de bescheiden aanwijzen.
Tijdens, of kort na het beleg van Maastricht in 1632, kreeg het kasteel van Leuth eene staatsche bezetting: den 14uquot; Januari 1633 «hebben hare llo: Mo: geresolveert, dat de Graef van Vlodrop gehouden sal sijn, buijten coste vant lant, te stellen den predicant op het llnys ie Luijt, tot geryf ende stichtinge niet alleen van het guarnisoen, maar oock voor allen anderen, die vant platte landt, oft andere aldaer omliggende plaetsen, totiet gehoor van Goodes heijlige woon sullen willen comen, ende sal ondertusschen geschreven worden aenden Pensionaris der stadt Maestricht, dat (hij) hem pertinentlyck informere ende daer nae hare Ho: Mo: berichte, uyt wat recht, ende bij wien de heer-lijckheijt van Luijt is geconfisqueert, ende aen wien de selve contribuabel isquot; (2). Wie had die praatjes opgedischt over eene verbeurdverklaring, waarvan er geene sporen te vinden waren? Aan welk land moest Leuth belaslintjen betalen? Leuth was, als rijksheerlijkheid, contribuabel aan het Duitsch Kijk; en indien net contribuabel was geweest
(1) Men vergelijke het 11° Deel van laatst aangehaald werk passim.
(2) Hesolulicn, concernerende de saecken van Limburch ende Maestricht. lquot; Deel. Hijksarch. te Maastricht.
â 67 â
aan Valkenberg, dan had men dat in het pas veroverd landje van dien naam best kunnen vernemen. Waarom loste »S. Ecie Graef van Flodroffquot; zelf die vragen niet op, hij die kersversch uil de Landen van Overmaas in Den llaag was teruggekeerd, «sijnde neffens haer Ilo; Mo; Gecommitteerden in het lesrer geweest,quot; en den 2en Februari 1633 aan de lloo;? Mogenden verzocht restitutie van het
ö ei
ambt van erfraaarschalk van Valkenberg, zooals zijne voorzaten te Leuth dat bezeten hadden (1)? Hij wist wel beter; want den 6cn April 1634 pleiite hij bij de Hoog Mogen den in Den llaag voor de neutraalverklaring van het Huis Leuth. Dat kon niet geschieden dan op grond dat Leuth eene rijksheerlijkheid was. De bewijzen, die hij bijbracht, moeten echter afdoende zijn geweest, daar hem den 28» daaraanvolgend de aanvraag werd toegestaan, «mits dat hy gelycke acle vuytbrenge van 's viants sydequot; (2). Later kreeg het Huis Leuth weer eene Spaansche bezetting. Toen begon Adriaan-Balthasar graaf van Vlodrop weer te goochelen met de zoogenaamde verbeurdverklaring, ten einde zich voor goed te onttrekken aan de schuldvordering van de familie Virmond van der Neerssen. En zoo komen wij tot het vredestractaat van 1648.
In de eerste voorstellen, die wij de Hollandsche gezanten den 17°quot; Mei 1646 te Munster zien doen, (voorstellen, die in Den Haatr, niet zonder medewerking van den graaf van
cj 1 c? cj
Vlodrop, waren geformuleerd), wordt er heel leuk geëischt, (art. LXV), dat »Het Gasteel van Leut sal van beseltingbe ontbloot worden, en gerestitueert worden aen den Grave van Flodorf, als hem in eigendom toebehoorendequot; (3). De Spaansche gevolmachtigden antwoordden, dat zij over dit punt inlichtingen zouden vragen te Brussel (4). Die werden
(I) Ihicl. (2) luid. (5) Aitzema : Vllt; 1)., li' St., Mz. -20)). (4) ll'id. blz. 2il.
â 68 -
alras verstrekt. Reeds den 27e van die maand werd die eisch ingewilligd, behoudens hel recht van bezetting tol aan het sluiten van den vrede (1).
Men hield alzoo zorgvuldig geheim, dal Leulh eene rijksheerlijkheid was; men zeide toen ook niet dat zij door den koning van Spanje geconfiskeerd was; dit laatste was al te bar geweest; de Rekenkamer te Brussel zou die onwaar-
cj
heid aan de kaak gesteld hebben. Wal de bezetting te Leulh betrelt, die was dubbel verklaarbaar, eerstens wegens de leenroerigheid van Leulh aan Valkenberg, en tweedens wegens de alliantie lusschen den Keizer en Spanje. Maar nu het vast stond, dat de Spaansche regeering niet speciaal aan Leulh, als strategisch punt, hield, kon men ten slolte van Hollandsche zijde hel officieel artikel over deze heerlijkheid kruiden, zooals men wilde (2).
Hoe stond hel intusschen geschapen met de schuldvordering der heeren van der Neerssen, ten laste van de rijksheerlijkheid Leulh ? Het vergelijk van den 26quot;quot; April 1626, dat, op verzoek van Tilly, door de tusschenkomst van Spinola, was lol stand gekomen, bleef jarenlang geschorst, ten gevolge van de senienlie van den S^n November 1628. Ook de zoon van Virrnond, Adriaan-Willem, werd, sedert zijne meerderjarigheid, door den militairen dienst, gedurende het laatste gedeelle van den derligjarigen oorlog,
(I) Aitzema : VIe D., IIs St., blz. 2-iö. (2) Zoowel op de landdagen van Gelderland als in de vergadering der Staten-Generaal ijverde de graaf van Vlodrop voor het plan, cm langs oen een of anderen weg het Overkwarlier te hereenigen met de drie andere kwartieren van Gelderland. Die van Nijmegen en van Arnhem waren op dit punt tamelijk onverschillig. Men zeide zelfs: »de meeste die dit werk drijven, sijn de grave van Vlodrof ende de Heer van Keppel, beyde geïnterresseerde in het Overkwartier.quot; (A. van der Capellen, Gedenkschr. li' D, blz. 172.) Men vergel. verder: Aitzema, t. a. p., blz. .quot;01â501. üe ruiling van het Overkwarlier tegen een equivalent werd nochtans in beginsel aangenomen in art. Lil van het vredestractaat van 16-i8.
â 69 â
gansch en al bezig gehouden. Hij was sedert den 23quot;' October 1639 gehuwd met zijne nicht, Johanna-Catharina van Bongart, dochter van Werner, heer van Wijnandsrade, en van Anna-Catharina van Vlodrop (1). Het proces was sedert 1628 geen stap gevorderd, toen in 1648 de vrede van Westphalen tusschen den koning van Spanje de Republiek der Vereenigde Provinciën gesloten werd. In artikel 73 werd er bepaald: »Aengezien de pretensie van den graal van Flodorf, om restitutie aen hem te doen van het Huys Leuth, met goederen, die daervan mochten depende-ren, ende alle andere die hem daer omtrent mogen toekomen, encle ghesaiseert sijn van wegen den voorz. Ileere Koninck, de voorz. restitutie is hem toegesiaen, gelijck mede van het Huys, voorbehouden dal, tusschen het besluit van dit tegenwoordige Tractaat en de Ratificatie van dien, over het onderhoudt van guarnisoen van wegen den voorz. Heere Coninck, of' over de demolitie van nieuwe fortilicatie, gemaeckt sedert de besettinghe van 'tselve Huys, zal worden ghedisponeertquot; (2).
Met dit artikel wilde men het doen voorkomen, also! Leuth tot het onverdeeld gebied der Landen van Overmaas behoorde. Wat men van het miseeren, of de verbeurdverklaring, te denken heelt, die volgens den heer van Vlodrop nog eens in 1632 herhaald was (3), leert ons, o. a. de geschiedenis van de geldleening-Pruenen. Krachtens het voorgaand artikel, waarin wij eenige woorden onderschrapten, werd alzoo Leuth aan den heer van Vlodrop toegekend, door twee contracteerende partijen, die de heerlijkheid aan niemand konden ontnemen, aan niemand schenken, en ze feitelijk aan niemand ontnomen hadden. De eenige vraag, die zij zich hadden mogen stellen, was deze: bij wien van
(1) U von Oidtman, t. a. p. (2) Aitzema: 111quot; 1). blz. 2ü(). (3) Ibid. \' I). blz. 522.
â 70 â
ons tweeën moet voortaan de heerlijkheid verheven worden? De verheffing moest voorloopig geschieden voor het spaansch leenhof van Valkenberg; ook behield de koning van Spanje voorloopig de souvereiniteitsrechten over deze heerlijkheid, in de veronderstelling dat zij een integreerend deel van het land van Valkenberg uitmaakte. In artikel 73 immers werd wel aan den heer van Vlodrop het eigendomsrecht toegekend, maar niet de leenroerigheid van Leuth aan de Hoog Mogenden van Den Haag overgedragen. Op deze heerlijkheid bleef alzoo toepasselijk art. 3 van het vredesverdrag, waarin bepaald werd, dat de drie Landen van Overmaas zouden blijven in den staat, waarin zij zich toen bevonden, en dat de geschillen, die daarover mochten ontstaan, zouden onderworpen worden aan de, volgens art. 21, op te richten Chambre-mi-parlie. In ieder geval was de graai van Vlodrop te kwader trouw. Kort na het sluiten van den viede van Westphalen erkende hij weer plechtig, dat Leuth eene rijksheerlijkheid was; namelijk den 19cn Januari 1649 beval hij, dat men voortaan weer van de schepenbank van Leuth in hooger beroep moest gaan naar Aken, »als gehouden woordende voor ons wettigh overhooftquot; (I). Maar wat nu te denken van het volgend berichtje, waarvan wij eenige woorden cursiveeren? De Spaansche gezant in Den Haag «vertoonde (in 1655), dat de Fransche hadden desseyn op het Huys Leuth op de Maese, hel welch- de sjmeusche hadden vohjheus hel Tractaet weder gitegeven aen deaen Sta el; hij verzocht dat het van desen Staet mocht worden besetquot; (2). De onderstreepte zinsnede zal wel zijn eene inlassching van Aitzema, want die cessie van Leuth aan de Staten-Generaal staat niet in het verdrag vermeld; en wanneer men bedenkt, hoe lel een strijd er tussclien Spanjaarden en Hollanders destijds in
(I) Bijlage I. (2) Aitzema; lllc D. blz. 266.
de Landen van Overmaas gevoerd werd over het mijn en dijn, dan kunnen wij zelfs gemeld verzoek, dal evenwel met ons onderwerp niel te maken heeft, zoo onvoorwaardelijk niet aannemen. Integendeel, de Spaansche regeering ging consequent voort in hare dwaling, dat Leuth tot liet souvereine gebied van Valkenberg behoorde. Den 5on April
1655 verklaarde de Raad van Brabant te Brussel, dat Adriaan-Ballhasar van Vlodrop de schorsing van den 8Cquot; November 1028 .sub- en obreptive had verkregen. Zoo herkreeg de transactie, die door den invloed van Tilly en Spinola den 2CUquot; April 1626 was tot stand gekomen, hare volle kracht. Op tie requisitoriale brieven, diensvoigens te Brussel verkregen, verwierf de heer van Virmond bij den Raad van Brabant in Den Haag brieven van attache, den 4en Mei 1657. Nu meende de heer van Virmond, die in den waan verkeerde, dat Leuth onder de Brabantsche justitie ressorteerde, zeker te zijn van zijne zaak. Of nu, bij de definitieve deeling van de Landen van Overmaas, Leuth werd toegewezen aan Spanje dan wel aan de Republiek, in ieder geval had thans de bevoegde rechter uitspraak gedaan. Zoo oordeelde hij, en liet den verkoop der heerlijkheid Leuth aanplakken. Maar de heer van Vlodrop had er intusschen iets anders op gevonden. Hij was weelde geldigheid van hel vergelijk van den 26equot; April 1626 gaan bestrijden. Daarin was, op korting van de schuldvordering, aan den heer van Virmond gegeven de Hanenhof. De hoeve was thans in het bezit van Jan van der Stock, drost van Geleen, en consorten. De bezitters waren in
1656 reeds voor het leenhof gedaagd te Valkenberg, door den heer van Vlodrop. Adriaan-Willem van Virmond was hun borg gebleven voor allen schade; hij werd echter door hel leenhof in het ongelijk gesteld den 6»quot; Juni 1657. Daar de hoeve zoowel als het stadje Valkenberg, op den
â 72 â
dag dat de vrede va» Westphalen gesloten werd, feitelijk in het bezit waren der Hollanders, handelde nu de heer van Virmond gansch en al correct, door in hooger beroep te gaan bij den Raad van Brabant in Den Haag. In beginsel won hij daar het pleit; maar in dezelfde uitspraak van den 3un April 1659 verklaarde tevens de Raad van Brabant in Den Haag, dat de brieven van attaché, den 4cn Mei löoT aldaar verworven, wsub- ende obreptivelickquot; waren verkregen; de schorsing van den S11quot; November 1628 werd alzoo hernieuwd, en de heer van Virmond zag zich weer geplaatst voor het vergelijk van den 26uquot; April 1626, dat de heer van Vlodrop weigeide uit te voeren. Da Raad gaf bovendien «ordre aan partyen, 'tgeene sy op den anderen te pretenderen hadden, dat sy het selve aldaer rauwelijck souden institueren ende instrueren op korte termijnen.quot;
Dusdanig was de stand van zaken, toen op den 26L'quot; December 1661 het Partage-tractaat, betreffende de drie Landen van Overmaas, tusschen Spanje en de Republiek gesloten werd. Het bepaalt, o. a., »dat oock de Leenen, releverende van den Casteele van Valckenburgh, ten behoeve van hoogh gemelte Heeren Staeten-Generael, aen de selve sullen blijven gheattacheert de Buyten-Leenen van Hurt, Mesch, Leut, de Witte Poort van Steynquot; (I) etc. Terwijl men even te voren de plaatsen had omschreven, die voortaan tot het immediate gebied van de Staten-Generaal zouden beboeren, rangschikten hier de twee contracteerende partijen de heerlijkheid Leuth onder de buitenleenen, die wel aan Valkenberg leenroerig waren, maar niet tot het souvereine gebied van dat Land behoorden.
Ook de heer van Virmond was er achter gekomen dat Leuth onder het Duitsch Rijk ressorteerde. Diensvolgens had hij, op aanvraag, verkregen van de cancellarij te ürussel
(1) Aitzema, IVe 1). blz. 797.
â 73 â
requisitoriaalbrieven aan het adres van »het Camergerichl tot Spier, ten eynde van attache ende, uyt crachte van deselve, sijne executie, tot voldoeninge vanden voors. vonnisse vanden 5en April 1655, te mogen dirigeren op het Huys ende Heerlijckheit van Leuth, als gelegen op het territoir van 't Rijck.quot; De vordering van A. W. van Vir-mond, ten laste van Leuth, bedroeg toen 60,000 gulden (1). Hel K. Kamergerecht kende hem die vordering toe en verzocht, bij open mandaat van den 27en Februari I6G2, den hertog van Nieuwburg, »als hebbende de beschryvinge vanden Nederlandtschen Westphaelschen Kreyts, om soodanige executie op het voors. Huys ende Heerlijckheydt te doen.quot;
Het schijnt dat Adriaan-Balthasar graaf van Vlodrop toen de behartiging zijner zaak in Den Haag overliet aan zijn zoon Adriaan-Gustaaf en aan zijn schoonzoon Rudolj-Hendrik van Raesvell, heer van Twello, en zich naar Leuth spoedde, om daar op het kasteel zijnen intrek te nemen. Eerst den 9en Augustus 1662 werd het bezet door soldaten van den hertog van Nieuwburg. Ofschoon de Keizer en de West-phaalsche Kreits te voren in Den Haag het uitsluitend duitsch karakter der heerlijkheid Leuth en de wettigheid der executie hadden doen aantoonon, door den keizerlijken zaakgelastigde, Joltan Friquet, en den Nieuwburgschen gezant Wiuand baron van Leerodt (2), gat men aldaar aanstonds gehoor aan het beroep, dat de heer van Vlodrop deed op de «Ho; Mo; Heeren Staten-Generaal der Vereenichde Nederlanden, als directe (!) Leen-Heeren van 't voors. Huys ende Heerlijckheyt.quot; Deze gaven aan genoemde gezanten den 16e van die maand ten antwoord, dat zij de aanwezigheid der Nieuwburgschen te Leuth niet konden dulden; dat er aan de vestingwerken van het kasteel niet mocht
(1) Joan. Thom. Biiüsms: Anna/es Julice etc., t III, p 179. {'2) 3. T. Bitosius, t. a. p.
â li â
worden gearbeid; dat, in afwachting van de beslissing over de reehtsquaestie, hel Huis door soldalen van beide partijen, ot door die van een aangrenzenden onzijdigen Staat, moest bezet worden ; dal deze voorwaarden binnen den termijn van hoogstens drie weken moesten vervuld zijn, en dat op de verwezenlijking ervan de Rijngraat' (1) hel oog zou houden. Die korte termijn, merkte Friquet terecht aan, bewees voldoende, dat het den Staten-Generaal met verdere onderhandelingen niet ernst was. In diezelfde vergadering werd nog besloten, «dat by provisie naer de stadt van Maestricht ten spoedighsten seven ii acht com-pagnien te peerde, uyt de naestgelegene Guarnisoenen, souden werden ghesonden.quot; En werkelijk, de resolutie van den 10''quot; Augustus stond gelijk met een ultimatum. Intusschen wezen er de twee gezanten met nadruk op, dat er geen sprake was van fortificatiën en blijvende bezetting te Leuth, maar dat men hier slechts te doen had met de voorbijgaande uitvoering van een keizerlijk vonnis, binnen de grenzen van het Duitsche Hijk (02).
Zooals hel gebruikelijk is. wanneer de sterke zijn ultimatum heeft afgezonden aan den zwakke, gingen ook de Staten-Generaal zich voor goed grootmoedig loonen. Aan baron van Leerodt, «gheassisteert, voor hel interest vanden Baron vander Neerssen, met den Agent Aller,quot; stelden nu de gedeputeerden der Hoog Mogenden voor, dat Leuth zou ontruimd worden, en de procesvoerders eene submissie zouden onderschrijven, ten einde »partyen, malkanderen soo nae in bloedtverwantschap bestaeude, at te helpen van alle de voois, differenten ende daer uyt geresulteerde processen ende moeylyekheden.quot; Leerodt en Aller antwoordden, dat hunne lastgeving zoo ver niet reikte, en dat er
(1) Frederik-Magnus van 6'a/m, Rijngraaf, gouverneur van Maastricht.
(2) Aitzema, IV' D., blz. 9a8, v.
minstens drie weken zouden verloopen, alvorens zij de noodigo inslructiën konden hebben, maar «dal sy wel konden aensien, dalter een concept van soodanige arbitragie ende submissie wiert op papier gebracht, op het goetvniden ende approbatie vanden liaron vander Neerssen, ende het selve niet alleen aenstonts wilden overmaecken, inner oock alle devoiren doen, om deselve tol aennemingh van dien te disponeren.'' Me gedeputeerden stelden toen eene submissie op, waarvan afschrift werd medegedeeld aan de twee zaakgelastigden en aan den neef van den heer van der Neerssen, namelijk aan nAmbrosius van Virmond, Commandeur van Gemerl, van de Baillie Aldenbiessen.quot; \olgens dil stuk zouden als gevolmachtigden van Adr. Balth. van Vlodrop optreden diens zoon Adriaan-Gustaaf en schoonzoon Rudolf-Hendrik van Raesvelt, terwijl de commandeur van Gemeri voor Adr. W. van Virmond zou verschijnen. Deze gevolmachtigden zouden de geschillen over den llanenhot en [.eulh voor een leenhol, b. v. dal van Valkenberg, bepleiten en aan de decisie ervan zich onderwerpen, ot de parate executie tegen de wederspannige partij bij den Raad van Brabant in Den Hang aanvragen ! Het spreekt wel van zelf, dat zulke ongerijmdheid niet voor eene gedachtenwis-seling vatbaar was.
Het stond nu als een paal boven water bij de Staten-Generaal, dal zij de souvereiniteit over Leulh hadden. Den 13''u September 1662 rapporteerden in de algemeene ver-saderintf »de Heereu van Heuckelom ende andere haer
CJ c)
Ho: Mo: Gedeputeerden tot de sake vanden Landen van Over-Maze, dat zij met eenighe Heeren .Gecommitteerden vanden Raet van Stale hebben naghesien ende ghe-exami-neert de Memorie, bij den Baron van Leradt, op den 8 ende 29 August! lest leden, ende 4 deses, ter Vergade-ringhe van hare Ho: Mo: ingedient, (etc. etc.) maer dat
â 76 â
nochtans aen hun Heeren Ghedeputeerden niet en was gebleken, ofte by ghemelten Baron van Leradt bewesen (i), dattet Huys ende Heerlijckheydt van Leuth souden leggen, ofte siju gesitueert op het territoir van 't Rijck. Dat ter contrarie uyt de over-gediende stucken vanden Grave van Flodrof consteerde, dat den Ko; van Spaignen alle het selve eerst inden Jare 1581, ende daer na inden Jaren 1624 ende 1632, onder anderen, hadde gecontlsqueert, omdat Heei' Willem van Flodrof de parlije vanden Prince van Oraignen gevolght hadde; dat oock notoir was, ende niet teghen gesproocken wierdt, dat het voors. Huys, Sloth ende Heerlijckheydt was een buyten Leen van 't Gasteel van Valckenburgh, ende van 't selve dependerende, oock verheven by gemelte Grave van Flodrof noch jonghst den 20 Februari 1621quot; etc. (2).
Dat dezelfde heer van Vlodrop in hetzelfde jaar 1621 tegen de heeren van Bongart de hulp inriep van hetzelfde K. Kamergerecht, tegen de uitspraak waarvan hij zich thans verzette, wordt hier verzwegen. Daarna wordt er zich beroepen op de macht, die hel leenhof van Valkenberg vroeger uitoefende op de buitenleenen, die direct tot het Duitsch Rijk behoorden, maar er wordt niet bij gezegd, dat die bevoegdheid sedert 1548 was opgeheven. Wat er van de verschillende verbeurdverklaringen van Leuth te denken valt, hebben wij te gelegener plaats gezegd. Ziedaar de redenen, waarom er op dien dag besloten werd, dal de Staten-Generaal »aen den Grave van Flodrof souden doen presteren het effect van de continuatie van surceantie, in de sententie van den Baedt van Brabant alhier, vanden derden April 1659, begrepen; ende dat onderlusschen noch
(1) Met die phrase maakte men zich van de bewijzen af, die baron de Leerodt had overgelegd. (2) Hel different over het Huys van Leuth, blz. 5 en 4.
op nieuw soude geschreven worden aen de Heer Rhijn-Grave, Gouverneur der Stadt Maestricht, dat hy een waeckendt ooge soude blijven houden, ende wel doen letten, ot oock dese haer ilo. Mog. goede meeninge ende intentie tegen het tortificeren der voors. plaetse wiert achtervolght, ende in cas contrarie soude mogen komen te geschieden, dat hy haer Flo. Mog. daer van aenstondts ende ten spoedigsten soude hebben te adverteren, om daer op soodanige reflexie gemaeckt ende reguard glienomen te worden, als men ten meesten dienste van den Staet soude bevinden te behooren.
»In gevolge van sulcks heeft den Rhijn-Graef gezonden den Drost Ittersum, met genoeghsame troupen te voet en te peerde. Een Gerichts-Bode vanden Raedt van Brabandt heeft het Guarnisoen, van weghen het Rijck ofte Hertogh van Nieuburgh in Leuth leggende, gesommeert om uyt te trecken. Den Commandeur hadt geantwoordt last te hebben, om daer in te blijven op lijfstraffe; ende liever zich te willen doodt vechten als op een schavot stervenquot; (1).
Uit den verderen loop der gebeurtenissen zal men zien, dat er van een onderzoek omtrent den toestand te Leuth en van een briefwisseling tusschen Den Haag en Maastricht niets kwam. Trouwens, die heerlijkheid was niet het eenig doel dat men beoogde, zij bood den Hoog Mogenden tevens de welkome gelegenheid aan, om aanvallenderwijs tegen den zwakken hertog van Nieuwburg te kunnen optreden, ten einde hem tot den afstand van een gedeelte zijner erflanden te dwingen. Maar het bleek alras, dat de druiven niet rijp waren.
Wanneer nu Aitzema op hel vorig citaat onmiddellijk laat volgen: )gt;De selve soldaten hadden oock geen last om gheweldt te doen, maer hebben haer gelogeert op seeckere
(1) Aitzema, IVe D , blz. 939.
â 78 â
by Leuth leggende Hoeven (1), den ghemelten Hertogh toecomende,quot; dan geraakt liij in tegenspraak, èn mei zich zeiven, èn met de bescheiden die hij later mededeelt. De soldaten immers, die aan den drost Ittersum waren afgestaan, in plaats van rechtstreeks uit Maastricht, langs tien linker Maasoever, naar Leuth te marcheeren, trokken benedenwaarts, langs den rechter oever der rivier. Toen zijn zij «gevallen in 't Landt van Gullek, ende hebben zich met gewelt tot ürmondt ghelogeert, ende zich (daar) niet ver-genoecht met voeder ende hier, (maar) door haere courses ende Militairsche dreygementen veele omliggende dorpen ende Vlecken gebrandschat, de pillage der kereken, graenen ende bestiaelen doen raneoeneren; door welcke vyandtlijcke invasie de onschuldige onderdanen wederom eenen grooten schaede, op ettelijcke duysent Rijcxdaelders sich bedragende. toegevoecht isquot; (2). Eenige regels verder bevestigt Aitzema zelf, dat de drost Ittersum zich, tegenover Leuth, op den rechter Maasoever genesteld had: »Den Rhijn-Graef schreef aan Ittersum, dat hy op clese zijde van de Riviere komen en met sijn volck, tot naeder ordre, op 't velt omtrent het Gasteel halte maecken sonde.quot;
De uitplundering van de Guliksche dorpen had ook vrij wat meer tijd in beslag genomen, dan het lakonisch verhaal van den anders zoo uitvoerigen Aitzema zou doen vermoeden. De ambtman van Millen, Wolfgang-Willem van Bentinck-Wol/'rath, meldde den inval der Hollanders aan den hertog van Nieuwburg. Deze gelastte den ambtman, om bij den aanvoerder naar de reden van de overrompeling
(I) Hei Guliksch rechtsgebied strekte zich op dim linker Maasoever uit tot halfweg tusschen de rivier en Meeswijk Daar lagen twee landhoevin, de Pal-metihoeven genaamd, die domeinen van den hertog waren. Eene ervan bestaat heden nog en draagt den naam van Palmenhof. (2) Klacht van den Nieuw-burgschen gezant in Den Haag, bij Aitzema, VI D. blz. 548. Men vergelijke ook Bijlage II.
â 79 â
ie vernemen. Bentinck, daaraan gevolg gevend, werd binnen de grenzen van het Guliksch gebied, op last van Ittersum, gevangen genomen en naar Maastricht gevoerd. Hiervan werd kennis gegeven aan do Staten-Generaal in Den Haag. »Haer Ho. Mog., sulcks vernemende, zegt Aitzema, hebben belast hern te ontslaen.quot; In die lastgeving zal de Rijngraaf ook wel tegenbevel ontvangen hebben ten opzichte van den reeds begonnen veroveringstocht in het Guliksch ambt van Born, wijl de Hoog Mogenden begonnen achterdocht te krijgen nopens de gevoelens der vergadering, die op dat oogenblik te Frankfort a M gehouden werd. Al de hier opgesomde berichten cn antwoorden, die op zoo groot een afstand moesten over- cn weergebracht worden, vorderden een tijdsverloop van minstens tien dagen. Het was eerst na de loslating van den ambtman Bentinck dat de Bijngraaf den drost Ittersum beval, den rechter oever te verlaten en naar Leuth over te steken. Hot schijnt echter dat do di'ost eene hollandsche bezetling te Urmond achterliet; wij meenen althans de woorden, die wij op hel eind der volgende aanhaling onderschrappen, zoo te moeten verstaan: «Ondertusschen (1) is h\ selfs (2) melde meeste diligentie als doenlijck was derwaerts aen gemarcheert, mede nemende twee canons ende eenige Buy ten e ende Voetvolck. 's Avonds (3) omtrent ten negen uyren tot Leuth ghekomen zjndc, ende de Maen licht genoegh schijnende, deedt (hij) de Canons tegens over het Huvs placeren ende eene kleyne Batterye, als oock eenighe liguen, tot het logeren van Musquetliers, opmaecken, ende sondt voorts eenigh volck, om sich te saiseren van de buytenste Voorhoven van 't voorschreve Buys, die by de beseltingh ge-abandonneerl waren; van welck logement hy sich by alle
(1) Na den brief aan lltersura. (-2) De Rijngraaf. (ö) Der, iö1-'quot; September 1ÃG2.
â 80 â
evenementen dienen konde. Die van binnen, be me reken de dat de aerde begon te roeren, ontsagen hen niet (1) eeist te schieten ende maekten 't eyndeiijck soo grof, dat de Drost Ittersum, (die de conduite van de Batterye ende logement op sich genomen hadde), hem ghenootsaeckt vondt wederom vnyr te laten geven, doch sonder ander voordeel te konnen doen, als alleen haer daer door te diverteren, dat se de werckende soldaten niet en mochten beletten. Den seven en twinlighsten liet hy 't volck al te samen achter 't Canon in ordre stellen; ende nae het opgaen van de son gingh den deurwaerder van den Raedt van Brabant sijne sommatie doen aen den Commandant op 't Casteel ende ontfingh van den selven weygerigh antwoort. Neffens hem was gesonden Capitein Coenders, om, by soo verre den selven Commandant noch niet en wilde defereren aen sulcke juslitiele sommatie, hem voor te houden 'tgeene (hij) daer op te verwachten hadde: maer niet tegenstaende alle vermaningen wilde hy nergens toe verstaen, verklarende geen ordre te hebben van synen Vorst, en genoeghsaem version te wesen van kruyt ende loot, om de plaets tegens de de wapens van desen Staet te konnen defenderen; waer van aen den Rhijn-Graaf rapport ghedaen zijnde, liet hy op alle kanten, soo wel door 't lossen van het canon, als met musquetten uyt de voorschreve lignes, ende uyt de voorschreven voorhoven, (ahvaer (wij) een mineur by de wercken hadden), soo veel devoiren doen, dat nae de achtste canonschoot het Nieuwburghsche volck stilstandt versochte, ende eenen uyt den haren uyt sondt, met presentatie, dat se bereydt waren af te trecken, mits dat het mocht geschieden met volle wapenen, ammunitie ende vivres; welcke conditiën niet sortabel vindende, oordeelde (de Rijngraaf) van 't respect van haer lloogh Mog. wapens
(1) Nola bene !
â 81 â
te wesen, haer geen van alle drie toe te staen, maer op hun aenbrengen te antwoorden, dat se mochten uytgaen met een stock in de handt, of van den Heer Graef van Flodrof, (die 't meeste met dat werck geledeert was), mosten conditiën verbidden. Ende opdat sulcx sonder contrainte toe gaen mochle, wilde de Heer Rhijn-Graef, dat twee officieren, op parole, op 't huys souden gaen, dewelcke souden moeten present zijn; tot dien eynde heeft (hij) den Capiteyn Goenders, met nog een ander officier,, hem mede gegeven, gesonden, dewelcke in sijn naem aen den wel-gemelten Heer Graef te gemoet gevoert hebben, hoe weynig sulcke conditiën quadreren souden op 'tgcene na krijgs-gebruyck konde geschieden.
«Evenwel heeft de selve, (zijnde tusschen de tachtig ende tnegentigh jaren oudi, ende miserabel te bedde leggende), de goedtheydt gehadt te versoecken, dat men haer wilde laten uyt trecken als eerlijcke soldaten, mei hunne volle wapens. Hij considereerde meer, dat men sijnen vyandt moest een goude brugh maecken, ende dat die luydens het Huys vry noch wat hadden konnen mainteneren, als wel sijn particulier ressentiment: klagende, veel incivijl tractement van haer ontfangen te hebben. Alsoo heeft den Rhijn-Graef hel guarnisoen, l' sijner intercessie, uyt laten marcheren met haer geweer; doende daer blijven kruyt, loot ende provisie; haer doende geleyden tot op de Maes, ende heeft haer ponten verleendl om over te selten me Uirmont, van waer den drost l! Ier sum son haesl niet vertrocken was, ofte daer syn komen lengen eenige honderden Gulkksche huys-hnjden ende soldaten.
«Voor 'l Huys is verlooren een Sergeant, ende twee soldaten licht gequetsl; ende heeft de Rhijn-Graef op 't Huys, lot nader ordre van haer Ho. Mog., gelalen den
ü
â 82 â
vendrich Mortier, met vijf en twintich mannen, waar mede, het Gasteel zijnde aen hem sells in goede defensie, tegens een aenval ghcnoeghsaem versien was.
«De Heere Rhijn-Graef is daer nae terstondt wederom na Maestricht getogenquot; (1).
Tegelijkertijd maakten zich do Hollanders ook meester van hel Land van Ravostein, dat, even als het ambt Born met het stadje Urmond, aan den hertog van Nieuwburg behoorde. Wel is waar, door de overeenkomst van den 7equot; September I ⢠i'i3 (2) tusschen Keizer Karei V en Willem hertog van Gulick, was dit land een buiten-leen geworden van den hertog van Brabant. Ten opzichte van het inwendig bestuur, van de belastingen en van de rechtspraak, bleef het echter aan Brabant even vreemd als vroeger. Nochtans, na de verovering van 's Hertogenbosch en van de Meijerij, eischten de Hollanders niet slechts dat Ravestein aan hen, als de opvolgers van den hertog van Brabant, leenroerig werd, maar zij wilden het voortaan als een integreerend deel van Staatsch Brabant beschouwd hebben. Zij hielden reeds lang het slot van Ravestein bezet, en zij tornden ook nu en dan eens aan de justitie, maar de belastingen, de vrijheid van godsdienst en het inwendig bestuur hadden zij gelaten, zooals zij die gevonden hadden. Nu meenden zij, dat de tijd daar was, om den grooten slag te slaan.
De hertog F Hips- Willem van Niemvburg was niet tegen den vijand opgewassen, te meer wijl de keurvorst van Brandenburg, die de andere helft der zoogenaamde Gulik-sche nalatenschap bezat, hem, in overleg met de Hollanders, de eene moeielijkheid op de andere berokkende. Al was bij dan ook van natuur geen Bernard van Galen, hij beschikte ook niet over de stoffelijke middelen, als waarmede
(1) Aitzema, IVe Deel, blz. 959â960. (2) J. T. Brosius : Annates t. III, p. 59â6ó.
â 83 â
deze bisschop van Munster, twee jaar later, eene dergelijke opdracht van den Westphaalschen Kreits tegen de gewapende inmenging der Hollanders wist te handhaven.
Doch, indien de hertog vijanden had, hij had ook vrienden. De volgende missive, die hem uit Den Haag werd toegezonden en die Aitzema volgenderwijs resumeert, zal hem dus wel niet den schrik om het hart hebben gejaagd:
»Dese tijdinge (1) bij haer Ho. Mog. outfangen zijnde, hebben goedt-gevonden dat in serieuse termen aen den Hertog van Nieuwburg geexpostuleert soude worden over het ghewelt ende resistentie gedaen aen de Justitie deser Landen; mitsgaders hei bloet-vergieten, gbepleeght ende gecommitteert door de troupes van den selven, buyten het territoir van 't Rijck ende op een Leen van desen Staet, daer niemandt re-elijck eenige acten van Justitie vermocht te exerceren, als het Leen-hof van den Lande van Valcken-burg, ofte het opper-Leenhof van Brabant; welckers deur-vvaerder de voornoemde troupes in 't doen van sijn exploict hadden geresisteert, nae dat partyen geïnteresseerde com-petenten tijdt was verleendt, ende dat den selven tijdt al over lange, jae wel driemael was verstreecken ende ge-expireert; met versoeck dat sijne Vorstelijcke Doorluchtig-heydt het voors. ghewelt ende resistentie, mitsgaders 't bloet vergieten, aenstondts wilde doen repareren ende daer over behoorlijcke satisfactie aen haer Ho. Mog. geven. Mede is, mutatis mutandis, over 'tselve subjet gheschreven aen de Heeren Afgesanten van den Koningh van Vranckrijck ende Keur- ende Vorsten van 't Rijck, tot Franckfurt vergadertquot; (2).
Toen waren inderdaad de gevolmachtigden van den koning van Frankrijk, van de keurvorsten van Ments, Keulen en Trier, van den hertog van Nieuwburg en van meer andere
(I) De inneming van het kasteel te Leuth. (-2) Aitzema, IVe l). blz. 900.
â 84 â
duitsche vorsten te Frankfort a/M vergaderd, om het defensief verdrag dat zij in 1658, ter handhaving van den vrede van Westphalen, gesloten hadden, te hernieuwen. Het stuk der Hoog Mogenden vond daar geen gunstig onthaal. Den leu November antwoordden de gevolmachtigden, dat zij de overweldiging van de heerlijkheid van Ravestein en van het Huis Leuth laakten, dat zij de ontruiming van Leuth en de loslating van den ambtman Bentinck eischten, wijl de verbonden vorsten zoo iets niet met onverschilligheid konden aanzien (1).
Nu de zaak zulk eene wending nam, lieten de iloog Mogenden vooreerst alle verdere annexatie-lust varen; zelfs vorderden zij niet meer, dal de hertog hun verschooning vroeg voor het gebruik dat hij van zijn verdedigingsrecht gemaakt had; zij waren er slechts nu op bedacht, om het ingepalmde te behouden. Te vergeefs zond de hertog, in eigen naam, den 28eu December 1662, aan de Hoog Mogenden een protest tegen het geweld, gepleegd te Leuth, te Urmond en omstreken, alsmede in het Land van Ravestein. Niet meer haalde het voorstel uit, dat de Nieuwburgsche gezant in Den Haag, H. baron van Leerodt, deed in Maart 1663, namelijk: de afstand van de heerlijkheid Ravestein aan de Republiek, tegen een equivalent voor den hertog in de Landen van Overmaas. De Hoog Mogenden wilden het een zoo wel als het ander behouden, en antwoordden, dat het niet aanging, Maastricht »te ontblooten van eenige der voornoemden, omtrent de stad ghelegen Landen.quot; Toen diende de gezant over de daden van geweld, gepleegd in bet Land van Ravestein, «soo wel als over het gepasseerde te Leuth, eene scherpe Memorie in. Maer 't is voorts daer by ghebleven, hoe wel door den Koningh van Vranckrijck, in den voorleden jaere, soo by 't maecken van de Alliantie,
(I) Ibid.
â 85 â
als daernae door sijn Ambassadeur alhier, meermaels ge-recommandeertquot; (l).
De Republiek, die onder de leus van gewetensvrijheid in de rij van de europeesche Staten had plaats genomen, haastte zich nu, om hare zegeningen ook over de heerlijkheden van Ravestein (2) en Leuth te verspreiden. Bij plakkaat van den 3⢠Maart 1663 hadden de Hoog Mogen-den, »in gevolge van de gedane partagie in 't Landt van Overmase, doen waerschouwen alle Papen, of alle Paepsche Priesters ende Pastooren, van wat name, ordre, ofte conditie die oock waren, geene uytgesondert, onder hel jegen-woordigh ressort van desen Staet, in de Landen van Valckenburgh, Liaelhem ende 's Hertogen-rade, Over-Mase, gebleven ende noch woonachtigh, dat de selve de voors. haere wooningen, Pastorijen ende aenbehoorende Landerijen ende voorts, de voors. Landen souden moeten ontruymen, voor expiratie van den eersten May naestkomende, op pene dat syluyden, contrarie doende, naer de Placcaten deser Landen souden werden gecorrigeertquot; (3). Hel is bekend, hoe draconisch die correctie was. Dal plakkaat had Johan Pesters, luitenant-voogd en stadhouder van het Leenhof te Valkenberg, ook doen aanplakken in de dorpen Leuth, Eijsden en Meeswijk. De keizerlijke zaakgelastigde in Den Haag, Jolum Friquel, protesteerde daartegen den 16'''1 April daaraanvolgend. Hierop werd hem den 25e dier maand geantwoord, »dal hare Ho. Mog. niet gebleecken, noch bekent en was, dal de voors. dorpen souden wesen van 'l territoir van 't Duitsche Rijck, ende dat sijn Ed. mitsdien te minder reden hadt, om over de aftixie van de voors. waerschouwinge soo ernstigh ende yverich t' exposluleren. Dan, dat hare Ho. Mog., raeckende 't selve Territoir, seer
(1) Ibid. blz. 1180, v. (i) l. T. Brosius : Annates etc., t. Ill, p. 179.
(ö) Aitzema, lVe LV blz. 1094.
â 84 â
duitsche vorsten le Frankfort a/M vergaderd, om het defensief' verdrag dal zij in 1(358, ter handhaving van den vrede van Westphalen, gesloten hadden, te hernieuwen. Hel stuk der Hoog Mogenden vond daar geen gunstig onthaal. Den leu November antwoordden de gevolmachtigden, dat zij de overweldiging van de heerlijkheid van Ravestein en van het Huis Leuth laakten, dal zij de ontruiming van Leuth en de loslating van den ambtman Beniinck eischten, wijl de verbonden vorsten zoo iets niel met onverschilligheid konden aanzien (1).
Nu de zaak zulk eene wending nam, lieten de Hoog Mogenden vooreerst alle verdere annexatie-lust varen; zelfs vorderden zij niet meer, dat de hertog hun verschooning vroeg voor het gebruik dat hij van zijn verdedigingsrecht gemaakt had; zij waren er slechts nu op bedacht, om het ingepalmde te behouden. Te vergeefs zond de hertog, in eigen naam, den 28eu December 1662, aan de Hoog Mogenden een protest tegen het geweld, gepleegd te Leuth, te Urmond en omstreken, alsmede in het Land van Ravestein. Niet meer haalde het voorstel uit, dat de Nieuwburgsche gezant in Den Haag, H. baron van Leerodt, deed in Maart 1663, namelijk: de afstand van de heerlijkheid Ravestein aan de Republiek, tegen een equivalent voor den hertog in de Landen van Overmaas. De Hoog Mogenden wilden het een zoo wel als het ander behouden, en antwoordden, dal het niet aanging, Maastricht »te ontblooten van eenige der voornoemden, omtrent de stad ghelegen Landen.quot; Toen diende de gezant over de daden van geweld, gepleegd in het Land van Ravestein, »soo wel als over het gepasseerde le Leuth, eene scherpe Memorie in. Maer 't is voorts daer by ghebleven, hoe wel door den Koningh van Vranckrijck, in den voorleden jaere, soo by 'l maecken van de Alliantie,
(I) Md.
â 85 â
als daernae door sijn Ambassadeur alhier, meermaels ge-recommandeertquot; (1).
De Republiek, die onder de leus van gewetensvrijheid in de rij van de europeesche Staten had plaats genomen, haastte zich nu, om hare zegeningen ook over de heerlijkheden van Ravestein (2) en Leuth te verspreiden. Bij plakkaat van den 3⢠Maart 1663 hadden de Hoog Mogen-den, »in gevolge van de gedane partagie in 't Landt van Overmase, doen waerschouwen alle Papen, of alle Paepsche Priesters ende Pastooren, van wat name, ordre, ofte conditie die oock waren, geene uytgesondert, onder hel jegen-woordigh ressort van desen Staet, in de Landen van Valckenburgh, baelhem ende 's Hertogen-rade, Over-Mase, gebleven ende noch woonachtigh, dat de selve de voors. haere wooningen. Pastorijen ende aenbehoorende Landerijen ende voorts, de voors. Landen souden moeten ontruymen, voor expiratie van den eersten May naestkomende, op pene dat syluyden, contrarie doende, naer de Placcaten deser Landen souden werden gecorrigeertquot; (3). Hel is bekend, hoe draconisch die correctie was. Dat plakkaat had Johan Pesters, luitenant-voogd en stadhouder van het Leenhof te Valkenberg, ook doen aanplakken in de dorpen Leuth, Eijsden en Meeswijk. De keizerlijke zaakgelastigde in Den Haag, Johan Friquel, protesteerde daartegen den I6equot; April daaraanvolgend. Hierop werd hem den 25e dier maand geantwoord, »dal hare Ho. Mog. niet gebleecken, noch bekent en was, dat de voors. dorpen souden wesen van 'l territoir van 't Duitsche Rijck, ende dat sijn Ed. mitsdien te minder reden hadl, om over de affixie van de voors. waerschouwinge soo ernstigh ende yverich tquot; expostuleren. Dan, dat hare Ho. Mog., raeckende 't selve Territoir, seer
(i) Ibid. blz. 1180, v. ('2) J. T. Ukosius : Annates etc., t. Ill, p. 179.
(3) Aitzema, lVe I), blz. 109-i.
â 86 â
geerne nader onderrichtinge souden ontfangen: des is, dien onvemindert, goetgevonden, dat aen de voornoemde Luytenant Voocht Pesters geschreven soude werden, dat. hy, by provisie ende tot hare Ho. Mog. naerder ordre, met alle verdere executie van 't voors. Placcaat ofte waer-schouwinge, voor soo veel de voors. drie dorpen aenginck, soude hebben te supersederenquot; (l).
Uit het voorgaande blijkt, dat de Hoog Mogenden nu wat beter de vormen in acht namen tegenover den Keizer, maar daarom lieten zij de besprongen prooi nog niet los. In het begin van 1664 was Adriaan-Balthasar van Vlodrop »door den Procureur ende Fiscael-Generael tot Spiers ge-dachvaert als een verbreker van de publycke vrede, ende om daer over te betalen een boete van twee duysent marek Loot gouts, volgens der Lant-vredens constitutie, omdat hy over ende teghen de feytelijcke executie, door den Hartogh van Nieuburgh op 't slot Leuth gedirigeert, sich hadde geadresseert aen haer Ho. Mog. ende der selver protectie geimploreert.quot; De heer van Vlodrop wendde zich alweer tot de Staten-Generaal, die bij resolutie van den 24equot; April 1664, door tussohenkomst van den Raad van State aan den Raad van Brabant te 's Gravenhage vroegen »een mandement van attentaten poeneel, disponerende tegens den Procureur ende Fiscael Generael van het Kamergerecht te Spiers.quot; Eene commissie, uit leden van de drie genoemde collegiën samengesteld, was echter later van oordeel, dat het voor de eer van de Republiek en voor de veiligheid van den requestrant beter was, indien de zaak langs den diplomatieken weg behandeld werd. Toen vergenoegden zich de Hoog Mogenden met op te zenden aan het K. Kamergerecht het rapport, dat over de quaeste van Leuth, in hunne vergadering van den 13'quot;quot; September 1662, was uitgebracht (2).
(1) Aiizema, 1Vc D. p. 1098. (2) Ibid. \' ü., hlz. 3-22.
â 87 â
Waren alzoo de pogingen die het Keizerrijk aanwendde, om Leuth te herwinnen vruchteloos, niet minder ijdel waren de slappen die de hertog van Nieuwburg deed. Op het einde van 1667 klaagde nog eens zijn gezant in den Haag, E. V. Aller, dal de Hoog Mogenden zoo dikwerf aan sinistre klachten over zijn tegenwoordigen meester en vroeger over diens voorzaat een gretig oor hadden verleend. Daarvandaan dat de Hoog Mogenden hadden inbreuk gepleegd op de rechten van zijn vorst en op diens gebied wanorde gesticht »soo wel in 't Geestelijck als in 't We-reldlijck, als sich aiaer de geringste occasie daartoe hadde gepresenteert,quot; zoodat het «dickwils hadde gescheenen, als of de occasien ex professo waren gesocht gheweest, om t'elckens nieuwe gravamina op de oude of vorige t'accu-muleren. Dit was, o. a., gebleecken (1°) door hel gevanc-kelijk weghalen ende detineren van Calholijcke Geestelycke, Pastoren ende Zielzorgeren, het evoceren ende schimpelijck arresteren van haer Doorluchticheden onderdanen, (2°) door de gepleechde nieuwicheden ende indrachten in haer Landt ende Heerlickheyt van Ravesteyn, in sulcker voegen als noyt Hartogh van Hrabant gedaen hadt, (3°) door het protegeren van syner Doorl. eygene ontwekene dienaers ende onderdanen: den Kelner van Lunich, eenen anderen Gulijk-schen onderdaen. Koeken genoemt, den Heer van Limbricht, dien van Belderhuseh, ja tot repressalien incluys, daernaer (4°) door de feytelijcke ende vyandtlijcke invasie van u Ho. Mog. Krijgsvolck in 't Landt van Gulick, ter occasie van de Keyserlijcke executie, gedreven tegen 't huys en goederen van Lent, en (5°) nu lestelijck door het arresteren van syne Vorstel. Doorl. schoutet des Ampts Monjoiequot; (1). Daarna ontwikkelt de gezant in quot;t breede ieder der vijf' punten. Aitzema (2) laat er op volgen: quot;Dit alsoo by
(1) Ibid. Vlc 1)., blz. 3tT. (quot;2) Ibid. blz. 34'J.
â 88 â
audientie expresse geproponeert zijnde, is ghestelt in handen van den Heer van Heuckelum en andere, ahvaer 't is gebleven, sonder wydere poursuite.quot;
Ten gevolge van de invasie der Franschen, in 1672, kwam het Land van Ravestein voor goed aan den hertog van Nieuwburg. De oplossing der andere geschillen is ons onbekend. Dit alleen weten wij, dat Leuth bleet' in hooger beroep gaan naar Aken, tot aan de opheffing der heerlijkheid door de Fransche Revolutie.
Nu nog iets over de procesvoerders. Adrlaan-Willem, vrijheer van Virmond, heer van der Neerssen, Schönau etc., na den dood zijner eerste vrouw (f 19''quot; Juli 1660), hertrouwd met Maria van der Horst, zu Ilaus und Hellenbroich, wordt beurtelings aangetroffen als Palts-Nieuwburgsch geh. raad, opperhofmeester en opperkamerheer, als Guliksch land-maarschalk, als gouverneur van Augsburg, als gouverneur van Gulik en Dusseldorf, als keizerlijk krijgscommissaris en generaal-majoor; hij verdedigde in den dertigjarigen oorlog Rostock tegen de Zweden, werd in 1644 in den rijksgravenstand verheven, en overleed den loequot; Juli 1681, uit zijne twee huwelijken verschillende kinderen nalatend (1).
Omtrent de twee laatste Vlodrops ligt er nog veel in het duister, dat de archieven van Zutphen en Arnhem zouden kunnen ophelderen.
Adriaan-Balthasar, die zich eerst noemde baron, en later graaf van Vlodrop, had drie dochters, geheeten; Anna-Theodora, Adriana en Odilia, die op den 6equot; November 1656 nog ongehuwd waren (2). In 1662 had hij een schoonzoon, met name: Rudolf-Hendrik van Raesveld. li ij had één zoon, met name Adriaan-Gustaaf. Toen in Maart 1631 Adr. Ralth. van Vlodrop de zitting der Staten-Generaal bijwoonde, werd er eene particuliere conlerentie tusschen (1) L' von Oidtman, t. a. p. (2) Jüs. Habets, t. a. [). blz. 289.
â 89 â
de afgevaardigden van Holland en die van Gelderland gehouden : «De graef van Vlodrof resusciteerde een oude actie, om voor syn soon te hebben eene comp'0 te peerde, ot tractement, tot dat hy daer mede sy versien, die 18 jaeren hadde geslapen. Hollant, voor desen dese sake alleen tegen gehouden hebbende, adviseert nu daer voor, uyt politique consideratien, soo als die leden by haer advisen seydenquot; (l). Adr. Balth. van Vlodrop was, volgens Aitze-ma (2), in 1602 tusschen de 80 en 90 jaren oud. Zou hij »de oude Graef van Flodrof' zijn, dien wij in 1672 als colonel van een regiment cavallerie aantreffenquot;? Diezeltde colonel was lid van den krijgsraad te Bodegraven (8). Het regiment-Vlodrop trok met den prins Willem 111 van Oranje naar de zuidelijke Nederlanden (4) en nam deel aan den slag van Seneffe (5). Of wij hier met den vader, dan wel met den zoon te doen hebben, kunnen wij niet uitmaken.
Als gedeputeerden van de Hoog Mogenden, gingen den 7°quot; Januari 1660 Aclriaan-Gustaaf graaf zü Flodrolf en J. Schulenborgh, in den staatsiekoets van de prinses douairière, de twee buitengewone gezanten van den koning van Denemarken verwelkomen. De fransche gezant in Den Haag, Jacques-Auguste de Thou, en de keizerlijke minister. Jol tan
(1) Ai.ex. van der Capellen, Gedenkschr. llc 1)., blz. 534, v. Het was bij de afgevaardigden van Holland gewoonte geworden, om, door zulk gckcnke.' achter de schermen, hunne meening bij de gedeputeerden der andere pro\incién ingang te doen vinden. Alex. v. d. Capellen, anders een vriend en medestander van den graaf van Vlodrop, brandmerkt »het middel (van Holland), om, door aenbiedinghe van benefitien ende charges, de gemoederen te locken ende te winnen.quot; als scadeticke corruptie. Daardoor kwam het, «dat d'advysen van oude ende wel meriteerende Regenten niet wierden geacht, en die van andere luden, meer op haer eygen interesse ende vordeel van de Steden lettende, als wel op 't gemcene beste, altydt mosten prepondereeren.quot; Tont comme chez nous, zou de franschman zeggen. (2) Aitzema, 1Vc D., blz. 960. (3) L. Ss'lvius: Historiën Onses Tyds, lc D., Ie St., blz. 190. (i) Ibid. 368, (5) Ibid. 11' St., blz. 55 en blz. 96.
â 90 â
Friquet, volgden. Op den terugrid naar het Hof kreeg de franse he gezant met de Denen twist over den voorrang der rijtuigen en beschuldigde den graaf van Vlodrop van partijdigheid. De strijd werd bijgelegd, door wegjaging van een paai' lakeien (1). Quidquid delirant veges etc.
In April van dat jaar werd Adriaan-Gustaaf van Vlodrop door de Hoog Mogenden afgevaardigd naar de stad Munster, die toen in conflict was met haren bisschop C. B. van Galen (2).
In 1667 was hij majoor bij het regiment ruiterij van den colonel Joseph Calzeler (3) en het jaar daarna lag hij als zoodanig in garnizoen te Wezel. Daar verweet hij aan den commandant Maarten van Juchen, dat deze onder zijne bezetting had een bloedverwant, die vroeger was ter dood veroordeeld geweest. Dat verwijt had hij gedaan aan »hem Commandeur in sijn huys ende hem daernae met een rot-tingh geslagenquot; (4). Daarvoor schorste hem de Raad van State »ter tijdt ende wijle, dal anders sal zijn gedisponeert,quot; den 9cn Juni 1668.
Den 1 iequot; November 1688 trok zijn regiment cavallerie met Willem 111 van Oranje naar Engeland en werd weer in Holland ontscheept den 8''quot; Maart 1689. Het schijnt dat hij zijn regiment op den tocht naar Engeland niet vergezelde, want in het begin van laatstgenoemd jaar vinden wij Adriaan-Gustaaf' graaf zü Flodro/I' terug als «commanderende te Mastrigt en in de omliggende Plaatsen, by absentie van den Prince van Waldekquot; (o).
(I) Aitzema, 1V« D., blz. 331âS53. (2) Ibid. blz. 6b9 en 663. (3) Ibid. VIquot; D., blz. 3quot;22. H) Ibid. blz. 348. (5) Georg-Frederik prins van Waldek, heer van Willem, veldmaarschalk in het hollandsch leger, werd in 1679 gouverneur van Maastricht, in 1689 opperbevelhebber van het leger der gi allieerden in de Nederlanden, verliet, wegens zkkte, het leger in Augustus 1692 en overleed te Arolsen dtn 19'quot; November van laatslgeoieid jaar.
â 91 â
De Luiksche kanonik, baron Jan-Lode wijk van Elderen, die den I7en Augustus 1688, tegen den wil vnn Lodewijk XIV, koning van Frankrijk, te Luik lot prins-bisschop gekozen was, wist weldra, in overleg met de Staten van het prinsdom, er geen ander middel op, om het land van de rooftochten der Franschen te bevrijden, dan door, op harde voorwaarden, van den Franschen koning de neutraliteit te koopen. Dit geschiedde den 9cn Februari 1689 (1). Toen was reeds zoo goed als geklonken de groote coalitie van het Duitsch Rijk, Engeland, Spanje en de Republiek der Vereenigde Provinciën tegen den overmoed van Lodewijk XIV, coalitie die den 12quot;quot; Mei van dat jaar officieel werd bezegeld. Geen wonder, dat onder zulke omstandigheden de onzijdigheid van Luik niet geëerbiedigd werd. Terwijl de graaf van Vlodrop, in de maanden Februari en Maart contributiën en leverantiën aan het prinsdom afdwong, en de Hoog Mogenden van Den Haag, »tot dekking van hunne Landen, den Prins van Luyk op hunne zyde trachtten te winnenquot; (2), vermaten zich de Franschen, in de stad Luik zelve, «3 compagnien dragonders te werven, een groote voorraed van kruyt, loot, lonten, schoenen, lakens etc. op te koopen en in 60 scheepen te laden, om (er) mede Bonn te versorgen. De besettinge uyt Mastrigt, hiervan verkundigt, en weetende dat sy op 21 van Maert stonden te vertrekken, sondt een gedeelte van hunne besettinge uyt, om dese munitie te onderscheppen. Maer dit gelukte niet, dewijl de Franschen, soo haest sy kennisse vande aennaerderinge deser volkeren kregen, weder terugge weken na Luyk.quot; Twee dagen daarna, (den 23quot;) schreef de graat van Vlodrop aan de twee burgemeesters van Luik, dat zij, door zoo iets toe te laten, de onzijdigheid schonden;
(1) J. Daius : ttisl. de la Princip. de Lidije au \Vllbm' siècle, t. II, p. 218â2-20. (2) U Sylvius, 111« D. 27« B. blz. 98.
â 92 â
hij vergde van hen, dat zij voortaan die goederen beschouwden, als door hem in beslag gelegd. In hun antwoord van 's anderendaags zochten de twee burgemeesters uitvluchten, zooals de zwakke en machtelooze die bezigt tegenover den sterke. Die nederige verontschuldiging was een bewijs, dat men er te Luik niet aan dacht, om zich in de armen van Frankrijk te werpen. Nu veranderde de graat' van Vlodrop van toon. Op sarcastische wijze weerlegde hij, den dag daarna, de uitvluchten der burgemeesters en hij spaarde hun geen bedreigingen. «Het was geen visschersschuytje, schrijft hij, nog geen karretje, dat weder binnen de stad keerde, maar schepen, niet eenige alleen, maar eene gebeele vloot en een groot getal van karren,quot; die ten aanschouwen van de geheele bevolking uit- en weer binnengetrokken zijn, en de twee burgemeesters alleen zouden dat niet geweten hebben ! Uwe partijdigheid, zoo gaat hij voort, trad nog meer aan het licht, doordat gij »de voorsteden liet toemaken aan die kant, daar de trouppen van omen Staat waren, ende ketens liet spannen aan den ingang der straten, en die met karretjes en karren bezetten, om de aankomst te beletten van den Heer Berloo, commandant van ons detachement, die, met weynig gevolg, alleen in Luyk wilde wesen, om syn vrienden te besoe-kenquot; (!), terwijl «de drie compagnien dragonders, welke geworven, gekleed, gemonteerd ende gewapend zijnde in uwe Stad, in volle toerusting uyt deselve getrokken zijn, op deselve tijt als de munitiën uytgevoert wierden, en welke in 't gesicht van onse trouppen weder binnen de Stad gekeert zijn, sonder dat iemand zich daer tegen keerde.quot; De graaf verklaart nogmaals beslag te leggen op die goederen en vordert thans bovendien, dat de burgemeesters hem opgeven »de quantiteyt en qualiteyt der voorz. munitiën, den naem der kooplieden, die se weder
- 93 â
aengenotnen hebben,quot; de huizen, waar ze thans geborgen worden; hij eischt wijders, en dat onder de felste bedreigingen, dat men de drie compagnieën dragonders als krijgsgevangenen te Luik behandele, of' wel dat men hem binnen de stad lale, om goederen en krijgsgevangenen in ontvangst te nemen (1).
Na A werd er B gezegd. ))De Grave van Flodor/f is op den 2lt;!° April, met ruym 4000 man te voet en te paard, 0 stukken geschut, en 2 vuyrmortieren, in de voorsteden van Luyck gekomen, nam zijn hoofd-quartier in het Cart-husers klooster, eyschte de fransche contrabande goederen en de treworvene dragonders, of, bv laulte van overleve-ringe, voor yeder dag 2000 Ryxdaalders.quot; Op last van den prins-bisschop traden den 6cn April eenige leden van de Staten met den graat van Vlodrop in onderhandeling, 's Anderendaags gaven zij in volle vergadering verslag van hunne zending. De drie standen det Staten deelden daarop aan den bisschop als hun gevoelen mede, dat het prinsdom gevolg moest geven aan het keizerlijk bevel van den 20equot; December 1688. Den 8Cquot; April sloot de bisschop met den graaf eene overeenkomst: deze stond hem een regiment cavallerie en een regiment voetknechten af, garnizoenen zouden in de kleine steden van het prinsdom gelegd worden op naam van den Keizer; de in beslag genomen goederen werden onder de Keizerlijken, Hollanders en Luikschen verdeeld. De dragonders hadden zich intusschen uit de voeten gemaakt, 's Anderendaags verklaarde de bisschop zich openlijk voor den Keizer en tegen Frankrijk ; en bij proclamatie van den 2öcn April verbood de graaf van Vlodrop ten strengste aan de ingezetenen van het prinsdom elke private onderhandeling met de Franschen (2). In 1690 had de graaf van Vlodrop het bevel over een legercorps,
(1) Ibid. blz. 68â69. (2) Ibid. 97. J. Daris, t. a. p. blz. 223.
â 94 â
dat uit Hollanders en vijf a zes duizend Luiksche soldaten bestond. In de maand Juni deed hij aanvankelijk eene afdeeling Franschen, die het op [loei en Luik gemunt hadden, afdeinzen, maar daarna moest hij op zijne beurt wijken voor de overmacht. Hij trok westwaarts en voegde zich bij het leger der geallieerden, waarin hij de plaats van generaal-majoor bekleedde. Den SO»quot; Juni had de prins van Waldek den graaf van Berlo met 600 ruiters, ter verkenning, uitgezonden, 's Anderendaags, in den vroegen ochtend, trok hem de graaf' van Vlodrop met eenige esca-drons ter hulp. Zij werden teruggedrongen tot aan het dorp Fleurus; toen ontvingen zij versterking en wierpen zij op hunne beurt de Franschen terug. De colonel graaf van Berlo sneuvelde. Den volgenden dag, len Juli, werd daar de bloedige slag van Fleurus geleverd, die met de nederlaag der geallieerden eindigde. Als generaal-majoor voerde de graaf van Vlodrop dien dag over geen afzonderlijk corps het bevel, maar »begaf zich daar de occasie sijn presentie vereyschtequot; (I).
In latere jaren vertoefde de graaf van Vlodrop nog al op hel kasteel van Leuth, blijkens kvvitantiën, die hij van daar dagteekende. Op zijn ouden dag trouwde hij, (na 1690), met Margaretha Huyssen, geb. 23cn Mei 1632. Deze was eerst gehuwd geweest met Hieronymus van Tuyll van Serooskerken, en daarna met den graaf van Dohna. »Zij is kinderloos overleden, doch adopteerde, staande haar tweede huwelijk, de kleindochter van haar broeder Frederik Huyssen, de dochter van haar neef Hendrik Huyssen, heer van Cat-lendijck, uit zijn huwelijk met zijn volle nicht Maria-Susanna, (namelijk) Johanna Maryaretha Huyssen, die op den 10equot; Julij 1690 gedoopt werdquot; (2). Bij gelegenheid van het
(I) L. Sylvius, IIIC D. 30e B. blz. 155: rapport van den prins van Waldek. (2) W. Huyssen van Kattbnimjke ; in di Maasgouw, 8ilc Jaarg., n0 ö, blz. 24.
â 93 â
huwelijkscontract, dal «freulin Jannetta Margaretha Ihnjssen, vrouwe van Dovtlt,quot; den locn Februari 170G, op den Huize Dorth, aanging mei Karei Fiiips graaf van Wartensleben, schonk haar Adriaan-Gustaaf graai van Vlodrop »'l Gasteel met de vrije Ryxheerlyckheil Leuth, Meeswyck en Eisden, met alle goederen, jurisdictiën etc., daaronder gehoorende, voorts meubelen ende huysraadt, die daarop zijn,quot; op voorwaarde dat de jonge Wartensleben het wapen en den naam van Vlodrop aannam, en dat de kinderen, uit dit huwelijk te verwekken, tot aan hunne meerderjarigheid onderwezen werden »in de waare gereformeerde religiequot; (i).
Den 4en Februari iTIO werd Leuth te Valkenberg verhoven door Odiliana van Vlodrop, douairière van Eusum (2). Zij was waarschijnlijk van plan, tegen gemelde schenking in rechten op te komen.
(t) A. Flamknt, lliid. 7dc Jaarg. n0 257. (2) Jos. Haiiets; Leenhof en Leenen van Valkenb. blz. 117.
BIJLAGE I.
Bevel van Adriaan-Balthasar graaf van Vlodrop, om het hooyer beroep van de schepenbank te Leulh niet meer in te stellen te Susteren, maar te Aken.
â 19 January 1649 â
Op huijden, dato boven staende, voor ons Jan Rutjens, Jan Claessen, Peter Beuten, Jan Jannissen en Peter ïruesters, Schepenen deser gerichtts bancken Leuth, is in persoene gecompariertt deser Heer-licheijtt Scholtis, Godartt Heijssen, van weghen des Hoogh Woll geboren Heeren Adriaen Graeffve zu FlodroB', Yrijheeren ailiier, ons voordragende, tott Sijne Gde kennisse gekomen te sijn, datt eenighen tijtt geleden hett appeil van sekere hier gewesene vonnissen waer gedeferiertt op Susteren, in den Lande van Gulick, aldaer oock ver-volgtt tott de judicature, ende alsoe daer mede Sijner Gde Jurisdictie geïnfringeertt te sijn, ten opsien Sijne Gdc van sijne ouders den berichtt bekommen, datt het appeil van hier direcktelick moest gaen op Aken, ende daerom hij scholtis, in de voorgaende qualiteyt, hier mede expresselick is protestirende teghen de voors. op Susteren onbevuychde gedeferierde appellatie van Jurisdictie, ende voorts van nulliteijtt van gevvijsdom ende andersins, ter voors. plaetse daer vuytt gevolghtt, als sijnde bij abuijs, in tijde van oorloch ende militairen dwanck, onbehoorlick gedirigiertt, ende over sulx hij niett en gestaett, dat voortaen eenighe saecken van appellatie naer Susteren sullen gedragen woorden, maer naer Aken, als gehouden woordende \oor hett vveltigh overhooft; gedinckende de contreventeurs van desen daer voor aen te sien: heeft versochtt, ditt protest op onsen Dingh Register geannotiert te woorden, hett welck alsoe in hoede van der weth is gekeertt.
(Registers der Schepenbank van Leuth, Rijks arch, te Maastricht.)
BIJLAGE 11.
Brief van Filips- Willem Iter Ion van Nieuwbunj aan keizer Leopold I over de overrompeling van het kasteel te Leuth en van het stadje Urmond door de Hollanders.
â 10 November 1662 â
Aller d u rcldeuch t iyster,
Zülblg meines jüngsten vora 27 abgewichenen Monats Oclobris an E. Kav; M' abgelassenen schreibens babe raeiner schuldigkeit gemesz zü sein eracbtel, E. Kay; M' ferrners zu berichten, weszgeslalt die Staaten der Vereinigten Provinciën, blosz dan'imb dasz icb die von deroselben mir durch dero Cammergericbt zü Speyr anbefoblene execution in deni bausz Leuth scbüldigst inassen verricbtet, in meiner dem Reich obnmittebahr ünderworffener und mir züstendiger Herr-schaft Ravenstein alle meine Uenthen, gefallen imd einkommen de facto in arrest genohmen ünd sequestriren lassen, auch dieserseits der Maase in meinem Herzogthümb Jiilich eingebrochen, ünd meine freyheit Urmundt feindtlich überfallen, ihre Volckber alda rait gewalt quartier geraacht, die Kirch und Zollhausz Urmundt eingenohmen, meine Undertbanen wein, bier, tutter ünd mebl herzugeben, auch so gar das brott, so sie von Mastricht auf Urmundt bringen lassen, zü zahlen gezwüngen, Schildtwachten auf den thürm gestelt, sich an
der freyheit vergriffen..... da ich fide publica ünd in freundtschaft
zü dem commendirenden Officier meinen Ambtman zü Milien, den von Benting, (welcher die i'irsacb des einfahls vernehmen solle), abgefertigt babe, denselben in meinem fi'irslentlmmb Ji'dich, find also aufm Reichsboden, binwegk genommen ünd nacber Mastricht gefiiehrt, alda gefenglicii etlich tag lang angehalten, nachgebendts, mutatis consiliis, zwar obgemelten meinen Ambtman widerürab losz ünd der zü ünrecht angelegten baft erlassen; audi die in meinem fürstenthümb Jiilich gestandenen Volcker ab, find zü der attaque gefiiehrt, der-massen sie alsbaldt mit acht Compagnien zü pferdt ünd viel zü füsz
â 98 â
das hausz Leuth berennet, trancheen aufgeworffen ünd 4 stuck ge-schütz beygefüehrt, gedachtes hausz Leuth dergestalt beschossen, dasz meine dahrselbst gelegene Mannschaft dürch continuirliches canonieren gezwungen worden, davon absiiziehen ünd mehrgeraeltes hausz zu verlassen.
Allerdurchleuchtigster herr, solches feindtsellges ünd im Röm. Reich vorgenohmenes verfahren, zü E. Kay: M' ünd des ganzen Röm. Keichs verkleinerüng, mir aucli zü nit geringem schaden ünd ünglimpf gereichen thüet. Ich gleichwol weiters uit, als was E. Ml mir dürch dero Cammergericht zü Speyr allergnedigst befohlen, E. M' zü imderlhenigstcn ehren volzog; andanderer gestalt dabey nicht interessiert bin, als gelangt bey dergestniten sachen; an E. Kay: Ml als Oberhaubt mein nochmahlig imderthenigstes bitten, dieselbe gerühe allergnedigst bemelte Staaten der vereinigten Provinciën zü erganzüng meines mir zügefüegten schimpl's ünd sciiadens anzühalten ünd darzü dürch dero hohe Kayserliche autoritüt würcklich zü vermogen, der-selben underthenigst anheimb stellendt, was Sie zü erhaltüng dero hohen Kayserlichen ünd des Römischen Reichs respects ünd meiner schadtloszhaltüng füer mittel an hand nemen woll. E. Kay: M' anbey dem stareken schütz des allerhöchsten etc. Neubürg den 10 Novem-bris 1005.
E. Kay: Mts Underthenigster ünd gehorsamster Vetter...............
Dit afschrift was gevoegd bij den volgenden brief van den Magistraat van Sittard :
«Messieurs,
«Alhoevvell wy ons genen twyffel en maecken, dat die Heeren, ende derselven anteccssores, die Heerlicheijt Leuth van onverdencklicken jaeren herwerts t'ailen tyden eene heerlicheit, soo den li. Roomschen Ryck geincorporeert ende desselven jurisdictie onderworpen is, gehouden ende erkeudt, oock dyenhalven noyt anders gehoort en hebben, als oock dat sy dieselve noch daervoor houden en erkennen, in con-sideratie dat (eens ende anderen te geswygen), notoir is, dat by dese lestgepasseerde Krygstroebbelen, die voors. Heerlicheyt Leuth, in sulcke qualiteijt, gelyck andere naestgelegene Ryxheerlicheden, vanden Lothringschen ende Condéischen volckeren betrocken is, soo hebben
â 99 â
wij nochtans, vuyt crachte ons van Haer Vorstelicke Doorl1, onsen genedichsten Vorste ende Heere, opgedragene genedichste Commissie, die Heeren hiermede hehoerlicken requireren willen, ons, over het voorschreven is, ende watt sie in het een offte ander dyenthalven voor meerdere naerrichtinge in haer Archiven oft andersints hebben mochten, haere attestatie, in forma probanli, voor haere rechten, toe te laeten kommen. Het selve sijn wij in dyergelycken ende andere occasien wederom te vergelden willich,
))Als der Heeren Dienstbereytwilligste
Sittartt den 2 Xbris 1G02. (Get.) Ulner, Peter. (Gel.) 1'. Igt;. I,. ab Haeckh, lts.quot;
Adres; »A Messieurs, Messieurs le Mayeur et Echcvins a Elsloe.quot;
BIJLAGE III.
Lijst der Sïkdex, Rijksheemlukhedex en Schepexiiankex, die
in hoogeu bekoe!' zijn gecaan, oe adviezen' HEiillEN ingewonnen' nu den Koninklijken Schepenstoel te Aken, SEDEliT HET ja AU 1400 tot 1461 (1).
üas vom jahr 1400 bis 1161 volgende GraffschalTtcn, Freijherlig-keiten, Stett und Flecken alm unseren Koniglichen Schelïenstohel nit allein appelliret, sondern unib consultationes und vorraedt aengestan-den, bezeuge mit meiner handt und pittschafït.
Onder stont ende was getekent; Willi. Adolf Baron d'Eijs de Beusdael (2), Schepen m Acken, ende stont sin adelijck pitschaft, in rooden wasch daer op geaposert.
Ammel in der eijlfel, 4 mahl. â Aernsbergh, ü. â Acher leenen, 70. â Abt von S1 T mijden und Stadt, 29. â Graell'schafl't Beans fort beij Namen, 18. â Bouiaer in welsch lirabant, ü. â Boedel in Meijerie vom Busch, 34 mahl. â Freijherligkeit Bijcht, 36. - Vom Bhjdl im \alckeiib., 5. â Beryh im Valckenb., 5. - Von Hourdt-
(1) Men vergelijke het eind der Inleiding. ;2) In 1(190 was een Willem-Adolf Eijs, genannt Beusdal, burgemeester le Alien. (Men vergel. Fiuediuch Haagen ; Gesch. Adieus, II Th., p. 500). Indien hij dit uittreksel gemaakt heeft, dan zijn er vele oude registers der schepenen uit den brand van iquot;' Mei 16oG gered geworden. Of zou de man reeds vóór 1656 zijn schepen geweest?
â '100 -
scheidt, 66. â von Bocholtz, 3. von Borsem beij Rekem., 42. â Beemelen bcij Mastricht, 3. â Brawwiller, 12. â Berne, 15. â von Bechden unter Graff. Horn, 2. â Boenwij in welsch Brabant, 4. â ven Boel im landt van Horn, 7. â von Boxel in der raeijerie Bosch, 2. â Bomhoul beij S' truijden, 5. â Bure ahm reijn, 7. â Blanckenbergh uber rheijns, 5. â Bollant, 8. â Bouchroije, 3. â Cornelij Munster, 7. â Stadt Duijsburch, 8. â Stadt Duijren, gulich, 28. â Drij..ne, 3. â Doeagni, 2. â Ouskirchen, 2. â Freijher-lig. Elsloe auff der maes, 19. â Eijs, 4. â Eijcks unter Merode, G. â Freijher. von Fleron, 32. â Graffschaf. Gronsfelt, 34. â von Gurtzenich, 4. â Grevenbijcht, 12. - Groedloen, 3. â Geijck,
2. â llaeren, 7. â Hollzum beij Valck., 2. â Freijherschalït Herstael, 19. â Hergemaedt, 4. â lieer beij Maestricht, 4. â Keijserswerdt, 4. â Freij. Kessenich, uber maes, 23.âLandtschafft von Beewinckel, 2. â von Kessel, 2. â Köningshehn, 6. â Lontzen im Limborgh., 73. â Landt termeegen, 3. â Landt termaach in Condroij, 4. â Laessen von Gimmenich, 11. âLovenich beij Collen, 8. â von Leudt, 3. â Stadt Malmendie, 52. â Montenacken,
1. â Mesch beij Mastricht, 16. â Freijhers. von Merode, 9. â Freij. von Meer, landt von Daelheira, 11. â Graeffschalft Meers,
3. â Mortier, 14. â Stadt und land von Monijawen, 30. â Meche-len uber Maes, 2. â Stadt Nijmwegen, 10. â Nedechem, 2. â Nederhaeren uber maes, 9. â Obhijcht, 5. â Ockshijn, 2. â Over-bijekt, 2. â Ochin, 1. â Orgenes, 2. â S' Pitters Vouren, 12. â Peelersheim, 23. â Reckem, 54. â Land von Reutgen, 2. â Rulandt im Luxemborgh., 2. â Bijcholtzraedt, 6. â Butten, 5. â Bicholtz, 4. â Steiu, 42. â Landt Schleijden, 24. â Sistich, 30. â Stadt Si It ar dl, 19. â Stadt Slaveloe, 17. â Sichen, Goels-landt, 3. â Sichen auf der maes, 8. â Sichlen beij S' Truijden,
2. â SlijiVt Toorn, 3. â Trembleur, 30. âSladt Mastricht, 18. â Tomme ex..., 23. â Tignée, 13.â Tonnij, 4. â Vlittingen, 2. â Vroenho/f' von Mastricht, 11. â Vouren, I. â Sl Vit, 1. â Wijlrc, 35. â Wessem, 27. â Werden im land von de Marck, 8. â Werdt ahn der maesen, 6. â von Praemeren, 2. â von Zepperen, 3.
(N.B. Wij hebben voorgaand afschrift letterlijk weergegeven zooals wij het vonden, de critiek ervan aan anderen overlatend.)
â 101 -
BIJLAGE IV.
Matiucüle van Aken.
â 1662 -
Her nach folgende Sliidt, frey ünd herligkeyten, Scheffen ünd lehngerichten, die ihre Apellalionen v'md provocationen vor den Scheflen Stuel des Konigh. Stuels ünd Statt Aach, als ihre Kays. appellation ünd provocation Richter ündt Ãberhaupt ahnbringen.
Statt.
1° S' Treuden, 2° Keijserswerdt, 3° Monjawen, 4° Bedtbür, 5quot; Duisbürgh, 6° Schleiden, 7° S' Veidt, 8° Dühren, 9quot; VVessem, 10° Nymegen, 11° Wirdt, 12° Orteren, 13° Mastricht, des bislümbs oder lütiger Banck, 14° von S' Servaes ünd der t'rohnholl' zü Mastricht die Elf Biinck, 15° Lonische Banck, 16° Sittardt.
Freij ünd herligkeiten.
1° Bütten, 2° Brüll, 3° Recküm, 4° Nederhaeren, 5U Slossingen, 6° Mechelen, 7° Pottheim, 8° Borscheim onder Recküm, 9° Gruens-veldt, 10° Blijdt, Hquot; Theine, 12quot; Amel beij S' Vijdt, 13° Stevel, 14quot; Reniarles ünder Stallo, 15° Malmentier, 16° Tephen, 17° Fléron, 18° Mortiers, 19° Hersdal, 20° Ryckholt, 21° Petersheijm, 22quot; Lanaken, 23quot; Theheim, 24° Brauweiler, 25quot; zür Dijckt, 20° Zistigh, 27quot; Esch onder Merode beij Dühren, 28° Kesseningh, 29quot; Bütgen-bacb, 30quot; Werden inder grael'schaft van der Marck, 31° Stein, 32° Frepont, 33quot; Bern, 34quot; Grollohn, 35quot; Lontsen, 30° Grevenbicht, ^7quot; Bürdtscheidt, 38quot; Stellens Werdt, 39° Berlin, 40quot; Elsloe, 41quot; S' Peters Voeren, 42° Wijlre, 43quot; Mesch, 44quot; Bollandt, 45° S' Cornelij Munster, 4üquot; Obicht, 47° Lovenich beij Collen, 48quot; Merode beij Dühren, 49quot; Gemeh onder Merode, 50quot; Wildenbürgh, 51° Lim-bürgh onder Sittart, 52quot; Meer, 53quot; Leuth, 54quot; Niederharen, 55° Beraelen.
â 102 â
Lehn Gerichten.
Das Kaijserlich hoffliche, neben anderen Lehnen der Statt Aach.
Die Laessen von der Sehleiden.
Die Laessen von Gimrainich.
Die Laessen von Hürgenrath.
Die Laessen von Heer.
Die Laessen von Nimerles.
Pro extractu protocoili privilegiorum alti et praenohilis scabinalis jud. Regal. Sed. Urb. Aquens. cum eodem eoncordante, Pet. Cupper, Dr Synd. et Secret.
Wir Bürgeniaistre, Schellen ünd Rath des Koniglichen Stüels ünd Ireyer Reichs Statt Aachen thün hiemitt offentlich bezeugendt, dat der Edl. ünd hoghgelehrter Petrus Cupper, dero Rechten Doctor, so den herinserirten Extractum Protocoili Privilegiorum rait eygener üns wol bekendter hand ünterschrieben, des adtlichen Scheffen gerichts hier selbsten veraidter Sindicus seije. Ohne argelist. Urkiïndt ünser Statt hier önter gedrückten gemeinen arapt ziegels, so geben, Aach den 3 Octobris A0 1ÃG2. Krat sign. M. Zherll, secris.
(L^S.) «Per copiam collatam concordat cum suo originali, signato et sigillato ut supra.
(Get.) P. Nyste, secrisquot; (in Elsloo.)
Nog iets over Adriaan-Baltliasar graaf van Vlodrop.
Adriaan-Balthasar's grootvader, Balthasar genaamd, was getrouwd met Catharina van Bylandt, erfdochter van Well. Dezer zoon, Willem van Vlodrop, was gehuwd met Anna von Felz. De oudste zoon dezer laatsten, Adriaan-Baltliasar, erfde van zijne grootmoeder, Catharina van Bylandt, de heerlijkheid Well (1).
Ter opheldering van de geschiedenis van Adriaan-Balthasar van Vlodrop moeten wij nog het volgend genealogisch fragment mededeelen.
Hattart van Pallant, heer van Wiebelskirchen, Lindenberg en Wildenburg, medeheer van Felz en Moerstorf, Lotharingsch raad en ambtman van Sierck., trouwde in 1564 met Anna van Vlodrop, erl-dochter van Dalenbroek, (waarvan twee dochters), en in 1591 met Magdalena van Beilïenberg, weduwe van Otto van Löwenstein. Uit dit laatste huwelijk werd één kind geboren: Margaretha van Pallant, erfgename der aandeelen in Felz en Moerstorf.
«Mitbesitzer von MoerstorlT war damals der Junge Freiherr Adrian Balthasar von Flohdorff, welcher es sich von Jugends auf angelegen sein liess, die Liebe der Margaretha von Pallant zu gewinnen und auch von dieser und ihrer Mutter freundlich aufgenommen wurde. Der Vater Hartard von Pallant aber wollte von einer Verbindung nichts hören, und Flohdorff, welcher der Liebe der ïochter sicher zu sein glaubte, verliess auf einige Zeit das Land, ging in polnische Dienste und machte einen Krieg gegen Uussland mit. Unterdessen wurde er in der Heimat todtgesagt und Margaretha verlobte sich mit dem Grafen von Schwarzenberg. Flohdorff kam gerade am ïage vor der Hochzeit zurlïck, und in der Ueberzeugung, dass Margaretha nur gezwungen dem Grafen von Schwarzenberg die Hand reichte und ihn selbst todt wahnte, wuste er sich bei der Kürze der Zeit nicht anders zu helfen, als dass er die Braut, mit ihrem ganzen Hofstaate, auf der Fahrt zur Elochzeit aufhob und nach Coblenz zu ihrem beiderseitigen Verwandten, dem Churfürsten Lothar von Met-ternich brachte. Dieser bewog Flohdorff alsbald dazu, seine Cousine, (vvelche augenscheinlich auch mittlerweile den Grafen Schwarzenberg an die früher von Adrian Balthasar inne gehabte Stelle ihres Herzens gesetzt hatte), wieder nach Hause zu führen, was auch in allen Ehren geschah. â Hartard von Pallant aber und Graf Schwarzenberg
(1) Ferber : Gesch. der Familie Schenk von Nydeggen, bli. 97.
strengten wider Flohdorff einen Prozess wegen gewaltsamen Frauen-raubes an, aus dera der Angeklagte aber, wie es scheint, â und wobl durch die Vermittlung des Churfürsten von Trier, â ganz ungekriinckt hervorging. â In einer ziemlich umfangreichen Denkschrift an die Erzherzoge-Statthalter der Niederlande, (welches Dokument sich in meinem Besitze befindet), schildert Flohdorff selbst den ganzen Hergang der Sache.quot;
Voorgaande episode viel voor in 1613. In dat jaar trouwde Mar-garetha van Pallant met Adam graaf van Schwartzenberg. Zij overleed, evenals haar vader, in 1615 (1). Volgens Ferber verkocht Ad. Balth. van Vlodrop de heerlijkheid Well in 1624 aan Hendrik graaf van den Berg, stadhouder van Gelderland.
Nu weten wij onder welken suitheemschen heerquot; Ad. Balth. van Vlodrop nog diende in 1626, namelijk onder den koning van Polen. Door dezen vorst werd hij ook waarschijnlijk in den gravenstand verheven.
In Zeitschrift Aachener Geschichtsvereins, VIHter B. verscheen een merkwaardige studie van den heer E. von Oidtman over Die Herren von Vlodrop, Erbvögte zu Roermond.
J. L. M.
(I) Geschichte der Herren etc. von Pallant, p. 89â90.
hu % voor -Hf aur KijkaunHr te. **
IM H0UB8T AFBL.
|
Inleiding............ Supplement op de geschiedenis van Obbicht en Pupenhoven. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
§ 10. Eenige pastoors van Obbicht.......
Bijlagen. 1°. Deeiing der nalatenschap van Dirk van der Donek te Save
num, (1597)..........
2°. Leenverhefflng van Claes van der Donck voor Willem heer van Broek
huysen, (1403)..........
3». Deeling tusschen Jan van der Donck en diens kinderen, (1469). 4°. Transactie tusschen Dirk van Horn en de erfgenamen van Willem van
den Bosch, (1346).........
5°. Verpanding van grienden onder Grevenbicht, (1438) .
6quot;. Missive van keizer Leopold 1, betrekkelijk Obbicht, (1671).
Twee processen over de rijksheerlijkheid Leuth.
1°. Proces van Adriaan-Balthasar van Vlodrop tegen Werner en Willem
van Bongart...........i-
2°. Proces van Jan en Adriaan-Willem van Virmond tegen Adriaan-Balthasar van Vlodrop..........
Bijlagen. 1°. Het hocger beroep van Leuth naar den schepenstoel van Aken. 96 2°. Brief van den hertog van Meuwburg aan den Keizer over de inneming
van Leuth en Urmond door de Hollanders......97
3°. Lijst van steden, heeilijkheden enz. die tusschen de jaren 1400 en
â 1461 hooger beroep hebben ingesteld te Aken.....99
4,). Matricule van Aken in 4662 ........101
bladz. 1
11 U 1U 17
20 22
23
24
26 97
28
29 öl
36 38 40