I
f
m
1 vS»«vf i
i
'm ^
{i«, , 'ff*
FA MILIEREGT STER.
Den 10 is haf huwelijk cjeslotcn tusschen
Uit dit huwelijk zijn (jeboren de vol (jende hinderen:
FAMILIEREGISTER.
-
_
FAMILIE RE GISTE K.
B IJ B E L,
DAT IS
DB G A N S O H E HE 1 L I G E S O H R I F T,
VERVATTENDE AL DE KANONIEKE DOEKEN DES
OUDEN EN NIEUWEN TESTAMENTS,
DOOK LAST VAN DE HOOG MOG. 1IEEREN
STATEN GENERAAL DER VEREENI(iDE NEDERLANDKN
EN
VOIXIENS IIKT IJESIAIIT VAN DK SYNODE NATIONAAL, GEHOUDEN TE DOIIDUECIIT IN DE .IAUEN MDCXMIl EN MDCXIX,
UIT DE OORSPRONKELIJKE TALEN IN ONZE NEDBRLANDSCHE GETROUWELIJK OVERGEZET.
F ILL IJ STRATI ('IA' NAAK SOU 11,1) KKU KN VAN ÃHKOHJIDK MEHSTEllS
ONUEIl TOEZICHT VAN
DR. S. D, VAN VEEN,
IIOOOLKKKAAR Tlquot;. UTRKOIIT.
TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1899.
STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS
REGISTER
VAN
AL DE KAINONIEKE BOEKEN EN HOOFDSTUKKEN
DES
OUDEN TESTAMENTS.
Hoofdat.
Genesis ... .........................50.
Exodus.............................40.
Leviticus............ ...............27.
Numeri..... .......................30.
Deuteronomiiuu . ....... .............34.
Jozua ... ............. ..........24.
Richtereu............................21.
Ruth........................ .....4.
1 Samuël................................31.
2 Sainuöl............................24.
1 Koningen...........................22.
2 Koningen .... ... ..................25.
1 Kronieken.................. ........29.
2 Kronieken.................. ........30.
Ezra..............................10.
Nehemia............................13.
Esther................ ............10.
Job..............................42.
Psalmen............................llt;r)0.
Spreuken............................31.
Prediker ... ......... ..............12.
Hooglied............................8.
Josaja ............. ...............66.
Jeremia............. ..... .........52.
Klaagliederen van Jeremia. ........f».
Ezechiël............................48.
Daniël.............................12.
Hoséa Joël . . Amos. . Obadja . Jona . . Micha Nahum . Habakuk Zefanja . Haggaï .
HET OUDI
I
1
GENESIS 1.
3
HET EERSTE BOEK VAN MO/E8,
GENAAMD
GENESIS.
|
HOOFDSTUK 1. God schopt don hemel en de aarde, vs. 1 en 2, on i hot licht, op don eersten dag, 3. Op den tweedon i het uitspansel met scheiding der onderste en bovenste ' wateren, 6. Op den dorden scheidt Hij het droogo 1 en do wateren, 9. Schept gras en vruchtbare boo-men, 11. Op don vierdon de zon, maan en sterren, 14. Op den vijfden kleine en grooto visschon, mitsgaders het gevogelte, en zogent ze, 20. Op den 1 zesden het gedierte dor aarde, 24. En eindelijk den mensoh, man on vrouw, naar zijn beeld, gevende hun heerschappij en zijnen zegen, 20. Ook ondor-sclleidende de spijze der menschen en van hot ( gedierte, 29. Keurt al zijne schepselen goed, 31. IN den quot;beginne schiep God den hemel en de aarde. a Job 38 : 4. Ps. 33 : 0. 89 : 12. 130 ; 5. Hand. 14 : 15. 17 : 24. Hebr. 11 : 3. 2 Do aarde mi was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren. 3 En God zeide: daar zij licht! en daar werd licht. 4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tusschen het licht on tus-schon de duisternis. 5 En God noemde liet licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was liet avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag. G quot;En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tusschen wateren en wateren! n Ps. 33 : 0. 104 ; 2. 130 : 5. Spr. 8 : 28. les. 42 : 5. Jer. 10 : 12. 51 : 15. 7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tusschen do wateren, die quot;onder het uitspansel zijn, en tusschen do wateren, die '' boven liet uitspansel zijn. En het was alzoo. n Ps. 33 ; 7. 130 ; 6. Spr. 8 : 24. Ij Ps. 148 : 4. 8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en liet was morgen geweest , de tweede dag. 9 En God zeide: quot;Dat de wateren van onder den hemel in eene plaats vergaderd worden, on dat hot drooge gezien worde! En hot was alzoo. a Job 26 : 10. 38 : 8. Ps. 24 : 2. 33 : 7. 130 : G. 10 En God noemde het drooge aarde, on de vergadering der wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was. 11 En God zeide: Dat do aarde uitschieto grasscheutjes, kruid zaadzaaijendo, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijnen aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzoo. |
12 En do aarde bragt voort grasscheutjes, kruid zaadzaaijendo naar zijnen aard , en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijnon aard. En God zag, dat het goed was. 13 Toon was het avond geweest, en hot was morgen geweest, de derde dag. 14 En God zeide: quot;Dat er lichten zijn in het uitspansol dos hemels, om scheiding te maken tusschen don dag en tusschen den nacht; en dat zij zijn tot tookonen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren! a Ps. 130 : 7. 15 quot;En dat zij zijn tot lichten in het uitspansol dos hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzoo. a Dout. 4 : 19. Jer. 31 : 35. 16 God dan maakte die twee groote lichten; dat grooto licht tot heerschappij dos daags, on dat kleine licht tot heerschappij dos nachts; ook de sterren. 17 En God stelde zo in hot uitspansel dos hemels, om licht te geven op de aarde, 18 En om te hoorschen op don dag, en in den nacht, en om scheiding to maken tusschen hot licht en tusschen do duisternis. En God zag, dat hot goed was. 19 Toen was hot avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag. 20 En God zeide: Dat de watoren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van lovende zielen; en het gevogelte vliego boven do aarde, in het uit- i spansel des hemels! 21 En God schiep do grooto walvisschen, en allo lovende wromelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbragten, naar haren aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijnen aard. En God zag, dat hot goed was. 22 En God zogende ze, zeggende: quot;Zijt vruchtbaar on vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën; en hot gevogelte vermenigvuldige op de aarde! a Oen. 8: 17. 23 Toon was hot avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag. 24 En God zeide: De aarde brenge lovende zielen voort, naar haren aard, vee, en kruipend, on wild gedierte der aarde, naar zijnen aard! En hot was alzoo. 25 Eu God maakte het wild gedierte der aarde naar zijnen aard, en het vee naar zijnen aard, en al het kruipend gedierte dos aardbodems naar zijnen aard. En God zag, dat liet goed was. -1* |
GENESIS 1, 2.
4
|
26 En God zeide: Laat ons menschen maken, naar ons beeld, naar onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de visschen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over liet vee, en over de geheele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. 27 En God schiep den mensch quot;naar zijn beeld, naar het beeld van God schiep Hij hem; ''man en vrouw schiep Hij ze. a Gem. f) : 1. 0 : (i. 1 Ooi1. 11:7. Efcz. 4 ; 24. Col. 3 : 10. b Mattli. 10:4. 28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: quot; Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de visschen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt! n Qon. 8: 17. ft: 1, 2, 7. 29 En God zeide: Ziet, quot;Ik heb ulieden al het zaadzaaijende kruid gegeven, dat op de gansche aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaijende boomvrucht is: het zij u tot spijze! a Gen. 9:3. Ps. 104:14, 15. 30 quot;Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin eene levende ziel is, hrh Ik al het groene kruid tot spijze ye-geven. En het was alzoo. n Ps. 104: 14. 31 En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, quot;het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag. a Dcut. 32 : 4. Mark. 7 : 37. |
HOOFDSTUK 2. God rust op den zevenden (lug1, vs. 1 en 2. Zegent en heiligt dien, Verordent natuurlijke middelen tot vruchtbaarheid des aardrijks, 5. Nader verhaal van de schepping des menschen naar ligchaam en ziel, 7. God stelt den mensch in het Paradijs, 8, hetwelk beschreven wordt met zijne rivieren, !). Verbod nopens den boom der kennis des goeds en des kwaads, 17. Naamgeving der dieren, 19. Breeder verhaal van de schepping der vrouw, 21, die van Adam gekend en met bijzonder welgevallen aangenomen wordt, 23. De echtstaat, 24. Naaktheid der menschen, 25. ALZOO zijn volbragt de hemel en de aarde, en al hun heir. 2 quot; Als nu God op den zevenden dag volbragt had zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Ilij gerust op den zevendon dag van al zijn werk, dat Hij gemaakt had. a Ex. 20 : 11. 31 : 17. Deut. 5 : 14. Hebr. 4 : 4. 3 En God heeft den zevendon dag gezegend, en dien geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al zijn werk, hetwelk God geschapen had om te volmaken. 4 Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de Heere God de aarde en den lieinel maakte, 5 En allen struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot; want de Heere God had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mensch geweest, om den aardbodem te bouwen. (! Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den ganschen aardbodem. 7 En de Heere God had den mensch geformeerd uit quot;het stof der aarde, en in zijne neusgaten geblazen den adem des levens; alzoo werd de mensch ''tot eene levende ziel. 1 ('or. 15: 47. b 1 Cor 15:45. 8 Ook had de Heere God eenen hof geplant in Eden, tegen het Oosten, en Hij stelde aldaar den mensch, dien Hij geformeerd had. 9 En de Heere God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het ge-zigt, en goed tot spijze; en quot;den boom des levens in het midden van den hof, en den boom der kennis des goeds en des kwaads. a Openb. 2 : 7. 10 En eene rivier was voortgaande uit Eden, om dezen hof te bewateren; en werd van daar verdeeld, en werd tot vier hoofden. 11 De naam der eerste rivier is Pison: deze is het, die het gansche land van llavfla omloopt, waar het goud is. 12 En het goud van dit land is goed; daar is ook bedólah, en de steen sardónix. 13 En de naam der tweede rivier is Gihon: deze is het, die het gansche land Cusch omloopt. 14 En de naam der derde rivier is Hiddékel: deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath. 15 Zoo nam de Heere God den mensch, en zette |
GENESIS 2, 3.
5
|
hem in den hof van Eden, om dien te bouwen, en dien te bewaren. Ui En de Heere God gebood don mensch, zeggende: Van allen boom dozes hot's zult gij vrijelijk eten; 17 Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten: want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij don dood sterven. 18 Ook had de Heere God gesproken: Het is niet goed, dat do monsch alleen zij; Ik zal hem eene hulpe maken, die als tegen hem over zij. 19 Want als do Heere God, uit do aarde al het gedierte dos voids, en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zoo bragt Hij die tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou: en zoo als Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn. '20 Zoo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte dos hemels , en van al hot gedierte des velds; maar voor den mensch vond hij geeno hulpe, die als tegen hem over ware. 21 Toen deed de Heere God eonen diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep: en Hij nam eene van zijne ribben, en sloot dorzolver plaats toe met vlooseh. 22 En de Heerk God bouwde de ribbe, die Hij quot;van Adam genomen had, tot eene vrouw, en Hij bragt haar tot Adam. n 1 Oor. 11:8. 2!! Toon zeide Adam: Deze is ditmaal quot;been van mijne boenen, en vleesch van mijn vloesch! Men zal haar Manninne hooten, omdat zij uit den man gonomen is. a Mal. 2:14. Eton. 5:30, 31. 24 quot;Daarom zal do man zijnen vader on zijne moeder verlaten, on zijne vrouw aankleven; ''en zij zullen tot één vleesch zijn. a Matt. 19 : 5. Mark. 10 : 7. Efoz. 5:31. h 1 Cor. (i: 16. Etez. 5 : 28, 29. 25 En zij waren beiden ''naakt, Adam en zijne vrouw; en zij schaamden zich niet. a Gon. 3:7. |
HOOFDSTUK 3. De duivel verzoekt de vrouw door do slang, vs. 1. Do vrouw wordt verleidt on overtreedt, als ook do man, 6. Waarvan zij terstond het gevoel hebben, 7. God spreekt op hun beider bekentenis het vonnis over de slang, de vrouw on den man, met ingevoegde belofte des Zaligmakers, 8. Adam noemt zijne vrouw Heva, 20. Zij worden beiden van God gekleed, vernederd, van den boom des levens verstooton en uit het Paradijs verbannen, 21. dan al het gedierte des velds, hetwelk de Heere God go-maakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd hoeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs? 2 En de vrouw zeide tot do slang: Van de vrucht der boomen dezes hol's zullen wij eten; 3 Maar van de vrucht des booms, die in hot midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren , opdat gij niet sterft. 4 Toen zeide de slang quot;tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven; a 2 Cor. 11 ; 3. 5 Maar quot; God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zoo zullen uwe oogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende hot goed en hot kwaad. a Joh. 8 : 44. 6 En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij oen lust was voor de oogen, ja een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijne vrucht en at; on zij gaf ook haren man met haar, quot;en hij at. a Rom. 5: 12, 14, 15, enz. 1 Tim. 2: 14. 7 Toen werden hun beider oogen geopend, on zij werden gewaar, dat zij quot;naakt waren; en zij hechtten vijgoboonibladeren zamen, en maakten zich schorten. a Gen. 2 : 25. 8 En zij hoorden de stem van den Heere God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijne vrouw voor het |
GENESIS 3, 4.
(;
|
aangezigt van den IIeeke God, in het midden van het geboomte des Iiofs. 9 En de Heere God riep Adam, on zei do tot hem: Waar zijt gij? 10 En hij zeide: Ik hoorde uwe stem in den hof, en ik vreesde, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. 11 En Hij zeide: Wie lieeft u te kennen gegeven , dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten , van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niot eten zoudt ? 12 Toen zeide Adam; De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven , en ik heb gegeten. 13 En do IIeere God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: quot; Die slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten! a Openb. 12 : 13. 14 Toen zeide de Heeke God lot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zoo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uwen buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens. 15 En Ik zal quot;vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, en tusschen uw zaad en tusschen haar zaad: hdatzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen. a Matt. 4:1. h Col. 2 : 15. 16 Totdevrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uwe smart, namelijk uwer dragt; met smart zult gij kinderen baren; en tot uwen man zal uwe begeerte zijn, quot;en hij zal over u heerschappij hebben. a 1 Oor. 14:34. 1 Tim. 2 : 11, 12. Tit. 2 : 5. 1 Petr. 3 : G. 17 En tot Adam zeide Hij; Dewijl gij geluisterd hebt naar de quot;stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zoo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. 18 Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen ; en gij zult het kruid des velds eten. li) In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt: want gij zijt stof, en gij zult tot stof weder keer en. 20 Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij eene moeder aller levenden is. |
21 En de Heere God maakte voor Adam en zijne vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan. 22 Toen zeide de Heere God: Ziet, de mensch is geworden als onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijne hand niet uit-steke, en neme ook van den boom dos levens, en ote, en leve in eeuwigheid. 23 Zoo verzond hem de Heere God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was. 24 En Hij dreef den mensch uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlam-mig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den booms des levens. HOOFDSTUK 4. Kaïn en Habel worden geboren, vs. 1. Zij offeren beiden, maar llnbols offer is don Heere aangenaam, 3. Waarover Kaïn zich vergramt, en van God bestraft wordt, 5. Hij doodt zijnen broeder, 8. Wordt daarover van God tot verantwoording geroepen en ontvangt zijn vonnis, 9. Gaat dolen van Gods aangezigt, bouwt eene stad en gewint kinderen, 1 (i. Lamech neemt twee vron wen en gewint kinderen, 1!). Spreekt trotsch en vermeten, 23. Seth en Enos worden geboren, en de openbare Godsdienst ingesteld, 25. EN Adam bekende Heva zijne huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zeide: Ik heb eenen man van den Heere verkregen! 2 En zij voer voort te baren zijnen broeder 1 la- bol; en Habel werd een schaap-horder, en Kaïn werd een landbouwer. 3 En het geschiedde ten einde van eeniyo dagen, dat Kaïn van de vrucht dos lands den Heere offer bragt. 4 En II abel bragt ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. quot;En de Heere zag Habel en zijn offer aan; a Hebr. 11 : 4. 5 Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel. G En de Heere zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij ontstoken , en waarom is uw aangezigt vervallen ? 7 Is er niet, indien gij weldoet, verhooging? en zoo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijne begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heerschen. 8 En Kaïn sprak met zijnen broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijnen broeder Habel opstond, quot;en sloeg hem dood. a Matt. 23 : 35. IJoh. 3:12. Judas vs. 11. |
GENESIS 4.
|
!) En do Heere zeide tot Kaïn: Waar is TIabol, nw broeder? on hij zeido: Tk weet het niot; ben ik mijns brooders hoeder? 10 En Hij zcide: Wat hebt ^ij gedaan? quot;daar is eene stom des bloeds van uwen broeder, dat tot Mij roept van don aardbodem. a Hebr. 12:2-1. 11 En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijnen mond heeft opengedaan, om uws broeders blood van uwe hand to ontvangen. 12 Als gij don aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; quot;gij zult zwervende en dolende zijn op aarde. a Spr. 28:17. 13 En Kaïn zoide tot don Heere: Mijne misdaad is grooter, dan dat zij vergeven worde. 14 Zie, Gij hebt mij heden verdreven van don aardbodem, on ik zal voor uw aangezigt verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn gewon Mechiijaël; en Mechüjaël gewon Methüsaöl; en Methüsaöl gewon Lamoch. |
1!) En Lamech nam zioli twee vrouwen; do naam van de eerste was Ada, en do naam van do andere Zilla. 20 En Ada baarde Jabal: deze is geweest een vader dorgonen, die tonton bewoonden, on vee hadden. 21 En do naam zijns broeders was Jubal: deze was do vader van allen, die harpon en orgolen handelen. 22 En Zillu baarde ook Tübal-Kaïn, oenen leermeester van allen werker in koper en ijzer; on de zuster van Tübal-Kaïn was Naëma. 23 En Lamech zeide tot zijne vrouwen: Ada en Zilla! hoort mijne stom; gij vrouwen van Lamech! neemt ter oore mijne rede! Voorwaar ik sloeg |
|
op de aarde, on quot;het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan, a Job 15: 20, 21, enz. 15 Doch do Heere zoide tot hem: Daarom al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden ! En de Heere stelde een toeken aan Kaïn , opdat hem niot versloeg al wie hem vond. 10 En Kaïn ging uit van hot aangezigt dos Heeren; en hij woonde in het land Nod, ton oosten van Eden. 17 En Kaïn bekende zijne huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hij bouwde eene stad, en noemde den naam dier stad naar don naam zijns zoons, Henoch. |
18 En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad wol oenen man dood, om mijne wonde, en oenen jongeling, om mijne bnile! 24 Want Kaïn zal quot;zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal. a vers 15. 25 En Adam bekende wederom zijne huisvrouw en zij baarde oenen zoon, en zij noemde zijnon naam Seth: want God heeft mij, sprak zij, oen ander zaad gezet voor Habel, want Kaïn heeft hom doodgeslagen. 26 En denzolven Seth werd ook oen zoon geboren, en hij noemde zijnen naam Enos. Toen begon men don naam des Heeren aan te roepon. |
GENESIS 5, 6.
8
|
HOOFDSTUK 5. Herhaald liorigt van 's mensohen schepping, vs. 1, 2. Adams nakomelingen worden naar zijn evenbeeld geboren, 3. Register van dien, door Setlis linie, tot op Noauh, en hunnen ouderdom, 5. Henoch wandelt met God, en wordt weggenomen, 22. Noachs geboorte en zonen, 28. DIT is liet boek van Adams geslacht. Ten dage als God den mensch schiep, maakte Hij hem quot;naaide gelijkenis Gods. a Gen. 1 :26. 9 ; G. 1 Cor. 11:7. 2 quot; Man en vrouw schiep Hij hen, en zegende ze, en noemde hunnen naam Mensch, ten dage als zij geschapen werden. a Gen. 1 : 2G. Matt. 19:4. Mark. 10 : (i. 3 En Adam leefde honderd en dertig jaren, en gewon eencn zoon naar zijne gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijnen naam Seth. 4 En Adams dagen, quot;nadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest acht honderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren. a 1 Kron. 1:1. 5 Zoo waren al de dagen van Adam, die iiij leefde, negen honderd jaren, en dertig jaren; en hij stierf. (i En Seth leefde honderd en vijf jaren, quot;en hij gewon Enos. a Gen. 4 ; 20. 7 En Seth leefde, nadat hij Enos gewonnen had, acht honderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 8 Zoo waren al de dagen van Seth negen honderd en twaalf jaren; en hij stierf. 9 En Enos leefde negentig jaren, en hij gewon quot; Kenan. a 1 Kron. 1 : 2. 10 En Enos leefde, nadat hij Kenan gewonnen had , acht honderd en vijftien jaren ; en hij gewon zonen en dochteren. 11 Zoo waren al de dagen van Enos negen honderd en vijf jaren; en hij stierf. 12 En Kenan leefde zeventig jaren, en hij gewon Mahalal-el. l!i En Kenan leefde, nadat hij Mahalal-el gewonnen had, acht honderd en veertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 14 Zoo waren al de dagen van Kenan negen honderd en tien jaren; en liij stierf. 15 En Mahalal-el leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Jered. Ki En Mahalal-el leefde, nadat hij Jered gewonnen had, acht honderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 17 Zoo waren al de dagen van Mahalal-el acht honderd vijf en negentig jaren; en hij stierf, 18 En Jered leefde honderd twee en zestig jaren, en hij gewon quot;Henoch. n 1 Kron. 1:3. 19 En Jered leefde, nadat hij Henoch gewonnen had, acht honderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 20 Zoo waren al de dagen van Jered negen honderd twee en zestig jaren; en hij stierf. 21 En quot;Henoch leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Methüsalach. a Judas vs. 14. |
22 En Henoch quot;wandelde met God, nadat hij Methüsalach gewonnen had, drie honderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren. a Hebr. 11 ; 5. 23 Zoo waren al de dagen van Henoch drie honderd vijf en zestig jaren. 24 Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer, quot;want God nam hem weg. a 2 Kon. 2 :11. Hebr. 11:5, 25 En Methüsalach leefde honderd zeven en tachtig jaren, en hij gewon Lamech, 26 En Methüsalach leefde, nadat hij Lamech gewonnen had, zeven honderd twee en tachtig jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 27 Zoo waren al de dagen van Methüsalach negen honderd negen en zestig jaren; en hij stierf. 28 En Lamech leefde honderd twee en tachtig jaren, en hij gewon eenen zoon. 29 En hij noemde zijnen naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, van wege hot aardrijk, dat de Heere vervloekt heeft! 30 En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijf honderd vijf en negentig jaren; en hij gewon zonen en dochteren. 31 Zoo waren al de dagen van Lamech zeven honderd zeven en zeventig jaren; en hij stierf, 32 En Noach was vijf honderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth. HOOFDSTUK 6. Algetiieene wellust en groote boosheid der menscheu veroorzaken, na een uitstel van 120 jaren, den zondvloed, vs. 2. Keuzen, 4. Noach vindt genade bij Ood, en ontvangt bevel en voorschrift van hot maken der Ark, 8, 14. Gods verbond met Noach, 18. Bevel van allerlei gedierte, en voorraad van spijs te nemen in de Ark, 19. KN liet geschiedde als de menschen op den aardbodem begonnen to vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden, 2 Dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. 3 Toen zeide de Heere: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vleesch is; doch zijne dagen zullen zijn honderd en twintig jaren. 4 In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna , als Gods zonen tot de dochteren der menschen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden: deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. 5 En de Heere zag, dat de boosheid des menschen menigvuldig was op de aarde, en quot;al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was, a Gen. 8 : 21. .lob 15: 16. Spr. 0:14. .Ier. 17 : 9. Matt. 15: 19. Rom. 3 : 10, 11, 12, 8 : 6, 6 Toon berouwde het den Heere, dat Hij den mensch op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan zijn hart. |
GENESIS 6, 7.
f)
|
7 En do Heere zeide: Ik zal den mensch, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mensch tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt hel). 8 Maar Noach vond genade in de oogen des Heeren. 9 Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een regtvaardig, opregt man in zijne geslachten. quot; Noach wandelde met God. a Gen. 5: 22. 10 En Noach gewon drie zonen: Scm, Cham en Jafeth. 11 Maar de aarde was verdorven voor Gods aan-gezigt; en de aarde was vervuld met wrevel. 12 Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vleesch had zijnen weg verdorven op de aarde. 1!} Daarom zeide God tot Noach; Het einde van alle vleesch is voor mijn aangezigt gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie. Ik zal hen met de aarde verderven. 14 Maak u eene ark van goferhout; met kameren zult gij deze ark maken; en gij zult die bepekken van binnen en van buiten met pek. 1!) En aldus is het, dat gij haar maken zult: drie honderd ellen zij de lengte der ark, vijftig ellen hare breedte, en dertig ellen hare hoogte. K! Gij zult een venster aan de ark maken, en zult haar volmaken tot eene elle van boven; en de deur dor ark zult gij in hare zijde zetten; gij zult ze mot onderste, tweede en derde verdiepingen maken. 17 Want Ik, zie, Ik breng oenen watervloed over de aarde, om allo vleesch, waarin een geest des levens is, van onder den hemel te verderven: al wat op do aarde is, zal den geest geven. 18 Maar mot u zal Ik mijn verbond oprigton; en quot;gij zult in do ark gaan, gij, en uwe zonen, on uwe huisvrouw, en do vrouwen uwer zonen met u. a 1 Petr. 3:20. b 2 Potr. 2:5. 19 En gij zult van al wat leeft, van allo vleesch, twee van elk, doen in de ark komen, om mot u in hot leven te behouden: mannetje en wijfje zullen zij zijn. 20 Van hot gevogelte naar zijnon aard, en van het vee naar zijnen aard, van al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijnen aard, twoo van elk zullen tot u komen, om die in het leven te behouden. 21 En gij, neem voor u van allo spijze, die gegoten wordt, en verzamel ze tot u, opdat zij u, en hun tot spijze zij. 22 En Noach deed het; quot; naar al wat God hem geboden had, zoo deed hij. «Gen. 7: 5. Hebr. 11:7. HOOFDSTUK 7. God lieveolt Noach mot zijn huisgezin te gaan in de Ark, vs. 1. Van allerlei rein cn onrein gedierte zeker getal tot ziuh te nomen, 2. Noach verrlgt alles naar Gods bevel, 5. Do zondvloed begint met opbarsting der fonteinen des grooton afgronds van onderen en oenen gedurigen plasregen van boven, 10. De wateren wassen 150 dagen, bedekken do bergen, en al wat leeft op aarde vergaat, 17. |
DAARNA zeide do Heere tot quot;Noach: Ga gij, on uw ganscho huis in de ark; want ''u heb Ik gezion regtvaardig voor mijn aangezigt in dit geslacht. n 2 l'etr. 2:5. h Gen. 6:9. 2 quot;Van alle rein vee zult gij tot u nomen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje. a Lev. 11. 3 Ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, om zaad levend te houden op de ganscho aarde. 4 Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, en veertig nachten ; en Ik zal van den aardbodem verdelgen, al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb. 5 quot;En Noach deed, naar al wat de Heere hem geboden had. a Gen. (i: 22. (i Noach nu was zes honderd jaren oud, als de vloed der wateren op do aarde was. 7 Zoo quot;ging Noach, en zijne zonen, en zijne huisvrouw, en do vrouwen zijner zonen mot hem in de ark, van wego de wateren des vloeds. a Matt. 24:38. Luk. 17:27. 1 Petr. 3:20. 8 Van het reine vee, on van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en al wat op den aardbodem kruipt, 9 Kwamen er twee cn twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, gelijk als God Noach geboden had. 10 En hot geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op do aarde waren. 11 In het zes honderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventienden dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des grooton afgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend. 12 En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten. 13 Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sein, en Cham, en Jafeth, Noachs zonen, desgelijks Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen met hen in de ark: 14 Zij, en al het gedierte naar zijnen aard, en al het vee naar zijnon aard, en al het kruipend gedierte, dat op do aarde kruipt, naar zijnen aard, en al het gevogelte naar zijnen aard, alle vogeltje van allerlei vleugel. 15 En van alle vleesch, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark. 10 En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vleesch, gelijk als hem God bevolen had. En de Heere sloot achter hem toe. 17 En die vloed was veertig dagen op do aarde, en de wateren vermeerderden, en hieven de ark op, zoodat zij oprees boven de aarde. 18 En de wateren namen de overhand, en ver- |
GENESIS 7, 8.
10
|
meerderden zeer op de aarde; en de ark ging op de wateren. li) En de wateren namen ganscli zeer de overhand op do aarde, zoodat alle hooge bergen, die onder don ganschen hemel zijn, bedekt werden, li'iü Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werden bedekt. 21 quot;En alle vleesuh, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en allo mensch. a Luk. 17 : 27. 22 Al wat eenen adem des geestes des levens in zijne neusgaten had, van alles wat opliet drooge was, is gestorven. 23 Alzoo werd verdelgd al wat bestond, dat op don aardbodem was, van den mensch aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevo- |
EN God gedacht aan Noacli, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hom in do ark was; en God deed eenen wind over do aarde doorgaan, en de wateren werden stil. 2 Ook werden do fonteinen des afgronds, en do sluizen dos hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden. 3 Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en weder vloeijende; en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen. 4 En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventienden dag der maand, op de bergen van Ararat. 5 En de wateren waren gaande, en afnemende tot do tiende maand: in de tiende maand, op den eersten der maand, worden do toppen der berden gezien. |
|
gelte des hemels, en zij werden verdelgd van do aarde; quot;doch Noach alleen bloot' over, en wat mot hem in de ark was. a 2 Petr. 2 :5. 24 En do wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen. HOOFDSTUK 8. Do fonteinen des afgronds en de wolken worden gestopt, waardoor de wateren stil worden en allengs vorloopen, vs. 1, Do Ark zet zich neder op hot gebergte van Ararat, 4. Noach laat eono raaf vliegen on daarna eono duif, die met een olijftakje terugkomt, 7. Het aardrijk is weder droog, 13. Noach gaat niet al wat bij hom was op Gods bevel uit de Ark, Ui; bouwt oen altaar en offert, 20. God belooft de aarde niet meer alzoo om 's menschen wil te verdorven, 21. |
(i En het geschiedde, ten einde van veertig dagen, dat Noach het venster der ark, die hij gemaakt had, opendeed. 7 En hij liet eene raaf uit, die dikwijls heen en weder ging, totdat de wateren van boven de aarde verdroogd waren. 8 Daarna liet hij eene duif van zicli uit, om te zien, of de wateren geligt waren van boven den aardbodem. !) Maar de duif vond geene rust voor het hol van haren voet; zoo keerde zij weder tot hem in de ark; want de wateren waren op de gansche aarde: en hij stak zijne hand uit, en nam haar, en bragt haar tot zich in de ark. |
GENESIS 8, !).
|
10 En hij verbeidde nog zeven andere dagen, toon liet hij do duif wedorom uit de ark. 11 En do duif kwam tot hem togen don avondtijd; en ziet, oen afgebroken olijfblad was in haren bok; zoo merkte Noach, dat do wateren van boven de aarde geligt waren. 12 Toen vertoefde hij nog zeven andere dagen; en hij liet do duif uit, maar zij keerde niet meer weder tot hem. 13 En hot geschiedde in hot zes honderd en eerste jaar, in de eerste maand, op don eersten der-zelver maand, dat do wateren droogden van boven de aarde: toon dood Noach het deksel der ark af, on zag too, en ziet, de aardbodem was gedroogd. 14 En in do tweede maand, op don zeven en twintigston dag dor maand, was do aarde opgedroogd. |
gevogelte, on offerdo brandofforen op dat altaar. a Lev. 11. 21 En de Heere rook dien liefelijken reuk, en de Heere zoide in zijn hart: Ik zul voortaanden aardbodem niet moor vervloeken om dos menschen wil, quot;want het gedichtsol van 's monschon hart is hoos van zijne ''jeugd aan; en Ik zal voortaan niet moer al het lovende slaan, gelijk als Ik go-daan heb. a Oen. 0:5. Spr. 22: 15. Matt. 15: I!). I) Spr. 22 :15. 22 quot;Voortaan al do dagen der aarde zullen zaaij-ing en oogst, on koude on hitte, en zomer en winter, on dag en nacht, niet ophouden. a Jor. 30 : 20, 25. HOOFDSTUK 9. God vernieuwt zijnen /.ogen na ilen zomlvlood over do monschon, vs. 1. Vergunt on verbiedt hun zekere spijzen, 3. Verordent straf op den doodslag, 5. Stelt |
|
15 Toon sprak God tot Noach , zeggende: 10 Ga uit de ark, gij, en uwe huisvrouw, en uwe zonen, en de vrouwen uwer zonen met u. 17 Al hot gedierte, dat met u is, van alle vloesch, aan gevogelte, en aan vee, en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe mot u uitgaan; en quot;dat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde, en vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen op de aarde. a Gen. 1:22, 2S, 9:1. 18 Toen ging Noach uit, en zijne zonen, en zijne huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hein. 19 Al het gedierte, al het kruipende, en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hunne geslachten, gingen uit do ark. 20 En Noach bouwde don Heere oen altaar; en hij nam van al het quot;reine vee, en van al hot rein |
den regenboog tot een toeken zijns verbomls, dat goen algemoeno zondvloed moor op aarde komen zal, 9. Noach plant den wijnstok, 20, en wordt in don slaap dor dronkenschap wegens zijne naaktheid door Cham beschimpt, 22; die daarover met zijne nakomelingen wordt vervloekt, 25; maar Som on Jafeth worden gezegend, 26. Noachs ouderdom en dood, 29. EN God zegende Noach en zijne zonen, eu Hij zeido tot hen: quot;Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde! a Gen. 1:28. 8: 17. 2 En uwe vrees, en uwe verschrikking zij over al het gedierte dor aarde, on over al hot gevogelte des hemels; in al wat zich op don aardbodem roert, en in alle visschon der zoo: zij zijn in uwe hand overgegeven. 3 Al wat zich roert, dat lovend is, zij u tot |
GENESIS 9, 10.
12
|
spijze; Ik hob het u al gegeven, gelijk quot;het groene kruid. « Gen. 1 : 29. 4 quot;Doch het vleeseh niet zijne ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten. a Lev. 3 : 17. 7 ; 2G. 17 ; 14. 19 ; 26. Deut. 12 : 23. 5 quot;En voorwaar. Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eisehen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisehen: ook van de hand dos men-schen, van de hand eens iegelijken zijns broeders zal Ik de ziel des mensehen eisehen. « Ex. 21 :12, 28. (gt; «Wie des mensehen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden; want God hoeft den mensch ''naar zijn beeld gemaakt. a Klgld. 4:13. Matt. 26: 52. lt;)penb. 13 :10. h Oen. 1 : 27. 7 Maar quot;gijlieden, weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve. «Gen. 1:28.8:17. H Voorts zeide God tot Noaeh , en tot zijne zonen met hem, zeggende: 9 Maar Ik, quot;ziet, Ik rigt mijn verbond op met u, en met uw zaad na u. a Jes. 54; 9. 10 En mot allo levende ziel, die met u is, van hot gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde mot u : van allen , die uit de ark gegaan zijn, tot al liet gedierte der aarde toe. 11 En Ik rigt mijn verbond op met u, dat niet meer alle vleeseh door do wateren des vloeds zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zijn zal, om do aarde te verderven. 12 En God zeide: Dit is het teeken des verbonds, dat Ik geef tusschen Mij en tusschen ulieden, on tusschen allo levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachten. 13 Mijnon boog heb Ik gegeven in do wolken; die zal zijn tot een toeken des verbonds tusschen Mij en tusschen de aarde. 14 En het zal geschieden, als Ik wolken over do aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in do wolken; ló Dan zal Ik gedenken aan mijn verbond, hetwelk is tusschen Mij en tusschen u, en tusschen alle lovende ziel van alle vleeseh : en de wateren zullen niet meer wezen tot oenen vloed, om alle vleeseh te verderven. 16 Als deze boog in de wolken zal zijn, zoo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig verbond tusschen God en tusschen allo lovende ziel, van alle vleeseh, dat op de aarde is. 17 Zoo zoido dan God tot Noaeh: Dit is het toeken dos verbonds, dat Ik opgerigt heb tusschen Mij on tusschen allo vleeseh, dat op do aarde is. 18 En zonen van Noaeh, die uit de ark gingen, waren «Som, en Cham, en Jafeth: en Cham is de vader van Kanaan. a Gen. 6: 10. 19 Dozo drie waren de zonen van Noaeh; en van dezen is de gansche aarde overspreid. 20 En Noaeh begon oen akkerman te zijn, en hij plantte oenen wijngaard. 21 En hij dronk van dien wijn, en werd dronken; en hij ontblootte zich in hot midden zijner tont. |
22 En Cham, Kanaiins vader, zag zijns vaders naaktheid, en hij gal' het zijnon beiden broederen daar buiten te kennen. 23 Toen namen Som en Jafeth een kleed, en zij leiden hot op hun beider schouderen, en gingen achterwaarts, on bedekten de naaktheid huns vaders; on hunne aangezigten waren achterwaarts yekeerd, zoodat zij do naaktheid huns vaders niet zagen. 24 En Noacb ontwaakte van zijnen wijn; en hij merkte, wat zijn kleinste zoon hom gedaan had. 25 En hij zeide: Vervloekt zij Kanaan; een knecht dor knechten zij bij zijnen broederen! 26 Voort zeide bij: Gezegend zij de IIeeke, do God van Som; en Kanaan zij hom oen knecht! 27 God breide Jafeth uit, en bij wono in Soms tenten! en Kanaan zij hem een knecht! 28 En Noacb loefde na den vloed drie honderd en vijftig jaren. 29 Zoo waren al do dagen van Noaeh negen honderd en vijftig jaren; en hij stierf. HOOFDSTUK 10. Uitbreiding des inenschelijken geslachts door de drie zonen van Noaeh. welker nakomelingen met hunne woonplaatsen worden genoemd: van Jafeth, vs. 2; van Chain, 6; onder doze zijn Nimrod en Assnr, 8, 11; van Sem, 21. DIT nu zijn de geboorten van quot;Noachs zonen: Sem, Cham, on Jafeth; en hun werden zónen geboren na den vloed. n 1 Kron. 1 ; 4. 2 Do quot;zonen van Jafeth zijn: Gomer, onMagog, en Madai, on Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras. a 1 Kron. I : 5. 3 En do zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Ri-fath, en Togarma. 4 En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten. 5 Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hunne landschappen, elk naar zijne spraak, naar hunne huisgezinnen, onder hunne volken. 6 En de zonen van quot;Cham zijn: Cusch en Mits-raïm, en Put, en Kanaan. a 1 Kron. 1:8. 7 En de zonen van Cusch zijn: Seba on Havfla, en Sabta, en Raëma, en Sabteeha. En de zonen van Raëma zijn: Scheba en Dedan. 8 En quot;Cusch gewon Nimrod: deze begon geweldig te zijn op de aarde. a 1 Kron. 1 :10. 9 Ilij was een geweldig jager voor het aangezigt des IIeeren; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod , een geweldig jager voor het aangezigt des Heeren. 10 En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calno in het Land Sinear. 11 Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehobóth, Ir, en Kalach, 12 En Resen, tusschen Nineve en tusschen Kalach: deze is die groote stad. 13 En Mitsraïm gewon de Ludieten, en de Ana-mieten, en de Lehabieten, en do Naftuchieton, 14 En de Pathrusieten, en do Casluchieten, van |
GENESIS 10, 11.
in
|
waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caf-torieten. 15 En Kanaiin gewon Sidon, zijnen eerstgeborene, en Heth, 16 En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet, 17 En don Ilivviet, en den Arkiet, en den Siniet, 18 En den Arvadiet, en den Tsemariet, en den Hamathiet: en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaanieten verspreid. 19 En do landpale dor Kanaanieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sodom en Gomórra, en A'dama, on Zebóim, tot Lasa toe. 20 Dozo zijn zonen van Cham, naar hunne huisgezinnen , naar hunne spraken, in hunne landschappen , in hunne volken. 21 Voorts zijn Som zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Hebor, broeder van Jafeth, don grootste. 22 quot;Soms zonen waren E lam, onAssur, en ''Arfacii-sad , en Lud, en Aram, a 1 Kron. 1 :17. h (ren. 11 :10. 23 En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gethor, en Maz. 24 En quot;Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Hebor. a 1 Kron. 1 : 18. 25 En Hebor werden twee zonen geboren; des oenen naam was Peleg, want in zijne dagen is do aarde verdoold, on zijns broeders naam was Joktan. 26 En Joktan gewon Almódad, on Selof, on Hatsarmaveth , en Jarach , 27 En Hadóram, en Usal, en Dikla, 28 En Obal, en Abimaöl, on Scheba, 2!) En Ofir, en Havila, en Jobab: deze allen waren zonen van Joktan. 30 En hunne woning was van Moselia al', daar gij gaat naar Sofar, hot gebergte van het oosten. 31 Deze zijn zonen van Som, naar hunne huisgezinnen, naar hunne spraken, in hunne landschappen, naar hunne volken. 32 Deze zijn do huisgezinnen dor zonen van Noach, naar hunne geboorten, in hunne volken; en van dozen zijn do volken op do aarde verdeeld na don vloed. HOOFDSTUK 11. Allo monschon hadden tot dezen tijd too eenerloi spraak, vs. 1. Zij bouwen enkol uit hoogmoed oeno stad mot eenon zeer hoogentoron, 3. God belet hun werk door verdeeling der spraken en verstrooit hen van elkander door de wereld, C. Babel verkrijgt daarvan don naam, 9. Soms nakomelingen tot op Abram, 10, welke met zijnen vader, Sarai en Lnt vertrekt uit Ur der Chaldeën naar Haran, 29. EN de ganscho aarde was van eenerlei spraak, en eenerlei woorden. 2 Maar hot geschiedde, als zij tegen hot oosten togen, dat zij eene laagte vonden in het land quot;Sinear, en zij woonden aldaar. a Gen. 10:10, |
3 En zij zeiden een ieder tot zijnen naaste: Kom aan, laat ons tigchelen strijken , en wol doorbranden ! En de tigchel was hun voor steen, on het lijm was hun voor leem. 4 En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons eene stad bouwen, en eenon toren, welks opperste in don hemel zij; en laat ons oenen naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganscho aarde verstrooid worden! 5 Toen kwam de Heere neder, om te bezien de stad en den toren, die de kinderen dor monschon bouwden. 6 En do Heere zeide: Ziet, zij zijn oenerlei volk, en hebben allen eenerloi spraak; en dit is hot, dat zij beginnen te maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben to maken ? 7 Kom aan, laat ons nedorvaren, en laat ons hunne spraak aldaar verwarren, opdat oen iegelijk do spraak zijns naasten niet hoore. 8 quot;Alzoo verstrooide hen de Heere van daar over do ganscho aarde; en zij hielden op de stad te bouwen. a Deut. 32:8. Hand. 17 : 20. 9 Daarom noemde men haren naam Babel; want aldaar verwarde de Heere de spraak dor ganscho aarde, en van daar verstrooide hen do Heere over de ganscho aarde. 10 quot;Deze zijn de geboorten van Som: Sem was honderd jaren oud, en gewon Arfachsad, twee jaren na don vloed. a Gen. 10:22, enz. 1 Kron. 1 : 17, onz. 11 En Sem loefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijf honderd jaren, en hij gewon zonen en dochteren. 12 En Arfachsad loefde vijf en dertig jaren, en hij gewon Selah. 13 En Arfachsad loofde, nadat hij Selah gewonnen had, vier honderd en drie jaren, en hij gewon zonen en dochteren. 14 En Selah leefde dertig jaren, en hij gewon Hebor. 15 En Selah loefde, nadat hij Hebor gewonnen had, vier honderd en driejaren, en gewon zonen en dochteren. 16 En Hebor loofde vier en dertig jaren, en gewon Peleg. 17 En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vier honderd en dertig jaren, en hij gewon zonen en dochteren. 18 En quot;Peleg loefde dertig jaren, en hij gewon Rehu. a 1 Kron. 1 : 25. 19 En Peleg loefde, nadat hij Rehu gewonnen had, twee honderd en negen jaren, en hij gewon zonen en dochteren. 20 En Rehu leefde twee en dertig jaren, en hij gewon Sorug. 21 En Rehu leefde, nadat hij Sorug gewonnen had, twee honderd en zeven jaren, en hij gewon zonen on dochteren. 22 En Sorug loefde dertig jaren, en gewon Na hor. |
GENESIS 11, 12.
|
23 En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, twee honderd jaren, en hij gewon zonen en dochteren. 24 En Nahor leefde negen en twintig jaren, en gewon Terah. 25 En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren, en hij gewon zonen en dochteren. 26 En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran. 27 quot;En deze zijn de geboorten van Terah : Terah gewon Abram, Nahor en Haran; en Haran gewon Lot. « .loz. 24: 2. 1 Kron. 1 : 20. 28 En Haran stierf voor het aangezigt zijns vaders Terah, in hot land zijner geboorte, in Ur der Chaldeën. 2!) En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was quot;Milka , eene dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska. a Gen. 22:20. 80 En quot;Sarai was onvruchtbaar, zij had geen kind. a Gen. 16: 1, 2. 18:11, 12. l!l quot;En Terah nam Abram, zijnen zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai zijne schoondochter, de huisvrouw van zijnen zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeën , om te gaan naar het land Kanaiin; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar. a Joz. 24:2. Neh. 0:7. Hand. 7 : 4. 32 En de dagen van Terah waren twee honderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran. HOOFDSTUK 12. Abram trekt op Gods bevel en belofte met Sarai, Lot en alles wat hij te Haran verworven had, van daar naar het land Kanaiin, vs. 1. Komt bij Sichem en Both-El en stelt aldaar na Gods verschijning de openbare Godsdienst in, 0. Trekt wegens duren tijd in Egypte en begeert dat Sarai zegge, dat zij zijne zuster is, waardoor Sarai hom ontnomen, maar door Gods wonderlijke en genadige beschikking wedergegeven wordt, 10. DE Heere nu had tot Abram gezegd: Ga quot;gij uit uw land, en uit uwe maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. a Hand. 7:3. Hebr. 11:8. 2 En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uwen naam groot maken; en wees een zegen! 3 En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; quot;en in u zullen alle ge-slachten des aardrijks gezegend worden. a Gen. 18:18. 22 : 18. 20 : 4. Hand. 3 : 25. Gal. 3 : 8. 4 En Abram toog heen, gelijk de Heere tot hem gesproken had, en Lot toog met hom; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging. 5 quot;En Abram nam Sarai, zijne huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hunne have, die zij verworven haddon, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; on zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan. n Hand. 7 : 4. |
0 En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichom, tot aan het eikenbosch More; en quot;de Kanaanieten waren toen ter tijd in dat land. a Gou. 10: 18, 19. 13:7. 7 Zoo verscheen de Heere aan Abram, en zeide: quot; Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar don Heere, die hom ver-schenon was. a Gen. 13 : 15.15 : 18.17 : 8. 24 : 7. 20 : 4. Deut. 34: 4. 8 En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-El, en hij sloeg zijne tent op, zijnde Both-El tegen het westen, en Ai togen het oosten; on hij bouwde daar den Heere een altaar, en riep den naam des Heeren aan. !) Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar hot zuiden. 10 En er was honger in dat land; zoo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkoeron, dewijl de honger zwaar was in dat land. 11 En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zoido tot Sarai, zijne huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij eene vrouw zijt, schoon van aangezigt. 12 En hot zal geschieden, als u do Egyptenaars zullen zien, zoo zullen zij zeggen: Dat is zijne huisvrouw; en zij zullen mij dooden, en u inliet loven behouden. 13 quot;Zeg toch, gij zijt mijne zuster; opdat hot mij wel ga om u, en mijne ziel om uwentwil leve. a Gen. 20:12. 20:7. 14 En hot geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat do Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was. 15 Ook zagen haar do vorston van Faraö, en prezen haar bij Faraö; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Faraö. 16 En hij deed Abram goed, om harentwil; zoodat hij had schapen, on runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnon, on kemelen. 17 Maar do quot;Heere plaagde Faraö met groote plagen, ook zijn huis, ter oorzako van Sarai, Abrams huisvrouw. a Ps. 105:14. 18 Toen riep Faraö Abram, en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? waarom hebt gij mij niet te konnon gegeven, dat zij uwe huisvrouw is ? 19 Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijne zustor; zoodat ik haar mij tot eene vrouw zoude genomen hebben? en nu, zie, daar is uwe huisvrouw, neem haar en ga honen! 20 En Faraö gebood zijnen mannon van woge hom, en zij geleidden hem, en zijne huisvrouw, en alios wat hij had. HOOFDSTUK 13. Abram trekt inot Sarai, Lot on grooten rijkdom uit Egypte weder naar hot land Kanaiin en slaat zich |
GENESIS 13, 14.
|
neder bij Beth-El, vs. 1. Abram en Lot schoiclon van elkander wegens de veelheid van hun beider have en vee, en den twist van limine horderen, â 'gt;. Lot trekt naar do sohoone landstreek van Sodom, 10. God verschijnt Abram on herhaalt zijne belofte, 14. Abram reist op Gods bevel om het land Kanailn te bezien, en slaat zich neder bij Hebron, en bouwt don Ileore een altaar, 17. ALZOO toog Abram op uit Egypte naar hot zuiden, hij en zijne huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem. 2 En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud. 3 En hij ging, volgens zijne reizen, van het zuiden tot Beth-El toe, quot;tot aan de plaats, waar zijne tent in het begin geweest was, tusschen Beth-El, en tusschen Ai; a Oren. 12:8. 4 Tot de plaats des altaars, dat hij in het eerst daar gemaakt had; en Abram heeft aldaar den quot; naam des Heehen aangeroepen. n Oen. 4 ; 20. 12:8. o En Lot, die met Abram toog, had ook schapen, en runderen, en tenten. 6 quot;En dat land droeg hen niet, om zanien te wonen; want hunne have was vele, zoodat z'.i zanien niet konden wonen. n Gen. 3G:7. 7 En er was twist tusschen de herders van Abrams vee, en tusschen de herders van Lots vee. quot;Ook woonden toen do Kanaanieten en Fe-rezieten in dat land. a Oon. 12:(). 8 En Abram zeide tot Lot: Laat toch geene twisting zijn tusschen mij en tusschen u, en tusschen mijne herders en tusschen uwe herders; want wij zijn mannen broeders. 9 quot;Is niet hot ganscne land voor uw aangezigt? scheid u toch van mij; zoo gij de linkerhand kiest, zoo zal ik ter regterhand gaan; en zoo iiij do regterhand, zoo zal ik ter linkerhand gaan. a Gen. 20 : 15. 34 : 10. 10 En Lot hief zijne oogen op, en hij zag de gansche vlakte dor Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde: oor de Heeue Sodom en Gomórra verdorven had, was zij als de hof des Heeren, als Egypteland, als gij komt te Zoar. 11 Zoo koos Lot voor zich do gansche vlakte dor Jordaan, en Lot trok tegen hot oosten; en zij werden goschoidon, do oon van den ander. 12 Abram clan woonde in hot land Kanaiin; en Lot woonde in de steden der vlakte, en sloeg tenten tot aan Sodom toe. 13 quot;En de mannen van Sodom waren boos, en groote zondaars tegen den IIeere. a Gon. 18:20. E/.ech. 10:49. 14 En de Heere zoide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: lief uwe oogon op, en zie van do plaats, waar gij zijt, noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts. 15 quot;Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. aGen. 12:7.15:17,18.17:8.26:4. Dcut.34:4. Hand. 7 :5. |
10 quot;En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zoodat, indien iemand hot stof der aarde zal kunnen tollen, zal ook uw zaad getold worden. n Gon. 15:5. 17:4. Dout. 10:22. â¢lor. 33:22. Hom. 4: 17, 18. Hobr. 11 : 12. 17 Maak u op, wandel door dit land, in zijne lengte en in zijne breedte; want Ik zal hot ugeven. 18 En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde quot;aan de eikenbosschen van Mature, die bij Hebron zijn; en hij bouwde aldaar don Heere oen altaar. n Gon. 14: 13. HOOFDSTUK 14. Do koningen van Sodom on do andere vier steden vallen af van Kodor-Laómor, en worden daarover van hem, mot hulp van drie koningen beoorloogd on overwonnen, vs. 1. Sodom wordt geplimdord, en Lot nevens anderen gevankelijk weggevoerd, 11. Abram dit hooronde, trekt mot zijn volk en bond-gonooten op, vervolgt deze koningen, overvalt on slaat hen, en verlost Lot met do andere gevangenon, 14. Wordt na de overwinning onthaald on gezegend van den koning en priester Melchizódek, dien hij tiendon van don buit geeft, 18, on zweert dat hij van al, wat don koning van Sodom toekwam, voor zich niets begeert, 21. EN hot geschiedde in do dagen van Amrafel, den koning van Sinoar, van A'rioch, den koning van Ellasar, van Kodor-Laómor, den koning van Flam, on van Tfdeal, den koning dor volken; 2 Dat zij krijg voordon mot Bora, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomórra, Sinab, koning van A'dama, onSomébor, koning van Zo-bóïm, en den koning van Bela, dat is Zoar. 3 Deze allen voegden zich zamen in hot dal Sid-dim, dat is do Zoutzee. 4 Twaalf jaren hadden zij Kodor-Laómor gediend; maar in hot dertiende jaar vielen zij af. 5 Zoo kwam Kodor-Laómor in hot veertiende jaar, en do koningen, die met hom waren, en sloegen de quot; Rofaïoten in Astoroth-Karnaïm, on do Zuzioten in Ham, on de ''Emieten in Schavo-Kiriatlunm; n Gen. 15:20, h Dout. 2:10, 11. (i En de Horieton op linn gebergte Soïr, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woostijnis. 7 Daarna koordon zij wederom, en kwamen tot En-Mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalokieten, en ook den Etnoriot, dio te Hazozon-Thatnar woonde. 8 Toon toog do koning van Sodom uit, en do koning van Gomórra, en de koning van A'dama, en do koning van Zobóïm, en do koning van Bola, dat is Zoar: en zij stelden togen hen slagorden in hot dal Siddim, !) Tegen Kodor-Laómor, don koning van Elam, en Tideal, don koning der volken, on Amrafel, den koning van Sinoar, en A'rioch, don koning van Ellasar; vier koningen togen vijf. 10 Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en do koning van Sodom en Gomórra vlugtten, on violen aldaar; en do overgeblevenen vlugtten naar hot gebergte. 11 En zij namen al do havo van Sodom en Gomórra, en al hunne spijze, en trokken weg. |
GENESIS 14, 15.
|
12 Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijne have, en trokken weg: want hij woonde in Sodom. 13 Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram den Hebreër, die woonachtig was aan de quot;eikenbosschen van Mamre, den Emoriet, broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenooten waren. a Gen. 13 : 18. 14 Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zoo wapende hij zijne onderwezenen, de in-geborenen van zijn huis, drie honderd en achttien , en hij jaagde hen na tot Dan toe. 15 En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijne knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus. 10 En hij bragt alle have weder, en ook Lot zijnen broeder en deszelfs have bragt hij weder, als ook de vrouwen, en hot volk. 17 En de koning van Sodom toog uit, hem te gemoet, (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-Laomer, en van de koningen, die met hem waren) tot het dal Schave, dat is, het dal des konings. 18 quot;En Melchizédek, koning van Salem, bragt voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods. a llelir. 7:1, 2, I!. 19 En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, den Allerhoogste, die hemel en aarde bezit! 20 En gezegend zij de allerhoogste God, die uwe vijanden in uwe hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles. 21 En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem do have voor u. 22 Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijne hand opgeheven tot den IIeere, den allerhoogsten God, die hemel en aarde bezit: 23 Zoo ik van een' draad aan tot een' schoenriem toe, ja zoo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! 24 Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen! HOOFDSTUK 15. Abram, kleincioedig zijnde, wordt van God door een gezigt in zeer heerlijke, zoo geestelijke als ligclm-melijke, beloften gesterkt, en door hot geloof geregt-vaardigd, vs. 1. God bevestigt zijn verbond op eene bijzondere wijze met Abram, hem voorzeggende en afbeeldende wat zijn zaad zoude wedervaren, 9 NA deze dingen geschiedde het woord des Heeren tot Abram in een gezigt, zeggende: Vrees niet, Abram! quot;Ik ben u een schild, uw loon zeer groot. a Ps. 10:68. 1:3. 19:12. 2 Toen zeide Abram: Heere, Heere! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga? |
en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer. 3 Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij .geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn! 4 En ziet, het woord des Heeren was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn. 5 Toen leidde Hij hem uit naar buiten en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: quot; Zoo zal uw zaad zijn! a Ex. 32 : 13. Deut. 10: 22. Rom. 4 : 18. Hebr. 11: 12. 0 quot;En hij geloofde in den Heere; en Hij rekende het hem tot geregtigheid. a Rom. 4:3, 9, 18, 22. Gal. 3 : 6. Jakob. 2 : 23. 7 Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de Heere, die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeën, quot;om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten. a Ps. 105 : 11. 8 En hij zeide: Heere, Heere! waarbij zal ik weten, dat ik het erfelijk bezitten zal? 9 En Hij zeide tot hem: Neem Mij eene driejarige vaars, en eene driejarige geit, en eenen driejarigen ram, en eene tortelduif, en eene jonge duif. 10 En hij bragt Hem deze allen, en hij deelde ze midden door, en hij leide elks deel tegen bet andere over; maar het gevogelte deelde hij niet. 11 En het wild gevogelte kwam neder op bet aas, maar Abram joeg het weg. 12 En het geschiedde, als de zon was aan bet ondergaan, zoo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en groote duisternis viel op hem. 13 Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, quot; dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vier honderd jaren. a Ex. 12 : 40. Hand. 7 : 0. Gal. 3 :17. 14 Doch Ik zal het volk ook regten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken quot; met groote have. a Ex. 3 : 22. 11 : 2. 12 : 35, 30. 15 quot;En gij zult tot uwe vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden. a Gon. 25 : 7 , 8. 10 quot;En het vierde geslacht zal herwaarts weder-keeren: want de ongeregtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen. a Ex. 12:40. 17 En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rookende oven en vurige fakkel, die tusschen die stukken doorging. 18 Ten zelfden dage maakte de Heere een verbond met Abram, zeggende: quot;Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die groote rivier, de rivier Frath. «Gen. 12:7.13:15.24:7.20:4. Ex.32:13. Deut. 1 :8.34:4. 19 Den Keniet, en den Keniziet, en den Kad-moniet, |
GENESIS 16, 17.
17
|
20 En den Hethiet, en den Feroziet, en de Refaïeten, 21 En den Amoriet, en den Kanaaniet, en den Girgaziet, en den Jebnsiet. HOOFDSTUK 16. Sarai onvruchtbaar zijnde, geeft Abram hare dienstmaagd Hagar tot een bijwijf, vs. 1. Hagar bevrucht zijnde, begint Sarai te verachten, die zich hierover bij haren man beklaagt en verlof bekomt om Hagar te vernederen, welke voor Sarai vlugt in de woestijn, 4; alwaar God haar aanspreekt en weder naar Sarai zendt met tijdelijke belofte nopens haren zoon Ismaöl, dien zij Abram, toen hij 86 jaren oud was, baarde, 7. DOCH Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hein niet; en zij had eene egyptisehe dienstmaagd, welker naam was Hagar. 2 Zoo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de Heere heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijne dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai. :ï Zoo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de egyptisehe Hagar, hare dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaan gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haren man, hem tot eene vrouw. 4 En lüj ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zoo werd hare vrouw veracht in hare oogen. 5 Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijne dienstmaagd in uwen schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zoo ben ik veracht in hare oogen; de Heeke regte tusschen mij en tusschen u! 6 Eu Abram zeide tot Sarai: Zie, uwe dienstmaagd is in uwe hand, doe haar, wat goed is in uwe oogen. En Sarai vernederde haar, en zij vlugtte van haar aangezigt. 7 En de Engel des Heeren vond haar aan eene waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur. 8 En hij zeide: Hagar, gij dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan ? En zij zeide: Ik ben vlugtende van het aangezigt mijner vrouw Sarai! 9 Toen zeide de'Engel des Heeren tot haar: Keer weder tot uwe vrouw, en verneder u onder hare handen. 10 Voorts zeide de Engel des Heeren tot haar: Ik zal uw zaad grootelijks vermenigvuldigen, zoodat het van wege de menigte niet zal geteld worden. 11 Ook zeide des Heeren Engel tot haar: Ziet, gij zijt zwanger, en zult eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam Ismaël noemen, omdat de Heere uw verdrukking aangehoord heeft. 12 En hij zal een woudezel yw« ee»' mensch zijn; zijne hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en quot;hij zal wonen voor het aangezigt van al zijne broederen. a Oen. 25 ; 18. |
13 En zij noemde den naam des Heeren, die tot haar sprak: Gij God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, die mij aanziet ? 14 Daarom noemde men dien put, den quot; put Lachai-Rói; ziet, hij is tusschen Kades en tusschen Bered. n Gen. 24:62. 25:11. 15 quot;En Hagar baarde Abram eenen zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, dien Hagar gebaard had, Ismaël. a Gal. 1: 22. 16 En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde. HOODFSTUK 17. God verschijnt Abram en vernieuwt zijne belofte en het verbond, vs. 1 ; veranderd zijnen naam Abram in Abraham, 5; stelt tot een teeken des verbonds de besnijdenis in, 9; verandert den naam van Sarai in Sara, met belofte van oenen zoon en groot zaad uit haar, 15, waarover Abraham zeer verheugd is; maar bidt voor Ismaël, en verkrijgt eenen tijdelijkcn zegen, 17. Abraham en al wat mannelijk is in zijn huis wordt besneden, 23. ALS nu Abram negen en negentig jaren oud was, zoo verscheen de Heere aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God de Almagtige! quot;Wandel voor mijn aangezigt, en zijt opregt! «Gen. 5:22. 2 En quot;Ik zal mijn verbond stellen tusschen Mij en tusschen u, en b Ik zal u ganscli zeer vermenigvuldigen. a Gen. 15:18. Ex. 2:24. 6:4. Lev. 26 : 42. b Gen. 12 : 2. 13 : 16. 15 : 5. 3 Toen viel Abram op zijn aangezigt; en God sprak mot hem, zeggende: |
GENESIS 17, 18.
18
|
4 Mij aangaande, zie, mijn verbond is met n; en gij zult quot;tot eenen vader van menigte der volken worden! n Rom. 4:17. quot;) En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uwen naam zal wezen Abraham: want Ik heb u gesteld tot eenen vader van menigte dor volken. (! En Ik zal u ganscli zeer vruchtbaar maken, en Ik zal n tot volken stellen; en quot;koningen zuilen uit ii voortkomen. a Matt. 1:6, enz. 7 En Ik zal mijn verbond oprigten tusschen Mij en tusschen u, en tusschen uw zaad na u in hunne geslachten, tot quot;een eeuwig verbond, om u te zijn tot eenen God, en uw zaad na u. a Gen. 13 : 15. 8 En quot;Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het geheele land Ka-naiin, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot eenen God zijn. a Gen. 15:18. Dent. 1:8. 9 Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hunne geslachten. 10 Dit is mijn verbond, dat gijlieden houden zult tusschen Mij en tusschen u, en tusschen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, n besneden worde. 11 En gij zult het vleesch uwer voorhuid besnijden; en quot;dat zal tot een toeken zijn van liet verbond tusschen Mij en tusschen u. a Hand. 7 : 8. Rom. 4:11. 12 Een quot;zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uwe geslachten; de ingeborene van het huis, en de gekochte met gold van allen vreemde, welke niet is van uw zaad; a Lev. 12:.'5. Luk. 2:21. 13 De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw gold zal zekerlijk besneden worden; en mijn verbond zal zijn in ulieder vleesch, tot een eeuwig verbond. 14 En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vleesch niet zal besneden worden , dezelve ziel zal uit hare volken uitgeroeid worden: hij hooft mijn verbond gebroken. 15 Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam van uwe huisvrouw Sarai, niet Sarai noemen, maar haar naam zal zijn Sara. l(i Want Ik zal haar zegenen, en u ook uil haar oenen zoon geven; ja Ik zal haar zegenen, zoodat zij tot volken worden zal: koningen der volken zullen uit haar worden! 17 Toen viel Abraham op zijn aangezigt, en hij lachte; en hij zeide in zijn hart: Zal eenen, die honderd jaren oud is, gen kind geboren worden? en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren? 18 En Abraham zeide tot God: Och! dat Ismaël mogt leven voor uw aangezigt! 1!) En God zeide: Voorwaar quot;Sara, uwe huisvrouw, zal ii eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam noemen Izak: en Ik zal mijn verbond met hem oprigten, tot een eeuwig verbond zijnen zade na hem. a Gen. 18: 10. 21 : 2. |
20 En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, quot;Ik heb hem gezegend, en zal hom vruchtbaar maken, en hom gansch zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen; a Gen. 10:10. 25:12, 10. 21 Maar mijn verbond zal Ik met Izak oprigten, dien u Sara quot;op dezen gozotton tijd in het andore jaar baren zal. a Gen. 21: 2. 22 Eu Hij eindigde met hem te spreken; en God voer op van Abraham. 23 Toen nam Abraham zijnon zoon Ismaël, en al de ingeboronon van zijn huis, en alle gekoch-ten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de lieden van het huis van Abraham, en hij besneed liet vleesch hunner voorhuid, even ten zelfden dage, gelijk als God mot hem gesproken had. 24 En Abraham was oud negen en negentig jaren, als hem het vleesch zijnor voorhuid besneden word. 25 En Ismaël zijn zoon was dertien jaren oud, als hem het vleesch zijner voorhuid besneden werd. 26 Even op dozen zelfden dag werd Abraham besneden, en Ismaël, zijn zoon. 27 En alle mannen van zijn huis, de ingoborenen des huizes, en de gekochten met geld, van den vreemde af, werden met hem besneden. HOOFDSTUK 18. Twee engelen en do Hcere zelf verschijnen Abralnun in gedaante van drie mannen, welke liij vriendelijk neodigt en onthaalt, vs. 1. Ontvangt de belofte van eenen zoon uit Sara in het andere jaar, 10. Hierover lacht Sara en wordt daarover bestraft, 12. De twee engelen gaan voort naar Sodom, maar de lleere blijft spreken met Abraham, dien Hij zijn voornemen openbaart van Sodom, Gomórra, enz. uit te roeijen. 10, Abraham bidt vuriglijk voor die van Sodom, nn God antwoordt en vergenoegt hem, 23. DAARNA verscheen hem de Heere aan do eikon-bosschen van Mamre, als hij in de deur der tent zat, toen de dag heet werd. 2 En hij hief zijne oogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, quot;zoo liep hij hun te gemoet van de deur der tent, en boog zich ter aarde. a Hebr. 13:2. 3 En hij zeide: Heere! heb ik nu genade gevonden in uwe oogen, zoo gaat toch niet van uwen knecht voorbij. 4 Dat toch een weinig waters gebragt worde, en wascht uwe voeten, en leunt onder dezen boom. 5 En ik zal eene bete broods langen, dat gij uw hart sterkt; daarna zult gij voortgaan, daarom omdat gij tot uwen knecht overgekomen zijt. En zij zeiden: Doe zoo als gij gesproken hebt. 0 En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zeide: Haast u, kneed drie maten meelbloem, en maak koeken. 7 En Abraham liep tot de runderen, en hij nam een kalf, teedor en goed, en Lij gaf het aan den knecht, die haastte, om dat toe te maken. 8 En hij nam boter en melk, en het kalf, dat hij toegemaakt had, en hij zette hot hun voor, en stond bij hen onder dien boom, en zij aten. |
GENESIS 18.
|
i) Toen zeiden zij tot hem: Waar is Sara uwe huisvrouw? En hij zeide: Ziet, in do tent. 10 En 11 ij zeide: quot;Ik zal voorzeker weder tot u komen, omtrent dezen tijd des levens; en zie, Sara uwe huisvrouw zal eenen zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur der tent, welke achter Hem was. a Gen. 17 : 10, 21. 21 ; 2. 11 Abraham nu en Sara waren quot;oud en wel bedaagd: het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze der vrouwen. «Gen. 17:17. Kom. 4: li). Hebr. 11:11. 12 Zoo lachte Sara bij zich zelve, zeggende: Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben, en quot;mijn heer oud is? a Rigt. 19:26. 1 Potr, 3 : G. 18 En de He ere zeide tot Abraham: Waarom heeft Sara gelagchen, zeggende: Zou ik ook waarlijk baren, nu ik oud geworden ben? |
1!) Want Ik hel) hem gekend, opdat hij zijnen kinderen en zijn huis na hem zoude bevelen, en zij den weg des Heehen houden, om te doen geregtigheid en gerigte; opdat de Heere over Abraham brenge, hetgeen Hij over hem gespro ken heeft. 20 Voorts zeide de Heere: Dewijl het geroep van Sodom en Gomórra groot is, en dewijl hare zonde zeer zwaar is, 21 Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zoo niet. Ik zal het weten. 22 Toen keerden die mannen het aangezigt van daar, en gingen naar Sodom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezigt des Heehen. 23 En Abraham trad toe, en zeide: Zult Gij ook |
|
14 quot;Zou iets .voor den Heere te wonderlijk zijn? ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent dezen tijd des levens, en Sara zal eenen zoon hebben! a Matt. l!l:2G. Luk. 1:37. 15 En Sara loochende het, zeggende: Ik heb niet gelagchen; want zij vreesde. En Hij zeide: Neon! maar gij hebt gelagchen. 16 Toen stonden die mannen op van daar, en zagen naar Sodom toe; en Abraham ging met hen, om hen te geleiden. 17 En do Heere zeide: quot;Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe? n Amos 3:7. 18 Dewijl Abraham gewisselijk tot een groot en magtig volk worden zal, en quot;alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden? a Gen. 12 : 3. 22 : 18. 26 : 4. Hand. 3 : 25. Gal. 3 : 8. |
i den regtvaardige met den goddelooze ombrengen? 24 Misschien zijn er vijftig regtvaardigen in de stad; zult (ïij hen ook ombrengen, en de plaats niet sparen, om de vijftig regtvaardigen, die binnen haar zijn ? 25 Het /.ij verre van U, zulk een ding te doen, te dooden den regtvaardige met den goddelooze! dat de regtvaardige zij gelijk de goddelooze: verre zij het van IJ! zou de quot;Regter der gansche aarde geen regt doen ? a Rom. 3 : (i. 26 Toen zeide de Heere: Zoo Ik te Sodom binnen de stad vijftig regtvaardigen zal vinden, zoo zal Ik de gansche plaats sparen om hunnentwil. 27 En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en asch ben! |
GENESIS 18, 19.
20
|
28 Misschien zullen aan de vijftig regtvaardigen vijf ontbreken, zult (lij dan om vijf de gansche stad verderven V En Mij zeide: Ik zal haar niet verderven, zoo Ik er vijf en veertig zal vinden. 29 En liij voer voort nog tot Hem te spreken, en zeide: Misschien zullen aldaar veertig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal liet niet doen om der veertigen wil. 30 Voorts zeide l)ij: Hat toch de Heere niet ont-steke, dat ik spreke: misschien zullen aldaar dertig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal het niet doen, zoo Ik aldaar dertig zal vinden. 31 En hij zeide: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere; misschien zullen er twintig gevonden worden! En IIij zeide: Ik zal haar niet verderven om der twintigen wil. 32 Nog zeide hij: Dat toch de Heere niet ont-steke, dat ik alleenlijk ditmaal spreke: misschien zullen er tien gevonden worden! Eu Hij zeide: Ik zal haar niet verderven om der tienen wil. 33 Toen ging de Heere weg, als Hij geëindigd had tot Abraham te spreken; en Abraham keerde weder naar zijne plaats. HOOFDSTUK 19. Do twee engelen komen in mansgedaante tot Sodom en worden van Lot geherbergd en onthaald, vs. 1. Do Sodoraieten omringen het huis bij nacht on willen dezen gaston gruwelijkon overlast aandoen, 4. Lot poogt hun zulks af te raden, maar te vergeefs, en mot zijn eigen gevaar, 6; waarom de engelen Lot binnentrekken en de Sodomieton met blindheid slaan, zoodat zij het huis moesten verlaten, 10. Lot wordt met zijne vrouw en twee dochters (terwijl de zwagers daarmede spotten) 's morgens vroeg uit Sodom geleid, met last om zich te behouden op het gebergte, 17. Maar Lot bidt en verkrijgt, dat hij zich mag bergen naar Zoar, 18. De vier steden in de gansche landstreek, met inwoners en gewas, worden door vuur en zwavel van den hemel verteerd, 24. Do Heere straft Lots huisvrouw, 20. Abraham ziet den ondergang dezer steden, 27. Lot trekt uit Zoar naar het gebergte, alwaar hij door den drank onwetend van zijne beide dochters wordt misbruikt, 31; waaruit Moab en Ammon zijn voortgesproten, 37. EN die twee engelen kwamen te Sodom in den avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun te gemoet, en boog zich met het aangezigt ter aarde. 2 En hij zeide: Ziet nu, mijne heeren! keert toch in ten huize van uwen knecht, en vernacht, en quot;wascht uwe voeten; en gij zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zij zeiden: Neon, maar wij zullen op de straat vernachten, a Gen. 18:4. 3 En quot;hij hield bij hen zeer aan, zoodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun eenen maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten. a Hebr. 13:2. 4 Eer zij zich te slapen leiden, zoo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van den jongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld , het gansche volk, van het uiterste einde af. 5 Eu zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die dezen nacht tot u |
gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen. (i Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe; 7 En hij zeide: Mijne broeders! doet toch geen j kwaad! 8 Ziet toch, ik heb twee dochters, die geenen i man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoo als het goed is in uwe oogen; alleenlijk doet dezen mannen niets, want daarom zijn zij onder de schaduw mijns j dales ingegaan. 9 Toen zeiden zij: Kom verder aan! Voorts zeiden zij: Deze eene is gekomen, om als een vreemdeling hier te wonen , en zoude hij allezins quot;regter zijn? nu zullen wij u meer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op den man, ''op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken. a Ex. 2 : 14. Hand. 7 : 27. b 2 Petr. 2:7, 8. 10 Doch die mannen staken hunne hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe. 11 En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van den kleinste tot aan den grootste, zoodat zij moede werden, om de deur te vinden. 12 Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier nog meer? eenen schoonzoon, of uwe zonen, of uwe dochteren, en allen, die gij hebt in deze stad, breng uit deze plaats: 13 Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezigt des Heeren, en de Heere ons uitgezonden heeft, om haar te verderven. 14 Toen ging Lot uit, en sprak tot zijne schoonzonen , die zijne dochteren nemen zouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats, want de Heere gaat deze stad verderven; maar hij was in de oogen zijner schoonzonen als jokkende. 15 En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uwe huisvrouw, en uwe twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij in de ongeregtigheid dezer stad niet omkomt. 16 Maar hij vertoefde; zoo grepen dan die mannen zijne hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschooning des Heeren over hem; en zij bragten hem uit, en stelden hem buiten de stad. 17 En het geschiedde, als zij hen uitgebragt hadden naar buiten, zoo zeide Hij: behoud u om uws levens wil, zie niet achter u om, en sta niet op deze gansche vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt. 18 En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere! 19 Zie toch, uw knecht heeft genade gevonden in uwe oogen, en Gij hebt uwe weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijne ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, |
GENESIS 19, 20.
21
|
opdat mij niot misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve! 20 Ziet toch, deze stad is nabij, om derwaarts te vlugten, en zij is klein; laat mij toch derwaarts behouden worden, (is zij niet klein?) opdat mijne ziel leve. 21 En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aan-gezigt opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkeere, waarvan gij gesproken hebt. 22 Haast, behoud u derwaarts; wantik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men don naam dezer stad Zoar. 28 De zon ging op boven do aarde, als Lot te Zoar inkwam. 24 Toen quot;deed de Heere zwavel en vuur over Sodom en over Gomórra regenen, van den Heere, uit den hemel, a Dent. 29 ; 23. Jes. 13 ; 19. Jer. 2ü : IC. 50 : 40. Klgld. 4 : ü. Ezec. 16: 50. Hos. 11:8. Amos 4:11. Zof. 2 : 9. Luk. 17 : 29. 2 Potr. 2 : 6. Judas vs. 7. 25 En Hij keerde deze steden om, en die gansche vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands. 26 En quot;zijne huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar. a Luk. 17 ; 32. 27 En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor liet aan-gezigt des Heeren gestaan had. 28 En hij zag naar Sodom en Gomórra toe, en naar het gansche land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens. 29 En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkeering, in het omkeeren dier steden, in welke Lot gewoond had. 30 En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijne twee dochters met hem, want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in eene spelonk, hij en zijne twee dochters. 31 Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze der gansche aarde. 32 Kom, laat ons onzen vader wijn te drinken geven, en bij hem liggen, opdat wij van onzen vader zaad in het leven behouden. 33 En zij gaven dien nacht haren vader wijn te drinken: en de eerstgeborene kwam, en lag bij haren vader, en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan. 34 En het geschiedde des anderen daags, dat de eerstgeborene zeide tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijnen vader gelegen; laat ons ook dezen nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onzen vader zaad in het leven behouden. 35 En zij gaven haren vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan. |
36 En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haren vader. 37 En de eerstgeborene baarde eenen zoon, en noemde zijnen naam Moab: deze is de vader der Moabieten, tot op dezen dag. 38 En de jongste baarde ook eenen zoon, en noemde zijnen naam Ben-Ammi: deze is do vader der kinderen Amnions, tot op dezen dag. HOOFDSTUK 20. Abraham vertrekt naar Gerar on zegt, dat Sara zijne zuster is, vs. 1. Koning Alnmóleoh laat Sara halen, 2. God openbaart Abimélech in een' droom, dat Sara gehuwd is en vermaant hem haar terug te geven, 3. Hierop geeft hij haar weder mot bijzondere beleefdheid en geschenken, 14. Abimélech en de zijnen worden op Abrahams voorbede genezen, 17. EN Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tusschen Kades en tusschen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar. 2 Als nu Abraham van Sara zijne huisvrouw gezegd had: quot; Zij is mijne zuster; zoo zond Abimélech, de koning van Gerar, en nam Sara weg. a Gen. 12 : 13. 26 : 7. 3 Maar God kwam tot Abimélech in eenen droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Zie, gij zijt dood om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt, want zij is met eenen man getrouwd. 4 Doch Abimélech was tot haar niet genaderd; daarom zeide hij: Heere! zult Gij dan ook een regtvaardig volk dooden ? 5 Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijne zuster? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In opregtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan. 6 En God zeide tot hem in den droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in opregtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren. 7 Zoo geef dan nu dezes mans huisvrouw weder, want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; maar zoo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij, en al wat uwe is! 8 Toen stond Abimélech des morgens vroeg op, en riep al zijne knechten, en sprak al deze woorden voor hunne ooren. En die mannen vreesden zeer. 9 En Abimélech riep Abraham, en zeide tot hem: Wat hebt gij ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koningrijk eene groote zonde gebragt hebt? gij hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden. 10 Voorts zeide Abimélech tot Abraham: Wat hebt gij gezien, dat gij deze zaak gedaan hebt? 11 En Abraham zeide: Want ik dacht, alleen is |
GENESIS 20, 21.
|
do vreeze Gods in deze plaats niet, zoodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen dooden. 12 En ook is zij waarlijk mijne zuster, zij is mijns vaders dochter, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden. 13 En het is geschied, als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zoo sprak ik tot haar: Dit zij uwe weldadigheid, die gij bij mij doen zult: aan alle plaatsen, waar wij komen zullen, quot;zeg van mij; Ilij is mijn broeder! «Gen. 12:13. 14 Toen nam Abimélech schapen en runderen, ook dienstknechten, en dienstmaagden, en gaf dezelve aan Abraham ; en hij gaf hem Sara zijne huisvrouw weder. 15 En Abimélech zeide : Zie, mijn land is voor uw aangezigt; woon , waai' het goed is in uwe oogen. 1(5 En tot Sara zeide hij: Zie, ik heb uwen broeder duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij ii een deksel der oogen , allen, die met u zijn, ja bij allen, en wees geleerd. 17 En Abraham bad tot God; en God genas Abimélech, en zijne huisvrouw , en zijne dienstmaagden, zoodat zij baarden. 18 WantdeHEERE had al de baarmoeders van het huis van Abimélech ganschelijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw. HOOFDSTUK 21. Izak wordt naar Gods belofte geboren en besneden, vs. 1. Abraham houdt een groot gastmaal op den dag van Izaks spening, 8. Ismaöl spot daarmede en wordt met zijne moeder Hagar, op verzoek van Sara en naar Gods woord uitgedreven, 9. Hagar dwaalt in de woestijn, en Ismaöl is in gevaar van te versmachten, 15; maar God voorziet dit en troost Hagar, 17. Ismaëls woonplaats en huwelijk, 20. Abimélech maakt oen verbond met Abraham te Bor-séba, 22. Abraham dient en dankt den Heere, 33. EN de Heere bezocht Sara, quot;gelijk als Hij gezegd had; en de Heere deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had. a Gen. 17 : liJ. 18:10. |
2 quot;En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham eenen zoon in zijnen ouderdom, ''ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had. a Gal. 4:23. Hobr. 11 : 11. b Gen. 18: 10, 14. 3 En Abraham noemde den naam zijns zoons, die hem geboren was, dien hem Sara gebaard had, Izak. 4 En Abraham besneed zijnen zoon Izak, zijnde acht dagen oud, quot;gelijk als hem God geboden had. a Gen. 17 : 10. 5 En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd. (i En Sara zeide: God heeft mij een lagchen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lagchen. 7 Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd! want ik heb eenen zoon gebaard in zijnen ouderdom. 8 En liet kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham eenen maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd. !) En Sara zag den zoon van Hagar de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende. 10 En zij zeide tot Abraham: quot;Drijf deze dienstmaagd en haren zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijnen zoon , met Izak, niet erven. a Gal. 4 : 30. 11 En dit woord was zeer kwaad in Abrahams oogen, ter oorzake van zijnen zoon. 12 Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uwe oogen, over den jongen, en over uwe dienstmaagd: al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar hare stem, quot;want in Izak zal uw zaad genoemd worden. aRom. 9:7. Hobr. 11:18. 13 quot;Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is. a Gen. IC : 10. 17 : 20. 14 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en eene flesch water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haren schouder: ook |
GENESIS 21, 22,
|
gaf hij haar hot kind, en zond haar weg. En zij ging voort, on dwaalde in do woestijn Ber-séba. 15 Als nu het water van de llesch uit was, zoo wierp zij het kind onder eenon van de struiken. K! En zij ging en zette zicli togonover, afgaande zoo verre, als die met den boog schieten; want zij zoido: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief hare stem op, en weende. 17 En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar ? vrees niet, want God heeft naar des jongens stom gehoord, tor plaatse, waar hij is. 18 Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand, quot;want Ik zal hein tot een groot volk stellen. a Oon. 16 ; 10. 17 : 20. li) En God opende hare oogon, dat zij eenen waterput zag; on zij ging, on vulde do flesch niet water, en gaf donjongen te drinken. 20 En God was met don jongen, en hij werd groot, en hij woonde in do woestijn, en werd een boogschuttor. 21 En hij woonde in do woestijn Paran; en zijne moeder nam iiem eone vrouw uit Egypteland. 22 Voorts goschieddc het ter zelfder tijd, dat Abi-mcloch, mitsgaders Fichol zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zoggen-de : God is mot u in alles wat gij doet. 23 Zoo zweer mij nu hier bij God: Zoo gij mij, of mijnon zoon, of mijnen neef liegen zult! naar do weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, quot;zult gij doen bij mij, en bij hot land, waarin gij als vreemdeling verkeert. a (Ion. 14: 23. 24 En Abraham zoido: Ik zal zworen. 25 En Abraham berispte Abiméloch ter oorzako van oonon waterput, dien Abimélochs knechten mot geweld genomen hadden. 26 Toen zoido Abiméloch; Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; on ook hebt gij hot mij niet aangezegd, on ik heb er ook niet van gehoord, dan heden. 27 En Abraham nam schapen en runderen, on gaf die aan Abiméloch; en die beiden maakten oon verbond. 28 Doch Abraham stolde zeven ooilammoron der kudde bijzonder. |
29 Zoo zoido Abiméloch tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammoron, dio yij bijzonder gesteld iiobt ? 30 En hij zoido: Dat gij do zeven ooilammoren van mijne hand nemen zult, opdat hot mij tot oono getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb. 31 Daarom noemde men die plaats Ber-séba, omdat dio beidon daar gezworen hadden. 32 Alzoo maakten zij oon verbond te Ber-séba. Daarna stond Abiméloch op, en Pichol zijn krijgsoverste, en zij koordon wederom naar hot land der Filistijnen. 33 En hij plantte een bosch in Ber-séba, quot;on riep aldaar den naam des Hke-iien, dos eeuwigen Gods, aan. a Gen. 4 : 26. 34 En Abraham woonde nis vreemdeling vele dagen in liet land dor Filistijnen. HOOFDSTUK 22. God beproeft Abraham, hem bevelende zijnen zoon 1 zak te offeren, vs. 1. Abraham is gereed te gehoorzamen , 3; maar wordt van God uit tien hemel belet, hoog geroemd en vereerd met vernieuwing der beloften en Gods eed, 11. Abraham ontvangt goede tijding van /.ijns broeders Nahors welvaart en nakomelingen, 20. EN hot geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zoido tot hem: Abraham! En hij zoido: Zie, hier ben ik! 2 En Hij zeide: Noem nu uwen zoon, quot;uwen eonigo, dien gij liefhobt, Izak, en ga heen naar het land Mon'a, en offer hom aldaar tot oon brandoffer, op eenen van do bergen, dien Ik u zeggen zal. a Hebr. 11:17. 3 Toen stond Abraham dos morgens vroeg op, on zadelde zijnen ezel, on nam twoe van zijne jongeren mot zich, en Izak zijnen zoon; on hij kloofde hout tot hot brandoffer, en maakte zich op, on ging naar de plaats, die bom God gezegd had. 4 Aan den derdon dag, toen hief Abraham zijne oogon op, on zag die plaats van verre. 5 En Abraham zeide tot zijne jongeren: Blijft gij hier met don ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangeboden zullen hebben, dan zullen wij tot u wodorkoeron. 6 En Abraham nam het hout des brandoffers, on loide het op Izak zijnon zoon; en hij nam het |
GENESIS 22, 23.
24
|
vuur on hot mes in zijne hand, on zij beiden gingen zamen. 7 Toen sprak Izak tot Abraham zijnen vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier bon ik, mijn zoon! En hij zeide: Zie het vuur en liet hout; maar waar is het lam tot liet brandoffer? 8 En Abraham zeide: God zal Zich zelven een lam ten brandoffer voorzien , mijn zoon ! Zoo gingen zij beiden zamen. !) En zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had; en Abraham bouwde aldaar een altaar, on hij schikte hot hout, en hond zijnen zoon Izak, en quot; loido hom op hot altaar boven op hot hout. o Jakob. 2 : 21. 10 En Abraham strekte zijne hand uit, en nam hot mes, om zijnen zoon te slagten. 11 Maar de Engel dos Heeren riep tot hom van don hemel, on zoido: Abraham, Abraham! En hij zeide: Zio , hier ben ik ! 12 Toon zoido Hij: Strek uwe hand niet uit aan den jongen, en doe hom niets! want nu weet Ik, dat gij God vree-zonde zijt, on uwen zoon, uwen eenigo, van Mij niet hebt onthouden. 13 Toon hief Abraham zijne oogon op, on zag om, en ziet, achter was oen ram in do verwarde struiken vast met zijne hoornen; en Abraham ging, on nam dien ram, en offerde hom ton brandoffer in zijns zoons plaats. 14 En Abraham noemde don naam van dio plaats: Do Heere zal hot voorzien! Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op don borg dos Heeren zal het voorzien worden! 15 Toen riep do Engel dos Heeren tot Abraham ton tweede male van don hemel; 16 En zoido: quot;Ik zwoer ''bij Mij zelven, spreekt de Heere; daarom dat gij dozo zaak gedaan bobt, on uwen zoon, uwen eenigo, niet onthouden hebt; n Luk. 1 : 73. b Hebr. 0: 13. |
17 Voorzeker zal Ik u grootelijks zogenen, en uw zaad zeer vormonigvuldigen, als de sterren des homels, en als hot zand, dat aan don oevor der zee is; quot;en uw zaad zal do poorte zijner vijanden erfelijk bezitten. a Gen. 24:60. 18 En quot;in uw zaad zullen gezegend worden allo volken der aarde: naardien gij mijne stem gehoorzaam geweest zijt. u Gen. 12 : 3. 18 :18. 26 : 4. Hand. 3 : 25. Gal. 3 : 8. 1!) Toen koerde Abraham weder tot zijne jongeren; en zij maakten zich op, en zij gingen zamen naar Ber-séba; en Abraham woonde to Ber-séba. 20 En het go-schieddo na deze dingen, dat men Abraham boodschapte, zeggende: Zie, Milka heeft ook Nahor, uwen broeder, zonen gebaard. 21 Uz zijnon oerst-goborene, en Buz zijnen broeder, en Komuël, den vader van Aram, 22 En Chesed, en Hazo, on Pildas, en Jidlaf, en Bo-tiiüël; 23 (En Bothuël go-won Robekka) deze acht baarde Milka aan Nahor, den broeder van Abraham. 24 En zijn bijwijf, welker naam was Reüma, diozelvo baarde ook Tobah, en Gaham, en Ta-has, on Maacha. HOOFDSTUK 23. Sara sterft on wordt van Abraham bewoond , vs. 1. Abraham [koopt op cene plogtigo wijze den akker van Efron, den lle-thiet, met de spelonk Machpóla, tot eeno erfbegrafenis, 3, en begraaft aldaar zijno huisvrouw Sara, 19. EN liet leven van Sara was honderd zeven en twintig jaren: dit waren do jaren dos levens van Sara. 2 En Sara stierf te Kiriath Arba, dat is Hebron, in het land Kanaan; en Abraham kwam om Sara to beklagen, en haar te bewoenon. 3 Daarna stond Abraham op van het aangezigt zijnor doode, en hij sprak tot de zonen Ileths, zeggende: 4 Ik bon een vreemdeling en inwoner bij u; quot;geeft |
GENESIS 23, 24.
2fi
|
mij eeno erfbegrafenis bij u , opdat ik mijne doode van voor mijn aangezigt bograve. a Hand. 7 ; 5. 5 En de zonen Iletlis antwoordden Abraham, zeggende tot hem: (gt; Hoor ons, mijn lieer! gij zijt een vorst Gods in hot midden van ons; begraaf uwe doode in de keure onzer graven; niemand van ons zal zijn graf voor u weren, dat gij uwe doode niet zoudt begraven. 7 Toen stond Abraham op, en boog zich neder voor het volk des lands, voor de zonen ITeths; 8 En hij sprak met hen, zeggende: Is het met uwen wil, dat ik mijne doode begrave van voor mijn aangezigt; zoo hoort mij, en spreekt voor mij bij Efron, den zoon van Zohar, i) Dat hij mij geve de spelonk van Machpéla, die hij heeft, die in het einde van zijnen akker is, dat hij dezelve mij om het volle geld geve, tot eene erfbegrafenis in het midden van n. 10 Efron nu zat in het midden van de zonen Hollis; en Efron de Ilothiot antwoordde Abraham, voor de ooren van de zonen Hoths, van al degenen, die ter poorte zijner stad ingingen, zeggende: 11 Neen, mijn heer! hoor mij: den akker geef ik u, ook de spelonk, die daarin is, die geef ik u; voor de oogen van de zonen mijns volks geef ik u die; begraaf uwe doode. 12 Toen boog zich Abraham neder voor het aangezigt van het volk des lands; i:i En hij sprak tot Efron, voor de ooren van het volk des lands, zeggende: Trouwens, zijt gij het? lieve, hoor mij: ik zal het geld des akkers geven, neem het van mij, zoo zal ik mijne doode aldaar begraven. 14 En Efron antwoordde Abraham, zeggende tot hem: 15 Mijn heer! hoor mij: oen land van vier honderd sikkelen zilvers, wat is dat tusschen mij en tusschen u ? begraaf slechts uwe doode. 16 En quot;Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had, voor de ooren van de zonen Heths, vier honderd sikkelen zilvers, onder den koopman gangbaar. a Oen. 50 : 13. 17 quot;Alzoo werd de akker van Efron, die in Machpéla was, dat tegenover Mamre lay, de akker en de spelonk, die daarin was, en al het geboomte, dat op den akker stond, dat rondom in zijne gansche landpale was gevestigd, a Hand. 7 : 16. 18 Aan Abraham tot eene bezitting, voor de oogen van de zonen lleths, bij allen, die tot zijne stadspoort ingingen. 10 En daarna begroef Abraham zijne huisvrouw Sara in de spelonk des akkers van Machpéla, tegenover Mamre, hetwelk is Hebron, in het land Kanaiin. 20 Alzoo werd die akker, en de spelonk, die daarin was, aan Abraham gevestigd tot eene erfbegrafenis van de zonen Heths. |
HOOFDSTUK 24. Abraluun oud en rijk zijnde, neemt zijnon oudsten knecht oenon eed af on zendt hem naar Mesopotamia tot zijne maagschap, om voor zijnen zoon Izak eene vrouw te halen, v. 1. De knecht trekt, volkomen uitgerust, heen en volbrengt zijnen last met godvruchtige trouw, 10. Door eene wonderbare bestiering des Hoeren verkrijgt hij Rebekka zeer voorspoedig met volle toestemaiing van de haren, 50; trekt met Rebekka van daar en brengt haar tot Izak, 61 , tlio haar ontvangt, trouwt en bemint, 66. ABRAHAM nu was oud en wel bedaagd; en do IIF.ere had Abraham in alles gezegend. 2 Zoo sprak Abraham tot zijnen knecht, den oudste van zijn huis, regerende over alles, wat hij had: quot;Log toch uwe hand onder mijne heup; a Gen. 47 : 29. :i Opdat ik u doe zweren bij den Heeke, den God des hemels, en den God dor aarde, quot;dat gij voor mijnen zoon geene vrouw nemen zult van de dochteren der Kanaanieten, in het midden van welke ik woon; a Gen. 28: I. 4 Maar dat gij naar mijn land, en naar mijne maagschap trekken, en voor mijnen zoon Izak eene vrouw nemen zult. 5 En die knecht zeide tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen in dit land ; zal ik dan uwen zoon moeten wederbrengen in het land, waar gij uitgetogen zijt? 6 En Abraham zeide tot hem: Wacht u, dat gij mijnen zoon niet weder daarheen brengt! 7 quot;De IlEERE, de God des hemels, die mij, uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap, genomen beeft, en die tot mij gesproken heeft, en die mij gezworen heeft, zeggende: ''Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die zelf zal zijpen Engel voor uw aangezigt zenden, dat gij voor mijnen zoon van daar eene vrouw neemt. a (ren. 12:1. h Gen. 12 : 7. 13 : 15. 15 : 18. 26 : 4. B]x. 32 : 13. Deut. 34 : 4. Hand. 7 : 5. 8 Maar indien de vrouw u niet volgen wil, zoo zult gij rein zijn van dezen mijnen eed; alleenlijk breng mijnen zoon daar niet weder heen. !) Toen leide de knecht zijne hand onder de heup van Abraham, zijnen heer, en hij zwoer hem over deze zaak. 10 En die knecht nam tien kemelen van zijns heeren kemelen, en toog heen; en al het goed zijns heeren was in zijne hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naaide stad van Nahor. 11 En hij deed de kemelen nederknielen buiten de stad, bij eenen waterput, des avondtijds, ten tijde, als de putsters uitkwamen. 12 En hij zeide: Heere! God van mijnen hoer Abraham! doe haar mij toch heden ontmoeten, en doe weldadigheid bij Abraham mijnen heer. 13 Zie, ik sta bij de waterfontein, en de dochteren der mannen dezer stad zijn uitgaande om water te putten: 14 Zoo geschiede, dat die jonge dochter, tot |
GENESIS 24.
|
welke ik zal zeggen: Neig toch uwe kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uwe kemelen drenken; diezelve zij, die (Jij uwen knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat Gij weldadigheid bij mijnen heer gedaan hebt. 15 En het geschiedde, eer hij geëindigd had te spreken, ziet, zoo kwam Rebekka uit, quot;welke aan Bethuël geboren was, den zoon van Milka, do huisvrouw van Nahor, den broeder van Abraham; en zij had hare kruik op haren schouder. a Gen. 22:23. 1G En die jonge dochter was zeer schoon van aangezigt, eene maagd, en geen man had haar bekend; en zij ging af naar de fontein, en vulde hare kruik, en ging op. 17 Toen liep die knecht haar te gemoet, en hij zeide: Laat mij toch een weinig waters uit uwe kruik drinken. 18 En zij zeide: Drink, mijn heer! en zij haastte zich, en liet hare kruik neder op hare hand, en gaf hem te drinken. 19 Als zij nu voleindigd had van hem drinken te geven, zeide zij: Ik zal ook voor uwe kemelen putten, totdat zij voleindigd hebben te drinken. 20 En zij haastte zich, en goot hare kruik uit in den drinkbak, en liep weder naar den put om te putten, en zij putte voor al zijne kemelen. 21 En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, om te merken, of de Hkere zijnen weg voorspoedig gemaakt had, of niet. 22 En het geschiedde, als de kemelen voleindigd hadden te drinken, dat die man een gouden voor-hoofdsiersel nam, welks gewigt was een halve sikkel, en twee armringen aan hare handen, welker gewigt was tien sikkelen gouds. 23 Want hij had gezegd: Wiens dochter zijl gij? geef hot mij toch Ie kennen; is er ook ten huize uws vaders plaats voor ons, om te vernachten? 24 En zij Imd tot hem gezegd: quot;Ik ben de dochter van Bethuël, den zoon van Milka, dien zij Nahor gebaard heeft. a Gen. 22 : 25 Voorts had zij tot hem gezegd: Ook is er stroo en veel voeders bij ons, ook plaats om te vernachten. 26 Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad den Heere; 27 En hij zeide: Geloofd zij de Heere, de God van mijnen heer Abraham, die zijne weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijnen heer; aangaande mij, de Heere heeft mij op dezen weg geleid, ten huize van mijns heeren broederen. 28 En die jonge dochter liep, en gaf ten huize harer moeder te kennen, gelijk deze zaken waren. 29 En Rebekka had eenen broeder, wiens naam was Laban; en Laban liep tot dien man naar buiten tot de fontein. 30 En het geschiedde, als hij dal voorhoofdsiersel gezien had, en de armringen aan de handen zijner zuster; en als hij gehoord had de woorden zijner zuster Rebekka, zeggende: Alzoo heeft die man tot mij gesproken; zoo kwam hij tot dien man, en ziet, hij stond bij de kemelen, bij de fontein. |
31 En hij zeide: Kom in, gij gezegende des Heeren, waarom zoudt gij buiten staan? want ik heb het huis bereid, en de plaats voor de kemelen. 32 Toen kwam die man naar het huis toe, en men ontgordde de kemelen, en men gaf tien kemelen stroo en voeder; en water om zijne voeten te wasschen, en de voeten der mannen, die bij hem waren. 33 Daarna werd hem te eten voorgezet; maar hij zeide: Ik zal niet eten, totdat ik mijne woorden gesproken heb. En hij zeide: Spreek! 34 Toen zeide hij: Ik ben een knecht van Abraham; 35 En de Heere heeft mijnon hoor zeer gezegend, zoodat hij groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen, en rundoren, en zilver, en goud, en knechten, en maagden, en kemelen, en ezelen. 31! En Sara, de huisvrouw van mijnen lieer, heeft mijnen heer eenen zoon gebaard, nadat zij oud geworden was; en hij heeft hom gegeven alles, wat hij heeft. 37 En mijn heer heeft mij doen zweren, zeggende: Gij zult voor mijnen zoon ^eene vrouw nemen van de dochteren der Kanaanieten, in welker land ik wone; 38 Maar gij zult trekken naar het huis mijns vaders, en naai* mijn geslacht, en zult voor mijnen zoon eene vrouw nemen! 39 Toen zeide ik tot mijnen heer: Misschien zal mij die vrouw niet volgen. 40 En hij zeide tot mij: De Heere, voor wiens aangezigt ik gewandeld heb, zal zijnen Engel mol u zenden, en Hij zal uwen weg voorspoedig maken, dat gij voor mijnen zoon eene vrouw noemt, uit mijn geslacht en uit mijns vaders huis. 41 Dan zult gij van mijnen eed rein zijn, wanneer gij tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en indien zij haar u niet geven, zoo zult gij rein zijn van mijnen eed. 42 En ik kwam heden aan de fontein; en ik zeide: O Heere! God van mijnen heor Abraham! zoo (lij nu mijnen weg voorspoedig maken zult, op welken ik ga; 43 Zie, ik sta bij de waterfontein; zoo geschiede, dat do maagd, die uitkomen zal om te putten, en tot welke ik zeggen zal: Geef mij toch oen weinig waters te drinken uit uwe kruik; 44 En zij tot mij zal zeggen: Drink gij ook, en ik zal ook uwen kemelen putten; dat deze die vrouw zij, die de Heere aan don zoon van mijnen heer heeft toegewezen. 45 Eer ik geëindigd had te spreken in mijn hart, ziet, zoo kwam Rebekka uit, en had hare kruik op haren schouder, en zij kwam af tot de fontein ou putte; en ik zeide tot haar: Geel' mij toch to drinken! |
GENESIS 24, 25.
'28
|
4() Zoo haastte zij zich, on liet hare kruik van zicli neder, en zeido: Drink gij, on ik zal ook uwe kemolen drenken; en ik dronk, en zij drenkte ook de kamelen. 47 Toen vraagde ik haar, en zeide: Wiens dochter zijt gij V En zij zeide: De dochter van Bethuël, den zoon van Nahor, welken Milka hem gebaard hoeft. Zoo leide ik het voorhoofdsiersel op haar aangezigt, en de armringen aan hare handen; 48 En ik neigde mijn hoofd, en aanbad den Heere; en ik loofde den Heere, den God van mijnen heer Abraham, dio mij op den regten weg geleid had, om de dochter dos broeders van mijnen hoer voor zijnen zoon te nemen. 4!) Nu dan, zoo gijlieden weldadigheid en trouw aan mijnen heer doen zult, geeft het mij te kennen: en zoo niet, geeft het mij ook te kennen, opdat ik mij ter regter- of ter linkerhand wende. 50 Toen antwoordde Laban, en Bethuël, en zeidon: Van den Heere is deze zaak voortgekomen, wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken. 51 Zie, Rebekka is voor uw aangezigt, neem haar en trek henen; zij zij de vrouw van den zoon uws heeren, gelijk de Heere gesproken heeft! 52 En het geschiedde, als Abrahams knecht hunne woorden hoorde, zoo boog hij zich ter aarde voor den Heere. 53 En de knecht langde voort zilveren kleinoo-den, en gouden kleinooden, en kleederen, en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haren broeder en bare moeder kostelijkheden. 54 Toen aten en dronken zij, hij en de mannen, die bij hem waren; en zij vernachtten, en zij stonden des morgens op, en hij zeide: Laat mij trekken tot mijnen heer! 55 Toen zeide haar broeder, en hare moeder: Laat do jonge dochter eeniye dagen, of tien, bij ons blijven; daarna zult gij gaan. 56 Maar hij zeide tot hen: Houdt mij niet op, dewijl de Heere mijnen weg voorspoedig gemaakt heeft! laat mij trekken, dat ik tot mijnen heer ga. 57 Toen zeiden zij: Laat ons de jonge dochter roepen, en haren mond vragen. 58 En zij riepen Rebekka, en zeiden tot haar: Zult gij met dezen man t rekkenV En zij antwoordde: Ik zal trekken. 59 Toen lieten zij Rebekka, luinne zuster, en hare voedster trekken, mitsgaders Abrahams knecht en zijne mannen. 60 En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O onze zuster! word gij tot duizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poort zijner haters! 61 En Rebekka maakte zich op met hare jonge dochteren, en zij roden op kemelen, en volgden den man: en die knecht nam Rebekka, en toog heen. 62 Izak nu kwam, van daar men komt tot den quot; put Lachai-Róï; en lilj woonde in het zuiderland. a den. 16:14. 25 : 11. 6!! En Izak was uitgegaan om te bidden in liet veld, tegen het naken van den avond; en hij hief zijne oogen op, en zag toe, en ziet, de kemelen kwamen! |
64 Rebekka hief ook hare oogen op, en zij zag Izak: en zij viel van den kemel af. 65 En zij zeide tot den knecht: Wie is die man, die ons in het veld te gemoet wandelt? En de knecht zeide: Dat is mijn heer! Toen nam zij den sluijer, en bedekte zich. 66 En de knecht vertelde aan Izak al de zaken, die hij gedaan had. 67 En Izak bragt haar in de tent van zijne moedor Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzoo werd Izak getroost na zijner moeders dood. HOOFDSTUK 25. Na den dood van Sara neemt Abraham Ketflra en krijgt uit haar kinderen en kindskinderen, vs. 1. Hij maakt Izak erfgenaam vrn al zijn goed on zendt de kinderen der bijwijven met geschenken weg naar het land van het oosten, 4. Abrahams ouderdom, dood en begrafenis, 7. Izak wordt na zijns vaders dood gezegend, 11. Ismaëls geslacht, ouderdom en dood, 12. Izak bidt God voor zijne huisvrouw, die zwanger wordt, en hem Ezau en Jakob baart, welker beider toestand verhaald wordt, 21. Ezau verkoopt zijne eerstgeboorte aan Jakob, 29. EN Abraham voer voort, en nam eene vrouw, wier naam was Kotüra. 2 quot;En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah. n 1 Kron. 1:32. 3 En Joksan gewon Scha en Dedan; en de zonen van Dedan waren do Assurieten, en Letusieten, en Leümmieten. 4 En de zonen van Midian waren Efa en Efer, en Henoch en Abfda, en Eldaa. Deze allen waren zonen van Ketüra. 5 Doch quot;Abraham gaf aan Izak al wat hij had. a Gen. 24 :36. 6 Maar aan de zonen der bijwijven, die Abraham had, gaf Abraham geschenken; en zond hen weg van zijnen zoon Izak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van Oosten. 7 Dit nu zijn de dagen der jaren des levens van Abraham, welke hij geleefd heeft, honderd vijf en zeventig jaren. 8 En Abraham gaf den geest en stierf, quot;in goeden ouderdom, oud en des levens zat, en hij werd tot zijne volken verzameld. a Gen. 15:15. !) En Izak en Ismaël, zijne zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpéla, in den akker van Efron, den zoon van Zohar, den Hethiet, welke tegenover Mamre is. 10 In den akker, dien Abraham van de zonen Ileths gekocht had, daar is Abraham begraven, en Sara zijne huisvrouw. 11 En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Izak, zijnen zoon, zegende; en Izak woonde bij den put Lachai-Róï. 12 Dit nu zijn de geboorten van Ismaël, den |
GENESIS 25, 2fi.
29
|
zoon van Abi'aham, dien Hagar, do Eyyptischo, dienstmaagd van Sava, Abraham gebaard heeft. 13 En dit zijn de quot;namen der zonen van Ismaël, met hunne namen naar hunne geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nebiijoth; daarna Kedar, en Adbeël, en Mibsam, a 1 Kron. 1:29. 14 En Misma, en Duma, en Massa, 15 Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma. 16 Deze zijn de zonen van Ismaël, en dit zijn hunne namen, in hunne dorpen en paleizen, twaalf vorsten naar hunne volken. 17 En dit zijn de jaren des levens van Ismaël, honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf den geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijne volken. 18 En zij woonden van llavfla tot Sur toe, hetwelk tegenover Egypte is, daar gij gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aan-gezigt van al zijne broederen. 19 Dit nu zijn de geboorten van Izak, den zoon van Abraham: Abraham gewon Izak. 20 En Izak was veertig jaren oud, als hij Re-bekka, de dochter van Bethuël, den Syriër, uit Paddan-Aram, de zuster van Laban den Syriër, zich ter vrouw nam. 21 En Izak bad den Heere zeer in de tegenwoordigheid van zijne huisvrouw, want zij was onvruchtbaar; en de Heere liet zich van hem verbidden, quot;zoodat Rebekka, zijne huisvrouw, zwanger werd. n Kom. 9:1(1. 22 En do kinderen stieten zich zamen in haar ligchaam. Toen zeide zij: Is het zoo ? waarom ben ik dus? en zij ging om den Heere te vragen. 23 En de Heere zeide tot haar: Twee volken zijn in uwen buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; quot;en het eene volk zal sterker zijn dan het andere volk; ''en de meerdere zal den mindere dienen. a '1 Sam. 8:14. h Rom. 9 : 12. 24 Als nu hare dagen vervuld waren om te baren, ziet, zoo waren tweelingen in haren buik. 25 En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed: daarom noemden zij zijnen naam Ezau. 26 En daarna kwam zijn broeder uit, quot;wiens hand Ezaus verzenen hield: daarom noemde men zijnen naam Jakob. En Izak van zestig jaren oud, als hij hen gewon. a Hos. 12 : 4. 27 Als nu deze jongeren groot werden, werd Ezau een man, verstandig op de jagt, een veldman; maar Jakob werd een opregt man, wonende in tenten. 28 En Izak had Ezau lief, want het wildbraad was naar zijnen mond; maar Rebekka had Jakob lief. 29 En Jakob had een kooksel gekookt; en Ezau kwam uit het veld, en was moede. 80 En Ezau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat roode, dat roode daar, want ik ben moede: daarom heeft men zijnen naam genoemd Edom. |
;il Toen zeide Jakob: Verkoop mij op dezen dag u we eerstgeboorte. ;!2 En Ezau zeide: quot;Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte? a Jes. 22:13. I Cor. 15:32. :)H Toen zeide Jakob: Zweer mij op dozen dag! en hij zwoer hom; en hij verkocht aan Jakob zijne eerstgeboorte. :!4 En Jakob gaf aan Ezau brood, en liet linzen-kooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen: alzoo verachtte Ezau de eerstgeboorte. HOOFDSTUK 26. Izak vertrekt om hongersnood naar (lerar, vs. 1. waar God hem beveelt te blijven en niet naar Egypte te trekken, vernieuwende hem de beloften, aan Abraham gedaan, 2. Izak zegt dat Rebekka zijne zuster is, 7. Do koning Abitnélech, het tegendeel bemerkende, bestraft hom en verbiedt zijnen onderdanen deze echtelieden eenigzins te beschadigen, 8. Izak wordt zeer van God gezegend, om welke roden de Filistijnen hem benijden en zijne waterputton stoppen, 12. Op Abimólechs aanzeggen vertrekt hij van daar naar de laagte van (lerar en heeft moeite over levend water, hetwelk hij ten laatste verkrijgt, 18; hij vertrekt naar Bersóba, 23, en wordt aldaar door eene verschijning van God getroost, welken hij dankt, 24. Abiinóloch maakt een verbond met hem, 28. Ezau trouwt tot verdriet van zijne ouders, 34. EN er was honger in dat land, behalve den eersten honger, die in de dagen van Abraham geweest was: daarom toog Izak tot Abimélech, den koning dor Filistijnen, naar Gerar. 2 En de Heere verscheen hom en zoide: Trok niet af naar Egypte, woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal; :i Woon als vreemdeling in dat land, en Ik quot;zal met u zijn, en zal u zegenen: want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uwen vader gezworen heb. a Gen. 13:15. 15:18. 4 En quot;Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, nis de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde. a Gen. 12:3. 18:18. 22: 18. 5 Daarom dat Abraham mijne stom gehoorzaam geweest is, en hoeft onderhouden mijn bevel, mijne geboden, mijne inzettingen en mijne wetten. 6 Alzoo woonde Izak te Gerar. 7 En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijne huisvrouw, zeide hij: Zij is mijne zuster; want hij vreesde te zeggen, mijne huisvrouw: Opdat mij misschien, zeide hij, de mannen dezer plaats niet dooden, om Rebekka: want zij was schoon van aangezigt. 8 En het geschiedde, als hij eenen langen tijd daar geweest was, dat Abimélech, de koning der Filistijnen, ten venster uitkeek, en hij zag, dat, ziet, Izak was jokkende met Rebekka zijne huisvrouw. 9 Toen riep Abimélech Izak, en zeide: Voorwaar, |
GENESIS 26, 27.
|
zio, zij is uwe huisvrouw! hoe liebt gij dan gezegd: Zij is mijue zuster? En Izak zeide tot hem: Want ik zeide; Dat ik niet misscliien om harentwil sterve. 10 En Abimélech zeide: Wat is dit, dat gij ons gedaan hebt? ligtelijk had een van dit volk bij uwe huisvrouw gelegen, zoodat gij eeue schuld over ons zoudt gebragt hebben. 11 En Abimélech gebood het gansche volk, zeggende: Zoo wie dezen man of zijne huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden! 12 En Izak zaaide in datzelve land, en hij vond in datzelve jaar honderd maten: want de Hkere zegende hem. 18 En die man werd groot, ja hij werd doorgaans gr outer, totdat bij zeer grout geworden was. 14 En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zoodat hem de Filistijnen benijdden. 15 En al de putten, die de knechten van zijnen vader, in de dagen van zijnen vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden dezelve met aarde. 16 Ook zeide Abimélech tut Izak: Trek van uns, want gij zijt veel magtiger gewerden, dan wij. 17 Tuen toog Izak van daar, en hij legerde zich in het dal van Gerar, en woonde aldaar. 18 Als nu Izak wedergekeerd was, groef hij die waterputten op, die zij ten tijde van Abraham zijnen vader gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood toegestopt hadden; en hij noemde derzelver namen naai* de namen, waarmede zijn vader die genoemd had. li) De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden aldaar eenen put van levend water. 20 En de herders van Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe! Daarom noemde hij den naam van dien put Esek, uindat zij met hem gekeven hadden. 21 Tuen groeven zij eenen anderen put, endaar twistten zij ook over: Daarum nuemde hij dcszclfs naam Sitna. 22 En hij brak up van daar, en groef eenen anderen put, en zij twistten over dien niet: daarum noemde hij deszolfs naam Rehoboth, en zeide: Want nu heeft ons de Heerk ruimte gemaakt, en wij zijn gewassen in dit land. 23 Daarna toog hij van daar up naar Her-séba. 24 En de II eeue verscheen hem in denzei ven nacht, en zeide: Ik ben de Gud van Abraham uwen vader, vrees niet, want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams mijns knechts wil. 25 Toen bouwde hij daar een altaar, en riep den naam des Heeren aan. En hij sloeg aldaar zijne tent op; en Izaks knechten groeven daar eenen put. 26 En Abimélech trok tot hem van Gerar, met Ahuzzat, zijnen vriend, en Pichol, zijnen krijgsoverste. |
27 En Izak zeide tot hen: Waarom zijt gij tot mij gekomen, daar gij mij haat, en hebt mij van u weggezonden ? 28 Fm zij zeiden: Wij hebben merkelijk gezien, dat de Heere met u is: daarom hebben wij gezegd : Laat toch eenen eed tusschen ons zijn, tusschen ons en tusschen u; en laat ons oen verbond met u maken: 29 Zoo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleenlijk goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trékken! Gij zijt nu de gezegende des Heeren ! :!() Toen maakte hij hun eenen maaltijd, en zij aten en dronken. :U En zij stonden des morgens vroeg op, en zwoeren de een den ander; daarna liet Izak hen gaan, en zij togen van hem in vrede. 32 En het geschiedde ten zelfden dage, dat Izaks knechten kwamen, en boodschapten hem van de zaak des puts, dien zij gegraven hadden, en zij zeiden hem: Wij hebben water gevonden. 33 En hij nuemde denzelven Séba: daarom is de naam dier stad Ber-séba, tot op dezen dag. 34 Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tut eeue vruuw Judith, de dochter van Beëri, den Ilethiet, en Basmatb, de dochter van Elon, den Ilethiet. 35 En quot;deze waren vuur Izak en Rebekka eeue bitterheid des geestes. a Oon. 27:40. HOOFDSTUK 27. Izak, oud en donker van gc/igt zijnde, wil Ezau als eerstgeborene zegenen, maar wordt door het kloeke holoid van Rebeklca bedrogen, alzoo dat hij .lakob voor Ezau zegent, vs. 1. Ezau komt van do jagt en is, dit vernemende, zeer ontsteld, alsook Izak zelf, die evenwel Ezau op zijn jammeren en bidden nog eenen tijdelijken zegen geeft, 30; hierom haat Ezau zijnen broeder en neemt voor hem te dooden, 41. Rebekka, dit verstaande, raadt Jakob te vertrekken naar haren broeder Laban, en beschikt het zoo bij Izak, dat die zulks goedvindt, 42. EN het geschiedde, als Izak oud geworden was, en zijne oogen donker geworden waren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijnen grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik! 2 En hij zeide: Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet den dag mijns doods niet. 3 Nu dan, neem toch uw gereedschap, uwen pijlkuker en uwen boog, en ga uit in het veld, en jaag mij een wildbraad; 4 Eu maak mij smakelijke spijzen, zoo als ik die gaarne heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijne ziel u zegene, eer ik sterve. 5 Rebekka nu hoorde toe, als Izak tot zijnen zoon Ezau sprak; cn Ezau ging in het veld, om een wildbraad te jagen, dat hij het inbragt. 6 Toen sprak Rebekka tot Jakob, haren zoon, zeggende: Zie, ik heb uwen vader tot Ezau, uwen broeder, hooren spreken, zeggende: |
GENESIS 27.
|
7 Brenfi' mij oen wildbraad, en maak mij smakelijke spijzen toe, dat ik ete; en ik zal n zegenen voor het aangezigt dos Heerkn, voor mijnen dood. 8 Nu dan, mijn zoon! hoor mijne stem in hetgeen ik u gobiede. !) Ga nu hoon tot de kudde, en haal mij van daar twee goede geitonbokjes; en ik zal die voor uwen vader maken tot smakelijke spijzen, gelijk als hij gaarne heeft. 10 En gij zult ze tot uwen vader brengen, en hij zal eten, opdat hij u zegeno voor zijnen dood. 11 Toen zeide Jakob totRebekka, zijne moeder: Zio, mijn broeder Ezau is een harig man, en ik ben oen glad man. 12 Misschien zal mij mijn vader betasten, en ik |
17 En zij gaf de smakelijke spijzen, en het brood , welke zij toegemaakt had, in de hand van Jakob, haren zoon. 18 En hij kwam tot zijnen vader, on zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zio, hier ben ik; wie zijl gij, mijn zoon? 1!) En Jakob zeide tot zijnen vader: Ik ben Ezau uw eerstgeborene; ik heb gedaan, gelijk als gij tot mij gesproken hadt; sta toch op, zit, en eet van mijn wildbraad, opdat uwe ziol mij zogono. 20 Toen zeido Izak tot zijnen zoon: Hoe is dit, daf gij hot zoo haast gevonden hebt, mijn zoon? En hij zeide: Omdat de IIeere uw God dat heeft doen ontmoeten voor mijn aangozigt. 21 En Izak zeido tot Jakob: Nader toch, dat ik |
|
zal in zijne oogen zijn als een bedrieger: zoo zoude ik oenen vloek over mij halen, en niet oenen zegen. 13 En zijne moedor zeide tot hom: Uw vloek zij op mij, mijn zoon! hoor alleen naar mijne stem, en ga, haal ze mij. 14 Toon ging hij, on hij haalde ze, en bragt zo zijne moedor; en zijne moedor maakte smakelijke spijzen, gelijk als zijn vader gaarne had. 15 Daarna nam Rebekka de kostelijke kleodoron van Ezau, haren grootsten zoon, die zij bij zich in huis had, on zij trok zo Jakob, haren kloinston zoon, aan. Ui En de vollen van de geitenbokjes trok zij over zijne handen, en over do gladdigheid van zijnen hals. |
u betaste, mijn zoon! of gij mijn zoon Ezau zelf zijt, of niet. 22 Toen kwam Jakob bij, tot zijnen vader Izak, die hom betastte; on hij zeido: Do stem is Jakoba stem, maar de bandon zijn Ezaus handen. 23 Doch hij kende hem niet, omdat zijne handen harig waren, gelijk zijns broeders Ezaus handen; en hij zegende hem. 24 En hij zeide: Zijt gij mijn zoon Ezau zelf? En hij zeido: Ik ben hot! 25 Toon zeide hij: Stol het nabij mij, dat ik van het wildbraad mijns zoons ete, opdat mijne ziel u zogone. En hij stelde liet nabij hem, en hij at; hij bragt hem ook wijn, en hij dronk. 20 En zijn vader Izak zeide tot hom: Kom toch bij, en kus mij, mijn zoon ! |
|
02 27 En hij kwam bij, en hij kusto hein; toen rook hij den reuk zijner kleederen, en zegende hem; en hij zeide: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds, hetwelk de Hekrk gezegend heeft. 28 quot;Zoo geve u dan God van den dauw des hemels, en de vettigheid der aarde, en menigte van tarwe en most. a Hebr, 11 : 20. 29 Volken zullen u dienen, en natiën zullen zich voor u nederbuigen; wees heer over uwe broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen! quot;Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend! « Gen. 12:3. :{0 En het geschiedde, als Izak voleindigd had Jakob te zegenen, zoo geschiedde het, toen Jakob maar even van het aangezigt van zijnen vader Izak uitgegaan was, dat Ezau, zijn broeder, van zijne jagt kwam. 31 Hij nu ook maakte smakelijke spijzen toe, en bragt die tot zijnen vader; en hij zeide tot zijnen vader: Mijn vader sta op en ete van het wildbraad zijns zoons, opdat uwe ziel mij zegene. 32 En Izak, zijn vader, zeide tot hem: Wie zijt gij? En hij zeide: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau. 33 Toen verschrikte Izak met zeer groote verschrikking , gansch zeer, en zeide: Wie is hij dan, die het wildbraad gejaagd en tot mij gebragt heeft? en ik heb van alles gegeten, eer gij kwaamt, en heb hem gezegend: ook zal hij gezegend wezen. 34 Als quot;Ezau de woorden zijns vaders hoorde, zoo schreeuwde hij met eenen grooten en bitteren schreeuw, gansch zeer; en hij zeide tot zijnen vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader! a Hebr. 12 : 17. 35 En hij zeide: Uw broeder is gekomen met bedrog, en heeft uwen zegen weggenomen. 36 Toen zeide hij: Is het niet, omdat men zijnen naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? quot;mijne eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijnen zegen genomen! Voorts zeide hij: Hebt gij dan geenen zegen voor mij uitbehouden? a Gen. 25:33. 37 Toen antwoordde Izak, en zeide tot Ezau: Zie, ik heb hem tot eenen heer over u gezet, en al zijne broeders heb ik hem tot knechten gegeven; en ik heb hem met koorn en most ondersteund: wat zal ik u dan nu doen, mijn zoon? 38 En Ezau zeide tot zijnen vader: Hebt gij maar dezen eenen zegen, mijn vader? zegen mij, ook mij, mijn vader! En quot;Ezau hief zijne stem op, en weende. a Hebr. 12:17. 39 Toen antwoordde zijn vader Izak en zeide tot hem: Zie, de vettigheden der aarde zullen uwe woningen zijn, en van den dauw dos hemels van boven af zali gij gezegend zijn. 40 En op uw zwaard zult gij leven, en zult uwen broeder dienen; doch het zal geschieden, als gij heerschen zult, dan zult gij zijn juk van uwen hals afrukken. |
41 En Ezau haatte~Jakob om dien zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had; en Ezau zeide in zijn hart: De dagen van den rouw mijns vaders naderen, en ik zal mijnen broeder Jakob dooden. 42 Toen aan Rebekka deze woorden van Ezau, haren grootsten zoon, geboodschapt werden, zoo zond zij heen, en ontbood Jakob, haren kleinsten zoon, en zeide tot hem: Zie, uw broeder Ezau troost zich over u, dat hij u dooden zal. 43 Nu dan, mijn zoon! hoor naar mijne stem, en maak u op, vlied gij naar Haran, tot Laban, mijnen broeder. 44 En blijf bij hem eenige dagen, totdat de hittige gramschap uws broeders keere; 45 Totdat de toorn uws broeders van u afkeere, en hij vergeten hebbe, hetgeen gij hem gedaan hebt: dan zal ik zenden, en u van daar nemen; waarom zoude ik ook van u beiden beroofd worden op éénen dag ? 4(i quot;En Rebekka zeide tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven van wege de dochteren Heths! Indien Jakob eene vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk deze zijn, van de dochteren dezes lands, waartoe zal mij hot leven zijn? aGen. 26:35. HOOFDSTUK 28. Izak ontbiedt Jakob en beveelt hem te trekken naar Mesopoüimië, om van Labans dochters eene vrouw te nemen, wenschendo hom geluk op de reis, met vernieuwing en bevestiging van den zegen, welken hij hem te voren onwetend gegeven had, vs. 1. Ezau, merkende dat zijn voornemen belet was en zijne Kanaftnietische vrouwen zijnen vader niet aangenaam waren, neemt daarenboven nog eene vrouw van Ismaöls geslacht, 6. Jakob neemt de reis aan en ziet onderweg in een' droom het zoor aanmerkelijke gozigt van eene ladder, ontvangende daarbij zeer heerlijke beloften van God, 12, waardoor hij gesterkt en getroost zijnde, aldaar een gedenkteeken oprigt en Gode eene gelofte van dankbaarheid doet, 16. EN Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zeide tot hem: Neem geene vrouw van de dochteren van Kanaan. 2 quot;Maak u op, ga naar Paddan-Arain, ten huize van Bethuël, den vader uwer moeder, en neem u van daar eene vrouw, van de dochteren van Laban, uwer moeders broeder. n Hos. 12 :13. 3 En God almagtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot eenen hoop volken wordt. 4 En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, quot;en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft, a Gen. 12:7. 13:15. 15 : 18. 24 : 7. 26 : 3. Deut. 34 : 4. Hand. 7 : 5. 5 Alzoo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot Laban, den zoon van Bethuël, den Syriër, den broeder van Rebekka, Jakobs en Ezaus moeder. 6 Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-Aram weggezonden had, om zich van daar eene vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeg- GENESIS 27, 28. |
GENESIS 28, 29.
|
gende: Noem geene vrouw van de dochteren van Kanaan; 7 En dat Jakob zijnen vader en zijne moeder gehoorzaam geweest was, en naar Paddan-Aram getrokken was; 8 En dat Ezan zag, dat de dochteren van Ka-naiin kwaad waren in de oogen van Izak zijnen vader: 9 Zoo ging Ezau tot Ismaël, en nam zicli tot eene vrouw boven zijne vrouwen, Mahalath, de dochter van Ismaël, den zoon van Abraham, de zuster van Nebiijotli. 10 Jakob dan toog uit van Ber-séba, en ging naar Haran. 11 En hij geraakte op eene plaats, waar hij vernachtte , want de zon was ondergegaan; en hij nam van de steenon dier plaats, on maakte zijne hoofdpeluw, on loido zich te slapen to dierzelver plaats. 12 En hij droomde; en ziet, eene ladder was gestold op do aardo, welker opperste aan den homol raakte; en ziet, quot; do engelen Gods klommen daarbij op en nodor. a Joh. 1 : 52. 13 En ziet, de IIeere stond op dezelve, en zeido: Ik quot;ben de IIeere, do God van uwen vader Abraham, en do God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, ''zal Ik aan ii geven, en aan uw zaad. n Oen, 35: 1, 3. 48 : 3. h Dout. 12 : 20. 19 ; 8. 14 En uw zaad zal wezen als hot stof dor aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, on noordwaarts en zuidwaarts; on quot; in u, on in uw zaad zullen allo geslachten des aardbodems gezegend worden. n Oen. 12:3. 18:18. 22:18. 20:4. 15 En zie, Ik ben mot u, en Ik zal u hohoodon overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengon in dit land: want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb. Ki Toen nu Jakob van zijnen slaap ontwaakte, zoide hij: Gewisselijk is do IIeere aan doze plaats, on ik hob hot uiot geweten! 17 En hij vreesde, en zoide: Hoe vreessolijk is deze plaats! Dit is niot dan een huis Gods, en dit is do poort des hemels! |
18 Toen stond Jakob dos morgens vroeg op, on hij nam dion steen, dien hij tot zijne hoofdpeluw gelegd had, en quot;zette hom tot oen opgerigt tooken, en goot daar olie boven op. a Gen. 31:13. 35:14. 19 En hij noemde don naam dier plaats Both-El; daar toch de naam dier stad te voren was Luz. 20 En Jakob beloofde eene gelofte, zeggende: Wanneer God mot mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dozen weg, dion ik roize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en kloodoren om aan te trekken; 21 En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn: zoo zal de IIeere mij tot oen' God zijn! 22 En deze steen, dion ik tot oen opgerigt tookon gezet heb, zal een huis Gods wozen, on van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker do tienden geven! HOOFDSTUK 29. Jakob, nabij Haran zijnde, komt door eene wonderbare beschikking van God in kennis mot Rachel, Labans dochter, vs. 1, die het haren vader gaat zeggen, 12. Laban loopt .lakoh te gemoet en brengt hem in huis, hoort alles wat hem bejegend was en houdt hem bij zich, 13. Zij maken zamon oen verdrag, dat Jakob om Kachel zeven jaren dienen zal, 15; maar als hij Rachel meent to trouwen, wordt hom Lea, Rachels oudste zuster, ten huwelijk gegeven, 21; hij verkrijgt nogtans ook Rachel voor de dienst van nog zovou andere jaren, 27. Rachel is bemind, maar onvruchtbaar. Lea daarentegen baart Ruben, Simeon, Levi en Juda, 31. TOEN hief Jakob zijne voeten op, en ging naar het land der kinderen van het Oosten. 2 En hij zag toe, en ziet, or was oen put in het veld; en ziet, er waren drie kudden schapen nevens dien nederliggende, want uit dien put drenkten zij de kudden; en er was een groote steen op don mond van dien put. 3 En derwaarts werden al de kudden verzameld, en zij wentelden den steen van don mond des puts, en drenkten de schapen; en logden den steen weder op den mond van dien put, op zijne plaats. 4 Toen zoide Jakob tot hen: Mijne broeders! van waar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran. 5 Eu hij zoide tot hen: Kent gij Laban, den zoon van Nahor? En zij zeidon: Wij kennon hem. 3 |
GENESIS 29.
34
|
(! Voorts zoido hij tot hon: Is het wel met licin? En zij zeiden: liet is wel; en zio, Rachel, zijne dochter, komt met de schapen. 7 En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve. 8 Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat al de kudden zamen zullen vergaderd zijn, en dat men den steen van den mond des puts afwentele, opdat wij de schapen drenken. !) Als hij nog met hen sprak, zoo kwam Rachel met de schapen, die haren vader toebehoorden, want zij was eone herderin. 10 En het geschiedde, als Jakob Rachel zag, do dochter van Laban, zijner moeders broeder, en de schapen van Laban, zijner moedors broeder. |
15 Daarna zeide Laban tot Jakob: Omdat gij mijn broeder zijt, zoudt gij mij derhalve om niet dienen? verklaar mij, wat zal uw loon zijn? 16 En Laban had twee dochters: do naam dor grootste was Lea; en de naam der kleinste was Rachel. 17 Doch Lea had toedero oogen; maar Rachel was schoon van gedaante, en schoon van aan-gezigt. 18 En Jakob had Rachel lief; en hij zeide: quot;Ik zal u zeven jaren dienen, om Rachel, uwe kleinste dochter. n Hos. 12: 13. 19 Toen zeide Laban: Het is beter, dat ik haar aan u geve, dan dat ik haar aan een' andoren man geve; blijf bij mij. 20 Alzoo diende Jakob om Rachel zeven jaren; |
|
dat Jakob toetrad, en wentelde den steen van den mond des puts, en drenkte do schapen van Laban, zijner moeders broeder. 11 En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijne stem op en weende. 12 En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij een broeder van haren vader, en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij heen, en gaf het aan haren vader te kennen. 13 En het geschiedde, als Laban die tijding hoorde van Jakob, zijner zusters zoon, zoo liep hij hem te gemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bragt hem tot zijn huis. En hij vertelde Laban al deze dingen. 14 Toen zeide Laban tot hem: Voorwaar gij zijt mijn gebeente en mijn vloesch! En hij bleef bij hem eene volle maand. |
en die waren in zijne oogen als eenige dagen, omdat hij haar liefhad. 21 Toen zeide Jakob tot Laban: Geef mijne huisvrouw, want mijne dagen zijn vervuld, dat ik tot haar inga. 22 Zoo verzamelde Laban al de mannen dier plaats, en maakte oenen maaltijd. 23 En het geschiedde dos avonds, dat hij zijne dochter Lea nam, en bragt haar tot hem; en hij ging tot haar in. 24 En Laban gaf haar Zilpa, zijne dienstmaagd, aan Loa, zijne dochter, tot eene dienstmaagd. 25 En het geschiedde dos morgens, en ziet, het was Lea. Daarom zeide hij tot Laban: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt; bob ik niet bij u gediend om Rachel ? waarom hebt gij mij dan bedrogen ? 20 En Laban zeide: Men doet alzoo niet te dezer |
|
onzer plaatse, dat men de kleinste uitdove vóór de eerstgeborene. 27 Vervul de week van deze; dan zullen wij u ook die geven, voor de dienst, die gij nog andere zeven jaren bij mij dienen zult. 28 En Jakob deed alzoo; en hij vervulde do week van deze. Toen gaf hij hem Rachel, zijne dochter, hom tot eene vrouw. 29 En Laban gaf aan zijne dochter Rachel zijne dienstmaagd Bilha, haar tot eene dienstmaagd. SO En hij ging ook in tot Rachel, en had ook Rachel liever dan Lea; en hij diende bij hem nog andere zeven jaren. 31 Toen nu do Heere zag, dat Lea gehaat was, opende Hij hare baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar. 32 En Lea werd bevrucht, en baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen naam Ruben; want zij zeide: Omdat de Heere mijne verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben. 33 En zij werd wederom bevrucht, en baarde eenen zoon, en zeide: Dewijl de Heere gehoord heeft, dat ik gehaat was, zoo heeft Hij mij ook dezen gegeven; en zij noemde zijnen naam Simeon. 34 En zij werd nog bevrucht, en baarde eenen zoon, on zeide: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, dewijl ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde zij zijnen naam Levi. 35 En zij werd wederom bevrucht, en haarde eenen zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den Heere loven; daarom noemde zij zijnen naam Juda. En zij hield op van baren. HOOFDSTUK 30. Rachel ongeduldig over hare onvruchtbaarheid, geeft Jakob bare dienstmaagd Bilha, die hem Dan on Niiftbali baart, vs. 1; insgelijks geeft Lea, opbou-donde to baren, aan Jakob hare dienstmaagd Zilpa, die hom Gad en Asor baart, !). Ruben vindt düdaïm en Loa zelve wordt weder bevrucht en baart Issasehar, Zebulon en eeno dochter Dina, 14; ten laatste baart ook Rachel Jozef, 22. Als nu Jakob begeerde mot zijn huisgezin naar zijn land te vertrekken, houdt Laban hein mot een nieuw beding van loon, 25, waardoor Jakob, tegen Labans ver-moedon, zoor rijkelijk van God wordt gezegend, 37. ALS nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zoo benijdde Rachel hare zuster; en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen! of indien niet, zoo ben ik dood. 2 Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Ben ik dan in plaats van God, die de vrucht dos buiks van u geweerd heeft? 3 En zij zeide: Zie, daar is mijne dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijne knieën bare, en ik ook uit haar gebouwd worde. 4 Zoo gaf zij hem hare dienstmaagd Bilha tot eene vrouw; en Jakob ging tot haar in. 5 Eu Bilha werd zwanger, en baarde Jakob eenen zoon. 6 Toen zeide Rachel: God heeft mij gerigt, en |
35 ook mijne stem verhoord, en hooft mij eenen zoon gegeven; daarom noemde zij zijnen naam Dan. 7 En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd wederom bevrucht, en baarde Jakob den tweeden zoon. 8 Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijne zuster geworsteld, ook heb ik de overhand gehad; on zij noemde zijnen naam Nafthali. 9 Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook hare dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot eene vrouw. 10 En Zilpa, Lea's dienstmaagd, baarde Jakob eenen zoon. 11 Toon zeide Lea: Er komt een hoop! en zij noemde zijnen naam Gad. 12 Daarna baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jakob den tweeden zoon. 13 Toon zeide Lea: Tot mijn geluk! want de dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijnen naam Aser. 14 En Ruben ging in de dagen van den tarweoogst, on hij vond düdaïm in het veld, en hij bragt die tot zijne moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons düdaïm. 15 En zij zeide tot haar: Is het weinig, dat gij mijnen man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons düdaïm nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons düdaïm bij u liggen. Ki Als nu Jakob dos avonds uit hot veld kwam, ging Loa uit hom te gemoet, en zeide: Gij zult tot mij inkomen: want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons düdaïm; en hij lag dien nacht bij haar. 17 En God verhoorde Lea: en zij werd bevrucht, en baarde Jakob den vijfden zoon. 18 Toen zeide Loa : God heeft mijnen loon gegeven, nadat ik mijne dienstmaagd aan mijnen man gegeven heb; en zij noemde zijnen naam Issasehar. 1!) En Loa werd wederom bevrucht, en zij baarde Jakob den zesden zoon. 20 En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft Hij begiftigd met eene goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen: want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijnen naam Zebulon. 21 En zij baarde daarna eene dochter; en zij noemde haren naam Dina. 22 God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en opende hare baarmoeder. 23 En zij werd bevrucht, en baarde eenen zoon; en zij zoido: God heeft mijne smaadheid weggenomen ! 24 En zij noemde zijnen naam Jozef, zeggende: Do Heere voege mij oenen anderen zoon daartoe! 25 En het geschiedde, als Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zeido : Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijne plaats, en naar mijn land. 20 Geef mijne vrouwen, en mijne kinderen, om GENESIS 20, 30. |
GENESIS 30.
30
|
welke ik ii gediend lieb, dat ik vertrek; want gij weet mijne dienst, die ik n gediend heb. 27 Toen zoide Laban tot hem: Zoo ik nu genade gevonden heb in uwe oogen; ik heb waargenomen, dat de Heere mij om uwentwil gezegend heeft. 28 Hij zeide dan: Noem mij uitdrukkelijk uwen loon, dien ik geven zal. 29 Toen zoide hij tot hem; Gij weet, hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is. 30 Want het weinige, dat gij vóór mij gehad hebt, dat is tot eene menigte uitgebroken; en de Heere heeft u gezegend bij mijnen voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis? 31 En hij zeide; Wat zal ik u geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij niet met al geven, indien gij en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf dezelve in de hand zijner zonen. |
36 En hij stelde eenen weg van drie dagen tus-schen hem, en tussehen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban. 37 Toen nam zich Jakob roeden van groen populierhout , en van hazelaar, en van kastanjen; en hij schelde daarin witte strepen, ontblootende het wit, hetwelk aan die roeden was. 38 En hij leide deze roeden, die hij gescheld had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken. 39 Als dan de kudde verhit werd bij do roeden, |
|
mij deze zaak doen zult, ik zal wederom uwe kudde weiden, cn bewaren. 32 Ik zal heden door uwe gansche kudde gaan, daarvan afzonderende al het gespikkelde en geplekte vee, en al liet bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; en zulks zal mijn loon zijn. 33 Zoo zal mijne geregtigheid op den dag van morgen met mij betuigen , als gij komen zult over mijnen loon, voor uw aangezigt; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten, en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen. 34 Toen zeide Laban: Zie, och ja, liet zij naar uw woord! 35 En hij zonderde af ten zelfden dage de gesprenkelde en geplekte bokken, en al de gespikkelde en geplekte geiten, al waar wit aan was, zoo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte. |
40 Toen scheidde Jakob de lammeren, en hij wondde bot gezigt der kudde op hot gesprenkelde, en al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijne kudden alleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban, 41 En hot geschiedde, telkens als de kudde der vroegolingon verhit werd, zoo stelde Jakob do roeden voor de oogen der kudde in do goten, opdat zij hittig werden bij de roeden. 42 Maar als de kudde spade hittig word, zoo stelde hij ze niet; zoodat de spadelingen Laban, en de vroogelingen Jakob toekwamen. 43 En die man brak gansch zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden, en dienstknechten, en kemelen, en ezelen. |
GENESIS 31.
37
|
HOOFDSTUK 31. Jakob, Labans afgunst bomorkendo, vertrekt mot al wat hij heeft, op Gods bevel en met toestemming zijner vrouwen, buiten Labans weten, naar het land Kanailn, en Rachel steelt do afgoden van haren vader, vs. 1. Laban, dit hoerende, jaagt Jakob na en achterhaalt hom op hot gebergte Qilead, maar wordt van God gewaarschuwd hem vriendelijk te bejegenen. Hij beschuldigt hom nogtans scherpelijk over dit heimelijk vertrok en het stelen zijner afgoden, 22. Jakob verontschuldigt zich; on als Laban zijne afgoden nergens vond, brengt Jakob hem zijn onregtvaardig gedrag, jegens hem gehouden, onder het oog, 31; zij maken een verbond on scheiden in vrede van elkander, 44. TOEN hoorde hij de woorden der zonen van Laban, zeggende: Jakob heeft genomen alles, wat onzes vaders was, en van hetgeen, dat onzes vaders was, heeft hij al deze heerlijkheid gemaakt. 2 Jakob zag ook het aangezigt van Laban aan, en ziet, het was jegens hem niet als gisteren en eergisteren. 3 En de Heere zeide tot Jakob: Keer weder tot liet land uwer vaderen, en tot uwe maagschap, en Ik zal met u zijn. 4 Toen zond Jakob heen, en riep Rachel en Lea, op het veld tot zijne kudde; 5 En hij zeide tot haar: Ik zie het aangezigt uws vaders, dat het jegens mij niet is als gisteren en eergisteren; doch de God mijns vaders is bij mij geweest. 6 En gijlieden weet, dat ik met al mijne magt uwen vader gediend heb. 7 Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijnen loon tien malen veranderd ; doch God heeft hem niet toegelaten, om aan mij kwaad te doen. 8 Wanneer hij aldus zeide : De gespikkelde zullen uw loon zijn, zoo lammerden al de kudden gespikkelde; en wanneer hij alzoo zeide: De gesprenkelde zullen uw loon zijn, zoo lammerden al de kudden gesprenkelde. !) Alzoo heeft God uwen vader het vee ontrukt, en aan mij gegeven. 10 En het geschiedde ten tijde, als de kudde hittig werd, dat ik mijne oogen ophief, en ik zag in den droom; en ziet, de bokken, die de kudden beklommen, waren gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig. |
11 En de Engel Gods zeide tot mij in den droom: Jakob! En ik zeide: Zie, hier ben ik! 12 En Hij zeide: Hef toch uwe oogen op, en zie! allo bokken, die de kudde beklimmen, zijn gesprenkeld, gespikkeld , en hagelvlakkig: wantik heb gezien alles, wat Laban u doet. 13 Ik ben die God van Beth-El, quot;alwaar gij het opgerigte teeken gezalfd hebt, waar gij Mij eene gelofte beloofd hebt: nu, maak uop, vertrek uit dit land, en keer weder in hot land uwer maagschap. a Geu. 28: 13, 14, 15, enz. 14 Toen antwoordden Rachel en Lea, en zeiden tot hem: Is er nog voor ons een deel, of erfenis in het huis onzes vaders? 15 Zijn wij niet vreemden van hem geacht ? want hij heeft ons verkocht, en hij heeft ook steeds ons geld verteerd. 1G Want al de rijkdom, welken God onzen vader heeft ontrukt, die is onze, en van onze zonen; nu dan, doe alles, wat God tot u gezegd heeft. 17 Toen maakte zich Jakob op, en laadde zijne zonen en zijne vrouwen op ke-melen. 18 En hij voerde al zijn vee weg, en al zijne have, die hij geworven had, liet vee dat hij bezat, hetwelk hij in Raddan-Aram geworven had, om te komen tot Izak, zijnen vader, naar het land Kanaiin. 1!) Laban nu was gegaan, om zijne schapen te scheren; zoo stal Rachel de terafim, die haar vader had. 20 En Jakob ontstal zich aan het hart van Laban, den Syriër, overmits hij hem niet te kennen gaf, dat hij vlood. 21 En hij vlood, en al wat hot zijne was, en hij maakte zich op, en voer over do rivier, en hij zette zijn aangezigt naar hot gebergte Giload. 22 En ten derden dage werd aan Laban geboodschapt, dat Jakob gevloden was. 23 Toen nam hij zijne broeders met zich, en jaagde hem achterna, eenon weg van zeven dagen, en hij kreeg hem op hot gebergte van Gilead. 24 Doch God kwam tot Laban, den Syriër, in oenen droom des nachts, en Hij zeide tot hom: Wacht u, dat gij met Jakob spreekt, noch good, noch kwaad. 25 En Laban achterhaalde Jakob; Jakob nu had |
GENESIS 31, 32.
:!8
|
zijne tent yeslagon op dat gebergte; ook sloeg Laban mot zijne broederen de zijne op het gebergte van Gilead. 2G Toen zeide Laban tot Jakob: Wat hebt gij gedaan, dat gij u aan mijn hart ontstolen hebt, en mijne dochteren ontvoerd hebt, als gevangenen met liet zwaard? 27 Waarom zijt gij heimelijk gevloden, en hebt u aan mij ontstolen ? on hebt het mij niet aangezegd , dat ik ii geleid had met vreugde, en met gezangen, met trommel en met harp V 28 Ook hebt gij mij niet toegelaten mijne zonen en mijne dochteren te kussen; nu, gij hebt dwaselijk gedaan zoo doende. 29 Het ware in do magt mijnor hand aan uliedon kwaad te doen; maar do God van ulieder vador hooft tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: Wacht u, van mot Jakob te spreken of goed, of kwaad. 30 En nu, gij hebt immers willen vertrokken, omdat gij zoo zeer begeerig waart naar uws vaders huis; waarom hebt gij mijne goden gestolen? 31 Toen antwoordde Jakob, en zoido tot Laban: Omdat ik vreesde; want ik zeide: Opdat gij niet misschien uwe dochteren mij ontweldigdet! 32 Bij wion gij uwe goden vinden zult, laat hem niet leven! Onderken gij voor onze broederen, wat bij mij is, en neem liet tot u. Want Jakob wist niet, dat Rachel dezelve gestolen had. 33 Toen ging Laban in do tont van Jakob, on in do tent van Lea, on in de tout van de beide dienstmaagden, en hij vond niets; en als hij uit de tent van Lea gegaan was, kwam hij in do tont van Rachel. 34 Maar Rachel had do terafim genomen, en zij had die in oen kemels zadoltuig gelogd, en zij zat op dezelve. En Laban betastte dio gansche tent, en hij vond niets. 35 En zij zoido tot baren vador: Dat de toorn niet ontstoko in mijns heeren oogon, omdat ik voor uw aangezigt niet kan opstaan, want het gaat mij naar dor vrouwen wijze; en hij doorzocht, maar hij vond de terafim niet. 36 Toon ontstak Jakob, en twistte met Laban; en Jakob antwoordde en zoido tot Laban: Wat is mijne overtreding, wat is mijne zonde, dat gij mij 2oo hittiglijk hebt nagejaagd? 37 Als gij al mijn huisraad betast hebt, wat bobt gij gevonden van al het huisraad uws huizes? Leg hot hier voor mijne brooderen en uwe broederen, en laat hen rigton tusschen ons beiden. 38 Deze twintig jaren ben ik bij u geweest; uwe ooijon en uwe geiten hebben niet misdragen, en de rammen uwer kudde heb ik niet gegoten. 39 Het verscheurde heb ik tot u niet gobragt, ik heb het geboot; gij hebt hot van mijne hand geëischt, hot ware des daags gestolen, of dos nachts gestolen. 40 Ik ben geweest, dat mij bij dag do hitte verteerde, en bij nacht de vorst, en dat mijn slaap van mijne oogen week. |
41 Ik ben nu twintig jaren in uw huis geweest; ik heb u veertien jaren gediend om uwe beide dochteren, en zes jaren om uwe kudde; en gij hebt mijnon loon tien malen veranderd. 42 Ton ware do God van mijnen vader, do God van Abraham, en de vreeze van Izak, bij mij geweest was, zekerlijk gij zoudt mij nu ledig weggezonden hebben! God hoeft mijne ellende, enden arbeid mijner handen aangezien, en hooit u gisteren nacht bestraft! 43 Toen antwoordde Laban en zoido tot Jakob: Doze dochters zijn mijne dochters, on doze zonen zijn mijne zonen, en dozo kudde is mijne kudde, ja al wat gij ziet, dat is mijn; en wat zoude ik aan deze mijne dochteren heden doen? of aan hare zonen, dio zij gebaard hebben? 44 Nu dan, kom, laat ons een verbond maken, ik en gij, dat liet tot eene getuigenis zij tusschen mij en tusschen u! 45 Toen nam Jakob oenen steen, en hij verhoogde dien tot een opgorigt toekon. 4() En Jakob zoido tot zijne broederen: Vergadert stoenon! En zij namen stoonon, en maakten oenen hoop; en zij aten aldaar op dien hoop. 47 En Laban noemde hom Jegar-Sahadütha; maar Jakob noemde denzelven Gal-ed. 48 Toen zeide Laban: Deze hoop zij iiedon oen getuige tusschen mij en tusschen u! Daarom noemde men zijnen naam Gal-ed, 49 En Mizpa; omdat iiij zeide: Dat do IIeere opzigt neme tusschen mij en tusschen u, wanneer wij do een van den ander zullen verborgen zijn! 50 Zoo gij mijne dochteren beloedigt, en zoo gij vrouwen noemt boven mijne dochteren, niemand is bij ons: zie toe. God zal getuige zijn tusschen mij en tussclion u! 51 Laban zoido voorts tot Jakob: Zie, daar is deze zelfde hoop, en zie, daar is dit opgorigt toeken, hetwelk ik opgeworpen heb tusschen mij en tusschen u; 52 Deze zelfde hoop zij getuige, en dit opgorigt toeken zij getuige, dat ik tot u voorbij dezen hoop niet komen zal, en dat gij tot mij, voorbij dezen hoop en dit opgorigt toeken, niet komen zult ten kwade! 53 Do God van Abraham, on de God van Nahor, de God huns vaders rigte tusschen ons! En Jakob zwoer bij de vreozo zijns vaders Izaks. 54 Toen slagtte Jakob eono slagting op dat gebergte, en hij noodigde zijne broederen, om brood te eten; on zij aten brood, en vernachtten op dat gebergte. 55 En Laban stond des morgens vroeg op, en kuste zijne zonen, en zijne dochteren, en zegende bon; en Laban trok heen, en keerde weder tot zijne plaats. HOOFDSTUK 32. Jakob door do ontmoeting van do hoiren der heilige engelen gesterkt, zendt boden vooruit naar zijnen broeder Ezau, vs. 1; maar vernemende dat hij mot |
GENESIS 32.
|
voel volks tot hom afkwam, doolt iiij uit vrees zijn volk on voo in twoo hoiron, on bidt God zeer vurig en ootmoedig om hulp en verlossing, U; hij zondt door zijne knechten goschonkon vooruit aan Ezau en zendt zijne vrouwen on kinderen bij nacht over hot veer, 13, maar blijft zelf alleen aan deze zijde, alwaar God met hom worstelt, hom don naam van Israël geoft, hem zegent en zijne heup aanraakt, zoodat hij hinkte, 24. JAKOB toog' ook zijns weegs; en do «engelen Gods ontmoetten liein. a Oen. 48 : !ö. 2 En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is oen heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanaïm. 3 En Jakob zond boden uit voor zijn aangezigt tot Ezau, zijnen broeder, naar het land Seïr, de landstreek van Edom. 4 En hij gebood hun , zeggende: Zoo zult gij zeggen tot mijnen heer, tot Ezau: Zoo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd ; 5 En ik heb ossen en ezelen, schapen , en knechten on maagden; en ik heb gezonden, om mijnen heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uwe oogen. (i En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uwen broeder, tot Ezau; en ook trekt hij u te ge-moet , en vier honderd mannen met hom. 7 Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en do runderen, en de kemels, in twee heiren: 8 Want hij zeide: Indien Ezau op het eone heir komt, en slaat het, zoo zal het overgeblevene heir ontkomen. ü Voorts zeide Jakob: O God mijns vaders Abrahams, en God mijns vaders Izaks, o Heeue! die tot mij gezegd hebt: quot;Keer weder tot uw land, en tot uwe maagschap, on Ik zal wel bij u doen! a Gen. 31: 13. |
10 Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan uwen knecht gedaan hebt; want ik ben met mijnen staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden! 11 Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezaus hand: want ik vreeze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, do moeder met de zonen! 12 (Jij bobt immers gezegd: quot;Ik zal gewissolijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat van wege de menigte niet geteld kan worden! a Gon. 28:13. 13 En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en iiij nam van hetgeen, dat hem in zijne hand kwam, een geschenk voor Ezau, zijnen broeder: 14 Tweehonderd geiten en twintig bokken, twee honderd ooijen en twintig rammen; 15 Dertig zogende kemelinnen met hare veulens, veertig koeijen en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels. K! En hij gat die in do hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijne knechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezigt, on stelt ruimte tusschen kudde en tusschen kudde. 17 En hij gebood den eerste, zeggende : Wanneer u Ezau, mijn broeder, ontmoeten zal, en u vragen , zeggende: Wiens zijt gij ? en waarheen gaat gij? en wiens zijn dezen voor uw aangezigt? 18 Zoo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uwen knecht Jakob, gezonden tot mijnen heer, tot Ezau; en zie, hij zelf is ook achter ons! 1!) En hij gebood ook den tweede, ook don derde, ook allen, die de kudden nagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Ezau, als gij hem vindon zult. 20 En gij zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! want hij zeide: Ik zal zijn aangezigt verzoenen mot dit geschenk, dat voor mijn aangezigt gaat, en daarna zal ik zijn |
GENESIS 32, 33.
40
|
aangezigt zien; misschien zal hij mijn aaugezigt aannemen. 21 Alzoo ging dat geschenk heen voor zijn aangezigt; doch hij zelf vernachtte dienzelfden nacht in het leger, 22 En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijne twee vrouwen, en zijne twee dienstmaagden , en zijne elf kinderen, en hij toog over het veer van do Jabbok. 23 En hij nam dezelve, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekken hetgeen hij had. 24 Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging. 25 En toen hij zag, dat hij hem niet overmogt, roerde hij het gewricht zijner heup aan, zoodat het gewricht van Ja-kobs heup verwrongen werd, als hij met hem worstelde. 26 quot;En hij zeide: Laat mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal u niet laten gaan, tenzij dat gij mij zegent. a Hos. 12:4. 27 En hij zeide tot hem: Hoe is uw naam ? En hij zeide: Jakob. 28 Toen zeide hij: quot; Uw naam zal voortaan niet Jakob heeten, maar Israël: want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de men-schen, en hebt overmogt. a Gen. 35:10. 29 En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch uwen naam te kennen. En hij zeide: Waarom is het, dat gij naar mijnen naam vraagt? en hij zegende hem aldaar. 30 En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël: Want, zeide hij, ik heb God gezien mw aangezigt tot aangezigt, en mijne ziel is gered geweest. 31 En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijne heup. 32 Daarom eten de kinderen Israëls de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw. |
HOOFDSTUK 33. Jakob, orde gestold hebbende op hot trekken zijner vrouwen on kinderen, gaat zijnen broeder te gemoet, vs. 1, die hom, benevens zijne vrouwen en kinderen, zoor wel bejegent, 4, en na vriendelijke reden en togenreden Jakobs geschonken aanneemt; alzoo scheidon zij vreedzaam van elkander, 8. Jakob komt te Sukkoth, on van daar to Sichem, alwaar hij zijne tonton opslaat on den Heere een altaar bouwt, 17. EN Jakob hief zijne oogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vier honderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onder de twee dienstmaagden. 2 En hij stelde do dienstmaagden en hare kinderen vooraan; en Lea en hare kinderen meer achterwaarts; maar Kachel en Jozef de achterste. 3 En hij ging voorbij hun aangezigt heen , en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijnen broeder kwam. 4 Toen liep Ezau hem te gemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden. 5 Daarna hief hij zijne oogen op, en zag die vrouwen en die kinderen , en zeide: Wie zijn dezen bij u? En hij zeide: De kinderen, die God aan uwen knecht genadiglijk verleend heeft. 6 Toen traden de dienstmaagden toe, zij en hare kinderen, on zij bogen zich neder. 7 En Lea trad ook toe, met hare kinderen, en zij bogen zich neder; en daarna trad Jozef toe en Rachel, en zij bogen zich neder. 8 En hij zeide: Voor wien is u al dit heir, dat ik ontmoet heb? En hij zeide: Om genade te vindon in do oogen mijns hoeren? 9 Maar Ezau zoido: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij bobt! 10 Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uwe oogen gevonden heb, zoo neem mijn geschenk van mijne hand; daarom, omdat ik uw aangezigt gezien heb, als had ik Gods aangezigt gezien, en gij welgevalen aan mij genomen hebt. |
GENESIS 33, 34.
41
|
11 Noom toch mijnon zegen, die u toegebragt is, dewijl het God mij genadiglijk verleend hoeft, on dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zoodat hij het nam. 12 En hij zeide: Laat ons reizen en voorttrekken; en ik zal voor u trokken. 13 Maar hij zeide tot hem: Mijn hoor woot, dat deze kinderen toodor zijn, en dat ik zogende schapen en koeijen bij mij heb; indien mon dezelve maar éénon dag afdrijft, zoo zal de gehoele kudde sterven. 14 Mijn heer trekke toch voorbij, voor hot aan-gezigt van zijnen knecht; on ik zal mij op mijn gemak als leidsman voegen, naar don gang van hot werk, hetwelk voor mijn aangezigt is, en naar don gang dezer kinderen, totdat ik bij mijnen heer te Soïr kome. 15 En Ezau zoido: Laat mij toch van dit volk, dat mot mij is, u bijstellen. En hij zoido: Waartoe dat? laat mij genade vinden in mijns hoeren oogen! 10 Alzoo koorde Ezan dien dag wederom zijns weegs naar Soïr toe. 17 Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutton voor zijn vee; daarom noemde hij don naam dier plaats Sukkoth. 18 quot;En Jakob kwam behouden tot do stad Sichem , welke is in hot land Kanaiin, als hij kwam van Paddan-Aram; en hij legerde zich in het gozigt dor stad. a Joz. 24:32. Hand. 7 : 1G. li) En hij kocht oen dool des voids, waarop hij zijne tent gespannen had, van do hand dor zonen van Homor, don vader van Sichem, voor honderd stukken golds. 20 En hij rigtte aldaar oen altaar op, on noemde hot: Do God Israels is God! HOOFDSTUK 34. Diim uitgegaan om do dochtoron dos lands to zien, wordt dooi' Sichoin, den zoon van don landheer Heinor, geschaakt on geschonden, vs. 1, dio haar bemint en ten huwelijk begeert; waarover zijn vader, met Jakob on zijne zonen sprekende, van Jakobs zonen eene bedriegelijke belofte erlangt, onder boding van alles, wat onder do Sichemioton mannelijk was, to besnijden, G. Zulks van Hemor, Sichem en de onderdanen ingewilligd en gedaan zijnde, worden zij, liggende in de smart der besnijding, door Simeon en Levi overvallen en vermoord. Jakobs zonen plunderen de stad en voeren vrouwen en kinderen gevangen weg, 18. Hierover is Jakob zeer ontsteld en bevreesd, 30. EN quot;Dina, de dochter van Lea, dio zij Jakob gebaard had, ging uit, om do dochtoron van dat land te bezien. a Oen. 30 : 21. 2 Sichem nu, de zoon van Hemor don Heviot, den landvorst, zag haar, en hij nam ze, en lag bij haar, en verkrachtte ze. 3 En zijne ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter: en hij had de jonge dochter lief, on sprak naar hot hart van de jonge dochter. |
4 Sichem sprak ook tot zijnon vader Hemor, zeggende: Noom mij deze dochter tot eene vrouw. 5 Toon Jakob hoorde, dat hij zijne dochter Dina verontreinigd had, zoo waren zijne zonen mot het voo in het veld; on Jakob zweeg, totdat zij kwamen. 6 En Hemor, de vader van Sichem, ging uit tot Jakob, om met bom te sproken. 7 En de zonen van Jakob kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en hot smartte dezen mannon, en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in Israël gedaan had, Jakobs dochter beslapende, hetwelk alzoo niet zoude gedaan worden. 8 Toen sprak Hemor met hen, zeggende: Mijns zoons Sichoms ziel is verliefd op uiieder dochter; geeft hem haar toch tot eene vrouw; 9 En verzwagert u mot ons; geeft ons uwe dochtoron, en neemt voor u onze dochtoron; 10 En woont met ons; en hot land zal voor uw aangezigt zijn; woont, en handelt daarin, en stolt u tot bezitters daarin. 11 En Sichem zoido tot haren vader, en tot hare broederen: Laat mij genade vindon in uwe oogen; en wat gij tot mij zeggen zult, zal ik geven. 12 Vergroot zoor over mij den bruidschat on liet geschenk; en ik zal geven, gelijk als gij tot mij zult zoggen, geeft mij slechts de jonge dochter tot eene vrouw. 13 Toon antwoordden Jakobs zonen aan Sichem en Hemor, zijnen vader, bedriogelijk, en spraken; (overmits dat hij Dina, hunne zustor, verontreinigd had) 14 En zij zeidon tot hen: Wij zullen deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze zuster aan oenen man geven zouden, quot;die do voorhuid hooft: want dat ware ons oene schande. a Gen. 17. 15 Doch hierin zullen wij u te wille zijn, zoo gij wordt gelijk als wij, dat onder u besneden worde al wat mannelijk is; IG Dan zullen wij u onze dochtoron geven, en uwe dochtoron zullen wij ons nomen, on wij zullen met u wonen, en wij zullen tot oen volk zijn. 17 Maar zoo gij naar ons niet zult hooren, om besneden te worden, zoo zullen wij onze dochter nemen, en wegtrekken. 18 En hunne woorden waren goed in do oogen van Hemor, on in do oogen van Sichem, He-mors zoon. 1!) En do jongeling vortoogdo niet, deze zaak te doen: want hij had lust in Jakobs dochter; en hij was geëerd boven al zijns vaders huis. 20 Zoo kwam Hemor en Sichem, zijn zoon, tot hunner stads poort; en zij spraken tot do mannen hunner stad, zeggende: 21 Deze mannen zijn vreedzaam mot ons; daarom laat hen in dit land wonen, en daarin handelen, en het land (ziet, het is wijd van begrip) voor hun aangezigt zijn ; wij zullen ons hunne dochtoron tot vrouwen nomen, en wij zullen onze dochtoron aan hen geven. 22 Doch hierin zullen deze mannon ons te wille |
GENESIS 'M, 35.
42
|
zijn, dat zij niet ons wonen, om tot een volk te zijn: als al wat mannelijk is, onder ons besneden wordt, gelijk als zij besneden zijn. 2:5 Hun vee, en hunne bezitting, en al hunne beesten, zullen die niet onze zijn? alleen laat ons hun te wille zijn, en zij zullen met ons wonen. 24 En zij hoorden naar Hemor, en naar Sichem, zijnen zoon, allen, die ter zijner stads poort uitgingen; en zij werden besneden, al wat mannelijk was, allen, die ter zijner stads poort uitgingen. 25 En hot geschiedde ten derden dage, toen zij in de smart waren, quot;zoo namen de twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broeders van Dina, een iegelijk zijn zwaard, en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was. a Gen. 49 : (i. 2() Zij sloegen ook Ile-mor, en zijnen zoon Sichem , dood met de scherpte des z waards; en zij namen Dina uit Sichems huis, en gingen van daar. 27 De zonen van Jakob kwamen over de verslagenen, en plunderden de stad, omdat zij hunne zuster verontreinigd hadden. 28 Hunne schapen, en hunne runderen, en hunne ezelen, en hetgeen dat in de stad, en hetgeen dat in het veld was, namen zij. 29 En al hun vermogen, en al hunne kleine kinderen, en hunne vrouwen, voerden zij ge- ,, .. ' â¢' 0 GlCIiim. VAN DER hECKIIOUT vankelijk weg, en plunderden dezelve, en al wat binnenshuis was. :3() Toen zeide Jakob tot Simeon en tot Levi: Gij hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners dezes lands, onder de Kana-anieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zoo zij zicli tegen mij verzamelen, zoo zullen zij mij slaan , en ik zal verdelgd worden , ik en mijn huis. 31 En zij zeiden: Zou hij dan met onze zuster als met eene hoer doen ? HOOFDSTUK 35. Jakob zijn huis gozuiverd on tot do godsdienst voorbereid hobbende, vertrekt op Gods bevel naar Both-E1, vs. 1, ahvaar hij onbeschadigd gekomen zijnde, een altaar bouwt, C. Dood en begrafenis van Debóra, voedster van Rebekka, 8. God verschijnt Jakob, geeft hom andermaal den naam van Israël en vernieuwt zijne beloften, 9. Daarom rigt Jakob een gedenkteeken op en vernoemt do plaats, 14. Van daar trekkende, sterft Kachel onder het baren van Benjamin en wordt aldaar begraven, 1G. Ruben bedrijft bloedschande in zijns vaders huis, 22. Register van Jakobs zonen, 23. Jakob komt eindelijk bij zijnen vader, Izak, welke sterft, en door hem en Ezau wordt begraven, 27. |
DAARNA zeide God tot Jakob : Maak u op, trek o]) naar Beth-El, en woon aldaar; en maak daar oen altaar dien God, quot;die u verschoen, ''toon gij vlugttet voor het aangezigt van uwen broeder Ezau. a Gen. 28: 12, 13. h Gen. 27 : 43. 2 Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg do vreemde goden, die in liet midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uwe kleederen; 3 En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-El; en ik zal daar een altaar maken dien God, die mij antwoordt ten dage mijner be-naauwdheid, en met mij geweest is op den weg, dien ik gewandeld heb. 4 Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hunne hand waren , 011 de oorsierselen, die aan hunne ooren waren, en Jakob verborg zo onder den eikenboom, die bij Sichem is. 5 En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zoodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden. (i Alzoo kwam Jakob te Luz, hetwelk is in het land Kanaiin (dat is . , . . ,,, ... ., Beth-El), hij en al het Jakobs dioom (Gen. o5:1). 7 J volk, dat bij hem was. 7 En hij bouwde aldaar een altaar, en quot;noemde die plaats El Beth-El: want God was hem aldaar geopenbaard geweest, als hij voor zijns broeders aangezigt vlood. a Gen. 28:19. 8 En Debóra, de voedster van Rebekka, stierf, on zij werd begraven onder aan Beth-El, onder dien eik, welks naam hij noemde, Allon-Bachuth. 9 En quot;God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-Aram gekomen was; en Hij zegende hem. a Hos. 12:5. 10 En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob; quot; uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijnen naam Israël. a Gen. 32:28. 2 Kon. 17 :34. 11 Voorts zeide God tot hom: «Ik ben God de Almagtige! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! '' Een volk, ja een hoop der volken zal uit u worden, en ' koningen zullen uit uwe lenden voortkomen. a Oen. 17 :1. 28 : 3. 48 : 3. i Gen. 17 : G, 1G. c Matt. 1: G. |
|
12 En dit land, dat Ik aan Abraham on Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aan uw zaad na u zal Ik dit land geven. 13 Toen voor God van hem op, in die plaats, waar Hij mot hem gesproken had. 14 En Jakob quot;stolde een opgerigt toeken op, in die plaats, waar Hij met hom gesproken had, een steonen opgerigt teeken; en hij stortte daarop drankoffor, en goot olie daarover, a Oen. 28:18. 15 En Jakob noemde den naam dier plaats, alwaar God met hem gesproken had, Beth-El. Ki En zij reisden van Beth-El; on er was nog eene kloine streek lands om tot Efratha te komen; en Rachel baarde, en zij had hot hard in haar baron. 17 En hot geschiedde, als zij het hard had in baar baren, zoo zoide do vroedvrouw tot haar: Vrees niet, want dezen zoon zult gij ook hebben! 18 En hot geschiedde, als hare ziel uitging â (want zij stierf) dat zij zijnon naam noemde Bon-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin. 1!) quot;Alzoo stierf Rachel; on zij word begraven aan don weg naar Efratha, hetwelk is Bothlohom. a Oen. 48 : 7. 20 En Jakob rigtto een gedenkteeken op boven haar graf: dit is hot gedenkteeken van Rachels graf tot op dozen dag. 21 Toen verreisde Israël, en hij spande zijne tont op gene zijde van Migdal-edor. 22 En het geschiedde, als Israël in dat land, woonde, dat Ruben heenging, en quot; lag bij Bilha, zijn vaders bijwijf; on Israël boorde hot. En de zonen van Jakob waren twaalf. a Gon. 4!J; 4. 23 quot;De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs oei'stgeborone, daarna Simoon, en Levi, enJuda, en Issaschar, en Zebnlon. a Gen. 40:8. Ex. 1:2. 24 De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin. 25 En do zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali. 26 En do zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad on Aser. Deze zijn do zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-Aram. 27 En Jakob kwam tot Izak, zijnen vader, in Mamre, te Kirjath-Arba, hetwelk is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had vorkoord, en Izak. 28 En do dagen van Izak waren honderd jaren, en tachtig jaren. 29 En Izak quot;gaf don geost en stierf, en werd verzameld tot zijne volken, oud en zat van dagen; en zijne zonen Ezau on Jakob begroeven hom. a Gen. 25 : 8. HOOFDSTUK 30. Ezans vrouwen en kinderen, geboren in Kanaiin, vs. 1. Zijn vertrek naar Seïr, 6. Zijne nakomelingen, ü, als ook van Seïr, don Horiot, 20; onder doze is Ana, die de muilozolen hot eerst gevonden heeft, 24. Register dor koningen on vorsten in Edom, 31. DIT quot;nu zijn de geboorten van Ezau, welke is Edom. a 1 Kron. 1:35. 2 Ezau nam zijne vrouwen uit de dochteron van Kanaiin: Ada, do dochter van Elon, denHethiet, |
43 en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Ziboon, don Ileviot; 3 En Basmath, de dochter van Ismaël, zuster van Nobajoth. 4 Ada nu baarde aan Ezau Elifaz, en Basmath baarde Rehuël. 5 En Aholibama baarde Jehus, en Jaëlam, en Korah. Dit zijn do zonen van Ezau, dio hem geboren zijn in hot land Kanaiin. (i Ezau nu had genomen zijne vrouwen, en zijne zonen, en zijne dochters, en al do zielen zijns huizes, en zijn vee, en al zijne beesten, en al zijne bezitting, die hij in hot land Kanaiin geworven had, en was vertrokken naar oen ander land, van hot aangezigt van zijnen broeder Jakob. 7 Want hunne quot;have was te veel, om zamen te wonen; en hot land hunner vreemdelingschappen kon ze niet dragen van wego hun voo. a Gen. 13 : 6. 8 Derhalve quot;woonde Ezau op hot gebergte Seïr. Ezau is Edom. a Joz. 24:4. !) Dit nu zijn do geboorten van Ezau, don vader der Edomioton, op het gebergte Sëir. 10 Dit zijn do namen der zonen . ui Ezau: Elifaz, do zoon van Ada, Ezaus huisvrouw; Rehuël, de zoon van Basmath, Ezaus huisvrouw. 11 En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaëtam, en Konaz. 12 En Timna was oen bijwijf van Elifaz, don zoon van Ezau, en zij baarde aan Elifaz Amalek: dit zijn de zonen van Ada, Ezaus huisvrouw. 13 En dit zijn do zonen van Rehuël: Nahath en Zorah, Samnia en Mizza: dat zijn geweest do zonen van Basmath, Ezaus huisvrouw. 14 En dit zijn geweest de zonen van Aholibama, dochter van Ana, dochter van Ziboon, Ezaus huisvrouw: en zij baarde aan Ezau Jehus, on Jaëlam, en Korah. 15 Dit zijn do vorsten dor zonen van Ezau: do zonen van Elifaz, den eerstgeborene van Ezau, waren: de vorst Teman, do vorst Omar, do vorst Zefo, do vorst Konaz , 16 Do vorst Korah, de vorst Gaëtam, do vorst Amalek: dat zijn de vorsten van Elifaz in hot het land Edom; dat zijn do zonen van Ada. 17 En dit zijn de zonen van Rehuël, don zoon van Ezau: do vorst Nahath, do vorst Zerah, do vorst Samma, do vorst Mizza: dat zijn de vorsten van Rehuël in hot land Edom; dat zijn de zonen van Basmath, do huisvrouw van Ezau. 18 En dit zijn de zonen van Aholibama, do huisvrouw van Ezau: de vorst Johns, de vorst Jaëlam, de vorst Korah: dat zijn do vorsten van Aholibama, do dochter van Ana, de huisvrouw van Ezau. 19 Dat zijn de zonen van Ezau, en dat zijn hun-liedor vorston: hij is Edom. 20 quot;Dit zijn do zonen van Seïr den Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Ziboon, on Ana. a 1 Kron. 1 :38. GENESIS 35, 36. |
GENESIS 36, 37.
44
|
21 En Dison, on Ezer, on Disan; dat zijn de vorsten der Horioten, zonen van Soïr, in hot land van Edom. 22 En do zonen van Lotan waren Hori en Homam; en Lotans zuster was Timna. 23 En dit zijn do zonen van Sobal: Alvan on Manahatli, en Ebal, on Sel'o, en Onam. 24 En dit zijn do zonen van Zibeon: Aja on Ana ; hij is die Ana, die de muilen in do woestijn ji'e-vonden heeft, toon hij do ezels van zijnen vader Zibeon weidde. 25 En dit zijn de zonen van Ana: Dison; en Aholibama was do dochter van Ana. 2C En dit zijn do zonen van Dison: Hemdan en Esban, en Ithran, en Cheran. 27 Dit zijn do zonen van Ezer: Bilhan, on Zaii-van, en Akan. 28 Dit zijn do zonen van Disan: Uz on Aran. 29 Dit zijn do vorsten dor Horioten: do vorst Lotan, de vorst Sobal, de vorst Zibeon, de vorst Ana, 30 De vorst Dison, do vorst Ezer, de vorst Disan: dit zijn de vorsten dor Horioten, naar hunne vorsten in hot land Soïr. 31 quot;En dit zijn de koningen, die geregeerd hebben in hot land Edom, eer een koning regeerde over de kinderen Israels. a 1 Kron. 1 :43. 32 Bela dan, do zoon van Boor, regeerde in Edom, en do naam zijner stad was Dinhaba. 33 En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zorah , van Bozra, regeerde in zijne plaats. 34 En Jobab stierf, en Husam, uit der Tema-nieton land, regeerde in zijne plaats. 35 En Husam stierf, en in zijne plaats regeerde Hadad, de zoon van Bodad, die Midian versloeg in hot veld van Moab; en de naam zijner stad was Avith. 36 En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijne plaats. 37 En Samla stierf, on Saul van Rohoboth, aan do rivier, regeerde in zijne plaats. 38 En Saul stierf, en Baal-Hanan, do zoon van Achbor, regeerde in zijne plaats. 39 En Baal-Hanan, do zoon van Achbor, stierf, en Hadar rogeorde in zijne plaats; on de naam zijner stad was Palm ; on do naam zijnor huisvrouw was Mohetabeöl, oeno dochter van Matrod, do dochter van Moo-zahab. 40 quot;En dit zijn do namen dor vorsten van Ezau, naar hunne geslachten, naar hunne plaatsen, mot hunne namen: do vorst Timna, de vorst Alva, de vorst Jetheth, a 1 Kron. I : 51. 41 Do vorst Aholibama, de vorst Ela, do vorst Pinon, 42 De vorst Kenaz, de vorst Toman, de vorst Mibzar, 43 De vorst Magdiöl, do vorst Irani: dit zijn de vorsten van Edom, naar hunne woningen, in liet hot land hunner bezitting: hij is Ezau, do vader van Edom. |
HOOFDSTUK 37. Jozef, boven zijne broederen door Jakob bemind zijnde, wordt om deze reden van bon gehaat, vs. I ; voornamelijk wegens het verhaal zijner droomen, 5. Waarom zij zamenspannen om hom (als hij oj) zijns vaders last tot hen te Dothan kwam) om ie brengen, 12; maar zij werpen hem, op Rubens voorspraak, in eon' kuil, 21. Verkoopen hom daarna op raad van Juda aan voorbij reizende Ismaëlieten, die hem naar Egypte voeren, 26. Zijne broeders bedekken hunne daad door bedrog bij Jakob, 31; die groot misbaar maakt over hot verlies van Jozef, 33; deze wordt intusschen aan Pótifar verkocht, 36. EN Jakob woonde in hot quot;land dor vroomdo-lingschappon zijns vaders, in hot land Kanaan. a Gen. 36 : 7. Hebr. 11:9. 2 Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde do kudde mot zijne broeders, (en hij was oen jongeling) mot do zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijns vaders vrouwen; on Jozef bragt hun kwaad gerucht tot hunnen vader. 3 En Israël had Jozef lief, boven al zijne zonen: want hij was hom een zoon des ouderdoms; en hij maakte hem oenen voolverwigen rok. 4 Als nu zijne broeders zagen, dat hun vader hom boven al zijne broodoren liefhad, quot;haatten zij hem , on konden hem niet vredelijk toespreken. a Gon. 49 : 23. 5 Ook droomde Jozef oenen droom, dien hij aan zijne broederen vertelde; daarom haatten zij hem nog to meer. 6 En hij zoido tot hen: Hoort toch dezen droom, dien ik gedroomd heb. 7 En ziet, wij waren schoven bindende in hot midden dos velds; en ziet, mijne schoof stond op, en bloof ook staande; on ziet, uwe schoven kwamen rondom, on bogen zich neder voor mijne schoof. 8 Toen zeiden zijne broeders tot hom: Zult gij dan ganschelijk over ons regeren? zult gij dan ganschelijk over ons heerschen? Zoo haatten zij hem nog te meer, om zijne droomon en om zijne woorden. 9 En hij droomde nog oenen anderen droom, en verhaalde dien aan zijne broederen; en hij zoido: Ziet, ik heb nog oenen droom gedroomd, en ziet, de zon, on do maan, en elf sterren bogen zich voor mij neder. 10 En als hij het aan zijnen vader en aan zijne broederen verhaalde, bestrafte hem zijn vader, en zeide tot hom: Wat is dit voor oen droom, dien gij gedroomd hebt? zullen wij dan ganschelijk komen, ik, en uwe moedor, en uwe broeders, om ons voor u ter aarde te buigen? 11 Zijne broeders dan quot;benijdden hom; doch zijn vader bewaarde deze zaak. a Hand. 7 :9. 12 En zijne broeders gingen heen, om de kudde van hunnen vader te weiden bij Sichom. 13 Zoo zeide Israël tot Jozef: Weiden uwe broeders niet bij Sichom ? kom, dat ik u tot hen zonde. En hij zeido tot hom: Zie, hier ben ik! |
PtENESIS 37.
45
|
14 En hij zeide tot hem: Ga toch hoen, zie naar den welstand van uwe broederen, en naar den welstand van do kudde, en breng mij een woord wederom. Zoo zond hij hem uit liet dal Hebron, en hij kwam te Sichem. 15 En een man vond hom (want ziet, hij was dwalende in hot veld); zoo vraagde hem deze man, zeggende: Wat zoekt gij ? 1(5 En hij zoide: Ik zoek mijne broederen; geef mij toch te kennen, waar zij weidon. 17 Zoo zeide die man: Zij zijn van hier gereisd, want ik hoorde hen zoggen ; Laat ons naar Dothan gaan. Jozef dan ging zijne broederen na, en vond hen te Dothan. |
18 En zij zagen hem van verre; en eer hij tot uit hunne hand verloste, om hom tot zijnen vader weder te brengen. 23 En het geschiedde, als Jozef tot zijne broederen kwam, zoo togen zij Jozef zijnen rok uit, den veolvorwigen rok, dien hij aanhad. 24 En zij namen hom, en wierpen hom in don kuil; doch de kuil was ledig, er was geen water in. 25 Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hunne oogen op, on zagen, en ziet, een reisgezelschap van Isinaölieten kwam uit Giload; en hunne kemelen droegen specerijen en balsem en mirre, reizende, om dat af te brongen naar Egypte. 20 Toon zeide Juda tot zijne broederen: Wat |
|
hen naderde, sloegen zij togen hom oenen listigen raad, om hem te dooden. li) En zij zeiden de een tot den ander: Ziet, daar komt die meester-droomer aan! 20 Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan, en hom in oen' dezer kuilen werpen; en wij zullen zeggen: Een boos dier heeft hem opgegoten; zoo zullen wij zien, wat van zijne droomen worden zal. 21 Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hunne hand; quot;en hij zeide: Laat ons hem niet aan hot loven slaan. a Gen. 42 : 22. 22 Ook zoide Ruben tot hen : Vergiet geen bloed, werpt hom in dozen kuil, die in do woestijn is, en legt de hand niet aau hem; opdat hij hem gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan, en zijn bloed verbergen? |
27 Komt, en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkoopen, en onze hand zij niet aan hem: want hij is onze broeder, ons vleesch; en zijne broeders hoorden hem. 28 Als nu do midianiotische kooplieden voorbij-togen, zoo trokken en hieven zij Jozef op uit don kuil, en quot;verkochten Jozef aan deze Ismaëlieten voor twintig zilverlingen; die bragten Jozef naar Egypte. n Ps. 105:17. Hand. 7:0. 29 Als nu Ruben tot den kuil wederkeerde, ziet, zoo was Jozef niet in den kuil; toen scheurde hij zijne kleederon. 30 En hij keerde weder tot zijne broederen, en |
GENESIS 37, 38.
40
|
zeide: De jongeling is er niet; en ik, waar zal ik heengaan? 31 Toen namen zij Jozefs rok, en zij slagtten eenen geitenhok, en zij doopten den rok in hot bloed. 32 En zij zonden den veelverwigon rok, en do-don hem tot himnen vader brongen, en zeiden: Dezen hebben wij gevonden; beken toch, of doze uws zoons rok zij, of niet. 33 En hij bekende hem, en zeide: Het is mijns zoons rok! quot;oen boos dier heeft hom opgegoten! voorzeker is Jozef verscheurd! a Gon. 44; 28. 34 Toon scheurde Jakob zijne kleedoren, en leido oenen zak om zijne lenden; en hij bedroef rouw over zijnen zoon vele dagen. 35 En al zijne zonen, en al zijne dochteron maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: quot;Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijnon zoon in hot graf nederdalen. Alzoo beweende hem zijn vader. a Gon. 42 : 38. 44:29, 31. 36 quot;En do Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Pótifar, oenen hoveling van Farao, overste der trawanten. a Gon. 30:1. Ps. 105: 17. HOOFDSTUK 38. Jnda trouwt conc Kanailniotische vrouw, dio iiem drie zonen baart, vs. 1. Hij geeft den eerste aan Thamar, als ook (nadat do oorste van God gedood was) don tweede, on als ook deze van God gedood was, belooft liij haar don dorde, 0; maar zijne belofte niot houdondo, zoo begaat Thamar door oeno arglistige handelwijze bloedschande met Jnda, 13, en de straf daarvan om zijnentwil ontgaande, 24, baart zij hem in eenc dragt twee zonen, Perez on Zera, 27. EN hot geschiedde ton zolvon tijde, dat Juda van zijne broederen aftoog, en hij koorde in tot oenen man van Adullam, wiens naam was Hira. 2 En quot;Juda zag aldaar de dochter van oen' ka-naiinietisch man, wiens naam was Sua; en hij nam haar, en ging tot haar in. a 1 Kron. 2:3. 3 En zij word bevrucht, en baarde eenen zoon, en hij noemde zijnon naam Er. 4 Daarna werd zij weder bevrucht, on baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen naam Onan. 5 En zij voor nog voort, en baarde oenen zoon, en noemde zijnen naam quot;Sela; doch hij was te Chezih, toen zij hem baarde. a Num. 2G : 20. (i Juda nu nam oeno vrouw voor Er, zijnen eerstgeborene, en haar naam was Thamar. 7 Maar Er, do eerstgeborene van Juda, was kwaad in des Heeren oogon; daarom doodde hem de Heere. 8 Toon zeide Juda tot Onan: Ga in tot uws broeders huisvrouw, en trouw haar in uws broeders naam, en verwok uwen broeder zaad. 9 Doch Onan, wetende, dat dit zaad voor hom niet zoude zijn, zoo geschiedde het, als hij tot zijns broeders huisvrouw inging, dat hij hot ver-dorf togen de aarde, om zijnen broeder geen zaad te geven. |
10 En hot was kwaad in dos Heeren oogon, wat hij dood; daarom doodde Hij hom ook. 11 Toon zeide Juda tot Thamar, zijne schoondochter: Blijf weduwe in uws vaders huis, totdat mijn zoon Sela groot wordt: want hij zoido: Dat niot misschien deze ook storve, gelijk zijne broeders! Zoo ging Thamar hoen, en bleef in baars vaders huis. 12 Als nu vele dagen verloopen waren, stierf do dochter van Sua, de huisvrouw van Juda; daarna troostte zich Juda, on ging op tot zijne sehaapscheorders naar Timna toe, hij en Hira, zijn vriend, do Adullamiet. 13 En men gaf Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna, om zijne schapen te schoren. 14 Toon loide zij do kloedoron van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich mot oenen sluijer, en bewond zich, en zotte zich aan den ingang dor twoo fonteinen, die op den weg naar Timna is: want zij zag, dat Sola groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven. 15 Als Juda haar zag, zoo hield hij haar voor oeno hoor, overmits zij haar aangezigt bedekt had. 16 En hij week tot haar naar den weg, en zoido: Kom toch, laat mij tot u ingaan: want hij wist niet, dat zij zijne schoondochter was. En zij zoido: Wat zult gij mij geven, dat gij tot mij ingaat! 17 En hij zeide: Ik zal u oenen geitenhok van de kudde zonden. En zij zoido: Zoo gij pand zult geven, totdat gij hem zendt. 18 Toen zoido hij: Wat pand is hot, dat ik u geven zal? En zij zoido: Uwen zegelring en uw snoer, en uwen staf, die in uwe hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in; en zij ontving bij hom. 1!) En zij maakte zich op, en ging hoen , en loido haren sluijer van zich af, en zij trok aan do kloedoron van haar weduwschap. 20 En Juda zond den geitenhok door do hand van zijnon vriend, den Adullamiet, om hot pand uit de hand der vrouw te nemen; maar hij vond haar niet. 21 En hij vraagde do lieden van hare plaats, zeggende: Waar is do hoor, die bij deze twee fonteinen aan den weg was? En zij zeidon: Hier is goone hoor geweest. 22 En hij koorde weder tot Juda, en zoido: Ik heb haar niot gevonden; en ook zeidon do lieden van die plaats: Hier is goone hoer geweest. 23 Toen zeide Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachting worden; zie, ik bob dozen bok gezonden ; maar gij bobt haar niot gevonden. 24 En het geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Thamar, uwe schoondochter, hoeft gohooroerd , en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zoido Juda: Breng zo hervoor, dat zij verbrand wordo! 25 Als zij voorgobragt werd, schikte zij tot |
GENESIS 38, 89.
47
|
haren zweer, om te zeggen: Bij den man, wiens deze dingen zijn, hon ik zwanger; en zij zoido: Beken toch, wiens deze zegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn. 2() En Juda kende ze, en zeide: Zij is regtvaar-diger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijnen zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet moer. 27 En het geschiedde ten tijde, als zij baren zou, ziet, quot;zoo waren tweelingen in haren buik. a 1 Kron. 2 : 4. 28 En het geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw nam dezelve, en zij bond een' scharlaken draad om zijne hand, zeggende: Deze komt liet eerst uit. 29 Maar liet geschiedde, als hij zijne hand weder intoog, ziet, zoo kwam fzijn broeder uit; en zij zeide: Hoe zijt gij doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijnen naam quot;Perez. n Matt. 1 : 3. 30 En daarna kwam zijn broeder uit, om wiens hand do scharlaken draad was; on men noemde zijnen naam Zora. HOOFDSTUK 39. .Tozof wordt in zijne dienst bij Pótifar al/.oovan God gezegend, dat zijn heer hom over hot ganseho huis stolt, vs. 2. Do vrouw zijns hoeren wordt, wegens zijne schoonheid, op hom vorliofd, en verzoekt hom tot onkuischheid; hetwelk hij vol-standiglijk weigerende, door haar valscholijk ver-klaagd wordt, eerst bij hot huisgezin, daarna bij zijnen hoor, dio hom daarover in do gevangenis levert, 10. Alwaar God ook met Jozef is, zoodanig, dat hij over do gevangenis gestold wordt, 20. JOZEF nu quot;word naar Egypte afgevoerd; en Pótifar, een hoveling van Farao, een overste der trawanten, een egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaölieten, die hem derwaarts afgevoerd hadden. a Gen. 37 : 28. Ps. 105 : 17. 2 En de Heere quot;was met Jozef, zoodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijnen heer, den Egyptenaar, a vs. 21 Hand. 7:0. 3 Als nu zijn heer zag, dat de Heere met hem was, en dat de Heere al wat hij deed, door zijne hand voorspoedig maakte: |
4 Zoo vond Jozef genade in zijne oogen, on diende hem; en hij stelde hem over zijn huis, en al wat hij had, gaf hij in zijne hand. 5 En liet geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat de Heere des Egyptenaars huis zegende, om Jozefs wil; ja de zegen des Hee-ren was in alles wat hij had, in het huis en in het veld. 6 En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zoodat hij met hem van ge611 ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante, en schoon van aangezigt. 7 En het geschiedde na deze dingen, quot;dat de huisvrouw zijns heeren hare oogen op Jozef wierp ; en zij zeide: Lig bij mij! a Sin-. 7:13. 8 Maar hij weigerde hot, en zeide tot do huisvrouw zijns heeren: Zio, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in hot huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijne hand gegeven. 9 Niemand is grooter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijne huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zoo groot kwaad doen, on zondigen tegen God! 10 En het geschiedde , als zij Jozef dag op dag aansprak , en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn; 11 Zoo gebeurde hot op zulk oenen dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis. 12 En zij greep hom bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in hare hand, en vlugtte, en ging uit naar buiten. 13 En het geschiedde, als zij zag, dat hij zijn kleed in hare hand gelaten had, en naar buiten gevlugt was: 14 Zoo riep zij de lieden van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij hoeft ons den ho-breeuwschen man ingebragt, om mot ons te spotten; hij is tot mij gekomen, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stom; |
GENESIS 39, 40, 41.
48
|
15 En liet geschiedde, als hij hoorde, dat ik ] mijne stem verhief, en riep; zoo verliet hij zijn kleed bij mij, en vlugtte, en ging uit naar buiten. Ki En zij leide zijn kleed bij zich, totdat zijn lieer in zijn huis kwam. 17 Toen sprak zij tot iiein naar diezelfde woorden, zeggende: De hebreeuwsche knecht, dien gij ons hebt ingebragt, is tot mij gekomen, om met mij te spotten. 18 En het is geschied, als ik mijne stem verhief, en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet, en vlugtte naar buiten. 19 En hot geschiedde, als zijn lieer de woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan, zoo ontstak zijn toorn. 20 En Jozefs heer nam hem, en leverde quot;hem in het gevangenhuis, tor plaatse, waar des konings gevangenen gevangen waren; alzoo was hij daar in hot gevangenhuis. a Ps. 105; 18. 21 Doch de Heere was met Jozef, en wendde zijne goedertieren hoid tot hem; en gaf hem genade in de oogen van den overste van het gevangenhuis. 22 En de overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen, die in liet gevangenhuis waren, in Jozefs hand; en al wat zij daar deden, deed hij. 23 De overste van hot gevangenhuis zag gansch o]) geen ding, dat in zijne hand was, overmits dat de Heere met hem was; en wat hij deed, dat deed de Heere wol gedijen. HOOFDSTUK 40. Do opperste schenker en bakker van Farao worden in do gevangenis gozet en Jozef aanbevolen, vs. 1. Zij droomen elk een' droom, dien Jozef hun uitlegt met verzoek aan don schenker, dat hij, in zijn ambt volgens zijnon droom hersteld zijnde, aan hem ten beste wilde gedenken, 5. Jozefs uitlegging wordt aan beide gevangenen met der daad bevestigd, maaide schenker vergeet Jozef, 20. EN het geschiedde na deze dingen, dat de schenker des konings van Egypte, en de bakker, zondigden tegen hunnen heer, tegen don koning van Egypte. 2 Zoodat Farao zeer toornig werd op zijne twee hovelingen, op den overste der schenkers, en op den overste der bakkers. 3 En hij leverde hen in bewaring, ten huize van den overste der trawanten, in het gevangenhuis, ter plaatse, waar Jozef gevangen was. 4 En de overste dor trawanten bestelde Jozef bij hen, dat hij hen diende; en zij waren sommige dagen in bewaring. 5 Zij droomden nu beiden eenen droom, elk zijnen droom, in eenen nacht, elk naar do uitlegging zijns drooms, de schenker en de bakker, die des konings van Egypte waren, die gevangen waren in het gevangenhuis. 6 En Jozef kwam dos morgens tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij waren ontsteld. |
7 Toen vraagde hij de hovelingen van Farao, die bij hom waren in hechtenis van het huis zijns hoeren, zeggende: Waarom zijn uwe aangezigten heden kwalijk gesteld? 8 En zij zeiden tot hem: Wij hebben eenen droom gedroomd, en er is niemand, die hem uit-legge. En Jozef zeide tot hen: Zijn de uitleggingen niet van God? vertelt ze mij toch. 9 Toen vertelde de overste der schenkers Jozef zijnen droom, en zeide tot hem: In mijnen droom, zie, zoo was een wijnstok voor mijn aangezigt; 10 En aan den wijnstok waren drie ranken; en hij was als bottende, zijn bloeisel ging op, zijne trossen bragten rijpe druiven voort. 11 En Farao's beker was in mijne hand; en ik nam die druiven, en drukte ze uit in Farao's beker, en ik gaf den beker op Farao's hand. 12 Toen zeide Jozef tot hom: Dit is zijne uitlegging: de drie ranken zijn drie dagen. 13 Binnen nog drie dagen zal Faraö uw hoofd verheffen, en zal u in uwen staat herstellen; en gij zult Farao's beker in zijne hand geven, naaide vorige wijze, toen gij zijn schenker waart. 14 Doch gedenk mijner bij u zeiven, wanneer hot u wel gaan zal, en doe toch weldadigheid aan mij, en doe van mij melding bij Faraö, en maak, dat ik uit dit huis kome. 15 Want ik ben diefelijk ontstolen uit het land dor Hebreen; en ook heb ik hier niets gedaan, dat zij mij in dezen kuil gezet hebben. 16 Toen de overste der bakkers zag, dat hij eeno goede uitlegging gedaan had, zoo zeide hij tot Jozef: Ik was ook in mijnen droom, en zie, drie getraliede korven waren op mijn hoofd. 17 En in den oppersten korf was van alle spijze van Faraö, die bakkerswerk is; en het gevogelte at dezelve uit den korf, van boven mijn hoofd. 18 Toen antwoordde Jozef, en zeide: Dit is zijne uitlegging: de drie korven zijn drie dagen. 19 Binnen nog drie dagen zal Faraö uw hoofd verheffen van boven u, en hij zal u aan een hout hangen, en het gevogelte zal uw vleesch van boven u eten. 20 En het geschiedde op den derden dag, den dag van Farao's geboorte, dat hij voor al zijne knechten eenen maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van don overste der schenkers, en hot hoofd van den overste der bakkers, in het midden zijner knechten. 21 En hij deed den overste der schenkers weder-keeren tot zijn schonkambt, zoodat hij den beker op Farao's hand gaf. 22 Maar den overste der bakkers hing hij op; gelijk Jozef hun uitgelegd had. 23 Doch de overste der schenkers gedacht aan Jozef niet, maar vergat hem. HOOFDSTUK 41. Faraö twoe droomen gedroomd hebbende, en ondor zijn volk niemand vindende, die ze kon uitleggen, gedenkt de opperste schenker aan Jozef, vs. 1, dien |
|
Farao uit do gevangenis voor zich (loot brongen on hom zijne droomen verhaalt, 'lio Jozef uitlogt; tc golijk geett liij Faraii goeden raad tegen don toekomenden duren tijd, 14. Daarom stolt Faraö hom tot oonon Regent naast zich over zijn gansciio rijk, veroeit hem hoogelijk, vernoemt hem, en geeft hem eeno vrouw, 37. Jozef nu dertig jaren oud zijnde, reist door gansch Egypte, en bestelt voorraad in de zeven goedo jaren, 40. Gewint twee zonen, Ma-nnsso en Efraïm, 50. Do kwade jaren komen aan, waarin Jozef van den voorraad van liet koren aan zijn volk verkoopt, 54. EN hot gesehioddc ten einde van twee volle jaren, dat Faraö droomde, en ziet, hij stond aan do rivier. 2 En ziet, uit do rivier kwamen op zeven koeijen, schoon van aanzien, en vet van vleescli, en zij weidden in het gras. 3 En ziet, zeven andere koeijen kwamen na die |
49 wijzen, die daarin waren; en Faraö vertelde hun zijnen droom; maar er was niemand, die ze aan Faraö uitleide. a Dan. 2:2. 9 Toen sprak de overste der schenkers tot Faraö, zeggende: Ik gedenk heden aan mijne zonden. 10 Faraö was zeer vertoornd op zijne dienaars, en leverde mij in bewaring ton huize van den overste der trawanten, mij en den overste der bakkers. 11 En quot; in eenen nacht droomden wij eenen droom, ik en hij; wij droomden, elk naar de uitlegging zijns drooms. a Gon. 40 : 5. 12 En aldaar was bij ons een hebreeuwsch jongeling, een knecht van den overste der trawanten; en wij vertelden ze hom, en hij leide ons onze droomen uit, een' ieder leide hij ze uit, naar zijnen droom. GENESIS 41. |
|
op uit de rivier, leelijk van aanzien, en dun van vloesch; en zij stonden bij de andere koeijen aan den oever der rivier. 4 En die koeijen, leelijk van aanzien, en dun van vleesch, aten op die zeven koeijen, schoon van aanzien en vet. Toen ontwaakte Faraö. 5 Daarna sliep hij en droomde andermaal; en ziet, zeven aren rezen op, in eenen halm, vet on goed. G En ziet, zeven dunne en van den oostewind verzengde aren, schoten na dezelve uit. 7 En de dunne aren verslonden do zeven vette en volle aren. Toen ontwaakte Faraö, en ziet, iiet was een droom. S. En het geschiedde in den morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en quot; riep al de toovenaars van Egypte, en al de |
13 En gelijk hij ons uitleide, alzoo is het geschied: mij heeft hij hersteld in mijnen staat, en hem gehangen. 14 Toen zond Faraö quot;en riep Jozef, en zij deden hom haastelijk uit den kuil komen; en men schoor hem, en men veranderde zijne kleederen; en hij kwam tot Faraö. a I's. 105 : 20. Dan. 2 : 25. 15 En Faraö sprak tot Jozef: Ik heb eenen droom gedroomd, en er is niemand, die iiem uit-legge; maar ik hob van u hooren zeggen, ah gij eenen droom hoort, dat gij hom uitlegt. 10 En Jozef antwoordde Faraö, zeggende: Het is buiten mij! God zal Faraö's welstand aanzeggen. 17 Toen sprak Faraö tot Jozef: Zie, in mijnen droom stond ik aan den oever der rivier; 18 En zie, uit de rivier kwamen op zeven 4 |
(lENESIS 41.
50
|
koeijen, vet van vleesch en schoon van gedaante, en zij weidden in liet gras. 19 En zie, zeven andere koeijen kwamen op na dezen, mager en zeer leelijk van gedaante, rank van vleesch; ik heb dergelijke van leelijkheid niet gezien in hot gansche Egypteland. 20 En die ranke en leelijke koeijen aten die eerste zeven vette koeijen op; 21 Dewelke in haren buik inkwamen, maar men merkte niet, dat ze in haren buik ingekomen waren: want haar aanzien was leelijk, gelijk als in het begin. Toen ontwaakte ik. 22 Daarna zag ik in mijnen droom, en zie, zeven aren rezen op in eenen halm, vol en goed. 23 En zie, zeven dorre, dunne ot van den ooste-wind verzengde aren, schoten na dezelve tilt; 24 En de zeven dunne aren verslonden die zeven goede aren. En ik heb het den toovenaars gezegd, maar er was niemand, die het mij verklaarde. 25 Toen zeide Jozef tot Faraö: De droom van Farao is een: hetgeen ftod is doende, heeft Hij Faraö te kennen gegeven. 26 Die zeven schoone koeijen zijn zeven jaren; die zeven schoone aren zijn ook zeven jaren: de droom is een. 27 En die zeven ranke en leelijke koeijen, die na genen opkwamen, zijn zeven jaren; en die zeven ranke van den oostewind verzengde aren zullen zeven jaren des hongers wezen. 28 Dit is het woord, hetwelk ik tot Faraö gesproken heb: hetgeen God is doende, heeft Hij Faraö vertoond. 2!) Zie, de zeven aankomende jaren, zal er groote overvloed in hot gansche land van Egypte zijn. 30 Maar na dezelve zullen er opstaan zeven jaren dos hongers; dan zal in het land van Egypte al die overvloed vergoten worden; en de honger zal hot land verteren. 31 Ook zal do overvloed in het land niet gemerkt worden, van wege dionzelven honger, die daarna wezen zal: want hij zal zeer zwaar zijn. 32 En aangaande, dat die droom aan Faraö ten tweede maal is herhaald, is, omdat de zaak van God vast besloten is, on dat God haast, om dezelve te doen. 33 Zoo zie nu Faraö naar oenen verstandigen en wijzen man, en zotte hom over het land van Egypte. 34 Faraö doe zoo, en bestollo opzieners over het land; en neme hot vijfde doel des lands van Egypte in do zeven jaren dos overvloeds. 35 En dat zij alle spijze van deze aankomende goede jaren verzainelen, on koren opleggen, onder do hand van Faraö, tot spijze in do steden, en bewaren hot. 36 Zoo zal de spijze zijn tot voorraad voor hot land, voor zeven jaren des hongers, die in Egypteland wezen zullen; opdat het land van honger niet verga. |
37 quot; En dit woord was goed in do oogen van Faraö, on in de oogen van al zijne knechten. a Hand. 7 :10. 38 quot;Zoo zoido Farao tot zijne knechten: Zouden wij wol oenen man vindon als dozen, in wolken Gods Geest isV « Ps. 105:22. 39 Daarna zeide Faraö tot Jozef: Naardien God u dit alles heeft verkondigd, zoo is er niemand zoo verstandig en wijs, als gij. 40 Gij zult quot;over mijn huis zijn, on op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen dezen troon zal ik grooter zijn dan gij. n Ps. 105:21. 41 Voorts sprak Faraö tot Jozef: Zie, ik heb u over gansch Egypteland gestold. 42 En Faraö nam zijnen ring van zijne hand af, en dood hom aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen kloedoren aantrekken, en loido hom eone gouden koten aan zijnon hals. 43 En hij dood hem rijden op don tweeden wagon, dien hij had; en zij riepen voor zijn aango-zigt: Knielt! Alzoo stelde hij hom over gansch Egypteland. 44 En Faraö zoido tot Jozef: Ik bon Faraö! doch zonder u zal niemand zijne hand of zijnen voet opheffen in gansch Egypteland. 45 En Faraö noemde Jozefs naam, Zafnath Paanéah, en gaf hom Asnath, do dochter van Potiféra, overste van On, tot eone vrouw; en Jozef toog uit door hot land van Egypte. 40 Jozef nu was dertig jaren oud, als hij stond voor het aangezigt van Faraö, koning van Egypte; on Jozef ging uit van Faraö's aangezigt, en hij toog door gansch Egypteland. 47 En liet land bragt voort, in do zeven jaren dos overvloeds, bij handvollon. 48 En hij vergaderde allo spijze der zeven jaren, die in Egypteland was, on dood do spijze in de steden; do spijze van het veld van elke stad, hetwelk rondom haar was, deed hij daar binnen. 49 Alzoo bragt Jozef zeer voel koren bijeen, als het zand dor zoo, totdat men ophield to tollen, want daarvan was geen getal. 50 quot;En Jozef werden twee zonen geboren, eer er oen jaar des hongers aankwam, die Asnath , de dochter van Potiféra, overste van On, hom baarde. « Gen. 40 : 20. 48 : 5. 51 En Jozef noemde den naam dos oorstgobore-non Manasse: Want, zeide hij, God hoeft mij doen vergeten al mijne moeite, en hot gansche huis mijns vaders. 52 En don naam des tweeden noemde iiij Efraïm: Want, zeide hij, God hoeft mij doen wassen in het land mijner verdrukking. 53 Toon eindigden de zeven jaren des overvloeds, die in Egypte geweest was. 54 quot;En de zeven jaren dos hongers begonnen aan te komen, gelijk als Jozef gezegd had. En or was honger in al do landen, maar in gansch Egypteland was brood. n Oon. 45:0. I's. 105: 10. 55 Als nu gansch Egypteland hongerde, riep |
OENKSIS 41, 42.
r.i
|
het volk tot Farao om brood; en Faraö zoido tot alle Egyptenaren: Gaat tot Jozef, doet wat liij u zegt. 56 Als dan honger over het gansche land was, zoo opende Jozef alles, waarin iets was, en verkocht aan de Egyptenaren: want de honger werd sterk in Egypteland. 57 En allo landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te koopen; want de honger was sterk in alle landen. HOOFDSTUK 42. Als Jakob hoorde, dat in Egypte koren te bekomen was, zendt hij derwaarts al zijne zonen, behalve Benjamin, vs. 1. Zij buigen zich voor Jozef, dien zij niet kennen; maar hij kont hen, spreekt hon hard aan en zot hen als verspieders gevangen, 6. Hij bedingt Benjamin tot zich te brengen, houdt Simeon in bewaring en laat hen mot koren on hun gold wederom trokken, 18. Onderweg wordt een van hon zijn geld gewaar in den zak, 27. Te huis komende, vertollen zij Jakob hun wedervaren en vinden allen hun geld, 29. Zij pogen Jakob te overreden, om Benjamin mot bon te laten gaan naar Egypte, maar hij klaagt zeer on kan daartoe niet besluiten, 3G. TOEN Jakob zag, dat or koren in Egypte was, zoo zeide Jakob tot zijne zonen: Waarom ziot gij op elkander? 2 Voorts zeide hij: Ziot, quot;ik heb gehoord, dat er koren in Egypte is; trekt daarhenen af, en koopt ons koren van daar, opdat wij loven en niet sterven. n Hand. 7:12. !! Toen togon Jozefs tien broederen af, om koren uit Egypte te koopen. 4 Doch Benjamin, Jozefs broeder, zond Jakob niet mot zijne brooderen: want hij zeide: Opdat hem niet misschien het verderf ontmoete! 5 Alzoo kwamen Israels zonen om te koopen, onder degenen, die daar kwamen: want do honger was in het land Kanaan. (i Jozef nu was regent over dat land; hij verkocht aan al bet volk des lands; en Jozefs broederen kwamen, quot;en bogen zich voor hem, uicl de aangezigten ter aarde. a Oon. :gt;7 :7. 7 Als Jozef zijne broederen zag, zoo kende hij hen; maar hij hield zich vreemd jegens hen, en sprak hard met bon , en zeide tot hen: Van waar komt gij? En zij zeiden: Uit liet land Kanaan, om spijze te koopen. 8 Jozef dan kende zijne broederen; maar zij kondon hom niet. ï) Toen gedacht Jozef quot;aan de droomen, die hij van hen gedroomd had; en hij zeide tot hen: (Jij zijt verspieders, gij zijt gekomen om te be-zigtigen, waar hot land bloot is. a Gen. 157 : 5. 10 En zij zeiden tot hem: Neen, mijn lieer! maar uwe knechten zijn gekomen, om spijze te koopen. 11 Wij allen zijn ééns mans zonen; wij zijn vroom; uwe knechten zijn geen verspieders. 12 En hij zeide tot hen: Neen, maar gij zijt gekomen, om te bezigtigen, waar het land bloot is. |
li! En zij zeiden: Wij uwe knechten waren twaalf gebroeders, ééns mans zonen , iu het land Kanaan; en zie, quot;de kleinste is lieden bij onzen vader; doch do een is niet meer. a Gen. 43 : 29. 14 Toen zeide Jozef tot hen: Dat is het, wat ik tot u gesproken heb, zeggende: Gij zijt verspieders ! 15 Hierin zult gij beproefd worden: zoo waarlijk als Faraö leeft! indien gij van hier zult uitgaan, tenzij dan, wanneer uw kleinste broeder herwaarts zal gekomen zijn! l(i Zendt eenen uit u , die uwen broeder hale; maar woest gijlieden gevangen, en uwe woorden zullen beproefd worden, of de waarheid bij u zij; en indien niet, zoo waarlijk als Faraö leeft, zoo zijt gij verspieders! 17 En hij zette hen zamen drie dagen in bewaring. 18 En ten derden dage zeide Jozef tot ben: Doet dit, zoo zult gij loven; ik vrees God. 19 Zoo gij vroom zijt, zoo zij een uwer broederen gebonden in het huis uwer bewaring; en gaat gij heen, brengt hot koren voor den honger uwer huizen. 20 En quot;brengt uwen kleinsten broeder tot mij, zoo zullen uwe woorden waar gemaakt worden; en gij zult niet sterven. En zij deden alzoo. a (ion. 43 : 5. 44: 23. 21 Toen zeiden zij de een tot den ander: Voorwaar wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benaauwdheid der ziele wij zagen, toen hij ons om genade bad, maar wij hoorden niet! daarom komt deze benaauwdheid over ons. 22 En Ruben antwoordde hun, zeggende: quot; Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zeide: Zondigt niet aan dezen jongeling! maar gij hoordet niet; en ook zijn bloed, ziet, het wordt gezocht! a Gen. 37 : 21, 22. 23 En zij wisten niet, dat het Jozef hoorde: want daar was een taalman tusschen hen. 24 Toen wendde hij zich om van hen af, en weende; daarna keerde hij weder tot hen, en sprak tot hen, en nam Simeon van hen, en bond hem voor hunne oogen. 25 En Jozef gebood, dat men hunne zakken met koren vullen zou. en dat men hun geld wederkeerde, een' iegelijk in zijnon zak, en dat men hun teerkost gave tot den weg; en men deed hun alzoo. 26 En zij laadden hun koren op hunne ezels, en togen van daar. 27 Toen oen zijnen zak opendeed, om zijnen ezel voeder te geven in de herberg, zoo zag hij zijn geld, want ziet, het was in den mond van zijnen zak. 28 En hij zeide tot zijne broederen: Mijn geld is wedergekeerd, daartoe ook, ziet, het is in mijnon zak! Toen ontging hun het hart, en zij verschrikten, de een tot den ander zeggende: Wat is dit, dat ons God gedaan heeft! 29 En zij kwamen in het land Kanaan, tot Ja- |
GENESIS 42, 43.
52
|
kob, hunnen vader; en zij gaven hem te kennen al hun wedervaren, zeggende: 30 Die man, de heer van dat land, heeft hard met ons gesproken; en hij heeft ons gehouden voor verspieders des lands. 31 Maar wij zeiden tot hem: Wij zijn vroom; wij zijn geen verspieders. 32 Wij waren twaalf gebroeders, zonen van onzen vader; de een is niet meer, en de kleinste is heden bij onzen vader in het land Kanaiin. 33 En die man, de heer van dat land, zeide tot ons: Hieraan zal ik bekennen, dat gijlieden vroom zijt: laat eenen uwer broederen bij mij, en neemt voor den honger uwer huizen, en trekt heen. 34 En brengt uwen kleinsten broeder tot mij; zoo zal ik weten, dat gij geen verspieders zijt, maar dat gij vroom zijt; uwen broeder zal ik u wedergeven, en gij zult in dit land handelen. 35 En het geschiedde, als zij hunne quot;zakken ledigden, ziet, zoo had een iegelijk den bundel zijns gelds in zijnen zak, en zij zagen de bundelen huns gelds, zij en hun vader, en zij waren bevreesd. a vers. 25. Oen. 44 :1. 36 Toen zeide Jakob, hun vader, tot hen: Gij berooft mij van kinderen! Jozef is er niet, en Simeon is er niet, nu zult gij Benjamin wegnemen! al deze dingen zijn tegen mij! 37 Toen sprak Ruben tot zijnen vader , zeggende: Dood twee mijner zonen, zoo ik hem tot u niet wederbreng; geef hem in mijne hand, en ik zal hem weder tot u brengen! 38 Maar hij zeide: Mijn zoon zal met ulieden niet aftrekken: want zijn broeder is dood, en hij is alleen overgebleven; zoo hem een verderf ontmoette op den weg, dien gij zult gaan, zoo zoudt gij mijne graauwe haren met droefenis ten grave doen nederdalen. HOOFDSTUK 43. Jakob, gedrongen door don hongersnood en door zijne zonen, laat eindelijk Benjamin met hen naar Egypte trekken, met gesehenken voor den Regent en dubbel gold, vs. 1. Jozef, Benjamin onder hen ziende, laat hen in zijn huis brengen, 10. De broeders verontschuldigen zich over hot gevondene gold bij Jozefs hofmeester, die hun goeden moed geeft, 18; zij geven de geschenken aan Jozef, die vriendelijk met hen spreekt, inzonderheid met Benjamin, en hen daarna op een' zeer heerlijken maaltijd onthaalt, 25. DE honger nu werd zwaar in dat land; 2 Zoo geschiedde het, als zij den leeftogt, dien zij uit Egypie gebragt hadden, opgegeten hadden, dat hun vader tot hen zeide: Keert wederom, koopt ons een weinig spijze. 3 Toen sprak Juda tot hem, zeggende: Die man heeft ons op het hoogste betuigd, zeggende: Gij zult mijn aangezigt niet zien, tenzij dat uw broeder met u is. 4 Indien gij onzen broeder met ons zendt, wij zullen aftrokken, en u spijze koopen. |
5 Maar quot; indien gij hem niet zendt, wij zullen niet aftrekken: want die man heeft tot ons gezegd: ''Gij zult mijn aangezigt niet zien, tenzij dat uw broeder met u is. a Gen. 42:20. 6 Gen. 44:23. 6 En Israël zeide: Waarom hebt gij zoo kwalijk aan mij gedaan, dat gij dien man te kennen gaaft, of gij nog eenen broeder hadt ? 7 En zij zeiden: Die man vraagde zeer naauw naar ons, en naar onze maagschap, zeggende: Leeft uw vader nog ? hebt gij nog eenen broeder ? zoo gaven wij het hem te kennen, volgens diezelfde woorden; hebben wij juist geweten, dat l'ij zeggen zou: Brengt uwen broeder af ? 8 Toen zeide Juda tot Israël, zijnen vader: Zond den jongeling met mij, zoo zullen wij ons opmaken en reizen, opdat wij leven en niet sterven , noch wij, noch gij, noch onze kinderkens. !) Ik zal borg voor hem zijn, quot; van mijne hand zult gij hem eischen; indien ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezigt stel, zoo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben! a Gen. 44 : 32. 10 Want hadden wij niet gezuimd, voorwaar wij waren alreeds tweemaal wedergekomen. 11 Toen zeide Israël, hun vader, tot hen: Is het nu alzoo, zoo doet dit: neemt van het loffe-lijkste dezes lands in uwe vaten, en brengt dien man een geschenk honen af: oen weinig balsom, en een weinig honig, specerijen en mirre, ter-pentijnnoton en amandelen. 12 En noemt dubbel geld in uwe hand; en brengt het geld, hetwelk in den mond uwer zakken wedergekeerd is, weder in uwe hand; misschien is hot ocne feil. 13 Neemt ook uwen broeder mode, en maakt u op, keert weder tot dien man. 14 En God, de Almagtige, geve u barmhartigheid voor hot aangezigt van dien man, dat hij uwen andoren broeder en Benjamin met u late gaan! En mij aangaande, als ik van kinderen beroofd ben, zoo ben ik beroofd! 15 En die mannen namen dat geschenk, on namen dubbel geld in hunne hand, en Benjamin; en zij maakten zich op, en togen af naar Egypte, en zij stonden voor Jozefs aangezigt. 16 Als Jozef Benjamin met hen zag, zoo zeide hij tot dengenen, die over zijn huis was: Breng deze mannen naar het huis toe, en slagt slagt-voe, en maak het gereed: want deze mannen zullen te middag met mij eten. 17 De man nu deed, gelijk Jozef gezegd had; en de man hragt deze mannen in het huis van Jozef. 18 Toen vreesden deze mannen, omdat zij in het huis van Jozef gebragt werden, en zeiden: Ter oorzake van het geld, dat in het begin in onze zakken wedergekeerd is, worden wij inge-bragt, opdat hij ons overrompele en ons over-valle, en ons tot slaven neme, met onze ezelen. 19 Daarom naderden zij tot dien man, die over het huis van Jozef was, en zij spraken tot hem aan de deur van het huis. |
GENESIS 43, 44.
53
|
20 En zij zeidon; Och mijn heer! quot;wij waren in het begin gewisselijk afgekomen, om spijze te lcoopen. a Gen. 42 ; 3. 21 Het is nu geschied, quot;als wij in de herberg gekomen waren, en wij onze zakken opendeden, zie, zoo was ieders mans geld in den mond van zijnen zak, ons geld in zijn gewigt; en wij hebben hetzelve wedergebragt in onze hand. a Gron. 42 : 27 , 3o. 22 Wij hebben ook ander geld in onze hand af-gebragt, om spijze te koopen; wij weten niet, wie ons geld in onze zakken gelegd heeft. 23 En hij zeide: Vrede zij ulieden, vreest niet! Uw God en de God uws vaders hoeft u eenen schat in uwe zakken gegeven; uw geld is tot mij gekomen. En hij bragt Simeon tot hen uit. 24 Daarna bragt de man deze mannen in liet huis van Jozef, quot;en hij gaf water; on zij wieschen hunne voeten; hij gaf ook aan hunne ezelen voeder. a Gen. 18:4. 25 En zij bereidden het geschenk, totdat Jozef kwam op den middag: want zij hadden gehoord, dat zij aldaar brood eten zouden. 26 Als nu Jozef te huis gekomen was, zoo bragten zij hem hot geschenk, hetwelk in hunne hand was, in het huis, en zij a bogen zich voor hem ter aarde. a Gen. 37 : 10. 42 ; G. 27 En hij vraagde hen naar hunnen welstand, en zeide: Is het wel met uwen vader, den oude, waarvan gij zeidet? leeft hij nog? 28 En zij zeidon: Het is wel met uwen knecht, onzen vader, hij leeft nog; en zij neigden het hoofd en bogen zich neder. 29 En hij hief zijne oogen op, en zag Benjamin, zijnen broeder, den zoon zijner moeder, en zeide: Is dit uw kleinste broeder, quot;waarvan gij tot mij zeidet? Daarna zeide hij: Mijn zoon! God zij u genadig! a Gen. 42:13. 30 En Jozef haastte zich, want zijn ingewand ontstak jegens zijnon broeder, en hij zocht te weenen; en hij ging in eene kamer, a en weende aldaar. a Gen. 15 : 2. 31 Daarna wiesch hij zijn aangezigt en kwam uit; en hij bedwong zich zeiven, on zeide: Zet brood op. 32 En zij rigtten voor hem aan in het bijzonder, en voor hen in het bijzonder, en voor do Egyp-tonaren, die met hom aten, in het bijzonder: want de Egyptenaars mogen geen brood eten met de Hebreen, dewijl zulks den Egyptenaren een gruwel is. 33 En zij zaten voor zijn aangezigt, de eerstgeborene naar zijne eerstgeboorte, en do jongere naar zijne jongheid; dies verwonderden zich de mannen onder elkander. 34 En hij langde hun van do goregten, die voor hom waren; maar Benjamins goregt was vijfmaal grooter, dan do gerogton van hen allen. En zij dronken, en zij werden dronken met hem. |
HOOFDSTUK 44. Jozef laat zijne broeders trekken, mot hot geld in ieders korenzak, on zijnen beker in dien van Benjamin, vs. 1. Hij laat lion najagen en van dieverij beschuldigen ; do broeders betuigen hunne onschuld ton sterkste, 4. De beker wordt bij Benjamin gevonden, allen koeren tot Jozef weder, zich aan zijne straf onderwerpende; doch Jurla spreekt voel en sterk voor Benjamin, verzoekende in zijne plaats te mogen blijven, 12. EN hij gebood dengenen, die over zijn huis was, zeggende : Vul de zakken dezer mannen met spijze, naar dat zij zullen kunnen dragen, en leg ieders mans geld in den mond van zijnon zak; 2 En mijnen beker, den zilveren beker, zult gij leggen in den mond van don zak des kleinsten, met het geld van zijn koren. En hij deed naar Jozefs woord, hetwelk hij gesproken had. 3 Des morgens, als het licht werd, zoo liet men deze mannen trekken, hen en hunne ezelen. 4 Zij zijn ter stad uitgegaan, zij waren niet verre gekomen, als Jozef tot dengenen, die over zijn huis was, zeido: Maak u op, en jaag die mannen achterna; en als gij hen zult achterhaald hebben, zoo zult gij tot hen zeggen: Waarom hebt. gij kwaad voor goed vergolden ? 5 Is het deze niet, waaruit mijn heer drinkt? en waarbij hij iets zekerlijk waarnomen zal ? gij hebt kwalijk gedaan, wat gij gedaan hebt. 6 En hij achterhaalde hen, en sprak tot hen diezelve woorden. 7 En zij zeiden tot hem: Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? hot zij verre van uwe knechten, dat zij zoodanig een ding doen zouden. 8 Zie het geld, dat wij in den mond onzer zakken vonden, hebben wij tot u uit het land Ka-naan wedergebragt: hoe zouden wij dan uit hot huis uws hoeren zilver of goud stelen? 9 Bij wien van uwe knechten hij gevonden zal worden, dat hij sterve; en ook zullen wij mijnen heer tot slaven zijn! 10 En hij zeide: Dit zij nu ook alzoo, naar uwe woorden! Bij wien hij gevonden wordt, die zij mijn slaaf; maar gijlieden zult onschuldig zijn. 11 En zij haastten, en een iegelijk zette zijnon zak af op de aarde, en oen iegelijk opende zijnen zak. 12 En hij doorzocht, beginnende met don grootste, en voleindigende met den kleinsten; en die beker werd gevonden in den zak van Benjamin. 13 Toon scheurden zij hunne kloodoren; en ieder man laadde zijnen ezel op, en zij koerden weder naar de stad. 14 En Juda kwam met zijne broederen in hot huis van Jozef, want hij was nog zelf aldaar; en zij vielen voor zijn aangezigt neder ter aarde. 15 En Jozef zeide tot hen: Wat daad is dit, die gij gedaan hebt? weet gij niet, dat zulk een man als ik dat zekerlijk waarnemen zou? 16 Toen zeido Juda: Wat zullen wij tot mijnen heer zeggen ? wat zullen wij sproken ? en wat |
GENESIS 44, 45.
54
|
zullen wij ons regtvaardigen ? God heeft do on-geregtigheid uwer knechten gevonden; zie, wij zijn mijns heeren slaven, zoo wij, als hij, in wiens hand de beker gevonden is. 17 Maar hij zeide: liet zij verre van mij zulks te doen! de man, in wiens hand die beker gevonden is, die zal mijn slaaf zijn; doch trekt gijlieden op in vrede tot uwen vader. 18 Toen naderde Juda tot hem, en zeide: Och mijn heer! laat toch uwen knecht een woord spreken voor mijns heeren ooren, en laat uwen toorn tegen uwen knecht niet ontsteken: want «rij zijt even gelijk Farao! 1!) Mijn heer vraagde zijne knechten, zeggende: Hebt gijlieden oenen vader, of broeder? '20 Zoo zeiden wij tot mijnen heer: Wij hebben eenen ouden vader, en eenen jongeling des ouderdoms, den kleinste, wiens broeder dood is, en hij is alleen van zijne moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief. 21 Toenzeidet gij tot uwe knechten: quot; Brengt hem af tot mij, dat ik mijn oog op hem sla. a Gen. 42 ; 15. 22 En wij zeiden tot mijnen heer; Die jongeling zal zijnen vader niet kunnen verlaten; indien hij zijnen vader verlaat, zoo zal hij sterven. 23 Toen zeidet gij tot uwe knechten: quot;Indien uw kleinste broeder met u niet afkomt, zoo zult gij mijn aangezigt niet meer zien. a Gen. 43 : 3, 5. 24 En liet is geschied, als wij tot uwen knecht, mijnen vader, opgetrokken zijn, en wij hem de woorden mijns heeren verhaald hebben; 25 En dat onze vader gezegd heeft: Keert weder, koopt ons een weinig spijze; 26 Zoo hebben wij gezegd: Wij zullen niet mogen aftrekken; indien onze kleinste broeder bij ons is, zoo zullen wij aftrekken: want wij zullen hot aangezigt van dien man niet mogen zien, zoo deze onze kleinste broeder niet bij ons is. 27 Toen zeide uw knecht, mijn vader, tot ons: |
Gijlieden weet, dat er mij mijne huisvrouw twee gebaard hoeft. 28 En de oen is van mij uitgegaan, quot;en ik heb gezegd: Voorwaar, hij is gowisselijk verscheurd geworden! on ik heb hem niet gezien tot nu toe. a Gen. 37 : 33. 29 Indien gij nu dezen ook van mijn aangezigt wognoemt, en hem oon verderf ontmoette, quot; zoo zoudt gij mijne graauwe haren met jammer ten grave doen nederdalen! a Gen. 42 :38. 30 Nu dan, als ik tot uwen knecht, mijnen vader, kome, en de jongeling is niet bij ons, (alzoo zijne ziel aan de ziol van dezen gebonden is). 31 Zoo zal hot geschiodon, als hij ziet, dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uwe knechten zullen de graauwe haren van uwen knecht, onzen vader, met droefenis ten grave doen nederdalen. 32 Want uw knecht is voor dezen jongeling borg bij mijnen vader, zeggende : quot; Zoo ik hem tot u niet wederbreng, zoo zal ik tegen mijnen vader alle dagen gezondigd hebben ! «Gen.43:U. 33 Nu dan, laat toch uwen knecht voor dezen jongeling slaaf van mijnen heer blijven, en laat don jongeling met zijne broederen optrekken! 34 Want hoe zoude ik optrekken tot mijnen va-dor, indien do jongeling niet met mij was? opdat ik den jammer niet zie, welke mijnen vader overkomen zou. HOOFDSTUK 45. Jozef ontdekt zich aan zijne broeders, vs. 1; wijst hen op Gods Voorzienigheid, 7; geeft hun Inst alles aan zijnen vader te molden en hom naar Egypte to brengen, 9. Ook Faraö verlangt, dat zij naar Egypte komen, 1G. Jozef zendt zijne broeders met wagenen, spijs on geschonken heen, 21. Do broeders komen bij Jakob en verhalen hem al wat Jozef betreft, 25. Jakobs blijdschap, 27. TOEN kon zich Jozef niet bedwingen voor allen, die bij hom stonden, en hij riep; Doet allo man van mij uitgaan! En er stond niemand |
GENESIS 45, 4fi.
|
bij hein, als Jozef zieli aan zijne broederen bekend maakte. 2 En hij verhief zijne stem met weenon, zoodat het de Egyptenaars hoorden, cn dat het Farao's huis hoorde. 3 En Jozef zeide tot zijne broederen: Ik ben Jozef! leeft mijn vader nog? En zijne broeders konden hem niet antwoorden, want zij waren verschrikt voor zijn aangezigt. 4 En Jozef zeide tot zijne broederen: Nadert toch tot mij! En zij naderden. Toen zeide hij: quot; Ik ben Jozef, uw broeder, b dien gij naar Egypte verkocht hebt. a Hand. 7 : 13. Igt; Gen 37 : 28. Ps. 105 : 17. Hand. 7 : ü. 5 Maar nu, quot;woest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uwo oogen, omdat gij mij hierheen verkocht hebt: want God hoeft mij voor uw aangezigt gezonden, tot behoudenis des levens. a Gen. 50: 19, 20, 21. (i Want het zijn nu twee jaren des hongers in het midden des lands; en er zijn nog vijf jaren, in welke geene ploeging noch oogst zijn zal. 7 Doch God heeft mij voor uw aangezigt henen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door eene groote verlossing. 8 Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God zelf, die mij tot Farao's vader gestold heeft, cn tot oenen heer over zijn gansche huis, en regeerder in het gansche land van Egypte. 9 Haast u en trekt op tot mijnen vader, en zegt tot hem: Alzoo zegt uw zoon Jozef: God hoeft mij tot eenen heer over gansch Egypteland gesteld ; kom af tot mij, en vertoef niet. 10 En gij zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, gij en uwe zonen, en do zonen uwer zonen, en uwe schapen, on uwe runderen, en al wat gij hebt. 11 En ik zal u aldaar onderhouden: want er zullen nog vijf jaren des hongers zijn, opdat gij niet verarmt, gij en uw huis, en alios wat gij hebt! 12 En ziet, uwe oogen zien het, en de oogen van mijnen broeder Benjamin, dat mijn mond tot u spreekt. 13 En boodschapt mijnen vader al mijne heerlijkheid in Egypte, on alles wat gij gezien hebt; en haast u, en quot; brengt mijnen vader herwaarts af. a Hand. 7:14. 14 En hij viel aan den hals van Benjamin, zijnen broeder, en woendo; en Benjamin weende aan zijnen hals. 15 En hij kuste al zijne broederen, on hij weende over hen; en daarna spraken zijne broeders met hem. 1(5 Als dit gerucht in het huis van Farao gehoord werd, dat men zeide; Jozefs broeders zijn gekomen! was het goed in de oogen van Farao, on in de oogen van zijne knechten. 17 En Farao zeide tot Jozef: Zeg tot uwo broederen : Doet dit, laadt uwe beesten, en trekt heen, gaat naar het land Kanaiin; |
18 En neomt uwen vader en uwe huisgezinnen, on komt tot mij, on ik zal u het boste van Egypteland geven, en gij zult het vette dezes lands eten. 19 Gij zijt toch gelast; doet dit, neemt u uit Egypteland wagenen voor uwe kinderkous, en voor uwe vrouwen, en voert uwen vader, en komt. 20 En uw oog verschoone uw huisraad niet: want het boste van gansch Egypteland, dat zal het uwo zijn. 21 En de zonen van Israël doden alzoo. Zoo gaf Jozef hun wagenen, naar Farao's bevel; ook gaf hij hun teerkost op den weg. 22 Hij gaf hun allen, iedereen, wisselkleederen; maar Benjamin gaf hij drie honderd zilverlingen, en vijf wisselkloederen. 23 En zijnen vader desgelijks zond hij tien ezelen , dragende van het beste van Egypte, en tien ezelinnen, dragende koren, en brood, en spijze voor zijnen vader op den weg. 24 En hij zond zijne broeders heen; cn zij vertrokken ; en hij zeide tot hen: Verstoort u niet op den weg. 25 En zij trokken op uit Egypte, en zij kwamen in hot land Kanaiin tot hunnen vader Jakob. 20 Toen boodschapten zij hem, zeggende: Jozef leeft nog, ja ook is hij regeerder in gansch Egypteland! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hun niet. 27 Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagenen zag, die Jozef gezonden had om hem te voeren, zoo werd de geest van Jakob, hunnen vader, levendig. 28 En Israël zoide: Het is genoeg! mijn zoon Jozef looft nog! ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve! HOOFDSTUK 46. Jakob met zijn gansche huis naar Egypte trekkende, wordt to Ber-séba door God mot vernieuwde beloften gesterkt, vs. 1. Namen van Jakobs geslacht, dat naar Egypte toog, 8. Juda trekt vooruit, 28. Jozef ontmoet zijnon vader in Gosen, 29. Jozef bepaalt wat zijne broeders bij Farao zullen zeggen, 31. EN Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam to Ber-séba, en hij offerde offeranden aan den God van zijnen vader Izak. 2 En God sprak tot Israël in gezigten des nachts, on zeido: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, hier ben ik! 3 En Hij zeide: quot;Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte, '' want Ik zal u aldaar tot oen groot volk zetten. a Gen. 26 : 24. 28 : 13. 32 : 9. 6 Gen. 13:10. 10:10. 17:2. 22:17. 20:24. 35:11. 48:4. 4 quot;Ik zal met u aftrekken naar Egypte, en Ik zal u doen Merferoptrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijne hand op uwe oogen leggen. n Num. 20: 15. Deut. 10:22. Joz. 24:4, ö, (i. Ps. 105:23, 24, enz. Jes. 52: 4. Hos. 11:1. |
GENESIS 46, -17.
|
5 quot; Toen maakte zich Jakob op van Ber-séba; en do zonen van Israël voerden Jakob, hunnen vader, en hunne kinderen, en hunne vrouwen, oj) de wagenen, die Faraö gezonden had, om hem te voeren. a Hand. 7 ; 15. (i En zij namen hun vee, en hunne have, die zij in het land Kanaün geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem: 7 Zijne zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijne doehteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bragt hij met zich in Egypte. 8 quot;En dit zijn de namen der zonen van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijne zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben. «Ex. 1:2. 0:13. Num. 20:5. 1 Kron. 5:1, enz. 0:1, enz. 7:1, enz. 8:1, enz. !) En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi. 10 quot;En de zonen van Simeon: Jemuël, enJamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon eener kanaanietische vrouw, a Ex. 0:14. 1 Kron. 4:24. 11 quot;En de zonen van Levi: Gerson, Kohath en Merari. a 1 Kron. 0:1. 12 En quot;de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaan; ''en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul. a Gen. 38 : 3, 4, 5. h 1 Kron. 2 : 5. 13 En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron. 14 En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleël. 15 Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram, met Dina, zijne dochter: al de zielen zijner zonen en zijner dochteren waren drie en dertig. 10 quot;En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Aródi, en Aréli. a 1 Kron. 5:11. 17 quot;En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hunne zuster; en de zonen van Berija: Ileber en Malchiël. a 1 Kron. 7 : 3U. 18 Dit zijn de zonen van Zilpa, quot;die Laban aan zijne dochter Lea gegeven had; en zij baarde Jakob deze zestien zielen. a Gen. 29 : 24. 1!) De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin. 20 En quot;Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraïm, die hem Asnath, de dochter van Potiféra, den overste te On, baarde. a Gen. 41 : 5Ã. 48 : 5. 21 quot;En de zonen van Benjamin: Bela, Bechcr en Asbel, Gera en Naaman, Eclii en Ros, Mup-pim en Huppim, en Ard. al Kron. 7:0. 8:1. 22 Dit zijn de zonen van Rachel, die Jakob geboren zijn, al te zamen veertien zielen. 23 En de zonen van Dan: Chusim. 24 quot;En de zonen van Nafthali: Jahzeël, en Guni, en .lezer, en Sillem. a 1 Kron. 7 : 13. |
25 Dit zijn de zonen van Bilha, quot;die Laban aan zijne dochter Rachel gegeven had; en zij baarde dezelve Jakob, zij waren allen zeven zielen. a Gen. 29 : 29. 20 Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijne heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen. 27 En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. quot;Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig. a Dent. 10 : 22. Hand. 7 : 14. 28 En hij zond Juda voor zijn aangezigt heen tot Jozef, om voor zijn aangezigt aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen. 29 Toen spande Jozef zijnen wagen aan, en toog op, zijnen vader Israël te gemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zoo viel hij hem aan zijnen hals, en weende lang aan zijnen hals. 30 En Israël zeide tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezigt gezien heb, dat gij nog leeft! 31 Daarna zeide Jozef tot zijne broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Faraö boodschappen, en tot hem zeggen: Mijne broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaan waren, zijn tot mij gekomen. 32 En die mannen zijn schaapherders, want het zijn mannen, die met vee omgaan; en zij hebben hunne schapen, en hunne runderen, en al wat zij hebben, medegebragt. 33 Wanneer het nu geschieden zal, dat Faraö ulieden zal roepen, en zeggen: Wat is uwe hand-tering ? 34 Zoo zult gij zeggen: Uwe knechten zijn mannen , die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zoo wij als onze vaders; opdat gij in het land Gosen inoogt wonen: quot; want alle schaapherder is den Egyptenaren een gruwel. a Gen. 43 : 32. Ex 8 : 20. HOOFDSTUK 47. Jo/.ef meldt aan Faraö de komst van zijnen vader en stolt hem vijf zijner broederen voor, vs. 1. Faraö geoft hun het land Gosen ter woning, 3. Jozef stelt zijnen vader voor aan Faraö, die door liem gezegend wordt, 7. Jozef onderhoudt zijnen vader met zijn gansche huis in Gosen, 11. Do Egyptenaren verkoopen hun vee, land en hunne personen voor koren, 15, uitgenomen de priesters, 22, 20. De tijd van Jakobs verkeer in Egypte, 27; hij doet Jozef zweren hem in Kanaan te begraven, 29. TOEN kwam Jozef en boodschapte Faraö, en zeide: Mijn vader en mijne broeders, en hunne schapen, en hunne runderen, met alles wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaan; quot;en zie, zij zijn in het land Gosen. «Gen. 45:10. 2 En hij nam een deel zijner broederen, ie weten vijfmannen, en hij stelde hen voor Faraö's aangezigt. 3 Toen zeide Faraö tot zijne broederen: Wat is uwe handtering? En zij zeiden tot Faraö: quot;Uwe knechten zijn schaapherders, zoo wij als onze vaders. a Gen. 40 : 34. |
GENESIS 47.
57
|
4 Voorts zuicloii zij tot Farao: Wij zijn gekomen, om als vreemdelingen in dit land te wonen: want er is goene weide voor de schapen, die uwe knechten hebben, dewijl do honger zwaar is in het land Kanaan; en nu, laat toch uwe knechten in het land Gosen wonen! 5 Toen sprak Farao tot Jozef, zeggende: Uw vader en uwe broeders zijn tot u gekomen; 6 Egypteland is voor uw aangezigt, doe uwen vader en uwe broeders in hot beste van liet land wonen; laat hen in hot land Goson wonen, en zoo gij weet, dat er onder hen kloeke mannen zijn, zoo zet hen tot veemeesters over hetgeen ik heb. 7 En Jozef bragt zijnen vader Jakob mede, en |
12 En Jozef onderhield zijnen vader, en zijne broeders, en liet gansche huis zijns vaders, met brood, tot den mond der kinderkens toe. 13 En er was geen brood in het gansche land: want de honger was zeer zwaar; zoodat het land van Egypte en het land Kanaan raasden van wage dien iionger. 14 Toen verzamelde Jozef al het gold, dat in Egypteland en in hot land Kanaan gevonden werd, voor hot koren, dat zij kochten; en Jozef bragt dat gold in Farao's huis. 15 Als nu hot geld uit Egypteland en uit het land Kanaan verdaan was, kwamen al do Egyp-tenaars tot Jozef, zeggende: Geof ons brood, want waarom zouden wij in uwe togenwoordig- |
|
stolde hem voor Farao's aangezigt; en Jakob zegende Farao. 8 En Faraö zeido tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen dor jaren uws levens? t) En Jakob zeide tot Faraö: De dagen der jaren n mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens gowoost, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren dos levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen. aPs. 119:19. Hebr. 11:9, 13. 10 En Jakob zogende Faraö, en ging uit van Faraö's aangezigt. 11 En Jozef bestelde voor Jakob en zijne broederen woningen, en hij gaf hun eene bezitting in Egypteland, in hot beste van hot land, in hot land Raméses, gelijk als Faraö geboden had. |
heid sterven, want hot geld ontbreekt? 16 En Jozef zeido: Geeft uw vee, zoo zal ik hot u geven voor uw vee, indien hot geld ontbreekt. 17 Toon bragten zij hun vee tot Jozef; en Jozef gaf hun brood voor paarden, en voor liet vee der schapen, en voor het voo dor rundoren, en voor ezels; on hij voedde hen met brood, dat-zolve jaar, voor al hun voo. 18 Toon datzolve jaar voleind was, zoo kwamen zij tot hem in hot tweede jaar, en zeiden tot hom: Wij zullen liet voor mijnen hoor niet verbergen, alzoo liet gold verdaan is, on de bezitting der boesten gekomen aan mijnen hoer, zoo is er niets anders overgebleven voor het aangezigt mijns hoeren, dan ons ligchaam on ons land. 19 Waarom zullen wij voor uwe oogen sterven ? zoo wij als ons land, koop ons on ons land voor |
GENESIS H, 48.
n8
|
brood; zoo zullen wij eu ons land Faraö dienstbaar zijn, cn geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde! '20 Alzoo kocht Jozef het geheele land van Egypte voor Faraö: want do Egyptenaars verkochten een ieder zijnen akker, dewijl do honger sterk over hen geworden was; zoo werd het land Farao's eigen. 21 En aangaande het volk, dat zette hij over in do steden, van liet eene uiterste der palen van Egypte, tot het andere uiterste deszelven. 22 Alleen het land der priesteren kocht hij niet: want de priesters hadden oen bescheiden deel van Faraö, en zij aten hun bescheiden deel, hetwelk hun Faraö gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet. 23 Toen zeide Jozef tot het volk: Ziet, ik hel) heden u en uw land gekocht voor Faraö; ziet, daar is zaad voor u, opdat gij het land bezaait. 24 Doch met de inkomsten zal het geschieden, dat gij aan Faraö het vijfde deel zult geven, en de vier deelen zullen voor u zijn, tot zaad dos velds, en tot uwe spijze en van degenen, die in uwe huizen zijn, en om te eten voor uwe kinderen. 25 En zij zeiden: Gij hebt ons leven behouden; laat ons genade vindon in do oogen mijns hee-ren, en wij zullen Farao's knechten zijn. 2(i Jozef dan stelde ditzelve in tot eene wet, tot dezen dag, over het land van Egypte, dat Faraö het vijfde deel zou hebben; behalve dat alleen het land der priesteren van Faraö niet werd. 27 Zoo woonde Israël in hot land van Egypte, in het land Gosen; en zij stelden zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer. 28 En Jakob loofde in hot land van Egypte zeventien jaar; zoodat do dagen van Jakob, do jaren zijns levens, geweest zijn honderd zevenen voorlig jaren. 2!) Als nu do dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zoo riep hij zijnon zoon Jozef, en zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uwe oogen, zoo quot; leg toch uwe hand onder mijne heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte; a Gen. 24 : 2. :i() Maar dat ik bij mijne vaderen liggo; hierom zult gij mij uit Egypte voeren, on mij in hun graf begraven! en hij zeide: Ik zal doen naar uw woord. 31 En hij zeide: Zweer mij! En hij zwoor hem. quot; En Israël boog zich ton hoofde van het bod. a Hobr. 11: 21. HOOFDSTUK 48. .lakol) krank zijnde wordt van Jozof bezocht, vs. 1. Hij herinnert hom Gods beloften, 3; noemt do twee zonen van Jozef voor zijne eigene zonen aan, als vaders van twee bijzondere stammen, 5. In liet opleggen der handen stelt .lakob don jongste, Efraïni, boven den oudste, Manasso, 13; hij zogent hen en Jozef, voorspelt hunne wederkomst in Kanailn, 21, en geeft Jozef con stuk land vooruit, 22. |
HET geschiedde nu na deze dingen, dat men Jozef zeide: Zio, uw vader is krank! Toen nam hij zijne twee zonen mot zich, Manasso en Efraïm. 2 En men boodschapte Jakob, en men zeide: Zie, uw zoon Jozef komt tot u! Zoo versterkte zich Israël, en zat op hot bed. 3 Daarna zeide Jakob tot Jozef: God, quot;do Al-magtigö, is h mij verschenen te Luz, in hot land Kanaan, en Hij heeft mij gezegend; «Gen. 17:1./) Gen. 35 : ü. 4 En Hij heeft tot mij gezegd: quot;Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot oenen hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot eene eeuwige bezitting geven. a Gen. 28:3. 35:11. 5 Nu dan, uwe twee zonen, quot;die u in Egypte-land geboren waren, eer ik in Egypte tot u go-komen ben, zijn mijne: Efraïm en Manasso zullen niijne zijn, als Ruben en Simoon. a Gen. 41 : 50. 46 : 20. (gt; Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner brooderen naam genoemd worden in hun erfdeel. 7 Toon ik nu van Paddankwam, quot; zoo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaan, op den weg, als hot nog eene kleine streek lands was, om tot Efrath tc komen; en ik begroef haar aldaar aan don weg van Efrath , welke is Bethlehem. a Gen. 35: 1!). 8 En Israël zag do zonen van Jozef, en zeide: Wiens zijn dezen? !) En Jozef zeide tot zijnen'vader: Zij zijn mijne zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene. 10 Doch do oogen van Israël waren zwaar van ouderdom, hij kon niet zien; on hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen. 11 En Israël zeide tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezigt te zien; maar zio. God heeft mij ook uw zaad doen zien! 12 Toon dood hen Jozef uitgaan van zijne knieën; en hij boog zich voor zijn aangezigt neder tor aarde. 13 En Jozef nam dio beiden, Efraïm met zijne rogterhand, tegenover Israëls linkerhand, en Manasso mot zijne linkerhand, tegenover Israëls rogterhand, en hij dood hen naderen tot hem. 14 Maar Israël strekte zijne regtorhand uit, en lelde dio op hot hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijne linkerhand op hot hoofd van Manasso; hij bestierde zijne handen verstandelijk, want Manasse was de eerstgeborene. 15 En hij quot;zegende Jozef, en zoido: De God, voor wiens aangezigt mijne vaders. Abraham en Izak , gewandeld hebben, die God, die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op dezen dag; a Hobr. 11:21. |
GENESIS 48, 4!).
511
|
16 quot; Die Engol, die mij verlost heeft van allo kwaad, zegeno deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen , Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissehen in menigte, in het midden des lands! aGen. 31 : 42. 32: t. 17 Toen Jozef zag, dat zijn vader zijne regter-hand op het hoofd van Efraïm leide, zoo was liet kwaad in zijne oogen, en liij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van Efraïm op liet hoofd van Manasse af te brengen. 18 En Jozef zeide tot zijnen vader: Niet alzoo, mijn vader! want deze is do eerstgeborene, log uwe regterhand op zijn hoofd. 1!) Maar zijn vader weigerde liet, en zeide: Ik |
HOOFDSTUK 4!). Jakob vergadert zijne zonen, om hen vóór zijnen dood te zegenen, vs. 1; hij bestraft do sclmndelijko dadon van Ruben, Simeon en Levi, 3; hij geeft aan Juda den zogen van eerstgeborene en voorspelt uit hem de komst van Silo, wien do Heidenen zullen gehoorzamen, 8; zegen van Zebnlon, 13, Issasohar, 14, Dan 1.0, Gad, 19, Aser, 20, Nal'thali, 21, bijzondere zogen van Jozef, 22, van Benjamin, 27; hij bepaalt do plaats zijner begrafenis, 29, en sterft, 33. DAARNA riep Jakob zijne zonen, en hij zeide: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal. 2 Komt zamen en hoort, gij zonen van Jakob! en hoort naar Israël, uwen vader. 3 Ruben, gij zijt quot;mijn eerstgeborene, mijne |
I * \ ,
amp;
T * ' ''$L 4
Rem bh an dt: Jakob zegent Manasse en Kfraim (Gen. 4K ; 'iO).
|
weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nogtans zal zijn kleinste broeder grooter worden dan liij, en zijn zaad zal quot; eene volle menigte van volkeren worden. a Rutli 4:1!, 12. 20 Alzoo zogende hij hen te dien dage, zeggende: In ii zal Israël zegenen, zeggende: quot; God zette n als Efraïm en als Manasso! En liij zetto Efraïm voor Manasse. a .Ier. 31 : 20. 21 Daarna zeide Israël tot Jozef: Zie, ik sterf; maar God zal met uliedon wezen, en Hij zal u wederbrengen in het land uwer vaderen. 22 quot; En ik hob u een stuk lands gegeven boven uwe broederen; ''hetwelk ik, met mijn zwaard en met mijnen boog, uit de hand der Amorieten genomen heb. a Jo/,. 13:7. lü:1. 17 : I. b Joz. 24:8. |
kracht en bot begin mijner magt; de voortreffelijkste in hoogheid, en do voortreffelijkste in sterkte! a Gen. 29 : 32. 4 Snelle afloop als dor wateren, gij zult do voor troffel ij kste niet zijn! quot;want gij hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt gij het geschonden, hij heeft mijn bod beklommen! a(ion. 35:22. 1 Kron. 5: 1. 5 Simeon en Levi zijn gebroeders! hunne handelingen zijn werktuigen van geweld! (i Mijne ziel kome niet in bunnen verborgen raad, mijne oer worde niet vereenigd met hunne vergadering! want in hunnen toorn quot; hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hunnen moedwil hebben zij do ossen weggerukt. «(ion. 34:25. 7 Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; |
GENESIS 49, 50.
60
|
on hunne verbolgenheid, want zij is hard! ik zal hen quot; verdeolon onder Jakob, en zal hen ver-strooijen onder Israël. aJoz. 19: 1. 21 :3, 4, enz. 8 Juda! gij zijt het, u zidlen uwe broeders loven; uwe hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zicli uws vaders zonen nederbuigen. 9 Juda quot;is een leeuwenwelp! gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? a Num. 24:9. Micha 5:7. 10 De scepter zal quot;van Juda niet wijken, noch de wetgever van tusschen zijne voeten, totdat Silo komt, en denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn. a Matt. 2 : C. 11 Hij bindt zijnen jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen zijner ezelin aan den edelsten wijnstok; hij wascht zijn kleed in den wijn, en zijnen mantel in wijndruivenbloed. 12 Hij is roodachtig van oogen door den wijn, en wit van tanden door de melk. 13 Zebulon zal quot;aan de haven der zeeën wonen, en hij zal aan de haven der schepen wezen; en zijne zijde zal zijn naar Zidon. rtJoz. 19:10, 11. 14 Issaschar is een sterk gebeende ezel, neder-liggende tusschen twee pakken. 15 Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zoo boog hij zijnen schouder om te dragen, en was dienende onder tribuit. 15 Dan zal zijn volk rigten, als een der stammen Israëls. 17 Dan zal eene slang zijn aan den weg, eene adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover vallc. 18 Op uwe zaligheid wacht ik, Hekre ! 19 Aangaande Gad, eene bende zal hem aanvallen ; maar hij zal haar aanvallen in het einde. 20 Van Aser, zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren. 21 Nafthali is eene losgelatene hinde, hij geeft schoone woorden. 22 quot;Jozef is eene vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan eene fontein; elk een der takken loopt over den muur. al Kron. 5: 1. 23 quot; Do schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat; a Gen. 50 : 20. 24 Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden, door de handen van den Magtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israëls; 25 Van uws vaders God, die u zal helpen, en van den Almagtige, die u zal zegenen, met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen des afgronds, die daaronder ligt, met zegeningen der borsten en der baarmoeder! 26 De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op den hoofdschedel dos afgezonderden zijner broederen! |
27 Benjamin zal als een wolf verscheuren; des morgens zal hij roof eten, en des avonds zal hij buit uitdeelen. 28 Al deze stammen van Israël zijn twaalf; en dit is het, wat hun vader tot hen sprak, als hij hen zegende; hij zegende hen, een' iegelijk naar zijnen bijzonderen zegen. 29 Daarna gebood hij hun, en zeide tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk, begraaft mij bij mijne vaders, in de spelonk, die is in den akker van Efron, den Hethiet; 30 In de spelonk, quot; welke is op den akker van Machpéla, die tegenover Mamre is, in het land Kanaan, die Abraham met dien akker gekocht heeft van Efron, den Hethiet, tot eene erfbegra-fenis. «Oen. 23:9, 16. 31 Aldaar hebben zij quot; Abraham begraven, en Sara, zijne huisvrouw; daar hebben zij Izak begraven , en Rebekka, zijne huisvrouw; en daar heb ik Lea begraven. aOen.2ó:9.35:29. llmul. 7: lü. 32 De akker, en de spelonk, die daarin is, is gekocht van de zonen Heths. 33 Als Jakob voleind had aan zijne zonen bevelen te geven, quot;zoo lelde hij zijne voeten zamen op het bed, en hij gaf den geest, en hij werd verzameld tot zijne volken. a Hand. 7 :15. HOOFDSTUK 50. Jozef beweent zijnen vader en doet hein balsemen, vs. 1. Niidat de Egyptonaren hem beweend hebben, ' voert Jozef het lijk, mot Farao's verlof, naar Kanailn, 4, alwaar hot begraven wordt in Abrahams grafstede, 10. De broeders in Egypte wedergekeerd, verzoeken Jozef om vergeving, 14. Jozefs ouderdom en nakomelingen, 22; hij doet zijne broeders zworen aangaande het wegvoeren van zijn gebeente; hij sterft en wordt gebalsemd, 24. TOEN viel Jozef op zijns vaders aangezigt, en hij weende over hem, en kuste hem. 2 En Jozef gebood zijnen knechten, den medicijnmeesters, dat zij zijnen vader balsemen zouden; en de medicijnmeesters balsemden Israël. 3 En veertig dagen werden aan hem vervuld: want alzoo werden vervuld de dagen dergenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen. 4 Als nu de dagen zijns beweenens over waren, zoo sprak Jozef tot het huis van Faraö, zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uwe oogen, spreekt toch voor de ooren van Faraö, zeggende: 5 Mijn vader heeft mij quot; doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaan gegraven lieb, daar zult gij mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijnen vader begrave, dan zal ik wederkomen. a «en. 47 : 29. 6 En Faraö zeide: Trek op en begraaf uwen vader, gelijk als hij u heeft doen zweren. 7 En Jozef toog op, om zijnen vader te begraven ; en met hem togen op alle Faraö's knechten. |
ÃXODUS 1.
01
|
do oudsten van zijn huis, en al do oudsten des lands van Egypte; 8 Daartoe het gansche huis van Jozef, en zijne broeders, en liet huis zijns vaders; alleen hunne kleine kinderen, en hunne schapen, en hunne runderen lieten zij in liet land Gosen. 9 En met hem togen op, zoo wagenen als rui-teren; en het was een zeer zwaar heir. 10 Toen zij nu aan het plein van den doornbosch kwamen, dat aan gene zijde der Jordaan is, hielden zij daar eene groote en zeer zware rouw-klage; en hij maakte zijnen vader eenen rouw van zeven dagen. 11 Als de inwoners des lands, de Kanaanieten, dien rouw zagen op het plein van den doornbosch, zoo zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyp-tenaren; daarom noemde men haren naam Abel-Mizraïm, die aan het veer der Jordaan is. 12 En zijne zonen deden hem, gelijk als hij hun geboden had; 13 Want «zijne zonen voerden hem in hot land Kanaan, en begroeven hem in de spelonk des akkers van l' Maehpéla, welke Abraham met don akker gekocht had tot eene erfbegrafenis van Efron, den Hethiet, tegenover Mamre. a Hand. 7 : 15, 10. 6 Oen. 23: 16. 14 Daarna keerde Jozef weder in Egypte, hij en zijne broeders, en alien, die met hem opgetogen waren, om zijnen vader te begraven, nadat hij zijnen vader begraven had. 15 Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader dood was, zoo zeiden zij: Misschien zal ons Jozef haten, en hij zal ons gewisselijk vergelden al het kwaad, dat wij hem aangedaan hebben. 16 Daarom ontboden zij aan Jozef, zeggende: Uw vader heeft bevolen voor zijnen dood, zeggende: |
17 Zoo zult gij tot Jozef zoggen: Ei, vergeef toch de overtreding uwer broederen, on hunne zonde, want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding der dienaren van den God uws vaders! En Jozef weende, als zij tot hem spraken. 18 Daarna kwamen ook zijne broeders, en violen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten! 19 En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik quot;in de plaats van God? «Gen. 45:5. 20 Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God hoeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om oen groot volk in het leven te behouden. 21 Nu dan vreest niet! Ik zal u en uwe kleine kinderen onderhouden. Zoo troostte hij hen, en sprak naar hun hart. 22 Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderd en tien jaren. 23 En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van quot;Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren. a Num. 32 : 39. 24 En Jozef zeide tot zijne broederen: Ikquot;sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk Hij Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft. a llcbr. 11 : 22. 25 En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, quot;zoo zult gij mijne beenderen van hier opvoeren! a Ex. 13 :19. Joz. 24 : 32. 26 En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men leide hem in eene kist in Egypte. |
HET TWEEDE EO EK VAN MOZES,
GENAAMD
ÃXODUS.
|
HOOFDSTUK 1. l)c namen en liet getal der kinderen Israels, die in Egypte kwamen, vs. 1. Zij vermenigvuldigen zeer, 0. Faraö onderdrukt hen te vergeefs, 14. Faraö beveelt de vroedvrouwen alle zonen terstond bij do geboorte te doodcn, 15, maar zij behouden hen in liet leven, 17. God zogent do vroedvrouwen, 21. Faraö gebiedt allo zonen, die geboren worden, te verdrinken, 22. DIT nu zijn de namen der zonen van Israël, quot;die in Egypte gekomen zijn, met Jakob; zij kwamen er in, elk met zijn huis. a Oen. 40 : 8. Ex. 0 : 13. 2 Ruben, Simeon, Levi, en Juda; 3 Issaschar, Zebulon, en Benjamin; |
4 Dan en Nafthali, Gad en Aser. 5 quot; Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; doch Jozef was in Egypte. aGen. 40:27. Dent. 10:22. Hand. 7:14. 6 quot; Toen nu Jozef gestorven was, en al zijne broeders, en al dat geslacht, n Gen. 50 : 20. 7 Zoo werden de kinderen Israels vruchtbaar quot; en wiesen overvloedig, en zij vermeerderden, en werden gansch zeer magtig, zoodat het land met hen vervuld werd. a Dent. 20 : 5. Hand. 7 : 17. 8 quot; Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had; a Hand. 7:18. 9 Die zeide tot zijn volk: Ziet, het volk der kinderen Israëls is veel, ja magtiger dan wij. |
EXODUS 1 , 2.
02
|
10 quot;Komt aan, laat ons wijsselijk teyen hetzelve handelen, opdat hot niet vennenigvuldige, en het geschiede, als er eenige krijg voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en teyon ons strijde, en uit het land optrekke. a Hand.7:10. 11 En zij zetten oversten der schattingen over hetzelve, om het te verdrukken met hunne lasten; want men bouwde voor Faraö schatsteden, Pitom en Raamses. |
12 Maar quot; hoe meer zij hot verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het wies; zoodat deden niet, gelijk als de koning van Egypte tot haar gesproken had, maar zij behielden de knechtjes in het leven. 18 Toen riep de koning van Egypte do vroedvrouwen , en zeide tot haar: Waarom hebt gijlieden deze zaak gedaan, dat gij de knechtjes in het leven behouden hebt? 19 En de vroedvrouwen zeiden tot Faraö; Omdat de Hebreïnnen niet zijn gelijk de egyptische vrouwen: want zij zijn sterk, eer de vroedvrouw tot haar komt, zoo hebben zij gebaard. |
|
zij verdrietig waren van wege de kinderen Israels. «Ps. 105:24. 13 En de Egyptenaars deden de kinderen Israels dienen met hardigheid; 14 Zoodat zij hun het leven bitter maakten met harde dienst, in leem en in tigchelsteenen, en met alle dienst op het veld, met al hunne dienst, die zij hen deden dienen met hardigheid. 15 Daarenboven sprak de koning van Egypte tot de vroedvrouwen der Hebreïnnen, welker eener naam Sifra, en de naam der andere Pua was; l(i En zeide: Wanneer gij de Hebreïnnen in hot baren helpt, en ziet haar op do stoelen; is het oen zoon, zoo doodt hem, maar is het eene dochter, zoo laat haar leven! 17 Doch do vroedvrouwen vreesden God, en |
20 Daarom deed God aan de vroedvrouwen goed; en dat volk vermeerderde, en het werd zeer magtig. 21 En het geschiedde, dewijl de vroedvrouwen God vreesden, zoo bouwde quot;ij hare huizen. 22 quot;Toen gebood Faraö aan al zijn volk, zeggende: Allo zonen, die geboren worden, zult gij in de rivier werpen, maar al de dochteren in het loven behouden. «Hand. 7:10. HOOFDSTUK 2. Mozes wordt geboren en in een kistje van biezen in ilc rivier gelegd, vs. 1; door Farao's dochter gevonden en opgevoed, 5; hij ziet zijnen broeders ongelijk aandoen en hij doodt oen' Egyptenaar, 11; dit wordt bekend, 13; hij vlngt naar Midian, 15; verlost Jethro's dochters van het geweld der herders, 1G; dient Jethro en trouwt zijne dochter Zippora, 21, die hom Oersom baart, 22. God verhoort hot geroep der Israëlieten, 24. |
ÃXODUS 2, 3.
|
EN quot;oen man van het huis van Levi giiifi', en nam eene dochter van Levi. r/Ex. 0:19. Num. 26:5!). 2 quot;En de vrouw werd zwanger, en baarde eenen zoon. Toen zij liem zag, ''dat hij schoon was, zoo verborg zij hem drie maanden. a 1 Kron. 23 ; !â !. Hand. 7 : 20. /; llebr. 11 : 23. 3 Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zoo nam zij voor hem een kistje van biezen, en belijmde het met lijm en mot pek; en zij leido het knechtje daarin, en leide het in de biezen, aan den oever der rivier. 4 En zijne zuster stelde zich van verre, om to weten, wat hem gedaan zou worden. 5 En de dochter van Farao ging at', om zich to wasschen in de rivier; en hare jonkvrouwen wandelden aan den kant der rivier; quot;toen zij hot kistje in het midden van de biezen zag, zoo zond zij hare dienstmaagd heen, en liet het halen. «Hand.7:21. Hebr. 11;23. 6 Toon zij het opon deed, zoo zag zij dat knechtje; en ziet, hot jongsken weende; on zij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelve, on zij zeide: Dit is oen van de knechtjes der Hobreën! 7 Toon zoide zijne zuster tot Farao's dochter : Zal ik heengaan, en u eene voedstervrouw uit de Hebreïn-nen roepen, die dat knechtje voor u zoge? 8 En de dochter van Farao zeide tot haar: Ga hoon. En do jonge maagd ging, en riep des knechtjes moeder. 9 Toon zeide Farao's dochter tot haar: Neem dit knechtje heen, en zoog het mij, ik zal ii uwen loon geven. En de vrouw nam het knechtje en zoogde het. 10 En toon het knechtje groot geworden was, zoo bragt zij het tot Farao's dochter, en het werd haar ton zoon; en zij noemde zijnen naam Mozes, en zeide: Want ik hel) hom uit het water getogen. 11 quot;Eu het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijne broederen, en bezag hunne lasten; en hij zag, dat een ogyptisch man eoiien hebreeuwschen man uit zijne broederen sloeg. ft Hand. 7 :23. Hebr. 11 : 24, 25. 12 En hij zag herwaarts en gindswaarts, en toen hij zag, dat er niemand was, zoo versloeg hij den Egyptenaar, en verborg hein in het zand. |
13 Des anderen daags ging hij wederom uit, en ziet, twee hebreeuwsche mannon twistten; on hij zeide tot den ongeregte: Waarom slaat gij uwen naaste? 14 Hij dan zeide: quot;Wie heeft u tot een' overste on regter over ons gezet? Zegt gij dit, om mij te dooden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt? toon vreesde Mozes, en zoide: Voorwaar, deze zaak is bekend geworden! aHand. 7:27. 15 Als nu Faraö deze zaak hoorde, zoo zocht hij Mozes te dooden; quot; doch Mozes vlood voor Farao's aangezigt, on woonde in hot land Midian, en hij zat bij oenen waterput. a Hand. 7 : 29. 16 En de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde haars vaders to drenken. 17 Toen kwamen de herders, en zij dreven haar van daar; doch Mozes stond op, on verloste ze, en drenkte hare kudden. 18 En toen zij tot haren vader Rohuöl kwamen, zoo sprak hij: Waarom zijt gij heden zoo haast wedergekomen ? 19 Toen zeiden zij: Een ogyptisch man hooft ons verlost uit de hand dor herderen; en hij hoeft ook overvloedig voor ons geput, en do kudde gedrenkt. 20 En hij zoide tot zijne dochters: Waar is hij toch? waarom liet gij don man nu gaan ? roept hom, dat hij I n'ood eto. 21 En Mozes bewilligde bij den man to wonen; en hij gaf Mozes zijne dochter Zippora. 22 quot;Die baarde eenen zoon; en hij noemde zijnen naam Gersom: want hij zeide: Ik ben oen vreem-doling geworden in een vreemd land! oEx. 18:2, 3. 23 En het geschiedde na vele dezer dagen, als do koning van Egypte gestorven was, dat de kindoren Israels zuchtten on schreeuwden over do dienst; en hun gekrijt over hunne dienst kwam op tot God. 24 En God hoorde hun gekerm, en quot;God gedacht aan zijn verbond met Abraham, mot Izak, en mot Jakob. «Oon. 15:14. 25 En God zag de kinderen Israels aan, en God kende hen. HOOFDSTUK 3. Mozes linodt Jothro's kudde, vs. 1. God verschijnt hom in eon brandend braamboseh, 2; gooft hom de /on- |
Franceschini : Mozes wordt gevonden (Exod. 2:5).
EXODUS 3.
65
|
ding om Isniöl tc verlossen, !); openbaart hem zijnen naam, 14; /ijnon last bij de Isvnölieton, 15, en bij Faraö, 18. God voorzegt Farao's weerspannigheid, I!), do plagen van Egypte, 20, on don nittogt der Israëlieten met grooten rijkdom, 21. EN Mozes lioedde de kudde van Jethro, zijnen schoonvader, don priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan den berg' Gods, aan Horeb. 2 En de Engel des Heeren verscheen hem in eene vuurvlam uit het midden van oen' braambosch ; en hij zag, en ziet, de braambosch brandde in liet vuur, en de braambosch werd niet verteerd. 3 En Mozes zeide: Ik zal mij nu daarheen wonden, en bezien dat groote gezigt, waarom de braambosch niet verbrandt. 4 Toen de Heere zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bezien, zoo riep God tot hem uit liet midden van den braam-bosch, en zeide: Mozes, Mozes! En hij zeide: Zie, /«étben ik! 5 quot; En Hij zeide: Nader hier niet toe; trok uwe schoenen uit van uwe voeten: want de plaats, waarop gij staat, is heilig land. a Joz. 5 :15. 6 Hij zeide voorts: quot;Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezigt, want hij vreesde God aan te zien. aMatt.22:32. Mark. 12:26. Luk. 20:37. Hand.7:32. 7 quot;En de Heere zeide: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, van wege hunne drijvers: want Ik heb hunne smarten bekend. a Hand. 7 : 34. 8 Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik liet ver-losse uit de hand der Egyptenaren, en het op-voere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeijende van melk en honig, tot de plaats der Kanaanieten, en der Hethieten, on der Amorieten, en der Ferezieten, en der Ilevieten, en der Jobusieten. 9 En nu, zie, het geschrei der kinderen Israels is tot Mij verdrukking. ' *k. S. , k |
drukken. 10 Zoo kom nu, en quot;Ik zal u tot Faraö zenden, opdat gij mijn volk (do kinderen Israels) uit Egypte voert. a Ps. 105:26. Hos. 12:14. Micha 6:4. Hand. 7:35. 11 Toen zeide Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Faraö zou gaan; en dat ik de kinderen Israels uit Egypte zou voeren ? 12 Hij dan zeide: quot;Ik zal voorzeker met u zijn, en dit zal u een teeken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer gij dit volk uit Egypte geleid hebt, zult gijlieden God dienen op dezen berg. n Joz. 1 : 5. 13 Toen zeide Mozes tot God: Zie, wanneer ik kom tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: De God uwer vaderen heeft mij tot ulieden gezonden; en zij mij zeggen: Hoe is zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen? 14 En God zeide tot Mozes; IK ZAL ZIJN, DIE IK ZIJN ZAL! Ook zeide Hij: Alzoo zult gij tot de kinderen Israels zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden ! 15 Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: De Heere, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is mijn naam eeuwig-lijk , en dat is mijne gedachtenis van geslacht tot geslacht. 16 Ga heen, en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: Do Heere, de God uwer vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb ulieden getrouwelijk bezocht, en hetgeen ulieden in Egypte is aangedaan; 17 Daarom heb Ik gezegd: Ik zal ulieden uit do verdrukking van Egypte opvoeren, tot het land der Kanaanieten, en der Hethieten, en der Amorieten, on der Ferezieten, en der Ilevieten, en der Jebu-sieten ; tot het land, vloeijende van melk en honig. gt;ekomen; en ook heb Ik gezien de , waarmede de Egyptenaars hen ver- rtf' \'S ' * jy/fh L* v gt; m f - 1 * Jan Vic'i'olts: Mo/es aan zijne moeder weergegeven (ICxoil. '2:0). |
ÃXODüa 3, 4.
07
|
18 En zij zullon xnvo stom hooren; en gij zult gaan, gij on do oudsten van Israël, tot den koning van Egypte, en gijlieden zult tot hem zoggen: Do Heere, de God der Hebreën, is ons ontmoet; zoo laat ons nu toch gaan don weg van drio dagen in de woestijn, opdat wij den Herre, onzen God, offeren! 19 Doch Ik weet, dat de koning van Egypte ulioden niet zal laten gaan, ook niet door oeno sterke hand. 20 Want Ik zal mijne hand uitstrekken, en Egypte slaan met al mijne wonderen, die Ik in het midden van hetzelve doen zal; daarna zal hij ulieden laten vertrekken. 21 En Ik zal dit volk genade geven in do oogon der Egyptenaron; en liet zal geschieden, wanneer gijlieden uitgaan zult, zoo zult gij niet ledig uitgaan. 22 quot;Maar elke vrouw zal van hare naburin, en van de waardin haars huizes, eischen zilveren vaten, en gouden vaten, en kleedoren; die zult gijlieden op uwe zonen, en op uwe dochteron leggen, en gij 6 zult Egypte berooven. a Ex. 11 : 2. 12:35. h Ezech. 39; 10. HOOFDSTUK 4. God versterkt Mozes door het veranderen van zijnen slaf in eenc slang, vs. 1, door do mclaatschheid zijner hand, C, en door liet veranderen van water in bloed, 0. Mozes maakt zwarigheid om tot Faraö te gaan, 10. (iod vertoornt zich hierover en geeft hem Aiiron om het woord te voeren, 14. Jethro geeft Mozes verlof om naar Egypte te gaan, 18. God herhaalt zijnen last bij Faraö, 21. Do Heere wil Mozes op den weg dooden, 24. Zippora besnijdt haren zoon, 25. Godt zendt Aiiron aan Mozes te gomoet, 27. Zij openen hunnen last bij de Israëlieten, 20, en worden geloofd, 31. TOEN antwoordde Mozes, en zeide: Maar zie, zij zullen mij niet golooven, noob mijne stem hooren: want zij zullen zeggen: De Heere is u niet verschenen! 2 En de Heere zoido tot hem: Wat is er in uwe hand? En hij zoide: Een staf. 3 En Hij zeide: Werp hom ter aarde! En hij wierp hem ter aarde. Toen werd hij tot eene slang; en Mozes vlood van haar. 4 Toen zeide de Heere tot Mozos: Strek uwe hand uit, en grijp haar bij haren staart! Toon strekte hij zijne hand uit, en vatte haar; en zij werd tot oenen staf in zijne hand. 5 Opdat zij golooven, dat u verschonen is do Heere, de God hunner vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob. (! En de Heere zeide verder tot hem: Steek nu uwe hand in uwen boezem. En bij stak zijne hand in zijnen boezem; daarna trok hij ze uit, en ziet, zijne hand was melaatsch, vgt;lt als sneeuw. 7 En Hij zeide: Steek uwe hand wederom in uwen boezem. En hij stak zijne hand wederom in zijnen boezem; daarna trok hij ze uit zijnon boezem, en ziet, zij was weder als zijn ander vloesch. |
8 Eu hot zal geschieden, zoo zij u niet geloovon, noch naar de stem van hot eerste toeken hooren, zoo zullen zij de stem van hot laatste toeken golooven. !) En het zal geschieden, zoo zij ook deze twee teokenon niet geloovon, noch naar uwe stem hooren, zoo neem van do wateren dor rivier, en giet ze op het drooge; zoo quot;zullen de wateren, die gij uit de rivier zult nemen, diozelve zullen tot bloed worden op hot drooge. «Ex. 7: 19. 10 Toon zeide Mozes tot den Heere: Och Heere! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toon Gij tot uwen knecht gesproken hebt: want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong. 11 En do Heere zeide tot hem: Wie heeft den monsch den mond gemaakt? of wie heeft den stomme, of doove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, do Heere? 12 En nu ga honen, en quot; Ik zal niet uwen mond zijn, en zal u loeren, wat gij spreken zult. a Matt. 10:19. Mark. 13:11. Luk. 12:12. 13 Doch hij zeide: Och Heere! zend toch dooide hand desgenen, dien Gij zoudt zenden. 14 Toen ontstak de toorn des Heeren over Mozes , en Hij zeide: Is niet Aiiron, do Leviet, uw broeder? Ik weet, dat hij zoor wel sproken zal, en ook, zie, hij zal uitgaan u te gomoet; wanneer hij ii ziet, zoo zal bij in zijn hart verblijd zijn. 15 quot; Gij dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijnen mond loggen; en Ik zal met uwen mond, en mot zijnen mond zijn; en Ik zal ulioden loc-ren , wat gij doen zult. a Ex. 7 : 2, 16 En hij zal voor u tot hot volk spreken; on het zal geschieden, dat hij u tot een' mond zal zijn, en gij zult hem tot een' God zijn. 17 Noem dan dozen staf in uwe hand, waarmede gij die teekenen doen zult. 18 Toen ging Mozes heen, on keerde weder tot Jetber, zijnon schoonvader, on zeide tot hem: Laat mij toch gaan, dat ik woderkeere tot mijne broederen, die in Egypte zijn, en zie, of zij nog leven. Jethro dan zeide tot Mozes: Ga in vrede! 19 Ook zeide de Heere tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weder in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uwe ziel zochten. 20 Mozes dan nam zijne vrouw, en zijne zonen, en voerde hen op eenen ezel, en keerde weder in Egypteland; en Mozes nam den staf Gods in zijne hand. 21 En do Heere zeide tot Mozes: Terwijl gij heentrekt, om weder in Egypte te keeren, zie toe, dat gij al de wonderen doet voor Faraö, die Ik in uwe hand gesteld hob; doch Ik zal zijn hart verstokken, dat hij hot volk niet zal laten gaan. 22 Dan zult gij tot Faraö zoggen: Alzoo zegt de Heere: Mijn zoon, mijn eerstgeborene, is Israël. 23 En Ik hob tot u gezegd: Laat mijnen zoon trekken, dat hij Mij diene! maar gij hebt gewei- |
ÃXODUS 4, 5.
08
|
gerd hom te laten trekken; zie, Ik zal nwen zoon, uwen eerstgeborene, dooden! 24 En het geschiedde op den weg, in de herberg, dat de Heere hem tegenkwam, en zoeht hem te dooden. 25 Toen nam Zippora een steenon mes en besneed de voorhuid haars zoons, en wierp die voor zijne voeten, en zeide: Voorwaar, gij zijt mij een bloedbruidogom! 20 En Hij liet van hem af. Toen zeide zij: Bloed-bruidegom! van woge de besnijdenis. 27 De Heere zeide ook tot Aaron: Ga Mozos te gemoet in de woestijn. En hij ging, en ontmoette hem aan don borg Gods, en hij kuste hem. 28 En Mozos gaf Aaron te kennen al de woorden des Heeren, dio hom gezonden had, en al de teekenen, die Hij hem bevolen had. 29 Toen ging Mozos on Aaron, on zij verzamelden al de oudsten der kindoren Israels. ;$() En Aaron sprak al de woorden, die de II kerf, tot Mozos gesproken had; en hij deed de toekenen voor de oogen dos volks. 31 En het volk geloofde, en zij hoorden, dat de Heere de kinderen Israels bezocht, en dat Hij hunne verdrukking zag, en zij neigden hunne hoofden, en aanbaden. HOOFDSTUK 5. Mozes on Afti'on maken Faraö mot den last van Ood hekend, vs. 1. Faraö gehoorzaamt niet, 4, maar verzwaart de lasten der Israëlieten, 5. De Israëlieten morren tegen Mozes en Aiiron, 20. Mozes klaagt hot God, 22. God belooft hen te verlossen, 24. EN daarna gingen Mozes en Aaron heen, en zeiden tot Faraö: Alzoo zegt de Heere, de God van Israël: Laat mijn volk trekken, dat het Mij oen feest boude in de woestijn! 2 Maar Faraö zeide: quot;Wie is de Heere, wiens stom ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? ''Ik ken don Heere niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken, a Job 21 : 15. h Ex. B : 19. 8 Zij dan zeiden: quot; De God dor Hebreën is ons ontmoet; zoo laat ons toch heentrekken, den weg van drie dagen in de woestijn, en den Heere, onzen God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pestilentie of met het zwaard. a Ex. :-i: 18. 4 Toen zeide de koning van Egypte tot hen: Gij Mozes en Aiiron! waarom trekt gij het volk af van hunne werken? gaat hoon tot uwe lasten. 5 Verder zeide Faraö: Ziet, hot volk dos lands is alreeds te veel; en zoudt gijlieden hen doen rusten van hunne lasten ? 6 Daarom beval Faraö, ten zelfden dage, aan do aandrijvers onder het volk, en doszelfs ambt-iioden, zeggende: 7 Gij zult voortaan aan deze lieden geen stroo meer geven, tot het maken der tigchelsteenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zolven heengaan , en stroo voor zich zolven verzamelen. |
8 En hot getal dor tigchelsteenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult gij hun opleggen, gij zult daarvan niet verminderen: want zij gaan ledig, daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onzen God offeren! 9 Men verzware do dienst over deze mannen, dat zij daaraan te doen hebben, en zich niet vergapen op leugenachtige woorden. II) Toen gingen do aandrijvers des volks uit, en doszelfs ambtliedon, en spraken tot het volk, zeggende: Zoo zegt Faraö: Ik zal ulieden geen stroo geven. 11 Gaat gij zeiven heen, haalt u stroo, waar gij hot vindt; doch van uwe dienst zal niet ver-mindord worden. 12 Toen verstrooide zich het volk in het ganscho land van Egypte, dat hot stoppelen verzamelde, voor stroo. 13 En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voleindigt uwe werken, elk dagwerk op zijnon dag, gelijk toen er stroo was. 14 En de ambtliedon der kinderen Israëls, die Farao's aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zeide: Waarom bobt gijlieden uw gezette werk niet voleindigd, in het maken der tigchelsteenen, gelijk te voren, alzoo ook gisteren en heden? 15 Derhalve gingen de ambtlieden der kinderen Israëls, en schreeuwden tot Faraö, zeggende: Waarom doet gij uwen knechten alzoo? Ki Aan uwe knechten wordt geen stroo gegeven, on zij zeggen tot ons: Maakt de tigchelsteenen; en ziet, uwe knechten worden geslagen, doch do schuld is uws volks! 17 Hij dan zeide: Gijlieden gaat ledig, ledig gaat gij; daarom zegt gij: Laat ons gaan, laat ons den Heere offeren! 18 Zoo gaat nu heen, arbeidt; doch stroo zal u niet gegeven worden: evenwel zult gij hot getal dor tigchelsteenen leveren. 19 Toen zagen do ambtliedon der kinderen Israëls, dat het kwalijk met hen stond, dewijl men zeide: Gij zult niet minderen van uwe tigchelsteenen, van het dagwerk op zijnen dag. 20 En zij ontmoetten Mozes en Aiiron, die tegen hen ovorstonden, toen zij van Faraö uitgingen. 21 En zeiden tot hen: De Heere zie op u, en rigte het! dewijl dat gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Faraö, en voor zijne knechten, gevende een zwaard in hunne handen, om ons te dooden. 22 Toen keerde Mozes weder tot den Heere, en zeide: Heere! waarom hebt gij dit volk kwaad gedaan? waarom hebt Gij mij nu gezonden? 23 Want van toen af, dat ik tot Faraö ben ingegaan, om in uwen naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en Gij hebt uw volk geenszins verlost. 24 Toen zeide de Heere tot Mozes: Nu zult gij zien, wat Ik aan Faraö doen zal, want door eene magtigo hand zal hij hen laten trekken, ja door eene magtigo hand zal Hij hen uit zijn land drijven. |
ÃXODUS 6, 7.
|
HOOFDSTUK 6. God versterkt Mozes door licm zijnen naam en zijn verbond mot de vaderen te herinneren, vs. 1. Hij liolooft zijn volk to zullen verlossen, 7. liet volk-hoort niot naar Mozos, 8. God zendt Mozes andermaal naar Farao, 10. Geslachtregister van Ruben, 13, van Simeon, 14, van Levi, 15, tot Aüron en Mozos, 19. Huwelijk en kinderen van Aüron, 22. Ailron on Mozos werden naar Farao gezonden, 25. Mozos' onwilligheid, 29. VERDER sprak God tot Mozos, on zoido tot hem: Ik bon do Heere. 2 En Ik ben aan Abraham, Izak, on Jakob verschonen, als God de Almagtige; docli mot mij non naam Heere ben Ik hun niet bekend gowoost. 3 En ook heb Ik mijn verbond mot hen opgerigt, dat Ik hun geven zou het land Kanaiin, hot land hunner vreemdelingschappen, waarin zij vreemdelingen geweest zijn. 4 En ook heb Ik gehoord het gekerm der kindoren Israels, die de Egyptenaars in dionstbaar-heid houden, on Ik heb aan mijn verbond gedacht. 5 Derhalve zeg tot do kinderen Israels: Ik ben de Heere ! en Ik zal ulieden uitleiden van onder de lasten der Egyptenaars, en Ik zal u redden uit hunne dienstbaarheid, en zal u verlossen door eenen uitgostrekten arm, en door groote gerigten; (i En Ik zal ulieden tot mijn volk aannemen, en Ik zal u tot eenen God zijn; en gijlieden zult bekennen, dat Ik de Heere, uw God, ben, die u uitleidt van onder de lasten der Egyptenaren. 7 En Ik zal ulieden brengen in dat land, waarover Ik mijne hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak en Jakob geven zou; en Ik zal het ulieden geven tot een erfdeel. Ik, de Heere ! 8 En Mozes sprak alzoo tot de kinderen Israels; doch zij hoorden naar Mozes niet, van woge de benauwdheid des geestes, en van wege de harde dienstbaarheid. 9 Verder sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 10 Ga heen, spreek tot Faraö, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken late. 11 Doch Mozes sprak voor den Heere, zeggende: Zie, de kinderen Israels hebben naar mij niet gehoord, hoe zou mij dan Faraö hooren ? quot; daartoe ben ik onbesneden van lippen. «Ex.4:10. G:29. 12 Evenwel sprak do Heere tot Mozes on tot Aaron, en gaf hun bevel aan de kinderen Israels, en aan Faraö, den koning van Egypte, om de kinderen Israels uit Egypteland te leiden. 13 Dit zijn de hoofden van ieder huis hunner vaderen: quot; de zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben. «Oen. 40: 9. Num. 20:5. 1 Kron. 5:3. 14 quot; En de zonen van Simeon, Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar en Saul, de zoon eener Kanaiinietische; dit zijn do huisgezinnen van Simeon. a Gen. 40: 10. Num. 20: 12. 1 Kron. 4:24. |
15 quot;Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hunne geboorten: Gerson, en Kehat, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren. aGen.46:11. Num. 3:17. 20:57. 1 Kron. 0:1,10. 23:0. 16 quot; De zonen van Gerson: Libni on Simei, naar hunne huisgezinnen. al Kron. 0:17. 23:7. 17 quot;En de zonen van Kehat: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël; en de jaren des levens van Kehat waren honderd drie en dertig jaren. a 1 Kron. 0:18. 23 : 12. 18 quot; En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hunne geboorten. «1 Kron. 0:19. 23:21. 19 quot;En Amram nam Jochébed, zijne moei, zich tot eene huisvrouw, en zij baarde hem Aüron en Mozes; en do jaren des levens van Amram waren honderd zeven en dertig jaren. «Ex. 2: 1. Num. 20:59. 20 En de zonen van Jizhar: Korah, on Nefeg, en Zichri. 21 En do zonen van Uzziël: Misaël, en Elzafan, en Sithri. 22 quot; En Aaron nam zich tot eene vrouw Eliséba, dochter van Amminadab, zuster van Nahesson; en ''zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar. aNnm.3:2. 20:60. h\ Kron. 6:3. 24:1. 23 En de zonen van Korah waren: Assir, en Elkena, en Abiasaf; dit zijn de huisgezinnen der Korachieten. 24 En Eleazar, de zoon van Aaron, nam voor zich eene van de dochteren van Putiël tot eene vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hunne huisgezinnen. 25 Dit is Aaron en Mozes, tot welke de Heere zeide: Leidt de kinderen Israëls uit Egypteland, naar hunne heiren. 20 Deze zijn het, die tot Faraö, den koning van Egypte, spraken, opdat zij de kinderen Israëls uit Egypte leidden; dit is Mozes en Aaron. 27 En het geschiedde te dien dage, als de Heere tot Mozes sprak in Egypteland; 28 Zoo sprak de Heere tot Mozes, zeggende: Ik ben de Heere! spreek tot Faraö, den koning van Egypte, alles wat Ik tot u spreek. 29 Toen zeido Mozes voor het aangezigt des Heeren: Zie, quot;ik ben onbesneden van lippen, hoe zal dan Faraö naar mij hooren? «Ex. 4 : lü. 0:11. HOOFDSTUK 7. Mozes en Ailron worden door God gesterkt om naar Faraö te gaan, vs. 1. De staf van Aüron verandert in het bijzijn van Farao in een' draak, 10. Do ogyp-tiseho toovenaars doen hetzelfde, 11. Faraö verhardt zich, 14. Mozes wordt wederom naar Faraö gezonden, 15. De wateren van Egypte veranderen in bloed, 19, waardoor de visschen sterven, 21; do toovenaars doen hetzelfde, 22. TOEN zeide de Heere tot Mozes: Zie, Ik heb u tot eenen God gezet over Faraö; en Aaron, uw broeder, zal uw profeet zijn. |
EXODUS 7, 8.
|
2 Gij zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en quot;Aaron, uw broeder, zal tot Farao spreken, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land trekken laat. a Ex. 4 ; 14. 3 Doch Ik zal Farao's hart verharden; en Ik zal mijne teekenen en mijne wonderheden in Egyp-teland vermenigvuldigen. 4 Faraö nu zal naar ulieden niet hooren, en Ik zal mijne hand aan Egypte leggen, en voeren mijne heiren, mijn volk, de kinderen Israels, uit Egypteland, door groote gerigten. 5 Dan zullen de Egyptenaars weten, dat Ik de IIeeue ben, wanneer Ik mijne hand over Egypte uitstrekke, en de kinderen Israels uit het midden van hen uitleide. G Toen deed Mozes en Aaron, als hun de Heere geboden had, alzoo deden zij. 7 En Mozes was tachtig jaar oud, en Aaron was drie en tachtig jaar oud, toen zij tot Faraö spraken. 8 En de Heere sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende: 9 Wanneer Faraö tot ulieden spreken zal, zeggende: Doet een wonderteeken voor ulieden; zoo zult gij tot Aaron zeggen; Neem uwen staf, en werp hem voor Faraö's aangezigt neder, hij zal tot een' draak worden. 10 Toen ging Mozes en Aiiron tot Faraö henen in, en deden alzoo, gelijk de Heere geboden had; en Aaron wierp zijnen staf neder van Faraö's aangezigt, en voor het aangezigt zijner knechten, en hij werd tot een' draak. 11 Faraö nu riep ook de wijzen en de guiche-laars; en de egyptische toovenaars deden ook alzoo met hunne bezweringen. 12 Want een iegelijk wierp zijnen staf neder, en zij werden tot draken; maar Aarons staf verslond hunne staven. 13 Doch Faraö's hart verstokte, zoodat hij naar hen niet hoorde, «gelijk de Heere gesproken had. a Ex, 7 : 3. 14 Toen zeide de Heere tot Mozes: Faraö's hart is zwaar; hij weigert het volk te laten trekken. If) Ga heen tot Faraö in den morgenstond, zie, hij zal uitgaan naar het water toe, zoo stel u tegen hem over aan den oever der rivier, en don staf, die in eene slang is veranderd geweest, zult gij in uwe hand nemen. 16 En gij zult tot hem zeggen: De Heere, de God der Hebreën, heeft mij tot u gezonden, zeggende: Laat mijn volk trekken, dat hot Mij diene in de woestijn! doch zie, gij hebt tot nu toe niet gehoord. 17 Zoo zegt do Heere: Daaraan zult gij weten, dat ik de Heere ben; zie, Ik zal met dezen staf, die in mijne hand is, op het water, dat in deze rivier is, slaan, en het zal in bloed veranderd worden. 18 En de visch in do rivier zal sterven, zoodat de rivier zal stinken; en de Egyptenaars zullen vermoeid worden, dat zij het water uit do rivier drinken mogen. |
19 Verder zeide de Heere tot Mozes: Zeg tot Aaron: Noem uwen staf, en steek uwe hand uit over de wateren dor Egyptenaren, over hunne stroomen, over hunne rivieren, en over hunne poelen, en over alle vergadering hunner wateren, dat zij bloed worden; en er zij bloed in het gansche Egypteland, beide in houten en in steenon vaten. 20 Mozes nu en Aaron deden alzoo, gelijk do Heere geboden had; en hij hief don staf op, en quot; sloeg het water, dat in do rivier was, voor de oogen van Faraö, en voor de oogen van zijne knechten; h en al hot water in de rivier werd in bloed veranderd. «Ex. 17:5. bPs. 78:44. 105:29. 21 En de visch, die in de rivier was, stierf; en de rivier stonk, zoodat de Egyptenaars het water uit de rivier niet drinken konden; en er was bloed in het gansche Egypteland. 22 Doch do egyptische toovenaars doden ook alzoo met hunne bezweringen; zoodat Faraö's hart verstokte, en hij hoorde naar hen niet, gelijk als do Heere gesproken had. 23 En Faraö keerde zich om, en ging naar zijn huis; en hij zette zijn hart daar ook niet op. 24 Doch allo Egyptenaars groeven rondom de rivier, om water te drinken; want zij konden van het water der rivier niet drinken. 25 Alzoo werden zeven dagen vervuld, nadat de Heere de rivier geslagen had. HOOFDSTUK 8. God laat Paraö bodroigon, dat, zoo hij de Israëlieten niot laat trekken, Hij zijn gansche land met vorschen zal bedekken, vs. 1. Aiiron doet de vorschen over Egypte komen, 5; de egyptische toovenaars doen hetzelfde, 7. Faraö belooft de Israëlieten te zullen heenzenden, zoo de Heere de vorschen wegneemt, 8; hij houdt zijne belofte niet, 15. Het stof verandert in luizen, lü. Eene vermenging van allerlei ongedierte komt over alle Egyptenaren, 21; Israël is hiervan vrij in Gosen, 22. Farao belooft het volk te laten trekken, 25. Mozes bidt God; God neemt hot ongedierte weg, 29. Faraö blijft verhard, 32. DAARNA zeide de Heere tot Mozes: Ga in tot Faraö, en zeg tot hem: Zoo zegt de Heere : Laat mijn volk trekken, dat zij Mij dienen. 2 En indien gij liet weigert te laten trokken, zie, zoo zal Ik uwe gansche landpale met vorschen slaan; 3 Dat de rivier van vorschen zal krielen; die zullen opkomen, en in uw huis komen, en in uwe slaapkamer, ja op uw bed; ook in de huizon uwer knechten, en op uw volk, en in uwe bakovens, en in uwe baktroggen. 4 En de vorschen zullen opkomen, op u, en op uw volk, en op al uwe knechten. 5 Verder zeide de Heere tot Mozes: Zeg tot Aaron: Strek uwe hand uit met uwen staf, over de stroomen, en over de rivieren, en over de poelen; en doe vorschen opkomen over Egypteland. (i En Aaron strekte zijne hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen vorschen op en bedekten Egypteland. |
EXODUS 8, !).
71
|
7 Toon doden do toovonaars ook alzoo, mot hunno bozweringen; on zij deden vorschen over K gyp te-land opkomen. 8 En Farao riep Mozes en Aaron, on zeido: Bidt vuriglijk tot don Heeke, dat Hij de vorschen van mij en van mijn volk wegnomo; zoo zal ik hot volk trekken laten, dat zij don Heeke offeren. 9 Doch Mozes zoide tot Faraö: Hob do oer boven mij! Tegen wanneer zal ik voor u, en voor uwe knechten, en voor uw volk, vuriglijk bidden, om deze vorschen van u en van uwe huizen te verdelgen, dat zij alleen in de rivier overblijven? 10 Hij dan zeido: Tegen morgen. En hij zoide: Het zij naar uw woord, opdat gij weet, dat er niemand is, gelijk do Heere ouzo God. 11 Zoo zullen do vorschen van u, on van uwe huizen, en van uwe knechten, en van uw volk wijken; zij zullen alleen in de rivier overblijven. 12 Toen ging Mozes on Aaron uit van Faraö; en Mozes riep tot den Heere, ter oorzake der vorschen, die Hij Faraö had opgelegd. 13 En de Heere dood naar het woord van Mozes; en de vorschen stierven, uit de huizen, uit de voorzalen, en uit de velden. 14 En zij vergaderden ze zamen bij hoopen, on hot land stonk. 16 Toon nu Faraö zag, dat er verademing was, quot;verzwaarde hij zijn hart, dat iiij naar hen niet hoorde, gelijk als de Heere gesproken had. a Ex. 7 : 14. Ki Verder zoide do Heere tot Mozes: Zeg tot Aaron: Strek uwen staf uit, en sla het stof der aarde, dat hot tot luizen worde, in hot gansche Egypteland. 17 En zij deden alzoo: want Aaron strekte zijne hand uit met zijnon staf, en sloeg hot stof der aarde, en er werden vele luizen aan do monschen, on aan hot vee; quot; al het stof der aarde werd luizen, in het gansche Egypteland. « Ps. 105:31. 18 Do toovonaars doden ook alzoo met hunno bezweringen, opdat zij luizen voortbragten; doch zij konden niet, zoo waren de luizen aan de monschen, en aan het vee. 19 Toon zeiden do toovonaars tot Faraö: Dit is Gods vinger! Doch Faraö's hart verstijfde, zoodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de Heere gesproken had. 20 Verder zoide de Heere tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stol u voor Faraö's aange-zigt; zie, hij zal aan het water uitgaan, en zeg tot hem: Zoo zegt de Heere: Laat mijn volk trokken, dat zij Mij dienen. 21 Want zoo gij mijn volk niet laat trekken, zie, zoo zal Ik eene vermenging van ongedierte zendon op u, en op uwe knechten, en op uw volk, en in uwe huizen; alzoo dat de huizon der Egypte-naren niet deze vermenging zullen vervuld worden, en ook het aardrijk, waarop zij zijn. |
22 En Ik zal te dien dage het land Gosen, waarin mijn volk woont, afzonderen, dat daar geone vermenging van ongedierto zij, opdat gij weet, dat Ik, do Heere, in het midden dozes lands bon. 23 En Ik zal eene verlossing zotten tusschon mijn volk on tusschon uw volk: togen morgen zal dit toeken geschieden! 24 En de Heere deed alzoo; en quot;er kwam eene zware vermenging- van ongedierte in het huis van Faraö, en in de huizen van zijne knechten, en over hot gansche Egypteland; het ''land werd verdorven van deze vermenging. «I's. 105:31. 6Ps. 78:45. 25 Toen riep Faraö Mozes en Aaron, en zoide: Gaat heen, en offert uwen God in dit land. 20 Mozes dan zeido: Het is niet regt, dat men alzoo doe: quot;want wij zouden der Egyptenaren gruwel den Heere onzen God mogen offeren; zie, indien wij dor Egyptenaren gruwel voor hunne oogen offerden, zouden zij ons niet steo-nigen ? a Gen. 43 : 32. 46 : 34. 27 Laat ons den weg van drie dagen in de woestijn gaan, dat wij den Heere onzen God offeren, gelijk Hij tot ons zoggen zal. 28 Toen zoide Faraö: Ik zal u trekken laten, dat gijlieden den Heere uwen God offert in do woestijn; alleen, dat gijlieden in het gaan geenszins te verre trekt! Bidt vuriglijk voor mij. 29 Mozes nu zoide: Zie, ik ga van u, en zal tot don Heere vuriglijk bidden, dat deze vermenging van ongedierte van Faraö, van zijne knechten, en van zijn volk morgen wegwijke! Alleen, dat Faraö niet meer bodriegelijk handoio, dit volk niet latende gaan, om don Heere te offeren. 30 Toen ging Mozes uit van Faraö, en bad vuriglijk tot den Heere. 31 En de Heere dood naar het woord van Mozes, en do vermenging van ongedierte week van Faraö, van zijne knechten, en van zijn volk: er bleef niet één over. 32 Doch quot; Faraö verzwaarde zijn hart ook op ditmaal, en hij liet het volk niet trekken. a Ex. 8 : 15. HOOFDSTUK 9. Het vee dor Egyptenaren komt door pest om, vs. 1 ; doch dat dor Israëlieten blijft verschoond, 4. Faraö blijft verhard, 7. Zworen komen over monschen en vee, 8, zoodat do toovonaars voor Mozes niet staan konden, 11. Do Heere zendt hagel en vuur over Egypte, 18. Faraö belijdt zijne zonde, 27. Mozes bidt voor hem, 29. Do plaag houdt op, 33. Faraö blijft verhard, 34. DAARNA zoide de Heere tot Mozes: Ga in tot Faraö, en spreek tot hein: Alzoo zegt do Heere, do God der Hebreen: Laat mijn volk trokken, dat hot Mij diene. 2 Want zoo gij hen weigert te laten trekken, en gij hen nog mot gewold ophoudt, 3 Zie, de hand des Heeren zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over do ezelen, over do kemelen, over de rundoren, en over hot klein vee, door eene zoor zware pestilentie. |
EXODUS 9, 10.
72
|
4 En de Heere zal oeno afzondering maken tusschen het vee der Israëlieten, en tusschen het vee der Egyptenaren, dat er niets sterve van al wat van do kinderen Israels is. 5 En de Heere bestemde oenen zekeren tijd, zeggende: Morgen zal de Heere deze zaak in dit land doen. 6 En de Heere. deed deze zaak des andoren daags; en al hot voo dor Egyptenaren stierf, maar van hot vee der kinderen Israels stierf niot één. 7 En Farao zond er heen, en ziot, van het vee van Israël was niet tot één toe gestorven. Doch het hart van Farao werd verzwaard, en hij liet hot volk niot trekken. 8 Toon zoide de Heere tot Mozos en tot Aiiron: Noemt gijlieden uwe vuisten vol asch uit den oven; en Mozes strooijo dio naar den hemel voor de oogen van Farao. 9 En zij zal tot klein stof worden over hetgansche Egyptoland; on zij zal aan do monsehen, on aan het vee worden tot zweren, uitbrekende met blaren , in het gansche Egyptoland. 10 En zij namen asch uit den oven, en stonden voor Farao's aangezigt; en Mozes strooide die naar den homol; toen werden er zweren, uitbrekende met blaren, aan do menschen en aan het vee; 11 Alzoo dat do toovonaars voor Mozes niol staan kondon, van wege do zweren: want aan de toovonaars waren zweren, en aan al de Egyptenaren. 12 Doch de Heere verstokte Farao's hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk do Heere tol Mozes gesproken had. 13 Toen zoide do Heere tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stol u voor Farao's aangezigt, en zeg tot hem: Zoo zegt de Heere, do God der Hebreën: Laat mijn volk trekken, dal zij Mij dienen. 14 Want ditmaal zal Ik al mijne plagen in uw hart zonden, en over uwe knechten, on over uw volk, opdat gij weet, dat er niemand is gelijk Ik, op de gansche aarde. 15 Want nu heb ik mijne hand uitgestrekt, opdat Ik u en uw volk met do pestilentie zou slaan, en dat gij van de aarde zoudt verdelgd worden. 16 quot;Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat ik mijne kracht aan u betoonde, en opdat men mijnon naam vertelle op do gansche aarde. a Rom. 9 :17. 17 Verheft gij u zeiven nog tegen mijn volk, dat gij hot niet wilt trekken laten; 18 Zie, Ik zal morgen omtrent dezen tijd oenen zeer zwaren hagel doen regenen, desgelijke in Egypte niet geweest is van dien dag af, dat hel gegrond is, tot nu toe. 19 En nu, zend heen, vergader uw voo, en alles wat gij op het veld hebt; alle mensch en gedierte, dat op het veld gevonden zal worden, en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zoo zullen zij sterven. |
20 Wie onder Farao's knechten des Heeren woord vroosdo, die deed zijne knechten en zijn voo in de huizon vlieden. 21 Doch die zijn hart niot zette tot dos Heeren woord, dio liet zijne knechten en zijn vee op hot veld. 22 Toen zoide do Heere tot Mozes: Strek uwe hand uit naar den hemel, en er zal hagel zijn in hot gansche Egyptoland; over do menschen, en over hot vee, on over al het kruid dos velds in Egyptoland. 23 Toen strekte Mozes zijnen staf naar don homol; en do Heere gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en de Heere liet hagel regenen over Egyptoland. 24 En er was hagel, en vuur in het midden des liagels vervangen; iiij was zoor zwaar, desgelijke is in hot gansche Egyptoland nooit geweest, sedert hot tot oen volk geweest is. 25 En do hagel sloeg, in hot gansche Egyptoland, alles wat op hot veld was, van do menschen af tot do boesten toe; ook sloeg de hagel al het kruid des velds, on verbrak al het geboomte des voids. 26 Alleen in hot land Goson, waar de kinderen Israels waren, daar was geen hagel. 27 Toen schikte Faraö heen, en hij riep Mozos en Aiiron, en zoide tot hen: Ik heb mij ditmaal verzondigd; do Heere is regtvaardig, ik daarentegen en mijn volk zijn goddeloozen! 28 Bidt vuriglijk tot don Heere, (want liet is genoog) dat geen donder Gods noch hagel moor zij; dan zal ik ulioden trokken laten, on gij zult niet langer blijven. 29 Toen zoide Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zoo zal ik mijne hand uitbreiden voor den Heere ; de donder zal ophouden , en do hagel zal niot meer zijn; opdat gij weet, dat de aarde des Heeren is! 30 Nogtans u en uwe knechten aangaande, weet ik, dat gijlieden voor het aangezigt van don Heere God nog niet vroezen zult. 31 Het vlas nu, en do gerst word geslagen: want de gerst was in do aar, en het vlas was in den halm. 32 Maar de tarwe en spelt worden niet geslagen, want zij waren bedekt. 33 Zoo ging Mozos van Faraö ter stad uit, en breidde zijne handen tot don Heere ; de donder en do hagel hielden op, en de regen word niot ineer uitgegoten op de aarde. 34 Toen Faraö zag, dat de regen en hagel, en do donder ophielden, zoo verzondigde hij zicli verder, en hij verzwaarde zijn hart, hij en zijne knechten. 35 quot; Alzoo werd Farao's hart verstokt, dat hij do kindoren Israëls niet trokken liet, ''gelijk als de Heere gesproken had door Mozos. a Ex. 4:21. 6 Ex. 7:3. HOOFDSTUK 10. God geeft Mozes te kennen, waarom hij de harten van Faraö en zijne knechten verhard heeft, vs. I, |
EXODUS 10.
7!!
|
en dreigt sprinkhanen te zullen zenden, 4. Do dienaren van Farao dringen bij hein aan, om do Israëlieten te laten heentrekken, 7. Faraö wil lien laten gaan, doch zonder de vrouwen, kinderen en liet vee, 8. De sprinkhanen komen over Egypte, 12. Faraö belijdt zijne zonde, 1 (i. Mozes bidt voor hem, 18. De plaag houdt op, 19. Faraö blijft verhard, 20. Duisternis komt over Egypte, 21. Faraö wil de Israëlieten laten trokken, doch zonder vee, 24; hij blijft verhard, 27, en verbiedt Mozes op doodstraf andermaal voor hem to verschijnen, 28. Mozes ziet Farao's aangezigt niet weder, 29. DAARNA zeide de Hkere tot Mozes: Ga in tot Faraö, quot;want Ik heb zijn hart verzwaard, ook het hart zijner knechten, opdat Ik deze mijne teekenen in het midden van hem zette; o Ex. 4:21. 9 : 34. 2 En opdat gij, voor de ooren uwer kinderen en uwer kindskinderen moogt vertellen, wat Ik in Egypte uitgerigt heb, en mijne teekenen, die Ik onder hen gesteld heb; opdat gijlieden weet, dat Ik de Hkere ben. 3 Zoo ging Mozes en Aaron tot Faraö, en zeiden tot hem: Zoo zegt de Heere, de God der Hebreen: Hoe lang weigert gij u voor mijn aangezigt te verootmoedigen? Laat mijn volk trekken, dat zij Mij dienen. 4 Want indien gij weigert mijn volk te laten trekken, zie, zoo zal Ik morgen sprinkhanen in uwe landpale brengen. 5 En zij zullen het gezigt des lands bedekken, alzoo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van hetgeen ontkomen is, hetgeen ulieden overgebleven was van den hagel; zij zullen ook al hot geboomte afeten, dat ulieden uit het veld voortkomt. G En zij zullen vervullen uwe huizen, en de huizen van al uwe knechten, en de huizen van alle Egyptenaren; dewelke uwe vaders, noch de vaderen uwer vaders niet gezien hebben, van dien dag af, dat zij op den aardbodem geweest zijn, tot op dezen dag. En hij keerde zich om, en ging uit van Faraö. 7 En de knechten van Faraö zeiden tot hem: Hoe lang zal ons deze tot eenen strik zijn? laat de mannen trekken, dat zij den Heere hunnen God dienen! weet gij nog niet, dat Egypte verdorven is? 8 Toen werden Mozes en Aaron weder tot Faraö gebragt, en hij zeide tot hen: Gaat henen, dient den Heere uwen God! wie en wie zijn zij, die gaan zullen? 9 En Mozes zeide: Wij zullen gaan met onze jonge en met onze oude lieden; met onze zonen en met onze dochteren, met onze schapen en met onze runderen zullen wij gaan: want wij hebben een feest des Heeren. 10 Toen zeide hij tot hen: De Heere zij alzoo met ulieden, gelijk ik u en uwe kleine kinderen zal trekken laten! ziet toe, want er is kwaad voor ulieder aangezigt! |
11 Niet alzoo! gij mannen, gaat nu heen, en dient don Heere, want dat hebt gijlieden verzocht! En men droef hen uit van Faraö's aangezigt. 12 Toen zeide de Heere tot Mozes: Strek uwe hand uit over Egypteland, om do sprinkhanen, dat zij opkomen over Egypteland, en al hot kruid des lands opeten, al wat de hagel heeft overig gelaten. 13 Toon strekte Mozes zijnen staf over Egypteland, en de Heere bragt eenen oostowind in dat land, dien geheelon dag en dien ganschen nacht; het geschiedde dos morgens, dat do quot; oostowind do sprinkhanen opbragt. «I's. 78:40. 105:34, 35. 14 En de sprinkhanen kwamen op over het gansche Egypteland, en lieten zich neder aan al de palen der Egyptenaren, zoor zwaar; vóór dezen zijn dergelijke sprinkhanen, als deze, nooit geweest, en na dezen zullen or zulke niet wezen: 15 Want zij bedekten het gezigt dos ganschen lands, alzoo dat hot land verduisterd word; en zij aten al het kruid dos lands op, en al de vruchten der boomon, die de hagel had overig gelaten; on er bleef niets groens aan do boomon, noch aan do kruiden des velds, in het gansche Egypteland. Ki Toon haastte Faraö, om Mozes en Aiiron te roepen, en zeide: Ik heb gezondigd tegen don Heere uwen God, en tegen ulieden. 17 En nu vergeeft mij toch mijne zonde alleen ditmaal, en bidt vuriglijk tot den Heere uwen God, dat Hij slechts dozen dood van mij wegnome. 18 En hij ging uit van Faraö, en bad vuriglijk tot den Heere. 19 Toon keerde de Heere eenen zeer sterken wostowind, die hief de sprinkhanen op, en wierp ze in de Scholfzee; er bleef niet één sprinkhaan overig in al de landpalen van Egypte. 20 Doch do Heere verstokte Faraö's hart, dat hij de kinderen Israels niet liet trokken. 21 Toen zeide do Heere tot Mozes: Strek uwe hand uit naar den hemel, on or zal duisternis komen over Egypteland, dat men do duisternis tasten zal. 22 Als Mozes zijne hand uitstrekte naar den hemel, quot; werd er eone dikke duisternis in hot gansche Egypteland, drie dagen. aPs. 105:27, 28. 23 Zij zagen de oen don ander niet, er stond ook niemand op van zijne plaats, in drie dagen; maar bij al de kinderen Israels was het licht in hunne woningen. 24 Toen riep Faraö Mozes, en zeide: Gaat heen, dient den Heere! alleen uwe schapen en uwe runderen zullen vast blijven; ook zullen uwe kinderkous met u gaan. 25 Doch Mozes zeide: Ook zult gij slagtofforon on brandofferen in onze handen geven, die wij den Heere onzen God doen mogen; 26 En ons vee zal ook met ons gaan, er zal niet oen klaauw achterblijven, want van hetzelve zullen wij nemen, om den Heere onzen God te dienon: want wij weten niet, waarmede wij den |
|
74 ÃXODUS Heere onzen God dienen zullen, totdat wij daar komen. 27 Doch de Heere verhardde Farao's hart; en hij wilde hen niet laten trekken. '28 Maar Farao zeide tot hem: Ga van mij! wacht u, dat yij niet meer mijn aangezigt ziet: want op welken dag gij mijn aangezigt zult zien, zult gij sterven! 29 Mozes nu zeide: Gij hebt regt gesproken; quot; ik zal niet meer uw aangezigt zien! a Hobi'. 11 : 27. HOOFDSTUK 11. God beveelt den Israëlieten gouden en zilveren vaten van hunne naburen te eischen, vs. 1. God bedreigt aan Faraö den dood van alle eerstgeborenen tier Egyptenaren, 4. Faraö blijft verhard, 9. (WANT de Heere had tot Mozes gesproken: Ik zal nog ééne plaag over Faraö, en over Egypte brengen, daarna zal hij ulieden van hier trekken laten; als hij u geheellijk zal trekken laten, zoo zal hij u haastelijk van hier uitdrijven. 2 Spreek nu voor de ooren des volks, quot; dat ieder man van zijnen naaste, en iedere vrouw van hare naaste zilveren vaten en gouden vaten eische. a Ex. 3:22. 12:35. 3 En de Heere quot;gaf het volk genade in de oogen der Egyptenaren: ook was de man Mozes zeer groot in Egypteland voor de oogen van Farao's knechten, en voor de oogen des volks.) a Ex. 12:3ö. 4 Verder zeide Mozes: Zoo heeft de Heere gezegd: Omtrent middernacht quot; zal Ik uitgaan door hot midden van Egypte; «Ex. 12:29. 5 En a allo eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene af, die op zijnen troon zitten zou, tot den eerstgeborene der dienstmaagd, die achter den molen is, en alle eerstgeborenen van het vee. a Ex. 12:12. (i En er zal een groot geschrei zijn in het gansche Egypteland, desgelijke nooit geweest is, en des-gelijke niet meer wezen zal. 7 Maar bij alle kinderen Israels zul niet een hond zijne tong verroeren, van de menschen af tot de beesten toe; opdat gijlieden weet, dat de Heere tusschen de Egyptenaren en tusschen de Israëlieten eene afzondering maakt. 8 quot; Dan zullen al deze uwe knechten tot mij afkomen, en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, gij en al het volk, dat uwe voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Faraö in hitte des toorns. a Ex. 12:30. 9 De Heere dan had tot Mozes gesproken: Farao zal naar ulieden niet hooren, opdat mijne wonderen in Egypteland vermenigvuldigd worden. 10 En Mozes en Aaron hebben al deze wonderen gedaan voor Farao's aangezigt; quot;doch de Heere verhardde Faraö's hart, dat hij de kinderen Israels uit zijn land niet trekken liet. a Ex. 9 : Ui. Kom. 9 : 17. |
), 11, 12. HOOFDSTUK 12. God bovoolt den Israëlieten, dat de maand, in welke zij uit Egypte gaan, hun de eerste maand des jaars zij, vs. 1. Bevel om een onbevlekt lam voor een paaschlam uit te kiezen, 3; de wijs, waarop dit gegeten moest worden, 11. Zeven dagen lang moest men ongezuurde brooden eten, 15; met het bloed des lams moest men de posten der deuren besprengen, 22. Dood van alle eerstgeborenen in Egypte, 29. Faraö laat de Israëlieten trekken, 31. Zij berooven de Egyptenaren, 35. Zij komen te Sukkoth; hun aantal, 37, de tijd, dien zij in Egypte gewoond hebben, 40. Herhaling van do inzetting van het Pascha. 43. Al de kinderen Israels doen, wat hun de Heere bevolen had, 50. DE Heere nu had tot Mozes en tot Aaron in Egypteland gesproken , zeggende: 2 Deze zelfde maand zal ulieden het itoofd der maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden des jaars zijn. 3 Spreekt tot de gansche vergadering van Israël, zeggende: Aan den tienden dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis. 4 Maar indien een huis te klein is voor een lam, zoo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar het getal der zielen, een iegelijk naar dat hij eten kan; gij zult rekening maken naar het lam. 5 quot; (lij zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult gij het nemen. a Lev. 1: 3. 22 : 21. Mal. 1 : 8. 1 Potr, 1 : 19. G En gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand; en do gansche gemeente der vergadering van Israël zal het slagten tusschen twee avonden. 7 En zij zullen van het bloed nemen, en strijken liet aan de beide zijposten, en aan den bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen. 8 quot; En zij zullen het vleesch eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde brooden; zij zullen het met bittere saus eten. a Num. 9:11. 1 Cor. 5 : 8. 9 Gij zult daarvan niet raauw eten, ook geenszins in water gezoden; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd, met zijne schenkelen en met zijn ingewand. 10 Gij zult daarvan ook niet laten overblijven tot den morgen; maar hetgeen daarvan overblijft tot den morgen, zult gij met vuur verbranden. 11 Aldus nu zult gij het eten: uwe lenden zullen opgeschort zijn, uwe schoenen aan uwe voeten, en uw staf in uwe hand; en gij zult het met haast eten; het is des Heeren pascha. 12 Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de menschen af tot de beesten toe; en Ik zal gerigten oefenen aan al de goden der Egyptenaren , Ik, de Heere! 13 En dat bloed zal ulieden tot een teeken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het |
EXODUS 12.
75
|
bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan: on er zal geene plaag onder ulieden ten verdorve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal. 14 quot; En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den II kerk tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uwe geslachten tot eene eeuwige inzetting. a Ex. 5 ; l. |
15 Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde brooden eten, maar aan don eersten dag zult gij het zuur-dewijl Ik even aan denzelfden dag ulioder heiren uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult gij dezen dag houden, onder uwe geslachten, tot eene eeuwige inzetting. 18 quot;In de eerste maand, aan den veertienden dag dor maand, in den avond, zult gij ongezuurde brooden eten, tot den een en twintigsten dag der maand, in den avond. n Lev. 23:5. Niini. 28: lli. 19 Dat er zeven dagen lang geen zuurdeesem in |
|
deeg wegdoen uit uwe huizen: want wie het ge-deesemde eet, van den eersten dag af tot op den zevendon dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israël. 16 En op den eersten dag zal er eene heilige verzameling zijn; ook zult gij eene heilige verzameling hebben op den zevenden dag: er zal Keen werk op denzelven gedaan worden; maar wat van iedere ziel gegeten zal worden, datzelve alleen mag van ulieden toegemaakt worden. 17 Zoo onderhoudt dan de ongezuurde brooden. |
uwe huizen gevonden worde! want al wie het gedeesemde eten zal, dezelve ziel zal uit de vergadering van Israël uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene des lands. 20 Gij zult niets eten, dat gedeesemd is; quot;in al uwe woningen zult gij ongezuurde brooden eten. a Deut. 16:3. 21 Mozes dan riep al de oudsten van Israël, en zeide tot hen: Leest uit, en neemt u lammeren voor uwe huisgezinnen, quot;en slagt het pascha. a Hebr. 11 : 28. |
L
|
76 22 Noemt dan oen bundelken liijzoj), en doopt het in het bloed, dat in oen bokken zal wezen; en strijkt aan don bovendorpel, on aan de beide zijposton van dat bloed, hetwelk in het bekken zijn zal; doch u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis, tot aan don morgen. 23 Want de Heeue zal doorgaan, om de Egyp-tenaren te slaan; doch wanneer Hij het bloed zien zal aan den bovendorpel en aan de twee zij-posten, zoo zal do Heere do deur voorbijgaan, quot; en den verdorver niet toelaten in uwe huizen to komen om te slaan. a Hebr. 11:28. 24 Onderhoudt dan deze zaak, tot oono inzetting voor u en voor uwe kinderen, tot in eeuwigheid. 25 En het zal geschieden, als gij in dat land komt, dat u do Heere geven zal, gelijk Hij gesproken heeft, zoo zult gij deze dienst onderhouden. 26 quot; En hot zal geschieden, wanneer uwe kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt gij daar voor eene dienst ? a Joz. l: (i. 27 Zoo zult gij zeggen: Dit is den Heere oen paaschoffer, die voor do huizen der kinderen Israels voorbijging in Egypte, toon Hij de Egyp-tonaars sloeg, en onze huizon bevrijdde! Toen boog zicli het volk en neigde zich. 28 quot; En de kindoren Israels gingen en deden het: gelijk als do Heere Mozes en Aaron geboden had, alzoo doden zij. aHebr. 11:28. 29 quot; En het geschiedde ter middernacht, dat de Heere al do eerstgeborenen in Egyptoland sloeg, van den eerstgeborene van Faraö af, die op zijnon troon zitten zou, tot op den eerstgeborene van don gevangene, die in hot gevangenhuis was, en allo eerstgeborenen der beesten. fflPs. 78:51. 105:36. 135:8. 136: lü. 30 quot;En Faraö stond op bij nacht, hij on al zijne knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte: want er was geen huis, waarin niet een doodo was. re Ps. 105:38. 31 Toon riep hij Mozes en Aaron in don nacht, en zeide: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zoo gijlieden als de kinderen van Israël; en gaat heen, dient den Heere, gelijk gijlieden gesproken hebt. 32 Neemt ook met u uwe schapen en uwe runderen, zoo als gijlieden gesproken hebt, en gaat heen, en zegent mij ook, 33 En de Egyptenaars hielden sterk aan bij bet volk, haastende, om die uit hot land te drijven: want zij zeiden: Wij zijn allen dood! 34 En het volk nam zijn doeg op, oor hot go-deosemd was, hunne doegklompen, gebonden in hunne kleedoron, op hunne schouderen. 35 quot; De kinderen Israels nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyp-tenaron geëischt zilveren vaten, en gouden vaten, on kleedoron. a Ex. 3:22. 11:2. I's. 105:87. 36 Daartoe had de Heere hot volk genade gegeven in deoogen dor Egyptenaren, datzij hun hunne begeerte doden; en zij beroofden de Egyptenaren. |
37 Alzoo reisden de kinderen Israels uit van Ra-móses naar Sukkoth, omtrent zes honderd duizend te voet, mannen alleen, behalvo de kinderkens. 38 En veel vermengd volk trok ook mot hen op, en schapen, en runderen, gansch veel vee. 39 En zij bakten van het doeg, dat zij uit Egypte gobragt hadden, ongezuurde koekon, want het was niet godeosemd: overmits zij uit Egypte uitgedreven werden, zoodat zij niet vertoeven konden , noch ook tering voor zich bereiden. 40 quot; Do tijd nu der woning, dien de kinderen Israels in Egypte gewoond hebben, is vier honderd jaren, en dertig jaren. a Gen. 15 : 13. Hand. 7 : 6. Gal. 3 : 17. 41 En het geschiedde ton einde van de vior honderd en dertig jaren, zoo is hot even op denzelfden dag geschied, dat al de hoiren des Hee-ken uit Egyptoland gegaan zijn. 42 Dozen nacht zal men den Heere op het vlijtigst houden, omdat Hij hen uit Egyptoland geleid heeft; deze is do nacht des Heeren, die op het vlijtigst moet gehouden worden, van al do kinderen Israëls, onder hunne geslachten. 43 Voorts zeide de Heere tot Mozes on Aaron: Dit is de inzetting van het pascha, geen zoon eens vroomdelings zal daarvan eten. 44 Doch allo knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat gij hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten. 45 Geen uitlander noch huurling zal er van eten. 46 In oen huis zal het gegeten worden: gij zult van hot vleosch niet buiten uit het huis dragen, quot; en gij zult geen been daaraan breken. a Num. 9 : 12. Joh. 19 : 36. 47 De gansche vergadering van Israël zal hot doen. 48 Als nu oen vreemdeling bij u verkeert, en don Heere het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hen besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborone des lands; maar geen onbesnedene zal daarvan eten. 49 Eenerlei wet zij voor den ingeborone, on don vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert. 50 lïn alle kinderen Israëls deden hot; gelijk als do Heere Mozes on Aaron geboden had, alzoo deden zij. 51 En hot geschiedde oven ton zelfden dage, dat do Heere de kinderen Israëls uit Egyptoland leidde, naar hunne hoiren. HOOFDSTUK 13. Bevel om allo eerstgeborenen te heiligen, vs. 1, om aan don dag van den uittogt uit Egypte te gedenken, 3, om het feest der ongezuurde broeden in Kiiruiiln tc vieren, 6, om de aanleiding er van aan do kinderen te verhalen, 8, om de eerstelingen van het vee af te zonderen, 12, en om gedenkteekenen te maken, 16. De weg der Israëlieten in de woestijn, 17. Zij nemen de beenderen van Jozef met zich uit Egypte, 19. Zij legeren zich te Etham, 20. God geleidt hen met eene wolk- en vuurkolom, 21. ÃXODUS 12, 13. |
ÃXODUS 13, 14.
77
|
TOEN sprak do Heere tot Mozos, zoggende: 2quot;IIoilig Mij allo oerstgoboronon; wat eonigo baarmoeder opent onder do kinderen Israels, van nienschen en van beesten, dat ia mijn. a Ex. 22:29. 34:1«. Lev. 27:2(1. Num. 3:13. 8:17. Luk. 2 ⢠23. 3 Verder zeide Mozos tot het volk: Gedenkt aan dezen zelfden dag, op welken gijlieden uit Egypte, uit hot diensthuis, gegaan zijt: want de Heere heeft u door eene sterke hand van hier uitgevoerd, daarom zal het gedeesemde niet gegeten worden. 4 quot;lieden gaat gijlieden uit, in de maand Abib. n Ex. 23 : 15. 5 En het zal geschieden, als u de Heeue zal gebragt hebben in het land der Kanaanieten, on der Hetliieten, en der Amorieten, en der Hevio-ten, en der Jebusieten, hetwelk Hij uwen vaderen gezworen hoeft u te geven, een land vloeijende van melk en honig; zoo zult gij dezen dienst houden in deze maand. (5 Zeven dagen zult gij ongezuurde brooden eten, en aan den zevenden dag zal den Heere een feest zijn. 7 Zeven dagen zullen ongezuurde brooden gegeten worden, en het gedeesemde zal bij u niet gezien worden, ja er zal geen zuurdeeg bij u gezien worden, in al uwe palen. 8 En gij zult uwen zoon te kennen geven te dienzelven dage, zeggende: Dit is om hetgeen de Heere mij gedaan heeft, toen ik uit Egypte uittoog. 9 En het zal u zijn tot oen teeken op uwe hand, en tot eene gedachtenis tusschen uwe oogen, opdat de wet des Heeren in uwen mond zij, omdat u de Heere door eene sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft. 10 Daarom onderhoudt deze inzetting ter bestemder tijd, van jaar tot jaar. 11 Het zal ook geschieden, wanneer u do Heere in het land der Kanaanieten zal gebragt hebben, gelijk Hij u en uwen vaderen gezworen heeft, en Hij hot u zal gegeven hebben; 12 quot; Zoo zult gij tot den Heere doen overgaan alles, wat de baarmoeder opent; ook alles wat de baarmoeder opent van de vrucht der beesten, die gij hebben zult; de mannetjes zullen des Heeren zijn. '/Ex. 22:30. 34:19. Lev. 27:20. Num. 8:17. Ezec. 44:30. 13 Doch al wat de baarmoeder der ezelin opent, zult gij lossen met een lam; wanneer gij het niot lost, zoo zult gij liet den nek breken; maar alle eerstgeborenen des nienschen onder uwe zonen zult gij lossen. 14 Wanneer het geschieden zal, dat uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat is dat? zoo zult gij tot hem zeggen: De Heere heeft ons door eene sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis, uitgevoerd. 15 Want het geschiedde, toen Farao zich verhardde ons te laten trekken, zoo doodde de |
Heere allo eerstgeborenen in Egypteland, van dos nienschen eerstgeborene af, tot den eerstgeborene der beesten: daarom offer ik den Heere de mannetjes van alles, wat de baarmoeder opent; doch alle eerstgeborenen mijner zonen los ik. Ki En het zal tot een teeken zijn op uwe hand, en tot voorhoofdspanselen tusschen uwe oogen; want de Heere heeft door eene sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd. 17 En bet is geschied, toen Farao het volk had laten trekken, zoo leidde hen God uiet op den weg van het land der Filistijnen, hoewel die nader was: want God zeide: Dat het den volke niet rouwe, als zij den strijd zien zouden, en weder-keeren naar Egypte. 18 Maar God leidde het volk om, langs den weg van do woestijn der Schelfzee. Du kinderen Israels nu togen bij vijven uit Egypteland. 19 En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich: quot; want hij had met eenen zwaren eed de kinderen Israels bezworen, zeggende: God zal uliedeu voorzeker bezoeken: voert dan mijne beenderen met ulieden op van hier! o Gen. öi): 25. Joz. 24: 32. 20 quot; Alzoo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Ethani, aan hot einde der woestijn. o Num. 33:0. 21 quot;En de Heere toog voor hun aangezigt, des daags in eene wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in eene vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. «Ex. 40:38. Num. 14:14. Dout. 1:33. Noli. !): 12, 19. Ps. 78:14. 105:39. 1 Oor. 10 : 1. 22 Hij nam de wolkkolom dos daags, noch de vuurkolom des nachts niet weg van het aangezigt des volks. HOOFDSTUK 14. Ood wijst don Israëlieten don wog, dien zij gaan moeten, vs. 1. Farao vervolgt hen met zijne ruiterij, 5. Do Israëlieten worden, als zij dit vernemon, zeer bevreesd en slaan aan het morren, lü. Mozes lio-moodigt en versterkt hen, 13. God liovoolt Mozos voort te trekken, zijne hand over de zee uit te strekken en hare wateren van een te scheiden, 15. De wolkkolom plaatst zieli tusschen de Israëlieten en do Egyptenaren, 19. Mozes strekt zijne hand over de zee uit, Uod maakt die droog, 21. De Israëlieten trekken er doorheen, 22. Farao volgt hen, 23. Ood bevoelt Mozes zijne hand wederom over do zee uit te strekken, 20. Do zee keert weder en Faraö met al de zijnen verdrinken, 27. TOEN sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels, dat zij weder-keeren, en quot;zich legeren voor Pi-Hachiroth, tusschen Migdol en tusschen de zee: voor Baal-Zefon, daar tegenover zult gij u legeren aan de zee. a Num. 33 : 7. 3 Faraö dan zal zeggen van de kinderen Israels: Zij zijn verward in het land; die woestijn heeft hen besloten. 4 quot;En Ik zal Farao's hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Faraö en aan al zijn |
ÃXODUS 14, 15.
78
|
heh' verheerlijkt worden, alzoo dat de Egypto-naars zullen weten, dat Ik de Heere bon. En zij deden alzoo. «Ex. 4:21. 10:20. 5 Toen nu den koning van Egypte werd geboodschapt, dat het volk vlugtte, zoo is het hart van Farao en van zijne knechten veranderd tegen het volk, en zij zuiden: Waarom hehbon wij dat gedaan , dat wij Israël hebben laten trekken, dat zij ons niet dienden ? 6 En hij spande zijnen wagen aan en nam zijn volk met zich. 7 En hij nam zes honderd uitgelezene wagens, ja al de wagens van Egypte, en de hoofdlieden over die allen. 8 Want de Heere verstokte het hart van Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels najaagde; doch de kinderen Israels waren door eene hooge hand uitgegaan. 9 quot;En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijne ruiters, en zijn heir; nevens Pi-IIachi-róth , voor Baal-Zefon. a Joz. 24:0. 10 Als Faraö nabij gekomen was, zoo hieven de kinderen Israels hunne oogen op, en ziet, de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israels tot den Heere. 11 En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gansch geene graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte uitgevoerd hebt? 12 quot; Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot ii spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaars dienen ? want het ware ons heter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven. a Ex. 6:8. 13 Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des Heeren, dat Hij heden aan ulieden doen zal! want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid. 14 De Heere zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn. 15 Toen zeide de Heere tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? zeg den kinderen Israels, dat zij voorttrekken. KJ En gij, hef uwen staf op, en strek uwe hand uit over de zee, en klief dezelve, dat de kinderen Israels door het midden der zee gaan op het drooge. 17 En Ik, zie. Ik zal het hart der Egyptenaren verstokken, dat zij na hen daaiin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Faraö en aan al zijn heir, aan zijne wagenen en aan zijne ruiteren. 18 En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de Heere ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Faraö, aan zijne wagenen en aan zijne ruiteren. 19 En de Engel Gods, die voor het heir van |
Israël ging, vertrok, en ging achter hen; do wolkkolom vertrok ook van hun aangezigt, en stond achter hen. 20 En zij kwam tusschen het leger dor Egyptenaren, en tusschen het leger van Israël; en de wolk was te gelijk duisternis en verlichtte den nacht; zoodat de een tot den ander niet naderde den ganschen nacht. 21 Toen Mozes zijne hand uitstrekte over de zee, zoo deed de Heere de zee weggaan, door oenen sterken oostewind, dien ganschen nacht, quot;en maakte de zee droog, ''en de wateren werden gekliefd. aPs. 60:0. A.Toz. 4:23. Ps. 78:13.100:9. 114:3. 22 quot; En de kinderen Israels zijn ingegaan in het midden van de zee, op het drooge; en de wateren waren hun een muur, aan hunne regter- en aan hunne linkerhand. al Cor. 10:1. Hebr. 11 : 29. 23 En de Egyptenaars vervolgden hen, en gingen in, achter hen, al de paarden van Faraö, zijne wagenen en zijne ruiteren, in het midden van de zee. 24 En hot geschiedde in dezelfde morgenwake, dat do Heere in de kolom dos vuurs en der wolk, zag op het leger dor Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger dor Egyptenaren. 25 En Hij stiet do raderen hunner wagenen weg, en deed ze zwaarlijk voortvaren. Toen zeiden do Egyptenaars: Laat ons vlieden van hot aangezigt van Israël, want de Heere strijdt voor hen tegen de Egyptenaars. 26 En de Heere zeide tot Mozes: Strek uwe hand uit over de zee, dat de wateren wederkeeren over de Egyptenaars, over hunne wagenen en over hunne ruiters. 27 Toen strekte Mozes zijne hand uit over do zee; en de zee kwam weder, togen het naken van den morgenstond, tot hare kracht; en de Egyptenaars vlugtten dio te gemoet; en de Heere stortte de Egyptenaars in hot midden der zee. 28 quot; Want als de wateren wederkeerden, zoo bedekten zij de wagenen en de ruiters van het gansche heir van Faraö, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet één van hen overig. aPs. 78:53. 106: 11. 29 quot; Maar de kindoren Israëls gingen op het drooge, in hot midden der zee; en de wateren waren hun een muur, aan hunne regter- en aan hunne linkerhand. a Ps. 77:20. 30 Alzoo verloste de Heere Israël aan dien dag uit de hand der Egyptenaren; en Israël zag do Egyptenaren dood aan den oever der zee. 31 Ook zag Israël de groote hand, die de Heere aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde den Heere, en geloofde in den Heere, en aan Mozes zijnen knecht. HOOFDSTUK 15. Do lofzang van Mozes on der kindoren Israëls voor hunne verlossing en don ondergang van Faraö, vs. 1. Mirjam en do Israëliotische vrouwen antwoordden hierop in reizang, 20. Do Israëlieten komen in do |
ÃXODTJS 15, 16.
7!)
|
woestijn Sur on vinden geen water, quot;22; te Mam is het water bittor, 21!; het volk mort, 24; Goil wijst Mo zes een' boom aan, welke hot water zoetmaakt, 25. De Hoere geeft hun wetten en floot hun vaderlijke beloften, 2G. Het volk komt te Eiim en vindt twaalf waterputten en zeventig palmboomen, 27. TOEN zon}r Mozos en de kinderen Israels den Heere dit lied, en spraken, zeggende: quot;Ik zal den Heere zingen, want Hij is hoogelijk verheven! Het paard en zijnen ruiter heeft Hij in de zee geworpen. « Ps. 106:12. 2 quot;De Heere is mijn kracht en lied, en Hij is mij tot een heil geweest: deze is mijn God, daarom zal ik Hem eene liefelijke woning maken; Hij is mijns vaders God, dies zal ik Hem verheffen ! a Ps. 18:2. 118:14. Jes. 12:2. De Heere is een krijgsman: Heere is zijn naam! 4 Hij heeft Farao's wagenen en zijn heir in de zee geworpen; en do keure zijner hoofdlieden zijn verdronken in de Schelfzee! 5 quot;De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen. aNeii. 9:11. 6 quot;O Heere! uwe regterhand is verheerlijkt geworden in magt; uwe regterhand, o Heere ! heeft den vijand verbroken! «Ps. 118:15, 16. 7 En door uwe groote hoogheid hebt Gij, die tegen U opstonden, omgeworpen; Gij hebt uwen brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als eenen stoppel. 8 quot; En door het geblaas van uwen neus zijn de wateren opgehoopt geworden; do stroomen hebben overeinde gestaan, als een hoop; de afgronden zijn stijf geworden in het hart der zee. a Jes. 63:12, 13. Hub. 3: 10. 9 De vijand zeide: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal den buit deelen, mijne ziel zal van hen vervuld worden; ik zal mijn zwaard uittrekken, mijne hand zal hen uitroeijen. 10 quot; Gij hebt met uwen wind geblazen; de zee heeft hen gedekt! zij zonken onder als lood in geweldige wateren! aPs. 74: 13. 106: 11. 11 O Heere! wie is als Gij onder de goden? wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid, vrees-solijk in lofzangen, doende wonder! 12 Gij hebt uwe regterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden! 13 Gij leiddet door uwe weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij quot; voert hen zachtkens door uwe sterkte tot de liefelijke woning uwer heiligheid. a I's. 77 : 21. 14 De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen. 15 quot; Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de magtigen der Moabieten bevangen: al de ingezetenen van Kanaan zullen versmelten ! a Dout. 2 : 4. 16 quot; Verschrikking en vrees zal op hen vallen ; door de grootheid van uwen arm zullen zij ver- i |
stommen, als een steen! totdat uw volk, Heere! henen doorkome; totdat dit volk henen doorkome, dat Gij verworven hebt. aDent. 2:25.11-.25. Joz. 2:9. 17 Die zult gij inbrengen, en planten hen op den berg uwer erfenis, ter plaatse, welke Gij, o Heere! gemaakt hebt tot uwe woning, het heiligdom, hetwelk uwe handen gesticht hebben, o Heere! 18 De Heere zal iu eeuwigheid en geduriglijk regeren! 19 Want Farao's paard, met zijnen wagen, met zijne ruiters, zijn in de zee gekomen, en do Heere heeft de wateren der zee over hen doen wederkeeren; maar de kinderen Israels zijn op het drooge in het midden van de zee gegaan. 20 En Mirjam, de profetes, Aarons zuster, quot; nam eene trommel in hare hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reijen. n\ Sam. 1H:{;. 21 Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt den Heere, want Hij is hoogelijk verhoven! Hij heeft het paard niet zijnen ruiter in de zee gestort! 22 Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van do Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water. 23 quot; Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter: daarom werd derzelver naam genoemd Mara. a Num. 33:8. 24 Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken? 25 Hij dan riep tot den Heere; en de Heere wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Aldaar stelde Hij het volk eene inzetting en regt, en aldaar verzocht Hij hetzelve, 26 En zeide: Is het, dat gij met ernst naar de stem des Heeren uws Gods hooren zult, en doen, wat regt is in zijne oogen, en uwe ooren neigt tot zijne geboden, en houdt al zijne inzettingen; zoo zal Ik geene van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de Heere, uw heelmeester! 27 Toen kwamen zij te Elhn, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmboomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren. HOOFDSTUK 16. Do kindoren Israels morren in do woestijn Sin, omdat zij goon voedsel vinden, vs. 1. Ood belooft hun brood uit den hemel te doen regenen on hot leger met kwakkelen te bedekken, 4. De heerlijkheid des Heeron verschijnt in de wolk, 10. Do Israëlieten vinden de kwakkelen en het Manna, 13. Dos morgens verzamelt ieder voor eiken dag een gomer Manna, 16; doch don zesden dag, voor den Sabbat, tweo gomers, 22. Ook den zevenden dag gaat liet volk uit om in te zamelen en wordt hierover dooiden Heere bestraft, 27. Eon gombr Manna wordt in eene kruik tot oen getuigenis voor de nakomelingen bewaard, 32. Hoelang do Israëlieten hot Manna gegeten hebben, 35. |
ÃXODUS 16.
80
|
TOEN zij van Elim gereisd waren, zoo kwam de yansche vergadering der kinderen Israels in de woestijn Kin, welke is tusschen Elim en tus-schen Sinaï, aan den vijftienden dag der tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren. 2 En de gansche vergadering dor kinderen Israels murmureerde tegen Mozes on tegen Aaron, in do woestijn. 3 quot;En de kinderen Israels zeiden tot hen: ''Och dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des Heeren, toon wij bij de vleeschpotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze gansche gemeente door den iionger te dooden. a 1 Cor. 10 : 10, h Num. 11 : 4. 4 Toen zeide de Heere tot Mozes: Zie, Ik zal voor ulieden quot; brood uit don hemel regenen; en |
9 Daarna zeide Mozes tot Aaron: Zeg tot de gansche vergadering der kinderen Israels: Nadert voor het aangezigt des Hekken, want Hij heeft uwe murmureringen gehoord. 10 En het geschiedde, als Aaron tot de gansche vergadering der kinderen Israels sprak, en zij zich naar de woestijn keerden, quot; zoo ziet, de heerlijkheid des Hekken verscheen in de wolk. a Ex. 13:21. 11 Ook hoeft, de Hkeke tot Mozes gesproken, zeggende: 12 Ik heb de murinureringon van de kinderen Israels gehoord; spreekt tot hen, zeggende: Tusschen de twee avonden zult gij vloesch eten, en aan don morgen zult gij quot; met brood verzadigd worden; on gij zult weten, dat Ik de Heere uw God bon. «Joh. 6:49, 58. |
|
hot volk zal uitgaan, en verzamelen elke dagmaat op haren dag; opdat Ik hot verzoeke, of het in mijne wet ga, of niet. r/I's. 78:24. 105:40. 5 En het zal geschieden op don zesden dag, dat zij bereiden zullen hetgeen zij ingebragt zullen hebben: dat zal dubbel zijn boven hetgeen zij dagelijks zullen verzamelen, 6 Toon zeiden Mozes en Aaron tot al de kinderen Israels: Aan den avond, dan zult gij weten, dat u do Heere uit Egypteland uitgeleid heeft; 7 En morgen, dan zult gij des Heeren heerlijkheid zien, dewijl Hij uwe inurmuroringen tegen don Heere gehoord hoeft: want wat zijn wij, dat gij tegen ons murmureert ? 8 Voorts zeide Mozes: Als de Heere ulieden aan den avond vloesch te eten zal geven, en aan don morgen brood tot verzadiging, het zal zijn, omdat do Heere uwe murmureringen gehoord lieeft, die gij tegen Hem murmureert: want wat zijn wij? Uwe murinureringon zijn niet tegen ons, maar togen don Heere. |
13 En het geschiedde aan den avond, quot; dat er kwakkelen opkwamen, en het leger bedekten; en aan den morgen lag de dauw rondom het leger. a Num. 11:31. Ps. 105:40. 14 quot;Als nu de liggende dauw opgevaren was, zoo ziet, over do woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde. a Num. 11:7. Neh. 9: 15. Ps, 78:24. 105:40. 15 Toen het de kinderen Israels zagen, zoo zeiden zij, de een tot den ander: quot; Het is Man! want zij wisten niet wat het was. Mozos dan zeide tot hen: Dit is hot brood, hetwelk de Heere ulieden te eten gegeven heeft. a Joh. 6:31. 1 Cor. 10:3. 16 Dit is het woord, dat de Heere geboden heeft: Verzamelt daarvan een ieder naar dat hij eten mag, een gomer voor een hoofd, naar het getal van uwe zielen; ieder zal nomen voor degenen, die in zijne tent zijn. 17 En de kindoren Israels deden alzoo, en verzamelden , de een veel en de ander weinig. |
ÃXODUS Ifi, 17.
81
|
18 Doch als zij hot met den gomer maten, quot; zoo had hij, die veel verzameld had, niets over, en dien, die weinig verzameld had, ontbrak niet; een iegelijk verzamelde zoo veel, als hij eten mogt. a 2 Cor. 8 : 15. 19 En Mozes zeide tot hen: Niemand late daarvan overig tot den morgen. 20 Doch zij hoorden niet naar Mozes, maar sommige mannen lieten daarvan overig tot den morgen. Toen wiesen er wormen in, en het werd stinkende; dies werd Mozes zeer toornig op hen. 21 Zij nu verzamelden het allen morgen, een iegelijk naar dat hij eten mogt: want als de zon heet werd, zoo versmolt het. 22 En het geschiedde op den zesden dag, dat zij dubbel brood verzamelden, twee gomers voor eenen; en al de oversten der vergadering kwamen en verkondigden het aan Mozes. 23 Hij dan zeide tot hen: Dit is het dat do Heere gesproken heeft: Morgen is de rust, de lieilige sabbat des Heeren! wat gij bakken zoudt, bakt dat, en ziedt, wat gij zieden zoudt; en al wat overig blijft, legt het op voor u in bewaring tot den morgen. |
welk de Heere bevolen heeft: Vult eenen gomer daarvan tot bewaring voor uwe geslachten, opdat zij zien het brood, dat Ik ulieden heb te eten gegeven in deze woestijn, toen Ik u uit Egypte-land uitleidde. Ã3 Ook zeide Mozes tot Atiron: quot; Neem eene kruik, en doe eenen gomer vol Man daarin; en zet die voor het aangezigt des Heeren, tot bewaring voor uwe geslachten. a Hebr, 9 :4. 34 Gelijk als de Heere aan Mozes geboden had, alzoo zetto ze Aaron voor de getuigenis tot bewaring. 35 En do kinderen Israels aten Man veertig jaren, quot;totdat zij in een bewoond land kwamen; zij aten Man, totdat zij kwamen aan de pale van het land Kanaiin. a Joz. 5:12. Neii. 9:15. 30 Een gomer nu is liet tiende deel van eene efa. HOOFDSTUK 17. Het volk komt in Rafldim, vindt geen wateren mort, vs. 1. Mozes roept tot den Heere en krijgt bevel met zijnen slat uit de rots in Horeb water te doen ontspringen, 4. De plaats wordt genoemd Massa en Meriba, 7. De Amalekieten vallen het volk aan, 8. Jozna verslaat hen, terwijl Mozes, door Ailron eu |
|
24 En zij leiden het op tot den morgen, gelijk als Mozes geboden had; en het stonk niet, en er was geen worm in. 25 Toen zeide Mozes: Eet dat heden, want het is heden de sabbat des Heeren; gij zult het heden op het veld niet vinden. 26 Zes dagen zult gij het verzamelen; doch op den zevenden dag is het sabbat, op denzelven zal liet niet zijn. 27 En het geschiedde aan den zevenden dag, dat sommigen van het volk uitgingen, om te verzamelen; doch zij vonden niet. 28 Toen zeide de Heere tot Mozes: Hoe lang weigert gijlieden te houden mijne geboden en mijne wetten ? 29 Ziet, omdat de Heere ulieden den sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u aan den zesden dag voor twee dagen brood: een ieder blijve in zijne plaats! dat niemand uit zijne plaats ga op den zevenden dag! 30 Alzoo rustte het volk op den zevenden dag. 31 quot; En het huis Israels noemde deszelfs naam Man; en het was als korianderzaad, wit, en de smaak daarvan was als honigkoeken. oNum. 11 :7. 32 Voorts zeide Mozes: Dit is hot woord, het- |
Hnr ondersteund, zijnen staf opgeheven houdt, 9. God beveelt Amalek uit te roeijen, 14. Mozes bouwt een altaar en noemt het: Do Heere is mijne banier, 15. DAARNA toog de gansche vergadering van de kinderen Israels, naar hunne dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des Heeren, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken. 2 Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! quot;Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? waarom verzoekt gij den Heere? «Num. 20:3, 4. 3 Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zoo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijne kinderen, en mijn vee, van dorst deedt sterven? 4 Zoo riep Mozes tot den Heere, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij steenigen! 5 Toen zeide de Heere tot Mozes: Ga heen voor het aangezigt dos volks, en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uwen staf in uwe hand, quot;waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen. a Ex. 7 : 20. G |
EXODUS 17, 18.
82
|
6 quot;Zie, Ik zal aldaar voor uw aangozigt op den rotssteen in Horeb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zoo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzoo voor de oogen der oudsten van Israël. a Num. 20:0. I's. 78:15. 114:8. 1 Oor. 10:4. 7 En hij noemde den naam dier plaats Massa en Meriba, om den twist der kinderen Israels, en omdat zij den Heere verzocht hadden, zeggende: Is de Heere in het midden van ons, of niet? 8 quot; Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim. a Dent. 25:17, 18. !) Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Gods zal in mijne hand zijn. 10 Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had. |
16 En hij zeide: Dewijl de hand op den troon des Heeren is, quot;zoo zal de oorlog des Heeren tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht! «1 Sam. 15:2. HOOFDSTUK 18. .Tothi'o brengt Mozes zijne huisvrouw en beide zonen, vs. 1. Mozes gaat hein te gemoet en verhaalt hem nl wat de Heere voor Israël gedaan heeft, 7. Jethro looft don lloere en offert Hem, 10; liij raadt Mozes regters onder zich aan te stellen, opdat deze de geringere zaken zouden oordeelen, 13. Mozes volgt (lezen raad op, 24. Jethro keert naar Mitlian terug, 27. TOEN quot;Jethro, priester van Midian, schoonvader van Mozes, hoorde al wat God aan Mozes, en aan Israël, zijn volk, gedaan had: dat de Heere Israël uit Egypte uitgevoerd had; a Ex. 2 : 16. 3:1. 2 Zoo nam Jethro, Mozes schoonvader, Zippora , |
|
strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aiiron en Hur klommen op de hoogte des heuvels. 11 En het geschiedde, terwijl Mozes zijne hand ophief, zoo was Israël de sterkste; maar terwijl hij zijne hand nederliet, zoo was Amalek de sterkste. 12 Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij eenen steen, en leiden dien onder hem, dat hij daarop zat; en Aaron en Hur onderstutten zijne handen, de een op deze, de ander op de andere zijde: alzoo waren zijne handen gewis, totdat de zon onderging. 13 Alzoo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door do scherpte des zwaards. 14 Toen zeide de Heere tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de ooren van Jozua: quot; dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel. «Num. 24:20. 1 Sam. 15:2, 3. Dent. 25:17, 18, 19. 15 En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde deszelfs naam: De Heere is mijne banier! |
Mozes huisvrouw, (nadat hij haar wedergezon-den had) 3 Met hare twee zonen, quot; welker eenes naam was Gersom; (want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land) «Ex, 2:22. 4 En de naam des anderen was Eliézer: Want, zeide hij, de God mijns vaders is tot mijne hulpe geweest, en heeft mij verlost van Farao's zwaard. 5 Toen nu Jethro, Mozes schoonvader, met zijne zonen en zijne huisvrouw, tot Mozes kwam, in de woestijn, aan den berg Gods, waar hij zich gelegerd had, 6 Zoo zeide hij tot Mozes: Ik, uw zweer Jethro, kome tot u , met uwe huisvrouw, en hare beide zonen met haar. 7 Toen ging Mozes uit, zijnen schoonvader tc gemoet, en hij boog zich, en kuste hem; en zij vraagden de een den ander naar den welstand, en zij gingen naar de tont. 8 En Mozes vertelde zijnen schoonvader alles, |
ÃXODUS 18, 19.
8f!
|
wat lt;1(! Hkrbe iiiin Farao on aan do Egyptenaren gedaan had, om Israels wil; al de moeite, die hun op dien weg ontmoet was, en dat hen de Heehk verlost had. !) Jethro nu verheugde zich over al hot goede, hetwelk de Heere Israël gedaan had; dat Hij het verlost had uit de hand der Egyptenaren. 10 En Jethro zoide: Gezegend zij de IIeere, die ulieden verlost heeft uit de hand der Egyptenaren, on uit Farao's hand; die dit volk van onder de hand der Egyptenaren verlost hooft! 11 Nu weet ik, dat de Heere grooter is dan alle goden: quot;want in de zaak, waarin zij trot-scholijk gehandeld hebben, was Hij boven hen. a Ex. 1 : 1(1, 1G, 22. 5:7. 14: 18. 12 Toen nam Jethro, de schoonvader van Mozes, Gode brandoffer en slagtofferen; en Aiiron kwam, on al de oversten van Israël, om brood te eten mot den schoonvader van Mozos, voor liet aan-gezigt Gods. 13 Doch het geschiedde des andoren daags, zoo zat Mozes om het volk te rigten, on het volk stond voor Mozes, van den morgen tot den avond. 1-1 Als de schoonvader van Mozes alles zag, wat hij het volk deed, zoo zeide hij: Wat ding is dit, dat gij het volk doet? waarom zit gij zelf alleen, en al liet volk staat voor u, van don morgen tot don avond? 15 Toen zeide Mozes tot zijnen schoonvader: Omdat dit volk tot mij komt, om God raad te vragen. 10 Wanneer zij eene zaak hebben, zoo komt het tot mij, dat ik rigte tusschen don man on tusschen zijnen naaste; en dat ik hun bekend make Gods instellingen en zijne wetten. 17 Doch de schoonvader van Mozes zeide tot hem: Do zaak is niet goed, die gij doet. 18 Gij zult gohool vervallen, zoo gij, als dit volk, hetwelk bij u is: want deze zaak is te zwaar voor u, gij alleen kunt het niet doen. 1!) Hoor nu mijne stem, ik zal u raden, en God zal met u zijn: woos gij voor het volk bij God, en breng gij de zaken voor God; 20 En verklaar hun de instellingen en do wetten, en maak hun bekend don weg, waarin zij wandelen zullen, en het werk, dat zij doen zullen. 21 Doch zie gij om, onder al het volk, naar kloeke mannen. God vreezonde, waarachtige mannon, do gierigheid hatende; stol ze over hen, oversten der duizenden, oversten der honderdon, oversten der vijftigen, oversten dor tienen: 22 Dat zij dit volk ten allen tijde rigten; doch het geschiede, dat zij allo grooto zaken aan u brongen, maar dat zij allo kleine zaken rigten; verligt alzoo u zeiven , en laat hen met u dragen. 23 Indien gij deze zaak doet, en God het u ge-hiedt, zoo zult gij kunnen bestaan: zoo zal ook â¢il dit volk in vrede aan zijne plaats komen. |
24 quot; Mozes nu hoorde naar de stem van zijnon schoonvader, en hij deed alles, wat hij gezegd had. a Deut. 1 :!). 25 En Mozos verkoos kloeke mannen, uit gansch Israël, en maakte hen tot hoofden over hot volk; oversten der duizenden, oversten der honderden, oversten dor vijftigen, en oversten der tienen; 20 Dat zij het volk ten allen tijde rigtten, do harde zaak tot Mozes bragton, maar zij alle kleine zaak rigtten. 27 Toon liet Mozes zijnen schoonvader trokken; on hij ging naar zijn land. HOOFDSTUK 1!). In do dorde maand na hunnen nittog-t komen do Israëlieten in de woestijn Sinaï, vs. 1. Mozes klimt op don berg tot God on ontvangt het bevel, wat hij aan het volk moet melden, 3. Het volk belooft de woorden van God te zullen gehoorzamen, hot-welk Mozes don lloere wederom boodschapt, 7. Het volk moet zich heiligen tegen den derden dag, 9, en mag intusschen den berg niet genaken, 12. God komt op den berg neder onder de teekenen van donder en bliksem, 10. God spreekt met Mozes en beveelt hem het volk en de priesters te verbieden den borg te beklimmen, 19. Alleen hij en Aiiron mogton tot den Heere naderen, 24, hetwelk zij doen, 25. IN de dorde maand, na hot uittrokken der kinderen Israëls uit Egypteland, ten zelfden dage kwamen zij in do woestijn Sinaï. 2 Want zij togen uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinaï, en zij legerden zich in de woestijn; Israël nu legerde zich aldaar tegenover dien berg. 3 quot;En Mozes klom op tot God. En de Heere riep tot hem van den berg, zeggende: Aldus zult gij tot het huis van Jakob spreken, en den kinderen Israëls verkondigen: n Hand. 7:38, 4 quot;Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan bob; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen, en u tot Mij gebragt heb. a Deut. 20:2. 32:11. 5 Nu dan, indien gij naarstiglijk mijner stem zult gehoorzamen, en mijn verbond houden, quot;zoo zult gij mijn eigendom zijn uit alle volken, want ''de gansche aarde is de mijne; a Deut. 7:0. 10:14, 1quot;). 14:2. 20: Is. I's. 135: 4. .les. 41:8. Tit. 2: 14. h Ps. 24:1. 6 quot;En gij zult Mij een priesterlijk koningrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn do woorden, die gij tot de kinderen Israëls spreken zult. (i 1 Petr. 2 : 9. 7 En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hunne aangezigten al deze woorden, die de Heere hem geboden had. 8 Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: quot;Al wat de Heere gesproken hoeft, zullen wij doen! En Mozes bragt de woorden des volks weder tot den Heere. quot;Ex. 24:3. 9 En de Heere zeide tot Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in eone dikke wolk, opdat het volk hoore, als Ik met u spreek, en dat zij ook eeu-wiglijk aan u gelooven. Want Mozes had den Heere de woorden des volks verkondigd. n* |
ÃXODUS 19, 20.
84
|
10 Ook zeide de Heere tot Mozos: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hunne kleederen wasschen, 11 En bereid zijn tegen den derden dag: want op den derden dag zal de Heere voor de oogen van al het volk afkomen, op den berg Sinaï. 12 En bepaal het volk rondom, zeggende; quot; Wacht ii op den berg te klimmen, en deszelfs einde aan te roeren; al wie den berg aanroert, zal zekerlijk gedood worden. n Hebr. 12 ; 1lt;S. 13 Geene hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gesteenigd, of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op den berg klimmen. |
Heere op denzelven nederkwam in vuur: en zijn rook ging op, als de rook van eenen oven; en de gansche berg beefde zeer. a Rigt. 5:4. Ps. 68:9. 114:4. Hal). 3:10. li) Toen het geluid der bazuin gaande was, en zeer sterk werd, sprak Mozes; en God antwoordde hem met eene stem. 20 Als de Heere nedergekomen was op den berg Sinaï, op de spits des bergs, zoo riep de Heere Mozes op de spits des bergs; en Mozes klom op. 21 En de Heere zeide tot Mozes: Ga af, betuig dit volk, dat zij niet doorbreken tot den Heere, om te zien, en velen van hen vallen. 22 Daartoe zullen ook de priesters, die tot den |
|
14 Toen ging Mozes van den berg af tot het volk, en hij heiligde het volk; en zij wieschen hunne kleederen. 15 En hij zeide tot het volk: Weest gereed tegen den derden dag; quot; en nadert niet tot lt;le vrouw. a 1 Sam. 21 : 4. I Cor. 7 :5. 1G En het geschiedde op den derden dag, toen het morgen was, quot; dat er op den berg donderen en bliksemen waren, en eene zware wolk, en het geluid eener zeer sterke bazuin: zoodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. a Hebr. 12 : 18. 17 En Mozes leidde het volk uit het leger, Gode te gemoet; quot;en zij stonden aan het onderste des bergs. « Deut. 4:10, 11. 18 quot;En de gansche berg Sinaï rookte, omdat de |
Heeue naderen, zich heiligen, dat de Heere niet tegen hen uitbreke. 23 Toen zeide Mozes tot den Heere: Het volk zal op den berg Sinaï niet kunnen klimmen: want Gij hebt ons betuigd, zeggende: Bepaal den berg, en heilig hem. 24 De Heere dan zeide tot hem: Ga heen, klim af, daarna zult gij, en Aiiron met u, opklimmen; doch dat de priesters en het volk niet doorbreken, om op te klimmen tot den Heere, dat Hij tegen hen niet uitbreke! 25 Toen klom Mozes af tot het volk, en zeide het hun aan. HOOFDSTUK 20. God geeft aan Mozes de wet der tien geboilen op den berg Sinaï, vs. 1. Het volk, door den donder en |
ÃXODUS 20, 21.
85
|
den bliksem en het geluid der bazuinen verschrikt, vraagt dat God niet meer tot hen, maar alleen tot Mozes spreke, 18. Mo/.es troost hen, 20. God verbiedt hun ernstig alle afgoderij, 23. Bepalingen omtrent het bouwen van hot altaar, 24. TOEN sprak God al deze woorden, zeggende: 2 Ik ben do Heere uw God, die u uit Egypte-land, quot;uit het diensthuis, uitgeleid heb. «Ex. 13:3. Deut. 5:6. Ps. 81:11. 3 Gij zult geeue andere goden voor mijn aange-zigt hebben. 4 quot; Gij zult u geen gesneden beeld, noch eenigo gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. a Lev. 26 :1. Ps. !)7 : 7. o Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen: want Ik, de Heere uw God, ben oen ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; 6 En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en mijne geboden onderhouden. 7 quot;Gij zult don naam des Heeren uws Gods niet ijdelijk gebruiken: want de Heere zal niet onschuldig houden, die zijnen naam ijdelijk gebruikt. a Lev. 19:12. Matt. 5:83. 8 quot;Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt. a Ezec. 20 : 12. !) quot; Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; a Ex. 23 :12. 34 : 21. Luk. 13 :14. 10 Maar de zevende dag is de sabbat des Heeren uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uwe dochter, noch uw dienstknecht, noch uwe dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uwe poorten is: 11 Want quot;in zes dagen heeft de Heere den home] en do aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage: daarom zegende de Heere den sabbatdag, on heiligde denzelven. «Gen. 2:2. 12 quot;Eert uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in liet land, dat u de Heere uw God geeft. n Matt. 15:4. Efez. 6:2. 13 quot;Gij zult niet doodslaan. «Matt. 5:21. 14 quot; Gij zult niet echtbreken. a Matt. 5 : 27. 15 Gij zult niet stelen. 16 Gij zult geene valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste. 17 quot;Gij zult niet begeeren uws naasten huis; gij zult niet begeeren uws naasten vrouw, noch zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iots, dat uws naasten is. a Rom. 7:7. 18 En al het volk zag de donderen, en do bliksemen, en liet geluid der bazuin, en den rookenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre; |
19 quot; En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, on wij zullen hooren; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven! «Deut. 5:25. Hebr. 12: li). 20 En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat zijne vreeze voor uw aangezigt zou zijn, dat gij niet zondigt. 21 quot;En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was. « Ex. 19: 17. Hebr. 12: 18. 22 Toen zeide de Heere tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Gij hebt gezien , dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb. 23 Gij zult nevens Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult gij u niet maken. 24 quot; Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uwe brandofferen, en uwe dankofferen, uwe schapen, en uwe runderen; aan alle plaats, waar Ik mijns naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen. «Ex. 27:1. 38: 1. 25 quot; Maar indien gij Mij een steenen altaar zult maken, zoo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zoo gij uw houwijzer daarover verheft, zoo zult gij het ontheiligen. «Deut. 27 : 5. Joz. 8:30, 31. 26 Gij zult ook niet met trappen tot mijn altaar opklimmen, opdat uwe schaamte voor hetzelve niet ontdekt worde. HOOFDSTUK 21. Wetten over de lijfeigene knechten, vs. 1; over do lijfeigene vrouwen, 7; over de moordenaars, mot en zonder opzet, 12; over de menschendieven, 16; over hen, die hunno ouders vloekon, 17; over do verwondingen, 18; over hen, die eene zwangere vrouw kwetsen, 22; over verwondingen der knechten, 2G; over do wonden door vee toegebragt, 28; over hen, die door het graven van een' kuil het voo huns naasten schade aanbrengen, 33. DIT nu zijn de regten, die gij hun zult voorstellen. 2 Als gij quot; oenen hebreeuwschen knecht koopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet. « Deut. 15 : 12. .Ier. 34 :14. 3 Indien hij met zijn lijf ingekomen zal zijn, zoo zal hij met zijn lijf uitgaan; indien hij oen getrouwd man was, zoo zal zijne vrouw met hem uitgaan. 4 Indien hem zijn heer eene vrouw gegeven, en zij hem zonen of dochteren gebaard zal hebben, zoo zal de vrouw en hare kinderen baars heeren zijn, en hij zal met zijn lijf uitgaan. 5 quot; Maar indien de knecht ronduit zeggen zal: Ik heb mijnen heer, mijne vrouw en mijne kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan; «Deut. 15:16. (1 Zoo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan den post brengen; en zijn heer zal hem mot eenen priem zijn oordoorboren, en hij zal bom eeuwiglijk dienen. |
|
7 Wanneer nu iemand zijne dochter zal verkocht hebben tot eene dienstmaagd, zoo zal zij niet uitgaan, gelijk de knechten uitgaan. 8 Indien zij kwalijk bevalt in de oogen haars heeren, dat hij haar niet ondertrouwd heeft, zoo zal hij haar doen lossen; aan een vreemd volk haar te verkoopen zal hij niet vermogen, dewijl hij trouweloos met haar gehandeld heeft. !) Maar indien hij haar aan zijnen zoon ondertrouwt, zoo zal hij met haar doen naar het regt der dochteren. 10 Indien hij voor zich eene andere neemt, zoo zal hij aan deze hare spijs, haar deksel, en haren huwelijkspligt niet onttrekken. 11 En indien iiij haar deze drie dingen niet doet, zoo zal zij om niet uitgaan, zonder geld. 12 quot;Wie iemand slaat, dat hij sterft, die zal zekerlijk gedood worden. a Lev. 24: IT. 13 Doch die hem niet nagesteld heeft, maar God heeft hem zijne hand doen ontmoeten, zoo zal Ik u eene plaats bestellen, waar hij henen vliede. 14 Maar indien iemand tegen zijnen naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doo-dun, zoo zult gij denzelven van voor mijn altaar nemen, dat hij sterve. 15 quot;Zoo wie zijnen vader of zijne moeder slaat, die zal zekerlijk gedood worden. n Matt. 15:4. KJ Verder, zoo wie eenen mensch steelt, hetzij dat hij dien verkocht heeft, of dat hij in zijne hand gevonden wordt, die zal zekerlijk gedood worden. 17 quot; Wie ook zijnen vader of zijne moeder vloekt, die zal zekerlijk gedood worden. «Lev. 20:9. Spr. 20:20. Matt. 15:4. Mark. 7 : 10. 18 En wanneer mannen twisten, en de een slaat den ander met eenen steen, of met eene vuist, en hij sterft niet, maar valt te bedde; 1!) Indien hij weder opstaat, en op straat gaat bij zijnen stok, zoo zal hij, die hem sloeg, onschuldig zijn: alleen zal hij geven hetgeen hij verzuimd heeft, en hij zal hem volkomen laten heelen. 20 Wanneer ook iemand zijnen dienstknecht of zijne dienstmaagd met eenen stok slaat, dat hij onder zijne hand sterft, die zal zekerlijk gewroken worden. 21 Zoo hij nogtans eenen dag, of twee dagen overeind blijft, zoo zal hij niet gewroken worden, want hij is zijn geld. 22 Wanneer nu mannen kijven, en slaan eene zwangere vrouw, dat haar de vrucht afgaat, doch geen doodelijk verderf zij, zoo zal hij zekerlijk gestraft worden, gelijk als hem de man der vrouw oplegt, en hij zal het geven door de rogtoren. 23 Maar indien er een doodelijk verderf zal zijn, zoo zult gij geven ziel voor ziel, 24 quot;Oog voor oog, tand voor tand, hand voorhand, voet voor voet, «Lev. 24:20. Deut. 19:21. Matt. 5:3.-!. 25 Brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil. |
26 Wanneer ook iemand het oog van zijnen dienstknecht, of het oog van zijne dienstmaagd slaat, en verderft het, hij zal hein vrij laten gaan voor zijn oog. 27 En indien hij een' tand van zijnen dienstknecht , of een' tand van zijne dienstmaagd uitslaat, zoo zal hij hem vrijlaten voor zijnen tand. 28 quot; En wanneer een os eenen man of eene vrouw stoot , dat hij sterft, zal de os zekerlijk gestee-nigd worden, en zijn vleesch zal niet gegeten worden, maar de heer van den os zal onschuldig zijn. a Oon. 9 : 5. 29 Maar indien de os te voren stootig geweest is, en zijn heer is daarvan overtuigd geweest, en hij hem niet bewaard heeft, en hij doodt eenen man of eene vrouw, zoo zal die os gestee-nigd worden, en zijn heer zal ook gedood worden. 30 Indien hem losgeld opgelegd wordt, zoo zal hij tot lossing zijner ziel geven naar alles, wat hem zal opgelegd worden; 31 Hetzij dat hij eenen zoon gestooten hooft, of eene dochter gestooten heeft, naar dat regt zal hem gedaan worden. 32 Indien do os eenen knecht of oone dienstmaagd stoot, hij zal zijnen heer dertig zilverlingen geven, en de os zal gesteonigd worden. 33 En wanneer iemand eenen kuil opont, of wanneer iemand oenen kuil graaft , on hij dekt hem niet toe, en oon os of ezel valt daarin; 34 Do lieer des kuils zal hot vergelden, hij zal aan deszelfs heer het gold woderkeeren; doch dat doode zal zijns wezen. 35 Wanneer nu iemands os den os van zijnen naaste kwetst, dat hij sterft, zoo zal men den levenden os verkoopen, en hot gold daarvan half en half doelen, en don doode zal men ook half en half doelen. 36 Of is het kennelijk geweest, dat die os van te voren stootig was, en zijn heer heeft hem niet bewaard, zoo zal hij in alle manier os voor os vergelden; doch de doode zal zijns wezen. HOOFDSTUK 22. Wetten over diefstal, vs. 1; over do schade, welke iemands vee in een ander land nanrigt, 5; over do schade door brand, 0; over de schade aan goederen, welke men ter bewaring heeft ontvangen, 7; over do schade aan goloendo goederen, 14; over do verleiding eener maagd, 16; over tooverij, 18; over onkuischheid niet booston, 19; over do afgoderij, 20; over hot gedrag jegens vreemdelingen, weduwen en woozon, 21 ; over woeker, 25; over hot verpanden van kleedoren, 26; over het eeron dor overheid, 28: over de eerstelingen, 29; over hot oton van verscheurde dieren, 31. WANNEER quot;iemand oenen os, of klein vee steelt, en slagt hot, of verkoopt het, die zal vijf runderen voor eonen os wedergeven, en vier schapen voor een stuk klein vee. a 2 Sam. 12:6. 2 Indien een dief gevonden wordt in het doorgraven, en hij wordt geslagen, dat liij sterft, hel zal hom geene bloedschuld zijn. 3 Indien de zon over hem opgegaan is, zoo zal |
|
liet hom eeno bloedschuld zijn; liij zal hot vol-komon wedergeven; heeft hij niot, zoo zal hij verkocht worden voor zijne dieverij. 4 Indien do diefstal levend in zijne hand voorzeker gevonden wordt, hetzij os , of ezel, of klein vee, hij zal hot dubbel wedergeven. 5 Wanneer iemand oen veld, of oenen wijngaard laat afweiden, en hij zijn beest daarin drijft, dat hot in eens anders veld weidt; die zal het van hot boste zijns velds en van liet boste zijns wijn-gaards wedergeven. (5 Wanneer oen vuur uitgaat, on vat de doornen, zoodat do koornhoop verteerd wordt, of hot staande koorn, of het veld; hij, die den brand hooft aangestoken, zal hot volkomen wedergeven. 7 Wanneer iemand zijnon naaste geld of vaten te bewaren geeft, en hot wordt uit diens mans huis gestolen; indien do dief gevonden wordt, hij zal het dubbel wedergeven. 8 Indien do dief niot gevonden wordt, zoo zal do hoor des huizes tot de goden gebragt worden, of hij niot zijne hand aan zijns naasten havo gelogd hoeft. i) Over allo zaak van onregt, over eenon os, over oenen ezel, over klein vee, ovor klooding, over al hot verlorene, hetwelk iemand zegt, dat hot zijne is, beider zaak zal voor do goden komen: wien do goden verwijzen, dio zal liet aan zijn naaste dubbel wedergeven. 10 Wanneer iemand aan zijnen naaste oenen ezel, of os, of klein vee, of eenig boost te bewaren geeft, en het sterft, of liet wordt vorzeord, of weggedreven, dat hot niemand ziet; 11 Zoo zal dos Heerkn eed tusschen bon beiden zijn, of hij niet zijne hand aan zijns naasten havo geslagen heeft; en dorzolver hoor zal dien aannemen , en hij zal het niet wedergeven. 12 Maar indien het van hem zekerlijk gestolen is, hij zal hot zijnen heer wedorgoven. 13 Is hot gewisselijk verscheurd, dat hij het bronge tot getuige, zoo zal hij het verscheurde niot wedergeven. 14 En wanneer iemand van zijnon naaste wat begeert, on het wordt beschadigd, of hot sterft; zijn hoor daar niet bij zijnde, zal bij het volkomen wedergeven. 15 Indien zijn lieer daarbij geweest is, hij zal liet niot wedergeven; indien het gehuurd is, zoo is hot voor zijne huur gekomen. l(i Wanneer nu iemand oeno maagd verlokt, die niot ondertrouwd is, on hij ligt bij haar, die zal haar zonder uitstel eonen bruidschat geven, dat zij hom tor vrouw zij. 17 Indien haar vader ganscholijk woigert haar aan hom to geven, zoo zal hij gold geven, naaiden bruidschat der maagdon. 18 quot;Do toovoros zult gij uiot laten loven. a Dout. 18 : 10, II. 19 quot;Al wie bij een beest ligt, die zal zekerlijk gedood worden. a Lev. 18:23. 20:15. |
87 20 quot;Wie den goden offert, behalve don Heere alleen, dio zal verbannen worden. a Dcut. 17:2, 3, 4, 5. 21 quot;Gij zult ook den vreemdeling goenon overlast doen, noch hom onderdrukken: want gij zijt vreemdelingen geweest in Egyptoland. n Lev. I!);34. 22 quot; Gij zult geene weduwe noch woes boleodigon. a Zaeh. 7 : 10. 23 Indien gij hen eenigzins beleodigt, en indien zij eenigzins tot Mij roepen. Ik zal hun geroep zekerlijk verhooren; 24 En mijn toorn zal ontstoken, en Ik zal ulieden met bot zwaard doodon; on uwe vrouwen zullen weduwen, en uwe kindoren zullen weezen worden. 25 quot;Indien gij mijn volk, dat bij u arm is, geld loont, zoo zult gij tegen hotzolve niet zijn, als eon woekeraar; gij zult op hetzelve goonen woeker leggen. a Lev. 25:36, 37. Dent. 23: II), 20. I's. 15:5. Spi'. 2S : 8. Ezec. 18:8. 2t) quot; Indien gij eenigzins nws naasten kleed te pand noemt, zoo zult gij hot hem wedergeven, eer do zon ondergaat: n De ut. 24:12, 13. 27 Want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijne huid; waarin zou bij liggen? hot zal dan geschieden, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik hot zal hooron: want Ik bon genadig! 28 De goden zult gij niet vloeken, on de quot; oversten in uw volk zult gij niet lasteren. a Hand. 23:3, 4, 5. 2!) Uwe volheid en uwe tranen zult gij niot uit-stollen: quot;den eerstgeborone uwer zonen zult gij Mij geven. o Ex. 13:2, 12. 30 quot; Desgelijks zult gij doen met uwe ossen en met uwe schapen; zeven dagen zullen zij bij hunne moeder zijn, op den achtsten dag zult gij ze Mij geven. «Ex. 23:19. Lev. 22:27. Ezcc. 44:30. 31 Gij nu zult Mij heilige lieden zijn; quot;daarom zult gij geen vleosch eten, dat op hot veld gescheurd is, gij zult hot don hond voorworpen. a Lev. 22 : 8. Ezec. 44 : 31. HOOFDSTUK 23. Wetten over laster en valsche getuigenis, vs. 1; men moet het regt niet buigen, 2; men zal zijnen vijand goed doen, 4. Do regters mogen goono gesolienkon nemen, 8; noch den vreonuleling onderdrukken, 9. Van liet zevende jaar, dat oen rustjaar zal zijn, 10; van don Sabbatdag, 12; men zal den naam van andere goden niet noemen, 13; van do drie hooge feesten des jaars, 14; niot otteren met gezuurd brood, 18. God belooft het volk, dat de Engel voor hen zou gaan, dien zij moeten gehoorzamen, 20. Verbod van eer aan vreemde goden te geven, 23. God belooft te zegenen, dio Hom dienen, 25. Hor-selen zullen de vijanden der Israëlieten nitstooton, 28. Do landpalen van hot land der Israëlieten, 31. Hun wordt verboden oen verbond mot do Hoidonon of hunne goden te maken, 32; die mogen in hot land dor Israëlieten niet wonen, 33. , GIJ zult geen valsch gerucht opnemen; en stelt uwe hand niet bij den goddelooze, om een getuige tot geweld te zijn. 2 Gij zult de menigte tot booze zaken niot volgen; ÃXODUS 22 , 23. |
EXODUS 23.
88
|
on fjij zult niet spreken in oen twistige zaak, dat gij ii neigt naar de menigte, om het reyt te buigen. :i quot; Ook zult gij den geringe niet voortrekken in zijne twistige zaak. a Lev. 19 :15. 4 quot;Wanneer gij uws vijands os, of zijnen dwa-lenden ezel ontmoet, gij zult hem denzelven gan-schelijk wederbrengen. a Deut. 22 ; 1, 2. Luk. C ; 27. Filipp. 2 : 4. 5 quot; Wanneer gij uws haters ezel onder zijnen last ziet liggen, zult gij dan nalatig zijn, om het uwe te verlaten voor hem ? gij zult het in alle manier met hem verlaten. » Dout. 22:4. 6 quot;Gij zult het regt uws armen niet buigen in zijne twistige zaak. a Deut. 27 :19. 7 Zijt verre van valsche zaken; en den onschuldige en geregtige zult gij niet dooden: want Ik zal den goddelooze niet regtvaardigen. 8 quot; Ook zult gij geen geschenk nemen: want het geschenk verblindt de zienden, en het verkeert de zaak der regtvaardigen. «Deut. 16 : 19. 1 Sam. 8 : 3. Spr. 19 : ü. Pred. 7 : 7. !) quot; Gij zult ook den vreemdeling niet onderdrukken: want gij kent het gemoed des vreemdelings, dewijl gij vreemdelingen geweest zijl in Egypte-land. o Ex. 22:21. Lev. 19:33. Deut. 24 : 17. 10 Gij zult ook zes jaar uw land bezaaijen, en deszelfs inkomst verzamelen; 11 quot;Maar in het zevende zult gij het rusten en stil liggen laten, dat de armen uws volks mogen eten, en het overige daarvan de beesten des velds eten mogen; alzoo zult gij ook doen met uwen wijngaard, en met uwe olijfboomen. oLev.25:4,5. 12 quot;Zes dagen zult gij uwe werken doen, maar op den zevenden dag zult gij rusten; opdat uw os en uw ezel ruste, en dat de zoon uwer dienstmaagd en de vreemdeling adem scheppe. «Ex. 20:8. 31 : 13, 14, enz. 13 In alles, wat Ik tot ulieden gezegd heb, zult gij op uwe hoede zijn; en quot;den naam van andere goden zult gij niet gedenken, uit uwen mond zal hij niet gehoord worden! «Num. 32:38. Joz, 23:7. Ps. 10:4. llos. 2: 16. Zaeh. 13:2. 14 Drie reizen in het jaar zult gij Mij feest houden. 15 quot; Het feest van de ongezuurde hrooden zult gij houden: zeven dagen zult gij ongezuurde hrooden eten, (gelijk Ik u geboden heb) ter bestemder tijd in de maand Abib, want in dezelve zijt gij uit Egypte getogen; ''doch men zal niet ledig voor mijn aangezigt verschijnen. «Ex. 12:14, 15. 13:3. ft Ex. 34:20. Deut, 10:10. 16 En het feest des oogstes, der eerste vruchten van uwen arbeid, die gij op het veld gezaaid zult hebben. En het feest der inzameling, op den uitgang des jaars, wanneer gij uwen arbeid uit bet veld zult ingezameld hebben. 17 Drie malen des jaars zullen al uwe mannen voor bet aangezigt des Heeren Heeren verschijnen. 18 Gij zult liet bloed mijns offers met geene gedeesemde hrooden offeren; ook zal bet vette mijns feestes tot op den morgen niet vernachten. |
19 quot; De eerstelingen der eerste vruchten uws lands zult gij in het huis des Heeren uws Gods brengen. Gij ''zult bet bokje niet koken in de melk zijner moeder. n Ex. 34 : 26. ft Ex. 34: 20. 20 quot;Ziet, Ik zende eenen Engel voor uw aangezigt , om u te behoeden op dezen weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb. « Ex. ,33 : 2. 21 Hoedt u voor zijn aangezigt, en weest zijner stem gehoorzaam, en verbittert hem niet: want bij zal ulieder overtredingen niet vergeven, want mijn Naam is in het binnenste van hem. 22 Maar zoo gij zijner stem naarstiglijk gehoorzaamt, en doet al wat Ik spreken zal, quot;zoo zal Ik uwer vijanden vijand, en uwer wederpartij der s wederpartij zijn. «Gen. 12:3. 23 Want mijn Engel zal voor uw aangezigt gaan, en hij zal u inbrengen tot de Amorieten, en Ilethieten, en Ferezieten, en Kanaanieten, 11e-vieten en Jebusieten; en Ik zal hen verdelgen. 24 Gij zult u voor hunne goden niet buigen, noch hen dienen, ook zult gij naar quot; hunne werken niet doen; maar gij zult ze geheel afbreken, en hunne opgerigte beelden ganschelijk vermorzelen. a Lev. 18 : 3. 25 En gij zult den Heere uwen God dienen, quot; zoo zal llij uw brood en uw water zegenen; en Ik zal de krankheden uit het midden van u weren. «Ex. 15:26. Dont. 7: 15. 26 quot; Er zal geene misdragtige noch onvruchtbare in uw land zijn: Ik zal liet getal uwer dagen vervullen. « üout. 7: 14. 27 quot;Ik zal mijnen schrik voor uw aangezigt zenden, en al het volk, tot hetwelk gij komt, versaagd maken; en Ik zal maken, dat al uwe vijanden u den nek toekeeren. « Ex. 14 : 24. Joz. 10 ; 10. 28 quot;Ik zal ook horzelen voor uw aangezigt zenden; die zullen van voor uw aangezigt uitstoeten de Hevieten, de Kanaanieten en de Ilethieten. « Deut. 7 : 20. Joz. 24: 12. 29 Ik zal hen in een jaar van uw aangezigt niet uitstooten, opdat het land niet woest worde, en bet wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde. 30 Ik zal hen allengskens van uw aangezigt uitstooten, totdat gij gewassen zijt en het land erft. 31 quot; En Ik zal uwe landpalen zetten van de zee Suf tot aan de zee der Filistijnen, en van do woestijn tot aan de rivier: want Ik zal de inwoners van dat land in uwe band geven, dat gij hen voor uw aangezigt uitstoot. « Num. 34 : 3, 4. 32 quot; Gij zult met ben, noch met hunne goden, geen verbond maken. «Ex. 34: 12, 15. Dout. 7:2. 53 quot; Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; indien gij hunne goden dient, het zal u voorzeker tot eenen valstrik zijn. « Joz. 23 :13. Rigt. 2 : 3. |
EXODUS 24, 25.
sn
|
HOOFDSTUK 24. God liüvcelt, dat Mozes, Ailron, Nadab on Abihu tot Hom op den berg van verre naderen, vs. 1. Mozes offert en leest het boek des vorbonds voor aan bet volk, dat belooft de wetten des Heeren te zullen bonden, 3. Mozes bouwt een altaar en twaalf pilaren , â¢4; hij bosprengt het altaar met bloed der offeranden, (3. Mozes en de oudsten zien den Heere, !». God beveelt Mozes tot Hem te naderen en belooft hem de twee steenen tafelen der wet te geven, 12. Aan Ailron en Uur wordt de zorg voor het volk aanbevolen , 14. God verschijnt op den berg Sitiaï als een verterend vuur, 16. Mozes blijft aldaar 40 dagen en 40 nachten, 18. DAARNA zeide Hij tot Mozes: klim op tot den Heere, gij en Aaron, Nadab en Abihu, en zeventig- van de oudsten van Israël; en buigt u neder van verre! 2 En dat Mozes alleen zich nadere tot den Heere, maar dat zij niet naderen; en liet volk klimme ook niet op met hem. 3 Als Mozes kwam en verhaalde aan bel volk al de woorden dos Heeren, en al do regten, quot; toen antwoordde al het volk met éeno stem, en zij zeiden: Al deze woorden, die de Heere gesproken heeft, zullen wij doen. «Ex. 10:8. 24:7. Deut. 5:27. 4 Mozes nu beschreef al do woorden des Heeren, en hij maakte zich dos morgens vroeg op, on hij bouwde een altaar onder aan den borg, on twaalf kolommen, naar do twaalf stammen van Israël. 5 En hij zond do jongelingen van do kinderen Israëls, die brandofferon offerden, en don Heere dankofferen offerdon, van jonge ossen. 6 En Mozos nam do helft van het bloed, en zette het in bekkens; en de helft van hot bloed sprengde hij op het altaar. 7 En hij nam hot boek dos vorbonds, on hij las hot voor do ooren dos volks; en zij zeidon: Al wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen. 8 Toen nam Mozos dat blood, on sprengde het op hot volk; en hij zoido: quot;Ziet, dit is het bloed des vorbonds, hetwelk do Heere met ulioden gemaakt hooft over al die woorden. a Hebr. 9 : 20. I Potr. 1 : 2. 0 Mozes nu en Aaron klommen opwaarts, ook Nadab on Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël. 10 En zij zagen don God van Israël, on onder zijne voeten als een werk van saffiersteenon, en als do gostaltenis des hemels in zijne klaarheid. 11 Doch Hij strekte zijne hand niet tot de afgezonderdon van do kinderen Israëls; maar zij aten en dronken, nadat zij God gezien haddon. 12 Toon zeide de Heere tot Mozes: Kom tot Mij op don borg, on wees aldaar; en Ik zal u steenen tafelen geven, on de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen. 13 Toen maakte zich Mozes op, mot Jozua, zijnen dienaar; en Mozes klom op den borg Gods. |
14 En hij zeide tot do oudsten: Blijft gij ons hier, totdat wij weder tot u komen: en ziet, Aaron en Hur zijn bij u; wie eenigo zaken heeft, zal tot dezelve komen. 15 Toen Mozes op don berg geklommen was, zoo heeft oene wolk den berg bedekt. K! En de heerlijkheid des Heeren woonde op don berg Sinaï, en do wolk bedekte hom zes dagen, en op den zevenden dag riep Hij Mozos uit het midden der wolk. 17 En quot;hot aanzien der heerlijkheid des Heeken was als een verterend vuur, op hot opperste diens bergs, in de oogen dor kinderen Israëls. «Hebr. 12:2!). 18 En Mozes ging in hot midden der wolk, nadat hij op don berg geklommen was; en Mozes was op dien berg veertig dagen en veertig nachten. HOOFDSTUK 25. Do Heere beveelt Mozes een vrijwillig hefoffer van de Israëlieten aan te nemen, om een heiligdom te bouwen, vs. 1. Voorschriften van het maken der ark, 10; van het verzoendeksel met de cherubim, 17; van de tafel voor de toonbrooden met haar gereedschap , 23; van den gouden kandelaar en toebe-hooren, 31; alles volgens het voorbeeld, dat Mozes op den berg gezien bad, 40. TOEN sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israëls: dat zij voor Mij oen hefoffer nemen. quot;Van allo man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult gij mijn hefoffer nemen. u Ex. 35 : 5. 1 Kron. 29:3, 5, 9, 14. Ezra 2:08. 3:5. Neii. 11:2. 3 Dit nu is het hefoffer, hetwelk gij van hen nemen zult: goud, en zilver, en koper; 4 Als ook bemelsblaauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, on geiton/ma/'; 5 En roodgeverwde ramsvellen, en dassenvellen, on sittimhout; 6 Olie tot den luchter, specerijen ter zalfolie, on tot rooking welriekende specerijen; 7 quot; Sardónixsteenen, en vervullende steenen tot den efod, on tot don borstlap. «Ex. 28:4. 8 En zij zullen Mij oen heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wono. 9 Naar al wat Ik u tot een voorbeeld dezes tabernakels, en een voorbeeld van al deszelfs gereedschap wijzen zal, even alzoo zult gijlieden dat maken. 10 Zoo zullen zij oono ark quot;van sittimhout maken : twee ellen en eene halve zal hare lengte zijn, en anderhalve el hare breedte, en anderhalve el hare hoogte. «Ex. 37 : 1. Hebr. : I. 11 En gij zult zo met louter goud overtrekken, van binnen en van buiten zult gij zo overtrekken; en gij zult op dezelve oenen gouden krans maken rondom hoen. 12 En giet voor haar vier gouden ringen, en zet die aan hare vier hoeken, alzoo dat twee ringen op de eone zijde dorzelve zijn, en twee ringen op hare andere zijde. |
EXODUS 25, 26.
no
|
13 En maak handboomen van sittimhout, en overtrek zo mot goud. 14 En steek do handboomen in do ringen, die aan do zijdo der ark zijn, dat men do ark daarmede drage. 15 quot;Do draagboomen zullen in de ringen der ark zijn, zij zullen er niet uitgetogen worden. a 1 Kon. 8 : 8. 10 Daarna quot;zult gij in de ark leggen do getuigenis, die Ik u geven zal. n llehi'. 9: 4. 17 quot;Gij zult ook oen verzoendeksel maken van louter goud: twee ellen en eono lialvo zal des-zelfs lengte zijn, en anderhalve el deszelfs breedte. ii Ex. 37 : 0. 18 quot;Gij zult ook twee cherubim van goud maken; van digt (/oud zult gij ze maken, uit de beide einden des verzoendeksels. n üebr. !): 5. 1!) En maak u eenen cherub uit het eene einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel zult gijlieden de cherubim maken, uit de beide einden van hetzelve. 20 En de cherubim zuilen hunne beide vleugelen omhoog uitbreiden, quot;bedekkende niet hunne vleugelen het verzoendeksel; en hunne aangezigten zullen tegenover elkander zijn; de aangezigten der cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn. n Hebr. 9 : 5. 21 En quot;gij zult het verzoendeksel boven op de ark zetten, nadat gij in de ark de getuigenis, die Ik u geven zal, zult gelegd hebben. a Hebr. 9:4, 5. 22 En quot;aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal mot u spreken van boven hot verzoendeksel af, van tusschen do twee cherubim, die op de ark der getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u go-biodon zal aan do kindoren Israels. «Nmn. 7 : .S9. 28 (Jij zult ook eene tafel maken van sittimhout; twee ellen zal hare lengte zijn, on eono ol hare breedte, en eene el en eene halve zal hare hoogte zijn. 24 En gij zult ze mot louter goud overtrokken; gij zult ook oenen gouden krans daaraan maken, rondom heen. 25 Gij zult ook eene lijst rondom daaraan maken, eono hand brood; en gij zult oenen gouden krans rondom derzelvor lijst maken. 26 Ook zult gij vier gouden ringen daaraan maken; en gij zult do ringen zotten aan do vier hoeken, die aan derzelvor vier voeten zijn zullen. 27 Tegenover do lijst zullen do ringen zijn, tot plaatsen voor de handboomen, om do tafel te dragen. 28 Deze handboomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult dezelve mot goud overtrokken; en do tafel zal daaraan gedragen worden. 2!) Gij zult ook maken haro schotelen, on hare rookschalon, en haro platteelen, en hare kroezen (met welke zij bedekt zal worden); van louter goud zult yij zo maken. |
30 Eu gij zult op deze tafel altijd hot toonbrood voor mijn aangezigt loggen. 31 quot;Gij zult ook oenen kandelaar van louter goud maken. Van digt werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijne schacht, on zijne rieten; zijne schaaltjes, zijne knoopen, en zijne bloemen zullen uit hom zijn. a Ex. 37:17. 32 En zes rieten zullen uit zijne zijden uitgaan: drie rieten des kandelaars uit zijne oeno zijde, en drie rieten des kandelaars uit zijne andere zijdo. 33 In het eono riet zullen drie schaaltjes zijn, (jelijk amandelnoton, een knoop en eono bloem; on drie schaaltjes, gelijk amandelnoten in oen ander riot, eon knoop en eene bloem; alzoo zullen die zos rieten zijn, die uit den kandelaar gaan. 34 Maar aan don kandelaar zeiven zullen vier schaaltjes zijn, (jelijk amandelnoten, met zijne knoopen, en met zijne bloemen. 35 En daar zal oon knoop zijn onder twee rieten, uit donzolven uitgaande; ook een knoop onder twee rieten, uit donzolven uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit donzolven uit-gaande: alzoo zal het zijn met do zos rieten, die uit den kandelaar uitgaan. 36 Hunne knoopen en hunne rieten zullen uit hem zijn: hot zal allemaal eon eenig digt werk van louter goud zijn. 37 Gij zult hein ook zeven lampen maken, en men zal zijne lampen aanstoken, en doen lichten aan zijne zijdon. 38 Zijne snuiters en zijne bluschvaton zullen louter goud zijn. 39 Uit oen talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap. 40 quot;Zie dan toe, dat gij het maakt naar hun voorbeeld, hetwelk u op don borg getoond is. a Hand. 7 : 44. Hebr. 8 : ö. HOOFDSTUK 26. God beveelt Mozes den tabernakel tü maken, vs. 1; cone teut daarover van elf gordijnen van geitenhaar, ramsvellon en een deksel van dassenvcllen, 7; de stijlen van den tabernakel moesten zijn van .sittini-hout, 15; de voeten van zilver, 19; de rigchcls van sittimhout, 26; hot voorhangsel van kunstig werk, tusschen hot heilige en het hoiligo der iioiligon, 31 : hot deksel aan do deur der tont, 36. DEN quot;tabernakel nu zult gij maken van tien gordijnen, van fijn getweernd linnen, en hemels-blaauw, en purper, en scharlaken, mei cherubim, van het allerkunstolijkste werk zult gij ze makou. a Ex. 36 ; 8. 2 De lengte van oeue gordijn zal van acht on twintig ellen zijn, ou de breedte eener gordijn van vier ellen; al deze gordijnen zullen eono maat hebben. 3 Er zullen vijf gordijnen zamengovoogd zijn, do eene aan do andere; wederom zullen er vijf gordijnen zamengovoogd zijn, de eono aan do andere. 4 En gij zult hemelsblaauwe striklisjos maken aan den kant van do eene gordijn, aan het uiterste. |
EXODUS 20.
ill
|
in de zamenvoeging; alzoo zult gij ook doen aan don uitersten kant der gordijn, aan de tweede zamenvoegende. 5 Vijftig striklisjes zult gij aan do eene gordijn maken, en vijftig striklisjes zult gij maken aan het uiterste der gordijn, dat aan de tweede zamenvoegende is: deze striklisjes zullen het eene aan het andere zamenvatten. (i Gij zult ook vijftig gouden haakjes maken, en zult de gordijnen zamenvoegen, de eene aan do andere, met deze haakjes, opdat het een tabernakel zij. 7 Ook zult gij quot;gordijnen uit geiten/zaa/' maken tot eene tent over den tabernakel: van elf gordijnen zult gij die maken. n Ex. .'!G : 14. 8 De lengte eener gordijn zal dertig ellen zijn, on de breedte eener gordijn vier ellen: deze elf gordijnen zullen eene maat hebben. i) En gij zult vijf dezer gordijnen aan elkander bijzonder voegen, en zes dezer gordijnen bijzonder; en de zesde dezer gordijnen zult gij dubbel maken, regt voorop de tent. 10 En gij zult vijftig striklisjes maken aan den kant van de eene gordijn, het uiterste in de zamenvoeging, en vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn, die de tweede zamenvoegende is. 11 (!ij zult ook vijftig koperen haakjes maken, on gij zult do haakjes in de striklisjes doen, en gij zult de tent zamenvoegen, dat zij eene zij. 12 liet overige nu, dat overschiet aan de gordijnen dor tent, de helft der gordijn, die overschiet, zal overhangen, aan de achterste doelen des tabernakels. l!i En eene el van deze, en eene el van gene zijde van hetgeen, dat overig zijn zal aan de lengte van de gordijnen der tent, zal overhangen aan de zijdon dos tabernakels, aan deze en aan gene zijde, om dien te bedekken. 14 Gij zult ook voor de tent oen deksel maken van roodgeverwde ramsvellen, quot; on daarover eon deksel van dassenvollen. n Ex. ;i0 : 19. 15 Gij zult ook tot den tabernakel staande berderen maken, van sittimhout. lü Do lengte van oen bord zal tien ellen zijn, on eene ol on eene halve ol zal do breedte van elk bord zijn. 17 Twee houvasten zal oen berd hebben, als sporten in oone ladder gezet, liet eene nevens liet andere; alzoo zult gij het mot al do berderen dos tabernakels maken. 18 En do berderen tot don tabernakel zult gij aldus maken: twintig berdoren naar do zuidzijde zuidwaarts. 1!) (Jij zult ook veertig zilveren voeten maken onder do twintig berderen: twee voeten onder oen bord, aan zijne twee houvasten, en twee voeten onder oou ander bord, aan zijne twee houvasten. 20 Er zullen ook twintig berderen zijn aan do andore zijde des tabernakels, aan den noorderhoek. |
21 Mot hunne veertig zilveren voeten: twee voeten onder een berd, en twee voeten ondereen ander berd. 22 Doch aan de zijde dos tabernakels togen hot westen zult gij zes berdoren maken. 2:5 Ook zult gij twee berderen maken tot do hoekborderen des tabernakels, aan de beide zijdon. 24 En zij zullen van beneden als tweelingen zamengovoogd zijn; zij zullen ook als tweelingen aan hot oppereinde deszolven zamengovoogd zijn, met eenon ring: alzoo zal het met do twee herderen zijn, tot twee hoekborderen zullen zij zijn. 25 Alzoo zullen do acht berderen zijn met hunne zilveren voeten, zijnde zestien voeten: twee voeten onder oen berd, wederom twee voeten onder een berd. 26 Gij zult ook rigeholen maken van sittimhout: vijf aan de berderen van do eene zijde dos tabernakels; 27 En vijf rigehelen aan do borderen van do andere zijde des tabernakels; alsook vijf rigeholen aan do berderen van do zijde dos tabernakels, aan de beide zijden westwaarts. 28 En do middelste rigchol zal midden aan do berderen zijn, doorschietende van het oone einde tot hot andere einde. 29 En gij zult de berderen met goud overtrekken , en hunne ringen (de plaatsen voor do rigeholen) zult gij van goud maken: de rigeholen zult gij ook mot goud overtrekken. ÃO quot; Dan zult gij den tabernakel oprigten naar zijne wijze, die u op den berg getoond is. ff Ex. 25:9, 43. Hand. 7:44. llcbr. 8:5. :!1 Daarna zult gij oenen quot; voorhang maken, van homelsblaauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijksto werk zal men dien maken, met cherubim. ^ Ex. 'Mi: H5, !V2 En gij zult hom hangen aan vier pilaren van sittimAo?//, mot goud overtogen, hunne haken zullen van goud zijn; slaande op vier zilveren voeten. .'fli En gij zult den voorhang onder do haakjes hangen, en gij zult de ark der getuigenis aldaar binnen den voorhang brengen; en deze voorhang zal ulioden eene scheiding maken tusschen hot heilige, en tusschen het heilige der heiligen. :i4 En gij zult hot verzoendeksel zetten op do ark dor getuigenis, in het heilige der heiligen. 35 De tafel nu zult gij zetten buiten den voorhang, en den kandelaar tegen de tafelover, aan de eene zijde des tabernakels, zuidwaarts; maar do tafel zult gij zetten aan de noordzijde. 36 quot;(Jij zult ook aan de deur der tent oen deksel maken, van homelsblaauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk. ff Ex. 36:37. 37 En gij zult tot dit deksel vijf pilaren van sittim/«wlt; maken, en die met goud overtrekken; hunne haken zullen van goud zijn; en gij zult hun vijf koperen voeten gieten. |
ÃXODUS 27, 28.
02
|
HOOFDSTUK 27. Hot koperen altaai' ten brandoffer, met zijn gereedschap, vs. 1. Het voorhof des tabernakels, 9; lengte, breedte en hoogte van liet voorhof, 18. Olie voor de lampen van den luchter, dien de priesters eiken dag moesten aansteken, 20. GIJ zult ook een quot; altaar maken van sittimhout; vijf ellen zal de lengte zijn, en vijf ellen de breedte, (vierkant zal dit altaar zijn) en drie ellen zijne hoogte. (/Ex. 38:1. 2 En gij zult zijne hoornen maken op zijne vier hoeken; uit hetzelve zullen zijne hoornen zijn, en gij zult het met koper overtrekken. ;i (lij zult het ook potten maken, om zijne asch te ontvangen, ook zijne schoffelen, en zijne be-sprengbekkens, en zijne kraauwelen, en zijne koolpannen; al zijn gereedschap zult gij van koper maken. 4 Gij zult het eenen rooster maken van koperen netwerk; en gij zult aan dat net vier koperen ringen maken aan zijne vier einden. 5 En gij zult het onder den omloop des altaars van beneden opleggen, alzoo dat het net tot het midden des altaars zij. (gt; Gij zult ook handboomen maken tot het altaar, handboomen van sittimhout; en gij zult ze met koper overtrekken. 7 En de handboomen zullen in de ringen gedaan worden, alzoo dat do handboomen zijn aanbelde zijden des altaars, als men het draagt. 8 Gij zult hetzelve hol van planken maken; gelijk als Hij u op den berg gewezen heeft, alzoo zullen zij doen. 9 quot; Gij zult ook den voorhof des tabernakels maken: aan den zuidhoek zuidwaarts, zullen aan den voorhof behangselen zijn van fijn getweernd linnen; de lengte eener zijde zal honderd ellen zijn. a Ex. 38 : 9. 10 Ook zullen zijne twintig pilaren, en derzelver twintig voeten van koper zijn; de haken dezer pilaren, en hunne banden zullen van zilver zijn. 11 Alzoo zullen ook aan den noorderhoek, in do lengte, de behangsels honderd c/len lang zijn; en zijne twintig pilaren, en derzelver twintig voeten , van koper; de haken der pilaren, en derzelver banden zullen van zilver zijn. 12 En in de breedte des voorhofs, aan den wes-terhoek, zullen behangselen zijn van vijftig ellen ; hunne pilaren tien, en derzelver voeten tien. 13 Van gelijken zal do breedte des voorhofs, aan den oosterhoek oostwaarts, van vijftig ellen zijn. 14 Alzoo dat er vijftien ellen der behangselen op de eene zijde zijn; hunne pilaren drie, en hunne voeten drie; 15 En vijftien ellen dor behangselen aan do andere zijde: hunne pilaren drie, en hunne voeten drie. 10 In de poort nu des voorhofs zal een deksel zijn van twintig ellen, hemelsblaauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk: de pilaren vier, en hunne voeten vier. |
17 Al de pilaren des voorhofs zullen rondom met zilveren banden bezet zijn; hunne haken zullen van zilver zijn, maar hunne hoeken zullen van koper zijn. 18 De lengte des voorhofs zal honderd ellen zijn, en de breedte doorgaans vijftig, en de hoogte vijf ellen, van fijn getweernd linnen; maar hunne voeten zullen van koper zijn. 1!) Aangaande al hot gereedschap des tabernakels, in al deszelfs dienst, ja al zijne pennen, en al de pennen des voorhofs zullen van koper zijn. 20 quot;Gij nu zult den kinderen Israels gebieden, dat zij tot u brengen reine olie van olijven, ge-stooten tot den luchter, dat men geduriglijk de lampen aansteko. a Lev. 24 : 2. 21 In de tent der zamenkomst, van buiten den voorhang, die voor do getuigenis is, zal ze Aaron en zijne zonen toerigten, van den avond tot den morgen, voor het aangezigt des Heeren ; dit zal eene eeuwige inzetting zijn voor hunne geslachten, van wege de kinderen Israels. HOOFDSTUK 28. Aüron en zijne zonen worden tot het priesterambt verordineerd, vs. 1; hunne heilige kleedoren, 2; de efod, 0; de kunstelijke riem, 8; twee sardonix-steenen, op welke de namen der zonen Israels gegraveerd waren, 9; de borstlap mot de twaalf steenon, waarop do namen der zonen Israels, 16; gouden ketentjes en ringen aan den borstlap, 22; de Urim en TÃminmim, 30; mantel dos efods, 31; do gouden plaat, mot het graveersel: do Holligheid des HEEHEN, 36; do rok vol oogen, do hoed, de gordel, rokken der zonen Aiirons, hunne riemen, mutsen, onderbroeken, enz., 39. Dezo kleederen moesten Ailron en zijne zonen aantrekken, om in hot heilige te dienen, 41. DAARNA zult gij uwen brooder Aaron on zijne zonen mot hom, tot u doen naderen uit het midden der kinderen Israels, om Mij het priesterambt te bedienen: quot;namelijk Aaron, Nadab on Abihu, Eléazar on Ithamar, de zonen van Aüron. a Hebr. 5 : 4. 2 En gij zult voor uwen broeder Aaron heilige kleederen maken, tot heerlijkheid en tot sieraad. 3 Gij zult ook spreken tot allen, dio wijs van hart zijn, die Ik met don geest der wijsheid vervuld heb, dat zij voor Aaron kleederen maken, om hem te heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene. 4 Dit nu zijn de kleederen, die zij maken zullen: een borstlap, on oen efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, oen hoed en een gordel; zij zullen dan voor uwen broeder Aaron heilige kleederen maken, en voor zijne zonen, om Mij het priesterambt te bedienen. 5 Zij zullen ook het goud, en hemelsblaauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen nomen; 6 quot; En zullen don efod maken van goud , hemelsblaauw en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, van het allerkunstelijkste werk. (/Ex.39:2. |
ÃXODUS 28.
on
|
7 Hij zal twee zamenvoegende schouderbanden hebben aan zijne beide einden, waarmede hij zamengevoegd zal worden. 8 En de kunstelijke riem zijns efods, die op hem is, zal zijn gelijk zijn werk, van hetzelfde, van goud, hemelsblaauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen. 9 En gij zult twee sardónixsteenen nemen, en de namen der zonen van Israël daarop graveren. 10 Zes van hunne namen op eenen steen, en de zes overige namen op den anderen steen, naar hunne geboorten; 11 Naar steensnijderswerk, gelijk men de zegelen graveert, zult gij deze twee steenen graveren, met de namen der zonen van Israël; gij zult ze maken, dat zij omvat zijn in gouden kastjes. 12 En gij zult de twee steenen aan de schouderbanden des efods zetten, zijnde steenen ter gedachtenis voor de kinderen Israëls; en Aaron zal hunne namen op zijne beide schouders dragen, ter gedachtenis, voor het aangezigt des Heeren. 1!) Gij zult ook gouden kastjes maken, 14 En twee ketentjes van louter goud; gelijk-eindigende zult gij die maken, gedraaid werk; nu de gedraaide ketentjes zult gij aan de kastjes hechten. ló quot;Gij zult ook eenen borstlap des gerigts maken, van het allerkunstelijkste werk, gelijk het werk des efods zult gij hein maken; van goud, hemelsblaauw, en purper, en scharlaken, en van fijn getweernd linnen zult gij hem maken. «Ex. ;i9: 8. 1G Vierkant zal hij zijn, en verdubbeld: eene span zal zijne lengte zijn, en eene span zijne breedte. 17 En gij zult vervullende steenen daarin vullen, vier rijen steenen; eene rij van een' Sardis, een' Topaas en een' Karbonkel: dit is de eerste rij. 18 En de tweede rij van een' Smaragd, een' Saffier, en een' Diamant. 19 En de derde rij, een' Hiacint, Agaat en Ametist. 20 En de vierde rij van een Turkoois, en oen' Sardonix, en een' Jaspis; zij zullen met goud ingevat zijn in hunne vullingen. 21 En deze steenen zullen zijn met de twaalf namen der zonen van Israël, met hunne namen; zij zullen als zegelen gegraveerd worden, elk met zijnen naam: voor de twaalf stammen zullen zij zijn. 22 Gij zult ook aan den borstlap gelijk-eindigende ketentjes van gedraaid werk uit louter goud maken. 23 Gij zult ook aan don borstlap twee gouden ringen maken; en gij zult de twee ringen aan de twee einden van deu borstlap zetten. 24 Dan zult gij de twee gedraaide gouden ketentjes in do twee ringen doen, aan de einden van den borstlap. 25 Maar de twee einden der twee gedraaide ketentjes zult gij aan die twee kastjes doen; en gij zult ze zetten aan de schouderbandon van den ofod, regt op de voorste zijde van dien. |
' 26 Gij zult nog twee gouden ringen maken, en zult zo aan de twee einden dos borstlaps zotten; inwendig aan zijnen rand, die aan do zijde van den efod zijn zal. 27 Nog zult gij twee gouden ringen maken, die gij zetten zult aan de twee schouderbanden van den efod, beneden, aan de voorste zijde, tegenover zijne voege, boven den kunstelijken riem des efods. 28 En zij zullen den borstlap met zijne ringen aan de ringen van den ofod opwaarts binden, met oen hemelsblaauw snoer, dat hij op den kunstelijken riem van den ofod zij; en do borstlap zal van den efod niet afgescheiden worden. 29 Alzoo zal Aiiron do namen der zonen van Israël dragen aan don borstlap des gerigts, op zij)i hart, als hij in hot heilige zal gaan, ter gedachtenis voor het aangezigt des IIkkren geduriglijk. :i() Gij zult ook in den borstlap dos gerigts de urini en de thummim zotten, dat zij op het hart van Aaron zijn, als hij voor het aangezigt dos Heeren ingaan zal; alzoo zal Aiiron dat gerigt der kinderen Israëls geduriglijk op zijn hart dragon, voor het aangezigt des Heeren. ;il Gij zult ook quot;den mantel des efods geheel van hemelsblaauw maken. a Ex. 39:22. 32 En het hoofdgat deszelven zal in het midden daarvan zijn; dit gat zal oenen boord rondom hebben van geweven werk: als het gat eens pan(-siors zal het daaraan zijn, dat het niet gescheurd worde. 33 En aan deszelfs zoomen zult gij granaatappelen maken van hemelsblaauw, en van purper, en van scharlaken, aan zijne zoomen rondo»), en gouden schelletjes rondo») tusschen dezelve. 34 Dat er ee» gouden schelletje, daarna een granaatappel zij; wederom oen gouden scholletje, en ee)) granaatappel; aan do zoomen des mantels rondo))). 35 En Aiiron zal denzelven aanhebben, om te dienen; opdat zij» geluid gehoord worde, als hij in het heilige, voor hol aangezigt des Heeren, ingaat, en als hij uitgaat, opdat hij niet sterve. 36 Verder zult gij quot;eene plaat maken van louter goud, o)) gij zult daarin graveren, gelijk men de zegelen graveert: DE HEILIGHEID DES HEEREN! «Ex. 39:30. 37 En gij zult dezelve aanhechten met een hemelsblaauw snoer, alzoo dat zij aan den hoed zij: aan de voorste zijde des hoeds zal zij zijn. 38 En zij zal op het voorhoofd van Aaron zijn, opdat Aaron drage do ongerogtigheid der heilige dingen, welke de kinderen Israëls zullen geheiligd bobben, in alle gave)) hunner goheiligdo dingen; en zij zal geduriglijk aan zijn voorhoofd zijn, om henlieden voor hot aangezigt des Heeren aangenaam te maken. 39 Gij zult ook quot; eenen rok vol oogjes maken, va)) fijn linnen; gij zult ook den hoed van fijn |
ÃXODUS 28, 29.
94
|
linnen maken; maar den yordol zult f^ij van ye-bordmird werk maken. a vors 4. 40 Voor de zonen van Aiiron zult j^ij ook rokken maken, on ^ij zult voor hen gordels maken; ook zult gij voor hen mutsen maken, tot heerlijkheid en sieraad. 41 En gij zult die uwen broeder Aaron, en ook zijnen zonen, aantrekken; en gij zult hen zalven, en hunne hand vullen, en hen heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen. 42 Maak hun ook linnen onderbroeken, om het vleesch der schaamte te bedekken: zij zullen zijn van do lenden tot de dijen. 4;! Aiiron nu en zijne zonen zullen die aanhebben, als zij in de tent der zamenkomst gaan, of als zij tot liet altaar treden zullen, om in het heilige te dienon; opdat zij goone ongeregtiglieid dragen en sterven. Dit zal eene eeuwige inzetting zijn, voor hom, en zijn zaad na hem. HOOFDSTUK 29. Voorschriflon aangaande de inwijding van Aiiron en zijno zonen, vs. !. Do var moest tot zondofier go-otlerd worden, 10; do eene ram tot een brandoffer, 15; de andore tot heiliging der priesters, 10; hot vlecsch van dozen ram was voor Aiiron en zijne zonen, 32; het altaar moest gedurende zeven dagen ontzondigd worden, 30; dagelijks moesten er twee lammeren ton brandoffer geotlerd worden, 38. God belooft den tabernakel, Aiiron en zijne zonen te heiligen, 44, en onder do Israëlieten te wonen, 45. DIT quot;nu is de zaak, die gij hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen; neem eenen var, het jong eens runds, en twee volkomen rammen; a Lev. 8:2. 9:2. 2 En ongezuurd brood, en ongezuurde koeken, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken: van tarwen meelbloem zult gij dezelve maken. !! En gij zult ze in eenen korf leggen, en zult zo in den korf toebrengen, met den var en de twee rammen. 4 Alsdan zult gij Aiiron en zijne zonen doen naderen aan de deur van de tent der zamenkomst; en gij zult hen met water wasschen. f) Daarna zult gij de kleederen nemen, en Aiiron den rok, en den mantel des efods, en den efod, en den borstlap aandoen; en gij zult hem omgorden niet den kunstelijken riem des efods. (I En gij zult den hoed op zijn hoofd zetten; de kroon der heiligheid zult gij aan den hoed zetten. 7 En quot; gij zult de zalfolie nemen, en op zijn hoofd gieten: alzoo zult gij hem zalven. a Ex. 30 : 25. 8 Daarna zult gij zijne zonen doen naderen, en zult hun de rokken doen aantrekken. 9 En gij zult hen met den gordel omgorden, namelijk Aiiron en zijne zonen; en gij zult hun de mutsen opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot eene eeuwige inzetting. Voorts zult gij de hand van Aaron vullen, en de hand zijner zonen. |
10 quot;En gij zult den var nabij brengen voor do tent der zamenkomst; en Aaron en zijne zonen zullen hunne handen op het hoofd van den var leggen. a Lev. 1 : 3. 11 En gij zult don var slagten voor het aange-zigt des Heerkn , voor de deur van de tent der zamenkomst. 12 Daarna zult gij van het bloed des vars nemen, en met uwen vinger op de hoornen des altaars doen; en al het bloed zult gij uitgieten aan den bodem des altaars. 13 Gij zult ook al het vet nemen, hetwelk hot ingewand bedekt, en hot net over de lever, en beide nieren en het vet, dat aan dezelve is, en gij zult ze aansteken op het altaar. 14 quot;Maar het vleesch des vars, en zijn vel, en zijnen drek, zult gij met vuur verbranden, buiten het leger: het is een zondoffer. a Lev. 4:12. Hebr. 13: 11. 15 Daarna zult gij den eenen ram nemen, en Aiiron en zijne zonen zullen hunne handen op het hoofd des rams leggen; Ki En gij zult den ram slagten, en gij zult zijn quot; bloed nemen, en rondom op het altaar sprengen. «Hebr. 9:12, 19. 17 En den ram zult gij in zijne deelen deelen; en gij zult zijn ingewand en zijne schenkelen wasschen, en op zijne deelen, en op zijn hoofd leggen. 18 Alzoo zult gij don geheelen ram aansteken op het altaar: het is een brandoffer den Heere, tot eenen liefelijken reuk, het is een vuuroffer den Heere. 19 Daarna zult gij den anderen ram nemen, en Aiiron en zijne zonen zullen hunne handen op des rams hoofd leggen; 20 En gij zult den ram slagten, en van zijn bloed nemen, en doen het op het m/fcroorlapje van Aiiron, en op het regteroorlapje van zijne zonen, desgelijks op den duim hunner regterhand, en op don grooten teen huns regtervoets; en dat bloed zult gij op het altaar sprengen, rondom heen. 21 Dan zult gij nemen van het bloed, dat op hot altaar is, en van do zalfolie, en gij zult op Aiiron en op zijne kleederen sprengen, en op zijne zonen en op de kleederen zijner zonen met hem; opdat hij geheiligd zij, en zijne kleederen, ook zijne zonen, en de kleederen zijner zonen met hem. 22 Daarna zult gij van den ram nemen het vet mitsgaders den staart, ook het vet, dat het ingewand bedekt, en het net der lever, en de beide nieren, met het vet, dat aan dezelve is, en den regterschouder: want het is een ram der vul-offeren: 23 En eenen broodbol, en eenen koek geolied brood, en eene vlade, uit den korf der ongezuurde brooden, die voor het aangezigt des Hekken zijn zal; 24 En leg ze allen op de handen van Aaron, en |
ÃXODUS 29, 30.
95
|
op de handen zijner zonen, en beweeg ze ten he-weegoffer voor liet, aangezigt des Heeren. 25 Neem zo daarna van hunne hand, en steek ze aan op het altaar, op het brandoffer, tot eenen liefelijken reuk voor het aangezigt des Heeren: het is een vuuroffer den ITeeke. 26 En neem de borst van den ram der vuloffe-ren, die van Aiiron is, en beweeg hem ten be-weegoffer voor liet aangezigt des Heeren: en liet zal u ten deele zijn. 27 En gij zult de borst des heweegoffers heiligen, en den schouder des hefoffers, die bewogen, en die opgeheven zal zijn vau den ram des vul-offers, van hetgeen dat Aarons, en van hetgeen dat zijner zonen is. 28 En quot;het zal voor Aaron en zijne zonen zijn tot eene eeuwige inzetting van wege de kinderen Israëls, want het is een hefoffer; en liet hefoffer van wege de kinderen Israëls zal zijn van hunne dankofferen; hun hefoffer zal voor den Heere zijn. a Lev, 7:31, 34. 10:14. 29 De heilige kleederen nu, die van Aiiron zullen geweest zijn, zullen van zijne zonen na hem zijn, opdat men hen in dezelve zalve, en dat men hunne hand in dezelve vuile. 30 Zeven dagen zal hij zo aantrekken, die uit zijne zonen in zijne plaats priester zal worden, die in de tent der zamenkomst gaan zal, om in het heilige te dienen. 31 Gij zult den ram der vulling nemen, en gij zult zijn vleesch in do heilige plaats zieden. 32 quot; Aaron nu en zijne zonen zullen het vleesch van dezen ram eten, en bet brood, dat in den korf zal zijn, bij de deur van de tent der zamenkomst. a Lev. 8 : 31. 24 : 9. 33 En zij zullen die dingen eten, met welke de verzoening zal gedaan zijn, om hunne hand te vullen, en om hen te heiligen; quot; maar een vreemde zal ze niet eten, want zij zijn heilig. « Lev. 10 : 14. Matt. 12:4. 34 En indien er wat overblijven zal van het vleesch der vulofferen, of van dit brood, tot aan don morgen, zoo zult gij het overgeblevene met vuur verbranden; het zal niet gegeten worden, want het is heilig. 35 Gij zult dan aan Aiiron en aan zijne zonen alzoo doen, naar alles, wat Ik u geboden heb: zeven dagen zult gij hunne hand vullen. 36 Gij zult ook des daags eenen var des zondoffers bereiden, tot do verzoeningen, en gij zult het altaar ontzondigen, mits doende de verzoening over hetzelve; en gij zult het zalven, om het te heiligen. 37 Zeven dagen zult gij verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; alsdan zal dat altaar eene heiligheid der heiligheden zijn; al wat het altaar aanroert, zal heilig zijn. 38 Dit quot; nu is het, wat gij op bet altaar bereiden .'â¢uit: twee lammeren, die jarig zijn, des daags, geduriglijk. a Num. 28:3. |
39 Het eeno lam zult gij des morgens bereiden; maar liet andere lam zult gij bereiden tusschen do twee avonden. 40 Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestooton olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot hot eeno lam. 41 Het andere lam nu zult gij bereiden tusschen do twee avonden; gij zult daarmede doen gelijk mot het morgenspijsoffor, en gelijk met het drankoffer deszelven, tot eenen liefelijken reuk: liet is een vuuroffer den Heere. 42 Het zal een gedurig brandoffer zijn bij uwe geslachten, aan de deur van de tent der zamenkomst, voor het aangezigt dos Heeren: aldaar zal Ik met uliedon komen, dat Ik aldaar mot ii spreke. 43 En daar zal Ik komen tot do kinderen Israëls; opdat zij geheiligd worden door mijne heerlijkheid. 44 En Ik zal do tent der zamenkomst heiligen, mitsgaders hot altaar: Ik zal ook Aaron en zijne zonen heiligen, opdat zij Mij het priesterambt bedienen. 45 En Ik quot;zal in het midden der kinderen Israëls wonen, on Ik zal hun tot eenen God zijn. o Ex. 25:8. Lev. 20: 12. I's. 78: (iO. Zach. 2: 10. 2 Oor. 6: 16. Openb. 21 :3. 40 En zij zullen weten, dat Ik do Heere hun God ben, dio hen uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik in bot midden van hen wonen zou; Ik ben de Heere hun God. HOOFDSTUK 30. liovol om hot reukaltaar te maken, vs. 1 ; do hooge-priester moest daarop eiken morgen reukwerk ontstoken, 7, en eenmaal dos jaars op zijne hoornen verzoening doon, 10. Hevel dat elk der Israëlieten een' halven sikkel als oen hefoffer moest opbrengen, 11. Voorschriften voor het maken van het koperen waschvat ter reiniging der priesters, 17. Hoe men do heilige zalfolie moest maken, 22; wat men daarmede zalven zon, 20; niemand mogt die namaken, 33, De bereiding van het reukwerk, 34; hot gebruik daarvan, 36; niemand mogt dit voor zich zeiven maken, 37, GIJ zult ook eeu quot;reukaltaar des reukwerks maken; van sittimhout zult gij het maken, a Ex 37 : 25, 2 Eene el zal zijne lengte zijn, en eene el zijne breedte, vierkant zal het zijn, maar twee ellen deszelfs hoogte; uit hetzelve zullen zijne hoornen zijn, 3 En gij zult het niet louter goud overtrekken, zijn dak en deszelfs wanden rondom, als ook zijne hoornen; en gij zult het eenen gouden krans rondom maken. 4 Gij zult ook twee gouden ringen daaraan maken, onder zijnen krans, aan zijne twee zijden zult gij dezelve maken, aan zijne beide zijden; en zij zullen zijn tot plaatsen voor de handboo-men, dat men hot daarmede drage, 5 De draagboomon nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult die niet goud overtrekken. |
EXODUS no, 31.
9()
|
(i En lt;i'ij zult hot zetten voor den voorhang, die [ voor ile ark dor getuigenis zijn zal; voor het verzoendeksel, hetwelk zijn zal boven de getuigenis, waarheen Ik met u zamenkomen zal. 7 En Aaron zal daarop aansteken welriekende specerijen; allen morgen, quot;als hij de lampen wel zal toegerigt hebben, zal hij dezelve aansteken. a 1 Sam. 3 : 3. 8 En als Aaron de lampen aansteken zal, tus-schen de twee avonden, zal hij dat aansteken: het zal een gedurig reukwerk zijn, voor het aan-gezigt des Heeren, bij uwe geslachten. 9 Gij zult geen vreemd reukwerk op hetzelve aansteken, noch brandoffer, noch spijsoffer; gij zult ook geen drankoffer daarop gieten. 10 En Aaron zal eens in het jaar over deszelfs hoornen verzoening doen, met het bloed des zondoffers der verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uwe geslachten: het is heiligheid der heiligheden den IIeere! 11 Verder sprak de Heeue tot Mozes, zeggende: 12 quot; Als gij de som van de kinderen Israels opnemen zult, naar de getelden onder hen, zoo zullen zij een iegelijk de verzoening zijner ziel den IIeere geven, als gij hen tellen zult; opdat onder hen geene plage zij, als gij hen tellen zult. a Num. 1 ; 2. 13 quot;Dit zullen zij géven, al die tot de getelden overgaat, de helft eens sikkels, naar den sikkel des heiligdoms, (deze sikkel is twintig gera) de helft eens sikkels is een hefoffer den Heere. a Lev. 27 : 25. Num. 3: *17. Ezec. 45: 12. , 14 Al wie overgaat tot de getelden, van twintig j jaren oud en daarboven, zal het hefoffer dos Heeren geven. 15 De rijke zal het niet vermeerderen, en de arme zal niet verminderen van de helft des sikkels, als gij het hefoffer des Heeren geeft, om voor uwe zielen verzoening te doen. K! quot; Gij dan zult hot gold der verzoeningen van de kinderen Israels nemen, en zult het loggen tot de dienst van de tont der zamenkomst; en het zal den kinderen Israels ter gedachtenis zijn, voor hot aangozigt dos Heeren, om voor uwe zielen verzoening te doen. «Ex. 38:25. 17 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 18 Gij zult ook een koperen waschvat maken, met zijnen koperen voet, om te wasschon; en gij zult bet zetten tusschon de tont dor zamenkomst, en tusschen het altaar, en gij zult water daarin doen; li) Dat Aaron on zijne zonen zich daaruit wasschon, hunne handen en voeten. 20 Wanneer zij in do tent der zamenkomst zullen gaan, zoo zullen zij zich mot water wasschon, opdat zij niet sterven; of wanneer zij tot hot altaar naderen, om te dienen, dat zij het vuur-offer den Heere aansteken; 21 Zij zullen dan hunne handen en voeten wasschon, opdat zij niet sterven; en dit zal hun eene |
eeuwige inzetting zijn, voor hom en zijn zaad, bij hunne geslachten. 22 Verder sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 23 Gij nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijf honderd sikkels, en spe-cerijkanoel, half zoo voel, namelijk twee honderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, twee honderd en vijftig sikkels; 24 Ook kassie, vijf honderd, naar den sikkel des heiligdoms, en olie van olijfboomen oen hin; 25 En maak daarvan eene olie dor heilige zalving, eene zalf, heel kunstiglijk gemaakt, naar apothekers werk: het zal oone olie der heilige zalving zijn. 2C En met dezelve zult gij zalven de tent der zamenkomst, en de ark der getuigenis; 27 En de tafel met al haar gereedschap, en den kandelaar met zijn gereedschap, en het reukaltaar ; 28 En hot altaar des brandoffers, met al zijn gereedschap, en het waschvat met zijnen voet. 29 Gij zult zo alzoo heiligen, dat zij heiligheid der heiligheden zijn; al wat ze aanroert, zal heilig zijn. 30 Gij zult ook Aiiron en zijne zonen zalven, en gij zult hen heiligen, om Mij het priesterambt to bedienen. 31 En gij zult tot do kinderen Israels sproken, zeggende: Dit zal mij eeno olie der heilige zalving zijn bij uwe geslachten. 32 Op geens menschen vloosch zal men ze gieten, gij zult ook naar haar maaksel geene dergelijke maken; het is heiligheid, zij zal ulieden heiligheid zijn. 33 Do man, die zulk eeno zalf maken zal als doze, of die daarvan op wat vreemds doet, die zal uitgerooid worden uit zijne volken. 34 Verder zeide de Heere tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en onicho, en galban, deze welriekende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij. 35 En gij zult een reukwerk eoner zalf daaruit maken, naar hot werk des apothekers, gemengd, rein, heilig. 36 En gij zult van hetzelve heel klein pulver stooten, en gij zult daarvan leggen voor de getuigenis in de tent der zamenkomst, waarheen Ik tot u komen zal; hot zal ulieden heiligheid der heiligheden zijn. 37 Doch naar het maaksel dezes reukwerks, hetwelk gij gemaakt zult hebben, zult gijlieden voor u zeiven geen maken; hot zal u heiligheid zijn voor den Heere. 38 Do man, die dergelijke maken zal, om daaraan te rieken, die zal uitgeroeid worden uit zijne volken. HOOFDSTUK 31. God stelt Bezaleël cn Ahóliab aan, om den Tabernakel en zijn gereedschap te vervaardigen, vs. 1. Do Heere beveelt wederom het heiligen van den Sabbat, 12. Mozes ontvangt de twee tafelen der wet, 18. |
ÃXODUS Hl, 32.
|
DAARNA sprak de IIeere tot Mozos, zeggende: 2 quot; Zie, Ik lieb mot name geroepen Bezaleël, den zoon van Uri, den zoon van Uur, van den stam van Jnda. « Ex. 36:30. I Kron. 2:20. En Ik heb liein vervuld met den Geest Gods, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk; 4 Om te bedenken vernuftigen arbeid; te werken in goud, en in zilver, en in koper, 5 En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding, om te werken in alle handwerk. (gt; En Ik, zie, Ik heb hem bijgevoegd Ahóliab, den zoon van Alnsamach, van den stam van Dan; en in liet hart van een' iegelijk, die wijs van hart is, heb Ik wijsheid gegeven; en zij zullen maken al wat Ik u geboden heb. 7 Namelijk de tent der zamenkomst, en de ark der getuigenis, en het verzoendeksel, dat daarop zal zijn, en al het gereedschap dor tent; 8 En de tafel, met haar gereedschap; en den louteren kandelaar, met al zijn gereedschap; en het reukaltaar; !) Ook des brandoffers altaar, met al zijn gereedschap; en het waschvat met zijnen voet; 10 En de ambtskleederen, en de heilige kleederen van den priester Aaron, en de kleederen van zijne zonen, om het priesterambt te bedienen; 11 Ook de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen voor het heiligdom: naar alles, wat Ik u geboden heb, zullen zij het maken. 12 Verder sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 13 Gij nu, spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Gij zult evenwel mijne sabbaten onderhouden: want dit is een teeken tusschen Mij en tusschen ulieden, bij uwe geslachten; opdat men wete, dat Ik de Heere ben, die u heilige. 14 quot;Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is! wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden: want een ieder, die op denzelven eenig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken. a Ex. 20:8. Dent. 5: 12. Ezec. 20: 12. 15 Zes dagen zal men werk doen; doch op den zevenden dag is do sabbat dor rust, oene heiligheid des Heeren ! Wie op don sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden. Ki Dat dan de kinderen Israels don sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hunne geslachten , tot oen eeuwig verbond. 17 Hij zal tusschen Mij en tusschen de kinderen Israels een teeken in eeuwigheid zijn; quot;dewijl de Heere, in zes dagen, den hemel en de aarde gemaakt, en op don zevenden dag gerust on zich verkwikt heeft. a Gen. 1 : 31. 2:2, 3. Ex. 20 : 11. 18 En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op ilen berg Sinaï te spreken geeindigd had, quot;de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven mot don vinger Gods. a Ex. 32: 10. |
HOOFDSTUK 32. Hot volk dringt Ailron oon gouden kalf to maken, vs. 1, waarvoor zij een offerfeest vieren, 5. Crod geofl dit aan Mozos to keanen on dreigt hot volk to verdelgen, 7. Mozos bidt voor hot volk, II, on beweegt God tot genade, 14. Mozes klimt af van den borg en verbrijzelt de twee stoenen tafelen, ids hij do afgoderij van het volk ziet, 15; hij vernietigt hot kalf tot pulver, 20, Ailron verontschuldigt zioh, 22. Mozes laat door do Levieten drie duizend schuldigen dooden, 25. Mozes bidt weder, dat de lloero hot volk zijne zonde vergave, 32. God belooft het volk nu te sparen; maar behoudt zich voor, hen fo straiten, 34. TOEN liet volk zag, dat Mozes vertoog van den berg af te komen, zoo verzamelde zich het volk tot Aaron, en zij zeiden tot hem; Sta op, quot;maak ons goden, die voor ons aangezigt gaan: want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egyp-teland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij. a Hand, 7:40, 2 Aaron nu zeide tot hen : Rukt af de gouden oorsierselen, die in de ooren uwer vrouwen, uwer zonen, en uwer dochteren zijn; en brengt ze tot mij. 3 Toen rukte hot gansche volk de gouden oorsierselen af, die in hunne ooren waren; en zij bragten ze tot Aaron, 4 En hij nam ze uit hunne hand, en hij bewierp het met eene griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uwe Goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben, 5 Als Aiiron dat zag, zoo bouwde hij een altaar voor hetzelve; en Aiiron riep uit, en zeide: Morgen zal den Heere een feest zijn! 6 En zij stonden des anderen daags vroeg op, en offerden brandoffer, en bragten dankoffer daartoe; en quot; het volk zat neder om te eten en te drinken; daarna stonden zij op, om te spelen, a 1 Cor, 10:7, 7 Toen sprak de Heere tot Mozes: Ga been, klim af! want uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, quot;heeft het verdorven, a Dent. 32 : 5. 8 En zij zijn haast afgeweken van den weg, dien Ik hun geboden had! zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt; en zij hebben zich voor hetzelve gebogen, en hebben het offerande gedaan, en gezegd: quot;Dit zijn uwe Goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben. a 1 Kon. 12 : 28, 9 Verder zeide de Heere tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, quot;het is een hardnekkig volk! « Ex. 33 : 3, Dcut. 9:0, 13. .los, 48:4, Jer. 5:3. Hos. 4:10. 10 En nu, laat Mij toe, dat mijn toorn tegen hen ontsteke, en hen vertere; zoo zal Ik u tot een groot volk maken, 11 Doch Mozes aanbad het aangezigt des Heeren zijns Gods, en hij zeide: O Heere! waarom zou uw toorn ontsteken tegen uw volk, quot;hetwelk Gij met groote kracht, en met oene sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt, a Ps. 100:21, |
EXODUS 32, W.
99
|
12 Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: quot;In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van den aardbodem? Keer af van de hittigheid uws toorns, en laat liet II over het kwaad uws volks berouwen! a Num. 14 ; 13, enz. 13 quot;Gedenk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, uwe knechten, aan welke Gij bij U zeiven gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken; Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren des hemels; cn dit geheele land, waarvan Ik gezegd heb, zal Ik aan ulieder zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid. rtOen. 12:7. 13:15. 15:18. 20:4. 28:13. Dout. 34 : 4. 14 Toen berouwde het den Heere over het kwaad, hetwelk Hij gesproken had zijn volk te zullen doen. 15 En Mozes wendde zich om, en klom van den herg af, niet de twee tafelen der getuigenis in zijne hand; deze tafelen waren op hare beide zijden beschreven, zij waren op de eene en op de andere zijde beschreven. 16 En quot; diezelve tafelen waren Gods werk; het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafuien gegraveerd. «Ex. 31: is. Dout. !): 10. 17 Toen nu Jozua des volks stem hoorde, als het juichte, zoo zeide hij tot Mozes: Er is een krijgsgeschrei in het leger. 18 Maar hij zeide: Het is geene stem des ge-roeps van overwinning, het is ook geene stem des geroeps van nederlaag; ik hoor eene stem van zingen bij beurte. 1!) En het geschiedde, als hij aan het leger naderde, on het kalf, en de quot;reijen zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafelen uit zijne handen wierp, en dezelve beneden aan den berg verbrak. a Dent. 9:17. 20 En quot;hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in het vuur, cn vermaalde het, totdat het klein werd, en strooide het op het water, en deed hot don kinderen Israels drinken. «Dout. 9:21. 21 En Mozes zeide tot Aiiron: Wat heeft u dit volk gedaan, dat gij zulk eene grooto zonde over hetzelve gobragt hebt? 22 Toen zeide Aiiron: De toorn mijns heeron ontsteke niet! gij kent dit volk, quot;dat het in het booze ligt. n 1 .loli. 5:19. 23 Zij dan zeiden tot mij: Maak ons goden, die voor ons aangezigt gaan! want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egypteland opgevoerd hoeft, wij weten niet, wat hem geschied zij. 24 Toen zeide ik tot hen: Wie goud heeft, die rukke het af, en geve het mij; en ik wierp het in het vuur, en dit kalf is er uit gekomen. 25 Als Mozes zag, dat het volk ontbloot was, (want Aiiron had het ontbloot tot verkleining onder degenen, die tegen hen hadden mogen opstaan). |
26 Zoo bleef Mozes staan in de poort des legers, on zeide: Wie den Heere toebehoort, korne tot mij! Toen vorzainelden zich tot hem nl de zonen van Levi. 27 En hij zeide tot hen: Alzoo zegt de Heere, do God van Israël: Een ieder doe zijn zwaard aan zijne heup; gaat door en keert weder, van poort tot poort in het leger, en een iegelijk doode zijnen broeder, en elk zijnen vriend, en elk zijnen naaste! 28 En de zonen van Lovi deden naar hot woord van Mozes; en er vielen van het volk, op dien dag, omtrent drie duizend man. 29 Want Mozes had gezegd: Vult heden uwe handen den Heere! want elk zal zijn tegen zijnen zoon, en tegen zijnon broeder; en dit, opdat ilij heden oenen zegen over ulieden geve! 30 En hot geschiedde des anderen daags, dat Mozes tot het volk zeide: Gijlieden hebt eene groote zonde gezondigd; doch nu, ik zal tot den Heere opklimmen, misschien zal ik eene verzoening doen voor uwe zonde. 31 Zoo koorde Mozes weder tot don Heere, en zeide: Och, dit volk heeft eene groote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben. 32 Nu dan, indien Gij hunne zonden vergeven zult! doch zoo niet, zoo delg mij nu uit uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt. 33 Toon zeide de Heere tot Mozes: Dien zou Ik uit mijn boek delgen, die aan ilij zondigt. 34 Doch ga nu heen, leid dit volk, waarheen Ik u gezegd heb; zie, mijn Engel zal voor uw aangezigt gaan! doch ton dage mijns bezoekens, zoo zal Ik hunne zonde over hou bezoeken! 35 Aldus plaagde de Heere dit volk, omdat zij dat kalf gemaakt hadden, hetwelk Aiiron go-maakt had. HOOFDSTUK 33. God zegt aan Mozes, dat een engel hot volk naai Kntnüln zal begeleiden, maar weigert zelf met hon te trekken, vs. I. liet volk treurt hierover, 4. Mozes doet do Tent buiten het leger brengen, 7, en Ood komt daar op eene zigtbare wijze met hom te /.amen, 9. Mozes bidt on do Hoere belooft, dat zijn aangezigt hem en zijn volk wederom zal vergezellen, 12. Mozes vraagt Gods heerlijkheid te mogen zien, 18. God belooft hem, dat Hij voor hem voorbij zon gaan, met zijne handen zijne oogen bedekkende, want dat niemand zijn aangezigt kan aanschouwen, 19. VOORTS sprak do Heere tot Mozes: Ga heen, trok op van hier, gij en het volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: quot;Aan uw zaad zal Ik het geven; a Gen. 12 : 7. 26 : 4. 28 : 13. 2 En Ik zal oenen ongel voor uw aangezigt zonden, (en Ik zal uitdrijven de Kanaiinieten, de Amorieton en de Hothioton, en do Forozieten, de Hovioten, on de Jobusieten;) 3 Naar hot land, dat van melk en honig is vloeijonde: want Ik zal in hot midden van u uiet |
ÃXODUS 33, 34.
inn
|
optrekken, quot; want j^ij zijt een hardnekkig volk; dat Ik u op dezen weg niet vertere. n Ex. 32 : 9. Deut. !); 13. 4 Toen het volk dit kwade woord hoorde, zoo droegen zij leed; en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich. 5 En de Heerk had tot Mozes gezegd: Zeg tot do kinderen Israels: Gij zijt een hardnekkig volk, in een oogenblik zou Ik in het midden van nlieden optrekken, en zou u vernielen; doch nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal. (! De kinderen Israels dan beroofden zich zeiven van hunne versierselen, verre van den berg Horeb. 7 En Mozes nam de tent, en spande ze zich buiten het leger, ver van liet leger afwijkende; en hij noemde zo de Tent der zamenkomst. En het geschiedde, dat al wie den Heere zocht, uitging tot de tent der zamenkomst, die buiten het leger was. «S En het geschiedde, wanneer Mozes uitging naar de tent, stond al het volk op, en een ieder stelde zich in de deur zijner tent; en zij zagen Mozes na, totdat hij de tent ingegaan was. !) En het geschiedde, als Mozes de tent ingegaan was, zoo kwam de wolkkolom nederwaarts, en stond in de deur der tent; en llij sprak met Mozes. 10 Als het volk do wolkkolom zag staan in do deur der tent, zoo stond al het volk op, en zij bogen zich, een ieder in do deur zijner tent. 11 En de Heere sprak tot Mozes aangezigt aan aangozigt, gelijk een man met zijnon vriend spreekt; daarna keerde hij weder tot het leger; doch zijn dienaar Jozua, do zoon van Nun, do jongeling, week niet uit het midden der tent. 12 En Mozes zeide tot den Heerk: Zie, (lij zegt tot mij: Voer dit volk op! maar Gij laat mij niet weten, wion Gij mot mij zult zendon; daar Gij gezegd hebt: Ik ken u bij name! on ook: Gij hebt genade gevonden in mijne oogen! 13 Nu dan, ik bidde, indien ik genade gevonden hei) in uwe oogen, zoo laat mij nu uwen weg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in uwe oogen; en zie aan, dat deze natie uw volk is! 14 Hij dan zoide: Zou mijn aangozigt moeten medegaan, om u gerust te stellen? 15 Toen zeide hij tot Hem: Indien uw aangezigt niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken! 16 Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in uwe oogen, ik en uw volk? is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? quot; alzoo zullen wij afgezonderd worden, ik en uw volk, van alle volk, dat op den aardbodem is. a Deut. 4 : 7. 17 Toen zeide de Heere tot Mozes: Ook deze zelve zaak, die gij gesproken hebt, zal Ik doen; dewijl f^ij genade gevonden hebt in mijne oogen, en Ik u bij name kon. |
18 Toen zeide hij: Toon mij nu uwe heerlijkheid ! li) Doch Hij zeide: Ik zal al mijne goedigheid voorbij uw aangezigt gaan laten, on zal don naam dos Heeren uitroepen voor uw aangezigt; quot;maar Ik zal genadig zijn, wion Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wion Ik Mij ontfermen zal. a Rom. 9:15. 20 Hij zeide vorder: Gij zoudt mijn aangezigt niet kunnen zien: want Mij zal geen mensch zien, en leven. 21 De Heere zoide verder: Zie, or is oeno plaats bij Mij; daar zult gij u op de steenrots stellen. 22 En het zal geschieden, wanneer mijne heerlijkheid voorbij zal gaan, zoo zal Ik u in eene kloof der steenrots zotten; en Ik zal u met mijne hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn. 23 En wanneer Ik mijne hand zal weggenomen hebben, zoo zult gij mijne achterste doelen zien; maar mijn aangozigt zal niet gezien worden! HOOFDSTUK 34. God lievcolt Mozes tweo steenen tafelen te houwen, waarop llij /.ijiio wet wederom wilde schrijven, vs. 1. lliermede klimt .Mo/.os op den berg, 4. Do Heere daalt neder in eene wolk en roept zijnen Naam overluid voor liom uit, 5. Mozes bidt den Heere om met het volk op te trekken, 8; do Heere belooft hot en maakt mot lien eon verbond. Waarschuwt liet volk voor do afgoderij der Kanailnioton, 10, met welke zij zich door liet huwelijk niet mogen vereenigen, 16. Herhaling van liet gebod aangaande hot Paaschfeest, den Sabbat en de overige feesten, IS. Nadat Mozes 40 dagen op den berg geweest is, komt hij af met do twee tafelen, 28. Zijn aangezigt, dat glinstert, moot hij bedekken, 29. Hij deelt alles, wat de Heere op don berg Siuaï gesproken hoeft, aan het volk mode, 32. TOEN quot;zeide de Heere tot Mozes: Houw u twee steenen tafelen, gelijk de eerste waren, zoo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die gij gebroken hebt. et Deut. 10:1. 2 En wees bereid tegen den morgenstond; dat gij in den morgenstond op den berg Siuaï klimt, en stel u aldaar voor Mij, op den top des bergs. 3 quot;En niemand zal met u opklimmen; dat er ook niemand gezien worde op den ganschen berg : ''ook het kleine vee, noch runderen zullen tegenover dezen berg niet weiden. a Ex. 19: 12. i Ex. 19: 13. 4 Toen hieuw hij twee steenen tafelen, gelijk de eerste; en Mozes stond des morgens vroeg op, en klom op den berg Siuaï, gelijk als hem de Heere geboden had; en hij nam de twee steenen tafelen in zijne hand. 5 De Heere nu kwam nederwaarts in eene wolk, en stelde zich aldaar bij hem; en Hij riep uit den Naam des Heeren. 6 «Als nu de Heere voor zijn aangezigt voorbijging, zoo riep Hij: Heere, Heere, God, barmhartig en genadig, langmoedig en groot van weldadigheid en waarheid! a Ex. 33:19. 7 quot; Die de weldadigheid bewaart aan vele dui- |
|
zendon, die do ongorogtighoid, on ovortreding, on zondo vorgooft; die den schuldige geenszins onschuldig houdt, ^bezoekende do ongeregtigheid der vaderen aan de kindoren, en aan do kinds-kindoron, in liet derde on in hot vierde lid. «Ex. 20:0. Num. 14: 18. Dout. 5 : 10. Ps. (SO : 15. 103 : S. 145 : 8. b .Ier. 32 :18. 8 Mozes nu haastte zich en neigde hot hoofd ter aarde, en hij boog zich. !) En hij zeide: Hooro! indien ik nu genade ge-vonden hob in uwe oogen, zoo ga nu do Heere in hot midden van ons! want dit is oen hardnekkig volk; doch vergoot' onze ongorogtighoid en onze zondo, en neem ons aan tot quot;een erfdeel! a Lev. 25 : 38. Ps. 28 :!». 33 : 12. Zach. 2 : 12. 10 Toen zeide Ilij: Zie, quot;Ik maak oen verbond; ''voor uw ganscho volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op do gansche aarde, noch onder eenigo volken; alzoo dat dit gansche volk, in welks midden gij zijt, des Heeren werk zien zal, dat hot schrikkelijk is, hetwelk Ik mot u doe. a Dout. 5:2. iJoz. 10: 12, 13. 11 Onderhoudt gij hetgeen Ik u heden gebiode! ziet. Ik zal voor uw aangozigt uitdrijven do Amo-rioton, en do Kanaiinieton, on do Hethioten, on de Ferozieton, en de Hovioton, en de Jebusieten. 12 quot;Wacht u, dat gij toch geen verbond maakt mot don inwoner des lands, waarin gij komen zult; dat hij misschien niet tot oenen strik worde in hot midden van u. a Ex. 23 : 32. Num. 33 : 51. Dout. 7 : 2. 13 Maar hunne altaren zult gijlieden omwerpen, en hunne opgerigte boelden zult gij verbreken, en hunne bosschen zult gij afhouwen. 14 quot; (Want gij zult u niet buigen voor oenen andoren god: want dos Heeren naam is IJveraar! oen ijverig God is Hij!) «Ex. 20:5. 15 Opdat gij misschien geen verbond maakt mot den inwoner van dat land; on zij hunne goden niet nahoororon, noch hunnen goden offerande doen, en hij u noodigende, gij van hunne offerande otot. Ki En gij voor uwe zonen vrouwen neemt van hunne dochteren; quot;en hunne dochteren, hare goden nahoereronde, maken, dat ook uwe zonen hare goden nahoororon. « 1 Kon. 11:2. 17 Gij zult u geone gegoten goden maken. 18 Hot feest dor ongezuurde hrooden zult gij houden; zeven dagen zult gij ongezuurde hrooden eton, gelijk Ik u geboden hob, quot;ter gezetter tijd dor maand Abib: want in do maand Abib zijt gij uit Egypte uitgegaan. «Ex. 12:15. 23: 15. 1!) quot;Al wat de baarmoeder opent, is Mijne; ja al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het groote en kleine voo. «Ex. 13:2. 22:20. Ezec. 44:30. 20 quot; Doch den ezel, die de baarmoeder opent, zult gij mot oen stuk klein vee lossen; maar indien gij hem niet zult lossen, zoo zult gij hom don nok breken. Al do eerstgeboronon uwer zonen zult |
101 gij lossen, ''on men zal voor mijn aangozigt niot ledig verschijnen. « Ex. 13:13. Ij Ex. 23: 15. Dout. 10: 10. 21 quot;Zes dagen zult gij arbeiden, maar op don zevenden dag zult gij rusten: in den ploegtijden in don oogst zult gij ruston. «Ex. 20:!). 22 quot;Hot feest dor weken zult gij ook houden, zijnde het feest der eerstelingen van don tarweoogst, en hot feest dor inzameling, als het jaar om is. « Ex. 23 : 10. 23 quot;Al wat mannelijk is onder n zal driemaal in hot jaar verschijnen voor het aangozigt des Hoeren Heeren, don God van Israël. « Ex. 23 : 17. Dout. 10 : Ui. 24 Wanneer Ik de volken voor uw aangozigt uit de bezitting zal verdrijven, on uwe landpalen verwijden, dan zal niemand uw land bogeoren, terwijl gij honen opgaan zult, om te verschijnen voor hot aangozigt des Heeren uws Gods, driemaal in hot jaar. 25 quot;Gij zult het bloed van mijn slagtoffer niot offeren mot gedoesomd brood: hot slagtoffer van het paasclifeost zal ook niot vornachton tot don morgen. « Ex. 23 : is. 26 Do quot;eerstelingen van de eerste vruchten uws lands zult gij in hot huis des Heeren uws Gods brengen. ''Gij zult hot bokje in do molk zijner moeder niet koken. « Ex. 23: 1'J. Dout. 20:2. h Ex. 23:1!). Lev. 22:27. Dout. 14:21. 27 Vorder zeide do Heere tot Mozes: Schrijf u deze woorden: want naar luid dezer woorden hob Ik oen verbond mot u on met Israël gemaakt. 28 quot;En hij was aldaar mot don Heere, veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood, on hij dronk geen water: ''en Ilij schroef op de tafelen de woorden dos vorbonds, do tien woorden. «Ex. 24: 18. Dout. 9: 9,18. 6Ex. 31 : 18.34: 1. Dout. 4: 13. 29 En hot geschiedde, toen Mozes van don berg Sinaï afging, (do twee tafelen der getuigenis nu waren in do hand van Mozes, als hij van den berg afging) zoo wist Mozes niot, dat het vol zijns aangozigts quot;glinsterde, toen Ilij mot hem sprak. a 2 Cor. 3:7. 30 Als nu Aiiron en al do kinderen Israels Mozes aanzagen, ziet, zoo glinsterde hot vol zijns aangozigts: daarom vreesden zij tot hem toe te treden. 31 Toen riep hen Mozes; eu Aaron, en al do oversten in de vergadering keerden weder tol hom; en Mozes sprak tot hen. 32 En daarna traden al do kindoren Israels toe; on hij gebood hun al wat do Heere mot hom gesproken had op don borg Sinaï. 33 Alzoo eindigde Mozes mot hen te spreken, en quot;hij had oen deksel op zijn aangozigt gelegd. a 2 Cor. 3:7, 13. 34 Doch als Mozes voor hot aangozigt dos Heeren kwam, om mot Hom te sproken, zoo nam hij hot deksel af, totdat hij uitging; en nadat hij uitgegaan was, zoo sprak hij tot de kinderen Israels, wat hem geboden was. ÃXODUS 34. |
EXODUS 34, 35.
102
|
35 /no zagen dan de kinderen Israels liet aan-geziyt van Mozes, dat het vel van het aangezigt van Muzes glinsterde; derhalve deed Mozes het deksel weder op zijn aangezigt, totdat hij inging om met Hem te sproken. HOOFDSTUK 35. Mozes herhaalt voor het volk het bevel om den Sabbat te vieren, vs. 1. Hij vraagt ecu vrijwillig liefoiï'er van goud, zilver, koper, enz., om den Tabernakel en deszelfs gereedschap te maken, 4. Mannen en vrouwen brengen allen vrijwillig Imnne kostbaarheden bijeen 20; kundige vrouwen spinnen de stoffen, 25; do oversten brengen edele steenen en specerijen, 27. Mozes maakt bekend, dat God Hezaleël en Ahóliab mot wijsheid heelt vervuld, om het werk ten uitvoer te brengen, 30| TOEN quot; deed Mozes de gansche vergadering der kinderen Israels verzamelen, en zeido tot hen: Dit zijn de woorden, diode IIeeue geboden heeft, dat men ze doe. «Ex. 84:32. 2 quot; Zes dagen zal men het werk doen, maar op den zevenden dag zal ulieden heiligheid zijn, een sabbat der rust don Heere; al wie daarop werk doet, zal gedood worden. a Ex. 20: 8. 31; 15. Lev. 23:3. Dent. 5:12. Luk. 13 :14. 3 quot; Gij zult geen vuur aansteken in oenige uwer woningen op den sabbatdag. a Ex. 10:23. 4 Verder sprak Mozes tot de gansche vergadering der kinderen Israels, zeggende: Dit is het woord, dat de Heere geboden heeft, zeggende: 5 quot;Neemt van hetgeen, dat gijlieden hebt, een hefoffer den Heere; oen ieder, wiens hart vrijwillig is, zal hot brengen, ten hefoffer des Hee-ren: goud, on zilver, en koper; a Ex. 25:2. (j quot;Als ook hemelsblaauw, en purper, on scharlaken, ou fijn linnen, en goitonhaar; «Ex. 25:4. 7 quot; En roodgoverwde ramsvollen, en dassenvel-lon, en sittimhout; a Ex. 25:5. 8 quot;En olie tot den luchter, en specerijen tor zalfolie, en tot rooking welriekende specerijen; a Ex. 25 : 6. !) quot; En sardónixsteonen, en vervullende steenen, tot don efod en tot don borstlap. a Ex. 25 : 7. 28 : 17, 20. 10 En allen, die wijs van hart zijn onder ulieden, zullen komen, en maken alles, wat do Heere geboden hooft: 11 quot;Don tabernakel, zijne tont en zijn deksel, zijne haakjes en zijne berderen, zijne rigcholen, zijne pilaren, en zijne voeten; «Ex. 26:20. 12 De ark en hare handboomen, liet verzoendeksel en don voorhang des doksels; 13 De quot;tafel en hare handboomen, en al haar gereedschap, en b do toonbrooden ; a Ex. 25 : 23. h Ex. 25 30. 14 En den kandelaar tot liet licht, en zijn gereedschap, en zijne lampen, en do olie tot het licht; |
15 quot;En hot reukaltaar, en zijne handboomen, en ''de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen; en ' hot deksel der deur aan de deur dos tabernakels; aEx. 30:1. iEx. .31:11. (-Ex. 20:30. 10 quot;Hot altaar dos brandoffers, en den koperen roostor, dien hot hebben zal, zijne handboomen, en al zijne gereodschappen; ''het waschvat en zijnen voet; «Ex. 27:4. h Ex. 30:18. 17 quot;Do behangselen des voorhofs, zijne pilaren en zijne voeten; en ''het deksel van do poort des voorhofs; «Ex. 27 : 9. bEx. 27 : 10. 18 quot;Do nagelen dos tabernakels, en de pennen des voorhofs, met derzolver zeelen; «Ex. 27: 10. 1!) De ambtskleedoren om in hot heilige te dienen, do heilige kleedoren van don priester Aaron, en do kloederen zijnor quot;zonen, om hot priesterambt to bedienen. «Ex. 31 : 10. Ex. 28. 20 Toen ging do gansche vergadering der kinderen Israels uit van voor hot aangezigt van Mozes. 21 En zij kwamen, alle man, wiens hart hom bewoog, en een ieder, wiens geest hem vrijwillig maakte, die bragten des IIeeren hefoffer tot het werk van de tont der zamonkomst, on tot al hare dienst, en tot de heilige kleederen. 22 Zoo kwamen dan do mannon mot do vrouwen, allo vrijwilligon van hart; zij bragten haken, en oorsierselen, en ringen, on spanselen, allo gouden vaten; en allo man, die een gouden bowoegoffor den Heere offerde, 23 En alle man, hij wion gevonden werd hemelsblaauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiton/wicw, on roodgoverwde ramsvollen, en dassenvollen, die bragten zo. 24 Allen, dio oen hefoffer van zilver of koper offerdon, dio bragten het ten hefoffer des IIeeren; en allen, bij welke sittimhout gevonden word, bragten het tot alle work dor dienst. 25 En quot;alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen mot hare handen; en zij bragten hot go-sponnone, de hemelsblaauwe zijde en het purper, het scharlaken en het fijn linnen. «Spr. 31: 10. 20 En allo vrouwen, welker hart haar bewoog in wijsheid, dio sponnen hot geiton/tacw. 27 De oversten nu bragten sardonixstoonon en viilsteonen, tot den efod en tot don borstlap; 28 En specerijen on olie, quot; tot den luchter en tot de zalfolie, en ''tot rooking welriekende specerijen. a Ex. 25 : 0. b Ex. 25 : 0. 29 Alle man en vrouw, welker hart hen vrijwillig bewoog te brengen tot al het werk, hetwelk de Heere geboden had to maken door do hand van Mozes; dat bragten do kinderen Israels tot oon vrijwillig offer den Heere. 30 Daarna zeido Mozes tot de kinderen Israels: Ziet, quot;de Heere hoeft mot name geroepen Beza-leöl, den zoon van Uri, don zoon van Uur, van don stam van Juda. «Ex. 31:2. 31 quot; En do Geest Gods hoeft hom vervuld met wijsheid, met vorstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk; «Ex. 31:3. 32 En quot; om te bedenken vernuftigen arbeid, te werken in goud, en in zilver, en in koper, «Ex.31:4. |
|
33 En quot;in kunstige stoensnijding, oin in to zetten, en in kunstige houtsnijding'; om te werken in alle vernuftig handwerk. «Ex. 31 ; 5. 34 Hij heeft hem ook in zijn hart gegeven anderen te onderwijzen, hem en Ahóliah, den zoon van Alnsamaeh, van den stam van Dan. 35 Hij quot;heeft hen vervuld met wijsheid des harten, om te maken alle werk eens werkmeesters, en des allervernuftigsten handwerkers, en des borduurders in hemelsblaauw, en in purper, in scharlaken en in fijn linnen, en des wevers: makende alle werk, en bedenkende vernuftigen arbeid. a Ex. 26 :1. HOOFDSTUK 36. Hetgeen do Israölioton Ion hofolfor hiuldon bijoengo-l'i'iigt, wordt aan liozaleöl ou Ahóliab overhandigd, vs. 1. Aan hot volk wordt verboden meer te bron-gon, 5. Do work meesters maken alles, wat tot don Tabernakel behoort, als gordijnen mot ehorubira, 8; do gordijnen van geitenhaar, 14; de ovorklooden van rams- en dassenvellen, 19; do berderen mot limine zilveren voeten cn rigciielen, en hot voorhangsel, 20. TOEN wroeht Dezaleöl en Ahóliab, en alle man, die wijs van hart was, in denwelken de Heere wijsheid en verstand gegeven had, om te weten, hoe zij maken zouden alle werk ton dienste des hoiligdoms, naar alles, dat de Hef,re geboden had. 2 Want Mozes had geroepen Bezaleël en Ahóliab, en alle man, die wijs van hart was, in wiens hart God wijsheid gegeven had, al wiens hart hein bewogen had, dat hij toetrad tot het werk, om dat te maken. 3 Zij dan namen van voor het aangezigt van Mozes het gansche hefoffer, hetwelk de kinderen Israels gebragt hadden, tot het werk der dienst des hoiligdoms, om dat to maken; doeh zij bragten tot hem nog allen morgen vrijwillig offer. 4 Derhalve kwamen alle wijzen, die al het werk des hoiligdoms maakten, ieder man van zijn werk, hetwelk zij maakten; 5 En zij spraken tot Mozes, zeggende: Hot volk brengt te veel, meer dan genoeg is ten dienste des werks, hetwelk do Heere te maken geboden heeft. 6 Toen gebood Mozos, dat men eone stem zoude gaan laten door hot leger, zeggende: Man noch vrouw make geen werk meer ten hefoffer des hoiligdoms! Alzoo word hot volk teruggehouden van meer te brengen. 7 Want dor stoffe was denzelven genoeg tot het gelioole werk, dat te maken was; ja, er was overig. 8 Alzoo maakte oen ieder wijze van hart, onder degenen, die het werk maakten, den tabernakel van tien gordijnen, van getweernd fijn linnen, on hemelsblaauw, en purper, en scharlaken niet cherubim; van hot allerkunstelijkste werk maakte hij ze. 'J quot;De lengte eener gordijn was van acht en twintig ellen, en do breedte eener gordijn van vier ellen; al deze gordijnen hadden eeue maat. a Ex. 26 : 2. |
103 10 En hij voegde vijf gordijnen, do eone aan de andere; en hij voegde andere vijf gordijnen, de eeno aan de andere. 11 quot;Daarna maakte hij striklisjes van hemelsblaauw aan den kant eener gordijn, aan het uiterste in de zamonvoeging; hij deed liet ook aan don uitersten kant der tweede zamenvoogende gordijn. a Pk. 2(i: 4. 12 quot; Vijftig striklisjes maakte hij aan do eone gordijn, en vijftig striklisjes maakte hij aan het uiterste der gordijn, dat aan de tweede zamon-voegonde was: '' deze striklisjes vatton de eone aan de andere. «Ex. 26: 10. 6 Ex. 26::'). 13 quot;Hij maakte ook vijftig gouden haakjes, on voegde do gordijnen zamon, do eone aan do andere, mot deze haakjes, dat hot een tabernakel word. a Ex. 26:6. 14 Verder maakte hij gordijnen van goiten/taa'/', tot eone tont over den tabernakel; van elf gordijnen maakte hij zo. 15 Do lengte eener gordijn was dertig ellen, on vier ellen de breedte eener gordijn; deze elf gordijnen hadden eone maat. 16 En hij voegde vijf gordijnen zamon bijzonder; wederom zes dezer gordijnen bijzonder. 17 En hij maakte vijftig striklisjes aan den kant van do gordijn, de uiterste in do zamonvoeging; hij maakte ook vijftig striklisjes aan den kant van do gordijn dor andere zamonvoeging. 18 quot;Ilij maakte ook vijftig koperen haakjes, om de tont zamon te voegen, dat /.ij eone ware. a Ex. 26: II. li) quot;Ook maakte hij voor do tent oon deksel van roodgevorwde rams vollen, on daarover oen doksol van dassenvellen. «Ex. 26:14. 20 quot;Hij maakte ook aan den tabernakel berdoren van staand sittimhout. «Ex. 26: 15. 21 quot;Do lengte van een berd was tien ollon, en eone el en oene halve el was do breedte van elk bord. « Ex. 2(): 16. 22 quot;Twee houvasten had oon berd, als sporten in een ladder gezet, het eeno nevens hot andore; alzoo maakte hij hot met al de berderen des tabernakels. «Ex. 2():17. 23 quot;Hij maakte ook do berdoren tot don tabernakel : twintig bordoren naar do zuidzijde zuidwaarts. a ïlx. 26 : IS, 24 quot;En hij maakte veertig zilveren voeten onder do twintig berderen: twee voeten onder een berd, aan zijne twee houvasten, on twee voeten onder een ander berd, aan zijne twee houvasten. a Ex. 26 : I!). 25 quot;Hij maakte ook twintig berderen aan do andere zijde des tabernakels, aan don noorderhoek, a Ex. 26 : 20, 26 quot; Met bunne veertig zilveren voeten: twee voeten onder een berd, en twee voeten onder een ander bord. a Ex. 26:24. 27 quot; Doch aan do zijde dos tabernakels tegen hot westen, maakte hij zes bordoren. «Ex. 26:22. ÃXODUS 35, 36. |
EXODUS 36, 37.,
104
|
28 quot; Ook maakte hij twco berderen tot hoekber-deren des tabernakels, aan tie beide zijden. a Ex. 2(J; 23. 2!) quot; En zij waren van beneden als tweelingen zamengevoegd, zij waren ook als tweelingen aan deszolfs oppereinde zamengevoegd met eenen ring; alzoo deed hij met die beiden, aan de twee hoeken. « Ex. 20:24. 30 quot; Alzoo waren er acht berderen met hunne zilveren voeten, zijnde zestien voeten: twee voeten onder elk berd. «Ex. 20 : 25. 31 quot;Hij maakte ook rigehelen van aittimhout: vijl' aan de berderen der eene zijde des tabernakels; o Ex. 26:20. 32 En quot;vijf rigehelen aan de berderen van de andere zijde des tabernakels; als ook vijf rigehelen aan de berderen dos tabernakels, aan do beide zijden westwaarts. «Ex. 26:27. 33 quot; En hij maakte de middelste rigchel doorschietende in het midden der berderen, van het eene einde tot het andere einde. «Ex. 26:28. 34 quot; En hij overtrok de berderen met goud, en hunne ringen (de plaatsen voor de rigehelen) maakte hij van goud: de rigehelen overtrok hij ook met goud. «Ex. 20:2!). 35 Daarna quot; maakte hij eenen voorhang van he-melsblaauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen: van het allerkunstelijkste werk maakte hij denzelven, met cherubim, a Ex. 26:31. 36 quot; En hij maakte daartoe vier pilaren van sit-{imhout, die hij overtrok met goud; hunne haken waren van goud, en hij goot hem vier zilveren voeten. «Ex. 20:32. 37 quot; Hij maakte ook aan de deur der tent een deksel van hemelsblaauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk; a Ex. 20 : 36. 38 quot; En do vijf pilaren daarvan, en hunne haken; en hij overtrok hunne hoofden en derzelver banden met goud; en hunne vijf voeten waren van koper. a Ex. 26 : 37. HOOFDSTUK 37. Bozaleöl maakt do ark van sittimhout, vs. 1; hot veraoendoksol van loutor goud, (i; do twee gouden cherubim, 7; do tafel mot het gereedschap, 10, don kandelaar met do lampen, 17; het reukaltaar, 25, do zalfolie en het reukwerk, 29. ALZOO quot;maakte Bezaleël de ark van sittimhout: twee ellen en eene halve was hare lengte, en anderhalve el hare breedte, en anderhalve el hare hoogte. «Ex. 25:10. 2 En hij overtrok ze met louter goud, van binnen on van buiten; en hij maakte ze eenen gouden krans rondom. 3 En hij goot voor dezelve vier gouden ringen, aan hare vier hoeken, alzoo dat twee ringen op derzelver eene zijde waren, en twee ringen op hare andere zijde. 4 En hij maakte handboomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud. |
5 En hij stak de handboomen in de ringen, aan de zijden der ark, om do ark te dragen. 6 Hij maakte ook een verzoendeksel van louter goud: twee ellen en eene halve was deszelfs lengte, en anderhalve el deszelfs breedte. 7 Ook maakte hij twee cherubim van goud, van digt werk maakte hij ze, uit de beide einden des verzoendeksels: 8 quot; Eenen cherub uit het eene einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel maakte hij de cherubim, uit deszelfs beide einden. «Ex. 25: li). 9 quot; En de cherubim waren de beide vleugelen omhoog uitbreidende, bedekkende met hunne vleugelen het verzoendeksel; en hunne aangezigten waren tegenover elkander; de aangezigten der cherubim waren naar het verzoendeksel. a Ex. 25 : 20. 10 quot; Hij maakte ook eene tafel van sittimhout; twee ellen was hare lengte, eu eene el hare breedte, en eene el en eene halve hare hoogte. a Ex. 25 : 23. 11 quot;En hij overtrok ze met louter goud; en hij maakte eenen gouden krans daaraan, rondom. a Ex. 25 : 24. 12 quot;Hij maakte daaraan ook eene lijst rondom, eene hand breed; en hij maakte eenen gouden krans rondom derzelver lijst. «Ex. 25:25. 13 quot;Hij goot ook vier gouden ringen daaraan; en hij zette de ringen aan de vier hoeken, die aan derzelver vier voeten waren. « Ex. 25:26. 14 quot; Tegenover de lijst waren do ringen tot plaatsen voor do handboomen, om de tafel te dragen. « Ex. 25 : 27. 15 Hij maakte ook de handboomen van sittimhout , en hij overtrok ze met goud, om do tafel te dragen. 16 quot;En hij maakte het gereedschap, dat op de tafel zijn zoude, hare schotelen, en hare reukschalen, en hare kroezen, en hare platteelen, (met welke zij bedekt zoude worden) van louter goud. a Ex. 25 : 29. 17 quot; Hij maakte ook eenen kandelaar van louter goud. Van digt werk maakte hij dezen kandelaar, zijne schacht, en zijne rieten; zijne schaaltjes, zijne knoopen, en zijne bloemen waren uit hem. a Ex. 25 : 31. 18 quot;Zes rieten nu gingen uit zijne zijden: drie rieten des kandelaars uit zijne eene zijde, en drie rieten des kandelaars uit zijne andere zijde. a Ex. 25 : 32. 19 quot;In hot eene riet waren drie schaaltjes, gelijk amandelnoten, een knoop en eene bloem; en drie schaaltjes, gelijk amandelnoten in een ander riet, een knoop en eene bloem: alzoo waren die zes rieten, die uit den kandelaar gingen. «Ex.25:33. 20 quot; Maar aan den kandelaar zeiven waren vier schaaltjes, gelijk amandelnoten, met zijne knoopen, en met zijne bloemen. «Ex. 25:34. 21 En daar was oen knoop onder twee rieten. |
EXODUS 87, 88.
105
|
uit donzelvon uitgaande; ook cgu knoop onder twee rieten, uit donzelven uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande: alzoo was het met de zes rieten, die uit denzelven uitgingen. 22 quot; Hunne knoopen en rieten waren uit hem; het was altemaal een eenig digt werk van louter goud. «Ex, 25:36. 23 quot; En hij maakte hem zeven lampen; zijne snuiters en zijne bluschvaten waren van louter goud. a Ex. 25:37, 38. 24 quot;Hij maakte denzelven uit een talent louter goud, met al zijne vaten. a Ex. 25:39. 25 quot;En hij maakte het reukaltaar van sittiin-hout; eene el was zijne lengte en eene ol zijne breedte, vierkant, maar twee ellen zijne hoogte; uit hetzelve waren zijne hoornen, a Ex. 30:1, 2. 26 quot;En hij overtrok het met louter goud, zijn dak, en zijne wanden rondom, als ook zijne hoornen ; en hij maakte het eenen gouden krans rondom. « Ex. 30:3. 27 quot; Hij maakte ook twee gouden ringen daaraan, onder zijnen krans, aan zijne twee hoeken, aan zijne beide zijden, tot plaatsen voor de hand-boomen, dat men het daarmede droeg. «Ex.30:4. 28 quot; En hij maakte de handboomen van sittim-hout, en hij overtrok ze met goud. «Ex. 30:5. 29 quot;Hij maakte ook de heilige zalfolie, en het reukwerk der zuiverste welriekende specerijen, naar apothekers werk. «Ex. 30:22, 34. HOOFDSTUK 38. Bazaleöl maakt hot brandofferaltaar van sittimhout, vs. 1; zijn gereedschap, 3; hot koperen wasohvat, 8; hot voorhof met zijne behangselen, !); en do koperen ponnen, 20. Bezaleöl on Ahóliab maken alles, 22. Optelling van het goud, zilver on koper, dat door hot volk bijeengebragt was, en opgave van hetgeen er van gemaakt is, 24. HIJ quot;maakte ook het brandofferaltaar van sittimhout; vijf ellen was deszelfs lengte, en vijf ellen zijne breedte, vierkant, en drie ellen zijne hoogte. a Ex. 27 : 1. 2 quot;En hij maakte deszelfs hoornen op zijne vier hoeken; uit hetzelve waren zijne hoornen; en hij overtrok het met koper. a Ex. 27 : 2. 3 quot;Hij maakte ook al het gereedschap des altaars, de potten, en de schoffelen, en de bespreng-bekkens, en de kraauwelen, en de koolpannen; al zijne vaten maakte hij van koper. «Ex. 27 :3. 4 a Ook maakte hij aan het altaar eenen rooster van koperen netwerk, onder zijnen omloop, van beneden tot zijn midden toe. a Ex. 27:4, 5. 5 En hij goot vier ringen aan de vier einden des koperen roosters, tot plaatsen voor de handboomen. 6 En hij maakte de handboomen van sittimhout, en hij overtrok ze met koper. 7 En hij deed quot; de handboomen in de ringen aan de zijden des altaars, dat men hot met dezelve droog; hij maakte hetzelve hol van planken. a Ex. 27 : 8. |
8 quot; Hij maakte ook hot koperen waschvat, met zijnen koperen voet, van de spiegels der te hoop komende vrouwen, die te hoop kwamen voor de deur van de tent der zamenkomst. n Ex. 30: IS. 9 quot;Hij maakte ook den voorhof, aan den zuidhoek zuidwaarts; do behangselen tot den voorhof waren van fijn getweernd linnen, van honderd ellen. a Ex. 27 : 9, 10 Hunne twintig pilaren en derzelver twintig voeten, waren van koper; de haken dezer pilaren en hunne banden waren van zilver. 11 En aan den noorderhoek honderd ellen, hunne twintig pilaren en derzelver twintig voeten waren van koper; do haken der pilaren en derzelver banden waren van zilver. 12 En aan den westerhoek waren behangselen van vijftig ellen, hunne pilaren tien en derzelver voeten tien; de haken der pilaren en hunne banden waren van zilver. 13 En aan den oosterhoek tegen den opgang waren vijftig ellen. 14 De behangselen aan deze zijde waren vijftien ellen, derzelver pilaren drie en hunne voeten drie. 15 En aan de andere zijde van de deur des voor-hofs, van hier en van daar, waren behangselen van vijftien ellen: hunne pilaren drie en derzelver voeten drie. K! Al de behangselen des voorhofs waren rondom van fijn getweernd linnen. 17 De voeten nu der pilaren waren van koper, de haken dor pilaren, en hunne banden waren van zilver, en het overdeksol hunner hoofden was van zilver, en al de pilaren des voorhofs waren met zilver omtogen. 18 En het deksel van do poort des voorhofs was van geborduurd werk, van hemelsblaauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen: en twintig ellen was de lengte, en de hoogte in de breedte was vijf ellen, tegenover de behangselen des voorhofs. 19 En hunne vier pilaren en derzelver vier voeten waren van koper; hunne haken waren van zilver, ook was het overdeksol hunner hoofden en hunne banden van zilver. 20 En al de pennen des tabernakels en des voorhofs rondom waren van koper. 21 Dit zijn de getelde dingen van den tabernakel, van den tabernakel der getuigenis, die geteld zijn naar den mond van Mozes, ton dienste der Levieten, door de hand van Ithamar, den zoon van den priester Aaron. 22 Bozaleël nu, de zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda, maakte al, dat de 11 ee re aan Mozes geboden had. 23 En met hem Ahóliab, de zoon van Ahisamach, van den stam van Dan, een werkmeester en vernuftig kunstenaar, en een borduurder in hemelsblaauw, en in purpor, en in scharlaken, en in fijn linnen. 24 Al het goud, dat tot het; werk verarbeid is |
ÃXODUS 38, no.
10(i
|
in hot ganscho werk des heiligdoms, to weten, hot you cl des boweegoffers, was negen en twintig talenten, on zeven honderd en dertig sikkels, naar den sikkel des heiligdoms. 25 Het zilver nu van do getelden der vergadering was honderd talenten, en duizend zeven honderd vijf en zeventig sikkelen, naar don sikkel dos heiligdoms. '2(i Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar den sikkel des heiligdoms, van oen ieder, die overging tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, namelijk zes honderd drie duizend, vijf honderd en vijftig. 27 En er waren honderd talenten zilver, om te gieten de voeten des heiligdoms, en de voeten dos voorhangs: tot honderd voeten waren honderd talenten, een talent tot eenen voet. 28 Maar uit de duizend zeven honderd vijf en zeventig nikkelen maakte hij de haken aan do pilaren, en hij overtrok hunne hoofden, en omtoog ze met banden. 29 Het koper nu des beweegoffers was zeventig talenten, en twee duizend vier honderd sikkels. :gt;() En hij maakte daarvan de voeten der deur van de tent der zamenkomst, en het koperen altaar, en den koperen rooster, dien liet had, en al hot gereedschap des altaars, 31 En de voeten des voorhofs rondom, en de voeten van do poort des voorhofs, ook al de ponnen des tabernakels, en al de pennen des voorhofs rondom. HOOFDSTUK 31). Men maakt do ambts- en heilige Ideodorcn der priesters, vs. 1; don efod, 2; den borstlap met zijne 12 eilcle steenen, ketenen en ringen, 8; den mantel van den efod, met granaatappelen en seliellctjos aan zijne zoomen, 22; de linnen kleederen, den hoed, den gordel, en/,., 27; do plaat der kroon aan den hoed, .'!(), Hot werk voleindigd zijnde, wordt liij Mozos gebragt, 33; waarop Mozes, ziende dat alles volgons het bevel van Ood gemaakt is, hen zegent, 43. ZIJ quot;maakten ook ainbtskleederen, om in hot heilige te dienen, van homolsblaauw, en purper, en scharlaken; ook inaakton zij do heilige kleedoren, die voor Aaron waren, gelijk do Heere aan Mozes geboden had. «Ex. 31: lij. 85: 1!). 2 quot;Aldus maakte hij don efod, van goud, homolsblaauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen. «Ex. 28:0. 3 quot; En zij rokten uit do dunne platen van goud, en sneden hot tot draden, om te doen in het midden van het homolsblaauw, en in hot midden van het purper, on in het midden van het scharlaken, en in het midden van het fijn linnen, van het aller kunstelij kste werk. «Ex. 28 :G. â¢1 Zij maakten zamenvoegende schouderbanden daaraan; aan deszelfs beide einden werd hij zamengevoegd. |
5 En quot;do kunstolijke rioni zijns ofods, die daarop was, was gelijk zijn werk, van hetzelfde, van goud, van homolsblaauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, gelijk als do Heere aan Mozos bevolen had, «Ex. 28:8. (gt; Zij bereidden ook de quot; sardónixsteenen, omvat in gouden kastjes, als zogolgravering gegraveerd, niet de namen dor zonen van Israël. «Ex. 28 : 9, 10, 11. 7 En hij quot; zotte ze op do schouderbandon dos ofods, tot steenen dor gedachtenis voor de kinderen Israels, gelijk do Heere aan Mozes geboden had. a Ex. 28; 12. 8 quot; Hij maakte ook den borstlap van het allor-kunstelijkste werk, gelijk het werk des ofods, van goud, homolsblaauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen. «Ex. 28: 15. !) quot; Hij was vierkant; zij maakten den borstlap dubbel; eono span was zijne lengte, en oene span was zijne broedte, dubbel zijnde. «Ex. 28; 10. 10 quot;En zij vulden daarin vier rijen steenon; eono rij van een' Sardis, een' Topaas en een' Karbonkel; dit is de eerste rij. «Ex. 28:17. 11 quot;En do tweede rij van een' Smaragd, oen' Saffier on een' Diamant. «Ex. 28: 18. 12 En de derde rij van een' Hiacint, Agaat en Ametist. 13 En do vierde rij van een' Turkoois, en een' Sardónix, en oen'Jaspis; omvat in gouden kastjes in hunne vullingen. 14 Deze steenen nu, niet de namen der zonen van Israël, waren twaalf, niet hunne namen, met zegelgravering; ieder met zijnen naam, naar de twaalf stammen. 15 Zij maakten ook aan den borstlap gelijkein-digonde ketentjes, van gedraaid werk, uit louter goud. 10 En zij maakten twee gouden kastjes, en twee gouden ringen; en zij zetten die twee ringen aan de beide einden des borstlaps. 17 En zij zetten do twee gedraaide gouden Ico-tentjes aan de twee ringen, aan de einden van den borstlap. 18 Doch de twee andere einden der twee gedraaide ketenen zetten zij aan de twee kastjes, en zij zetten zo aan de schouderbanden des efods, regt op de voorste zijde van dien. 19 Zij maakten ook twee gouden ringen, die zij aan de twee andere einden des borstlaps zetten, inwendig aan zijnen boord, die aan do zijde des efods is. 20 Nog maakten zij twee gouden ringen, die zij zetten aan de twee schouderbanden van den efod, beneden, aan deszelfs voorste zijde, tegenover zijne andere voege, boven den kunstelijken riem des efods. 21 En zij bondon den borstlap met zijne ringen aan de ringen van den efod, met een hemels-blaauw snoer, dat hij op den kunstelijken riem van den efod was; opdat de borstlap van den efod niet afgescheiden wierd, gelijk als de Heere aan Mozos geboden had. |
ÃXODUS 3i), 40.
107
|
22 En hij maakte den mantel des efods van ge- ! weven werk, geheel van homelsblaauw. 23 En het gat des mantels was in deszelfs midden, als het gat eens pantsiers: dit gat had eenen boord rondom, dat het niet gescheurd wierd. 24 En aan de zoomen des mantels maakten zij granaatappelen van hemelsblaauw, en purper, en scharlaken, getweernd. 25 Zij maakten ook schelletjes van louter goud, en zij stelden de schelletjes tusschen de granaatappelen , aan de zoomen des mantels rondom, tusschen de granaatappelen; 26 Dat er een schelletje, daarna een granaatappel was; wederom een schelletje, en een granaatappel; aan do zoomen des mantels rondom: om te dienen, gelijk als de Heere aan Mozes geboden had. 27 quot;Zij maakten ook de rokken van fijn linnen, van geweven werk, voor Aaron en voor zijne zonen ; a Ex. 28 : 3!). 28 En den hoed van fijn linnen, en de sierlijke mutsen van fijn linnen, quot;en de linnen onderbroeken van fijn getweernd linnen; a Ezec. I I : 18. 29 En den gordel van fijn getweernd linnen, en van hemelsblaauw, en purper, en scharlaken, van geborduurd werk, gelijk als de IIeehe aan Mozes geboden had. 80 quot; Zij maakten ook de plaat van de kroon der heiligheid van louter goud, en zij schreven daarop oen schrift, mot zegelgravering: DE HEILIGHEID DES HEKKEN. «Ex. 28 ; HG. 20:0. 31 quot;En zij hechtten een snoer van hemelsblaauw daaraan, om aan den hoed van boven te hechten, gelijk als de Heere aan Mozes geboden had. n Ex. 28 : B7. 32 Aldus word al het werk des tabernakels, van de tent der zamenkomst voleind; en de kinderen Israels hadden het gemaakt naar alles, wat de Heere aan Mozes geboden had, alzoo hadden zij het gemaakt. 33 quot; Daarna bragten zij den tabernakel tot Mozes, de tent, en al haar gereedschap, hare haakjes, hare berderen, hare rigchelen, en hare pilaren, en hare voeten; «Ex. Ãquot;): II. 34 En het deksel van roodgevorwde ramsvellen, en hot deksel van dassenvellen, en den voorhang van het deksel; 35 De ark der getuigenis, en hare handboomen, en het verzoendeksel; 36 quot;De tafel, met al haar gereedschap, en do toonbrooden; «Ex. 31 : 8. 37 Den louteren kandelaar met zijne lampen, en de lampen, die men toerigten moest, en al des-zelfs gereedschap, en do olie tot hot licht; 38 Verder het gouden altaar, en do zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen, on het deksel van do deur der tent. 39 Het koperen altaar, en den koperen rooster, dien het heeft, deszelfs handboomen, en al zijn gereedschap; het waschvat en zijnen voet; |
40 Do behangselen dos voorhofs, zijne pilaren en zijne voeten, en het deksel van de poort dos voorhofs, zijne zooien, en zijne pennen, en al hot gereedschap van do dienst des tabernakels, tot do tent der zamenkomst; 41 quot;De ambtskleederon, om in het heiligdom te dienen, de heilige kleederen van den priester Aaron, en de kloedoren van zijne zonen, om het priesterambt te bedienen. «Ex. ül : 10. 42 Naar alles, wat do 11 kere aan Mozes geboden had, alzoo hadden de kinderen Israels hot gan-sehe werk gemaakt. 43 Mozes nu bezag het gansche werk, en ziet, zij hadden het gemaakt, gelijk als de Heere go-boden had: alzoo haddon zij hot gemaakt. Toen zegende hen Mozes. HOOFDSTUK 40. God bovoolt Mozes don tabernakel op te rigten, 1; alles ii\ orde te schikken, 4; on den voorhof rondom te pmatsen, 8; den tabernakel met al /.ijn gereed-sehap, ook liet altaar en het waschvat, mot olie Ie x.iilven, 9; Aiiron en zijne zonen tewassohen, te kleeden, te zalven on te heiligen, 12. Mozes volbrengt dit alles, 16; hij brengt de ark in den taberiiiikol 21, on zot de tiifel, 22, den kandelaar, 24, hot gouden altaar, 26, het koperen altaar, 29, en het waschvat, HO; liij rigt ook den voorhof op en voleindigt hot geheele werk, 33. Gods heerlijkheid vervult den tabernakel, 34, op welken nu do wolk en vuurkolom, die het volk geleidt, rust, 38. VEIIDER sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Op den dag dor eerste maand, ie weten op den eersten der maand, zult gij den tabernakel, do tont der zamenkomst, oprigten. 3 En gij zult aldaar zetten de ark der getuigenis; en gij zult de ark met den voorhang bedekken, 4 quot;Daarna zult gij de tafel daarin brengen, en gij zult schikken wat daarop te schikken is; ''gij zult ook den kandelaar daarin brongen, en zijne lampen aansteken. «Ex. 26:35. 6Ex. 27 : 20. 5 En gij zult het gouden altaar ten reukwerk voor de ark der getuigenis zetten: quot;dan zult gij hot deksel van de deur des tabernakels ophangen. a Ex. 26 : 36. 6 Gij zult ook hot altaar des brandoffers zetten voor de deur van den tabernakel, van de tent dor zamenkomst. 7 En gij zult hot waschvat zetten tusschen de tont dor zamenkomst, en tusschen hot altaar; en gij zult water daarm doen. 8 quot;Daarna zult gij den voorhof rondom zetten, ou gij zult hot deksel ophangen aan de poort des voorhofs. «Ex. 27 : 16. 9 Dan zult gij do zalfolie nemen en zalven den tabernakel, en al wat daarin is; en gij zult don-zelven heiligen, met al zijn gereedschap, en hot zal eene heiligheid zijn. 10 quot;Gij zult ook het altaar dos brandoffers zalven, en al zijn gereedschap; ou gij zult het altaar heiligen, en het altaar zal heiligheid der heiligheden zijn. «Ex. 29:37. |
LEVITICUS 1.
108
|
11 Dan zult pij hot waschvat zalven, on doszelfs voot; on j^ij zull hot hoiligon. 12 Gij zult ook Aaron on zijne zonen doen na-doren , tot do deur van de tont dor zamonkomst; on gij zult lion met water wasschon. 11! En gij zult Aaron do heilige kleederen aantrokken; en gij zult hem zalven, en liem heiligen, dat hij Mij het priesterambt bodiono. 14 Gij zult ook zijne zonen doen naderen, en zult hun de rokken aantrekken. 15 En gij zult hen zalven, gelijk als gij hunnen vader zult gezalfd hebben, dat zij Mij het priesterambt bedienen. En het zal geschieden, dat hun hunne zalving zal zijn tot oen eeuwig priesterdom bij hunne geslachten. Iö Mozes nu deed het naar alles, wat hom de IIeere geboden had: alzoo deed hij. 17 En het geschiedde in do oorsto maand, in quot;hot tweede jaar, op den eersten dor maand, dat de tabernakel opgerigt werd. a Num. 7:1. 18 Want Mozes rigtte don tabernakel op, en zette zijno voeten, en stelde zijne berdoren, en zotte zijne rigchelen daaraan, en hij rigtte des-zelfs pilaren op. 1!) En hij spreidde de tent uit over don tabernakel, en hij zotte het deksel der tent daarboven op, gelijk als de IIeere aan Mozes geboden had. 20 Voorts nam hij, en lolde do getuigenis in do ark, en dood do handbooinen aan de ark, on hij zotte het verzoendeksel boven op do ark. 21 En hij bragt de ark in don tabernakel, on quot;hij hing den voorhang van het deksel op, on bedekte de ark dor getuigenis, gelijk als do IIeehe aan Mozes geboden had. « Ex. 12. 22 Ilij zette ook de tafel in de tont der zamonkomst, aan de zijde des tabernakels togen het noordon, buiten den voorhang. 2!3 quot;En hij schikte daarop bot brood in orde, voor het aangozigt des IIeeren, gelijk als do IIeehe aan Mozes geboden had. «Ex. 25:80. 24 Hij zotte ook don kandelaar in do tent der zamonkomst, regt over de tafel, aan do zijde des tabernakels, zuidwaarts. |
25 En hij stak do lampen aan voor hot aangozigt des Heeren, gelijk als de IIeere aan Mozes geboden had. 26 En hij zette hot gouden altaar in de tent der zamonkomst, voor don voorhang. 27 En hij stak daarop aan reukwerk van wol-riekende specerijen, gelijk als do IIeere aan Mozes geboden had. 28 Hij hing ook het doksol van de deur dos tabernakels. 2!) En hij zette hot altaar dos brandoffers aan do deur des tabernakels, van do tont dor zamonkomst; on hij offerde daarop brandoffer, en spijsoffer, gelijk als do IIeere aan Mozes geboden had. 30 Hij zotte ook het waschvat tusschen de tent der zamonkomst, en tusschen het altaar; on hij deed water daarin om to wasschon. :fl En Mozes, on Aaron, en zijne zonen wieschen daaruit hunne handen en hunne voeten. 32 Als zij ingingen tot do tent der zamonkomst, en als zij tot bet altaar naderden, zoo wieschen zij zich, gelijk als do IIeere aan Mozes geboden had. 33 Hij rigtte ook don voorhof op, rondom den tabernakel en het altaar, en hij hing hot doksol van do poort des voorhofs op. Alzoo voleindigde Mozes het werk. 34 quot; Toon bedekte de wolk do tent dor zamonkomst; on de heerlijkheid dos Heeren vervulde den tabernakel. a Num. 9:15. 1 Kon. 8:10. 35 Zoodat Mozes niet kon ingaan in do tont dor zamonkomst, dewijl do wolk daarop bleef, on do heerlijkheid des Heeren den tabernakel vervulde. o() Als nu de wolk opgeheven werd van boven don tabernakel, zoo reisden do kinderen Israels voort in al hunne reizen. 37 Maar als de wolk niet opgeheven werd, zoo reisden zij niet tot op don dag, dat zij opgeheven werd. 38 quot; Want do wolk des Heeren was op don tabernakel bij dag, on het vuur was er bij nacht op, voor do oogen van het gansche huis Israels in al hunne reizen. «Ex. 13:21. Num. 11:14. Dcut. 1:33. Neh. 9:19. I's. 78:14. 105:39. ICor. 10:1. |
HET BEEDE BOEK YAN MOZES,
GENAAMD
LEVITICUS.
|
HOOFDSTUK 1. Wellen aangaamlo liet vrijwillig liramlülTer, vs. 1 ; hot moest zijn óf van ninclercn, 2, èf van schapen en geiten, 10, 6f van tortelduiven en jonge duiven, 14. EN do IIeere riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent der zamonkomst, zeggende: |
2 Spreek tot de kinderen Israels, on zog tot hen: Als oen mensch uit u den IIeere eone offerande zal offeren, gij zult uwe offeranden offeren van hot vee, van runderen en van schapen. 3 Indien zijne offerande een brandoffer van runderen is, zoo zal hij oen volkomen mannetje offeren: quot; aan de deur van de tent der zamonkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangozigt dos Heeren. «Ex. 29:10. 4 En hij zal zijno hand op hot hoofd des brand- |
LEVITICUS 1, 2.
ion
|
offers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. 5 Daarna zal hij liet jonge rund slagten voor hot aangozigt des Heeren; en do zonen van Aaron, do priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprongen rondom dat altaar, hetwelk voor do deur van de tent der zamenkomst is, (i Dan zal hij hot brandoffer de huid aftrekkon, en hot in zijne stukkon doelen. 7 En do zonen van Aaron, don priester, zullen vuur maken op hot altaar, en zullen het hout op hot vuur schikken. 8 Ook zullen de zonen van Aaron, depriesters, de stukken, hot hoofd en het smeer, schikken op hot hout, dat op het vuur is, hetwelk op hot altaar is. 9 Doch zijn ingewand, on zijne schenkelen zal men mot water wasschon; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar: het is oen brandoffer, oen vuuroffor, tot een' liefolijken reuk don Heere. 10 En indien zijne offerande is van klein vee, van schapen of van geiten, ton brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren. 11 En hij zal dat slagten aan do zijde van hot altaar, noordwaarts, voor het aangozigt dos He eren; en do zonen van Aiiron , de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprongen. 12 Daarna zal hij het in zijne stukken doelen, mitsgaders zijn hoofd en zijn smoor; on de priester zal die schikken op het hout, dat op hot vuur is, hetwelk op hot altaar is, 13 Doch hot ingewand en de schenkelen zal men met water wasschon; en de priester zal dat alles offeren en aanstoken op liet altaar:'hot is oen brandoffer, een vuuroffer, tot een' liofelijken reuk den Heere. 14 En indien zijne offerande voor den Heere een brandoffer van gevogelte is, zoo zal bij zijne offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren. 15 En de priester zal die tot hot altaar brengen, en deszolfs hoofd mot zijnen nagel splijten, on op hot altaar aansteken; en zijn bloed zal aan den wand dos altaars uitgeduwd worden. Ki En zijnen krop mot zijne vederen zal bij wegdoen, on zal het worpen bij hot altaar, oostwaarts, aan do plaats dor asch. 17 Vorder zal hij die met zijne vleugelen klieven, niet afscheiden; en do priester zal die aansteken oj) het altaar, op het hout, dat op het vuur is: het is oen brandoffer, eon vuuroffer, tot een' liefolijken reuk den Heere. HOOFDSTUK 2. Watten aangaande hot vrijwillig spijsoffer; het moest van meelbloem zijn, met olie ea wierook, óf raamv en ongebakken, vs. 1, óf in den oven gebakken, 4, öf gekookt in de pan, 5, óf ia don ketel gezoden, 7; geea zuurdeeg of honig mogt or in gemengd zijn, 11. Wet aangaande het offer dor eerstelingen, 12. Alle offers moesten met: zout gezouten worden, 13. De eerste vruchten, 14. |
ALS nu eene ziol eeno offerande quot;van spijsoffer den Heere zal offeren, zijne offerande zal van meelbloem zijn; on hij zal olio daarop gieten, en wierook daarop leggen. «Ex. (i : 14. i): 17. Niun. lö: 4. 2 En hij zal bet brengen tot do zonen van Aiiron, de priesters, een van welke daarvan zijne hand vol grijpen zal uit deszolfs meelbloem, en uit deszolfs olie, met al deszolfs wierook; en do priester quot;zal deszolfs gedonkoffer aanstoken op hot altaar: het is oen vuuroffer, tot een' liofelijken reuk don Heere. « Lev, 0:15. 3 Wat nu overblijft quot;van het spijsoffer, zal voor Aiiron en zijne zonen zijn: bel is eene heiligheid der heiligheden van do vuurofferen des Heeren. a Lev. 10:12. 4 En als gij offeren zult eene offerande van spijsoffer, een gebak des ovens; het zullen zijn ongezuurde koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken. 5 En indien uwe offerande spijsoffer is, in de pan gekookt, zij zal zijn van ongozuurde meelbloem, met olie gemengd. (i Breekt ze in stukken, en giet olie daarop: het is een spijsoffer. 7 En zoo uwe offerande oen spijsoffer des ketels is, het zal van meelbloem met olie gemaakt worden. 8 Dan zult gij dat spijsoffer, hetwelk daarvan zal gemaakt worden, den IIkkhe toebrengen; en men zal het tot don priester doen naderen, dio het tot hot altaar dragon zal. !) En do priester zal van dat spijsoffer deszolfs gedonkoffer opnemen, en op bet altaar aansteken: het is een vuuroffer, tot een' liofelijken reuk don Heere. 10 En wat overblijft van het spijsoffer, zal voor Aiiron en zijne zonen zijn : het is eeno heiligheid der heiligheden van de vuurofferen dos Heeren, 11 Geen spijsoffer, dat gij den Heere zult offeren , zal met deesom gemaakt worden; want van geen zuurdoesom, en van geen honig zult gijlieden don Heere vuuroffor aanstoken, 12 De offeranden dor eerstelingen zult gij don Heere offeren; maar op bot altaar zullen zij niet komen tot een' liefelijken reuk, 13 En alle offerande uws spijsoffers zult gij met zout zouten, en hot zout dos verbonds van uwen God van uw spijsoffer niet laten afblijven: quot;met al uwe offerande zult gij zout offeren. «Mark. 9:40. 14 En zoo gij den Heere een spijsoffer der eerste vruchten offert, zult gij het spijsoffer uwer eerste vruchten van groene aren, bij het vuur gedord, dat is, hot klein gebroken graan van volle groene aren, offeren. 15 En gij zult olie daarop doen, en wierook daarop loggen: het is een spijsoffer. 16 Zoo zal do priester deszolfs godenkoffer aansteken van zijn klein gebroken graan en van zijne olie, mot al don wierook: hot is een vuuroffer den Heere. |
LEVITICUS 4.
110
|
HOOFDSTUK Wetten iiangiimule het (lankolïer; liet moest zijn, of van runderen, vs. 1, óf van sohnpon en geiten, 12, niet een verbod van het vet of bloed to eten, 17. EN indien zijne offerande een dankoffer is: zoo liij zo van do rnnderon offert, hetzij mannetje of wijfje, volkomen zal hij die offeren, voor het aangezigt des Heeiien. 2 En hij zal zijne hand op hot hoofd zijner offerande leggen, en zal zo slagton voor de deur van de tont der zamenkomst; en de zonen van Aiiron, de priesters, zullen het bloed rondom op hot altaar sprongen. 3 Daarna zal hij van dat dankoffer een vuur-offer den Heeuk offeren; quot;het vet, dat hot ingewand bedekt, en al het vet, hetwelk aan het ingewand is. «Ex. 29; 1.1, 22. 4 Dan zal hij beide do nieren, en het vet, hetwelk daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over do lover, met de nieren, zal hij afnemen. 5 En de zonen van Aiiron zullen dat aanstoken quot; op hot altaar, op het brandoffer, hetwelk op hot hout zal zijn, dat op hot vuur is: hot is oen vuuroffor, tot een' liefelijken reuk don Heeue. h Ex. 29 : 25. 1 jov. (i: 12. (! En indien zijne offerande van klein vee is, den Heeue tot oen dankoffer, hetzij mannetje of wijfje, volkomen zal hij die offeren. 7 Indien hij een lam tot zijne offerande offert, zoo zal hij hot offeren voor het aangezigt dos 11 eer en. 8 En hij zal zijne hand op het hoofd zijner offerande leggen, en hij zal dio slagten voor de tent dor zamenkomst; on do zonen van Aiiron zullen het bloed daarvan sprengen op hot altaar rondom. 9 Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffor den Heere offeren: zijn vet, don gohoelen staart, dien hij digt aan de ruggegraat zal afnemen, en liet vet bedekkende liet ingewand, on al hot vet, dat aan het ingewand is; 10 Ook beide do nieren, en hot vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en hot net over do lever mot do nieren, zal hij afnemen. 11 En do priester zal dat aanstoken op hot altaar: hot is eeno quot; spijs dos vuuroffors den Heeke. «Lev. 21:0, s, 17, 21, Tl. 22:25. Ezec. 14:7. Mal. 1:12. 12 Indien nu zijne offerande eeno geit is, zoo zal hij die offeren voor het aangezigt dos Heeren. 13 En hij zal zijne hand op haar hoofd leggen, en hij zal haar slagten voor do tent der zamenkomst; en de zonen van Aiiron zullen haar bloed op hot altaar sprengen rondom. 14 Dan zal hij daarvan zijne offerande offeren, oen vuuroffor den Heere: hot vet bedekkende hot ingewand, en al hot vet, dat aan het ingewand is; 15 Mitsgaders de beide nieren, en hot vet, dat daaraan is, dat aan do weekdarmen is; en hot net over do lover, mot de nieren, zal hij afnemen. |
16 En de priester zal dio aanstoken op hot altaar: het is eeno spijs des vuuroffors, tot een' liefelijken reuk; allo vet zal des Heeren zijn. 17 DU zij eeno eeuwige inzetting voor uwe geslachten, in al uwe woningen: geen vot noch quot; bloed zult gij eten. «Gen. 9:4. Lev. 7 : 20. 17: 10, 14. HOOFDSTUK 4. Wolten iumgaando de offers voor zonden door afdwaling, vs. 1 ; voor don priester, 3, voor do geheolo gemeente, 13, voor een vorst of overste, 22, en iemand uit het volk, 27. VERDER sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Als eeno ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van eenigo geboden des Heeren, dat niet zou gedaan worden, en teyen eon van die zal gedaan hebben; !! Indien do priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld dos volks, zoo zal hij voor zijne zonde, die hij gezondigd heeft, offeren oenen var, oen volkomen jong rund, den Heere ten zondoffer. 4 En hij zal dien var brengen tot do deur van do tont der zamenkomst, voor het aangezigt des Heeren; en hij zal zijne hand op hot hoofd van dien var loggen, en hij zal dien var slagten voor hot aangezigt des Heeren. 5 Daarna zal die gezalfde priester quot; van hot bloed van den var nemen, en hij zal dat tot de tent dor zamenkomst brengen. '/ Lev. 10:14. Num. 19:4. 0 En do priester zal zijnen vinger in dat bloed doopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor hot aangezigt dos Heeren, voor den voorhang van hot heilige. 7 Ook zal do priester van dat bloed doen quot; op de hoornen dos roukaltaars der welriekende spo-corijen, voor het aangezigt dos Heeren, dat in de tent der zamenkomst is; dan zal hij al hot bloed van den var uitgieten aan den bodem van het altaar dos brandoffers, hetwelk is aan de deur van do tont der zamenkomst. a Lev. 0 : 9. 8 Verder, al hot vot van don var dos zondoffers zal hij daarvan opnemen: quot; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan hot ingewand is ; n Lev. 3 : , 4. 9 Daartoe do twee nieron, on het vot, dat daaraan is, dat aan do weekdarmen is, en het net over do lover, met de nieren, zal hij afnemen; 10 Gelijk als het van den os des dankoffers opgenomen wordt; quot; on de priester zal dio aansteken op het altaar des brandoffers. a Lev. i!: 5. 11 Maar do quot;huid van dien var, en al zijn vloesch, met zijn hoofd en mot zijne schonkelen, on zijn ingewand, on zijn' mest; a Ex. 29 : 14. Num. 19 : 5. 12 En dien goheelen var quot;zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan eene reine plaats, waar men de asch uitstort, en zal hem mot vuur op hot |
LEVITICUS 4, 5.
Ill
|
hout verbranden; bij do uitgogotone asch zal hij verbrand worden. a Lev. 16:27. Num. llotir 13:11. Ifi Indien nu quot;de geheele vergadering van Israël afgedwaald zal zijn, en do zaak voor de oogen dor gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen eenigo van alle geboden des Heeren, dat niet zoude gedaan worden, on zijn schuldig geworden; lt;i bev. 9:15. Num. 15:24, enz, 14 En die zonde, die zij daartegen gezondigd zullen hebben, bekend is geworden: zoo zal do gomeento oenen var, oen jong rund, ton zondoffer offeren, en dien voor de tent dor zamon-komst brengen; 15 En do oudsten der vergadering zullen hunne handen op het hoofd van den var leggen, voor het aangozigt dos IIeeren; en hij zal den var slagten voor het aangozigt dos Heeren. 16 Daarna zal die gezalfde priester van het blood van den var tot de tent der zamenkomst brengen. 17 En de priester zal zijnen vinger indoopon, nemende van dat bloed; en hij zal zevenmaal sprongen voor het aangozigt des Heeren, voor den voorhang. 18 En van dat bloed zal hij doen op de hoornen van het altaar, dat voor het aangozigt des IIkeren is, dat in do tent der zamenkomst is; dan zal hij al hot bloed uitgieten, aan don bodem van hot altaar dos brandoffers, hetwelk is voor do deur van do tont der zamenkomst. li) Daartoe zal hij al zijn vet van hem opnemen, en op het altaar aansteken. 20 En hij zal dezen var doen, gelijk als hij den var des zondoffers gedaan hooft, alzoo zal hij hem doen; en do priester zal voor hen verzoening doen, en hot zal hun vergeven worden. 21 Daarna zal hij dien var tot buiten het leger uitvoeren, en zal hem verbranden, gelijk als hij don eersten var verbrand heeft; het is een zondoffer der gemeente. 22 Als een overste zal gezondigd hebben, on tegen een van de geboden dos Heeren zijns Gods, door afdwaling, gedaan zal hebben, hetwelk niet zon gedaan worden, zoodat hij schuldig is; 2:? Of men zijne zonde, die hij daartegen gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben: zoo zal hij tot zijn offer brengen oenen geitenhok, oen volkomen mannetje. 24 En hij zal zijne hand op hot hoofd van den bok leggen, en zal hein slagten in do plaats, waar men het brandoffer slagt voor het aangozigt des Heeren : het is oen zondoffer. 25 Daarna zal de priester van hot bloed des zondoffers mot zijnen vinger nemen, en dat op de hoornen van het altaar des brandoffers doen; dan zal hij zijn bloed aan den bodem van het altaar des brandoffers uitgieten. 26 Hij zal ook al zijn vet op het altaar aansteken , gelijk het vet des dankoffers; zoo zal de priester voor hem verzoening doen van zijne zonde, en het zal hom vergeven worden. |
27 quot;En zoo eenig menseh van hot volk des lands door afdwaling zal gezondigd hebben, dewijl hij iets doet legen oen van do geboden dos Heeren, dat niet gedaan zou worden, zoodat hij schuldig is; oNuui. 15:2,7. 28 Of men zijne zonde, die hij gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben: zoo zal hij tot zijne offerande brengen oono jonge geit, oen volkomen wijfje, voor zijne zonde, die hij gezondigd heeft. 29 En hij zal zijne hand op hot hoofd dos zondoffers leggen; on men zal dat zondoffer slagten in do plaats des brandoffers. !1() Daarna zal de priester van haar bloed mot zijnen vinger nemen, on doen hot op de hoornen van hot altaar dos brandoffers; dan zal hij al hol bloed daarvan aan den bodem van dat altaar uitgieten. 31 quot;En al haar vot zal hij afnemen, gelijk als het vet van het dankoffer afgenomen wordt, en do priester ''zal het aansteken op het altaar, tot eon' liefelijken reuk den Heere; en do priester zal voor hom verzoening doen, on het zal hem vergeven worden. n Lev. 3:3, 4, 14. h Ex. 29:18. 32 Maar zoo hij oen lam voor zijne offerande ton zondoffer brengt, het zal oen volkomen wijfje zijn, dat hij brengt. 33 En hij zal zijne hand op hot hoofd des zondoffers loggen, en hij zal dat slagten tot oen zondoffer, in do plaats, waar men bet brandoffer slagt. 34 Daarna zal de priester van het bloed dos zondoffers met zijnen vinger nomen, en zal het doen op de hoornen van het altaar dos brandoffers; dan zal hij al het bloed daarvan aan don bodem van dat altaar uitgieten. 35 En al het vot daarvan zal hij afnemen, gelijk als het vet van het lam des dankoffers afgenomen wordt, en de priester zal die aansteken op het altaar, op de vuurofferen dos Heeren; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijne zonde, die hij gezondigd hooft, en het zal hem vergeven worden. HOOFDSTUK 5. Wetten aangaande do scliuldoffers voer den golioordcn, maar veiv.wegenen vloek, vs. 1; voor het onbedacht aanraken van iets, dat onrein is, 2; voor liglvaardig zweren, 4; voor het vergrijp aan geheiligde dingen, 14. ALS nu oen menseh zal gezondigd hebben, dat hij geboord heeft eene stem des vloeks, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten hoeft; indien hij hot niet te kennen geeft, zoo zal hij zijne ongeregtigheid dragen. 2 quot;Of wanneer een menseh eenig onrein ding zal aangeroerd hebben, hetzij hot doode aas van oen wild onrein gedierte, of het doode aas van onrein vee, of het doode aas van onrein kruipend gedierte; al is het voor hem verborgen geweest, nogtans is hij onrein en schuldig, a Hagg, 2: 14. 2 Cor. 0: 17. |
LEVITICUS 5, 6.
112
|
li Ol' als hij zal aangeroerd hebben de onreinig-held van een' niensch, naar al zijne onreinigheid, waarmede hij onrein wordt; en het is voor hem verborgen geweest, en hij is het gewaar geworden, zoo is hij schuldig. 4 Of als een mensch zal gezworen hebben, onbedacht met zijne lippen uitsprekende, om kwaad te doen, of om goed te doen; naar al wat de mensch in den eed onbedacht uitspreekt, en het is voor hein verborgen geweest, en hij is het gewaar geworden, zoo is hij aan een van die schuldig. 5 Het zal dan geschieden, als hij aan een van die schuldig is, dat hij belijden zal, waarin hij gezondigd heeft; (i En tot zijn schuldoffer den Heerk voor zijne zonde, die hij gezondigd heeft, brengen zal een wijfje van klein vee, een lam of eene jonge geit, voor de zonde: zoo zal do priester voor hein van wege zijne zonde verzoening doen. 7 quot; Maar indien zijne hand zoo veel niet bereiken kan, als genoeg is tot een stuk klein vee, zoo zal hij iot zijn offer voor do schuld , die hij gezondigd heeft, den Heerk brengen twee tortelduiven, of twee jonge duiven, eene ten zondoffer, en eene ten brandoffer. a Lev. 12:8. Luk. 2 : 24. 8 En hij zal die tot den priester brengen, welke eerst die zal offeren, die tot het zondoffer is; en zal haar hoofd quot; met zijnen nagel nevens haren nek splijten, maar niet afscheiden. «Lev. 1:15. 5) En van liet bloed des zondoffers zal hij aan den wand van het altaar sprengen; maar het overgeblevene van dat bloed zal uitgeduwd worden aan den bodem van het altaar: het is een zondoffer. 10 En de andere zal hij ten brandoffer maken, quot;naar de wijze; zoo zal de priester voor hem, van wege zijne zonde, die hij gezondigd heeft, verzoening doen, en het zal hem vergeven worden. a Lev. 1:15. 11 Maar indien zijne hand niet reiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zoo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijne offerande brengen het tiende deel van eene efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geene olie daarover doen, noch wierook daarop leggen, want het is een zondoffer. 12 En hij zal dat tot den priester brengen, en quot;de priester zal daarvan zijne hand vol, ter gedachtenis deszelven, grijpen, en ''dat aansteken op het altaar, op do vuurofferen des Heeren: het is een zondoffer. a Lev. 2:2. h Lev. 4 : 35. UI Zoo zal de priester voor hem verzoening doen over zijne zonde, die hij gezondigd heeft in eenige van die stukken, en het zal hem vergeven worden; en quot;het zal des priesters zijn, gelijk het spijsoffer. a Lev. 2:3. 14 Wijders sprak de Heere tot Mozes, zeggende: |
15 Als een mensch door overtreding overtreden, en door afdwaling gezondigd zal hebben, ivat ontwendende van de heilige dingen des Heeren, zoo zal hij tot zijn schuldoffer den Heere brengen een' volkomen ram uit de kudde, met uwe schatting quot; aan zilveren sikkelen, naar h den sikkel des heiligdoms, ten schuldoffer. a Lev. 27:2, 3, enz. feEx. 30:13. Ifi Zoo zal hij, dat hij zondigende heeft ontwend van de heilige dingen, wedergeven, en zal des-zelfs vijfde deel daarenboven toedoen, dat hij den priester geven zal; alzoo zal de priester met den ram des schuldoffers voor hom verzoening doen, en het zal hem vergeven worden. 17 En indien een mensch zal gezondigd hebben, en gedaan teyen een van alle geboden des Heeren, hetwelk niet zou gedaan worden, al is het dat hij het niet geweten hoeft, nogtans is hij schuldig, en zal zijne ongeregtigheid dragen. 18 En hij zal een' volkomen ram uit de kudde tot don priester brengen, met uwe schatting, ten schuldoffer; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijne afdwaling, door welke hij afgedwaald is, die hij niet geweten had: zoo zal het hem vergeven worden. 1!) Het is een schuldoffer; hij heeft zich voor-zoker schuldig gemaakt aan don Heere. HOOFDSTUK G. Wetten aangaande do ontvreemding van het goed des naasten, vs. 1, Wetten voor de priesters aangaande liet bereiden van het brandoffer, 8; van liet spijsoffer, in liet algemeen, 14, en bij de inwijding van Ailron en zijne zonen, 19; en van het zondoffer, 24. VERDER sprak do Heere tot Mozes, zeggende: 2 Als een mensch gezondigd, en tegen den Heere door overtreding overtreden zal hebben, dat hij aan zijnen naaste zal gelogen hebben van hetgeen hem in bewaring gegeven, of ter hand gesteld was, of van roof, of dat hij met geweld zijnen naaste onthoudt; 3 Of dat hij het verlorene gevonden, en daarover gelogen, on met valschheid gezworen zal hebben; quot;over iets van alles dat de mensch doet, daarin zondigende: a Num. 5:0. 4 Hot zal dan geschieden, dewijl hij gezondigd hoeft, en schuldig geworden is, dat hij weder-uitkeeren zal den roof, dien hij geroofd, of het onthoudene, dat hij met geweld onthoudt, of het bewaarde, dat bij hem te bewaren gegeven was, of het verlorene, dat hij gevonden heeft; 5 Of van al, waarover hij valschelijk gezworen heeft, dat hij hetzelve in zijne hoofdsom weder-geve, en nog het vijfde deel daarenboven toedoen zal: wiens dat is, dien zal hij dat geven op den dag zijner schuld. (! En hij zal den Heere zijn schuldoffer brengen tot den priester, een' volkomen ram uit de kudde, mot uwe schatting, ten schuldoffer. 7 Dan zal de priester voor hem verzoening doen voor het aangezigt des Heeren, en het zal hem vergeven worden; over iets van al, wat hij doet, waar hij schuld aan heeft. 8 Verder sprak de Heere tot Mozes, zeggende: |
|
9 Gebied Aaron en zijnon zonen, zeggende: Dit is lt;le wet des brandoffers; het is hetgeen, wat door de branding op het altaar den ganschen nacht tot aan den morgen opvaart; alwaar het vuur des altaars zal brandende gehouden worden. 10 En de priester zal zijn linnen kleed aantrekken , en do linnen onderbroek over zijn vloosch aantrokken, en zal do asch opnemen, als het vuur het brandoffer op hot altaar zal verteerd hebben, en zal die bij hot altaar leggen. 11 Daarna zal iiij zijne kleederen uittrokken, en zal andere kleoderen aandoen, en zal do asch tot buiten hot leger uitdragen aan eene reine plaats. 12 Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgebluscht worden; maar do priester zal daar eiken morgen hout aansteken, on zal daarop het brandoffer schikken, en het vet der dankofferen daarop aansteken. 18 Hot vuur zal goduriglijk op het altaar brandende gehouden worden; het zal niet uitgebluscht worden. 14 Dit is nu do wet quot; des spijsoffers; een dor zonen van Aaron zal dat voor het aangozigt des Heeren offeren, voor aan het altaar. «Num. 15:4, enz. 15 En hij zal daarvan opnemen zijne hand vol, uit de meelbloem des spijsoffers, en van deszelfs olie, en al den wierook, die op het spijsoffer is; dan zal hij hot aansteken op liet altaar: het is oen liefelijke reuk quot;tot deszelfs gedachtenis voor den Heere. u Lev. 2 :!). 16 En het overblijvende daarvan zullen Aiiron on zijne zonen eten; ongezuurd zal hot gegeten worden in do heilige plaats, in den voorhof van de tent der zamenkomst zullen zij dat eten. 17 Hot zal niet gedeesemd gebakken worden; het is hun deel, dat Ik gegeven heb van mijne vuurofferon: het is eene heiligheid der heiligheden, gelijk het zondoffer en gelijk liet schuldoffer. 18 Al wat mannelijk is onder de zonen van Aaron zal hot eten; hot zij eene eeuwige inzetting voor uwe geslachten van de vuurofferon dos Heeren: al quot;wat die zal aanroeren, zal heilig zijn. n Ex. 2!): 37. 19 Wijders sprak do Heere tot Mozes, zeggende: 20 Dit is de offerande van Aiiron en van zijne zonen, die zij don Heere offeren zullen, ten dage als hij zal gezalfd worden: liet tiende deel oenor efa meelbloem, een spijsoffer gedurig; de helft daarvan op den morgen, en do helft daarvan op don avond. 21 Het zal in eene pan met olie gemaakt worden; geroost zult gij het brongen; en do gebakken stukkon dos spijsoffers zult gij offeren, tot een' liofelijken reuk don Heere. 22 Ook zal do priester, die uit zijne zonen in zijne plaats do gezalfde zal worden, hetzelve doen: hot zij eene eeuwige inzetting; hot zal voor den Heere geheel aangestoken worden. |
11!! 23 Alzoo zal allo spijsoffer des priesters gan-schelijk zijn; het zal niet gegeten worden. 24 Vorder sprak do Heere tot Mozes, zeggende: 25 Spreek tot Aaron en tot zijne zonen, zeggende: Dit is do wet des zondoffers: in de plaats, waar het brandoffer goslagt wordt, zal hot zondoffer voor het aangozigt des Heeren goslagt worden: liet is eene heiligheid dor holligheden. 26 quot; Do priester, die het voor do zonde offert, zal hot eten; in de heilige plaats zal hot gogeton worden, in hot voorhof van de tent der zamenkomst. n Hos. 4 : 8. 27 Al wat deszelfs vleesch zal aanroeren, zal heilig zijn: zoo wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben, dat, waarop hij gesprengd zal hebben, zult gij in de heilige plaats wasschen. 28 En hot aarden vat, waarin het gezoden is, zal gebroken worden; maar zoo het in een koperen vat gezoden is, zoo zal hot geschuurd en in water gespoeld worden. 29 Al wat mannelijk is onder de priesteren, zal dat eten: hot is eene heiligheid der heiligheden. 30 Maar geen zondoffer, van quot;welks bloed in de tont dor zamenkomst zal gebragt worden, om in het heiligdom te verzoenen, zal gegoten worden : het zal in het vuur verbrand worden. a Lev. 4 : 5. Hebr. 13 : 11. HOOFDSTUK 7. Wetten aangaande liet scliuldoffei', vs. 1, met. verklaring wat den priester van dit en andere offeranden toekwam, 7; van het dankofl'er, 11, en als lofoffer, 12, en als gelofteoffer en vrijwillig oll'er, 16. Verbod van het vet te eten, mot verklaring wolk vet men tot andere dingen mogt gebruiken, 22. Verbod van bloed te eten, 26. Wetten aangaande het dankoffer, 28, Besluit, 35. DIT is nu de wot dos schuldoffers; het is eene heiligheid der heiligheden, 2 In do plaats, waar zij het brandoffer slagten, zullen zij het schuldoffer slagton; en men zal deszelfs bloed rondom op het altaar sprongen. 3 En daarvan zal men al zijn vet offeren, den staart, en het vet, dat hot ingewand bedekt; 4 Ook de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat op de weekdarmen is; en het net over de lever, mot de nieren, zal men afnemen. 5 En de priester zal die aansteken op hot altaar, ton vuuroffer don Heere: het is een schuldoffer. 6 Al wat mannelijk is onder do priesteren zal dat eten; in de heilige plaats zal bot gegoten worden: hot is eene heiligheid der heiligheden. 7 Gelijk het zondoffer, alzoo zal ook hot schuldoffer zijn; eenerlei wet zal voor dozolven zijn; het zal des priesters zijn, die daarmede verzoening gedaan zal hebben. 8 Ook de priester, die iemands brandoffer offert, die priester zal de huid des brandoffers hebben, dat hij geofferd hooft. 9 Daartoe al het spijsoffer, dat in don oven go-bakken wordt, met al wat in den ketel en in do pan bereid wordt, zal dos priesters zijn, die dat offert. 8 LEVITICUS 6, 7. |
LEVITICUS 7, 8.
114
|
10 Ook alle spijsoffer met olie gemengd, of droog, zal voor alle zonen van Aiiron zijn, voor den eenen als voor den anderen. 11 Dit is nu de wet des dankoffers, dat men den Heere offeren zal. 12 Indien hij dat tot quot;een \oioffer offert, zoo zal hij, nevens het lofoffer, ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken, offeren: en zullen die koeken met olie gemengd van geroost meelbloem zijn. «Ps. 11(5: 17. l-'i Benevens de koeken zal hij tot zijne offerande gedeesemd brood offeren, met het lofoffer zijns dankoffers. 14 En een daarvan uit de gansche offerande zal hij den Heere ten hefoffer offeren; liet zal voor den priester zijn, die het bloed des dankoffers sprengt. 15 Maar het vleesch van het lofoffer zijns dankoffers zal op den dag van deszelfs offerande gegeten worden; daarvan zal men niet tot den morgen overlaten. Ifi En zoo liet slagtoffer zijner offerande eene gelofte, of vrijwillig offer is, quot;dat zal ten dage, als hij zijn offer offeren zal, gegeten worden, en hot overgeblevene daarvan zal ook des anderen daags gegeten worden. lt;/ Lev. 10:0. 17 Wat nog van het vleesch des slagtoffers overgebleven is, zal op den derden dag met vuur verbrand worden: 18 Want zoo eenigzins van dat vleesch zijns dankoffers op den derden dag gegeten wordt, die dat geofferd heeft, zal niet aangenaam zijn, het zal hem niet toegerekend worden, het zal een afgrijsselijk ding zijn; en de ziel, die daarvan eet, zal hare ongeregtigheid dragen. 10 En het vleesch, dat iets onreins aangeroerd zal hebben, zal niet gegeten worden, met vuur zal het verbrand worden; maar aangaande het andere vleesch, dat vleesch zal een ieder, die rein is, mogen eten. 20 Doch als eene ziel het vleesch van het dankoffer, hetwelk des Heeren is, quot;gegeten zal hebben, en hare onreinigheid aan haar is, zoo zal die ziel uit hare volken uitgeroeid worden. «Lev. 15:3. 21 En wanneer eene ziel iets onreins zal aangeroerd hebben, als de onreinigheid des menschen, of het onreine vee, of eenig onrein verfoeisel, en zal van het vleesch des dankoffers, hetwelk des Heeren is, gegeten hebben, zoo zal die ziel uit hare volken uitgeroeid worden. 22 Daarna sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 23 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Geen vet van een' os, of schaap, of geit, zult gij eten. 24 Maar het vet van een dood aas, en het vet van het verscheurde, mag tot alle werk gebezigd worden; doch gij zult het ganschelijk niet eten. |
25 Want al wie het vet van vee eten zal, van hetwelk men den Heere een vuuroffer zal geofferd hebben, die ziel, die het gegeten zal hebben, zal uit hare volken uitgeroeid worden. 26 quot;Ook zult gij in al uwe woningen geen bloed eten, hetzij van het gevogelte, of van het vee. rïGon. 0 : 4. Lev, 3:17. 17:14. 27 Alle ziel, die eenig bloed eten zal, die ziel zal uit hare volken uitgeroeid worden. 28 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 20 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wie zijn dankoffer den Heere offert, zal zijne offerande van zijn dankoffer den Heere toebrengen. 30 Zijne handen zullen de vuurofferen des Heeren brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, quot; om die tot een beweegoffer voor het aangezigt des Heeren te bewegen. n Ex. 20 : 24. 31 En de priester zal dat vet op het altaar aansteken ; doch de borst zal voor Aaron en zijne zonen zijn. 32 Gij zult ook den regterschouder tot een hefoffer den priester geven, uit uwe dankofferen. 33 Wie uit de zonen van Aaron het bloed des dankoffers en het vet offert, dien zal de regterschouder ten deele zijn. 34 Want quot; do beweegborst en den hefschouder heb Ik van do kinderen Israels uit hunne dankofferen genomen, en heb dezelve aan Aiiron don priester en aan zijne zonen, tot eene eeuwige inzetting gegeven, van de kindoren Israels. «Ex. 29:27. Num. 18:11. 35 Dit is de zalving van Aiiron en de zalving-van zijne zonen, van de vuurofferen dos Heeren ; ten dage als Hij hen deed naderen, om het priesterdom den Heere te bedienen; 36 Hetwelk de Heere, hun van de kinderen Israels te geven, geboden heeft, ten dage als Hij hen zalfde; het zij eene eeuwige inzetting voor hunne geslachten. 37 Dit is de wet des brandoffers, des spijsoffers, des zondoffers, dos schuldoffers, dos vuloffers en des dankoffers; 38 Die de Heere Mozes op don borg Sinaï go-boden heeft, ten dage als Hij den kindoren Israels gebood, dat zij hunne offeranden don Heere, in de woestijn van Sinaï, zouden offeren. HOOFDSTUK 8. Mozes wijdt, op Gods bevel, Aiiron, vs. 1, den tabernakel, 10, en Ailrons zonen, 18, en offert don var, 14, de twee rammen, IS, en het beweegoffer, 20, Mozes beveelt Aiiron en zijne zonen gedurende zeven dagen de tent der zamenkorast niet te verlaten, 3.3, hetgeen zij nakomen, 36. VERDER sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 quot;Noem Aiiron en zijne zonen niet hem, en do kleederen, en do '' zalfolie, daartoe den var des zondoffers, en de twee rammen, en den korf van de ongezuurde brooden; ff Ex. 28:1,2. /)Ex. 30:25, 3 En verzamel de gansche vergadering aan de deur van de tent dor zamonkomst. |
LEVITICUS 8.
115
|
4 Mozes mi deed, gelijk nis do Heere hem geboden had; en do vergadering word verzameld aan de deur van de tent der zamenkomst. 5 Toon zeide Mozes tot do vergadering: Dit is de zaak, quot;die de Heere geboden heeft te doen. a Ex. 29 ; -1. (i En Mozes deed Aaron en zijne zonen naderen, en wiesch hen met dat water. 7 quot;Daar deed hij hem den rok aan, en gordde hem met den gordel, en trok hem den mantel aan; ook deed hij hem den efod aan, en gordde dien met den kunstelijken riem des efods, en ombond hem daarmede. «Ex. 28:4. 8 Voorts deed hij hem den borstlap aan, en voegde aan den quot; borstlap de urim en de thummim. a Ex. 28 : 30. II En hij zette den hoed op zijn hoofd; en aan den hoed boven zijn aangezigt zette hij de gouden plaat, de kroon der heiligheid, quot;gelijk als de Heere Mozes geboden had. «Ex. 28:36. 20:0. 10 Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde den tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde ze. 11 En hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal; en hij zalfde het altaar, en al zijn gereedschap, mitsgaders het wascbvat en zijnen voet, om die te heiligen. 12 Daarna quot; goot hij van de zalfolie op het hoofd van Aaron, en hij zalfde hem, om hem te heiligen. a Ps. 133 ; 2. 13 Ook deed Mozes de zonen van Aaron naderen, en trok hun rokken aan, en gordde hen met eenen gordel, en bond hun mutsen op, quot;gelijk als de Heere Mozes geboden had. «Ex. 20:0. 14 quot;Toen deed hij den var des zondoffers bijkomen; en Aaron en zijne zonen leiden hunne handen op het hoofd van den var des zondoffers; ff Ex. 20 : 1. 15 En men slagtte hem; en Mozes nam het bloed, en deed het met zijnen vinger rondom op de hoornen des altaars, en ontzondigde het altaar; daarna goot bij het bloed uit aan den bodem des altaars, en heiligde liet, om voor hetzelve verzoening te doen. Ifi Voorts nam hij al het vet, dat aan het ingewand is, en het net der lever, en de twee nieren en haar vet; en Mozes stak het aan op het altaar. 17 Maar den var met zijne huid, en zijn vleesch, en zijn' mest, heeft hij buiten het leger met vuur verbrand, quot;gelijk als de Heere Mozes geboden had. a Ex. 29 : 14. Lev. 4:11. 18 Daarna deed hij den ram des brandoffers bijbrengen; en Aaron en zijne zonen leiden hunne handen op het hoofd van den ram. 19 En men slagtte hem; en Mozes sprengde het bloed op het altaar rondom. 20 Hij deelde ook den ram in zijne deelen ; en Mozes stak liet hoofd aan, en die deelen, en het smeer; |
21 Doch het ingewand en de schenkelen wiesch hij met water; en Mozes stak dien geheelen ram aan op het altaar: liet was een brandoffer tot een' liefelijken reuk, een vuuroffer was liet den Heere, quot;gelijk als de Heere Mozes geboden bad. a Ex. 29 :18. 22 Daarna deed hij den anderen ram, den ram des vuloffers, bijbrengen; en Aaron met zijne zonen leiden hunne handen op het hoofd van don ram. 23 En men slagtte hem; en Mozes nam van zijn bloed, en deed het op het lapje van Aarons reg-teroor, en op den duim zijner regterhand, en op den grooten teen van zijnen regtervoet. 24 Hij deed ook de zonen van Aiiron naderen; en Mozes deed van dat bloed op het lapje van hun regteroor, en op den duim van hunne regterhand, en op den grooten teen van bunnen regtervoet; daarna sprengde Mozes dat bloed rondom op het altaar. 25 quot;En hij nam het vet, en den staart, en al het vet, dat aan het ingewand is, en het net der lever, en de beide nieren, en haar vet, daartoe den regterschouder; a Ex. 20:22. 2(i Ook nam hij uit den korf van de ongezuurde broaden, die voor het aangezigt des Heeren was, eenen ongezuurden koek, en eenen geölieden broodkoek, en eene vlade; en hij leide ze op dat vet, en op den regterschouder. 27 quot; En hij gaf dat alles in de handen van Aaron, en in de banden zijner zonen; en bewoog die ten beweegoffer, voor het aangezigt des Heeren. a Ex. 20 : 24. 28 Daarna nam Mozes ze uit hunne handen, en stak ze aan op het altaar, op het brandoffer; zij waren vulofferen tot een' liefelijken reuk; het was een vuuroffer den Heere. 20 Voorts nam Mozes de borst, en bewoog ze ten beweegoffer voor het aangezigt des Heeren; zij werd Mozes ten deele van den ram des vuloffers, quot;gelijk als de Heere Mozes geboden had. n Ex. 20 : 20. Lev. 7 : 33. 30 quot;Mozes nam ook van de zalfolie, en van het bloed, hetwelk op het altaar was, en sprengde het op Aaron, op zijne kleederen, en op zijne zonen, en op de kleederen zijner zonen mot hem; en hij heiligde Aiiron, zijne kleederen, en zijne zonen, en de kleederen zijner zonen met hem. a Ex. 29:21. 31 En Mozes zeide tot Aiiron en tot zijne zonen: Ziedt dat vleesch voor de deur van de tent der zamenkomst, quot;en eet hetzelve daar, mitsgaders het brood, dat in den korf dos vuloffers is; gelijk als ik geboden heb, zeggende: Aaron en zijne zonen zullen dat eten. «Ex. 29:32. Lev. 24:9. 32 Maar het overige van het vleesch en van het brood zult gij met vuur verbranden. 33 Ook zult gij uit de deur van de tont der zamenkomst, zeven dagen, niet uitgaan, tot aan den dag, dat vervuld worden de dagen uws vuloffers: want zeven dagen zal men uwe handen vullen. |
8*
LEVITICUS 8, 9, If).
llfi
|
84 Gelijk men gedaan heeft op dezen dag, heeft de Heere te doen geboden, om voor u verzoening te doen. 85 Gij zult dan aan de deur van de tent der zamenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht des TIeeren waarnemen, opdat gij niet sterft: want alzoo is het mij geboden. :ifi Aaron nu en zijne zonen deden al de dingen, die de Heere door de dienst van Mozes geboden had. HOOFDSTUK 9. Mozes beveelt Aaron na het verloopen der zeven dagen zijne priesterlijke dienst aan te vangen, vs. 1; Ailron ottert eerst voor zich zeiven, 8; daarna voor het volk, 15; hetwelk hij ook zegent, 22. God bevestigt deze dienst met een toeken , 24. EN het geschiedde op den achtsten dag, dat Mozes riep Aaron en zijne zonen, en de oudsten van Israël; 2 En hij zeide tot Aaron: quot;Neem n een kalf, een jong rund, ten zondoffer, en eenen ram ten brandoffer, die volkomen zijn; en breng ze voor het aangezigt des 11 eer en. «Ex. 29:1. ü Daarna spreek tot de kinderen Israels, zeggende : Neemt eenen geitenhok ten zondoffer, en een kalf, en een lam, eenjarig, volkomen, ten brandoffer; 4 Ook eenen os en ram ten dankoffer, om voor het aangezigt des Heeren te offeren; en spijsoffer met olie gemengd: want heden zal de Heere u verschijnen. 5 Toen namen zij hetgeen Mozes geboden had, brengende dat tot voor aan de tent der zamenkomst. ; en de geheele vergadering naderde, en stond voor liet aangezigt des Heeren. (! En Mozes zeide: Deze zaak, die de Heere geboden heeft, zult gij doen; en de heerlijkheid des Heeren zal u verschijnen. 7 En Mozes zeide tot Aaron: Nader tot bet altaar, en maak uw quot;zondoffer, en uw brandoffer toe; en doe verzoening voor u en voor liet volk; daarna maak de offerande des volks toe, en doe de verzoening voor, hen, gelijk als de Heere geboden heeft. «Lev. 1C:(i. Ilebr. 7:27. 8 Toen naderde Aaron tot het altaar, en slagtte het kalf des zondoffers, dat voor hem was. 9 En de zonen van Aiiron bragten liet bloed tot hem, en hij doopte zijnen vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen des altaars; daarna goot hij het bloed uit aan den bodem des altaars. 10 Maar het vet, en de nieren, en het net van de lever van het zondoffer heeft hij op het altaar aangestoken, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 11 Doch het vleesch en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger. 12 Daarna slagtte hij het brandoffer; en de zonen van Aiiron leverden aan hem het bloed; en hij sprengde dat rondom op het altaar. |
13 Ook leverden zij aan hem het brandoffer in zijne stukken, met het hoofd; en hij stak het aan op het altaar. 14 En hij wiesch liet ingewand en de schenkelen; en hij stak ze aan op liet brandoffer, op het altaar. 15 Daarna deed hij de offerande quot; des volks toebrengen; en nam den bok des zondoffers, die voor liet volk was, en slagtte hem, en bereidde hem ten zondoffer, gelijk het eerste, a Lev. 4:13. Ifi Verder deed hij het brandoffer toebrengen, en maakte dat toe naar het regt. 17 En hij deed quot;liet spijsoffer toebrengen, en vulde daarvan zijne hand, en stak het aan op het altaar, behalve het ''morgenbrandoffer. a Lev. 2:1. h Ex. 29:38, enz. 18 Daarna slagtte hij den os, en den ram ten dankoffer, dat voor hot volk was; en de zonen van Aaron leverden het bloed aan hem, hetwelk hij rondom op het altaar sprengde; 19 En het vet van den os, en van den ram, den staart, en wat het ingewand bedekt, en de nieren, en het net der lever; 20 En zij leiden liet vet op de borsten; en hij stak dat vet aan op het altaar. 21 Maar de borsten en quot; den regterschouder bewoog Aiiron ten beweegoffer, voor liet aangezigt des Heeren, gelijk als Mozes geboden had. a Lev. 7 : 32. 22 Daarna hief Aiiron zijne handen op tot het volk, en zegende hen; en hij kwam af, nadat hij het zondoffer, en brandoffer, en dankoffer gedaan had. 23 Toen ging Mozes met Aiiron in de tent der zamenkomst; daarna kwamen zij uit, en zegenden het volk: en de heerlijkheid des Heeren verscheen al het volk. 24 Want a een vuur ging uit van het aangezigt des Heeren, en verteerde op liet altaar het brandoffer, en het vet. Als het gansche volk dit zag, zoo juichten zij, en vielen op hunne aangezigten. a 1 Kon. IS: 38. 2 Kron. 7:1. HOOFDSTUK 10. Nadab en Abihu brengen vreemd vuur op het altaar en worden door vuur van den Heere gedood, vs. 1. Mozes laat de lijken buiten het leger dragen, 4, en verbiedt Aiiron en zijne andere zonen rouw over hen te dragen, ü. God verbiedt den priesters wijn of sterken drank te drinken, wanneer zij naar den tabernakel gaan, 8. Mozes is vertoornd op Ailrons zonen, omdat zij hun priesterlijk deel van liet zondoffer niet gegeten, maar verbrand hebben, 12. Aiiron verontschuldigt deze daad , 1!). EN de zonen van Aiiron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en bragten vreemd vuur voor het aangezigt des Heeren, hetwelk Hij hun niet geboden had. 2 Toen ging een vuur uit van het aangezigt des Heeren, en verteerde hen; en quot;zij stierven voor het aangezigt des Heeren. a Num. 3 : 4. 2G : 61. 1 Kron. 24 : 2. |
LEVITICUS 10, 11.
117
|
3 En Mozes zeide tot Aaron: Dat is hot, wat de Heere gesproken heeft, zeggende; quot;In degenen, die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor het aangezigt van al liet volk zal Ik verheerlijkt worden. Doch Aaron zweeg stil. a Lev. 8 : 35. 4 En Mozes riep Misaël en Elzafan, de zonen van Uzziël, den oom van Aaron, en zeide tot hen: Treedt toe, draagt uwe broederen weg, van voor het heiligdom tot buiten het leger. 5 Toen traden zij toe, en droegen hen, in hunne rokken, tot buiten het leger, gelijk als Mozes gesproken had. 6 En Mozes zeide tot Aaron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijne zonen: Gij zult uwe hoofden niet ontblooten, noch uwe kleederen verscheuren, opdat gij niet sterft, en groote toorn over de gansche vergadering kome; maar uwe broederen, het gansche huis van Israël, zullen dezen brand, dien de Heere aangestoken hoeft, beweenen. 7 quot; Gij zult ook uit de deur van de tont der zamenkomst niet uitgaan, opdat gij niet sterft: want do zalfolie des Heeren is op u. En zij deden naar hot woord van Mozes. a Lev. 21 : 12. 8 En do Heere sprak tot Aaron, zeggende: i) Wijn en sterken drank zult gij niet drinken, gij, noch uwe zonen met u, als gij gaan zult in de tent der zamenkomst, opdat gij niet sterft: hot zij eene eeuwige inzetting onder uwe geslachten; 10 En om onderscheid te maken tusschen het heilige en tusschen het onheilige, en tusschen het onreine en tusschen hot reine; 11 En om den kinderen Israëls te loeren al do inzettingen, die de Heere door do dienst van Mozes tot hen gesproken hoeft. 12 En Mozes sprak tot Aaron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijne overgeblevene zonen: Neemt het spijsoffer, dat van do vuurofferon dos Heeren overgebleven is, en eet hetzelve ongezuurd bij liet altaar: want iiot is eene heiligheid dor heiligheden. 13 Daarom zult gij dat eten in do heilige plaats, dewijl hot uw bescheiden deel en hot bescheiden dool uwer zonen uit des Heeren vuurofferon is; quot;want alzoo is mij geboden. «Lev. 2:3. 6: 10. 14 Ook do bewoogborst en den hefschouder zult gij in eene reine plaats eten, gij, en uwe zonen, on uwe dochteren mot u: want tot uw bescheiden deel, on uwer zonen bescheiden doel, zijn zij uit de dankofferon der kinderen Israëls gegeven. 15 Den hefschouder en do bewoogborst zullon zij nevens de vuurofferon des vets toebrengen, om ten boweegoffer voor het aangezigt dos Hke-Ren te bewegen: hetwelk, voor u en uwe zonen met u, tot eene eeuwige inzetting zijn zal, gelijk als de Heere geboden hooft. 16 En Mozes zocht zeer naarstiglijk den bok des zondoffers; en ziet, hij was verbrand. Dies was hij op Eleazar en op Ithamar, do overgeblevene zonen van Aaron, zeer toornig, zeggende: |
17 Waarom hebt gij dat zondoffer niot gegoten in do heilige plaats? want het is eene heiligheid der heiligheden, en Hij heeft u dat gegeven, opdat gij de ongorogtighoid dor vergadering zoudt dragen, om over die verzoening te doen voor het aangezigt des Heeren. 18 Ziet, deszelfs bloed is niot binnen in het heiligdom gedragen; gij moest dat ganschelijk gegoten hebben in hot heiligdom, quot;gelijk als ik geboden liob. «.Lev. 4:5. 6:20. 16:27. 1!) Toen sprak Aaron tot Mozes: Zie, heden hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer voor het aangezigt des Heeren geofferd, en zulke dingen zijn mij wedervaren! en had ik heden hot zondoffer gegoten, zou dat goed geweest zijn in do oogen dos Heeren? 20 Als Mozes dit hoorde, zoo was hot goed in zijne oogen. HOOFDSTUK 11. Wetten over het onderscheid tusschen reine en onreine dieren, en wel van viervoetige dieren, vs. t; van visschen, i), van vogels, 13, en kruipende dieren, 20. Nadere opgaaf van onreine dieren, 26; van hetgeen door aanraking ontreinigt, 32. AI liet kruipende gedierte is onrein, 41. Vermaning tot reinheid en heiligheid, 44. EN do Heere sprak tot Mozes en tot Aiiron, zeggende tot lion: 2 Spreekt tot do kindoren Israëls, zeggende: quot;Dit is het gedierte, dat gij oten zult uit allo beesten, die op aardozijn. aDeui. 14:4. Hand. 10:14. 3 Al wat onder do beesten don klaauw verdeelt, en do kloof dor klaauwon in tweeën klieft, en herkaauwt, dat zult gij eten. 4 Dezen nogtans zult gij niot oton, van degenen, die alleen horkaauwon, of do klaauwon alleen verdoelen: don kemel, want iiij herkaauwt wol, maar verdeelt don klaauw niet, die zal u onrein zijn; 5 En hot konijntje, want het herkaauwt wol, maar verdoolt don klaauw niet, dat zal u onrein zijn; 6 En don haas, want hij herkaauwt wel, maar verdoolt den klaauw niot, die zal u onrein zijn; 7 Ook hot zwijn, want dat verdoolt wel don klaauw, en klieft de klove dor klaauwon in tweeën, maar herkaauwt hot gokaauwdo niet, dat zal u onrein zijn. 8 Van hun vloosch zult gij niot oten, on hun dood aas niot aanroeren, zij zullon u onrein zijn. i) Dit zult gij oten van al wat in do wateren is: al wat in do watoren, in do zeeën en in do rivieren, vinnon en schubben heeft, dat zult gij oten; It) Maar al wat in do zeeën en in de rivieren, van allo gewemel der wateren, en van allo lovende ziel, die in de wateren is, goeno vinnon of schubben heeft, dat zal u oen verfoeisel zijn. 11 Ja, oen verfoeisel zullon zij u zijn; van hun vloosch zult gij niot oten, en hun dood aas zult gij verfooijen. 12 Al wat in do wateren goeno vinnen on schubben heeft, dat zal u oen verfoeisel zijn. 13 En van het gevogelte zult gij dozen vorfoeijen. |
LEVITICUS 11, 12.
MS
|
zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en do havik, on de zeearend, 14 En do gier, en de kraai, naar haren aard; 15 Alle rave naar haren aard; Ki En do struis, en do nachtuil, on de koekoek, en de sperwer naar zijnen aard; 17 En do steenuil, en het duikertje, en do schuifuit, 18 En do kauw, on de roerdomp, en de pelikaan, 19 En de ooijevaar, do reiger naar zijnen aard, en de hop, en de vledermuis. 20 Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn. 21 Dit nogtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijne voeten schenkelen hooft, om daarmede op de aarde te springen; 22 Van die zult gij dezen eten: den sprinkhaan naar zijnon aard, en don solham naar zijnen aard, en den hargol naar zijnen aard, en den hagab naar zijnen aard. 211 En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u oen verfoeisel zijn. 24 En aan dozen zult gij verontreinigd worden; zoo M'io luin dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond. 25 Zoo wie van hun dood aas gedragen zal hebben, zal zijne kleederen wasschen, on onrein zijn tot aan den avond. 2() Alle beest, dat don klaauw verdeelt, doch de klove niet in tweeën klieft, en niet herkaauwt, zullen u onrein zijn; zoo wie dezelve aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn. 27 En al wat op zijne pooten gaat onder alle gedierte, op vier voeten gaande, die zullen u onrein zijn; al wie hun dood aas aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan don avond. 28 Ook die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijne kleederen wasschen, en onrein zijn tot aan don avond; zij zullen u onrein zijn. 29 Verder zal u dit onder het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, onrein zijn: het wezeltje, en de muis, en de schildpad, naar haren aard; ;i() En de zwijnegel, on de krokodil, en do hagedis, en de slak, en de mol; !?1 Die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zoo wie die zal aangeroerd hebben, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan den avond. 32 Daartoe al hetgeen, waarop iefn van dezelve vallen zal, als zij dood zijn, zal onrein zijn, hetzij quot;van alle houten vat, of kleed, of vel, of zak, of allo vat, waarmede eeniy werk gedaan wordt; het zal in hot water gestoken worden, en onrein zijn tot aan don avond; daarna zal hot rein zijn. a Lev. 15:12. 33 En allo aarden vat, waarin iets van dezelve zal gevallen zijn, al wat daarin is, zal onrein zijn, en gij zult dat breken. 34 Van alle spijze, die men eet, waarop het water zal gekomen zijn, die zal onrein zijn, en allo drank, dien men drinkt, zal in alle vat onrein zijn. |
35 En waarop iets van hun dood aas zal vallen, zal onrein zijn; do oven en de aarden pan zal verbroken worden; zij zijn onrein, daarom zullen zij u onrein zijn. 36 Doch eene fontein, of put van vergadering der wateren, zal rein zijn; maar wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn. 37 En wanneer van hun dood aas zal gevallen zijn o]) eenig zaaibaar zaad, dat gezaaid wordt, dat zal rein zijn. 38 Maar als water op hot zaad gedaan zal worden, en van hun dood aas daarop zal gevallen zijn, dat zal u onrein zijn. 39 En wanneer van do dieren, die u tot spijze zijn, iets zal gestorven zijn, wie deszelfs dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond. 40 Ook die van hun dood aas gegeten zal hebben, zal zijne kleederen wasschen, en onrein zijn tot aan den avond; en die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijne kleedoren wasschen, en onrein zijn tot aan den avond. 41 Voorts alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, zal een verfoeisel zijn, hot zal niet gegoten worden. 42 Al wat op zijnen buik gaat, en al wat gaat op zijne vier voeten, of al wat vele voeten hooft, onder allo kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, die zult gij niet eton, want zij zijn oen verfoeisel. 43 Maakt uwe zielen niet verfooijelijk aan eenig kruipend gedierte, dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat gij daaraan verontreinigd zoudt worden. 44 «Want Ik ben de Heere , uw God; daarom zult gij u hoiligon, en heilig zijn, dewijl Ik heilig ben; on gij zult uwe ziel niot verontreinigen aan eenig kruipend gedierte, dat zich op aarde roert. a Lev. 19 : 2. 20 ; 7. 1 Petr. 1 :16. 45 Want Ik bon do Heere, die u uit Egypte-land doe optrekken, opdat Ik u tot een' God zij, on opdat gij heilig zijt, dewijl Ik heilig ben. 46 Dit is do wet van de beesten, on van het gevogelte , on van allo levende ziel, die zich roert in do wateren, en van allo ziel, die kruipt op de aarde; 47 Om te onderscheiden tusschen hot onreine en tusschen het reine, en tusschen het gedierte, dat men eten, en tusschen het gedierte, dat men niot eten zal. HOOFDSTUK 12. Wetten over hot onrein zijn eenor kraamvrouw, die of eenon zoon gebaard heeft, vs. 1, of eene dochter, 5; over hare reiniging, wanneer zij rijk, 6, of arm was, 8. VERDER sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer eene vrouw zaad gegeven, en een knechtje |
LEVITICUS 12, 13.
119
|
gebaard zal hebben, zoo zal zij zeven dagen onrein zijn, volgens de dagen der afzondering harer krankheid, zal zij onrein zijn. :? quot; En op den achtsten dag zal het vleeseh zijner voorhuid besneden worden. «Gen, 17 : 12. Luk. 1 : 59. 2 : 21. .loh. 7 : 22. 4 Daarna zal zij drie en dertig dagen blijven in hot bloed harer reiniging; niets heiligs zal zij aanroeren, en tot het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen harer reiniging vervuld zijn. 5 Maar indien zij een meisje gebaard zal hebben, zoo zal zij twee weken onrein zijn, volgens hare afzondering; daarna zal zij zes en zestig dagen blijven in het bloed harer reiniging. (i En als de dagen harer reiniging voor den zoon, of voor de dochter, vervuld zullen zijn, zoo zal zij oen jarig lam ten brandoffer, en eene jonge duif, of tortelduif, ten zondoffer brengen, voor de deur van de tent der zamenkomst, tot den priester. 7 Die zal dat offeren voor het aangezigt des Heeuen, en zal voor haar verzoening doen, zoo zal zij rein zijn van den vloed haars bloeds. Dit is de wet dergene, die een knechtje of meisje gebaard heeft. 8 Maar indien hare hand niet genoeg voor een lam vindt, zoo zal zij twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, ecne ten brandoffer, en eene ten zondoffer; en de priester zal voor haar verzoening doen; zoo zal zij rein zijn. HOOFDSTUK 13. Wetten aangaande raelaatschheid van de menschon; bepaling door wie en aan welke kenteekenon de onderscheidene raelaatschheid moest beoordeeld worden, vs. 1 ; van de molaatschheid van het gezwel, 9, dor verzwering, 18, des vurigen brands, 24, der scluirftheid, 29, der blaren, 38, der kaalheid en blesheid, 40. Wet van hetgeen de melaatsche doen moest, 45; over de melaatschheid in kleederen van linnen, wol en huiden, 47. VERDER sprak de Heere tot Mozes en tot Aaron, zeggende: 2 Een mensch, als in liet vel zijns vleeaches een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, welke in het vel zijns vleesches tot eene plaag der melaatschheid zou worden, hij zal dan tot den priester Aiiron, of tot eenen uit zijne zonen, de priesteren, gebragt worden. 3 En de priester zal de plaag in het vel des vleesches bezien, zoo het haar in die plaag in wit veranderd is, en het aanzien der plaag dieper is dan het vel zijns vleesches, het is de plaag der melaatschheid; als de priester hem bezien zal hebben, dan zal hij hem onrein verklaren. 4 Maar zoo de blaar in het vel zijns vleesches wit is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, en hot haar niet in wit veranderd is, zoo zal de priester hem, die do plaag heeft, zeven dagen opsluiten. |
5 Daarna zal de priester op den zevenden dag hem bezien; indien, ziet, de plaag, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zoo zal de priester hem zeven andere dagen opsluiten. (i En de priester zal hem andermaal op den zevenden dag bezien, indien, ziet, de plaag ingetrokken, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zoo zal de priester hem rein verklaren; het was eene verzwering; en hij zal zijne kleederen wasschen, zoo is hij rein. 7 Maar zoo de verzwering in het vel ganschelijk uitgespreid is, nadat hij aan den priester tot zijne reiniging zal vertoond zijn, zoo zal hij andermaal aan den priester vertoond worden. 8 Indien de priester merken zal, dat, ziet, de verzwering in het vol uitgespreid is, zoo zal de priester hem onrein verklaren; het is melaatschheid. 9 Wanneer de plaag der melaatschheid in een' mensch zal zijn, zoo zal hij tot den priester gebragt worden. 10 Indien de priester merken zal, dat, ziet, een wit gezwel in het vel is, hetwelk het haar in wit veranderd heeft, en gezondheid van levend vleeseh in dat gezwel is; 11 Dat is eene verouderde melaatschheid in het vel zijns vleesches: daarom zal hem de priester onrein verklaren; hij zal hom niet doen opsluiten, want hij is onrein. 12 En zoo de melaatschheid in het vel ganschelijk uitbot, en de melaatschheid het geheele vel desgenen, die de plaag heeft, van zijn hoofd tot zijne voeten, bedekt heeft, naar al het gezigt vap de oogen des priesters; 13 En do priester merken zal, dat, ziet, de melaatschheid zijn gelieele vleeseh bedekt heeft, zoo zal hij hem, die do plaag heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd: hij is rein. 14 Maar ten welken dage levend vleeseh daarin gezien zal worden, zal hij onrein zijn. 15 Als dan de priester dat levende vleeseh gezien zal hebben, zal hij hem onrein verklaren; dat levende vleeseh is onrein: het is molaatschheid. K! Of als dat levende vleeseh verkeert, en in wit veranderd zal worden, zoo zal hij tot den priester komen. 17 Als de priester hom bezien zal hebben, dat, ziet, de plaag in wit veranderd is, zoo zal do priester hem, die de plaag heeft, rein verklaren: hij is rein. 18 Het vleeseh ook, als in deszelfs vel eene zweer zal geweest zijn, zoo het genezen is; 19 En in de plaats van die zweer, een wit gezwel, of eene witte roodachtige blaar worden zal, zoo zal het aan den priester vertoond worden. 20 Indien de priester merken zal, dat, ziet, haar aanzien lager is dan hot vel, en derzelver haar in wit veranderd is, zoo zal de priester hem onrein verklaren: het is de plaag der melaatschheid, zij is door de zweer uitgebot. 21 Wanneer nu do priester die bezien zal hebben, dat, ziet, geen wit haar daaraan is, en die |
LEVITICUS l^.
120
|
niot lager dan hot vel, maar ingetrokken is, zoo zal de priester hem zeven dagen opsluiten. 22 Zoo zij daarna gansch in het vel uitgespreid zal zijn, zoo zal de priester hem onrein verklaren: het is de plaag. 23 Maar indien de blaar in hare plaats zal staande blijven, niet uitgespreid zijnde, liet is de roof van die zweer, zoo zal do priester hom rein verklaren. 24 Of wanneer in het vol dos vleoschos oen vurige brand zal geweest zijn, en het gezonde van dien brand oono witte roodachtige of witte blaar is; 25 En do priester die gezien zal hebben, dat, ziet, het haar op de blaar in wit veranderd is, en haar aanzien dieper is dan het vel: het is melaatschheid, door den brand is zij uitgebot; daarom zal hem de priester onrein verklaren: hot is de plaag dor melaatschheid. 26 Maar indien de priester die merken zal, dat, ziet, op do blaar geen wit haar is, en zij niet lager dan het vel, maar ingetrokken is, zoo zal de priester hem zeven dagen opsluiten. 27 Daarna zal do priester hom op don zevenden dag bezien; indien zij gansch uitgespreid is in liet vol, zoo zal de priester hem onrein verklaren: het is de plaag der melaatschheid. 28 Maar indien do blaar in hare plaats staande zal blijven, noch in hot vol uitgespreid, maar ingetrokken zal zijn, het is oen gezwel van don brand; daarom zal do priester hom rein vorklaren, want het is de roof van den brand. 29 Vorder, als in een' man of vrouw eene plaag zal zijn in het hoofd, of in don baard; 30 En do priester de plaag zal bezien bobben, dat, ziet, haar aanzien dieper is dan hot vel, en geelachtig dun haar daarop is, zoo zal de priester hom onrein verklaren: het is schurftheid, het is melaatschheid van hot hoofd of van den baard. 31 Maar als do priester de plaag dor schurftheid zal bezien hebben, dat, ziet, haar aanzien niet dieper is dan hot vel, en geen zwart haar daarop is, zoo zal de priester hem, die do plaag der schurfthoid heeft, zeven dagen doen opsluiten. 32 Daarna zal do priester die plaag op den zevendon dag bezien; indien, ziet, de schurfthoid niet uitgespreid , en daarop geen geelachtig haar is, noch hot aanzien der schurftheid dieper dan hot vol is; 33 Zoo zal hij zich scheren laten, maar de schurftheid zal hij niet schoren; en de priester zal hem, die de schurftheid hoeft, andermaal zeven dagen doen opsluiten. 34 Daarna zal do priester die schurftheid op don zevendon dag bezien; indien, ziet, de schurfthoid in het vel niet uitgespreid is, en haar aanzien niot dieper is dan hot vel, zoo zal do priester hom rein vorklaren; en hij zal zijne kleederon wasschen, en rein zijn. 35 Maar indien die schurftheid in het vol gansch uitgespreid is, na zijne reiniging; |
36 En de priester hem zal bezien hebben, dat, ziet, de schurftheid in hot vel uitgespreid is, de priester zal naar hot geelachtig haar niot zoeken : hij is onrein. 37 Maar indien die schurftheid, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en zwart haar daarop gewassen is, die schurftheid is genezen, hij is rein: daarom zal do priester hem rein verklaren. 38 Verder als oen man, of vrouw, aan hot vol van hun vloesch blaren zullen hebben, witte blaren; 39 En de priester zal gemerkt hebben, dat, ziet, ingetrokken witte blaren in het vel van hun vleosch zijn: hot is eene witte puist in hot vol uitgebot, hij is rein. 40 En als een' man zijn hoofdhaar zal uitgevallen zijn, hij is kaal, hij is rein. 41 En zoo van do zijde zijns aangozigts hot haar van zijn hoofd zal uitgevallen zijn, hij is blos, hij is rein. 42 Maar zoo in do kaalheid, of in de blesse, eene witte roodachtige plaag is, dat is melaatschheid, uitbottende in zijne kaalheid, of in zijne blesse. 43 Als de priester hom zal bezien hebben, dat, ziet, hot gezwel van die plaag in zijne kaalheid, of blesse, wit roodachtig is, gelijk het aanzien der melaatschheid van het vel des vleoschos: 44 Die man is melaatsch, hij is onrein; de priester zal hem ganschelijk onrein verklaren, zijne plaag is op zijn hoofd. 45 Voorts zullen do kleederen des melaatschon, in wien die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij quot;roepen: Onrein! onrein! oKlgld. 4:15. 46 Al de dagen, in welke deze plaag aan hom zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijne woning wezen. 47 Vorder als aan oen kleed de plaag dor ino-laatschhoid zal zijn, aan oen wollen kleed, of aan oen linnen kleed, 48 Of aan den scheerdraad, of aan den inslag van linnen, of van wol, of aan vol, of aan oenig vellenwork; 49 En die plaag aan het kleed, of aan het vel, of aan don scheerdraad, of aan don inslag, of aan oenig vellontuig, groenachtig of roodachtig is; hot is de plaag der melaatschheid: daarom zal zij den priester vertoond worden. 50 En do priester zal de plaag bezien; en hij zal hetgeen de plaag hoeft, zeven dagen doen opsluiten. 51 Daarna zal hij op den zevenden dag do plaag bezien; zoo do plaag uitgespreid is aan hot kleed, of aan den scheerdraad, of aan don inslag, of aan het vel, tot wat werk dat vol zou mogen gemaakt zijn, die plaag is eene knagende melaatschheid, het is onrein. 52 Daarom zal hij dat kleed, of die werpte, of |
|
dien inslag van wol, of van linnen, of allo vel-lentnig, waarin die plaag zal zijn, verbranden: want het is eene knagende melaatschheid; het zal met vuur verbrand worden. 53 Doch indien de priester zal zien, dat, ziet, de plaag aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan eenig vellentuig niet uitgespreid is; 54 Zoo zal de priester gebieden, dat men hetgeen, waaraan die plaag is, wassche, en hij zal dat andermaal zeven dagen doen opsluiten. 55 Als de priester, nadat het gewasschen is, de plaag zal bezien hebben, dat, ziet, de plaag hare gedaante niet veranderd heeft, en de plaag niet uitgespreid is, het is onrein, gij zult het met vuur verbranden; het is eene ingraving aan zijne achterste of aan zijne voorste zijde. 56 Indien nu de priester merken zal, dat, ziet, die plaag, nadat zij zal gewasschen zijn, ingetrokken is; dan zal hij ze van liet kleed, of van het vel, of van den scheerdraad, of van den inslag afscheuren. 57 Maar zoo zij nog aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan eenig vellentuig, gezien wordt, het is uitbottende melaatschheid, gij zult hetgeen, waaraan de plaag is, met vuur verbranden. 58 Maar het kleed, of de werpte, of de inslag, of alle vellentuig, dat gij gewasschen zult hebben, als de plaag daarvan geweken zal zijn, dat zal andermaal gewasschen worden, en het zal rein zijn. 59 Dit is de wet van de plaag der melaatschheid, van een wollen of linnen kleed, of eene werpte, of eenen inslag, of alle vellentuig, om dat rein te verklaren, of onrein te verklaren, HOOFDSTUK 14. Wetten over de reiniging der molaatschen, vs. 1; over de plegtiglieden daarbij in auht te nemen, 3; over de offeranden voor den rijke, 10; voor den arme, 21; over de melaatschheid der huizen, hare ken-teekenen, 33; van de wijze om die te reinigen, 49. Besluit, 54. DAARNA sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Dit zal de wet des melaatschen zijn, ten dage zijner reiniging: quot;dat hij tot den priester zal ge-bragt worden. «Matt.8:4. Mark. 1:44. Luk.5:14. 17:14. 3 En de priester zal buiten het leger gaan; als de priester merken zal, dat, ziet, die plaag der melaatschheid van den melaatsche genezen is; 4 Zoo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine vogelen neme, mitsgaders cederenhout, en scharlaken, en hijzop. 5 De priester zal ook gebieden, dat men den oenen vogel slagte, in een aarden vat, over levend water. lt;gt; Dien levenden vogel zal hij nemen, en het cederhout, en het scharlaken, en don hijzop; en zal die, en den levenden vogel doopen in hot bloed des vogels, die over het levende water geslagt is; |
121 7 En hij zal over hem, die van de melaatschheid te reinigen is, zevenmaal sprongen; daarna zal hij hem rein verklaren, en don levenden vogel in het open veld vliegen laten. 8 Die nu te reinigen is, zal zijne kleederon was-schon, en al zijn haar afscheren, en zich in hot water afwasschen, zoo zal hij rein zijn; daarna zal hij in het leger komen; maar zal buiten zijne tent zeven dagen blijven. 9 En op den zevenden dag zal hot geschieden, dat hij al zijn haar zal afscheren, zijn hoofd, en zijnen baard, en do wenkbraauwen zijner oogen; ja al zijn haar zal hij afscheren, en zal zijne kleederen wasschen, en zijn vleesch met water baden, zoo zal hij rein zijn. 10 En op den achtsten dag zal hij twee volkomen lammeren, en een jarig volkomen schaap nomen, mitsgaders drie tienden meelbloem ton spijsoffer, mot olie gemengd, on oenen log olie. 11 De priester nu, die de reiniging doet, zal don man, die te reinigen is, en die dingen, stellen voor het aangezigt dos Heeren, aan de deur van de tont der zamenkomst. 12 En de priester zal dat eene lam nomen, en hetzelve offeren tot oen schuldoffer met den log olie; quot; en zal die ten beweegoffer voor het aangezigt des Heeren bewogen. '/Ex. 29:24. 13 Daarna zal hij dat lam slagton in do plaats, waar men hot zondoffer en het brandoffer slagt, in do heilige plaats: want het schuldoffer, quot;gelijk hot zondoffer, is voor den priester; hot is eene heiligheid der heiligheden. a Lev. 7 : 7. 14 En de priester zal van het bloed dos schuldoffers nomen, hetwelk de priester doen zal op hot lapje van het regteroor desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner regterhand, en op den grooten teen zijns regtervoets, 15 Do priester zal ook uit don log dor olie nemen, en zal zo op dos priesters linkerhand gieten, 16 Dan zal do priester zijnen regtervinger in-doopen, nemende van die olio, die in zijne linkerhand is, en zal met zijnen vinger van die olie zevenmaal sprengen, voor hot aangezigt des Heeren. 17 En van het overige van die olie, die in zijne hand zal zijn, zal de priester doen op hot lapje van het regteroor desgenen, die te reinigen is, en op don duim zijnor regterhand, en op don grooten toon zijns regtervoets, boven op hot bloed dos schuldoffers, 18 Dat nog overgebleven zal zijn van die olie, die in do hand dos priesters geweest is, zal hij doen op hot hoofd desgenen, die te reinigen is; zoo zal de priester over hem verzoening doen voor het aangezigt des Heeren, 19 De priester zal ook het zondoffer bereiden, en voor hom, die van zijne onreinighoid te reinigen is, verzoening doen; en daarna zal hij het brandoffer slagten, 20 En de priester zal dat brandoffer en dat LEVITICUS 13, 14. |
LEVITICUS 1-1.
122
|
spijsoffer op hot altaar offeren; zoo zal do priester do verzoening voor hem doen, en liij zal rein zijn. 21 Maar indien hij arm is, en zijne hand dat niet bereikt, zoo zal hij eon lam ten schuldoffer, ter beweging nemen, om voor hem verzoening te doen; daartoe oen tiende meelbloem, mot olie gemengd, ton spijsoffer, en oenen log olio; 22 Mitsgaders twee tortelduiven, of twee jonge duiven, die zijne hand bereiken zal, welker oeno ton zondoffer, en eono ten brandoffer zijn zal. 23 En hij zal die, op den achtsten dag zijner reiniging, tot don priester brengen, aan do deur van de tont der zamenkomst, voor het aangezigt des Heeren. 24 En de priester zal het lam des schuldoffers, on den log der olie nemen; en de priester zal die ton beweegoffer voor het aangezigt dos IIkeken bewegen. 25 Daarna zal hij hot lam dos schuldoffers slag-ton, en do priester zal van hot bloed dos schuldoffers nomen, en doen op het regtoroorlapjo desgenen, die te reinigen is, on op don duim zijner rogterhand, on op don grooten toon zijns regtervoets. 26 Ook zal de priester van die olie op des priesters linkerhand gieten. 27 Daarna zal de priester mot zijnen regtervinger van die olie, die op zijne linkerhand is, sprengen, zevenmaal, voor het aangezigt des Heeren. 28 En do priester zal van de olie, die op zijne hand is, doen aan hot lapje van hot regteroor desgenen, die te reinigen is, en aan den duim zijner rogterhand, en aan don grooten teen zijns regtervoets, op de plaats van het bloed des schuldoffers. 29 En het overgeblevene van do olie, die in do hand des priesters is, zal hij doen op hot hoofd desgonen, die te reinigen is, om de verzoening voor hem te doen, voor het aangezigt des Heeren. 30 Daarna zal hij do eene van de tortelduiven, of van de jonge duiven bereiden, van hetgeen zijne hand bereikt zal hebben; 31 Van hetgeen zijne hand bereikt zal hebben, zal het eene ton zondoffer, en hot eono ton brandoffer zijn, boven het spijsoffer; zoo zal do priester voor hem, die to reinigen is, verzoening doen voor het aangezigt dos Heeren. 32 Dit is de wet desgenen, in wien de plaag dor molaatschhoid zal zijn, wiens hand in zijne reiniging dat niet zal bereikt hebben. 33 Verder sprak do Heere tot Mozos en tot Aaron, zeggende: 34 Als gij zult gekomen zijn in hot land van Kanaan, hetwelk Ik u tot bezitting geven zal, on Ik do plaag der molaatschhoid aan oen huis van dat land uwer bezitting zal gegeven hebben; 35 Zoo zal hij, van wien dat huis is, komen, en don priester te kennen geven, zeggende: Het schijnt mij, alsof er eene plaag in hot huis ware. |
36 En do priester zal gebieden, dat zij dat huis ruimen, aleer do priester komt, om dio plaag te bezien, opdat niet al wat in dat huis is, onrein worde; on daarna zal de priester komen, om dat huis te bezien. 37 Als hij die plaag bezien zal, dat, ziet, die plaag aan de wanden van dat huis, zijn groenachtige of roodachtige kuiltjes, en hun aanzien lager is dan die wand; 38 De priester zal uit dat huis uitgaan, aan de deur van hot huis, on hij zal dat buis zeven dagen doen toesluiten. 39 Daarna zal do priester op den zevendon dag wederkeeren; indien hij merken zal, dat, ziet, die plaag aan de wanden van dat huis uitgespreid is; 40 Zoo zal do priester gebieden, dat zij de steonen, in welke die plaag is, uitbreken, en dezelve tot buiten do stad werpen, aan eono onreine plaats; 41 En dat huis zal hij rondom van binnen doen schrabben, en zij zullen het stof, dat zij afge-schrabt hebben, tot buiten de stad aan eono on-roino plaats uitstorten. 42 Daarna zullen zij andore stoenen nemen, en in de plaats van gene steonen brongen; en men zal ander loom nomen, en dat huis bestrijken. 43 Maar indien die plaag wederkeert, en in dat huis uitbot, nadat men do steonen uitgebroken hoeft, on na het afschrabben van bot huis, en nadat het zal bestreken zijn; 44 Zoo zal do priester komen; als hij nu zal merken, dat, ziet, die plaag aan dat huis uitgespreid is: het is eene knagende molaatschhoid in dat huis, hot is onrein. 45 Daarom zal men dat huis, zijne steonen, en zijn hout oven afbreken, mitsgaders al het loom van hot huis, en men zal het tot buiten de stad uitvoeren, aan eene onreine plaats. 46 En die in dat huis gaat ten eenigen dage, als nien hetzelve zal toegesloten hebben, zal onrein zijn tot aan don avond. 47 Dio ook in dat huis te slapen ligt, zal zijne kleederen wasschen; insgelijks die in dat huis oot, zal zijne kleederen wasschen. 48 Maar als de priester zal weder ingegaan zijn, en zal merken, dat, ziet, die plaag aan dat huis niot uitgespreid is, nadat het huis zal bestreken zijn; zoo zal do priester dat huis rein verklaren, dewijl dio plaag genezen is. 49 Daarna zal hij, om dat huis te ontzondigen, twee vogeltjes nemen, mitsgaders coderonhout, on scharlaken, on hijzop. 50 En hij zal don eenon vogel slagten in een aarden vat, over levend water. 51 Dan zal hij dat coderonhout, en dien hijzop, on het scharlaken, en den levenden vogel nomen, on zal die in het bloed dos geslagton vogels on in het lovende water doopen; en hij zal dat huis zevenmaal besprongen. 52 Zoo zal hij dat huis ontzondigen met het bloed des vogels, en mot dat levend water, en |
|
mot don lovonden vogol, on mot dat cederenhout, on mot don hijzop, on mot hot scharlakon. 53 Don lovenden vogel nu zal hij tot buiton de stad, in het open veld, laten vliogen; zoo zal hij over het huis verzoening doen, en het zal rein zijn. 54 Dit is do wot voor allo plage dor molaatsch-heid, en voor schurftheid ; 55 En voor molaatschheid der kleederen, en dor huizon; 56 Mitsgaders voor gezwel, en voor gezweer, en voor blaren; 57 Om te loeren, op wolken dag iets onrein, en op wolkon dag iets rein is. Dit is do wet der molaatschheid. HOOFDSTUK 15. Wetten aangaande onreine vloeijingen bij mannen, hetzij dooi' zwakheid en ziekte, vs. 1, of in don slaap, 16. Over de maandelijksehe, 1!), en buitengewone reiniging der vrouwen, 25; besluit, 31. VERDER sprak do Heere tot Mozes en tot Aaron, zeggende: 2 Spreekt tot do kinderen Israels, on zegt tot hen: Een ieder man, als hij vloeijende zal zijn uit zijn vloesch, zal om zijnen vloed onrein zijn. 3 Dit nu zal zijne onreinigheid om zijnon vlood zijn; zoo zijn vloesch zijnon vlood uitzeevert, of zijn vloesch van zijnen vloed zich verstopt, dat is zijne onreinigheid. 4 Alle leger, waarop hij, die den vloed heeft, zal liggen, zal onrein zijn, en allo tuig, waarop hij zal zitten, zal onrein zijn. 5 Een ieder ook, die zijn leger zal aanroeren, zal zijne kleederen wasschen, en zich mot water baden, en zal onrein zijn tot aan den avond. 6 En die op dat tuig zit, waarop hij, die don vlood hooft, gezeten zal hebben, zal zijne kleederen wasschen, en zich mot water baden, en zal onrein zijn tot aan don avond. 7 En die het vleesch desgenen, die den vlood heeft, aanroert, zal zijne kleederen wasschen, en zicli mot water baden, on onrein zijn tot aan den avond. 8 Als ook hij, dio don vloed heeft, op oenen reine zal gespogen hebben, dan zal hij zijne kleederen wasschen, en zal zich mot water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 0 Insgelijks allo zadel, waarop hij, dio don vloed hooft, zal gereden hebben, zal onrein zijn. 10 En al wie iets aanroert, dat onder hem zal geweest zijn, zal onrein zijn tot aan den avond; en die hetzelve draagt, zal zijne kleederen wasschen, en zich mot water baden, on onrein zijn tot aan don avond. 11 Daartoe een ieder, wien hij, dio don vlood hoeft, zal aangeroerd hebben, zonder zijne handen met water gespoeld te hebben, die zal zijne kleederen wasschen, en zicb mot water baden, on onrein zijn tot aan don avond. 12 «Ook het aarden vat, hetwelk hij, die den vloed hoeft, zal aangeroerd hebben, zal gebroken |
123 worden; maar allo houten vat zal mot water gespoeld worden. aLov. 6:28. 11 ; 33. 13 Als iiij nu, die den vloed hooft, van zijnen vlood gereinigd zal zijn, zoo zal hij tot zijne reiniging zeven dagen voor zich tollen, en zijne kleederen wasschen, en hij zal zijn vleesch met lovend water baden, zoo zal hij rein zijn. 14 En op den achtsten dag zal hij voor zicli twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen; en zal voor hot aangozigt des Heeren, aan do deur van de tent der zamenkomst komon, en zal zo don priester geven. 15 En do priester zal die bereiden, eene ton zondoffer, en eene ten brandoffer; zoo zal de priester over hem voor het aangozigt dos Heeren, van wogo zijnen vlood, verzoening doen. 16 Verder een man, als van hem het zaad des bijliggons zal uitgegaan zijn, die zal zijn ganscho vleesch met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 17 Ook allo kleed, on allo vol, aan hetwelk hot zaad des bijliggons wezen zal, dat; zal mot water gewasschen worden, en onrein zijn tot aan den avond. 18 Mitsgaders do vrouw, als oen man mot het zaad dos bijliggons bij haar gelogen zal hebben; daarom zullen zij zich met water baden , en onrein zijn tot aan den avond. 1!) Maar als eene vrouw vloeijende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vloesch, zoo zal zij zeven dagen in hare afzondering zijn; en al wie haar aanroert, zal onrein zijn tot aan den avond. 20 En al hetgeen, waarop zij in hare afzondering zal gelegen hebben, zal onrein zijn; mitsgaders alles, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn. 21 En al wie haar leger aanroert, zal zijne kleederen wasschen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 22 Ook al wie oenig tuig, waarop zij gezeten zal hebben, aanroert, zal zijne kleederen wasschen, en zich mot water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 23 Zelfs indien het op hot leger geweest zal zijn, of op hot tuig, waarop zij zat, als hij dat aanroerde, hij zal onrein zijn tot aan don avond. 24 quot;Insgelijks zoo iemand zekerlijk bij haar gelegen heeft, dat hare afzondering op hem zij, zoo zal hij zeven dagen onrein zijn; daartoe allo leger, waarop hij zal gelegen hebben, zal onrein zijn. a Lev. 18: 19. 25 quot; Wanneer ook eene vrouw, vele dagen buiten don tijd haror afzondering, van don vloed baars bloods vloeijen zal, of wanneer zij vlooijen zal boven hare afzondering, zij zal al do dagen van den vlood barer onreinigheid, als in de dagen barer afzondering, onrein zijn. a Matt. 9:20. 26 Allo leger, waarop zij al de dagen baars vloeds gelegen zal hebben, zal haar zijn als liet LEVITICUS M, 15. |
LEVITICUS 15, 16.
124
|
loger harer afzondering; en alle tuig, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn, naar de on-reinigheid harer afzondering. 27 En zoo wie die dingen aanroert, zal onrein zijn; daarom zal hij zijne kleederen wassehen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond. 28 Maar als zij van haren vloed rein wordt, dan zal zij voor zich zeven dagen tellen, en daarna zal zij rein zijn. 29 En op den achtsten dag zal zij voor zich twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, on zij zal die tot don priester brengen, aan de deur van de tent der zamenkomst. :!ü Dan zal de priester eene ten zondoffer en eene ten brandoffer bereiden; en de priester zal voor haar, van den vloed harer onreinigheid, verzoening doen voor het aangezigt des Hkeren. 31 Alzoo zult gij du kinderen Israels afzonderen van hunne onreinigheid; opdat zij in hunne onreinigheid niet sterven, als zij mijnen tabernakel, die in het midden van hen is, verontreinigen zouden. Ã2 Dit is de wet desgenen, die den vloed heeft, en van wien het zaad der bijligging uitgaat, zoodat hij daardoor onrein wordt; :i:s Mitsgaders van eene zwakke vrouw in hare afzondering, en van dengenen, die van zijnen vloed is vloeijende, voor een' man, en voor eene vrouw; en voor een' man, die bij eene onreine zal gelegen hebben. HOOFDSTUK 16. Bevel aan don hoogopriestor om niet in het heilige der heiligen te gaan, dan om algomeene verzoening te doen, vs. 1; opgave van de offers, welke dan geofferd moesten worden, cn van de plegtigheden, daarbij in acht te nemen. ,S, en van den tijd, wanneer die verzoening moest plaats hebben, 29. He-slnit, 34. EN de He ere sprak tot Mozes, quot; nadat do twee zonen van Aaron gestorven waren, als zij genaderd waren voor het aangezigt des Heehen, en gestorven waren; a Lev. 10: 1 , 2. 2 De Heere dan zeide tot Mozes: Spreek tot uwen broeder Aaron, quot; dat hij niet te allen tijde ga in het heilige, binnen den voorhang, voor het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve: want Ik verschijn in eene wolk op het verzoendeksel. «Ex. 30:10. Hobr. 9:7. 3 Hiermede zal Aiiron in het heilige gaan: met eenen var, een jong rund ten zondoffer, en eenen ram ten brandoffer. 4 Hij zal den heiligen linnen rok aandoen, en eene linnen onderbroek zal aan zijn vleesch zijn, en met eenen linnen gordel zal hij zich gorden , en met den linnen hoed bedekken: dit zijn heilige kleederen, daarom zal hij zijn vleesch met water baden, als hij ze zal aandoen. ö En van de vergadering der kinderen Israels zal hij nemen twee geitenhokken ten zondoffer, en eenen ram ten brandoffer. |
(! Daarna zal Aaron don var des zondoffers, die voor hem zal zij.., offeren, en zal quot;voor zich en voor zijn huis verzoening doen. a Hebr. 7:27, 2S, 7 Ilij zal ook beide de bokken nemen, en hij zal die stellen voor het aangezigt des Heeren, aan de deur van de tent der zamenkomst. 8 En Aiiron zal de loten over die twee bokken werpen: een lot voor den Heere, en een lot voor don weggaanden bok. 9 Dan zal Aaron den bok, op denwelken het lot voor den Heere zal gekomen zijn, toebrengen, en zal hem ten zondoffer maken. 10 Maar de bok, op denwelkon het lot zal gekomen zijn, om een weggaande bok te zijn, zal levend voor het aangezigt des Heeren gestold worden, om door hem verzoening te doen; opdat men hem als eenen weggaanden bok naar do woestijn uitlate. 11 Aaron dan zal den var des zondoffers, die voor hem zeiven zal zijn, toebrengen, en voor zich zeiven en voor zijn huis verzoening doen, en zal den var des zondoffers, die voor hem zeiven zal zijn, slagten. 12 Hij zal ook een wierookvat vol vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezigt des Heeren, en zijne handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestooten; en hij zal het binnen den voorhang dragen. 13 En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen, voor het aangezigt des Heeren, opdat de nevel des reukwerks het verzoendeksel, hetwelk is op de getuigenis, bedekke, en dat hij niet sterve. 14 quot; En hij zal van het bloed van den var nemen, en zal met zijnen vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijnen vinger van dat bloed sprengen. aLev. 4:6. Hebr. 9:25.10:4. 15 Daarna zal hij den bok des zondoffers, die voor het volk zal zijn, slagten, en zal zijn bloed tot binnen in den voorhang dragen, en zal met zijn bloed doen, gelijk als hij met het bloed van den var gedaan heeft, en zal dat sprengen op het verzoendeksel, en voor het verzoendeksel. 16 Zoo zal hij voor het heilige, van wege do onreinigheden der kinderen Israels, en van wege hunne overtredingen, naar al hunne zonden, verzoening doen; en alzoo zal hij doen aan de tent der zamenkomst, welke met hen woont in het midden hunner onreinigheden. 17 En geen mensch zal in de tent der zamenkomst zijn, als hij zal ingaan, om in het heilige verzoening te doen, totdat hij zal uitkomen: alzoo zal hij verzoening doen, voor zich zeiven, en voor zijn huis, on voor de geheele gemeente van Israël. 18 Daarna zal hij tot het altaar, dat voor het aangezigt des Heeren is, uitkomen, en verzoening voor hetzelve doen; en hij zal van het bloed van den var, en van het bloed van den bok nemen, en doen hot rondom op de hoornen des altaars. |
LEVITICUS 10, 17.
125
|
19 En hij zal daarop van dat bloed met zijnen vinger zevenmaal sprengen, en iiij zal dat reinigen en heiligen van de onreinigheden der kinderen Israels. 20 Als hij nu zal geëindigd hebben van liet heilige, en de tent der zamenkomst, en het altaar te verzoenen, zoo zal hij dien levendep bok toebrengen. 21 En Aaron zal beide zijne handen op het hoofd van den levenden bok leggen, en zal daarop al de ongeregtigheden der kinderen Israels, en al hunne overtredingen, naar al hunne zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd des boks leggen, en zal hem door de hand eens mans, die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten. 22 Alzoo zal die bok op zich al hunne ongeregtigheden in een afgezonderd land wegdragen; en hij zal dien bok in de woestijn uitlaten. 23 Daarna zal Aiiron komen in de tent der zamenkomst, en zal de linnen kleederen uitdoen, die hij aangedaan had, als hij in het heilige ging, en hij zal ze daar laten. 24 En hij zal zijn vleesch in de heilige plaats met water baden, en zijne kleederen aandoen; dan zal hij uitgaan, en zijn brandoffer, en het brandoffer des volks bereiden , en voor zich en voor het volk verzoening doen. 25 Ook zal hij het vet des zondoffers op het altaar aansteken. 2G En die den bok, welke een weggaande bok was, zal uitgelaten hebben, zal zijne kleederen wasschen, en zijn vleesch met water baden; en daarna zal hij in het leger komen. 27 Maar quot; den var des zondoffers, en den bok des zondoffers, welker bloed ingebragt is, om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; doch hunne vellen, hun vleesch en hunnen mest zullen zij met vuur verbranden. a Lev. 6:30. Ilebr. 13:11. 28 Die nu dezelve verbrandt, zal zijne kleederen wasschen, en zijn vleesch met water baden ; en daarna zal hij in het leger komen. 29 En dit zal voor u tot eene eeuwige inzetting zijn: quot;gij zult in de zevende maand, op den tienden der maand, uwe zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert. n Lev. 23 : 27. 30 Want op dien dag zal hij voor u verzoening doen, om u te reinigen; van al uwe zonden zult gij voor het aangezigt dos Hekken gereinigd worden. 31 Dat zal u een sabbat der rust zijn, opdat gij uwe zielen verootmoedigt: het is eene eeuwige inzetting. 32 En de priester, dien men gezalfd, en wiens hand men gevuld zal hebben, om voor zijnen vader het priesterambt te bedienen, zal de verzoening doen: als hij de linnen kleederen, de heilige kleederen, zal aangetrokken hebben. |
33 Zoo zal hij het heilige heiligdom verzoenen, en de teut der zamenkomst, en het altaar zal hij verzoenen; desgelijks voor de priesteren, en voor al het volk der gemeente zal hij verzoening doen. 34 En dit zal u tot eene eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen Israels van al hunne zonden, quot;eenmaal des jaars, verzoening te doen. En men deed, gelijk als de Heeue Mozes geboden had. «Ex. 30:10. llebr. il : 7. HOOFDSTUK 17. Verbod om ergens elders dan in don tabernakel te oileren, vs. 1. Alleen den Heere mogt men offeren, 5, geenszins den duivel, 7. Verbod om bloed en dood of verscheurd aas te eten, 10. VERDER sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot Aiiron, en tot zijne zonen, en tot al de kinderen Israels, en zeg tot hen: Dit is het woord, hetwelk de Heere geboden heeft, zeggende: 3 Een ieder van het buis Israels, die eenen os, of lam, of geit in het leger slagten zal, of die ze slagten zal buiten het leger; 4 En dezelve aan de deur van de tent der zamenkomst niet brengen zal, om eene offerande den Heere voor den tabernakel des Heeren te offeren; het bloed zal dienzelven man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten: daarom zal dezelve man uit het midden zijns volks uitgeroeid worden; 5 Opdat, wanneer de kinderen Israels hunne slagtofferen brengen, welke zij op het veld slagten, dat zij die den Heere toebrengen, aan de deur van de tent der zamenkomst tot den priester, en dezelve tot dankofferen den Heere slagten. (i En de priester zal het bloed op het altaar des Heeren, aan de deur van de tent der zamenkomst, sprengen; en hij zal het vet aansteken, tot quot;eenen liefelijken reuk den Heere. «Ex. 2!): 18. Lev. 4:31. 7 En zij zullen ook niet meer hunne slagtofferen den duivelen, welke zij nahoereren, offeren: dat zal hun eene eeuwige inzetting zijn voor hunne geslachten. 8 Zeg dan tot hen: Een ieder van het huis Israels, en van de vreemdelingen, die in bet midden van hen als vreemdelingen verkeeren, die een brandoffer of slagtoffer zal offeren. 9 En dat tot de deur van de tent der zamenkomst niet zal brengen, om hetzelve den Heere te bereiden; diezelve man zal uit zijne volken uitgeroeid worden. 10 En een ieder uit het buis Israels, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeeren, quot;die eenig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik mijn aangezigt zetten, en zal die uit het midden baars volks uitroeijen. a Gen. 9 : 4. Lev. 3 : 17. 7 : 27. 19: 26. Deut. 12:16, 23. 1 Sam. 14:33. 11 Want de ziel van het vleesch is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om |
LEVITICUS 17, 18.
126
|
over uwe zielen verzoening te doen: want liet is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen. 12 Daarom heb Ik tot de kinderen Israels gezegd : Geene ziel van u zal bloed eten; noch de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert, zal bloed eten. 13 Een ieder ook van de kinderen Israels en van de vreemdelingen, die als vreemdelingen in het midden van hen verkeeren, die eenig wild gedierte, of gevogelte, dat gegeten wordt, in de jagt gevangen zal hebben; die zal deszelfs bloed vergieten, en zal dat met stof bedekken. 14 quot;Want het is de ziel van allo vleesch, zijn bloed is voor zijne ziel; daarom heb Ik tot de kinderen Israels gezegd: (lij zult geens vleesches bloed eten: want de ziel van alle vleesch, dat is zijn bloed; zoo wie dat eet, zal uitgeroeid worden. n Gon. 9 : 4. 15 quot; En alle ziel onder de inboorlingen of onder de vreemdelingen, die een dood aas of liet verscheurde zal gegeten hebben, die zal zijne kleederen wasschen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal hij rein zijn. «Ex. 22:31. Lev. 11 : 4u. Ezce. 44:31. Ki Maar indien hij die niet wascht, en zijn vleesch niet baadt, zoo zal hij zijne ongeregtigheid dragen. HOOFDSTUK 18, Bevel aan de Israëlieten, om niet te loven naar do zeden dor Egyptenaron en Kanailnieton, maar naar do inzettingen van God, vs. 1. Verbod togen blood-schande, 6, ongeoorloofdon bijslaap, II), en overspel, 20, togen het offeren zijnor kinderen aan Moloch, 21, tegen onnatuurlijken bijslaap, 22: redenen waarom deze wetten gegeven worden, 24. VERDER sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Ik bon de Heere uw God! 3 Gij zult niet doen naar de werken dos egypti-schen lands, waarin gij gewoond hebt; en naaide werken des lands Kanaan, waarheen Ik u brenge, zult gij niet doen, on zult in hunne inzettingen niot wandelen. 4 Mijne regten zult gij doen, on mijne inzettingen zult gij houden, om in die te wandelen: Ik ben de Heere uw God! 5 Ja, mijne inzettingen on mijne regten zult gij houden; «welk mensch dezelve zal doen, die zal door dezelve leven: Ik ben de Heere! a Ezoc. 20: II, 13. Rom. 10:5. Gal. 3:12. 6 Niemand zal tot eenige nabestaande zijns vleesches naderen, om de schaamte te ontdekken: Ik ben de Heere! 7 Gij zult de schaamte uws vaders en de schaamte uwer moeder niet ontdekken: zij is uwe moeder, gij zult hare schaamte niet ontdekken. 8 quot;Gij zult de schaamte der huisvrouw uws vaders niet ontdekken: hot is de schaamte uws vaders. a Lev. 20:11. 1 Cor. 5:1. 9 De schaamte uwer zuster, der dochter uws vaders, of der dochter uwer moeder, te huis geboren of buiten geboren, hare schaamte zult gij niet ontdekken. |
10 Do schaamte der dochter uws zoons, of dor dochter uwer dochter, hare schaamte znlt gij niet ontdekken: want zij zijn uwe schaamte. 11 quot;Do schaamte van de dochter der huisvrouw uws vaders, die uwen vader geboren is, (zij is uwe zuster) hare schaamte zult gij niet ontdekken. n Lev. 20 : 17. 12 quot; Gij zult de schaamte van de zuster uws vaders niet ontdekken: zij is uws vaders nabestaande. a Lev. 20 : 10. 13 Gij znlt de schaamte van de zuster uwer moeder niet ontdekken: want zij is uwer moeder nabestaande. 14 quot;Gij zult de schaamte van den broeder uws vaders niet ontdekken, tot zijne huisvrouw zult gij niet naderen: zij is uwe moei. n Lev, 20 : 20. Ezec. 22 : 11. 15 Gij quot;zult do schaamte uwer schoondochter niet ontdekken: zij is uws zoons huisvrouw, gij zult hare schaamte niet ontdekken. « Lev. 20:12. 16 quot; Gij zult de schaamte der huisvrouw uws broeders niet ontdekken: het is de schaamte uws broeders. a Lev. 20:21. 17 quot;Gij zult de schaamte eener vrouw en harer dochter niet ontdekken; de dochter baars zoons, noch do dochter van hare dochter zult gij niet nemen, om hare schaamte te ontdekken: zij zijn nabestaanden; hot is eene schandelijke daad. a Lev. 20 : 14. 18 Gij znlt ook geene vrouw tot hare zuster nemen, om haar te benaauwen, mits hare schaamte nevens haar, in haar leven, te ontdekken. 19 Ook quot; zult gij tot de vrouw in de afzondering van hare onreinigheid niet naderen, om hare schaamte te ontdekken. a Lev. 20:18. 20 quot;En gij zult niet liggen bij uws naasten huisvrouw ter bezading, om met haar onrein te worden. « Lev. 20:10. 21 quot; En van uw zaad zult gij niet geven, om voor den Moloch door het vuur te doen gaan; en den naam uws Gods zult gij niet ontheiligen: Ik ben de Heere! a Lov. 20 : 2. Dent. 18 : 10. 2 Kon. 17 :17. 23 :10. 22 quot; Bij een' manspersoon zult gij niet liggen met vrouwelijke bijligging: dit is een gruwel. a Lev. 20 : 13. 23 quot;Insgelijks zult gij bij geen beest liggen, om daarmede onrein te worden; eene vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmede te doen te hebben: bet is eene gruwelijke vermenging. a Lev. 20 : 15, 16. 24 Verontreinigt u niet met eenige van dezen: want de Heidenen, die Ik van uw aangezigt uit-werpe, zijn met allo dezen verontreinigd; 25 Zoodat het land onrein is, en Ik over hetzelve zijne ongeregtigheid bezooke, en bet land zijne inwoners uitspuwt. 26 quot;Maar gij zult mijne inzettingen en mijne |
LEVITICUS 18, 19.
127
|
regten ondorhouden, en van al die gruwelen niets 1 doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van n als vreemdeling verkeert. a Lev. 20:22. 27 Want de lieden dezes lands, die vóór u geweest zijn, hebben al deze gruwelen gedaan; en het land is onrein geworden. 28 Dat u dat land niet uitspuwe, als gij hetzelve zult verontreinigd hebben; gelijk als het het volk, dat vóór u was, uitgespuwd heeft. 29 Want al wie eenige van deze gruwelen doen zal; die zielen, die ze doen, zullen uit het midden van haar volk uitgeroeid worden. 30 Daarom zult gij mijn hevel onderhouden, dat gij niet doet van die gruwelijke inzettingen, die vóór u zijn gedaan geweest, en u daarmede niet verontreinigt: Ik ben de IIeere uw God! HOOFDSTUK 19. Hevel tot heiligheid, vs. 1 ; om vader en moeder te eeren en de sabbaten to onderhouden, ii; afgoderij te schuwen, 4; de dankoffers naar de wetten te slagten, 5; bij den oogst den armen gedachtig te zijn, 9; den naaste geen onregt aan (e doen ,11; verbod om geene ongelijksoortige dingen te verinengen, 19; tegen bijslaap met eens anders dienstmaagd, 20; om in de eerste jaren geene vruchten van jonge boomen te eten, 2i?. Verbod tegen het eton van bloed, tegen wigchelarij en tegen heidensche gebruiken, 2G; tegen het veil hebben zijner dochter voor hoererij, 29. Vrees voorden Heere, 30. Afkeer van de waarzeggers, 31. Eerbied voor den ouderdom, 32. Bescherming van den vreemdeling, 33. Eerlijkheid in den handel, 35. VERDER sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de gansche vergadering der kinderen Israels, en zeg tot hen: quot;Gij zult heilig zijn, want Ik, de Heere uw God, ben heilig! «Lev. 11 : 44. 20:7, 26. 1 Petr. 1 :16. 3 quot; Een ieder zal zijne moeder en zijnen vader vreezen, en ''mijne sabbaten houden: Ik ben do Heere uw God! «Ex.2(i:12. 6Ex.31:13. Lev.2G:2. 4 Gij zult u tot, de afgoden niet keeren, en quot; u geene gegotene goden maken: Ik ben de Heere uw God ! «Ex. 34 : 17. ') En wanneer gij een dankoffer den Heere offeren zult, naar uw welgevallen zult gij dat offeren. 6 quot; Op den dag van uw offeren, en des anderen daags, zal het gegeten worden; maar wat tot op den derden dag overblijft, zal met vuur verbrand worden. « Lev. 7:16. 7 En zoo het op den derden dag eenigszins gegeten wordt, het is een afgrijsselijk ding, het zal niet aangenaam zijn. 8 En zoo wie dat eet, zal zijne ongeregtigheid dragen, omdat hij het heilige des IIkeren ontheiligd heeft; daarom zal dezelve ziel uit hare volken uitgeroeid worden. 9 quot; Als gij ook don oogst uws lands inoogsten zult, gij zult den hoek uws voids niet ganschelijk afoogsten, en dat van uwen oogst op te zamelen is, niet opzamelen. «Lov. 23:22. Dout. 24:19. |
10 Insgelijks zult gij uwen wijngaard niet nulezen, en de afgevallene beziën van uwen wijngaard niet opzamelen; den arme en den vreemdeling zult gij die overlaten: Ik ben de Heere uw God! 11 quot;Gij zult niet stelen, en gij zult niet liegen, noch valschelijk handelen, een iegelijk tegen zijnen naaste. « Ex. 20 : ITj. 12 quot;En gij zult niet valschelijk bij mijnen naam zweren: want gij zoudt den naam uws Gods ontheiligen: Ik ben do IIeere! «Ex. 20:7. Deut. 5:11. 13 Gij zult uwen naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch berooven; des quot; daglooners arbeidsloon zal bij u niet vernachten tot aan den morgen. « Deut. 24:14. Jakob. 5:4. 14 Gij zult den doove niot vloeken, en voor het aangezigt des blinden geenen aanstoot zetten; maar gij zult voor uwen God vreezen: Ik ben de Heere! 15 Gij zult geen onregt doen in het gorigt; quot;gij zult het aangezigt des goringen niet aannemen, noch het aangezigt des grooten voortrekken: in geregtigheid zult gij uwen naaste rigten. a Deut, 1:17. 16: 19. Spr. 24:23. 16 quot;Gij zult niet wandelen a/s een achterklapper onder uwe volken; gij zult niet staan tegen het bloed van uwen naaste: Ik ben de Heere! n Ex. 23 : 1. 17 quot;Gij zult uwen broeder in uw hart niet haten; ''gij zult uwen naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen. «1 .lob. 2:9, 11. 3:15. h Matt. 18:15. Luk. 17:3. 18 quot; Gij zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar''gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven: Ik ben de Heere! « Matt. 5:39, 44. Luk. 6:27. Kom. 12:19. I Cor. 6:7. 1 Thoss. 5 : 15. 1 Potr. 3 : 9. b Matt. 5 : 43. 22 : 39. Rom. 13 : 9. Gal. 5 : 14. Jakob. 2 : 8. 19 Gij zult mijne inzettingen houden: gij zult geen tweederlei aard uwer boesten laten zamen te doen hebben, quot; uwen akker zult gij niet met tweederlei zaad bezaaijon, en eon kleed van tweederlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niot komen. a Dout. 22 : 9. 20 Eu wanneer een man, door bijligging dos zaads, bij eene vrouw zal gelegen hebben, die eene dienstmaagd is, bij den man versmaad, en geenszins gelost is, cn haar geene vrijheid is gegeven; dio zullen gegeeseld worden; zij zullen niet gedood worden, want zij was niet vrij gemaakt. 21 En hij zal zijn schuldoffer den Heere aan de deur van de tent der zamenkomst brengen, oenen ram ton schuldoffer. 22 En de priester zal met den ram dos schuldoffers, voor hem over zijne zonde, die hij gezondigd heeft, voor het aangezigt des IIeeren verzoening doen; en hem zal vergeving geschieden van zijne zonde, die hij gezondigd heeft. 23 Als gij ook in dat land gekomen zult zijn, en alle geboomte ter spijze geplant zult hebben, zoo zult gij de voorhuid daarvan, deszelfs vrucht. |
|
128 hesnijdon; drio jaren znl hot u onbesneden zijn, daarvan zul niet gegeten worden. 24 Maar in het vierde jaar zal al zijne vrucht een heilig ding zijn, ter lofzegging voor den Heere. 25 En in het vijfde jaar zult gij deszelfs vrucht eten, om het inkomen daarvan voor u te vermeerderen : Ik ben de Heere uw God! 26 (lij zult niets met het bloed eten. Gij zult op geen vogelgesehrei acht geven, noch guichelarij plegen. 27 quot; Gij zult de hoeken uws hoofds niet rond afscheren; ook zult gij de hoeken uws baards niet verderven. a Lev. 21 ; 5. 28 quot;Gij zult om een dood ligchaam geene snijding in uw vleesch maken, noch schrift van een ingedrukt teeken in u maken: Ik ben de Heere! a Dent. 14:1. 29 Gij zult uwe dochter niet ontheiligen, haar ter hoererij houdende; opdat het land niet hoerere, en het land met schandelijke daden vervuld worde. 30 Gij zult mijne sabbaten houden, en mijn heiligdom zult gij vreezen: Ik ben de Heere! 31 quot;Gij zult u niet keeren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende: Ik ben de Heere uw God! a Lev. 20 : (i. 32 Voor het graauwe haar zult gij opstaan, en zult het aangezigt des ouden vereeren; en gij zult vreezen voor uwen God: Ik ben de Heere! 33 quot;En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeeren zal, gij zult hem niet verdrukken. «Ex. 22:21. 34 De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als u zeiven: want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypte-land: Ik ben de Heere uw God! 35 Gij zult geen onregt doen in het gerigt, met de el, met het gewigt, of met de maat. 36 quot; Gij zult eene regte wage hebben, regte weeg-steenen, eene regte efa, en een regte hin: Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb! a Spr. 11 : 1. 16:11. 20:10. 37 Daarom zult gij al mijne inzettingen en al mijne regten onderhouden, en zult ze doen: Ik ben de Heere! HOOFDSTUK 20. Straften togen liet offeren zijner kinderen aan Molech, vs. 1; tegen het naloopen van waarzeggerij en duivelskunstenaars, 6: tegen liet vloeken van vader of moeder, 9; tegen overspel, 10; tegen bloedschande, onnatuurlijken en onwettigen bijslaap, 11. Bevel lot onderhouding van Gods geboden, 22; om de gebruiken der heidenen te ontvlieden, 23; reine en onreine beesten te onderscheiden, 25; waarzeggers en duivelskunstenaars te steenigen, 27. VERDER sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Gij zult ook tot de kinderen Israels zeggen: quot; Een ieder uit de kinderen Israels, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeeren, die van zijn zaad den Molech gegeven |
zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; hot volk des lands zal hem met steenon steenigen. «Lev. 18:21. 3 En Ik zal mijn aangezigt togen dien man zetten, en zal hom uit het midden zijns volks uit-roeijon: want hij hoeft van zijn zaad den Molech gegeven, opdat hij mijn heiligdom ontreinigen, en mijnen heiligen naam ontheiligen zou. 4 En indien het volk des lands hunne oogen eenigzins verborgen zal van dien man, als hij van zijn zaad don Moloch zal gegeven hebben, dat hot hom niet doodo; 5 Zoo zal Ik mijn aangezigt tegen dien man en togen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om den Moloch na te hoereren, uit hot midden huns volks uitroeijen. 6 Wanneer er eene ziel is, die zich tot de quot; waarzeggers en tot de duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zoo zal Ik mijn aangezigt tegen die ziel zetten, en zal ze uit hot midden haars volks uitroeijen. aLev. 19:31. 7 quot; Daarom heiligt u, en woest heilig: want Ik ben de Heere uw God! «Lov.11:44. 19:2. lPetr.l:10. 8 En onderhoudt mijne inzettingen, en doet dezelve: Ik bon de Heere, die u heilige! 9 quot;Als er iemand is, die zijnen vader of zijne moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij hooft zijnen vader of zijne moeder gevloekt: zijn bloed is op hem! a Ex. 21:17. Spr. 20:20. Matt. 15:4. 10 quot;Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben, dewijl hij met zijns naasten vrouw overspel gedaan iieeft, zal zekerlijk gedood worden, de overspeler en de overspeelster. «Lev. 18:20. Deut. 22:22. Joh. 8:5. 11 nEn oen man, die bij zijns vaders huisvrouw zal gelogen hebben, hoeft zijns vaders schaamte ontdekt ; zij beiden zullen zekerlijk gedood worden: hun bloed is op hen! «Lov. 18:8. 12 quot;Insgelijks, als een man bij de vrouw zijns zoons zal gelogen hebben, zij zullen beiden zekerlijk gedood worden; zij hebben eene gruwelijke vermenging gedaan: hun bloed is op hen! «Lev. 18:15. 13 quot; Wanneer ook een man bij oen' manspersoon zal gelegen hebben, mot vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden oenen gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden: hun bloed is op hen! «Lov. 18:22. H quot;En wanneer een man eene vrouw on hare moeder zal genomen hebben, het is eene schandelijke daad; men zal hom, on diezelvo met vuur verbranden, opdat geene schandelijke daad in het midden van u zij. «Lov. 18:17. 15 quot; Daartoe als een man bij eenig vee zal gelogen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden; ook zult gijlieden het beest dooden. «Lev. 18:23. 16 Alzoo wanneer oone vrouw tot eenig beest genaderd zal zijn, om daarmede te doen te hebben, zoo zult gij die vrouw en dat beest dooden; LEVITICUS 19, 20. |
LEVITICUS 20, 21,
12!)
|
zij zullen zekerlijk gedoorl worden: hun bloed is op lien! 17 quot;En als een man zijne zuster, de dochtor zijns vaders, of de dochter zijner moeder, zal genomen hebben, en hij hare schaamte gezien, en zij zijne schaamte zal gezien hebben, hot is eene schandvlek; daarom zullen zij voor de oogen van de kinderen huns volks uitgeroeid worden: hij heeft de schaamte zijner zuster ontdekt, hij zal zijne ongeregtigheid dragen. a Lev. 18:0. 18 quot;En als oen man bij eene vrouw, die hare krankheid heeft, zal gelegen en hare schaamte ontdekt, hare fontein ontbloot, en zij zelve de fontein haars bloeds ontdekt zal hebben, zoo zullen zij beiden uit het midden huns volks uitgeroeid worden. a Lev. 18:10. 1!) quot;Daartoe zult gij de schaamte van de zustor uwer moedor, on van de zuster uws vaders niet ontdokken: dewijl hij zijne nabestaande ontbloot heeft, zullen zij hunne ongeregtigheid dragen. a Lev. 18:12, 13. 20 quot; Als ook een man bij zijne mooi zal gelegen hebben, hij heeft de schaamte zijns ooms ontdekt; zij zullen hunne zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven. a Lev. 18:14. 21 quot;En wanneer een man zijns broeders huisvrouw zal genomen hebben, het is onreinigheid: hij heeft de schaamte zijns broeders ontdekt: zij zullen zonder kinderen zijn. « Lev. 18:10. 22 quot;Onderhoudt dan al mijne inzettingen en al mijne regten, en doet dezelve; opdat u dat land, waarheen Ik u brenge, om daarin te wonen, niet uitspuwe. a Lev. 18:20. 23 quot;En wandelt niet in de inzettingen dos volks, hetwelk Ik voor uw aangezigt uitwerp: want al deze dingen hebben zij gedaan; daarom ben Ik op hen verdrietig geworden. a Lev. 18:3, 30. 24 En Ik heb u gezegd; Gij zult hun land erfelijk bezitten, en Ik zal u dat geven, opdat gij hetzelve erfelijk bezit, quot;een land vloeijende van molk en honig: Ik ben de Heere uw God, dio u van do volken afgezonderd heb! o Ex. 3:8. 25 quot; Daarom zult gij onderscheid maken tusschen reine en onreine beesten, en tusschen het onreine en reine gevogelte; on gij zult uwe zielen niet verfoeijelijk maken aan de beesten en aan het gevogelte, en aan al wat op den aardbodem kruipt, hetwelk Ik voor u afgezonderd heb, opdat gij het onrein houdt. d Lev. 11:2. Dent. 14:4. 20 En gij zult Mij heilig zijn, want Ik do Heere ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat gij Mijns zoudt zijn. 27 quot;Als nu een man of vrouw in zich oenen waarzeggonden geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zekerlijk gedood worden; men zal hen met steenon steonigen; hun bloed is op hen. « Dent. 18: 10. 1 Sam. 28:7. HOOFDSTUK 21. Wet over do reinheid der priesters bij rouw, vs. 1, in hun huwelijk, 7, en in do kuischheid hunner |
dochters, !); over do roinheid van den hoogopriestor in rouw, 10, in lio( huwelijk, 13; over lion, die om ligchaamsgobrekon goeno priesters kunnen zijn, 10, oehtor van het heilige mogen eten, 22, maar niet in het heiligdom dienen, 23. DAARNA zoide de Heere tot Mozes: Spreek tot de priesters, do zonen van Aiiron, en zeg tot hen: Over eenen doode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijne volken. 2 Behalve over zijnon bloedvriend, die hem ten naaste bestaat, over zijne moeder en over zijnen vader, en over zijnen zoon, en over zijne dochter, en over zijnen broeder, 3 En over zijne zuster, die maagd is, hem nabestaande, die nog goenen man toebehoord heeft: over die zal hij zich verontreinigen. 4 Hij zal zich niet verontreinigen over eenen overste onder zijne volken, om zich te ontheiligen. 5 Zij zullen op hun hoofd geene kaalheid maken, en zullen den hoek van hunnen baard niet afschoren, en in hun vleesch zullen zij geene sneden snijden. 6 Zij zullen hunnen God heilig zijn, en den naam huns Gods zullen zij niet ontheiligen: want zij offeren de vuurofferen des Heeren, de spijze huns Gods; daarom zullen zij heilig zijn. 7 Zij zullen geene vrouw nomen, die eene hoer of ontheiligde is, noch eene vrouw nemen, die van haren man verstooten is: want hij is zijnon God heilig. 8 Daarom zult gij hem heiligen, omdat hij de spijze uws Gods offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben de Heere, die u heilige! 9 Als nu de dochter van oenigen priester zal beginnen te hoereren, zij ontheiligt haren vader; met vuur zal zij verbrand worden. 10 En hij, die do hoogopriestor onder zijne broederen is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en wiens hand men gevuld heeft, om die kleoderen aan te trekken, zal zijn hoofd niet ont-blooten, noch zijne kloederen schouron. 11 Hij zal ook bij geene doode ligchamen komen: zelfs over zijnen vader en over zijne moeder zal hij zich niet verontreinigen. 12 En uit hot heiligdom zal bij niet uitgaan, dat hij het heiligdom zijns Gods niet ontheiligo: want de kroon der zalfolie zijns Gods is op hom: Ik ben de Heere! 13 Hij zal ook eene vrouw in haren maagdom nomen. 14 Eene weduwe, of vorstootone, of ontheiligde hoor, dezulke zal hij niet nemen; maar oono maagd uit zijne volken zal hij tot eene vrouw nemen. 15 En hij zal zijn zaad onder zijne volken niol ontheiligen: want Ik ben de Heere, die hem heilige! 10 Wijders sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 17 Spreek tot Aiiron, zeggende: Niemand uit uw zaad, naar hunne geslachten, in wien een |
LEVITICUS 21, 22.
130
blind man of te kort,
leden;
1!) Of een man, in wien eene breuk des voets, of eene breuk der hand zal zijn ;
20 Of die bultachtig, of dwergachtig zal zijn, of oen vol op zijn oog zal hebben, of drooge sclmrftheid, of etterige schurftheid, of broken zal zijn gemacht.
21 Geen man, uit het zaad van Aiiron, don priester, in wien een gebrek is, zal toetreden, om de vuurofferen des IIeerkn te offeren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden, om do spijs zijns Gods to offeren.
22 De spijs zijns Gods, van de allerheiligste dingen , en van do heilige dingen, zal hij mogen eten;
2:i Doch tot den voorhang zal hij niet komen, on tot hot altaar niet toetreden, omdat een gebrek in hem is; opdat bij mijne heiligdommen niet ontheilige; want Ik bon de Hekre, die hen heilige!
24 En Mozes sprak zulkx tot Aiiron en tot zijne zonen, en tof al de kinderen Israels.
HOOFDSTUK 22.
Wetten over de reinheid der priesters bij het eten der geheiligde dingen : onrein zijnde mog-ten zij daarvan niet eten, vs. 1, maar wel gereinigd zijnde, ü; geen
gebrok [zal zijn, zal naderen om de spijze zijns Gods te offeren.
18 Want geen man, in wien een gebrek zal zijn, zal naderen, hij zij een
, of kreupel, of te lang in
die ge-aan zijn
uit
dood aas en dat verscheurd was mogten zij eten, 8, wie niet hen van het heilige mogten eten, 10. quot;Wet voor hen, die door dwaling van het heilige hadden gegeten, 14. Bepalingen omtrent den aard der offeranden bij het vrijwillig offeren, 17. Vermaning tot gehoorzaamheid, 31.
|
10 Ook zal geon vrGGiiulc lu*l heilige eten; een bijwoner des priesters, en een daglooner, zullen het heilige niet eten. 11 Wanneer dan nog de priester eene ziel niet zijn geld zal gekocht hebben, die zal daarvan eten; en de ingeborene van zijn huis; die zullen van zijne spijze eten. 12 Maar als des priesters dochter eenen vreemden man zal toebehooren, zij zal van het hefoffer der heilige dingen niet eten. 13 Doch als des priesters dochter eene weduwe of verstootene zal zijn, en geen zaad hebben, en tot haars vaders huis, quot;als in hare jongheid, zal wedergekeerd zijn, zoo zal zij van de spijze baars vaders eten; maar geen vreemde zal daarvan eten. n Lev. 10: I I. 14 En wanneer iemand het heilige door dwaling zal gegeten hebben, zoo zal hij deszelfs vijfde deel daarboven toedoen, en zal het den priester met het heilige wedergeven. IT) Zoo zullen zij niet ontheiligen de heilige dingen der kinderen Israels, die zij den Heere zullen gegeven hebben; Ki En hen doen dragen de ongeregtigheid der schuld, als zij hunne heilige dingen zouden eten: want Ik ben de Heere, die hen heilige! 17 Verder sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 18 Spreek tot Aiiron, en tot zijne zonen, en tot al de kinderen Israels, en zeg tot hen: Zoo wie uit hef huis van Israël, en uit de vreemdelingen in Israël is, die zijne offerande zal offeren naar al hunne geloften, en naar al hunne vrijwillige offeren, die zij den Heere ten brandoffer zullen offeren; 19 Het zal naar uw welgevallen zijn, een volkomen mannetje, van de runderen, van de lammeren, of van de geiten. 20 Gij zult niet offeren iets, waarin een gebrek is: want het zou niet aangenaam zijn voor u. 21 quot;En als iemand een dankoffer den Heere zal offeren, uitzonderende van de runderen of van de schapen eene gelofte, of vrijwillig offer, het zal volkomen zijn, opdat het aangenaam zij; geen gebrek zal daarin zijn. «Deut. 15:21. 17:1. 22 liet blinde, of gebrokene, of verlamde, of wratte, of drooge schurftheid, of etterige schurftheid hebbende, deze zult gij den Heere niet offeren, en daarvan zult gij den Heere geen vuuroffer op het altaar geven. 23 Doch eenen os, of klein vee, te lang of te verkrompen in leden, die zult gij tot een vrijwillig offer bereiden; doch tot eene gelofte zou het niet aangenaam zijn. 24 Het gedrukte, of gestootene, of gescheurde, of gesnedene, zult gij den Heere niet offeren: dat zult gij in uw land niet doen. 25 Gij zult ook uit de hand des vreemden van al deze dingen uwen God geene spijs offeren: want hunne verdorvenheid is in hen, in dezelve is gebrek, zij zouden niet aangenaam zijn voor u. |
131 21! Wijders sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 27 Wanneer een os, of lam, ol' geit zal geboren zijn, zoo zal die zeven dagen onder zijne moeder zijn; daarna, van den achtsten dag en daarover, zal hij aangenaam zijn tol offerande des vuur-offers den Heere. 4 28 Gij zult ook eenen os, of klein vee, hem en zijn jong, op éénen dag niet slagten. 29 En als gij een lofoffer den Heere zult slag-ten, naar uwen wil zult gij het slagten. 30 quot;Hot zal op denzelfden dag gegeten worden; gij zult daarvan niet overlaten tot op den morgen: Ik ben de Heere! a Lev. 7 :1 fi, 31 Daarom zult gij mijne geboden houden, en dezelve doen: Ik ben de Heere! 32 En gij zult mijnen heiligen naam niet ontheiligen, opdat Ik in het midden der kinderen Israëls geheiligd worde: Ik ben de Heere, die u heilige! 33 Die u uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik u tot een' God zij: Ik ben de Heere! HOOFDSTUK 23. Wetten aangaande de hoogtijden, vs. 1; don saliliat, 3; het paaschfeest, 4; het pinksterfeest, 15; hot feest des geklanks, 23, der verzoening, 27, en der loofhutten, 33. DAARNA sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: de gezette hoogtijden des Heeren, welke gijlieden uitroepen zult, zullen heilige zamenroepingen zijn; deze zijn mijne gezette hoogtijden. 3 quot;Zes dagen zal men het werk doen, maar op den zevenden dag is de sabbat der rust, eene heilige zanienroeping; geen werk zult gij doen; het is des Heeren sabbat , in al uwe woningen. a Ex. 20:!). 23: 12. Deut. 5: 13. Luk. 1)!: 14. 4 Deze zijn de gezette hoogtijden des Heeren, de heilige zamenroepingen, welke gij uitroepen zult op hunnen gezetten tijd. 5 quot;In de eerste maand, op den veertienden der maand, tusschen twee avonden is des Heeren pascha, n Ex. 12: IS. 23: 15. Num. 28: 10. Deut. 10: 1. 6 En op den vijftienden dag derzelver maand is hot feest van do ongezuurde broaden dos Heeren: zeven dagen zult gij ongezuurde broaden eten. 7 Op den eersten dag zult gij eene heilige zamon-roeping hebben: geen dienstwerk zult gij doen. 8 Maar gij zult zeven dagen vuuroffer den Heere offeren: op den zevenden dag zal eene heilige zanienroeping wezen: geen dienstwerk zult gij doen. 9 En do Heere sprak tot Mozes, zeggende; 10 Spreek tot do kinderen Israëls, en zeg tot hen; Als gij in het land zult gekomen zijn, hetwelk Ik u geven zal, en gij zijnen oogst zult in-oogsten, dan zult gij eene garf der eerstelingen van uwen oogst tot den priester brengen. 11 En bij zal die garf voor het aangezigt des Heeren bewegen, opdat het voor u aangenaam zij; des anderen daags na den sabbat zal do priester die bewegen. LEVITICUS 22, 23. |
9*
LEVITICUS 23.
132
|
12 (ïij zult ook op den dag, nis gij die garf bewegen zult, bereiden oen volkomen lam, dat eenjarig is, ten brandoffer den Heere; 13 En zijn spijsoffer twee tienden meelbloem, met olie gemengd, ton vuuroffer, den Heere tot oenen liefelijken reuk; en zijn drankoffor van wijn, hot vierde dool van oen hin. 14 En gij zult geen brood, noch geroost koren, noch groene aren eten, tot op dionzolven dag, dat gij de offerande uws Gods zult gebragt hebben: het is eeno eeuwige inzetting voor uwe geslachten, in al uwe woningen. If) quot; Daarna zult gij u tellen van den andoren dag na den sabbat, van den dag, dat gij do garf des beweegoffors zult gebragt hebben, het zullen zeven volkomene sabbaten zijn; « Dent. 1G;0. 10 Tot den andoren dag, na den zevendon sabbat, zult gij vijftig dagen tellen : dan zult gij een nieuw spijsoffer den Heere offeren. 17 Gijlieden zult uit uwe woningen twee boweegbroo-den brongen, zij zullen van twee tienden moel-bloom zijn, ge-deesomd zullen zij gebakken worden: hot zijn do oerstu-lingenden Heerk. 18 (ïij zult ook mot hot brood zeven volkomene eenjarige lammeren, en oenen var, hot jong van een rund, on twee rammen offeren; zij zuilen den Heere oen brandoffer zijn, met bun spijsoffer en hunne drankof-foron, een vuuroffer, tot oenen liefolijken reuk den Heere. 1!) Ook zult gij oenen geitenbok ten zondoffer, en twee eenjarige lammeren ten dankoffer bereiden. 20 Dan zal de priester dezelve met het brood der eerstelingen ten beweegoffer, voor het aan-gezigt des Heeren, met de twee lammeren bewogen; zij zullen don Heere een iieilig ding zijn, voor den priester. 21 En gij zult op dienzelfden dag uitroepen, dat gij eeno heilige zaïnenroeping zult hebben ; geen dienstwerk zult gij doen: hot is eeno eeuwige inzetting in al uwe woningen voor uwe geslachten. 22 quot; Als gij nu den oogst uws lands zult inoogston, gij zult, in uw inoogston, den hoek des voids niet ganschelijk afmaaijen, en de opzameling van uwen oogst niet opzamelen; voor den anno er voor den vreemdeling zult gij zo laten: Ik boi de Heere uw God! «Lev. 19:9. Dent. 24: 1!) |
23 En do Heere sprak tot Mozes, zeggende: 24 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende quot; In de zevende maand, op den eersten der maand zult gij eeno rust hebben, eeno gedachtenis des geklanks, eone heilige zamenroeping. aNum.29:l 25 Geen dienstwerk zult gij doen; maar gij zul den Heere vuuroffer offeren. 2(i Vorder sprak do Heere tot Mozes, zeggende 27 quot; Doch op den tienden dezer zevende maam zal de verzoendag zijn, eeno heilige zamenroeping zult gij hebben; dan zult gij uwe zielen voroot moedigen, on zult don Heere een vuuroffer offeren a Lev. 16:29, 31. Num. 29:7 28 En op dionzolven dag zult gij geen werk doen want het is d( verzoendag, on over u vorzooniiif te doen voor ho aangozigt des 1 Ie eken uws Gods 29 Want allo ziel welke op dienzol ven dag niet za verootmoedigd zijn geweest, di( zal uitgeroeid worden uit ban volken. 30 Ook alle ziel die oenig werk o| dionzolven dag gedaan zal heb ben, die ziel za Ik uit het middei haars volks ver derven. 31 Gij zult gooi werk doen: he voor uwe geslachten is eeno eeuwige inzetting _ in al uwe woningen. 32 Het zal u oen sabbat der rust zijn, dan zul gij uwe zielen verootmoedigen: op den negende der maand in den avond, van den avond tot do avond, zult gij uwen sabbat rusten. 33 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 34 Spreek tot do kinderen Israels, zeggende quot; Op den vijftienden dag van deze zevende maan zal het feest der loofhutten zeven dagen do Heere zijn. a Ex. 21!: 1G. Num. 29:12. Deut. 10: li 35 Op den eersten dag zal oene heilige zamer roeping zijn; geen dienstwerk zult gij doen. 36 Zeven dagen zult gij den Heere vuuroffero offeren ; quot; op don achtsten dag zult gij eeno heilig zaïnenroeping hebben, on zult den Heere vum offer offeren: het is een verbodsdag, gij zult gee dienstwerk doen. «Joh. 7 :3 37 Dit zijn de gezette hoogtijden des Heeren |
LEVITICUS 23, 24, 25.
|
wolke gij zult uitroepon tot heilige zamenroepin-gen, om den Heere vuuroffer, brandoffer en spijsoffer, slagtoffer en drankofferen, elk dagelijks op zijnen dag, te offeren; 38 Behalve de sabbaten des Heeren, en behalve uwe gaven, en behalve al uwe geloften, en behalve al uwe vrijwillige offeren, welke gij den Heere geven zult. 39 Doch op den vijftienden dag der zevende maand, als gij het inkomen des lands zult inge-gaderd hebben, zult gij des Heeren feest zeven dagen vieren; op den eersten dag zal er rust zijn, en op den achtsten dag zal er rust zijn. 40 En op den eersten dag zult gij u nemen takken van schoon geboomte, palmtakken, en meijen van digte boomen, met beekwilgen; en gij zult voor het aangezigt des Heeren uws Gods zeven dagen vrolijk zijn. 41 En gij zult dat feest den Heere zeven dagen in het jaar vieren; het is eene eeuwige inzetting voor uwe geslachten; in de zevende maand zult gij hot vieren. 42 Zeven dagen zult gij in de loofhutten wonen; alle inboorlingen in Israël zullen in loofhutten wonen; 43 Opdat uwe geslachten weten, dat Ik de kinderen Israels in loofhutten heb doen wonen, als Ik hen uit Egypteland uitgevoerd heb: Ik ben de Heere uw God! 44 Alzoo heeft Mozes de gezette hoogtijden des Heeren tot de kinderen Israels uitgesproken. HOOFDSTUK 24. Wetten omtrent do olio voor do lampen van don tabernakel, vs. 1; omtrent de toonbrooden, 5. Do zoon van oenen Egyptenaar en eono Israöliotischo vrouw lastert God, 10. Straf voor hen, die Crod lasteren, 13; ilio een mensch of beest dooden, 17; hininoii naaste eeno verminking toebrengen, 1!). Uitvoering dor straf over gemelden lasteraar, 23. EN de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 2 Gebied den kinderen Israels, dat zij tot u brengen zuivere gestooten olijfolie, voor den luchter, om de lampen gedurig aan te steken. 3 Aaron zal die voor het aangezigt des Heeren gedurig toerigten, van den avond tot den morgen, buiten den voorhang van de getuigenis, in de tent der zamonkomst; het is eene eeuwige inzetting voor uwe geslachten. 4 Hij zal op den louteren kandelaar die lampen voor het aangezigt des Heeren gedurig toerigten. 5 Gij zult ook meelbloem nomen, eu twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal een koek zijn. (i En gij zult ze in twee rijen leggen, zes in eene rij, op de reine tafel, voor het aangezigt des Heeren. 7 En op elke rij zult gij zuiveren wierook leggen, welke het brood ten gedenkoffer zal zijn: het is een vuuroffer den Heere. 8 Op eiken sabbatdag gedurig zal men dat voor het aangezigt des Heeren toerigten, van wege de kinderen Israels, tot een eeuwig verbond. |
!) En quot;het zal voor Aaron en zijne zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten: want het is voor hem eene heiligheid dor heiligheden uit de vuurofferen des Heeren, eene eeuwige inzetting. «Ex.29:32. Lev.8:31. 1 Sam.21:6. Matt. 12:4. 10 En er ging de zoon eener israëlietische vrouw uit, die, in het midden der kinderen Israels, de zoon van oenen egyptischen man was; en de zoon van deze Israëlietische en een israëlietisch man twistten in liet leger. 11 Toen lasterde de zoon der israëlietische vrouw uitdrukkelijk den Naam, en vloekte; daarom brag-ten zij hem tot Mozes: de naam nu zijner moeder was Selomith, de dochter van Dihri, van den stam Dan. 12 En zij leiden hem in de gevangenis, opdat hem, naar den mond des Heeren, verklaring geschieden zou. 13 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 14 Breng den vloeker uit tot buiten het leger, en allen, die het gehoord hebben, zullen hunne handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de geheele vergadering steenigen. 15 En tot de kinderen Israëls zult gij spreken, zeggende: Een ieder, als hij zijnen God gevloekt zal hebben, zoo zal hij zijne zonde dragen. Ki En wie den naam des Heeren gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; do ganscho vergadering zal hem zekerlijk steenigen; alzoo zal de vreemdeling zijn, gelijk de inboorling, als hij den Naam zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden. 17 En als iemand eenige ziel dos menschen zal verslagen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden. 18 Maar wie do ziel van eenig voe zal verslagen hebben, hij zal het wedergeven, ziel voor ziel. li) Als ook iemand aan zijnen naaste oen gebrek zal aangebragt hebben; gelijk als hij gedaan hoeft, zoo zal ook aan hem gedaan worden: 20 Breuk voor breuk, quot;oog voor oog, landvoor tand; gelijk als hij een gebrek oenen mensch zal aangebragt hebben, zoo zal ook hem aangebragt worden. a Ex. 21 : 24. Doiit. 19:21. Matt. 5:38. 21 Wie dan eenig vee verslaat, die zal het wedergeven; maar wie een' mensch verslaat, die zal gedood worden. 22 Eenerlei regt zult gij hebben; zoo zal de vreemdeling zijn, als de inboorling: want Ik ben de Heere uw God! 23 En Mozes zeide tot de kinderen Israëls, dat zij den vloeker tot buiten het leger uitbrengen, en hem met steenen steenigen zouden. En de kinderen Israëls deden, gelijk als de Heere Mozes geboden had. HOOFDSTUK 25. Wetten over het sabbatjaar, vs. !; het jubeljaar, 8; over het koopon on verknopen dor erfgoederen, 14; over het regt om verkochte erfgoederen te lossen, 23: over den woeker, 35. Bevel om alleen uit do vreemdelingen slaven te nemen en om die uit de Israëlieten als daglooners te boschouwen, 39. |
T;KV1TICUS 25.
1 :ll
|
VERDER sprak do Heeuk tot Mozos, aan den bor^' Sinaï, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: quot; Wanneer gij zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten eenen sabbat den Heere. ö Ex. 23:10. 3 Zes jaren zuli gij uwen akker bezaaijen, en zes jaren uwen wijngaard besnijden, en de inkomst daarvan inzamelen. 4 Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den Heere; uwen akker zult gij niet bezaaijen en uwen wijngaard niet besnijden. 5 Wat van zelf van uwen oogst zal gewassen zijn, zult gij niet inoogsten, en de druiven uwer afzondering zult gij niet afsnijden; hel zal een jaar der ruste voor het land zijn. (i En de inkomst van den sabbat des lands zal voor u tot spijze zijn, voor u, en voor uwen knecht, en voor uwe dienstmaagd, en voor uwen daglooner, en voor uwen bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeeron; 7 Mitsgaders voor uw vee, en voor het gedierte, dat in uw land is, zal al de inkomst daarvan tot spijze zijn. 8 Gij zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; zoodat de dagen der zeven jaarweken u negen en veertig jaren zullen zijn. !) Daarna zult gij in de zevende maand, op den tienden der maand, de bazuin des geklanks doen doorgaan; op den verzoendag zult gij de bazuin doen doorgaan in uw gansche land. 10 En gij zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijne inwoners; hot zal u een jubeljaar zijn; en gij zult wederkeeren een ieder tot zijne bezittingen, en zult wederkeeren een ieder tot zijn geslacht. 11 Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar zijn; gij zult niet zaaijen, noch inoogsten wat van zelf daarin zal gewassen zijn, noch ook de druiven der afzonderingen in hetzelve afsnijden. 12 Want dat is het jubeljaar, het zal u heilig zijn; gij zult uit het veld de inkomst daarvan eten. l:i Op dat jubeljaar zult gij ieder wederkeeren tot zijne bezitting. 14 Daarom, wanneer gij aan uwen naaste wat veilbaars verkoopen, of uit do hand uws naasten koopen zult, dat niemand de een don ander ver-drukke. 15 Naar bot getal der jaren, van hot jubeljaar af, zult gij van uwen naaste koopen, en naar hot getal van de jaren dor inkomsten zal hij het aan u verkoopen. 1G Naar do voolhoid der jaren zult gij zijnen koop vermeerderen, on naar de weinigheid dor jaren zult gij zijnon koop vorminderen: want hij verkoopt aan u hot getal der inkomsten. 17 Dat dan niemand zijnen naaste verdrukke; maar vreest voor uwen God: want Ik ben de Heere uw God! |
18 En doet mijne inzettingen, en houdt mijne rogten, en doet dezelve; zoo zult gij zeker wonon in het land. 1!) En het land zal zijne vrucht geven, en gij zult eten, tot verzadiging toe; en gij zult zeker daarin wonon. 20 En als gij zoudt zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar? ziet, wij zullen niet zaaijen, en onze inkomst niet inzamelen; 21 Zoo zal Ik mijnen zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat hot do inkomst voor drie jaren zal voortbrengen. 22 Het achtste jaar nu zult gij zaaien, en zult van de oude inkomst eten, tot het negende jaar toe; totdat zijne inkomst ingekomen is, zult gij het oude eten. 23 Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden: want het land is hot mijne, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt. 24 Daarom zult gij, in hot gansche land uwer bezitting, lossing voor hot land toelaten. 25 Wanneer uw broeder zal verarmd zijn, en iots van zijne bezitting verkocht zal hebben, zoo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal hot verkochte zijns brooders lossen. 26 En wanneer iemand geen' losser zal hebben, maar zijne hand bekomen en hij gevonden zal hebben, zooveel genoog is tot zijne lossing; 27 Dan zal hij de jaren zijner verkooping rekenen, en het overschot zal hij den man, wien hij het verkocht had, weder uitkeeren; en hij zal weder tot zijne bezitting komen. 28 Maar indien zijne hand niet gevonden heeft, wat genoeg is, om aan hem weder uit te koeren, zoo zal zijn verkochte goed zijn in do hand van deszelfs kooper tot het jubeljaar toe; maar in het jubeljaar zal hot uitgaan, en hij zal tot zijne bezitting wederkeeren. 29 Insgelijks, wanneer iemand oen woonhuis in oeno bemuurde stad zal verkocht hebben, zoo zal zijne lossing zijn, totdat hot jaar zijnor verkooping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijne lossing wezen. :{() Maar is het, dat het niet gelost wordt, tegen dat hem hot gehoolo jaar zal vervuld zijn, zoo zal dat huis, hetwelk in die stad is, die eon' muur heeft, voor altoos blijven aan hem, die dat gekocht heeft, onder zijne geslachten; het zal in het jubeljaar niet uitgaan. 31 Doch de huizon der dorpen, die rondom gee-nen muur hebben, zullen als het veld dos lands gerekend worden; daarvoor zal lossing zijn, en zij zullen in hot jubeljaar uitgaan. 32 Aangaande do steden dor Levieten, en do huizen der steden hunner bezitting; de Lovieton zullen eene eeuwige lossing hebben. 33 En als men onder do Levieten lossing zal gedaan hebben, zoo zal do koop van hot huis en van de stad zijner bezitting in hot jubeljaar uitgaan: want do huizen van de steden dor Levieten |
|
zijn hunno bezitting in het midden van de kinderen Israels. 154 Doch liet veld van de voorstad hunner steden zal niet verkocht worden: want liet is eene eeuwige bezitting voor hen. 35 En als uw broeder zal verarmd zijn, en zijne hand bij u wankelen zal, zoo zult gij hem vasthouden, zelfa eenen vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve. 3(5 Gij zult quot;geen' woeker noch overwinst van hem nemen; maar gij zult vreezen voor uwen God, opdat uw broeder bij u leve. «Ex. 22:25. Deut. 23:10. Spr. 28:8. Ezec. 18:8. 22:12. 37 Uw geld zult gij hem niet op woeker geven, en gij zult uwe spijze niet op overwinst geven. 38 Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypte-land gevoerd heb, om u het land Kanaiin te geven, opdat Ik u tot een' God zij! 39 «Desgelijks, wanneer uw broeder bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, gij zult hem niet doen dienen de dienst van eenen slaaf; a Ex. 21 : 2. Dout. 15: 12. Jor. 34: 14. 40 Als een daglooner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u dienen. 41 Dan zal hij van u uitgaan, hij en zijne kinderen met hem, en hij zal tot zijn geslacht wederkeeren, en tot de bezitting zijner vaderen wederkeeren. 42 Want zij zijn mijne dienstknechten, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; zij zullen niet verkocht worden, gelijk men eenen slaaf verkoopt. 43 quot;Gij zult geene heerschappij over hem hebben met wreedheid; maar gij zult vreezen voor uwen God. rt Efez, 0:0. Col. 4: 1. 44 Aangaande uwen slaaf of uwe slavin, die gij zult hebben, die zullen van de volken zijn, die rondom u zijn; van die zult gij eenen slaaf of' eene slavin koopen. 45 Gij zult ze ook koopen van de kinderen der bijwoners, die bij u als vreemdelingen verkeeren, uit hen en uit hunne geslachten, die bij u zullen zijn, die zij in uw land zullen gewonnen hebben; en zij zullen u tot eene bezitting zijn. 40 En gij zult u tot bezitters over hen stellen voor uwe kinderen na u, opdat zij de bezitting erven: gij zult hen in eeuwigheid doen dienen; maar over uwe broeders, de kinderen Israels, een iegelijk over zijnen broeder, gij zult over hem geene heerschappij hebben met wreedheid. 47 En wanneer de hand eens vreemdelings en bijwoners, die bij u is, wat bekomen zal hebben, en uw broeder, die bij hem is, verarmd zal zijn, dat hij zich aan den vreemdeling, den bijwoner, die bij u is, of aan den stam van het geslacht des vreemdelings zal verkocht hebben: 48 Nadat hij zich zal verkocht hebben, zul er lossing voor hem zijn: een van zijne broeders zal hem lossen; 49 Of zijn oom, of de zoon zijns ooms zal hem lossen, of die uit de naasten zijns vleesches van |
135 zijn geslacht is, zal hem lossen; of heeft zijne hand wat bekomen, dat hij zich zeiven losse. 50 En hij zal met zijnen kooper rekenen van dat jaar af, dat hij zich aan hem verkocht heeft tot hot jubeljaar toe; alzoo dat het geld zijner ver-kooping zal zijn naar het getal van do jaren, naar de dagen eens daglooners zal het met hem zijn. 51 Indien nog vele van die jaren zijn, naar die zal hij tot zijne lossing van het geld, waarvoor hij gekocht is, wedergeven. 52 En indien er nog weinige van die jaren overgebleven zijn, tot aan het jubeljaar, zoo zal hij met hem rekenen; naar zijne jaren zal hij zijne lossing wedergeven. 53 Als een daglooner zal hij van jaar tot jaar bij hem zijn; men zal over hem geene heerschappij hebben met wreedheid voor uwe oogen. 54 En is het, dat hij hierdoor niet gelost wordt, zoo zal hij in het jubeljaar uitgaan, hij en zijne kinderen met hem. 55 Want de kinderen Israels zijn Mij tot dienstknechten, mijne dienstknechten zijn zij, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben de Heeue uw God! HOOFDSTUK 26. Nadat God de afgoderij verboden en de onderhouding zijner sabbaten, alsmede de gehoele godsdienst heeft bevolen, vs. I, doet Hij vele uitnemende beloften aan hen, die naar zijne wet zouden leven, 3, en schrikkelijke bedreigingen tegen hare overtreders, 14; belovende hnn, die zich bekeeren, genadig te zijn en wel te doen, 40. Besluit, 40. (JIJ quot;zult ulieden geene afgoden maken, noch gesneden beeld, noch opgerigt beeld zult gij n stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen: want Ik ben de IIeeue uw God! aEx 20:4. Deut. 5:8. 10:22. I's. 97:7. 2 Mijne sabbaten zult gij houden, quot;en mijn heiligdom zult gij vreezen: Ik ben de Heere! « I ^ev. 10 : 30. 3 quot;Indien gij in mijne inzettingen wandelen, en mijne geboden houden, en die doen zult; a Deut. 28 : 1 , enz. 4 Zoo zal Ik uwe regenen geven op hunnen tijd; en het land zal zijne inkomst geven, en het geboomte des velds zal zijne vrucht geven; 5 En de dorschtijd zal u reiken tot den wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot den zaaitijd; en gij zult uw brood eten quot;tot verzadiging toe, en gij zult zeker in uw land wonen, o Lev. 25:19. (i Ook zal Ik vrede geven in het land, quot;dat gij zult te slapen liggen, en niemand zij, die ver-schrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan. o.lob 11 : 18, 19. 7 En gij zult uwe vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezigt door het zwaard vallen. 8 quot;Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uwe vijanden zullen voor uw aangezigt door het zwaard vallen. aJoz. 23: 10. LEVITICUS 25, 26. |
|
136 1) En Ik zal Mij tot u wenden, en zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen; en mijn verbond zal Ik met u bevestigen. 10 En gij zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult gij van wege het nieuwe uitbrengen. 11 quot;En Ik zal mijnen tabernakel in hot midden van u zetten; en mijne ziel zal van u niet walgen. a Ezec. !i7 : 26. 2 Cor. 6: 16. 12 En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een' God zijn; en gij zult Mij tot een volk zijn. lü Ik ben de Heere uw God, die u uit het land der Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat gij hunne slaven niet zoudt zijn; en Ik heb de disselboomen van uw juk verbroken, en heb u doen regtop gaan. 14 quot;Maar indien gij Mij niet zult hooren, en al deze geboden niet zult doen; a Dout. 28 : 15. Klgld. 2 ; 17. Mal. 2 : 2. 15 En zoo gij mijne inzettingen zult smadelijk verwerpen, en zoo uwe ziel van mijne rogten zal walgen, dat gij niet doet al mijne geboden, om mijn verbond te vernietigen: 16 Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die do oogen vertoren en do ziol pijnigen; gij zult ook uw zaad te vergeefs zaaijon, on uwe vijanden zullen dat opeten. 17 Daartoe zal Ik mijn aangozigt togen uliedon zotten, dat gij geslagen zult worden voor hot aangozigt uwer vijanden; en uwe haters zullen over u heerschappij hebben, on quot; gij zult vlieden, als u niemand vervolgt. a Spr. 28; 1. 18 En zoo gij Mij tot dezo dingen toe nog niet hooren zult, Ik zal nog daar toedoen, om u zevenvoudig over uwe zonden te tuchtigen. lil Want Ik zal de hoovaardigheid uwer kracht verbroken, en zal uwen hemel als ijzer maken, en uwe aarde als koper. 20 En uwe magt zal ijdelijk verdaan worden; on uw land zal zijne inkomst niet geven, en hot geboomte dos lands zal zijne vrucht niet geven. 21 En zoo gij met Mij in tegenheid wandelen zult, on Mij niet zult willen hooren, zoo zal Ik over u, naar uwe zonden, zevenvoudig slagen toedoen. 22 Want Ik zal onder u zendon hot gedierte dos voids, hetwelk u beroovon, en uw voo uitrooijen, en u vermindoren zal; on uwe wegen zullen woest worden. 28 Indien gij nog door dezo dingen Mij niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij in tegenheid wandelen; 24 Zoo zal Ik ook quot; niet u in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uwe zonden slaan. a2 Satn. 22:27. Ps. 18:27. 25 Want Ik zal eon zwaard over u brongen, dat do wraak des verhonds wreken zal, zoodat gij in uwe steden vergaderd zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zonden, en gij zult in do hand des vijands overgegeven worden. |
26 Als Ik u den staf dos broods zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in óénen oven bakken, on zullen uw brood bij het gewigt wedergeven; en gij zult eton, maar niot verzadigd worden. 27 Als gij hierom ook Mij niot hooren zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid; 28 Zoo zal Ik ook met u in hoetgrimniige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uwe zonden tuchtigen. 29 quot; Want gij zult hot vleesch uwer zonen oton, en hot vleesch uwer dochteron zult gij eten. a üeut. 28 ; 5.'!. 2 Kon. 6 : 28. Klgld. 4 : lü. 30 En Ik zal uwe hoogten verdorven, en quot;uwe zonnebeelden uitrooijen, on zal uwe doode lig-chamen op do doode ligchamen uwer drekgoden werpen; en mijne ziol zal aan u walgen. a 2 Kron. .'il: 7. ;il En Ik zal uwe steden oono woestijn maken, en uwe heiligdommen verwoesten; en Ik zal uwen liofolijken reuk niet rieken. 32 Ja Ik zal dat land verwoesten; dat uwe vijanden , die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen. 33 Daartoe zal Ik u onder do Heidenen ver-strooijen, en oen zwaard achter u uittrokken; en uw land zal woest, on uwe steden zullen oono woestijn zijn. 34 Dan zal hot land aan zijne quot;sabbaten oon welgevallen hebben, al do dagen der verwoesting, on gij zult in hot land uwer vijanden zijn; dan zal hot land ruston, en aan zijne sabbaten oon welgevallen hebben. a Lev. 25:2. 35 Al do dagen der verwoesting zal hot ruston, overmits hot niot rustte in uwe sabbaten, als gij daarin woondet. 36 En aangaande do overgeblevenen onder u. Ik zal in hun hart oeno wookighoid in do landen hunner vijanden laten komen; zoodat het goruisch van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vlieden, gelijk men vliedt voor oon zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt. 37 En zij zullen de oon op don ander als voor het zwaard vallen, waar niemand is, die jaagt; en gij zult voor het aangozigt uwer vijanden niot kunnen bestaan. 38 Maar gij zult omkomen onder de Iloidonen, en het land uwer vijanden zal u verteren. 39 En de overgeblevenen onder u zullen om hunne ongeregtigheid in do landen uwer vijanden uittoren; ja ook om de ongorogtigheden hunner vaderen zullen zij mot hen uitteren. 40 Dan zullen zij hunne ongeregtigheid belijden, en de ongeregtigheid hunner vaderen niet hunne overtredingen, waarmede zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben. 41 Dat Ik ook mot hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land hunner vijanden gebragt zal hebben. Zoo dan hun onbesneden hart gebogen LEVITICUS 26. |
LEVITICUS 20, '27.
|
wordt, on zij dan aan do straf hunner ongereg-tigheid oon welgevallen hebben; 42 Dan zal Ik gedenken aan mijn verbond met Jakob, on ook aan mijn verbond mei Izak, en ook aan mijn verbond mei Abraham zal Ik gedenken , en aan hot land zal Ik gedenken: 4:S Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijne sabbaten oon welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan do straf hunner ongereg-tigheid oen welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij mijne regton haddon verworpen , on hunne ziel aan mijne inzettingen gewalgd had. 44 En hierenboven is dit ook: als zij in liet land hunner vijanden zullen zijn, quot;zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende mijn verbond met hen: want Ik bon de IIeere hun God! a Dout. 4:31. Kom. 11:1, 26, enz. 45 Maar Ik zal hun ten beste gedenken aan hot verbond der voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de oogen dor Hoidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun tot eon' God ware: Ik ben do Heere! 46 Dit zijn die inzettingen, en die regton, en die wetten, welke do Heeue gegeven hoeft, tus-schon Zich en tusschen do kinderen Israels, op don berg Sinaï, door do hand van Mozos. HOOFDSTUK 27. Wetten over hot lossen van menschen, dio aan God beloofd waren, vs. 1, van dieren, !), van lini/.cn, 14, van akkers, 16; over hetgeen men niol mogt beloven, en beloofd zijnde, lossen mogt of niet, 26; over liet lossen der tienden, zoowel van de vrncliten als van het vee, 30. VERDER sprak do Heeue tot Mozos, zeggende: 2 Spreek tot de kindoren Israels, en zog tot hen : Wanneer iemand eene gelofte zal afgezonderd hebben, naar uwe schatting zullen de zielen des Heeuen zijn. 3 Als uwe schatting eens mans zal zijn van twintig jaren oud, tot oenen, die zestig jaren oud is; dan zal uwe schatting zijn van vijftig sikkelen zilvers, naar den sikkel dos hoiligdoms. 4 Maar is het eene vrouw, dan zal uwe schatting zijn dertig sikkelen. 5 En is het van oenen, die vijf jaren oud is, tot oenen, die twintig jaren oud is, zoo zal uwe schatting van oenen man twintig sikkelen zijn, en voor eene vrouw tien sikkolen. 6 Maar is het van oenen, die eene maand oud is, tot oenen, die vijf' jaren oud is, zoo zal uwe schatting van een' man zijn vijf sikkolen zilvers, en uwe schatting over eene vrouw, zal zijn drie sikkelen zilvers. 7 En is hot van oenen, die zestig jaren oud is en daarboven, is hot oon man, zoo zal uwe schatting zijn vijftien sikkelen, en voor eene vrouw tien sikkelen. 8 Maar zoo hij armor is, dan uwe schatting. |
zoo zal hij zich voor het aangezigt des priesters zetten, opdat de priester hem schatte; naar dat do hand desgenen, die de gelofte gedaan heeft, zal kunnen bekomen, zal de priester hem schatten, i) En indien het een beest is, waarvan men den Heere offerande offert; al wat hij daarvan den Heere zal gegeven hebben, zal heilig zijn. 10 Hij zal niet vermangelen, noch hetzelve verwisselen, oen goed voor een kwaad, of een kwaad voor een goed; indien hij nogtans een hoost voor oen beest eenigzins verwisselt, zoo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn. 11 En indien het eenig onrein beest is, van hetwelk men don Heere geone offerande offert, zoo zal hij dat boost voor het aangezigt des priesters zetten. 12 En de priester zal dat schatten, naar dat hot goed of kwaad is; naar uwe schatting, priester! zoo zal hot zijn. 13 Maar indien hij hot immers lossen zal, zoo zal hij doszelfs vijfde deel boven uwe schatting toedoen. 14 En wanneer iemand zijn huis zal geheiligd hebben, dat het don Heere heilig zij, zoo zal de priester dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; gelijk als do priester dat geschat zal hebben, zoo zal het stand hebben. 15 En indien hij, die hot geheiligd heeft, zijn huis zal lossen, zoo zal hij oen vijfde deel des golds uwer schatting daarboven toedoen, zoo zal hot zijne zijn. 16 Indien ook iemand van den akker zijner bezitting den Heere wat geheiligd zal hebben, zoo zal uwe schatting zijn naar zijn zaad : een homer gerstonzaad zal zijn op vijftig sikkelen zilvers. 17 Indien hij zijnen akker van hot jubeljaar af geheiligd zal hebben, zoo zal het naar uwe schatting stand hebben. 18 Maar zoo hij zijnen akker na het jubeljaar geheiligd zal hebben, dan zal hem de priester hot gold rekenen, naar de jaren, die nog overig zijn tot het jubeljaar; on het zal van uwe schatting afgetrokken worden. 19 En indien hij, dio den akker geheiligd hooft, denzelven ganschelijk lossen zal, zoo zal hij een vijfde dool des golds uwer schatting daarboven toedoen, en dezelve zal hom gevestigd zijn. 20 En indien hij dien akker niet zal lossen, of indien hij dien akker aan oen' anderen man verkocht hooft, zoo zal hij niot moor gelost worden. 21 Maar die akker, nadat hij in het jubeljaar zal uitgegaan zijn, zal don Heere heilig zijn, als oen verbannen akker; de bezitting daarvan zal des priesters zijn. 22 En indien hij don Heere oenen akker hoeft geheiligd, dien hij gekocht heeft, en niot is van den akker zijnor bezitting; 23 Zoo zal do priester hem rekenen do som uwer schatting tot hot jubeljaar; on hij zal op denzelven dag uwe schatting geven, eene heiligheid don Heere. |
NUMERT 1.
138
|
24 In hot jubeljaar zal die akker wederkomen tot dien, van wien hij hem gekocht had, tot hom, wiens de bezitting van dat land was. 25 Al uwe schatting nu zal naar don sikkel dos heiligdoms goschieden; quot;do sikkel zal zijn van twintig gera. a Ex. 30: 13. Num. 3:47. Ezec. 15: 12. 26 quot;Maar hot oerstgoborene, dat den Hkere van eon beest oorstgoboron wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij oen os, of klein vee, het is dos IIeeren. «Ex. 13:2, 22:29. 34:19. Num.3:13. 8:17. 27 Doch is het van oen onrein boost, hij zal dat lossen naar uwe schatting, en zal zijn vijfde deel daarboven toedoen; en indien het niet gelost wordt, zoo zal het verkocht worden, naar uwe schatting. 28 quot; Evenwel niets, dat verbannen is, dat iemand den Heeue zal vorbannon hebben, van al hetgeen hij hooft, van een' monsch, of oen boost, of van don akker zijnor bezitting, zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is, zal don IIkehe oeno heiligheid der heiligheden zijn. «Joz. 0:18. 7:13, enz. |
29 Al wat vorbannon is, dat van de menschen zal verbannen zijn, zal niet gelost worden; hot zal zekerlijk gedood worden. 30 Ook alle tienden dos lands, van het zaad dos lands, van de vrucht van het geboomte, zijn des IIeeren; zij zijn don Hebbe heilig. 31 Maar zoo iemand van zijne tienden immers iets lossen zal, hij zal zijn vijfde doel daarboven toedoen. 32 Aangaande al do tienden van runderen on klein vee, alles wat onder de roede zal doorgaan, het tiende zal den IIeere heilig zijn. 33 Hij zal tusschen het goede en liet kwade niet onderzoeken, hij zal hot ook niet verwissolen; maar indien hij hot immers verwisselen zal, zoo zal dit, on wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn; liet zal niet gelost worden. 34 Dit zijn do geboden, die de IIeere Mozos geboden hoeft, aan de kinderen Israels, op don berg Sinaï. |
HET VIERDE HOEK VAN MO/ES,
genaamd
N U M E R 1.
|
HOOFDSTUK 1. Ood beveelt Mozes cm Ailron de strijdbare Isruiilioten, die boven de 20 jaren oud zijn, te tollen, vs. 1, ten overstaan van twaalf hoofdmannen, uit eiken stam een, 4; do namen van dezen, 5. Opgave der getelden van eiken stam in het bijzonder, 20, en van allen met elkander, 45. Van deze zijn do Levieten uitgezonderd, 47, aan welke do last gegeven is om voor den tabernakel to zorgen, 50. Aanwijzing waar zij on do andere stammen zich legeren moesten, 52. VOORTS sprak do IIeere tot Mozes, in de woestijn van Sinaï, in do tent der zamenkomst, (gt;1) den eersten der tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, zeggende: 2 quot;Neem op de som van de geheelo vergadering der kinderen Israels, naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd: a Ex. 30 : 12. 3 Van twintig jaren oud on daarboven, allen, die ten hoire in Israël uittrekken; die zult gij tollen naar hunne heiren, gij en Aaron. 4 En met ulieden zullen zijn van eiken stam eon man, die eon hoofdman is over het luiis zijner vaderen. 5 Deze zijn nu do namen der mannen, die bij u staan zullen: van Ruben, Ellzur, de zoon van Sedéür. (! Van Simoon, Seliimiël, do zoon van Zun'saddai. 7 Van Juda, Nahesson, de zoon van Amniinadab. |
8 Van Issaschar, Nethaneël, de zoon van Zuhar. 9 Van Zebulon, Eli'ab, de zoon van Helon. 10 Van de kinderen van Jozef: van Efraïm, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur. 11 Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gidoóni. 12 Van Dan, Ahiézor, de zoon van Ammisaddai. 13 Van Aser, Pagiël, de zoon van Ochran. 14 Van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuël. 15 Van Nafthali, Aldra, de zoon van Euan. 10 Doze waren de geroepenen der vergadering, de oversten der stammen hunner vaderen; zij waren de hoofden der duizenden van Israël. 17 Toen namen Mozes on Aaron die mannen, welke met namen uitgedrukt zijn. 18 En zij verzamelden de geheele vergadering, op den eersten dag der tweede maand; en die verklaarden hunne afkomst, naar hunne geslachten, naar hot huis hunner vaderen, in het getal der namen, van die twintig jaren oud was en daarboven, hoofd voor hoofd. 19 Gelijk als do IIeere Mozes geboden had, zoo hoeft hij hen geteld in do woestijn van Sinaï. 20 Zoo waren de zonen van Ruben, don oerstgoborene van Israël, hunne geboorten, naar hunne geslachten, naar hot huis hunner vaderen, in hot getal dor namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten hoire uittrokken: 21 Hunne getelden van den stam van Ruben waren zes on veertig duizend en vijf honderd. |
NUMERI 1,2.
|
'22 Van do zonon van Simeon, hunno geboorten, naar luiiino geslachten, naar het huis hunner vaderen, zijne getelden, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, (lieten heire uittrokken: 28 Hunne getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en drie honderd. 24 Van do zonen van Gad, hunne geboorten, naar hunne geslachten, naar hot huis hunner vaderen, in hot getal dor namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ton heire uittrokken , 25 Waren hunno getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zes honderd en vijftig. 26 Van de zonen van Juda, hunne geboorten, naar hunne geslachten, naar liet huis hunner vaderen, in liet getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten lioiro uittrokken , 27 Waren hunne getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend on zes honderd. 28 Van de zonen van Issaschar, hunno geboorten, naar hunno geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ton heire uittrokken , 29 Waren hunne getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vier honderd. 30 Van de zonen van Zebulon, hunno geboorten, naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in hot getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ton heire uittrokken , :!1 Waren hunne getelden van don stam van Zo-bulon zeven en vijftig duizend en vier honderd. 82 Van do zonon van Jozef: van de zonen van Efraïm, hunno geboorten, naar hunno geslachten, naar hot huis hunner vaderen, in hot getal der namen, van twintig jaren oud on daarboven, allen, die ton heire uittrokken, 33 Waren hunne getelden van den stam van Efraïm veertig duizend en vijf honderd. 34 Van do zonen van Manasso, hunne geboorten, naar hunne geslachten, naar hot huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ton heire uittrokken , 35 Waren hunne getelden van don stam van Ma-nasse twee en dertig duizend en twee honderd. 36 Van de zonen van Benjamin, hunne geboorten, naar hunne geslachten, naar het liuis hunner vaderen, in hot getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken , 37 Waren hunno getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig (luizend en vier honderd. 38 Van de zonen van Dan, liuiino geboorten, naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in hot getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, clio ten heire uittrokken, |
39 Waren hunne getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zeven honderd. 40 Van de zonon van Asor, hunne geboorten, naar hunne geslachten, naar hot huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken , 41 Waren hunno getelden van den stam van Aser oen en veertig duizend en vijf honderd. 42 Van de zonen van Nafthali, hunne geboorten, naar hunne geslachten, naar hot huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud, en daarboven, allen, die ten heire uittrokken, 43 Waren hunne getelden van don stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vier honderd. 44 Deze zijn de getelden, welke Mozes getold heeft, en Aaron, en de oversten van Israël; twaalf mannon waren zij, elk over hot huis zijnor vaderen. 45 Alzoo waren al de getelden der zonen van Israël, naar hot huis hunner vaderen, van twintig jaren oud on daarboven, allen, die in Israël ten heire uittrokken, 46 Al do getelden dan waren, quot; zes honderd drie duizend vijf honderd en vijftig. «Ex. 38:26. 47 Maar de Levieten, naar den stam hunner vaderen, werden onder hen niet getold. 48 Want de ITeere had tot Mozes gesproken, zeggende: 49 Alleen don stam Levi zult gij niet tollen, noch hunne som opnemen, onder do zonen van Israël. 50 Maar gij, stel do Levieten over den tabernakel der getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen den tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; on zij zullen dien bedienen, en zij zullen zich rondom den tabernakel legeren. 51 En als de tabernakel zal optrokken, de Levieten zullen donzolven afnemen; en wanneer do tabernakel zich legeren zal, zullen do Levieten denzei von oprigten; en do vreemde, die daarbij komt, zal gedood worden. 52 En de kinderen Israels zullen zich legeren, een iegelijk bij zijn leger, en een iegelijk bij zijne banier, naar hunno heiren. 53 Maar do Levieten zullen zich logeren rondom den tabernakel dor getuigenis, opdat geone verbolgenheid over de vergadering van do kindoren Israels zij; daarom zullen de Levieten de wacht van den tabernakel dor getuigenis waarnemen. 54 Zoo doden de kinderen Israels; naar alles, wat de Heere Mozes geboden had, zoo doden zij. HOOFDSTUK 2. Orde van de legering on op tog t der staimnen rondom den tabernakel, vs. I; de stam van Juda, met dien van Issaschar en Zebulon, iu do voorhoede, aan de oostzijde van don tabernukol, 3; aan do zuidzijde |
NUMERI 2,3.
140
|
de slam van Ruben, met dien van Simeon en Gad, 10; hierop volgde de tabernakel, met de Levieten rondom dien gelegerd, 17; aan do westzijde de stam van Efraïm, mot dien van Manasse en Benjamin, 18; aan do noordzijde, in do achterhoede, do stam van Dan, met dien van Aser en Nafthali, 25. Hosluit, 32. EN do Heere sprak tot Mozes en tot Aiiron, zeggende: 2 Do kinderen Israels zullen zich legeren, een ieder onder zijne banier, naar de teekenen van het huis hunner vaderen; rondom tegenover do tent der zamenkomst zullen zij zich legeren. !( Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de banier des legers van Juda, naar hunne heiren; en Nahesson, de zoon van Amininadab, zal de overste der zonen van Juda zijn. 4 Zijn heir nu, en zijne getelden waren vier en zeventig duizend en zos honderd. 5 En nevens hem zal zich logeren do stam van Issaschar; en Nethaneël, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn. ti Zijn heir nu, on zijne getelden waren vier on vijftig duizend en vier honderd. 7 Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn. 8 Zijn heir nu, en zijne getelden waren zeven en vijftig duizend en vier honderd. I) Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vier honderd, naar hunne heiren. Zij zullen vooraan optrokken. 10 De banier des legers van Ruben, naar hunne heiren, zal togen hot zuiden zijn; en Elizur, do zoon van Sedéür, zal de overste der zonen van Ruben zijn. 11 Zijn heir nu, en zijne getelden waren zes en veertig duizend en vijf honderd. 12 En nevens hem zal zich legeren do stam van Simoon; on Selümiël, de zoon van Zurfsaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn. U3 Zijn heir nu, en zijne getelden waren negen on vijftig duizend en drie honderd. 14 Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuël, zal do overste der zonen van Gad zijn. 15 Zijn heir nu, en zijne getelden waren vijf en veertig duizend zes honderd en vijftig. K! Al de getelden in hot leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vier honderd en vijftig, naar hunne heiren. En zij zullen de tweede optrekken. 17 Daarna zal de tent der zamenkomst optrekken , met het leger dor Levieten, in het midden van de legers; gelijk als zij zich legeren zullen, alzoo zullen zij optrekken, oen iegelijk aan zijne plaats, naar hunne banieren. 18 De banier des legers van Efraïm, naar hunne heiren, zal tegen het westen zijn; en Elisama, de zoon van Ammihud, zal do overste der zonen van Efraïm zijn. |
10 Zijn heir nu, en zijne getelden waren veertig duizend en vijf honderd. 20 En nevens hem de stam van Manasse; en Gamaliel , de zoon van Pedazur, zal do overste der zonen van Manasse zijn. 21 Zijn heir nu, en zijne getelden waren twee en dertig duizend en twee honderd. 22 Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gidéoni, zal de overste der zonen van Benjamin zijn. 23 Zijn heir nu, en zijne getelden waren vijf on dertig duizend en vier honderd. 24 Al de getelden in het leger van Efraïm waren honderd acht duizend en een honderd, naar hunne heiren. En zij zullen de derde optrokken. 25 De banier des legers van Dan zal tegen het noorden zijn, naar hunne heiren; en Ahiézer, do zoon van Amimsaddai, zal de overste dor zonen van Dan zijn. 26 Zijn heir nu, en zijne getelden waren twee on zestig duizend en zeven honderd. 27 En nevens hem zal zich legeren do stam van Aser; en Pagiël, do zoon van Ochran, zal de overste der zonen van Aser zijn. 28 Zijn heir nu, en zijne getelden waren eon on veertig duizend en vijf honderd. 29 Daartoe do stam van Nafthali; en Alura, do zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn. 30 Zijn heir nu, en zijne getelden waren drie en vijftig duizend en vier honderd. 31 Al do getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zes honderd. In het achterste zullen zij optrokken, naar hunne banieren. 32 Deze zijn de getelden van de kinderen Israels, naar hot huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hunne heiren, waren quot;zos honderd drie duizend vijf honderd en vijftig. a Ex. 38 : 20. Num. t : 40. 33 Maar de Levieten werden niet geteld onder de zonen van Israël, quot;gelijk als de Heere Mozes geboden had. a Num. 1 :48 , 49. 34 En do kinderen Israëls deden naar alles, wat de Heere Mozes geboden had, zoo legerden zij zich naar hunne banieren, en zoo trokken zij op, een iegelijk naar zijne geslachten, naar het huis zijnor vaderen. HOOFDSTUK 3. Geslachtregister van Aaron, vs. 1, wien de Levieten ter bediening van don tabernakel worden toegevoog-d, 5. Telling der Levieten naar hunne driegeslachten, met elks woonplaats en bediening, 14. Telling dor oerstgeborenen, in wier plaats de Levieten komen, 40. De oerstgeborenen, welke talrijker zijn dan de Levieten, worden gelost, 44, en het geld aan Aiiron on zijne zonen gegeven, 51. DIT nu zijn de geboorten van Aaron en Mozes; ten dage als de Heere met Mozes gesproken heeft op den berg Sinaï. 2 En dit zijn de namen der zonen van Aiiron: |
NUMERI n.
141
|
quot; de eorstgeborono, Nadab, daarna Ahihu, Eloii-zar, en Ithamar. u Ex. (i; 22. :i Dit zijn de namen der zonen van Aiiron, der priesteren, die gezalfd waren, welker hand men gevuld had, om het priesterambt te bedienen. 4 quot; Maar Nadab en Abihu stierven voor het aan-gezigt des Heeren, als zij vreemd vuur voor het aangezigt des IIeeren in de woestijn van Sinaï bragten, en hadden geene kinderen; doch Eleazar en Ithamar bedienden bet priesterambt voor het aangezigt van hunnen vader Aaron. « Lev. 10:1, 2, enz. Num. 2(5: til. 1 Kron. 24:2. T) En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: (i quot; Doe den stam Levi naderen, en stol hem voor het aangezigt van den priester Aaron, opdat zij hem dienen; «Num. 10:!). 18:2. 7 En dat zij waarnemen zijne wacht, en de wacht der geheele vergadering, voor de tent der zamen-komst, om de dienst des tabernakels te bedienen; 8 En dat zij al het gereedschap van do tent der zamenkomst, en de wacht der kinderen Israëls waarnemen, om de dienst des tabernakels te be-dienen. 0 (iij zult dan, aan Aiiron en aan zijne zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hom gegeven uit de kinderen Israëls. 10 Maar Aiiron en zijne zonen zult gij stellen, dat zij hun priesterambt waarnomen; en do vreemde, die nadert, zal gedood worden. 11 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 12 En Ik, zie. Ik heb de Levieten uit het midden van de kinderen Israëls genomen, in plaats van allen eerstgeborene, quot;die de baarmoeder opent, uit do kinderen Israëls; en de Levieten zullen mijne zijn. '/Ex. Ui: 2. 13 Want alle eerstgeborene is mijne; van don dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, quot;heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de menschen tot do beesten; zij zullen mijne zijn: Ik ben de Heere! «Ex. 13:2. 22:20. 34:19. Lev. 27:2G. Num.8:1 (i. Luk. 2:23. 14 En de Heere sprak tot Mozes in do woestijn van Sinaï, zeggende: 15 Tel de zonen van Levi naar het huis hunnor vaderen, naar hunne geslachten, al wat mannelijk is, van eene maand oud on daarboven, die zult gij tollen. 10 En Mozes tolde hen naar het bevel des Heeren, gelijk als hom geboden was. 17 quot;Dit nu waren de zonen van Levi met hunne namen: Gerson, en Kahath, en Merari. «Ex. 0:15, 10, 17. Num. 20:57. I Kron. 0:1. 23:0. 18 En dit zijn de namen dor zonen van Gerson, naar hunne geslachten: Libni en Simei'. 19 En de zonen van Kahath, naar hunne go-slachton: Amram en Izhar, Hebron en Uzziël. 20 En do zonen van Morari, naar hunne geslachten: Maheli en Müsi; dit zijn do geslachten der Levieten, naar hot huis hunner vaderen. |
21 Van Gerson was hot geslacht dor Libnieten, en hot geslacht der Simoïeten; dit zijn de go-slachten der Gersonioten. 22 Hunne goteldon in getal waren van al wat mannelijk was, van eene maand oud en daarboven; hunne goteldon waren zeven duizend on vijf honderd. 23 De geslachten der Gersonieten zullen zich logeren achter don tabernakel, westwaarts. 24 Do overste nu van het vaderlijke huis der Gersonieten zal zijn Eljasaf, do zoon van Laöl. 25 En do wacht dor zonen van Gerson in de tent dor zamenkomst zal zijn do tabernakel en de tent, haar deksel, en het deksel aan de deur van de tent dor zamenkomst; 26 En de behangsolen dos voorhofs, en hot deksel van do deur des voorhofs, welke bij den tabernakel en bij hot altaar rondom zijn; mitsgaders zijne zelen, tot zijne gansche dienst. 27 En van Kahath is het geslacht der Amramie-ton, en hot geslacht dor Izharieten, en hot geslacht dor Hobronieten, on het geslacht der Uzziëlioten; dit zijn de geslachten der Kohathieten. 28 In getal van al wat mannelijk was, van eene maand oud en daarboven, waren acht duizend en zes honderd, waarnemende do wacht des hoi-ligdoms. 25) Do geslachten dor zonen van Kohath zullen zich legeren aan de zijde dos tabernakels, zuidwaarts. 30 Do overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van de Kohathieten, zal zijn Elisafan, do zoon van Uzziël. 31 Hunne wacht nu zal zijn do ark, en de tafel, en de kandelaar, on de altaren en hot gereedschap des heiligdoms, met hetwelk zij dienst doen, en het deksel, on al wat tot zijne dienst behoort. 32 De overste nu der oversten van Levi zal zijn Eleazar, do zoon van Aiiron, den priester: zijn opzigt zal zijn over degenen, die do wacht dos heiligdoms waarnemen. 33 Van Merari is hot geslacht dor Maliolioton, en het geslacht der Müsieton; dit zijn do geslachten van Merari. 34 En hunne goteldon in getal van al wat mannelijk was, van eene maand oud en daarboven, waren zes duizend en twee honderd. 35 De overste nu van hot vaderlijke huis dor geslachten van Merari zal zijn Züriël, de zoon van Abihaïl; zij zullen zich legeren aan do zijde dos tabernakels, noordwaarts. 36 En het opzigt der wachten van de zonen van Morari zal zijn over do berderen dos tabernakels, en zijne rigcholen, on zijne pilaren, en zijne voeten, en al zijn gereedschap, en al wat tot zijne dienst behoort; 37 En de pilaren des voorhofs rondom, en hunne voeten, en hunne ponnen, en hunne zolen. 38 Die nu zich logeren zullen voor den tabernakel oostwaarts, voor do tont der zamenkomst, togen den opgang, zullen zijn Mozes, en Aaron |
NUMERI 3, 4.
142
|
met /.ijiio zonen, waarnemende tie wacht des hei-liydoms, voor do wacht dor kinderen Israels; on de quot;vreemde, die nadert, zal gedood worden. «vers 10. Num. 16:40. ;)!) Allo gotelden dor Levieten, welke Mozes en Aaron, op het bevel des Heeren, naar hunne geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van eeno maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend. 40 En do IIeere zeide tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen, wat mannelijk is onder do kinderen Israels, van eeno maand oud en daarboven; en noem hot getal hunner namen op. 41 En gij zult voor Mij de Levieten nomen, (Ik ben de Heehe!) in plaats van alle eerstgoboronen onder de kinderen Israels, en de beesten der Levieten, in plaats van alle eerstgeborenen onder do beesten dor kinderen Israels. 42 Mozes dan tolde, gelijk als de Heehe hom geboden had, alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels. 4li En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal der namen, van eeno maand oud en daarboven, naar hunne getelden, waren twee en twintig duizend twee honderd en drie en zeventig. 44 En do IIeere sprak tot Mozes, zeggende: 45 Noem de Levieten, in plaats van allo eerstgeboorte onder do kinderen Israels, en de beesten dor Levieten, in plaats van hunne beesten: want de Levieten zullen mijne zijn: Ik ben do IIeere! 4(i Aangaande do t wee honderd drie en zeventig, dio gelost zullen worden, die overschieten, boven de Levieten, van de eerstgeborenen van do kindoren Israels; 47 (lij zult voor elk hoofd vijf sikkels nomen; naar den sikkel des heiligdonis zult gij ze nemen; quot; die sikkel is twintig gera. n Ex. 30: 13. Lev. 27:25. Num. 18: l(i. Ezec. 45: 12. 48 En gij zult dat geld aan Aaron en zijne zonen geven, het geld dor gelosten, die onder hen overschieten. 4!) Toen nam Mozes dat losgeld van degenen, die overschoten boven de gelosten door de Levieten ; 50 Vim do eerstgeborenen van de kinderen Israels nam hij dat geld, duizend drie honderd vijf en zestig nikkelen, naar den sikkel des heiligdonis. 51 En Mozes gaf dat geld dor gelosten aan Aiiron en aan zijne zonen, naar hot bevel des Heeren, gelijk als do IIeere Mozes geboden had. HOOFDSTUK 4. Bevel van de telling der Levieten van 30 tot 50 jaren, die lot de dienst van den tabernakel bekwaam waren , vs. 1. Nadere bepalingen der diensten van elk geslacht: van de Kohathieten, 15; van de Gerso-nieten, 22; en van de Merarieten, 20. Het getal van elk in hot bijzonder, 34; en van allen met elkander wordt opgegeven, 46. EN do IIeere sprak tot Mozes on tot Aiiron, zeulende: |
2 Noemt op do som dor zonen van Kohath, uit het midden dor zonen van Levi, naar hunne go-slachten, naar het huis hunner vaderen. 3 Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud; al wie tot dezen strijd inkomt, om hot werk in do tent dor zamonkomst te doen. 4 Dit zal de dienst zijn der zonen van Kohath, in de tent dor zamonkomst, fe toeten de heiligheid der heiligheden. 5 In het optrekken des legers, zoo zullen Aiiron en zijne zonen komen, en den voorhang des doksels afnemen, en zullen daarmede do ark dor getuigenis bedekken. (i En zij zullen een deksel van dassenvellen daarop leggen, en een geheel kleed van hemels-blaauw daar boven op uitspreiden; on zij zullen derzelver handboomen aanleggen. 7 Zij zullen ook quot;op de toontafel een kleed van hemelsblaauw uitspreiden, en zullen daarop zetten de schotels, en de reukschalen, en de kroezen, en de dekschotels; ook zal hot gedurig brood daarop zijn. «Ex. 25:30. y Daarna zullen zij een scharlaken kleed daarover uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen derzelver handboomen aanloggen. 0 Dan zullen zij oen kleed van hemelsblaauw nemen, en bedekken quot;den kandelaar des luchters, en zijne lampen, en zijne snuiters, en zijne ''blusch-vaten, en al zijne olievaten, mot welke zij aan denzei ven dienen. «Ex. 25:31. /gt;Ex. 25:38. 10 Zij zullen ook donzolven, en al zijn gereedschap, in een deksel van dassenvellen doen, en zullen hem op den draagboom leggen. 11 En over hot gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblaauw uitspreidon, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen doszelfs handboomen aanleggen. 12 Zij zullen ook nomen alle gereedschap der dienst, mot hetwelk zij in het heiligdom dienen, en zullen het leggen in oen kleed van hemelsblaauw, en zullen hetzelve met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen het op den draagboom leggen. 13 En zij zullen de asch van hot altaar vegen, en zij zullen daarover een kleed van purper uit-spreidon. 14 En zij zullen daarop leggen al zijn gereedschap , waarmede zij aan hetzelve dienen, de koolpannen, de kraauwolon, en do schoffelen, en do sprengbekkons, al hot gereedschap des altaars; en zij zullen daarover oen deksel van dassenvellen uitspreiden, en zullen doszelfs handboomen aanleggen. 15 Als nu Aiiron en zijne zonen, hot dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap des heiligdonis, in het optrokken des legers, zullen voleind hebben, zoo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragon; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit |
NUMERI 4.
Ui!
|
is do last dor zonon van Kohath , in de tent der zamenkomst. 1G Het opzigt nu van Eloazar, don zoon van Aiiron, den priester, zal zijn over de olio dos luchtors, en liet quot;reukwerk der welriekende spo-cerijon, en hot gedurig spijsoffer, en do h zalfolie: het opzigt dos ganschen tabernakels, en alles wat daarin is, aan liet heiligdom en aan zijn gereedschap. «Ex. 30 :34, 35. /(Ex. 30:23, 24, enz. 17 En do Heere sprak tot Mozes on tot Aiiron, zeggende: 18 Ciij zult den stam van de geslachten der Ko-hathieten niet laten uitgeroeid worden, uit het midden der Levieten; 19 Maar dit zult gij hun doen, opdat zij loven en niet sterven, als zij tot de heiligheid der heiligheden toetreden zullen: Aiiron en zijne zonen zullen komen, en stellen hen een ieder over zijne dienst en aan zijnen last. 20 Doch zij zullen niet inkomen om te zien, als men het heiligdom inwindt, opdat zij niet sterven, 21 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 22 Neem ook op de som der zonen van Gerson, naar het huis hunner vaderen, naar hunne geslachten. 23 Gij zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt om den strijd te strijden, opdat hij de dienst bediene in de tent der zamenkomst. 24 Dit zal zijn de dienst der geslachten van de Gersonieten, in het dienen en in den last. 25 Zij zullen dan dragen de gordijnen des tabernakels, en de tent der zamenkomst, te weien haar deksel, en het dassendeksel, dat er boven op is, en het deksel der deur van de tent der zamenkomst ; 26 En de behangselen des voorhofs, en het deksel der deur van de poort des voorhofs, hetwelk is bij den tabernakel en hij het altaar rondom; en hunne zelen, en al het gereedschap van hunne dienst, mitsgaders al wat daarvoor bereid wordt, opdat zij dienen. 27 De geheele dienst van de zonen der Gersonieten, in al hunnen last, en in al hunne dienst, zal zijn naar het bevel van Aiiron en van zijne zonen; en gijlieden zult hun ter bewaring al hunnen last bevelen. 28 Dit is de dienst van do geslachten der zonen van de Gersonieten, in de tent der zamenkomst; en hunne wacht zal zijn onder do hand van Ithainar, den zoon van Aaron, den priester. 29 Aangaande de zonen van Merari, die zult gij naar hunne geslachten, en naar het huis hunner vaderen tellen. 30 Gij zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt tot dezen strijd, om te bedienen do dienst van de tent der zamenkomst. 31 Dit zal nu zijn de onderhouding van hunnen last, naar al hunne dienst, in de tent der zamenkomst: do quot;berderen dos tabernakels, en zijne rigchelon, en zijne pilaren, en zijne voeten; |
n Ex. 20 : 15. 32 Mitsgaders de pilaren des voorhofs rondom, hunne voeten, en hunne pennen, en hunne zelen, mot al hun gereedschap, en met al hunne dienst; en het gereedschap van de waarneming van hun-non last zuil gij bij namen tellen. 33 Dit is de dienst van de geslachten der zonon van Merari, naar hunne ganscho dienst, in do tont der zamenkomst, onder de hand van Ithamar, den zoon van Aiiron, den priester. 34 Mozes dan en Aiiron, en de oversten der vergadering telden de zonen der Kohathieten, naar hunne geslachten, en naar hot huis hunner vaderen: 35 Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot do dienst in de tent der zamenkomst; 36 Hunne getelden nu waren, naar hunne go-slachten, twee duizend zeven honderd en vijftig. 37 Dit zijn do getoldon van de geslachten der Kohathieten, van al wie in do tent der zamenkomst diende, wolke Mozes en Aiiron geteld hebben, naar het bevel dos Heeren, door de hand van Mozes. 38 Insgelijks de getelden dei' zonon van Gerson, naar hunno geslachten, en naar hot huis hunner vaderen: 3!) Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, ui wie inkwam tot dezen strijd, tot do dienst in de tont der zamenkomst; 40 Hunne getelden waren, naar hunne geslachten, naar hot huis hunner vaderen, twee duizend zes honderd en dertig. 41 Deze zijn de getelden van de geslachten der zonen van Gerson, van al wie in do tent der zamenkomst diende, welke Mozes en Aiiron telden, naar het bevel des Heeren. 42 En de getelden van de geslachten der zonen van Merari, naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen : 43 Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot de dienst in de tont der zamenkomst; 44 Hunne getelden nu waren, naar hunne geslachten, drie duizend en twee honderd. 45 Deze zijn de getelden van de geslachten der zonen van Merari, welke Mozes en Aiiron geteld hebben, naar het bevel des Heeren, door de hand van Mozes. 4() Al do getelden, welke Mozes en Aiiron, en de oversten van Israël geteld hebben van de Levieten, naar hunne geslachten, en naar het huis hunner vaderen: 47 Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam, om de dienst der bediening en de dienst van den last, in de tent dor zamenkomst, te bedienen; 48 Hunne getelden waren acht duizend vijf honderd en tachtig. |
|
144 49 Mon telde hen, naar liet bevel des Heeren, door de hand van Mozes, oen ieder naar zijne dienst, en naar zijnen last; en zijne yetelden waren, die de Heere Mozes geboden had. HOOFDSTUK 5. Bevel om nllo onreinen buiten liet leger af to /.onderen, vs. 1. Wetten over hot wedergeven van hetgeen men iemand ontvreemd had, 5. Het vrijwillig geheiligde was voor den jinester, !). Over de ijverzucht van den man omtrent do knisehheid zijner vronw, en do plegtighoden daarbij in acht te nemen, 11; met verklaring van deze, 27. Hesluit, 29. EN de Heere sprak tot Mozes, zeggende; 2 Gebied den kinderen Israels, dat zij uit het leger quot;wegzenden allemelaatschen, en alle ''vloeijen-den, en allen, die onrein zijn van ' eenen doode. «Lev. 13:8, 41) h Lev. 15:2. cLev. 21 : 1. ;t Van den man tot de vrouw toe zult gij hen wegzenden; tot buiten het leger zult gij ben wegzenden; opdat zij niet verontreinigen hunne legers, in welker midden Ik wone. 4 En de kinderen Israels deden alzoo, en zonden hen tot buiten het leger; gelijk do Heere tot Mozes gesproken had, alzoo deden de kinderen Israels. 5 Verder sprak de Heere tot Mozes, zeggende: (i quot; Spreek tot de kinderen Israels: Wanneer een man of eene vrouw iets van eenige menschelijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen don Heere, zoo is diezelve ziel schuldig. ff Lev. (i: 1, H. 7 En zij zullen hunne zonde, welke zij gedaan hebben, belijden: daarna zal hij zijne schuld weder-uitkeeren, quot; naar de hoofdsom daarvan, en der-zelfder vijfde deel zal hij daarboven toedoen, en zal het dien geven, aan wien hij zich verschuldigd heeft. «Lev. 0:5. 8 Maar zoo die man geen' losser zal hebben, om de schuld aan hem weder uit te keeren, zal die schuld, welke den Heere wederuitgekeerd wordt, des priesters zijn: behalve den ram der verzoening, met welken bij voor bem verzoening doen zal. 9 Desgelijks zal alle heffing van alle geheiligde dingen der kinderen Israels, welke zij tot den priester brengen, zijne zijn. 10 quot;En een ieders geboiligde dingen zullen zijne zijn ; wat iemand den priester zal gegeven hebben, zal zijne zijn. a Lev. 10: 12. 11 Wijders sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 12 Spreek tot do kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer van iemand zijne huisvrouw zal afgeweken zijn, en door overtreding tegen hem overtreden zal hebben : 13 Dat een man bij haar door bijligging des zaads zal gelegen hebben, en het voor de oogen baars mans zal verborgen zijn, en zij zich verheeld zal hebben, zijnde nogtans onrein geworden; en geen getuige tegen baar is, en zij niet betrapt is; |
14 En de ijvergeest over hem gekomen is, dat hij ijvert over zijne huisvrouw, dewijl zij onrein geworden is; of dat over hem de ijvergeest gekomen Is, dat hij over zijne huisvrouw ijvert, hoewel zij niet onrein geworden is; 15 Dan zal die man zijne huisvrouw tot den priester brengen, en zal hare offerande voor haar medebrengen, een tiende deel van eene efa gersten-meel ; hij zal geene' olie daarop gieten, noch wierook daarop leggen, dewijl het een spijsoffer der ijveringen is, een spijsoffer der gedachtenis, dat de ongeregtigheid in gedachtenis brengt. KJ En de priester zal haar doen naderen, hij zal liaar stellen voor het aangezigt des Heeren. 17 En do priester zal heilig water in een aarden vat nemen; en van het stof, hetwelk op den vloer des tabernakels is, zal de priester nemen, en in het water doen. 18 Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezigt des Heeren stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontblooten, en zal het spijsoffer der gedachtenis op hare handen leggen, hetwelk het spijsoffer der ijveringen is; en in de hand des priesters zal dat bitter water zijn, hetwelk den vloek medebrengt. 19 En de priester zal haar beëedigen, en zal tot die vrouw zeggen: Indien niemand bij u gelegen heeft, en indien gij, onder uwen man zijnde, niet afgeweken zijt tot onreinigheid, wees vrij van dit bitter water, hetwelk den vloek medebrengt! 20 Maar zoo gij, onder uwen man zijnde, afgeweken zijt, en zoo gij onrein geworden zijt, dat een man bij u gelegen heeft, behalve uwen man: 21 (Dan zal de priester die vrouw met den eed der vervloeking beëedigen, en de priester zal tot die vrouw zeggen:) De Heere zette u tot eenen vloek, en tot eenen eed, in het midden uws volks, mits dat de Heere uwe heup vervallende, en uwen buik zwellende make: 22 Dat ditzelve water, hetwelk de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om den buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen! 23 Daarna zal de priester deze zelfde vloeken op een cedeltje schrijven, en hij zal het mot het bitter water uitdoen. 24 En hij zal die vrouw dat bitter water, hetwelk de vervloeking medebrengt, te drinken geven, dat het water, hetwelk de vervloeking medebrengt, in haar tot bitterheden inga. 25 En de priester zal uit de hand van die vrouw het spijsoffer der ijveringen nemen, en hij zal datzelve spijsoffer voor het aangezigt des Heeren bewegen, en zal dat op het altaar offeren. 26 De priester zal ook van dat spijsoffer, des-zelfs gedenkoffer, eene handvol grijpen, en zal het op het altaar aansteken; en daarna zal hij dat water die vrouw te drinken geven. 27 Als hij haar nu dat water zal te drinken gegeven hebben, het zal geschieden, indien zij onrein geworden is, en tegen haren man door overtreding zal overtreden hebben, dat het water, NUMERI 4, 5. |
NUMEUI 5, (I.
|
hetwelk vervloeking medebrongt, tot bitterheid in liiiar ingaan zal, en haar huik zwellen, en hare heup vervallen zal: cmi die vrouw zal in het midden van haar volk tot oenen vloek zijn. 28 Doch indien de vrouw niet onrein geworden is, maar rein is, zoo zal zij vrij zijn, en zal met zaad bezadigd worden. 29 Dit is de wet der ijveringen, als eene vrouw, onder haren man zijnde, zal afgeweken en onrein geworden zijn; 30 Of als over oenen man de ijvorgeest zal gekomen zijn, en hij over zijne huisvrouw zal geijverd hebben, dat hij de vrouw voor het aangezigt des Heeren stelle, en de priester aan haar deze gansehe wet volbrenge. :il En de man zal van de ongeregtigheid onschuldig zijn; maar diezelve vrouw zal hare ongeregtigheid dragen. HOOFDSTUK (!. Wet der gelofte van hot naziroörschap, vs. 1; do roinhoid, daarin gevorderd, 3; do vorzoening van don vorontroinigdon nazireör, 0; do plegtighoden liij hot einde der gelofte, 13. Zegen door den priester uil te sproken hij hot zegenen der geiaoente van Israël, '22. EN de Heehe sprak tot Mozos, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer een man of eene vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens Nazireërs, om zich den Hehre af te zonderen: !! Van wijn en sterken drank zal iiij zich afzonderen ; wijnedik, en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch eenige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch versche of gedroogde druiven eten. 4 Al de dagen van zijn nazireërschap zal hij niet eten van iets, dat van den wijnstok dos wijns gemaakt is, van de kernen af tot de basten toe. 5 Al do dagen der gelofte van zijn nazireërschap zal hot quot;scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich den Heehe zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende do lokken van het haar zijn hoofds wassen. n Rigt. 1:5:5. 1 Sam. 1:11. li Al de dagen, die hij zich den Heehe zal afgezonderd hebben, zal hij tot het ligchaam eens dooden niet gaan. 7 Om zijnen vader of om zijne moeder, om zijnen broeder of om zijne zuster, om hen zal hij zich niet verontreinigen, als zij dood zijn: want hot nazireërschap zijns Gods is op zijn hoofd. 8 Al do dagen van zijn nazireërschap is hij don Heehe heilig. !) En zoo do gestorvene hij hem onvoorziens haastelijk gestorven ware, dat hij het hoofd van zijn nazireërschap zou verontreinigd hobben, zoo zal hij op den dag zijner reiniging zijn hoofd hescheren; op den zevenden dag zal hij liet beschoren. |
10 En op den achtsten dag zal hij twee tortelduiven , of twee jonge duiven brengen tot den priester, tot de deur van de tent der zanienkomst. 11 De priester nu zal eene bereiden ten zondoffer, en eene ten brandoffer, en zal voor hem vorzoening doen, van dat hij aan het doode ligchaam gezondigd hoeft; alzoo zal hij zijn hoofd op dienzelfden dag heiligen. 12 Daarna zal hij de dagen van zijn nazireërschap den Heehe afzonderen, en zal een lam, dat eenjarig is, brengen ton schuldoffer; en de vorige dagen zullen vallen, omdat zijn nazireërschap verontreinigd was. 13 En dit is de wet dos Nazireërs: op den dag, als de dagen van zijn nazireërschap zullen vervuld zijn, zal hij dit brengen tot de deur van de tent der zamonkomst. 14 Hij dan zal tot zijne offerande den Heehe offeren een volkomen eenjarig lam ten brandoffer, en een volkomen eenjarig ooilam ten zondoffer, en oen' volkomen ram ton dankoffer; 15 En een' korf ongezuurde koeken, koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken, mitsgaders hun spijsoffer, en hunne drankofferen; Ki En de priester zal het voor het aangezigt des Heehen brengen, en zal zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden. 17 Hij zal ook den ram ten dankoffer den Heehe bereiden, met den korf dor ongezuurde hoeken; en de priester zal zijn spijsoffer en zijn drankoffer bereiden. 18 Alsdan zal de Nazireër, aan de deur van de tent der zamonkomst, quot; het hoofd van zijn nazireërschap bescheron; en hij zal hot hoofdhaar van zijn nazireërschap nemen, en hij zal het leggen op het vuur, flat onder het dankoffer is. n Hand. 21 : 24. li) Daarna zal de priester een' gezoden schouder nomen van den ram, en oenen ongezuurden koek uit den korf, en eene ongezuurde vlade; en hij zal ze op do handen des Nazireërs loggen, nadat hij zijn nazireërschap afgeschoren heeft. 20 En de priester zal die quot; bewegen ten boweeg-offor, voor het aangezigt dos Heehen: het is oen heilig ding voor den priester, met de borst des beweegoffers, en met den schouder des hefoffers; en daarna zal die Nazireër wijn drinken. fit Ex. 29:27. 21 Dit is de wet des Nazireërs, die zijne offerande don Heere voor zijn nazireërschap zal beloofd hobben, behalve wat zijne hand bekomen zal; naar zijne gelofte, welke hij beloofd zal hebben, alzoo zal hij doen, naar de wet van zijn nazireërschap. 22 En de Heehe sprak tot Mozos, zeggende: 23 Spreek tot Aaron en zijne zonen, zeggende: Alzoo zult gijlieden de kinderen Israels zogenen, zeggende tot hen: 24 De Heehe zegene u, en behoede u! 25 Do Heehe doe zijn aangezigt over u lichten, en zij u genadig! JO |
NUMERI 6, 7.
llf.
|
26 Dn Heeue vorhol'lo zijn aangezigt over u, en geve u vrede! 27 Alzoo zullen zij mijnen naam op de kinderon Israels leggen; en Ik zal hen zegenen. HOOFDSTUK 7. iiosch rij ving van hetgeen de twaalf oversten der stammen , na de ögrigting en heiliging van don tabernakel hebben geofferd, in het algemeen, vs. 1; hetwelk don Oersonieten en Merarieten wordt gegeven, 4; wat elllt; in hot bijzonder aan zilveren en gouden vaten en bocstoa heeft geoflerd bij de inwijding van liet altaar, 10. Optelling van geheel hel geofferde, SU. Do wijze, waarop (led mot Mozes sprak van liet verzoendeksel, Ml). EN het geschiedde ten dage, als Mozes geëindigd had quot; den tabernakel op te rigten, en dat hij dien gezalfd, en dien geheiligd had, en al zijn gereedschap, mitsgaders het altaar en al zijn gereedschap, en hij ze gezalfd, en dezelve geheiligd had: '/Ex. 40:18. '2 Dat de oversten van Israël, de hoofden van het huis hunner vaderen offerden; deze waren de oversten der stammen, die over de geleiden stonden. En zij bragten hunne offerande voor het nan-gezigt des Heeren, zes overdekte wagens, en twaalf runderen; eenen wagen voor twee oversten, en eenen os voor elk eenen; en bragten ze voor den tabernakel. 4 En de Heeue sprak tot Mozes, zeggende: ó Neem ze van hen, opdat zij zijn mogen om te bedienen de dienst van de tent der zamenkoinst; en gij zult dezelve den Levieten geven, een' ieder naar zijne dienst. (! Alzoo nam Mozes die wagens, en die runderen, en gaf dezelve den Levieten. 7 Twee wagens en vier runderen gaf hij den zonen van Gerson, naar hunne dienst; 8 En vier wagens en acht runderen gaf hij den zonen van Merari, naar hunne dienst; onder de hand van Ithamar, den zoon van Aiiron, den priester. i) Maar den zonen van Kohath gaf hij niet: want de dienst der heilige dingen was op hen, die zij op de schouderen droegen. 10 En de oversten offerden ter inwijding des altaars, op den dag als hetzelve gezalfd werd: de oversten dan offerden hunne offeranden voor het altaar. 11 En de Heere zeide tot Mozes: Elke overste zal (een iegelijk op zijnen dag) zijne offerande offeren, ter inwijding des altaars. 12 Die nu op den eersten dag zijne offerande offerde, was Nahesson, de zoon van Amminadab, voor den stam van Juda. 13 En zijne offerande was: een zilveren schotel, welks gewigt was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beiden vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; |
14 Eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; 15 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; 1(5 Een geitenhok, ten zondoffer; 17 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was do offerande van Nahesson, den zoon van Amminadab. 18 Op den tweeden dag offerde Nethaneël, de zoon van Zuar, do overste van Issaschar. lil Hij offerde zijne offerande: een zilveren schotel , welks gewigt was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beiden vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; 20 Eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; 21 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; 22 Een geitenhok, ten zondoffer; 2:5 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Nethaneël, den zoon van Zuar. 24 Op den derden dag offerde de overste der zonen van Zehulon, Eliab, de zoon van Helon. 25 Zijne offerande was: een zilveren schotel, welks gewigt was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beiden vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; 26 Eene reukschaal van tien gouden sikkelen , | vol reukwerks; 27 Een var, oen jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; 28 Een geitenhok , ten zondoffer; 29 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Eliab, den zoon van Helon. 30 Op den vierden dag offerde de overste der kinderen van Ruben, Elfzur, de zoon van Sedéür. 31 Zijne offerande was: een zilveren schotel, welks gewigt was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naaiden sikkel des heiligdoms; zij waren beiden vol ineelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; 32 Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; 33 Een var, een jong rund, een ram, een lam , dat eenjarig was, ten brandoffer; 34 Een geitenhok, ten zondoffer; 35 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Elizur, de zoon van Sedéür. 36 Op den vijfden dag offerde de overste der kinderen van Simeon, Selümiël, de zoon van Zurisaddai. 37 Zijne offerande was: een zilveren schotel, welks gewigt was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar |
NUMERl 7,
|
den sikkel des heiligdoms; /ij waren beiden vol meelbloem met olie gemonyd, ten spijsoffer; :W Een renkschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; :!!) Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; 40 Een geitenhok, ten zondoffer; 41 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen , vijf bokken, vijf eenjarige lamineren. Dit was do offerande van Seliïmiöl, den zoon van Zurfsaddai. 42 Op den zesden dag offerde de overste der kinderen van (Jad, Eljasaf, de zoon van Dehuël. 43 Zijne offerande was: een zilveren schotel, welks gewigt was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des beiligdoms; beiden vol meelbloem gemengd met olie, ten spijsoffer; 44 Eene reukschaal van tien gouden xikkeieu, vol reukwerks; 4;quot;) Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; 4(1 Een geitenhok, ten zondoffer; 47 En ten dankoffer: twee runderen, vijl' rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Eljasaf, den zoon van Dehuël. 4(S Op den zevenden dag offerde de overste der kinderen van Efraïni, Elisama, de zoon van Ammihud. 4!) Zijne offerande was: een zilveren schotel, welks gewigt was honderd dertig nikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; beiden vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; ;'gt;() Eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; 51 Een var, een jong rund, oen ram, een hun, dat eenjarig was, ten brandoffer; 52 Een geitenhok, ten zondoffer; 53 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was do offerande van Elisama, den zoon van Ammihud. 54 Op den achtsten dag offerde de overste dei* kinderen van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur. 55 Zijne offerande was: een zilveren schotel, welks gewigt was honderd dertig sikkelen; oen zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; beiden vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; 56 Eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; 57 Een var, oen jong rund, eon ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; 58 Een geitenhok , ten zondoffer ; 59 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was do offerande van Gamaliël, den zoon van Pedazur. |
(iO Op den negenden dag offerde de overste dor kinderen van Benjamin, Abidan, do zoon van Gideóni. (!1 Zijne offerande was: een zilveren schotel, welks gewigt was honderd dertig sikkelen; oen zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren bolden vol meelbloem met olio gemengd, ten spijsoffer; (!'2 Eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; (53 Een var, oen jong rund, oen ram, oen lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; (gt;4 Een geitenhok, ten zondoffer; (gt;5 En ten dankoffer: twee rundoren, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lamineren. Dit was de offerande van Abidan, den zoon van Gideóni. (i() Op den tienden dag offerde de overste dor kinderen van Dan, Ahiézer, do zoon van Am-misaddai. (i? Zijne offerande was: oeu zilveren schotel, welks gewigt was honderd dertig sikkelen; een zilveren spronghekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beiden vol meelbloem niet olie gemengd, ton spijsoffer; (iS Eene roukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; (59 Een var, eon jong rund, oen ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; 70 Een geitenhok, ten zondoffer; 71 En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Ahiézer, den zoon van Amnnsaddai. 72 Op den elfden dag offerde do overste dor kinderen van Asor, Pagiël, de zoon van Ochran. 73 Zijne offerande was: een zilveren schotel, welks gewigt was honderd dertig sikkelen; oon zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar don sikkel dos heiligdoms; zij waren beiden vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; 74 Eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; 75 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; 7(i Een geitenhok, ten zondoffer; 77 En ton dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was do offerande van Pagiël, denzoon van Ochran. 78 Op don twaalfden dag offerde de overste der kinderen van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan. 7il Zijne offerande was: een zilveren schotel, welks gewigt was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar don sikkel des heiligdoms; zij waren beiden vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer; 80 Eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks; 81 Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; Ui* |
|
US 82 Een geitenbek, ten zondoffer; 83 En ten dankoffer; twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Alura, den zoon van Enan. 84 Dit is de inwijding des altaars van de oversten van Israël, op den dag als hetzelve gezalfd werd : twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren spreng-bekkens, twaalf gouden reukschalen. 85 Een zilveren schotel was van honderd dertig sikkelen, en een sprengbekken van zeventig: al hot zilver van de vaten was twee duizend en vier honderd sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms. 8() Twaalf gouden reukschalen vol reukwerks, elke reukschaal was van tien sikkelen, naar den sikkel dos heiligdoms: al het goud der reukschalen was honderd en twintig sikkelen. 87 Al do runderen ten brandoffer waren twaalf varren, twaalf rammen, twaalf eenjarige lammeren, met hun spijsoffer; on twaalf geitenhokken ten zondoffer. 88 En al de runderen ten dankoffer waren vier en twintig varren, de rammen zestig, de bokken zestig, do eenjarige lammeren zestig. Dit is de inwijding des altaars, nadat hetzelve gezalfd was. 89 En als Mozes in de tent der zamonkomst ging, om met Hein te spreken, zoo hoorde hij eene stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, hetwelk is op de ark der getuigenis, van tusschen do twee cherubim, Alzoo sprak Mij tot hein. HOOFDSTUK 8. Wetten aiingaamlo het aansteken dor lampen, van ilon kandelaar, vs. 1; do reiniging doi Levioton, 5; do Levieten, in do plaats dor eerstgeborenen komende, worden den priesters ter bediening toegevoegd, 10; over den leeftijd, waarin zij hunne dienst aanvangen on eindigen, 23; over hetgeen /.ij na liet einde to doen hadden, 2ü. En do Heehe sprak tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot Aiiron, en zog tot hem: Als gij de lampen aansteken zult, quot;regt tegenover den kandelaar zullen do zeven lampen lichten. «Ex. 2r);;!7. à En Aiiron deed alzoo: tegenover vooraan den kandelaar stak hij deszelfs lampen aan; gelijk als do IIeere Mozes geboden had. 4 Dit werk nu des kandelaars was van quot; digt goud, tot zijne schacht, tot zijne bloemen was het digt; naar do gedaante, die do IIeere Mozes vertoond had, alzoo had hij don kandelaar gemaakt. «Ex. 20; lil. 5 En do Heehe sprak tot Mozes, zeggende: li Noem do Levieten uit liet midden van do kindoren Israels, en reinig hen. 7 En aldus zult gij hun doen, om hen te reinigen : sprong op hen water der ontzondiging; en zij zullen het scheermes over hun gansche vleesch doen gaan, en zij zullen hunne kleodoron was-schen, en zich reinigen. 8 Daarna zullen zij nemen oenen var, een jong rund, mot zijn spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd; en oenen anderen var, een jong rund, zult gij nomen ton zondoffer. |
!) En gij zult de Levieten voor de tent der zamonkomst doen naderen; en gij zult de geheele vergadering der kinderen Israels doen verzamelen. 10 Ja gij zult do Levieten voor het aangezigt des Heeren doen naderen; en de kinderen Israels zullen hunne handen op de Levieten leggen. 11 En Aiiron zal de Levieten bewegen ten be-weegoffer voor hot aangezigt des Heeren, van wege de kinderen Israels; opdat zij zijn, om de dienst des Heeren te bedienen. 12 En de Levieten zullen hunne handen op het hoofd der varren leggen; daarna bereidt gij oenen ten zondoffer, en oenen ton brandoffer don IIeere, om over de Levieten verzoening te doen. 13 En gij zult de Levieten stellen voor het aangezigt van Aiiron, en voor het aangezigt van zijne zonen, on gij zult hou bewegen ton beweeg-offer den Heere. 14 En gij zult de Levieten uit hot midden van de kinderen Israels uitscheiden, opdat de Levieten quot; mijne zijn. «Num. 3:45. 15 En daarna zullen de Levieten inkomen, om de tent der zamonkomst te bedienen; en gij zult hen reinigen, en zult hen ten bewoegoffer bewegen. lii Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de kinderen Israels; voor de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een' ieder uit de kinderen Israels, heb Ik zo Mij genomen. 17 Want quot;alle eerstgeborene onder do kinderen Israels is mijne, onder do menschen en onder de beesten; ten dage dat lx alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelve Mij geheiligd. «Num.3:13. Ex. 13:2.22:20. 34: UI. Lev.27:20. Luk.2:23. 18 quot;En Ik heb de Levieten genomen voor alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels. a Num. 3 : 12. 1!) En Ik hel) de Levieten aan Aaron en aan zijne zonen tot eene gift gegeven, uit het midden van de kinderen Israels, om do dienst van do kinderen Israels in do tent dor zamonkomst te bedienen, en om voor de kinderen Israels verzoening te doen, dat er geene plage zij onder de kinderen Israels, als do kinderen Israels tot het heiligdom naderen zouden. 20 En Mozes deed, en Aiiron, en de gansche vergadering der kinderen Israels, aan de Levieten, naar alles, wat de Heere Mozes geboden had van do Levieten, zoo doden de kinderen Israels aan hen. 21 En do Levieten ontzondigden zich, en wie-schen hunne kleodoron, en Aiiron bewoog hen ton bewoegoffer voor het aangezigt dos Heeren; en Aiiron deed verzoening over hen, om hen te reinigen. 22 En daarna kwamen de Levieten, om hunne dienst te bedienen in de tent der zamonkomst, voor het aangezigt van Aiiron, en voor hot aangezigt zijnor zonen; gelijk als de Heere Mozes van de Levieten geboden had, alzoo doden zij aan hen. NUMERI 7, 8. |
|
23 En do Heere sprak tot Mozes, zeggende: 24 Dit is liet, wat don Levieten aangaat; van vijf en twintig jaren oud en daarboven zullen zij inkomen, om den strijd te strijden, in do dienst van de tent dor zamonkomst. 25 Maar van dat hij vijftig jaren oud is, zal hij van den strijd dezer dienst afgaan, en hij zal niet meer dienon. 26 Doch hij zal met zijne broederen dienon in de tont dor zamonkomst, om de wacht waar te nemen; maar de dienst zal hij niet bodionen. Al-zoo zult gij aan do Levieten doen in hunne wachten. HOOFDSTUK 9. Vorlmal van hot ia de woestijn gevierde pascha, vs. I. Instelling van een tweede pascha voor hen, die bij hot eerste onrein waren, 9. Straffen voor hen, die, door geeno wettige reden verhinderd, liet pascha op den bepaalden tijd niet vierden, 13. Toelating van den vreemdeling tot het pascha, 14. Do wolken vuurkolom boven den tabernakel geeft hot teekon om op te breken en rust te houden, 10. EN do Heere sprak tot Mozes in do woestijn van Sinaï, in het tweede jaar, nadat zij uit Egyptolaud uitgetogen waren, in de eerste maand, zeggende: 2 Dat do kinderen Israels het quot; pascha houden zouden, op zijnen gezetten tijd; «Ex. 12:1, enz. Lev.23:5. Num.28: IG. Ueut. 10:2. 3 Op don veertienden dag in deze maand, tus-schen do twee avonden zult gij dat houden, op zijnen gezetten tijd; naar al zijne inzettingen, en naar al zijne regten zult gij dat houden. 4 Mozes dan sprak tot de kinderen Israels, dat zij hot pascha zouden houden. T) En zij hielden het pascha op den veertienden dag dor eerste maand, tusschen de twee avonden, in de woestijn van Sinaï; naar alles, wat de Heere Mozes geboden had, alzoo deden de kinderen Israels. 6 Toen waren er lieden geweest, die over hot doode ligchaam eens menschen onrein waren, en op denzelven dag het pascha niet hadden kunnen houden; daarom naderden zij voor hot aangozigt van Mozes, en voor het aangozigt van Aiiron op dienzelven dag. 7 En diezolve lieden zeiden tot hem: Wij zijn onrein over hot doode ligchaam oens menschen; waarom zouden wij verkort worden, dal wij de offerande des Heeren op zijnen gezetten tijd niet zouden offeren, in hot midden van do kindoren Israels ? H En Mozes zeide tot hen: Blijft staande, dat ik hoor, wat de Heere u gebieden zal. 9 Toon sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 10 Spreek tot do kinderen Israels, zeggende: Wanneer iemand onder u, of onder uwe geslachten, over oen dood ligchaam onrein, of op oenen verren weg zal zijn, hij zal dan nog den Hrere het pascha houden. 11 In do tweede maand, op den veertienden dag, tusschen de twee avonden, zullen zij dat houden; |
119 met ongezuurde broaden on bittere saus zullen zij dat eten. 12 Zij zullen quot;daarvan niet overlaten tol don morgen, en zullen daaraan geen boen broken; naar alle inzetting van het pascha zullen zij dat houden. a Ex. 12:40. Joh. 19:33,30. 13 Als oen man, die rein is, en op den weg niet is, on nalaten zal het pascha te houden, zoo zal diezolve ziel uit hare volken uitgeroeid worden: want hij hooft de offerande dos Heeren op zijnon gezetten tijd niet geofferd, diezolve man zal zijne zonde dragon. 14 En wanneer oen vreemdeling bij u als vroom-doling verkeert, on hij het pascha den IIkkkk ook houden zal, naar de inzetting van het pascha, en naar zijne wijze, alzoo zal hij het houden; quot; hot zal eenerlei inzetting voor uliedon zijn, beide den vreemdeling en den inboorling dos lands. a Ex. 12:19. 1quot;) En quot;op den dag van hot oprigten dos tabernakels bedekte do wolk don tabernakel, op do tent dor getuigenis; en in don avond was over don tabernakel als oono gedaante dos vuurs, tol aan don morgen. a Ex. 10:31. 10 Alzoo geschiedde hot goduriglijk; do wolk bedekte denzelven, on dos nachts was or cone gedaante dos vuurs. 17 Maar nadat do wolk opgohevon word van boven do tent, zoo verreisden ook daarna do kinderen Israels; on in do plaats, waar do wolk bleef, daar legerdon zich do kindoren Israels. 18 Naar don mond dos Heeren verreisden do kindoren Israels, en naar des Heeren mond legerdon zij zich; quot;al do dagen, in dowolko do wolk over den tabernakel bleef, legerden zij zich. a I Cor. 10: I. 19 En ids de wolk vele dagen over den tabernakel verbleef, zoo namen do kinderen Israels do wacht dos Heeren waar, en verreisden niet. 20 Als het nu was, dat do wolk weinige dagen op don tabernakel was, naar don mond dos Hek-ren legerdon zij zich, en naar don mond dos Heeren verreisden zij. 21 Maar was het, dat do wolk van den avond tot den morgen daar was, en do wolk in don morgen opgeheven word, zoo verreisden zij: of des daags, of des nachts, als de wolk opgohevon word, zoo verreisden zij. 22 Of als do wolk twee dagen, of oono maand, of vele dagen vertoog op den tabernakel, blijvende daarop, quot;zoo legerden zich do kinderen Israels, on verreisden niet; en als zij verheven werd, verreisden zij. a Ex. 40:30, 37. 23 Naar den mond des Heeren legerden zij zich, en naar den mond des Heeren verreisden zij; zij namen do wacht des Heeren waar, naar den mond des Heeren, door de hand van Mozes. HOOFDSTUK 10. Hevel om twee zilveren troinpottea tc maken, om gebruikt to worden bij de zamenroeping van do Israë- NUMERI 8, !), 10. |
NUMERI 10, 11.
150
|
liotoii, Inj hot opbreken van de legers en bij de hoogtijdon, vs. 1. Optogt van de Israëlieten uit de woestijn Sinaï naar die van Paran, 11. De orde, waarin zij opgetrokken zijn, 14. Mozes verzoekt Hobab, zijn' schoonvader, met hem te trekken, 29. Uebod van Mozes gebruikelijk bij het opnemen en nederzetten van den tabernakel, H'i. VERDER sprak do Heere tot Mozes, zeggende: '2 Maak u twee zilveren trompetten; van digt werk zult gij ze maken; en zij zullen u zijn tot do zamenroeping der vergadering, en tot den optogt der legers. ;1 Als zij met dezelve blazen zullon, dan zal do geheele vergadering tot u vergaderd worden, aan de deur van de tent der zamenkomst. 4 Maar als zij met de ééne zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden de oversten, de hoofden dor duizenden van Israël. 5 Als gij mot een gebroken geklank blazen zult, dan zullon de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken. (! Maar als gij ten tweede maal met een gebroken geklank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken geklank zullen zij blazen tot hunne optogten. 7 Maar in het verzamelen van do gemeente, zult gij blazen, doch geen gebroken geklank maken. 8 En de zonen van Aaron, de priesters, zullen mot die trompetten blazen; en zij zullen ulieden zijn tot oene eeuwige inzetting bij uwe geslachten. 9 En wanneer gijlieden in uw land ton strijde zult trekken tegen den vijand, die u benaauwt, zult gij ook met die trompetten een gebroken klank maken; zoo zal uwer gedacht worden voor het aangozigt dos Heeren uws Gods, en gij zult van uwe vijanden verlost worden. 10 Desgelijks ten dage uwer vrolijkheid, en iu uwe gezette hoogtijden, en in de beginselen uwer maanden, zult gij ook met do trompetten blazen over uwe brandofferon, en over uwe dank-offeren; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezigt uws Gods: Ik ben de Heere uw God! 11 En hot geschiedde in het twoedo jaar, in do tweede maand, op den twintigsten van de maand, dat de wolk verhoven werd van boven den tabernakel der getuigenis. 12 En de kinderen Israels togen op, naar hunne togton, uit de woestijn Sinaï; on de wolk bleef in do woestijn Paran. I!1 Alzoo togen zij vooreerst op, naar den mond dos Heeren, door do hand van Mozes. 14 Want vooreerst toog op de banier van hot leger der kinderen van Juda, quot;naar hunne heiren; ''en over zijn hoir was Nahosson, do zoon van Amminadab. « Num. 2:3. ft Num. I ; 7. 15 En over het heir vanjlen stam dor kinderen van Issascbar was Nethaneël, do zoon van Zuar. l(i En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Elfab, de zoon van Ilelon. 17 Toen werd de tabernakel afgenomen, en de |
zonen van Gerson, en de zonen van Merari togen op, dragende don tabernakel. 18 Daarna toog op de banier van het leger van Ruben, naar hunne heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedéür. 19 En over het heir van den stam dor kinderen van Simoon was Selümiël, do zoon van Zurisaddai. 20 En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, do zoon van Dehuël. 21 Toen togen op de Kohathieten, dragende quot; het heiligdom; en de anderen rigtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen. n Num. 4:4. 22 Daarna toog op de banier van het leger dor kinderen van Efraïm, naar hunne heiren; en over zijn heir was Elisama, de zoon van Ammihud. 23 En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur. 24 En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideóni. 25 Toen toog op de banier van het leger dor kinderen van Dan, zamensluitende al de legers, naar hunne heiren; en over zijn heir was Ahiëzer, de zoon van Anmiïsaddai. 20 En over het heir van den stam dor kinderen van Aser was Pagiël, do zoon van Ochran. 27 En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan. 28 Dit waren de togten der kinderen Israëls, naar hunne heiren, als zij reisden. 29 Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuël, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de Heere gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen: want de Heere heeft over Israël hot goede gesproken. 30 Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijne maagschap gaan. 31 En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zoo zult gij ons tot oogen zijn. 32 En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, on hot goede geschieden zal, waarmede de Heere bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen. 33 Zoo togen zij drie dagreizen van den berg des Heeren; en de ark des vorbonds des Heeren reisde voor hun aangezigt drie dagreizen, om voor hen oene rustplaats- uit te speuren. 34 En de wolk dos Heeren was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden. 35 Hot geschiedde nu in het optrekken van do ark, dat Mozes zeide: quot;Sta op, Heere! en laat uwe vijanden verstrooid worden, en uwe haters van uw aangezigt vlieden! « Ps. (iS : 2. 36 En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, Heere! tot do tien duizenden der duizenden van Israël! HOOFDSTUK 11. Het volk mort on wordt gestraft, vs. 1. Do Israëlieten morren andermaal uit verlangen naar vleesch en |
|
andere spijzen, mot verachting van liet Manna, 4. Mozes klaagt bij God over do zwaarte van zijn ambt en verlangt verligting, 10. God beveelt Mozes zeventig van de ondsten van Israël uit te kiezen om hem in zijnen post behulpzaam te zijn, 16, belooft liet volk vleesch te geven, IS, en berispt Mozes, omdat hij dit voor onmogelijk hield, 21, Deze zeventig ondsten worden gekozen en met de noodige gaven voorzien, 24. God zendt den Israëlieten eene groote menigte kwakkelen, 31, doch de toorn des Heeren ontstak on or stierven velen, 33. Zij trekken verder, 35. EN quot;liet geschiedde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de noren des Heeren: want de Heere hoorde het, zoodat zijn toorn ontstak, ''en hot vuur des Heeren onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste des legers. a Dout. 9:22. MJs. 7S:21. 2 Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bail tot den Heere; en het vuur werd gedempt. à Daarom noemde hij den naam dier plaats Thab-éra, omdat het vuur des Heeren onder hen gebrand had. 4 En quot;het gemeene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zoo weenden ook do kinderen Israels wederom, en zeiden: h Wie zal ons vleesch te eten geven V n Ex. 12:38. Ps. 100:14. 1 Oor. 10:0. 6 Ex. 10:3. 5 Wij gedenken aan de visschen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de ajuinen, en aan hot knoflook. 6 Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze oogen! 7 quot;liet Man nu was als korianderzaad, en zijne verw was als do verw van den bedólah. «Ex. 16: 14, 31. Ps. 7S : 24. Joh. 0:31, 40. 8 Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid der olie. !) En wanneer de dauw des nachts op het leger nederviel, viel het Man op hetzelve neder. 10 Toen hoorde Mozes het volk weenen door hunne huisgezinnen, een ieder aan de deur zijner hut; en do toorn des Heeren ontstak zeer; ook was het kwaad in de oogen van Mozes. 11 En Mozes zeide tot den Heere : Waarom hebt (lij aan uwen knecht kwalijk gedaan, en waarom heb ik geene genade in uwe oogen gevonden, dat Gij don last van dit gansche volk op mij legt? 12 Heb ik dan al dit volk ontvangen? heb ik het gebaard? dat (Jij tot mij zoudt zeggen: Draag het in uwen schoot, gelijk als een voedstervader den zuigeling draagt, tot dat land , hetwelk Gij hunnen vaderen gezworen hebt? 13 Van waar zou ik het vleesch hebben, om al dit volk te geven? want zij weenen tegen mij, zeggende: Geef ons vleesch , dat wij eten ! 14 Ik alleen kan al dit volk niet dragen, want het is mij te zwaar! |
151 15 En indien Gij alzoo aan mij doet, dood mij toch slechts, indien ik genade in uwe oogen gevonden heb; en laat mij mijn ongeluk niet aanzien'. 10 En de Heere zeide tot Mozes: Verzamel Mij zeventig mannen uit de oudsten van Israël, dewelke gij weet, dat zij de oudsten des volks en deszelfs ambtlieden zijn; en gij zult hen brengen voor de tent der zamenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen. 17 Zoo zal Ik afkomen en niet u aldaar spreken; en van den Geest, die op u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u den last van dit volk dragen, opdat gij dien alleen niet draagt. 18 En tot hot volk zult gij zeggen: Heiligt n tegen morgen , en gij zult vleesch eten: want gij hebt voor de ooren des Heeren geweend, zeggende: Wie zal ons vleesch te eten geven? want hot ging ons wel in Egypte! daarom zal de 1 Iekhe u vleesch geven, en gij zult; eten. 19 Gij zult niet eenen dag, noch twee dagen eten, noch vijf dagen, noch tien dagen, noch twintig dagen; 20 Tot eene geheele maand toe, totdat het uit uwen neus uitga, en u tot eene walging zij; overmits gij den IIeere, die in bet midden van u is, verworpen hebt, en hebt voor zijn aangezigt geweend, zeggende: quot;Waarom nu zijn wij uit Egypte getogen? «Num. 21 : .i. 21 En Mozes zeide: Zes honderd duizend te voet is dit volk, in welks midden ik ben ; en Gij hebt gezegd: Ik zal hun vleesch geven, en zij zullen eene geheele maand eten! 22 quot; Zullen dan voor hen schapen en runderen geslagt worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de visschen der zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij? «Joh. 0:7. 23 Doch de Heere zeide tot Mozes: quot;Zou dan des Heeren hand verkort zijn? Gij zult nu zien, of mijn woord u wedervaren zal, of niet. a .les. quot;id : 2. 59 : 1. 24 En Mozes ging uit, en sprak do woorden des Heeren tot het volk; en bij verzamelde zeventig mannen uit do oudsten des volks, en stelde hen rondom de tent. 25 Toen kwam de Heere af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende van den Geest, die op hem was, leido Hem, op de zeventig mannen, die oudsten; en het geschiedde, als de Geest op ben rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer. 20 Maar twee mannen waren in het leger overgebleven: des eenen naam was Eldad, en des anderen naam Medad; en die Geest rustte op hen, (want zij waren onder de aangeschrevenen, hoewel zij tot de tent niet uitgegaan waren) en zij profeteerden in het leger. 27 Toen liep een jongen heen, en boodschapte aan Mozes, en zeide: Eldad en Medad profeteren in het leger. 28 En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van NUMERI 11. |
NUMERI 11, 12, 13.
152
|
Mozos, oen van zijne uitgelezono jongelingen, antwoordde en zeide: Mijn heer Mozos! verbied hun! 29 Doch Mozes zeide tot hem : Zijt gij voor mij ijverende? och of al hot volk des Herken profeten ware, dat de Heere zijnen Geest over hen gave! 80 Daarna verzamelde zich Mozes tot het leger, hij en do oudsten van Israël. 31 Toon quot;voer oen wind uit van don Heeke en raapte kwakkelen van do zee, on strooide ze hij hot leger, omtrent eene dagreize herwaarts, en omtrent eene dagreize derwaarts, rondom hot leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde. a Ex. 1 ü : 13. I's. 78 : 2(j. 32 Toon maakte zich hot volk op, dien geheelen dag, on dien gansehen nacht, en den ganschon andoren dag, en verzamelden do kwakkelen: die hot minst had, had tion homers verzameld; en zij spreidden zo voor zich van elkander rondom hot leger. 33 quot;Dat vleesch was nog tusschon hunne tandon, oor het gekaauwd was, zoo ontstak de toorn des Heeuen togen hot volk, on do IIkeue sloeg het volk mot eene zoor groote plaag, a I's. 7^:.'So, Hl. 34 Daarom heet men don naam dorzolver plaats Kibröth Thaiiva: want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest. 35 Van Kibröth Thaiiva verreisde hel volk naar llazoróth; en zij bleven in Hazeroth. HOOFDSTUK 12. Mirjam on Aftron morren logon Mozes, vs. I. (iod bestraft beiden, G, on bezoekt Mirjam mot molaatsch-hoid, 10. Mozos biilt op Ailrons verootmoediging den lioero voor Mirjam, 11. Do llooro verhoort hem, maar beveelt Mirjam zeven dagen buiten het leger te blijven, 14. Daarna trekt het volk vorder, 10. MIRJAM nu sprak, en Aiiron, tegen Mozes, ter oorzako der vrouw, der Cusohictische, die hij genomen had: want hij had eene Cusehietische ter vrouw genomen. 2 En zij zeiden: Hoeft dan de Heeüe maar alleen door Mozes gesproken? heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de Heere hoorde het! 3 Doch de man Mozos was zeer zachtmoedig, meer dan alle menschen, die op den aardbodem waren. 4 Toen sprak de Heere haastelijk tot Mozes, en tot Aaron, en tot Mirjam: Gij drie, komt uit tot de tent der zamenkomst! En zij drie kwamen uit. 5 Toen kwam de Heere af in de wolkkolom, en stond aan de deur der tent; daarna riep Hij Aaron en Mirjam : en zij beiden kwamen uit. 6 En Hij zeide: Hoort nu mijne woorden! Zoo er een profeet ouder u is. Ik do Heere zal door een gezigt Mij aan hom bekend maken, door eenon droom zal Ik mot hom sproken. 7 Alzoo is mijn knecht Mozes niet, quot;die in mijn gansche huis getrouw is. u Hebr. 3:3. |
8 Van mond quot;tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en do gelijkenis des Heeren aanschouwt hij: waarom dan hebt gijlieden niet gevreesd tegen mijnen knecht, tegen Mozes, te spreken? a Ex. 33: 11. Dont. 34: 10. !) Zoo ontstak des Heeren toorn tegen hen, en Hij ging weg. 10 En de wolk week van boven de tont; en ziet, Mirjam was melaatsch, wit als de sneeuw. En Aiiron zag Mirjam aan, on ziet, zij was melaatsch. 11 Daarom zeide Aiiron tot Mozes: Och, mijn heer! log toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk gedaan, en waarmede wij gezondigd hebben! 12 Laat zij tocli niet zijn als eene doode, van wiens vleesch, als hij uit zijns moeders lijf uil-gaat, do helft wel verteerd is! 13 Mozes dan riep tot den Heere, zeggende: O God! heel haar toch ! 14 En de Heere zeide tot Mozes: zoo haar vader smadelijk in haar aangezigt gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? quot;Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden! '/Lev. li!: 46. 15 Zoo werd Mirjam buiten het leger zeven dagen gesloten; en het volk verreisde niet, totdat Mirjam aangenomen werd. 10 Maar daarna verreisde hot volk van llazoróth, en zij legerdon zich in de woestijn van Paran. HOOFDSTUK 13. Hovol om twaalf mannon to zenden om Kanaiin 1o bespieden, vs. I; hunne namen, 4; bun last, 17. Zij voeren dion uit, 22; on koeren wedor mot do vrneliten dos lands, 20. Hun berigt ontmoedigt bol volk; te vergeefs beproeft Kalob het volk weder to bemoedigen, 30. EN de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 2 Zend u mannen uit, die het land Kanaiin verspieden, hetwelk Ik den kinderen Israels geven zal: van eiken stam zijner vaderen zult gijlieden eenon man zonden, zijnde ieder een overste onder hen. 3 Mozos dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar den mond des Heeren: al die mannen waren hoofden dor kinderen Israels. 4 En dit zijn hunne namen: van don stam van Ruben, Sanmuia, de zoon van Zaccur. 5 Van den stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori. 6 Van don stam van Juda, Kalob, de zoon van Jefunne. 7 Van den stam van Issaschar, Jigeal, do zoon van Jozef. 8 Van den stam van Efraïm, Hoséa, de zoon van Nun. !) Van den stam van Benjamin, Palti, do zoon van Rafu. 10 Van den stam van Zebulon, Gaddiël, do zoon van Sodi. 11 Van don stam van Jozef, voor don stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi. |
NU MER I 13, M.
|
12 Van den stam van Dan, Ammiël, do zoon van Gomalli. 13 Van flon stam van Asor, Sethur, do zoon van Michaël. 14 Van den stam van Nafthali, Naehbi, do zoon van Wofsi. 15 Van den stam van Gad, Guël, do zoon van Machi. K! Dit zijn do namen dor mannen, die Mozos zond, om dat land te verspieden; en Mozos noomde Hoséa, don zoon van Nun, Jozua. 17 Mozes dan zond hen, om het land Kanaiin to verspieden; en hij zoido tot hen: Trekt dit honen op tegen hot zuiden, on klimt op liet gebergte; 18 En beziet het land, hoedanig het zij, en hot volk, dat daarin woont, of hot sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel; 19 En hoedanig het land zij, waarin hetzelve woont, of hot goed zij of kwaad; en hoedanig do steden zijn, in dewelke hetzelve woont, of in legers, of in sterkten; 20 Ook hoedanig hot land zij, of liet vet zij of mager, of er boomen in zijn of niet; en versterkt u, on neemt van de vruoht dos lands. Die dagen nu waren do dagen dor eerste vruchten van do wijndruiven. 21 Alzoo trokken zij op, on verspiedden hot land, van do woestijn Zin af tot Roohob toe, waar men gaat naar Hamath. 22 En zij trokken op in hot zuiden, en kwamen tot Hebron too, on daar waren Aininan, Sesai on Talmai, kinderen van Enak : Ilobron nu was zeven jaren gebouwd vóór Zoan in Egypte. 23 Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar eeno rank af, met oenon tros wijndruiven, dien zij droegen met tweeën, op oenon draagstok; ook van do granaatappelen en van de vijgen. 24 Diozolvo plaats noemde men het dal Eskol, tor oorzake van den tros, dien de kinderen Israels van daar afgesneden hadden. 25 Daarna keerden zij weder van hot verspieden des lands, ten einde van veertig dagen. 26 En zij gingen hoon, en kwamen tot Mozes en tot Aaron, en tot do gehoelo vergadering dei' kinderen Israels, in do woestijn van Paran, naar Kades; en bragten bescheid weder aan bon, en aan do geheole vergadering, en lieten hun do vrucht dos lands zien. 27 En zij vertelden hom, on zoidon: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheon gij ons gezonden hebt; en voorwaar quot;bet is van molk en honig vloeijende, en dit is zijne vrucht. «Ex.li:8. 28 Behalve dat hot oen sterk volk is, hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast,,en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien. 29 De Amalokioten wonen in hot land van het zuiden; maar do Hothieten, en do Jobusieton, on do Amorioten wonen op het gebergte; en do Ka-naanieten wonen aan de zoo, on aan don oever der Jordaan. |
30 Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes, on zoido: Laat ons vrijmoedig optrekken, en dal erfelijk bezitten: want wij zullen dat voorzeker overweldigen! 31 Maar do mannon, die mot hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrokken, want het is sterker dan wij. 32 Alzoo bragten zij oen kwaad gerucht voort van hot land, dat zij verspied hadden, aan do kinderen Israels, zeggende: Dat land, door hetwelk wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijne inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van grooto lengte. 33 Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van do reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze oogon, alzoo waren wij ook in hunne oogon. HOOFDSTUK 14. Hot volk mort togon Mozos on Aiiron, vs. I, Dmollioid van Mozes on Aiiron, 5. Jozua on Kaleb trachten hol volk to bodaron, (i. Hot volk wil, in zij no boosheid volhardende, hen steonigon, maar (led verschijnt mot zijne iioerlijklieid cn dreigt liet volk uit te roeijon, 10. Mozes bidt voor het volk, 13. God verhoort hem; doeh zoo, dat /.ij die gemord hadden, Kanaiin niet intrekken, maar allen voor dien tijd sterven zullen in de woestijn. 21. Uitvoerige herhaling van deze straf, 35. Sommigen berouw hebbende, willen nu Kanaiin innemen on worden teruggeslagen , 39. TOEN verhief zich do geheole vergadering, on zij hieven hunne stem op, en het volk weende in dienzelven nacht. 2 En al do kinderen Israëls murmureerden togon Mozes en tegen Aiiron; en de geheole vergadering zoido tot hen: Och of wij in Egyptoland gestorven waren, of, och of wij in deze woestijn gestorven waren! 3 En waarom brengt ons de Hkkhe naar dat land , dat wij door het zwaard vallen, w onze vrouwen, en onze kinderkous ten roof worden? Zou het ons niet good zijn naar Egypte weder to koeren V 4 En zij zeidon de een tot den ander: Laat ons oen hoofd opwerpen, en wederkooron naar Egypte! 5 Toen vielen Mozes en Aiiron op hunne aange-zigton, voor het aangozigt van de ganscbe gemeente der vergadering van de kinderen Israëls. (i En .lozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jofunno, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hunne kleederon. 7 En zij spraken tot de gansche vergadering der kinderen Israëls, zeggende: liet land, door hetwelk wij getrokken zijn, om hetzelve te verspieden, is oen uitermate goed land. 8 Indien de Heere een welgevallen aan ons heeft, zoo zal Hij ons in dat land brengen, en zal ons dat geven; een land, hetwelk van molk en honig is vloeijende. |
|
154 !) Allooii zijl togen don ITeere niet wodorspan-nig! en quot;vreest gij niet liet volk dezes lands, want zij zijn ons brood! hunne schaduw is van hen geweken, on de IIeeue is mot ons; vreest hen niet! aDeut. 20:3. 10 Toen zeide de gansohe vergadering, dat men hon mot stoonen stoenigon zoude! Maar de heerlijkheid des Heeren versoheen in do tent der zamenkomst, voor al do kinderen Israels. 11 En do Heere zoide tot Mozes: Hoe lang zal Mij dat volk tergen ? en hoe lang zullen zij aan Mij niet geloovon, door allo teekonon, die Ik in hot midden van hen godaan heb? 12 Ik zal het met postilontio slaan, on Ik zal het verstooten; on Ik zal u tot oen grooter on sterker volk maken, dan dit is. 13 En Mozes zoide tot den Heehe : quot;Zoo zullen het de Egyptenaars liooron: want Gij hebt door uwe kracht dit volk uit hot midden van hen doen optrokken; a Ex. 32: 12. 14 En zij zullen zoggen tot do inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat (iij, Hekke! in het midden van dit volk zijt ; dat Gij, Heeke! oog aan oog gezien wordt, dat uwe wolk over hen staat, en quot;Gij in oeno wolkkolom voor hun aangozigt gaat des daags, on in oeno vuurkolom des nachts. Ex. 13:21. 40:38. 15 En zoudt Gij dit volk als oenen oonigon man doodon; zoo zouden de Iloidonon, die uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende: 16 quot;Omdat de Heere dit volk niet kon brengen in dat land, hetwelk Hij hun gezworen had, zoo heeft Hij hen goslagt in do woestijn! «Deut. 0:28. 17 Nu dan, laat toch do kracht dos Heeren groot worden, gelijk als Gij gesproken hebt, zeggende: 18 quot;Do Heehe is langmoedig en groot van weldadigheid, vergevondo do ongorogtighoid en overtreding, die den nc.hyldhic geenszins onschuldig houdt, '' bezoekende de ongorogtighoid der vaderen aan de kindoren, in het derde en in het vierde lid. a Ex. 34 : 0. I's. Sfi : 15. 103 : 8. 145 : S. Jona 4 : 2. li Ex. 20 : 5. 34 : 7. Dent. 5 : 9. 1!) Vergeef toch de ongeregtigheid dezes volks, naar de grootte uwer goedertierenheid, en gelijk Gij zo aan dit volk, van Egypteland af tot hiertoe, vergeven hebt! 20 En de Heere zeide: Ik heb hun vergeven naar nw woord. 21 Doch zekerlijk, zoo ivaarachtiy als Ik loof! zoo zal de gansche aarde met de heerlijkheid dos Heeren vervuld worden! 22 Want al de mannen, die gezien hebben mijne hoorlijkhoid, on mijne teekenon, die Ik in Egypte en in do woestijn gedaan heb, en Mij nn tienmaal verzocht hebben, en mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest; 23 Zoo zij het land, hetwelk Ik aan hnnno vaderen gezworen heb, zien zullen! quot;Ja goenon van die Mij getergd hebben, zullen dat zien! aDeut. 1:35, 30, |
24 Doch quot;mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest mot hom geweest is, en hij volhard hooft Mij na te volgen; zoo zal Ik hom brengen tot het land, in hetwelk hij gekomen was, on zijn zaad zal hot erfelijk bezitten. aJon. 14:8, i). 25 De Amalokioten nu en do Kanaanieten wonen in dat dal; wendt n morgen, en maakt uwe reizo naar do woestijn, op don weg naar de Sohelfzee. 26 Daarna sprak do Heere tot Mozes en tot Aaron, zeggende: 27 Hoe quot; lang zal Ik bij deze booze vergadering zijn, die togen Mij zijn murmurerende? Ik heb gehoord de murmuroringon van do kinderen Israels, waarmede zij tegen Mij zijn murmurerende. a I's. 106:26. 28 Zeg tot hen: quot;Zoo waarachtifj als Ik loof, spreekt de Heere, indien Ik nlioden zoo niet doe, gelijk als gij in mijne ooren gesproken hebt! a Num. 26 : 65. 32 : 11. 2!) Uwe quot; doode ligchamen zullen in deze woestijn vallen; en al uwe geteldon, naar uw geheele getal, van twintig jaren oud en daarboven, gij, die tegen Mij gemurmureerd hebt. ff IJeiit. 1:35. Ilobr. 3:17. 30 Zoo gij in dat land komt, over hetwelk Ik mijne hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen! quot;behalve Kaleb, de zoon van Je-funne, on Jozua, de zoon van Nun. ffJöz. 14:6. 31 En uwe kinderkous, waarvan gij zeidot: Zij zullen ten roof worden! die* zal Ik daarin brongen, en die zullen bekennen dat land, hetwelk gij smadelijk verworpen hebt. 32 Maar u aangaande, uwe doode ligchamen zullen in deze woestijn vallen! 33 Rn uwe kinderen zullen gaan weidon in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uwe hoererijen dragon, totdat uwe doode ligchamen verteerd zijn in deze woestijn. 34 Naar het getal dor dagen, in welke gij dat land verspied hebt, quot;veertig dagen, eiken dag voor elk jaar, zult gij uwe ongerogtighodon dragon , veertig jaren, en gij zult gewaar worden mijne afbreking. « Ps. 95:10. 35 Ik de Heere heb gesproken: zoo Ik dit aan deze gansche booze vergadering dorgonen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe! zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven ! 36 En die mannen, die Mozes gezonden had, om hot land te verspieden, en wedergekomen zijnde, do gansche vergadering togen hom haddon doen murmureren, oen kwaad gerucht over dat land voortbrengende; 37 Diezolve mannen, die een kwaad gerucht van dat land voortgebragt haddon, quot;stierven door oeno plaag, voor het aangozigt des Heeren. ff 1 Oor. 10: 10. -hulas vers 5. 38 Maar Jozua, do zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jofunno, bleven lovende van do mannen, die heengegaan waren, om liet land te verspieden. NUMERT I I. |
NUMERI 14, 15.
|
39 En Mozes sprak deze woorden tot al de kinderen Israels. Toen treurde het volk zeer. 40 En zij stonden des morgens vroeg' op, en klommen op de hoogte des bergs, zeggende: Ziet, hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot do plaats, die de 11 lokre gezegd heeft: want wij hebben gezondigd! 41 Maar Mozes zeide: quot;Waarom overtreedt gij alzoo het bevel des Hkeren? want dat zal geenen voorspoed hebben. « Dent. 1:41. 42 Trekt niet op, want de IlEERE zal in het midden van u niet zijn; opdat gij niet geslagen wordt, voor het aangezigt uwer vijanden. 43 Want de Amalekieten, en de Kanaiinieten zijn daar voor uw aangezigt, en gij zult door het zwaard vallen: want, omdat gij u afgekeerd hebt van den Heere, zoo zal de IIeere met u niet zijn. 44 Nogtans poogden zij vermetel, om op de hoogte des bergs te klimmen; maar de ark des verbonds des Heeren en Mozes scheidden niet uit het midden des legers. 45 Toen kwamen af de Amalekieten, en de Kanaiinieten, die in dat gebergte woonden, en sloegen hen, en versmeten hen, tot llorma toe. HOOFDSTUK 15. Bevel om spijs- en drankolTers bij do andoro offers to voegen, vs. 1. Ilol'olTor van de eerstolingen dos voids, 1!). Zondoffer voor liet gansehe volk, wannoor hot door dwaling of onbedaoiitzaanihoid misdaan heeft, ; en voor iemand alleen, '27. Straf van eonon sabbatsohondor, 32. Bevel om een toeken aan hunne kleederen te dragen, ter gedachtenis van Gods inzettingen , 38. DAARNA sprak de IIeehe tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen : Wanneer gij gekomen zult zijn in het land uwer woningen, dat Ik u geven zal; 3 En gij een vunroffer den IIeere zult doen, een brandoffer, of slagtoffer, quot;om af te zonderen eene gelofte, of in een vrijwillig offer, of in uwe gezette hoogtijden, om den IIeere ''oenen liefelijken reuk te maken, van runderen of van klein vee. a Lev, 22:21. Ex. 2!): is. 4 Zoo zal hij, die zijne offerande den IIeere offert, quot;een spijsoffer offeren van een tiende meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin olie. a Lev. 2:1.(1:1 I. 5 En wijn ten drankoffer, een vierendeel van een hin, zult gij bereiden tot een brandoffer of tot een slagtoffer, voor een lam. (i Of voor een' ram zult gij een spijsoffer bereiden, van twee tienden meelbloem, gemengd met olie, een derde deel van een hin. 7 En wijn ten drankoffer, een derde deel van een hin, zult gij offeren tot eenen liefelijken reuk den Heere, 8 En wanneer gij een jong rund zult bereiden tot een brandoffer of een slagtoffer, om eene gelofte af te zonderen, of ten dankoffer den IIeere; |
'â ) Zoo zal hij tot een jong rund offeren een spijsoffer van drie tienden meelbloem, gemengd met olie, de helft van een hin. 10 En wijn zult gij offeren ton drankoffer, de helft van oen hin, tot een vunroffer van liefelijken reuk den IIeere. 11 Alzoo zal gedaan worden met den eenen us, of met den eenen ram, of met liet klein vee, van de lammeren, of van de geiten: 12 Naar het getal, dat gij bereiden zult, zult gij alzoo doen niet elk een, naar hun getal. 13 Alle inboorling zal deze dingen alzoo doen, offerende een vunroffer tot eenen liefelijken reuk den Heere. 14 Wanneer ook een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, of die in het midden van u is, in uwe geslachten, en hij een vunroffer zal bereiden tot oenen liefelijken reuk den Heere; gelijk als gij zult doen, alzoo zal hij doen. 15 Gij gemeente, het zij ulieden quot;en den vreemdeling, die als vreemdeling /lt;// // verkeert, eenerlei inzetting; tor eeuwige inzetting bij uwe geslachten, gelijk gijlieden, alzoo zal de vreemdeling voor dos Heeren aangezigt zijn. ö Ex. 12 : 40. Num. 0:11. UI Eenerlei wet en eenerlei regt zal ulieden zijn, en den vreemdeling, die bij ulieden als vreemdeling verkeert. 17 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 18 Spreek tot de kinderen Israels, on zeg tot hen: Als gij zult gekomen zijn in het land, waarheen Ik u inbrengen zal, 19 Zoo zal het geschieden, als gij van het brood des lands zult eten, dan zult gij den Heere een hefoffer offeren. 20 De eerstelingen uws doegs, oen' koek zult gij tot een hefoffer offeren; gelijk het hefoffer des dorschvloers zult gij dat offeren. 21 Van de eerstelingen uws deegs zult gij den Heere een hefoffer geven, bij uwe geslachten. 22 Voorts, wanneer gijlieden afgedwaald zult zijn, en niet gedaan hebben al deze geboden, die de Heere tot Mozes gesproken heeft; 23 Alios, wat u de Heere door de hand van Mozos geboden heeft; van dien dag af, dat het de IIeere geboden heeft, on voortaan bij uwe geslachten; 24 Zoo zal het geschieden, indien iets bij dwaling gedaan, ru voor de oogen der vergadering w/1-borym is, dat de gansehe vergadering eenen var, een jong rund, zal bereiden ten brandoffer, tot een' liefelijken reuk den Heere, met zijn spijsoffer en zijn drankoffer, naar de wijze; en eenen geitenbok ten zondoffer. 25 Rn do priester zal do verzoening doen voor de gansehe vergadering van de kinderen Israels, en hot zal hun vergeven worden: want het was eene afdwaling, en zij hebben hunne offerande gobragt, een vunroffer den Heere, en hun zondoffer, voor het aangezigt des Heeren, over hunne afdwaling. |
NUMERI 15, 16.
156
|
26 ITet zal rtnn aan de yanscho vergadering der kinderen Israels vergeven worden, ook don vroeni-deling, dio in het midden van henlieden als vreemdeling verkeert; want het is het gansclio volk door dwaling overkomen. 27 quot;En indien eene ziel door afdwaling gezondigd zal hebben, die zal eene jarige geit ten zondoffer offeren. a Lev. 4 ; 27. 28 En do priester zal do verzoening doen over do dwalende ziel, als zij gezondigd hooft door afdwaling, voor het aangozigt dos Hkkhkn, doende do verzoening over haar; on hot zal haar vergeven worden. 29 Den inboorling der kindoren Israels, on den vreemdeling, die in hnnlieder midden als vreemdeling verkeert, oonorlei wet zal n li oden zijn, dengenen, die hot door afdwaling doet. ÃO Maar de ziel, die iets zal gedaan hebben mot opgehevone hand, hetzij van inboorlingen of van vreemdelingen, die smaadt den Heeke; en die-zelve ziel zal uitgerooid worden uit het midden van haar volk: :!1 Want zij heeft het woord dos Heehen veracht, en zijn gebod vernietigd; diezolve ziel zal gan-schelijk uitgerooid worden, hare ongeregtigheid is op haar. ;!2 Als nu do kinderen Israels in do woestijn waren, zoo vonden zij oenen man, hout lezende op don sabbatdag. En dio hom vonden, hout lozende, bragten hom tot Mozes, en tot Aiiron, en tot do gansclio vergadering. :i4 En zij stolden hem in quot; bewaring: want het was niet verklaard, wat hem gedaan zou worden. u 1 jCV. 21 : 12. liö Zoo zoide de Heehe tot Mozes: Die man zal zekerlijk gedood worden; do gansche vergadering zal hom mot stoenon steenigen, buiten hot leger. .1(5 Toen bragt hom de gansche vergadering uit tot buiten hot leger, en zij steenigden hom mot stoenon, dat hij stierf, gelijk als de Heeke Mozes geboden had. ;!7 En de IIeehk sprak tot Mozes, zeggende: :!H Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: quot;Dat zij zich snoertjes maken aan de hoeken hunner kloedoren, bij hunne geslachten; en op de snoertjes des hoeks zullen zij een' homolsblaamven draad zetten. a Deut. 22 : 12. Matt. 2:5 : 5. 39 En hij zal ulieden aan de snoertjes zijn, opdat yij hot aanziet, en aan al de geboden dos 11 eer en gedenkt, en dio doet; en gij zult naar uw hart, en naar uwe oogen niet sporen, die gij zijt nahoereronde; 40 Opdat gij gedenkt en doet al mijne geboden, en uwen God heilig zijt. 41 Ik ben do Hkere uw God, dio u uit Egypto-land uitgevoerd heb, om u tot een' God te zijn: Ik ben de IIeehk uw God! |
HOOFDSTUK 16. Korach, Ãatluin on Abiram maken oproei' togou Mozes on Aiiron, vs. 1. Mozes laat do zaak dooreen Gods-gerigt boalissen , I. Do aarde opent zioh on verslindt al do oproerlingen, 31. liovol om liuiino wierookvaten tot oen aandenken aan dit oproer to bewaren, :iö. Het volk mort over don dood dor oproorigen, waarom 147ii(i door vnur verteerd worden, 41. Aiiron doet verzoening voor liet volk, 46. KORACH quot;nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kahath, zoon van Levi, nam tot zich zoo Dathan als Abïram, zonen van Eb'ab, en On, den zoon van Peleth, zonen van Ruben. « Num. 26:9, 27 : Judas vs. II. 2 En zij stonden op voor het aangezigt van Mozes, mitsgaders twee honderd en vijftig mannen uit de kinderen Israels, oversten der vergadering, de geroepenen dor zamenkomst, mannen van naam. :i En zij vergaderden zich tegen Mozes en tegen Aaron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u! want deze gansche vergadering, zij allen, zijn heilig, on de Heere is in het midden van hen; waarom dan verheft gijlieden u over de gemeente des 11e er en V I Als Mozes dit hoorde, zoo viel hij op zijn aangezigt. 5 En hij sprak tot Korach, en tot zijne gansche vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal de IIeere bekend maken, wie do zijne, en de heilige is, dien Ilij tot Zich zal doen naderen; en wien IIij verkoren zal hebben, dien zal Hij tot Zich doen naderen. (! Doet dit: neemt u wierookvaten, Korach en zijne gansche vergadering; 7 En doet morgen vuur daarin, legt reukwerk daarop voor hot aangezigt des Heeuen ; en het zal geschieden, dat de man, dien de Heere verkiezen zal, die zal heilig zijn. Het is te veel voor ii, gij kinderen van Levi! 8 Voorts zeide Mozes tot Koraeh: Hoort toch, gij kinderen van Levi! 9 Is het u te weinig, dat de God van Israël u van de vergadering van Israël heeft afgescheiden, om ulieden tot Zich te doen naderen; om de dienst van des Heeren tabernakel te bedienen, en te staan voor het aangezigt der vergadering, om hen te dienen 'i 10 Daar Hij u, en al uwe broederen, de kinderen van Levi, niet n , heeft doen naderen; zoekt gij nu ook het priesterambt? II Daarom gij, en uwe gansche vergadering, gij zijt vergaderd tegen den Heere! want Aiiron, wat is hij, dat gij tegen hem murmureert? 12 En Mozes schikte heen, om Dathan en Abiram, de zonen van Eb'ab, te roepen; maar zij zeiden: Wij zullen niet opkomen! 13 Is het te weinig, dat gij ons uit een land, van melk en honig vloeijende, hebt opgevoerd, om ons te dooden in de woestijn, dat gij ook u zeiven ton eenemaal over ons tot een' overheer maakt ? |
NUMEIil Ui.
|
14 Ook liebt gij ons niet gebragt in een land, dat van melk on honig vloeit, noch ons akkers en wijngaarden ten erfdeel gegeven. Zuil gij de oogen dezer mannen uitgraven? wij zullen niet opkomen! 15 Toen ontstak Mozes zeer, en hij zeide tot den IIeere : Zie hun offer niet aan! quot;ik heb niet eenen ezel van hen genomen, en niet eenen van hen kwaad gedaan. Sarn. 12:3. 16 Voorts zeide Mozes tot Koraeh; Gij, en uwe gansche vergadering, weest voor liet aangezigt des Heeuen; gij, en zij, ook Aaron, op morgen. |
17 En neemt een ieder zijn wierookvat, en legt gadering, en Ik zal hen als in een ougenblik verteren! 22 Maar zij vielen op hunne aangezigten, en zeiden; () God ! God quot; der geesten van alle vleesch ! een eenig man zal gezondigd hebben, en zult (!ij U over deze gansche vergadering grootelijks vertoornen? rtNuin. 27 : Ui. Hebr. 12:9. 2!) En de IIeere sprak tot Mozes, zeggende: 24 Spreek tot deze vergadering, zeggende: Gaat op van rondom de woning van Koraeh , Dathan en Abiram. 25 Toen stond Mozes op, en ging tot Dathan en Abiram ; en achter hem gingen de oudsten van Israël. |
|
reukwerk daarin, en brengt voor het aangezigt dos Heer en , een ieder zijn wierookvat, twee honderd en vijftig wierookvaten; ook gij, en Aiiron, een ieder zijn wierookvat. * 18 Zoo namen zij, een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarin ; en zij stonden voor de deur van de tent der za-menkomst, ook Mozes en Aiiron. 19 En Koraeh deed de gansche vergadering tegen hen verzamelen, aan de denr van de tent der zamenkomst. Toen verscheen de heerlijkheid dos Heeken aan deze gansche vergadering. 20 En do IIeere sprak tot Mozes en tot Aiiron, zeggende: |
21 Scheidt u af uit het midden van deze ver-2(! En hij sprak tot do vergadering, zeggende: Wijkt toch af van de tenten dezer goddelooze mannen, en roert niets aan van hetgeen hunner is; opdat gij niet misschien verdaan wordt in al hunne zonden. 27 Zoo gingen zij op van de woning van Koraeh, Dathan en Abiram, van rondom; maar Dathan en Abiram gingen uit, staande in de deur hunner tenten, mot hunne vrouwen, en hunne zonen, en hunne kindorkens. 28 Toen zeide Mozes: Hieraan zult gij bekennen, dat de IIeere mij gezonden hooft, oin al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn ciiicii hart zijn. 29 Indien deze zullen sterven, gelijk alle men-schen sterven, en over hen eene bezoeking zal |
NÃMERI 1(1, 17,
|
yoditan wordon, iiiiar allci' menschcui bozooking, zoo hooft mij do IIkkhk niol gozondon. ÃO Maar indien do IIkkhk wat nieuws zal scheppen, on het aardrijk zijnon mond zal opendoen, en verslinden hen met alles wat hunner is, en zij levend ter helle zullen nedervaren; alsdan zult gij bokennen, dat deze mannon don Mkkrk getergd hebben. :il En hot geschiedde, als hij geëindigd had al deze woorden te spreken, zoo werd liet aardrijk, dat onder hen was, gekloofd; ii2 En de aarde opende haren mond, en quot;verslond hen met hunne huizen, en alle inenschen, die Korach toebehoorden, en al de have. '/Num. 2(); 10. 'J7 : ;i. Dout. I I : li, Ps. 106; 17. :i;i Eu zij voeren neder, zij on alles wat hunner was, levend ter helle; on de aarde overdekte hen, en zij kwamen om uit het midden dor gemeente. :i-t En het gansohe Israël, dat rondom hen was, vlood voor hun geschrei: Want, zeiden zij, dat ons do aarde misschien niet verslinde! :)5 Daartoe ging oen vuur uit van den Heerk, en verteerde die twee honderd en vijftig mannen, die reukwerk offerden. !36 En de IIeerk sprak tot Mozes, zeggende: Ã7 Zog tot Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, dat hij do wierookvaten uit den brand opneme; en strooit hot vuur verre weg, want zij zijn heilig: :ilt;S Tc weten do wierookvaten van dezen, die tegen hunne zielen gezondigd hebben; dat men uitgerekte platen daarvan make, tot een overtreksel vooi' het altaar: want zij hebben ze gebragt voor bot aangezigt des Hekren, daarom zijn zij heilig; en zij zullen don kindoren Israels tot een toeken zijn. ;i!) En Eleazar, de priester, nam do koperen wierookvaten, die de verbranden gebragt haddon, en zij rekten ze uit tot een overtreksel voor het altaar ; 40 Ter gedachtenis voor de kindoren Israels, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aiiron is, nadere om reukwerk aan te steken voor bot aangezigt dos IIkkhkn; opdat hij niet worde als Korach, en zijne vergadering, gelijk als hom do Heerk door do dienst van Mozes gesproken had. 41 Maar dos anderen daags murmureerde de gansche vergadering dór kinderen Israëls togen Mozes en tegen Aiiron, zeggende: Gijlieden hebt des Heeren volk gedood! 42 En het geschiedde, als de vergadering zich verzamelde togen Mozes en Aiiron, en zich wendde naar do tent dor zamenkomst, ziet, zoo bedekte haar die wolk; en de heerlijkheid des Heeren verscheen. 4;i Mozes nu en Aiiron kwamen tot voor do tent der zamenkomst. 44 Toon sprak do IIkkrk tot Mozes, zeggende: |
45 Maak u op uit het midden van deze vergadering, on Ik zal hen vortorun, als in een oogonblik! Toen vielen zij op hunne aangezigton. K! Eu Mozos zeide tot Aiiron : Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van hot altaar, en log reukwerk daarop, haastelijk gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening: want een grooto toorn is van voor het aangezigt dos IIek-rkx uitgegaan, do plaag hoeft aangevangen. 47 En Aiiron nam hot, gelijk als Mozes gesproken had, en liep iu het midden dor gemeente, en ziet, de plaag had aangevangen onder het volk; en hij leide reukwerk daarin, en deed verzoening over het volk. 48 En hij stond tusschen de dooden en tusschon de levenden: alzoo werd de plaag opgehouden. 49 Die nu aan die plaag gestorven zijn, waren veertien duizend en zeven honderd, behalve die gestorven waren om de zaak van Korach. 50 En Aiiron koerde weder tot Mozes aan de deur van de tent der zamenkomst; en do plaag was opgehouden. HOOFDSTUK 17. (tod bevestigt Aiiron in zijn priesterambt door liet doen bloeijen van zijnen staf, vs. 1; deze wordt ter gedachtenis bewaard, 10; hot volk hierover verschrikt, zoekt bij Mozes troost, 12. TOEN sprak do Heerk tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de kinderen Israëls, en noem van hen voor elk vaderlijk huis oenen staf, van al hunne oversten, naar het huis hunner vaderen, twaalf staven: eens iegelijken naam zult gij schrijven op zijnen staf. :i Doch Aiirons naam zult gij schrijven op don staf van Levi: want een staf zal er zijn voor hot hoofd van het huis hunner vaderen. 4 En gij zult ze wegleggen in do tont der zamenkomst, voor do getuigenis, quot;waarheen Ik mot ulieden zamenkomen zal. «Ex. 25:22. 5 En het zal geschieden, dat do staf dos mans, wolken Ik zal verkoren hebben, zal bloeijen; en Ik zal stillen de murmureringen van do kinderen Israëls tegen Mij, welke zij togen ulieden murmureren. (! Mozos dan sprak tot de kinderen Israëls; en al hunnen oversten gaven aan hom oenen staf, voor eiken overste oenen staf, naar het huis hunner vaderen, twaalf staven; Aiirons staf was ook onder hunne staven. 7 En Mozos leide deze staven weg, voor hot aangezigt dos Hkkrkn, in de tent dor getuigenis. 8 Hot geschiedde nu des anderen daags, dat Mozos in de tent der getuigenis inging; en ziet, Aiirons staf, voor hot huis van Levi, bloeide: want hij bragt bloeisel voort, en bloosemde bloesom , en droog amandelen. 9 Toen bragt Mozes al deze staven uit, van voor het aangezigt des Heeren, tot al de kinderen Israëls; en zij zagen het, en namen elk zijnen staf. 10 Toen zeide do Hekre tot Mozes: quot;Breng den staf van Aaron weder voor de getuigenis, in be- |
NUMERT 17, IS
|
waring', tot eon toekon voor do woderspannige kinderen; alzoo zult «ijj een einde maken van hunne munnureringen tegen Mij , dat zij niet sterven. » Hebr. i): 4. 11 En Mozes deed het; gelijk als do Herhk hem geboden had, alzoo deed hij. 12 Toen spraken de kinderen Israels tot Mozes, zeggende: Zie, wij geven don geest, wij vergaan, wij allen vergaan! Ui Al wie eenigzins nadert tot den tabernakel des Hekken, zal sterven: zullen wij dan den geest gevende verdaan worden? HOOFDSTUK IS. Crod stelt Aiiron en zijnen zonen hun ambt voor, vs. I. Do Levieten worden hun toegevoegd, 2. Voorziening in het onderhoud der priesters, S, en dor Levieten, 21, deze moesten van hunne tienden aim don hoogopriester geven, 25. ZOO zeide de Heere tot Aiiron: (lij, en uwe zonen, en het huis uws vaders met u, zult dragen de ongeregtigheid des heiligdoms; en gij, en uwe zonen met u, zult dragen de ongeregtigheid van uw priesterambt. 2 En ook zult gij uwe broederen, den stam van Levi, den stam uws vaders, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden, en u dienon; maar gij, en uwe zonen met n , zult zijn voor de tent der getuigenis. :i En zij zullen uwe wacht waarnemen, on de wacht der gansche tent; doch tot het gereedschap des heiligdoms en hot altaar zullen zij niet naderen, opdat zij niet sterven, zoo zij als gijlieden. 4 Maar zij zullen u bijgevoegd worden, en de wacht van de tent der zamenkomst waarnemen, in alle dienst der tent; en een vreemde zal tot u niet naderen. 5 Gijlieden nu zult waarnemen de wacht des heiligdoms, en de wacht des altaars; opdat er geene verbolgenheid meer zij over do kinderen Israels. (i Want Ik, zie. Ik heb quot;uwe broederen, de Levieten, uit het midden der kinderen Israels go-nomen; zij zijn ulieden eeno gave, gegeven den Heere, om de dienst van de tent der zamenkomst te bedienen. a Num. 3: 45. 7 Maar gij, en uwe zonen met u , zult ulieder priesterambt waarnemen in alle zaken des altaars, en in hetgeen van binnen den voorhang is, dat zult gijlieden bedienen; uw priesterambt geve Ik n tot eeno dienst van een geschenk ; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden. 8 Voorts sprak de Heere tot Aiiron: En Ik, zie. Ik heb u gegeven de wacht mijner hefoffe-ren, met alle heilige dingen van de kinderen Israels heb Ik ze u gegeven, om dor zalving wil, en aan uwe zonen, tot eeno eeuwige inzetting. 9 Dit zidt gij hebben van de heiligheid der heiligheden, uit hot vuur: al hunne offeranden, met al hun spijsoffer, en met al hun zondoffer, en met al hun schuldoffer , dat zij Mij zullen wedergeven ; hot zal ii en uwen zonen eeno heiligheid der heiligheden zijn. |
10 Aan het allerheiligste zuil gij dat eten: al wat mannelijk is zal dat eten, het zal u eene heiligheid zijn. 11 Ook zal dit het uwe zijn: het hefoffer hunner gave, met alle beweegofferen dor kinderen Israels; quot;Ik heb ze aan u gegeven, en aan uwe zonen, en aan uwe dochteren met u, tot eene eeuwige inzetting; al wie in uw huis rein is, zal dat eten. a Lev. ld : 14. 12 Al het beste van de olio, on al het boste van most, en van koren, hunne eerstelingen, die zij den Heeue zullen geven, u heb Ik ze gegeven. Lf De eerste vruchten van alles, wat in hun land is, die zij den Heere zullen brengen, zullen uwe zijn; al wie in uw huis rein is, zal dat eten. 14 quot;Al het verhanneno in Israël zal het uwe zijn. a Lov. 27 : 2s, 15 Al wat do quot; baarmoeder opent, van alle vleesch, dat zij don Heere zullen brengen, onder do men-schen, en onder de beesten, zal het uwe zijn; doch de eerstgeborenen der menschen zult gij ganschelijk lossen; ook zult gij lossen de eerstgeborenen der onreine beesten. «Ex. 13:2. 22:29. Lev. 27:2(1. Num. 3:13. Ui Die nu onder dezelve gelost zullen worden, zult gij van eene maand oud lossen, naar uwe schatting, voor hot geld van vijf sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms, quot;die is twintig gera. «Ex. 30: 13. Lev. 27 : 25. Num. 3: 17. Ezec. 45: TJ. 17 Maar het eerstgeborene van eene koe, of het eerstgeborene van oen schaap, of het eerstgeborene van eene geit zult gij niet lossen, zij zijn heilig; hun bloed zult gij sprengen op het altaar, en hun vet zult gij aansteken, tot een vuuroffer van liefelijken reuk den Heere. 18 En hun vleesch zal hot uwe zijn; gelijk de bewoegborst, en gelijk do regterschouder, zal hot uwe zijn. 19 Alle hefofferen der heilige dingen, die de kinderen Israels don Heere zullen offeren, hel) Ik aan u gegeven, en aan uwe zonen, en aan uwe dochteren met u, tot eene eeuwige inzetting; hot zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangozigt des Heeren , voor u on voor uw zaad met u. 20 Ook zeide de Heere tot Aaron: Gij zult in hun land niet erven, en gij zult geen deel in het midden van henlieden hebben; quot;Ik ben uw doel en uwe erfenis, in het midden van de kinderen Israëls. a Deut. 10:9. 18:2. I^zeo. 44 : 2lt;S. 21 En zie, aan do kinderen van Levi hob Ik alle tiendon in Israël tor erfenis gegeven, voor hunne dienst, die zij bedienen, de dienst van de tent der zamenkomst. 22 En de kinderen Israëls zullen niet meer naderen tot de tent der zamenkomst, om zonde te dragon cn te sterven. 23 Maar de Levieten, die zullen bedienen de |
NUMKU 18, 1!).
Hill
|
dienst van do loiil dor zamenkomst, en die znllen liunne onH'ei'ogtifihüid dragen ; hot zal eeno eeuwige inzetting zijn voor uwe geslachten; en in het midden van do kinderen Israels zullen zij geeno erfenis erven. 24 Want de tienden dor kinderen Israels, die zij don Heere tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan do Levieten tot eeno erfenis gegeven; daarom hel) Ik tot hen gezegd: Zij zullen in hot midden van do kinderen Israels geone erfenis erven. 25 En do Heere sprak tot Mozes, zeggende: 26 (rij zult ook tot de Levieten spreken, en tot hen zoggen: Wanneer gij vim do kinderen Israels de tienden zult ontvangen hebben, die Ik u voor uwe erfenis van henlieden gegeven heb, zoo zult gij daarvan een hefoffer dos IIeekkn offeren, do tiendon van die tienden; 27 En het zal u gerekend worden tot uw hefoffer, als koren van den dorschvloor, en als do volheid van de perskuip. 28 Alzoo zult gij ook een hefoffer des II keren offeren van al uwe tienden, die gij van do kindoren Israels zult hebben ontvangen; en gij zult daarvan des IIeeren hefoffer geven aan den priester Aiiron. 29 Van al uwe gaven zult gij allo hefoffer dos IIeeren offeren; van al het boste van die, van zijne heiliging daarvan. !t() (Jij zult dan tot hen zoggen: Als gij doszelfs beste daarvan offert, zoo zal hot don Levieten toegerekend worden als een inkomen dos dorsch-vloers, en als een inkomen der perskuip. 'il En gij zult dat eten in alle plaatsen, gij en uw huis: want hot is ulieden oen loon voor uwe dienst in de tont der zamenkomst. :!2 Zoo zult gij daarover geone zonde dragen, als gij doszelfs beste daarvan offert; en gij zult do heilige dingen van de kinderen Israels niet ontheiligen, opdat gij niet sterft. HOOFDSTUK li). Hevel om water mot de asch van oone verbrande mode koe te mengen tot een ontzondig! ngswatei', vs. 1; do reiniging van vorsoheidono onreinheden door dit water, 11. Wet togen hen, dio deze roiniging versmaden, 20. WIJDERS sprak de Heere tot Mozes, en tot Aiiron, zeggende: 2 Dit is de inzetting van do wet, die do Heere geboden hoeft, zeggende: Spreek tot do kinderen Israels, dat zij tot u brengen oone roode volko-mone vaars, in welke geen gebrek is, op wolke geen juk gekomen is. l) En gij zult die geven aan Eleazar, den priester; en hij zal ze uitbrengen quot;tot buiten het leger, en men zal haar voor ziju aangezigt slagten. a Ilebr. Ui: 11 , 12. 4 En Eleazar, de priester, zal van haar quot;bloed met zijnen vinger neinen, en hij zal van haar bloed regt tegenover do tont der zamenkomst zevenmaal sprengen. a llebr. i): 13. |
5 Voorts zal men deze vaars voor zijne oogon verbranden; quot; haar vel, en haar vloosch, en haar bloed, met haren most, zal men verbranden. a Ex. 20 : 14. Lev. 4:11, 12. (i En do priester zal nomen cederhout, en hijzop, en scharlaken, en werpen zo in hot midden van den brand dezer vaars. 7 Dan zal de priester zijne kleederen wasschon, en zijn vloosch mot water baden, en daarna in het leger gaan; en do priester zal onrein ziju tot aan den avond. H Ook die haar verbrand hoeft, zal zijne kloo-doren mot water wasschon, en zijn vloosch mot water baden, en onrein zijn tot aan don avond. !) En oen rein man zal do asch dezer vaars verzamelen, en buiten hot leger in eeno reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering van do kinderen Israels, tot hot water der afzondering: het is ontzondiging. 10 En die do asch dezer vaars verzameld heeft, zal zijne klooderen wasschon, en onrein zijn tot aan den avond. Dit zal don kinderen Israels, en den vreomdeling, die in hot midden van hen als vreemdeling verkeert, tot eeno eeuwige inzetting zijn. 11 quot;Wie oenen doode, oenig dood ligchaam van oen' inensch, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn. aNum. lil : 10. llagg. 2: 11. 12 Op don dorden dag zal hij zich daarmede ontzondigen, zoo zal hij op den zevendon dag-rein zijn; maar indien hij zich op don derden dag niet ontzondigt, zoo zal hij op don zevenden dag-niet rein zijn. 13 Al wie oenen doode, het doode ligchaam eens monschen, die gestorven zal zijn, aanroert, en zich niet ontzondigd zal hebben, die verontreinigt den tabernakel des IIeeren; daarom zal die ziel uitgerooid worden uit Israël, omdat hot water dor afzondering op hem niet gesprengd is, zal hij onrein zijn; zijne onreinigheid is nog in hem. 14 Dit is de wet, wanneer een mensch zal gestorven zijn in eeno tent: al wie in die tent ingaat, en al wie in die tent is, zal zeven dagen onrein zijn. 15 Ook alle open , gereedschap, waarop geen deksel gebonden is, dat is onrein. 1(1 En al wie in het open veld oenen, die mot het zwaard verslagen is, of oenen doode, of het gebeente eens menscben, of een graf zal aangeroerd hebben, zal zeven dagen onrein zijn. 17 Voor oenen onreine nu zullen zij nemen van het stof dos brands der ontzondiging, en daarop lovend water doen in een vat. 18 En een rein man zal quot;hijzop nemen, en in dat water doopen, en sprongen het aan die tent, en op al hot gereedschap, en aan de zielen, die daar geweest zijn; insgelijks aan dengenen, dio oen gebeente, of oenen vorslagene, of oenen doode, of een graf aangeroerd heeft. quot; I's. 51 : 0. 19 En de reine zal den onreine op den derden |
NÃMERI 1!), 20.
1(11
|
dag, en op den zevenden dag besprengen; en op don zevenden dag zal hij hem ontzondigen; en hij zal zijne kleedoren wasschen, on zich mot water baden, on op den avond rein zijn. 20 Wie daarontogon onrein zal zijn, on zich niet zal ontzondigen, die zied zal uit het midden der gemeente uitgeroeid worden: want hij hoeft het heiligdom des Heeren verontreinigd, het water der afzondering is op hom niet gesprengd, hij is onrein. 21 Dit zal hunlieden zijn tot oene eeuwige inzetting. En die liet water der afzondering sprengt. |
bovol van God beklimt Ailron mot Mozos en Eleilzar den berg Hor, geeft zijn lioogopriesterschap over, 23; on sterft, 28. liet gansclie volk beweent hem, 29. ALS de kinderen Israels, do ganscho vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren, in do eerste maand, zoo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf aldaar, en zij werd aldaar begraven. 2 En or was goon water voor do vergadering; toen vergaderden zij zich tegen Mozes en tegen Aaron. 3 En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och of wij den geest gegeven haddon. |
II. Van Balen: Mo/es sluiil water uit de steenrots (Num. 20:11).
|
zal zijne kleederen wasschen; ook wie het water dor afzondering aanroert, die zal onrein zijn tot aan den avond. 22 Ja al wat dio onreine aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn; en do ziel, die dat aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan den avond. HOOFDSTUK 20. De Israëlieten komen in de woestijn Zin, alwaar Mirjam sterft, vs. 1. Het volk mort om water, 2. God bevoelt Mozes tot den rotssteen te sproken, opdat hij water geven zon, 7. Mozes slaat op den steen, 11. God, hierover op Mozes en Ailron verstoord wegens hnn ongeloof, /.egt hnn aan, dat /.ij het volk niet in Kanaan zullen brengen, 12. Mozes verzoekt om oen' doortogt door het land der Edomie-ten, 14; hetgeen hem geweigerd wordt, 18. Op |
toen quot;onze broeders voor bot aangozigt dos Heeren den geest gaven! a Num. TG: 32, 40. 4 Waarom toch hebt gijlieden do gemeente des Heeren in deze woestijn gebragt, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten ? 5 En waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, om ons te brongen in deze kwade plaats? Het is geone plaats van zaad, noch van vijgen, noch van wijnstokken, noch van granaatappelen; ook is er geen water om te drinken. (! Toen gingen Mozes en Aiiron van hot aangozigt der gemoente tot do deur van do tont der zamenkomst, on zij violen op hunne aangezigten; en de heerlijkheid des Heeren verscheen hun. 7 En do Heere sprak tot Mozes, zeggende: 11 |
NÃMERI 20, 21.
|
8 Neem dien staf, en verzamel de vergadering, gij en Aiiron uw broeder, en spreekt gijlieden tot de steenrots voor hunne oogen, zoo zal zij hun water geven; quot; alzoo zult gij hun water voortbrengen uit do steenrots, en gij zult de vergade-ving en hare beesten drenken. n Neh. 9:15. Ps. 78:1:quot;), 1G. 105:41. 114:8. !) Toen nam Mozes den staf van voor hot aango-zigt dos Heeren, gelijk als Hij hom geboden had. 10 En Mozes en Aiiron vergaderden do gemeente voor do steenrots, quot;en hij zeide tot hen: Hoort toch, gij wederspannigen! ''zullen wij water voor ulioden uit deze steenrots horvoorbrengon ? a Ps. 106:32, 33. h Devit. 32:51. 11 Toen hiof Mozes zijne hand op, en liij sloeg do steenrots tweemaal mot zijnen staf; quot;on or kwam voel waters uit, ''zoodat de vergadering dronk, en hare beesten. aPs.78:15. 105:41. Jos.48:21. ICor. 10:4. iJes.43:20. 12 Derhalve zeide de IIeere tot Mozes en tot Aiiron: quot;Omdat gijlieden Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligdet voor de oogen der kinderen van Israël, daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk Ik hun gegeven heb. « Dout 1 : 37. Num. 27:14. 13 Dit zijn do wateren van Moriba, daar do kinderen Israels mot don IIeere om getwist hebben; en Hij word aan lion geheiligd. 14 Daarna zond Mozes boden uit Kades tot don koning van Edom, welke zeiden: quot;Alzoo zegt uw broeder Israël: Gij weet al do moeite, die ons ontmoet is; a Dout. 23:7. Olmdja vs. 10, 12. 15 Dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, on wij in Egypte vele dagen gewoond hebben; en dat de Egyptonaars aan ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben. 1(! Toen quot;riepen wij tot don IIeere, en Hij hoorde onze stem, en Hij ''zond eenen Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, eeno stad aan het uiterste uwer landpalo. «Ex. 2: 23. h Ex. 14: 19. 17 Laat ons toch door uw land trokken, wij zullen niet trokken door den akker, noch dooide wijngaarden, nonli zullen hot water dor putton niet drinken: wij zullon don koninklijken weg gaan, wij zullon niet afwijken ter rogtor- noch tor linkerhand, totdat wij door uwe landpalen zullen getrokken zijn. 18 Doch Edom zeide tot hem: Gij zult door mij niet trekken, opdat ik niet misschien met het zwaard uitga u te geinoet! 19 Toen zeiden de kinderen Israels tot hein: Wij zullen door don gebaanden weg optrekken, en indien wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zoo zal ik doszolfs prijs daarvoor geven; ik zal alleenlijk, zonder iets anders, te voet doortrokken. 20 Doch hij zeide: Gij zult niet doortrekken! En Edom is hem te genioet uitgetrokken, mot een zwaar volk, on niet eene sterke hand. |
21 Alzoo weigerde Edom Israël toe te laten door zijne landpalo te trekken; daarom quot;week Israël van hem af. aRigt. 11 : IS. 22 Toen reisden zij van Kades; quot;en de kinderen Israëls kwamen, do gansche vergadering, aan don berg Hor. r/Num. 33:37. 23 De IIeere nu sprak tot Mozes, on tot Aiiron, aan den berg Hor, aan do pale van hot land van Edom, zeggende: 24 Aaron zal tot zijne volken verzameld worden, want hij zal niet komen in het land, hetwelk Ik aan do kinderen Israëls gegeven heb, omdat gijlieden mijnen mond wederspannig geweest zijl bij de wateren van Moriba. 25 quot;Neem Aiiron, en Eleazar zijnon zoon, en doe hen opklimmen tot den borg Hor. Nmn. 33:38. Dout. 32:50. 20 En trok Aiiron zijne kleedoren uit, en trek zo Eleazar zijnon zoon aan: want Aiiron zal verzameld worden, en daar sterven. 27 Mozos nu deed, gelijk als de IIeere geboden had: want zij klommen tot op den berg Hor, voor de oogen der gansche vergadering. 28 En Mozos trok Aiiron zijne klooderen uit, en hij trok zo zijnen zoon Eleazar aan; quot;en Aiiron stierf aldaar, op do hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleazar van dien borg af. a Dout. 10 : (i. 32 : 50. 29 Toen do gansche vergadering zag, dat Aiiron overleden was, zoo beweenden zij Aiiron dertig dagen, het gansche huis van Israël. HOOFDSTUK 21. Do Kniiiiilnioton strijden togon Israël ou ovcrwohligcn conigcn van hen, vs. 1. Door do hulp dos llooren herwinnen do Israëlieten eu rooijcn limine vijaiulon mot hnuno sleden uit, 3. Hot volk mort on wordt door do hoton van vurigo slangen gestraft, 5. (gt;11 hun berouw bevoelt God oeno koperen slang op lo rigten, belovende dat ieder, dio deze slang aanzag, genezen zou worden, 7. Verscheidene togton van hot volk, 10. Hun lofzang to Boor voor hot water, dat God hun gegeven had, 17. Do Israëlieten ver-zookon Sihon, don koning der Amorioton, een'doortocht door zijn land, 21; liotgoon hun geweigerd wordt, 23. Do Israëlieten verslaan lion, alsmede Og, den koning van Hasan, on nemen hunno landen in erfelijk bezit, 24. ALS de Kanaaniet, do koning van Harad, wonende tegen hot zuiden, hoorde, dat Israël door don weg dor verspieders kwam, zoo streed bij tegen Israël, en hij voerde eenige gevangenen uit denzei ven gevankelijk weg. 2 Toen beloofde Israël don IIeere eeno gelofte, en zeide; Indien Gij dit volk geheel in mijne hand geeft, zoo zal ik hunne steden verbannen. 3 De IIeere dan verhoorde do stem van Israël, en gaf de Kanaanioten over; en hij verbande bon en hunne steden; ou hij noemde den naam dier plaats Horma. 4 Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg dor Schelfzee, dat zij om hot land dor Edo-mieten hoentogon; doch de ziol dos volks werd verdrietig op dezen weg. |
NUMERl 21
|
5 En liot volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken nit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? want hier is geen brood, ook geen water, en quot; onze ziel walgt over dit zeer ligte brood. a Num. II : (i. (! Toen quot;zond de Meere vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israël. al Oor. 10:9. 7 Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den IIeeue on tegen u gesproken hebben: bid den zich aan do houvolen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, togen den opgang der zon. |
12 Van daar reisden zij, on legerden zich bij de book Zered. lil Van daar reisden zij, en legerdon zich aan deze zijde van do Anion, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten: quot; want de Anion is de landpale van Moab, tus-schen Moab en tusschen de Amorieten. n Kigl. 11: is. 14 (Daarom wordt gezegd in hot boek van de oorlogen des Meeuen : Tegen Wahob, in eenen wervelwind, en togen de beken Anion, |
|
IIeere, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toon bad Mozes voor het volk. 8 En de IIeere zoide tot Mozes: Maak u eene vurige slang, en stel ze op eene steng; on hol zul geschieden, quot;dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zoo zal hij leven. r/Joh. I!: 11. 9 quot;En Mozes maakte oono koperen slang, en stolde ze op eeno steng; en het geschiedde, als eone slang iemand beet, zoo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef lovend. a'2 Kon. 18:4. Joh. li: 14. 10 quot;Toon verreisden do kinderen Israels, en zij legerden zich te Oboth. n Num. 3:5:4». |
11 Daarna reisden zij van Oboth, en legerden 15 En don afloop dor beken, die zich naar do gelogonhoid van Ar wendt, en loont aan de landpale van Moab.) K! En van daar reisden zij naar Beer. Dit is do put, van wolken do IIeere tot Mozes zoide: Verzamel het volk, zoo zal Ik hun water geven. 17 (Toen zong Israël dit lied: Spring op, gij put! zingt daarvan bij beurte! 18 (lij put, dien do vorsten gegraven hebben, dien do edelen des volks gedolven hobbon, door den wetgever, mot hunne staven.) En van do woestijn reisden zij naar Mattana; I!) En van Mattana tot Nahiiliöl; en van Nabaliël tot Bamoth; |
â 11*
NUMER1 21 , 22.
1(U
|
20 En van Bamoth tot het dal, dat in liot veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen do wildernis ziet. 21 quot; Toen zond Israël boden tot Sihon, don koning der Amorioten , zeggende: a Dent. 2 : 26. Rigt. 11:19. 22 Laat mij door uw land trekken. quot;Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden; wij zullen het water der putten niet drinken; wij zullen op den koninklijken weg gaan, totdat wij uwe landpale doorgetogen zijn. a Num. 20:17. 2!? quot;Doch Sihon liet Israël niet toe, door zijne landpale door te trekken; maar Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging uit, Israël te gemoet, naar de woestijn, en hij kwam te Jahza, en streed tegen Israël; a Deut. 2 :30. 29 :7. Jnz. 24:8. Rigt. 11 : 20- 24 quot;Maar Israël sloeg hom niet de scherpte des zwaards, en ''nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot do Jabbok toe, ' tot aan do kinderen Amnions: want de landpale der kinderen Amnions was vast. n Deut. 2:33. 29:7. Jnz. 12:2. 24:8. Rigt. 11:21. /(Ps. 135: 11, 12. 130: 19. Amos 2:9. c Deut. 2:37. 25 quot; Alzoo nam Israël al deze steden in; en Israël woonde in al de steden dor Amorioten, te Hesbon, en in al hare onderhoorigo plaatsen. a Deut. 2:34, 35. 20 Want Hesbon was do stad van Sihon, den koning der Amorioten; en hij had gestreden tegen don vorigen koning der Moabieten, en hij had al zijn land uit zijne hand genomen, tot aan do Arnon. 27 Daarom zeggen zij, die spreekwoorden go-brniken: Komt tot Hesbon; men bouwe en be-vestigo do stad van Sihon! 28 Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon, eone vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar der Moabieten, cn do heeren der hoogte van de Arnon. 29 Wee u, Moab! Gij voik quot;Kamoz zijt verloren! hij heeft zijne zonen, die ontliepen, en zijne dochters in do gevangenis geleverd aan Sihon, den koning dor Amorioten. «1 Kon. 11:7, 33. 30 En wij hebben hen nedorgoveld! Hesbon is verloren tot Dibon toe; on wij hebben hen verwoest tot Nofat toe, welke tot Médeba toe reikt. 31 Alzoo woonde Israël in hot land van don Amoriet. 32 Daarna zond Mozos om Jaëzer te verspieden; en zij namen hare onderhoorigo plaatsen in; en hij dreef do Amorioten, die er waren, uit do bezitting. 33 Toon wendden zij zich on trokken op den weg van Basan; quot;en Og, de koning van Basan, ging uit hun te gemoet, hij en al zijn volk, tot den strijd, in Edréï. «Deut. 3:1. 29:7. 34 De Heere nu zeide tot Mozos: Vrees hem niet, want Ik heb hom in uwe hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en quot;gij znll hem doen, gelijk als gij Sihon, don koning dor Amorioten, die te Hesbon woonde, gedaan hobt. aPs. 130:20. |
35 En zij sloegen quot; hem, en zijne zonen, on al zijn volk, alzoo dat hem niemand overbleef; on zij namen zijn land in erfelijke bezitting. «Ps 130:20, 21, 22. HOOFDSTUK 22. Balak, do koning der Moabieten, ontbiedt Hiloam om do Israëlieten to vloeken, vs. 1. Hiloam vraagt den IFooro wat hij doen moet, 8. De llooro verbiedt hom to gaan, 12. Balak ontbiedt hem andermaal, waarop do llooro hem laat gaan, 15. Do Engel dos Heeren zou hem gedood hobbon, doch do ezelin treedt ter zijde af en logt zich onder Hiloam neder, 27. Hile-ams oogen worden geopend, en hij ziot don Engel, 31; welke hom bestraft. Hij bekent zijne schuld on wil wedorkeoren, 34. Do Engel laat hom voorttrokken, 35. Halak komt Hiloam te gemoet en ontvangt hem met vele oerbowijzingen, 30; doch kan hem niet bewogen om de Israëlieten to vloeken, 38. DAARNA reisden de kinderen van Israël, en legerdon zich in do vlakke volden van Moab, aan deze zijde der Jordaan van Joricho. 2 Toen Balak, de zoon van Zippor, zag al wat Israël aan de Amorioten gedaan had; 3 Zoo vreesde Moab zeer voor het aangezigt dezes volks, want hot was veel; en Moab was beangstigd voor hot aangezigt van de kinderen Israëls. 4 Derhalve zoide Moab tot de oudsten dor Midi-anieten: Nu zal deze gomeonto oplikken al wat rondom ons is, gelijk de os do groente des voids oplikt. Te dier tijd nu was Balak, do zoon van Zippor, koning dor Moabieten. 5 Die zond boden aan quot; Bileam, den zoon van Beor, te Pothor, hetwelk aan de rivier is, in hot land dor kindoren zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen ; zie, het hooft het gezigt dos lands bedekt, on het blijft liggen regt tegen over mij. aJoz.24:9. 0 En nu, kom toch, vervloek mij dit volk, want het is magtiger dan ik; misschien zal ik het kunnen slaan, of zal hot uit hot land verdrijven: want ik weet, dat, wien gij zegent, die zal go-zogend zijn, en wion gij vervloekt, die zal vervloekt zijn. 7 Toon gingen de oudsten der Moabieten, en de oudsten dor Midianioton, en hadden den loon der waarzeggingen in hunne hand; alzoo kwamen zij tot Bïloain, en spraken tot hom de woorden van Balak. 8 Hij dan zoide tot hen: Vernacht hier dezen nacht, zoo zal ik ulioden oen antwoord weder-brengen, gelijk als do Heere tot mij zal gesproken hebben. Toen bleven de vorston dor Moabieten bij Bileam. 9 En God kwam tot Bileam en zoide: Wie zijn die mannen, die bij u zijn? 10 Toen zoide Bileam tot God: Balak, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten, heeft hen tot mij gezonden, zeggende; 11 Zie, or is een volk uit Egypte getogen, en het hooft hot gezigt dos lands bedekt; kom nu, |
NUMERI 22, 23.
|
vervloek liet mij; misschien zal ik toyen hetzelve kunnen strijden, of het uitdrijven. 12 Toen zeide God tot Bileam: (ïij zult mot hen niet trokken; gij zult dat volk niet vloeken, want het is gezegend. 13 Toen stond Bileam dos morgens op, en zoido tot do vorsten van Balak: Gaat naar uw land, want do Heere weigert mij toe to laten met ulieden te gaan. 14 Zoo stonden dan do vorsten dor Moabieton op, en kwamen tot Balak, en zij zeiden: Bileam heeft geweigerd mot ons te gaan. 15 Doch Balak voer nog voort vorsten to zendon , meer en eerlijker, dan die waren; K! Die tot Bileam kwamen, on hom zeiden: Alzoo zegt Balak, de zoon van Zippor: Laat u toch niet heletten tot mij te konion! 17 Want ik zal u zeer hoog voroeron, on al wat gij tot mij zeggen zult, dat zal ik doen: zoo kom tocii, vervloek mij dit volk! 18 Toen antwoordde Bileam, en zeide tot de dienaren van Balak : quot; Wanneer Balak mij zijn imis vol zilver en goud gave, zoo vermogt ik niet het bovol dos Heehen mijns Gods te overtreden, om to doen klein of groot. a Num. 24: 13. 19 En nu, blijft gijlieden tocli ook hier dezen nacht, opdat ik wete, wat de IIeeue tot mij vorder spreken zal. 20 God nu kwam tot Bileam dos nachts, en zoido tot hem: Dewijl die mannen gekomen zijn, om u to roepen, sta op, ga met hen; en nogtans zult gij dat doon, hetwelk Ik tot u spreken zal. 21 Toen stond Bileam dos morgens op , on zadelde zijne ezelin, en hij trok heen mot de vorsten van Moab. 22 Docli de toorn van God werd ontstoken, omdat hij hoentoog; en de Engel dos IIeeren stelde zich in don weg, hom tot oene tegenpartij; hij nu rood op zijne ezelin, on twoo zijner jongeren waren iiij hom. 23 Do quot; ozolin nu zag den Engel dos Heeiien staande in den weg, met zijn uitgetrokkon zwaard in zijne hand; daarom week do ozolin uit don weg, en ging in het veld. Toon sloeg Bileam de ezelin, om dezelve naar don weg te doen wenden. «2 Petr. 2:16. Judas vers 11. 24 Maar de Engel dos Heehen stond in een pad dor wijngaarden, zijnde een muur aan deze, en oen muur aan gono zijde. 25 Toen de ezelin den Engel dos IIeeren zag, zoo klemde zij zich zelve aan den wand, en klemde Bileams voet aan don wand; daarom voor hij voort haar te slaan. 26 Toon ging de Engel dos IIeeren nog verder, on hij stond in oene enge plaats, waar geen weg was om te wijkon ter regter- noch tor linkerhand. 27 Als de ozolin den Engel dos IIeeren zag, zoo loide zij zich neder onder Bileam; en de toorn van Bileam ontstak , en hij sloeg de ozolin mot oenen stok. |
28 Do quot; Heere nu opende don mond dor ezelin, die tot Bileam zoido: Wat heli ik u gedaan, dat gij mij nu driemaal geslagen hebt? a 2 1'otr. 2: Ui Judus. vers 11, 29 Toon zoido Bileam tot do ezelin: Omdat gij mij bespot bobt; och of ik een zwaard in mijne hand had! want ik zou u nu dooden. 30 Do ezelin nu zoido tot Bileam: Ben ik niet uwe ezelin, op welke gij gereden hebt van toen af, dat gij mijn heer geweest zijt, tot op dozen dag? bon ik ooit gewend geweest u alzoo te doenV Hij dan zoido: Neen! 31 Toen ontdekte de Heere de oogen van Bileam, zoodat hij don Engel des IIeeren zag, staande in don weg, en zijn uitgetrokken zwaard in zijne hand; daarom neigde hij hot hoofd en boog zich op zijn aangezigt. 32 Toen zoido do Engel dos Heehen tot hem: Waarom hebt gij uwe ezelin nu driemaal geslagen V zie, ik ben uitgegaan u tot eono tegenpartij, dewijl quot;deze weg van mij afwijkt. «2 1'otr. 2: 1 33 Maar de ezelin hooft mij gezien, en zij is nu driemaal voor mijn aangezigt geweken; indien zij voor mijn aangezigt niet geweken ware, zekerlijk ik zoude u nu ook gedood, en haar bij het leven behouden hebben. 34 Toon zoido Bileam tot den Engel dos IIeeren: Ik heb gezondigd, want ik heb niet geweten, dat gij mij te gemoet op dezen weg stondt; en nu, is het kwaad in uwe oogen, ik zal woderkeeron. 35 Do Engel dos IIeeren nu zeide tot Bileam: Ga hoen mot deze mannen; maar alleenlijk dat woord, wat ik tot u spreken zal, dat zuil gij spreken. Alzoo toog Bileam mot do vorsten van Balak. 36 Als Balak hoorde, dat Bileam kwam, zoo ging hij uit hom te gemoet, tot do stad der Moabieton, welke aan de landpalo van do Anion ligt, die aan hot uiterste der landpalo is. 37 En Balak zeide tot Bileam: Heb ik niet ern-stolijk tot u gezonden, om u te roepen? waarom zijt gij niot tot mij gekomen ? kan ik u niet te rogt vereeren? 38 Toon zeide Bileam tot Balak: Zie, ik ben tot u gekomen; zal ik nu eenigzins iets kunnen spreken? Hot woord, hetwelk God in mijnen mond loggen zal, dat zal ik spreken. 39 En Bileam ging met Balak; en zij kwamen te Kirjath-lluzzoth. 40 Toon slagtte Balak runderen en schapen; en hij zond aan Bileam, en aan de vorsten, die bij hem waren. 41 En hot geschiedde dos morgens, dat Balak Bileam nam, en voerde hem op de hoogten van Baiil, dat hij van daar zag het uiterste des voids. HOOFDSTUK 23. balak on Bfloam offeren runderen en rammen, vs. 1. God logt Bileam eonen zogen in den mond over Israël, 5, waarover Balak verstoonlis, 11. Zij gaan naar eono andere plaats om Israël te vloeken, 13; |
NUMERI '23, 24.
ii;i;
|
en olTerou ook uldimi', li. God ontmoet Hilouiu wetlor on le^t, hom ooiien nog grooteren zegen in don mond, 10. Ii;dak brengt liileam oji eonc derde plaats, alwaar zij ook offeren, 27. TOEN zeidc Bileaiu tot Balak: Bouw mij hier zevon altaren, on bereid mij hier zeven varren en zeven rammen. 2 Balak nu deed, gelijk als Bileam gesproken had; en Balak en Bileam offerden eenen var en oenen ram, op elk altaar. li Toon zeide Bileam tot Balak: Blijf staan bij uw brandoffer, en ik zal heengaan, misschien zal de IIeere mij te gemoet komen; en hetgeen Hij wijzen zal, dat zal ik u bekend maken. Toon ging hij op de hoogte. 4 Als God liileam ontmoet was, zoo zeidc hij tot Hem : Zeven altaren heb ik toegerigt, en lieb eenen var en oenen ram op elk altaar geofferd. 5 Toen lelde de Heeue het woord in den mond van Bileam, en zeidc: Keer weder tot Balak, en spreek aldus. 6 Als hij nu tot hem wederkeerde, ziet, zoo stond hij bij zijn brandoffer, hij en al de vorsten der Moabicten. 7 Toen hief hij zijne spreuk op, en zeido: Uit Syrië heeft mij Balak, de koning der Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob! en kom, scheld Israël! 8 Wat zal ik vloeken, dien God niet vloekt? en wat zal ik schelden, waar de Heeue niet scheldt? !) Want van de hoogte der steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem; ziet, quot;dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de Heidenen niet gerekend worden. «Deut. 33:28. 10 Wie zal het stof van Jakob tellen? on het getal, ja het vierde deel van Israël? Mijne ziel sterve den dood der opregten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne! 11 Toen zeide Balak tot Bileam: Wat hebt gij mij gedaan? Ik heb u genomen, om mijne vijanden te vloeken, maar zie, gij hebt hen doorgaans gezegend! 12 Hij nu antwoordde en zeide: Zal ik dat niet waarnemen te spreken, wat do IIeere in mijnen mond gelegd heeft ? 13 Toen zeide Balak tot hem: Kom toch niet mij aan eene andere plaats, van waar gij hem zult zien; gij zult niet dan zijn einde zien, maar hem niet ganschelijk zien; en vervloek hem mij van daar! 14 Alzoo nam hij hem mede tot het veld Zofim, op de hoogte van 1'isga; en hij bouwde zeven altaren, en hij offerde eenen var en eenen ram op elk altaar. 15 Toen zeide hij tot Balak: Blijf hier staan bij uw brandoffer, en ik zal Hou aldaar ontmoeten. 16 Als de IIeere Bileam ontmoet was, quot;zoo leide Hij het woord in zijnen mond, en Hij zeide: Keer weder tot Balak, en spreek alzoo. fl!Nniii.22;35. |
17 Toen hij tot hem kwam, ziet, zoo stond hij bij zijn brandoffer, en de vorsten der Moabieten bij hem. Bnlak nu zeide tot hem: Wat heeft de Heeue gesproken? 18 Toen hief hij zijne spreuk op, en zeide: Sta op, Balak, en hoor! neig uwe ooren tot mij, gij zoon van Zippor! 1!) quot;God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens menschen kind, dat het Hem berouwen zou! zou Hij het zeggen, en niet doen? of spreken, en niet bestendig maken? «1 Sam. 15:29. Jakob. 1 ;17. 20 Zie, ik heb ontvangen te zegenen; dewijl Hij zegent, zoo zal ik het niet keeren. 21 Hij quot;schouwt niet aan de ongeregtigheid in Jakob, ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël. De Heeue, zijn God, is met hem, en het geklank des konings is bij hem. a I's. 32 : 1 , 2. 51 : 11. Jer. 50 : 20. Hom. 4 : 7. 22 God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; quot;zijne krachten zijn als van eenen eenhoorn. «Num.24:8. 23 Want er is geene tooverij tegen Jakob, noch waarzeggerij tegen Israël. Te dezer tijd zal van Jakob gezegd worden, en van Israël, wat God gewrocht heeft. 24 Zie, het volk zal opstaan als een oude leeuw, en het zal zich verheffen als een leeuw; het zal zich niet nederleggen, totdat het don roof gegeten, en het bloed der verslagenen gedronken zal hebben! 25 Toen zeide Balak tot Bileam: Gij zult het ganschelijk noch vloeken, noch geenszins zegenen. 20 Doch Bileam antwoordde en zeide tot Balak: Heb ik niet tot u gesproken, zeggende: Al wat ile Heeue spreken zal, dat zal ik doen? 27 Verder zeide Balak tot Bileam: Kom toch, ik zal u aan eene andere plaats medenemen; misschien zal het regt zijn in de oogen van dien God, dat gij het mij van daar vervloekt. 28 Toen nam Balak Bileam mede tot de hoogte van 1'eor, die tegen de woestijn ziet. 29 En Bileam zeide tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen. 30 Balak nu deed, gelijk als Bfleam gezegd had; en hij offerde eenen var en eenen ram op elk altaar. HOOFDSTUK 24. Bileam voorspelt den voorspoed van Israël, vs. 1. Balak verwijt hem deze handelwijs, 10. Bileam voorspelt, dat er eene ster uit Jakob zou voortgaan en een scepter uit Israël opkomen, en onderscheidene volken zal verdelgen, 14. Bileam en Balak scheiden, 25. TOEN Bileam zag, dat het goed was in de oogen des Heeuen, dat hij Israël zegende, zoo ging hij ditmaal niet heen, gelijk meermaal, tot do tooverijen, maar hij stelde zijn aangezigt naar de woestijn. 2 Als Bileam zijne oogen ophief, on Israël zag, wonende naar zijne stammen, zoo was do Geest van God op hem. |
NUMERI '24, 25.
|
;{ Eu hij hief zijne spreuk op, en zeide: Bileam, de zoon van Boor, spreekt, en de man, vvien de oogen geopend zijn, spreekt! 4 De hoorder der redenen Gods spreekt, die liet gezigt des Almagtigen ziet; die verrukt wordt, en wien de oogen ontdekt worden! 5 Hoe goed zijn uwe tenten, Jakob! uwe woningen , Israël! G Gelijk de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; de Heere hoeft ze geplant, als de sandelboomen, als do eedorboomon aan het water. 7 Er zal water uit zijne ommeren vloeijen, en zijn zaad zal in volo wateren zijn; en zijn koning zal boven Agag verheven worden, en zijn koningrijk zal verhoogd worden. 8 God hooft hem uit Egypte uitgevoerd, zijne krachten zijn als quot;van oenen eenhoorn; hij zal do Heidenen, zijne vijanden, verteren, on hun gebeente broken, en met zijne pijlen doorschieten. a Num. 23 : 22. 9 quot; Hij hoeft zich gekromd, hij heeft zich noder-gelegd, gelijk een leeuw en als eon oude leeuw, wie zal hom doen opstaan? zoo wio u zegent, die zij gezegend, on vervloekt zij wie u vervloekt! ft Oen. 49:9. Nuin. 23:24. 10 Toen ontstak do toorn van Balak tegen Bileam, en hij sloeg zijne handen zamen; on Balak zoide tot Bileam: Ik hob u geroepen, om mijne vijanden te vloeken, maar zie gij hebt hen nu driemaal gedurig gezegend! 11 En nu, pak u weg naar uwe plaats! Ik had gezegd, dat ik u hoog veroeren zou, maar zie, de Heere hooft die eer van u geweerd! 12 Toen zeido Bileam tot Balak: Heb ik ook niet tot uwe boden, die gij tot mij gezonden hebt, gesproken, zeggende: 13 quot;Wanneer mij Balak zijn huis vol zilver en goud gave, zoo kan ik hot bevel des Meeken niet overtreden, doende goed of kwaad uit mijn eigen hart; wat de Heere sproken zal, dat zal ik spreken. aNum. 22:18. 14 En nu, zie, ik ga tot mijn volk: kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk uw volk doen zal in de laatste dagen. 15 Toon hief hij zijne spreuk op, en zoide: Bileam, do zoon van Boor, spreekt, en die man, wien de oogen geopend zijn, spreekt! 16 Do hoorder der redenen Gods spreekt, en die de wetenschap des Allerhoogsten woot; die hot gezigt des Almagtigen ziet, die verrukt wordt, on wien de oogen ontdekt worden. 17 Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal bom aanschouwen, maar niet nabij. Er zal oone ster voortgaan uit Jakob, en er zal een scoptor uit Israël opkomen; die zal do palen dor Moabieten verslaan, on zal al do kinderen vanSeth verstoren. 18 En Edom zal eene erfelijke bezitting zijn; en Seïr zal zijnen vijanden oone erfelijke bezitting zijn; doch Israël zal kracht doen. |
19 quot;En er zal één uit Jakob heerschen, en hij zal de overigen uit do steden ombrengen. a 2 Sam. 8 : 14. 20 Toen hij de Amalekieton zag, zoo hief bij zijne spreuk op, on zoido: Amolok is do eersteling der Heidenen, maar zijn uiterste is ton verdorve! 21 Toon hij do Kenioten zag, zoo hief hij zijne spreuk op, en zeido: Uwo woning is vast, en gij hebt uw nest in eeno steenrots gelogd. 22 Evenwel zal Kaïn verteerd worden, totdat u Assur gevankelijk wegvoeren zal, 23 Voorts hief hij zijne spreuk op, en zoido: Och! wie zal loven, als God dit doen zal. 24 En do schepen van den oever der Chittocrs, die zullen Assur plagen, zij zullen ook Heber plagen; ou hij zal ook ten verdorve zijn. 25 Toen stond Bileam op, en ging hoon, en keerde weder tot zijne plaats. Balak ging ook zij non weg. HOOFDSTUK 25. Do Israëlieten plegen Ie Siuiin hneioiij en afgoderij, vs. 1. De Heere beveelt Mozes do aan leggers hiervan om ie brengen, 4. l'inehas (loodt Ziniri en Kozbi, 7. Oud belooft hem eu zijn geslacht hot priostersohaj) voor altijd, 11. God beveelt de Midi-anieten aan te tasten en te verslaan, 17. EN quot;Israël verbleef te Sittiin, en het volk begon te hoereren met de dochteren der Moabieten. u Num. 31 : Ui. 33 : 49. 2 quot;En zij noodigden hot volk tot de slagtofforen barer goden; en het volk at, on boog zich voor hare goden. « I's. IUG:2S. Hos. !): 10. 3 Als nu Israël zieh koppelde aan Baal-l'eor, quot;ontstak de toorn des Heeren tegen Israël. «I's. 10(5:29. 4 En de Heere zeide tot Mozes: quot;Neem al de hoofden des volks, en hang zo den Heehe togen de zon, zoo zal de hittighoid van des Heeren toorn gekeerd worden van Israël. n Deut. 4 : 3. Joh. 2'_,: 17. 5 Toen zeido Mozes tot de regters van Israël: Een ieder doode zijne mannon, die zich aan Baiil-Peor gekoppeld hebben! (! En ziet, een man uit do kinderen Israëls kwam, en bragt oone Midianietin tot zijne broederen voor de oogen van Mozes, on voor de oogen van de gansche vergadering dor kinderen Israëls, toon zij weenden voor do deur van de tent der zamenkomst. 7 Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, denzoon van Aaron, den priester, dat zag, quot; zoo stond bij op uit het midden dor vergadering, en nam eene spies in zijne hand; a I's. 100:30. 8 En hij ging den israëliotischen man na in den hoerenwinkel, en doorstak hen beiden, den israëliotischen man en de vrouw, door hunnen buik. Toen werd de plaag van ovor de kinderen Israëls opgehouden. 9 quot;Degenen nu, die aan de plaag stierven, waren vier on twintig duizend. n 1 Cor. 10 : 8. |
|
1()8 10 Toen sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 11 Pïnehas, de zoon van Eleazar, den zoon van Aiiron, den priester, heeft mijne grimmigheid van over de kinderen Israels afgewond, dewijl hij quot; mijnen ijver geijverd heeft in liet midden derzelve, zoodat Ik de kinderen Israels in mijnen ijver niet vernield heb. a 2 Cor. 11:2. 12 Daarom spreek: Zie, Ik quot;geef hem mijn verbond dos vredos. n Ps. 1U6:31. 13 En hij zal hebben, en zijn zaad na hem, hot verbond des eeuwigen priesterdoms, daarom dat hij voor zijnen God geijverd, en verzoening go-daan heeft voor de kinderen Israels. 14 De naam nu dos verslagenen israëlietischon mans, die verslagen was met do Midianietin, was Zimri, do zoon van Salu, oen overste van een vaderlijk huis der Simeonioten. 15 En de naam der vorslageno midianiotische vrouw was Kozbi, oone dochter van Zur, die oen hoofd was dor volken van een vaderlijk buis onder de Midianioten. Ki Verder sprak de IIeeue tot Mozes, zeggende: 17 Handel quot;vijandelijk mot de Midianioten, en versla hen: a Num. :gt;1 : 2. 18 Want zij hebben vijandelijk quot;tegen ulieden gehandeld door hunne listen, die zij listig tegen u bedacht hebben in do zaak van Poor, en in do zaak van Kozbi, de dochter van don overste der Midianioten, hunne zuster, die verslagen is, ten dage dor plaag, om de zaak van Foor. aOpcnb. HOOFDSTUK 2G. Telling dor Israëlieten, die twintig jaren bereikt hadden en voor den oorlog geschikt waren, vs. 1. Telling van eiken stam in hot bijzonder, die van Levi iiit-geznnderd, 5, en van allen mot elkander, 51; onder welke het land Kaïiailn naar de grootte en kleinte der stammen bij bot lot moest verdoold worden, 52, Telling der Levieten, 57; niemand bevond zich bij deze telling van hen, die in de woestijn Sinaï na bunnen uittogt geteld waren, dan Jozuaen Kaleb, 05. HET geschiedde nu na die plaag, dat do Heere sprak tot Mozes, en tot Eloazar, den zoon van Aiiron, don priester, zeggende: 2 Neem de som van de gohoele vergadering der kinderen Israels op, quot;van twintig jaren oud en daarboven, naar het huis hunner vaderen, al wie ton heire in Israël uittrekt. a Num. 1 : ;i. Mazes dan en Eloazar, do priester, spraken hen aan, in do vlakke velden van Moab, aan do Jordaan van Jericho, zeggende: 4 Dut men opneme van twintig jaren oud on daarboven; quot;gelijk als de Heere Mozes geboden had, en den kinderen Israëls, die uit Egypteland uitgetogen waren. «Num. 1:1, 2, 5 Ruben quot; was de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welken was hot geslacht dor Hanochioton; van Pallu het geslacht der Palluïeton; a Gen. 4G ; !). Ex, (i; 13, 1 Kron, 5: 1, (i Van Hozron het geslacht der Hezronieten; van Karmi hot geslacht dor Karmieten. |
7 Dit zijn de geslachten der Rubenioten; en hunne getelden waren drie en veertig duizend zeven honderd en dertig. 8 En do zonen van Fallu waren Eliab. ü En de zonen van Eliab waren Nemuël, en Dathan, en Abiram: quot; deze Dathan en Abïram waren do geroepenen der vergadering, die gekijf maakten tegen Mozes en tegen Aiiron, in de vergadering van Korach, als zij gekijf togen den Heere maakten; aNuui, 10:2. 10 En de aarde haren mond opendeed, en verslond hen mot Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur twee honderd en vijftig mannen verteerde, on worden tot een toeken. 11 Maar do kinderen van Korach stierven niet. 12 De zonen van Simeon, naar hunne geslachten: van Nemuël, hot geslacht der Nemuëlieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Ja-chin het geslacht dor Jachinieten; 13 Van Zorah hot geslacht der Zerahioten; van Saul hot geslacht dor Sanlioten. 14 Dat zijn do geslachten dor Simeonioten: twee on twintig duizend on twee honderd. 15 De zonen van Gad, naar hunne geslachten: van Zefon hot geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht dor Haggioton; van Suni het geslacht der Sunioton; 16 Van Ozni het geslacht der Oznieten; van Hor! hot geslacht der Horieten; 17 Van Arod hot geslacht der Arodioten; van Aréli hot geslacht der Arélioten. 18 Dat zijn do geslachten der zonen van Gad, naar hunne getelden: veertig duizend en vijf honderd. 1!) Do zonen van Juda waren Er on Onan ; quot; maar Er en Onan stierven in het land Kanatin. «Oen. 38:7, 10. i(j: 12. 20 Alzoo waren do zonen van Juda naar hunne geslachten: van Sela hot geslacht dor Selanioton; van Feroz hot geslacht dor Ferezieten; van Zerah het geslacht der Zerahioten. 21 En de zonen van quot;Feroz waren; van Hozron hot geslacht der Hezronieten; van Hamul het geslacht dor Hamulieten. «Gen. lü:12, 22 Dat zijn do geslachten van Juda, naar hunne getelden: zes en zeventig duizend en vijf honderd. 23 De zonen van Issaschar, naar hunne geslachten, waren: van Tola hot geslacht dor Tolaïeten; van Fuva hot geslacht der Funieten; 24 Van Jasub het geslacht dor Jasubioten; van Simron hot geslacht der Simronieton. 25 Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hunne getelden: vier en zestig duizend en drie honderd. 26 De zonen van Zebulon, naar hunne geslachten , waren: van Sored het geslacht dor Soredie-ten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleël het geslacht der Jahloëlieten. 27 Dat zijn de geslachten der Zebulonieton, naar hunne getelden: zestig duizend en vijf honderd. NUMERI 25, 2G. |
NUMERI 20.
|
28 Du zonen van Jozef, naar hunne geslachten, waren Manasse en Efraïm. 21) Do zonen van Manasse waren: quot; van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Giloa-dietcn. aJoz. 17:1. 30 Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Ilelok liet geslacht dor Helekieten; 31 En van Asriël het geslacht der Asriëlieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten; 32 En van Senuda het geslacht der Semïdaïeton; en van Hefer hot gesliicht dor Ileferieten. 33 quot; Doch Zelafead, de zoon van Ilefer, had geono zonen, maar dochters; en do namen der dochteren van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza. aNtun. 27; 1. 34 Dat zijn de geslachten van Manasse; en hunne getolden waren twee on vijftig duizend on zeven honderd. 35 Dit zijn de zonen van Efraïm, naar hunne geslachten: van Sutélah liet geslacht der Sutóla-hieten; van Becher het geslacht dor Becherieton; van Tahan hot geslacht dor Tahanioton. 36 En dit zijn de zonen van Sutélah: van Eran het geslacht der Eranieten. 37 Dat zijn de geslachten der zonen van Efraïm, naar hunne getolden: twee on dertig duizend on vijf honderd. Dat zijn do zonen van Jozef, naar hunne geslachten. 38 Do zonen van Benjamin, naar hunne geslachten : van Bola liet geslacht dor Bolaïoten; van Ashel het geslacht der Asbelieten; van Ahirani hot geslacht der Ahiramieten; 39 Van Sefüfam liet geslacht dor Sufamieton; van Hufam liet geslacht der llufainioton. 40 En de zonen van Bola waren Ard en Naaman : van Ard het geslacht dor Ardieten; van Naaman hot geslacht der Naamioton. 41 Dat zijn do zonen van Benjamin, naar hunne geslachten; on hunne getolden waren vijf en veertig duizend en zes honderd. 42 Dit zijn de zonen van Dan, naar hunne geslachten: van Suham hot geslacht dor Suhamieten: dat zijn de geslachten van Dan, naar hunne geslachten. 43 Al do geslachten der Suhamieten, naar hunne getolden, waren vier en zestig duizend en vier honderd. 44 De zonen van Aser, naar hunne geslaciiton , waren: van Inma liet geslacht der Imnaïeten; van Isvie het geslacht der Isvieten; van Beria het geslacht der Boriioton. 45 Van do zonen van Beria waren: van Ilober hot geslacht dor lleborioton; van Malchiöl liet geslacht dor Malchiölieten. 40 En de naam dor dochter van Aser was Serah. 47 Dat zijn do geslachten dor zonen van Aser, naar hunne getolden: drie en vijftig duizend en vier honderd. |
48 Do zonen van Nafthali, naar hunne geslaciiton: van Jahzeël het geslacht dor Jahzoëlioten; van Guni hot geslacht dor Gunieton; 4!) Van Jozer liet geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht dor Sillemieten. 50 Dat zijn do geslachten van Nafthali, naar hunne geslachten; en hunne getolden waren vijf en veertig duizend on vier honderd. 51 Dat zijn do getolden van do zonen Israëls: zos honderd een duizend, zeven honderd en dertig. 52 En do Heeiie sprak tot Mozos, zeggondo: 53 Aan dozen zal het land uitgedeeld worden ter erfenis, naar liet getal der namen. 54 quot;Aan dogonen, die voel zijn, zult gij hunne erfenis meerder maken, on aan hen, die weinig zijn, zult gij hunne erfenis minder maken; aan een iegelijk zal, naar zijne getolden, zijne erfenis gegeven worden. «Num. 33:54. 55 Hot land nogtans zal quot;door het lot gedoold worden; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij erven. (iNuni. 33:54. Joz. 11:23. 14:2. 56 Naar hot lot zal olks erfenis gedoeld worden, tusschen do volen on do weinigen. 57 quot;Dit zijn nu de geteldon van Levi, naar hunne geslachten: van Gerson het geslacht der Gorso-nioten; van Kohath hot geslacht der Kehathioten; van Merari hot geslacht dor Merarieten. a Ex. (J: 16, 17, IS, II). 58 Dit zijn do geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, hot geslacht der Hobronieten, het geslacht dor Machlioton, het geslacht dor Musio-ten, het geslacht der Koraehieten. En Kohath gewon Ainram. 59 quot;En do naam der huisvrouw van Anirani was Jochcbed, de dochter van Levi, welke dc huis-vrouw van Levi baarde in Egypte; on dozo baarde aan Amram, Aiiron en Mozes, en Mirjam, hunne zuster. «Ex. 2 : 1, 2. 6 : 19. 60 En aan Aiiron werden geboren Nadab on Abihu, Eloiizar en Ithamar. 61 quot; Nadab nu en Abihu waren gestorven, toon zij vreemd vuur bragten voor hot aangezigt dos Heeren. a Lev. It): 2. Num. 3:4. 1 Kron. 24:2. 62 En hunne goteldon waren drie on twintig duizend, al wat mannelijk is, van oono maand oud en daarboven, want deze werden niot getold onder de kinderen Israëls, omdat hun geono erfenis gegeven werd onder do kinderen Israëls. 63 Dat zijn do getolden van Mozes en Eloazar, don priester, die de kinderen Israëls tolden in do vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Joricho. 64 En onder dozen was niemand uit do getolden van Mozes on Aiiron, den priester, als zij do kinderen Israëls tolden in de woestijn van Sinaï. 65 quot;Want do IlEERE had van die gezegd, dat zij in do woestijn gewissolijk zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, do zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. «Num. 14:28, 29, 34, 35. 1 Cor. 10:6, 6. |
NUMERI 27, 28.
170
|
HOOFDSTUK 27. I)c iloclitei's vim ZolilFoad verzoeken om eono orvo, vs. 1. God stiiiit luiar verzoek toe, 5, en geeft liij deze gelegeidieid wetten omtrent do erfdochters en de opvolgers in do erve van iemand, die zonder kin-doren sterft, S. Mozes ontvangt van God lievel eenon berg te beklimmen, van daar het land Kanailn te bezien, om daarna te sterven, zonder in hot land te komen, 12; met vermelding der reden waarom, 14. Mozes bidt God om een' vromen leidsman voor het volk in zijtie plaats te geven, 15. God beveelt Jozuu Ie verkiezen en voor het volk met oplegging dor iianden in zijn ambt te bevestigen, 18; hetwelk door Mozes wordt gedaan, 22. TOEN naderden quot;de dochteren van Zelafead, den zoon van Hofer, den zoon van Gilead, den zoon van Maehir, den zoon van Manasso, onder de yoslachten van Manasse, den zoon van Jozef; (en dit zijn de namen zijner dochteren: Machla, Noa en Ilogla, en Milka, en Tirza); a Num. 2G : 33. 30:2. Joz. 17:3. 2 En zij stonden voor het aangezigfc van Mozes, en voor liet aangezigt van Eleazar, den priester, en voor het aangezigt van de oversten, en van do gansohe vergadering, aan de deur van de tent der zamenkomst, zeggende: 3 Onze vader quot;is gestorven in de woestijn, ''en liij is niet geweest in het midden van de vergadering dergenen, die zich tegen den Heere vergaderd hebben, in do vergadering van Korach; maar liij is in zijne zonde gestorven, en had geene zonen. a Nam. 14:35. 2G:ü4. b Nurn. 1(5:1. 4 Waarom zou de naam onzes vaders uit het midden van zijn geslacht weggenomen worden, omdat hij geenen zoon heeft? geef ons eene bezitting in bot midden der broederen van onzen vader, 5 En Mozes bragt hare regtzaak voor het aangezigt des II keuen. (i En de IIeere sprak tot Mozes, zeggende: 7 De dochteren van Zelafead spreken regt: quot;gij zult haar ganschelijk geven do bezitting eener erfenis, in hot midden van tie broederen haars vaders; en gij zult de erfenis haars vaders op haar doen komen. «Num. 3U : 2. 8 En tot de kinderen Israels zult gij spreken, zeggende : Wanneer iemand sterft, en geenen zoon heeft, zoo zult gij zijne erfenis op zijne dochter doen komen. !) En indien hij geene dochter heeft, zoo zult gij zijne erfenis aan zijne broederen geven. 10 Indien hij nu geene broederen heeft, zoo zult gij zijne erfenis aan de broederen zijns vaders geven. 11 Indien ook zijn vader geene broeders heeft, zot) zult gij zijne erfenis geven aan zijnen naast-bestaande, die hem de naaste van zijn geslacht is, dat hij het erfelijk bezitte. Dit zal den kindoren Israels tot eene inzetting des regts zijn, gelijk als de Heeke Mozes geboden hoeft. 12 quot;Daarna zeide de Heere tot Mozes: Klim op dezen berg Abarim, en zie dat land, hetwelk Ik den kinderen Israels gegeven heb, aUont. 32:48, 49. |
13 Wanneer gij dat gezien zult hebben, dan zult gij tot uwe volken verzameld worden, gij ook, gelijk quot; als uw broeder Aiiron verzameld geworden is: a Num. 20:24. 14 quot;Naardien gijlieden inijnon mond wederspannig zijt geweest in de woestijn Zin, in do twisting der vergadering, ''om Mij aan de wateren voor hunne oogen te heiligen. Dat zijn de wateren van Meriba, van Kades, in de woestijn Zin. rtNnm. 20: 12. h Num. 20: 12. 15 Toen sprak Mozes tot den Heere, zeggende: Ki Dat de Heere, quot;de God der geesten van alle vloesch, oenen man stelle over deze vergadering, «Num. 16:22. llobr. 12:9. 17 Die voor hun aangezigt uitga, en die voor hun aangezigt inga, en die hen uitloide, en die hen inleide; quot;opdat de vergadering des Heeren niet zij als schapen, dio geenen herder hebben. a 1 Kon. 22 : 17. Matt. 9 : 30. Mark. U : 34. 18 Toon zoido do Heere tot Mozes: quot;Neem tot u Jozua, den zoon van Nun, een' man, ''in wien de Geest is; en leg uwe hand op hem; aDeut. 3:21. bDout. 34:9. 1!) En stel hom voor hot aangezigt van Eleazar, den priester, en voor liet aangezigt der gansche vergadering; en geef hom bevol voor hunne oogen; 20 En leg op hem van uwe heerlijkheid, opdat zij hooren, ie toeten do gansche vergadering der kinderen Israels. 21 En hij zal voor hot aangezigt van Eleazar, den priester, staan, die voor hein raad vragen zal, quot;naar de wijze van urim, voor hot aangezigt des Heeren: naar zijnon mond zullen zij uitgaan, en naar zijnen mond zullen zij ingaan, hij, en al de kindoren Israels met hom, en de gansche vergadering. a Ex. 28 : 30. Lov. 8 : 8. 22 En Mozes deed, gelijk als do Heere hom geboden had: want hij nam Jozua, en stelde hom voor hot aangezigt van Eleazar, den priester, en voor hot aangezigt der gansche vergadering; 23 En hij leido zijne handen op hom, en gaf hem bevol; gelijk als de Heere door do dienst van Mozes gesproken had. HOOFDSTUK 28. Wotton over do offeranden op bepaalde lijden, vs. I; van liet dagelijksche brandoffer met spijs- on drank-offer, 3; van hot sabbalolïor, 9; van do nieuwe maand, 11; van het pascha, IG; en van iiot pinksterfeest, 2G. VERDER sprak de Heere tot Mozes zeggende: 2 Gebied den kinderen Israels, en zeg tot hen: Mijne offerande, mijne spijze voor mijne vuur-offeren, mijnen liefelijken reuk, zult gij waarnomen, om Mij te offeren op zijnen gezetten tijd. 3 En gij zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffor, hetwelk gij don Heere offeren zult: quot;twee vol-komene eenjarige lammeren dos daags, tot een gedurig brandoffer. «Ex. 29:38. 4 Het eene lam zult gij bereiden des morgens; |
NUMERI 28, '20.
171
|
en liet andere lam zult gij bereiden tusschen de twee avonden. ó quot; En een tiende deel eener ofa ineelbloem ten ''spijsoffer, gemengd met het vierendeel van oen c hin van gestooten olie. a Ex. 1G:3C. // Nov. 2:1. cEx. 29:40. (i Hot is hot gedurig brandoffer, hetwelk op don borg Sinaï ingesteld was tot een' liefelijkon reuk, een vuuroffer den ITeere. 7 En zijn drankoffer zal zijn bot vierendeel van oen bin, voor bot oeno lam; in bot boiligdom zult gij hot drankoffer dos sterkon dranks don Heeue offeren. 8 En het andere lain zult gij bereiden tusschon de twee avonden; gelijk het spijsoffer des morgens , en gelijk zijn drankoffer zult gij hot bereiden, ton vuuroffer des liefelijkon rouks den Heere. !} Maar op den sabbatdag twee volkomene eeu-jarige lammeren, en twee tiendon meelbloem, ton spijsoffer, mot olie gemengd, mitsgaders zijn drankoffer. 10 Hot is bot brandoffer des sabbats op eiken sabbat, boven het gedurig brandoffer, en zijn drankoffor. 11 En in do beginselen uwer maanden zult gij oen brandoffer den Heere offeren: twee jonge varren, en eenen ram, zeven volkomene eenjarige lamineren; 12 En drie tienden meelbloem ten spijsoffer, mot olie gemengd, tot don oenen var; en twee tienden meelbloem ton spijsoffer, mot olie gemengd, tot don oenen ram; 18 En tot elk oen tiende deel ineelbloem ten spijsoffer, mot olie gemongd, tot bot oeno lam: bet is een brandoffer tot een' liefelijkon reuk, een vuuroffer don Heere. 14 En hunne drankofferen zullen zijn do helft van oen bin tot oen' var, en oon dorde doel van eon bin tot oen' ram, on oen vierendeel van oen bin van wijn tot een lam: dat is liet brandoffer dor nieuwe maan in elke maand, naar do maanden dos jaars. 15 Daartoe zal oon geitenhok ten zondoffer don Heere, boven hot gedurige brandoffer, bereid worden, mot zijn drankoffor. 1(5 quot;En in de eerste maand, op den voortiondon dag der maand, is liet pascha don Heere. a Ex. 12 : IS. 23 : 15. Lev. 23 : u. 17 En op den vijftienden dag derzolve maand is het feest; zeven dagen zullen ongezuurde broaden gegeten worden. 18 Op den quot;eersten dag zal oono heilige zamon-roeping zijn: geen dienstwerk zult gijlieden doen; a Lev. 23 : 7. 1!) Maar gij zult oen vuuroffer ton brandoffer den Heere offeren: twoo jonge varren, en oonon ram, daartoe zeven eenjarige lammeron: volkomen zullen zij u zijn. |
20 En bun spijsoffer zal zijn ineelbloem mot olie gemengd; drie tienden tot een' var, en twee tienden tot oen' ram zult gij bereiden. 21 Tot elk zult gij oon tiende dool boroidon tot een lam, tot die zoven lammeren toe. 22 Daarna oenen bok ton zondoffer, om over ulieden verzoening te doen. 23 Behalve het inorgonbrandoffer, hetwelk tot oon gedurig brandoffer is, zult gij deze dingen bereiden. 24 Aehtorvolgens deze dingen zult,gij dos daags, zoven dagen lang, do spijze dos vuuroffers boroidon tot een' liefelijkon reuk don Heere ; boven dat gedurig brandoffer zal hot bereid worden, mot zijn drankoffer. 25 En op den zevenden dag zult gij oeno heilige zanionrooping bobben: geen dienstwerk zult gij doen. 26 Insgelijks op don dag dor oorstelingon, als gij oen nieuw spijsoffer don Heere zult offeren naar uwe weken, zult gij oeno heilige zanionrooping bobben: geen dienstwerk zult gij doen. 27 Dan zult gij don Heere oen brandoffer ten liofelijkon reuk offeren: twee jonge varren, eenen ram, zoven eenjarige lammeren; 28 En hun spijsoffer van ineelhloom, met olie gemongd: drie tienden tot oonon var, twoo tion-den tot oenen ram; 21) Tot elk een tiende tot eon lam, tot die zeven lammeren toe; 30 Eenen geitenhok, om voor u verzoening te doen. 31 Behalve hot gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, zult gij zo bereiden: zij zullen u volkomen zijn mot hunne drankofferen. HOOFDSTUK 29. Wetten over do offoranden van liet l'oo.st des gekhinks met brand- on zondofter, vs. 1 ; van don vorzoo-ningsdag, 7; van hot foost dor loofhulten gedurende do zeven dagen, 12. Besluit, 39. DESGELIJKS in do zevende maand, op don eersten dor maand, zult gij oeno heilige zamon-roeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen: quot;het zal u een dag dos goklanks zijn. «liov.23:24. 2 Dan zult gij een brandoffer, ton liefelijkon reuk, don Heere boroidon: een' jongen var, oen' ram, zoven volkomene eenjarige laimneron; 3 En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd; drie tienden tot don var, twee tiendon tot don ram , 4 En een tiende tot oen lam, tot die zeven lammeron toe; 5 En oonon geitenhok ton zondoffer, om over ulieden verzoening te doen; (i Behalve hot brandoffer der maand, en zijn spijsoffer, on hot gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met liuiiiie drankofferen, naar hunne wijze, ton liefelijkon reuk, ton vuuroffer den Heere. 7 En op don tiendon dezer zevende maand zult i gij oono heilige zamenroeping hebben, en quot;gij |
|
172 zult uwe zielen verootmoedigen: geen werk zult gij doen; a Lov. 10:29, 31. 23:27. 8 Maar gij zult brandoffer, ten liefelijken ronk, den Heeue offeren: eenen jongen var, oenen ram, zeven eenjarige lammeren: quot;volkomen zullen zij u zijn ; a Num. 28 : 19. 9 En hun spijsoffer van meelbloem met olie gemengd : drie tienden tot don var, twee tienden tot den eenen ram; 10 Tot elk een tiende tot oen lam, tot die zeven lammeren toe; 11 Eenen geitenbek ten zondoffer; behalve hot zondoffer der verzoeningen, en hot gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met hunne drankofferen. 12 Insgelijks op den vijftienden dag dezer zevende maand, zult gij eene heilige zamonrooping hebben: geen dienstwerk zult gij doen; maar zeven dagen zult gij den Heeue een feest vieren. 13 En gij zult oen brandoffer ten vuuroffer offeren, ten liefelijken reuk den IIeere: dertien jonge varren, twee rammen, veertien eenjarige lammeren: zij zullen volkomen zijn; 14 En hun spijsoffer van meelbloem, met olio gemengd: drie tienden tot eenen var, tot die dertien varren toe; twee tienden tot eenen ram, onder die twee rammen; If) En tot elk een tiende tot een lam, tot die veertien lammeren toe; Ki En eenen geitenhok ten zondoffer; behalve liet gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. 17 Daarna op den tweeden dag: twaalf jonge varren, twee rammen, veertien volkomene eenjarige lammeren; 18 En hun spijsoffer, en hunne drankofferen tot do varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 19 En eenen geitenhok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met hunne drankofferen. 20 En op den derden dag: elf varren, twee rammen, veertien volkomene eenjarige lammeren; 21 En hunne spijsofferen, en hunne drankofferen tot de varren, tot do rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 22 En eenen bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. 23 Verder op den vierden dag: tien varren, twee rammen, veertien volkomene eenjarige lammeren ; 24 Hun spijsoffer, en hunne drankofferen tolde varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar do wijze; 25 En eenen geitenhok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. 26 En op den vijfden dag: negen varren, twee rammen, en veertien volkomene eenjarige lammeren ; |
27 En bun spijsoffer, en hunne drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot do lammeren, in hun getal, naar de wijze; 28 En eenen bok ten zondoffer; behalve hot gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. 29 Daarna op den zesden dag: acht varren, twee rammen, veertien volkomene eenjarige lammeren ; 30 En hun spijsoffer, en hunne drankofferen tot de varren, tot do rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar do wijze; 31 En eenen bok ten zondoffer; behalve bot gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijne drankofferen. 32 En op den zevenden dag: zeven varren, twee rammen, veertien volkomene eenjarige lammeren; 33 En hun spijsoffer, en hunne drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar hunne wijze; 34 En eenen bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. 35 Op den achtsten dag quot;zult gij een' verbodsdag hebben: geen dienstwerk zult gij doen. «Lov. 23:36. 36 En gij zult een brandoffer ten vuuroffer offeren, ten liefelijken reuk den Heeue: eenen var, eenen ram, zeven volkomene eenjarige lammeren ; 37 Hun spijsoffer, en hunne drankofferen tot don var, tot don ram, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 38 En eenen bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. 39 Deze dingen zult gij den Heeue doen op uwe gezette hoogtijden; behalve uwe geloften, en uwe vrijwillige offeren, niet uwe brandofferen, en met uwe spijsofferen, en met uwe drankofferen, en met uwe dankofferen. 40 En Mozes sprak tot de kinderen Israels, naar al wat de Heere Mozes geboden had. HOOFDSTUK 30. Wetten aangaande do geloften, gedaan dooreen' man, vs. 1, door eene dochter, 3, getrouwde vrouw, (i, weduwe, verstootene of verlatene vrouw, 9. Besluit, 16. EN Mozes sprak tot de hoofden der stammen van de kinderen Israels, zeggende: Dit is de zaak, die do IIeere geboden hooft: 2 quot;Wanneer een man den IIeere eene gelofte zal beloofd, of eenen eed zal gezworen hebben, zijne ziel met oeno verbindtenis verbindende, zijn woord zal hij niet ontheiligen: naar alles, wat uit zijnen mond gegaan is, zal hij doen. a Dent. 23:21. 3 Maar als eene vrouw den Heere eene gelofte zal beloofd hebben, en zich mot eene verbindtenis in het huis baars vaders in hare jongheid zal verbonden hebben; NUMEIll 2!), :!(). |
NUMERI 30,
17:)
|
4 En haar vader hare fgt;'elquot;l'tö, ou hare verbind-tenis, waarmede zij hare ziel verbonden heeft, zal hooren, en haar vader tegen haar zal stilzwijgen, zoo zullen al hare geloften bestaan, en alle verbindtenis, waarmede zij hare ziel verbonden heeft, zal bestaan. 5 Maar indien haar vader dat zal breken, ten dage als hij het hoort, al hare geloften, en hare verbindtenissen, waarmede zij hare ziel verbonden heeft, zullen niet bestaan; maar do Heere zal het haar vergeven, want haar vader heeft ze haar doen breken. (i Doch indien zij immers eenen man heeft, eu hare geloften op haar zijn, of de uitspraak harer lippen, waarmede zij hare ziel verbonden heeft; 7 En haar man dat zal hooren, en ton dage als hij liet hoort, tegen haar zal stilzwijgen, zoo zullen hare geloften bestaan, en hare verbindtenissen, waarmede zij hare ziel verbonden hoeft, zullen bestaan. 8 Maar indien haar man ton dage, als hij het hoorde, dat zal breken, en hare gelofte, die op haar was, zal te niet maken, mitsgaders de uitspraak harer lippen, waarmede zij hare ziel verbonden heeft, zoo zal het de Heere haar vergeven. !) Aangaande de gelofte eener weduwe, of eener verstootene: alles, waarmede zij hare ziel verbonden heeft, zal over haar bestaan. 10 Maar indien zij ten huize haars mans gelofte gedaan heeft, of met eenen eed door verbindtenis hare ziel verbonden heeft; 11 En haar man dat gehoord, en tegen haar stil zal gezwegen hebben, dat niet brekende; zoo zullen al hare geloften bestaan, mitsgaders alle verbindtenis, waarmede zij hare ziel verbonden heeft, zal bestaan. 12 Maar indien haar man die dingen ganschelijk te niet maakt, ten dage als hij het hoort, niets van al wat uit hare lippen gegaan is, van hare gelofte, en van de verbindtenis harer ziel, zal bestaan; haar man hoeft ze te niet gemaakt, en de Heere zal het haar vergeven. 13 Alle gelofte, en allen eed dor verbindtenis, om de ziel te verootmoedigen, die zal haar man bevestigen, of die zal haar man te niet maken. 14 Maar zoo haar man tegen haar van dag tot dag ganschelijk stilzwijgt, zoo bevestigt hij al hare geloften, of al hare verbindtenissen, dewelke op haar zijn; hij heeft ze bevestigd, omdat hij tegen haar stilgezwegen heeft, ten dage als hij het hoorde. 15 Doch zoo hij ze ganschelijk te niet maken zal, nadat hij hot gehoord zal hebben, zoo zal hij hare ongerogtigheid dragen. K! Dat zijn do inzettingen, die de Heere Mozes geboden hoeft, tusschcn een' man en zijne huisvrouw, tusschen een' vader en zijne dochter, zijnde in hare jongheid, ten huize haars vaders. |
HOOFDSTUK 31. Hovel aan ilo Israëlieten om krijg to voeren togen do Midianieten, vs. 1, met een logor van twaalfduizend man en Pinehas, den zoon van Eloiizar, 4. Hetzelve overwint de Midianieten, 7; keert weder met de gevangenen en don buit, 12; wordt van Mozes berispt over hetgeen hot misdreven had; 14, on bevolen hetgeen het doen moest, 17. Wot over de verdeeling van den buit, 25. Uitvoering der wet on de som van don buit; 31. Het deel des 1 toeren, dat voor do priesters en Levieten was, 41. Offerande voor don lloero van do oversten des legers, 48. Deze wordt tot gedaolitenis in den tabernakel bewaard, 54. EN de Heere sprak tot Mozes, zeggende: 2 quot; Neem de wraak dor kinderen Israels van de Midianieten; ''daarna zult gij verzameld worden tot uwe volken. aNum. 25: 17. b Num. 27 : Ui. 3 Mozes dan sprak tot het volk, zeggende: Dat zich mannen uit u ten strijde toerusten, en dat zij tegen de Midianieten zijn, om de wraak dos ileeren te doen aan do Midianieten. 4 Van eiken stam onder alle stammen Israels zult gij een duizend ton strijde zonden. 5 Alzoo werden geleverd uit do duizenden van Israël, duizend van eiken stam , twaalf duizend toegerusten ton strijde. (i En Mozes zond hen ton strijde, duizend van eiken stam, hen on Pinehas, don zoon van Eloiizar, den priester, ten strijde, mot do heilige vaten, on de trompetten dos geklanks in zijne hand. 7 En zij streden tegen de Midianieten, gelijk als de Heere Mozes geboden had, en zij doodden al wat mannelijk was. 8 Daartoe doodden zij boven hunne verslagenen, de koningen der Midianieten, quot;Evi, en Rekom, on Zur, on Hur, on Reba, vijf koningen der Midianieten; ook doodden zij met hot zwaard Bileain, den zoon van Hoor. ^.lo/.. 13:21, 22. 9 Maar do kinderen Israels namen de vrouwen dor Midianieten, on hunne kindorkens gevangen; zij roofden ook al hunne beesten, on al hun vee, en al hun vermogen. 10 Voorts al hunne steden mot hunne woonplaatsen, en al hunne burgen verbrandden zij mot vuur. 11 quot;En zij namen al don roof, on al don buit, van monschen en van beesten. a Dent. 20:14. 12 Daarna bragten zij de gevangenon, en don buit, on don roof, tot Mozes on tot Eleazar, don priester, en tot do vergadering dor kinderen Israels, in hot leger, in do vlakke volden van Moab, dewelke zijn aan do Jordaan van Joricho. 13 Maar Mozes en Eleazar, do priester, en allo oversten der vergadering, gingen uit hun te ge-moot , tot buiten voor het logor. 14 En Mozes werd grootelijks vertoornd tegen do bevelhebbers dos heirs, do hoofdliodon dor duizenden, en do hoofdlieden der honderdon, die uit don strijd van dien oorlog kwamen. 15 En Mozes zoide tot hen: Hebt gij dan alle vrouwen laten leven ? Ki Ziot, dozo waren, door quot; den raad van Bileam, don kinderen Israels, om ooi-zake dor overtreding |
NUMERI 31
174
|
tegen den Heere te geven, in de zaak van Peor; i waardoor die plaag werd onder de vergadering des II keken, a Num. 25:1, '2, is. 21'olr. 2:1 a. Oponlt. 2:14. 17 quot;Nu dan, doodt al wat mannelijk is onder de kinderkens; en doodt alle vrouw, die door bijligging des mans eenen man bekend heeft. n Rigt. 21 : 11. 18 Doch al de kinderen van vrouwelijk geslacht, die de bijligging des mans niet bekend hebben. Iaat voor ulieden leven. 1!) En gijlieden legert u buiten het leger zeven dagen; een ieder, die oenen menscb gedood, en een ieder, die eenen vorslagene zult aangeroerd hebben, zult n op den derden dag en op den zevenden dag ontzondigen, gij en uwe gevangenen. 20 Ook zult gij alle kleeding, en alle gereedschap van vellen, en alle geitenharen werk, en alle gereedschap van hout, ontzondigen. 21 En Eleazar, de priester, zeide tot de krijgslieden, die tot dien strijd getogen waren: Dit is de inzetting der wet, dio de IIeere Mozeö geboden heeft. 22 Alleen het goud en bet zilver, het koper, het ijzer, het tin en het lood; 23 Alle ding, dat het vuur lijdt, zult gij door hot vuur laten doorgaan, dat het rein worde: evenwel zal hot quot; door hot water der afzondering ontzondigd worden; maar al wat hot vuur niet lijdt, zult gij door het water laten doorgaan. n Num. 1!): fl. 24 Oij zult ook uwe kleederen op den zevenden dag wasschen , dat gij rein wordt; en daarna zult gij in het leger komen. 25 Verder sprak de IIeere tot Mozes, zeggende: 20 Noem op de som van den buit der gevangenen, van menschen en van beesten; gij en Eleazar, do priester, en do hoofden van de vaderen der vergadering. 27 En quot;deel don buit in twee helften, tussehen degenen, die den strijd aangegrepen hebben, die tot den krijg uitgegaan zijn, en tussehen de gan-sehe vergadering. a 1 Sam. 3(1:24. 28 Daarna zult gij eene schatting voor den Heere heffen, van do oorlogsmannen, die tot dezen krijg uitgetogen zijn, van vijf honderd eene ziel, uit de menschen, en uit de runderen, on uit de ezelen , en uit de schapen. 2!) Van hunne helft zult gij het nemen, en den priester Eleazar geven tot eene heffing des Heeren. 30 Maar van de helft der kinderen Israels zult gij eenen gevangone van vijftig nemen, uit de menschen, uit de runderen, uit do ezelen, en uit de schapen, uit al do beesten; en gij zult zo aan do Levieten geven, die de wacht van den tabernakel dos Heeren waarnomen. 31 En Mozes en Eleazar, de priester, deden, gelijk als do Heere Mozes geboden had. 32 Do buit nu, het overschot van den roof, dat het krijgsvolk geroofd had, was zes honderd vijf en zeventig duizend schapen; |
33 En twee en zeventig duizend runderen; 34 En een en zestig duizend ezelen; 35 En dor menschen zielen, uit do vrouwen, die geene bijligging dos mans bekend hadden, alle zielen waren twee en dertig duizend. 36 En do helft, te weten het dool dorgenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getal drie honderd zeven en dertig duizend en vijf honderd schapen. 37 En do schatting voor don Heere van schapen was zes honderd vijf en zeventig. 38 Eu do runderen waren zes en dertig duizend; en hunne schatting voor den Heere twee en zeventig. 39 En de ezelen waren dertig duizend en vijf honderd; on hunne schatting voor don Heere was een en zestig. 40 En der menschen zielen waren zestien duizend; en luinno schatting voor den Heere twee en dertig zielen. 41 quot;En Mozes gaf Eleazar, den priester, de schatting van de heffing des Heeren, gelijk als do IIefre Mozes geboden had. «Num. 18:s, 10. 42 En van do helft dor kinderen Israels, welke Mozes afgedoold had, van de manschappon, die gestreden hadden; 43 (Hot halve doel nu dor vergadering was, uit do schapen, drie honderd zeven en dertig duizend en vijf honderd; 44 En do runderen waren zes en dertig duizend; 45 En do ezelen dertig duizend en vijfhonderd; 4() En der menschen zielen zestien duizend:) 47 Van die helft dor kinderen Israels nam Mozes oenen gevangone uit vijftig, van menschen on van beesten; on hij gaf ze aan de Levieten, diode wacht van don tabernakel dos Heeren waarnamen, gelijk als de Heere Mozes geboden had. 48 Toen traden tot Mozes de bevelhebbers, die over do duizenden des heirs waren, do hoofdlieden dor duizenden, en do hoofdlieden der honderden; 4!l En zij zeiden tot Mozes: Uwe knechten hebben opgenomen do som der krijgslieden, die onder onze hand geweest zijn; en uit ons ontbreekt niet oen man. 50 Daarom hebben wij een offerande des Heeren gebragt, oen ieder wat hij gekregen heeft, een gouden vat, oono koten, of een' armring, oen' vingerring, oen' oorring, of een' afhangenden gordel, om voor onze zielen verzoening te doen voor hot aangezigt des Heeren. 51 Zoo nam Mozes en Eleazar, do priester, van hen hot goud, allo welgewrochte vaten. 52 En al bot goud dor heffing, dat zij den Heere offerden, was zestien duizend zeven honderd en vijftig sikkelen, van de hoofdlieden der duizenden , on van do hoofdlieden dor hondorden. 53 Aangaande do krijgslieden, een iegelijk had quot;geroofd voor zich zolvon. «neut. 20:14. 54 Zoo nam Mozes en Eleazar, de priester, dat goud voor de hoofdlieden der duizenden on der |
NUMERI 31, 32.
175
|
honderden, en zij bragten het in do tent der zamenkomst, ter gedachtenis voor do kinderen Israels, voor hot aangezigt des Heeren. HOOFDSTUK 32. Do stammen van Ruben on Gad verzoeken mot redenen van Mozos, om hun erfdeel te ontvangen aan deze zijde van do Jordaan, vs. 1. Eorst bestraft hij lion streng, (i, maar op hnnno belofte, van strijdgenooten hnnnor broederen te zullen zijn iu Kanailn, tot do ten ondorbronging dos lands, verkrijgen zij onder die voorwaarde, gomeenscluippolijk met don halven stam van Manasse, hnnno bogoorto, 10. DE kinderen van Ruben nu hadden veel vee, en de kinderen van Gad hadden magtig veel; en zij bezagen liet land van Jaëzer, en het land van Güead, en ziet, deze plaats was eene plaats voor vee. 2 Zoo kwamen de kinderen van Gad en do kinderen van Ruben, en spraken tot Mozos, en tot Eleazar, den priester, en tot de oversten der vergadering, zeggende: 3 Atarotli, en Dibon, on Jaëzer, en Nimra, en Hesbon, on Elealo, en Schebam, en Nebo, en Behon; 4 Dit land, hetwelk do Heere voor liet aangezigt der vergadering van Israël geslagen heeft, is een land voor vee; en uwe knechten hebben vee. i) Voorts zeiden zij : Indien wij genade in uwe oogen gevonden hebben, dat ditzelve land aan uwe knechten gegeven worde tot eene bezitting; en doe ons niet trokken over do Jordaan. (! Maar Mozes zoide tot do kinderen van Gad en tot de kinderen van Ruben: Zullen uwe broeders ten strijde gaan, en zult gijlieden hier blijven? 7 Waarom tocli zult gij hot hart dor kinderen Israels broken, dat zij niet overtrekken naar het land, dat tie Heere hun gegeven iiooft? 8 Zoo deden uwe vaders, als ik hen van quot; Kades-Barnéa zond, om dit land te bezien. «Num. 13:3. Dout. 1:22. 9 Als zij opgekomen waren tot aan liet dal Eskol, en dit land bezagen, zoo braken zij het hart der kinderen Israels, dat zij niet gingen naar het land, dat do Heere hun gegeven had. 10 Toen ontstak de toorn des Heeren ten zolven dage, en Hij zwoer, zeggende; 11 quot;Indien deze mannen, dio uit Egypte opgetogen zijn, van twintig jaren oud on daarboven, het land zullen zien, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb! want zij hebben niet vul-liard Mij na te volgen: a Num. 14:28. Dout. 1 : 35. 12 Behalve Kaleb, de zoon van Jofunne, den Keniziot, en Jozua, de zoon van Nun: want zij hebben volhard den Heere na te volgen. 13 Alzoo ontstak des Heeren toorn tegen Israël, en Hij dood hen omzwerven in de woestijn, veertig jaren, totdat verteerd was het gansche geslacht, hetwelk gedaan had, wat kwaad was in de oogen des Heeren. |
14 En ziet, gijlieden zijt opgestaan in stede van uwe vaderen, eene menigte van zondige mensehon, om de hittigheid van des Heeren toorn tegen Israël te vermeerderen. 15 Wanneer gij van achter Hem u zult afkoeren, zoo zal Hij wijders voortvaren het te laten in de woestijn; en gij zult al dit volk verdorven. 10 Toen tradon zij toe tot hem, en zeiden: Wij zullen hier scbaapskooijen bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderen. 17 Maar wij zolven zullen ons toerusten, haastende voor het aangezigt dor kinderen Israels, totdat wij hen aan hunne plaats zullen gobragt hebben; en onze kinderen zullen blijven in de vaste steden, van wege do inwoners des lands. 18 Wij zullen niot wederkeeron tot onze huizon, totdat zich de kindoren Israels tot erfelijke bezitters zullen gesteld hebben, een ieder van zijne erfenis. 1!) Want wij zullen met hen niot erven aan gene zijde der Jordaan, en vorder heen, als onze erfenis ons toegekomen zal zijn aan deze zijde der Jordaan, tegen don opgang. 20 Toen zoide Mozes tot hen: Indien gij deze zaak doen zult, indien gij u voor liet aangezigt dos Heeren zult toerusten ton strijde. 21 En eon ieder van u, die toegerust is, over de Jordaan zal trekken voor het aangezigt des Heeren, totdat Hij zijne vijanden voor ziju aangezigt uit de bezitting zal verdreven hebben, 22 En hot land voor het aangezigt des IIeeüen te ondergebragt zij; zoo zult gij daarna woder-koeren, en onschuldig zijn voor den Heere en voor Israël, en dit land zal u ter bezitting zijn voor hot aangezigt des Heeren. 23 Indien gij daarentegen alzoo niet zult doen, ziet, zoo hebt gij tegen den Heere gezondigd; doch gij zult uwe zonde gewaar worden, als zij u vinden zal! 24 Bouwt u steden voor uwe kinderen, on kooijen voor uwe schapen; en doet, wat uil uwen mond uitgegaan is. 25 Toen spraken de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben tot Mozos, zeggende: Uwe knechten zullen doen, gelijk als mijn heer gebiedt. 20 Onze kindoren, onze vrouwen, onze have on al onze beosten zullen aldaar zijn in de steden van Giload ; 27 Maar uwe knochten zullen overtrekken, al wie ten heire toegerust is, voor het aangezigt des Heeren tot den strijd, gelijk als mijn hoer gesproken heeft. 28 quot; Toen gebood Mozes, hunnenthalve, den priester Eleazar, en Jozua, den zoon van Nun, en den hoofden der vaderen van de stammen der kindoren Israels; a .loz. 1 : 13. 4:12. 2!) En Mozes zoide tot hen: Indien de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, met ulieden over de Jordaan zullen trekken, een ieder, die toegerust is ten oorlog, voor het aangezigt des Heeren, als het land voor uw aangezigt zal te |
i
NUMEHI 32, :W.
17fi
|
ondei'gebragt zijn; zoo zult gij hun hot land Gilead ter bezitting geven. 30 Maar indien zij niet toegerust met u zullen overtrekken, zoo zullen zij tot bezitters gesteld worden in het midden van ulieden in hot land Kanaan. 31 En do kinderen van Gad on de kindoren van Ruben antwoordden, zeggende: Wat do Heere tot uwe knechten gesproken hooft, zullen wij alzoo doen. 32 Wij zullen toegerust ovortrekkon voor hot aangezigt des IIeeren naar hot land Kanaan; on do bezitting onzer erfenis zullen wij hebben aan dezo zijde dor Jordaan. 33 quot;Alzoo gaf Mozos hunlieden, den kinderen van Gad, en den kindoren van Ruben, en don balven stam van Manasso, don zoon van Jozef, hot koningrijk van Sihon, koning der Amorioten, en hot koningrijk van Og, koning van Basan; hot land met de steden van hetzelve in do landpalen, de steden des lands rondom. a Dcut. li ; 12. Joz. 13 ; 8. 22 : 4. 34 En de kindoren van Gad bouwden Dibon, en Ataróth , en Aroör , 35 En Atroth-Sofan, en Jaëzer, on Jógbeha, 30 En Heth-Nimra, en Hoth-lliiran, vaste steden en schaapskooijon. 37 En do kindoren van Ruben bouwden Hozbon, en Eloalo, en Kirjathiiïm, 38 En Nobo, en Baiil-Meon, veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden do namen dor steden, die zij bouwden, mot andere namen. 39 quot; Kn do Kinderen van Machir, don zoon van Manasso, gingen naar Gilead, en namen dat in, en zij verdreven do Amorioten, die daarin waren, uit de bezitting. « Oen. HO : 23. 40 Zoo gaf Mozos Gilead aan Machir, don zoon van Manasso; en hij woonde daarin. 41 Jaïr nu, do zoon van Manasso, ging heen ou nam hunlioder dorpen in, on hij noemde die Havvoth-Jaïr. 42 En Nobah ging heen, on nam Konath in, niet hare onderhoorigo plaatsen, on noemde zo Nobah naar zijnon naam. HOOFDSTUK 33. Vorliaal dor reizen on logOfplantKon der kiiuloron Israels, vim Egypte af tot aan liet land Kanaan too, vs. 1. Bevel tot verdrijving van do inwoners des lands en do uitrooijing dor afgoderij, 50. Zware bedreiging, wanneer zij dit bevel voronachtzaamdon, 55. lievel tot verdoeling dos lands door hot lot, 54. DIT zijn de reizen dor kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen zijn, naar hunne heiren, door de hand van Mozes on Aaron. 2 En Mozes schreef hunne nittogten, naar hunne reizen, naar den mond des IIeeren: en dit zijn hunne reizen naar hunne nittogten. 3 quot; Zij reisden dan van Ramóses; in de eerste maand, op don vijftiendon dag der eerste maand, des andoren daags van het pascha, togen de kinderen Israels uit door eene hooge hand, voor do oogen van alle Egyptenaren: «Ex. 12:37. |
4 Als do Egyptenaars begroeven degenen, welke do Heere onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; ook had de Heere gorigten geoefend aan hunne goden. 5 Als do kinderen Israels van Ramóses verreisd waren, zoo logordon zij zich te Sukkoth. 6 quot;En zij verreisden van Sukkoth, en legerden zich in Etham, hetwelk aan het einde der woestijn is. a Ex. 13:20. 7 quot;En zij verreisden van Etham, en keerden weder naar Pi-hachiróth, dat tegenover Baal-Sofon is, en zij legerden zich voor Migdol. a Ex. 14:2. 8 En zij verreisden van Hachiróth, en gingen over, door hot midden van de zee, naar do woestijn; en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en logordon zich in quot;Mara. a Ex. 15 : 22, 23. 9 En zij verreisden van Mara, en kwamen te quot; Elim: in Elim nu waren twaalf watorfonteinon en zeventig pahnboomon, en zij legerdon zich aldaar. «Ex. 15:27. 10 En zij verreisden van Elim, en logordon zich aan de Schelfzoo. 11 En zij verreisden van do Scholfzeo, en quot;logordon zich in de woestijn Sin. o Ex. 10:1. 12 En zij verreisden uit do woestijn Sin, en zij legerdon zich in Dofka. 13 En zij verreisden van Dofka, en legerdon zich in Aluz. 14 En zij verreisden van Aluz, en legerden zich in quot;Rafidim; doch daar was geen water voorliet volk, om to drinken. a Ex. 17:1. 15 Zoo verreisden zij van Rafidim, en quot; legerdon zich in do woestijn van Sinaï. «Ex. 19:1. 16 En zij verreisden uit do woestijn van Sinaï, en quot; legerden zich in Kibróth-Thaiiva. «Nnm 11:3 I, 35. 17 En zij verreisden van Kibróth-Thaiiva, en legerdon zich in Hazoróth. 18 En zij verreisden van Hazoróth, en logordon zich in Rithma. 19 En zij verreisden van Rithma, en legerden zich in Rimmon-Perez. 20 En zij verreisden van Rimmon-Perez, en legerdon zich in Libna. 21 En zij verreisden van Libna, en legerdon zich in Rissa. 22 En zij verreisden van Rissa, en legerdon zich in Koholatha. 23 En zij verreisden van Keholatha, en legerdon zich in hot gebergte van Safer. 24 En zij verreisden van hot gebergte Safer, en legerdon zich in Harada. 25 En zij verreisden van Harada, en legerdon zich in Makholóth. 26 En zij verreisden van Makholóth, en legerdon zich in Tachath. 27 En zij verreisden van Tachath, en legerdon zich in Tharah. |
|
28 En zij verreisden van Tharah, en legerden zich in Mithka. 29 En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmóna. 30 En zij quot;verreisden van Hasmóna, en legerden zich in Moséroth. «Dcut. 10:0. 31 En zij verreisden van Moséroth, en legerdon zicli in Bene-Jaiikan. 32 En zij verreisden van Bene-Jfiiikan, en legerden zich in Hor-gidgad. 33 En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha. 34 En zij verreisden van Jotbatha, en legerden zich in Abróna. 35 En zij verreisden van Abróna, en legerden zicli in Ezeon-Geber. 3G En zij verreisden van Ezeon-Geber, en quot;legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades. (( Num. 20 : 1. 37 En zij verreisden van Kades, en quot;legerden zicli aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom. «Num. 20:22. 38 quot;Toen ging de priester Aiiron op den berg Hor, naar don mond dos Heeren, en stierf aldaar, in het veertigste jaar na den nittogt van do kinderen Israels uit Egypteland, in de vijfde maand, op don eersten der maand. aNum. 20:25. Deut.32:50. 39 Aiiron nu was honderd drie en twintig jaren oud, als hij stierf op den borg Hor. 40 quot;En de Kanaaniet, de koning van Harad, die in liet zuiden woonde in hot land Kanaiin, hoorde, dat de kinderen Israels aankwamen. '/ Num. 21 : 1. 41 En zij quot;verreisden van den borg Hor, en legerden zicli in Zalmoua. «Num. 21:4. 42 En zij verreisden van Zabnona, en legerdon zich in Kunon. 43 En zij verreisden van Funon, on quot; legerden zich in Oboth. «Num. 21 : 10. 44 En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan do bonvolen van Abarim, in de land-palo van Moab. 45 En zij verreisden van dohonvolon van Ahdrim, en legerden zich in Dibon-Gad. 4() Eu zij verreisden van Dibon-Gad, en legerdon zich in Almoii-üiblathaïtn. 47 En zij verreisden van Almon-Diblathaïm, on legerden zich in de borgen Abarim, tegen Nebo. 48 En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden dor Moabieten, aan de Jordaan van Jericho. 49 En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-Jesimóth , tot aan quot; Abel-Sittim, in do vlakke velden dor Moabieten. aNutn. 25:1. .loz. 2:1. 50 En do Heere sprak tot Mozes, in do vlakke volden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende: 51 Spreek tot de kinderen Israels, en zog tot hen: Wanneer gijlieden over de Jordaan zult gegaan zijn in het land Kanaiin; |
177 52 ''Zoo zult gij allo inwoners des lands voor uw aangezigt uit de bezitting verdrijven, en al hunne boeldtenissen verderven; ook zult gij al hunne gegotene beelden verderven, en al hunne hoogten verdelgen. «Deut. 7 : 2, 3 enz. 53 En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen, on daarin wonen: want Ik hob u dat land gegeven, om hetzelve erfelijk to bezitten. 54 En gij zult hot land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uwe geslachten: quot;dengenen, die vool zijn, zult gij hunne erfenis moor-dor maken, en dien, die weinig zijn, zult gij hunne erfenis minder maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen uwer vaderen zult gij de erfenis nemen. a Num. 26:54, enz. 55 Maar indien gij de inwoners dos lands niet voor uw aangezigt uit de bezitting zult verdrijven, zoo zal het geschieden, dat, die gij van hen zult laten overblijven, quot;tot doornon zullen zijn in uwe oogen, en tot prikkelen in uwe zijden, en u zullen bonaauwon op hot land, waarin gij woont. «Joz. 23:13. Kigt. 2:3. 50 En hot zal geschieden, dat Ik u zal doen, gelijk als Ik hun dacht te doen. HOOFDSTUK 34. Beschrijving van de grenzen van Kanaiin door God, vs. 1 ; en benoeming van lien, welke hetzelve onder do kinderen Israels zullen verdoelen, !(!. VOORTS sprak do Heeue tot Mozes, zeggende: 2 Gebied don kinderen Israels, en zog tot hen: Wanneer gij in hot land Kanaiin ingaat, zoo zal dit het land zijn, dat u ter erfenis vallen zal, het land Kanaiin, naar zijne landpalen. 3 quot; De zuiderhoek nu zal u zijn van do woestijn Zin, aan do zijden van Edom; en do zuider landpale zal u zijn van het einde der Zoutzeo togen het oosten; «Joz. 15:1. 4 En deze landpale zal u omgaan van het zuiden naar den opgang van Akrabbim, en doorgaan naar Zin; en hare uitgangen zullen zijn, van hot zuiden naar Kados-Barnéa; en zij zal uitgaan naar Hazar-Addar, en doorgaan naar Azmon. 5 Voorts zal deze landpale omgaan van Azmon naar do rivier van Egypte, en hare uitgangen zullen zijn naar do zee. (i Aangaande do landpale van het westen, daar zal u do groote zoo de landpale zijn; dit zal uwe landpale van het westen zijn. 7 Voorts zal u do landpale van hot noorden deze zijn: van do groote zee af zult gij u don berg Hor aftoekonen. 8 Van den berg Hor zult gij afteekenon tot daar men komt te Hamath; en do uitgangen dezer landpale zullen zijn naar Zedad. 9 En deze landpale zal uitgaan naar Zifron, en hare uitgangen zullen zijn te Hazar-Enan; dit zal u do noorder landpale zijn. 10 Voorts zult gij u tot eeno landpale tegen hot oosten afteekenon van Hazar-Enan naar Sefam. 12 NUMERI 33, 34. |
NUMERI 34, 35.
178
|
11 En doze landpalo zal afgaan van Sefam naar Ribla, toyon het oosten van Ain; daarna zal deze landpalo afgaan en strekken langs den oever van do zoo Cinnoreth oostwaarts. 12 Voorts zal deze landpalo afgaan langs de Jordaan, en hare uitgangen zullen zijn aan do Zoutzee. Dit zal u zijn het land naar zijne landpalo rondom. 13 En Mozes gebood den kindoren Israels, zeggende: Dit is hot land, dat gij door hot lot ten erve innemen zult, hetwelk de Heere aan do negen stammen en aan den halven stam van Manasse te geven geboden heeft. 14 Want de stam van do kinderen der Rube-nieten, naar liet huis hunner vaderen, en de stam van de kinderen der Gadioten, naar het huis hunner vaderen, hobbon ontvangen; mitsgaders de halve stam van Manasse heeft zijne erfenis ontvangen. 15 Twee stammen en een halve stam hebben hunne erfenis ontvangen aan deze zijde der Jordaan, van Jericho oostwaarts tegen den opgang. KJ Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 17 quot; Dit zijn do namen dor mannon, die ulieden dat land ten erve zullen uitdeelon: Eleazar, de priester, en Jozna, do zoon van Nun. aio/.. 14: 1. 18 Daartoe zult gij uit eiken stam oenen overste nomen, om het land ten erve uit te doelen. 19 En dit zijn de namen dezer mannen: van don stam van Juda, Kalob, zoon van Jefunno. 20 En van den stam der kinderen van Simoon, Semuël, zoon van Ammihud. 21 Van don stam van Benjamin, EHdad, zoon van Cbislon. 22 En van den stam dor kinderen van Dan, de overste Rukki, zoon van Jogli. 23 Van do kinderen van Jozef: van de stam dor kinderen van Manasse, de overste Ilanniöl, zoon van Efod. 24 En van don stam der kinderen van Efraïin, de overste Komuël, zoon van Siftan. 25 En van don stam dor kinderen van Zebulon, de overste EHzafan, zoon van Parnach. 26 En van den stam der kinderen van Issaschar, do overste Paltiël, zoon van Azzan. 27 En van den stam der kinderen van Asor, de overste Aehihud, zoon van Selómi. 2S En van den stam dor kindoren van Nafthali, do overste Pedaël, zoon van Ammihud. 29 Dit zijn ze, dien do Heere geboden hooft, don kinderen Israëls de erfenissen uit te dooien, in hot land Kanaiin. HOOFDSTUK 35. Hot getal steden, welke met hare voorsteden do kinderen Israëls aan de Levieten zouden inniinien, vs. 1. Do zes vrijsteden onder deze voor diegenen, welke onvoorziens of onwillig eenon doodslag begingen, ü. Wetten omtrent den doodslag, l(i. Verbod togen het aannemen van losgeld tot verzoening van oenen schuldigen doodslager, of van den terugkeer naar zijne woonplaats vóór don gezetteu tijd van hem, |
die volgons do wet in de vrijsteden moest verblijven, 31. EN do Heere sprak tot Mozes, in do vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jerieho, zeggende: 2 quot;Gebied den kinderen Israëls, dat zij van de erfenis hunner bezitting aan de Levieten steden zullen geven oin te bewonen; daartoe zult gijlieden aan de Levieten voorsteden geven, aan do steden rondom dezelve. aJoz. 21:2. 3 En die steden zullen zij hebben om te bewonen; maar hunne voorsteden zullen zijn voor hunne beesten en voor hunne liavo, en voor al hun gedierte. 4 En do voorsteden der steden, die gij aan de Levieten geven zult, zullen van den stadsmuur af, on naar buiten, van duizend ellen zijn rondom. 5 En gij zult meten van buiten de stad, aan den hoek tegen liet oosten, twee duizend ellen, en aan den hoek van het zuiden, twee duizend ellen, en aan den hoek van liet westen, twee duizend ellen, en aan den hoek van het noorden, twee duizend ellen; dat de stad in liet midden zij. Dit zullen zij hebben tot voorsteden van de steden. G quot; De steden nu, die gij aan de Levieten zult geven, zullen zijn zes vrijsteden, die gij geven zult, opdat de doodslager daarheen vliede; en boven dezelve zult gij hun twee en veertig steden geven. «.loz. 21 : 21. 7 Al de steden, die gij aan de Levieten geven zult, zullen zijn acht en veertig steden, deze met hare voorsteden, 8 De steden, die gij van de bezitting der kinderen Israëls geven zult, zult gij van dien, die vele heeft, vele nemen, en van dien, die weinige heeft, weinige nemen; een ieder zal naar zijne erfenis, die zij zullen erven, van zijne steden aan de Levieten geven. 9 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: 10 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: quot;Wanneer gij over de Jordaan gaat naar het land Kanaiin, «Dout. 19:2. Joz. 20:2. 11 Zoo zult gij maken, dat u steden te gemoet liggen, die u tot vrijsteden zullen zijn; opdat do doodslager daarheen vliede, die eene ziel onwetend geslagen heeft. 12 En deze steden zullen u tot eene toevlugt zijn voor den ft/oedwrekor; opdat de doodslager niet sterve, totdat hij voor de vergadering aan hot gerigt gestaan bebbe. 13 En deze steden, die gij geven zult, zullen zes vrijsteden voor u zijn. 14 quot; Drie dezer steden zult gij geven op deze zijde der Jordaan, en drie dezer steden zult gij geven in het land Kanaiin; vrijsteden zullen het zijn. «Deut. 4:41. Joz. 20:8. 15 Die zes steden zullen voor de kinderen Israëls, en voor don vreemdeling, en den bijwoner in hot midden van hen, tot eene toevlugt zijn; opdat daarheen vliede, wie eene ziel onvoorziens slaat. |
NUMERI 35, 36.
17!)
|
16 Maar indien hij hem met een ijzeren instrument geslagen hooft, dat hij gestorven zij, oen doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden. 17 Of indien hij hem met een' handsteon, waarvan men zoude kunnen sterven, geslagen hoeft, dat hij gestorven zij, een doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden. 18 Of indien hij hom met oen houten handinstrument, waarvan men zoude kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, oen doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden. 1!) De wreker des bloeds, die zal den doodslager dooden; als hij hom ontmoet, zal hij hem doodon. 20 quot;Indien hij hem ook door haat zal gostooton hebben, of mot opzet op hem geworpen hooft, dat hij gestorven zij; a Dout. 19:11. 21 Of hem door vijandschap mot zijne hand geslagen hoeft, dat hij gestorven zij; do slager zal zekerlijk gedood worden, een doodslager is hij; de bloodwrokor zal dozen doodslager doodon, als hij hom ontmoet. 22 Maar indien hij hem met der haast zonder vijandschap gostooton heeft, of oonig instrument zonder opzet op hom geworpen heeft; 23 Of onvoorziens met oenigon steen, waarvan men zou kunnen sterven, en hij dien op hom heeft doen vallen, dat hij gestorven zij, zoo hij hem toch geen vijand was, noch zijn kwaad zoekende; 24 Zoo zal do vergadering rigton tusschon don slager, en tusschon don bloodwreker, naar deze zelve rogton. 25 En do vergadering zal den doodslager redden uit de hand des bloedwrekers, en de vergadering zal hem doen wedorkeeren tot zijne vrijstad, waarhoen hij gevloden was; en hij zal daarin blijven tot den dood des hoogepriostors, dien men mot de heilige olie gezalfd hoeft. 26 Doch indien do doodslager eonigzins zal gaan uit do palen zijner vrijstad, waarheen hij gevloden was; 27 En de bloodwreker hem zal vinden buiten de palen zijnor vrijstad; zoo do bloodwrokor don doodslager zal dooden, hot zal hom geone bloedschuld zijn. 28 Want hij zou in zijne vrijstad gebleven zijn tot den dood des hoogepriostors; maar na den dood dos hoogepriostors zal do doodslager wedorkeeren tot hot land zijner bezitting. 2!) En dozo dingen zullen uliodon zijn tot oene inzetting van rogt, bij uwe geslachten, in al uwe woningen. 30 Al wie eene ziel slaat, quot;naar don mond der getuigen zal men den doodslager doodon; maar een oonig getuige zal niet getuigen tegen oene ziel, dat zij sterve. rfDeut. 17:0. 1!): 16. |
31 En gij zult geene verzoening nemen voor de ziel des doodslagers, dio schuldig is te sterven: want hij zal zekerlijk gedood worden. 32 Ook zult gij geone verzoening nemen voor dien, die gevlugt is naar zijne vrijstad, dat hij zou wedorkeeren, om to wonen in het land, tot don dood des /«oo(/epriesters. 33 Zoo zult gij niet ontheiligen hot land, waarin gij zijt: want hot bloed ontheiligt het land; on voor hot land zal geone verzoening gedaan worden over hot bloed, dat daarin vergoten is, dan door hot blood dosgenen, die dat vergoton heeft. 34 Verontreinigt dan hot land niet, waarin gij gaat wonen, in welks midden Ik wonen zal: want Ik ben de Heere, wonende in het midden dor kinderen Iraëls. HOOFDSTUK 36. Mozos raad omtrent de dochters van Zeliifead gevraagd zijnde beveelt, op grond van des Hoeren bevel, dat zij verplicht zijn te trouwen onder haren vaderlijken stain, vs. 1. Uitstrekking dezer verordening over alle erfdochters, 8. Gehoorzaamheid dor dochters van Zelafead, 10. EN do hoofden der vaderen van het geslacht der kinderen van Giload, don zoon van Machir, don zoon van Manasse, uit do geslachten dor kinderen van Jozef, traden toe, en spraken voor hot aangozigt van Mozos, en voor hot aangozigt dor oversten, hoofden van de vaderen der kinderen Israels, 2 En zeiden: quot;Do Heere hooft mijnon heer go-boden, dat land door hot lot aan do kindoren Israels in erfenis te geven; ''en mijnen hoor is door den Heere geboden, de erfenis van onzen broeder Zelafead to geven aan zijne dochteren. «Num. 26:55, 56. 33:54. Num. 27 : 7. Joz. 17 :3, 4. 3 Wanneer zij oenen van de zonen der andere stammen van do kinderen Israels tot vrouwen zouden worden, zoo zou hare erfenis van de erfenis onzer vaderen afgetrokken worden, en toegedaan tot de erfenis van dien stam, aan wolkon zij geworden zouden; alzoo zou van het lot onzer erfenis worden afgetrokken. 4 Als ook de kinderen Israels een jubeljaar zullen hebben, zoo zou hare erfenis toegedaan zijn tot de erfenis van dien stam, aan wolkon zij zouden geworden zijn; alzoo zou hare erfenis van de erfenis van den stam onzer vaderen afgetrokken worden. 5 Toen gebood Mozos don kinderen Israels, naar des Heeren mond, zeggende: De stam der kinderen van Jozef spreekt rogt. 6 Dit is hot woord, dat de Heere van de dochteren van Zelafead geboden hooft, zeggende: Laat zij dien tot vrouwen worden, die in hare oogen goed zal zijn; alleenlijk, dat zij aan het geslacht van haars vaders stam tot vrouwen worden. 7 Zoo zal do erfenis van do kinderen Israels niet omgewond worden van stam tot stam: want de kindoren Israels zullen aanhangen, een ieder aan de erfenis van den stam zijnor vaderen. li!» |
DEUTERONOMTUM 1.
180
|
8 Voorts zal elko dochter, dio eeno erfenis erft, van de stammen der kinderen Israels, ter vrouw worden aan eenen van het K'esl'id't van den stam haars vaders; opdat de kinderen Israels erfelijk bezitten, een ieder de erfenis zijner vaderen. 9 Zoo zal de erfenis niet omgewend worden van den eenen stam tot den anderen; want de stammen der kinderen Israels zullen aanhangen, een ieder aan zijne erfenis. 10 Gelijk als de Heere Mozes geboden had, alzoo deden de dochteren van Zelafead. HET VIJFDE HO gen. DEUTERC HOOFDSTUK 1. Waar on wanneer Mozes do wet van Ood herhaald heeft, vs. 1. Kort verhaal van hetgeen Israël bo-jegend is, van don tijd, dat zij van Horob vertrokken, totdat zij gokomon zijn to Kados-Barnóa. Gods hevel om van Horob to vertrokken, mot belofte, 0. Aanstelling van rogtors on ambtliodon, 'J. Reis door do woestijn on aankomst to K'ados-Barnóa, l!t. Uitzon-ding, terugkomst en berigt dor verspieders, 22. Woderspannigheid on mnrmnrering van het volk, 20. Gods toorn on vonnis over hunne ongohoorzaamheid, ii4. Israël tegen Gods bevel ton strijde trekkende, wordt van de Amorieten geslagen on vindt liij God geene vorhooring hunner klagt, 41. DIT zijn de woorden, die Mozes tot ganseh Israël gesproken heeft, aan deze zijde der Jor-daan, in de woestijn, op hot vlakke veld tegenover Suf, tusschen Paran en tussehen Tofel, en Laban, en Hazeróth, en Dizahab. '2 Elf ([â¢Afreizen zijn hot van Horeb, door den weg van het gebergte Seïr, tot aan Kades-Iiarnóa. :? En het is geschied in het veertigste jaar, in do elfde maand, op den eersten der maand, dat Mozes sprak tot de kinderen Israels, naar alles, wat hein de Heeiie aan hen bevolen had: â¢l quot;Nadat hij geslagen had Sihon, den koning dor Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, den koning van Bazan, welke woonde te Astha-roth , te Edréï. a Num. 21:24, 33. 5 Aan deze zijde dor Jordaan, in het land van Moab, hief Mozes aan, deze wot uit te leggen, zeggende: (! De Heere, onze God, sprak tot ons aan Horeb, zeggende: (lij zijl lang genoeg bij dezen berg gebleven. 7 Keert u, en vertrekt, en gaat in hot gebergte der Amorieten, en tot al hunne geburen, in het vlakke veld, op hot gebergte, en in do laagte, en in het zuiden, en aan do havens der zoo; hot land dor Kanaiinieten, en den Libanon, tot aan dio groote rivier, do rivier Frath. 8 Ziet, Ik heb dat land gegeven voor uw aan- |
11 quot;Want Machla, Thirza en Hogla, en Milka, en Noha, dochteren van Zelafead, zijn de zonen harer ooms tot vrouwen geworden. «Num. 27:1. 12 Onder de geslachten van de kinderen van Manasse, den zoon van Jozef, zijn zij tot vrouwen geworden; alzoo bleef hare erfenis aan den stam van het geslacht haars vaders. 13 Dat zijn de geboden en de regten, die de Heere door de dienst van Mozes aan de kinderen Israels geboden heeft, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho. BK VAX MOZES, lAMD ) N O Ml U M. gezigt; gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat de Heere aan uwe vaderen, quot;Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou. rt Gen. 15 :18. 17 : 7, 8. !) En ik sprak te zeiver tijd tot u, zeggende: quot; Ik alleen zal u niet kunnen dragen. «Ex. 18:18. 10 De Heere, uw God, heeft u vermenigvuldigd, en ziet, gij zijl heden als de sterren des hemels in menigte. 11 Do Heere, uwer vaderen God, doe tot u, zoo als gij nu zijt, duizendmaal meer, en Hij zegono u, gelijk als Hij tot u gesproken heeft! 12 Hoe zoude ik alleen uwe moeite, en uwen last, en uwe twistzaken dragen? 13 Neemt u wijze, en verstandige, en ervarene mannen, van uwe stammen, dat ik hen tot uwe hoofden stelle. 14 Toen antwoorddet gij mij, onzeidet: Dit woord is goed, dat gij gesproken hebt, om te doen. 15 Zoo nam ik do hoofden uwer stammen, wijze en ervarene mannen, on stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden, en oversten van honderdon, en oversten van vijftigen, en oversten van tienen, en ambtlieden voor uwe stammen. K! En ik gebood uwen regters te zelvor tijd, zeggende: Hoort de verschillen tusschen uwe broederen, quot;en rigt regt tusschen den man en tusschen zijnen broeder, en tusschen deszelfs vreemdeling. a Joh. 7 : 24. 17 quot;Gij zult het aangezigt in het gerigt niet kennen; gij zult den kleine, zoowel als den groote, hooren; gij zult niet vreezen voor iemands aangezigt, want het gerigt is Godes; doch de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komen, en ik zal ze hooren. o Lov. 19:15. 1 Sam. 10:7. Spr. 24:23. Jakob. 2:1. 18 Alzoo gebood ik u te dier tijd alle zaken, die gij zoudt doen. 19 Toon vertogen wij van Horeb, en doorwandelden die gansch groote en vreessolijke woestijn. |
DEUTERONOMIUM 1 , 2.
181
|
die gij gezien hebt, op den weg van het gebergte der Amorieten, gelijk de Heere, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-Barnéa. 20 Toen zeide ik tot ulieden: Gij zijt gekomen tot het gebergte der Amorieten, dat de Heere, onze God, ons geven zal. 21 Ziet, de Heere, uw God, heeft dat land gegeven voor uw aangezigt; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als de Heere, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft; vreest niet, en ontzet u niet. 22 Toen naderdet gij allen tot mij, en zeidet: Laat ons mannen voor ons aangezigt heenzenden, die ons liet land uitspeuren, en ons bescheid wederbrengen, wat weg wij daarin optrekken zullen, en tot wat steden wij komen zullen. 2:5 Deze zaak nu was goed in mijne oogen; zoo nam ik uit u twaalf mannen, van quot;eiken stam oenen man. «Num. 13:2, 15, oiiz. 24 quot; Die keerden zich, en togen op naar het gebergte, en kwamen tot hot dal Eskol, en verspiedden datzelve. a Num. i;):2H. 25 En zij namen van de vrucht des lands in hunne hand, en bragten zo tot ons af, en zeiden ons bescheid weder, en zeiden: Het land, dat de Heere, onze God, ons geven zal, is goed. 26 quot;Doch gij wildot niet optrekken; maar gij waart den mond dos Heeren, uws Gods, weder-spannig. « Num. 1-1: 1. 27 En gij murmuroordot in uw tenten, en zeidet: Omdat de Heere ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, opdat Ilij ons levore in de hand der Amorieten, om ons te verdelgen. 28 Waarheen zouden wij optrekken 'lt;â onze broeders hebben ons hart doen smelten, zeggende: Hot is een volk, grooter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in don hemel toe; ook hebben wij daar kindoren dor quot; Enakioton gezien. (iNum. 1H:28. 29 Toen zeide ik tot u: Verschrikt niet, en vreest niet voor hen. :)() De Heere, uw God, die voor uw aangezigt wandelt, die zal voor u strijden; naar alles, wat Hij bij u voor uwe oogen gedaan heeftin Egypte, Ãl En in do woestijn, waar gij gezien hebt, dat de Heere , uw God, u daarin gedragen heeft, als een man zijnen zoon draagt, op al den weg, dien gij gewandeld hebt, totdat gij kwaamt aan deze plaats. !{2 Maar door dit woord geloofdet gij niet aan don Heere, uwen God, ICl Die voor uw aangezigt op don weg wandelde, quot;om ii do plaats uit te zien, waar gij zoudt logeren; des nachts in het vuur, opdat Hij u den weg wees, waarin gij zoudt gaan, en dos daags in de wolk. «Ex. 13:21. 34 Als nu de Heere do stom uwer woorden hoorde, zoo werd Hij zeer toornig, en zwoer, zeggende: |
35 Zoo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, quot;zal zien dat goede land, hetwelk Ik gezworen heb uwen vaderen te zullen geven! a Num. 14:22, 23. I's. 95: II. 36 liehalvo Kaleb, de zoon van Jofunno; die zal hot zien, en aan hem zal Ik het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijne kinderen; omdat hij volhard heeft den Heere te volgen. 37 Ook vertoornde zich do Heere op mij om uwentwil, zeggende: quot;Gij zult daar ook niet inkomen. «Num. 20:12. 27 :14. Dout. 3:26. 4:21. 34:4. 38 Jozua, do zoon van Nun, die voor uw aangezigt staat, die zal daarin komen: sterk don-zelvon, want hij zal hot Israël doen erven. 39 En uwe kinderkous, waarvan gij zeidet: Zij zullen tot oenen roof zijn; en uwe kinderen, die heden noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen, en dien zal Ik hot geven, on die zullen hot erfelijk bezitten. 40 Gij daarentegen, koert u, on reist naar do woestijn, den weg van do Schelfzoo. 41 Toen antwoorddot gij, on zeidet tot mij: Wij hebben tegen don Heere gezondigd; wij zullen optrokken, en strijden, naar alles, wat de Heere, onze God, ons geboden hooft. Als gij nu eon iegelijk zijn krijgsgereedschap aangorddet, on willens waart, om naar hot gebergte honen op te trekken, 42 Zoo zeide do Heere tot mij: Zog hun: Trekt niet op, en strijdt niet, want Ik bon niet in hot midden van u; opdat gij niet voor hot aangezigt uwer vijanden geslagen wordet. 43 Doch als ik tot u sprak, zoo hoordot gij niet, maar waart den mond dos Heeren wodorspannig, en handeldet trotscholijk, on toogt op naar hot gebergte. 44 Toon togen do Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u te gomoet, on vervolgden u, gelijk als de bijën doen; en zij verpletterden u in Soïr tot Horma toe. 45 Als gij nu wederkwaamt on woondet voor het aangezigt dos Heeren, zoo verhoorde do Heere uwe stem niet, en neigde zijne ooren niet tot u. 46 Alzoo blooft gij in Kades vele dagen, naaide dagen, die gij er blooft. HOOFDSTUK 2. Ãptogt vau Kades-Barnóa, vs. 1. lloe Israël zich gedragen moest tegen do Edomieten, 4; de Moabieten, 9; en de Ammonieten, 19. Iliei'tusschen wordt verhaald do langdurigheid van hunne reis en hot omkomen der ongohoorzamen, 14. Eindelijk hoe de Israëlieten Sihon, deti koning der Amorieten, overwonnen en zijn land ingenomen hebben, 24. DAARNA koorden wij ons, en reisden naar de woestijn, don weg van do Schelfzee, gelijk de Heere tot mij gesproken had, on wij togen om het gebergte Soïr, vele dagen. 2 Toen sprak do Heere tot mij, zeggende: 3 Gijlieden hebt dit gebergte genoeg omgetogen; keert u naar het noorden. 4 En gebied het volk, zeggende: Gij zult door- |
DEUTERONOMIUM 2.
182
|
trekken aan de landpale uwer broederen, de kinderen van Ezau, die in Soïr wonen; zij zullen wel voor u vreezon, maar gij zult u zeer wachten. 5 Mengt u niet met hen: want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet tot de betreding van cene voetzool; want Ik heb quot; Ezau liet gebergte Seïr ter erfenis gegeven. a (jon. liü ; s. (i Spijze zult gij voor gehl van hen koopen, dat gij etet; en ook zult gij water voor geld van hen koopen, dat gij drinket. 7 Want do Heere, uw God, lioel't u gezegend in al hot werk uwer hand; Hij kent uw wandelen door deze zoo grooto woestijn; deze veertig jaren is de Ueere uw God, niet u geweest; geen ding hoeft u ontbroken. 8 Als wij nu doorgetrokken waren van onze broederen, de kinderen van Ezau, die in Soïr woonden, van den weg des vlakken velds, van Elath, en van Ezeon-Geber; zoo keerden wij ons, en doortogen don weg der woestijn van Moab. 1) Toen sprak do Heere tot mij: Beangstig Moab niet, en meng u niet met hen in don strijd: want Ik zal u geene erfenis van hun land geven, dewijl Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven hob. 10 De Emieten woonden te voren daarin, een groot, en menigvuldig, en lang volk, gelijk de Enakieten. 11 Deze werden ook voor reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten. 12 Ook woonden de Horieten te voren in Soïr; maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit de bezitting en verdelgden hen van hun aange-zigt, eu hebben in hunlieder plaats gewoond; gelijk als Israël gedaan heeft aan liet land zijner erfenis, hetwelk de Heere hun gegeven heeft. 13 Nu maakt u op, en trekt over de beek Zered. Alzoo trokken wij over de beek Zered. 14 Do dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-Harnöa, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaren; totdat liet gansche geslacht der krijgslieden uit het midden des heirlegers verteerd was, gelijk de Heere hun gezworen had. 15 Zoo was ook de hand dos Heeren togen hen, om hen uit het midden des heirlegers te verslaan, totdat zij verteerd waren. 16 En het geschiedde, als al de krijgslieden verteerd waren, uit het midden des heirlegers wegstervende , 17 Dat de Heeue tot mij sprak, zeggende: 18 Gij zult heden doortrekken aan Ar, de landpale van Moab; 19 En gij zult naderen tegenover de kinderen Ammons; beangstig die niet, en meng u met hen niet; want Ik zal n van het land der kinderen Ammons geene erfenis geven, dewijl Ik liet aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb. |
20 Dit werd ook voor een land der reuzen gehouden ; do reuzen woonden te voren daarin, en de Ammonieten noemden hen Zamzummieten: 21 Een groot, on menigvuldig, en lang volk, als do Enakieten; en de Heere verdelgde hen voor hun aangezigt, zoodat zij hen uit de bezitting verdreven, en aan hunlieder plaats woonden; 22 Gelijk Hij aan do kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, gedaan heeft, voor welker aangezigt Hij de Horieten verdelgde; en zij verdreven hen uit do bezitting, en hebben aan hunne plaats gewoond tot op dezen dag. 23 Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittogen, de Avleten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en aan hunne plaats gewoond. 24 Maakt u op, reist hoen, en gaat over do beek Anion; ziet. Ik heb Sihon, den koning van Hesbon, den Amoriet, en zijn land, in uwe hand gegeven; begint te erven, en mengt u met ben in den strijd. 25 Te dezen dage zal Ik beginnen uwen schrik en uwe vreeze to geven over het aangezigt der volken, onder don ganschen hemel; die uw gerucht zullen hooren, die zullen sidderen en bang zijn van uw aangezigt. 26 quot; Toen zond ik boden uit de woestijn Kodómot tot Sihon, den koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende: «Num. 21:21. Rigt. 11:19. 27 quot;Laat mij door uw land doortrekken; ik zal alleenlijk langs don weg voorttrekken: ik zal noch ter regter- noch ter linkerband uitwijken. a Num. 21 : 21, 22. 28 Verkoop mij spijze voor geld, dat ik ete, en geef mij water voor geld, dat ik drinke; alleenlijk laat mij op mijne voeten doortrokken: 29 Gelijk de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben; totdat ik over de Jordaan komo in het land, dat do Heere, onze God, ons geven zal. 30 Maar Sihon, do koning van Hesbon, wilde ons door hetzelve niet laten doortrekken: want de Heere, uw God, verhardde zijnen geest, en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in uwe hand gave, gelijk liet is te dezen dage. 31 En de Heere zeide tot mij: Zie, Ik bob begonnen Sihon en zijn land voor uw aangezigt te geven; begin dan te erven, om zijn land erfelijk to bezitten. 32 quot; En Sihon toog uit ons te gemoet, hij en al zijn volk, ten strijde, naar Jahaz. «Num. 21: 23. 33 En quot;do Heere, onze God, gaf hem voor ons aangezigt; en wij sloegen hem, en zijne zonen, en al zijn volk. a Deut. 29:7. 34 En wij namen te dier tijd al zijne steden in, en wij verbanden allo steden, mannen, en vrouwen, en kinderkens; wij lieten niemand overblijven. 35 Het vee alleen roofden wij voor ons, en den roof der steden, die wij innamen. 36 Van Aroër af, dat aan den oever der beek Anion is, en de stad, die aan de beek is, ook |
|
tot Gilead too, was or geeno stad, dio voor ons to hoog was; de Heere, onze God, gaf dat alles voor ons aangozigt. :!7 Behalve tot het land van de kinderen Amnions naderdet gij niet, noch tot de gansehe streek der beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets, dat de Heere, onze God, ons verboden had. HOOFDSTUK 3. Voi'iiiial aangaande Og, eenon anderen koning dor Amorieton; hoe hij van Israël overwonnen, en zijn land ingenomen is, vs. 1; dat, alsmede liet rijk van Silion, door Mo zes wordt toegewezen aan de Kube-nieton, Gadieten on den halven stam van Manasse, 12. Bemoediging van Jozna als opvolger van Mozes, 21. Mozcs verzoek om in hot land Kanailn te inogon komen, door (lod afgeslagen, 21-!; liet gansehe land hom getoond op eonen borg, 27, 28. DAARNA quot;keerden wij ons en togen op, don weg van Bazan; en Og, de koning van Bazan, trok uit ons te gemoet, hij cn al zijn volk, ten strijde, bij Edréï. a Num. 21:33. Dent. 29:7. 2 Toen zeide de Heere tot mij: Vrees hem niet, want Ik hob hem, en al zijn volk, en zijn land, in uwe hand gegeven; en gij zult hem doen, quot;gelijk als gij Sihon, den koning der Amorioten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt. a. Num. 21 : 34. 3 En de Heere, onze God, gaf ook Og, den koning van Bazan, cn al zijn volk, in onze hand, zoodat wij hom sloegen, totdat wij hem niemand lieten overblijven. 4 En wij namen te dier tijd al zijne steden; er was geene stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de gansehe landstreek van Argob, het koningrijk van Og in Bazan. B Al die steden waren met hooge muren, poorten en grendelen gesterkt, behalve zeer vele onbe-ni uur de steden. (5 En wij verbanden dezelve, gelijk wij Sihon, den koning van Hesbon, gedaan hadden, verbannende allo steden, mannen, vrouwen en kin-derkens. 7 Doch al het vee en den roof van die steden roofden wij voor ons. 8 Zoo namen wij te dier tijd het land uit de hand van do twee koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, van de boek Arnon tot den berg Hermon toe; !) (Do Zidoniërs noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.) 10 Al de steden des platten lands, en het gansehe Gilead, en het gansehe Bazan, tot Salcha en Edréï toe; steden des koningrijks van Og in Bazan. 11 Want Og, de koning van Bazan, was alleen van de overige der reuzen overgebleven; ziet, zijne bedstede, zijnde eene bedstede van ijzer, is zij niet te Rabba der kinderen Amnions? negen ellen is hare lengte, en vier ellen hare breedte, naar eens mans elleboog. 12 Ditzclve land nu «namen wij te dier tijd in |
183 bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van hot gebergte van Gilead, met de steden van hetzelve, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten. a Num. 32:33. 13 En het overige van Gilead, mitsgaders het gansehe Bazan, liet koningrijk van Og, gaf ik aan den halven stam van Manasse, do gansehe landstreek van Argob, door liet gansehe Bazan; datzelve werd genoemd het land der reuzen. 14 Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de gansehe landstreek van Argob, tot aan de landpale der Gezurieten en Maachatieten; en liij noemde ze naar zijnen naam, Bazan Havvöth-Jaïr, tot op dezen dag. 15 En aan Machir gaf ik (Jilead. Ki Maar aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, het midden van de beek en de landpale; en tot aan do beek Jabbok, de landpale der kinderen Amnions; 17 Daartoe hot vlakke veld, en do Jordaan, mitsgaders de landpale; van Cinnereth af tot aan de zee des vlakken velds, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga tegen liet oosten. 18 Voorts gebood ik quot;ulieden ter zeiver tijd, zeggende: De Heere, uw God, heeft u dit land gegeven om het te erven; allen dan, die strijdbare mannen zijt, trekt gewapend door voor liet aangezigt van uwe broederen, de kinderen Israels. a Num. 32 : 20. 19 Behalve uwe vrouwen, en uwe kinderkous, en uw vee (ik weet, dat gij veel vee hebt), zij zullen blijven in uwe steden, die ik u gegeven heb; 20 Totdat de Heere uwen broederen rust geve, gelijk ulieden, dat zij ook erven liet land, dat de Heere , uw God, hun geven zal aan gene zijde der Jordaan; dan zult gij wederkeeren, elk tot zijne erfenis, die ik u gegeven heb. 21 Ook quot;gebood ik Jozna ter zeiver tijd, zeggende: Uwe oogen zien alles, wat de Heere, ulieder God, aan deze twee koningen gedaan heeft; alzoo zal de Heere aan alle koningrijken doen, naar welke gij henen doortrekt. «Num. 27 : 18. 22 Vreest ze niet, want do Heere, uw God, strijdt voor ulieden. 23 Ook bad ik den Heere om genade, zeggende ter zeiver tijd: 24 Heere, Heere! Gij hebt begonnen uwen knecht te toonen uwe grootheid en uwe sterke hand: want quot;wat God is er in den liouiel en op de aarde, die doen kan naar uwe werken, en naar uwe mogendheden ! n Ps. 89 : 7, 8, 9. 25 baat mij toch overtrekken, en dat goede land bezien, dat aan gene zijde der Jordaan is, dat goede gebergte, en den Libanon! 26 quot;Doch de Heere verstoorde zich zeer om uwentwil over mij, en hoorde niet naar mij; maar de Heere zeide tot mij: Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij van deze zaak. a Dent. 1 : 37. 31 : 2. 34:4. 27 Klim op de hoogte van Pisga, en hof uwe DEUTERONOMIUM 2, 3. |
DEUTERONOMIUM 3, 4.
184
|
oogon op naar liot westen, on naar hot noorden, en naar hot zuiden, on naar hot oosten, on zie toe met uwe oogon: want gij zult over deze Jor-daan niet gaan. 28 Gebied dan Jozua, en versterk hom, en bekrachtig hem: want hij zal voor hot aangezigt van dit volk henen overgaan, en zal hun dat land, dat gij zien zult, doen erven. 2i) Alzoo bleven wij in dit dal tegenover Both-l'eor. HOOFDSTUK 4. Vermaning tot onderhouding van GUxls geboden, zonder die in het minst to veranderen, vs. 1; aangedrongen zoowel mot do straften der ongehoorzamen, als met den zegen der gehoorzamen, 4. Verhaal van het geven dor wet, t). Breedvoerig on ernstig verbod van allerlei afgoderij door beelden en gelijkenissen, met zware bedreigingen en troostrijke beloften, 15. Optelling van Gods bijzondere weldaden aan Israël bewezen, welke hen tot gehoorzaamheid behoorden te bewegen, 32. Verordening van drie vrijsteden aan deze zijde dor Jordaan, 41. Inleiding tot de volgende herhaling der Goddelijke wetten, 44. NU dan, Israël! hoor naar de quot;inzettingen cn naar de regton, die ik uliedon leere te doen; opdat gij looft, en henen inkomt, en erft het land, dat de Heere, uwer vaderen God, u geeft. a Lev. 19:37. 20:8. 22:31. 2 Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, quot;niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart do geboden van don Heere, uwen God, die ik u gebiede. f«Doiit. 12:32. Spr. 30:1). Qponb. 22:18. 3 Uwe oogen hebben gezien, wat God om quot;Baiil-Poor gedaan heeft: want allo man, die Baal-Peor navolgde, dien hoeft do Heere, uw God, uitliet midden van u verdaan. a Num. 25:4. Joz. 22:17. 4 Gij daarentegen, die den Heere, uwen God, aanhingt, gij zijt heden allen lovende. 5 Ziet, ik heb u geleerd do inzettingen en regten, gelijk als do Heehe, mijn God, mij geboden hooft; opdat gij alzoo doet in hot midden dos lands, waar gij naar toe gaat, om het te erven. (i Behoudt zo dan, on doet zo: want dat zal uwe wijsheid en uw verstand zijn voor do oogen dei-volken, die al deze inzettingen hooron zullon, en zeggen: Dit groote volk alleen is een wijs en verstandig volk! 7 quot;Want wat groot volk is or, hetwelk de goden zoo nabij zijn als de Heere, onze God, zoo dikwijls wij Hem aanroepen? aDeut. 20:1!). 8 En wat groot volk is er, dat zoo regtvaardige inzettingen en regten hooft, als deze gansche wet is, die ik lieden voor uw aangezigt geef? i) Alleenlijk wacht u, en bewaart uwe ziol wol, dat gij niet vergeet de dingen, dio uwe oogon gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en gij zult ze quot;aan uwe kinderen en uwe kindskindoren bekend maken. a Dent. 0:7. 11:19. 10 Ton dage, als gij voor het aangezigt des Heeren, uws Gods, aan Horeb stondt, als do |
Heere tot mij zeide: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun mijne woorden doen hooren, dio zij zullon loeren, om Mij te vreezen al do dagen, die zij op don aardbodem zullon leven, en zij zullon ze hunnen kinderen loeren; 11 En gijlieden nadordet en stondt beneden dien borg; quot;(die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden des hemels, er was duisternis, wolkon on donkerheid.) «Ex. 19:18. 12 Zoo sprak do Heere tot u uit het midden des vuurs; gij hoordet do stem der woorden, maar gij zaagt goone gelijkenis, behalve de stem. 13 Toen verkondigde Hij u zijn verbond, dat Hij u gebood to doen, do lion woorden, en schroef zo op twee steonon tafelen. 14 Ook gebood mij do Hoero tor zolvor tijd, dat ik u inzettingon on rogten loeren zou; opdat gij dio doodt in dat land, naar hetwelk gij doortrekt, om dat te erven. 15 Wacht u dan wol voor uwe zielen: want gij hebt geone gelijkenis gezien, ton dage als do Heere op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak; 16 Opdat gij u niot verderft on maakt u iots gesnedens, do gelijkenis van eenig beeld, de gedaante van man of' vrouw; 17 De gedaante van eenig boost, dat op de aarde is; do gedaante van eenigen gevlougolden vogel, dio door don hemol vliegt; 18 De gedaante van iets, dat op den aardbodem kruipt: do gedaante van oonigon visch, die in het water is onder do aarde: 1!) Dat gij ook uwe oogen niot opheft naar don hemol, on aanziet do zon, en do maan, en do sterren, dos liomols gansche heir; en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt, en hen dient; dewelke do Heere, uw God, aan alle volken onder den ganschen hemel hooft uitgedeeld. 20 Maar ulioden hoeft do Heere aangenonion, on uit don ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat gij Hom tot oen quot; erfvolk zoudt zijn, gelijk het te dezen dage is. «Ex. 19:5. 21 Ook quot;vertoornde zich do Heere over mij, om uliedor woorden; en Hij zwoer, dat ik over de Jordaan niet zou gaan, en dat ik niet zou komen in dat goede land, dat de Heere, uw God, u ter erfenis geven zal. a Dout. I : 37. 3 : 20. 31 : 2. 34 : 1. 22 Want ik zal in dit land sterven, ik zal over de Jordaan niet gaan; maar gij zult er overgaan, en datzelve goede land erven. 23 Wacht u, dat gij hot verbond des Heeren, uws Gods, hetwelk Hij mot u gemaakt heeft, niot vergeet: dat gij u een gesneden beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, dat do Heere, uw God, u verboden heeft. 24 Want do Heere, uw God, is een quot;verterend vuur, ''oen ijverig God. a Deut. 9:3. Hebr. 12:29. b Ex. 20 : 5. 34 : 14. Deut. 5 : 9. 0 : 15. 25 Wanneer gij nu kinderen en kindskinderen |
|
gowonnen zult hebben, en in hot land oud ye-worden zult zijn, en n zult verderven, dat fgt;ij gesnedene beelden maakt, de gelijkenis van eenig ding, en doet, wat kwaad ia in de oogen des IIeeren, uws Gods, om Hem tot toorn te verwekken ; 26 Zoo roep ik heden den hemel en de aarde tot getuigen tegen ulieden, dat gij voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar gij over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; gij zult uwe dagen daarin niet verlengen, maar gansche-lijk verdelgd worden. 27 En de Heere zal u quot; verstrooijen onder de volken; en gij zult een klein volksken in getal overblijven onder de Heidenen, waar do Meeke u honen leiden zal. a Dout. 28:02, 0-1. 28 En aldaar zult gij goden dienen, die quot;des monscben handenwerk zijn, bout en steen, die niet zien, noch hooren, noch eten, noch rieken. a Ps. 115: 4. 135 : 15. 2!) Dan zult gij van daar don IIeehe, uwen Uod, zooken, en vinden; als gij Hom zoeken zult met uw ganscbe hart on met uw gansche ziel. 30 Wanneer gij in angst zult zijn, on u al deze dingen zullen troffen; in het laatste der dagen, dan zult gij wedorkoeron tot don IIeehe, uwen God, on zijne stem gehoorzaam zijn. :!1 Want do Heere, uw God, is oen barmhartig God; Hij zal n niet verlaten, noch u verdorven; on Hij zal het verbond uwer vaderen, dat hij hun gezworen hoeft, niet vergoten. Ã2 Want, vraag toch naar do vorige dagen, die vóór u geweest zijn, van dien dag af, dat God don monsch op do aarde geschapen hooft, van hot ccnc einde dos homols tot aan hot andere wnAv dos hemels, of zulk een groot ding geschied of gehoord zij, als dit: üli Of oou volk geboord hobbo de stom van God, sprekende uit hot midden des vuurs, gelijk als gij gehoord bobt, en levend zij gebleven? ;!4 Of: of God verzocht hobbo to gaan, om zich oen volk uit het midden eons volks aan te nomen, door verzoekingen, door toekenon, en door won-doren, on door strijd, on door oono sterke hand, en door oenen uitgestrekton arm, on met grooto verschrikkingen; naar al hetgeen do Heere, uw God, ulieden voor uwe oogen in Egypte gedaan heeft ? ïliquot;) U is bet getoond, opdat gij wotot, dat do Heere die God is; or is niemand moor quot;dan Hij alleen! a Dout. 32:89. Jos. 45:5, 18, 22. Mark. 12:29, 32. 36 Van den hemel heeft Hij u zijne stem laten hooren, om u te onderwijzen; en op de aarde hoeft Hij u zijn groot vuur doen zien; en gij hohl zijne woorden uit hot midden des vuurs gehoord. 37 En omdat Hij uwe vaderen liefhad, en hun zaad na ben vorkoren had, zoo quot;hoeft Hij u voor zijn aangezigt door zijne groote kracht uit Egypte uitgevoerd; «Ex. 13:3, 9, 14. 38 Om volken, die grootor en magtiger waren |
185 dan gij, voor uw aangezigt uit do bezitting te verdrijven; om u in to brongen, dat Hij u liuii-lieder land ter erfenis gave, als hot te dozen dage is. 39 Zoo zult gij beden weten, en in uw hart horvatten, dat de Heere die God is, boven in den hemel, en onder op do aarde, niemand moor! 40 En gij zult houden zijne inzettingen on zijne geboden, die ik u heden gobiede, opdat hot u en uwen kinderen na u welga, en opdat gij do dagen verlengt in hot land, dat do Heere, uw God, u geeft, voor altoos. 41 quot;Toon scheidde Mozes drie steden uit, aan deze zijde der Jordaan, togen don opgang der zon ; a Nam. 35 : (i, 14. 42 Opdat daarheen vlood de doodslager, dio zijnen naaste onwetende doodslaat, dien hij van gisteren m eergisteren niet haatte; dat hij in oene van deze steden vlood en lovend blovo: 43 quot;Bozer in de woestijn, in hot effen land, voor de Rubonieten; en Ramoth in Gilead, voor do Ciadioton; en Golan in Bazan, voor do Manassioton. a .loz. 20:8. 44 Dit is nu do wot, die Mozes den kinderen Israels voorstelde: 45 Dit zijn de getuigenissen, en do inzettingen, en do rogton, dio Mozes sprak tot de kinderen Israels, als zij uit Egypte waren uitgetogen; 46 Aan deze zijde van do Jordaan in hot dal tegenover Both-Peor, in bet land van Sibon, den koning der Amorioten, dio te Hesbon woonde; wolkon Mozes quot;sloeg, en do kinderen Israels, als zij uit Egypte waren uitgetogen, a Num. 21 :24. Dout. I : I. 47 En zijn land in bezitting genomen haddon; daartoe bot land van quot;Og, koning van Bazan; twee koningen der Amorioten, dio aan doze zijde van do Jordaan waren, togen den opgang dor zon: n Num. 21 : 33. Dout. 3 : 3. 48 Van Aroör af, dat aan don oever dor boek Anion is, tot aan don bergSion, welke is Hormon; 49 En al bot vlakke veld, aan deze zijde der Jordaan, naar het oosten, tot aan do zoo des vlakken voids, onder Asdoth-Pisga. HOOFDSTUK 5. Herhaling van de wet der tien golioden, mot oene inleiding, vs. I. Van de ontsteltenis en hot verzoek van hot volk, dat God niet moor op deze wijs, maar alleen door Mozes tot hea mogt spreken, 22. Van Gods toestemming in hun verzoek, 30. Vermaning tot gehoorzaamheid, 32. EN Mozes riep het gansche Israël, en zeide tot hen: Hoor, Israël! de inzettingen en rogten, die ik heden voor uwe ooron spreek, dat gij zo leert en waarneemt, om dezelve te doen. 2 Do Heere, onze God, hoeft een quot; verbond met ons gemaakt aan Horeb. «Ex 19:5. 3 Met onze vaderen heeft de Heere dit verbond niet gemaakt, maar met ons, wij die hier heden allen lovend zijn. DEUTERONOMIUM I, 5. |
DEUTERONOMIUM 5.
186
|
4 Van aangezigt tot aangezigt heoft do Heere mot ii op don borg gosproken uit het midden dos vuurs. 5 (Ik stond lo dier tijd tussehen don Heere on tusschon u, om u dos 11 keken woord aan te zoggen: want gij quot; vreesdet voor hot vuur en klomt niet op don borg) zeggende: a Ex. 1!) : Ui. 2(1; IS. G quot;Ik ben do Heere, uw God, die u uit Egyp-toland, uit Iiot diensthuis uitgeleid hol). a Ex. 20 : 2, enz. I's. 81 : 11. 7 Gij zult goeno andere goden voor mijn aangezigt hebben. 8 quot;Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch eenige gelijkenis, van hotgeen boven in den hemel, of onder op do aarde is, of in het water onder do aarde is; «Lev. 20: 1. 9 Gij zult u voor die niot buigen, noch ben dienen: want IkdeHEEUE, uw God, ben een quot; ijverig God, dio do misdaad der vaderen bezoek aan de kindoren, en aan het derde, en aan het vierde lid dorgenen, dio Mij haten; « Ex. 20:5. 34:7,14. â¢Ier. 32: 18. 10 En doe barmhartigheid aan duizenden dorgenen, die Mij liel-hebbon, en mijne geboden onderhouden. 11 Gij zult den quot; naam des II ee- ren, uws Gods, niot ijdelijk gebruiken: want de Heere zal niet onschuldig houden dengenen, die zijnon naam ijdelijk gebruikt. a Lev. 10 : 12. Matt. 5 : 33. 12 Onderhoudt den quot; sabbatdag dat gij dien heiligt; gelijk als de Heere, uw God, u geboden hoeft. «Oen. 2:2. Ex. 23:12. 35:2. Lev. 23:3. Ezoc. 20 :12. Hobr. 4 : 4. 13 Zes dagen zult gij arbeiden, en al uw werk doen; 14 Maar do zevende dag is de sabbat des Heeren, uws Gods, dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uwo dochter, noch uw dienstknecht, noch uwe dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch eenig van uw voo, noch de vreemdeling, die in uwe poorten is; opdat uw dienstknecht, on uwe dienstmaagd ruste, gelijk als gij. ló Want gij zult gedenken, dat gij oen dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat de |
Heere, uw God, n van daar heeft uitgeleid door eono sterke hand en eonen uitgestrekton arm; daarom heeft u do Heere, uw God, geboden, dat gij don sabbatdag houden zult. 16 quot;Eert uwen vader, en uwe moeder, gelijk als do Heere, uw God, u geboden heeft, opdat uwe dagen verlongd worden, en opdat het u welga in het land, dat u de Heere, uw God, geven zal. a Lev. 19:3. Matt. 15:4. Luk. 18:20. Etc/,. 6:2, 3. 17 quot;Gij zult niet doodslaan. rtMatt. 5:21. Luk. 18:20. Kom. 13:9. 18 quot;En gij zult geen overspel doen. aLuk. 18:2(i. 10 En gij zult niet stelen. 20 En gij zult goeno valsche getuigenis spreken togen uwen naaste. 21 En gij zult niet quot; bogoeren uws naasten vrouw; en zult u niet laten gelusten uws naasten huis, zijnen akker, noch zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, zijnon os, noch zijnen ezel, noch iets, dat uws naasten is. a Rom. 7 : 7. 22 Deze woorden sprak do Heere tot uwe gansche gemeente, op don borg, uit hot midden dos vuurs, dor wolk en der donkerheid, met eene groote stem, en deed daar niets toe; en Hij schreef zo op twee steenon tafelen, en gaf ze mij. 23 En het geschiedde , als gij die stem uit hot midden dor duisternis hoordet, on do borg van vuur brandde, zoo naderdot gij tot mij, allo hoofden uwer stammen, en uwo oudsten, 24 En zeidot: Zie, do Heere, onze God, heeft ons zijne heerlijkheid on zijne grootheid laten zien, en wij hebben zijne stem gehoord uit hot midden des vuurs; dezen dag hebben wij gezien, dat God niet don mensch spreekt, en dat hij lovend blijft. 25 Maar nu, waarom zouden wij sterven ? want dit groote vuur zou ons verteren; indien wij voortvoeren do stem dos Heeren, onzes Gods, langer to hooren, zoo zouden wij sterven. 26 Want wie is er van alle vleosch, dio de stem des levondon Gods, sprekende uit het midden des vuurs, gehoord heeft gelijk wij, quot;en is levend gebleven? «Deut. 4:33. Rigt. 13:22. 27 Nader gij, en hoor alles, wat de Heere, onze |
DEUTERONOMIUM 5, 6.
187
|
God, zeggen zal; en quot; spreek gij tot ons al wat do IIeeue, onze God, tot u spreken zal, en wij zullen het hooren en doen. a Ex. 20:19. Hobr. 12: 10. 28 Als nu de Heere de stem uwer woorden hoorde, toen gij tot mij spraakt, zoo zeide do Heere tot mij: Ik heb gehoord de stem der woorden van dit volk, die zij tot u gesproken hebben: het is altemaal goed, dat zij gesproken hebben. 29 Och dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vreezen, en al mijne geboden te allen dage to onderhouden; opdat hot hun en hunnen kindereu welging in eeuwigheid! :?0 Ga, zeg hun: Keert weder naar uwe tonton. 31 Maar gij, sta hier bij Mij, dat ik tot u spreke al do geboden, en inzettingen, en regten, dio gij hun loeren zult, dat zij ze doen in het land, hetwelk Ik hun geven zal, om dat te erven. 32 Neemt dan waar, dat gij doet, gelijk als do Heere, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rogter- noch ter linkerhand. 33 In al den weg, dien de Heere, uw God, u gebiedt, zult gij gaan; opdat gij leeft, en dat het u welga, en gij de dagen verlengt in hot land, dat gij erven zult. HOOFDSTUK (!. Bevel om Gods geboden to bowaron eti Hom als don ocnigen waren God lief to hebben, mot bijgevoegde beloften, vs. 1; om Gods geboden don kinderen in to schorpen on zo stoods voor oogen te bobben, (i; om God en zijne â weldaden niet to vergeten, It); om Ood to vroezon on do afgoderij te vermijden, 13; om God niot te verzoeken, maar Hom onderdanig te zijn, IC; om aan hunne kinderen vlijtiglijk do verlossing uit Egypte voor te houden, opdat zij daardoor God loerden vroezon en gehoorzamen, 20. DIT zijn dan de geboden, de inzettingen en do regten, die de Heere, uw God, geboden heeft om u te loeren; opdat gij ze doet in het land, naar hetwelk gij heentrekt, om dat erfelijk te bezitten: 2 Opdat gij den Heere, uwen God, vreezet, om te houden al zijne inzettingen, en zijne geboden, die ik u gebiede; gij, en uw kind, en kindskind, al do dagen uws levens; en opdat uwe dagen verlengd worden. 3 Hoor dan, Israël! en neem waar, dat gij zo doet, opdat het u welga, en opdat gij zeer ver-menigvuldiget (gelijk als u de Heere, uwer vaderen God, gesproken hoeft) in het land, dat van melk en honig is vloeijende. 4 quot;Hoor, Israël! de Heere, onze God, is een oenig Heere! a Dout. 4 : 35. Mark. 12: 29. Joh. 17:3. 1 Cor. y : 4, g. 5 Zoo zult gij den Heere , uwen God, quot; liefhebben , met uw gansche hart, en met uwe gansche ziel, en met al uw vermogen. a Dent. 10:12. Matt. 22:37. Luk. 10:27. 6 En doze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn, |
7 En gij zult ze uwen quot;kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, on als gij nederligt, en als gij opstaat. «Dout. 4:9. II : li). 8 Ook zult gij zo tot een toeken binden op uwe hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tusschen uwe oogen. 9 En zult ze op de posten van uw huis, en aan uwe poorten schrijven. 10 Als hot dan zal geschied zijn, dat de Heere, uw God, u zal hebben ingebragt in dat land, dat Ilij uwen vaderen. Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, u te zullen geven; groote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt, 11 En huizen, vol van alles goeds, die gij niet gevuld hebt, en uitgehouwone bornputten, die gij niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die gij niot geplant hebt, quot;en gij gegeten hebt en verzadigd zijt: a Dout. 8:9, 1(». 12 Zoo wacht u, dat gij den Heere niet vergeet, die u uit Egypteland, uit het diensthuis heeft uitgevoerd. 13 Gij zult den Hkere, uwen God, quot;vreezen, en Hom dienen; en gij zult bij zijnen naam zworen. a Dout. 10:20. Matt. 4:10. Luk. 4:8. 14 Gij zult andore goden niet navolgen, van de goden der volken, die rondom u zijn. 15 Want de Heere, uw God, is een ijverig God in het midden van u; dat de toorn des II eer en, uws Gods, tegen u niet ontsteke, en Hij u van den aardbodem verdelge. 16 Gij zult den Heere, uwen God, quot;niet verzoeken, gelijk als gij Hem verzocht hebt te ''Massa. a Matt. 4:7. Luk. 4:12. b Ex. 17:2. Num. 20:3. 17 Gij zult de geboden des Heeren, uws Gods, vlijtig houden, mitsgaders zijne getuigenissen, en zijne inzettingen, die Hij u geboden heeft. 18 En gij zult doen, wat regt en goed is in de oogen des Heeren; opdat het u welga, en dat gij inkomt, en erft het goede land, dat de Heere uwen vaderen gezworen heeft; 19 Om al uwe vijanden voor uw aangezigt te verdrijven, gelijk als de Heere gesproken heeft. 20 Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, en inzettingen, en regten, die de Heere, onze God, ulieden geboden heeft ? 21 Zoo zult gij tot uwen zoon zeggen: Wij waren dienstknechten van Earaö in Egypte; maar de Heere heeft ons door eene sterke hand uit Egypte uitgevoerd. 22 En de Heere gaf teekenen, en groote en kwade wonderen, in Egypte, aan Earaö en aan zijn gansche huis, voor onze oogen; 23 En Hij voerde ons van daar uit; opdat Hij ons inbragt, om ons het land te geven, dat Hij onzen vaderen gezworen had. 24 En de Heere gebood ons te doen al deze inzettingen, om te vreezen den Heere, onzen God, ons voor altoos ten goede, om ons in het leven te behouden, gelijk hot te dezen dage is. |
DEUTERONOMIUM 6, 7.
188
|
25 En hot zal ons gcrogtighoid zijn, als wij zullon waarnomen to doen al deze geboden, voor liet aangezigt des IIeeren, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft. HOOFDSTUK 7. Welk ceiio handelwijs de kinderen Israels iu acht moesten nemen omtrent do Heidensoho inwoners van Kanailn en hunne afgoderijen, vs. 1. Do heerlijkheid van Israël boven allo volken, mot hare oorzaak, (i. Beloften van veelsoortige zegeningen, indien zij Gods geboden zouden betrachten, !). Bemoediging tegen het aantal en de magt der Heidensoho volken, 17. Verbod om hot zilver of goud van hunne afgodsbeelden zich toe te eigenen, 25. WANNEER u de Heeue, uw God, zal gebragt hebben in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; en Hij quot;vele volken voor uw aangezigt zal hebben uitgeworpen, de llethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaa-nieten, en de Ferozieten, en de Ilevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerderen magtiger zijn dan gij; a Doiit, 31 : H. 2 En do Heeue, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezigt, quot;dat gij ze slaat; zoo zult gij hen ganschelijk verbannen, ''gij zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. a Num. ;i;J : 52. Joz. 11:11. h Ex. 23 : 32. 31 ; 15. 3 Gij zult u ook met hen niet quot; vermaagschappen; gij zuil uwe dochters niet geven aan hunne zonen, en hunne dochters niet nemen voor uwe zonen. a Ex. 3 1:10. I Kon. 11:2. 4 Want zij zouden uwe zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen; en de toorn des 11 eek en zou tegen ulieden ontsteken, en u haast verdelgen. 5 Maar alzoo zult gij hun doen: quot;hunne altaren zult gij afwerpen, en hunne opgerigte beelden verbreken, en hunne bosschen zuil gij afhouwen, en hunne gesnedene beelden mot vuur verbranden. a Ex. 23 : 24 31 : 13. Deul. 12 : 2, 3. (i Want quot;gij zijl een heilig volk den Heeue, uwen God; u heeft de Heeue, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op den aardbodem zijn. «Ex. 1!): 5. Deut. 4:20. 14:21. 2G:18. 28:9. 1 Petr.2:!), 7 De Heeue heeft geen' lust tot u gehad, noch u vorkoren, om uwe veelheid boven alle andere volken: want gij waart het weinigste van alle volken; 8 Maar omdat de Heeue ulieden quot;liefhad, en opdat Hij hield den eed, dien Hij uwen vaderen gezworen had, heeft u de Heeue met eene sterke hand uitgevoerd; en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte. a Deut. 10:15. !) Gij zuil dan weten, dat de Heeue, uw God, quot;die God is, die getrouwe God, welke het verbond en do weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben, en zijne geboden houden, tot in duizend geslachten. «Ex. 20:5. Deut. 5:9. |
10 En Hij vergeldt een' ieder van hen, die Hem haten, in zijn aangezigt, om hom te verderven; Hij zal het zijnen hater niet «vertrekken, in zijn aangezigt zal Hij het hem vergelden. «Noh. 1 : 2. 11 Houdt dan de geboden, en de inzettingen, en de regten, die ik u heden gebiede, om die te doen, 12 Zoo zal het geschieden, quot;omdat gij deze regten zult hooren, en houden, en dezelve doen, dat de Heeue, uw God, u het verbond en de weldadigheid zal houden, die Hij uwen vaderen gezworen heeft; a Lov. 2(i: 3. Deut. 28 : 1. 13 En Hij zal u liefhebben, en zal u zegenen, en u doen vermenigvuldigen; en Hij zal zegenen de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, uw koren, en uwen most, en uwe olie, de voortzetting uwer koeijen, en de kudden van uw klein vee, in liet land, dat Hij aan mve vaderen gezworen beeft u te geven. 14 Gezegend zult gij zijn boven alle volken; er zal onder u quot; noch man noch vrouw onvruchtbaar zijn, ook iu'cI onder uwe beesten. «Ex. 23:20. 15 En de Heeue zal alle krankheid van u afweren, en Hij zal u geene van do kwade ziekten der Egyptenaren, die gij kont, opleggen, maar zal zo leggen op allen, die u haten. 16 Gij zult dan al die volken verteren, die do Heeue, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet verschoonen, en gij zult hunne goden niet dienen: want dat zoude u een strik zijn. 17 Zoo gij in uw hart zoidet: Deze volken zijn meerder dan ik; hoe zou ik hen uit de bezitting kunnen verdrijven ? 18 Vreest niet voor hen; gedenkt steeds, wat de Heeue, uw God, aan Farao en aan alle Egyptenaren gedaan heeft: 1!) quot;Do groote verzoekingen, dio uwe oogen gezien hebben, en de teekenen, en de wonderen, en de sterke hand, en den uitgestrekten arm, door wolken u de Heeue, uw God, heeft uitgevoerd; alzoo zal de Heeue, uw God, doen aan alle volken, voor welker aangezigt gij vreest. a Deut. 4 : 34. 2!): 3. 20 Daartoe zal de Heeue, uw God, ook quot;horzelen onder hen zenden; totdat zij omkomen, die overgebleven, en voor uw aangezigt verborgen zijn. «Ex. 23 : 28. Joz. 24: 12. 21 Ontzet u niet voor hunlieder aangezigt: want de Heeue, uw God, is in hot midden van u, oen groot en vreesselijk God. 22 En de Heeue, uw God, zal deze volken voor uw aangezigt allengskens uitwerpen; haastelijk zult gij hen niet mogen te niet doen, opdat het wild des voids niet tegen u vermenigvuldige. 23 En de Heeue zal hen geven voor uw aangezigt, en Hij zal hen verschrikken met groote verschrikking, totdat zij verdelgd worden. 24 Ook zal Hij hunne koningen in uwe hand geven, dat gij hunnen naam van onder den hemel te niet doet; geen man zal voor uw aangezigt bestaan, totdat gij hen zult hebben verdelgd. |
Carlo Pohtislm : Mozes verbreekt «le tafelen der wet. (Dent. 9; 17).
DEUTERONOMIUM 7, 8, 9.
190
|
25 Do gesnedene boeiden van hunno goden zult ' gij met vuur verbranden; het zilver en goud, dat daaraan is, zult gij niet begeeron, noch voor u nemen, opdat gij daardoor niet verstrikt wordt: want dat is den Heere, uwen God, een gruwel. 2ü Gij zult dan den gruwel in uw huis niet brengen, dat gij een ban zoudt worden, gelijk datzolve is; gij zult het gansehelijk verfoeijen, en te eeneinale oenen gruwel daarvan hebben, want het is eon ban. HOOFDSTUK 8. Vermaning tot gehoorzaamheid door eene optelling van de vele en groote weldaden, welke God aan lariiöl had bewezen, vs. 1; door eene besehrijving van de schoonheid en vruchtbaarheid van het land der belofte, 7. Waarschuwing tegen hoogmoed en het vergeten van God en zijne weldaden, 10. Bedreiging van zware straffen, welke hen alsdan treffen zouden, 19. ALLE geboden, die ik u heden gebiede, zult gij waarnemen om te doon, opdat gij leeft, en vermenigvuldigt, en inkomt, en liet land erft, dat de Heere aan uwe vaderen gezworen heeft. 2 En gij zult gedenken aan al don weg, dien u de Heere, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedigde, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij zijne geboden zoudt houden, of niet. 3 En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het quot;Man, dat gij niet kendet, noch uwe vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, h dat de mensch niet alleen van het brood leeft, maar dat de mensch loeft van alles, wat uit des Heeren mond uitgaat. a Ex. 1G;14, 15. 6 Matt. 4:4. Lnk. 4:4. 4 quot;Uwe kleeding is aan u niet verouderd, en uw voet is niet gezwollen, deze veertig jaren. a Dont. 29 : 5. Neli. 9:21. 5 Bekent dan in uw hart, dat do Heere, uw God, u kastijdt, gelijk als een man zijnen zoon kastijdt. (i En houdt do geboden des Heeren, uws Gods, om in zijne wegen te wandelen, en om Hom te vreozen. 7 Want de Heere, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinon en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten; 8 Eon land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgeboomen, en granaatappelen; oen land van olierijke olijfboomen, en van honig; 9 Een land, waarin gij brood zonder schaarsch-heid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, welks steenon ijzer zijn, en uit welks bergen gij koper uithouwen zult. 10 quot;Als gij dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zoo zult gij den Heere, uwen God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven. a Dent. (!; 11, 12. 11 Wacht u, dat gij den Heere, uwen God, niet vergeet, dat gij niet zoudt houden zijne geboden, en zijne regten, en zijne inzettingen, die ik u heden gebiede; |
12 Opdat niet misschien, als gij zult gegoten hebben en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen, 13 En uwe runderen en uwe schapen zullen vermeerderd zijn, ook zilver en goud u zal vermeerderd zijn, ja al wat gij hebt, vermeerderd zal zijn; 14 Uw hart zich alsdan verheffe, dat gij vergeet den Heere, uwen God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft; 15 Die u geleid heeft in die groote en vroosse-lijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen , en dorheid, waar geen water was; quot; die u water uit de keiachtige rots voortbragt; «Ex. 17 ;G. Num. 20:11. Pa. 78:15. 114:8. Ifi Die u in de woestijn spijsde met quot; Man, dat uwe vaderen niet gekend hadden; om u te verootmoedigen , en om u te verzoeken, opdat Hij u ten laatste weldood; «Ex. 10:14, 15. 17 En gij in uw hart zegt: Mijne kracht, en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verkregen. 18 Maar gij zult gedenken den Heere, uwen God, dat Hij hot is, die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat Hij zijn verbond bevestige, dat Hij aan uwe vaderen gezworen heeft, gelijk het te dezen dage is. 19 Maar indien het geschiedt, dat gij den Heere, uwen God, gansehelijk vergoot, en andere goden navolgt, en hen dient, en u voor dezelve buigt, zoo betuig ik heden tegen u, dat gij voorzeker zult vergaan. 20 Gelijk de Heidenen, die de Heere voor uw aangezigt verdaan heeft, alzoo zult gij vergaan, omdat gij do stem des Heeren, uws Gods, niet gehoorzaam zult geweest zijn. HOOFDSTUK 9. (xetromvo waarschuwing aan Israël, om, hunne vijanden overwonnen en bezit van het beloofde land genomen hebbende, dat niet toe te schrijven aan hnnne go-regtigheid, maar aan üod, die de inwoners wegens hunne boosheid gestraft en zijne beloften aan Israël volbragt had, vs. 1. Mozes bewijst dit door een breedvoerig verhaal van hunnen opstand en overtredingen, bedreven bij den berg Horeb, 7; te Thab-óra, Massa, Kibrotii-Thaiiva, 22; en te Kades-Barnóa, 23. Tevens vermeldt hij, hoezeer hunne zonden hem gegriefd hebben, en welke voorbidding hij in hot werk gesteld heeft, om Gods toorn van hen af te wenden, 25. HOOR, Israël! gij zult lieden over de Jordaan gaan, dat gij inkomt, om volken to erven, die grooter en sterker zijn dan gij; steden, die groot on tot in den homol gesterkt zijn; 2 Een groot on lang volk, kinderen dor Ena-kieten; die gij kont, en van welke gij quot; gehoord hebt: Wie zou bestaan voor hot aangezigt der kinderen van Enak? aNnm. 13:32, 33. 3 Zoo zult gij heden weten, dat de Heere, uw God, degene is, die voor uw aangezigt doorgaat, een quot; verterend vuur: Die zal hen verdelgen, en Die zal hen voor uw aangezigt nederwerpen; en |
DEUTERONOMIUM 0.
191
|
gij zult ze uit de bezitting verdrijven, en zult hen haastelijk te niet doen, gelijk als de Heere tot u gesproken heeft. « Deut. 4 :'21. Hebr. 12:2!). 4 Wanneer hen nu de Heere, uw God, voor uw aangezigt zal hebben uitgestooten, zoo spreek niet in uw hart, zeggende: De Heere hoeft mij om mijne geregtigheid ingobragt, om dit land te erven : want, om de goddeloosheid dezer volken, verdrijft hen de Heere voor uw aangezigt uit de bezitting. 5 Niet om uwe geregtigheid, noch om de opregt-heid uws harten, komt gij er henen in, om hun land te erven; maar om de goddeloosheid dezer volken, verdrijft hen de Heere, uw God, voor uw aangezigt uit de bezitting; en om het woord te bevestigen, dat de Heere, uw God, aan uwe vaderen, Abraham, Izak en Jakob, quot;gezworen heeft. a Gen. 12:7. 13:15. 15:7. 17:8. 26:4. 28:13. G Weet dan, dat n de Heere, uw God, niet om uwe geregtigheid, ditzelve goede land geeft, om dat te erven: want gij zijt een hardnekkig volk. 7 Gedenkt, vergeet niet, dat gij den Heere, uwen God, in de woestijn quot; zeer vertoornd hebt; van dien dag af, dat gij uit Egypteland uitgegaan zijt, totdat gij kwaamt aan deze plaats, zijt gijlieden wederspannig geweest tegen den Heere. a Ex. 14:11. 16:2. 17:2. Num. 11:4. 8 quot;Want aan Horeb vertoorndet gij den Heere zeer, dat Hij zich tegen u vertoornde, om u te verdelgen. «Ex. 32:4. Ps. 106:19, 9 Als ik op den berg geklommen was, om te ontvangen de steenen tafelen, do tafelen des ver-bonds, dat de Heere met ulieden gemaakt had, toen quot; bleef ik veertig dagen en veertig nachten op den berg, at geen brood, en dronk geen water. «Ex. 24 :18. 34 : 28. 10 En de Heere gaf mij de twee steenen tafelen, quot;met Gods vinger beschreven; en op dezelve, naar al de woorden, die do Heere op den berg, uit liet midden dos vuurs, ten dage der verzameling, met ulieden gesproken had. «Ex. 31 :18. 11 Zoo geschiedde het, ten einde van veertig dagen en veertig nachten, ah mij de Heere de twee steenen tafelen, de tafelen des verbonds, gaf, 12 Dat de Heere tot mij zeide: Sta op, ga haastelijk af van hier, want uw volk, dat gij uit Egypte hebt uitgevoerd, heeft het verdorven; zij zijn haastelijk afgeweken van den weg, dien Ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt. 13 Voorts sprak de Heere tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is oen quot; hardnekkig volk. «Ex. 32:9. 33:8. 34:9. Dcnt. 10: 10. 31: 27. 2 Kon. 17 : 14. 14 quot;Laat van Mij af, dat Ik hen verdelge, en hunnen naam van onder den hemel uitdoe; en Ik zal u tot een magtiger en meerder volk maken, dan dit is. «Ex. 32:10, Ps. 106:23. 15 Toen keerde ik mij, en ging van den bergaf : de berg nu brandde van vuur, en de twee tafelen des verbonds waren op beide mijne handen, |
16 En ik zag toe, en ziet, j^ij hadt tegen don Heere, uwen God, gezondigd; gij hadt u een gegoten kalf gemaakt; gij waart haastelijk afgeweken van den weg, dien n do Heere geboden had, 17 Toen vatte ik de twoe tafelen, on wierp ze heen uit beide mijne handen, on brak ze voor uwe oogen. 18 En ik wierp mij neder voor het aangezigt des Heeren, als in het oerst, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood, en dronk geen water; om al uwe zonde, die gij hadt gezondigd, doende dat kwaad is in des Heeren oogen, om Hem tot toorn te verwekken. 19 Want ik vreesde van wege den toorn en de grimmigheid, waarmode de Heere zeer op ulieden vertoornd was, om u te verdelgen; doch de Heere verhoorde mij ook op dat maal. 20 Ook vertoornde zich de Heere zeer tegen Atiron, om hem te verdelgen; doch ik bad ook ter zeiver tijd voor Aaron. 21 Maar uwe zonde, het kalf, dat gij hadt gemaakt, quot;nam ik, en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wel, totdat het verdund werd tot stof; en zijn stof wierp ik in de beek, die van den berg afvliet. a Ex. 32:2U. 22 Ook vertoorndet gij den Heere zeer te quot; Thab-éra en te ''Massa, en te e Kibrêtb-Thaava. a Num. 11:1. h Ex. 17:7. cNum. 11:4,34. 23 Voorts als de Heere ulieden zond uit Kades-Barnéa, zeggende: quot;Gaat op en erft dat land, dat Ik u gegeven heb; zoo waart gij den mond des Heeren, uws Gods, wederspannig, en geloofde! Hem niet, en waart zijne stem niet gehoorzaam. a Num. 13:3. 14:1. 24 Wederspannig zijt gij geweest tegen den Heere, van den dag af, dat ik n gekend heb. 25 En ik wierp mij neder voor des Heeren aangezigt, die veertig dagen en veertig nachten, in welke ik mij nederwierp, dewijl de Heere gezegd had, dat Hij u verdelgen zou. 26 En ik bad tot den Heere, on zeide: quot; Heere, Heere! verderf uw volk en uw erfdeel niet, dat Gij door uwe grootheid verlost bobt; dat (!ij uit Egypte door eono sterke hand hebt uitgevoerd. « Ex. 32 :11. Num. 14:13. 27 Gedenk aan uwe knechten. Abraham, Izak en Jakob; zie niet op de hardighoid dezes volks, noch op zijne goddeloosheid, noch op zijne zonde; 28 Opdat hot land, vnn waar Gij ons hebt uitgevoerd, quot;niet zegge: Omdat ze do Heeke niet kon brengen in het land, waarvan Hij hun go-sproken had, en omdat Hij ben haatte, heeft Hij ze uitgevoerd, om hen te dooden in do woestijn. n Ex. 32 : 12. Num. 14: 16. 29 Zij zijn toch uw volk, en uw erfdeel, dat Gij door uwe groote kracht, en door uwen uit-gestrekten arm hebt uitgevoerd! |
DEÃTERONOMIUM 10.
192
|
HOOFDSTUK 10. Verhaal van hot vervaardigen van twee nieuwe tafelen, inschrijving der tien geboden in deze, on haroneder-legging in de ark, vs. 1. Dood van Ailron en afzondering van den stam van Levi tot do dienst des Heeren, G. liet verblijf van Mozes op den berg, 10. Eene heerlijke vermaning aan Israël, met verscheidene klemmende redenen aangedrongen, tot vreeze Gods, gehoorzaamheid en liefde des naasten, in het bijzonder omtrent den vreemdeling, 12. TER zeiver tijd zeide do Heere tot mij: quot; Houw ii twee steenen tafelen, nis do eerste, en klim tot Mij op dezen berg; daarna zult gij u eene kist van hout maken. «Ex. 34: 1. 2 En Ik zal op die tafelen schrijven de woorden, |
Bene-Jaakan en Moséra. Aldaar ''stierf Aaron, en werd aldaar begraven; en zijn zoon Eleazar bediende het priesterambt in zijne plaats. a Num. 33 : 30. h Num. 20 : 28. 33 ; 38. 7 Van daar reisden zij naar quot;Gudgod, en van Gudgod naar Jotbath, een land van waterbeken.) a Num. 33 : 32, 33. 8 Ter zeiver tijd scheidde de Heere den stam Levi uit, om de ark des verbonds des Heeren te dragen, om voor het aangezigt des Heeren te staan, om Hem te dienen, en om in zijnen naam te zegenen, tot op dezen dag. !J Daarom heeft Levi quot; geen doel noch erve met zijne broederen; de Heere is zijn erfdeel. |
Â¥
Dom. HkctaI'umi : .Mozes vernietigt ln'l gomlon kalf (Dout. 9:21).
|
die geweest zijn op do eerste tafelen, die gij gebroken hebt; en gij zult ze leggen in die kist. 3 Alzoo maakte ik eene kist van sittimhout, en hieuw twee steenen tafelen als de eerste; en ik klom op den berg, en de twee tafelen waren in mijne hand. 4 Toen schreef Hij op do tafelen, naar het eerste schrift, de tien woorden, die do Heere, ten dage der verzameling, op den berg, uit het midden des vuurs, tot ulieden gesproken had; en de Heere gaf ze mij. 5 En ik keerde mij, en ging af van den berg, en leide de tafelen in de kist, die ik gemaakt had; en aldaar zijn zij, gelijk als de Heere mij geboden heeft. |
(i (En de kinderen Israels quot; reisden, van Heöruth gelijk als de Heere, uw God, tot hem gesproken heeft. «Num. 1S;20, 21, onz. Dout. 18: 1. Ezec. 44:28. 10 En ik stond op den borg, als de vorige dagen, quot;veertig dagen en veertig nachten; en do Heere ''verhoorde mij ook op datzelve maal: de Heere heeft u niet willen verderven. « üeut. 9: 18. h Deut. 9: 19. 11 Maar de Heere zeide tot mij: Sta op, ga op de reizo, voor het aangezigt des volks; dat zij inkomen, en erven het land, dat Ik hunnen vaderen gezworen heb, hun te geven. 12 Nu dan, Israël! wat eischt de Heere, uw God, van u? dan den Heere, uwen God, te vreezen, in al zijne wegen te wandelen, en Hom lief te hebben, en den Heere, uwen God, quot;te |
DEUTERONOMIÃM 10, 11.
|
dienen, met uw gansehe hart en niet uwe gansche ziel; ttüont. 6:5. Matt. 22:37. Luk. 1(): 27. 13 Om te houden de geboden des Heeren, en zijne inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede. 14 Ziet, des IIeeren, uws Gods, is de hemel, en de hemel der hemelen, de quot;aarde, en al wat daarin is. a Oen. u:1(j. Ps. 24:1. 115: Ui. 15 Alleenlijk heeft de Heere lust gehad aan uwe vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit al de volken verkoren, gelijk het te dezen dage is. Ki Besnijdt dan de voorhuid quot; uws harten, en verhardt uwen h nek niet meer. a .Ier. 4 : 4. b Ex. 32 : 9. 33 : 3. 34 : 9. Dent. 9:13. 17 Want de Heere, uw God, is oen God der goden, en quot;oen Heere der hoeren; die groote, die magtige, en die vreesselijke God, die ''geen aangezigt aanneemt, noch geschenk ontvangt; «Openb. 17:14. h2 Kron. 19:G, 7. Job 34:19. Hand. 10:34. Rom. 2:11. Gal. 2:0. Efez, 0:9. Col. 3:25. IPetr. 1:17. 18 Die het regt van den wees en van de weduwe doet; en den vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleeding geve. 19 Daarom zult gijlieden den vreemdeling liefhebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland. 20 Den Heere, uwen God, zult gij quot; vreezen, Hom zult gij dienen, en Hem zult gij ''aanhangen, en bij zijnen naam zweren. a Dout. 0: 13. Matt. 4: 10. Luk. 4:8. h Dout. 13:4. 21 Hij is uw lof, en Hij is uw God! die bij u gedaan heeft deze groote en vreesselijke dingen, die uwe oogen gezien hebben. 22 Uwe vaderen togen af naar Egypte met quot;zeventig zielen; en nu heeft u de Heere, uw God, gesteld '' als de sterren des hemels in menigte. a Gen. 40:27. Ex. 1 : 5. Hand. 7 : 14. 6 Oen. 15:5. HOOFDSTUK 11. Mozes vermaant Israël bij vernieuwing' tot onderhouding van Gods geboden, aangedrongen, ten eerste, met eene vermelding der weldaden en wonderwerken, welke God hun bewezen had, vs. 1; ten tweede, met eene beschrijving van het beloofde land, 9; ten derde, met belofte van eene gezegende luehts-gesteldheid en vruchtbaarheid van den grond, 13; en ten vierde, met bedreiging van het tegenovergestelde, in geval van afwijking, 10. Vermaning om Gods geboden steeds voor oogen te houden en ze hunnen kinderen te leeren, met heerlijke belofte, 18. Voorstelling van den zegen en den vloek, 20; en op welke wijs die uitgesproken moesten worden, als zij in Kanailn zouden gekomen zijn, 29. DAAROM zult gij den Heere, uwen God, liefhebben, en gij zult te allen dage onderhouden zijn bevel, en zijne inzettingen, en zijne regten, en zijne geboden. 2 En gijlieden zult heden weten, dat ik niet spreek met uwe kinderen, die het niet weten, en de onderwijzing des Heeren, uws Gods, niet gezien hebben, zijne grootheid, zijne sterke hand en zijnen uitgestrekten arm; |
3 Daartoe zijne teekenen en zijne daden, die Hij in hot midden van Egypte gedaan heeft, aan Farao, den koning van Egypte, en aan zijn gansche land; 4 En wat Hij gedaan heeft aan liet heir der Egyptenaren, aan deszelfs paarden en aan des-zelfs wagenen: dat Hij de wateren van de Schelf-zee boven bun aangezigt deed overzwemmen, als zij ulieden van achteren vervolgden; en de Heere verdeed hen, tot op dezen dag. 5 En wat Ilij ulieden gedaan beef! in de woestijn, totdat gij gekomen zijt aan deze plaats. 0 Daarenboven, wat Hij gedaan heeft quot;aan Dathan en aan Abïram, zonen van Elïab, den zoon van Ruben; boe de aarde haren mond opendeed, ou hen verslond met hunne huisgezinnen, en hunne tenten, ja al wat bestond, dat hun aanging, iu het midden van gausch Israël. a Num. 10:31. 27:3. Fs. 100:17. 7 Want het zijn uwe oogen, die gezien hebben al dit groote werk des Heeren, dat Hij gedaan heeft. 8 Houdt dan alle geboden, die ik u heden gebiede; opdat gij gesterkt wordt en inkomt, en erft het land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven; 9 En opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de Heere uwen vaderen gezworen heeft, aan hou en aan bun zaad te geven; een land, vloeijende van molk om honig. 10 Want het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypteland, van waar gij uitgegaan /.ijl, hetwelk gij bezaaide! met uw zaad, en bewaterdet met uwen gang, als oenen kruidhof. 11 Maai' hot land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven, is een land van borgen en van dalen: hot drinkt water bij den regen des hemels; 12 Een land, dat de Heere, uw God, bezorgt: de oogen des Heeren, uws Gods, zijn gedurig daarop, van bot begin des jaars tot het einde dos jaars. 13 En bet zal geschieden, zoo gij naarstiglijk zult hooren naar mijne geboden, die Ik u heden gebiede, om don Heere, uwen God, lief te hebben, en Hom te dienen, met uw gansche hart en met uwe gansche ziel; 14 Zoo zal Ik den regen uws lands geven te zijner tijd, vroegen regen en spaden regen; opdat gij uw koren, en uwen most, en uwe olie inzamelt. 15 En Ik zal kruid geven op uw veld voor uwe beesten; en gij zult eten en verzadigd worden. 10 Wacht u zeiven, dat ulieder hart niet verleid worde, dat gij quot;afwijkt, en andere goden dient, en ii voor dio buigt; a Dent. 8:19. 17 Dat de toorn des Heeren tegen ulieden ont-stoke, en Hij don hemel toosluite, dat er geen regen zij, en het aardrijk zijn gewas niet geve; en gij haastelijk omkomt van het goede land, dat u de Heere geeft. |
13
|
1 !)4 18 quot;Legt dan clezo mijno woordon in uw liart, en in uwe ziel, en bindt ze tot oen teeken op uwe hand, dat zij tot voorlioofdspanselon zijn tusschen uwe oogen ; n ücul. (i: (i. s. 1!) En quot;loert die uwen kinderen, sprekende daarvan, als gij in uw huis zit, en als gij op don weg gaat, en als gij nedorligt, en als gij opstaat; n Dcnt. 4 :!). fi; 7. 20 En schrijf ze op de posten van uw huis, on aan uwe poorten; 21 Opdat uwe dagen en do dagen uwer kinderen, in het land, dat do Heere uwen vaderen hun te geven gezworen hooft, vermonigvuldigen, gelijk de dagen des hemels op de aarde. 22 Want zoo gij naarstiglijk houdt al doze geboden , die ik u gobiodo om die te doen, den IIeere, uwen God, liefhebbende, wandelende in al zijne wegen, en Hem aanhangende; 23 Zoo zal do IIeere al deze volken voor uw aangozigt uit de bezitting verdrijven, en gij zult erfelijk bezitten grooter en magtigor volken, dan gij zijt. 24 Allo plaats, quot;waar uwe voetzool op treedt, zal do uwe zijn: van de woestijn on don Libanon, van do rivier, de rivier Fratii, tot aan de achterste zoo, zal uwe landpale zijn. «Joz. 1 :14:9. 25 Niemand zal voor uw aangozigt bestaan; do IIeere, uw God, zal uwen schrik en uwe vreezo geven over al het land, waarop gij treden zult, quot;gelijk als Hij tot u gesproken hooft. aEx.23:27. 2() Ziet, ik stol ulioden heden voor, zegen en vloek : 27 Don zegen, wanneer gij hooren zult naar de geboden dos Heeren, uws Gods, die ik u heden gobiodo; 28 Maar don vloek, zoo gij niet hooren zult naar do geboden des Heeren, uws Gods, en afwijkt van den weg, dien ik u heden gobiodo, om andere goden na te wandelen, die gij niet gekend hebt. 2!) En liet zal geschieden, als u do Heere, uw God, zal hebben ingobragt in hot land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; quot;dan zult gij den zogen uitspreken op don borg Gorizim, on '' den vloek op don berg Ebal. n Dent. 27 : 12. Joz. 8 : 33. Ij Deut. 27 ; 13. 30 Zijn zij niet aan gene zijde van do Jordaan, achter don weg van den ondergang dor zon, in hot land der Kanaanioten, die in het vlakke veld wonen, tegenover Gilgal, bij do eikenbosschen van More? 31 Want gijlieden zult over do Jordaan gaan, dat gij inkomet om te erven dat land, dat de Heere, uw God, u geven zal; en gij zult hot erfelijk bezitten, en daarin wonen. 32 Neemt dan waar to doen al de inzettingen on do rogton, die ik u heden voorstel. HOOFDSTUK 12. |
Hovel tnt uitroeijing van allo afgoderij in het land Kanailn, vs. 1; en tot uitoefening van hunne uiterlijke Godsdienst naar Gods bevel, en ter plaatse, welke Hij verkiezen zal, 5. Wat, met wie, aan welke |ihiatsen zij eten mogten, en welk verbod daarbij door hen in acht genomen moest worden, 7, 12. Herhaald bevel om do regto Godsdienst volgons Gods instelling waar te nemen en geenszins de afgodische plegtighoden der Kanailnielon na to volgen, 20. DIT zijn do inzettingen en de rogten, die gijlieden zult waarnomen om te doen, in dat land, hetwelk u de Heere, uwer vaderen God, gegeven heeft, om hot te erven; al de dagen, die gijlieden op don aardbodem looft. 2 quot;Gij zult ganschelijk vernielen al do plaatsen, alwaar de volken, die gij zult erven, limine goden gediend hebben; op do hooge borgen, en op de heuvelen, en onder allen groenen boom. r/Ex. 34:12, 13. Dont. 7:0. 3 En gij zult hunne quot; altaren afwerpen, en hunne opgerigte beelden verbreken, en hunne bosschen met vuur verbranden, en de gesnedene boeiden hunner goden nedorhouwon; en gij zult hunnen naam te niet doen, uit diezelvo plaats. «Kigt.2:2. 4 Gij zult don Heere, uwen God, alzoo niet doen; 5 quot;Maar naar de plaats, die de Heere, uw God, uit al uwe stammen verkiezen zal, om zijnen naam aldaar te zotten, naar zijne woning zult gijlieden vragen, en daarheen zult gij komen; a'2 Kron. 7 : 12. (! En daarheen zuil gijlieden brengen uwe brand-offeron, en uwe slagtofforon, en uwe tienden, en het hefoffer uwer hand, en uwe geloften, en uwe vrijwillige offeren, en de oerstgeboorton uwer runderen en uwer schapen. 7 En aldaar zult gijlieden voor het aangozigt des Heeren, uws Gods, eten, en vrolijk zijn, gijlieden en uwe huizen, over alles, waaraan gij uwe hand geslagen hebt, waarin u de Heere, uw God, gezegend beeft. 8 Gij zult niet doen naar alles, wat wij hier heden doen: oen ieder al wat in zijne oogen regt is. 0 Want gij zijt tot nu toe niet gekomen in do rust en in do erfenis, die de Heere, uw God, u geven zal. 10 Maar gij zult over do Jordaan gaan, en wonen in het land, dat u de Heere, uw God, zal doen erven; en Hij zal u rust geven van al uwe vijanden rondom, ou gij zult zeker wonen. 11 Dan zal er oene plaats zijn quot;die do Heere, uw God, verkiezen zal, om zijnen naam aldaar te doen wonen; daarheen zult gij brengen alles, wat ik u gobiodo: uwe brandofferen, en uwe slagtofforon, uwe tienden, on het hefoffer uwer hand, on alle keur uwer geloften, die gij don Heere beloven zult. «I Kon. 8:29. 12 En gij zult vrolijk zijn voor het aangozigt des Heeren, uws Gods, gijlieden, en uwe zonen, en uwe dochteren, en uwe dienstknechten, en uwe dienstmaagden, en do Leviet, die in uwe poorten is: want hij quot;heeft geen deel noch erve met ulioden. a Num. 18:20. Dout. 10:9. 18:1. DEUTERONOMTUM 11, 12. |
DEÃTERONOMIÃM 12, i:].
|
13 Wacht; u, dat gij uwo bvandofferon niet offort ! in allo plaats, die gij zien zult. 14 Maar in de plaats, die do Heere in eenon uwer stammen zal verkiezen, daar zult gij uwe brandofferen offeren, on daar zuil gij doen al wat ik u gebiede. 15 Doch naar allen lust uwer ziel zult gij slagton en vloesch eten, naar den zogen dos Hueren, uws Gods, dien Hij u geeft, in al uwe poorten; do onreine on de reine zal daarvan eten, als van eono roe, on als van eon hort. 16 quot;Alleenlijk hot bloed zult gijlieden niet eten; gij zult hot op de aarde uitgieten als water. a Gen. 9:4. Lev. 7 : 20. 17; 10. Dout. 15:23. 17 Gij zult in uwe poorten niet mogen oten do tienden van uw koren, en van uwen most, en van uwe olie, noch de eerstgeboorten van uwe runderen en van uwe schapen, noch eenige uwer geloften, die gij zult hebben beloofd, noch uwe vrijwillige offeren, noch het hefoffer uwer hand. 18 Maar gij zult dat eten voor hot aangozigt dos Heeren, uws Gods, in de plaats, die de Heeue, uw God, verkiezen zal, gij, en uw zoon, en uwe dochter, en uw dienstknecht, en uwe dienstmaagd, on do Leviet, die in uwe poorten is; en gij zult vrolijk zijn voor het aangozigt des Heeren, uws Gods, over alles, waaraan gij uwe handen geslagen hebt. 1!) Wacht u, dat gij den Leviet niet verlaat, al uwe dagen in uw land. 20 Wanneer de Heere, uw God, uwe landpale zal verwijd hebben, quot;gelijk als Hij tot u gespro-kon hooft, en gij zoggen zult: Ik zal vloesch eten; dewijl uwe ziel lust hooft vleescli te eten, zoo zult gij vleesch eten, naar allen lust uwer ziel. a Gen. 28 : 13. Ex. 23 : 31. Dent. 11 : 24. li): 8. 21 Zoo de plaats, die do Heere, uw God, verkiezen zal, om zijnon naam aldaar te zetten, verre van u zal zijn, zoo zult gij slagton van uwe runderen en van uwe schapen , die do Heere u gegeven heeft, gelijk als ik u geboden heb; on gij zult eten in uwe poorten naar allen lust uwer ziel. 22 Doch gelijk als eono roe en oen hert gegeten wordt, alzoo zult gij dat eten; de onreine en do reine zullen hot te zamon oten. 23 Alleen houdt vast, dat gij hot bloed niet otot, want hot bloed is do ziel; daarom zult gij do ziel niet het vleosch niet eten; 24 Gij zult dat niet oten; op de aarde zult gij het uitgieten als water; 25 Gij zult dat niet oten; opdat hot u, en uwen kindoren na u, welga, als gij zult gedaan hebben, wat rogt is in do oogen des Heeren. 20 Doch uwe heilige dingen, die gij hebben zult, on uwe geloften zult gij opnemen, en komen tot de plaats, die do Heere verkiezen zal; 27 En gij zult uwe brandofferen, hot vleesch en het bloed, bereiden op het altaar dos Heeren, uws Gods; en het bloed uwer slagtofforen zal op |
hot altaar dos Heeren, uwS Gods, worden uitgegoten , maar hot vloesch zult gij eten. 28 Noemt waar en hoort al deze woorden, die ik u gebiede, opdat hot u, en uwen kinderen na u, welga tot iu eeuwigheid, als gij zult gedaan hebben wat goed en rogt is in de oogen des Heeren, uws Gods. 2S) Wanneer do Heere, uw God, voor uw aangozigt zal hebben uitgerooid de volken, naar dewelke gij heengaat, om die erfelijk te bezitten; en gij die erfelijk zult bezitten, on in hun land wonen; 30 Wacht u, dat gij niet verstrikt wordt achter hen, nadat zij voor uw aangozigt zullen verdelgd zijn, en dat gij niet vraagt naar hunne goden, zeggende: Gelijk als deze volken hunne goden gediend hebben, alzoo zal ik ook doen. 31 Gij zult alzoo niet doen den Heere, uwen God: want al wat don Heere oen gruwel is, dat Hij haat, hebben zij hunnen goden gedaan: want zij bobben ook hunne zonen en hunne dochteron met vuur verbrand voor hunne goden. 32 Al dit woord, hetwelk ik ulieden gebiede, zult gij waarnomen om te doen; quot; gij zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen. n Dout. 4 : 2. Siir. 30 : 0. Oponb. 22 : 18. HOOFDSTUK 13. Voorschrift aan Gods volk van hun gedrag togon oonoii valschen profeet, die lion tot nfvnl zou willen brongon van don waren God, vs. 1 ; gelijk mode togon andere personen, al behoorden zij ook tot hunne beste vrienden, wanneer zij de afgoderij zouden aanraden, 0, togen eene afgevallene stad en hare inwoners, 12. WANNEER een profeet, of droomendroomor, in hot midden van u zal opstaan, en u geven een toeken of wonder; 2 En dat toeken of dat wonder komt, dat hij tot u gesproken had, zeggende: Laat ons andere goden, die gij niet gekend hebt, navolgen en hen dienen ; 3 Gij zult naar de woorden van dien profeet, of naar dien droouiondroomer niet hooren: want do Heere, uw God, verzoekt ulieden, om te weten, of gij don Heere, uwen God, liefhebt met uw gansche hart en mot uwe ganscho ziel. 4 Den Heere, uwen God, zult gij navolgen, en Hom vreezen, en zijne geboden zult gij houden, en zijne stem gehoorzaam zijn, quot;en Hem dienen, en Hem aanhangen. a Dent. 10:20. 5 En diozelve profeet, of droomendroomor, zal quot;gedood worden: want hij heeft tot oenen afval gesproken tegen den Heere, uwen God, die ulieden uit Egyptoland heeft uitgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; om u af te drijven van den weg, dien u do Heere, uw God, geboden iieeft, om daarin te wandelen. Zoo zult gij het boozo uit hot midden van u wegdoen. «Dout. 18:20. Jor. 14:15. 6 Wanneer uw quot;broeder, de zoon uwer moeder, â¢13* |
DEUTERONOMIUM 14.
|
of uw zoon, of uwe dochter, of de vrouw van uwen schoot, of uw vriend, die als uwe ziel is, ii zal aanporren in het heimelijke, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, dio gij niet gekend hebt, gij noch uwe vaderen; o Deut. 17 :'2. 7 Van de goden der volken, die rondom u zijn, nabij u, of verre van u, van het eene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; 8 Zoo zult gij hem niet te wille zijn, en naar hein niet hooren; ook zal uw oog hem niet ver-schoonen, en gij zult u niet ontfermen, noch hem verbergen; !) Maar gij zult hem zekerlijk doodslaan: quot;uwe hand zal eerst tegen hem zijn, om hein te dooden, en daarna de hand des ganschen volks, a Deut. 17:7. 10 En gij zult hem met steenen steenigen, dat hij sterve: want hij heeft u gezocht af te drijven van den Heere, uwen God, die u uit Egypte-land, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft. 11 Opdat quot;gansch Israël het hoore en vreeze, en niet voortvare te doen naar dit booze stuk in liet midden van u. «Deut. 17: n. 12 Wanneer gij van eene uwer steden, die do Heere, uw God, u geeft, om aldaar te wonen, zult hooren zeggen: 13 Er zijn mannen, Belials kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners hunner stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die gij niet gekend hebt; 14 Zoo zult gij onderzoeken, en naspeuren, en wel navragen; en ziet, het is do waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in hot midden van u gedaan: lö Zoo zult gij de inwoners derzelve stad gan-schelijk slaan mot de scherpte des zwaards, verbannende haar, en alles, wat daarin is, ook hare beesten, met de scherpte dos zwaards. 1G En al haren roof zult gij verzamelen in het midden van hare straat, en den Heere, uwen God, die stad en al haren roof ganschelijk mot vuur verbranden; en zij zal een hoop zijn eeuwig-lijk , zij zal niet weder gebouwd worden. 17 Ook zal er niets van het verbannene aan uwe hand kloven, opdat do Heere zich wonde van de hitte zijns toorns, en u geve barmhartigheid, on zich uwer erbarme, en u vermenigvuldige, gelijk als Hij uwen vaderen gezworen heeft; 18 Wanneer gij de stem dos Heeren, uws Gods, zuil gehoorzaam zijn, om Ie houden al zijne geluiden, die ik u heden gebiede, om te doen wat regt is in de oogen des Heeren, uws Gods. HOOFDSTUK 14. Verbod van de rouwplegligheden der Heidenen, vs. 1. Aanwijzing welk gedierte zij eten raogten, welk niet, H; betreffende de opbrengst en het gebruik dor tienden, 22. GIJLIEDEN zijt kinderen des Heeren, uws Gods; gij zult u zeiven niet quot;snijden, noch kaalheid maken tusschen uwe oogen, over eenen doode. |
a Lev. 19:27, 28. 21 : 5. 2 Want gij zijt quot;een heilig volk den Heere, uwen God; en u heeft de Heere vorkoren, om Hem tot oen volk des eigendoms te zijn, uit al de volken, dio op don aardbodem zijn. a Dent. 7 : (i. 2fi : 18. :! Gij zult geenen gruwel eten. 4 quot;Dit zijn do beosten, die gijlieden eten zult; een os, klein vee der schapen, en klein vee der geiten ; « Lev, 11 : 2, en/,. 5 Een hert, en eene ree, en een buffel, en oen steenbok, en een das, en een wilde os, en eene gemse. (i Allo hoesten, die do klaauwon verdeolon, on de kloof in twee klaauwon klieven, m herkaauwon onder de beesten, die zult gij eten. 7 Maar deze zult gij niet eten, van dogenen, die alleen herkaauwon, of van degenen, die den go-kloofden klaauw alleen verdoelen: don kemel, en den haas, on hot konijn: want deze herkaauwon wel, maar zij verdoelen don klaauw niot; onrein zullen zij nliedon zijn. 8 Ook hot varken, want dat verdeelt zijnon klaauw wel, maar hot herkaauwt niet; onrein zal liet nliedon zijn: van hun vloesch zult gij niot eten, en hun dood aas zult gij niet aanroeren. !) Dit zult gij eten van alles, wat in do wateren is: al wat vinnen en schubben hoeft, zult gij eten. 10 Maar al wat goono vinnen en schubben hooft, zult gij niet eten; hot zal nliedon onrein zijn. 11 Allen roinen vogel zult gij eten. 12 M: ar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten: do arend, on do havik, en de zeearend, 13 En do wouw, on de kraai, on do gier naar haren aard; 14 En allo rave naar haren aard; 15 En de struis, en do nachtuil, en de koekoek, en do sperwer naar zijnen aard; IC En do steenuil, en do schuifuit, en do kauw, 17 En do roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje, 18 En do ooijevaar, en de reiger naar zijnen aard; en de hop, en do vlederinuis; 19 Ook al hot kruipend gevogelte zal nliedon onrein zijn; zij zullen niot gegoten worden. 20 Al het rein gevogelte zult gij eten. 21 Gij zult geen dood aas eten ; don vreemdeling, die in uwe poorten is, zult gij hot geven, dat, hij hot ete, of verkoopt het don vreemde: want gij gij zijt een heilig volk den Heere, uwen God. Gij zult het quot;bokje niot koken in do molk zijner moeder. quot; Ex. 23 : 19. 34 : 2(). 22 Gij zult getrouwelijk vortionon al hot inkomen uws zaads, dat elk jaar van hot veld voortkomt. 23 quot;En voor liet aangozigt des Heeren, uws Gods, ter plaatse, die Hij verkiezen zal, om zijnon naam aldaar te doen wonen, zult gij eten do tienden van uw koren, van uwen most, en van uwe olie, en de eerstgeboorten uwer runderen |
DEUTERONOMIUM 14, 15,
1117
|
on uwer schapen; opdat gij den Heere, uwen God, leert vreezen allo dagen. «Deut. 12: 17, 18. 24 Wanneer dan nog do weg voor u te vool zal zijn, dat gij zulks niet zoudt kunnen hoendragon, omdat de plaats te verre van u zal zijn, die de Heere, uw God, verkiezen zal, om zijnen naam aldaar te stellen; wanneer de Heere, uw God, u zal gezegend hebben: 25 Zoo maakt het tot geld, en bindt het geld in uwe hand, en gaat naar de plaats, die de Heere, uw God, verkiezen zal; 26 En geeft dat quot; geld voor alles, wat uwe ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterken drank, en voor alles, wat uwe ziel van u begeeren zal, en eet aldaar voor het aangezigt des Heeren, uws Gods, en weest vrolijk, gij en uw huis. « Matt. 21 : 12. 27 Maar den Leviet, die in uwe poorten is, zult gij niet. verlaten: want hij heeft geen quot;deel noch erve met u. a Num. 18 : 20, 24. Deut. 10 :!). 12 : 12. 18 : 1 , 2. 2G : 12. 28 Ten einde van driejaren zult gij voortbrengen alle tienden van uw inkomen, in hetzelve jaar, en gij zult zo wegleggen in uwe poorten: 2!) Zoo zal komen de Leviet, dewijl hij geen dool noch erve met u heeft, en de vreemdeling, en de wees en do weduwe, die in uwe poorten zijn, on zullen eten en verzadigd worden; opdat u de Heere, uw God, zegene in al het werk uwer hand, dat gij doen zult. HOOFDSTUK 15. Tijd van hot vrijheidsjaar en hoe zij hot moesten houden, vs. 1. Ernstig bevel van het bezorgen dor armen in Israël, met belofte van Gods zegen, 7. Vrijlating van de gekochte hebreeuwscho dienstknechten en dienstmaagden, insgelijks hoe men mot hen moest handelen, wanneer zij begeerden to blijven , 12. Heiliging van het eerstgeborene van liet vee, 1!). TEN quot;einde van zeven jaren zult gij oeno vrijlating maken. a Ex. 21:2. Jer. 34:14. 2 Dit nu is de zaak der vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijnon naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijnen naaste of zijnen broeder niet manen, dewijl men den Heere eene vrijlating heeft uitgeroepen. 3 Don vreemde zult gij manen; maar wat gij bij uwen broeder hebt, zal uwe hand vrijlaten. 4 Alleenlijk, omdat er geen bedelaar onder u zal zijn: want de Heere zal u overvloediglijk zegenen in het land, dat u do Heere, uw God, ten erve zal geven, om hetzelve erfelijk te bezitten: 5 Indien gij slechts do stem des Heeren, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, dat gij waarneemt te doen al deze geboden, die ik u heden gebiede. 'i Want de Heere, uw God, zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken; zoo quot;zult gij aan vele volken leonen, maar gij zult niet ontleenen; en gij zult over vele volken hoerschon, maar over u zullen zij niet heerschen. «Deut. 28:12. |
7 Wanneer er onder u oen arme zal zijn, een uit uwe broederen, in oono uwer poorten, in uw land, dat do Heere, uw God, u geven zal, zoo zult gij uw hart niet verstijven, noch uwe hand toesluiten voor uwen broeder, dio arm is; 8 Maar gij zult hem uwe hand mildelijk opendoen, on zult hem rijkelijk Iconen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt. 1) Wacht u, dat in uw hart geen Belials woord zij, om te zeggen: liet zevende jaar, het jaar der vrijlating naakt; dat uw oog boos zij tegen uwen broeder, die arm is, on dat gij hom niet gevet; en hij over u roepe tot den Heere, en zonde in u zij. 10 «Gij zult, hom mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn, als gij hem geeft: want om dezer zake wil zal u do Heere, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles, waaraan gij uwe hand slaat. «.Matt. 5:42. Luk. 0:35. 11 Want quot;de arme zal niet ophouden uit het midden des lands; daarom gebiede ik u, zeggende: Gij zult uwe hand mildelijk opendoen aan uwen broeder, aan uwe bedrukten en aan uwe armen in uw land. « Matt. 20 : 11. Joh. 12 : s. 12 quot;Wanneer uw broeder, oon Hebreër of oono Hebreïnne, aan u verkocht zal zijn, zoo zal hij u zes jaren dienen; maar in hot zevende jaar zult I gij hem vrij van u laten gaan. a Kx.21 ;2. .Ior.31:1 1. 13 En als gij hem vrij van u gaan laat, zoo zult gij hem niet ledig laten gaan: 14 Gij zult hom rijkelijk opleggen van uwe kudde, en van uwen dorschvloer, en van uwe wijnpers; waarin u do Heere, uw God, gezegend hoeft, daarvan zult gij hem geven. 15 En gij zult, gedenken, dat gij een dionstknocht in Egyptoland geweest zijt, en dat u do Heere, uw God, verlost hcel'l ; daarom gebiede ik u heden deze zake. l(i Maar hot zal geschieden, als hij tot u zoggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl het hem wol bij u is; 17 Zoo zult gij quot;oenen priem nomen, en steken in zijn oor en in do deur, en hij zal eeuwiglijk uw dienstknecht zijn; en aan uwe dienstmaagd zult gij ook alzoo doen. «Ex. 21 : li. 18 Het zal niet hard zijn in uwe oogon, als gij hem vrij van u gaan laat: want als oon dubbel-loons-dagloonor hooft hij u zes jaren gediend; zoo zal u do Heere, uw God, zegenen in alles, wat gij doen zult. 19 quot;Al liet eerstgeborene, dat onder uwe ruii-doren en onder uwe schapen zal geboren worden, zijnde een manneken, zult gij den Hekre, uwen God, heiligen; gij zult niet arbeiden met den eerstgeborene van uwen os, noch do eerstgeborene uwer schapen scheren. «Ex. 13:2. 22:29. 34:19. Lev. 27:20. Num. 3:13. 20 Voor het aangezigt des Heeren, uws Gods, zult gij ze jaar op jaar eten in de plaats, die de 1 Heere zal verkiezen, gij on uw huis. |
DEUTER0N0M1UM 15, 16.
198
|
21 quot;Doch als oonig' gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of ounig kwaad gebrek, zoo zult gij liet den Heehe, uwen God, niet offeren; «Lov. 22:20. Dout. 17; I. 22 In uwe poorten zult gij het eten; tie onreine en de reine te zamen, als eene ree, en als con hort. 23 quot;Zijn bloed alleen zult gij niet eten; gij zult hot op de aarde uitgieten als water. a Deut. 12 : 1G, 23. HOOFDSTUK 16. Van hot vieren tier fooston, to woton: van het paasch-foost, vs. 1; van hot pinksterfeest, 9; van hot loofhuttenfeest, IH. Wie, waar on iioo zij op deze feesten verschijnen moesten, 16. Hot ambt dor regters, 18 Van bosschen en standbeelden, don afgoden gewijd, 21. |
4 Er zal bij u in zeven dagen geen zuurdeeg gezien worden in oenige uwer landpalen; ook zal « van liet vleesch , dat gij aan den avond aan don eersten dag geslagt zult hebben, niets tot den morgen overnachten. a Ex. 12:10. 5 Oij zult liet pascha niet mogen slagten in eene uwer poorten, die de Heere, uw God, u geeft. 6 Maar aan de plaats, die de Heere, uw God, verkiezen zal, om daar zijnen naam te doen wonen, aldaar zult gij het pascha slagten aan den avond, als de zon ondergaat, ter bestemder tijd van uw uittrekken uit Egypte. 7 Dan zidt gij het koken en eten in de plaats, die de Heere, uw God, verkiezen zal; daarna zult gij u dos morgens keeren, en heengaan naar uwe tenten. |
WWWaiWttl# toSI tmti im ttitt (a*tarui talittUWI wi» RWWj rrt irt Wnmnidruno w» ftomtófoi iotóimtteMuf Aic w
| quot;A'.tt pnüJualaNiaii trtoten tum itRcn mi i'lmnit.-x
|
!.. Cranach , d. j.: Prediking van .!( NEEMT waar de maand Abih, dat gij den Heere, uwen God, quot;pascha houdt: want in de maand Abib heeft u de Heere, uw God, uit Egypteland uitgevoerd, bij nacht. a Ex. 12:2. Lev. 23:5. Num. 9:1. 28: 10. 2 Dan zult gij den Heere, uwen God, het pascha slagten, schapen en runderen, in de plaats, die de Heere verkiezen zal, om zijnen naam aldaar te doen wonen. 3 Gij zult quot; nbts gedeesomds op hetzelve eten; zeven dagen r.ult gij ongezuurde bvooden op hetzelve eten, een brood der ellende; (want in der haast zijt gij uit Egypteland uitgetogen) opdat gij gedenkt aan den dag van uw uittrekken uit Egypteland, al de dagen uws levens. o, Ex. 12 : 19. 34: 18. . |
Iiannes den Dooper (Deut. 10:10). 8 Zes dagen zult gij ongezuurde broaden eten', en aan den zevenden dag is een verbodsrto/ den Heere , uwen God; dan zult gij geen work doen. 9 quot;Zeven weken zult gij u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult gij de zeven weken beginnen te tellen. a Ex. 23:10. Lev. 23:15. Num. 28: 2G 10 Daarna zult gij den Heere, uwen God, hot feest der weken houden; het zal eene vrijwillige schatting uwer hand zijn, dat gij geven zult, naardat u de Heere, uw God, zal gezegend hebben. 11 En gij zult vrolijk zijn voor het aangezigl des He er en, uws Gods, gij, en uw zoon, en uwe dochter, en uw dienstknecht, en uwe dienstmaagd, en de Leviet, die in uwe poorten is, en de vreem- |
DEUTERONOMIUM Ifi, 17.
199
|
deling, cn de wees, en de weduwe, dio in liet midden van u zijn; in de plaats, die do Heeke, uw God, zal verkiezen, om zijnen naam aldaar te doen wonen. 12 En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht geweest zijt in Egypte; en gij zult deze inzettingen houden en doen. 13 quot; Het feest der loofhutten zult gij u zeven dagen houden, als gij zult hebben ingezameld van uwen dorschvloer en van uwe wijnpers. a Ex. 23 ; 1G. Lev. 23 : 34. 14 En gij zult vrolijk zijn op uw feest, gij, en uw zoon, en uwe dochter, en uw dienstknecht, en uwe dienstmaagd, en de Leviet, on de vreemdeling, en do wees, en de weduwe, die in uwe poorten zijn. 15 Zeven dagen zult gij den Heere, uwen God, feest houden, in de plaats, die de Heere verkiezen zal: want de Heere, uw God, zal u zegenen in al uw inkomen, en in al hot werk uwer handen; daarom zult gij immers vrolijk zijn. 1G quot; Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor hot aangezigt dos Heeren, uws Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest der ongezuurde broaden, en op het feest der woken, en op het feest der loofhutten; ''maar het zal niet ledig voor het aangezigt des Heeren verschijnen: a Ex. 23 :17. 34 : 23. b Ex. 23 :15. 17 Een ieder naar de gave zijner hand, naaiden zegen dos Heeren, uws Gods, dien Hij u gegeven heeft. 18 llegters on ambtlieden zult gij u stollen in al uwe poorten, die de Heere , uw God, u geven zal, onder uwe stammen; dat zij hot volk rigton mot oen gerigt der gerogtigheid. 19 Gij zult het gerigt niet buigen, gij zult quot;het aangezigt niet kennen, ook zult gij ''geen geschenk nomen: want hot geschenk verblindt de oogon dor wijzen, en verkeert do woorden der regt-vaardigen. a Lev. 19: 15. Dent. 1 : 17. h Ex. 23:8. 20 Goregtigheid, geregtigheid zult gij najagen; opdat gij leeft, en erfelijk bezit het land, dat u do Heere , uw God, geven zal. 21 Gij zult u geon bosch planten van eenig geboomte, bij hot altaar des Heeren, uws Gods, dat gij u maken zult. 22 Ook zult gij u geen opgerigt beeld stellen, hetwelk do Heere, uw God, haat. HOOFDSTUK 17. Welk olferveo God oen gruwel was, vs. 1. Welke straf zij ondergaan moesten, dio van do dienst van don waren Ood tot dio der afgoden zonden afvallen, 2. Aanwijzing van hot gedrag dor onderrogters in nioeijelijko on duistere zaken, 8. Van do verkiezing van oonon koning on diens pligten, 14. GIJ zult den Heere , uwen God, geen' os of klein vee offeren, waaraan «een gebrek zij of eenig kwaad: want dat is den Heere, uwen God, eon gruwel. «Lov. 22:20, enz. Deat. 15:21. |
2 quot;Wanneer in hot midden van u, in eene uwer poorten, die de Heere, uw God, u geeft, een man of vrouw gevonden zal worden, die doen zal, dat kwaad is in do oogen des Heeren, uws Gods, overtredende zijn verbond: «Deat. 13 : G. 3 Dat hij heengaat, en dient andere goden, en buigt zich voor die, of voor do zon, of voor de maan, of voor het gansche heir dos hemels, hetwelk ik niet geboden heb; 4 En het wordt u aangezegd, on gij hoort hot; zoo zult gij het wol onderzoeken; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in Israël gedaan; 5 Zoo zult gij die man of die vrouw, die dit-zelve booze stuk gedaan hebben, tot uwe poorten uitbrengen, dien man, zey ik, of die vrouw; en gij zult hen met steenon stoonigen, dat zij sterven. G quot; Op den mond van twee getuigen, of drie getuigen, zal hij gedood worden, die sterven zal; op den mond van oenen eenigon getuige zal hij niet gedood worden. a Num. 35:30. Uout. 19:15. Matt. 18: 1G. 2 Cor. 13:1. llebr. 10:28. 7 quot; De hand der getuigen zal eerst tegen hem zijn, om hem te dooden, en daarna do hand dos ganschon volks: zoo zult gij hot booze uit hot midden van u wegdoen. a Dout. 13:9. 8 Wanneer eono zaak aan het gerigt quot; voor u te zwaar zal zijn, tussehen bloed en bloed, tusschen regtshandel en rogtshandel, tusschen plage en plago, zijnde twistzaken in uwe poorten, zoo zult gij u opmaken en opgaan naar do plaats, dio do Heere, uw God, verkiezen zal; «2 Kron. 19: 10. Mal. 2:7. 9 En gij zult komen tot do levietische priesters, en tot den regter, die in dio dagen zijn zal; en gij zult ondervragen, en zij zullen u de zaak dos regts aanzeggen. 10 En gij zult doen naar hot bevel dos woords, dat zij u zullen aanzeggen, van diozelve plaats, die de Heere verkiezen zal, on gij zult waarnomen te doen naar alles, wat zij u zullen loeren. 11 Naar hot bevel der wet, dio zij u zullen loeren, en naar het oordeel, dat zij u zullen zoggen, zult gij doen: gij zult niet afwijken van hot woord, dat zij u zullen aanzeggen, tor regter- of ter linkerhand. 12 De man nu, die trotschelijk handelen zal, dat hij niet hoore naar den priester, dewelke staat, om aldaar don Heere, uwen God, te dienen, of naar den regter, dezelve man zal sterven; en gij zult hot booze uit Israël wegdoen. 13 Dat hot al dat volk hooro en vreeze, en niet meer trotschelijk handele. 14 Wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat u de Heere, uw God, geeft, en gij dat erfelijk zult bezitten en daarin wonen, en gij zeggen zult: Ik zal eonon koning over mij stellen, als al do volken, die rondom mij zijn; 15 Zoo zult gij ganscholijk tot koning over u stellen, dien de Heere, uw God, verkiezen zal; |
DEUTERONOMIUM 17, IS.
200
|
uit hot midden uwor broederen zult gij oenen koning over u stellen: gij zult niet vermogen over u to zotten oenen vreemden man, dio uw broeder niet zij. 16 Maar hij zal voor zich do paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen wedorkoeron naar Egypte, om paarden te vermenigvuldigen; dewijl do Heere ulieden gezegd hooi') : (Jij zult voortaan niet wedorkoeron door dozen weg. 17 Ook zal hij voor zich do vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijko; hij zal ook voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen. 18 Voorts zal het geschieden, als hij op den stool zijns koningrijks zal zitten, zoo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in oen boek, uit hetgeen voor het aangezigt der lovietische priestoren is; 19 En het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen zijns levens; opdat hij den Heere, zijnen God, leere vreezen, om te bewaren al de woorden dezer wet en deze inzettingen, om die te doen; 20 Dat zijn hart zich niet verheffe boven zijne broederen, on dat hij niet afwijko van hot gebod, tor regter- of ter linkerhand; opdat hij de dagen verlenge in zijn koningrijk, hij en zijne zonen, in het midden van Israël. HOOFDSTUK 18. Van het erfdeel der priesters on Levioton, ou wat hun toekwam van do offeranden en eei'Btolingen, vs. 1. Verbod om do gruwelen na te volgen, welke met de afgodendienst der Heidenen verbonden waren, 9. Eene zeer heerlijke belofte aangaande do zending iles Hoeren Christus, die het hoofd van allo profeten is, 15. Van de straf en het kenmerk van eenen valsohon profeet, 20. HE levietische priestoren, do gansche stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël: quot;do vuuroffers dos Heerkn en zijn erfdeel zullen zij eten. aNnni. 18:20. Hout. 10:9. ICor. 9:13. 2 Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden zijner brooderen: quot;de Heere is zijn erfdeel, gelijk als Hij tot hem gesproken heeft. a Num. 18:20, enz. Deut. 10:9. E/.ec. 44:28. 3 Dit nu zal het regt der priesteren zijn van liet volk, van hen, die eene offerande offeren, hetzij eenen os, of klein vee: dat hij den priester zal geven den schouder, en beide kinnebakken, en don pens. 4 Do eerstelingen van uw koren, van uwen most en van uwe olie, en de eerstelingen van de be-schering uwer schapen zult gij hom geven: 5 Want de Heere, uw God, heeft hom uit al uwe stammen verkoren, dat hij sta, om te dienen in den naam dos Heeren, hij en zijne zonen, te allen dage. fi Voorts wanneer een Leviet zal komen uit eone uwer poorten, uit gansch Israël, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte zijner ziel, tot de plaats, die de Heere zal hebben verkoren. |
7 En hij dienen zal in don naam des Heeren, zijns Gods, als al zijne broederen, do Levieten, die aldaar voor het aangezigt dos Heeren staan; 8 Zoo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijne verkooping bij de vaderen. 9 Wanneer gij komt in het land, dat de Heere, uw God, u geven zal, zoo zult gij niet loeren te doen naar de gruwelen van dezelve volken. 10 Onder u zal niet gevonden worden, quot; die zijnen zoon of zijne dochter door het vuur doet doorgaan, ''die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschroi acht geeft, of toovenaar, a Lev. 18:21. b Lev. 20:27. 1 Sam. 28:7. Jos. 8: 19. 11 Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of dio eenen waarzeggenden geest vraagt, of oen duivelskunstenaar, of die do dooden vraagt. 12 Want al wie zulks doet, is den Heere een gruwel; en om dezer gruwelen wil verdrijft hen de Heere, uw God, voor uw aangezigt, uit de bezitting. Ui Opregt zult gij zijn met den Heere, uwen God. 14 Want deze volken, die gij zult erven, hooren naar guichelaars en waarzeggers; maar u aangaande, do Heere, uw God, lieeft u zulks niet toegelaten. 15 quot;Eenen profeet, uit het midden van u, uit uwe broederen, als mij, zal u do Heere, uw God, verwekken: naar hom zult gij hooren. «Joh. 1:40. Hand. 3:22. 7 :37. K! Naar alles, wat gij van den Heere, uwen God, aan Horeb, ten dage der verzameling, go-öischt hebt, zeggende: quot; Ik zal niet voortvaren te hooren de stem des Heeren, mijns Gods, en ditzolve groote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve. o Ex. 20:19. Deut. 5 : 25. Hobr. 12 : 19. 17 Toen zeide de Heere tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben. 18 Eenen profeet zal Ik hun verwekken uit hot midden hunner broederen, als u; en Ik zal mijne woorden in zijnen mond geven, quot;en hij zal tot hen sproken alles, wat Ik hom gebieden zal. a Joh. 4 : 25. 19 En het zal geschieden, de man, die niet zal hooren naar mijne woorden, die hij in mijnen naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken. 20 Maar quot;de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in mijnen naam, hetwelk Ik hem niet geboden bob te sproken, of die sproken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven. «Dout. 13:5. Jor. 14:14. 21 Zoo gij dan in uw hart zoudt mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord konnon, dat do Heere niet gesproken heeft? 22 Wanneer die profeet in den naam des Heeren zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet; dat is het woord, dat de Heere niet gesproken heeft: door trotschheid hoeft die profeet dat gesproken; gij zult voor hein niet vreezen. |
|
HOOFDSTUK 1!). Bepaling van drie vrijsteden in liet land Kanuiln, on wie daarin veiligheid zouden kunnen vindon, vs. 1; van nog drie andere vrijsteden, welke daarna aangewezen zouden worden, 8. Van de straf van eenen moedwilligen doodslager, 11. Verbod van hot verzetten der grenspalen, 14. Hoeveel getuigen noodzakelijk waren voor het geregt, en welk eene straf den valschen getuige wachtte, 15. WANNEER de Heere, uw God, de volken zal hebben uitgeroeid, welker land de Heere, uw God, u geven zal, en gij die erfelijk zult bezitten, en in hunne steden en in hunne huizen wonen; 2 quot; Zoo zult gij u drie steden uitscheiden, in liet midden van uw land, hetwelk de Heere , uw God, u geven zal, om dat erfelijk te bezitten. «Ex. 21 : 13. Nnm. 35:9, enz. Joz. 20:2. 3 Gij zult u don weg bereiden, en de pale uws lands, dat u de Heere, uw God, zal doen erven, in drieën doelen: dit nu zal zijn, opdat ieder doodslager daarhenen vliede. 4 En dit zij de zaak des doodslagers, die daarhenen vlieden zal, dat hij leve: a die zijnen naaste zal geslagen hebben door onwetendheid, dien hij toch van gisteren cn eergisteren niet haatte: a Ex. 21 : 13. Dent. 4:41, 42. 5 Als, dewelke met zijnen naaste in het bosch zal zijn gegaan, om hout te houwen, cn zijne hand met do bijl wordt aangedreven, om hout af te houwen, en het ijzer schiet af van den steel, en treft zijnen naaste, dat hij sterve; die zal in eene dezer steden vlugten en loven; (i Opdat de bloedwreker den doodslager niet na-jage, als zijn hart verhit is, en hem achtorhale, omdat de weg te verre zou zijn, en hem sla aan het leven ; zoo toch geen oordeel des doods aan hem is, want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren. 7 Daarom gobiede ik u, zeggende: Gij zult n drie steden uitscheiden. 8 En indien de Heere, uw God, uwe landpale zal verwijden, gelijk als Hij uwen vaderen gezworen heeft, en u al dat land geven zal, het wolk Hij uwen vaderen te geven quot;gesproken heeft; oGon. 28:13. Deut. 12:20. !⢠(Wanneer gij al ditzelve gebod zult waarnomen , om dat te doen, hetgeen ik u heden ge-biede, den Heere, uwen God, liefhebbende, en alle dagen in zijne wegen wandelende) zoo zult gij u «nog drie steden toedoen tot deze drie; a Joz. 20:7. 10 Opdat het bloed des onschuldigen niet vergoten worde in het midden van uw land, dat u de Heere, uw God, ten erve geeft, en bloedschulden op u zouden zijn. 11 Maar quot;wanneer er iemand zijn zal, die zijnen naaste haat, en hem lagen legt, en staat tegen hem op, en slaat hem aan het, leven, dat hij sterve; en vliedt tot eene van die steden; a Gen. 9 : 0. Ex. 21:12, 14. Lev. 24 :17. Num. 35 : 10. 12 Zoo zullen de oudsten zijner stad zenden, en |
201 nemen hem van daar, en zij zullen hem in de hand des bloedwrekers geven, dat hij sterve. 13 Uw oog zal hein niet verschoonen, maar gij zult het bloed des onschuldigen uit Israël wegdoen, dat het u welga. 14 quot;(ïij zult uws naasten landpale, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel, dat gij erven zult, ia liet land, hetwelk u de Heere, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten. n S|ir. 22:28. 15 quot;Een oenig getuige zal togen niemand opstaan over eenige ongeregtighoid of over eenige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen: ''op den mond van twee getuigen, of op den mond van drie getuigen zal de zaak bestaan. a Num. 35:30. Deut. 17:0. Matt. 18:10. /j Dont. 17 : 0. Joh. 8:17. 2 Gov. 13: I. llelir. I0;2H. 16 Wanneer een wrevelig getuige tegen iemand zal opstaan, om eene afwijking tegen hem te betuigen; 17 Zoo zullen die twee mannen, welke den twist hebben, staan voor het aangezigt des 11 keren, voor het aangezigt der priesters, en der regters, die in diezelve dagen zullen zijn. IS En do regters zullen wel onderzoeken; en ziet, do getuige is oen valsch getuige, hij hoeft valschhoid betuigd tegen zijnen broeder; 19 quot;Zoo zult gijlieden hem doen, gelijk als hij zijnen broeder dacht te doen: alzoo zult gij hot booze uit hot midden van u wegdoen; «Spr. 19:5. 20 Dat de overgeblevenen hot hooren en vreezen, en niet voortvaren meer te doen naar dit booze stuk, in het midden van u. 21 En uw oog zal niet verschoonen: quot;ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet. «Ex. 21 : 23. Lev. 24:20. Matt. 5: 3S. HOOFDSTUK 20. Krijgswetten door God aan zijn volk gegeven, als: met welk vertrouwen zij ten strijde moesten uittrekken, vs. 1; op welke wijs de priester alsdan hen moest toespreken, 2; hoe de ambtlieden zekere personen naar huis moesten terugzenden, 5; en daarna hoofdlieden aanstellen, 9; hoe zij te werk moesten gaan bij de belegering en inneming der steden in en buiten Kanailu; welke boomen zij bij eene belegering mogten afhouwen, welke niet, 19. WANNEER gij zult uittrokken tot den strijd tegen uwe vijanden, en zult zien paarden en wagenen, een volk, meerder dan gij, zoo zult gij voor hen niet vreezen: want de Heere, uw God, is met u, die u uit Egypteland hoeft opgevoerd. 2 En het zal geschieden, als gijlieden tot don strijd nadert, zoo zal de priester toetreden, en tot het volk spreken, 3 En tot hen zeggen: Hoort, Israël! gijlieden zijt heden na aan den strijd tegen uwe vijanden; uw hart worde niet week, vreest niet, en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezigt. 4 Want het is de Heere, uw God, die met u gaat, om voor u te strijden tegen uwe vijanden, om u te verlossen. DEUTERONOMIUM 1!), 20. |
DEUTERONOMIUM 20, 21.
202
|
5 Dan zullen do ambtlicden tot hot volk spreken, zeggondo: Wie is do man, die eon nieuw huis heeft gebouwd, on het niet hoeft ingewijd? die ga henen ou keere weder naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in don strijd, en iemand anders dat inwijdo. ü En wie is de man, die eonon wijngaard go-plant hoeft, quot;en doszelfs vrucht niet heeft genoten ? die ga honen en keere weder naar zijn huis; opdat hij niet misschien in den strijd sterve, en iemand anders dien geniete, a Lev. l!):2:-i, 24, 25. 7 En wie is de man, quot;die eene vrouw ondertrouwd heeft, on haar niet tot zich heeft genomen? die ga honen en keere weder naar zijn huis; opdat hij niet misschien in don strijd sterve, en oen ander man haar neme. a Deut. 24 : 5. 8 Daarna zullen de amhtlioden voortvaren te sproken tot het volk, en zeggen: quot; Wie is do man, die vreesachtig en weck van hart is? die ga honen en keere weder naar zijn huis; opdat het hart zijnor broederen niet smelto, gelijk zijn hart. a Rigt. 7 : 3. !) En het zal geschieden, als die ambtlioden geëindigd zullen hebben to spreken tot hot volk, zoo zullen zij oversten der heiren aan do spits des volks bestollen. 10 Wanneer gij nadert tot eene stad om togen haar te strijden, zoo zult gij haar den vrede toeroepen. 11 En hot zal geschieden, indien zij u vrede zal antwoorden, en u opendoen, zoo zal al hot volk, dat daarin gevonden wordt, u cijnsbaar zijn, en ii dienen. 12 Doch zoo zij goenen vrede mot u zal maken, maar krijg tegen u voeren, zoo zult gij haar belegeren. 13 En de Heere, uw God, zal haar in uwe hand geven; en gij zult alios, wat mannelijk daarin is, slaan met do scherpte des zwaards. 14 Behalve de vrouwen, en do kinderkous, en de beesten, en al wat in do stad zijn zal, al haren buit zult gij voor u roovon; en gij zult eten den buit uwer vijanden, dien u do Heere, uw God, gegeven heeft. ló Alzoo zult gij aan alle steden doen, die zoor verre van u zijn, die niet zijn van do steden dozer volken. 10 Maar van do steden dezer volken, die u do Heere, uw God, ten erve geeft, quot;zult gij niets laten leven, dat adem hooft. a Num. 33:52. Deut. 7:1, 2. 17 Maar gij zult ze ganschelijk verbannen: do Hothieton, on de Amorieten, en do Kanaanieton, en do Forezioten, do Hovioton, on de Jebusioten, gelijk als u do Heere, uw God, geboden hooft; 18 Opdat zij ulieden niet loeren te doen naar al hunne gruwelen, die zij hunnen goden gedaan hebben, en gij zondigt tegen den Heere, uwen God. 1!) Wanneer gij eene stad volo dagen zult belegeren, strijdende tegen haar, om die in te nemen. |
zoo zult gij haar geboomte niet verderven, do bijl daaraan drijvende: want gij zult daarvan eten, daarom zult gij dat niet afhouwen; (want hot geboomte van hot veld is des menschen spijze) opdat het voor uw aangezigt komo tot een bolwerk. 20 Maar hot geboomte, hetwelk gij kennen zult, dat liet goen geboomte ter spijze is, dat zult gij verderven en afhouwen; on gij zult oen bolwerk bouwen togen deze stad, dewelke tegen u krijg voert, totdat zij te onderga. HOOFDSTUK 21. Wat gedaan moest worden, wanneer iemand dood op hot veld gevonden on do doodslager onbekend was, vs. 1. Hoe een Israëliet handelen moest, wanneer hij cono hoidensehe vrouw, in don krijg gevangen, wenschte to trouwen, 10. Wet tegen hot verkorten van hot regt van den eerstgeboren zoon, wanneer iemand twee vrouwen gehad en bij beiden zonen verkregen mogt hebben, 15. Strafwet van oenen wedorspannigen zoon, 18. Wet betreffende een' op-gehangene, 22. WANNEER in hot land, hetwelk de Heere , uw God, ii geven zal, om dat te erven, een vor-slagono zal gevonden worden, liggende in hot veld, niet bekend zijnde, wie hem geslagen hoeft; 2 Zoo zullen uwe oudsten en uwe regtors uitgaan, en zij zullen moten naar do steden, die rondom don vorslageno zijn. 3 Do stad nu, die do naaste zal zijn aan den vorslagone, daar zullen do oudsten dorzelvor stad, eene jonge koe van de rundoren nemen, mot dewelke niet gearbeid is, die aan hot juk niet getrokken heeft. 4 En do oudsten dorzelvor stad zullen de jonge koo afbrengen iu eon ruw dal, dat niet bearbeid noch bezaaid zal zijn; en zij zullen deze jonge koo aldaar in hot dal don nok doorhouwen. 5 Dan zullen do priesters, do kinderen van Levi, toetreden: want do Heere, uw God, hooft hen verkoren, om Hom te dienen, en om in dot IIeeren naam te zegenen, en naar hunnen mond zal allo twist en alle plaag afgedaan worden. (1 En alle oudsten dorzelvor stad, die naast aan don vorslagone zijn, zullen hunne handen was-sclion over deze jonge koo, die in dat dal de nek doorgehouwen is; 7 En zij zullen betuigen en zoggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, on onze oogen hebben liet niet gezien; 8 Wees genadig aan uw volk Israël, dat Gij, t Heere! verlost hebt, on leg geen onschuldifj bloed in het midden van uw volk Israël! En dal bloed zal voor hou verzoend zijn. 9 Alzoo zult gij het onschuldig bloed uit hol midden van u wegdoen: want gij zult doen, wal regt is in do oogen dos Heeren. 10 Wanneer gij zult uitgetogen zijn tot don strijd togen uwe vijanden; en de Heere, uw God, hor zal gegeven hebben in uwe hand, dat gij hunne gevangenen gevankelijk wegvoert; 11 En gij onder de gevangenen zult zien oom |
DEUTER0N0M1UM 21, 22.
20:?
|
vrouw, schoon van gedaante, ou gij lust tot haar gekregen zult hebben, dat gij ze u tor vrouwe neemt; 12 Zoo zult gij haar binnen in uw huis brengen; cn zij zal haar hoofd scheren, en hare nagelen besnijden, 18 En zij zal hot kleed barer gevangenis van zich afleggen, en in uw huis zitten, en haren vader en hare moeder eeno maand lang bewee-nen; en daarna zult gij tot haar ingaan, en haar man zijn, en zij zal u ter vrouwe zijn. 14 En liet zal geschieden, indien gij geen behagen in baar hebt, dat gij haar zult laten gaan naar hare begoerto; doch gij zult haar geenszins voor geld verkoopen, gij zult met haar geen gewin drijven, daarom dat gij baar vernederd hebt. 15 Wanneer een man twee vrouwen hoeft, eeno beminde, en eeno gehate; en do beminde on do gehate hom zonen zullen gebaard hebben, en do eerstgeboren zoon van do gebate zal zijn; 10 Zoo zal bet geschieden, ten dage als hij zijnon zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet zal vermogen de eerstgeboorte te geven aan den zoon der beminde, voor hot aangezigt van don zoon der gehate, dio de eerstgeborene is. 17 Maar den eerstgeborene, den zoon der gehate, zal bij kennen, quot;gevende hem het dubbele dool van alles, wat bij hem zal worden gevonden: want hij is ''hot beginsel zijner kracht, bet regt der eerstgeboorte is bot zijne. a 1 Kron. 5 : 1. h Oen. 4!); 3. 18 Wanneer iemand eenen moedwilligen en weder-spannigon zoon hooft, die de stem zijns vaders en de stem zijner moedor niet gehoorzaam is; on zij hem gekastijd zullen hebben, en bij naar ben niet hooren zal, 19 Zoo zullen zijn vader en zijne moeder hem grijpen, cn zij zullen hem uitbrengen tot do oudsten zijner stad, en tot de poorte zijner plaats. 20 En zij zullen zoggen tot do oudsten zijnor stad: Deze onze zoon is afwijkende en wederspan-nig, hij is onze stom niet gehoorzaam; hij is oen brasser en zuiper. 21 Dan zullen allo lieden zijner stad hom mot stoenon overwerpen, dat hij stervo; on gij zult het booze uit het midden van u wegdoen; dat het ganscb Israël hoore, en vroezo. 22 Voorts wanneer in iemand eene zonde zal zijn, dio hot oordooi dos doods waardig is, dat hij gedood zal worden, en gij hem aan het hout zult opgehangen hebben; 2:ï Zoo zal zijn dood ligchaam aan bet hout niet overnachten, maar gij zult hot zekerlijk ton zei ven dage begraven: want een opgohangone is quot; Godo oen vloek. Alzoo zult gij uw land niet verontreinigen, dat u de Heeke, uw God, ton erve geeft. n Gal. 3 ; 13. HOOFDSTUK 22. Verscheidene wetten: als van liefde en getrouwheid te bewijzen aan zijnen naaste, wanneer iets van zijn |
eigendom verdwaald, verloren of op eenigo andere wijs in gevaar is, vs. 1; van do verwisseling van mannelijke en vrouwelijke kleoderen, 5; van oen vogelnest, 0; van leuningen op het (luk, 8; van vermenging van ongelijke dingen, 9; van snoertjes to maken aan do kleoderen, 12; van do straf van don man, die zijne vrouw valsehelijk betigt, 13; van de straf eener jongodocliter, wolko in haars vaders huis hoererij gepleegd heeft, 20; van do straf op hot overspel, 22; van de straf ooncr ondertrouwde jonge dochter, wanneer zij hoererij gepleegd heeft in de stad, 23; of op het void verkracht wordt, 25; wanneer eeno vrije dochter zulks gedaan licoft, 28; van bloedschande, 30. GIJ zult uws broeders quot; os of klein vee niet zien afgedreven, en u van die verbergen; gij zult ze uwen broeder ganschelijk weder toesturen. a Ex. 23 : 4. 2 En indien uw broeder niet nabij u is, of gij hem niet kont, zoo zult gij ze binnen in uw huis vergaderen, dat zij bij u zijn, totdat uw broeder die zoeke, en gij zo hom wedergeeft. 3 Alzoo zult gij ook doen aan zijnen ezel, en alzoo zult gij doen aan zijne kleeding, ja alzoo zult gij doen aan al het verlorene uws broeders, dat van hom verloren zal zijn, en dat gij zult hebben gevonden; gij zult u niet mogen verbergen. 4 Gij zult uws broeders ezol of zijnon os niet zien, vallende op don weg, en u van dio verbergen; gij zult ze mot hom ganschelijk oprigten. 5 liet kleed eens mans zal niet zijn aan eeno vrouw, en oen man zal geen vrouwokleed aantrokken: want al wie zulks doet, is den Heeke, uwen God, oen gruwel. (i Wanneer voor uw aangezigt een vogelnest op den weg voorkomt, in eenigen boom, of op do aarde, met jongen of eijoren, en de moeder zittende op de jongen of op de eijoren, zoo zult gij de moeder mot de jongen niet nomen. 7 Gij zult do moeder ganschelijk vrijlaten, maaide jongen zult gij voor u nemen; opdat hot u welga, en gij de dagen verlengt. 8 Wanneer gij een nieuw buis zult bouwen, zoo zult gij op uw dak eone lening maken; opdat gij geene bloedschuld op uw huis logt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel. 9 Gij zult uwen wijngaard niet mot tweedorloi quot;bezaaijon; opdat do volheid dos zaads, dat gij zidt gezaaid hebben, en do inkomst dos wijngaards niet ontheiligd worde. «Lev, 19: 19. 10 Gij zult niet ploegen mot eenen os en met oenen ezel te gelijk. 11 Gij zult geen klood van gemengde stof aantrokken , wolion en linnen te gelijk. 12 quot; Snoeren zult gij u maken aan do vier hoekon uws opperkleods, waarmede gij u bedekt. ff Num. 15 : 38. Mftlt. 23 : 5. 13 Wanneer oen man eone vrouw zal genomen hebben, en tot haar ingegaan zijnde, alsdan baar zal baten, 14 En haar oorzaak van naspraak zal opleggen, en eenon kwaden naam over baar uitbrengen, en |
DEUTERONOMIUM 22, 23.
201
|
zeggen: Dozo vrouw liob ik genomen, en ben tot haai' genaderd, maar heb den maagdom aan haar niet gevonden; It) Dan zullen de vader van deze jonge dochter en hare moeder nemen, en tot de oudsten der stad aan de poort uitbrengen, den maagdom dezer jonge dochter. K! En de vader van de jonge dochter zal tot de oudsten zeggen: Ik heb mijne dochter aan dezen man gegeven tot eene vrouw, maar hij l.eeft haar gehaat; 17 En ziet, bij heeft oorzaak van opspraak gegeven, zeggende: Ik heb den maagdom aan uwe dochter niet gevonden; dit nu is de maagdom mijner dochter. En zij zullen het kleed voor het aangezigt van de oudsten der stad uitbreiden. 18 Dan zullen de oudsten derzelver stad dien man nemen, en kastijden hem; 19 En zij zullen hem eene boete opleggen van honderd zilverlingen, en ze geven aan den vader van de jonge dochter, omdat hij eenen kwaden naam heeft uitgebragt over eene jonge dochter van Israël; voorts zal zij hem ter vrouwe zijn, hij zal baar niet mogen laten gaan al zijne dagen. 20 Maar indien ditzelve woord waarachtig is, dat de maagdom aan do jonge dochter niet gevonden is; 21 Zoo zullen zij deze jonge dochter uitbrengen tot de deur van haars vaders huis, en de lieden liarer stad zullen haar met steenen steenigen, dat zij sterve, omdat zij eene dwaasheid in Israël gedaan heeft, hoererende in haars vaders huis: zoo zult gij het booze uit hot midden van u wegdoen. 22 quot;Wanneer een man gevonden zal worden, liggende bij eens mans getrouwde vrouw, zoo zullen zij ook beiden sterven, de man, die bij de vrouw gelegen heeft, en de vrouw: zoo zult gij het booze uit Israël wegdoen. «Lev. 20:10. 28 Wanneer er eene jonge dochter zal zijn, die eene maagd is, ondertrouwd aan eenen man, en een man haar in de stad zal gevonden, en bij haar gelegen hebben; 24 Zoo zult gij ze beiden uitbrengen tot de poort derzelver stad, en gij zult hen met steenen steenigen, dat zij sterven: de jonge dochter, tor oorzake dat zij niet geroepen heeft in de stad; en den man, ter oorzake dat hij zijns naasten vrouw vernederd heeft: zoo zult gij het booze uil het midden van u wegdoen. 25 En indien een man oene ondertrouwde jonge dochter in het veld gevonden, en de man haar verkracht en bij haar gelegen zal hebben, zoo zal do man, die bij haar gelegen beeft, alleen sterven; 26 Maar do jonge dochter zult gij niets doen; do jonge dochter heeft geene zonde des doods: want gelijk of een man tegen zijnen naaste opstond, en sloeg hem dood aan het leven, alzoo i.s deze zaak. |
27 Want hij heeft haar in het veld gevonden: de ondertrouwde jonge dochter riep, en er was niemand, die haar verloste. 28 Wanneer een man eone jonge dochter zal gevonden hebben, die eone maagd is, dewelke niet ondertrouwd is, en haar zal gegrepen en bij haar gelegen hebben, en zij gevonden zullen zijn; 29 Zoo zal de man, die bij haar gelegen beeft, den vader van de jonge dochter quot;vijftig zilverlingen geven, en zij zal hem ter vrouwe zijn, omdat hij haar vernederd heeft; hij zal ze niet mogen laten gaan al zijne dagen. «Ex. 22: 16. :{() Een man zal zijns vaders vrouw niet nemen, en hij zal zijns vaders slippe niet ontdekken. HOOFDSTUK 23. Wie in do vergadering des Heeren ganse'hel ijk niet mogten komen, wie eenigzins, vs. 1. Hoe en waarom do legerplaats rein gehouden moest worden, !). Hoe men handelen moest met oenen knecht, die zijnen heer was ontvlngt, 15. Van hoeren en schandjongens, 17. Van woeker, 19. Van geloften, 21. Van het plukken der druiven en aren op eens anders land, 24. DIE door plettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid, zal in de vergadering des Heeren niet komen. 2 Geen bastaard zal in de vergadering des Heeren komen; zelfs zijn tiende geslacht zal in de vergadering des Heeren niet komen. 3 Geen quot; Ammoniet, noch Moabiet zal in do vergadering des Heeren komen; zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering des Heeken niet komen tot in eeuwigheid. a Neh. 13: I, 4 Ter oorzake dat zij ulieden op den weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, ah gij uit Egypte uittoogt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft quot; Bileam, den zoon van Door, van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken. a Num. 22 : 3, 4, ó, cn/, 5 Doch de Heere, uw God, heeft naar Bileam niet willen hooren, maar de Heere, uw God, beeft u don vloek in eenen zegen veranderd, omdat do Heere, uw God, u liefhad. 6 Gij zult hunnen vrede en hun bost niet zoeken, al uwe dagen in eeuwigheid. 7 Den Edomiet zult gij voor geenen gruwel houden , want hij is uw broeder; den Egyptenaai zult gij voor geen' gruwel houden, want gij zijl een vreemdeling geweest in zijn land. 8 Aangaande do kinderen, die hun zullen geboren worden in het derde geslacht, elk van dk zal in de vergadering des Heeren komen. 9 Wanneer het leger uittrekt tegen uwe vijanden zoo zult gij u wachten voor allo kwade zaak. 10 Wanneer iemand onder u is, die niet rein is door eenig toeval des nachts, die zal tot buitel het leger uitgaan, hij zal tot binnen hot logoi niet komen. 11 Maar het zal geschieden, dat hij zich tegoi het naken van den avond met water zal baden en als do zon ondergegaan is, zal hij tot binner het leger komen. |
DEÃTERONOMIUM 23, 24.
20Ã
|
12 Gij zult ook eene plaats hebben buiten liet leger, en daarhenen zult gij uitgaan naar buiten. t:{ En gij zult een schopje hebben, benevens uw gereedschap; en het zal geschieden, als gij buiten gezeten hebt, dan zult gij daarmede graven, en u omkeeren, en bedekken wat van u uitgegaan is. 14 Want de Heere , uw God, wandelt in het midden van uw leger, om u te verlossen, en om uwe vijanden voor uw aangezigt te geven; daarom zal uw leger heilig zijn, opdat Mij niets schandelijks order u zie, en achterwaarts van u afkeere. 15 Gij zult eenen knecht aan zijnen heer niet overleveren, die van zijnen heer tot u ontkomen zal zijn. KI Hij zal bij u blijven in het midden van u, in de plaats, die hij zal verkiezen, in eene van uwe poorten, waar het goed voor hem is; gij zult hem niet verdrukken. 17 Er zal geene hoer zijn onder de dochteren van Israël; en er zal geen schandjongen zijn onder de zonen van Israël. 18 (Jij zult geen hoerenloon noch hondenprijs in het huis des Hekken, uws Gods, brengen, tot eenige gelofte: want ook die beiden zijn den Heere, uwen God, een gruwel. 1!) Gij zult aan uwen broeder niet quot;woekeren, met woeker van gold, met woeker van spijze, met woeker van eenig ding, waarmede men woekert. u I'jX. '22 : 25. Lev. 25 : 30. Nell. 5 : 2, on/,. Luk. (i; .'54, ;i5. 20 Aan den vreemde zult gij woekeren, maar aan uwen broeder zult gij niet woekeren; opdat u de Heere, uw God, zegene, in alles, waaraan gij uwe hand slaat, in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven. 21 Wanneer gij don Heere, uwen God, quot;eene gelofte zult beloofd hebben, gij zult niot vertrekken die te betalen-: want de Heere, uw God, zal zo zekerlijk van u oischen, en zonde zou in u zijn. a Num. 30 : 2. 22 Maar als gij nalaat te beloven, zoo zal het geene zonde in u zijn. 23 Wat uit uwe lippen gaat, zult gij houden en doen; gelijk als gij den Heere, uwen God, een vrijwillig offer beloofd hebt, dat gij mot uwen mond gesproken hebt. 24 Wanneer gij gaan zuil in uws naasten wijngaard, zoo zult gij druiven eten naar uwen lust, tot uwe verzadiging; maar in uw vat zult gij niets doen. 25 Wanneer gij zult gaan in uws naasten quot;staande koren, zoo zult gij do aren mot uwe hand afplukken; maar de sikkel zult gij aan uws naasten staande koren niot bewegen. a Matt. 12: 1. HOOFDSTUK 24. Van de vrouw, die door haren man mot oou' scheid-brief is heengezonden, vs. 1. Voorregt van den jonggetrouwde, 5. Over het nemen van panden, 0. Over menschondiovon, 7. Over de molaatschlieid, 8. Over het geven van dagloon, 14. Bevel van niemand Ie straffen om oons anders misdaad, 16, om ragt te doen en liefde te bewijzen aan weduwen, weezen en vreemdelingen, 17. |
WANNEER een man eene vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zoo zal het geschieden, indien zij geene genade zal vinden in zijne oogon, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar eenen quot;scheidbriof zal schrijven, en in hare hand geven, en zo laten gaan uit zijn huis. a Malt. 5:31. 19:7. Mark. 10:4. 2 Zoo zij dan, uit zijn buis uitgegaan zijnde, zal henengaan en oenoii andoren man ter vrouwe worden, 3 En deze laatste man haar gehaat, en haar oenen scheidbriof gesclirevon, on in hare hand gegeven, en haar uit zijn huis zal hebben laton gaan; of als deze laatste man, dio haar voor zich tot oono vrouw genomen heeft, zal gestorven zijn; 4 Zoo zal haar eerste man, dio haar hooft laten gaan, haar niet mogen wedornomon, dat zij hom tor vrouwe zij, nadat zij is verontreinigd geworden : want dat is een gruwel voor hot aangezigt dos Heeren; alzoo zult gij hot land niot: doen zondigen, dat u du Heere, uw God, ton erve geeft. 5 Wanneer een man oono nieuwe quot; vrouw zal genomen hebben, die zal in hot hoir niot uittrokken, en men zal hom goenon last opleggen; een jaar lang zal hij vrij zijn in zijn huis, en zijne vrouw, dio hij genomen heeft, vorhougon. n Ãout. 20 ; 7. li Men zal beide molonsteonon, immers den bovensten molenstoen niot te pand nomon : want hij noemt de ziel to pand. 7 Wanneer iemand gevonden zal worden, dio eene ziel quot;steelt uit zijno broederen, uit do kindoren Israels, on drijft gewin met hem, en verkoopt hom; zoo zal deze diof sterven, en gij zult hot booze uit hot midden van u wegdoen. a Ex. 21 : Hi. 8 Wacht u in do plaag der molaatschlieid, dat gij naarstiglijk waarneemt en doet naar alles, wat do leviotischo priestoren ulieden zullen loeren; gelijk als quot;ik hun geboden heb, zult gij waarnomen te doen. quot; bov. 13 : 2. !) Gedenkt, wat de Heere, uw God, gedaan hoeft aan quot; Mirjam, op den weg, als gij uit Egypte waart uitgetogen. « Nnm. 12:10. 10 Wanneer gij aan uwen naaste lots zult geleend hebben, zoo zult gij tot zijn huis niet ingaan, om zijn pand te pand te nomon; 11 Buiten zult gij staan, en do man, dien gij geleend hebt, zal hot pand naar buiten tot u uitbrengen. 12 Doch indien hij oou arm man is, zoo zult gij mot zijn pand niet nederliggen. 13 Gij zult hom dat pand zekerlijk quot;wedergeven, als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed nodor-ligge, on u zegene; en het zal u gorogtighoid zijn voor hot aangezigt des Heeren, uws Gods. n Ex;. 22 : 2lJ. |
DEUTERONOMIUM 24, 25.
|
14 Gij zult don ai-mcn on nooddruftigon dag-looner niot quot;verdrukken, dio uit uwe broederen is, of uit uwe vreemdelingen, die in uw land en in uwe poorten zijn. n Lov. 19: 13. Jakob. 5:4. 15 Op zijnen dag zult gij zijn loon geven, en de zon zal daarover niet ondergaan: want hij is arm, en zijne ziel verlangt daarnaar; dat hij tegen u niot roepe tot den Heere, en zonde in u zij. l(i De vaders zullen niet gedood worden quot;voor de kinderen, on de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders: een ieder zal om zijne zonde gedood worden. n 2 Kon. 14 : (i. 2 Kron. 25 : 4. Jer. 81 : 30. Ezec. 18 : 20. 17 (lij zult het regt van quot;don vreemdeling en van den wees niet buigen, en gij zult het kleed der weduwe niet te pand nemen. a Ex. 22; 21, 22, Spr. 22 : 22. .los. I : 23. .Foi'. 5 : 28. 22 : 3. E/.cc. 22 : 20. Zaoli. 7:10. 18 Maar gij zult gedenken, dat lt;iij oen knecht in Egypte geweest zijt, en do IIeere, uw God, heeft u van daar verlost; daarom gobiede ik u deze zaak to doen. 19 Wanneer gij uwen oogst op uwen akker quot; af-geoogst, en eene garf op den akker vergeten zidt hebben, zoo zult gij niet wederkoeron, om die op te nemen: voor don vreemdeling, voor don woes en voor do weduwe zal zij zijn; opdat u do IIeere, uw God, zegene in al bet werk uwer handen. a Lev. 19:9, 23:22. 20 Wanneer gij uwen olijfboom zult geschud hebben, zoo zult fgt;ij do takken achter u niot naauw doorzoeken: voor don vreemdeling, voor don wees en voor do weduwe zal het zijn. 21 Wanneer jiij uwen wijngaard zult afgelezen hebben, zoo zult lt;i'ij druiven achter u niet nalezen: voor den vreemdeling, voor don wees en voor do weduwe zal het zijn. '22 En fgt;ij zult gedenken, dat fjij oen knecht in Egyptoland geweest zijt; daarom gobiede ik u deze zaak te doen. HOOFDSTUK 25. Hoedanig de vonnissen der regtors moesten zijn tus-schen partijen, vs. 1. Mol hoeveel slagen zij den schuldige moeten straffen, 3. Van den dorschonden os, 4. Van liet pligdiuwolijk, hetwelk do naaste hloedvenvant moest aangaan met do weduwe van zijnen broeder, die gcene zonen had nagelaten, 5. De straf eener onbesclianmdo vrouw, 11. Regtvaar-digheid in gewigt en maat, 13. Gebod tot uitrooijing der Amalekieten, 17. WANNEER er tusschon lieden twist zal zijn, en zij tot het geregt zullen toetreden, dat zij hen rigton, zoo zullen zij don regtvaardige regtvaardig sproken, en den onregtvaardigo vordoomon. 2 En bot zal geschieden, indien de onregtvaardigo slagen verdiend hooft, dat do rogter hem zal doen nodervallen, en hom doen slaan in zijne tegenwoordigheid, naar dat hot voor zijne onrogt-vaardiglioid genoeg zal zijn, in getal. |
3 Mot quot; veertig slagen zal hij hem doen slaan, hij zal er niot toedoen; opdat niot misschien, zoo hij voortvoero hem daarboven met meer slagen te doen slaan, uw broeder dan voor uwe oogen verachtelijk gehouden worde. a 2 Cor. 11 : 24. 4 Eenon os zult gij quot; niet muilbanden, als hij dorscht. a 1 Cor. 9 : 9. 1 Tim. 5 : 18. 5 Wanneer broeders zamenwonon, en oen van hen sterft, en geonoii zoon heeft, zoo zal do vrouw dos verstorvonon aan goonon vreemden man daarbuiten geworden: quot; baars mans broeder zal tot haar ingaan, en nemen haar zich ter vrouwe, en doen haar den pligt van eens mans broeder. a Matt. 22:24. Mark. 12:19. Luk. 20:28. (! En bot zal geschieden, dat do eerstgeborene, dien zij zal baron, zal staan in den naam zijns broeders, des verstorvonon; opdat zijn naam niot uitgodelgd worde uit Israël. 7 Maar indien dozen man zijns broeders vrouw niet bevallen zal te nomen, zoo zal zijns broeders vrouw opgaan naar do poort tot de oudsten, en zoggen: quot;Mijns mans broeder weigert zijnen broeder oenen naam te verwekken in Israël, hij wil mij don pligt van eens mans broeder niet doen. a Ruth 4:7. 8 Dan zullen hom de oudsten zij nor stad roepen, en tot hom sproken; blijft hij dan daarbij staan en zegt: Het bevalt mij niot haar te nemen; 9 Zoo zal zijns broeders vrouw voor de oogen der oudsten tot hom toetreden, en zijnen schoon van zijnen voet uittrekken, en spuwen in zijn aangozigt, en zal betuigen en zeggen: Alzoo zal dien man gedaan worden, die zijns broeders huis niot zal bouwen. 10 En zijn naam zal in Israël genoemd worden: Hot huis desgonon, dien de schoen uitgetogen is. 11 Wanneer mannon, do oen met den ander, twisten, en do vrouw des eenon toetreedt, om haren man uit de hand desgonon, die hom slaat, te redden, on hare hand uitstrekt, en zijne scha-melheid aangrijpt, 12 Zoo zult gij hare hand afbouwen, uw oog-zal niet verschoonen. 13 Gij zult geen tweedorlei woegsteenon in uwen zak hebben, oen' grooten en oen' kleinen. 14 Gij zult in uw buis geen tweederlei ofa hebben, oone groote en eene kleine. 15 Gij zult oenen volkomenen en gorogten weeg-steen hebben; gij zult eene volkomeno en gerogte ofa hebben; opdat uwe dagen verlengd worden in hot land, dat u de Heere, uw God, geven zal. 1(1 Want al wie zulks doet, is den Heere, uwen God, quot; een gruwel; ja al wie onrogt doet. a Spr. 11:1. 17 Gedenkt, wat u quot;Amalok gedaan heeft, op den weg, als gij uit Egypte uittoogt: «Ex. 17:8. 18 Hoe hij u op don weg ontmoette, en sloeg onder u in den staart al de zwakken achter u, als gij moede en mat waart; on hij vreesde God niot. 19 Hot zal dan geschieden, als u do Heere, uw God, rust zal gegeven hebben, van al uwe vijan- |
|
clou rondom, in liet land, dat u do Heere, uw God, ten erve yovou zal, om hetzolve orfolijk to bezltton, dat gij do godachtouis van Amalek van onder don hemel zult uitdelgen: vergeet hot niet! HOOFDSTUK 2G. Oll'or van do eerstelingen aller vrnchton, mot aanwijzing wat zij bij dio gelegenheid belijden, waarvoor zij flanken on hoo zij zich voor dos Hoeren aangezigt verheugen moesten, vs. 1; on van de driejarige tienden, 12. Bevestiging van hot verbond tussehen God en zijn volk, 10. VOORTS zal hot geschieden, wanneer gij zult gekomen zijn in hot land, dat u do IIeere, uw God, ten erve geven zal, en gij dat erfelijk zult bezitten, en daarin wonen; 2 Zoo zult gij nemen van do quot; eerstelingen van allo vrucht dos lands, dio gij opbrengen zult van uw land, dat u de Heere, uw God, geeft, en zult ze in eenon korf loggen; en gij zult heengaan tot do plaats, die de Heere, uw God, verkoren zal hebben, om zijnen naam aldaar te doen wonen ; a Ex.23:19.34:20. Lev.2:14. 23:10. Num. 15:17. 3 En gij zult komen tot don priester, dewelke in die dagen zijn zal, ou tot hem zoggen: Ik vorklaar heden voor don Heere, uwen God, dat ik gekomen ben in het land, hetwelk do Heere onzen vaderen gezworen liooft ons te zullen geven. 4 En de priester zal don korf van uwe hand nemen, en hij zal dien voor het altaar dos Hee-iien , uws Gods, nederzetten. 5 Dan zult gij voor het aangezigt des Heeren, uws Gods, betuigen en zeggen: Mijn vader was oen bedorven Syriër, en hij quot; toog af naar Egypte, en verkeerde aldaar als vreemdeling met weinig volks; maar hij werd aldaar tot oen groot, magtig en menigvuldig volk. « Oen. 40: 1. 6 Doch do Egyptonaars doden ons kwaad, en verdrukten ons, on leiden ons oeno harde dienst op. 7 Toen riepen wij tot den Heere, den God onzer vaderen; on do Heere quot;verhoorde onze stom en zag onze ellende aan, ou onzen arbeid, en onze onderdrukking. «Ex. 2:23. 8 En de Heere voordo ons uit Egypte, door eeno sterke haud, ou door oenen uitgestrokton arm, en door grooton schrik, on door toekonen, en door wondoren. 9 En Hij hooft ons gebragt tot deze plaats; en Hij hooft ons dit land gegeven, oen land vlooijendo van melk en honig. 10 En nu, zie, ik heb gebragt de oorstelingon van do vrucht dezes lands, dat Gij, Heere! mij gegeven hebt! Dan zult gij zo nederzetten voor het aangezigt dos Heeren, uws Gods, en zult u huigen voor hot aangezigt dos Heeren, uws Gods; 11 En gij zult vrolijk zijn over al het goede, dat do Heere, uw God, aan u on uw huis go-gevon hooft; gij, en do Leviet, en do vreemdeling, die in hot midden van u is. 12 Wanneer gij zult geëindigd liobben quot; allo tienden van uw inkonion te vertienen, in het |
207 dorde jaar, zijnde oen jaar der tienden; dan zult gij aan den Leviet, aan don vroomdeling, aan don wees on aan de weduwe geven, dat zij in uwe poorten eten ou verzadigd worden. a Lev. 27 : 30. Num. 1.S:24. 13 En gij zult voor hot aangezigt des Heeren, uws Gods, zoggen: Ik heb hot hoiligo uit liet huis weggenomen, en heb hot ook aan don Leviet en aan don vreemdeling, aan don wees en aan do weduwe gegeven, quot;naar al uwe geboden, die Gij mij geboden hebt; ik hob niets van uwe go-boden overtreden, on niets vergoten. aDout. 14:27. 14 Ik heb daarvan niet gegeton in mijn lood, en heb daarvan niets woggenomon tot iets onreins, noch daarvan gegeven tot oenen doode; ik ben der stom dos Heeren, mijns Gods, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan naar alles, wat Gij mij geboden hebt. 15 Zie nederwaarts van uwe heilige woning, van don hemel, en zogen uw volk Israël, en hot land, dat Gij ons gegeven hebt, gelijk als Gij onzen vaderen gezworen hebt; oen land van melk on honig vlooijendo. 16 To dozen dage gebiedt u do Heere, uw God, deze inzettingen en rogton te doen; houdt dan en doet dezelve, mot uw gansche hart en niet uwe gansche ziel. 17 Heden quot;hebt gij don Heere doen zeggen, dat Hij u tot oen' God zal zijn, ou dat gij zult wandelen in zijne wogen, en houden zijne inzettingen, en zijne geboden, en zijne rogten, en dat gij zijner stom zult gehoorzaam zijn. «Gen. 17:7. 18 En de Heere hooft u heden doen zeggen, dat gij Hem tot een quot; volk dos eigendoms zult zijn, gelijk als Hij u gesproken hooft, en dat gij al zijne geboden zult houden. «Ex. 10:5. Dent.7:0.14 :2. 11) quot;Opdat Hij u alzoo boven al do volken, die Hij gemaakt heeft, hoog zotte, tot lof, en tot oenen naam, en tot hoorlijkheid; en opdat gij een heilig volk zijt don Heere, uwen God, gelijk als Hij gesproken hooft. a Dont. 4:7. HOOFDSTUK 27. Bevel tot oprigting van geclonkstoonoti en eon aHaar over do Jordaan, mot de bedoeling daarvan, vs. 1; tot do plegtige uitspraak aldaar van don zogen on don vloek, mot hot formnlior van den vloek, 11. EN Mozes, te zamou mot de oudsten van Israël, gebood hot volk, zeggende: Behoudt al deze geboden , dio ik uliedou heden gebiedo. 2 Het zal dan goschiedon, ten dage quot; als gij over do Jordaan zult gegaan zijn in het land, dat u do Heere, uw God, geven zal, zoo zult gij u groote stoenen oprigten, en bestrijken zo met kalk. a Joz. 4:1. 3 En gij zult daarop schrijven alle woorden dezer wet, als gij overgegaan zult zijn; opdat gij komt in hot land, dat do IIeere, uw God, u geven zal, oen land vlooijendo van molk en honig, gelijk als do Heere, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft. DEUTERONOMIUM 25, 26, 27. |
DEUTERONOMIUM 27, 28.
208
|
4 Het zal dan geschieden, als yij over do Jor-daan gegaan /.nlt zijn, dat gij dezelve steenon, van dewelke ik u heden gebiede, zult oprigten ()|gt; den borg Ebal, on gij zult zo met kalk bestrijken. rgt;quot;En gij zult aldaar den Heere, uwen God, een altaar bouwen, oen altaar van steenon; gij zult geen ijzer over hetzelve bewegen. ff Ex, 20:25. Joz. 8: Hl. (! Van geheelo steenon zult gij het altaar des Heehen, uws Gods, bouwen; en gij zult den 11keke, uwen God, brandofferen daarop offeren. 7 Ook zult gij dankofferen offeren, en zult aldaar eten, en vrolijk zijn voor het aangezigt des Heehen, uws Gods. 8 En gij zult op deze steenen schrijven alle woorden dezer wet, die wel uitdrukkende. 9 Voorts sprak Mozes, te zamen met de lovio-tischo priesteren, tot gansch Israël, zeggende: Luistert toe en hoort, o Israël! op dezen dag zijt gij den Heere, uwen God, tot oen volk geworden. 10 Daarom zult gij der stem dos IIeeken, uws Gods, gehoorzaam zijn, on gij zult doen zijne geboden en zijne inzettingen, die ik u heden gebiede. 11 En Mozes gebood hot volk te dien dage, zeggende: 12 Deze zullen staan, om het volk te zegenen op don berg Gerizim, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn: Simoon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, on Benjamin. i:i Eu deze zullen staan over don vloek op den berg Ebal: Ruben, Gad en Asor, Zebulon, Dan on Nafthali. 14 En de Levieten zullen betuigen en zeggen tot allen man van Israël, mot verhevene stem: 15 Vervloekt zij do man, die oen gesneden of gegoten beeld, oenen gruwel dos Heeren, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in hot verborgene! en al het volk zal antwoorden en zoggen: Amen. 16 Vervloekt zij, die zijnen vader of zijne moedor veracht! en al hot volk zal zoggen: Amen. 17 Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt! en al hot volk zal zoggen: Amen. 18 Vervloekt zij, die oenen blinde op den wegdoet dolen! en al hot volk zal zeggen: Amen. 19 Vervloekt zij. die het regt van den vreemdeling, van don wees en van de weduwe buigt! en al hot volk zal zeggen: Amen. 20 Vervloekt zij, «lie bij de vrouw zijns vaders ligt, omdat hij zijns vaders slippe ontdekt heeft! en al hot volk zal zoggen: Amen. 21 Vervloekt zij, die bij oenig beest ligt! en al hot volk zal zeggen: Amen. 22 Vervloekt zij, die bij zijne zustor ligt, do dochter zijns vaders of do dochter zijner moedor! en al het volk zal zoggen: Amen. 2:i Vervloekt zij, die bij zijne schoonmoeder ligt, en al het volk zal zoggen: Amen. |
24 Vervloekt zij, die zijnen naaste in het vei horgene verslaat! en al hot volk zal zeggen: Amei 25 Vervloekt zij, die geschenk neemt, om eet ziel, het bloed eens onschuldigen, te verslaat en al het volk zal zeggen: Amen. 21! quot;Vervloekt zij, die de woorden dezer W' niet zal bevestigen, doende dezelve! en al k volk zal zeggen: Amen. «(Inl. 3:1 HOOFDSTUK 28. Register der zegeningen, met welke Ood bij eene vc standige gehoorzuainheit! do Israëlieten zonde zeg non, vs. 1: en der vervloekingen, welke hen zoitdi treffen, indien zij van God afwijken en zijne gebod mogten verlaten, 15. EN quot; het zal geschieden, indien gij der ste dos Heeren, uws Gods, vlijtiglijk zult goboo zanten, waarnemende te doen al zijne gebodei die ik u heden gebiede, zoo zal de Heere, u God, ii hoog zetten boven alle volken dor aard «Lev. 2(1: 2 En al dozo zegeningen zitllen over u kome en u aantreffen, wanneer gij der stem des He ren, uws Gods, zult gehoorzaam zijn. ;i Gezegend zult gij zijn in de stad, en gozeget zult gij zijn iti het veld. 4 Gezegend zal zijn do vrucht uws bulks, en vrucht uws lands, en de vrucht uwer booste do voortzetting uwer kooijen, en do kudden v uw klein vee. 5 Gezegend zal zijn uw korf, en uw baktrog, li Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gozege zult gij zijn in uw uitgaan. 7 De Heere zal geven uwe vijanden, die tog u opstaan, geslagen voor uw aangezigt: do éénen weg zullen zij tot u uittrokken, maar do zeven wegen zullen zij voor uw aangezigt vliedt 8 De Heere zal den zogen gebieden, dat 1 mot u zij in uwe schuren, en in alles, waara gij uwe hand slaat; en Hij zal u zegenen in I land, dat u do Heere, uw God, geven zal. 9 De Heere zal u Zich zeiven quot;tot een hei volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen iiee wanneer gij de geboden des Heeren, uws Goc zult houden, en iti zijne wogen wandelen. a Dent. 7 10 En allo volken der aarde zullen zien, dat naam des Heeren over u genoemd is, en zullen voor u vreezen. 11 «En de Heere zal u doen overvlooijen a goed, in de vrucht uws buiks, en in do vrult; uwer beesten, en in de vrucht uws lands; op I land, dat de Heere uwen vaderen gozwoi hooft u te zullen geven. «Dent. HO 12 De Heere zal u opendoen zijnen goeden sch den hemel, om aan uw land regen te geven zijner tijd, en om te zegenen al hot werk uv hand; en gij zult aan vele volken quot; loonen, nu gij zult niet ontleenon. oDent. 15 13 En de Heere zal u tot een hoofd mak» on niet tot een' staart, en gij zult alleenlijk bo\ |
DEUTERONOMIUM 28.
209
|
zijn, en niet onder zijn; wanneer gij hooren zuil naar de geboden des Heeren, uws Gods, die ik ii heden gebiede to houden en te doen; 14 En gij niet afwijken zult van al do woorden, die ik ulieden heden gebiede, ter rogter- of ter linkerhand, dat gij andere goden nawandelt, om hen te dienen. 15 Daarentegen zal hot geschieden, indien gij der stom des Heeren, uws Gods, quot;niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat gij doet al zijne geboden en zijne inzettingen, die ik u heden gebiede; zoo zullen al deze vloekon over u komen, on u troffen. a Lev. 20 : 14. Klgkl. 2 : 17. Dan. 9:11, 13. Mal. 2 :2. 10 Vervloekt zult gij zijn in de stad, en vervloekt zult gij zijn in hot veld. 17 Vervloekt zal zijn uw korf, en uw baktrog. 18 Vervloekt zal zijn de vrucht uws buiks, en do vrucht uws lands, do voortzetting uwer koeijon, en do kudden van uw klein vee. 19 Vervloekt zult gij zijn in uw ingaan, en vervloekt zult gij zijn in uw uitgaan. 20 De Heere zal onder u zenden don vloek, do verstoring en hot verderf, in alles, waaraan gij uwe hand slaat, dat gij doen zult; totdat gij verdelgd wordt, en totdat gij haastolijk omkomt, van woge do boosheid uwer werken, waarmede gij Mij verlaten hebt. 21 De Heere zal u de pestilentie doen aankleven, totdat Hij u verdoe van het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven. 22 quot;De IIeehe zal u slaan met tering, en mot koorts, en met vurigheid, en mot hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat gij omkomt, n Lov. M-, 10. 23 quot;En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn. a Lev. 20 : 19. 24 Do Heere, uw God, zal pulver en stof tot regen uws lands geven: van den hemel zal het op u nederdalen, totdat gij verdelgd wordt. 2ó De Heere zal u geven geslagen voor hot aangezigt uwer vijanden: door éénon weg zult gij tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult uij voor zijn aangezigt vlieden; on gij zult van allo koningrijken der aarde beroerd worden. 26 En uw dood ligchaam zal aan alle gevogelte dos hemels, en aan de beesten der aarde tot spijze zijn; en niemand zal ze afschrikken. 27 De Heere zal u slaan motquot; zweren van Egypte, i'n met spenen, en met droogo schurft, on mot kraauwsel, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden. '/Ex. 9:9. 28 Do Heere zal u slaan met onzinnigheid, en met blindheid, en met verbaasdheid dos harten; 29 Dat gij op don middag zult omtasten, gelijk als een blinde omtast in hot donkere, en uwe wogen niet zult voorspoedig maken; maar gij zult alleenlijk verdrukt en beroofd zijn allo dagen, 'ii er zal geen verlosser zijn. |
30 Gij zult eono vrouw ondertrouwen, maar oon ander man zal haar beslapen; een huis zult gij bouwen, maar daarin niet wonen; oenen wijngaard zult gij planten, maar dien niet gemeen maken. 31 Uw os zal voor uwe oogon geslagt worden, maar gij zult daarvan niot eten; uw ezel zal van voor uw aangezigt geroofd worden, en tot u niot wederkoeren; uw klein vee zal aan uwe vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn. 32 Uwe zonen en uwe dochtoron zullen aan oen ander volk gegeven worden, dat het uwe oogon aanzien, en naar hen bezwijken den ganschen dag; maar het zal in hot vermogen uwer hand niot zijn. 33 De vrucht van uw land en al uwen arbeid zal oen volk eten, dat gij niet gekend hebt: on gij zult alle dagen alleenlijk verdrukt en go-plotterd zijn. 34 En gij zult onzinnig zijn, van woge het gezigt uwer oogon, dat gij zien zult. 35 Do Heere zal u slaan mot booze zworen, aan de knieën en aan do boenen, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden, van uwe voetzool af tot aan uwen schedel, 30 Do Heere zal u, mitsgaders uwen koning, dien gij over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk , dat gij niet gekend hebt, noch uwe vaderen; en aldaar zult gij dienen andere goden, hout en steen. 37 En gij zult zijn tot oenen schrik, tot een spreekwoord, on tot eono spotrode, onder al de volken, waarhoen u do Heere leiden zal. 38 quot;Gij zult voel zaads op don akker uitbrongon, maar gij zult weinig inzamelen: want de sprinkhaan zal hot verteren. a Micha 0: 15. Ihigg. 1 : 0. 39 Wijngaarden zult gij planten, on bouwen, maar gij zult geonen wijn drinken, noch iets vergaderen: want de worm zal het afeten. 40 Olijfbooinen zult gij hebben in al uwe landpalen, maar gij zult u met olio niet zalven: want uw olijfboom zal zijne vrucht afwerpen. 41 Zonen on dochteron zult gij gewinnen, maar zij zullen voor u niet zijn: want zij zullen in go-vangonis gaan. 42 Al uw geboomte, en do vrucht uws lands zal het boos gewormte erfelijk bezitten. 43 Do vroomdoling, dio in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u opklimmen; en gij zult laag, laag nederdalen. 44 llij zal u leonen, maar gij zult hom niot loenon; hij zal tot een hoofd zijn, on gij zult tot een' staart zijn. 45 En al dozo vloeken zullen over u komen, en u vervolgen, en u treffen, totdat gij verdelgd wordt: omdat gij dor stem des Heeren, uws Gods, niot gehoorzaam zuil geweest zijn, om te houden zijne geboden en zijne inzettingen, dio llij u geboden hooft. 40 En zij zullen onder u tot oon toeken, on tot oon wonder zijn, ja onder uwzaad tot in eeuwigheid. u |
DEUTERONOMIUM 28, 29.
210
|
47 Omdat gij den Heere , uwen God, niet gediend zult hebben met vrolijkheid en goedheid des harten, van wege do veelheid van alles; 48 Zoo zult gij uwe vijanden, die de Heere onder u zenden zal, dienen, in honger en in dorst, en in naaktheid, en in gebrek van alles; en Hij zal een ijzeren juk op uwen hals leggen, totdat Hij ii verdelge. 49 De Heere zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde der aarde, gelijk als een arend vliegt; een volk, welks spraak gij niet zult verstaan; 50 Een volk stijf van aangezigt, dat het aange-zigt des ouden niet zal aannemen, noch den jonge genadig zijn. 51 En liet zal de vrucht uwer beesten, en de vrucht uws lands opeten, totdat gij verdelgd zult zijn; hetwelk u geen koren, most noch olie, voortzetting uwer koeijen noch kudden van uw klein vee zal overig laten, totdat Hij u verdoe. 52 En het zal u beangstigen in al uwe poorten, totdat uwe hooge en vaste muren nedervallen, op welke gij vertrouwdet in uw gansche land; ja het zal u beangstigen in al uwe poorten, in uw gansche land, dat n de Heere, uw God, gegeven heeft. 53 quot;En gij zult eten de vrucht uws buiks, het vleesch uwer zonen en uwer dochteren, die u de Heere, uw God, gegeven zal hebben; in do belegering en in de benaauwing, waarmede uwe vijanden u zullen benaauwen. a Lev. 20:29. 2 Kon. 0:29. Klgkl. 4: 10. 54 Aangaande den man, die teeder onder u, en die zeer wellustig geweest is, zijn oog zal kwaad zijn tegen zijnen broeder, en tegen do huisvrouw zijns schoots, en tegen zijne overige zonen, die hij overgehouden zal hebben; 55 Dat hij niet aan oenen van die zal geven van het vleesch zijner zonen, die hij eten zal, omdat hij voor zich niets heeft overgehouden; in de belegering en in de benaauwing, waarmede u uw vijand in al uwe poorten zal benaauwen. 50 Aangaande de toedere en wellustige vrouiv onder u, die niet verzocht heeft hare voetzool op de aarde te zetten, omdat zij zich wellustig en teeder hield; haar oog zal kwaad zijn tegen den man haar schoots, en tegen haren zoon, en tegen hare dochter; 57 En dat om hare nageboorte, die van tusschen hare voeten uitgegaan zal zijn, en om hare zonen, die zij gebaard zal hebben: want zij zal hen oten in het verborgene, vermits gebrek van alles; in de belegering en in de benaauwing, waarmede uw vijand u zal benaauwen in uwe poorten. 58 Indien gij niet zult waarnemen te doen al de woorden dezer wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vreezen dezen heerlijken en vreesse-lijken Naam, den Heere, uwen God; 59 Zoo zal de Heere uwe plagen wonderlijk maken, mitsgaders do plagen van uw zaad; het uilen groote en gewisse plagen, en booze gewisse krankten zijn. |
GO En Hij zal op u doen keercn alle kwalen \ Egypte, voor dewelke gij gevreesd hebt, en zullen u aanhangen. 01 Ook alle krankte, en alle plage, die in boek dezer wet niet geschreven is, zal de Het over u doen komen, totdat gij verdelgd wor 02 En gij zult niet weinige menschen overgela worden, in plaats dat gij geweest zijt als quot;sterren des hemels in menigte; omdat gij i stem des Heeren, uws Gods, niet gehoorza geweest zijt. «üeut, 10: 08 En liet zal geschieden, quot;gelijk als de Hei zich over uiieden verblijdde, u goed doende u vermenigvuldigende, alzoo zal zich de Hei over u verblijden, u verdoende en u verdelgen en gij zult uitgerukt worden uit het land, w gij naar toe gaat, om dat te erven. re.les. 1 : 04 En de Heere zal u quot; verstrooijen onder volken, van het eene einde der aarde tot aan andere einde der aarde; en aldaar zult gij and goden dienen, die gij niet gekend hebt, n uwe vaders, hout en steen. aDeut.4:27. Neh. 65 Daartoe zult gij onder dezelve volken i stil zijn, en uwe voetzool zal geene rust hebli want de Heere zal u aldaar een bevend I geven, en bezwijking der oogen, en mattigl der ziel. 00 En uw leven zal tegenover u hangen; en zuil nacht en dag schrikken, en gij zult van leven niet zeker zijn. 07 Des morgens zult gij zeggen: Och dat avond ware! en des avonds zult gij zeggen: 1 dat het morgen ware! vermits den schrik harten, waarmede gij zult verschrikt zijn, vermits het gezigt uwer oogen, dat gij zien z 68 En de Heere zal u naar Egypte doen wei koeren in schepen, door eenen weg, waarvai u gezegd heb: Gij zult dien niet meer zien; aldaar zult gij u aan uwe vijanden willen koopen tot dienstknechten en tot dienstmaagc maar er zal geen kooper zijn. HOOFDSTUK 29. Mozea verhaalt op nieuw de groote veelsoortige gt; ningen, welke God tot hiertoe aan zijn volk bow had, vs. 1; vermaant hen zeer ernstiglijk, vooi aangezigt des Hoeren, tot het getrouw omlorho van zijn verbond, met hen en hunne kinderer maakt, 9; waarschuwt hen voor ongeloof, ligtzii verachting en verbreking van dat verbond, mei dreiging van oen schrikkelijk verderf, 18; bc mot oone korte en leerzame spreuk, het eind hot gebruik behelzende van het geopenbaarde g( lijke woord, 29. DIT zijn de woorden des verbonds, dal Heere Mozes geboden heeft te maken me kinderen Israels, in het land van Moab, lx het verbond, dat Hij met hen gemaakt had Horeb. 2 En Mozes riep gansch Israël, en zeide tot |
DEUTERONOMIUM 29.
quot;Gij hebt gezien al wat do Heere in Egypteland 9 Houdt dan dc woorden dozos verbonds, en
voor uwe oogen gedaan heeft, aan Faraö, en aan doet ze; opdat gij verstandelijk handelt in alles,
al zijne knechten, en aan zijn land: a Ex. 19:4. wat gij doen zult.
quot;De groote verzoekingen, die uwe oogen ge- 10 Gij staat lieden allen voor het aangezigt des
zien hebben, diezelve teekenen engroote wonderen. IIeeren, nws Gods: uwe hoofden uwer stammen,
«Dout. 4:34. 7:19. uwe oudsten, er. uwe ambtlieden, alle man van
4 Maar do Heere hooft ulieden niet gegeven Israël;
oen hart om te verstaan, noch oogen om te zien, 11 Uwe kinderkens, uwe vrouwen, en uw vreem-
noch ooren om to hooron, tot op dezen dag. deling, die in het midden van uw leger is, van
5 En ik hob ulieden veertig jaren doen wandelen uwen houthouwer tot uwen waterputter too;
in do woestijn: uwe kleodoren zijn aan u niet 12 Om over te gaan in het verbond des Heeren,
211
|
veroud, on uw schoon is niet veroud aan uwen voet. lt;gt; Brood hebt gij niet gegeten, en wijn en sterken drank hebt gij niet gedronken; opdat gij wistet, dat Ik do Heere, uw God, bon. i Toen gij nu kwaamt aan deze plaats, toog quot;Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, do koning van Razan, ons te gemoet, ten strijde; ('ii wij sloegen hen. aNnm. 21 ^4,33. Deut. 2:32.3:1. ^ Kn wij hebben hun land ingenomen, en dat ' ten erve gegeven aan de Rubenieten on Gadioten, mitsgaders aan den halven stam dor Manassioten. a Num. 32:33. Dent. 3:12. Joz. 13:8. |
uws Gods, on in zijnon vloek, hetwelk do Heere, uw God, heden met u maakt; 13 Opdat Hij u heden zich zei ven tot een volk bovestigo, en Hij n tot een' God zij, gelijk als Hij tot n gesproken heeft, en quot;gelijk als Hij uwen vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen hoeft. n Gon. 17:7. 14 En niet met ulieden alleen maak ik dit verbond en «lezen vloek; 15 Maar mot dengono, die heden hier bij ons voor hot aangezigt des IIeeren, onzos Gods, staat; en met dengono, die hier heden bij ons niet is. |
14*
DEUTERONOMIUM 20, 30.
212
|
16 Want ^ij weet, hoe wij in Egypteland gewoond hebben, en hoe wij doorgetogen zijn door het midden der volken, die gij doorgetogen zijt. 17 En gij hebt gezien hunne verfoeiselen, en hunne drekgoden, hout en steen, zilver en goud, die hij hen waren. 18 Dat onder ulieden niet zij een man, of vrouw, of huisgezin, of stam, dio zijn hart heden wende van den Heere, onzen God, om te gaan dienen do goden dezer volken; dat onder ulieden niet zij een quot; wortel, die gal en alsem drage; a Hand. S : 23. Hebr. 12 : 15. 19 En het geschiede, als hij de woorden dezes vloeks hoort, dat hij zich zeiven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken zal wandelen , om de dronkene te doen tot de dorstige. 20 Do IIeere zal hein niet willen vergeven, maar alsdan zal dos Hekken toorn en ijver rooken |
24 En alle volken zullen zeggen: quot;Waarom heeft de IIeere aan dit land alzoo gedaan? wat is do ontsteking van dezen groot-en toorn? aJcr. 22:8. 25 Dan zal men zoggen: Omdat zij liet verbond dos 11 eer en , dos Gods hunner vaderen, hebben verlaten, dat IIij met hen gemaakt had, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde; 20 En zij heengegaan zijn, en andore goden gediend en zich voor die gebogen hebben; goden, die hen niet gekend hadden, en geen van welke hun iets medogodeeld had: 27 Daarom is do toorn des Heeren ontstoken togen dit land, om daarover te brongen al dezen vloek, die in dit boek geschreven is. 28 En do Heere hooft hen uit hun land uitgetrokken, in toorn, en in grimmigheid, en in grooto verbolgenheid; on Hij hoeft hen verworpen in oen ander land, gelijk het is te dezen dage. 2!) Do verborgene dingen zijn voor den Heere, |
' I I
Henu/zo Go/./.oi.i; Verwoesting van Soilotn (IJeut.
|
over donzelven man, en al do vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen; en de Heere zal zijnen naam van onder den hemel uitdelgen. 21 En de Heere zal hem ten kwade afscheiden van al do stammen Israels, naar allo vloekon des verbonds, dat in het hoek dezer wet geschreven is. 22 Dan zal zoggen het navolgend geslacht, uwe kinderen, die na ulieden opstaan zullen, en de vreemde, dio uit verren lande komen zal, als zij zuilen zien do plagen dozes lands en deszelfs krankheden, waarmede do Heere het gekrenkt heeft; 21! Dat zijne gansche aarde zij zwavel en zout der verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geeno spruit zal voortgebragt hebben, noch oenig kruid daarin zal opgekomen zijn: gelijk do omkeering van Sodom en Gomorra, A'dama en Zebóïm, die do Heere hoeft omgekeerd in zijnen toorn en in zijne grimmigheid; |
onzen God; maar do geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet. HOOFDSTUK 30. üolofto van genadige verlossing cn hokeering, mot aanwijzing van don oorsprong ilior bokeoring on don daarop volgendon zegen, vs. 1. I jofspraak op de goddelijke wot, II. Voorstelling van liet leven on ilon dood, met oone plogtigo vermaning om hot loven en don zegen to verkiezen, 15. VOORTS zal hot geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zogen of dozo vloek, die ik u voorgesteld heb; zoo zult gij hot weder tor harte nemen, onder allo volken, waarheen u do Heere, uw God, gedreven hooft; 2 En gij zult u bokoeron tot den Heere, uwen God, en zijnor stom gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gobiede, gij en uwe kinderen, met uw gansche hart en mot uwe gansche ziel. 3 En de Heere, uw God, zal quot;uwe gevangenis |
|
wenden, en zich uwer ontfermen; en Hij zal u weder vergaderen uit al de volken, waarheen u de Heeiie, uw God, verstrooid had. a Neli. I : 8. Ps. 106:45. .lor. 32:37. t quot; Al waren uwe verdrevenen aan liet einde des hemels, van daar zal u de Heehe, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen. aNeh. l:{). 5 En de Heere, uw God, zal u brengen in het land, dat uwe vaderen erfelijk bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten; en Hij zal u weldoen , en zal u vermenigvuldigen boven uwe vaderen. (i En de Heere, uw God, quot;zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om den Heere, uwen God, lief te hebben mot uw gansche hart en met uwe gansche ziel, opdat gij levet. «Jor. 32:39. Ezeo. II : 1'J. 36:26. 7 En de Heere, uw God, zal al die vloeken leggen op uwe vijanden en op uwe haters, die u vervolgd hebben. 8 Gij dan zult u bekeeren, en der stem des Heeren gehoorzaam zijn, en gij zult doen al zijne geboden, die ik u heden gebiede. !) quot;En de Heere, uw God, zal u doen over-vloeijen in al het werk uwer hand, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht uwer beesten, en in de vrucht uws lands, ten goede: want de Heere zal wederkeeren, om zich over u te verblijden ten goede, gelijk als Hij zich over uwe vaderen verblijd heeft; r/.Ueut. 28:11. 10 Wanneer gij der stem des Heeren, uws Gods, zult gehoorzaam zijn, houdende zijne geboden en zijne inzettingen, die in dit wetboek geschreven zijn; wanneer gij u zuil bekeeren tot den Heeke, uwen God, met uw gansche hart en met uwe gansche ziel. 11 Want ditzelve gebod, hetwelk ik u heden gebiede, dat is van quot;u niet verborgen, en dat is niet verre. «Jos. 40:10. 12 Het is niet in den hemel, om te zeggen: quot; Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons halo, en ons hetzelve hooren late, dat wij liet doen? aRoni. 10:6, en/,. 13 Het is ook niet op gene zijde der zee, om te zeggen: Wie zal voor ons overvaren aan gene zijde der zee, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve hooren late, dat wij het doen? 14 Want dit woord is zeer nabij u, in uwen mond, en in uw hart, om dat te doen. 15 Ziet, ik heb u heden voorgesteld het leven, en het goede, en den dood, en het kwade. 16 Want ik gebiede u heden, don Heere, uwen God, lief to hebben, in zijne wegen te wandelen, en te houden zijne geboden, en zijne inzettingen, en zijne regten, opdat gij levet en vermenigvul-diget, on de Heere, uw God, u zegone in hot land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven. 17 Maar indien uw hart zich zal afwonden, en gij uiot hooren zult, en gij gedreven zult worden, dat gij u voor andere goden buigt, en dezelve dient; |
213 18 Zoo verkondig ik ulieden heden, dat gij voorzeker zult omkomen; gij zult de dagen niet verlengen op het land, naar hetwelk gij over do Jordaan zijt heengaande, om daarin te komen, dat gij het erfelijk bezit. 19 quot; Ik neem heden tegen ulieden tot getuigen den hemel en de aarde: het leven en den dood heb ik u voorgesteld, den zogen en den vloek! Kiest dan het loven, opdat gij levet, gij en uw zaad : a Dout. 4 : 26. 20 Liefhebbende den Heere, uwen God, zijner stom gehoorzaam zijnde, en Hem aanhangende: want Hij is uw leven en de lengte uwer dagen; opdat gij blijft in het land, dat de Heere uwen vaderen. Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven. HOOFDSTUK 31. Mozes zogt liet volk Israels, dat hij niet in Kanaan koraon, maar weldra sterven zal; belovende dat God door .loziia hen daarin brengen on liuiino vijanden verdelgen zou, vs. 1. Mozes versterkt Jozua, 7, overhandigt het door hem gosehreven wetboek aan de priesters, Levieten en oudsten, met bevel het allo zeven jaren aan hot gansche volk voor te lezen, 0, en dat de Levieten hot zullen nederleggen naast de ark des verbonds, 24. God stelt Jozua aan in Mozes plaats, 14; verkondigt beiden do toekomende ongehoorzaamheid van Israël on hunne straffen, 16, beveelt Mozes een lied te vervaardigen tot hunne waarschuwing en hun dat to loeren, 19. Mozes vergadert het gansche volk om liet lied te hooren, 28. DAARNA ging Mozes heen, en sprak deze woorden tot gansch Israël, 2 En zeide tot hen: Ik ben lieden honderd en twintig jaren oud, ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft de Heere tot mij gezegd : quot; Gij zult over deze Jordaan niet gaan. «Num. 27: 12. Denl. 3:26. 3 De Heiore, uw God, Die zal voor uw aange-zigt overgaan; Die zal deze volken van voor uw aangezigt verdelgen, dat gij hen erfelijk bezit. quot;Jozua zal voor uw aangezigt overgaan, gelijk als de Heere gesproken hoeft. a Num. 27:18. 4 En do Heere zal hun doen, gelijk als Hij aan quot; Sihon en Og, koningen der Amorieten, en aan hun land, gedaan heeft, die Hij verdelgd hoeft. o Num. 21 : 24, 33 5 Wanneer hen nu de Heere voor uw aangezigt zal gegeven hebben, dan zult gij hun doen naar allo gebod, quot;dat ik ulieden geboden heb. a Dent. 7:1, 2. 6 Weest sterk en hebt goeden moed, en vreest niet, en verschikt niet voor hun aangezigt: want het is de Heere, uw God, die met u gaat; quot;Hij zal u uiot begeven, noch u verlaten. a.loz. 1 : 5. Hebr. 13:5. 7 En Mozes riep Jozua, en zeide tol hem voor de oogen van gansch Israël: Zijt sterk en heb goeden moed! want gij zult met dit volk ingaan in het land, dat de Heere hunnen vaderen gezworen heeft hun te zullen geven; en gij zuil hot hun doen erven. DEUTERONOMIUM HO, 31. |
DEUTERONOMIUM 31, 32.
214
|
8 Do IIeere nu is degeno, dio voor uw aange-zigt gaat; Dio zal met u zijn; Hij zal u niot bogovon, noch u verlaten ; quot; vreest niet, on ontzet u niot. « Joz. t ; 0. i) En Mozes schroef doze wet, en gaf zo aan do priostoren, do zonen van Levi, dio do ark dos verbonds dos Heeren droegen, en aan allo oudsten van Israël. 10 En Mozes gebood hun, zeggende: Ton einde van zeven jaren, op den gezetton tijd van hot jaar der vrijlating, op hot feest dor loofhutten, 11 Als gansch Israël zal komen, om te verschijnen voor het aangezigt dos Heeren, uws Gods, in de plaats, die Hij zal vorkoren hebben, zult gij deze wet voor gansch Israël uitroepen, voor hunne ooren: 12 Vergadert het volk, dc mannon, en do vrouwen, on do kinderen, cn uwe vreemdelingen, die in uwe poorten zijn; opdat zij hooron, en opdat zij 1 eer on, on vreozon den Heere, uwen God, en waarnemon te doen allo woorden dezer wet. 13 En dat hunne kinderen, die hot niet geweten hebben, hooron on loeren, om te vreozon den Heeue, uwen God, al do dagen, dio gij looft op hot land, naar hetwelk gij over do Jordaan zijt heengaande, om dat te erven. 14 En do Heere zoide tot Mozes: Zie, uwe dagen zijn genaderd, om te sterven; roep Jozua, en stelt uliodon in do tont der zamonkomst, dat Ik hom bevel geve. Zoo ging Mozes, en Jozua, en zij stelden zich in de tent der zamonkomst. 15 Toen verschoon de Heere in do tont, in do wolkkolom; en do wolkkolom stond boven do deur der tent. KJ En do Heere zeido tot Mozes: Zie, gij zult slapen met uwe vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoeroron do goden dor vreemden van dat land, waar hot naar toe gaat, in hot midden van hetzelve; en het zal Mij verlaten, en vor-nietigen mijn verbond, dat Ik mot hetzelve gemaakt heb. 17 Zoo zal mijn toorn to dien dage togen hetzelve ontstoken, en Ik zal hen verlaten, en mijn aangezigt van hen verborgen, dat zij ter spijze zijn en vele kwaden en bonaauwdhoden zullen het treffen; dat het te dien dage zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is? 18 Ik dan zal mijn aangezigt te dien dage gan-schelijk verborgen, om al hot kwaad, dat liet gedaan heeft: want het hoeft zich gewend tot andore goden. 19 En nu, schrijft uliodon dit lied, en leert hot don kinderen Israëls, logt hot in hunnen mond; opdat dit lied Mij ten getuige zij tegen do kinderen Israëls. 20 Want Ik zal dit volk inbrengen in hot land, dat Ik zijnen vaderen gezworen heb, vloeijende van melk en honig, en hot zal eten, on verzadigd, en vet worden; dan zal hot zich wenden tot andere goden, en hen dienon, en zij zullen Mij tergen, en mijn verbond vernietigen. |
21 En het zal geschieden, wanneer volo kwaden en benaauwdhedon hetzelve zullen treffen, dan zal dit lied voor zijn aangezigt antwoorden tot getuige: want hot zal uit don mond zijn zaads niet vergeten worden; dewijl Ik woot zijn go-dichtsol, dat hot heden maakt, aleer Ik het inbreng in hot land, dat Ik gezworen heb. 22 Zoo schreef Mozes dit liod to dien dage, en hij leerde het den kinderen Israëls. 23 En hij gebood Jozua, don zoon van Nun, on zoide: quot; Zijt stork en heb goeden moed! want gij zult de kinderen Israëls inbrengen in hot land, dat Ik hun gezworen hob; en Ik zal met u zijn. a Joz. 1: 0. 24 En het geschiedde, als Mozes voleind had de woorden dezer wet te schrijven in oen bock, totdat zij voltrokken waren; 25 Zoo gebood Mozes den Levieten, dio du ark dos verbonds dos Heeren droegen, zeggende: 20 Noemt dit «wetboek, on legt het aan do zijde van do ark des verbonds dos Heeren, uws Gods, dat hot altaar zij ton getuige tegen u. «2 Kon. 22:8. 27 Want ik ken uwe wodorspannigheid, en uwen hardon nok. Ziet, terwijl ik nog heden met uliodon lovo, zijt gij wederspannig geweest tegon don Heere; hoe vool to meer na mijnen dood! 28 Vergadert tot mij al do oudsten uwer stammen, en uwe ambtliodon; dat ik voor hunno ooren deze woorden sproke, cn tegen hon don hemel on do aarde tot getuigen neme. 29 Want ik weet, dat gij hot na mijnen dood zekerlijk zult verderven, on afwijken van don weg, dien ik u geboden heb; dan zal u dit kwaad in het laatste der dagen ontmoeten, wanneer gij zult gedaan hebben, dat kwaad is in do oogen dos Heeren, om Hem door hot werk uwer handen tot toorn te verwekken. 30 Toen sprak Mozes, voor do ooren der gansche gemeente van Israël, do woorden dezes liods, totdat zij voltrokken waren. HOOFDSTUK 32. Hot lied door Mozes op Gods bevel vervaardigd: lof-verheffing van God en zijne weldaden aan Israël, vs. 1â5, 7â15; bestraffing hunner snoode ondankbaarheid, vs. 5, 0, 15; Gods toorn on hunne aanstaande straffen, 1!), van wolkc ook do Heidenen niot verschoond zonden blijven, 31; vertroosting voor Israël, en do belofte, dat God aan zijne on hunne vijanden zijne magt openbaren en hon door zijne groote daden verheugen zal, 30. Mozes vermaant nogmaals do Israëlieten tot do botraohting van Gods geboden, 44, en ontvangt bevel om oenen borg te beklimmen, van daar hot land Kanailn to aanschouwen en aldaar te sterven, 48. NEIG de ooren, gij hemel! en ik zal spreken; en do aarde hoore do redenen mijns monds. 2 Mijne leor druipe als een regen, mijne rede vloeije als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid. |
DEUTER0N0M1ÃM 32.
215
|
3 Want ik zal don naam dos Heeren uitroepen; geeft onzen God grootheid! 4 Hij is de Rotssteen, wiens werk volkomen is: want al zijne wegen zijn gerigte. God is waarheid, en is geen onregt, regtvaardig en regt is Hij. 5 Hij heeft het tegen Hem verdorven, het zijn zijne kinderen niet, de schandvlek is hunne; hot is een verkeerd en verdraaid geslacht. (! Zult gij dit den Heehe vergelden, gij dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, die u verkregen, die u gemaakt en u bevestigd heeft? 7 Gedenk aan do dagen van ouds, merk op de jaren van elk geslacht; vraag uwen vader, die zal het li bekend maken, uwen ouden, en zij zullen het u zeggen. 8 Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdoelde, toen Hij Adams kinderen van een scheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israels. 9 Want des Heeren doel is zijn volk, Jakob is hot snoer zijner erve. 10 Hij vond hem in een land der woestijn, en in eene woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom. Hij onderwees hem, IIij bewaarde hem als zijn' oogappel. 11 Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne vlerken; 12 Zoo leidde hem de Heere alleen, en er was geen vreemd God met hom. 13 Hij deed hem rijden op de hoogten der aarde, dat hij at do inkomsten des velds; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit den kei der rots; 14 Boter van koeijen, en melk van klein vee, met het vet der lammeren en der rammen, die in Bazan weiden, en der bokken, met het vette der nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt gij gedronken. 15 Als nu Jeschurun vet werd, zoo sloeg hij achteruit; (gij zijt vet, gij zijt dik, ja niet vet overdekt geworden!) en hij liet God varen, die hem gemaakt heeft, en versmaadde don Rotssteen zijns heils. 16 Zij hebben Hem tot ijver verwekt door vreemde (joden-, door gruwelen hebben zij Hem tot toorn verwekt. 17 Zij hebben aan de duivelen geofferd, niet aan (5od; aan de goden, die zij niet kenden: nieuwe, die van nabij gekomen waren, voor dewelke uwe vaders niet geschrikt hebben. 1H Don Rotssteen, die u gegenereerd heeft, hebt gij vergeten; en gij hebt in vergetenis gesteld den God, die u gebaard heeft. 19 Als het de Heere zag, zoo versmaadde Hij hen, uit toornigheid tegen zijne zonen en zijne dochteren. 20 En Ilij zeide: Ik zal mijn aangezigt van hen verbergen; Ik zal zien, welk hunlieder einde zal wezen: want zij zijn een gansch verkeerd geslacht, kinderen, in welke geene trouw is. |
21 quot;Zij hebben Mij tot ijver verwekt door het-geno geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hunne ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn, door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken. «Kom. 10:1!). 22 Want quot;een vuur is aangestoken in mijnen toorn, en zal bernen tot in de onderste hel, en zal het land met zijne inkomst verteren, en de gronden der bergen in vlam zetten, «.lor. 15:14. 23 Ik zal kwaden over hen hoopen; mijne pijlen zal Ik op hen verschieten. 24 Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van den karbonkel en bitter verderf; en Ik zal de tanden der beesten onder hen schikken, met vurig venijn van slangen des stofs. 25 Van buiten zal het zwaard berooven, en uil de binnenkameren de verschrikking; ook den jongeling, ook de jonge dochter, het zuigende kind met den grijzen man. 26 Ik zeide: In alle hoeken zoude Ik hen ver-strooijen; Ik zoude hunne gedachtenis van onder de menschen doen ophouden; 27 Ten ware, dat Ik de toornigheid des vijands schroomde, dat niet hunne tegenpartijen zich vreemd mogten houden; dat zij niet mogten zoggen: Onze hand is hoog geweest, de Heere heeft dit alles niet gewrocht. 28 Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen. 29 O dat zij wijs waren! zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken. 30 Hoe zoude een eenige duizend jagen, en twee tien duizend doen vlugten, ten ware, dat hunlieder Rotssteen hen verkocht, en de Heere hen overgeleverd had? 31 Want hun rotssteen is niet gelijk onze Rotssteen, zelfs onze vijanden regters zijnde. 32 Want hun wijnstok is uit den wijnstok van Sodom, en uit do velden van Gomorra; hunne wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven, zij hebben bittere beziën. 33 Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed adderenvergift. 34 Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in mijne schatten? 35 quot;Mijne is de wraak en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten. a Rom. 12:19. Ilebr. 10:30. 1 Pelr. 2:23. 36 Want do Heere zal aan zijn volk regt doen, en liet zal Hem over zijne knechten berouwen: want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is. 37 Dan zal Hij zeggen: Waar zijn hunne goden? de rotssteen, op welken zij betrouwden ? 38 Welker slagtofferen vet zij aten, welker drank- |
DEUTERONOMIUM 32, 33.
'21(gt;
|
offeren wijn zij dronken; dat zij opstaan en n helpen, dat er verberging voor n zij. 39 Ziel nu, dat Ik, Ik Die ben, en quot;geen God met Mij. Ik ''dood en maak levend. Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit mijne hand redt ! a Dent. 4:85. .los. 45:5, 18, 22. h 1 Sam. 2:0. 40 Want Ik zal mijne hand naar den hemel opheffen, en Ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid! 41 Indien Ik mijn glinsterend zwaard wette, en mijne hand ten gerigte grijpt, zoo zal Ik de wraak op mijne tegenpartijen doen wederkeeren, en mijnen hateren vergelden. 42 Ik zal mijne pijl op dronken maken van bloed, en mijn zwaard zal vleescli eten: van het bloed des verslagenen en des gevangenen, van het hoofd af zullen er wraken des vijands zijn. 43 quot;Juicht, gij Heidenen, Diet zijn volk! want Hij zal hot bloed zijner knechten wreken; en Hij zal de wraak op zijne tegenpartijen doen wederkeeren, en verzoenen zijn land en zijn volk. ii Kom. 15 : 10. 44 En Mozes kwam, en sprak al de woorden dezes lieds voor do ooren des volks, hij en Hoséa, de zoon van Nun. 45 Als nu Mozes geëindigd had al die woorden tot gansch Israël te spreken; 16 Zoo zeide hij tot hen: Zet uw hart op al de woorden, die ik heden onder nlieden betuige, dat gij ze uwen kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen al de woorden dezer wet. 47 Want dat is geen vergoefsch woord voor nlieden; maar het is uw leven; en door ditzolve woord zult gij do dagen verlengen op het land, waar gij over de Jordaan naar toe gaat, om dat te erven. 48 Daarna sprak de Heere tot Mozes, op dien-zelven dag, zeggende: 4!) quot;Klim op den berg Abarim, (deze is do berg Nebo, die in het land van Moab is, die tegenover Jericho is) en zie het land Kanaan, dat Ik den kinderen Israëls tot eene bezitting geven zal: a Num. 27 : 12. 50 En sterf op dien berg, waarheen gij opklimmen zult, en word vergaderd tot uwe volken; gelijk als uw quot;broeder Aaron stierf op den berg Hor, en werd tot zijne volken vergaderd: a Num. 27 : 13. 33 : 38. 51 Omdat gijlieden u tegen Mij quot; vergrepen hebt, in het midden der kinderen Israëls, aan het twist-water te Kades, in de woestijn Zin; omdat gij Mij niet: geheiligd hebt in het midden der kinderen Israëls. a Num. 20 :12. 52 Want van tegenover zult gij dat land zien, maar daarheen niet inkomen, in het land, dat Ik den kinderen Israëls geven zal. HOOFDSTUK 33. Zegening der twaalf stammen door Mozes vóór zijnen dood, en aankondiging van hunne onderscheidene lotgevallen, vs. 1 enz. DIT nu is de zegen, met welken Mozes, de lül 1 i! â M i â Ià f f ï 11 |
man Gods, de kinderen Israëls gezegend heeft, vóór zijnen dood. 2 Hij zeide dan: De Heere is van Sinaï gekomen, en is hunlieden opgegaan van Seïr: Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen mot tien duizenden der heiligen; tot zijne regterhand was eene vurige wet aan hen. 3 Immers bemint Hij de volken! Al zijne heiligen zijn in uwe hand; zij zullen in het midden tus-schen uwe voeten gezet worden; oen ieder zal ontvangen van uwe woorden. 4 Mozes hoeft ons de wet geboden, eene erfenis van Jakobs gemeente; 5 En Hij was koning in Jeschurun, als de hoofden des volks zich vergaderen, zamen met de stammen Israëls. (! Dat Ruben leve, en niet stervo, en dat zijne lieden van getal zijn! 7 En dit is van Juda, dat hij zeide: Hoor, Heere! de stem van Juda! en breng hem weder tot /.ijn volk; zijne handen moeten hem genoegzaam zijn, en zijt Gij hem eene hulp togen zijne vijanden! 8 En van Levi zeide hij: Uwe Thummiin on uwe Urim zijn aan den man, uwen gunstgenoot; dien Gij verzocht hebt in Massa, met wolkon Gij go-twist hebt aan de wateren van Meriba. 1) Die tot zijnen vader on tot zijne moedor zeide: Ik zie hem niet ; on die zijne broodoren niet kende, en zijne zonen niet achtte: want zij onderhielden uw woord, en bewaarden uw verbond. 10 Zij zullen Jakob uwe rogten loeren, en Israël uwe wet; zij zullen reukwerk voor uwen neus leggen, en dat gansch verteerd zal worden, op uw altaar. 11 Zegen, Heere! zijn vermogen, en laat U het werk zijner handen wol bevallen; versla do lenden dergenon, die tegen hom opstaan en hom haten, dat zij niet weder opstaan! 12 En van Benjamin zeide hij: Do beminde des Heeren, Hij zal zeker bij hem wonen; Hij zal hem don ganschen dag overdekken, en tusschen zijne schouders zal Hij wonen! 13 En van Jozef zeide hij: quot; Zijn land zij gezegend van den Heere, van het uitnemondste des hemels, van den dauw, en van do diepte, die beneden is liggende; aOen. 49:25. 14 En van de uitnemondste inkomsten dor zon, en van de uitnemondste voortzetting der maan; 15 En van het voornaamste dor oude bergen, en van het uitnemondste dor eeuwige heuvelen; Ki En van het uitnemondste der aarde en hare volheid, en van de goedgunstigheid Desgenen, die in den braambosch woonde, kome de zegening op hot hoofd van Jozef, en op don schedel des quot; afgezonderden van zijne broederen! aGon. 10:2(i. 17 Hij heeft de heerlijkheid dos eerstgeborenen zijns osses, en zijne hoornen zijn hoornen des eenhoorns; met dezelve zal hij do volken te zamen stoeten tot aan de einden des lands. Doze nu zijn |
DEUTERONOMIUM 33, 31.
217
|
do tien duizenden van Etraïm, on doze zijn de duizenden van Manasse! 18 En van Zobulon zeide hij: Verheug u, Zebulon! over uwen uittogt, en Issaschar! over uwe hutten. 1!) Zij zullen do volken tot den berg roepen; daar zullen zij offeranden der goregtighoid offeren; want zij zullon don overvloed der zeeën zuigen, en do bedekte verborgene dingen dos zands. 20 En van Gad zeide hij; Gezegend zij, dio aan Gad ruimte maakt! hij woont als een oude leeuw, on verscheurt don arm, ja ook den schedel. |
21 En heeft zich van het eerste voorzien, omdat 2G Niemand is er gelijk God, o Jeschuruii! die op don hemel vaart tot uwe hulp, on mot zijne hoogheid op do bovenste wolken. 27 De eeuwige God zij u eone woning, on van onder eeuwige armen; en Hij verdrijve den vijand voor uw aangozigt, en zegge: Verdelg! 28 quot;Israël dan zal zeker alleen wonen, ere Jakobs oog zal zijn op een land van koron en most; ja zijn hemel zal van dauw druipen. a Jor. 23 : ü. 33 : 10. 29 Welgelukzalig zijt gij, o Israël! wie is u gelijk? gij zijt een volk, verlost door den Heere, |
u;ca SiGNonKi.u: Tafeieclen uit liet leven van Jlozes.
|
hij aldaar in het dool des wetgevers bedekt was; daarom kwam hij mot do hoofden des volks, hij verrigtte de goregtighoid des Heeren, en zijne gerigton niet Israël. 22 En van Dan zoido hij: Dan is een jonge leeuw; hij zal als uit Bazan voortspringon. 23 En van Nafthali zeide hij: O Nafthali! zijt verzadigd van de goedgunstigheid, en vol van den zogen des Hkeren; bezit erfelijk het westen on het zuiden. 24 En van Asor zeide hij: Asor zij gezegend met zonen; hij zij zijnen broederen aangenaam, on doope zijnen voet in olie. 25 Ijzer en koper zal onder uwen schoen zijn; en uwe sterkte gelijk uwe dagen! |
het schild uwer hulp, on dio oen zwaard is uwer hoogheid; daarom zullen zich uwe vijanden ge-voinsdolijk aan u onderworpen, en gij zult op hunne hoogten treden! HOOFDSTUK 34. Mozes beklimt den berg Xobo, van waar God hem hot land Kanaan laat zien, vs. 1; hij sterft aldaar, wordt van God begraven, en van Israël beweend, 5. Jozua wordt geroemd, maar veel meer Mozes, 9. TOEN ging Mozes op, uit de vlakke volden van Moab, naar den berg Nebo, op de hoogte van 1'isga, welke regt tegen Jericho over is: en de Heere quot;wees hom dat gansche land, Giload tot Dan toe; a Dent. 3:27. 2 En hot ganscho Nafthali, en hot land van |
JOZUA 1.
218
|
Efraïm en Manasse, en het gansche land van Juda, tot aan de achterste zee; à En hot zuiden, en het effen veld der vallei van Jericho, de pahnstad, tot Zoar toe. 4 En de IIuerk zeide tot hem: Dit is het land, dat Ik quot;Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uwe oogen doen zien, maar gij zult daarheen niet overgaan. a Gen. 12 : 7. Ui : 15. 15 : 18. 20 : 4. 28 : Ui. 5 Alzoo stierf Mozes, de knecht des IIeeren, ul-daar in het land van Moab, naar des IIeeren mond. G En Hij begroef hem in een dal, in hel land van Moab, tegenover Beth-Peor; en quot;niemand hoeft zijn graf geweten, tot op dozen dag. a Judas vers 9. 7 Mozes nu was honderd en twintig jaren oud, als hij stierf: zijn oog was niet donker geworden, en zijne kracht was niet vergaan. |
8 En do kinderen Israels bewoonden Mozes, in de vlakke volden van Moab, dertig dagen: en de dagen des weenens, van don rouw over Mozes, worden voleindigd. 9 Jozua nu, do zoon van Nun, was vol van den (leest der wijsheid, quot;want Mozes had zijne handen op hem gelegd: zoo hoorden do kinderen Israels naar hom, en deden, gelijk als de IIeere Mozes geboden had. (iNum. 27; 18. 10 En er stond geen profeet meer op in Israël, gelijk Mozes, dien de IIeere gekend had, van aangezigt tot aangezigt: 11 In al do tookenen en de wonderen, waartoe hem de IIeere gezonden heeft, om die in Egyp-teland te doen aan Farao, en aan al zijne knechten, en aan al zijn land: 12 En in al die sterke hand, en in al die groote verschrikking, die Mozes gedaan hoeft voor do oogen van gansch Israël. |
HET BOEK VAN JOZUA.
|
HOOFDSTUK 1. Goil liovcelt Jozua Israël naar Kanailn to gcloiden, vs. 1. Beschrijving dor grenzen, 4. God versterkt Jozua met bijzondere beloften, 5; on vermaant hom tot eeno naauwgezotto betrachting zijnor wet, 7. Jozua beveelt hot volk zioh gereed te maken tot don ovor-togt over do Jordaan, 10; roept de Rubenieten, Oadieten en don halvon stam van Manasse oji tot vervulling hunner belofte, 12; waartoe zij zich bereid vorklaren. Ui; terwijl al do stammen hom gehoorzaamheid beloven, 17. HET geschiedde nu, na quot;den dood van Mozes, don knecht des IIeeren, dat de Meere tot Jozua, don zoon van Nun, ''den dienaar van Mozes, sprak, zeggende : a Deut. 34: 5. h Dout. 1 : 38. 2 Mijn knecht Mozes is gestorven; zoo maak u nu op, trok over deze Jordaan, gij en al dit volk, tot het land, dat Ik hun, den kinderen Israëls, geve. 3 quot; Alle plaats, waarop uliedor voetzool treden zal, heb Ik u gegeven, gelijk als Ik tot Mozes gesproken heb. a Dout. 11:24. Joz. 14:9. 4 Van do woestijn on dezen Libanon af, tot aan de groote rivier, de rivier Frath, het gansche land der Ilethieten, en tot aan de groote zee, teyen den ondergang der zon, zal ulieder land-pale zijn. 5 Niemand zal voor uw aangezigt bestaan al do dagen uws levens: gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; quot;Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten. aDeut. 31 :G, 8. Ilebr. 13:5, (j. (i quot; Zijt sterk en heb goeden moed! want gij zult dit volk dat land erfelijk doen bezitten, dat Ik hunnen vaderen hob gezworen hun te geven. «Deut. 31 : 23. 7 Alleenlijk wees sterk en heb zeer goeden moed. |
dat gij waarneemt te doen naar de gansche wet, welke Mozes mijn knecht u geboden heeft, quot;en wijk daarvan niet, ter regter- noch tor linkerhand, opdat gij verstandelijk handelt alom, waar gij zult gaan: aDout. 5:32. 28: 14. 8 Dat het boek dezer wet niet wijke van uwen mond, quot;maar overleg het dag en nacht, , 1 ' gij waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is: want alsdan zult gij uwe wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandelijk handelen. a Ps. 1 : 2. 9 Heb Ik het u niet bevolen? wees sterk en heb goeden moed, en verschrik niet, en ontzet u niet: want de IIeere, uw God, is met u alom, waar gij heengaat. 10 Toen gebood Jozua den ambtlieden des volks, zeggende: 11 Gaat door het midden des legers, en beveelt het volk, zeggende: Bereidt teerkost voor ulieden: want binnen nog drie dagen zult gijlieden over deze Jordaan gaan, dat gij ingaat, om to erven het land, hetwelk de Heere, uw God, ulieden geeft om te beërven. 12 En Jozua sprak tot do Rubenieten en Gadie-ten, en don halven stam van Manasse, zeggende: 13 Gedenkt aan hot woord, hetwelk Mozes, do knecht dos IIeeren, ulieden geboden heeft, zeggende: Do Heere, uw God, geeft ulieden rust, en Hij geeft u dit land: 14 Laat uwe vrouwen, uwe kleine kinderen, en uw vee blijven in het land, dat Mozes ulieden aan deze zijde dor Jordaan gegeven heeft; maai gijlieden zult gewapend trekken, voor het aangezigt uwer brooderen, alle strijdbare helden, en zult hen helpen; |
JOZUA 1, 2.
219
|
15 Totdat de Hkere uwon broodoren rust yevo, als ulioden, on dat zij ook erfelijk bezitten hot land, dat do Heere, uw God, hun yeol't: alsdan zult gijlieden wederkoeren tot het land uwer erfenis, en zult het erfelijk bezitten, dat Mozes, de knecht des Heeren, ulioden gegeven heeft, aan deze zijde der Jordaan, tegen don opgang dor zon. Ki Toen antwoordden zij Jozua, zeggende: Al wat gij ons geboden hebt, zullen wij doen, en alom, waar gij ons zenden zult, zullen wij gaan. 17 Gelijk wij in alios naar Mozes hebben gehoord, alzoo zullen wij naar u hooron: alleenlijk dat de Heere, uw God, met u zij, gelijk als Hij niet Mozes geweest is! 18 Alle man, die uwen mond wederspannig wezen zal, en uwe woorden niet hooren zal in alles, wat gij hem gebieden zult, die zal gedood worden: alleenlijk wees sterk en heb goeden moed! HOOFDSTUK 2. Jozua zendt (woo mannen nit om Kanailn on Jorioho to bespieden, vs. 1. Do koning van Joi'ioho laat hen zookon, li. Eachab verbergt hon, 4; bedriegt do afgezanten des konings, 5; verhaalt do verschrikking, welke op hot gansche land gevallen was, !»; vraagt levensbehoud voor zich en haars vaders huis, 12; verkrijgt hare bede op eono voorwaarde, 14. Do verspieders lot Jozua teruggekeerd, 23, brengen hom goed berigt, 24. JOZUA nu, do zoon van Nun, had twee mannen, die heimelijk vorspiodon zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezigtigt het land on Jericho. Zij dan gingen, en kwamen ton huize van eene vrouw, oeno hoer, wier naam was Rachab; en zij sliepen daar. 2 Toen werd den koning te Jericho geboodschapt, zeggende: Zie, in dozen nacht zijn hier mannen gekomen van do kinderen Israels, om dit land te doorzoeken. Ji Daarom zond de koning van Jericho tot Rachab, zeggende: Breng de mannen uit, dio tot u gekomen zijn, die te uwen huize gekomen zijn: want zij zijn gekomen, om het gansche land to doorzoeken. 4 Maar die vrouw had die beide mannen genomen, on zij had hon verborgen; en zeide aldus: Er zijn mannen tot mij gekomen, maar ik wist niet, van waar zij waren. 5 En het geschiedde, als men de poort zou sluiten, als het duister was, dat die mannen uitgingen; ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn; jaagt hon haastelijk na, want gij zult ze achterhalen. 6 Maar zij had hon op het dak doen klimmen, en zij had hen verstoken onder do vlasstoppelen, die van haar op hot dak beschikt waren. 7 Die mannen nu jaagden hen na op don weg der Jordaan, tot aan de veren; en men sloot do poort toe, nadat zij uitgegaan waren, die hen najaagden. |
8 Eer zij nu sliepen, zoo klom zij tot hon op, op het dak. !) En zij sprak tot die mannon: Ik weet, dat do Heere u dit land gegeven heeft, en dat uliedor vorschrikking op ons gevallen is, en dat al do inwoners dezos lands voor uliedor aangezigt gesmolten zijn. 10 Want wij hebben gehoord, dat do Heere quot; de watoren der Schelfzee uitgedroogd hoeft voor ulieder aangezigt, toen gij uit Egypte gingt; en h wat gijlieden aan de twee koningen dor Amo-rioten, Sihon en Og, gedaan hebt, dio op gene zijde dor Jordaan waren, dewelke gijlieden verbannen hebt. «Ex. 14:21. Joz. 4:23. 6Num. 21:24,34. 11 Als wij het hoorden, zoo versmolt ons hart, on or bestaat geen moed moer in iemand, van woge ulieder tegenwoordigheid: want quot;de Heehe, ulieder God, is een God boven in don hemel, en beneden op de aarde. a Dent. 4:39. 12 Nu dan, zweert mij toch bij den Heere, dewijl ik weldadigheid aan ulioden gedaan heb, dat gij ook weldadigheid doen zult aan mijns vaders huis, en geeft mij een waarteeken: 13 Dat gij mijnen vader on mijne moeder in hot loven zult behouden, als ook mijne broeders on mijne zusters, mot alles, wat zij hobbon; on dat gij onze zielen van don dood redden zult. 14 Toon spraken dio mannen tot haar; Onzo ziel zij voor ulioden om te sterven, indien gij-liodon deze onze zaak niet te kennen geeft; het zal dan geschieden, wanneer de Heere ons dit land geeft, zoo zullen wij aan u weldadigheid on trouw bewijzen. 15 Zij liet hon dan neder met oen zoel door het venster: want haar huis was op don stadsmuur; en zij woonde op den muur. Ki En zij zeide tot hen: Gaat op hot gebergte, opdat niet misschien do vervolgors u ontmooton, en verbergt u aldaar drie dagen, totdat do vervolgers wedergekeerd zullen zijn; en gaat daarna uwon weg. 17 Ook zeiden dio mannon tot haar: Wij zullen onschuldig zijn van dezen uwen eed, dien gij ons hebt doen zweren: 18 Zie, wanneer wij in hot land komen, zoo zult gij dit snoer van scharlakendraad aan hot venster binden, door hetwelk gij ons zult nedergelatcn hobbon; en gij zult tot u in het huis vergaderen uwon vader, on uwe moedor, en uwe broeders, en het gansche huisgezin uws vaders. 19 Zoo zal hot geschieden, al wie uit do deuren van uw huis naar buiten gaan zal, quot;zijn bloed zij op zijn hoofd, en wij zullon onschuldig zijn; maar al wie bij u in het huis zijn zal, diens bloed zij op ons hoofd, indien eono hand togen hom zijn zal! a Matt. 27 : 25. 20 Maar indien gij dozo onze zaak to kennen zult geven, zoo zullen wij onschuldig zijn van uwon eod, dien gij ons hebt doen zweren. 21 Zij nu zoido: Het zij alzoo naar uwe woor- |
i
JOZUA 2, 3, i.
220
|
don. Toon liot zij hon gaan; on zij gingen hoon; on zij bond het schavlakensnoor aan hot vonstor. 22 Zij dan gingen heen, on kwamen op hot gebergte, en bleven aldaar drie dagen, totdat do vervolgers wedergekeerd waren: want do vervolgers hadden hon op al don weg gezocht, maar niot gevonden. 28 Alzoo koerden die twee mannon weder, on gingen af van liet gebergte, on voeren over, on kwamen tot Jozua, don zoon van Nun; en zij vertelden hom al wat hun wedervaren was. 24 En zij zeiden tot Jozua: Zekerlijk do IIkeue hooft dat ganscho land in onze handen gegeven: want ook zijn al do inwoners des lands voor onze aangezigton gesmolten. HOOFDSTUK 3. .lo/.ua met hot volk van Sittim vertrokken, komt aan do .fordaan, vs. 1. Do ambtliedon bevelen, wanneer en (gt;[) welke wijs do overtogt plaats zou hebben, 2. .lozna zogt hot volk aan hot groote wonder, hetwelk (lod zon verrigten, 9. Doortogt van hot leger door do drooge bedding der Jordaan, 13. JOZUA dan maakte zich dos morgens vroeg oj), en zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al do kinderen Israels: en zij vernachtten aldaar, oer zij overtrokken. 2 En hot geschiedde, dat do ambtliedon, op het einde van drie dagen, door hot midden des legers gingen; 3 En zij geboden hot volk, zeggende: Wanneer gij de ark des verbonds des IIkeren, uws Gods, ziet, en de loviotische priesters dezelve dragende, verreist gijlieden ook van uwe plaats, en volgt haar na: 4 Dat er nogtans ruimte zij tussehon uliodon on tusschon dezelve, bij do twee duizend ellen in do maat; en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg wotot, dien gij gaan zult: want gijlieden zijl door dien weg niot gegaan gisteren en eergisteren. 5 Jozua zoide ook tot hot volk: Heiligt u! want morgen zal do IIeere wondorhedon in het midden van uliodon doon. 6 Desgelijks sprak Jozua tot de priesters, zeggende : Neemt de ark des verbonds op, en gaat door voor het aangezigt van dit volk. Zij dan namen do ark des verbonds op, en zij gingen voor hot aangezigt des volks. 7 Want do IIeere had tot Jozua gezegd: Dezen dag zal Ik beginnen u groot te maken voor de oogen van gansch Israël, opdat zij weten, quot; dat Ik met u zijn zal, gelijk als Ik met Mozes geweest ben. aJoz. 1 : 5. 8 Gij dan zult don priosteren, die de ark des verbonds dragen, gebieden, zeggende: Wanneer gijlieden komt tot aan het uiterste van hot water dor Jordaan, staat stil in de Jordaan. i) Toen zoide Jozua tot de kinderen Israels: Nadert herwaarts, on hoort do woorden dos Heeren, uws Gods. |
10 Vorder zoide Jozua: Hieraan zult gijlieden bekennen, dat do lovende God in hot midden van u is, en dat Hij ganscholijk voor uw aangezigt uitdrijven zal do Kanaanioton, en do Hethioten, on do Hovieten, en do Forezioten, en do Girga-zieten, on do Amorioton en de Jobusioton. 11 Ziot, do ark dos verbonds van den IIeere dor ganscho aarde, gaat door voor ulioder aangezigt in do Jordaan. 12 Nu dan, noemt gijlieden u twaalf mannen uit de stammen Israels, uit iedoren stam oenen man: 13 Want het zal geschieden, mot dat do voetzolen der priosteren, die do ark van den Heere, den IIeere der ganscho aarde, dragen, in het water der Jordaan zullen rusten, zoo zullen do wateren dor Jordaan afgesneden worden, fc weten de wateren, die van boven afvlioten, quot;en zij zullen op oenen hoop blijven staan. o I's. 111:3. 14 En hot geschiedde, toen hot volk vertrok uit zijne tonton, om over do Jordaan te gaan, quot;zoo droegen de priesters do ark dos verbonds voor het aangezigt des volks. a Hand. 7 : 45. 15 En als zij, die do ark droegen, tot aan de Jordaan gokomen waren, en do voeten der priosteren, dragende de ark, ingedoopt waren in hot uiterste van hot water; (do Jordaan nu was quot;vol al do dagen dos oogstos aan al hare oevers). a 1 Kron. 12 : 15. Ki Zoo stonden de wateren, die van boven afkwamen: zij rozen op oenen hoop, zoor verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan ligt; on die naar de zoo des vlakken voids, te weten do Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok hot volk over, tegenover Jericho. 17 Maar de priesters, die do ark dos verbonds dos Heeren droegen, stonden steevast op hot drooge, in hot midden der Jordaan: en gansch Israël ging over op hot drooge, totdat al hot volk geëindigd had door do Jordaan te trokken. HOOFDSTUK 4. God gebiedt, dat inon twaalf stconen uit do Jordaan nemo, om daarvan een gedonkteoken op te rigton van don doortogt, vs. 1. Jozua kiest daartoe mannen uit, 4; welke dit doen, 8. Jozua rigt ook midden in do Jordaan uit twaalf stoonen oen godenkteokon op, t). Wijze van don doortogt, 10. L)o Rubenieten, Gadioton on do halve stam van Manasse maken do voorhoede uit, 12. God maakt Jozua groot voor gansch Israël, 14. Do priesters mot do ark do Jordaan overgegaan zijnde, 15, hernoemt die rivier haren gewonen loop, 18. Oprichting dor 12 modc-gonomene stoenon te Gilgal, 20, tot een gedonk-toeken, 21. HET geschiedde nu, toen al het volk geëindigd had over de Jordaan te trekken, dat de Heerf, tot Jozua quot;sprak, zeggende: «Joz. 3: 12. 2 Neemt gijlieden u twaalf mannen uit het volk, uit eiken stam eenen man, 3 En gebiedt hun, zeggende: Neemt voor uliodon op, van hier uit het midden der Jordaan, uit do standplaats van de voeten der priosteren, en bereidt twaalf steenon, en brengt ze met uliodon |
JOZUA 4, 5.
221
|
over, en stolt zo in hot nachtleger, waar gij dezen nacht zult vernachten. 4 Jozua dan riep die twaalf mannen, die hij had doen bestellen van de kinderen Israels, uit eiken stam eenen man. 5 En Jozua zeide tot hen: Gaat over voor de ark des Heeren, uws Gods, midden in de Jor-daan; en heft u een ieder eenen steen op zijnen schouder, naar het getal der stammen van de kinderen Israels; (i Opdat dit een teeken zij onder ulieden: wanneer uwe kinderen morgen vragen zullen, zeggende: Wat zijn u deze steenen? 7 Zoo zult gij tot hen zeggen: quot; Omdat de wateren der Jordaan zijn afgesneden geweest voor de ark des verbonds des Heeren: als zij toog door de Jordaan, werden de wateren der Jordaan afgesneden; zoo zullen deze steenen den kinderen Israels tor gedachtenis zijn tot in eeuwigheid. a Joz. 3 : 13. 8 De kinderen Israels nu deden alzoo, gelijk als Jozua geboden had; en zij namen twaalf steenen op midden uit de Jordaan, gelijk als de Heere tot Jozua gesproken had, naar hot getal der stammen van de kinderen Israels; en zij bragten ze met zich over naar het nachtleger, en stelden ze aldaar. i) Jozua rigtte ook twaalf steenen op, midden in de Jordaan, ter standplaats van de voeten der priesteren, die do ark des verbonds droegen; en zij zijn daar tot op dezen dag. 10 Do priesters nu, die de ark droegen, stonden midden in de Jordaan, totdat alle ding volbragt was, hetwelk de Heere Jozua geboden had het volk aan te zeggen, naar al wat Mozes Jozua geboden had. En het volk liaastte, en het trok over. 11 En het geschiedde, als al het volk geëindigd had over te gaan, toen ging do ark des Heeren over, en do priesters voor hot aangezigt des volks. 12 quot; En de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, mitsgaders de halve stam van Manasse, trokken gewapend voor hot aangezigt dor kinderen Israels, gelijk als Mozes tot hen gesproken had. a Num. 32:20, 29. 13 Omtrent veertig duizend toegeruste krijgsmannen trokken er voor hot aangezigt des Heeren ten strijde, naar do vlakke volden van Jericho. 14 quot;Te dionzolven dage maakte do Heere Jozua groot voor do oogen van liet gansche Israël; en zij vreesden hem, gelijk als zij Mozes gevreesd haddon, al de dagen zijns levens. n Joz. 3:7. 15 De Heere dan sprak tot Jozua, zeggende: l(i Gebied den priesteren, die de ark der getuigenis dragen, dat zij uit de Jordaan opklimmen. 17 Toen gebood Jozua den priesteren, zeggende: Klimt op uit de Jordaan. 18 En hot geschiedde, toen de priesters, die do ark dos verbonds dos Heeren droegen, uit liet midden der Jordaan opgeklommen waren, en do voetzolen der priesteren afgetrokken waren tot op hot drooge; zoo koerden do wateren dor Jordaan weder in hunne plaats, en gingen ais gisteren en eergisteren aan al hare oevers. |
1!) Het volk nu was don tiendon der eerste maand uit de Jordaan opgeklommen; on zij legerdon zich te Gilgal, aan het oosteinde van Joricho. 20 En Jozua rigtte die twaalf steenen te Gilgal op, die zij uit de Jordaan genomen haddon. 21 En hij sprak tot do kindoron Israels, zeggende: Wanneer uwe kinderen morgen hunnen vaderen vragen zullen, zeggende: Wat zijn deze steenon? 22 Zoo zult gij het uwen kinderen te kennen geven, zeggende: Op het drooge is Israël door deze Jordaan gegaan. 23 Want de Heere, uw God, hooft de wateren der Jordaan voor uwe aangozigten doen uitdroo-gen, totdat gijlieden er waart doorgegaan: quot;gelijk als de Heere, uw God, aan do Scholfzee gedaan heeft, die Hij' voor ons aangezigt heeft doen uit-droogen, totdat wij daardoor gegaan waren; a Ex. 14:21. 24 Opdat alle volken dor aarde do hand des Heeren kennen zouden, dat zij sterk is; opdat gijlieden den Heere, uwen God, vreezet te allen dage. HOOFDSTUK 5. Verschrikking van do koningen der Amorieten pii Kana3,nieten op hot borigt van don wonderbaren doortogt van Israël, vs. 1. Besnijdenis te Gilgal van allo op reis geboren Israëlieten op Gods bevel, 2. Viering van het pascha, 10. Opbonding van bet Manna, 12. Christus, do Vorst zijns volks, verschijnt Jozna in de gedaante van eon' krijgsman, 13. EN hot geschiedde, toen al de koningen der Amorieten, dio aan doze zijde der Jordaan westwaarts, en al do koningen der Kanaiinioten, dio aan do zee waren, hoorden, dat do Heere do watoron der Jordaan had uitgedroogd, voor het aangezigt der kinderen Israels, totdat wij daardoor gegaan waren; zoo versmolt hun hart, on er was geen moed moor in hen, voor hot aangezigt der kinderen Israels. 2 To dier tijd sprak do Heere tot Jozua: Maak quot; u steenen messen, en besnijd wederom de kinderen Israels ten tweede maal. a Kx. 4:20. 3 Toen maakte zich Jozua steenen mossen, en besneed de kinderen Israels op tien heuvel der voorhuiden. 4 Dit nu was de oorzaak, waarom hen Jozua besneed: al het volk, dat uit Egypte getogen was, de manspersonen, alle krijgslieden, waren gestorven in de woestijn, op don weg, nadat zij uit Egypte getogen waren. 5 Want al hot volk, dat er uittoog, was besneden; maar al hot volk, dat geboren was in de woestijn op den weg, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden zij niet besneden. (i Want de kinderen Israels wandelden veertig jaren in de woestijn, totdat vergaan was het gansche volk der krijgslieden, die uit Egypte gegaan waren, die de stem des Heeren niet ge- |
JOZUA 5, 6,
'222
|
hoorzaam geweest waren, denwelkon de IIeere gezworen had, quot;dat Hij hun niet zoude laten zien liet land, hetwelk de IIeerk hunnen vaderen gezworen had ons te zullen geven, een land vloeijende van melk en honig. aNum. 14:28. 7 Maar hunne zonen heeft llij aan hunne plaats gesteld; die heeft Jozua besneden, omdat zij de voorhuid hadden, want zij hadden hen op don weg niet besneden. 8 En het geschiedde, als men een einde gemaakt had van al dat volk te besnijden, zoo bleven zij in hunne plaats in het leger, totdat zij genezen waren. 9 Verder sprak do Heere tot Jozua: Heden heb Ik don smaad van Egypte van ulieden afgowou-teld: daarom noemde men den naam dier plaats Gilgal, tot op dezen dag. 10 Terwijl do kinderen Israels te Gilgal gelegerd lagen, zoo hielden zij het pascha quot;op den veertienden dag derzelve maand, in don avond, op do vlakke volden van Jericho. «Ex. 12; fi. 11 En zij aten van het overjarige koren des lands, des andoren daags van het pascha, quot; ongezuurde broodon en verzengde aren, oven op dienzelvon dag. «Ex. 12:39. Lev. 2; 14. 12 En liet Manna hield op des anderen daags, nadat zij van dos lands overjarige koron gegoten hadden; en do kinderen Israels hadden geen Manna moer, maar zij aten in hetzelve jaar van de inkomst des lauds Kanaiin. 13 Voorts geschiedde het, als Jozua bij Jericho was, dat hij zijne oogon ophief, en zag toe, on ziet, quot;er stond oen man tegenover hom, die een uitgetogen zwaard in zijne hand had. En Jozua ging tot hem, en zeide tot hem: Zijt gij van ons, of van onze vijanden? «Ex. 23:23. 14 En iiij zeide: Neen, maar 11c beu do Vorst van liet heir dos Heeren: Ik bon nu gekomen! Toen viel Jozua op zijn aangezigt tor aarde en aanbad, en zeide tot hem: Wat spreekt mijn Hoore tot zijnen knecht? 15 Toen zeide de Vorst van hot heir dos Heeren tot Jozua: Trek uwe schoenen af van uwe voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilig. En Jozua dood alzoo. HOOFDSTUK (i. De Hooro geeft Jozua do stad Jericho; doch eerst doen do krijgslieden met de ark on zeven priesters zes dagen lang oenen omgang om do stad, 2; op den zevenden dag. zeven, wanneer do muur invalt en do stad ingenomen wordt, 20. Do Israëlieten dooden monsclien on vee, 21. Haohab vorsohoonon /.ij echter met al liet haro, 22. Verbranding der stad met al wat zij bevat, met uitzondering iilleon van liet goud en zilver, van de koperen on ijzeren vaten, 24. Vervloeking van den man, die Jericho zou willen herbouwen, 20. God is met Jozua, 27. (JERICHO nu sloot de poorten toe, en was gesloten, voor hot aangezigt van do kinderen Israels; er ging niemand uit, en er ging niemand in). 2 Toen zeide de Heere tot Jozua: Zie, Ik heb |
Joricho met haren koning en strijdbare helden in uwe hand gegeven. 3 Gij dan allen, die krijgslieden zijt, zult rondom de stad gaan, do stad omringende eenmaal; alzoo zult gij doen zes dagen lang. 4 En zeven priesters zullen zeven ramsbazuinon dragen, voor de ark; en gijlieden zult op den zevendon dag do stad zevemnaal omgaan; en do priesters zullen met do bazuinen blazen. 5 En hot zal geschieden, als men langzaam met don ramshoorn blaast, als gijlieden het geluid der bazuin hoort, zoo zal al het volk juichen met een groot gejuich; dan zal de stadsmuur onder zich vallen, on hot volk zal daarin klimmen, een iegelijk tegenover zich. (! Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters, en zeide tot hen: Draagt do ark des verbonds, en dat zeven priesters zeven ramsbazuinon dragon, voor do ark des Heeren. 7 En tot het volk zeide hij: Trekt door en gaat rondom doze stad; en wie toegerust is, die ga door voor de ark dos Heeren. 8 En het geschiedde, gelijk Jozua tot het volk gesproken had, zoo gingen do zeven priesters, dragende zeven ramsbazuinon, voor hot aangezigt dos Heeren; zij trokken door on bliezen mot dc bazuinen; en de ark dos verbonds des Heeren volgde hen na: 9 En wie toegerust was, ging voor hot aangO' zigt der priesters, die do bazuinen bliezen; er do achtertogt volgde do ark na, terwijl men ging en blies mot de bazuinen. 10 Jozua nu had het volk geboden, zeggende (lij zult niet juichen, ja gij zult uwe sten niet laten hooren, en geen woord zal er ui uwen mond uitgaan, tot op don dag, wannoei ik tot ulieden zeggen zal: Juicht! dan zult gi juichen. 11 En hij dood de ark dos Heeren rondom d( stad gaan, omringende dezelve oomnaal; tooi kwamen zij weder in het leger, en veruachttei in hot leger. 12 Daarna stond Jozua dos morgens vroeg op en do priesters droegen do ark dos Heeren. 13 En do zeven priesters, dragende do zovei ramsbazuinon voor de ark dos Heeren, gingei voort, en bliezen met de bazuinen; en do tooge rusten gingen voor hunne aangezigton, ou d( achtertogt volgde de ark dos Heeren na, torwij men ging en blies mot de bazuinen. 14 Alzoo gingen zij eenmaal rondom de stad oj den tweedon dag; en zij koorden weder in he leger. Alzoo deden zij zes dagen lang. 15 En hot geschiedde op den zevenden dag, da zij zich vroeg opmaakten, mot het opgaan de dageraads, en zij gingen rondom do stad, naa dezelve wijze, zevenmaal: alleenlijk op dien dalt; gingen zij zevenmaal rondom de stad. K! En hot geschiedde ten zevende maal, als d priesters met de bazuinen bliezen, dat Jozua to |
JOZUA G, 7.
223
|
hot volk sprak: Juicht, want do IIeere hooft ulieden do stad gogevon ! 17 Doch dozo stad zal don Heere verbannen zijn, zij on al wat daarin is; alleenlijk zal do hoor Rachab levend blijven, zij on allen, dieniet haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die wij uitgezonden haddon, verborgen heeft. 18 Alleenlijk dat gijlieden u wacht van het ver-bannone, opdat gij u misschien niet verbant, mits nemende van hot verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot eenen ban, noch datzelve beroert. 19 quot; Maar al het zilver en goud, on do koperen on ijzeren vaten, zullen den Heeue heilig zijn; tot den schat des IIeeren zullen zij komen. aNum. iil :54. 20 Hot volk dan juichte, als zij met do bazuinen bliezen: on het geschiedde, als het volk het geluid dor bazuin hoorde, zoo juichte het volk met eon groot gejuich; quot; en do muur viel onder zich, en hot volk klom in de stad, oen ieder tegenover zich, en zij namen de stad in. aHebr. II : .'5o. 21 En zij verbanden alles, wat in de stad was, van don man tot do vrouw toe, van het kind tot den oude, en tot don os, en het klein vee, en don ezel, door do scherpte des zwaards. 22 Jozua nu zeido tot do twee mannen, de verspieders dos lands: Gaat in hot huis dor vrouw, der hoer, on brengt die vrouw van daar uit, met al wat zij heeft, quot;gelijk als gij haar gezworen hebt. «.loz. 2:14. Ilelir. 11:31. 23 Toen gingen de jongelingen, do verspieders, daarin, on bragton or Rachab uit, en haren vader, en hare moeder, en hare broeders, en al wat zij had; ook bragton zij uit al hare huisgezinnen , en zij stelden hen buiten hot leger van Israël. 24 De stad nu verbrandden zij met vuur, en al wat daarin was: alleenlijk het zilver en goud, mitsgaders de koperen en ijzeren vaten, gaven zij tot den schat van hot huis des IIeeren. 25 Dus liet Jozua do hoer Rachab leven, on het huisgezin haars vaders, on al wat zij had; en zij heeft gewoond in het midden van Israël tot op dezen dag, omdat zij de boden verborgen had, die Jozua gezonden had, om Jericho te verspieden. 20 En ter zolver tijd bezwoer hen Jozua, zeggende : Vervloekt zij dio man voor het aangozigt dos IIeeren, die zich opmaken en deze stad Jericho bouwen zal; dat hij zo grondveste op zijnen oorstgeboronon zoon, en hare poorten stelle op zijnen jongsten zoon! 27 Alzoo was de Heere met Jozua; on zijn gerucht liep door het gansche land. HOOFDSTUK 7. Do llocro vertoornt zich op Israël, doordien Achan van hot verbannone zich had toogcoigeiul, vs. 1. Jozua zendt eonig volk naar Ai, 2; van welke or zes on dertig vallen, 5; hij mot Israels oudsten hiorovor tor nedergeslagon, vernedert zich voor don lleero, 0; dio hem de oorzaak dezer nederlaag ontdekt, 11; en bevoelt don man, die van het verbannene gestolen had, door loting uit te vinden, 14; en hem mot al hot zijne to verbranden, 15. Achan wordt do schuldige bevonden, 10. Stoeniging on verbranding van hom en al de zijnon, 24. |
MAAR de kinderen Israëls overtraden door overtreding met het verbannene: quot; want Achan , de zoon van Gharmi, don zoon van Zabdi, den zoon van Zorah, uit den stam van Juda, nam van het verbannene. Toon ontstak de toorn des IIeeren togen de kinderen Israëls. «Joz. 22:20. IKron. 2:7. 2 Als Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij üoth-avon ligt, aan hot oosten van lïoth-El, zoo sprak hij tot hen, zeggende: Trekt opwaarts en bespiedt hot land. Dio mannen nu trokken op en bespiedden Ai. 3 Daarna keerden zij weder naar Jozua, en zeiden tot hem: Dat het gansche volk niet optrekke, dat er omtrent twee duizend mannon, of omtrent drie duizend mannon optrekken, om Ai te slaan; vermoei daarheen al het volk niet, want zij zijn weinige. 4 Alzoo trokken derwaarts op van het volk om-tront drie duizend man; dewelke vloden voorliet aangozigt dor mannen van Ai. 5 En do mannen van Ai sloegen van dezelve omtrent zos en dertig man, en vervolgden hen van voor de poort tot Scliobarim toe, en sloegen hen in oen' afgang. Toen versmolt hot hart dos volks, en hot werd tot water. 0 Toon verscheurde Jozua zijne kleederon, en viol op zijn aangozigt tor aarde, voor de ark des IIeeren, tot don avond toe, hij en do oudsten van Israël; en zij wierpen stof op hun hoofd. 7 En Jozua zoido: Ach Heere Heere! waarom hebt (lij dit volk door do Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in do hand der Amorioten, om ons te verdorven? Och dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan gene zijde dor Jordaan! 8 Och Heere! wat zal ik zeggen, nadoinaal dat Israël voor hot aangozigt zijner vijanden don nok gekoerd heeft ? !) Als hot de Kanaanieten, en allo inwoners des lands hooren zullen, zoo zullen zij ons omsingelen, on onzen naam uitrooijen van de aarde: wat zult Gij dan uwen grooten naam doen? 10 Toen zoido de Heere tot Jozua: Sta op; waarom ligt gij dus neder op uw aangozigt? 11 Israël hoeft gezondigd; on zij bobben ook mijn verbond, hetwelk Ik hun geboden had, overtreden ; en ook hebben zij van hot verbannene genomen, on ook gestolen, on ook gelogen, on hebben het ook onder hun gereedschap gelogd. 12 Daarom zullen do kinderen Israëls niet kunnen bestaan voor het aangozigt hunner vijanden; zij zullen don nok voor het aangozigt hunner vijanden koeren, want zij zijn in don ban. Ik zal voortaan niet meer mot ulieden zijn, tenzij gij den ban uit hot midden van ulieden verdelgt. |
JOZUA 7, 8.
224
|
13 Sta ()|), licili^- het volk, on zeg: Heiligt u tegen morgen: want alzoo zegt de Heeue, de God van Israël: Er is een ban in het midden van u, Israël! gij zult niet kunnen bestaan voor het aangezigt uwer vijanden, totdat gij den ban wegdoet uit het midden van u. 14 (!ij zult dan in den morgenstond aankomen naar uwe stammen; en het zal geschieden, de stam, welken de Heere geraakt zal hebben, die zal aankomen naar de geslachten, en welk geslacht de Heere geraakt zal hebben, dat zal aankomen bij huisgezinnen, en welk huisgezin de Heere geraakt zal hebben, dat zal aankomen man voor man. 15 En het zal geschieden, die geraakt zal worden met den ban, die zal met vuur verbrand worden, hij en al wat hij heeft; omdat hij het verbond des Heeren overtreden heeft, en omdat hij dwaasheid in Israël gedaan heeft. 1(gt; Toen maakte zich Jozua dos morgens vroeg op, en deed Israël aankomen naar zijne stammen; en de stam van Juda werd geraakt. 17 Als hij het geslacht van Juda deed aankomen, zoo raakte hij het geslacht van Zarchi, Toon hij het geslacht van Zarchi deed aankomen, man voor man, zoo werd Zabdi geraakt; IS Welks huisgezin als hij dood aankomen, man voor man, zoo werd Achan geraakt, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda. 1!) Toen zoide Jozua tot Achan: Mijn zoon! geef toch den Heere, den God van Israël, de oer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch to kennen, wat gij gedaan hebt, verberg hot voor mij niet. 20 Achan nu antwoordde Jozua, on zoide: Voorwaar ik heb togen don Heere, don God Israels, gezondigd, en heb alzoo en alzoo gedaan. 21 Want ik zag onder den roof een schoon sierlijk babylonisch overkleed, en twee honderd sik-kolen zilvers, on cone gouden tong, welker gewigt was vijftig sikkolen; en ik kroeg lust daartoe, en ik nam ze, en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden mijner tent, en het zilver daaronder. 22 Toen zond Jozua boden henen, die tot do tent liepen; en ziet, het lag verborgen in zijne tent, en hot zilver daaronder. 23 Zij dan namen die dingen uit liet midden der tent, en zij bragten ze tot Jozua on tot al do kinderen Israëls; on zij stortten ze uit voor hot aangezigt dos Heeren. 24 Toon nam Jozua, en gansch Israël met hom, Achan, den zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en do gouden tong, en zijne zonen, en zijne dochteren, en zijne ossen, en zijne ozolon, en zijn vee, en zijne tent, on alles wat hij had; on zij voerden zo naar hot dal Achor. |
25 En Jozua zoide: Hoe hebt gij ons beroerd'!' de Heere zal u beroeren te dozen dage! En gansch Israël steenigde hom mot steonon, on zij verbrandden hen met vuur, en zij overwiorpon hen mot steonon. 2(5 En zij rigtten over hom oenen grooten steon-hoop, zijnde tot op dezen dag. Alzoo koorde zich de Heere van de hittighoid zijns toorns. Daarom noemde men don naam dier plaats het dal van Achor, tot dezen dag toe. HOOFDSTUK 8. God spreekt Jozua moed in, beveelt hem Ai te belegeren, belooft hem de bemagtiging van die stad, vs. 1. Hij belegert Ai, eene hinderlaag leggende, 3; neemt haar met list en bij verrassing in, 19. Verbranding van Ai en gevangenneming van den koning, 20. Do inwoners worden omgebragt, het vee en het overige geroofd, 25. Ai wordt in oenen steenhoop veranderd, de koning opgehangen, 28. Jozua bouwt, volgons Gods bevel, een altaar en offert daarop, 30; hij schrijft de wet van Mozes ojgt; steonon en doet deze, met den zegen en vloek, op de bergen Oerizim en Ebal aan het volk voorlezen, 32. TOEN zeide de Heere tot Jozua: quot;Vrees niet, en ontzet u niet; neem met u al het krijgsvolk, en maak u op, trek op naar Ai: zie. Ik heb den koning van Ai, en zijn volk, en zijne stad, en zijn land, in uwe hand gegeven. a Dent. 1 : 21. 7 : 18. 2 Gij nu zult aan Ai en haren koning doen, quot; gelijk als gij aan Jericho en haren koning gedaan hebt; behalve dat gij haren roof en ''haar vee voor ulieden rooven zult: stel u eene achter-lage tegen do stad, van achter dezelve. u ,loz. 0:21. h Deut. 20: 14. 3 Toen maakte zich Jozua op, en al hot krijgsvolk, om oj) te trokken naar Ai. En Jozua verkoos dertig duizend mannen, strijdbare holden, en hij zond hen bij nacht uit, 4 En gebood hun, zeggende: Ziet toe, gijlieden zult der stad lagen leggen van achter de stad; houdt u niet zeer verre van de stad, en weest gij allen bereid. 5 Ik nu, en al het volk, dat bij mij is, zullen tot de stad naderen: en het zal geschieden, wanneer zij ons te gemoet zullen uitgaan, gelijk als in het eerst, zoo zullen wij voor hun aangezigt vlieden. G Laat hen dan uitkomen achter ons, totdat wij hen van de stad aftrekken, want zij zullen zeggen: Zij vlieden voor onze aangezigten, gelijk als in het eerst; zoo zullen wij vlieden voor hunne aangezigten. 7 Dan zult gijlieden opstaan uit do achterlage, en gij zult de stad innenien: want de Heere, uw God, zal ze in uwe hand geven. 8 En het zal geschieden, wanneer gij de stad ingenomen hebt, zoo zult gij de stad met vuur aansteken; naar het woord des Heeren zult gijlieden doen: ziet, ik heb het ulieden geboden. i) Alzoo zond hen Jozua heen, en zij gingen naar do achterlage, en zij bleven tusschen Beth-El |
JOZUA 8.
225
|
on l iissclien Ai, togen lief; woston van Ai; maar Jozua ovornachtto dien nacht in het middon dos volks. 10 En Jozua maakte zicli dos morgens vroeg op, on hij monsterde het volk; en hij trok op, hij on do oudsten van Israël, voor hot aangozigt dos volks, naar Ai. 11 Ook trok al hot krijgsvolk op, dat bij hem was; en zij naderden on kwamen tegenover do stad, en zij legerdon zich togen het noorden van Ai; on or was eon dal tussóhon hom on tusschen Ai. 12 Hij nam ook omtront vijf duizend man, en hij stelde hen tot oeno achterlago tusschen Both-El en tusschen Ai, aan hot westen dor stad. 13 En zij stelden hot volk, het gansche leger, dat aan hot noorden der stad was, on zijne lage was aan hot westen der stad. En Jozua ging in donzolven nacht in het midden dos dals. 14 En liet geschiedde, toon do koning van Ai dat zag, zoo haastten zij en maakten zich vroeg op, on de mannen der stad kwamen uit, Israël to gonioet, ten strijde, hij en al zijn volk, ter bestemder tijd, voor het vlakke veld: want hij wist niet, dat hem iemand eene achterlago leide van achter de stad. 15 Jozua dan en gansch Israël, werd geslagen voor hunne aangezigten; en zij vloden door den weg der woestijn. Ki Daarom word zamongeroepen al het volk, dat in de stad was, om hon na te jagen; en zij joegen Jozua na, on werden van de stad afgetrokken. 17 En er werd niet een man overgelaten in Ai noch Both-El, die niet uittrokken, Israël na; on zij lieten de stad openstaan, en joegen Israël achterna. 18 Toen sprak de Heere tot Jozua: Strek de spies uit, die in uwe hand is, naar Ai, want Ik zal hen in uwe hand geven. Toon strekte Jozua de spies, die in zijne handwas, naar de stad aan, 19 Toen rees de achterlage liaastelijk op van hare plaats, en zij liepen toe, met dat hij zijne hand uitgestrekt had, en kwamen aan de stad, en zij namen zo in, on zij haastten zich, on staken de stad aan met vuur. 20 Als de mannen van Ai zich achterom keerden, zoo zagen zij, en ziet, de rook dor stad ging op naar don hemel; on zij hadden geene ruimte, om herwaarts of derwaarts te vlieden: want liet volk, dat naar do woestijn vlugtte, keerde zich togen dogenon, die hen najoegen. 21 En Jozua en gansch Israël, ziende, dat de achterlage do stad ingenomen had, en dat de rook der stad opging, zoo keerden zij zich om, (m sloegen de mannon van Ai. 22 Ook kwamen die uit de stad hun te gemoet, zoodat zij in hot midden der Israëlieten waren, deze van hier en gone van daar; en quot;zij sloegen hen, totdat geen overige onder hen overbleef, noch dio ontkwam. «Deut. 7:2. |
2;i Doch den koning van Ai grepen zij lovend, en zij bragten hem tot Jozua. 24 En het geschiedde, toon do Israëlieten een einde gemaakt hadden van ai de inwoners van Ai te dooden, op liet veld, in do woestijn, in dewelke zij hon nagejaagd hadden, en dat zij allen door do scherpte des zwaards gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zoo keerde zich gansch Israël naar Ai, en zij sloegen ze met de scherpte dos zwaards. 25 En het geschiedde, dat allen, dio to dien dage violen, zoo mannen als vrouwen, waren twaalf duizend, al te zamen lieden van Ai. 20 Jozua trok ook zijne hand niet terug, dio hij met de spios had uitgestrekt, totdat hij al de inwoners van Ai verbannen had. 27 quot;Alleenlijk roofden do Israëlieten voor zich zeiven het vee en den buit dorzelver stad, ''naar het woord des IIkeuen, dat Hij Jozua geboden had. a Num. SI :22, 26. /;.loz. 8:2. 28 Jozua nu verbrandde Ai, en hij stolde haar tot oenen eeuwigen hoop, tor verwoesting, tot op dezen dag. 29 En don koning van Ai hing hij aan een hout, tot aan don avondstond: en quot; omtrent don ondergang der zon gebood Jozua, dat men zijn dood ligchaam van het hout afname; en zij wierpen het aan de deur dor stadspoort, en rigtten daarop oenen grooten steenhoop, zijnde tot op dozen dag. a Uout. 21 : 22, 23. 30 Toon bouwde Jozua oen altaar den IIeeue, den God van Israël, op don berg Ebal; 31 quot;Gelijk als Mozes, do knecht des Heeren, den kinderen Israëls geboden had, aclitoreonvol-gens hetgeen geschreven is in het wetboek van Mozes; een altaar van goheele steenon, over dewelke men geen ijzer bewogen had: en daarop offerden zij don Heere brandofferon, ook offerdon zij dankofforen. «Ex. 20:20. Deut. 27 : I. 32 quot;Aldaar schreef hij ook op steonen oen dubbel van do wet van Mozes, hetwelk hij geschreven hooft voor hot aangozigt der kinderen Israëls. a Deut. 27 : 3. 33 En gansch Israël met zijne oudsten, en ambt-lieden, en zijne rogters, stonden aan deze en aan gene zijde dor ark, voor do lovietische priosteron, die de ark des vorbonds des Heeren droegon, zoo vreemdelingen als inboorlingen, oeno helft daarvan tegenover den berg Geriziin, en oeno helft daarvan tegenover den berg Ebal, gelijk als Mozes, de knecht dos Heeren, bevolen had; om het volk van Israël in hot eerst te zegenon. 34 En daarna las hij overluid al do woorden der wet, do zegening en don vloek, naar alles, wat in het wetboek geschreven staat. 35 Daar was niet één woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet overluid las quot;voor de geheele gemeente van Israël, en de vrouwen, en de kleine kinderen, on de vreemdelingen, die in het midden van hon wandeldon. aDeut. .il : 11. 15 |
JOZUA 9, 10.
|
HOOFDSTUK 9. Do koningen van Kanailn bcslniton eenparig Israel (e beoorlogen, vs. 1. De Oibeonieten, zicli houdende uil verre landen te komen, sluiten een verdrag tot lijfsbehoud, 3. Huu bedrog ontdekt, 1G. Het verdrag blijft om des eeds wil, IS, maar zij worden tot hunne straf dienstknechten der Israëlieten gemaakt, 21. EN het geschieddo, toon dit hoorden al do koningen, dio aan deze zijde der Jordaan waren, op liet gebergte, en in do laagte, en aan allo havens dor groote zee, tegenover den Libanon: do Ilothieten, en do Amorieten, de Kanaanioton, do Forezioten, de Ilevieten, en do Jobusioten; 2 Zoo vergaderden zij zicli zamon, om tegen Jozna en tegen Israël te krijgen, eenmoediglijk. li Als do inwoners te Giboon hoorden, wat Jozna met Jericho en met Ai gedaan had, â¢1 Zoo handelden zij ook arglistelijk, en gingen hoen, en veinsden zicli gezanten te zijn, en zij namen oude ':on op hunne ezels, en oude en gescheurde, zaniongobondone ledoren wijnzakken ; T) Ook oude on bevlekte schoenen aan hunne voeten, en zij hadden oude klooderon aan; en al het brood, dat zij op hunne reizo haddon, was droog en beschimmeld. (i En zij gingen tot Jozua in hot leger te Gilgal, en zij zeiden tot hom en tot do mannen van Israël: Wij zijn gekomen uit oen ver land, zoo maakt nu oen verbond met ons. 7 Toon zeiden de mannen van Israël tot do Ilevieten: Misschien woont gijlieden in het midden van ons, lioo zullen wij dan een verbond mot u maken ? .S Zij dan zeiden tot Jozua: Wij zijn uwe knechten. Toen zoide Jozua tot hen: Wie zijt gijlieden, en van waar komt gij ? !) Zij nu zeidon tot hom: Uwe knechten zijn uit een zeer ver land gekomen, om den naam dos IIkeren, uws Gods: want wij hebben zijn gerucht gehoord, ou alles wat Hij in Egypte gedaan hooft; 11) En «alles wat Hij gedaan heeft aan do twee koningen dor Amorieten, die aan gene zijde der Jordaan waren, Sihon, don koning van Hesbon, en Og, den koning van Bazan, die te Astharóth woonde. « Num. 21 :24, !i3. Deul. 1:4. 11 Daarom spraken tot ons ouzo oudsten, en al de inwoners ouzos lands, zeggende: Noemt reiskost met u in uwe handen op do reize, en gaat hun to gemoot, on zegt tot hen: Wij zijn ulieder knechten, zoo maakt nu oen verbond met ons. 12 Dit ons brood hebben wij warm tot onzen teerkost uit onze huizen genomen, ten dage, loon wij uittogen om tot uliodeu te reizen; maar ziet, nu is het droog, en liet is beschimmeld: 13 En deze lederen wijnzakken, die wij gevuld hebben, waren nieuw, maar ziet, zij zijn yo-scheurd; en deze onze kleoderon, en onze schoenen zijn oud geworden, van wogo doze zoor lange reis. |
14 Toen namen do mannen van hunnen reiskost; en zij vraagden liet den mond des Heeren niet. 15 En Jozua maakte vrede mot hen, en hij maakte oen verbond met hen, dat hij hen bij het loven behouden zoude; en de oversten dor vergadering zwoeren hun. lli En liet geschiedde ten einde van drie dagen, nadat zij het verbond mot hen gemaakt haddon, zoo hoorden zij, dat zij hunne naburen waren, en dat zij in hot midden van bon waren wonende. 17 Want toon do kinderen Israels voorttogen, zoo kwamen zij ten dorden dage aan hunne steden: hunne steden nu waren Giboon, en Glioffra, en Beëroth, en Kirjath-Jearim. 18 En do kindoren Israëls sloegen ze niet, omdat de oversten der vergadering hun gezworen hadden bij don IIeere, den God Israëls: daarom murmureerde de gansclio vergadering tegen do oversten. 19 Toon zeiden al do oversten tot do gansclio vergadering: Wij hebben hun gezworen bij den Heere, den God Israëls; daarom kunnen wij hen niet aantasten. 20 Dit zullen wij hun doen, dat wij hen bij hot loven behouden, opdat geen groote toorn over ons zij, om des eeds wil, dien wij hun gezworen hebben. 21 Verder zeiden do oversten tot hen: Laat hen loven, on laat zo houthouwers en waterputters zijn der gansclio vergadering, gelijk do oversten tot hen gezegd hebben. 22 En Jozua riep hen, en sprak tot hen, zeggende: Waarom hebt gijlieden ons bedrogen, zeggende: Wij zijn zeer verre van uliodeu gezeten, daar yij in het midden van ons zijt wonende? 23 Nu dan, vervloekt zijt gijlieden! en onder uliodeu zullen niet afgesneden worden knechten, noch houthouwers, noch waterputters ton buizo mijns Gods. 24 Zij dan antwoordden Jozua, en zeiden: Dewijl hot aan uwe knechten zekerlijk was te kennen gegeven, dat do Heere, uw God, zijnen knecht Mozes geboden heeft, dat Hij uliodeu al dit land geven, en quot;al de inwoners des lands voor ulieder aangezigt verdelgen zoude, zoo vreesden wij onzes levens zoor voor ulieder aangezigten; daarom hebben wij deze zaak gedaan. a Deut. 7:1, 2. 25 En nu, zie, wij zijn in uwe hand; doe, gelijk het goed en gelijk het rogt is in uwe oogen ons te doen. 26 Zoo deed hij hun alzoo, en hij verloste hen van do hand der kinderen Israëls, dat zij hen niet doodsloegen. 27 Alzoo gaf hen Jozua over ton zeiven dage tot houthouwers en waterputtors dor vergadering, en dat tot het altaar dos Heeren, tot dezen dag toe, aan de plaats, die Hij verkiezen zoude. HOOFDSTUK 10. Vijf koningen der Kanailnieten verbinden zich om Giboon te belegeren, vs. 1. Die van Gibeon ver- |
JOZUA 10.
|
zoolccn iiulp van Jozua, G; dio optrekt on hen verslaat, 7. Du llooro werpt hagelstoenen op hen, 11. Zou on maan staan omtrent een' dag stil op Jozua's bogoerto, 13. Do vijf koningen verborgen zich in eone spelonk bij Makkéda, 1G. Jozua sluit lion er in, 18; en laat hen ter dood brengen, 22. Jozua neemt Makkóda, Libna, Lachis, Eglon, Hebron en Dobir in, en overwint derzei ver koningen, 28. Jozua keert weder naar Gilgal, 4;5. HET goschicddo nu, toon Adóni-Zédek, do koning van Jorüzalom, gehoord had, dat Jozua Ai ingenomen en haar verbannen had, en aan Ai en haren koning alzoo gedaan had, gelijk als hij aan quot;Jericho en haren koning'gedaan had; en h dat do inwoners van Giboon vrede met Israël gemaakt hadden, en in derzelver midden waren; a Joz. G ; 15. li Joz. 9 : 15. 2 Zoo vreesden zij zoer: want Oibeon was eene groote stad, als eene der koninklijke steden; ja zij was grooter dan Ai, en al hare mannen waren sterk. 3 Daarom zond Adóni-Zédek, koning van Jeruzalem, tot Iloham, den koning van Hebron, en tot Pir-am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis, en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende : 4 Komt op tot mij en helpt mij, dat wij Giboon slaan; omdat zij vrede gemaakt heeft met Jozua on met do kinderen Israels. 5 Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen der Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jar-mutli, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij on al hunne legers; en zij belegerden Gibeon, en krijgden tegen haar. (! De mannen nu van Gibeon zonden tot Jozua, iu bet leger te Gilgal, zeggende: Trek uwe handen niet af van uwe knechten, kom haastelijk tot ons op, en verlos ons, en help ons: want al de koningen der Amorieten, die op het gebergte wonen, bobben zich tegen ons vergaderd. 7 Toen toog Jozua op van Gilgal, hij en al hot krijgsvolk met hem, en alle strijdbare helden. 8 Want do Heere had tot Jozua gezegd: Vrees u niet voor hen, want Ik heb ze in uwe hand gegeven; niemand van hen zal voor uw aangezigt bestaan. I) Alzoo kwam Jozua snellijk tot hen; den gan-schen nacht over was hij van Gilgal opgetrokken. 10 En do Heere verschrikte hen voor het aangezigt van Israël; en hij sloeg hen met eenon yrooten slag to Gibeon, en vervolgde hen op den weg, waar men naar Beth-hóron opgaat, en sloeg hen tot Azéka en tot Makkéda toe. 11 Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezigt van Israël vlugtten, zijnde in don afgang van Beth-hóron, zoo wierp de Heere groote steenen op hen van den hemel, tot Azéka toe, tlat zij stierven: daar waren er meer, die van de hagelsteenen stierven, dan die de kinderen Israëls met het zwaard doodden. |
12 Toen sprak Jozua tot den Heere, ton dage als do Heere de Amorieten voor bot aangezigt dor kindoren Israëls overgaf, en zeide voor de oogen der Israëlieten: Zon, sta stil te Gibeon, en gij maan, in hot dal van Ajiilon! 13 En de zon stond stil, en do maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijne vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in bot boek dos op-rogten V Do zon nu stond stil in het midden dos hemels, en haastte niet onder te gaan omtrent oenen volkomenen dag. 14 En er was geen dag aan dezon gelijk, vóór hom noch na hem, dat de Heere de stem eens mans alzoo verhoorde: want de Heere streed voor Israël. 15 Toen keerde Jozua weder, en gansch Israël mot hem, naar hot leger te Gilgal. 1G Maar die vijf koningen waren gevloden, en hadden zich verborgen in do spelonk bij Makkéda. 17 En aan Jozua werd geboodschapt, mits te zeggen: Die vijf koningen zijn gevonden, verborgen in de spelonk bij Makkéda, 18 Zoo zeide Jozua: Wentelt groote steenen voor don mond der spelonk, en stolt mannen daarvoor om hen te bewaren. 19 Maar staat gijlieden niet stil, jaagt uwe vijanden achterna, en slaat hen in den staart: laat hen in hunne steden niet komen, want do Heere, uw God, heeft ze in uwe band gegeven. 20 En hot geschiedde, toon Jozua en do kinderen Israëls geëindigd hadden hen met eenen zoer grooton slag te slaan, totdat zij vernield waren: en dat do overgeblevenen, die van hen overgebleven waren, in do vaste steden gekomen waren: 21 Zoo keerde al hot volk tot Jozua in hot leger, bij Makkéda, in vrede; niemand had zijne tong tegen de kinderen Israëls geroerd. 22 Daarna zeide Jozua: Opent den mond der spelonk, en brengt tot mij uit die vijf koningen, uit do spelonk. 23 Zij nu deden alzoo, en bragten tot hem uit die vijf koningen, uit do spelonk: den koning van Jeruzalem, don koning van Hebron, den koning van Jarmuth, den koning van Lachis, den koning van Eglon. 24 En hot geschiedde, als zij die koningen uit-gebragt hadden tot Jozua, zoo riep Jozua al do mannen van Israël, en bij zoido tot de oversten dos krijgsvolks, die met hem getogen waren: Treedt too, zot uwe voeten op de halzen dezer koningen. En zij traden toe, en zotten hunne voeten op hunne halzen. 25 Toen zeide Jozua tot hen: Vreest niet en ontzet u niet, zijt sterk en hebt goeden moed: want alzoo zal do Heere aan al uwe vijanden doen, togen dewelke gijlieden strijdt. 2G En Jozua sloeg hen daarna, en doodde zo, en hing ze aan vijf houten; en zij hingen aan do houten tot den quot;avond. a De ut. 21 : 23. .loz. 8:29, 27 En hot geschiedde, ten tijde als do zon ondor- â 15* |
J02UA 10, 11.
|
«iiiifi', beval Jozua, dal men lion van do houten afname, en zij wierpen hen in de spelonk, alwaar Zij verborgen geweest waren; en zij leiden groote steenen voor den mond der spelonk, die daar zijn tot op dezen zeiven dag. 28 Op denzelven dag nam ook Jozua Makkéda in, en sloeg haar met de scherpte des zwaards; daartoe verbande iiij derzelver koning, henlieden en allo ziel, die daarin was: hij liet geene overigen overblijven; en hij deed den koning van Makkéda, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had. 29 Toen toog Jozua door, en gansch Israël met hem, van Makkéda naar Libna, en liij krijgde tegen Libna. 30 En de Heere gaf dezelve ook in de hand van Israël, niet haren koning; en hij sloeg haar niet de scherpte des zwaards, en allo ziel, die daarin was: hij liet daarin geene overigen overblijven; en hij deed derzelver koning, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had. 31 Toen toog Jozua voort, en gansch Israël niet hem van Libna naar Lachis; en hij belegerde haar en krijgde tegen haar. 32 En de Heere gaf Lachis in de hand van Israël; en hij nam haar in op den tweeden dag, en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, dio daarin was, naar alles, wat hij aan Libna gedaan had. 33 Toen trok lloram, de koning van Gezer, op, om Lachis te helpen; maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem geene overigen overliet. 34 En Jozua trok voort van Lachis naar Eglon, en gansch Israël met hem; en zij belegerden haar en krijgdon tegen haar. 35 En zij namen haar in ton zeiven dage, en sloegen haai* met de scherpte des zwaards, en allo ziel, die daarin was, verbande hij op denzelven dag, naar alles, wat hij aan Lachis gedaan had. 3() Daarna toog Jozua op, en gansch Israël met hem, van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar. 37 En zij nainon haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, zoo haren koning als al hare steden, en allo ziel, die daarin was: hij liet niemand in het leven overig blijven, naar alles, wat hij aan Eglon gedaan had; en hij verbande haar, en alie ziel, die daarin was. 3iS Toen keerde Jozua, en gansch Israël met hem, naar Debir, en hij krijgde tegen haar. 39 En hij nam haar in, met haren koning, en al hare steden, en zij sloegen haar met do scherpte des zwaards, en verbanden alle ziel, die daarin was: hij liet geene overigen overblijven; gelijk als hij aan Hebron gedaan had, alzoo deed hij aan Debir en haren koning, en gelijk als hij aan Libna en haren koning gedaan had. 40 Alzoo sloeg Jozua het gansche land, het gebergte, en het zuiden, en do laagte, en de afloo-pingen der wateren, en al hunne koningen, hij |
liet geene overigen overblijven; ja hij verband alles, wat adem had, gelijk als de Heere, d God Israels, quot;geboden had. «üout. 7:2. 20:10, 17. Joz. 8:1 41 Kn Jozua sloeg hen van Kades-Barnéa en tc Gaza toe; ook het gansche land Gosen, en tc Gibeon toe. 42 En Jozua nam al deze koningen en hun lan op eeniiiaal: want de Heere, de God Israels streed voor Israël. 43 Toen koerde Jozua weder, en gansch Israi met hem, naar het leger te Gilgal. HOOFDSTUK 11. De overige koningen van Kanailn verzamelen zich aa het water Merom ten strijde tegen Israël, vs. God bemoedigt Jozua, 0. Jozua overvalt en verslat hen allen, 7. Hij neemt hunne steden in, \ \ ' ze en doodt do inwoners, 12. Gibeon alleen maal vrede niet de Israëlieten, 19. De Enakieten worde uitgeroeid, 21; behalve die te Gaza, Gath en Asdod, 2! HET geschiedde daarna, als Jabin, de konin van Ilazor, dit hoorde, zoo zond hij tot Jobab den koning van Madon, en tot den koning va Simron, en tot den koning van Achsaf, 2 En tot de koningen, die tegen het noorde op bet gebergte, on op het vlakke, tegen h( zuiden van Cinneroth, en in de laagte, on i Nafoth-Dor, aan de zee waren; 3 Tot de Kanaanieten tegon het oosten en tege het westen, en de Amorieten, en de Hethieteu on de Ferezieten; en de Jebusieten op het g( bergte, en de Hevieten onder aan Hormon, i het land van Mizpa. 4 Deze nu togen uit, on al hunne heirlegers uk hen; veel volks, als het zand, dat aan den oev( der zee is, in veelheid; en zeer vele paarden e wagens. 5 Al deze koningen werden vergaderd, en kwame en legerden zich zamen aan de wateren van Meron om tegen Israël to krijgen. 6 En de Heere zeide tot Jozua: Vrees niot volt; hunne aangezigten, want morgen omtrent deze tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voc het aangezigt van Israël: hunne paarden zult g verlammen, en hunne wagenen mot vuur vo branden. 7 En Jozua, on al het krijgsvolk mot hom, kwa snellijk over hen aan do watoren van Moroni, c zij overvielen hen. 8 En de Heere gaf hen in de hand van Israë on zij sloegen hen, en zij joegen hen na tot groi Zidon toe, en tot Misreföth-maïm, on tot hot d Mizpe togen het oosten; on zij sloegen hen, to dat zij geene overigen onder hen overlieten. 9 Jozua nu deed hun, gelijk hem de Heere g zegd had: hunne paarden verlamde hij, en hum wagenen verbrandde hij met vuur. 10 En Jozua koerde weder tor zolvor tijd, c hij nam Ilazor in; on haren koning sloeg hij m het zwaard; want Ilazor was te voren het hooi 1 van al deze koningrijken. |
|
11 En zij sloogon allo ziel, â¢dio daarin was, mot do scherpte dos zwaards, dio verbannende: er bleef niets overig, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur. 12 En Jozua nam al do steden dezer koningen in, en al hare koningen, en hij sloeg hen mot do scherpte dos zwaards, hen verbannende, quot;gelijk als Mozes, de knecht dos Heeren, geboden had. aDout. 20: KJ, 17. Joz. 10:40. 13 Alleenlijk verbrandden do Israëlieten geene steden, dio op hare heuvelen stonden, behalve llazor alleen, dat verbrandde Jozua. 14 En al don roof dezer steden, en het vee, roofden do kinderen Israels voor zich: alleenlijk sloegen zij al de menschen mot do scherpte dos zwaards, totdat zij hen verdelgden, zij lieten niel overblijven wat adem had. 15 quot;Gelijk als de Heere Mozes, zijnon knecht, geboden had, ''alzoo gebood Mozes aan Jozua; en alzoo deed Jozua: hij dood er niet een woord af van alles, wat de Heeue Mozes geboden had. «Ex. 23:;!2, 33. 34:12. Num. 33:52. M)cut. 7:2. 20:10. 16 Alzoo nam Jozua al dat land in, hot gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en do laagte, en het vlakke veld, en hot gebergte Israels, en zijne laagte. 17 Van den kalen berg, die opwaarts naar Soïr gaat, tot Baiil-Gad toe, in hot dal van den Libanon, onder aan don borg Hormon: al hunne koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen. 18 Vele dagen voerde Jozua krijg tegen al deze koningen. 1!) Er was geene stad, die vrede maakte mot do kinderen Israels, behalve de Ilevieton, inwoners van Giboon; zij namen zo allen in door krijg. 20 Want het was van den Heeue, hunne harten lo verstokken, dat zij Israël mot oorlog te gemoet gingen, opdat hij hen verbannen zoude, dat hun geene genade geschiedde, maar opdat hij hen verdelgen zoude, gelijk als do Heere Mozes geboden had. 21 Te dier tijd nu kwam Jozua, en rooide de Enakioten iiit, van het gebergte, van Hebron, van Dobir, van Anab, on van hot ganscho gebergte van Juda, en van het ganscho gebergte van Israël: Jozua verbande hou met hunne steden. 22 Er bleef niemand van de Enakioten overig in het land der kinderen Israels: alleenlijk bleven zij overig te Gaza, te Gath, en te Asdod. 23 Alzoo nam Jozua al dal land in, naar alles, wat do Heere tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israël ten erve, naar hunne afdoelingen, naar hunne stammen. En hot land rustte van don krijg. HOOFDSTUK 12. Optelling der verslageno koningen en hunne rijken, die Israël erfelijk zou bezitten, eerst ten tijde van Mozes aan gone zijde der Jordaan, vs. 1; daarna door Jozaa op deze zijde, 7. Te zamen een en dertig koningen, 24. |
229 DIT nu zijn do koningen des lands, die do kinderen Israëls geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan gene zijde der Jordaan, tegen don opgang der zon; van de beek Anion af tot don berg Hormon, en het ganscho vlakke veld tegen hot oosten: 2 Sihon, de koning der Amorioton, die to Hos-bon woonde; dio van Aroër af hoerschte, welke aan den oever der beek Anion is, quot; en over liet midden der boek en do helft van Gilead, en tot aan do beek Jabbok, do landpalo dor kindoron Ammons. «Dont. 3:8, l(j. 3 En over het vlakke veld tot aan do zee van Cinnerotb tegen het oosten, en tot aan do zee dos vlakken voids, de Zoutzee, togen hot ooston, op den weg naar Both-Josimóth: en van hot zuiden beneden Asdoth-Pisga. 4 quot;Daartoe de landpalo van Og, den koning van Bazan, die van bot overblijfsel dor reuzen was, wonende te Astharöth en te Edréï, «Dout. I :4. 5 En hoerschte over den berg Ilermon, en over Salcha, en over geheel Bazan, tot aan de landpalo der Gezurieton, en der Maacliatbieten; en do helft van Gilead, de landpalo van Sihon, don koning van Hesbon. (1 Mozes, do kneebt des Heeren, en do kinderen Israëls sloegen hen, quot;en Mozes, de knecht des Heeren, gaf aan do Bubenioten en de Gadieton, en aan don halven stam van Manasse, dat llt;ni(L tot oeno erfelijke bezitting, a Num. 21:24. 32:33. 7 Dit nu zijn do koningen des lands, die Jozua sloeg, en de kinderen Israëls, quot;aan deze zijde der Jordaan togen bot westen, van Baiil-Gad aan, in het dal van don Libanon, en tot aan den kalen borg, die naar Soïr opgaat: en Jozua gaf hot aan do stammen Israëls tot eone erfelijke bezitting, naar hunne afdoelingen. a Joz. 10:40. 8 Wat op hot gebergte, en in de laagte, en in het vlakke veld, en in de afloopingon der wateren, en in de woestijn, en tegen hot zuiden was: do Hethieten, de Amorioton, en Kanaanieten, do Ferezioten, do Ilevieton, en de Jobusieton. !) De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een; 10 De koning van Jeruzalem, een; do koning van Hebron, een; 11 De koning van Jarmuth, oen; do koning van Lachis, een; 12 De koning van Eglon, een; de koning van Gozer, een; 13 De koning van Dobir, een; do koning van Godor, een; 14 Do koning van Horma, een; do koning van Harad, oen; 15 Do koning van Libna, oen; de koning van Adullam, een ; Ki De koning van Makkoda, een; do koning van Belli-El, oen; 17 Do koning van Tappüah, oen; de koning van Hofor, een; JOZUA 11, 12. |
JOZUA 12, 13.
230
|
18 Du koning van Afek, een; do koning van Lassaron, oen; 1!) Do koning van Madon, oen; do koning van Hazor, oon; 20 Do koning van Simron Moron, oon; de koning van Achsaf, oen; 21 Do koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een; 22 Do koning van Kedos, oon; do koning van Joknoam, aan den Karmol, oen; 23 Do koning van Dor, tot Nafath-Dor, een; de koning dor Heidenen te Gilgal, oen; 24 Do koning van Thirza, oon. Al deze koningen zijn eon en dertig. HOOFDSTUK 13. GoiMelijlie aanwijzing aan Jo/.iui omtrent hot land, dat tot nog too was overgebleven en bovol om liet onder do negen en een halve stam te verdoelen, vs. 1. Kort verhaal van do door Mozos behaalde veroveringen aan gone zijde dor Jordaan, !). Do oorzaak, waarom do Levieten geen erfdeel ontvingen, M. Hot dool der Rubonioten, 15. Oadieten on van don hal ven stam Manasso, 29. Yerniemvde aanwijzing, waarom don Levieten geen erfdeel gegeven is, 33. JOZUA nu was oud, wel bedaagd ; en do IIeere zoido tot hom: Gij zijt oud geworden, wol bedaagd, en er is zoor veel lands overgebleven, om dat erfelijk te bezitten. 2 Dit is liet land, dat overgebleven is: al do grenzen dor Filistijnen en het gansclie Gosuri. 3 Van do Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan do landpalo van Ekron togen het noorden, dat don Kanaiinioton toegerekend wordt; vijf vorston der Filistijnen, do Gazatiot en Asdodiot, do Askeloniet, de Gothiot en Ekroniet, en do Avvioton. â¢1 Van het zuiden, hot gansoho land dor Kanaii-nioten, en Meara, die van do Sidoniërs is, tot Afok toe, tot aan do landpalo der Amorieten. 5 Daartoe het land der Giblioton, en de gansoho Libanon togen den opgang dor zon, van Baiil-Gad, onder aan den borg Hormon, tot aan den ingang van Hamath. (! Allen, die op hot gebergte wonen van don Libanon aan tot Misrefóth-niaïm toe, al de Sidoniërs; Ik zal hen verdrijven van hot aangozigt dor kinderen Israels; alleenlijk maak, dat het Israël ton erfdeel valle, gelijk als Ik u geboden heb. 7 En nu, dool dit land tot een erfdeel aan do negen stammen, on aan den halven stam van Manasso; 8 Mot donwelkon do Rubonioten en Gadioten hunne erfenis ontvangen hebben; dewelke Mozos hunlieden gaf aan gone zijde der Jordaan togen hot oosten, gelijk als Mozos, do knecht dos Hee-ren, hun gegeven had: 9 Van Aroër aan, die aan don oever dor beek Arnon is, en do stad, die in hot midden dor beek is, en al hot vlakke land van Médoba tot Dibon too; |
10 En al do steden1 van Sihon, don koning dei Amorieten, die te Hesbon geregeerd hoeft, to aan do landpalo der kinderen Amnions; 11 En Giload, en do landpalo der Gezurioton on der Matichathioten, en don ganschon berg Hor inon, en gansch Bazan, tot Salcha toe; 12 Het gansoho koningrijk van Og in Bazan die geregeerd hooft te Astharóth on to Edréï deze is overig geblovon uit hot overblijfsel do: reuzen, dewelke Mozos hooft verslagen, en hoof ze verdreven. 13 Doch de kinderen Israëls verdreven do Gezu rieten en do Maaehathioten niot: maar Gozur ei Maachath woonden in hot midden van Israël to op dezen dag. 14 Alloonlijlv gaf hij don stam Levi goono erfenis Do vuurofferen Gods, dos Heeren van Israël zijn zijne erfenis, gelijk als Hij tot hem gespro kon had. 15 Alzoo gaf Mozos aan don stam dor kindoroi van Ruben, naar hunne luiisgozinnon, l(i Dat hunne landpalo was van Aroër af, da aan den oever dor boek Arnon is, en do stad die in hot midden der boek is, en al hot vlakk land tot Médoba toe: 17 Hesbon en al haro steden, die in hot vlakk land zijn, Dibon, on Bamóth-Baal, en Both-Baal Moon, 18 En Jahza, en Kodémóth, en Mofaath, 1!) En Kirjathaim, on Sibma, en Zorot-IIassaha op den berg dos dals, 20 En Both-Poor, en Asdotli-Pisga, on Both Josimóth; 21 En allo steden dos vlakken lands, on he gansoho koningrijk van Sihon, don koning de Amorieten, die to Hesbon rogoordo, denwolke Mozos geslagen heeft, mitsgaders do vorsten va Mïdian, Evi, en Rokem, en Zur, on Hur, o Roba, geweldigen van Sihon, inwoners dos lands 22 Daartoe hebben de kinderen Israëls mot hc zwaard gedood quot; Bileam, den zoon van Boor, do voorzegger, nevens degenen, die van lion vei slagen zijn. rtNnm. 31:8. 32 : i 23 Do landpalo nu dor kinderen van Ruben wa do Jordaan, on dcrzelver landpalo: quot; dat is hc erfdeel dor kinderen van Ruben, naar hunn huisgozinnon, steden en haro dorpen. a Nam. 34: 14, 1; 24 En aan don stam van Gad, aan do kindero van Gad, naar hunne huisgezinnen, gaf Mozos 25 Dat hunne landpalo was Jaozer, on al d steden van Giload, on hot halve land dor kindero Amnions, tot Aroër toe, die voor aan Rabba is 2G En van Hesbon af tot Raniath-Mizpe on Be tónim; on van Mahanaïm tot aan do landpal van Dobir; 27 En in het dal, Both-haram, en Both-ninira en Sukkóth, on Zefon, wat overig was van lu koningrijk van Sihon, den koning to Hesbon; d Jordaan en hare landpalo, tot aan liet einde dc |
|
zoo van Cinnoroth, over do Jordaan, togen hot ooston. 28 Dat is hot orfdoel der kinderen van Gad, naar hunne huisgezinnen: do steden on hare dorpen. 29 Vorder had Mozes aan don halven stam van Manasse cenc erfenis gogovoii, die aan den halvon stam dor kinderen van Manasse bleef, naar hunne huisgezinnen; 30 Zoodat hunne landpalo was van Mahanaïm af, liet ganscho Bazan, hot gansche koningrijk van Og, don koning van Bazan, en al do vlokken van Jaïr, dio in Bazan zijn, zestig steden. 31 En het halve (liload, en Astharóth, en Edréï, steden des koningrijks van Og in Bazan, waren van do kindoren van Machir, den zoon van Manasse, namelijk de helft dor kindoren van Machir, naar hunne huisgezinnen. 32 Dat is hot, wat Mozos ton erve uitgedeeld had in de volden van Moab, op gone zijde der Jordaan van Jericho, tegen het oosten. 33 Maar aan den stam van Levi gaf Mozos geen erfdeel: quot;do IIeeue, do God Israels, is zelf hun-liodor erfdeel, gelijk als Hij tot hen gesproken heeft. a Num. 18:20. Dout. 10:9. 18:2. HOOFDSTUK 14. Scliikkiiig'on aangaande do vordeeling dos l.imls, vs. 1. Kalob liegcoi't voor zich Hebron overeenkomstig oono belofte van Mozes; Jozua willigt zijne bogcorto in, G. DIT is nu hetgeen de kinderen Israels geërfd hebben in het land Kanaiin; quot; hetwelk do priester Eloazar, en Jozua, do zoon van Nun, en do hoofden der vaderen van de stammen dor kinderen Israels, hun hebben doen erven; «Num. 34:17. 2 Door hot lot hunner erfenis, gelijk als de IIeeue door do dienst van Mozos geboden had, quot; aangaande do negen stammen en don halvon stam. a Num. 20:55. 3 Want aan do twee stammen on don halvon stam had Mozes oen erfdeel gegeven op gene zijde der Jordaan; maar aan de Levieten had hij geen erfdeel onder hen gegeven. 4 Want de kindoren van Jozef waren twee stammen , Manasse on Efraïm; en aan do Levieten gaven zij geen deel in hot land, maar stodon om te bewonen, en derzolvor voorsteden voor hun vee en voor hunne bezitting. 5 Gelijk als de Heere Mozes geboden had, alzoo doden do kinderen Israels, on zij deelden hot land. (! Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua, lo Gilgal, en Kalob, do zoon van Jofunno, de Konoziot, zeide tot hom: Gij weet quot;het woord, dat de Heere tot Mozos, den man Gods, gesproken hoeft te Kados-Barnéa, tor oorzake van mij, on tor oorzake van u. aNum. 14:24. Dout. 1:30. 7 Ik was veertig jaren oud, toon Mozes, de knecht des Heeren, mij uitgezonden hoeft van Kados-Barnéa, om hot land te verspiodon; en ik hem antwoord bragt, gelijk als het in mijn hart was. 8 Maar mijne broeders, die met mij opgegaan waren, doden het hart des volks smelten; quot;doch |
231 ik volhardde don Heere, inijnon God, na te volgen. «Num. 14:24. 9 Toen zwoor Mozos to dien zclven dage, zeggende: Indien niet het land, waarop uw voet go-trodon heeft, u en uwen kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid! dewijl gij volhard hebt den Heere, inijnon God, na te volgen. 10 En nu, zie, do Heere lieol't mij in het leven behouden, gelijk als Hij gesproken hoeft: het zijn nu vijf en veertig jaren, sedort dat do Heere dit woord tot Mozes gesproken hool'l , toen Israël in de woestijn wandelde; en nu, zio, ik bon heden vijf en tachtig jaren oud. 11 Ik ben nog heden zoo sterk, gelijk als ik was ten dage, toen Mozes mij uitzond: gelijk iiiijne kracht toen was, alzoo is nu mijne kracht, tot den oorlog, en om quot;uit te gaan, en om in te gaan. « Num. 27 : 17. Dout. 31 : 2. 12 En nu, geef mij dit gebergte, waarvan de Heere te dien dage gesproken heeft: want gij hebt het to dienzelvon dage gehoord, dat do Enakioton aldaar waren, en dat or grooto vaste steden waren; of do Heere met mij ware, dat ik hou verdreef, gelijk als de Heere gesproken hoeft. 13 Toen zegende hem Jozua, on hij gaf Kalob, den zoon van Jofunno, Hebron ton erfdeel. 14 Daarom word Hebron aan Kalob, den zoon van Jofunno, don Konoziot, ten erfdeel tot op dezen dag: omdat hij volhard had don Heere, den God Israëls, na te volgen. 15 Do naam nu van Hebron was eertijds Kirjath-Arba, die een groot monsch geweest is onder de Enakioton. En hot land rustte van don krijg. HOOFDSTUK 15. Bepaling van Juda's erfdeel, waarbij Kirjath-Arba aan Kaleb werd afgestaan, die do drio zonen van Enak van daar verdreef, vs. 1. Kaleb belooft zijao dochter aan dongene, dio Kirjath-Sófer inaeemt, 10. Otliniël doet het, 17, zijne vrouw verkrijgt, op haar verzoek, eonig land tot bruidschat, li). Opsomming dor steden van Juda, 20. Do Israclioten kondon de Jobusioteii uit Jorüzalem niet verdrijven, 03. EN liet lot voor don stam dor kindoren van Juda, naar hunne huisgezinnen, was: aan de landpalo van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, was hot uiterste tegen hot zuiden; 2 Zoodat hunno landpalo, quot;tegen hot zuiden, het uiterste van do Zoutzee was, van do tong af, die togen liet zuiden ziet; «Num. 34:4. 3 En zij gaat uit naar liet zuiden tot don opgang van Akrabbim, en gaat door naar Zin, en gaat op van hot zuiden naar Kados-Barnéa, en gaat door Hozron, en gaat op naar Adar, en gaat om Karkaa; 4 En gaat door naar Azmon, on komt uit aan de beek van Egypte; en de uitgangen dezer landpalo zullen naar de zee zijn. Dit zal uwe landpalo togen het zuiden zijn. 5 De landpalo nu tegen hot oosten zal de Zout- JOZÃA l^, 14, 15. |
JOZUA 15.
2:i2
|
zoo zijn, tot aan hot uitorsto dor Jordaan; en do landpalo, aan do zijdo togon hot noordon, zal zijn van do tong dor zoo, van hot uitorsto der Jordaan. (J En dozo landpalo zal opgaan tot Beth-hogla, on zal doorgaan van hot noorden naar Beth-araba; on dozo landpalo zal opgaan tot den steen van Bohan, don zoon van Ruben. 7 Vorder zal dozo landpalo opgaan naar Dobir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, hetwelk tegen den opgang van Adiini-mini is, die aan hot zuiden der beek is. Daarna zal deze landpalo doorgaan tot hot water van En-sémos, en hare uitgangen zullen wezen to En-rógol. H En deze landpalo zal opgaan door hot dal van den zoon van Hinnom, aan de zijde van don Jobusiet van hot zuiden, dezelve is Jeruzalem; en dozo landpalo zal opwaarts gaan tot do spits van don borg, die voor aan hot dal van llinnoni is, westwaarts, hetwelk in het uiterste van hot dal der Refaïeten is, togon hot noorden. 1) Daarna zal deze landpalo strekkeu van de hoogte dos bergs tot aan de watorl'ontein Nol'thóah, en uitgaan tot do steden van liet gebergte El'ron. Vorder zal deze landpalo strekken naar Baala, dozo is Kirjath-Jearim. 10 Daarna zal dozo landpalo zich ouikoeron van Baiila tegen hot westen, naar hot gebergte Soïr, on zal doorgaan aan do zijdo van don borg Jeariin van hot noorden, dozo is Chosalên; en zij zal af-koinon naar Beth-Sémes, en door Timua gaan. 11 Verder zal dozo landpalo uitgaan aan do zijde van Ekron, noordwaarts, eu deze landpalo zal strekken naar Sichron aan, en over den borg Baala gaan, en uitgaan te Jabnoël; on de uit-gaugen dezer landpalo zullen zijn naar do zoo. 12 quot; Do landpalo nu tegen het westen zal zijn tot do grooto zee on derzölvcr landpalo. Dit is de landpalo der kinderen van Juda rondom hoen, naar huuno huisgezinnen. a Num. 34 : (i. 13 Doch Kalob, don zoou van Jofunne, had hij oou dool gegeven in het midden dor kinderen van Juda, naar don mond dos Hekuen tot Jozua, de stad van Arba, quot; vader van Euak, dat is Hebron. aim. 14 : 15. Higt. 1 ; 20. 14 En quot; Kaleb verdreef van daar do drie zonen van Enak, Sósai, on Aliïman, eu Talmai, geboren van Euak. n Rigt. 1: 10. 15 En van daar toog hij opwaarts tot do inwoners van Dobir (do naam van Dobir nu was te voren Kirjath-Séfor). 1(! En Kalob zeide: Wie Kirjath-Séfor zal slaan, on nemen haar in, dien zal ik ook mijne dochter Achsa tot oono vrouw geven. 17 Othniöl nu, de zoon van Kenaz, don broeder van Kalob, nam haar in; en hij gaf hom Achsa, zijne dochter, tot eeue vrouw. 18 Eu hot geschiedde, als zij lol hou kwam, zoo porde zij hom aan, om oen void van haren vader to begeoren; en zij sprong van don ezol.af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u? |
19 En zij zeide: Geef mij oenen zogen; dewijl gij mij eon dor land gegeven hebt, geef mij ook watorwollingon. Toen gaf hij haar hooge water-wellingen en lage watorwellingen. 20 Dit is het erfdeel van den stam dor kinderen van Juda, naar hunue huisgoziunen. 21 Do steden nu, van hot uiterste van den stam der kinderen van Juda tot do landpalo van Edoui, tegen hot zuidon, ziju: Kabzoël, en Edor, en Jagur, 22 En Kina, en Dimóna, on Ad-ada, 23 En Kedes, eu llazor, en Jithnau, 24 Zif, en Telem, on Baalóth, 25 En llazor-lladattha, on Korijóth, (Ilezron, dat is, llazor), 26 Amam, on Soma, on Mólada, 27 En llazar-Gadda, on Hosmon, on Both-Palot, 28 En llazar-Sual, on Boör-séba, on Bizjótheja, 29 Baala, on Ijim, on Azem, 30 En Eltiiólad, en Chosil, on llorma, 31 En Ziklag, en Madmanna, on Sauzauua, 32 En Lobaóth, en Silhim, en Aïn, en Riminou. Al dozo steden zijn negen on twintig en haro dorpen. 33 In do laagte zijn: Esthaol, on Zora, on Asna, 34 EnZauóah, en En-ganniui, Tappüah, onEnam, 35 Jarmuth en Adullani, Socho ou Azéka, 36 En Saiiraïm, ou Adithaïm, en Godera, on Gedérothaim: voortion steden en haro dorpen. 37 Zenan, en lladasa, on Migdal-gad, 38 En Dilan, on Mizpe, ou Jóktoël, 39 Lachis, on Bozkath, en Eglon, 40 En Chabbon, ou Lahmas, ou Chitlis, 41 En Gedéróth, Both-Dagon, ou Naama, ou Makkéda: zestien steden en hare dorpen. 42 Libna, en Ether, en Asau, 43 En Jiftah, on Asna, en Nozib, 44 En Keliïla, on Achzib, en Maroza: nogou steden en hare dorpen; 45 Ekron, on hare onderhoorigo plaatsen, on hare dorpen. 46 Van Ekron, en naar do zoo toe, allo die aan do zijdo van Asdod zijn, ou haro dorpen; 47 Asdod, hare onderhoorigo plaatsen ou hare dorpen; Gaza, hare onderhoorigo plaatsen on hare dorpen, tot aan do rivier van Egypte; ou do grooto zoo, en hare landpalo. 48 Op hot gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho, 19 En Dauna, on Kirjath-Sanna, die is Dobir. 50 En Anab, ou Estomo, en Anim, 51 En Gosen, en Holon, on Gilo: elf steden ou haro dorpen. 52 Arab, on Duma, en Esau, 53 En Janum, en Beth-Tappüah, on Afóka, 54 En Ilunita, on Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior: negen steden ou haro dorpen. 55 Maon, Karinol, on Zif, on Juta, 56 En Jizroël, en Jókdeam, en Zanóah, |
JOZUA 15, 1«, 17.
|
57 Kaïn, Giboa, cn Timua: tien stoelen en hare dorpen. 58 Ilalhul, Beth-Znr, en Gedor, 59 En Maarath, en Beth-Anóth, en E'ltekon: zes steden en hare dorpen. GO Kirjath-Baiil, die is Kirjath-Jearim, cn Rabba: twee steden en hare dorpen. (it In de woestijn: Beth-araba, Middin cn Scchacha, G2 En Nil)san, cn de Zoutstad, en Enyedi: zes steden en hare dorpen. (W Maar de kinderen van Juda konden do Jobu-sieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven: alzoo woonden de Jobusieton bij de kindoron van Juda tc Jeruzalem, tot dezen dag toe. HOOFDSTUK 16. Hot erfdeel van Jozefs kinderen, vs. 1. Do landpalo der Efraïmieten, 5; die sommige Kanailnicten niet verdrijven, maar alleen cijnsbaar maken, 10. DAARNA kwam hot lot dor kinderen van Jozef uit: van de Jordaan bij Jericho, aan liet water van Jericho, oostwaarts, de woestijn opgaande van Jericho, door hot gebergte Both-EI; 2 En hot komt van Beth-El uit naar Luz; ou liet gaat door tot de landpalo dos Archiots, tot Ataroth too; En het gaat af togen het westen naar de landpalo Jafléti, tot aan do landpalo van het bono-donsto Beth-hóron, eu tot Gozer; en hare uitgangen zijn aan do zee. 4 Alzoo hebben hun erfdeel bekomen do kindoren van Jozef, Manasso en Efraïm. 5 Do landpalo nu der kindoren van Efraïm, naar hunne huisgezinnen, is deze: te weten, de landpalo huns erfdoels was oostwaarts Atrntli-Addar tot aan het bovenste Beth-hóron. (i En deze landpalo gaat uit tegen het westen bij Michmetath, van het noorden, en deze landpalo keert zich om tegen het oosten naar Thaanath-Silo, cn gaat door dezelve van hot oosten naar Janóah; 7 En komt af van Janóah naar Ataroth en Na-harath, en stoot aan Jericho, on gaat uit aan de Jordaan. H Van Tappuah gaat dezo landpalo westwaarts naar do beek Kana, en hare uitgangen zijn aan do zoo. Dit is het erfdeel van don stam der kindoron van Efraïm, naar hunne huisgezinnen. !) En do steden, die afgezonderd waren voor de kinderen van Efraïm, waren in hot midden van hot erfdeel der kindoren van Manasso, al die steden en hare dorpen. 10 En zij verdreven de Kanaanioton niet, dio te Gozer woonden; alzoo woonden die Kanaanioton in hot midden dor Efraïmieten tot op dozen dag; maar zij waren onder schatting dienende. HOOFDSTUK 17. |
Hot erfdeel van Manasses stam, vs. 1. Do vijf dochters van Zelafead ontvangen oen erfdeel, 3. De landpalo van Manasso nader opgegeven, 7. Zij maken do Kanaiinieten, die niet verdreven zijn, cijnsbaar, 12. Jozefs dubbele stam klaagt, dat hun erfdeel te klein is, 14. Jozua wijst htm eene streek aan tor uitbreiding, die hun niet behaagt, omdat ze nog in do magt der Kanaanioton is, 10; over welke Jozua hun de overwinning belooft, 17. DE stam van Manasso had ook oen lot, omdat hij do oorstgoborono van «Jozef was: te â weten Machir, do eerstgeborene van Manassc, do vader van Gilead; omdat hij con krijgsman was, zoo had hij Gilead en Bazan. «Gen. 10:20. 2 Ook hadden do overgobloveno kinderen van Manasso een lot, naar hunne huisgezinnen: te toeten de kindoren van Abiózer, en de kindoron van Hoick, en do kinderen van Asriöl, en de kindoron van Sochom, on do kindoron van Holer, on do kinderen van Seinida. Dit zijn de maimo-lijko kindoren van Manasso, den zoon van Jozef, naar hunno huisgezinnen. quot;Zelafead nu, do zoon van Ilefer, den zoon van Gilead, don zoon van Machir, den zoon van Manassc, had geene zonen, maar dochters; en ''dit zijn do namen zijner dochtoren: Machla en Noa, Ilogla, Milka en Tirza. «Num. 20:33. 27 : 1. i Num. 27 : 1. 4 Doze dan tradon toe voor hot aangezigt van Elesizar, den priester, en voor hot aangezigt van Jozua, don zoon van Nun, eu voor het aangezigt dor oversten, zeggende: quot;De 11 kkke hoeft Mozes geboden, dat men ons een erfdeel geven zou in het midden onzer broederen. Daarom gaf hij haar, naar den mond des Heeren, een erfdeel in het midden dor broederen van haren vader. « Num. 27 : 7. 30 : 2. 5 En aan Manasso vielen tien snoeren toe, behalve het land Gilead en Bazan, dat op gene zijde dor Jordaan is. G Want do dochtoren van Manasso erfden een erfdeel in hot midden zijner zonen; en hol land Gilead hadden de overgeblevene kinderen van Manassc. 7 Zoodat do landpalo van Manasso was van Asor af tot Michmetath, die voor aan Sichem is; en dezo landpalo gaat ter regterhand tot aan do inwoners van En-Tappuah. S Manasso had wel het land van Tappuah, maar Tappuah zelve, aan de landpalo van Manasso, hadden de kinderen van Efraïm. 9 Daarna komt do landpalo af naar do beek Kana tegen het zuiden der bock. Deze steden zijn van Efraïm in het midden der steden van Manasso; en do landpalo van Manasso is aan hot noorden dor boek, en hare uitgangen zijn aan do zeo. 10 [lot was van Efraïm togen hot zuiden, on togen het noorden was het van Manasso, on do zoo was zijne landpalo; en aan hot noorden stieten zij aan Asor, en aan hot oosten aan Issaschar. 11 Want Manasso had, in Issaschar en in Asor, Both-Soan en hare ondorhoorigo plaatsen, en Jibloam en hare ondorhoorigo plaatsen, en do |
JOZUA 17, 18.
|
inwoners to Dor on haro ondorhoorigo plaatson, cn do inwonors te En-Dór en haro ondorhoorigo plaatsen, on de inwoners te Thaanach en hare ondorhoorigo plaatsen, en do inwoners te Mogiddo en haro ondorhoorigo plaatsen: drie landstreken. 12 En quot; do kinderen van Manasso konden de inwoners van die steden niot verdrijven: want de Kanaanieton wildon in hetzelve land wonen. a Kigt. 1 : 27. 1:! En het geschiodde, als do kinderen Israels sterk werden, zoo maakten zij do Kanaanieton cijnsbaar; maar zij verdreven hen niet ganschelijk. 14 Toon spraken de kindoren van Jozef tot Jozua, zeggende: Waarom hebt gij mij ten erfdeel maar eon lot on oen snoer gegeven, daar ik toch een groot volk ben, voor zoo veel do Heere mij dus verre gezegend heeft? 15 Jozua nu zeido tot henlieden: Dewijl gij oen groot volk zijt, zoo ga op naar liet woud, en houw daar voor u af in hot land der Ferezieton en dor Refaïeten, dewijl u het gebergte van Efraïm te eng is. IC! Toon zeiden do kindoren van Jozef: Dat gebergte zou ons niet genoegzaam zijn; er zijn ook ijzeren wagens bij alle Kanaanieton, die in bet land dos dals wonen, bij die te Beth-Soan en haro ondorhoorigo plaatsen, en die in hot dal van Jizreël zijn. 17 Verder sprak Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraïm on tot Manasso, zeggende: Gij zijt oen groot volk, en gij hebt grooto kracht, gij zult goon eon lot hebben; 18 Maar het gebergte zal hot uwe zijn; en dewijl hot een woud is, zoo houw het af, zoo zullen zijne uitgangen do uwe zijn, want gij zult de Kanaanieton verdrijven, al hebben zij ijzeren wagons, al zijn zij stork. HOOFDSTUK 18. Oprichting van den tabernakel te Silo, vs. 1. Van daar zendt Jozua drie mannen uit van eiken stam in het nog onverdeelde land, om dit in zeven doolon te vordeclen voor do zeven stammen, dio nog geen erfdeel hadden ontvangen, 3. Jozua verdeelt dat land bij hot lot, 10. Do stam Benjamin krijgt hut eerst zijne grenzen en steden, 11. EN de gansche vergadering van de kinderen Israels vorzamoldo zich te Silo, en zij rigtten aldaar op do tent dor zamonkomst, nadat hol land voor hen onderworpen was. 2 En er bleven overig onder do kinderen Israels, aan dewelken zij bun erfdeel niet uitgedeeld hadden, zoven stammen. ii En Jozua zeido tot do kinderen Israels: IIoo lang houdt gij u zoo slap, om voort te gaan, om hot land to beërven, hetwelk de Heere, do God uwer vaderen, u gegeven heeft? -1 Geeft voor ulieden drie mannen van eiken stam, dat ik ze hoenzende, en zij zich opmakon, en het land doorwandelen, en beschrijven hetzelve naar hunne erven, en weder tot mij komen, 5 Zij nu zullen het doelen in zoven doelen: Jiu zal blijven op zijne landpale van het zuiden, ( hot buis van Jozef zal blijven op zijne landpa van het noorden. |
(i En gijlieden zult het land beschrijven in zevc dooien, en tot mij herwaarts brengen, dat voor ulieden het lot hier werpe voor hot aang zigt des IIkeren, onzes Gods. 7 Want de Levieten hebben geen doel in b midden van ulioden; maar hot priesterdom d Heeren is hun erfdeel. Gad nu, en Ruben, lt; de halve stam van Manasse, hebben hun erfde genomen op gene zijde der Jordaan, oostwaart hetwelk bun Mozes, de knecht des Heeren, g geven heeft. 8 Toen maakten zich die mannen op, en ging( heen. En Jozua gebood hun, die heengingen, o hot land te beschrijven, zeggende: Gaat, en doo wandelt het land, cn beschrijft het; komt di weder tot mij, zoo zal ik ulieden hier hot 1 werpen, voor hot aangezigt dos Heeren, te Sil !) De mannen dan gingen hoon, en togen h land door cn beschreven het, naar do steden, zeven doolon, in oen boek; en kwamen weder t Jozua in hot leger te Silo. 10 Toon wierp Jozua hot lot voor bon te Sih voor hot aangezigt dos Heeren. En Jozua doch aldaar don kinderen Israels hot land, naar hum afdoelingon. 11 En het lot van den stam der kinderen vi Benjamin kwam op, naar hunne huisgezinnol en de landpale van hun lot ging uit tusschcn ( kinderen van Juda, on tusschcn do kinderen vs Jozef. 12 En hunne landpale was naar den book noor waarts van do Jordaan: en deze landpale ga opwaarts aan do zijde van Jericho van het noo don, on gaat op door het gebergte westwaart en quot;hare uitgangen zijn aan do woestijn vi Both-avon. « Joz. 7 : 13 En van daar gaat do landpale door naar Lu aan do zijde van Luz (welke is Both-El), zui waarts; en deze landpale gaat af naar Atróth-Adda aan don borg, dio aan de zuidzijde van het b nedenste Both-hóron is. 14 En die landpale strekt en keert zich on naar den westhoek zuidwaarts van don berg, d tegenover Beth-hóron zuidwaarts is, on haro u gangen zijn aan Kirjath-Baal (welke is Kirjat Jearim), ecno stud der kindoren van Juda. L is do hoek ten westen. 15 Do hoek nu ton zuiden is aan het u iters van Kirjath-Jearim; en deze landpale gaat i ton westen, on zij komt uit aan de fontein d wateren van Neftóah. K! En deze landpale gaat af tot aan het niters dos bergs, die tegenover bot dal van den zoi van Hinnom is, die in het dal dor Refaïeten togen hot noorden; en quot;gaat af door hot d van Hinnom, aan do zijde der Jobusieton zui |
JOZUA 18, 10.
|
waarls, on ''yaat af aan do fontein van Rogol; 1 a Joz. 15:8. b Joz. 15 ; 7. 17 En sti'okt zicli van hot noorden, en gaat uit te En-sémes; van daar gaat zij uit naar Gelilóth, welke is tegenover den opgang naar Adüinmim, en quot;zij gaat af aan den steen van Bohan, den zoon van Ruben; a ,Toz. 15; (i. 18 En gaat door ter zijde tegenover Aruba naar het noorden, en gaat af te Araba. 19 Verder gaat deze landpale door aan de zijde van Beth-hogla noordwaarts, en do uitgangen van deze landpale zijn aan de tong der Zoutzee noordwaarts, aan het uiterste der Jordaan zuidwaarts. Dit is de zuider-landpale. 20 De Jordaan nu bepaalt haar aan den hoek naar liet oosten. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin, in hunne landpalen rondom, naar hunne huisgezinnen. 21 Do steden nu van den stam der kinderen van Benjamin, naar hunne huisgezinnen, zijn: Jericho, en Beth-hogla, en Emek-Keziz, 22 En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El, 2:? En Haavvim, en Para, en Ofra, 24 Chefar-haammónai, en Ofni, en Gaba: twaalf steden en hare dorpen. 25 Giboon, en Rama, en Beéroth, 26 En Mizpe, en Chefira, en Moza, 27 En Rekem, en Jirpeël, en Thar-ala, 28 En Zela, Elef en Jebusi (deze is Jeruzalem), Gibath, Kirjath: veertien steden mitsgaders hare dorpen. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin, naar hunne huisgezinnen. HOOFDSTUK 1!). liet lot van don stam van Simeon valt in Jnda's land, vs. 1, daar dat van Juda to groot was, 9. Het dorde Int voor Zobnlon, 10. Het vierde voor Issiischar, 17. Hot vijfde voor Ascr, 24. Hot zesde voor NafUiali, 32. Hot zevende voor Dan, 47. Joziia krijgt do stad Thimnath-Sora ton erfdeel, 40. Hosiuit, 51. DAARNA ging liet tweede lot uit voor Simeon, voor den stam der kinderen van Simeon, naar hunne huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel der kinderen van Juda. 2 En zij hadden in hun erfdeel: Beër-séba, en Séba, en Mólada, !! En Hazar-Sual, en Bala, en Azem, 4 En Elthólad, en Bethui, en Horma, 5 En Ziklag, en Beth-hammarchabóth, en Hazar-Suza, 6 En Beth-Lebaóth, on Sariihen: dertien steden en hare dorpen, 7 Aïii, Rimmon, en Ether, en Asan: vier steden en hare dorpen; 8 En al de dorpen, die rondom deze steden waren, tot Baalath-Beër, dat is Rainath tegen het zuiden. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Simeon, naar hunne huisgoziiinen. 1) Het erfdeel der kinderen van Simeon is onder het snoer der kinderen van Juda: want het erfdeel der kinderen van Juda was te groot voor hen; daarom erfden de kinderen van Simeon in het midden van hun erfdeel. |
10 Daarna kwam het derde lot op voor do kin-doren van Zebulon, naar hunne huisgezinnen; en de landpale van hun erfdeel was tot aan Sarid. 11 En hunne landpale gaat opwaarts naar het westen en Mar-ala, en reikt tot Dabbaseth, en reikt tot aan do beek, die voor aan Jokneam is. 12 En zij wendt zich van Sarid oostwaarts tegen den opgang der zon, tot de landpale van Chislóth-Thabor, en zij komt uit te Dobrath, en gaat opwaarts naar Jafia. 13 En van daar gaat zij oostwaarts door naar den opgang, naar Gath-IIefer, te Eth-Kazin, en zij komt uit te Riminon-Methóar, hetwelk is Nea. 14 En deze landpale keert zich om tegen het noorden naar Hannathon, en hare uitgangen zijn het dal van Jiftah-El. 15 En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem: twaalf steden en hare dorpen. Ifi Dit is het erfdeel der kinderen van Zebulon, naar hunne huisgezinnen, deze steden en hare dorpen. 17 Het vierde lot ging uit voor Issaschar, voor de kinderen van Issaschar, naar hunne luiisge-zinnen. 18 En hunne landpale was Jizreéla, en Chesnl-löth, en Sunem, 10 En Ilafaraïm, en Sion, en Anacharath, 20 En Rabbith, en Kisjon, en Ebez, 21 En Renieth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez. 22 En deze landpale reikt aan Thabor, en Sa-hazima, en Beth-Sémes; en de uitgangen van hunne landpale zijn aan de Jordaan: zestien steden en hare dorpen. 23 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Issaschar, naar hunne huisgezinnen, de steden en hare dorpen. 24 Toen ging het vijfde lot voor den stam dei-kinderen van Aser uit, naar hunne huisgezinnen. 25 En hunne landpale was Ilelkath, en Hali, en Beten, en Aschsaf, 20 En Allammélech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sichor-Libnath; 27 En wendt zich tegen den opgang der zon naar Beth-Dagon, en reikt aan Zebulon, en aan het dal Jiftha-EI, noordwaarts naar Beth-Emek, en Nehiël, en komt uit tot Kabul ter linkerhand; 28 En Ebron, en Rehob, en Hainmon, en Kana, tot aan groot Zidon. 20 En deze landpale wendt zich naar Rama, en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Ilosa, en hare uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib, 30 En Umma, en Afek, en Rehob: twee en twintig steden en hare dorpen. 31 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Aser, naar hunne huisgezinnen, deze steden en hare dorpen. |
JOZUA li), 20, 21.
|
32 liet zosdo lot uit voor de kinduron van Naftliiili, voor do kindcron van Nafthali, naar hunno luiisgezinnon. :5;i En hunne landpale is van Helef, van Allon tot Zanannim, en Adami-Nekeb, en Jabneël, tot Lakkum; en hare uitgangen zijn aan de Jordaan. :i4 En deze landpale wendt zich westwaarts naar Asnoth-Thabor, en van daar gaat zij voort naar Hukkok, en zij reikt aan Zebulon tegen het zuiden , en aan Aser reikt zij togen het westen, en aan Juda aan do Jordaan togen den opgang dor zon. 35 Do vaste steden nu zijn: Ziddiin, Zer en Ilainniath, llakkath en Cinnéreth, !gt;() En Adama, en llama, en Ilazor, 37 En Kodes, en Edréi, en En-liazor, 38 En Jiron, en Migdal-El, llorem en lgt;eth-Anath , en Beth-Sómes: negentien steden en hare dorpen, 39 Dit is hot erfdeel van don stam der kinderen van Nafthali, naar hunne huisgezinnen, de steden en hare dorpen. 10 Hot zevende lot ging uit voor don stam der kinderen van Dan, naar hunne huisgezinnen. 41 En de landpale van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-Sémes, 42 En Saiilahbin, en Ajalon, en Jithla, 43 En Elon, en Timpatha, en Ekron, 44 En Elteké, en Gibbethon, en Baalath, IT) En Jehud, en lienc-Berak, en Gath-Rimmon, KJ En Me-Jarkon, en Rakkon, met do landpale tegenover Jafo. 47 Doch de landpale der kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen: daarom togen de kinderen van Dan op, en krijgden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar mot de scherpte des zwaards, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem, Dan, naar den naam van hunnen vader Dan. 48 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Dan, naar hunno huisgezinnen, deze steden en hare dorpen. 49 Toen zij nu geëindigd hadden het land erfelijk te deelen, naar zijne landpalen, zoo gaven do kinderen Israels aan Jozua, den zoon van Nun, een erfdeel in liet midden van hen. 50 Naar den mond des Heeren gaven zij hem die stad, welke hij begeerde, Thimnath-Serah, op het gebergte van Efraïm; en hij bouwde die stad, en woonde in dezelve. 51 Dit zijn de erfdeelen, welke Eleazar, de priester, en Jozua, do zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen, door het lot aan de kinderen Israels erfelijk uitdeeldon te Silo, voor het aangezigt des Heeren, aan do deur van de tont der zamenkomst. Aldus maakten zij een einde voor het uitdeelen des lands. HOOFDSTUK 20. Hevel des lleeron omtrent zes vrijsteden voor hen, die zonder opzet eonen doodslag zouden begaan |
hebben, vs. 1. liet volk bestemt hiertoe drie steden aan deze, drie aan gene zijde der Jordaan, 7. VERDER sprak de IIeere tot Jozua, zeggende: 2 Spreek tot do kinderen Israels, zeggende: Geeft voor uliedon de vrijsteden, quot;waarvan Ik met ulieden gesproken lieb door de dienst van Mozes. «Ex. 21 : 13. Num. 35:6. Dcut. lrJ: 1, 2. 3 Dat daarhenen vliede de doodslager, die ecne ziel door dwaling, niet met wetenschap, verslaat; opdat zij ulieden zijn tot eeno toevlugt voor den bloed wreker. 4 quot;Als hij vlugt tot eeno van die steden, zoo zal hij staan aan de deur der stadspoort, en hij zal zijne woorden spreken voor de ooren van de oudsten derzelver stad; dan zullen zij hem tot zich in de stad nemen, en hem plaats geven, dat hij bij hen wone. a Xum. 35:22, 23. Dout. 19:4, 5. 5 En als de bloedwroker hem najaagt, zoo zullen zij den doodslager in zijne hand niet overgeven, dewijl hij zijnen naaste niet mot wetenschap verslagen heeft, en hem gisteren en eergisteren niet heeft gehaat. 0 En hij zal in dezelve stad wonen, totdat hij sta voor het aangezigt der vergadering voor hot gerigt, totdat de hoogepriester sterve, die in die dagen zijn zal; dan zal do doodslager wederkee-ren, en komen tot zijne stad, en tot zijn huis, tot do stad, van waar hij gevloden is. 7 Toen heiligden zij Kodes in Galiléa, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraïm, en Kirjath-Arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda. 8 En aan gene zijde dor Jordaan van Jericho oostwaarts, gaven zij quot;Bozer in de woestijn, in het platte land, van den stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van den stam van Gad; en Golan in Bazan, van den stam van Manasso. a Dout. 4: 43. 9 Dit nu zijn de steden, die bestemd waren voor al do kinderen Israels, en voor den vreemdeling, die in het midden van henlieden verkeert, opdat derwaarts vlugtte al wie eono ziel slaat door dwaling; opdat hij niet sterve door de hand des bloed wrekers, totdat hij voor het aangezigt der vergadering gestaan zal hebben. HOOFDSTUK 21. De Levieten bekomen op hun verzoek hunne steden, vs. 1. Opnoeming der steden, door eiken stam daartoe afgezonderd, 4. Namen der steden, die gegeven werden aan de Kahathieten, 20; aan do öersonioten, 27; en Merarieten, 34; haar getal, 41. De Israëlieten bezitten het land gerust, naar Gods belofte, 43. T( )EN quot; naderden de hoofden der vaderen van de Levieten tot Eleazar, don priester, en tot Jozua, den zoon van Nun, en tot de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels; a 1 Kron. G : 54, enz. 2 En zij spraken tot hen, te Silo, in het land Kanaiin, zeggende: De IIeere heeft geboden dooide dienst van Mozes, quot;dat men ons steden te |
JOZUA 21.
237
|
bowonen g'övon Zou, on huru voorstodon voor ouzo boesten. »Niim. oir/.. 3 Daarom gaveu do kiudorou Israels aan de Levieten van hun erfdeel, naar den mond dea Hekken , deze steden eu de voorstedon derzolvo. 4 Toon ging hot lot uit voor do huisgezinnon der Kahathieton: on voor de kindoren van Aaron, don priester, uit do Levieten, waren van den stam van Juda, en van den stam van Simeon, on van den stam van Benjamin, door hot lot, dertien steden. 5 En aan do overgoblevone kindoren van Kahath vielen, bij hot lot, van de huisgezinnen van don stam van Efraïm, on van den stam van Dan, on van den halvon stam van Manasse, tien steden. G En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van den stam van Issaschar, on van den stam van Asor, en van den stam van Nafthali, en van den halvon stam van Manasse, in Bazan, bij hot lot, dertien steden. 7 Aan de kinderen van Merari, naar hunne huisgezinnen, van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van don stam van Zebulon, twaalf steden. 8 Alzoo gaven de kinderen Israels aan do Levieten deze steden en hare voorsteden, bij het lot, gelijk do IIeere geboden had door de dienst van Mozes. 9 Vorder gaven zij van don stam dor kinderen van Juda, en van don stam dor kinderen van Simeon, deze steden, die men bij name noemde: 10 Dat zij waren van do kinderen van Aiiron, van do huisgozinnon der Kahathieton, uit do kinderen van Levi: want hot eerste lot was het hunne. 11 Zoo gaven zij hun do stad van Arba, den vader van Anok (zij is Hebron), op den berg van Juda, en hare voorstoden rondom haar. 12 Maar het veld der stad en hare dorpen, gaven zij aan Kaleb, don zoon van Jefunne, tot zijne bezitting. 13 Alzoo gaven zij aan de kinderen van don priester Aiiron do vrijstad dos doodslagers, Hebron on hare voorsteden, en Libna en hare voorstoden; 14 En Jatthir en hare voorstoden, en Esthemóa on hare voorstodon; 15 En llolon en hare voorsteden, on Debir en hare voorstoden; Ifi En Aïn en hare voorsteden, on Jutta en hare voorstodon, on Beth-Sómos en hare voorsteden: negen steden van deze twee stammen. 17 En van den stam van Benjamin, Giboon on hare voorstedon, Goba en hare voorsteden; 18 Anathoth en hare voorstedon, on Almon on hare voorsteden: vier steden. 19 Al do steden der kinderen van Aaron, de priostoren, waren dertien steden en hare voorstoden. 20 Do huisgezinnon nu der kinderen van Kahath, de Levieten, die overgebleven waren van do kinderen van Kahath, die hadden do steden huns lots van den stam van Efraïm. |
21 En zij gaven hun Sichem, oone vrijstad des doodslagors, en hare voorsteden, op don berg Efraïm, en Gozer en hare voorsteden; 22 En Kibzaïm en haro voorstedon, en lieth-huron on hare voorstodon: vier steden. 23 En van don stam van Dan, Eltoké on haro voorstoden, Gibbothon en hare voorsteden; 24 Ajalon en li are voorstodon, Gath-Rimmon en hare voorsteden: vier steden. 25 En van don halven stam van Manasse, Thaa-naeii en haro voorsteden, en Gath-Rimmon on haro voorstodon: twee steden. 2G Al do steden voor do huisgezinnen van de overige kindoren van Kahath, zijn tien, met haro voorsteden. 27 En aan de kinderen van Gerson, van do huisgezinnen dor Levieten, van don halven stam van Manasse, de vrijstad des doodslagers, Golan in Bazan, en hare voorstedon, en Beësthera en hare voorstedon: twee steden. 28 En van den stam van Issaschar, Kisjon en hare voorsteden, on Dobrath on hare voorstedon; 29 Jarmuth en haro voorstedon, En-gannim en hare voorstodon: vier steden. 30 En van den stam van Asor, Mis-al en hare voorsteden, Abdon en haro voorsteden; 31 En Holkath on haro voorsteden, on Rehob en hare voorsteden: vier steden. 32 En van don stam van Nafthali, do vrijstad dos doodslagors, Kodes in Galiléa, en hare voorstedon, on Hammoth-Dór on haro voorsteden, on Karthan en hare voorsteden: drie steden. 33 Al de steden der Gersonioton, naar hunne huisgezinnen, zijn dertien steden on hare voorsteden. 34 Aan do huisgezinnen nu van de kindoren van Merari, van do overige Levieten, werd yeyevcn van den stam van Zebulon, Jokneam en haro voorstoden, Kartha en hare voorsteden; 35 Dimna en hare voorstedon, Nahalal en hare voorstoden: vier steden. 36 En van den stam van Ruben, Bozer en hare voorsteden, en Jahza en hare voorsteden; 37 Kodómóth en haro voorsteden, on Mcfaiith en hare voorstodon: vier steden. 38 Van don stam van Gad nu, de vrijstad des doodslagers, Ramoth in Gilead, on haro voorstodon, on Mahanaïm on haro voorsteden; 39 Hesbon on hare voorstodon, Jaözor on hare voorsteden: al die steden zijn vier. 40 Al dio steden waren van do kindoren van Merari, naar hunne huisgezinnen, die nog overig waren van do huisgezinnen dor Levieten; en hun lot was twaalf steden. 41 AI do steden dor Levieten, in het midden van do erfenis der kinderen Israels, waren aoht en veertig steden on hare voorstedon. 42 Do stodon waren elk mot haro voorstodon rondom haar; alzoo was het mot al die steden. 43 Alzoo gaf do IIeere aan Israël het gansehe |
JOZUA 21, 22.
238
|
land, dat Hij gezworen had hunnen vaderen to geven, en zij beërfden het, en woonden daarin. 44 En de Heeuk gaf hun rust rondom, naar alles, wat Hij hunnen vaderen gezworen had; on er bestond niet een man van al hunne vijanden voor hun aangezigt: al hunne vijanden gaf do Heeuk in hunne hand. 45 Er viel niet één woord van al de goede woorden, die de Heere gesproken had tot het huis van Israël; het kwam altemaal. HOOFDSTUK 22. Jozua ontslaat do Rubenieten, Gadieten en den hal ven stam van Manasse, vs. 1; vermaant lien don Heere te vroozon, 5. /ij vertrekken met grooton buit, 8; bouwen oen altaar aan do Jordaan, 10. Uo andere stammen nomen dit kwalijk op, 11; en zonden go-ziinlon, dio hen bestraften, 11-5. Zij verontsoluddigen zich, 21; waarmede genoegen wordt genomen, 30. Naam van dit altaar, 34. TOEN riep Jozua do Rubenieten, en do Gadieten, en den halven stam van Manasse, 2 En hij zeide tot hen: Gijlieden hebt onder-iiouden alles, wat u Mozes, de knecht des Heeken, geboden hoeft; eu quot;gij zijt mijne stem gehoorzaam geweest in alles, wal ik u geboden heb. n Num. 32 : 20. Dent. 3 : 18. 3 Oij hebt uwe broederen niet verlaten nu langen tijd, tot op dezen dag toe; maar gij hebt waargenomen de onderbouding der geboden van don Heere, uwen God. 4 En nu, de Heere, uw God, heeft uwen broederen rust gegeven, gelijk Hij hun toegezegd had: keert dan nu wederom, en gaat gij naar uwe tenten, naar bet land uwer bezitting, quot;hetwelk u Mozes, de knecht des Heeken, gegeven iieeft op gene zijde der Jordaan. a Num. 32 : 33. Dent. 3 :1.3. 20 ; 8. Joz. 13 ; 8. ö Alleenlijk neemt naarstiglijk waar te doen het gebod en de wet, die u Mozes, do knecht des Heeken, geboden heeft, quot;dat gij den Heere, uwen God, liefiiebt, en dat gij wandelt in al zijne wegen, en zijne geboden houdt, en Hem aanhangt, en dat gij Hom dient met uw gansche hart en met uwe gansche ziel. aDout. 10: 12. (! Alzoo zegende ben Jozua, en hij liet hen gaan; en zij gingen naar hunne tenten. 7 Want aan de helft van den stam van Manasse had Mozes een erfdeel gegeven in Bazan, maar aan de andere helft van denzelven gaf Jozua een erfdeel bij hunne broederen, aan deze zijde der Jordaan westwaarts. Vorder ook als Jozua bon liet trekken naar hunne tenten, zoo zegende hij hen. 8 En hij sprak tot hen, zeggende: Keert weder tot uwe tenten met veel rijkdom, en met zeer voel vee, met zilver, en met goud, en met koper, en mot ijzer, en met zeer voel kleederen; deelt don roof uwer vijanden niet uwe broederen. Alzoo keerden de kinderen van Ruben, en do kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse wederom, en togen van de kinderen Israels, van |
Silo, dat in liet land Kauaan is, om te gaan naa het land van Gilead, naar liet land hunner bi zitting, in hetwelk zij bezitters gemaakt waren naar don mond dos Heeken, door do dienst va Mozes. 10 quot; Toen zij kwamen aan de grenzen der Joi daan, die in het land Kanaan zijn, zoo bouwde do kinderen van Ruben, en de kinderen van Gac en de halve stam van Manasse aldaar een altaa aan do Jordaan, een altaar groot in het aanziei a Joz. 18: 11 En de kinderen Israels hoorden zeggen: Zie de kinderen van Ruben, eu de kinderen van Gat en do halve stam van Manasse hebben een altaa gebouwd, tegenover liet land Kanaan, aan d grenzen der Jordaan, aan de zijde der kindere Israels. 12 Als de kinderen Israels dit hoorden, zoo vei zamelde de gansche vergadering der kindere Israels te Silo, dat zij tegen hen optogen nu een heir. 13 En de kinderen Israels zonden aan de kii deren van Ruben, en aan do kinderen van Gad en aan don halven stam van Manasse, in het lan Gilead, Pinohas, den zoon van Eleazar, de priester; 14 En tien vorsten met hem, van ieder vaderlij huis oenen vorst, uit al de stammen van Israël en zij waren een ieder oen hoofd van het hu hunner vaderen over de duizenden van Israël. 15 Toen zij tot de kinderen van Ruben, eu t( de kinderen van Gad, en tot den halven stai van Manasse kwamen, in het land Gilead, zc spraken zij met hen, zeggende: 1G Alzoo spreekt de gansche gemeente des Hei ren: Wat overtreding is dit, waarmede gijliodc overtreden hebt tegen don God van Israël, hede afkeerondo van achter den Heere, mits dat g een altaar voor u gebouwd hebt, om heden tegt den Heeke wederspannig te zijn? 17 quot;Is ons de ongeregtigheid van Peor te weinig van dewelke wij niet gereinigd zijn tot op deze dag, hoewel de plaag in do vergadering d( Heeren geweest is. a Num. 25:3. Dent. 4: 18 Dewijl gij u heden van achter den Heep afkeert, het zal dan geschieden, als gij hedc wederspannig zijt tegen den Heere, zoo zal II zich morgen grootelij ks vertoornen tegen c gansche gemeente van Israël. 19 Maar toch, indien het land uwer bezittir onrein is, komt over in het land van de bezittir dos Heeken, waar de tabernakel des Heeri woont, en neemt bezitting in het midden vr ons; maar zijt niet wederspannig tegen den Heer ou zijt ook niet wederspannig tegen ons, een ii taar voor u bouwende, behalve hot altaar vr don Heeke, onzen God. 20 Heeft niet Achan, do zoon van Zerah, ove treding begaan mot het verbannene? en kwa er niet eene verbolgenheid over de gansche ve |
JOZUA 22, 23.
|
gadering van Israël ? on dio man stierf niet alleen in zijne ongeregtigheid. 21 Toon antwoordden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse, en zij spraken mot de hoofden dor duizenden van Israël: 22 quot;De God der goden, do Heere, de God dor goden, de Heere, Die weet het, Israël zelf zal het ook weten! Is het door wederspannigheid, of is hot door overtreding togen don Heeue, zoo behoudt ons heden niet; a I's. 50:1. 23 Dat wij ons een altaar zouden gebouwd hebben, om ons van achter don Heere af te koeren, of om brandoffer en spijsoffer daarop te offeren, of om dankoffer daarop te doen, zoo eische het de Heere. 24 En zoo wij dit niet uit zorg van wege deze zaak gedaan hebben, zoggonde: Morgen inogten uwe kinderen tot onze kinderen sproken, zeggende: Wat hebt gij mot den Heere, den God van Israël, te doen ? 25 De Heere heeft immers do Jordaan tot land-palo gezet tusschen ons en tusschon uliodon, gij kinderen van Ruben, en gij kinderen van Gad! gij hebt geen doel aan den Heere. Zoo mogten uwe kindoren onze kinderen doen ophouden, dat zij den Heere niet vreesden. 26 Daarom zeiden wij: Laat ons tocii voor ons maken, bouwende oen altaar, niet ton brandoffer, noch ton offer. 27 Maar quot;dat hot oen getuige zij tusschon ons en tusschon uliodon, en tusschon onze geslachten na ons, opdat wij do dienst dos Heeren voor zijn aangezigt dienon mogten met onze brandoffe-ron, en met onze slagtofforen, en met onze dank-offeren; en dat uwe kindoren tot onze kinderen morgen niet zoggen: Gijlieden hebt geen deel aan den Heere. «Gen. Hl :48. Joz. 24:27. 28 Daarom zeiden wij: Wanneer hot geschiedt, dat zij morgen a/200 tot ons en tot onze geslachten zoggen zullen; zoo zullen wij zeggen: Ziet de gedaante van het altaar des Heeren, hetwelk onze vaderen gemaakt hebben, niet ten brandoffer, noch ton offer; maar liet is een getuige tusschon ons en tusschen uliedon. 29 Het zij verre van ons, van ons, dat wij zouden woderspannig zijn tegen don Heere, of dat wij te dezen dage ons van achter den Heere afkoeren zouden, bouwende een altaar ton brandoffer, ten spijsoffer, of ten slagtoffer, behalve liet altaar van den Heere, onzen God, dat voor zijnon tabernakel is. 30 Toen de priester Pinohas, en de oversten der vergadering, en de hoofden der duizenden van Israël, die bij hem waren, de woorden hoorden, die de kinderen van Ruben, on do kinderen van Gad, en do kindoren van Manasse gesproken liaddon, zoo was hot goed in hunne oogon. |
31 En Pinohas, do zoon van den priester Eleazar, zoide tot de kinderen van Ruben, en tot do kindoren van Gad, on tot de kinderen van Manasse: Heden weten wij, dat de Heere in het midden van ons is, dewijl gij deze overtreding togen den Heere niet begaan hebt: toen hebt gijlieden de kinderen Israëls verlost uit do hand des Heeren. 32 En Pinohas, de zoon van den priester Eleazar, koorde wederom, met do oversten van de kinderen van Ruben, on van do kinderen van Gad, uit hot land Giload, naar hot land Kanaiin, tot de kinderen Israëls; en zij bragten hun antwoord weder. 33 Het antwoord nu was goed in do oogon van do kinderen Israëls, en de kinderen Israëls loofden God, en zeiden niet meer van tegen hen op te trekken met eon heir, om het land to verderven, waarin do kinderen van Ruben en de kinderen van Gad woonden. 34 En do kinderen van Ruben en de kinderen van Gad noemden dat altaar : Dat het 0011 getuige zij tusschen ons, dat de Heere God zij. HOOFDSTUK 23. Jozua, oud zijnde, herinnert Israël hoe Gotl voor hen gestreden en hun het land ter erfenis gegeven had, vs. 1 ; vermaant hen tot stipte onderhouding dei-wet, (i; waarschuwt hen tegen verbroedering met de Heidenen 011 tegen hunne afgoderij, 7; wijst hen op de weldaden, die zij van God hadden ontvangen, op zijne beloften, 9; met bedreiging zijner straffen, indien zij den Heere verlaten zouden, 11. EN het geschiedde na vele dagen, nadat de Heere Israël rust gegeven had van al zijne vijanden rondom hoon, en Jozua oud geworden en wol bedaagd was; 2 Zoo riep Jozua gansch Israël, hunno oudsten, en hunno hoofden, on hunno rigters, en hunne ambtlieden, en hij zoide tot hen: Ik bon oud geworden, en wol bedaagd; 3 En gijlieden hebt gezien alles, wat de Heere, uw God, gedaan hoeft aan al deze volken voor uw aangezigt: want de Heere, uw God, zelf, is hot, die voor u gestreden hoeft. 4 Ziet, ik hob u deze overige volken door hot lot doen toevallen, ton erfdeel voor uwe stammen, van do Jordaan af, met al do volken, die ik uitgerooid heb, on tot do grooto zoo, tegen don ondergang der zon. 5 En de Heere, uw God, zelf, zal hen uitstooton voor ulieder aangezigt, en Hij zal hen van voor ulieder aangezigt verdrijven; en gij zult hun land erfelijk bezitten, quot;gelijk als de Heere, uw God, tot u gesproken heeft. «Ex. 14:14. 23:27. Num. 33:53. Deut. G: 19. Joz. 13 :G. (i Zoo woest zeer sterk, om te bewaren en om te doen alles, wat geschreven is in bet wetboek van Mozes; quot;opdat gij daarvan niet afwijkt tor rogter- noch.tor linkerhand; «Deut. 5:32. 28:14. 7 Dat gij niet ingaat tot deze volken, deze, die overgebleven zijn bij uliedon: quot;gedenkt ook niet aan den naam hunner goden, en doet er niet bij zworen, en dient hen niet, 011 buigt u voor die niet; «Ex. 23:13. I's. 10:4. Jer. 5:7. Zei'. 1:5. El'uz. 5:1!. |
JOZÃA 23, 24.
240
|
8 «Maai- den Heere, uwen God, zult yij aanhangen, gelijk als gij tot op dezen dag gedaan hobt. n Dent. 11 ; 22. !) Want de IIeeue heeft van uw aangezigt verdreven groote en magtige volken; en u aangaande, niemand heeft voor uw aangezigt bestaan, tot op dezen dag toe. 10 quot; Een eenig man onder u zal er duizend jagen : want het is de IIeere, uw God, zelf, die voor u strijdt, gelijk als Hij tot u gesproken heeft. a Lev. 26 : 8. Deut. 32 : 30. 11 Daarom bewaart uwe zielen naarstelijk, dat gij den Heere, uwen God, liefhebt. 12 Want zoo gij eenigzins afkeert, en het overige van deze volken aanhangt, van deze, die bij u overgebleven zijn, en u met hen verzwagert, en gij tot hen zult ingaan, en zij tot u; 13 Weet voorzeker, dat de Heere, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezigt te verdrijven; maar zij zullen ulieden zijn tot een' strik, en tot oen net, en tot een' geesel aan uwe zijden, en tot doornen in uwe oogen, totdat gij omkomt van dit goede land, hetwelk u de Heere, uw God, gegeven heeft. 14 En ziet, ik ga heden in den weg der gansche aarde; en gij weet in uw gansche hart en in uwe gansche ziel, dat er niet een eenig woord gevallen is van al die goede woorden, welke de Heere, uw God, over u gesproken heeft; zij zijn u allen overkomen, er is van dezelve niet een eenig woord gevallen. 15 En liet zal geschieden, gelijk als al die goede dingen over u gekomen zijn, die de Heere, uw God, tot u gesproken heeft, alzoo zal do Heere over u komen laten al die kwade dingen, totdat IIij u verdelge van dit goede land, hetwelk u de Heere, uw God, gegeven heeft. K! Wanneer gij liet verbond des Heeren, uws Gods, overtreedt, dat Hij u geboden heeft, en gij heengaat en dient andere goden, en u voor dezelve nederbuigt, zoo zal do toorn des Heeren over ii ontsteken, en gij zult haastelijk omkomen van liet goede land, hetwelk Hij u gegeven heeft. HOOFDSTUK 24. Jo/.iui belegt eene vergadering van het volk te Sichem, vs. 1. Hij herinnert hun Gods weldaden, aan hunne vaderen on aan hen bewezen, 2; vermaant hon lot getrouwheid aan God, betuigende voor zich en zijn Imis in dit opzigt, 14. liet volk belooft dit plogtig bij herhaling, 16. Jozua vernieuwt daarop hot verbond des Hoeren met hot volk, 25; beschrijft dit in liet wetboek des Hoeren en rigt er een gedenk-teeken van op, 26. Dood en begrafenis van .lozua, 29. begrafenis van Jozefs beenderen, 32. Dood en begrafenis van Eleazar, 33. DAARNA verzamelde Jozua al de stammen van Israël te Sichem, en hij riep de oudsten van Israël, en deszelfs hoofden, en deszelfs rigters, en deszelfs ambtlieden; en zij stelden zicli voor het aangezigt van God. |
2 Toen zeide Jozua tot het gansche volk: Alzoo zegt de Hekre, do God Israels: aOver gene zij der rivier hebben uwe vaders van ouds gewooi namelijk ''Terah, de vader van Abraham, en vader van Nahor; en zij hebben andere goc gediend. «Dout. 26:5. iGen. 11:26, 3 quot; Toon nam Ik uwen vader Abraham van g( zijde dor rivier, en deed hem wandelen door gansche land Kanaiin; ''Ik vermeerderde ook? zaad en gaf hem Izak. a Gen. 12:1. I) Oen. 21 4 quot;En aan Izak gaf Ik Jakob on Ezau; en ' gaf aan Ezau het gebergte Seïr, om dat erfe' te bezitten; 'maar Jakob en zijne kinderen tolt; af in Egypte, aGen. 25:24. i Gen. 36:8. c Gen. 46 5 quot; Toen zond Ik Mozes en Aaron, en Ik plaalt; Egypte, gelijk als Ik in deszelfs midden gedi heb; en daarna leidde Ik u daaruit. a Ex. 3 : 10, enz. 12 : 6 Als Ik uwe vaders uit Egypte gevoerd hi zoo kwaamt gij aan de zee, quot;en do Egyptena jaagden uwe vaderen na met wagens en i ruiters, tot do Schelfzee. «Ex. 14:1, â 7 Zij nu riepen tot den Heere, en Hij ste eene duisternis tusschen u en tusschen de Eg tenaars, en Hij bragt de zee over hen, en bede hen; en uwe oogen bobben gezien, wat Ik Egypte gedaan bob. Daarna hebt gij vele da; in de woestijn gewoond. 8 quot;Toen bragt Ik u in het land der Amoriet die over gene zijde der Jordaan woonden, streden tegen u; maar Ik gaf hen in uwe ha en gij bezat hun land erfelijk, en Ik verdol; hen voor uliedor aangezigt. a Num. 21:21, i) quot;Ook maakte zich Balak op, de zoon Zippor, de koning dor Moabieten, en hij str tegen Israël; en hij zond heen, en deed liiloi den zoon van Beor, roepen, opdat hij u verv ken zou. a Num. 22:5. Dcut. 23:4. Rigt. 11 10 Maar Ik wilde Bileam niet hooren: ( zegende hij u gestadig, en Ik verloste u uit z hand. 11 quot; Toen gij over do Jordaan getrokken wai en te Jericho kwaamt, zoo krijgden de bur^ van Jericho tegen u, de Amorieten, en de Ei zieten, en de Kanaanieten, en de Hethieten, de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusiel h doch Ik gaf hen in uliedor hand. aJoz. 3: 14. 6:1. hJoz. 6:20. 10:8. 1 12 En quot;Ik zond horzelen voor u heen; die drc hon weg van uliedor aangezigt, gelijk ''de lx koningen dor Amorieten, niet door uw zwar noch door uwen boog. a Ex. 23 : 28. Deut. 7 : 20. h Ps. 4. 13 quot;Dus heb Ik u een land gegeven, waar gij niet gearbeid hebt, en steden, die gij gebouwd hebt, en gij woont in dezelve, gij van de wijngaarden en olijfboomen, die gij geplant hebt. «Deut. 6:10, 11 14 En nu, vreest don Heere, en dient Hou opregthoid eu in waarheid; en doet weg goden, die uwe vaders gediend hebben, aan |
RIGTEREN 1.
241
|
zijde der rivier, en in Egypte; en dient don IIeerk. 15 Doch zoo het kwaad is in uwe oogen den IIeere te dienen, kiest n heden, wien gij dienen zult: hetzij de goden, welke uwe vaders, die aan de andere zijde dor rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den IIeere dienen! 16 Toen antwoordde het volk en zeide: Het zij verre van ons, dat wij don IIeere verlaten zouden , om andere goden te dienen. 17 Want de IIeere is onze God; Hij is liet, die ons en onze vaderen uit liet land van Egypte, uit het diensthuis heeft opgebragt, on die deze grooto teekenen voor ouzo oogen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op al don weg, door wolken wij getogen zijn, en onder allo volken, door welker midden wij getrokken zijn. 18 En do Heere heeft voor ons aangozigt uit-gostooton al die volken, zelfs den Amoriot, inwoner des lands. Wij zullen ook don IIeere dienen, want Hij is onze God. 1!) Toen zoido Jozua tot het volk: Gij zult den Heere niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is oen ijverig God; Hij zal uwe overtredingen on uwe zonden niet vergeven. 20 Indien gij den Heere verlaten en vreemde goden dienen zult, quot;zoo zal Hij zich omkeeren, en Hij zal u kwaad doen, en Hij zal u verdoen, naar dat Hij u goed gedaan zal hebben. «Joz.2.'i: 15. 21 Toon zeide hot volk tot Jozua; Noen, maar wij zullen den Heere dionon. 22 Jozua nu zeide tot hot volk: Gij zijt getuigen over u zelven, dat gij u den Heere verkoren hebt, om Hem te dionon. En zij zeiden: Wij zijn getuigon. 2:{ En nu, doet de vreemde goden weg, die in hot midden van u zijn, en neigt uwe harten tot don Heere, den God van Israël. |
24 En het volk zeide tot Jozua: Wij zullen den Heere, onzen God, dienen, en wij zullen zijno stem gehoorzamen. 25 Alzoo quot;maakte Jozua op dienzelven dag een verbond met hot volk; en hij stelde het hun tot eono inzetting on regt te Sichem. «Ex. 15:25. 2() En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; on hij nam eonen grooten stoon, on hij rigtte dien daarop onder don eik, dio bij hot heiligdom des Heeren was. 27 En Jozua zoido tot hot gansche volk: Ziet, dozo stoon zal ons tot eeno getuigenis zijn, want hij heeft gehoord al do redenen des Heeren, die Hij tot ons gesproken heeft; ja hij zal tot eono getuigenis tegen ulioden zijn, opdat gij uwen God niet liegt. 28 Toon zond Jozua liet volk weg, oen ieder naar zijn erfdeel. 29 En het geschiedde na dozo dingen, dat Jozua, do zoon van Nun, do knecht dos Heeren, stierf, oud zijnde honderd en tien jaren. 30 En zij begroeven lieni in do landpale zijns erfdools, quot;te Timnath-Serali, welke is op oonon berg van Efraïm, aan hot noorden van don berg Gaiis. «Joz. 11): 5(1. Rigt. 2:9. ül Israël nu diende den Heere al do dagen van Jozua, en al do dagen van de oudsten, dio lang na Jozua leefden, on die al hot werk dos Heeren wisten, hetwelk Hij aan Israël gedaan had. 32 Zij begroeven ook de boonderen van Jozef, quot; die do kinderen Israëls uit Egypte opgebragt haddon to Sichem, in dat stuk voids, hetwelk Jakob gekocht had van do kinderen van Henior, den vader van Sicheni, voor honderd stukkon golds: want zij waren aan de kinderen van Jozef tor erfenis geworden. «Oen. 50:25. Ex. 13:19. 33 Ook stierf Eloazar, do zoon van Aiiron; on zij begroeven hom op don heuvel van Pinohas, zijnen zoon, dio hem gegeven was geweest op liet gebergte van Efraïm. |
HET BOEK DER RIGTEREN.
|
HOOFDSTUK 1. Op Gods bovol moet Juda do oorsto zijn, dio togen do Kanaiinioton strijden zal, vs. 1, Adóni-Bózek verslagen, 4. Jernzalem belegerd, 8. Hebron aangevallen, 10. Otliniöls dapperiieid in liet bemagtigen van Debir betoond, 11. Do Kenioten wonen onder Juda, 1G. Zofat en verscheidene Filistijnsche steden gewonnen, 17. Beth-El ingenomen, 22. Verslapping dor stammon in het verdrijven dor Kanailnieten on gevolgen daarvan, 19, 21, 27. EN het goschiedde na den dood van Jozua, dat do kinderen Israëls don Heere vraagden, zeggende: quot; Wie zal onder ons het oorsto optrokken naar de Kanaanioten, om togen hen te krijgen? a Rigt. 20 : 18. |
2 En do Heere zoido: Juda zal optrokken; ziet. Ik heb dat land in zijne hand gegeven. 3 Toen zeide Juda tot zijnen broeder Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons togen de Kanaanioten krijgen, zoo zal ik ook met u optrokken in uw lot. Alzoo toog Simeon op met hem. 4 En Juda toog op, en do Heere gaf de Kanaanioten en do Ferozioten in hunne hand; en zij sloegen hen bij Bezek, tien duizend man. 5 En zij vonden Adóni-Bózek te Bézek, on streden tegen hom; on zij sloegen do Kanaanioten on do Forezieton. (! Doch Adóni-Bézok vlugtte; en zij jaagden hem lt;0 |
RIGTEREN 1.
242
|
na, en zij grepen hein, en hieuwen de duimen zijner handen en zijner voeten af. 7 Toen zeide Adóni-Bézek: Zeventig koningen, niet afgehouwene duimen van hunne handen en van hunne voeten, waren onder mijne tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, alzoo heeft mij God vergolden! En zij bragten hem te Jeruzalem, en liij stierf aldaar. 8 Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte des zwaards geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet. 9 quot; En daarna waren de kinderen van Juda afgetogen, om te krijgen tegen de Kanaanieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte. aJoz. lü:3C. 11 :21. 15:13. 10 quot;En Juda was heengetogen tegen do Kanaanieten, die te Hebron woonden, (de naam nu van Hebron was te voren Kirjath-Arba) en zij sloegen Sésai, en A In man, en Thalmai. aJoz. 15:14. 11 En van daar was iiij heengetogen tegen de inwoners van quot; Debir; de naam nu van Debir was te voren Kirjath-Sefer. a â¢Joz, 15:15. enz. 12 En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en haar innemen, dien zal ik ook mijne dochter Achsa tot eene vrouw geven. 13 Toen nam Othniël haar in, de zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijne dochter, tot eene vrouw. 14 En het geschiedde, als zij tot hem kwam, dat zij hem aanporde, om van haren vader een veld te begeeren; en zij sprong van den ezel af; toen zeide Kaleb tot haar: Wat is u? 15 En zij zeide tot hem: Geef mij eenen zegen: dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf haar Kaleb hooge wellingen en lage wellingen. 1(5 De kinderen van den Koniet, don schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar do woestijn van Juda, die togen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden mot liet volk. 17 Juda dan toog met zijnen broeder Simeon, on zij sloegen do Kanaanieten, wonende te Zefat, en zij verbanden bon; en men noemde den naam dezer stad Hor ma. 18 Daartoe nam Juda Gaza in, met hare land-pale, en Askolon met hare landpale, en Ekron met hare landpale. 19 En do Heere was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij giny niet voort om de inwoners des dals te verdrijven, omdat zij ijzeren wagenen hadden. 20 En zij gaven Hebron aan Kaleb, gelijk als quot; M ozes gesproken had; en hij verdreef van daar do drie zonen van Enak. «Num. 14:24. Joz. 14:13. 21 Doch de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot i dezen dag. |
22 En het huis van Jozef toog ook op na Beth-El. En de Heere was met hen. 23 En het huis van Jozef bestelde verspiede bij Beth-El: de naam nu dezer stad quot; was te vor Luz. a Gen. 28 : 24 En de wachters zagen eenen man, uitgaan uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons to den ingang der stad, en wij zullen weldadighc bij u doen. 25 En als hij hun den ingang der stad gewez had, zoo sloegen zij de stad met de scherpte c zwaards; maar dien man en zijn gansche hu gezin lieten zij gaan. 26 Toen toog deze man in het land der Heth ten, en hij bouwde eeno stad, en noemde har naam Luz; dit is haar naam tot op dozen dag 27 quot;En Manasse verdreef Beth-Sean niet, nc hare onderhoorige plaatsen, noch Thaanach n hare onderhoorige plaatsen, noch de inwom van Dor met hare onderhoorige plaatsen, nc do inwoners van Jibleam mot hare onderhoori plaatsen, noch de inwoners van Megiddo n hare onderhoorige plaatsen; on de Kanaaniel wildon wonen in hetzelve land. «Joz. 17:11, 28 En het geschiedde, als Israël sterk werd, ( hij do Kanaanieten op cijns stelde; maar hij v droef hen niet ganscholijk. 29 quot;Ook verdreef Efraïm do Kanaanieten ni die te Gezer woonden; maar de Kanaaniel woonden in hot midden van hom te Gozer. a Joz. 10 : 30 Zebulon verdreef de inwoners van Kiti niet, noch do inwoners van Nahalol; maar Kanaanieten woonden in hot midden van he en waren cijnsbaar. 31 Aser verdreef de inwoners van Acco ni noch de inwoners van Zidon, noch Achh noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, m Rechob; 32 Maar de Asorieten woonden in het midc der Kanaanieten, die in het land woonden, w zij verdreven hen niet. 33 Nafthali verdreef de inwoners van Be Sémos niet, noch de inwoners van Beth-Ana maar woonde in het midden der Kanaaniet die in hot land woonden; doch de inwon van Beth-Sémes en Beth-Anath werden I cijnsbaar. 34 En do Amorieten drongen do kinderen 1 Dan in het gebergte: want zij lieten hun niet af te komen in hot dal. 35 Ook wilden de Amorieten wonen op het bergte van Horos, to Ajalon, en te Saalb maar de hand van het huis van Jozef werd zwr zoodat zij cijnsbaar werden. 36 En do landpale der Amorieten was van i opgang van Akrabbim, van den rotssteen, opwaarts heen. |
RIGTEREN 2, 3,
241!
|
HOOFDSTUK 2. Gods Engel bestraft Israël te Bochim, waar het zijne zonden beweent, vs. 1. Overzigt van den toestand van Israël onder do rigters, vergeleken met dien bij en na den dood van Jozna, (!. llunno gedurige neiging tot afgoderij, 11; waarom de Heere hun vijanden verwekt, van wolko Hij hen echter, oj) hunne wederkeering tot Hem, altijd weder verlost, 14; doch om Israels gedurige afvalligheid de Heidenen niet geheel verdrijft, om hen te beproeven, 20. EN een Engel des Heeren kwam opwaarts van (ïilyal tot Bochim, en Hij zeide: Ik heb ulieden uit Egypte opgevoerd, en u gebragt in het land, dat Ik uwen vaderen gezworen heb, en gezegd: quot; Ik zal mijn verbond met ulieden niet verbreken in eeuwigheid. a üen. 17:7. Deut. 29:14, 15. 2 En ulieden aangaande, gij zult geen quot;verbond maken met de inwoners dezes lands; hunne '' altaren zult gij afbreken. Maar gij zijt mijner stem niet gehoorzaam geweest: waarom hebt gij dit gedaan? «Deut. 7:2. /; Deut. 12:3. :i Daarom heb Ik ook gezegd: quot;Ik zal hen voor uw aangezigt niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hunne goden zullen u ''tot een' strik zijn. aJoz. 23:13. b Ex 23 :33. 34 : 12. Deut. 7 : 10. 4 En het geschiedde, als do Engel des Heeren deze woorden tot alle kinderen Israels gesproken had, zoo hief liet volk zijne stem op en weende. 5 Daarom noemden zij den naam dier plaats Bochim; en zij offerden aldaar den Heere. 6 quot; Als Jozua het volk had laten gaan, zoo waren de kinderen Israels heengegaan, een ieder tot zijn erfdeel, om het land erfelijk te bezitten. «Joz. 24:28. 7 En het volk diende den Heere, al de dagen van Jozua, en al de dagen der oudsten, die lang geleefd hadden na Jozua; die gezien hadden al dat groote werk des Heeren, dat IIij aan Israël gedaan had. 8 Maar als Jozua, de zoon van Nun, do knecht des Heeren, gestorven was, honderd en tien jaren oud zijnde; !t En zij liem begraven hadden in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-Hores, op oenen borg van Efraïm, togen hot noorden van den berg (iaiis; 10 En al datzolve geslacht ook tot zijne vaderen vergaderd was: zoo stond er een ander geslacht na hen op, dat den Heere niet kende, noch ook het werk, dat Hij aan Israël gedaan had. 11 Toon doden de kinderen Israels dat kwaad was in de oogon dos Heeren, en zij dienden do liaiils. 12 En zij verlieten den Heere, hunner vaderen ' rod, die hen uit Egypteland had uitgevoerd, en 'olgdon andere goden na, van de goden dor volken, die rondom hen waren on bogen zich oor die, en zij verwekten don Heere tot toorn. 13 Want zij verlieten den Heere, en dienden Ion Baal en Astharoth. |
14 Zoo ontstak dos Heeren toorn tegen Israël, on Hij gaf hen in do hand dor roovers, die hen beroofden; quot;en Hij verkocht hen in do hand hunner vijanden rondom; on zij konden niet moer bestaan voor het aangezigt hunner vijanden, a Ps. 44 : 13. .les. 50 : 1. IT) Overal, waarheen zij uittogen, was do hand dos Heeren tegen hen ten kwade, quot;gelijk als de Heere gesproken, on gelijk als de Heere gezworen had; en hun was zeer bang. a Lev. 20. Deut. 28. 1G En de Heere verwekte rigteren, die hen verlosten uit do hand dergenen, die hen beroofden; 17 Doch zij hoorden ook niet naar hunne rigteren, maar hoereerden andere goden na, en bogen zich voor die: haast weken zij af van don weg, dien hunne vaders gewandeld hadden, hooronde de geboden des Heeren; alzoo deden zij niet. 18 En wanneer de Heere hun rigteren verwekte, zoo was de Heere met den rigtor, en verloste hen uit do hand hunner vijanden, al de dagen dos rigters: want hot berouwde den Heere, huns zuchtons halve van wege degenen, die hen drongen on die hen drukten. lit quot;Maar hot geschiedde met hot versterven des rigters, dat zij omkeerden, en verdorven het meer dan hunne vaderen, navolgende andere goden, dezelve dienende, en zich voor die buigende ; zij lieton niets vallen van hunne werken, noch van dozen hunnen hardon weg. a Uigt. 3:12. 20 Daarom ontstak do toorn des Heeren tegen Israël, dat Hij zeide: Omdat dit volk mijn verbond heeft overtreden, dat Ik hunnen vaderen geboden heb, en zij naar mijne stem niet gehoord hebben; 21 quot; Zoo zal Ik ook niet voortvaren voor hun aangezigt iemand uit do bezitting te verdrijven, van de Heidenen, die Jozua heeft achtergelaten, als hij stierf; aJoz. 23: 13. 22 Opdat Ik Israël door hen verzoeke, of zij den weg des Heeren zullen houden, om daarin te wandelen, gelijk als hunne vaderen gehouden hebben, of niet. 23 Alzoo liet do Heere doze Heidenen blijven, dat Hij hen niet haastelijk uit de bezitting verdreef; die Hij in de hand van Jozua niet had overgegeven. HOOFDSTUK 3. Heidensche volken door God met een bijzonder oogmerk in Kanaiin overgelaten, vs. 1. Israël om zijn verlaten van den lloero in de magt van den koning van Mesopotamiö, wordt daaruit verlost door Otlmiël, li. Andermaal tot afgoderij vervallen, worden zij door den koning der Moabieten verdrukt, doch straks weder door Ehud bevrijd, 12. Zes honderd Filistijnen door Saragar verslagen, 31. DIT nu zijn do Heidenen, die do Heere liet blijven, om door hen Israël te verzoeken, allen, die niet wisten van al do krijgen van Kanaiin: 2 Alleenlijk, opdat de geslachten dor kinderen Israëls die wisten, opdat Hij hun den krijg loerde, 10* |
RIGTEREN 3, 4.
244
|
ten minste dengenen, die daar te voren niet van wisten. 3 Vijf vorston der Filistijnen, en al de Kanaa-nieten, en de Zidoniërs, en do Hevieten, wonende in liet gebergte van den Libanon, van don berg Baal-IIermon, tot daar men komt te Hamath. 4 Deze dan waren, om Israël door hen to vor-zoekon, opdat moji wiste, of zij do geboden dos Heeren zouden hooren, die Hij hunnen vaderen door do hand van Mozos geboden had. 5 Als nu do kinderen Israels woonden in het midden dor Kanaiinieton, dor Hethioten, en der Amorieten, en der Forezioten, en dor Hevieten, eu dor Jebusieten; (! Zoo namen zij zich derzolvor dochters tot vrouwen, en gaven hunne dochters aan derzolvor zonen; en zij dienden derzolvor goden. 7 En do kinderen Israels deden dat kwaad was in do oogon cles Heeren, en vergaten don Heere, hunnen God, en zij dienden de Baiils en do bosschon. 8 Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Israël; en Hij verkocht hen in do hand van Cuschan Rischataïm, koning van Mesopotamië, en de kinderen Israels dienden Cuschan Rischataïm acht jaren. !) Zoo riepen de kindoren Israëls tot den Heere; en de Heere verwekte den kinderen Israëls oenen verlosser, die hen verloste, Otlmiël, zoon van Kenaz, brooder van Kaleb, die jonger was dan hij. 10 En de Geest des Heeren was over hem, on hij rigtte Israël, en toog uit ten strijde; en do Heere gaf Cuschan Rischataïm, den koning van Syrië, in zijno hand, dat zijne hand stork werd over Cuschan Rischataïm. 11 Toen was het land veertig jaren stil, en Otlmiël, de zoon van Kenaz, stierf. 12 Maar do kindoren Israëls voeren voort te doen dat kwaad was in do oogon dos Heeren; toen sterkte do Heere Eglon, don koning der Moabieten, togen Israël, omdat zij deden dat kwaad was in do oogon des Heeren. lü En hij vergaderde tot zicli do kinderen Amnions en de Amalekioten, en hij toog hoen, en sloeg Israël, en zij namen de Palmstad in bezit. 14 En do kinderen Israëls dienden Eglon, koning dor Moabioton , achttien jaren. 15 Toen riepen do kinderen Israëls tot don Heere, en de Heere verwekte hun oenen verlosser, Ehud, don zoon van Gera, oenen zoon van Jemini, een man, die linkscli was. En de kinderen Israëls zonden door zijne hand een geschenk aan Eglon, den koning der Moabieten. 1G En Ehud maakte zich oen zwaard, dat twee scherpten had, welks lengte oene el was: en hij gordde dat onder zijne kleederen, aan zijne regterlieup. 17 En hij bragt aan Eglon, den koning der Moabieten, dat gosclionk: Eglon nu was oen zoor vet man. |
18 En het geschiedde, als hij geëindigd had In geschenk te leveren, zoo geleidde hij het vob die het geschenk gedragen hadden; 19 Maar hij zelf koorde wederom van do gosn dene beelden, die bij Gilgal waren, en zoido: 1 heb oene hoinielijke zaak aan u, o koning! dowoll zeido: Zwijg! En allen, die om hem stondei gingen van hem uit. 20 En Ehud kwam tot hom in, daar hij wi zittende in oene koele opperzaal, die hij vo( zich alleen had; zoo zoide Ehud: Ik hob e( woord Gods aan u. Toen stond hij op van den stoc 21 Ehud dan reikte zijne linkerhand uit, en na het zwaard van zijne regterlieup, en stak het zijnen buik; 22 Dat ook hot hecht achter het lemmer ingin en het vet om hot lemmer toesloot, (want 1 trok het zwaard niet uit zijnen buik) en do dn uitging. 23 Toon ging Ehud uit naar do voorzaal, ( sloot de deuren der opperzaal voor zich toe, i deed ze in hot slot. 24 Als hij uitgegaan was, zoo kwamen zij knechten, en zagen too, cn ziet, de deuren d opperzaal waren in het slot gedaan; zoo zoidi zij: Zeker, hij bedekt zijno voeten in do verko( kamer. 25 Als zij nu tot schamens toe gebeid haddo ziet, zoo opende hij do deuren der opperzaal ni( Toon namen zij den sleutel en doden open; ziet, hunliodor hoor lag tor aarde dood. 26 En Ehud ontkwam, terwijl zij vertoefde want hij ging voorbij do gesnedene beelden, ontkwam naar Schiratb. 27 En het geschiedde, als hij aankwam, zoo bli hij met do bazuin op het gebergte van Efraïi en de kinderen Israëls togen met hem af van 1 gebergte, en hij zelf voor hun aangezigt heen. 28 En hij zoide tot hen: Volgt mij na, want Heere hooft uwe vijanden, de Moabieten, uliodor hand gegeven. En zij togen af hom n en namen de veren der Jordaan in naar Moa en lieten niemand overgaan. 29 En zij sloegen de Moabieten te dier tijd, o trent tien duizend man, allen vette on all strijdbare mannen, dat er niet één man ontkwa 30 Alzoo word Moah te dien dage onder Isra hand te ondergobragt; en hot land was stil tach jaren. 31 Na hem nu was Samgar, oen zoon van Ana die sloeg do Filistijnen, zes honderd man, n oenen ossonstok: alzoo verloste hij ook Israël. HOOFDSTUK 4. God plnagt Israël om hunne zonden door .Tallin, wii krijgsoverste Sisera was, vs. 1. Dobóra brengt i Barak den goddelijkon last, dezen vijand te beo logon, met belofte van overwinning, 4. Sisera zijn leger geslagen, 15. Jaël verbergt den vliigtoiu Sisera en brengt hem om in hare tent, 17. Ja uitgeroeid, 24. |
RIGTEREN 4, 5.
245
|
MAAR do kinderen Israels voeren voort te doen dat kwaad was in de oogon des Heeuen , als Ehud gestorven was. 2 Zoo verkocht hen do IIeere in do hand van Jabin, koning der Kanaanieten, die te Ilazor regeerde; en zijn krijgsoverste was quot;Sisera: dezelve nu woonde te Haróseth der Heidenen. a 1 Sam. 12:9. 3 Toon riepen de kinderen Israels tot den Heere: want hij liad negen honderd ijzeren wagonon, en hij had de kinderen Israels mot gewold onderdrukt, twintig jaren. 4 Debora nu, oone vrouw, die eone profotesso was, de huisvrouw van Lappidoth, deze rigtte te dier tijd Israël. 5 En zij woonde onder don palmboom van Debóra, tusschon Rama en tussehen 15otli-El, op het gebergte van Efraïm; en do kindoren Israels gingen op tot haar ton gorigto. (i En zij zond hoon en riep quot;Barak, don zoon van Abinóam, van Kedes-Nafthali; en zij zeide tot hem: Hoeft do Heere, do God Israels, niet geboden: Ga hoon en trek op don borg Thabor, on noem mot u tien duizend man, van do kin-doren van Nafthali, on van do kinderen van Zebulon? aHobi'. 11:32. 7 En Ik zal aan de boek quot; Kison tot u trokken Sisera, don krijgsoverste van Jabin, mot zijne wagonon en zijne menigte; en Ik zal hom in uwe hand geven? «I's. 83: 10. 8 Toon zoide Barak tot haar: Indien gij met mij trekken zult, zoo zal ik heentrokken; maar indien gij niet met mij zult trokken, zoo zal ik niet trekken. !) En zij zoide: Ik zal zekerlijk met u trokken, behalve dat de oor do uwe niet zal zijn op dozen weg, dien gij wandelt: want do IIeere zal Sisera verkoopon in do hand oonor vrouw. Alzoo maakte Debóra zich op, en toog met Barak naar Kodos. 10 Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen lo Kodos, en hij toog op, op zijne voeten, met tien duizend man; ook toog Debóra mot hom op. 11 Hober nu, de Keniot, had zich afgezonderd van Kaïn, uit do kinderen quot; van Hobab, Mozes schoonvader; en hij had zijne tonton opgeslagen tot aan don oik in Zaannaïm, die bij Kodos is. a Num. 10 : 29. 12 Toen boodschapten zij Sisera, dat Barak, do zoon van Abinóam, op don borg Thabor getogen was. 13 Zoo riep Sisera al zijne wagonon bijeen, negen honderd ijzeren wagonon, on al het volk, dat met hom was, van Haróseth dor Heidenen tot de heek Kison. 14 Debóra dan zeide tot Barak: Maak u op, want dit is do dag, in wolkon do Heere Sisera in uwe hand gegeven heeft: is do Heere niet voor uw aangezigt honen uitgetogen? zoo trok Harak van den berg Thabor af, en tien duizend man achter hom. |
15 quot;En do Heere versloeg Sisera, mot al zijne wagonon, en het gansche hoirlogor, door de scherpte des zwaards, voor het aangezigt van Barak; dat Sisera van don wagen afklom, en vlugtte op zijne voeten. «I's. 83: 10. 16 Eu Barak jaagde zo na, achter do wagonon en achter hot hoirlogor, tot aan Haróseth der Heidenen. En hot gansche hoirlogor van Sisera viel door de scherpte dos zwaards, dat er niet overbleef tot oen' toe. 17 Maar Sisera vlugtte op zijne voeten naar do tont van Jaël, do huisvrouw van Hober, don Koniet: want er was vrede tusschon Jabin, don koning van Hazor, on tusschon het huis van Hober, don Koniet. 18 Jaël nu ging uit, Sisera te gomoot, en zoide tot hom: Wijk in, mijn hoer, wijk in tot mij, vrees niot! En hij week tot haar in do tent, en zij bedekte hem mot oone doken. 19 quot;Daarna zoido hij tot haar: Geef mij toch oen weinig waters te drinken, want mij dorst. Toen opende zij oone melkflosch, en gaf hem te drinken, en dekte hem too. a liigt. 5 : 25. 20 Ook zeide hij tot haar: Sta in de deur der tont; on hot zij, zoo iemand zal komen, en u vragen, en zoggen: Is hier iemand? dat gij zegt: Niemand. 21 Daarna nam Jaël, do huisvrouw van Hober, oenen nagel der tonto, en groep oenen hamer in hare hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef don nagel in don slaap zijns hoofds, dat hij in do aarde vast word; hij nu was met eonon diepon slaap bevangen en vermoeid, en stierf. 22 En ziet. Barak vervolgde Sisera; en Jaël ging uit bom te gemoet, en zoido tot hem: Kom, en ik zal u den man wijzen, dien gij zoekt. Zoo kwam hij tot haar in, en ziet. Sisera lag dood, en do nagel was in don slaap zijns hoofds. 23 Alzoo hooft God te dien dage Jabin, den koning van Kanaiin, te ondorgobragt, voor het aangezigt der kindoren Israëls. 24 En do hand der kinderen Israëls ging steeds voort, on word hard over Jabin, don koning van Kanaiin, totdat zij Jabin, den koning van Kanaan, hadden uitgeroeid. HOOFDSTUK 5. Lofzang van Debóra, vs. 1. Aanhef, 2. Vennoldiug van Gods vroegere weldaden, 5. Israëls vorige vernederde toestand, 0. Opwekking om don Heere te loven, 9. Lofspraak dergenen, die zich gewillig tot dezen strijd verbonden, berisping van hen, die zich duanmn onttrokken, 14. Beschrijving der behaalde overwinning, 19. Vloek over Meroz, omdat zij niet ter hulp was gesneld, 23. Zegen over Jaël en hare daad, 24. Schimprede op do ijdele hoop van Sisera's hovelingen, 28. llartvcrhefflng tot Grod, 81. VOORTS zong Debóra, en Barak, do zoon van Abinóam , ton zeiven dage, zeggende: 2 Looft den Heere, van hot wreken dor wraken in Israël, van dat hot volk zich gewillig hoeft aangeboden. 3 Hoort, gij koningen, neemt tor ooren, gij |
RIGTEREN 5.
246
|
vorsten! Ik, den Heere zal ik zingen, ik zal den Heere, den God Israels, psalmzingen. 4 Heere! toen Gij voorttoogt van Seïr, toen Gij daarheen traadt van het veld van Edom, quot; beefde de aarde, ook droop de lieinel, ook dropen do wolken van water. a I's. G8:8, 9. 5 quot;De bergen vervloten van het aangezigt des Heeren; zelfs b Sinaï van het aangezigt des Hee-ren, des Gods van Israël. aPs. 68:15,10,17. 97:5. h Ex. 19:18. 6 In de dagen van Samgar, den zoon van Anath, in de dagen van Jaël, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen. 7 De dorpen hielden op in Israël, zij hielden op; totdat ik, Debóra, opstond , dat ik opstond, eene moeder in Israël. 8 Verkoos hij nieuwe goden, dan was er krijg in de poorten; werd er ook een schild gezien, of eene spies, onder veertig duizend in Israël? 9 Mijn hart is tot de wetgevers van Israël, die zich gewillig aangeboden hebben onder hut volk: looft den Hkehk. 10 Gij, die op witte ezelinnen rijdt, gij, die aan het gerigt zit, en gij, die over weg wandelt, spreekt er van! 11 Van het gedruisch der schutters, tusschen de plaatsen, waar men water schept, spreekt aldaar te zamen van de geregtighe-den des Heeren, van do geregtigheden bewezen aan zijne dorpen in Israël: toen ging des Heeren volk af tot de poorten. 12 Waak op, waak' op, Debóra, waak op, waak op, spreek een lied! maak u op. Barak, en leid uwe gevangenen gevangen , gij zoon van Abinóam! 13 Toen deed Hij de overgeblevenen heerschen over de heerlijken onder liet volk; de Heere doet mij heerschen over do geweldigen. 14 Uit Efraïm was hun wortel tegen Ainalek. Achter u was Benjamin onder uwe volken. Uit Machir zijn de wetgevers afgetogen, en uit Zebu-lon, trekkende door den staf des schrijvers. 15 Ook waren de vorsten in Issaschar met Debóra; en gelijk Issaschar, alzoo was Barak; op zijne voeten werd hij gezonden in het dal. In Rubens gedeelten waren de inbeeldingen des hart groot. |
16 Waarom bleeft gij zitten tusschen de stall gen, om te hooren de bleetingen der kudden ? gedeelten van Ruben hadden groote onderzoek gen des harten. 17 Gilead bleef aan gene zijde der Jordaan; Dan, waarom onthield hij zich in schepen? Af zat aan de zeehaven, en bleef in zijne gescheur plaatsen. 18 Zebulon, het is een volk, dat zijne ziol v smaad heeft ter doo insgelijks Nafthali, op hoogten des velds. 19 De koningen kwanu zij streden; toon streel de koningen van Kanai te Thaanach aan de v teren van Megiddo; bragten geen gewin c zilvers daarvan. 20 Van den hemel st den zij, de sterren hare loopplaatsen stred tegen Sisera. 21 Do beek Kison W( telde hen weg, do bc Kediunim, do beek Kisc vertreed, o mijne ziel! sterken. 22 Toen werden de paar hoeven verpletterd, \ het rennen, bot rem: zijnor magtigen. 23 Vloekt Meroz, z( de Engel des Heerï vloekt hare inwoners j duriglijk; omdat zij n gekomen zijn tot de In des Heeren, tot de In dos 11 eer en, motdebold 24 Gezegend zij boven vrouwen, Jaël, do hv vrouw van Heber, c Keniot; gezegend zij boven do vrouwen in te n te! melk gaf zij; in eene h renschaal bragt zij boter. 26 Hare band sloeg zij aan den nagel, en hi rogterhand aan den hamer der arbeidsliedc en zij klopte Sisera, zij streek zijn iioofd als zij zijnon slaap had doornagold en door, drongen. 27 Tusschen hare voeten kromde hij zich, \ benen, lag daar neder; tusschen hare voei kromde hij zich; hij viel; alwaar hij zich krom daar lag hij geheel geschonden! 28 De moeder van Sisera keek uit door het v ster, en schreeuwde door do traliën: Waar |
RIGTEREN 5, 6.
'217
|
vortrokt zijn wagon to komen? waarom blijven de gangen zijner wagenon achter? 2!) De wijste haror staatsvrouwen antwoordden; ook beantwoordde zij hare redenen aan zich zelve: 30 Zouden zij dan den buit niet vinden en doelen? een liel'je, of twee liefjes, voor iegelijken man ? Voor Sisera eenen buit van verscheidene verwen, eenen buit van verscheidene verwen, gestikt; van verscheidene verwe aan beide zijden gestikt, voor de buithalzen? 31 Alzoo moeten omkomen al uwe vijanden, o Heere! Die Hem daarentegen liefhebben, moeten zijn, als wanneer de zon opgaat in hare kracht. En het land was stil, veertig jaren. HOOFDSTUK fi. Hot wedor af vitiligo Israël wordt om zijne zonden zoor geplaagd door de Midianieten, vs. 1. Hot vernedert zich voor den Heere, die hun door een' profeet de oorzaak dezer ellende bekend maakt, 0. Gideons roeping tot verlossing van Israël, 11. De spijze, van Gideon den Engel voorgezet, door wondorvnur verteerd, 7. God beveelt hem Baills altaar af te breken en een ander den Heere to stichten, 25. Murmureering des volks hierover on hun eisch tot uitlevering van Gideon, die echter door zijnen vader beschermd wordt, 2S. Zijne toerusting tot den Midi-anietischen oorlog, 83. llot wonder door God gedaan tot zijne geruststelling, 36. MAAR do kindoren Israels doden dat kwaad was in de oogen des Heeuen; zoo gaf hen do Heere in de hand der Midianieten, zeven jaren. 2 Als nu de hand der Midianieten sterk werd over Israël, maakten zich de kinderen Israels, van wege de Midianieten, de holen, die in de bergen zijn, en de spelonken, en do vestingen. 3 Want het geschiedde, als Israël gezaaid had, zoo kwamen de Midianieten op, en de Amalekio-ton, en die van hot Oosten kwamen ook op tegen hem. 4 En zij legerden zich tegen hen, en verdorven de opkomst des lands, tot daar gij komtteGaza; en zij lieten geenen leeftogt overig in Israël, noch klein vee, noch os, noch ezel. 5 Want zij kwamen op met hun vee en hunne lonten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen on hunne kemelon niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven. (! Alzoo werd Israël zeer verarmd, van wege de Midianieten. Toen riepen de kinderen Israëls tot den Heere. 7 En hot geschiedde, als de kinderen Israëls tot den Heere riepen, ter oorzake van de Midianieten ; 8 Zoo zond do Heere oenen man, die een profeet was, tot de kinderen Israëls; die zeide tot hen; Alzoo zegt de Heere, de God Israëls: Ik hob u uit Egypte doen opkomen, on u uit het diensthuis uitgevoerd; 9 En Ik beb u verlost van de hand der Egyp-tenaren, en van de hand van allen, die u drukten; |
en Ik heb bon voor uw aangozigt uitgedreven, en u hun land gegeven; 10 En Ik zoide tot ulieden: Ik ben do Heere, uw God, quot; vreest de goden der Amorieten niet, in welker land gij woont; maar gij zijt mijner stem niet gehoorzaam geweest. «2 Kou. 17;35,38. 11 Toen kwam een Engel des Heeren , en zette zich onder den eik, die te Ofra is, welke aan Joas, den Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorschte tarwe bij do pers, om die to vlugton voor hot aangezigt dor Midianieten. 12 Toen verscheen hem do Engel dos Heeren, on zeide tot hem: Do Heere is mot u, gij strijdbare held! 13 Maar Gideon zeide tot Hem: Och, mijn Heer! zoo do Heere met ons is, waarom is ons dan dit alles wedervaren? en waar zijn al zijne wonderen , die onze vaders ons verteld hebben, zeggende: Hoeft ons de Heere niet uit Egypte opgevoerd? Doch nu heeft ons de Heere verlaten, en heeft ons in der Midianieten hand gegeven. 14 Toon keerde zich do Heere tot hem, en zeide: quot;Ga heen in deze uwe kracht, en gij zult Israël uit der Midianieten hand verlossen: heb Ik u niot gezonden? n\ Sam. 12:11. Hobr. 11:32. 15 En hij zoide tot Hem: Och mijn Hoor! waarmode zal ik Israël verlossen? Zie, mijn duizend is hot armste in Manasse, en ik ben de kleinste in mijns vaders huis. 16 En do Heere zeide tot hem: Omdat Ik mot u zal zijn, zoo zult gij de Midianieten slaan, als een' oonigen man. 17 En hij zeide tot Hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uwe oogon, zoo doe mij oen toeken, dat Gij hot zijt, die mot mij spreekt. 18 Wijk toch niet van hier, totdat ik tot U kome, en mijn geschenk uitbrongo, en U voor-zotte. En Hij zoide: Ik zal blijven, totdat gij wederkomt. 1!) En Gideon ging in, on bereidde oen geitenbokje; en ongezuurde koeken van eeno efa moois; het vloosoh lolde hij in eenen korf, en het sop deed hij in eenen pot; en hij bragt het tot Hom uit, tot onder don eik, on zette hot nader. 20 Doch de Engel Gods zeide tot hem: Noem het vleesch en do ongezuurde koeken, en log zo op dien rotssteen, en giet het sop uit: on hij deed alzoo, 21 En do Engel dos Heeren stak hot uiterste van den staf uit, die in zijne hand was, en roerde het vleesch en de ongezuurde koeken aan: toen ging er vuur op uit de rots, en verteerde het vleesch en do ongezuurde koeken. En do Engel dos Heeren bekwam uit zijne oogen. 22 Toen zag Gideon, dat hot oen Engel dos Heeren was; en Gideon zeide: Ach Heere, Heere! daarom, omdat ik oenen Engel des Heeren gezien heb van aangozigt tot aangezigt. 23 Doch de Heere zeide tot hem: Vrede zij u, vrees niet, gij zult niet sterven. |
RIGTEREN (i, 7.
248
|
24 Toon bouwde Gidoon aldaar don Heeke oon altaar, en noemde het: De Heeue is vrede! het is nog tot op dozen dag in Ofra dor Abi-ezrieten. 25 En het geschiedde in dienzelven nacht, dat de Heeue tot hem zeide: Noem oenen var van de ossen, die van uwen vader zijn, te weten, den tweedon var, van zeven jaren; en breek af hot altaar van Baal, dat van uwen vader is, en houw ai' don bosch, dio daarbij is. 2() En bouw den Heeke, uwen God, oon altaar, op do hoogte dezer sterkte, in eono bekwame plaats; on neem don tweedon var, on offer een brandoffer met hot hout dor hage, dio gij zult hebben afgehouwen. 27 Toen nam Gideon tien mannen uit zijne knechten, en deed, gelijk als de Heeue tot hem gesproken had. Doch hot geschiedde, dewijl hij zijns vaders huis en do mannen van die stad vreesde, van het to doen bij dag, dat hij hot dood bij nacht. 28 Als nu de mannen van dio stad dos morgens vroeg opstonden, ziet, zoo was hot altaar van Baiil omgeworpen, on do liago, dio daarbij was, afgehouwen, en die tweede var was op hot gebouwde altaar geofferd. 29 Zoo zeiden zij, do oon tot den ander: Wie heeft dit stuk gedaan? En als zij onderzochten en navraagden, zoo zeide men: Gideon, do zoon van Joas, heeft dit stuk gedaan. 30 Toen zeiden do mannen van die stad tot Joas: Breng uwen zoon uit, dat hij storve, omdat hij het altaar van Baiil hooft omgeworpen, on omdat hij do hage, die daarbij was, afgehouwen hooft. 31 Joas daarentegen zeide tot allen, die bij hom stonden: Zult gij voor don Baiil twisten ? zult gij hom verlossen? Die voor hom zal twisten, zal nog dozen morgen gedood worden! Indien hij eon God is, hij twisto voor zich zolvon, omdat men zijn altaar hooft omgeworpen. 32 Daarom noemde hij hom te dien dage Jorub-baiil, zeggende: Baiil twisto tegen hem, omdat hij zijn altaar heeft omgeworpen. 33 Allo Midianieten nu, on Amalekieten, en de kindoren van het Oosten, waren zamonvorgaderd, on zij trokken over, on legerden zich in hot dal van Jizreël. 34 Toen toog do Geest dos Heeren Gideon aan, on hij blies mot de bazuin, en do Abi-ezrieten worden achter hom bijeengeroepen. 35 Ook zond hij boden in gansch Manasso, en die werden ook achter hom bijeengeroepen; desgelijks zond hij boden in Asor, on in Zebu-lon, en in Nafthali; en zij kwamen op, hun te gemoot. 36 En Gideon zoido tot God: Indien Gij Israël door mijne hand zult verlossen, gelijk als Gij gesproken hebt; 37 Zio, ik zal oen wolion vlies op don vloer leggen: indien er dauw op het vlios alleen zal zijn, on droogte op do gansche aarde, zoo zal ik weten, dat Gij Israël door mijne hand zult vo lossen, gelijk als Gij gesproken hebt. |
38 En hot geschiedde alzoo: want hij stond d anderen daags vroeg op, en drukte hot vlios ui en hij wrong don dauw uit het vlies, oeno scha vol waters. 39 En Gidoon zoide tot God: quot; Uw toorn ontstel niet togen mij, dat ik alleenlijk ditmaal spreki laat mij toch alleenlijk ditmaal mot het vlios vo zookon : or zij tocli droogte op hot vlies allooi en op do gansche aarde zij dauw. a Gen. 18 :1] 40 En God deed alzoo in denzelven nacht: wa: do droogte was op bot vlies alleen, en op ( gansche aarde was dauw. HOOFDSTUK 7. Gideon stelt zijn leger tegen de Midianieten, vs. Gods bevel om slechts met drie honderd man d vijand to ontmoeton, 2. Verspreiding der Midianiot en hunno nodoriaag, die door list en verrassing' g sohieddo, 15. Hierdoor ontstane verwarring do hen hot zwaard togen elkander trokken on vhigto 21. Zij worden door do Israëlieten nagejaagd i belet do Jordaan over te trekken, 23. Twee humi vorsten gevangen en gedood, 25. TOEN stond Jerubbaal (dewelke is Gideo: vroeg op, en al bet volk, dat mot hem was; i zij legerden zich aan do fontein van Harod; d bij bet heirleger der Midianieten had tegon h noorden, achter den heuvel More, in hot dal. 2 En do Heeue zoide tot Gideon: Des volks te voel, dat mot u is, dan dat Ik de Midianieti in hunne hand zou geven; opdat zich Israël ni tegen Mij beroeme, zeggende: Mijne band hou mij verlost. 3 Nu dan, roep nu uit voor do ooren dos volk zeggende: quot; Wie bloode en versaagd is, die keo weder, en spoede zich naar het gebergte vi Gilead! Toen koerden uit het volk weder tw en twintig duizend, dat er tien duizend ovo bleven. a Dei it. 20: 4 En de Heeue zeide tot Gideon: Nog is d volks te veel; doe hen afgaan naar hot wato en Ik zal ze u aldaar beproeven; en bot zal g schioden, van welken Ik tot u zeggen zal: Do zal mot u trekken, die zal met u trekken; ma: al degene, van welken Ik zeggen zal: Deze z niet met u trekken, die zal niet trekken. 5 En hij deed het volk afgaan naar bet wate Toen zeide de Heeue tot Gideou: Al wie m zijne tong uit hot water zal lekken, gelijk als ei hond zou lekken, dien zult gij alleen stolloi desgelijks al wie op zijne knieën zal bukken o te drinken. (! Toen was het getal dergenen, die mot hum hand tot bunnen mond gelokt hadden, drie ho derd man; maar alle overigen des volks haddi op hunne knieën gebukt om water te drinken. 7 En de Heeue zoide tot Gideon: Door do drie honderd mannen, die gelokt hebben, zal uliedon verlossen, en do Midianieten in uwe hai |
RIGTEREN 7, 8.
249
|
govon; daarom laat al dat volk weggaan, oun iedor naar zijne plaats. 8 En het volk nam den teerkost in hunne hand, en hunne bazuinen; en hij liet al die mannen van Israël gaan, een iegelijk naar zijne tent; maar die drie honderd man behield hij. En hij had het heirleger der Midianieten beneden in liet dal. 9 En liet geschiedde in denzelven nacht, dat de IIeehe tot hem zeide: Sta op, ga henen al' in hot leger, want Ik heb het in uwe hand gegeven. 10 Vreest gij dan nog af te gaan, zoo ga af, gij, en Pura, uw jongen, naar hot leger. 11 En gij zult hooren wat zij zullen spreken, en daarna zullen uwe handen gesterkt worden, dat gij aftrekken zult in liet leger. Toen ging bij af, met Pura, zijnen jongen, tot het uiterste der schildwachten, die in hot leger waren. 12 quot;En de Midianieten, en Amalokieten, en al do kinderen van het Oosten, lagen in liet dal, gelijk sprinkhanen in menigte, en hunne komelen waren ontelbaar, gelijk het zand, dat aan den oever der zee is, in menigte. « Kigt. (gt;:li, 5, 33. 13 Toen nu Gideon aankwam, ziet, zoo was er een man, die zijnen medgozel oenen droom vertelde, on zeide: Zio, ik heb eenen droom gedroomd, en zie, een geroost gerstenbrood wentelde zich in het leger der Midianieten, en het kwam tot aan de tont, en sloeg haar, dat zij viel, en keerde haar om, het onderste boven dat de tent er lag. 14 En zijn medgezel antwoordde en zeide: Dit is niet anders, dan hot zwaard van Gideon, den zoon van Joas, den israëlietischen man; God heeft de Midianieten en dit gansche leger in zijno hand gegeven. 15 En het geschiedde, als Gideon de vertelling dezes drooms, en zijne uitlegging hoorde, zoo aanbad hij; en hij keerde weder tot het leger van Israël, en zeide; Maakt u op, want de Hekre heeft het leger der Midianieten in ulieder hand gegeven. Ki En hij doolde de drie honderd man in drie hoopen; en hij gaf een' iegelijk eene bazuin in zijne hand, en ledige kruiken, en fakkelen in liet midden dor kruiken. 17 En hij zeide tot hen: Ziet naar mij en doet alzoo; en ziet, als ik zal komen aan hot uiterste | des legers, zoo zal het geschieden, gelijk als ik zal doen, alzoo zult gij doen. 18 Als ik met de bazuin zal blazen, ik en allen, die met mij zijn, dan zult gijlieden ook met de bazuin blazen, rondom het gansche leger, en gij zult zeggen: Voor den IIeehe en voor Gideon! li) Alzoo kwam Gideon, en honderd mannen, die met hem waren, in het uiterste des legers, in het begin van de middelste nachtwaak, als zij maar even de wachters gesteld hadden; en zij bliezen met de bazuinen, ook sloegen zij de kruiken, die in hunne hand waren, in stukken. 20 Alzoo bliezen de drie hoopen met de bazuinen. |
en braken do kruiken; en zij hielden met hunne linkerhand do fakkelen, on met hunne regterhand de bazuinen om te blazon; en zij riepen: Het zwaard van don IIeehe, en van Gideon! 21 En zij stonden, een iegelijk iu zijne plaats, rondom het leger. Toen verliep het gansche leger, en zij schreeuwden en vloden. 22 Als de drie honderd met de bazuinen bliezen, quot; zoo zette de IIeehe het zwaard des eenen togen den anderen, en dat in het gansche leger; en het leger vlugtte tot Beth-Sitta toe naar Tserédath, tot aan de grens van Abel-Mehóla, boven Tab-bath. a I's. 83 : 10. 23 Toen werden de mannon van Israël bijeengeroepen, uit Nafthali, en uit Aser, en uit gansch Manasso; en zij jaagden do Midianieten achterna. 24 Ook zond Gideon boden in het gansche gebergte van Efraïm, zeggende: Komt af den Midianieten te gemoet, en beneemt hunlieden de wateren, tot aan Beth-bara, te weten de Jordaan; alzoo word allo man van Efraïm bijeengeroepon, en zij benamen hun do watoren tot aan Beth-bara, en de Jordaan. 25 quot; En zij vingen twee vorston dor Midianieten, Orel) en Zeëb, en doodden Greb op den rotssteen Oreb, en Zeëb doodden zij in de perskuip van Zeëb, en vervolgden de Midianieten; en zij brag-ten de hoofden van Oreb en Zeëb tot Gideon, over do Jordaan. «I's. 83: 12. Jos. 10:20. HOOFDSTUK 8. I)o ontevredene Efraïmietcn door Gideon tot zwijgen gebragt, vs. 2. Do Midianieten vervolgd over do Jordaan, 4. Ongastvrije handelwijze der inwoners van Snkkoth ou Pnuël, 5. Gevangenneming der twee midianietische koningen en verstrooijing van hun overig leger, 10. Straf aan do oudsten van Sukkotli en Pnuël uitgeoefend, 15. De twee koningen gedood, IS. Gideon weigert over Israël te heerschen, 22; oischt oen deel van don bnit, sticht daarvan eenen Efod, met welken hot volk vervolgens afgoderij bedrijft, 24. Zijne vrouwen en kinderen, 30; zijn dood en begrafenis, 32. Israöls afkcorigbeid van God en ondankbaarheid jegens Gideons geslacht, 34. TOEN zeiden de mannen van quot;Efraïm tot hem: Wat stuk is dit , dat gij ons gedaan hebt, dat gij ous niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen do Midianieten? en zij twistten sterk mot hem. a Bigt. 12 : 1. 2 Hij daarentegen zeide tot bon: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden? zijn niot do nalezingon van Efraïm beter dan do wijnoogst van Abi-ezer ? 3 God hooft do vorsten der Midianieten, Oreb en Zeëb, in uwe hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak. 4 Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de drie honderd mannen, die bij hom waren, zijnde moede, nogtans vervolgende. 5 En hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Gooit toch eenige bollen broods aan het volk, dat mijne voetstappen volgt, want zij zijn moede; en ik |
RIGTEREN 8, 9.
250
|
jaag Zebah on Tsalmiina, do koningen der Midi-anieten, achterna. (i Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna aireede in mve hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven? 7 Toen zeide Gideon: Daarom, als de ITeere Zebah en Tsalmiina in mijne hand geeft, zoo zal ik uw vleesch dorschen mot doornen der woestijn, en met distelen. 8 En hij toog van daar op naar Pnuöl, en sprak tot hen desgelijks. En do lieden van Pnuöl antwoordden hom, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden. !) Daarom sprak hij ook tot do lieden van Pnuël, zeggende: Als ik mot vrede wederkome, zal ik dezen toren afwerpen. 10 Zebah nu on Tsalmiina waren te Karkor, en hunne legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het ganscho leger der kinderen van het Oosten; en de gevallenen waren honderd cmi twintig duizend mannen, die hot zwaard uittrokken. 11 En Gideon toog opwaarts, don weg dorgonen,, die in tenten wonen, togen het oosten van Nobah on Jógbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos. 12 En Zebah en Tsalmiina vlodon; doch hij jaagde hen na; en hij quot;ving do beide koningen dor Mi-dianieten, Zebah en Tsalmiina, en verschrikte het ganscho leger. « Ps. 88: 12. 13 Toen nu Gideon, do zoon van Joas, van den strijd wederkwam, voor den opgang der zon, 14 Zoo ving hij oenen jongen van de lieden te Sukkoth, en ondervraagde hom: die schroef hem op do oversten van Sukkoth, en hunne oudsten, zeven en zeventig mannen. 15 Toen kwam hij tot de lieden van Sukkoth, en zeide: Ziet daar Zebah en Tsalmiina, van dewelke gij mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is do handpalm van Zebah en Tsalmuna alroodo in uwe hand, dat wij aan uwe mannen, die moede zijn, brood zouden geven? Ui En hij nam de oudsten dier stad, on doornen dor woestijn, on disteion, en dood het den lieden van Sukkoth door dezelve verstaan. 17 En den toren van Pnuël wierp hij af, en doodde do lieden der stad. 18 Daarna zeide hij tot Zebah en Tsalmiina: Wat waren hot voor mannon, die gij te Thabor dood sloegt? En zij zeiden: (lelijk gij, alzoo waren zij, eenerlei, van gedaante als koningszonen. 1!) Toen zeide hij: Het waren mijne broeders, zonen mijnor moeder; zoo waarlijk als de Heere leeft, zoo gij hen hadt laten loven, ik zou ulieden niet dooden! 20 En hij zeide tot Jether, zijnen eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar do jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, dewijl hij nog een jongeling was. |
21 Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta gij op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zoo is zijne magt. «Zoo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmiina, en nam do maantjes, die aan do halzen hunner kemelen waren. rtPs.83:12. 22 Toen zeiden de mannon van Israël tot Gideon: Heersch over ons, zoo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieton hand verlost hebt. 23 Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over u niet heerschen, ook zal mijn zoon over u niet heerschen; de Heere zal over u heerschen. 24 Voorts zeido Gideon tot hen: Eono begeerte zal ik van u begeeren: geeft mij maar oen iegelijk oen voorhoofdsiersel van zijnon roof: want zij hadden gouden voorhoofdsiorselen gehad, dewijl zij Ismaëlieten waren. 25 En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, on wierpen daarop oen iegelijk oen voorhoofdsiersel van zijnen roof. 26 En het gewigt dor gouden voorhoofdsiorselen, die hij begeerd had, was duizend on zeven honderd sikkelen gouds, zonder do maantjes, en kotenen, en purperen kleederen, die de koningen der Midianieton aangehad hadden, on zonder do halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren. 27 En Gideon maakte daarvan oenen efod, en stelde dien in zijne stad, te Ofra; en gansch Israël hoereerde aldaar denzei ven na; en hot word Gideon en zijn huis tot oen' valstrik. 28 Alzoo worden de Midianieton te onder gebragt voor hot aangezigt der kinderen Israëls, en hieven hun hoofd niet moer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon. 29 En Jorubbaal, de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis. 30 Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijne houpe voortgekomen waren: want hij had vele vrouwen. 31 En zijn bijwijf, hetwelk te Sichom was, baarde hom ook oenen zoon; en hij noemde zijnen naam Abimélech. 32 En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom : en hij werd begraven in hot graf van zijnen vader Joas, te Ofra, des Abi-ezriets. 33 En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen Israëls zich omkeerden, en de Baüls nahooreerden: en zij stolden zich Baiil-Borith tot oenen God. 34 En do kinderen Israëls dachten niet aan den Heere, hunnen God, die hen gered had van de hand van al hunne vijanden van rondom. 35 En zij doden geene weldadigheid bij het huis van Jorubbaal, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israël gedaan had. HOOFDSTUK 9. Abimélech, Gideons zoon, tracht koning te worden, vs. I. Vreessclijke broedermoord door hem gepleegd, waaraan Jotliam ontkomt, 5. Deze stelt in eene ge- |
RIGTEREN 9.
251
|
lijkcnis den Sichemieten hunne dwaasheid vooroogen , om Abimélech koning to maken, 7. Na drie jaren barst er een krijg uit tnssclien Sichem on Abimélech, dia do stad inneemt en don toren, worwaarts men gevlugt was, in brand steekt, 24. Vervolgens verovert hij Thebez, waar hij op oene noodlottige wijze zijn leven eindigen moet, 50. ABIMÃLECH nu, de zoon van Jerubbaal, ging henen naar Sichem, tot de broeders zijner moeder; en hij sprak tot hen, en tot het gansche geslacht van het huis van den vader zijner moeder, zeggende: 2 Spreekt toch voor do ooren van alle burgers van Sichem: Wat is u boter, dat zeventig mannen, alle zonen van Jerubbaal, over u heerschen, of dat één man over n heersehe? Gedenkt ook, dat ik uw been en uw vleesch ben. 3 Toen spraken de broeders zijner moeder van hem, voor de ooren van alle burgers van Sichem, al dezelve woorden; en hun hart neigde zich naar Abimélech, want zij zeiden: Hij is onze broeder. 4 En zij gaven hem zeventig zilverlingen, uit hot huis van 13aal-Berith; en Abimélech huurde daarmede ijdele en ligtvaardige mannen, die hem navolgden. 5 En hij kwam in zijns vaders huis te Ot'ra, en doodde zijne broederen, de zonen van Jerubbaal, zeventig mannen, op eenen steen; doch Jotham, do jongste zoon van Jerubbaal, werd overgelaten, want hij had zich verstoken. 6 Toen vergaderden zich alle burgeren van Sichem, en het gansche huis van Millo, en gingen heen en maakten Abimélech ten koning, quot; bij den hoogen eik, die bij Sichem is. n Joz. 24:20. 7 Als zij dit Jotham aanzeiden, zoo ging hij heen, en stond op de hoogte des bergs Gerizim, en verhief zijne stem, en riep, en hij zeide tot hen: Hoort naar mij, gij burgers van Sichem! en God zal naar ulieden hooren. 8 De hoornen gingen eens heen, om eenen koning over zich te zalven, en zij zeiden tot don olijfboom : Wees gij koning over ons. i) Maar de olijfboom zeide tot hen: Zoude ik mijne vettigheid verlaten, die God en de inen-schen in mij prijzen? en zoude ik heengaan om te zweven over de boomen ? 10 Toen zeidon de boomen tot den vijgeboom: Kom gij, wees koning over ons. 11 Maar de vijgeboom zeide tot hen: Zou ik mijne zoetigheid en mijne goode vrucht verlaten ? en zou ik heengaan om te zweven over de boomen ? 12 Toen zeiden de boomen tot den wijnstok: Kom gij, wees koning over ons. 13 Maar do wijnstok zoide tot hen: Zou ik mijnen most verlaten, die God en menschen vrolijk maakt? en zou ik heengaan om te zwevon over de boomen ? 14 Toen zeiden al de boomen tot den doornenbosch : Kom gij, wees koning over ons. |
15 En de doornenbosch zeide tot de boomen: Indien gij mij in waarheid tot een' koning over ii zalft, zoo komt, vertrouwt u onder mijne schaduw; maar indien niet, zoo ga vuur uit den doornenbosch, en vertere de cederen van den Libanon. IC Alzoo nu, indien gij het in waarheid en op-regtheid gedaan hebt, dat gij Abimélech koning gemaakt hebt, en indien gij welgedaan hebt bij Jerubbaal en bij zijn huis, en indien gij hem naar de verdienste zijner handen gedaan hebt: 17 (Want mijn vader heeft voor ulieden gestreden, en hij heeft zijne ziel verre weggeworpen, en u uit der Midianieten hand gered; 18 Maar gij zijt heden opgestaan tegen liet huis mijns vaders, en hebt zijne zonen, zeventig mannen, op eenen steen gedood; en gij hebt Abimélech, eenen zoon zijner dienstmaagd, koning gemaakt over de burgers van Sichem, omdat hij uw broeder is.) 11) Indien gij dan in waarheid en in opregtheid bij Jerubbaal en bij zijn huis te dezen dage gehandeld hebt, zoo weest vrolijk over Abimélech, en hij zij ook vrolijk over ulieden. 20 Maar indien niet, zoo ga vuur uit van Abimélech , en vertere de burgers van Sichem, en het huis van Millo; en vuur ga uit van de burgers van Sichem, en van hot huis van Millo, en vertere Abimélech! 21 Toen vlood Jotham, en vlugtte, en ging naar Beër; en hij woonde aldaar van wege zijnen broeder Abimélech. 22 Als nu Abimélech drie jaren over Israël ge-heerscht had, 23 Zoo zond God eenen boozen geest tusschen Abimélech en tusschen do burgers van Sichem; en do burgers van Sichem handelden trouweloos tegen Abimélech; 24 Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaal, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimélech, hunnen broeder, die hen gedood had, eu op de burgers van Sichem, die zijne handen gesterkt hadden om zijuo broeders te dooden. 25 En de burgers van Sichem bestelden tegen hem, die op de hoogten der bergen lagen leiden, en al wie voorbij hen op den weg doorging, beroofden zij; en hot werd Abimélech aangezegd. 26 Gaiil, de zoon van Ebed, kwam ook met zijne broederen, en zij gingen over in Sichem; en de burgeren van Sichem verlieten zich op hem. 27 En zij togen uit in het veld, en lazen hunne wijnbergen af, en traden de druiven, en maakten lofliederen; en zij gingen in het huis huns Gods, en aten en dronken, en vloekten Abimélech. 28 En Gaal, de zoon van Ebed, zeide: Wie is Abimélech, en wat is Sichem, dat wij hem dienen zouden? is hij niet een zoon van Jerubbaal? en Zebul zijn bevelhebber? dient liever de mannen van Ilemor, den vader van Sichem: want waarom zouden wij hem dienen ? 29 Och dat dit volk in mijne hand ware! ik zoude |
RIGTEREN 9, 10.
252
|
Abimélech wol verdrijven. En tot Abimclech zoide hij: Vermeerder uw heir, on trek uit. 80 Als Zebul, de overste dor stad, de woorden van Gaal, den zoon van Ebod, hoorde, zoo ontstak zijn toorn. Ãl En hij zond listiglijk boden tot Abimélech, zeggende: Zie, Gaiil, de zoon van Ebod, on zijne broeders zijn te Sichem gekomen, on zie, zij, mot deze stad, handelen vijandelijk togen u. 32 Zoo maak u nu op bij nacht, gij on hot volk dat mot u is, en leg lagen in hot veld. 33 En hot geschiede in den morgen, als do zon opgaat, zoo maak u vroeg op, ou overval deze stad; en zie, zoo hij on liet volk, dat mot hem is, tot u uittrokken, zoo doe hem, gelijk als uwe hand vinden zal. 34 Abimélech dan maakte zich op, en al hot volk, dat mot hem was, bij nacht; en zij leiden lagen op Sichem, met vier hoepen. 35 En Gaiil, do zoon van Ebod, ging uit, on stond aan do deur van do stadspoort; en Abimélech rees op, en al het volk, dat mot hem was, uit do achtorlage. 36 Als Gaal dat volk zag, zoo zoide hij tot Zebul: Zie, or komt volk af van do hoogten dor borgen. Zebul daarentegen zeidc tot hom: Gij ziot de schaduw der borgen voor monschen aan. 37 Maar Gaiil voor wijders voort to spreken, on zoido: Zie daar volk afkomende uit hot midden dos lands, en oen hoop komt van don weg van don eik Meónenim. 38 Toon zoido Zebul tot hem: Waar is nu uw mond, waarmode gij zeidot: Wie is Abimélech, dat wij hom zouden dienen? is niet dit hot volk, dat gij veracht hobtV trok toch nu uit on strijd togen hom! 39 En Gaiil trok uit voor het aangozigt dor burgeren van Sichem, on hij streed togen Abimélech. 40 En Abimélech jaagde hom na, want hij vlood voor zijn aangozigt; er er vielen vele verslagenen tot aan do deur dor .v/w/.vpoort. 41 Abimélech nu bloei' te A'ruina; on Zebul verdroef Gaiil en zijne broodoren, dat zij te Sichem niet mogten wonen. 42 En hot geschiedde des andoren daags, dat hot volk uittrok in het veld, en zij zeiden hot Abimélech aan. 43 Toon nam hij hot volk, on doelde hen in drie hoopen, en hij loido lagen in hot veld; en hij zag toe, en ziot, hot volk trok uit do stad, zoo maakte hij zich tegen hou op, en sloeg hen. 44 Want Abimélech en de hoopen, die bij hem waren, overvielen hen, on bleven staan aan do dour dor stadspoort; en do twee andere hoopen overvielen allen, die in hot veld waren, en sloegen hen. 45 Voorts streed Abimélech togon do stad dion-zelvon ganschon dag, on nam de stad in, en doodde hot volk, dat daarin was; en hij brak do stad af, en bezaaide haar mot zout. |
46 Als allo burgeren dos torons van Sichem dat hoorden, zoo gingen zij in de sterkte, in hot huis van don god Berith. 47 En hot word Abimélech aangezegd, dat allo burgeren dos torons van Sichem zich verzameld hadden. 48 Zoo ging Abimélech op don borg Zalmon, hij on al hot volk , dat mot hom was; en Abimélech nam eeno bijl in zijne hand, en hieuw oenen tak van do boomen, en nam hem op, en loido hom op zijnon schouder; on hij zoido tot hot volk, dat bij hem was: Wat gij mij hebt zien doen, haast u, doet als ik. 49 Zoo hieuw ook al hot volk, oen iegelijk zijnon tak af, on zij volgden Abimélech na, on leiden zo aan de sterkte, en verbrandden daardoor do sterkte met vuur; dat ook allo lieden dos torons van Sichem stierven, omtrent duizend mannon on vrouwen. 50 Voorts toog Abimélech naar Thoboz, en hij legerde zich togen Thoboz, en nam haar in. 51 Doch er was oon sterke toren in hot midden dor stad; zoo vloden daarheen al do mannon en do vrouwen, on alle burgers van de stad, en sloten voor zich toe; en zij klommen op hot dak des torons. 52 Toen kwam Abimélech tot aan don toren, en bestormde dien; en hij genaakte tot aan do deur des torens, om dien met vuur te verbranden. 53 Maar eeno quot; vrouw wierp oon stuk van oenen molenstoon op Abimélechs hoofd; en zij verpletterde zijne hersenpan. «2 Sam. 11:21. 54 Toon riep hij haastolijk den jongen, dio zijne wapenen droog, en zoido tot hom: Trok uw zwaard uit, on dood mij, opdat zij niet van mij zoggen: Eeno vrouw hooft hom gedood. En zijn jongen doorstak hem, dat hij stierf. 55 Als nu do mannen van Israël zagen, dat Abimélech dood was, zoo gingen zij, oon iegelijk naar zijne plaats. 56 Alzoo dood God wedorkooron hot kwaad van Abimélech, dat hij aan zijnen vader gedaan had, doodende zijne zeventig broederen. 57 Desgelijks al hot kwaad der lieden van Sichem dood God wedorkooron op hun hoofd; en de vloek van Jotham, don zoon van Jorubbaiil, kwam over ben. HOOFDSTUK 10. Thola en Jaïr zijn rigtors, vs. I. Horluuilde afgoderij van Israël, 6; waarom God hot overgeeft in do hand dor Filistijnen en Ammonieten, dio het jam-inerlijk plagen, 7. God verhoort Israöls bode om uitredding, 10. Do Ammonieten en Israëlieten voeren hunne logors aan te Gilead, 17. NA Abimélech nu stond op, om Israël te bo-houden, Thola, oon zoon van Pua, zoon van Dodo, oen man van Issaschar; en hij woonde te Samir, op het gebergte van Efraïm. 2 En hij rigtte Israël drie en twintig jaren; en hij stierf, en werd begraven te Samir. |
RIGTEREN 10, 11.
251!
|
à En na hom stond op Jaïr, do Giloadiot; on hij rigtto Israël twoo on twintig jaren. 4 En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ozolvoulons, en die hadden dertig steden, dio zij noemden Havvöth-Jaïr, tot op dezon dag, dewelke in hot land van Giload zijn. 5 En Jaïr stierf, on word begraven to Kamon. (i Toen voeren do kinderen Israels voort te doen dat quot;kwaad was in de oogen des Heeren, on dienden do Baiils, en Astharoth, on do goden van Syrië, en de goden van Zidon, en de goden van Moab, en de goden dor kindoren Amnions, mitsgaders de goden der Filistijnen; en zij verlieten den IIeere, on dienden Hom niet. a Rigt, 2:11. 3:7. 4:1. G: 1. 7 Zoo ontstak do toorn des Heeren tegen Israël; en Hij verkocht hen in do hand dor Filistijnen, en in do hand dor kinderen Ammons. 8 En zij onderdrukten en vertraden do kindoren Israels in datzelve jaar; achttien jaren onderdrukten zij al do kinderen Israels, dio aan gene zijde der Jordaan waren, in het land dor Amo-rieten, dat in Giload is. i) Daartoe togen de kinderen Ammons over de Jordaan, om to krijgen, zelfs tegen Juda, en tegen Benjamin, en tegen het huis van Efraïm; zoodat hot Israël zoor bange werd. 10 Toon riepen de kinderen Israels tot don Heere, zeggende: Wij hebben togen U gezondigd, zoo omdat wij onzen God hebben verlaten, als dat wij de Baiils gediend hebben. 11 Maar do Heere zeide tot do kindoren Israels: Heb Ik u niet van de Egyptenaron, en van de Amorioton, en van do kinderen Ammons, on van do Filistijnen, 12 En de Zidoniërs, en Amalekiotcn, en Mao-nioten, die u onderdrukten, toen gij tot Mij riept, alsdan uit hunne hand verlost? 18 Nogtans hebt gij Mij quot;verlaten, en andere goden gediend; daarom zal Ik u niet moor verlossen. n Deut. 32:15. .lor. 2:13. 14 Gaat henen, roept tot de goden, die gij vorkoren hebt; laten u dio verlossen, tor tijd uwer bonaauwdhoid. 15 Maar do kinderen Israels zeiden tot don Heere: Wij hebben gezondigd, doe Gij ons, naar alles, wat good is in uwe oogen; alleenlijk verlos ons toch te dozen dage! 16 En zij deden do vroonulo goden uit hun midden weg, en dienden don Heere. Toen werd zijne ziel verdrietig ovor don arbeid van Israël. 17 En do kinderen Ammons worden bijeengeroepen, en legerden zich in Giload; daarentegen worden de kinderen Israels vergaderd, en legerdon zich te Mizpa. 18 Toon zeiden het volk, de oversten van Giload, do oen tot den ander: Wie is de man, die beginnen zal te strijden tegen do kinderen Ammons? quot; die zal tot een hoofd zijn over alle inwoners van Giload. «Rigt. 11:0, 9, li), 11. |
HOOFDSTUK 11. Vroegere goschiodenis van Jeftlia, vs. 1. Do Grileadioten bieden hom het opporbovolhobberscliap aim, om togen do Ammonieten to strijden, hetwelk door hem onder voorwaarde wordt aangenomen, 5. Zij no vorgoofsoho pogingen om don koning der Ammonioten to bewegen, allo vijandolijkhedon to staken, 12. Hij trokt, door Gods Geest gedreven, ton strijde, 2!). Zijne gelofte, 30. Hij slaat de Ammonieten, 32; volbrengt zijne gelofte, 34. JEFTHA quot;nu, do Giloadiot, was een strijdbaar held, maar hij was oen hoerekind; doch Giload had Joftha gegenereerd. allebr. 11:32. 2 Giloads huisvrouw baarde hein ook zonen; en de zonen dezer vrouw, groot geworden zijnde, stieten Jeftha uit, en zeiden tot hom: Gij zult in het huis ouzos vaders niet erven, want gij zijt een zoon van eeno andere vrouw. 3 Toen vlood Jeftha voor het aangozigt zijner broodoren, en woonde in hot land Tob; en ijdele mannon vergaderdon zich tot Jeftha, en togen met hem uit. 4 En het geschiedde, na oenige dagen, dat do kinderen Ammons tegen Israël krijgdon. 5 Zoo geschiedde het, als do kinderen Ammons togen Israël krijgdon, dat do oudsten van Giload heengingen, om Jeftha to halen uit hot land van Tob. (! En zij zeiden tot Jeftha: Kom, en wees ons tot oen' overste, opdat wij strijden togen do kinderen Ammons. 7 Maar Jeftha zeido tot do oudsten van Giload: Hebt gijlieden mij niet gehaat, en mij uit mijns vaders buis verstooten? waarom zijt gij dan nu tot mij gekomen, terwijl gij in bonaauwdhoid zijl ? 8 En do oudsten van Giload zeiden tot Jeftha: Daarom zijn wij nu tot u wedergekomen, dat gij met ons trekt, on togen do kinderen Ammons strijdt; on gij zult ons tot oon hoofd zijn, over allo inwoners van Giload. 9 Toen zeido Joftha tot do oudsten van (ïiload : Zoo gijlieden mij wodorhaalt, om te strijden togen do kinderen Ammons, en de Heere hen voor mijn aangozigt geven zal, zal ik u dan tot oon hoofd zijn? 10 En do oudsten van Giload zeiden tot Jeftha: Do Heere zij toehoorder tusschon ons, indien wij niot alzoo naar uw woord doen. 11 Alzoo ging Jeftha mot do oudsten van Giload, en hot volk stelde hom tot een hoofd en overste over zich. En Jeftha sprak al zijne woorden voor hot aangozigt dos Heeren te Mizpa. 12 Voorts zond Jeftha boden tot don koning dor kinderen Ammons, zeggende: Wat hebben ik en gij mot elkander te doen, dat gij tot mij gekomen zijt, om togen mijn land te krijgen? 13 En do koning der kinderen Ammons zoido tot do boden van Jeftha: Omdat Israël, als hij uit Egypte optoog, mijn land genomen hoeft, van do Arnon af tot aan do Jabbok, en tot aan de Jordaan; zoo geef mij dat nu weder mot vrede. |
|
254 14 Maar Jeftha voer wijders voort, on zond boden tot den koning dor kinderen Animons, 15 En hij zeide tot hem: Zoo zegt Jeftha: quot; Israël hoeft iiot land der Moabieten, en het land der kindoren Annnons niet genomen: a Num. 21 : 13. Dent. 2 : 9, 19. Hi Want als zij uit Egypte optogen, zoo wandelde Israël door de woestijn tot aan do Schelfzoe, en kwam te Kades. 17 En Israël zond boden tot den koning der Edomieten, zeggende: quot;Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de koning dor Edomieten gaf geen gehoor. En hij zond ook tot den koning der Moabieten, die ook niet wilde. Alzoo bloei' Israël in Kades. a Num. 20:17. 18 Daarna wandelde hij in do woestijn, on toog (mi liot land der Edomieten en het land dor Moabieten, en kwam van den opgang der zon aan liet land dor Moabieten, en zij legerden zich op gene zijde van do Anion; maar zij kwamen niet binnen do landpalo dor Moabieten, want do Anion is do landpale dor Moabieten. 19 quot; Maar Israël zond boden tot Sihon, den koning der Amorioten, koning van Hesbon, en Israël zeide tot hem: '' Laat ons toch door uw land doortrokken tot aan mijne plaats. a Dout. 2:20. h Num. 21:22. 20 Doch Sihon betrouwde Israël niet door zijne landpale door te trekken; maar Sihon verzamoldo al zijn volk, on zij legerdon zich te Jaza; en bij streed tegen Israël. 21 En de Heere, do God Israëls, gaf Sihon mot al zijn volk in de hand van Israël, dat zij hen sloegen; alzoo nam Israël erfelijk in het gansche land dor Amorioten, die in datzolve land woonden. 22 En zij namen erfelijk in de gansche landpale der Amorioten, quot; van do Anion af tot aan de Jabbok, on van do woestijn tot aan de Jordaan. a Deut. 2 : 30. 23 Zoo heeft nu de Heere, de God Israëls, do Amorieten voor het aangezigt van zijn volk Israël uit do bezitting verdreven; en zoudt gij hunlioder erfgenaam zijn? 24 Zoudt gij niet dongene erven, dien uw god Kamos voor u uit do bezitting verdreef? Alzoo zullen wij al dengeno erven, dien de Heere, onze God, voor ons aangezigt uit de bezitting verdrijft. 25 quot;Nu voorts, zijt gij veel beter dan Balak, do zoon van Zippor, de koning der Moabieten? hoeft bij ooit met Israël getwist? hoeft hij ook ooit tegen lion gekrijgd? a Num. 22:2, enz. 20 Terwijl Israël drie honderd jaren gewoond beeft in Hesbon, en in hare stedekens, on in Aroër en in hare stedekens, en in al de steden, die aan de zijde van de Arnon zijn; waarom hebt gij hot dan in dien tijd niet gered? 27 Ook heb ik tegen u niet gezondigd, maar gij doet kwalijk bij mij, dat gij togen mij krijgt; |
de Heere, die Regtor is, rigte heden tus-schen do kinderen Israëls en tusschon de kinderen Animons! 28 Maar de koning der kinderen Amnions hoorde niet naar do woorden van Jeftha, die hij tot hem gezonden had. 29 Toen kwam de Geest des Heeren op Jeftha, dat hij Giload en Manasse doortrok: want hij trok door tot Mizpa in Giload, en van Mizpa in Gilead trok hij door tot de kinderen Amnions. 30 En Jeftha beloofde den Heere eene gelofte, en zeide: Indien Gij do kinderen Amnions gan-schelijk in mijne hand zult geven; 31 Zoo zal het uitgaande, dat uit de deur van mijn huis mij te gemoot zal uitgaan, als ik niet vrede van de kinderen Ainmons wederkom, dat zal des Heeren zijn, en ik zal het offeren ten brandoffer. 32 Alzoo trok Jeftha door naar de kinderen Animons, om tegen hen te strijden; en do Heere gaf hen in zijne hand. 33 En hij sloeg hen van Aroër af tot daar gij komt te Minnith, twintig steden, en tot aan Abél-Kerainim, niet oenen zeer grooten slag. Alzoo werden do kinderen Amnions te ondorgebragt voor het aangezigt der kinderen Israëls. 34 Toon nu Jeftha te Mizpa bij zijn huis kwam, ziet, zoo ging zijne dochter uit hem te gemoot, mot trommelen en reijen. Zij nu was alleen, oen eonig kind, hij had uit zich anders goenon zoon of dochter. 35 En het geschiedde, als hij haar zag, zoo vor-scbeurde hij zijne kloodoren, en zeide; Ach, mijne dochter! gij bobt mij ganscholijk nedergebogen, en gij zijt onder degenen, die mij beroeren: want ik bob mijnen mond opengedaan tot den Heere, en ik zal niet kunnen teruggaan. 36 En zij zeide tot bom: Mijn vader! hebt gij uwen mond opengedaan tot den Heere, doe mij, gelijk als uit uwen mond gegaan is; naardien u do Heere volkomene wraak gegeven heeft van uwe vijanden, van de kinderen Amnions. 37 Voorts zeide zij tot haren vader: Laat dozo zaak aan mij geschieden: Laat twee maanden van mij af, dat ik heenga, en ga af tot do borgen, en bewoene mijnen maagdom, ik en mijne gezellinnen. 38 En hij zeide: Ga heen; en hij liet haar twee maanden gaan. Toen ging zij heen met hare go-zollinnen, en beweondo haren maagdom op de bergen. 39 En het geschiedde ten einde van twee maanden, dat zij tot haren vader wederkwam, die aan haar volbragt zijne gelofte, die hij beloofd had; en zij hooft goenon man bekend. Voorts werd het eene gewoonheid in Israël, 40 Dat do dochtoren Israëls van jaar tot jaar heengingen, om de dochter van Jeftha, den Giloadiet, aan te spreken, vier dagen in hot jaar. RIGTEREN 11. |
RIGTEREN 12, 13.
|
HOOFDSTUK 12. Der Efraïmieteh. oproerigheid tegon .leftlm, zonder oorzaak, kost aan twee en veertig duizend hunner liet leven, vs. 1. Jeftha sterft, 7. Na hem zijn rigters Ebzan, Elon, Abdon, 8. TOEN werden de mannen van Efraïm bijeengeroepen , en trokken over naar liet noorden; en zij zeiden tot Jeftha: quot;Waarom zijt gij doorgetogen om te strijden tegen de kinderen Amnions, en hebt ons niet geroepen, om met u te gaan ? wij zullen uw huis met u met vuur verbranden. a Kigt. S : 1. 2 En Jeftha zeide tot hen: Ik en mijn volk waren zeer twistig met de kinderen Amnions; en ik heb ulieden geroepen, maar gij hebt mij uit hunne hand niet verlost. 3 Als ik nu zag, dat gij niet verlostet, zoo stelde ik mijne ziel in mijne hand, en toog door tot de kinderen Amnions, en de Heere gaf hen in mijne hand: waarom zijt gij dan te dezen dage tot mij opgekomen, om tegen mij te strijden? 4 En Jeftha vergaderde alle mannen van Gilead, en streed mot Efraïm: en de mannen van Gilead sloegen Efraïm, want de Gileadieten, zijnde tus-schen Efraïm en tusschen Manasse, zeiden: Gijlieden zijt vlugtelingen van Efraïm. 5 Want de Gileadieten namen don Efraïmieten de veren der Jordaan af; en het geschiedde, als do vlugtelingen van Efraïm zeiden: Laat mij overgaan; zoo zeiden de mannen van Gilead tot hem: Zijt gij eon Efraïmiot? wanneer hij zeide: Noen; (i Zoo zeiden zij tot hem: Zog nu Schibboleth; maar hij zeide: Sibbóleth, en kon hot alzoo niet rogt spreken; zoo grepen zij hem, en versloegen hem aan de veren der Jordaan, dat to dier tijd van Efraïm vielen twee en veertig duizend. 7 Jeftha nu rigtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead. 8 En na hom rigtte Israël Ebzan, van Bethlehem. 9 En hij had dertig zonen; en hij zond dertig dochteren naar buiten, en bragt dertig dochtoren van buiten in voor zijne zonen; en hij rigtte Israël zeven jaren. 10 Toen stierf Ebzan, on word begraven te Bethleheni. 11 En na hom rigtte Israël Elon, do Zebuloniot, en hij rigtte Israël tien jaren. 12 En Elon, de Zebuloniot, stierf, en werd begraven to Ajalon, in het land van Zobulon. 13 En na hom rigtte Israël Abdon, oen zoon van Hillel, de Pirhathoniot. 14 En hij had veertig zonen, en dertig zoons zonen, rijdende op zeventig quot;ezelveulens; on hij rigtte Israël acht jaren. « Rigt. 10: 4. 15 Toen stierf Abdon, oen zoon van Hillel, de Pirhathoniot; en hij werd begraven te Pirhathon, in het land van Efraïm, op don berg van don Amalekiet. |
HOOFDSTUK 13 God geeft Israël om zijne zonde in de hand der Filistijnen, vs. 1. De Engel des Heeren verschijnt aan de huisvrouw van Manóach, die onvruchtbaar was, en zegt haar aan, dat zij oenen zoon zal baren, hoe zij zich gedragen en met hot kind handelen moet, 2. Manóach, zulks van zijne vrouw vernemende, bidt en verkrijgt, dat de Engel wederkomt en hun beidon aangaande dat kind onderrigt, 0. Manóach wil den Engel spijze bereiden en vraagt naar zijnen naam, 15; doch de Engel vaart in do vlammen van liet brandoffer ton homel, 20, waardoor Monóach zeer verschrikt zijnde, van zijne vrouw gesterkt wordt, 22. Simson geboren, 24; in wien de Geest Gods begint te werken, 25. EN de kinderen Israëls voeren voort quot;te doen dat kwaad was in de oogen des Heeren; zoo gaf hen de Heeue in de hand dor Filistijnen veertig jaren. a Rigt. 2:11.3:7. 4:1. 6:1. 10:G. 2 En er was oen man van Zora, uit het geslacht van oenen Daniet, wiens naam was Manóach; en zijne huisvrouw was onvruchtbaar on baarde niet. 3 En.een Engel des Heeren verscheen aan deze vrouw, en hij zeide tot haar; Zie nu, gij zijt onvruchtbaar, en hebt niet gebaard; maar gij zult zwanger worden, en oenen zoon baron. 4 Zoo wacht u toch nu, en drink geen' quot;wijn noch sterken drank, en eet niets onreins. a Num. ü : 2, 3. 5 Want zie, gij zult zwanger worden, en oenen zoon baren, quot;op wiens hoofd geen scheermes zal komen : want dat knechtje zal oen Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël to verlossen uit der Filistijnen hand. a Num. (i : 5. 1 Sam. 1:11. (i Toen kwam deze vrouw in, on sprak tot haren man, zeggende: Er kwam oen man Gods tot mij, wiens aanzigt was als hot aanzigt van oen' Engel Gods, zoor vroessolijk; on ik vraagde hom niet, van waar hij was, en zijnen naam gaf hij mij niet te kennen. 7 Maar hij zeide tot mij: Zie, gij zult zwanger worden, on oenen zoon baren; zoo drink nu geen' wijn noch sterken drank, en eet niets onreins: want dat knechtje zal oen Nazireër Gods zijn, van moeders buik af tot op don dag zijns doods. 8 Toon aanbad Manóach den Heere vuriglijk, en zeide: Och Heere! dat tocli do man Gods, dien Gij gezonden liebt, weder tot ons kome, en ons loere, wat wij dat knechtje doen zullen, dat geboren zal worden. 9 En God verhoorde do stem van Manóach; en de Engel Gods kwam wederom tot do vrouw. Zij nu zat in het veld, doch haar man Manóach was niet bij haar. 10 Zoo haastte do vrouw, en liep, en gaf hot haren man to kennen; en zij zeide tot hem: Zio, die man is mij verschonen, welke op dien dag tot mij kwam. 11 Toen stond Manóach op, en ging zijne huisvrouw na; en hij kwam tot dien man, en zeide |
|
266 tot hom: Zijt gij dio man, dowolke tot deze vrouw gesproken hebt? on liij zeide: Ik bon hot. 12 Toen zoido Manóach: Nu, dat uwe woorden komen; maar wat zal des knechtjes wijze on zijn werk zijn? 13 En de Engel des IIheren zeide tot Manóach: Van alles, wat ik tot do vrouw gezegd heb, zal zij zich wachten. 14 Zij zal niet eten van iots, dat van den wijnstok dos wijns voorkomt; on wijn on sterken drank zal zij niet drinken, noch iets onreins eten; al wat ik haar geboden heb, zal zij onderhouden. 15 Toen zoido Manóach tot don Engel dos Hee- ren: Laat ons u toch ophouden, en oen geiten-bokje voor uw aangezigt bereiden. 10 Maar de Engel des Heeren zeide tot Manóach : Indien gij mij zult ophouden, ik zal van uw brood niet eten; en indien gij een brandoffer zult doen, dat zult gij den IIeere offeren. Want Manóach wist niet, dat hot een Engel dos Heeren was. 17 En Manóach zeide tot den Engel dos Heeren: Wat is uw naam, opdat wij u vereeren, wanneer uw woord zal komen. 18 En de Engel des Heeren zeide tot hem: Waarom vraagt gij dus naar mijnen naam? Die is toch Wonderlijk. li) Toon nam Manóach eon geitenbokje, en het spijsoffer, en offerde liet op den rotssteen, den IIeere. En hij handelde wonderlijk in zijn doen; en Manóach en zijne huisvrouw zagen toe. |
20 En hot goschieddü, als de vlam van het altaar opvoer naar den hemel, zoo voor do Engel des Herren op in do vlam des altaars. Als Manóach en zijne huisvrouw dat zagen, zoo vielen zij op hunne aangezigten tor aarde. 21 En do Engel dos Heeren verscheen niet moor aan Manóach, en aan zijne huisvrouw. Toen bekende Manóach, dat het een Engel dos Heeren was. 22 En Manóach zoido tot zijne huisvrouw: Wij zullen zekerlijk quot;sterven, omdat wij God gezien hebben. «Ex. 33:20. Dcut. 5:26. Rigt. 0:22, 23. 23 Maar zijne huisvrouw zeide tot hom: Zoo do IIeere lust had ons te doodon. Hij had het brandoffer on spijsoffer van onze hand niet aangenomen. noch ons dit alles getoond, noch ons oin dozen tijd laten hooren zulks als dit is. 24 Daarna baarde doze vrouw eenen zoon, en zij noemde zijnen naam quot;Simson; en dat knechtje word groot, on do IIeere zogende hot. a llebr. 11 : 32. 25 En do (loost dos Heeren begon hem bij wijlen te drijven in hot leger van Dan, tusschen Zora en tusschen Esthaol. HOOFDSTUK 14; Simson gologoniioiil zookomlo, om zijne roeping togen do Filistijnen to volbrengen, doet zijne ouders bewilligen, dat /.ij voor hem eene lilistijnsche vrouw uit 'i himnath ten huwelijk vragen, vs. 1. Zijn betoonde moed in het verscheuren van een' leeuw op den weg derwaarts, 5. Eenigen tijd daarna in hot lichaam van den leeuw honig vindende, ontleent hij hieruit aanleiding, om op zijne bruiloft een raadsel voor to stollen, 8; welks verklaring hem RIGTEREN 13, 14. |
RIO TE REN 14.
257
|
door zijne vrouw afgeperst en aan de feestgenooten ontdekt wordt, waarop hij dertig ingezetenen van Askelon versloeg, uit wier bezittingen hij do toegezegde vereering bereidt, 1!). Zijne vrouw wordt aan een' anderen gegeven, 20. EN Simson ging af naar Thinmath, en gezien hebbende eone vrouw te Thinmath, van de docli-teren dor Filistijnen, 2 Zoo ging hij opwaarts, en gaf het zijnen vader en zijne moeder te kennen, on zoido: Ik heb eene vrouw gezien te Thinmath, van de doch-teron dor Filistijnen; nu dan, neem mij die tot eone vrouw. J? Maar zijn vader zoido tot hem, mitsgaders zijne moedor: Is er goono vrouw onder do doch-zijno hand; doch hij gaf zijnon vader on zijno moeder niet te kennen, wat hij gedaan had. |
7 En hij kwam af, en sprak tot do vrouw; en zij beviel in Simsons oogon. 8 En na sommige dagen kwam hij weder, om haar te nomen; toen week hij af, om hot aas van don leeuw to bezien; on ziet, oen bijenzwerm was in hot ligchaam van den leeuw, met honig. !) En hij nam dien in zijne handen, en ging voort, al gaande on otonde; en hij ging tot zijnon vader en tot zijne moeder, on gaf hun daarvan, on zij aten; doch hij gaf hun niet te kennen, dat hij den honig uit het ligehaam van den leeuw genomen had. 10 Als nu zijn vader afgekomen was tot die |
|
toren uwer broeders, en onder al mijn volk, dat gij heengaat, om eene vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbosnodenen? En Simson zoido tot zijnon vader: Noem mij die, want zij is bevallig in mijne oogon. 4 Zijn vader nu en zijne moedor wisten niet, dat dit van don Heere was, dat hij gelegenheid zocht van do Filistijnen: want do Filistijnen hoerschton te dier tijd over Israël. 5 Alzoo ging Simson, mot zijnen vader on zijne moedor, henen af naar Thimnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Thimnath, ziet daar, een jonge leeuw, brullende hom to gomoet. (i Toen word do Geest des Heeren vaardig over hem, dat hij hem van oen scheurde, gelijk men oon bokje van oen scheurt, on or was niets in vrouw, zoo maakte Simson aldaar eene bruiloft, want alzoo plagton do jongelingen te doen. |
11 En het geschiedde, als zij hem zagen, zoo namen zij dertig modgezellon, die bij hom zouden zijn. 12 Simson dan zoido tot hen: Ik zal nu ulioden oon raadsel te raden geven; indien gij mij dat in de zeven dagen dozer bruiloft wel zult verklaren on uitvinden, zoo zal ik ulioden geven dertig fijne lijnwaadskloederen, 011 dertig wissolkleederen. 13 En indien gij hot mij niet zult kunnen vor-klaren, zoo zult gijlieden mij geven dertig fijne lijnwaadskleederen, en dertig wissolkleederen. En zij zeidon tot hom: Goof uw raadsel te raden, en laat het ons hooron. 14 En hij zeide tot hen: Spijze ging uit van den eter, on zoetigheid ging uit van don sterke. â 17 |
|
258 En /.ij konden dat raadsol in drie dagen niet verklaren. 15 Daarna geschiedde liet op den zevenden dag, dat /.ij tot do huisvrouw van Simson zeiden: Overreed uwen man, dat hij ons dat raadselver-klare, opdat wij niet misschien n, en het huis uws vaders, met vuur verbernen. Hebt gijlieden ons genoodigd, om hot onze te bezitten? is liet zoo niet? 1(1 En Simsons huisvrouw weende voor hem en zeido: Gij haat mij maar, en hebt mij niet lief; gij hebt den kinderen mijns volks een raadsel te raden gegeven, en hebt het mij niet verklaard. En hij zeide tot haar: Zie, ik heb het mijnen vader en mijne moeder niet verklaard, zou ik het u dan verklaren ? 17 En zij weende voor hem op don zevenden der dagen, in dewelke zij deze bruiloft haddon ; zoo geschiedde het op den zevenden dag, dat hij het haar verklaarde, want zij perste hem; en zij verklaarde dat raadsol den kinderen haars volks. 18 Toen zeiden de mannen der stad tot hem, op den zevenden dag, eer de zon onderging: Wat is zoeter dan honig? en wat is sterker dan een leeuw? En hij zeide tot hen: Zoo gij met mijn kalf niet hadt geploegd, gij zoudt mijn raadsel niet hebben uitgevonden. I!) Toen werd de Geest dos Hekren vaardig over hem, en hij ging ai' naar de Askelonieten, en sloeg van hen dertig man; on hij nam hun gewaad, en gaf de wisselkleederen aan degenen, die dat raadsel verklaard hadden. Doch zijn toorn ontstak, en hij ging op in zijns vaders huis. 20 En do huisvrouw van Simson werd zijns medgezels, die hem vergezelschapt had. HOOFDSTUK 15. |
Simson bezoekt zijne vrouw, doch do toegang tot haar Avordl hom gewoigerd, vs. 1. Noemt liierovor wraak, â I, dio doov de Filistijnen mot wederwraak wordt vorgoldon, G. Simson wreekt zich nogmaals wodor-keerig, 7. Op don eisch der Filistijnen gebonden tot hen gebragt, verbreekt hij zijne banden on verslaat duizend van bon met een ezelskinnebakken, 9. Zijne gebodsverhooring tot stilling van zijnen brandenden dorst, 18. EN het geschiedde na sommige dagen, in de dagen van den tarweoogst, dat Simson zijne huisvrouw bezocht met een geitenbokje, en hij zeide: Laat mij tot mijne huisvrouw ingaan in do kamer; maar haar vader liet hem niet toe in te gaan. 2 Want haar vader zeide: Ik sprak zeker, dat gij haar ganschelijk haattet, zoo heb ik haar aan uwen medgezel gegeven. Is niet hare kleinste zuster schooner dan zij ? Laat ze u toch zijn in plaats van haar. 3 Toen zeide Simson van henlieden: Ik ben ditmaal onschuldig van do Filistijnen, wanneer ik aan hen kwaad doe. 4 En Simson ging heen, en ving drie honderd vossen; en hij nam fakkelen, en keerde staart aan staart, en deed eenen fakkel tus-schen twee staarten in het midden. 5 En hij stak de fakkelen aan met vuur, en liet zo loopen in het staande koren dor Filistijnen; en hij stak in brand zoowel dekorenhoopen als hot staande koren , zelfs tot do wijngaarden en olijfboomen toe. (! Toen zeidon do Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zeide: Simson, de schoonzoon van den Thimniet, omdat hij zijne huisvrouw heeft genomen, en hoeft haar aan zijnen medgezel gegeven. Toen kwamen de Filistijnen op, en verbrandden haar en haren vader mot vuur. 7 Toen zoido Simson tot hen: Zoudt gij alzoo doen? Zeker, als ik mij aan u gewroken heb, zoo zal ik daarna ophouden. 8 En hij sloeg hen, den schenkel en de heup, met oenen grooton slag; en hij ging af, en woonde op do hoogte van de rots Etam. !) Toon togen de Filistijnen op, en legerden zich tegen Juda, on breidden zich uit in Lechi. 10 En do mannen van Juda zeiden: Waarom zijt RIGTEREN 14, 15, |
RIGTEREN 15, 1(1.
2511
|
irljlieden tegen ons opgetogen ? En zij zeiden: Wij zijn opgetogen om Simson te binden, om hem te doen, gelijk als hij ons gedaan heeft. 11 Toen kwamen drie duizend mannen af uit Juda tot het hol der rots Etam, en zeiden tot Simson: Wist gij niet, dat de Filistijnen over ons heerschen ? waarom hebt gij ons dan dit gedaan ? En hij zeide tot hen: Gelijk als zij mij gedaan hebben, alzoo heb ik hunlieden gedaan. 12 En zij zeiden tot hem: Wij zijn afgekomen om u te binden, om u over te geven in de hand der Filistijnen. Toen zeidc Simson tot hen: Zweert mij, dat gijlieden op mij niet zult aanvallen. 13 En zij spraken tot hem, zeggende: Neen, |
17 En hot geschiedde, als hij geëindigd had te spreken, zoo wierp hij liet kinnebakken uit zijne hand, en hij noemde dezelve plaats Ramath-Lechi. 18 Als hem nu zeer dorstte, zoo riep hij tot den Heeue, en zeide: Gij hebt door de hand van uwen knecht dit groote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand dezer quot; onbesnedenen V a 1. Sam. 17 : 2G, lili. 2 Sam. 1 : 20. li) Toen kloofde God do holle plaats, die in Lechi is, en er ging water uit van dezelve, en hij dronk. Toen kwam zijn geest weder, en hij werd levend. Daarom noemde hij haren naam: De fontein des aanroepers, die in Lechi is, tot op dezen dag. |
Anï. van Dmok; Siinsnn gevangen genomen (Riclit. 10:4).
|
maar wij zullen u wel hinden, en u in hunlieder hand overgeven; doch wij ziillen n geenszins dooden. En zij bonden hem met twee nieuwe touwen, en voerden hem op van do rots. 14 Als hij kwam tot Lechi, zoo juichten de Filistijnen hem te gemoot; maar de Goest dos Hee-uen werd vaardig over hem; en de touwen, die aan zijne armen waren, werden als linnen draden, die van het vuur gebrand zijn, en zijne banden versmolten van zijne handen. 15 En hij vond een vochtig ezelskinnebakken, on hij strekte zijne hand uit, on nam het, on sloeg daarmede duizend man. 1G Toen zeide Simson: Met een ezelskinnebakken, oenen hoop, twee hoopen, met een ezelskiime-uakken heb ik duizend man geslagen. |
20 En hij rigtte Israël, in de dagen der Filistijnen, twintig jaren. HOOFDSTUK 16. Simson draagt de poorten der stad Ga/,a op oenon berg, vs. 1. Zijne liefde tot Delüa brengt hem in dc magt dor Filistijnen, 4; die hem do oogen nit-steken en gevangen /.ottea, 21. Zijne laatste wraakoefening over zijne goclnehte vijanden, waarhij hij mede omkomt, 28. SIMSON nu ging heen naar Gaza; en hij zag aldaar eene vrouw, die eeno hoer was; en hij ging tot haar in. 2 Toen word den Gazieton gezegd: Simson is hier ingekomen; zoo gingen zij rondom, on leiden hom den ganschen nacht lagen in do stadspoort; doch zij hielden zich den ganschen nacht stil, -17* |
UIOTKPvEN 1G.
|
zeggende: 'l'ot aan het morgenlicht dan zullen wij hem dooden. 3 Maar Simson lag tot middernacht toe; toen stond hij op ter middernacht, en hij groep de deuren dor stadspoort mot do beide posten, en nam ze weg met den grondelboom, en leide ze op zijne schouderen, en droeg zo opwaarts op do hoogte dos borgs, die in liet gozigt van Hebron is. 4 En hot geschieddo daarna, dat hij eono vrouw lief kroeg, aan do boek Sorek, welker naam was Dolila. ó Toen kwamen do vorston der Filistijnen tot haar op, en zeiden tot haar: Overreed hem, en zio, waarin zijne grooto kracht zij, en waarinodo wij hem zouden magtig worden, on hom binden, om hem te plagen; zoo zullen wij u geven, eon iegelijk, duizend en honderd zilverlingen. (5 Dolila dan zoide tot Simson: Vorklaar mij toch, waarin uwe grooto kracht zij, on waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden, dat men u plago. 7 En Simson zeido tot haar: Indien zij mij bondon mot zeven versche zolen, die niet verdroogd zijn, zoo zou ik zwak worden, en wezen als een ander monsch. 8 Toon bragton do vorsten dor Filistijnen tot haar op zeven versche zolen, die niet verdroogd waren; on zij bond hom daarmede. !) Do achtorlage nu zat bij haar in oono kamer. Zoo zoide zij tot hom: De Filistijnen over u, Simson! Toen verbrak hij do zolen, gelijk als oen snoertje van grof vlas verbroken wordt, als het vuur riekt. Alzoo werd zijne kracht niot bekend. 10 Toen zoide Delila tot Simson: Zio, gij hebt met mij gespot, en leugenen tot mij gesproken; vorklaar mij toch nu, waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden? 11 En hij zoide tot haar: Indien zij mij vastbonden mot nieuwe touwen, mot dewelke geen werk gedaan is, zoo zou ik zwak worden, en wezen als eon ander monsch. 12 Toen nam Delila nieuwe touwen, on bond hem daarmede, en zoide tot hom: Do Filistijnen over u, Simson! (De achtorlage nu was zittende in oono kamer.) Toen verbrak hij zo van zijne armen als oenen draad. 13 En Dolila zoide tot Simson: Tot hiertoe hebt gij met mij gespot, en leugenen tot mij gespro-kon; vorklaar mij toch nu, waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden. En hij zoide tot haar: Indien gij do zeven haarlokkon mijns hoofds vlochtot aan oenen weversboom. 14 En zij maakte zo vast mot oono pin, en zoide tot hom; Do Filistijnen over u, Simson! Toon waakte hij op uit zijnen slaap, en nam weg do pin dor govlochtone haarlokken en don weversboom. 15 Toen zoide zij tot hem: Hoe zult gij zeggen: Ik heb u lief, daar uw hart niot mot mij is? gij hebt nu driemaal niet mij gespot, en mij niot verklaard, waarin uwe grooto kracht zij. 16 En het geschiedde, als zij hom alle dagen 1 |
mot hare woorden perste, en hom moeijelijk viel, dat zijne ziel verdrietig word tot stervens toe; 17 Zoo verklaarde hij haar zijn ganscho hart, en zoide tot haar: Er is nooit scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik bon een Nazireër Gods van mijner moedors buik af: indien ik geschoren wiord, zoo zou mijne kracht van mij wijkon, en ik zou zwak worden, en wezen als al do monschen. 18 Als nu Delila zag, dat hij haar zijn ganscho hart verklaard had, zoo zond zij heen, en riep do vorston dor Filistijnen, zeggende: Komt ditmaal op, want hij heeft mij zijn ganscho hart verklaard. En do vorston dor Filistijnen kwamen tot haar op, en bragton dat gold in hunne hand. 19 Toon dood zij hem slapen op hare knieën, on riep oenon man, on liet hem do zeven haarlokken zijns hoofds afscheren, en zij begon hein te plagen; en zijne kracht week van hom. 20 En zij zeiden: Do Filistijnen over u, Simson! En hij ontwaakte uit zijnen slaap, en zoide: Ik zal ditmaal uitgaan, als op andere malen, en mij uitschudden: want hij wist niot, dat do Heere van hom geweken was. 21 Toen grepen hom de Filistijnen en groeven zijne oogon uit; en zij voordon hem af naar Gaza, en bondon hem mot twee koperen ketenen, en hij was malende in liet gevangonhuis. 22 En het haar zijns hoofds begon weder te wassen, gelijk toen hij geschoren werd. 23 Toon verzamelden zich de vorston dor Filistijnen, om hunnen god Dagon oen groot offer te offeren, en tot vrolijkheid; en zij zeiden: Onze god heeft onzen vijand Simson in onze hand gegeven. 24 Desgelijks als hom het volk zag, loofden zij hunnen god, want zij zeiden: Onze god hooft in onze hand gegeven onzen vijand, en die ons land verwoestte, on die onzer verslagenen velen maakte! 25 En het geschieddo, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ons spelo. En zij riepen Simson uit het gevangonhuis; en hij speelde voor hunne aangezigten, en zij doden hem staan tusschen do pilaren. 26 Toen zoide Simson tot den jongen, die hom bij do hand hield: Laat mij gaan, dat ik de pilaren betaste, op dewelke hot huis gevestigd is, dat ik daaraan leno. 27 liet huis nu was vol mannen en vrouwen; ook waren daar alle vorsten der Filistijnen; en op hot dak waren omtrent drie duizend mannon en vrouwen, die toezagen, als Simson spoelde. 28 Toon quot;riep Simson tot don Heere, en zoide: Hoero, Heere! gedenk toch mijner, en sterk mij toch alleenlijk ditmaal, o God! dat ik mij mot oono wrake voor mijne twee oogon aan do Filistijnen wreke. «Hobr. 11 :32, enz. 29 En Simson vatte de twee middelste pilaren, op dewelke hot huis was gevestigd, on waarop hot steunde, don oenen met zijne regterhand, en den andoren mot zijne linkerhand; |
|
RIOTERF 30 En Simson zoido: Mijno ziel sterve mot cle Filistijnen! on liij boog zicli mot kracht, on hot huis viel op do vorsten, en op :il hot volk, dat daarin was. En de dooden, dio hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan die liij in zijn leven gedood had. 31 Toen kwamen zijne broeders af, en bet gansche huis zijns vaders, en namen hem op, on bragten hem opwaarts, en begroeven hem tusschen Zora |
N 16, 17. '261 honderd zilverlingen, dio u ontnomen zijn, om dewelke gij gevloekt hebt, en ook voor mijne ooren gesproken hebt, zie, dat gold is bij mij, ik heb dat genomen. Toen zoido zijne moeder: Gezegend zij mijn zoon don Heeue ! 3 Alzoo gaf hij aan zijne moeder do duizend on honderd zilverlingen weder. Doch zijne moeder zeide: Ik heb dat geld den Heere ganschelijk geheiligd van mijne hand, voor mijnen zoon, om |
|
on tusschen Esthaol, in hot graf van zijnen vader Manóach; hij nu had Israël gorigt twintig jin-en. HOOFDSTUK 17. Zekere Micha, wiens moedor van dooi' hom aun haar ontstolen geld beelden maken liet, vs. 1 , voert oene afgodendienst in, 5; waarover hij eonen Leviet, dien hij overhaalde bij hem te blijven, tot priester aanstelt, 7. EN er was een man van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Micha. |
2 Die zeide tot zijne moedor: De duizend en een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken; zoo zal ik hot u nu wedergeven. 4 Maar hij gaf dat geld aan zijne moeder weder. En zijne moedor nam twee honderd zilverlingen, en gaf zo don goudsmid, die maakte daarvan een gesneden beeld en een gegoten beeld; dat was in liet huis van Micha. 5 En do man Micha had oen Godshuis; en hij maakte oenen efod, en terafim, en vulde de hand van oenen uit zijne zonen, dat hij hom tot eonen priester ware. |
|
262 (i quot;Tii diozelve dagon was or goon koning in Israël; oon iogolijk deed wat rogt was in zijno oogen. a Rigt. 18 :1. L'l : 25. 7 Nu was or oon jongeling van Bethlohem-Juda, van het geslacht van Juda; dozo was eon Leviet, en verkeerde aldaar als vreemdeling. 8 En doze man was uit die stad, uit Bothlohem-Juda getogen, om to vorkeoron, waar hij (jcleycn-heid zou vinden. Als hij nu kwam aan het gebergte van Efraïm tot aan het huis van Miclia, om zijnen weg te gaan, 9 Zoo zeide Micha tot hom: Van waar komt gij ? En hij zeide tot hem: Ik ben een Leviet van Bethlehem-Juda, en ik wandele, om to verkeeren, waar ik yelegmheid zal vinden. 10 Toen zeide Micha tot hom: Blijf bij mij, en wees mij tot oenen vader en tot eeaen priester; on ik zal ii jaarlijks geven tien zilverlingen, en orde van kleederen, en uwen leeftogt; alzoo ging do Leviet met hem. 11 En de Leviet bewilligdo bij dien man to blijven; en do jongeling was hom als oon van zijne zonen. 12 En Micha vulde de hand van den Loviot, dat hij hem tot oenen priester wiord; alzoo was hij in hot huis van Micha. 13 Toen zeide Micha: Nu weet ik, dat de IIkere mij weldoen zal, omdat ik dezen Leviet tot oenen priester heb. HOOFDSTUK 18. Do üanioten, do gronzon van hun oiideol willende uitbreiden, zenden vijf mannon op verkenning uit, vs. 1. Bij Micha vertoevende, laten ilezo door den priester God raadplegen omtrent liunne reis, 3. Zij bespieden Laïs on komen bij do hunnen torng, waarop zes honderd mannen ten strijde worden toegerust, 7; die onderweg Micha zijne afgoden on boeiden ontrooven en don Leviet modenomen, 13. Micha eischt alles terug; maar to vergeefs, 24. Be-logering en verbranding van Laïs, 27. Ilerbouwing dier stad en haar naam, 28. Zij stichten afgoderij mot do beelden van Micha, 30. IN die dagen was or quot;geen koning in Israël; en in dezelve dagen zocht de stam der Danieten voor zich eene erfenis om te wonen; want juin was tot op dien dag onder de stammen van Israël niet (jenoegzaarn ter erfenis toegevallen. a Rigt. 17 : (i. 21 : 25. 2 Zoo zonden de kinderen van Dan nit hun geslacht vijf mannen uit hunne einden, niannen, die strijdbaar waren, van Zora en van Esthaol, om liet land te verspieden, en dat te doorzoeken; en zij zeiden tot hen: Gaat, doorzoekt het land. En zij kwamen aan hot gebergte van Efraïm, tot aan liet huis van Micha, en vernachtten aldaar. 3 Zijnde bij het huis van Micha, zoo kenden zij de stem van den jongeling, don Leviet; en zij weken daarheen, en zeiden tot hem: Wie heeft u hier gebragt, en wat doet gij alhier, ou wat liebt gij hier? |
4 En hij zeide tot hen: Zoo en zoo beeft Micha mij gedaan; on hij heeft mij gehuurd, en ik ben hem tot oenen priester. 5 Toen zeiden zij tot hem: Vraag toch God, dat wij mogen weten, of onze weg, op welken wij wandelen, voorspoedig zal zijn. (i En de priester zeide tot hen: Gaat in vrede; uw weg, welken gij zult heentrekken, is voor den Heere. 7 Toen gingen die vijf mannen heen, en kwamen to Laïs; en zij zagen hot volk, hetwelk in der-zelver midden was, zijnde gelegen in zekerheid, naar de wijze der Zidoniërs, stil en zeker zijnde; en daar was geen erfheer, dio iemand om eenigo zaak schande aandeed in dat land; ook waren zij verre van de Zidoniërs, en hadden niets te doen met eenigon mensch. 8 En zij kwamen tot hunne broederen te Zora cn to Esthaol, on hunne broeders zeiden tot hen: Wat zegt gijlieden? i) En zij zeiden: Maakt u op, en laat ons tot hen optrekken, want wij hebben dat land bezien, on ziet, hot is zoor goed; zoudt gij dan stil zijn? woest niet lui om to trekken, dat gij honen inkomt, om dat land in erfelijke bezitting te nemen: 10 (Als gij daarhenen komt, zoo zult gij komen tot een zorgeloos volk, en dat land is wijd van ruimte) want God heeft het in uwe hand gegeven; eene plaats, alwaar geen gebrek is van eenig ding, dat op de aarde is. 11 Toen reisden van daar uit hot geslacht der Danieten, van Zora en van Esthaol, zes honderd man, aangegord met krijgswapenen. 12 En zij togen op, en legerden zich bij Kirjath-Jearim, in Juda; daarom noemden zij deze plaats quot; Machané-Dan, tot op dezen dag; ziet, hot is achter Kirjath-Jearim. « l{igt. 13:25. 13 En van daar togen zij door naar het gebergte van Efraïm, on zij kwamen tot aan hot huis van Micha. 14 Toen antwoordden do vijf mannen, die gegaan waren om hot land van Laïs te verspieden, on zeiden tot hunne broederen: Weet gijlieden ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden on ecu gegoten beeld? zoo weet nu wat u te doen zij. 15 Toen weken zij daarheen, en kwamen aan het huis van den jongeling, den Leviet, ten huize van Micha; en zij vraagden hem naar vrede. 16 En de zes honderd niannen, die van de kinderen van Dan waren, met hunne krijgswapenen aangegord, bleven staan aan de deur van do poort. 17 Maar do vijf niannen, die gegaan waren om het land te verspieden, gingen op, kwamen daarhenen in, en namen weg het gesneden beeld, en don efod, on de terafim, on het gegoten beeld: de priester nu bleef staan aan de dour van de poort, met do zes honderd mannen, die mot krijgswapenen aangegord waren. 18 Als die nu ten huize van Micha waren ingegaan, en het gesnoden beeld, den efod, en de RIGTEREN 17, 18. |
RI GTE REN 18, 10.
|
torafini, un het gogotcn beeld weggenomen hadden , zoo zeide de priester tot hen; Wat doet gijlieden ? 19 En zij zeiden tot hem: Zwijg, leg uwe hand op uwen mond, en ga niet ons, en wees ons tot eenen vader en tot oenen priester! Is het boter, dat gij oen priester zijt voor hot huis van oenen man, of dat gij priester zijt voor een' stam, en een geslacht in Israël? '20 Toen werd het hart van den priester vrolijk, en hij nam den efod, en de terafim, en het gesneden beeld, en hij kwam in het midden des volks. 21 Alzoo keerden zij zich, en togen voort; en zij stelden do kinderkens, en het vee, en de bagaadje voor zich. 22 Als zij nu verre van Micha's huis gekomen waren, zoo werden de mannen, zijnde in de huizen, die bij het huis van Micha waren, bijeengeroepen , en zij achterhaalden de kinderen van Dan. 23 En zij riepen de kinderen van Dan na; dewelke hunne aangezigten omkeerden, en zeiden tot Micha: Wat is u, dat gij bijeengeroepen zijt? 24 Toen zeide hij: Gijlieden hebt mijne goden, die ik gemaakt had, weggenomen, mitsgaders den priester, en zijt weggegaan; wat heb ik nu moer? wat is het dan, dat gij tot mij zegt: Wat is u ? 25 Maar de kinderen van Dan zeiden tot hem: Laat uwe stem bij ons niet hooren, opdat niet misschien mannen, van bitteren gemoede, op u aanvallen, en gij uw leven verliest, en hot loven van uw huis. 26 Alzoo gingen do kinderen van Dan huns weegs; en Micha, ziende, dat zij sterker waren dan hij, zoo keerde hij om en kwam weder tot zijn huis. 27 Zij dan namen wat Micha gemaakt had, en den priester, dien hij gehad had, en kwamen te Laïs, tot een stil en zeker volk, en sloegen hen met de scherpte dos zwaards, en de stad verbrandden zij met vuur. 28 En or was niemand, die hen verloste, want zij was verre van Zidon, en zij hadden niets met eenigon mensch te doen; en zij lay in het dal, dat bij Beth-Rechob is. Daarna herbouwden zij de stad, en woonden daarin. 2!) quot;En zij noemden den naam der stad Dan, naar den naam huns vaders Dan, die aan Israël geboren was: hoewel de naam dezer stad te voren Laïs was. a Jok. 19:47. SO En de kindoren van Dan rigtten voor zich dat gesneden beeld op; en Jonathan, de zoon van Gersom, don zoon van Manasse, hij en zijne zonen waren priesters voor den stam der Danie-ten, tot den dag toe, dat hot land gevankelijk is weggevoerd. :!1 Alzoo stelden zij onder zich liet gesneden beeld van Micha, dat hij gemaakt had, al do dagen, dat hot huis Gods to Silo was. |
HOOFDSTUK 19. Eon Loviot roist van Eïruïm naar Botlilehem, om zijn lioiii ontrouw geworden hijwijf terug to liaicn, vs. 1. Zijiio vrioiulohjko ontvangst bij iiaron vader, 4. Op zijnen terugtogt met /.ijno vrouw to Gibea overnachtende, wordt do oor der laatste door do inwoners dier stad snood geschonden, 13; hetwelk hij besluit niet ongewroken to moeten laten, cn roept daartoe al do stuminon ton strijde op, 29. HET geschiedde ook in die dagen, quot; als er geen koning was in Israël, dat er een ieviotisch man was, verkeerendo als vreemdeling aan de zijden van het gebergte van Efraïm, die zich oone vrouw, een bijwijf, nam van Bethlehom-Juda. a Rigt. 17:(i. IS : 1. 21 : 25, 2 Maar zijn bijwijf hoereerde, bij hom zijnde, en toog van hem weg naar haars vaders huis, tot Bethlehom-Juda; en zij was aldaar eenigo dagen, te weten vier maanden. ;i En haar man maakte zich op, en toog haar na, om naar haar hart te sproken, om haar weder te halen; en zijn jongen was bij hem, en oen paar ezelen. En zij bragt hem in het huis haars vaders. En als do vader van de jonge vrouw hem zag, werd hij vrolijk over zijne ontmoeting. 4 En zijn schoonvader, de vader van do jonge vrouw, behield hem, dat hij drie dagen bij hom bleef; en zij aten en dronken, en vernachtten aldaar. ó Op den vierden dag nu geschiedde hot, dat zij des morgens vroeg op waren, en hij opstond om weg te trokken; toon zeide de vader van do jonge dochter tot zijnen schoonzoon: Sterk uw hart mot oeno bete broods, en daarna zult gijlieden wegtrekken. (i Zoo zaten zij neder, on zij beiden aten te zamen, en dronken. Toen zeide de vader van do jonge vrouw tot don man: Bewillig toch en vernacht, en laat uw hart vrolijk zijn. 7 Maar do man stond op, om weg te trokken. Toen drong hem zijn schoonvader, dat hij aldaar wederom vernachtte. 8 Als hij op don vijfden dag des morgens vroeg op was, om weg te trekken, zoo zoido de vader van de jonge vrouw: Sterk toch uw hart. En zij vertoefden, totdat do dag zich neigde; en zij beiden aten te zanten. 9 Toen maakte zich do man op, om weg te trekken, hij, en zijn bijwijf, en zijn jongen; en zijn schoonvader, do vader van de jonge vrouw, zeide: Zie toch, de dag hooft afgenomen, dat het avond zal worden, vernacht toch; zie, de dag-legert zich, vernacht hier, en laat uw hart vrolijk zijn, on maak u morgen vroeg op uws weegs, en ga naar uwe tent. 10 Doch de man wilde niet vernachten, maar stond op, on trok weg, en kwam tot tegenover Jebus (dewelke is Jeruzalem), on met hem het paar gezadelde ezelen; ook was zijn bijwijf mot hom. 11 Als zij nu bij Jebus waren, zoo was de dag zeer gedaald; on do jongen zeide tot zijnen hoer: |
KIGTEREN I!), 20.
|
Trok toeli voort, en laat ons in dozo stad der Jobusioten wijken, en daarin vernachten. 12 Maar zijn lieer zcide tot liein: Wij zullen herwaarts niet wijken tot eene vreemde stad, die niet is van do kinderen Israels; maar wij zullen voorttrekken tot GIbea toe. lü Voorts zoide hij tot zijnen jongen: Ga voort, dat wij tot eene van die plaatsen naderen, on to Gibea of to Rama vernachten. 14 Alzoo togen zij voort, en wandelden; en de zon ging hun onder bij Gibea, dewelke Benjamins is. 15 En zij woken daarheen, dat zij inkwamen, om in Gibea te vernachten. Toen hij nu inkwam, zat hij neder in eene straat der stad, want er was niemand, die hen in huis nam, om te vernachten. 16 En ziot, oen oud man kwam van zijn werk van liet veld in den avond: welke man ook was van hot gebergte van Efraïm, doch als vreemdo-ling verkeerde to Gibea; maar de lieden dozer plaats waren kinderen van Jemini. 17 Als hij nu zijne oogon ophief, zoo zag hij dien roizendon man op do straat der stad; en do oude man zeide: Waar trekt gij honen, on van waar komt gij ? 18 En hij zoide tot hom: Wij trokken door van Bethlohom-Juda tot aan do zijdon van liet goborgte van Efraïm, van waar ik bon; en ik was naar Betidehem-Juda getogen, maar ik trek nu naar hot huis des IIeeuen; en er is niemand, die mij in huis neemt. li) Daar toch onze ezelen zoo wel stroo als voeder hebben, on ook brood en wijn is voor mij, en voor uwe dienstmaagd, on voor den jongen, die bij uwe knechten is: er is aan geen ding gebrek. 20 Toon zeido do oude man: Vrede zij u! al wat ii ontbreekt, is toch bij mij; alleenlijk vernacht niet op do straat. 21 En hij bragt hem in zijn huis, en gaf aan do ezelen voeder; on hunne voeten gewasschen hebbende, zoo aten on dronken zij. 22 Toen zij nu hun hart vrolijk maakten, ziet, zoo omringden do mannen van die stad quot;(mannen, die Belials kinderen waren) het huis, kloppende op do deur; en zij spraken tot don ouden man, don hoor des huizes, zeggende: Breng den man, die in uw huis gekomen is, uit, opdat wij hem bekennen. aQon. 19:4, en/,. Hos. 9:9. 10:9. 23 En do man, de hoor dos huizes, ging tot hen uit, on zoide tot hen: Niet, mijne broeders! doet toch zoo kwalijk niet; naardien deze man in mijn huis gekomen is, zoo doet zulke dwaasheid niet. 24 Ziot, mijne dochter, die maagd is, en zijn bijwijf, die zal ik nu uitbrengen, dat gij dio schendt, on haar doet, wat goed is in uwe oogen; maar doet aan dozen man zulk een dwaas ding niet. 25 Maar de mannen wilden naar hem niet hooren. Toen greep de man zijn bijwijf, on bragt haar uit tot hen daarbuiten; on zij bekenden haar, en waren mot haar bozig den ganschon nacht tot aan don morgen, on lieten haar gaan, als do dageraad oprees. |
26 En dozo vrouw kwam tegen liet aanbreken van don morgenstond, on viel neder voor do deur van het huis dos mans, waarin haar hoer was, totdat hot lioht werd. 27 Als nu haar hoor dos morgens opstond, en do deuren van hot huis opendeed, on uitging om zijns weegs te gaan, ziot, zoo lag do vrouw, zijn bijwijf, aan do dour van hot huis, en hare handen op den dorpel. 28 En hij zeido tot haar: Sta op, en laat ons trekken; maar niemand antwoordde. Toon nam hij haar op den ezel, on do man maakte zich op, en toog naar zijne plaats. 29 Als hij nu in zijn huis kwam, zoo nam hij oen mes, on groep zijn bijwijf, en doolde haar met hare beenderen in twaalf stukkon; en hij zond zo in allo landpalen van Israël. 30 En het gescliieddo, dat al wie het zag, zeido: Zulks is niet geschied noch gezien, van dien dag af, dat do kindoren Israels uit Egypteland zijn opgetogen, tot op dozen dag; legt uw hart daarop, geeft raad en spreekt! HOOFDSTUK 20. Do Israëlieten verzamelen zich te Mizpa om do giu-welen aan liet bijwijf van den Leviet gepleegd, vs. 1. Zij dringen bij de Benjaminieten op de uitlevering dor daders aan, zonder eenig gevolg, 12. Oorden zich op (lods bevel tot den krijg, maar worden tweemaal geslagen, 17. Op hnnne verootmoediging echter en na nader onderrigt door den hoogepriester van Ood, mogt het hun gelukken Benjamin te vernederen en behalve zes honderd man, die ontkwamen , te verdelgen, 2(J. TOEN togen allo kinderen Israels uit, en do vergadering vorzamolde zich, als oen ooiiig man, van Dan af tot Bor-sóba toe, ook hot land van Giload, tot den Heere to Mizpa. 2 En uit do hoeken des ganschon volks stolden zich al do stammen van Israël in de vergadering van het volk Gods, vier honderd duizend man te voet, die liet zwaard uittrokken. 3 (De kindoren Benjamins nu hoorden, dat do kinderen Israels opgetogen waren naar Mizpa.) En de kinderen Israels zeiden: Spreekt, hoe is dit kwaad geschied? 4 Toen antwoordde de lovietischo man, do man van do vrouw, die gedood was, en zeide: Ik kwam mot mijn bijwijf te Gibea, dewelke Benjamins is, om te vernachten. 5 En do burgers van Gibea maakten zich togen mij op, en omringden tegen mij hot huis bij nacht: zij dachten mij te doodon, en mijn bijwijf hebben zij geschonden, dat zij gestorven is. 6 Toen groep ik mijn bijwijf, en doolde haar, on zond haar in hot gansche land der erfenis van Israël, omdat zij eene schandelijke daad en dwaasheid in Israël gedaan hadden. 7 Ziet, gij allen zijt kinderen Israels, geeft hier voor ulioden woord en raad! |
|
8 Toen maakte zicli al liet volk op, als oeu oenig man, zeggendo: Wij zullen niet gaan, een ieder naar zijne tent, noch wijken, een ieder naar zijn huis. !) Maar nu, dit is do zaak, die wij aan Gibea zullen doen: tegen haar bij het lot! 10 En wij zullen tien mannen nemen van honderd , van allo stammen Israels, en honderd van duizend, en duizend van tien duizend, om teerkost te nomen voor het volk, opdat zij, komende te Geba-Benjamins, haar doen naar al do dwaasheid, die zij in Israël gedaan heeft. 11 Alzoo werden allo mannen van Israël verzameld tot deze stad, verbonden als een oenig man. 12 En de stammen van Israël zonden mannen door den ganschon stam van Benjamin, zeggende: Wat voor een kwaad is dit, dat onder ulioden geschied is? 13 Zoo geeft nu dio mannen, die «kinderen Holials, die te Gibea zijn, dat wij hon dooden, on bot kwaad uit Israël wegdoen. b Doch do kinderen van Benjamin wilden niet hooron naar do stem van hunne broederen, do kinderen Israels. a Bigt. 19 : 22. i 1 los. 9:0. 10:9. 14 Maar de kindoren van Benjamin verzamelden zich uit de steden naar Gibea, om iiit te trokken ton strijde tegen do kinderen Israëls. 15 En de kindoren van Benjamin worden to dien dage geteld uit de steden, zes on twintig duizend mannen, die hot zwaard uittrokken, behalve dat do inwoners van Gibea getold werden, zeven honderd uitgelozene mannon. 16 Onder al dit volk waren zovon honderd uitgelozene mannon, welke quot; linksch waren: deze allen slingerden mot oenen steen op oen haar, dat hot hun niet miste. « Higt. :gt;: 15. 17 En do mannon van Israël worden getold, behalve Benjamin, vier honderd duizend mannen, die hot zwaard uittrokken: deze allen waren mannon van oorlog. 18 En de kinderen Israëls maakten zich op, en togen opwaarts ten huize Gods, en vraagden God, en zeiden: Wie zal onder ons vooreerst optrokken ten strijde togen de kinderen van Benjamin V en do Heere zoide: Juda vooreerst. 19 Alzoo maakten zich do kinderen Israëls in don morgenstond op, en legerdon zich togen Gibea. 20 En de mannen van Israël togen uit ton strijde tegen Benjamin; voorts schikten do mannen Israëls don strijd togen hon bij Gibea. 21 Toon togen de kinderen van Benjamin uit van Gibea, en zij vernielden tor aarde op dien dag van Israël twee en twintig duizend man. 22 Doch hot volk versterkte zich, te weten do mannen van Israël, on zij beschikten den strijd wederom tor plaatse, waar zij dien dos vorigen daags geschikt hadden. 23 En do kinderen Israëls togen op, on woonden voor hot aangezigt des Heeuen tot op don avond, en vraagden den Heere, zeggende: Zal ik weder |
265 genaken ton strijde tegen do kinderen van Benjamin, inijnon broeder? En do Heeiie zeide: Trekt tegen hein op. 24 Zoo naderden do kinderen Israëls tot de kinderen van Benjamin, dos anderen daags. 25 En dio van Benjamin trokken uit hun te gemoot, uit Gibea, op den tweedon dag, en volden van dc kinderen Israëls nog achttien duizend man nodor tor aarde; die allen trokken het zwaard uit. 26 Toon togen allo kinderen Israëls en nl het volk op, en kwamen ten huizo Gods, en weenden, en bloven aldaar voor het aangezigt dos Hekken, en vastten dien dag tot op den avond; on zij offerden brandofferen on dankofforen voor hot aangezigt dos Heeuen. 27 En dc kinderen Israëls vraagden den Heere, want aldaar was de ark dos verbonds van God in dio dagen. 28 En Pinehas, do zoon van Eloazar, don zoon van Aiiron, stond voor zijn aangezigt in die dagen, zeggende: Zal ik nog moor uittrokken ton strijde tegen do kinderen van Benjamin, mijnen brooder, ol' zal ik ophouden? en do Heere zoidc: Trekt op, want morgen zal Ik hem in uwe hand geven. 29 Toen bestelde Israël quot;achterlagen op Gibea rondom. a Joz. 8:4. 30 En de kinderen Israëls togen op, aan den derden dag, togen do kindoren van Benjamin; en zij schikten den strijd op Gibea, als op do andere malen. 31 Toen togen do kinderen van Benjamin uit, het volk tc gemoot, en werden van do stad afgetrokken; en zij begonnen te slaan van het volk en te doorstoken, gelijk de andere malen, op de straten, waarvan de oene opgaat naar hol huis Gods, en do andere naar Gibea, in het veld, omtrent dertig man van Israël. 32 Toen zeiden do kinderen van Benjamin: Zij zijn voor ons aangezigt geslagen, als to voren; maar de kinderen Israëls zeiden: Laat ons vlieden, on hem van do stad aftrekkon naar do straten. 33 Toen maakten zich allo mannen van Israël op uit hunne plaatsen, en schikten den strijd te Baiil-Thainar; ook brak Israëls achterlage op uit hare plaats, na de ontblooting van Geba. 34 En tien duizend uitgelozene mannen van ganscb Israël kwamen van tegenover Gibea, en de strijd werd zwaar; doch zij wisten niet, dat het kwaad bon troffen zou. 35 Toen sloeg do Heere Benjamin voor Israëls aangezigt, dat do kinderen Israëls op dien dag van Benjamin vernielden vijf en twintig duizend on honderd mannen; die allen trokken het zwaard uit. 36 En de kinderen van Benjamin zagen, dat zij geslagen waren : want do mannen van Israël gaven don Benjaiiiinioten plaats, omdat zij vertrouwden op do achterlage, die zij tegen Gibea gesteld hadden. RIGTEREN 20. |
RIGTEREN 20, 21.
266
|
37 En do achtorlagc haastto, on brak voorwaarts naar Gibea too; jii do achtorlago trok royt door, on sloeg do ganscho stad mot do scherpte dos zwaurds. :i8 En de mannen van Israël hadden oenen ho-stomden tijd mot do aohtorlage, wanneer /.ij oone grooto verheffing van rook van do stad zoudon doen opgaan. Ili) Zoo koordon zich do mannon van Israël om in den strijd; on Benjamin had begonnen to slaan en te doorsteken van do mannen van Israël omtrent dertig man: want zij zeiden: Immers is hij zekerlijk voor ons aangezigt geslagen, als in den vorigon strijd. 40 Toon begon de verheffing op te gaan van do stad, als oen pilaar van rook; als mi Benjamin achter zich omzag, ziet, zoo ging do brand der stad op naar den hemel. 41 En do mannen van Israël koorden zich om; en do mannen van Benjamin worden verbaasd, want zij zagen, dat hot kwaad hen treffen zou. 42 Zoo wendden zij zich voor hot aangezigt der mannen van Israël naar den weg der woestijn; maar de strijd kleefde hen aan, on die uit de steden vernielden zo in hot midden van hen. 4.'i Zij omringden Benjamin, zij vervolgden hom, zij vertraden hem gemakkelijk, tot voor Giboa, togen don opgang dor zon. 44 En er vielen van Benjamin achttien duizend mannen; deze allen waren strijdbare mannen. 40 Toon keurden zij zich, en vlodon naar de woestijn, tot den rotsstoen van Rimmon; maar zij doden eene nalezing onder hen op do straten, van vijf duizend man; voorts kloefden zij hen achteraan tot aan Gfdeom, en sloegen van hen twee duizend man. 46 Alzoo waren allen, die op dien dag van Benjamin violen, vijf en twintig duizend mannon, die liet zwaard uittrokken; die allen waren strijdbare mannen. 47 Doch zes honderd mannon koerden zich , en vloden naar do woestijn, tot don quot;rotsstoen van Rimmon, en bleven in don rotssteen van Rimmon, vier maanden. n Rigt. 21 : 13. 48 En do mannen van Israël koerden weder tot do kinderen van Benjamin, en sloegen hen met do scherpte dos zwaards, die van de geheelo stad tot do beesten toe, ja al wat gevonden word; ook zotten zij allo steden, die gevonden werden, in hot vuur. HOOFDSTUK 21. Do Israëlieten bcweenen do uitroeijing van Benjamin, vs. 1. Zij wenden pogingen aan tot herstelling van den stam, 7. Zij belegeren .labos on geven vier honderd maagden dier stad aan de overgeblevene Benjaminieten, 10, terwijl tot verkrijging van nog twee honderd vrouwen eene schaking op het jaar-lijksche feest to Silo wordt aangeraden, 20. DE mannon van Israël nu hadden to Mizpa gezworen, zeggende: Niemand van ons zal zijne dochter aan de Benjaminieten tor vrouwe geven. |
2 Zoo kwam het volk tot hot huis Gods, on zij bleven daar tot op don avond, voor Gods aangezigt; en zij hieven hunne stem op en woonden mot groot geween, 3 En zeiden: O Heere, God van Israël! waarom is dit geschied in Israël, dat er heden oen stam van Israël gemist wordt? 4 En het geschiedde des andoren daags, dat zich het volk vroeg opmaakte, en bouwde aldaar oen altaar; en zij offerden brandofferon ondank-offeren. 5 En do kinderen Israëls zeiden: Wie is er, die niet is opgekomen in do vergadering uit al de stammen van Israël tot don Heere? want er was een grooto eed geschied aangaande dongono, die niet opkwam tot don Heere te Mizpa, zeggende: Hij zal zekerlijk gedood worden. 6 En hot berouwde den kinderen Israëls over Benjamin, hunnen broeder; en zij zeiden: Heden is oen stam van Israël afgesneden. 7 Wat zullen wij, belangende de vrouwen doen aan degenen, die overgebleven zijn? want wij hebben bij don Heere gezworen, dat wij hun van onze dochteron goono tot vrouwen zullen geven. 8 En zij zeidon: Is er iemand van do stammen van Israël, die niet opgekomen is tot den Heere te Mizpa? En ziet, van Jabos in Giload was niemand opgekomen in het leger, tot de gemeente. !) Want het volk werd getold, en ziet, or was niemand van do inwoners van Jabos in Gilead. 10 Toen zond do vergadering daarheen twaalf duizend mannen, van de strijdbaarste; en zij geboden hun, zeggende: Trekt hoon, en slaat met de scherpte des zwaards de inwoners van Jabos in Giload, mot de vrouwen en de kinderkous. 11 Doch dit is do zaak, die gij doen zult: quot;al wat mannelijk is, en alle vrouwen, die de bijligging eens mans bekend hebben, zult gij verbannen. rt Num. 31: 17. 12 En zij vonden onder do inwoners van Jabos in Giload vier honderd jonge dochters, die maagden waren, dio geenon man bekend hadden in bijligging dos mans; en zij bragten die in het leger te Silo, dewelke is in hot land Kanaan. 13 Toen zond de ganscho vergadering heen, en sprak tot do kindoren van Benjamin, die in don quot; rotssteen van Rimmon waren, en zij riepen hun vrede toe. a Rigt. 20 : 47. 14 Alzoo kwamen de Benjaminieten tor zolver tijd weder; en zij gaven hun do vrouwen, die zij in hot loven behouden haddon van de vrouwen van Jabos in Giload; maar alzoo waren er nog niet genoeg voor hen. 15 Toen berouwde hot den volke over Benjamin, omdat do Heere oone schoure gemaakt had in de stammen van Israël. 16 En de oudsten der vergadering zeiden : Wat zullen wij, belangende de vrouwen, doen aan |
RUTH 1.
207
|
degenen, die overgoblovon zijn? want de vrouwen zijn uit Benjamin verdelgd. 17 Wijders zeiden zij: Do erfenis dergenon, die ontkomen zijn, is van Benjamin, en er moet geen stam uitgedelgd worden uit Israël. 18 Maar wij zullen hun geene vrouwen van onze dochteren kunnen geven: want do kinderen Israels hebben gezworen, zeggende: Vervloekt zij, die den Benjaminieten eene vrouw geeft! 1!) Toen zeiden zij: Ziet, er is een feest des Hekken te Silo, van jaar tot jaar, dat yehouden wordt tegen het noorden van het huis Gods, togen den opgang der zon, aan den hoogen weg, die opgaat van het huis Gods naar Siehein, en tegen hot zuiden van Lebóna. 20 En zij geboden den kinderen van Benjamin, zeggende: Gaat hoen, en loert in de wijngaarden, 21 En let er op, en ziet, als de dochters van Silo zullen uitgegaan zijn om met reijen te dansen, zoo komt gij voort uit do wijngaarden, en schaakt u, een ieder zijne huisvrouw, uit do dochteren van Silo; en gaat heen in hot land van Benjamin. |
22 En het zal geschieden, wanneer hare vaders of hare broeders zullen komen, om voor ons te regten, dat wij tot hon zullen zeggen: Zijt hun om onzentwil genadig, omdat wij geene huisvrouw voor een ieder van hen in dozen krijg genomen hebben; want gijlieden hebt zo hun niet gegeven, dat gij te dezer tijd schuldig zoudt zijn. 23 En do kindoren van Benjamin doden alzoo, en voerden naar hun getal vrouwen weg, van de reljonde dochters, dio zij roofden; on zij togen heen, en keerden weder tot hunne erfenis, en herbouwden de steden, en woonden daarin. 24 Ook togen do kinderen Israels to dier tijd van daar, een iegelijk naar zijnen stam en naar zijn geslacht; alzoo togen zij uit van daar, oen iegelijk naar zijne erfenis. 25 quot; In die dagen was er geen koning in Israël, een iegelijk dood wat rogt was in zijne oogen. a Rigt. 17 : 0. 18: 1. 19 : I. |
HET BOEK VAN RUTH.
|
HOOFDSTUK 1. Elimi'dccii, con Uetlilohcmiet, door hongersnood godrongen, verlaat /.ijno stad, oin in Moab te gaini wonen, vs. 1; alwaar hij en zijne twee zonen, dio mot vrouwen van dat land gehuwd waren, sterven, 3. Naómi, nu weduwe, begeeft zich mot haro sciioon-dochtors Orpa on Ruth op reis naar haar vaderland, 0. Naómi vermaant boule schoondochters weder te keeren, 8. Ruth wil Naómi niet verlaten, 14; en komt alzoo mot Naómi to Bethlehem, 1!). IN de dagen, als de rigters rigtten, zoo ge-schioddo het, dat er honger in hot land was: daarom toog oen man van Bethlehem-Juda, om als vreemdeling te verkeeren in do velden Moabs, hij, en zijne huisvrouw, en zijne twee zonen. 2 De naam nu dezes mans was Elimélech, oude naam zijner huisvrouw Naómi, en do naam zijnor twee zonen Machlon en Chiljon, Efrathers, van Bethlehem-Juda; en zij kwamen in de velden Moabs, en bleven aldaar. 3 En Elimélech, de man van Naómi, stierf; maar zij werd overgelaten met hare twee zonen. 4 Die namen zich Moabietischo vrouwen; de naam der eene was Orpa, en de naam der andere Ruth; en zij bleven aldaar omtrent tien jaren. 5 En die twee, Machlon en Chiljon, stierven ook; alzoo werd deze vrouw overgelaten, na hare twee zonen en na haren man. 0 Toen maakte zij zich op met haro schoondochters, en keerde weder uit do velden van Moab: want zij had gehoord in het land van Moab, dat de He ere zijn volk bezocht had, gevende hun brood. |
7 Daarom ging zij uit van de plaats, waar zij geweest was, en hare twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op don weg, om weder te keeren naar het land van Juda, 8 Zoo zeide Naómi tot hare twee schoondochters: Gaat heen, keert weder, een iegelijk tot het huis van haro moedor; do Heere doe bij u weldadigheid, gelijk als gij gedaan hebt bij de dooden, en bij mij. !) De Heere geve u, dat gij ruste vindt, oen iegelijk in hot huis van haren man! En als zij haar kuste, hieven zij hare stem op en weenden; 10 En zij zeiden tot haar: Wij zullen zekerlijk met u woderkeeron tot uw volk. 11 Maar Naómi zoide: Keert weder, mijne dochters! waarom zoudt gij mot mij gaan? heb ik nog zonen in mijn ligchaam, dat zij u tot mannen zouden zijn? 12 Koert weder, mijne dochters! gaat heen, want ik ben te oud om oenen man te hebben. Wanneer ik al zeide: Ik heb hoop, of ik ook in dozen nacht oenen man had, ja ook zonen baarde; 13 Zoudt gij daarnaar wachten, totdat zij zouden groot geworden zijn; zoudt gij daarnaar opgehouden worden, om geenen man te nemen? Niot, mijne dochters! want hot is mij voel bitterder dan u; maar de hand dos Heeren is togen mij uitgegaan. 14 Toon hieven zij hare stem op, en weenden wederom; en Orpa kuste hare schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan. 15 Daarom zeide zij: Zio, uwe zwagerin is wedergekeerd tot haar volk en tot hare goden; keer gij ook weder uwe zwagerin na. |
RUTH 1, 2.
268
|
1() Maar Ruth zoido: Val mij niot tegen, dat ik li zou verlaten, om van achter u weder te keeren: want waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God. 17 Waar gij zult sterven, zal ik sterven, en aldaar zal ik begraven worden; alzoo doe mij do He ere en alzoo doe Hij daartoe, zoo niet do dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tusschen u! 18 Als zij nu zag, dat zij vastolijk voorgenomen had met haar te gaan, zoo hield zij op tot haar to sproken. 1!) Alzoo gingen die beiden, totdat zij te Roth-lehein kwamen; en hot geschiedde, als zij te Rothlehom inkwamen, dat do gansche stad over haar beroerd werd, en zij zeidon: Ts dit Naomi? 20 Maar zij zeide tot henlieden: Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara: want do Almagtige heeft mij groote bitterheid aangedaan. 21 Vol toog ik weg, maar ledig hooft mij de Heere doen woderkeoren; waarom zoudt gij mij Naómi noenion, daar de Heere tegen mij getuigt, en do Almagtige mij kwaad aangedaan hooft? 22 Alzoo kwam Naomi weder, on Ruth, de Moa-hietische, hare schoondochter, mot haar, die uit de velden Moabs wederkwam; en zij kwamen te Rethlohom in hot begin van den gerstooogst. HOOFDSTUK 2. Ruth, uitgaande om aren op te lezen, komt juist op hot veld van Boaz, vs. 1 ; dio haar zoor vriendelijk behandelt, 8. Ruth, to huis komendo, verhaalt haar wedervaren aan hare moedor, 18. Naomi dankt God hiervoor, 20; en vonnaant Kuth op don akker 1o blijven, 22. NAOMI nu had oenen bloedvriend van haren man, oenen man, geweldig van vermogen, van hot geslacht van Elimélech; en zijn naam was quot; Boaz. a Matt. 1 : 5. 2 En Ruth, de Moabietische, zeide tot Naómi: Laat mij toch in het veld gaan, on van do aren oplezen, achter dien, in wiens oogen ik genade zal vinden. En zij zeide tot haar: Ga heen, mijne dochter! 3 Zoo ging zij heen, en kwam, on las op in hot veld, achter do maaijers; on haar viel bij geval voor, een dool van hot void van Boaz, die van het geslacht van Elimélech was. 4 En ziet, Boaz kwam van Betidohem, on zoide tot do maaijers: De Heere zij mot ulieden! En zij zeiden tot hom: Do Heere zegeno u! 5 Daarna zeido Boaz tot zijnen jongen, die over de maaijers gezet was: Wiens is deze jonge vrouw? (i En do jongen, die over de maaijers gezet was, antwoordde en zoido: Deze is do moabietische jonge vrouw, die mot Naómi wedergokomen is uit do velden Moabs; 7 En zij hoeft gezegd: Laat mij toch oplezen en aren hij do garven verzamelen, achter de maaijers; |
zoo is zij gekomen en hooft gestaan van des morgens af tot nu toe; nu is haar te huis blijven weinig. 8 Toen zeido Boaz tot Ruth: Hoort gij niet, mijne dochter? ga niot, om in een ander veld op te lozen, ook zult gij van hier niot weggaan, maar hier zult gij u houden bij mijne maagdon. !) Uwe oogen zullen zijn op dit veld, dat zij maaijen zullen, en gij zult achter haarlieden gaan; heb ik don jongens niet geboden, dat men u niot aanroero? als u dorst, zoo ga tot de vaten, en drink van hetgeen de jongens zullen geschopt hebben. 10 Toon viel zij op haar aangozigt, en boog zich tor aarde, en zij zoido tot hom: Waarom heb ik genade gevonden in uwe oogen, dat gij mij kent, daar ik eone vreemde ben? 11 En Boaz antwoordde en zoido tot haar: Het is mij wel aangezegd alles, wat gij bij uwe sehoon-mooder gedaan hebt, na don dood uws mans, en hebt uwen vader en uwe moedor, en hot land uwer geboorte verlaten, en zijt heengegaan tot oen volk, dat gij van te voren niot kondot. 12 Do Heere vergolde u uwe daad! en uw loon zij volkomen, van don Heere, den God Israels, onder wiens vleugelen gij gekomen zijt om toe-vlugt to nomen. 13 En zij zeido: Laat mij genade vindon in uwe oogen, mijn hoor! dewijl gij mij getroost hebt, en dewijl gij naar hot hart uwer dienstmaagd gesproken hebt, hoewol ik niot ben, gelijk eone uwer dienstmaagden. 14 Als hot nu etenstijd was, zeido Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het brood, en doop uwe bote in don azijn. Zoo zat zij neder aan do zijde van do maaijers, en hij langde haar geroost koren, en zij at, en word verzadigd, en hield over. 15 Als zij nu opstond, om op te lozen, zoo go-bood Boaz zijnen jongens, zeggende: Laat haar ook tusschen de garven oplozen, en beschaamt haar niet. 16 Ja laat ook allengskens vau do handvollen voor haar wat vallen, en laat hot liggen, dat zij het oplezo, en bestraft haar niet. 17 Alzoo las zij op in dat veld, tot aan den avond; en zij sloeg uit wat zij opgelezen had, en hot was omtrent eone efa gerst. 18 En zij nam het op, en kwam in de stad; en hare schoonmoeder zag wat zij opgelezen had; ook bragt zij voort, en gaf haar wat zij van hare verzadiging overgehouden had. 19 Toen zeido hare schoonmoeder tot haar: Waar hebt gij heden opgelezen, en waar hebt gij gewrocht? Gezegend zij, die u gekend hooft! En zij verhaalde hare schoonmoeder, bij wion zij go-wrocht had, on zeido: De naam des mans, bij welken ik heden gewrocht heb, is Boaz. 20 Toon zeide Naómi tot hare schoondochter: Gezegend zij hij don Heere, die zijne weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan |
RUTH 2, 3, 4.
26!)
|
de dooclen! Voorts zcido Naóiui tot haar: Die man is ons nabestaande, liij is een van onze lossers. 21 En Ruth, do Moabietisclie, zeide: Ook, omdat hij tot mij gezegd heeft: Gij zult u houden bij de jongens, die ik heb, totdat zij den ganschen oogst, dien ik heb, zullen hebben voleindigd. 22 En Naomi zeide tot hare schoondochter Ruth: Het is goed, mijne dochter! dat gij niet zijne maagden uitgaat, opdat zij u niet tegenvallen in een ander veld. 23 Aizoo hield zij zich bij de maagden van Boaz, om op te lezen, totdat do gersteoogst en tarweoogst voleindigd waren; en zij bleef hij hare schoonmoeder. HOOFDSTUK 3. Op Naómi's raad, vs. 1, gaat Ruth naar don dorseh-vloer van Boaz on logt zich nedor aan /ijne voeten; G; dio haar ontwarende, haar vriondolijk bojogont on hot rogt van lossing erkent, 8; doch daar er oen ander was nader dan hij, wil hij met dien eerst spreken, 12; waarop hij Rnth, rijk beladen, naar buis zendt, 14. EN Naomi, hare schoonmoeder, zeide tot haar: Mijne dochter! zoude ik u geene rust zoeken, dat het u welga ? 2 Nu dan, is niet Boaz, met wiens maagdon gij geweest zijt, van onze bloedvriendschap? Zie, hij zal dezen nacht gerst op den dorschvloer wannen. 3 Zoo baad u, en zalf u, en doe uwe kleedoren aan, en ga af naar den dorschvloer; maar maak u den man niet bekend, totdat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken. 4 En het zal geschieden, als hij nederligt, dat gij do plaats zult merken, waar hij zal nederge-legen zijn; ga dan in, en sla zijn voetdeksel op, en leg u; zoo zal hij u te kennen geven, wat gij doen zult. 5 En zij zeide tot haar: Al wat gij tot. mij zegt, zal ik doen. (1 Alzoo ging zij af naar den dorschvloer, en deed naar alles, wat hare schoonmoeder haar geboden had. 7 Als nu Boaz gegeten en gedronken had, en zijn hart vrolijk was, zoo kwam hij om neder te liggen aan het uiterste van oen' /corerehoop. Daarna kwam zij stilletjes in, ou sloeg zijn voetdeksel op, en loide zich. 8 En het geschiedde ter middernacht, dat die man verschrikte, en om zich greep, en ziet, eeno vrouw lag aan zijn voetdeksel. !) En hij zeide: Wie zijt gij? En zij zeide: Ik hou Rnth, uwe dienstmaagd; breid dan uwen vleugel uit over uwe dienstmaagd, want gij zijt do losser. 10 En hij zeide: Gezegend zijt gij den Heere, mijne dochter! gij bobt deze uwe laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eorsto, dewijl gij geene jonge gezellen zijt nagegaan, hetzij arm of rijk. |
11 En nu, mijne dochter! vreos niet; al wat gij gezegd hebt, zal ik u doen: want de gansche stad mijns volks weet, dat gij eeno deugdelijke vrouw zijt. 12 Nu dan, wel is waar, dat ik oen losser ben; maar er is nog een losser, nader dan ik. 13 Blijf dezen nacht over; voorts in den morgen zal hot geschieden, indien hij u lost, goed, laat hem lossen; maar indien liet hem niot lust n te lossen, zoo zal ik u lossen, zoo waarachtiy ah de Heeke loeft! leg u neder tot don morgen toe. 14 Alzoo lag zij neder aan zijn voetdeksel tot den morgen toe; en hij stond op, oer dat een don ander kennen kon, want hij zeide: Het worde niet bekend, dat eeno vrouw op den dorschvloer gekomen is. 15 Voorts zeide hij: Lang den slnijer, dio op u is, en houd dien; en zij hield hem: en hij mat zes Hiaten gerst, en loide ze op haar; daarna ging hij in de stad. Ki Zij nu kwam tot hare schoonmoeder, dewelke zeide: Wie zijt gij, mijne dochter? En zij verhaalde haar alles, wat die man haar gedaan had. 17 Ook zeide zij: Deze zes maten gerst hoeft hij mij gegeven; want hij zeide tot mij; Kom niet ledig tot uwe schoonmoeder. 18 Toen zeide zij: Zit stil, mijne dochter! totdat gij weet, hoe de zaak zal vallen: want die man zal niet rusten, tenzij dat hij heden deze zaak voleind hebbe. HOOFDSTUK 4. Boaz daagt den naasten losser voor hot gorogt en stolt hom voor, of hij Rnth trouwen wildo, vs. 1 ; dio dit weigert on aan Boaz zijn rogt afstaat, (!. Boaz houdt alzoo zijne belofte aan Rnth, en onder do golukwenschihgen dos volks wordt hot huwelijk voltrokken, 10; dat mot kinderen gozogond wordt, 13. Geslachtregister van Perez tot David, 18. EN Boaz ging op in de poort, en zotte zich aldaar; en ziet, de losser, van welken Boaz gesproken had, ging voorbij; zoo zeide hij: Wijk herwaarts, zet u hier, gij, zulk een! En hij week derwaarts, en zette zich. 2 En hij nam tien mannen van de oudsten der stad, en zeide: Zet u hier; en zij zetten zich. 3 Toen zeide hij tot dien losser: Het stuk lands, dat van onzen broeder Elimélech was, heeft Naomi, dio uit der Moabieten land wedergekomen is, verkocht; 4 En ik heb gezegd: Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende: Aanvaard het in tegenwoordigheid der inwoners, en in tegenwoordigheid der oudsten mijns volks, zoo gij hot zult lossen, los het; en zoo men het ook niet zou lossen, vorklaar hot mij, dat ik het wete: want or is niemand, behalve gij, die het losse, en ik na u. Toen zeide hij: Ik zal het lossen. 5 Maar Boaz zeide: Ten dage, als gij het land aanvaardt van do hand van Naómi, zoo zult gij hot ook aanvaarden van Ruth, do Moabietisclie, |
RUTH 4.
27(1
|
de huisvrouw des verstorvenen, om den naam des verstorvenen te verwekken over zijn erfdeel, (5 Toen zeide die losser: Ik zal het voor mij niet kunnen lossen, opdat ik mijn erfdeel niet misschien verderve; los gij mijne lossing voor u, want ik zal niet kunnen lossen. 7 quot;Nu was dit van ouds eene gewoonheid in Israël, bij de lossing en bij de verwisseling, om de gansche zaak te bevestigen, zoo trok de man zijnen schoen uit en gaf ilien aan zijnen naaste; en dit was tot eene getuigenis in Israël. « Deut. 25:7. 8 Zoo zeide deze losser tot Boaz: Aanvaard gij het voor u; en hij trok zijnen schoen uit. 0 Toen zeide Boaz tot de oudsten en al het volk: Gijlieden zijt heden getuigen, dat ik aanvaard |
12 En uw iiuirt zij, als het huis van quot;Perez, (dien Thamar aan Juda baarde) van het zaad, dat de TIeerk u geven zal uit deze jonge vrouw! a Oen. 38:29. 1 Kron. 2:4. Matt. 1 :3. 13 Alzoo nam Boaz Iluth, en zij werd hem ter vrouwe, en hij ging tot haar in; en de Heere gaf haar, dat zij zwanger werd en eenen zoon baarde. 14 Toen zeiden de vrouwen tot Naomi: Geloofd zij do Heere, die niet hoeft nagelaten u heden eenen losser te geven; en zijn naam worde vermaard in Israël! 15 Die zal u zijn tot eenen verkwikker der ziel, en om uwen ouderdom te onderhouden: want uwe schoondochter, die u liefheeft, heeft |
|
heb alles, wat van Elimélech geweest is, en alles, wat van Chiljon en Machlon geweest is, van de hand van Naomi. 10 Daartoe aanvaarde ik mij ook Ruth, de Moa-bietische, de huisvrouw van Machlon, tot eene vrouw, om den naam des verstorvenen over zijn erfdeel te verwekken, opdat de naam des verstorvenen niet worde uitgeroeid van zijne broederen, en van de poort zijner plaats; gijlieden zijt heden getuigen. 11 En al het volk, dat in de poort was, mitsgaders de oudsten, zeiden : Wij zijn getuigen; de Heere make deze vrouw, die in uw huis komt, als quot;Rachel en als Lea, die beiden hot huis van Israël gebouwd hebben: en handel kloekelijk in Efratha, en maak moen naam vermaard in Bethlehem! r/Oen. 29:32, on/.. 30:24, 25. 35:17, 18. |
hem gebaard, dewelke u beter is dan zeven zonen. 16 En Naómi nam dat kind, en zette het op haren schoot, en werd zijne voedster. 17 En de naburinnen gaven hem eenen naam , zeggende: Aan Naomi is een zoon geboren; en zij noemden zijnen naam Obed: deze is de vader van Isaï, Davids vader. 18 Dit nu zijn de geboorten van Perez: quot;Perez gewon Hezron ; a 1 Kron. 2 : 5. Matt. 1 : 3. 19 En Hezron gewon Ram; en Ram gewon Ainminadab; 20 En Amminadab gewon Nahesson; en Nahesson gewon Salma; 21 En Salmon gewon Boaz; en Boaz gewon Obed; 22 En Obed gewon Isaï; en Isaï gewon David. |
1 SAMUÃL 1.
HET EERSTE BOEK
van
SAMUÃL.
|
HOOFDSTUK 1. E'lkana viort jaarlijks foest to Silo met zijne beide vrouwen, vs. I; bij welke gelegenheid Poninna dan altijd Hanna bespotte, omdat zij kinderloos was, (i. Hanna's vurige en dringende bede tot don lleere om eenen zoon, 10. De priester Eli, meenende dat zij dronken was, berispt haar hierover, docli door Hanna beter onderrigt, wordt zij door hem vertroost, 12. Geboorte van Samuël en zijne toewijding aan den lleere, 20. DAAR was oen man van llamathaïin-Zofiin, van het gebergte van Efraïm, wiens naam was quot; E'lkana, oen zoon van Jorócham, den zoon van Elihu, den zoon van Tochu, den zoon van Zuf, een Efrathiet. «1 Kron. G; 2G, 27. 2 En hij had twee vrouwen: de naam van de oene was Hanna, en de naam van de andore was Poninna. Poninna nu had kindoren, maar Hanna had goene kindoren. :ï quot;Deze man nu ging opwaarts uit zijne stad van jaar tot jaar, om te aanbidden, en om te offeren don Heere der heirscharon te Silo; en aldaar waren priesters des IIeeren, Hofni en Pinehas, do twee zonen van Eli. «Ex. 23:14. Deut. 10: 10. 4 En het goschiodde op dien dag, als E'lkana offerde, zoo gaf hij aan Poninna, zijne huisvrouw, en aan al hare zonen en hare dochtoren, doelen. fi Maar aan Hanna gaf hij oen aanzienlijk dool, want hij had Hanna lief; doch do Heere had hare baarmoeder toegesloten. 0 En hare tegonpartijdigo tergde haar ook met terging, om haar te vergrimmen, omdat do Heere hare baarmoeder toegesloten had. 7 En alzoo dood hij jaar op jaar; van dat zij opging tot het huis des Heeren, zoo tergde zij haar alzoo; daarom weende zij en at niet. 8 Toen zoide E'lkana, haar man: Hanna! waarom woont gij? en waarom eet gij niet? en waarom is uw hart kwalijk gesteld? quot;ben ik u niet boter dan tion zonen? a Ruth. 4: 15 !) Toon stond Hanna op, nadat hij gegoten, en nadat hij gedronken had te Silo. En Eli, de priester, zat op oenen stoel bij oenen post van den tempel des Heeren. 10 Zij dan van ziel bitterlijk bedroefd zijnde, zoo bad zij tot don Heere, en zij woonde zoor. U En zij beloofde oene gelofte, enzeide: Heere â¢Ier heirscharon! zoo Gij eenmaal de ellende uwer dienstmaagd aanziet, en mijner gedenkt, en uwe dienstmaagd niet vergoot, maar geeft aan uwe dienstmaagd een mannelijk zaad, zoo zal ik dat den Heere geven al do dagen zijns levens, en or quot;zal geen scheermes op zijn hoofd komen. |
« Rigt. 13:5. 12 Hot geschiedde nu, als zij evenzeer bleef biddende voor het aangezigt des Heeren, zoo gaf Eli acht op haren mond. 13 Want Hanna sprak in haar hart, alleenlijk roerden zich hare lippen, maar hare stem word niet gehoord; daarom hield Eli haar voordronken. 14 En Eli zeido tot baar: Hoe lang zult gij u dronken aanstellen? doe uwen wijn van u. 15 Doch Hanna antwoordde en zoide: Noen, mijn heer! ik bon oene vrouw, bezwaard van geest; ik heb noch wijn noch sterken drank gedronken; maar ik heb quot; mijne ziel uitgegoten voor het aangezigt des Heeren. n Ps. 02:!). 10 Acht toch uwe dienstmaagd niet voor oene dochter Polials: want ik heb tot nu toe gesproken uit do veelheid van mijne gedachten en van mijn verdriet. 17 Toon antwoordde Eli on zoide: (ïa heen in vrede! en de God Israels zal uwe bede geven, die gij van Hom gebeden hebt. 18 En zij zoide: Laat uwe dienstmaagd genade vinden in uwe oogen! Alzoo ging die vrouw baars weegs; en zij at, en haar aangezigt was haar zoodanig niet moor. 19 En zij stonden des morgens vroeg op, en zij aanbaden voor het aangezigt des Heeren, en zij koerden weder, en kwamen tot hun huis te llama. En E'lkana bekende zijne huisvrouw Hanna, en do Heere gedacht aan haar. 20 En het geschiedde, na verloop van dagen, dat Hanna bevrucht word, en baarde oenen zoon, on zij noemde zijnen naam Samuël: Want, ze it Ie zij, ik hob hom van don Heere gebeden. 21 En die man, E'lkana, toog op mot zijn gan-scho huis, om don Heere te offeren het jaar-lijksche offer, on zijne gelofte. 22 Doch Hanna toog niet op, maar zij zoide tot haren man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hom brengen, dat hij voor hot aangezigt des Heeren verschijne, en blijve daar tot in eeuwigheid. 23 En E'lkana, haar man, zoide tot haar: Doo wat goed is in uwe oogen, blijf totdat gij hein zult gespeend hebben; de Heere bovostigo maar zijn woord! Alzoo bleef do vrouw, en zoogde haren zoon, totdat zij hom speende. 24 quot;Daarna, als zij hem gespeend had, bragt zij hem met zich opwaarts, met drie varren, on eeno efa moois, en oeno flesch mot wijn; en zij |
1 SAMUEL 1 , 2.
272
|
bragt hom in hot huis dos IIeeren to Silo: ou het jongsken was zeer jong. «Luk. 2:41. 25 En zij slagtton een' var; alzoo bragten zij liet kind tot Eli. 2G En zij zeide: Och mijn hoer! zoo waarac.htUj al* uwe ziel loeft, mijn hoer! ik ben die vrouw, die hier bij u stond, om den Hkere te bidden. 27 Ik bad om dit kind, en de IIeere heeft mij mijne bode gegeven, die ik van Hem gebeden heb. 28 Daarom heb ik hem ook don IIeere overgegeven al de dagen, die liij wezen zal, hij is van den IIeere gebeden ; en hij bad aldaar den IIeere aan. HOOFDSTUK 2. Lofzang van Hanna, in weikon zij 's Heeron weldadigheid , zoo in hot algemeen als in het bijzonder, roemt, vs. 1 ; en de hoogmoedigheid met een eindelijk verderf bedreigt, 3. Verhaal der boosheid van Eli's zonen, 12; en Samuëls getrouw betrachten van zijne dienst, 18. Hanna verkrijgt meer kinderen, 21. Eli's strafbare onvor-schillighoid omtrent do misdaden zijner zonen van Oods wage met den ondergang van zijn gansche huis bedreigd, 22. TOEN bad Hanna on zeido: quot;Mijnhart springt van vreugde op in don IIeere ; mijn hoorn is verhoogd in den IIeere; mijn mond is wijd opengedaan over mijne vijanden: want ik verheug mij in uw heil. a Luk. 1 : 40 2 Er is niemand heilig, gelijk do IIeere: want quot;er is niemand dan Gij, on or is geen rotssteen, gelijk onze God! a üout. 3:24. I's. 8ü : 8. 3 Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uwen mond zou gaan: want do IIeere is oen God dor wetenschappen, en zijne daden zijn regt gedaan. 4 De boog dor sterkon ia gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord. |
5 Die quot; verzadigd waren, hebben zich vorimurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet moor; totdat do onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die velo kinderen had, krachteloos is geworden. aPs. 34:11. Klgld. 5:6. Luk. 1:53. (! De quot;IIeere doodt on maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet ireder opkomen. a Deut. 82:39. Ezoc. 37: 11, 12, onz. 7 De IIeere maakt arm en maakt rijk; Ilij vernedert, ook verhoogt Hij. 8 quot; Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Ilij hen den stoel der oere doe beërven : b want de grondvesten des aardrijks zijn des Heeren, en Hij heeft de wereld daarop gezet. a Job 30 : 15. Ps. 113 : 7, 8. Luk. 1 :52. h Ps. 24 : 2. 102:26. 104:5. 9 Hij zal do voeten zijner gunstge-nooton bewaren, maar de goddeloo-zen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht. 10 Die met den IIeere twisten, zullen verpletterd worden; quot;Hij zal in don hemel over hen donderen: do Heere zal de einden der aarde rig-ten, en zal zijnen b Koning sterkte geven, en don hoorn zijns Gezalfden ver-li oogen ! a 1 Sam. 7:10. b Ps. 2 : G. 89 : 25. 11 Daarna ging E'lkana naar Rama in zijn huis; maar de jongeling was don Heere dienende voor het aanschijn van den priester Eli. 12 Doch de zonen van Eli waren kinderen Relials; zij kenden den Heere niet. 13 Want do wijze dier priesters met het volk was, dat, wanneer iemand eene offerande offerde, des priesters jongen kwam, terwijl het vloesch kookte, mot eenen driotandigen kraauwel in zijne hand. 14 En sloeg in de teile, of in den ketel, of in de pan, of in don pot; al wat de kraauwel optrok, dat nam de priester voor zich. Alzoo |
1 SAMUÃL 2, 3.
27:!
|
deden zij aan al do Israëlieten, die te Silo kwamen. li) Ook eer zij liet vat aanstaken, kwam des priesters jongen, en zeide tot den man, die offerde: Geef dat vleesch om te braden voor den priester: want hij zal geen gekookt vleesch van u nemen, maar raauw. K! Wanneer nu die man tot hom zeide: Zij zullen dat vet als heden ganschelijk aansteken, zoo neem dan voor n, gelijk als liet uwe ziel lusten zal; zoo zeide hij tot hem: Nu zult gij liet immers geven, en zoo niet, ik zal het met geweld nemen. 17 Alzoo was do zonde dezer jongelingen zeer groot voor het aangezigt des Heeren: want de lieden verachtten het spijsoffer des Heeren. 18 Doch Samuël diende voor het aangezigt des Heeren, zijnde een jongeling, omgord met den linnen lijfrok. 19 En zijne moeder maakte hem eenen kleinen rok, en bragt hem dien van jaar tot jaar, als zij opkwam met haren man, om het jaarlijksche offer te offeren. 20 En Eli zegende E'lkana, en zijne huisvrouw, on zeide: Do Heere geve u zaad uit doze vrouw voor de bede, die zij don Heere afgebeden heeft. En zij gingen naar zijne plaats. 21 Want de Heere bezocht Hanna, en zij werd bevrucht, en baarde drie zonen en twee dochters; on de jongeling Samuël werd groot bij don Heere. 22 Doch Eli was zeer oud, en hoorde al wat zijne zonen aan gansch Israël doden, en dat zij sliepen bij de vrouwen, die met hoopen zamen-kwamen aan de deur van do tont der zamenkomst. 23 En hij zeide tot hen: Waarom doet gij al zulke dingen, dat ik deze uwe booze stukken hooro van dit ganscho volk ? 24 Niet, mijne zonen! want dit is goon goed gerucht, dat ik hoor; gij maakt, dat liet volk des Heeren overtreedt. 25 Wanneer oen mensch tegen eon' mensch zondigt, zoo zullen de goden hem oordoelen; maar wanneer een mensch togen don Heere zondigt, wie zal voor hein bidden? Doch zij hoorden do stem huns vaders niet, want de Heere wilde lien dooden. 26 quot;En do jongeling Samuël nam toe, en werd groot en aangenaam heide bij den Heere en ook l»ij de menschen. a Luk. 2 : 52. 27 En er kwam een man Gods tot Eli, en zeide tot hom: Zoo zegt de Heere: Heb Ik Mij niet klaarlijk geopenbaard aan hot huis uws vaders, toen zij in Egypte waren, in liet huis van Faraö ? a Hand. 7 : 26, enz. 28 En Ik heb hom uit alle stammen van Israël Mij ton priester verkoren, om te offeren op mijn dtaar, om het reukwerk aan te steken, om den üfod voor mijn aangezigt te dragon; en quot; heb aan liet huis uws vaders gegeven al de vuurofferen an de kinderen Israels. f«Lev, 10:14. |
29 Waarom slaat gijlieden quot; achteruit tegen mijn slagtoffer, on togen mijn spijsoffer, hetwelk Ik geboden lioh in de woning; en eert uwe zonon meer dan Mij, dat gijlieden u mest van liet voornaamste van alle spijsoffers van mijn volk Israël? a Dout. 32 : 15. 30 Daarom spreekt de Heere, do God Israëls: Ik had wel klaarlijk gezegd: Uw quot;huis on uws vaders luiis zouden voor mijn aangezigt wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt do Heere: Dat zij verre van Mij! want die Mij oeren, zal Ik oeren, maar die Mij versmaden, zullen ligt geacht worden. a Ex. 28: 43. 29 :9. 31 Zie, de dagen komen, dat Ik uwen arm zal afhouwen, on don arm van uws vaders huis, dat or geen oud man in uw huis wezen zal. 32 En gij zult aanschouwen de benaauwdhoid der woning Gods, in plaats van al het goede, dat Hij Israël zou gedaan hebben; en er zal te geenon dage een oud man in uw huis zijn. 33 Doch do man, dien Ik u niet zal uitrooijen van mijn altaar, zou zijn om uwe oogon te verteren , en ojii uwe ziel te bedroeven; en al de menigte uws huizes zal sterven, mannen geworden zijnde. 34 Dit nu zal u een teeken zijn, hetwelk over uwe beide zonen, over Hofni en Pinehas, komen zal: op éónon dag zullen zij beiden sterven. 35 En Ik zal Mij eenen getrouwen priester verwekken; die zal doen, gelijk als in mijn hart en iu mijne ziel zijn zal; dien zal Ik oen bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezigt mijns Gezalfden wandelen. 36 En hot zal geschieden, dat al wie van uw huis zal overig zijn, zal komen, om zich voor hem neder te buigen voor een stukje gelds, on oen' bolle broods, en zal zeggen: Neem mij toch aan tot eenige priesterlijke bediening, dat ik oene bete broods moge eten. HOOFDSTUK 3. Samuël wordt in oenon nacht driemaal van den Heere geroepen, terwijl hij meende, dat Eli hom riep, vs. 1 ; maar voor de vierde maal antwoordt hij don Heere, 10; die hem het verschrikkelijke lot van Eli's huis openbaart, 11. Eli dringt bij Samuël aan to mogen weten, wat de Heere tot hem gesproken had, 15. Eli onderwerpt zich aan den wil des Heeren, 18. Samuël wordt als profeet door geheel Israël erkend en geëerd, 20. EN de jongeling Samuël diende don Heere voor het aangezigt van Eli; en hot woord dos Heeren was dierbaar in die dagen, er was geen openbaar gezigt. 2 En het geschiedde te dien dage, als Eli op zijne plaats noderlag, (en quot;zijne oogen begonnen donker to worden, dat hij niet zien kon) a 1 Sam. 4 : 15. 3 En Samuël zich ook nedergelegd had, eer de lampe Gods uitgedaan werd, in don tempel ties Heeren, waar de ark Gods was, 4 Dat de Heere Samuël riep; en hij zeide: Zie, hier ben ik. -ik |
1 SAMUÃL 3, 4.
|
5 En hij liep tot Eli on zeide: Zio, hier Lkmi ik, want yij hobt mij geroepen. Doch hij zeide: Ik heh niet geroepen, keer weder, leg u neder. En hij ging heen en leide zich neder. fi Toen riep de Heere Sainuël wederom; en Samnël stond op, en ging tot Eli, en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Ilij dan zeide: Ik heb niet geroepen, mijn zoon! koer weder, leg u neder. 7 Doch Samuël kende den Heere nog niet; en liet woord des IIeeren was aan hem nog niet geopenbaard. « Toen riep de Heere Samuël wederom, ten derde maal; en hij stond op, en ging tot Eli, en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hobt mij go-roepen. Toen verstond Eli, dat de Heere den jongeling riep. !) Daarom zeide Eli tot Samuël: Ga heen, leg u neder, en het zal geschieden, zoo Hij u roept, zoo zult gij zeggen: Spreek, Heere! want uw knecht hoort. Toen ging Samuël heen en leide zich aan zijne plaats. 10 Toen kwam de Heere, en stelde zich daar, en riep gelijk do andere malen: Sainuël, Sainuël! En Samuël zeide: Spreek, want uw knecht hoort. 11 En de Heere zeide tot Samuël: Zio, Ik doe eon ding in Israël, dat al wie het hooron zal, dien quot; zullen zijne beide ooren klinken. o 2 Kon. '21 : 12. .Ter. 10 :r!, 12 Te dienzelven dage zal Ik verwekken over Eli alles, wat quot;Ik tegen zijn huis gesproken heb; Ik zal hot beginnen on voleinden. «1 Sam. 2:31. Ill Want Ik hob hem te kennen gegeven, dat Ik zijn huis rogten zal tot in eeuwigheid, om dor ongorogtighoids wil, die hij geweten hooft: want als zijne zonen zich hebben vervloekt gemaakt, zoo hooft hij hen niet eens zuur aangezien. 14 Daarom dan heb Ik hot huis van Eli gezworen : Zoo do ongoregtighoid van het huis van Eli tot in eeuwigheid zal verzoend worden door slagtoffer of door spijsoffer! 15 Samuël nu lag tot aan don morgen, toen deed hij de deuren van hot huis dos Heeren open; doch Samuël vreesde dit gozigt aan Eli to konnon te geven. 1(1 Toon riep Eli Sainuël, en zoido: Mijn zoon Samuël! Ilij dan zoido: Zio, hier ben ik. 17 En liij zeide; Wat is hot woord, dat Hij tot u gesproken heeft? verberg het toch niet voor mij; God doe u zoo, en zoo doe Hij daartoe, indien gij een woord voor mij verborgt van al de woorden, die Hij tot u gesproken hooft! 18 Toen gaf hem Samuël te kennen al die woorden, en verborgde ze voor hem niet. En hij zeide: Ilij is de Heere, Hij doe wat goed is in zijne oogen! 10 Sainuël nu werd groot; en de Heere wras met hom, en liet niet een van al zijne woorden op de aarde vallen. 20 En gansch Israël, van Dan tot Berséba toe. |
bekende, dat Samuël bevestigd was tot een' profeet des Heeren. 21 En do Heere voer voort te verschijnen to Silo, want do Heere openbaarde zich aan Samuël te Silo, door het woord dos IIeeren. HOOFDSTUK 4. Israël door do Filistijnen geslagen, vs. 1. Do ark dos vorboiuls in hot leger gobragt, wordt door hot volk met gojnich ontvangen, 3; hetwelk schrik verspreidt onder de Filistijnen, 0; die echter weder moed vatten on andermaal over Israël zegepralen, 0. De ark wordt genomen; dood van Eli's zonen, 11. Eli dit vernemende, valt achterwaarts van zijnen stoel en breekt den nek, 18; en zijne schoondochter, mode ten gevolge van don schrik, sterft in don arbeidj nadat /.ij oenen zoon gebaard heeft, dien zij den naam gaf van Ikabod, 10. EN het woord van Samuël geschiedde aan gansch Israël. En Israël toog uit den Filistijnen te ge-moet ten strijde, en legerde zich bij Eben-Haëzer, maar de Filistijnen legerden zich bij Afek. 2 En de Filistijnen stelden zich in slagorden, om Israël te ontmoeten; en als zich de strijd uitspreidde, zoo werd Israël voor der Filistijnen aangezigt geslagen: want zij sloegen in de slagorden in het veld omtrent vier duizend man. 3 Als het volk wederom in het leger gekomen was, zoo zeiden de oudsten van Israël; Waarom heeft ons de Heere heden geslagen voor het aangezigt der Filistijnen? Laat ons van Silo tot ons nemen de ark des verbonds dos Heeren, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de band onzer vijanden. 4 Het volk dan zond naar Silo, en men bragt van daar de ark des verbonds des Heeren der heirscharen , quot; die tusschen do cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni on Pinehas, waren daar met de ark des verbonds van God. a 2 Sam. G ; 2. Ps. 80:2. 00; 1. 5 En het geschiedde, als de ark des verbonds des Heeren in hot leger kwam, zoo juichte gansch Israël met eon groot gejuich, alzoo dat do aarde dreunde. 6 Als nu de Filistijnen de stem van het juichen hoorden, zoo zeiden zij; Wat is de stem van dit groote juichen in het leger dor Ilebreën? Toen vernamen zij, dat de ark dos IIeeuen in het leger gekomen was. 7 Daarom vreesden de Filistijnen, want zij zeiden ; God is in het leger gekomen. En zij zeiden; Wee ons, want diergelijke is gisteren en eergisteren niet geschied! 8 Wee ons, wie zal ons redden uit do hand van deze heerlijke Goden? Dit zijn dezelve Goden, die do Egyptonaars met alle plagen geplaagd hebben, bij de woestijn. 9 Zijt sterk, en woest mannon, gij Filistijnen! opdat gij de Ilebreën niet misschien dient, quot;gelijk als zij ulieden gediend hebben; zoo zijt mannen, en strijdt. «Rigt. 13; 1. 10 Toen streden de Filistijnen, en Israël werd |
1 SAMUiX 4, 5, 0.
|
geslagen, en zij vloden een iegelijk in zijne tenten; en er geschiedde eene zeer groot,e nederlaag, zoodat er van Israël violen dertig duizend voetvolks. 11 En quot;de ark Gods werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinohas, stierven. al Sam. 2:32, 34. Ps. 78:01. 12 Toen liep er een Benjaminiet nit de slagorden, en kwam te Silo denzclfden dag; en zijne kleederen waren gescheurd, en er quot; was aarde op zijn hoofd. a Joz. 7:0. 13 En als hij kwam, ziet, zoo zat Eli op eenen stoel aan de zijde van den weg, uitziende: want zijn hart was sidderende van wege de ark Gods. Als die man kwam, om zulks te verkondigen in de stad, toen schreeuwde de gansche stad. 14 En als Eli de stem des geroeps hoorde, zoo zeide hij: Wat is de stom dezer beroerte? Toen haastte zich do man, en hij kwam en boodschapte het aan Eli. 15 (Eli nu was een man van acht en negentig jaren, en zijne oogen stonden quot;stijf, dat hij niet zien kon.) n\ Sam. 3:2. 1(! En die man zoido tot Eli: Ik ben het, die uit de slagorden kom, en ik bon heden uit de slagorden gevloden. Hij dan zeide: Wat is er geschied, mijn zoon? 17 Toen antwoordde hij, dio do boodschap bragt, en zeide: Israël is gevloden voor liet aangezigt der Filistijnen, en er is ook eene groote nederlaag onder hot volk geschied; daarenboven zijn uwe twoo zonen, Hofni en Pinehas, gestorven, en de ark Gods is genomen. 18 En het geschiedde, als liij van do ark Gods vermeldde, zoo viel hij achterwaarts van den stoel af, aan de zijde der poort, en brak don nok, en stierf, want de man was oud en zwaar; cu hij rigtto Israël veertig jaren. 19 En zijne schoondochter, do huisvrouw van Pfnehas, was bevrucht, zij zou baren; als doze do tijding hoorde, dat do ark Gods genomen was, ou haar schoonvader gestorven was, en haar man, zoo kromde zij zich, en baarde, want hare weeën overvielen haar. -0 En omtrent den tijd van haar sterven, zoo spraken de vrouwen, die bij haar stonden: Vrees niet, want gij hebt eenon zoon gebaard. Doch zij antwoordde niet, en nam het niet tor harte. 21 En zij noemde het jongskon I'kabod, zeg-geudo: De eer is weggevoerd uit Israël! omdat 'lo ark Gods gevankelijk weggevoerd was, en om i-lars schoonvaders en haars mans wil. 22 En zij zeide: De oor is gevankelijk weggevoerd uit Israël, want de ark Gods is genomen. HOOFDSTUK 5. quot;o Filistijnon, in hot bozit dor ark, plaatsen haar te Asdod in den tempel van Dagon, vs. 1; die tor aarde valt, 3; dit geschiedt don volgendon dag andonnaal, terwijl hot hoofd oa do handen zija afgevallen, 4. Zij voeren do ark weg; doch in elke stad, waar /.ij dio inbrengen, worden de inwoners met zware plagen geplaagd, fi. Zij besluiten do ark naar Israël terug to zenden, 11. |
DE Filistijnen nu namen de ark Gods, en zij bragten ze van Ehen-IIaëzer tot Asdod. 2 En do Filistijnen namen do ark Gods, en zij bragten ze in het huis van Dagon, en stolden ze bij Dagon. 3 Maar als die van Asdod dos andoren daags vroeg opstonden, ziet, zoo was Dagon op zijn aangezigt ter aarde gevallen voor de ark des Heeren. En zij namen Dagon en zetten hem weder op zijne plaats. 4 Toen zij nu des anderen daags des morgens vroeg opstonden, ziet, Dagon lag op zijn aangezigt ter aarde gevallen voor do ark des Heeren; maar het hoofd van Dagon, en do beide palmen zijnor handen afgehouwen, aan don dorpel: alleenlijk was Dagon daarop overig gebleven. n Daarom treden de priesters van Dagon, ou allen, die in het huis van Dagon komen, niet op don dorpel van Dagon te Asdod, tot op dezen dag. (i Doch de hand dos Heeren was zwaar over die van Asdod, en verwoestte hen: en Hij sloofi' zo mot spenen, quot;Asdod en hare landpalen. a Ps. 78: GG. 7 Toen nu de mannen te Asdod zagen, dat hot alzoo tocgimj, zoo zeiden zij: Dat de ark dos (Jods van Israël bij ons niet blijve, want zijne hand is hard over ons, en over Dagon, onzen god. 8 Daarom zonden zij heen, en verzamelden tot zich al de vorsten der Filistijnen, on /,ij zeiden: Wat zullen wij met de ark des Gods van Israël doen? En dio zeiden: Dat de ark des Gods van Israël rondom Gath ga. Alzoo droegen zij de ark dos Gods van Israël rondom. !) En hot geschiedde, nadat zij dio haddon rondom gedragen, zoo was de hand des Heeren togen die stad met eene zeer groote kwelling, want lil] sloeg de lieden dier stad van don kleine tot den groote, en zij hadden spenen in do verborgene plaatsen. 10 Toen zonden zij de ark Gods naar Ekron; maar hot geschiedde, als do ark Gods te Ekron kwam, zoo riepen die van Ekron, zeggende: Zij hebben do ark dos Gods van Israël tot mij rondom gobragt, om mij en mijn volk te dooden. 11 En zij zonden heen, en vergaderden al do vorsten dor Filistijnen, en zeiden: Zendt de ark dos Gods van Israël heen, dat zij wederkoero tot hare plaats, opdat zij mij en mijn volk niet doode: want er was eene doodelijke kwelling in do gansche stad, en do hand Gods was er zoor zwaar. 12 En de menschen, die niet stierven, werden geslagen met spenen, zoodat hot geschrei der stad opklom naar den hemel. HOOFDSTUK (i. Nadat do ark zeven maanden bij do Filistijnen gewoosl is, besluiten zij mot hunne priesters do ark niet ledig, maar mot gosoheukon als oou selnddolFer, on â¢18* |
l SAMUÃL fi, 7.
27(;
|
op oonen iiioiiwen wngon mol tweo zogende kooijen bospiinnen, terug to zenden, vs. I. Do koeijon, die iiiin den wagon gespan non waren, gaan regt door naai' Beth-Sémes, waar de Levieten don Heere door IjrandolTeren verheerlijken, 12. Opgaaf der Filistijnsche vorsten en steden, die gouden spenen on muizen geofferd hebben, 17. De Both-Sémieters worden van God streng gestraft om hun nieuwsgierig inzien in de ark, 19. Verzoek om do ark naar Kirjath-Jearim te laten halen, 21. ALS nu do ark dos Heeukn zeven maanden in liet land der Filistijnen geweest was, 2 Zoo riepen do Filistijnen de priesters en do waarzeggers, zeggende: Wat zullen wij met de ark des Heeren doen? laat ons weten, waarmede wij ze aan hare plaats zenden zullen. 3 Zij dan zeiden: Indien gij do ark dos Gods van Israël wegzendt, zendt haar niet ledig weg, maar vergeldt Hem ganschelijk een schuldoffer; dan zult gij genezen worden, en ulieden zal bekend worden, waarom zijne hand van u niet afwijkt. 4 Toen zeiden zij: Wolk is dat schuldoffer, dat wij Hem vergelden zullen? En zij zeiden: Vijf gouden spenen, en vijf gouden muizen, naar hot getal van de vorsten der Filistijnen: want het is eenerlei plaag over u allen, en over uwe vorsten. 5 Zoo maakt dan beelden uwer spenen, en beelden uwer muizen, die het land verderven, en geeft den God van Israël de eer; misschien zal Hij zijne hand verligten van over ulieden, en van over uwen god, en van over uw land. (! Waarom toch zoudt gijlieden uw hart verzwaren, gelijk de Egyptenaars en Faraö hun hart verzwaard hebben? Hebben zij niet, toen Hij wonderlijk quot; met hen gehandeld had, hen laten trekken, dat zij heengingen? a Ex. 12:31. 7 Nu dan, noemt en maakt eenen nieuwen wagen, en twee zogende koeijen, op dewelke geen juk gekomen is; spant de koeijen aan den wagen, en brengt hare kalveren van achter haar weder naar huis. 8 Neemt dan de ark des Heeren, en zet ze op den wagen, en logt do gouden kleinooden, die gij Hem ten schuldoffer vergelden zult, in een koffertje aan hare zijde; en zendt zo weg, dat zij heenga. 9 Ziet dan toe, indien zij den weg van hare landpale opgaat naar Beth-Sémes, zoo heeft Hij ons dit groot kwaad gedaan; maar zoo niet, zoo zullen wij weten, dat zijne hand ons niet geraakt heeft; het is ons een toeval geweest. 10 En die lieden deden alzoo, en namen twee zogende koeijen, en spanden ze aan den wagen, en hare kalveren sloten zij in huis. 11 En zij zetten de ark des Heeren op don wagen, en hot koffertje met de gouden muizen, en de boeldon hunner spenen. 12 Do koeijen nu gingen regt in dien weg, op don weg naar Beth-Sémes op eene straat; zij gingen steeds voort, al loeijende, en weken noch ter regter- noch ter linkerhand; en de vorsten der Filistijnen gingen achter dezelve tot aan de landpale van Beth-Sémes. |
13 En die van Hoth-Sémes maaiden den tarweoogst in het dal, en als zij hunne oogen ophieven, zagen zij de ark en verblijdden zich, als zij die zagen. 14 En do wagen kwam op den akker van Jozua, don Beth-semiet, en bleef daar staande; en daar was oen groote steen, en zij kloofden hot hout van don wagen, en offerden de koeijen den Heere ten brandoffer. 15 En de Levieten namen de ark dos Heeren af en het koffertje, dat daarbij was, waarin de gouden kleinooden waren, en zetten zo op dien grooten steen; en die lieden van Beth-Sémes offerden brandofferen, en slagtton slagtofferen den Heere, op denzelven dag, 1(1 En als do vijf vorsten dor Filistijnen zulks gezien hadden, zoo keerden zij weder op denzelven dag naar Ekron. 17 Dit nu zijn do gouden spenen, die de Filistijnen aan den Heere ten schuldoffer vergolden hebben: Voor Asdod eene, voor Gaza eene, voor A'skelon eene, voor Gath eene, voor Ekron eene; 18 Ook gouden muizen, naar hot getal van alle steden dor Filistijnen, onder de vijf vorston, van de vaste steden af tot aan de landvlekken; en tot aan Abel, den grooten uteen, op denwelken zij de ark des Heeren nodergestold hadden, die tot op dozen dag is op den akker van Jozua, den Beth-semiet. 19 En de IIekhk sloeg onder die lieden van Beth-Sémes, omdat zij in de ark des Heeren gezien hadden; ja Hij sloeg van liet volk zeventig mannen, en vijftig duizend mannen. Toen bedreef het volk rouw, omdat do Heere eenen grooten slag onder het volk geslagen had, 20 Toen zeidon de lieden van Beth-Sémes: Wie zou kunnen bestaan voor het aangezigt van den Heere, dezen heiligen God? en tot wien van ons zal Hij optrekken? 21 Zoo zonden zij boden tot de inwoners van Kirjath-Jearim, zeggende: Do Filistijnen hebben do ark des Heeren wedorgehragt; komt af, haalt ze opwaarts tot u, HOOFDSTUK 7, Do ark te Kirjath-Jearim, vs, 1. Israël door Samnël tot bekoering vermaand, 3; gehoorzaamt, 4; en doet boote te Mizpa, 0, De Filistijnen vallen weder op Israël aan, 7; doch do lloere verlost bon van dezelve op Samuëls gebed, 8, Samnël rigt een gedenkteeken op voor deze overwinning, 12. Gedurende Samnëls leven worden do Filistijnen door Israël onderdrukt. 13. Samnël bezoekt al de steden des lands en keert wodor te Kama, 17. TOEN kwamen do mannen van Kirjath-Jearim, en haalden de ark des Heeren op, quot;en zij bragten ze in het huis van Abinadab, op den heuvel; en zij heiligden zijnen zoon Eleazar, dat hij do ark des Heeren bewaarde. a 2 Sarn. 0:4. 2 En het geschiedde, van dien dag af, dat de |
I SAMUÃL 7, 8.
|
ark den IIiuhikx to Kirjath-Jearim bleef, on do dagen worden vermenigvuldigd, on hot worden twintig jaren; en liet gansche hnis van Israël klaagde den Heere achterna. Toen sprak Samuöl tot hot gansche huis van Israël, zeggende: Indien gijlieden u met uw gansche hart tot don Heere bekeert, zoo doet de vroomdo goden uit het midden van u weg, ook de A'stharoths; en quot;rigt uw hart tot den Heere, en dient Hom alloen, zoo zal Hij u uit do hand dor Filistijnen rukken. «Dout. 6:13. 1(1:20. Matt. 4 : 10. Luk. 4 : 8. 4 De kinderen Israëls nu deden de Baiils on de A'stharoths weg, en zij dienden don Heere alleen. 5 Vorder zeide Samuöl: Vergadert hot gansche Israël naar Mizpa, en ik zal den Heere voor u bidden. (i En zij worden vergaderd te Mizpa, en zij schepten water, en goten hot uit voor het aange-zigt des Heeren, en zij vastten te dien dago, en zeiden aldaar: Wij hebben togen den Heere gezondigd. Alzoo rigtte Samuöl do kindoren Israëls te Mizpa. 7 Toen do Filistijnen hoorden, dat do kinderen Israëls zich vergaderd hadden te Mizpa, zoo kwamen do oversten der Filistijnen op tegen Israël. Als do kinderen Israëls dat hoorden, zoo vreesden zij voor hot aangezigt dor Filistijnen. 8 En do kinderen Israëls zeiden tot Samuöl: Zwijg niet van onzentwogo, dat gij niet zoudt roepon tot den Heere, onzen God, opdat Hij ons verlosso uit de hand dor Filistijnen. !) Toen nam Samuöl eon melklam, en hij offerde hot geheel don Heere ten brandoffer; en Samuöl riep tot den Heere voor Israël; en de Heere verhoorde hom. 10 En hot geschiedde, toon Samuöl dat brandoffer offerde, zoo kwamen de Filistijnen aan ton strijde togen Israël; on do Heere donderde te dien dage mot oenen grooten donder over de Filistijnen, en quot;Hij verschrikte hen, zoodat zij verslagen werden voor het aangezigt van Israël. aJoz. 10:10. 11 En de mannon van Israël togen uit van Mizpa, on vervolgden do Filistijnen, on zij sloegen hen tot onder Beth-kar. 12 Samuöl nu nam oenen stoou, en stolde dien lusschen Mizpa en tussclien Sen, en hij noemde diens naam quot; Ebon-Haëzor; en hij zoido: Tot hiertoe heeft ons do Heere geholpen. n i Sam. 4:1. 13 Alzoo werden do Filistijnen vernederd, en kwamen niet meer in do landpalen van Israël: want do hand dos Heeren was tegen de Filistijnen ;il do dagen van Samuöl. 14 En do steden, welke do Filistijnen van Israël genomen hadden, kwamen weder aan Israël, van l'ikron tot Gath toe; ook rukte Israël dorzelver hmdpale uit de hand der Filistijnen: on er was vrede tussclien Israël eu tusschen de Amorioten. lïquot;) Samuöl nu rigtte Israël al de dagen zijns levens. |
16 En hij toog van jaar tot jaar, en ging rondom naar Roth-El, ou Gilgal, en Mizpa; en hij rigtte Israël in al dio plaatsen. 17 Doch hij koorde weder naar Rama, want quot;daar was zijn huis, en daar rigtte hij Israël; en hij bouwde aldaar don Heere een altaar. a 1 Sara. 8 : 4. HOOFDSTUK 8. De zonen van Samuöl, door hem tot rigters aangesteld, beantwoorden niot aan de pligton hunner bediening, vs. 1. Het volk begeert eenen koning, 4; dit mishaagt Samuöl; hij raadpleegt den Heero. wien hot ook mishaagt, doch die hem last geeft het volk hierin te wille te zijn, 7; en het de harde regering der koningen voor te houden, 9. Hot volk volhardt in zijne begeerte, li); welke hun wordt toegestaan, 22. HET geschiedde nu, toen Samuöl oud geworden was, zoo stelde hij zijne zonen tot rigters over Israël. 2 De naam van zijnen eerstgeborenen zoon nu was Joel, en de naam van zijnen tweeden was Abïa; zij waren rigters te Ber-séba. 3 Doch zijne zonen wandelden niet in zijne wogen, maar zij neigden zich tot quot;de gierigheid, en namen geschenken, en bogen het regt. « Ex. 18:21. Dout. 1G:1!). 4 Toen vergaderden zich alle oudsten van Israël, en zij kwamen tot Samiiël te llama; 5 En zij zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden, en uwe zonen wandelen niot in uwe wegen; quot;zoo zet nu oenen koning over ons, om ons te rigten, gelijk al do volken hebben. a Hos. 13 : 10. Hand. 13 : 21. (i Maar quot; dit woord was kwaad in do oogon van Samuöl, als zij zeiden: Geef ons eenen koning, om ons te rigten. En Samuöl bad don Heere aan. a 1 Sam. 12: 17. 7 Doch do Heere zeide tot Samuöl: Hoor naar de stem dos volks in alles, wat zij tot u zeggen zullen: want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik goon Koning over hen zal zijn. 8 Naar de werken, die zij gedaan hebben, van dien dag ai', toen Ik hen uit Egypte geleid heb, tot op dozen dag too, on hebben Mij verlaten, en andere goden gediend; alzoo doen zij u ook. 9 Hoor dan nu naar hunne stem; doch als gij hen op het hoo ste zult betuigd hebben, zoo zult gij hun to konuon geven de wijze dos konings, die over hen regeren zal. 10 Samuöl nu zeide al de woorden dos Hekren het volk aan, hetwelk eenen koning van hom begeerde, 11 En zeide: Dit zal des konings wijze zijn, die over u regeren zal: hij zal uwe zonen nemen, dat hij hen zich stelle tot zijnen wagen, en tot zijne ruitoren, dat zij voor zijnen wagen henen loopen; 12 En dat hij hen zich stelle tot oversten dor duizenden, en tot oversten der vijftigen; en dat zij zijnen akker ploegen, en dat zij zijnen oogst |
1 SAMUÃL 8, !).
|
oogsten, on dat zij zijne krijgswapenen maken, j mitsgaders zijn wagentuig. 13 En uwe dochteren zal hij nemen tot apothekeressen, en tot keukenmaagden, en tot baksters. 14 En uwe akkers, en uwe wijngaarden, en uwe olijfgaarden, die de beste zijn, zal hij nemen, en zal zo aan zijne knechten geven. 15 En uw zaad, en uwe wijngaarden zal hij vor-tienen, en hij zal ze aan zijne hovelingen, en aan zijne knechten geven. 10 En hij zal uwe knechten en uwe dienstmaagden , en uwe beste jongelingen, en uwe ezelen nemen, en hij zal zijn werk daarmede doen. 17 Hij zal uwe kudden vertienen; en gij zult hem tot knechten zijn. 18 Gij zult wel te dien dage roepen, van wege uwen koning, dien gij u zult vorkoren hebben: maar de Heeue zal u te dien dage niet verhooren. 19 Doch het volk weigerde Samuels stem te hoo-ren; en zij zeiden: Neon, maar er zal een koning over ons zijn. 20 En wij zullen ook zijn gelijk al de volken; en onze koning zal ons rigten, en hij zal voor onze aangezigten uitgaan, en hij zal onze krijgen voeren. '21 Als Samuel al de woorden des volks gehoord had, zoo sprak hij dezelve voor de ooren des Meeren. 22 De Heeue nu zeide tot Samuël: Hoor naar hunne stem, en stel hun eenen koning. Toen zeide Samuël tot de mannen van Israël: Gaat hoen, een iegelijk naar zijne stad. HOOFDSTUK 9. Bijzondorhedeu omtrent Sauls geslacht cu persoon, vs. 1. Saul wordt uitgezonden om de ezelinnen zijns vaders te zoeken, !!. Zijne komst bij Samuël, ü. God heeft Samuël geopenbaard, dat Saul tot hem komen zou, 15; en beveelt hom Saul tot koning te zalven, Ki. üe innemende en eervolle onderscheiding van Saul door Samuël, die hem bekend maakt, dat hij koning zou worden over Israël, 20. ER was nu een man van Benjamin, wiens naam was Kis, een zoon van Abiël, quot; den zoon van Zeror, den zoon van Hechorath, den zoon van Affah, de zoon eens mans van Jemini, een dapper held. a 1 Sam. 14 : 51. 2 Die had eenen zoon, wiens naam was Saul, een jongeling, en schoon, ja er was geen schooner man clan hij onder de kinderen Israëls; van zijne schouderen en opwaarts was hij hooger dan al hot volk. De ezelinnen uu van Kis, den vader van Saul, waren verloren; daarom zeide Kis tot zijnen zoon Saul: Neem nu eenen van de jongens met u, en maak u op, ga heen, zoek de ezelinnen. 1 Hij dan ging door bet gebergte van Efraïm, en hij ging door het land van Sab'sa, maar zij vonden ze niet: daarna gingen zij door het land van Sahalim, maar zij waren er niet; verder ging hij door het land van Jemini, doch zij vonden zo niet. |
5 Toen zij in bet land van Zul' kwamen, zeide Saul tot zijnen jongen, die bij hem was: Kom en laat ons wederkeeren; dat niet misschien mijn vader van de ezelinnen aflate, en voor ons bekommerd zij. 0 Hij daarentegen zeide tot hem: Zie toch, er is een man Gods in deze stad, en hij is eon geëerd man; al wat hij spreekt, dat komt zekerlijk: laat ons nu derwaarts gaan, misschien zal bij ons onzen weg aanwijzen, op denwelken wij gaan zullen. 7 Toen zeide Saul tot zijnen jongen: Maar zie, zoo wij gaan, wat zullen wij toch dien man brongen ? want het brood is weg uit onze vaten, en wij hebben geene gaven, om den man Gods te brengen: wat hebben wij ? 8 En de jongen antwoordde Saul verder en zeide: Zie, er vindt zich in mijne hand het vierendeel eens zilveren sikkels; dat zal ik den man Gods geven, opdat hij ons onzen weg wijze. 9 (Eertijds zeide een ieder quot;aldus in Israël, als bij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot den ziener: want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.) « Gen. 25 : 22. 1(1 Toen zeide Saul tot zijnen jongen: Uw woord is goed, kom, laat ons gaan. En zij gingen naar de stad, waar de man Gods was. 11 Als zij opklommen door den opgang der stad, zoo vonden zij maagden, die uitgingen om water te putten; en zij zeiden tot haar: Is de ziener hierV 12 Toen antwoordden zij hun, en zeiden: Ziet, hij is voor uw aangezigt; haast u nu, want hij is beden in de stad gekomen, dewijl het volk heden eene offerande heeft op de hoogte. 13 Wanneer gijlieden in do stad komt, zoo zult gij hem vinden, eer hij opgaat op de hoogte om te eten: want bot volk zal niet eten, totdat hij komt, want hij zegent het offer, daarna eten de genoodigden; daarom gaat nu op, want hem, als heden zult gij hem vinden. 14 Alzoo gingen zij op in do stad. Toen zij in het midden der stad kwamen, ziet, zoo ging Samuël uit bun te gemoet, om op te gaan naar de hoogte. 15 quot;Want de Heeke had het voor Samuëls oor geopenbaard, eenen dag eer Saul kwam, zeggende: a\ Sam. 15:1. 10 Morgen omtrent dezen tijd zal Ik tot u zenden eenen man uit bet land van Benjamin, dien zult gij ten voorganger zalven over mijn volk Israël; en hij zal mijn volk verlossen uit der Filistijnen hand: want Ik heb mijn volk aangezien, dewijl deszelfs geroep tot Mij gekomen is. 17 Toen Samuël Saul aanzag, zoo antwoordde hem de Heere: Zie, dit is de man, van welken Ik u gezegd heb : Deze zal over mijn volk heerschen. 18 En Sanl naderde tot Samuël in het midden der poort, en zeide: Wijs mij toch, waar is hier het huis des zieners? |
1 SAMUÃL 9, 10.
279
|
19 En Samuöl antwoordde Snul on zoido: Ik hon do ziener; ga op voor mijn aangozigt op de hoogte, dat gijlieden heden met mij eet; zoo zal ik ii morgen vroeg laten gaan, en alles, wat in uw hart is, zal ik u te kennen geven. 20 Want de ezelinnen aangaande, die gij heden den derden dag verloren hebt, zet uw hart daarop niet, want zij zijn gevonden; en wiens zal zijn al het gewenschte, dat in Israël is ? is hot niet van u, en van het ganscho huis uws vaders? 21 Toen antwoordde Saul, en zeide; Ben ik niet een zoon van Jemini, van den kleinsten der stammen van Israël? en mijn geslacht is het niet het kleinste van al de geslachten van den stam van Benjamin? Waarom spreekt gij mij dan aan met zulke woorden ? 22 Samuël dan nam Saul en zijnen jongen, on hij bragt ze in do kamer; en hij gaf hun plaats aan het opperste der genoodigden: die nu waren omtrent dertig man. 23 Toon zoido Samuël tot don kok: Lang dat stuk, hetwelk ik n gegeven heb, waarvan ik tot u zeide: Zot hot bij u weg. 24 Do kok nu bragt een' schouder op, met wat daaraan was, en zette het voor Saul; on hij zeide: Zie, dit is het overgeblovono, zot liet voor u, eet, want het is tor bestemder tijd voor u bewaard, als ik zeide: Ik hob hot volk gonoodigd. Alzoo at Saul met Samuël op dien dag. 25 Daarna gingen zij af van do hoogte in do stad; en hij sprak mot Saul op hot dak. 26 En zij stonden vroeg op; en het geschiedde, omtrent don opgang des dageraads, zot) riep Samuël Saul op hot dak, zeggende: Sta op, dat ik u gaan late. Toen stond Saul op, on zij beiden gingen uit, hij en Samuël, naar buiten. 27 Toon zij afgegaan waren aan liet einde der stad, zoo zeide Samuël tot Saul: Zog den jongen, dat hij voor onze aangozigten heenga; toen ging hij hoon; maar sta gij als nu stil, en ik zal u Gods woord doen hooren. HOOFDSTUK 10. Samuöl zalft Saul tot koning cn voorzegt hom oonigo ontmoetingen op den weg naar zijns vaders huis, vs. 1. Do vervulling dozer voorzeggingen, U). Hij komt tot zijnon oom, 14; wien iiij verhaalt, wat Samuöl van do ezelinnen gezegd hooft, doch verzwijgt de zaak van hot koningrijk, 1G. Samuöl vergadert hot volk te Mizpa, 17; stolt liet zijne ondankbaarheid voor, 18. Saul wordt door hot lot tot koning over Israël verkozen, 21. Samuöl schrijft hot rogt dos konings in een hoek, 25. Saul vertrekt naar Glboa, 2(i. Soiuinigo kwaadwilligen versmaden Said, hetwelk hij zich niet aantrekt, 27. TOEN nam Samuël eeno oliekruik, en goot zo uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zoide: Is het niet alzoo, dat de Heere u quot;tot eenen voorganger over zijn erfdeel gezalfd hooft? «Hand. 13:21. |
2 Als gij heden van mij gaat, zoo zult gij twee mannen vinden bij liet graf van Rachel, aan de landpale van Benjamin, to Zelzah; die zullen tot u zoggen: De ezelinnen zijn gevonden, die gij zijt gaan zoeken, en zie, uw vador hooft do zaken der ezelinnen verlaten, en hij is bekommerd voor uliedon, zeggende: wat zal ik om mijnen zoon doen ? 3 Als gij ii van daar on verder aan begeeft, en zult komen tot aan Elon Thabor, daar zullen u drie mannen vinden, opgaande tot God naar Beth-El; een, dragende drie bokjes, oneen, dragende drie bollen broods, en een, dragende eeno flosch wijn. 4 En quot; zij zullen u naar uwen welstand vragen, en zij zullen u twoo broodon geven: die zuil gij van hunne hand nemen. « Higt. 18:15. 5 Daarna zult gij komen op den heuvel Gods, waar dor Filistijnen bezettingen zijn; en hot zal geschieden, als gij aldaar in do stad komt, zoo zult gij ontmoeten oenen hoop profeten, quot;van do hoogte afkomende, on voor hunne aangozigten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen ''profeteren. «1 Kron. l(i:39. ftNuni. 11:25. 6 En do (Joost dos iikeuen zal vaardig worden over u, en gij zult mot hon profeteren; en gij zult in oenen anderen man veranderd worden. 7 Eu het zal geschieden, als u deze teokonon zullen komen, doe gij wat uwe hand vinden zal, want God zal mot u zijn. 8 Gij nu zult voor mijn aangozigt afgaan naar Gilgal, on zio, ik zal tot u afkomen, om brand-offeren te offeren, om te offeren offeranden dor dankzegging; zeven dagen zult gij daar beidon, totdat quot;ik tot u komo, en u bekend make, wat gij doen zult. «I Saai. 13:8. 9 liet geschiedde nu, toon hij zijiion schouder keerde, om van Samuël te gaan, veranderde hom God het hart in een ander; en al die teokonon kwamen ten zolven dage. 10 Toon zij daar quot;aan don heuvel kwamen, ziet, zoo kwam bom oen hoop profeten te gemoet; en do Geest des IIeeren word vaardig over hom, en hij profeteerde in hot midden van hon. a I Sam. 1!) : 18. 11 En hot geschiedde, als een iegelijk, dio hom van te voren gekend had, zag, dat hij, ziet, profeteerde met do profeten , zoo zeide het volk , oen ieder tot zijnen modgezol: Wat is dit, dat den zoon van Kis geschied is? Is Saul ook onder do profeten ? 12 Toon antwoordde oen man van daar, en zeide: Wie quot;is toch hun vader? Daarom is het tot oen spreekwoord geworden: Is Saul ''ook onder do profeten? a Oal. 1 : 24. b 1 Sam. I!) : 24. 11! Toen hij nu voleind had te profeteren, zoo kwam hij op de hoogte. 14 En Sauls oom zoido tot hem en tot zijnen jongen: Waar zijt gijlieden heengegaan? Hij nu zeide: Om de ezelinnen te zookon; toon wij zagen, dat zij er niet waren, zoo kwamen wij tot Samuël. |
|
280 15 Toen zoido Sauls oom: Geef mij toch te kennen, wat heeft Samuël ulieden gezegd? Ki Saul nu zeide tot zijnen oom : Ilij heeft ons voorzeker te kennen gegeven, dat de ezelinnen gevonden waren; maar do zaak des koningrijks, waarvan Samuël gezegd had, gaf hij hem niet te kennen. 17 Doch Samuël riep hot volk te zamen tot den Heere, te Mizpa. 18 En hij zeide tot de kinderen Israëls: Alzoo heeft de IIeeue, de God Israëls, gesproken: Ik heb Israël uit Egypte opgebragt, en Ik heb ulieden van de hand der Egyptenaren gered, en van de hand van alle koningrijken, die u onderdrukten. 1!) quot; Maar gijlieden hebt heden uwen God verworpen , die u uit al uwe ellenden en uwe nooden verlost heeft, en hebt tot Hem gezegd: Zet eenen koning over ons; ''nu dan, stelt u voor hot aan-gezigt des Heeren, naar uwe stammen en naar uwe duizenden, a \ Sam. 8:7. M Sam. 8:19. 12 : 12. 20 Toen nu Samuël al do stammen van Israël had doen naderen, quot;zoo is de stam van Benjamin geraakt. a Joz. 7:14. 21 Toen hij den stam van Benjamin deed aankomen naar zijne geslachten, zoo word hot geslacht van Matri geraakt; on Saul, do zoon van Kis, word geraakt. En zij zochten hem, maar hij word niet gevonden. 22 Toon vraagden zij vorder don Heere, of die man nog derwaarts komen zou? De Heere dan zeide: Ziet, hij heeft zich tusschen de vaten verstoken. 2^ Zij nu liepen, en namen hom van daar, on hij stelde zich in het midden des volks; en quot; hij was hooger dan al het volk, van zijnen schouder en opwaarts. a 1 Sam. !): 2. 24 Toen zeide Samuël tot het ganscho volk: Ziot gij, dien de Heere vorkoren heeft? want gelijk hij, is er niemand onder liet ganscho volk. Toen juichte hot ganscho volk, en zij zeiden: De koning leve! 25 Samuël nu sprak tot het volk het rogt dos koningrijks, en schroef hot in een boek, en loide het voor hot aangezigt des Heeren. Toen liet Samuël hot ganscho volk gaan, elk naar zijn huis. 26 En Saul ging ook naar zijn huis te Giboa, en quot; van hot heir gingen mot hom, welker hart God geroerd had. a 1 Sara. 13 : 2. 27 Doch de kindoren Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen ? quot; en zij verachtten hom, en bragton hom ''geen geschenk. Doch hij was als doof. al Sam. 11 :12. 6 2 Kron. 17:5. HOOFDSTUK 11. Belegering van Jabes door de Ammonieten, vs. 1 ; die niet dan op de onraenscholijkste voorwaarden den vrede willen treffen, 2; waarover Said verontwaardigd, door eene zinnebeeldige handeling al de stammen ten dringendste tot den krijg oproept, 5; en vervolgens .labes ontzet, 11. Voorbeeld van Sauls edelmoedigheid, 12. Bevestiging van zijne koninklijke waardigheid te Gilgal, 14. |
TOEN toog Nahas, do Ammoniet, op, en belegerde Jabes in Giload. En al do mannen van Jabes zeidon tot Nahas: Maak een verbond met ons, zoo zullen wij u dienen. 2 Doch Nahas, do Ammoniet, zeido tot hen: Mits dezen zal ik een verbond met ulieden maken, dat ik u allen het regtoroog uitsteke; en dat ik deze schande op gansch Israël logge. 3 Toen zeiden tot hem de oudsten van Jabes: Laat zeven dagen van ons af, dat wij boden zendon in al de landpalen van Israël; is er dan niemand, die ons verlost, zoo zullen wij tot u uitgaan. 4 Als de boden te Glbea-Sauls kwamen, zoo spraken zij deze woorden voor de ooren van het volk. Toen hief al het volk zijne stem op, on woonde. 5 En ziot, Saul kwam achter de runderen uit het veld, en Saul zeide: Wat is den volke, dat zij woonen ? Toen vertelden zij hem de woorden dor mannen van Jabes. (5 Toen word do Geest Gods vaardig over Saul, als hij deze woorden hoorde; en zijn toorn ontstak zeer. 7 En hij nam een paar runderen, en hieuw zo in stukken, en hij zond ze in allo landpalen van Israël door de hand der boden, zeggende: Die niet zelf uittrekt achter Saul en achter Samuël, alzoo zal men zijnen runderen doen. Toen viel do vreeze des Heeren op het volk, en zij quot;gingen uit als oen eenig man. «Rigt. 20:1. 8 En hij telde hen te Bezek; en van de kinderen Israëls waren driehonderdduizend, en van de mannen van Juda dertig duizend. 9 Toen zeiden zij tot de boden, die gekomen waren: Aldus zult gijlieden don mannen te Jabes in Giload zoggen: Morgen zal u verlossing geschieden, als de zon heet worden zal. Als do boden kwamen, en verkondigden dat aan de mannen te Jabes, zoo werden zij verblijd. 10 En de mannen van Jabes zeiden: Morgen zullen wij tot ulieden uitgaan, en gij zult ons doen naar alles, wat goed is in uwe oogen. 11 Het geschiedde nu des anderen daags, dat Saul hot volk stolde in drie hoopen, en zij kwamen in het midden dos legers, in de morgenwake, en zij sloegen Amnion, totdat de dag heet werd; on hot geschiedde, dat de overigen alzoo verstrooid werden, dat er onder hen geen twee te zamen bleven. 12 Toen zoido het volk tot Samuël: quot;Wie is hij, die zoido; Zou Saul over ons regeren? Geeft hier die mannon, dat wij hen doodon. «1 Sam. 10:27. 13 Maar Saul zoido: Er zal te dozen dage geen man gedood worden, want de Heere heeft heden oeno verlossing in Israël gedaan. 14 Verder zeide Samuël tot het volk: Komt en laat ons naar Gilgal gaan, en hot koningrijk aldaar vernieuwen. 15 Toen ging al hot volk naar Gilgal, en maakte I SAMUEL 10, 11. |
1 SAMUÃL 11, 12.
281
|
Saul aldaar koning voor hot aangozigt flos Hke- ' hen to Gilgal; en zij offerden aldaar dankofferen voor hot aangozigt des Heeren ; en Saul ver-hougdo zich aldaar gansch zoor, mot al de mannon van Israël. HOOFDSTUK 12. Nadat Samuel over het volk eenen koning gezet had, vs. 1 ; logt hij openlijk getuigenis af van zijn gedrag gedurende zijn rigterlijk ambt, waaraan het volk volkomen zijne toestemming geeft, 4. Hij roomt Uods weldaden aan hen bewezen, en stelt hun voor oogen hunne zonden, in de ondankbare verwerping van don Heero, eischendo eenen koning, 7. Hij vermaant hen ernstig, de dienst des Hoeren toch niet te verlaten, 13. Door een onverwacht toeken verschrikt, 10, bekennen zij hunne misdaad en begoeren mot den Heero verzoend te worden, 19. Samuel troost hot volk, 20; met belofte voor hen to bidden, 23; en vermaant hen nogmaals don Heero te vreezen en te dienon, 24. TOEN zoide Samuël tot gansch Israël: Ziet, ik heb naar ulieder stem gehoord in alles, wat gij mij gezegd hebt, en ik heb eenen koning over u gezet. 2 En nu, ziet, daar trekt de koning voor uw aangezigt heen, en ik ben oud en grijs geworden, en ziet, mijne zonen zijn bij ulieden; en ik heb voor uwe aangezigten gewandeld van mijne jeugd af tot dezen dag toe. :i Ziet, hier ben ik, betuigt togen mij voor den Heere, en voor zijnen gezalfde, wiens os ik genomen heb, en wiens ezel ik genomen liob, en wien ik verongelijkt bob, wien ik onderdrukt heb, on van wiens hand ik een geschenk genomen heb, dat ik mijne oogen van hem zou verborgen hebben; zoo zal ik het ulieden wedergeven. 4 Toen zeiden zij : Gij hebt ons niet verongelijkt, on gij hebt ons niet onderdrukt, en gij hebt van niemands hand iets genomen. 5 Toon zeido liij tot hen: De Heere zij een getuige togen ulieden, en zijn gezalfde zij te dezen dage getuige, dat gij in mijne hand niets gevonden hebt! En het volk zeido: Hij zij getuige! (i Verder zeide Samuël tot het volk : Hot is de Heere, die Mozes en Aaron gemaakt heeft, en die uwe vaders uit Egyptoland opgebragt heeft. 7 En nu, stelt u hier, dat ik met ulieden regte, voor het aangezigt des Heeren, over al de ge-regtighedon des Heeren, die Hij aan u en aan uwe vaderen gedaan heeft. 8 quot;Nadat Jakob in Egypte gekomen was, zoo ''riepen uwe vaders tot don Heere; en de Heere '' zond Mozes en Aiiron, en zij leidden uwe vaders uit Egypte, en doden lion aan deze plaats wonen. n Gen. 40 : 5. h Ex. 2 : 23. r Ex. 3 : 10. !) Maar zij vergaten den Heere, hunnen God; zoo verkocht Hij hen in do hand van quot;Sisera, den krijgsoverste, to Hazor, en in do '' hand dor Filistijnen, en in de hand van den ' koning dor Moabieten, die tegen hen stroden. a Rigt. 4:2. h K'igt. 10:7. 13 :\.r Rigt. 3 : 12. 10 En zij riepen tot den Heeue, en zeiden: Wij bobben gezondigd, dewijl wij don Heere verlaten. |
on de Baiils en A'stharoths gediend hebben; en nu, ruk ons uit do hand onzer vijanden, en wij zullen U dienen. 11 En do Heere zond quot;Jerubbaiil, en ''Bedan, en ' Joftlia, en Samuël, en Hij rukte u uit do hand uwer vijanden rondom, alzoo dat gij zeker woondet. «Rigt. ü: 14. /y Rigt. 1U : 3. cKigt. 11 :15. 12 Als gij nu zaagt, dat Nahas, do koning van do kinderen Amnions, togen u kwam, zoo zeidet quot;gij tot mij: Neen, maar een koning zal over ons regeren; zoo toch do Heere, uw God, uw Koning was. re 1 Sam. 8:5, 10. 13 En nu, ziet daar den koning, quot;dien gij verkoren hebt, dien gij begeerd hebt; en ziet, de He ere hooft eenen koning over ulieden gezet. a 1 Sam. 10 : li), 14 Zoo quot;gij den Heere zult vroezen, en Hom dienen, en naar zijne stem hooren, en den mond des Heeren niet wederspannig zijn, zoo zult gijlieden, zoowel gij als de koning, die over n regeren zal, achter den Heere, uwen God, zijn. a Deut. 1 : 20. 15 Doch zoo gij naar de stem dos Heeren niot zult hooren, maar den mond des Heeren wederspannig zijn, zoo zal de hand des Heeren tegen u zijn, als tegen uwe vaders. 10 Ook stelt u nu hier, en ziet die grooto zaak, die de Heere voor uwe oogen doen zal. 17 Is het niet van daag de tarweoogst? Ik zal tot don Heere roepen, on Hij zal donder en regen geven; zoo weet dan, en ziet, dat uw kwaad groot is, dat gij voor de oogen des Heeren gedaan hebt, dat gij eenen koning voor u begeerd hebt. 18 Toen Samuël den Heere aanriep, zoo gaf de Heere donder en regen te dien dage; daarom vreesde al het volk zeer don Heere en Samuël. 1!) En al hot volk zoide tot Samuël: Bid voor uwe knechten don Heere, uwen God, dat wij niet sterven: want boven al onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons eenen koning begeerd hebben. 20 Toen zeide Samuël tot het volk: Vreest niet, gij hebt al dit kwaad gedaan; doch wijkt niet van achter den Heere af, maar dient den Heere met uw ganscho hart. 21 En wijkt niet af: want gij zoudt de ij delheden wamp;volgen, die niot bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn ijdelheden. 22 Want do Heere zal zijn volk niot verlaten, om zijns grooten naams wil; dewijl het den Heere beliefd heeft ulieden zich tot oen volk te maken. 23 Wat ook mij aangaat, het zij verre van mij, dat ik tegen don Heere zou zondigen, dat ik zou aflaten voor ulieden te bidden; maar ik zal u den goeden on regten weg loeren. 24 Vreest slechts den Heere, en dient Hom trouwelijk mot uw gansche liarl : want ziet, hoe groote dingen Hij bij ulieden gedaan heeft! 25 Maar indien gij voortaan kwaad doet, zoo zult gijlieden, als ook uw koning, omkomen. |
1 SAMUÃL 13, 14.
282
|
HOOFDSTUK 13. Saul verzamelt 3000 krijgslieden, vs. 1; over eon gedeelte van welke Jonathan het bevel voorde, die do bezetting der Filistijnen te Geba slaat, 3. Op het gerucht van de nadering der Filistijnen verbergt zich Israël in do spelonken, 4. Saul olTort te Gilgal vóór de komst van Samuel, 7; waarover hom Samuël bestraft, 11; en voorzegt, dat zijn koningrijk niet bestendig zou zijn, 13. Saul blijft met zijn volk to Giboa, 10. De Filistijnen vallen met drie hoopen in het land van Israël, 17, alwaar gebrek aan wapenen is, 19; alleen Saul en Jónathan hebben geweer, 22. SAUL was oen jaar in zijne regering geweest, en hot tweede jaar regeerde hij over Israël. 2 Toon verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israël; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jónathan te Gibea-Bonjamins; en het overige dos volks liet hij gaan, oen iegelijk naar zijne tent. 3 Doch Jónathan sloeg de bezetting dor Filistijnen, die te Geba was, hetwelk de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul mot de bazuin in het gansche land, zeggende: Laat het do Hebreen hooren. 4 Toen hoorde hot gansche Israël zeggen: Saul hooft do bezetting der Filistijnen geslagen, en ook is Israël stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd hot volk zamongeroepen achter Saul, naar Gilgal. 5 En do Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israël, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, on volk in menigte als het zand, dat aan den oever der zee is; en zij togen op, en legerden zich to Michmas, tegen hot oosten van Beth-aven. 6 Toen do mannen van Israël zagen, dat zij in nood waren (want hot volk was benaauwd), zoo verborgde zich hot volk in do spelonken, en in do doornbosschen, en in do steonklippen, en in do vestingen, en in do putten. 7 Do Ilobreën nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Giload. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zoo kwam al het volk bevende achter hem. 8 En hij vertoefde zeven dagen, tot don tijd, dien Samuël bestemd had. Als Samuël te Gilgal niet opkwam, zoo verstrooide hot volk van hem. i) Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofforon; en hij offerde brandoffer. 10 En hot geschiedde, toen hij geëindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zoo kwam Samuël; en Said ging uit hem te gemoet, om hem te zegenen. 11 Toen zeido Samuël: Wat hebt gij gedaan? Saul nu zeido: Omdat ik zag, dat zich het volk van mij verstrooide, en gij op don bostemden tijd der dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren, |
12 Zoo zeido ik: Nu zullen do Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezigt des 11 keren niet ernstolijk aangeboden; zoo dwong ik mij zeiven, en heb brandoffer geofferd. 13 Toen zeido Samuël tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan, gij hebt het gebod van den Heere, uwen God, niet gehouden, dat Hij u geboden heeft: want de Heere zou nu uw rijk over Israël bevestigd hebben tot in eeuwigheid. 14 Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De Heere heeft zich eenon man gezocht naar zijn hart, en do Heere heeft hem geboden een voorganger te zijn over zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt, wat u de Heere geboden had. If) Toen maakte zich Samuël op, en hij ging op van Gilgal naar Gibea-Benjamins; en Saul telde hot volk, dat bij hem gevonden word, omtrent zes honderd man. 16 En Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te Geba-Benja-mins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd. 17 Eu de verder vers gingen uit het leger dor Filistijnen, in drie hoopen: de eene hoop keerde zich op don weg naar Ofra, naar hot land Sual; 18 En oen hoop koerde zich naar den weg van Beth-hóron; en een hoop keerde zich naar don weg dor landpale, die naar het dal Zebóim naaide woestijn uitziet. 19 En er quot;werd geen smid gevonden in het gansche land van Israël: want de Filistijnen haddon gezegd: Opdat do Ilobreën geen zwaard noch spies maken. «Bigt. 5:8. 20 Daarom moest gansch Israël tot do Filistijnen aftrekken, opdat een iegelijk zijn ploegijzer, of zijne spade, of zijne bijl, of zijn houweel scherpen liet. 21 Maar zij hadden tandige vijlen tot hunne houweolen, en tot hunne spaden, en tot de drie-tandige vorken, en tot do bijlen, en tot het stellen dor prikkelen. 22 En hot geschiedde ton dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in do hand van het gansche volk, dat bij Saul en bij Jónathan was; doch bij Saul en bij Jónathan, zijnen zoon, worden zij gevonden. 23 En dor Filistijnen leger toog naar don door-togt van Michmas. HOOFDSTUK 14. Jónathan en zijn wapendrager verslaan twintig man der Filistijnen; dit brengt schrik en verwarring in hun leger, vs. 1. De vijand wordt dapper vervolgd, 21. Verbod van Saul, om vóór den avond spijs te gebruiken, onwetend door Jónathan overtreden, 24. Het afgematte volk, zich bezondigende aan het eten van vleesch met bloed, wordt door Saul gewaarschuwd, 32. Hij bouwt een altaar, 35. De Heere, omtrent het verder vervolgen des vijands geraadpleegd, antwoordt niet, 30. Sauls roekelooze oedzwering kost bijna aan Jónathan het leven, zoo niet hot volk ware tussehen getreden, 38. Sauls overwinningen, 40; zijne vrouw en kinderen, zijn krijgsoverste, 49. llesluit, 52. |
1 SAMUÃL 14.
283
|
HET geschiedde nu op eonon dag, dat Jonathan, do zoon van Saul, tot don jongen, die zijne wapenen droeg, zeide: Kom, en laat ons tot de bezetting der Filistijnen overgaan, welke aan gene zijde is; doch hij gaf het zijnen vader niet te kennen. 2 Saul nu zat aan hot uiterste van Giboa onder den granatenboom, die te Migron was; en quot;het volk, dat bij hem was, was omtrent zes honderd man. a 1 Sum. 13 ; 15. 3 En Ahia, de zoon van Alutub, den broeder van I'kabod, den zoon van Pïnehas, den zoon van Eli, was priester des Heeren, te Silo, dragende den efod; doch het volk wist niet, dat Jonathan heengegaan was. 4 Er was nu tusschen do doortogton, waar Jonathan zocht door te gaan tot der Filistijnen bezetting, eene scherpte van eene steenklip aan deze zijde, en eene scherpte van eene steenklip aan gene zijde; en de naam der eene was 13ozez, en de naam der andere Sene. 5 De eene tand was gelegen tegen liet noorden, tegenover Michmas, en de andere tegen hot zuiden, tegenover Geba. (j Jonathan nu zeide tot den jongen, die zijne wapenen droog; Kom, en laat ons tot de bezetting dezer onbosnedenon overgaan; misschien zal de Heeue voor ons werken: want bij den IIeere is geeno verhindering, om te verlossen door velen of door weinigen. 7 Toon zeide zijn wapendrager tot hom: Doe al wat in uw hart is; wond u, zie ik bon met u, naar uw hart. 8 Jonathan nu zeide: Zie, wij zullen overgaan tot die mannen, en wij zullen ons aan hen ontdokkon. !) Indien zij aldus tot ons zoggen: Staat stil, totdat wij aan uliodon komen; zoo zullen wij blijven staan aan onze plaats, en tot hen niet opklimmen. 10 Maar zeggen zij aldus: Klimt tot ons op; zoo zullen wij opklimmen, want de IIeere hooft hen in onze hand gegeven; en dit zal ons oen toeken zijn. 11 Toon zij beiden zich aan der Filistijnen bo-zotting ontdekten, zoo zeiden do Filistijnen: Ziet, de Hobreön zijn uit do holen uitgegaan, waarin zij zich verstoken haddon. 12 Vorder antwoordden do mannen der bezetting aan Jonathan on zijnen wapendrager, en zeiden: Klimt op tot ons, en wij zullen het u wijs maken. En Jonathan zeide tot zijnen wapendrager: Klim op achter mij, want do Heere heeft hen gegeven in do hand van Israël. 13 Toon klom Jonathan op zijne handen en op zijne voeten, on zijn wapendrager hein na; en zij violen voor Jonathans aangozigt, en zijn wapendrager doodde ze achter hom. 14 Deze eerste slag nu, waarmede Jonathan on zijn wapendrager omtrent twintig mannen versloegen, geschiedde omtrent in do holt't eens bunders, zijnde een jok ossen lands. |
15 En er was eono beving in hot leger, op liet veld en onder hot gansche volk; de bezetting en do verdorvors beefden ook zolven: ja hot land word beroerd, want hot was eene beving Gods. 1(5 Als nu de wachters van Saul to Giboa-Bon-jamins zagen, dat, ziot, do menigte versmolt, en doorging, en geklopt word; 17 Toen zeide Saul tot hot volk, dat bij hom was: Tolt toch, en beziet, wie van ons weggegaan zij. En zij tolden, on ziot. Jonathan en zijn wapendrager waren daar niet. 18 Toen zeide Saul tot Ahia: Breng de ark Gods herwaarts. Want do ark Gods was te dien dage bij de kinderen Israels. 19 En het geschiedde, toon Saul nog tot don priester sprak, dat het rumoer, hetwelk in der Filistijnen leger was, zoor toenam en vermenigvuldigde; zoo zeide Saul tot don priester: Haal uwe hand in. 20 Saul nu, en al hot volk, dat bij hem was, word zamongoroopon, en zij kwamen ten strijde; en ziet, hot zwaard dos oenen was togen den anderen, er was oen zoor groot gedruisch. 21 Er waren ook Hobreön bij do Filistijnen, als eertijds, die mot hen in liet leger opgetogen waren rondom; dozen nu vervoegden zich ook met do Israëlieten, die bij Saul en Jonathan waren. 22 Als alle mannon van Israël, die zich verstoken hadden in hot gebergte van Efraïm, hoorden, dat do Filistijnen vlugtten, zoo kloefdon zij ook hen achteraan in don strijd. 23 Alzoo verloste de IIeere Israël te dien dage; en het leger trok over naar Both-avon. 24 En do mannon van Israël worden mat te dien dago: want Saul had hot volk bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die spijze eet tot aan don avond, opdat ik mij aan mijne vijanden wreko! Daarom proefde dat gansche volk geeno spijs. 25 En hot gansche volk kwam in een woud; en daar was honig op het void. 26 Toon het volk in hot woud kwam, ziot, zoo was er oen honigvloed; maar niemand raakte mot zijne hand aan zijnon mond, want het volk vreesde de bezworing. 27 Maar Jonathan had het niet gehoord, toon zijn vader het volk bezworen had, en hij reikte het einde van don stal' uit, die in zijne hand was, en hij doopte donzolven in eono honigraat; als hij nu zijne hand tot zijnen mond wondde, zoo worden zijne oogen verlicht. 28 Toen antwoordde een man uit het volk, en zeide: Uw vader heeft hot volk zwaarlijk bezworen, zeggende: Vervloekt zij do man, die heden brood eet! daarom bezwijkt het volk. 29 Toon zeide Jonathan: Mijn vader hoeft hot land beroerd; zio toch, hoe mijne oogen verlicht zijn, omdat ik een weinig van dozen honig gesmaakt heb. 30 Hoe voel moor, indien het volk heden had mogen vrijelijk eten van den buit zijnor vijanden |
1 SAMUÃL 14, 15.
284
|
dien hot gevonden heeft! Maar nu is die slag niet groot geweest over de Filistijnen. Ãl Doch zij sloegen te dien dage de Filistijnen van Michmas tot Ajalon: en het volk was zeer moede. .'32 Toen maakte zich hot volk aan den buit, on zij namen schapen, en runderen, on kalveren, en zij slagtten ze tegen do aarde; en het volk at ze met het bloed. 3:ï En men boodschapte het Saul, zeggende: Zie, het volk vorzondigt zich aan den IIeere, etende met hot bloed. En hij zeido: Gij hebt trouweloos-lijk gehandeld, wentelt heden eenon groeten steen tot mij. 34 Verder sprak Saul: Verstrooit u onder liet volk, on zegt tot hen: Brengt tot mij een iegelijk zijnen os, en een iegelijk zijn schaap, en slagt liet hier, en oet, en bezondigt u niet aan don Heere, die etende met het bloed. Toen bragt al hot volk oen iegelijk zijnen os met zijne hand, des nachts, en slagtte ze aldaar. 35 Toen bouwde Saul den Heere een altaar; dit was het eerste altaar, dat hij den Heere bouwde. 36 Daarna zeido Saul: Laat ons aftrekken do Filistijnen na, bij nacht, en laat ons dezelve be-rooven, totdat hot morgen licht worde, en laat ons niet eenen man onder hen overig laten. Zij nu zeiden: Doe al wat good is in uwe oogon; maar de priester zeido: Laat ons herwaarts tot God naderen. 37 Toen vraagde Saul God: Zal ik aftrokken de Filistijnen na? zult Gij zo in de hand van Israël overgeven? Doch Hij antwoordde hem niet te dien dage. 38 Toen zeido Saul: Komt herwaarts quot;uit alle hoeken des volks, en verneemt, on ziet, waarin deze zonde heden geschied zij. a Rigt. 20:2. 3!) Want zoo waarachtig als de Heere looft, die Israël verlost, al ware hot in mijnen zoon Jonathan, zoo zal hij den dood sterven; en niemand uit het gansche volk antwoordde hom. 40 Vorder zeido hij tot het gansche Israël; Gijlieden zult aan do oone zijde zijn, en ik en mijn zoon Jonathan zullen aan do andere zijde zijn. Toon zeido hot volk tot Said: Doe wat goed is in uwe oogon. 41 Saul nu sprak tot don IIeere, don Gods Israëls: Toon den onschuldige. Toen werd Jonathan on Saul geraakt, en hot volk ging vrij uit. 42 Toen zeido Saul: Werpt het lot tusschen mij en tusschen mijnon zoon Jonathan. Toon werd Jonathan geraakt. 43 Saul dan zoide tot Jonathan: Geef mij te kennen wat gij gedaan hebt. Toon gaf het Jonathan hem te kennen, en zoide: 11c heb maar eon weinig honigs geproefd, mot hot uiterste des stafs, dien ik in mijne hand had: zie hier ben ik, moet ik sterven ? 44 Toon zoide Saul: Zoo doe mij God, en zoo doe Hij daartoe. Jonathan! gij moot den dood sterven. |
45 Maar het volk zoide tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze groote verlossing in Israël go-daan hoeft? dat zij verre! zoo waarachtig als de Heere leeft, als er oen haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal! want hij heeft dit heden met God gedaan. Alzoo verloste hot volk Jonathan, dat hij niet stierf. 46 Saul nu toog op van achter de Filistijnen, on de Filistijnen trokken aan hunne plaats. 47 Toon nam Saul hot koningrijk over Israël in; en hij streed rondom tegen al zijne vijanden, tegen Moab, en tegen do kinderen Ammons, en togen Edom, en togen de koningen van Zoba, en tegen do Filistijnen, en overal, waar hij zich wendde, oefende hij straf. 48 En hij handelde dapper, en hij sloeg do Ama-lokioton, en hij redde Israël uit de hand desgenen, die hem beroofde. 49 De zonen van Saul nu waren Jonathan, en Isvi, on Malchi-sua; en do namen zijner twee dochters waren deze-, de naam der eerstgeborene was Merab, en de naam der kleinste Michal. 50 En de naam van Sauls huisvrouw was Ahi-nóam, eene dochter van Ahimaaz; en de naam van zijnen krijgsoverste was Abi-ner, een zoon van Ner, Sauls oom. 51 En Kis was Sauls vader, en Nor, Aimers vader, was een zoon van Abiol. 52 En er was een sterke krijg tegen de Filistijnen al do dagen van Saul; daarom alle helden en alle kloeke mannen, die Saul zag, die vergaderde hij tot zich. HOOFDSTUK 15. Snul door Samuel van woge don Heere bevolen, verzamelt /.ijne legerbenden tot do nitroeijing dor Amaleldeten, vs. 1. Bijzondere vergunning aan de Kenieten, ü. Saul verslaat Amalek, doch verschoont den koning en spaart het edelste van don buit, 7; hetwelk don Heere mishaagt; waarom Samuel hem bestraft en verkondigt, dat God hom om zijne ondankbaarheid en ongehoorzaamheid van hot koningrijk verstoeten had, 10. Agag wordt door Sarauël go-dood, 33. Samuöl koert terug naar Rama en draagt leed over Saul, dien hij niet wederziet, 34. TOEN zoide Samuël tot Saul: Do Heere hooft mij gezonden, dat ik u ten koning zalfde over zijn volk, over Israël; hoor dan nu de stem van de woorden dos Heeren. 2 Alzoo zegt do Heere dor heirscharen: quot;Ik heb bezocht hetgeen Amalek aan Israël gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op don weg, toen hij uit Egypte opkwam. «Ex. 17:8, 14. Deut. 25: 17. 3 Ga nu hoon, on sla Amalek, en verban alles, wat hij heeft, on verschoon hem niet; maar dood van den man af tot do vrouw toe, van do kinderen tot do zogelingen, van de ossen tot do schapen, van de kemelen tot de ezelen toe. 4 Dit verkondigde Saul het volk, en hij telde hen te Telaim, twee honderd duizend voetvolks, en tien duizend mannen van Juda, |
1 SAMUÃL 15.
285
|
5 Als Sa ui tot aan de stad Amalek kwam, zoo lolde hij eene achterlage in liet dal. (i En Saul liet don quot; Konieten zoggen: Gaat weg, wijkt, trekt af uit het midden der Amalekieten, opdat ik ii met hen niet wegruime: ''want gij hebt barmhartigheid gedaan aan al de kinderen Israels, toen zij uit Egypte opkwamen. Alzoo weken de Kenieten uit het midden dor Amalekieten. a liigt. 1 : Ki. h Ex. IS: 10, li). Num. 10:20. 7 Toon sloeg Saul de Amalekieten van Havüa af, tot daar gij komt te Sur, dat voor aan Egypte is. 8 En hij ving quot;Agag, den koning der Amalekieten, levend; maar al hot volk verbande hij door de scherpte des zwaards. «Num. 24:7. 9 Doch Saul en het gansehe volk verschoonde Agag, en de beste schapen, en runderen, en do naast beste, en de lammeren, en al wat best was, en zij wilden ze niet verbannen; maar alle ding, dat veraebtzaam, en dat verdwijnende was, verhanden zij. 10 Toen gescbiedde het woord des Heeren tot Samuel, zeggende: 11 Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning gemaakt heb, dewijl hij zich van achter Mij afgekeerd heeft, on mijno woorden niet bevestigd heeft. Toen ontstak Samuöl, en hij riep tot den Heere den ganschen nacht. 12 Daarna maakte zich Samuöl des morgens vroeg op, Saul te gemoet; en het word Samuöl geboodschapt, zeggende: Saul is te Karmol gekomen, en zie, hij heeft zich eenen pilaar gesteld; daarna is hij omgetogen, en doorgetrokken, en naar Gilgal afgekomen. 13 Samuöl nu kwam tot Saul, en Saul zeide tot hem: Gezegend zijt gij den Heere! ik heb des Heeren woord bevestigd. 14 Toen zeide Samuöl: Wat is dan dit voor eono stem der schapen in mijne ooren, en eene stem dor runderen, die ik hoor ? 15 Saul nu zeide: Zij hebben ze van de Amalekieten gebragt, want het volk heeft de boste schapen en runderen verschoond, om den Heere, uwen God, te offeren; maar het overige hebben wij verbannen. 16 Toen zeide Samuöl tot Saul: Houd op, zoo zal ik u te kennen geven, wat de Heere van nacht tot mij gesproken beeft. Hij dan zeide tot bom: Spreek. 17 En Samuöl zeide: Is het niet alzno, toen gij klein waart in uwe oogon, dat gij bot hoofd der stammen van Israël geworden zijt, en dat u de Heere tot koning over Israöl gezalfd beeft? 18 En de Heere hoeft u op den weg gezonden, en gezegd: Ga heen, en verban do zondaars, de Amalekieten, en strijd tegen ben, totdat gij dezelve te niet doet. 19 Waarom toch hebt gij naar do stom dos Heeren niet gehoord, maar zijt tot don roof gevlogen, en hebt gedaan dat kwaad was in do oogon dos Heeren ? |
20 Toen zeide Saul tot Samuöl: Ik heb immers naar do stom dos Herren gehoord, en heb gewandeld op don weg, op denwelkon mij de Heere gezonden heeft; en ik heb Agag, den koning der Amalekieten, medegebragt, maar de Amalekieten heb ik verbannen. 21 Het volk nu heeft gonomen van den roof, schapen en runderen, hot voornaamste van het verbannene, om don Heere, uwen God, op te offeren te Gilgal. 22 Doch Samuöl zeide: Heeft de Heere lust aan brandofferon, en slagtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des Heeren? Zie, quot;gehoorzamen is boter dan slagtoffer, opmerken dan het vette der rammen. a Pred. 4:17. Hos. C : G. Matt. 0 : 13. 12 : 7. 23 Want wederspannigboid is eono zonde dor tooverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat gij des Heeren woord verworpen hebt, zoo hoeft Hij u verworpen, dat gij geen koning zult zijn. 24 Toen zeide Saul tot Samuöl : Ik heb gezondigd, omdat ik des Heeren bevel en uwe woorden overtreden heb: want ik heb het volk gevreesd en naar hunne stem geboord. 25 Nu dan, vergeef mij toch mijne zonde, en keer mot mij wederom, dat ik den Heere aanbidde. 20 Doch Samuöl zeide tot Saul: Ik zal met u niet wederkeeren; omdat gij hot woord des Heeren verworpen hebt, zoo beeft u de Heere verworpen, dat gij geen koning over Israël zult zijn. 27 Als zich Samuöl omkeerde om weg te gaan, zoo greep hij eono slip van zijnen mantel, en zij scheurde. 28 Toen zeide Saniuël tot hem: De Heere hoeft heden het koningrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uwen naaste gegeven, die beter is dan gij. 29 En ook liegt Hij, die de overwinning van Israël is, niet, en hot berouwt Hem niet: want Hij is goon mensch, dat Hom iets berouwen zou. 30 Hij dan zeide: Ik heb gezondigd; oor mij toch nu voor de oudsten mijns volks, en voor Israöl; en koor wederom met mij, dat ik don Heere, uwen God, aanbidde. 31 Toen keerde Samuöl wederom Saul ua; en Saul aanbad don Heere. 32 Toen zeide Saniuël: Breng Agag, den koning der Amalekieten, hier tot mij. Agag nu ging tot hem wooldolijk; en Agag zeide: Voorwaar de bitterheid dos doods is geweken! 33 Maar Samuöl zeide: Gelijk als uw zwaard do vrouwen van hare kinderen beroofd hooft, alzoo zal uwe moeder van hare kindoren beroofd worden onder do vrouwen! Toon hiemv Samuöl Agag in stukken, voor het aangozigt des Heeren te Gilgal. 34 Daarna ging Samuöl naar Rama; on Saul ging op naar zijn huis te Gibea Sauls. |
1 SAMUEL 15, 16, 17.
280
|
35 En Samuël zag Saul niet meer tot den dag zijns doods too; evenwel droog Samuël leed om Saul; en het berouwde den Heere, dat Hij Saul tot koning over Israël gemaakt had. HOOFDSTUK 16. De Heero zendt Samuël naar Bethlehem tot Isaï, om een' zijner zonen tot koning te zalven. Samuël vreezende voor Saul, wordt van den Heere onderligt, hoe hij zijne zaken moet aanleggen, vs. 1. Samuël was genegen Elfab, den oudsten zoon van Isaï, tot koning to zalven, (i; doch de Heere geeft hem te kennen, dat hij David, den jongsten zoon, tot koning had verkoren, 12. David wordt van Samuël gezalfd en de Geest Gods komt op hom, die van Saul wijkt, Ki. David wordt door den raad dor knechten van Saul ten hove geroepen om voor Saul te spelen, 1G. Davids lof, 18. Sanl bemint hem zeer, en maakt hem tot zijnen wapendrager, 21. David spoelt voor Saul, als hij door den boozen geest gekweld en ontrust wordt, 28. TOEN zeide do Heere tot Samuël: Hoe lang draagt gij leed om Saul, dien Ik tocli verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël? vul uwen hoorn met olie, en ga heen. Ik zal u zenden tot Isaï, den Bethlehemiet, want Ik heb Mij eenen koning onder zijne zonen uitgezien. 2 Maar Samuël zeide; Hoe zou ik heengaan ? Saul zal het toch hooren en mij dooden. Toen zeide de Heere: Neem een kalf van de runderen met u, en zeg: Ik ben gekomen, om den Heere offerande te doen. 3 En gij zult Isaï ten offer noodigen, en Ik zal u te keunon geven wat gij doen zult, en gij zult Mij zalven dien Ik u zeggen zal. 4 Samuël nu deed hetgeen de Heere gesproken had, en hij kwam te Bethlehem. Toen kwamen de oudsten der stad bevende hem te gemoet, en zeiden: Is uwe komst vict vrede? 5 Hij dan zeide: Met vrede; ik ben gekomen om den Heere offerande te doen, heiligt u, eu komt met mij ton offer; eu hij heiligde Isaï en zijne zonen, en hij noodigde hen ten offer. 6 En het geschiedde, toon zij inkwamen, zoo zag hij Elfab aan, en dacht: Zekerlijk, is deze voor den Heere, zijn gezalfde. 7 Doch de Heere zeide tot Samuël: Zie zijne gestalte niet aan, noch do hoogte zijnor statuur, want Ik heb hem verworpen: want hot is niet gelijk de mensch ziet, want do mensch ziet aan wat voor oogen is, quot;maar do Heere ziet liet hart aan. a 1 Kron. 28 : 49. I's. 7 : 10. Jor. 11 : 20. 17 : 10. 20 :12. 8 Toen riep Isaï Abinadab, en hij deed hem voorbij hot aangezigt van Samuël gaan; doch hij zeido: Dezen lieeft de Heere ook uiet verkoren. !) Daarna liet Isaï Samma voorbijgaan; doch hij zeide: Dezen heeft de Heere ook niet verkoren. 10 Alzoo liet Isaï zijne zeven zonen voorbij het aangezigt van Samuël gaan; doch Samuël zeido tot Isaï: De Heere heeft dozen uiet verkoren. |
11 Voorts zeide Samuël tot Isaï: Zijn dit al de jongelingen? En hij zeido: Do kleinste is nog overig, eu zie, hij quot;weidt de schapen. Samuël nu zeido tot Isaï: Zend lieeu en laat hein halen, want wij zullen niet rondom aanzitten, totdat hij liior zal gekomen zijn. «2 Sam. 7:8. Ps. 78:70. 12 Toen zond hij heen, en bragt hem in: hij nu was roodachtig, mitsgaders schoon van oogen en schoon van aanzien; en de Heere zeide: Sta op, zalf hem, want deze is liet. 13 Toen quot;nam Samuël don oliehoorn, eu hij zalfde hom in het midden zijnor broederen. En do ''Oeost dos Heeren werd vaardig over David van dien dag af en voortaan. Daarna stond Samuël op, en hij ging naar llama. «I's. 89:21. b Hand. 7:46. 13:22. 14 En de Geest des Heeren week van Saul; on een booze geest van den Heere verschrikte hem. 15 Toen zeiden Sauls knechten tot hom: Zie toch, een booze geest Gods verschrikt u. 16 Onze heer zegge toch tot uwe knechten, dio voor uw aangezigt staan, dat zij oenen man zooken, die op de harp spelen kan; en het zal geschieden, als de booze geest Gods op u is, dat hij met zijne hand spelo, dat het beter met u worde. 17 Toen zeide Snul tot zijne knechten: Ziet mij toch eenen man uit, die wel spelen kan, en brengt hem tot mij. 18 Toen antwoordde een van do jongelingen, on zeido: Zie, ik heb gezien eenen zoon van Isaï, den Bethlehemiet, die spelen kan, en hij is een dapper held, en een krijgsman, en verstandig in zaken, en een schoon man, en de Heere is met hem. 19 Saul nu zond boden tot Isaï, en zeide: Zend uwen zoon David tot mij, die bij de schapen is. 20 Toen nam Isaï oenen ezel met brood, on eonon lederen zak met wijn, en een goitenbokjo; en hij zond ze door do hand van zijnen zoon David aan Saul. 21 Alzoo kwam David tot Saul, en hij stond voor zijn aangezigt; en hij beminde hem zeer, en hij werd zijn wapendrager. 22 Daarna zond Saul tot Isaï, om te zeggen: Laat toch David voor mijn aangezigt staan, want hij hooft genade in mijne oogen gevonden. 23 En het geschiedde, als do geest Gods over Saul was, zoo nam David de harp, en hij speelde mot zijne hand: dat was voor Saul oeno verademing , on het werd beter met hem, en do booze geest week van hem. HOOFDSTUK 17. Israël met do Filistijnen in oorlog, vs. 1. Trotscho uitdaging van don reus Goliath, 4. David door zijnen vader tot zijne broeders gezonden in hot leger, hoort dit, wordt geërgerd en verklaart zich bereid met hem te strijden, 12; dit mishaagt zijnen oudsten broeder, 28. Saul laat David halen, die reden geeft van zijnen moed, lil ; en vrijheid verkrijgt tot don strijd tegen Goliath, dien hij ongewapend met zijnen staf en slinger te gemoet gaat, 38. Goliath veracht, vloekt en dreigt hem, 42; |
1 SAMTTÃL 17.
287
|
innar David, vol van g'oloof on vortiouwen op Odd, velt hom mot oenen slag neder, 45; waarop de Kilis-tijnen vlugtende, geslagen on goplnnderd worden, 51. Saul krijgt konnis aan David, 55. EN de Filistijnen verzamelden lum heir ton strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tusschen Socho en tnsschen Azéka, aan het einde van Dammim. |
2 Doch Saul en de mannen van Israël verzamel-(1 En een koperen scheenliarnas boven zijne voeten, en oen koperen schild tusschen zijne schouders; 7 En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zes honderd sikkelen ijzers; en de schilddrager giiifj;' voor zijn aangezigt. 8 Deze nu stond, en riep tot do slagorden van Israël, en zoido tot hen: Waarom zondt gijlieden uittrokken, om do slagorde te stellen? ben ik |
|
den zich, en legerden zich in liet eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan. 3 De Filistijnen nu stonden aan oenen berg aan gene, on de Israëlieten stonden aan eenen berg aan deze zijde; en de vallei was tusschen hen. 4 Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen, zijn naam was Goliath, van Gath; zijne hoogte was zes ellen en eene span. 5 En hij had eenen koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en liet gewigt van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers; |
niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul ? kiest eenen man onder u, die tot mij afkome. i) Indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zoo zullen wij ulieden tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin 011 hem sla, zoo zult gij ons tot knechten zijn , en ons dienen. 10 Verder zoide de Filistijn: Ik heb heden de slagorde van Israël gehoond, zeygende: Geeft mij eenen man, dat wij te zamen strijden! 11 Toen Saul en het ganscbe Israël deze woorden van den Filistijn hoorden, zoo ontzetten zij zich, en vreesden zeer. |
|
288 12 David nu was de zoon van don ofrathischon man van Hoth)|jhoin-Juda, wiens nnuin was Tsaï, en die acid zonen had, on in do dugon van Saul was hij eon man, oud, afgaande onder de mannen. l:! En do drie grootste zonen van Isaï gingen heen, zij volgden Saul na in den krijg. Do namen nu zijner drie zonen, die in den krijg gingen, waren: Eliab, de eerotgcborene, en zijn tweedo Abinadab, en de derde Samma. 14 En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd. 15 Doch David ging henen, en kwam weder van Saul, om zijns vaders quot;schapen te weiden te Bethlehem. r/1 Sam. 10:19, 16 Do Filistijn nu trad toe, des morgens vroeg en des avonds. Alzoo stolde hij zich daar veertig dagen lang. 17 En Isaï zoido tol zijnen zoon David: Noem toch voor uwe broeders eone efa van dit geroost koren, en deze tien broodon, en breng zo ter loops in het leger tot uwe broodoren. 18 Maar breng deze tien melkkazen aan do oversten over duizend; en gij zult uwe broederen bezoeken, of het hun welga, on gij zult van hen pand medenomen. 1!) Saul nu, on zij, en alle mannen van Israël waren bij het eikendal met de Filistijnen strijdende. 20 Toen maakte zich David des morgens vroeg op, en hij liet do schapen bij den hoeder, en hij nam liet op, on ging honen, gelijk als Isaï hem bevolen had; on quot;hij kwam aan den wagonburg, als hot heir in slagorde uittoog, en men ten strijde riep. a 1 Sam. 20 : 5. 21 En do Israëlieten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde. 22 David nu liet de vaten van zich, onder do hand van den bewaarder der vaten, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vraagde zijnen broederen naar livimcn welstand. 23 Toen hij mot hen sprak, ziet, zoo kwam do kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit hot heir dor Filistijnen, en hij sprak achtervolgens die woorden; en David hoorde zo. 24 Doch alle mannen in Israël, als zij dien man zagen, zoo vlugtten zij voor zijn aangezigt, en zij vreesden zoor. 25 En do mannen Israëls zeiden: Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? want hij is opgekomen, om Israël te honen; en hot zal geschieden, dat de koning dien man, die hem slaat, mot grooten rijkdom verrijken zal, on hij zal hom zijne dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israël. 2G Toen zoido David tot do mannen, dio bij hem stonden, zeggende: Wat zal men dien man doen, dio dozen Filistijn slaat, en don smaad van Israël wendt? want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij do slagorden van den levendon God zou honen ? |
27 Wederom zoido hom hot volk achtervolgens dat woord, zeggende: Alzoo zal men don man doon, dio hom slaat. 28 Als Eliab, zijn grootste broeder, hom tot die mannon hoorde spreken, zoo ontstak do toorn van Eliab togen David, on hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen ? en onder wien hebt gij do weinige schapen in do woestijn gelaten? ik ken uwe vermetelheid, en do boosheid uws harten wel, want gij zijt afgekomen, opdat gij don strijd zaagt. 2!) Toon zoido David: Wat heb ik nu gedaan? is er geone oorzaak? 80 En hij wondde zich af van dien naar oenen anderen toe, en hij zeido achtorvolgons dat woord; en hot volk gaf hem weder antwoord, achtervolgens do oorste woorden. :51 Toen die woorden gehoord worden, die David gesproken had, on in de tegenwoordigheid van Saul verkondigd werden, zoo liet hij hom halen. 32 En David zoido tot Saul: Aan geen' monsoh ontvalle het hart, om zijnentwil. Uw knecht zal heengaan, en hij zal met dozen Filistijn strijden. 33 Maar Saul zoide tot David: Gij zult niet kunnen heengaan tot dezen Filistijn, om mot hom te strijden, want gij zijt oen jongeling, en hij is eon krijgsman van zijne jeugd af. 34 Toen zoido David tot San!: Uw knecht weidde do schapen zijns vaders, on or kwam oen leeuw on eon boor, on nam een schaap van de kudde weg. 35 En ik ging uit hem na, on ik sloeg hom, on redde hot uit zijnon mond; toen hij tegen mij opstond, zoo vatte ik hem bij zijnen baard, en sloeg hein, en doodde hem. 36 Uw knecht hoeft zoo den leeuw als don beer geslagen; alzoo zal deze onbesneden Filistijn zijn, gelijk oen van die, omdat hij do slagorden van den levenden God gehoond hooft. 37 Vorder zoide David: De Heere, die mij van de hand dos leeuws gered hooft, on uit de hand dos beers, die zal mij redden uit de hand van dozen Filistijn. Toon zoido Saul tot David: Ga hoen, on de Heere zij mot u! 38 En Saul kleedde David met zijne kleodoron, en zette oenen koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hem met oen pantsier. 39 En David gordde zijn zwaard aan over zijne kleodoron, en wilde gaan, want hij had het nooit verzocht. Toon zoide David tot Saul: Ik kan in deze niet gaan, want ik heb hot nooit verzocht; on David leide zo van zich. 40 En hij nam zijnen staf in zijne hand, en hij koos zich vijf gladde stoonon uit de beek, en leide zo in do herdorstasch, dio hij had, to weten in don zak, en zijn slinger was in zijne hand; alzoo naderde hij tot don Filistijn. 41 Do Filistijn ging ook heen, gaande en naderende tot David; on zijn schilddrager (jim/ voor zijn aangezigt. 42 Toon de Filistijn opzag, on David zag, zoo 1 SAMUÃL 17. |
1 SAMUEL 17.
28!)
|
verachtte liij hem: want liij was een jongeling, roodachtig, mitsgaders schoon van aanzien. 43 De Filistijn nu zeide tot David: Ben ik oen hond, dat gij tot mij komt met stokken? en do Filistijn vloekte David bij zijne goden. 44 Daarna zeide do Filistijn tot David: Kom tot mij, zoo zal ik uw vloesch aan de vogelen dos hemels geven, en aan de dieren dos voids. |
45 David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij mot een zwaard, en met eono spies, en mot een schild; maar ik kom tot u 4lt;S Fn hot geschiedde, toen do Filistijn zich opmaakte, on heenging, on David te gonioet naderde, zoo haastte David, on liop naar de slagorde toe, don Filistijn te gomoet. 49 En David stak zijne hand in do tasch, en hij nam een' steen daaruit, en hij slingerde, en trof don Filistijn in zijn voorhoofd; zoodat de stoon zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezigt ter aarde. 50 Alzoo overweldigde David don Filistijn mot eoiien slinger en mot oenen steen: en hij versloeg |
|
in don naam van don IIeeue dor hoirscharen, den God der slagorden van Israël, dien gij gehoond hebt. 40 Te dezen dage zal do Heere u besluiten in inijne hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de doode ligchamon van der Filistijnen leger dezen dag aan de vogelen des hemels, en aan de beesten des voids geven; en do ganscho aarde zal weten, dat Israël oen' God hoeft. 47 En deze ganscho vergadering zal weten, dat de Heere niet door het zwaard, noch door de spies verlost: want do krijg is dos Heeuen. Die zal ulieden in onze hand geven. |
den Filistijn, en doodde hom; doch David had geen zwaard in do hand. 51 Daarom liep David, en stond op don Filistijn, on nam zijn zwaard, en hij trok hot uit zijne scheede, on lüj doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, zoo vlugtten zij. 52 Toen maakten zioli do mannon van Israël on van Juda op, en juichten, en vervolgden do Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, on tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden der Filistijnen violon op den weg van Saiiraïni, on tot aan Gath, en tot aan Ekron. 53 Daarna keerden do kinderen Israels om, van 19 |
1 SAMUÃL 17, 18.
200
|
het hittig najagen dor Fillstijnon, en zij beroofden hunne legers. 54 Daarna nam David het hoofd van den Filistijn, on bragt hot naar Jeruzalem ; maar zijne wapenen leide hij in zijne tont. 55 Toen Saul David zag uitgaan den Filistijn te gemoot, zoide hij tot Abner, den krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zeide: Zoo waarlijk a/a uwe ziol looft, o koning! ik weet het niet. 56 De koning nu zoide: Vraag gij hot, wiens zoon iloze jongeling is. 57 Als David wederkeerde van het slaan dos Filistijns, zoo nam hem Abner, on hij bragt hom voor het aangezigt van Saul, on het hoofd van den Filistijn was in zijne hand. 58 En Saul zeide tot hom: Wiens zoon zijt gij, jongeling? En David zeide: Ik bon oen zoon van uwen knecht Isaï, den Bothlehemiet. HOOFDSTUK 18. Vriomlschapsverbond tussclien Jonathan on David, vs. 1. David in eer bij liet volk, 5. Saul, hierover töornig, legt het oji zijn loven aan, 8. Davids voorspoed aan hel hof, 14. Trouwolooze handelwijze van Saul mot David, 17. Saul wil dit vergoeden, doch zoekt ook hierdoor andermaal Davids verderf, 21. David voldoet echter aan den eisch van Saul en Michal wordt hom tor vrouw, 17; die David lief hoeft, 28. Davids voorspoed, 30. HET geschiedde nu, als hij geëindigd had tot Saul te sproken, dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziol van David; en Jonathan beminde hem als zijne ziel. 2 En Saul nam hem te dien dage, en liet hem niet wederkeeren tot zijns vaders huis. :i Jonathan nu en David maakten een verbond, dewijl hij hem liefhad als zijne ziel. 4 En Jonathan deed zijnen mantel af, dien hij aanhad, en gaf bom aan David, ook zijne kloe-deren, ja tot zijn zwaard toe, en tot zijnen boog toe, on tot zijnen gordel toe. 5 En David toog uit, overal, waar Saul hem zond: hij gedroeg zich voorzigtiglijk, en Saul zotte bom over de krijgslieden; on hij was aangenaam in do oogen dos gansehen volks, en ook in do oogen der knechten van San). (i Het geschiedde nu, toen zij kwamen, en David wederkeerde van hot slaan der Filistijnen, dat de vrouwen uitgingen uit al de steden van Israël, met gezang en reijen, den koning Saul te gomoet, met trommelen, met vreugde en met muziekinstrumenten. 7 En a de vrouwen, spelende, antwoordden elkander en zeiden: 6Saul heeft zijne duizenden verslagen, maar David zijne tienduizenden! a Ex. 15 : 21. h \ Sara. 21:11. 29 : 5. 8 Toen ontstak Saul zeer, en dat woord was kwaad in zijne oogen, en hij zeide: Zij hebben David tien duizend gegeven, doch mij hebben zij maar duizend gegeven; en voorzeker zal het koningrijk nog voor hem zijn. |
9 En Saul had het oog op David, van dien dag-af en voortaan. 10 En het geschiedde des anderen daags, dat de boozo geest Gods over Saul vaardig werd, en hij profeteerde midden in hot huis, en David spoelde op snarenspel met zijne band, als van dag tot dag: Saul nu liad eeno spies in de hand. 11 En Saul schoot de spies, en zeide: Ik zal David aan den wand spitten; maar David wendde zich tweemaal van zijn aangezigt af. 12 En Saul vreesde voor David, want de Hkere was met hem, on Hij was van Saul geweken. 13 Daarom deed hem Saul van zich weg, en hij zette bom zich tot oenen overste van duizend; en hij ging uit en hij ging in voor het aangezigt des volks. 14 En David gedroeg zich voorzigtiglijk op al zijne wegen; en de Heere was met hom. 15 Toen nu Saul zag, dat hij zich zeer voorzigtiglijk gedroeg, vreesde iiij voor zijn aangezigt. lü Doch gansch Israël en Juda had David lief, want iiij ging uit en bij ging in voor hun aangezigt. 17 Derhalve zeide Saul tot David: Zie, mijne grootste dochter Merab zal ik u tot eeno vrouw geven; alleenlijk wees mij een dapper zoon, en voer don krijg dos Heeren. Want Saul zeide: Dat mijne hand niet tegen hem zij, maar dat de hand der Filistijnen tegen hem zij. 18 Doch David zeide tot Saul: Wie ben ik, en wat is mijn loven, en mijns vaders huisgezin in Israël, dat ik des konings schoonzoon zou worden? 19 Het geschiedde nu ton tijde, als men Merab, do dochter van Saul, aan David geven zou, zoo is zij aan A'driël, don Mobolathiet, ter vrouw gegeven. 20 Doch Michal, de dochter van Saul, had David lief. Toen dat Saul te kennen werd gegeven, zoo was die zaak regt in zijne oogen. 21 En Saul zeide: Ik zal baar hom geven, dat zij hem tot een' valstrik zij, en dat de hand der Filistijnen tegen hom zij. Daarom zoido Saul tot David: Met de andere zult gij heden mijn schoonzoon worden. 22 En Saul gebood zijnen knechten : Spreekt mot David in hot heimelijke, zeggende: Zio, do koning heeft lust aan u, en al zijne knechten hebben u lief: word dan nu dos konings schoonzoon. 23 En de knechten van Saul spraken deze woorden voor de ooren van David. Toon zeide David: Is dat ligt in ulieder oogen, des konings schoonzoon te worden, daar ik een arm en verachtzaam man ben ? 24 En de knechten van Saul boodschapten het hem, zeggende: Zulke woorden heeft David gesproken. 25 Toen zeide Saul: Aldus zult gijlieden tot David zeggen; Do koning heeft geonen lust aan den bruidschat, maar aan honderd voorhuiden der Filistijnen, opdat men zich wroko aan des |
1 SAMUÃL 18, li).
291
|
konings vijanden. Want Sanl dacht David to vellen door do hand dor Filistijnen. 2() Zijno knechten nu boodschapten David deze woorden. Eu die zaak was regt in de oogon van David, dat hij dos konings schoonzoon zou worden; maar de dagen waren nog niet vervuld. 27 Toen maakte zich David op, en hij en zijne mannen gingen hoen, eu zij sloegen onder de Filistijnen twee honderd mannen, en quot;David bragt hunne voorhuiden, en men leverde ze don koning volkomonlijk, opdat hij schoonzoon dos konings worden zou. Toen gaf Saul hem zijne dochtor Michal tor vrouw. a 2 Sam. :â !: 14. 28 En Saul zag en merkte, dat do Heere met t David was; en Michal, do dochtor van Saul, had hem lief. 1 29 Toen vreesde zich Saul nog meer voor David; on Saul was David een vijand al zijne dagen. :!() Als do vorston der Filistijnen uittogen, zoo geschiedde hot, als zij uittogen, dat David kloekor 1 was, dan al do knechten van Saul; zoodat zijn i naam zeer geacht was. HOOFDSTUK 19. Saul zoekt David to dooden, vs. 1. Jonathan waarschuwt '' ; David on spreekt voor hem bij Saul, 4; die 'met i eedo verklaart David niet te zullen dooden, 0. David : verslaat de Filistijnen, 8. Sauls vernieuwde toeleg a ) om hem to dooden, !). Michal gebruikt eene list, om David aan het dreigend gevaar te onttrekken, 12. Davids vlugt, 18. Saul zendt boden naar Najoth 1 om David te vangen, dio profeteren, 20; hij zendt i andere boden en trokt eindelijk zelf henen, hij zelf v en allen profetoren, 21. , DERHALVE sprak Saul tot zijnen zoon Jóna- a than en tot al zijne knechten, om David te dooden. v Doch Jonathan, Sauls zoon, had groot welgevallen aan David. ;1 2 En Jonathan verkondigde het David, zeggende: o Mijn vader Saul zoekt u to dooden: nu dan, wacht u toch des morgens, en blijf in het vor-t borgen, en versteek u. r Doch ik zal uitgaan, en aan de hand mijns it vaders staan op liet veld, waar gij zult zijn, on i- ilc zal van u tot mijnon vader spreken, en zal zien wat het zij: dat zal ik u verkondigen, it 4 Zoo sprak dan Jonathan good van David tot g zijnon vader Saul; en hij zoide tot hem: Do koning u zondige niet tegen zijnen knecht David, omdat hij tegen u niet gezondigd heeft, en omdat zijne n daden voor u zeer goed zijn. s 5 Want hij hooft zijne ziel in zijne hand gezet, i- en hij heeft den Filistijn geslagen, en de Heere n hoeft een groot heil aan het gansche Israël ge daan; gij hebt het gezien, en gij zijt verblijd it geweest; waarom zoudt gij dan tegen onschuldig d bloed zondigen, David zonder oorzaak doodende? () Saul nu hoorde naar do stem van Jonathan; )t on Saul zwoer: Zoo waarachtig als de Heere n 'ooft, hij zal niet gedood worden! n 7 En Jonathan riep David, en Jonathan gaf hom is al doze woorden te kennen; en Jonathan bragt |
David tot Saul, en hij was voor zijn aangozigt als gisteren en eergisteren. 8 En er werd wederom krijg; en David toog uit, on streed togen do Filistijnen, on hij sloeg hen mot eonon grooten slag, on zij vloden voor zijn aangezigt. 9 quot;Doch do booze geest des Heeren was over Saul, en hij zat in zijn huis, en zijne spies was in zijne hand; en David spoelde op snarenspel met do hand. «1 Sam. 10: 14. 18:10. 10 Saul nu zocht met de spies David aan don wand te spitten, doch hij ontweek van hot aangezigt van Saul , die met de spies in don wand sloeg. Toen vlood David, en ontkwam in dion-zelven nacht. 11 Maar Saul zond boden heen tot Davids huis, dat zij hom bewaarden, en dat zij hem des morgens doodden. Dit gaf Michal, zijne huisvrouw, David te kennen, zeggende: Indien gij uwe ziel dezen nacht niet behoedt, zoo zult gij morgen gedood worden. 12 En Michal liet David door een venstor neder; en hij ging heen, en vlugtte, en ontkwam. 13 En Michal nam een boold, en zij leido hot in hot bed, en zij leido een geitonvel aan zijne hoofdpeluw, en dokte hot met oen kleed toe. 14 Saul nu zond boden, om David te halen. Zij dan zeide: Hij is ziek. 15 Toen zond Saul boden, om David te bezien, zeggende: Brengt hom op hot bod tot mij op, dat men hom doodo. 16 Als de boden kwamen, zoo ziet, or was een beeld in het bod, on er was oen geitonvel aan zijne hoofdpeluw. 17 Toon zoide Saul tot Michal: Waarom hebt gij mij alzoo bedrogen en hebt mijnon vijand laten gaan, dat hij ontkomen is? Michal nu zoide tot Saul: Hij zoido tot mij: Laat mij gaan, waarom zou ik u dooden? 18 Alzoo vlugtte David en ontkwam, en hij kwam tot Samuël te Kama, on hij gaf hom te kennen al wat Saul hem gedaan had; en hij en Samuël gingen heen, en zij bloven te Najoth. 19 En nien boodschapte Saul, zeggende: Zio, David is te Najoth bij Rama. 20 Toen zond Saul boden heen, om David te halen; die zagen oeno vergadering van profeten, profeterende, en Samuël staande, over hou gestold; en do Geest Gods was over Sauls boden, en die profeteerden ook. 21 Toen men het Saul boodschapte, zoo zond hij andere boden, on dio profeteerden ook; toon voor Saul voort, en zond de dorde boden, en die profeteerden ook. 22 Daarna ging hij ook zelf naar Rama, en hij kwam tot den grooten waterput, die to Sechn was, en hij vraagde, en zoido: Waar is Samuël en David? Toen werd hem gezegd: Zio, zij zijn te Najoth bij Rama. 23 Toon ging hij derwaarts naar Najoth bij -li)» |
i
1 SAMUEL 19, 20.
292
|
Rama; on dezelvo Geest Gods was ook op hom, en liij, al voortgaande, profeteerde, totdat hij to Najoth bij Rama kwam. 24 En hij toog zelf ook zijne kleoderen uit, en hij profeteerde zelf ook, voor het aangezigt van Samnël, en hij viel bloot neder dienzelven gan-schen dag, en den gansrlien nacht. Daarom zegt men: Is Sanl ook onder do profeten? HOOFDSTUK 20. Klagt vun David aan Jónathan, dat Saul hem doodon wilde, vs. 1; hetgeen Jonathan niet gelooven kan, 2; maar door David bevestigd wordt, 3. Afspraak tas-schen Jónathan en David, oai Sauls gezindheid omtrent den laatste te toetsen, 4. Jónathan verklaart zich daartoe bereid, !). Plegtige vernieuwing van het vriendschapsverbond tnsschen hen beiden, 16. Zij bepalen een teeken, waaraan David zou kunnen onderkennen, hoedanig Said jegens hem gezind was, is. Jónathan, Sauls doodelijken haat ontdekt hebbende, geeft hot David te kennen, 24; waarop David, na een hartelijk afscheid van zijnen vriend, zijne vlugt voortzet, 41. TOEN vlugtte David van Najoth bij Kama, on hij kwam, on zeide voor het aangezigt van .Jonathan: Wat heb ik gedaan, wat is mijne misdaad, en wat is mijne zonde voor het aangezigt uws vaders, dat hij mijne ziel zoekt? 2 Hij daarentegen zeide tot hem: Dat zij verre! gij zult niet sterven. Zie, mijn vader doet geene groote zaak, en geene kleine zaak, die hij voor mijn oor niet openbaart; waarom zou dan mijn vader deze zaak van mij verbergen ? dat is niet. 3 Toen zwoer David verder, en zeide: Uw vader weet zeer wol, dat ik genade in uwe oogen gevonden heb, daarom heeft hij gezegd: Dat Jónathan dit niet weto, opdat hij zich niet bekommere; en zekerlijk, zoo waarachtig als de Heere leeft, en uwe ziel looft, er is maar als eene schrede tnsschen mij en tusschen don dood! 4 Jónathan nu zeide tot David: Wat uwe ziel zegt, dat zal ik u doen. 5 En David zeide tot Jónathan: Zie, morgen is do nieuwe maan, dat ik zekerlijk met den koning zou aanzitten om te eten; zoo laat mij gaan, dat ik mij op het veld vorborgo tot aan den dorden avond. (i Indien uw vader mij gewissel ijk mist, zoo zuil gij zeggen: David heeft van mij zeer begeerd, dat hij tot zijne stad Bethlehem mogt loopen, want aldaar is een jaarlijksch offer voor hot gansche geslacht. 7 Indien hij aldus zog): Het is goed, zoo heeft uw knecht vrede; maar indien hij gansch ontstoken is, zoo weet, dat het kwaad bij hom ten volle besloten is. 8 Doe dan barmhartigheid aan uwen knecht, quot; want gij hebt uwen knecht in een verbond dos Heeren met u gebragt; maar is er eene misdaad in mij, zoo dood gij mij, waarom zoudt gij mij toch tot uwen vader brongen? quot;1 Sam. 18:3. !) Toen zeide Jónathan: Dat zij verre van u! |
maar indien ik zekerlijk merkte, dat dit kwaad bij mijnen vader ton volle besloten ware, dat hot u zou overkomen, zou ik dat u dan niot te kennen geven? 10 David nu zeide tot Jónathan: Wie zal het mij te kennen geven, indien uw vader u wat hards antwoordt ? 11 Toen zeide Jónathan tot David: Kom, laat ons toch uitgaan in het veld; on die beiden gingen uit in het veld. 12 En Jónathan zoido tot David: Do Heere, do God Israels, indien ik mijnon vader onderzocht zal hebben omtrent dezen tijd, morgen of overmorgen, en zio, het is goed voor David, en ik dan tot u niet zonde, en voor uw oor openbare; 13 Alzoo doe de Heere aan Jónathan, en alzoo doe Hij daartoe! Als mijnon vader hot kwaad over u behaagt, zoo zal ik het voor uw oor ontdokkon, en ik zal u trekken laten, dat gij in vrede heengaat; on do Heere zij met u, gelijk als Hij met mijnen vader geweest is. 14 Eu zult gij niot, indien ik dan nog leve, ja zult gij niet de weldadigheid des Heeren aan mij doen, dat ik niet sterve ? 15 Ook zult gij uwe weldadigheid niet afsnijden van mijn huis tot in eeuwigheid; ook niet wanneer do Heere oen' iegelijk der vijanden van David van den aardbodem zal afgesneden hebben. l(i Alzoo maakte Jónathan een verbond, met hot huis van David, zeggende: Dat het de Heere eischo van do hand dor vijanden Davids! 17 En Jónathan voer voort, met David te doen zworen, omdat hij hom liefhad: want hij had hom Hof met do liefde zijner ziel. 18 Daarna zeide Jónathan tot hom: Morgen is do nieuwe maan; dan zal men u missen, want uwe zitplaats zal ledig gevonden worden. li) En als gij do drie dagen zult uitgebleven zijn, kom haastig af, en ga tot die plaats, waar gij u verborgen hadt ton dage dezer handeling; en blijf bij den steen Ezel. 20 Zoo zal ik drie pijlen ter zijde schieten, als of ik naar oen toeken schoot. 21 En zie, ik zal den jongen zonden, zeggende: Ga hoon, zoek do pijlen; indien ik uitdrukkelijk tot den jongen zeg: Zio, de pijlen zijn van u af en herwaarts, noem hom; en kom gij, want oils vrede voor u, on er is geen ding, zoo waarlijk do Heere looft! 22 Maar indien ik tot den jongen alzoo zeg: Zio, do pijion zijn van u af en verder; ga hoon, want do Heere heeft u laten gaan. 23 «En aangaande de zaak, waarvan ik eu gij gesproken hebben, zio, de Heere zij tusschen mij en tusschen u, tot in eeuwigheid ! n vors 42. 24 David nu verborgde zich in het veld; en als hot nieuwe maan was, zat do koning bij de spijze, om te eten. 25 Toen zich do koning gezet had op zijne zitplaats, op dit maal gelijk de andere maal, aan |
1 SAMUÃL 20, 21.
2!)H
|
do stodo hij den wand, zoo stond Jonathan op, on Abnor zat aan Sauls zijdo, on Davids plaats word lodiy govondon. 21! En Said sprak to dien dago niets, want liij zoido: Horn is wat voorgevallen, dat hij niet rein is; voorzeker hij is niot rein. 27 Hot geschiedde nu dos anderen daags den tweedon der nieuwe maan, als Davids plaats ledig gevonden werd, zoo zoido Sanl tot zijnen zoon Jonathan: Waarom is de zoon van Isaï noch gisteren noch heden tot do spijze gekomen? 28 En Jonathan antwoordde Snul; David he-goerdo van mij ornstelijk naar Bothlohom to mogen gaan. 29 En hij zoido: Laat mij toch gaan, want ons geslacht heeft eon offer in do stad, en mijn broeder heeft hot mij zelfs geboden: heb ik mi genade in uwe oogen gevonden, laat mij toch ontslagen zijn, dat ik mijne broeders y.io; hierom is hij aan des konings tafel niet gekomen. ÃO Toon ontstak do toorn van Saul togen Jonathan, on hij zoido tot hem: (!ij zoon der verkeerde in wodorspannigheid! weet ik het niot, dat gij don zoon van Isaï vorkoren hebt tot uwe schande, on tot schande van do naaktheid uwer moeder ? ;!1 Want al do dagen, die de zoon van Isaï op don aardbodem lovon zal, zoo zult gij noch uw koningrijk bevestigd worden: nu dan, schik hoen, on haal hom tot mij, want hij is oen kind des doods. :{2 Toon antwoordde Jónathan Saul, zijnon vader, on zoido tot hem : Waarom zal hij gedood worden wat hoeft hij gedaan? .'ili Toen schoot Saul do spies op hem, om hom to slaan. Alzoo merkte Jónathan, dat dit ton volle bij zijnen vader besloten was, David te doodon. !Ã4 Daarom stond Jónathan van de tafel op in hittigheid des toorns; on hij at op don tweeden dag der nieuwe maan geen brood, want hij was bekommerd om David, omdat zijn vader hom gesmaad had. 35 En het geschiedde des morgens, dat Jónathan in hot void ging, op den tijd, die David bestemd was; en er was een kleine jongen bij hem. :)(! En hij zoido tot zijnen jongen: Loop, zoek nu de pijlen, die ik schieten zal. Do jongen liep hoon, on hij schoot oenen pijl, dien hij deed over hem vliegen. :i7 Toen do jongen tot aan de plaats des pijls, dion Jónathan geschoten had, gekomen was, zoo riep Jónathan den jongen na, en zoido: Is niet de pijl van u af en verder? 38 Wederom riep Jónathan don jongen na: Haast u, spoed u, sta niot stil! De jongen van Jónathan nu raapte den pijl op, en hij kwam tot zijnen hoor. 39 Doch do jongen wist er niets van; Jónathan on David alleen wisten van de zaak. 40 Toen gaf Jónathan zijn gereedschap aan den jongen, dien hij had; en hij zeide tot hem: (la heen, breng het in de stad. |
41 Als de jongen heenging, zoo stond David op van de zuidzijde, en hij viel op zijn aangozigt ter aarde, on hij boog zich driemaal; en zij kusten elkander, en weenden mot elkander, totdat hot David gansch vool maakte. 42 Toon zoido Jónathan tot David: Ga in vrede; hetgeen wij beiden in don naam dos IIkuren gezworen hebben, zeggende: De Heere zij lus-schen mij on tusschen u, on tusschon mijn zaad en tusschen uw zaad, zij tot in eeuwigheid! 43 Daarna stond hij op, ou ging hoon; en Jónathan kwam in de stad. HOOFDSTUK 21. David komt op zijne vlugt bij Aohiinéleoh, vs. 1. Hij houdt y.lch als of' hij eeno geheime zaak voor den koning moest verrigten, 2. Op zijne vraag om spijs geeft do priester hem do toonbrooden, 3. Dit ziet Doög, 7. David ontvangt op zijn verzoek om wapenen, het zwaard van Goliath, 8. Hij begeeft zich naar Oath, 10. Hij is den vorsten van Achis niet welkom, 11. David, in grooto vrees, verandert zijn gelaat en houdt zich onzinnig, 13. Achis neemt het kwalijk, dat men zulk een' mensch tot hem gebragt had, 14. TOEN kwam David te Nob, tot don priester Achimólech; en Achiniéloch kwam bevende David te gomoot, en hij zoido tot hem: Waarom zijt gij alloon , on goon man mot u ? 2 En David zoido tot den priester Achimólech: Do koning hooft mij oeno zaak bevolen, en zoido tot mij: Laat niemand iets van de zaak weten, om dewelke ik u gezonden hob, en die ik u geboden heb; den jongelingen nu hob ik do plaats van zulk oenen te konnen gegeven. 3 En nu wat is or onder uwe hand? geef mij vijf broodon in mijne hand, of wat or gevondon wordt. 4 En de priester antwoordde David, en zoido: Er is geen gonioen brood onder inijiio hand; maar er is heilig brood, wanneer zich do jongelingon slechts van de vrouwen onthouden hebben. 5 David nu antwoordde den priester, en zeide tot hem: Ja trouwens, do vrouwen zijn ons onthouden geweest gisteren on eergisteren, toen ik uitging, en de vaten der jongelingon zijn heilig; en het is oenigorwijze gemoen brood, te moer dewijl heden ander in do vaten zal geheiligd worden. (5 Toen quot;gaf de priester hom dat heilige brood., dewijl er geen brood was dan do toonbrooden, die van voor hot aangozigt des Heeeen weggenomen waren, dat men or warm brood loido, ten dage als dat weggenomen word. a Matt. 12 : 3. Mark. 2 : 25. Luk. (i: 3. 7 Daar was nu een man van do knechten van Saul, te dionzelven dage opgehouden voor hot aangozigt des 11 keren, en zijn naam was Doög, een Edomiot, do magtigste onder do hordoren, die Saul had. 8 En David zoido tot Aohimélech: Is hier onder uwe hand geeno spies of zwaard? want ik heb noch mijn zwaard noch ook mijne wapenen in |
1 SAMUÃL 21, 22.
'294
|
mijne hand genomen, dewijl de zaak des konings haastig was. 9 Toen zeide de priester: Het zwaard van Goliath, den Filistijn, denwelken gij sloegt in het eikendal, zie, dat is hier, gewonden in een kleed, achter den efod: indien gij u dat nemen wilt, zoo neem het, want hier is geen ander dan dit. David nu zeide: Er is zijns gelijke niet, geel' het mij. 10 En David maakte zich op, en vlugtte te dien dage van het aangezigt van Saul; en hij kwam tot Achis, den koning van Gath. 11 Doch de knechten van Achis zeiden tot hem: Is deze niet David, de koning des lands? zong men niet van dezen in de reijen, zeggende: quot; Saul heeft zijne duizenden verslagen, maar David zijne tienduizenden ? al Sam. 18 ; 7. 12 En David leide deze woorden in zijn hart; en hij was zeer bevreesd voor het aangezigt van Achis, den koning van Gath. 13 Daarom veranderde hij zijn gelaat voor hunne oogen, en hij maakte zich zeiven gek onder hunne handen; cn hij beknibbelde de deuren dei-poort, en hij liet zijne zeever in zijnen baard afloopen. 14 Toen zeide Achis tot zijne knechten: Ziet, gij ziet, dat de man razende is, waarom hebt gij hem tot mij gebragt ? 15 Heb ik razenden gebrek, dat gij dozen gebragt hebt, om voor mij te razen? zal deze in mijn huis komen? HOOFDSTUK 22. David verbergt zich in de spelonk Adiillaui; daar verzamelen zich 40(1 mannen, verdrukte lieden, en zijne bloedverwanten bij hem, vs. 1. Verblijf van David en do zijnon in hot land van Moab, 3. David trekt op Gods bevel naar Juda, 5. Said hitst zijne manschappen tegen David op, (i. Doög verhaalt San! hetgeen hij bij Achimólech gezien had, 9. Sanl ontbiedt Achimélecli on zijn geslacht, 14. Afgrijsse-lijko priestermoord door Saul bevolen on door Doög volvoerd, l(i. Abjathar ontkomt on berigt aan David het gebeurde, die hom van zijne bescherming verzekert, 2U. TOEN ging David van daar, en ontkwam in de spelonk van Adullam. En zijne broeders hoorden het, en het gansche huis zijns vaders, en kwamen derwaarts tot hem af. 2 En tot hem vergaderde alle man, die benaauwd was, en alle man, die eenen schuldeischer had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij word tot overste over hen; zoodat bij hem waren omtrent vier honderd mannen. 3 En David ging van daar naar Mizpe der Moa-bieten ; en hij zeide tot den koning der Moabieten: Laat toch mijnen vader en mijne moeder bij ulieden uitgaan, totdat ik weet, wat God mij doen zal. 4 Eu hij bragt hen voor het aangezigt van den koning dor Moabieten; en zij bleven bij hem al de dagen, die David in de vesting was. |
5 Doch de profeet Gad zeide tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth. (i En Saul hoorde, dat David bekend geworden was, en de mannen, die bij hem waren. Saul nu zat op eenen heuvel onder hot geboomte te Rama, en hij had zijne spies in zijne hand, en al zijne knechten stonden bij hem. 7 Toen zeide Saul tot zijne knechten, die bij hem stonden: Hoort toch, gij zonen van Jemini! zal ook de zoon van Isaï u altegader akkers en wijnbergen geven? zal hij u allen tot oversten van duizenden, en oversten van honderden stellen ? 8 Dat gij u allen tegen mij verbonden hebt, en niemand voor mijn oor openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met don zoon van Isaï; en niemand is onder ulieden, dien het wee doet van mijnentwege, en die hot voor mijn oor openbaart: want mijn zoon heeft mijnen knecht tegen mij opgewekt tot eenen lagenlegger, gelijk het te dezen dage is. 9 Toen antwoordde Doög, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zeide: Ik zag den zoon van Isaï, komende te Nob, tot Achimé-lech, den zoon van Ahltub; 10 Die den Heere voor hem vraagde, en gaf hem teerkost; hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, den Filistijn. 11 Toen zond de koning heen, om den priester Achimélecli, den zoon van Ahitub, te roepen, en zijns vaders gansche huis, de priesters, die te Nob waren; en zij kwamen allen tot don koning. 12 En Saul zeide: Hoor nu, gij zoon van Ahitub! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn heer! 13 Toen zeide Saul tot hom: Waarom hebt gijlieden zamen u tegen mij verbonden, gij en de zoon van Isaï, mits dat gij hem gegeven hebt brood en hot zwaard, en God voor hem gevraagd, dat hij zou opstaan tegen mij tot eonen lagenlegger, gelijk het to dezen dage is? 14 En Achimólech antwoordde den koning en zeide: Wie is toch onder al uwe knechten getrouw als David, en des konings schoonzoon, en voortgaande in uwe gehoorzaamheid, en is eerlijk in uw huis? 15 Heb ik heden begonnen God voor hem te vragen ? Dat zij verre van mij! do koning logge op zijnen knecht geen ding, noch op het gansche huis mijns vaders: want uw knecht hooft van al deze dingen niet geweten, klein noch groot. Ki Doch do koning zeide: Achimélecli! gij moet don dood sterven, gij en het gansche huis uws vaders. 17 En do koning zeide tot de trawanten, die bij hem stonden: Wendt u, en doodt do priesters des Heeren , omdat hunne hand ook met David is, on omdat zij geweten hebben, dat hij vlugtte, en hebben het voor mijne ooren niet geopenbaard. Doch do knechten dos konings wilden hunne hand |
1 SAMUÃL 22, 23.
295
|
niet uitstoken, om op do priesters dos Heeuen aan te vallon. 18 Toen zoido do koning tot Doëg: Wond gij u, on val aan op do priesters. Toen wondde zich Doëg, do Edoniiet, on hij viol aan op do priesters, en doodde te dien dage vijf on tachtig mannon, dio don linnen lijfrok droegen. 1!) Hij sloeg ook Nob, do stad dozot priesters, met de scherpte des zwaards, van don man tot do vrouw, van do kinderen tot de zogolingen, zelfs de ossen on ozols, en de schapen sloeg hij met do scherpte des zwaards. 20 Doch een dor zonen van Achiinélech, don zoon van Ahitub, ontkwam, wiens naam was Abjathar: die vlugtte David na. 21 En Abjathar boodschapte het David, dat Saul de priosteron dos Heeuen gedood had. 22 Toen zoido David tot Abjathar: Ik wist wol te dien dage, toon Doëg, do Edomiot, daar was, dat hij hot voorzeker Saul zou te kennen geven; ik heb oorzaak gegeven togen al do ziolou van uws vaders huis. 23 Blijf bij mij, vrees niet; want wie mijne ziel zoeken zal, die zal uwe ziel zoeken; maar gij zult mot mij in bewaring zijn. HOOFDSTUK 23. David na herhaalde raadpleging des Hoeren, verslaat do Filistijnen, bij Kehlla, vs. I. Saul belegert Kehüa, 7. David door den priester God vragende, of hij zich op de trouw der Kehilaïeton verlaten kon en het tegendeel verstaande, vlugt niet de zijnen uit Kehüa, zwerft in do woestijn /if rond,!); waar Jónathan David bezoekt, lü. De /ilioton verraden het verblijf van David aan Said, die terstond tegen David optrekt; doch door oenen inval der Filistijnen in Jnda van zijn voornemen, om David in zijne magt to krijgen, moot afzien, 1!). EN mon boodschapte David, zeggende: Zie, de Filistijnen strijden tegen Kehüa, en zij beroo-ven de schuren. 2 En David vraagde den Heere, zeggende: Zal ik heengaan en deze Filistijnen slaan? En de Heere zeido tot David: Ga hoon, en gij zult de Filistijnen slaan en Kehüa verlossen. 3 Doch do mannon Davids zeiden tot hem: Zie, wij vreezen hier in Juda; hoe veel te meer, als wij naar Kehüa tegen dor Filistijnen slagorden gaan zullen! 4 Toon vraagde David den Heere nog verder; on de Heere antwoordde hom en zoido: Maak u op, trok af naar Kehüa, want Ik geef do Filistijnen in uwe hand. 5 Alzoo toog David en zijne mannen naar Kehüa, on hij streed tegen de Filistijnen, en dreef hun vee weg, on hij sloeg onder hen oenen grooten slag; alzoo verloste David do inwoners van Kehüa. li En hot geschiedde, quot;toon Abjathar, do zoon van Achiinélech, tot David vlugtte naar Kehüa, dat hij afkwam mot don ofod in zijne hand. a 1 Sam. 22 : 20. 7 Als aan Saul te kennen gegeven werd, dat |
David to Kehüa gekomen was, zoo zeide Saul: God hooft hom in mijne hand overgegeven, want hij is besloten, komende in oono stad mot poorten on grendelen. 8 Toen liet Saul al het volk ten strijde roepen, dat zij aftogon naar Kehüa, om David on zijne mannen te belegeren. 9 Als nu David verstond, dat Saul dit kwaad togen hom heimelijk voorhad, zoido hij tot don priester Abjathar: Drong don ofod herwaarts. 10 En David zoido: Heere, God van Israël! uw knecht heeft zekerlijk gehoord, dat Saul zoekt naar Kehüa te komen, on de stad to verderven om mijnentwil. 11 Zullen mij ook do burgers van Kehüa in zijne hand overgeven? Zal Saul afkomen, gelijk als uw knecht gehoord hooft? o Heere, God van Israël! gooi' hot toch uwen knecht te konnon! Do Heere nu zoido: Hij zal afkomen. 12 Daarna zoido David: Zouden do burgers van Kehüa mij on mijne mannon overgeven in de hand van Saul? En do Heere zeido: Zij zouden u overgeven. 13 Toen maakte zich David en zijne mannen op, omtrent zes honderd man, en zij gingen uit Kehüa, en zij gingen hoen, waar zij kondon gaan. Toen aan Saul geboodschapt word, dat David uit Kehüa ontkomen was, zoo hield hij op uit to trekken. 14 David nu bleef in do woestijn in de vestingen, on hij bleef op den berg in do woestijn Zif; on Saul zocht hem allo dagen, doch God gaf hom niet over in zijno hand. 15 Als David zag, dat Saul uitgetogen was, om zijno ziel te zoeken, zoo was David in de woestijn Zif in een woud. 1(3 Toon maakte zich Jónathan, do zoon van Saul, op on hij ging tot David in hot woud; on hij versterkte zijno hand in God; 17 En hij zoido tot hem: Vrees niet, want do hand van Saul, mijnen vader, zal u niet vindon, maar gij zult koning worden over Israël, en ik zal de tweede bij u zijn; ook- weet mijn vader Saul zulks wel. 18 En die beiden maakten oen verbond voor het aangozigt des Heeuen; on David bloei' in hot woud, maar Jónathan ging naar zijn huis. 19 Toon togen de Zilïeton op tot Saul naar Giboa, zeggende: Hoeft zieb niet David bij ons verborgen in de vestingen in hot woud, op don heuvel van Hachila, dio aan de regterhand der wildernis is? 20 Nu dan, o koning! kom spoedig af naar al de begeerte uwer ziel; en het komt ons toe hom over to geven in do hand dos konings. 21 Toen zoido Saul: Gezegend zijt gijlieden den Heere, dat gij u over mij ontfermd hebt! 22 Gaat toch hoon, on bereidt de zaak nog moor, dat gij weet en beziet zijne plaats, waar zijn gang is, wie hem daar gezien hooft: want hij |
1 SAMUEL 23, 24.
296
|
hooft tot mij gezegd, dat hij zoor listiglijk ploegt to handolon. 23 Daarom ziet toe, en verneemt naar allo schuilplaatsen, in dewolko hij schuilt; komt dan woder tot mij niet vast bescheid, zoo zal ik met ulioden gaan; en hot zal geschieden, zoo hij in hot land is, zoo zal ik hom naspeuren onder alle duizenden van Jnda. 24 Toen maakten zij zich op, en zij gingen naar Zif voor het aangozigt van Saul. David nu en zijne mannen waren in de woestijn van Maon, in het vlakke veld, aan de regterhand der wildernis. 25 Saul en zijne mannen gingen ook om te zoeken. Dat werd David geboodschapt, die van dien rotssteen afgegaan was, en bleef in de woestijn van Maon. Toen Saul dat hoorde, jaagde hij David na in de woestijn van Maon. 20 En Saul ging aan deze zijde des bergs, en David en zijne mannen aan gene zijde des bergs, liet geschiedde nu, dat zich David haastte, om te ontgaan van het aangezigt van Saul; en Saul en zijne mannen omsingelden David en zijne mannen, om die te grijpen. 27 Doch daar kwam een bode tot Saul, zeggende: Haast u, en kom, want de Filistijnen zijn in het land gevallen. 28 Toen keerde zich Saul van David na te jagen, en hij toog den Filistijnen te gemoet: daarom noemde men die plaats Sela Machlekêth. HOOFDSTUK 24. Davids schuilplaats te En-gédi aan Saul ontdekt, vs. 1. Saul stelt zijn legev weder tegen hem, 3; en komt in de spelonk, waarin David met zijn volk verscholen lag. David slaat zijne hand niet aan Sauls leven, maar snijdt eene slip van zijnen mantel, 4; en bewijst alzoo aan Saul zijne onschuld, 9. Saul bekent zijne onregtvaardigheid, 17; en neemt eenen eed van David, 22. EN David toog van daar op, en hij bleef in do vestingen van En-gédi. 2 En het geschiedde, nadat Saul wedergekeerd was van achter de Filistijnen, zoo gaf men hem te kennen, zeggende: Zie, David is in de woestijn van En-gédi. 3 Toon nam Saul drie duizend uitgelozene mannon uit gansch Israël, en hij toog heen, om David en zijne mannen te zoeken boven op de rotssteenen der steenbokken. 4 En hij kwam tot do schaapskooijen aan den weg, waar eene spelonk was; en Saul ging daarin, om zijne voeten te dekken. David nu en zijne mannen zaten aan de zijden der spelonk. ö Toen zeiden de mannen van David tot hem; Zie den dag, in welken de Heerk tot u zegt: Zie, Ik geef uwen vijand in uwe hand, en gij zult hem doen, gelijk als hot goed zal zijn in uwe oogen. En David stond op, en sneed stilletjes eene slip van Sauls mantel. (i Doch het geschiedde daarna, dat Davids hart hem sloeg, omdat hij de slip van Saul afgesneden had. |
7 En hij zeide tot zijne mannon: Dat late do Heere ver van mij zijn, dat ik die zaak doen zou aan mijnen heer, den gezalfde des 11 eer en , dat ik mijne hand tegen hem uitsteken zou: want hij is do gezalfde dos Heeren ! 8 En David scheidde zijne mannen met woorden, en liet hun niet toe, dat zij opstonden tegen Saul. En Saul maakte zich op uit de spelonk, en ging op den weg. 9 Daarna maakte zich David ook op, en ging uit de spelonk, en hij riep Saul achterna, zeggende: Mijn heer koning! Toen zag Said achter zich om, en David boog zich met het aangezigt ter aarde en neigde zich. 10 En David zeide tot Saul: Waarom hoort gij de woorden der menschen, zeggende: Zie, David zoekt uw kwaad? 11 Zie, te dezen dage hebben uwe oogen gezien, dat de Heere u heden in mijne hand gegeven heeft in deze spelonk, en men zeide: dat ik u dooden zou; doch mijne hand verschoonde n, want ik zeide: Ik zal mijne hand niet uitsteken tegen mijnen heer, want hij is de gezalfde des Heeren. 12 Zie toch, mijn vader! ja zie de slip uws mantels in mijne hand: want als ik de slip uws mantels afgesneden heb, zoo heb ik u niet gedood; beken en zie, dat er in mijne hand geen kwaad, noch overtreding is, on ik tegen u niet gezondigd heb; nogtans jaagt gij mijne ziel, dat gij ze wegnemot. 13 De Heere zal rigten tusschen mij en tusschen u, en de Heerk zal mij wreken aan u; maar mijne hand zal niet tegen u zijn. 14 Gelijk als het spreekwoord der ouden zegt: Van de goddeloozen komt goddeloosheid voort; maar mijne hand zal niet tegen u zijn. ló Naar wien is de koning van Israël uitgegaan? wion jaagt gij na? naar eenen dooden hond! naar eene eenige vloo! 16 Doch de Heere zal zijn tot Rogter, en rigten tusschen mij en tusschen u, en zien daarin, en twisten mijnen twist, en rigten mij van uwe hand. 17 En hot geschiedde, toen David geëindigd had al deze woorden tot Saul te spreken, zoo zeide Saul: Is dit uwe stem, mijn zoon David? Toen hief Saul zijne stom op en weende. 18 En hij zeide tot David: Gij zijt regtvaardiger dan ik: want gij hebt mij goed vergolden, en ik heb u kwaad vergolden. 19 En gij hebt mij heden aangewezen, dat gij mij goed gedaan hebt: want do Heere had mij in uwe hand besloten, en gij hebt mij niet gedood. 20 Zoo wanneer iemand zijnen vijand gevonden heeft, zal hij hem op eenen goeden weg laten gaan? De Heere nu vergelde u hot goede, voor dezen dag, dien gij mij heden gemaakt hebt. 21 En nu, zie, ik weet, dat gij voorzeker koning worden zult, en dat het koningrijk van Israël in uwe hand bestaan zal. |
1 SAMUÃL 24, 25.
21)7
|
22 Zoo zweer mij clan nu bij don IIeere; zoo gij mijn zaad na mij zult uitroeijen, en mijnen naam zult uitdelgen van mijns vaders luiis! 23 Toen zwoer David aan Saul; on Saul ging in zijn linis, maar David en zijne mannen gingen op in do vesting. HOOFDSTUK 25. Dood van Samuël. David in do woestijn van Paran, vs. 1. Karakter van Nabal on Abigail, 2. David laat Nabal beleefdelijk verzoeken, om oon geschenk voor zijn leger, 4. Do onhouscho weigering van Nabal vervoert David tot. toorn on doet hom do verdelging van Nabal on zijn huis zweren, 13, 21, 22. Abigail, van Davids voornomen onderrigt, beproeft het gevaar at te wonden, 14. Zij gaat David niet geschenken te geraoot, en hare redenen doen zijne gramschap bedaren, 23. Nabal sterft, 30. Abigail on Ahinoam worden Davids vrouwen, 39. EN quot; Samuel stierf; en gansch Israël vergaderde zich, en zij bedreven rouw over hom, en begroeven hem in zijn huis te Rama. En David maakte zich op, en toog af naar do woestijn Paran. a 1 Sain. 28 : 3. 2 En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zoor groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren zijner schapen to Karmel. 3 En de naam des mans was Nabal, en de naam zijner huisvrouw Abigail; en do vrouw was goed van verstand, en schoon van gedaante; maar de man was hard on boos van daden, en hij was een Kalebiet. 4 Als David hoorde in do woestijn, dat Nabal zijne schapen schoor, 5 Zoo zond David tien jongelingen; on David zeide tot de jongelingen: Gaat op naar Karmel, en als gij tot Nabal komt, zoo zult gij hem in mijnen naam naar don welstand vragen; (J En zult alzoo zeggen tot dien welvarende: Vrede zij u, en uwen huizo zij vrede, on alles, wat gij hebt, zij vrede! 7 En nu, ik heb gehoord, dat gij scheerders hebt; nu, de herders, die gij hebt, zijn bij ons geweest, wij hebben hun geene smaadheid aangedaan , en zij hebben ook niets gemist al de dagen, dio zij te Karmel geweest zijn. B Vraag het uwen jongelingen, en zij zullen het u te kennen geven. Laat dan deze jongelingen genade vindon in uwe oogen, want wij zijn op oenen goeden dag gekomen; geef toch uwen knechten, en uwen zoon David, hetgeen uwe hand vinden zal. 9 Toen de jongelingen van David gekomen waren, en in Davids naam naar al dio woorden tot Nabal gesproken haddon, zoo hielden zij stil. 10 En Nabal antwoordde don knechten van David, en zeide: Wie is David, en wie is do zoon van Isaï? Er zijn heden vele knechten, die zich afscheuren, elk van zijnen heer. |
11 Zou ik dan mijn brood, en mijn water, en mijn geslagt vleesch nemen, dat ik voor mijne scheerders geslagt hob, en zou ik liet den mannen geven, die ik niet weet, van waar zij zijn? 12 Toon koerden zich do jongelingen van David naar hunnen weg; en zij koorden weder, en kwamen, en boodschapten hem achtervolgens al doze woorden. 13 David dan zeide tot zijne mannen: Een iegelijk gorde zijn zwaard aan. Toen gordde een iegelijk zijn zwaard aan, on David gordde ook zijn zwaard aan; en zij togen op achter David, omtrent vier honderd man, en daar bleven er twee honderd bij het gereedschap. 14 Doel) een jongeling uit do jongelingen boodschapte hot aan Abigail, do huisvrouw van Nabal, zeggende: Zie, David heeft boden gezonden uit de woestijn, om onzen lieer to zogenon, maar hij is togen hen uitgevaren. 15 Nogtans zijn zij ons zoor goede mannen geweest; en wij hebben geene smaadheid geleden, en wij hebben niets gemist al de dagen, die wij met hen vorkoord hebben, toon wij op hot veld waren. Ki Zij zijn oen muur om ons geweest, zoo bij nacht als bij dag, al de dagen, dio wij bij hen geweest zijn, weidende do schapen. 17 Weet dan nu, en zie, wat gij doen zult, want liet kwaad is ton volle over onzen hoor besloten, on over zijn gansche huis; on hij is een zoon Belials, dat men hom niet mag aanspreken. IN Toon haastte zich Abigail, en nam twee honderd brooden, en twee lederzakken wijns, en vijf toebereide schapen, en vijf maten geroost koren, en honderd stukken rozijnen, en twee honderd klompen vijgen, en leido die op ezelen. 1!) En zij zeide tot hare jongelingen: Trekt heen voor mijn aangezigt, ziet, ik kom achter ulioden: doch haren man Nabal gaf zij hot niet te kennen. 20 liet geschiedde nu, toen zij op den ezel reed, en dat zij afkwam in het verborgene des bergs, en ziet, David on zijne mannon kwamen af haar te gomoet, en zij ontmoette hen. 21 David nu had gezegd: Trouwens ik heb tc vergeefs bewaard al wat deze in do woestijn heeft, alzoo dat er niets van alles, wat hij hooft, gemist is; en hij hooft mij kwaad voor goed vergolden. 22 Zoo doe God aan do vijanden van David, en zoo doe Hij daartoe, indien ik van allen, dio hij heeft, tot morgen overig late, dio aan don wand pist! 23 Toen nu Abigail David zag, zoo haastte hij zich, en kwam van don ezel af; on zij viel voor hot aangezigt van David op haar aangezigt, en zij boog zich ter aarde. 24 En zij viel aan zijne voeten en zeide: Och mijn heer! mijne zij de misdaad, en laat toch uwe dienstmaagd voor uwe ooren spreken, en hoor do woorden uwer dienstmaagd. 25 Mijn hoor stelle toch zijn hart niet aan dozen Belials man, aan Nabal: want, gelijk zijn naam is, alzoo is hij, zijn naam is Nabal, en dwaasheid is bij hem; en ik, uwe dienstmaagd, heb do jon- |
1 SAMUÃL 25, 2G.
298
|
gelingen vim mijnen hoer niet gezien, die gij gezonden hebt. 26 En nu, mijn heer! zoo waarachtig a/s de Heeke leeft, en uwe ziel leeft; het is do Heeue, die ii verhinderd heeft van te komen met bloedstorting, dat uwe hand u zou verlossen; en nu, dat als Nabal worden uwe vijanden, en die tegen mijnen heor kwaad zoeken! 27 En nu, dit is de zegen, dien uwe dienstmaagd mijnen heere toegebragt heeft, dat hij gegeven worde den jongelingen, die mijns hoeren voot-stappen nawandelen. 28 Vergeef toch aan uwe dienstmaagd do overtreding, want do Heere zal zekerlijk mijnen heere oon bestendig huis maken, dewijl mijn hoor do oorlogen dos Heeken oorloogt, on goon kwaad bij ii gevonden is van uwe dagen af. 29 Wanneer oon monsch opstaan zal, om u te vervolgen, en om uwe ziol to zooken, zoo zal de ziol mijns heeren ingebonden zijn in hot bundeltje der levenden bij den Heere, uwen God: maar do ziol uwer vijanden zal hij slingeren uit hot midden van do holligheid dos slingers. 30 En het zal goschiodon, als do Heere mijnen heere naar al hot goede doen zal, dat Hij over u gesproken heeft, en Hij u gebiedon zal, oon voorganger te zijn over Israël; 31 Zoo zal dit u, mijnen heere, niet zijn tot wankeling, noch aanstoot dos harten, to weten, dat gij bloed zonder oorzaak zoudt vergoten hobben, en dat mijn hoor zich zolvon zou verlost hebben; on als do Heere mijnon heere weldoen zal, zoo zult gij uwer dienstmaagd godenkon. 32 Toon zoido David tot Abigail: Gezegend zij de Heere, de God Israels, die u te dozen dage mij te gomoot gezonden hooft! 33 En gezegend zij uw raad, en gezegend zijt gij, dat gij mij te dozen dage geweerd hebt, van te komen met bloedstorting, dat mijne hand mij verlost zou hebben! 34 Want voorzeker het is zoo waarachtig als de Heere, do God Israels, looft , die mij verhinderd heeft;, van u kwaad te doen, dat, tou ware dat gij u gehaast hadt, en mij te gomoot gekomen waart, zoo ware van Nabal niemand, dio aan don wand pist, overig gebleven tot hot morgenlicht! 35 Toen nam David uit hare hand, wat zij hem gobragt had; en hij zoido tot haar: Trok mot vrede op naar uw huis; zio, ik heb naar uwe stem gehoord, on hob uw aangezigt aangenomen. 3(1 Toen nu Abigail tot Nabal kwam, ziet, zoo had hij oenen maaltijd in zijn huis, als eens konings maaltijd, on hot hart van Nabal was vrolijk op denzolven, en hij was zeer dronken; daarom gaf zij hem niet oon woord, klein noch groot, te kennen, tot aan hot morgenlicht. 37 Hot geschiedde nu in don morgen, toen de wijn van Nabal gegaan was, zoo gaf hom zijne huisvrouw dio woorden te konnon. Toon bestierf zijn hart in het binnenste van hem, en hij word als oen stoon. |
38 En hot geschiedde omtrent na tien dagen, zoo sloeg do Heere Nabal, dat hij stierf. 39 Toen David hoorde, dat Nabal dood was, zoo zoido hij: Gezegend zij do Heere , die den twist mijner smaadhoid getwist hooft van de hand van Nabal, en heeft zijnon knecht onthouden van het kwade, en dat do Heere het kwaad van Nabal op zijn hoofd heeft doen wodorkooron! En David zond hoen, en liet mot Abigail sproken, dat hij ze zich ter vrouwe nam. 40 Als nu de knechten van David tot Abigail gekomen waren te Karmel, zoo spraken zij tot haar, zeggende: David hooft ons tot u gezonden, dat hij zich u ter vrouwe neme. 41 Toen stond zij op, en neigde zich met hot aangezigt tor aarde, on zij zoido: Ziet, uwe dienstmaagd zij tot eono dienares, om do voeten der knechten mijns hoeren te wasschon. 42 Abigail nu haastte, en maakte zich op, en zij reed op oenen ezel, mot hare vijf jonge maagden , die hare voetstappon nawandoldon; zij dan volgde do boden van David na, on zij word hom tor huisvrouw. 43 Ook nam David Ahinóam van Jizreël; alzoo waren ook dio beidon hom tot vrouwen. 44 quot; Want Saul had zijne dochter Michal, do huisvrouw van David, gegeven aan Palti, den zoon van Lai's, die van Gallim was. a2Sam.3:15. HOOFDSTUK 26. Saul, door do Zilioton van Davids verblijf verwittigd, keert op nieuw hot zwaard togen David, vs. 1. David verneemt dit, en verspiedt Sauls legerplaats; lüj noeint alleen zijne spies en waterflosch, doch laat niet toe, dat Saul eenig leed geschiedde, 4. Hij verwijt Abnor, dat hij zijnen koning niet beter bewaakt, 14; vermaant Saul, 18; dio zijne schuld on Davids onschuld belijdt, 21. Zij schoiden in vriendschap, 25. DE Zifieton nu kwamen tot Saul to Giboa, zeggende: Houdt zich David niet verborgen op don heuvel van Hachila, voor aan do wildernis? 2 Toon maakte zich Saul op, en toog af naar do woestijn Zif, en mot hein drie duizend man, uitgelezenen van Israël, om David te zoeken in de woestijn Zif. 3 En Saul legerde zich op den heuvel van Hachüa, die voor aan do wildernis is aan don weg; maar David bloof in do woestijn, en zag, dat Saul achter hom kwam naar do woestijn. 4 Want David had verspieders gezonden, en hij vernam, dat Saul voorzeker kwam. 5 En David maakte zich op, en kwam aan de plaats, waar Saul zich gelegerd had, en David bezag de plaats, waar Saul lag, met Abnor, den zoon van Nor, zijnon krijgsoverste. En Saul lag in don wagenburg, en hot volk was rondom hom gelegerd. 6 Toon antwoordde David, on sprak tot Achi-méloch, den Hethiet, en tot Abisai, don zoon |
1 SAMUÃL 26, 27.
2!)!)
|
van Zerüja, don brooder van Joab, zeggende: Wie zal mot mij tot Saul in hot leger afgaan? Toen zoide Abisai: Ik zal met u afgaan. 7 Alzoo kwamen David on Abisai tot het volk dos nachts; on ziet, Saul lag te slapen in den wagonburg, en zijne spies stak in de aarde aan zijn hoofdeinde, en Abnor, on hot volk lag rondom hom. 8 Toon zoido Abisai tot David: God heeft heden uwen vijand in uwe hand besloten; laat mij toch hem nu mot do spies op eenmaal tor aarde slaan, on ik zal het hem niot ton twoodo maal doen. !) David daarentegen zoido tot Abisai: Verderf hom niot; want wie hoeft zijne hand aan den gezalfde dos Heeren gelegd, en is onschuldig gebleven ? 10 Verder zoido David: Zoo waarachtig als do Heeke loeft! maar de Heere zal hem slaan, of zijn dag zal konion, dat hij zal sterven, of hij zal in oenen strijd trokken, dat hij omkome. 11 De Heere late hot verre van mij zijn, dat ik mijne hand legge aan don gezalfde dos Heeren! zoo neem toch nu de spies, die aan zijn hoofdeinde is, en do waterflesch, en laat ons gaan. 12 Zoo nam David de spies en do waterflesch van Sauls hoofdeinde, en zij gingen hoon; on er was niemand, die hot zag, en niemand die hot merkte, ook niemand, die ontwaakte, want zij sliepen allen, want er was een diepe slaap des Heeren op hen gevallen. 13 Toen David over aan gene zijde gekomen was, zoo stond hij op de hoogte des bergs van verre, dat er eene grooto plaats tusschon hen was. 14 En David riep tot het volk, en tot Abner, den zoon van Nor, zeggende: Zult gij niot antwoorden, Abner? Toon antwoordde Abner, en zeide: Wie zijt gij, die tot don koning roept? 15 Toen zoido David tot Abnor: Zijt gij niet een man? en wie is u gelijk in Israël? waarom dan iiebt gij over uwen hoer, don koning, geeno wacht gehouden? Want daar is oen van het volk gekomen, om don koning, uwen hoor, te verderven. 16 Deze zaak, die gij gedaan hebt, is niet goed; zoo ivaarachtiy als de Heere leeft, gijlieden zijt kinderen des doods, die over uwen heer, den gezalfde des Heeren, geeno wacht gehouden hebt! En nu, zie, waar do spies dos konings is, en de waterflesch, die aan zijn hoofdeinde was. 17 Saul nu kende de stem van David, en zoido: Is dit uwe stem, mijn zoon David? David zoido: Het is mijne stom, mijn heer koning! 18 Hij zeide vorder: Waarom vervolgt mijn hoer zijnen knecht alzoo achterna? want wat heb ik gedaan? en wat kwaad is er in mijne hand? 19 En nu, mijn heer do koning hoore toch naar de woorden zijns knechts. Indien u de Heere tegen mij aanport, laat Hom het spijsoffer rieken; maar indien hot menschonkinderen zijn, zoo zijn zij vervloekt voor het aangezigt dos Heeren, dewijl zij mij heden vorstooten, dat ik niot mag vastgehecht blijven in het erfdeel des Heeren, zeggende: Ga heen, dien andere goden. |
20 En nu, mijn bloed valle niot op do aarde van voor het aangezigt dos Heeren : want do koning van Israël is uitgegaan om eene eenigo vloo te zoeken, quot;gelijk als men een veldhoen op de bergen najaagt. a 1 Sam. 24 : 15. 21 Toen zeide Saul: Ik heb gezondigd, koer weder, mijn zoon David! want ik zal u geen kwaad meer doen, voor dat mijne ziel dezen dag dierbaar in uwe oogon geweest is; zie, ik hob dwaselijk gedaan, on ik hob zoor grootelijks gedwaald. 22 Toen antwoordde David, en zeido: Zie, de spies des konings; zoo laat oen van do jongelingen overkomen, en halon zo. 23 Do Heere dan vergolde aan oon' iegelijk zijne goregtigheid on zijne getrouwheid: want do Heere had ii heden in mijne hand gegeven, maar ik heb mijne hand niet willen uitstoken aan den go-zalfde dos Heeren. 24 En zie, golijk als te dozen dage uwe ziel in mijne oogon is groot geacht geweest, alzoo zij mijne ziel in de oogon dos Heeren groot geacht, en Hij verlosse mij uit allen nood. 25 Toon zeide Saul tot David: Gezegend zijt gij, mijn zoon David! gij zult hot ja gewisselijk doen, en gij zult ook gewisselijk do overhand hebben. Toen ging David op zijnon weg, on Saul koorde weder naar zijne plaats. HOOFDSTUK 27. David wantrouwt Saul on zoekt mot do zijnen veiligheid bij Auhis te Oath, vs. 1. Saul zulks hooronde, laat al' hem (o vervolgen, 4. Achis geeft hom Ziklag om aldaar te wonen, (i. Hij behaalt eenigo overwinningen op de naburige volken, 8. Achis gelooft en vertrouwt David te zeer, 12. DAVID nu zeido in zijn hart: Nu zal ik oon der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkomo in hot land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop vor-liezo, om mij meer te zoeken in de gansche land-palo van Israël, zoo zal ik ontkomen uit zijne hand. 2 Toon maakte zich David op, on hij ging door, hij en do zes honderd mannon, die bij hom waren, tot Achis, don zoon van Maoch, don koning van Gath. 3 En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijne mannon, oon iegelijk met zijn huis; David met zijne beide vrouwen, Ahinóam, de Jizroëliotischo, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, do Karme-lietischo. 4 Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlugt was naar Gath, zoo voor hij niet moor voort hom te zoeken. 5 En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uwe oogon gevonden heb, men geve mij eene plaats in eene van do steden dos lands, dat ik daar wono: want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen? |
1 SAMUÃL 27, 28.
|
(i Toen gaf hem Acliis to dien dage Ziklag: daarom is Ziklag van do koningen van Juda geweest tot op dozen dag. 7 Hot getal nu der dagen, dio David in hot land dor Filistijnen woonde, was oen jaar on vier maanden. 8 David nu toog op mot zijne mannen, en zij overvielen de Gosurieton, on do Girzieton, on de Amalekieton, (want deze zijn van ouds geweest do inwoners dos lands) daar gij gaat naar Sur, en tot aan Egyptelaud. i) En David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw loven; ook nam liij do schapen en runderen, on do ezelen, on kemels, ou kleoderen, on koerde weder en kwam tot Achis. 10 Als Aciiis zoido: Waar zijt gijlieden heden ingevalion? zoo zoido David: Tegen hot zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jorahmeëlie-ten, ou tegen het zuiden dor Kenieten. 11 En David liet noch man noch vrouw leven, om te Gath to brengen, zeggende: Dat zij misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Alzoo heeft David gedaan! En alzoo was zijne wijze al do dagen, die hij in der Filistijnen land gewoond heeft. 12 En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ton eenemaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israël, daarom zal hij eouwiglijk mij tot oenen knecht zijn. HOOFDSTUK 28. De Filistijnen trekken op ton strijde togen Israël, mot Achis, die op David vertrouwt, om aan dezen krijg deel te nemen, vs. 1. Samuöl was gestorven en begraven, en Saul had de toovenaars uitgeroeid, 3; doch voor de Filistijnen bevreesd on van God verlaten, raadpleegt hij eeno waarzegster, 7; die van hem verzekerd zijnde, dat zij hierover niet zal gestraft worden, eenen Samuöl doet opkomen, 9; Said, van dozen zijn' nakenden ondergang verstaan hebbende, bezwijkt van ontroering, lli. Na herhaalde uitnoodiging der vrouw nuttigt Saul oenigo spijs tor verkwikking, 21. EN het geschiedde in die dagen, als de Filistijnen hunne legers vergaderden tot den strijd, om togen Israël te strijden, zoo zoido Achis tot David; Gij zult zekerlijk weten, dat gij met mij in het leger zult uittrekken, gij en uwe mannen. 2 Toon zoido David tot Achis: Aldus zult gij weten, wat uw knecht doen zal. En Achis zoido tot David: Daarom zal ik u ton bewaarder mijns hoofds zotten, te allen dage. ;i quot; Samuël nu was gestorven, en gansch Israël had rouw over hem bedreven, en zij hadden hem begraven te Rama, te weten in zijne stad. En Saul had uit liet land weggedaan de waarzeggers on de duivelskunstenaars. a 1 Sam. 25 : 1. 4 En de Filistijnen kwamen en vergaderdon zich, on zij legerden zich te Sunem ; en Saul vergaderde gansch Israël, en zij legerden zich op Gilboa, ö Toen Saul hot leger der Filistijnen zag, zoo vreesde hij, on zijn hart beefde zeer. |
G En Saul vraagde don Hekke; maar do Heere antwoordde hom niet, noch door droomon, noch door do urim, noch door de profeten. 7 Toon zoido Saul tot zijne knechten: Zoekt mij eone vrouw, dio eenen waarzoggonden goost hooft, dat ik tot haar ga, on door haar ondorzoeke. Zijne knechten nu zeidon tot hom: Ziot, to Endor is oene vrouw, dio oonon waarzoggonden geest hoeft. 8 En Saul verstelde zich, en trok andere kloe-doren aan, on ging hoon, on twee mannon mot hem, en zij kwamen dos nachts tot do vrouw; en hij zeido: Voorzeg mij toch door don waarzeg-gouden geest, on doe mij opkomen, dien ik tot u zeggen zal. 9 Toen zeide do vrouw tot hom: Zie, gij weet, wat Saul gedaan hooft, hoe hij do waarzegsters on do duivelskunstenaars uit dit land heeft uitgerooid; waarom stolt gij dan mijne ziel oenen strik, om mij to doodon ? 10 San! nu zwoer haar bij don Heere, zeggende: Zoo waar ach ti;/ als do Heere loeft, indien u oene straf om deze zaak zal overkomen! 11 Toen zoido do vrouw: Wien zal ik u doen opkomen? En hij zeido: Doe mij Samuël opkomen. 12 Toen nu do vrouw Samuël zag, zoo riep zij mot luider stem; on do vrouw sprak tot Saul, zeggende: Waarom hebt gij mij bedrogen ? want gij zijt Saul. 13 En do koning zoido tot haar: Vrees niet; maar wat ziot gij ? Toon zoido do vrouw tot Saul: Ik zie goden uit do aarde opkomende. 14 Hij dan zeide tot haar: Hoe is zijne gedaante? En zij zoido: Er komt oen oud man op, on hij is mot eenen mantel bekleed. Toen Saul vernam, dat hot Samuël was, zoo neigde hij zich met hot aangozigt ter aarde, en hij boog zich. 15 En Samuël zoido tot Saul: Waarom hebt gij mij onrustig gemaakt, mij doende opkomen? Toen zoido Saul: Ik bon zoor beangstigd, want de Filistijnen krijgen tegen mij, en God is van mij geweken, en antwoordt mij niet moor, noch door de dienst der profeten, noch door droomon; daarom heb ik u geroepen, dat gij mij te kennen geeft, wat ik doen zal. Ki Toon zoido Samuël: Waarom vraagt gij mij toch, dewijl do Heere van u geweken en uw vijand geworden is? 17 Want do Heere hooft voor zich gedaan, go-lijk als Hij door mijne dienst gesproken hooft; en hooft het koningrijk van uwe hand gescheurd, on Hij heeft dat gegeven aan uwen naaste, aan David. 18 Gelijk als gij naar de stom des Heeren niet gehoord hebt, en de hittighoid zijns toorns niet uitgerigt hebt togen Amalek; daarom heeft u de Heere deze zaak gedaan to dozen dage. 1!) En de Heere zal ook Israël met u in do hand dor Filistijnen geven, en morgen zult gij on uwe zonen bij mij zijn; ook zal do Heere hot leger van Israël in do hand der Filistijnen geven. |
1 SAMUEL 28, 20, HO.
|
20 Toon viol Saul haastelijk tor aardo, zoo lang als hij was, on hij vreesde zoor van woge do woorden van Samuël; ook was or geene kracht in hem, want hij had don geheelen dag on don geheolon nacht geen brood gegoten. 21 Do vrouw nu kwam tot Saul, en zag, dat hij zoor verbaasd was; en zij zoido tot hom: Zie, uwe dienstmaagd hooft naar uwe stom gehoord, on ik heb mijne ziel in mijne hand gesteld, en ik heb uwe woorden gehoord, dio gij tot mij gesproken hebt. 22 Zoo hoor toch gij nu ook naar do stom uwer dienstmaagd, en laat mij oeno bote broods voor u zotten, en oot; zoo zal er kracht in u zijn, dat gij over weg gaat. 23 Doch hij weigerde liet, en zoido: Ik zal niet eten. Maar zijne knechten, en ook do vrouw, hielden bij hem aan. Toen hoorde hij naar hunne stom, en hij stond op van do aardo, on zette zich op het bed. 24 En do vrouw had een gemest kalf in het huis, en zij haastte zicli, en slagtto hot, en zij nam meel, on kneedde het, on bakte daar ongezuurde koeken van. 25 En zij bragt ze voor Saul en voor zijne knechten, en zij aten; daarna stonden zij op, on gingen weg in dionzelvon nacht. HOOFDSTUK 29. David, die zich aan liet Filistijnscho legei' had aangesloten, wordt dooi' Achis, op raad der andere vorsten, verzocht naar Ziklag terug to trekken, vs. 1. David geeft te kennen liever bij Achis te blijven, 6. Aciiis bevoelt hem ton tweede male af te trokken, 10; waarna David terugtrekt, 11. DE Filistijnen nu hadden al hunne legers vergaderd te Afek; en de Israëlieten legerdon zich bij do fontein, die bij Jizreöl is. 2 En do vorsten der Filistijnen togen daarheen met hondorden, en met duizenden; doch David on zijne mannen togen met Achis in den achtortogt. !) Toon zeiden do oversten der Filistijnen: Wat zullen deze Hebreen? Zoo zoido Achis tot do oversten dor Filistijnen: Is deze niet David, do knecht van Saul, don koning van Israël, die deze dagen of deze jaren bij mij geweest is? on ik bob in hom niets gevonden van dien dag af, dat hij afgevallen is tot dezen dag toe. 4 Doch do oversten dor Filistijnen worden zoor toornig op hem, on do oversten der Filistijnen zeiden tot hem: quot; Doe don man woderkooren, dat hij tot zijne plaats wodorkeoro, waar gij hem besteld hebt, en dat hij niet mot ons aftrekke in don strijd, opdat hij ons niet tot eenon togon-partijder worde in den strijd: want waarmede zou deze zich bij zijnen heer aangenaam maken? is het niet mot do hoofden dezer mannen? a 1 Kron. 12 : 19. 5 Is dit niet die David, van denwolken zij quot; in don rei elkander antwoordden, zeggende: Saul hoeft zijne duizenden geslagen, maar David zijne tien duizenden? al Sam. 18:7. |
(1 Toen riep Achis David, on zoido tot hem: liet is zoo waarachtiy als de Hehhe leeft, dat gij opregt zijt, en uw uitgang en uw ingang met mij in hot leger is goed in mijne oogon, want ik heb geen kwaad bij u gevonden van dien dag af, dat gij tot mij zijt gekomen, tot dozen dag toe; maar gij zijt niet aangenaam in de oogon dor vorsten. 7 Zoo koer nu om, en ga in vrede, opdat gij geen kwaad doet in do oogon van do vorston dor Filistijnen. 8 Toon zoido David tot Achis: Maar wat heb ik gedaan? of wat hebt gij in uwen knecht gevonden, van dien dag af, dat ik voor uw aangezigt geweest ben, tot dozen dag toe, dat ik niet zal gaan en strijden tegen do vijanden van mijnen heer, den koning? 9 Achis nu antwoordde on zeido tot David: Ik weet hot; voorwaar gij zijt aangenaam in mijne oogon, als een engel (Jods; maar de oversten dor Filistijnen hebben gezegd: Laat hom met ons in dozen strijd niet optrokken. 10 Nu dan, maak u morgen vroeg op met de knechten uws hoeren, die met u gekomen zijn; en als gijlieden u morgen vroeg zult opgemaakt hebben, en hot uliodon licht geworden is, zoo gaat heen. 11 Toon maakte zich David vroeg op, hij on zijne mannen, dat zij des morgens weggingen, om weder to koeren in liet land der Filistijnen; de Filistijnen daarentegen togen op naar Jizroël. HOOFDSTUK 30. David to Ziklag toruggekoinon on ziondo do verwoesting door de Amalekioten, is zoor verlegen en in gevaar van zijn leven bij zijn oigon volk, vs. 1. Vraagt raad bij God, die hem boveolt do Amalekioten to vervolgen, 7. David achterhaalt den vijand en ontweldigt hem al het geroofde met de vrouwen en kinderen, 16. Geeft bevel van het doelen dos roofs, 22; en zendt geschonken aan zijne vrienden, 20. HET geschiedde nu, als David en zijne mannen den dorden dag te Ziklag kwamen, dat do Ama-lekieten in het zuiden en te Ziklag ingevallen waren, en Ziklag geslagen, en dezelve met vuur verbrand hadden; 2 En dat zij de vrouwen, die daarin waren, gevankelijk weggevoerd hadden, doch zij hadden niemand doodgeslagen, van don kleinste tot den grootste; maar hadden ze weggevoerd en waren huns weegs gegaan. 3 En David en zijne mannen kwamen aan do stad, en ziet, zij was met vuur verbrand; en hunne vrouwen, en hunne zonen, en hunne doch-teren waren gevankelijk weggevoerd. 4 Toen hief David en het volk, dat bij hem was, hunne stem op, en weenden, totdat er geene kracht meer in hen was om te woonen. 5 Davids beide vrouwen waren ook gevankelijk weggevoerd, Aiiinóam, do Jizreëlietische, on Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet. |
1 SAMUÃL 30, 31.
|
G En David werd zooi1 bang, want hot volk sprak van hom te stcenigen, want do ziolon van het gansche volk waren verbitterd, eon iegelijk over zijne zonen on over zijne dochteren; doch David sterkte zich in den IIeere, zijnen God. 7 En David zeido tot den priester Abjathar, den zoon van Achimélech: Breng mij toch den efod hier. En Abjathar bragt den efod tot David. «S Toen vraagde David don IIeere, zeggende: Zal ik deze bende achternajagon ? zal ik ze achterhalen? En Hij zoide hom: Jaag na, want gij zult gewisselijk achterhalen, on gij zult gowisselijk verlossen. i) David dan ging hoen, hij on do zes honderd mannon, die bij hom waren, en als zij kwamen aan do beek Besor, zoo bleven do overigen staan. 10 En David vervolgde hen, hij en die vier honderd mannen; on twee honderd mannon bleven staan, die zoo moede waren, dat zij over do boek Besor niet kondon gaan. 11 En zij vonden eenen egyptischen man op het veld, en zij bragten hem tot David; en zij gaven hom brood, en hij at, en zij gaven hom water te drinken. 12 Zij gaven hom ook oen stuk van oenen klomp vijgen, cn twee stukken rozijnen; en hij at, on zijn geest kwam weder in hem; want hij had in drie dagen en drie nachten geen brood gegeten, noch water gedronken. 13 Daarna zeido David tot hom: Wiens zijt gij ? en van waar zijt gij 'i Toen zeido do egyptischo jongen: Ik bon do knecht van oenen amalekioti-schen man, on mijn hoer heeft mij verlaten, omdat ik voor drie dagen krank geworden bon. 14 Wij waren ingevallen togen het zuiden van do Chorothieten, on op hetgeen van Juda is, en tegen hot zuiden van Kaleb; en wij hebben Ziklag met vuur verbrand. 15 Toen zoide David tot hom: Zoudt gij mij wel honen afleiden tot dozo bende? Hij dan zeido: Zweer mij bij God, dat gij mij niet zult doodon, en dat gij mij niet zult overleveren in de hand mijns hoeren! zoo zal ik u tot dozo bende afleiden. 16 En hij leidde hem af, en ziet, zij lagen verstrooid over de gansche aarde, etende, en drinkende, en dansende, om al den grooton buit, dien zij genomen hadden uit hot land der Filistijnen, en uit het land van Juda. 17 En David sloeg hen van do schemering tot aan den avond van hunlieder andoren dag; en er ontkwam niet oen man van hen, behalve vier honderd jonge mannon, die op komolon roden en vloden. 18 Alzoo redde David al wat de Amalokioton genomen hadden; ook redde David zijne twee vrouwen. li) En onder hen werd niet gemist van den kleinste tot aan den grootste, on tot aan do zonen en dochteren; en van don buit ook tot alles, wat zij van hen gonomon hadden: David bragt het altemaal weder. |
20 David nam ook al de schapen en de runderen; zij dreven ze voor datzelve vee hoen, en zeiden: Dit is Davids buit. 21 Als David tot do twee honderd mannen kwam, die zoo moede waren geweest, dat zij David niet hadden kunnen navolgen, on die zij aan de boek Besor hadden laten blijven; die gingen David te gemoet, on hot volk, dat bij hom was, tegemoet; en David trad tot hot volk, en hij vraagde hen naar den welstand. 22 Toen antwoordde oen ieder boos on Belials man onder do mannen, die mot David getogen waren, en zij zeiden: Omdat zij met ons niet getogen zijn, zullen wij hun van den buit, dien wij gered hebben, niet geven, maar aan oon' iegelijk zijne vrouw en zijne kinderen, laat hen die been-leidon, en weggaan. 23 Maar David zeido: Alzoo zult gij niet doen, mijne broeders! mot hetgeen ons de IIeere ge-govon heeft, en Hij heeft ons bewaard, en heeft do bende, die tegen ons kwam, in onze hand gegeven. 24 Wie zou toch ulieden in dozo zaak hooron? Want gelijk hot dool dergonen is, die in den strijd mede afgetogen zijn, alzoo zal ook hot deel dergonen zijn, die bij hot gereedschap gebleven zijn, zij zullen gelijkelijk doelen. 25 En dit is van dien dag af en voortaan nlzoo geweest: want hij hooft hot tot cone inzetting on tot een regt gestold in Israël, tot op dozen dag. 2G Als nu David te Ziklag kwam, zoo zond hij tot do oudsten van Juda, zijne vrienden, van den buit, zeggende: Ziet, daar is oen zegen voor ulieden, van den buit der vijanden des Heeren. 27 Namelijk tot die te Both-El, en tot die te Ramoth tegen het zuiden, en tot die te Jather, 28 En tot die te Aroër, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemóa, 29 En tot die te Rachel, en tot die, welke in de steden der Jerahmeëlieton waren, en tot die, welke in do steden der Kenieton waren; 30 En tot die te Horma, en tot die te Chor-Asan, en tot die te Atach, 31 En tot die to Hebron; en tot al de plaatsen, waar David gewandeld had, hij en zijne mannen. HOOFDSTUK 31. Israöl door de Filistijnen geslagen, vs. 1; ook do zonen van Saul, 2. Saul gewond, 3; doorsteekt zich zei ven mot zijn zwaard, 4; zulks doet ook zijn wapendrager, 5; Saul sterft, zijne drie zonen, zijn wapendrager en zijn volk komen om, 0. De andere vlugten, verlatende do steden, 7. Do Filistijnen doen het lijk van Saul smaadheid aan, 8; stellen zijne wapenen in het huis van Astharoth, en hechten zijn ligehaain aan den muur te Beth-San, 10. Die van Jabes nemen de ligehamen van Saul en zijne zonen, branden ze en begraven hunne beenderen, 12. DE Filistijnen dan strodon togen Israël; en de mannen Israëls vloden voor het aangezigt der |
2 SAMUÃL I.
|
Filistijnen, en vielen verslagen, op het gebergte Gilboa. 2 En de Filistijnen hielden digt op Saul en zijne zonen, en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchi-sua, do zonen van Saul. à En de strijd werd zwaar tegen Saul; en de mannen, die mot den boog schieten, troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor de schutters. 4 Toon zoido Saul tot zijnen wapendrager: Trek uw zwaard uit, on doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnodenen niet komen, en mij doorstoken, en mot mij don spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want liij vreesde zoor. Toon nam Saul het zwaard, en viel daarin. 5 Toon zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zoo viel hij ook in zijn zwaard en stierf mot hem. (i Alzoo stierf Saul, en zijne drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijne mannen, te dionzelvon dage te gelijk. 7 Als de mannen van Israël, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israël gevloden waren, en dat Saul en zijne zonen dood waren, zoo verlieten zij do steden, en zij vlodon. Toen kwamen do Filistijnen en woondon daarin. |
8 liet gescliieddo nu des andoren daags, als do Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plun-deren, zoo vonden zij Saul on zijne drie zonen, liggende op hot gebergte Gilboa. 9 En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijne wapenen uit, en zij zonden ze in dor Filistijnen land rondom, om to quot;boodschappen in het huis hunner afgoden, on onder het volk. «1 Kron. 10:9. 10 En zij leidon zijne wapenen in hot huis van Astharótii; en zijn ligchaam hechtten zij aan den muur to Beth-San. 11 Als do inwoners van Jabos in Gilead daarvan hoorden, wat do Filistijnen Saul gedaan hadden; 12 Zoo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen den gehoelen nacht, en zij namen het ligchaam van Saul, on de ligchamon zijnor zonen, van don muur te Botii-San; en zij kwamen te Jabos, en brandden zo aldaar. 13 En zij namen hunne beenderen, en begroeven zo onder hot geboomte te Jabos; en zij vastten zeven dagen. |
IIKT TWEKDU BOEK
van
S A M U Ã L.
|
HOOFDSTUK 1. David to Ziklng zijnde, ontvangt do tijding van Sauls en Jonathans dood, vs. 1; waarover hij met do zijnen rouw bedrijft, 11; en laat don bode, dio zich beroemde Saul mot eigen hand gedood te bobben, ombrengen, 15. Davids klaaglied over Saul en Jonathan, 17. VOORTS geschiedde het nn Sauls dood, als David van den slag der quot; Amalokioten was woder-gekomen, en David twee dagen te Ziklag gebleven was; a 1 Sam. 30 : 17. 2 Zoo geschiedde het op den derdon dag, dat, ziet, uit het heirleger van Saul, een man kwam, wiens kleedoren gescheurd waren, en aarde was op zijn hoofd; en hot geschiedde, als hij tot David kwam, zoo viel hij ter aarde en boog zich neder. .1 En David zeide tot hom: Van waar komt gij ? En hij zeide tot hom: Ik ben ontkomen uit het heirleger van Israël. 4 Voorts zeide David tot hom: Wat is de zaak? verhaal het mij toch. En hij zoide, dat het volk uit don strijd gevloden was, en dat er ook velen van hot volk gevallen en gestorven waren, dat ook Saul en zijn zoon Jonathan dood waren. 5 En David zeide tot den jongen, die hom de boodschap bragt: Hoe weet gij, dat Saul dood is, en zijn zoon Jonathan? |
G Toen zeide de jongon, die hem de boodschap bragt: Ik kwam bij geval op het gebergte van Gilboa; en ziet, Saul leunde op zijne spies; en ziet, de wagens en ritmeesters hielden digt op hem. 7 Zoo zag hij achter zich om, en zag mij, en hij riep mij, en ik zeide: Zie, hier ben ik. 8 En hij zeide tot mij: Wie zijt gij? ou ik zeide tot hein: Ik ben oen Amalekiot. 9 Toen zeide hij tot mij: Sta toch bij mij, en dood mij, want deze maliënkoller hoeft mij opgehouden; want mijn loven is nog gansch in mij. 10 Zoo stond ik bij hom, en doodde hem: want ik wist, dat hij na zijnen val niet leven zou; en ik nam do kroon, die op zijn hoofd was, en hot armgesmijde, dat aan zijnen arm was, en heb ze hier tot mijnon hoor gobragt. 11 quot; Toen vatte David zijne kleoderen en scheurde ze; desgelijks ook al de mannon, die met hem waren. a 2 Sam. 3:31. 13:31. 12 En zij weeklaagden, en weenden, en vastten tot op den avond, over Saul en over Jonathan, zijnon zoon, en over hot volk des Heeren, en over het huis Israëls, omdat zij door hot zwaard gevallen waren. 13 Voorts zoido David tot den jongen, die hem do boodschap gobragt had: Van waar zijt gij? |
2 SAMUEL 1, 2.
|
En hij züido: Ik hou do zoon van con' vroemden ' man, van eenon Amalokiet. 14 En David zeido tot hom: Hoo? hebt lt;;ij niet gevreesd uwe hand uit te strekkon, om den gezalfde dos Heerkn te verdorven? 15 Eu David riep eeueu van de jongens, en zeido: Treed toe, val op hem aan. En liij sloeg hem, dat hij stierf. Ki En David zeido tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd: want uw mond hooft tegen u getuigd, zeggende: Ik heb den gezalfde des IIkeren gedood. 17 David nu klaagde deze klage over Saul on over Jonathan, zijnon zoon; 18 Als hij gezegd had, dat men don kinderen van Juda den boog zou loeren: ziet, het is geschreven in het bock des quot;Opregton. «Joz. 10:13. 1!) O sieraad van Israël, op uwe hoogten is hij verslagen; hoe zijn dc helden gevallen! 20 quot;Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het uict op de straten van A'skolon; opdat de dochtors der Filistijnen zich niet verblijden, opdat do dochters der onbesnedenen niet opspringen van vreugde. a Micha 1:10. 21 Gij bergen van Gilboa! noch dauw noch regen moet zijn op u, noch velden der hefofforon: want aldaar is der holden schild smadelijk weggeworpen, hot schild van Saul, als of hij niet gezalfd ware geweest met olie. 22 Van hot bloed der verslagenen, van het vette der helden, werd Jonathans boog uiot achterwaarts gedreven; en Sauls zwaard koerde niet ledig weder. 2!! Saul en Jonathan, die beminden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hunnen dood niet gescheiden; zij waren ligter dan arenden, zij waren sterker dan leeuwen. 24 Gij dochtoron Israels! woont over Saul; die u kleedde met scharlaken, met weelde: die u sieraad van goud deed dragen over uwe klooding. 25 Iloc zijn de holdon gevallen in het midden van den strijd! Jonathan is verslagen op uwe hoogten! 26 Ik l)en bonaauwd om uwentwil, mijn broeder Jonathan! gij waart mij zeer liefelijk; uwe liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen. 27 Hoe zijn do helden gevallen, en de krijgswapenen verloren! HOOFDSTUK 2. David trekt op Oods bevel met zijn huis en volk naar Hebron, vs. 1; waar hij tot koning over Juda gezalfd wordt, I. Hij zendt boden naar Jabes, 5. Isbóseth, Sauls zoon, door Abners invloed als koning der overige stammen erkend, S. Abner en Joab komen met elkander in den strijd, 12; die ten voordeele van Joab wordt beslist, 17. Droevig einde van A'sahol, 1S. Joab cn Abnor scheiden weder van elkander, 20. A'sahol wordt begraven, 32. EN het geschiedde daarna, dat David den Heere vraagde, zeggende: Zal ik optrokken in oeue dor steden van Juda? En do Heere zeido tot hom: Trek op. En David zeido: waarheen zal ik optrokken? En Hij zeido: Naar Hebron. |
2 Alzoo toog David derwaarts op, als ook zijne twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreëlietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet. 3 Ook deed David zijne mannen optrokken, die bij hem waren, oen' iegelijk met zijn huisgezin; on zij woonden in do steden van Hebron. 4 Daarna kwamen do mannon van Juda, en zalfden aldaar David tot oenen koning over het huis van Juda. Toon boodschapten zij David, zeggende : Hot zijn do mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben. 5 Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeido tot bon: Gezegend zijt gij don Heere, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uwen heer, aan Saul, en hebt hem begraven. (! Zoo doe nu de Heere aan u weldadigheid en trouw! en ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt. 7 En nu, laat uwe handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is: en ook hebben mij die van hot huis van Juda tot koning over zich gezalfd. 8 Abner nu, do zoon van Nor, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isbóseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim, 9 En maakte hem ton koning over Gilead, en over de Aschurieton, en over Jizreël, en over Efraïm, en over Benjamin, en over gansch Israël. 10 Veertig jaren was Isbóseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israël; en hij rogeerde het tweede jaar: alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na. 11 quot;Het getal nu der dagen, die David koning geweest is to Hebron, oyer hot huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden. a 2 Sam. 5:quot;). 1 Kon. 2:11. 12 Toen toog Abner, do zoon van Nor, uit, mot do knechten van Isbóseth, don zoon van Saul, van Mahanaim naar Giboon. 13 Joab, do zoon van Zorflja, en do knechten van David, togen ook uit; on zij ontmoetten elkander bij den vijver van Giboon; en zij bleven, deze aan deze zijde des vijvers, en die aan gene zijde des vijvers. 14 En Abner zeido tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangozigt spelen. En Joab zeide: Laat hen zich opmaken. 15 Toon maakten zich op, on gingen over in getal, twaalf van Benjamin, te weten voor Isbóseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten. K! En de oen greep den ander bij het hoofd, en stiet zijn zwaard in de zijde des anderen, en zij vielen te zamon: daarvan noemde men dezelve plaats Chelkath Hazürim, die bij Gibeou is. 17 En er was op dienzolven dag oen gansch zoor harde strijd. Doch Abner en do mannen van |
2 SAMUÃL 2,
|
Isi'iiël werden voor het aangezigt der knechten van David geslagen. 18 Nu waren aldaar drie zonen van Zerüja, Joab, en Abisai en A'sahel; en A'sahel was ligt op zijne voeten, als eene der reeën, die in het veld zijn. 19 En A'sahel jaagde Abner achterna; en hij week niet, om van achter Abner ter regter- of ter linkerhand af te gaan. 20 Toen zag Abner achter zich om, en zeide: Zijt gij dit, A'sahel? En iiij zeide: Tllt; ben het. 21 En Abner zeide tot hem: Wijk tot uwe rog-terhand of tot uwe linkerhand, en grijp u eenen van die jongens, en neem voor u hun gewaad; maar A'sahel wilde niet afwijken van achter hem. 22 Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot A'sahel; Wijk af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? hoe zou ik dan mijn aangezigt opheffen voor uwen broeder Joab? 23 Maar hij weigerde af te wijken. Zoo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel aldaar, en stierf op zijne plaats. En hot geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar A'sahel gevallen en gestorven was, staan bleven. 24 Maar Joab en Abisai jaagden Abner achterna; en de zon ging onder, als zij gekomen waren tot den heuvel van Amma, dewelke is voor Giach, op den weg der woestijn van Gibeon. 25 En de kinderen van Benjamin verzamelden zich achter Abner, en werden tot eenen hoop; en zij stonden op de spits van eenen heuvel. 20 Toen riep Abner tot Joab, en zeide: Zal dan het zwaard eeuwiglijk verteren? weet gij niet, dat het in het laatste bitterheid zal zijn ? en hoc lang zult gij het volk niet zeggen, dat zij weder-keeren van hunne broederen te vervolgen ? 27 En Joab zeide: Zoo waarachtig als God leeft, ton ware dat gij gesproken hadt, zekerlijk het volk zou al toon van don morgen af weggevoerd zijn geweest, een iegelijk van zijnen broeder te vervolgen! 28 Toen blies Joab mot do bazuin; en al liet volk stond stil, en zij jaagden Israël niet moor achterna, en voeren niet wijders voort te strijden. 29 Abner dan en zijne mannen gingen dionzolven ganschon nacht over hot vlakke veld; en zij gingen over do Jordaan, en wandelden het gansche Bithron door, en kwamen tot Mahanaim. ïiO Joab keerde ook weder van achter Abner, en verzamelde het gansche volk. En er werden van Davids knechten gemist negentien mannen, en A'sahel. 31 Maar Davids knechten hadden van Benjamin on onder Abnors mannen geslagen: drie honderd en zestig mannen waren er dood gebleven. 32 En zij namen A'sahel op, en begroeven hom in zijns vaders graf, dat to Bethlehem was. Joab nu en zijne mannon gingen den ganschon nacht, dat hun liet licht aanbrak to Hebron. |
HOOFDSTUK 3. Ki% tussclien hot huis van Smil en van David, vs. I. Kindereu van David, 2. Abner wordt ontrouw aan Isbósoth en laat David om zijne vriendschap verzoeken , 7; die voor hij in nadere onderhandeling treedt, zijne vrouw Miehal tonigeischt, 13; aan wolken oisoh voldaan wordt, 15. Abner beijvert zich om al de stammen aan hot koningrijk van David too to voegen, 17. Hij wordt gastvrij door David onthaald, 20. Joab wreekt A'sahel in het bloed van Abner, 22. David en het volk in treurigheid over Abners dood, 31. Hot volk kent David vrij van den moord aan Abner gepleegd, 3G. EN er was een lange krijg tussclien het huis van Saul, en tussclien hot huis van David. Doch David ging en werd sterker, maar die van hot huis van Saul gingen eu werden zwakker. 2 En David werden quot;zonen geboren te Hebron. Zijn eerstgeborene nu was Amnon, van Ahinóam, de Jizreëlietische; a 1 Kron. 3:1, enz. 3 En zijn tweede was Chileab, van Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maacha, do dochter van Thalmai, koning van Gesur; 4 En de vierde, Adónia, de zoon van Haggith; en de vijfde Sofatja, do zoon van Abital; 5 En de zesde, Jithream, van Egla, Davids huisvrouw. Dozen zijn David geboren te Hebron. 6 Terwijl die krijg was tussclien het huis van Saul, en tussclien het huis van David, zoo geschiedde hot, dat Abner zich sterkte in liet huis van Saul. 7 Saul nu had een bijwijf gehad, welker naam was quot;Rizpa, dochter van Aja; en Isbóseth zeide tot Abner: Waarom zijt gij ingegaan tot mijns vaders bijwijf? «2 Sam. 21 :8, 10, 11, enz. 8 Toen ontstak Abner zeer over Isbósetlis woorden, en zeide: Ben ik dan een hondskop, ik, die tegen Juda, aan het huis van Saul, uwen vader, aan zijne broederen en aan zijne vrienden, heden weldadigheid doe, en u niet overgeleverd hob in Davids hand, dat gij heden aan mij onderzoekt de ongeregtigheid eener vrouw ? 9 God doe Abner zoo, en doe hem zoo daartoe! voorzeker, golijk als de Heere aan David go-zworen heeft, dat ik oven alzoo aan hom zal doen: 10 Overbrengende hot koningrijk van het huis van Saul, en oprigtende don stoel van David over Israël en over Juda, van Dan tot Ber-séba toe. 11 En hij kon Abner verder niet oen woord antwoorden , omdat hij hem vreesde. 12 Toen zond Abner boden voor zich tot David, zeggende: Wiens is hot land? zeggende wijders: Maak uw verbond mot mij, en zie, mijne hand zal met u zijn, om gansch Israël tot u om te koeren. 13 En hij zeide: Wel, ik zal een verbond met u maken; doch oen ding begeer ik van u, zeggende: gij zult mijn aangezigt niet zien, tenzij dat gij Michal, Sauls dochter, te voren inbrengt, als gij komt om mijn aangezigt te zien. 14 Ook zond David boden tot Isbóseth, den zoon 20 |
|
306 2 SAMU van Saul, zeggende: Geef mij mijne huisvrouw Michal, die ik mij quot; met honderd voorhuiden der Filistijnen ondertrouwd heb. «1 Sam. 18:25, 27. 15 Isbóseth dan zond heen, en nam haar van den man, van quot; Paltiël, den zoon van Laïs. a 1 Sam. 25 : 44. l(i En haar man ging met haar, al gaande en weenende achter haar, tot Bahurim toe. Toen zeide Abner tot hem: Ga weg, keer weder. En hij keerde weder. 17 Abner nu had woorden niet de oudsten van Israël, zeggende: Gij hebt David te voren lang tot eenen koning over u begeerd. 18 Zoo doet het nu: want de Heere heeft tot David gesproken, zeggende: Door de hand van David, mijnen knecht, zal Ik mijn volk Israël verlossen van de hand der Filistijnen, en van de hand van al hunne vijanden. 19 En Abner sprak ook voor de ooren van Benjamin. Voorts ging Abner ook heen, om te Hebron voor Davids ooren te spreken alles, wat goed was in de oogen van Israël, en in de oogen van het gansche huis van Benjamin. 20 En Abner kwam tot David te Hebron, en twintig mannen met hem. En David maakte Abner, en den mannen, die met hem waren, eenen maaltijd. 21 Toen zeide Abner tot David: Ik zal mij opmaken, en heengaan, en vergaderen gansch Israël tot mijnen heer, den koning, dat zij een verbond met u maken, en gij regeert over alles, wat uwe ziel begeert. Alzoo liet David Abner gaan, en hij ging in vrede. 22 En ziet, Davids knechten en Joab kwamen van eene bende, en bragten met zich eenen grooten roof. Abner nu was niet bij David te Hebron, want hij had hem laten gaan, en hij was gegaan in vrede. 2!? Als nu Joab en het gansche heir, dat met hem was, aankwamen, zoo gaven zij Joab te kennen, zeggende: Abner, de zoon van Ner, is gekomen tot den koning, en hij heeft hem laten gaan, en hij is gegaan in vrede. 24 Toen ging Joab tot den koning in, en zeide: Wat hebt gij gedaan? zie, Abner is tot u gekomen, waarom nu hebt gij hem laten gaan, dat hij zoo vrij is weggegaan? 25 Gij kent Abner, den zoon van Ner, dat hij gekomen is om u te overreden, en om te weten uwen uitgang en uwen ingang, ja om te weten alles, wat gij doet. 20 En Joab ging uit van David, en zond Abner boden na, die hem wederom haalden van den bornput van Sira: maar David wist het niet. 27 Als nu Abner weder te Hebron kwam, quot; zoo leidde hem Joab ter zijde af in het midden der poort, om in de stilte met hem te spreken; en hij sloeg hem aldaar aan de vijfde rib, dat hij stierf, ';om des bloeds wil van zijnen broeder A'sahel. a 1 Kon. 2:5. b2 Sam. 2:23. |
5L 3, 4. 28 Als David dat daarna hoorde, zoo zeide hij: Ik ben onschuldig, en mijn koningrijk, bij den Heere, tot in eeuwigheid, van het bloed van Abner, den zoon van Ner. 29 Het blijve op het hoofd van Joab, en op het gansche huis zijns vaders; en er worde van het huis van Joab niet afgesneden, die eenen vloed liebbe, en melaatsch zij, en zich aan den stok houde, en door het zwaard valle, en broods gebrek hebbe! 30 Alzoo hebben Joab en zijn broeder Abisai Abner doodgeslagen, omdat hij hunnen broeder A'sahel te Gïbeon in den strijd gedood had. 31 David dan zeide tot Joab en tot al het volk, dat bij hem was: Scheurt uwe kleederen, en gordt zakken aan, en weeklaagt voor Abner henen; en de koning David ging achter de baar. 32 Als zij nu Abner te Hebron begroeven, zoo hief de koning zijne stem op, en weende bij Abners graf; ook weende al liet volk. 33 En do koning maakte eene klage over Abner, en zeide: Is dan Abner gestorven, als een dwaas sterft ? 34 Uwe handen waren niet gebonden, noch uwe voeten in koperen boeijen gedaan; maar gij zijt gevallen, gelijk men valt voor liet aangezigt van kinderen der verkeerdheid. Toen weende het gansche volk nog meer over hem. 35 Daarna kwam al het volk om David brood te doen eten, als het nog dag was; maar David zwoer, zeggende: God doe mij zoo, en doe er zoo toe, indien ik voor het ondergaan der zon brood of iets smake! 36 Als al het volk dit vernam, zoo was het goed in hunne oogen; alles, zoo als de koning gedaan had, was goed in de oogen van het gansche volk. 37 En al het volk en gansch Israël merkten te dienzelven dage, dat het van den koning niet was, dat men Abner, den zoon van Ner, gedood had. 38 Voorts zeide de koning tot zijne knechten: Weet gij niet, dat te dezen dage een vorst, ja een groote in Israël gevallen is? 39 Maar ik ben heden teeder, en gezalfd ten koning, en deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn harder dan ik: de Heere zal den boosdoener vergelden naar zijne boosheid. HOOFDSTUK 4. Abners dood maakt Isbóseth moedeloos, vs. 1. Twee zijner veldoversten dooden hem op zijne legerstede, en brengen zijn hoofd tot David, die hunne wandaad met hun leven laat boeten, 9. ALS nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijne handen slap, en gansch Israël werd verschrikt. 2 En Sauls zoon had twee mannen, oversten van benden: de naam des eenen was Baëna, en de naam dos anderen Reehab, zonen van Rimmon, den Beërothiet, van de kinderen van Benjamin: want ook Beëroth werd aan Benjamin gerekend. 3 En de Beërothieten waren gevloden naar Git- |
|
thaïm, en waren aldaar vreemdelingen tot op dezen dag. 4 quot;En Jonathan, Sauls zoon, had eenen zoon, die geslagen was aan beide voeten: vijf jaren was hij oud, als het gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam, en zijne voedster hem opnam, en vlugtte; en het geschiedde, als zij haastte om te vlugten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was Mefibóseth. a2 Sam. 9:3, enz. 5 En de zonen van Rimmon, den Beërothiet, Rochab en Baëna, gingen heen, en kwamen ten huize van Isbóseth, als de dag heet geworden was; en hij lag op de slaapstede, in den middag. (i En zij kwamen daarin tot het midden des huizes, a/.s zullende tarwe halen; en zij sloegen hem aan de vijfde rib; en Rechab en zijn broeder Baëna ontkwamen. 7 Want zij kwamen in huis, als hij op zijn bed lag, in zijne slaapkamer, en sloegen hem, en (loodden hem, en hieuwen zijn hoofd af; en zij namen zijn hoofd, en gingen henen, den weg op liet vlakke veld, den ganschen nacht. 8 En zij bragten het hoofd van Isbóseth tot David te Hebron, en zeiden tot den koning: Zie, daar is het hoofd van Isbóseth, den zoon van Saul, uwen vijand, die uwe ziel zocht: alzoo heeft de Heere mijnen heere den koning te dezen dage wraken gegeven van Saul en van zijn zaad. 9 Maar David antwoordde Rechab en zijnen broeder Baëna, den zonen van Rimmon, den Beërothiet, en zeide tot hen: Zoo waarachtig als de Heere loeft, die mijne ziel uit alle benaauwd-heid verlost heeft! 10 quot; Dewijl ik hem, die mij boodschapte, zeggende: Zie, Saul is dood; daar hij in zijne oogen was als een, die goede boodschap bragt, nogtans gegrepen en te Ziklag gedood heb, hoewel hij meende, dat ik hem bodenloon zou geven; a 2 Sam. 1 :15. 11 Hoe veel te meer, wanneer goddelooze mannen eenen regtvaardigen man in zijn huis op zijne slaapstede hebben gedood? nu dan, zou ik zijn bloed van uwe handen niet eischen, en u van de aarde wegdoen ? 12 En David gebood zijnen jongens, en zij doodden hen, en hieuwen hunne handen en hunne voeten af, en hingen ze op bij den vijver te Hebron: maar het hoofd van Isbóseth namen zij, en begroeven het in Abners quot;graf te Hebron. o 2 Sam. 3:32. HOOFDSTUK 5. David wordt door al de stammen te Hebron tot koning gezalfd, vs. 1. De jaren zijner regering te Hebron en Jeruzalem, 4. Hij neemt den burg Zion in en vestigt daar zijnen zetel, G. Hij leeft in vriendschap met Hiram, die hom hout en werklieden zendt, om een huis te bouwen, 11. Zijno vrouwen en kinderen, 13. Hij verslaat tot tweemalen toe de Filistijnen, 17. TOEN a kwamen alle stammen van Israël tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie wij, uw gebeente en uw vleesch zijn wij. alKron. 11:1. |
307 2 Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, waart gij Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft de Heere tot u gezegd: quot;Gij zult mijn volk Israël weiden, en gij zult tot eenen voorganger zijn over Israël. ö2Sam.7:7.Ps.78:7I. !i Alzoo kwamen alle oudsten van Israël tot den koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aan-gezigt des Heeren ; en zij zalfden David tot koning over Israël. 4 Dertig jaar was David oud, als hij koning-werd ; veertig jaren heeft hij geregeerd. 5 quot;Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over gansch Israël en Juda. a 2 Sam. 2:11. 1 Kon. 2:11. 1 Kron. 3:4. 6 En de koning toog met zijne mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: Gij zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen. 7 Maar David nam den burg Zion in: dezelve is de stad Davids. 8 Want David zeide ten zelven dage: quot; Al wie de Jebusieten slaat, en geraakt aan die watergoot, en die kreupelen, en die blinden, die van Davids ziel gehaat zijn, die zal tot een hoofd en tot een' overste zijn; daarom zegt men: Een blinde en kreupele zal in het huis niet komen, al Kron. 11 Mi. 9 Alzoo woonde David in den burg, en noemde die Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts. 10 David nu ging geduriglijk voort, en werd groot: want de Heere , do God der heirscharen, was met hem. 11 En «Hiram, de koning van Tyrus, zond boden tot David, en cederenhout, en timmerlieden, en metselaars; en zij bouwden David een huis. o 1 Kron. 14:1. 12 En David merkte, dat do Heere hem tot eenen koning over Israël bevestigd had, en dat Hij zijn koningrijk verheven had, om zijns volks Israëls wil. 13 quot; En David nam meer bijwijven, en vrouwen van Jeruzalem, nadat iiij van Hebron gekomen was; en David werden meer zonen en dochteren geboren. «1 Kron. 3:9. 14:3. enz. 14 quot;En dit zijn de namen dergenen, die hem te Jeruzalem geboren zijn: Schammüa, en Schobab, en Nathan, en Salomo, a 1 Kron. 3:0, enz. 14:4, enz. 15 En Ibchar, en Elischüa, en Nefeg, en Jafia, 16 En Elischama, en E'ljada, en Eliféleth. 17 quot; Als nu de Filistijnen hoorden , dat zij David ten koning over Israël gezalfd hadden, zoo togen alle Filistijnen op om David te zoeken; en David, dat hoorende, toog af naar den burg. a 1 Kron. 14:8, enz. 18 En de Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaïm. 2 SAMUÃL 4, 5. |
'20*
2 SAMUÃL 5, (i.
|
li) Zoo vraagde David den Heere, zeggende; Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? zult Gij zo in mijne hand geven? En de IIeere zeide tot David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zekerlijk in uwe hand geven. 20 Toen kwam David te quot; Baal-Perazim; en David sloeg hen aldaar, en zeide: De Heere hooft mijne vijanden voor mijn aangezigt gescheurd, als eene scheuro der wateren; daarom noemde hij den naam derzelve plaats, Baiil-Perazim. aJes. 28:21. 21 En zij lieten hunne afgoden aldaar; quot;en David en zijne mannen namen zo op. a\ Kron. 14:12. |
HOOFDSTUK G. David haalt de ark uit het huis van Abinadab, vs. 1, Uza strekt /.ijno iiand onbedacht naar de ark uit en wordt van God gedood, 0. David hierover bedroefd, zet do ark in liet huis van Obed-Edom, 8. Na oenigen tijd brengt David haar met groote pleg-tigheid en ootmoedige vreugde in eene daartoe vervaardigde tent, on wordt daarom van Michal veracht, 12. David verdedigt zich togen haar met oenen heiligen ijver, 20. Michals onvruchtbaarheid, 23. DAARNA quot;verzamelde David wederom alle uit-gelezenen in Israël, dertig duizend. n 1 Kron. 13 : 5, enz. |
|
22 Daarna togen de Filistijnen weder op; en zij verspreidden zicli in het dal Refaïm. 23 En David vraagde den Heere, dewelke zeide: (Jij zuil niet optrekken; waar trek om tot achter lion, dat gij aan hen komt van tegenover do moerbeziënboomen. 24 En hot geschiede, als gij hoort het gernisch van eenen gang in do toppen der moerbeziënboomen, dan rep u, want alsdan is de Heere voor uw aangezigt uitgegaan, om het heirloger der Filistijnen te slaan. 25 En David deed alzoo, gelijk als de Heere hem geboden had; en hij sloeg de Filistijnen van Geba af totdat gij komt te Gozer. |
2 En David maakte zich op, en ging hoen met al bet volk, dat bij hem was, van Baaliin-Juda, om van daar op te brengen de ark Gods, bij dewelke do Naam wordt aangeroepen, de naam van den Heere der hoirscharen, die daarop woont tusschen do cherubim. 3 En zij voordon do ark Gods op eenen quot; nieuwen wagon, en haalden zo uit het''huis van Abinadab, dat op eenen heuvel is; on Uza en Aluo, zonen van Abinadab, leidden don nieuwen wagen. al Sam. 0:7, 8, enz. h 1 Sam. 7:1. 4 Toen zij hem nu uit hot huis van Abinadab, dat op den heuvel is, met de ark Gods, wegvoerden , zoo ging Aluo voor de ark honen. |
2 SAMUÃL 6, 7.
|
5 En David en liot gansche Iuuk Israels spoelden voor hot aangezigt dos Heeren, met allerlei snarenspel van dennenhout, als mot harpon, on met luiten, on mot trommolon, ook met scholion, en mot cimbalen. 6 quot; Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorsch-vloor, zoo strekte Uza zijne hand uit aan de ark-Gods, on hield zo, want do runderen struikelden. «1 Kron. 13:9. 7 Toen ontstak do toorn des IIleken togen Uza, on God sloeg hom aldaar, om deze onbodaoht-zaamheid; en hij stierf aldaar bij do ark Gods. 8 En David ontstak, omdat do IIeere oen scheur goschourd had aan Uza; en hij noomde dezelve plaats Pérez-Uza, tot op dezon dag. i) En David vreesde don IIeeue ton zelvon dage; on hij zeido: Iloo zal do ark dos Heeren tot mij komen ? 10 David dan wilde do ark dos Heeren niet tot zich laten verbrengon in do stad Davids; maar David dood zo afwijken in het huis van Obed-Edom, don Gethiet. 11 En do ark dos Heeren bleef in het huis van Obod-Edoin, don Gethiet, drie maanden; quot;en do Heere zogende Obod-Edom on zijn gansche huis. a\ Kron. 13:14. 12 Toen boodschapte men don koning David, zeggende: Do IIeere hooft het huis van Obod-Edom, en al wat hij hooft, gezegend om der ark Gods wil; zoo ging David hoon on haalde do ark Gods uit hot huis van Obod-Edom opwaarts in de stad Davids, mot vreugde. 1!) En het geschiedde, als zij, dio de ark dos Heeren droegen, zes treden voortgotreden waren, dat hij ossen en gemest vee offerde. 14 En David huppelde mot alle magt voor hot aangezigt dos Heeren; on David was omgord mot oenen linnen lijfrok. 15 Alzoo bragten David en het gansche huis Israels do ark des Heeren op, met gejuich en mot geluid der bazuinen. l(i En hot geschiedde, als de ark dos Heeren in do stad Davids kwam, dat Michal, Sauls dochter, door liet venster uitzag. Als zij nu den koning David zag, springende en huppelende voor het aangezigt dos Heeren, verachtte zij hem in haar hart. 17 Toen zij nu do ark dos Heeren inbragten, stolden zij die in hare quot;plaats, in het midden der tont, die David voor haar gespannen had; on David offerde brandofforon voor des Heeren aangezigt, on dankofferon. al Kron. 15:1. Ki:!. 18 Als David geëindigd had het brandoffer en do dankofferen te offeren, quot;zoo zogende hij hot volk in den naam dos Heeren der heirscharon. a 1 Kron. 10:2. 1!) En hij deelde uit aan het gansche volk, aan de gansche menigte van Israël, van do mannon tot do vrouwen toe, aan een' iegelijk oen' broodkoek, en eon schoon stuk vleeseh, on oeno flosch wijn. Toon ging al dat volk hoon, een iegelijk naar zijn huis. |
20 Als nu David wederkwam, om zijn huis te zegenen, ging Michal, Sauls dochter, uit, David to gomoet, on zoido: Hoe is heden do koning van Israël verheerlijkt, dio zich heden voor do oogen van do dienstmaagden zijnor dienstknechten hooft ontbloot, gelijk oen van do ijdelo lieden zich on-beschaamdolijk ontbloot ? 21 Maar David zoido tot Michal: Voor het aangezigt des Heeren, dio mij vorkoren heeft voor uwen vader en voor zijn gansche huis, mij instellende tot oenen voorganger over het volk des Heeren, over Israël; ja ik zal spelen voor hot aangezigt dos Heeren. 22 Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzoo, en zal nederig zijn in inijno oogen, en mot do dionstmaagdon, waarvan gij gezegd hebt, met dezelve zal ik verheerlijkt worden. 23 Michal nu, Sauls dochter, had geen kind, tot den dag van haren dood toe. HOOFDSTUK 7. David wil don Hooro oen huis bouwen, do profeet Nathan prijst zulks, vs. 1 ; doch ontvangt Gods hovel dit to verbieden, mot belofte dat oon zijner zonen God oon huis bouwen zal, on van den Messias, dio uit zijn zaad naar het vleeseh zou voortkomen, 4. David hierover zeer verwonderd en verheugd ziinde, vcrlieerlijkt den Hooro in Imrtolijko dankzegging, 18. EN quot;liet geschiedde, als do koning in zijn huis zat, en de 11 eeke hem rust gegeven had van al zijne vijanden rondom; al Kron. 17. 2 Zoo zeido de koning tot den profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een coderen huis, en de ark Gods woont in het midden der gordijnen. 3 En Nathan zeide tot den koning: Ga heen, doe al wat in uw hart is, want do Heere is mot u. 4 Maar het gebeurde in denzelven nacht, dat het woord des Heeren tot Nathan geschiedde, zeggende: 5 Ga, en zeg tot mijnen knecht, tot David: Zoo zegt de Heere: Zoudt gij Mij een huis bouwen tot mijne woning? (i Want Ik heb in geen huis gewoond, quot; van dien dag af, dat Ik de kinderen Israëls uit Egypte opvoerde, tot op dezen dag; maar Ik heb gewandeld in oeno tent en in oenen tabernakel. a 1 Kon. 8 : 10. 7 Overal, waar Ik met al de kinderen Israëls bob gewandeld, heb Ik wel een woord gesproken met oenen dor stammen Israëls, dien Ik bevolen heb mijn volk Israël te weidon, zeggende: Waarom bouwt gij Mij niet oen coderen huis? 8 Nu dan, alzoo zult gij tot mijnen knecht, tot David, zeggen: Zoo zegt do Heere der heirscharon: quot;Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat gij oen voorganger zoudt zijn over mijn volk, over Israël; al Sam. 16:11, 12. Ps. 78:70. |
|
310 9 En Ik ben met u geweest, «overal, waar gij gegaan zijt, en heb al uwe vijanden voor uw aan-gezigt uitgeroeid; en Ik heb u eenen grooten naam gemaakt, als den naam der grooten, die op de aarde zijn. « 2 Sam. 8:G, 14. 10 En Ik heb voor mijn volk, voor Israël, eene plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijne plaats wone, en niet meer heen en weder gedreven worde; en de kinderen der verkeerdheid zullen hem niet meer verdrukken, gelijk als in het eerst, 11 En van dien dag af, dat Ik geboden heb rigters te wezen over mijn volk Israël. Doch u heb Ik rust gegeven van al uwe vijanden. Ook geeft u de Heere te kennen, dat do Heebe u een huis maken zal. 12 quot; Wanneer uwe dagen zullen vervuld zijn, en gij met uwe vaderen zult ontslapen zijn, zoo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koningrijk bevestigen, a 1 Kon. 8 : 20. 13 quot;Die zal mijnen naam een huis bouwen; en Ik zal den stoel zijns koningrijks bevestigen tot in eeuwigheid. a 1 Kon. 5:5. 0:12. 1 Kron. 22 : 10. 14 quot;Ik zal hem zijn tot eenen vader, en hij zal Mij zijn tot eenen zoon; ''dewelke als hij misdoet, zoo zal Ik hem met eene menschenroede en met plagen der menschonkinderen straffen. a Ps. 89:27. Hebr. 1:5. bVs. 89:31, enz. 15 Maar mijne goedertierenheid zal van hom niet wijken, gelijk als Ik die weggenomen liob van Saul, dien Ik van voor uw aangezigt heb weggenomen. K! Doch uw huis zal bestendig zijn, en uw koningrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezigt; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. 17 Naar al deze woorden, en naar dit gansche gezigt, ahoo sprak Nathan tot David. 18 Toen ging de koning David in, en bleef voor het aangezigt des Heeren, en hij zeide: Wie ben ik, Heere Heere! en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebragt hebt? 19 Daartoe is dit in uwe oogen nog klein geweest, Heere Heere! maar Gij hebt ook over het huis uws knechts gesproken tot van verre heen; en dit naar de wet der menschen, ITeere Heere! 20 En wat zal David nog meer tot U spreken? want Gij kent uwen knecht, ITeere Heere! 21 Om uws woords wil, en naar uw hart hebt Gij al deze groote dingen gedaan, om aan uwen knecht bekend ta maken. 22 Daarom zijt Gij groot, Heere God! quot; want er is niemand gelijk Gij, en er is geen God dan alleen Gij, naar alles, wat wij met onze ooren gehoord hebben. a Dent. 3:24. 4:35. 82:39. 1 Sam. 2:2. Ps. 8G: 8. Jos. 45: 5,18,22. Mark. 12: 29, 32. 23 quot;En wie is, gelijk uw volk, gelijk Israël, een eenig volk op aarde, hetwelk God is heengegaan Zich tot een volk te verlossen, en om Zich eenen naam te zetten, en om voor ulieden deze groote en verschrikkelijke dingen te doen aan uw land. |
voor hot aangezigt uws volks, dat Gij U uit Egypte verlost hebt, de Heidenen en hunne goden verdrijvende. a Dcut. 4 : 7. 33 : 29. Ps. 147 : 20. 24 En Gij hebt uw volk Israël U bevestigd, U tot een volk, tot in eeuwigheid; en Gij, Heere ! zijt hun tot eenen God geworden. 25 Nu dan, Heere God! doe dit woord, dat Gij over uwen knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid; en doe, gelijk als Gij gesproken hebt. 26 En uw naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid; dat men zegge: De Heere der heir-scharen is God over Israël; en het huis van uwen knecht David zal bestendig zijn voor uw aangezigt. 27 Want Gij, Heere dor heirscharen, Gij God Israëls! Gij hebt voor het oor uws knechts geopenbaard, zeggende: Ik zal u een huishouwen; daarom heeft uw knecht in zijn hart gevonden, dit gebod tot u te bidden. 28 Nu dan, Heere Heere! Gij zijt die God, en a uwe woorden zullen waarheid zijn, en Gij hebt dit goede tot uwen knecht gesproken, aJoh. 17:17. 29 Zoo believe het U nu, en zegon het huis van uwen knecht, dat het in eeuwigheid voor uw aangezigt zij: want Gij, Heere Heere ! hebt het gesproken, en mot uwen zegen zal hot huis van uwen knecht gezegend worden in eeuwigheid. HOOFDSTUK 8. Davids overwinningen op de Filistijnen, vs. I ; op do Moabieton, 2; op Hadad-ézer van Zoba, 3; op do Syriörs, 5; hij brengt rijken buit naar Jerftzalem, 7. Een aanzienlijk gezantschap uit do stad Hamath bij David, 9. David hoiligt de geroofde schatten aan den Heere, 11. Hij maakt de Edomieten schatplig-tig, 14. Inrigting van hot staatsbostuur, 16. EN quot; hot geschiedde daarna, dat David de Filistijnen sloeg, en bragt hen te onder; on David nam Meteg-Amma uit der Filistijnen hand. a 1 Kron. 18 : 1, enz. 2 Ook sloeg hij de Moabieton, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te dooden, en met een vol snoer om in hot loven te laten. Alzoo werden de Moabieton David tot knechten, brengende geschenken. 3 David sloeg ook Hadad-ézer, den zoon van Rechob, den koning van Zoba, toen hij heentoog, om zijne hand te wenden naar do rivier Frath. 4 En David «nam hom duizend wagens af, en zeven honderd ruiteren, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde alle wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagenen overig. a 1 Kron. 18 : 4. 5 En de Syriërs van Damaskus kwamen om Hadad-ézer, den koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van do Syriërs twee en twintig duizend man. 6 En David leide bezettingen in Syrië van Damaskus, on de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en de Heere behoedde David overal, waar hij heentoog. 2 SAMUEL 7, 8. |
2 SAMUEL 8,9, 10.
311
|
7 En David nam de gouden schilden, die bij Hadad-ézers knechten geweest waren, en bragt ze te Jeruzalem. 8 Daartoe nam de koning David zeer veel kopers uit Betach, en uit Bórothai, steden van Hadad-ézer. 9 Als nu Thoï, de koning van Hamath, hoorde, dat David het gansche heir van Hadad-ézer geslagen had; 10 Zoo zond Thoï zijnen zoon Joram tot don koning David, om hem te vragen naar zijnen welstand, en om hem te zegenen, van wego dat-hij tegen Hadad-ézer gekrijgd en hem geslagen had; (want Hadad-ézer voerde steeds krijg tegen Thoï) en in zijne hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten; 11 Welke de koning David ook den Heere heiligde, met het zilver en het goud, dat hij geheiligd had van alle Heidenen, die hij zich onderworpen had: 12 Van Syrië, en van Moab, en van de kinderen Amnions, en van de Filistijnen, en van Amalek, en van den roof van Hadad-ézer, den zoon van Rechob, den koning van Zoba. 13 a Ook maakte zich David eenen naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriërs geslagen had, in hot Zoutdal, achttien duizend. «Ps. GO: 2. 14 En hij leide bezettingen in Edom, in gansch Edom leide hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en de Heere behoedde David overal, waar hij heentoog. 15 Alzoo regeerde David over gansch Israël, en David deed aan zijn gansche volk regt en ge-regtigheid. 1G quot; Joab nu, do zoon van Zorüja, was over hot heir; en Jósafat, zoon van Achilud, was kanselier. a 1 Kron. 18 : 15, en/,. 17 En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimélech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Soraja was schrijver. 18 Er was ook Benaja, zoon van Jójada, mot de Krethi en dePlethi; maar Davids zonen waren prinsen. HOOFDSTUK 9. David, gedenkende zijne lielnften aan Jonathan, laat zijn' zoon Meflbóseth zoeken en tot zich brengen, vs. 1; geeft hein al hot goed van Saul, en stolt /11 ja daarover; doch hem noemt hij aan zijne tafel, 7. EN David zeide: Is er nog iemand, die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil? 2 Het huis van Saul nu had eenen knecht, wiens naam was quot;Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zeide tot hem: Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht. «2 Sam. 10:1, enz. 19:17. 3 En de koning zeide: Is er niet nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe ? Toen zeide Ziba tot don koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan «beide voeten. «2 Sam. 4:4. 4 En de koning zeide tot hem: Waar is hij? En I |
Ziba zeide tot den koning: Zio, hij is in hot huis van Machir, don zoon van Ammiël, te Lódebar. 5 Toen zond de koning David hoen; en hij nam hem uit het huis van Machir, den zoon van Ammiël, van Lódebar. 6 Als nu Mefibóseth, de zoon van Jonathan, den zoon van Saul, tot David inkwam, zoo viel hij op zijn aangozigt, en boog zich neder. En David zeide: Mefibóseth! En hij zeide: Zio, hier is uw knecht. 7 En David zeide tot hom: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uwen vader Saul wedergeven; on gij zult gedurig-lijk brood eten aan mijne tafel. 8 Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar eenen dooden hond, als ik ben? 9 Toen riep de koning Ziba, Sauls jongen, en zeide tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn gansche huis, heb ik den zoon uws hoeren gegeven. 10 Daarom zult gij voor hem het land bearbeiden , gij, on uwe zonen, en uwe knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat do zoon uws hoeren brood hebbe, dat hij ete; on Mefibóseth, do zoon uws hoeren, zal goduriglijk brood eten aan mijne tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten. 11 En Ziba zeide tot den koning: Naar alles, wat mijn heer de koning zijnon knecht gebiedt, alzoo zal uw knecht doen. Ook zou Mefibóseth, etende aan mijne tafel, als een van dos konings zonen zijn. 12 Mefibóseth nu had oenen kleinen zoon, wiens naam was Micha; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefibóseth. 13 Alzoo woonde Mefibóseth to Jeruzalem, omdat hij goduriglijk at aan des konings tafel; en hij was kreupel aan beide zijne voeten. HOOFDSTUK 10. David zendt, mot aanbieding zijner gunst, gezanten tot den koning dor Ammonieten, vs. 1; die hen schandelijk bejegent, en een groot leger tegen David vergadert, 3. David zendt Joab en AMsaï togen hem uit, die de Ammonieten en Syriërs slaan en weder-keeren naar Jeruzalem, 7. Do Syriërs vergaderen zich weder tegen David en worden door hem geslagen en ten onder gebragt, 15. EN quot;het geschiedde daarna, dat de koning der kinderen Amnions stierf, en zijn zoon Ilanun werd koning in zijne plaats. a 1 Kron. 19: 1, enz. 2 Toen zoido David: Ik zal weldadigheid doen aan Ilanun, den zoon van Nahas, gelijk als zijn vader weldadigheid aan mij gedaan heeft. Zoo zond David hoen, om hom door do dienst zijnor knechten te troosten over zijnen vader. En do knechten van David kwamen in het land van do kinderen Amnions. 3 Toen zeiden do vorsten der kinderen Annnons tot hunnen hoor Hanun: Eert David uwen vader |
2 SAMUEL 10, 11.
:il2
|
in uwe oogon, omdat liij troosters tot u gezonden hooft? Hooft David zijne knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzooke, en die verspiede, en die omkeere ? 4 Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor hunnen baard half af, en sneed hunne kleederen half af, tot aan hunne billen; en hij liet hen gaan. 5 Als zij dit David lieten weten, zoo zond hij hun te gemoet: want deze mannen waren zeer beschaamd. En do koning zeide: Blijft te Jericho, totdat uw baard weder gewassen zal zijn, komt dan weder. 6 Toen nu de kinderen Amnions zagen, dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Amnions heen, en huurden van do Syriërs van Beth-Rechob, on van de Syriërs van Zoba, twintig duizend voetvolks, on van den koning van Maacha duizend man, en van de mannon van Tob twaalf duizend man. 7 Als David dit hoorde, zond hij Joab heen, en het gansche heir met de helden. 8 En de kinderen Amnions togen uit, en stelden de slagorde voor de deur der poort; maar de Syriërs van Zoba, en Rechob, en de mannen van Tob en Maacha waren bijzonder in het veld. !) Als nu Joab zag, dat do spits der slagorde togen hem was, van voren en van achteren, zoo verkoos hij uit allo uitgelezenen van Israël, on stelde hen in orde tegen do Syriërs aan; 10 En liet overige dos volks gaf hij onder do hand van zijnen broeder Abisai, die hot in orde stolde togen de kinderen Amnions aan. 11 En hij zeide: Zoo do Syriërs mij te sterk zullen zijn, zoo zult gij mij komen verlossen; on zoo de kinderen Amnions u te sterk zullen zijn, zoo zal ik komen om u te verlossen. 12 Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden onzes Gods; do Heere nu doe wat goed is in zijne oogen. 13 Toen naderde Joab, en het volk, dat bij hem was, tot den strijd tegen de Syriërs: en zij vloden voor zijn aangezigt. 14 Als de kinderen Amnions zagen, dat de Syriërs vloden, vloden zij ook voor hot aangezigt van Abisai, en kwamen in de stad. En Joab keerde weder van de kinderen Amnions, on kwam te Jeruzalem. 15 Toen nu de Syriërs zagen, dat zij voor Israels aangezigt geslagen waren, zoo vergaderden zij zich weder te zamen. Ki En lladar-ézer zond heen, en deed de Syriërs uitkomen, die op gene zijde der rivier zijn, en zij kwamen te Helam; en Sobach, Hadar-ézers krijgsoverste, tooy voor linn aangezigt heen. 17 Als dat David werd aangezegd, verzamelde hij gansch Israël, en toog over do Jordaan, en kwam te Helam; en de Syriërs stelden de slagorde tegen David aan, en streden met hom. |
18 Maar de Syriërs vloden voor Israëls aangezigt, on David versloeg van de Syriërs zeven honderd wagenen, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hunnen krijgsoverste, dat hij aldaar stierf. 19 Toen nu al de koningen, die Hadar-ézers knechten waren, zagen, dat zij voor Israëls aangezigt geslagen waren, maakten zij vrede met Israël, en dienden hen; en do Syriërs vreesden de kinderen Amnions meer te verlossen. HOOFDSTUK 11. Joab belegert Rabba, vs. 1. David ploegt overspel met Bathséba, 2. Hij ontbiedt haren man uit hol leger, om zijne schande to bedekken, G. Zulks inis-lukkendo, !); zendt David Uria terug en schrijft aan Joab, hom op oenen der gevaarlijkste posten to stollen, 14. Uria sneuvelt, 17. Joab laat dezo tijding aan David overbrengen, 18. Batlisoba wordt David ter vrouw, 27. EN quot; hot geschiedde mot do wodorkomst van liet jaar, tor tijd als do koningen uittrokken, dat David Joab, en zijne knechten mot hem, on gansch Israël henonzond, dat zij do kindoren Ammons verdorven, en Rabba belegeren zouden. Doch David bleef te Jeruzalem. a 1 Kron. 20: l, enz. 2 Zoo geschiedde hot togen don avondtijd, dat David van zijn leger opstond, en wandelde op het dak van hot koningshuis, on zag van het dak eene vrouw, zich wasschondo: dezo vrouw nu was zoor schoon van aanzien. 3 En David zond honen, en ondervraagde naar deze vrouw; en men zeide: Is dat niet Bathséba, do dochter van Elïam, do huisvrouw van Uria, don Hethiet? 4 Toon zond David boden henen, on liet haar halen. En als zij tot hom ingekomen was, lag liij bij haar; (zij nu had zich quot; van hare onreinigheid gezuiverd) daarna keerde zij weder naar haar huis. a Lev. 15: 19, enz. 18: 19. 5 En die vrouw word zwanger; zoo zond zij henen, en liet David weten, en zoido: Ik bon zwanger geworden. 6 Toen zond David tot Joab, zeyyende: Zond Uria, den Hethiet, tot mij. En Joab zond Uria tot David. 7 Als nu Uria tot hom kwam, zoo vraagde David naar don welstand van Joab, en naar don wolstand des volks, en naar don welstand des krljgs. 8 Daarna zeide David tot Uria: Ga af naar uw huis, en wasch uwe voeten. En toen Uria uitdos konings huis uitging, volgde hom oen geregt des konings achterna. 9 Maar Uria lolde zich neder voor do deur van des konings huis, mot al de knechten zijns hee-ron; en hij ging niet af in zijn huis. 10 En zij gaven het David te kennen, zeggende: Uria is niet afgegaan in zijn huis. Toen zeide David tot Uria: Komt gij niet van de reis? waarom zijt gij niet afgegaan in uw huis? 11 En Uria zoido tot David: Do ark, en Israël, en Juda blijven in do tonton; en mijn heer Joab en do knechten mijns heeren zijn gelegerd op hot |
2 SAMUEL II.
|
open veld, on zou ik in mijn huis gaan, om to oten en to drinken, en bij mijno huisvrouw to liggen V Zoo ivaarachtuj als gij leeft on uwe ziel looft, indien ik deze zaak doen zal! 12 Toon zoido David tot Uria: Blijf ook heden hier, zoo zal ik u morgen afzenden. Alzoo bleef Uria to Jeruzalem, dien dag en den anderen dag. |
13 En David noodigdo hom, zoodat hij voor zijn keer van achter hem af, opdat hij geslagen worde on stervo. K! Zoo geschiedde hot, als Joab op de stad golot had, dat hij Uria stolde aan de plaats, waarvan hij wist, dat aldaar strijdbare mannen waren. 17 Als nu de mannen der stad uittogen en niot Joab streden, violen or van hot volk, van Davids knechten, en Uria, de llothiot, stierf ook. |
h.% lt;... .^
Casi». Nktsciiku : liathseba ontvangt Davids brief (2 Sam. 11 :'i).
|
aangezigt at en dronk, en hij maakte hom dronken. Daarna ging hij in den avond uit, om zich neder te loggen op zijn leger, mot zijns hoeren knechten, maar ging niot af in zijn huis. 14 Dos morgens nu geschiedde hot, dat David oenen brief schreef aan Joab; on hij zond dien door de hand van Uria. 15 En hij schroef in dien brief, zeggende: Stol Uria vooraan tegenover den sterkston strijd, en 18 Toen zond Joab hoen, en liet David den gan-schon handel van dozen strijd weten. |
1!) En hij beval den bode, zeggende: Als gij zult geëindigd hebben don ganschon handel van dozen strijd tot den koning uit te spreken; 20 En hot zal geschieden, indien de grimmigheid des konings opkomt, en hij totu zegt: Waarom zijl gij zoo na aan do stad gekomen om to strijden ? wist gij niet, dat zij van den muur zouden schieten? |
2 SAMUÃL 11, 12.
314
|
21 quot;Wie sloeg Abimélech, den zoon van Jerub-béseth? wierp niet eene vrouw een stuk van eenen molensteen op hem van den muur, dat hij te Thebez stierf? waarom zijt gij tot den muur genaderd? Dan zult gij zeggen: Uw knecht, Uria, de Hethiet, is ook dood. aBigt. 9:52, 53. 22 En de bode ging heen, en kwam in, en gaf David te kennen alles, waar hem Joab om uitgezonden had. 23 En de bode zeide tot David; Die mannen zijn ons zeker te magtig geweest, en zijn tot ons uitgetogen in het veld; maar wij zijn tegen hen aan geweest tot aan de deur dor poort. 24 Toen schoten de schutters van den muur af op uwe knechten, dat er van des konings knechten dood gebleven zijn; en uw knecht, Uria, do Hethiet, is ook dood. 25 Toen zeide David tot den bode: Zoo zult gij tot Joab zeggen; Laat deze zaak niet kwaad zijn in uwe oogen, want het zwaard verteert zoo wel dezen als genen: versterk uwen strijd tegen de stad, en verstoor ze; versterk hem alzoo. 20 Als nu de huisvrouw van Uria hoorde, dat haar man Uria dood was, zoo droeg zij leed over haren heer. 27 En als de rouw was overgegaan, zond David heen, en nam haar in zijn huis; en zij werd hem ter vrouwe, en baarde hem eenen zoon. Doch deze zaak, die David gedaan had, was kwaad in de oogen des Heeren. HOOFDSTUK 12. Do profeet Nathan stelt David, op Grods bevel, zijne misdaad voor oogen door eene gelijkenis, met bestraffing zijner ondankbaarheid en bedreiging van zware straffen, vs. 1. David bekent zijne zonde, die God hem vergeeft; doch niet zonder kastijding, 13. David smeekt en vast gedurende de krankheid van zijn kind; doch toen het gestorven was, is hij goedsmoeds, 15; waaromtrent hij gevraagd zijnde, roden geeft, 21. Salomo geboren, 24. David overwint Kabba en straft de Ammonieten, 2G. EN de Heere zond Nathan tot David. Als die tot hem inkwam, zeide hij tot hem: Er waren twee mannen in eene stad, de een rijk en de ander arm. 2 De rijke had zeer vele schapen en runderen. 3 Maar de arme had gansch niet, dan een eenig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem, en bij zijne kinderen te gelijk: het at van zijne bete, en dronk van zijnen beker, en sliep in zijnen schoot, en het was hem als eene dochter. 4 Toen nu den rijken man een wandelaar overkwam, verschoonde hij te nemen van zijne schapen en van zijne runderen, om voor den reizenden man, die tot hem gekomen was, wat te bereiden; en hij nam des armen mans ooilam, en bereidde dat voor den man, die tot hem gekomen was. 5 Toen ontstak Davids toorn zeer tegen dien man; en hij zeide tot Nathan: Zoo waarachtig als de Heere leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods! |
6 En dat ooilam zal hij quot; viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zaak gedaan, en omdat hij idet verschoond heeft. «Ex. 22:1. 7 Toen zeide Nathan tot David: Gij zijt die man! Zoo zegt de Heere, de God Israels: Ik heb u ten koning quot; gezalfd over Israël, en Ik heb u uit Sauls hand gered; al Sam. IC: 13. 8 En Ik heb u uws heeren huis gegeven, daartoe uws heeren vrouwen in uwen schoot, ja Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven; en indien het weinig is, Ik zou u alzulks en alzulks daartoe doen. 9 Waarom hebt gij dan het woord des Heeren veracht, doende wat kwaad is in zijne oogen? Gij hebt Uria, den Hethiet, met het zwaard verslagen, en zijne huisvrouw hebt gij u ter vrouwe genomen; en hem hebt gij met het zwaard van de kinderen Amnions doodgeslagen. 10 Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid; daarom dat gij Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uria, den Hethiet, genomen hebt, dat zij u ter vrouwe zij. 11 Zoo zegt de Heere: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uwe vrouwen nemen voor uwe oogen, en quot; zal haar aan uwen naaste geven; die zal bij uwe vrouwen liggen, voor de oogen dezer zon. a Dent. 28:30. 2Sam. 16:22. 12 Want gij hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor gansch Israël, en voor de zon. 13 Toen zeide David tot Nathan: Ik hob gezondigd tegen den Heere! En Nathan zeide tot David: De Heere heeft ook uwe zonde weggenomen , gij zult niet sterven. 14 Nogtans, dewijl gij door deze zaak de vijanden des Heeren grootelijks hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, den dood sterven. 15 Toen ging Nathan naar zijn huis. En de Heere sloeg hot kind, dat do huisvrouw van Uria David gebaard had, dat het zeer krank werd. 16 En David zocht God voor dat jongsken; en David vastte een vasten, en ging in, en lag den nacht over op de aarde. 17 Toen maakten zich de oudsten van zijn huis op tot hem, om hem te doen opstaan van de aarde; maar hij wilde niet, en at geen brood met hen. 18 En het geschiedde op den zevenden dag, dat het kind stierf; en Davids knechten vreesden hem aan te zeggen, dat het kind dood was, want zij zeiden: Ziet, als hot kind nog levend was, spraken wij tot hem, maar hij hoorde naar onze stem niet, boe zullen wij dan tot hem zeggen: Het kind is dood? want het mogt kwaad doen. 19 Maar David zag, dat zijne knechten mompol-den; zoo merkte David, dat hot kind dood was. Dies zeide David tot zijne knechten: Ia hot kind dood? En zij zeiden: Hot is dood. 20 Toen stond David op van do aarde, en wiesch en zalfde zich, en veranderde zijne klooding, en |
2 SAMUÃL 12, 13.
315
|
ging in hot huis dos Heeren, en bad aan; daarna kwam hij in zijn huis, en eischte brood; en zij zetten hem brood voor, en hij at. 21 Zoo zeiden zijne knechten tot hem: Wat is dit voor een ding, dat gij gedaan hebt? Om des levenden kinds wil hebt gij gevast en geweend, maar nadat het kind gestorven is, zijt gij opgestaan en hebt brood gegeten. 22 En hij zeido: Als het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend, want ik zeide; Wie weet, de IIeere zou mij mogen genadig zijn, dat het kind levend bleve. 23 Maar nu is het dood, waarom zou ik nu vasten ? Zal ik hem nog kunnen wederhalen ? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen. 24 Daarna troostte David zijne huisvrouw Bath-séba, en ging tot haar in, en lag bij haar; en zij quot; baarde eenon zoon, wiens b naam hij noemde Salomo; en de IIeere had hem lief, a Matt. 1: C. h 1 Kron. 22 : 9. 25 En zond heen door de hand van den profeet Nathan, en noemde zijnen naam Jedid-Jah, om dos Heeren wil. 2G quot;Joab nu krijgde tegen Rabba der kindoren Amnions; en hij nam de koninklijke stad in; a 1 Kron. 20 : 1 , enz. 27 Toen zond Joab boden tot David, en zeide: Ik hob gekrijgd tegen Rabba, ook heb ik do waterstad ingenomen. 28 Zoo verzamel gij nu het overige des volks, en beleger do stad, en neem ze in; opdat niet, zoo ik de stad zou innemen, mijn naam over haar uitgeroepen worde. 29 Toon verzamelde David al dat volk, en toog naar Rabba; en hij krijgde tegen haar, en nam ze in. 30 quot; En hij nam de kroon haars konings van zijn hoofd af, welker gewigt was een talent gouds, mot edelgesteente, en zij werd op Davids hoofd (jezet; ook voerde hij uit oenen zeer grooton roof dor stad. a\ Kron. 20:2. 31 quot;Hot volk nu, dat daarin was, voerde hij uit, en loido hot onder zagen, en onder ijzeren dorschwagens, en onder ijzeren bijlen, en deed hen door den tigcheloven doorgaan; en alzoo dood hij aan allo steden dor kinderen Ammons. Daarna keerde David, en al het volk, weder naar Jeruzalem. a 1 Kron. 20 : 3. HOOFDSTUK 13. Amnon bemint zijne zuster Thamar, en voldoet, door cone list van Jónadab, met geweld zijnen lust: doch verstoot haar terstond weder, vs. 1. Thamar weent over hare schande en wordt door Absalom na twee jaren gewroken, door zijnen broeder Amnon te laten vermoorden, 23. Al deze zaken ontstellen en bedroeven üavid zeer, 21, 30. Absalom vlugt naar Gesur, 37. EN het goschioddo daarna, alzoo Absalom, Davids zoon, eene schoono zustor had, welker naam was Thamar, dat Amnon, Davids zoon, haar Hof kreeg. |
2 En Amnon was bonaauwd tot krank wordons toe, om zijner zustor Thamars wil: want zij was eene maagd, zoodat het in Amnons oogen zwaar was, haar iets te doen. 3 Doch Amnon had oenen vriend, wiens naam was Jónadab, eenon zoon van Slmea, Davids broeder; en Jónadab was een zoor wijs man. 4 Die zeide tot hem: Waarom zijt gij van morgen tot morgen zoo mager, gij koningszoon! zult gij hot mij niet te kennen geven? Toen zeide Amnon tot hem: Ik heb Thamar, do zustor van mijnen broeder Absalom, lief. 5 En Jónadab zeido tot hem: Leg u op uw leger, en maak u krank; als dan uw vader zal komen om u te zien, zoo zult gij tot hom zeggen: Dat toch mijne zuster Thamar kome, dat zij mij met brood spijzigo, en do spijze voor mijne oogen toemake, opdat ik het aanzie, en van hare hand eto. G Amnon dan loido zich, en maakte zich krank. Toen nu de koning kwam om hom te zien, zeido Amnon tot don koning: Dat toch mijne zustor Thamar kome, dat zij twee koekjes voor mijne oogen toemake, en ik van hare hand eto. 7 Toen zond David hoon tot Thamar in het huis, zeggende: Ga toch hoon in het huis van uwen broeder Amnon, en maak hom eene spijze. 8 En Thamar ging hoen in het huis van haren broeder Amnon, (hij nu was nedorliggende) on zij nam doeg, en kneedde hot, en maakte koekjes toe voor zijne oogen, en bakte de koekjes. 9 En zij nam oeno pan, en goot zo uit voor zijn aangozigt; maar hij weigerde te eten. En Amnon zeido: Doet allo man van mij uitgaan. En allo man ging van hom uit. 10 Toen zeido Amnon tot Thamar: Breng do spijze in do kamer, dat ik van uwe hand eto; zoo nam Thamar do koekjes, die zij gemaakt had, en bragt ze haren broeder Amnon in do kamer. 11 Als zij ze nu tot hem nabij bragt, dat hij ato, zoo greep hij haar, en zeido tot haar: Kom, lig bij mij, mijne zuster! 12 Maar zij zeide tot hem: Niet, mijn broeder! verkracht mij niet, want alzoo doet men niot in Israël: doe deze dwaasheid niet. 13 Want ik, waarhenen zou ik mijne schande brengen? en gij, gij zoudt zijn als oen dor dwazen in Israël; zoo spreek toch nu tot den koning, want hij zal mij van u niet onthouden. 14 Doch hij wilde naar hare stem niet hooren; maar sterker zijnde dan zij, zoo verkrachtte hij haar, en lag bij haar. 15 Daarna haatte haar Amnon met eenon zeer grooton haat: want do haat, waarmede hij haar haatte, was grooter dan do liefde, waarmede hij haar had liefgehad; en Amnon zeide tot haar: Maak u op, ga weg. 16 Toon zeido zij tot hom: Er zijn goeno oorzaken om mij uit to drijven; dit kwaad zou grooter zijn dan hot andere, dat gij bij mij gedaan hebt; maar hij wilde naar haar niet hooren. |
2 SAMUEL 13, 14.
31(5
|
17 En hij riep zijnon jongen, die hem diende, en zoide: Drijf nu doze van mij uit naar buiten, en grendel de deur achter haar toe. 18 Zij nu had eonen veelverwigen rok aan: want alzoo werden dos konings dochteren, die maagden waren, met mantels gekleed; en zijn dienaar bragt haar uit tot buiten, en grendelde do deur achter haar toe. 1!) Toen nam Tbamar asch op haar hoofd, on scheurde den veelverwigen rok, dien zij aanhad; en zij leido hare hand op haar hoofd, en ging vast henen en kroot. 20 En haar broeder Absalom zoide tot haar: Is uw broeder Amnon bij u geweest? nu dan, mijne zuster! zwijg stil, hij is uw broeder; zet uw hart niet op dozo zaak. Alzoo bleef Thamar en was eenzaam in hot buis van haren broeder Absalom. 21 Als do koning David al deze dingen hoorde, zoo ontstak hij zoor. 22 Doch Absalom sprak niet mot Amnon, noch kwaad noch goed; maar Absalom haatte Amnon, ter oorzako dat hij zijne zuster Thamar verkracht had. 23 En het geschiedde, na twee volle jaren, dat Absalom .vcAacyascheerdors had te Baiil-Hazor , dat bij Efraïm is; zoo noodigde Absalom al des konings zonen. 24 En Absalom kwam tot den koning, en zoide: Zio, nu heeft uw knochl .s'cAaa/JSchoorders; dat toch de koning en zijne knechten met uwen knecht gaan. 25 Maar do koning zeide tot Absalom: Niet, mijn zoon! laat ons tocli niet al te zamen gaan, opdat wij u niet bezwaarlijk zijn; en hij hield bij hem aan, doch hij wilde niet gaan, maar zegende hem. 2(1 Toen zeido Absalom: Zoo niet, laat toch mijnen broeder Amnon mot ons gaan. Maar do koning zoido tot hem: Waarom zoude hij mot u gaan ? 27 Als Absalom bij hem aanhield, zoo liet hij Amnon on al des konings zonen mot hem gaan. 28 Absalom nu gebood zijnon jongens, zeggende: Lot er nu op, als Amnons hart vrolijk is van den wijn, en ik tot ulieden zal zeggen: Slaat Amnon; dan zult gij hem doodon, vreest niet: is het niet, omdat ik het u geboden heb ? zijt sterk en woest dapper. 29 En Absaloms jongens deden aan Amnon, gelijk als Absalom geboden had. Toen stonden alle zonen dos konings op, en roden een iegelijk op zijnen muil, on vloden. 30 En hot geschiedde, als zij op den weg waren, dat hot gerucht tot David kwam, dat men zoido: Absalom heeft al de zonen des konings geslagen, en er is niet één van hen overgelaten. 31 Toen stond de koning op, en quot;scheurde zijne kleederen, en leide zich neder ter aarde; desgelijks stonden al zijne knechten met gescheurde kleedoren. a 2 Sam. 1:11. |
32 Maar Jónadab, de zoon van Simea, Davids broeder, antwoordde en zeide: Mijn hoer zegge niet, dat zij al do jongelingen, dos konings zonen, gedood hebben; maar Amnon alleen is dood: want bij Absalom is er op toegeloid, van don dag af, dat hij zijne zuster Thamar verkracht heeft. 33 Zoo neme nu mijn heer de koning do zaak niet in zijn hart, denkende: al des koningszonen zijn dood: want Amnon alleen is dood. 34 Absalom nu vlugtte; en de jongen, die do wacht hield, hief zijne oogen op, en zag too, en ziet, er kwam veel volks van den wog achter hem, aan de zijde van hot gebergte. lli) Toen zeido Jónadab tot den koning: Zie, do zonen des konings komen; naar het woord uws knechts, alzoo is het geschied. 36 En het geschiedde, als hij geëindigd had te spreken, ziet, zoo kwamen de zonen des konings, en hieven hunne stommen op en weenden; en do koning ook on al zijno knechten weenden met oen zeer groot geween. 37 (Absalom dan vlugtte, en toog tot Thalmai, don zoon van Amniihur, koning van Gesur.) En hij droeg rouw over zijnen zoon, al dio dagen. 38 Alzoo vlugtte Absalom, en toog naar Gesur; on hij was aldaar drie jaren. 39 Toen verlangde de ziel van don koning David zoor om naar Absalom uit te trekken: want hij had zich getroost over Amnon, dat hij dood was. HOOFDSTUK 14. Joab brongt Absalom, door middel van ccno thekoïc-tischo vrouw weder in genade bij David, vs. 1; die toestaat, dat hij in Jerflzalem terugkeert, maar niet wil, dat hij onder zijne oogen komt, 21. Absaloms schoonheid, lang haar on kinderen, 25. Absalom dringt bij ,loab aan, om den koning weder geheel ten gunste van hom te stemmen, hetwelk hij verkrijgt, 29. ALS nu Joab, do zoon van Zerüja, merkte, dat des konings hart over Absalom was; 2 Zoo zond Joab heen naar Thekóa, en nam van daar eene wijze vrouw; en hij zeide tot haar: Stel u toch als of gij rouw droogt, en trok nu rouwkleoderen aan, en zalf u niet met olie, en wees als eene vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over oenen doode: 3 En ga in tot den koning, en spreek tot hem naar dit woord. En Joab leide de woorden in haren mond. 4 En de thokoïetische vrouw zeido tot don koning, als zij op haar aangezigt tor aarde was gevallen, en zich nedergebogen had, zoo zeide zij: Behoud, o koning! 5 En de koning zoide tot haar: Wat is u? En zij zeide: Zekerlijk, ik ben eene weduwvrouw, en mijn man is gestorven. (ï Nu had uwe dienstmaagd twee zonen, en deze beide twistten in het veld, en er was geen scheider tusschen hen; zoo sloeg de een den ander, en doodde hem. |
2 SAMUEL 14.
:ii7
|
7 En zie, hot gansche geslacht is opgestaan tegen uwe dienstmaagd, on hebben gezegd: Geef dien hier, die zijnen broeder geslagen heeft, dat wij hem voor de ziel zijns broeders, dien hij doodgeslagen heeft, dooden, en ook den erfgenaam verdelgen; alzoo zullen zij mijne kool, die overgebleven is, uitblusschen, dat zij mijnen man geenen naam noch overblijfsel laten op den aardbodem. 8 Toen zeide de koning tot deze vrouw: Ga naar uw huis, en ik zal voor u gebieden. 9 En de thekoïetische vrouw zeide tot den koning: Mijn lieer koning! de ongeregtigheid zij op mij en op mijns vaders huis; de koning daarentegen, en zijn stoel, zij onschuldig. 10 En de koning zeide: Spreekt iemand tegen u, zoo breng hem tot mij; en hij zal u voortaan niet meer aantasten. 11 En zij zeide: Do koning gedenke toch aan den Heere, uwen God, dat de bloedwrekers niet te vele worden om te verderven, dat zij mijnen zoon niet verdelgen. Toen zeide hij: Zoo waarachtig a/s de Heere leeft, indien er een van de haren uws zoons op de aarde zal vallen! 12 Toen zeide deze vrouw: Laat tocli uwe dienstmaagd een woord tot mijnen heer den koning spreken. En hij zeide: Spreek. 13 En de vrouw zeide: Waarom hebt gij dan alzulks tegen Gods volk gedacht? Want daaruit, dat de koning dit woord gesproken heeft, is hij als een schuldige, dewijl de koning zijnen ver-stootene niet wederhaalt. 14 Want wij zullen den dood sterven, en wezen als water, dat, ter aarde uitgestort zijnde, niet verzameld wordt. God dan zal do ziel niet wegnemen, maar Hij zal gedachten denken, dat Hij den verstootene niet van zich verstoote. 15 Nu dan, dat ik gekomen ben, om ditzelve woord tot den koning, mijnen lieer, te spreken, is omdat het volk mij vreesachtig gemaakt heeft; zoo zeide uwe dienstmaagd: Ik zal nu tot den koning spreken; misschien zal de koning het woord zijner dienstmaagd doen. Ki Want de koning zal hooren, om zijne dienstmaagd te redden van de hand dos mans, die voorheeft mij en mijnen zoon te zamen van Gods erve te verdelgen. 17 Wijders zoido uwe dienstmaagd: Hot woord mijns heeren, des konings, zij toch tot rust: want gelijk een engel Gods, alzoo is mijn heer do koning, om te hooren het goede en het kwade; en de Heere, uw God, zal met u zijn. 18 Toen antwoordde de koning, en zeide tot de vrouw: Verberg nu niet voor mij de zaak, die ik u vragen zal. En do vrouw zeide: Mijn heer de koning spreke toch. 19 En do koning zeide: Is Joabs hand met u in dit alles? En de vrouw antwoordde en zeide: Zoo waarachtig als uwe ziel looft, mijn heer koning ! indien iemand ter regter- of ter linkerhand zou kunnen afwijken van alles, wat mijn heer de koning gesproken heeft: want uw knecht Joab heeft hot mij geboden, en die heeft al deze woorden in don mond uwer dienstmaagd gelegd: |
20 Dat ik de gestalte dezer zaak alzoo omwonden zou, zulks heeft uw knecht Joab gedaan; doch mijn heer is wijs, naar de wijsheid van oenen engel Gods, om te merken alles, wat op do aarde is. 21 Toen zoido de koning tot Joab: Zie nu, ik heb deze zaak gedaan; zoo ga honen, liaal don jongeling Absalom weder. 22 Toen viel Joab op zijn aangezigt ter aarde, en boog zich, en dankte don koning; en Joab zeide: Heden heeft uw knecht gemerkt, dat ik genade gevonden heb in uwe oogon, mijn heer koning! omdat do koning het woord van zijnon knecht gedaan heeft. 23 Alzoo maakte zicli Joab op, on toog naar Gosur; en hij bragt Absalom te Jeruzalem. 24 En de koning zoido: Dat hij in zijn huis keore, en mijn aangezigt niet zie. Alzoo koerde Absalom in zijn huis, on zag dos konings aangezigt niet. 25 Nu was er in gansch Israël geen man zoo schoon, als Absalom, zoor te prijzen; van zijne voetzool af tot zijnen hoofdschedel too was er geen gebrek in hom. 20 En als hij zijn hoofd beschoor, (nu geschiedde liet ton einde van elk jaar, dat hij het beschoor, omdat liet hem te zwaar was, zoo beschoor hij hot) zoo woog het haar zijns hoofds twee honderd sikkelen, naar des konings gewigt. 27 Ook worden Absalom drie zonen geboren, en eene dochter, welker naam was Thamar: deze was eene vrouw, schoon van aanzien. 28 Alzoo bleef Absalom twee volle jaren te Jeruzalem, dat hij dos konings aangezigt niet zag. 29 Daarom zond Absalom tot Joab, dat hij hom tot don koning zond; maar hij wilde niet tot lioni komen. Zoo zond hij nog ton andere maal; evenwel wilde hij niet komen. 30 Zoo zeide hij tot zijne knechten: Ziet, het stuk akkers van Joab is aan do zijde van het mijne, en hij heeft gerst daarop; gaat heen, on stookt hot aan mot vuur; en Absaloms knechten staken dat stuk akkers aan met vuur. 31 Toen maakte zich Joab op on kwam tot Absalom in het huis, en zeide tot hom: Waarom hebben uwe knechten liet stuk akkers, dat mijne is, mot vuur aangestoken ? 32 En Absalom zoido tot Joab: Zie, ik heb tot u gezonden, zeggende: Kom herwaarts, dat ik u tot den koning zende, om te zeggen: Waarom bon ik van Gesnr gekomen? hot ware mij goed, dat ik nog daar ware; nu dan, laat mij hot aangezigt dos konings zien; is er dan nog eene misdaad in mij, zoo doode hij mij. 33 Toen ging Joab in tot den koning, en zoido hot hom aan. Toen riep hij Absalom, en hij kwam tot den koning in, en boog zich voor hom op zijn aangezigt ter aarde, voor des konings aangezigt ; en de koning kuste Absalom. |
2 SAMUÃL 15.
|
HOOFDSTUK 15. Absalom, op listige wijze de harten van het volk ingenomen hebbende, vs. 1, gaat onder voorgeven van den Heere eeno gelofte te betalen, met zijns vaders verlof naar Hebron, alwaar hij zich, met behnlp van Achitófel, als koning laat uitroepen, 7. David vhigt mot zijne mannon uit Jeruzalem, 14. Trouw aan David van Ithai, 19. Zadok keert mot Abjathar en met de ark, op raad van David, terug naar do stad, 25. Vriendschap tusschen llusai en David, 32. EN het geschiedde daarna, dat Absalom zich liet bereiden wagenen en paarden, en vijftig mannen, loopende voor zijn aangezigt henen. 2 Ook maakte zich Absalom des morgens vroeg op, en stond aan de zijde van den weg der poort. En het geschiedde, dat Absalom allen man, die een geschil had, om tot den koning ten gerigte te komen, tot zich riep, en zeide: Uit welke stad zijt gij? Als hij dan zeide: Uw knecht is uit een' der stammen Israels; 3 Zoo zeide Absalom tot hem: Zie, uwe zaken zijn goed en regt; maar gij hebt geenen verboor-der van des konings wege. 4 Voorts zeide Absalom: Och, dat men mij ton regter stelde in hot land! dat alle man tot mij kwame, die een geschil of regtszaak heeft, dat ik hem regt sprake. 5 Het geschiedde ook, als iemand naderde, om zich voor hem te buigen, zoo reikte hij zijne hand uit, en greep hem, en kuste hem. (i En naar die wijze deed Absalom aan ganscb Israël, die tot den koning ten gerigte kwamen. Alzoo stal Absalom het hart der mannen van Israël. 7 Ten einde nu van veertig jaren is het geschied, dat Absalom tot den koning zeide: Laat mij toch heengaan, en mijne gelofte, die ik den Heere beloofd heb, te Hebron betalen. 8 Want uw knecht heeft eene gelofte beloofd, als ik te Gesur in Syrië woonde, zeggende: Indien de Heere mij zekerlijk weder te Jeruzalem zal brengen, zoo zal ik den Heere dienen. 9 Toen zeide de koning tot hem: Ga in vrede. Alzoo maakte hij zich op, en ging naar Hebron. 10 Absalom nu had verspieders uitgezonden in alle stammen van Israël, om te zeggen: Als gij het geluid der bazuin zult hooren, zoo zult gij zeggen: Absalom is koning te Hebron. 11 En er gingen met Absalom van Jeruzalem twee honderd mannen, genoodigd zijnde, doch gaande in hunne eenvoudigheid, want zij wisten van geene zaak. 12 Absalom zond ook om Achitófel, den Giloniet, Davids raad, uit zijne stad, uit Gilo tc halen, als hij offeranden offerde. En de verbindtenis werd sterk, en het volk kwam toe en vermeerderde bij Absalom. 13 Toen kwam er een boodschapper tot David, zeggende: Het hart van een' iegelijk in Israël volgt Absalom na. |
14 Zoo zeide David tot al zijne knechten, die met hem te Jeruzalem waren: Maakt u op, en laat ons vlieden, want er zou voor ons geen ontkomen zijn voor Absaloms aangezigt; haast u, om weg te gaan, opdat hij niet misschien haaste, en ons achterhalo, en een kwaad over ons drijve, en deze stad sla met de scherpte dos zwaards. 15 Toen zeiden de knechten des konings tot den koning: Naar alles, wat mijn heer de koning verkiezen zal, ziet, hier zijn uwe knechten. 1G En de koning ging uit met zijn gansche huis te voet; doch de koning liet tien bijwijven, om het huis te bewaren. 17 Als nu de koning met al het volk te voet was uitgegaan, zoo bleven zij staan in eene verre plaats. 18 En al zijne knechten gingen aan zijne zijde heen, ook al de quot; Krcthi en al de Plethi, en al de Gethieten; zes honderd man, die van Gath te voet gekomen waren, gingen voor des konings aangezigt heen; «2Sam.8:18. IKon. 1:38. IKron. 18:17. 19 Zoo zeide de koning tot Ithai, den Gethiet: Waarom zoudt gij ook met ons gaan? keer weder, en blijf bij den koning: want gij zijt vreemd, en ook zult gij weder vertrekken naar uwe plaats. 20 Gisteren zijt gij gekomen, en heden zou ik u met ons omvoeren om te gaan ? zoo ik toch gaan moet, waarheen ik gaan kan, keer weder, en breng uwe broederen wederom; weldadigheid en trouw zij met u. 21 Maar Ithai antwoordde den koning, en zeide: Zoo waarachtig als de Heere leeft, en mijn heer de koning leeft: in de plaats, waar mijn heer de koning zal zijn, hetzij ten doode, hetzij ten leven, daar zal uw knecht voorzeker ook zijn! 22 Toen zeide David tot Ithai: Zoo kom, en ga over. Alzoo ging Ithai, de Gethiet, over, en al zijne mannen, en al de kinderen, die met hem waren. 23 En het gansche land weende met luider stem, als al hot volk overging; ook ging de koning over de «beek Kidron, en al het volk ging over, regt naar den weg der woestijn. a Joh. 18: 1. 24 En ziet, Zadok was ook daar, en al de Levieten met hem, dragende de ark des verbonds van God, en zij zetten de ark Gods neder; en Abjathar klom op, totdat al het volk uit de stad geëindigd had over te gaan. 25 Toen zeide de koning tot Zadok: Breng de ark Gods weder in de stad: indien ik genade zal vinden in des Heeren oogen, zoo zal Hij mij wederhalen, en zal ze mij laten zien, mitsgaders zijne woning. 26 Maar indien Hij alzoo zal zeggen: Ik heb geenen lust tot u; zie, hier ben ik. Hij doe mij, zoo als het in zijne oogen goed is. 27 Voorts zeide de koning tot den priester Zadok: Zijt gij niet een ziener? keer weder in de stad met vrede; ook ulieder beide zonen, Ahimaaz, uw zoon, en Jonathan, Abjathars zoon, met u. 28 Zie, ik zal vertoeven in de vlakke velden |
|
der woestijn, totdat er een woord van nlieden kome, dat men mij aanzegge. 29 Alzoo bragt Zadok, en Abjathar, de ark Gods weder te Jerüzalem; en zij bleven aldaar. ;10 En David ging op door den opgang der olijven , opgaande en weenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, oen iegelijk zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en weenende. 31 Toen gaf men David te kennen, zeggende: Achitófel is onder degenen, die zich mot Absalom hebben verbonden. Dies zeide David: O Heere ! maak toch Achitófels raad tot zotheid. 32 En het geschiedde, als David tot op de hoogte kwam, dat hij aldaar God aanbad; ziet, toen ontmoette hem llusai, de Archiet, hebbende zijnen rok gescheurd, en aarde op zijn hoofd. 33 En David zeide tot hem: Zoo gij met mij voortgaat, zoo zult gij mij tot oenen last zijn; 34 Maar zoo gij weder in de stad gaat, en tot Absalom zegt: Uw knecht, ik zal des konings zijn; ik ben wel uws vaders knecht van te voren geweest, maar nu zal ik uw knecht zijn; zoo zoudt gij mij den raad van Achitófel te niet maken. 35 En zijn niet Zadok en Abjathar, do priesters, aldaar met u? Zoo zal het geschieden, dat gij alle ding, dat gij uit des konings huis zult hoo-ren, den priosteren, Zadok en Abjathar, zult te kennen geven. 36 Ziet, hunne beide zonen zijn aldaar bij hen, Ahimaaz, Zadoks, en Jonathan, Abjathars zoon; zoo zult gijlieden door hunne hand tot mij zendon alle ding, dat gij zult hooren. 37 Alzoo kwam Husai, Davids vriend, in de stad; en Absalom kwam te Jeruzalem. HOOFDSTUK 16. David ontmoet Ziba, die Meftbóseth onregtvaardig belastert, vs. 1. Simeï vloekt David, 5. Abisaï wil dat wreken; doch David draagt dit geduldig, 9. Absalom komt met Achitófel te Jeruzalem, 15. Husai stelt zich verstandiglijk aan Absaloms zijde, 16. Achitófel onder de eerste raadslieden van Absalom, 20. ALS nu David een weinig van de hoogte was voortgegaan, ziet, toen ontmoette hem Ziba, Me-fibóseths jongen, met een paar gezadelde ezelen, en daarop twee honderd brooden, met honderd stukken rozijnen, en honderd stukken zomer-vruchten, en eenon ledoren zak wijns. 2 En de koning zeide tot Ziba: Wat zult gij daarmede? En Ziba zeide: Do ezels zijn voor hot huis des konings, om op te rijden; en hot brood en do zomervruchten, om te eten voor de jongens; en de wijn, opdat do moodon in de woestijn drinken. 3 Toen zeide do koning: Waar is dan de zoon uws hooren? «En Ziba zeide tot den koning: Zie, liij blijft te Jeruzalem, want hij zeide: Heden zal mij het huis Israels mijns vaders koningrijk wedergeven. a 2 Sam. 19:27. |
319 4 Zoo zeide do koning tot Ziba: Zie, hot zal het uwe zijn alles wat Mefibóseth heeft. En Ziba zeide: Ik buig mij neder, laat mij genade vindon in uwe oogen, mijn heer koning! 5 Als nu do koning David tot aan Bahürim kwam, ziet, toen kwam van daar oen man uit, van het geslacht van het huis van Saul, wiens naam was quot;Simeï, do zoon van Gera; hij ging steeds voort, on vloekte. a 1 Kon. 2 : 8. 6 En hij wierp David met steenen, mitsgaders alle knechten van den koning David, hoewol al het volk en al de helden aan zijne regter- on aan zijne linkerhand waren. 7 Aldus nu zeide Simeï in zijn vloeken: Ga uit, ga uit, gij man des bloods, en gij Helials man! 8 Do IIeere hoeft op u doen wedorkomen al het bloed van Sauls huis, in wiens plaats gij geregeerd hebt; nu heeft do Heere liet koningrijk gegeven in do hand van Absalom, uwen zoon; zie nu, gij zijt in uw ongeluk, omdat gij een man des bloods zijt. 9 Toen zeide Abisai, de zoon van Zerüja, tot don koning: Waarom zou deze «doode hond mijnen heer den koning vloeken? laat mij toch overgaan en zijnon kop wegnemen. al Sara. 24: 15. 2 Sam. 9:8. 10 Maar do koning zeide: Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zerüja? ja, laat hem vloeken! want de Heere toch heeft tot hom gezegd: Vloek David; wie zou dan zoggen: Waarom hebt gij alzoo gedaan ? 11 Voorts zeide David tot Abisaï en tot al zijne knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijne ziel; hoe voel te meer dan nu dozo zoon van Jemini? laat hem geworden , dat hij vloeko, want do Heere hooft hot hem gezegd. 12 Misschien zal do Heere mijne ellende aanzien, en de Heere zal mij goed vergelden voor zijnen vloek , te dozen dage. 13 Alzoo ging David met zijne lieden op den weg; en Simeï ging al voort langs do zijde des bergs togen hem over, on vloekte, en wierp mot steenen van tegenover hem, on stoof met stof. 14 En do koning kwam in, en al hot volk, dat met hem was, moede zijnde; en hij verkwikte zich aldaar. 15 Absalom nu en al het volk, do mannen van Israël, kwamen te Jorüzalom, on Achitófel met hem. 16 En het geschiedde, als llusai, do Archiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, dat Husai tot Absalom zeide: De koning leve, do koning leve! 17 Maar Absalom zeide tot llusai: Is dit uwe weldadigheid aan uwen vriend? waarom zijt gij niet met uwen vriend getogen? 18 En Husai zeide tot Absalom: Neen, maar welken de Heere verkiest on al dit volk, en allo mannen van Israël, diens zal ik zijn, en bij hem zal ik blijven. 19 En ten andore, wien zou ik dienon ? zou het 2 SAMUÃL 15, IG. |
2 SAMUÃL 16, 17.
|
niet zijn voor hol aangozigt zijns zoons? Gelijk als ik voor het aangezigt uws vaders gediend heb, alzoo zal ik voor uw aangezigt zijn. '20 Toen zeide Absalom tot Achitofel: Geeft onder ulieden raad, wat zullen wij doen? 21 En Achitofel zeide tot Absalom: Ga in tot de bijwijven uws vaders, die hij gelaten heeft om het huis te bewaren; zoo zal gansch Israël hooren, dat gij bij uwen vader stinkende zijt geworden, en do handen van allen, die met u zijn, zullen gesterkt worden. 22 Zoo spanden zij Absalom eene tent op het dak; en Absalom ging in tot do bijwijven zijns vaders, voor do oogen van het gansche Israël. 215 En in die dagen was Achitófels raad, dien liij raadde, als of men naar Gods woord gevraagd had; alzoo was alle raad van Achitofel, zoo bij David als bij Absalom. HOOFDSTUK 17. Achitófels raad wordt door Gods beschikking verworpen on llusai's raad gevolgd, vs. 1. Hnsai geeft hiervan aan David kennis on raadt hom terstond voort to trekken, 15. David gaat over de Jordaan, 22. /jolf-moord van Aclütófel, 23. Absalom trekt tegen zijnon vader ten strijde, 24. David komt te Mahanaïm, waar zijne goede vrienden hem en do zijnen voorzien mot alle nooddruft, 27. VOORTS zeide Achitofel tot Absalom: Laat mij nu twaalf duizend mannen uitlozen, dat ik mij opmake on David dezen nacht achterna jage. 2 Zoo zal ik over hem komen, daar hij moede en slap van handen is, en zal hom verschrikken, en al hot volk, dat met hem is, zal vlugten: dan zal ik den koning alleen slaan. 3 En ik zal al het volk tot u doen wederkeeren; de man, dien gij zoekt, is gelijk het wederkeeren van allen; zoo zal al het volk in vrede zijn. 4 Dit woord nu was regt in Absaloms oogen, en in do oogen van alle oudsten Israëls. 5 Doch Absalom zeide: Roep toch ook Ilusai, den Archiet, en laat ons hooren, wat hij ook zegt. (i En als Ilusai tot Absalom inkwam, zoo sprak Absalom tot hem, zeggende: Aldus heeft Aclütófel gesproken; zullen wij zijn woord doen? zoo niet, spreek gij. 7 Toen zeide Ilusai tot Absalom: De raad, dien Achitofel op ditmaal geraden heeft, is niet goed. 8 Wijders zeide Ilusai: Gij kent uwen vader en zijne mannen, dat zij helden zijn, dat zij bitter van gemoed zijn, als een beer, die van de jongen beroofd is in het veld; daartoe is uw vader oen krijgsman, en zal niet vernachten met het volk. 9 Zie, nu heeft hij zich verstoken in een der holen, of in eene der plaatsen. En het zal ge-schieden, als er in het eerst sommigen onder hen vallen, dat oen ieder, die het zal hooren, alsdan zal zeggen: Er is een slag geschied onder het volk, dat Absalom navolgt. 10 Zoo zou hij, die ook een dapper man is, wiens hart is als een leeuwenhart, ten eenemaal smelten: want gansch Israël weet, dat uw vader een held is, en het dappere mannen zijn, die met hem zijn. |
11 Maar ik rade, dat in allo haast tot u verzameld worde gansch Israël, van Dan tot Ber-séba toe, als zand, dat aan de zee is, in menigte; en dat uw persoon medega in don strijd. 12 Dan zullen wij tot hem komen, in eene dei-plaatsen, waar hij gevonden wordt, en hem gemakkelijk overvallen, gelijk als de dauw op den aardbodem valt; en er zal van hem, en van al de mannen, die met hem zijn, ook niet eon worden overgelaten. 13 En indien hij zich in eene stad zal begeven, zoo zal gansch Israël koorden tot dezelve stad aandragen, en wij zullen zo tot in de beek neder-trekken, totdat ook niet een steentje aldaar gevonden worde. 14 Toon zeide Absalom, en alle man van Israël: Do raad van Hnsai, den Archiet, is beter dan Achitófels raad. Doch de Heere had hot geboden, om den goeden raad van Achitófel te vernietigen, opdat do Heere het kwaad over Absalom bragt. 15 En Hnsai zeide tot Zadok en tot Abjathar, de priesters: Alzoo en alzoo heeft Achitófel Absalom en den oudsten van Israël geraden, maar alzoo en alzoo heb ik geraden. Ki Nu dan, zendt haastelijk henen, en boodschapt David, zeggende: Vernacht dezen nacht niet in de vlakke volden der woestijn, en ook ga spoedig over; opdat de koning niet verslonden worde, en al hot volk, dat met hem is. 17 Jonathan nu en Ahimaaz stonden bij do fontein Rogel; en eene dienstmaagd ging henen en zeide het hun aan; en zij gingen honen en zeide het don koning David aan: want zij mogten zich niet zien laten, dat zij in de stad kwamen. 18 Een jongen dan nog zag hen, ou zeide het Absalom aan, doch die beiden gingen haastelijk, en kwamen in eens mans huis te Bahürim, dewelke oenen put had in zijnen voorhof, en zij daalden daarin. 19 En do vrouw nam en spreidde een deksel over het opene van den put, en strooide gort daarop. Alzoo werd do zaak niet bekend. 20 Toon nu Absaloms knechten tot de vrouw in hot huis kwamen, zeiden zij: Waar zijn Ahimaaz en Jonathan? En do vrouw zeide tot hen: Zij zijn over dat waterriviertje gegaan. En toon zij hen gezocht en niet gevonden hadden, keerden zij weder naar Jeruzalem. 21 En het geschiedde, nadat zij weggegaan waren, zoo klommen zij uit den put, en gingen henen en boodschapten het don koning David; en zij zeiden tot David: Maakt ulieden op, en gaat haastelijk over het water, want alzoo heeft Achi-tófol togen ulieden geraden. 22 Toen maakte zich David op, en al het volk, dat met hem was, on zij gingen over de Jordaan. Aan hot morgenlicht ontbrak er niet tot een too, die niet over de Jordaan gegaan was. |
2 SAMUÃL 17, 18.
|
2:S Als nu Achitófel zag, dat zijn raad niet go-daan was, zadelde hij den ezel, en maakte zich op, en toog naar zijn huis in zijne stad, en gaf bevel aan zijn huis, en verhing zich. Alzoo stierf hij, en werd begraven in zijns vaders graf. 24 David nu kwam te Mahanaïm: en Absalom toog over de Jordaan, hij en alle mannen van Israël met hem. 25 En Absalom had Amasa in Joabs plaats gestold over het heir. Amasa nu was eens mans zoon, wiens naam was Jethra, do Israëliet, dio ingegaan was tot Abigail, dochter van Nahas, zuster van Zoriija, Joabs moeder. 26 Israël nu en Absalom legerden zich in het land van Gilead. 27 En hot geschiedde, als David te Mahanaïm gekomen was, dat Sobi, do zoon van Nahas, van Rabba der kinderen Amnions, on Machir, do zoon van Ammiël, van Lódobar, en quot; Barzillai, do Giloadiet, van Rógelim, a 2 Sam. 19:31, ii2. 1 Kon. 2:7. 28 Beddework, on scbalen, on aarden vaten, en tarwe, on gerst, en meel, en geroost koren, en boonen, en linzen, ook geroost, 29 En honig, en boter, on schapen, on kooijon-kazen bragten tot David, en tot het volk, dat met hom was, om te eten, want zij zeidon: Dit volk is hongerig, en moede, en dorstig in do woestijn. HOOFDSTUK 18. David monstert zijn volk en verdoolt het in drie hoopon, vs. 1 ; doch blijft zolt op begeerte des volks te Mahanaïm, 3; geeft bevel om Absalom te verschoo-non, 5. Absaloms volk wordt geslagen on Absalom zelf, hangende mot zijn lange haar aan eon' oik, door Joab doorstoken, 7. Absaloms eerzucht, 18. David ontvangt berigt van Absaloms dood en bedrijft grooton rouw, 33. EN David monsterde hot volk, dat met hem was; en hij stelde over hen oversten van duizenden, en oversten van honderden. 2 Voorts zond David het volk uit, een derde deel onder de hand van Joab, en een derde deel onder do hand van Abfsai, den zoon van Zerüja, â¢loabs broeder, en een derde deel onder de hand van Ithai, den Gethiot. lüii do koning zoido tot bot volk; Ik zal ook zelf zekerlijk met nlieden uittrekken. Maar het volk zeido; Gij zult niet uittrekken: want of wij ton eenemaal vloden, zij zullen het hart op ons niet stellen, ja of de helft van ons stierf, zij zullen het hart op ons niet stellen; maar f/ij zijt nu als tien duizend onzer. Zoo zal bot nu beter zijn, dat gij ons uit de stad ter hulpe zijt. *1 Toen zeido de koning tot hen: Ik zal doen, wat goed is in uwe oogen. De koning nu stond aan de zijde van de poort, en al het volk trok uit bij hondordon en bij duizenden. |
5 En de koning gebood Joab, en Abfsai, en Ithai, zeggende: Handelt mij zachtkens niet den jongeling, met Absalom. En al het volk hoorde bet, als de koning aan al do oversten van Absaloms zaak gebood. (I Alzoo toog het volk nit in hot veld, Israël te gonioet; en do strijd geschiedde bij Efraïms woud. 7 En het volk van Israël word aldaar voor het aangezigt van Davids knechten geslagen; ou aldaar geschiedde te dienzelven dage een groote slag, van twintig duizend. 8 Want de strijd word aldaar verspreid over al dat land. En het woud verteerde meer van het volk, dan die hot zwaard verteerde, to dienzelven dage. 9 Absalom nu ontmoette voor het aangezigt der knechten Davids; en Absalom reed op oenen muil; en als do muil kwam onder do digte takken van eonen grooton eik, zoo werd zijn hoofd vast aan den eik, dat hij hangen bleef tusschen don hemel en tusschen de aarde, en de muil, die onder hom was, ging door. 10 Als dat oen man zag, zoo gaf hij het Joab te kennen, en zeido: Zie, ik heb Absalom zien hangen aan oenen oik. 11 Toen zeido Joab tot don man, die hot hom te kennen gaf: Zie toch, gij hebt het gezien, waarom dan hebt gij hem niet aldaar tor aarde geslagen? alzoo het aan mij stond om u tien zilverlingen en oenen gordel te geven. 12 Maar dio man zeido tot Joab: En of ik al duizend zilverlingen op mijne handen mogt wogen, zoo zou ik mijne hand aan des konings zoon niet slaan: want do koning hoeft u, en Abfsai, en Ithai voor onze ooren geboden, zeggende: Hoedt u, wie gij zijt, van den jongeling, van Absalom. 13 Of ik al valschelijk tegen mijne ziel handelde, zoo zou toch geen ding voor den koning verborgen worden; ook gij zelf zoudt er u van tegenover stellen. 14 Toen zeido Joab: Ik zal hier bij u alzoo niet vertoeven; en hij nam drie pijlen, en stak ze in Absaloms hart, daar hij nog levend was in het midden van don eik. 15 En tien jongens, wapendragers van Joab, omringden hou, en zij sloegen Absalom, on doodden hem. Hi Toen blies Joab met do bazuin, en al hot volk keerde af van Israël achterna te jagen, want Joab hield hot volk terug. 17 En zij namen Absalom, en wierpen hem in het woud, in eonen grooton kuil, en stolden op hem eonen zoor grooton steenhoop; en gansch Israël vlugtto, een iegelijk naar zijne tent. 18 Absalom nu had genomen, on in zijn leven voor zich opgerigt eenen pilaar, die in hot Konings dal is; want hij zeido: Ik heb geenen zoon, om aan mijnen naam te doen gedenken; en hij had dien pilaar genoemd naar zijnen naam, daarom wordt hij tot op dezen dag genoemd: Absaloms hand. 19 Toon zoide Ahiimiaz, Zadoks zoon: Laat mij 21 |
2 SAMUÃL 18, 19.
322
|
toch heenloopen, en don koning boodschappen, dat do Heere hom regt gedaan hoeft van do hand zijnor vijanden. 20 Maar Joab zei do tot liein: Gij zult dezen dag geen boodschapper zijn, maar op eonen anderen dag zult gij boodschappen; dezen dag nu zult gij niet boodschappen; daarom dat dos koningszoon dood is. 21 En Joab zeide tot Cuschi: Oa heen, on zeg don koning aan, wat gij gezien hebt; en Cuschi boog zich voor Joab, en Hop hoon. 22 Doch Ahimaaz, Zadoks zoon, voor nog voort en zoide tot Joab: Wat het ook zij, laat mij toch ook Cuschi achterna loopen. En Joab zoido: Waarom zoudt gij nu heonloopon, mijn zoon! zoo gij toch goene bekwame boodschap hebt? 23 Wat het ook zij, zeide hij, laat mij heonloopon; zoo zeide hij tot hom: Loop hoon. En Ahimaaz liep don weg van het effen veld, on kwam Cuschi voorbij. 24 David nu zat tusschon do twee poorten; on de wachter ging op hot dak dor poort aan don muur, en hiof zijne oogon op, en zag, en ziet, or liep eon man alleen. 25 Zoo riep do wachter, on zoide hot den koning aan; on do koning zoido: Indien hij alleon is, zoo is er eone boodschap in zijnen mond; en hij ging al voort on naderde. 2() Toon zag do wachter oenen anderen man loo-pondo, en do wachter riep tot den poortior en zoido: Zie, er loopt nog oen man alleen. Toen zeide do koning: Die is ook oen boodschapper. 27 Voorts zeide do wachter: Ik zio don loop dos eersten aan, als don loop van Ahimaaz, Zadoks zoon. Toon zoido do koning: Dat is oen goed man, on hij zal mot oono goede boodschap komen. 28 Ahimaaz dan riep on zoide tot den koning: Vrede! En hij boog zich voor don koning met zijn aangozigt tor aarde; en hij zoide: Geloofd zij do Heere, uw God, die do mannen, dewelke hunne hand togen mijnen heer den koning ophieven, heeft overgegeven. 29 Toon zoido do koning: Is het wol mot don jongeling, met Absalom? En Ahimaaz zeide: Ik weet niet wat. |
30 En do koning zeide: Ga om ging hij om, on bloof staan. 31 En ziet, Cuschi kwam aan; en Cuschi zeide: Mijnen hoer don koning wordt geboodschapt, dat u do Heere lieden heeft rogt gedaan van do hand van al dogenen, die togen u opstonden. 32 Toon zoido do koning tot Cuschi: Is hot wel mot den jongeling, met Absalom? En Cuschi zoido: Do vijanden van mijnen heer don koning, en allen, die tegen u ton kwade opstaan, moeten worden, als dio jongeling. 33 Toon werd do koning zoor beroerd, on ging op naar do opperzaal dor poort, on weende; on in zijn gaan zoide hij alzoo: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och dat ik, ik, voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! HOOFDSTUK 19. David verlaat, op aan-dringon van Joab, zijnen rouw ovor Absalom on vertoon! zich aan liet volk, vs. 1. David weder in zijn koningrijk liorstohl, benoomt Amasa tot krijgsoverste in .lo-abs plaats, 13. Simei'bidten verkrijgt genade, 10. David geeft Melibóseth, op betuiging zijnor onschuld, do lielft van zijn good weder, 24. Vriendschapsbetuigingen van David on Barzillai, 31. Israël ontevreden op Jnda, dat zij alleen den koning hadden ingehaald, 41. EN Joab werd aangezegd: Zie, de koning weent, en bedrijft rouw over Absalom. 2 Toen werd de verlossing te dionzolvon dage het gansche volk tot rouw: want het volk had te dienzelven dage hooren zeggen: Hot smart den koning over zijnen zoon. 3 En hot volk kwam te dienzelven dage steelswijze in do stad, gelijk als hot volk zich wogstoolt, dat beschaamd is, wanneer zij in den strijd ge-vlodon zijn. 4 Do koning nu had zijn aangozigt toegewonden, on de koning riep met luider stem: Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! 5 Toen kwam Joab tot den koning in het huis. zag oen groot rumoer, als Joab don knecht dos konings, en niij uwen knecht afzond, maar ik stol u hier; zoo |
2 SAMUÃL 19.
|
on zeido: Gij hebt Iietlon beschaanul liet aange-zigt van al uwe knechten, die uwe ziel, en de ziel uwer zonen en uwer dochteren, en de ziel uwer vrouwen, en do ziel uwer bijwijven heden hebben bevrijd; fi Liefhebbende die u haten , en hatende die u liefhebben: want gij geeft heden te kennen, dat oversten en knechten bij u niets zijn: want ik merk heden, dat, zoo Absalom leefdo, en wij heden allen dood waren, dat hot alsdan regt zou zijn in uwe oogen. 7 Zoo sta nu op, ga uit, en spreek naar hot hart uwer knechten: want ik zweer bij don IIeerk, als gij niet uitgaat, zoo or oen man dozen nacht bij u zal vernachten! en dit zal u kwader zijn, dan al het kwaad, dat over u gekomen is van uwe jeugd af tot nu toe. 8 Toon stond do koning op, en zette zich in de poort. En zij lieten al hot volk weten, zeggende: Ziet, do koning zit in de poort. Toen kwam al het volk voor des konings aangezigt; maar Israël was gevloden, oen iegelijk naar zijne tenten. i) En al hot volk, in allo stammen van Israël, was onder zich twistende, zeggende: ])e koning hooft ons gered van do hand onzer vijanden, en hij hooft ons bevrijd van de hand dor Filistijnen, on nu is hij uit hot land gevlugt voor Absalom; 10 En Absalom, dien wij over ons gezalfd haddon, is in don strijd gestorven: nu dan, waarom zwijgt gijlieden van don koning weder te halen? 11 Toen zond do koning David tot Zadok en tot Ahjathar, de priestoron, zeggende: Spreekt tot do oudsten van Juda, zeggende: Waarom zoudt gijlieden do laatston zijn, om den koning weder te halen in zijn huis? (want do rode van hot ganscho Israël was tot don koning gekomen in zijn huis.) 12 Gij zijt mijne brooderen, mijn boon on mijn vleosch zijt gij; waarom zoudt gij dan de laatston zijn, om den koning weder te halen? lii En tot quot; Amasa zult gijlieden zeggen: Zijt gij niot mijn boon on mijn vleosch? God doe mij zoo, on doe er zoo too, zoo gij niet krijgsoverste zult zijn voor mijn aangezigt, te allen dage, in Joabs plaats. n 2 Sam. 17 : 25. 14 Alzoo neigde hij hot hart aller mannon van Juda, als van oen' eenigen man: en zij zonden henen tot den koning, zey(jende: Keer weder, gij en al uwe knechten. 15 Toon koerde do koning weder, en kwam tot aan de Jordaan; en Juda kwam to Gilgal, om don koning in het gemoet to gaan, dat zij den koning over do Jordaan voorden. 1(1 En quot;Simei', do zoon van Gera, oen zoon van Jemini, die van Bahüriin was, haastte zich, en kwam aT mot de mannen van Juda, don koning David te gemoet; n2 Sam. 10:5, 1 Kon. 2:8. 17 En duizend man van Benjamin mot hem; ook Ziba, do knecht van Sauls huis, on zijne vijftien zonen en zijne twintig knechten mot hom; on zij togen vaardiglijk over do Jordaan, vóór don koning. |
18 Als nu de pont overvoer, om hot huis dos konings over te halen, en te doen wat goed was in zijne oogen, zoo viel Simei', de zoon van Gera, neder voor hot aangezigt des konings, als hij over do Jordaan voor; 19 En hij zeido tot don koning: Mijn heer rokone mij niot toe do misdaad, en godonko niot, wat uw knecht verkeerdelijk gedaan hoeft, te dien dage, als mijn heer de koning uit Jeruzalem uitging, dat hot do koning zich tor harte zoude nomen. 20 Want uw knecht weet het zekerlijk, ik heb gezondigd; doch zie, ik bon heden gekomen, de eerste van hot ganscho huis van Jozef, om mijnen hoor don koning te gemoet af te komen. 21 Toen antwoordde Abïsai, do zoon van Zerüja, en zeido: Zou dan Simei' hiervoor niof gedood worden? zoo hij toch don gezalfde dos Heerkn gevloekt hooft. 22 Maar David zeido: Wat heb ik mot uliedon te doen, gij zonen van Zerüja! dat gij mij heden ten Satan zoudt zijn? zou heden iemand gedood worden in Israël? want weet ik niot, dat ik heden koning geworden ben over Israël? 23 En do koning zeido tot Sinioï: Gij zult niel sterven. En do koning zwoor hom. 24 Mefibóseth, Sauls zoon, kwam ook af don koning te gemoet; en hij had zijne voeten niet schoon gemaakt, noch zijnen knevelbaard beschoren, noch zijne kleederen gewasschen, van dien dag af, dat de koning was weggegaan, tot dien dag toe, dat hij mot vrede wederkwam. 25 En hot geschiedde, als hij te Jeruzalem den koning te gemoet kwam , dat do koning tot hom zeido: Waarom zijt gij niot mot mij getogen, Mefibóseth ? 26 En hij zeido: Mijn hoor koning! mijn knecht hooft mij bedrogen; want uw knecht zeido: Ik zal mij oenen ezel zadelen, en daarop rijden, on tot don koning trekken, want uw knecht is kreupel. 27 quot;Daartoe hooft hij uwen knecht bij mijnon hoor den koning valschelijk aangedragen: doch mijn hoor do koning is als een ongel Gods; doo dan, wat goed is in uwe oogen. a'1 Sam. 10::!. 28 Want al mijns vaders huis is niot geweest, dan maar lieden dos doods voor mijnen hoor don koning; nogtans bobt gij uwen knecht gezet onder degenen, die aan uwe tafel eten: wat heb ik dan moor voor goregtighoid , en meer to roepen aan don koning? 29 Toon zeido de koning tot hom : Waarom spreekt gij moor van uwe zaken? Ik hob gezegd: Gij on Ziba, doolt het land. .10 En Mefibóseth zeido tot den koning: llij nomo hot ook gansch weg: naardien mijn hoor do koning mot vrede in zijn huis is gekomen. 31 Barzillai, de Gileadiet, kwam ook af van 0|* |
2 SAMUÃL 19, 20.
|
Rógelim; on liij toog met den koning over de Jordaan, om hem over de Jordaan te geleiden. 32 Barzillai nu was zeer oud, een man van tachtig jaren; quot;on hij had den koning onderhouden, toen hij te Mahamiïm zijn verblijf had; want hij was een zeer groot man. n 2 Sam. 17:27, onz. 1 Kon. 2:7. En de koning zeide tot Barzillai: Trek gij met mij over, en ik zal u bij mij te Jeruzalem onderhonden. 34 Maar Barzillai zoido tot den koning: Hoe veel zullen de dagen der jaren mijns levens zijn, dat ik met den koning zou optrekken naar Jeruzalem ? 35 Ik ben heden tachtig jaren oud, zou ik kunnen onderscheiden tusschen good en kwaad? zou uw knecht kunnen smaken, wat ik eet en wat ik drink? zoude ik moer kunnen hooren naar de stem der zangers en zangeressen ? en waarom zou uw knecht mijnen heer den koning verder tot oenen last zijn? 3G Uw knecht zal maar oen weinig mot den koning over do Jordaan gaan; waarom toch zou mij de koning zulk eone vergelding doen? 37 Laat toch uwen knecht wedorkeorou, dat ik sterve in mijne stad, bij het graf mijns vaders en mijner moedor; maar zie, daar is uw knecht Chimliam, laat dien met mijnon lieer den koning overtrekken, on doe bom, wat goed is in uwe oogen. 38 Toen zeide do koning: Chimliam zal mot mij overtrekken, en ik zal hem doen, wat goed is in uwe oogen; ja alles, wat gij op mij begeeren zult, zal ik u doen. 39 Toen nu al hot volk over de Jordaan gegaan was, en de koning ook was overgegaan, kuste de koning Barzillai, en zegende hem; alzoo keerde hij weder naar zijne plaats. 40 En de koning toog voort naar Gilgal, en Chimliam toog mot hom voort; en al het volk van Juda had don koning overgevoerd, als ook een godeolto van het volk Israels. 11 En ziet, alle mannen van Israël kwamen tot den koning; en zij zeiden tot den koning: Waarom hebben u onze broeders, de mannen van Juda, gestolen, en hebben den koning en zijn huis over do Jordaan gevoerd, on allo mannen Davids met hom? 42 Toen antwoordden alle mannen van Juda tegen do mannen van Israël; Omdat de koning ons naverwant is; en waarom zijt gij nu toornig over deze zaak ? hebben wij dan eenigzins gegeten van des konings kost, of heeft hij ons een geschenk geschonken? 43 En de mannen van Israël antwoordden don mannen van Juda, en zeiden: Wij hebben tien deelen aan den koning, en ook aan David, wij moer dan gij; waarom hebt gij ons dan gering geacht, dat ons woord niet hot eerste geweest is, om onzen koning weder te halen? Maar het woord der mannen van Juda was harder dan het woord der mannen van Israël. |
HOOFDSTUK 20. Seba, oen Bolials man, zot Israël aan tot opstand, vs. 1. David zondert do tien bijwijven af, 3. Amasa, Abi'sai en Joab met hunne logers afgezonden, om don opstand te dempen, 4. Amasa verraderlijk door Joab vennoord 9. Seba wordt uit de stad Abel opgeëischt en door de burgers liet hoofd afgeslagen en over den muur geworpen, 13. Namen van Davids krijgsoversten en van de priesters, 23. Tlt;)EN was daar bij geval oen Bolials man, wiens naam was Seba, een zoon van Bichri, een man van Jemini: die blies met de bazuin, en zeide: Wij hebben geen doel aan David, on wij hebben goeno erfenis aan don zoon van Isaï, een iegelijk naar zijne tenten, o Israël! 2 Toon toog alle man van Israël op van achter David, Seba, don zoon van Bichri, achterna; maar de mannon van Juda kleefden hunnen koning aan, van de Jordaan af tot aan Jeriizalom. 3 Toon nu David in zijn huis te Jeruzalem kwam, nam do koning de tien vrouwen, zijne bijwijven, die hij gelaten had, om bet huis te bewaren, en deed zo in een huis van bewaring, en onderhield ze, maar ging tot haar niet in. En zij waren opgesloten tot op den dag van luiarlioder dood, levende als weduwen. 4 Voorts zeide do koning tot Amasa: Roep mij do mannen van Juda te zamen, togen don derden dag; en gij, stol u dan hier. 5 En Amasa ging heen, om Juda bijeen te roepen; maar hij bleef achter, boven den gezotten tijd, dien hij hom gezet had. 6 Toen zoido David tot Abisai: Nu zal ons Seba, de zoon van Bichri, moor kwaads doen, dan Absalom; neem gij de knechten uws hoeren, en jaag hom achterna, opdat hij niet misschien vaste steden voor zich vincle, en zich aan onze oogen onttrokke. 7 Toen togen uit, hem achterna, do mannen van Joab, en do Krethi, en de Plethi, on al de helden. Deze togen uit van Jeruzalem, om Seba, den zoon van Bichri, achterna te jagen. 8 Als zij nu waren bij den grooten steen, die bij Giboon is, zoo kwam Amasa voor hun aan-gezigt. En Joab was omgord over zijn kleed, dat hij aanhad, on daarop was oen gordel, daar het zwaard aan vastgemaakt was op zijne lendon in zijne schoode; en als hij voortging, zoo viel het uit. 9 En Joab zeide tot Amasa: Is het wol mot u, mijn broeder ? En Joab vatte mot de regterhand don baard van Aimisa, om hem te kussen. 10 En Amasa hoedde zich niet voor het zwaard, dat in Joabs hand was; quot;zoo sloeg hij hem daarmede aan do vijfde rib, en hij stortte zijn ingewand ter aarde uit, eu hij sloeg hem niet ten tweede maal, en hij stierf. Toen jaagden Joab en zijn broeder Abisai, Seba, den zoon van Bichri, achterna. al Kon. 2:5. 11 Maar een man, van Joabs jongens, bleef bij hom staan; en hij zeide: Wie is er, die lust |
2 SAMUÃL '20, 21.
|
hoeft aan Joab, en wie is er, die vooi- David is, die volye Joab na! 12 Amasa nu lag in het bloed gewenteld, midden oj) de straat. Als die man zag, dat al het volk staan bleef, zoo deed hij Amasa weg van de straat in het veld, en wierp een kleed op hem, dewijl hij zag, dat al wie bij hem kwam, staan bleef. 13 Toen hij nu van do straat woggenomen was, toog alle man voort, Joab na, om Seba, den zoon van Biehri, achterna te jagen. 14 En hij toog heen door alle stammen van Israël naar Abel, te weten, Beth-Maacha, en het gansche Borim; en zij verzamelden zich, en kwamen hem ook na. 15 En zij kwamen en belegerden hem in Abel Beth-Maacha, en zij wierpen oenen wal op tegen do stad, dat hij aan don buitenmuur stond; en al het volk, dat met Joab was, verdorven don muur, om dien neder te vollen. 16 Toon riep oono wijze vrouw uit de stad: Hoort, hoort, zegt toch tot Joab: Nader tot hiertoe, dat ik tot u spreke. 17 Toon hij nu tot haar naderde, zeido de vrouw: Zijt gij Joab? En hij zeido: Ik ben het; en zij zeido tot hem: Hoor de woorden uwer dienstmaagd; en hij zeido: Ik hoor. 18 Toon sprak zij, zeggende: In voortij don spraken zij gemeenlijk, zeggende: Zij zullen zonder twijfel te Abel vragen; en alzoo volbragten zij het. 1!) Ik bon oono van do vreedzame, van de getrouwe in Israël, en gij zoekt to doodon oono stad, die oono moedor is in Israël: waarom zoudt gij hot erfdeel dos Heeren verslinden? 20 Toon antwoordde Joab, on zeido: Hot zij verre, het zij verre van mij, dat ik zou verslinden, en dat ik zou verderven! 21 De zaak is niet alzoo: maar eon man van hot gebergte van Efraïm, wiens naam is Soba, do zoon van Biehri, hoeft zijne hand opgeheven togen don koning, togen David; lever hom alleen, zoo zal ik van deze stad aftrekken. Toon zeido do vrouw tot Joab: Zie, zijn hoofd zal tot u over don muur geworpen worden. 22 En do vrouw kwam in tot al hot volk, met hare wijsheid; en zij hieuwen Seba, don zoon van Biehri, hot hoofd af, en wierpen het tot Joab. Toon blies hij mot do bazuin, en zij verstrooiden zich van do stad, een iegelijk naar zijne tenten; on Joab koorde weder naar Jeruzalem tot den koning. 23 «Joab nu was over het gansche heir van Israël; on Bonaja, do zoon van Jójada, over do Krothi on over de Plethi; «2 Sam. 8: 1G, enz. 24 En Adóram was over do schatting; on Jósafat, de zoon van Ahflud, was kanselier; 25 En Soja was schrijver, on Zadok en Abjathar waren priesters. 20 En ook was Ira, do Jaïriet, Davids opper-officior. |
HOOFDSTUK 21. David vraagt den llcoro naar do oorzaak van den driejarigen honger, en verstaat dat hot was, omdat Saul de Giboonieten vervolgd en gedood had, vs. I. Kort verhaal dor Giboonieten, 2. David voldoet hunnen oisch en levert hun, Jonathans zoon ver-schoonendo, zeven zonen van Sauls geslacht, die zij ophangen, 3. Overbrenging en begraving der boondoron van Saul en zijne zonen in hot graf van Kis, 12. Vier krijgen der Filistijnen tegen Juda, waarin vier reuzen door Davids helden verslagen zijn, 15. EN or was in Davids dagen oen honger, drie jaren, jaar achter jaar; on David zocht het aan-gezigt dos Heeren. En do Heere zeido: Hot is om Sauls en om des bloodhuizos wil, omdat hij do Giboonieten gedood hooft. 2 Toen riep do koning do Giboonieten, en zeido tot hen: (do Giboonieten nu waren niet van do kindoren Israels, maar van hot overblijfsel der Ainorioten, on do kinderen Israëls hadden hun quot; gezworen, maar Sanl zocht hen te slaan in zijnen ijver voor do kinderen van Israël en Juda.) a Joz. 9 : 19. 3 David dan zeido tot do Giboonieten: Wat zal ik ulieden doen? on waarmede zal ik verzoenen, dat gij hot erfdeel dos Heeren zegent? 4 Toen zeiden do Giboonieten tot hom: Hot is ons niet tc doen om zilver en goud mot Saul en met zijn huis; ook is het ons niet om iemand to doodon in Israël. En hij zoide: Wat zegt gij dan, dat ik u doen zal ? 5 En zij zeiden tot den koning: Do man, dio ons te niet gemaakt, en togen ons gedacht hooft, dat wij zouden verdelgd worden, zonder te kunnen bestaan in oenigo landpalo van Israël; 0 Laat ons zeven mannen van zijne zonen gegeven worden, dat wij hen don Heere ophangen to Giboa Sauls, o gij vorkorene des Heeren! En de koning zeido: Ik zal hen geven. 7 Doch do koning verschoonde Mefibóseth, don zoon van Jonathan, don zoon van Saul, quot;om den eed dos Heeren, die tusschon hon was, tusschen David en tusschon Jonathan, Sauls zoon. a I Sam. 18:3. 20: 15, 12. 23: IS. 8 Maar do koning nam do twoe zonen van Rizpa, dochter van Aja, dio zij Saul gebaard had, Ar-moni on Mefibóseth; daartoe do vijf zonen van Miohals zuster, Sauls dochter, dio zij Adriël, don zoon van Barzillai, don Moholathiot, gebaard had; 9 En hij gaf hen in de hand der Giboonieten, die ze ophingen op den berg voor hot aangezigt des Heeren, en dio zeven vielen te gelijk; en zij worden gedood in do dagen van don oogst, in de eerste dncjen, in hot begin van den gersteoogst. 10 Toon nam Rizpa, do dochter van Aja, oenen zak, en spande dien voor zich uit op oenen rotsstoen , van het begin van don oogst, totdat er water op hon drupte van don hemel; en zij liet hot gevogelte dos hemels op hen niet ruston dos daags, noch hot gedierte van het veld des nachts. |
2 SAMUÃL 21, 22.
|
11 En het word David aangezegd, wat Rizpa, de dochter van Aja, Sauls bijwijf, gedaan had. 12 Zoo ging David henen, en nam de beenderen van Saul, en de boonderen van Jonathan, zijnen zoon, van do burgoren van Jabes in Gilead, quot;die dezelve gestolen hadden van do straat Both-San, alwaar do Filistijnen zo haddon opgehangen, ton dage, als do Filistijnen Saul sloegen op Gilboa. a 1 Sam. 31 : 10, en/.. 13 En hij bragt van daar op de beenderen van Saul, on do boondoron van Jonathan, zijnon zoon; ook vorzainolden zij do beenderen dor gehangenen. 14 En zij begroeven do beenderen van Saul en zijnen zoon Jonathan in het land van Benjamin te Zola, in liet graf van zijnen vader Kis, en deden alles, wat do koning geboden had. Alzoo werd God na dezen den lande verboden. 15 Voorts hadden de Filistijnen nog oonen krijg togen Israël. En David toog af, oh zijne knechten met hem, on streden togen do Filistijnen, dat David moede werd. l(i En Isbi Benob, die van de kinderen van Rafa was, en hot gowigt zijner spios drie honderd go-wigt kopers, en hij was aangegord met een nieuw zivaard; deze dacht David te slaan. 17 Maar Abisai, do zoon van Zorüja, hielp hom, en sloeg den Filistijn, en doodde hem. Toen zwoeren hem do mannen van David, zeggende; Gij zult niet moor mot ons uittrekken ton strijde, opdat gij do lamp van Israël niet uitbluscht. 18 En hot geschiedde daarna, dat er wederom oen krijg was to quot; Gob togen de Filistijnen. Toon sloeg Sïbbochai, do Husathiot, Saf, die van de kinderen van Rafa was. al Kron. 20:4. 1!) Voorts was er nog oen krijg to Gob tegen do Filistijnen; en E'lhanan, do zoon van Jaiiró-O'regim, sloeg Both-halachmi, dewelke nms mot Goliath, don Gothiet, wiens spiesonhout was als oen weversboom. 20 Nog was er ook oen krijg te Gath; en er was eon zoor lang man, die zes vingeren had aan zijne handen, en zes toenen aan zijne voeten, vier on twintig in getal, on doze was ook aan Rafa geboren. 21 En hij hoonde Israël; maar Jonathan, de zoon van Siinea, Davids broeder, sloog hem. 22 Do/.o vier waren aan Rafa geboren te Gath; on zij violen door do hand van David, en door do hand zijner knochton. HOOFDSTUK 22. Davids lof- on danklied voor Gods menigvuldige verlossingen, waarin hij des lloeron hulp in allerlei gevaren zoor levendig en hoog roemt. Beschrijving van Gods magt en majesteit, en zijne trouwe ver-kleefdhoid aan den lloore. David wijst door den Geest dor profetie op het bestendig, onverwinlijk en eeuwig koningrijk van den Heore Christus, wiens voorbeeld iüj was, en getuigt van de roeping dor Heidenen tot do gehoorzaamheid en gemeenschap dos I loeren Christus en zijner Kerk. |
EN David sprak do woorden dezes lieds tot den IIeeue, ten dage als do Heere hom verlost had uit do hand van al zijne vijanden, en uit de hand van Saul. 2 Hij zoido dan: quot;Do IIeeue is mij mijne steenrots, en mijn burg, en mijn Uithelpor. a I's. 18 : 2, enz. 3 God is mijne rots, «ik zal op Hem betrouwen; iiiijn schild en de hoorn mijns hoils, mijn hoog vertrok en mijne toevlugt, mijn Verlosser, van gewold hebt Gij mij verlost! aHebr. 2:13. 4 Ik riep den Heere aan, dio to prijzen is, en ik werd verlost van mijne vijanden. 5 Want baron des doods hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij. (i Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij. 7 Als mij bange was, riep ik den Heere aan, en riep tot mijnen God; en Hij hoorde mijne stem uit zijn paleis, en mijn geroep kwam in zijne ooren. 8 Toon daverde en beefde de aarde, do fondamenten dos hemels beroerden zich, on daverden, omdat Hij ontstoken was. !) Rook ging op van zijnen neus, en oen vuur uit zijnen mond verteerde, kolen werden daarvan aangestoken. 10 En Hij boog don hemel, en daalde neder; en donkerheid was onder zijne voeten. 11 En Hij voor op oonen cherub, en vloog, en word gezien op do vleugelen dos winds. 12 En Hij zette duisternis rondom zich tot tonton, eene zamenbinding der wateren, wolken dos hemels. 13 Van den glans voor Hein henen werden kolen des vuurs aangestoken. 14 Do Heere donderde van don hemel, on de Allerhoogste gaf zijne stom. 15 En Hij zond pijlen uit en verstrooide zo; bliksemen en verschrikte zo. l(i En do diepe kolken dor zoo worden gezien, do gronden dor wereld werden ontdekt, door hot scholdon dos Heeren, van hot geblaas des winds van zijnen neus. 17 Hij zond van do hoogte. Hij nam mij. Hij trok mij op uit groote wateren. 18 Hij verloste mij van mijnen sterken vijand, van mijne haters, omdat zij magtiger waren dan ik. 1!) Zij haddon mij bejegend ton dage mijns on-gevals; maar de Heere was mij een steunsol. 20 En Hij voorde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want Hij had lust aan mij. 21 Do Heere vergold mij naar mijne goregtig-heid. Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen. 22 Want ik heb des Heeren wegen gehouden, en bon van mijnen God niet goddelooslijk afgegaan. 23 Want al zijne regten waren voor mij, en zijne inzettingen, daarvan week ik niet af. |
|
24 Maar ik was opregt voor Hem; en ik wachtte mij voor niijuo ongoregtigheid. 25 Zoo gaf mij de IIeeuk weder naar mijne ge-regtigheid, naar mijne reinigheid, voor zijne oogen. 2() Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den opregten held houdt Gij U opregt. 27 Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde houdt Gij U verdraaid. 28 En Gij verlost het bedrukte volk; maar uwe oogen zijn tegen dehoogen. Gij zult hen vernederen. 2il Want Gij zijt mijne lamp, o Heere ! en de Heeue doet mijne duisternis opklaren. :i0 Want met U loop ik door eene bende; met mijnen God spring ik over eenen muur. iil quot;Gods weg is volmaakt; ''derede des Heeren is doorlouterd; Hij is een schild allen, die op Hem betrouwen, aüeut. 32 : 4. Dan. 4:37. Oponb, 15:3. b Ps. 12:7. 119:14U. Spr. 30:5. 32 Want quot;wie is God, behalve de Heere? en wie is een rotssteen, behalve onze God ? a Uout. 32 : 39. 1 Sam. 2 : 2. Ps. SG : 8. Jos. 45 : 5. 33 God is mijne sterkte cn kracht; en Hij heeft mijnen weg volkomen geopend. 34 Hij maakt mijne voeten gelijk als dor hinden, en stelt mij op mijne hoogten. 35 Hij leert mijne handen ten strijde, zoodat een stalen boog met mijne armen verbroken is. 30 Ook hebt Gij mij gegeven het schild uws heils, en door uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt. 37 Gij liebt mijnen voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijne enkelen hebben niet gewankeld. 38 Ik vervolgde mijne vijanden, en verdelgde hen, en keerde niet weder, totdat ik ze verdaan had. 39 En ik verteerde hen, en doorstak ze, dat zij niet weder opstonden, maar zij vielen onder mijne voeten. 40 Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde. Gij deedt onder mij nedorbukken, die tegen mij opstonden. 41 En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, mijner haters, en ik vernielde hen. 42 Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar den Heere, maar Mij antwoordde bun niet. 43 Toen vergruisde ik ben, als stof der aarde; ik stampte ze, ik breidde hen uit als slijk der straten. 44 Ook hebt Gij mij uitgeholpen van de twisten mijns volks. Gij hebt mij bewaard tot een hoofd der Heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend. 45 Vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen; zoo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd. 46 Vreemden zijn vervallen , en hebben zich aangegord uit hunne sloten. 47 Do Heere leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen; en verhoogd zij God, de rotssteen mijns lieils! 48 De God, die mij volkomene wraak geeft, en de volken onder mij nederwerpt; |
327 49 En die mij uitvoert van mijne vijanden; en Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan. Gij redt mij van den man alles gewelds. 50 Daarom zal ik U, o Heere! loven onder de quot;Heidenen, en uwen naam zal ik psalmzingen. a Rom. 15:9. 51 Hij is een toren der verlossingen zijns konings, en Hij doet goedertierenheid aan zijnen gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid. HOOFDSTUK 23. Jjimtstc woorden van David, waarin hij van zijne goddelijke roeping tot zijn koninklijk on profetisch ambt getuigt, vs. 1. Profetie van den Messias Jezus Christus en de gelukzaligheid onder zijne regering, mot erkenning van do onwaardigheid van zijn huis en zijn vertrouwen op Gods eeuwig gonadeverbond, 3. Verkondigt den ondergang dor goddeloozen, (i. Vormolding van Davids helden on limine dapperheid, 8. VOORTS zijn dit do laatste woorden van David. David, de zoon van Isaï, zegt, en de man, die hoog is opgerigt, de gezalfde van Jakobs God, en liefelijk in psalmen van Israël, zegt: 2 Do Geest des Heeren heeft door mij gesproken, en zijne rede is op mijne tong geweest. 3 De God Israels heeft gezegd, de Rotssteen Israels heeft tot mij gesproken: Er zal zijn een I leerschor over de menschen, een Regtvaardige, een Heerscher in dc vreeze Gods. 4 En hij zal zijn gelijk het licht des morgens, â wanneer do zon opgaat, des morgens zonder wolken , wanneer van deu glans na don regen de grasscheutjes uit do aarde voortkomen. 5 Hoewel mijn huis alzoo niet is bij God, nog-tans heeft Hij mij een eeuwig verbond gestold, dat in alles wel geordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij liet nocj niet doet uitspruiten. G Maar de mannen Bolials zullen altemaal zijn als doornen, die weggeworpen worden, omdat men zo met de hand niet kan vatten; 7 Maar een iegelijk, die ze zal aantasten, voorziet zich mot ijzer en het hout eeuor spies; on zij zullen ganschelijk met vuur verbrand worden ter zeiver plaats. 8 quot;Dit zijn de namen der helden, die David go-bad heeft: Joseheb Baschébeth, de zoon van Tachkomóni, de voornaamste der hoofdlieden. Deze was Adino, de Ezniet, die zich stelde tegen acht honderd, die van hem verslagen werden op eenmaal. al Kron. 11 :11, onz. 9 En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, zoon van Ahóhi: deze was onder de drie helden met David, toen zij do Filistijnen beschimpten, die aldaar ten strijde verzameld waren, en de mannen van Israël waren opgetogen. 10 Deze stond op, en sloeg onder de Filistijnen, totdat zijne hand moede werd, ja zijne hand aan bet zwaard kleefde; en de Heere wrocht een groot heil ten zeiven dage; en het volk keerde wederom hem na, alleenlijk om te plunderen. 2 SAMUEL 22, 23. |
2 SAMUEL 23, 24.
328
|
11 Na hom nu was Sainnia, de zoon van Age, de Harariet. Toon de Filistijnen verzameld waren in een dorp, en aldaar eon stuk akkers was vol linzen, en hot volk voor het aangezigt der Filis-tijuen vlugtto; 12 Zoo stelde hij zich in het midden van dat stuk, en verloste dat, en sloeg do Filistijnen; en de IIeehe wrocht een groot heil. 13 Ook gingen af drie van do dertig hoofden, en kwamen in den oogst tot David, in do spelonk van Adullain; en de hoop der Filistijnen had zich gelegerd in hot dal Refaïm. 14 En David was toon in eono vesting; en do bezetting der Filistijnen was toen to Bethlehem. 15 En David kreeg lust, on zoide; Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlohoms bornput, die in de poort is? Ki Toon braken die drie helden door hot leger dor Filistijnen, en putton water uit Bethlohoms bornput, die in de poort is, en droegen hot, en kwamen tot David; doch hij wilde dat niet drinken, maar goot hot uit voor den IIeehe, 17 En zoide: liet zij verre van mij, o Heere! dat ik dit zou doen; zou ik drinken het bloed dolmannen, die heengegaan zijn mot gevaar van hun leven? En hij wilde het niet drinken. Dit doden die drie holdon. 18 Abisai, Joabs broeder, de zoon van Zorüja, die was ook een hoofd van drieën; en die hief zijne spies op tegen drie honderd, die van hem verslagen werden; en hij had oenen naam onder dio drie. 19 Was hij niet de heerlijkste van die drie? Daarom was hij hun tot oenen overste. Maar hij kwam niet tot aan die eerste drie. 20 Voorts Benaja, do zoon van Jójada, do zoon van een' dapperen man, groot van daden, van Kiibzoöl; die sloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en sloeg oenen leeuw in het midden van oenen kuil in den sneeuwtijd. 21 Daartoe sloeg hij oenen egyptischen man, oenen man van aanzien; en in de hand dos Egyp-tenaars was oeno spies, maar hij ging tot hem af met oenen staf: en hij rukte do spies uit do hand des Egyptonaars, en doodde hem met zijne eigene spies. 22 Die dingen deed Benaja, de zoon van Jójada: dies had hij oenen naam onder de drie holden. 23 Hij was do heerlijkste van do dertig, maar tot die drie eersten kwam hij niet; en David stelde hem over zijne trawanten. 24 A'sahol, Joabs broeder, was onder de dertig; E'lhanan, do zoon van Dodo, van Bethlehem; 25 Samma, do llarodiot; Elika, do Harodiot; 26 llelez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoïet; 27 Abi-ezer, do Anethothiet; Mobunnai, de 11usathiet; 28 Zalmon, de Ahohiot; Maharai, de Netofathiet; 2!) lloleb, do zoon van Baëna, de Netofathiet; |
Ithai, do zoon van Ribai, van Giboa der kinderen Benjamins; 30 Benaja, do Pirhathoniet; lliddai, van do beken van Gaiis; 31 Abi-Albón , do Arbathiet; Azinavoth , do Barhumiet; 32 Eljachba, de Saiilboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan; 33 Samma, de Harariet; Alnam, do zoon van Sarar, de Harariet; 34 Elifélet, do zoon van Ahasbai, do zoon van oenen Maachathiet; EHam, do zoon van Aclütófol, de Giloniet; 35 Hezrai, de Karmeliet; Paërai, do Arbiet; 36 Jig-al, do zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet; 37 Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beërothiet, do wapendrager van Joab, den zoon van Zoruja; 38 Ira, de Jethriot; Gareb, de Jethriot; 39 Urïa, de Hethiet: zeven en dertig in alles. HOOFDSTUK 24. Door oon regtvaardig oordeel Gods wordt David dooi' hoogmoed gedreven tot eono volkstelling, vs. 1. Joab on andoren radon hom dit af; maar to vergeefs, 3. David gevoelt on bekent zijne zonde, 10. God stelt hom door don profeet Gad drie plagen voor, om oene daaruit te kiezen, 11; waarover hij, zoor benauwd zijnde, de post verkiest, die een groot getal volks wegneemt, 14. God gebiedt don siaandon ongel op te honden, waarom ook David, don ongel ziende, ootmoedig bidt, 10. Oad bevoelt David van Gods wege, dat hij oen altaar zal oprigten en offeren op Aranna's dorschvloor; hij oll'ert aldaar, 18. De plaag houdt op, 19. EN quot;de toorn des Heeuen voer voort te ontstoken togen Israël; en Hij porde David aan tegen henlieden, zeggende: Ga, tel Israël en Juda. al Kron. 21:1, enz. 2 De koning dan zoide tot Joab, den krijgsoverste, die bij hem was: Trek nu om, door alle stammen van Israël, van Dan tot Bor-séba toe, en tel bot volk, opdat ik het getal des volks wete. 3 Toen zeide Joab tot den koning: Nu doe de Heere , uw God, tot dit volk, zoo als deze en die nu zijn, honderdmaal meer, dat de oogen van mijnen heer den koning hot aanzien; maar waarom hoeft mijn heer do koning lust tot dezo zaak ? 4 Doch des konings woord nam de overhand tegen Joab, en tegen do oversten des heirs. Alzoo toog Joab uit, met de oversten des heirs, van des konings aangezigt, om het volk Israël te tollen. 5 En zij gingen over de Jordaan, en legerden zich bij Aroër, ter regterhand der stad, die in hot midden is van do book van Gad, en aan Jaëzor. G Voorts kwamen zij in Giload, en in het lage land Hodsi; ook kwamen zij tot Dan-Jaan, en rondom bij Zidon. 7 En zij kwamen tot de vesting van Tyrus, en allo steden dor Hovieten en dor Kanaiinieten; en zij kwamen uit aan liet zuiden van Juda te Bor-séba. |
1 KONINGEN I.
|
8 Alzoo togen zij om door hot ganscho land; on ton oindo van nogon maanden 011 twintig dagen kwamen zij te Jeruzalem. 9 En Joab gaf de som van het getelde volk aan den koning; en in Israël waren acht honderd duizend strijdbare mannen, die het zwaard nit-trokken, on do mannen van Juda waren vijf honderd duizend man. 10 En Davids hart sloeg hem, nadat iiij liet volk geteld had; en David zeide tot den IIeere: Ik heb zoor gezondigd in hetgeen ik gedaan heb; maar nu, o Heere! neem toch de misdaad uws knechts wog, want ik heb zeer zottelijk gedaan. 11 Als nu David des morgens opstond, zoo go-schioddo het woord dos Heeren tot den profeet Gad, Davids ziener, zeggende: 12 Ga hoen on spreek tot David: Alzoo zegt de IIeere: Drie dingen draag Ik u voor; verkies u oen uit die, dat Ik u doe? 13 Zoo kwam Gad tot David, en maakte hot hem bekend, en zeide tot hem: Zal u een honger van zeven jaren in uw land komen? of wilt gij drie maanden vlieden voor hot aangozigt uwer vijanden, dat die u vervolgen? of dat er drie dagen pestilentie in uw land zij ? Merk nu, en zie toe, wat antwoord ik Dien zal woderbrengen, dio mij gezonden hoeft. 14 Toen zeide David tot Gad; Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand dos Heeren vallen, want zijne barmhartigheden zijn vole, maar laat mij in de hand van monschen niet vallen. 15 Toon gaf de IIeere eeno pestilentie in Israël, van den morgen af tot den gozotton tijd toe; en er stierven van hot volk, van Dan tot Ber-séba toe, zeventig duizend mannen. 1(1 Toon nu do engel zijne hand uitstrekte over Jeruzalem, om haar to verderven, berouwde liet don IIeere over dat kwaad, on Hij zeide tot don ongel, die het verderf onder hot volk maakte: Hot is genoog, trok uwe hand nu af. Do ongel des Heeren nu was bij don dorschvloor van Arauna , den Jobusiot. |
17 En David, als hij don engel zag, die hot volk sloeg, sprak tot den Heere , en zeide: Zie ik, ik hob gezondigd, on ik, ik heb onrogt go-handold, maar wat hebben deze schapen gedaan? Uwe hand zij toch togen mij en togen mijns vaders huis. 18 En Gad kwam tot David op dionzolven dag, en zeide tot hom: Ga op, rigt don Heere oen altaar op, op don dorschvloor van Arauna, den Jobusiot. 1!) Alzoo ging David op naar hot woord van Gad, gelijk als de Heere geboden liad. 20 En Arauna zag toe, en zag don koning on zijne knochton tot zich overkomen; zoo ging Arauna uit, en boog zich voor don koning mot zijn aangozigt tor aarde. 21 En Arauna zeide: Waarom komt niijii hoor de koning tot zijnon knecht? En David zeide: Om dozen doschvloer van u te koopon, om don IIeere eon altaar to bouwen, opdat deze plage opgehouden worde van over hot volk. 22 Toen zeide Arauna tot David: Mijn hoor de koning neme en offere, wat goed is in zijne oogon; zio daar do runderen ton brandoffer, on do sleden en hot rundertuig tot hout. 23 Dit alles gaf Arauna, de koning, aan den koning. Voorts zeide Arauna tot den koning: De Heere uw God neme oen welgevallen in u. 24 Doch do koning zeide tot Arauna: Noen, maar ik zal het zekerlijk van u koopon voor den prijs: want ik zal den Heere, mijnon God, niet offeren brandofferen om niet. Alzoo kocht David den dorschvloor en do rundoren voor vijftig zilveren sikkolen. 25 En David bouwde aldaar don Heere een altaar, on offerde brandofferen en dankofferon. Alzoo word do IIeere don lande verboden, en doze plage van over Israël opgehouden. |
HET EERSTE BOEK
der
KONINGEN.
|
HOOFDSTUK 1. David wordt oud en godiond van AMsag, vs. 1. Adónia staat naar de kroon, 5; zulks wordt door Bathséba naar den raad van den profeet Nathan verhinderd, 11. David vernieuwt zijne belofte van hot koningrijk zijnen zoon Salomo na te laten, 28; die tot koning gezalfd wordt, 32. Hot gerucht hiervan komt tor kennis van Adónia on zijne aanhangers , die hom verlaten, 41. Adónia vreest Salomo, die hem zijne misdaad vergeeft en naar huis zendt, 50. DE koning David nu was oud, wel bedaagd; |
en zij dokten hom mot kleoderen, doch hij kroeg goenc warmte. 2 Toen zeiden zijne knechten tot hem: Laat ze mijnon heer don koning eono jonge dochter, eeno maagd zoeken, die voor het aangozigt dos konings sta, en hem koestere; en zij slape in uwen schoot, dat mijn hoer de koning warm worde. 3 Zoo zochten zij eene schoone jonge dochter in alle landpalen van Israël; en zij vonden Abisag, eeno Sunamietische, en bragten zo tot den koning. 4 En do jonge dochter was boven mate schoon. |
1 KONINGEN 1.
|
on koesterde den koning, en diende hein; doeh do koning bekende ze niet. 5 Adónia nu, de zoon vim Haggith, vorliiei' zicli, zeggende: Ik zal koning zijn; quot;en hij bereidde zich wagenen en ruiteren, en vijftig mannen, loopende voor zijn aangezigt. a2Snm. ló:!. 6 En zijn vader had hem niet bedroefd van zijne dagen, zeggende: Waarom hebt gij alzoo gedaan? En ook was hij zeer schoon van gedaante, en quot; Hayyith had hem gebaard na Absalom. a 1 Ki'on. ii: 2. 7 En quot;zijne raadslagen waren met Joab, den zoon van Zerüja, en met Abjathar, den priester: die hielpen, volgende Adónia. al Kon. 3 : 22, 2S. 8 Maar Zadok, de priester, en Benaja, de zoon van Jójada, en Nathan, de profeet, en Simei, en Rei', eu de helden, die David had, waren met Adónia niet. !) En Adónia slagtte schapen, en runderen, en gemest vee bij den steen Zohéleth, die bij de fontein Rogel quot;is; en noodde al zijne broederen, de zonen des konings, en alle mannen van Juda, des konings knechten. «Joz. 15:7. l(S:l(i. 10 Maar Nathan, den profeet, en Renaja, en de helden, en Salomo, zijnen broeder, noodde hij niet. 11 Toen sprak Nathan tot lïathsóba, de moeder van Salomo, zeggende: Hebt gij niet gehoord, dat Adónia, de zoon van ilaggith, koning is? en onze heer David weet dat niet. 12 Nu dan, kom, laat mij u toch eenen raad geven, dat gij uwe ziel en de ziel van uwen zoon Salomo redt. 13 ()a heen, en treed in tot den koning David, en zeg tot hom: Hebt gij niet, mijn heer koning! uwe dienstmaagd gezworen, zeggende: Voorzeker uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijnen troon zitten! waarom dan is Adónia koning ? 14 Zie, als gij daar nog mot don koning spreken zult, zoo zal ik na u inkomen, en zal uwe woorden vervullen. 15 En Dathseba ging in tot den koning in de binnenkamer; doch do koning was zeer oud, eu Abfsag, de Sunamiotischo, diende den koning. Ki En Bathséba neigde het hoofd, en boog /.ich neder voor den koning; en de koning zeido: Wat is u ? 17 En zij zeido tot hom: Mijn heer! gij hebt uwe dienstmaagd bij don Heere, uwen God, gezworen: Voorzeker Salomo, uw zoon, zal na mij koning zijn, en hij zal op mijnen troon zitten! 18 En nu zie, Adónia is koning; en nu, mijn hoor koning! gij weet het niet. 1!) En hij heeft ossen, en gemest vee, en schapen in menigte geslagt, en genood al do zonen dos konings, en Abjathar, don priester, en Joab, den krijgsoverste, maar uwen knecht Salomo hoeft hij niet genood. 20 Maar gij, mijn hoer koning! do oogen van hot gansche Israël zijn op u, dat gij hun zondt te kennen geven, wie op don troon van mijnen hoor den koning na hem zitten zal. |
21 Anders zal hot geschieden, als mijn hoor do koning met zijne vaderen zal ontslapen zijn, dat ik oji mijn zoon Salomo als zondaars zullen zijn. 22 En ziot, zij sprak nog met don koning, als de profeet Nathan inkwam. 2;? En zij gaven den koning te kennen, zeggende: Zie, do profeet Nathan is daar; en hij kwam voor liet aangezigt des konings, en boog zich voor den koning op zijn aangezigt ter aarde. 24 En Nathan zeido: Mijn hoer koning! hebt gij gezegd: Adónia zal na mij koning zijn, en hij zal op mijnen troon zitten? 25 Want hij is heden afgegaan, en heeft geslagt ossen, en gemest vee, en schapen in menigte, en heeft genood al do zonen des konings, on do oversten des heirs, en Abjathar, den priester; en ziet, zij eten en drinken voor zijn aangezigt, en zeggen: Do koning Adónia leve! 20 Maar mij, die uw knecht bon, en Zadok, don priester, en Benaja, den zoon van Jójada, en Salomo, uwen knecht, heeft hij niet genood. 27 Is doze zaak van mijnon hoer den koning geschied? en bobt gij uwen knecht niet bekend gemaakt, wie op den troon van mijnon hoor den koning na hom zitten zou? 28 En do koning David antwoordde en zeido: Roept mij Bathséba; en zij kwam voor het aangezigt dos konings, en stond voor hot aangezigt dos konings. 2!) Toen zwoer de koning, on zeido: Zoo waar-achtiy als de Heere loeft, die mijne ziel uit allen nood verlost heeft: 30 Voorzeker, gelijk als ik u gezworen heb bij den Heere, don God Israels, zoggondo: Voorzeker zal uw zoon Salomo na mij koning zijn, en zal op mijnon troon in mijne plaats zitten; voorzeker alzoo zal ik te dezen zolvon dage doen. 31 Toen neigde zich Bathséba mot het aangezigt tor aarde, eu boog zicli neder voor don koning, en zoide: Mijn lieer do koning David love in eeuwigheid! 32 En do koning David zeido: Roept mij Zadok, den priester, en Nathan, don profeet, eu Bomija, den zoon van Jójada; on zij kwamen voor het aangezigt des konings. 33 En de koning zoide tot hen: Noemt met u do knechten uws hoeren, en doet mijnen zoon Salomo rijden op de muilezelin, die voor mij is; en voort hom af naar Gihon. 34 En dat Zadok, do priester, met Nathan, den profeet, hem aldaar tot koning over Israël zalven. Daarna zult gij met do bazuinblazen, en zoggen: Do koning Salomo leve! 35 Dan zult gij achter hom optrekken, en hij zal komen, on zal op mijnen troon zitten, en hij zal koning zijn in mijne plaats; want ik hob geboden, dat hij een voorganger zou zijn over Israël en over Juda. |
KONINGEN 1.
:W2
|
36 Toon antwoordde BenAja, de zoon van Jójada, den koning-, en zeide: Amen; alzoo zegge de Hkere, de God van mijnen lieer den koning! U7 Gelijk als do Heere mot mijnon hoer den koning geweest is, alzoo zij Hij met Salomo; en Hij make zijnen troon grooter dan don troon van mijnen hoor don koning David! 1)8 Toen gingZadok, do priester, af, mot Nathan, den profeet, en Benaja, den zoon van Jójada, on de Krethi en de Plothi, en zij doden Salomo rijden op de muilezelin van den koning David, on geleidden hem naar Gihon. |
de zoon van Abjathar, don priester; en Adónia zeide: Kom in, want gij zijt oen kloek man, en zult het goede boodschappen. 43 En Jonathan antwoordde en zeide tot Adónia: Ja maar onze hoor, do koning David, heeft Salomo tot koning gemaakt; 44 En de koning heeft mot hein gezonden Zadok, don priester, en Nathan, don profeet, en Benaja, den zoon van Jójada, on de Krethi on do Plothi; en zij hebben hom doen rijden op de muilezelin des konings. 45 Daartoe hebben hem Zadok, de priester, en |
|
;?9 En Zadok, de priester, nam den oliehoorn uit do tent, on zalfde Salomo; on zij bliezen mot do bazuin, en al hot volk zoide: quot;De koning Salomo lovo! al Siim. 10:24. 40 En al het volk kwam op achter hom, en het volk pijpte met pijpen, en verblijdde zich met groote blijdschap, zoodat de aarde van hun geluid spleet. 41 En Adónia hoorde het, en al de genooden, dio met hem waren, die nu geeindigd hadden te eten; ook hoorde Joab het geluid der bazuinen, en zeido: Waarom is het geroep dier stad, die in roer is? 42 Als hij nog sprak, ziet, zoo kwam Jónathan, |
Nathan, do profeet, in Gihon tot koning gezalfd, on zijn van daar blijde opgetogen, zoodat de stad in roer is; dat is het geroep, dat gij gehoord hebt. 46 En ook zit Salomo op den troon dos koningrijks. 47 Zoo zijn ook do knechten des konings gekomen, om onzen hoor, den koning David, te zogenen, zeggende: Uw God make den naam van Salomo beter dan uwen naam, en make zijnen troon grooter dan uwen troon; en de koning hooft aangebeden op de slaapstede. 48 Ja ook heeft de koning aldus gezegd: Geloofd zij do Heere, de God Israels, die heden gegeven hooft eenon, zittende op mijnen troon, dat het mijne oogen gezien hebben! |
|
4!) Toon verschrikten on stonden op al de genoo-den, die bij Adonia waren, en gingen een iegelijk zijns weegs. 50 Doch Adónia vreesde voor Salomo, en hij stond op, en ging heen, en vatte de hoornen des altaars. 51 En men maakte Salomo bekend, zeggende: Zie, Adónia vreest don koning Salomo, want zie, hij heeft do hoornen des altaars gevat, zeggende: Dat de koning Salomo mij als heden zwere, dat hij zijnen knecht met liet zwaard niet dooden zal! 52 En Salomo zeide: Indien hij een vroom man zal zijn, daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar indien in hem kwaad bevonden zal worden, zoo zal hij sterven. 53 En de koning Salomo zond heen, en zij deden hem afgaan van het altaar; en hij kwam, en boog zich neder voor den koning Salomo. En Salomo zeide tot hem: Ga heen naar uw huis. HOOFDSTUK 2. David stervende, vermaant Salomo tot een godvruchtig' loven en standvastige regering, vs. 1. ilij lieveelt hem .ioab en Simei' te straffen en aan Harzillai wel to doen, 5. David sterft, 10. Salomo regeert, 12. Adónia laat door batliséba om Abisag verzoeken, 13; dit verzoek wordt afgeslagen en Adónia gedood, 22. Abjathar wordt afgezet, 2G. .Ioab en Simei' gedood, 30. ALS nu de dagen vnn David nabij waren, dat hij sterven zou, zoo gebood hij zijnen zoon Salomo , zeggende: 2 Ik ga heen in den weg der gansche aarde, zoo zijt sterk, en wees een man. 3 En neem waar de wacht des IIkeuen , uws Gods, om te wandelen in zijne wogen, om te onderhouden zijne inzettingen, en zijne geboden, on zijne rogten, en zijne getuigenissen, quot;gelijk geschreven is in do wet van Mozes; ''opdat gij verstandelijk handelt in al wat gij doen zult, en al waarheen gij u wenden zult; aDeut. 17 : 18. h Dout. 29 : I). Joz. I : 7. 4 Opdat de Heere bevestige zijn woord, dat Hij over mij gesproken hoeft, quot;zeggende: Indien uwe zonen hunnen weg bewaren, om voor mijn aangezigt trouwelijk, met hun gansche hart en met hunne gansche ziel, te wandelen, zoo zal geen man, zeide Hij, u afgesneden worden van den troon Israels. a2 Sam. 7:12. I's. 132:12. 5 Zoo weet gij ook, wat Joab, de zoon van Zerüja, mij gedaan lieeft, cn wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van Israël, quot;Abner, den zoon van Ner, en Amasa, den zoon van Jether, die hij gedood heeft, en heeft krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan aan zijnen gordel, die aan zijne lenden was, en aan zijne schoenen, die aan zijne voeten waren. a 2 Sam. 3 : 37. 20 : 10. (! Doe dan naar uwe wijsheid, dat gij zijn graauwe haar niet met vrede in hot graf laat dalen. 7 Maar aan de zonen van quot; Barzillai, den Gilea-333 |
diet, zult gij weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen, die aan uwe tafel eten: want alzoo naderden zij tot mij, als ik vlugtte voor hot aangezigt van uwen broeder Absalom. a 2 Sam. 17 ; 27. 10 : 31. 8 En zie, bij u is Simei', de zoon van Gera, do zoon van Jemini, uit lialulrim, die mij quot;vloekte mot eonen geweldigen vloek, ton dage als ik ging naar Mahamü'm; doch hij kwam af mij te gemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hom bij den Heere, zeggende: Zoo ik hem met het zwaard doode! a2 Sam 10:5. 1!): li). 9 Maar nu, houd hem niet onschuldig, dewijl gij een wijs man zijt: en gij zult weten, wat gij hem doen zult, opdat gij zijn graauwe haar met bloed in het graf doet dalen. 10 En David ontsliep met zijne vaderen, quot;en word begraven in de stad Davids. a Hand. 2:20. 13:30. 11 De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaar: quot;zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd. «1 Kron. 29:27. 12 quot; En Salomo zat op den troon van zijnen vader David; en zijn koningrijk werd zeer bevestigd. al Kron. 29:23. 2 Kron. 1:1. 13 Toon kwam Adónia, de zoon van Haggith, tot Bathséba, do moeder van Salomo; en zij zeide: Is uwe komst vrede? en hij zeide: Vrede. 14 Daarna zeide hij: Ik heb een woord aan u. En zij zeide: Spreek. IT) Ilij zeide dan: Gij weet, dat het koningrijk mijne was, en het gansche Israël zijn aangezigt op mij gezet had, dat ik koning zijn zou; hoewel het koningrijk omgewond en mijns broeders geworden is: quot;want het is van don Heere hein geworden. a 1 Kron. 22 : 9. 28 : 5. 16 En nu begeer ik van u eone oonigo begeerte, wijs mijn aangezigt niet af. En zij zeide tot hom: Spreek. 17 En iiij zoide: Spreek toch tot don koning Salomo, want hij zal uw aangezigt niot afwijzen, dat hij mij Abisag, de Sunamiotische, ter vrouwe geve. 18 En Bathséba zeide: Het is goed, ik zal den koning voor u aanspreken. 19 Zoo kwam Bathséba tot den koning Salomo, om hem voor Adónia aan te spreken. En do koning stond op, haar te gomoet, on boog zich voor haar; daarna zat hij op zijnen troon, en deed eencn stoel voor do moeder des konings zetten; en zij zat aan zijne regterhand. 20 Toen zeide zij: Ik begeer van u eone eenige kleine begeerte, wijs mijn aangezigt niet af. En do koning zeide tot haar: Begeer, mijne moeder! want ik zal uw aangezigt niet afwijzen. 21 En zij zeido: Laat Abisag, do Sunamietische, aan Adónia, uwen broeder, tor vrouwe gegeven worden. 22 Toen antwoordde de koning Salomo, on zoide 1 KONINGEN 1 , 2. |
I KONINGEN 2.
|
tot zijne mooder: En waarom begeert gij Abisag, de Sunamietischo, voor Adónia? begeer ook voor hem het koningrijk, (want hij is mijn broeder, die ouder is dan ik ben) ja voor hem, en voor Abjathar, den priester, en voor Joab, den zoon van Zerüja. 23 En de koning Salomo zwoer bij den IIkerk , zeggende: Zoo doe mij God, en zoo doe Hij daartoe, voorzeker Adónia zal dat woord tegen zijn leven gesproken hebben! 24 En nu zon waaracJdi(j a/s do IIeere leeft, die mij bevestigd heeft, quot; en mij heeft doen zitten op den troon van mijnon vader David, en die mij oon huis gemaakt heeft, gelijk als Hij gesproken had: voorzeker Adónia zal lieden gedood worden! a 2 Sam. 7 : 12, 13. 25 En de koning Salomo zond door do hand van Benaja, den zoon van Jó-jada; die viel op hem aan, dat hij stierf. 2(i En tot Abjathar, den priester, zeido do koning : (Ja naar Anathoth, op uwe akkers, want gij zijt oon man dos doods; maar op dezen dag zal ik u niet dooden, quot;omdat gij do ark dos Hoeren 11 keken voor hot aangozigt van mijnen vader David gedragen hebt, en omdat gij verdrukt zijt geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was. a 1 Sam. 22 : 20, cn/,. 2 Sam. 15:24. 27 Salomo dan verdreef Abjathar, dat bij des 11 keuen priester niet ware; om to quot; vervullen het woord des Heeren. hetwelk Hij over bot huis van Eli te Silo gesproken had. (i\ Sam. 2::il, onz. 28 Als hot gerucht tot Joab kwam (want Joab had zich gewend achter Adónia, hoewel hij zich niet had gewend achter Absalom) zoo vlugtto Joah tot do tent des Heeren, quot;on vatte do hoornen des altaars. a 1 Kon. 1 : 50. 29 En het werd don koning Salomo aangezegd, dat Joab tot do tont des Heeren gevloden was, en zie, hij is bij het altaar. Toon zond Salomo Benaja, don zoon van Jójada, zeggende: Ga hoon, val op hom aan. ;!() En Benaja kwam tot de tont dos Heeren, en zoide tot hein: Zoo zegt do koning: Kom uit. |
En hij zoide: Neon, maar hier zal ik sterven! En Benaja bragt hot antwoord weder aan den koning, zeggende: Zoo hoeft Joab gesproken, en zoo hooft hij mij geantwoord. ïil En do koning zeido tot hem: Doe gelijk als hij gesproken hooft, en val op hom aan, en begraaf' hein, opdat gij wegdoet, van mij en van mijns vaders huis, dat bloed, dat Joab zonder oorzaak vergoten hoeft. :i2 Zoo zal do Heere zijn bloed op zijn hoofd doen wedorkoereu, omdat hij op twoe mannon, regtvaardigor en beter dan hij, aangevallen is, en die met hot zwaard gedood hooft, daar het mijn vader David niet wist, Abnor, don zoon van Nor, den krijgsoverste van Israël, en Amasa, den zoon van Jethor, don krijgsoverste van Juda. 33 Alzoo zal hun bloed woderkoeron op hol hoofd van Joab, en op hot hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David, on zijn zaad, en zijn huis, cn zijn troon zal vrede hebben van don Heere tot in eonwighoid. 34 En Benaja, do zoon van Jójada, ging op, en viel op hom aan, en doodde hem; en hij word begraven in zijn huis, in do woestijn. 35 En de koning zotte Benaja, den zoon van Jójada, in zijne plaats over het hoir; en quot; Zadok, don priester, zette do koning in do plaats van Abjathar, « 1 Sam. 2 : 35. 3G Daarna zond de koning, en riep Simei', en zoide tot hom: Bouw u oon huis in Jeruzalem, en en aa van daar niet uit herwaarts woon aldaar of derwaarts. 37 Want het zal geschieden ton dage van uw uitgaan, als gij over de beek Kidron zult gaan, weet. voorzeker, dat gij den dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn. 38 En Simeiquot; zoide tot den koning: Dat woord is goed ; gelijk als mijn hoer de koning gesproken heeft, alzoo zal uw knecht doen. En Simei' woonde te Jeriizalem volo dagen. 39 Doch het geschiedde mot het einde van drie jaren, dat twee knechten van Simei' wegliepen tot Achis, den zoon van Maiioha, den koning van |
1 KONINGEN 2, 3.
|
Gath; en mon gaf het Simei te kennen, zeggende: Zie, uwe knechten zijn in Gath. 40 Toen maakte zich Simeï op, en zadelde zijnen ezel, en toog hoon naar Gath tot Achis, om zijne knechten te zoeken; zoo toog Simei' heen, en bragt zijne knechten van Gath. 41 En hot werd Salomo aangezegd, dat Simeï uit Jeruzalem naar Gath getogen, en wodorge-komon was. 42 Toen zond do koning, en riep Simoï, en zoide tot hem: Iloh ik u niel beëedigd bij don IIeeuk, en tegen u betuigd, zeggende: Ton dage van uw uitgaan, als gij zult herwaarts of derwaarts Kmmi woot voorzeker, dat gij den dood zult sterven? en gij zeidot tot mij: Dat woord is good, dat ik quot;ohoord bob. |
schijnt hom do Hooro, wien hij bidt om wijsheid; hij voi'kiijgt dio mot rijkdom on ooi', 5. Salomo's wijsheid in het oordeel over twee vrouwen, die om een kind twistten, 1G. EN Salomo verzwagerde zich met Faraö, den koning van Egypte; quot;en nam de dochter van Faraö, en bragt ze in do stad Davids, totdat hij voleind zou hebben het bouwen van zijn huis, en het huis dos Heeren, en den muur van Jeruzalem rondom. al Kon. 7:8. 2 Alleenlijk offerde het volk op de hoogten, want quot;geen huis was den naam dos Heeren gebouwd, tot dio dagen toe. «Hout. 12:!quot;). 3 En Salomo had don Heere lief, wandelende in do inzottingon van zijnen vader David: alleenlijk offerde hij on rookte op de hoogten. |
|
43 Waarom dan hebt gij den oed des Heeren niet gehouden, en het gebod, dat ik over u geboden heb? 44 Vorder zoide do koning tot Simeï: quot;Gij weetal de boosheid, die uw hart weet, die gij aan mijnen vader David gedaan bobt; daarom heeft do Heere uwe boosheid op uw hoofd doen wodor-keeren. a 2 Sam. 10:5, G, 7. 45 Maar de koning Salomo is gezegend; en de troon van David zal bevestigd zijn voor het aan-gezigt dos Heeren tot in eeuwigheid. 40 En do koning gebood liemija, den zoon van Jójada; die ging uit, on viel op hom aan, dat hij stierf. Alzoo quot;is hot koningrijk bevestigd in de hand van Salomo. «2 Kron. 1:1. HOOFDSTUK 3. Salomo's huwelijk mot do dochter van Faraö, vs. 1. Godsvrucht van Salomo, 2. In eenen droom ver- |
4 En quot;do koning ging naar Gibeon, om aldaar te offeren, omdat die hoogte groot was: duizend brandofferen offerde Salomo op dat altaar. a 2 Kron. 1 : 3. 5 To quot;Gibeon verschoon do Heere aan Salomo in eonen droom dos nachts; en God zoide: Begeer wat Ik u geven zal. n\ Kon. 9:2. (i En Salomo zoide: Gij hebt aan uwen knecht David, mijnon vader, groote weldadigheid gedaan, gelijk als hij voor uw aangozigt gewandeld hooft, in waarheid, en in geregtigheid, en in op-regthoid dos harten mot U; on Gij hebt hem deze groote weldadigheid gehouden, dat Gij hom gegeven hebt oenen zoon, zittende op zijnen troon, als te dezen dage. 7 quot;Nu dan, Heere, mijn God! Gij hebt uwen knocht koning gemaakt in do plaats van mijnen vader David; on ik bon oen klein jongeling, |
1 KONINGEN 3, 4.
|
ik woot niet uit to gaan noch in te gaan. a 2 Kron. 1 : 8. 8 quot;En uw knecht is in het midden van uw volk, dat Gij verkoren hebt, een groot volk, hetwelk niet kan yeteld noch aerekend worden, van weyc 2 Ivron. 1 ; !). de meniü'te. 9 Geef dan uwen knecht een verstandig hart, om nw volk te rigten, verstandelijk onderscheidende tusschon goed en kwaad: want wie zou dit uw zwaar volk kunnen rigten? 10 Die zaak nu was goed in de oogen des IIee-ren, dat Salomo deze zaak begeerd had. 11 quot;En God zeide tot hem: Daarom dat gij deze zaak begeerd hebt, en niet begeerd hebt voor u vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt de ziel uwer vijanden; maar hebt begeerd verstand voor u, om gerigtszaken te hooren; o2Ki'on. 1:11. 12 Zie, Ik heb gedaan naar uwe woorden ; quot; zie. Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uws gelijke vóór n niet geweest is, en uws gelijke na u niet opstaan zal. « Pred. 1:1G. 115 quot;Zelfs ook wat gij niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, beide rijkdom en eer; dat uws gelijke niemand onder de koningen al uwe dagen zijn zal. a Matt. 0 : 33. Efez. 3 : 20. 14 En zoo gij in mijne wegen wandelen zult, onderhoudende mijne inzettingen en mijne geboden, gelijk ais uw vader David gewandeld heeft, zoo zal Ik ook uwe dagen verlengen. 15 En Salomo waakte op, en ziet, het was een droom. En hij kwam te Jeruzalem, en stond voor de ark des verbonds des Heeuen, en offerde brandofferen, en bereidde dankofferen, en maakte eenen maaltijd voor al zijne knechten. 16 Toen kwamen er twee vrouwen, die hoeren waren, tot den koning; en zij stonden voor zijn aangezigt. 17 En de eene vrouw zeide: Och mijn heer! ik en deze vrouw wonen in een huis; en ik heb bij haar in dat huis gebaard. 18 Het is nu geschied op den derden dag na mijn baren, dat deze vrouw ook gebaard heeft; en wij waren te zamen, geen vreemde was met ons in dat huis, behalve ons tweeën in het huis. 19 En de zoon dezer vrouw is des nachts gestorven , omdat zij op hem gelegen had. |
20 En zij stond ter middernacht op en nam mijnen zoon van bij mij, als uwe dienstmaagd sliep, en leide hem in haren schoot, en haren dooden zoon leide zij in mijnen schoot. 21 En ik stond in den morgen op, om mijnen zoon te zogen, en zie, hij was dood; maar ik lette in den morgen op hem, en zie, het was mijn zoon niet, dien ik gebaard had. 22 Toon zeide de andere vrouw; Noen, maar die lovende is mijn zoon, en de doode is uw zoon; gene daarentegen zeide: Noen, maar do doode is uw zoon, en do levende is mijn zoon! Alzoo spraken zij voor het aangezigt des konings. 23 Toon zeide de koning: Deze zegt: Dit is mijn zoon, die leeft, maar uw zoon is hot, die dood is; en die zegt: Noen, maar do doode is uw zoon, en de levende mijn zoon. 24 Verder zeide de koning: Haalt mij een zwaard; (iii zij bragten oen zwaard voor het aangezigt des konings. 25 En de koning zeide : Doorsnijdt dat lovende kind in tweeën; on goefl do eone eene helft, en do andere eone helft. 2(i Maar do vrouw, wol-kor zoon do lovende was, sprak tot den koning, (want haar ingewand ontstak over haren zoon) en zeide: Och mijn heer! geef haar dat levende kind, en dood het geenszins ; deze daarentegen zeide: Het zij noch het uwe noch het mijne, doorsnijdt het. 27 Toen antwoordde do koning, en zeide: Geeft aan die het levende kind, en doodt het geenszins; die is zijne moeder. 28 En geheel Israël hoorde dat oordeel, dat de koning geoordeeld had, en vreesde voor het aangezigt des konings: want zij zagen, dat de wijsheid Gods in hem was, om rogt te doen. HOOFDSTUK 4. Staats- en hofbeambten van Salomo, vs. 1. Grootheid van zijn koningrijk, 20. Israël in staat van vrede, 25. Salomo's uitnemende wijsheid, 29. ALZOO was de koning Salomo koning over ganscli Israël. 2 En deze waren de vorsten, die hij had : Azaria, de zoon van Zadok, was opporambtman. 3 Elihóref, en Alua, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Jósafat, de zoon van Alulud, was kanselier. 4 En He na ja, de zoon van Jójada, was over het heir; en Zadok en Abjathar waren priesters. 5 En Azaria, de zoon van Nathan, was over do |
1 KONINGEN' 4, 5.
|
bestelmeesters: en Zabud, do zoon van Nathan, was overambtman, des koninys vriend. 6 En Aliïsar was hofmeester; en quot; Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting. a 1 Kon. 5; 14. 12 : 18. 7 En Salomo had twaalf bestelmeesters over gansoh Israël, die den koning en zijn huis verzorgden: voor elk was eene maand in liet jaar om te verzorgen. 8 En dit zijn hunne namen: do zoon van Uur was in het gebergte van Efraïm. i) Do zoon van Dekor in Makaz en in Saiilbiin, en Both-Sénies, en Elon Beth-Hanan. 10 De zoon van llésed in Arubbóth; hij had daartoe Socho en het gansche land Ilefor. 11 Do zoon van Abinadab had de gansche landstreek van Dór: deze had Tafath, de dochter van Salomo, tot oeno vrouw. 12 Baiina, do zoon van Ahilud, had Taiinach, en Mogiddo, en het gansche Both-Soan, hetwelk is bij Zarlana, benedon van Jizroël, van Beth-Sean aan tot Abel-Mehóla, tot op gene zijde van Jokmeain. Ui Do zoon van Geber was to Rainoth in Gilead: hij had do dorpen van Jaïr, don zoon van Ma-nasse, die in Giload zijn; ook had hij do strook van Argob, welke is in Basnn, zestig groote steden, mot muron en koperen grendelen. 14 Abiniibab, do zoon van Iddo, was te Mahanaïin. If) Ahiinatiz was in Nafthali: deze nam ook Sa-lomo's dochter, Basmath, ter vrouwe. 1(1 Baiina, do zoon van Husai, was in Aser en in Aloth. 17 Jósafat, de zoon van Parüah, in Issaschar. 18 Simei, de zoon van Ela, in Benjamin. 19 Geber, de zoon van Uri, was in het land Gilead, het land van Sihon, den koning der Amo-rioton, en van Og, don koning van Basan, en hij was de eenige bestelmeestor, die in dat land was. 20 Juda mi, en Israël waren velen, als zand, dat aan de zee is in menigte, etende, en drinkende, en blijde zijnde. 21 En Salomo was heerschonde over al de koningrijken, van de rivier tot liet land der Eilis-lijnen, en tot aan do landpale van Egypte; die bragton geschonken, en dienden Salomo al do dagen zijns levens. 22 De spijze nu van Salomo was voor oenen dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel; 2.'3 Tien vette rundoren, en twintig weidorundo-ren, en honderd scliapon; uitgenomen do horton, on reeën, en buffelen, en genieste vogelen. 24 Want hij had hoorschappij over al wat op deze zijde dor rivier was van Tiiifsah tot aan Gaza, over alle koningen op deze zijde der rivier; on hij had vrede van al zijne zijden rondom. 25 En Juda en Israël quot;woonden zeker, een iegelijk onder zijnen wijnstok en onder zijnen vijge-boom, van Dan tot Ber-séba, al do dagen van Salomo. a Lev. 2(i; 5. |
26 quot;Salomo had ook veertig duizend paardenstallen tot zijne wagenon, on twaalf duizend ruiteren. al Kon. 10:20. 2 Kron. 1 : 14. 9:25. 27 Die bostolmeesters nu, oen ieder op zijne maand, verzorgden den koning Salomo, on al degenen, die tot de tafel van don koning Salomo naderden; zij lieten geen ding ontbreken. 28 De gerst nu en het stroo voor de paarden, en voor do snelle kenielen, bragton zij aan do plaats, waar hij was, oen iegelijk naar zijnon last. 29 En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel vorstand, en een wijd begrip des harten, gelijk zand, dat aan den oever dor zee is. 30 En do wijsheid van Salomo was grooter dan do wijsheid van al die van het Oosten, en dan allo wijsheid der Egyptenaren; !il Ja hij was wijzer dan allo menschen; dan Ethan, de Ezrahiot, en Ilonuin, en Chalcol, en Darda, de zonen van Mahol; en zijn naam was onder allo Ileidenen rondom. 32 En hij sprak drie duizend spreuken, daartoe waren zijne liederen duizend en vijf. 33 Hij sprak ook van de boomon, van den coder-boom af, die op den Libanon is, tot op don bijzop, die aan den wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de visschen. 34 En van alle volken kwamen er, om de wijsheid van Salomo te hooron, van allo koningen der aarde, die van zijne wijsheid gehoord haddon. HOOFDSTUK 5. lllram in vriendschiip met Salomo, vs. 1 ; die hem om bouwstoffen voor den tom|iol laat vragen, 2. Hiram, God dankendo voor zulk eenen opvolger van David, zendt zo hom toe, 7. Het getal der werklieden van den tempel, 13. EN Hiram, do koning van Tyrus, zond zijne knochton tot Salomo, (want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats) quot; dewijl Hiram David altijd bemind had. al Sam. 5:11. 1 Kron. 14: 1. 2 Daarna zond Salomo tot Hiram, zeggende: 3 quot;Gij weet, dat mijn vader David den naam des Heeren, zijns Gods, geen huis kon bouwen, van wogo de oorlogen, waarmede zij hom om-singeldon, totdat do Heeue hen onder zijne voetzolen gaf. « 1 Kron. 28 : 3. 4 Maar nu hooft do Heere, mijn God, mij van rondom rust gegeven: er is geen tegenpartij der, on geene bojogening van kwaad. 5 En zie, ik quot; donk voor den naam van don Hei â¢nie, mijnen God, een huis te bouwen; gelijk als do Heere gesproken heeft tot mijnen vader David, zeggende: ''Uw zoon, dien Ik in uwe plaats op uwen troon zotten zal, die zal mijnen naam dat huis bouwen. «2 Kron. 2: 1. h2 Sam. 7 : 13. 1 Kron. 22: 10. 6 Zoo gebied nu, dat men mij cederen uit don Libanon houwe, en mijne knechten zullen mot uwe knechten zijn, en den loon uwer knechten |
1 KONINGEN 5, (i.
|
zal ik ii geven, naar al wat gij zeggen zult: want gij weet, dat onder ons niemand is, die weet hout te houwen, gelijk de Zidoniërs. 7 En het geschiedde, als Hiram do woorden van Salomo gehoord had, dat hij zich zoer verblijdde, en zeide; Gezegend zij de IIeere heden, die David eenen wijzen zoon gegeven heeft, over dit groote volk! 8 En Hiram zond tot Salomo, zeggende: Ik heb gehoord, waarom gij tot mij gezonden hebt; ik zal al uwen wil doen met hot cederenhout, en met het dennenhout. !) Mijne knechten zullen het afbrengen van den Libanon aan de zee; en ik zal hot op vlotten over de zee doen voeren, tot die plaats, dio gij aan mij ontbieden zult, en zal bet aldaar los maken, en gij zult het wegnemen; gij zult ook mijnen wil doen, dat gij mijn huis spijze geeft. 10 Alzoo gaf Hiram aan Salomo cederenhout en dennenhout, naar al zijnen wil. 11 En Salomo gaf Hiram twintig duizend kor tarwe, tot spijze van zijn huis, en twintig kor gestooten olie; zulks gaf Salomo aan Hiram jaar (gt;1) jaar. 12 De Heeue dan gaf Salomo wijsheid, gelijk als Hij tot hem quot;gesproken had; en er was vrede tussehen Hiram en tusschen Salomo, en zij beiden maakten een verbond. n 1 Kon, 3: r.'. 13 En de koning Salomo deed een uitschot opkomen uit gansch Israël; en het uitschot was dertig duizend man. 14 En hij zond hen naar den Libanon, tien duizend des inaands bij beurten; eene maand waren zij op den Libanon, twee maanden elk in zijn huis; en Adomram was over dit uitschot. 15 Daartoe had Salomo zeventig duizend, die last droegen, en tachtig duizend bouwers op liet gebergte. K! Behalve de oversten van Salomo's bestelden, die over dat werk waren, drie duizend en drie honderd, die heerschappij liadden over het volk, hetwelk dat werk deed. 17 Als het nu de koning gebood, zoo voerden zij groote steenen toe, kostelijke steenon, gehouwen steenen, om den grond van dat huis te leggen. 18 En de bouwlieden van Salomo, en de bouwlieden van Hiram, en de Giblieten behieuwen ze, en bereidden hot hout toe, en de steenen, om dat huis te bouwen. HOOFDSTUK 6. Aanvang van don tempelbouw, vs. 1; zijne uit- cn inwendige inrigting, 2. Gods belofte over don tempel, 11; zijne pracht en sieraad, 15; de tijd van don aanvang tot de voltooijing van den tempel, 37. HET geschiedde nu in het vier honderd en tachtigste jaar, na den uitgang der kinderen Israels uit Egypte, in bet quot; vierde jaar van het koningrijk van Salomo over Israël, in de maand Ziv, (deze is do tweede maand) dat hij ''het huis des Heeren bouwde. a 2 Kron. 3:2. 6 Hand, 7:47. 1 |
2 En dat huis, hetwelk do koning Salomo den Heere bouwde, was van zestig ellon in zijne lengte, en van twintig in zijne breedte, en van dertig ellon in zijne hoogte. 3 En het voorhuis, vooraan don quot;tempel van dat huis, was in zijne lengte van twintig ellen, naar de breedte van het huis, tien ellen in zijne breedte, vooraan het huis. a Joh. 10: 23. Hand, 3: 11. 5: 12, 4 En hij maakte vensteren aan het huis van go-slot ene uitzigten, 5 En rondom aan den wand van het huis bouwde liij kamoron, aan de wanden van het huis rondom, beide van den tempel en van do aanspraakplaats. Alzoo maakte hij zijkameren rondom. 6 De onderste kamer was van vijf ellen in hare breedte, en de middelste van zes ellen in hare breedte, en de derde van zeven ellen in hare breedte: want hij had aan hot huis rondom buitenwaarts inkortingen gemaakt, opdat zij zich niet hielden in do wanden van het huis. 7 Het huis nu, als het gebouwd werd, werd met volmaakten steen, zoo als dezelve toegevoerd was, gebouwd; zoodat goeno hameren, noch bijl of eenig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd. 8 De deur der middelste zijkamer was aan de regtorzijde van het huis; en door wenteltrappen ging men tot de middelste zijkamer, on van do middelste tot de derde. 9 Alzoo bouwde hij het huis, en volmaakte het; en bedekte dat huis met gewelven en rijen van cederen. 10 Hij bouwde ook de kameren aan hot gansche huis, van vijf ellen in hare hoogte; en hij voegde ze vast aan dat huis mot cederenhout. 11 Toen geschiedde hot woord des Heeren tot Salomo, zeggende: 12 Aangaande dit huis, dat gij bouwt, quot;zoo gij wandelt in mijne inzettingen, en doet mijne rog-ten, en onderhoudt al mijne geboden, wandelende in dezelve; zoo zal Ik mijn woord met u bevestigen , '' dat Ik tot uwen vader David gesproken heb. re! Kon. 2:4. 9:4, //2 Sam, 7:13. 1 Kron. 22:10,19, 13 En Ik zal in het midden der kinderen Israels wonen; en Ik zal mijn volk Israël niet verlaten, 14 Alzoo bouwde Salomo dat huis en volmaakte hetzelve. 15 Ook bouwde hij de wanden van het huis van binnen met coderen planken: van don vloer des huizes tot aan het dak der wanden, beschoot hij ze van binnen met hout; en overdekte den vloer van het huis mot dennen planken. 16 Daartoe bouwde hij twintig ellen mot coderen planken aan de zijden van het huis, van den vloer af tot de wanden: dit bouwde hij Hom van binnen tot eene aanspraakplaats, tot het heilige der heiligen. 17 Dat huis nu was van veertig ellen, namelijk de tempel, die vooraan was. |
|
18 En het coclor aan het luiis inwendig was yo-snedon met knoppen en opene bloemen; het was al ceder, geen steen word gezien. 1!) En de aanspraakplaats bereidde liij inwaarts in hot iuiis, om de ark des vorbonds des Heeren daar te zetten. 20 En do aanspraakplaats vooraan was van twintig ollon in longto, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ollon in hare hoogte, en hij ovortoog ze mot gesloten goud; ook overtoog hij het coderen altaar. 21 En Salomo overtoog het huis van binnen mot gesloten goud; en hij toog voor do aanspraakplaats eenen voorhang honen door mot gouden ketenen, on overtoog dien met goud. 22 Alzoo overtoog hij liet gansoho huis met goud, totdat hot gansche huis volmaakt was; daartoe overtoog hij met goud hot gehoolo altaar, dat voor do aanspraakplaats was. 23 quot;In do aanspraakplaats nu maakte hij twee cherubs van olieachtig hout; elks hoogte was tien ellen. a Ex. 25:18. 24 En van vijf ollon was do oono vleugel des cherubs, en van vijf ollon do andere vleugel dos cherubs; van hot einde van zijnen oenen vleugel, tot aan het einde van zijnen andoren vleugel, waren tien ollon. 25 Alzoo was de andere cherub van tien ellen: heide cherubs hadden oenerlei maat, en oenorlei snede. 26 Do hoogte van don eenen cherub was van tien ellen, en alzoo van don andoren cherub. 27 En hij zette deze cherubs in hot midden van hot binnenste huis; quot;en do cherubs spreidden do vleugelen uit, zoodat do vleugel dos oenen raakte aan dezen wand, en do vleugel dos andoren cherubs raakte aan den anderen wand: en hunne vleugelen naar hot midden van het huis raakten vleugel aan vleugel. a Ex. 25:20. 28 En hij overtoog deze cherubs mot goud. 20 En al do wanden van het huis, in het rondo, graveerde hij mot uitgesneden graveringen van cherubs, en van palmboomen, en opene bloemen, van binnen en van buiten. 30 Daartoe overtoog hij don vloer van hot huis mot goud van binnen en van buiten. 31 En aan den ingang dor aanspraakplaats maakte hij deuren van olieachtig hout; do bovendorpel met de posten was het vijfde deel des wands. 32 De twee deuren ook waren van olieachtige boomen; on hij graveerde daarop graveringen van cherubs, on van palmboomen, en van opene hloenion, dewelke hij mot goud overtoog; ook trok hij goud over de cherubs on over do palmboomen. 33 En alzoo maakte hij aan do deuren des tompels posten van olieachtige boomon, uit hot vierde ileel van den wand,. 34 En do twee deuren waren van dennenhout; tie twee zijdon dor eone deur waren oindraaijende, |
339 alzoo waren de twee gegraveerde zijden der andere deur omdraaijendo. 35 En hij graveerde ze mot cherubs, en palmboomen, on opene bloemen, dewelke hij met goud ovortoog, gorigt naar hot uitgosnodene. 30 Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stoenen, on oeno rij coderen balkon. 37 In hot vierde jaar word do grond van het huis des Heeren gelogd, in do maand Ziv, 38 En In hot elfde jaar, in de maand Bul, welke is do achtste maand, was dit huis volmaakt, naar al zijne stukken en naar al zijn behooron: alzoo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd. HOOFDSTUK 7. De bouw van Salomo's huis, vs. 1 ; hot huis van Libanon, 2; on hot huis voor Farao's dochter, 8. Hiram beroemd van woge zijne kunstwerken, 13; van welke er volo worden genoemd, 15. De geheiligde gouden en zilveren sieraden worden door Salomo in don tompol geplaatst, 48. MAAR quot;aan zijn huis bouwde Salomo dertien jaren, en hij volmaakte zijn gansche huis. a 1 Kon. 9 : 10. 2 Hij bouwde ook hot huis dos wouds van Libanon, vau honderd ellen in zijne lengte, en vijftig ellen in zijne breedte, en dertig ellen in zijne hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en codoron balkon op do pilaren. 3 En hot was bedekt mot ceder van boven op de ribbon, die op vijf en veertig pilaren waren, vijftien iu oono rij. 4 Er waren drie rijen van uitzigten, dat het eone venstor was over hot andere venster, in drie orden. 5 Ook waren al de deuren on do posten vierkantig van eenerlei nitzigt; en venster was tegenover venster, in drie orden. (i Daarna maakte hij oen voorhuis van pilaren: vijftig ellen was zijne lengte, en dertig ollon zijne breedte; en hot voorhuis was tegenover die, ou do pilaren mot de dikke balkon tegenover dezelve. 7 Ook maakte hij oen voorhuis voor don troon, alwaar hij rigtte, tot oen voorhuis des gorigts, dat met ceder bedekt was, van vloer tot vloer. 8 En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was oen ander voorhof, meer inwaarts dan dat voorhuis, hetwelk aan hetzelve werk gelijk was; ook maakte hij voor do dochter van Faraö, quot;die Salomo tot vronw genomen had, oen huis, aan dat voorhuls gelijk. a 1 Ivoï). 3:1. 9 Al deze dingen waren van kostelijke stoenon, naar do maten gebouwen, van binnen en van buiten met do zaag gezaagd; en dat van don grondslag tot aan do neutstoonon oen palm breed, en van buiten tot hot groote voorhof. 10 Het was ook gegrondvest mot kostelijke steenon , groote stoenon; mot stoenon van tien ollon, on steenon van acht ellen. 1 KONINGEN 0, 7. |
22*
1 KONINGEN 7
|
11 En bovenop kostelijke steenen, naar de win-kelmaton gehouwen, en coderen. 12 En het groote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen steenen, met eene rij van cederen balken. Zoo was liet niet het binnenste voorhof van hot huis des IIeeken, en met hot voorhuis van dat Imis. 13 En de koning Salomo zond heen, en liet quot; Hiram van Tyrus halen. «2 Kron. 2: 13. 14 Hij was do zoon eener weduwvrouw, uit den stam van Nafthali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die quot; vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om allo werk in liet koper te maken; deze kwam tot don koning Salomo, on maakte al zijn werk. quot; Ex. 31; 3. 1quot;) Want hij vormde quot;twee koperen pilaren; do hoogte van don eenen pilaar was achttien ellen, (in eon draad van twaalf ellen omving don andoren pilaar. «2 Kon. 25: 10, 17. Jer. 52:21. 16 Hij maakte ook twee kapiteelen, van gegoten koper, om op do hoofden der pilaren to zotten; vijf ellen was do hoogte van hot eono kapiteel, en vijf ellen do hoogte van het andere kapiteel. 11 Do netton waren van nettenwerk, de bandon van kotonwerk voor do kapiteelen, die op hot hoofd dor pilaren waren; zeven waren voorliet eene kapiteel, on zoven voor het andere kapiteel. 18 Zoo maakte hij de pilaren, mitsgaders twee rijen rondom over het eene net, om do kapitoo-lon, die boven het hoofd der granaatappelen waren, te bedekken; alzoo deed hij ook aan hot andore kapiteel. 19 En do kapiteelen, dewelke waren op hot hoofd der pilaren, waren van loliowerk in hot voorhuis, van vier ollon. 20 De kapiteelen nu waren op de twee pilaren, ja daarboven tegenover den buik, dewelke was nevens hot not; on twee honderd granaatappelen waren in rijon rondom, ook over hot andere kapiteel. 21 Daarna rigtto hij do pilaren op in hot voorhuis dos tompols; en don regtor pilaar opgorigt hebbende, zoo noemde hij zijnon naam Jachin, on don linker pilaar opgorigt hebbende, zoo noeindo hij zijnen naam Boaz. 22 En op het hoofd der pilaren was hot loliowerk ; alzoo werd hot werk dor pilaren volmaakt. 23 Vorder maakte quot;hij de gegoteno zee; van tien ollon was zij van haren eenen rand tot haren anderen rand, rondom rond, en van vijf ollon in hare hoogte, on een meetsnoer van dertig ellen omving zo rondom. a 2 Kron. 4:2. .Tor. 52:20. 24 En onder haren rand waren knoppen, dezelve quot; rondom omsingelende, tien in eene ol, omringende dio zee rondom; twee rijen dezer knoppen waren in hare gieting gegoten. a'1 Kron. 4:3. 25 Zij stond op twaalf runderen: drie ziende naar hot noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en do zee was boven op dezelve; en al hunne achterdeolon waren inwaarts. |
26 Hare dikte nu was eono hand breed, en haar rand als het werk van den rand eens bekers of eener leliebloem; zij hield twee duizend bath. 27 Hij maakte ook tien koperen stellingen; van vier ellen was de lengte eener stolling, en van vier ollon hare breedte, en van drie ellen hare hoogte. 28 En dit was het werk der stolling; zij hadden lijsten, on do lijsten waren tusschon kransen. 29 En op de lijsten, die tusschon de kransen waren, waren leeuwen, runderen en cherubs; en op do kransen was een voet boven henen; en onder do leeuwen en runderen bijvoegselen van uitgerekt werk. 30 En oono stelling had vier koporon radoren, en koperen platen; en hare vier hoeken hadden schouderen: onder hot waschvat waren deze gegoteno schouderen lor zijde van ieders bijvoegselen. 31 En do mond daarvan was van binnen den krans, en daarboven van oono ol, en do mond hiervan was rond van voetwerk van oono ol en eene halve ol: en op don mond daarvan waren ook graveringen, en do lijsten daarvan waren vierkantig, niet rond. 32 De vier raderen nu waren onder de lijsten, en de assen dor raderen aan do stolling; en do hoogte van een rad was oono ol on oono halve ol. 33 En hot work van die raderen was als hot werk van een wagenrad; hunne assen, en hunne naven, on hunne randen, en hunne spakon waren allen gegoten. 34 En er waren vier schouderen op de vier hoeken eener stolling; hare schouderen waren uit de stolling. 35 En op het hoofd eener stelling was eono rondo hoogte van eene halve el rondom; ook waren op hot hoofd dor stolling hare handhaven, en hare lijsten uit denzolvon. 36 Hij sneed nu op de platen van hare handhaven, en op hare lijsten, cherubs, leeuwen, en palmboomon, naar elks ledige plaats, en bijvoegselen rondom. 37 Dozen gelijk maakte hij do tien stellingen; eonerloi gieting, eenerloi maat, eonerlei snode haddon zij allen. 38 quot; Hij maakte ook tien koporon waschvaten; een waschvat hield veertig bath; eon waschvat was van vier ellen: op elke stolling van die tien stollingen was oen waschvat. ft 2 Kron. 4:6. 39 En hij zette vijf dier stollingen aan de rog-terzijde van het huis, on vijf aan de linkerzijde van het huis; maar de zoo zette hij aan de rog-terzijde van het huis, oostwaarts tegen hot zuiden. 40 Daartoe maakte Hiram de waschvaten, en do schoffelen, en do bosprengbekkons; on Hiram voleindde al het werk te maken, dat hij voor den koning Salomo maakte voor het huis des Heekkn : I 41 Te weten de twee pilaren, en bollen dor kapi- |
1 KONINGEN 7, 8.
341
|
tooien, die op liet hoofd der twee pilaren waren, en de twee netton, om do twee bollen der kapi-teelen te bedekken, die op het hoofd der pilaren waren; 42 En de vier honderd granaatappelen tot de twee netten: namelijk twee rijen van granaatappelen tot hot eene net, om de twee bollen der kapiteelen te bedekken, die boven op do pilaren waren: 43 Mitsgaders de tien stellingen, en de tien wasch-vaten op de stellingen: 44 Daartoe de eenige zee; en de twaalf runderen onder die zee. 45 De potten ook, en de schoffelen, en de be-sprengbekkens, en al deze vaten, die Hiram voor den koning Salomo tot het huis dos Hekken maakte, al van gepolijst koper. 46 In de vlakte der Jordaan goot zo de koning, in digte aarde, tusschen Sukkoth en tusschen Zarthan. 47 En Salomo liet al deze vaten ongewogen van wege de zeer groote menigte; het gewigt des kopers werd niet onderzocht. 48 Ook maakte Salomo al de vaten, die voor het huis des Heeren waren; het quot;gouden altaar, on de ''gouden tafel, op dewelke de toonbrooden waren; a Ex. 30:1. 6 Ex. 25:23. 4!) En de kandelaren, vijf aan de regterhand, en vijf aan de linkerhand, vóór do aanspraakplaats, van gegoten goud; en de bloemen, en de lampen, en de snuiters van goud; !gt;() Mitsgaders do schalen, en de gaffelen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en de wierookvaten , van gesloten goud; daartoe de herren der deuren van het binnenste huis, van hot heilige der heiligen, en der deuren van het huis des tempels, van goud. 51 Alzoo werd al het werk volbragt, dat do koning Salomo aan liet huis des Heeren maakte. quot; Daarna bragt Salomo de''geheiligde dingen van zijnen vader David; het zilver en het goud, en de vaten leide hij onder de schatten van het huis des Heeren. «2 Sam. 8:7, 11. b'l Kron. 5:1. HOOFDSTUK 8. Salomo vergadert ile voornaamsten dor Israëlieten om den temppl te wijden, vs. I ; de ark dos vorbonds mot hot hoiligo gereedschap wordt in den zei ven gobragt, 4. De lloore geeft een teoken zijnor togen-woordighoid, 10. Salomo zegent de gemeente, en dankt God, 14 en 54. Hij doet een schoon gebed tot God, 22. Hij offert met do gomoonte, (52. Zij houden liet loofhuttenfeest, 65. T( )EN quot;vergaderde Salomo de oudsten van Israël, en al de hoofden der stammen, de oversten der vaderen, onder de kinderen Israels, tot den koning Salomo te Jeruzalem, oin do ark des verbonds des Heeren op te brengen ''uit de stad Davids, dewelke is Zion. a2 Kron. 5:2. 62 Sam. 5:9. 6:12, 17. 2 En alle mannen van Israël verzamelden zich tot den koning Salomo, in de maand E'thanim op het feest; die is de zevende maand. |
3 En al do oudsten van Israël kwamen; en do priesters namen do ark op. 4 En zij bragten de ark dos Heeren en de tont der zamenkomst opwaarts, mitsgaders al de heilige vaten, die in de tent waren; en do priesters on do Levieten bragten dezelve opwaarts. 5 Do koning Salomo nu on de gansche vergadering van Israël, die bij hem vergaderd waren, waren met hem voor de ark, offerende schapen en runderen, die van wege de menigte niet konden geteld, noch gerekend worden. (i Alzoo bragten do priesteren do ark des vorbonds des Heeren tot hare plaats, tot de aanspraakplaats van het huis, tot liet heilige dei-heiligen, tot onder de vleugelen der cherubim. 7 Want do cherubim spreidden beide vleugelen over de plaats der ark; en de cherubim overdekten de ark en hare handboomen van boven. 8 Daarna schoven zij de handboomen verder uit, dat de hoofden der handboomen gezien werden uit het heiligdom voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden: en zij zijn aldaar tot op dezen dag. 9 Er was niets in de ark, dan alleen do twee steenen tafeion, dio Mozos bij Horeb daarin gelogd had, quot;als do Heere een verhoud, maakte met do kinderen Israels, toen zij uit Egypteland uitgetogen waren. a Ex. 34:27. 10 Eu hot geschiedde, als de priesters uit liet heilige uitgingen, dat eene wolk het huis des Heeren vervulde. 11 quot;En do priesters kondon niet staan om te dienen, van wege do wolk, want do heerlijkheid des Heeren had het huis dos Heeren vervuld. a Ex. 40:34, 35. 2 Kron. 7 : 2. 12 Toen zoido Salomo: quot;Do Heere heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen. «Ex. 20:21. bov. 10:2. üont. 4: II. 5:22. 2 Kron. 6:1. 13 Ik heb immers een huis gebouwd, U ter woonstede, eene vaste plaats tot uwe eeuwige woning. 14 Daarna wendde de koning zijn aangezigt om, en zegende do gansche gemeente van Israël; en de gansche gemeente van Israël stond. 15 En hij zeido: Geloofd zij de Heere, de God Israels, dio mot zijnen mond tot mijnen vader David gesproken heeft, en heeft het mot zijne hand vervuld, zeggende: K! quot;Van dien dag af, dat Ik mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geene stad verkoren uit allo stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat mijn naam daar zou wezen; maar Ik heb David verkoren, dat hij over niijn volk Israël wezen zou. a 2 Sam. 7:1). 2 Kron. 6 â . 5. 17 quot; Het was ook in het hart van mijnen vador David, ecu huis den naam van den Heere, den God Israëls, te bouwen. rt2Sam.7:2.1 Kron. 17:1.2 Kron.(i: 7. 18 Maar do Heere zeide tot David, mijnen vader: Dewijl dat in uw hart geweest is mijnen naam oen huis te bouwen, gij hebt welgedaan, dat het in uw hart geweest is. |
1 KONINGEN 8.
342
|
1!) Evenwel gij zult dat huis niet bouwen; miiar uw zoon, die uit uwe lenden voortkomen zal, die zal mijnen naam dat huis bouwen. 20 Zoo heeft de ITeeke bevestigd zijn woord, dat llij gesproken had: want ik ben opgestaan in do plaats van mijnen vader David, en ik zit op den troon van Israël, gelijk als de Heere gesproken lieeft; en ik heb een huis gebouwd den naam des Heeren, des Gods van Israël. 21 En ik lieb daar eene plaats beschikt voor de ark, waarin liet verbond dos Heeren is, hetwelk llij mot onze vaderen maakte, als llij hen uit Egypteland uitvoerde. 22 quot;En Salomo stond voor het altaar des Heeren , tegenover de gansche gemeente van Israël, en breidde zijne handen uit naar den hemel; a 2 Kron. C : 12. 21? En hij zeide: Heere , God van Israël! er is geen God, gelijk Gij, boven in den hemel, noch beneden op de aarde, houdende hot verbond en de weldadigheid aan uwe knechten, die voor uw aangezigt met hun gansche hart wandelen. 24 Die uwen knecht, mijnen vader David, gehouden hebt, wat (jij tot hem gesproken hadt: want met uwen mond hebt Gij gesproken, en met uwe hand vervuld, gelijk het te dezen dage is. 25 En nu Heere, God van Israël! houd uwen knecht, mijnen vader David, wat Gij tot hem gesproken hebt, zeggende: quot;Geen man zal u van voor mijn aangezigt afgesneden worden, die op den troon van Israël zitte; alleenlijk zoo uwe zonen hunnen weg bewaren, om te wandelen voor mijn aangezigt, gelijk als gij gewandeld hebt voor mijn aangezigt. a2Sani.7:12,16. I Kon.2:4. Ps. 132:12. 26 Nu dan, o God van Israël! laat toch uw woord waar worden, hetwelk Gij gesproken hebt tot uwen knecht, mijnen vader David. 27 quot;Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja de hemel der hemelen zouden U niet begrijpen, hoe voel te min dit huis, dat ik gebouwd heb ! a 2 Kron. 2 : 6. Jes. 00 :1. Jcr. 23 : 2-4. Hand. 7 : 40. 28 Wend U dan nog tot hot gebed van uwen knecht, en tot zijne smeeking, o Heere, mijn God! om te hooren naar het geroep en naar het gebed, dat uw knecht heden voor uw aangezigt bidt. 20 Dat uwe oogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke Gij quot;go-zegd hebt: Mijn naam zal daar zijn! om te hooren naar het gebed, hetwelk uw knecht bidden zal in deze plaats. a Deut. 12:14. 30 Hoor dan naar de smeeking van uwen knecht, en van uw volk Israël, die in deze plaats zullen bidden; en Gij, hoor in de plaats uwer woning, in don hemel, ja hoor, on vergeef. 34 Wanneer iemand tegen zijnen naaste zal gezondigd hebben, en hij hem eenen eed des vloeks opgelegd zal hebben, om zich zelvon te vervloeken; en do eed dos vloeks voor uw altaar in dit huis komen zal; |
32 Hoor Gij dan in don hemel, on doe, on rigt uwe knechten, veroordeelende don ongeregtige, gevende zijnen weg op zijn hoofd, en regtvaar-digende don geregtige, gevende hom naar zijne geregtigheid. 33 Wanneer uw volk Israël zal geslagen worden voor het aangezigt des vijands, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich tot U bekee-ren, en uwen naam belijden, en tot U in dit huis bidden en smeeken zullen; 34 Hoor Gij dan in don hemel, en vergeef do zonde van uw volk Israël, on breng hen weder in het land, dat Gij hunnen vaderen gegeven hebt. 35 Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en uwen naam belijden, en van hunne zonden zich bekee-ren zullen, als Gij hen geplaagd zult hebben; 36 Hoor Gij dan in den hemel, en vergeef de zonde van uwe knechten en van uw volk Israël, als Gij hun zult geleerd hebben den goeden weg, in denwelken zij wandelen zullen; en geef regen op uw land, dat Gij uw volk tot eene erfenis gegeven hebt. 37 Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren, honigdauw, sprinkhanen, kevers wezen zullen, als zijn vijand in het land zijner poorten hem belegeren zal, of eenige plage, of eenige krankheid wezen zal; 38 Alle gebed, allo smeeking, die van eenig' mensch, van al uw volk Israël, geschieden zal; als zij erkennen, een ieder do plage zijns harten, en een ieder zijne handen in dit huis uitbreiden zal; 39 Hoor Gij dan in don hemel, do vaste plaats uwer woning, en vergeef, en doe, en geef een' iegelijk naar al zijne wogen, gelijk Gij zijn hart kent: want Gij alleen kont hot hart van alle kinderen dor menschen. 40 Opdat zij U vroozen al do dagen, die zij leven zullen in het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt. 41 Zelfs ook aangaande den vreemde, die van uw volk Israël niet zal zijn, maar uit verren lande om uws naams wil komen zal; 42 (Want zij zullen hooren van uwen grooten naam, en van uwe sterke hand, en van uwen uitgestrekten arm) als hij komen en bidden zal in dit huis; 43 Hoor Gij in don hemel, de vaste plaats uwer woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde uwen naam kennen, om U te vreezen, gelijk uw volk Israël, en om te weten, dat uw naam genoemd wordt over dit huis, hetwelk ik gebouwd heb. 44 Wanneer uw volk in don krijg togen zijnen vijand uittrekken zal door den weg, dien Gij hen henen zenden zult, en zullen tot den Heere bidden naar den weg dezer stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, hetwelk ik uwen naam gebouwd heb; |
|
45 Hoor dan in den hemel hun gebed en hunne smeeking, en voer hun regt uit. 40 Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U, quot; (want geen mensch is er, die niet zondigt) en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezigt des vijands, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in des vijands land, dat verre of nabij is; a 2 Kvon. (J: 3G. Spr. 20 : ü. Pred. 7:20. 1 Joh. 1:8, 10. 47 En zij in liet land, waar zij gevankelijk weggevoerd zijn, weder aan hun hart brengen zullen, dat zij zich bekeeren, en tot U smeeken in het land dergenen, die ze gevankelijk weggevoerd hebben, zeggende: Wij hebben gezondigd, en verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld ; 48 En zij zich tot U bekeeren, met hun gansche hart en met hunne gansche ziel, in het land hunner vijanden, die hen gevankelijk weggevoerd zullen hebben; en tot U bidden zullen naar den weg van hun land (hetwelk Gij hunnen vaderen gegeven hebt), naar deze stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, dat ik uwen naam gebouwd heb; 49 Hoor dan in den hemel, de vaste plaats uwer woning, hun gebed en hunne smeeking, en voer hun regt uit; 50 En vergeef aan uw volk, dat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en al hunne overtredingen, waarmede zij togen U zullen overtreden hebben; en geef hun barmhartigheid voor het aangezigt dergenen, die ze gevangen houden , opdat zij zich hunner ontfermen: 51 Want zij zijn uw volk en uw erfdeel, dio Gij uitgevoerd hebt uit Egypteland, uit het midden dos ijzeren ovens. 52 Opdat uwe oogen open zijn tot de smeeking van uwen knecht, en tot de smeeking van uw volk Israël, om naar hen te hoeren, in al hun roepen tot U. 53 Want Gij hebt hen U tot een erfdeel afgezonderd, uit alle volken dor aarde; quot;gelijk als Gij gesproken hebt door de dienst van Mozes, uwen knecht, als Gij onze vaderen uit Egypte uitvoerdet, Heere Heere ! «Ex. 19:5. Deut. 4:20. 7:0. 9: 20, 29. 14:2. 54 Het geschiedde nu, als Salomo voleind had dit gansche gebed, en deze smeeking tot den Heere te bidden, dut hij van voor het altaar des Heeren opstond, van het knielen op zijne knieën, met zijne handen uitgebreid naar den hemel; 55 Zoo stond hij, en zegende de gansche gemeente van Israël, zeggende mot luider stom: 56 Geloofd zij de Heere, die aan zijn volk Israël rust gegeven heeft, naar alles, wat Hij gesproken heeft! quot;niet oen oenig woord is er gevallen van al zijne goede woorden, die Hij gesproken hooft door do dienst van Mozes, zijnon knecht. aio/.. 21:45. |
343 57 De Heere, onze God, zij mot ons, gelijk als Hij geweest is met onze vaderen; Hij verlate ons niet, on bogeve ons niet; 58 Neigende tot zich ons hart, om in al zijne wogen to wandelen, en om te houden zijne geboden, en zijne inzettingen, en zijne regten, dewelke II ij onzen vaderen geboden hooft. 59 En dat deze mijne woorden, waarmede ik voor den Heere gesmookt heb, mogen nabij zijn voor don Heere, onzen God, dag en nacht; opdat Hij hot regt van zijnon knecht uitvoero, en het regt van zijn volk Israël, elk een dagelijks op zijnen dag. 60 Opdat allo volken der aarde weten, quot;dat de Heere die God is, niemand meer; aüeut.4:35,39. 61 En ulieder hart volkomen zij met den Heere, ( onzen God, om te wandelen in zijne inzettingen, en zijne geboden te houden, gelijk te dezen dage. 62 En do koning, en gansch Israël met hem, offerdon slagtofforon voor hot aangezigt dos Heeren. 63 En quot;Salomo offerde ton dankoffer, dat hij den Heere offerde, twee en twintig duizend rundoren, en honderd en twintig duizend schapen Alzoo hebben zij het huis des Heeren ingewijd, de koning en al de kinderen Israels. a 2 Kron. 7:5, enz. 64 Ten zelven dage heiligde do koning hot middelste dos voorhofs, dat voor hot huis des Heeren was, omdat hij aldaar hot brandoffer en het spijsoffer bereid had, mitsgaders hot vet der dank-offoren: want het koperen altaar, dat voor het aangezigt des Heeren was, quot;was te klein, om de brandofferon, en de spij sof foren, en het vet dor dankofferon te vatton. « 2 Kron. 7:7. 65 Torzolver tijd ook hield Salomo hot feest, en gansch Israël met hom, eeno grooto gemeente, van den ingang af van Ilamath tot do rivier van Egypte, voor het aangezigt dos Heeren, onzes Gods, zeven dagen en zeven dagen, zijnde veertien dagen. 66 Op den achtsten dag liet hij het volk gaan, en zij zegenden den koning; daarna gingen zij naar hunne tenten, blijde en goedsmoeds over al hot goede, dat de Heere aan David, zijnen knecht, en aan Israël, zijn volk, gedaan had. HOOFDSTUK 9. God verschijnt andermaal aan Salomo, vs. 1. Salomo schenkt aan don koning Hiram twintig steden, 10. Opgave van de sterkten en steden, door Salomo gebouwd, 15; het onderscheid zijner onderdanen, 20; zijne jaarlijksche offeranden, 25; zijne scheepsvloot naar Oiir, 26. HET geschiedde nu, quot;als Salomo voleind had te bouwen het huis des Heeren on het huis des konings, ''on al de begeerte van Salomo, die hom gelust had te maken; «2 Kron. 7:11. 62 Kron. 7:11. 2 Dat do Heere ten andere maal aan Salomo verschoen, quot;gelijk als Hij hom in Gfboon verschenen was. «1 Kon. 3:5. 1 KONINGEN 8,9. |
|
344 :i En do Heere zoido tot hom: Ik hol) uw gebed on uwe smooking gehoord, dio gij voor mijn aan-gezigt smeekondo gedaan hebt; Ik hoh dat huis geheiligd, hetwelk gij gebouwd hebt, quot;opdat Ik mijnen naam aldaar tot in eeuwigheid zotte: en mijne oogen en mijn hart zullen daar zijn te allen dage. a Deut. 12:11. 1 Kon. 8:2!). 4 En zoo gij voor mijn aangezigt wandelen zult, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, mot volkomenheid dos harten, on mot opregthoid, om te doen naar al wat Ik u geboden heb, en mijne inzettingen en mijne regton houden zult; 5 Zoo zal Ik don troon uws koningrijks over Israël bevestigen in eeuwigheid; quot;gelijk als Ik gesproken heb over uwen vader David, zeggende: '' Geen man zal u afgesneden worden, van don troon van Israël, a'1 Sain. 7 : 12, 16. 1 Kon. 0: 12. 1 Kron. 22: 10. Ps. 132: 12. b \ Kon. 2:4. (i Maar quot;zoo gijlieden u ten oenomaal afkoeren zult, gij on uwe kindoren, van Mij na te volgen, en niet houden zult mijne geboden en inijno inzettingen, dio Ik voor uw aangezigt gegeven heb; maar heengaan, en andore goden dienon, on u voor dezelve noderbuigon zult; a 2 Sam. 7 : 14. I's. 89:30, 31, enz. 7 Zoo zal Ik Israël uitroeijen van liet land, dat Ik hun gegeven lieb, on dit huis, hetwelk quot; Ik mijnen naam geheiligd heb, zal Ik van mijn aangezigt wegwerpen; ''on Israël zal tot oen spreekwoord en spotrede zijn onder alle volken. a .Tor. 7:15. h Deut. 28 : 37. 8 quot;En aangaande dit huis, dat verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelve zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; nion zal zoggen: ''Waarom hooft do Heere alzoo gedaan aan dit land en aan dit huis? a 2 Kron. 7:21. h Deut. 29 : 24. Tor. 22 : 8. 9 En men zal zoggen: Omdat zij don Heere, hunnen God, verlaten hebben, die hunne vaderen uit Egyptoland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich voor dezelve nodergebogon, en hon gediend; daarom hoeft do Heere al dit kwaad over hon gebragt. 10 quot;En het geschiedde ton einde van twintig jaren, in dewelke Salomo dio twee huizen gebouwd had, het huis des Hekken en het huis des konings; a 2 Kron. 8:1. 11 {Waartoe Hiram, do koning van Tyrus, Salomo van cedorboomen, on van dennenboomen, en van goud, naar al zijnen lust opgebragt had), dat alstoen de koning Salomo aan Hiram twintig steden gaf in hot land van Galiléa. 12 En Hiram toog uit van Tyrus, om do steden te bezien, die Salomo hem gegeven had; maar zij waren niet rogt in zijne oogen. 13 Daarom zeido hij: Wat zijn dat voor steden, mijn broeder! die gij mij gegeven hebt? en hij noemde ze het land Kabul, tot op dozen dag. 14 En Hiram had den koning gezonden honderd en twintig talenten gouds. |
15 Dit is nu do oorzaak van hot uitschot, dat do koning Salomo deed opkomen, om hot huis dos Heeren te bouwen, en zijn huis, en Millo, en don muur van Jeruzalem, mitsgaders Hazor, en Mogiddo, en Gozer. K! Want Faraö, de koning van Egypte, was opgekomen, en had Gozer ingenomen, en haar met vuur verbrand, en de Kanaanioten, die in do stad woonden, gedood, en had haar aan zijne dochter, de huisvrouw van Salomo, tot oen geschenk gegeven. 17 Alzoo bouwde Salomo Gozer, en het lage Bath-hóron, 18 quot; En Baalath, on Tamor in de woestijn, in dat land; «2 Kron. 8:0, enz. 19 En al de schatsteden, dio Salomo had, en do wagenstoden, en de steden dor ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerde te bouwen, in Jeruzalem, en op don Libanon, en in het gansche land zijner heerschappij. 20 Aangaande al hot volk , dat overgebleven was van do Amorioton , Hothioton, Ferezieton, Ilevieten, en Jebusieton, die niet waren van do kinderen Israëls: 21 Hunne kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de kinderen Israëls niet hadden kunnen verbannen, dio heeft Salomo gebragt op slaafschen uitschot tot op dezen dag. 22 Doch van de kinderen Israëls quot; maakte Salomo geen slaaf; maar zij waren krijgslieden, on zijne knechten, en zijne vorston, on zijne hoofdlieden, en de oversten zijnor wagenen, en zijnor ruiteren. a Lev. 25 : 39. 23 Deze waren de oversten der bestelden, die over hot werk van Salomo waren, vijf honderd en vijftig, die heerschappij hadden over het volk, dat in het werk doende was. 24 Doch quot; de dochter van Faraö toog van de stad Davids op tot haar huis, hetwelk hij voor haar gebouwd had; toon bouwde hij Millo. a 2 Kron. 8:11. 25 En Salomo offerde driemaal des jaars brand-offeron en dankofferon, op hot altaar, dat hij den Heere gebouwd had, en rookte op dat, hetwelk voor het aangezigt des Heeren was, als hij hot huis volmaakt had. 26 Do koning Salomo maakte ook schepen to Ezeon-Gober, dat bij Eloth is, aan den oever dor Schelfzee, in hot land van Edom. 27 En Hiram zond mot die schepen zijne knechten, scheepslieden, kenners van do zee, met de knechten van Salomo. 28 En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vier honderd en twintig talenten, en bragton iiot tot den koning Salomo. HOOFDSTUK 10. Do koningin van Scheba komt te Jorüzalem, vs. 1; zij verwondert zich over Salomo's wijsheid en hoer-lijkheid, 3; dankt God, 9; on geeft Salomo go-schenken, 10. Inkomsten van Salomo, 11. Rondassen 1 KONINGEN 9, 10. |
1
1 KONINGEN 10. 345
|
on schilden, 16; ivoren troon, IS; goschenkon, welke hij ontvangt, 24; wagenen on paarden, 2(3; zilver, cederenhout, schatting van paarden en waren, 27. EN toon de koningin vnn Schoba hot gerucht van Salomo hoorde, aangaande den naam des Heeren , kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken. 2 En quot; zij kwam te Jeruzalem, met een zeer zwaar heir, met kamelen, dragende specerijen, en zeer veel gouds, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak tot hem al wat in haar hart was. a2 Kron. !): 1. Matt. 12:42. Luk. II : 151. 3 En Salomo verklaarde haar al hare woorden: geen ding was er verborgen voor den koning, dat hij haar niet verklaarde. 4 Als nu de koningin van Schoba zag al de wijsheid van Salomo, en het huis, hetwelk hij gebouwd had, 5 En de spijze zijner tafel, en het zitten zijner knechten, en hot staan zijner dienaren, en hunne kleedingen, en zijne schenkers, en zijnen opgang, waardoor hij henen opging in het huis des Heeren , zoo was in haar geen geest meer. (! En zij zeide tot den koning: Het woord is waarheid geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uwe zaken en van uwe wijsheid. 7 En ik heb die woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben, en mijne oogen dat gozion hebben; en ziet, de helft is mij niet aangezegd, gij hebt mot wijsheid en good overtroffen hot gerucht, dat ik gehoord heb. 8 Welgelukzalig zijn uwe mannen, welgelukzalig doze uwe knechten, die gedurig voor uw aango-zigt staan, die uwe wijsheid hooren! 9 Geloofd zij do Heere, uw God, dio behagen in u hooft gehad, om u op den troon van Israël to zetten! omdat do Heere Israël in eeuwigheid bemint, daarom heeft Ilij u tot koning gesteld, om regt en gerogtigheid te doen. 10 En zij gaf den koning honderd on twintig talonten gouds, en zeer veel specerijen, en kostelijk gesteente; als deze specerij, die do koningin van Schoba den koning Salomo gaf, is er nooit meer in menigte gekomen. 11 Verder ook do schepen van Hiram, dio goud uit Ofir voerden, bragten uit Ofir zoor veol al-muggimhout en kostelijk gesteente. 12 quot;En de koning maakte van dit almuggimhout steunsolon voor hot huis des Heeren, en voor hot huis des konings, mitsgaders harpen on luiten voor do zangers. Hot almuggimhout was zoo niot gekomen noch gezien geweest, tot op dezen dag. a 2 Kron. 9:11. 13 En de koning Salomo gaf de koningin van Schoba al haar behagen, wat zij begeerde; behalve dat hij haar gaf naar het vermogen van den koning Salomo: zoo keerde zij on toog in haar land, zij en hare knechten. 14 Hot gowigt nu van hot goud, dat voor Salomo |
! op een jaar inkwam, was zes honderd zes en zestig talenten gouds; 15 Behalve dat van de kramers was, en van den handel der kruideniers, en van alle koningen van Arabië, en van do geweldigen deszei von lands. 16 Ook quot;maakte do koning Salomo twee honderd rondassen van geslagen goud: zes honderd nikkelen gouds liet hij opwegen tot elke rondas. al Kon. 14:26. 17 Insgelijks drie honderd schilden van geslagen goud: drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; quot;on do koning loido ze in het huis des wouds van Libanon. a 1 Kon. 7 : 2. 18 Nog quot; maakte do koning oenen grooten elpon-beenon troon, on hij overtoog denzolven met digt goud. a 2 Kon. 9 : 17. 19 Deze troon had zes trappen, en het hoofd van den troon was van achteren rond, en aan beide zijden waren leningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij dio leningen. 20 En twaalf leeuwen stonden daar op do zes trappen aan beide zijden: desgelijks is in geene koningrijken gemaakt geweest. 21 Ook waren allo drinkvaten van don koning Salomo van goud, en allo vaten van het huis des wouds van Libanon waren van gesloten goud; geen zilver was er aan: want hot word in do dagen van Salomo niet voor oenig ding geacht. 22 Want do koning had in zoo schepen van Tharsis, met do schepen van Hiram : deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in driejaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, on paauwen. 23 Alzoo werd do koning Salomo grooter dan allo koningen dor aarde, quot;in rijkdom en in wijsheid. a 1 Kon. 3 : 12, 13. 24 En do ganscho aarde zocht hot aangozigt van Salomo, om zijne wijsheid te hooren, dio God in zijn hart gegeven had. 25 En zij bragten oen ieder zijn geschenk, zilveren vaten, en gouden vaten, en kleederen, en harnas, on specerijen, paarden en muilezelen: elk ding van jaar tot jaar. 26 quot; Daartoe vergaderde Salomo wagenen en rui-teren, en hij had duizend en vier honderd wagenen, en twaalf duizend ruiteren: en loide ze in de wagenstoden, en bij den koning in Jeruzalem. a 1 Kon. 4 : 26. 2 Kron. 1 : 14. 9 : 25. 27 En quot; do koning maakte het zilver in Jeruzalem to zijn als steenon, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgeboomen, dio in de laagte zijn, in menigte. a2 Kron. 1 : 15. 9:27. 28 En hot quot; uitbrengen der paarden was hetgeen Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, h de kooplieden des konings namen het linnen garen voor den prijs. a2 Kron. 9:28. h2 Kron. 1:16. 29 En oen wagen kwam op, on ging uit van Egypte, voor zes honderd sikkelen zilvors, oneen paard voor honderd en vijftig; en alzoo voerden ze die uit door hunne hand voor alle koningen i der Hethieten, en voor de koningen van Syrië. |
1 KONINGEN 11.
|
HOOFDSTUK 11. Salomo's vrouwen cn bijwijven, vs. 1; dio hom tot afgoderij vervoeren, 4; waarover Glod vertoornd wordt en hem bedreigingen doet, 9. Salomo's tegen-partijders zijn Hadad, 14; Hezon, 28; en Jeróbeatn door don jH'ofeet Ah ia als toekomstig koning der tien stammen aangesteld, 2G. Salomo staat Joróbeam naar het leven, 4U. Salomo's dood, 43. EN do koning Salomo had quot; volo vreemde vrouwen lief, en dat benevens do dochter van Farao: nioabietischo, ammonietischo, edomioti-sche, zidonische, hethietische; « üout. 17:17. '2 Van die volken, waarvan de Heere gezegd had tot do kinderen Israels: quot; Gijlieden zult tot hen niet ingaan, en zij zullen tot u niet inkomen, zij zouden zekerlijk uw hart achter hunne goden neigen: aan deze hing Salomo met liefde, a Ex. 34 : 1 (i. Dent. 7 : 3. 3 En hij had zeven honderd vrouwen, vorstinnen, en drie honderd bijwijven; en zijne vrouwen neigden zijn hart. 4 Want het geschiedde in don tijd van Salomo's ouderdom, dat zijne vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen was mot don Heere, zijnon God, gelijk hot hart van zijnen vader David. 5 Want Salomo wandelde quot; A'storcth, den god der Zidoniërs, na, en Milchom, het verfoeisel der Ammonieten. a Rigt. 2: 13. 2 Kon. 23: 13. (i Alzoo deed Salomo dat kwaad was in do oogen des Heeren; en volhardde niet den Heere te volgen, gelijk zijn vader David. 7 quot; Toen bouwde Salomo eeno hoogte voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, op den borg, die voor Jeruzalem is, en voor Moloch, het verfoeisel der kinderen Amnions. a2 Kon. 23:13. 8 En alzoo dood hij voor al zijne vreemde vrouwen, die haren goden rookten en offerdon. 9 Daarom vertoornde zich do Heere togen Salomo, omdat hij zijn hart geneigd had van den Heere, den God Israels, quot;die hem tweemaal verschenen was, « 1 Kon. 3 : ö. 9 : 2. |
raël, totdat hij al wat mannelijk was in Edom uitgerooid had. 17 Doch Hadad was ontvloden, hij en eenige edomiotische mannen uit zijns vaders knechten mot hom, om in Egypte te komen: Hadad nu was een klein jongsken. 18 En zij maakten zich op van Midian, en kwamen tot Paran; en namen met zich mannen van Paran, en kwamen in Egypte tot Faraö, don koning van Egypte, die hem een huis gaf, en hem voeding toezoide, en hom een land gaf. 19 En Hadad vond groote genade in de oogen van Faraö, zoodat hij hem tot eene vrouw gaf de zuster zijner huisvrouw, de zustor van Tach-penes, do koningin. 20 En de zuster van Tachpenes baarde bom |
|
zijnen zoon Genübath, denwolken Tachpenes optoog' in hot huis van Faraö; zoodat Genübath in liet huis van Faraö was, onder de zonen van Farao. '21 Toen nu Hadad in Egypte hoorde, dat David met zijne vaderen ontslapen, en dat Joab, do krijgsoverste, dood was, zeido 1 ladad tot Faraö: Laat mij gaan, dat ik in mijn land trekko. 22 Doch Faraö zeido tot hom: Maar wat ontbreekt u bij mij, dat, zio, gij in uw land zoekt te trekken? En hij zeido: Niets, maar laat mij evenwel gaan. 2!? quot; Ook verwekte hem God oenon wederpartij-dor, Rozon, den zoon van Eljada, die gevloden was van zijnen hoor Hadad-ézer, don koning van Zoba. «2 Sam. s : y. 1(i:1s. 24 Togen wolkon hij ook mannen vergaderd had, en werd overste eonor heiulo, quot;als David die doodde; en getrokken zijnde naar Damaskus, woonden zij aldaar, en regeerden in Damaskus. a 2 Sam. 8 ; 3. 20 En lilj was Israels togenpartijder al do dagen van Salomo, on dat benevens het kwaad, dat Hadad deed; want hij had oenen afkoer van Israël, en liij regeerde over Syrië. 20 Daartoe quot;Jeroboam, do zoon van Nobat, een Efrathiet van Zeréda, Salomo's knecht, (wiens moedors naam was Zorüa, oeno weduwvrouw) hiof ook do hand op togen don koning. a 2 Kron. 13:0. 27 Dit is nu de zaak, waarom hij de hand togen den koning ophief. Salomo bouwde Millo, cn sloot do breuk der stad van zijnen vader David too. 28 En do man Jeroboam was eon dapper held. Toen Salomo dozen jongeling zag, dat hij arbeidzaam was, zoo stelde hij hom over al den last van hot huis van Jozef. 29 Hot geschiedde nu te dier tijd, als Jeróbeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet Ahia, do Siloniot, hem op den weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren; 30 Zoo vatte Ahia hot nieuwe kleed, dat aan hem was, en scheurde hot in twaalf stukken. 31 En hij zeido tot Jeróbeam: Neem u tien stukkon: want alzoo zegt de Heere, de God Israels: quot; Zio, Ik zal hot koningrijk van do hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven. al Sam. 15:28. 32 Maar oenen stam zal hij hebben, om mijns knechts Davids wil, en om Joriizalems wil, de stad, die Ik verkoren heb uit alle stammen van Israël. 33 Daarom dat zij Mij verlaten, en zich noder-gebogen hebben voor A'storeth, don god der Zidoniërs, Kamos, don god dor Moabieton, en Milchoin, don god dor kindoren Amnions; en niet gewandeld hebben in mijne wogen, om te doen wat regt is in mijne oogon, te weten mijne inzettingen on mijne rogten, gelijk zijn vader David. |
3-17 34 Doch niets van dit koningrijk zal Ik uit zijne hand nomen; maar Ik stol hom tot eoiien vorst al do dagen zijns levens, om mijns knechts Davids wil, dien Ik verkoren heb, die mijne geboden en mijne inzettingen gehouden heeft. 35 Maar uit do hand zijns zoons zal Ik hot koningrijk nemen; on Ik zal u daarvan tien stammen geven. 36 En zijnen zoon zal Ik oenen stam geven; quot; opdat mijn knecht David altijd oeno lamp voor mijn aangozigt hebbo in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij verkoren heb, om mijnen naam daar te stollen. al Kon. 15:4. I's. 132:17. 37 Zoo zal Ik u nomen, en gij zult rogoren over al wat uwe ziel zal begeeron; on gij zult koning zijn over Israël. 38 En hot zal geschieden, zoo gij hooren zult al wat Ik ii zal gobioden, en in mijne wegen zult wandelen, on doen wat regt in mijne oogen is, houdende mijne inzettingen en mijne gobodon, gelijk als mijn knecht David gedaan heeft; dat Ik met ii zal zijn, en u oen bestendig huis houwen, gelijk als Ik David gebouwd heb, en zal u Israël geven. 39 En Ik zal om diens wil hot zaad van David verootmoedigen; nogtans niet altijd. 40 Daarom zocht Salomo Jeróbeam te doodon; maar Jeróbeam maakte zich op, en vlood in Egypte, tot Sisak, den koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf. 41 Hot quot;overige nu der geschiedenissen van Salomo, en al wat hij gedaan hoeft, en zijne wijsheid, is dat niet geschroven in hot boek der go-schiodenisson van Salomo? a2 Kron. 9:29. 42 De tijd nu, dien Salomo te Jeruzalem over het gansche Israël rogeorde, quot;was veertig jaar. a 2 Kron. 9 : 30. 43 Daarna ontsliep Salomo mot zijne vaderen, en word begraven in do stad van zijnon vader David; en Rehabeam, zijn zoon, word koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 12. üo Israëlieten verzoeken van Kehabeain vcrligting van de opgelegde lasten, vs. 1; waarover hij eerst niet de oudste, 0, doch daarna met de jeugdige raadslieden handelt; op raad van welke hij weigert, 8; waarop tien stammen van hom afvallen, 16. Rehabeam tracht hen weder aan zich te onderwerpen; doch te vergeefs, 18. God verbiedt hem tegen Israël te strijden, 22. Jeróbeam, koning van Israël, verzekert zijn rijk door het bouwen van eonige sterkten en liet invoeren van de kalverendienst, 25. EN Rehabeam quot; toog naar Sichem, want het ganscho Israël was to Sichem gekomen, om hom koning te maken. a 2 Kron. 10:1. 2 Hot geschiedde nu, als Jeróbeam , do zoon van Nobat, dit hoorde, quot;daar hij nog in Egypte was, (want hij was van hot aangozigt van don koning Salomo gevloden; on Jeróbeam woonde in Egypte). a 1 Kon. 11 : 40. 3 Dat zij henenzonden en lieten hem roepen; en 1 KONINGEN 11, 12. |
I KONINGEN 12.
348
|
Jeróbeam en do gansche gemeente van Israël kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende: 4 quot;Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harde dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, ligter, en wij zullen u dienen. «2 Kron. 10:4. 5 En hij zeido tot hen: Gaat heen tot aau den derden dag, komt dan weder tot mij. En hot volk ging heen. 6 En de koning Rehabeam hield raad mot de oudsten, die gestaan hadden voor hot aangozigt van zijnen vader Salomo, als hij loefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal ? 7 En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden sproken zult, zoo zullen zij te allen dage uwe knechten zijn. 8 Maar hij verliet don raad dor oudsten, dien zij hem geraden haddon; en hij hield raad met do jongelingen, die mot hom opgewassen waren, die voor zijn aangezigt stonden. !) En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd hooft, ligter. 10 En do jongelingen, die mot hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzoo zult gij zeggen tot dat volk, dio tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij hot over ons ligter; al-zoo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden. 11 Indien nu mijn vader oen zwaar juk op u hooft doen laden, zoo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader hooft u mot geesolon gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden. 12 Zoo kwam Jeróbeam en hot gansche volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als do koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derdon dag. l!i En de koning antwoordde hot volk hardelijk: want hij verliet don raad dor oudsten, dien zij hom geraden haddon. 14 En hij sprak tot hen naar don raad der jongelingen , zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geesolon gekastijd, maar ik zal u mot schorpioenen kastijden. 15 Alzoo hoorde do koning naar hot volk niet; want deze omwending was van don Heere, opdat Hij zijn woord bevestigde, hetwelk de Heere door do dienst van Ahia, den Siloniet, quot;gespro-kon had tot Jeróbeam, den zoon van Nebat. a 1 Kon. 11:11, 31. 16 Toen gansch Israël zag, dat do koning naar hen niet hoorde, zoo gaf het volk don koning weder antwoord, zeggende: quot;Wat dool hebben wij aan David? ja geono orvo hebben wij aan don zoon van Isaï; naar uwe tenten, o Israël! voorzie nu uw huis, o David! Zoo ging Israël naar zijne tonton. a 2 Sum. 20:1. |
17 Doch aangaande do kinderen van Israël, die in do steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook. 18 Toen zond de koning Rehabeam quot;Adóram, die over do schatting was; en hot gansche Israël stoenigde hem mot steenen, dat hij stierf; maar do koning Rehabeam verkloekte zich om op eenen wagon te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vlugtte. a 1 Kon. 4 : (i. 5 : 14. 19 quot; Alzoo vielen de Israëlieten van het huis Davids af, tot op dezen dag. a2 Kon. 17:21. 20 En hot geschiedde, als gansch Israël hoorde, dat Jeróbeam wedergekomen was, dat zij henen zonden, en hom in do vergadering riepen, on hem over gansch Israël koning maakten: niemand volgde hot huis Davids, dan do stam van Juda alleen. 21 Toon quot; nu Rehabeam to Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het gansche huis van Juda en don stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelozenon, geoefend ten oorlog, om togen hot huis Israels te strijden, opdat hij hot koningrijk weder aan Rehabeam, don zoon van Salomo, bragt. «2 Kron. 11:1. 22 quot; Doch hot woord van God geschiedde tot Semaja, don man Gods, zeggende: a2Kron. 11:2. 23 Zog tot Rehabeam, don zoon van Salomo, don koning van Juda, en tot het gansche huis van Juda en Benjamin, en het overige dos volks, zeggende: 24 Zoo zegt de Heere: Gij zult niet optrekken, noch strijden togen uwe broederen, de kinderen Israels; oen ieder keere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden hot woord dos Heeren, en koorden weder, om weg te trekken naar bet woord des Heeren. 25 Jeróbeam nu bouwde Sichem op hot gebergte van Efraïm, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde quot;Penüël. a Oen. 32:30. 20 En Jeróbeam zoido in zijn hart; Nu zal hot koningrijk weder tot bot huis van David koeren. 27 Zoo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis dos Heeren te Jeruzalem, zoo zal het hart dezes volks tot hunnen heer, tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkooren; ja zij zullen mij dooden, en tot Rehabeam, don koning van Juda, wederkeeren. 28 Daarom hield do koning oenen raad, en quot;maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Hot is uliodon to voel om op te gaan naar Jeruzalem; h zie uwe goden, o Israël! die u uit Egypteland opgebragt hebben. a2 Kon. 17:10. b Ex. 32 : lt;S. 29 En hij zotte hot oene to Both-El, en hot andere stolde hij te Dan. 30 En deze zaak werd tot zonde: want het volk ging heen voor het oono, tot Dan toe. |
1 KONINGEN 12, IIS.
|
Ill Hij maakte ook een huis der hoogten; quot;on maakte priesteron van de geringsten des volks, die niet waren uit de zonen van Levi. aNum.3:10. IKon.13:33. 2Kon. 17:32. 2Kron. 11:15. 32 En Jeroboam maakte een foest ia do achtste maand, op don vijftienden dag dor maand, gelijk liet feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-EI, offerende don kalveren, die hij gemaakt had: hij stolde ook te Beth-El priesteron dor hoogten, dio hij gemaakt had. 33 En hij offerde op het altaar, dat hij te Both-El gemaakt had, op den vijftienden dag dor achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had: zoo maakte hij den kinderen Israels eon foost, on offerde op dat altaar, rookonde. HOOFDSTUK 13. Een profeet van .1 uda profeteert tegon liet altaar to lioth-El, vs. 1. Zijne voorspelling' wordt door een wonderteoken bevestigd, 3. Hij weigert met Jeróbeam to eten en vertrekt, 7. Een ond profeet verleidt hem om weder to koeren, en aan eenen maaltijd doel te nemen, 11. Hij wordt daarover van (red door den ouden profeet bestraft on door een' leeuw gedood, 20. De oude profeet, dit vernemende, begraaft hem, 25; en bevestigt zijne profetie, 31. .loróbeam volhardt in zijne zonden, 33. EN ziet, een man Gods kwam uit Juda, door het woord des Heeren tot Beth-El; on Jeróbeam stond bij het altaar, om te rooken. 2 En hij riep tegen het altaar, door het woord des Heeren, en zoide: Altaar, altaar! zoo zegt de Heere: quot;Zie, een zoon zal aan hot huis Davids geboren worden, wiens naam zal zijn Josia; die zal op u offeren do priesters der hoogten , die op u rooken, en men zal menschenbeen-deren op u verbranden. a2 Kon. 23:15,1G, 17, enz. 3 En hij gaf ten zeiven dage een wonderteoken, zeggende: Dit is dat wonderteoken, waarvan de Heere gesproken heeft; ziet, het altaar zal van een gescheurd, en de asch, dio daarop is, afgestort worden. 4 Hot geschiedde nu, als de koning het woord van den man Gods hoorde, hetwelk hij togen hot altaar te Beth-El geroepen had, dat Jeróbeam zijne hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijpt hem! Maar zijne hand, die hij togen hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet weder tot zich trekken kon. 5 En het altaar werd van een gescheurd, en de asch van het altaar afgestort, naar dat wonderteoken, dat de man Gods gegeven had, door hot woord des Heeren. G Toen antwoordde de koning, en zeide tot den man Gods: «Aanbid toch hot aangezigt des Heeren, uws Gods, ernstelijk, en bid voor mij, dat mijne hand weder tot mij kome! Toen bad de man Gods hot aangezigt dos Heeren ernstelijk; en de hand des konings kwam weder tot hem, en werd gelijk te voren. a Ex. 8:8. 9 : 28. 1(J : 17. Nutn. 21: 7. Hand. 8 : 24. |
7 En do koning sprak tot den man Gods: Kom met mij naar huis, en sterk u, en ik zal u oon geschenk geven. 8 Maar de man Gods zeide tot don koning: quot; Al gaaft gij mij do helft van uw huis, zoo zou ik niet mot u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken. « Num. 22:18. 9 Want zoo hoeft mij de Heere geboden door zijn woord, zeggende: Gij zult geen brood eten, noch water drinken; en gij zult niet wederkeeron door den weg, dien gij gegaan zijt. 10 En hij ging door oenen anderen weg, on keerde niet weder door den weg, door wolkon hij te Both-El gekomen was. 11 Een oud profeet nu woonde to Beth-El; en zijn zoon kwam, en vertelde hom al hot werk, dat do man Gods te dien dage in Both-El gedaan had, met de woorden, die hij tot den koning gesproken had; deze vertelden zij ook hunnen vader. 12 En hun vader sprak tot hou: Wat weg is hij getogen? En zijne zonen hadden don weg gezien, wolkon do man Gods was getogen, dio uit Juda gekomen was. 13 Toen zeide hij tot zijne zonen: Zadelt mij don ezel. En zij zadelden hem den ezel, en hij reed daarop. 14 En hij toog den man Gods na, en vond hom zittende onder oenen eik; en hij zoide tot hom: Zijt gij do man Gods, dio uit Juda gekomen zijt? En hij zeide: Ik ben hot. 15 Toon zeide hij tot hem: Kom met mij naar huis, en eet brood. K! Doch hij zeide: Ik kan niet mot u wederkeeron, noch mot u inkomen; ik zal ook geen brood eten, noch met u water drinken, in deze plaats. 17 Want een woord is tot mij geschied door het woord dos Heeren: Gij zult aldaar noch brood eten, noch water drinken; gij zult niet wederkeeron, gaande door den weg, door donwolken gij gegaan zijt. 18 En hij zoide tot hom: quot;Ik ben ook een profeet, gelijk gij, en oon ongel hooft tot mij gesproken door hot woord des Heeren, zeggende: Breng hom weder mot u in uw huis, dat hij brood ote en water drinke. Doch hij loog hom. a Gal. I : 8. 19 En hij koerde mot hem wederom, en at brood in zijn huis, en dronk water. 20 En het geschiedde, als zij aan de tafel zaten, dat liet woord des Heeren geschiedde tot don profeet, die hem had doen wederkeeron; 21 En hij riep tot den man Gods, die uit Juda gekomen was, zeggende: Zoo zegt do Heere: Daarom, dat gij den mond dos Heeren zijt wodor-spannig geweest, on niet gehouden hebt hot gebod, dat u do Heere, uw God, geboden had: 22 Maar zijt wedergekeerd, on hebt brood go-goton on water gedronken tor plaatse, waarvan Hij tot u gesproken had: Gij zult geen brood |
|
350 eten noch water drinken; zoo zal uw dood liy-chaam in uwer vaderen graf niet komen. 23 En het geschiedde, nadat hij brood gegeten, en nadat hij gedronken had, dat hij hom den ezel zadelde, te weten voor den profeet, dien hij had doen wederkeeren. 24 Zoo toog hij heen, quot;en een leeuw vond hem op den weg, en doodde hem: en zijn dood lig-chaam lag geworpen op den weg, en de ezel stond daarbij, ook stond de leeuw bij het doode ligchaam. al Kon. 20:36. 25 En ziet, er gingen lieden voorbij, en zagen het doode ligchaam geworpen op den weg, en de leeuw, staande bij het doode ligchaam; en zij kwamen en zeiden het in de stad, waarin de oude profeet woonde. 26 Als de profeet, die hem van den weg iiad doen wederkeeren, dit hoorde, zoo zeide hij: Het is de man (iods, die den mond des IIeeren wederspannig is geweest; daarom heeft de Heere hem den leeuw overgegeven, die hem gebroken, en hem gedood heeft, naar liet woord des IIeeren, dat Hij tot hom gesproken had. 27 Verder sprak hij tot zijne zonen, zeggende: Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem. 28 Toen toog hij heen, en vond zijn dood ligchaam geworpen op den weg, en den ezel, en den leeuw, staande bij het doode ligchaam: de leeuw had het doode ligchaam niet gegeten, en den ezel niet gebroken. 29 Toen nam do profeet het doode ligchaam van den man Gods op, en leide dat op den ezel, en voerde het wederom; zoo kwam de oude profeet in de stad om rouw to bedrijven en hem te begraven. 30 En hij lelde zijn dood ligchaam in zijn graf; en zij maakten over hem eeno weeklage: Ach, mijn broeder! 31 Het geschiedde nu, nadat hij hem begraven liad, dat hij sprak tot zijne zonen, zeggende: Als ik zal gestorven zijn, zoo begraaft mij in dat graf, waarin de man Gods begraven is, en logt mijne beenderen bij zijne beenderen. 32 Want de zaak zal gewisselijk geschieden, quot; die hij door hot woord des Heeren uitgeroepen heeft tegon hot altaar, dat te Beth-El is, en tegen al de huizon der hoogten, die in de steden van Samaria zijn. a 2 Kon. 23: 16. 33 Na deze geschiedenis keerde zich Jeróbeam niet van zijnen boozen weg; quot;maar maakte wederom priesters der hoogten van de geringsten dos volks: wie wilde, diens hand vulde hij, en werd een van de priesters dor hoogten, rel Kon.12:31,32. 34 En hij werd in deze zaak hot huis van Jeróbeam tot zonde, om hetzelve te doen afsnijden en te verdelgen van den aardbodem. HOOFDSTUK 14. |
Jeróbeam zendt zijne vrouw tot den profeet Alna, om te vragen, hoe het met zijnen zoon, die krank was, zon afloopon, vs. 1. De profeet, van God onderrigt, dat het Jeróbeams huisvrouw zelve was, die tot hom kwam, 5; voorzegt haar den ondergang van Jeróbeam om zijne afgoderij, 7; den dood van zijn kind en Israels verstrooijing, 12. Dood van het kind en van Jeróbeam. Nadab regeert, 17. Rchiibeam en Jnda bedrijven afgoderij, 21. Zij worden gestraft door Sisak, don koning van Egypte, 25. Rehabeams dood, zijn zoon Abia regeert, 31. TE dierzelver tijd was Abia, do zoon van Jeróbeam, krank. 2 En Jeróbeam zeide tot zijne huisvrouw: Maak u nu op, on verstol u, dat men niet morko, dat gij Jeróbeams huisvrouw zijt, en ga heen naar Silo; zie, daar is de profeet Aliia, quot;die van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk. a 1 Kon. 11 : 31. 3 En noem in uwe hand tien broodon, en koeken , en eeno kruik honig, en ga tot hem; hij zal ii te kennen geven, wat dozen jongen geschieden zal. 4 En Jeróbeams huisvrouw deed alzoo, en maakte zich op, en ging naar Silo, en kwam in het huis van Ahia. Aliia nu kon niet zien, want zijne oogen stonden stijf van wege zijnen ouderdom. 5 Maar de Heere zeide tot Aliia: Zie, Jeróbeams huisvrouw komt, om eene zaak van u te vragen, aangaande haren zoon, want hij is krank: zoo en zoo zult gij tot haar spreken, en het zal zijn, als zij inkomt, dat zij zich vreemd aanstellen zal. 6 En het geschiedde, als Ahia hot goruisch harer voeten hoorde, toen zij ter douro inkwam, dat hij zeide: Kom in, gij huisvrouw van Jeróbeam! waarom stelt gij u dus vreemd aan? want ik ben tot u gezonden met eene harde boodschap. 7 Oa hoen, zeg Jeróbeam: Zoo zegt do Heere, do God Israels: quot;Daarom dat Ik u verheven heb uit het midden dos volks, en u tot oenen voorganger over mijn volk Israël gesteld heb; al Kon. 12:15. 8 En het koningrijk van het huis van David gescheurd , en dat u gegeven heb, en gij niet geweest zijt, gelijk mijn knecht David, die mijne geboden hield, en die Mij met zijn gansche hart navolgde, om te doen alleen wat regt is in mijne oogen; 9 Maar kwaad gedaan hebt, doende dos meer dan allen, die voor u geweest zijn, en henenge-gaan zijt, en hebt u andere goden en gogotene boelden gemaakt, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij achter uwen rug geworpen: 10 Daarom, quot;zie. Ik zal kwaad over het huis van Jeróbeam brengen, en van Jeróbeam uit-roeijen, b die aan den wand pist, don beslotene en verlatene in Israël; on Ik zal do nakomelingen van bet huis van Jeróbeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganschelijk vergaan zij. al Kon. 15:29. h 1 Sa in. 25 : 22, 34. 1 Kon. 16 : 11. 21: 21. 2 Kon. 9 : 8. 11 Die van Jeróbeam in de stad sterft, zullen do honden eten; en die in het veld sterft, zullen 1 KONINGEN in, 14. |
1 KONINGEN 14, 15.
|
de vogelen dos hemels eten: want do Ueere heeft liet gesproken. 12 Gij dan maak u op, ga naai- nw huis: als uwe voeten in de stad zullen gokonien zijn, zoo zal het kind sterven. lil En gansch Israël zal hem beklagen, on hom begraven: want dezo alleen van Jeróbeam zal in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor den Ueere, den God Israels, in hot huis van Jeróbeam gevonden is. 14 Doch quot;do Ueere zal zich oenen koning verwekken over Israël, die hot huis van Jeróbeam ton zolvon dage uitroeijen zal: maar wat zal hot ook nu zijn? «1 Kon. 15; 2gt;, 29. 15 Do Heere quot;zal ook Israël slaan, gelijk eon riet in hot water omgedreven wordt, en zal Israël uitrukken uit dit goede land, dat Hij hunnen vaderen gegeven hooft, en zal hen verstrooijon op gene zijde der rivier: daarom dat zij hunne bosschen gemaakt hebben, don Heere tot toorn verwekkende. ff 2 Kon. 17 : 18. 16 En Hij zal Israël overgeven, om Jeroboams zonden wil, die gezondigd heeft, on die Israël hooft doon zondigen. 17 Toen maakte zich Joróbeams vrouw op, en ging heen, en kwam te Thirza: als zij nu op den dorpel van hot huis kwam, zoo stierf do jongeling. 18 En zij begroeven hem, on gansch Israël beklaagde hom; naar hot woord des Heeren, dat Hij gesproken had door do dienst van zijnen knecht Ahia, don profeet. 1!) Het overige nu der geschiedenissen van Jeróbeam, hoe hij gekrijgd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronijken der koningen van Israël. 20 De dagen nu, die Jeróbeam hoeft geregeerd, zijn twee en twintig jaren; en hij ontsliep met zijne vaderen, on Nadab, zijn zoon, rogeerde in zijne plaats. 21 quot; Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehabeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren to Jeruzalem, in do stad, die de Heere vorkoren had uit al de stammen van Israël, om zijnon naam daar te zetten; on do naam zijner moeder was Naam a, de Amnioniotischo. ff 2 Kron. 12:13. 22 En Juda deed wat kwaad was in de oogen dos Heeren, en zij verwekten Hom tot ijver, moer dan al hunne vaderen gedaan haddon, met hunne zonden, die zij zondigden. 23 Want ook zij bouwden zich hoogten, en op-gerigte boelden, en bosschen, op allen hoogen heuvel, en onder allen groenen boom. 24 Er waren ook schandjongens in hot land: zij deden naar al de gruwelen dor Heidenen, die de He ere van het aangezigt der kinderen Israels uit do bezitting verdreven had. 25 Het geschiedde nu in het vijfde jaar van don |
koning Rehabeam, quot; dat Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem. «2 Kroti. 12:2. 2(1 En hij nam de schatten van het huis dos 11 eeren, en de schatten van het huis dos konings weg, ja hij nam alles weg; quot;hij nam ook al do gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had. a 1 Kon. 10: 10, 17. 2 Kron. 9:15. 27 En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval (fee onder de hand van de oversten dor trawanten, dio do deur van hot huis des konings bewaarden. 28 En hot geschiedde, zoo wanneer de koning in het huis dos Heeren ging, dat de trawanten dezelve droegen, en die wederbragten in der trawanten wachtkamer. 29 Hot overige nu dor geschiedenissen van Ro-habeam, en al wat hij gedaan heeft, zijn dio niet geschreven in hot boek der kronijken der koningen van Juda? 30 En er was krijg tusschon Rehabeam en tus-schen Jeróbeam, al hunne dagen. 31 En Rehabeam ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen in do stad Davids; en do naam zijnor moedor was Naiima, do Am-monietischo; en zijn zoon Abiam regeerde in zijne plaats. HOOFDSTUK 15. AWain regeert on wandelt in lt;lc zonden van zijnen vader, vs. 1. God houdt evenwel /.ijiio bolofto om Davids wil, 4. Dood van Alaam, 7. Asa volgt zijnen vader op in do regering en herstelt de vervallene godsdienst onder Juda, 9. Hij wordt beoorloogd van Baësa, den koning van Israël, geholpen door Ben-hadad, 20. Hij sterft en zijn zoon Jósafat regeert in zijne plaats, 23. Regering van Nadab over Israël, die door Baësa wordt omgebragt, hot gansche huis zijns vaders uitroeit en zich alzoo op don troon plaatst, 25. IN quot; het achttiende jaar nu van den koning Jeróbeam, den zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda. «2 Kron. 13:1. 2 quot;Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Maiicha, eene dochter van Abisalom. n2 Kron. 13:2. 3 En hij wandelde in al de zonden zijns vaders, die hij vóór hem gedaan had; en zijn hart was niet volkomen mot den Heere, zijnen God, gelijk bot hart van zijnen vader David. 4 Maar om Davids wil, gaf de Heere, zijn God, hom quot;eene lamp in Jeruzalem, verwekkende zijnen zoon na hem, en bevestigende Jeruzalem. a 1 Kon. 11: 30. 5 Omdat David gedaan had wat regt was in de oogen dos Heeren, en niet geweken was van alios, wat Hij hom geboden had, al de dagen zijns levens, dan alleen quot;in de zaak van Urfa, don Hethiet. «2 Sum. 11:4, 15. 12:9. (i En er was krijg geweest tusschon Rehabeam en tusschon Jeróbeam, al de dagen zijns levens. 7 Het overige nu der geschiedenissen van Abiam, i en alles, wat hij gedaan hooft, is dat niet ge- |
|
f?52 1 KON] schreven in het boek der kronijken der koningen van Juda? Er was ook krijg tusschen Abiam en tussehen Jeróbeani. 8 En Abiam ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en quot;Asa, zijn zoon, regeerde in zijne plaats. a 2 Kron. 14:1. 9 In het twintigste jaar van Jeróbeani, den koning van Israël, werd Asa koning over Juda. 10 En hij regeerde oen en veertig jaren te Jeruzalem, en de naam zijner moeder was Maacha, eene dochter van Abisalom. 11 En Asa deed wat regt was in de oogen des Heeren, gelijk zijn vader David. 12 Want hij nam weg quot;do schandjongens uitliet land, en dood weg al do drekgoden, die zijne vaders gemaakt hadden ; a 1 Kon. 'J2 : 47. |
STGEN 15. 18 Toen nam Asa al hot zilver en goud, dat overgebleven was in de schatten van hot huis des Heeren, on de schatten van het huis des konings, en gaf zo in do hand zijnor knechten; en do koning Asa zond zo quot;tot Benhadad, den zoon van Tabrimmon, den zoon van Hézion, den koning van Syrië, die te Damaskus woonde, zeggende: a\ Kon. 20:1. 2 Kron. 16: 2, on/,. 19 Er is oon verbond tusschen mij en tusschen u, tusschen mijnen vader en tussciion uwen vader; zie, ik zond u een geschenk, zilver en goud, ga heen, maak uw verbond te niet mot Baësa, den koning van Israël, dat hij aftrekke van tegen mij. 20 En Benhadad hoorde naar don koning Asa, en zond de oversten dor hoiron, die hij had, togen do steden van Israël; en sloeg Ijon, en |
|
13 quot;Ja zelfs zijne moedor Maacha zotte hij ook af, dat zij goone koningin ware, omdat zij oenen afgrijssolijken afgod in een bosch gemaakt had; ook rooide Asa uit haren afgrijssolijken afgod, en verbrandde hem aan do book Kidron. «2 Kron. 15: 10. 14 De hoogten werden wel niet woggonomon; nogtans was hot hart van Asa volkomen mot den IIeere al zijne dagen. 15 En hij bragt in hot huis des Heeren quot;de geheiligde dingen zijns vaders, en zijne geheiligde dingen, zilver, en goud, en vaten. a Lev. 5:15. 1G En er was krijg tusschen Asa en tusschen Baësa, den koning van Israël, al hunne dagen. 17 Want quot;Baësa, do koning van Israël, toog op tegon Juda, en bouwde Rama; opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, den koning van Juda. «2 Kron. 10: 1, |
Dan, on Abél Beth-Maacha, en het gansche Cin-neroth, met het gansche land Nafthali. 21 En hot geschiedde, als Baësa zulks hoorde, dat hij afliet van Kama te bouwen, en hij bleef te Thirza. 22 Toen liet de koning Asa door gansch Juda uitroepen, (niemand was vrij) dat zij de steenon van Rama, on het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmede Baësa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmede Goba Benjamins, en Mizpa. 23 Hot overige nu van alle geschiodonissen van Asa, en al zijne niagt, en al wat hij gedaan heeft, on do steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek dor kronijken dor koningen van Juda? Doch in don tijd zijns ouderdoms werd hij krank aan zijne voeten. 24 En quot;Asa ontsliep mot zijne vaderen, on word |
|
begraven met zijne vaderen, in do stad van zijnen vader David; en ''zijn zoon Jósafat werd koning in zijne plaats. a 2 Ivron. 16:13. h 2 Kron. 17:1. 25 Nadab nu, de zoon van Jeróbeani, werd koning over Israël, in het tweede jaar van Asa, den koning van Juda: en hij regeerde twee jaren over Israël. 26 En hij deed wat kwaad was in do oogen des Heeren, en wandelde in den weg zijns vaders, en in zijne zonde, waarmede hij Israël liad doen zondigen. 27 En Baësa, do zoon van Alua, van hot huis van Issaschar, maakte eene verbindtenis tegen hem, en Baösa sloeg hem to Gibbethon, hetwelk der Filistijnen is, als Nadab en gansch Israël Gibbethon belegerden. 28 En Baësa doodde hem, in liet derde jaar van Asa, den koning van Juda, on werd koning iu zijne plaats. 29 Hot geschiedde nu, als hij rogeerde, dat hij hot ganscho huis van Jeróbeam sloeg; hij liet niets over van Jeróbeam, wat adem had, totdat hij hom verdelgd had, quot;naar het woord des Heè-ken , dat Hij gesproken had door do dienst van zijnon knecht Aliia, den Siloniet: «1 Kon. 14:10,14. :i() Om do zonden van Jeróbeam, die zondigde, en die Israël zondigen dood, en om zijne terging, waarmede hij den Heere, don God Israëls, getergd had. lil Hot overige nu dor geschiedenissen van Nadab, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet goschroven iu liet boek dor kronijken der koningen van Israël? 32 En er was oorlog tusschen Asa en tusschen Baësa, den koning van Israël, al hunne dagen. 33 In hot dorde jaar van Asa, koning van Juda, word Baësa, do zoon van Ahia, koning over gansch Israël, te Thirza, e.i regeerde vier en twintig jaren. Ã4 En hij deed wat kwaad was in do oogen des Heeren, en wandelde in don weg van Jeróbeam, on in zijne zonde, waarmede hij Israël had doen zondigen. HOOFDSTUK 16. De jirofeet John profeteert tegen lii'iësa, vs. 1. Baësa sterft, 6. Zijn zoon Ela volgt hein op, 8. Zimri doodt Ela en volgt hem op, 9. Zimri door Oniri belegerd wordende, stort zieh zei ven in de vlammen van zijn paleis, 15. Oodeeldo regering tusschen Tibni en Omri, welke laatste do overhand verkrijgt, koning wordt en Samaria sticht, 21. Hij volgt do zonden Jerobeams, 25; en sterft, 28. Achab, zijn zoon, die hem opvolgt, is nog grooter afgodendienaar, 29. Hiël bouwt .fericlio, 34. TOEN geschiedde hot woord dos Heeren tot Jelui, den zoon van Hanani, togen Baësa, zeggende: 2 Daarom, quot; dat Ik u uit hel stof verheven , en u tot oenen voorganger over mijn volk Israël gesteld heb, en gij gewandeld hobt in den weg van Jeróbeam, en mijn volk Israël hebt doen |
353 zondigen. Mij tot toorn verwekkende door hunne zonden; «1 Kon. 14:7. 3 Zie, zoo zal Ik de nakomelingen van Baësa, en de nakomelingen van zijn huis wegdoen; en Ik zal uw huis makon, quot;gelijk het huis van Jeróbeam, den zoon van Nebat. «1 Kon. 15:29. 4 Die quot;van Baësa in de stad sterft, zullen de honden eten, en die van hom in hot veld sterft, zullen de vogelen dos homels eten. al Kon. 14:11. 15:29. 16:12. 5 liet overige nu der geschiedenissen van Baësa, on wat hij gedaan heeft, en zijne magt, zijn die niet geschreven in het boek der kronijken der koningen van Israël 'lt; 6 En Baësa ontsliep mot zijne vaderen, on werd begraven te Thirza; en zijn zoon Ela regeerde in zijne plaats. 7 Alzoo geschiedde ook hot woord des Heeren, door de dienst van den profeet Jelui, den zoon van Hanani, tegen Baësa en tegen ziju huis; en dat om al het kwaad, dat hij gedaan had in de oogen dos Heeren, Hem tot toorn verwekkende door het werk zijnor handen, omdat hij was gelijk hot huis van Jeróbeam, quot;on omdat hij hetzelve verslagen had. al Kon. 15:29. 8 In het zes en twintigste jaar van Asa, don koning van Juda, werd Ela, do zoon van Baësa, koning over Israël, te Thirza, en regeerde twee jaren. 9 En Zimri, zijn knecht, overste van de helft dor wagonen, maakte oene verbindtenis togen hom, als hij te Thirza was, zich dronken drinkende in het huis van Arza, den hofmeester te Thirza; 10 Zoo kwam quot; Zimri in, en sloeg hem, ou doodde hein, in het zeven en twintigste jaar van Asa, don koning van Juda; on lüj werd koning m zijne plaats. a2 Kon. 9:31. 11 En hot geschiedde, als hij regeerde, als hij op zijnon troon zat, dat hij het ganscho huis van Baësa sloeg; hij liet hom niet over, die aan den wand pist, noch zijne bloedverwanten, noch zijne vrienden. 12 Alzoo verdelgde Zimri liet ganscho huis van Baësa; quot;naar hot woord des Heeren, dat Hij over Baësa gesproken had, door de dienst van don profeet Johu: al Kon. 16: 1, 2, enz. 13 Om al dc zonden van Baësa, en do zonden van Ela, zijnen zoon, waarmede zij gezondigd haddon, on waarinede zij Israël haddon doen zondigen, tot toorn verwekkende den Heere, don God Israëls, door hunne ijdelheden. 14 Hot overige nu der geschiedenissen van Ela, on al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in hot boek dor kronijken der koningen van Israël ? 15 In het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gibbethon, dat der Filistijnen is. I KONINGEN 15, 16. |
23
1 KONINGEN 16, 17.
|
16 Het volk nu, dat zich gelegerd had, hoorde zeggen: Ziniri heeft eene verbindtenis gemaakt, ja heeft ook den koning verslagen; daarom maakte hot gansclie Israël ten zelfden dage Omri, den krijgsoverste, koning over Israël, in het leger. 17 En Omri toog op, en gansch Israël mot hem van Gibbethon, on belegerde Thirza. 18 En het gesoliioddo, als Zimri zag, dat do stad ingenomen was, dat hij ging in het paleis van het huis dos konings, en verbrandde boven zich hot huis des konings met vuur, en stierf: 19 Om zijne zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in do oogen dos Heeken, wandelende in den weg van Jeroboam, on in zijne zonde, die hij gedaan had, doende Israël zondigen. 20 Het overige nu der geschiedenissen van Ziniri, on zijne verbindtenis, die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in hot boek der kronijken der koningen van Israël? '21 Toen word het volk van Israël verdoold in twee helften; de helft des volks volgde Tibni, don zoon van Ginath, om hom koning te maken; en de helft volgde Omri. 22 Maar het volk, dat Omri volgde, was sterker dan liet volk, dat Tibni, don zoon van Ginath, volgde; en Tibni stierf, en Omri regeerde. 23 In het een en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Omri koning over Israël, cn regeerde twaalf jaar; te Thirza regeerde hij zes jaren. 24 En hij kocht den berg Samaria van Seiner, voor twee talenten zilvers, en bebouwde den borg; en noemde don naam dor stad, die hij bouwde, naar den naam van Senior, den heer des bergs, Samaria. 25 En Omri deed wat kwaad was in do oogen dos Heeuen; ja hij deed erger dan allen, die vóór hem geweest waren. 26 En hij wandelde in alle wegen van Joróbeam, don zoon van Nobat, en in zijne zonden, waarmede hij Israël had doen zondigen, verwekkende don Heere, den God Israëls, tot toorn, door hunne ijdolhedeii. 27 Het overige nu der geschiedenissen van Omri, wat hij gedaan heeft, en zijne magt, die hij geploegd heeft, zijn die niet geschreven in hot boek der kronijken dor koningen van Israël? 28 En Omri ontsliep mot zijne vaderen, on werd begraven te Samaria; on zijn zoon Achab regeerde in zijne plaats. 29 En Achab, de zoon van Omri, word koning over Israël, in hot acht on dertigste jaar van Asa, don koning van Juda; on Achab, do zoon van Omri, rogeerde over Israël, to Samaria, twee on twintig jaren. 30 En Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad was in de oogen dos Heeren, moer dan allen, die vóór hem geweest waren. |
31 En het geschiedde (was hot oeno ligte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Joróbeam, den zoon van Nobat?) dat hij nog tor vrouwe nam Izóbel, de dochter van Eth-Baal, don koning dor Zidoniërs, on heenging, en diende Baiil, on boog zich voor hem. 32 En hij rigtte voor Baiil oen altaar op, in hot huis van Baiil, hetwelk hij te Samaria gebouwd had. 83 Ook maakte Achab een bosch, zoodat Achab nog moer deed, om den Heere, den God Israëls, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israël, die vóór hem geweest waren. 34 In zijne dagen bouwde Hiël, de Betheliot, Jericho: op Abïram, zijnen eerstgeborenen zoon, heeft hij haar gegrondvest, on op Segub, zijnen jongsten zoon, heeft hij hare poorten gesteld; quot;naar het woord des Heeren, dat Hij door de dienst van Jozua, den zoon van Nun, gesproken had. a Joz. 0:26. HOOFDSTUK 17. El ia voorzegt Achab grooto droogte, vs. 1; en wordt van God gezonden naar de beek Krith, 2; alwaar iiij door middel der raven gespijsd wordt, 5; daarna gaat hij op Gods bevel naar Zarfath tot eene weduwe, die nog oen weinig meel en olie heeft, waarmede do profeet, de vrouw en haren zoon gedurende de droogte wonderdadig worden onderhouden, 8. Elia wekt den zoon der weduwe, die gestorven was, weder op, 17. De vrouw erkent Elia voor een' profeet, 24. EN Elia, de Thisbiet, van de inwoner en van Gilead, zeide tot Achab: Zon waarachtig als de Heere, de God Israëls, leeft, voor wiens aan-gezigt ik sta, quot;indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord! aJakob.5:17. 2 Daarna geschiedde het woord des Heeren tot hem, zeggende: 3 Ga weg van hier, en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die voor aan de Jordaan is. 4 En het zal geschieden, dat gij uit de beek drinken zult: en Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen. 5 Hij ging dan heen, en deed naar het woord dos Heeren: want hij ging en woonde bij de beek Krith, die voor aan de Jordaan is. 6 Eu de raven bragten hem des morgens brood en vleesch, desgelijks brood en vleesch des avonds; en hij dronk uit de beek. 7 En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde, want geen regen was in het land geweest. 8 Toen geschiedde het woord des Heeren tot hom, zeggende: 9 Maak u op, ga heen quot;naar Zarfath, dat bij Zidon is, en woon aldaar; zie, Ik hob daar eene weduwvrouw geboden, dat zij u onderhoude. «Luk. 4:25, 20. 10 Toen maakte hij zich op, en ging naar Zarfath. Als hij nu aan de poort der stad kwam, ziet, zoo was daar eene weduwvrouw, hout lezende; en hij riep tot haar, en zeide: Haal mij toch een weinig waters in dit vat, dat ik drinke. |
1 KONINGEN 17, 1H.
|
11 Toen zij nu heenging om te halen, zoo riep hij tot hnar, en zeide: Haal mij tocli ook oone bete broods in uwe hand. 12 Maar zij zeide: Zoo ivaarachlig ala de Heere, uw God, leeft, indien ik een' koek heb, dan alleen eene hand vol meols in do kruik, en oen weinig olie in de flescli! en zio, ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen, en zal het voor mij en voor mijnen zoon bereiden, dat wij het eten, en sterven. 13 En Elia zeide tot haar: Vrees niet, ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij vooreerst een' kleinen koek daarvan, en breng mij dien hier uit; doch voor u en uwen zoon zult gij daarna ivat maken. 14 Want zoo zegt de Heere, do God Israels: Het meel van do kruik zal niet verteerd worden, on do olie der flesch zal niet ontbreken, tot op den dag, dat do Heere regen op den aardbodem geven zal. ló En zij ging heen, en deed naar het woord van Elia; zoo at zij, en hij, en haar huis, vele dagen. Ki Hot meel van de kruik word niet verteerd, en do olie van do flesch ontbrak niet, naar het woord des Heeren, dat Hij gesproken had dooide dienst van Elia. 17 En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon dezer vrouw, der waardin van het huis, krank werd: en zijne krankheid werd zoor sterk, totdat geen adem in hem overgebleven was. 18 En zij zeide tot Elia: Wat heb ik met u te doen, gij man Gods? zijt gij bij mij ingekomen, om mijne ongeregtighoid in gedachtenis te brengen, en om mijnen zoon te doodon? 19 En hij zeide tot haar: Geef mij uwen zoon. En hij nam hem van haren schoot, en droeg hem boven in de opperzaal, waar hij zelf woonde, en hij leide hem neder op zijn bed. 20 En hij riep den Heere aan, en zeide: Heere, mijn God! hebt Gij dan ook deze weduwe, bij dewelke ik herbergo, zoo kwalijk gedaan, dat Gij haren zoon gedood hebt? 21 En hij mat zich driemaal uit over dat kind, en riep don Heere aan, on zeide: Heere, mijn God! laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen. 22 En do Heere verhoorde de stem van Elia; en de ziel van hot kind kwam weder in hom, dat het weder lovend word. 23 En Elia nam hot kind, en bragt het af van de opperzaal in hot huis, en gaf hot aan zijne moeder; en Elia zeide: Zio, uw zoon loeft. 24 Toen zeide die vrouw tot Elia: Nu weet ik, dat gij een man Gods zijt, en dat het woord des Heeren in uwen mond waarheid is. HOOFDSTUK 18, Elia wordt gezonden tot Achab, vs. 1; ontmoet Obadja, 7 ; wien hij opdraagt den koning van zijne komst |
te verwittigen, 8; komt tot Achab, dien hij aanspreekt, 17; daarna de gemeente en de profeten Baöls, 21. De profeten Baills worden beschaamd gemaakt; doch de Heere maakt zich bekend met een teeken aan het offer van Elia, 30. De profeten Baills worden gedood, 40. De regen wordt op Elia's gebed verkregen, 4!. EN hot gebeurde na vole dagen, dat hot woord des Heeren geschiedde tot Elia, in het derde jaar, zeggende: Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op den aardbodem. 2 En Elia ging heen, om zich aan Achab te vertoonen. En do honger was sterk in Samaria. 8 En Achab had Obadja, den hofmeester, ge-roepon: on Obadja was don Heere zeer vreezende. 4 Want het geschiedde, als Izébel de profeten des Heeren uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborgde hen bij vijftig man in eene spelonk, en onderhield hen met brood en water. 5 En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door hot land, tot alle watorfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vindon, opdat wij de paarden en de muilozelen in het leven behouden, en niots uitroeijon van de beesten. 6 En zij deelden het land onder zich, dat zij het doortogen; Achab ging bijzonder op oenen wog, en Obadja ging ook bijzonder op eenen weg. 7 Als nu Obadja op don weg was, ziet, zoo was hem Ella to geinoet; on hom kennende, zoo viel hij op zijn aangezigt, on zeide: Zijt gij mijn lieer Elia ? 8 Hij zeido: Ik ben het; ga heen, zeg uwen heer: Zio, Ella is hier. 9 Maar hij zeide: Wat heb ik gezondigd, dat gij uwen knecht geeft in de hand van Achab, dat hij mij doodo? 10 Zoo waarachtig als do Heere, uw God, leeft, zoo er oen volk of koningrijk is, waar mijn hoor niet gezonden heeft, om u to zoeken; en als zij zeiden: Hij is hier niet; zoo nam hij dat koningrijk en dat volk eenen eed af, dat zij u niet hadden gevonden. 11 En nu zegt gij: Ga heen, zog uwen hoer: Zio, Elia is hier. 12 En het mogt geschieden, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat do Geest des Heeren ii wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam, om dat Achab aan to zoggen, en hij vond u niet, zoo zou hij mij doodon: ik, uw knecht, nu vrees den Heere van mijne jongheid af. 13 Is mijnon heer niet aangezegd, wat ik gedaan heb, als Izébel do profeten dos Heeren doodde? dat ik van do profeten des Heeren honderd man heb verborgen, elke vijftig man in eene spelonk, en die mot brood on water onderhouden heb. 14 En nu zegt gij: Ga heen, zeg uwen lieer: Zio, Ella is hier; en hij zou mij doodslaan. 15 En Elia zoido: Zoo waarachtig als de Heere der hoirscharon looft, voor wiens aangezigt ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertoonen! 23* |
1 KONINGEN 18.
|
1G Toen ging Obadja Achab te gemoet, on zeide liet hom aan; en Achab ging Elia to gonioet. 17 En het geschiedde, als Achab KHm zag, dat Achab tot hem zeide; quot; Zijt gij die beroerder van Israël ? a Amos 7 : 10. 18 Toon zeide hij: Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders huls, daarmede, dat gijlieden do geboden des Heeren verlaten hebt en de Baiils nagevolgd zijt. 19 Nu dan, zond heen, verzamel tot inij het gansche Israël op den borg Karinel, en de vier honderd en vijftig profeten van Baiil, en de vier honderd profeten van het bosch, die van de tafel van Izóbel eten. 20 Zoo zond Achab onder alle kinderen Israels, en verzamelde de profeten op den berg Karinel. 21 Toen naderde Elïa tot hot gansche volk, en zeide: Hoe lang hinkt ^ij op twee gedachten? |
gijlieden voor u den oenen var, en bereidt gij hem eerst, want gij zijt velen; en roept don naam uws gods aan, on legt geen vuur daaraan. 26 En zij namen den var, dien hij hun gegeven had, on bereidden hem en riepen den naam van Baiil aan, van den morgen tot op den middag, zeggende: O Baal, antwoord ons! Maar er was geene stom en geen antwoorder. En zij sprongen tegen het altaar, dat men gemaakt had. 27 En het geschiedde op den middag, dat Elia met hen spotte, en zoido; Roept mot luider stem, want hij is een God; omdat hij in gepeins is, of omdat hij wat te doen heeft, of omdat hij eene roize heeft; misschien slaapt hij en zal wakker worden. 28 En zij riepen met luider stom, en zij sneden zich zeiven met messen en mot priemen, naar hunne wijze, totdat zij bloed over zich uitstortten. |
|
zoo do quot; Heere God is, volgt Hem na, en zoo het Baiil is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hom niet een woord. «Joz, 24: 15. 22 Toon zeide Elia tot het volk: Ik ben alleen een profeet des Heeren overgebleven, en do profoton van Baiil zijn vier honderd en vijftig mannen. 23 Dat men ons dan twee'varren geve, en dat zij voor zich den eenen var kiezen, en denzelven in stukken doelen, en op het hout leggen, maar geen vuur daaraan leggen; en ik zal den anderen var bereiden, en op het hout loggen, on geen vuur daaraan leggen. 24 Roept gij daarna den naam van uwen god aan, en ik zal den naam des Heeren aanroepen; on de God, die door vuur antwoorden zal, die zal God zijn. En het gansche volk antwoordde en zeide: Dat woord is goed. |
25 En Elfa zeide tot de profoton van Baiil: Kiest 2fl Het geschiedde nu, als de middag voorbij was, dat zij profeteerden, totdat men het spijsoffer zou offeren; maar er was geene stom, en geen antwoorder, en geene opmerking. 30 Toen zeide Elia tot het gansche volk: Nadert tot mij. En al het volk naderde tot hom; en hij heelde het altaar des Heeren, dat verbroken was. 31 En Elia quot;nam twaalf steenon, naar het getal der stammen van do kindoren Jakobs, tot welken het woord des Heeren geschied was, zeggende: 6 Israël zal uw naam zijn. a.Ioz. 4:5, 20. h Gen. 32 : 28. 2 Kon. 17 : 34. 32 En hij bouwde met die steenon liet altaar in den naam des Heeren; daarna maakte hij eene groeve rondom het altaar, naar do wijdte van twee maten zaads. 33 En hij schikte het hout, en deelde den var in stukken, en loide hem op hot hout. 34 En hij zeide: Vult vier kruiken met water. |
1 KONINGEN 18, 19.
|
on giet op het brandoffer on op het hout. En hij zeide: Doet het ten tweede maal. En zij deden het ten tweede maal. Voorts zeide hij: Doet het ten derde maal. En zij deden het ten derde maal; 35 Dat het water rondom hot altaar liep; daartoe vulde hij ook de groeve met water. :!G Het geschiedde nu, als men het spijsoffer offerde, dat de profeet Elia naderde en zeide: IIkere , quot; God van Abraham, Izak en Israël! dat het heden bekend worde, dat Gij God in Israël zijt, en ik uw knecht; en dat ik al deze dingen naar uw woord gedaan heb. aEx. 3:G. Mntt. 22:32. Hark. 12:26. Luk. 20:37. Haml. 7 :32. 37 Antwoord mij, Heere! antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat Gij, o Heere ! die God zljt, en dat Gij hun hart achterwaarts omgewend hebt. 38 Toen viel het vuur des Heeren, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die steenen, en dat stof, ja lekte dat water op, hetwelk in de groeve was. 39 Als nu het gansche volk dat zag, zoo vielen zij op hunne aangezig-ten, en zeiden: de Heere is God, de Heere is God! 40 En Elia zeide tot hen : Grijpt de profeten van Baiil, dat niemand van hen ontkome. En zij grepen zo; en Elia voerde hen af naar de beek Kison, en slagtte hou aldaar. 41 Daarna zeide Elia tot Achab: Trek op, eet en drink: want er is een ge-ruisch van oenen over-vloedigen regen. 42 Alzoo toog Achab op, om te eten en te drinken; maar Elia ging op naar de hoogte van Karmol, en breidde zich uit voorwaarts ter aarde; daarna loido hij zijn aan-gezigt tusschen zijne knieën. 43 En hij zeide tot zijnen jongen: Ga nu op, en zie uit naar de zee. Toen ging hij op, on zag uit, on zeide: Er is niets. Toon zeide hij: Ga weder henen, zevenmaal. 44 En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zeide: Zie, eone kleine wolk, als eens mans hand, gaat op van de zee. En hij zeide: Ga op, zeg tot Achab: Span aan, en kom af, dat u de regen niet ophoude. 45 En hot geschiedde ondertusschen, dat do hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een groote regen; en Achab reed weg, en toog naar Jizreël. |
4(J En de hand des Heeren was over Elia, en hij gordde zijne lenden, on liep voor het aange-zigt van Achab henen, tot daar men te Jizreël komt. HOOFDSTUK li). Elui vlngt voor l/.óhel, vs. 1 ; wordt gespijsd en gedrenkt van eenen engel, 5; vastende veertig dagen en nachten, komt hij tot den berg Horeb, 8: aldaar klaagt hij zijnen nood den Heere, en wordt door eene bijzondere openbaring van Hem versterkt, 9. (xod bevoelt hem, om Hazaël en Jelui tot koning, en EHsa tot profeet te zalven, 15; met bijgevoegde vertroosting, 17. Elisa's roeping, 19. EN Achab zeide Izébel aan al wat Elia gedaan had, on allen, die hij gedood had, te weten al de profeten, met het zwaard. 2 Toen zond Izóbel eenen bode tot Elia, om te zeggen: Zoo doen mij de goden, en doen zoo daartoe, voorzeker, ik zal morgen, omtrent dozen tijd uwe ziel stellen, als de ziol van een' hunner. 3 Toen hij dat zag, maakte hij zich op, en ging heen, om zijns levens wil, en kwam to Bor-séba, dat in Juda is; en liet zijnen jongen aldaar. 4 Maar hij zelf ging henen in do woestijn eene dagreis, en kwam, en zat onder eenen jeneverboom; en bad, dat zijne ziel stierve, en zeide: Hot is genoeg, neem nu, Heerio! mijne ziol, want ik bon niet boter dan mijne vaderen. 5 En hij loido zich neder, en sliep onder eenen jeneverboom; en ziet, toon roerde hom een engel aan, en zeide tot hem: Sta op, eet! (i En hij zag om, en ziet, aan zijn hoofdeinde was een koek op de kolen gebakken, en eene flosch met water; alzoo at hij, en dronk, en leide zich wederom neder. 7 En do engel des Heeren kwam ten andere male weder, en roerde hem aan, en zeide: Sta op, oot! want de weg zou voor u te veel zijn. 8 Zoo stond hij op, en at, en dronk; en hij ging, door de kracht derzei ver spijs, quot;veertig dagen en veertig nachten, tot aan den berg Gods, Horeb. aEx. 34:28. Matt. 4:2. 9 En hij kwam aldaar in eene spelonk, en vernachtte aldaar; en ziet, het woord des Heeren geschiedde tot hom, en zeide tot hem : Wat maakt gij hier, Elia? 10 En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor don Heere, den God der heirscharon: want do kinderen Israels hebben uw verbond verlaten, uwe altaren afgebroken en uwe profeten met het zwaard |
1 KONINGEN 19, 20.
359
|
gedood; quot;on ik alleon ben overgebleven, en zij zoeken mijne ziel, om die weg te nemen. a Rom. 11 : 3. 11 En Hij zeide: Ga uit, en sta op dezen berg, voor het aangezigt des Heeren. En ziet, de 11eere ging voorbij, en een groote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen, voor den Heere henen; doch de Heere was in den wind niet; en na dozen wind eene aardbeving; de Heere was ook in do aardbeving niet: 12 En na de aardbeving een vuur; de Heere was ook in het vuur niet: en na het vuur het suisen van eene zachte stilte. 13 En hot geschiedde, als Elia dat hoorde, dat hij zijn aangezigt bewond mot zijnen mantel, en uitging, en stond in den ingang der spelonk. En ziet, eene stem kwam tot hem, die zeide: Wat maakt gij hier, Elia ? 14 En hij zeide; Ik heb zeer geijverd voor den Heere, den God dor heirscharen: want de kinderen Israels hebben uw verbond verlaten, uwe altaren afgebroken en uwe profeten met het zwaard gedood; en ik alleen bon overgebleven, en zij zoeken mijne ziel, om die weg to nomen. 15 En de Heere zoido tot hem; Ga, keer weder (gt;[) uwen weg, naar do woestijn van Damaskus; en ga daar in, en zalf Hazaël ten koning over Syrië; l(i Daartoe zult gij John, den zoon van Nimsi, zalven ton koning over Israël; on Elisa, denzoon van Safat, van Abel-mohóla, zult gij tot profeet zalven in uwe plaats. 17 En quot;het zal geschieden, dat Jehu hem, die van hot zwaard van Hazaël ontkomt, dooden zal; on die van het zwaard van John ontkomt, dien zal Elisa dooden. «2 Kon. 9; 14, 15, enz. 18 quot;Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, allo knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baiil, en allen mond, die hem niet gekust hoeft. a Kom. 11 ; 4. 19 Zoo ging hij van daar, en vond Elisa, den zoon van Safat; dezelve ploegde met twaalf juk runderen voor zich honen, en hij was bij het twaalfde; en Elia ging over tot hem, en wierp zijnon mantel op hem. 20 En hij verliet do runderen, en liep Elia na, en zeide; Dat ik toch mijnen vader on mijne moeder kusse, daarna zal ik u navolgen. En hij zeide tot hem; Ga, keer weder; want wat heb ik u gedaan? 21 Zoo keerde hij weder van achter hem af, en nam een juk runderen, en slagtte liet, en met hot gereedschap der runderen zood hij hun vleesch, hetwelk hij aan het volk gaf, en zij aten. Daarna stond hij op, en volgde Elia na, en diende hom. HOOFDSTUK 20. Bonhadad belegert Samaria; zijne eorste begeerte wordt hom ingewilligd, vs. 1; de andere afgeslagen, 5. Hierom bereidt hij zich om de stad te bestormen. |
10. Achab biedt op raad van eenen profeet tegenstand , en behaalt twee malen de overwinning, 13. Bonhadad moet zich zeiven verbergen, 30. Achab maakt vrede met hem, 33. Een profeet bestraft hem onder zinnebeeldige handeling, 39. EN Benhadad, de koning van Syrië, vergaderde al zijne magt; en twoe on dertig koningen waren mot hom, en paarden on wagenen; en hij toog op, en belegerde Samaria, en krijgde tegen haar. 2 En hij zond boden tot Achab, den koning van Israël, in de stad. 3 En hij zeide hem aan; Zoo zegt Benhadad: Uw zilver en uw goud, dat is mijne; daartoe uwe vrouwen en uwe beste kinderen, die zijn mijne. 4 En de koning van Israël antwoordde en zeide; Naar uw woord, mijn heer de koning! ik ben uwe, en al wat ik heb. 5 Daarna kwamon de boden weder, en zeiden; Alzoo spreekt Benhadad, zeggende; Ik heb wel tot u gezonden, zeggende; Uw zilver, eu uw goud, en uwe vrouwen, en uwe kinderen zult gij mij geven; 6 Maar morgen om dezen tijd zal ik mijne knechten tot u zenden, dat zij uw huis en de huizen uwer knechten bezoeken; en het zal geschieden, dat zij al hot begeerlijke uwer oogen in hunne handen leggen en wegnemen zullen. 7 Toen riep de koning van Israël alle oudsten des lands, en zeide; Merkt toch en ziet, dat deze het kwade zoekt; want hij had tot mij go-zonden, om mijne vrouwen, en om mijne kindoren, en om mijn zilver, en om mijn goud, en ik heb het hem niet geweigerd. 8 Doch al de oudsten, en het gansche volk, zeiden tot hem; Hoor niet, on bewillig niet. 9 Daarom zeide hij tot do boden van Benhadad; Zegt mijnen heer den koning; Alles, waarom gij in het eerst tot uwen knecht gezonden hebt, zal ik doen; maar deze zaak kan ik niet doen. Zoo gingen de boden hoen en bragten hein bescheid weder. 10 En Benhadad zond tot hem, on zeide; De goden doen mij zoo, eu doen zoo daartoe, indien het stof van Samaria genoeg zal zijn tot handvollen voor al het volk, dat mijne voetstappen volgt! 11 Maar de koning van Israël antwoordde en zeide; Spreekt tot hem: Die zich aangordt, be-roeme zich niet, als die zich los maakt. 12 En het geschiedde, als hij dit woord hoorde, daar hij was drinkende, hij en de koningen in de tenten, dat hij zeide tot zijne knechten; Legt aan! En zij leiden aan tegen de stad. 13 En ziet, een profeet trad tot Achab, den koning van Israël, en zeide; Zoo zegt de Heere; Hebt gij gezien al deze groote menigte? Zie, Ik zal ze heden in uwe hand geven, opdat gij weet, dat Ik de Heere ben. 14 En Achab zeide; Door wie? En hij zeide: Zoo zegt de Heere; Door de jongens van de |
1 KONINGEN 20.
|
oversten der landschappen. En hij zeide: Wie zal den strijd aanbinden? En hij zeide; Gij. 15 Toen telde hij de jongens van de oversten der landschappen, en zij waren twee honderd twee en dertig; en na hen telde liij al het volk, al de kinderen Israels, zeven duizend. Ki En zij togen uit op den middag. Benhadad nu dronk zich dronken in de tenten, hij en de koningen, de twee en dertig koningen, die hein hielpen. 17 En de jongens van de oversten der landschappen togen eerst uit. Doch Benhadad zond eenigen uit, en zij boodschapten hein, zeggende: Uit Samaria zijn mannen uitgetogen. 18 En hij zeide: Hetzij dat zij tot vrede uitgetogen zijn, grijpt hen levend; hetzij ook, dat zij ten strijde uitgetogen zijn, grijpt hen levend. 19 Zoo togen deze jongens van de oversten der landschappen uit de stad, en liet heir, dat hen navolgde. 20 En een ieder sloeg zijnen man, zoodat de Syriërs vloden, en Israël jaagde hen na. Doch Benhadad, de koning van Syrië, ontkwam op een paard, met eenige ruiteren. 21 En de koning van Israël toog uit, en sloeg paarden en wagenen, dat hij eenen grooten slag aan de Syriërs sloeg. 22 Toen trad die profeet tot den koning van Israël, en zeide tot hem: Ga heen, sterk u; en bemerk, en zie, wat gij doen zult: want met de wederkomst des jaars zal de koning van Syrië tegen u optrekken. 23 Want de knechten van den koning van Syrië hadden tot hem gezegd: Hunne Goden zijn berg-goden, daarom zijn zij sterker geweest dan wij; maar zeker laat ons tegen hen op het effen veld strijden, zoo wij niet sterker zijn dan zij! 24 Daarom doe deze zaak : doe de koningen weg, elk een uit zijne plaats, en stel landvoogden in hunne plaats. 25 En gij, tel u een heir, als dat heir, dat van de uwen gevallen is, en paarden, als die paarden , en wagenen, als die wagenen; en laat ons tegen hen op het effen veld strijden, zoo wij niet sterker zijn dan zij! En hij hoorde naar hunne stem, en deed alzoo. 26 Het geschiedde nu met de wederkomst des jaars, dat Benhadad de Syriërs monsterde; on hij toog op naar Afek, ten krijge tegen Israël. -17 De kinderen Israels werden ook gemonsterd, en waren verzorgd van leeftogt, en trokken hun te gemoet; en de kinderen Israels legerden zich tegenover hen, als twee bloote geitenkudden, maar de Syriërs vervulden het land. 28 En de man Gods trad toe, en sprak tot den koning van Israël, en zeide: Zoo zegt de Heere: Daarom dat de Syriërs gezegd hebben: De Heere is een God der bergen, en Hij is niet een God der laagten; zoo zal Ik al dezegroote menigte in uwe hand geven, opdat gijlieden weet, dat Ik de Heehe ben. |
29 En dezen waren gelegerd tegenover die, zeven dagen; het geschiedde nu op den zevenden dag, dat de strijd aanging; en de kinderen Israels sloegen van de Syriërs honderd duizend voetvolks op eenen dag. 30 En de overgeblevenen vloden naar Afek in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vlood Benhadad, en kwam in de stad van kamer in kamer. 31 Toen zeiden zijne knechten tot hem: Zie toch, wij hebben gehoord, dat de koningen van het huis Israels goedertierene koningen zijn; laat ons toch zakken om onze lenden leggen, en koorden om onze hoofden, en uitgaan tot den koning van Israël; mogelijk zal hij uwe ziel in het leven behouden. 32 Toon gordden zij zakken om hunne lenden, en koorden om hunne hoofden, en kwamen tot den koning van Israël, en zeiden: Uw knecht Benhadad zegt: Laat toch mijne ziel leven. En hij zeide: Leeft hij dan nog? hij is mijn broeder. 33 De mannen nu namen naarstiglijk waar, en vatten het haastelijk, of het van hem ware, en zeiden: Uw broeder Benhadad leeft. En hij zeide: Komt, brengt hem. Toen kwam Benhadad tot hem uit, en hij deed hom op den wagen klimmen. 34 En hij zeide tot hem: De steden, die mijn vader van uwen vader genomen heeft, zal ik wedergeven, en maak u straten in Damaskus, gelijk mijn vader in Samaria gemaakt heeft. En ik, antwoordde Ach ah, zal u met dit verbond dan laten gaan. Zoo maakte hij een verbond met hem, en liet hem gaan. 35 Toen zeide een man uit de zonen der profeten tot zijnen naaste, door hot woord des Hkeren: Sla mij toch. En de man weigerde hem te slaan. 36 En hij zeide tot hem: Daarom dat gij de stem des Heeren niet gehoorzaam zijt geweest, zie, als gij van mij weggegaan zijt, zoo zal u een leeuw slaan. En als hij van bij hom weggegaan was, zoo vond hem een leeuw, die hem sloeg. 37 Daarna vond hij eenen anderen man, en zeide: Sla mij toch. En die man sloeg hom, slaande en wondende. 38 Toen ging de profeet heen, en stond voor den koning op den weg; en hij verstelde zich met asch boven zijne oogen. 39 En hot geschiedde, als de koning voorbijging, dat hij tot den koning riep, en zeide: Uw knecht was uitgegaan in het midden des strijds; en zie, een man was afgeweken, en bragt tot mij eenen man, en zeide: Bewaar dezen man, indien hij eenigzins gemist wordt, zoo zal uwe ziel in de plaats zijner ziel zijn, of gij zult een talent zilvers opwegen. 40 Het geschiedde nu, als uw knecht hier en daar doende was, dat hij er niet was. Toen zeide de koning van Israël tot hem : Zoo is uw oordeel; gij zelf hebt het geveld. |
1 KONINGEN 20, 21.
361
|
41 Toen haastte hij zich, en deed de asch af van zijne oogen; en de koning van Israël kende hem, dat hij een der profeten was. 42 En hij zeide tot hem: Zoo zegt do Heere: Omdat gij den man, dien Ik verbannen heb, nit de hand hebt laten gaan, quot; zoo zal uwe ziel in de plaats van zijne ziel zijn, en uw volk in de plaats van zijn volk. al Kon. 22:37, 38. 43 En de koning van Israël toog henen, gemelijk en toornig, naar zijn huis, en kwam te Samaria. HOOFDSTUK 21. Achab begeert den wijngaard van Naboth te koopen, vs. 1. Naboth weigert zulks, 3. Izébel belooft Aebab dioti te leveren en bewerkt den dood van Naboth, 7. Aebab noemt den wijngaard, 15. Elia kondigt deswegen Achab de uitroeijing van zijn geslacht aan, 17. Op Acliabs verootmoediging wordt dit goddelijk vonnis uitgosteld, 27. IIET geschiedde nu na deze dingen, alzoo Naboth, een Jizreëliet, eenen wijngaard had, die te Jizreël was, bij bet paleis van Aebab, den koning van Samaria , 2 Dat Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geef mij uwen wijngaard, opdat hij mij zij tot een' kruidhof, dewijl hij nabij mijn huis is; en ik zal u daarvoor geven eenen wijngaard, die beter is dan die; of, zoo hot goed in uwe oogen is, zal ik u in geld deszelfs waarde geven. 3 Maar Naboth zeide tot Achab: Dat late de Heere verre van mij zijn, dat ik u do erve mijner vaderen geven zou! 4 Toen kwam Achab in zijn huis, gemelijk en toornig over het woord, dat Naboth, tie Jizreëliet, tot hem gesproken bad, en gezegd: Ik zal de erve mijner vaderen niet geven. En hij lelde zich neder op zijn bed, en keerde zijn aangezigt om, en at geen brood. 5 Maar Izébel, zijne huisvrouw, kwam tot hem, en sprak tot hem: Wat is dit, dat uw geest dus gemelijk is, en dat gij geen brood eet? 6 En hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth, den Jizreëliet, gesproken en hem gezegd heb: Geef mij uwen wijngaard om geld, of, zoo het u behaagt, zal ik u eenen wijngaard in zijne plaats geven; maar hij heeft gezegd: Ik zal u mijnen wijngaard niet geven. 7 Toen zeide Izébel, zijne huisvrouw, tot hem : Zoudt gij nu het koningrijk over Israël regeren? sta op, eet brood, en uw hart zij vrolijk; ik zal u don wijngaard van Naboth, den Jizreëliet, geven. 8 Zij dan schreef brieven in den naam van Achab, en verzegelde ze met zijn signet; en zond de brieven tot de oudsten en tot de edelen, die in zijne stad waren, wonende met Naboth. 9 En zij schreef in die brieven, zeggende: Roept een vasten uit, en zet Naboth in de hoogste plaats des volks; 10 En zet tegenover hem twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen, zeggende: Gij hebt God en den koning gezegend; en voert hom uit, en steonigt hem, dat hij stervo. |
11 En de mannen zijner stad, die oudsten en dio edelen, die in zijne stad woonden, deden gelijk als Izébel tot hen gezonden had; gelijk als geschreven was in de brieven, die zij tot hen gezonden had. 12 Zij riepen oen vasten uit; en zij zotten Naboth in de hoogste plaats des volks. 13 Toen kwamen de twee mannon, zonen Dolials, en zetten zich tegenover hom; on de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor hot volk, zeggende: Naboth hoeft God en don koning gezegend. En zij voorden hem buiten de stad, en steenigden hem niet steenon, dat hij stierf. 14 Daarna zonden zij tot Izébel, zeggende: Naboth is gostoenigd on is dood. 15 Het geschiedde nu, toen Izébel hoorde, dat Naboth gostoenigd en dood was, dat Izébol tot Achab zeide: Sta op, bezit don wijngaard van Naboth, den Jizreëliet, erfelijk, dien hij u weigerde om geld te geven, want Naboth loeft niet, maar is dood. Ki En hot geschiedde, als Achab hoorde, dat Naboth dood was, dat Achab opstond, om naar den wijngaard van Naboth, den Jizreëliet, af te gaan, om dien erfelijk te bezitten. 17 Doch hot woord dos Heeren geschiedde tot EHa, den Thisbiet, zeggende: 18 Maak u op, ga henen af, Achab, den koning van Israël, te gemoet, die in Samaria is; zie, hij is in den wijngaard van Naboth, waarhonon hij afgegaan is, om dien erfelijk te bezitten. li) En gij zult tot hom spreken, zeggende: Alzoo zegt de Heere: Heht gij doodgeslagen, en ook eene erfelijke bezitting ingenomen? Daartoe zult gij tot hem spreken, zeggende: Alzoo zegt do Heere: In plaats dat do honden hot bloed van Naboth gelekt hebben, zullen de honden uw bloed lokken, ja het uwe ! 20 En Achab zeide tot Elia: Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand? En hij zeide: Ik hob u gevonden! overmits gij u zeiven verkocht hebt, om te doen dat kwaad is in de oogen des Heeren. 21 quot;Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uwe nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uit-roeijen, die aan don wand pist, mitsgaders den beslotone en verlatene in Israël. «2 Kon. 9:7, 8,9. 22 En Ik zal uw huis maken quot;gelijk hot huis van Jeróbeam, don zoon van Nebat, en ''gelijk het huis van Baësa, don zoon van Alüa; om de terging, waarmede gij Mij getergd hebt, on dat gij Israël hebt doen zondigen. n\ Kon. 15:29. h 1 Kon. 16:3, 11. 23 Vorder ook over quot;Izébel sprak do Heere, zeggende: De honden zullen Izébel eten, aan den voorwal van Jizreël. a 2 Kon. 9:35, 30, 37 24 Die van Achab sterft in de stad, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten. |
1 KONINGEN 21, 22.
362
|
2;') Doch quot;er was niemand geweest gelijk Achab, die zich zeiven verkocht had, om te doen dat kwaad is in de oogen des 11 keren, dewijl Izébel, zijne huisvrouw, hem ophitste. al Kon. 16:33. 26 En hij deed zeer gruwelijk, wandelende achter de drekgoden; naar alles, wat de Amorieten gedaan hadden, die God voor het aangezigt van de kinderen Israels uit de bezitting verdreven had. 27 Het geschiedde nu, als Achab deze woorden hoorde, dat hij zijne kleederen scheurde, en oenen zak om zijn vleesch leide, en vastte; hij lag ook neder in den zak, en ging langzaam. 28 En het woord des Hekken geschiedde tot Elia, den Thisbiet, zeggende: 2!) Hebt gij gezien, dat Achab zich vernedert voor mijn aangezigt? daarom dewijl hij zich vernedert voor mijn aangezigt, zoo zal Ik dat kwaad in zijne dagen niet brengen; in de dagen zijns zoons zal Ik dat kwaad over zijn huis brengen. HOOFDSTUK 22. Aclmb willende tegen de Syriërs strijden, vs. 1; wordt door Josafat geraden, om God eerst door zijne profeten raad te vragen, 5. Aoliabs profeten raden dit aan, 6; inzonderheid Zedelda, 11. Micha, een profeet des Heeren, raadt zulks af, 13; wordt hierom door Zedelda geslagen, 24; en van Achab gevangen, 26. Achab trekt op ten strijde, wordt geschoten en sterft, 29; do honden lekken zijn bloed, 38. Jósafats regering over Juda, 41, Ahilzia, de zoon van Achab, volgt zijnen vader op in de regering, 52. EN zij zaten drie jaren stil, dat er geen krijg was tusscben Syrië en tusschen Israël. 2 Maar het geschiedde in het derde jaar, als quot;Jósafat, de koning van Juda, tot den koning van Israël afgekomen was, a 2 Kron. 18 :1,2, enz. 3 Dat de koning van Israël tot zijne knechten zeide: Weet gij, dat Ramoth in Gilead onze is? en wij zijn stil, zonder dat te nemen uit de hand van den koning van Syrië. 4 Daarna zeide hij tot Jósafat: Zult gij met mij trekken in den strijd naar Ramoth in Gilead? En Jósafat zeide tot den koning van Israël: Zoo zal ik zijn gelijk gij zijt, zoo mijn volk als uw volk, zoo mijne paarden als uwe paarden. 5 Verder zeide Jósafat tot den koning van Israël: Vraag toch als heden naar het woord des Hkkhen. 6 Toen vergaderde de koning van Israël de profeten, omtrent vier honderd man, en hij zeide tot hen : Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want de IIeere zal ze in de hand des konings geven. 7 Maar Jósafat zeide: Is hier niet nog een profeet des Heeren , dat wij het van hem vragen niogten ? 8 Toen zeide de koning van Israël tot Jósafat: Er is nog één man, om door hem den IIeere te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad, Micha, de zoon van Jiinla. En Jósafat zeide: De koning zegge niet alzoo! |
t) Toen riep de koning van Israël eenen kamerling, en hij zeide: Haal haastelijk Micha, den zoon» van Jimla. 10 quot;De koning van Israël nu, en Jósafat, do koning van Juda, zaten elk op zijnen troon, bekleed met hunne kleederen, op het plein, aan do deur der poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hunne tegenwoordigheid. a 2 Ki'on. 18 : 9. 1! En Zedelda, de zoon van Kenaiina, had zich ijzeren horens gemaakt; en hij zeide: Zoo zegt de IIeere: Met deze zult gij de Syriërs stooten, totdat gij hen gansch verdaan zult hebben. 12 En al de profeten profeteerden alzoo, zeggende : Trek op naar Ramoth in Gilead, en gij zult voorspoedig zijn, want de IIeere zal hen in de hand des konings geven. 13 De bode nu, die henengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie toch, de woorden der profeten zijn uit éénen mond goed tot den koning; dut toch uw woord zij, gelijk als liet woord van éénen uit hen, en spreek het goede. 14 Doch Micha zeide: Zoo waarachtig als de IIeere loeft, hetgeen do IIeere tot mij zeggen zal, dat zal ik spreken. 15 Als hij tot den koning gekomen was, zoo zeide de koning tot hem: Micha! zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zeide tot hem: Trek op, en gij zult voorspoedig zijn, want de IIeere zal ze in de hand des konings geven. 16 En de koning zeide tot bom: Tot hoe vele reizen zal ik u bezweren, opdat gij tot mij niet spreekt, dan alleen de waarheid, in den naam des Heeren? 17 En hij zeide: Ik zag het gansche Israël verstrooid op de bergen, gelijk schapen, die geenen herder hebben; en de IIeere zeide: Dezen hebben geenen heer; een iegelijk keere weder naar zijn huis in vrede. 18 Toen zeide de koning van Israël tot Jósafat: Heb ik tot ii niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds, maar kwaad profeteren ? 19 Verder zeide hij: Daarom hoort het woord des Heeren : quot; Ik zag den Heere , zittende op zijnen troon, en al het hemelsche heir, staande nevens Hem, aan zijne regter- en aan zijne linkerhand. «2 Kron. 18: 18. Job 1 :6, enz. 2: 1. 20 En de Heere zeide: Wie zal Achab overreden, dat hij optrekke en valle te Ramoth in Gilead? De een nu zeide aldus, en de ander zeide alzoo. 21 Toen ging een geest uit, en stond voor het aangezigt des Heeren, en zeide: Ik zal hem overreden. En de Heere zeide tot hem: Waarmede? 22 En hij zeide: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in den mond van al zijne profeten. En Hij zeide: Gij zult overreden, en zult het ook vermogen; ga uit en doe alzoo. |
36;}
|
23 Nu clan, zie, de Heere heeft oenen leugengeest in den mond van al deze uwe profeten gegeven; en de Heere hooft kwaad over u gesproken . 24 Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en sloeg Micha ojj het kinnebakken; en hij zeido: Door wat weg is de Goost des Heeren van mij doorgegaan, om u aan te sproken ? 25 En Micha zoide: Zie, gij zult het zien, op dienzei ven dag, als gij zult gaan van kanier in kamer, om u te versteken. 26 De koning van Israël nu zeide: Neem Micha, en breng hem weder tot Anion, den overste der stad, en tot Joas, don zoon des konings; 27 En gij zult zeggen: Zoo zegt do koning: Zot-dozen in het gevangenhuis, en spijst hem met brood dor bedruktheid, en met water dor bedruktheid, totdat ik met vrede wederkom. 28 En Micha zeide: Indien gij oenigzins mot vrede wederkomt, zoo heeft de Heere door mij niet gesproken! Verder zeide hij: Hoort, gij volken altegaar! 29 Alzoo toog de koning van Israël en Jósafat, do koning van Juda, op naar Rainoth in Giload. 30 En de koning van Israël zeide tot Jósafat: Als ik mij versteld bob, zal ik in den strijd komen, maar gij, trek uwe kleederon aan. Alzoo verstolde zich do koning van Israël, en kwam in don strijd. 31 Do koning nu van Syrië had geboden aan de oversten der wagonen, van welke hij twee en dertig had, zeggende: Gij zult noch kleinen noch grooten bestrijden, maar don koning van Israël alleen. 32 Het geschiedde dan, als de oversten der wagonen Jósafat zagen, dat zij zeiden: Gewisselijk, die is de koning van Israël; en zij koorden zich naar hom, om te strijden; maar Jósafat riep uit. 33 En het geschiedde, als de oversten der wagonen zagen, dat hij de koning van Israël niet was, dat zij zioh van achter hem afkeerden. 34 Toen spande een man den boog in zijne eenvoudigheid, en schoot don koning van Israël tusschen de gespen en tusschen het pantsier. Toen zeide hij tot zijnon voerman: Keer uwe band, en voer mij uit het leger, want ik ben zeer verwond. 35 En de strijd nam op denzelven dag toe, en de koning werd met den wagon staande gehouden tegenover do Syriërs; maar hij stierf des avonds, en het bloed dor wonde vloeide in don bak des wagens. 36 En er ging oone uitroeping door het heirloger, als do zon onderging, zeggende: Een ieder keere naar zijne stad, en oen ieder naar zijn land! 37 Alzoo stierf do koning, en werd naar Samaria gebragt; en zij begroeven den koning to Samaria. |
38 Als men nu don wagen in den vijver van Samaria spoelde, lekten de honden zijn bloed, waar de hoeren wieschen, naar het woord des Heeren, dat Hij gesproken had. 39 Het overige nu der geschiedenissen van Achab, en al wat hij gedaan heeft, on hot elpenbeenon huis, dat hij gebouwd hooft, en al de steden, dio hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronijken der koningen van Israël 'c* 40 Alzoo ontsliep Achab met zijne vaderen; on zijn zoon Ahazia word koning in zijne plaats. 41 quot;Jósafat nu, de zoon van Asa, word koning over Juda, in het vierde jaar van Achab, den koning van Israël. a 2 Kron. 20:31. 42 Jósafat was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en do naam zijner moedor was Azüba, do dochter van Silchi. 43 En hij wandelde in al don weg van zijnen vader Asa, hij week niot daarvan, doende dat regt was in de oogen dos Heeren. 44 Evenwel worden do hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op do hoogten, 45 En Jósafat maakte vrede mot don koning van Israël. 46 Hot overige nu der geschiedenissen van Jósafat, en zijne magt, die hij bewezen hoeft, en hoe hij geoorloogd hoeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronijken der koningen van Juda? 47 Ook dood hij uit hot land weg de overige schandjongons, die in do dagen van zijnon vader Asa overgebleven waren. 48 Toen was er geen koning in Edom, maar een stadhouder des konings. 49 Ivn Jósafat maakte schopon van Tharsis, om naar Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niot, want de schepen werden gebroken te Ezion-Gobor. 50 Toen zeide Ahazia, de zoon van Achab, tot Jósafat: Laat mijne knechten met uwe knechten op do schepen varen; maar Jósafat wilde niot. 51 En Jósafat ontsliep met zijne vaderen, en werd bij zijne vaderen begraven in de stad van zijnen vader David; on zijn zoon Joram word koning in zijne plaats. 52 Ahazia, de zoon van Achab, word koning over Israël te Samaria, in het zeventiende jaar van Jósafat, den koning van Juda, on regeerde twee jaren over Israël. 53 En hij deed dat kwaad was in do oogen des Heeren : want hij wandelde in don weg van zijnen vader, en in den weg van zijne moedor, en in den weg van Jeróbeam, den zoon van Nobat, die Israël zondigen deed. 54 En hij diende Baiil, on boog zich voor hom, en vertoornde den Heere, don God Israëls, naar alles, wat zijn vader gedaan had. |
2 KONINGEN 1, 2.
HET TWEEDE BOEK
dek
KONINGEN.
364
|
HOOFDSTUK 1. Moab valt van Israël af, vs. 1. Ahazia zoekt in zijne krankheid van eenon Fiiistijnschen afgod de uitkomst zijner ziekte te vernemen, 2. Ella voorzegt zijnen dood, 3. De koning verneemt zulks, 5; en zendt tot tweemalen toe een' hoofdman mot vijftig krijgslieden, om Elia gevangen te nemen: maar allen worden door hemelvmir verteerd, 9. Mot den derden gaat Elia tot ilen koning, 13; wien hij zijnen dood voorzegt, 16. Hij sterft en Joram regeert in zijne plaats, 17. EN Moab viel van Israël af, quot;na Achabs dood. a 2 Kon. 3 : ö. 2 En Ahazia viel door eeno tralie in zijne opperzaal, die te Samaria was, en werd krank. En hij zond boden, on zeide tot hen: Gaat heen, vraagt Haiil-Zobub, den god van Ekron, of ik van deze krankheid genezen zal. 3 Maar de Engel des Ueeren sprak tot Elia, den Thisbiet: Maak n op, ga op, den boden des konings van Samaria te gemoet, en spreek tot hen: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat gijlieden heengaat, om Baiil-Zebub, den god van Ekron, te vragen? 4 Daarom nu zegt de Heere alzoo: Gij zult niet afkomen van dat bed, waarop gij geklommen zijl , maar gij zult den dood sterven. En Elia ging weg. 5 Zoo kwamen do boden weder tot hem ; en hij zeide tot hen: Wat is dit, dat gij wederkomt ? (i En zij zeiden tot hem: Een man kwam op, ons te gemoet, en zeide tot ons: Gaat heon, keert weder tot den koning, die u gezonden heeft, en spreekt tot hem: Zoo zegt de Heere: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat gij zendt, om Baiil-Zebub, den god van Ekron, te vragen? Daarom zult gij van dat bod, waarop gij geklommen zijt, niet afkomen, maar gij zult den dood sterven. 7 En hij sprak tot hen : Hoedanig was de gestalte des mans, die u te gemoet opgekomen is, en deze woorden tot u gesproken heeft ? 8 En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig kleed, en met eenon lederen gordel gegord om zijne lenden. Toen zeide hij: Het is Elia, de Thisbiet. 9 En hij zond tot hem eenon hoofdman van vijftig mot zijne vijftigen. En als hij tot hom opkwam, (want ziet, hij zat op de hoogte eens bergs) zoo sprak hij tot hem; (lij man Gods! de koning zegt: Kom af. |
10 Maar Elia antwoordde en sprak tot den hoofdman van vijftigen: Indien ik dan een man ben, zoo quot;dale vuur van don hemel, en ve u en uwe vijftigen. Toen daalde vuur var hemel, en verteerde hom en zijne vijftigen. a Luk. 11 En hij zond wederom tot hom oenen anc hoofdman van vijftig met zijne vijftigen, antwoordde en sprak tot hem: Gij man ( zoo zegt de koning: Kom haastolijk af. 12 En Elia antwoordde en sprak tot hem: ik eon man Gods, zoo dale vuur van don lu en vertere u on uwe vijftigen. Toen daald vuur Gods van don hemel, en verteerde he zijne vijftigen. 13 En wederom zond hij eenon hoofdman de derde vijftigen mot zijne vijftigen. Zoo do dorde hoofdman van vijftigen op, en k en boog zich op zijne knieën voor Elia, on sm hom, en sprak tot hem: Gij man Gods! laat mijne ziel on de ziel van uwe knechten, van vijftigen, dierbaar zijn in uwe oogen! 14 Zie, hot vuur is van den hemel gedaald heeft die twee eerste hoofdmannen van vijf met hunne vijftigen verteerd; maar nu, laat i ziel dierbaar zijn in uwe oogen! 15 Toen sprak de Engel dos Heeren tot Ga af met hem, vrees niet voor zijn aang( En hij stond op, en ging mot hom af tot koning. 10 En hij sprak tot hem: zoo zegt de He Daarom, dat gij boden gezonden hebt, om Zebub, don god van Ekron, to vragen; (is omdat er geen God in Israël is, om zijn w te vragen?) daarom van dat bed, waarop g klommen zijt, zult gij niet afkomen, maa zult den dood sterven. 17 Alzoo stierf hij, naar het woord des Hei dat Elia gesproken had; on Joram werd k( in zijne plaats, in het tweede jaar van Jo don zoon van Jósafat, den koning van J want hij had geenen zoon. 18 Het overige nu der zaken van Ahazia hij gedaan hooft, is dat niet geschreven i boek dor kronijken der koningen van Israël HOOFDSTUK 2. Elia verdeelt de Jordaan, vs. 1; Ella vergunt zijne bede onder voorwaarde en wordt in vurigen wagen ten hemel opgenomen, 9. EHsa de Jordaan, 13; wordt voor Ella's opvolger e door dc leerlingen dei profeten, 15; deze z Ella, doch te vergeefs, 10. Ellsa maakt de w; |
2 KONINGEN 2, 3.
|
to Jericho gezond, 19; hij vloekt de kinderen, die hem bespotten; zij worden door twee boeren verscheurd, 23. HET geschiedde nu, als de Heere Elia niet oen onweder ton hemel opnemen zou, dat Elia met Elisa ging van Gilgal. 2 En Elia zeide tot Elisa: Blijf toch hier, want de Heere heeft mij naar Beth-El gezonden. Maar Elisa zeide: Zoo waarachtig als de Heere leeft en uwe ziel leeft, ik zal n niet verlaten! Alzoo gingen zij af naar Beth-El. 3 Toen gingen de zonen der profeten, die te Beth-El waren, tot Elisa uit, en zeiden tot hem: Weet gij, dat de Heere heden uwen heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet liet ook wel, zwijgt gij stil. 4 En Elia zeide tot hem: Elisa! blijf toch hier, want de Heere heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zoo vmarac.htig als de Heere leeft en uwe ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Alzoo kwamen zij te Jericho. 5 Toen traden de zonen der profeten, die te Jericho waren, naar Elisa toe, en zeiden tot hem: Weet gij, dat de Heere heden uwen heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil. (i En Elia zeide tot hem: Blijf toch hier, want de Heere heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zoo waarachtig als de Heere leeft en uwe ziel leeft, ik zal u niet verlaten! En zij gingen henen. 7 En vijftig mannen van de zonen der profeten gingen henen, en stonden tegenover van verre; en die beiden stonden aan de Jordaan. 8 Toen nam Elia zijnen mantel, en wond hem zamen, en sloeg het water, en hot werd herwaarts en derwaarts verdeeld ; en zij heiden gingen ei' door op het drooge. 9 Het geschiedde nu, als zij overgekomen waren, dat Elia zeide tot Elisa: Begeer wat ik u doen zal, oer ik van bij u weggenomen worde. En Elisa zeide: Dat toch twee deelen van uwen geest op mij zijn! 10 En hij zeide: Gij hebt eene harde zaak begeerd: indien gij mij zult zien, als ik van bij u weggenomen worde, het zal u alzoo geschieden; doch zoo niet, het zal niet geschieden. 11 En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zoo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tusschen hen beiden scheiding maakten. Alzoo voer Elia met een onweder ton hemel. 12 En Elisa zag het, en hij riep: quot;Mijn vader, mijn vader! wagen Israels en zijne ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijne kleederen en scheurde ze in twee stukken. a 2 Kon. 13 : 14. 13 Hij hief ook Elia's mantel op, die van hem afgevallen was, en keerde weder, en stond aan den oever der Jordaan. |
14 En hij nam den mantel van Elia, die van hem afgevallen was, on sloeg het water, en zeide: Waar is de Heere, de God van Elia? ja dezelve? En hij sloeg het water en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elisa ging er door. 15 Als nu de kinderen der profeten, die tegenover te Jericho waren, hem zagen, zoo zeiden zij: De geest van Elia rust op Elisa; en zij kwamen hem te gemoet, en bogen zich voor hem neder ter aarde. 16 En zij zeiden tot hem: Zie nu, er zijn bij uwe knechten vijftig dappere mannen, laat hen toch heengaan, en uwen heer zoeken, of niet misschien de Geest des Hekken hem opgenomen, on op eenen der bergen, of in een der dalen hem geworpen heeft. Doch hij zeide: Zendt niet, 17 Maar zij hielden bij hem aan tot schamens toe; en hij zeide: Zendt, En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, doch hem niet vonden, 18 Toen kwamen zij weder tot hom, daar hij te Jericho gebleven was; en hij zeide tot hen: Heb ik tot ulieden niet gezegd: Gaat niet? 19 En de mannen der stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de woning dezer stad is goed, gelijk als mijn heer ziet, maar het water is kwaad, en het land onvruchtbaar, 20 En hij zeide: Brengt mij eene nieuwe schaal, en legt er zout in. En zij bragten ze tot hem, 21 Toen ging hij uit tot de waterwel, en wierp het zout daarin, en zeido: Zoo zegt do Heere: Ik heb dit water gezond gemaakt, er zal geen dood noch onvruchtbaarheid meer van worden, 22 Alzoo werd dat water gezond, tot op dezen dag, naar het woord van Elisa, dat hij gesproken had, 23 En hij ging van daar op naar Beth-El, Als hij nu den weg opging, zoo kwamen kleine jongens uit de stad; die bespotten hem, en zeiden tot hem: Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op! 24 En iiij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in den naam des Heeren, Toen kwamen twee boeren uit het woud, en verscheurden van dezelve twee en veertig kinderen, 25 En hij ging van daar naar den berg Karmel; en van daar keerde hij weder naar Samaria, HOOFDSTUK 3, Joraiu regeert over Israël en volgt de zonde van Jeró-beam, vs. 1. Trekt met Jósafat en den koning van Edom ton strijde tegen de Moahioton, 4. (jebrok aan water doet hen tot Elisa de toevlugt nemen, die, door God onderrigt, hun water en tevens de overwinning belooft, 9. Vervulling dozer beloften, 20. JORAM nu, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het achttiende jaar van Jósafat, den koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaren, 2 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, doch niet gelijk zijn vader en gelijk zijne moeder; quot;want hij deed dat opgerigte beeld |
|
ï!()6 vfin Baiil weg, hetwelk zijn vader gemaakt had. a 1 Kon. 10 : 32. 3 Evenwel hing hij de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, aan, die Israël deed zondigen; hij week daarvan niet af. 4 Mesa nu, de koning der Moabieten, was eon veehandelaar, en bragt op aan den koning van Israël honderd duizend lammeren, en honderd duizend rammen met de wol. !) Maar het geschiedde, als Achab gestorven was, quot; dat de koning der Moabieten van den koning van Israël afviel. «2 Kon. 1:1. (1 Zoo toog de koning Jorain ter zelver tijd uit Samaria, en monsterde gansch Israël. 7 En hij ging heen, en zond tot Jósafat, den koning van Juda, zeggende: De koning der Moabieten is van mij afgevallen, zult gij met mij trekken in den oorlog tegen de Moabieten? En hij zeide: Ik zal opkomen, quot;zoo zal ik zijn, gelijk gij zijt, zoo mijn volk als uw volk, zoo mijne paarden als uwe paarden. «1 Kon. 2'_,: 4. 8 En hij zeide: Door welken weg zullen wij optrekken';' Hij dan zeide: Door den weg der woestijn van Edom. !) Alzoo toog de koning van Israël heen, en de koning van Juda, en de koning van Edom; en als zij zeven dagreizen omgetogen waren, zoo had het leger en hot vee, dat hen navolgde, geen water. 10 Toen zeide de koning van Israël: Ach, dat de Heere deze drie koningen geroepen heeft, om die in der Moabieten hand te geven! 11 En Jósafat zeide: quot;Is hier geen profeet des Heeren, dat wij door hem den Heere mogten vragen? Toen antwoordde een van de knechten des konings van Israël, en zeide: Hier is Elfsa, de zoon van Safat, die water op Elia's handen goot. a 1 Kon. 22 : 7. 12 En Jósafat zeide: Des Heeren woord is bij hem. Zoo togen tot hein af de koning van Israël, en Jósafat, en de koning van Edom. 13 Maar Elfsa zeide tot den koning van Israël: Wat heb ik met u te doen? quot;ga heen tot de profeten uws vaders, en tot de profeten uwer moeder. Doch do koning van Israël zeide tot hein: Neen, want de Heere hoeft deze drie koningen geroepen, om die in der Moabieten hand te geven. a 1 Kon. 18 : 19. 14 En Elfsa zeide; Zoo waarachtig ee/s de IIkere der heirscharen looft, voor quot;wiens aangezigt ik sta, zoo ik niet het aangezigt van Jósafat, den koning van Juda, opnam, ik zou u niet aanschouwen, noch u aanzien! al Kon. 17:1. 15 Nu dan, brengt mij eenen speelman. En het geschiedde, als de speelman op do snaren spoelde, dat de hand dos Heeren op hem kwam. 16 En hij zoido: Zoo zegt do Heere : Maakt in dit dal vele grachten. 17 Want zoo zegt de Heere: Gijlieden zult geen' wind zien, en gij zult geen' regen zien, nogtans zal dit dal mot water vervuld worden, zt gij zult drinken, gij, en uw vee, en uwe boe |
18 Daartoe is dat slecht in de oogon des ren; Hij zal ook do Moabieten in uliedor geven. 1!) En gij zult allo vaste steden, en alle u lezene steden slaan, en zult alle goede bo( vellen, on zult allo waterfonteinen stoppen allo goede stukken lands zult gij met stc verderven. 20 Eu hot geschiedde des morgens, als inoi spijsoffer offert, dat er, ziet, water doolweg van Edom kwam, en het land mot \ vervuld werd. 21 Toon nu al do Moabieten hoorden, ds koningen opgetogen waren, om tegen hc strijden, zoo worden zij zamengoroopen, v; dogenen af, die den gordel aangordden on â boven, en zij stonden aan de landpalo. 22 En toen zij zich dos morgens vroeg opn ton, en de zon over dat water oprees, zag( Moabieten dat water tegenover rood gelijk b 23 En zij zeidon: Dit is bloed; de koni hebben voorzeker zich met het zwaard verdo: en hebben do oen don ander verslagen; mi aan don buit, gij Moabieten! 24 Maar als zij aan het leger van Israël kwa maakten zich de Israëlieten op, en sloege Moabieten; en zij vloden van hun aangezig zij kwamen in tiet land, slaande ook de Moabi 25 De steden nu braken zij af, en een iej wierp zijnon steen op allo goede stukken h en zij vulden zo, en stopten allo waterfonte en velden alle goede boomen, totdat zij in haréseth alleen, do steenon daarvan lieten ove von ; en do slingeraars omsingelden en sloeger 26 Docli als de koning dor Moabieten zag hem do strijd te sterk was, nam hij tot zich ; honderd mannen, die hot zwaard uittogen door te breken togen den koning van E maar zij konden niet. 27 Toen nam hij zijnon eerstgeborenen zooi in zijne plaats koning zou worden, en of hem ten brandoffer op don muur. Daaruit een zeer groote toorn in Israël; daarom trc zij van hom af, en koerden weder in hun HOOFDSTUK 4. Elfsa redt, door het wonder van do vermenigvnl der olie, eene weduwe nit groote ongelegei vs. .1. Eeno Sunainietische bereidt don profeei kamer in haar huis, 9. De profeet belooft haar zoon, dien zij verkrijgt, 12. Deze zoon sterft, wordt door EHsa weder opgewekt, 18. Elfsa de vergiftigde spijs eetbaar, 38; en voedt hc mannen met twintig gerstenbrooden en groene ar EENE vrouw nu uit de vrouwen van de : dor profeten riep tot Elfsa, zeggende: Uw ki mijn man, is gestorven, en gij weet, da knecht den Heere was vreezende; nu is do sc heer gekomen, quot;om mijne beide kinderen zich tot knechten te nemen. a Lev. 2 2 KONINGEN 3, 4. |
2 KONINGEN 4.
|
2 En Elisa zeide tot haar; Wat zal ilc u doen? geof mij to kennen, wat gij in het huis hebt. En zij zeide: Uwo dienstmaagd hoeft niet met al in het huis, dan eene kruik met olie. 3 Toen zeide hij: fra, eisch voor u vaten van buiten, van al uwe naburen ledige vaten; maak er niet weinig te hebben. 4 Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uwe zonen toe; daarna giet in al die vaten, en zet weg dat vol is. 5 Zoo ging zij van hem , en sloot de deur voor zich en voor hare zonen toe; die bragten haaide vaten toe, en zij goot in. 0 En het geschiedde, als die vaten vol waren, dat zij tot haren zoon zeide: Breng mij nog een vat aan; maar hij zeide tot haar: Er is geen vat meer. En de olie stond stil. 7 Toen kwam zij , en gaf het den man Gods te kennen; en hij zeide: Ga heen, verkoop de olie, en betaal uwen schuldheer; gij dan met uwe zonen, leef bij het overige. 8 Met geschiedde ook op eonen dag, als Elisa naar Sunem doortrok, dat aldaar eene groote vrouw was, dewelke hem aanhield, om brood te eten. Voorts geschiedde het, zoo dikwijls hij doortrok, week hij daarin, om brood te eten. 9 En zij zeide tot haren man: Zie nu, ik heb gemerkt, dat deze man Gods heilig is, die bij ons altoos doortrekt. 10 Laat ons toch eene kleine opperkamer van eenen wand maken, en laat ons daar voor hem zetten een bed, en tafel, en stoel, en kandelaar; zoo zal het geschieden, wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijke. 11 En het geschiedde op eenen dag, dat hij daar kwam; en hij week in die opperkamer, en leide zicli daar neder. 12 Toen zeide hij tot zijnen jongen Géhazi: Roep deze Sunamietische. En als hij ze geroepen liad, stond zij voor zijn aangezigt. 13 (Want hij had hem gezegd: Zeg nu tot haar: Zie, gij zijt zorgvuldig voor ons geweest, met al deze zorgvuldigheid; wat is er voor u te doen ? is er iets om voor u to spreken tot den koning, of tot den krijgsoverste ? en zij had gezegd : Ik woon in het midden mijns volks. 14 Toen had hij gezegd: Wat is er dan voor haar te doen? En Géhazi had gezegd: Zij heeft toch geen' zoon, en haar man is oud. 15 Daarom had hij gezegd: Roep haar. En als hij ze geroepen liad, stond zij in de deur.) 16 En hij zeide: Op quot;dezen gezetten tijd, omtrent dezen tijd des levens zult gij eenen zoon omhelzen. En zij zeide: Neen, mijnheer, gij man Gods! lieg tegen uwe dienstmaagd niet. a Gen 18 :10, 14. 17 En de vrouw werd zwanger, en baarde eenen zoon op dien gezetten tijd, omtrent den tijd des levens, dien Elisa tot haar gesproken had. |
18 Toen nu het kind groot werd, geschiedde het op eenen dag, dat het uitging tot zijnen vader, tot do maaijers. 1!) En het zeide tot zijnen vader: Mijn hoofd, mijn hoofd! Ilij dan zeide tot eenen jongen: Draag hem tot zijne moeder. 20 En hij droeg hem: en bragt hem tot zijne moeder. En hij zat op hare knieën tot aan den middag toe, toen stierf bij. 21 En zij ging op, en leide hem op liet bed van den man Gods; daarna sloot zij voor hem toe, en ging uit. 22 En zij riep om haren man, en zeide: Zend mij toch eenen van de jongens, en eene van de ezelinnen, dat ik tot den man Gods loope, en wederkome. 23 En hij zeide: Waarom gaat gij heden tot hem? liet is geen nieuwe maan, noch sabbat. En zij zeide: Het zal wel zijn. 24 Toen zadelde zij de ezelin, en zeide tot haren jongen: Drijf, en ga voort; houd mij niet op voort te rijden, tenzij dan dat ik liet u zegge. 25 Alzoo toog zij heen, en kwam tot den man Gods, tot den berg Karmel. En het geschiedde, als do man Gods haar van tegenover zag, dat hij tot Géhazi, zijnen jongen, zeide: Zie, daar is de Sunamietische. 26 Nu loop toch haar te gemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u ? is het wel met uwen man? is het wel met uw kind? En zij zeide: liet is wel. 27 Toen zij nu tot den man Gods op den berg kwam, vatte zij zijne voeten. Maar Géhazi trad toe, om haar af te stooten. Doch de man Gods zeide: Laat ze geworden, want hare ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en de IIeere heeft liet voor mij verborgen, en mij niet verkondigd. 28 En zij zeide: Heb ik eenen zoon van mijnen heer begeerd? quot;zeide ik niet: Bedrieg mij niet? a 2 Kon. 4 : 1 (i. 2i) En hij zeide tot Géhazi: Gord uwe lenden, en neem mijnen staf in uwe hand, en ga henen; zoo quot;gij iemand vindt, groet hem niet; en zoo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijnen staf op het aangezigt van den jongen. a Luk. 10 : 4. 30 Doch de moeder van den jongen zeide: Zoo waarachtig als de Heeue leeft en uwe ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Hij stond dan op, en volgde haar na. 31 Géhazi nu was voor hun aangezigt doorgegaan; en hij leide den staf op het aangezigt van den jongen; doch er was geone stem, noch opmerking. Zoo keerde bij weder hem te gemoet, en bragt hem boodschap, zeggende: De jongen is niet ontwaakt. 32 En toon Elisa in het huis kwam, ziet, zoo was de jongen dood, zijnde gelegd op zijn bed. 33 Zoo ging hij in, en quot;sloot de deur voor hen beiden toe; en bad tot den Heere. «.Matt. 0:0. 34 En hij klom op, en leide zich neder op het |
2 KONINGEN 4, 5.
|
kind, on loggende zijnon mond op deszolfs mond, en zijne oogon op zijne oogen, en zijne handen op zijne handen, breidde zich over hom uit. En hot vleosch des kinds werd warm. ;i5 Daarna kwam hij weder, en wandelde in het huis eens herwaarts, en eens derwaarts, en klom weder op, en breidde zich over hom uit; quot;en do jongen niesde tot zevenmaal toe; daarna deed de jongen zijne oogon open. al Kon. 17 : 21. 2 Kon. 8: 1. Hand. 20: 10. :)() En hij riep Géhazi, en zeide; Roep doze Su-namiotischo. En hij riep zo, en zij kwam tot hem; en hij zeide: Noem uwen zoon op. :57 Zoo kwam zij, on viel voor zijne voeten, on boog zich ter aarde; en zij nam haren zoon op, en ging uit. :)8 Als nu Elïsa weder te Gilgal kwam, zoo was er honger in dat land, en de zonen der profeten zaten voor zijn aangezigt: en hij zeide tot zijnen jongen: Zot den grooten pot aan, en zied moes voor do zonen der profeten. 39 Toon ging oen uit in hot veld, om moeskruiden te lezen, en hij vond oenen wilden wijnstok, en las daarvan, zijn kleed vol wilde kolokwinten, en kwam, on sneed ze in den moespot, want zij konden ze niet. 40 Daarna schepten zij voor de mannen op om te eten; en het geschiedde, als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden: Man Gods! de dood is in don pot. Eu zij konden hot niot eten. 41 Maar hij zeide: Brengt dan meel; en hij wierp het quot;in den pot; en hij zeide: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in den pot. aE.\. 10:25. 42 En er kwam een man van Baiil-Salisa, en bragt den man Gods brooden der eerstelingen, twintig gerstenbroodon, en groene aren in hare hulzen; en hij zeide : Geef aan hot volk, dat zij eten. 43 Doch zijn dienaar zeide: quot;Wat zou ik dat aan honderd mannen voorzetten? En hij zeide: Geef aan hot volk, dat zij eten, want alzoo zegt de Heere : ''Men zal eten en overhouden. a Joh. (i: 9. b Joh. 6 : 11. 44 Zoo zotte hij het hun voor, en zij aten, en zij hielden over, naar het woord des Hkeren. HOOFDSTUK 5. Naaman komt tot Elisa, om van zijne raelaatschheid genezen te worden, vs. 1; hij weigert om zich van het geringe middel, door den profeet aangewezen, te bedienen; maar laat zich door zijne knechten overhalen, 10; zijne herstelling, 14; zijn afscheid van Eh'sa, die zijne geschenken weigert en hem in vrede gaan laat, 15. Onbeschaamdheid van Géhazi door Elfsa streng gestraft, 27. NAAMAN nu, de krijgsoverste van den koning van Syrië, was een groot man voor het aangezigt zijns hoeren, en van hoog aanzien: want door hem had de Heere den Syriërs verlossing-gegeven; zoo was deze man een strijdbaar held, doch melaatsch. |
2 En er waren bondon uit Syrië getoge: hadden oeno kleine jonge dochter uit het van Israël gevankelijk gebragt, die in do i dor huisvrouw van Naaman was. li Deze zeide tot hare vrouw: Och of mijn ware voor hot aangezigt van den profeet, Samaria is, dan zou hij hom van zijne mela beid ontledigen. 4 Toen ging hij in en gaf het zijnen lu kennen, zeggende: Zoo en zoo hoeft de dochter gesproken, dio uit het land van Isr 5 Toen zeide de koning van Syrië: Ga kom, en ik zal eonen brief aan den konin Israël zenden. En hij H'inS heen, en nam ii band tien talenten zilvers en zes duizend ttL gouds, en tien wisselkleederen. ti En hij bragt den brief tot den koninlt; Israël, zeggende: Zoo wanneer nu deze bri ii zal gekomen zijn, zie, ik heb mijnon 1lt; Naaman tot u gezonden, dat gij hom ont van zijne molaatschheid. 7 En hot geschiedde, als do koning van den brief gelezen had, dat hij zijne kloe scheurde, en zeide: quot; Ben ik dan God, i dooden en lovend to maken, dat deze t( zendt, om eenen man van zijne melaatschh ontledigen ? Want voorwaar merkt toch , en dat hij oorzaak tegen mij zoekt. a Dent. 32 : 39. 1 San 8 Maar hot geschiedde, als Elïsa, de man gehoord had, dat do koning van Israël kleoderen gescheurd had, dat hij tot den k zond, om te zoggen: Waarom hebt gij uwe doren gescheurd? Laat hem nu tot mij k( zoo zal hij weten, dat er een profeet in Isr 9 Alzoo kwam Naaman met zijne paarden c zijnen wagen, en stond voor de deur van hc van Elisa. 10 Toon zond Elisa tot hem oenen bode gonde: Ga heen en wasch u zevenmaal Jordaan, en uw vleosch zal u wodorkomo gij zult rein zijn. 11 Maar Naaman werd zeer toornig, en weg, en zeide: Zie, ik zeide bij mij zolvei zal zekerlijk uitkomen, en staan, en den des Heeren, zijns Gods, aanroepen, en hand over do plaats strijken, en den mela ontledigen. 12 Zijn niet Abana on Farpar, de riviere Damaskus, boter dan alle wateren van 1 zou ik mij in die niet kunnen wasschon o worden ? Zoo wondde hij zich , en toog we grimmigheid. 13 Toon traden zijne knechten toe, en s] tot hem, en zeiden: Mijn vader! zoo die p tot u eene groote zaak gesproken had, zoi zo niet gedaan hebben? hoe voel te meer, dien hij tot u gezegd heeft: Wasch u, en rein zijn? 14 Zoo klom hij af, en doopte zich in d |
2 KONINGEN 5, 0.
|
daan zevenmaal, naar het woord van den man Gods; quot;en zijn vleesch kwam woder, gelijk het vleesch van eenen kleinen jongen, en hij werd rein. a Luk. .1:27. 15 Toen keerde hij woder tot den man Gods, hij en zijn gansohe heir, en kwam, en stond voor zijn aangezigt, en zeide: Zie, nu weet ik, dat er geen God is op de gansohe aarde, dan in Israël! Nu dan , neem tooli eenen zegen van uwen knecht. li) Maar hij zeide: Zoo waarachliy ah de IIkeuk loeft, voor wiens aangezigt ik sta, indien ik het neme! En hij hield bij hem aan, opdat hij het nam, doch hij weigerde het. 17 En Naaman zeide: Zoo niet; laat toch uwen knecht gegeven worden een last aarde van een juk muilen: want uw knecht zal niet meer brandoffer of slagtoffer aan andore goden doen, maar don Herre. 18 In deze zaak vergeve de Heeue uwen knecht: wanneer mijn hoer in het huis van Rimmon gaan zal, om zich daar neder te buigen, en hij op mijne hand lenen zal, en ik mij in het huis van Rimmon nederbuigen zal; als ik mij alzoo neder-buigen zal in het huis van Rimmon, de Heeue vergeve toch uwen knecht in deze zaak. 19 En hij zeide tot hem: Ga in vrede. En hij ging van hom eene kleine streek lands. 20 Géhazi nu, de jongen van Elisa, den man Gods, zeide: Zie, mijn heer heeft Naaman, dien Syriër, belet, dat men uit-zijne hand niet genomen heeft, wat hij gebragt had: maar zoo waarachtig als do Heeue loeft, ik zal hem naloopon, en zal wat van hem nemen! 21 Zoo volgde Géhazi Naaman achterna. En toen Naaman zag, dat hij hem naliep, viel hij van den wagen af, hem te gemoet, en hij zeide: Is het wel ? 22 En hij zeide: liet is wel; mijn heer heeft mij gezonden, om te zeggen: Zie, nu straks zijn tot mij twee jongelingen uit de zonen der profeten, van het gebergte van Efraïm gekomen; geef toch hun een talent zilvers en tweo wisselkleederen. 2!i En Naaman zeide: Belieft liet u, neem twee talenten. En hij hield aan bij hem, en bond twee talenten zilvers in twee buidels, met twee wissel-kleederen, en hij leide ze op twee van zijne jongens, die ze voor zijn aangezigt droegen. 24 Als hij nu op de hoogte kwam, nam hij zc van hunne hand, en bestelde zo in een huis; en hij liet de mannen gaan, en zij togen heen. 25 Daarna kwam hij in, en stond voor zijnen heer. En Elisa zeide tot hem: Vanwaar, Géhazi? En hij zeide: Uw knecht is noch herwaarts noch derwaarts gegaan. 26 Maar hij zeide tot hem: Ging niet mijn hart mede, als die man zich omkeerde van op zijnen wagen u te gomoet? was het tijd, om dat zilver te nemen, en om kleederen te nomen, en olijf-boomen, en wijngaarden, en schapen, en runderen , en knechten, en dienstmaagden ? |
27 Daarom zal u de melaatachheid van Naaman aankleven, en uw zaad in eeuwigheid! Toen quot;ging hij uit van voor zijn aangezigt, melaatsch, wit al do sneeuw. a Num. 12: 10. 2 Kron. 20:19, 20. HOOFDSTUK 6. Elisa doet hot ijzer op het water drijven, vs. 1. Hij ontdekt de lagen van den koning van Syrië, 8; dio daarom Elisa uil Dothan lant opeisohen, 11; do engelen bewaren hem, 17. De afgezondene Syriërs worden met blindheid geslagen, binnen Samaria gebragt en met vrede teruggezonden, 18. Samaria wordt belegerd en komt tot zulk een' hongersnood, dat twee vrouwen der eener kind eten, 24. Joram zoekt Elisa te dooden, 31. EN de kinderen der profeten zeiden tot Elisa: Zie nu, de plaats, waar wij wonen voor uw aangezigt, is voor ons te eng. 2 Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan, en elk van daar een timmerhout halen, dat wij ons daar eene plaats maken, om er te wonen. En hij zeide: Gaat heen. 3 En er zeide een: Hot believe u toch te gaan met uwe knechten. En hij zeide: Ik zal gaan. 4 Zoo ging hij met hen. Als zij nu aan de Jordaan gekomen warou, hieuwen zij hout af. 5 En het geschiedde, als een het timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep, en zeide: Ach, mijn hoer! want het was geloond. 6 En de man Gods zoide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af, en wierp het daarhenen, ondood hot ijzer boven zwemmen. 7 En hij zeide: Neem het tot u op. Toen stak hij zijne hand uit, en nam het. 8 En do koning van Syrië voerde krijg tegen Israël, en beraadslaagde zich met zijne knechten, zeggende: Mijne logering zal zijn in de plaats van zulk oen. 9 Maar de man Gods zond honen tot den koning van Israël, zeggende: Wacht u, dat gij door die plaats niet trekt, want do Syriërs zijn daarhenen afgekomen. 10 Daarom zond de koning van Israël honen aan die plaats, waarvan hom de man Gods gezegd en hem gewaarschuwd had, en wachtte zich aldaar, niet eenmaal, noch tweemaal. 11 Toen werd hot hart dos konings van Syrië onstuimig over dezen handel; en hij riep zijne knechten, en zeide tot hen: Zult gij mij dan niet te kennen geven, wie van de onzen zij voor den koning van Israël ? 12 En een van zijne knechten zeide: Noen, mijn heer koning! maar EHsa, do profeet, die in Israël is, geeft den koning van Israël te kennen de woorden, die gij in uwe binnenste slaapkamer spreekt. 13 En hij zeide: Gaat hoen, en ziot, waar hij is, dat ik zendo en hem halen late. En hem werd te kennen gegeven, zeggende: Zio, hij is te Dothan. 14 Toen zond hij daarhenen paarden, en wage- u |
2 KONINGEN G, 7.
|
non, en oen zwaar heir; welke des nachts kwamen, en omsingelden de stad. 15 En de dienaar van den man Gods stond zeer vroeg op, en ging uit; en ziet, een heir omringde de stad met paarden en wagenen. Toen zeide zijn jongen tot hem: Ach, mijn heer! boe zullen wij doen ? 16 En hij zeide: Vrees niet: want die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn. 17 En EHsa bad, en zeide: Heere, open toch zijne oogen, dat hij zie. En de Heere opende de oogen van den jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagenen rondom Elïsa. 18 Als zij nu tot hein afkwamen, bad Elisa tot den Heere, en zeide: quot;Sla toch dit volk met-verblindheden. En Hij sloeg hen met verblindheden, naar het woord van Elisa. a Gen. 19:11. 19 Toen zeide Elisa tot hen: Dit is de weg niet, en dit is de stad niet; volgt mij na, en ik zal u leiden tot den man, dien gij zoekt: en hij leidde hen naar Samaria. 20 En het geschiedde, als zij te Samaria gekomen waren, dat Elisa zeide: Heere! open de oogen van dezen, dat zij zien. En de Heere opende hunne oogen, dat zij zagen; en ziet, zij waren in bet midden van Samaria. 21 En de koning van Israël zeide tot Elisa, als bij hen zag: Zal ik hen slaan? zal ik hen slaan, mijn vader? 22 Doch bij zeide: Gij zult hen niet slaan; zoudt gij ook slaan, die gij met uw zwaard en met uwen boog gevangen hadt? zet hun brood en water voor, dat zij eten en drinken, en tot hunnen heer trekken. 28 En hij bereidde hun eenen grooten maaltijd, dat zij aten en dronken; daarna liet hij hen gaan, en zij trokken tot bunnen heer. Zoo kwamen de bonden der Syriërs niet meer in het land van Israël. 24 En het geschiedde daarna, dat Benbadad, de koning van Syrië, zijn geheele leger verzamelde, en optoog, en Samaria belegerde. 25 En er werd groote honger in Samaria; want ziet, zij belegerden ze, totdat een ezelskop voor tachtig zilverlingen was verkocht, en een vierendeel van oen kab duivenmest voor vijf zilverlingen. 2(i En bet geschiedde, als de koning op den muur voorbijging, dat eene vrouw tot hem riep, zeggende: Help mij, beer koning! 27 En hij zeide: De Heere helpt u niet, waarvan zou ik u helpen? van den dorschvloer of van do wijnpers? 28 Vorder zeide de koning tot haar: Wat is u ? En zij zeide: Deze vrouw heeft tot mij gezegd: Goof uwen zoon, dat wij hom heden eten, en morgen zullen wij mijnen zoon eten. 2!) Zoo quot;hebben wij mijnen zoon gezoden, en hebben hem gegeten; maar als ik des anderen daags tot haar zeide: Geef uwen zoon, dat wij hem eten, zoo heeft zij haren zoon verst |
a Dent. 2 30 En het geschiedde, als de koning de wo( dezer vrouw gehoord had, dat hij zijne klee scheurde, alzoo bij op don muur voortgin; het volk zag, dat, ziet, een zak vanbinnen zijn vloesch was. 31 En hij zeide: «Zoo doe mij God, en do daartoe, indien hel hoofd van Elisa, don van Safat, heden op hem zal blijven staan! a I Kon. 32 (Elisa nu zat in zijn huis, en de oudsten bij hem.) En hij zond oenen man van voo aangezigt; maar eer de bode tot hem gek was, luid hij gezegd tot de oudsten: Heb lieden gezien, hoe die zoon des moordonaai zonden heeft, om mijn hoofd af te nemen' toe, als die bode komt, sluit de deur to dringt hem uit met de deur; is niet hot gei der voeten van zijnen hoor achter hem? 33 Als hij nog met hen sprak, ziet, zoo de bode tot hem af; en bij zeide: Ziet, dat 1 is van den Heere, wat zou ik verder o] Heere wachten? HOOFDSTUK 7. Elisa voorspelt don inwoners van Samaria f overvloed en bedreigt eenen hoofdman, die he geloofde, mot den dood, vs. 1. Vier molar komen in hot leger, vinden daar niemand, 3; de Syriërs van God verjaagd, G: zij boodscl dit in Samaria, 8. Do koning zendt zijne ruil kondschap uit, 12; die alles naar waarheid be\ 15. Ellsa's beide voorzeggingen vervuld, 10. TOEN zeide Elisa: Hoort het woord des ren; zoo zegt do Heere: Morgen omtrent tijd zal eene maat meelbloem verkocht w voor eenen sikkel, en twee maten gerst voor sikkel, in de poort van Samaria. 2 Maar een hoofdman, op wiens hand de k leende, antwoordde den man Gods, en Zie, zoo de Heere vensteren in den hemel m zou die zaak kunnen geschieden ? En hij Zie, gij zult het met uwe oogen zien, doch van niet eten. 3 Er waren nu vier melaatsche mannen de deur der poort; die zeiden, do een t( ander: Wat blijven wij hier, totdat wij ste a Lev. 4 Indien wij zeggen: Laat ons in de stad k zoo is de honger in de stad, en wij zuller sterven; en indien wij hier blijven, wij ook sterven: nu dan, komt en laat ons leger der Syriërs vallen: indien zij ons leven, wij zullen loven; en indien zij ons dlt; wij zullen maar sterven. 5 En zij stonden op in de schemering, het leger der Syriërs te komen. Toen zij ai uiterste van het leger der Syriërs kwamen toen was er niemand. G Want de Heere had bet heir der Syriër |
2 KONINGEN 7, 8.
|
hooron een quot;geluid van wagonen, en een geluid van paarden, liet geluid eener groote heirkraclit; zoodat zij zeiden de een tot den ander: Zio, de koning van Israël heeft tegen ons gehuurd de koningen der Hethieten, en de koningen der Egyptenaren, om tegen ons to komen. «Jos. 13:4. 7 Derhalve hadden zij zich opgemaakt, en waren in de schemering gevloden, en hadden hunne tenten gelaten, en hunne paarden, en hunne ezelen, het leger gelijk als het was; en waren gevloden om huns levens wil. 8 Als nu deze melaatschen aan het uiterste des legers kwamen, zoo gingen zij in eene tent, en aten en dronken, en namen van daar zilver, en goud, en kleederen, en gingen henen en verborgden het; daarna keerden zij weder, en kwamen in eene andere tent, namen van daar ook, en gingen henen, en verborgden hot. 9 Toen zeiden zij de een tot den ander : Wij doen niet rogt; deze dag is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil. Indien wij vertoeven tot den lichten morgen, zoo zal ons de ongereg-tigheid vinden: daarom nu, komt, laat ons gaan, on dit aan het huis des konings boodschappen. 10 Zoo kwamen zij, en riepen tot den poortior der stad, en boodschapten hun, zeggende: Wij zijn gekomen tot het leger der Syriërs, en ziet, niemand was daar, noch eons menschen stem; maar paarden aangebonden, en ezels aangebonden, en tenten, gelijk als zij waren. 11 En hij riep de poortiers; en zij doden de boodschap binnen in het huis dos konings. 12 En de koning stond op in don nacht, on zeide tot zijne knechten: Ik zal u nu te kennen geven, wat de Syriërs ons gedaan hebben: zij weten, dat wij hongerig zijn, daarom zijn zij uit het leger gegaan, om zich in het veld te versteken, zeggende: Als zij uit do stad gegaan zullen zijn, dan zullen wij hen levend grijpen, en wij zullen in de stad komen, 13 Toen antwoordde een van zijne knechten, en zoide: Dat men toch neme vijf van do overige paarden, die hierbinnen overgebleven zijn; (zio, zij zijn als do geheele menigte dor Israëlieten, die hierbinnen overgebleven zijn; zio, zij zijn als do geheele menigte der Israëlieten, die vergaan zijn,) laat ons die zenden, en zien. 14 Zij namen dan twee wagenpaarden. En do koning zond hot leger dor Syriërs achterna, zeggende : Gaat henen, on ziet. 15 En zij volgden hen na tot de Jordaan toe: en ziot, de gansche weg was vol van kleederen on gereedschap , die de Syriërs in hun verhaasten weggeworpen liadden. De boden nu keerden weder, on boodschapten het don koning. 1G Toen ging het volk uit, en beroofde het leger der Syriërs; en eene maat meelbloem werd verkocht voor oenen sikkel, en twee maten gerst voor eenen sikkel, naar hot woord dos Herren. |
17 De koning nu had den hoofdman, op wiens hand hij leondo, over die poort gesteld; en het volk vertrad hem in de poort, dat hij stierf, gelijk do man Gods gesproken had, dio het sprak, als de koning tot hem afgekomen was. 18 Want hot was geschied, gelijk de man Gods gesproken had tot den koning, zeggondo : Morgen omtrent dezen tijd zullen twee maten gerst voor oenen sikkel, en eene maat meelbloem voor eenen sikkel verkocht worden, in do poort van Samaria. 1!) En die hoofdman had den man Gods geantwoord en gezegd: Zio, zoo do IIeere vensteren in don hemel maakte, zou hot ook naar dit woord geschiodoii kunnen? en hij had gezegd: Zie, gij zult het met uwe oogon zien, doch daarvan niet eten, 20 Even alzoo geschiedde hem, want het volk vertrad hem in de poort, dat hij stierf, HOOFDSTUK 8. Do sunamiotische vrouw, op raad van Elisa, om zekere duurte hot land verlaten hebbende, keert weder, vs. 1 , en krijgt op bevel des konings al haar goed terug, 4. Elisa voorspelt den dood van Benhadad en de regering van Hazaël over Syrië, 12. Joram wordt koning over Juda na Jósafat, 16; verlaat den Heere, 18, waarom de Edomieten van hem afvallen en die van Libna, 20. Hij sterft en wordt opgevolgd door Ahazia, 24; die vriendschap houdt met Joram, den koning van Israël, 28. ELISA nu had gesproken tot die vrouw, welker quot;zoon hij levend gemaakt had, zeggende: Maak u op, en ga heen, gij en uw huisgezin, en verkeer als vreemdeling, waar gij verkeeren kunt: want de Heere heeft eenen honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal. a 2 Kon. 4 : 34. 2 En de vrouw had zich opgemaakt, en had gedaan naar het woord van den man Gods; want zij was gegaan met haar huisgezin en had als vreemdeling verkeerd in het land der Filistijnen, zeven jaren. 3 En het geschiedde met het einde der zeven jaren, dat de vrouw uit het land der Filistijnen wederkeerde; en zij ging uit, dat zij tot den koning riep, om haar huis en om haren akker. 4 De koning nu sprak tot Géhazi, den jongen van den man Gods, zeggende: Vertel mij toch al de groote dingen, die Elisa gedaan heeft. 5 En liet geschiedde, als hij don koning vertelde, hoe hij eenen doode had levend gemaakt, ziet, zoo riep de vrouw, welker zoon hij levend gemaakt had, tot den koning, om haar huis en om haren akker. Toen zeide Géhazi: Mijn heer koning! dit is de vrouw, en dit is haar zoon, dien Elisa heeft levend gemaakt. (gt; En de koning ondervraagde de vrouw, en zij vertelde het hem. Toen gaf de koning haar eenen kamerling, zeggende: Doe haar wederhebben alles, wat het hare was, daartoe alle inkomsten des akkers, van den dag af, dat zij het land verlaten heeft, tot nu toe. 7 Daarna kwam Elisa te Damaskus, als Benhadad, de koning van Syrië, krank was; en men '24* |
2 KONINGEN 8, 9.
872
|
boodschapte hein, zeggende: T)e man Gods is herwaarts gekomen. 8 Toen zeide de koning tot Hazaël: Neem een geschenk in uwe hand, quot;en ga den man Gods te geinoet; en vraag door hem den Heere, zeggende: Zal ik van deze krankheid genezen? «1 Kon. 14:2, ü. 2 Kon. 1 : 2. 9 Zoo ging Hazaël hem te gemoet, en nam een geschenk in zijne hand, te weten, allo goed van Damaskus, een last van veertig kemelen: en hij kwam, en stond voor zijn aangezigt, en zeide: Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden, om te zeggen: Zal ik van deze krankheid genezen? 10 En Elïsa zeide tot hem: Ga, zeg, gij zult ganschelijk niet genezen: want de Heere heeft mij getoond, dat hij den dood sterven zal. 11 En hij hield zijn gezigt staande, en zette het vast tot schamens toe; en de man Gods weende. 12 Toen zeide Hazaël: Waarom weent mijn heer? En hij zeide: quot;Omdat ik weet, wat kwaad gij den kinderen Israels doen zult: gij zult hunne sterkten in het vuur zetten, en hunne jonge manschap met het zwaard dooden, en hunne jonge kinderen verpletteren, en hunne zwangere vrouwen opensnijden. a 2 Kon. 10:32. 12:17. 13:7. 13 Eu Hazaël zeide: Maar wat is uw knecht, die een hond is, dat hij deze groote zaak doen zou? En Elfsa zeide: De Heere heeft mij getoond, dat gij koning zijn zult over Syrië. 14 Zoo ging hij weg van EHsa, en kwam tot zijnen heer, die tot hem zeide: Wat heeft EHsa tot u gezegd? En hij zeide: Hij heeft tot mij gezegd: Gij zult zekerlijk genezen. 15 En het geschiedde des anderen daags, dat hij eone deken nam, en in het water doopte, en over zijn aangezigt uitspreidde, dat hij stierf; en Hazaël werd koning in zijne plaats. K! quot;In het vijfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, toen Jósafat koning was van Jnda, begon Jehoram, de zoon van Jósafat, den koning van Juda, te regeren. a 2 Kron. 21: 4, 5. 17 Hij was twee en dertig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem. 18 En hij wandelde op den weg der koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed: want de dochter van Achab was hem tor vrouw geworden; en hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren. 19 Doch do Heere wilde Juda niet verderven, om Davids zijns knechts wil; «gelijk als Hij hem gezegd had, dat Hij hem te allen tijde voor zijne zonen eene lamp zou geven. a 2 Sam. 7:13. 1 Kon. 11 : 36. 15 : 4. Ps. 132 :17. 20 quot;In zijne dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af, en maakten oenen koning over zich. a Gen. 27:40. 2 Kron. 21:8. |
21 Daarom toog Joram over naar Zaïr, en al de wagenen met hem; en hij maakte zich nachts op, en sloeg de Edomieten, die ron hem waren, daartoe de oversten der wagei en het volk vlood in zijne hutten. 22 De Edomieten evenwel vielen van onder gebied van Juda af, tot op dezen dag: toen Libna af in denzelven tijd. 23 Het overige nu der geschiedenissen van Joi en idles wat hij gedaan heeft, is dat niet schreven in het boek der kronijken der konii van Juda? 24 En quot;Joram ontsliep met zijne vaderen, werd begraven bij zijne vaderen, in de stad Da\ en Ahazia, zijn zoon, werd koning in zijne ph a 2 Kron. 21 25 In het twaalfde jaar van Joram, den ; van Achab, den koning van Israël, quot;begon Ahi de zoon van Jehóram, den koning van Juda regeren. «2 Kron. 2 2() Twee en twintig jaar was Ahazia oud, hij koning werd, quot;en regeerde een jaar te J zalem; en de naam zijner moeder was Athi de dochter van Omri, den koning van Israël a 2 Kron. 2 27 En hij wandelde in den weg van het van Achab, en deed dat kwaad was in de oi dos Heeren, gelijk het huis van Achab: 1 hij was oen schoonzoon van hot huis van Ac 28 En hij toog met Joram, don zoon van Ac naar den strijd, te Ramoth in Gilead, t Hazaël, den koning van Syrië; en de Sy: sloegen Joram. 29 Toon quot;koerde Joram, de koning, wedei opdat hij zich te Jizreël heelen liet van de sla dio hem do Syriërs te llama geslagen had als hij streed tegen Hazaël, den koning van S; en '' Ahazia, de zoon van Jehóram, de ko van Juda, kwam af, om Joram, den zoon Achab, te Israël te bezien, want hij was ki i(2 Kon. 9: 15. 1)2 Kron. 22: HOOFDSTUK 9. John wordt door een' profeet op last van Elis koning gezalfd over Israël, vs. 1; en ontvangt tot uiti'oeijing van Achabs geslacht, 7. John â tot koning uitgeroepen, 11; hij mankt een ve tegen Joram, 14; trekt tot hom te Jizreël, 1 doorschiet hom, 24; ook doodt hij Ahazia, den k van Juda, 27; en laat Izébel ter venster nitwe 30; welke van de honden gegoten wordt, 34. TOEN riep de profeet Elïsa oenen van de z der profeten, en hij zeide tot hem: quot; Gord lenden, en neem deze oliekruik in uwe hanc ga heen naar Ramoth in Gilead. a 1 Kon. II 2 Als gij daar zult gekomen zijn, zoo zie. Jelui, de zoon van Jósafat, den zoon van N is; en ga in, en doe hom opstaan uit het mi zijner broederen, en breng hom in eene binii kamer. 3 En neem de oliekruik, en giet ze uit o[ hoofd, en zeg: Zoo zegt de Heere: quot;Ik 1 |
|
tot koning gezalfd over Israël. Doe daarna de deur open, en vlied, en vertoef niet. a2 Kron. 22:7. 4 Zoo ging de jongeling, die jongeling van den profeet, naar Ramoth in Gilead. 5 En toen hij inkwam, ziet, daar zaten de hoofdmannen van het heir, en hij zeide: Ik heb een woord aan u, o hoofdman! En Jehu zeide: Tot wien van ons allen ? En hij zeide: Tot u, o hoofdman! (J Toen stond hij op en ging in huis; hij dan goot de olie op zijn hoofd, en hij zeide tot hem: Zoo zegt de Heere, de God Israels: Ik hob u gezalfd tot koning over het volk des Heeuen, over Israël. 7 En gij zult het huis van Achab, uwen heer, slaan; opdat Ik het bloed van mijne knechten, de profeten, en het bloed van alle knechten des Heeren, wreke van de hand van Izébel. 8 En quot;het gansche huis van Achab zal omkomen; on Ik zal van Achab uitroeijen dien, die aan den wand pist, ook den beslotene en verlatene in Israël. a 1 Kon. 21 : 21. i) Want Ik zal liet huis van Achab maken als quot; het huis van Jeróbeam, den zoon van Nebat, en als ''het huis van Biiësa, don zoon van Alüa. a \ Kon. 14 :10. 15 : 29. b \ Kon. 10 : 8, 1 ]. 10 quot; Ook zullen de honden Izébel eten op het stuk lands van Jizreël, en cr zal niemand zijn, die haar begrave. Toen deed hij de deur open en vlood. al Kon. 21:23. 11 En als Jehu uitging tot de knechten zijns heeren, zeide men tot hem: Is het al wol? waarom is deze onzinnige tot u gekomen ? En hij zeide tot hen: Gij kent don man en zijne spraak. 12 Maar zij zeiden: Hot is leugen, geef hot ons nu te kennen. En hij zeide: Zoo en zoo hoeft hij tot mij gesproken, zeggende: Zoo zegt de Heere: Ik heb u gezalfd tot koning over Israël. 13 Toon haastten zij zich, on oen iegelijk nam zijn kleed, en leide het onder hom, op den hoogsten trap; en zij bliezen mot do bazuin, en zeiden: Jehu is koning geworden! 14 Alzoo maakte Jehu, do zoon van Jósafat, den zoon van Niinsi, eene verbindtenis tegen Jorain. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en gansch Israël, uit oorzake van Hazaël, den koning van Syrië; 15 Maar quot;do koning Joram was wedergekeerd, opdat hij zich te Jizreël boelen liet van de slagen, die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, don koning van Syrië.) En Jehu zeide: Zoo het uliedor wil is, laat niemand van ile stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreël te gaan verkondigen. «2 Kon. 8:29. 16 Toen reed Jehu, en toog naar Jizreël, want Joram lag aldaar; en Ahazia, de koning van Juda, was afgekomen, om Joram te bezien. 17 De wachter nu stond op den toren te Jizreël, en zag den hoop van Jehu, als hij aankwam, en zeide: Ik zie eenen hoop. Toen zeide Joram: |
Ã73 Neem eenen ruiter, en zend dien hunlieden te gomoet, en dat hij zegge: Is het vrede? 18 En de ruiter te paard toog hoen hem to ge-moet, on zeide : Zoo zegt de koning: Is hot vrede? En Jehu zoide: Wat hebt gij mot dou vrede to doen? keer om naar achter mij. En do wachter gaf het te kennen, zeggende: Do bode is tot hen gekomen, maar hij komt niet weder. 19 Toen zond hij oenen anderen ruiter te paard; en als doze tot hen gekomen was, zeide hij: Zoo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij mot don vrede te doen? keer om naar achter mij. 20 En de wachter gaf dit te kennen, zeggende: Hij is tot aan hen gekomen, maar hij komt niet weder; en hot drijven is als het drijven van Jehu, den zoon van Niinsi, want hij drijft onzinniglijk. 21 Toen zeide Joram: Span aan. En men spande zijnon wagen aan. Zoo toog Joram, do koning van Israël, uit, en Ahazia, de koning van Juda, oen ieder op zijnen wagen; en zij togen uit Jehu te gomoet, en vonden hem op het stuk lands van Naboth, den Jizreëliot. 22 Het geschiedde nu, als Joram Jehu zag, dat hij zeide: Is hot ook vrede, Jehu? Maar hij zeide: Wat vrede, zoo lang als do hoererijen van uwe moeder Izébel, en bare toovorijen zoo vele zijn? 23 Toen keerde Joram zijne hand, on vlood, en zeide tot Ahazia: Het is bedrog, Ahazia! 24 Maar Jehu spande den boog met volle kracht, en schoot Joram tusschen zijne armen, dat de pijl door zijn hart uitging; en iiij kromde zich in zijnen wagen. 25 Toen zeide Jeku tot Bidkar, zijnen hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, den Jizreëliot: want gedenk, als ik en gij nevens elkander achter zijnen vader Achab reden, dat hem de Heere dezen last opleido, zeggende: 2G quot; Zoo Ik gister avond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed zijnor zonen! zegt de Heere, en Ik u dat niet vorgeldo op dit stuk lands! zegt do Heere. Nu dan, noem, werp hem op dat stuk lands, naar hot woord des Heeren. « 1 Kon. 21 :19. 27 Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zoo vlood hij door den weg van het huis dos hofs; doch Jehu vervolgde hem achterna, en zeide: Slaat hem ook op don wagen, aan den opgang-naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vlood naar Megiddo, en stierf aldaar. 28 En zijne knechten voerden hem naar Jeruzalem, en zij begroeven hem in zijn graf, bij zijne vaderen in do stad Davids. 29 In hot elfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, was Ahazia koning geworden over Juda. 30 En Jehu kwam te Jizreël. Als Izébel dat hoorde, zoo blankette zij haar aangezigt, en versierde haar hoofd, en keek ton venster uit. 31 Toen nu Jelui ter poorte inkwam, zeide zij; 2 KONINGEN !). |
2 KONINGEN lt;), 10.
|
Is hot wel, quot;o Zlmri? doodslager van zijnen heer! a 1 Kon. 1G ; 18. :3'2 En hij hief zijn aangezigt op naar het venster, en zeide; Wie is met mij? wie? Toen zagen op hem twee, drie kamerlingen. 33 En hij zeide: Stoot ze van boven neder. En zij stieten haar van boven neder, zoodat van haar bloed aan den wand en aan de paarden gesprengd werd, en hij vertrad haar. S-t Als hij nu ingekomen was, en gegeten en gedronken had, zeide hij: Ziet nu naar die vervloekte, en begraaf ze, want quot;zij is eens konings dochter. «1 Kon. 16:31. 35 En zij gingen heen om haar te begraven; doch zij vonden niet van haar, dan het bekkeneel, en do voeten, en do palmen harer handen. 36 Toen kwamen zij weder, en gaven liet hom te kennen, en hij zeide: Dit is hot woord des Heeren, dat Hij gesproken hooft door do dienst van zijnen knecht Elia, den Thisbiet, zeggende: quot; Op hot stuk lands van Jizreël zullen de honden liet vleesch van Izébel eten. n 1 Kon. 21 :23. 37 En het doodo ligchaam van Izóbel zal zijn gelijk mest op hot veld, in het stuk lands van Jizreël, dat men niet zal kunnen zeggon: Dit is Izébel. HOOFDSTUK 10. John doodt zeventig zonen van Achab binnen Samaria, vs. 1; alsmede de broeders van Ahazia, 12; en doet vervolgens met Jonadab zijnen intogt in Samaria, 15; alwaar hij verdere slagting aanrigt onder hot geslacht van Achab, 17; en al de vereerders van Baill laat ombrengen en zijnen tempel afbreken, 18; ofschoon hij een voorstander der kalverendienst blijft, 29; wordt verdrukt van llazaöl, den koning van Syrië, 82. Jehu sterft, 34. Zijn zoon Jóahaz volgt hem op, 35. ACHAB nu had zeventig zonen to Samaria: en John schreef brieven, dewelke hij zond naar Samaria, tot de oversten van Jizreël, de oudsten, en tot de voedsterheeren van Achab, zeggende: 2 Zoo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, dewijl de zonen van uwen hoer bij u zijn, ook do wagenon en de paarden bij u zijn, mitsgaders oene vaste stad, en wapenen; 3 Zoo ziet naar den beste en geregtigste van do zonen uws heeren, zet dien op zijns vaders troon; en strijdt voor het huis uws hoeren. 4 Doch zij vreesden gansch zeer, en zeiden: Ziet, twee koningen bestonden niet voor zijn aangezigt, hoe zouden wij dan bestaan? 5 Die dan over het huis was, en die over do stad was, en do oudsten, en de voedsterheeren zonden tot Jehu, zeggende: Wij zijn uwe knechten, en al wat gij tot ons zeggen zult, zullou wij doen; wij zullen niemand koning maken; doe wat goed is in uwe oogen. 6 Toon schreef hij ten tweede maal tot hen eonon brief, zeggende: Zoo gij mijne zijt, en gij naar mijne stom hoort, neemt de hoofden van do mannen, de zonen uws heeren, on komt tot mij morgen omtrent dozen tijd naar Jizreël. (Do zonen r konings, zeventig mannen, waren bij de gr dor stad, dio hen opvoedden.) |
7 Hot geschiedde dan, als die brief to kwam, dat zij de zonen dos konings name: zeventig mannen sloegen; en zij leiden I hoofden in korven, die zij tot hom zonden Jizreël. 8 En or kwam oen bode, en boodschapte zeggende: Zij hebben de hoofden van de des konings gebragt. En bij zeide: Legt twee hoopen, aan do deur der poort, tot mc !) En het geschiedde des morgens, toen h ging, dat hij stil stond, en tot al hot volk : Gij zijt regtvaardig. Ziet, ik heb oene vorbin gemaakt togen mijnen heer, en heb hom dc slagen; en wie hoeft alle dezen geslagen? li) Weet nu, dat niets van hot woord des hen, hetwelk de Heere tegen hot huis van , gesproken heeft, zal op de aarde vallen: do Heere heeft gedaan, quot;wat Hij door de van zijnen knecht Elia gesproken hooft. a 1 Kon. 21 :19, 5 11 Daartoe sloeg Jehu al de overgeblevene het huis van Achab te Jizreël, en al zijne ton, en zijne bekenden, en zijne priestoron dat hij hom geonon overigen liet overblijve 12 En hij maakte zich op, en toog hoen ei naar Samaria; on zijnde te Both-Hékod do deren, op don weg, 13 quot;Vond Jehu do broodoren van Ahazia koning van Juda, en hij zeide: Wie zijt gijli En zij zeiden: Wij zijn de broederen van A en zijn afgekomen, om de zonen des konir de zonen dor koningin te groeten. a2 Kror 14 Toon zoide hij: Grijpt hen lovend. I grepen hen lovend; en zij sloegen hen b bornput van Both-Hékod, twee en veertig nu en hij liet niet oenen van hen over. 15 En van daar gegaan zijnde, zoo voi Jónadab, den zoon van Rechab, hem te gc die hom groette; on hij zeide tot hem: hart regt, gelijk als mijn hart mot uw ha En Jónadab zeide: Het is, ja hot is, gec hand. En hij gaf zijne hand, on hij deec tot zich op don wagen klimmen. 16 En hij zeide: Ga met mij, en zie mijnei aan voor den Heere. Zoo deden zij hem oi5 zijnon wagen. 17 En toen hij te Samaria kwam, quot; slo allen, die aan Achab to Samaria overgel waren, totdat hij hom verdelgd had, nai woord des Heeren, dat Hij tot EHa gesj had. «2 Kron. 18 En Jehu verzamelde al hot volk, en tot hen: Achab hoeft Baiil oen weinig gei Jehu zal hem veel dienen. 19 Nu daarom roept allo profeten van Ba zijne dienaren, en al zijne priosteron tot in niemand gemist worde: want ik hob oene , |
1
|
offerande aan Baal; al wie gemist wordt zal niet leven. Doch Jelui dood dat door listigheid, opdat hij de dienaren van Baiil ombragt. 20 Verder zeido Jelui: Heiligt Baiil oenen vor-1)(gt;(1s(/m//. En zij riepen dien uit. 21 Ook zond Jelui in het gansche Israël; en alle Baiils dienaars kwamen, dat niet één man overbleef, die niet kwam; en zij kwamen in hot huis van Baiil, dat het huis van Baiil vervuld word van het eene einde tot hot andere einde. 22 Toen zeide hij tot dongono, die over het kloo-dorhuis was: Breng voor allo dienaren van Baiil do kleeding uit. En hij bragt voor hen do kloo-ding uit. 23 En Jelui kwam mot Jónadab, den zoon van lleehab, in hot huis van Baal; en hij zeide tot de dienaren van Baiil: Onderzoekt on ziet toe, dat hier misschien bij u niemand zij van do dienaren des Heeren, maar de dienaren van Baiil alleen. 24 Toen zij nu inkwamen, om slagtofforon en brandofferen te doen, bestelde zich Jelui daarbuiten tachtig mannen; en hij zeide: Zoo iemand van do mannen, die ik in uwe handen gebragt heb, ontkomt, zijne ziel zal voor deszolfs ziel zijn. 25 En het geschiedde, als hij voleind had hot brandoffer to doen, dat Jelui zeide tot de trawanten en tot de hoofdmannen: Komt in, slaat hen, dat niemand uitkome. En zij sloegen hen mot de scherpte dos zwaards; en de trawanten on hoofdmannen wierpen hou wog: daarna kwamen zij tot do stad in hot huis van Baal; 20 En zij bragten de opgorigte beelden uit hot huis van Baal, en verbrandden zo. 27 Zij braken ook hot opgorigte beeld van Baiil af; daartoe braken zij het huis van Baiil af, on maakten dat tot heimelijke gemakken, tot op dozen dag. 28 Alzoo verdelgde John Baiil uit Israël. 29 Maar van do zonden van Jeroboam, don zoon van Nobat, die Israël zondigen dood, na te volgen, week Jelui niet af, quot; te weten, van do gouden kalveren, die te Botb-El en die te Dan waren. a 1 Kon, 12 : 28. 30 Do Hefre dan zeido tot Jelui: Daarom dat gij welgedaan hebt, doende wat rogt is in mijne oogon, en hebt aan hot huis van Achab gedaan, naar alios, wat in mijn hart was, quot;zullen u zonen tot het vierde gelid op den troon van Israël zitten. « 2 Kon. 15:12. 31 Maar John nam niet waar te wandelen in de wet des Heeren, des Gods van Israël, met zijn gansche hart; hij week niet van do zonden van Joróboam, dio Israël zondigen deed. 32 In dio dagen begon do He ere Israël af te korten, want Hazaël sloeg zo in allo landpalen van Israël: 33 Van do Jordaan af, togen den opgang der zon, het gansche land van Giload, dor Gadieten, en dor Rubonieten, en der Manassieten; van |
375 Aroër, dat aan de beek van Anion is, en Giload, en Basan. 34 Het overige nu der geschiedenissen van Jelui, en al wat hij gedaan hoeft, en al zijne magt, zijn die niet geschreven in hot boek der kronijkon dor koningen van Israël V 35 Eu Jelui ontsliep mot zijne vaderen, on zij begroeven hem te Samaria, en zijn zoon Jóahaz word koning in zijne plaats. 36 En do dagen, die Jelui over Israël geregeerd heeft in Samaria, zijn acht on twintig jaren. HOOFDSTUK 11. Athalia doodt het gansche koninklijke geslacht, vs. I: uitgenomen Joas, 2; dio zeven jaren oud zijnde, door hot boloid van Jójada koning wordt van Jnda, 4. Athalia wordt gedood, 13. Het verbond wordt vernieuwd tnsschon God, den koningen het volk, 15; de liaalsdienst uitgeroeid, 18; en do koning op zijnen koninklijken troon gezet, 19. TOEN nu Athalia, quot;de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zoo maakte zij zich op, en bragt al het koninklijke zaad om. a 2 Kron. 22 : 10, 2 Maar Joséba, de dochter van den koning Joram, de zustor van Ahazia, nam Joas, den zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, zettende hem en zijne voedster in eene slaapkamer; en zij verborgden henivoor Athalia, dat hij niet gedood werd, 3 En hij was met haar verstoken in het huis des Heeren zes jaren; en Athalia regeerde over hot land, 4 In het quot;zevende jaar nu zond Jójada, en nam do oversten van honderd mot de hoofdmannen, en met de trawanten, en hij bragt hen tot zich, in het huis des Heeren; en hij maakte een verbond met hen, en hij beeedigde hen in hot huis des Heeren, en hij toonde hun don zoon des konings, n'1 Kron, 23: 1. 5 En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die gij doen zult: een dorde dool van u, die op don sabbat ingaan, zullen de wacht waarnomen, van het huis dos konings; C En eon derde deel zal zijn aan de poort Sur; en oen dorde deel aan de poort achter de trawanten: zoo zult gij waarnomen do wacht van dit huis, tegen inbreking, 7 En do twee doelen van ulieden, allen, die op den sabbat uitgaan, zulleu de wacht van hot huis dos Heeren waarnemen bij don koning, 8 En gij zult den koning rondom omsingelen, een ieder mot zijne wapenen in zijne hand, en hij, dio tusschen do ordeningen intreedt, zal gedood worden; en zijt gij bij don koning, als hij uitgaat en als hij inkomt, 9 quot;De oversten dan van honderd deden naar al wat do priester Jójada geboden had, en namen ieder zijne mannen, dio op don sabbat ingingen, mot degenen, die op don sabbat uitgingen; en zij kwamen tot don priester Jójada, a'1 Kron, 23: s. 2 KONINGEN 10, 11. |
|
37G 10 En de priester gaf aan de oversten van honderd de spiesen en do schilden, die van den koning David geweest waren, die in het huis des 11 keuen geweest waren. 11 En de trawanten stonden, ieder met zijne wapenen in zijne hand, van de regterzijde van het huis, tot de linkerzijde van het huis, naar liet altaar en naar het huis toe, bij den koning rondom. 12 Daarna bragt hij des konings zoon voor, en zette hem de kroon op, en gaf hem de getuigenis; en zij maakten hem koning, en zalfden hem: daartoe klapten zij met de handen, en zeiden: De koning leve! 13 Toon Athalia hoorde do stem dor trawanten en des volks, zoo kwam zij tot het volk in het huis des Heeren. 14 En zij zag toe, en ziet, de koning stond bij den pilaar, naar de wijze, en de oversten en do trompetten bij den koning; en al het volk dos lands was blijde en blies met trompetten. Toen vorsehourde Athalia hare kleederon, en zij riep: Verraad, verraad! 15 Maar de priester Jójada gebood aan de oversten van honderd, dio over het heir gesteld waren, en zeide tot hen: Brengt haar uit tot buiten de ordeningen, en doodt, wio haar volgt, met hot zwaard; want do priester had gezegd: Laat zo in het huis dos Heeren niet gedood worden. 16 En zij leiden do handen aan haar; en zij ging den weg van den ingang der paarden naar het huis dos konings, en zij word daar gedood. 17 quot; En Jójada maakte een verbond tusschen don Heere en tusschen den koning, en tusschen hot volk, dat hot den Heere tot een volk zou zijn; mitsgaders tusschen den koning en tusschen hot volk. a 2 Kron. 23 : 16. 18 Daarna ging al hot volk des lands in hot huis van Baiil, en braken dat af; zijne altaren on zijne beelden verbraken zij regt wel; en Mat-tan, den priester van Baiil, sloegen zij dood voor de altaren. Do priester nu bestelde do ambten in het huis des Heeren. 19 En hij nam de oversten van honderd, en do hoofdmannen, en do trawanten, on al het volk dos lands; on zij bragton don koning af uit het huis dos Heeren, en kwamen door don weg van do poort der trawanten tot het huis dos konings, on hij zat op den troon dor koningen. 20 En al hot volk des lands was blijde, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met hot zwaard gedood luidden hij des konings luns. 21 ,Toas was zeven jaren oud, toen hij koning werd. HOOFDSTUK 12. .Toas regeert, zoo lang Jójada leeft, vroom, vs. 1; hij stelt orde op do herstelling en vermaking van den tempel, 4; keert den aanval van Hazaël op Jeruzalem af door hem de schatten van den tempel te geven, 17 ; wordt van zijne knechten gedood en zijn zoon Amazia wordt koning in zijne plaats, 20, |
IN hot quot; zevende jaar van Jelui werd Joa ning, en regeerde veertig jaren te Jerüzalor do naam zijner moeder was Zibja van Boras 2 Kron. 2 En Joas dood dat regt was in de oogo: Heeren, al zijne dagen, in dewelke de pr: Jójada hem onderwees. 3 Alleenlijk worden de hoogten niet weggono hot volk offerde en rookte nog op de hoogt 4 En Joas zeide tot de priestoren: a Al liet der geheiligde dingen, dat gebragt zal w( in hot huis dos Heeren, te iveten hot gold genen, die overgaat tot de getelden, het van oen' ieder der personen naar zijne scha en al het gold, dat in ieders hart komt dat te brengen in liet huis dos Heeren, a 2 Kon. 22 : 3 5 Zullen do priesters tot zich nomen, oen van zijnen bekende; on zij zullen de breuke: hot huis verbeteren, naar alles wat er voor I bevonden zal worden. (! Maar hot geschiedde in het drie en twin jaar van den koning Joas, dat de prieste breuken van hot huis niet gebeterd hadden. 7 Toen riep de koning Joas den priester J on do andere priestoren, en zeide tot hen: Wa betert gijlieden niet do breuken van hot Nu dan, neemt geen gold van uwe bekoi dat gij hot zoudt geven voor do breuken het huis. 8 En de priesters bewilligden van het volk gold te nemen, noch do breuken van hot lu verbeteren. 9 Maar de priester Jójada nam eene kisi boorde een gat in haar doksol, en zotte d het altaar ter rogterhand, als iemand inkwi het huis dos llEEnEN; en do priesters, dii dorpel bewaarden, staken daarin al het dat ton huize dos Heeren gebragt werd. 10 Het geschiedde nu, als zij zagen, dat golds in de kist was, dat des konings schi mot don hoogepriester opkwam, en zij lx het zamon, en tolden het geld, dat in het dos Heeren gevonden werd. 11 En zij gaven hot gold wol gewogen in lu der verzorgers van dat werk, die besteld \ over hot huis dos Heeren; en zij besteedde uit aan do timmerlieden en aan de bouwli die het huis des Heeren vermaakten; 12 En aan de metselaren, en aan do stee: wers, en om hout en gehouwen steenon te ko om do breuken van hot huis dos Heeren tt botoren; en voor al wat uitgegeven word hot huis, om dat te botoren. 13 Evenwel worden niet gemaakt voor het des Heeren zilveren schalen, gaffelen, sp bekkens, trompetten, noch oenig gouden vr zilveren vat, van hot geld, dat ten huiza Heeren gebragt werd. 14 Maar zij gaven dat aan degenen, die hot 2 KONINGEN 11, 12. |
2 KONINGEN 12, i:i.
.quot;,77
|
deden; eu zij verbeterden daarmede het huis dos IIeeren. 15 Daartoe eischten zij geene rekening van do mannen, dien zij dat geld in hunne bandon gaven, om aan dogenon, die hot werk deden, te geven, want zij handelden trouwelijk. 10 Het gold van schuldoffer, en liet gold van zondofferen werd ton huizo dos IIeeren niet go-bragt, hot was voor do priostoren. 17 quot;Toon trok Hazaël, de koning van Syrië, op, en krijgde tegon Gath, en nam haar in; ''daarna stelde Hazaël zijn aangezigt, om tegen Jeruzalem op te trokken. a 2 Kon. 13:25. 6 2 Kon. 8 : 12. 2 Kron. 24 : 23. 18 quot;Maar Joas, de koning van Juda, nam al do geheiligde dingen, die Jósafat, on Jorain, en Ahazia, zijne vaderen, do koningen van Juda, geheiligd haddon, en zijne geheiligde dingen, en al hot goud, dat gevonden werd in do schatten van hot huis dos Heeren, on van bot huis dos konings, on zond het tot Hazaël, don koning van Syrië; toon trok hij op van Jeruzalem. n 2 Kon. 18 : 15. 1!) Het overige nu der geschiedenissen van Joas, on al wat hij gedaan hoeft, is dat niot geschreven in hot boek dor kronijken dor koningen van Juda? 20 quot;En zijne knechten stonden op, on maakten oene verbindtenis, en sloegen Joas, in het huis Millo, dat afgaat naar Silla: «2 Kon. 14:5. 21 Want Jozacar, de zoon van Sfmeath, en Jó-zabad, do zoon van Somor, zijne knechten, sloegen hom, dat hij stierf; en zij begroeven hem mot zijne vaderen in do stad Davids; enAmazia, zijn zoon, word koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 13. â¢lóuhaz, do koning van Israël, volgt do zonden van Jeróbeam, vs. 1; wordt van Hiizaël verdrukt, 3; up zijn gebed geholpen, 4; sterft on door zijnen zoon Joas opgevolgd, die in de afgoderij van zijnen vader voortgaat, 9. Zijn dood. Elisa wordt krank, profeteert tegen do Syriërs en sterft, 14. De Moa-bieten vallen in het land, 20. Een doode, in liet graf van Elisa geworpen, wordt weder levend, 21. Joas hernoemt de steden, die de SyriSrs zijnen vader hadden afgenomen, 22. IN hot drie en twintigste jaar vau Joas, den zoon van Ahazia, den koning van Juda, werd Jóahaz, de zoon van Jelui, koning over Israël, to Samaria, en regeerde zeventien jaren. 2 En hij dood wat kwaad was in do oogen des Heeren: want hij wandelde na de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed; hij week daarvan niet af. 3 Daarom ontstak des Heeren toorn tegen Israël; on Hij gaf hen in do hand van Hazaël, den koning van Syrië, en in do band van Benhadad, den zoon van Hazaël, al die dagen. 4 Doch Jóahaz bad des Heeren aangezigt orn-stelijk aan; en de Heere verhoorde hem: want Hij zag de verdrukking van Israël, dat do koning van Syrië hen verdrukte. |
5 (Zoo gaf do Heere Israël eenon verlosser, dat zij van onder do hand der Syriërs uitkwamen; en de kinderen Israëls woonden in hunne tonton, als te voren. (i Nogtans weken zij niot af van do zonden van het huis van Jeróbeam, die Israël zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en hot bosch bleef ook staan te Somaria.) 7 Want hij had Jóahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruitoren, en tien wagenon, en tien duizend voetvolks: want de koning van Syrië had hen omgebragt, en bad hen dorschende gemaakt als stof, 8 Het overige nu der goschiedenissen van Jóahaz, en al wat hij gedaan hoeft, en zijne magt, zijn die niet geschreven in bet boek der kronijken der koningen van Israël? 0 En Jóahaz ontsliep met zijne vaderen, on zij begroeven hom te Samaria; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijne plaats. 10 In het zeven en dertigste jaar van Joas, den koning van Juda, word Joas, do zoon van Jóahaz, koning over Israël te Samaria, en regeerde zestien jaren. 11 En hij dood dat kwaad was in do oogen dos Heeren; hij week niot af van al do zonden van Jeróbeam, don zoon van Nobat, die Israël zondigen deed, maar hij wandelde daarin. 12 Het overige nu dor gescbiedonissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijne magt, waarmede hij gestreden hooft tegon Ainazia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronijken der koningen van Israël ? 13 En Joas ontsliep mot zijne vaderen, en Jeróbeam zat op zijnen troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israël. 14 Elisa nu was krank geweest van zijne krankheid, van dewelke hij stierf; en Joas, do koning van Israël, was tot hem afgekomen, en had gewoond over zijn aangezigt, en gezegd: quot;Mijn vader, mijn vader! wagen Israëls en zijne rui-teren ! u 2 Kon. 2 : 12. 15 Eu Elisa zoide tot bom: Neem oenen boog en pijlen. En hij nam tot zich eenon boog en pijlen. 10 En hij zoide tol den koning van Israël: Log uwe hand aan den boog; on hij leide zijne hand daaraan; en Elisa leide zijne handen op des konings bruiden. 17 En hij zoide: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed hot open. Toen zeide Elisa: Schiet. En hij schoot. En hij zoide: Het is een pijl der verlossing des Heeren, en een pijl dei-verlossing tegen de Syriërs: want gij zult de Syriërs slaan quot;in Afok, tot verdoens toe. a 1 Kon. 20 : 30. 18 Daarna zoide hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toon zeide hij tot don koning van Israël: Sla tegon de aarde. En hij sloeg driemaal; daarna 1 stond hij stil. |
2 KONINGEN 13, 14.
|
19 Toen word de man Gods zeer toornig op hem, on zoide: Gij zoudt vijf- of zesmaal geslagen hebben, dan zoudt gij de Syriörs tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij do Syriërs driemaal slaan. '20 Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu dor Moabieten kwamen in liet land met hot ingaan des jaars. 21 En het geschiedde, als zij oenen man begroeven, dat zij, ziet, eono bende zagen; zoo wierpen zij den man in hot graf van Eiïsa: on toen de man daarin kwam en het gebeente van Elisa aanroerde, werd hij levend, en roos op zijne voeten. 22 Hazaël nu, de koning van Syrië, verdrukte Israël, al de dagen van Jóahaz. 2!! Doch de Heere was hun genadig, en ontfermde zich hunner, en wondde zich tot hen, om zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van zijn aangezigt, tot nu toe. 24 En Hazaël, do koning van Syrië, stierf; en zijn zoon Benhadad werd koning in zijne plaats. 25 Joas nu, do zoon van Jóahaz, nam de steden weder in, uit de hand van Benhadad, den zoon van Hazaël, die hij uit do hand van Jóahaz, zijnen vader, mot krijg genomen had; Joas sloeg hom driemaal, en bragt de steden van Israël weder. HOOFDSTUK 14. Amazia, koning van Juda, is in hot begin zijner regering vroom, vs. 1; hij straft do moordenaars van zijnen vader, 5; overwint do Edomieton, 7; biedt don koning Israels den oorlog, 8; wordt van hom geslagen, 12; van zijn eigen volk verjaagd, gedood, begraven, 1!). Zijn zoon Azaria regeert, 21. Jeróbeam is koning over Israël, 23; zijno daden, 25; hij sterft en zijn zoon Zachana regeert na hora, 29. IN het tweede jaar van Joas, den zoon van Jóahaz, don koning van Israël, werd Amazia koning, do zoon van Joas, don koning van Juda. 2 quot;Vijf en twintig jaren was hij oud, toon hij koning werd, on regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jóaddan van Jeruzalem. n2 Kron. 25: 1. 3 En hij deed dat rogt was in de oogen dos Heeren, nogtans niet als zijn vader David; hij deed naar alles, wat zijn vader Joas gedaan had. 4 Alleenlijk werden do hoogten niot weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. 5 Hot geschiedde nu, als hot koningrijk in zijne hand versterkt was, dat hij zijne knechten sloeg, die den koning, zijnen vader, geslagen hadden. 6 Doch do kindoren dor doodslagers doodde hij niet; gelijk geschreven is in het wetboek van Mozes, waar do Heere geboden heeft, zeggende: quot; De vaders zullen voor de kinderen niet gedood worden, en do kindoren zullen voor de vaders niet gedood worden; maar een ieder zal om zijne zonde gedood worden. « Doul. 21:10. Ezoc. 1s:20. |
7 Hij sloeg do Edomieton in hot Zoutdal tien duizend, en nam Sola in met krijg, en nc haren naam Joktoël, tot op dozen dag. 8 Toen zond Amazia boden tot Joas, den van Jóahaz, don zoon van Jelui, den konin Israël, zeggende: Kom, laat ons elkanders gezigt zien. 9 Maar Joas, do koning van Israël, zon Amazia, don koning van Juda, zeggende distel, die op den Libanon is, zond tot den c die op den Libanon is, zeggende: Geef uwe tor mijnon zoon tor vrouw; maar hot gei dos voids, dat op den Libanon is, ging vo en vertrad den distel. 10 Gij hebt do Edomieton dapper gesl daarom heeft uw hart u verheven: heb d en blijf in uw huis; want waarom zoudt gij hot kwade mengen, dat gij vallon zoudt, : Juda mot u? 11 Doch Amazia hoorde niot; daarom toog de koning van Israël, op, zoodat hij en An de koning van Juda, elkanders aangezigt te Both-Sémos, dat in Juda is. 12 En Juda werd geslagen voor het aanj van Israël, en zij vloden, een iegelijk in tonton. 13 En Joas, do koning van Israël, greep An don koning van Juda, den zoon van Joas zoon van Ahazia, te Both-Sémos, en k\v; Jeruzalem; en hij brak aan don muur van zalom, van do poort van Efraïm tot aan de poort, vier honderd ellen. 14 En hij nam al het goud, en het zilve al de vaten, die gevonden worden in liet dos Heeren, on in do schatten van des kc huis, mitsgaders gijzelaars; en hij keerde ' naar Samaria. 15 liet overige nu dor geschiedenissen van wat hij gedaan hoeft, on zijne magt, en h gestreden hooft togen Amazia, den koninj. Juda, zijn dio niot geschreven in hot boe kronijken der koningen van Israël? 1(1 En Joas ontsliep mot zijne vaderen, en te Samaria begraven bij do koningen van I en zijn zoon Jeróbeam word koning in zijne p 17 Amazia nu, de zoon van Joas, koninj Juda, loefde na den dood van Joas, den van Jóahaz, den koning van Israël, vijftien 18 Het overige nu dor geschiedenissen Amazia, is dat niot geschreven in hot boe kronijken der koningen van Juda? 19 En quot;zij maakten oono verbindtenis togei to Jeruzalem, dat hij vlugtte naar Lachis; zij zonden lioiu na tot Lachis, en dooddei aldaar. a 2 Kron. i 20 En zij bragton hom op paarden; en hij te Jeruzalem begraven, bij zijne vaderen, stad Davids. 21 quot;En het gansche volk van Juda nam Azarii nu zoation jaren oud was) en maakten hom k in plaats van zijnen vador Amazia. «2Kroi' |
379
|
22 Die bouwde Elath, on bragt haar weder aan Juda, nadat do koning met zijne vaderen ontslapen was. 23 In hot vijftiende jaar van Amiizia, den zoon van Joas, don koning van Juda, word to Samaria koning, Joróbeam, de zoon van Joas, koning over Israël, en regeerde eon on veertig jaren. 24 En hij dood dat kwaad was in do oogen dos Heeren; iiij week niot van allo zonden van Jeroboam , don zoon van Nobat, die Israël zondigen dood. 25 Hij bragt ook weder do landpale van Israël van den ingang van Hamath, tot aan do zee van het vlakke veld; naar hot woord dos Heeren, dos Gods van Israël, dat Hij gesproken had door de dienst van zijnen knecht quot;Jona, don zoon van Amitthai, den profeet, die van Gath-héfor was. «Jona 1:1. Mntt. 12 : iJO, 40. 26 Want do Heere zag, dat de ellende van Israël zeer bittor was, en dat er goeno opgoslo-tonon noch verlatonen waren, on dat Israël geenon helper had. 27 En de Heere had niet gesproken, dat Hij don naam .van Israël van onder den hemel verdelgen zou; maar Hij verloste hen door de hand van Joróbeam, den zoon van Joas. 28 Het overige nu dor goschiodenisson van Joróbeam, en al wat hij gedaan heeft, en zijne magt, hoo hij gokrijgd heeft, en hoe hij Damaskus on Hamath, tot Juda behoorende, aan Israël wodor-gobragt hooft, zijn die niot geschreven in het boek dor kronijkon dor koningen van Israël? 29 En Joróbeam ontsliep mot zijne vaderen, mot do koningen van Israël; en zijn zoon Zacharfa word koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 15. Azaria, koning over Juda, hangt den Heere aan, vs. 1; wordt mot inolnatschhoid gestraft on sterft, 5. Zacharla wordt koning over Israël, 8; on gedood door Sallnm, 10; die hem opvolgt on van Menahom om hot loven wordt gebragt, 13. Monaheras roge-ring, 10. Hij wordt door don Assyrischen koning Pul ia zijn rijk bevestigd, 19; sterft en Pekahia wordt koning in zijne plaats, 23. Pekah doodt dezen en beklimt den troon, 25. In zijnen tijd wordt een deel dor Israëlieten van Tiglath-Pilézer naar Assyrië vervoerd, 29. Hosóa doodt Pekah en volgt hom op, 30. Jotham regeert over Juda, 32. Na hem regeert Achaz, 38. IN het zoven en twintigste jaar van Joróbeam, den koning van Israël, werd quot;koning Azaria, de zoon van Amazia, den koning van Juda. a 2 Kon. 14:21. 2 Kron. 20:3. 2 Hij was quot;zestien jaren oud, toon hij koning werd, en hij regeerde twee on vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moedor was ''Jochólia van Jeruzalem. «2 Kron. 20:1, 3. /; 2 Kron. 27:3. 3 En hij dood dat vogt was in do oogen des IIee-ren, naar al wat zijn vader Amazia gedaan had. 4 Alleenlijk werden do hoogten niet weggonoinen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. |
5 En de Heere plaagde don koning, dat hij melaatsch word tot den dag zijns doods; en hij woonde in oen afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was over het huis, rigtende het volk dos lands. G Het overige nu dor geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronijkon der koningen van Juda? 7 En Azaria ontsliep met zijno vaderen, en zij begroeven hein bij zijne vaderen, in do stad Davids; on zijn zoon Jotham word koning in zijno plaats. 8 In hot acht en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, regeerde Zacharfa, do zoon van Joróbeam, over Israël te Samaria, zosmaandon. 9 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, gelijk als zijno vaderen gedaan haddon; hij week niot af van de zonden van Joróbeam, don zoon van Nobat, die Israël zondigen dood. 10 En Salluin, de zoon van Jabos, maakte oono verbindtenis togen hem, en sloeg hem voor hot volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijno plaats. 11 Het overige nu dor geschiedenissen van Za-charfa, ziet, dat is geschreven in het boek dor kronijkon der koningen van Israël. 12 Dit was het woord dos Heeren, quot;dat Hij gesproken had tot Johu, zeggende: IJ zullen zonen van het vierde gelid op den troon van Israël zitten; en hot is alzoo geschied. a2 Kon. lü: 30. 13 Sallum, de zoon van Jabos, word koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, don koning van Juda; en hij regeerde oono volle maand te Samaria. 14 Want Menahom, do zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam to Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabos, te Samaria, on dooddo hem, en werd koning in zijne plaats. 15 Hot overige nu der geschiedenissen van Sallum, en zijne verbindtenis, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het hoek dor kronijkon dor koningen van Israël. 1G Toen sloeg Menahom Tifsah, met allen, die daarin waren, ook hare landpalen van Thirza af; omdat men niot voor hem had opengedaan, zoo sloeg hij hen; al hare bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken. 17 In hot negen en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Menahem, do zoon van Gadi, koning over Israël, en regeerde tien jaren te Samaria. 18 En hij deed dat kwaad was in do oogon dos Heeren; hij week al zijne dagen niet af van do zonden van Joróbeam, den zoon van Nobat, dio Israël zondigen dood. 19 quot; Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvors, opdat zijne hand mot hom zoude zijn, om het koningrijk in zijne hand te sterkon. «1 Kron.5:20. |
2 KONINGEN 15, 16.
|
20 Monahem nu bragt dit gold op van Israël, van allo geweldigen van vermogen, om den koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; alzoo koordo de koning van Assyrië weder, en bleef daar niet in het land. 21 Het overige nu dor geschiedenissen van Me-nahem, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronijken der koningen van Israël? 22 Daarna ontsliep Monahem met zijne vaderen; en zijn zoon Pekahia word koning in zijne plaats. 23 In het vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Monahem, koning over Israël, en regeerde twee jaren te Samaria. 24 En hij deed dat kwaad was in do oogon dos Heeren; hij week niet af van de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. 25 En Pokah, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, maakte oene verbindtonis tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in liet paleis van het huis des konings, mot Argob on mot Arje, en met hem vijftig mannen van de kinderen dor Giloadieten; alzoo doodde hij hem, en werd koning in zijne plaats. 26 Hot overige nu dor geschiedenissen van Pekahia, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het hoek der kronijken dor koningen van Israël. 27 In hot twee en vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pokah, de zoon van Romalia, koning over Israël, en regeerde twintig jaren te Samaria. 28 En hij deed dat kwaad was in de oogen dos Heeren; hij week niet af van de zonden van Jeróbeam, don zoon van Nebat, die Israël zondigen dood. 2!l In de dagen van Pokah, den koning van Israël, kwam Tiglath-Pilézer, de koning van Assyrië, en quot;nam Ijon in, en Abel-Beth-Maacha, on Janóah, en Kedes, en Hazor, en Giload, en Galiléa, het gansche land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. a Jes. 8: 23. 30 En Hoséa, do zoon van Ela, maakte oene verbindtonis tegen Pokah, den zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hom, en werd koning in zijne plaats; in het twintigste jaar van Jotham, don zoon van Uzzia. 31 Het overige nu dor geschiedenissen van Pokah, on al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in liet boek der kronijken der koningen van Israël. 32 In het tweede jaar van Pokah, den zoon van Remalia, den koning van Israël, quot; werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, koning van Juda. n 2 Kron. 27 : 1, onz. 33 quot;Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, on regeerde zestien jaren to Jorü-zalom; en do naam zijner moeder was Jorüsa, do dochter van Zadok. «2 Kron. 27 : 1, enz. |
34 En hij dood dat regt was in de oogon des Heeren; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij. 35 Alleenlijk worden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten: dezelve bouwde do hooge poort aan hot huis des Heeren. 36 Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan hooft, is dat niet geschreven in het boek der kronijken der koningen van Juda? 37 In die dagen begon de Heere in Juda quot;te zonden Rezin, don koning van Syrië, en Pokah, den zoon van Romalia. a 2 Kon. 16:5. Jes. 7:1. 38 En Jotham ontsliep mot zijne vaderen, en word begraven bij zijne vaderen in de stad van zijnen vader David; on zijn zoon Achaz word koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 16. Achaz is een gruwelijk afgodendienaar, vs. 1; dooi' Rezin on Pokah beoorloogd, huurt hij togen hon Tiglatli-Pilózer, 5. Hij reist naar Damaskus en laat te Jeruzalem oon altaar maken naar hot voorbeeld, hetwelk iiij te Damaskus gezien had, 10; waarop hij offert, bedervende de zuivere godsdienst, 12; iiij sterft en llizkia regeert, 20. IN het quot; zeventiende jaar van Pokah, don zoon van Romalia, word Achaz koning, do zoon van Jotham, den koning van Juda. «2 Kron. 28: I. 2 Twintig jaar was Achaz oud, toen hij koning word, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat regt was in de oogen des Heeren zijns Gods, als zijn vader David. 3 Want hij wandelde in den weg der koningen van Israël; quot;ja, hij deed ook zijnen zoon door het vuur gaan, naar do gruwelen der Heidenen, die de Heere voor do kinderen Israels verdreven had. a Lov. 18:21. 20:2, 3. 2 Kon. 17:31. 4 Hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvelen, ook onder alle groen geboomte. 5 quot; Toen toog Rezin, de koning van Syrië, op, met Pekah, den zoon van Remalia, den koning van Israël, naar Jeruzalem ton strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij vormogten niet met strijden. «Jos. 7:1. 6 Te dier zeiver tijd bragt Rezin, do koning van Syrië, Elath weder aan Syrië, en wierp de Joden uit Elath; en de Syriërs kwamen te Elath, en hebben daar gewoond tot op dezen dag. 7 Achaz nu zond boden tot Tiglath-Pilézer, den koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op en verlos mij uit de hand van den koning van Syrië, on uit de hand van den koning van Israël, dio zich tegen mij opmaken. 8 En quot;Achaz nam het zilver en het goud, dat in het huis dos Heeren, en in de schatten van het huis dos konings gevonden werd, en hij zond den koning van Assyrië een geschenk. a 2 Kron. 28 : 21. 9 Zoo hoorde de koning van Assyrië naar hom: |
2 KONINGEN 16, 17.
n.si
|
want de koning van Assyrië toog op tegen Damas-kus, en nam haar in, en voerde hen gevankelijk naar Kir, en liij doodde Rezin. 10 Toen toog de koning Achaz Tiglath-Pilezer, den koning van Assyrië, te gemoet, naar Dainas-kus; en gezien hebbende oen altaar, dat te Damaskns was, zoo zond de koning Achaz aan den priester Uria de gelijkenis van het altaar, en zijne afbeelding, naar zijn gansche maaksel. 11 En Uria, de priester, bouwde een altaar, naar alles, wat de koning Achaz van Damaskns ontboden had; alzoo deed de priester Uria, tegen dat do koning Achaz van Damaskns kwam. 12 Als nu de koning van Damaskns gekomen was, zag de koning het altaar; en do koning naderde tot het altaar, en offerde daarop, 13 En hij stak zijn brandoffer aan, en zijn spijsoffer; en goot zijn drankoffer en sprengde bet bloed zijner dankofferen op dat altaar. 14 Maar liet koperen altaar, dat voor het aan-gezigt des Heeren was, dat bragt lilj van liet voorste deel van het hnis, van tusschen zijn altaar, en van tusschen liet huis des Heeren, en hij zotte het aan de zijde zijns altaars noordwaarts. 15 En de koning Achaz gebood Uria, den priester, zeggende: Steek op hot groote altaar aan hot morgenbrandoffer, en het avondspijsoffor, en des konings brandoffer, en zijn spijsoffer, en het brandoffer van al het volk des lands, en bun spijsoffer, en hunne drankofferen; en spreng daarop al het bloed des brandoffers, en al hot bloed des slagtoffers: maar het koperen altaar zal mij zijn, om te onderzoeken. IC En Uria, de priester, dood naaiquot; alles, wat de koning Achaz geboden had. 17 En de koning Achaz sneed quot;de lijsten der stellingen af, en nam van boven die het waschvat weg, en deed de zee af van de koperen runderen , die daaronder waren; en hij zette die op eenen steenen vloer. ol Kon. 7:23, enz. 18 Daartoe het deksel des sabbats, dat zij in het huis gebouwd hadden, en den buitensten ingang des konings nam hij weg van het huis dos IIrk-iien, van wege den koning van Assyrië. 19 Het overige nu der geschiedenissen van Achaz, wat hij gedaan hoeft, is dat niet geschreven in het boek der kronijken der koningen van Juda? 20 En Achaz ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen, in de stad Davids; en Hizkia, zijn zoon, werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 17. Hoséa wordt koning van Israël, vs. 1 ; hij wordt den koning van Assyrië onderworpen, van hem belegerd, gevangen genomen en met al het volk naar Assyrië gevoerd, 3; zulks alles om hunne zonden, 7. Do vreemde volken, waarmede hun land bezet werd, worden van leeuwen gekweld, 24; daarom wordt hun eon israëlietischen priester toegezonden, 27; waaruit eene vermenging van godsdienst volgt, 29. IN liet twaalfde jaar van Achaz, den koning van Juda, werd Hoséa, de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria, en reyeerdc negen jaren. |
2 En hij deed dat kwaad was in de oogen dos Heeren; evenwel niet, als de koningen van Israël, die vóór hom geweest waren. ;i Tegen hom toog op Salmanéser, koning van Assyrië; en Hoséa werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gnf. 4 Maar de koning van Assyrië bevond eene ver-bindtonis in Hoséa, die hij tot So, don koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan don koning van Assyrië niet als to voren van jaar tot jaar opbragt; zoo besloot hem de koning van Assyrië, on bond hom in hot gevangenluns. 5 Want quot; de koning van Assyrië toog op in het gansche land; ja hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren. «2 Kon. 18:9. (i In quot; hot negende jaar van Hoséa nam de koning van Assyrië Samaria in, en voorde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden dor Meden. n 2 Kon. 18 :10. Jes. 8:4. 7 Want hot was geschied, dat de kinderen Israels gezondigd hadden tegen den Heere, hunnen God, die hen uit Egypteland opgebragt had, van onder de hand van Paraö, den koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd; 8 En quot;hadden gewandeld in de inzettingen der Heidenen, die do IIeere voor hot aangezigt der kinderen Israëls verdreven had, en der koningen van Israël, die ze gemaakt hadden. «Lev. 18:3. !) En de kinderen Israëls hadden de zaken, die niot rogt zijn, togen den Heere, hunnen God, bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hunne steden, van den wachttoren af tot de vaste steden toe. 10 En zij hadden zich staande beelden opgerigt on bossohen, op allen hoogen heuvel en onder alle groen geboomte. 11 En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, gelijk de Heidenen, die de Heere van hunne aangozigten weggevoerd had; on zij hadden kwade dingen gedaan, om den Heere tot toorn te verwokken. 12 En zij hadden de drekgoden gediend, waarvan do Heere tot hen gezegd had: «Gij zult deze zaak niet doen. a Ex. 20:3,4, 5. Dent. 5:7,8, 9. 13 Als nu de Heere tegen Israël en tegen Juda, door de dienst van allo profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: quot; Bekeert u van uwe boozo wegen, en houdt mijne geboden, en mijne inzettingen, naar al de wet, die Ik uwen vaderen geboden heb, en die Ik tot u door do hand van mijne knechten, de profeten, gezonden heb; a Jer. 18 : 11. 25 : 5. 35 : 15. 14 Zoo hoorden zij niot, maar zij quot;verhardden hunnen nek, gelijk de nok hunner vaderen ge-woest was, die aan den Heere , hunnen God, niet geloofd hadden. « üeut. 31:27. Mal. 3:7. |
2 KONINGEN 17.
382
|
15 Daartoe verwierpen zij zijne inzettingen, en zijn verbond, dat Hij met hunne vaderen gemaakt had, en zijne getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de Heidenen, die rondom hen waren, van dewelke de Heere hun geboden had, dat zij niet doen zouden gelijk die. 16 Ja zij verlieten al de geboden des Heeren, huns Gods, quot;en maakten zicli gegotene beelden, twee kalveren; en maakten bosschen, en bogen zich voor alle heir des hemels, en dienden Baiil. n Ex. 32 : 8. 1 Kon. 12 : 28. 17 Ook quot;deden zij hunne zonen en hunne doch-teren door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich , om te doen dat kwaad was in de oogen des Heeren, om Hem tot toorn te verwekken. a Lev. 20:3, 4. Dent. IS: 10. 2 Kon. 1G:3. 18 Daarom vertoornde zich de Heere zeer over Israël, dat quot;Hij hen wegdeed van zijn aangezigt: er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen. a Hos. t : (i. 19 Zelfs hield Juda do geboden des Heeren, huns Gods, niet; maar quot;zij wandelden in de inzettingen van Israël, die zij gemaakt hadden. a Lev. 18 : 3. 20 Zoo verwierp de Heere het gansche zaad van Israël, en bedrukte hen, en gaf ze in de hand der roevers, totdat Hij hen van zijn aangezigt weggeworpen had. 21 Want Hij quot;scheurde Israël van het huis van David af, en zij maakten Jeróbeam, den zoon van Nebat, koning; en Jeróbeam dreef Israël af van achter den Heere, en hij deed ze eene groote zonde zondigen. r; 1 Kon. 12:10, 17, 20. 22 Alzoo wandelden do kinderen Israëls in alle zonden van Jeróbeam, die hij gedaan had; zij weken daarvan niet af: 23 Totdat de Heere Israël van zijn aangezigt wegdeed, gelijk als Hij gesproken had door de dienst van al zijne knechten, de profeten; alzoo werd Israël weggevoerd uit zijn land naar As-syrië, tot op dezen dag. 24 De koning nu van Assyrië bragt volk van Dabei, on van Chuta, en van Avva, en van Main ath, en Sefarvaïm, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats der kinderen Israëls; on zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in hare steden. 25 En het geschiedde in het begin hunner woning aldaar, dat zij den Heere niet vreesden; zoo zond do Heere leeuwen onder hen, die eenigen van hen doodden. 26 Daarom spraken zij tot den koning van Assyrië , zeggende: De volken, die gij vervoerd hebt, en hebt doen wonen in de steden van Samaria, weten de wijze des Gods van het land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden, en ziet, zij dooden hen, dewijl zij niet weten de wijze des Gods van het land. |
27 Toen gebood de koning van Assyrië, zeggende : Brengt oenen der priesteren daarheen, die gijlieden van daar weggevoerd hebt, dat zij henentrekken, en wonen aldaar; en dat hij hun loero de wijze des Gods van het land. 28 Zoo kwam een uit de priesters, die zij van Samaria weggevoerd hadden, en woonde te Beth-El; en hij leerde hun, hoe zij den Heere vreezen zouden. 29 Maar elk volk maakte zijne goden; en zij stelden ze in do huizen der hoogten, die do Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hunne steden, waarin zij woonachtig waren. 30 Want de lieden van Label maakten Sukkoth Benóth, en do lieden van Chut maakten Nergal, en de lieden van Hamath maakten Ashna, 31 En de Avieten maakten Nibha, en Tartak; en de Sefarvieten verbrandden hunne zonen voor Adramélech en Anaméloch, do goden van Sefarvaïm , met vuur. 32 Ook vreesden zij den Heere, en quot;maakten zich van hunne geringsten priesteren der hoogten , dewelke voor hen dienst deden in de huizen der hoogten. al Kon. 12:31. 33 quot;Zij vreesden den Heere, en dienden ook hunne goden, naar de wijze der volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden. a Zef. 1:5. 34 Tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vreezen den Heere niet, en zij doen niet naar hunne inzettingen, en naar hunne reg-teu, en naar de wet, en naar het gebod, dat de Heere geboden heeft aan de kinderen gt;ran Jakob, dien quot; Hij den naam Israël gaf. a Gen. 32:28. 35: 10. I Kon. 18:31. 35 Nogtaus had de Heere een verbond met hen gemaakt, en had hun geboden, zeggende: quot; Gij zult geene andere goden vreezen, noch u voor hen nederbuigen, noch hen dienen, noch hun offerande doen. «Rigt. 6:10. 36 Maar den Heere, dio u uit Egypteland met groote kracht en mot eenen uitgestrekten arm opgevoerd heeft. Dien zult gij vreezen, en voor Hem zult gij u buigen, en Hem zult gij offerande doen; 37 En de inzettingen, en de regten, en de wet, en het gebod, die Hij u geschreven heeft, zult gij waarnemen te doen te allen dage; en gij zult andere goden niet vreezen. 38 En het verbond, dat Ik met u gemaakt heb, zult gij niet vergeten; en gij zult andere goden niet vreezen. 39 Maar don Heere, uwen God, zult gij vreezen; en Hij zal u redden uit de hand van al uwe vijanden. 40 Doch zij hoorden niet, maar zij deden naar hunne eerste wijze. 41 Maar deze volken vreesden den Heere, en dienden hunne gesnedene beelden; ook doen hunne kinderen en hunne kindskinderen, gelijk als hunne vaders gedaan hebben, tot op dozen dag. |
2 KONINGEN 18.
|
HOOFDSTUK 18. Ilizkla wordt koning' over Juda, vs. 1 ; is zeer gml-vroozend, vreest niet voor don koning van Assyriö, en overwint do Filistijnen, 3. Salraanóser verovert Samaria en Israöl wordt gevangen naar Assyriö gevoerd, 0. Sanherib valt in hot land van Juda on Hizkia betaalt hem schatting, 13; evenwel eischt hij .leruzalem oj), 17; Rabsake lutst het volk oj) en lastert God, 19; hetwelk den koning wordt aangezegd, 37. I1ET geschiedde nu in het dorde jaar van Hosea, den zoon van Ela, don koning van Israël, n dat Ilizlda koning werd, de zoon van Achaz, koning van Juda. a 2 Kron. 28:27. 29: I. 2 Vijf on twintig jaren was hij oud, toen hij koning werd, en hij regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem, en de naam zijner moeder was Ahi, eene dochter van Zacharia. 3 En hij dood dat regt was in do oogen dos 11 keren, naar alles, wat zijn vader David gedaan had. 4 Hij quot;nam do hoogten weg, en brak do opgo-rigte beelden, on roeide de bosschon uit; en hij verbrijzelde do koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat do kinderen Israels tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehüstan. a2 Kron. 31:1. 5 Hij betrouwde op den Heere, den God Israels, zoodat na hem zijns gelijke niet was onder allo koningen van Juda, noch die vóór hom geweest waren. (i Want hij kloofde den Heere aan, hij week niet van Hem na te volgen, en hij hield zijne geboden, die de Heere aan Mozes geboden liad. 7 Zoo was do Heere mot hom; overal, waar hij henen uittrok, handelde hij klookolijk: daartoe viel hij af van den koning van Assyriö, dat hij hem niet diende. 8 Hij quot;sloeg do Filistijnen tot Gaza too, en hare landpalen, van den wachttoren af tot de vasto steden toe. a Jes. 14:30. 9 Het geschiedde nu in hot vierde jaar van den koning Hizkia, (hetwelk was het zevende jaar van Ifosóa, don zoon van Ela, den koning van Israël) dat Salmanésor, de koning van Assyriö, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde. a 2 Kon. 17:3. 10 En zij namen haar iu quot;ten einde van drie jaren, in hot zesde jaar van Hizkia; het was het negende jaar van Hoséa, den koning van Israël, als Samaria ingenomen werd. a 2 Kon. 17:0. 11 En do koning van Assyriö voerde Israöl weg naar Assyriö, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij do rivier (Jozan, en in de steden der Meden. 12 Daarom dat zij de stom des Heeren, huns Gods, niet waren gehoorzaam geweest, maar zijn verbond overtreden hadden; cn al wat Mozos, de knecht dos Heeren, geboden had, dat hadden zij niet gehoord, noch gedaan. 13 Maar quot; in hot veertiende jaar van den koning |
Hizkia, kwam Sanherib, do koning van Assyriö, op togen allo vasto steden van Juda, en nam zo in. a 2 Kron. 32: 1. Jes. 30: I. 14 Toon zond Hizkia, do koning van Juda, tot den koning van Assyriö naar Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd, keer af van mij, wat gij mij opleggen zult, zal ik dragon. Toen lelde do koning van Assyriö Hizkia, don koning van Juda, drie honderd talonten zilvors, on dertig talenten gouds op. 15 Alzoo gaf Hizkia al het zilver, dat gevonden werd in hot huis dos Heeren, on in de schatten van hot huis dos konings. 16 Te dier tijd sneed Hizkia het goud af van do deuren van den tempel dos Heeren, en van de posten, die Hizkia, de koning van Juda, had laton overtrekken, en gaf dat aan den koning van Assyrië. 17 Evenwel zond de koning van Assyriö Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot don koning Hizkia, met een zwaar heir naar Jorü-zalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bloven zij staan bij den watergang des oppersten vijvers, welke is bij den hoogon weg van hot void des vollers. 18 En zij riepen tot den koning: zoo ging tot hen uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hof-moester, en Sobna, do schrijver, en Joah, do zoon van Asaf, de kanselier. 19 En Rabsake zoide tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zoo zegt de groote koning, de koning van Assyriö: Wat vertrouwen is dit, waarmede gij vertrouwt ? 20 Gij zegt: (doch liet is oen woord der lippen,) er is raad en magt tot don oorlog; op wien vertrouwt gij nu, dat gij togen mij rebelleert? 21 Zie nu, vertrouwt gij u op dien gebroken rietstaf, op Egypte, op denwolken zoo iemand leent, zoo zal hij in zijne hand gaan, en dio doorboren: alzoo is Farao, do koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen. 22 Maar zoo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den Heere, onzen God; is Hij dieniet, wiens hoogten en wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en tot Juda on tot Jerüzalem gezegd hoeft: Voor dit altaar zult gij u buigen te Jeruzalem? 23 Nu dan, wed toch met mijnen heer, den koning van Assyriö: on ik zal u twee duizend paarden geven, zoo gij voor u do ruiters daarop zult kunnen geven. 24 Hoe zoudt gij dan hot aangozigt van een' eenigen vorst van do geringste knechten mijns lieeron afkoeren? Maar gij vertrouwt op Egypte, om de wagenen en om de ruiteren. 25 Nu, ben ik zonder den Heere opgetogen tegen deze plaats, om die te verdorven? Do Heere hooft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, on verderf het. 26 Toen zeide Eljakim, de zoon van Hilkia, en |
2 KONINGEN 18, 19.
:)84
|
Sobiia, en Joah tol Rabsalce: Spreek toch tot uwe knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel; en spreek met ons niet in het Joodsch, voor de ooren dos volks, dat op den inunr is. 27 Maar Rabsake zeide tot hen: Heeft mijn heer mij tot uwen heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? is liet niet tot de mannen, die op den muur zitten, dat zij met ulieden hunnen drek eten, en hunne pis drinken zullen ? 28 Alzoo stond Rabsake, en riep met luider stem, in het Joodsch; en hij sprak en zeide: Hoort het woord des grooten konings, des konings van Assyrië! 29 Zoo zegt de koning: Dat Hizlda u niet be-driege: want hij zal u niet kunnen redden uit zijne hand. ÃO Daartoe dat Hizkfa u niet doe vertrouwen op den Hekre, zeggende: De Heerk zal ous zekerlijk redden, en deze stad zal niet in de hand van den koning van Assyrië gegeven worden. :il Hoort naar Hizkia niet; want zoo zegt de koning van Assyrië: Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder vnn zijnen wijnstok, en een ieder van zijnen vijge-boom; en drinkt een ieder het water zijns bornputs; 32 Totdat ik kom, en u haal in een land, als ulieder land, een land van koren en van most, oen land van brood en van wijngaarden, een land van olijven, van olie en van honig; zoo zult gij leven en niet sterven: on hoort niet naar Hizkia, want hij hitst u op, zeggende: De Heere zal ons redden. 33 Hebben de goden dor volken, ieder zijn land, eenigzins gered uit do hand van den koning van Assyrië ? 34 Waar zijn de goden van Hamath, en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaïm, Hena en Ivva? Ja hebben zij Samaria uit mijne hand gered? 35 Welke zijn zo onder allo goden der landen, die hun land uit mijne hand gered hebben, dat de Heere Jeruzalem uit mijne hand redden zou? 36 Doch hot volk zwoeg stil on antwoordde hom niet een woord: want het gebod dos konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden. 37 Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, do hofmeester, en Sobna, de schrijver, on Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia, met gescheurde kleederen; on zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen. HOOFDSTUK 19. Hizkia laat den profeet Jesaja do lasteringen van Rabsake weten, vs. 1. Jesaja belooft verlossing van den Heere, 0. Sanherib wordt gedwongen op te trekken tegen de Mooren, 8. Hij zendt op nienw boden met godslasterlijke brieven aan Hizkfa, 10. Hizkia bidt den Heere om linlp, 14, Ue Heere zendt andermaal Jesaja tot hem, 20. In dien nacht wordt liet assyrischo leger door den engel Gods verslagen, en Sanherib te Mneve gekomen zijnde, wordt door zijne zonen vermoord, 35. |
EN quot; het geschiedde, als de koning Hizkfa dat hoorde, zoo scheurde hij zijne kloedoren, en be-delcte zich met oenen zak, en ging in het huis des Heeren. a Jes. 37:1. 2 Daarna zond hij Eljakim, den hofmeester, en Sobna, den schrijver, en do oudsten der prieste-ren, mot zakken bedekt, tot Jesaja, den profeet, quot; den zoon van Ainoz; a Jes. 1:1. 3 En zij zeiden tot hem: Alzoo zegt Hizkfa: Deze dag is een dag der benaauwdheid, en der scholding, en der lastering: want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geene kracht om te baren. 4 Misschien zal de Heere, uw God, hooren al de woorden van Rabsake, denwelkon zijn heer, do koning van Assyrië, gezonden hoeft, om den levendon God te honen, en te schelden, met woorden, die de Heere, uw God, gehoord heeft; hef dan oen gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt. 5 En de knechten van don koning Hizkfa kwamen tot Jesaja. 0 En Jesaja zeide tot hen: Zoo zult gij tot uwen heer zeggen: Zoo zegt de Heere: Vrees niet voor do woorden, die gij gehoord hebt, waarmede Mij de dienaars van don koning van Assyrië gelasterd hebben. 7 Zie, Ik zal eenen geest in hem geven, dat hij oen gerucht hooren zal, en weder in zijn land keeren; en Ik zal Item door hot zwaard in zijn land vollen. 8 Zoo kwam Rabsake weder, en vond don koning van Assyrië, strijdende tegen Libna: want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was. 9 Als hij nu hoorde van Tirhaka, don koning van Cusch, zeggen: Ziet, hij is uitgetogen, om tegen u te strijden; zond hij weder boden tot Hizkia, zeggende: 10 Zoo zult gij spreken tot Hizkfa, den koning van Juda, zeggende: Laat u uwen God niet bedriegen, op welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand dos konings van Assyrië niet gegeven worden. 11 Zie, gij hebt gehoord, wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die verbannende ; en zoudt gij gered worden ? 12 Hebben de goden der volken, die mijne vaders verdorven hebben, dezelve gered? al* Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren? 13 Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning der stad Sefarvaïm, Hena en Ivva? 14 Als nu Hizkia de brieven uit der boden hand ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in hot huis des Heeren , en Hizkfa breidde die uit voor het aangezigt dos Heeren. 15 En Hizkfa bad voor hot aangezigt des Heeren, en zeide: O Heere, God Israëls, die tus-schen de cherubim woont! Gij zelf, Gij alleen |
|
zijt de God van alle koningrijken der aarde, Gij hebt den hemel en de aarde gemaakt. 1(5 O Heere! neig mv oor en hoor, doe, Heere, uwe oogen open en zie; en hoor do woorden van Sanherib, die dezen gezonden heeft, om den levenden God te honen. 17 Waarlijk, Heere! hebben de koningen van Assyrië die Heidenen en linn land verwoest; 18 En hebben hunne goden in het vuur geworpen : want zij waren geene Goden, maar het werk van menschenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven. 19 Nu dan, Heere, onze God! verlos ons toeh uit zijne hand; zoo zullen alle koningrijken dei-aarde weten, dat Gij, Heere! alleen God zijt. 20 Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkïa, zeggende: Zoo spreekt de Heere, de God Israels: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrië, heb Ik gehoord. 21 Dit is liet woord, dat de Heere over hem gesproken heeft: Do jonkvrouw, de dochter van Zion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt liet hoofd achter u. 22 Wien hebt gij gehoond en gelasterd ? en tegen wien hebt gij de stem verheven, en uwe oogen omhoog opgeheven? Tegen den Heilige Israels! 23 Door middel uwer boden hebt gij den Heere gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogten der bergen, do zijden van den Libanon; en ik zal zijne hooge cederboomen, en zijne uitgelezene denne-boomen afhouwen; en zal komen in zijne uiterste herberg, in het woud zijns schoonen velds. 24 Ik heb gegraven en heb gedronken vreemde wateren; en ik heb met mijne voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd. 25 Hebt gij niet gehoord, dat Ik zulks lang te voren gedaan heb ? en dat van oude dagen af geformeerd heb? Nu lie!) Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn, om de vaste steden te verstoren tot woeste hoopen. 26 Daarom waren hare inwoners handeloos, zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras des velds, en de groene grasscheutjes, liet hooi der daken, en liet brandkoren, eer het over einde staat. 27 Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij. 28 Om uw woeden tegen Mij, en dat uwe woeling voor mijne ooren opgekomen is, zoo zal Ik mijnen haak in uwen neus leggen, en mijn gebit in uwe lippen, en Ik zal u doen wederkeeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt. 29 En dat zij u een teeken, dat men in dit jaar eten zal, wat van zelf gewassen is; en in het tweede jaar, wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden , en eet hunne vruchten. 30 Want het ontkomene, dat overgebleven is |
385 van het huis van Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en zal opwaarts vrucht dragen. 31 Want van Jeruzalem zal hel overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van den berg Zion: de ijver van den Heere der heirscharen zal dit doen. 32 Daarom zoo zegt de Heere van den koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar eencn pijl inschieten; ook zal hij niet geen schild daarvoor komen, en zal geenen wal daartegen opwerpen. 33 Door den weg, dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de Heere. 34 Want quot; Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om mijnentwil, en om Davids, mijns knechts wil. a2 Kon. 20:0. 35 Het quot;geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de engel des Heeren uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren doode ligchamen. a Jes. 37 ; 30. 36 Zoo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië , en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Nineve. 37 Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijnen god, zich nederboog, quot; dat Adra-mélech en Sarézer, zijne zonen, hem met hot zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van A'rarat: en E'sar-Haddon, zijn zoon, word koning in zijne plaats. «2 Kron. 32 ; 21. Jes. 37 :88. HOOFDSTUK 20. Hizkfa krank zijnde, wordt van God door Jesi'ija aangekondigd, dat hij sterven zou, vs. 1; doch verkrijgt op zijn gebed nog vijftien jaren levens, 2; waarvan hij door een wonderteeken verzekerd wordt, S. Beródach Baladan, koning van Babol, zendt een gezantschap tot Hizkia, die limi ai zijne schatten toont, 12; waarop Jesaja hem de babyionisehe gevangenschap voorzegt, 14; hij sterft en Manasse wordt koning, 20. IN die dagen quot;werd Hizkia krank tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zeide tot hem: Zoo zegt de Heere: Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven, en niet leven, a2 Kron. 32:24. Jes. .'gt;8: 1. 2 Toen keerde hij zijn aangezigt om naar den wand, en hij bad tot den Heere, zeggende: 3 Och Heere! gedenk toch, dat ik voor uw aangezigt in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in uwe oogen is, gedaan heb. En Hizkia weende gansch zeer. 4 Hot gebeurde nu, als Jesaja uit het middel-voorhof nog niet gegaan was, dat het woord des Heeren tot hem geschiedde, zeggende: 5 Keer weder en zeg tot Hizkia, den voorganger mijns volks: Zoo zegt de Heere, de God van uwen vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uwe tranen gezien; zie, Ik zal u gezond 2 KONINGEN 19, 20. |
2 KONINGEN 20, 21.
|
maken; aan den derden dag zult {iij opgaan in het huis des Heeren; (! En Ik zal vijftien jaren tot uwe dagen toedoen , en zal u uit de hand des konings van As-syrië verlossen, mitsgaders deze stad; en Ik zal deze stad beschermen om mijnentwil, en om mijns knechts Davids wil. 7 Daarna zeide Jesaja: Neemt eenen klomp vijgen: en zij namen ze: en leiden ze op de zweer, en hij werd genezen. 8 Hizkfa nu had gezegd tot Jesaja: Welk is het teeken, dat de Heere mij gezond maken zal, en dat ik op den derden dag in des Heeren huis zal opgaan? !) En Jesaja zeide: Dit zal u oen teeken van den Heere zijn, dat de Heere het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal: zal do schaduw tien graden voorwaarts gaan, of tien graden achterwaarts koeren ? 10 Toon zeide Jehizkia: Het is dor schaduwe ligt, tien graden nederwaarts te gaan; noen, maar dat de schaduw tien graden achterwaarts keer e. 11 En Jesaja, de profeet, riep don Heere aan; on Hij deed do schaduw tien graden achterwaarts keeren in de graden, dewelke zij nederwaarts gegaan was, in de graden van Achaz zonnewijzer. 12 Te dier tijd zond Boródach Baladan, de zoon van Baladan, do koning van Babel, brieven en oen geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord, dat Hizkfa krank geweest was. li? En Hizkfa hoorde naar hen, en hij toonde hun zijn gansche schathuis, hot zilver, en liet goud, en do specerijen, en de beste olie, en zijn wapenhuis, en al wat gevonden word in zijne schatten: er was geen ding in zijn huis, noch in zijne gansche heerschappij, dat hij hun niet toonde. 14 Toen kwam de profeet Jesaja tot den koning Hizkfa, en zeide tot hem: Wat hebben die mannon gezegd, en van waar zijn zij tot u gekomen? En Hizkfa zeido: Zij zijn uit verren lande gekomen, uit Babel. ló En hij zeido: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkfa zeido: Zij hebben alles gezien, wat in mijn huis is; geen ding is er in mijne schatten, dat ik hun niet getoond heb. 16 Toen zeide Jesaja tot Hizkfa: Hoor dos Heeren woord. 17 Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat .uwe vaderen tot dezen dag toe opgelegd hebben, naar Babel weggevoerd zal worden ; er zal niets overgelaten worden, zegt do Heere. 18 Daartoe zullen zij van uwe zonen, die uit u zullen voortkomen, die gij gewinnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis des konings van Babel. 19 Maar Hizkfa zeide tot Jesaja: Het woord des Heeren, dat gij gesproken hebt, is good. Ook zoide hij: Zou het niet, naardien vrede en waarheid in mijne dagen wezen zal? |
20 Hot overige nu der geschiedenissen van Hizkfa, en al zijne magt, en hoe hij den vijver en don watergang gemaakt heeft, en water in de stad gebragt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronijkon der koningen van Juda? 21 En Hizkfa ontsliep met zijne vaderen; en zijn zoon ManaSBe word koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 21. Manasse is een gruwelijk afgodendienaar, vs. 1. Hierom worden zeer zware straffen bedreigd, 10. Manasse vergiet ook veel onschuldig bloed en sterft, 10. Zijn zoon Anion komt in zijne plnats en volgt de voetstappen zijns vaders, 19. Hij wordt door zijne knechten omgebrngt, 23. Zijn zoon Josfa wordt koning, 26. MANASSE quot;was twaalf jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem; en do naam zijner moeder was Hefzi-bah. a2 Kron. 33: 1. 2 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, naar de gruwelen dor Heidenen, die de Heere voor hot aangezigt der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had. 3 Want hij bouwde de hoogten weder op, quot;die Hizkfa, zijn vader, verdorven had; en hij rigtte Baal altaren op, on maakte een bosch, ''gelijk als Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en diende ze. a 2 Kon. 18:4. 6 1 Kon. 10:31,32,33. 4 En hij quot;bouwde altaren in hot huis des Heeren, waarvan do Heere gezegd had: ''Te Jeruzalem zal Ik mijnen naam zotten. «Jor. 32:34. b Dent. 12 : 5,11. 2 Sam. 7:13. 1 Kon. 8 : 29. 9 : 3. h 2 Kron. 7:12. I's. 182 : 13, 14. Jor. 32 : 34. 5 Daartoe bouwde hij altaren voor al het heir des hemels, in beide do voorhoven van het huis des Heeren. 6 Ja hij dood zijnen zoon door hot vuur gaan, en pleegde guichelarij en gaf op vogelgoschrei acht; en hij stolde waarzeggers en duivelskunstenaren : hij deed zoor voel kwaads in do oogen des Heeren, om Hem tot toorn te verwekken. 7 Hij stelde ook oen gesneden beeld van het bosch, dat hij gemaakt had, in hot huis, waarvan do Heere gezegd had tot David en tot zijnen zoon Salomo: quot;In dit huis, on in Jeruzalem, die Ik uit allo stammen van Israël verkoren heb, zal Ik mijnen naam zetten in eeuwigheid. a 2 Sam. 7:10. 1 Kon. 8:16, 29. 9:3. 2 Kon. 23 : 27. 8 En Ik zal niet voortvaren den voet van Israël te bewegen uit dit land, dat Ik hunnen vaderen gegeven heb; alleenlijk, zoo zij waarnomsn te doen, naar alles, wat Ik hun geboden heb, on naar de gansche wet, die mijn knecht Mozes hun geboden hooft. 9 Maar zij hoorden niet: want Manasse dood hen dwalen, dat zij erger deden dan de Heidenen, die de Heere voor hot aangezigt dor kinderen Israëls verdelgd had. 10 Toen sprak de Heere door de dienst van zijne knechten, de profeten, zeggende: |
2 KONINGEN '21, 22.
|
11 Dewijl dut quot; Manasse, do koning' van Juda, deze grnwelon gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die vóór hem geweest zijn, ja ook Juda door zijne drekgoden heeft doen zondigen; aJor. 15: 1. 12 Daarom, alzoo zegt do IIekre, de God Israels: Ziet, Ik zal oon kwaad over Jeruzalem en Juda brengen, dat een' ieder, die het hoort, beide zijne ooren klinken zullen. lü En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, mitsgaders het paslood van het huis van Achab; en Ik znl Jeruzalem uitwis-sehon, gelijk als men eenen schotel uitwischt; men wischt dien uit, en men keert hom om op zijne holligheid. 14 En Ik zal het overblijfsel mijns erfdeels verlaten , en zal ze in de hand hunner vijanden geven; on zij zullen tot eenen roof en plundering worden al hunnen vijanden. 15 Daarom dat zij gedaan hebben dat kwaad was in mijne oogen, en Mij tot toorn verwekt hebben, van dien dag, dat hunne vaderen van Egypte uitgegaan zijn, ook tot op dezen dag toe. 16 Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het eene einde tot het andere vervuld had; behalve zijne zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de oogen dos Heeren. 17 Het overige nu dor geschiedenissen van Manasse, on al wat hij gedaan heeft, on zijne zonde, die hij gezondigd hooft, zijn dio niet geschreven in hot boek dor kronijken dor koningen van JudaV 18 En quot;Manasse ontsliep met zijne vaderen, on werd begraven in den hof van zijn huis, in don hof van Uzza; en zijn zoon Anion word koning in zijne plaats. a 2 Kron. 33:20. 19 Anion was twee en twintig jaren oud, toon hij koning werd, en hij regeerde twee jaren to Jeruzalem; en do naam zijnor moeder was Mesul-lómot, oone dochter van Haruz van Jotba. 20 En hij dood dat kwaad was in do oogen dos Heeren, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had. 21 Want hij wandelde in al don weg, dien zijn vader gewandeld had, en hij diende de drekgoden, die zijn vader gediend had, en hij boog zich voor die neder. 22 Zoo verliet hij don Hèere , don God zijner vaderen, en hij wandelde niet in den weg dos i Ieeren. 23 En do knechten van Anion maakten eene ver-bindtenis tegen hom, en zij doodden don koning in zijn huis. 24 Maar hot volk dos lands versloeg allen, die tegen den koning Anion eene verbindtenis gemaakt hadden; en hot volk des lands maakte zijnon zoon Josïa koning in zijne plaats. 25 Het overige nu der geschiedenissen van Anion, wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in hot boek der kronijken der koningen van Juda ? |
2() En men begroef hem in zijn graf, in den hof van Uzza; en quot;zijn zoon Josfa werd koning in zijne plaats. a Matt. 1 : lu, HOOFDSTUK 22. Josia's vrome regering, vs. 1. Hij draagt zorg voor do herstelling van den tempel, 3. Het wetboek van 1 Hilda in den tempel gevonden, wordt door Safan den koning ter hand gesteld, 8. Do koning verstaan hebbende wat God den afvalligen daarin bedreigt, laat door do profetes Hulda don lleere om raad vragen, II. De profetes geeft antwoord, 15. JOSIA quot;was acht jaren oud, toen hij koning word, on rogeordo een en dortig jaren te Jorü-zalom; en do naam zijner moedor was Jodida, oono dochter van Adaja, van Bozkath. a 2 Kron. 34 : t. 2 En hij dood dat rogt was in do oogen des Heeren; en hij wandelde in al don weg van zijnon vader David, en week niet af ter regter-noch tor linkerhand. 3 Het geschiedde nu in hot achttiende jaar van don koning Josïa, dat do koning den schrijver Safan, den zoon van Azalia, don zoon van Me-sullam, zond in hot huis des Heeren, zeggende: 4 Ga op tot Hilkia, den hoogepriostor, opdat hij hot gold opsommo, dat in het huis des Heeren gobragt is, hetwelk do wachters des dorpels van hot volk verzameld hebben; 5 En dat zij dat geven in de hand der verzorgers van hot werk, die besteld zijn over hot huis dos Heeren; opdat zij hot geven aan dogenon, die hot werk doen, dat in hot huis dos Heeren is, om do breuken van hot huis te beteren: (i Aan do timmorliodon, en do bouwlieden, en do metselaars, en om hout en gehouwene stoonen to koopen, om hot huis te boteren. 7 Doch or word met hen geene rekening gehouden van hot geld, dat in hunne hand geleverd was, want zij handelden trouwelijk. 8 Toen zoido de hoogepriostor Hilkia tot Safan, don schrijver: Ik heb. hot wetboek in het huis des Heeren gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het. !) Daarna kwam Safan, de schrijver, tot den koning, en bragt den koning bescheid weder, en hij zoido; Uwe knechten hebben hot gold, dat in hot huis gevonden was, zamengebragt, en hebben hot gegeven in do hand dor verzorgers van hot work, dio besteld waren over het huis des Heeren. 10 Ook gaf Safan, do schrijver, don koning to kennen, zeggende: Do priester Hilkia hooit mij oen boek gegeven. En Safan las dat voor liet aangozigt dos konings. 11 Het geschiedde nu, als do koning do woorden dos wetbooks hoorde, dat hij zijne kleederen scheurde. 12 En de koning gebood Hilkia, don priester, on Alilkam, don zoon van Safan, en Achbor, don zoon van Michaja, en Safan, don schrijver, en Asa ja, don knecht des konings, zeggende: |
2 KONINGEN 22, 2:i.
|
13 Gaat henen, vraagt den Heeke voor mij, en voor liet volk, en voor het gansche Juda, over de woorden dezes boeks, dat gevonden is: want de grimmigheid des Heeren is groot, dewelke tegen ons aangestoken is, omdat onze vaderen niet gehoord hebben naar do woorden dezes boeks, om te doen naar al wat voor ons geschreven is. 14 Toen ging de priester Hilkia, en Ahikain, en Acbbor, en Safan, en Asaja henen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van Tikva, den zoon van Harhas, den kleederbewaarder, (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel) en zij spraken tot haar. 15 En zij zeide tot hen: Zoo zegt do IIeere, de God Israels: Zegt tot den man, die u tot mij gezonden heeft: 16 Zoo zegt do Heere : Zie, Ik zal kwaad over deze plaats brengen, en over hare inwoners, namelijk al de woorden des boeks, dat de koning van Juda gelezen heeft. 17 Daarom dat zij Mij verlaten, en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met al het werk hunner handen, zoo zal mijne grimmigheid aangestoken worden tegen deze plaats, en niet uitgebluscht worden. 18 Maar tot den koning van Juda, die u gezonden heeft, om den Heere te vragen, alzoo zult gij tot hem zeggen: Zoo zegt de Heere, de God Israels; Aangaande de woorden, die gij gehoord hebt; 1!) Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor bet aangezigt des Heeren vernederd hebt, als gij hoordet, wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en derzelver inwoners, dat zij tot eene verwoesting en vloek zullen worden, en dat gij uwe kleederen gescheurd en voor mijn aangezigt geweend hebt; zoo heb Ik u ook verhoord, spreekt de Heere. 20 Daarom zie, Ik zal u verzamelen tot uwe vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uwe oogen zullen al hot kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats brengen zal. En zij bragten den koning het antwoord weder. HOOFDSTUK 23. .losia laat het wetboek voorlezen en vernieuwt het verbond niet den Heere, vs. 1; reinigt den tempel en roeit alle afgoderij uit, 4; verbreekt het altaar te Beth-Ei en brandt daarop menschenbeenderen, 15; liij houdt het paaschfeest, 21. Verhaal van nog andere bewijzen zijner godsvrucht, 24. Gods toorn tegen het land wordt nogtans niet afgekeerd, 2(J. ilij trekt in den strijd tegen Faraö Necho, wordt gewond en sterft, 29. Zijn zoon Jóahaz wordt koning, 31 ; dien Farao Necho afzet en door Eljakim laat vervangen, dien hij Jójakim noemt, 83. Zijne regering, 35. TOEN zond de koning henen, en tot hom verzamelden al do oudsten van Juda en Jeruzalem. «2 Kron. 34:29. |
2 En de koning ging op in het huis des Heeren, en met hem alle man van Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, on do priesters en profeten, en al het volk, van don minste tot den meeste; on hij las voor hunne ooren al de woorden van het boek dos verbonds, quot;dat in het huis des Heeren gevonden was. «2 Kon. 22:8. 3 De koning nu stond aan den pilaar, en maakte een verbond voor des Heeren aangezigt, om den Heere na te wandelen, en zijne geboden, en zijne getuigenissen, en zijne inzettingen met gan-schen harte en met ganscher ziel te houden, bevestigende de woorden dezes verbonds, die in dit boek geschreven zijn. En het gansche volk stond in dit verbond. 4 En de koning gebood den hoogepriester Hilkia, en den priesteren der tweede ordening, en den dorpelbewaarders, dat zij uit den tempel des Heeren alle gereedschap, dat voor Baal, en voor het beeld van het bosch , en voor al het heir des hemels gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-E1 dragen. 5 Daartoe schafte hij de Ghemarim af, die de koningen van Juda gesteld liadden, opdat men rooken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, mitsgaders, die voor Baiil, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al het heir des hemels rookten. (i Hij bragt ook het beeld van hei bosch uit het huis des Heeren weg, buiten Jeruzalem, tot de beek Kidron, en verbrandde het aan de beek Kidron, en vergruisde het tot stof; en hij wierp het stof daarvan op de graven der kinderen des volks. 7 Daartoe brak hij de huizen der schandjongens af, die aan het huis des Heeren waren, alwaar de vrouwen huisjes voor het beeld van het bosch weefden. 8 En hij bragt al de priesters uit de steden van Juda, en verontreinigde de hoogten, alwaar die priesters gerookt hadden, van Gcba af tot Ber-séba toe; en hij brak de hoogten der poorten af, ook die aan de deur der poort van Jozua, den overste der stad, was, welke aan iemands linkerhand was, in de stadspoort ijaande. 9 Doch de priesters dor hoogten offerden niet op het altaar des Heeren te Jeruzalem; maarzij aten ongezuurde brooden in het midden van hunne broederen. 10 Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal der kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijnen zoon of zijne dochter voor den Molech door het vuur deed gaan. 11 En hij schafte de paarden af, die de koningen van Juda voor de zon gesteld haddon, van den ingang in hot huis des Heeren, tot de kamer van Nathan-Mélech, den hoveling, die in Parva-rim was; en de wagenen der zon verbrandde hij met vuur. 12 Verder de altaren, die op het dak der opper- |
'2 KONINGEN 23.
|
zaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, mitsgaders de altaren, quot;die Manasse in de twee voorhoven van het huis des Heeren gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp liet stof daarvan in de beek Kidron. a2 Kon. 21 : 5. 13 Do hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren , dewelke waren tor regterhand van den berg Mashith, die Salomo, de koning van Israël, voor Astoreth, het verfoeisel der Zidoniërs, en voor Kamos, liet verfoeisel der Moabieten, en voor Milchom, den gruwel der kinderen Amnions, gebouwd liad , verontreinigde de koning. |
dat; quot;naar hot woord dos Heeren, dat do man Gods uitgeroepen had, die deze woorden uitriep. a I Kon. 13 : 2. 17 Vorder zeide hij: Wat is dat voor een graf-teeken, dat ik zie? En de liedon der stad zeiden tot hem: liet is hot graf van don man Gods, die uit Juda kwam, on doze dingen, die gij togen dit altaar van Both-El gedaan hebt, uitgeroepen heeft. 18 En hij zeide: Laat hem liggen, dat niemand zijne beenderen vorroore. Zoo bevrijdden zij zijne beendoren, mot do beenderen van den profeet, die uit Samaria gekomen was. |
|
14 Insgelijks brak hij de quot; opgerigte beelden, en roeide de bosschen uit; en hij vervulde hunne plaats met menschenbeenderen. a Ex. 23 : 24. 34 ; 13. Num. 23 : 52. üeut. 7 : 5, 20. 12 : 3. 15 Daartoe ook liet quot; altaar, dat te Beth-Kl was, en de hoogte, die Jeróbeam, de zoon van Nebat, dewelke Israël zondigen deed, gemaakt had; te zamen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde zo tot stof, en hij verbrandde het bosch. al Kon. 12:32,33. 16 En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op den borg waren, on zond henen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde zo op dat altaar, en verontreinigde |
19 Daartoe nam Josia ook weg al do huizen der hoogten, quot;die in do steden van Samaria waren, die do koningen van Israël gemaakt hadden, om den Hekhf. tot toorn te verwekken; en hij deed dezelve naar al de daden, die hij te Beth-El gedaan had. «2 Kron. 34:6. 20 En hij slagtto al de priesteren dor hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde menschenbeenderen op dezelve. Daarna keerde hij weder naar Jeruzalem. 21 En do koning gebood hot gansche volk, zeggende: quot;Houdt den Heere, uwen God, pascha, '' gelijk in dit boek des verbonds goschrevon is. a 2 Kron. 35: 1. //Ex. 12:3. Deut. 16:2. |
|
390 22 Want gelijk dit pascha was er geen gehouden, van de dagen der rigtereu af, die Israël gerigt hadden, noch in al de dagen der koningen van Israël, noch der koningen van Juda. 23 Maar in het achttiende jaar van den koning Josïa, werd dit pascha den Heeke te Jeruzalem gehouden. 24 En ook deed Josia quot;weg de waarzeggers, en de duivelskunstenaars, en de terafim, en do drekgoden, en allo verfoeiselen, die in hot land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden der wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hillda in het huis des Heeren gevonden had. a Lev. 19:31. 20:27. Dent. 18:11. Jos. 8:19. 25 En vóór hem was geen koning zijns gelijke, die zich tot den Heere, met zijn gansche hart, en met zijne gansche ziel, en met zijne gansche kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had; en na hem stond zijns gelijke niet op. 26 Nogtans keerde zich de Heere van den brand zijns grooten toorns niet af, waarmede zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen, waarmede Manasse Hem getergd had. 27 En de Heere zeide: Ik zal Juda ook van mijn aangezigt wegdoen, quot;gelijk als Ik Israël weggedaan hei); en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik verkoren heb, en het huis, waarvan Ik gezegd lieb: Mijn naam zal daar wezen. a2 Kon. 17 : IS, 20. 24:3. 28 Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronijken der koningen van Juda? 20 In zijne dagen toog Faraö Necho, de koning van Egypte, op tegen den koning van Assyrië, naar de rivier Frath: en de koning Josia toog hem te gemoot, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had. 30 En zijne knechten voerden hem dood op eenen wagen, van Megiddo, en bragten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf, quot;en het volk dos lands nam Joahaz, den zoon van Josia, en zalfden hem, en maakten hem koning in zijns vaders plaats. a 2 Kron. 30: 1. 31 Drie en twintig jaren was Jóahaz oud, toen hij koning werd, cn hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en do naam zijner moeder was Hamiital, de dochter van Jeremia, van Libna. 32 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, naar alles, wat zijne vaderen gedaan hadden. 33 Doch Faraö Necho liet hem binden to Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij lelde het land eone boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds. 34 Ook maakte Faraö Necho Eljakim, den zoon van Josia, koning, in de plaats van zijnen vader Josia, en veranderde zijnen naam in quot;Jójakim; |
maar Jóahaz nam hij mode, en hij kwam in Egypte, en stierf aldaar. a Matt. 1: 11. 35 En Jójakim gaf dat zilver en dat goud aan Faraö; doch hij schatte het land, om dat geld naar het bevel van Faraö te geven; een' ieder naar zijne schatting eischte hij het zilver en goud af van het volk des lands, om aan Faraö Necho te geven. 36 Vijf en twintig jaren was Jójakim oud, toon hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijnor moeder was Zebuddat, eene dochter van Pedaja, van Ruma. 37 En hij deed dat kwaad was in de oogen dos Heeren, naar alles, wat zijne vaders gedaan hadden. HOOFDSTUK 24. Jójakim wordt den koning Nobukadnéznr dienstbaar; doch valt weder van hem af, vs. 1. Vijandige volken verderven zijn land, 2. Hij sterft on zijn zoon Jójachin volgt hem op, 6. Den koning van Egypte wordt door den koning van Babel veel land ontnomen, 7. Jójaohins regering, 8. Jerflzalem wordt van de ('haldeên belegerd en beroofd, 10. Jójachin mot liet grootste gedeelte van Jnda's inwoners gevangen naar Babel gevoerd, 14. Mattanja, anders genaamd Zo-dekia, wordt koning en valt van den koning van Babel af, 17. IN quot; zijne dagen toog Nebukadnézar, de koning van Babel, op, en Jójakim werd zijn knecht drie jaren; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde togen hem. a 2 Kron. 86:6. 2 En de Heere zond tegen hem de benden der Chaldeën, en de benden dor Syriërs, en de bendon der Moabieten, en do benden der kinderen Amnions, on zond hen tegen Juda, om dat te verderven, quot;naar het woord des Heeren, dat Hij gesproken had door de dienst zijner knechten, de profeten. a 2 Kon. 20: 17. 28:27. 3 Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel des Heeren tegen Juda, dat Hij hen van zijn aangezigt wegdeed, om de zonden van Manasse, naar alles, wat hij gedaan had; 4 Als ook um het onschuldig bloed, dat hij vergoten had, zoodat hij Jeruzalem met onschuldig bloed vervuld had: daarom wilde de Heere niet vergeven. 5 Het overige nu tier geschiedenissen van Jójakim, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronijken der koningen van Juda? 6 En Jójakim ontsliep met zijno vaderen; on zijn zoon Jójachin werd koning in zijne plaats. 7 De koning nu van Egypte toog voortaan niet meer uit zijn land; want de koning van Babel had, van de rivier van Egypte af tot aan de rivier Frath, ingenomen al wat van den koning van Egypte was. 8 Jójachin was achttien jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moedor was Nehüsta, oene dochter van Elnathan, van Jeruzalem. 2 KONINGEN 2:?, 24. |
2 KONINGEN 24, 25.
|
!) En hij deed dat kwaad was in de oogon des Heeren, naar alles, wat zijn vader gedaan had. 10 Te quot;dier tijd togen de knechten van Nebu-kadnézar, den koning van Babel, naar Jeruzalem; en de stad werd belegerd. a Dan. 1:1. 11 Zelfs kwam Nebukadnézar, de koning van Babel, tegen de stad, als zijne knechten die belegerden. 12 Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot den koning van Babel, hij, en zijne moeder, en zijne knechten, en zijne vorsten, en zijne hovelingen; en de koning van Babel nam hein yevangen in het achtste jaar zijner regering. 13 quot;En hij bragt van daar uit al de schatten van hot huis des Heeren, en de schatten van hot huis des konings; en hij hieuw alle gouden vaten af, die Salomo, de koning van Israël, in den tempel des Heeren gemaakt had, gelijk als de Heere gesproken had. a 2 Kon. 20:17. Jes. 39:0. 14 En hij voerde gansch Jeruzalem weg, mitsgaders al de vorsten, en allo strijdbare helden, tion duizend gevangenen, en alle timmerlieden en smeden; niemand word overgelaten, dan het arme volk des lands. 15 quot; Zoo voerde hij Jójachin weg naar Babel, mitsgaders des konings moeder, en des konings vrouwen, en zijne hovelingen; daartoe de magtigon dos lands bragt hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel; a2 Kron. 30: 10. Esth. 2 : G. 10 En quot;allo kloeke mannen tot zeven duizend, on timmerlieden en smeden tot een duizend, en allo helden, die ten oorlog geoefend waren; dezen bragt do koning van Babel gevankelijk naar Babel. oJer. 52:28. 17 En de quot;koning van Babel maakte Mattanja, deszelfs oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijnen naam in Zedelda. aJer.37:l. 52:1. 18 Zedokia was een en twintig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamutal, eone dochter van Joreima, van Libna. 19 En hij deed dat kwaad was in de oogen dos Heeren, naar alles, wat Jójakim gedaan had. 2à Want het geschiedde, om den toorn dés Heeren togen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen van zijn aangezigt weggeworpen had. En Zedokia rebelleerde tegen den koning van Babel. HOOFDSTUK 25. Jomzalem wordt belegerd, vs. 1. Zedokia gevangen, van zijn ge/.igt beroofd on naar Babel gevoerd, 5. Nobuzaradan verbrandt Jorrtzalem en don tempel, en verbreekt do stadsmuren, 8; terwijl hot nog overgebleven gedeelte volks met al hetgeen kostbaar is wordt weggevoerd, 14. Eenige der voornaamsten van Juda worden to Ribla op bevel dos konings gedood, 18. Gedalia wordt overste van Juda, on door hot volk omgebragt, 22. Do Joden vlugten naar Egypte, 20. Do koning Jójachin wordt door Evil-meródaoh verlost en verhoven, 27. |
EN quot;het geschiedde in hot negende jaar zijner regering, in de tiende maand, op don tienden der maand, dat Nebukadnézar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gan-scho heir, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom. «2 Kron. 30: 17. .lor. 32:2. 39: 1. 52:4. 2 Zoo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van den koning Zedokia. 3 Op den negenden der vierde, maand, quot; als de honger in de stad sterk werd, en het volk des lands geen brood had, «Jer. 52:0. 4 Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden dos nachts door den weg der poort, tusschen de tweo muren, die aan des konings hof waren, (de Chaldeën nu waren tegen de stad rondom) en de koning trok door den weg des vlakken voids. 5 Doch het heir der Chaldeën jaagde tien koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jéricho, en al zijn heir werd van bij hem verstrooid. 0 Zij dan grepen den koning, en voerden hem opwaarts tot don koning van Babel, naar Bibla; en zij spraken eeu oordeel tegen hem. 7 En zij slagtten do zonen van Zedokia voor zijne oogen, en men verblindde Zedokia's oogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. 8 Daarna in de vijfde maand, op den zevenden der maand (dit was hot negentiende jaar van Nebukadnézar, don koning van Babel) kwam Nobuzaradan, de overste der trawanten, de knecht des konings van Babel, te Jeruzalem. 9 En hij verbrandde hot huis des Heeren, en het huis des konings, mitsgaders allo huizen van Jeruzalem; en alle huizen der grooten verbrandde hij met vuur. 10 En hot gansche heir der Chaldeën, dat mot den overste der trawanten was, brak do muren van Jeruzalem rondom af. 11 Het overige nu des volks, die in do stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot don koning van Babel gevallen waren, en hot overige der menigte, voordo Nobuzaradan, do overste der trawanten, gevankelijk weg. 12 Maar van de armsten des lands liet de overste dor trawanten eenigen overig tot wijngaardeniers en tot akkerlieden. 13 Verder braken de Chaldeën quot;de koperen pilaren, die in het huis dos Heeren waren, on do stollingen, en do koperen zee, die in het huis des Heeren was; en zij voerden hot koper daarvan naar Babel. a'1 Kon. 2(1: 17. Jor. 20:5. 27 : 1!). 14 Zij namen ook do potten, en de schoffelen, en do gaffelen, en do rookschalen, en al de koperen vaten, daar men de dienst mede deed. 15 En do overste der trawanten nam weg do wierookvaten en de sprongbekkons, wat geheel goud en wat geheel zilver was. 10 De twee pilaren, de eone zee, en de stollingen, die Salomo voor hot huis dos Heeren |
|
392 gemaakt had: het koper van al deze vaten was zonder gewigt. 17quot; De hoogte van oenen pilaar was achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en do hoogte des kapiteels was drie ellen; en hot net, en de granaatappelen op hot kapiteel rondom, waren allen van koper; en dozen gelijk had do andere pilaar, met het net. a 1 Kon. 7 : 15. 2 Kron. )i: 15. Jor. 52 : 21. 18 Ook nam do overste der trawanten Seraja, den hoofdprioster, en Zefanja, don tweeden priester, en de drie dorpelbewaarders. 19 En uit de stad nam hij oenen hoveling, die over de krijgslieden gestold was, en vijf mannen uit degenen, die dos konings aangezigt zagen, die in de stad gevonden werden, mitsgaders don oversten schrijver dos heirs, die het volk des lands ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk dos lands, die in de stad gevonden werden. 20 Als Nobuzaradan, do overste der trawanten, dezen genomen had, zoo bragt hij hen tot den koning van Babel, naar Ribla. 21 En de koning van Habol sloeg hen, en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Alzoo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd. 22 quot;Maar aangaande liet volk, dat in hot land van Juda overgebleven was, dat Nebukadnézar, de koning van Babel, had laten overblijven, daarover stelde hij Godalia, den zoon van Ahikam, don zoon van Safan. aJor. 4U:5, 9. 2!} quot; Toen nu al do oversten der heiron, zij en hunne mannen, hoorden, dat de koning van Habol Gedalia tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedalia naar Mizpa: namelijk, Ismaöl, de zoon van Nethanja, en Jóhanan, do zoon van Karéah, en Seraja, de zoon van Tanhümeth, de Netofathiet, en Jaazanja, do zoon van den Maa-chathiet, zij en hunne mannen. « Jer. 40:7. |
24 En Godalia zwoer hun en hunnen mannen, en zeido tot hen : Vreest niet van te zijn knechten der Chaldeën, blijft in hot land, en dient don koning van Babel, zoo zal het u wol gaan. 25 Maar hot geschiedde in do zevende maand, dat Ismaël, do zoon van Nethanja, den zoon van Elisama, van koninklijk zaad, kwam, en tien mannen met hem; quot;en zij sloegen Gedalia, dat hij stierf, mitsgaders do Joden en do Chaldeën, die mot hom te Mizpa waren. '/Jer. 41 ; 2. 26 Toen maakte zich al hot volk op, van den minste tot den meeste, en do oversten der heiron, en kwamen in Egypte, want zij vreesden voor de Chaldeën. 27 Hot geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar der wegvoering van Jójachin, den koning van Juda, in de twaalfde maand, op don zeven en twintigston der maand, dat Evilmeró-dach , de koning van Babel, in het jaar, als hij koning word, het hoofd van Jójachin, den koning van Juda, uit het gevangonhnis verhief. 28 En hij sprak vriendelijk mot hem, en stelde zijnen stool boven den stoel dor koningen, die bij hem te Babel waren. 29 En hij veranderde do kloederen zijner gevangenis, on hij at geduriglijk brood voor zijn aangezigt, al de dagen zijns levens, 30 En aangaande zijne tering, oene gedurige tering werd hem van den koning gegeven, elk dagelijks bestemde deel op zijnen dag, al de dagen zijns levens. 1 KRONIJKEN 1. |
MKT EERSTE HOEK
DER
K R O N IJ K E N.
|
HOOFDSTUK 1. In dit hoofdstuk worden verhaald de nakomelingen van Adam tot op Noach, vs. .1 ; vervolgens die van Noach, 4; van .lafoth, 5; van Cham, 8; en van Som tot op Abraham, 17; de nakomelingen van Abraham, eerst die van Ismaël, 2^; daarna die van Ketura geboren zijn, 32; do nakomelingen van Izak en zijnen zoon Ezan, 34; alsmede do koningen, die in het land Edoras geregeerd hebben, 43; en de vorsten in Edora, 51. ADAM, quot; Seth , Enos, a Gen. 5:3, 4. 2 Kenau, Mahalal-el, Jered, 3 Henoch, Methusalah, Lameoh, 4 Noach, Som, Chain en Jafeth. 5 De quot;kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, on Javan, en Tubal, en Me-sech , on Tiras. r/Gen. 10:2, enz. |
(gt; En de kinderen van Gomor waren A'skenaz, en Difath, en Thogarma. 7 En de kinderen van Javan waren Elisa en Tharsisa, do Chittioten en Dodanioton. 8 Do kinderen van quot; Cham waren Cusch on Mitsraïm, Put, en Kanaiin. «Gen. 10:6, enz. 9 En de kinderen van Cusch waren Seba, en Ilavila, en Sabta, en Raëma, en Sabteclia; en de kindoren van Raëma waren Scheba en Dodan. 10 Cusch nu gewon Nimrod: die begon geweldig te zijn op aarde. 11 En Mitsraïm gewon de Ludieten, on de Ana-mioten, on de Lehabioten, en de Naftuchioten, 12 En do Pathrusioton, en de Casluchieten, (van quot; welke do Filistijnen zijn voortgekomen) en do Cafthorieten. «Gen. 10:14. |
1 KRONIJKEN 1.
|
13 Kanaan nu gewon Zidon, zijnen eerstgeborene, en Heth, 14 En don Jebusiet, en den Amoriet, en den (ïirgasiot, 15 En den Meviet, en don Arkiet, en den Siniet, 16 En den Arvadiet, en den Zoinariet, en den Mamathiet. 17 De quot;kinderen van Sein waron Elam, en Assur, en Arfaohsad, en Lud, on Aram, en Uz, en Hul, cn Gethor, en Mesecli. «Gen. li): 22, enz. 18 Arfaohsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber. 19 Aan Heber nu zijn twee zonen geboren : do naam dos eenen was Pelog, omdat in zijne dagen hot aardrijk verdeeld is, en tie naam zijns brooders was Joktan. |
31 Jetur, Nafis en Kedma: deze zijn de kinderen van Ismaël. 32 De quot; kindoren nu van Ketüra, Abrahams bijwijf: die baarde Zimran, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Soheba en Dedan. aGoii.25;2. 33 Do kinderen van Midian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, en E'ldaii. Die allen waren zonen van Ketüra. 34 Abraham nu gewon Izak. De quot;zonen van Izak waren Ezau en Israël, a Gen. 25: 21, 24, cn/,, 35 En do «kinderen van Ezau: Elifaz, Ilohuël, en Jehus, en Jaëlam, en Korah. «Gen. :5lt;i: 10. 36 De kindoren van Elifaz waron Theman, en Omar, Zefi, en Gaëtham, Kenaz, en Timna, en A ma lok. |
|
20 En Joktan gewon Almódad, on Solof, en Hazarmavoth, en Jerah; 21 En Hadóram, en Uzal, en Dikla, 22 En Ebal, en Abïmaël, on Seheba, 23 En Ofir, en Havfla, en Jobab. Alle dozen waron zonen van Joktan. 24 a Som, Arfaohsad, Selah, «Gon. 11 : 10, onz. Luk. 3 : 36. 25 Heber, Pelog, Rehu, 26 Serug, Nahor, Terah, 27 Abram: die is Abraham. 28 quot; De kinderen van Abraham waren Izak on Ismaël. «Gen. 16:15. 21:2. 29 Dit zijn hunne geboorten: quot;do eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, on Kodar, en Adbeël, en Mibsam , «Gen. 25:13, enz. 30 Misma en Duma, Massa, Hadad on Thema, |
37 De kinderen van Rohuël waron Nahath, Zerah, Samma on Mizza. 38 Do kinderen van Seïr nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezor, en Disan. 39 De kinderen van Lotan nu waron Hori en Homam; en do zustor van Lotan was Timna. 40 De kinderen van Sobal waren A'ljan, en Manahath, on Ebal, Sefi en Onam; en do kinderen van Zibeon waren Aja on Ana. 41 Do kindoren van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamran, on Esban, en Jithran, en Choran. 42 De kinderen van Ezor waron Bilhan, en Zaavan, on Jaakan. Do kinderen van Disan waren Uz en Aran. 43 Dit nu zijn do koningen, die geregeerd heb- |
|
394 ben in het land van Edom, eer er een koning regeerde over de kinderen Israels; Bela, de zoon van Hoor, en de naam zijner stad was Dinhaba. 44 En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijne plaats, een zoon van Zerali, van Bozra. 45 En Jobab stierf, en Husam, uit liet land der Themanieten, regeerde in zijne plaats. 4G En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijne plaats, die de Midia-nieten in het veld van Moab versloeg, en do naam zijner stad was Avith. 47 En Hadad stierf, en Samla, van Masréka, regeerde in zijne plaats. 48 En Samla stierf, en Saul, van llehobóth aan de rivier, regeerde iu zijne plaats. 4!) En Saul stierf, en Baal-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijne plaats, 50 Als Baal-Hanan stierf, zoo regeerde Hadad in zijne plaats, en de naam zijner stad was Pahi, en de naam zijner huisvrouw was Mehetabeël, de dochter van Matred, dochter van Mee-zahab. 51 Toen Hadad stierf, zoo worden vorsten in Edom do vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth, 52 De vorst Aholi-bania, de vorst Ela, do vorst Pinon, 53 Do vorst Konaz, de vorst Theman, do vorst Mibzar, 54 De vorst Magdiël, do vorst Irani. Deze waren do vorston van Edom. HOOFDSTUK 2. De nakomelingen van Jakob, vs. 1 ; en van Juda uit Thamar, 4; van Isaï, 13; van Kaleb, don zoon van Hezron, 18; van Hezron, uit do dochter van Maehir, 21 ; van .Terühmeöl, 25; van Sesan, 34. Een andere lak van Kalebs nakomelingen, 42. Do nakomelingen van Kalob, den zoon van Uur, 50. DEZE quot;zijn do kindoren van Israël: Ruben, Simeon, Levi on Juda, Issaschar en Zebulon, a Gen. 29 : 32. 30 : 5. 35 : 18, 22. 40 : 8. 2 Dan, Jozef on Benjamin, Nafthali, fiad en Aser. 3 De quot;kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, on Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, do Kanaiinietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in do oogen des Heeren, daarom doodde Hij hom. a Oen. 38:3. 4(i: 12. Num. 20; 19. 4 quot;Maar Thamar, zijne schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al do zonen van Juda waren vijf. a Gen. 38:28, 29. Matt. 1 : 3. 5 De quot;kinderen van Poroz waren Hezron en Hamul. n Gen. 40 ; 12. (gt; En do kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf. 7 En de kinderen van Charnii waren Achar, quot;de beroerder van Israël, die zich aan liet vor-bannene vergreep. «Joz. 7 ; 25. 8 De kinderen van Ethan nu waren Azaria. |
9 En do kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeël, en Ram, en Chelübai. 10 Ram nu quot;gewon Amminadab, en Amminadab gewon Nahesson, den ''vorst dor kinderen van Juda; « Rutli 4:19. Matt. 1:3, 4. b Num. 1:7. 2:3. 11 En Nahesson gewon Sahna, en Salma gewon Boaz, 12 En Boaz gewon Obod, en Obed gewon Isaï, 13 En Isaï gewon EUab, zijnon eerstgeborene, en Abinadab don tweede, en Simoa den derde, 14 Nethaneël don vierde, Raddai don vijfde, 15 Ozem den zesde, David den zevende. 10 En hunne zusters waren Zoriija en Abigail. De kinderen nu van Zoriija waren Abisai, en Joab, en A'sa-El; drie. 17 En Abigail baarde Amasa; en de vader van Amasa was Jether, een Ismaëliet. 18 Kalob nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azüba, zijne vrouw, en uit Jorfoth. En de zonen van deze zijn dezen: Jeser, en Sobab, en Ardon. 19 Als nu Azüba gestorven was, zoo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hom Hur. 20 En quot;Hur gewon Uri, en Uri gewon Beztileël. a Ex. 31:2. 21 Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, den vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was, en zij baarde hem Segub. 22 Segub nu gewon Jaïr; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead. 23 En hij nam Gesur en Aram, mot do vlokken van Jaïr, van dezelve, mot Kenath en hare onder-hoorige plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, den vader van Gilead. 24 En na don dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hozrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, den vader van Thekoa. 25 Do kinderen van Jerahmeël nu, den eerstgeborene van Hezron, waren dezen; do eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, on Oren, on Ozem en Ah ia. 26 Jerahmeël had nog eene andere vrouw, welker naam was Atara; zij was de moeder van Onam. 27 En de kinderen van Ram, den eerstgeborene van Jerahmoël, waren Maaz, en Jamin, en Eker. 28 En do kindoren van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur. 29 Do naam nu der huisvrouw van Abisur was Abihaïl; die baarde hom Achban en Molid. 30 En do kinderen van Nadab waren Seled en Appaïm; en Seled stierf zonder kinderen. 31 En de kinderen van Appaïm waren Jisoï; en do kinderen van Jiseï waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai, 32 En de kinderen van Jada, don broeder van Sammai, waren Jother en Jonathan; en Jether is gestorven zonder kinderen. 33 Do kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeël. 1 KRONIJKEN 1, 2. |
1 KRONIJKEN 2, 3.
|
34 En Sesan had geene zonen, maar dochteren. En Sesan had eenen egyptischen knecht, wiens naam was Jarha. 35 Sesan nu gaf zijne dochter aan zijnen knecht Jarha tot eeno vrouw; en zij baarde hem Attai. 36 Attai nu gewon Nathan, en Nathan gewon Zabad, 57 En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed, 38 En Obed gewon Jehu, en Jelui gewon Azaria, 39 En Azaria gewon Helez, en Helez gewon KIasa, 40 En Elasa gewon Sismai, en Sisniai gewon Sallum, 41 En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisama. 42 De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeël, zijn Mesa, zijn eerstgeborene, (die is de vader van Zif) en de kinderen van Marésa, den vader van Hebron. 43 De kinderen van Hebron uu waren Korah, en Tappüah, en Rekem, en Sema. 44 Sema nu gewon Raham, den vader van Jór-keam, en Rekem gewon Sainmai. 45 Do kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur. 40 En Efa, het bijwijf van Kalei), baarde Haran, en Moza, en Gazez, en Haran gewon Gazez. 47 De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en I'elet, en Efa, en Satif. 48 Uit het bijwijf Maacha gewon Kaleb Sober en Tirhana. 4!) En dc huisvrouw van Saiif, den vader van Madmanna, baarde Seva, den vader van Mach-béna, en den vader van Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa. 50 Dit waren do kindoren vau Kaleb, den zoon van Hur, den eerstgeborene van Efratha: Sobal, do vader van Kirjath-Jearim; 51 Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader. 52 De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-Jearim, waren Haroë en Hazihammonüchoth. 53 En de geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, en do Futhieten, en de Sumathio-ten, en do Misraïeten: van dezen zijn uitgegaan do Zoraïeten en de Esthaolieten. 54 Do kinderen van Salma waren de Bethleho-mieton , en de Netofathieten, Atroth , Both-Joab, en do helft der Manathioten, en de Zorieten. 55 En do huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathioton, de Simoathieten, do Suchathioten: deze zijn de Kenieten, die go-komen zijn van Hammath, den vader van hot huis van Rechah. HOOFDSTUK 3. De zonen van David, vs. 1. Do koningen van Juda, van Salomo tot op Zedelua, 10. De nakomelingen van Jechónia, anders Jójachin genaamd, 17. DEZE nu waren de kinderen van David, die quot;hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene |
Amnon, van Ahinóam, de Jizreëlietischo; do tweede Daniël, van Abigail, de Karmeliotische; a 2 Sam. 3:2, enz. 2 De derde Absalom, de zoon van Maacha, do dochter van Thalmai, den koning te Gesur; de vierde Adónia, de zoon van Haggith; 3 De vijfde Sefatja, van Abftal; de zesde Jithream, van zijne huisvrouw Egla. 4 Zes zijn hem te Hebron geboren: want hij regeerde daar zeven jaren on zes maanden; en drie en dertig jaren regeerde hij to Jeriizalem. 5 quot;Dozen nu zijn hem te Jeriizalem geboren: Simea, en Sobab, on Nathan, en Salomo: deze vier zijn van Bath-Sua, de dochter van Ammiël; n 2 Sa in. 5 : 14 onz. 6 Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifélet, 7 En Nogah, en Nofeg, en Jafia, 8 En Elisama, en Eljada, en Elifélet; negen. i) Deze allen zijn zonen van David, behalve do kinderen der bijwijven, en Thamar hunne zuster. 10 Salomo's zoon nu was quot; Rohabeam; zijn zoon was Abia; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Josafat; al Kon. 11:43. 14:31. 15:8, 24. 11 Zijn zoon was quot;Joram; zijn zoon was Ahazia; zijn zoon was Joas; «2 Kon. 25. 11 : 2. 12 Zijn zoon was quot; Amazia; zijn zoon was Azaria; zijn zoon was Jotham; u 2 Kon. 12:21. 14:21. 15:7. 13 quot;Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkia; zijn zoon was Manasse ; a 2 Kon. 15:38. 16:20. 20:21. 14 quot;Zijn zoon was Anion; zijn zoon was Josfa. a 2 Kon. 21 :18, 26. 15 De quot; zonen van Josia nu waren deze: de eerstgeborene Jóhanan, de tweede Jójakim, de derde Zedekia, do vierde Sallum. «2 Kon. 23:30, 34. 16 De kinderen van Jójakim nu waren: quot;Jechónia zijn zoon, Zedekia zijn zoon. «2 Kon. 24:6, 17. 17 En de quot;kinderen van Jechónia waren Assir; zijn zoon was Sealthiël; n Matt. 1:11, 12. 18 Dezes zonen waren Malchiram, en Pediija, en Semizar, Jekamja, Ilósama en Nediibja. 1!) De kinderen van Pediija nu waren Zerub-babel en Simeï; en de kinderen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja: en Seloinith was hunliedor zuster; 20 En Hasüba, en Ohel, en Berechja , en lla-sadja, .lusabhésed; vijf. 21 De kinderen van Haminja nu waren Pelatja en Jesaja. De kinderen van Refaja, de kinderen van Arnan, do kinderen van Obadja, de kindoren van Sechanja. 22 De kinderen nu van Sechanja waren Somaja; en de kinderen van Somaja waren Hattus, en .ligeal, en Barïah, en Nearja, en Safat; zes. 23 En do kinderen van Nearja waren Eljoënai, en Hizkfa, en Azrikam; drie. 24 En de kinderen van Eljoënai waren Hodajova, en Eijasib, en Pelaja, en Akkub, en Jóhanan, en Dolaja, en Anani; zeven. |
1 KRONIJKEN 4.
|
HOOFDSTUK 4. De zonen en nakomelingen van Juda; van Kalob, don zoon van Hur, vs. 1 ; van Assur, 5; van Jabez, met vermelding van zijn gebod, quot;J; van Selah, 21. Do nakomelingen, steden en dorpen van Simeon, 21; benevens eene vermelding van de vermaardheid, waartoe sommigen uit dezen stam zijn gekomen, 42. DE quot;kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal. «Gen. 38:29. 46:12. 1 Kron. 2:4. 2 En Reaja, de zoon van Subal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahümai en Lahad: dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten; En dezen zijn van den vader Etam: Jizreëi, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelpóni. 4 En Pnuöl was do vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Uur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem. 5 Aschur nu, de vader van Thekóa, had twee vrouwen, Hela en Naara. (! En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Témeni, en Haiiliastari. Dit zijn de kinderen van Naara. 7 Eu de kinderen van Hela waren Zereth, Je-zóhar en Ethnan. H En Koz gewon Anub en Hazobéba, en de huisgezinnen van Aharhel, den zoon van Harum. !t Jabez nu was heerlijker dan zijne broeders; en zijne moeder liad zijnen naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard. 10 Want Jabez riep den God Israels aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijne landpale vermeerderen zult, en uwe hand met mij zijn zal, en met liet kwade alzoo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen wat hij begeerde. 11 En Chelub, de broeder van Suha, gewon Mechir; liij is do vader van Eston. 12 Eston nu gewon Beth-rafa, en Paséa, en Teliïnna, den vader van I'r-nahas: dit zijn de mannen van Recha. l:i En de quot;kindereu van Kenaz waren Othniël en Senija; en de kinderen van Othniël, Hathath. a Joz. IT): 17. 14 En Meónothai gewon Ofra; en Seraja gewon Joab, den vader des dals der werkmeesters, want zij waren werkmeesters. 15 De kinderen van Kaleb nu, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naam; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz. 1(! En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Tlnrea en Asareël. 17 En de kinderen van Ezra waren Jetiier, en Mered, en Efer, en Jalon; en zij baarde Mirjam, en Sammai, en Isbah, den vader van Esthemóa. 18 En zijne joodsche huisvrouw baarde Jered, den vader van Gedor, en Heber, den vader van Socho, en Jeküthiël, den vader van Zanóah; en die zijn kinderen van Bitja, de dochter van Farao, die Mered genomen had. |
19 En de kinderen van do huisvrouw Hodija, do zuster van Naham, waren Abi-Kehüa, de Garmiet, en Esthemóa, de Maachathiet. 20 Do kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Isoï waren Zoheth on Ben-Zoheth. 21 quot;De kinderen van Sela, den zoon van Juda, waren Er, do vader van Lecha, en Lada, de vader van Marésa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis van Asbéa. a Gen. 38 : 5. 22 Daartoe Jokim, en de mannen van Chozéba, en Joas, en Saraf, (die over de Moabieten ge-heerscht hebben) en do Jasübiléhem: doch deze dingen zijn oud. 23 Deze waren pottenbakkers, wonende bij plan-taadjen en tuinen; zij zijn daar gebleven bij den koning in zijn werk. 24 Do kinderen van Simeon waren Nemüöl en Jamin, Jarib, Zerah, Saul. 25 Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon. 26 De kinderen van Misma waren deze: Ilam-müël zijn zoon, Zaccur zijn zoon. Simei' zijn zoon. 27 Simeiquot; nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijne broeders hadden niet vele kinderen: en hun gansche huisgezin werd zoo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda. 28 En zij woonden te Ber-séba, en te Mólada, en te Hazar-Sual, 29 En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad, 30 En te Bethüël, en te Horma, en te Ziklag, 31 En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-bfri, en te Saiiraïin. Dit waren hunne steden, totdat David koning werd. 32 En hunne dorpen waren Etam en Ain, Rim-mon en Tochen, en Asan; vijf steden. 33 En al hare dorpen, die in den omloop dezer steden waren, tot Baiil toe. Dit zijn hunne woningen en hunne geslachtsrekening voor hen. 34 Doch Mesobab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amazia, 35 En Joël, en Jelui, de zoon van Jesibja, den zoon van Seraja, den zoon van Asiël, 36 En Eljëonai, en Jaakóba, en Jesóhaja, en Asaja, en Adiël, en Jesiméël, en Benaja, 37 En Ziza, de zoon van Sifeï, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja ; 38 Dezen kwamen tot namen, zijnde vorsten in hunne huisgezinnen, en de huisgezinnen hunner vaderen braken uit in menigte. 39 En zij gingen tot aan den ingang van Gedor tot het oosten des dals, om weide te zoeken voor hunne schapen. 40 En zij vonden vette en goede weide, en een land, wijd van begrip, en stil, en gerust; want die van Cham woonden daar te voren. |
1 KRONIJKEN 4, 5.
|
41 Deze nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkia, den koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen der-genen , die daar gevonden worden, en zij verbanden hen, tot op dezen dag; en zij woonden aan hunne plaats, want daar was weide voor hunne schapen. 42 Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Simeon, vijf honderd mannen, tot het gebergte van Seïr; en Pelatja, en Nearja, en Refiija, en Uzziël, do zonen van Iseï, waren hun tot hoofden. 43 En zij sloegen de overigen der ontkomenen onder de Amalekieten, en zij woonden aldaar tot op dezen dag. HOOFDSTUK 5. De zonen en nakomelingen van Ruben, tot de baby-Ionische gevangenis, vs. 1. Hunne oorlogen tegen de Hagarenen, 10. üo woning en de voornaamste mannen van den stam van Gad, 11. Het getal der Rubenieten, Oadieten en don halven stam van Manasse, die ten strijde trokken, IS. Hunne oorlogen togen de Hagarenen, 19. Hunne overwinningen over hen, 20. Woonplaats van don halven stam van Manasse, 23. Zijne beroemdste mannen, 24. Deze drie stammen worden gevangen naar Assyrië gevoerd van wege hunne zonden, 25. DE kinderen van Ruben nu, den eerstgeborene van Israël: (want hij was de eerstgeborene; maar dewijl hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijne eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israël; docli niet alzoo dat hij zich in het geslachtregister naar de eerstgeboorte rekenen mogt: 2 Want Juda werd magtig onder zijne broederen, on die tot een' voorganger was, was uit hem; doch de eerstgeboorte was van Jozef:) 3 De kinderen van Ruben, den eerstgeborene van Israël, zijn quot; Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi. «Gen. 40:9. Ex. 0: 18. Num. 20:5. 4 Do kinderen van Joël: zijn zoon Semaja; zijn zoon Gog; zijn zoon Simei'; 5 Zijn zoon Micha; zijn zoon Reaja; zijn zoon Baiil; 0 Zijn zoon Bóëra, welken Tiglath-Pilnéser, de koning van Assyrië, gevankelijk wegvoerde: hij was de vorst der Rubenieten. 7 Aangaande zijne broederen in hunne huisgezinnen, als zij naar hunne geboorten in de geslachtregisters gesteld werden: do hoofden zijn geweest Johiël en Zecharja , 8 En Hela, do zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joël, die woonde te Aroër, en tot aan Nobo, en Baal-Meon. 9 En hij woonde tegen het oosten, tot den ingang der woestijn, van do rivier Frath af; want hun vee was veel geworden in liet land van Gilead. 10 En in de dagen van Saul voerden zij krijg tegen de Hagarenen, die vielon door hunne hand; en zij woonden in hunne tenten tegen de geheele oostzijde van Gilead. |
11 De kinderen van Gad nu woonden tegen hen over, in quot;liet land van Hasan, tot Salcha toe. a Jo-/,. 13:24. 12 Joël was het hoofd; en Safam de tweede; maar Jaënai en Safat bleven in Hasan. 13 Hunne broeders nu, naar hunne vaderlijke huizen, waren Michael, en Mesullam , en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en lleber; zeven. 14 Deze zijn de kinderen van Abihaïl, den zoon van Huri, den zoon van Jaróah, den zoon van Gilead, don zoon van Michaël, don zoon van Jesisai, den zoon van Jahdo, den zoon van Huz. 15 Aid, do zoon van Abdiël, den zoon van Guni, was hot hoofd van het huis hunner vaderen. 1G En zij woonden in Gilead, iu Hasan, en in hare onderhoorige plaatsen, en in al de voorsteden van Saron, tot aan hunne uitgangen. 17 Alle dozen zijn naar hunne geslachtregisters geteld, in de dagen van Jotham, den koning van Juda, on in do dagen van Jeróbeam, don koning van Israël. 18 Van de kindoren van Ruben, on van de Ga-dioten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zeven honderd en zestig, uitgaande in hot hoir. 19 En zij voerden krijg tegen de Hagarenen, en tegen Jethur, en Nafis, en Nodab. 20 Doch zij werden geholpen tegen hen, en de Hagarenen werden in hunne hand gegeven, en allen, die met hen waren: omdat zij tot God riepen in den krijg, zoo Hot Hij zich van hen verbidden, dewijl zij op Hem vertrouwden. 21 En zij voordon hun vee gevankelijk weg, van hunne kemolon vijftig duizend, en twee honderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezelen, on honderd duizend zielen dor menschen. 22 Want er vielen vele verwonden, dewijl de strijd van God was; en zij woonden in hunne plaats, totdat zij gevankelijk weggevoerd werden. 23 Do kinderen nu van don halven stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden vermenigvuldigd van Hasan tot aan Haal-Hermon, en Senir, en den berg Hormon. 24 Deze nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizon: to weten, Hefer, en Jisoï, en Eliël, en Azriël, en Jeromia, en Hodavja, en Jahdiël; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen. 25 Maar zij hebben togen den God hunner vaderen overtreden , en de goden der volken des lands nagehoereerd, welke God voor hunne aangezigten had verdelgd. 26 Zoo verwekte de God Israels den geest van Pul, den koning van Assyrië, en den geest van Tiglath-Pilnéser, den koning van Assyrië, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse; en hij bragt hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op dezen dag. |
1 KRONIJKEN (I.
|
HOOFDSTUK (i. De zonen van Levi, vs. 1. De nakomolingen der hoogepriesters, van Aiiron tot de wegvoering' naar Bubel, vs. 1. De nakomelingen van Gerson, Meniri en Kahatii, lü. De zangers naar de ordening van David, 31. Do bedieningen van Aiiron en van /.ijne nakomelingen tot op Ahimailz, 49. De woningen der nakomelingen van Aiiron, 54. Do steden der Kahathieten, 06, der Oersonieten, 71, en der Mera-rieten, 77. DE quot;kindoren van Levi waren Gerson, Kahatii en Merari. n Gen. 40 : II. Ex. â¢gt; : lö. Num. 20 ; 57. 1 Ivron. 2;i : 0. '2 De kinderen van Kahatii nu waren Amrain, Jizhar, en Hebron, en Uzzïël. :! En de kinderen van Amrain waren Aiiron, en Mozes en Mirjam; en do kinderen van Aaron waren Nadab en Abihu, Eleazar en 1'tiiainar. 4 En Eleazar gewon Pinohas, Pinehas gewon Abisüa; 5 En Abisüa gewon Bukki, on Bukki gewon Uzzi; (1 En Uzzi gewon Zerahja, en Zorahja gewon Morajóth; 7 En Morajóth gewon Ainarja, en Amarja gewon Ahïtub; 8 En Aintub gewon quot; Zadok, en Zadok gewon Ahimaaz; a'l Sam. 8:17. 15:27. f) En Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Jóhanan; 10 En Jóhanan gewon Azarja. Hij is het, die liet priesterambt bediende in liet huis, dat Salomo te Jeruzalem gebouwd had. 11 En Azarja gewon Amarja, en Amarja gewon Aintub ; 12 En Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Sallum ; 13 En Sallum gewon Ililkia, en Hilkia gewon Azarja; 14 En Azarja gewon Soraja, en Seraja gewon Józadak; 15 En Józadak ging mede, als de Heere Juda en Jeruzalem gevankelijk wegvoerde door de hand van Nebukadnézar. 10 Zoo zijn (fat/ de kinderen van Levi: quot;Gersom, Kahatii en Merari. a Ex. 0: 10, 17. 17 En dit zijn do namen dor zonen van Gersom: Libni en Simei'. 18 En do kinderen van Kahatii waren Amram, en Jizhar, en Hebron, on Uzziël. li) Do kinderen van Merari waren Maheli on Musi. En dit zijn de huisgezinnon dor Levieten, naar hunne vaderen. 20 Van Gersom: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma; 21 Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zorali; zijn zoon Jeathrai. 22 Do kinderen van Kahatii waren: zijn zoon Am-minadab; zijn zoon Korah; quot;zijn zoon Assir; a Ex, 0 : 23. 23 Zijn zoon E'lkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir; |
24 Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriël; zijn zoon Uzzia; en zijn zoon Saul. 25 Do kinderen van E'lkana nu waren Amasai en Ahimóth. 20 E'lkana: dezes zoon was E'lkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath; 27 Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeróham; zijn zoon E'lkana. 28 De zonen van Samuël nu waren deze; zijn eorstgoborono was Vasni, daarna Abia. 29 De kindoren van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simei'; zijn zoon Uzza; 30 Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja; 31 Deze nu zijn het, die David gesteld hooft tot bot ambt dos gezangs in hot huis dos Heeren, nadat do ark tot rust gekomen was. 32 En zij dienden voor don tabernakel van de tont der zamonkomst met gezangen, totdat Salomo het huis des Herren te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hunne wijze in hun ambt. 33 Deze nu zijn ze, die daar stonden mot hunne zonen: van de zonen dor Kahathieten, Heman do zanger, de zoon van Joël, don zoon van Samuël, 34 Don zoon van E'lkana, don zoon van Jeróham, den zoon van Eliël, den zoon van Toah, 35 Don zoon van Zul', don zoon van E'lkana, den zoon van Mahath, don zoon van Amasai, 36 Don zoon van E'lkana, don zoon van Joël, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja, 37 Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, don zoon van Korah, 38 Don zoon van Jizhar, don zoon van Kahatii, den zoon van Levi, den zoon van Israël. 39 En zijn broeder Asaf stond aan zijne regter-zijde: Asaf was do zoon van Berechja, den zoon van Simea, 40 Den zoon van Michaël, don zoon van Baësoja, don zoon van Malehija, 41 Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja, 42 Den zoon van Ethan, don zoon van Zimma, don zoon van Simei', 43 Den zoon van Jahath, don zoon van Gersom, den zoon van Levi. 44 Hunne broeders nu, de kinderen van Merari, stonden aan do iinkerzycfe, namelijk Ethan, do zoon van Kisi, don zoon van Abdi, den zoon van Mallueh, 45 Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, don zoon van Hilkia, 40 Don zoon van Amzi, don zoon van Bani, den zoon van Somer, 47 Den zoon van Maheli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, don zoon van Levi. 48 Hunne broeders nu, do Levieten, waren gegeven tot allerlei dienst des tabernakels van het huis Gods. 49 quot;Aiiron nu en zijne zonen rookten op het |
1 KRONIJKEN 6, 7.
|
altaar des brandoffers, en op hot reukaltaar, 1 zijnde besteld tot al het werk van het heilige der lieiligen, en om over Israël verzoening' te doen, naar alles wat Mozes, de knecht Gods, geboden had. «Ex. 30:7, 8, 10. Num. 4:10. 7:10. 18: I. 50 Dit nu zijn de kinderen van Aaron: Eleazar was zijn zoon; Pfnehas zijn zoon; Abisua zijn zoon; 51 Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon; 52 Merajóth zijn zoon; Amarja zijn zoon; Alntub zijn zoon; 53 Zadok zijn zoon ; Ahimaaz zijn zoon. 5-1 En dit waren hunne woningen, naar hunne kasteelen, in hunne landpalen: namelijk van de zonen van Aaron, van het huisgezin der Kaha-thieten, want dat lot was voor hen. 55 En zij gaven hun Hebron, in het land van Juda, en hare voorsteden rondom dezelve. 56 Maar hot veld der stad, en hare dorpen, quot; gaven zij Kaleb, den zoon van Jefunne. aJoz. 21: 12. 57 En den kinderen van Aaron gaven zij steden van Juda, de vrijstad Hebron, en Libna en hare voorstoden, en Jattir en Esthemóa , en hare voorsteden , 58 En Hilen en hare voorsteden, en Debir en hare voorsteden, 59 En Asan en hare voorsteden, en Beth-Sémes en hare voorsteden, (it) Van don stam van Benjamin nu, Goba en hare voorsteden, en Allémeth en hare voorsteden, en Anathoth en hare voorstoden. Al hunne steden, in hunne huisgezinnon, waren dertien steden. (il Maar de kinderen van Kahath, die overgebleven waren, hadden van het huisgezin van den stam, uit don halven stam van half Manasso, bij het lot, tien steden. {gt;2 En de kinderen van Gersom, naar hunne huisgezinnon, hadden van den stam van Issaschar, en van den stam van Asor, en van den stam van Nafthali, en van den stam van Manasse in Basan, dertien steden. (gt;3 De kinderen van Merari, naar hunne huisgezinnon, hadden van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, on van den stam van Zebulon, bij het lot, twaalf steden. (gt;4 Alzoo gaven de kinderen Israels aan de Levieten deze steden en hare voorstedon. 05 En zij gaven ze bij hot lot, van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, en van den stam dor kinderen van Benjamin, deze steden, dewelke zij bij namen noemden. 66 Aan de overigen nu, uit de huisgezinnen der kinderen van Kahath, dien geworden steden hunner landpale, van den stam van Efraïm. 07 Want zij gaven hun van de vrijsteden, Sichom en hare voorsteden op het gebergte van Efraïm, en Gezer on hare voorsteden. |
68 En Jokmeam en hare voorsteden, en lioth-hóron en hare voorstedon, 69 En Ajalon en hare voorsteden, en Gath-Rini-mon en hare voorsteden. 70 En uit den halven stam van Manasse: Aner en hare voorsteden, on Bileam en hare voorsteden. De huisgezinnen der overige kinderen van Kahath, hadden deze steden: 71 De kinderen van Gersom hadden van do huisgezinnen van den halven stam van Manasse: Golan in Basan en hare voorsteden, en Astharoth en hare voorsteden. 72 En van den stam van Issaschar: Kedes en hare voorstedon, Dobrath en hare voorsteden, 73 En Ramoth en hare voorsteden, en Anom on hare voorsteden; 74 En van den stam van Aser: Masal en hare voorsteden, en Abdon on hare voorsteden, 75 En Hukok en hare voorsteden, en Rehob on hare voorsteden; 70 En van den stam van Nafthali: Kedes in Galiléa, en hare voorsteden, en Haminon en hare voorsteden, en Kirjathaïm en hare voorstedon. 77 De overige kinderen van Merari hadden van den stam van Zebulon: Rimmóno en hare voorsteden , Thabor en hare voorsteden; 78 En aan gene zijde der Jordaan togen Jericho, tegen hot oosten aan do Jordaan, van den stam van Ruben: Bozer in do woestijn en hare voorsteden, en Jahza en hare voorsteden, 79 En Kodémoth en hare voorsteden, en Mofaiith en hare voorsteden; 80 En van den stam van Gad: Ramoth in Gilead, en hare voorsteden, on Mahanaïm en hare voorsteden , 81 En Hesbon en hare voorsteden, en Jaëzer en hare voorsteden. HOOFDSTUK 7. Geslachtregister van Issaschar, vs. 1; van Benjamin, (5; van Nafthali, 13; van Manasso, 14; van Efraïm, 20; en van Aser, 30. DE kinderen van quot;Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier. «Gen. 40:13. Num. 26:23. 2 De kinderen van Thola nu waren Uzzi, en Refaja, en Joriël, en Jachmai, en Jibsam, en Semüöl; hoofden van do huizen hunner vaderen, van Thola, kloeke helden in hunne geslachten: hun getal was in de dagen van David twee en twintig duizend en zes honderd. 3 En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; en de kinderen van Jizrahja waren Michaël, en Obadja, en Joël, en Jisia; deze vijf waren al te zamen hoofden. 4 En met hen naar hunne geslachten, naar hunne vaderlijke huizen, waren do hoopen dos krijgs-hoirs zes en dertig duizend: want zij hadden vole vrouwen en kinderen. 5 En hunne broeders, in allo huisgezinnen van Issaschar, kloeke helden, waren zovon en tachtig |
1 KRONIJKEN 7, 8.
400
|
duizend, al dezelve in geslachtregisters gesteld zijnde. G quot; De kinderen van Benjamin waren Hola, en Bechor, en .Tediaël; drie. aGon. 4ö:21. Nmii. 20 : ;i8. 1 Kron. 8:1. 7 En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzziël, en Jerimótli, en Iri; vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die, in geslachtregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig. 8 Do kinderen van Becher nu waren Zeinira, en Joas, en Eliëzer, en Eljoënai, en Oniri, en Je-rémoth, en Abija, Anathoth , en Alómeth; deze allen waren kinderen van Becher. 9 Deze nu in geslachtregisters gesteld zijnde, naar hunne geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en twee honderd. 10 De kinderen van Jediaël nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeüs en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar. 11 Alle dezen waren kinderen van Jediaël, tot hoofden der vaderen, kloeke helden, zeventien duizend en twee honderd, uitgaande in het heir ten strijde. 12 Daartoe Suppim en Huppiin waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher. ll? De kinderen van Nafthali waren Jahziël en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha. 14 De kinderen van Manasse waren Asriöl, welken de vrouw van baarde; doch zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, den vader van Gilead. 15 Machir nu nam tot eene vrouw de zuster van Huppim en Suppim, en haar naam was Maacha; en de naam des tweeden was Zelafead. Zelafead nu had dochters. 10 En Maacha, de huisvrouw van Machir, baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen naam Peres, en do naam zijns broeders was Sores, en zijne zonen waren Ulam en Rokom. 17 Do kinderen van Ulam nu waren Bodan: deze zijn do kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse. 18 Belangende nu zijne zustor Moléchoth, zij baarde Ishud, en Abiëzer, en Mahola. 1!) Do kinderen van Sonïïda nu waren Ahjan, en Sechom, en Likhi, en Am'am. 20 En do quot; kinderen van Efraïm waren Suthélah ; en zijn zoon was Berod; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath; a Num. 26 : Sf). 21 En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthélah, en Ezer, on Elad. En de mannen van Gath, die in hot land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee to nemen. 22 Daarom droeg Efraïm, hun vader, vele dagen leed; on zijne broeders kwamen om hem te troosten. |
23 Daarna ging hij in tot zijne huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde oenen zoon; en hij noemde zijnen naam Berïa, omdat zij in ellende was in zijn huis. 24 Zijne dochter nu was Séëra, die bouwde het lage en het hooge Beth-hóron, en Uzzen-Séëra. 25 En Refah was zijn zoon, en Besef; en zijn zoon was Tolah; en zijn zoon Tahan; 26 Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Amniïhud; zijn zoon Elisama; 27 Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua. 28 En quot;hunne bezitting en hunne woning was Both-El, en hare ondorhoorige plaatsen; ontogen het oosten Naaran, en togen het westen Gozer en hare ondorhoorige plaatsen; en Sichem en hare ondorhoorige plaatsen, tot Gaza toe, en hare ondorhoorige plaatsen. a Jo/,. 16:1. 29 En aan do zijden der kinderen van Manasse was Beth-Sean om hare ondorhoorige plaatsen, Thaanach on hare ondorhoorige plaatsen, Megiddo en hare ondorhoorige plaatsen. Dor en hare onder-hoorige plaatsen. In deze hebben do kindoren van Jozef, den zoon van Israël, gewoond. 30 quot; Do kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en .lisvi, en Bona, on Sera, hunliodor zuster. o Gen. 46:17. Num. 26:44. 31 De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiël: hij is do vader van Birzavith. 32 En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hothani, en Sim, hunliodor zuster. 33 Do kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath: dit waren de kinderen van Jaflet. 34 En de zonen van Senior waren Ahi en Róhega, Johubba en Aram. 35 En do kinderen van zijnen broeder Holein waren Zofah, en Jimna, on Solos, en Amal. 36 De kinderen van Zofah waren Suah , en Har-néfor, en Sual, en Beri, on Jimra, 37 Bozer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Hoöra. 38 Do kinderen van Jethor nu waren Jofunno, en Pispa, en Ara. 39 En do kinderen van Ulla waren Arab, en Hanmël, en Rizja. 40 Deze allen waren kindoren van Asor, hoofden dor vaderlijke huizen, uitgelozene kloeke holden, hoofden dor vorston; en zij worden in geslachtregisters geteld ton heire in don krijg, hun getal was zes en twintig duizend mannon. HOOFDSTUK 8. Geslachtregister van den stam van Benjamin, vs. 1 ; en in liet bijzonder der vooronders van Saul, die uit dezen stam was, en zijne nakomelingen, 33. BENJAMIN nu gewon Bela, zijnon eerstgeborene, Asbel den tweede, en Ahrah den dorde, 2 Noha den vierde, on Rafa den vijfde. 3 Bela nu had deze kinderen: Addar, en Gera, en Abihud, 4 En Abisüa, on Naaman, en Ahóah, |
|
I KRONI, 5 En Gera, en Setufan, isn Huram. 6 Deze nu zijn de kinderen van Ehud; deze waren hoofden der vaderen van de inwoners te Geba, en hij voerde hen over naar Manahath; 7 En Naaman, en Ahia, en Gera, deze voorde hij weg; en hij gewon Uzza en Aliihud. 8 En Saharaïm gewon kinderen in het land van Moab (nadat hij dezelve weggezonden had) uit Husim en Hiiara, zijne vrouwen; 9 En uit Hodes, zijne huisvrouw, gewon hij Jobab, en Zibja, en Mesa, en Malcham, 10 En Jeüz, eu Sochja, en Minna; deze zijn zijne zonen, hoofden der vaderen. 11 En uit Husiin gewon hij Abftub en Elpaiil. 12 De kinderen van Elpaiil nu waren Eber, on Misam, en Semed: deze heeft Ono gebouwd, on Lod on hare ondorhoorige plaatsen; 13 En Beina, en Soma; deze waren hoofden dor vaderen van do inwoners te Ajalon; deze hebben de inwoners van Gath verdreven. 14 En Ahjo, Sasak on Jeréinoth, lö En Zobadja, en Arad, on Eder, 1(1 En Mïchaël, en Jispa, en Joha waren kindoren van Berïa. 17 En Zobadja, en Mosullam, en Ilizki, en Hebor, 18 En Jismorai, en Jizlia, en .l()l)aligt; de kindoren van Elpaiil. 19 En Jakiin, en Zichri, en Zabdi, 20 En Eljoënai, (üi Zillothai, en Elfël, 21 En Adaja, en Beraja, en Simrath, waren kinderen van Sinioï. 22 En Jispan, en Ebor, en Elföl, 2.'? En Abdon, on Zichri, on ITanan, 24 En Hananja, on Elam, on Antothija, 25 En Jïfdeja, on Pnüöl waren zonen van Sasak. 20 En Samsorai, en Soharja, on Atlialja, 27 En Jaiiresja, on Elia, en Zichri waren zonen van Jeróham. 28 Deze waren de hoofden der vaderen, hoofden naar hunne geslachten; deze woonden teJerüzaieni. 29 En te Gi'beon woonde de vader van Giboon ; on de naam zijner huisvrouw was Maiicha. ÃO En zijn eerstgeboren zoon was Ai)don, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Nadab, 81 En Gedor, en Ahio, en Zochor. 32 En Mikloth gewon Siinoa; en deze woonden ook tegenover iiunne broederen te Jeruzalem, met hunne broederen. 33 Nor nu gewon Kis, en Kis gewon Saul, on Saul gewon Jonathan, on Malchi-sua, en Abina-dab, en Esbiial. 34 En Jonathans zoon was Merih-baiil, en quot;Morib-baal gewon Micha. a 2 Sam. 0:12. 35 De kinderen van Micha nu waren Pithon, on Molech, en Thaiiroa, en Achaz. 36 En Achaz gewon Jehóadda, en Jehóadda gewon Alémeth, on Azniavoth, on Zimri; Zimri nu gewon Moza; 37 En Moza gewon Bina; zijn zoon was Rafa; zijn zoon was Elasa; zijn zoon was Azol. |
vEN 8, 9. ,0, 38 Azol nu had zes zonen, en dit zijn hunne namen: Azrikam, Bochru, en Ismaël, en Sear ja, en Obadja, en Hanan. Alle dozen waren zonen van Azol. 39 En do zonen van Esek, zijnen broeder, waren Ulam, zijn oerstgoborone, Jeüs, de tweede, en Elifólet, de derde. 40 pjii de zonen van Ulam waren mannon, kloeke holdon, den boog spannende, en zij hadden vele zonen, eu zoons zonen, honderd en v ijftig. Alle dezen waren van de kindoren van Benjamin. HOOFDSTUK 9. Vermelding van de voornaamston uit den stam van Juda, Benjamin, Efi'aïm on Manasse, die, na de Mbylonische wegvoering wedergekeerd zijnde, zich te .lemzalem gevestigd hebben, vs. 1 ; alsmede der priesters on Levieten, en hiinne bedieningen in den tempel te Jerfizalem, 10. Herhaling van Sauls geslacht, 35. EN gansch Israël word in geslachtregisters geteld, en ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israël. En die van Juda waren weggevoerd naar Babol, om hunner overtredingen wil. 2 Do oorsto inwoners nu, dio in hunne bezitting, iu hunne steden kwamen, waren de Israëlieten, de priesters, do Levieten, en de Notlhnim. 3 Maar te Jeruzalem woonden van do kinderen van Juda, en van do kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse. 4 Uthal, de zoon van Ammihud, den zoon van Omri, den zoon van Imri, don zoon van Bani, van de kinderen van Perez, den zoon van Juda. 5 En van de Silonieton was Asaja, de oerstgoborone, en zijne kindoren. (i En van do kinderen van Zerah was Jeüël, en van hunne brooderen waren zes honderd eu negentig. 7 En van de kinderen van Benjamin waren Sallu, de zoon van Mosullam, den zoon van Ilodavja, don zoon van Hassenüa; 8 En Jibnóa, do zoon van Jeróham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; on Mosullam , do zoon van Sefatja, den zoon van Reüël, don zoon van Jibnija; 9 En hunne broederen naar hunne geslachten, negen honderd zes en vijftig: al deze mannon waren hoofden dor vaderen in de huizen hunner vaderen. 10 Van do priesteren nu, Jodaja, en Jojarib, en Jachin, 11 En Azarja, de zoon van llilkija, den zoon van Mosullam, don zoon van Zadok, don zoon van Morajóth, don zoon van Ahitub , overste van hot huis Gods; 12 En Adaja, do zoon van Jeróham, don zoon van Pashur, den zoon van Malchija; en Masai, de zoon van Adiël, den zoon van Jahzéra, den zoon van Mosullam, den zoon van Mosillémith, den zoon van Immer. |
1 KRONIJKEN 9, 10.
402
|
II! Daai'too hunne broodors, hoofden in de huizon hunner vaderen, duizend zeven honderd en zestiy, kloeke helden aan het werk der dienst van het huis Gods. 14 Van de Levieten nu, waren Semaja, do zoon van Hasub, den zoon van Azn'kam, den zoon van Hasabja, van do kinderen van Merari; 15 En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Mieha, den zoon van Zichri, den zoon van Asaf; IC En Obadja, de zoon van Semaja, den zoon van Galal, den zoon van Jedüthun; en Bereciija, de zoon van Asa, den zoon van E'lkana, woonachtig in de dorpen der Netofathieten. 17 Do poortiers nu waren: Sallum, en Akkub, en Tabnon, en Ahiman, en hunne broeders: Sallum was het hoofd. 18 Ook tot nog toe, aan de poort dos konings oostwaarts, waren deze de poortiers onder do legers der kinderen van Levi. lil En Sallum, de zoon van Kore, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah, en zijne broeders van het huis zijns vaders, de Korahieten, waren over het werk der dienst, wachters der dorpelen des tabernakels; gelijk hunne vaders in het leger dos Heeren geweest waren bewaarders van den ingang; 20 Als Puiehas, do zoon van Eleazar, te voren voorganger bij hen was, met wolken do Heeke was. 21 Zacharja, do zoon van Moselemja, was poortier aan de deur van de tent der zamenkomst. 22 Allen, die uitgelezen waren tot poortiors aan de dorpelen, waren twee honderd en twaalf. Deze waren in hot geslachtregister gesteld naar hunne dorpen. David en Samuël, de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd. 28 Zij dan en hunne zonen waren aan do poorten van het huis dos Heeren, in het huis der tent, aan do wachten. 24 Die poortiors waren aan de vier winden, togen het oosten, tegen het westen, tegen het noorden, on tegen het zuiden. 25 En hunne broeders waren op hunne dorpen, inkomende ten zevendon dage van tijd tot tijd, om mot hen te dienen: 26 Want in dat ambt waren vier overste poortiors, die Levieten waren; en zij waren over de kanioren on over do schatten van het huis Gods. 27 En zij bleven over nacht rondom hot huis Gods: want op hen was do wacht, on zij waren over de opening, en dat allen morgen. 28 En eenkjen van hen waren over de vaten der dienst, want bij getal droegen zij ze in, en bij getal droegen zij ze uit. 29 Want uit dezelve zijn er besteld over de vaten, en over al do heilige vaten, en over do meelbloem, en wijn, en olie, en wierook, en specerij. 30 En uit de zonen der priesteren waren de be-roidors van hot reukwerk dor specerijen. |
ül En Mattithja uit de Levieten, dewelke was de eerstgeborene van Sallum, den Korahiet, was in het ambt over hot werk, dat in pannen ge-kookt wordt. 3'2 En uit de kindoren der Kahathieten, uit hunne broederen, waren eenigen ovor de broodon der toerigting, om die allo sabbaton te bereiden. :!:! rif dezen zijn ook do zangers, hoofden der vaderen onder do Levieten in de kameren, dienst-vrij: want dag en nacht was het op hen, in dat werk te zijn. 84 Dit zijn de hoofden dor vaderen onder de Levieten, hoofden in hunne geslachten; deze woonden te Jeruzalem. 35 Maar te Gïbeon hadden gewoond Joïël, do vader van Gibeon: do naam zijner zuster nu was Maiicha. 86 En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur, en Kis, en Haiil, en Nor, en Nadab, 87 En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth. 88 Mikloth nu gewon Süneam; deze woonden ook te Jeruzalem, tegenover hunne broederen, met hunne broederen. 89 En Nor gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, on Malchi-sua, en Abina-dab, en Esbaal. 40 En Jonathans zoon was Morib-baal, en Merib-baiil gewon Micha. 41 De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Moloch, en ïhaëréa. 42 En Achaz gewon Jaëra, on Jaëra gewon Aló-moth, en Azmaveth, en Zimri; en Zimri gewon Moza; 43 En Moza gewon Bina; wiens zoon was Refaja; wiens zoon was Elasa; wiens zoon was Azel. 44 Azel nu had zes zonen, en dit zijn hunne namen: Azrfkam, Bochru, en Ismaël, en Searja, en Obadja, en Hanan: deze zijn Azols zonen. HOOFDSTUK 10. Do Filistijnen slaan het leger der Israëlieten, vs. 1. Dood van Sauls drie zonen, 2. Saul begeert van zijn' wapendrager liom te doorsteken; toen deze weigert, doorsteekt hij zicli zeiven, 4; zijn wapendrager doet evenzoo, 5. Sauls gansche huis omgebragt, fi. Do Israëlieten verlaten hunne steden uit vrees voor de Filistijnen, die dezelve innemen, 7. De Filistijnen vinden de lijken van Saul en zijner zonen op het gebergte Gilboa, 8; houwen Sauls hoofd af, dat zij met zijne wapenen hun land rondzenden, 9; en stellen dat ten toon in den tempel van Dagon, 10. De inwoners van Jabes nemen de ligchamen van Saul on zijne zonen, begraven hunne beenderen on bedrijven rouw, 11. Waarom God Saul en zijn huis alzoo heeft laten omkomen, 13. EN de Filistijnen streden tegen Israël, en de mannen van Israël vloden voor het aangezigt der Filistijnen, en zij vielen verslagen op het gebergte Gilboa. 2 En de Filistijnen hielden digt achteraan Saul en achter zijne zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchi-sua, de zonen van Saul. |
|
3 En do strijd word zwaar tegen Saul, en de schutters niet de bogen troffen hem aan; en hij vreesde zeer voor de schutters. 4 Toen zeide Saul tot zijnen wapendrager: Trek uw zwaard uit en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin. 5 Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zoo viel hij ook in het zwaard en stierf. (i Alzoo stierf Saul en zijne drie zonen, ook zijn gansche huis is te gelijk gestorven. 7 Als de mannen van Israël, die in het dal waren, zagen, dat zij gevloden waren, en dat Saul en zijne zonen dood waren, zoo verlieten zij hunne steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin. 8 Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen om de verslagenen te plunderen, zoo vonden zij Saul en zijne zonen, liggende op het gebergte Gilboa. !) En zij plunderden hem, en zij namen zijn hoofd en zijne wapenen, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om dit te boodschappen aan hunne afgoden, en aan het volk. 1(1 quot;En zij leiden zijne wapenen in het huis huns gods; en zijn hoofd hechtten zij in het huis van Dagon. a 1 Sam. 31 : 10. 11 Als geheel Jabes in Gilead hoorde alles, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden; 12 Zoo maakten zich alle strijdbare mannen op, en zij namen het ligchaatn van Saul, en de lig-chamen zijner zonen, en zij bragten ze te Jabes; en zij begroeven hunne beenderen onder eenen eikenboom te Jabes, en zij vastten zeven dagen. 13 Alzoo stierf Saul, in zijne overtreding, waarmede hij overtreden had tegen den IIeere, tegen het woord des IIeeren, hetwelk hij niet gehouden had; en ook, quot;omdat hij de waarzegster gevraagd had, haar zoekende, quot;1 Sam. 28:8. 14 En den IIeere niet gezocht had; daarom doodde Hij hem, en keerde het koningrijk tot David, den zoon van Isaï. HOOFDSTUK 11. Al ilo Israëlieten vergaderen zich to Hebron, vs. 1; en zalven David tot koning over zich, 3; trekken daarna te /.amen op naar Jerftzalom, 4. David overwint die stad door Joab en neemt zijne woning op den burg te Jeruzalem, 5. Hij vernieuwt die stad, 8. David neemt in magt en aanzien toe, 9. Namen der helden en voornaamste oversten van David, met vermelding hunner dappere daden, 10. Davids lust om water te drinken uit den put onder Bethlehems poort, 17. Drie helden halen het; doch David wil het niet drinken, 18. Helden onder hot krijgsvolk en hunne daden, 20. TOEN quot;vergaderde zich gausch Israël tot David naar Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vleesch. a'1 Sam. 19:8. 2 Zolfs ook te voren, toen Saul nog koning was. |
403 quot;hebt gij Israël uitgeleid en ingeleid; ook heeft de IIeere, uw God, tot u gezegd: Gij zult mijn volk Israël weiden, en gij zult voorganger zijn van mijn volk Israël. al Sara. 19:8. 3 Ook kwamen allo oudsten iu Israël tot den koning naar Hebron, en David maakte oen verbond met hen te Hebron, voor het aangezigt des IIeeren; en zij zalfden David ten koning over Israël, quot;naar het woord des IIeeren, door de dienst van Samuël. «1 Sam. 10. 4 En David toog henen, en gausch Israël, naar Jeruzalem, welke is Jebus: quot;want daar waren de Jebusieten, de inwoners des lands. a2Sam.5:G. 5 En de inwoners van Jebus zeiden tot David: Gij zuil hier niet inkomen. David dan nog won den burg Zion, welke is de stad Davids. (i Want David zeide: Al wie de Jebusieten het eerst slaat, zal tot een hoofd, en tot een' overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zerüja, dien het eerst; daarom werd hij tot een hoofd. 7 David nu woonde op den burg; daarom heet men dien de stad Davids. 8 En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom henen ; en Joab vernieuwde het overige der stad. 9 En David ging geduriglijk voort, en werd groot, want de Heere der heirscharen wasmot hem. 10 Deze quot;nu waren de boofden der helden, die David had, die zich dapper bij hem gedragen hebben in zijn koningrijk bij geheel Israël, om hem koning te maken, ''naar het woord des IIeeren over Israël. «2Sam. 23:8. i2Sam. 1(3:1, 12. 11 Deze nu zijn van hot getal der helden, die David had: Jasóbam, de zoon van Ilachinóni, was het hoofd der dertigen, die zijne spies tegen drie honderd opheffende, hen op eenmaal versloeg. 12 En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, de Ahohiet; hij was onder die drie helden. 13 Hij was met David te Pas-Dammim, quot;als de Filistijnen daar ten strijde vergaderd waren, en het stuk des akkers vol gerst was, en het volk voor het aangezigt der Filistijnen vlood ; a 2 Sam. 5 : 17. 23 : 11. 14 En zij stelden zich in het midden van dat stuk, en beschermden het, en zij sloegen de Filistijnen; en de Heere verloste hen door eeue groote verlossing. 15 En quot;drie uit de dertig hoofden togen af naar den rotssteen tot David in de spelonk van Adul-lain; en het leger der Filistijnen had zich gelegerd in het dal Refaïm. a 2 Sam. 23 : 13. I(i En David was toen in do vesting; en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem. 17 En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die onder de poort is? 18 Toen braken die drie door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die onder de poort is, en zij droegen het en bragten het tot David. Doch David wilde het 20* 1 KRONIJKEN 10, 11. |
1 KRONI.TKEN II, 12.
40-1
|
niet drinken, maar hij goot liet uit voor den HEere; 1!( En hij zeide: Dat late mijn God verre van mij zijn, van zulks te doen! zou ik liet bloed dezer mannen drinken? Met gevaar huns levens, ja met gevaar huns levens hebben zij dat gebragt. En hij wilde hot niet drinken. Dit doden de drie helden. '20 Abisai nu, de broeder van Joab, was ook het hoofd van drie; en hij, verheffende zijne spies tegen drie honderd, versloeg hen: alzoo had hij oenen naam onder die drie. '21 Uit die drie was hij geëerd boven do twee; daarom word hij hun tot oon' overste; maar hij kwam tot aan die eerste drie niet. '22 Benaja, do zoon van Jójada, do zoon eens dapperen mans van Kabzeël, was groot van daden; hij versloeg twee sterke leeuwen van Moab: ook ging hij af, en versloeg oenen leeuw in het midden des kuils, in den sneouwtijd. 2:? Hij versloeg ook oenen egyptischon man, oenen man van groote lengte, van vijf ellen; en die Egyptenaar had oeno spies in de hand, als een weversboom; maar hij ginK' tot hem af met oenen staf, en hij rukte de spies uit do hand des Egyptenaars, en hij doodde hem met zijne eigene spies. '24 Deze dingen dood Benaja, do zoon van Jójada; dies had hij oenen naam onder die drie holden. 25 Ziet, hij was do heerlijkste van die dertig; nogtans kwam hij tot aan do drie niet. En David stelde hom over zijne trawanten. 26 quot;De helden nu der hoiren waren: A'sahel, de broeder van Joab; E'lhanan, do zoon van Dodo, van Bethlehem; a'1 Sam. '2:i: 24. 27 Sainmoth, do Harodiet; Helez, do Peloniet; 28 Ira, do zoon van Ikkes, de Thekoïet; Abiëzer, de Anthothiet; 29 Sibchai, tie Husathiet; Ilai, do Ahohiot; 30 Maharai, do Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, do Netofathiet; :)1 Ithai, do zoon van Ribai, van Gibea dor kinderen Benjamins; Benaja, do I'irhathoniot; 32 Hurai, van de beken van (Jaiis; Abfël, do Arbathiet; 33 Azmavoth, do Haharumiet; Eljahba, de Saiil-boniet; 34 Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, do zoon van Sago, do Harariot; 35 Alnam, de zoon van Saohar, do Harariot; Elifal, do zoon van Ur; 3(! Ilefer, de Mecherathiet; Alna, do Peloniet; 37 Hezro, do Karmeliet; Naarai, de zoon van Ezbai; 38 Joël, de brooder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri; 39 Zelek, de Ammoniet; Nahrai, do Borothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zerüja; 40 Ira, do Jithriet; Gareb, de Jithriot; 41 Uria, de Ilothiet; Zabad, do zoon vanAhlai; |
42 Adina, de zoon van Siza, de Ruboniet, was het hoofd der Rubenieten; nogtans waren er dertig boven hem ; 43 Hanan, de zoon van Maiicha, en Jósafat, do Mithniet; 44 Uzzia, do Astorathiet; Sama, en Jeïël, de zoon van Hotham, don Aroëriet; 45 Jedlaël, do zoon van Simri, en Joha, zijn brooder, do Tiziet; 4(i Eliël Hammahavim, en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnajim; en Jithma, de Moabiet; 47 Eliël en Obod, en Jaaziel en Mozóbaja. HOOFDSTUK 12. Hier worden nog eenige helden van David genoemd, die tot hom zijn gekomen, toen hij door Said werd vervolgd, vs. 1: eerst uit liet geslacht van Sanl zelf, 2; daarna uit den stam van Glad, 14; alsmede uit de stammen Benjamin en Juda, 10; en van Manasso, 19. Opgave van de oversten der krijgslieden, die David te Hebron koning maakten en hun getal, 23. Q-anseh Israöl is hot eens om David koning over zich te maken, 38. Drio dagen vreugdemaaltijden bij die gelegenheid, 39. DEZE nu zijn liet, die tot David kwamen naar Ziklag, toen hij nog besloten was voor liet aan-gezigt van Saul, don zoon van Kis; zij waren ook onder de helden, dio tot dien krijg hielpen: 2 Gewapend mot bogen, regts en links mot steenen werpende, en met pijlen schietende uit den boog; zij waren van do broederen van Saul, uit Benjamin. 3 Het hoofd was Ahiëzer, en Joas, zonen van Somaa, den Gibeathiet; daarna Jezlël en Polet, zonen van Azmavoth, en Boracha, en Jehu, do Anthothiet. 4 En Jfsmaja, do Gibeoniot, was oen held onder de dertig, en over dertig yesteld; en Jirmoja, en Jahaziël, en Jóhanan, en Józabad, de Godorathiot; 5 Eliizai, en Jeriinoth, en Bealja, en Soniarja, en Sefatja, do Harulïet; 0 E'lkana, en Jissfa, en Azareël, en Joëzer, en Jasóbam, do Korahieten. 7 En Joëla en Zebadja, de zonen van Joróham, van Gedor. 8 Ook scheidden zicli van de Gadieten af tot David, in die vesting naar de woestijn, kloeke helden, krijgslieden ton oorlog, toegerust met rondas en schild; en hunne aangezigten waren aangezigton der leeuwen; en zij waren als do reeën op do bergen in snelheid. 9 Ezer was liet hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde; 10 Mismanna de vierde; Jirméja de vijfde; 11 Attai do zesde; Eliël de zevende; 12 Jóhanan de achtste; Elzabad de negende; 13 Jirméja do tiende; Machbannai de elfde. 14 Deze waren van de kinderen van Gad, hoofden des heirs: oen van do kleinsten was over honderd, en de grootste over duizend. 15 Deze zolven zijn hot, die over de Jordaan gingen in de eerste maand, toon dezelve vol was |
1 KRONIJKEN 12.
405
|
aan al hare oevors; on zij verdrovon al de inwoners der laagten, tegen hot oosten en tegen het westen. 16 Er kwamen ook van de kinderen van Benjamin en Juda op do vesting tot David. 17 En David ging uit hun te gemoet, en antwoordde, en zeide tot hen: Indien gijlieden ten vrede tot mij gekomen zijt, om mij te helpen, zoo zal mijn hart te gelijk over ulieden zijn; maar indien het is, om mij aan mijne vijanden bedrlegelijk over te leveren, daar tocli geen wrevel in mijne handen is; de God onzer vaderen zie hot, en straffe het! 18 En de Geest toog Amasai aan, den overste der hoofdlieden, en hij zeide: Wij zijne uwe, o David! en met n zijn wij, gij zoon van Isaï! vrede, vrede zij u, en vrede uwen helperen. |
23 En dit zijn de getalen der hoofden dergenen, die toegerust waren ten lieire, die tot David te Hebron kwamen, om liet koningrijk van Saul tot hem te wenden, naar den mond des Heeren: 24 Van de kinderen van Juda, die rondassenen spiesen droegen, waren zes duizend on acht honderd toegerust ten heire. 25 Van de kinderen van Simeon, kloeke helden ten heire, zeven duizend en honderd. 26 Van do kinderen van Levi, vier duizend en zes honderd. 27 En Jehójada was overste der Aiironieten; en met hom waren er drie duizend en zeven honderd. 28 En Zadok was een jongeling, een kloek held; en uit zijns vaders huis waren twee en twintig oversten. |
r
|
want uw God helpt u. Toen nam hen David aan, en stelde hen tot hoofden der benden. 19 Er quot;vielen ook van Manasse tot David, toen hij met de Filistijnen kwam, om tegen Saul te strijden, alhoewel zij hen niet hielpen: want de vorsten der Filistijnen verlieten hem met raad, zeggende: Met (j cv aar ran onze hoofden zou hij tot Saul, zijnen heer, vallen. al Sam. '29: 1. 20 Toen hij naar Ziklag toog, vielen tot hem uit Manasse: Adnah, en Józabad, en Jedfaël, en Michael, en Józabad, en Elihu, en Zillethai; hoofden der duizenden, die in Manasse waren. 21 En deze hielpen David mede tegen die benden, want allo dozen waren kloeke helden; en zij waren oversten in het heir. 22 Want er kwamen er te dier tijd dag bij dag tot David, om hem te helpen, tot een groot leger toe, als een leger Gods. |
29 En van de kinderen van Denjamin, de broederen van Saul, drie duizend: want tot nog toe waren er velen van hen, die het met het huis van Saul hielden. 30 En van de kinderen van Efraïm, twintig duizend en acht honderd, kloeke helden, mannen van naam in het huis hunner vaderen. 31 En van den halven stam van Manasse achttien duizend, die met namen uitgedrukt zijn, dat zij kwamen, om David koning te maken. 32 En van de kinderen van Issaschar, dieervaren waren in het verstand van de tijden, om te weten wat Israël doen moest: hunne hoofden waren twee honderd, en al hunne broederspaMenop hun woord. 33 Uit Zebulon, uitgaande in het heir, toegerust ten strijde met alle krijgswapenen, vijftig duizend; en om eene slagordening te houden met een onwankelbaar hart. |
|
406 34 En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen mot rondas en spies, zeven en dertig duizend. 35 En uit de Danieten, ten strijde toegerust, acht en twintig duizend en zes honderd. 3(5 En uit Aser, uitgaande in liet heir, om krijgs-orde te houden, waren veertig duizend. 37 En van gene zijde der Jordaan, van do Ru-benieten, en Gadieten, en den halven stam van Manasse, niet allerlei krijgsgeroedsclia]) ten oorlog, honderd en twintig duizend. 38 Al doze krijgslieden, die zich in slagorde konden houden, kwamen mot een volkomen hart te Hebron, om David koning te maken over gansch Israël. En ook was al het overige van Israël één hart, om David ten koning to maken. 39 En /.ij waren daar bij David drie dagen lang, etende en drinkende: want hunne broeders hadden voor hen wat toebereid. 40 En ook de naasten aan hen, tot aan Issaschar, en Zebulon, en Nafthali, bragton brood op ezelen, en op koinelen, en op muilen, en op runderen, meelspijs, stukken vijgen, en stukken rozijnen, en wijn, en olie, en runderen, en klein vee in menigte: want er was blijdschap in Israël. HOOFDSTUK 13. David raadpleegt de oudsten van het volk, aangaande eene algemeene vergadering, vs. 1 ; om de ark uit Kirjath-Jearim naar Zion over te brengen, 3. Dit behaagt de gansehe gemeente wel, 4. Tot dat einde trekt David met de gemeente op, li. Zij zetten de ark op eenen nieuwen wagen, 7. David en hot volk bedrijven groote vreugde mot gezang en muziekinstrumenten, 8. Uza strekt zijne hand uit om de ark te houden, 0; waarom hij van God gedood wordt, 10. David noemt de plaats, waar dit geschiedt, Perez-üza, 11; en is bevreesd de ark tot zich te laten brengen, 12; maar plaatst ze bij Obed-Edom, 14. EN David hield raad met do oversten der duizenden en der honderden, en met allo vorston. 2 En David zeide tot de gansehe gemeente van Israël; Indien het ulioden goeddunkt, en van den IIeere, onzen God, te zijn, laat ons ons uitbreiden , laat ons zenden aan onze overige broeders, in alle landen van Israël, en de priesters en Levieten, die met hen zijn in de steden, met hare voorsteden, opdat zij tot ons vergaderd worden. 3 En laat ons de ark onzes Gods tot ons wederhalen, want wij hebben ze in de dagen van Saul niet gezocht. 4 Toon zeide de gansehe gemeente, dat men alzoo doen zou; want die zaak was rogt in de oogen dos ganschen volks. 5 quot; David dan vergaderde gansch Israël van het egyptische Sichor af, tot daar men komt te 11a-math, om do ark Gods te brengen van Kirjath-Jearim. k 2 Sam. (i; 1. (i Toon toog David op mot het gansehe Israël naar Baala, dat is, naar Kirjath-Jearim, hetwelk in Juda is, dat hij van daar ophaalde do ark Gods, des Heeren, die tusschen de cherubim woont, waar de Naam wordt aangeroepen. |
7 En zij voerden do ark Gods op eenen nieuwen wagen uit het huis van Abinadab. Uza nu en Alüo leidden den wagen. 8 En David en gansch Israël speelden voor het aangezigt Gods met alle magt, zoo met liederen, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, en met cimbalen, en mot trompetten. 9 Toen zij aan den dorschvloer van Chidon go-komen waren, zoo strekte Uza zijne hand uit, om de ark te houden, want de runderen struikelden. 10 Toen ontstak de toorn dos Heeren over Uza, en Hij sloeg hem, omdat hij zijne hand had uil-gestrekt aan de ark; en hij stierf aldaar voor het aangezigt Gods. 11 En David ontstak, dat de IIeere eene scheur gescheurd had aan Uza; daarom noemde iiij die-zelve plaats Perez-Uza, tot op dozen dag. 12 En David vreesde den IIeere te dien dage, zeggende; Hoe zal ik de ark Gods tot mij brengen? 13 Daarom quot;liet David de ark niet tot zich brengen in de stad Davids, maar dood zo afwijken in het huis van Obed-Edom, den Gethiot. a 2 Siim. (i ; 10. 14 Alzoo bleef de ark Gods bij hot huisgezin vail Obed-Edom, in zijn huis, drie maanden; en de IIeere zegende hel huis van Obed-Edom, en alles, wat hij had. HOOFDSTUK 14. Hirain zendt bouwmeesters en cederhout tot David, vs. 1. Davids magt breidt zich uit, hij neemt moor vrouwen, krijgt veel kinderen, 3; hunne namen, 4. Do Filistijnen trokken ten strijde tegen Israël, S. David vraagt God wat hij doen zal, die hem beveelt op te trekken, met belofte van overwinning, 10. David slaat lion en noemt die plaats Baai-I'erazim, 11. David laat hunne afgoden verbranden, 12. Do Filistijnen hervatten den krijg, 18. David vraagt wederom den IIeere, die hem zegt wat hij doen moest, met toezegging van zijne hulp, 14. David slaat de Filistijnen ten tweede maal, waardoor hij eenen groeten naam verkrijgt en overal wordt gevreesd, 10. TOEN quot;zond Hiram, de koning van Tyrus, boden tot David, en coderonhout, en metselaars, en timmerlieden, dat zij hem een huis bouwden. a 2 Sam. 5 ; 11. 2 En David merkte, dat hem de IIeere tot koning bevestigd had over Israël; want zijn koningrijk werd ton hoogste verheven, om zijns volks Israëls wil. 3 En David nam moor vrouwen te Jenizalein, on David gewon moer zonen on dochtoren. 4 Dit quot;nu zijn de namen dor kinderen, die hij te Jeruzalem had; Sainmüa en Sobab, Nathan en Salomo, a 1 Kron. 3 ; 5. 5 En Jibchar, en Elisüa, en Elpélet, 6 En Nogah, en Nefeg, en Jafia, 7 En Elisama, en Boëljada, en Elifélot. 8 Toen de Filistijnen hoorden, dat David tot koning gezalfd was over hot gansehe Israël, zoo togen ai do Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, zoo toog bij uit tegen hen. 1 KRONIJKEN 12, 13, 14. |
1 KRONIJKEN 14, 15.
-107
|
9 Toen do Filistijnen kwamen, zoo spreidden zij zicli uit in de laagte van Refaïm. 10 Toen vraagde David God, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult (lij lien in mijne hand geven? En do Heere zoido tot hom : Trek op, want Ik zal hen in uwe hand geven. 11 Toon zij nu optogen naar Baal-Perazim, zoo sloeg hen David daar; eu David zeide: God heeft mijne vijanden door mijne hand gescheurd, als eene scheur dor wateren; daarom noemden zij den naam derzelve plaats, Baiil-Perazim. 12 En daar lieten zij hunne goden; on David gebood, on zij worden mot vuur verbrand. 13 Doch de Filistijnen voeren nog voort, on zij verspreidden zich in dat dal. 14 En David vraagde God nog eons; on God zeide tot hem: Gij zult niot optrokken achter hen hoon, maar omsingel hen van boven, en kom tot hen tegenover do moerboziënboomen. 15 En hot zal geschieden, als gij hoort hot go-ruisch van eenen gang in do toppen dor moerboziënboomen, kom dan uit ten strijde: want God zal voor uw aangezigt uitgegaan zijn, om het leger der Filistijnen te slaan. 16 David nu doed, gelijk als hom God geboden had; en zij sloegen hel heir dor Filistijnen van Gibeon af tot aan Gozer. 17 Alzoo ging Davids naam uit in al die landen; on do IIeere gaf zijne verschrikking over al die Heidenen. HOOFDSTUK 15. Duvid bereidt eono plaats voor do ark, vs. 1; on lio-voelt dat zij door do Levieten /.al gedragen worden, 2. Gansch Israël komt to Jorüzalem om de ark aldaar op to halen, .'i. Namen dor Lovioton, die tot dat einde aldaar gekomen waren, 4. David bevoelt hunne oversten wat en boe zij zullen doen, 11. De ark wordt mot groot gejuich on muziek naar Zion gobragt, 16. Micbal, Sauls doebter, den koning voor do ark ziende springen en spelen, veracht bom, 29. EN David maakte zich huizen in zijne stad; en hij bereidde der ark Gods oene plaats, en spande eene tent voor haar. 2 Toen zeide David: Niemand mag de ark Gods dragen, dan de Levieten: want die quot; heeft de IIeere verkoren, om do ark Gods te dragen, en om Hem te dienen tot in der eeuwigheid. a Num. 4 : 15. :! Ook vergaderde David gansch Israël te Jorüzalem, om do ark des Heeren op te halen aan hare plaats, die hij haar bereid had. 4 En David quot; verzamelde de kinderen van Aiiron en de Levieten. «1 K'ron. (i: 1, 2. 5 Van de kinderen van Kohath was Un'ël overste, en van zijne broederen waren honderd on twintig. 6 Van do kindoren van Merari was Asaja overste, on van zijne broederen waren twee honderd en twintig. 7 Van de kinderen van Gersom was Jool overste, en van zijne broederen waren honderd en dertig. |
8 Uit do kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijne broederen waren twee honderd. 9 Uit de kinderen van Hebron was Eliël overste, en zijne brooderen waren tachtig. 10 Uit de kinderen van Uzziël was Amminadab overste, en zijne broederen waren honderd en twaalf. 11 En David riep do priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriël, Asaja en Jool, Semaja, en Eliël, en Ammimidab, 12 En hij zoido tot hou: Gijlieden zijt hoofden der vaderen onder de Levieten; heiligt u, gij on uwe broeders, dat gij de ark des Heeren, dos Gods van Israël, opbrengt, ter plaatse, die ik voor haar bereid heb. 13 Want omdat gijlieden ten eerste dit niet deedt, heeft do Heere, onze God, onder ons oene scheur gedaan, omdat wij Hem niot gezocht hebben naar het regt. 14 Zoo heiligden zich dan de priesters en Levieten, om de ark des Heeren, dos Gods van Israël, op te brengen. 15 En de kinderen der Levieten droegen de ark Gods o)) hunne schouderen, met do draagboomen, die op hen waren, quot;gelijk als Mozes geboden had naar liet woord des Heeren. a Ex. 25 : 14. Num. 4 : 15. 7 : 9. 16 En David zoido tot do oversten der Levieten, dat zij hunne broeders, de zangers, stellen zouden met muziekinstrumenten, met luiten, en haipon, en cimbalen, dat zij zich zouden doen hooron, verheffende de stem met blijdschap. 17 Zoo stelden dan de Levieten quot;Hemau, den zoon van Joël, en uit zijno broederen Asaf, den zoon van lïerechja; en uit de zonen van Merari, hunne broederen, Ethan, den zoon van Kusaja; a 1 Kron. 6 : 33, 39, 44. 18 En met hen hunne broeders van de tweede orde: Zecharja, Hen en Jaiiziöl, on Senuramoth, en Jeluël, on Unni, Eliab, en Benaja, en Maaséja, en Mattithja, en Eliféle, en Miknéja, en Obed-Edom, en Jeiël, do poortiers. 19 Do zangers nu, Heman, Asaf en Ethan, lieten zich hooron met koperen cimbalen; 20 En Zecharja, en Aziöl, en Somiramoth, en Jeluël, en Unni, en Eliab, on Maaséja, en Benaja, met luiten op Alamoth. 21 En Mattithja, en Eliféle, en Miknéja, en Obed-Edom, en Jeiël, en Azazja, met harpen op de Scheininith, om den toon te versterken. 22 En Chenanja, de overste dor Levieten, was over hot opheffen: hij onderwees hen in hot opheffen, want hij was verstandig. 23 En Berech ja en E'lkana waren poortiers der ark. 24 En Sobanja, en Jósafat, en Nethaneël, en Ainasai, en Zecharja, en Benaja, en Eliëzer, de priesters, trompetten met trompetten voor de ark Gods; en Obed-Edom en Jehfa waren poortiers der ark. |
1 KRONIJKEN 15, 1G.
408
|
2ó Het geschiedde nu, dat David en de oudsten van Israël, on do oversten der duizenden, henen-gingen, om de ark dos vorbonds des Heeren op te halen, uit het huis van Obed-Edom, met vreugde ;â '2() Zoo geschiedde het, doordien dat God de Levieten hielp, die de ark dos vorbonds des Heeren droegen, dat zij zeven varren on zeven rammen offerden. 27 David nu was gekleed met oenen mantel van fijn linnen; ook al do Levieten, die de ark droegen, on do zangers, on Chenanja, do overste van het opheffen der zangers; ook had David oenen lijfrok aan van linnen. 28 Alzoo bragt gansch Israël de ark des ver-bouds dos Heeren op, met gejuich, en mot geluid der bazuin, en mot trompetten, on met cimbalen, makende geluid met luiten en met harpen. 29 Het quot; geschiedde nu, toen de ark dos ver-honds dos Heeren tot aan do stad Davids gekomen was, dat Michal, de dochter van Saul, door eon venstor keek, en den koning David zag springende on spelende, zoo verachtte zij hem in haar hart. a 2 Sam. G: 1G. HOOFDSTUK 16. David en het volk offeren brand- en clankolïeren bij hot plaatsen der ark in do tent door David daartoe verordineerd, vs. 1; hij zegent het volk, geeft oen ieder brood, vleesch en wijn, 3. Hij stolt. Levieten tot dienst der ark, 4. Hoofden der zangers, 5. Een psalm, door David aan Asaf en /.ijne broederen gegeven, met welken zij God moesten loven, 7; die gezongen zijnde, sprak al het volk, Amen, don Heere lovende, 3G. David verordent zangers, BT; poortiers, 38; en priesters om brandolferen te offeren tot dienst der ark, 39. Dit volbragt zijnde, scheidt do vergadering aiteen, 43. TOEN quot;zij do ark Gods inbragton, zoo stolden zij ze in hot midden dor tont, welke David voor haar gespannon had; en zij offerden brandofferen on dankofforon voor het aangozigt Gods. a 2 Sam. G : 17. 2 Als David het brandoffer en de dankofforon geëindigd had te offeren, zoo zegende hij liet volk in den naam des Heeren. 3 En quot;hij doolde een' iegelijk in Israël, van den man tot de vrouw, oen' iegelijk oenen bol broods, en een schoon stuk vleesch, en eene flesch ivijn. a 2 Sam. G : 1 it. 4 En hij stelde voor do ark dos Heeren nom-nmjen uit do Levieten tot dienaars, en dat, om den Heere, den God Israels, te vermolden, en te loven, en te prijzen. 5 Asaf was het hoofd, en Zecharja do tweede na hem; Jeiël, en Semirainoth, en Jeluël, en Mattithja, en Eliab, en lienaja, en Obod-Edom, en Jeiël, met instrumenten dor luiten en mot harpen: en Asaf liet zich hooron met cimbalen; 6 Maar Benaja en Jahaziël, de priesters, steeds niet trompetten voor de ark des vorbonds van God. |
7 Te dionzelven dage gaf David ten eerste dezen psalm, om den Heere te loven, door de dienst van Asaf en zijne broederen. 8 Looft den Heere, roept zijnon naam aan, maakt zijne daden bekend onder de volken. 9 Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aan-dachtolijk van al zijne wonderwerken. 10 Roemt u in don naam zijnor heiligheid; dat zich het hart dergonen, die den Heere zoeken, verblijde. 11 Vraagt naar den Heere en zijne sterkte, zoekt zijn aangozigt geduriglijk. 12 Gedenkt zijner wonderwerken, die Hij gedaan heeft, zijner wonderteekenen, en der oordoelen zijns monds; 18 Gij zaad van Israël, zijnen dienaar, gij kinderen van Jakob, zijnen uitverkorene! 14 Hij is do Heere, onze God; zijne oordoolon zijn over de geheole aarde. 15 quot; Gedenkt tot in der eeuwigheid zijns vorbonds, dos woords, ilaf. Hij ingesteld heeft tot in hot duizendste geslacht; « Gen. 17:9. 1G Des verhonds, quot;dat Hij mot Abraham hooft gemaakt, en zijns eeds aan Izak; «Gen. 2G : 3. 17 Welken quot;Hij ook aan Jakob heeft gesteld tot oono inzetting, alt;ni Israël tot een eeuwig verbond ; a Gen. 28 : 13. 35 : 11. 18 Zeggende: Ik zal n het land Kanaan geven, een snoer van ulieder erfdeel: 19 Als gij weinige monsciion in getal waart; ja weinigen en vreemdelingen daarin. 20 En zij wandelden van volk tot volk, en van hot oono koningrijk tot oen ander volk. 21 Hij quot;liet niemand too hen te onderdrukken, ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, ze;/-;jende: «Gen. 12, 20. Ex. 7, 8, 9, 10, 11. 22 Tast niijne gezalfden niet aan, en doet mijnen profeten geen kwaad. 23 Zingt den Heere, gij ganscho aarde! boodschapt zijn heil van dag tot dag. 24 Vertelt zijne oor onder de Heidenen, zijne wonderwerken onder alle volken. 25 Want de Heere is groot, en zeer to prijzen, en Hij is vreesselijk boven allo goden. 2G Want al do goden der volken zijn afgoden; maar do Heere heeft do hemelen gemaakt. 27 Majesteit en heerlijkheid zijn voor zijn aangozigt, sterkte en vrolijkheid zijn in zijne plaats. 28 Geeft den Heere, gij geslachten der volken! geeft den Heere eer en sterkte. 29 Geeft den Heere do eer zijns naams, brengt offer, en komt voor zijn aangozigt; aanbidt den Heere in do heerlijkheid dos hoiligdoms. 30 Schrikt voor zijn aangozigt, gij geheelo aarde! Ook zal de wereld bevestigd worden, dat zij niet bewogen worde. 31 Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde verheuge zich, en dat men onder de Heidenen zegge: De Heere regeert. 32 Dat de zee bruische met hare volheid, dat hot veld huppele van vreugde, mot al wat daarin is. |
1 KRONIJKEN IC, 17.
409
|
:33 Dan zullen do boomen des wonds juichen voor hot aangezigt des Hekken, omdat Hij komt de aarde te rigten. 34 quot;Looft den Heere, want Hij is goed, ''want zijne goedertierenheid is tot in eeuwigheid. rtPs. 107 : 1. 118: 1. 130: 1. b Ps. 130: 1 , enz. 35 En zegt: Verlos ons, o God onzes hoils! en verzamel ons, en red ons van de 1 leidenen, dat wij uwen heiligen naam loven, en dat wij ons uwes lot's roemen. 36 Geloofd zij de Heere, de God Israels, van eeuwigheid tot eeuwigheid! En al het volk zeide: Amen! en het loofde den Heere. 37 Alzoo liet hij daar, voor de ark dos verhonds des Heeren, Asaf en zijne broederen, om gedu-riglijk te dienen voor de ark, naar dat op eiken dag besteld was. 38 Obed-Edom nu, met hunlieder broederen, waren acht en zestig; en hij stelde Obed-Edom, den zoon van Jedüthun, en Hosa, tot poortiers; 39 En den priester Zadok, en zijne broederen, de priesters, voor don tabernakel dos Heeren op de hoogte, welke te Giboon is: 40 Om den Heere do brandofferen geduriglijk te offeren op het brandofferaltaar, des morgens en dos avonds; en zulks naar alles, wat er geschreven staat in de wet dos Heeren, die Hij Israël geboden had. 41 En met hen Heman en Jodilthun, en do overige uitgelezenon, die mot namen uitgedrukt zijn, om den Heere te loven: want zijne goedertierenheid is tot in der eeuwigheid. 42 Met hen dan waren Heman en Jedüthun, met trompetten en cimbalen voor degenen, die zich lieten hooron, on met instrumenten der muziek Gods; maar de zonen van Jedütliun waren aan do poort. 43 Alzoo toog het gansche volk henen, een iegelijk in zijn huis; en David keerde zich, om zijn huis tc gaan zegenen. HOOFDSTUK 17. Zio don inhoud van dit hoofdstuk 2 Sam. 7. HET geschiedde nu, als David in zijn huis woonde, dat David tot Nathan, den profeet, zeide: Zie, ik woon in een coderen huis, maar do ark des verbonds des Heeren onder gordijnen. 2 Toon zeide Nathan tot David: Doe alios, wat in uw hart is, want God is met u. 3 Maar hot geschiedde in donzelven nacht, dat het woord Gods tot Nathan kwam, zeggende: 4 Ga heen en zeg tot David, mijnen knecht: Alzoo zegt de Heere: Gij zult Mij geen huis bouwen, om in te wonen. 5 Want Ik heb in geen huis gewoond van dien dag af, dat Ik Israël heb opgevoerd tot dezen dag toe; maar Ik ben gegaan van tent tot tent, en van tabernakel tot tabernakel. |
0 Overal, waar Ik gewandeld heb met geheel Israël, heb Ik wel een woord gesproken tot een' van de rigters van Israël, denwelken Ik gebood mijn volk te weiden, zeggende: Waarom bouwt gijlieden Mij geen cederen huis? 7 Nu dan, alzoo zult gij zeggen tot mijnen knecht, tot David: Zoo zegt de Heere dor heirseharen: Ik quot; heb u van de schaapskooi genomen, van achter de schapen, opdat gij een voorganger over iiiijn volk Israël zoudt zijn; n 1 Satn. 10: 11. Ps. 78 : 70. 8 En Ik bon met u geweest overal, waar gij heengegaan zijt, en Ik heb al uwe vijanden uitgerooid van voor uw aangezigt; en Ik heb u oenen naam gemaakt, gelijk de naam is der groo-ten, die op do aarde zijn. 9 En Ik heb voor mijn volk Israël eene plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijne plaats wone, en niet meer hoen en weder go-dreven worde; en de kinderen dor vorkoordheid zullen hem niet meer krenken, gelijk als in het eerst, 10 En van die dagen af, dat Ik geboden heb rigters te wezen over mijn volk Israël; en heb al uwe vijanden vernederd: ook heb Ik u te kennen gegeven, dat u de Heere oen huis bouwen zal. 11 En het zal geschieden, als uwe dagen zullen vervuld zijn, dat gij heengaat tot uwe vaderen, zoo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, hetwelk uit uwe zonen zijn zal, en Ik zal zijn koningrijk bevestigen. 12 Die zal quot;Mij oen huis bouwen, en Ik zal zijnen stool bevestigen tot in der eeuwigheid. n I Kon, 5 : 5. 0 : 1 2. 13 quot;Ik zal hem tot oenen Vader zijn, en hij zal Mij tot eenen zoon zijn; en mijne goedertierenheid zal Ik van hem niet wenden, gelijk als Ik die weggenomen heb van dien, die vóór u geweest is; a Ps. 89:27, 29. Hcbr. 1 :5, 0. 14 Maar quot;Ik zal hem in mijn huis bestendig maken, en in mijn koningrijk tot in eeuwigheid; en zijn stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. a Luk. 1 : 33. 15 Naar al deze woorden, en naar dit gansche gezigt, alzoo sprak Nathan tot David. 1 (! Toen kwam de koning David in, en bleef voor hot aangezigt des Heeren, en hij zeido: Wie ben ik, Heere God! en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebragt hebt? 17 En dil is klein in uwe oogen geweest, oGod! daarom hebt Gij van het huis uws knechts tot van verre heen gesproken, en Gij hebt mij naar monschelijke wijze voorzien met deze verhooging, o Heere God! 18 Wat zal David moor bij 11 daartoe voegen, van wege de eer aan uwen knecht? doch Gij kent uwen knecht wel. 19 Heere! om uws knechts wil, en naar uw hart, hebt Gij al deze groote dingen gedaan, om al deze groote dingen bekend te maken. 20 quot;Heere! er is niemand gelijk Gij, en er is |
1 KRONIJKEN 17, 18, li).
410
|
geen God behalve Gij, naar iilles, wat wij niet onze ooren gehoord hebben. a Dent. [5: 24. 4 : 35. (i: 4. 1 Kon. S ; 23 , GO. I's. K0 : 8. â¢les. 37: 16, 20. Diin. 3:29. Hos. 13: 4. 21 quot;En wie is als uw volk Israël, een eenig volk op do aarde, hetwelk God heengegaan is Zich tot een volk te verlossen, dat (Jij U eenen naam maaktet van groote en verschrikkelijke dingen, met de Heidenen uit te stooten van het aangezigt uws volks, hetwelk Gij uit Egypte verlost hebt? a Dout. 4 : 7. 33 : 2!). Ps. 147 : 20. 22 En Gij hebt uw volk Israël U ten volk gemaakt tot in der eeuwigheid; en Gij, Heere ! zijt hun tot eenen God geworden. 21! Nu dan, Heere! hot woord, dat (!ij over uwen knecht gesproken hebt, en over zijn huis, dat worde waar tot in eeuwigheid; en doe, gelijk als Gij gesproken hebt. 24 Ja, hot worde waar, en uw naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: De Heere der heirscharen, de God van Israël, is Israels God; en het huis van David, uwen knecht, zij bestendig voor uw aangezigt. 25 Want Gij, mijn God! hebt voor hot oor uws knechts geopenbaard, dat Gij hem eon huis bouwen zoudt; daarom heeft uw knecht in zijn, hart gevonden, om voor uw aangezigt te bidden. 26 Nu dan, Heere! (iij zijt die God; on Gij hebt dit goede over uwen knecht gesproken. 27 Nu dan, hot heeft U beliefd te zogonen hot huis uws knechts, dat het in eeuwigheid voor uw aangezigt zij: want Gij, Heere! hebt het gezegend, en hot zal gezegend zijn in eeuwigheid. HOOFDSTUK 1«. In dit hoofdstuk wordt vermeld hetzelfde, dat wij opgcteekcml vinden 2 Sam. 8. HET geschiedde nu na dezen, dat David do Filistijnen sloeg, en hen te onderbragt; en hij nam Gath, en hare onderhoorige plaatsen, uit der Filistijnen hand. 2 Hij sloeg ook do Moabieten: alzoo dat de Moabieten Davids knechten werden, brengende geschenken. li David sloeg ook Hadar-ézer, den koning van Zoba, naar Hamath toe, toen hij heentoog, om zijne hand to stollen aan de rivier Frath. 4 En David nam hem duizend wagons af, on zeven duizend ruiters, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde al de wagen-p aar den; doch hij behield honderd wagens daarvan over. 5 En do Syriërs van Damaskus kwamen, om Hadar-ézer, den koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van do Syriërs twee en twintig duizend man. (i En David loide bezet liny in Syrië van Damaskus, alzoo dat de Syriërs Davids knechten werden, geschenken brengende. En do Heere behoedde David overal, waar hij heenging. |
7 En David nam de gouden schilden, die bij Hadar-ézers knechten waren, en hij bragt ze te Jeriizalem. 8 Ook nam David zeer veel kopers uit Tibchath, en uit Chun, steden van Hadar-ézer: daarvan heeft Salomo de koperen zee, en do pilaren, on de koperen vaten gemaakt. i) Toen Thoü, do koning van Hamath, hoorde, dat David do gansche heirkracht van Hadar-ézer, den koning van Zoba, geslagen had; 10 Zoo zond hij zijnen zoon Hadóram tot den koning David, om hem naar zijnen welstand te vragen, en om hom te zegenen, van wege dat hij met Hadar-ézer gestreden, en hem verslagen had, (want Hadar-ézer voerde oorlog tegen Thoü) en alle gouden, en zilveren, en koperen vaten; 11 Dezo heiligde de koning David ook den Heere, mot het zilver en het goud, hetwelk hij medege-bragt had van al de Heidenen: van do Edomie-ten, en van de Moabieten, en van de kinderen Amnions, en van de Filistijnen, en van de Ama-lekieten. 12 Ook sloeg Ablsai, de zoon van Zerüja, de Edomieten in het Zoutdal, achttien duizend. 13 En hij leido bezetting in Edom, zoodat al do Edomieten Davids knechten werden; en de Heere behoedde David overal, waar hij heenging. 14 Alzoo regeerde David over gansch Israël; en hij deed zijnen ganschen volke regt en gerogtigheid. 15 Joab nu, de zoon van Zerüja, was over liet lioir; en Jósafat, de zoon van Ahilud, was kanselier; 16 En Zadok, de zoon van Ahftub, on Abimé-lech, do zoon van Abjathar, waren priesters, en Sausa schrijver; 17 En Benaja, de zoon van Jójada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren de eersten aan de hand des konings. HOOFDSTUK 1!). Zie den inhoud van dit hoofdstuk 2 Sam. 10. EN liet geschiedde na dezen, dat Nahas, de koning der kindoren Annnons, stierf, en zijn zoon werd koning in zijne plaats. 2 Toen zeide David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas, want zijn vader hooft weldadigheid aan mij gedaan. Daarom zond David boden, om hem te troosten over zijnen vader. Toen de knechten van David in hot land der kinderen Annnons tot Hanun kwamen, om hom te troosten; 3 Zoo zeiden de vorsten der kinderen Amnions tot Hanun : Eert David uwen vader in uwe oogen, omdat hij troosters tot u gezonden hooft V Zijn niet zijne knechten tot u gekomen, om te doorzoeken, en om om te koeren, en om hot land te verspieden ? 4 Daarom nam Hanun de knechten van David, en hij â beschoor hen, en sneed hunne kleederen half af tot aan de heupen, en liet hen henengaan. 5 Zij nu gingen henen, en men boodschapte |
1 KRONIJKEN li), 20, 21.
Ill
|
David van deze mannen; en liij zond hnn te ge-moet, want die mannen waren zeer beschaamd. De koning dan zeide: Blijft te Jericho, totdat ulieder baard weder gewassen zij, komt dan wederom. (i Toen de kinderen Amnions zagen, dat zij zich stinkende gemaakt hadden bij David, zoo zond Ilanun en do kinderen Ammons duizend talenten zilvers, om zich wagenen en ruiters te huren uit Mesopotamië, en uit Syrië-Maacha, en uit Zoba. 7 Zoodat zij zich huurden twee en dertig duizend wagenen; en de koning van Maiicha en zijn volk kwamen en legerden zich voor Médeba; ook vergaderden de kinderen Ammons uit hunne steden, en zij kwamen ten strijde. 8 Toen hot David hoorde, zoo zond hij Joab en het gansche heir met de helden. 9 Als de kinderen Ammons uitgetogen waren, zoo stelden zij de slagorde voor de poort der stad; maar de koningen, die gekomen waren, die waren bijzonder in het veld. 10 Toen Joab zag, dat de spits der slagorde van voren en van achteren tegen hem was, zoo verkoos hij eenigen uit alle uitgelezenen in Israël, en hij stelde hen in orde tegen de Syriërs aan. 11 En het overige des volks gaf hij in de hand van zijnen broeder Abisai, en zij stelden hen in orde tegen de kinderen Ammons aan. 12 En hij zeide: Indien mij de Syriërs te sterk worden, zoo zult gij mij komen verlossen; en indien de kinderen Ammons u te sterk worden, zoo zal ik u verlossen. l:i Zijt sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden onzes Gods; de Heere nu doe, wat goed is in zijne oogen. 14 Toen naderde Joab en hot volk, dat bij hem was, ten strijde voor het aangezigt der Syriërs; en zij vloden voor zijn aangezigt. 15 Toen de kinderen Ammons zagen, dat de Syriërs vloden, zoo vloden zij ook voor het aangezigt van Abisai, zijnen broeder, en zij kwamen in de stad; en Joab kwam te Jeruzalem. K! Als de Syriërs zagen, dat zij voor het aangezigt van Israël geslagen waren, zoo zonden zij boden, en bragten de Syriërs uit, die aan gene zijde der rivier woonden; en Sofach, de krijgsoverste van Hadar-ézer, toog voor hun aangezigt heen. 17 Toen het David werd aangezegd, zoo vergaderde hij gansch Israël, en hij toog over de Jordaan, en hij kwam tot hen, en hij stelde de slagorde tegen hen. Als David de slagorde tegen do Syriërs gesteld had, zoo streden zij met hem. 18 Docli de Syriërs vloden voor het aangezigt van Israël, en David versloeg van de Syriërs zeven duizend wagenen, en veertig duizend mannen te voet; daartoe doodde hij Sofach, den krijgsoverste. |
1!) Toen de knechten van Uadar-ézer zagen, dat zij geslagen waren voor het aangezigt van Israël, zoo maakten zij vrede met David, en dienden hem; en de Syriërs wilden de kinderen Ammons niet meer verlossen. HOOFDSTUK 20. Zio den inhoud van dit hoofdstuk 2 Sam. 11 vs. 1; 12 vs. 2(iâ31 en 21 vs. 18â22. HET geschiedde nu ten tijde van de wederkomst des jaars, ton tijde als de koningen uittrokken, zoo voerde Joab de heirkracht, en hij verdierf het land der kinderen Ammons: en hij kwam, en belegerde Rabba; maar David bleef te Jeruzalem. En Joab sloeg Rabba, en verwoestte ze. 2 En David nam de kroon huns konings van zijn hoofd, en hij bevond haar in gewigt een talent gouds, en daar was edelgesteente aan; en zij werd op Davids hoofd gezet, en hij voerde zeer veel roofs uit de stad. ;i llij voerde ook al het volk uit, dat daarin was, en quot;hij zaagde ze met do zaag, en met ijzeren dorschwagens, en met bijlen; en alzoo deed David aan al de steden der kinderen Ammons. Toen keerde David wederom met al liet volk naar Jeruzalem. «2 Sam. 12:81. 4 En hot geschiedde daarna, als de krijg met de Filistijnen te Gozer opstond, toen sloeg Sib-chai de Husathiet, Sippai, die van do kinderen van Rafa was; en zij werden te ondergebragt. 5 Daarna was er nog een krijg tegen do Filistijnen , en E'llianan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, den broeder van Goliath, den Gethiet, wiens spiesehout was als een weversboom. 6 Daarna was er nog een krijg te Gath; en daar was een zeer lang man, en zijne vingeren waren zes en zes, vier en twintig, en hij was ook van Rafa geboren; 7 En hij hoonde Israël; maar Jonathan, de zoon van Simea, den broeder van David, versloeg hom. 8 Deze waren van Rafa geboren te Gath; en zij vielen door do hand van David, en door do hand zijner knechten. HOOFDSTUK 21. Zio den inhoud van dit hoofdstuk 2 Sam. 24. TOEN stond de Satan op tegen Israël, en hij porde David aan, dat hij Israël telde. 2 En David zeide tot Joab en tot de oversten des volks: Gaat heen, telt Israël van Ber-séba tot Dan toe, en brengt hen tot mij, dat ik hun getal wete. .'i Toen zeide Joab: De Heere doe tot zijn volk, gelijk zij nu zijn, honderdmaal meer: zijn zij niet allen, o mijn heer koning! mijnen heere tot knechten V waarom verzoekt mijnheer dit? waarom zou het Israël tot schuld worden? 4 Doch het woord dos konings nam de overhand tegen Joab: derhalve toog Joab uit, en hij doorwandelde' gansch Israël; daarna kwam hij weder te Jeruzalem. |
1 KRONIJKEN 21, 22.
412
|
5 En Joab gaf David de som van hot getelde volk; en gansch Israël was elf honderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vier honderd duizend, en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken. G Doch Levi en Benjamin telde hij onder dezelve niet: want des konings woord was Joab een gruwel. 7 En deze zaak was kwaad in do oogen Gods; daarom sloeg Hij Israël. 8 Toen zeide David tot God: Ik heb zeer gezondigd , dat ik deze zaak gedaan heb; maar neem toch nu de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gehandeld. 9 De Heere nu sprak tot Gad, den ziener van David, zeggende: 10 Ga heen, en spreek tot David, zeggende: Aldus zegt de Heere: Drie dingen leg Ik u voor; kies u een uit die, dat Ik n doe. 11 En Gad kwam tot David, en zeide tot hem: Zoo zegt de Heere: Neem u uit: 12 Of drie jaren honger, of drie maanden verteerd te worden voor het aangezigt uwer wederpartij , en dat het zwaard uwer vijanden u achterhale; of drie dagen het zwaard des Heeuen, dat is, do pestilentie in hot land, en eenen ver-dervendeu engel des Heeren in al de landpalen van Israël? zoo zie nu toe, wat antwoord ik Dien zal wederbrengon, dio mij gezonden heeft. 13 Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bang; laat mij toch in de hand des Heeren vallen, want zijne barmiiartigheden zijn zeer vole, maallaat mij in de hand dor menschen niet vallen. 14 Do Heere dan gaf pestilentie in Israël, en er vielen van Israël zeventig duizend man. 15 En God zond eenen engel naar Jeruzalem, om die to verderven; en als hij haar verdierf, zag dat de Heere, en het berouwde Hem over dat kwaad, en Hij zeide tot den verdervenden engel: Het is genoeg, trek nu uwe hand af. De ongel des Heeren nu stond bij den dorschvloer van Oman, den Jebusiet. 16 Als David zijne oogen ophief, zoo zag hij den ongel des Heeren, staande tusschen de aarde en tusschon den hemel, met zijn uitgetrokkon zwaard in zijne hand, uitgestrekt over Jeruzalem: toen viel David, en de oudsten, bedekt niet zakken, op hunne aangezigten. 17 En David zeide tot God: Ben ik het niet, die gezegd heb, dat men het volk tellen zou? ja, ik zelf ben hot, die gezondigd en zeer kwalijk gehandeld heb, maar deze schapen, wat hebben die gedaan? O Heere, mijn God! dat toch uwe hand tegen mij, en tegen het huis mijns vaders zij, maar niet togen uw volk ter plage. 18 Toen zeide de engel des Heeren tot Gad, dat hij David zeggen zou, dat David zou opgaan, om don Heere een altaar op te rigten in den dorschvloer van Ornan, den Jebusiet. |
1!) Zoo ging dan David op naar het woord van God, dat hij in don naam des Heeren go-sproken had. 20 Toon zich Ornan wendde, zoo zag hij den ongol; en zijne vier zonen, die bij hem waren, verstaken zich: en Ornan dorschte tarwe. 21 En David kwam tot Ornan; en Ornan zag toe, en zag David, zoo ging hij uit don dorschvloer, en boog zich neder voor David, met het aangezigt ter aarde. 22 En David zeide tot Ornan: Geef mij de plaats des dorschvloers, dat ik op dezelve don Heere een altaar bouwe; geef ze mij voor het volle geld, opdat deze plage opgehouden worde van over het volk. 2:i Toen zeide Ornan tot David: Neem ze maar henen, en mijn hoer de koning doe wat goed is in zijne oogen; zie, ik geef deze runderen tot brandofferon, en deze sleden tot hout, en de tarwe tot spijsoffer, ik geef het al. 24 En de koning David zeide tot Ornan: Neen, maar ik zal het zekerlijk koopen voor het volle geld: want ik zal voor don Heere niet nemen wat uwe is, dat ik een brandoffer om niet offere. 25 En David gaf aan Ornan voor die plaats zes honderd gouden sikkelen van gewigt. 26 Toen bouwde David aldaar den Heere een altaar, en hij offerde brandofferon en dankoffe-ren. Als hij den Heere aanriep, zoo antwoordde Hij hem door vuur uit den hemel, op hot brandofferaltaar. 27 En de Heere zeide tot den engel, dat hij zijn zwaard weder in zijne schoede steken zou. 28 Ter zelfder tijd, toen David zag, dat do Heere hom geantwoord had op den dorschvloer van Ornan, don Jebusiet, zoo offerde hij aldaar: 29 Want de tabernakel des Heeren, die Mozes in do woestijn gemaakt had, en het altaar des brandoffers, was te dier tijd op de hoogte te Gibeon. 30 David nu kon niet heengaan voor hetzelve, om God te zoeken, want hij was verschrikt voor het zwaard van den engel dos Heeren. HOOFDSTUK 22. David bestelt voorraad tot den bouw dos tempels, vs. 2. Hij vermaant Salomo, den Heere vroozonde, naarstig te zijn in liet opbouwen van denzei ven, 6; en gebiedt den vorsten Salomo hierin getrouw de hand te bieden, 17. KN David zeide: Hier zal het huis Gods des Heeren zijn, en hier zal liet altaar des brandoffers voor Israël zijn. 2 En David zeide, dat men vergaderen zou de vreemdelingen, die in het land Israels waren; en hij bestelde steenhouwers, om uit te houwen steenon, welke men behouwen zou, om het huis Gods te bouwen. 3 En David bereidde ijzer in menigte, tot nagelen aan do deuren dor poorten, en tot de zamenvoe-gingen; ook koper in menigte, zonder gewigt ; 4 En cedorenhout zonder getal: want de Sido- |
|
niërs en de Tyriërs brag'ten tot David cederen-hout in menigte. 5 Want David zeide: Mijn zoon Salomo is een jongeling en teeder; en liet liuis, dat men don Heere bonwen zal, zal men ten hoogste groot maken, tot eenen naam en tot heerlijkheid in alle landen; ik zal hem nu voorraad bereiden. Alzoo bereidde David voorraad in menigte vóór zijnen dood. (i Toen riep liij zijnen zoon Salomo, en gebood hom don Heere, den God Israëls, een Imis te bouwen. 7 En David zeide tot Salomo: Mijn zoon, wat mij aangaat, het was in mijn hart den naam des Heeren, mijns Gods, een huis te bouwen; 8 Doch het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende: Gij hebt bloed in menigte vergoten, want gij hebt groote krijgen gevoerd; gij zult mijnen naam geen huis bouwen, quot;dewijl gij veel bloeds op de aarde voor mijn aangezigt vergoten hebt «1 Kron. 28:3. i) Zie, do zoon, die u geboren zal worden, die zal een man der rust zijn, want lllt; zal hom rust geven van al zijne vijanden rondom henen: want zijn naam zal Salomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israël geven in zijne dagen. 10 quot;Die zal mijnen naam een huis bouwen, en die zal Mij tot oenen zoon zijn, en Ik hem tot eenen Vader; en Ik zal den troon zijns rijks over Israël bevestigen tot in eeuwigheid. 2 Sam. 7 : 13. 1 Kon. 5: 5. 11 Nu, mijn zoon! do Heere zal met u zijn, en gij zult voorspoedig zijn, en zult het huis des Heeren, uws Gods, bouwen, gelijk als Hij van ii gesproken hoeft. 12 Alleenlijk do Heere geve u kloekheid en vorstand , en geve u bevel over Israël, en dat om te onderhouden de wet des Heeren, uws Gods. 13 Dan zult gij voorspoedig zijn, als gij waarnemen zult te doen do inzettingen en de rogten, die de Heere aan Mozos geboden heeft over Israël. quot; Zijt sterk en heb goeden moed, vrees niet en wees niet verslagen. «Deut.31:7,8. Joz.1:7. 14 Zie daar, ik heb in mijne verdrukking voor het huis des Heeren bereid honderd duizend talenten gouds, en duizend maal duizend talonten zilvors; en des kopers en dos ijzers is geen ge-wigt, want het is er in menigte; ik heb ook hout en steenen bereid, doo gij er nog meer bij. 15 Ook zijn er bij u in menigte, die liet werk kunnen doen, houwers, en werkmeesters in steen en hout, en allerlei wijze lieden in allerlei werk. K! Des gouds, des zilvors, en dos kopers, en des ijzers is geen getal: maak u op en doe hot, en de Heere zal met u zijn. 17 Ook gebood David aan allo vorsten van Israël, dat zij zijnen zoon Salomo helpen zouden, zeggende: 18 Is niet de Heere, uw God, met ulieden, on heeft u rust gegeven rondom henen? want Hij heeft de inwoners des lands in mijne hand geil 3 |
geven, en dit land is onderworpen geworden voor het aangezigt des Heeren, en voor het aangezigt zijns volks. 1!) Zoo begeeft dan nu uw hart en uwe ziel, om te zooken don Heere, uwen God, en maakt u op, en bouwt het heiligdom Gods dos Heeren; dat men de ark des vorbonds des Heeren en de heilige vaten Gods in dit huis brenge, dat den naam des Heeren zal gebouwd worden. HOOFDSTUK 23. David hooft kort voor zijnen dood zijn' zoon Salomo als zijnen opvolger benoemd, vs. 1. Telling der Levieten van dertig jaren oud en daarboven, on hun getal, 3. David verdoolt hen in drie klassen, naar hunne geslachten, 4. Hunne bedieningen in don tabernakel, 24. TOEN nu David oud was en zat van dagen, maakte hij zijnen zoon Salomo tot koning over Israël. 2 En hij vergaderde al do vorsten van Israël, ook de priesters en do Levieten. 3 En de Levieten werden geteld , van dertig jaren af en daarboven; en hun getal was, naar hunne hoofden, aan mannen, acht en dertig duizend. 4 Uit dozen waren er vier en twintig duizend, om hot werk van het huis des Heeren aan te drijven; en zes duizend ambtliedon en regters; 5 En vier duizend poortiers, en vier duizend lofzangers dos Heeren met instrumenten, dlo ik gemaakt heb, zeide David, om lof to zingen. (! Eu David verdeelde hen in verdeelingen, naar de kinderen van Levi, Gerson, Kohath en Merari. 7 Uit do Gersonioton waren Ladan en Simoï. 8 De kinderen van Ladan waren deze: .lohiël, hot hoofd, en Zetham, en Joël; drie. i) De kinderen van Simei' waren Selómith, on Haziöl, en Haran; drie: deze waren do hoofden der vaderen van Ladan. 10 De kindoren van Simeiquot; nu waren Jahath, Zina, en Jeüs, en Beria: deze waren do kinderen van Simoï; vier. 11 En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeüs on Beria hadden niet vele kindoren, daarom waren zij in hot vaderlijke huis maar van eono telling. 12 De kindoren van Kohath waren Amram, Jiz-har, Hebron en Uzziël; vier. 13 quot; De kinderen van Amram waren Aaron en Mozos. ''Aiiron nu werd afgezonderd, dat hij heiligde do allerheiligste dingen, hij en zijne zonen, tot in eeuwigheid, om te rooken voor het aangezigt des Heeren, om Hem te dienen en om in zijnen naam tot in eeuwigheid te zegenen. a Ex. 0:19. b Ex. 28 : 1 , enz. Hebr. 5 : 4. 14 Aangaande nu Mozes, den man Gods, zijne kinderen worden genoemd onder den stam van Levi. 15 quot; Do kinderen van Mozes waren Gersom on Eliézer. a Ex. 2 : 22. 18 : 3. 1 KRONTJKEN 22, 23. |
1 KRONIJKEN 23, 24.
414
|
l(i Van (1(ï kimicron van Gcrsom was Sobi'iël het hoofd. 17 Do kinderen van Eliézer nu waren deze: Rehahja het hoofd ; en Eliézer had geene andere kinderen; maar de kinderen van Rehahja vermeerderden ten hoogste. 18 Van de kinderen van .lizhar was Selómith het hoofd. 1!) Aangaande de kinderen van Hebron: Jerïa was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziël de dorde, en .lekanieam de vierde. 20 Aangaande de kinderen van üzziël: Micha was het hoofd, en Jissia de tweede. 21 De kinderen van Merari waren Maheli en Musi: de kinderen van Maheli waren Eleazar en Kis. 22 En Eleazar stierf, en hij had geene zonen, maar dochters; en de kinderen van Kis, hare broeders, namen ze. 23 Do kinderen van Musi waren Maheli, on Eder, en Jerémoth; drie. 24 Dit zijn de kinderen van Levi, naar liet huis hunner vaderen, de hoofden der vaderen, naar hunne gerekenden in het getal der namen naar hunne hoofden, doende het werk der dienst van hot huis des Meeuen, van twintig jaar oud en daarboven. 25 Want David had gezegd: De IIeere, de God Israels, heeft zijn volk rust gegeven, en Hij zal te Jeruzalem wonen tot in eeuwigheid. 2G En ook aangaande de Levieten, dat zij den tabernakel, noch eenig van deszelfs gereedschap, tot deszelfs dienst behoorende, niet meer zouden dragen. 27 Want naar de laatste woorden van David werden do kinderen van Levi geteld, van twintig jaren oud en daarboven, 28 Omdat hunne standplaats was aan de hand dor zonen van Aiiron in de dienst van het huis des Heeren, over do voorhoven, en over do kameren, on over do reiniging van alle heilige dingen, en hot werk dor dienst van hot huis Gods ] 29 Te weten tol het brood der toerigting, en tot do meelbloem ton spijsoffer, en tot ongezuurde vladen, en tot de pannen, en tot het gerooste, en tot alle mate en afmeting; 30 En om allo morgens te staan, om den IIeere te loven on te prijzen; en van gelijken des avonds; 31 En tot al hot offeren dor brandofferen des He eren, op de sabbaten, op de nieuwe maanden, en op do gezette hoogtijden in getal, naar de wijze onder hen, geduriglijk, voor het aangezigt des Heeren: 32 En dat zij de wacht van de tont dor zamon-komst zouden waarnemen, en do wacht des heiligdoms, en do wacht dor zonen van Aiiron, hunno broederen, in de dienst van hot huis des Heeren. |
HOOFDSTUK 24. David voi'declt do priesters in vieren twintig klassen, vs. 1; en geeft hun dienaars uit de Levieten, uit den stam der Kahathieten en Merarietén, 20. AANGAANDE quot;nu de kinderen van Aaron, dit waren hunne vordoolingon. Do zonen van Aaron waren Nadab en Abihu, Eleazar en I'thamar. a Lev. ] 0. 2 Maar quot;Nadab stierf, en Abihu, voor het aangezigt huns vaders, en zij hadden goone kinderen. En Eleazar en I'thamar bedienden het priesterambt. a Lev. 10:2. Num. 3:4. 20:01. 3 David nu verdeelde hen, en Zadok uit de kinderen van Eleazar, on Abimólech uit de kinderen van I'thamar, naar hun ambt in hunne dienst. 4 En van de kinderen van Eleazar werden moer gevonden tot hoofden der mannen, dan van de kinderen van I'thamar, als zij hen afdeelden: van de kinderen van Eleazar waren zestien hoofden dor vaderlijke huizon, maar van de kinderen van I'thamar, naar hunne vaderlijke huizon, acht. 5 En zij deelden hen door loten af, dezen met genen: want de oversten des heiligdoms en de oversten Gods waren uit de kinderen van Eleazar en van do kinderen van I'thamar. 0 En Somaja, do zoon van Nethiinoël, de schrijver, uit de Levieten, schreef hen op, voor het aangezigt des konings, en van de vorsten, en van don priester Zadok, en van Achiniéloch, don zoon van Abjathar, on van do hoofden der vaderen onder do priesters en onder do Levieten: één vaderlijk huis werd genomen voor Eleazar, en van gelijken werd genomen voor I'thamar. 7 Het eerste lot nu ging uit voor Jójarib, het tweede voor Jedaja; 8 Het dorde voor Harim, het vierde voor Séoriin; 9 Hot vijfde voor Malclna, het zesde voor Mijamin; 10 Hot zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia; 11 Hot negende voor Jésua, hot tiende voor Sochanja; 12 Het elfde voor E'ljasib, hot twaalfde voor Ja kim; 13 Het dertiende voor Huppa, hot veertiende voor Josébeab; 14 Hot vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer; 15 Het zeventiende voor Hozir, hot achttiende voor Happizzes; 16 Hot negentiende voor Petahja, het twintigste voor Johézkol; 17 Hot oen on twintigste voor Jachin, het twee en twintigste voor Gamul; 18 Het drie en twintigste voor Delaja, hot vier en twintigste voor Maazja. 19 Hot ambt van dezen in hunne dienst was te gaan in hot huis des Heeren, naar hunno orde- |
1 KRONIJKEN 24, 25.
415
|
ning door do hand van Aaron, huns vadors; gelijk als hem do Heere, do God Israels, geboden had. 20 Van de overige kinderen van Levi nu, was van do kinderen van Amram Sübaöl, van do kindoren van Sübaöl was Jéchdoja. 21 Aangaande Rohabja: van do kinderen van Rehiibja was .Jissla hot hoofd. 22 Van do Jizharioton was Selonioth; van do kindoren van Solomöth was Jahath. 28 En van de kindoren van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziël de dorde, Jokaineain de vierde. 24 Van do kindoren van Uzzi'öl was Micha; van de kinderen van Micha was Samir; 25 Do broeder van Micha was Jissia; van de kinderen van Jissia was Zecharja. 26 Do kinderen van Mor ar i waren Maheli en Musi. De kinderen van Jaazia waren Bono. 27 De kinderen van Merari van Jaazia waren Reno, en Soham, on Zakkur, on Hibri. 28 Van Maheli was Eleazar; en die had goene kindoren. 2!) Aangaande Kis; do kindoren van Kis waren Jorahmoöl. 30 En do kinderen van Musi waren Maheli, on Eder, en Jerimoth. Dozo zijn do kinderon dor Levieten, naar hunne vaderlijke huizen. ;{1 En zij wierpen ook loten, nevens hunne broodoren , do zonen van Aaron, voor hot aangezigt van don koning David, on Zadok, en Achimó-lech, en van de hoofden dor vaderen onder do priosteren on onder de Levieten; het hoofd dor vaderen togon zijnen kleinsten broeder. HOOFDSTUK 25. Vonleeling der zangers onder Asaf, Herrum en Jedi'itliun, met hunne zonen, vs. 1. Hunne verdeeling in vier en twintig klassen, 31. EN David, mitsgaders do oversten des heirs, scheidde af tot do dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jodiithun, ilio mot harpon, met luiton on mot cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannon, bekwaam tot hot werk hunner dienst. 2 Van do kinderen van Asaf waren Zakkur, on .lozol', en Nethanja, on Asaréla, kinderen van Asaf; aan do hand van Asaf, die aan des konings handen profeteerde. 3 Aangaande Jodiithun : de kinderen van Jodiithun waren Gediilja, on Zori, en Josaja, Hasabja on Mattithja, zes; aan do handen van hunnen vader Jodiithun, op harpon profeterende met den Heere te danken en to loven. 4 Aangaande Heman: de kinderen van 1 Ionian waren Rukkia, Mattanja, Uzziöl, Sebüël, on Jerimoth, Hananja, Hamini, Eliatha, Giddalti, en Romamthi-Ezer, Josbokasa, Mallótlii, Mothir, Mahazioth. 5 Deze allon waren kindoren van Heman, don ziener dos konings, in de woorden Gods, om don hoorn to vorhoffon: want God had I Ionian voortion zonen gegeven, on drie dochters. |
(i Dozo waren allemaal aan do handen huns vaders (jestcld tot hot gezang van het huis des Hekken, op cimbalen, luiten en harpen, tot do dienst van liet huis Gods, aan do handen van don koning, van Asaf, Jodiithun, en van Heman. 7 En hun getal mot hunne broodoren, die geloerd waren in het gezang dos Heeren, alle meesters, was twee honderd acht on tachtig. 8 En zij wierpon do loton over de wacht, tegen elkander, zoo do kloinon, als do grooton, den meestor met den leerling. !) Het eerste lot nu ging uit voor Asaf, namelijk voor Jozef. Hot tweede voor Gediilja; hij en zijne broederen, en zijne zonen, waren twaalf. 10 Het dorde voor Zakkur; zijne zonen on zijne broederen, twaalf. 11 Het vierde voor Jizri; zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 12 Het vijfde voor Nethanja; zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 13 Hot zesde voor Rukkia; zijne zonen en zijne broodoren, twaalf. 14 Het zevende voor Josaróla; zijne zonen on zijne broederen, twaalf. 15 Hot achtste voor Josaja; zijne zonen en zijne broederen, twaalf. lli Hot negende voor Mattanja; zijne zonen on zijne broederen, twaalf. 17 Het tiende voor Simeï; zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 18 Het elfde voor Azareöl, zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 19 Het twaalfde voor Hasabja; zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 20 Hot dertiende voor Sübaöl; zijne zonen on zijne broederen, twaalf. 21 Het veertiende voor Mattithja; zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 22 Het vijftiende voor Jerémoth; zijne zonen en zijne brooderen, twaalf. 23 Het zestiende voor Haminja; zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 24 Hot zeventiende voor Josbokasa; zijne zonen on zijne broederen, twaalf. 25 Hot achttiende voor Hamini; zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 26 Het negentiende voor Mallótlii; zijne zonen on zijne broederen, twaalf. 27 Hot twintigste voor Eliatha; zijne zonen en zijne brooderen, twaalf. 28 Hot een en twintigste voor Hothir; zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 29 Hot twee en twintigste voor Giddalti; zijne zonen en zijne broederen, twaalf. 30 Het drie en twintigste voor Mahazioth; zijne zonen on zijne broodoron, twaalf. 31 Hot vier on twintigste voor Romamthi-Ezer; zijne zonen en zijne broederen, twaalf. |
I KRONIJKEN 26, '27.
|
HOOFDSTUK 26. Vercloeling tlergoneu, die de wacht hielden in den tempel, vs. 1 ; en van de schatbewaarders, 20; als-mede van de levietische ambtlieden on regtei's, 20. AANOAANDK de verdeelingen der poortiei's: van de Korahieten was Meselémja, de zoon van Kore, van de kinderen van Asaf. 2 Meselémja nu had kindoren: Zeoharja was de eerstgeborene, Jedïaël de tweede, Zebadja de derde, Jathniël do vierde, 3 Elani do vijfde, Jóhanan de zesde, Eljeóënai de zevende. 4 Obod-Edom had ook kinderen; Semaja was de eerstgeborene, Józabad do tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nothaneël de vijfde, 5 Aminiël do zesde, Issasehar do zevende, l'eül-lethai do achtste; want God had hom gezegend. 6 Ook werden zijnon zoon Semaja kinderen geboren, heerschendo over het huis huns vaders, want zij waren kloeke helden. 7 De kinderen van Semaja waren Othni, en Refaël, en Obed, en E'lzabad, zijne broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja. 8 Deze allen waren nit de kinderen van Obed-Edom; zij, en hunne kinderen, en hunne broeders, kloeke mannen in kracht tot de dienst; daar waren er twee en zestig van Obod-Edom. 0 Meselémja nu had kinderen en broeders, kloeke lieden, achttien. 10 En llosa, uit do kinderen van Merari, had zonen: Simri was het hoofd, (alhoewel hij de eerstgeborene niet was, nogtans stolde hem zijn vader tot oen hoofd). 11 Ililkia was do tweede, Tobalja de derde, Zechiirja do vierde; al de kinderen en broederen van llosa waren dertien. 12 Uit dezen waren do verdeelingen dor poor-tiers onder de hoofden dor mannen, tot de wachten togen hunne broederen, om te dienen in liet huis des Heeren. 13 En zij wierpen de loten, zoo de kleinen als do grooton, naar hunne vaderlijke huizon, tot elke poort. 14 Het lot nu tegen hot oosten viel op Solémja; maar voor zijnen zoon Zechiirja, die een verstandig raadsman was. wierp men do loten, en zijn lot is uitgekomen logon het noorden. 15 Obed-Edom togen het zuiden; en voor zijne kinderen hot huis der schatkameren. 1(! Suppim en llosa togen hot westen, met do poort Schalléchet, bij den opgaanden hoogon weg, wacht tegenover wacht. 17 Tegen het oosten waren zes Levieten; tegen het noorden des daags vier; tegen het zuiden des daags vier: maar bij de schatkameren twee en twee. 18 Aan Parbar tegen het westen waren or vier bij den hoogon weg, twee bij Parbar. |
19 Dit zijn do verdeelingen dor poortiors van de kinderen der Korahieten, en dor kinderen van Morari. 20 Ook was, van do Levieten, Ahïa over do schatten van het huis Gods, en over de schatten dor geheiligde dingen. 21 Van do kinderen van Ladan, kindoren van don Gersoniet Ladan; van Ladan, den Gersoniot, waren hoofden der vaderen, Jelnëli. 22 Do kinderen van Jelüëli waren Zotham en Joël, zijn broeder; (/czf waren over de schatten van het huis des Heeren. 23 Voor de Amramieten, van do Jizharieten, van de 1 lebronioton, van do Uzziölieton, 24 En Sebüël, do zoon van Gorsom, don zoon van Mozos, was overste over do schatten. 25 Maar zijne broeders van Eliézer waren deze: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, on Soló-mith zijn zoon. 26 Deze Selómith en zijne broeders waren over al do schatten der heilige dingen, die de koning David geheiligd had, mitsgaders de hoofden dor vaderen, do oversten over duizenden en honderden , en do oversten des heirs; 27 Van de krijgen en van den buit hadden zij hot geheiligd, om het huis des Heeren to onderhouden. 28 Ook alios, wat Samuël, do ziener, geheiligd had, en Saul, de zoon van Kis, en Abnor, do zoon van Nor, en Joab, de zoon van Zerüja : al wat iemand geheiligd had, was onder de hand van Selómith on zijne broederen. 29 Van do Jizharieten waren Chenanja on zijne zonen tot liet buitenwerk in Israël, tot ambtlieden en tot regtors. 30 Van do Hobronieten was Hasabja, en zijne broeders, kloeke mannon, duizend en zeven honderd , over de ambten van Israël op deze zijde der Jordaan tegen het westen, over al het werk des Heeren, on tot de dienst dos konings. 31 Van de Hobronieten was Jeria hot hoofd, van de Hobronieten zijner geslachten onder de vaderen : in hot veertigste jaar dos koningrijks van David zijn or gezocht en onder hen gevonden kloeke helden te Jaëzer in Gilead. 32 En zijne broeders waren kloeke lieden, twee duizend on zeven honderd hoofden der vaderen; en do koning David stelde hen over do Rubenie-ton, en Gadieton, en den halven stam dor Ma-nassieten, tot alle zaken Gods en de zaken des konings. HOOFDSTUK 27. Orden der krijgslieden, vs. 1. Vorsten der stammen, 16. Bewaarders der koninklijke schatten en goederen, 25. Davids voornaamste raadslieden en vrienden, 32. DIT nu zijn de kinderen Israëls naar hun getal, de hoofden der vaderen, en de oversten der duizenden on der honderdon, met hunne ambtlieden , den koning dienende in allo zaken dor verdeelingen, aangaande en afgaande van maand |
1 KiiONIJKEN 27, 28.
417
|
tot maaiul in al (l() maanden dos jaai's; elke verdeeling was vier en twintig duizend. 2 Over de eerste verdeeling in du eerste maand was Jasobam, do zoon van Zabdiël; en in zijne verdeeling waren er vier en twintig duizend. li Ilij was uit de kinderen van Perez, het hoofd van al do oversten dor heiren in do eerste maand. 4 En over de verdeeling in de tweede maand was Dodai, de Ahohiet, on owe?'zijne verdeeling was Mikloth ook voorganger; in zijne verdoeling waren er ook vier en twintig duizend. 5 Do derde overste des heirs in de derde maand was Benaja, de zoon van Jójada, den opperambt-man, die was het hoofd; in zijne verdoeling waren er ook vier en twintig duizend. 6 Deze Benaja was een hold van do dertig, en over do dertig; on over zijne verdeeling was Ammizabad, zijn zoon. 7 Do vierde, in de vierde maand, was A'sahel, de broeder van Joab, en na hem Zebadja, zijn zoon; in zijno verdeeling waren or ook vier en twintig duizend. 8 De vijfde, in do vijfde maand, was Sainhuth, de Jizrahiot, de overste ; in zijne verdeeling waren er ook vier en twintig duizend, fl De zesde, in de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, do Thekoïet; in zijno verdoeling waren er ook vier en twintig duizend. 10 Do zevende, in do zevende maand, was Helez, de Peloniet, uit de kinderen van Efraïm; in zijne verdeeling waren er ook vier en twintig duizend. 11 De achtste, in de achtste maand, was Sfhbo-chai, do Husathiet, van de Zerahieten; in zijne verdeeling waren or ook vier en twintig duizend. 12 De negende, in de negende maand, was Abiézor, de Annethothiot, van de Benjaminieten; in zijne verdeeling waren or ook vier en twintig duizend. 13 Do tiende, in de tiende maand, was Maharai, do Nethofathiot, van do Zerahieten; in zijne verdeeling waren or ook vier en twintig duizend. 14 Do elfde, in do elfde maand, was Benaja, de Pirhathoniet, van de kinderen van Efraïm; in zijne verdeeling waren er ook vier en twintig duizend. 15 De twaalfde, in do twaalfde maand, was lloldai, de Nethofathiot, van Othniël; in zijne verdoeling waren or ook vier en twintig duizend. IC Doch over do stammen van Israël waren deze: over de Rubenieten was Eliézer, de zoon van Ziehri, voorganger; over do Simeonieton was Sefatja, de zoon van Maiioha; 17 Over do Levieten was Hasabja, de zoon van Kemüël; over do Aaronieton was Zadok; 18 Over Juda was Elfhu, uit do broederen van David; over Issasohar was Omri, de zoon van Michaël; 19 Over Zebulon was Jismaja, do zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriël; |
20 Over de kindoren van Efraïm was Hoséa, do zoon van Azazja; over den halven stam van Manasse was Joël, do zoon van Pedaja; 21 Over half Manasse, in Gilead, wasJiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was Jaiisiël, de zoon van Abner; 22 Over Dan was A'zarel, de zoon van Jeróham. Deze waren de oversten der stammen van Israël. 23 Maar David nam het getal van die niet op, die twintig jaren oud en daar benedon waren; omdat de Heere gezegd had, dat Hij Israël vermenigvuldigen zou als do sterren dos hemels. 24 Joab, do zoon van Zerfija, had begonnen te tellen, maar hij voleindde hot niet, omdat er des-lialve een groote toorn over Israël gekomen was; daarom is liet getal niet opgebragt, in do rekening der kronijken van den koning David. 25 En over de schatten des konings was Azma-veth, do zoon van Adiël; en over de schatten op het land, in de steden, en in de dorpen, en in de torens, was Jonathan, de zoon van Uzzia. 2C En over die, die het akkerwerk deden, in de landbouwing, was Ezri, de zoon van Chelub. 27 En over de wijngaarden was Simeï, de Rama-thiet; maar over hetgeen van de wijnstokken kwam tot de schatten des wijns, was Zabdi, de Sifmiet. 28 En over do olijfgaarden en de wilde vijgo-boomen, die in de laagte waren, was Baiil-llanan, de Gederiot; maar Joas was over de schatten der olie. 2!) En over de runderen, die in Saron weidden, was Sitrai, de Saroniet; maar over de runderen in de laagten, was Safat, do zoon van Adlai. 30 En over de kemelen was Obil, do Ismaëliet; en over de ezelinnen was Jéchdeja, do Meronothiot. 31 En over het kleine vee was Jaziz, do Hage-riet. Allo dozen waren oversten over de have, die de koning David had. 32 En Jonathan, Davids oom, was raad, een verstandig man, hij was ook schrijver; Jelüëi nu, do zoon van llachmóni, was bij de zonen des konings. 33 En Achitófol was raad des konings; en Ilusai, de Archiet, was dos konings vriend. 34 En na Achitófol was Jójada, do zoon van Benaja, en Abjathar; maar Joab was des konings krijgsoverste. HOOFDSTUK 28. Davids laatste bevel aan do vorsten, vs. 1; en aan Salomo omtrent het honden van alle Grotls geboden, in het bijzonder dat van den bonw des tempels, 9. Hij geeft aan Salomo oene afbeelding van den tempel en van al de benoodigdheden in het heiligdom, 14. Korte herhaling van Davids vermaning aan Salomo, 20, TOEN vergaderde David te Jeruzalem alle oversten van Israël, do oversten der stammen, en de oversten der verdeelingen, don koning dienende, en de oversten der duizenden, on do oversten der honderden, en do oversten van allo |
1 KUONIJKEN 28, 20.
na
|
have en vee des konings en zijner zonen, met de kamerlingen, en de helden, ja allen kloeken held. 2 En de koning David stond op zijne voeten, en hij zeide: Hoort mij, mijne broeders, en mijn volk! ik had in mijn hart een huis der rust voor de ark des verbonds des IIeeren te bouwen, en voor do voetbank der voeten onzes Gods, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen. :i quot;Maar God heeft tot mij gezegd: (lij zult mijnen naam geen linis bouwen, want gij zijt een krijgsman, en gij hebt veel bloods vergoten. a 2 Snm. 7:5. 1 Kon. 5:3. 1 Kron. 22:8. 4 Nu heeft mij de Heere, de Gods Israels, verkoren uit mijns vaders gansche huis, dat ik tot koning over Israël wezen zou in eeuwigheid: want Hij heeft Juda tot eenen voorganger verkoren, en mijns vaders huis in het huis van Juda; en onder de zonen mijns vaders heeft Hij een welgevallen aan mij gehad, quot;dat Hij mij ten koning maakte over gansch Israël. «1 Sam. 10:12. 5 En uit al mijne zonen (want de Heere heeft mij vele zonen gegeven) heeft Hij mijnen zoon Salomo verkoren, dat hij zitten zou op den stoel des koningrijks des Heeren over Israël. (! En quot; Hij heeft tot mij gezegd: Uw zoon Salomo, die zal mijn huis en mijne voorhoven bouwen; want Ik heb hem Mij uitverkoren tot eenen zoon, en b Ik zal hem tot eenen Vader zijn. a 2 Sam. 7 : l.i. 2 Kron. 1 : 9. Igt; 2 Sam. 7 : 14. 7 En Ik zal zijn koningrijk bevestigen tot in eeuwigheid: indien hij sterk wezen zal, om mijne geboden en mijne regten te doen, gelijk te dezen dage. 8 Nu dan, voor de oogen van het gansche Israël, de gemeente des Heeren, en voor do ooren onzes Gods, houdt en zoekt al de geboden des Heeren, uws Gods; opdat gijlieden dit goede land erfelijk bezit, en uwen kinderen na u tot in eeuwigheid doet erven. !) En gij, mijn zoon Salomo! ken den God uws vaders, en dien Hem met een volkomen hart on met eeno willige ziel; want quot;de Heere doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het gedichtsol der gedachten: indien gij Hem zoekt. Hij zal van u gevonden worden; maar indien gij Hom verlaat. Hij zal u tot in eeuwigheid verstooton. a 1 Sam. l(i:7. 1 Kron. 29: 17. Ps. 7 : Kt. â¢lor. 11 : 20. 17 : 10. 20: 12. Openb. 2 : 2ii. 10 Zie nu toe, want de Heere heeft u verkoren, dat gij oen huis ten heiligdom bouwt; wees sterk, en doe het. 11 En David gaf zijnen zoon Salomo een voorbeeld van het voorhuis, met zijne behuizingen, en zijne schatkameren, en zijne opperzalen, on zijne binnenkameren, en van hot huis des verzoendeksels ; 12 En oen voorbeeld van alles, wat bij hem door don (Joost was, namelijk van de voorhoven van het huis des Heeren, en van alle kameron rondom; tot do schatten van het huis Gods, on tot do schatten der heilige dingen; |
13 En van de verdeelingen der priesteren en der Levieten, en van allo werk der dienst van het huis des Heeren, en van allo vaten der dienst van hot huis dos Heeren. 14 Het goud gaf hij naar het goudgewigt, tot allo vaten van elke dienst: ook zilver tot alle zilveren vaten bij gewigt, tot al de vaten van elke dienst; 15 En hot gewigt tot do gouden kandelaars, en hunne gouden lampen, naar hot gewigt van elkon kandelaar en zijne lampen; ook tot de zilveren kandelaars, naar het gewigt van oenen kandelaar on zijne lampen, naar de dienst van eiken kandelaar. 16 Ook gaf hij hot goud naar bet gewigt tot de tafelen der toerigting, tot elke tafel, on het zilver tot do zilveren tafelen; 17 En louter goud tot de kraauwelen, en tot de sprengbekkens, en tot do schotelen, en tot gouden bekers, hot gewigt tot eiken beker, desgelijks tot zilveren bekers, tot eiken beker het gewigt; 18 En tot het reukaltaar gelouterd goud in gewigt; en goud tot het voorbeeld dos wagons, te loeten der cherubim, die de vleugels zouden uit-breidon, en do ark dos verbonds des Heeren overdekken. 19 Dit alles hooft men mij, zeide David, bij geschrift te verstaan gogeven van do hand des Heeren, te weten al do werken dezes voorboolds. 20 En David zeide tot zijnen zoon Salomo: quot;Wees sterk, en hob goeden mood, en doe het, vrees niet en wees niet verslagen: want de Heere God, mijn God, zal mot u zijn; Hij zal u niet begeven, en Hij zal u niet verlaten, totdat gij al het werk tot do dienst van hot huis des Heeren zult volbragt hebben. «Dont. 81:7, 8. Joz. 1:7. 21 En zie, daar zijn do vordoelingen der priesteren en dor Levieten, tot allo dienst van het huis Gods; on bij n zijn tot allo werk allerlei vrijwil-ligen, mot wijsheid tot alle dienst, ook do vorsten, en het gansche volk, bereid tot al uwe bevolen. HOOFDSTUK 29. David spreekt tot hot volk van don grooton voorraad van bouwstoffen, die hij voor den bouw des tempels verzameld had, vs. 1; en wekt, zoo de vorsten als hot volk op, om een vrijwillig offer bij te dragen, 5; zij geven mildelijk, ö. David dankt daarvoor don Heere, 10; en bidt voor het gansche volk en den koning, 18. Dankzegging en offer van liet volk, 20. Salomo wordt tot koning en Zadok tot hooge-priester gezalfd, 22. God maakt Salomo zeer groot, 25. Tijd van Davids regering, 2G; en zijnen dood, 28. VERDER zeide de koning David tot de gansche gemeente: God hooft mijnen zoon Salomo alleen verkoren, oenen jongeling en teeder: dit werk daarentegen is groot, want het is geen paleis voor eenen monsch, maar voor God, den Heere. 2 Ik nu heb uit al mijne kracht bereid, tot hot huis mijns Gods, goud tot gouden, en zilver tot |
|
zilveren, en koper tot koperen, ijzer tot ijzeren, en hout tot houten werken; sardónixsteenen en vervullende steenen, versiersteonen en borduursel, en allerlei kostelijke steenen, en marmersteenen in menigte. :t En daartoe, uit niijii welgevallen tot het huis mijns Gods, geef ik liet bijzonder goud en zilver, dat ik heb, tot het huis mijns Gods daarenboven, behalve al wat ik ten buize des heiligdoms bereid heb: 4 Drie duizend talenten gouds, van het goud van Ofir, en zeven duizend talenten gelouterd zilver, om de wanden dor huizen te overtrekken; ó Goud tot de gouden, en zilver tot de zilveren vaten, en tot alle werk, door de hand der werk-meesteren te maken. En wie is er willig, heden zijne hand den Heere te vullen? (i Toen gaven vrijwillig de oversten der vaderen, en de oversten der stammen van Israël, en de oversten der duizenden en der honderden, en do oversten van hot werk des konings; 7 En zij gaven, tot de dienst van hot huis Gods, vijf duizend talenten gouds, en tien duizend drachmen, en tien duizend talenten zilvers, en achttien duizend talonten kopers, en honderd duizend talenten ijzers. 8 En bij wien steenen gevonden werden, die gaven zij in den schat van hot huis dos Heeren, onder de hand van Jelüël den Gorsoniet. !) En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven, want zij gaven met een volkomen hart den Heere vrijwillig; en do koning David verblijdde zich ook met groote blijdschap. 10 Daarom loofde David don Heere voor de oogen der gansche gemeente; en David zeide: Geloofd zijt Gij, Heere, God van onzen vader Israël, van eeuwigheid tot in eeuwigheid! 11 quot;Uwe, o Heere! is do grootheid, en de magt, en do heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit, want alles, wat in den hemel en op de aarde is, is moe; uwe, o Heere! is het koningrijk, en Gij hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles. o Matt. 0: 13. 1 Tim. I : 17. Openb. 5: lii. 12 En rijkdom en oer zijn voor uw aangezigt, en Gij heerscht over alles; en in uwe hand is kracht en magt: onk staat het in uwe hand alles groot te maken en sterk te maken. 13 Nu dan, onze God! wij danken U, en loven den naam uwer heerlijkheid. 14 Want wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de magt zouden verkregen hebben, om vrijwillig to geven als dit is? want het is alles van U, en wij geven het U uit uwe hand. 15 Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor uw aangezigt, gelijk al onze vaders; onze dagen op aarde zijn quot;als eene schaduw, en er is geene verwachting. a Ps. 90 ; 9. 102 :12. 1G Heere, onze God! al deze menigte, die wij bereid hebben, om U een huis te bouwen, den |
419 name uwer heiligheid, dat is van uwe hand, en hot is alles uwe. 17 En ik weet, mijn God! dat Gij quot;het hart proeft, en dat Gij een welgevallen hebt aan op-regtigheden. Ik heb in opregtigheid mijns harten al deze dingen vrijwillig gegeven, en ik heb nu mot vreugde uw volk, dat hier gevonden wordt, gezien, dat het zich jegens U vrijwillig gedragen heeft. a 1 Kron. 28 : 9. 18 O Heere, Gij God onzer vaderen, Abraham, Izak en Israël! bewaar dit in dor eeuwigheid in den zin der gedachten van het hart uws volks, en rigt hun hart tot U. 19 En geef mijnen zoon Salomo een volkomen hart, om te houden uwe geboden, uwe getuigenissen en uwe inzettingen; en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen, hetwelk ik bereid heb. 20 Daarna zeide David tot de gansche gemeente: Looft nu den Heere, uwen God! Toon loofde do gansche gemeente don Heere, don God hunner vaderen; on zij neigden het hoofd, en zij bogen zich neder voor den Heere, on voor den koning. 21 En zij offerden don Heere slagtofforen, ook offerden zij don Heere brandofferen, des anderen morgens van dien dag, duizend varren, duizend rammen, duizend lammeren, mot hunne drankofferen; en slagtofforen in menigte, voor gansch Israël. 22 En zij aten on dronken deszelven daags voor het aangezigt dos Heeren met groote vreugde; on zij maakten Salomo, den zoon van David, ton andore maal koning, on zij zalfden hem don Heere tot voorganger, on Zadok tot priester. 23 Alzoo zat Salomo op den troon des Heeren, als koning in zijns vaders Davids plaats, on hij was voorspoedig; en gansch Israël hoorde naar hem. 24 En al do vorsten, en holdon, ja ook al de zonen van don koning David, gaven do hand, dat zij onder don koning Salomo zijn zouden. 2n En de Heere maakte Salomo groot ten hoogste voor do oogen van gansch Israël; on Hij gaf aan hem eono koninklijke majesteit, hoedanigo aan geenon koning van Israël vóór hem geweest is, 20 Zoo hoeft dan David, de zoon van Isaï, go-regeord over gansch Israël. 27 Do dagen nu, die hij geregeerd heeft over Israël, zijn quot;veertig jaar: to ''Hebron regeerde hij zeven jaren, on to Jeruzalem regeerde hij drie en dertig. al Kon. 2:11. b2 Sum. 5:5. 28 En hij stierf in goeden ouderdom, zat van dagen, rijkdom en eer; on zijn zoon Salomo regeerde in zijne plaats. 29 Do geschiedenissen nu van den koning David, de eerste en do laatste, ziet, die zijn geschreven in de goschiedonisson van Samuël, don ziener, on in de goschiodenisson van den profeet Nathan, en in de geschiedenissen van Gad, don ziener: 30 Met al zijn koningrijk, en zijne magt, en do tijden, dio over hom verloopon zijn, on over Israël, en over al do koningrijken dor landen. 1 KRONIJKEN 20. |
421) '2 KRONUKEN 1, 2.
HET TWEEDE BOEK
der
K R O N IJ K E N.
|
HOOFDSTUK 1. Salomo in zijn rijk bevestigd zijnde, offert te Gibeon, vs. 1. Keuze hebbende van God om wat tobegeeren, bidt om wijsheid, 7; die hij verkrijgt, met belofte van rijkdom en eer, 11. Hij koert weder van Gibeon, 13. Zijne magt en rijkdom, 14. ÃN Salomo, de zoon van David, quot;word versterkt in zijn koningrijk, want de Heere, zijn God, was met hem, en maakte hem ten hoogste groot. n 1 Kon. 2 : 40. 2 En Salomo sprak tot hot gansche Israël, tot de oversten der duizenden en der honderden, en tot do regteren, en tot alle vorsten in gansch Israël, de hoofden der vaderen; 3 En zij quot;gingen henen, Salomo en de gansche gemeente met hem, naar de hoogte, die te Gibeon was: h want daar was de tent der zamenkomst Gods, die Mozes, de knecht dos Heeren, in de woestijn gemaakt had. «1 Kon. 3:4. b 1 Ivron. 16 : 39. 21 ; 29. 4 (Maar de ark Gods quot;had David van Kirjath-Jearim opgebragt, tor plaatse, die David voor haar bereid had; want hij had voor haar eene tent te Jeruzalem gespannen.) a 2 Sam. 0:2, 17. i Kron. 10: 1. 5 Ook was het koperen altaar, dat quot;Bezaleël, de zoon van Uri, den zoon van Uur, gemaakt liad, aldaar voor den tabernakel des Heeren: Salomo nu en de gemeente bezochten hetzelve. «Ex. 38: 1. 0 En Salomo offerde daar, voor het aangezigt des Heeren, op het koperen altaar, dat aan de tent der zamenkomst was; en hij offerde daarop duizend brandofferen. 7 In dienzelven nacht verschoen God aan Salomo; en Hij zeide tot hem: Begeer wat Ik u geven zal. 8 En Salomo zeide tot God: Gij hebt aan mijnen vader David groote weldadigheid gedaan; quot;en Gij hebt mij koning gemaakt in zijne plaats: a 1 Kron. 28 : 5. !) Nu, Heere God! laat uw woord waar worden, gedaan aan mijnen vador David; quot;want Gij hebt mij koning gemaakt over oen volk, menigvuldig als het stof der aarde: al Kon. 3:7. 10 quot; (Jeef mij nu wijsheid en wetenschap, dat ik voor het aangezigt van dit volk uitga en inga: want wie zou dit uw groot volk kunnen rigton? a 1 Kon, 3:9, 11, 12. |
11 Toen zeide God tot Salomo: Daarom, dat dit in uw hart geweest is, en gij niet begeerd hebt rijkdom, goederen, noch eer, noch de ziel uwer haters, noch ook vele dagen begeerd hebt; maar wijsheid en wetenschap voor u begeerd hebt, opdat gij mijn volk mogt rigten, waarover Ik u koning gemaakt heb: 12 Do wijsheid, en de wetenschap is n gegeven; daartoe zal Ik u rijkdom, en goederen, en eer geven, dergelijk quot; geone koningen, die vóór u geweest zijn, gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn. quot;1 Kon. 3:13. 1 Kron. 29:25. 2 Kron. 9:22. 13 Alzoo kwam Salomo te Jeruzalem, van de hoogte, die te Gibeon is, van voor de tent der zamenkomst; en hij regeerde over Israël. 14 En Salomo quot;vergaderde wagenen en ruiteren, zoodat hij duizend en vier honderd wagenen, en twaalf duizend ruiteren had; en hij leide ze in de wagensteden, en bij den koning te Jeruzalem. a 1 Kon. 4:20. 10:20. 2 Kron. 9:25. 15 En de koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem te zijn, als steenen, en do coderen maakte hij te zijn, als wilde vijgeboonion, die in de laagten zijn, in menigte. 10 En quot;het uitbrengen der paarden was hetgeen Salomo uit Egypte had ; en aangaande hot linnen-garen , do kooplieden dos konings namen hot linnengaren voor den prijs. al Kon. 10:28. 2 Kron. 9:28. 17 En zij bragten op, en voerden oenen wagen uit van Egypte voor zes honderd sikkelen zilvers, on oen paard voor oen honderd en vijftig; en alzoo voerden zij die door hunne hand uit, voor alle koningen der Hethieten, en voor do koningen van Syrië. HOOFDSTUK 2. Salomo bestelt werklieden tot don bouw dos tempels, vs. 1. Zijn verzoek aan lluram, den koning van Tyrns, om werklieden on hout, 3; mot belofte hen van spijs te verzorgen, 10. lluram is gewillig en zendt eenen uitnomenden werkmeester, 11. Salomo telt en verdeelt zijne werklieden, 17. SALOMO nu dacht voor den naam des Heeren een huis te bouwen, en een huis voor zijn koningrijk. 2 En Salomo telde zeventig duizend lastdragende mannon, en tachtig duizend mannen, die houwen zouden in het gebergte; quot;mitsgaders drie duizend en zes honderd opzieners over dezelve. a 1 Kon. 5 : 10. 3 En Salomo quot;zond tot lluram, den koning van Tyrus, zeggende: Gelijk als gij met mijnen vador David gedaan hebt, en hebt hem cederen gezonden, om voor hem oen huis te bouwen, om daar in te wonen, zoo doe ook met mij. a 1 Kon. 5: 2. |
|
4 Zio, ik zal een huis voor den naam des IIuiv-ken, mijns Gods, bouwen, om Hem te heiligen, om reukwerk der welriekende specerijen voor zijn aangezigt aan te steken, en voor de toerig-ting des gedurigen broods, en voor do quot;brand-offeron des morgens en des avonds, op de sabbaton, on op de nieuwe maanden, en op de gozotte hoogtijden des Heeren, onzes Gods; hetwelk voor eeuwig is in Israël. «Num. 28:9,10,11. 5 En het huis, dat ik zal bouwen, zal groot zijn: want onze God is grooter dan alle goden. (i Doch wie zou de kracht hebben, om voor Hom een huis te bouwen, quot;dewijl de hemelen, ja do hemel der hemelen, Hem niet begrijpen zouden? En wie ben ik, dat ik voor Hem oen huis zou bouwen, ten ware om reukwerk voor zijn aangezigt aan te steken? al Kon. 8:27. 2 Kron. (i : is. Job 11 : 7, 8,!). Jes. 60:1. .Tor. 23 : 24. Muit. 5:34,35. Hand. 7:40. 17:24. 7 Zoo zend mij nu oenen wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en iu ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemels-blaauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt hoeft. 8 Zond mij ook cederen, dennen, en alguinmim-hout uit Libanon, want ik weet, dat uwe knechten liet hout van Libanon weten te houwen; en zie, mijne knechten zullen met uwe knechten zijn: 0 En dat om mij hout in menigte te bereiden; want het huis, dat ik zal bouwen, zal groot en wonderlijk zijn. 10 En zie, ik zal uwen knechten, den houwers, die het hout houwen, twintig duizend kor uitgeslagen tarwe, en twintig duizend kor gerst geven; daartoe twintig duizend bath wijns, en twintig duizend bath olie. 11 Hurani nu, do koning van Tyrus, antwoordde door schrift, en zond tot Salomo: Daarom dat-de Heere zijn volk lief heeft, hoeft Hij u over hen tot koning gesteld. 12 Verder zeide Hurani: Geloofd zij de Heere, de God Israels, quot;die den hemel en de aarde gemaakt heeft, dat Hij den koning David eenen wijzen zoon, kloek in voorzigtigheid en verstand, gegeven heeft, die een huis voor den Heere, en een huis voor zijn koningrijk bouwe! a Gen. 1, 2. Ex. 20 : 11. I's. 33 : G. 9G : 5. 102 : 20. 124 : 8. 13G : 5, G. Hand. 4 : 24. 14 : 15. Openb. 10 : G. 13 Zoo zend ik nu oenen wijzen man, kloek van verstand, Hurani Abi; 14 Den zoon eener vrouw uit do dochteren van Dan, en wiens vader een man geweest is van Tyrus, die weet te werken in goud, en in zilver, in koper, in ijzer, in steenen, en in hout, in purper, in hemelsblaauw, en in fijn linnen, en in karmozijn, en om allo graveersel to graveren, en om te bedenken allen vernuftigen vond, die hem zal voorgesteld worden, met uwe wijzen, en de wijzen van mijnen heer, uwen vader David. |
121 15 Zoo zonde nu mijn heer zijnen knechten de tarwe en do gerst, do olie en den wijn, die hij quot;gezegd heeft. avers 10. 1G En wij zullen hout houwen uit den Libanon, naar al uwe nooddruft, en zullen het tot u met vlotten, over de zee, naar Jafo brengen; en gij zult het laten ophalen naar Jeruzalem. 17 En quot;Salomo tolde al de vreemde mannen, die in het land van Israël waren, achtervolgens de telling, ''met dewelke zijn vader David die geteld had; en er werden gevonden honderd drie en vijftig duizend en zes honderd. a\ Kon. 5: 15. b \ Kron. 22:2. 18 En hij maakte uit dezelve zeventig duizend lastdragers, en tachtig duizend houwers in het gebergte, mitsgaders drie duizend en zes honderd opzieners, om het volk te doen arbeiden. HOOFDSTUK 3. De plaats waar, en de tijd wanneer do tempel is gebouwd, vs. I. Opgave van zijne lengte, breedte, hoogte en sieraden, 3; do eherubiin, 11; de voorhang cn do pilaren, 14. EN Salomo begon het huis des Heeren te bouwen te Jeruzalem, op den berg Morïa, die quot;zijnen vader David gewezen was, in de plaats, die David toebereid had, op don dorschvloer van Ornan, don Jebusiet. al Kron. 21 :24, 2G 2 Hij quot; begon nu te bouwen in de tweede maand, op den tweeden dag, in het vierde jaar van zijn koningrijk. a 1 Kon. G : 1. 3 En deze zijn de grondloggingen van Salomo, om het huis Gods te bouwen: do lengte in ellen, naar de eerste mate, was zestig ellen, en do breedte twintig ellen. 4 En het voorhuis, hetwelk vooraan was, was in de lengte, naar do breedte van het huis, twintig ellen, en de hoogte honderd en twintig; hetwelk hij van binnen overtrok met louter goud. 5 Het groote huis nu overdekte hij met dennenhout ; daarna overtoog hij dat met goed goud; en hij maakte daarop palmen en ketenwerk. (i Hij overtoog ook het huis met kostelijke steenen tot versiering; het goud nu was goud van Parvaïm. 7 Daartoe overdekte hij aan het huis de balken, de posten en de wanden daarvan, en de deuren daarvan, met goud; en hij graveerde cherubs aan de wanden. 8 Verder maakte hij het huis van het heilige dor heiligen, welks lengte, naar de breedte van hot huis, was twintig ellen, on de breedte daarvan twintig ellen; en hij overtoog dat met goed goud, tot zes honderd talenten. !) En het gewigt der nagelen was tot vijftig sikkelen gouds; en hij overtoog de opperzalen mot goud. 10 Ook maakte hij, in het huis van hot heilige der heiligen, twee cherubim van uittrekkend werk, en hij overtoog die met goud. 11 Aangaande de vleugelen dor cherubim, hunne 2 KRÃNIJKEN 2, 3. |
2 KRONIJKEN 3,4, 5.
422
|
lengte was twintig ellen : des eenon vleugel was van vijf ellen, rakende aan den wand van het lutis, en de andere vleugel van vijl' ellen, rakende aan den vleugel des anderen cherubs. 12 Insgelijks was de vleugel des anderen cherubs van vijf ellen, rakende aan den wand van het huis; en de andere vleugel was van vijf ellen, klevende aan den vleugel des anderen cherubs. 13 De vleugelen dezer cherubim spreidden zich uit twintig ellen; en zij stonden op hunne voeten, en hunne aangezigten waren huiswaarts. 14 Hij maakte ook quot;den voorhang van hemels-blaauw, en purper, en karmozijn, en fijn linnen; en hij maakte cherubs daarop. a Matt. 27:51. 15 Nog maakte hij vóór het huis quot;twee pilaren, van vijf en dertig ellen in lengte; en het kapiteel, dat op derzelver hoofd was, was van vijf ellen. a\ Kon. 7 : 15. Jcr. 52:21. Ki Ook maakte hij ketenen, als in de aanspraak-plaats, en hij zette ze op de hoofden der pilaren; daartoe maakte hij honderd granaatappelen, en zette zo tusschen do ketenen. 17 En hij rigtte de pilaren op voor aan den tempel, oenen ter regterhand, en eenen ter linkerhand; en hij noemde den naam van den regter Jachin, en den naam van den linker Boaz. HOOFDSTUK 4. Bosch t ij ving van het koperen altaar tot het braiuloller, vs. 1 ; de gegotene zee, 2; do wasclivuton, (i; dc kandelaren, 7; de tafels, 8; on de voorhoven. 1); mot vermelding van al do stnkkon door llnram tot gebruik in den tempel gemaakt; deze waren van koper, 11, of van goud, 19. HIJ maakte ook een koperen altaar, van twintig ellen in zijne lengte, en twintig ellen in zijne breedte, en tien ellen in zijne hoogte. 2 Daartoe maakte hij de gegotene zee: van tien ellen was zij, van haren eenen rand tot haren anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in hare iioogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom. S Onder dezelve nu was de gelijkenis van runderen, rondom henen, die omsingelende, tien in eene el, omringende de zeo rondom: twee rijen dezer runderen waren in hare gieting gegoten. 4 Zij stond op twaalf runderen : drie ziende naar hot noorden, on drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was boven op dezelve; en al hunne achterdeelen waren inwaarts. 5 Hare dikte nu was eene hand breed, en haar rand als het werk van don rand eens bekers of' eener leliebloem, begrijpende vele bathen; zij hield drie duizend. (i En hij maakte tien waschvaten, en stelde vijf ter regter-, en vijf tor linkerhand, om daarin te wasschen: wat ton brandoffer behoort, staken zij daarin; maar de zee was, opdat de priesteren zich daarin zouden wasschen. |
7 Hij maakte ook quot; tien gouden kandelaren, naar hunne wijze, en hij stelde ze in den tempel, vijf aan de regterhand, en vijf aan de linkerhand. a 1 Kon. 7 : 48, 49. 8 Ook maakte hij tien tafelen, on hij zette ze in den tempel, vijf aan de regterhand, en vijf aan do linkerhand; en hij maakte honderd gouden sprengbokkens. 9 Verder maakte hij het voorhof der priesteren, en het groote voorhof, mitsgaders de deuren voor hot voorhof, en overtoog hunne deuren mot koper. 10 De zee nu zette hij aan do regterzijde, naar het oosten, tegenover het zuiden. 11 Daartoe maakte Huram de potten, en de schoffelen, en de sprengbokkens: alzoo voleindde lliram hot werk te maken, dat hij voor don koning Salomo aan het huis Gods maakte. 12 De twee pilaren, en de bollen, en de twee kapiteelen, op het hoofd der pilaren; en de twee netten, om de twee bollen der kapiteelen te bedekken , die op der pilaren hoofd waren; 13 En de vier honderd granaatappelen tot de twee netten: twee rijen van granaatappelen tot elk net, om de twee bollen der kapiteelen te bedekken , die boven op de pilaren waren. 14 Hij maakte ook do stollingen; en waschvaten maakte hij op de stellingen; 15 Eene zee, en de twaalf' runderen daaronder. 1(! Insgelijks de potten, en de schoffelen, en de kraauwelen, en al luinno vaten maakte Huram Ahiu voor den koning Salomo, voor het huis des Heeren, van gepolijst koper. 17 In de vlakte der Jordaan goot zo de koning, in digte aarde, tusschen Sukkoth, en tusschen Zoredatha. 18 En Salomo maakte al doze vaten, in groote menigte; want hol gowigt des kopers werd niet onderzocht. 19 quot;Ook maakte Salomo alle vaten, die voor het huis Gods waren, en het gouden altaar, en de tafelen, waarop de toonbrooden zijn; a 1 Kon. 7 : 48. 20 En do kandelaren met hunne lampen, van gesloten goud, om die naar de wijze aan te steken, vóór de aanspraakplaats; 21 En do bloemen, en do lampen, en de snuiters, van goud ; het was het volmaaktste goud: 22 Mitsgaders do gaffelen, en de sprengbokkens, en de rookschalen, en de wierookvaten, van gesloten goud: aangaande den ingang van het huis, zijne binnenste deuren, van het heilige der heiligen, en de deuren van het huis des tempels waren van goud. HOOFDSTUK 5. Salomo laat al do geheiligde dingen van zijnen vader, benovens de ark Gods, in don tempel brengen, vs. 1. Verhaal van hotgoon in de ark was, 10. Do Levieten verheerlijken Ood door muziek en lofgezangen, 11. Waarop de Hoero in oeno wolk verschijnt, die het huis vervult, 13. |
2 K RON IJ KEN 5, C.
|
ALZOO werd al het werk volbragt, dat Salomo aan het liuis des Heeren maakte. Daarna bragt Salomo de geheiligde dingen van zijnen vader David; on het zilver, en liet goud, en al de vaten lelde hij onder de schatten van hot huis Gods. '2 Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israël, en al do hoofden der stammen, de oversten dor vaderen onder de kinderen Israels, te Jeruzalem, om de ark des vorbonds des Heeren op te brengen uit do stad Davids, dewelke is Zion, !! En alle mannen van Israël verzamelden zich tot don koning op het feest, hetwelk was in de zevende maand. 4 En al de oudsten van Israël kwamen, en de Levieten namen do ark op. ó En zij bragton de ark, en de tent dor zamen-komst opwaarts, mitsgaders al de lieilige vaten, die in do tont waren; deze bragten de priesters en Levieten opwaarts. 0 De koning Salomo nu, en de gansche verga-doring van Israël, die bij hom vergaderd waren voor do ark, offerden schapen en rundoren, die van wege do menigte niet kondon getold noch gerekend worden. 7 Alzoo bragton do priesters de ark dos vorbonds des Heeren tot hare plaats, tot de aanspraakplaats van het huis, tot het heilige der heiligen, tot onder do vleugelen der chorubim. 8 Want do cherubim spreidden de beide vleugelen over do plaats der ark: en de chorubim overdekten do ark on hare handboomen van boven. !) Daarna schoven zij de handboomen verder uit, dat do hoofden dor handboomen gezien werden uit do ark, voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij was daar tot op dezen dag. 10 Er was niots iu do ark, dan alleen do twee tafelen, dio Mozes bij Iloreb (htdrin gedaan had, als do i 1 eerk ccn verhoud, maakte met do kinderen Israëls, toon zij uit Egypte uitgetogen waren. 11 En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen: (want al do priesters, die gevonden worden, haddon zicli geheiligd, zonder de verdeolingon te houden; 12 En de Levieten, die zangers waren van hen allen, van Asaf, van Heman, van Jediithun, en van hunne zonen, en van hunne broederen, in fijn linnen gekleed, mot cimbalen, en mot luiten, en harpen, stonden tegen hot oosten des altaars, on mot hen tot honderd en twintig priesteren toe, trompettende met trompetten.) 13 Het goschioddo dan, als zij oonpariglljk trompetten en zongen, om eeno eenparige stem te laten hooron, prijzende en lovende don Heere; en als zij de stom verhieven mot trompetten, en met cimbalen, en andere muzikale instrumenten, en als zij den Heere prezen, dat Hij goed is, dat zijne weldadigheid is tot in eeuwigheid: dat het huis mot eeno wolk vervuld werd, namelijk het huis dos Heeren. |
14 En do priesters konden, van wege dio wolk, niet staan, om te dienen; want de heerlijkheid des Heeren had het huis Gods vervuld. HOOFDSTUK (!. Salomo, liet toeken van do goddelijke tegenwoordigheid in den tempel ziende, looft en dankt den llcere, wegens de vervulling der belofte aan zijnen vader gedaan, vs. 1; doet oen heerlijk gebed, waarin hij hot regte gebruik van don tempel aantoont, 12. TOEN zeide Salomo: Do Heere heeft gezegd, dat Hij in do donkerheid zou wonen. 2 En ik hob U oen huis ter woonstede gebouwd, en eeno vaste plaats tot uwe eeuwige woning. !i quot;Daarna wondde do koning zijn aangozigt om, en zogende do gansche gemeente van Israël; en do gansche gemeente van Israël stond. a 1 Kon. 8 : 14, 15. 4 En hij zeide: Geloofd zij do Heere, do God van Israël, dio mot zijnen mond tot mijnon vader David gesproken hooft, en hooft hot met zijne handen vervuld, zeggende: 5 Van dien dag af, dat Ik mijn volk uit Egyp-toland uitgevoerd heb, heb Ik geono stad vorkoren uit allo stammen van Israël, om oen huis te bouwen, dat mijn naam daar zou wezen; en geenon man verkoren, om een voorganger te zijn over mijn volk Israël. (i Maar Ik heb Jorüzalem vorkoren, dat mijn naam daar zou wezen; en Ik hob David vorkoren, dat hij over mijn volk Israël wezen zou. 7 quot; Het was ook in het hart van mijnon vader David, eon huis te bouwen den naam dos Heeren, dos Gods van Israël. a2Sani. 7:2. I Kon. 8:17. 1 Kron. 17:1. 28:2. 8 Maar do Heere zeide tot mijnen vader David: Dewijl dat in uw hart geweest is, mijnen naam oen huis te bouwen, gij hebt welgedaan, dat hot in uw hart geweest is. II Evenwol gij zult dat huis niet bouwen; maar uw zoon, dio uit uwe lenden voortkomen zal, dio zal mijnen naam dat huis bouwen. 10 Zoo hoeft do Heere zijn woord bevestigd, dat Hij gesproken had: want ik ben opgestaan in do plaats van mijnen vader David, on ik zit op don troon van Israël, gelijk als do Heere gesproken hoeft; on ik heb oen huis gebouwd don naam des Heeren, des Gods van Israël. 11 En ik hol) daar do ark gestold, waarin hot verbond dos Heeren is, hetwelk Hij maakte mot do kinderen Israëls. 12 En hij stond voor het altaar dos Heeren, tegenover de gansche gemeente van Israël: en hij breidde zijne bandon uit; 13 (Want Salomo had oen koperen gestoelte gemaakt, on had hot gestold in hot midden dos voorhofs; zijnde vijf ellen in zijne lengte, en vijf ellen in zijne breedte, on drie ellen in zijne hoogte; on hij stond daarop, en knielde op zijne knieën voor de gansche gemeente van Israël, en breidde zijne handen uit naar den hemel.) |
2 KRONIJKEN (gt;.
124
|
14 En hij zoidc: 11 kerk, God van Israël! or is quot; geen God gelijk Gij, in den homol noch op do aarde, houdende het verbond en do weldadigheid, aan uwe knechten, die voor uw aangezigt '' niet hun gansche hart wandelen; u Ex. 15 : 11. Dent. 4 : 39. 7 ; 9. b 1 Kon. 2 : 4. 15 Die uwen knecht, mijnen vader David, go-houden hebt, quot; wat Gij tot hein gesproken hadt; want met uwen mond hebt Gij gesproken, en met uwe hand vervuld, gelijk hot te dozen dage is. a 1 Kron. 22 : 9. Ki En nu, Hekre, God van Israël! houd uwen knecht, mijnen vader David, wat Gij tot hem gesproken hebt, zeggende: «Geen man zal u van voor mijn aangezigt afgesneden worden, die zitte op den troon van Israël; alleenlijk zoo uwe zonen hunnen weg bewaren, om te wandelen in mijne wet, gelijk als gij gewandeld hebt voor mijn aangezigt. a 2 Sain. 7:12, 16. Ps. 132:12. 17 Nu dan, o Heere, God van Israël! laat uw woord waar worden, hetwelk Gij gesproken hebt tot uwen knecht, tot David. 18 Maar waarlijk, zou God bij do menschon op flo aarde wonen? quot; Ziet, de hemelen, ja de heinel dor hemelen, zouden U niet begrijpen, hoe voel te min dit huis, dat ik gebouwd heb! a 1 Kon. 8 : 27. 2 Kron. 2 : G. Jcs. CG : 1. Hand. 7 ; 49. 19 Wond U dan nog tot het gebod uws knechts, en tot zijne smeeking, o Hkere, mijn God! om te hooren naar hot geroep en naar het gebod, dat uw knecht voor uw aangezigt bidt. 20 Dat uwe oogen open zijn, dagen nacht, over dit huis, over de plaats, van dewelke Gij gezegd hebt, uwen naam daar te zullen zetten; om te hooren naar liet gebod, hetwelk uw knecht bidden zal in doze plaats. 21 Hoor dan naar do smeekingon van uwen knecht on van uw volk Israël, die in deze plaats zullen bidden; en hoor Gij uit de plaats uwer woning, uit den hemel, ja hoor, en vergeef. 22 quot;Wanneer iemand togen zijnon naaste zal gezondigd hebben, on die hom oenen eed dos vlooks opgelegd zal hebben, om zich zeiven to vervloeken , en do eed des vlooks voor uw altaar in dit huis komen zal; al Kon. 8:31, enz. 23 Hoor Gij dan uit den hemel, en doe, en rigt uwe knechten, vergeldende den goddeloozo, go-vende zijnen weg op zijn hoofd, en regtvaardigonde don rogtvaardige, gevende hem naar zijne ge-regtigheid. 24 quot;Wanneer ook uw volk Israël voor het aangezigt dos vijands zal geslagen worden, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich bekeeren, en uwen naam belijden, on voor uw aangezigt in dit huis bidden en smeeken zullen; «1 Kon. 8:33, enz. 25 Hoor Gij clan uit den hemel, on vergeef de zonden van uw volk Israël, en breng hen weder in het land, dat Gij hun en hunnen vaderen gegeven hebt. |
2G quot;Als de hemel zal gesloten zijn, dat or geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en uwen naam belijden, en van hunne zonden zich bekeeren zullen, als Gij hou geplaagd zult hebben; (ï 1 Kon. 8:35, on/.. 27 Hoor Gij dan in den hemel, on vergeef do zonden uwer knechten en van uw volk Israël, als Gij hun zult geleerd hebben den goeden weg, in donwelken zij wandelen zullen; en geef regen op uw land, dat Gij uw volk tot eeno erfenis gegeven hebt. 28 quot;Als er honger in hot land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoron of honigdauw, sprinkhanen en kevers wezen zullen, als iemand van zijne vijanden in het land zijnor poorten hem belegeren zal, o/'eonige plage, of oenige krankheid wezen zal; a 2 Kron. 20 : 9. 29 quot; Alle gebed, alle smeeking, die van eenig mensch, of van al uw volk Israël geschieden zal, als zij erkennen, een ieder zijne plage en zijne smarte, en een ieder zijne handen in dit huis uitbreiden zal; al Kon. 8:38, enz. 30 Hoor Gij dan uit den homol, do vaste plaats uwer woning, en vergeef, en geel' oen' iegelijk naar al zijne wogen, gelijk Gij zijn hart kont: want Gij alleen kont hot hart van de kinderen dor menschen. 31 Opdat zij U vreezen, om te wandelen in uwe wogen, al do dagen, die zij loven zullen op het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt. 32 quot;Zelfs ook aangaande den vreemde, die van uw volk Israël niet zijn zal, maar uit verren lande, om uws groeten naams, en uwer sterke hand, en uws uitgostrekten arms wil, komen zal: als zij komen, en bidden zullen in dit huis; a 1 Kon. 8:41, enz. 33 Hoor Gij dan uit don homol, uit do vaste plaats uwer woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat allo volken dor aarde uwen naam kennen, zoo om U te vree-zon, gelijk uw volk Israël, als om te weten, (latuw naam genoemd wordt over dit huis, hetwelk ik gebouwd heb. 34 quot;Wanneer uw volk in den krijg tegen zijne vijanden uittrokken zal door den weg, dien Gij hen heenzenden zult, en zullen tot U bidden naaiden weg dezer stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, hetwelk ik uwen naam gebouwd heb ; al Kon. 8 : 44, enz. 35 Hoor dan uit den hemel hun gebod en hunne smeeking, en voer hun regt uit. 36 Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U, quot;(want geen mensch is er, die niet zondigt) en Gij togen hen vertoornd zult zijn, on hen leveren zult voor het aangezigt des vijands, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in oen land, dat verre of nabij is; «1 Kon.8: 4G. Spr. 20:9. Pred.7:20. Jakob. 8:2. 1 Joh. 1: s. 37 En zij in het land, waar zij gevankelijk weg- |
2 KKONIJKEN (!, 7.
|
gevoerd zijn, weder aan hun hart brengen zullen, dat zij zicli bekeeren, en tot U smeeken in het land hunner gevangenis, zeggende: Wij hebben gezondigd, verkeerdelijk gedaan, en goddelooslijk gehandeld; .'38 En zij zich tot U bekeeren, met hun gansche hart on niet hunne gansche ziel, in hot land luumer gevangenis, waar zij hen gevankelijk weggevoerd hebben, en bidden zullen naar den weg huns lands, dat Gij hunnen vaderen gegeven hebt, en naar deze stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, dat ik uwen naam gebouwd hob; 39 Hoor dan uit den hemel, uit de vaste plaats uwer woning, hun gebed en hunne smeekingen, en voor hun regt uit, en vergeef uw volk, wat zij tegen U gezondigd zullen hebben. 40 Nu, mijn God! laat toch uwe oogon open en uwe ooron opmerkende zijn tot het gebed dezer plaats. 41 En nu, Heere God! maak U op tot uwe rust. Gij en de ark uwer kracht; laat uwe priesters, Heere God! met heil bekleed worden, en laat uwe gunstgenooten over hot goede blijde zijn. 42 O Heeue God! wend hot aangezigt uws gezalfden niet af; gedenk der weldadigheden van David, uwen knecht. HOOFDSTUK 7. Vuur daalt van den hemel en verteert de offers, terwijl do lieerlijkheid des Hoeren den tempel vervult, vs. 1. Beschrijving van do plegtigheden bij de inwijding van don tempel, 4. liet feest der loofhutten wordt gehouden, 8. De lloero verschijnt Salomo, 12; belooft hem zijne gunst onder voorwaarde van gehoorzaamheid, 17; hem anders zware straffen bedreigende, 19. ALS nu Salomo voleind had te bidden, zoo daalde hot vuur van den hemel, en verteerde hot brandoffer en de slagtofforen ; quot;en do heerlijkheid des Heeren vervulde het huis. «1 Kon. 8: KJ, 11. 2 Kron. 5: 13, 14. 2 En de priesters konden niet ingaan in hot huis dos Heeren; want do heerlijkheid des Heeren had hot huis dos Heeren vervuld. :) En als al de kinderen Israels dat vuur zagen afdalen, en do heerlijkheid dos Heeren over hot huis, zoo bukten zij mot hunne aangezigton tor aarde op don vloer, en aanbaden en loofden don Heere, dat Hij goedig is, dat zijne weldadigheid is tot in eeuwigheid. 4 Do koning nu en al het volk offerden slagtofforen voor hot aangezigt des Heeren. 5 En de koning Salomo offerde slagtofforen van rundoren , twee en twintig duizend, en van schapen, honderd en twintig duizend. Alzoo hebben de koning en het gansche volk hot huis Gods ingewijd. G Ook stonden de priesters in hunne wachten, en de Levieten met do muzikale instrumenten des Heeren, die do koning David gemaakt had, om den Heere te loven, dat zijne weldadigheid is in eeuwigheid, als David door hunne dienst Hem prees; en do priesters trompetten tegen hen over, en gansch Israël stond. |
7 En Salomo heiligde het middelste des voor-hofs, hetwelk voor hot huis dos Heeren was, dewijl hij daar de brandofferen en hot vette dor dankofforen bereid had : want hot koperen altaar, dat Salomo gemaakt had, kon hot brandoffer, en het spijsoffer, en hot vette niot vatton. 8 Salomo hield ook tor zolvor tijd hot foost zeven dagen, en gansch Israël met hem, oene zeer groote gemeente, van don ingang af van Hamath, tot do rivier van Egypte. 9 En ton achtsten dage hielden zij oenen vor-bodsdag; quot;want zij hielden de inwijding des altaars zeven dagen, en het foost zeven dagen. n 1 Kon. 8 : 05. 10 Doch op don drie en twintigston dag dei-zevende maand quot; liet hij hot volk gaan tot hunne hutton, blijde en goedsmoeds over hot goede, dat de Heere aan David on Salomo, en zijn volk Israël gedaan had. a 1 Kon. 8: 06. 11 quot;Alzoo volbragt Salomo hot huis des Heeren, en hot huis dos konings; en al wat in Salomo's hart gekomen was, om in hot huis dos Heeren en in zijn huis to maken, rigtte hij voorspoedig uit. a 1 Kon. 9:1. 12 En do Heere verschoon Salomo des nachts; en Hij zeido tot hem: Ik heb uw gebod verhoord, en heb Mij deze plaats vorkoren tot oen offorhuis. 13 Zoo Ik den hemel toesluito, dat er geen regen zij, of zoo Ik den sprinkhanen gobiedo, hot land te vertoren, of zoo Ik post onder mijn volk zonde: 14 En mijn volk, over dewolken mijn naam genoemd wordt, zich verootmoedigen en bidden, en mijn aangezigt zoeken, en zich bekeeren van hunne boozo wogen: zoo zal Ik uit den hemel hooren, en hunne zonden vergeven, on hun land genezen. li) Nu zullen quot;mijne oogen open zijn, en mijne ooron opmerkende op hot gebed dezer plaats. ii2 Kron. 0:40. 10 Want Ik heb nu dit huis verkoren en geheiligd, opdat mijn naam daar zij tot in eeuwigheid; en mijne oogon on mijn hart zullen daar te allen dage zijn. 17 En u aangaande, zoo gij voor mijn aangezigt wandelen zult , gelijk als uw vader David gewandeld hoeft, en doen naar alles, wat Ik u geboden heb, on mijne inzettingen en mijne regton houden zult; 18 Zoo zal Ik don troon uws koningrijks bevestigen, gelijk als Ik een verhond mot uwen vader David gemaakt heb, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden, die in Israël heersche. 19 Maar zoo gijlieden u afkoeren zult, on mijne inzettingen en mijne geboden, die Ik voor uw aangezigt gegeven hob, verlaten, en honongaan, en andere goden dienon, en u voor die neder-buigon zult; |
2 KRONIJKEN 7, 8, 9,
426
|
20 Zoo zal Ik hen uitrukken uit mijn land, dat Ik hun gegeven heh, en dit huis, dat Ik mijnen naam geheiligd heb, zal Ik van mijn aangezigt wegwerpen, en zal het tot een spreekwoord en spotrode onder allo volken maken. 21 En dit huis, dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich oen ieder, die voorbijgaat, ontzetten, dat hij zal zoggen: Waarom hoeft do IIeere aan dit land en aan dit huis alzoo gedaan? 22 En men zal zeggen: Omdat zij den Heeue, hunner vaderen God, verlaten hebben, die hen uit Egypteland uitgevoerd had, on hebben zich aan andere goden gehouden, en zich voor dezelve nedergebogen, en hen gediend; daarom heeft Hij al dat kwaad over hen gebragt. HOOFDSTUK 8. Salomo bouwt steden on sterkten, vs. I; maakt do in hot land ovorgoblovono Hoidonon cijnsbaar, 7; en doelt do aanzienlijke ambten alleen aan Israëlieten uit, 9. Zijne vrouw, do dochter van Farao, vestigt zich in hare woning, 11; zijne offerfeesten, 12; zijne zorg voor do godsdienst, 14; zijne scheepsvloot naar Otir, 17. HET quot;geschiedde nu ten einde van twintig jaren, in dewelke Salomo het huis des Heeuen en zijn huis gebouwd had, «1 Kon. i): lo. 2 Dat Salomo de steden, welke Huram hem go-geven had, bouwde, en de kinderen Israels aldaar deed wonen. :i Daarna toog Salomo naar Hamatli-Zoba, on hij overweldigde zo. 4 Hij bouwde ook Thadmor in de woestijn, en al de schatstedon, die hij bouwde in llamath. 5 Ook bouwde hij het iiooge Beth-hóron en het neder Beth-hóron, vaste steden met muren, deuren en grendelen; (i Mitsgaders Baiilath, en al de schatsteden, die Salomo iiad, en alle wagenstedou, en de steden der ruitereu, quot;en wat de begeerte van Salomo begeerd had te bouwen, in Jeruzalem, en inden Libanon, en in het gansche land zijner heerschappij. al Kon. 9:1. 7 Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Hethieten, en de Amorieten, on de Fere-zieten, en do Hevieten, en de Jebusieten, die niet uit Israël waren; 8 Uit hunne kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, welke de kindoren Israels niet verdaan hadden, die bragt Salomo op uitschot tot op dezen dag. !) Doch uit do kinderen Israels, quot;die Salomo niet maakte tot slaven in zijn werk; (want zij waren krijgslieden, en oversten zijner hoofdlieden, en oversten zijner wagenen en zijner ruitereu.) « 1 Kon. !): 22. 10 r// dezen dan, waren oversten der bestelden, die do koning Salomo had, twee honderd en vijftig, die over het volk heerschappij hadden. |
11 quot;Salomo nu deed de dochter van Farao opkomen uit de stad Davids tot het huis, dat hij voor haar gebouwd had, want hij zeide: Mijne vrouw zal in het huis van David, den koning van Israël, niet wonen, omdat Aq plaatsen heilig zijn, tot dewelke do ark des Heeren gekomen is. a 1 Kon. 3:1. 7:8. 9 : 24. 12 Toen offerde Salomo den IIeere brandofferen op het altaar des Heeren, hetwelk hij vóór liet voorhuis gebouwd had: 13 Zelfs naar den eisch van eiken dag, offerende, naar het gebod van Mozes, op de sabbaten, en op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden, quot;drie malen in het jaar: op liet feest van de ongezuurde brooden, en op het feest der weken, en op het feest der loofhutten. a Ex. 23 : 14, 15. Dout. l(i: lli. 14 Hij stelde ook, naar do wijze zijns vaders Davids, de verdeelingen der priesteren over hunne dienst, en dor Levieten over hunne wachten, om (lad te prijzen, en voor do prieatoren te dienen, naar den eisch van eiken dag; en de quot; poortiors in hunne verdeelingen, aan elke poort: want al-zoo was het gebod van David, den man Gods. a 1 Kron. 9:17. li) En men week niet van des konings gebod aan do priesteren en de Levieten, aangaande alle zaken, en aangaande do schatten. 10 Alzoo werd al hot werk van Salomo bereid tot den dag der grondlegging van hot huis des Heeren, en tot het volbrengen van hetzelve, dat het huis des Heeren volmaakt werd. 17 Toon toog Salomo naar E'zoon-Gebor, en naar Eloth, aan den oever der zee, in het land van Edom. 18 En Huram zond hem, door de hand zijner knechten, schepen, mitsgaders knechten, kenners van de zee; on zij gingen mot Salomo's knechten naar Ofir, en zij haalden van daar vier honderd en vijftig talenten gouds, dewelke zij bragten tot don koning Salomo. HOOFDSTUK 9. Do koningin van Scheba bozookt Salomo om zijne wijsheid te hooron, vs. 1; waarover zij zich zoor verwondert en hom mot geschenken vereert, li; zij ontvangt wederkoerig geschonken van Salomo on keert torng naar haar huis, 12. Salomo's goud en inkomen, 13; zijne rondassen en schilden, 15; elpen-boenen troon, 17; en gouden vaten, 20. Hij wordt vereerd door de naburige koningen, 23. Zijne inagt, rijkdom, 25; regering en dood, 30. EN quot;toon de koningin van Scheba liet gerucht van Salomo hoorde, kwam zij, om Salomo met raadselen te verzoeken, te Jeruzalem, met een zeer zwaar heir, on kemelen, dragende specerijen en goud in menigte, en kostelijk gesteente: en zij kwam tot Salomo, en sprak met hem al wat in haar hart was. «1 Kon. 10:1, enz. Matt. 12:42. Luk. 11 :31. 2 En Salomo verklaarde haar al hare woorden; en geen ding was er verborgen voor Salomo, dat hij haar niet verklaarde. |
2 KRONIJKEN 9.
427
|
y Als nu de koningin van Schelm zag de wijsheid van Salomo, en het huis, dat hij gebouwd had, 4 En de spijze zijner tafel, en het zitten zijner knechten, en het staan zijner dienaren, en hunne kleedingen, en zijne schenkers, en hunne kleedingen, en zijnen opgang, waardoor hij opging in het huis des Heeren, zoo was in haar geen geest meer. 5 En zij zeide tot den koning; Het is een waarachtig woord geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uwe zaken en van uwe wijsheid. C En ik heb hunne woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben, en mijne oogen dat gezien hebben; en zie, de helft van de grootheid uwer wijsheid is mij niet aangezegd: gij hebt overtroffen het gerucht, dat ik gehoord lieb. 7 Welgelukzalig zijn uwe mannen, en welgelukzalig deze uwe knechten, die geduriglijk voor uw aangezigt staan, en uwe wijsheid hooren. |
Scheba al haar behagen, wat zij begeerde, behalve hetgeen zij tot den koning gebragt had: zoo keerde zij, en toog naar haar land, zij en hare knechten, 13 Het gewigt nu van het goud, dat voor Salomo op een jaar inkwam, was zes honderd zes en zestig talenten gouds; 14 Behalve dat zij van de kramers on de kooplieden inbragten; ook bragten alle koningen van Arabië, en de vorsten deszelven lands, goud en zilver aan Salomo. 15 Daartoe maakte de koning Salomo twee honderd rondassen van geslagen goud; zes honderd sikkelen van geslagen goud liet hij opwogen tot elke rondas. K! Insgelijks drie honderd schilden van geslagen goud; drie honderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elk schild: en de koning leide zo in het huis dos wouds van den Libanon. |
â v f'
Hon. Vkkonksk: De koningin van Scheba bij Salomo (l2 Kron.
|
8 Geloofd zij de Heere, uw God, die behagen in u gehad heeft, om u op zijnen troon, den Heere, uwen God, tot eenen koning te zetten! overmits uw God Israël bemint, om hetzelve tot in eeuwigheid op te rigten, zoo hoeft Ilij u tot eenen koning over hen gesteld, om regt en ge-regtigheid te doen. 9 En zij gal' den koning honderd en twintig talenten gouds, en specerijen in groote menigte, en kostelijk gesteente; en er was gelijk deze specerij, die de koningin van Scheba den koning Salomo gaf, geene geweest. 10 Verder ook Hurains knechten, en Salomo's knechten, die goud bragten uit Ofir, bragten algummimhout en edelgesteente. 11 quot;En de koning maakte van dat algummimhout hooge gangen tot het huis des Heeren en tot het huis des konings, mitsgaders harpen en luiten voor de zangers: desgelijks ook was te voren in het land van Juda niet geweest. «1 Kon. 10: 12. 12 En de koning Salomo gaf de koningin van |
17 Nog maakte de koning eenen grooten elpen boenen troon, en hij overtoog denzelven met louter goud. 18 En de troon had zes trappen en eene voetbank van goud, aan den troon vast zijnde, en leningen aan beide zijden, tot de zitplaats toe; en twee leeuwen stonden bij de leningen. 19 En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden, op de zes trappen: desgelijks is in geen koningrijk gemaakt geweest. 20 Ook waren alle drinkvaten van den koning Salomo van goud, en alle vaten van hot huis des wouds van den Libanon waren van gesloten goud; het zilver was in de dagen van Salomo niet voor iets geacht. 21 Want des konings schepen voeren naar Thar-sis, met de knechten van Huram: eens in driejaren kwamen de schepen van Tharsis in, brengende goud, on zilver, elpenbeen, en apen, en paauwen. 22 Alzoo werd de koning Salomo grooter dan allo koningen dor aarde in rijkdom en wijsheid. |
|
428 23 En alle koningen der aarde zochten Salomo's aangezigt, om zijne wijsheid te hooren, die God in zijn hart gegeven had. 24 En zij bragten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten, en gouden vaten, en kleederen, harnas, en specerijen, paarden, en muilezelen, van elk van jaar tot jaar. 25 Ook had quot; Salomo vier duizend paardenstallen, en wagenen, en twaalf duizend ruiteren; en hij lelde zo in do wagonsteden, en bij den koning te Jeruzalem. al Kon. 4:20. 10:20. 2 Kron. 1 : 14. 2G En hij heerschte over alle koningen, van de rivier tot aan het land der Filistijnen, en tot aan do landpale van Egypte. 27 quot;Ook maakte de koning het zilver in Jeruzalem te zijn als steenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgeboomen, die in de laagte zijn, in menigte. a 2 Kron. 1 : 15. 28 En zij bragten voor Salomo paarden uit Egypte, on uit al die landen. 20 liet overige nu quot; dor geschiedenissen van Salomo, der eerste en der laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, den profeet, en in de profetie van Alm, don Siloniet, en in de gezigten van Jedi, den ziener, aangaande Jeróboam, den zoon van Nebat? al Kon. 11 : 11. 80 En Salomo regeerde te Jeruzalem over gansch Israël, veertig jaren. 31 En Salomo ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in de stad zijns vaders Davids; on zijn zoon Rehabeain werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 10. Hehi'ibeam trekt naar Sichem, om van liet volk, dat aldaar vergaderd was, tot koning gemaakt tc worden, vs. 1. Hot volk begeert door Jeróbeam verligting van de zware lasten, 2. Rehabeam niet den raad der onde, maar van de jonge hoeren volgende, geeft het volk een hard antwoord, 0; waardoor tien stammen van hem afvallen, 10; die zijnen gezant Hadóram steonigen, doch hij zelf ontkomt door zijne vlngt naar Jerflzalem, 18. EX quot;Rehabeam toog naar Sichem: want het ganscbe Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken. a 1 Kon. 12: 1, enz. 2 Het geschiedde nu, als Jeróbeam, de zoon van Nebat, dat hoorde, quot;(dezelve nu was in Egypte, alwaar hij van het aangezigt van den koning Salomo gevloden was) dat Jeróbeam uit Egypte wederkeerde: al Kon. 11 :40. 3 Want zij zonden henen en lieten hem roepen; zoo kwam Jeróbeam met het gansche Israël, en zij spraken tot Rehabeam, zeggende: 4 Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; nu dan, maak gij uws vaders harde dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, ligter, en wij zullen u dienen. ö En hij zeide tot hen: komt over drie dagen weder tot mij. En liet volk ging heen. |
(i En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor liet aangezigt van zijnen vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal ? 7 En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij dit volk goedertieren en jegens hen goedwillig wezen zult, en tot hen goede woorden spreken, zoo zullen zij to allen dage uwe knechten zijn. 8 Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met do jongelingen, die met hom opgewassen waren, die voor zijn aangezigt stonden. 9 En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, ligter? 10 En do jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzoo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben , zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons ligter; al-zoo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden. 11 Indien nu mijn vader een zwaar juk op u hoeft doen laden, zoo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geeselcn gekastijd, maar ik zal n niet schorpioenen kastijden. 12 Zoo kwam Jeróbeam en al het volk tot Rehabeam, op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag. II! En do koning antwoordde hun hardolijk : want do koning Rehabeam verliet don raad der oudsten. 14 En hij sprak tot hen naar don raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal nog daarboven toedoen; mijn vader heeft u met geoselen gekastijd, maar ik zal n met schorpioenen kastijden. 15 Alzoo hoorde do koning naar het volk niet: want deze omwending was van God, opdat de Heere zijn woord bevestigde, quot;hetwelk Hij dooide dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jeróbeam, den zoon van Nebat. al Kon. 11:31. 10 Toen het gansche Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zoo antwoordde het volk den koning, zeggende: Wat doel hebben wij aan David? ja geene erve hebben wij aan den zoon van Isaï; een ieder naar uwe tenten, o Israël! voorzie nu uw huis, o David! Zoo ging het gansche Israël naar zijne tenten. 17 Doch aangaande de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook. 18 Toen zond de koning Rehabeam Hadóram, die over de schatting was; en de kinderen Israels steenigden hem met steenon, dat hij stierf; maaide koning Rehabeam verkloekte zich, om op eenen wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vlugtte. li) Alzoo vielen de Israëlieten van het huis van David af, tot op dezen dag. 2 KRONIJKI'jN i), 10. |
'1 KUONIJKEN 11, 12.
|
HOOFDSTUK 11. RehiVbeain wil den Israëlieten don oorlog aandoen, vs. 1; doch God verbiedt liet hein door den profeet Somajn, 2. Hij bouwt sterkten en voorziet ze van allerlei krijgsvoorraad, 5. Hij ontvangt do priesters en Levieten, die Israël verlaten om de afgoderij van Jeróbeam, 13; neemt vele vrouwen en bijwijven, bij welke hij vele kinderen krijgt, 18. Hij plaatst zijne zonen in de sterke steden als gouverneurs, 23. TOEN quot; nu Rohabeam to Jerüznlom gokomen was, vergaderde hij hot huis van Juda en Benjamin, een honderd en tachtig duizend uitgeloze-non, geoefend ton oorlog, om togon Israël te strijden, opdat hij het koningrijk weder aan Rohabeam bragt. «1 Kon. 12:21. 2 Doch het woord des Heeren geschiedde tot Semaja, den man Gods, zeggende: 3 Zeg tot Rohabeam, den zoon van Salomo, don koning van Juda, en tot het gansche Israël in Juda en Benjamin, zeggende: 4 Zoo zegt de Heere: quot;Gij zult niet optrokken, noch strijden togen uwo brooderen; een ieder keere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden de woorden des Heeren, en zij keerden weder van tegen Jeróbeam te trekken. nl Kon. 12:24. 5 Rohabeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot vastigheden in Juda. 6 Hij bouwde nu Bethlehem, en Etham, en Thokóa, 7 En Both-Zur, on Socho, en AduIIam, 8 En Gath, eu Marésa, en Zif, i) En Adoraïm, en Lachis, en Azéka, 10 En Zora, en Ajalon, on Hebron; dewelke iu Juda on in Benjamin de vaste steden waren. 11 En hij sterkte deze vastigheden, en loido oversten daarin, en schatten van spijs, en olie, en wijn; 12 En in elke stad rondassen en spiesen, en sterkte ze gansch zoor: zoo was Juda, en Benjamin zijne. 13 Daartoe de priesteren en do Levieten, die in liet gansche Israël waren, stelden zich bij hom uit al hunne landpalen. 14 Want do Levieten verlieten hunne voorsteden en hunne bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem: want quot;Jeróbeam en zijne zonen haddon hen vorstooten, van hot priesterdom den Heere te mogen bedienen. «2 Kron. 13:9. 15 En hij quot; had zich priesteren gesteld voor de hoogten, en voor de duivelen, en voor do kalveren, die hij gemaakt had. «1 Kon. 12:31. 1G Na die kwamen ook uit allo stammen van Israël te Jeruzalem, die hun hart begaven, om don Heere, den God Israels, te zookon, dat zij don Heere, don God hunner vaderen, offerande deden. 17 Alzoo sterkten zij hot koningrijk van Juda, en bekrachtigden Rohabeam, den zoon van Salomo, drie jaren: want drie jaren wandeldon zij in don weg van David, en Salomo. |
18 En Rehabeam nam zich, benevens Mahalath, de dochter van Jorimoth, den zoon van David, ter vrouwe Abihaïl, do dochter van Eliab, den zoon van Isaï. li) Dewelke hom zonen baarde, Jeüs, en Seinarja, en Zaham. 20 En na haar nam hij quot; Maiicha, do dochter van Absalom; deze baarde hom Alm, en Attai, en Ziza, en Solómith. «1 Kon. 15:2. 21 En Rohabeam had Maiicha, Absaloms dochter, liever dan ai zijne vrouwen on zijne bijwijven: want hij had achttien vrouwen genomen, en zestig bijwijven; en hij gewon acht on twintig zonen on zestig dochteron. 22 En Rohabeam stolde Alna, den zoon van Maiicha, tot een hoofd, om oen overste te zijn onder zijne broederen: want hot was om hem koning to maken. 23 En hij handelde verstandelijk, dat hij van al zijne zonen, door allo landen van Juda en Benjamin, in alle vasto steden verspreidde, denwolken hij spijze gaf in overvloed; en hij begeerde do veelheid van vrouwen. HOOFDSTUK 12. Omdat Rohabeam de wet des Hoeren verlaat, wordt hij beoorloogd door Sisak, den koning van Egypte, vs. 1. Hij verootmoedigt zich mot zijne vorsten en wordt behouden in zijn koningrijk, 5; maar beroofd van de schatten dos tempels en van zijn huis, 9. Hij laat koperen schilden vervaardigen in plaats van gouden, die Sisak geroofd had, 10. Gods langmoe-digheid omtrent Juda, 12. Hohaboams regering en dood, 13. Abfa, zijn zoon, wordt koning, 10. HET quot;geschiedde nu, als Rehabeam hot koningrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij do wet des Heeren verliet, en gansch Israël mot hem. n \ Kon. 14:22. 2 Daarom geschiedde hot, in quot;hot vijfde jaar van den koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog, (want zij haddon overtreden tegen don Heere) «1 Kon. 14:25. 3 Mot duizend en twee honderd wagenon, en met zestig duizend ruiteron; en des volks was geen getal, dat mot hem kwam uit Egypte, Li-byers, Suchieton on Mooren: 4 En hij nam de vasto steden in, die Juda had, en hij kwam tot Jeruzalem toe. 5 Toen kwam Semaja, do profeet, tot Rehabeam en do oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren, uit oorzaak van Sisak; en hij zeido tot hen: Alzoo zegt de Heere: Gij hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak. 6 Toen verootmoedigden zich de oversten van Israël en do koning, en zij zeidon: De Heere is regtvaardig. 7 Als nu do Heere zag, dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het woord dos Heeren tot Semaja, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verdorven; maar Ik zal hun |
2 KRONIJKEN 12, 13.
|
in kort oiitkoming , dat mijne grimmigheid over Jeruzalem door do hand van Sisak niet zal uitgegoton worden. Doch zij zullen hem tot knechten zijn, opdat zij onderkennon mijne dienst, en de dienst van de koningrijken der landen. !) Zoo toog Sisak, do koning van Egypte, op tegen Jeruzalem; en hij nam de schatten van het huis des Hekken en de schatten van het huis des konings weg; hij nam alles weg: hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo quot;gemaakt had. n\ Kon. 10: 10. 2 Kron. 0: ló. 10 En de koning Rehtibeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder do hand van de oversten dor trawanten , die de deur van het huis des konings bewaarden. 11 En het geschiedde, zoo wanneer do koning in het huis des ITeeren ging, dat do trawanten kwamen, en die droegen, on die wedorbragten in dor trawanten wachtkamer. 12 En als hij zich verootmoedigde, keerde de toorn dos Heeren van hem af, opdat Hij hem niet ton uiterste toe verdierf: ook waren in Juda nog goede dingen. 13 Zoo versterkte zich do koning Rehaboam in Jeruzalem, en regeerde: quot; want Rehabeam was een on veertig jaren oud, als hij koning word, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die do Heere uit alle stammen van Israël ''verkoren had, om zijnen naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Naiima, oone Am-monietische. n \ Kon. 14:21. //2 Kron. (i: (i. 14 En hij dood dat kwaad was, dewijl hij zijn hart niet rigtte, om don Heere te zoeken. lö Do geschiedenissen nu van Rehabeam, do eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Somaja, den profeet, en Iddo, den ziener, verhalende de geslachtregisteren: daartoe de krijgen van Rehabeam en Jeróbeam in al hunne dagen ? 16 En Rehaboam ontsliep mot zijne vaderen, en werd begraven in do stad Davids; en zijn zoon Abia word koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 13. Abia voort oorlog tegen Jeróbeam, den koning van Ist'aiM, vs. 1; verklaart de regtvaardigheid zijner zaak, vertrouwt op God en heeft overwinning, 13. Do vrouwen en kinderen van Abia, 21. IN quot; het achttiende jaar van den koning Jeróbeam, zoo werd Abia koning over Juda. a 1 Kon. IT) : 1 . enz. 2 Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Michaja, de dochter van Uriel, van Gibea: en er was krijg tusschen Abia en tusschen Jeróbeam. 3 En Abia bond den strijd aan met een lieir van strijdbare helden, vier honderd duizend uitge-lezene mannen; en Jeróbeam stelde tegen hem de slagorde, mot acht honderd duizend uitgelezene mannen, kloeke helden. |
4 En Abia maakte zich op van boven den berg Zemaraïm, dewelke is in het gebergte van Efraïm; en hij zeide: Hoort mij toe, Jeróbeam en gansch Israël! 5 Staat het u niet toe te weten, dat de Heere, de God Israëls, het koningrijk over Israël aan David gegeven heeft, tot in eeuwigheid, hem en zijnen zonen, mot een zoutverbond? 6 quot;Evenwel is Jeróbeam, do zoon van Nebat, do knecht van Salomo, den zoon van David, opgestaan , en heeft gerebelleerd tegen zijnen heer. a 1 Kon. 11 : 20. 7 Daartoe hebben zich ijdele mannen, kinderen Belials, tot hem vergaderd, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehabeam, den zoon van Salomo, als Rehabeam jong was en teeder van hart, dat hij zich togen hen niet kon versterken. 8 En nu, gij denkt u te versterken tegen het koningrijk des Heeren, hetwelk in do hand is der zonen van David: gij zijt wel eene groote menigte, maar gij hebt gouden kalveren bij u, quot; die u Jeróbeam tot goden gemaakt heeft. n 1 Kon. 12 : 28, cn/.. !) Hebt quot;gij niet de priesteren des Heeren, de zonen van Aiirou, en de Levieten uitgedreven, en hebt u priesteren gemaakt, gelijk de volken dor landen? Een iegelijk, die komt om zijne hand te vullen met een jong rund en zeven rammen, die wordt priester dergenen, die goene goden zijn. a \ Kon. 12:31. 2 Kron. 11 : 14, 15. 10 Maar ons aangaande, de Heere is onze God, en wij hebben Hem niet verlaten; en de priesters, die den Heere dienen, zijn do zonen van Aaron, en de Levieten zijn in het werk. 11 quot;En zij steken aau voor den Heere brand-offeren, op eiken morgen en op eiken avond, ook reukwerk van welriekende specerijen, nevens de toerigting des broods op do reine tafel, en den gouden kandelaar en zijne lampen, om die op eiken avond te doen branden: want wij nemen waar do wacht des Heeren, onzes Gods; maar gij hebt Hom verlaten. a 2 Kron. 2 : 4. 12 Daarom ziet, God is met ons aan do spitse, en zijne priesteren met do trompetten des geklanks, om tegen u alarmgeklank te maken: o kinderen Israëls! strijdt niet tegen den Heere, den God uwer vaderen, want gij zult geen' voorspoed hebben. 13 Maar Jeróbeam deed eene achterlage omwenden , om van achter hen te komen: zoo waren zij voor hot aangezigt van Juda, en de achterlage van achter hen. 14 Toen nu Juda omzag, ziet, zoo haddon zij den strijd voor en achter; en zij riepen tot den Heere, en do priesters trompetten met de trompetten. 15 En de mannen van Juda maakten een alarm-geschrei; en het geschiedde, als do mannon van Juda een alanngeschrei maakten, dat God Jeróbeam en het gansche Israël sloeg voor Abia en Juda. |
2 KRONTJKEN 13, 14, 15.
|
16 En de kinderen Israels vloden voor hel aan-gezigt van Juda; en God gaf hen in hunne hand. 17 Abia dan, en zijn volk, sloeg hen met eenen grooten slag: want uit Israël vielen verslagen vijf honderd duizend uitgelezene mannen. 18 Alzoo werden de kinderen Israels vernederd te dier tijd; maar de kinderen van Juda werden magtig, dewijl zij op den Heere, hunner vaderen God, gesteund hadden. I!) En Abia jaagde Jeróbeam achterna, en nam van hem de steden, Beth-El met hare onderhoo-rige plaatsen, en Jesana met hare onderhoorige plaatsen, en Efron met hare onderhoorige plaatsen. 20 En Jeróbeam behield geene kracht meer in de dagen van Abia; maar de Heere sloeg hem, dat hij stierf. 21 Zoo versterkte zich Abia; en hij nam zich veertien vrouwen, en gewon twee en twintig zonen en zestien dochteren. 22 liet overige nu der geschiedenissen van Abia, zoo zijne wegen als zijne woorden, zijn beschreven in de historie van den profeet Iddo. HOOFDSTUK 14. Na den dood van Abia wordt zijn zoon Asa koning, vs. 1; dio do afgoderij uitroeit en de zuivere godsdienst herstelt, 2. Vrede hebbende, versterkt hij zijne steden en voorziet zich van krijgsvolk, (i. In krijgsnood tegen Zerah, den Moor, roept hij tot (lod en slaat een zeer groot leger mot vele steden, 0. ZOO ontsliep Abia mot zijne vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids, en quot;zijn zoon Asa werd koning in zijne plaats. In zijne dagen was het land tien jaren stil. n \ Kon. 15:8, enz. 2 En Asa deed dat goed en dat regt was in do oogen dos Heeren, zijns Gods. ;3 Want quot; hij nam do altaren dor vreemden, en de hoogten welt;gt;', en brak de opgerigte beelden, en hieuw de bosschen af. al Kon. 15: 13. 4 En hij zeide tot Juda, dat zij don Heere, don God hunner vaderen, zoeken, en dat zij de wet en het gebod doen zouden. 5 Hij nam ook weg uit alle steden van Juda de hoogten en do zonnebeelden: en hot koningrijk was voor hem stil. 6 Daartoe bouwde hij vaste steden in Juda: want het land was stil, en er was geen oorlog in die jaren tegen hem, dewijl de Heere hem rust gaf. 7 Want hij zeide tot Juda: Laat ons deze steden bouwen, en muren daarom trekken, en torens, deuren en grendelen, terwijl het land nog is voor ons aangozigt: want wij hebben den Heere, onzen God, gezocht, wij hebben Hem gezocht, en IIij heeft ons rondom henen rust gegeven. Zoo bouwden zij en hadden voorspoed. 8 Asa nu had een heir van drie honderd duizend uit Juda, rondas en spies dragende, en twee honderd en tachtig duizend uit Benjamin, het schild dragende en don boog spannende: alle dozen waren kloeke helden. 9 quot;Eu Zerah, de Moor, kwam togen hen uit. |
met een heir van duizendmaal duizend, en drie honderd wagonon; en hij kwam tot Marésa toe. a 2 Kron. 10quot;: s. 10 Toen toog Asa tegen hem uit; en zij stelden de slagorde in hol dal Zefalha bij Marésa. 11 En Asa riep tot den Heere, zijnen God, en zeide: Heere! het is niets bij IJ, te helpen quot;hetzij den magtige, hetzij den krachtelooze: help ons, o Heere, onze God! want wij steunen op U, en in uwen naam zijn wij gekomen tegen deze menigte; o Heere! Gij zijt onze God, laat don sterfelijken mensch tegen ü niets verinogen. a\ Snm. 14:0. 12 En de Heere plaagde de Mooron voor Asa en voor Juda; en de Mooron vloden. 13 Asa nu en het volk, dat met hein was, jaagden hen na tot Gorar toe; en zoo velen vielen er van de Mooron, dat er voor hen geene hervatting was; want zij waren verbroken voor den Heere en voor zijn leger: en zij droegen zeer veel roofs daarvan. 14 En zij sloegen allo steden rondom Gerar: want de verschrikking des Heerem was over hen; en zij beroofden al de steden, omdat veel roofs in dezelve was. 15 En zij sloegen ook de tonton van hot vee, en voerden weg schapen in menigte, en kemolon; en kwamen weder te Jeruzalem. HOOFDSTUK 15. De profeet Azaria vermaant Asa en hot volk voort te gaan in do aaagevangene herstelling van do godsdienst, vs. 1; waaraan zij gehoorzamen, 8; en hot verbond mot don Heere vernieuwen, 12. Asa zet zijne moeder Maüclia af van haren staat, om hare afgoderij, 10; brengt do geheiligde dingen weder in den tempel, 18. Het land heeft rust, li). TOEN kwam do Geest Gods op Azaria, den zoon van Oded. 2 En hij ging uit, Asa tegen, en hij zeide tot hom: Hoort mij, Asa, on gansch Juda, on Benjamin! do Heere is mot ulieden, terwijl gij met Hem zijt; en quot;zoo gij Hom zoekt, Hij zal van u gevonden worden, ''maar zoo gij Hom verlaat. Hij zal u verlaten. «1 Kron.28:0. 2Kron.33:12. Matt.7:7. ft 2 Kron. 24:20. 3 quot; Israël nu is vele dagen geweest zonder don waren God, en zonder eenen leerenden priester, en zonder do wet. ct Hos. 3:4. 4 quot;Maar als zij zich in hunnen nood bekeerden tot don Heere, den God Israels, en Hem zochten, zoo werd Hij van hen gevonden. «Deut. 4:29. 5 En in die tijden was er geen vrede voor den-gene, die uitging, en dengeno, dio inkwam; maar vele beroerten waren over al de inwoners van dio landen; O Dat volk tegen volk, en stad tegen stad in stukken gostooten werden: want God had hen met allen angst verschrikt. 7 Daarom woest gij sterk, on laat uwe handen niet verslappen, want er is loon naar uw werk. |
|
4:3'2 8 Als nu Asa dozo woorden hoorde, en do pro-folio van den profeet Odod, sterkte hij zich, en hij dood weg de verfoeiselen uit hot ganscho land van Jnda en Benjamin, en uit de steden, die hij van hot gebergte van Efraïni genomen had, en vernieuwde hot altaar des Hekren, dat voor hot voorhuis dos IIeeren was. fl En hij vergaderde hot ganscho Juda en Benjamin, on do vreemdelingen met hen uit Efraïm, en Manasse, en uit Simeon; want uit Israël vielen zij tot hein in menigte, als zij zagen, dat de Heere, zijn God, mot hem was. 10 En zij vergaderden zich te Jeruzalem, in de derde maand, in het vijftiende jaar van hot Ico-ningrijk van Asa. 11 En zij offerden den Heere ton zeiven dage van den roof, dien zij gebragt hadden, zeven honderd runderen en zeven duizend schapen. 12 En zij quot;traden in een verbond, dat zij den Heere, don God hunner vaderen, zoeken zouden met hun gansche hart en met hunne ganscho ziel. n Joz. 24 :15. Nch. 10 : 29. 13 En al wie den Heere, don God Israels, niet zou zoeken, quot; zou gedood worden, van don kleine tot den groote, on van den man tot de vrouw toe. a Dout. 13 : 9. 14 En zij zwoeren den Heere mot luider stom en met gejuich , desgelijks mot trompetten en mot bazuinen. 15 En gansch Juda was verblijd over dozen eed: want zij hadden met hun gansche hart gezworen, en mot hunnen ganschon wil Hem gezocht; cn Hij word van hen gevonden, en do Heere gaf hun rust rondom henen. KJ Aangaande ook Miiacha, do moedor van don koning Asa, hij zotte haar af, dat zij geone quot;koningin ware, omdat zij oenen afgrijssol ij ken afgod in oen bosch gemaakt had; ook roeide Asa haren afgrijsselijken afgod uit, en verbrijzelde en verbrandde hem aan de beek Kidron. Kon. 15:13. 17 De hoogten werden wol niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nogtans was volkomen al zijne dagen. 18 En hij bragt in hot huis Gods de geheiligde dingen zijns vaders, en zijne geheiligde dingen, zilver en goud, en vaten. 19 En er was geen oorlog tot in het vijf en dertigste jaar van hot koningrijk van Asa. HOOFDSTUK 16. Asa verzoekt hulp van don koning van Syrië tegen Baösa, den koning van Israël, vs. 1; en bekomt die, 4; waarover hij van den profeet Hanani wordt bestraft, 7; dien hij daarom in de gevangenis werpt, 10. Krank geworden, steunt hij meer op de medicijnmeesters dan op den Heere, 12; sterft en wordt met groote kostbaarheden begraven, 13. IN quot;hot zes en dertigste jaar van hot koningrijk van Asa, toog Baösa, de koning van Israël, op togen Juda, en bouwde Rama, opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, den koning van Juda. al Kon. 15:17. |
2 Toen bragt Asa het zilver en het goud voort, uit de schatten van hot huis des Heeren on van het huis des konings, en zond tot Bonhadad, don koning van Syrië, die te Damaskus woonde, zeggende: 3 Er is oen verbond tusschen mij en tusschon u, en tusschen mijnen vader en tusschon uwen vader: zie, ik zond u zilver en goud, ga hoon, maak uw verbond te niet mot Baësa, den koning van Israël, dat hij van tegen mij aftrekke. 4 En Bonhadad hoorde naar don koning Asa, on zond de oversten dor heiron, die hij had, togen do steden van Israël, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abol-Maïm, en alle schatsteden van Nafthali. 5 En het geschiedde, als Biiësa zulks hoorde, dat hij afliet van Rama to bouwen, en zijn werk staakte. 6 Toen nam de koning Asa gansch Juda, en zij droegen weg de steenen van Rama, en het hout daarvan, waarmede Baösa gebouwd had; en hij bouwde daarmede Geba on Mizpa. 7 En in denzelven tijd kwam de ziener Hanani tot Asa, den koning van Juda, en hij zeido tot hem; Omdat gij gesteund hebt op don koning van Syrië, on niet gesteund hebt op den Heere, uwen God, daarom is hot hoir dos konings van Syrië uit uwe hand ontkomen. 8 Waren niet do Mooren en do Libyërs een groot beir mot zeer vele wagenen on ruiteren ? Toon gij nogtans op den Heere steundot, hoeft Hij hen in uwe hand gegeven. 9 Want den Heere aangaande, quot;zijne oogen doorloopen de gansche aarde, om zich sterk to bewijzen aan degenen, welker hart volkomen is tot Hem; gij hebt hierin zottolijk gedaan; want van nu af zullen oorlogen tegen u zijn. o Job 34:21. Spr. 5:21. 15:3. Jer. 10:17. 32:19. 10 Doch Asa werd toornig tegen den ziener, en loido hem in het gevangenhuis, want hij was hierover togen hem ontsteld; daartoe onderdrukte Asa e enig en uit hot volk ter zei ver tijd. 11 En ziet, do geschiedenissen van Asa, do eerste mot do laatste, ziet, zij zijn beschreven in het boek dor koningen van Juda en Israël. 12 Asa nu werd, in het negen en dertigste jaar van zijn koningrijk, krank aan zijne voeten; tot op het hoogste too was zijne krankheid: daartoe ook zocht hij don Heere niet in zijne krankheid, maar do medicijnmeesters. 13 Alzoo ontsliep Asa met zijne vaderen; en hij stierf in hot oen en veertigste jaar zijner regering. 14 En zij begroeven hom in zijn graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad Davids, en leidon hom op hot bed, hetwelk hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar apothekerskunst toebereid; en zij brandden over hem eene gansch groote branding. 2 KRONUKEN 15, 16. |
|
HOOFDSTUK 17. Jósafat, in zijns vaders plaats gekomen, versterkt zijn koningrijk, vs. 1; zijnde godvrnchtig, wordt hij van God gezegend, 3. Hij rooit do afgoderij uit, 6; en laat overal zijn volk uit het wetboek onderwijzen, 7; wordt gevreesd en geëerd van do omliggende volkeren, 10. Namen zijner krijgsoversten en getal van zijn krijgsvolk, 14. EN quot;zijn zoon Jósafat werd koning in zijne plaats, en lilj sterkte zich tegen Israël. al Kon. 15:24. 2 En hij leide krijgsvolk in allo vaste steden van Juda, en leide bezettingen in liet land van Juda, en quot; in do steden van Efraïin, die zijn vader Asa ingenomen had. a 2 Kron. 1 'gt;: S. :! En de Heere was met Jósafat: want hij wandelde in de vorige wegen zijns vaders Davids, en zocht de lïaiils niet. 4 Maar hij zocht den God zijns vaders, en wandelde in zijne geboden, en niet naar het doen van Israël. 5 En de Heere bevestigde het koningrijk in zijne hand, en gansch Juda gaven Jósafat geschonken; en hij had rijkdom en eer in menigte. 0 En zijn harte verhief zich in de wegen dos Heeren; en hij nam vorder de hoogten en do bosschen uit Juda weg. 7 In hot derde jaar nu zijner regering zond hij tot zijne vorsten, tot Ben-chaïl, en tot Obadja, en tot Zecharja, en tot Nethaneël, en tot Michaja, opdat men zou loeren in de steden van Juda. 8 En met hen de Levieten, Semaja en Nethanja, en Zebadja, on Asaël, en Semirainóth, en Jonathan, en Adonia, en Tobia, en Töb-Adonia, de Levieten, en met hen de priesters Elisama en Joram. 9 En zij leerden in Juda, en hot wetboek dos Heeren was bij hen; en zij gingen rondom in allo steden van Juda, en leerden onder het volk. 10 En eone verschrikking des Heeren werd over allo koningrijken dor landen, die rondom Juda waren, dat zij niot krijgden tegen Jósafat. 11 En van do Filistijnen bragten zij Jósafat ge-schenkon met het opgelegde geld; ook bragten hom do Arabieren klein vee, zeven duizend en zeven honderd rammen, en zeven duizend on zeven honderd bokken. 12 Alzoo nam Jósafat toe, on werd ten hoogste groot; daartoe bouwde hij in Juda burgton en schatsteden. 13 En hij had veel works in do steden van Juda, en krijgslieden, kloeke helden in Jeruzalem. 14 Dit nu is hunne telling, naar de huizen hun-nor vaderen. In Juda waren oversten dor duizenden: Adna do overste, en met hem waren drie honderd duizend kloeke holdon. lö Naast hem nu was de overste Jóhanan; en mot hom waren twee honderd en tachtig duizend. 16 En naast hem was Amasia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig den Heere overgegeven had; en mot hem waren twee honderd duizend kloeke helden. |
433 17 En uit Benjamin was Eljada, een kloek held; en met hein twee honderd duizend, die met hoog on schild gewapend waren. 18 En naast hem was Józabad; en met hom waren honderd on tachtig duizend, ton krijgo toegerust. 1!) Deze waren in de dienst des konings; behalve degenen, die de koning in do vaste steden door gansch Juda gezet had. HOOFDSTUK 18, Jósafat mot Achab verzwagerd, bewilligt met hem to strijden tegen Raraoth in CHlead, vs. 1; doch verzoekt eerst don Hoere daarover te vragen, 4. De profeten van Achab raden te gaan, 5. Micha, een profeet des Heeren, wordt daarover ook ontboden, (i. Do profeten Aohabs blijven bij liiui gevoelen, 10. Mioha daarentegen raadt dien strijd af, 12; wordt daarom van Zodekia geslagen en van Achab in de gevangenis geworpen, 23. Jósafat wordt van God geholpen, 28. Achab geschoten, 33. JÃSAFAT nu had rijkdom en eer in overvloed; en hij verzwagerde zich aan Achab. 2 En quot;ten einde van eenige jaren toog hij af tot Achab naar Samaria; en Achab slagtte schapen en runderen voor hem in menigte, en voor het volk, dat met hem was; en hij porde hem aan, om op te trekken naar Ramoth in Gilead. a 1 Kon. 22 : 2. 3 Want Achab, do koning van Israël, zeido tot Jósafat, den koning van Juda: Zult gij met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zeido tot hem: «Zoo zal ik zijn, gelijk gij z ij t, en gelijk uw volk is, zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in dezen krijg. al Kon. 22:4. 4 Verder zeide Jósafat tot den koning van Israël: quot; Vraag toch als heden naar het woord des Heeren. a I Sam. 23:2. 2 Sara. 2:1. 5 Toon vergaderde do koning van Israël do profeten, vier honderd mannen, en hij zeide tot hen: Zullen wij tegen Ramoth in Gilead ton strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want God zal hen in do hand dos konings geven. (! Maar Jósafat zeide: Is hier niet nog een profeet dos Heeren, dat wij van hom vragen mogten? 7 Toen zeide de koning van Israël tot Jósafat: Er is nog één man, om door hom den Heere te vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad; deze is Micha, de zoon van Jimla. En Jósafat zeide: De koning zegge niet alzoo. 8 Toon riep de koning van Israël eenen kamerling, en liij zeide: Haal haastelijk Micha, den zoon van Jimla. i) De koning van Israël nu en Jósafat, de koning van Juda, zaten elk op zijnen troon, bekleed met hunne kleedoren, en zij zaten op liet plein, aan de deur der poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hunne tegenwoordigheid. 10 Eu Zedeki'a, do zoon van Kenaiina, had zich ijzeren hoornen gemaakt, en iiij zeide: Zoo zegt 28 2 KRONIJKEN 17, 18. |
2 KRONIJKEN 18, 19.
434
|
de Heere; Met deze zult gij de Syriërs stooten, totdat gij hen ganscli verdaan zult hebben. 11 En al do profeten profeteerden alzoo, zeggende; Trek op naar Ramoth in Gilead, en gij zult voorspoedig zijn, want de Heere zal hen in de hand des konings geven. 12 De bode nu, die heengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie, de woorden der profeten zijn, uit éénen mond, goed tot den koning; dat nu toch uw woord zij, gelijk als van eenen uit hen, en spreek het goede. 13 Doch Micha zeide: Zoo ivaarnchtiy als de Heere leeft, hetgeen mijn God zeggen zal, dat zal ik spreken! 14 Als hij tot den koning gekomen was, zoo zeide do koning tot hem: Micha! zullen wij naar Ramoth in Gilead ton strijde trekken, of zal ik liet nalaten? En hij zeide: Trekt op, on gijlieden zult voorspoedig zijn, want zij zullen in uwe hand gegeven worden. 15 En de koning zeide tot hem: Tot hoevelo reizen zal ik u bezweren, opdat gij tot mij niet spreekt, dan de waarheid, in den naam des Heeren ? 16 En hij zeide: Ik zag het gansche Israël verstrooid op do borgen, gelijk schapen, die geenen herder hebben; en de Heere zeide: Dezen hob-ben geenen lieer; oen iegelijk koere weder naar zijn huis in vrede. 17 Toon zeide do koning van Israël tot Jósafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds, maar kwaad profotoron? 18 Verder zeide hij; Daarom hoort het woord dos Heeren: Ik zag don Heere, zittende op zijnen troon, en al hot hemelscho heir, staande aan zijne rogtor- en zijno linkerhand. li) En de Heere zeide: Wie zal Achab, don koning van Israël, overreden, dat hij optrekke, en valle to Ramoth in Gilead? Daarna zeide Hij: Deze zegt aldus, en die zegt alzoo. 20 Toon kwam een quot; geest voort, on stond voor het aangozigt des Heeren, en zeide: Ik zal hom overreden. En do Heere zeide tot hom; Waarmede ? a Job 1; G. 21 En hij zeide: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in den mond van al zijne profeten. En Hij zeide: (Jij zult overreden, en zult ook vermogen ; ga uit, en doe alzoo. 22 Nu dan, quot;zie, de Heere hooft oenen leugengeest in don mond van dozo uwe profoton gegeven, en do Heere heeft kwaad over u gesproken. «Job 12: IG, 20. Jes. 19: 14. Ezec. 14; 9. 23 Toon trad Zedolda, do zoon van Kenaana, toe, en quot;sloeg Micha op hot kinnebakken, en hij zeide: Door wat weg is de Geest des Heeren van mij doorgegaan, om u aan te sproken? q Ier. 20:2. Mark. 14:65. Hand. 23:2. 24 En Micha zeide: Zie, gij zult hot zien aan dienzelven dag, als gij zult gaan van kamer in kamer, om u te verstoken. |
25 Do koning van Israël nu zeide: Neemt Micha, en brengt hem weder tot Anion, don overste der stad, en tot Joas, don zoon des konings; 2G En gijlieden zult zeggen ; Zoo zegt do koning; Zet dezen in het gevangenhuis, on spijst hem mot brood dor bedruktheid, en mot water der be-drukthojd, totdat ik mot vrede wederkom. 27 En Micha zeide: Indien gij eenigzins met vrede wederkomt, zoo heeft de Heere door mij niet gesproken. Vorder zeide hij; Hoort, gij volken altegaar! 28 Alzoo toog de koning van Israël, en Jósafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead. 29 En de koning van Israël zeide tot Jósafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in den strijd komen, maar gij, trok uwe kleedoron aan. Alzoo verstelde zich de koning van Israël, en zij kwamen in don strijd. 30 De koning nu van Syrië had geboden aan de oversten dor wagenen, die hij had, zeggende: Gijlieden zult niet strijden tegen kleinen noch grooton, maar togen don koning van Israël alleen. 31 Het geschiedde dan, als do oversten dor wagenen Jósafat zagen, dat zij zeidon: Die is de koning van Israël; on zij togen rondom hem, om te strijden; maar Jósafat riep, en de Heere hielp hem, en God wendde hen van hem af. 32 Want hot geschiedde, als de oversten der wagenen zagen, dat hot do koning van Israël niet was, dat zij van achter hom afkeerden. 33 Toon spande oen man den boog in zijne eenvoudigheid, en schoot den koning van Israël tusschon do gespen on tusschen hot pantsior. Toen zeide hij tot den voorman: Keer uwe hand en voor mij uit het leger, want ik ben verwond. 34 En de strijd nam op donzolvon dag toe, en do koning van Israël dood zich met don wagen staande houden tegenover do Syriërs, tot don avond too; on hij stierf tor tijd, als do zon onderging. HOOFDSTUK 19. Jósafat wordt door den profeet John berispt, vs. 1. Hij blijft to Jonlzalem oa stelt daarna overal in zijn land rigters aan, die hij tot trouwe bediening van hun ambt vermaant, 4; vervolgens nog kerkelijke en burgerlijke rigters in Jeruzalem, 8. EN Jósafat, do koning van Juda, keerde met vrede weder naar zijn huis te Jeruzalem. 2 En Jehu, do zoon van Hanani, de ziener, ging uit, hom togen, en zeide tot den koning Jósafat: Zoudt gij den goddelooze helpen, en die den Heere haten, liefhebben? nu is daarom over u van hot aangezigt dos Heeren groote toornigheid. 3 Evenwel goede dingen zijn bij u gevonden; quot; want gij bobt de bosschen uit hot land weggedaan, en uw hart gerigt, om God te zoeken. a 2 Kron. 17:4, 6. 4 Jósafat nu woonde te Jeruzalem; en hij toog wederom uit door het volk, van Ber-séba af tot het gebergte van Efraïm toe, en deed |
2 KRONIJKEN 19, 20.
435
|
hen wederkeeren tot den Heere, hunner vaderen God. 5 En hij stelde rigters in het land, in alle vaste steden van Juda, van stad tot stad. (! En hij zeide tot de rigters: Ziet wat gij doet, want gij houdt het gerigt niel den mensche, maar den Heere; en Hij is bij u in do zaak van het gerigt. 7 Nu dan, de verschrikking des Heeren zij op ulieden; neemt waar, en doet liet: quot; want bij den Heeke, onzen God, is geen onregt, ''noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. fflDont. 32:4. Rom. 9:14. li Deut. 10:17. Job 1)4:19. Hand. 10:34. Rom. 2:11. Gtal. 2 : 0. Efez. (i: 9. Col. 3 : 25. 1 Petr. 1 : 17. 8 Daartoe stelde Jósafat ook te Jeruzalem eenige van do Levieten, en van de priesteren, en van de hoofden dor vaderen van Israël, over liet gerigt des Heeren, en over rogtsgeschillen, als zij weder te Jeruzalem gekomen waren. 9 En hij gebood hun, zeggende: Doot alzoo in de vreeze dos Heeren, met getrouwheid on mot oen volkomen hart, 10 En in alle geschil, hetwelk van uwe brooderen, die in hunne steden wonen, tot u zal komen, tusschon blood on bloed, tusschen wet en gebod, on inzettingen on regton, zoo vermaant hen, dat zij niet schuldig worden aan den Heere, on eene groote toornigheid over u en over uwe broederen zij: doet alzoo, en gij zult niot schuldig worden. 11 En ziet, Amarja, do hoofdpriestor, is over u in alle zaak des Heeren; en Zebadja, do zoon van Ismaël, de vorst van het huis van Juda, in alle zaak des konings; ook zijn do ambtlieden, de Levieten, voor uw aangezigt: woest sterk en doet het, en de Heere zal mot don goede zijn. HOOFDSTUK 20. Jósafut in krijgsnood zijndo, roeijl oen vasten uit, vs. 1; on doot zelf een gebed tot God, 5. Hij wordt van don profeet Jahaziël getroost door toezegging van Gods hulp, 14; die hij door een wonder ontvangt, 20; behaalt grooten buit en keert weder naar Jerftzalem mot dankzegging tot God, 25, Zijne regering, 31. Zijne scheepvaart op Tharsis mislukt, 35. HET geschiedde nu na dozen, dat de kinderen Moabs, en de kindoren Amnions, en mot hen anderen benevens do Ammonieten, kwamen tegen Jósafat ton strijde. 2 Toen kwamen er, die Jósafat boodschapten, zeggende: Daar komt eene groote menigte tegen u van geno zijde dor zoo, uit Syrië; en zie, zij zijn te Hazezon-thamar, hetwelk is Engedi. 3 Jósafat nu vreesde, on stelde zijn aangezigt, om den Heere te zoeken; on hij riep een vasten uit in gansch Juda. 4 En Juda werd vergaderd, om van den Heere hulp te zooken; ook kwamen zij uit allo steden van Juda, om den Heere to zoeken. 5 En Jósafat stond in do gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis des Heeren, voor het nieuwe voorhof. |
(! En hij zeide: O Heere! God onzer vaderen! zijt Gij niet die God in don hemel? ja Gij zijt de neerschor over allo koningrijken der Heidenen; en quot;in uwe hand is kracht en sterkte, zoodat niemand zich togen U stollen kan. n 1 Kron. 29 : 12. Matt, ü : 13. 7 Hebt Gij niot, onze God, do inwoners dezes lands van voor hot aangezigt van uw volk Israël verdreven, en dat aan het zaad van Abraham, uwen liefhebber, tot in eeuwigheid gegeven? 8 Zij nu hebben daarin gewoond, en zij hebben U daarin een heiligdom gebouwd voor uwen naam, zeggende: 9 quot; Indien over ons eeniy kwaad komt, hot zwaard des oordeels, of pestilentie, of honger, wij zullen voor dit huis, on voor uw aangezigt staan, dewijl uw naam in dit huis is; en wij zullen uit onze benaauwdheid tot U roepen, en Gij zult verhoo-ren on verlossen. a 1 Kon. 8:33, 34, 85, enz. 2 Kron. 0:28. 7 :13. 10 En nu, zie de kinderen Amnions, en Moab, en die van hot gebergte Soïr, door dewelken Gij Israël niet toeliet te trokken, als zij uit Egypte-land togen, maar zij weken van hen, en verdelgden hen niet: 11 Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit uwe erve, die Gij ons te erven gegeven bobt, te verdrijven. 12 O onze God! zult Gij geen rogt tegen hen oefenen ? want in ons is geeno kracht togen deze groote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze oogen zijn op U. 13 En gansch Juda stond voor hot aangezigt des Heeren, ook hunne kinderkous, hunne vrouwen en hunne zonen, 14 Toen kwam do Geest dos Heeren, in het midden dor gemeente, op Jahaziël, don zoon van Zecharja, den zoon van Bonaja, den zoon van Jelüöl, den zoon van Matthanja, den Leviet, uit de zonen van Asaf; 15 En hij zeide: Merkt op, geheel Juda, on gij inwoners van Jeruzalem, en gij koning Jósafat! alzoo zegt do Heere tot ulieden: quot;Vreest gijlieden niot, en wordt niot ontzet van wege deze groote menigte: want do strijd is niot uwe, maar Gods. a Ex. 14 : 13. 1(1 Trekt morgen tot hen af: ziet, zij komen op bij don opgang van Ziz; on gij zult hen vinden in het einde dos dals, voor aan de woestijn van Jerüël, 17 Gij zult in dezen strijd niot te strijden hebben; stolt u zeiven, staat en ziet het heil des Heeren met u, o Juda en Jeruzalem! vreest niet, en ontzet u niet, gaat morgen uit, hun togen, want do Heere zal mot u wezen, 18 Toen neigde zich Jósafat met het aangezigt tor aarde; on gansch Juda en do inwoners van Jeruzalem vielen neder voor het aangezigt des Heeren, aanbiddende den Heere, |
28*
2 KRONIJKEN 20, 21.
|
19 En de Levieten uit de kinderen der Kahathie-ten, en uit do kinderen der Korahieten, stonden op, om den Heere, den God Israels, met luider stem ten hoogste te prijzen. 20 En zij maakten zich des morgens vroeg op, en togen uit naar de woestijn van Thekóa; en als zij uittogen, stond Jósafat en zeide: Hoort mij, o Jnda, en gij inwoners van Jeruzalem! gelooft in den Heere, uwen God, zoo zult gij bevestigd worden; gelooft aan zijne profeten, en gij zult voorspoedig zijn. 21 Hij nu beraadslaagde zich met het volk, en hij stelde den Heere zangers, die de heilige Majesteit prijzen zouden, voor do toegerusten uitgaande en zeggende: Looft den Heere, want zijne goedertierenheid is tot in eeuwigheid! 22 Tor tijd nu, als zij aanhieven met een vreugdegeroep en lofzang, quot;stelde de Heere achterlagen tegen de kinderen Amnions, Moab, en die van het gebergte Seïr, die tegen Juda gekomen waren; en zij werden geslagen, a Higt. 7 : 22. 1 Sam. 14:20. 213 Want do kindoren Amnions en Moab stonden op tegen de inwoners van hot gebergte Seïr, om te verbannen en te verdelgen; en als zij met de inwoners van Seïr een einde gemaakt hadden, hielpen zij de een den ander ton verdorvo. 24 Als nu Juda tot den wachttoren in do woestijn gekomen was, wendden zij zicli naar de menigte; en ziet, het waren doodo ligchamen, liggende op do aarde, en niemand was ontkomen. 25 Jósafat nu en zijn volk kwamen, om hunnen buit te rooven, on zij vonden bij hen in menigte, zoowol have on doodo ligchamen, als kostelijk gereedschap, en namen voor zich weg, totdat zij niet moer dragon konden; en zij roofden den buit drie dagen, want dies was veel. 26 En op den vierden dag vergaderden zij zich in het dal van Beracha, want daar loofden zij den Heere: daarom noemden zij don naam dior-zolve plaats hot dal van Beracha, tot op dezen dag. 27 Daarna keerden alle mannon van Juda en Jeruzalem weder, en Jósafat in de voorspitse van hen, om wederom met blijdschap tot Jeruzalem te komen: want do Heere had hen verblijd over hunne vijanden. 28 En zij kwamen te Jeruzalem, met luiten, en met harpen, en met trompetten, tot hot huis dos Heeren. 2!) En er werd eene verschrikking Gods over allo koningrijken dier landen, als zij hoorden, dat de Heere tegen do vijanden van Israël ge-stroden had. no Alzoo was het koningrijk van Jósafat stil; on zijn God gaf hom rust rondom honen. :?1 Zoo regeerde Jósafat over Juda: hij was quot; vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en do naam zijner moeder was Azüba, eene dochter van Silhi. a\ Kon. 22:42. 32 En hij wandelde in den weg van zijnen vader |
Asa, en hij week daarvan niet af, doende dat regt was in do oogon des Heeren. 33 Evenwel worden de hoogten niet weggenomen: want het volk had nog zijn hart niet geschikt tot don God zijner vaderen. 34 Het overige nu der geschiedenissen van Jósafat, do eerste en do laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Johu, den zoon van Hanani, die men hem opteokenon deed in het boek der koningen van Israël. 35 Doch na dozen vorgezelschapte zich Jósafat, de koning van -luda, mot Ahazia, den koning van Israël; die handelde goddelooslijk in zijn doen. 36 En hij vergozolschapte zich met hem, quot;om schepen te maken, om naar Tharsis te gaan: en zij maakten do schepen te Ezoon-Géber. «1 Kon.22:49. 37 Maar Eliëzor, do zoon van Dódava, van Ma-résa, profeteerde tegen Jósafat, zeggende: Omdat gij u met Ahazia vorgezelschapt hebt, heeft de Heere uwe werken verscheurd. Alzoo werden do schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan. HOOFDSTUK 21. Jósafat sterft en zijn zoon Joram regeert, die zijne broeders doodt, vs. 1, Zijne goddelooze regering, 5. De Edomieten en Libna vallen van hem af, 8; on overeenkomstig een schrijven van Elia wordt hij van de Filistijnen en Arabieren gekweld, die zijn huis plunderen, zijne zonen en vrouwen wegnemen, 16. Hij zelf wordt bezocht met eene ongeneeslijke krankheid, waaraan hij sterft, en zonder gewoon eerbewijs begraven wordt, 19. DAARNA quot;ontsliep Jósafat met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen in de stad Davids; en zijn zoon Joram werd koning in zijne plaats. al Kon. 22:51. 2 Kon. 8: 10. 2 En hij had broederen, Jósafats zonen, Azarja, en Jehlël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja: deze allen waren zonen van Jósafat, den koning van Israël. 3 En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver, en van goud, en van kostelijkheden, met vaste steden in Juda; maar het koningrijk gaf hij Joram, omdat hij do eerstgeborene was. 4 Als Joram tot het koningrijk zijns vaders opgekomen was, en zich versterkt had, zoo doodde hij al zijne broederen met het zwaard, mitsgaders ook eenige van de vorsten van Israël. 5 quot; Twee en dertig jaar was Joram oud, toen hij koning werd, en hij rogeerde acht jaren te Jeruzalem. a 2 Kon. 8:17. 6 En hij wandelde in den weg der koningen van Israël, gelijk als hot huis van Achab deed: want hij had de dochter van Achab tot eene vrouw; en hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren. 7 Doch de Heere wilde het huis Davids niet verderven, om des verbonds wil, quot; dat Hij met David gemaakt had; en gelijk als Hij ''gezegd had, hem en zijnen zonen te allen dage eene lamp te zullen geven. a 2 Sam. 7 : 12. 1 Kon. 11 : 30. Ps. 132 :11, 17. 61 Kon. 11: 36. |
2 KRONLIKEN 21, 22.
|
8 quot;In zijne dagen vielen de Edomioten af van onder het gebied van Jnda, en zij maakten over zich eenen koning. «2 Kon. 8:2(1. 9 Daarom toog Joram voort met zijne oversten, on al de wagenen met hem; en hij maakte zich des nachts op, quot;en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, en de oversten der wagenen. a 2 Kon. S : 21. 10 quot; Evenwol vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, tot op dezen dag; toon tor zolver tijd viel Libna af van onder zijn gebied: want hij had den Heere, den God zijner vaderen, verlaten. «2 Kon. 8:22. 11 Ook maakte hij hoogten op do borgen van Juda; en hij deed de inwoners van Jeruzalem hoereren, ja hij dreef Juda daartoe. 12 Zoo kwam oen schrift tot hom van don profeet Elia, zeggende: Alzoo zegt do IIeere, do God van uwen vader David: Omdat gij in do wogen van uwen vader Jósafat, en in de wogen van Asa, don koning van Juda, nietgewandold hebt; 13 Maar hebt gewandeld in den weg dor koningen van Israël, on hebt Juda en de inwoners van Jeruzalem doen hoereren, achtervolgens het hoereren van liet huis van Achab; en ook uwe brooderen, van uws vaders huis, gedood hebt, die beter waren dan gij; 14 Zie, de Heere zal u plagen met eene groote plago aan uw volk, en aan uwe kinderen, en aan uwe vrouwen, en aan al uwe have. 15 Gij zult ook in groote krankheden zijn, door do krankheid uwer ingewanden, totdat uwe ingewanden uitgaan van wege de krankheid, jaar op jaar. 10 Zoo verwekte de IIeere togen Joram don geest der Filistijnen en der Arabieren, die aan de zijde dor Mooren zijn. 17 Die togen op in Juda, en braken daarin, on voerden alle havo weg, die in het huis dos konings gevonden werd, zelfs ook zijne kinderen, en zijne vrouwen; zoodat hein geen zoon overgelaten werd, dan Jóahaz, de kleinste zijner zonen. 18 En na dit alles plaagde hom de Heere in zijn ingewand mot eene krankheid, daar geen genezen aan was. 1!) Dit geschiedde van jaar tot jaar, zoodat, wanneer do tijd van hot einde dor twee jaren uitging, zijne ingewanden met de krankheid uitgingen, dat hij stierf van booze krankheden; en zijn volk maakte hem goono branding, als de branding zijnor vaderen. 20 liij was twee on dertig jaren oud, als hij koning word, en regeerde acht jaren te Joruzalom; en hij ging henen zonder begeerd te zijn; on zij begroeven hem in de stad Davids, maar niet in do graven der koningen. HOOFDSTUK 22. Ahilzia wordt koning in zijns vaders plaats on volgt de zonden van het huis Achabs, 3. Hij bezoekt Joram, den koning van Israël, die krank was, (i; |
bij welke gelegenheid hij door Jelm wordt onige-bragt, S. Athalia brengt al hol koninklijke zaad van het huis van Juda om, uitgenomen Joas, die door zijne moei Jósabath wordt verstoken. Zij regeert, 10. EN quot; do inwoners van Jeruzalem maakten Aba-zia, zijnen kleinsten zoon, koning in zijne plaats: want eene bende, die met do Arabieren in het leger gekomen was, had al do eersten gedood. Ahazia dan, de zoon van Joram, den koning van Juda, regeerde. «2 Kon. 8:21, 2r), enz. 2 Twee en dertig jaar was Ahazia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde een jaar to Jeruzalem; en do naam zijner moeder was Athalia, eene dociiter van Oniri. 3 Ilij wandelde ook in do wegen van het huis van Achab: want zijne moedor was zijne raadgeefster, om goddolooslijk te handelen. 4 En hij dood dat kwaad was in de oogen dos IIeeren, gelijk het huis van Achab: want zij waren zijne raadgevers, na den dood zijns vaders, hem ton verdervo. 5 Hij wandelde ook in hunnen raad, quot;en toog henen met Joram, den zoon van Achab, don koning van Israël, tot don strijd togen Hazaël, den koning van Syrië, bij Ramoth in Gilead; en de Syriërs sloegen Joram. «2 Kon. 8:28. (J En hij keerde weder om zich te laten genezen te Jizroël, want hij had wonden, die men hem bij Rama geslagen bad, als hij streed tegen Hazaël, den koning van Syrië; en Azarja, de zoon van Joram, don koning van Juda, kwam af, om Joram, don zoon van Achab, te Jizroël te bezien, want bij was krank. 7 De vertreding nu van Ahazia was van God, dat hij tot Joram kwam: want als hij gekomen was, toog bij mot Joram uit tot John, den zoon van Nimsi, denwelken de Heere gezalfd had, om het huis van Achab uit te roeijen. 8 Zoo geschiedde hot, als Jelui oordooi uitvoerde tegen het huis van Achab, dat bij de vorsten van Juda en do zonen der broederen van Ahazia, die Ahazia dienden, vond, quot;on die doodde. a 2 Kon. 10:14. i) quot; Daarna zocht bij Ahazia, en zij kregen hem, (want hij was verstoken in Samaria) en zij brag-ten hem tot Jelui, en zij doodden hom, en begroeven hem; want zij zeiden: Hij is de zoon van Jósafat, die den Heere met zijn gansche hart gezocht hooft. Zoo had het huis van Ahazia niemand, die kracht behield tot bot koningrijk. «2 Kon. 9:27. 10 Toon Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zoo maakte zij zich op, en bragt al het koninklijke zaad van het huis van Juda om. 11 Maar Józabath, de dochter des konings, nam Joas, den zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van dos konings zonen, die gedood werden, en zette hem en zijne voedster in eene slaapkamer; zoo verborg hem Józabath, de dochter |
2 KRONIJKEN 22, 23, 24.
438
|
van den koning Joram, de huisvrouw van don priester Jójada, (want zij was de zuster van Ahazia) voor Athalia, dat zij hem niet doodde. 12 En hij was bij hen verstoken in het huis Gods zes jaren; en Athalia regeerde over het land. HOOFDSTUK 23. Joas, zeven jaar oud zijnde, wordt door schikkingen van Jójada koning, vs. 1. Athalia gedood, 12. Het verbond tnsschen den Heere en den koning met zijn volk wordt vernieuwd, 10; de afgoderij geweerd, 17; de kerkelijke orde hersteld, 18; en do koning met vreugde in zijn huis gebragt, 20. DOCH in het zevende jaar versterkte zich Jójada, en nam do oversten der honderden, Azarja, den zoon van Jeróham, en Ismaël, den zoon van Jóhanan, en Azarja, den zoon van Obed, en Maiiséja, den zoon van Adaja; en Elisafat, den zoon van Zichri, met zich in een verbond. 2 Die togen om in Juda, en vergaderden de Levieten uit allo steden van Juda, en de hoofden der vaderen van Israël, en zij kwamen naar Jeruzalem. 3 En die gansche gemeente maakte een verbond, in het huis Gods, met den koning; en hij zeide tot hen: Ziet, de zoon des konings zal koning zijn, quot;gelijk als de Heere van de zonen van David gesproken heeft, a 2 Sam. 7:13. 2Kron. 21:7. 4 quot;Dit is de zaak, die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, van de priesteren en van de Levieten, zullen tot poortiers der dorpelen zijn; a 2 Kon. 11 : 5, enz. 5 En een derde deel zal zijn aan het huis des konings; en een derde doel aan de Fondament-poort; en al liet volk zal in de voorhoven zijn van het huis des Heeren. 0 Maar dat niemand kome in het huis des Heeren, dan de priesteren en de Levieten, die dienen: die zullen ingaan, want zij zijn heilig; maar al het volk zal de wacht des Heeren waarnemen. 7 Do Levieten nu zullen den koning rondom omsingelen, een ieder met zijne wapenen in zijne hand; en die tot het huis inkomt, zal gedood worden: doch weest gijlieden bij den koning, als iiij inkomt en uitgaat. 8 En de Levieten en gansch Juda deden naar alles, wat de priester Jójada geboden had; en zij namen een ieder zijne mannen, die op den sabbat inkwamen, met degenen, die op den sabbat uitgingen : want de priester Jójada had aan de verdeelingen geen verlof gegeven. !) Verder gaf de priester Jójada aan de oversten der honderden de spiesen, en de rondassen, en de schilden, die van den koning David geweest waren, die in hot huis Gods waren. 10 En hij stolde al het volk, en een ieder met zijn geweer in zijne hand, van de regterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar en naar het huis, bij den koning rondom. |
11 Toen bragten zij des konings zoon voor, en zetten hem de kroon op, en gaven hem de getuigenis, en zij maakten hem koning; en Jójada en zijne zonen zalfden hem, en zeiden : De koning leve! 12 Toen nu Athalia hoorde de stem dos volks, dat toeliep en den koning roemde, kwam zij tot het volk in het huis des Heeren. 13 En zij zag toe; en ziet, de koning stond hij zijnen pilaar, aan den ingang; en de oversten en de trompetten waren bij den koning; en al het volk des lands was blijde, en blies met trompetten ; en de zangers waren er met muzikale instrumenten, en gaven te kennen, dat men lofzingen zou: toen verscheurde Athalia hare kleederen, en zij riep : Verraad , verraad ! 14 Maar de priester Jójada bragt de oversten der honderden, die over het heir gesteld waren, uit, en zeide tot hen: Brengt ze uit tot buiten de ordeningen, en die haar volgt, zal met hot zwaard gedood worden: want do priester had gezegd : Gij zult ze in het huis des Heeren niet dooden. 15 En zij leiden de handen aan haar, en zij ging naar den ingang van de Paardenpoort, naar het huis des konings; en zij doodden ze daar. KJ En Jójada maakte een verbond, tusschen zich, en tusschen al hot volk, en tusschen den koning, dat zij den Heere tot een volk zouden zijn. 17 quot;Daarna ging al hot volk in het huis van Daiil, en braken dat af; en zijne altaren en zijne beelden verbraken zij, en Matthan, den priester van Raiil, ''slóegen zij dood voor de altaren. «2 Kon. 11 : 18. 6 Dent. 18:9. 18 Jójada nu bestelde do ambten in hot huis des Heeren, onder de hand der levietische priesteren, quot; die David in het huis des Heeren afgedeeld had, om de brandofferen des Heeren te offeren, gelijk in de ''wet van Mozes geschreven is, met blijdschap en met gezang, naar de instelling van David. al Kron. 23, 24, 25, 20. h Lev. 1 :3. If) Rn hij stelde de poortiers aan de poorten van het huis des Heeren, opdat niemand, in eenig ding onrein zijnde, inkwame. 20 En hij nam de oversten der honderden, en de magtigen, en die heerschappij hadden onder het volk, en al het volk des lands, en bragt den koning van het huis des Heeren af, en zij kwamen door het midden der hooge poort in het huis des konings; en zij zetten den koning op den troon des koningrijks. 21 En al het volk des lauds was blijde, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met hot zwaard gedood hadden. HOOFDSTUK 24. Vrome regering van Joas zoolang Jójada loeft, vs. 1. Joas neemt twee vrouwen, 3. Joas herstelt den tempel, 4. Jójada sterft en wordt zeer kostbaar begraven, 15. Joas wordt een afgodendienaar, 17; laat Zacharia, den zoon van Jójada, omdat deze de afgoderij bestrafte, dooden, 20. Hij wordt van de Syriörs beroofd on geslagen, 23; eindelijk door zijne knechten gedood, 25. Zijn zoon Araazia wordt koning, 27. |
|
JOAS quot;was zovoii jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zibja, van Ber-séba. a 2 Kon. 12 : I, enz. 2 En Joas deed dat regt was in de oogen des Heeren, al de dagen van den priester Jójada. 3 En Jójada nam voor hom twee vrouwen; en hij gewon zonen en dochteren. 4 Het geschiedde nu na dozen, dat het in het hart van Joas was, het huis des IIeeren to vernieuwen. 5 Zoo vergaderde hij de priesteren en de Levieten , en zeide tot hen; Trekt uit tot de steden van Juda, en vergadert geld van het gansche Israël, om het huis uws Gods te beteren van jaar tot jaar; en gijlieden, haast tot deze zaak; maaide Levieten haastten niet. 6 En de koning riep Jójada, liet hoofd, en zeide tot hem: Waarom hebt gij geen onderzoek gedaan bij de Levieten, dat zij uit Juda en uit Jeruzalem inbrengen zouden do schatting van quot;Mozes, don knecht des Heeren, en van de gemeente van Israël, voor de tent der getuigenis? «Ex. 30: U, 12, 13. 7 Want als Athalia goddolooslijk handelde, haddon hare zonen het huis Gods opengebroken, ja zelfs allo geheiligde dingen van het huis dos Heeren besteed aan do Baiils. 8 En do koning gebood, en zij maakten oono kist, en stelden die buiten aan de poort van het hnis des Heeren. i) En men deed uitroeping in Juda on in Jeruzalem, dat men don Heere inbrengen zou de schatting van Mozes, den knecht Gods, over Israël in do woestijn. 10 Toon verblijddon zich allo oversten en al het volk, on zij bragten in, en wierpen in do kist, totdat men voleind had. 11 Het geschiedde nu tor tijd, als hij de kist, naar des konings bevel, door do hand dor Levieten, inbragt, en als zij zagen, dat er veel golds was, dat do schrijver des konings kwam, en de bestelde van don hoofdprioster, on do kist ledig maakten, en die opnamen, on die wedorbragten aan hare plaats: alzoo deden zij van dag tot dag, en verzamelden gold in menigte; 12 Hetwelk do koning en Jójada gaven aan degenen , die hot werk dor dienst van het huis des Heeren verzorgden; on zij huurden houwers en timmerlieden, om het huis des Heeren te vernieuwen , mitsgaders ook workmoostors in ijzer en koper, om hot huis dos Heeren te beteren. 13 Zoo deden do verzorgers van het werk, dat de betering des works door hunne hand toenam; on zij herstelden het huis Gods in zijne gostalto-nis, en maakten het vast. 14 Als zij nu voleind haddon, bragten zij voor don koning en Jójada hot overige des gelds, waarvan hij vaten maakte voor hot huis dos Heeren, vaten om te dienon en te offeren, en rook-439 |
schalen, on gouden on zilveren vaten: en zij offerden geduriglijk brandofferen in hot huis des Heeren al de dagen van Jójada. 15 En Jójada werd oud en zat van dagen, on stierf; hij was honderd en dertig jaren oud, toon hij stierf. 1(5 En zij begroeven hem in do stad Davids, bij do koningen; want hij had goed gedaan in Israël, beide aan God en zijnon huizo. 17 Maar na don dood van Jójada kwamen de vorston van Juda, en bogen zich neder voorden koning; toen hoorde de koning naar hen. 18 Zoo verlieten zij het huis dos Heeren, dos Gods hunner vaderen, on dienden do bossclion en do afgoden: toon was eene groote toornigheid over Juda on Jeruzalem, om deze hunne schuld. li) Doch Hij zond profeten onder hen, om hen tot den Heere te doen wedorkeeron; die betuigden togen hen, maar zij neigden de ooren niet. 20 En do Geest Gods toog Zacharfa aan, den zoon van Jójada, den priester, die boven het volk stond, en hij zoide tot hen: Zoo zegt God: Waarom overtreedt gij de geboden des Heeren? quot;Daarom zult gij niet voorspoedig zijn; dewijl gij den Heere verlaten hebt, zoo zal Hij u verlaten. a 2 Kron. 15:2. 21 En zij maakten eene vorbindtenis tegen hem, en quot; steenigden hom met stoonen door het gebod des konings, in hot voorhof van het huis des Heeren. a Matt. 23 : 35. 22 Zoo gedacht do koning Joas niet dor weldadigheid, die zijn vader Jójada aan hem gedaan had, maar doodde zijnen zoon; dewelke, als hij stierf, zoide: de Heere zal het zien en zoeken! 23 Daarom geschiedde hot met den omgang des jaars, dat do heirkracht van Syrië tegen hem optoog, en zij kwamen tot Juda en Jeriizalem, en verdorven uit het volk al do vorsten ties volks; en zij zonden al hunnen roof tot den koning van Damaskus. 24 Hoewel do heirkracht van Syrië mot weinige mannen kwam, evenwel gaf do Heere in hunne hand eene heirkracht van groote menigte, dewijl zij den Heere, don God hunner vaderen, verlaten hadden: alzoo voerden zij do oordeolen uit tegen Joas. 25 En toen zij van hein getogen waren, (want zij lieten hem in groote krankheden) maakten zijne knechten, om het bloed der zonen van den priester Jójada, eene vorbindtenis tegen hom, on zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf; en zij begroeven hem in do stad Davids, maar zij begroeven hom niet in do graven der koningen. 26 quot;Deze nu zijn, die eene vorbindtenis tegen hem maakten: Zabad, do zoon van Simeath, do Ammonietische, en Józabad, de zoon van Siin-rith, do Moabietische. «2 Kon. 12:21. 27 Aangaande nu zijne zonen, en de grootheid van den last, hom ovgetégd, en het gebouw 2 KRONIJKEN 24. |
2 KRONIJKEN 24, 25.
440
|
van hot huis Gods, ziot, zij zijn geschreven in do historie van hot boek dor koningen; on zijn zoon Amazia word koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 25. Amazia regeert in don beginne wel, vs. 1. Hij wreekt zijns vaders dood, 3. Hij rust zich ten strijde tegen do Edomieten en huurt hulptroepen uit Israël, 5. Hij dankt door raad van eenen profeet deze huurlingen af, 7; en overwint met zijn eigen volk de Edomieten, 11. De afgedankte Israëlieten brongen hein sehnde toe, 13. Hij vervalt tot afgoderij, 14; daagt vermetel Israöls koning uit tot eenon oorlog, 17; wordt van dezen geslagen, 22; en van zijn eigen volk verdreven en gedood, 27. AMAZIA, quot;vijf en twintig jaren oud zijndo, werd koning, en regeerde negen en twintig jaren to Jeruzalem; en do naam zijnor moeder was Jóaddan van Jeruzalem. «2 Kon. 14: 1. 2 En hij dood dat rogt was in de oogen dos IIeeren, doch niet met een volkomen hart. :) Hot geschiedde nu, als hot koningrijk aan hom gesterkt was, dat hij zijne knechten, die don koning, zijnen vader, geslagen hadden, doodde. 4 Doch hunne kinderen doodde hij niet, maar hij deed, gelijk in de wet, quot;in liet book van Mo-zos, geschreven is, waar de Heere geboden hoeft, zeggende; De vaders zullen niot sterven om de kinderen, on de kinderen zullen niet sterven om do vaders; maar een iodor zal om zijne zonde sterven. a Dent. 24: IC. 2 Kon. 14 ; G. Jor. 31 : 30. Ezec. 18 : 20. 5 En Amazia vergaderde Juda, on stoldo hen, naar de huizen der vaderen, tot oversten van duizenden en tot oversten van honderden, door gansch Juda on Benjamin; en hij monsterde hen, van twintig jaren oud en daarboven, en vond hen drie honderd duizend uitgelezenen, uittrekkende ten hoiro, handelende spies en rondas. (! Daartoe huurde hij uit Israël honderd duizend kloeke helden, voor honderd talonten zilvers. 7 Maar er kwam eon man Gods tot hom, zeggende: O koning! laat liet heir van Israël niet u niot gaan: want do Heere is niet met Israël, met allo kinderen van Efraïin. 8 Maar zoo gij gaat, doe hot, wees sterk ten strijde. God zal u doen vallen voor don vijand: want in God is kracht, om te helpen en om te doen vallen. !) En Amazia zoide tot den man Gods: Maar wat zal men doen met do honderd talenten, dio ik aan do benden van Israël gegeven heb? En do man Gods zoide: Do Heere hoeft moor dan dit, om u te geven. 10 Toon scheidde Amazia die af, te weten do benden, die uit Efraïin tot hem gekomen waren, dat zij naar humie plaats gingen; daarom ontstak hun toorn zeer tegen Juda, en zij keerden weder tot hunne plaats in hittighoid dos toorns. 11 Amazia nu sterkte zich, en loidde zijn volk uit, en toog in hel Zoutdal, en sloeg van do kinderen van Soïr tien duizend. |
12 Daartoe vingen de kinderen van Juda tien duizend lovend, en bragten ze op de hoogte dor steenrots, on stieten hen van de spits der steenrots af, dat zij allen barstten. 13 Maar do mannen dor bondon, die Amazia had doen woderkeeron, dat zij met hem in den strijd niet zouden trekken, die deden eenon inval in de steden van Juda, van Samaria af tot Beth-hóron toe, en sloegen van hen drie duizend, en roofden voel roofs. 14 Het geschiedde nu, nadat Amazia van het slaan der Edomieten gekomen was, en dat hij do goden der kindoren van Seïr medegebragt had, dat hij die zich tot goden stolde, en zich voor dezelve nederboog, en dien rookte. 15 Toen ontstak de toorn des IIeeren tegen Amazia; en Hij zond tot hem oenen profeet, die zeide tot hem: Waarom hebt gij de goden van dat volk gezocht, die hun volk niot gered hebben uit uwe hand ? 1(3 En het geschiedde, als hij tot hein sprak, dat hij hem zeide: Hooft men u tot des konings raadgever gestold? houd gij op; waarom zouden zij ii slaan? Toen hield do profeet op, en zoide: Ik merk, dat God besloten heeft u te verdorven, dewijl gij dit gedaan en naar mijnon raad niet gehoord hebt. 17 quot;En Amazia, do koning van Juda, werd te rade, dat hij zond tot Joas, don zoon van Jóahaz, den zoon van Jelui, den koning van Israël, om te zoggen: Kom, laat ons elkanders aangezigt zien. a 2 Kon. 14 : 8. 18 Maar Joas, do koning van Israël, zond tot Amtizia, den koning van Juda, om to zeggen: Do quot;distel, die op don Libanon is, zond tot den ceder, die op don Libanon is, om te zeggen: Geef uwe dochter mijnen zoon ter vrouwe; maar hot gedierte des voids, dat op don Libanon is, ging voorbij, en vertrad de distel. a Rigt. 9 : 8. 19 Gij zegt: Zie, gij iiobt do Edomieten geslagen; daarom hoeft uw hart u verheven, om te roemen: nu, blijf in uw huis; waarom zoudt gij u in hot kwaad niengon, dat gij vallen zoudt, gij en Juda met u? 20 Doch Amazia hoorde niot, want hot was van God, opdat llij hen in hunne hand gave, overmits zij do goden dor Edomieten gezocht hadden. 21 Zoo toog Joas, de koning van Israël, op, en hij on Amazia, do koning van Juda, zagen elkanders aangezigten te Both-Sémes, dat in Juda is. 22 En Juda werd geslagen voor het aangezigt van Israël; en zij vloden een iegelijk in zijne tonton. 23 En Joas, do koning van Israël, greep Annizia, don koning van Juda, den zoon van Joas, den zoon van Jóahaz, to Both-Sémes; en hij bragt hom te Jeruzalem, en quot;hij brak aan den muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïin tot aan de Hoekpoort, vier honderd ellen, a 2 Kron. 32 : 5. 24 Daartoe nam hij al het goud, on het zilver. |
2 KRONIJKEN 25, 26.
441
|
on al do vaten, dio in het huis Gods gevonden werden, luj Obed-Edom, en do schatten van liet huis dos konings, mitsgaders gijzelaars, on hij keerde weder naar Samaria. 25 Amazia nu, do zoon vanJoas, de koning van Juda, leefde na don dood van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, vijftien jaren. 26 quot; Hot overige nu der gosehiodenissen van Amazia, de eerste en de laatste, ziot, zijn die niet geschreven in het boek der koningen van Juda en Israël? «2 Kom. 14: 18. 27 Van don tijd nu af, dat Amazia afgeweken was van achter don Heere, zoo maakten zij in Jeruzalem oone verbindtonis togen hem; docli hij vlugtto naar Lachis. Toen zonden zij hem na tot Lachis, en doodden hom aldaar. 28 En zij bragten hem op paarden, on begroeven hem bij zijne vaders in do stad van Juda. HOOFDSTUK 26. U/.zia wordt koning in do plants van Amazia, vs. 1; regeert wel in de dagen van Zacharia, 4. Hij behaalt groote overwinningen op zijne vijanden, (i; versterkt Jenlzaiein en zijn huis, 9; zijne krijgsmagt en kunstige oorlogswerken, 11. Hoogmoedig geworden, wil hij het vuur voor don Heere op liet altaar aansteken, 16; -waarover hij met melaatsehheid wordt gestraft, 19. Hij sterft en wordt door zijn' zoon Jothara opgevolgd, 23. TOEN quot; nam het gansche volk van Juda Uzzia, (die nu zestien jaren oud was) on maakten hom koning in de plaats van zijnen vader Amazia. a 2 Kon. 14 : 21. 2 quot; Dezelve bouwde Eloth, on bragt ze weder aan Juda, nadat de koning met zijne vaderen ontslapen was. a 2 Kon. 14:22. 3 quot;Zestien jaren was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij rogeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en do naam zijner moedor was Jochólia van Jeruzalem. «2 Kon. 15:2. 4 En hij deed dat regt was in de oogon des Heeren, naar alles, wat zijn vader Amazia gedaan had. 5 Want hij begaf zich om God te zookon, in de dagen van Zacharia, die verstandig was in de gezigten Gods: in do dagen nu, dat hij den Hekre zocht, maakte hem God voorspoedig. 6 Want hij toog uit, en krijgde tegen do Filistijnen, en brak den muur van Gath, en den muur van Jabne, en den muur van Asdod; daartoe bouwde hij steden in Asdod, en onder do Filistijnen. 7 En God hielp hem togen do Filistijnen, en tegen de Arabieren, die te Gurbaal woonden, en ie(jcn do Meünioten, H En de Ammonieten gaven Uzzia geschonken; en zijn naam ging tot den ingang van Egypte, want hij sterkte zich ton hoogste. 9 Daartoe bouwde Uzzia torens te Jeruzalem, aan de Hoekpoort en aan de Dalpoort, en aan de hoeken; en hij sterkte ze. 10 Hij bouwde ook torens in do woestijn, en hieuw vele putten uit, overmits hij veel vee had. |
beide iu de laagten en in do offone volden; akkerlieden en wijngaardeniers op do borgen en op de vruchtbare velden: want hij was een liefhebber van den XanAbouw. 11 Verder had Uzzia oone heirkracht van ge-oefenden ten oorlog, uittrekkondo ten heiro bij bonden, naar het getal hunner monstering, door de hand van Jeiël, don schrijver, en Mahaséja, den ambtman; onder de hand van Hananja, een' van do vorsten des konings. 12 Het geheele getal van de hoofden dor vaderen , dor strijdbare helden, was twee duizend en zes honderd. 13 En onder hunne hand was een krijgshoir van drie honderd zeven duizend en vijf honderd, die met strijdbare kracht zich ton oorlog oefenden, om den koning togen den vijand te helpen. 14 En Uzzia bereidde voor hen, voor het gansche heir, schilden, en spiesen, en helmen, en pant-sieren, en bogen, zelfs tot de slingerstoenen toe. 15 Hij maakte ook te Jeruzalem kunstige werken, bedenking van kunstige werkmeesters, dat zij op de torons en op do hoekon zijn zouden, om met pijlen en met groote steenon te schieten: zooging zijn naam tot verre toe uit, want hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk word. 16 Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart (ot verdorvens toe, on hij overtrad togen don Heere, zijnen God: want hij ging in den tempel dos Heeren, om te rookon op hot reukaltaar. 17 Doch Azaria, de priester, ging hem na, en met hem des Heeren priesters, tachtig kloeke mannon. 18 En zij wederstonden den koning Uzzia, en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia! den Heere te rookon, maar den priestoren, Aiirons zonen, die geheiligd zijn, om te rookon; ga uit het heiligdom, want gij hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van den Heere God. 19 Toen werd Uzzia toornig, en het reukwerk was in zijne hand, om te rookon; als hij nu toornig werd tegen do priestoren, roos de melaatsehheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangozigt der priestoren, in het huis des Heeren, van boven het reukaltaar. 20 Alstoon zag do hoofdpriester Azaria op hem, en al de priestoren, en ziet, hij was melaatsch aan zijn voorhoofd, en zij stieten hem met der haast van daar, ja hij zelf werd ook gedreven uit te gaan, omdat de Heere hem geplaagd had. 21 quot; Alzoo was do koning Uzzia melaatsch tot aan den dag zijns doods; en melaatsch zijnde, woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was van het huis des Heeren afgesneden: Jol ham nu, zijn zoon, was over hot huis des konings, rigtoiido hot volk des lands. «2 Kon. 15:5. 22 Het overige nu der geschiedenissen van Uzzia, de eerste en de laatste, heeft do profeet Jesaja, de zoon van Amoz, beschreven. |
2 KRONIJKEN 26, 27, 28.
-142
|
28 En Uzzia ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem bij zijne vaderen, in het veld van de begrafenis, die van de koningen was: want zij zeiden; hij is melaatsch; en zijn zoon Jotham werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 27. Jotham regeert wel, vs. 1. Hij sticht veel gebouwen, maakt dc Ammonieten schatpligtig, 5; volhardt in het goede, 6; sterft en zijn zoon Achaz wordt koning, 9. JOTHAM quot;was vijf en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem ; en de naam zijner moeder was Jerüsa, eene dochter van Zadok. a 2 Kon. 15:33, en/.. 2 En hij deed dat regt was in do oogen des Heeren, naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, behalve dat hij in den tempel des Heeren niet ging; en het volk verdierf zich nog. 3 Dezelve bouwde de hooge poorten aan het huis dos Heeren; hij bouwde ook veel aan den muur van Ofol. 4 Daartoe bouwde liij steden op het gebergte van Juda; en in de wouden bouwde hij burgten en torens. 5 Hij krijgde ook tegen den koning der kinderen Amnions, en had de overhand over hen, zoodat de kinderen Amnions in datzelve jaar hem gaven honderd talenten zilvers, en tien duizend kor tarwe, en tien duizend gerst: dit bragten hem de kinderen Amnions wederom, ook in het tweede en in het derde jaar. (i Alzoo versterkte zich Jotham: want hij rigtte zijne wegen voor het aangezigt des 11 keken, zijns Gods. 7 Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al zijne krijgen, en zijne wogen, ziet, zij zijn geschreven in het boek dor koningen van Israël en Juda. 8 Hij was vijf en twintig jaren oud, toen hij koning werd; en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem. !) En Jotham ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en zijn zoon Achaz werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 28. Achaz is een gruwelijk afgodendienaar, vs. 1. Hij wordt door de Syriërs on do Israëlieten geslagen, 5; welke laatsten vele Joden met zich gevangen wegvoeren , 8; die zij echter door den raad van den jjrofeet Oded weder in hunne landpale brengen, 9. Achaz roept de hulp der Assyriörs in, 16. Hij wordt bestreden van de Edomieten en Filistijnen, 17, terwijl de koning van Assyrië hem zijne hulp weigert, 20. Hij gaat in zijne goddeloosheid voort, sterft, en zijn zoon Hizlda volgt hem op, 22. ACHAZ quot;was twintig jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem ; en hij deed niet dat regt was in de oogen des Heeren, gelijk zijn vader David; a2Kon.lG:2,enz. 2 Maar hij wandelde in de wegen der koningen |
van Israël: daartoe maakte hij ook gegotene beelden den Haiils. 3 Dezelve rookte ook in het dal des zoons van Hinnom; on quot;hij brandde zijne zonen in het vuur, naar de gruwelen der Heidenen, die de Heere voor het aangezigt der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had. a Dent. 18; 10. 2 Kon. 21;«. Jer. 7:31. 19:5. 4 Ook offerde hij en rookte op de hoogten en op de heuvelen, mitsgaders onder alle groen geboomte. 5 Daarom quot;gaf hem de Heere, zijn God, in do hand des konings van Syrië, dat zij hem sloegen, en van hem gevankelijk wegvoerden eeno groote menigte van gevangenon, die zij te Damaskus bragten. En hij werd ook gegeven in de hand des konings van Israël, die hem sloeg met oenen grooten slag. a Jes. 7:1. (! Want Pekah, de zoon van Romalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op éénen dag, allen strijdbare mannen, omdat zij den Heere, den God hunner vaderen, verlaten hadden. 7 En Zichri, een geweldig man van Efraïm, sloeg Maiiséja, den zoon des konings, dood, en Azrikam, den huisoverste, mitsgaders E'lkana, den tweede na den koning. 8 En do kinderen Israëls voerden van hunne broederen gevankelijk weg twee honderd duizend, vrouwen, zonen en dochteren, en plunderden ook veel roofs van hen; en zij bragten den roof te Samaria. 9 Aldaar nu was een profeet des Heeren , wiens naam was Oded, die ging uit, het heir tegen, dat naar Samaria kwam, en zeide tot hen: Ziet, door do griminigheid des Heeren, des Gods uwer vaderen, over Juda, heeft Hij hen in uwe hand gegeven, en gij hebt hen doodgeslagen in toornigheid , die tot aan den hemel raakt. 10 Daartoe denkt gij nu de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen; zijt gij het niet alleenlijk? bij ulieden zijn schulden tegen den Heere, uwen God. 11 Nu dan, hoort mij, en brengt de gevangenen weder, die gij van uwe broederen gevankelijk weggevoerd hebt: want de hitte van des Heeren toorn is over u. 12 Toen maakten zich mannen op van de hoofden der kinderen van Efraïm, Azaria, de zoon van Jóhanan, Berechja, do zoon van Mesillémoth, en Jehizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Hadlai, tegen degenen, die uit het heir kwamen. 13 En zij zeiden tot hen; Gij zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot eene schuld over ons tegen den Heere; denkt gijlieden toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en do hitte des toorns over Israël is? 14 Toen lieten de toegerusten do gevangenen en den roof voor het aangezigt der oversten en der gansche gemeente. |
'2 K RON IJKEN 28, 29.
4411
|
15 Do mannen nu, dio niet namen uitgedrukt zijn, maakten zich op, en grepen do gevangenen, on kleedden van den roof al hunne naakten; on zij kleedden hen, on schoeiden hen, on spijsden hen, en drenkten hen, on zalfden lion, on voordon ze oi) ezelen, allen dio zwak waren, on bragton hen to Jericho, do palmstad, bij hunne broodoron; daarna koerden zij weder naar Samaria. K! Tor zeiver tijd zond de koning Acliaz tot de koningen van Assyriö, dat zij hom helpen zouden. 17 Daarenboven waren ook de Edoniieten gekomen, en hadden Juda geslagen en gevangenen gevankelijk weggevoerd. 18 Daartoe waren do Filistijnen in de steden der laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Both-Sémes, en Ajalon, on Godéroth, en Socho on hare ondorhoorige plaatsen , en Timna en hare ondorhoorige plaatsen, en Gimzo en hare ondorhoorige plaatsen; en zij woonden aldaar. 19 Want do Heere vernederde Juda, om wille van Achaz, den koning Israels: want hij had Juda afgetrokken, dat het gansch zeer overtrad togen den Heeiuc. 20 En Tilgath-Pilnéser, do koning van Assyriö, kwam tot hem; doch hij benaauwdo hem, en sterkte hom niet. 21 Want Achaz nam een dool van het huis dos Heeren, en van het huis des konings en der vorsten, hetwelk hij den koning van Assyriö gaf; maar hij hielp hem niet. 22 Ja tor tijd, als men hom benaauwdo, zoo maakte hij des ovortredens tegen don Heere nog moer: dit was de koning Achaz. 23 Want hij offerde den goden van Damaskus, die hem geslagen hadden, en zoide: quot;Omdat de goden der koningen van Syrië hen helpen, zal ik hun offeren, opdat zij mij ook helpen; maar zij waren hem tot zijnon val, mitsgaders aan gansch Israël. a Kigt. 10:23. Hab, 1:11. 24 En Achaz verzamelde de vaten van het huis Gods, en hieuw do vaten van hot huis Gods in stukken, en sloot de deuren van het huis des Heeren toe: daartoe maakte hij zich altaren in alle hoekon te Jeruzalem. 25 Ook maakte hij in elke stad van Juda hoogten, om anderen goden to rooken ; alzoo verwekte hij don Heere, zijner vaderen God, tot toorn. 26 liet overige nu zijnor geschiedenissen, en al zijne wegen, de eerste en de laatste, ziet, zij zijn geschreven in hot boek dor koningen van Juda en Israël. 27 En Achaz ontsliep mot zijne vaderen, en zij begroeven hem in do stad to Jeruzalem; maar zij bragton hem niet in do graven der koningen van Israël, en zijn zoon Jehizkfa werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 29. Hizkia, een godvruchtig koning, tracht dc ware godsdienst te herstellen, vs. 1; vergadert tot dat einde |
de priesters en Ijevieten, 4; wien hij eone treffelijke vermaning doet, 5; welke y.ij nakonieu, 12; /.ij geven zulks den koning te kennen, 18; die om Ood te danken vele offeranden offert mot lofzangen, 20. Do gemeente voegt hare offers daarbij, 31; om die te ontsteken worden do priesters geholpen door de Levieten, die naarstiger waren geweest om zich te heiligen dan de priesters, 34. JEHIZKIA quot;word koning, vijf on twintig jaren oud zijnde, ou regeerde negen en twintig jaren te Jeriizalom; en do naam zijnor moeder was Abia, eene dochter van Zaclmn'a. «2 Kon. 18:1. 2 En hij deed dat regt was in de oogen des Heeren, naar alles, wat zijn vader David gedaan had. 3 Dezelve dood in hot eerste jaar zijner regering, in de eersto maand, quot; de deuren van hot huis des Heeren open, en boterde ze. «2 Kron. 28:24. 4 En hij bragt do priesteren en de Levieten in, en hij verzamelde ze in do Ooststraat. 5 En hij zoide tot hen: Hoort mij, o Levieten! heiligt nu u zeiven, en heiligt hot huis des Heeren, des Gods uwer vaderen, en brengt de on-reinigheid uit van hot heiligdom. 6 Want onze vaders hebben overtreden, en go-daan dat kwaad was in de oogen des Heeren, onzes Gods, en hebben Hein verlaten, on zij hebben hunne aangezigten van don tabernakel des Heeren omgewend, on hebben den nek toegekeerd. 7 Ook hebben zij do deuren van het voorhuis toegesloten, en do lampen uitgebluscht, en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in het heiligdom aan den God Israels niet geofferd. 8 Daarom is een groote toorn dos Heeren over Juda en Jeruzalem geweest; en Hij hoeft hen overgegeven tor beroering, ter verwoesting en ter aanfluiting, gelijk als gij ziet met uwe oogen. 9 Want ziet, onze vaders quot;zijn door het zwaard gevallen; daartoe onze zonen, en onze dochtoron, en onze vrouwen zijn daarom in gevangenis geweest. a 2 Kron. 28:0, enz. 10 Nu is het in mijn hart oen verbond te maken met den Heere, don God Israels, opdat de hitte zijns toorns van ons afkeere. 11 Mijne zonen! woest nu niet traag: quot;want do Heere hooft n vorkoren, dat gij voor zijn aan-gozigt staan zoudt, om Hem te dienen; en opdat gij Hem dienaars en wierookers zoudt wezen. a Ex. 28 : 1. Num. 3:0. 8 : 14. is : 2. 12 Toon maakten zich do Levieten op, Mahath, do zoon van Amasai, en Joël, de zoon van Azarja, van de kinderen der Kehathieten; on van de kinderen van Merari, Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, do zoon van Jehaleël; en van do Gorso-nieten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah; 13 En van do kindoren van Elizafan, Simri en Jeiël; en van do kinderen van Asaf, Zochtirja en Mattanja; |
2 KRONIJKEN 29, 30.
|
14 En van de kinderon van Heman, Jeluël en Simoï; en van de kinderen van Jeduthun, Seniaja en Uzziöl. 15 En zij verzamelden liunne broederen, en lioi-ligden zich, en kwamen, naar het gebod dos konings, door do woorden dos IIeeren, om hot huis des IIeeren te reinigen. 16 Maar do priesteren gingen binnen in iiot huis dos IIeeren, om dat te reinigen, on zij brayten uit in het voorhof van hot huis dos IIeeren al de onroinighoid, die zij in don tempel des IIeeren vonden; on do Levieten namen ze op, om naar buiten uit te brongen, in de beek Kidron. 17 Zij begonnen nu te heiligen op don eersten dor eerste maand, en op don achtsten dag der maand kwamen zij in het voorhuis dos IIeeren, en heiligden het huis des IIeeren in acht dagen; on op don zestienden dag der eerste maand maakten zij een einde. 18 Daarna kwamen zij binnen tot den koning Hizkfa, en zeidon: Wij hebben liet goheelo huis des IIeeren gereinigd, mitsgaders het brandofferaltaar met al zijn gereedschap, on do tafel der toerigting met al haar gereedschap. 1!) Alle gereedschap ook, dat de koning Achaz, onder zijn koningrijk, door zijne overtreding weggeworpen had, hebben wij bereid en geheiligd; en zie, zij zijn voor het altaar des IIeeren. 20 Toon maakte zich do koning Johizkia vroeg op, en verzamelde de oversten dor stad, on hij ging op in hot huis des IIeeren. 21 En zij bragten zeven varren, en zeven rammen, on zeven lammeren, en zeven geitenbokken ton quot;zondoffer voor hot koningrijk, en voor liet heiligdom, en voor Juda; en hij zeide tot do zonen van Aaron, do priesteren, dat zij die op hot altaar des IIeeren zouden offeren, a Lev. 4:14. 22 Zoo slagtten zij de runderen, en de priesters ontvingen het bloed, en quot;sprengden het op het altaar; zij slagtten ook de rammen, en sprengden het bloed op het altaar; insgelijks slagtten zij do lamineren, en sprengden het bloed op hot altaar. « Lev. 8:14, 15. Hebr. 9:21. 23 Daarna bragten zij de bokken bij, ten zondoffer, voor hot aangezigt dos konings en der gomeonto, en zij leiden liumie quot;handen op dezelve. a Lev. 4 ; 1 5. 24 En do priesteren slagtten ze, en ontzondigden met dorzelver bloed op hot altaar, om verzoening te doen voor het gansche Israël: want de koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor gansch Israël bevolen. 25 En quot; hij stolde de Levieten in hot huis des IIeeren, mot cimbalen, mot luiten ou harpen, ''naar hot gebod van David, en van Gad, den ziener des konings, en van Nathan, don profeet: want dit gebod was van de hand des Heeren, dooi' de hand zijner profeten, al Kron. 1C:4. 25:0. h 1 Kron. 0 : 31. 23 : ri. 25 : 1, enz. 2 Kron. 8 : 14. |
26 Do Levieten nu stonden met do instrumenten van David, on do priesters met do trompetten. 27 En llizkla beval, dat men het brandoffer op hot altaar zou offeren; tor tijd nu, als dat brandoffer begon, begon hot gezang des IIeeren mot do trompetten en met do instrumenten van David, den koning van Israël. 28 De gansche gemeente nu boog zich neder, als men het gezang zong, en mot trompetten trompette; dit alios totdat hot brandoffer voleind was. 29 Als men nu geëindigd had te offeren, bukten de koning on allen, die bij hem gevonden waren, en bogen zich neder. 30 Daarna zeide de koning Johizkia, en do oversten, tot do Levieten, dat zij den Heere loven zouden, met do woorden van David en van Asaf, den ziener; en zij loofden tot blijdschap toe, en neigden hunne hoofden, en bogen zich neder. 31 En Johizkia antwoordde en zeide: Nu hebt gij uwe handen den Heere gevuld, treedt toe, en brengt slagtofferon en lofoffèron tot het huis dos IIeeren; en do gemeente bragt slagtofferon en lofoffèron, en allo vrij willigen van harten brandofforon. 32 En het getal dor brandofforon, die de gemeente bragt, was zeventig rundoren, honderd rammen, twee honderd lamineren; deze allen don Heere ten brandoffer. 33 Nog waren der geheiligde dingen zes honderd rundoren en drie duizend schapen. 34 Doch van de priesteren waren or to weinig, en zij kondon al don brandofforon do huid niet aftrekken; daarom hielpen hen hunne broederen, do Levieten, totdat het werk geëindigd was, en totdat do andere priesters zich geheiligd haddon; want do Levieten waren regter van hart, om zich te heiligen, dan de priesteren. 35 En ook waren do brandofforon in menigte, mot hot vet dor dankofferen, en mot de drankofferen , voor de brandofforon; alzoo werd de dienst van het huis dos IIeeren besteld. 36 Johizkia nu on al hot volk verblijdde zich over hetgeen God het volk voorbereid had; want deze zaak geschiedde haastiglijk. HOOFDSTUK 30. Hizki'a wekt hot gansche Israël op, om te Jerflzalem iiot pascha des Hoeren tc houden, vs. 1. Sommigen spotten mot deze opwekking, anderen nemen die aan en komen te Jeruzalem, waar zij de afgodendienst verstoren, 14; en het paasehfeest vieren, 15. Hi/.kïa bidt Gocl voor degenen, die zich te voren naar behooren niet hadden gereinigd, 17. liet feest wordt verlengd, 23. De priesters en Levieten zegenen het volk, 27. DAARNA zond Johizkia tot hot gansche Israël en Juda, en schroef ook brieven tot Efraïm en Manasse, dat zij zouden komen tot het huis dos Heeren te Jeruzalem, om den Heere, don God Israëls, pascha te houden. |
2 KRONIJKEN 30, 31.
445
|
2 Want de koning had raad gehouden met zijne oversten en de ganscho gemeente te Jorüzalom, om het pascha te houden, in de quot;tweede maand. a Num. !) : 10. 3 Want zij hadden het niet kunnen houden te dierzelver tijd, omdat de priesteren zidi niet genoeg geheiligd hadden, en het volk zich niet verzameld had te Jeruzalem. 4 En deze zaak was rogt in de oogen dos konings, en in do oogen der gansche gemeente. 5 Zoo stelden zij zulks, dat men eene stem door gansch Israël, van Ber-séba tot Dan, zou laten doorgaan, opdat zij zouden komen, om het pascha den Heere, den God Israels, te houden in Jeruzalem; want zij hadden het in lang niet gehouden, gelijk liet geschreven was. (gt; Do loopers dan gingen henen met de brieven van do hand des konings en zijner vorsten, door gansch Israël en Juda, en naar liet gebod des konings, zeggende: Gij kinderen Israels! bekeert u tot den Heere, don God van Abraham, Izak en Israël, zoo zal Hij zich koeren tot do ontko-menen, die ulieden overgebleven zijn uit do hand der koningen van Assyrië. 7 En zijt niet als uwe vaders en als uwe broeders, die tegen den Heere, den God hunner vaderen, overtreden hebben; waarom Hij hen tot verwoesting overgegeven heeft, gelijk als gij ziet. 8 Verhardt nu ulieder nek niet, gelijk uwe vaderen; geeft den Heere de hand, en komt tot zijn heiligdom, hetwelk Hij geheiligd heeft tot in eeuwigheid, en dient den Heere, uwen God; zoo zal do hitte zijns toorns van u afkoeren. !) Want als gij u bekeert tot den Heeue, zullen uwe broederen on uwe kinderen barmhartigheid vindon voor hot aangezigt dorgenen, die hen gevangen hebben, zoodat zij in dit land zullen wederkomen: quot;want do Heere, uw God, is genadig on barmhartig, en zal het aangezigt van u niet afwonden, zoo gij u tot Hem bekeert. a Ex. 34 ; (i. 10 Zoo gingen do loopers door, van stad tot stad, door liet land van Efraïm en Manasse, tot Zebulon toe; doch zij belachten hen, en bespotten hen. 11 Evenwel verootmoedigden zich soinmigon van Aser, on Manasse, en van Zebulon, en kwamen te Jeruzalem. 12 Ook was do hand Gods in Juda, hun eonerlei hart gevende, dat zij hot gebod des konings en der vorsten deden, naar het woord dos Heeren. 13 En te Jeruzalem verzamelde zich veel volks, om hot feest der ongezuurde brooden te houden, in do tweede maand, oene zeer groote gemeente. 14 En zij maakten zich op, en namen de altaren weg, die te Jeruzalem waren; daartoe namen zij alle rooktuig weg, hetwelk zij in de beek Kidron wierpen. 15 Toon slagtten zij het pascha, op den voer-tiendon dor tweede maand; en de priesters on do |
Levieten waren beschaamd geworden, en haddon zich geheiligd, on hadden brandofforen gebragt in hot huis dos Heeren. 16 En zij stonden in hunnen stand, naar huiine wijze, naar de wet van Mozes, den man Gods; de priesters sprengden hot bloed, dat nemende uit de hand der Levieten. 17 Want eene menigte was in die gemeente, die zich niet geheiligd liaddon: daarom waren do Levieten over do slagting der paaschlammeren, voor iedereen, die niet rein was, om die don Heere te heiligen. 1lt;S Want eeno menigte dos volks, velen van Efraïm en Manasse, Issaschar en Zebulon haddon zich niet gereinigd, maar aten het pascha, niet gelijk geschreven is. Doch Jehizkia bad voor hen, zeggende: De Heere, die goed is, make verzoening voor dien, 1!) Die zijn gansche hart gerigt heeft, om God den Heere, den God zijner vaderen, te zoeken, hoewel niet naar do reinigheid des heiligdoms. 20 En do Heere verhoorde Jehizkia, en heelde het volk. 21 Zoo hielden de kinderen Israels, die te Jorüzalom gevonden worden, hot feest der ongezuurde brooden, zeven dagen, mot groote blijdschap. Do Levieten nu en de priesteren prezen den Heere, dag op dag, met sterkluidendo instrumenten des Heeren. 22 En Jehizkia sprak naar het hart van alle Levieten, die vorstand hadden in do goede kennis des Heeren; en zij aten de offeranden des gezet-ten hoogtijds zeven dagen, offerende dankofferen, en lovende don Heere, den God hunner vaderen. 23 Als nu do gansche gemeente raad gehouden had, om andere zeven dagen to houden, hielden zij nog zeven dagen met blijdschap. 24 quot;Want Jehizkia, de koning van Juda, gaf de gemeente duizend varren en zeven duizend schapen; on do vorston gaven do gemeente duizend varren on tien duizend schapen: de priesters nu hadden zich in menigte geheiligd. «2Kron. 35:7. 25 En de gansche gemeente van Juda verblijdde zich, mitsgaders de priesteren on de Levieten, on do geheele gemeente dergenen, die uit Israël gekomen waren; ook de vreemdelingen, die uit het land van Israël gekomen waren, en die in Juda woonden. 20 Zoo was er groote blijdschap te Jeruzalem: want van do dagen van Salomo, don zoon van David, den koning van Israël, was desgelijks in Jeruzalem niet geweest. 27 Toon stonden de loviotischo priesteren op, en zegendon het volk : on hunne stem word gehoord, want hun gebed kwam tot zijne heilige woning in den hemel. HOOFDSTUK 31. Ilizkia laat allo werken van afgoderij afbreken, vs. 1 ; stelt de priesters ou Levieten in hun ambt, on zorgt voor him onderhoud, 4. Hij laat kamers maken, |
2 KRONIJKEN 31, 32.
|
om hun inkomen daarin te verzamelen, waarover hij eenigen uit do Levieten tot schatmeesters aanstelt, 11. llizkfa blijft godvruchtig en gezegend, 20. ALS zij nu dit alles voleind hadden, togen alle Israëlieten, die er gevonden werden, uit, tot do steden van Juda, en quot;braken de opgerigte beelden, en hieuwen de bosschen af, en wierpen do hoogten en de altaren af, uit gansch Juda en Benjamin, ook in Efraïm en Manasse, totdat zij alles te niet gemaakt hadden; daarna keerden al de kinderen Israels weder, een ieder tot zijne bezitting, in hunne steden. a 2 Kon. 18:4. 2 En Ilizkïa bestelde de verdeelingen der prieste-ren en der Levieten, naar hunne verdeelingen, een ieder naar zijne dienst, de priesters en do Levieten tot hot brandoffer en tot de dankoffe-ren, om te dienen, en om te loven, en om te prijzen in de poort van de legers des Heeren; 3 Ook het deel des konings van zijne have tot de brandofferen, tot de brandofferen des morgens en dos avonds, en de brandofferen der sabbaten, en der nieuwe maanden, en der gezette hoogtijden; quot;gelijk geschreven is in de wet des Heeren. «Num. 2S, 29. 4 En hij zeide tot het volk, tot de inwoners van Jeruzalem, dat zij het deel der priesteren en Levieten geven zouden, opdat zij versterkt mogten worden in de wet dos Heeren. 5 Toen nu dat woord uitbrak, bragten de kinderen Israels vele eerstelingen van koren, most, en olie, en honig, en van al do inkomsten des velds; ook bragten zij de tienden van alles in met menigte. f! En do kinderen van Israël en Juda, die in de steden van Juda woonden, bragten ook tienden der runderen en der schapen, en tienden dor heilige dingen, die den Heere, hunnen God, geheiligd waren, en maakten vele hoopen. 7 In do derde maand begonnen zij don grond van die hoopen te leggen, on in do zevende maand voleindden zij. 8 Toen nu Jehizlda en do vorsten kwamen en die hoopen zagen, zegendon zij don Heere en zijn volk Israël. 9 En Jehizkfa ondervraagde de priesteren en de Levieten aangaande die hoopen. 10 En Azaria, de hoofdpriester, van het huis van Zadok, sprak tot hem en zeide: Van dat men deze heffing begonnen heeft tot het huis des Heeren te brengen, is er te eten geweest en verzadigd te worden, ja over te houden tot overvloed toe; want do Heere heeft zijn volk gezegend, zoodat deze veelheid overgebleven is. 11 Toen zeide Jehizlda, dat men kameren aan het huis des Heeren bereiden zou; en zij bereidden ze. 12 Daarin bragten zij die heffing, en do tienden, en de geheiligde dingen, in getrouwigheid; en daarover was Chonanja, de Leviet, overste, en Simei', zijn broeder, de tweede. |
13 Maar Jehïël, en Azazia, en Nahath, en A'sa-hel, en Jerimóth, en Józabad, en Eliël, en Jis-machja, en Mahath, en Benaja, waren opzieners, onder do hand van Chonanja en Simei', zijnen broeder; door het bevel van den koning Jehizkfa en van Azaria, den overste van het huis Gods. 14 En Kore, de zoon van Jimna, de Leviet, de poortier tegen het oosten, was over de vrijwillige gaven Gods, om het hefoffer des Heeren en het allerheiligste uit te deelen. 15 En aan zijne hand waren Eden, en Minjamin, en Jésua, en Semaja, Amarja en Sechanja, quot;in do steden der priesteren, met getrouwigheid, om aan hunne broederen in de verdeelingen, zoowel aan de kleinen als de grooten, uit te deelen: aJoz. 21 :9, enz. l(i (Benevens die gesteld waren in het geslachtregister der manspersonen, drie jaren oud en daarboven) allen, die in het huis des Heeren gingen, tot het dagelijksche werk op eiken dag, voor hunne dienst, in hunne wachten, naar hunne verdeelingen. 17 En mot die gesteld waren in het geslachtregister der priesteren, naar hot huis hunner vaderen, ook do Levieten quot; van twintig jaren oud en daarboven, in hunne wachten, naar hunne verdeelingen : a 1 Kron. 28 : 27. 18 Ook tot do geslachtrekening niet al hunne kinderkens, hunne vrouwen, en hunne zonen, en hunne dochteren, door tie gansche gemeente; want zij hadden zich in hun ambt in heiligheid geheiligd. 19 Ook waren onder de kinderen van Aaron, do priesteren, op de velden der voorstoden hunner steden, in elke stad, mannen, die met namen uitgedrukt waren, om aan allo manspersonen onder de priesteren, en aan allen, dio in hot geslachtregister onder de Levieten gesteld waren, deelen te geven. 20 En alzoo deed Jehizkfa in geheel Juda; en hij deed dat goed, en regt, en waarachtig was, voor het aangezigt des Heeren, zijns Gods. 21 En in alle werk, dat hij begon in do dienst van het huis Gods, en in de wet en in het gebod, om zijnen God te zoeken, deed hij met zijn gansche hart, on had voorspoed. HOOFDSTUK 32. Sanherib de koning van Assyrië, valt in Juda, vs. 1 ; waarom Hizkia Jeruzalem versterkt, het volk troost en vermaant, 7. Sanherib trotseert Hizkia en lastert God, 9. Hizkia en Jesaja, de profeet, roepen don Heere aan, 20. Do Assyriërs worden door eenen engel verslagen, 21. Hizkia wordt krank, 24; genezen zijnde, vertoornt hij God; doch verootmoedigt zich, 25. Hij blijft gezegend, 27; vergrijpt zich, handelende met de gezanten van Babel, 31; sterft, en zijn zoon Manasse wordt koning, 33. NA deze geschiedenissen en der zei ver bevestiging, quot;kwam Sanherib, do koning van Assyrië, en toog in Juda, en legerde zich tegen de vaste steden, en dacht ze tot zich af te scheuren. a 2 Kon. 18 :13. Jes. 30:1. |
2 KRONIJKEN 32.
447
|
2 Jehizlda nu ziende, dat Sanherib kwam, en zijn aangezigt was tot den krijg tegen Jeruzalem; :? Zoo hield hij raad met zijne vorsten en zijne helden, om de fonteinwateren te stoppen, die buiten de stad waren; en zij hielpen hem. 4 Want veel volks werd vergaderd, dat al de fonteinen stopte, mitsgaders de beek, die door het midden des lands henen vloeide, zeggende: Waarom zouden de koningen van Assyrie komen, en veel waters vinden ? 5 Zoo versterkte hij zich, en bouwde den ge-heelen muur op, die gebroken was, dien hij optrok tot aan de torens, met eenen anderen muur daarbuiten, en hij versterkte Millo in de stad Davids; en hij maakte geweer en schilden in menigte. |
tot het gansche Juda, dat te Jeruzalem was, zeggende: a'1 Kon. lgt;i:17. U) Zoo zegt Sanherib, de koning van Assyrië: Waarop vertrouwt gij, dat gij te Jeruzalem blijft in de vesting? 11 quot;Ruit u Jehizlda niet op, dat hij u overgeve, om door honger en door dorst te sterven, zeggende: De Heere, onze God, zal ons uit de hand des konings van Assyrië redden? «2 Kon. 18:30. 12 quot; Heeft niet dezelve Jehizlda zijne hoogten en zijne altaren weggenomen, en tot Juda en tot Jeruzalem gesproken, zeggende: Voor het eenige altaar zult gij u nederbuigen, en daarop rooken? o 2 Kon. 18:22. 13 Weet gij niet, wat ik gedaan heb, en mijne |
|
G En hij stelde krijgsoversten over het volk, en hij vergaderde hen tot zich in do straat der stadspoort, en sprak naar hun hart, zeggende: 7 Zijt sterk en hebt eenen goeden moed, vreest niet en ontzet u niet, voor het aangezigt des konings van Assyrië, noch voor het aangezigt der gansche menigte, die met hem is: quot;want met ons is er meer, dan met hem. n'1 Kon. li: 10. 8 Met hem is quot;oen vleescholijke arm, maar met ons is do Heere, onze God, om ons te helpen en om onze krijgen te krijgen. En het volk steunde op de woorden van Jehizlda, don koning van Juda. «Jer. 17:5. 1 Joh. 4:4. 9 «Na dezen zond Sanherib, do koning van Assyrië, zijne knechten naar Jeruzalem, (doch hij zelf was voor Lachis, en al zijne heerschappij met hem) tot Jehizlda, den koning van Juda, en vaderen aan alle volken der landen? Hebben de goden van de natiën dier landen hun land eenig-zins kunnen redden uit mijne hand? |
14 Wie is er onder allo goden derzelver natiën, dewelke mijne vaders verbannen hebben, die zijn volk heeft kunnen redden uit mijne hand, dat uw God u uit mijne hand zou kunnen redden? 15 Nu drui, quot;dat Jehizlda ulieden niet bedriego, en dat hij u op zulk oene wijze niet opruije, en gelooft hom niet: want goon god van oonige natie on koningrijk hoeft zijn volk uit mijne hand en mijnor vaderen hand kunnen redden; hoe veel te min zal uw God u uit mijne hand kunnen redden? a 2 Kon. 18 : 30. 16 quot; Daartoe spraken zijne knechten nog moor togen God, den Heere, en tegen zijnon knecht Jehizlda. «2 Kon. 19:10. |
2 KRONIJKEN 32, 33.
448
|
17 quot;Ook schreef hij brieven, ''om den Heere, den God Israels, te honen, en om tegen Hem te spreken, zeggende: Gelijk de goden van de natiën der landen, die hun volk uit mijne hand niet gered hebben, alzoo zal de God van Jehizkia zijn volk uit mijne hand niet redden. a'1 Kon. 19; 14. ft 2 Kon. 1!):l(i. 18 En zij riepen met luider stem, quot;in het Joodsch, tegen het volk van Jeruzalem, dat op den muur was, om die bevreesd te maken en die te beroeren, opdat zij de stad mogten innemen, a 2 Kon. 18:2G, 28. 19 En spraken van den God van Jeruzalem, als van de goden der volken der aarde, een werk van menschenhanden. 20 Maar quot;de koning Jehizkia en do profeet Je-saja, de zoon van Amoz, baden daartegen, en zij riepen naar den hemel. a2 Kon. 19; ló. 21 quot;En de Heere zond eenen engel, die alle strijdbare helden, en vorsten, en oversten in het leger des konings van Assyrië verdelgde. Zoo is hij met schaamte des aangezigts in zijn land wedergekeerd; ''en als hij in het huis zijns gods ingegaan was, zoo velden hom daar met het zwaard, die uit zijn lijf voortgekomen waren. «2 Kon. 19 ; 35. 6 2 Kon. 19; 37. 22 Alzoo verloste de Heere Jehizkia en de inwoners van Jeruzalem, uit de hand van Sanherib, den koning van Assyrië, en uit de hand van allen; eu Hij geleidde hen rondom heen. 23 En velen bragten geschenken tot den Heere te Jeruzalem, en kostelijkheden tot Jehizkia, den koning van Juda, zoodat hij daarna voor de oogen van alle Heidenen verheven werd. 24 quot;In die dagen werd Jehizkia krank tot ster-vens toe, en hij bad tot den Heere; Die sprak tot hem, en Hij gaf hem een wonderteeken. a 2 Kon. 20 ; 1. Jes. 38 ; 1. 20 Maar Jehizkia deed geene vergelding, naaide weldaad, aan hem geschied, dewijl zijn hart verheven werd; daarom werd over hem, en over Juda en Jeruzalem, eene groote toornigheid. 26 quot;Doch Jehizkia verootmoedigde zich om de verheffing zijns harten, hij en de inwoners van Jeruzalem, zoodat de groote toornigheid des Heeren over hen niet kwam in de dagen van Jehizkia. «2 Kon. 20:19. 27 Jehizkia nu had zeer voel rijkdom en oer; on hij maakte zich schatkameron voor zilver en voor goud, en voor kostelijk gesteente, on voor specerijen, en voor schilden, en voor alle begeerlijk gereedschap; 28 Ook schathuizen voor de inkomsten van koren, en most, en olio; on stallen voor allerlei beesten, en kooijon voor do kudden. 29 Daartoe had hij zich steden gemaakt, mitsgaders bezitting van schapen en runderen in menigte; want God gaf hom zoor groote havo. 30 Dezelve Jehizkia stopte ook don opperuitgang der wateren van Gihon, en leidde ze regt af beneden naar het westen dor stad Davids; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk. |
31 Maar hot is alzoo, als de gezanten der vorsten van Babel, die tot hem gezonden hadden, om te vragen naar dat wonderteeken, dat in het land geschied was, /jij ham waren, verliet hom God, om hom te verzoeken, om te weten al wat'm zijn hart was. 32 Hot overige nu der geschiedenissen van Jehizkia, en zijne goeddadighedon, ziet, die zijn geschreven in het gozigt van don profeet Jesaja, den zoon van Amoz, en in het boek der koningen van Juda en Israël. 33 quot;En Jehizkia ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in het hoogste van de graven der zonen van David; daartoe deden gansch Juda en do inwoners van Jeruzalem hem eer aan in zijnen dood; en zijn zoon Manasse werd koning in zijne plaats. «2 Kon. 20:21. HOOFDSTUK 33. Manasse is een gruwelijk afgodendienaar, vs. 1; waarom God hem dreigt en straft met gevankelijke wegvoering naar Babol, 10; alwaar Grod hem bekeert en daarna weder in zijn rijk herstelt, 12. Zijne verdere handelingen en dood, 14. Amon, zijn zoon, is een goddeloos koning, die van zijne knechten gedood wordt, 21. Josia volgt hem op, 25. MANASSE was twaalf jaren oud, als hij koning word, on regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem. 2 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, naar do gruwelen dor Heidenen, die do Heere voor het aangezigt dor kinderen Israëls uit do bezitting verdreven had. 3 Want hij bouwde do hoogten weder op, quot;die zijn vader Jehizkia afgebroken had, en rigtte den Baals altaren op, en maakte bosschen, en boog zich neder voor al het heir dos hemels, en diende zo; a2 Kon. 18:4. 2 Kron. 31 : 1. 32: 12. 4 quot;En bouwde altaren in het huis dos Heeren, van hetwelk de Heere gezegd had: '' Te Jeruzalem zal mijn naam zijn tot in eeuwigheid. a2 Kon. 21:4. ftDeut. 12:5, 11. 2 Sam. 7:13. 1 Kon. 8:29. 9:3. 2 Kron. 7:10. Ps. 132:13,14. Jer. 32:34. 5 Daartoe bouwde hij altaren voor al het heir des hemels, in beide do voorhoven van hot huis des Heeren. (! En hij deed zijne zonen quot;door het vuur gaan, in het dal dos zoons van Hinnom, on pleegde guichelarij, on gaf op vogelgeschrei acht, en toovordo, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in do oogen des Heeren, om Hom tot toorn te verwekken. «Lev. 18:21. Dent. 18:10. 2Kon. 16:3. 2Kron.28:3. 7 Hij stelde ook de gelijkenis van een gesneden beeld, die hij gemaakt had, in het huis Gods, van hetwelk God gezegd had tot David en tot zijnon zoon Salomo; In dit huis, en te Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël verkoren hol), zal Ik mijnon naam zetten tot in eeuwigheid. 8 En Ik zal den voet van Israël niet moor doen |
2 KRONIJKEN 33, 34.
449
|
wijken van het land, dat Ik uwen vaderen besteld heb; alleenlijk zoo zij waarnemen te doen, al hetgeen Ik hun geboden heb, naar de gansche wet, en inzettingen, en regten, door de hand van Mozes. f) Zoo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan do Heidenen, die de IIeeke voor het aangezigt dei-kinderen Israels verdelgd had. 10 De Heeue sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op. 11 Daarom quot; bragt de Heere over hen de krijgsoversten, die do koning van Assyrië had, dewelke Manasse gevangen namen onder de doornen; en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. a Dcut. 28:30. Job 36: 8. 12 En als hij hem benaauwde, bad hij het aangezigt dos Heeren, zijns Gods, ernstelijk aan, en vernederde zich zeer voor het aangezigt van den (Jod zijner vaderen, 13 En bad Hem; en Hij liet zieli van hem verbidden, en hoorde zijne smeeking, en Hij bragt hem weder te Jeruzalem, in zijn koningrijk. Toen kende Manasse, dat do Heere God is. 14 En na dezen bouwde hij don buitenmuur aan de stad Davids, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot don ingang van do Vischpoort, en omsingelde Ofel, en verhief dien zeer; hij leide ook krijgsoversten in allo vaste steden in Juda. 15 En hij nam de vreemde goden on die golij-kenis uit hot huis des Heeren weg, mitsgaders al de altaren, die hij gebouwd had op den borg van hot huis dos Heeren, en te Jeruzalem; en hij wierp ze buiten de stad. Ki En hij rigtte het altaar des Heeren toe, en offerde daarop dankofferen en lofofferon, en zoide tot Juda, dat zij den Heere, don God Israels, dienen zouden. 17 Maar het volk offerde nog op de hoogten, hoewel den Heere, hunnen God. 18 Het overige nu der geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijnon God, ook do woordon der zieners, die tot hom gesproken hebben in den naam van den Heere, den God Israels, ziet, die zijn in de geschiedenissen dor koningen van Israël; 1!) En zijn gebed, en hoe zich (Jod van hem heeft laten verbidden, ook al zijne zonde, on zijne overtreding, en do plaatsen, waarop hij hoogten gebouwd, on bosschen en gesnedene beelden gesteld heeft, oor hij vernederd word, ziet, dat is beschreven in do woorden der zieners. 20 En Manasse ontsliep met zijne vaderen, on zij begroeven hom in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijne plaats. 21 quot;Anion was twee en twintig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde twee jaren te Jeruzalem. a 2 Kon. 21 : 19. |
22 En hij deed dat kwaad was in do oogen des Heeren, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had: want Amon offerde al don gesneden beelden, die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze. 23 Maar hij vernederde zich niet voor het aangezigt des Heeren, gelijk Manasse, zijn vader, zich vernederd had, maar deze Amon vermenigvuldigde do schuld. 24 En zijne knechten maakten eono verbindtonis tegen hem, en doodden hom in zijn huis. 25 Maar het volk des lands sloeg hen allen, die do vorbindtenis tegen den koning Amon gemaakt haddon; en hot volk des lands maakte zijnen zoon Josia koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 34. Josia is godvreezend, vs. I. Hij roeit do afgoderij uit, en herstelt don tempel, 4. De overpriester liilki'a vindt het wetboek in den tempel, 14. Do koning-laat door de profetes Hulda (Ion llooro daarover vragen, 20. Zij profeteert den ondergang van het rijk van Juda; doch niet bij Josfa's leven, 23. Josia laat de gemeente vergaderen on hot wetboek lezen, hot verbond mot God vornionwende, 29. JOSIA was acht jaren oud, toen hij koning word, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem, 2 En hij deed dat regt was in de oogen dos Heeren, en wandelde in de wogen van zijnen vader David, en week niet af tor regter-, noch tor linkerhand. 3 Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij den God zijns vaders Davids te zooken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem quot;van do hoogten en de bosschen, en do gesneden en de gegoten boelden to reinigen. al Kon. 13:2. 4 En men brak voor zijn aangezigt af de altaren dor Baiils; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af: de bosschen ook, en de gesneden on gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op do graven dergo-nen, die hun geofferd haddon. 5 En de beenderen der priestoren verbrandde hij op hunne altaren; en hij reinigde Juda en Jorüzalem. (! Daartoe in do steden van Manasse, en Efraïm, on Simeon, ja tot Nafthali toe, in hare woeste plaatsen rondom, 7 Brak hij ook de altaren af en de bosschen, en de gesneden beelden stampte hij, die vergrui-zonde, en al de zonnebeelden hieuw hij af in hot gansche land van Israël: daarna keerde hij weder naar Jeruzalem. 8 In quot;hot achttiende jaar nu zijner regering, als hij het land en het huis gereinigd had, zond hij Safan, den zoon van Azalia, en Maiisója, den overste dor stad, en Joha, den zoon van Jóahaz, den kanselier, om het huis des Heeren, zijns Gods, te verbetoren. a 2 Kon. 22:3. !) En zij kwamen tot Hillda, den hoogepriester, en zij gaven het gold, dat ten huize Gods gobragt was, hetwelk do Levieten, die den dorpel bewaarden, vergaderd hadden uit de hand van Manasse 29 |
2 KRONIJKEN 34.
450
|
en Efraïm, en uit het gansche overblijfsel van Israël, on uit gansch Juda on Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen waren; 10 Zij nu gaven het in do hand der verzorgers van het work, die besteld waren over hot huis dos IIehren; en deze gaven dat dengenen, die het werk doden, die arbeidden aan liet huis des Heeren, om het huis te vermaken on to verbeteren. 11 quot;Want zij gaven het den werkmeesters en den bouwlieden, om gehouwen stoenen te koopen, en hout tot do zamonvoegingon, en om de huizen to zolderen, die de koningen van Juda verdorven hadden. «2 Kon. 22:6. 12 En dio mannen handelden trouwolijk in dit werk; en de bostelden over dezelve waren Jahath on Obadja, Levieten van de kinderen van Merari, mitsgaders Zacharia en Mesullam, van de kinderen der Kohathieten, om het werk voort te drijven; en die Levieten waren allen verstandig op instrumonton van muziek. 13 Zij waren ook over de lastdragers, en de voortdrijvers van allen, die in eenig werk arbeidden: want uit de Levieten waren schrijvers, en ambtliodon, en poortiers. 14 En als zij hot geld uitnamen, dat in het huis des Heeren gobragt was, vond do priester Hilkia het wetboek des Heeren, (j eg even door de hand van Mozes. 15 En llilkia antwoordde en zoido tot Safan, den schrijver: Ik heb liet wetboek gevonden in hot huis des Heeren. En llilkia gaf Safan dat boek. 16 En Safan droog dat boek tot den koning: daarbeneven bragt hij nog den koning bescheid weder, zeggende: Al wat in de hand uwer knechten gegeven is, dat doen zij; 17 En zij hebben het geld zamengestort, dat in hot huis des Heeren gevonden is, en hebben liet gegeven in de hand der bestoldon, en in do hand dorgonen, die het werk maakten. 18 Voorts gaf Safan, do schrijver, den koning te kennen, zeggende: llilkia, de priester, heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezigt des konings. 19 Hot geschiedde nu, als de koning de woorden der wet hoorde, dat hij zijne kleederen scheurde. 20 En de koning gebood llilkia, en Abfkain, den zoon van Safan, en Abdon, den zoon van Micha, en Safan, den schrijver, en Asaja, den knecht des konings, zeggende: 21 Gaat heen, vraagt don Heere voor mij, en voor het overgeblevene in Israël en in Juda, over de woorden dezes hoeks, dat gevonden is: want de grimmigheid des Heeren is groot, dio over ons uitgegoten is, omdat onze vaders niet hebben gehouden liet woord dos Heeren, om te doen naar al hetgeen in dat boek geschreven is. 22 Toen ging llilkia honen, en dio des konings waren, tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van Tokhath, den zoon van Hasra, den kloederbewaarder. Zij nu woonde te |
Jeruzalem iii het tweede deel: en zij spraken zulks tot haar. 23 En zij zoido tot hen: Zoo zegt de Heere, de God Israëls: Zegt den man, die ulieden tot mij gezonden hoeft: 24 Zoo zegt do Heere: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats on over hare inwoners brengen; al de vloeken, die geschreven zijn in hot boek, dat men voor hot aangezigt dos konings van Juda gelezen hoeft. 25 Daarom dat zij Mij verlaten, en anderen goden gerookt hebben , opdat zij Mij tot toorn ver-wokten mot alle werken hunner handen; zoo zal mijne grimmigheid uitgegoten worden tegen deze plaats, en niet uitgebluscht worden. 26 Maar tot den koning van Juda, dio ulieden gezonden heeft, om den Heere te vragen, tot hem zult gij alzoo zoggen: Zoo zegt do Heere, do God Israëls: Aangaande do woorden, die gij hebt gehoord; 27 Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezigt Gods vernederd hebt, als gij zijne woorden hoordot tegen deze plaats en tegen hare inwoners, en hebt u vernederd voor mijn aangezigt, en uwe kleoderen gescheurd, en geweend voor mijn aangezigt, zoo hob Ik u ook verhoord, spreekt do Heere. 28 Zie, Ik zal u verzamelen tot uwe vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden , en uwe oogen zullen al dat kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats en over hare inwoners brongen zal. En zij bragten den koning dit antwoord weder. 29 quot; Toen zond de koning henen, en verzamelde alle oudsten van Juda en Jeruzalem. a2Kon.23:l. 30 En de koning ging op in het huis des Heeren, en al de mannon van Juda en do inwoners van Jeruzalem, mitsgaders de priesters en de Levieten, en al het volk, van den groote tot don kleine toe; en men las voor hunne ooren al de woorden van hot boek des verbonds, dat in hot huis des Heeren gevonden was. 31 En de koning stond in zijne standplaats, en quot; maakte een verbond voor des Heeren aangezigt, om den Heere na te wandelen, en om zijne geboden, on zijne gotuigonissen, en zijne inzettingen, met zijn ganscho hart en met zijne gansche ziol, te onderhouden, doende do woorden des verbonds, die in datzelve boek geschreven zijn. «Joz. 24:25. 32 En hij deed allen, dio te Jeruzalem en in Henjainin gevonden werden, staan; en do inwoners van Jeruzalem deden naar liet verbond van God, den God hunner vaderen. 33 Josia dan deed alle gruwelen weg uit allo landen, die der kinderen Israëls waren, en maakte allen, die in Israël gevonden werden, te dienen, te dienen don Heere, hunnen God: al zijne dagen weken zij niet af van don Heere, den God hunner vaderen, na te volgen. |
2 KRONIJKEN 85.
|
HOOFDSTUK 35. Josm, ile godsdienst in ordo stellende, houdt hotpaaseli-feest met groote plegtlgholij, vs. I; neemt eenen orinoodigen strijd aan tcgon Faraii-Nocho, 2n. Josia wordt in dien veldslag zwaar gewond en sterft, 23. Hij wordt zeer lietreunl. 21. liet besluit zijner geschiedenis, 20. DAARNA quot;hield Josia hot pascha den Heeke te Jeruzalem; en zij slagtten het pasclia op den veertienden der eerste maand. «2 Kon. 23:21. 2 Eu hij stelde do priesters op hunne wachten; en hij sterkte hen tot de dienst van het huis des Heeren. 3 En hij zoide tot do Tjoviotou, die gansch Israël onderwezen, die don Heere heilig waren: Zot de heilige ark in het huis, hetwelk Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd hooft; gij hebt geenen last op de schouderen: dient nu den Heere, uwen God, en zijn volk Israël; 4 En bereidt u naar de huizon uwer vaderen, naar uwe vordeelingen, quot; naar het voorschrift van David, den koning van Israël, en naar de beschrijving van zijnen zoon Salomo; «1 Kron. 23, 24, 25, 2(1. 5 En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding der vaderlijke huizen, voor uwe broederen, het volk, on naar de af deeling van de vaderlijke huizen der Levieten; (i Eu slagt het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uwe broederen, doende naar het woord des Heeren, door de hand van Mozes. 7 quot;En Josïa gaf voor hot volk, van klein voo, lammeren en jonge geitenhokken, die allen tot paaschofferen, naar al hetgeen er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend: dit was van dos konings have. '«2 Kron. 30:24, 8 Ook gaven zijne vorsten tot een vrijwillig offer voor hot volk, voor de priesteron, en voor de Levieten: Hillda, en Zacharfa, en Johiël, do oversten van het huis Gods, gaven den priesteren tot paaschofferen, twee duizend en zes honderd klein vee, en drie honderd rundoren. 9 Daartoe Chonanja, en Soinaja en Nethanoël, zijne brooders, mitsgaders Hasabja, on Jeiël, en Józabad, do oversten der Levieten, gaven den Levieten tot paaschofferen, vijf duizend klein vee en vijf honderd runderen. 10 Alzoo word de dienst toebereid: en de priesteren stonden in hunne standplaats, en de Levieten in hunne vordeelingen, naar het gebod des konings. 11 Daarna slagtte men het pascha, en de priesters sprengden tiet bloed uit hunne handen, en do Levieten trokken de huiden af. 12 En zij namen het brandoffer daaraf, opdat zij die, naar de vordeelingen der vaderlijke huizen, aan hot volk geven mogten, om den Heere te offeren, gelijk geschreven is in hol boek van Mozes: en alzoo met do runderen. |
13 quot;En zij kookten het pascha bij het vuur, naar hot regt; maar de andere heilige dingen kookten zij iu potten, en ia ketels, on in pannen; en zij deelden het haastolijk ouder al het volk. a Ex. 12:8, 9. 14 Daarna bereidden zij ook voor zich zeiven en voor de priesteren: want de priesters, do zonen van Aiiron, waren tot aan tien nacht in hot offeren der brandofferen en des vets; daarom bereidden de Levieten voor zich zei ven, en voor do priesteren, do zoneu van Aiiron. 15 En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hunne standplaats, naar het gebod van David, on Asaf, en Homaii, enJediithun, den ziener des konings, mitsgaders de poortiers aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hunne dienst, overmits hunne broeders, de Levieten, voor hen bereidden. Ki Alzoo werd de gansche dienst des Heeren op donzolven dag beschikt, om pascha te houden, en brandofferen op het altaar dos Heeren te offeren, naar hot gebod van den koning Josia. 17 En do kindoren Israels, die or gevonden worden, hielden het pascha ter zeiver tijd, en het feest der ongezuurde brooden, zeven dagen. 18 Daar was ook geen pascha als dat in Israël gehouden, van de dagen van Samuël, den profeet, af; en geone koningen van Israël hadden zulk een pascha gehouden, gelijk dat Josia hield met de priesters en de Levieten, en gansch Juda en Israël, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem. 19 In quot; hot achttiende jaar van hot koningrijk van Josia, werd dit pascha gehouden. «2 Kon. 23:23. 20 Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, «toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan don Frath; en Josia toog uit hom te gemoet. a 2 Kon. 23:29, enz. 21 Toon zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u to doen, gij koning van Juda? wat u aangaat, ik bon heden tegen u niet, maar tegen oen huis, dat oorlog voort togen mij; ou God hoeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, die mot mij is, opdat Hij u niet vorder ve. 22 Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem, maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, on hoorde uiet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo. 23 En de schutters schoten den koning Josia. Toen zoide de koning tot zijne knechten: Voert mij weg, want ik bon zeer gewond. 24 En zijne knechten namen hem weg van den wagen, on voerden hom op don tweeden wagen, dien hij had, on bragton hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gansch Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia. |
21
2 KRONIJKEN 35, 36.
452
|
25 En Joroniïa maakte een klaaglied over Josïa, desgelijks allo zangers en zangeressen spraken in hunne klaagliederen van Josia, tot op dezen dag: want zij gaven ze tot eene inzetting in Israël, en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen. 2G Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en zijne goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des Heeren ; 27 Zijne geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek der koningen van Israël en van Juda. HOOFDSTUK 30. .lóahaz wordt koning in zijns vaders plaats, vs. I; daarna afgezet door den koning van Egypte on derwaarts weggevoerd, zijn broeder Eljakim, welken hij Jójakim noemt, stelt hij in zijne plaats, 4. Deze is goddeloos en wordt door Nebukadnézar gevankelijk naar Habel gevoerd, 5. Zijn zoon Jojaehin volgt hem op in zijn rijk, goddeloosheid en gevangenis, 9. Zedelna, even zoo een vijand van de ware godsdienst, volgt hem op, en om zijne en des volks zonden wordt Jerfizalem van de Chaldeën verwoest, en de Joden gevankelijk naar Babel gevoerd, 14, alwaar zij blijven tot op de regering van Cyrus, die hun verlossing en vrijheid geeft, 22. TOEN quot;nam het volk dos lands Jehóahaz, den zoon van Josia, en zij maakten hein koning, in zijns vaders plaats, te Jeruzalem, a 2 Kon. 23:30. 2 Drie en twintig jaren was Jóahaz oud, als hij koning word, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem. 3 Want de koning van Egypte zette hem af te Jeriizalem; en hij leido hot land eene boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds. 4 En de koning van Egypte maakte zijnen hroe-dor Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijnen naam in Jehójakim; maar zijnon broeder Jóahaz nam Necho, eu bragt hem in Egypte. 5 Vijf en twintig jaren was Jehójakim oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en hij deed dat kwaad was in de oogon des Heeren, zijns Gods. (gt; «Nebukadnézar, de koning van Babel, toog togen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hom te voeren naar Babel. a 2 Kon. 24 : 1. 7 Nebukadnézar bragt ook van de vaten van het huis des Heeren naar Habel, en stelde zo in zijnen tempel to Babel. 8 Het overige nu van de geschiedenissen van Jehójakim, en zijne gruwelen, die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, ziet, dat is geschreven in het boek der koningen van Israël en Juda; en Jehójachin, zijn zoon, werd koning iu zijne plaats. !) quot;Acht jaren was Jehójachin oud, als hij koning werd, on regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was in de oogon des Heeren. a 2 Kon. 24 : 8. |
10 quot;En met de wederkomst des jaars zond de koning Nebukadnézar henen, en liet hem naar Habel halen, met do kostelijkste vaten van het huis des Heeren; en ''hij maakte zijnen broeder Zedekia koning over Juda en Jeruzalem. a Dan. 1; 1 , 2. i 2 Kon. 24 : 17. .Ier, 37 ; 1. 11 Een en twintig jaren was Zedekia oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeriizalem. 12 quot;En hij deed dat kwaad was in de oogon des Heeren, zijns Gods; hij verootmoedigde zich niet voor het aangezigt van den profeet Joremia, apre kende uit den mond dos Heeren. a Jer, 52 : 2, 3. 13 Daartoe werd hij ook afvallig tegen den koning Nebukadnézar, die hem beëedigd had bij God; en verhardde zijnen nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot den Heere, den God Israels. 14 Ook maakten alle oversten der priesteren, en het volk, der overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen der Heidenen; en zij verontreinigden het huis des Heeren, dat Hij geheiligd had te Jeruzalem. 15 En de Heere, de God hunner vaderen, zond tot hen, door do hand zijnor boden, vroeg op zijnde, om die te zonden: want Hij verschoonde zijn volk eu zijne woning. 16 Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten zijne woorden; zij verleidden zich zeiven tegen zijne profeten; totdat de grimmigheid des Heeren tegen zijn volk opging, dat er geen hooien aan was. 17 Want Hij deed tegen hen opkomen den koning der Chaldeën, die hunne jongelingen met het zwaard in het huis huns hoiligdoms doodde, en hij verschoonde de jongelingen niet, noch de maagden, de ouden noch de stokouden; Hij gaf hen allen in zijne hand. 18 En alle vaten van het huis Gods, de groote en de kleine, en do schatten van het huis des Heeren, en de schatten des konings en zijner vorsten, dit alles voerde hij naar Habel. 1!) En zij verbrandden het huis Gods, en zij braken den muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook allo kostelijke vaten derzelve. 20 En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijnen zonen tot knechten, tot het regeren dos koningrijks van Perzië; 21 Opdat het woord des Heeren vervuld wierd, door den mond van Joremia, totdat het land aan zijne sabbaten oen welgevallen had; het rustte al de dagen der verwoesting, totdat de quot; zeventig jaren vervuld waren. a Jer. 25:12. 29:10. 22 Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbragt wierd het quot;woord des Heeren, door den mond van Joremia, verwekte de Heere den goest van Kores, koning |
EZRA 1, 2.
458
|
van Perziö, dat hij eene stein liet doorgaan door zijn gansche koningrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: a Ezra 1:1. Jer. 25: 12. 29: 10. |
23 Zoo zegt Kores, koning van Perzië: De 11 eere, de (lod des hemels, heeft mij alle koningrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is: wie is onder ulieden van al zijn volk? de Heere, zijn God, zij met hem, en hij trekke op. |
HET BOEK EZRA.
|
HOOFDSTUK 1. Kores (anders genaamd Cyrus) koning der Perzen, iaat door Gods ingeven vrijheid aankondigen voor de Joden, om uit de babylonische gevangenis weder naar hun land te keeren en den tempel Gods te bouwen, vs. 1; niet bevel aan zijne onderdanen, om hun in alles bevorderlijk te zijn en eene vrijwillige gave te geven voor den tempelbouw, 4. Velen van het volk maken zich hierop tot de reis gereed, en de onderdanen voldoen aan dos konings bevel, 5. Kores geeft hun de heilige vaten van den tempel terug, die Nebukadnézar had medegevoerd, 7. IN quot;het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbragt wierd het ''woord des Heeren, uit den mond van Jeremia, verwekte do Heere den geest van Kores, koning van Perzië, dat hij eene stem liet doorgaan door zijn gansehe koningrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: a 2 Kron. 3G : 22. b Jer. 25:12. 29: K». 2 Zoo zegt Kores, koning van Perzië: De Heere, de God dos hemels, heeft mij allo koningrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Mem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is. 3 Wie is onder ulieden van al zijn volk? zijn God zij mot hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe liet huis des Heeren, des Gods van Israël; Hij is de God, die te Jeriizalem woont. 4 En al wie achterblijven zou in eenige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, dien zullen do lieden zijner plaats bevorderlijk zijn met zilver, en met goud, en met have, en niet beesten; benovens eene vrijwillige gave, voor het huis Gods, die te Jeruzalem woont. 5 Toen maakten zich op de hoofden der vaderen van Juda en Benjamin, en de priesteren en de Levieten, benevens een iegelijk, wiens geest God verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het huis des Heeren, dio te Jeruzalem woont. (gt; Allen nu, die rondom hen waren, sterkten hunlieder handen met zilveren vaten, met goud, met have, en met beesten, en met kostelijkheden; behalve alles, wat vrijwillig gegeven werd. 7 Ook bragt de koning Kores uit, de vaten van het huis des Heeren, die quot;Nebukadnézar uit Jeruzalem had uitgevoerd, en had gesteld in het huis zijns gods. a2 Kon. 24: 13. 2 Kron. 3(1:7. S En Kores, de koning van Perzië, bragt zo uit door do hand van Mithredath, den schatmeester , die ze aan Sesbazar, den vorst van Juda, quot; tootolde. a Ezia 5:14. |
9 En dit is hun getal: dertig gouden bekkens, duizend zilveren bekkens, negen en twintig messen; 10 Dertig gouden bekers, vier honderd en tien andere zilveren bekers; andere vaten, duizend. 11 Allo vaten van goud en van zilver waren vijf duizend en vier honderd; deze allen voerde Sesbazar op, met degenen, die van de gevangenis opgevoerd werden, van Babel naar Jeruzalem. HOOFDSTUK 2. Register der gevangene Joden, die met den vorst Zerubbabel en andere hoofden naar Jerflzalem zijn opgetogen, vs. 1. Vrijwillige gaven der joodsohe vorsten, bij hnnne komst te Jeruzalem, tot het bouwen des tempels, os. DIT zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis, van de weggevoerden, die Nebukadnézar, koning van Babel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn wedergekeerd, een iegelijk naar zijne stad; 2 Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jésua, Ne-liemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Miz-par, Bigvai, Rehuin en Baëna. Dit is het getal der mannen des volks van Israël. !i De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig. 4 De kinderen van Sefatja, drie honderd twee en zeventig. 5 De kinderen van Araeh, zeven honderd vijf en zeventig. (1 De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jésua-Joab, twee duizend acht honderd en twaalf. 7 De kinderen van Elam, duizend twee honderd vier en vijftig. 8 De kinderen van Zatthu, negen honderd vijf en veertig. !) De kinderen van Zakkai, zeven honderd en zestig. 10 De kinderen van Bani, zes honderd twee en veertig. 11 De kinderen van Bebai, zes honderd drie en twintig. 12 De kinderen van Azgad, duizend twee honderd twee en twintig. 13 De kinderen van Adónikani, zes honderd zes en zestig. |
EZRA 2.
454
|
14 De kinderen van lü^ vui, twee duizend zes en vijftig. 15 De kinderen van Adin, vier honderd vier en viji'tiiquot;'. 16 De kinderen van Ater, van Ilizkia, acht en negentig. 17 Dg kinderen van Bezai, drie honderd drie en twintig. 18 Do kinderen van Jora, honderd en twaalf. 19 De kinderen van Hasnm, twee honderd drie en twintig. 20 De kinderen van Gibbar, vijf en negentig. 21 De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig. 22 De mannen van Netófa, zes en vijftig. 23 De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig. 24 Do kinderen van Azmaveth, twee en veertig. 25 De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beëroth, zeven honderd drie en veertig, 26 Do kindoren van Rama en Gaba, zes honderd oen en twintig. 27 Do mannen van Michmas, honderd twee en twintig. 28 De mannen van Beth-El en Ai, twee honderd drie en twintig. 29 Do kindoren van Nobo, twee en vijftig. 30 Do kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig. 31 Do kinderen van den anderen Elam, duizend twee honderd vier en vijftig. 32 De kinderen van Harim, drie honderd en twintig. 33 Do kindoren van Lod, Hadid en Ono, zeven honderd vijf en twintig. 34 De kinderen van Jericho, drie honderd vijf on veertig. 35 De kinderen van Senaa, drie duizend zes honderd en dertig. 36 Do priesters. Do kinderen van Jedaja, van het huis van Jésua, negen honderd drie en zeventig. 37 De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig. 38 De kinderen van Pashur, duizend twee honderd zeven en veertig. 39 Do kinderen van Harim, duizend en zeventien. 40 Do Levieten. De kinderen van Jésua en Kad-niiSI, van do kinderen van Ilodavja, vier en zeventig. 41 De zangers. De kinderen van Asaf, honderd acht on twintig. 42 Do kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, do kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, do kinderen van Akkub, de kinderen van Ilatita, do kindoren van Sobai: deze allen waren honderd negen on dertig. 43 De Nethinim. Do kinderen van Ziha, de kinderen van Ilasüfa, de kinderen van Tabbaoth; 44 Do kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kindoren van Padon; |
45 De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub; 46 De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan; 47 Do kinderen van Giddol, do kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja; 48 Do kinderen van Rezin, do kinderen van Nokóda, de kinderen van Gazzam; 49 Do kinderen van Uza, de kinderen van Paséah, de kinderen van Bezai; 50 Do kindoren van Asna, de kindoren der Me-hünim, de kinderen dor Nefüsim; 51 Do kindoren van Bakbuk, de kinderen van llaküfa, de kinderen van Harhur; 52 De kinderen van Bazluth, do kinderen van Melnda, do kinderen van Harsa; 53 Do kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah; 54 Do kindoron van Neziah, de kinderen van Hatifa. 55 De kindoron der knechten van Salomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Soféreth, do kinderen van Perüda; 56 Do kinderen van Jaala, do kinderen van Darkon, do kinderen van Giddol; 57 Do kinderen van Sefatja, do kinderen van Hattil, do kinderen van Pochéret-Hazebaïm, de kinderen van Ami. 58 Al de Nethinim, on de kinderen dor knechten van Salomo, waren drie honderd twee en negentig. 59 Dozen togen ook op van Tel-inélah, Tel-harsa, Cherub, Addan en Immer; doch zij konden linn-ner vaderen huis en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israël waren. 60 De kindoren van Delaja, de kinderen van Tóbia, do kinderen van Nokóda, zes honderd twee en vijftig. 61 En van do kinderen der priesteron, de kindoron van Habaja, do kindoron van Koz, do kinderen van Barzillai, die van de dochteron van Barziliai, don Gileadiot, eene vrouw genomen had, en naar hunnen naam genoemd was. 62 Dozen zochten hun register, onder degenen, die in hot geslachtregister gesteld waren, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onroinon van hot priesterdom geweerd. 63 En Ilattirsatlia zoide tot hen, dat zij van do heiligste dingen niet zouden eton, totdat or een priester stond mot urim en met tliummim. 64 Deze ganscho gemeente te zamen was twee en veertig duizend drie honderd en zestig. 65 Behalve hunne knechten en hunne maagden, die waren zeven duizend drie honderd zeven en dertig; en zij hadden twee honderd zangers en zangeressen. 66 Hunne paarden waren zeven honderd zes en dertig; hunne muilen, twee honderd vijf en veertig; 67 Hunne kemelen, vier honderd vijf en dertig; do ezelen, zes duiz.'iid zeven honderd en twintig. |
|
(gt;8 En sommigen van do hooiden der vaderen, als zij kwamen ten huize des Heeren, die to Jeruzalem woont, gaven vrijwilliglijk ten huizo Gods, om dat te zotten op zijno vaste plaats, (iü Zij gaven naar hun vermogen tot den schat dos works, aan goud, eon on zestig duizend drachmen, en aan zilver, vijf duizend ponden, on honderd priesterrokken. 70 En de priesters en do Levieten, en sommigen uit hot volk, zoo de zangers als do poortiers, en do Nethinim woonden in hunne steden, on gansch Israël in zijne steden. HOOFDSTUK Ue priester Jósna en de vorst Zerubbabel bouwen liet altaar des Hoeren cn offeren daarop de oersto offerande, vs. 1. Zij vieren liet Loofhuttenfeest, 4; en stellen voorts orde op de godsdienst en hot herbouwen van den tempel, 5. De grondslagen van den tempel worden gelegd met groote vreugde en dankzegging tot God, 8; doch ook met groot geween van velen, die den vorigen tempel gezien hadden, 12. TOEN nu do zevende maand aankwam, on de kinderen Israels in do steden waren, verzamelde zich hot volk, als een eenig man, te Jeriizalom. 2 En Jésua, de zoon van Józadak, maakte zich op, en zijno broederen do priesters, ou Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en zijne broederen, on zij bouwden hot altaar dos Gods van Israël, om daarop brandofferen te offeren, gelijk quot;geschreven is in do wot van Mozes, den man Gods. « Dout. 12:5, 0. 3 En zij vestigden het altaar op zijne stelling, maar met verschrikking, die over hen was, van wege do volken der landen; en zij offerdon daarop brandofferen den Heere, brandofferen des quot; morgens en des avonds. a Num. 28 ; 3. 4 En zij hielden het foest dor loofhutten, gelijk geschreven is; en zij offerden brandofferen dag bij dag iu getal, naar het quot;regt van elk dagelijks op zijnen dag, a Lev. 23:34. Num. 29:12. 5 Daarna ook liet gedurig brandoffer, en van do quot; nieuwe maanden , en van allo gezette hoogtijden des Heeren, die geheiligd waren; ook van oen' ieder, die oeno vrijwillige offerande den Heere vrijwilliglijk offerde. a Num. 28 : 11 , enz. Neh. 10 : 33. (! Van den eersten dag af der zevende maand begonnen zij den Hhere brandofferen te offeren; doch de grond van den tempel des Heeren was niot gelegd. 7 Zoo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook spijs, en drank, on olio aan do Zidoniërs en aan de Tyriërs, om cederenhout van don Libanon te brongen aan do zoo naar Jafo, naar do vergunning van Kores, koning van Perzië, aan hen. 8 In het tweede jaar nu hunner aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in do tweede maand, begonnen Zerubbabel, do zoon van Sealthiël, on Jésua, do zoon van Józadak, on do overige hun-455 |
nor broederen, do priesters en do Levieten, on allen, die uit do gevangenis te Jeruzalem gokomou waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud on daarboven, om opzigt te uemen over hot werk van des Heeren huis. 9 Toen stond Jésua, zijne zonen en zijne broederen, en Kadmiël met zijne zonen, kinderen van Juda, als één man, om opzigt te hebben over degenen, die hot werk deden aan hot huis Gods, mot do zonen van Hénadad, hunne zonon en hunne broederen, de Levieten. 10 Als nu de bouwlieden den grond van dos Heeren tempel leiden, zoo stelden zij do prieste-ren, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, mot cimbalen, om don Heere te loven, naar do instelling van David, den koning van Israël. 11 En zij zongen bij beurten, mot don IIeeue te loven en te danken, dat Hij goedig is, dat zijne weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israël. En al het volk juichte mot groot gejuich, als men don Heere loofde over de grondlegging van liet huis des Heeren. 12 Maar vole van do priesteron, en do Levieten, on hoofden der vaderen, die oud waren, die hot eerste huis gezien hadden, dit huis in zijne grondlegging voor hunne oogen zijnde, weenden met luider stem; maar velon verhieven do stom met gejuich en met vreugde. 13 Zoodat hot volk niot onderkende do stom van het gejuich dor vreugde, van de stem dos go-weens van het volk; want hot volk juichte mot groot gejuich, dat de stem tot van verre gehoord word. HOOFDSTUK 4. Do wederpartijders van Gods volk begeeren listiglijk medo to bouwen aan den tempel on gomoono ^quot;ds-dionst te houden, vs. 1. Dit hun geweigerd zijnde, brengen zij hot door geld en valsohe sehriftelijko aanklagten bij het persische hof zoo ver, dat hot bouwen van den tempel, stad en muren verboden en verhinderd wordt, tot in het tweede jaar van hot koningrijk van Darius, 4. TOEN nu de wederpartij ders van Juda en Benjamin hoorden, dat do kinderen dor gevangenis den Heere, don God Israels, den tempel bouwden; 2 Zoo kwamen zij aan tot Zerubbabel, on tot do hoofden der vaderen, en zeiden tot hen: Laat ons mot uliedon bouwen, want wij zullen uwen God zoeken, gelijk gijlieden; ook hebben wij Hom geofferd sints de dagen van quot; Esar-11 addon, don koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken. «2 Kon. 17 : 29 , enz. 3 Maar Zerubbabel, en Jésua, en do overige hoofden der vaderen van Israël zeiden tot hen; Hot betaamt niot, dat gijlieden on wij onzen God een huis bouwen; maar wij alleen zullen hot den Heere, don God Israels, bouwen, quot;gelijk als de koning Kores, koning van Perzië, ons geboden hooft. a Ezra 1:1,2,3. 4 Evenwel maakte hot volk des land do handen EZRA 2, 3, 4. |
EZRA 4, 5.
4r)()
|
des volks van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen; 5 En zij huurden tegen hen raadslieden, om hunnen raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzië, tot aan het koningrijk van Darius, den koning van Perzië. (i En onder het koningrijk van Ahasvéros, in het begin zijns koningrijks, schreven zij eene aanklagt tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem. 7 En in de dagen van Arthahsasta schreef Pis-lam, Mithredath, Tabeël, en de overigen van zijn gezelschap, aan Arthahsasta, koning van Perzië; en de schrift des briefs was in het Syrisch geschreven, en in liet Syrisch uitgelegd. 8 Rehum, de kanselier, enSimsai, de schrijver, schreven oenen brief tegen Jeruzalem, aan den koning Arthahsasta, op deze manier: 9 Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaïeten, do Afarsatchieten, do Tarpelieton, de Afarsioten, de Archovioton, do Babyloniërs, de Susanchieten, de Dehavieten, do Elamioton; 10 En de overige volkoren, die de groote en vermaarde Asnappar heeft vervoord en doen wonen in de stad van Samaria, ook do overigen, aan deze zijde der rivier, en op zulkon tijd. 11 Dit is een afschrift des briefs, dien zij aan hem, aan den koning Arthahsasta, zonden: Uwe knechten, do mannen aan deze zijde der rivier, en oj) zulkon tijd. 12 Den koning zij bekend, dat do Joden, die van u zijn opgetogen, tot ons gekomen zijn te Jeruzalem, bouwende die rebelle on die boozo stad, waarvan zij do muren voltrokken, en do fondamenten zamenvoegen. 13 Zoo zij nu den koning bekend, indien dezelve stad zal worden opgebouwd, en de muren voltrokken, dat zij den cijns, ouden impost, on tol niet zullen geven, en gij zult aan de inkomsten der koningen schade aanbrengen. 14 Nu, omdat wij salaris uit hot paleis trokken, en hot ons niet betaamt dos konings oneer te zien, daarom hebben wij gezonden, en dit den koning bekend gemaakt; 15 Opdat men zooke in het boek der kronijken uwer vaderen, zoo zult gij vinden in hot book der kronijken, en weten, dat dezelve stad eene rebelle stad geweest is, on den koningen en landschappon schade aanbrengende, en dat zij daarbinnen afval gesticht hebben, van oude tijdon af; daarom is dezelve stad verwoest. 16 Wij maken dan den koning bekend, dat, zoo dezelve stad zal worden opgebouwd, en hare muren voltrokken, gij daardoor geen deel zult hebben aan doze zijde der rivier. 17 De koning zond antwoord aan Rehum, den kanselier, en Simsai, den schrijver, en de overigen van hunne gezelschappen, die to Samaria woonden; mitsgaders aan do overigen aan deze zijde der rivier aldus: Vrede, en op zulkon tijd. |
18 De brief, dien gij aan ons geschikt hebt, is duidelijk voor mij gelezen. 1!) En als van mij bevel gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat dezelve stad zich van oude tijden af togen do koningen hooft ver-hoven, en rebellie en afval daarin gesticht is. 20 Ook zijn er magtige koningen geweest over Jeruzalem, die geheerscht hebben overal aan gone zijde der rivior; en hun is cijns, oude impost en tol gegeven. 21 Geeft dan nu bevel, om diozelve mannen to beletten, dat diozelve stad niot opgebouwd worde, totdat van mij bevel zal worden gegeven. 22 Woest gewaarschuwd, van feil in dezen te begaan; waarom zou het verderf tot schade der koningen aanwassen ? 23 Toen, van dat iiot afschrift dos briefs van den koning Arthahsasta voor Rehum, on Simsai, don schrijver, on hunne gezelschappen gelezen was, togen zij in haast naar Jeruzalem tot de Joden, en beletten hen met arm en geweld. 24 Toon hield hot werk op van het huis Gods, die te Jeruzalem woont, ja hot hield op tot in het tweede jaar van het koningrijk van Darius, den koning van Perzië. HOOFDSTUK 5. Zernbbabel en Jésua, door de profeten Haggaï en Zacharia gesterkt, hervatten den bouw van den tempel, vs. 1; waarvan de koninklijke landvoogd hun redenen afeischt, die /.ij geven, en door hein den koning Darfns schriftelijk worden berigt, met begeerte, dat do koning naar de waarheid hiervan gelieve onderzoek te laten doen, en zijn beshut over te zenden, HAGGAI quot;nu, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeten, profeteerden tot do Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in den naam des Gods van Israël profeteerden zij tot hen. a Ilagg. 1 : 1. Zaeli. 1 ; 1. 2 Toen maakten zich op Zorubbabol, de zoon van Sealthiël, en Jésua, de zoon van Józadak, en begonnen te bouwen liet huis Gods, die te Jeruzalem 'woont; en met hen do profeten Gods, die hen ondersteunden. 3 Te dier tijd kwam tot hen Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier , en Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden aldus tot hen: Wie heeft uliedon bevel gegeven dit huis te bouwen, en dezen muur te voltrekkon V 4 Toon zeidon wij aldus tot hen, en welke do namen waren dor mannen, die dit gebouw bouwden. 5 Doch het oog huns Gods was over de oudsten der Joden, dat zij hun niet beletten, totdat de zaak aan Darius kwam, en zij alsdan daarover oenen brief wederbragten. (1 Afschrift dos briefs, dien Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, met Sthar-Boznai en zijn gezelschap, de Afarsochaïeton, die aan deze zijde der rivier waren, aan den koning Darius zond. |
EZRA 5, 6.
|
7 Zij zonden een verhaal aan hem; en daarin was aldus geschreven; Don koning Darius zij alle vrede. 8 Don koning zij bekend, dat wij getogen zijn naar liet landschap Juda, ton huize dos grooten Gods, hetwelk gebouwd wordt mot grooto steonon, en hot hout wordt geleid in de wanden; on dat-zolvo werk wordt ras gedaan, on gaat voorspoe-diglijk door hunne handen voort. !) Toen hebben wij dezelve oudsten gevraagd, en aldus tot hen gezegd: Wie hoeft ulieden hovol gegeven dit liuis te bouwen, en dezen muur te voltrekkon ? 10 Wijders hebben wij hun ook hunne namen afgevraagd, dat wij ze u bekend maakten; dat wij mogten overschrijven do namen der mannen, die hoofden onder hen zijn. 11 En zij liobbou ons dusdanig antwoord wedergegeven, zeggende: Wij zijn knechten van den God dos homels on dor aarde, on bouwen hot luns, dat vele jaren vóór dezen is gebouwd go-woest: want oen groot koning van Israël had hot gebouwd en voltrokken. 12 Maar quot; nadat onze vaders don God dos hemels hadden vertoornd, hoeft Hij hen gegeven in do hand van Nebukadnézar, don koning van Babel, tien Chaldeër; dewelke dat huis heeft vernield, en het volk naar Babel weggevoerd. «2 Kron. 30: 10, 17, enz. l:i quot;Doch in liet eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft do koning Kores bevel gegeven dit huis Gods te bouwen. «2 Kron. 30:22, enz. Ezra 1, enz. 14 Ja de vaten van Gods huis, welke van goud en zilver waren, die Nebukadnézar uit den tempel, die to Jerxizalem was, had weggenomen on dezelve gebragt in don tempel van Babel, die hooft de koning Kores uitgehaald uit den tempel van Babel, en zij zijn quot;gegeven aan eenon, wiens naam was Sesbazar, dien hij tot landvoogd had gestold. n Ezra 1: 8. 15 En hij zoido tot hem: Neem deze vaten, ga zo afvoeren in den tempel, die te Jorüzalom is, en laat het huis Gods gebouwd worden op zijne plaats. 10 Toon kwam dezelve Sesbazar; hij loido de fondamenten van hot huis Gods, die te Jeruzalem troont; en or is van toen af tot nu toe gebouwd, doch niet volbragt. 17 Zoo het dan nu den koning goeddunkt, laat er gezocht worden in hot schathuis dos konings aldaar, dat te Babel is, of hot zij, dat oen bevel van don koning Kores gegeven zij, om dit huis Gods te Jeruzalem te bouwen; en dat men dos konings believen hiervan tot ons zonde. HOOFDSTUK 0. Ue koning Darius laat het bevelschrift van don koning Kores opsporen, vs. i; dat gevonden zijnde, zendt de koning een ernstig bevel aan zijnen landvoogd en don ganschen landraad, om niet alleen den Joden niet te belemmeren, maar op allerlei wijze bevorderlijk te zijn aan den bouw des tempels, zoowel als aan de behoeften tot do godsdienst, 2. Do landvoogd komt dit bevel na, 13. Do tempel wordt volbouwd en ingewijd, 14. Het pascha wordt met vreugde gehouden, 19. |
TOEN gaf de koning Darius bevel; en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd, in Babel. 2 En te Achmetha, in do burgt, dio in het landschap Medië is, werd eene rol gevonden; en daarin was aldus geschreven: Gedachtenis: 3 In het eerste jaar van den koning Kores, gaf de koning Kores dit bevel: Het huis Gods te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de fon-damenten daarvan zullen zwaar zijn; zijne hoogte van zestig ellen, en zijne breedte van zestig ellen : 4 Met drie rijen van grooten steen, en eene rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit des konings huis gegeven worden. 5 Daartoe zal men ook de gouden en zilveren vaten van het huis Gods, die Nebukadnézar uit den tempel, die te Jeruzalem was, heeft weggevoerd, en naar Babel gebragt, wedergeven, dat zij gaan naar den tempel, die te Jeruzalem is, aan zijne plaats, en men zal ze afvoeren ten huize Gods. 0 Nu, gij Thathnai, landvoogd aan gene zijde der rivier, gij Sthar-Boznai, met ulieder gezelschap, gij Afarsechaïeten, die aan gene zijde der rivier zijt, woest verre van daar! 7 Laat hen aan den arbeid van dit huis Gods; dat de landvoogd der Joden en de oudsten der Joden dit huis Gods bouwen aan zijne plaats. 8 Ook wordt van mij hevel gegeven, wat gijlieden doen zult aan de oudsten dezer Joden, om dit huis Gods te bouwen: te weten, dat uit des konings goederen, van den cijns aan gene zijde dor rivier, de onkosten dezen mannon spoediglijk gegeven worden, opdat men hen niet belette. 9 En wat noodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandofferen aan den God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen der priesteren, die te Jeruzalem zijn, dat hot hun dag bij dag gegeven worde, dat er geene foil zij. 10 Opdat zij offeranden van liefelijken reuk aan den God dos hemels offeren, en bidden voor het leven dos konings en zijner kinderen. 11 Voorts wordt bevel van mij gegeven, dat al dongeno, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgerigt worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot eonon drokhoop gemaakt worden. 12 Do God nu, die zijnen naam aldaar heeft doen wonen, worpe ter neder allo koningen on volken, die hunne hand zullen uitstrekken, om to veranderen en te verderven dit huis Gods, dat |
EZRA 6,7.
458
|
to Jeruzalem is. Ik, Darius, heb hot bevel ge-geven; dat hot spoediglijk gedaan worde. 13 Toen deden Thathnai, de landvoogd aan gone zijde der rivier, Sthar-Boznai en hun gezelschap, spoediglijk alzoo, naar hotgeen de koning Darius gezonden had. 14 En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van don profeet Haggaï en Zacharia, den zoon vanlddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar liet bevel van den God Israels, en naar liet bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van Porziö. 15 En dit huis werd volbragt op den dorden dag der maand Adar; datzelve was het zesde jaar van het koningrijk van den koning Darius. 16 En de kinderen Israëls, de priesters en Levieten , en de overige kinderen der gevangenis deden de inwijding van dit huis Gods met vreugde. 17 En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, twee honderd ranimen, vier honderd lammeren en twaalf geitenhokken, ten zondoffer voor gansch Israël, naar het getal der stammen Israëls. 18 En zij stelden do priesteren in hunne onderscheidingen, en de Levieten in hunne verdeelingen, tot de dienst Gods, die te Jeruzalem is quot; naar het voorschrift des boeks van Mozes. ff Num. H : 6, 32. 8:11. I Kron. 24: 1, on/.. li) Ook hielden de kinderen der gevangenis het quot;pascha, op den veertienden der eerste maand. (lEx. 12 : 1, on/.. Lov. 23 : 5. Num. 2-gt;: 16. Dout. 1():2. 20 Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als een eenig man, zij waren allen rein; en zij slagtten het pascha voor alle kinderen der gevangenis, en voor hunne broederen, de priesteren, en voor zich zeiven. 21 Alzoo aten de kinderen Israëls, die uit de gevangenis wedergekomen waren, mitsgaders al wie zich van de onreinigheid der Heidenen des lands tot hen afgezonderd had, om den Heere, den God Israëls, te zoeken. 22 En zij hielden hot feest der ongezuurde hrooden zeven dagen, met blijdschap: want de IIeeue had hen verblijd, en het hart des konings van Assur tot hen gewend, om hunne banden te sterken in het werk van hot huis Gods, des Gods van Israël. HOOFDSTUK 7. Do priester on schriftgeleerde Ezra, (wiens geslachtsregister hier wordt verhaald) trekt in het zevende jaar des konings Arthahsasta, (anders Artaxerxes) niet velen van het volk uit Ha hol naar Jeruzalem, vs. 1. Afschrift van den gunstigen en ernstigen last, dien hem de koning medegaf, 11; waarvoor Ezra God hartelijk dankt, 27. NA deze geschiedenissen nu, in het koningrijk van Arthahsasta, koning van Porzië: Ezra, de zoon van Seraja, den zoon van Azarja, denzoon van Ilillda, |
2 Den zoon van Salluni, don zoon van Zadok, den zoon van Alutub, 3 Don zoon van Amarja, don zoon van Azarja, den zoon van Merajoth, 4 Den zoon van Zerahja, don zoon van Uz/.i, den zoon van Bukki, 5 Don zoon van Alusua, den zoon van Pinehas, den zoon van Eleazar, den zoon van Aaron, den hoofdpriester. 6 Deze Ezra toog op uit Babol; en hij was een vaardig schriftgeleerde in do wet van Mozes, die de 11eeue, de God Israëls, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand des Heeren, zijns Gods, over hem, al zijn verzoek. 7 Ook sommigen van de kinderen Israëls, en van de priesteren en de Levieten, en de zangers, en de poortiers, en de Nethlnim, togen op naar Jeruzalem, in het zevende jaar van den koning Arthahsasta. 8 En hij kwam te Jeruzalem in de vijfde maand; dat was het zevende jaar dezes konings. 9 Want op den eersten der eerste maand was het begin des optogts uit Babol, en op den eersten der vijfde maand kwam hij te Jeruzalem, naaide goede hand zijns Gods over hem. 10 Want Ezra had zijn hart gerigt, om de wet des Heeren te zoeken en te doen, en om in Israël te loeren do inzettingen en do regten. 11 Dit is nu het afschrift des briefs, dien de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde; don schriftgeleerde van de woorden dor geboden des Heeren, en zijne inzettingen over Israël: 12 Arthahsasta, koning der koningen, aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde der wet van den God des hemels, volkomen vrede en op zuiken tijd. 13 Van mij wordt bevel gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koningrijk, van het volk van Israël, en van deszolfs priesteren en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga. 14 Dewijl gij van voor den koning en zijne zeven raadsheeren gezonden zijt, om onderzoek te doen in Judéa, en te Jeruzalem, naar de wet uws Gods, die in uwe hand is; 15 En om henen te brengen het quot; zilver en goud, dat de koning en zijne raadsheeren vrijwilliglijk gegeven hebben aan den God Israëls, wiens woning te Jeruzalem is; «Ezra 8:25. 16 Mitsgaders al het zilver en goud, dat gij vinden zult in het gansche landschap van Babol, met de vrijwillige gave des volks on der priesteren, die vrijwilliglijk geven, ten huize huns Gods, dat te Jeruzalem is: 17 Opdat gij spoediglijk voor dat geld koopt runderen, rammen, lammeren, met hunne spijs-offeren, en hunne drankofferon, en die offert op het altaar van het huis van uliedor God, dat te Jerüzalem is. 18 Daartoe, wat u en uwen broederen goeddunken |
EZRA 7, 8.
45!)
|
zal, met hot overige zilver on goud te doen, zult gijlieden doen naar het welgevallen uws Gods. II) En geef de vaten, die n gegeven zijn tot de dienst van het huis uws Gods, weder voor den God van Jeruzalem. 20 Het overige nu, dat van noode zal zijn voor hot huis uws Gods, dat u voorvallen zal uit te geven, zult gij geven uit het schathuis des konings. â¢21 En van mij, mij koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesters, die aan gene zijde dor rivier zijt, dat alles, wat Ezra, de priester, do schriftgeleerde der wet van den God dos hemels, van u zal begeoren, spoodiglijk gedaan worde: 22 Tot honderd talenten zilvers toe, en tot honderd kor tarwe, en tot honderd bath wijns, en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift. 2:3 Al wat naar het bevel van den God des hemels is, dat hot vlijtiglijk gedaan worde, voor hot huis van den God dos hemels; want waartoe zou er groote toorn zijn over het koningrijk des konings en zijnor kinderen? 24 Ook laten Mrij uliedon weten, aangaande alle priesteren en Levieten, zangers, poortiers, Ne-tlnnim en dienaars van het huis dezes Gods, dat men den cijns, ouden impost en tol hun niet zal vermogen op te leggen. 25 En gij, Ezra! naar de wijsheid uws Gods, die in uwe hand is, stel regeerders on rigters, die al hot volk rigten, dat aan gene zijde der rivier is, allen, die de wetten uws Gods weten, en die ze niet weet, zult gijlieden die bekend maken. 26 En al wie de wet uws Gods en do wet dos konings niet zal doen, over dien laat spoodiglijk regt worden gedaan, hetzij ter dood, of tot uitbanning , of tot boete van goederen, of tot de bandon. 27 Geloofd zij de Heere, do God onzer vaderen, dio alzulks in het hart des konings gegeven heeft, om te versieren hot huis des Heeren, dat to Jeruzalem is, 28 En hooft tot mij weldadigheid geneigd, voor hot aangezigt des konings en zijnor raadshoeren, on allor geweldige vorsten dos konings! Zoo heb ik mij gesterkt, naar do hand dos Heeren, mijns Gods, over mij, en de hoofden uit Israël vergaderd, om met mij op te trekken. HOOFDSTUK 8. Register dergenen, die met Ezra zijn opgetogen, vs. 1. Ezra, onderweg bij A'hava liet volk overziende, vindt geene Levieten, zendt naar Clinsifia, van waar hij eenigo kloeke Levieten en Netlunim bekomt, 15. Roept een vasten nit, dat men (jod bidcle om oone golnkkige reis, 21. (looft don oversten der priesteren on Levieten al do schatten, die zij moesten bewaren en aan het huis dos Hoeren leveren, 24. Breekt op en komt voorspoedig te Jorftzalem, 31. Do schatten worden getrouw geleverd on de bevelen dos konings aan zijne stadhouders en landvoogden gegeven en nagekomen, lüi. |
DIT nu zijn do hoofden hunner vaderen, niet hunne geslachtrekening, die met mij uit Dabei optogen, onder het koningrijk van den koning Arthahsasta, 2 Van do kinderen van Pinehas, Gersom; van do kinderen van Ithamar, Daniël; van de kindoren van David, Hattus. ï] Van do kinderen van Sechanja, van do kinderen van Paros, Zacharja; en met hem werden bij geslachtregisters gerekend, aan inansporsonon, honderd on vijftig. 4 Van do kinderen van Pahath-Moab, Eljohóënai, de zoon van Zerahja; en met hem twee honderd manspersonen. 5 Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziël; en mot hem drie honderd manspersonen. (gt; En van de kinderen van Adin, Ebed, de zoon van Jonathan; en mot hem vijftig manspersonen. 7 En van do kinderen van Elam, Jesaja, de zoon van Athalja; en mot hem zeventig manspersonen. 8 En van de kinderen van Sefatja, Zebadja, de zoon van Michaël; en met hem tachtig inans-personon. !) Van de kinderen van Joab, Obadja, de zoon van Jeluël; en met hein twee honderd en achttien manspersonen. 10 En van do kinderen van Selómith, de zoon van Josifja; en met hem honderd en zestig manspersonen. 11 En van do kinderen van Bebai, Zacharja, de zoon van Bebai; en met hem acht ou twintig manspersonen. 12 En van de kinderen van Azgad, Jóhanan, de zoon van Katan; en mot hem honderd en tien manspersonen. 13 En van de laatste kinderen van Adónikam, welker namen deze waren: Klifólet, Jeluël, en Semaja; en niet hen zestig manspersonen. 14 En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en mot hen zeventig manspersonen. 15 En ik vergaderde hen aan do rivier, gaande naar A'hava, en wij legerdon ons aldaar drie dagen; toon lotte ik op het volk en do priesteren, en vond aldaar geene van do kinderen van Lovi. I(! Zoo zond ik tot Eliëzer, tot Ariël, tot Semaja, on tot E'lnathan, en tot Jarib, en tot E'lnathan, en tot Nathan, en tot Zacharja, en tot Mosullam, de hoofden, en tot Jójarib en tot E'lnathan, do leeraars; 17 En ik gaf hun bovol aan Iddo, het hoofd in do plaats Chasifja; en ik lolde de woorden in hunnen mond, om te zoggen tot Iddo, zijnen broeder, en do Nethinim, in do plaats Ciiasifja, dat zij ons bragten dienaars voor het huis onzos Gods. 18 En zij bragten ons, naar do goede hand onzos Gods over ons, oenen man van verstand, van do kinderen van Mahli, den zoon van Levi, don zoon van Israël; namelijk Sérebja, mot zijne zonen ou broederen, achttien; |
EZRA 8, !).
460
|
19 En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, niet zijne broederen, en hunne zonen, twintig; '20 En van do Nethinlin, die David en de vorsten ter dienste der Levieten gegeven hadden, twee honderd en twintig Nethinim, die allen bij namen genoemd werden. 21 Toen riep ik aldaar oen vasten uit aan de rivier A'hava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezigt onzes Gods, om van Hem te verzoeken eenen regten weg, voor ons, en voor onze kinderkous, en voor al onze liave. 22 Want ik schaamde mij van den koning een lioir en ruiters te begeeren, om ons te helpen van den vijand, op den weg; omdat wij tot den koning hadden gesproken, zeggende: De hand onzes Gods is ten goede over allen, die Hom zoeken, maar zijne sterkte en zijn toorn over allen, die Hem verlaten. 23 Alzoo vastten wij, en verzochten zulks van onzen God; en Hij liet zich van ons verbidden. 24 Toen scheidde ik twaalf uit van de oversten der priesteren: Sérebja, Hasabja, en tien van hunne broederen mot hen. 25 En ik woog hun toe liet quot; zilver, en het goud, en do vaten, zijnde do offering van liet huis onzes Gods, dio do koning en zijne raadsheeren, en zijne vorsten, en gansch Israël, die er gevonden werden, geofferd haddon. a Ezra 7 : 14, 15. 2(5 Ik woog dan aan hunne hand zes honderd en vijftig talonten zilvors, en honderd zilveren vaten in talenten; aan goud, honderd talenten: 27 En twintig gouden bekers, tot duizend drachmen; en twee vaten van blinkend goed koper, begeerlijk als goud. 28 En ik zeide tot hen: Gij zijt heilig don Heere, en dozo vaten zijn heilig; ook dit zilver en dit goud, de vrijwillige gave, den Heere, don God uwer vaderen. 29 Waakt en bewaart het, totdat gij hot opweegt , in tegenwoordigheid van do oversten dor priesteren en Levieten, on der vorston dor vaderen van Israël, te Jeruzalem, in de kamoren van dos Heeren huis. 30 Toen ontvingen de priesters en do Levieten hot gewigt dos zilvors en dos gouds, on der vaten, om te brongen te Jeruzalem, ten huize onzes Gods. :)1 Alzoo verreisden wij van do rivier A'hava, op den twaalfdon der eerste maand, om te gaan naar Jeruzalem: en de hand onzes Gods was over ons, en redde ons van de hand des vijands, en desgenen, die ons lagen loido op don weg. 32 En wij kwamen te Jeruzalem; en wij bleven aldaar drie dagen. 33 üp den vierden dag nu werd gewogen hot zilver, en liet goud, en de vaten, in het huis onzes Gods, aan do hand van Merémoth, den zoon van Uria, den priester, on met hem Eloazar, do zoon van Pinehas; oh mot hem Józabad, do zoon van Jósua, on Noiidja, de zoon van Binnui, de Levieten. |
34 Naar hot getal en naar het gewigt van die allen; on hot gansche gewigt word tor zeiver tijd opgeschreven. 35 Eu de weggevoerden, die uit de gevangenis gekomen waren , offerden den God Israëls brand-offeren: twaalf varren voor gansch Israël, zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken ten zondoffer; alles ton brandoffer don Heere. 36 Daarna gaven zij de wetten dos konings aan dos konings stadhouders en landvoogden aan tlezo zijde der rivier; on zij bevorderden het volk en hot huis Gods. HOOFDSTUK !). Ezra wordt verwittigd, dat liet volk zich zeer bezondigd had door het aangaan van huwelijken met heidensché vrouwen, vs. 1; waarover hij grooten rouw bedrijft, en in het openbaar een ootmoedig en vurig gebed tot God doet, 3. ALS nu deze dingen voleind waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk Israëls, en de priesters, en do Levieten, zijn niet afgezonderd van de volken dezer landen, naar hunne gruwelen, namelijk van de Kanaanieten, de He-thieten, de Ferezieten, do Jobusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaron en de Amorieten. 2 Want zij hebben van hunne dochteren genomen voor zich zeiven on voor hunne zonen, zoodat zich vermengd hebben het heilig zaad met do volken dezer landen; ja de hand der vorsten en overheden is de eerste geweest in deze overtreding. 3 Als ik nu deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed on mijnen mantel; on ik trok van hot haar mijns hoofds en mijns baards uit, en zat neder verbaasd. 4 Toon verzamelden zich tot mij allen, die voor de woorden van don God Israëls beefden, om do overtreding der weggevoerden; doch ik bleef verbaasd zitten tot aan het avondoffer. 5 En omtrent het avondoffer stond ik op uit mijne bedruktheid, als ik nu mijn kleed on mijnen mantel gescheurd had; en ik boog mij op mijne knieën, en breidde mijne handen uit tot den Heere, mijnen God; (i En ik zeide: Mijn God! ik ben beschaamd ou schaamrood, om mijn aangezigt tot U op te heffen, mijn God! want onze ongerogtighoden zijn quot;vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, on onze schuld is groot geworden tot aan don hemel. a Ps. 38 : ó. 7 Van de dagen onzer vaderen af zijn wij in grooto schuld tot op dezen dag; on wij zijn om onze ongerogtighoden overgegeven, wij, onze koningen en onze priesters, in do hand van do koningen der landen, in zwaard, in gevangenis, en in roof, en in schaamte des aangezigts, gelijk het is te dezen dage. 8 En nu is er, als een klein oogenblik, eono genade geschied van den Heere, onzen God, om |
EZRA 9, 10.
401
|
ons eono ontkoming over te laten, en ons eenen nagel te geven in zijne heilige plaats, om onze oogen te verlichten, o onze God! en om ons een weinig levens te geven in onze dienstbaarheid. !) Want wij zijn knechten; doch in onze dienstbaarheid heeft ons onze God niet verlaten; maar quot;ij heeft weldadigheid tot ons geneigd voor het aangezigt der koningen van Perzië, dat Hij ons een weinifj levens gave, om het huis onzes Gods te verhoogen, en de woestigheden van hetzelve op te rigten, en om ons eenen tuin te geven in Juda en te Jeruzalem. 10 En nu, wat zullen wij zeggen, o onze God! na dezen? want wij hebben uwe geboden verlaten, 11 Die Gij geboden hadt door de dienst uwer knechten, de profeten, zeggende: quot;Het land, waar gijlieden inkomt, om dat te erven, is een vuil land, door de vuiligheid van do volken der landen, om hunne gruwelen, waarmede zij dat vervuld hebben, van het eeno einde tot het andore einde, met hunne onreinigheid. a Lev. 18:25, 27. Deut. 7:3. 12 Zoo zult gij nu uwe dochtoren niet geven aan hunne zonen, en hunne dochtoren niet nemen voor uwe zonen, en zult hunnen vrede en hun best niet zoeken, tot in eeuwigheid; opdat gij sterk wordt, en het goede des lands eet, en uwe kinderen doet erven tot in eeuwigheid. 13 En na alles, wat over ons gekomen is, om onze booze werken, en om onze groote schuld, omdat Gij, o onze God! belet hebt, dat wij niet te onder zijn van wege onze ongeregtigheid, en hebt ons eene ontkoming gegeven, als deze is, 14 Zullen wij nu wederkeeren, om uwe geboden te vernietigen, en ons te verzwageren met de volken dezer gruwelen? Zoudt Gij niet tegen ons toornen tot verterens toe, dat er geen overblijfsel noch ontkoming zij. 15 O Heere, God van Israël! Gij zijl regtvaar-dig: want wij zijn overgelaten ter ontkoming, als het is te dezen dage. Zie, wij zijn voor uw aan-gezigt in onze schuld, want er is niemand, die voor uw aangezigt zou kunnen bestaan, om zulks. HOOFDSTUK 10. Het volk weent met Ezra, vs. 1. Sechanja troost Ezra en geeft hem eenen goeden raad, 2; dien hij volgt, nemende van do oversten der priesteren, Levieten en van hot gansehe volk eonoa eed, dat zij naar Grods wet zouden doen, 5. Al het volk wordt door eeno strenge kennisgeving verzameld te Jenizalom, waar Ezra hen van hunne schuld overtuigt, en alles naar Grods wet verrigt, 7. Namen der priesteren en Levieten, die ook nitlandsehe vrouwen hadden genomen en daarvan zijn gescheiden, 18. ALS Ezra alzoo bad, en als hij deze belijdenis deed, weenende en zich voor Gods huis neder-werpende, verzamelde zich tot hem uit Israël eene zeer groote gemeente van mannen, en vrouwen, en kinderen, want het volk weende mot groot geween. |
2 Toen antwoordde Sechanja, de zoon van Jehiël, een van de zonen van Elam, en zeide tot Ezra: Wij hebben overtreden tegen onzen God, en wij hebben vreemde vrouwen van do volken des lands hij ons doen wonen; maar nu, er is hope voor Israël, dezen aangaande. 3 Laat ons dan nu een verbond maken met onzen God, dat wij al die vrouwen, en wat van haar geboren is, zullen doen uitgaan, naar den raad des Heeren, en dergenen, die beven voor het gebod onzes Gods; en laat er gedaan worden naar de wet. 4 Sta op, want deze zaak komt u toe, en wij zullen met u zijn; wees sterk en doe het. 5 Toen stond Ezra op, en deed de oversten der priesteren, do Levieten en gansch Israël zweren, te zullen doen naar dit woord; en zij zwoeren. G En Ezra stond op van voor Gods huis, en ging in de kamer van Jóhanan, den zoon van Eljasib; als hij daar kwam, at bij geen brood, en dronk geen water, want hij bedreef rouw over de overtreding der weggevoerden. 7 En zij lieten eene stom doorgaan door Juda en Jeruzalem, aan al de kinderen der gevangenis, dat zij zich te Jeruzalem zouden verzamelen. 8 En al wie niet kwam in drie dagen, naar den raad der vorsten en der oudsten, al zijne have zou verbannen zijn; en hij zelf zou afgezonderd wezen van de gemeente der weggevoerden. i) Toen verzamelden zich alle mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; het was de negende maand, op den twintigsten in de maand; en al hot volk zat op do straat van Gods huis, sidderende om deze zaak, en van wege de plasregenen. 10 Toen stond Ezra, de priester, op en zeide tot hen: Gijlieden hebt overtreden, en vreemde vrouwen bij u doen wonen, om Israëls schuld te vermeerderen. 11 Nu dan, doet don Heere, uwer vaderen God, belijdenis, en doet zijn welgevallen, on scheidt u af van de volken des lands, en van do vreemde vrouwen. 12 En de gansehe gemeente antwoordde en zeide mot luider stom: Naar uwe woorden, alzoo komt het ons toe to doen. 13 Maar des volks is veel, en het is een tijd van plasregen, dat men hier buiten niet staan kan; en het is geen werk van eenen dag noch van twee, want velen onzer hebben overtreden in deze zaak. 14 Laat toch onze vorston der gansehe gemeente hierover staan, en allen, die in onze steden zijn, die vreemde vrouwen bij ziek hebben doen wonen, op gezette tijden komen, en met hen de oudsten van elke stad on derzei ver rogters; totdat wij van ons afwenden de hittigheid des toorns onzes Gods, om dezer zaken wil. 15 Alleenlijk Jonathan, de zoon van A'sahel, en Jehazia, do zoon van Tikva, stonden hierover; en Mosullam, en Sabbothai, de Leviet, hielpen hen. |
NE HE MI A 1.
|
16 En de kinderen der gevangenis deden alzoo; en Ezra, do priester, met de mannen, de hoofden der vaderen, naar liet luns hunner vaderen, en zij allen, hij namen (jaiioernd, scheidden zich af, on zij zaten op den eersten dag der tiende maand, om deze zaak to onderzoeken. 17 En zij voleindden hot met alle mannen, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen, tot op don eersten dag der eerste maand. 18 En er werden gevonden van de zonen der priosteron, die vreemde vrouwen bij zich haddon doen wonen: van do zonen van Jésua, den zoon van Józadak, en zijne broederen, Maaséja, en Eliézer, on Jarib, on Godalja. 1!) En zij gaven hunne hand, dat zij hunne vrouwen zouden doen uitgaan; en schuldig zijnde, offerden zij oenen ram van de kudde voor hunne schuld. 20 En van de kinderen van Immer: ilanani en Zebadja. 21 En van de kinderen van Harim: Maaséja, en Ella, en Semaja, en Jehiël, en Uzia. 22 En van do kinderen van Pashur: Eljoönai, Maaséja, Ismaël, Nethaneël, Józabad en Elasa. 23 En van do Levieten: Józabad, en Simei', en Kólaja (deze is Kolfta), Pethühja, Jlida en Eliézer. 24 En van do zangers: Eljasib; en van de poortiers: Sallum , en Telom , on Uri. 25 En van Israël; van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezïa, en Malchia, en Mijamin, on Eloazar, en Malchia, on Benaja. 2ö En van do kindoren van Eiam: Mattanja, |
Zacharja, en Jehföl, en Abdi, en Jeromoth, en Elia. 27 En van de kinderen van Zatthu: Eljoönai, Eljasib, Mattanja, en Jeromoth, en Zabad, on Azfza. 28 En van do kinderen van Bebai: Jóhanan, Hananja, Sabbai, on Athlai. 29 En van de kinderen van Bani: Mosullam, Malluch en Adaja, Jasub, en Seal, Jeramótli. 30 En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Cholal, Benaja, Maaséja, Mattanja, Bezaloël, en Binnui, en Manasse. 31 En van do kinderen van Harim: Eliézer, Jissïa, Malchia, Semaja, Simeon, 32 Benjamin, Malluch, Somarja. 33 Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mat-tatta, Zabad, Elifélet, Jerémai, Manasse, Simeiquot;. 34 Van de kinderen van Bani: Maadai, Amram, en Uël, 35 Benaja, Bédeja, Chelühu, 36 Vanja, Merémoth, Eljasib, 37 Mattanja, Mathnai, en Jaiisai, 38 En Bani, en Binnui, Simei', 39 En Selémja, en Nathan, en Adaja, 40 Machnadbai, Sasai, Sar ai, 41 Azareël, en Selémja, Somarja, 42 Sallum, Amarja, Jozef. 43 Van de kinderen van Nebo: Joiël, Matthithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joël, Bonaja. 44 Allo dezen hadden vreemde vrouwen genomen; en sommüjen van hen hadden vrouwen, waarbij zij kinderen gekregen hadden. |
HET BOEK NEHEMIA,
|
HOOFDSTUK I. Noheinia, des konings schenker, vs. 11, ontvangt te Susan tijding van den dioovigon toestand zijns volks, mitsgaders van de maren en poorten van Jeruzalem, vs. 1; bedrijft daarover groeten rouw, vast, bidt en smeekt God om genade, en bijzonder, dat Hij zijn voornemen bij den koning wil zegenen, 4. DE geschiedenissen van Nehonüa, zoon van Hachalja. En het geschiedde in de maand Chis-leu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was; 2 Zoo kwam Ilanani, een van mijne broederen, hij en sommit/e mannen uit Juda, en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren, (die overgebleven waren van de gevangenis) en naar Jeruzalem. 3 En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in groote ellende en in ver-smaadhoid; en Jorüzaloms muur is verscheurd, en hare poorten zijn met vuur verbrand. |
4 En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zoo zat ik neder en woonde en bodroef rouw, eenuje dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezigt van den God dos hemels. 5 En ik zeide: quot;Och Heere, God des homels. Gij groote en vreesselijke God! '' die het verbond en do goedertierenheid houdt dien, die Hom liefhebben, en zijne geboden houden. «Dan. 9:4. h Ex. 20 : 6. 34 : 7. Num. 14 : 18. Dout. 5 : 10. I's. 86:15. 103:8. 145:8. 6 Laat toch uw oor opmerkende, en uwe oogen open zijn, om te hooren naar het gebed uws knechts, dat ik heden voor uw aangezigt bid, dag en nacht, voor de kinderen Israëls, uwe knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israëls, die wij tegen U gezondigd hebben: ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd. 7 Wij hebben het gansehelijk togen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de regten, die Gij uwen knecht Mozes geboden hebt. 8 Gedenk toch dos quot;woords, dat Gij uwen knecht |
NEHEMIA 1 , 2.
|
Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooijen. a Dent, 4; 25, 20, 27. :?0;2, :i, 4. 9 En gij zult u tot Mij bekeeren, en mijne ge-boden houden eu die doen; al waren uwe verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen van daar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om mijnen naam aldaar te doen wonen. 10 Zij zijn toch uwe knechten en uw volk, dat Gij verlost hebt, door uwe groote krachten door uwe sterke hand. 11 Och IIeere! laat toch uw oor opmerkende zijn op hot gebed uws knechts, en op het gebed uwer knechten, die lust hebben uwen naam te vreezen: en doe liet toch uwen knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor liet aangezigt dezes mans. Ik nu was des konings schenker. HOOFDSTUK 2. liij eoue goede gelegenheid verzoekt on verkrijgt Ne-hemni van den koning Arthalisastu oene zending naar Jerüzalem, mot last om alles te herstellen, waartoe hij brieven van aanbeveling aan 's konings houtvester en landvoogden ontvangt, vs. 1. Nehemia komt tot de landvoogden en te Jonlzalem, waarover zicli de vijanden van Gods volk ergeren, ü. Hij be-zigtigt bij nacht de gebrokene muren en verbrande poorten van Jeruzalem, 12. Hij maakt den last des konings aan de voornaamsten van het volk bekend en wekt den lust tot bonwen bij hen op, in Spijt en spot der vijanden, 17. TOEN geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van den koning Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezigt was, dat ik den wijn opnam, en gaf hem den koning; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezigt. 2 Zoo zeide de koning tot mij: Waarom is uw aangezigt treurig, zoo gij toch niet krank zijt? dit is niet dan treurigheid des harten. Toen vreesde ik gausch zeer. 3 En ik zeide tot den koning; De koning leve iu eeuwigheid! Hoe zou mijn aangezigt niet treurig zijn, daar do stad, de plaats dor begrafenissen mijner vaderen, woest is, en hare poorten met vuur verteerd zijn? 4 En de koning zeide tot mij: Wat verzoekt gij nu? Toen bad ik tot God van den hemel. 5 En ik zeide tot den koning: Zoo het den koning goeddunkt, en zoo uw knecht voor uw aangezigt aangenaam is; dat gij mij zendt naar Juda, naar do stad der begrafenissen mijner vaderen, dat ik ze bouwe. (! Toen zeide de koning tot mij, daar de koningin nevens hem zat: Hoe lang zal uwe reis wezen, en wanneer zult gij wederkomen? En het behaagde den koning, dat hij mij zond, als ik hem zekeren tijd gesteld had. 7 Voorts zeide ik tot den koning: Zoo het den koning goeddunkt, dat men mij brieven geve aan de landvoogden aan gene zijde der rivier, dat zij mij overgeleiden, totdat ik in Juda zal gekomen zijn: |
8 Ook oenen brief aan Asaf, den bewaarder van den lusthof, denwelken de koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van hot paleis, dat aan het huis is, en tot den stadsmuur, en tot hot huis, waar ik introkken zal. En de koning gaf zo mij, naar de goede hand mijns Gods over mij. 9 Toen kwam ik tot do landvoogden aan gene zijde der rivier, en gaf hun de brieven des konings. En de koning had oversten dos heirs on ruiteren met mij gezonden. 10 Toen nu Sanballat, de Horoniet, en Tolna, de aminonietische knecht, dat hoorden, mishaagde het hun met groot mishagen, dat er oen mensch gekomen was, om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israels. 11 En ik kwam te Jeruzalem, en was daar drie dagen. 12 Daarna maakte ik mij des nachts op, ik en weinige mannen met mij, en ik gaf geen' mensch te kennen, wat mijn God in mijn hart gegeven had, om aan Jerüzalem te doen; on er was geen dier met mij, dan hot dier, waarop ik reed. 13 En ik trok uit bij nacht door de Dalpoort, en voorbij de Drakenfontein, en naar de Mist-poort, en ik brak aan do muren van Jerüzalem, dewelke verscheurd waren, en hare poorten met vuur verteerd. 14 En ik ging voort naar do Fonteinpoort, en naar dos konings vijver; doch daar was geene plaats voor het dier, om onder mij voort te gaan. 15 Toen ging ik op, des nachts, door de beek, en ik brak aan den muur; en ik keerde weder, en kwam iu door de Dalpoort; alzoo koerde ik wederom. 10 En de overheden wisten niet, waar ik heengegaan was, en wat ik deed: want ik had tot nog toe don Joden, en den priesteren, en don edelen, en overheden, en den anderen, die hot werk deden, niets te kennen gegeven. 17 Toen zeide ik tot hen: Gijlieden ziet do ellende, waarin wij zijn, dat Jeruzalem woest is, en hare poorten met vuur verbrand zijn; komt, en laat ons Jerüzalems muur opbouwen, opdat wij niet meer oene versmaadheid zijn. 18 En ik gaf hun te kennen de hand mijns Gods, die goed over mij geweest was, als ook do woorden des konings, die hij tot mij gesproken had. Toen zeiden zij: Laat ons op zijn, dat wij bouwen; en zij sterkten hunne handen ten goede. 19 Als nu Sanballat, do Horoniet, en Tobia, de aminonietische knecht, en Gesem, de Arabier, dit hoorden, zoo bespotten zij ons, en verachtten ons; en zij zeiden: Wat is dit voor een ding, dat gijlieden doet? wilt gijlieden tegen den koning rebelleren ? 20 Toen gaf ik hun tot antwoord, en zeide tot hen: God van den hemel, die zal het ons doen |
NE HE MIA 2, 8.
|
gelukken, en wij, zijne knechten, zullen ons opmaken en bouwen; maar gijlieden hebt geen deel, noch geregtigheid, noch gedachtenis in Jeruzalem. HOOFDSTUK 3. De personen, door wie, en de orde, waai in de muren en poorten van JenV/.alem, zijn gebouwd. EN Eljasib, de hoogepriester, maakte zich op met zijne broederen, de priesteren, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze, en rigtten hare deuren op; ja zij heiligden zo tot aan den toren Mea, tot aan den toren Hananeöl. 2 En aan zijne hand bouwden de mannen van Jericho; ook bouwde aan zijne hand Zacchur, do zoon van Imri. ;i De Vischpoort nu bouwden de kinderen van Senaii; zij zolderden die, en rigtten hare deuren op, met hare sloten en hare grendelen. 4 En aan hunne hand verbeterde Morémoth, de zoon van Uria, den zoon van Koz; en aan hunne hand verbeterde Mesullam, de zoon van Beréchja, den zoon van Mesezabeël; en aan hunne hand verbeterde Zadok, zoon van Baëna. 5 Voorts aan hunne hand verbeterden de Tlie-koïeten; maar hunne voortreffelijken bragten hunnen hals niet tot de dienst huns Hoeren. (i En de Oude poort verbeterden Jójada, de zoon van Paséah, en Mesullam, de zoon van Hesódja; deze zolderden zij, en rigtten hare deuren op, met hare sloten en hare grendelen. 7 En aan hunne hand verbeterden Melatja, de Gibeoniet, en Jadon, de Meronothiet, de mannen van Glbeon en van Mizpa; tot aan den stoel des landvoogds aan deze zijde der rivier. 8 Aan zijne hand verbeterde Uzzfël, de zoon van Harhója, een der goudsmeden, en aan zijne hand verbeterde Hananja, de zoon van een' der apothekers; en zij lieten Jeruzalem tot aan den breeden muur. !) En aan hunne hand verbeterde Refaja, de zoon van Hur, overste des halven deels van Jeruzalem. 10 Voorts aan hunne hand verbeterde Jedaja, do zoon van Hariunaf, en tegenover zijn huis; en aan zijne hand verbeterde Hattus, de zoon van Hasabneja. 11 De andere hiate verbeterden Malchfa, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahath-Moab; daartoe den Bakovenstoren. 12 En aan zijne hand verbeterde Sallum, de , zoon van Lohes, overste van het andere halve deel van Jeruzalem, hij en zijne dochteren. 13 De Dalpoort verbeterden Hanun, en de inwoners van Zanóah; zij bouwden die, en rigtten hare deuren op, met hare sloten en hare grendelen; daartoe duizend ellen aan den muur, tot aan de Mistpoort. 14 De Mistpoort nu verbeterde Malchia, de zoon van Rechab, overste van het deel Beth-Chérem; hij bouwde ze, en rigtte hare deuren op, met hare sloten en hare grendelen. |
15 En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol-Hoze, overste van het dool van Mizpa; hij bouwde ze, en overdekte ze, en rigtte hare deuren op, met hare sloten en hare grendelen; daartoe den muur des vijvers Schelah bij des konings hof, en tot aan de trappen, die afgaan van Davids stad. 16 Na hem verbeterde Nehemia, de zoon van Azbuk, overste van het halve deel van Beth-Zur, tot tegenover Davids graven, en tot aan den ge-maakten vijver, en tot aan het huis der helden. 17 Na hem verbeterden de Levieten, Rehum, de zoon van Bani; aan zijne hand verbeterde llasabja, de overste van het halve deel van Kehüa, in zijn deel. 18 Na hem verbeterden hunne broederen, Bavai, de zoon van Hénadad, de overste van liet andere halve deel van Kelüla. 19 Aan zijne hand verbeterde Ezer, de zoon van Jésua, de overste van Mizpa, eene andere maat, tegenover den opgang naar liet wapenhuis, aan den hoek. 20 Na hem verbeterde zeer vuriglijk Baruch, de zoon van Zabbai, eene andere maat; van den hoek tot aan de deur van het huis van Eljasib, den hoogepriester. 21 Na hem verbeterde Morémoth, do zoon van Uria, den zoon van Koz, eene andere maat; van do huisdeur van Eljasib af, tot aan hot einde van Eljasibs huis. 22 En na hem verbeterden de priesteren, wonende in do vlakke volden. 23 Daarna verbeterden Benjamin, en llassub, tegen hun huis over; na hem verbeterde Azaria, de zoon van Maaséja, den zoon van Hananja, bij zijn huis. 24 Na hem verbeterde Binnui, de zoon van Hénadad, eene andere maat; van het huis van Azaria tot aan den hoek en tot aan liet punt; 25 Palal, de zoon van Uzai, tegen den hoek, en den hoogen toren over, die van des konings huis uitsteekt, die bij don voorhof der gevangenis is; na hem Pedaja, de zoon van Paros; 26 De Nethinim nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan hot oosten, en den uitstekenden toren. 27 Daarna verbeterden de Thekoïeten eene andere maat; tegenover den grooton uitstekenden toren, en tot aan don muur van Ofel. 28 Van boven de Paardenpoort verbetorden de priesteren, een iegelijk tegen zijn huis over. 2!) Daarna verbeterde Zadok, do zoon van Immer, tegen zijn huis over. En nahem verbeterde Semaja, de zoon vanSochanja, de bewaarder van de Oostpoort. 30 Na hom verbeterden Hananja, de zoon van Selémja, on Hanun, de zoon van Zalaf, do zesde, eene andere maat. Na hem verbeterde Mesullam, de zoon van Beréchja, tegen zijne kamer over. 31 Na hem verbeterde Malchfa, de zoon eens |
NEHEMIA 4, 5.
465
|
goudsmids, tot aan het huis dor Nothinim on der kruideniers, tegenover de poort van Mifkad, en tot de opperzaal van hot punt. :32 En tusschen do opperzaal van het punt tot de Schaapspoort toe, verbeterden de goudsmeden en de kruideniers. HOOFDSTUK 4. Terwijl do vijanden met (iods volk spolton, bidt No-lienna tot God en vordert hot work, vs. 1. Do vijanden, dezen vooruitgang vornomonde, verbinden zich om Jorflzalom onverwachts te bestrijden en het werk to beletten, 7. Nehemfa hiervan verwittigd zijnde, stolt naanwkenrige wacht, geeft het volk goeden moed en verbreekt zoo den aanslag der vijanden, 12. llij koert weder tot den arbeid, nadat zoodanige orde op de arbeiders gesteld was, om met de eeno hand te werken en met do andere hot geweer te houden, en geeft nog vorscheidene krijgsbevelen, 10. MAAR het geschiedde, als Sanballat gehoord had, dat wij don muur bouwden, zoo ontstak hij, en werd zeer toornig; en hij bespotte do Joden, 2 En sprak in do tegenwoordigheid zijner broederen en van het heir van Samaria, on zeide: Wat doen deze aamechtige Joden ? zal men hen laten geworden ? zullen zij offeren ? zullen zij liet in een' dag voleinden? zullen zij de stoenen uit destofhoopen levend maken, daar zij verbrand zijn? 3 En Tobia, de Ammoniet, was bij hem, en zeide: Al is het, dat zij bouwen, zoo er een vos opkwame, hij zou hunnen steenon muur wol verscheuren. 4 Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn, en keer hunne versmaadheid weder op hun hoofd, en geef hen over tot eenen roof in een land der gevangenis. 5 En dek hunne ongeregtighoid niet toe; en hunne zonde worde niet uitgedelgd van voor uw aangezigt, want zij hebben ZZ getergd, staande tegenover de bouwlieden. (i Doch wij bouwden den muur, zoodat do gansche muur zamengevoegd werd tot zijne helft toe: want het hart des volks was om te werken. 7 En het geschiedde, als Sanballat, on Tobia, en de Arabieren, en de Ammonieten, on de As-dodieten hoorden, dat de verbetering aan de muren van Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zoo ontstaken zij zeer; 8 En zij maakten allen te zamen eeno verbindte-nis, dat zij zouden komen om tegen Jeruzalem te strijden, en eene verbijstering daarin te maken. 9 Maar wij baden tot onzen God, en zetten wacht tegen hen, dag en nacht, hunnenthalve. 10 Toen zeide Juda: De kracht der dragers is vervallen, en des stofs is veel, zoodat wij aan den muur niet zullen kunnen bouwen. U Nu hadden onze vijanden gezegd: Zij zullen hot niet weten, noch zien, totdat wij in hot midden van hen komen, en slaan hen dood; alzoo zullen wij het werk doen ophouden. |
12 En het geschiedde, als de Joden, die bij hen woonden, kwamen, dat zij hot ons wel tienmaal zeiden, uit al de plaatsen, door dewelke gij tot ons wederkeert. 13 Daarom zotte ik in do benedenste plaatsen achter den muur, c.n op do hoogten, en ik zette hot volk naar de geslachten, mot hunne zwaarden, hunne spiesen en hunne bogen. 14 En ik zag toe, en maakte mij op, en zeide tot do edelen, en tot de overheden, en tot het overige des volks: quot; Vreest niet voor hun aangezigt; denkt aan dien groeten en vreesselijken IIeere, en strijdt voor uwe broederen, uwe zonen en uwe dochteren, uwe vrouwen en uwe huizen. a Num. 14:9. Dent. 1:21. 20:3. 15 Daarna geschiedde hot, als onze vijanden hoorden, dat het ons bekend was geworden, en (5od hunnen raad te niet gemaakt had, zoo keerden wij allen weder tot don muur, een iegelijk tot zijn werk. 16 En het geschiedde van dien dag af, dat de helft mijner jongens doende waren aan het werk, en de helft van hen hielden de spiesen, en do schilden, en de bogen, en de pantsiers; en do oversten waren achter het ganscho huis van Juda. 17 Die aan den muur bouwden, en die don last droegen, en die oplaadden, waren oen ieder met zijne eeno hand doende aan liet werk, en do andere hield hot geweer. 18 En de bouwers hadden een iegelijk zijn zwaard aan zijne lenden gegord, en bouwden; maar die met do bazuin blies, was bij mij. 19 En ik zeide tot de edelen, on tot de overheden, on tot het overige des volks: Hot werk is groot en wijd; en wij zijn op den iniiur afgezonderd, do een ver van den ander; 20 Tor plaats, waar gij het geluid dor bazuin zult hooron, daarheen zult gij u tot ons verzamelen: quot;onze God zal voor ons strijden. a Ex. 14 : 25. Dent. 1 : 30. 28 : 7. 21 Alzoo waren wij doende aan het werk; en de helft van hen hielden de spiesen, van het opgaan dos dageraads tot hot voortkomen der sterren toe. 22 Ook zeide ik te dier tijd tot liet volk: Een iegelijk vernachte met zijnen jongen binnen Jeruzalem ; opdat zij ons des nachts ter wacht zijn, en des daags aan het werk. 23 Voorts noch ik, noch mijne broederen, noch mijne jongelingen, noch de inannen van de wacht, die achter mij waren, wij trokken onze kleederen niet uit; een iegelijk had zijn geweer m water. HOOFDSTUK 5. Het volk klaagt over den overlast van woeker en panden, vs. 1. Nehemia, hierover zeer verstoord, bestraft de aanzienlijken, overtuigt licn en doet hen zweren zulks na te laten, 0. Hij beroept zich op zijn eigen voorbeeld, hoe hij, niettegenstaande hij als landvoogd eene groote hofhouding moest onderhouden , het regt des landvoogds nooit gevorderd heeft, om de gemeente niet te bezwaren', 14. MAAR het geroep des volks en hunner vrouwen was groot, tegen hunne broederen, de Joden. :?() |
NEHEMIA 5, 6.
|
'J Want or waren, die zeiden: Onze zonen, en onze dochteren, wij zijn velen; daarom hebben wij koren opgenomen, opdat wij eten en leven. 8 Ook waren er, die zeiden: Wij verpanden onze akkers, en onze wijngaarden, en onze huizen , opdat wij in dezen honger koren mogen opnemen. 4 Desgelijks waren er, die zeiden: Wij hebben geld ontleend tot des konings cijns, op onze akkers en onze wijngaarden. 5 Nu is toch ons vleesch als het vleesch onzer broederen, onze kinderen zijn als hunne kinderen ; en ziet, wij onderwerpen onze zonen en onze dochteren tot dienstknechten; ja er zijn eenige van onze dochteren onderworpen, dat zij in de magt onzer handen niet zijn; en anderen hebben onze akkers en onze wijngaarden. 0 Toen ik nu hun geroep en deze woorden hoorde, ontstak ik zeer. 7 En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zeide tot hen: Gijlieden vordert oenen last, een iegelijk van zijnen broeder. Voorts beleide ik eene groote vergadering tegen hen. 8 En ik zeide tot hen: Wij hebben ouzo broederen, de Joden, die aan de Heidenen verkocht waren, naar ons vermogen wedergekocht; en zoudt gijlieden ook uwe broederen verkoopen, of zouden zij aan ons verkocht worden? Toen zwegen zij, en vonden geen antwoord. i) Voorts zeide ik: De zaak is niet goed, die gijlieden doet; zoudt gij niet wandelen in de vreeze onzes Gods, om de versmading der Ilei-denen, onze vijanden? 1(1 Ik, mijne broederen, en mijne jongens, vorderen wij ook geld en koren van hen ? laat ons toch dezen last nalaten. 11 Geeft hun toch als heden weder hunne akkers, hunne wijngaarden, hunne olijfgaarden en hunne huizen; en het honderdste deel van het geld, en van het koren, den most en de olie, die gij hun hebt afgevorderd. 12 Toen zeiden zij: Wij zullen het wedergeven, en van hen niets zoeken; wij zullen alzoo doen, als gij zegt. En ik riep de priesteren, en deed hen zweren, dat zij doen zouden naar dit woord. 13 Ook schudde ik mijnen boezem uit, en zeide: Alzoo schudde God uit allen man, die dit woord niet zal bevestigen, uit zijn huis en uit zijnen arbeid, en hij zij alzoo uitgeschud en ledig. En de gansche gemeente zeide: Amen! en zij prezen den IIeere. En het volk deed naar dit woord. 14 Ook van dien dag af, dat hij mij bevolen heeft hun landvoogd te zijn in het land Juda, van het twintigste jaar af, tot het twee en dertigste jaar van den koning Arthahsasta, zijnde twaalf jaren, heb ik, met mijne broederen, het brood des landvoogds niet gegeten. |
15 En de vorige landvoogden, die voor mij geweest zijn, hebben het volk bezwaard, en van hen genomen aan brood en wijn, daarna veertig zilveren sikkelen: ook heerschten hunne jongens over het volk; maar ik heb alzoo niet gedaan, om der vreeze Gods wil. 16 Daartoe heb ik ook aan liet werk dezes muurs verbeterd, en wij hebben geen land gekocht; en al mijne jongens zijn aldaar verzameld geweest tot het werk. 17 Ook zijn van de Joden en van de overheden honderd en vijftig man, en die van do Heidenen, die rondom ons zijn, tot ons kwamen, aan mijne tafel geweest. 18 En wat voor eenen dag bereid werd, was een os en zes uitgelezene schapen; ook werden mij vogelen bereid, en binnen tien dagen van allen wijn zeer veel: nog heb ik bij dezen het brood dos landvoogds niet gezocht, omdat de dienstbaarheid zwaar was over dit volk. 1!) quot;Gedenk mijner, mijn God! ten goede, alles, wat ik aan dit volk gedaan heb. a Neh. 13:22. HOOFDSTUK (!. De vijanden, vernemende dat het werk bijna voleindigd was, trachten Neljemia meermalen tot een gesprek buiten de stad te lokken, om hem alzoo in handen to krijgen, vs. 1. Nehenna dit met wijsheid afslaande, zoeken zij hem van het werk af te schrikken door verdichte leugens en valsche geruchten van zijne oproerigheid tegen den koning; doch te vergeefs, 5. Ook wordt hij binnen de stad gekweld door gehuurde en valsche profeten, maar blijft on-verschrokken, 10. Verraderlijke gemeenschap van sommige grooten met den vijand, 17. VOORTS is het geschied, als van Sanballat, en Tobia, en van Gosera, den Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was, dat ik den muur gebouwd had, en dat geene scheur daarin was overgelaten: ook had ik tot dezen tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten; 2 Zoo zond Sanballat, en Gosem, tot mij, om te zeggen: Kom cn laat ons te zamen vergaderen in de dorpen, in hot dal Ono. Maar zij dachten mij kwaad te doen. 3 En ik zond boden tot hen, om te zeggen: Ik doe een groot werk, zoodat ik niet zal kunnen afkomen; waarom zou dit werk ophouden, terwijl ik het zou nalaten en tot ulieden afkomen? 4 Zij zonden nu ivel viermaal tot mij, op dezelve wijze. En ik antwoordde hun op dezelve wijze. 5 Toen zond Sanballat tot mij op dezelve wijze, ten vijfde maal, zijnen jongen, met eenen openen brief in zijne hand. 6 Daarin was geschreven : Het is onder de volken gehoord, en Gasmu zegt: Gij en de Joden denkt te rebelleren, daarom bouwt gij den muur, en gij zult hun ten koning zijn; naar dat deze zaken zijn. 7 Dat gij ook profeten hebt besteld, om van u te Jeruzalem uit te roepon, zeggende: Hij is koning in Juda. Nu zal het van den koning gehoord worden, naar dat deze zaken zijn; kom i dan nu, en laat ons te zamen raadslaan. |
NE FIE MIA 6, 7.
407
|
8 Doch ik zond tot hem, om te zogyen: Er is van alzulke zaken, als gij zegt, niets geschied; maar gij versiert ze uit uw hart. i) Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hunne handen zullen van hel werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden: nu dan sterk mijne handen! 10 Als ik nu kwam in het huis vanSemaja, den zoon van Delaja, den zoon van Mehetiibeël, (hij nu was besloten) zoo zeide hij: Laat ons zamen-komen in hel huis Gods, in het midden des tem-pels, en laat ons de deuren des tempels toesluiten, want zij zullen komen om u te dooden, ja bij nacht zullen zij komen, om u te dooden. 11 Maar ik zeide: Zou een man, als ik, vlieden? en wie is er, zijnde als ik, die in den tempel zou gaan, dat hij levend hleve? Ik zal er niet ingaan. 12 Want ik merkte, en ziet, God had hem niet gezonden; maar hij sprak deze profetie tegen mij, omdat Tobia en Sanballat hem gehuurd hadden. 13 Daarom was hij gehuurd, opdat ik zou vreezen , en alzoo doen, en zondigen; opdat zij iets zouden hebben tot eenen kwaden naam, opdat zij mij zouden honen. 14 Gedenk, mijn God! aan Tobia en aan Sanballat, naar deze zijne werken; en ook aan do profetes Noadja, en aan de andere profeten, die mij gezocht hebben vreesachtig te maken. 15 De muur nu werd volbragt, op den vijf en twintigsten van Elul, in twee en vijftig dagen. 10 En het geschiedde, als al onze vijanden dit hoorden, zoo vreesden al de Heidenen, die rondom ons waren, en zij vervielen zeer in hunne oogen: want zij merkten, dat dit werk van onzen God gedaan was. 17 Ook schreven in die dagen edelen van Juda vele brieven, die naar Tobia gingen; en die van Tobia kwamen tot hen. 18 Want velen in Juda hadden hem gezworen, omdat hij was een schoonzoon van Sechanja, den zoon van Arah ; en zijn zoon Jóhanan had genomen de dochter van Mesullam, den zoon van Beréchja. 19 Ook verhaalden zij zijne goeddadigheden voor mijn aangezigt, en mijne woorden bragten zij uit tot hem. Tobia dan zond brieven, om mij vreesachtig te maken. HOOFDSTUK 7. Nehemia vestigt de deuren dor stadspoorten, verordent ile dienaren van den tempel en stelt eene goede wacht door de gansche stad. Hij bedenkt door Gods ingeven middelen, om Jerftzalom te bevolken, waartoe hem goeddunkt al hot volk to verzamelen en do geslachtslijst to overzien van degenen, die met Ze-rubbabel waren opgetogen uit de gevangenis, 5. Vrijwillige gaven der oversten en van hot volk, 70. VOORTS geschiedde het, als de muur gebouwd was, dat ik de deuren oprigtte, en de poortiers, en de zangers, en de Levieten werden besteld. 2 En ik gaf bevel aan mijnen broeder Hanani, en aan Hananja, den overste van den burg te |
Jeruzalem, want hij was als een man van ge-trouwigheid, en godvreezende boven velen. 3 En ik zeide tot hen; Laat de poorten van Jeruzalem niet geopend worden, totdat de zon heet wordt, en terwijl zij daarbij staan, laat hen de deuren sluiten, betast gij zo dan; en dat men wachten zette, inwoners van Jeruzalem, een iegelijk op zijne wacht, en een iegelijk tegen zijn huis over. 4 De stad nu was wijd van ruimte en groot, doch des volks was weinig daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd. 5 Zoo gaf mijn God in mijn hart, dat ik do edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond hot geslachtregister dergenen, die in hot eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus: 6 quot;Dit zijn de kinderen van dat landschap, dlo optogen uit de gevangenis der weggevoerden, die Nobukadnózar, koning van Babel, weggevoerd had, on die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, oen iegelijk tot zijne stad; a Ezra 2:1, on/.. 7 Dewelke kwamen mot Zerubbabel, Jésua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mórdechai, Bilsan, Mispéreth, Bigvai, Nehum en Baëna. Dit is het getal dor mannen van hot volk van Israël. 8 De kindoren van Parhos waren twee duizend honderd twee en zeventig. 1) Do kinderen van Sefatja, drie honderd twee en zeventig. 10 Do kinderen van Arach, zes honderd twee en vijftig. 11 Do kinderen van Pahath-Moab, van de kindoren van Jésua en Joab, twee duizend acht honderd en achttien. 12 Do kinderen van Elam, duizend twee honderd vier en vijftig. 13 De kinderen van Zatthu, acht honderd vijf en veertig. 14 De kinderen van Zakkai, zeven honderd en zestig. 15 Do kinderen van Binnui, zes honderd acht en veertig. 16 De kinderen van Bebai, zes honderd acht en twintig. 17 Do kinderen van Azgad, twee duizend drie honderd twee en twintig. 18 Do kinderen van Adónikam, zes honderd zeven en zestig. 1!) Do kinderen van Bigvai, twee duizend zeven en zestig. 20 De kinderen van Adin, zes honderd vijf en vijftig. 21 Do kinderen van Ater, van Hizlda, acht en negentig. 22 De kinderen van Hasum, drie honderd acht en twintig. 23 De kinderen van Bozai, drie honderd vielen twintig. |
30*
NEIIEMIA 7.
|
24 Do kindei'on van Ilarif, honderd cn twaalf. 25 De kinderen van Gibeon, vijf en negentig. 20 De mannen van Bethlehem en Netófa, honderd acht en tachtig. 27 De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig. 28 De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig. 29 De mannen van Kirjath-Jearim, Ceffra en Beëroth, zeven honderd drie en veertig. 30 De mannen van Rama en Gaha, zes honderd een en twintiu'. |
38 Do kinderen van Sonaii, drie duizend negen honderd on dertig. 39 De priesters. De kinderen van Jedaja, van het huis van Jésua, negen honderd drie en zeventig. 40 De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig. 41 De kinderen van Pashur, duizend twee honderd zeven en veertig. 42 De kinderen van Harim, duizend c». zeventien. 43 Do Levieten. De kinderen van Jésua, van |
|
31 De mannen van Michmas, honderd twee en twintig. 32 De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig. 33 Do mannon van het andere Nebo, twee en vijftig. 34 Do kinderen des anderen Elams, duizend twee honderd vier en vijftig. 35 De kinderen van Harim, drie honderd en twintig. 30 De kinderen van Jericho, drie honderd vijf en veertig. 37 Do kinderen van Lod, Iladid en Ono, zeven honderd een en twintig. |
Kadmiël, van do kinderen van Hódeva, vier en zeventig. 44 De zangers. De kindoren van Asaf, honderd acht en veertig. 45 De poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, ile kindoren van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatïta, do kinderen van Sobai, honderd acht en dertig. 40 De Netlünim. Do kindoren van Zilia, de kinderen van Hasüfa, de kinderen van Tabbaóth; 47 De kinderen van Koros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon; |
NE HE MIA 7, 8.
-169
|
48 Do kindoren van Lebana, do kindoron van Hagaba, de kindoron van Salmai; 49 Do kinderen van Hanan, do kinderen van Giddol, de kinderen van Gahar; 50 Do kindoron van Roaja, do kinderen van Ro-zin, de kindoron van Nokoda; 51 Do kinderen van Gazzam, do kindoron van Uzza, de kinderen van Paséah; 52 De kindoron van Rozai, tie kinderen van Moiinim, de kindoron van Nofussim; 53 De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakiita, do kinderen van Harhnr; 54 Do kinderen van Bazlith, de kindoron van Moluda, do kinderen van Harsa; 55 De kinderen van Barkos, do kinderen van Sisera, de kinderen van Thainah; 56 De kindoron vanNoziah, do kindoron van Hatifa. 57 De kindoron dor knechten van Salomo. Do kinderen van Sotai, do kinderen van Soforoth, do kinderen van Perida; 58 Do kinderen van Jaëla, do kinderen van Dar-kon, do kinderen van Giddol; 59 De kinderen van Sefatja, do kindoron van Hattil, do kinderen van Pochéroth van Zebaïm, de kinderen van Anion. 60 A1 do Nothinim, en do kinderen dor knechten van Salomo, waren drie honderd twee en negentig. 61 Ook togen dozo op van Thol-melah, Tliol-harsa. Cherub, Addon en Immer; maar zij konden hunner vaderen huis, en hun zaad niet toonon, of zij uit Israël waren: 62 Do kinderen van Delaja, de kindoron van Tobla, de kindoren van Nekóda, zos honderd twee en veertig. 6:1 En van do priesteren, do kindoron van Ila-baja, do kinderen van Koz, do kinderen van Barzillai, die eeno vrouw van do doohteren van Barzillai, don Gileadiet, gonomen had, on naar hunnen naam genoemd was. 64 Deze zochten hun geschrift, willende hun geslacht rekenen, maar het werd niet gevonden; daarom werden zij als onroinon van hot priesterdom geweerd. 65 En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van do heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en thummim. 66 Dozo gansche gemeente to zamen was twee on veertig duizend drie honderd en zestig. 67 ISehalve hunne knechten en hunne maagdon, die waren zeven duizend drie honderd zeven en dertig; on zij hadden twee honderd vijf en veertig zangers en zangeressen. 68 Hunne paarden, zeven honderd zos en dertig; hunne muilen, twee honderd vijf en veertig; 69 Komolon, vier honderd vijf en dertig; ezelen, zes duizend zeven honderd en twintig. 70 Een deel nu van do hoofden dor vaderen gaven tot hot werk. Hattirsatha gaf tot den schat, aan goud, duizend drachmen, vijftig sprengbek-kons, vijf honderd en dertig priesterrokken. |
71 En anderen van do hoofden dor vaderen gaven tot den schat dos works, aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend en twee honderd ponden. 72 En wat do overigen dos volks gaven, was aan goud, twintig duizend drachmen, on aan zilver, twee duizend niijnon, on zeven on zestig priesterrokkon. 7li En do priesters, on de Levieten, on do poor-tiers, on do zangers, on sommkjen van hot volk, on do Nothinim, on ganseh Israël, woonden in hunne steden. HOOFDSTUK 8. Verhaal van de godsdienstige orde en wijze, door Ezra on do Levieten gehouden in hot voorlezen en verklaren; en door liet volk in het aanhooren van Gods woord, vs. 1. Het volk, door de woorden van het wetboek verschrikt en bekommerd zijnde, wordt van Nehemia, Ezra on do Levieten getroost en vermaand tot vreugde over Gods vorige en tegenwoordige weldaden, 9. De oversten van het volk vernomen voorts bij Ezra naar den inhoud van Gods woord, en de wet betreffende het loofhuttenfeest vindende, wordt, dat met groeten ijver en vreugde gehouden, 14. ALS nu do zevende maand aankwam, on do kinderen Israëls in luiime steden waren, 2 Zoo verzamelde zich al hot volk als een eonig man op de straat voor do Waterpoort; en zij zeidon tot Ezra, don schriftgeleerde, dat hij het boek der wet van Mozes zou halen, die do Heere Israël geboden had. !! En Ezra, do priester, bragt de wet voor do gemeente, beide mannon en vrouwen, en allen, die verstandig waren om to hooren, op don eersten dag der zevende maand. 4 En hij las daarin voor do straat, die voor do Waterpoort is, van hot morlt;jen\ic\\t aan tot op don middag, voor do mannen en vrouwen, en do verstandigen; en do ooron des gansclien volks waren naar hot wetboek. 5 En Ezra, do schriftgeleerde, stond op oenen hoogon houten stool, dien zij tot die zaak gemaakt hadden, en nevens hom stond Mattitlija, on Soma, en Anaja, en Uria, on Hilkia, en Maiisséja, aan zijne rogterhand; on aan zijne linkerhand Pedaja, en Misaël, en Malchia, en Hasum, en Hasbad-dana, Zacharja e« Mesullam, 6 En Ezra opende hot boek voor de oogen des gansclien volks, want hij was boven al hot volk; en als hij het opende, stond al hot volk. 7 En Ezra loofde don Heere, don grooten God; en al het volk antwoordde: Anion, amen! met opheffing hunner handen, en neigden zich, en aanbaden don Heere, met de aangezigton tor aarde. 8 Jésua nu, en Hani, en Soróbja, Jainin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maaséja, Kelita, Azaria, Jó-zabad, Hanan, Polaja on de Levieten onderwozen hot volk in de wet. En hot volk stond op zijne standplaats. 9 En zij lazen in hot boek, in do wet Gods, |
NE IJ EMI A 8,9.
470
|
duidelijk; on don /in verklarondo, zoo maakten zij, dat men liet verstond in hot lezen. 10 En Nehenria, (dezelve is Hattirsatha) on Ezra, do priester, do schriftgeleerde, en de Levieten , die liet volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is den Heeue, uwen God, heilig; bedrijft dan geenen rouw, en weent niet: want al het volk weende, als zij de woorden dor wet hoorden. 11 Voorts zeido hij tot hen: Gaat, eet het vette, en drinkt hot zoete, en zendt doelen dengenen, voor welken niets bereid is, want deze dag is onzen Ileere heilig, zoo bedroeft u niet, want de blijdschap des Heeren . die is uwe sterkte. 12 En de Levieten stilden al het volk, zeggende: Zwijgt, want deze dag is heilig, daarom bedroeft n niet. 13 Toen ging al hot volk henen om te eten, on om te drinken, en om doelen te zenden, en om groote blijdschap te maken: want zij hadden do woorden verstaan, die men hun had bekend gemaakt. 14 En des anderen daags verzamelden zich do hoofden der vaderen van het gansche volk, do priesters en de Levieten, tot Ezra, den schriftgeleerde, en dat, om verstand te bekomen in de woorden dor wet. 15 En zij vonden in do wet quot; geschreven, dat de Heere door de kand van Mozos geboden had, dat de kinderen Israels in loofhutten zouden wonen, op het feest in de zevende maand; « Ex. 23 : 1G. Lev. 23:34. Num. 20: 12, enz. Dent. 10:13, 14, 15. 16 En dat zij het zouden luidbaar maken, en eene stem laten doorgaan door al hunne steden , en te Jeruzalem, zeggende: Gaat uit op het gebergte, en haalt takken van olijfboomen, en takken van andere olieachtige boomen, en takken van mirteboomen, en takken van palmboomen, en takken van andere digto boomen, om loofhutten te maken, als er geschreven is. 17 Alzoo ging het volk uit on haalden ze, en maakten zich loofhutten, een iegelijk op zijn dak, on in hunne voorhoven, en in do voorhoven van Gods huis, en op de straat der Waterpoort, en op de straat van Efraïmspoort. 18 En de gansche gemeente dergenen, die uit de gevangenis waren wedergekomen, maakten loofhutten, en woonden in die loofhutten: want de kinderen Israels hadden alzoo niot gedaan sints de dagen van Jésua, den zoon van Nun, tot op dezen dag toe; en er was zeer groote blijdschap. 1!) En men las in het wetboek Gods dag bij dag, van den eersten dag tot den laatsten dag. En zij hielden hot feest zeven dagen, en op den achtsten dag don verbodsdag, naar het regt. HOOFDSTUK lt;). Gods volk houdt een' plegtigen vast- cn bededag. Eon vierendeel van dien dag lozen do Levieten uit Gods |
wetboek aan het volk voor, een ander vierendeel belijden zij hunne zonden voor don Heere, vs. L Met een zoor heerlijk en heilig gebod, in hetwelk zij God prijzen, zijne weldaden, aan Abraham en zijn zaad bewezen, vernielden, erkennende hunne menigvuldige ondankbaarheid, bevelen zij hunnen kommervollen staat den Heere ootmoedig aan, voorts makende en schrijvende een verbond, verbinden zij zich op nieuw aan de dienst des Heeren, om alle welverdiende straffen in het toekomende af te wenden, 0. VOORTS op den vier en twintigsten dag dezer maand verzamelden zich de kinderen Israëls mot vasten en met zakken, en aarde was op hen. 2 En het zaad Israëls scheidde zich af van allo vreemden. En zij stonden, en deden belijdenis van hunne zonden en hunner vaderen ongeregtig-heden. 3 Want als zij opgestaan waren op hunne standplaats, zoo lazen zij in hot wetboek des Heeren, huns Gods, oen vierendeel van den dag; en op oen ander vierendeel deden zij belijdenis, en aanbaden den Heere, hunnen God. 4 Jésua nu, onBani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Sérebja, Bani en Chonani, stonden op het hooge gestoelte der Levieten, en riepen met luider stem tot don Heere, hunnen God: 5 En de Levieten, Jésua, en Kadmiël, Bani, Hasabneja, Sérebja, Hodia, Sebanja, Petahja, zeiden: Staat op, looft den Heere, uwen God, van eeuwigheid tot in eeuwigheid; en men love den naam uwer heerlijkheid, die verhoogd is boven allen lof en prijs! G Gij zijt die Heere alleen, quot;Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde on al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, en Gij maakt die allen levend; en het heir der hemelen aanbidt U. «Gen. 1, enz. Ps. 14G : G. Hand. 14: 15. 17:24. Openb. 14:7. 7 Gij zijt die Heere, do God, die Abram hebt verkoren, en hem quot; uit Ur der Chaldeën uitgevoerd ; en Gij hebt zijnen h naam gesteld Abraham. « Gen. 11:31, 32. 12:1. 6 Gen. 17:5. 8 quot;En (Jij hebt zijn hart getrouw gevonden voor uw aangezigt, en hebt oen verbond met hem go-maakt, ''dat Gij zoudt geven het land der Ka-naanioten, dor Hethieten, der Amorioten, onder Ferezioten, en der Jebusioton, en der Girgasieten, dat Gij hot zijnon zade zoudt geven; en Gij hebt uwe woorden bevestigd, omdat Gij regtvaardig zijt. a Gen. 15:0. h Gen. 12 : 7. 13 : 15. 15 : 18. 17 : 8. 20 : 4. 9 quot;En (Jij hebt aangezien onzer vaderen ellende in Egypte, en Gij hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee; a Ex. 3:7. 14:10. 10 quot;En (lij hebt toekenon en wonderen gedaan aan Farao, en aan al zijne knechten, en aan al het volk zijns lands, want Gij wist, dat zij trot-schelijk togen hen handelden; en Gij hebt U eeneii naam gemaakt, als het is te dezen dage. a Ex. 7, 8, 9, 10, 11, 12, 14. 11 quot;En Gij hebt de zeo voor hun aangezigt ge- |
NEHEMIA 9.
471
|
kliefd, dat zij in liet: midden der zee op hot drooge zijn doorgegaan; en hunne vervolgers hebt Gij in de diepten geworpen, als eenen steen in sterke wateren. «Ex. 14:22, en/. 12 quot;En Gij hebt hen des daags geleid niet eene wolkkolom, en des nachts met eene vuurkolom, om hen te lichten op den weg, waarin zij zouden wandelen. «Ex. 13:21. 14:1!). 40:38. Ps. 105:39. 13 quot;En Gij zijt nedergedaald op don bergSinaï, en hebt met hen gesproken uit den hemel; en Gij hebt hun gegeven regtmatige regten, en go-trouwe wetten, goede inzettingen en geboden. a Ex. 19 : 20. 20 : 1, enz. 14 En Gij hebt hun uwen heiligen sabbat bekend gemaakt; en Gij hebt hun geboden, on inzettingen en eene wet bevolon, door de hand van uwen knecht Mozes. 15 quot;En Gij hebt hun brood uit den hemel gegeven voor hunnen honger, en hun ''water uit de steenrots voortgebragt voor hunnen dorst; en Gij hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover Gij uwe hand op-hieft, dat Gij hot hun zoudt geven. «Ex. 10:14. 6 Ex. 17:6. Num. 20:9. 16 Maar zij en onze vaders bobben trotscholijk gehandeld, en zij hebben hunnen nek verhard, on niet gehoord naar uwe geboden; 17 En zij hebben geweigerd te booren, en niet gedacht aan uwe wonderon, die Gij bij hen gedaan hadt, en hebben hunnen nek verhard, en in hunne wederspannigbeid een quot; hoofd gesteld, om weder te koeren tot hunne dienstbaarheid. Doch (Jij, ''een God van vergevingon, genadig en barmhartig, langmoedig en groot van weldadigheid, hebt bon ovenwol niet verlaten. a Num. 14: 4. /'Ex. 34:7. Num. 14:18. Ps. 86:5. 18 quot;Zoll's, als zij zich eon gegoten kalf gemaakt hadden, en gezegd: Dit is uw God, die u uit Egypte heeft opgevoerd; en groote lasteren gedaan hadden; «Ex. 32:1, enz. 19 Hebt Gij hen nogtans door uwe groote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn : de quot; wolk-kolom week niet van bon dos daags, om hen op den weg te leidon, noch de vuurkolom dos nachts, om hen te lichten, en dat, op den weg, waarin zij zouden wandelen. a Ex. 13:22. 40:38. 20 quot;En (Jij hebt uwen goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen; on ''uw Man hebt Gij niet geweerd van hunnen mond, on water hebt Gij hun gegeven voor hunnen dorst. «Num. 11 :17. h Joz. 5 : 12. 21 quot; Alzoo hebt Gij hou veertig jaar onderhouden in de woestijn; zij hebben geon gebrek gehad: hunne kleederen zijn niet veroud, en hunne voeten niet gezwollen. a Uout. 2:7. 8:4. 29 : 5. 22 Voorts hebt Gij hun koningrijken en volken gegeven, en hebt hen verdeeld in hoekon. Alzoo hebben zij erfelijk bezeten hot land van «Sihon, te weten, het land des konings van Hesbon, en het land van Og, koning van Basan. «Num.21:21,33. |
23 Gij hebt ook hunne kinderen quot; vermenigvuldigd, als do sterren dos hemels; en Gij hebt hen gobragt in hot land, waarvan Gij tot hunne vaderen hadt gezegd, dat zij zouden ingaan om het erfelijk te bezitten. «Gen. 22:17. 24 Alzoo zijn do kinderen quot;daarin gekomen, on hebben dat land erfelijk ingenomen; en (Jij hebt de inwoners dos lands, de Kanaanieten, voor hun aangezigt to ondergebragt, en hebt hen in hunne hand gegeven, mitsgaders hunne koningen en de volken des lands, om daarmede te doen naar hun welgevallen. «Joz. 1 , 2, 3, onz. 25 En zij hebben vaste steden on eon vet land ingenomen, en erfelijk bezeten, huizen vol van alle good, uitgohouweno bornputten, wijngaarden, olijfgaarden en boomon van spijze, in menigte; on zij hebben gegoten, en zijn zat en vet geworden , en hebben in wellust geleefd, door uwe groote goedigheid. 26 Maar zij zijn wederspannig geworden, en hebben tegen U gerebelleerd, en uwe wet achter hunnen rug geworpen, en uwe quot;profeten gedood, die tegen hen betuigden, om hen te doen weder-keeren tot II; alzoo hebben zij groote lasteren gedaan. «1 Kon. 1!s: 4. 19:10. 2 Kron. 24:20. 27 quot; Daarom hebt Gij ben gegevon in de hand hunner benaauwers, die hen benaauwd hebben; maar als zij in tien tijd hunner bonaauwdbeid tot U riepen, hebt Gij van den hemel geboord, en hun naar uwe groote barmhartigheden verlossers gegeven, die hen uit do hand hunner benaauwers verlosten. « Rigt. 2: 14, om/.. 28 Maar als zij rust hadden, koerden zij weder om kwaad te doen, voor uw aangezigt: zoo verliet Gij ben in de hand hunner vijanden, dat zij over bon heerschten; als zij zich dan bekeerden, on U aanriepen, zoo hebt Gij hen van den hemel gehoord, en hebt hen naar uwe barmhartigheden tot velo tijden uitgerukt. 29 En Gij hebt tegen hen betuigd, om hen te doen woderkeeren tot uwe wet; maar zij hebben trotscholijk gehandeld, en niet gehoord naar uwe geboden, on tegen uwe rogten, togen dezelve hebben zij gezondigd, quot;door dewelke een mensch, die ze doet, loven zal: en zij hebben hunnen schouder toruggetogen, en hunnen nok verhard, on niet gehoord. «Lev. 18:5. Ezec. 20:11. Hom. 10 : 5. Gal. 3 : 12. 30 Doch Gij vertoogt bot vole jaren over hou, on quot; betuigdet tegen hen door uwen Geest, door de dienst uwor profeten, maar zij neigden hot oor niet; daarom hebt Gij hen gegevon in do hand van de volken der landen. «2 Kon. 17 : 13. 2 Kron. 36: 1quot;). 31 Doch door uwe groote barmhartigheden hebt Gij hen niet vernield, noch hen verlaten: want (Jij zijt een gonadig en barmhartig God. 32 Nu dan, o onze God, (Jij groote. Gij magtige, on Gij vreessolijke God, die het verbond en de weldadigheid houdt! laat voor uw aangezigt niet |
NE HE MI A 0, 10.
472
|
goring zijn al des mooito, die ons getroffen heeft, onze koningen, onze vorsten, en onze priesteren, en onze profeten, en onze vaderen, en uw gansche volk, van de dagen der koningen van Assur af tot op dezen dag. 33 Doch Gij zijt quot;regtvaardig, in alles, wat ons overkomen is: want Gij hebt trouwelijk gehandeld, maar wij hebben goddelooslijk gehandeld. a Deut. 32 : 4. Dan. 9 : 14. 34 En onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze vaders hebben uwe wet niet gedaan; en zij hebben niet geluisterd naar uwe geboden, en naar uwe getuigenissen, die Gij tegen hen betuigdet. 35 Want zij hebben U niet gediend in hun koningrijk, en in uw menigvuldig goed, dat Gij hun gaaft, en in dat wijde en dat vette land, dat Gij voor hun aangezigt gegeven hadt; en zij hebben zich niet bekeerd voor hunne booze werken. 36 Zie, wij zijn heden knechten; ja het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt, om de vrucht daarvan, en het goede daarvan te eten, zie, daarin zijn wij knechten. 37 En het vermenigvuldigt zijne inkomste voor de koningen, die Gij over ons gesteld hebt, om onzer zonden wil; en zij heerschen over onze lig-chamen en over onze beesten, naar hun welgevallen : alzoo zijn wij in groote benaauwdheid. 38 En in dit alles maken wij een vast verbond en schrijven het; en onze vorsten, onze Levieten en onze priesteren zullen hot verzegelen. HOOFDSTUK 10. Namen dergenen, dio dit verbond met God voor /.ich zei ven en voor do gehoele gemeente verzegeld liob-ben, vs. 1. Verhaal van don algemeenen inhoud van dit verbond, met eed en vervloeking bevestigd, 29. TOT de verzegelingen nu waren: Nehemia Ilat-tirsatha, zoon van Hachiilja, en Zidlda, 2 Seraja, Azaria, Jeremfa, 3 Pashur, Amarja, Malchia, 4 Hattus, Sebanja, Malluch, 5 Ilarim, Merémoth, Obadja, (i Daniël, Ginnethon, Baruch, 7 Mesullam, Abia, Mijamin, 8 Maiizfa, Bilgai, Semaja. Dat waren de priesters. 9 En de Levieten, namelijk; Jésua, zoon van Azanja, liinnui; van de zonen van Hénadad, Kadiniël; 10 En hunne broederen: Sebanja, Hodia, Kelfta, Pelaja, Hanan, 11 Micha, Rehob, Hasabja , 12 Zakkur, Sérebja, Sebanja, 13 Hodia, Bani, Beninu. 14 De hoofden des volks: Paros, Pahath-Moab, Elam, Zatthu, Bani, 15 Bunni, Azgad, Bebai, l(j Adónia, Bigvai, Adin, 17 Ater, Hizkia, Azzur, 18 Hodia, ITasum, Bezai, 19 Harif, Anathoth , Nebai, |
20 Magpias, Mesullam, Hezir, 21 Mesezabeël, Zadok, Jaddüa, 22 Pelatja, Hanan, Anaja, 23 Hoséa, Hananja, Hassub, 24 Hallóhes, Pilha, Sobek, 25 Rehum, Hasabna, Maaséja, 20 En Ahia, Hanan, Anan, 27 Malluch, Hariin, Baana. 28 En hot overige des volks, de priesteren, de Levieten, de poortiers, de zangers, de Nethinim, en al wie zich van de volken der landen had afgescheiden tot Gods wet, hunne vrouwen, hunne zonen en hunne dochteren, al wie wetenschap en verstand had; 29 Die hielden zich aan hunne broederen, hunne voortreffelijken, en kwamen in den vloek en in den eed, dat zij zouden wandelen in de wet Gods, die gegeven is door de hand van den knecht Gods Mozes; en dat zij zouden houden, en dat zij zouden doen al de geboden des Heeren , onzes Heeren, en zijne regten en zijne inzettingen; 30 quot; En dat wij onze dochteren niet zouden geven aan de volken des lands, noch hunne dochteren nemen voor onze zonen. aEx.34:10. Dcnt.7 :3. 31 quot; Ook als de volken des lands waren en alle koren op den sabbatdag te verkoop brengen, dat wij op den sabbat, of op eenen anderen heiligen dag van hen niet zouden nemen; ''en dat wij het zevende jaar zouden vrij laten, mitsgaders allerhande bezwaarnis. «Ex. 20:10. 34:21. Lev. 23:2,enz. Dont. 5:12,13,14, enz. b Ex. 23 : 10. Lev. 25 :2. Deut. 15:1, enz. 32 Voorts zetten wij ons geboden op, ons opleggende een derde deel van eenen sikkel in het jaar, tot de dienst van het huis onzes Gods: 33 Tot het brood der toerigting, en het gedurig spijsoffer, en tot het gedurig brandoffer, der quot; sabbaten, der nieuwe maanden, tot de gezette hoogtijden, en tot de heilige dingen, en tot de zondofferen, om verzoening te doen over Israël; en tot alle werk van het huis onzes Gods. a Num. 28, 29. 34 Ook wierpen wij de loten, onder de priesters, de Levieten en het volk, over het offer van het hout, dat men brengen zou ten huize onzes Gods, naar het huis onzer vaderen, op bestemde tijden, jaar op jaar, om te branden op het altaar des Heeren, onzes Gods, gelijk het in de wet geschreven is: 35 Dat wij ook do quot;eerstelingen onzes lands en de eerstelingen van alle vrucht van al het geboomte, jaar op jaar, zouden brengen ten huize des Heeren; a Ex. 23:19. Lev. 19:23. 36 En de eerstgeborenen onzer zonen en onzer beesten, quot;gelijk het in de wet geschreven is; en dat wij de eerstgeborenen onzer runderen en onzer schapen zouden brengen ten huize onzes Gods, tot de priesteren, die in het huis onzes Gods dienen. a Ex. 13 : 2. Num. 3 : 13. 8 : 17. 37 quot;En dat wij do eerstelingen onzes deegs, en |
NE HE MI A 10, 11.
â 17;?
|
onze hefofferen, cn do vrucht aller boomen, most en olie, zouden brengen tot de priesteren, in tie kameren van het huis onzos Gods, en de ''tienden onzes lands tot do Levieten; en dat dezelve Levieten de tienden zouden hebben in alle steden onzer landbouwerij; a Lev. 23 : 17. Num. 15 : 1!). 18 ; 12. Dout. 18 : 4. ft Num. 18:24, 25. 38 En dat er een priester, een zoon van Aaron, bij de Levieten zou zijn, als do Levieten de tienden ontvangen; en dat de Levieten de quot;tienden der tienden zouden opbrengen ten huize onzes Gods, in de kaïneren van het schathuis. a Num. 18:2(1. 3!) Want de kinderen Israëls en de kindereu van Levi moeten hefoffer van koren, most en olie in die kanieren brengen, omdat aldaar de vaten des heiligdoins zijn, en de priesteren, die dienen, en do poortiers, en de zangers; dat wij alzoo het huis onzes Gods niet zouden verlaten. HOOFDSTUK 11. Kegister dergeuen, tlio hunne â woonplaatsen naar /.okero ordo binnen Jerüzalem hebben genomen, vs. 1. Hot ovorigc van liet volk wordt in do andere steden, dorpen on vlokken van Juda en Benjamin verdeeld, 25. VOORTS woonden do oversten des volks te Jeruzalem; maar het overige dos volks wierpen loten, om uit tien eenen uit te brengen, die in de heilige stad Jerüzalem zou wonen, en negen deelen in de andere steden. 2 En het volk zegende al de mannen, die vrij-williglijk aanboden te Jerüzalem te wonen. 3 En dit zijn de hoofden van het landschap, die te Jerüzalem woonden: (maar in de steden van Juda woonden, oen iegelijk op zijne bezitting, in hunne steden, Israël, do priesters, en de Levieten , en do Netliïnim, on de kinderen der knechten van Salomo.) 4 Te Jerüzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, den zoon van Zachar ja, den zoon van Amarja, don zoon van Sefatja, den zoon van Mahalaleël, van de kinderen van Perez; 5 En Maaséja, de zoon van Baruch, den zoon van Kol-hose, den zoon van Hazaja, den zoon van Adaja, den zoon van Jojarib, den zoon van Zacharja, den zoon van Silóni. 6 Alle kinderen van Perez, die te Jerüzalem woonden, waren vier honderd acht en zestig dappere mannen. 7 En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Jood, den zoon van Pedaja, don zoon van Kolaja, don zoon van Maaséja, den zoon van Ithiël, den zoon van Jesaja; 8 En na hem Gabbai, Sallai; negen honderd acht on twintig. |
9 En Joël, de zoon van Zichri, was opziener over hen; on Juda, de zoon van Senüa, was de tweede over de stad. 10 Van de priesteren: Jedaja, do zoon van Jó-rarib, Jachin; 11 Seraja, de zoon van Hilkfa, don zoon van Mesullam, den zoon van Zadok, den zoon van Merajoth, den zoon van Alutub, was voorganger van Gods huis; 12 En hunne broederen, die het werk in hot huis deden, waren acht honderd twee en twintig-. En Adaja, do zoon van Jeróham, don zoon van Pelalja, den zoon van Amzi, den zoon van Zacharja, den zoon van Pashur, den zoou van Malclna; 13 En zijne broederen, hoofden der vaderen, waren twee honderd twee en veertig. En Amassai, de zoon van Azareël, den zoon van Achzai, don zoon van Mesillémoth, den zoon van Immer; 14 En hunne broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; eu opziener ovor hen was Zabdiël, de zoon van Godóliin. 15 En van de Levieten: Soma ja, de zoon van Hassub, don zoon van Azrikam, don zoon van Hasabja, den zoon van Buni. 16 En Sabbethai, en Jozabad, van de hoofdou der Levieten, waren over het buitenwerk van het huis Gods. 17 En Mattanja, do zoon van Micha, den zoon van Zabdi, don zoon van Asaf, was het hoofd, die do dankzegging begon in het gebod, on Bak-bukja was do tweede van zijne broederen; eu Abda, do zoon van Saranuia, de zoon van Galal, don zoon van Jedüthun. 18 Al de Levieten in de heilige stad waren twoo honderd vior on tachtig. 1!) En de poortiers: Akkub, Talmon, met hunne broederen, die wacht hielden in de poorten, waren honderd twee en zeventig. 20 Het overige nu van Israël, van do priesters en de Levieten, was in alle stoelen van Juda, eou iegelijk in zijn erfdeel. 21 En do Notbfnim woonden in Ofol; en Ziha en Gispa waren over de Nethmim. 22 En der Levieten opziener te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, den zoon van Hasabja, don zoon van Mattanja, don zoon van Micha; van do kinderen van Asaf waren do zangers tegenover hot werk van Gods huis. 23 Want er was een gebod des konings van hen, te weten, een zeker onderhoud voor de zangors, van elk dagelijks op zijnen dag. 24 En Petahja, de zoon van Mesezabeël, vau do kinderen van Zerah, don zoon van Juda, was aan dos konings hand, in alle zaken tot hot volk. 25 In de dorpen nu op hunne akkers woonden sommigen van do kinderen van Juda, in Kirjath-Arba on hare onderhoorige plaatsen, en in Dibon en hare onderhoorige plaatsen, en in Jekabzeöl en hare dorpen; 26 En te Jésua, en te Mólada, en to Beth-Polet, |
NEHEMIA 11, 12.
474
|
27 En to Ilazar-Sual, on in Bor-sóba, en haro onderhoorigo plaatsen, 28 En to Ziklag, en in Mochóna on haro onder-hoorige plaatsen, 29 En to En-Rimmon, on to Zora, on to Jarmuth, 30 Zanóah, Adullam on hare dorpen, Lachis on hare akkers, Azéka en hare onderhoorigo plaatsen : on zij legerden zich van Bor-séba af tot aan hot dal Hinnom. 31 De kinderen van Benjamin nu van Geba 'woonden in Michmas, on Aja, on Beth-El, on hare ondorhoorige plaatsen, 32 Anathoth, Nob, Ananja, 33 Hazor, Rama, Gitthaïm, 34 Hadid, Zebóini, Neballat, 35 Lod, en Ono, in het dal dor werkmoosters. 36 Van de Levieten nu, woonden somndgen in de vordeelingen van Juda, en van Benjamin. HOOFDSTUK 12. Kegister van priesters en Levieten, die met Zerubbabel uit de gevangenis waren gekomen, vs. 1. Opvolging der hoogepriesters, van Jêsua tot op .laddua, 10. Lijst der overste priesteren, die den te voren genoemden zijn opgevolgd, 12. Opschrijving van de oversten der Levieten, 22. Verhaal van de inwijding van Jenizalems muren, 27. Aanstelling van schatmeesters over de goederen der priesters en Levieten, 44. DIT nu zijn de priesters en de Levieten, die mot Zerubbabel, den zoon van Sealtluël, on Jesna, optogen: Seraja, Jeronn'a, Ezra, 2 Amarja , Malluch , Hattus, 3 Sechanja, Rehuni, Merémoth, 4 Iddo, Oinnethoi, Abia, 5 Mijamin, Maadja, Bilga, ö Semaja, en Jójarib, Jedaja, 7 Sallu, Amok, Hilkia, Jedaja; dat waren de hoofden der priesteren, on hunne brooderen, in do dagen van Jésua. 8 En de Levieten waren: Jésua, Binnui, Kad-nüël, Sérebja, Juda, Mattanja; liij en zijne broederen waren over de dankzeggingen. !) En Bakbukja, en Unni, hunne brooderen, waren tegen hen over in do wachten. 10 Jésua nu gewon Jójakim, on Jójakim gewon Eljasib, en Eljasib gewon Jójada, 11 En Jójada gewon Jonathan, en Jonathan go-won Jaddua. 12 En in de dagen van Jójakim waren priesters, hoofden der vaderen: van Seraja was Meraja; van Jorenüa, Hananja; 13 Van Ezra, Mesullam; van Amarja, Jóhanan; 14 Van Melicliu, Jonathan; van Sobanja, Jozef; 15 Van Harim, Adna; van Morajoth, llelkai; 16 Van Iddo, Zacharïa; van Grinnethon, Mesullam; 17 Van Abia, Zichri; van Minjamin, van Moadja, Piltai; 18 Van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan; 1!) En van Jójarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi; 20 Van Sallai, Kallai; van Amok, Ileber; 21 Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethanoël. |
22 Van do Levieten werden in de dagen van Eljasib, Jójada, en Jóhanan, en Jaddua, de hoofden der vaderen beschrovon; mitsgaders do priesteren, tot het koningrijk van Darius, den Perziaan. 23 De kinderen van Levi, do hoofden dor vaderen, worden beschreven in het boek der quot; kronij-ken, tot de dagen van Jóhanan, don zoon van Eljasib, toe. a I Kron. 9:10, enz. 24 Do hoofden dan dor Levieten waren Hasabja, Sérebja, en Jésua, do zoon van Kadmiël, en hunne broederen tegen bon over, om te prijzen en te danken, naar het gebod van David, don man Gods, wacht tegen wacht. 25 Mattanja en Bakbukja, Obadja, Mesullam, Talnion en Akkub, waren poortiers, do wacht waarnemende, bij de schatkamers der poorten. 26 Deze waren in de dagen van Jójakim, den zoon van Jésua, den zoon van Józadak, en in de dagen van Nehenna, den landvoogd, en van den priester Ezra, den schriftgeleerde. 27 In de inwijding nu van Jerüzaloms muur, zochten zij de Levieten uit al hunne plaatsen, dat zij hen te Jeruzalem bragton, om do inwijding te doen met vreugde, en met dankzeggingen , en niet gezang, cimbalen, luiten, on met harpen. 28 Alzoo werden de kinderen der zangers verzameld, zoo uit het vlakke veld rondom Jeruzalem, als uit de dorpen van de Netofathieten; 29 En uit het huis van Gilgal, en uit de velden van Geba en Asmaveth: want de zangers haddon zich dorpen gebouwd rondom Jeruzalem. 30 En de priesters en de Levieten reinigden zich zolven; daarna reinigden zij hot volk, en do poorten, en den muur. 31 Toen deed ik de vorsten van Juda opgaan op den muur; en ik stelde twee groote dankkoren en omgangen, een ter regterhand op den muur, naar de Mistpoort toe. 32 En achter bon ging Hosaja, en de helft dor vorsten van Juda, 33 En Azaria, Ezra, en Mesullam, 34 Juda, en Benjamin, en Semaja, en Jerenua; 35 En van de priestorskinderen met trompetten: Zacharja, de zoon van Jónathan, den zoon van Semaja, den zoon van Mattanja, den zoon van Micbaja, den zoon van Zakkur, don zoon van Asaf ; 36 En zijne broeders, Semaja on Azareël, Mila-lai, Gilalai, Maiii, Nethaneël, en Juda, Hanani, met muziekinstrumenten van David, don man Gods: en Ezra, de schriftgeleerde, ging voor bun aangezigt heen. 37 Voorts naar de Fonteinpoort, en tegen hen over, gingen zij op bij do trappen van Davids stad, door den opgang des muurs, boven Davids buis, tot aan de Waterpoort, tegen het oosten. 38 Hot tweede dankkoor nu ging tegenover, en ik achter hetzelve, met de helft des volks, op |
NEHEMIA 12, 13.
175
|
don muur, van boven don Hakovonstoron, tot aan den broodon muur; 39 En van boven de poort van Efraïm , en boven de Oude poort, on boven de Vischpoort, en den toren Hananeël, en don toren Moa, tot aan de Schaapspoort, en zij bleven staan in de Gevangenpoort. 40 Daarna stonden de beide dankkoren in Gods huis: ook ik on de helft der overheden met mij; 41 En de priesters, Eljakim, Maasója, Minjamin, Michaja, Eljoënai, Zacharja, Hananja, met trompetten ; 42 Voorts Maaséja, en Semaja, en Eleazar, en Uzzi, en Jóhanan, en Malchfa, en Elam, en Ezor: ook lieten zich de zangers hooren, mot Jizrahja, den opziener. 43 En zij offerden deszelven daags groote slagt-offeren, en waren vrolijk, want God had hen vrolijk gemaakt met groote vrolijkheid; en ook waren do vrouwen en de kindoren vrolijk; zoodat de vrolijkheid van Jeruzalem tot van verre gehoord werd. 44 Ook werden ten zolvon dage mannen gesteld over do kameren, tot de schatten, tot de hefoffe-ren, tot de eerstelingen en tot de tienden, om daarin uit do akkers dor steden te verzamelen de dooien dor wet, voor de priosteron on voor de Levieten: want Juda was vrolijk over de priesteren en over do Levieten, die daar stonden, 45 En do wacht huns Gods waarnamen, on do wacht dor reiniging, ook do zangers, en de poortiers, naar liet quot;gebod van David en zijnen zoon Salomo. a l Kron. 25. 46 Want in de dagen van David on Asaf, van ouds, waren er hoofden der zangers, en des lof-gezangs, en der dankzeggingen tot God. 47 Daarna gaf ganscli Israël, in do dagen van Zerubbfibel, en in de dagen van Nehomia, do doelen der zangers on der poortiers, van elk dagelijks op zijnen dag; on zij heiligden voor do Levieten, en de Levieten heiligden voor de kinderen van Aaron. HOOFDSTUK 13. Op de voorlezing van Gods wet wordt nllo vermenging van Israël mot vreemde volken afgescheiden, vs. I. Terwijl Noherai'a weder vertrokken was naar den koning, waren verscheidene grove misbruiken in (rods kerk ingeslopen, van welke hij dezelve na zijne wederkomst zuivert, reinigende de kamers van Gods huis, die Eljasib ontreinigd had, 4; herstellende de priesters en Levieten in hun ambt en onderhoud, waarover hij schatmeesters stelt, 10, 30; een einde makende aan allo ontheiliging van den sabbat, 15; mitsgaders aan de huwelijken met hei-densoho volken aangegaan, 23. TE dien dage werd er gelezen in het boek van Mozes, voor do ooren des volks; en daarin quot; werd geschreven gevonden, dat de Ammonieten on Moabioten niet zouden komen in de gemeente Gods, tot in eeuwigheid; a Dent. 23:3, 4, 5. |
2 Omdat zij den kinderen Israëls niet waren togongokoinen mot brood on mot water, quot;ja Hi-leam tegen hen gehuurd haddon, om hen te vloeken, hoewol onze God don vloek omkeerde in oenen zogen. a Num. 22:6. Joz. 24:9. 3 Zoo geschiedde iiot, als zij doze wet hoorden, dat zij allo vermengeling van Israël afscheidden. 4 Eljasib nu, do priester, die gestold was over do kamer van het huis onzes Gods, was vóór dezen nabestaande van Tobia geworden. 5 En hij had hem eeno groote kamer gemaakt, alwaar zij te voren henenleidon hot spijsoffer, den wierook en do vaten, en do tienden van koren, van most on van olie, die bevolen waren voor de Levieten, en do zangers, en do poortiors, mitsgaders het hefoffer der priosteron. G Docli in dit alles was ik niet te Jeruzalem: want in het twee en dertigste jaar van Arthah-sasta, koning van Dabei, kwam ik tot den koning; maar ton einde van sommige dagen verkreeg ik weder verlof van den koning. 7 En ik kwam te Jeruzalem, en verstond van het kwaad, dat Eljasib voor Tobia gedaan had, makende hom oono kamer in do voorhoven van Gods huis. 8 En hot mishaagde mij zeer: zoo wierp ik al het huisraad van Tobia buiten, uit de kamer. 9 Voorts gaf ik bevel, en zij reinigden do ka-moren; en ik bragt daar weder in de vaten van Gods huis, mot hot spijsoffer en den wierook. 10 Ook vernam ik, dat dor Levieten deel hnn niet gegeven was; zoodat do Levieten on de zangers , die hot werk deden, gevloden waren, oen iegelijk naar zijnen akker. 11 En ik twistte met de overheden, en zeido: Waarom is hot huis Gods verlaten? Doch ik vergaderde hou, en herstelde ze in hunnen stand. 12 Toen bragt ganscli Juda do tiondon van hot koren, on van don most, on van do olie, in de schatten. 13 En ik stolde tot schatmoostors over de schatten, Selémja, den priester, en Zadok, den schrijver, en Podaja, uit do Levieten; en aan hunne hand Hanan, den zoon van Zakkur, den zoon van Mattanja: want zij werden getrouw geacht, on hun werd opgelegd aan hunne broederen uit te dooien. 14 Gedenk mij nor, mijn God! in dozen; en delg mijne weldadigheden niet uit, die ik aanbot huis mijns Gods en aan zijne wachten gedaan lieb. 15 In dezelve dagen zag ik in Juda , die persen traden op den sabbat, on die garven inbragton, die zij op ezels laadden; als ook wijn, druiven en vijgen, en allen last, dien zij te Jeruzalem inbragton op don sabbatdag: en ik betuigde teyeu hen ten dage, als zij eetwaren verkochten. 16 Daar woonden ook Tyriërs binnen, dio visch aanbragten, en allo koopwaren, die zij op den sabbat verkochten aan de kinderen van Juda, on to Jeruzalem. 17 Zoo twistte ik met do edelen van Juda, en |
ESTHER 1.
47(j
|
zoido tot hou: Wat voor con boos ding is dit, dat gijlieden doet, en quot;ontheiligt den sabbatdag? a Ex. 2(1 : S. Lev. 19:30. 18 Doden niet uwe vaders alzoo, en onze God bragt al dit kwaad over ons en over deze stad? En gijlieden maakt do hittige gramschap nog meer over Israël, ontheiligende den sabbat. 19 Het geschiedde nu, als de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, voor den sabbat, dat ik bevel gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval, dat zij ze niet zouden opendoen tot na den sabbat; en ik stelde van mijne jongens aan do poorten, opdat er geen last zou inkomen op den sabbatdag. 20 Toen vernachtten de kramers, en de verkoo-pers van alle koopwaren, buiten voor Jeruzalem, eens of tweemaal. 21 Zoo betuigde ik tegen hen, en zoido tot hen: Waarom vernacht gijlieden tegenover den muur ? zoo gij bet weder doet, zal ik do hand aan u slaan. Van dien tijd af kwamen zij niet op den sabbat. 22 Voorts zeide ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen, en de poorten komen wachten, om den sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in dezen, mijn God! en verschoon mij naar de veelheid uwer goedertierenheid. 23 Ook zag ik in die dagen Joden, die asdodi-sche, ammonietische en moabietische vrouwen hij zich hadden doen wonen. |
34 En hunne kinderen spraken half Asdodisch, en zij konden geen Joodsch spreken; maar naar de taal eens iegolijken volks. 25 Zoo twistte ik met hen, en vloekte hen, en sloeg sommige mannen van hen, en plukte hun het haar uit; en ik deed hen zweren bij God: Indien gij uwe dochteren hunnen zonen zult go-ven , en indien gij van hunne dochteren voor uwe zonen of voor u zult nomen! 2(5 quot;Heeft niet Salomo, de koning van Israël, daarin gezondigd? ''hoewel er onder vele Heidenen geen koning was, gelijk hij, en hij zijnen God lief was, en God hem ten koning over gansch Israël gesteld had; ook hem doden de vreemde vrouwen zondigen. al Kon. 11 -.4. h 1 Kon. 3: 13. 2 Kron. 1 : 12. 27 Zouden wij dan naar uliedon hooren, dat gij al dit groote kwaad zoudt doen, overtredende tegen onzen God, doende vreemde vrouwen bi/ u wonen? 28 Ook was er één van de kinderen van Jójada, den zoon van Eljasib, don hoogepriester, schoonzoon geworden van Sanballat, den Horoniot; daarom jaagde ik hem van mij weg. 29 Gedenk aan hen, mijn God! omdat zij hot priesterdom hebben verontreinigd, ja het verbond des priesterdoms en dor Levieten. 30 Alzoo reinigde ik hen van alle vreemden; en ik bestelde de wachten der priostoren en dor Levieten, elk op zijn werk; 31 Ook tot het offer dos houts, op bestemde tijden, en tot de eerstelingen. Gedenk mijner, mijn God! ten goede. |
HET BOEK ESTHER.
|
HOOFDSTUK 1. De koning Aiiasvéros geeft een' prachtigon maaltijd aan al zijne landvorsten en de inwoners te Susan, vs. 1. Do koningin Vasthi bereidt oven zulk eonen maaltijd voor de vrouwen, 9. De koning beveelt aan do koningin voor hem, do vorsten en al het volk te verschijnen, 10; hetwelk zij weigert te doen, 12; waarom hij haar verstoot, 13; opdat andere vrouwen zich aan haar zonden spiegelen, 17. Als gevolg hiervan wordt eeno wet gemaakt, dat ieder man heer zou zijn in zijn huis, 22. honderd zeven en HET geschiedde nu in do dagen van Ahasvcros, (hij is die Ahasvéros, dewelke regeerde van Indië af tot aan Mooronland toe twintig landschappen.) 2 In die dagen, op don troon zijns burg Susan was; |
word op don bur; tot den kleinste, als do koning koningrijks zat. |
3 In het dorde jaar zijner regering maakte hij oenen maaltijd al zijnen vorston en zijnen knechten: do magt van Perzië en Medio, do grootste hoeren, en de oversten dor landschappen waren voor zijn aangezigt; 4 Als hij vertoonde don rijkdom der heerlijkheid zijns rijks, en de kostelijkheid des sieraads zijnor grootheid, vele dagen lang, honderd on tachtig dagen. 5 Toon nu die dagen vervuld waren, maakte de koning oenen maaltijd al den volke, dat gevonden ; Susan, van don grootste zeven dagen lang, in het Ahasvéros die op den |
ESTHER 1 , 2.
477
|
voorhof van den hof van het koninklijke paleis. 6 Er waren witte, groene en hemelsblaauwe he-hangselen, gevat aan fijn-linnen en purperen banden, in zilveren ringen, en aan marmeren pilaren: do bedsteden waren van goud en zilver, op eenen vloer van porfieiWeew en van marmer, en albast, en kostelijke steenen. 7 En men gaf te drinken in vaten van goud, en liet eene vat was anders dan het andere vat; en er was veel koninklijke wijn, naar dos konings vermogen. 8 En hot drinken geschiedde naar de wet, dat niemand dwong: want alzoo had de koning vastelijk bevolen aan allo grooten zijns huizes, dat zij doen zouden naar don wil van oen' iegelijk. 9 Do koningin Vasthi maakte ook oenen maaltijd voor do vrouwen, in het koninklijke huis, hetwelk do koning Ahas-vóros had. 10 Op don zevendon dag, toen dos konings hart vrolijk was van den wijn, zoide hij tot Mehüman, Biztha, Char-bóna, Bigtha on Abagtha, Zethar en Charchas, do zeven kamerlingen, dienende voor het aangozigt van den koning Ahasvéros, 11 Dat zij Vasthi, dekoningin, zouden brengen voor hot aangozigt dos konings, met do koninklijke kroon, om den volken en don vorsten hare schoonheid to toonon; want zij was schoon van aangozigt. 12 Doch de koningin Vasthi weigerde te komen op het woord des konings, hetwelk door do dienst dor kamerlingen haar aanyezcyd ivas. Toen word do koning zeer verbolgen, en zijne grimmigheid ontstak in hem. 13 Toon zeide de koning tot de wijzen, die de tijden verstonden: (want alzoo moest des konings zaak geschieden, in de tegenwoordigheid van al degenen, die de wet en het regt wisten: 14 De naaste nu bij hom waren Carsena, Sethar, Admatha, Tharsis, Mores, Marsena, Memüchan, zeven vorsten dor Perzen en der Meden, die hot aangozigt des konings zagen, die vooraan zaten in liet koningrijk:) 15 Wat men naar do wet met de koningin Vasthi doen zou, omdat zij niet gedaan had het woord van den koning Ahasvéros, door de dienst der kamerlingen ? |
1G Toon zeide Memüchan voor hot aangozigt dos konings en der vorston: Do koningin Vasthi heeft niet alleen togen don koning misdaan, maar ook togen al do vorsten, en togen al do volken, die in al de landschappen van den koning Ahasvéros zijn. 17 Want deze daad der koningin zal uitkomen tot alle vrouwen, zoodat zij hare mannon vor-achton zullen in hare oogen, als men zeggen zal: Do koning Ahasvéros zeide, dat men dekoningin Vasthi voor zijn aangozigt brengen zou; maar zij kwam niet. 18 Te dozen zeiven dage zullen de vorstinnen van Porzië en Mediö ook alzoo zoggen tot al do vorston des konings, als zij deze daad dor koningin zullen hooren, en or zal verachtens en toorns genoeg wezen. 19 Indien hot den koning goeddunkt, dat een koninklijk gebod van hem uitga, hetwelk geschreven worde in de wetten der Perzen en Meden, en dat men hot niet over-trode: dat Vasthi niet inga voor hot aangozigt van don koning Ahasvéros, en de koning geve haar koningrijk aan hare naaste, die beter is dan zij. 20 Als het bevel dos konings, hetwelk hij doen zal in zijn ganscho koningrijk, (want het is groot) gehoord zal worden, zoo zullen allo vrouwen aan hare mannon oer geven, van do grootste tot de kleinste toe. 21 Dit woord nu was goed in do oogen des konings on dor vorsten; en do koning deed naar het woord van Memüchan. 22 En hij zond brieven aan al do landschappon des konings, aan een iegelijk landschap naar zijn schrift, en aan elk volk naar zijne spraak: dat elk man overhoor in zijn huis wezen zou, en spreken naar do spraak zijns volks. HOOFDSTUK 2. Ahasvéros gevoelt lood over Vasthi, vs. 1. Er worden vele schoone jongo dochters bijeenverzameld, opdat ile koning uit haar eene verkieze tot koningin, in de phmls van Vasthi, 2. Esther, door Mórdochai aan het hof gebragt, vindt gunst en wordt met onderscheiding behandeld, 8. Hogai geeft haar hare versierselen, 12; /.ij wordt tot den koning gebragt Hi; die haar do kroon op het hoofd zet en tot koningin verheft, 17. Ue koning rigt ter barer oor eene groote bruiloft aan, 18. Twee kamerlingen zoeken Ahasvéros om te brengen, 21. Deze zamen- |
ESTHER 2.
478
|
/,wering ontdekt Mórdechai en geeft er Ahasvéros kennis van, hiervan wordt aanteekening gedaan in do kronijken, 2;5. NA deze geschiedenissen, toen de grimmigheid van den koning Ahasvéros gestild was, gedacht hij aan Vasthi, en wat zij gedaan had, en wat over liaar besloten was. 2 Toen zeiden de jongelingen des konings, die hem dienden: Men zoeke voor den koning jonge dochters, maagden, schoon van aangezigt. 3 En de koning bestelle toezieners in al de landschappen zijns koningrijks, dat zij vergaderen alle jonge dochters, maagden, schoon van aangezigt , tot den burg Susan, tot het huis der vrouwen, onder de hand van Hege, des konings kamerling, bewaarder der vrouwen; en men geve haar hare versierselen. 4 En de jonge dochter, die in des konings oog-schoon wezen zal, worde koningin in stede van Vasthi. Deze zaak nu was goed in de oogen des konings, en hij deed alzoo. 5 Er was oen joodsch man op den burg Susan, wiens naam was Mórdechai, een zoon van Jaïr, den zoon van Simei', den zoon van Kis, een man van Jemini; (! Die weggevoerd was van Jeruzalem quot; met do weggevoerden, die weggevoerd waren met Je-chónia, den koning van Juda, denwelken Nebu-kadnézar, de koning van Babel, had weggevoerd. a 2 Kon. 24 :14. 7 En hij was het, die opvoedde Hadassa, (deze is Esther, do dochter zijns ooms) want zij had geen' vader noch moeder; en zij was eone jonge dochter, schoon van gedaante, en schoon van aangezigt; en als haar vader en hare moeder stierven, had Mórdechai zo zich tot eone dochter aangenomen. 8 Het geschiedde nu, toen het woord des konings en zijne wet ruchtbaar was, en toon vele jonge dochters zamenvergaderd werden op den burg Susan, onder de hand van Hegai, werd Esther ook genomen in des konings huis, onder de hand van Hegai, den bewaarder dor vrouwen. 9 En die jonge dochter was schoon in zijne oogen, en zij verkreeg gunst voor zijn aangezigt; daarom haastte hij met hare versierselen en mot hare doelen haar te geven, en zeven aanzienlijke |
jonge dochters haar te geven uit liet huis des konings; en hij verplaatste haar en hare jonge dochters naar het boste van het huis der vrouwen. 10 Esther had haar volk en hare maagschap niet te kennen gegeven: want Mórdechai had haar geboden, dat zij het niet zou te kennen geven. 11 Mórdechai nu wandelde allen dag voor het voorhof van hot huis der vrouwen, om te vernemen naar den welstand van Esther, en wat met haar geschieden zou. 12 Als nu do beurt van elke jonge dochter naakte, om tot den koning Ahasvéros te komen, nadat haar twaalf maanden lang naar do wet der vrouwen geschied was: want alzoo worden vervuld do dagen harer versieringen , zes maanden met mirre-olie, en zes maanden met specerijen, en met andere versierselen der vrouwen; 13 Daarmede kwam dan de jonge dochter tot den koning: al wat zij zeide, werd haar gegeven, dat zij daarmede ging uit liet huis dor vrouwen tot het huis dos konings. 14 Dos avonds ging zij daarin, en des morgens ging zij weder naar het tweede huis der vrouwen, onder de hand van Saiis-gaz, den kamerling des konings, bewaarder der bijwijven; zij kwam niet weder tot den koning, ton ware do koning lust tot haar had, en zij bij name geroepen wierd. 15 Als de beurt van Esther, de dochter van Abichaïl, den oom van Mórdechai, (die hij zich asvorns gebraoht (Estii. '2:15). ^cr dochtor genomen had) naakte, dat zij tot den koning komen zou, begeerde zij niet mot al, dan wat Hegai, des konings kamerling, do bewaarder der vrouwen, zeide; en Esther kreeg genade in de oogen van allen, die haar zagen. K! Alzoo word Esther genomen tot don koning Ahasvéros, tot zijn koninklijk huis, in do tiende maand, welke is de maand Teboth, in het zevende jaar zijns rijks. 17 En de koning beminde Esther boven allo vrouwen, en zij verkreeg genade en gunst voor zijn aangezigt, boven alle maagdon; en hij zette de koninklijke kroon op haar hoofd, en hij maakte haar koningin in do plaats van Vasthi. 18 Toen maakte do koning oenen grooten maaltijd al zijnen vorsten en zijnen knechten, den |
ESTHER 2, 3.
479
|
vs. 1. Al de hovelingen buigen zich voor hem neder, behalve Mórdechai, 2. Haman is hierover zeer toornig, Hij zoekt niet alleen Mórdechai, maar al de Joden uit te roeijen, 6; en doet het lot werpen, 7. Hij brengt beschuldigingen i» bij den koning togen de Joden en dringt op hunne uitroeijing aan, 9. De koning geeft hem vohnagt, 10. Hot bevelschrift wordt tot alle vorsten in al de landschappen afgezonden, 12. De koning en Hainan zitten en drinken; maar de stad Susan is verbaasd, 15. NA deze geschiedenissen maakte de koning Ahasvéros Haman groot, den zoon van Hamme-datha, den Agagiet, en hij verhoogde hem, en hij zette zijnen stoel boven al de vorsten, die bij hem waren. als toen zij bij hem opgevoed als Mórdechai in de poort des |
het twaalfde jaar van den wierp men hetPur, dat is, hot lot, voor Hamans aangezigt, van dag tot dag, en van maand tot maand, tot do twaalfde maand toe, deze is de maand Adar. 8 Want Haman had tot den koning Ahasvéros gezegd: Er is een volk, verstrooid en verdoold onder de volken in al de landschappen uws koningrijks; en hunne wetten zijn verscheiden van de wetten aller volken; ook doen zij des konings wetten niet: daarom is hot don koning niet oorbaar hou te laten blijven. 9 Indien hot den koning goeddunkt, laat er go-schreven worden, dat men hen verdoe; zoo zal |
ESTHER 3, 4.
480
|
ik lion duizend talenten zilvers opwegen in de handen dergenen, die het werk doen, om in des konings schatten te brengen. 10 Toen trok de koning zijnen ring van zijne hand, en hij gaf hem aan Haman, den zoon van Hammedatha, den Agagiet, der Joden tegenpar- 11 En de koning zeido tot Haman: Dat zilver zij u geschonken, ook dat volk, om daarmede te doen, naar dat het goed is in uwe oogen. 12 Toen werden de schrijvers dos konings geroepen, in de eerste maand, op ilen dertienden |
14 De inhoud van hot schrift was, dat er eeno wet zou gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken, dat zij tegen denzelven dag zouden gereed zijn. 15 De loopers gingen uit, voortgedrongen zijnde door het woord dos konings, en de wet werd uitgegeven in den burg Susan. En de koning en Haman zaten en dronken, doch de stad Susan was verward. HOOFDSTUK 4. Mórdechai treurt on woont mot oonen zak bekleed on komt zoo voor do poort des konings, 2. Overal waar |
|
dag derzelvo, en er werd geschreven naar alles, wat Haman beval, aan de stadhouders des konings, en aan de landvoogden, die over elk landschap waren, en aan de vorsten van elk volk, elk landschap naar zijn schrift, en elk volk naar zijne spraak: er werd geschreven in den naam van den koning Ahasvéros, en het werd mot des konings ring verzegeld. 13 De brieven nu werden gezonden door de hand der loopers tot al de landschappen des konings, dat men zou verdelgen, dooden en verdoen al de Joden, van den jonge tot den oude toe, de kleine kinderen en de vrouwen, op éénen dag, op den dertienden der twaalfde maand (deze is de maand Adar) en dat men hunnen buit zou rooven. |
dat wreede liovel wordt liokead gemaakt, zijn de Jodon in diepen rouw, 3. Esther zendt Mórdechai kleederon, doch hij wil dio uiot aannemen, 4. Zij laat door Hatach vernemen, waarom hij dus bedroefd is, 5; hij geeft hot haar door hem to konnon, mot afschrift van hot bevel, en verzoekt haar tot don koning te gaan en voor do Joden te bidden, 8. Esther vindt hierin grooto zwarigheid, 11; maar Mórdechai brengt zulke krachtige redenen bij, 13; dat zij belooft tot den koning te zullen gaan, nadat do Jodon te Susan drie dagen zouden gevast en gebeden hebben, zoo als zij en hare jonkvrouwen mede doen zouden, 10. ALS Mórdechai wist al wat er geschied was, zoo verscheurde Mórdechai zijne kleederen, en hij trok oenen zak aan met asch; en hij ging uit door het midden der stad, en hij riep meteen groot en bitter geroep. |
ESTHER 4, 5.
481
|
2 En hij kwam tot voor do poort des konings: want niemand mogt in des konings poort inkomen, bekleed met eenen zak. 3 En in alle en een ieder landschap en plaats, waar het woord des konings, en zijne wet aankwam , was een groots rouw onder do Joden, met vasten, en geween, en misbaar; velen lagen in zakken en asch. 4 Toen kwamen Esthers jonge dochters en hare kamerlingen, en zij gaven het haar te kennen; on hot deed do koningin zoor wee; en zij zond kleederon om Mórdechai aan to doen, en zijnen zak van hem af te doen; maar hij nam ze niet aan. 5 Toen riep Esther Hatach, eenen van de kamerlingen des konings, welke hij voor haar gestold had, en zij gaf hem bevel aan Mórdechai, om te weten wat dit, en waarom dit waro? 6 Als Hatach uitging tot Mórdechai, op de straat der stad, dio voor de poort des konings was, 7 Zoo gaf Mórdechai hem te kennen al wat hem wedervaren was, en de verklaring van het zilver, hetwelk Haman gezegd had te zullen wegen in de schatten des konings, voor de Joden, om dezelve om te brengen. 8 En hij gaf hem het afschrift der geschrevene wet, die te Susan gegeven was, om hen te verdelgen , dat hij hot Esther liet zien, en haar te kennen gaf, en haar gebood, dat zij tot den koning ging, om hom te smeeken, en van hem te verzoeken voor haar volk. 9 Hatach nu kwam, en gaf Esther do woorden van Mórdechai te kennen. 10 Toon zoide Esther tot Hatach, en gaf hem bevel aan Mórdechai: 11 Allo knechten dos konings, en het volk der landschappen dos konings, weten wel, dat al wie tot don koning ingaat in het binnenste voorhof, die niet geroepen is, hij zij man of vrouw, zijn eenig vonnis zij, dat men hem doode, tenzij dat do koning don gouden scepter hem toereike, opdat hij levend blijve: ik nu bon deze dertig dagen niet geroepen om tot den koning in te komen. 12 En zij gaven de woorden van Esther aan Mórdechai te kennen. 13 Zoo zoide Mórdechai, dat men Esther wederom zeggen zou: Beeld u niet in, in uwe ziel, dat gij zult ontkomen in het huis des konings, meer dan al de andere Joden. 14 Want indien gij eenigzins zwijgen zult te dezer tijd, zoo zal den Joden verkwikking en verlossing uit oene andere plaats ontstaan, maar gij en uws vaders huis zult omkomen: en wie weet, of gij niet om zulkon tijd als deze is, tot dit koningrijk geraakt zijt? 15 Toen zoide Esther, dat men Mórdechai weder aanzeggen zou: 16 Ga, vergader al de Joden, die te Susan gevonden worden, en vast voor mij, en eet of drinkt niet, in drie dagen, nacht noch dag; ik en mijne jonge dochters zullen ook alzoo vasten: en alzoo zal ik tot den koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkome, zoo kom ik om. |
17 Toen ging Mórdechai henen, en hij deed naar alles, wat Esther aan hem geboden had. HOOFDSTUK 5. Do koningin Esther trokt een koninklijk kleed aan on gaat tot don koning, vs. 1 ; dio haar den gouden scoptor toereikt, 2; en haar helooft hare bede to geven, 3. Zij noocligt den koning en Haman tor maaltijd, 4; op wolkon de koning haar op nieuw belooft haro bode to gos'on, fi. Zij noodigt don koningen Haman andermaal, 7; waarover Haman zich zeer verblijdt, docli zich zeer vertoornt, ziende dat Mórdechai hem niet eerde, !). Dit alles vertelt hij uaa zijne vrouw en vrienden, 10; dio hein raden oene galg te maken van vijftig ellen hoog, om Mórdechai daaraan te hangen, wolken raad iiij volgt, 14. HET geschiedde nu aan don dorden dag, dat Esther oen koninklijk kleed aantrok, en stond in het binnenste voorhof van des konings huis, tegenover hot huis dos konings: de koning nu zat op zijnen koninklijken troon, in het koninklijke huis, tegenover do deur van het huis. 2 En hot geschiedde, toon de koning de koningin Esther zag, staande in hot voorhof, verkreeg zij genade in zijne oogen; zoodat de koning don gouden scepter, die in zijne hand was, Esther toereikte; en Esther naderde, en roerde de spits dos scepters aan. 3 Toon zoide do koning tot haar: Wat is u, koningin Esther! of wat is uw verzoek? het zal u gegeven worden, ook tot de helft des koningrijks. 4 Esther nu zoide: Indien het den koning goeddunkt, zoo kome de koning met Haman heden tot den maaltijd, dien ik hem bereid heb. 5 Toon zeide do koning: Doet Haman spoeden, dat hij het bevel van Esther doe. Als nu de koning met Haman tot den maaltijd, dien Esther bereid had , gekomen was , (! Zoo zoide do koning tot Esther op den maaltijd dos wijns: Wat is uwe bede? en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? het zal geschieden, ook tot do helft des koningrijks. 7 Toen antwoordde Esther, en zeide: Mijne bede en verzoek is: 8 Indien ik genade gevonden heb in de oogen des konings, en indien het den koning goeddunkt, mij te geven mijne bodo, en mijn verzoek te doen, zoo kome do koning met Haman tot don maaltijd, dien ik hom bereiden zal; zoo zal ik morgen doen naar hot bevel dos konings. 9 Toen ging Haman ten zelven dage uit, vrolijk on goedsmoeds; maar toen Haman Mórdechai zag in de poort dos konings, on dat hij niet opstond, noch zich voor hom bewoog, zoo werd Haman vervuld met grimmigheid op Mórdechai. 10 Doch Haman bedwong zich, en hij kwam tot zijn huis; en hij zond honen, en liet zijne vrienden komen, en Zeros, zijne huisvrouw. 11 En Haman vertelde hun do heerlijkheid zijns 31 |
ESTHER 5, 6.
482
|
i-ijkdoms, cn de voolheid zijner zonen, en alles, waarin de koning hem groot gemaakt had, en waarin hij hem verheven had boven de vorsten en knechten des konings. 12 Verder zeide Hainan: Ook hoeft de koningin Esther niemand mot den koning doen komen tot den maaltijd, dien zij bereid heeft, dan mij; en ik ben ook tegen morgen van haar mot don koning genoodigd. 13 Doch dit alles baat mij niet, zoo langen tijd als ik den Jood Mórdechai zie zitten in do poort des konings. 14 Toon zeido zijne huisvrouw Zeros tot hom, mitsgaders al zijne vrienden: Men make vijftig ellen en zeg morgen aan don koning, dat men Mórdechai daaraan bange ; ga dan vrolijk mot den koning tot dien maaltijd. Deze raad nu dacht Hainan goed, on hij deed do galg maken. HOOFDSTUK (!. Do koning, op zekeren nacht niet kunnende slapen, laat hot book der kronijken brengen, on men vindt daarin hot boos voornemen van Bigthana en Tho-res, door Mórdechai ontdekt, vs. 1. Do koning vraagt, welke voreering Mórdechai hiervoor had ontvangen. Zijne dienaars antwoorden: geene, 3. Hainan, in het voorhof zijnde, wordt bij don koning geroepen, die hem vraagt, wat incn dien man behoort te doen, welken do koning eeren wil, G. 11a-mans antwoord hierop, 7. De koning beveelt Haman Mórdechai al dio oer aan te doen, 10; hij volbrengt dit huis en verhaalt aan zijn wedervaren, die hem zijnen verderen zeggen, 13. Hij wordi tot den maaltijd v gedreven, 14. IN denzelvon nacht was do slaap van den koning geweken, en hij zeide, dat men het boek dor gedachtenissen, de kronijken, brengen zou; en zij werden in de tegenwoordigheid des konings gelezen. 2 En men vond geschreven, dat Mórdechai had te kennen gegeven van Bigthana en Thores, twee kamerlingen des konings, uit de dorpelwachters, die do hand zochten te leggen aan den koning Ahasvóros. eene galg', hoog, |
3 Toon zeido de koning: Wat eer en verhooging is Mórdechai hierover gedaan? En de jongelingen dos konings, zijne dienaars, zeiden: Aan hem is niets gedaan. 4 Toen zeido de koning: Wie is in het voorhof? (Haman nu was gekomen in het buitenvoorhof van het huis des konings, om den koning te zeggen, dat men Mórdechai zou hangen aan de galg, die hij hem had doen bereiden.) 5 En des konings jongelingen zeiden tot hem: 7Ae, Haman staat in het voorhof. Toen zeido de koning: Dat hij inkome. 6 Als Haman ingekomen was, zoo zeide de koning tot hem: Wat zal men mot dien man doen, tot wiens oer de koning oon welbehagen heeft? Toen zeide Haman in zijn hart: Tot wien hooft de koning eon welbehagen, om hem eer te doen, meer dan tot mij ? 7 Daarom zoido Haman tot den koning: Don man, tot wiens eer de koning een wol-behagen heeft, 8 Zal men het koninklijke kleed brengen, dat de koning pleegt aan te trekken, en hot paard, waarop do koning pleegt te rijden; en dat do koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde. 9 En men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van een' uit de vorsten des konings, van de grootste hoeren, en men zal het dien man aantrekken, tot wiens oor de koning een welbehagen en men zal hem op dat paard doen rijden door de straten der stad, en men zal voor hem roepen: Alzoo zal men dien man doen, tot wiens oor do koning een welbehagen heeft! 10 Toen zeide do koning tot Haman: Haast u, neem dat kleed, en dat paard, gelijk als gij gesproken hebt, en doe alzoo aan Mórdechai, den Jood, die aan de poort des konings zit; en laat niet één woord vallen van alles, wat gij gesproken hebt. 11 En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mórdechai aan, en dood hom rijden door de straten der stad, on hij riep voor hem: Alzoo zal men dien man doen, tot wiens eer de konine: eon welbehagen hoeft! hoeft |
ESTHER 6,7,8.
483
|
12 Daarna keerde Mórdechai wederom tot do poort des konings; maar Hainan werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekten hoofde. 13 En Haman vertelde aan zijne huisvrouw Zeres en al zijne vrienden al wat hom wedervaren was. Toon zeiden hem zijne wijzen, en Zeres, zijne huisvrouw: Indien Mórdechai, voor wiens aange-zigt gij hebt begonnen te vallen, van hot zaad der Joden is, zoo zult gij tegen hem niet vermogen, maar gij zult gewisselijk voor zijn aangezigt vallen. 14 Toen zij nog met hom spraken, zoo kwamen des konings kamerlingen nabij, en zij haastten Haman tot den maaltijd te brengen, dien Esther bereid had. HOOFDSTUK 7. Do koning belooft Esther wederom te zullen geven, al wat zij zou bogoeron, vs. 1. Esther bidt om haar leven en dat van haar volk, ontdekkende het boos voornemen van Haman, 3; die Esther, ziende dat de koning op hem zeer vertoornd is, om behoud smeekt, 7. Zijn aangezigt wordt bedekt, dat hij den koning niet meer mogt zien, 8. Oharbóna zegt den koning, dat Haman eene galg had laten maken van vijftig ellen hoog voor Mórdechai; de koning gebiedt Haman daaraan te hangen, hetwelk geschiedt, !). TOEN de koning met Haman gekomen was, om te drinken met de koningin Esther; 2 Zoo zoide de koning tot Esther, ook op don tweeden dag, op den maaltijd des wijns: Wat is uwe bede, koningin Esther! en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? het zal geschieden , ook tot de helft des koningrijks. 3 Toon antwoordde de koningin Esther, en zoide: Indien ik, o koning! genade in uwe oogen gevonden heb, en indien liet den koning goeddunkt, men geve mij mijn leven, om mijnor bede wil, en mijn volk, om mijns verzooks wil. 4 Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, dat men ons verdelge, doode en ombrenge. Indien wij nog tot knechten en tot dienstmaagden waren verkocht geweest, ik zou gezwegen hebben, ofschoon de onderdrukker de schade des konings geenszins zou kunnen vergoeden. 5 Toen sprak de koning Ahasvéros, en zoide tot de koningin Esther: Wie is die, en waar is die-zelve, die zijn hart vervuld heeft, om alzoo te doen ? 6 En Esther zoide: De man, de onderdrukker en vijand, is deze booze Haman! Toen verschrikte Haman voor het aangezigt dos konings en der koningin. 7 En do koning stond op in zijne grimmigheid van den maaltijd des wijns, en ging naar den hof van het paleis. En Haman bleef staan, om van de koningin Esther, aangaande zijn leven, verzoek te doen, want hij zag, dat bot kwaad van den koning over hom ten volle besloten was. 8 Toen do koning wederkwam uit den hof van het paleis in het huis van den maaltijd des wijns. |
zoo was Haman gevallen op hot bed, waarop Esther was. Toon zeide de koning: Zou hij ook wel do koningin verkrachten bij mij in het huis? Het woord ging uit des konings mond, en zij bedekten Hamans aangezigt. 9 En quot;Oharbóna, een van do kamerlingen, voor het aanschijn des konings staande, zeide: Ook zie, de galg, welke Haman gemaakt hoeft voor Mórdechai, die good voor don koning gesproken heeft, staat bij Hamans huis, vijftig ellen hoog. Toon zoide do koning: Hang hom daaraan. a Esth. 1 : 10. 10 Alzoo hingen zij Haman aan de galg, die hij voor Mórdechai had doen bereiden: en de grimmigheid des konings werd gestild. HOOFDSTUK 8. De koning geoft Esther Hamans huis, vs. 1. Mórdechai komt voor den koning, die hom don ring van Haman geoft, 2. De koningin bidt don koning nogmaals, dat hij do booze aanslagen van Haman tegen do Joden nog verder te niot doe, 3. Zij vindt genade bij don koning en draagt hom hare bode nog verder voor, 4. De koning voldoet aan alles, wat zij begeert en laat zulks in zijnon naam aan de landvoogden in alle provinciën schrijven, 9. Inhoud van hot bevel, 11. Mórdechai's heerlijkheid en sieraad, 15. Oroote vreugde der Joden, bij welke zich vele volken voegen, 17. TE dienzelven dage gaf do koning Ahasvéros aan de koningin Esther het huis van Haman, don vijand der Joden; en Mórdechai kwam voor het aangezigt des konings, want Esther had te kennen gegeven, wat hij voor haar was. 2 En de koning toog zijnen ring af, dien hij van Haman genomen had, en gaf hom aan Mórdechai; on Esther stelde Mórdechai over hot huis van Haman. 3 En Esther sprak verder voor het aangezigt des konings, en zij viel voor zijne voeten, en zij weende, en zij smeekte hom, dat hij de boosheid van Haman, den Agagiet, en zijne gedachte, die hij tegen de Joden gedacht had, zou wegnomen. 4 De koning nu reikte don gouden scepter Esther toe. Toen rees Esther op, en zij stond voor hot aangezigt des konings. 5 En zij zeide: Indien bot don koning goeddunkt, en indien ik genade voor zijn aangezigt gevonden heb, en deze zaak voor don koning rogt is, en ik in zijne oogen aangenaam ben, dat er geschreven worde, dat do brieven en de gedachte van Haman, don zoon van Hammedatha, den Agagiot, wederroepen worden, welke hij geschreven heeft, om de Joden om te brengen, die in al do landschappon des konings zijn. 6 Want hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het kwaad, dat mijn volk troffen zal? en hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie hot verderf van mijn geslacht ? 7 Toen zoide de koning Ahasvéros tot de koningin Esther en tot Mórdechai, den Jood: Ziet, hot huis van Haman heb ik Esther gegeven, :il* |
ESTHER 8, 9.
481
|
on hciu heeft mon aan do galg gehangen, omdat liij zijne hand aan de Joden geslagen had. 8 Schrijft dan gijlieden voor de Joden, zoo als het goed is in uwe oogen, in des konings naam, en verzegelt hot met dos konings ring: want hot schrift, dat in des konings naam geschreven, on met des konings ring verzegeld is, is niot te wederroepen. 9 Toon werden dos konings schrijvers geroepen, ter zeiver tijd, in de derde maand, (zij is de maand Sivan) op don drie en twintigsten derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Mórdechal gebood, aan de Joden, en aan de stadhouders, on landvoogden, en oversten der landschappen, die van Indië af tot aan Mooronland strekken, honderd zeven en twintig landschappen, een ieder landschap naar zijn schrift, oen ieder volk naar zijne spraak: ook aan de Joden naar hun schrift en naar hunne spraak. 10 En men schreef in den naam van don koning Ahasvéros, on men verzegelde hot met dos konings ring; on men zond de brieven door de hand der loopors te paard, rijdende op snelle kemelen, op muilen, van merriën getooid: 11 Dat de koning den Joden toeliet, die in elke stad waren, zicli te vergaderen, en voor hun loven te staan, om te verdelgen, om te dooden en om om te brengen allo magt dos volks on des landsehaps, die hen benaauwen zou, de kleine kinderen en de vrouwen, en hunnen bult te rooven: 12 Op éonon dag in al de landschappon van den koning Ahasvéros, op den dertiondon dor twaalfde maand, deze is de maand Adar. 13 De inhoud van dit schrift was: dat eono wet zou gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken; en dat de .loden gereed zouden zijn tegen dien dag, om zich te wreken aan hnnno vijanden. 14 Do loopors, die op snelle kemelen roden en op muilen, togen snellijk uit, aangedreven zijnde door hot woord des konings. Deze wet nu werd gegeven op don borg Susan. lö En Mórdechal ging uit van voor liet aange-zigt dos konings in een hemolsblaauw en wit koninklijk kleed, en met eono grooto gouden kroon, en met oen opperkleed van fijn linnen on purper; en de stad Susan juichte on was vrolijk. 16 Bij do Joden was licht, on blijdschap, en vreugde, en oer: 17 Ook in allo en eon ieder landschap, en in allo en eono iedere stad, ter plaatse, waar dos konings woord en zijne wot aankwam, daar was bij de Joden blijdschap en vreugde, maaltijden en vrolijke dagen; en velen uit do volken des lands werden Joden, want do vroeze der Joden was op hen gevallen. HOOFDSTUK 9. |
Overeenkomstig do wet dos konings verzamelen zich do Joden, om hunne vijanden te dooden, vs. 1.1 Do landvoogden liolpen lion uil vrees voor Mórdechal, dio in gunst bij don koning was, 1!. üo .loden verslaan velen hunner vijanden, ook do tion zonen van Hainan, 5. Do koning vraagt Esther, wat zij nog meer begeert , waarop nog een dag wraak geoefend wordt, 12. Do .loden dooden drie honderd man te Susan en vijf en zeventig duizend van hunne vijanden in do andere doelen van het Persisehe rijk, doch nomen geenen roof, 15. De .loden houden feest, 17. Mórdeohai en Esther stollen hot Purimfeest in, tor gedachtenis dozer heugelijke gebeurtenis, 21. IN do twaalfde maand nu, (dezelve is do maand Adar) op den dertiendon dag derzelve, toen des konings woord en zijne wet nabij gekomen was, dat men het doen zou, ten dage, als do vijanden dor Joden hoopten over hen te heerschon, zoo is iiot omgekeerd, want de Joden heerschton zeiven over hunne haters. 2 Want de Joden vergaderden zich in hunne steden, in al de landschappen van den koning Ahasvéros, om de hand te slaan aan degenen, die hun verderf zochten; en niemand bestond voor hen, want hunliedor schrik was op al die volken gevallen. 3 En al do oversten dor landschappon, on de stadhouders, en landvoogden, on die het work dos konings deden, verhlevon de Joden: want de vroeze van Mórdechal was op hen gevallen. 4 Want Mórdechal was groot in iiot huis des konings, on zijn gerucht ging uit door alle landschappen: want die man, Mórdechal, werd doorgaans grooter. 5 Do Joden nu sloegen op al hunne vijanden, met den slag des zwaards, en der dooding, on dor verderving; on zij deden mot hunne haters naar hun welbehagen. 6 En in den burg Susan hebben de Joden gedood en omgobragt vijf honderd mannen. 7 En Parsandatha, en Dalfon, on Asfiita, 8 En Poratha, en Adalia, en Aridatha, 9 En Parmastha, on Arisai, en Arfdai, en Vaizatha, 10 De tien zonen van Haman, den zoon van Hammedatha, don vijand der Joden, doodden zij; maar zij sloegen hunne handen niet aan den roof. 11 Ten zeiven dage kwam voor don koning liet getal der gedoodon op den burg Susan. 12 En do koning zoido tot de koningin Esther: To Susan op den burg hebben de Joden gedood en omgobragt vijf honderd mannen en de tion zonen van Haman, wat hebben zij al in do andere landschappen des konings gedaan? wat is nu uwe bede ? en het zal u gegeven worden; of wat is verder uw verzoek ? het zal geschieden. UI Toen zoido Esther: Dunkt het den koning-goed, men late ook morgen den Joden, die te Susan zijn, toe, te doen naar het gebod van heden; eu men hange de tien zonen van Haman aan do galg. 14 Toen zeide de koning, dat men alzoo doen zou; en er werd een gebod gegeven te Susan, en men hing do tien zonen van Haman op. |
ESTHER 9, 10.
485
|
15 En do Jodcn, dio to Susan waren, vergaderden ook op den veertienden dag der maand Adar, en zij doodden te Susan drie honderd mannen; maar zij sloegen hunne hand niet aan den roof. K! Do overige Joden nu, die in de landschappen des konings waren, vergaderden, opdat zij stonden voor hun loven, en rust hadden van hunne vijanden, en zij doodden onder hunne haters vijf en zeventig duizend; maar zij sloegen hunne hand niet aan den roof. 17 DU geschiedde op don dor tienden dag der maand Adar; en op den veertienden dorzelve rustten zij, en zij maakten denzelven oenen dag dor maaltijden en der vreugde. 18 En de Joden, die te Susan waren, vergaderden op don dortienden dorzelve, en op don veertienden dorzelve; en zij rustten op den vijftienden dorzelve, en zij maakten denzelven oenen dag-dor maaltijden en der vreugde. 1!) Daarom maakten do Joden van do dorpen, die in de dorpsteden woonden, den veertienden dag der maand Adar ter vreugde en maaltijden, en oenen vrolijken dag, en der zending van dooien aan elkander. 20 En Mórdechai beschreef deze geschiedenissen; en hij zond brieven aan al de Joden, die in al de landschappon van don koning Ahasvóros waren, dien, die nabij, en dien, dio verre waren, 21 Om over lion te bevestigen, dat zij zouden onderhouden den veertienden dag dor maand Adar, en don vijftienden dag dorzelve, in alle on ieder jaar: 22 Naar do dagen, in dewelke do Joden tot rust gekomen waren van hunne vijanden, en do maand, ilio hun veranderd was van droefenis in blijdschap, en van rouw in oenen vrolijken dag; dat zij dezelve dagen maken zouden tot dagen der maaltijden, en dor vreugde, en dor zending van doelen aan elkander, en der gaven aan de armen. 23 En do Joden namen aan te doen, wat zij begonnen haddon, on dat Mórdechai aan hen ge-schrovon had; 24 Omdat Hainan, de zoon van Ilammodatha, don Agagiot, aller Joden vijand, tegen de Joden gedacht had hen om te brengen; on dat hij het Pur, dat is, het lot had geworpen, om hen te verslaan en om hen om to brengen. 25 Maar als zij voor don koning gekomen was, heeft hij quot; door brieven bevolen, dat zijne booze gedachte, die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zou wederkeeren; en inon heeft hem en zijne zonen aan de galg gehangen. aEsth. 8:8. |
26 Daarom noemt men die dagen Purim, van den naam van dat Pur. Hierom, van wege al do woorden van dien brief, en hetgeen zij zeiven daarvan gezien hadden, en wat tot hen overgekomen was, 27 Bevestigden do Joden, on namen op zich on op hun zaad, en op allen, die zich tot hen vervoegen zouden, dat men het niot overtrade, dat zij deze twee dagen zouden houden, naar hot voorschrift dorzelve, en naar don bestemden tijd dorzelve, in alle en ieder jaar: 28 Dat deze dagen gedacht zouden worden en onderhouden, in allo on olk geslacht, elk huisgezin, elk landschap en olke stad; en dat deze dagen Purim niot zouden overtreden worden onder de Joden, en dat do gedachtenis dorzelve geen einde nomen zou bij hun zaad. 29 Daarna schreef de koningin Esther, de dochter van Abichaïl, on Mórdechai, do Jood, mot allo magt, om dezen brief van Purim ton tweede maal te bevestigen. 30 En hij zond do brieven aan al do Joden, in de honderd zeven en twintig landschappon van hot koningrijk van Ahasvóros, met woorden van vrede en trouw; 31 Dat zij deze dagen van Purim bevestigen zouden op hunne bestemde tijdon, gelijk als Mórdechai, de Jood, over hou bevestigd had, on Esther, de koningin, en gelijk als zij het bevestigd hadden voor zicli zelven en voor hun zaad: de zaken van hot vasten en hunlioder geroep. 32 En liet bcvol van Esther bevestigde do go-schiodonisson van deze Purim, en hot word in oen boek geschreven. HOOFDSTUK 10. Ahasvóros legt oono schatting op het land, vs. 1. Mór-dechai's hoogo staat en achting bij do Joden, wier welzijn hij bevordert, 3. DAARNA leide do koning Ahasvóros schatting op het land, en de eilanden der zoo. 2 Al do werken nu zijner magt en zijns gewelds, en de verklaring dor grootheid van Mórdechai, denwolken do koning groot gemaakt hoeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronijkon dor koningen van Mediö en Perzië? 3 Want do Jood Mórdechai was de tweede bij den koning Ahasvóros, en groot bij de Joden, en aangenaam bij do menigte zijner broederen, zoekende hot boste voor zijn volk, en sprekende voor don welstand van zijn ganscho zaad, |
JOB 1, 2.
-18G
HET BOEK JOB.
|
HOOFDSTUK 1. Job is opi'ogt, vroom, vs. 1; van God mot kintlcron, rijkdom on ooi' gozogcnd, 2; wordt door don drang des Satans on onder Crods toelating tot zijno beproeving verzocht met liet verlies van al zijn good en kinderen, 0; waarover hij blijken van droefheid geeft, zicli troost en God in alles dankt, 20. ER was oen man in hot land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was quot; opregt, eu vroom, en godvreezende, en wijkende van hot kwaad. a Job 2:3. 2 En hem werden zeven zonen en drie doehteren geboren. 3 Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijf honderd juk ossen, en vijf honderd ozelinneii; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zoodat deze man grooter was dan al die van liet Oosten. 4 En zijne zonen gingen eu maakten maaltijden in ieders huis op zijnen dag; eu zij zonden henen, en noodigden hunne drie zusteren, om met hen te eten en te drinken. 5 liet geschiedde dan, als do dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde, en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijne kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzoo deed Job al die dagen. 6 Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den Heere to stollen, dat de Satan ook in het midden van hen kwam. 7 Toen zeide de Heere tot deu Satan: Van waar komt gij? En de Satan antwoordde den Heere, cn zeide: Van om te trekken op de «aarde, en van die te doorwandelen. a 1 Petr. 5: 8. 8 En de Heere zeide tot deu Satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijnen knecht Job ? want niemand is op de aarde gelijk hij, een man opregt en vroom, godvreezende en wijkende van hot kwaad. 9 Toen antwoordde de Satan den Heere , en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest? 10 Hebt Gij niet eene betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij hoeft rondom ? liet werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande. 11 Maar toch strek nu uwo hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zoo hij U niet in uw aangezigt zal zegenen! 12 En de Heere zeide tot den Satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uwe hand; alleen aan hem strek uwe hand niet uit. En de Satan ging uit van het aangezigt des Heeren. |
13 Er was nu eeu dag, als zijne zonen en zijne doehteren aten, en wijn dronken, in het huis van hunnen broeder, don eerstgeborene, 14 Dat eon bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en do ezelinnen weidende aan hunne zijden. 15 Doch de Sabeërs deden oenen inval, en namen ze, on sloegen do jongeren mot de scherpte des zwaards; en ik bon maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. 16 Als deze nog sprak, zoo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit don hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteorde ze; eu ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. 17 Als deze nog sprak, zoo kwam een ander, en zeide: De Chaldeën stolden drie hoopon, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. 18 Als deze nog sprak, zoo kwam een ander, en zeide; Uwo zouon ou uwe doehteren aten, en dronken wijn, in liet huis van hunnen broeder, den eerstgeborene; 19 En zie, een groote wind kwam van over de woestijn, en stiot aan de vier hoeken van het huis, en het viel op do jongelingen, dat zo stierven ; en ik ben maar alleen ontkomen, om hot u aan te zeggen. 20 Toen stond Job op, en scheurde zijnen mantel , en schoor ziju hoofd, en viol op do aarde en boog zich neder; 21 En hij zeide: quot;Naakt bon ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeeren. Do Heere hoeft gegeven, en de Heere heeft genomen; do naam des Heeren zij geloofd! a Prod. 5:14. 1 Tim. ü : 7. 22 In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe. HOOFDSTUK 2. Uo Satan verzoekt van God, dat hem worde toegelaten, Jol) in kot ligchaam te plagen, vs. 1. God laat hot hem toe onder zekero voorwaarde, G. Do Satan slaat Job met boozo zweren, 7; ook beschimpt hem zijne huisvrouw, die hij daarover berispt, Ã. Drie zijner vrienden, bij hom gekomen zijnde, bedroeven zich met hem, dooh zwijgen eon tijd stil, 11. WEDEROM was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den Heere te stellen , dat do Satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor den Heere te stellen. 2 Toen zeide de Heere tot den Satan: Vanwaar komt gij? En do Satan antwoordde den Heere, |
JOB 2, 3.
487
|
en zeide; Van om to trokken op de aarde, on van die te doorwandelen. ;i En do Heere zoido tot don Satan: Hebt fgt;ii ook acht geslagen op mijnen knecht Job? want niemand is op de aarde gelijk hij, oen man opregt en vroom, godvreezende en wijkende van liet kwaad; en hij houdt nog vast aan zijne opregtig-iioid, hoewel gij Mij togen hom opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak. 4 Toen antwoordde do Satan don IIeeue, en zeido: Huid voorhuid, en al wat iemand hooft, zal bij geven voor zijn leven. 5 Doch strek nu uwe hand uit, en tast zijn gebeente en zijn vleescb aan; zoo hij U niet in uwaangezigt zal zegenon! (5 En do Heere zeide tot den Satan: Zie, hij zij in uwe hand; doch verschoon zijn leven. 7 Toen ging de Satan uit van het aangezigt dos Heeren, en sloeg Job met boozo zworen, van zijne voetzool af tot zijnen schedel toe. 8 En hij nam zich oene potscherf, om zich daarmede te schrabben; en hij zat neder in hot midden der ascb. !) Toen zeide zijne huisvrouw tot hom: Houdt gij nog vast aan uwe (gt;pregtigheid ? zegen God, en sterf. 10 Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als eone der zottinnen spreekt; ja, zouden wij bot goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen ? In dit alles zondigde Job met zijne lippen niet. 11 Als nu do drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijne plaats, Elifaz, do Themaniet, en Bildad, de Suhiot, en Zofar, de Naamathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hom te vertroosten. 12 En toen zij hunne oogon van verre ophieven, kenden zij hein niet, en hieven hunne stem op, en weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijnen mantel, en strooiden stof op hunne hoofden naar den hemel. |
13 Alzoo zaten zij mot hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was. HOOFDSTUK 3. Job door do grootheid zijner plagen ou der smarten, die hij daarover gevoelt, geperst zijnde, vervloekt don dag zijner geboorte, vs. 1; wenscht na zijne geboorte terstond gestorven te zijn, 11; geeft roden daarvan, 13; beklaagt hot levou der eilendigen, 20; en past zulke klagt toe op zich zeiven, 24. DAARNA opende Job zijnon mond, en quot; vervloekte zijnen dag. a Jer. 15:10. 20 : 14. 2 Want Job antwoordde en zeido: 3 De dag verga, waarin ik geboren ben, on do nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen; 4 Diezolvo dag zij duisternis; dat God naar hom niet vrage van boven ; en dat geen glans over hom schijne; 5 Dat do duisternis en des doods schaduwe hom verontreinigen; dat wolkon over hom wonen; dat hom verschrikken de zwarte dampen dos dags! G Diezolvo nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet vorheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal dor maanden niet komo! 7 Ziet, diezolvo nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome; 8 Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hunnen rouw te verwekken; 9 Dat de sterren van zijnon schemertijd verwachte naar hot licht, on ij zie niet de oogloden des duisterd worden; hi het worde niet; en dageraads! 10 Omdat hij niet toegesloten hoeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijne oogon. 11 quot; Waarom bon ik niet gestorven van de baarmoeder af? en heb den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam? «Job. 10:18. 12 Waarom zijn mij do knieën voorgekomen? en waartoe de borsten, opdat ik zuigen zou ? |
3, 4.
JOB
488
|
13 Want nu zou ik nedeiiiggon, on stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen: 14 Met do koningen en raadsheeren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden; 15 Of met de vorsten, die goud hadden, die hunne huizen met zilver vervulden. 16 Of als eene verborgene misdragt, zou ik niet |
21 Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten; 22 Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden: 23 Aan den man, wiens weg verborgen is, quot;en dien God overdekt heeft? a Job 1!);8. |
|
zijn; als de kinderkens, die liet licht niet gezien hebben. 17 Daar houden de boozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht; 18 Daar zijn de gebondenen te zamen in rust: zij hooren de stem des drijvers niet. 19 De kleine en de groote is daar; en de knecht vrij van zijnen heer. 20 Waarom geeft Hij den ellendigen liet liohl, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed? |
24 Want voor mijn brood komt mijne zuchting; en mijne brullingen worden uitgestort als water. 25 Want ik vreesde eene vreeze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen. 26 Ik was niet gerust, en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen. HOOFDSTUK 4. Elifaz, om .lob anlwoord te geven, beschuldigt hem van ongeduld, vs. 1. Steil hom Gods geregtigheid |
JOB 4, 5.
489
|
voor, om hem to toonon, dat God hem om zijne Honden straft, 7. llij verhaalt hem do vorschijning van oonon ongel en zijne toespraak, en meent, dat die op de zaak van .lob wel past, 17. Job wordt vermaand tot ootmoed en bokeering, 18. TOEN antwoordde Elffaz, do Themaniet, on zoido: 2 Zoo wij con woord opnomen togen u, zult gij verdrietig zijn? nogtans wie zal zidi van woorden kunnen onthouden? ïl Zie, gij hebt velen onderwezen, en gij hebt slappe handen gesterkt; 4 Uwe woorden hebben don struikelende opge-rigt, en do krommende knieën hebt gij vast gesteld; 5 Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd. (i Was niet uwe vreezo Gods uwe hoop ? en de opregtigheid uwer wegen uwe verwachting? 7 Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de opregten verdelgd? 8 Maar gelijk als ik gezien heb: quot;die ondeugd ploegen, en moeite zaaijen, maaijen dezelve. a Job 15:35. I's. 7: 15. Spr. 22:8. Jes. 59:4. Hos. 10: 13. Gal. (5:7, 8. 9 quot;Van don adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van zijnen neus worden zij verdaan. ft Jes. 11:4. 10 Do brulling des leeuws, en de stem des feilen loeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken. 11 De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongen eens oudachtigen leeuws worden verstrooid. 12 Voorts is tot mij een woord heimelijk ge-bragt, en mijn oor heeft een weinigje daarvan gevat: 13 Onder de gedachten van de gezigton dos nachts, als diepe slaap valt op do menschen; 14 Kwam mij schrik en beving over, en verschrikte do veelheid mijner beenderen: 15 Toen ging voorbij mijn aangezigt een geest; hij deed het haar mijns vleesches te berge rijzen. 16 llij stond, doch ik kende zijne gedaante niet; oone beeldtenis was voor mijne oogen; er was stilte, en ik hoorde eene stem, zeggende: 17 Zou een mensch regtvaardiger zijn dan God? zou een man reiner zijn dan zijn Maker? 18 Zie, quot;op zijne knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel llij in zijne engelen klaarheid gesteld heeft. ft Job 15:15. 2 Petr. 2:4. 19 Hoe veel te min op dogenen, die leemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is? zij worden verbrijzeld voor de motten. 20 Van den morgen tot den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid. 21 Verrijst niet hunne uitnemendheid met hen? zij sterven, maar niet in wijsheid. |
HOOFDSTUK 5. Elifaz bewijst, dat hot niet alleen verloren arbeid is, zich togen God te verzetten, maar ook zeer schadelijk, vs. 1; vermaant Job zich tot God te bekeoren, dio allen menschen goed doet, 8; voornamelijk don boetvaardigon, 11; doch do geveinsden in hot verderf stort, 12; waaruit Hij de vromen en armen verlost, 15. Job wordt tot geduld in zijn lijden vermaand, 17; omdat God de vromen daaruit verlost, 18: eu overvloedig zegent, 24. ROEP nu, zal er niemand zijn, die u antwoorde? en tot wien van do heiligen zult gij u koeren? 2 Want don dwaze brengt do toornigheid om, en de ijver doodt don slechte. 3 quot; Ik heb gezien oonon dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijne woning, a Ps. 37 : 30. 4 Verre waren zijne zonen van heil; on zij werden verbrijzeld in do poort, on er was geon verlosser. 5 Wiens oogst do hongerige verteerde, dien hij ook tot uit do doornen gehaald had; do struik-roover slokte hun vermogen in. G Want uit liet stof komt hot verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit do aarde; 7 Maar do mensch wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen. 8 Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijne aanspraak rigten: 9 quot;Die groote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, dio men niet tellen kan; ft Job 9 : 10. I's. 72 : IS. Kom. 11 : 33. 10 Die don regen geeft op do aarde, on water zendt op de straten; 11 quot;Om de vernederden te stollen in hot hooge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden. a i Sam. 2 : 7. Ps. 113 : 7 , 8. 12 quot;Hij maakt te niet do gedachten der arglisti-gon; dat hunne handen niet een ding uitrigten. «Neb. 4: 15. Ps. 33:10. Jes. 8:10. 13 quot;Hij vangt de wijzen in hunne arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt. a 1 Cor. 3 : 19. 14 quot; Des daags ontmoeten zij do duisternis, en gelijk des nachts tasten zij in den middag. ft Deut. 28 : 29. 15 Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hunnen mond, en van de hand des sterken. 16 quot;Zoo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haren mond too. ftPs. 107:42. 17 quot;Zie, gelukzalig is de mensch, denwelken God straft: daarom verwerp de kastijding des Almagtigen niet. ft Spr. 3:11, 12. Hebr. 12 : 5. Jakob. 1 :12. Oponb. 3 : 19. 18 quot;Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en zijne handen hooien. ft üout. 32 : 39. 1 Sam. 2 : G. Hos. 6:1. 19 quot; In zes benaauwdheden zal llij u verlossen, en in de zevende zal u hot kwaad niet aanroeren. ft Ps. 91 :3, enz. |
|
490 20 In don honger zal Hij u vorlosson van den dood, on in don oorlog van hot gowold dos zwaards. 21 Tegen don geosel dor tong zult gij verborgen wezen, on gij zult niet vroezen voor do verwoesting , als zij komt. 22 Togen do verwoesting on togen don honger zult gij lagchen, en voor hot gedierte dor aarde zult gij niet vroozon. 23 Want mot de stoenen des voids zal uw verbond zijn, quot;on hot gedierte des voids zal mot u bevredigd zijn. «Hos. 2: 17. 24 En gij zult bevinden, dat uwe tont in vrede is; en gij zult uwe woning verzorgen, on zult niet feilen. 25 Ook zult gij bevinden, dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uwe spruiten als het kruid dor aarde. 2ü Gij zult iu ouderdom ton grave komen, gelijk de korenhoop to zijner tijd opgevoerd wordt. 27 Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzoo; hoor het, en bemerk gij het voor u. HOOFDSTUK G. .lob verklaart reden te hebben voor /.ijno groote ontsteltenis on klagten, vs. 1; waarom hij geen welgevallen hoeft in de berisping van Elifaz, G. Hij wenseht te sterven, hoopt geene ligchamolijke gezondheid, 8; beschuldigt Elifaz over verkeerd oordeel van zijne opregtheid, 13; over onbeleefdheid, 14; trouweloosheid, 15; eu onvriendelijkheid in zijne bestndiing, 24. Hij bidt zijnen vrienden op te houden met zulke bestraffingen en boter acht te geven op zijne zaak, 2.S. MAAK Job antwoordde en zeide: 2 Och of mijn verdriet rogt gewogen wierd, en men mijne ellende zamen in eeno weegschaal ophief! 3 Want het zou nu zwaarder zijn dan quot;het zand der zeeën; daarom worden mijne woorden opgezwolgen. «Spr. 27:3. 4 quot;Want de pijlen des Almagtigon zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt: de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij. a Ps. 38 : 2, 3. 5 Rugcholt ook do woudezel bij het jonge gras? loeit de os bij zijn voeder? G Wordt ook het onsmakelijke gegoten zonder zout ? is er smaak in het witte des dojors ? 7 Mijne ziel weigert uwe ivoorden aan te roeren; die zijn als mijne laffe spijze. 8 Och of mijne begeerte kwame, en dat God mijne verwachting gave; !) En dat het Godo beliefde, dat Hij mij ver-brijzelde, zijne hand losliet, en oen einde met mij maakte! 10 Dat zou nog mijn troost zijn, on zou mij verkwikken in don weedom, zoo Hij niet spaarde: want ik heb de redenen dos Iloiligon niet verborgen gehouden. 11 Wat is mijne kracht; dat ik hopen zou? of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou ? |
12 Is mijne kracht steenon kracht? Is mijn vloosch staal? 13 Is dan mijne hulp niet in mij? en is de wijsheid uit mij verdreven? 14 Aan hem, dio versmolten is, zou van zijnon vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreezo des Almagtigon verlaten. 15 Mijne broeders hebben trouwelooslijk gehandeld als eene boek; als do storting dor beken gaan zij door; 1G Die verdonkerd zijn van hot ijs, en in dewelke de sneeuw zich verborgt. 17 Ter tijd, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedolgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit hare plaats. 18 Do gangen haars wogs wonden zich tor zijdon af; zij loopen op in hot woeste, en vergaan. 1!) Do reizigers van Thema zien zo, de wandelaars van Scheba wachten op haar. 20 Zij worden beschaamd, omdat elk oen vertrouwde ; als zij daartoe komen, zoo worden zij schaamrood. 21 Voorwaar alzoo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien do ontzetting, en gij hebt gevreesd. 22 Ilob ik gezegd: Brengt mij, en geeft geschonken voor mij van uw vermogen ? 23 Of bevrijdt mij van do hand des verdrukkers, en verlost mij van do hand dor tirannen? 24 Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb ? 25 O hoe krachtig zijn do regte redenen! maar wat bestraft hot bestraffen, (hd van nlieden is? 20 Zult gij, om te bestraffen, woorden boden-kon? en zullen de redenon des mismoodigen voor wind zijn? 27 Ook werpt gij u op oenen wees; on gij graaft tegen uwen vriend. 28 Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en hot zal voor uliedor aangozigt zijn, of ik Hoge. 29 Keert toch weder, laat er geen onrogt wezen, ja keert weder, nog zal mijne geregtigheid daarin zijn. 30 Zou onregt op mijne tong wezen? zou mijn gehemelte niet de ellendon te verstaan geven ? HOOFDSTUK 7. ,lob voortgaande in zijne klagten, beschrijft zijnen ollendigen toestand, niet alleen van do mooijolijko kortheid van dit lovon, vs. 1; maar ook van zijn verdriet, 3; zware ziokto, 5; on korten voorspoed, G. Hij wondt zicli tot God, Hem biddende om zegen voor den overigen korten tijd zijns levens, 7. Hij stort zijne klagt uit over de zwaarte zijner straf, daar bij toch zoo zwak, onwaardig en nietig was, 11; en bidt om do vergeving zijner zonden, 20. HEEFT niet de mensch eenen strijd op de aarde? en zijn zijne dagen niet als de dagen des daglooners ? 2 Gelijk do dienstknecht hijgt naar de schaduw, en gelijk de daglooner verwacht zijn werkloon; 3 Alzoo zijn mij maanden der ijdelheid ten JOB 5, 6, 7. |
JOB 7, 8, 9.
491
|
ei'vü geworden, on nachten der moeite zijn mij voorbereid. 4 Als ik te slapen lig, dan zog ik: Wanneer zal ik opstaan, en Illj den avond afgemeten hebben? en ik word zat van woelingen, tot aan den schemertijd. 5 Mijn vleesch is met hot gewormte en met het gruis dos stofs bekleed; mijne huid is gekliefd en verachtelijk geworden. (i Mijne dagen zijn ligtor geweest dan eeno weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting. 7 Gedenk, dat mijn loven quot;een wind is; mijn oog zal niet wodorkomon, om hot goede te zien. «Job 8:9. 14:1,2,3. 1G:22. Ps. 90:5,0,9.102:12.103:15. 144 : 4. Jes. 40 : 0. Jakob. 4:14. 1 Potr. 1 : 24. 8 Het oog desgenon, die mij nu ziet, zal mij niet zion; uwe oogon zullen op mij zijn, maar ik zal niet meer zijn. 9 Eone wolk vergaat on vaart honen; alzoo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen. 10 Ilij zal niet moor woderkoeren tot zijn huis, en zijne plaats zal hom niet meer kennen. 11 Zoo zal ik ook mijnon mond niet wodorhou-den, ik zal spreken in benaauwdhoid mijns goestos; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel. 12 Bon ik dan oene zoo, of walvisch, dat Gij om mij wachten zet? 13 Wanneer ik zeg: Mijne bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijne klagt wat wegnomen; 14 Dan ontzet Gij mij mot droomon, en door gozigten verschrikt Gij mij; 15 Zoodat mijne ziel de vorworging kiest; don dood moer dan mijne beenderen. 1G Ik versmaad ze, ik zal toch in dor eouwig-hoid niet loven; houd op van mij, want «mijne dagen zijn ijdelhoid. «Ps. 02:10. 144:4. 17 quot;Wat is do mensch, dat Gij hom groot acht, on dat Gij uw hart op hom zet? a Ps. 8 : 5. 144 : 3. llobr. 2 : G. 18 En dat Gij hom bezoekt in eiken morgenstond? dat Gij hem in eiken oogenblik beproeft? 19 Hoe lang koert Gij U niet af van mij ? en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge? 20 Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Monscbenhooder ? waarom hebt Gij mij U tot oen' togoidoop gestold, dat ik mij zolven tot oon' last zij ? 21 En waarom vergeeft Gij niet mijne overtreding, en doet mijne ongeregtighoid niet weg? want nu zal ik in het stof liggen; en Gij znlt mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn. HOOFDSTUK 8. Hildad bestraft Jobs woordon, vs. 1; prijst Gods go-rogtigheid, 3; beschuldigt Jobs kinderen, 4; maar belooft Job, zoo hij zich bekeerde, Gods genade en zegon, 5; daarentegen bewijst hij uit do ervaring dor vorige tijdon don ondergang dor goddoloozon, 8; troost Job, zoo hij oprogt is, mot Gods beloften, 20. TOEN antwoordde Bildad, de Suhiot, en zeido: |
2 Hoe lang zult gij dezo dingen sproken, on do redenen uws monds een geweldige wind zijn? 3 quot; Zou dan God het rogt verkeeron ? en zou de Almagtigo do geregtigheid vorkeoren? aDout. 32:4. 2 Kron. 19:7. Dan. 9: 14. 4 Indien uwe kinderen gezondigd hebben togen Hom, Ilij hooft hen ook in do hand hunner overtreding geworpen. 5 quot;Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almagtigo om genade bidt; «Job 22:23. G Zoo gij zuiver en rogt zijt, gewisselijk zal ilij nu opwaken, om uwentwil, on Hij zal de woning uwer geregtigheid volmaken. 7 Uw beginsel zal wol goring zijn; maar uw laatste zal zoor vermeerderd worden. 8 quot;Want vraag toch naar hot vorige geslacht, en bereid u tot do onderzoeking hunner vaderen. «Deut, 4:32. 9 quot;Want wij zijn van gisteren, en weten niet; dewijl onze dagen op do aarde ''oono schaduw zijn. «Oon. 47:9. 1 Kron. 29:15. Job 7:5,G,7. Ps. 39:13. b Ps. 102:12. 144:4. 10 Zullen die u niet leeren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen ? 11 Verheft zich do bioze zonder slijk? groeit liet rietgras zonder water ? 12 quot;Als het nog in zijne groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, nogtans verdort hot vóór alle gras. a Ps. 129 : G. Jer. 17 : G. 13 Alzoo zijn de paden van allen, die God vergoten; en quot;do verwachting dos huichelaars zal vergaan. «Job II : 20. 18: 14. Ps. 112:10. Spr. 10:28. 14 Van denwelken zijne hoop walgen zal; on zijn vertrouwen zal zijn een huis dor spinnokop. 15 Hij zal op zijn huis lenen, maar hot zal niet bestaan; bij zal zich daaraan vasthouden, maar hot zal niet staande blijven. 1G Hij is sappig voor do zon, on zijne schouten gaan ovor zijnen hof uit. 17 Zijne wortelen worden bij do springader ingevlochten; hij ziot oono steonige plaats. 18 Maar als God hom verslindt uit zijne plaats, zoo zal zij hom loochenen, zeggende: Ik hob u niet gezien. 19 Zio, dat is do vreugde zijns wegs; en uit hot stof zullen andoren voortspruiten. 20 Zio, God zal den opregte niet verworpen; Hij vat ook do boosdoeners niet bij do hand; 21 Totdat Hij uwen mond mot gelach vervulle, en uwe lippen mot gejuich. 22 Uwo haters zullen met schaamte bekleed worden; en do tent dor goddoloozon zal niot meer zijn. HOOFDSTUK 9. Job erkont do geregtigheid Gods, vs. 1; toont dat het niemand geoorloofd of nuttig is, mot God to twisten, 3; tot dat einde verhaalt hij eenige dor goddelijke eigon-sohappon en werken, 4. Hij belijdt niet bekwaam te zijn om voor God to bestaan, 14. Hij klaagt, dat de vromen mot do onvromon gestraft worden, 22; dat de goddelooze hier hot moeste goed geniet en |
JOB !), 10.
492
|
niot do godvmchtigo, 24; dat hot gevoel van zijn lijden hem uitorst verbaasd maakt, 27; nogtans is hij bereid om zijne onschuld voor God tegen zijne vrienden te verdedigen, 34. MAAR Job antwoordde cn zeide: 2 Waarlijk ik weet, dat het zoo is: want hoe zou quot;de mensch regtvaardig zijn bij God? a I's. 143:2. 3 Zoo Hij lust hooft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden. 4 Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich togen Hein verhard, en vrede gehad? 5 Die de hergen verzet, dat zij liet niet gewaar worden, die zo omkeert in zijnen toorn; (i Die de aarde beweegt uit hare plaats, dat hare pilaren schudden; 7 Die de zon gebiedt, cn zij gaat niet op; on verzegelt de sterren; 8 Die alleen quot;de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee; a Gen. 1 : (i. 9 Die den Wagen maakt, den Orion, en liet Zevengostornto, cn do binnenkameren van het Zuiden; 10 quot;Die groote dingen doet, die men niet door-zookon kan; cn wonderen, die men niet tellen kan. «Job 6 : 9. I's. 72 : 18. 77 : 15. 80 : 10. Kom. 11 : 33. 11 Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hom niot zion; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken. 12 Zie, Hij zal roovcn, wie zal liet Hem doen wedergeven? wie zal tot I lom zeggen : Wat doet Gij ? 13 God zal zijnen toorn niot afkoeren; onder Hom worden gebogen de hoovaardige helpers. 14 Hoe veel min zal ik Hom antwoorden, m mijne woorden uitkiezen tegen Hem? 1quot;) Denwelken ik, zoo ik regtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijnen Regtor zal ik om genade bidden. 10 Indien ik roep, cn Hij mij antwoordt; ik zal niot geloovcn, dat Hij mijne stom tor oore genomen heeft. 17 Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijne wonden zonder oorzaak. 18 Hij laat mij niet toe mijnen adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij mot bitterheden. 19 Zoo hot aan do kracht komt, zie. Hij is sterk; cn zoo het aan hot regt komt, wie zal mij dagvaarden? 20 Zoo ik mij regtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; bon ik opregt. Hij zal mij toch vorkoord verklaren. 21 Ben ik opregt, zoo acht ik toch mijne ziel niet; ik versmaad mijn leven. 22 Dat is een ding, daarom zeg ik: quot;Den opregteen den goddelooze verdoet Hij. aPred.9:2,3. .Mal.3:14. 23 Als do geesel haastolijk doodt, bespot Hij do verzoeking der onschuldigen. 24 De aarde wordt gegeven in do hand des goddeloozon; Hij overdekt hot aangezigt harcr regteren; zoo niot, wie is IIij dan? |
25 quot;En mijne dagen zijn ligter geweest dan oen loopor; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien. «Job 7:0, 7. 20 Zij zijn voorbijgevaren met jagtschepen; gelijk oen arend naar het aas toevliegt. 27 Indien mijn zeggen is; Ik zal mijne klagt vergoten, cn ik zal mijn gebaar laten varen, on mij verkwikken; 28 Zoo schroom ik voor al mijne smarten; ik weet, dat Gij mij niot onschuldig zult houden. 29 Ik zal toch goddeloos zijn: waarom dan zal ik ijdolijk arbeiden? 30 quot;Indien ik mij wasschc met sneeuwwater, cn mijne handen zuivere met zeep; «.lor. 2:22. 31 Dan zuil, Gij mij in de gracht induiken, cn mijne kloedoron zullen van mij gruwen. 32 quot;Want Hij is niot een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zoo wij te zamen in het gerigt kwamen. a Pred. 0 :10. .lor. 49:19. S3 Er is geen scheidsman tusschon ons, (Zie zijne hand op ons beiden leggen mogt. 34 quot;Dat Hij van op mij zijne roede wegdoe, cn dat zijne verschrikking mij niet verbaasd make; «Job 13:20. 33:7. 35 Zoo zal ik spreken, en Hom niet vreezen, want zoodanig bon ik niet bij mij. HOOFDSTUK 10. Job zijne klagten vornieuwonde, wendt zich tot God, vs. 1; verhaalt oonigo punton, waarover hij zich beklaagt, 3; roept mot rodenon Gods ontfermingon over zich in, 9; verklaart dat zijne plagen onvermijdelijk waren, 13, groot on velerlei, 10. Hij wenscht niot geboren te zijn, 18; doch nu wat verkwikt te worden eer de dood hem overkomt, 20; dien hij beschrijft, 22. MIJNE ziel is verdrietig over mijn levon; ik zal mijne klagt op mij laten, ik zal spreken in bitterheid mijner ziel. 2 Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist. 3 Is het U goed, dat Gij verdrukt? dat Gij verwerpt den arbeid uwer handen ; cn over den raad der goddeloozon schijnsel geeft? 4 Hebt Gij vlecschelijke oogen? ziet Gij, gelijk een mensch ziet? 5 Zijn uwe dagen als de dagen van een' mensch? zijn uwe jaren als de dagen eens mans? 0 Dat Gij onderzoekt naar mijne ongeregtigheid, cn naar mijne zonde verneemt? 7 Het is uwe wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nogtans is er niemand, die uit uwe hand ver losse. 8 Uwe handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben; te zamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij. 9 Gedenk toch, dat Gij mij als quot; leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeeren. a Gen. 2:7. 3 : 19. 10 quot; Hebt Gij mij niet als melk gegoten, en mij als eone kaas doen runnen? «I's. 139:15, 10, |
|
11 Mot vel ou vleosch hebt Gij mij boklood, met beenderon ook on zonuwen bobt Gij mij zamon-gevlochten: 12 Bonovens hot lovon bobt (iij weldacligboid aan mij godaan, on uw opzigt iiooft mijnen geest bewaard. 13 Maar dozo dingen bobt Gij verborgen in uw hart; ik woot, dat dit bij U geweest is. 14 Indien ik zondig, zoo zult Gij mij waarnemen, on van mijne misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden, 15 Zoo ik goddeloos ben, wee mij! en ben ik rogtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik bon zat van schande, maar aanzie mijne ellende. 16 Want zij verheft zich; gelijk quot;een felle leeuw jaagt Gij mij, Gij koert weder en stolt IJ wonderlijk togen mij. «Jes. 38:13. Klgld. 3:10. 17 Gij vernieuwt uwe getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt uwen toorn tegen mij; verwisselingen, ja een boirleger, zijn tegen mij. 18 quot; En waarom bobt Gij mij uit do baarmoeder voortgebragt ? Och dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had! a Job 3:11. 19 Ik zou zijn, als of ik niet geweest ware; van moeders buik zou ik tot hot graf gebragt zijn geweest. 20 Zijn mijne dagen niet weinig? houd op, zot van mij af, dat ik mij oen weinig verkwikke; 21 Eer ik bonenga, (en niet wederkom) in oen land dor duisternis en dor schaduwe des doods; 22 Een stikdonker land, als do duisternis zelve, do schaduwe des doods, en zonder ordeningen, en hot geeft schijnsel als de duisternis. HOOFDSTUK 11. Zofar valt Job aan met harde woorden, vs. 1. Hij verklaart, hoe wonderbaar de wijsheid on magt Clods is, 5; vermaant Job tot ware bekeering, 13; hom voorhomlondo Gods beloften, doch dreigt hom Gods straffen, indien hij goddeloos is, 15. TOEN antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide: 2 Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden ? en zou oen klapachtig man regt hebben ? 3 Zouden uwe leugenen do lieden doen zwijgen? en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen? 4 Want gij hebt gezegd: Mijne leer is zuiver, en ik ben rein in uwe oogen. 5 Maar gewisselijk, och of God sprak, en zijne lippen tegen u opende; G En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uwe onge-regtigheid. 7 Zult gij de onderzoeking Gods vinden? zult gij tot de volmaaktheid toe den Almagtige vinden ? 8 Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? dieper dan do hel, wat kunt gij weten ? 9 Langer dan do aarde is bare maat, on broeder dan de zee. |
493 10 Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlovere of vergadere, wie zal dan Hem afkoeren? 11 quot;Want Hij kent do ijdele lieden, en Hij ziet de ondeugd; zou 11 ij dan niot aanmerken? rtPs. 10:11, 14. 85: 22. 12 quot; Dan zal een verstandeloos man kloekzinnig worden: hoewel de mensch als bot veulen eens woudezels geboren is. a .lob 5; 8. 22:21. Pred.3:18. 13 Indien gij uw hart bereid hebt, zoo breid uwe handen tot Hem uit. 14 Indien er ondeugd in uwe hand is, doe die verre weg; en laat het onregt in uwe tenten niot wonen. 15 Want dan zult gij uw aangezigt opheffen uit do gebreken, en zult vast wezen, en niet vreezen. Ki Want gij zult de moeite vergeten, e?i harer gedenken als der wateren, dio voorbijgegaan zijn. 17 Ja, uw tijd zal klaarder dan de middag oprijzen; gij zult uitvliegen, als quot;do morgenstond zult gij zijn. «Ps. 37 : G. 112:4. 18 En gij zult vertrouwen, omdat er verwachting zijn zal; en gij zult graven, quot; gerustelijk zult gij slapen; a Lev. 20:5. 19 quot; En gij zult nederliggon, en niemand zal u verschrikken; en velen zullen uw aangezigt smeeken. n Lev. 20 : G. Ps. 3 : 0. 4: 9. Spr. 3 : 24. 20 Maar quot; de oogen der goddoloozen zullen bezwijken, en de toevlugt zal van ben vergaan; en hunne verwachting zal zijn do uitblazing der ziel. a Job 8 : 13, 14. 18 : 14. HOOFDSTUK 12. Job berispt do goddeloosheid en onbeleefdheid zijnor vrienden, vs. 1; toont aan, dat do goddoloozen op aarde meestal wolvaren, en niot altijd gestraft worden, G; vermaant zijno vrienden tot opschorping van hun verstand en oordeel, II; en erkent do algomeene loer van Gods wijsheid, voorzionighoid, magt en rogtvaardighoid, 13. MAAR Job antwoordde en zeide: 2 Trouwens, omdat gijlieden hot volk zijt, zoo zal de wijsheid met ulieden sterven! 3 Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niot voor u; en bij wien zijn niot dergelijke dingen? 4 quot;Ik ben het, die zijnen vriend eon spot is, maar roepende tot God, die hom verhoort; ''de regtvaardige cn opregte is een spot. «Job 10: 10. 17:2. 21:3. 30:1. 6Spr. 14:2. 5 Hij is eono verachte fakkel, naar de meening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen. 6 De tonton dor verwoesters quot; hebben rust, en die God tergen, hebben verzekerdheden, om bet-gene God met zijne band toebrengt. «.lob 21 : 7. Ps. 73: 11, 12. .lor. 12:1. Hab. 1:3, 4. 7 En waarlijk vraag toch de beesten, cn elk een van die zal het u leeren; en het gevogelte dos hemels, dat zal het u te kennen geven. 8 Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leeren ; ook zullen het u do visscben der zee vertellen. JOl! 10, 11 , 12. |
JOB 12, in, 14.
494
|
9 Wie woet niet uit alle dezen, dat de hand dos Heeren dit doet? 10 In wiens hand do ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vleesoh des menschen. 11 quot;Zal niet hot oor do woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt? f( Job 0:30. 34:3. 12 In de stokouden is do wijsheid, on in de langheid der dagen het verstand. 13 ]5ij Hom is wijsheid en magt; Hij heeft raad en verstand. 14 Ziet, Hij breekt af, en het zal niet herbouwd worden; quot;Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden. a Job 9:12. 11:10. Oponb, 3:7. 15 Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij droogon uit; ook laat Hij ze uit, en zij koeren do aardo om. 16 Bij Hem is kracht en wijsheid, Zijns is de dwalende, en die doet dwalen. 17 quot;Hij voert de raadsheeren beroofd weg, h en de rogters maakt Hij uitzinnig. «2Sam. 15:31.17:14,23. .les. 19:12. 29:14. ICor. 1:19. h2 Sam. 15:31. 18 Den band der koningen maakt Hij los, en Hij bindt den gordel aan hunne lenden. 19 Hij voert do oversten beroofd weg, on de magtigon koert Hij om. 20 quot;Hij beneemt don getrouwen de spraak, en dor ouden oordeel neemt Hij wog. a Job 32:9. Jes. 3:2, 3. 21 quot;Hij giet verachting over de prinsen uit, en quot;ij verslapt den riem dor geweldigen. aPs. 107:40. 22 Hij openbaart do diepten uit do duisternis, on des doods schaduwe quot;brengt Hij voort in het licht. n Matt. 10:26. 1 Cor. 4:5. 23 quot;Hij vermenigvuldigt do volken, en verderft ze; Hij breidt de volken uit, en leidt ze. n Ps. 107:38. 24 Hij neemt hot hart van do hoofden des volks der aarde weg, on doet hen quot;dwalen in hot woeste, waar geen weg is. n Ps. 107:4, 40, 25 Zij tasten in do duisternis, waar geen licht is; on Hij doet hen dwalen, als eenon dronkaard. HOOFDSTUK 13. Job bovostigt, hetgeen hij gezegd had, met zijne eigeno ervaring, vs. 1; beschuldigt zijne vrienden over hnnne verkeerde donk- on handelwijze, 2; begeert dat zij zwijgen, 13; betuigt zijn goed geweten on vertrouwen op God, 14; vraagt twee dingen van God, 20; stort voor Hem zijne klagten nit, 23. ZIET, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan. 2 Gelijk gijlieden /ut, weet, weet ik hot ook; ik zwicht niet voor u. 3 Maar ik zal tot den Almagtige spreken, en bon belust mij te verdedigen voor God. 4 Want gewisselijk gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt quot;nietige medicijnmeesters; a Job 16:2. 5 quot;Och of gij gansch stilzweegt! dat zou uliedon voor wijsheid wezen. aSpr. 17:28. |
(! Hoort toch mijne verdediging, en merkt op de twistingon mijner lippen. 7 quot; Zult gij voor God onregt spreken ? en zult gij voor Hem bedriegerij spreken? a Job 17 : 5. 32 : 21. 30 : 4. 8 Zult gij zijn aangezigt aannemen ? zult gij voor God twisten ? 9 Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? zult gij mot Hem spotten, gelijk men met een' mensch spot ? 10 Hij zal u gewisselijk bestraffen, zoo gij in hot verborgene het aangezigt aanneemt. 11 Zal u niet zijne hoogheid verschrikken, en zijne vreeze over u vallen? 12 Uwe gedachtenissen zijn gelijk asch, uwe hoogten als hoogten van leem. 13 Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij. 14 Waarom zou ik mijn vleosch in mijne tanden nemen, on mijne ziel in mijne hand stellen? 15 Ziet, zoo Hij mij doodde, quot;zou ik niet hopen? evenwel zal ik mijne wogen voor zijn aangezigt verdedigen. «Ps. 23:4. Spr. 14:32. 10 Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor zijn aangezigt niet komen. 17 Hoort naarstiglijk mijne rede, en mijne aanwijzing met uwe ooren. 18 Ziet nu, ik heb het regt ordentlijk gestold; ik woet, dat ik regtvaardig zal verklaard worden. 19 Wie is hij, die mot mij twist? wanneer ik nu zweeg, zoo zou ik den geest geven. 20 Alleenlijk quot; twee dingen doe niet met mij; dan zal ik mij van uw aangezigt niet verbergen. a Job 9 : 34. 33 : 7. 21 Doe uwe hand verre van op mij, en uwe verschrikking make mij niet verbaasd. 22 Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal sproken, en geef mij antwoord. 23 Hoo vele misdaden en zonden heb ik? maak mijne overtreding en mijne zonde mij bekend. 24 Waarom verbergt Gij uw aangezigt, en houdt mij quot; voor uwen vijand ? «Job 16 : 9. 19 : 11. 33 : 10. Klgld. 2 : 5. 25 Zult Gij een gedreven blad verbrijzelen? en zult Gij eenen droogen stoppel vervolgen? 20 Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen; en Gij doet mij erven de misdaden quot;mijner jongheid. « Ps. 25 : 7. 27 Gij quot;logt ook mijne voeten in den stok, en neemt waar al mijne paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten. a Job 33:11. 28 En hij veroudert als eene verrotting, als een kleed, dat de mot opeet. HOOFDSTUK 14. Job, trachtende oonigo verligting zijner plagen bij God te vindon, beschrijft do gewone ellende van het menscholijko loven, vs. 1; bidt om voor oenen tijd van zijn lijdon to worden ontslagen, 13; beklaagt zich over Gods gestrengheid jegens den mensch en zijn oigon persoon, 16; ook jegens andoren en hnnne nakomelingen, 21. |
JOB 14, 15.
495
|
DE mensch, van eono vrouw geboren, quot; is kort van dagen, en zat van onrust. a Ps. 90 : 5, G, 9. 102 : 12. 103 : 15. 144 : 4. Jakob. 4 : 14. 2 Hij komt voort als «eene bloem, en wordt afgesneden; ook vlugt hij als eono schaduw, en bestaat niet. ffPs. 103:15. Jes. 40:0. I Petr. 1:24. /(Job 8:9. Ps. 90:6, 10. 102:12. 144:4. 3 quot;Nog doet Gij uwe oogen over zulk eenen open; en Gij betrekt mij in hot tferm't met U. et Job 7: 17, 18. 10:20. 4 quot;Wie zal eenen reine geven uit den onreine? niet één. «Gen. 5 : 3. Ps. 51 : 7. Joh. 3 : G. Rom. 5 : 12. Efoz. 2 : 3. 5 quot;Dewijl zijne dagen bestemd zijn, liet getal zijner maanden bij U is, C7i Gij zijne bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal; aJob7:1. 6 quot;Wend U van hem af, dat hij rust hebbe, totdat hij als een ''daglooner aan zijnen dag een welgevallen hobbe. a.lol)7: 1G, 19. 10:20. ft .lob 7:1,2. 7 Want voor eenen boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, on zijn scheut niet zal ophouden. 8 Indien zijn wortel in de aarde veroudert, en zijn stam in hot stof versterft; 9 Hij zal van den reuk der wateren wederuit-spruiten, en zal eenen tak maken, gelijk eeno plant. 10 Maar een man sterft, als iiij verzwakt is, en de mensch geeft don geest, waar is hij dan? 11 De wateren verloopen uit een meer, en eene rivier droogt uit en verdort; 12 Alzoo ligt de mensch neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hunnen slaap opgewekt worden. 13 Och of Gij mij in liet graf verstaakt, mij ver-bergdet, totdat uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij eene bepaling steldet, en mijner gedachtig waart! 14 Als oen man gestorven is, zal hij weder leven? ik zou al do dagen mijns strijds hopen, totdat mijne verandering komen zou : 15 Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot hot werk uwer handen zoudt begeerig zijn. 16 quot;Maar nu tolt Gij mijne treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil. «.lob 31 : 4. 34:21. I's. 5G : 9. 130 : 2, 3, 4. Spr. 5:21. .lor. 32: 19. 17 Mijne overtreding is in een bundeltje verzegeld, en Gij pakt mijne ongeregtighoid opeen. 18 En voorwaar een berg vallende vergaat, en eene rots wordt versteld uit hare plaats; 19 De wateren vermalen de steenen, het stof der aarde overstelpt het gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; alzoo verderft Gij de verwachting des menschen. 20 Gij overweldigt hem in eeuwigheid, en hij gaat heen; veranderende zijn gelaat, zoo zendt Gij hem weg. 21 Zijne kinderen komen tot eer, en hij weet hot niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen. |
22 Maar zijn vleesch non aan ',em zijnde, heeft smart; on zijne ziel, in hom zijnde, heeft rouw. HOOFDSTUK 15. Elifaz beschuldigt Job van ijdelheid, vs. 1; goddeloosheid, 4; cn vermetelheid in zijne voorstollon, 7; tegon zijne vrienden, 9; ja togen God zolven, 11; omdat hij zijne geregtigheid voorsprak, 14. Hij bewijst togen Job, uit de ervaring en de getuigenissen der voorvaderen, 17; dat God do goddeloozon straft, 20, om hunne boosheden, 25; waarin zij vergaan, 29. TOEN antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide: 2 Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijnen buik vullen met oostewind? 3 Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet ? 4 Ja gij vernietigt de vreoze, en neemt het gebed voor het aangezigt Gods weg. 5 Want uw mond leert uwe ongeregtigheid, on gij hebt de tong der arglistigen verkoren. G Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uwe lippen getuigen, tegen u. 7 Zijt gij de eerste eeu mensch geboren? of zijt gij vóór de heuvelen voortgebragt ? 8 quot; Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken? a Rom. 11 : 34. 9 Wat weet gij, dat wij niet weten? «wi verstaat gij, dat bij ons niet is? 10 quot;Onder ons is ook een grijze, ja een stokoude, meerder van dagen dan uw vader. rt.lob32:7. 11 Zijn de vertroostingen Gods u te klein? en schuilt er eenige zaak bij u ? 12 Waarom rukt uw hart u weg? en waarom wenken uwe oogen? 13 Dat gij uwen geest keert tegen God, aw zulke redenen uit uwen mond laat uitgaan. 14 quot;Wat is de mensch, dat hij zuiver zou zijn? en die geboren is van eene vrouw, dat hij regt-vaardig zou zijn? «1 Kon.8:40. 2Kron.G:3G. Jobl l :4. Ps. 14:3. Spr. 20:9. Prod. 7:20. 1 Joh. 1 ;8, 10. 15 quot;Zie, op zijne heiligen zou Hij niet vertrouwen, en ''de hemelen zijn niet zuiver in zijne oogen. a Job 4 : 18. ?;.lob 4 : 18. 25 : 5. 1G Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onregt indrinkt als water? 17 Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen; 18 Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hunne vaderen niet verborgen heeft; 19 Denwelken alleen het land gegeven was, en door welker midden niemand vreemds doorging. 20 Te allen dage doet de goddelooze zich zeiven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd. 21 Het geluid der verschrikkingen is in zijne ooren; quot; in den vrede zeiven komt de verwoester hom over. a 1 Thess. 5 : 3. |
JOB 15, 16, 17.
|
22 Hij gelooft niet uit de duisternis weder te koeren, maar dat hij beloerd wordt ton zwaarde. 23 Hij zwerft hoen en weder om brood, waar het zijn mag; hij woot, quot;dat bij zijne hand gereed is de dag dor duisternis. a .lob IS: 12. Ps. 109 : 10. 24 Angst on benaauwdheid verschrikken hom, zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ton strijde. 25 Want hij strekt tegen God zijne hand uit, en tegen den Almagtigo stelt hij zich gowoldolijk aan. 20 Hij loopt togon hom aan met den hals, mot zijne dikke, hoog verhevene schilden. 27 Omdat iiij zijn aangezigt mot zijn vet bedekt hooft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen; 28 En hooft bewoond verdelgde steden, en huizen , die men niet bewoonde, die gereed waren tot .s^eewhoopen to worden. 2!) Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hunne volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde. :!() Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijnen schout verdroegen; quot; hij zal wijken door het geblaas zijns monds. a.lob 4:9. Ãl Hij betrouwe niet op ijdolhoid, waardoor hij verleid wordt: want ijdolhoid zal zijne vergelding wezen. 32 quot;Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden: want zijn tak zal niet groenen. «Job 22:10. Ps. 55:24. 33 Men zal zijne onrijpe druiven afrukken, als van oenen wijnstok, en zijn bloeisol afwerpen, als van oenen olijfboom. 34 Want do vergadering der huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten der geschenken. 35 quot;Zij ontvangen moeite, en baron ijdelheid, en hun buik rigt bedrog aan. a I's, 7 : 15. .los. 50 : 4. Hos. 10 : 13. HOOFDSTUK 16. Job verwijt zijnen vrienden, dat zij onvriendelijke en onbekwame vertroosters waren, vs. 1; hij klaagt weder over zijnen ellendigen toestand, 6; hoewol bij onschuldig was aan hotgono, waarmede zijne vrienden hem bezwaarden, 17; wenschende zulks voor God zeiven te mogen verantwoorden, 21; niettegenstaande zijn loven hier zeer kort was, 22. MAAR Job antwoordde en zeide: 2 Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; quot;gij allen zijt moeijolijke vertroosters. a.lob 13:4. 3 Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? of wat stijft u, dat gij alzoo antwoordt? 4 Zou ik ook, als gijlieden, sproken, indien uwe ziel ware in mijner ziele plaats? zou ik woorden tegen u zamonhoopen ? en zou ik over u met mijn hoofd schuddon? 5 Ik zou u versterken met mijnen mond, en do beweging mijner lippen zou zich inhouden. 6 Zoo ik spreek, mijne smart wordt niet ingehouden ; en houd ik op, wat gaat er van mij weg? |
7 Gowisselijk, Hij hooft mij nu vermoeid; Gij hebt mijne ganscho vergadering verwoest. 8 Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot oen' getuige; en mijne magerheid staat togen mij op, zij getuigt in mijn aangezigt. 9 quot;Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij. Hij knerst over mij mot zijne tanden; mijn weder-partijdor ''scherpt zijne oogen togon mij. «.lob 10:10, 17. i.Tob 13:24. 10 Zij gapen met hunnen mond togen mij, zij slaan met smaadhoid op mijne kinnebakkon; zij vervullen zich te zamen aan mij. 11 God heeft mij don verkeerden overgegeven, en hoeft mij afgewond in de handen dor goddo-loozon. 12 Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijnen nek gegrepen, en mij verpletterd; quot;on IIij hooft mij zich tot een doelwit opgerigt. «Job 7 : 20. Klgld. 3 : 12. 13 Zijne schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijne nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij hooft mijne gal op de aarde uitgegoten. 14 Hij hooft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is togen mij aangeloopon als een geweldige. 15 Ik heb oenen zak over mijne huid genaaid, quot; ik heb mijnen hoorn in het stof gedaan. o Job 30 :19. 16 Mijn aangezigt is gansch bemodderd van woonon, en over mijne oogleden is des doods schaduw; 17 Daar toch geen wrevel in mijne handen is, en mijn gebod zuiver is. 18 O aarde! bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geene plaats. 19 Ook nu, zie, in den hemel is mijn getuige, on mijn getuige in de hoogten. 20 Mijne vrienden zijn mijne bespotters; doch mijn oog druipt tot God. 21 Och, mogt men quot; regten voor een' man met God, gelijk een kind des menschen voor zijnen vriend! «Job31:35. Prod.0:10. .les. 45:9. Kom.9:20. 22 Want weinige jaren in getal zullen er nog aankomen, en ik zal het pad henengaan, waardoor ik niet zal wedorkooren. HOOFDSTUK 17. Job keert weder tot klagen over zijn ellendig leven, vs. 1 ; en de onhenschheid zijner vrienden, 2. Hij beroept zich van zijne vrienden opOod, 3. Hij toont wat met groote ellende en tegonheden pleegt ver-eenigd te zijn, 0; vermaant zijne vrienden boter te oordeelen en te spreken, K); en verlangt den dood meer dan zijne herstelling, 11. MIJN geest is verdorven, mijne dagen worden uitgebluscht, de graven zijn voor mij. 2 Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunliedor verbittering? 3 Zet toch bij, stel mij een' borg bij U; wie zal hij zijn? dat in mijne hand geklapt worde. 4 Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhoogon. |
JOB 17, 18, IS).
407
|
5 Die inet, vleijing den vrionclon wat aanzegt, ook zijner kinderen oogon zullen versmachten, (j a Doch Hij lieeft mij tot een spreekwoord dei-volken gesteld; zoodat ik eon trommelslag ben voor Ieders aangezigt. «.lob 30:0. 7 Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijne ledematen zijn gelijk eene schaduw. 8 Do opregton zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich togen den huichelaar opmaken; 9 En de regtvaardige zal zijnen weg vasthouden, en die rein van handen is, zal in sterkte toenemen. 10 quot;Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu : want ik vinde onder u geen' wijze, a .lob C : 29. 11 quot;Mijne dagen zijn voorbijgegaan, uitgerukt zijn mijne gedachten, de bezittingen mijns harten. a Job 7 : (i. 9 : 25. 12 Den nacht verstellen zij in don dag; het licht is nabij den ondergang van wage de duisternis. 13 Zoo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden. 14 Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! tot het gewormte: Mijne moeder, en mijne zuster! 15 Waar zou dan nu mijne verwachting wezen? ja mijne verwachting, wie zal ze aanschouwen? Ki Zij zullen ondervaren met de handboomen «les grafs, als er rust te zamen quot; in het stof wezen zal. a Job 3:17, IS, 19. 30:23, 24. HOOFDSTUK 18. Hi klad berispt Job van veel sprokens, vs. I; van boog--inocd, 3; van toom, 4. Hij verhaalt do regtvaardige oordeelen Gods over de goddoloozen, 5; tot verschrikking der nakomelingen, 20. Hij besluit zijn verhaal met dit le verzekeren, 21. TOEN antwoordde Bildad, deSuhiet, onzeide: 2 Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? merkt op, en daarna zullen wij spreken. 3 Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder oogon? 4 quot;O gij, die zijne ziel verscheurt door zijnen toorn ! zal om uwentwil de aarde verlaten worden ? en zal eene rots versteld worden uit hare plaats? a Job 13 : 14. 5 Ja het licht der goddeloozen zal uitgebluscht worden, en do vonk zijns vuurs zal niet glinsteren. fi Het licht zal verduisteren in zijne tent, en zijne lamp zal over hem uitgebluscht worden. 7 De treden zijner magt zullen benaauwd worden , en zijn raad zal hem nederwerpen. 8 Want mot zijne voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen. 9 De strik zal IieDi bij de verzenen vatten; quot;de struikroover zal hem overweldigen. a Job 5:5. 10 Zijn touw is in do aarde verborgen, en zijn val op het pad. 11 quot;Do beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooijen op zijne voeten. «Job 15:21. Jer. G: 25. 40:5. 49:29. |
12 Zijne magt quot;zal hongerig wezen, en hot verderf is bereid aan zijne zijde. a Job 15:23. 13 Do eerstgeborene dos doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijne grendelen zal hij verteren. 14 quot; Zijn vortrouwen zal uit zijne tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot den koning der verschrikkingen. a Job 8: 13, 14. 11 : 20. Spr. 10:28. 15 Zij zal wonen in zijne tent, waar zij de zijne niet is; zijne woning zal met zwavel overstrooid worden. 16 Van onder zullen zijne wortelen verdorren, on van boven zal zijn tak afgesneden worden. 17 quot;Zijne gedachtenis zal vergaan van do aarde, en hij zal goen' naam hebben op de straten. n Ps. 109:13. Spr. 10:7. 18 Men zal hom stooten van hot licht in do duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen. 19 quot; Hij zal geenen zoon, noch neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijne woningen overig zijn. «.los. 14:22. .lor. 22:30. 20 Over zijnen dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en do ouden met schrik bevangen worden. 21 Gewisselijk zoodanige zijn do woningen dos verkeerden, en dit is de plaats dengenen, die God niet kent. HOOFDSTUK 19. Job beschuldigt zijne vrienden, dat zij jogons bom onbeleefd en onbarmhartig waren, vs. 1; geen acht nemende op zijn lijden, (i; waarin hij verlaten scheen te zijn, 7. Hij beschrijft de grootheid en veelheid zijner rampen, 8; vermaant zijne vrienden tot medelijden over hem, 21; wenscht dat zijn lijden en woorden eeuwiglijk gedacht wierden, 23. Hij troost zich met zijnen Verlosser on de opstanding des vleesches, 25; spoort zijne vrienden aan tot hunnen schuldigen pligt, 28. MAAR Job antwoordde en zeide: 2 Hoe lang zult gijlieden mijne ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen? 3 Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij. 4 Maar ook het zij waarlijk, dat ik gedwaald heb, mijne dwaling zal bij mij vernachten. 5 Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijnen smaad tegen mij drijft; 6 Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met zijn net omsingeld. 7 Ziet, ik roop, geweld! doch word niet verhoord ; ik schreeuw, doch er is geen regt. 8 Hij heeft mijnen weg toogemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijne paden hoeft Hij duisternis gesteld. 9 Mijne eer hoeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen. 10 Hij heeft mij rondom afgebroken, zoodat ik henenga, on hoeft mijne verwachting als oenen boom weggerukt. |
JOB 19, 20.
498
|
11 Daartoe hoeft Hij zijnen toorn tegen mij ontstoken, en mij bij zich quot;geacht als zijne vijanden. «Job l.'i ; 21. 10:0. 33:10 Klgld. 2:5. 12 Zijne benden zijn te zamon aangekomen, en hebben tegen mij haren weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijne tent. 13 quot;Mijne broeders heeft Hij verre van mij go-daan; en dio mij kennen, zekerlijk zij zijn van mij vervreemd. «Ps. 31 : 12. 38: 12. (iO : i). 88:9. 14 Mijne nabestaanden houden op, on mijne bekenden vergeten mij. 15 Mijne hnisgenooton en mijne dienstmaagden achten mij voor oonen vreemde; oen nitlander l)en ik in hunne oogen. 1(1 Ik riep mijnen knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte niet mijnen mond tot hem. 17 Mijn adem is mijne huisvrouw vreemd; on ik smeek om der kinderen mijns buiks wil. 18 quot; Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zoo sproken zij mij tegen. «Job 30: 1. 19 quot; Alle menschen mijns heinielijkon raads hebben oenen gruwel aan mij; en die ik lief had, zijn tegen mij gekoerd. «Ps. 41:10. 55:14, 15. 20 quot; Mijn gebeente kleeft aan mijne huid en aan mijn vleesch; on ik ben ontkomen met de huid mijner tanden, «.lob 30:30. Ps. 102:0. Klgkl. 4:8. 21 Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijne vrienden! want do hand Gods hoeft mij aangeraakt. 22 Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vleesch? 23 Och of nu mijne woorden toch opgeschreven wierdon! Och of zij in oen boek ook wiordon in-geteokond! 24 Dat zij mot eene ijzeren griffie en lood voor eeuwig in oene rots gehouwen wierden! 25 Want ik weet, mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over liet stof opstaan: 2G En als zij na mijne huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vleesch God aanschouwen; 27 Donwelken ik voor mij aanschouwen zal, on mijne oogen zien zullen, en niet een' vreemde: mijne nieren verlangen zeer in mijnen schoot. 28 Voorwaar gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt. 29 Schroomt u van wege het zwaard: want do grimmigheid is over de misdaden dos zwaards; opdat gij weet, dat er oen gerigt zij. HOOFDSTUK 20. Zofar verklaart reden te hebben om Job to antwoorden, vs. 1: betoogt dat hot geluk der goddeloozen weldra vergaat, 4; en dat God hun veelvuldige plagen toezendt, 10. Besluit van dit betoog, 29. TOEN antwoordde Zofar, do Naiimathiot, on zoide: 2 Daarom doen mijne gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij. |
3 Ik heb aangehoord oene bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn vorstand voor mij antwoorden. 4 Weet gij dit? van altoos af, van dat God don menscli op de wereld gozot heeft, 5 quot; Dat hot gejuich dor goddoloozon van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een' oogenblik? «Ps. 37:35, 36. G Wanneer zijne hoogheid tot den hemel toe op-klomme, on zijn hoofd tot aan do wolken raakte; 7 Zal hij, gelijk zijn drek, in eeuwigheid vergaan; die hom gezien haddon, zullen zeggen: Waar is hij ? 8 Hij zal wegvliegen als oen droom, dat men hom niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een gozigt des nachts. 9 Hot oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijno plaats zal hem niet meer aanschouwen. 10 Zijne kinderen zullen zoeken den armen te behagen; en zijne handen zullen zijn vermogen moeten woderuitkeeron. 11 Zijne beenderen zullen vol van zijno verborgene zonden zijn; van welke elk een met hom op het stof nederliggen zal. 12 Indien hot kwaad in zijnen mond zoet is, hij dat verbergt onder zijne tong, 13 Hij dat spaart, on hotzolvo niet verlaat, maar dat in hot midden van zijn gehemelte inhoudt; 14 Zijno spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn. 15 Hij hooft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal hot uit zijnen buik uitdrijven. Ui Hot vergift der adderen zal hij zuigen, de tong der slang zal hem dooden. 17 De stroomon, rivieren, bokon van honig en boter zal hij niet zien. 18 Den arbeid zal hij wedergeven en niet inslok-kon; naar hot vermogen zijner verandering, zoo zal hij van vreugde niet opspringen. 19 Omdat hij onderdrukt hooft, de armen verlaten hooft, quot;een huis geroofd heeft, dat hij niot opgebouwd had; aPred. 5:12. 20 Omdat hij geene rust in zijnon buik gekend heeft, zoo zal hij van zijn gewonscht goed niot uitbehouden. 21 Er zal niets overig zijn dat hij ete; daarom zal hij niot wachten naar zijn goed. 22 Als zijne gonoegzaamhoid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigon zal over hem komen. 23 Er zij wat om zijnen buik te vullen. God zal over hem do hitte zijns toorns zeilden, en over hem regenen op zijne spijze. 24 Hij zij gevloden van de ijzeren wapenen, de stalen boog zal hem doorschieten. 25 Men zal het zwaard, uittrekken, hot zal uit het lijf uitgaan, en glinsterende uit zijne gal voortkomen ; verschrikkingen zullen over hem zijn. 26 Alle duisternis zal verborgen zijn in zijne schuilplaatsen; een vuur, dat niet opgeblazen is, |
JOB 20, 21, 22.
499
|
zal lioin vertoren; den overigen in zijne tont zal hut kwalijk gaan. 27 Do homol zal zijne ongeroytighoitl oponbaron, en de aarde zal zich tegen hem opmaken. 28 Do inkomsto van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal al henonvloeijon in don dag zijns toorns. 29 Dit is hot deel des goddeloozen monschen van God, en de erve zijner redenen, van God. HOOFDSTUK 21. Job verzoekt, dat zijne vrienden naai' hem hooren, vs. 1; geeft reden, waarom zijn geest ontsteld is, 4; toont dat de goddeloozen meest voorspoedig zijn in do wereld, 7; ofschoon zij God lasteren, 14; nogtans worden /.ij hier zelden gestraft, 17; God is regt-vaardig, hoewel Hij ongelijk met de monschen handelt. 22. Job beschuldigt zijne vrienden, dat zij kwade gedachten voedden van zijne kinderen, 27: bewijst dat do goddelooze hier meest gedurende zijn leven ongestraft blijft, 29. Hij verwerpt de vertroostingen zijner vrienden, 34. MAAR Job antwoordde on zeide: 2 Hoort aandachtelijk mijne redo, en laat dit zijn uwe vertroostingen. :j Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot. dan. 4 Is (mij aangaande) mijno klagt tot den monsch? doch of het zoo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn? 5 Ziot mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond. (! Ja wanneer ik daaraan gedenk, zoo word ik beroerd, en mijn vleesch heeft een gruwen gevat. 7 quot; Waarom leven de goddeloozen, worden oud, ja worden geweldig in vermogen? aPs. 17 : 10. 78:12. .Ier. 12: 1. Ilab. 1: 1G. 8 Hun zaad is bestendig met hen voor hun aan-gezigt, en hunne spruiten zijn voor hunne oogen. i) Hunne huizen hebben vrede zonder vreeze, en de roede Gods is op hen niet. 10 Zijn stier bespringt, on mist niet; zijne koe kalft, cn misdraagt niet. 11 Hunne jonge kinderen zenden zij uit als eene kudde, en hunne kinderen huppelen. 12 Zij heffen op met den trommel en do harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels. li! In het goede verslijten zij hunne dagen; en in een' oogonblik dalen zij in hot graf. 14 quot;Nogtans zeggen zij tot God: Wijk van ons! want aan do kennis uwer wegen hebben wij gee-nen lust. a Job 22 : 17. 15 quot;Wat is de Almagtigo, dat wij Hem zouden dienen? en wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanloopen zouden? «Ex. 5:2. Mal. 3:14. 1G Doch ziet, hun goed is niet in hunne hand; quot; de raad der goddeloozen is verre van mij. a Job '22 : 18. 17 Hoe dikwijls geschiedt hot, dat de lamp der goddeloozen uitgebluscht wordt, en hun verderf hun overkomt; dat f/od hun quot;smarten uitdeelt in zijnen toorn! «Job 20:29. Ps. 11 :G, 7. |
18 Dat zij gelijk stroo worden voor den wind, en gelijk kaf, dat do wervelwind wegsteel!; 19 Dat God zijn geweld weglegt voor zijne kinderen, hem vergeldt, dat hij het gewaar wordt; 20 Dat zijne oogen zijnen ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid des Almagtigen ! 21 Want wat lust zou hij na zicii aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is? 22 quot;Zal men God wetenschap leeren, daar Hij de hoogen rigt? «Jos.40:13. Rom.11:34. lCor.2:10. 23 Deze sterft in do kracht zijnor volkomenheid, daar hij gansch stil en gerust was; 24 Zijne melkvaten waren vol melk, eu het merg zijner beonon was bevochtigd. 25 De ander daarentegen sterft met eene bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten. 2G Zij liggen te zamen neder in het stol', quot;en hot gewormte overdekt ze. «,lob 17 : 14. 27 Ziet, ik weet ulieder gedachten, en do booze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet. 28 Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins? en waar is do tent van do woningen der goddeloozen ? 29 Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaan-den op don weg? en kent gij hunne teekenen niet? 30 quot;Dat de booze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden. aSpr. tG:4. 31 Wie zal hem in het aangezigt zijnen weg ver-toonen? als hij wat doet, wie zal hem vergelden? 32 Eindelijk wordt hij naar de graven gebragt, en is gedurig in den aardhoop. 33 Do kluiten des dals zijn hom zoet, en hij trekt na zich alle monschen; on dergenen, die vóór hem geweest zijn, is geen getal. 34 Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid? do-wijl ui uwe antwoorden overtreding overig is. HOOFDSTUK 22. Elifaz verklaart, dat God van 's menschen vroomheid goon voordeel heeft, vs. 1 ; on den mensoh niet. straft, omdat Hij hem vreest, 4; beschuldigt Job Van vele misdaden, om welke hij van God gestraft wordt, 5; ook dat hij de goddelijke Voorzienigheid verloochend heeft, 12; houdt hem voor, dat God ten allen tijde do goddeloozen gestraft hoeft, 15; vermaant hem tot bekeei'ing, 21; met belofte van Gods genadigen zegen, 23. TOEN antwoordde Elifaz, do Tliomaniet, on zeide: 2 Zal ook een man Gode voordeelig zijn? Maar voor zich zeiven zal de verstandige voordeelig zijn. 3 Is het voor den Almagtigo nuttigheid, dat gij regtvaardig zijt? of gewin, dat gij uwe wogen volmaakt ? 4 Is het om uwe vreeze, dat Hij u bestraft, dat 11 ij met u in het gerigt komt? 5 Is niet uwe boosheid groot, en uwer ongoreg-tigheden geen einde? G Want quot;gij hebt uwen broederen zonder oorzaak pand afgenomen, en de kleedoren der naakten hebt gij uitgetogen. «Ex 22:20,27. Deut. 24:G, 10,enz. 32* |
JOB 22, 23, 24.
500
|
7 Den inoodo hebt gij geen water te drinken ge-goven, en van don hongerige hebt gij hot brood onthouden. 8 Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en eon aanzienlijk porsoon woonde daarin. 0 De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der weezen zijn verbrijzeld. 10 Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid hoeft n haastelijk heroord. 11 Of gij ziet do duisternis niet, en dos waters overvloed bedekt u. 12 Is niet God in do hoogte der hemelen? zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn. 13 Daarom zegt gij: Wat weet er God van ? zal Hij door de donkerheid oordoelen ? 14 De wolken zijn Hom eene verberging, dat Hij niet ziot; en Hij bewandelt den omgang der hemelen. 15 Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongeregtige lieden betreden hebben? 10 Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was: een vloed is over hunnen grond uitgestort; 17 quot;Die zeiden tot Gotl: Wijk van ons! en wat had de Almagtige hun gedaan? a.lob 21:14. 18 Hij had immers hunne huizen mot goed vervuld; quot;daarom is de raad der goddeloozen verre van mij. «Job 21 : 10. 19 quot;De regtvaardigen zagen liet on waren blijde, en de onschuldige bespotte hen: «Ps. 107:42. 20 Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft. 21 Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen. 22 Ontvang toch de wet uit zijnon mond, en leg zijne redenen in uw hart. 23 Zoo gij u quot; bekeert tot den Almagtige, gij zult gebouwd worden; doe het onregt verre van uwe tenten. «.lob 8:5, 0. 24 Dan zult gij het goud op liet stof leggen, en het goud van Ofir bij den rotssteen der beken; 25 Ja, de Almagtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver wezen: 26 Want dan zult gij u over den Almagtige verlustigen, on gij zult tot God uw aangezigt opheffen. 27 Gij zult tot Hom ernstelijk bidden, en Hij zal u verhooren; en gij zult uwe geloften betalen. 28 Als gij eene zaak besluit, zoo zal zij u bestendig zijn; en op uwe wegen zal het licht schijnen. 2!) Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhooging; dan zal God den nederige van oogen quot;behouden. aSpr. 29:23. 30 Ja Hij zal dien bevrijden, die niet onschuldig is, want hij wordt bevrijd door de zuiverheid uwer handen. HOOFDSTUK 23. Job klaagt, dat hij van weerspannigheid beschuldigd wordt, vs. 1; wenscht dat zijne zaak voor God gebragt mogt worden, 3; steunende op zijn goed geweten, 10; maar is verschrikt over Gods onveranderlijk besluit en hooge majesteit, 13. |
MAAR Job antwoordde en zoido: 2 Ook heden is mijne klagt wederspanuigheid; mijne plage is zwaar boven mijn zuchten. 3 Och of ik wist, dat ik Hem vinden zou! ik zou tot zijnen stool komen: 4 Ik zou het regt voor zijn aangezigt ordentelijk voorstellen, en mijnen mond zou ik met verdedigingen vervullen. 5 Ik zou do redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou. (i Zou Hij naar do grootheid zijner magt met mij twisten? neen; maar Hij zou acht op mij slaan. 7 Daar zou de opregte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijnen Regter vrijmaken. 8 Zie, ga ik voorwaarts, zoo is Hij er niet, of achterwaarts, zoo verneem ik Hem niet. 9 Als Hij ter linkerhand werkt, zoo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij zich ter regterhand, zoo zie ik Hem, niet. 10 Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij, als goud zal ik uitkomen. 11 Aan zijnen gang heeft mijn voet vastgehouden; zijnen weg quot;heb ik bewaard, en ben niet afgeweken. «Job 31:4, en/.. 12 Het gebod zijner lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd. 13 Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkoeren? quot;wat zijne ziel begeert, dat zal Hij doen. a I's. 115:3. 14 Want Hij zal volbrengen, dat over mij bescheiden is; en diergelijke dingen zijn er vele bij Hom. 15 Hierom word ik voor zijn aangezigt beroerd; aanmerke hot, en vreeze voor Hom: 1G Want God heeft mijn hart week gemaakt, en do Almagtige heeft mij beroerd; 17 Omdat ik niet uitgedelgd ben vóór do duisternis, en dat Hij van mijn aangezigt de donkerheid bedekt heeft. HOOFDSTUK 24. Daar EHfaz beweerd had, dat God te allen tijde allo goddeloozen gestraft had, wederlegt .lob hem met de algemeeno ervaring der vromen, vs. 1. Job verhaalt de booze werken der goddeloozen, 2; alsmede hunnen gemakkelijken dood, 19; ofschoon zij geweldigen zijn, 21; maar dat God regtvaardig is, en hun doen ziet en straft, 23; dit alles wil Job staande houden, 25. WAAROM zouden van den Almagtige de tijden niet verborgen zijn, dewijl zij, die Hem kennen, zijne dagen niet zien? 2 Zij quot; tasten de landpalen aan; de kudde roo-ven zij, en weiden ze. a Deut. 19 : 14. 27 :17. Spr. 22 : 28. 23 :10. 3 Den ezel der weezen drijven zij weg, den os eener weduwe nemen zij te pand. 4 Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen quot; versteken zich de ellendigen des lands. «Spr. 28:28. 5 Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan |
|
uit tot hun work, makende zicli vroeg op ten roof; hot vlakke void is hem tot spijs, en den jongeren. 6 Op het void maaijen zij zijn vooder, on den wijnberg des goddeloozon lezen zij af. 7 Don naakte laten zij vernachten zonder klec-ding, die geen deksel heeft togen do koude. 8 Van don stroom der borgen worden zij nat, en zonder toevlugt zijnde, omhelzen zij de steonrotson. !) Zij rukken hot weesje van de borst, en dat over den arme is, nomen zij te pand. 10 n Don naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, die garven dragen. a Lev. 19:13. 11 Tusschen hunne muren persen zij olie uit, treden do wijnpersen, en quot;zijn dorstig. a Uout. 25 : 4. Jakob. 5 ; 4. 12 Uit do stad zuchten do lieden, on do ziel dor verwonden schreeuwt uit; nogtans beschikt God uiets ongerijmds. 13 Zij zijn onder de woderstrevors des lichts; zij kennen zijne wegen niet, en zij blijven uiot op zijne paden. 14 Met het licht staat do moorder op, quot;doodt don arme en den nooddruftige; en des nachts is hij als oen dief. aPs. 10:8, 9. 15 quot; Ook neemt hot oog dos overspelors de schemering waar, zeggende: ''Geen oog zal mij zien; en hij legt oen deksel op hot aangezigt. a Spr. 7:8, 9. b I's. 10 : 11. 16 In de duisternis doorgraaft hij do huizen, die zij zich des daags afgetoekend hadden; quot; zij konnon hot licht niet. a Job 38:15. Joh. 3:20. 17 Want de morgenstond is hun te zamen do schaduw des doods; als men hen kont, zijn zij in do schrikken van dos doods schaduw. 18 Hij is licht op hot vlakke der watoren; vervloekt is hun dool op do aarde; hij wendt zich niet tot den weg dor wijngaarden. 19 De droogte mitsgaders de iiitte nemen do snoouwwateren weg; alzoo het graf degenen, die gezondigd hebben. 20 De baarmoeder vergeet hem, hot gewormte is hom zoet, zijns wordt niet meer gedacht; en liet onregt wordt gebroken als oen hout. 21 De onvruchtbare, die niet baart, toert hij af, en aan do weduwe doet hij niets goeds. 22 Ook trekt hij de magtigen door zijne kracht; staat hij op, zoo is men dos levens niet zeker. 23 Stelt hom God- in gorustigheid, zoo steunt hij daarop; nogtans zijn zijne oogon op hunne wegen. 2! Zij zijn een weinig tijds verhoven, daarna is er niemand van hen; zij worden nodergedrukt, gelijk allo anderen worden zij besloten; en gelijk de top eener aar worden zij afgesneden. 25 Indien hot nu zoo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijne rede tot niet brengen? HOOFDSTUK 25. Bilclad stelt .lob (lods majesteit voor, vs. 1; opdat hij zich voor Ood niet rcgtvaardig'e, daar hij als andere monschen onrein was, 4; en zelfs do hemelsche lichten voor God hun schijnsel verliezen moeten, 5. |
501 TOEN antwoordde Bildad, de Subiet, en zoide: 2 Heerschappij en vrooze zijn bij Hem; Hij maakt vrede in zijne hoogten. 3 Is er een getal zijnor bendon? en over wien staat zijn licht uiot op? 4 Hoe zou dan een mensch quot; regtvaardig zijn bij God? en ''hoe zou hij zuiver zijn, die van eene vrouw geboren is? a Joli 4:17, 18, 19. 15:14, 15, IC. 6 Job 15: 14. 5 Zie, tot do maan toe, quot;en zij zal geen schijnsel geven, en de sterren zijn niet zuiver in zijne oogon. a Job 15 : 15. 6 quot; Hoe voel te min de mensch, die eene made is, en des monschen kind, die een ''worm is! a Job 4: 19. h I's. 22 : 7. HOOFDSTUK 26. â lob beschuldigt Bildad, dat deze hem meer verschrikt dan vertroost had, vs. 1; bekent en beschrijft de werken van (lods onbegrijpelijke majesteit, waarvan Bildad had begonnen te spreken, 5; en toont dat wij daarvan maar een weinig weten te verhalen , 14. MAAR Job antwoordde en zoide: 2 Hoe hebt gij geholpen dien, die zonder kracht is, en behouden don arm, die zonder sterkte is? 3 Hoe hebt gij hom geraden, die geene wijsheid hooft, en de zaak, alzoo zij is, ten volle bekend gemaakt? 4 Aan wien hebt gij die woorden verhaald? cn wiens geest is van u uitgegaan? 5 De dooden zullen geboren worden van onder de wateren, en hunne inwoners. 6 Do hol is quot; naakt voor Hem, en geen deksel is er voor hot verderf. a Ps. 139 : 8, 11. Spr. 15:11. Hebr. 4 : 13. 7 quot;Hij breidt het Noorden uit over hot woeste; Hij hangt do aarde aan oen niet. aPs. 104:2. 8 Hij bindt de wateren in zijne wolken; nogtans scheurt do wolk daaronder niet. 9 quot;Hij houdt het vlakke zijns troons vast; Hij spreidt zijne wolk daarover. «Job9:8. Ps. 104:2,3. 10 quot;Hij hooft oen gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetoekend, b tot aan do voleinding toe dos lichts met do duisternis. «Job 38:8. Ps. 33:7. 104:9. .lor. 5:22. 6Gen.1:9. Job38:8. I's.33:7. 104:9. Spr.8:29. Jer.5:22. 11 Do pilaren dos hemels sidderen, en ontzetten zich voor zijn schelden. 12 Door zijuo kracht quot;klieft Hij do zoo, endoor zijn verstand verslaat Hij hare verheffing. «Jos. 51 : 15. 13 quot;Door zijnon Geest heeft Hij de homoion versierd; zijne hand hooft do langwomelonde slang geschapen. a I's. 33 : 6. 14 Ziet, dit zijn maar uiterste einden zijnor wegen; en wat oen klein stukje der zaak hebben wij van Hom gehoord? wie zou dan den donder zijnor mogendheden verstaan ? JOB 24, 25, 26. |
|
502 HOOFDSTUK 27. .lob verdedigt zijne onschuld tegen zijne vrienden, vs. 1; bewijst dat iiij geen goddelooze huichelaar is, 7; erkent, dat de goddeloozen somtijds ook hier van God gestraft worden, hetwelk hij nimmer geloochend luid, 11. EN Job ging voort zijne spreuk op te heffen, en zeicle: 2 Zoo waarachtiy als God leeft, die mijn regt weggenomen hooft, en do Alinagtige, die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan! 3 Zoo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijnen neus; â l Indien mijne lippen onregt zullen spreken, en indien mijne tong bedrog zal uitspreken! 5 Het zij verre van mij, dat ik ulieden regt-vaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijne opregtigheid van mij niet wegdoen. (! Aan mijne geregtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijne dagen. 7 Mijn vijand zij als de goddelooze, en die zich tegen mij opmaakt, als do verkeerde. 8 quot; Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijne ziel zal uittrekken? a Matt. Ui: 20. Luk. 12:20. i) quot; Zal God zijn geroep hooren, als benaauwd-heid over hem komt? aJob 35: 12. Ps. 18:42. 109:7. Spr. I : 28. 28:9. Jos. 1 : 15. .Ier. 14 : 12. Ezec. 8 : IS. Mieha 3 : 4. Joh. 9:31. Jakob. 4 :3. 10 Zal hij zich verlustigen in den Alinagtige? zal hij God aanroepen te aller tijd ? 11 Ik zal ulieden leeren van do hand Gods; wat bij den Alinagtige is, zal ik niet verhelen. 12 Ziet, gij zeiven allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld? 13 quot;Dit is het doel des goddeloozen menschen bij God, en do erve der tirannen, die zij van den Alinagtige ontvangen zullen. «Job 20:29. 14 Indien zijno kinderen vermenigvuldigen, quot;hot is ten zwaarde; en zijne spruiten zullen van brood niet verzadigd worden, a Dent. 28:41, Hos. 9:13. 15 Zijne overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en quot;zijne weduwen zullen niet weenen. aPs. 78 .â 04. 10 Zoo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleeding bereid als leem; 17 Hij zal ze bereiden, quot;maar de regtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver deelen. a Spr. 28:8. Pred. 2:20. 18 Hij bouwt zijn huis als oene motte, en als oen hoeder de hutte maakt. 19 quot;Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijne oogen open, zoo is hij er niet. a Ps. 49:18. 20 quot;Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen. ' a Job 15:21. 18: II. |
21 De oostewind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, on zal hem wegstormen uit zijne plaats. 22 En God zal dit over hem worpen, en niet sparen; van zijne hand zal hij snellijk vlieden. 23 Ken ieder zal over hem met zijne handen klappen, on over hem fluiten uit zijne plaats. HOOFDSTUK 28. Job, voorgesteld hebbende de schranderheid van liet inenschelijk vernuft in do dingen dezer wereld, vs. 1; verklaart, dat die niet te vergelijken is met do hooge wijsheid Gods, die onwaardeerbaar en nergens te vinden is, 12; dan bij God alleen, die dezelve heeft en gebruikt, 23; voegt daarbij, waarin do regte wijsheid van den mcnsch gelegen /.ij, 28. GEWISSELIJK er is voor hot zilver een uitgang, en eeno plaats voor het goud, dat zij smelten. 2 Het ijzer wordt uit stof genomen, en wasteen wordt koper gegoten. 3 Het einde, dat God gestold hoeft voor do duisternis, en al hot uiterste onderzoekt hij; het gesteente dor donkerheid on der schaduw des doods. 4 Breekt er eeno beek door, bij dengenen, dio daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mensch uitgeput, en gaan weg. 5 Uit de aarde komt hot brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, als of zij vuur ware. (i Hare steonen zijn do plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud. 7 Do roofvogel heeft hot pad niet gekend, on het oog der kraai heeft het niet gezien. 8 Do jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet henen-gegaan. 9 Hij legt zijne hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van don wortel om. 10 In de rotssteenon houwt hij stroomen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke. 11 Hij bindt de rivieren too, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht. 12 Maar de Wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? en waar is de plaats des verstands? 13 De mensch weet hare waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden. 14 quot;Do afgrond zegt: Zij is in mij niet; en do zee zegt; Zij is niet bij mij. a Job 28:22. 15 quot; Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen, aSpr. 3:14. 8:11, 19. 10:10. 16 Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, of den Saffier. 17 Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor oen kleinood van digt goud. 18 De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden: want do trok der Wijsheid is meerder dan dor Robijnen. 19 Men kan den Topaas van Moorenland haar JOB 27, 28. |
JOB 28, 29, 30.
son
|
niet gelijk waarderen; en bij hot fijn louter goud kan zij niet geschat worden. 20 quot; Die Wijsheid dan, van waar komt zij ? en waar is de plaats dos vorstands? «.lob 28:12. 21 Want zij is verholen voor do oogen aller levenden, en voor hot gevogelte des hemels is zij verborgen. 22 quot;Hot verderf en do dood zeggen: Haar ge-nicht hebben wij met onze ooren gehoord. o.lob 28:14. 21! God verstaat haren weg, en Hij weet hare plaats. 24 Want Hij schouwt tot aan do einden der aarde. Hij ziet onder al de hemelen. 25 Als Hij don wind hot gewigt maakte, en quot;do watoren opwoog in mate; a Spr. 8 : 2!). 26 Als Hij don regen oono gezette orde maakte, en oenen weg voor het weerlicht dor donderen. 27 Toen zag Hij haar, en vertelde ze. Hij schikte zo, en ook doorzocht Hij zo. 28 Maar tot don mensch hooft Hij gezegd: Zie, quot;de vreoze des Heeren is de wijsheid, en van liet kwade te wijken is hot verstand. a Ps. 111 :10. Spr. 1:7. 9 :10. HOOFDSTUK 29. .lob, wenschonclo hersteld te worden in zijnen eersten staat, verklaart, hoe gelukzalig dezo geweest is door dos Hoeren gunst en zegen, vs. 1; en hoezeer iiij in dien staat van allen geeerd en ontzien werd, 7; tor oorzaak van zijne vroomheid en deugd, 12. Hij verhaalt tevens, hoedanig daarin zijne hoop was, is; alsmede zijn gestadig toenemen in rijkdom, eer on aanzien, 19. EN Job ging voort zijne spreuk op te heffen, en zoido: 2 Och of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen. God mij bewaarde! à Toen Hij zijne lamp deed schijnen over mijne hoofd, en ik bij zijn licht do duisternis doorwandelde ; 4 Gelijk als ik was in de dagen mijnor jongheid, toon Gods verborgenheid over mijne tent was; 5 Toen de Almagtige nog met mij was, en mijne jongens rondom mij; (i Toon ik mijne gangen wiesch in boter, en do rots bij mij oliebeken uitgoot; 7 Toon ik uitging naar do poort door do stad, toen ik mijnen stool op do straat liet bereiden. 8 De jongens zagen mij, on verstaken zich, on de stokouden rozen op en stonden. 9 Do oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hunnen mond. 10 Do stem dor vorsten verstak zich, en hunne tong kleefde aan hun gehemelte. 11 Als eon oor mij hoorde, zoo hield het mij gelukzalig; als mij oen oog zag, zoo getuigde liet van mij. 12 quot;Want ik bevrijdde don ellendige, die riep, on don wees, die geen' helper had. a Ps. 72:12. Spr. 21:13. |
13 Do zogen dosgonen, die verloren ging, kwam op mij; en hot hart der weduwe dood ik vrolijk zingen. 14 quot;Ik bekleedde mij mot gorogtigheid, on zij bekleedde mij; mijn oordeel was als oen mantel en vorstelijke hoed. «Jos. 59 : 17. Efez. G : 14, enz. 1 Thess. 5 : 8. 15 Don blinden was ik tot oogen, en don krou-pelon was ik tot voeten. 16 Is was den nooddruftigon een vader; en hot geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik. 17 En ik verbrak do baktanden dos vorkoorden, en wierp den roof uit zijne tandon. 18 En ik zoido: Ik zal in mijn nest don geest geven, on ik zal do dagen vormonigvuldigen als hot zand. li) Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijnen tak. 20 Mijne heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijne hand. 21 Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijnen raad. 22 Na mijn woord spraken zij niot weder, en mijne rede drupte op hen. 23 Want zij wachtten naar mij, gelijk naar don regen, en sperden hunnen mond open, als naar den spadon regen. 24 Lachte ik hun toe, zij geloofden hot niot; on het licht mijns aangozigts doden zij nietnedervallon. 25 Verkoos ik hunnen weg, zoo zat ik bovenaan, en woonde als oen koning onder de bondon, als oen , die treurigen vertroost. HOOFDSTUK 30. .lob stelt tegenover zijnen voorgaanden welstand zijne tegenwoordige ellende, bestaande in groote verachting, die hem de onwaardigste lieden aandeden, vs. I ; in wreede aanvechting, waarmede hij in zijn geloof en hoop bestreden word, 12; in verschrikkingen, 15; in angst, 1G; en smarten dos ligchaams, 17; in uiterste smaadheid on vernedering, waarin hij niet verhoord werd, 19; in doodelijke verzwakking zijner krachten, 22; niottogenstaando zijne vroomheid, 25; in het geweld zijner krankheid, 27; in droefheid en geklag, 31. MAAR nu lagchen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hob-hon, om bij do honden mijner kudde te stollen. 2 Waartoe zou mij ook geweest zijn de kracht hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan. 3 Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste. 4 Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was do wortel der jenoveron. 5 Zij werden uit hot midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over oenen dief). 6 Opdat zij wonen zouden in do kloven dor dalen, do holen des stofs en der steenrotsen. 7 Zij schreeuwden tusschen do struiken , onder do netelen vergaderden zij zich. |
|
504 8 /ij waren kinderen der dwazen, en kinderen van fgt;'eün' naam; zij waren geslagen uit den lande. 1) quot; Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik bon hun tot een klapwoord. a Job 17 : ü. Ps. 09 ; 13. Kigld. 3 ; 14, 03. 10 quot; Zij hebben eenen gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja zij onthouden liet speeksel niet van mijn aangezigt. a Job 19:10. 11 Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezigt afgeworpen. 12 Tor regterhand staat de jeugd op, stooten mijne voeten uit, en banen tegen mij hunne verderfelijke wegen. 13 Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijne ellende; zij hebben geonen helper van doen. 14 Zij komen aan, als door eene wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan. 15 Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk oen vervolgt als een wind mijne edele ziel, en mijn heil is als eene wolk voorbijgegaan. 16 Daarom stort zich nu mijne ziel in mij uit; do dagen dos druks grijpen mij aan. 17 Des nachts doorboort Hij mijne beenderen in mij, en mijne polsaderen rusten niet. 18 Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijnsroks. 1!) Hij hoeft mij in hot slijk geworpen, on ik bon gelijk geworden als stof en asch. 20 Ik schreije tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij. 21 Gij zijt veranderd in oenen wroodo tegen mij; door do sterkte uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk. 22 Gij heft mij op in den wind, Gij doet mij daarop rijden, on Gij versmelt mij het wezen. 23 Want ik weet, quot;dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der zamenkomst aller loven-don. rtllebr. 9:27. 24 Maar Hij zal tot den aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijne verdrukking ? 25 quot; Woonde ik niet over hem, die harde dagen had? was mijne ziel niet beangst over don nooddruftige? «Ps. 85:13, 14. Rom. 12:15. 26 Nofjfans toen ik het goede verwachtte, zoo kwam hot kwade; toen ik hoopte naar hot licht, zoo kwam de donkerheid. 27 Mijn ingewand ziedt, en is niet stil; do dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen. 28 Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente. 29 quot; Ik ben den draken oen broeder geworden, en oen medgezol dor jonge struisen. «Ps. 102:7. 30 quot;Mijne huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid. a Ps. 119: 83. Klgld. 4 : 8, 5 : 10. 31 Hierom is mijne harp tot eene rouwklago geworden, en mijn orgel tot eono stom der weenenden. |
HOOFDSTUK 31. Job bewijst /.ijno onschuld en toont zijne werken: als zijnde kniscli omtrent do maagden, vs. 1; regtvaardig in overeenkomsten, 5; kuisch omtrent andere vrouwen, 9; zijn dienstvolk geen onregt doende, 13; weldadig jegens do nrmen, 10; onschuldig omtrent do weezen, 21; niet steunende op zijnon rijkdom, 24; geen afgodendienaar, 20; zich niet verblijdende in zijns vijands ongeluk, 29; noch hem vloekende, 30; herbergzaam, 31; getrouw en opregt in het bekennen zijner gebreken, 33; niemand ongelijk doende, 34. Hij wenscht, dat van zijn spreken en doen kennis mogt genomen worden, 35: hij verhaalt nog zijnen opregten handel, 38; en wenscht dat het hem kwalijk ga, zoo hij do waarheid niet gesproken hooft, 40. IK heb oen verbond gemaakt mot mijne oogen, hoe zou ik dan acht gegeven hebben op oene maagd? 2 Want wat is hot dool Gods van boven? of do erve des Almagtigen uit de hoogten ? 3 Is niet het verderf voor den verkeerde, ja wat vreemds voor de werkers der ongeregtigheid? 4 quot;Ziet Hij niet mijne wogen, en telt Hij niet al mijne treden? a2 Kron. 10:9. Job34:21. Spr. 5:21. 15:3. Jor. 32:19. 5 Zoo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld hooft tot bedriegerij; (gt; Hij wege mij op, in eene regte weegschaal, en God zal mijne opregtigheid weten. 7 Zoo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijne oogen nagevolgd is, en aan mijne handen iets aankleeft; 8 Zoo moet ik zaaijen, maar oen ander eten, en mijne spruiten moeten uitgewortold worden! 9 quot; Zoo mijn hart verlokt is geweest tot eene vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb; a Job 24 : 15. Spr. 7 : 25. 10 Zoo moot mijne huisvrouw met eon' ander' malen, en anderen zich over haar krommen! 11 Want dat is eene schandelijke daad, en het is oeno misdaad hij do regters. 12 Want dat is een vuur, hetwelk tot de verdorving toe verteert, en al mijn inkomen uitgewortold zou hebben. 13 Zoo ik versmaad heb hot rogt mijns knechts, of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij; 14 quot;(Want wat zou ik doen, als God opstond? en als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden ? a Ps. 44 : 22. 15 quot; Heeft Hij niet, die mij in den buik maakte, hem ook gemaakt? en één ons in do baarmoeder bereid?) a Job 84:19. Spr. 14:31. 17:5. 16 Zoo ik den armen hunne begeerte onthouden heh, of de oogen der weduwe laten versmachten; 17 En mijne beto alleen gegeten heb, zoodat de wees daarvan niet gegeten heeft: 18 (Want van mijne jongheid af is hij bij mij opgetogen, als bij oen' vader, en van mijns moedors buik af heb ik haar geleid;) 19 Zoo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij lt;]01j 30, 31. |
JOB 31, 32.
|
zonder kloeding was, en dat do nooddruftige geen deksel had ; 20 Zoo zijne lenden mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd; '21 Zoo ik mijne hand tegen den wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijne hulp zag; 22 Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijne pijp af! 23 Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermogt niet van wege zijne hoogheid. 24 Zoo ik liet goud quot;tot mijne hoop gezet heb, of tot liet fijn goud gezegd heb; Gij zijt mijn vertrouwen; «Mark. 10:24. 1 Tim. G : 17. 25 quot;Zoo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijne hand geweldig veel verkregen had; « Ps. 02:11. 26 quot;Zoo ik het licht aangezien heb, wanneer het schecn, of de maan heerlijk voortgaande; a Dent. 4:19. 27 En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijne hand mijnen mond gekust heeft: 28 Dat ware ook eone misdaad hij den regter; want ik zou don God van boven verzaakt hebben. 29 quot;Zoo ik verblijd bon geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond; «Spv. 17:5. 30 (Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, quot;mits door oenen vloek zijne ziel to begoeren.) a Mutt. 5:44. Hom. 12:14. 31 Zoo do lieden mijner tent niet hebben gezegd : Och of wij van zijn vleosch hadden! wij zouden niet verzadigd worden; 32 quot; Do vreemdeling overnachtte niet op de straat; mijne deuren opende ik naar den weg; a llebr. 13:2. 1 Potr. 4:9. 33 Zoo ik, gelijk Adam, mijne overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijne misdaad verbergende ! 34 Zeker ik kon wol eone groote menigte gewcl-delijk onderdrukt hebben, maar de verachtste dor huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben; zoodat ik gezwegen zou hebben, en ter doure niet uitgegaan zijn. 35 Och of ik oenen hadde, die mij hoorde! zie, mijn oogmerk is, dat de Almagtige mij antwoordo, on dat mijne tegenpartij een boek schrijve. 36 Zou ik het niet op mijnon schouder dragon? ik zou hot op mij binden als eone kroon. 37 Hot getal mijner treden zou ik hem aanwij zon; als eon vorst zou ik tot hem naderen. 38 Zoo mijn land tegen mij roept, on zijne voren to zamen woonon; 39 Zoo ik zijn vermogen gegeten heb zonder gold, en do ziel zijner akkerlieden heb doen hijgen; 40 Dat voor tarwe distolon voortkomen, en voor gerst stinkkruid! De woorden van Job hebben oen einde. |
HOOFDSTUK 32. Job on zijno drie vrienden homion op to spreken, vs. 1; waarover Ehlui vertoornd is, 2. Hij vangt aan to spreken, mot verklaring der redenen, dio hem bewogen, 6; toont zijnen ijver, dien hij daartoe heeft, 17; doch wenscht zich daarin naar behooren te gedragen, 21. TOEN hielden dio drie mannon op van Job to antwoorden, dewijl hij in zijne oogon regtvaar-dig was. 2 Zoo ontstak do toorn van Elihu, don zoon van Barachoël, den Buziot, van het geslacht van Ram; togen Job word zijn toorn ontstoken, omdat hij zijne ziel moer regtvaardigde dan God. 3 Zijn toorn ontstak ook tegen zijne drie vrienden , omdat zij, geen antwoord vindende, nogtans Job verdoomden, 4 Doch Elihu had gewacht op Job in hot sproken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij. 5 Als dan Elihu zag, dat er geen antwoord was in den mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn. ü Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Barachoël, den Buziot, en zeido: Ik beu minder van dagen, maar gijlieden zijt quot;stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd ulieden mijn go-voolon_ to vortoonen. a Job 15: 10. vors 4, 7. 7 Ik zeido: Laat do dagen sproken, en do veelheid dor jaren wijsheid te konnon geven. 8 quot;Zekerlijk de geest, die in den mensch is, en do inblazing des Almagtigen, maakt henlieden verstandig. «Job 12:13. 38:36. Spr. 2 : (i, Prod. 2 : 20. Uan, 1:17. 2 : 21. 9 quot;De grooten zijn niet wijs, en do ouden verstaan het regt niet. «Job 12: 12. 10 Daarom zog ik: hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vortoonen. 11 Ziet, ik heb gewacht op uliedor woorden; ik heb het oor gewend tot ulioder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt. 12 Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijne rodenon beantwoordde; 13 Opdat gij niet zegt: Wij hebben do wijsheid gevonden; God heeft hem nodergestooten, geen mensch. 14 Nu hoeft hij togen mij geeno woorden gerigt, en met ulioder woorden zal ik hom niet beantwoorden. 15 Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij bobben de woorden van zich verzet. 16 Ik heb dan gewacht, maar zij sproken niet; want zij staan stil, zij antwoorden niet moor. 17 Ik zal mijn dool ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vortoonen. 18 Want ik bon der woorden vol: dogoost mijns buiks benaauwt mij. 19 Ziet, mijn buik is als de wijn, die niet geopend is; gelijk nieuwe ledoren zakken zou hij bersten, |
J
JOB 32, 33, 34.
506
|
'20 Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijno lippen openen, en zal antwoorden. 21 Och, dat ik niemands aangezigt aanneine, en tot den inonsch geene bijnamen gebruike! 22 Want ik weet geene bijnamen te gebruiken; in kort zou mijn Maker mij wegnemen. HOOFDSTUK 33. Elilui vermaant Job, hem hot oor to leeiion, vs. 1: daartoe redenen bijbrengende, 3. Hij beschuldigt Job, dat hij te zeer op zijne eigono geregtigheid gestaan had, 8; toont, dat God do menschen tot verstand on bekeering brengt door droomen on ge-zigten, 14; door ziekten, 19; of door het aanspreken zijner dienaren, 23; vermaant .lob naar hem te hoeren, of ook te antwoorden, 81. EN gewisselijk, o Job! hoor toch mijne redenen, en neem al mijne woorden ter oore. 2 Zie nu, ik heb mijnen mond opengedaan; mijne tong spreekt onder mijn gehemelte. 3 Mijne redenen zullen de opregtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitsproken. 4 De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Alinagtigen hoeft mij lovend gemaakt. 5 Zoo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezigt, stel u. 6 quot; Zie, ik ben Godos, gelijk gij; uit het leem ben ik ook afgesneden. a Job 9:35. 23:10. 7 Zie, mijne verschrikking zal u niet beroeren, en mijne hand zal over u niet zwaar zijn. 8 Zeker, quot;gij hebt gezegd voor mijne ooren, en ik heb de stem der woorden gehoord: a Job 10:7. 16:17. 23:10, 11. 27:5. 9 Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geene misdaad. 10 Zie, Ilij vindt oorzaken tegen mij; quot;Hij houdt mij voor zijnen vijand. «Joh 13:24. 10:9. 19:11. 11 quot;Hij logt mijne voeten in don stok; ''Ilij noemt al mijno paden waar. a Job 13:27. iJob 14:16. 12 Zie, hierin zijt gij niet rogtvaardig, antwoord ik u: want God is meerder dan een monsch. 13 Waarom hebt gij tegen Hem getwist? want Ilij antwoordt niet van al zijne daden. 14 Maar God spreekt eens of tweemaal; doch men let niet daarop. 15 In don droom, door het gozigt des nachts, als oen diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger: 16 Dan openbaart Hij het voor hot oor der lieden, en Ilij verzegelt hunne kastijding; 17 Opdat Hij don monsch afwende van zijn werk, en van den man de hoovaardij vorborgo: 18 Dat ilij zijne ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door hot zwaard niet doorga. 19 Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen; 20 quot; Zoodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijne ziel de bogeerlijko spijze; «I's. 107:18. 21 Dat zijn vleesch verdwijnt uit het gozigt, en zijne beenderen, die niet gezien worden, uitsteken; |
22 En zijne ziel nadert ten verdervo, en zijn leven tot de dingen, die dooden. 23 Is er dan bij hem een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend, om den monsch zijnon rogten pligt te verkondigen; 24 Zoo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdalo, ik heb verzoening gevonden. 25 Zijn vleesch zal frisschor worden, dan hot was in do jeugd; hij zal tot de dagen zijner jongheid wederkooren. 26 Hij zal tot God ernstelijk bidden, «die in hom eon welbehagen nomen zal, en zijn aangezigt met gejuich aanzien: want hij zal den monsch zijne geregtigheid wedergeven. aP.s.50; 15. Jes.58:9. 27 Hij zal do menschen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het rogt verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat; 28 Maar God heeft mijne ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zoodat mijn leven hot licht aanziet. 29 Zie, dit alles werkt lt;Jod twee- of' driemaal mot een' man; 30 quot;Opdat hij zijne ziol afkeore van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden. «Ps. 56:14. 31 Merk op, o Job! hoor naar mij; zwijg, en ik zal sproken. 32 Zoo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te regtvaardigen. 33 Zoo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid loeren. HOOFDSTUK 34. Eh'liu verzoekende gehoord te worden, vs. I ; beschuldigt Job, dat hij zich to rogtvaardig hield, 5; en do godsvrucht onnut achtte, 9. Hij toont, dat do almagtige God niet onregtvaardig wezen kan, 10; maar dat zijne regtvnardigheid in al zijne werken blijkt, 19; vermaant Job, om zich voor den Heere te vernederen, 31; en bidt God, dat Hij hem daartoe bekwaam make, 36. VERDER antwoordde Elfhu, en zeide: 2 Hoort, gij wijzen! mijne woorden en gij ver-standigon! neigt do ooren naar mij. 3 quot;Want het oor proeft de woorden, gelijk hot gehemelte de spijze smaakt. a Job 12: 11. 4 Laat ons kiezen voor ons wat rogt is; laat ons kennen onder ons wat goed is. 5 Want Joh hoeft gezegd: Ik bon rogtvaardig, en quot;God hoeft mijn rogt weggenomen. «Job27:2. 6 Ik moot liegen in mijn rogt; quot;mijn pijl is smartelijk zonder overtreding. «Job 6:4. 7 Wat man is er, gelijk Job? hij drinkt de bespotting in als water; 8 En gaat over weg in gezelschap met do werkers der ongoregtighoid, en wandelt mot godde-looze lieden ? 9 Want hij hooft gezegd: Het baat oen' man niet, als hij welbehagen heeft aan God. 10 Daarom, gij lieden vau vorstand! hoort naar |
I
|
in ij; verre quot;zij God van goddeloosheid, en do Alinagtige van onregt! re Dent. 32: 4. 2Ki,on. 19:7. Job 8 : 3. 30 : 23. J's. 92 :10. Horn. 9 : 14. 11 a Want naar hot werk des menschen vergeldt ilij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hom vindon. « I's. 02: 13. Spr. 24: 12. .lor. 17 : 10. 32 : 19. K/.ec. 7 : 27. 33 : 20. Matt. 10 : 27. Rom. 2 : 0. 1 Cor. 3 : 8. 2 Cor. 5: 10. Efcz. 0 : S. Col. 3 : 25. 1 Petr. 1:17. Openb. 22 : 12. 12 Ook waarlijk God handelt niet goddelooslijk, on de Alinagtige verkeert het regt niet. 13 Wie heeft hem gesteld over do aarde? en wie lieeft de gansche wereld beschikt? 14 quot;Indien Hij zijn hart tegen hom zette, zijnen geest en zijnon adem zou Hij tot zich vergaderen: «I's. 104:29. Pred. 12:7. 15 Allo vleosch zou te gelijk den geest geven, on de mensch zou quot; tot stof wedorkeeren. a Gon. 3 : 19. Pred. 12:7. 10 Zoo er dan verstand hij u is, hoor dit; neig de ooren tot de stem mijner woorden. 17 quot;Zou iiij ook , die het regt haat, den gewonde ''verbinden? en zoudt gij den zeer llegtvaardigo verdoemen ? a Gon. 18 : 25. Job 8 : 3. 21 : 22. Kom. 3 : 5. b Job 5 : 18. 18 Zou men tot eenen koning zeggen: Gij lgt;olial! tot de prinsen, gij goddeloozen! 19 Hoe dan tot Dien, die hot aangezigt dor vorsten quot;niet aanneemt, on den rijke voor den arme niet kont? want zij zijn allen zijner handen werk. a Dunt. 10: 17. 2 Kron. 19:7. Job 37 : 24. Hand. 10:34. Rom. 2:11. Gal. 2:0. Efez. 0:9. Col. 3 : 25. 1 Potr. 1 : 17. 20 In een oogenblik sterven zij, zelfs tor middernacht wordt eon volk geschud, dat het doorga; en de magtige wordt weggenomen zonder hand. 21 Want quot;zijne oogen zijn op ieders wegen, en Ilij ziet al zijne treden. «2 Kron. 10:9. Job 31 :4. Ps. 34 : 10. Spr. 5 : 21. 15 : 3. .lor. 10 : 17. 32 : 19. 22 quot;Er is geeno duisternis, en er is geene scha-duwe des doods, dat aldaar de werkers der on-geregtigheid zich verbergen mogten. n Ps. 139 : 12. Amos 9 : 2, 3. llobr. 4 : 13. 23 Gewisselijk Hij legt don mensch niet te veel op, dat hij tegen God in het gerigt zou mogen treden. 24 Hij vermorzelt de geweldigen, dat men hot niet doorzoeken kan, en steil anderen in hunne plaats. 25 Daarom dat Ilij hunne werken kent, zoo keert Ilij hen des nachts om, en zij worden verbrijzeld. 20 Hij klopt hen zamen als goddeloozen, in eene plaats, waar aanschouwers zijn; 27 Daarom dat zij van achter Hem afgeweken zijn, quot;en geene zijner wegen verstaan hebben; n Ps. 28 : 5. Jos. 5 : 12. 28 Opdat Ilij op hem het geroep des armen brenge, en hot geroep der ollondigen verhoore. 29 Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? als Ilij |
507 het aangezigt verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zoowel voor een volk, als voor eenen mensch alleen ? 30 Opdat do huichelachtige mensch niet meer regere, cn geene strikken des volks zijn. 31 Zekerlijk, heeft hij tot God gezegd: Ik heb uwe straf' verdragen, ik zal het niet verderven. 32 Behalve wat ik zie, leer Gij mij: heb ik onregt gewrocht, ik zal het niot meer doen. 33 Zal het van u zijn, hoe Hij iets vergelden zal, dewijl gij llcm versmaadt? zoudt gij dan verkiezen, en niet ik? wat weet gij dan? spreek. 34 De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij hooren: 35 Dat Job niot met wetenschap gesproken heeft, en zijne woorden niet met kloek vorstand go-woest zijn. 36 Mijn Vader! laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongeregtige lieden. 37 Want tot zijne zonde zou hij nog overtreding bijvoegen; hij zou onder ons in de handen klappen, en hij zou zijno redenen verinenigvuldigen tegen God. HOOFDSTUK 35. Job wordt weder berispt, dat hij zich to regtvaardig hield, vs. 1; en wordt gewezen op do grootheid van Gods majesteit, 4. Hem wordt ook geleerd, waarom God eenige monsoheu in groote ellende laat blijven, 9. Wordt vermaand te hopen op God, 14; die hom beneden zijne verdiensten straft, 15; en zich te vernederen, 10. ELIHU antwoordde verder en zeide: 2 Houdt gij dat voor regt, dat gij gezegd hebt: Mijne geregtigheid is meerder dan Gods? 3 Want quot;gij hebt gezegd: Wat zou zij u baten? wat meer voordeel zal ik daarmede doen, dan mot mijne zonde? «Job 34:9. 4 Ik zal u antwoord geven, en uwen vrienden met u. 5 Bemerk den hemel en zie; en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hooger dan gij. 0 Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? indien uwe overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem? 7 quot; Indien gij regtvaardig zijt, wat geeft gij Hom? of wat ontvangt Hij uit uwe hand? a Job 22:2. Ps. 10:2. Rom. 11 : 35. 8 Uwe goddeloosheid zou zijn tegen eenen man, gelijk gij zijt, en uwe geregtigheid voor eens menschen kind. 9 Van wego hunne grootheid doen zij do onderdrukten roepen; zij schreeuwen van woge don arm der grooten. 10 Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Ma-kor, die do psalmen geeft in den nacht? 11 Die ons geleerder maakt dan de beesten dor aarde, en ons wijzer maakt dan hot gevogelte des hemels. 12 Daar roepen zij; quot;maar Ilij antwoordt JOTi 34, 35. |
JOB 35, 36, 37.
|
niet, van wego don hoogmoed der boozon. a Job 27 ; 0. Spj'. 1 : 28. 15 : 29. .los. 1 : 15, Jor. 11: 11. Joh. 9:31. 13 Gewisselijk zal God de ijdolhoid niet verhoo-ren, en de Almagtigo zal die niet aanschouwen. II Dat gij ook gezegd hebt: Gij zult hem niet aanschouwen; er is nogtans gorigt voor zijn aan-gezigt, wacht gij dan op Hem. 15 quot;Maar nu, dewijl het niets is, dat zijn toorn Job bezocht heeft, en Hij hem niet zeer in overvloed door kond heeft; a Job 11 : (i. lü Zoo heeft Job in ijdolhoid zijnen mond go-opond, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd. HOOFDSTUK 3G. Eb'hu gaat voort, om Gods geregtighoid te bewijzen, vs. 1 ; hij doet zulks door andere eigenschappen en werken Gods to noemen, 5; alsmede derzolver oogmerk, 9. ilij pnst dit verhaal too op de zaak van Job, Ui; dien hij bestraft en met Gods toorn dreigt, 17; vermaant tot bekeering, 20; en tot grootraaking van Gods werken, 24; van welke bij eenige voordraagt, 27. ELIHU ging nog voort, en zeide: 2 Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn. 3 Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijnen Schepper goregtigheid toewijzen. 4 Want voorwaar mijne woorden zullen geene valschheid zijn; een, die opregt is van gevoelen, is bij u. 5 quot;Zie, God is geweldig, nogtans versmaadt Ilij niet; geweldig is Hij in kracht dos harten. a Job 9:4. 12: 13, 10. 37:23. 38:23. (i Hij laat don goddelooze niet loven, en het rogt dor ellendigen beschikt Hij. 7 quot; Hij onttrekt zijne oogen niet van den regt-vaardigo, maar met do koningen zijn zij in den troon; 6daar zet Hij bon voor altoos, en zij worden verheven. aI's. 33:18. 34:10. éPs. 113:8. 8 En zoo zij, gebonden zijnde in boeijen, vast gehouden worden met banden der ellende; 9 Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hunne overtredingen, omdat zij de overhand ge-nomon hebben: 10 En Hij openbaart het voor hunlieder oor tor tucht, en zegt, dat zij zich van de ongeregtig-hoid bokeeren zouden. 11 Indien zij hooron, en Hein dienen , zoo zullen zij hunne dagen eindigen in bot goede, en hunne jaren in liefelijkheden. 12 Maar zoo zij niet hooron, zoo gaan zij door hot zwaard door, en zij geven den geest zonder kennis. 13 En die met hot hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet, als 11 ij hen gebonden hoeft. 14 quot;Hunne ziel zal in do jongheid sterven, en hun loven onder de schandjongens a.loli 22: 10. 15 Ilij zal don ellendige in zijne ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Ilij het voor hunlieder oor openbaren. |
10 Alzoo zou Hij ook u afgekeurd bobbon van don mond dos angstes tot do ruimte, onder do-welke geone benaauwing zou geweest zijn; en quot; het gorigt uwer tafel zou vol vettigheid geweest zijn. a Ps. 23 : 5. 17 Maar gij bobt het gorigt des goddeloozen vervuld; het gorigt en het rogt houden u vast. 18 Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met eenen klop wegstoote; zoodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen. 19 Zou Hij uwen rijkdom achten, dat gij niet in benaauwdhoid zoudt zijn; of eenige verstor-kingen van kracht? 20 Haak niet naar dien nacht, als de volken van hunne plaats opgenomen worden. 21 Wacht u, wend u niet tot ongerogtigheid; overmits gij ze in dezen verkoren hebt, uit oor-zake van do ellende. 22 Zie, God verhoogt door zijne kracht; wie is een Leer aar, gelijk Hij? 23 quot;Wie hooft Hom gesteld over zijnon weg? of wie heeft gezegd: '' Gij hebt onregt gedaan ? a Job 34 : 13. iDeut. 32:4. 2Kron. 19:7. Job 8:3. 34:10. Hom. 9:14. 24 Gedenk, dat gij zijn werk groot maakt, hetwelk de lieden aanschouwen. 25 Allo monschen zien het aan; de monsch schouwt het van verre. 20 Zie, God is groot, en wij begrijpen hot niet; quot; er is ook geone onderzoeking van het getal zijner jaren. aPs. 90 : 2. 92 : 9. 93 : 2. 102 : 13. Jes. 03: 10. Klgkl. 5:19. Dan. 0:27. Hebr. 1 : 12. 27 Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijnen damp uitgieten; 28 Welken de wolken uitgieten, en over den monsch overvloediglijk afdruipen. 29 Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en do krakingen zijner hutto? 30 Zie, Hij breidt over bom zijn licht uit, en de wortelen der zoo bedekt Hij. 31 quot;Want daardoor rigt Hij do volken; Hij geeft spijze ten overvloede. «Job 37:13. 32 Met bandon bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door degene, die tusschen doorkomt. 33 Daarvan verkondigt zijn geklater, cm het vee; ook van den opgaanden damp. HOOFDSTUK 37. Eb'hu spreekt nog van andere groote werken Gods, als van donder, bliksem, sneeuw, regen, wind, vorst en wolken, vs. 1. Door do even andere dingen vermaant hij Job, de hooge en schrikkelijke majesteit van God te vereeren en do onwetendheid, het onvermogen on de ijdelheid der menschon te belijden, 14. OOK beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijne plaats. 2 Hoort met aandacht quot;de beweging zijner stem, en hetgoluid, dat uit zijnen mond uitgaat! aPs.29:3. 3 Dat zendt Ilij rogt uit onder den ganschen hemel, en zijn licht over de einden der aarde. |
|
JOB 4 Daarna brult Hij mot do stem, Hij dondert mot tie stom zijner hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als zijne stem zal gehoord worden. 5 God dondert mot zijne stem zeer wonderlijk; «Hij doet grooto dingen, en wij begrijpen ze niet. a Job 5 :!). 9 : 10. HO : '2G. (i quot; Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op do aarde; en tot den plasregen dos regens; dan is or de plasregen zijner sterke rogenen aPs.147; l(i. 7 Dan zegelt Hij do hand van ieder' mensch toe, opdat Hij kenne al de lieden zijns works. 8 En liet gedierte gaat in loorplaatsen, en blijft in zijne holen. 9 Uit de binnenkamer komt do wervelwind, en van de verstrooijondo winden de koude. 10 quot;Door zijn geblaas geeft (lod do vorst, zoodat do broedo wateren verstijfd worden. a Job 38:29, 30. Ps. 147 : 17, 18. 11 Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid ; Hij verstrooit de wolk zijns lichts. 12 Die koert zich dan naar zijnon wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij zo gebiedt, op hot vlakke der wereld, op de aarde. 13 Hetzij dat Ilij die tot quot; oene roede, of tot zijn land, of tot weldadigheid beschikt. «Ex. 9:18,23. 1 Sam. 12:18, 19. Ezra 10:9. Job 30:31. 14 Noem dit, o Job! tor ooro; sta, en aanmerk do wonderen Gods. 15 Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt:, en hot licht zijner wolk laat schijnen? Ki Hebt gij wetenschap van do opwegingen der dikke wolken; de wondorheden desgonen, die volmaakt is in wetenschappen? 17 Hoe uwe kleedoren warm worden, als Hij do aarde stil maakt uit liet zuiden ? 18 quot;Hebt gij mot Hom do hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel? «Gen. 1:0. 19 Onderrigt ons, wat wij Hom zoggen zullen: iraiit wij zullen niets ordent lijk- voorstellen kunnen van wege de duisternis. 20 Zal het Hem verteld worden, als ik zoo zou sproken? denkt iemand dat, gewissolijk hij zal verslonden worden. 21 En nu ziet men liet licht niet, ah het heldor is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert; 22 AIk van het noorden liet goud komt; maar bij God is oene vreossolijko majesteit! 23 Den Almagtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is quot; groot van kracht; doch door gerigt on grooto gerogtighoid verdrukt Hij niet. «Job 9:4. 12:13, 1G. 30 : 5. Ps. 99 : 4. 24 Daarom vreezen Hem de lieden; Hij ziet goono wijzen van harte aan. HOOFDSTUK 38. God verschijnt aan Job en, bestraffende zijne onwetende vorrnetelhoicl, beveelt hem op zijne vragen te antwoorden, vs. 1. Hij toont Job, hoe groot zijne majesteit is door de werken dor schepping, onderhouding en regering allor dingen, om alzoo Job tot ootmoed en ware bekentenis van zijne gebreken to brengen, 4. |
37, 38. 509 DAARNA antwoordde de Heere Job uit oen onweder, on zeide: 2 quot;Wie is hij, die don raad verduistert met woorden zonder wetenschap? «Job 42:3. 3 Gord nu, als een man, uwe lenden, zoo zal Ik u vragen, en onderrigt Mij. 4 Waar waart gij, quot;toen Ik de aarde grondde? geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt. « Spr. 8:29. 5 Wie heeft hare maten gezet? want gij weet het: of wie heeft over haar een rigtsnoer getrokken ? 0 Waarop zijn hare grondvesten nedergozonken? of wie hooft haren hoeksteen gelegd? 7 Toen do morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichton. 8 Of wie quot;heeft de zee mot deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit do baarmoeder voortkwam? «Gen. 1 :9. .lob20:10. I's.33:7. 104:9. Spr.S:29. Jei,.r):22. 9 Toen Ik do wolk tot hare kleeding stelde, en de donkerheid tot haren windeldoek; 10 Toon Ik voor haar met mijn besluit de aarde doorbrak, en zotte grondel en deuren; 11 En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder! en hier zal hij zich stellen tegen don hoogmoed uwer golven. 12 Hebt gij van uwe dagen den morgenstond geboden? hebt gij den dageraad zijne plaats gewezen ; 13 Opdat hij do einden der aarde vatton zou; on do goddeloozon uit haar uitgeschud zouden worden ? 14 Dat zij veranderd zou worden gelijk zegol-leem, en zij gesteld worden als een kleed ? 15 En dat van de goddeloozon hun licht geweerd worde, en do hooge arm worde gebroken? 10 Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen dor zoo ? en hebt gij in hot onderste des afgronds gewandeld ? 17 Zijn u de poorten des doods ontdekt ? en hebt gij gezien de poorten van do schaduw des doods ? 18 Zijt gij met uw vorstand gekomen tot aan de breedte dor aarde ? geef het te kennen, indien gij dit alles weet. 19 Waar is de weg, daar het licht woont? on do duisternis, waar is hare plaats? 20 Dat gij dat brengen zoudt tot zijne pale, on dat gij merken zoudt do paden zijns huizes? 21 Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uwe dagen zijn vele in getal. 22 Zijt gij gekomen tot de schatkameren dor sneeuw? en hebt gij de schatkameren des hagols gezien ? 23 Dien Ik ophoude tot don tijd dor benaauwd-heid, tot den dag dos strijds en des oorlogs! 24 Waar is de weg, daar hot licht verdeeld wordt, en de oostowind zich verstrooit op do aarde ? 25 Wie deelt voor don stortregen oenen waterloop uit, en oenen weg voor hot weerlicht der donderen ? |
I
|
510 2(1 Om te regenen op liet land, waar niemand is, ojt do woestijn, waarin yeen inonsch is; '27 quot;Om hot woeste en hot verwoeste to verzadigen, on om liet uitspruitsel dor grasschoutjos te doen wassen. a I's. 107:35. 28 Hooft do regen oenen vader? of wie baart de druppolen dos dauws? 29 Uit wiens buik komt het ijs voort? en wie baart den rijm dos hemels? 30 Als met oenen stoon verbergen zich do watoren , en het vlakke des afgronds wordt omvat. 31 Kunt gij do liofelijkhodon quot; van liet Zovonge-stornte binden, of de strengen des Orïons los-makon ? a Job !):9. Amos 6:8. 32 Kunt gij de Mazzaróth voortbrengen op haren tijd? en den Wagen met zijne kinderen leiden? 33 quot;Weet gij do vorordoningon des hemels, of kunt gij deszelfs lieorschappij op de aardo bo-stellon ? a .lor, 81 : 35. 34 Kunt gij uwe stein tot do wolken opheffen, opdat oen overvloed van water u bedekko? 35 Kunt gij de bliksomon uitlaten, dat zij henen-varon? en tot u zoggen: Zie, hier zijn wij? 36 quot;Wie hooft de wijsheid in hot binnenste go-zot ? of wio heeft den zin het verstand gegeven ? Job 32:8. Prod. 2 :20. Dan. 1 : 17. 37 Wio kan do wolken mot wijsheid tellen? en wio kan do flosschen dos hemels noderleggon? 38 Als hot stof doorgoten is tot vastigheid, en do kluiten zamenklovon ? HOOFDSTUK 39. God toont /.ijno majesteit nog verder aan .Job, door hom to verhalen, wat Hij doet aan do loon won, vs. 1; do raven en steengoiten, 3; den woudezel, 8; den eenhoorn, 12; den paauw, ooijevaar en struisvogel, 16; hot paard, 22; den sperwer, 29; den arend, 30. God bestraft Job over zijne vermetelheid, 34. Job bekent zijne schuld, 36. ZULT gij voor den ouden leeuw roof jagen? quot;of do graaghoid der jonge leeuwen vervullen? aPs. 104:21. 2 Als zij nederbukken in do holen, en in den kuil zitten, tor looring. 3 Wio bereidt quot;do raaf haren kost, als hare jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is? a Ps. 147:9. Matt. 0:26. 4 Weet gij don tijd van hot baren der steen-geiton ? quot; hebt gij waargenomen den arbeid dor hinden? « Ps. 29:9. 5 Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen? en weet gij den tijd van haar baren? 6 Als zij zich krommen, hare jongen niet versplijting voortbrengen, hare smarten uitwerpen? 7 Hare jongen worden kloek, worden groot door hot koren; zij gaan uit, en koeren niet weder tot dezelve. 8 Wio hoeft den woudezel vrij henengezondon ? en wio heeft de bandon des wildon ezels gelost? 9 quot;Dien Illt; do wildernis tot zijn huis besteld heb, en hot ziltige tot zijne woningen. «Joh 24:5, Jer, 2:24. |
10 Hij belacht het gewoel der stad, hot menigerlei getier dos drijvers hoort hij niet. 11 Dat hij uitspeurt op do borgen, is zijne weide; en hij zoekt allerlei groensel na. 12 Zal de eenhoorn u willen dienen? zal hij vernachten aan uwe kribbe ? 13 Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan do voren binden? zal hij de laagten achter u eggen? 14 Zult gij op hom vertrouwen, omdat zijne kracht groot is? en zult gij uwen arbeid op hem laten ? 15 Zult gij hom goloovon, dat hij uw zaad zal wedorbrengen, en vergaderen tot uwen dorsch-vloer ? 16 Zijn van n do vorheugolijke vleugelen der paauwen? of do vederen des ooijevaars, en dos struisvogels ? 17 Dat zij hare eijeron in do aarde laat, en in hot stof die verwarmt, 18 En vergoot, dat de voot die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen ? 19 Zij verhardt zich togen hare jongen, als of zij do hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreezo is. 20 Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar dos verstands niets medegedeeld. 21 Als hot tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht hot paard en zijnen rijder. 22 Zult gij hot paard sterkte geven? kunt gij zijnon hals met donder bokleeden? 23 Zult gij liet beroeren als oenen sprinkhaan? de pracht van zijn gesnuif is oene verschrikking. 24 Het graaft in den grond, on het is vrolijk in zijne kracht; on trekt uit, den geharnaste te gomoet. 25 Hot belacht de vreezo on wordt niet ontsteld, en keert niet wederom van woge hot zwaard. 26 Togen hom ratelt de pijlkoker, hot vlammig ijzer dor spies en der lans. 27 Mot schudding on beroering slokt hot do aardo op, en gelooft niet, dat het is het geluid dor bazuin. 28 In het volle goklank dor bazuin, zegt hot: Hoali! en riekt den krijg van verre, don donder der vorston on het gejuich. 29 Vliegt do sperwer door uw vorstand? en breidt hij zijne vleugelen uit naar het zuiden? 30 Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, quot;en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? aJer. 49: 16. Obadja vs. 4. 31 Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats. 32 Van daar speurt hij do spijze op, zijne oogon zien van verre af. 33 Ook zuipen zijne jongen bloed; en quot;waar verslagenen zijn, daar is hij. «Matt.24:28.Luk.17:37. 34 En do Heere antwoordde Job en zeide: 35 Is hot twisten mot den Almagtige onderrig-ten? wio God bestraft, die antwoordo daarop. 36 Toen antwoordde Joh den Heere, en zeide: JOB 38, 39. |
JOB 39, 40, 41.
nn
|
37 Zio, ik bon to gering, wat zou ik U antwoorden'!' quot;ik leg mijne hand op mijnon mond. a I's. 39 :10. 38 Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niot voortvaren. HOOFDSTUK 40. Job wordt weder van den Heere bestraft, omdat hij Gods geregtigheid en magt nog niet ten volle bekend had, vs. 1. Beschrijving van (rods magt door tegenstelling van Jobs zwakheid, 4. God daagt Job uit, om zich aan het hoofd der wereldregering te plaatsen, 5. Beschrijving van den Behemoth en Leviathan, die (lod beide geschapen heeft, 10. EN de Heere antwoordde Job uit een onweder, en zeido: 2 Gord nu als een man uwe lendon; Ik zal u vragen, en onderrigt Mij. 3 Zult gij ook quot;mijn oordeel te niet maken? zult gij Mij verdoemen, opdat gij regtvaardig zijt? a Ps. 51 : G. Rom. 3:4. 4 Hebt gij eenen arm gelijk God? en kunt lt;gt;ij gelijk Hij, met do stem donderen? 5 Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid! (i Strooi do verbolgenheden uws toorns uit, en zio allen hoogmoedige, en verneder hem! 7 Zie allen hoogmoedige, era breng hem to onder; en verpletter de goddeloozen in hunne plaats! 8 Verberg hen to zamen in hot stof, verbind hunne aangezigten in het verborgen! 9 Dan zal Ik ook u loven, omdat uwe regter-hand u zal verlost hebben. 10 Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund. 11 Zie toch, zijne kracht is in zijne lenden, en zijne magt in den navel zijns buiks. 12 Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten. 13 Zijne beenderen zijn als vast koper; zijne gebeenten zijn als ijzeren handboomen. 14 Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht. 15 Omdat do borgen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar. 1(5 Onder schaduwachtige boomon ligt hij neder, in eene schuilplaats des riots en des slijks. 17 De schaduwachtige boomon bedekken hem, elk een met zijne schaduw; de bookwilgen omringen hem. 18 Zie, hij doet de rivier geweld aan, m verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jor-daan in zijnen mond zou kunnen intrekken. 19 Zou men hem voor zijne oogon kunnen vangen ? zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen? 20 Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijne tong met oen koord, datgi] Iaat noderzinken? 21 Zult gij hem eene bieze in den neus leggen? of met een' doorn zijne kaak doorboren? |
22 Zal hij aan u vele smeokingen maken? zal hij zachtjes tot u sproken? 23 Zal hij oen verbond met u maken? zult gij hem aannemen tot eenen eeuwigen slaaf? 24 Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje? of zult gij hem binden voor uwe jonge dochters ? 25 Zullen de medgezellon over hem een' maaltijd bereiden? zullen zij hem doelen onder de kooplieden ? 2G Zult gij zijne huid met haken vullen, of met oen visschers kraauwel zijn hoofd? 27 Leg uwe hand op hom, gedenk des strijds, doe hot niot meer. 28 Zie, zijne hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergoslagen worden? HOOFDSTUK 41. God wijst aan het einde der beschrijving van don Leviathan, vs. 1 ; verklaart aan niemand gehouden te zijn, dewijl Hij Heere is van alles, vs. 2; gaat voort in de beschrijving van den Leviathan, ten bewijze zijner goddelijke kracht en om aan to toonen, dewijl deze onbegrijpelijk is, dat wij zijne werken niot moeten tegenspreken noch berispen, 3. NIEMAND is zoo koon, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor mijn aangezigt stellen zou ? 2 quot; Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden ? '' wat onder den ganschen hemel is , is het mijne. «Rom. 11:35. b Ex. 19:5. Dent. 10:14. I's. 24:1. 50:12.1 Cor. 10:20, 28. 3 Ik zal zijne leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis. 4 Wie zou het opperste zijns kleeds ontdok-kon? wie zou mot zijnen dubbelen breidel hem aankomen ? 5 Wie zou do deuren zijns aangezigts opendoen? rondom zijne tanden is verschrikking. 0 Zoor uitnemend zijn zijne sterke schilden, elk een gesloten als met een nauwdrukkend zegel. 7 Het eene is zoo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tusschen komen. 8 Zij kleven aan elkander, zij vatten zich zamen, dat zij zich niet scheiden. 9 Elk eene zijner niezingen doet oen licht schijnen; en zijne oogon zijn als do oogleden dos dagoraads. 10 Uit zijnen mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit. 11 Uit zijne neusgaten komt rook voort, als uit eonon ziedendon pot en ruimen ketel. 12 Zijn adem zou kolen doen vlammen, en oene vlam komt uit zijnon mond voort. 13 In zijne hals herbergt do sterkte; voor hom springt zelfs de droefheid van vreugde op. 14 De stukken van zijn vleosch kleven zamen; elk een is vast in hem, het wordt niet bewogen. 15 Zijn hart is vast gelijk een steen; ja vast gelijk oen deel van den ondersten molensteen. |
JOB 41, 42. PSALM 1.
512
|
KJ Van zijn vorhoffon schromen do sterkon; om zijner doorbrokingon willo ontzondigon zij zich. 17 Raakt hom iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier. 18 II ij acht het ijzer voor stroo, en het staal voor verrot hout. 19 De pijl zal hem niet doen vlieden, de slinger-steenen worden hem in stoppelen veranderd. 20 De werpsteenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans. 21 Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, ah op slijk. 22 IIij doet de diepte zieden gelijk een' pot, hij stelt de zee als eene apothekers kokerij. 23 Achter zich verlicht hij het pad; men zou don afgrond voor grijzigheid houden. 24 Op de aarde is niets met hem te vergelijken; die gemaakt is, om zonder schrik te wezen. 25 Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is oen koning over alle jonge hoogmoedige dieren. HOOFDSTUK 42. Job bekent zijne schuld, vs. 1; en bewijst zijn berouw in stof en asch, G. God bestraft de drie vrienden van Job, 7; beveelt hun, dat zij voor zich offeranden doen en dat Job voor hen bidde, 8; dit gedaan zijnde, worden zij met God verzoend, Ã. Job wordt uit zijn lijden verlost en eens zoo rijk gezegend als te voren, 10, 12; wordt bezocht en vertroost van zijne broeders, zusters en goede vrienden, 11. Hij wordt niet alleen gezegend in middelen, 12, maar ook in kinderen, 13; de verlenging zijns levens, 16; zijnen dood, 17. TOEN antwoordde Job den Heere , en zoido: 2 Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geene van uwe gedachten kan afgesneden worden. 3 quot;Wie is hij, zeyt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? zoo heb ik dan verhaald hetgeen ik niet verstond, quot; dingen, die voor mij to wonderbaar waren, die ik niet wist. «Job38:2. h I's. 40 : G. 131 : 1. 139 : 0. 4 Hoor toch , en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderrigt Gij mij. 5 Mot bet gehoor des oors heb ik U gehoord, maar nu ziet IJ mijn oog. (! Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en asch. |
7 Het geschiedde nu, nadat do Heeue die woorden tot Job gesproken had, dat de Heere tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijne toorn is ontstoken legen u, en tegen uwe twee vrienden, want gijlieden hebt niet regt van Mij gesproken, gelijk als mijn knecht Job. 8 Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot mijnen knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat mijnen knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk Ik zal zijn aangezigt aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uwe dwaasheid: want gijlieden hebt niet regt van Mij gesproken, gelijk mijn knecht Job. 9 Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiot, henen, en deden, gelijk als de Heere tot hen gesproken had; en do II eere nam liet aangezigt van Job aan. 10 En de Heere wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijne vrienden; en de Heere vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoo veel. 11 Ook kwamen tot hem al zijne broeders, en al zijne zusters, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood mot hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al hot kwaad, dat de Heere over hem gebragt had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk gelds, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel. 12 En de Heere zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste: want hij had veertien duizend schapen , en zes duizend kemelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen. 13 Daartoe bad hij zeven zonen en drie dochteren. 14 En hij noemde den naam dor eerste Jemima, on den naam der tweede Kezia, on den naam der derde Keren-happüch. 15 En er werden zoo schoone vrouwen niet gevonden in hot gansche land, als do dochteren van Job; en haar vader gaf haar erfdeel onder hare broederen. 16 En Joh leefde na dezen honderd en veertig jaren, dat hij zag zijne kinderen, en de kinderen zijner kinderen, tot in vier geslachten. 17 En Job stierf, oud on der dagen zat. |
HET * BOEK
der
PSALMEN.
|
quot;Luk. 20:42. PSALM 1. Beschrijving van den wandel en de gelukzaligheid der vromen, in tegenoverstelling van den aard en ellen-digen staat der goddeloozen. WELGELUKZALIG is de man, quot; die niet wan- |
Hand. 1 : 20. delt in den raad der goddeloozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters ; a Ps. 2G : 4. Spr. 1:10,15. 4:14, 15 1 Oor. 15 : 33. Efez. 5:11 2 quot; Maar zijn lust is in dos Heeren wet. |
PSALM 1, 2, 3, 4.
|
on liij overdenkt zijne wet dag' on nacht, a, Deuf. ():(), enz. 17 : 1!). Joz. 1 : 8. Ps. 119: 1, enz. 3 Want hij zal zijn als een quot; boom, geplant aan waterbeken, die zijne vrucht geeft op zijnen tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken. a .Ier. 17:8. 4 Alzoo zijn de goddeloozen niet, maar als quot; het kaf, dat de wind henendrijft. aJob 21 :18. Ps. 35 : 5. Jes. 17 : 13. 20 : 5. Hos. 13 : 3. 5 Daarom zullen do goddeloozen niet bestaan in liet gerigt, noch do zondaars in de vergadering der regtvaardigen. (! Want de Heere kont den weg der regtvaardigen ; maar do weg der goddeloozen zal vergaan. PSALM 2. Profetie van hot koningrijk vun den Messias, onzen Hoero Jezus Christus, met een ernstig bevel aim de koningen en regenten der aarde, dat zij zich dezen Koning met gehoorzaamheid zullen onderwerpen. WAAROM quot;woeden de Heidenen, on bedenken de volken ijdelheid? n Hand 4:2:quot;). 2 De koningen der aarde stollen zich op, on de vorsten beraadslagen te zamen tegen den Heere, en tegen zijnen Gezalfde, zcy-gende: 3 Laat ons hunne bandon verscheuren, en hunne touwen van ons werpen. 4 Die in den hemel woont, zal lagchon, de Heere zal bon bespotten. 5 Dan zal Hij tot hen sproken in zijnen toorn, en in zijne grimmigheid zal Hij hen verschrikken. 6 Ik toch heb mijnen Koning gezalfd ovorZion, den berg mijner heiligheid. 7 Ik zal van het besluit verhalen: de Heere heeft tot mij gezegd: quot;Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd. «Hand. 13:33. Ilcbr. 1:5.5:5. 8 Eisch van Mij, quot;en Ik zal do Heidenen geven tot uw erfdeel, en do einden der aarde tot uwe bezitting. « Ps. 22:28. 72:8. 9 quot; Gij zult hen verpletteren met oenen ijzeren scepter; gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkers vat. a Oponb. 2:27. 19:15. lü Nu dan, gij koningen! handelt verstandiglijk, laat u tuchtigen, gij regters der aarde! 11 Dient den Heere met vreeze, en verheugt u met bovinquot;'. |
12 Kust den Zoon, opdat hij niet toorne, en gij oj) don weg vergaat, wanneer zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. quot;Welgelukzalig zijn allen, die op Hom betrouwen. n Ps. 34 : 9. Spr. 1G : 20. Jos. 30 : 18. Jcr. 17:7. 'Rum. 9:33. 10:11. 1 Petr. 2:0. PSALM 3. David klaagt over de menigto en trotschheid zijner vijanden; troost en sterkt zich daartegen door zijn vertrouwen op en gerustheid in God, en de veelvuldige ondervinding van zijnen genadigen bijstand in vorige tijden; bidt om behoudenis voor zich en voor de Kerk. EEN psalm van David, als hij quot;vlood voor het aangezigt van zijnen zoon Absalom. a 2 Sam. 15,1G, 17,18. 2 O Heere ! hoe zijn mijne tegenpartij der s vermenigvuldigd! velen staan tegen mij op. 3 Velen zeggen van mijne ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela. 4 Doch Gij, Heere! zijt een schild voor mij, mijne eer, en die mijn hoofd opheft. 5 Ik riep met mijne stom tot den Heere, en quot;ij verhoorde mij van den berg zijner heiligheid. Sela. (! quot; Ik lag neder on sliep; ik ontwaakte, want do Heere ondersteunde mij. al's. 4:9. 7 quot; Ik zal niet vreezen voor tien duizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten. a Ps. 27 : 3. 8 Sta op, Heere! verlos mij, mijn God! want Gij hebt al mijne vijanden op het kinnebakkon geslagen, do tanden dor goddeloozen hebt Gij verbroken. 9 quot; Hot heil is des Heeren ; uw zogen is over uw volk. Sola. a Spr, 21: 31. Jes. 43: 11. Jer. 3 : 23. llos. 13 : 4. Openb. 7 :10. 19:1. PSALM 4. David bidt om genadige verhooring, bestraft zijne vijanden on vermaant hen tot bekeering; is verheugd, getroost en gerust in (lods genade. EEN psalm van David, voor den opper zangmeester, op do Neginóth. 2 Als ik roep, verhoor mij, o God mijnor go- 33 |
PSALM 4, 5, 6, 7.
514
|
regtighoid! in benaamvdlieid hebt (Jij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed. 3 Oij mannen! hoe lang zal mijne eer tot schande zijn? hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela. 4 Weet toch, dat de Heere zich eenen gunstgenoot heeft afgezonderd; do Heere zal hooren, als ik tot Hem roep. 5 quot; Zijt beroerd, en zondigt niet, spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela. a Efdz. 4 : 26. (i Offert quot; offeranden der geregtigheid, en vertrouwt op den Heere. a üout. li.'i: 1!). Ps. 51 : 21. 7 Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? verhef Gij over ons het licht uws aanschijns, o Heere! 8 Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. 9 quot; Ik zal in vrede te zamen neder-liggen en slapen: want Gij, o Heere! alleen zult mij '' doen zeker wonen. ffPs.3:6. 6Lcv.2G;ó. Dout. 12:10.33:28. PSALM 5. David bidt en smeekt God ernstiglijk, om verhooring van zijne vurige geboden, zich verzekerende van Gods geregtigheid tegen zijne vijanden, en goedgunstigheid tot hem; bidt met vertrouwen voor zich zeiven tegen zijne goddelooze vijanden, en voor de gan-sche Kerk. EEN psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechilóth. 2 O Heere! neem mijne redenen tor ooro, versta mijne overdenking. 3 Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! want tot U zal ik bidden. 4 Des morgens, Heere! zult Gij mijne stem hooren; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden. 5 Want Gij zijt geen God, die lust heeft aan goddeloosheid; de booze zal bij U niet verkeeren. C De onzinnigen zullen voor uwe oogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongeregtigheid. 7 Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs beeft de Heere eenen gruwel. 8 Maar ik zal door de grootheid uwer goedertierenheid in uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar liet paleis uwer heiligheid, in uwe vreeze. ï) Heere! leid mij in uwe geregtigheid, om mijner verspieders wil; rigt uwen weg voor mijn aangezigt. 10 Want in hunnen mond is niets regts, hun binnenste is enkel verderving, quot; hunne keel is een open graf, met hunne tong vleijcn zij. a Ps. 34 :17. 04 : 20. Kom. 3:13. |
11 Verklaar hen schuldig, o God! laat hen vervallen van hunne raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U. 12 Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen , tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij ben overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die uwen naam liefhebben. 13 Want Gij, Heere! zult den regtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid kroo-nen, als met eene rondas. PSALM 6. David zeer krank zijnde, draagt God zijne ellende voor; bidt zeer vurig om genade en gezondheid, en verzekerd zijnde van verhooring, triomfeert hij over al zijne goddelooze vijanden. EEN psalm van David, voor don opperzangmeester, op de Neginoth, op de Schominith. 2 O Heere! quot;straf mij niet in uwen toorn, en kastijd mij niot in uwe grimmigheid! a Ps. 38 : 2. 3 W ees mij genadig, Heere ! want ik ben verzwakt; genees mij, Heere! want mijne beenderen zijn verschrikt. 4 Ja mijne ziel is zeer verschrikt; en Gij, Heere! hoe lange? 5 Keer weder, Heere! red mijne ziel, verlos mij, om uwer goedertierenheid wil. (! Want in den dood is Uwer geene gedachtenis; wie zal U loven in het graf ? 7 Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijii bed den ganschen nacht zwemmen; ik doornat mijne bedstede met mijne tranen. 8 Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, van wege al mijne tegenpartij ders. 9 quot; Wijkt van mij, al gij werkers der ongeregtigheid! want de Heere heeft de stem mijns geweens gehoord, a Matt. 7:23.25:41. Luk. 13:27. 10 De Heere hooft mijne smocking gehoord; do Heere zal mijn gebod aannemen. 11 Al mijne vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen torugkeeron, zij zullen in oen oogonblik beschaamd worden. PSALM 7. David bidt om verlossing van zijne wroede vijanden; beroept zich heiliglijk op zijne onschuld en begeert regt van God; profeteert dat God regt zal doen, tot bescherming dor vromen, ondergang en verderf van zijne onboetvaardige vervolgers en tot lof van zijnen heiligen naam. DAVIDS Schiggajón, dat hij den Heere gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini. 2 Heere, mijn God! op U betrouw ik; verlos mij van al mijne vervolgers en red mij. 3 Opdat hij mijne ziel niet roovo als een leeuw, , verscheurende, terwijl er geen verlosser is. |
PSALM 7, 8, 9.
515
|
4 rieere, mijn God! indien ik dat gedaan hob, indien er onrogt in mijne handen is; 5 Indien ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak bonaauwde!) G Zoo vervolge de vijand mijne ziel, en achtor-halo zo, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijne eer in het stof wonen! Sela. 7 Sta op, Heere! in uwen toorn, verhef U om de verbolgenheden mijner bonaauwers, en ontwaak tot mij: Gij hebt hot gerigt bevolen. 8 Zoo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte. 9 De Heere zal den volken regt doen: rigt mij, Heere! naar mijne geregtigheid, on naar mijne opregtigheid, die bij mij is. 10 Laat toch de boosheid der goddeloozen een einde nemen, maar bevestig den regtvaardige, Gij die a harten en nieren beproeft, o regtvaardige God! a 1 Kron. 28:9. ,Ter. 11:20. 17:10. 20:12. Oponb. 2:23. 11 Mijn schild is bij God, die de opregten van hart behoudt. 12 God is een regtvaardig Regter, en een God, die te allen dage toornt. l:i Indien hij zich niet bekeert, zoo zal Ilij zijn zwaard wetten; Hij heeft zijnen boog gespannen, en dien bereid, 14 En heeft doodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal zijne pijlen tegen do hittige vervolgers te werk stellen. 15 Ziet, quot;hij is in arbeid van ongeregtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren. a Job 15 : .'ifi, .los. 59 : 4. K! quot; Hij hoeft eonen kuil gedolven, en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die iiij gemaakt heeft. a Job 4:8. l's.OMO. 10:2 Spr 5:22. 26:27. Pred. 10:8. 17 Zijne moeite zal op zijn hoofd wederkeeren, en zijn geweld op zijnen schedel nederdalen. 18 Ik zal den Heere loven naar zijne geregtigheid, on den naam des Heeren, dos Allerhoogsten, psalmzingen. PSALM 8. David verheft ten hoogste (iods niiijestcit, almagt en wonderbare regering; inzonderheid zijne onbegrijpelijke goedertierenheid en genade over den ellendigen mensch, in don Messias Jezus Christus. EEN psalm van David, voor den opperzang-meester, op de Gitthith. 2 O Heere, onzo Heere! hoe heerlijk is uw naam op de gansche aarde! Gij, die uwe majesteit gesteld bebt boven de hemelen. !i Uit quot; den mond der kinderkous en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden. a Matt. 21 : lö. 4 Als ik uwen hemel aanzie, hot werk uwer vingeren, do maan en de sterren, die Gij bereid hebt: 5 quot;Wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt? en de zoon des menschen, dat Gij bom bezoekt? |
a Job 7:17. I's. 144 : .'i. Hobr. 2 : G. (i En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, on hebt hom met oor en heerlijkheid gekroond? 7 Gij doet hem heerschen over do werken uwer handen; quot;Gij hebt alles onder zijne voeten gezet: «1 Cor. 15:27. 8 Schapen en ossen, allen die; ook mede de dieren des voids. 9 Het gevogelte des hemels, en do visschen der zoo; hetgeen do paden dor zeeën doorwandelt. 10 O Heere, onze Heere! hoe heerlijk is uw naam op do gansche aarde! PSALM 9. David dankt God met grooto vrongde voor de overwinning, die Hij hem over zijne vijanden had verleend; bespot hunnen ijdelen roem en trotsche aanslagen, prijst (Iods geregtigheid in hot linten en straffen der goddeloozen, en zijne trouw in hot verlossen der verdrukte vromen, die hij noodigt om God te loven; bidt verder om voortduring van Gods genade en vernietiging van de magt en aanslagen zijner vijanden. EEN psalm van David, voor don opporzang-meestor, op Muth-Labben. 2 Ik zal den Heere loven mot mijn gansche hart; ik zal al uwe wonderen vertollen. 3 In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal uwen naam psalmzingen, o Allerhoogste! 4 Omdat mijne vijanden achterwaarts gekoerd, gevallen en vergaan zijn van uw aangezigt. 5 Want Gij hebt mijn regt en mijne regtszaak afgedaan; Gij hebt gezeten op don troon, o Regter dor geregtigheid! (! Gij bebt de Heidenen gescholden, den goddo-looze verdaan, hunnen naam uitgodelgd, tot in eeuwigheid en altoos. 7 O vijand! zijn do verwoestingen voleind in eeuwigheid ? en hebt gij de steden uitgerooid ? hunlioder gedachtenis is met hou vergaan. 8 Maar de Heere zal in eeuwigheid zitten; Ilij heeft zijnen troon bereid ten gorigto. !) quot;En Hij zelf zal do wereld rigten in geregtigheid, en do volken oordeelen in regtmatigheden. fflPs. 9G : 13. 98 :9. 10 quot; En de Heere zal oen hoog vertrek zijn voor don verdrukte, oen hoog vertrek in tijden van bonaauwdheid. a I's. 37 : 39. 46 : 2. 91: 2. 11 En die uwen naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, Heere! niet hebt verlaten degenen, die IJ zoeken. 12 Psalmzingt den Heere, die te Zion woont; verkondigt onder de volken zijne daden. 13 Want Hij zoekt de bloedstortingen. Hij gedenkt dorzolven; Hij vergeet hot geroep der ellendigen niet. 14 Wees mij genadig, Heere! zie mijne ellende |
â¢(
|
516 aan, van mijne haters mij aangedaan, Gij, ilio mij verhoogt uit de poorten dos doods; 1quot;) Opdat ik uwen gansehen lof in de poorten der dochter van Zion vertelle, dat ik mij ver-heuge in uw heil. 1G quot;De Heidenen zijn gezonken in do groeve, die zij gemaakt hadden; hunlieder voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden, a I's.7: l(i. 17 Do IIeere is bekend geworden; Hij hoeft regt gedaan, de goddelooze is verstrikt in het werk zijner handen! Iliggajon, Sela. 18 Do goddeloozen zullen terugkeeren, naar do hel toe, allo God vergetende Heidenen. 1!) Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der elleu-digen in eeuwigheid verloren zijn. 20 Sta op, Heere ! laat den mensch zich niet versterken; laat de Heidenen voor uw aangezigt geoordeeld worden. 21 O Heere! jaag hun vreeze aan; laat do Heidenen weten, dat zij menschen zijn. Sela. PSALM 10. David, of Gods Kerk, of David in den naam van Gods Kerk, bidt vuriglijk tegen de vervolging en verdrukking der goddeloozen; beschrijvende zeer levendig hunnen hoogmoed, goddeloosheid en hunne wreede bloedige handelingen; begeert (lods regtvaardige vergelding, van welke hij zich in het gelooi' verzekert. O Heere! waarom staat Gij van verre? tvaarom verbergt Gij U in tijdon van benaauwdheid ? 2 Do goddelooze vervolgt hittiglijk in hoogmoed den ellendige; quot;laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben, a I's. 7:10. !);I0. Spr. 5! 22. Want de goddelooze roemt over den wensch zijner ziel; hij zegent den gierigaard, hij lastert den Heere. 4 De goddelooze, gelijk hij zijn' neus omhoog steekt, onderzoekt niet; quot;al zijne gedachten zijn, dat er geen God is. Ps. 14: 1. 53:2. 5 Zijne wegen maken te allen tijde smarte; uwe oordeelen zijn eeno hoogte, verre van hem; al zijne tegenpartijders, dio blaast hij aan. (i Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn. 7 quot; Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijne tong is moeite en ongereg-tigheid. aEoin. 3:14. 8 Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgene plaatsen doodt hij den onschuldige; zijne oogen verbergen zich tegen den arme. 0 Hij logt lagen in eene verborgene plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om don ellendige te rooven; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net. 10 Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijne sterke pooien. 11 quot; Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten. Hij heeft zijn aangezigt verborgen. Hij ziet niet in eeuwigheid. Ps. 94:7. |
12 Sta op, Heere God! hof uwe hand op, vergeet de ellendigen niet. 13 Waarom lastert de goddelooze God? zegt in zijn hart: Gij zult hot niet zoeken? 14 Gij ziot het immers: want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men hot in uwe hand geve; op U verlaat zich de arme. Gij zijt geweest een helper van den wees. 15 Breek den arm des goddeloozen en boozen, zoek zijne goddeloosheid, totdat Gij haar niet vindt. 10 quot;De Heere is Koning eeuwiglijk en altoos; do Heidenen zijn vergaan uit zijn land, a Ps. 29:10. 145 : 13. 140 : 10. .lor. 10 : 10. Klgld. 5 : 19. Dan. 4:3. (i: 27. 1 Tim. 1 ; 17. 17 Heere! Gij hebt don wensch der zaohtmoe-digen gehoord; Gij zult hun hart sterken, uw oor zal opmerken; 18 Om den wees on verdrukte regt te doen; opdat een mensch van de aarde niet moer voort-vare geweld te bedrijven. PSALM 11. David, vernemende de spotternijen van zijne vervolgers, die hem steeds najagen en doen omzwerven, neemt toevlugt tot God; en verklaart zijn geloof aan Gods voorzienigheid, dio beiden, vromen on goddeloozen, ziet, beproeft en rigten zal. EEN psalm van David, voor den opperzang-meester. Ik betrouw op den Heere; hoo zegt gijlieden tot mijne ziel: Zwerft henen naar ulieder ge-bergte, als een vogel ? 2 Want, ziet, de goddeloozen spannen den boog, zij schikken hunne pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de opregten van harte. 3 Zekerlijk do fondamenten worden omgestooten; wat heeft de regtvaardige bedreven? 4 Do Heere is in het paleis zijner heiligheid, dos Heeren troon is in don hemel; zijne oogen aanschouwen, zijne oogleden prooven de men-schenkindcren. 5 De Heere proeft den regtvaardige; maar den goddelooze, en dien, die gewold liefheeft, haat zijne ziel. 6 Hij zal op de goddeloozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal hot doel huns bekers zijn. 7 Want de Heere is regtvaardig. Hij heeft geregtigheden lief; zijn aangezigt aanschouwt den opregte. PSALM 12. David bidt om bewaring, zoo voor zich als voor de Kerk, van do algemoono boosheid, ontrouw, valsoh-hoid, bedriegerij, trotschheid on dwingelandij, bij de overheden in gebruik; en profeteert, dat God hen rigten en de vromen behouden zal, naar de getrouwe beloften van zijn woord. EEN psalm van David, voor don opperzang-meester, op de Scheminith. 2 Behoud, o Heere! want quot;do goodertierene ontbreekt, want do getrouwen zijn weinig geworden onder de menschenkinderen. «Jes. 57:1. PSALM 9, 10, 11, 12. |
i
PSALM 12, 13, 14, 15, 16.
517
|
:i Zij spreken valschheid, eon ieder niet zijnen naaste, vict vleijende lippen; zij spreken mot een dubbel hart. â 1 De Heere snijde af allo vleijende lippen, do grootsprekende tong; 5 Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben niet onze tong; onze lippen zijn onze! wie is hoer over ons? (i Om de verwoesting der ollendigen, om liet kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de Heere; Ik zal in behoudenis zetten , dien hij aanblaast. 7 quot;Do redenen des He eren zijn reine redenon, zilver, gelouterd in oenen aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal. «2 Sam. 22:31. Ps. 18 : 31. 1!!): 140. Spr. 30 : 5. 8 Gij, Heere! zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid. 9 De goddeloozen draven rondom, wanneer do snoodsten van des menschen kinderen verhoogd worden. PSALM 13. David klaagt over uitstel van Gods hulp; bidt, dat Ilij, om do eer zijns naams, zijn nakend verderf voorkome; en overwint door geloof. EEN psalm van David, voor don opperzang-meester. 2 Hoe lang, Heere! zult Gij mij steeds vergeten? hoe lang zult Gij uw aangozigt voor mij verbergen V 3 Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijne ziel? droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn? 4 Aanschouw, verhoor mij, Heere, mijn God! verlicht mijne oogen, opdat ik in den dood niet ontslape. 5 Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmogt; quot; mijne tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen. a Pa. 25:2. G Maar ik vertrouw op uwe goedertierenheid; mijn hart zal zicli verheugen in uw heil; ik zal den Heere zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft. PSALM 14. David beschrijft de uiterste bedorvenheid on boosheid zijner vijanden in het bijzonder, en van alle natuurlijke menschen in hot gemeen; hij dreigt lion met (rods straffen; verlangt naar Gods heil, bijzonder door don Messias, waarover hij in den geest verheugd is. EEN psalm van David, voor den opperzang-meester. quot; Do dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; ''er is niemand, die goed doet. a I's. 10 ; 4. 53 ; 2. h Hom. 3 : 10. 2 De Heere heeft uit den hemel nedergezien op de menschenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht. |
3 Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een. 4 Hebben dan allo werkers der ongeregtigheid geene kennis, dio mijn volk opeten, ala of' zij brood aten? Zij roepen don Heere niet aan. 5 Aldaar zijn zij mot vervaardheid vervaard: want God is bij liet geslacht des regtvaardigen. t! Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de Heere zijne toevlugt is. 7 Och dat Israels verlossing uit Zion kwame! Als de Heere de gevangenen zijns volks zal doen wederkeeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn. PSALM 15. David beschrijft oenen regton burger van Zion, of waren dienaar van God, die niot verloren zal gaan in eeuwigheid. EEN psalm van David. Heere! wie zal verkeeron in uwe tent? wie zal wonen op den berg uwer heiligheid? 2 quot; Die opregt wandelt, en geregtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt; a Ps. 24 : 4. .les. 33 : 15. 3 Die met zijne tong niet achterklapt, zijnen medgezelien geen kwaad doet, en geene smaadrede opneemt tegen zijnen naaste; 4 In wiens oogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den Heere vreezen; heeft hij gezworen tot zijne schade, evenwel verandert hij niet; 5 Die zijn geld uiet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid. PSALM 16. David bidt om bewaring, mot ontkenning van zijne verdiensten bij God, verfooiing van allo afgoderij on eono blijde betuiging van zijn geloof in den Messias, door wolken hij en alle geloovigen, hebbende gemeenschap met (iod, do zalige opstanding en het eeuwige leven zullen deelachtig zijn. De Heere Christus zelf wordt hier ingevoerd, sprekende van zijnen dood, opstanding en eeuwige heerlijkheid, ten goede van do zijnen. EEN gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U. 2 O mijne ziel! gij hebt tot den Heere gezegd: Gij zijt de Heere, quot;mijne goedheid raakt niet tot U; « .lob 22 : 2. 35 : 7. Ps. 59 :!), enz. Kom. 11 : 35. 3 Maar tot de heiligen, die op do aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is. 4 De smarten dergenon, die oenen andoren God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hunne drankofferen van bloed niet offeren, en hunne namen op mijne lippen niet nemen. 5 quot;De Heere is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot. aKlgld. 3:24. 6 De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen, ja eone schoone erfenis is mij geworden. 7 Ik zal den Heere loven, die mij raad beeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijne nieren. |
J
PSALM 16, 17, 18.
01«
|
8 quot; Ik stel don Heeue geduriglijk voor mij; omdat Hij aan mijne rogterliand is, zal ik niet wankelen. a Hand. 2 : 25. !) Daarom is mijn hart verblijd, en mijne eer verheugt zich; ook zal mijn vleesch zeker wonen. 10 quot; Want Gij zult mijne ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat uw Heilige do verderving zie. «Hand. 2:31. 13:35. 11 Gij zult mij het pad des levens bekend maken : verzadiging der vreugde is bij uw aangozigt; liofolijkheden zijn in uwe regterhand, eomviglijk. PSALM 17. David, in vertrouwen dat zijne opregtheid en onschuld Oode zeer wol bekend zijn, bidt om bewaring en bescherming togen zijne vervolgers, die bij hun tijdelijk geluk op aarde den onscliuldige wreed verdrukten; hij troost zich in Gods heil en de zalige hope des eeuwigen levens. EEN gebod van David. IIeeue! hoor do geregtigbeid, merk op mijn geschrei, noem ter oore mijn gebed, mot onbo-driegelijke lippen gesproken. 2 Laat mijn rogt van voor uw aangozigt uitgaan, laat uwe oogen do billijkbeden aanschouwen. 3 Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet. 4 Aangaande de handelingen des menschen, ik heb mij, naar hot woord uwer lippen, gewacht voor do paden des inbrekers; 5 Houdende mijne gangen in uwe sporen, opdat mijne voetstappen niet zouden wankelen. (i Ik roep U aan, omdat Gij mij verboort, o God! neig uw oor tot mij, boor mijne rede. 7 Maak uwe weldadigheden wonderbaar, Gij, die verlost degenen, die op IJ betrouwen, van degenen, die tegen uwe regterhand opstaan! 8 Bewaar mij als hot zwart dos oogappels, verberg mij onder do schaduw uwer vleugeion, 9 Voor het aangozigt der goddoloozen, die mij verwoesten, mijner doodvijanden, die mij omringen. 10 Met hun vet besluiten zij z'wh, met hunnen mond sproken zij hoovaardiglijk. 11 In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hunne oogen op ons, tor aarde noder-bukkende. 12 Hij is gelijk als oen leeuw, die begeert te rooven, en als oen jonge leeuw, zittende in verborgene plaatsen. 13 Sta op, Heere! kom zijn aangozigt voor, vel hem neder; bevrijd mijne ziel met uw zwaard van don goddeloozo; 14 Mot uwe hand van de lieden, o Heere! van do lieden, die van do wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult mot uwen verborgen' schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten bun overschot hunnen kindorkons achter. |
15 Maar ik zal uw aangozigt in geregtigbeid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met uw boold, als ik zal opwaken. PSALM 18. Zie den inhoud van dezen Psalm op 2 Sam. 22. VOOR den opporzangmeostor, een psalm van David, den knecht des Heeren, die do woorden dezes liods tot don Heere gesproken beeft, ton dage, als hem de Heere gered had uit de hand van al zijne vijanden, en uit de hand van Saul. 2 Hij zoide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijne Sterkte! 3 Do Heere is mijne Steenrots, en mijn lUirg, en mijn Uithelper; mijn God, mijne Rots, op welken ik betrouw; mijn Schild, on de Hoorn mijns hoils, mijn hoog Vertrok. 4 Ik riep den Heere aan, die te prijzen is, en werd verlost van mijne vijanden. 5 Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Bolials verschrikten mij. G Banden der bel omringden mij, strikken des doods bojegenden mij. 7 Als mij bange was, riep ik den Heere aan, en riep tot mijnon God; Hij hoorde mijne stem uit zijn paleis, on mijn geroep voor zijn aangozigt kwam in zijne ooren. 8 Toon daverde en beefde de aarde, en do gronden dor bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was. 9 Rook ging op van zijnon neus, en oen vuur uit zijnon mond verteerde; kolen worden daarvan aangestoken. 10 En Hij boog don hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder zijne voeten. 11 En Hij voer op oenen cherub, en vloog; ja Hij vloog snellijk op do vleugelen des winds. 12 Duisternis zotte Hij tot zijne verberging; rondom Hem was zijne tont, duisterheid dor watoren , wolken dos hemels. 13 Van don glans, die voor Hein was, dreven zijne wolkon daarhenen, hagel en vurige kolen. 14 En de Heere donderde in don hemel, on do Allerhoogste gaf zijne stom, hagel en vurige kolen. 15 En Hij zond zijne pijlen uit, en verstrooide zo; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte zo. K! En de diepe kolken dor wateren worden gezien , en do gronden der wereld werden ontdekt, van uw schelden, o Heere! van hot geblaas dos winds van uwen neus. 17 Hij zond van do hoogte. Hij nam mij. Hij trok mij op uit de grooto wateren. 18 Hij verloste mij van mijnen sterken vijand, en van mijne haters, omdat zij magtigor waren dan ik. 19 Zij hadden mij bejegend ton dage mijns ongo-vals; maar do Heere was mij tot een steunsol. 20 En Hij voerde mij uit in de ruimte; Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij. |
PSALM 18, 19.
519
|
21 De TIeere vergold mij naar mijne geregtig-heid; Hij gaf mij weder naar do reinigheid mijner handen. 22 Want ik heb des IIeeren wegen gehouden, on ben van mijnen God nietgoddelooslijk afgegaan. 23 Want al zijne regten waren voor mij, en zijne inzettingen deed ik niet van mij weg, 24 Maar ik was opregt bij Hem, en ik wachtte mij voor mijne ongeregtighoid. 25 Zoo gaf mij do Heere weder naar mijne geregtigheid, naar do reinigheid mijnor handen, voor zijne oogen. 2() Bij den goedertioreno houdt Gij U goodortieren, bij den oprogten man houdt Gij U opregt. 27 Bij don reino houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U oenen worstelaar. 28 Want Gij verlost hot bedrukte volk; maar de hoogo oogon vernedert Gij. 29 Want Gij doet mijne lamp lichten; do Ueere, mijn God, doet mijne duisternis opklaren. 30 Want met U loop ik door oene bende, en mot mijnen God spring ik over oenen muur. 31 Gods weg is volmaakt; do rode des IIeeren is doorlou-tord; Hij is oen schild allen, die op Hom betrouwen. 32 Want wie is God, bolialvo do Heere? en wie is oen Rotssteen, dan alleon onze God? 33 Hot is God, die mij mot kracht omgordt; en Hij hooft mijnen weg volkomen gemaakt. 34 Hij maakt mijne voeten gelijk als der hinden, en Hij stolt mij op mijne hoogten. 35 Hij loert mijne handen ten strijde, zoodat een stalen boog mot mijne armen verbroken is. 3(5 Ook hebt Gij mij het schild uws hoils jgegoven, en uwe regterhand hooft mij ondersteund, en uwe zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt. 37 Gij hebt mijnen voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijne enkeion bobben niet gewankeld. 38 Ik vervolgde mijne vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik lion verdaan had. 39 Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijne voeten. 40 Want Gij omgorddot mij met kracht ton strijde; Gij doodt onder inij noderbukken die togen mij opstonden. 41 En (Jij gaaft mij don nok mijnor vijanden, on mijne haters, dio vornioldo ik. 42 Zij riepen, maar or was geen verlosser; tot den Heere, maar Hij antwoordde hun niet. |
43 Toen vergruisde ik lion als stof voor den wind; ik ruimde hen weg als slijk der straten. 44 Gij hebt mij uitgeholpen van do twisten des volks. Gij hebt mij gestold tot een hoofd dor Heidenen; hot volk, dat ik niet kendo, heeft mij gediend. 45 Zoo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij gevoinsdelijk onderworpen. 46 Vreemden zijn vervallen, on hebben gesidderd uit hunne sloten. 47 De Heere loeft, en geloofd zij mijn Ilotssteon, en verhoogd zij do God mijns hoils! 48 Do God, die mij volkomono wraak geeft, en do volken onder mij brengt; 4!) Die niij uitholpt van mijne vijanden; ja Gij verhoogt iiiij boven dogenen, dio tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds. 50 Daarom zal ik U, o Heere! loven onder do Heidenen; en uwen naam zal ik psalmzingen ; 51 Dio de verlossingen zijns koning groot maakt, en goe-dortieronheid doet aan zijnon gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid. PSALM 19. David leert, dat Gods schepselen, on inzonderheid de hemel on do omloop dor zon, overvloedig getuigen van zijne inagt, wijsheid en algemeene goedheid, maar roemt bovenal de bijzondere genado, die Hij aan zijn volk bewijst door tie openbaring van zijn zaligmakend woord, door hetwelk David verlicht zijnde, zijnen zondigen staat bekent, bidt om reiniging, alsmede bewaring van do lieer-schappij der zonden, opdat hij (lode wolbohagelijk moge loven. David, voor den opperzang- EEN psalm van moester. 1 De hemelen vertellen Gods oor, en hot uitspansol verkondigt zijner handen werk. 2 Do dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en do nacht aan don nacht toont wetenschap. 4 Geone spraak, on geene woorden zijn er, waar hunne stom niet wordt gehoord. 5 quot; Hun rigtsnoer gaat uit over do gansche aarde, en hunne redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve oene tent gestold voor do zon. a Rom. 10 : 18. (i En die is als oon bruidegom, uitgaande uit zijne slaapkamer; zij quot;is vrolijk als eon held, om het pad te loopon. a Prod. 1 : 5. 7 Haar uitgang is van het einde des hemels, on |
PSALM 19, 20, 21.
520
|
haar omloop tot aan do cindon deszolvcn; en niets is verborgen voor hare hitte. 8 quot; Do wet des Heeren is volmaakt, bekoerendo de ziel; de getuigenis des Heeren is gewis, den slechten wijsheid gevende. a2Sam.22:31. Ps. 18:31. 9 De bevelen des Heeren zijn regt, verblijdende het hart; hot gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de oogen. 10 De vreeze des Heeren is rein, bestaande tot in eeuwigheid; do regten des Heeren zijn waarheid, zamen zijn zij regtvaardig. 11 quot;Zij zijn begeerlijker dan goud, ja dan veel fijn goud; en ''zoeter dan honig en honigzeem. a Ps. 119:72, 127. Spr.S: 11. li Ps. 119:103. 12 Ook wordt uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in liet houden van die is groote loon. 13 Wie zou de afdwalingen verstaan? reinig mij van do verborgene af dwaling en. 11 Houd uwen knecht ook terug van trotschheden, laat zo niet over mij heorschen; dan zal ik opregt zijn en rein van groote overtreding. 15 Laat do redenen mijns monds, en do overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor uw aange-zigt, o Heere, mijn Rotssteen en mijn Verlosser! PSALM 20. Eeno zegening en gebod van de Kerk voor den koning David, zullende optrekken ten strijde, mot een vast vertrouwen van overwinning en roem door den hemelschen Koning, don Messias. EEN psalm van David meester. 2 Do Heere verhoore u in den dag der be-naauwdheid; de naam van don God Jakobs zette u in een hoog vertrek. 3 Hij zonde uwe hulp uit het heiligdom, on ondersteune u uit Zion. 4 Hij gedonke al uwer spijsof foren, on make uw brandoffer tot asch. Sela. 5 Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uwen raad. 6 Wij zullen juichen over uw heil, en de vaan- |
voor den opperzang-delen opstoken in den naam onzos Gods. De Heere vervulle al uwe begeerten. 7 Alsnu weet ik, dat de Heere zijnen Gezalfde behoudt; Hij zal hem verhooren uit den hemel zijner heiligheid; het heil zijnor regterhand zal zijn met mogendheden. 8 Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van don naam des Heeren, onzes Gods. 9 Zij hebben zich gekromd, en zijn gevallen; maar wij zijn gerezen en staande gebleven. 10 O Heere! behoud; die Koning verhooro ons ton dage van ons roepen. PSALM 21. David dankt God, voor zich en in naam der Kerk, , voor do ontvangeno overwinning en den gezegenden staat van zijn koningrijk; zijndeeen voorbeeld van don eeuwigen Koning on hot koningrijk van Jezus Christus; profeteert beider bestendigheid , en den ondergang van al dos/.elfs vijanden tot Gods lof. EEN psalm van David, voor dén opper zangmeester. 2 O Heere ! do Koning is verblijd over uwe sterkte; en hoezeer is hij verheugd over uw heil! 3 Gij hebt hem zijns harten wensch gegeven; en de uitspraak zijner lippen hebt Gij niet ge-woerd. Sela. 4 Want Gij komt hom voor mot zeye- ningen van hot goede; op zijn hoofd zet Gij eono kroon van fijn goud. 5 Het loven heeft hij van U begeerd. Gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, oeuwiglijk en altoos. 0 Groot is zijne eer door uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij hom toegevoegd. 7 Want Gij zet hem tot zegeningen in eeuwigheid; Gij vervrolijkt hem door vreugde met uw aangezigt. 8 Want de Koning vertrouwt op don Heere, en door de goedertierenheid des Allerhoogsten zal hij niet wankelen. 9 Uwe hand zal al uwe vijanden vinden; uwe regterhand zal uwe haters vindon. |
PSALM 21, 22.
|
10 Gij zult hen zotten als eenon vurigen oven tor tijd uws toornig en aangozigts; do Heeue zal hen in zijnen toorn verslinden, en hot vuur zal hen verteren. 11 Gij zult hunne vrucht van do aarde verdoen, en hun zaad van do kinderen dor monsohon. 12 Want zij hebbon kwaad tegen U aangelegd; zij hebbon oene schandelijke daad bedacht, doch zullen niets vermogen. 13 Want Gij zult hen zotten tot oen wit, mot uwe pozen zult gij hot op hun aangozigt toeleggen. 14 Verhoog U, Heere! in uwe sterkte; zoo zullen wij zingen, en uwe magt niet psalmen loven, PSALM 22. Alhoewel in dozen psalm eenigo dingen op David (als Christus voorbeeld) kunnen toegepast worden, zoo blijkt nogtans uit zijnon goheolon inhoud on uit hot Nieuwe Testament, dat David door don Oeest der profetie bijzonder dou Heere Christus hier hooft ingevoerd, sprekende van zijn bitter lijdon voor zijne Kerk, mitsgaders van zij no vorhooging, en do toekomende uitbreiding van zijn geestelijk koningrijk door do gohoele wereld, on doszelfs gedurigheid, mot verhaal van de weldaden, dio wij daardoor bekomen, om Hem daarvoor te dienon, te eeren onto danken. EEN psalm van David, voor den op-perzangmeester, op Aijéloth hasschachar. 2 quot;Mijn God, mijn God! waarom bobt Gij mij verlaten ? verre zijnde van mijne verlossing, van do woorden mijns brullens? a Matt. 27:46. Mark. 15:34. 3 Mijn God! ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet, on des nachts, en ik heb geene stilte. 4 Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israels. 5 Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen. G Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; quot;op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden. a I's. 26:3. 31 : 2. Jes. 49 : 23. Rum. 9 :33. 7 Maar ik ben een worm en geen man, oen smaad van menschen, en veracht van het volk. |
8 Allen, die mij zien, quot;bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden hel hoofd, se;/(jende: a Matt. 27 : 39. 9 quot; Ilij heeft het op den Heere gewenteld, dat Hij hem nu uitbelpe, dat Hij hom redde, dewijl Hij lust aan hom hoeft! ff Matt. 27:43. 10 Gij zijt het immers, die mij uit don buik bobt uitgetogen; dio mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moedors borsten. 11 Op U bon ik geworpen van do baarmoeder af, van don buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God. 12 Zoo wees niet verre van mij, want benaauwd- heid is nabij, want er is geen helper. 13 Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Ha-san hebbon mij omringd. 14 Zij hebbon hun-non mond togen mij opgesperd, als oen verscheurende en brullende leeuw. 15 Ik ben uitgestort als water, en al mijne beenderen hebben zich van eon gescheiden; mijn hart is als was, hot is gesmolten in bet midden mijns ingewands. 1(5 Mijne kracht is verdroogd als eene potscherf, en mijne tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods. 17 Want bondon hebben mij omsingeld, eene vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; quot; zij hebben mijne handen en mijne voeten doorgraven. a Matt. 27 : 35. Mark. 15:24. Luk. 23:33. Joh. 19:23, 37. 20:25. 18 Al mijne beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij. 19 quot;Zij doelen mijne kloedoren onder zich, en worpen hot lot over mijn gewaad. a Luk. 23:34. Joh. 19:24. 20 Maar Gij, Heere! wees niet verre; mijne Sterkte! haast U tot mijne hulp. 21 Red mijne ziel van het zwaard, mijne eenzame van het gewold des honds. 22 Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornon. 23 Zoo quot; zal ik uwen naam mijnen broederen |
PSALM 22, 23, 24, 25.
522
|
vertellen; in hot midden der gemeente zal ik U prijzen. n Hebr. 2 : 12. 24 Gij, die den IIhere vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem, en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israël! 25 Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid do verdrukking des verdrukten, noch zijn aan-gezigt voor hom verborgen; maar Hij iiooft gehoord, als dio tot Hem riep. 2() Van U zal mijn lof zijn, in oene groote ge-moento; ik zal mijne geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vreezen. 27 Do zachtmoedigen zullen eton en verzadigd worden, zij zullen don Heere prijzen, die Hom zoeken; uliodor hart zal in eeuwigheid loven. 28 Allo quot; einden der aarde zullen hot godonkon, en zich tot don Heere bokeoren; en alle geslachten dor Heidonon zullen voor uw aangezigt aanbidden. rifPs. 2 ; 8. 72 : 11. 86 ; 9. 29 Want hot koningrijk is dos Heeren, on Hij hoorscht onder do Hoidonon. 30 Alle vetten op aarde zullen eton, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor zijn aangezigt no-derbukken; en die zijne ziel bij bet loven niet kan houden. 31 Hot zaad zal Hem dienen; liet zal den Heere aangeschreven worden tot in go-slachton. 32 Zij zullon aankomen, en zijne geregtigheid verkondigen don volke, dat geboren wordt, quot; omdat Hij het gedaan heeft. a I's. 52: II. PSALM 23. David stelt in zijn oigon persoon , als in een' spiegel, voor oogen do zaligheid van eon opregt kind Gods, zoo in hot ligoliamelijke als in hot geestelijke, onder hot liefelijk beleid on de herderlijke voorzorg van zijnon gonadigon God, in don oppersten Herder dor zielen, onzen lleore Jezus Christus. EEN psalm van David. quot; De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbroken. n Jes. 40:11. Jer. 23:4. Ezeo. 34:23. Joh. 10:11. 1 Potr, 2:25. Openb. 7:17. 2 Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren. 3 Hij verkwikt mijne ziel; Hij leidt mij in hot spoor der geregtigheid, om zijns naams wil. 4 quot; Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij. a Ps. 3:0. 118: G. |
5 Gij rigt do tafel toe voor mijn aangezigt, tegenover mijne tegenpartij dors; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvlooijende. (i Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levons; en ik zal in het huis des Heeren blijven in lengte van dagen. PSALM 24. David van God borigt zijnde, dat Salomo den tempel zou bouwen, on de ark des verbonds daarin laten brengen, erkent Gods regt on magt over den gan-sohen aardbodem; en verheugt zich allermeest over Gods bijzondere genade, die Hij bewijst aan zijne Kerk, welker leden David hier beschrijft, en vermaant, dat do ark (op welke God zijne tegenwoordigheid vertoonde) waardiglijk en met eerbied mag worden ontvangen, als zijnde dit eene afbeelding van do komst van don Jlessias in don tabernakel zijns ligchaams, en tot zijne Kerk, (zijnde Gods tempel en Cliristus koningrijk) waartoe mede behoort zijne hemelvaart, om van daar als Koning der oore zijne Kerk te regeren. EEN psalm van David. quot;De aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid, de wereld, en die daarin wonen. (iEx. 1!) : 5. Dout. 10:14. Job 41 :2. Ps. 50:12. ICor. 10:26, 28. 2 Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren. 3 quot; Wie zal klimmen op don berg des Hekken ï on wie zal staan in de plaats zijner heiligheid? «Ps. 15:1. .les. 33: 14, 15. 4 Die reiu van handen, en zuiver van hart is, die zijne ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bodriogelijk zweert; 5 Dio zal den zegen ontvangen van don Heere, en geregtigheid van den God zijns hoils. 6 Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, dio uw aangezigt zoeken , d(d is Jakob ! Sela. 7 Heft uwe hoofden op, gij poorten! en verheft u, gij eeuwige deuren! opdat do Koning der oore inga. 8 Wie is do Koning der eere? De Heere, sterk on geweldig, de Heere, geweldig in den strijd. 9 Heft uwe hoofden op, gij poorten! ja heftop, gij eeuwige deuren, opdat do Koning der eere inga. 10 Wie is hij, deze Koning der oere? De Heere dor heirscliaron, die is de Koning der eere. Sela. PSALM 25. David, bonaamvd zijnde door de vervolging zijner vijanden, neemt zijne toevlugt tot God; bekent zijne zonden, bidt om genade en vergeving, en dat God liom zijne wegen wil leeren on daarin leiden, gelijk Hij don zijnen gewoon is te doen; mitsgaders dat Hij hom van zijne vijanden bevrijde en zijne gansehe Kerk bohoude. |
|
EEN psalm van David. Aleph. Tot U, o Heere ! hof ik mijno ziel op. 2 Beth. Mijn God! quot;op U vertrouw ik, laat mij niet beschaamd worden; laat mijno vijanden niet van vreugde opspringen over mij. a Ps. 22 : C. 31 : 2. 34 : 0. 3 Girnel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet quot;beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak. «Jos. 28: 10. Eom. 10:11. 4 Daleth. Heere! quot; maak mij uwe wegen bekend, leer mij uwe paden. a Ps. 27 : 11. 80: 11. 119. 5 lie. Vau. Leid mij in uwe waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns boils; II verwacht ik den ganschen dag. (i /(dn. Gedenk, IIeere! uwer barmhartigheden en uwer goedertierenheden, want quot;die zijn van eeuwigheid. aPs. 103:17. 100:1. 107:1. 117:2. 130. Jer. 33 : 11. 7 Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jongheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar uwe goedertierenheid, om uwer goedheid wil, o Heere! 8 Tcth. De IIeere is goed on regt; daarom zal Hij do zondaars onderwijzen in den weg. !⢠Jod. Hij zal de zaciitinoedigon leiden in hot regt, en Hij zal den zachtmoedigon zijnen weg loeren. 10 Cdjih. Allo paden dos Heeren zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die zijn verbond en zijne getuigenissen bewaren. 11 Lamed. Om uws naams wil, Heere! zoo vergeef mijne ongeregtigheid, want die is groot. 12 Mem. Wie is de man, die don IIeere vreest? Hij zal hem onderwijzen in don weg, dien hij zal hebben te verkiezen. 13 Nun. Zijne ziol zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beërven. 14 Samech. Do verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hom vreezen; en zijn verbond, om hun die bekend te maken. 15 Ain. Mijne oogen zijn goduriglijk op den Heere, want Hij zal mijno voeten uit hot net uitvoeren. 16 I'e. Wend U tot mij, on wees mij genadig, want ik ben eenzaam on ellendig. 17 Tsadc. Do benaauwdheden mijns harten hebben zicli wijd uitgestrekt; voer mij uit mijne noodon. IS Resch,. Aanzie mijno ellende, en mijne moeite, en neem weg al mijno zonden. 19 Resell. Aanzie mijne vijanden, want zij vermenigvuldigen , en zij haten mij met eenon wro-veligen haat. 20 Schin. Bewaar mijne ziel, on red mij; laat mij niot beschaamd worden, want ik betrouw op U. 21 Thau. Laat oprogtigheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht IJ. 22 O God! verlos Israël uit al zijne benaauwdheden. |
523 PSALM 20. David bidt God om regt tegon zijne vijanden, betuigende voor Hom zijne opregtheid, onschuld en godzaligheid; zich verzekerende van verhooring, belooft hij Gode dankbaarheid. EEN psalm van David. quot; Doo mij regt, Heere! want ik wandel in mijne opregtigheid; en ik vertrouw op don IIeere, ik zal niot wankelen. «Ps. 7 : 9. 2 Proef mij, Heere! en verzoek mij, toets mijne nieren en mijn hart. 3 Want uwe goedertierenheid is voor mijne oogon, en ik wandel in uwe waarheid. 4 quot; Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niot om. «Job 31:6. Ps. 1:1. 5 Ik haat de vergadering dor boosdoeners, en bij do goddeloozen zit ik niet. (i Ik wasch mijne handen in onschuld, on ik ga rondom uw altaar, o Heere! 7 Om te doen hooren de stem des lofs, en om te vertellen al uwe wonderen. 8 Heere! ik heb lief do woning van uw huis en do plaats des tabernakels uwer eer. 9 Raap mijne ziel niot weg met de zondaren, noch mijn levon met de mannen des bloeds; 10 In welker handen schandelijk bedrijf is, on welker regteriiand vol geschenken is. 11 Maar ik wandel in mijne opregtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig. 12 Mijn voet staat op effen baan; ik zal den Heere loven in de vergaderingen. PSALM 27. David vermeldt, dat God zijn eonige troost on too-vorlaat is in allo gevaren, en wolk een hartelijk verlangen hij heeft om altijd in Gods huis to zijn, waarom hij ook gedurig bidt; zich intusschen in zijne omzwervingen sterkende door geloof en geduldig wachten op de vervulling van Gods beloften, waartoe hij ook anderen vermaant. EEN psalm van David. quot;Do IIeere is mijn Licht en mijn Heil, quot;voor wien zou ik vreezen? de Heere is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn? «.les. 10: 17. 00: 19, 20. Mieha7 :8. Luk. 1 : 79. .loh. 1: 4. 8 : 12. Oponb. 21: 23. h Ps. 118 : 0. 2 Als de boozen, mijne tegenpartijen, en mijne vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vleoscli te eten, stieten zij zelven aan, en vielen. 3 Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vreozen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zoo vertrouw ik hierop. 4 Een ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al do dagen mijns levens mogt wonen in hot huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in zijnen tempel, 5 Want Hij versteekt mij in zijne hut, ton dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene zijner tent; Hij verhoogt mij op oenen rotssteen. 6 Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven PSALM 25, 26, 27. |
PSALM 27, 28, 29, 30.
524
|
mijno vijanden, dio rondom mij zijn, on ik zal in zijuo tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen. Ja psalmzingen den IIeere. 7 Hoor, IIeere! mijne stem, (dn ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij. 8 Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek mijn aan-gezigt; ik zoek uw aangezigt, o IIeere! i) Verberg uw aangezigt niet voor mij, koer uwen knecht niet af in toorn; Gij zijt mijne Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns hoils! 10 Want mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, maar do IIeere zal mij aannemen. 11 IIeere! quot;leer mij uwen weg, en leid mij in liet regte pad, om mijner verspieders wil. a Ps. 25: 4. SG; 11. 119. 12 Geef mij niet over in do begeerte mijner tegenpartijdors: want valsche getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast. 13 Zoo ik niet had geloofd, dat ik het goede des IIeeren zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan. 14 quot;Wacht op den IIeere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja wacht op den IIeere. a .los. 25:9. 33:2. Hal. 2:3. PSALM 28. David bidt zooi' vurig voor zich zelvon en togen zijne vijanden, wol kor goddoloosboid hij bosohiijft; on govoelondo do vrucht van zijn gebed, looft hij God, on bidt om do behoudenis van de gansoho Kerk. KEN psalm van David. Tot U roep ik, Heere! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; quot;opdat ik niet, zo» Gij II van mij stil houdt, vergeleken worde met '' degenen, die in den kuil nederdalen, a Ps. 143:7. h Ps. 30: 4. 2 Hoor de stem mijner smeekingen, als ik tot U roep, als ik mijne handen ophef naar de aanspraakplaats uwer heiligheid. 3 Trok mij niet weg met de goddeloozen, en met do workers dor ongeregtigheid, quot; die van vrede sproken mot hunne naasten, maar kwaad is in hun hart. «Ps. 12:3. .lor. 9:8. 4 Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hunne vergelding tot hen wederkoeron. 5 Omdat zij niet letten op de daden dos IIeeren, noch op hot werk zijner handen, zoo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen. (i Geloofd zij de Heere, want Hij heeft de stom mijner smeekingon gehoord. 7 De Heere is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hom heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven. 8 Do Heere is hunlioder Sterkte, en Hij is de Sterkhoid dor verlossingen zijns Gezalfden. 9 Verlos uw volk , on zogen uwe erve, on weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid. |
PSALM 29. David vermaant do magtigon dozer wereld, om don waron God en zijne Kerk te eoron on to dienen, dio zijne majesteit on magt betoont door donder, bliksem en watervlooden; waarvan Hij /.ijno rogt-matigo oor alleen ontvangt in zijne Kerk, welke llij ook zegent en behoudt. EEN psalm van David. Geeft don Heere, gij kinderen der magtigon! quot; geoft den IIeere eer on sterkte. «Ps. 90:7, 8. 2 Geeft den Heere do oor zijns naams, aanbidt don Heere in do heerlijkheid des heiligdoms. 3 De stom des IIeeren is op de wateren, quot; de God dor eero dondert; do Heere is op de groote wateren. a Ex. 9 : 23. 4 Do stem des IIeeren is met kracht, do stem des IIeeren is met heerlijkheid. 5 Do stem dos IIeeren breekt do coderen; ja de Heere verbreekt do codoron van Libanon. G En Hij doet zo huppelen als oen kalf; den Libanon en Sirjon als oen' jongen oenhoorn. 7 De stem des IIeeren houwt er vlammen vuurs uit. 8 De stem des IIeeren doet do woestijn boven; do IIeere doet do woestijn Kades boven. 9 Do stem des IIeeren doet de hinden jongen werpen, en ontbloot do wouden; maar in zijnon tempel zegt Hem een iegelijk oer. 1(1 Do Heere heeft gezeten over den watervloed; ja de Heere zit, quot; Koning in eeuwigheid, a Ps. 10: IG. II Do Heere zal zijnen volke sterkte geven; de Heere zal zijn volk zegenon met vrede. PSALM 30. David dankt God voor zijne verlossing uit doodelijke gevaren. en vermaant de K erk om mot hom hetzelfde te doon, over Gods onbegrijpelijke goedertierenheid, die hij in zijn eigen persoon merkelijk hoeft ondervonden, toen hij door oene gansch onverwachte, haastelijke en schrikkelijke omstandigheid zeer ontzet en verbaasd zijnde, op zijn bidden, zeer wonderlijk en spoedig van God verlost is. EEN psalm, oen lied der inwijding van Davids huis. 2 Ik zal U verhoogen, Heere! want Gij hebt mij opgetrokken, en mijne vijanden over mij niet verblijd. 3 Heere, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen. 4 Heere! Gij hebt mijne ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald. 5 Psalmzingt don Heere, gij zijne gunstgonoo-ton! en quot;zegt lof ter gedachtenis zijner heiligheid. « Ps. 97 : 12. G Want een oogenblik is or in zijnen toorn, maar oen leven in zijne goedgunstigheid: dos avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich. 7 Ik zeide wol in mijnen voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. 8 Want, Heere! Gij hadt mijnen berg door uwe |
PSALM 30, 31, 32.
525
|
goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij uw aitn-gezigt verbergdet, word ik verschrikt. !) Tot U, Heerk ! riep ik, en ik smeekte tot den heere; 10 Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot do groeve? Zal U het stol' loven? zal het uwe waarheid verkondigen? 11 Hoor, Heere ! on wees mij genadig; Heere! wees mij oen Helper. 12 Gij liobt mij mijne weeklage veranderd in eonon rei; Gij hebt mijnon zak ontbonden, on mij met blijdschap omgord; 13 Opdat mijne, oor U psalmzingo, on niet zwijgo. Heere, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven. PSALM 31. David bidt God zeer vurig om behoudenis, naar zijn vertrouwen, dat hij alleen op Hem stelt, opdat hij oorzaak van blijdschap hebbe, in plaats van zijn tegenwoordig bittor lijden, hem door vrienden en vijanden met woorden en werken aangedaan, (le-voelende do vrucht van zijn gebod, roomt hij Gods voorzorg en goedertierenheid over allo geloovigen en bijzonder over zich zeiven. EEN psalm van David, voor den opperzang-meestér. 2 Op U, o Heere! quot;betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door uwe geregtighoid. r/I's. 22 : G. 25:2, 3. 71:1, 2. .les. 49 : 23. 3 Neig uw oor tot mij, red mij haastolijk; woos mij tot oenen sterken Rotssteen, tot een zoor vast Huis, om mij te behouden. 4 Want Gij zijt mijne Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om uws naams wil. 5 Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, want Gij zijt mijne Sterkte. (i quot; In uwe hand bevoel ik mijnon geest; Gij hebt mij verlost, Heere, Gij God der waarheid! a Luk. 23 : 40. 7 Ik haat degenen, die op valsche ijdelhedon acht nomen, en ik betrouw op don Heere. 8 Ik zal mij verheugen en verblijden in uwe goedertierenheid, omdat Gij mijne ellende hebt aangezien, en mijne ziel in benaauwdheden gekend; 9 En mij niet hebt overgeleverd in do hand des vijands; Gij hebt mijne voeten doen staan in do ruimte. 10 Wees mij genadig, Heere! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijne ziel en mijn buik. 11 Want mijn loven is verteerd van droefenis, en mijne jaren van zuchten; mijne kracht is vervallen door mijne ongerogtigheid, on mijne beenderen zijn doorknaagd. 12 Van wege al mijne wederpartij dors bon ik, quot; ook mijnon naburen, grootolijks tot oenen smaad geworden, en mijnen bekenden tot oenen schrik; dio mij op do straten zien, vlieden van mij weg. rt Job 19 : 13. Ps. 38 : 12. 13 Ik ben uit het hart vergeten als oen doode; ik bon geworden als een bedorven vat. |
14 Want ik hoorde do naspraak van velen; vroeze is van rondom, dewijl zij te zamen togen mij raadslaan; zij denken mijne ziel te nemen. 15 Maar ik vertrouw op U, o Heere! ik zog: Gij zijt mijn God. 16 Mijne tijden zijn in nwo hand; red mij van de hand mijner vijanden, on van mijne vervolgers. 17 Laat uw aangezigt over uwen knecht lichten; verlos mij door uwe goedertierenheid. 18 Heere! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan: laat de goddoloozon beschaamd worden, laat hen zwijgen in hot graf. 19 Laat do valsche lippen stom worden, die hard spreken togen don regtvaardige, in hoogmoed on verachting. 20 quot; O hoe groot is uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die (I vreezen; dat Gij go-wrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in do togonwoordighoid der inonschonkinderon! a.les. 64:4. 1 Oor. 2:9. 21 Gij verbergt hen in het verborgene uws aan-gezigts voor do hoogmoedigheden des mans; Gij versteekt hen in oone hut voor don twist dor tongen. 22 Geloofd zij de Heere, want Hij hooft zijne goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als- in oene vaste stad. 23 Ik zeido wel in mijn haasten: Ik bon afgesneden van voor uwe oogen; dan nog hoordet Gij de stem mijnor smoekingen, als ik tot U riep. 24 Hebt don Heere lief, gij al zijne gunstgo-nooten! want de Heere behoedt do geloovigen, en vergeldt overvloodiglijk dengene, die hoogmoed bedrijft. 25 quot;Zijt sterk, en Hij zal ulioder hart verstor-kon, allen gij, die op den Heere hoopt! n Ps. 27 : 14. PSALM 32. David leert hier, dat zij gelukzalig zijn, wion God do zonden vergeeft, en die dezelve opregt belijden. Hij bevestigt zulks met zijn eigen voorbeeld en de ervaring van allo geloovigen; hij waarschuwt tegen hardnekkigheid, en vermaant tot blijdschap over Gods goedertierenheid. EENE onderwijzing van David. quot; Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. n Kom. 4:6, 7. 2 Welgelukzalig is do monsch, dien de Heere de ongerogtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bodrog is. 3 Toen ik zweeg, worden mijne beenderen verouderd, in mijn brullen den gansehen dag. 4 Want uwe hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap word veranderd in zomerdroogton. Sela. 5 Mijne zonde maakte ik U bekend, en mijne ongerogtigheid bedekte ik niet. Ik zeido: Ik zal quot; belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere; en Gij vergaaft de ongerogtigheid mijnor zonde. Sola. «Spr. 28:13. 1 Joh. 1:9. |
PSALM 32, 33, 34.
|
(i Iliorom zal U iedor heilige aanbidden in vin-denstijd; Ja, in oenen overloop van groote wateren, zullen zij hein niet aanraken. 7 quot; Gij zijt mij eeno Verberging; Gij behoedt mij voor benaauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela. «I's. 27:5. 31:21. 8 Ik zal u onderwijzen, en u loeren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, mijn oog zal op u zijn. 1) Woest niet gelijk oen paard, gelijk oen muilezel, hetwelk geen vorstand hoeft, quot;welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat hot tot u niet genake. n Spv. 20 : 3. Jakob. 3 ; 3. 10 De goddolooze hooft vele smarten, maar die op den IIeere vertrouwt, dien zal de goodertieronheid omringen. JSi 11 Verblijdt u in den Hueue, en verheugt u , gij regtvaar-digen! on zingt vrolijk, alle gij oprogten van harte! PSALM 33. Vermaning tot Gods lof van wege zijno goddelijke eigenschappen, raad, woord en werken, zoo der schepping als dor regering, inzonderheid der monschen, tot vernietiging van de aanslagen der goddeloozen on behoudenis zijnor geloovigon, die zich daarover verblijden en Hem daarom bidden. GIJ regtvaardigon! zingt vrolijk in den IIeere; quot;lof betaamt den oprogten. a I's. 147 ; 1. 2 Looft den IIeere met do harp; psalmzingt Hem met de luit cn het tiensnarig instrument. 3 quot; Zingt Hom een nieuw lied; speelt wol met vrolijk aeschal. a I's. 40 ; 4. 90 : 1. 98 Tos. 42: 10. fi: 9. 14 : 3. en al zijn 144: 9. Openb. woord is rogt. 4 Want dos Heeren werk getrouw. 5 Hij hoeft quot; geregtigheid on gerigt lief; ''do aarde is vol van de goodortierenhoid des Heeren. a I's. 4r): 8. Hobr, 1 : 9. h I's. 119:04. 6 quot; Door hot woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door don Geest zijns monds al hun heir. «Gen. 1:0, 7. 7 Hij vergadert de wateren dor zee als op oenen hoop; Hij stolt den afgronden sehatkamoren. 8 Laat do gansoho aarde voor don 11 eere vroozon ; laat alle inwoners van do wereld voor Hem schrikken. 9 Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er. |
10 quot;Do IIeere vernietigt don raad dor Heidenen, llij breekt de gedachten der volken, «.los. 19:3. 11 Maar quot; do raad des Heeren bestaat in eeuwigheid, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht. « Spr. 19:21. 21:30. Jes. 40:10. 12 quot; Welgelukzalig is het volk, diens God de Heere is; hot volk, dat Hij zich ton erve vorkoren hooft. a Ps. 05 : 5. 144 :15. 13 De Heere schouwt uit don hemel, en ziet allo monschonkinderon. 14 Hij ziet uit van zijne vaste woonplaats op allo inwoners der aarde. 15 Hij formeert hun aller hart; Hij lot op al hunne werken. 10 Een koning wordt niot behouden door een groot heir; een held wordt niot gerod door groote kracht; 17 Hot paard feilt ter overwinning, on bevrijdt niet door zijne groote sterkte. 18 Ziet, des Heeren quot;oog is over dogenon, die Hem vreezen, op dogenon, die op zijne goedertierenheid hopen; «Job 30: 7. Ps. 34: 10. 1 Petr. 3 : 12. 19 Om hunne ziel van don dood te redden, en om hen bij het loven te houden in don honger. 20 Onze ziol verbeidt den Heere: llij is onze Hulp on ons Schild. 21 Want ons hart is in Hom verblijd, omdat wij op don naam zijnor heiligheid vertrouwen. 22 Uwe goedortiorenbeid, Heere! zij over ons; gelijk als wij op U hopen. PSALM 34. David, uit een groot gevaar wonderbaar verlost zijnde, vermaant alle geloovigon, dat zij Gods goedheid over hem on al do zijnon vereenigd met hem willen beschouwen en roemen; in alle noodon Hem aanroepen on vertrouwen; loerende verder, dat hot rogto middel van gelukzaligheid is, den Heere te vreezen, die alles besturende, de goddeloozen verdelgt en de zijnen behoudt. A'A'.V psalm van David, quot; als bij zijn gelaat veranderd had voor het aangozigt van Abimélech , die hom wegjoeg, dat hij doorging, nl Sam. 21:13,enz. 2 AlepJi. Ik zal don Heere loven to aller tijd; zijn lof zal goduriglijk in mijnen mond zijn. 3 Beth. Mijne ziel zal zich beroemen in den Heere; do zachtmoedigen zullen het hooren en verblijd zijn. 4 Gimel. Maakt don IIeere met mij groot, en laat ons zijnen naam zamen verhoogen. |
PSALM 34, 35.
527
|
5 Daleth. Ik heb den TIeeue gezocht, en I lij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vreezen gered. (! IIc. Van. Zij hebben op Hem gezien, ja Hein als een waterstroom aangeloopon; en imnne aan-gezigten zijn niet schaamrood geworden. 7 Zain. Deze ellendige riep, en de IIeere hoorde; en Hij verloste hem uit al zijne benaauwdheden. 8 Cheth. De Engel des Heeren legert zich rondom degenen, die Hem vreezen, en rukt hen uit. 9 Teth. Smaakt en ziet, dat do Heere goed is; welgelukzalig is do man, die op Hem betrouwt. 10 Jod. Vreest den Heere, gij zijne heiligen! want die Hem vreezen, hebben geen gebrek. 11 Caph. quot;De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den Heere zoeken, hebben geen gebrek aan eenig goed. a Job 4:11. 12 Lamed. Komt, gij kinderen! hoort naar mij; ik zal u des Heeren vreeze loeren. 13 Mem. quot;Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien? a 1 Petr. I!: 11). 14 Nun. Bewaar uwe tong van het kwaad, en uwe lippen van bedrog te spreken. 15 Sameck. Wijk af van liet kwaad, en doe hol goede; zoek den vrede, en quot;jaag dien na. a ilobi'. 12 ; 14. 1(! Ain. quot; De oogen dos Heeren zijn op de regt-vaardigen, en zijne ooren tot hun geroep. n Job 36:7. Ps, 33 : IS. 1 Potr. 3:12. 17 Pe. Het aangezigt des Heeren is tegen degenen , die kwaad doen, om hunne gedachtenis van do aarde uit te roeijen. 18 Tsade. Zij roepen, en de Heere hoort, en Hij redt hen uit al hunne benaauwdheden. 19 Koph. quot; De Heere is nabij do gebrokenen van harte, en II ij behoudt do verslagenen van geest. a 2 Tim. 3:11. 20 Resch. quot; Vele zijn de tegenspoeden des regt-vaardigen; maar uit allo die redt hem de Heere. n 2 Tim. 3 : 12. 21 Schin. Hij bewaart al zijne beenderen; quot;niet een van die wordt gebroken. «Joh. 19 : 3G. 22 Tlmii. De boosheid zal den goddelooze dooden; on die den regtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden. 23 De Heere verlost do ziel zijner knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden. PSALM 35. David bidt God zeer vurig, dat Hij zijne zaak wil aannemen en voor hem strijden togen zijne vijanden, opdat hij Hem daarvoor moge loven en danken; beschrijft de lagen, valschheid, ondankbaarheid on hatelijke boosheid zijner vijanden, begeerendo regtvaardige wraak, tot Gods oer, zijno behoudenis en tot blijdschap van alle vromen. EEN psalm van David. Twist, Heere! met mijne twisters, strijd met mijne bestrijders. |
2 Grijp hot schild en do rondas, en sta op tot mijne hulp. 3 En breng de spies voort, on sluit den iveg toe, mijnen vervolgers te gemoet; zog tot mijne ziel: Ik ben uw Heil. 4 quot;Laat hen beschaamd en te schande worden, dio mijne ziel zoeken: laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken. a Ps. 40 :15. 70 : 3. 5 Laat hen worden als quot; kaf voor den wind; en de Engel des Heeren drijve hen weg. a Job 21 : 18. Ps. 1:4. Jes. 29:5. Hos. 13:3. 6 Hun weg zij duister en gansch slibberig; en de Engel dos Heeren vervolge hen. 7 Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun not voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijne ziel. 8 De verwoesting overkome hem, dat hij hot niet wote, en zijn net, dat hij verborgen hooft, vange hem zeiven; hij valle daarin met verwoesting. 9 Zoo zal mijne ziel zich verheugen in den Heere; zij zal vrolijk zijn in zijn heil. 10 Al mijne beenderen zullen zeggen: Heere, wie is U gelijk! U, die den ellendige redt van dien, die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijnen beroover. 11 Wrevelige getuigen staan or op; hetgeen ik niet weet, eischen zij van mij. 12 Zij vergelden mij kwaad voor goed, do be-rooving mijner ziel. 13 Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed, ik kwelde mijne ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijnen boezem. 14 Ik ging steeds, als of het een vriend, als of hot mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijne moeder treurt. 15 Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij a/s geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hunne kleederen, en zwegen niet stil. Ki Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hunne tanden. 17 Heere! hoe lang zult Gij toezien? Breng mijne ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijne eenzame van de jonge leeuwen. 18 quot; Zoo zal ik U loven in de groote gemeente; onder inagtig veel volks zal ik U prijzen. a Ps. 40 : 10, 11. 111:1. 19 Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valsche oorzaken vijand zijn; noch wenken met de oogen, quot;die mij zonder oorzaak haten. «Joh. 15:25. 20 Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land. 21 En zij sperren hunnen mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien! |
PSALM 35, 36, 37.
528
|
22 IIeere! Gij hebt hot gezien, zwijg niet; ! Heero! wees niet verre van mij. 23 Ontwaak en word wakker tot mijnregt; mijn God en lleere! tot mijne twistzaak. 24 Doe mij regt naar uwe geregtigheid, Heere, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden. 25 Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden! 20 Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zicli in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken. 27 Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijne geregtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de Heere, die lusl heeft tot den vrede zijns knechts! 28 Zoo zal mijne tong vermelden uwe geregtigheid , cn uwen lof den ganschen dag. PSALM 3G. Daviil, zeer ontsteld zijnde over de gruwelijke goddeloosheid der boozen, verwondert zich des te meer over do grondelooze wijsheid, geregtigheid en goe-dertieronheid des Heeren, die in zulk eene verwarring allo schepselen in orde houdt, en zicli bewijst een zeer gunstige Heiland zijner Kerk, om welker, als ook zijner eigene behoudenis, David God bidt en voorzegt don val dor goddeloozen. HEN psalm van David, den knecht des Heeren, voor den opperzangmeester. 2 Do overtreding des goddeloozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geene vreeze Gods voor zijne oogon., 3 Want hij vleit zich zeiven in zijne oogen, als men zijne ongeregtigheid bevindt, die te haten is. 4 De woorden zijns inonds zijn onregt en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen. 5 Ilij bedenkt onregt, op zijn leger; hij stelt zich op eenen weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet. (1 O Heere! quot; uwe goedertierenheid is tot in de hemelen; uwe waarheid tot de bovenste wolken toe. n I's. 57 : 11. 108 : 5. 7 Uwe geregtigheid is als de bergen Gods, uwe oordeelen zijn een groote afgrond; Heere! Gij behoudt menschen en beesten. 8 Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, o God! dios de menschenkinderen onder do schaduw uwer vleugelen toevlugt nemen. 9 Zij worden dronken van de vettigheid uws huizes; en Gij drenkt hen uit do beek uwer wol-lusten. 10 Want bij U is de fontein des levens; in uw licht zien wij het licht. 11 Strek uwe goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en uwe geregtigheid over de op-regten van hart. 12 De voet der hoovaardigen kome niet over mij, on do hand der goddeloozen doe mij niet omzwerven. |
13 Aldaar zijn do werkers dor ongeregtigheid gevallen; zij zijn nedergestooten, en kunnen niet weder opstaan. PSALM 37. David onderwijst de goloovigon, zich niet te kwellen over het tijdelijk geluk der goddeloozen; en vermaant hen, hunne goddeloosheid niet na to volgen, maar heilig te leven on God te vertrouwen; omdat het geluk der goddeloozen kort en het einde vervloekt en onzalig is; daar God in tegendeel zijne kinderen, in alles wat hun overkomt, met zijne vaderlijke gunst nabij is on hun een zalig einde verleent. EEN psalm van David. Aleph. quot;Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onregt doen. aSpr. 23:17. 24:1. 2 Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen. S Both. Vertrouw op den Heere, en doe hot goede; bewoon de aarde, en voed u met getrou-wigheid. 4 En verlustig u in den Heere, zoo zal Hij u geven de begeerten uws harten. 5 Gimel. quot;Wentel uwen weg op den Heere, cn vertrouw op Hem, Hij zal het maken; a Ps. 22:!). 55 : 23. Spr. 10:3. Matt. 0:25. Luk. 12:22. 1 Potr. 5:7. 6 En zal uwe geregtigheid doen voortkomen als het licht, en uw regt als den middag. 7 Daleth. Zwijg den Heere, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengenen, wiens weg voorspoedig is; over eenen man, die listige aanslagen uitvoert. 8 He. Laat af van toorn, en verlaat do grimmigheid; ontsteek unlet, immers niet, om kwaad te doen. 9 Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden ; maar die den Heere verwachten, die zullen do aarde erfelijk bezitten. 10 Van. En nog een weinig, en do goddelooze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijne plaats, maar hij zal er niet wezen. 11 De zachtmoedigen daarentegen zullen de quot;aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over grooten vrede. « Matt. 5: 5. 12 Zain. Do goddelooze bedenkt listige aanslagen tegen den regtvaardige, en hij knerst over hem met zijne tanden. 13 De Heere belacht hem, want Ilij ziet, dat zijn dag komt. 14 Cheth. De goddeloozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hunnen boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om to slagten, die opregt van weg zijn. 15 Maar hun zwaard zal in hunlieder hart gaan; en hunne bogen zullen verbroken worden. 10 Teth. Het weinige, dat de regtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddeloozen. 17 Want de armen der goddeloozen zullen ver- |
PSALM 37, 38.
529
|
broken worden; maar de IIeere ondersteunt de regtvaardigen. 18 Jod. De Heere kent de dagen dor opregten; cn hunne erfenis zal in eeuwigheid blijven. 19 Zij zullen niet beschaamd worden in don kwaden tijd, en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden. 20 Caph. Maar de goddeloozen zullen vergaan, en de vijanden des Heeren zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lammeren; met den rook zullen zij verdwijnen. 21 Lamed. Do goddolooze ontleent en geeft niet weder; maar de regtvaardige ontfermt zich, on geeft. 22 Want zijne gezegenden zullen do aarde erfelijk bezitten; maar zijne vervloekten zullen uitgeroeid worden. 23 Mam. De gangen dcszelven mans worden van den TIeeiie bevestigd; en Hij hoeft lust aan zijnen weg. 24 Als hij valt, zoo wordt hij niet weggeworpen, want de Heere ondersteunt zijne hand. 25 Nun. Ik ben jong geweest, ook bon ik oud geworden, maar heb niet gezien den regtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood. 2(i Den ganschen dag ontfermt hij zich, en leent; on zijn zaad is tot zegening. 27 Samech. Wijk af van hot kwade, on doe hot goede, en woon in eeuwigheid. 28 Want de Heere hooft het regt lief, en zal zijne gunstgenooten niet verlaten: in eeuwigheid worden zij bewaard; maar hot zaad der goddeloozen wordt uitgeroeid. 29 De regtvaardigen zullen do aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen. 30 l'c. Do mond dos regtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijne tong spreekt hot regt. 31 quot;Do wet zijns Gods is in zijn hart; zijne gangen zullen niet slibberen. a Ps. 40:9. Jos. 51 : 7. 32 Tsade. De goddolooze loert op den regtvaar- 1 dige en zoekt hom to doodon. 33 Maar de Heere laat hom niet in zijne hand; en Hij verdoemt hein niet, als hij geoordeeld wordt. 34 Koph. Wacht op den Heere, en houd zijnen weg, en Hij zal u verhoogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien, dat de goddeloozen worden uitgeroeid. 35 Resch. Ik heb gezien oenen gewelddrijvendon goddolooze, die zich uitbreidde als eon groene inlandsche boom. 3G Maar hij ging door, on zie, hij was er niet meer; on ik zocht hem, maar hij word niet gevonden. 37 Sc/dn. Lot op den vrome, en zie naar don opregte, want hot einde van dien man zal vrede zijn. 38 Maar de overtreders worden te zamen verdelgd; liet einde der goddeloozen wordt uitgerooid. 39 Thau. Doch het heil der regtvaardigen is ; |
van den Heere; hunne Sterkte ter tijd van bo-naauwdheid. 40 En de Heere zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddeloozen, en zal ze behouden, want zij betrouwen op Hem. PSALM 38. David, in oono zware krankheid zijnde, of grooton jammer, verhaalt on beklaagt zijne ellomlo, veroorzaakt door zijne zonden; bidt (lod ernstig om vergeving, genade en liiilp, Hem voorleggende do ontrouw zijner vrienden en de wreedheid zijner vijanden. EEN psalm van David, om te doen gedenken. 2 quot;O Heere! straf mij niet in uwen grooten toorn, ou kastijd mij uiot in uwe grimmigheid. a Ps. fl : 2. 3 Want uwe pijlen zijn in mij gedaald, on uwe hand is op mij nedergedaald. 4 Er is niets geheels in mijn vloosch, van wege uwe gramschap; er is geen vrede in mijne beenderen, van wege mijne zonde. 5 Want mijne ongerogtighoden gaan over mijn hoofd; als oene zware last zijn zij mij te zwaar geworden. 6 Mijne etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, van wege mijne dwaasheid. 7 Ik bon krom geworden, ik ben uitermate zeer nedorgebogon, quot;ik ga den ganschen dag in het zwart. a Ps. 42 : 10. 43 : 2. 8 Want mijne darmen zijn vol van oene verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vloosch. 9 Ik ben verzwakt, en uitermate zoor verbrijzeld; ik brul van het geruisch mijns harten. 10 Heere! voor U is al mijne begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen. 11 Mijn hart koert om en om, mijne kracht heeft mij verlaten; on hot licht mijner oogen, ook zij zelvon zijn niet bij mij. 12 Mijne liefhebbers en mijne vrienden staan van tegenover mijne plage, en mijne nabestaan-don staan van verre. 13 En die mijne ziel zoeken, leggen mij strikken, en die mijn kwaad zooken, sproken vordorvin-gon, en zij overdenken den ganschen dag listen. 14 Ik daarentegen bon als eon doove, ik hoor niet, en als oen stomme, die zijnen mond niet opendoet. 15 Ja ik ben als oen man, die niet hoort, on in wiens mond goone tegenredenon zijn. 10 Want op U, Heere! hoop ik; Gij zult ver-hooron, Heere, mijn God! 17 Want ik zoide: Dat zij zich tocli over mij niet verblijden! wanneer mijn voet zou wankelen, zoo zouden zij zich tegen mij groot maken. 18 Want ik bon tot hinken gereed, on mijne smart is steeds voor mij. 19 quot; Want ik maak U mijne ongeregtigheid bekend, ik ben bekommerd van wege mijne zonde. a Ps. 32:5. 20 Maar mijne vijanden zijn lovende, worden 34 |
PSALM 38, 39, 40.
530
|
magtig; on die mij om valscho oorzaken haten, worden groot. '21 En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik liet goede najaag. 22 Verlaat mij niet, o Heere, mijn God! wees niet verre van mij. 23 Haast U tot mijne hulp, Heere, mijn Heil! PSALM 39. David, voorgenomen hebbomlo zich met werken of woorden niet te vergrijpen over den voorspoed dor goddeloozen, of zijne ellende, bekent nogtans in menschelijke zwakheid te zijn vervallen; doch beter bedenkende do nietigheid van den mensch on zijns levens, stelt hij zijne hoop in God, wien hij bidt om vergeving zijner zonden en genade in zijn vreemdelingschap on lijden. EEN psalm van David, voor den opperzang-meester, voor Jedüthun. 2 Ik zeido: Ik zal mijne wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijne tong; ik zal mijnen mond met oenen breidel bewaren, terwijl de goddolooze nog tegenover mij is. 3 Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van hot goede; maar mijne smart werd verzwaard. 4 Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijne overdenking; toen sprak ik met mijne tong: Heere! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij. (! Zie, Gij hebt mijne dagen oen handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers quot;is een ieder mensch, hoe vast hij staat, onkel ijdolheid. Sola. «I's. G2 :10. 144:4. 7 Immers wandelt de mensch als in oen beeld, immers woelen zij ijdolijk; men brengt bijoen, en men weet niet, wie bot naar zich nemen zal. S En nu, wat verwacht ik, o Heere! mijne hoop, die is op U. 9 Verlos mij van al mijne overtredingen; en stel mij niet tot eenen smaad dos dwazen. 10 Ik ben verstomd, ik zal mijnen mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan. 11 Noem uwe plage van op mij weg, ik ben bezweken van do bestrijding uwer hand. 12 Kastijdt Gij iemand mot straffingen om de ongerogtighoid, zoo doet Gij zijne bevalligheid smelten als eeno mot; immer is een ieder mensch ijdolheid. Sela. |
13 Hoor, Heere! mijn gebod, en neem mijn geroep ter ooren, zwijg niet tot mijne tranon: want quot;ik ben een vreemdeling bij ü, oen bijwo-nor, gelijk al mijne vaders. «Lev. 25:23. 1 Kron. 29:15. I's. 119:10. Hcbr. 11:13. IPetr. 2:11. 14 Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, oor dan ik heenga, en ik niet meer zij. PSALM 40. David profeteert hier, onder zijn voorbeeld, van des Heeren Christus bitter en geduldig lijdon, vurig bidden en wonderbare verlossing; voorts van do afschafling der oll'erandon dos O. T. door Christus eenigo offerande, en van de bediening van het Evangelie in do Kerk der Joden en Heidenen, alsmede van de onbeschaamdheid en den ondergang aller vijanden, en de vreugde aller goloovigen, die Gods heil beminnen en Hem daarover groot maken. DAVIDS psalm, voor don opperzangmeester. 2 Ik heb den Heere lang verwacht; en Hij hoeft zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord. 3 En Hij hooft mij uit oenen ruischendon kuil, uit modderig slijk opgehaald , en hooft mijne voeten op oenen rotssteen gestold, Hij hooft mijne gangen vastgemaakt. 4 En Hij hooft eon nieuw lied in mijnen mond gegeven, eenen lofzang onzen Gode; velen zullen hot zien, en vroozon, en op don Heere vertrouwen . 5 Welgelukzalig is de man, die den Heere tot zijn vertrouwen stolt, en niet omziet naar de hoovaardi- gen, en die tot leugen afwijken. fi Gij, o Heere, mijn God! hebt uwe wonderen en uwe gedachten aan ons vele gemaakt, men kan zo niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitsproken, zoo zijn zij menig-vuldiger dan dat ik zo zou kunnen vertollen. 7 quot; Gij hebt geenen lust gehad aan slagtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij do ooren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet goöischt. a Hebr. 10 : 5. 8 Toen zeido ik: Zie, ik kom; in de rol des books is van mij geschreven. 9 Ik heb lust, o mijn God! om uw welbehagen te doen; en quot;uwe wet is in hot midden mijns ingewands. a Ps. 37 :31. .les. 51 : 7. 10 Ik boodschap de geregtigheid in do quot; groote gemeente; zie, mijne lippen bedwing ik niet; Heere! Gij weet hot. «Ps. 35:18. 111 :1. 11 Uwe geregtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; uwe waarheid en uw heil spreek ik uit; uwe weldadigheid en uwe trouw verheel ik niet in de groote gemeente. |
PSALM 40, 41, 42.
12 Gij, o IIeere ! zult uwe barmhartigheden van mij niet onthouden; laat uwe weldadigheid en uwe trouw mij geduriglijk behoeden.
13 Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven, mijne ongeregtighedon hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds,
en mijn hart hoeft mij verlaten.
14 Het behage U, IIeere! mij te verlossen;
IIeere! haast U tot mijne hulp.
15 quot; Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijne ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden,
en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad. a Ps. 35 : 4, 2G. 7ii: 3. 71 : 13.
10 Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!
17 Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers uws heils geduriglijk zeggen: De IIeere zij groot gemaakt!
18 Ik ben wel _
ellendig en nood- IHBMKI druftig, maar de IIeere denkt aan mij; Gij zijt niijiic Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet.
PSALM 41.
David, in oono zware krankheid of andere bo-naamvdheid vervallen zijnde,
beschrijft don /.ogen, dion hij van God zal ontvangen, die zieli godzalig en
medelijdend go- H. priEu.; .Imlas Iskai ioth (I
draagt omtrent
don bedrukte, ilij bidt God om genade, en klaagt zoor bewegelijk over do bitterheid van zijne valsche vrienden, bijzonder over do ontrouw van oenen vriend, die een voorbeeld was van don verrader Judas; doch verzekert zich van Gods gunst on looft Hem hartelijk.
EEN psalm van David, voor den opperzang-meester.
2 Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens oenen ellendige: do Heere zal hom bevrijden ten dage des kwaads.
3 De IIeere zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in zijner vijanden begeerte.
4 De IIeere zal hem ondersteunen op het ziekbed; in zijne krankheid verandert Gij zijn gansche leger.
5 Ik zeide: O IIeere! wees mij genadig; genees mijne ziel, want ik heb tegen U gezondigd.
(! Mijne vijanden spreken kwaad van mij.
531
zelt;j(jende: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan?
7 En zoo iemand va.n hen komt, om mij te zien, hij spreekt valschheid, zijn hart vergadert zich onrogt; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.
8 Al mijne haters mompelen te zamen tegen mij, zij bedenken tegen mij, hetgeen mij kwaad is, zeggende:
i) Een Polials stuk kleeft hem aan; en hij die nederligt, zal niet weder opstaan.
10 Zelfs do man mijns quot;vredes, op welken ik vertrouwde, quot;die mijn brood at, heeft do verzenen tegen mij grootolijks verheven. aJoh. 13:18.
11 Maar Gij, o Heeke! wees mij genadig, en rigt mij op; en ik zal liet hun vergelden.
12 Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.
13 Want mij aangaande. Gij onderhoudt mij in mijne opregtigheid, en Gij stelt mij voor uw aan-
gezigt in eeuwigheid.
14 Geloofd zij de IIeere, de God Israels, van eeu-wigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja amen. PSALM 42. De profeet klaagt bitter, in zijne ballingschap,over liet ontberen van do openbare godsdienst en de godslastering zijner vijanden, waardoor zijn geest overstelpt wordt; doch hij wekt zijne ziel weder vertrouwen op (iods
op tot eone genade.
EENE onderwijzing, voor den opperzangmees-ter, onder de kinderen van Koracb.
2 Gelijk een hert schreeuwt naar do watorstroo-inen, alzoo schreeuwt mijne ziel tot II, o God!
3 quot; Mijne ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, on voor Gods aan-gezigt verschijnen? aPs. 03:2.
4 quot;Mijne tranen zijn mij tot spijs dag en nacht; omdat zij don ganschon dag tot mij zeggen: Waar is uw God ? a Ps. 80 : 0.
5 Ik gedenk daaraan, en stort mijne ziel uit in mij, omdat ik plagt heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, mot oene stem van vreugdegezang en lof, onder de foost-houdende menigte.
6 quot; Wat buigt gij u neder, o mijne ziel! on zijt onrustig in mij? hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen zijns aangezigts.
a Ps. 43 : 5.
34*
PSALM 42, 43, 44, 45.
|
7 O mijn God! mijne ziel buigt zicli neder in mij, daarom gedenk ik uwer uit liet land der Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte. 8 De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruisch uwer watergoten; al uwe baren en uwe golven zijn over mij heengegaan. 9 Maar de Heere zal des daags zijne goedertierenheid gebieden, en des nachts zal zijn lied bij mij zijn; het gebed tot den God mijns levens. 10 Ik zal zeggen tot God: Mijne Steenrots! waarom vergeet Gij mij ? waarom ga ik quot; in hot zwart, van wege des vijands onderdrukking? a Ps. 35 : 14. 38 : 7. 43 : 2. 11 Met oenen doodsteek in mijne beendoren honen mij mijne wederpartijders, als zij den gan-schen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? 12 Wat buigt gij u neder, o mijne ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is do menigvuldige Verlossing mijns aangezigts, en mijn God. PSALM 43. David bidt om rogt tegen zijne wreede en arglistige vijnndcn; klaagt God zijnen nood; begeert genadige vervulling zijner beloften, en rigt zijne verslagene ziel op door geloof en vertrouwen. DOE mij rogt, o God! en twist (Jij mijne twistzaak ; bevrijd mij van het ongoedortioren volk, van den man dos bodrogs en des onrogts. 2 Want Gij zijl do God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? waarom ga ik steeds quot; in het zwart, van wege dos vijands onderdrukking? n Ps. 35:14. 38:7. 42: 10. 3 Zond uw licht en uwe waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot don berg uwer heiligheid, en tot uwe woningen; 4 En dat ik inga tot Gods altaar, tot don God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp lovo, o God, mijn God! 5 quot; Wat buigt gij u neder, o mijne ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezigts, en mijn God. a Ps. 42:6,12. PSALM 44. Do Kerk troost en sterkt zich zelve door het bedenken van Gods vorige weldaden; maar stelt Hem daarentegen wijdloopig en zeer aandoenlijk voor haren tegenwoordigen ellendigen staat onder hot geweld harer vijanden, waarin zij, belijdende hare volstandigheid in geloof en gehoorzaamheid, smeekt om verlossing. EENE onderwijzing, voor den opporzangmeester, onder de kindoren van Korach. 2 O God! wij hebben hot met onze ooren gehoord , onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt oen werk gewrocht in hunne dagen, in de dagen van ouds. 3 Gij hebt de Heidenen met uwe hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden quot;geplant; Gij hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voortschieten. «Ex. 15: 17. Ps. 80:0. |
4 Want zij hebben het land niet geërfd, door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar uwe regterhand, en uw arm, en het licht uws aangezigts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt. 5 Gij zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs. 0 Door U zullen wij onze wederpartijders mot hoornen stooten; in uwen naam zullen wij vertreden die tegen ons opstaan. 7 Want ik vertrouw niet op mijnen boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen. 8 Maar Gij verlost ons van onze wederpartijders, en Gij maakt onze haters beschaamd. 0 In God roemen wij den ganschon dag, en uwen naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela. 10 Maar nu hebt Gij ons quot; vorstooton en te schande gemaakt, dewijl Gij mot onze krijgshoiren niet uittrekt. aPs. 00:3. 74:1. 89:89. 108:2. 11 Gij doet ons achterwaarts koeren van den we-dorpartijder; en onze haters berooven owsvoor zich. 12 Gij geeft ons over als schapen tor spijze, en Gij verstrooit ons onder de Heidenen. 13 Gij verkoopt uw volk om geeno waardij; en Gij verhoogt hunnen prijs niet. 14 Gij stolt ons onzen naburen tot quot; smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn. a Ps. 70 : 4. 80 : 7. Jcr. 24 : 9. 15 Gij stelt ons tot oen spreekwoord onder de Heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken. 16 Mijne schande is den ganschon dag voor mij, en de schaamte mijns aangezigts bedekt mij; 17 Om de stom dos honors en des lasteraars, van wege don vijand en don wraakgierige. 18 Dit alles is ons overkomen, nogtans hebben wij U niet vergoten, noch valschelijk gehandeld tegen uw verbond. 19 Ons hart is niet achterwaarts gekoerd, noch onze gang geweken van uw pad. 20 Hoewel Gij ons verpletterd hebt in oene plaats der drakon, en ons mot eone doodsschaduw bedekt hebt. 21 Zoo wij don naam onzos Gods hadden vergoten , en onze handen tot oenen vreemden God uitgebreid, 22 Zou God zulks niet onderzoeken? want Hij weet do verborgenheden dos harten. 23 quot; Maar om uwentwil worden wij den ganschon dag gedood; wij worden geacht als slagtschapon. a Rom. 8: 36. 24 Waak op, waarom zoudt Gij slapen, Heere! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid. 25 Waarom zoudt Gij uw aangezigt verborgen? onze ellende en onze onderdrukking vergoten? 26 Want onze ziel is in hot stof nedorgebogen; onze buik kleeft aan de aarde. 27 Sta op, ons ter hulp, en verlos ons om uwer goedertierenheid wil. PSALM 45. Een uitnemend profetisch bruiloftslied, bij gelegenheid van Salomo's huwelijk met Farao's dochter, gedicht |
PSALM 45, 46, 47.
533
|
op hot geestelijko huwelijk van don Rruidegom Jezus Christus met zijne Move Bruid, do algomcoue Kerk uit Joden en Heidenen. EENE onderwijzing, oen lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schóschannim. 2 Mijn hart geeft eono goede rede op; ik zegge mijne gedichten uit van eenen Koning; mijne tong is eono pen eons vaardigen schrijvers. 3 Gij zijt veel schooner dan de monschonkindoren; genade is uitgestort in uwe lippen; daarom hooft u God gezegend in eeuwigheid. 4 Gord uw zwaard aan de heup, o Held! uwe majesteit en uwe heerlijkheid. 5 En rijd voorspoediglijk in uwe heerlijkheid, op het woord der waarheid en regtvaardige zacht-moedigheid; on uwe regterhand zal u vroossolijko dingen loeren. G Uwe pijlen zijn scherp, volken zullen onder u vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden. 7 quot;Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos; de scepter uws koningrijks is een scepter der regtmatigheid. « 1 lobr. 1:8. 8 Gij hebt goregtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! uw God gezalfd mot vrougdeolie, boven uwe inedegonooten. i) Al uwe kleedoren zijn mirre, cn aloë, en kassie; uit do elpenboenen paleizen, van waar zij u verblijden. 10 Dochters van koningen zijn onder uwe kostelijke staatsdochtercn; do koningin staat aan uwe regterhand, in bot fijnste goud van Ofir. 11 Hoor, o dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis. 12 Zoo zal do Koning lust bobbon aan uwe schoonheid: dewijl Hij uw Iloore is, zoo buig u voor Hom neder. 13 En de dochter van Tyrus, do rijken onder het volk zullen uw aangezigt quot; mot geschenk smoeken. a Ps. 72: 10. 14 Des Konings dochter is gobool verheerlijkt inwendig; hare kleeding is van gouden borduursel. 15 In gestikte kleederen zal zij tot den Koning geleid worden; do jonge dochteren, die achter haar zijn, hare modegozellinnen, zullen tot u gebragt worden. l(j Zij zullen geleid worden met allo blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in des Konings paleis. 17 In plaats van uwe vaderen zullen uwe zonen zijn; gij zult hou tot vorsten zetten over de gansche aarde. 18 Ik zal uws naams doen gedenken van elk geslacht tot geslacht: daarom zullen u do volken loven eeuwiglijk en altoos. PSALM 46. Do profeet beschrijft hot vertrouwen on don zekeren staat der Kerk onder dos lleeren bescherming, die Hij aan haar mot cone wonderbare verlossing be-wozen had; vermanondo een ieder, om dit werk Gods en andere dergelijke to overdenken tot groot-making van zijnen heiligen naam. |
EEN lied op Alamöth, voor den opperzangmeester, onder do kinderen van Korach. 2 God is ons eene Toovlugt en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden eono Hulp in benaauwdhedon. 3 Daarom zullen wij niet vreezen, al veranderde do aarde hare plaats, en al werden de borgen verzot in hot hart van do zeeën: 4 Laat hare wateren bruisen, laat zo beroerd worden; laat do borgen daveren, door dorzelvor verheffing! Sola. 5 Do boekjes dor rivier zullen verblijden do stad Gods, hot heiligdom der woningen dos Allor-h oogsten. 6 God is in het midden van haar, zij zal niot wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van don morgenstond. 7 Do Hoidenen raasdon, do koningrijken bewogen zich; Hij verhief zijne stem, de aarde versmolt. 8 De Heeue der heirscharon is met ons; do God van Jakob is ons oen hoog Vertrok. Sela. !) Komt, aanschouwt do daden dos IIeeren, die verwoestingen op aarde aanrigt; 10 Die do oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, don boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagonen mot vuur verbrandt. 11 Laat af, on weet, dat Ik God bon; Ik zal verhoogd worden onder de Heidenen, Ik zal verhoogd worden op do aarde. 12 De Heeue der hoirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een hoog Vertrek. Sela. PSALM 47. Eon triomfpsabu der Kerk, tor ooro van haron Koning Jezus Christus, in zijne hemelvaart, afgebeeld door hot opbrengen der ark dos vorbonds in /ion en in don tempel, mot eono vermaning aan allo volken, en profetie van do roeping dor Hoidenen. EEN psalm, voor don opporzangmoester, onder do kinderen van Korach. 2 Al gij volken! klapt in de hand; juicht Gode met eene stem van vreugdegozang. 3 Want do Heeue, do Allerhoogste, is vroosso-lijk, oen groot Koning over do gansche aarde. 4 Hij brengt de volken onder ons, en do natiën onder onze voeten. 5 Hij verkiest voor ons onze erfenis, do beor-lijkhoid van Jakob, dien Hij beeft liefgehad. Sela. 6 God vaart op mot gejuich, do Heere mot geklank dor bazuin. 7 Psalinzingt Gode, psalmzingt! psabnzingt onzen Koning, psalmzingt! 8 Want God is oen Koning der gansche aarde; psalmzingt met eono onderwijzing! 9 God regeert over do Heidenen; God zit op don troon zijner heiligheid. 10 Do edelen der volken zijn verzameld tot hot volk van den God van Abraham: want de schilden der aarde zijn Godos. Hij is zoor verheven! |
PSALM 48, 49, 50.
534
|
PSALM 48. Do profeet 1 losehrij 1't do keerlijklioid en gelukzaligheid dor Kerk onder hot beeld van do stad Jeruzalem, welke van Ood wonderbaar tegen zeer inagtigo vijanden was beschermd, volgens zijne belofte en vorige wonderen, waardoor Ood geroemd en do Kerk getroost wordt; met eene vermaning aan alle goloovigen, dat zij de schoonheid en vastigheid der Kerk tot oono eeuwige gedachtenis naarstig gedenken. EEN lied, een psalm, voor de kindoren van Korach. 2 Do Heere is groot on zeer to prijzon, in do stad onzos Gods, op don borg zijnor hoilighoid. 3 Schoon van gelogenhoid, oono vreugde der gansche aarde is do borg Zion, aan do zijden van het noordon; quot;do stad dos grooten Konings. a Matt. 5 : 35. 4 God is in liaro paleizen; Hij is er bekend voor oen hoog vertrek. 5 Want ziet, do koningen waren vergaderd; zij waren te zamen doorgetogen: (i Gelijk zij het zagen, alzoo waren zij verwonderd, zij worden verschrikt, zij haastten weg. 7 Beving greep hen aldaar aan, smart als van oono barende vrouw. 8 Met oenen oostewind verbreekt Gij de schepen van Tharsis. !) Gelijk wij gehoord haddon, alzoo hebben wij gezien in do stad dos Hekken dor hoirscharen, in de stad onzos Gods; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sola. 10 G God! wij gedenken uwer weldadigheid, in hot midden uws tompels. 11 Gelijk uw naam is, o God! alzoo is uw room tot aan de einden der aarde; uwe regterhand is vol van gercgtigheid. 12 Laat don berg Zion blijde zijn, laat do doch-toron van Juda zich verheugen, om uwer oor-doelen wil. 13 Gaat rondom Zion, en omringt haar; tolt hare torens; 14 Zot uw hart op hare vesting; beschouwt onderscheidenlijk hare paleizen, opdat gij het aan het navolgende geslacht vertelt. 15 Want deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot den dood toe. PSALM 4!). Do profeet, iiebbende allo menschen tot opmerking vermaand, maakt eene tegenstelling van hot ijdole vertrouwen der wereldsche menschen op rijkdom, magt en oor in dit vergankelijke leven, en van hot heilig vertrouwen der goloovigen op Ood, die hen uit do dooden zal opwekken en het eeuwige leven Schenken; vermanende alle goloovigen niet te vree-zon voor don rijkdom of de magt van eenig wo-reldsch mensch. EEN psalm, voor den opperzangmeester, onder do kindoren van Korach. 2 Hoort dit, allo gij volken! noemt tor oore, allo inwoners dor wereld! 3 Zoo wol slechten als aanzienlijken, to zamon rijk en arm! |
4 Mijn mond zal onkel wijsheid sproken, on do overdenking mijns harten zal vol verstand zijn. 5 quot;Ik zal mijn oor neigen tot oono spreuk; ik zal mijne verborgene rode openen op do harp. a Ps. 78 ; 2. Matt. 13 : 35. G Waarom zou ik vreezen in kwade dagen, als de ongeregtigen, die op do hielen zijn, mij omringen ? 7 Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen, on op do veelheid huns rijkdoms roemen; 8 Niemand van hon zal zijnen broeder immormoor kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven: i) (Want do verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden;) 10 Dat hij ook voortaan geduriglijk zou loven, en de verderving niet zien. 11 Want hij ziet, dat do wijzen sterven, dat te zamen oen dwaas en oen onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten. 12 Hunne binnenste gedachte is, dat hunne huizen zullen zijn in eeuwigheid, hunne woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hunne namen. 13 Do mensch nogtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan. 14 Deze hun weg is oeno dwaasheid van hen: nogtans hebben hunne nakomelingen oen welbehagen in hunne woorden. Sela. 15 Men zot hen als schapen in hot graf, de dood zal hen afweiden; en de opregten zullen over hen heerschon in dien morgenstond; en hot graf zal hunne gedaante verslijten, elk uit zijne woning. 10 Maar God zal mijne ziel van hot geweld des grafs verlossen, want llij zal mij opnemen. Sela. 17 Vrees niet, wanneer oen man rijk wordt, wanneer de oor van zijn huis groot wordt; 18 Want hij zal in zijn sterven niet mot al medenomen, zijne eer zal hom niet nadalen. 19 Hoewel hij zijne ziel in zijn loven zegent, en zij u loven, omdat gij u zolvon goed doet; 20 Zoo zal zij toch komen tot hot geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij liet licht niot zien. 21 De mensch, die in waarde is, en geen vorstand hoeft, wordt gelijk als de boesten, die vergaan. PSALM 50. Do profeet voort Ood in, als komende met groote majesteit, om over zijn volk le rigten; sterk betuigende, waarin do ware en (Jode aangename godsdienst niet, en waarin zij wel bestaat; met eene zware bedreiging van eeuwig verderf aan do god-vergetende huichelaars en vorbondbrekers, zoo zij zich niet bekeeren; en belofte van zaligheid aan degenen, die God opregt dienen. EEN psalm van Asaf. Do God der goden, do Heere spreekt, en roept do aarde, van den opgang der zon tot aan haren ondergang. |
PSALM 50, 51.
535
dor schoonheid,
Mij aan in bonaauwd-
u uitholpen.
en gij zult Mij
er
2 Uit Zion, de volkomenheid verschijnt God blinkende.
3 Onze God zal komen, on zal niot zwijgen; oon vuur voor zijn aangezigt zal verteren, on rondom Hom zal het zoor stormen.
4 Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om zijn volk te rigton.
5 Verzamelt Mij mijne gunstgonooten, die mijn verbond maken met offerande!
6 En de hemelen verkondigen zijne gorogtigheid: want God zelf is Regtor. Sela.
7 Hoort, mijn volk! en Ik zal sproken; Israël! en Ik zal onder u betuigen; Ik God, bon uw God.
8 Om uwe offeranden zal Ik u niot straffen, want uwe brandofferen zijn steeds voor Mij.
t) Ik zal uit uw huis geen' var nomon, noch bokken uit uwe kooijon:
10 Want al hot gedierte dos wouds is Mijne, de beesten op duizend borgen.
11 Ik ken al hot gevogelte der borgen, on hot wild dos velds is bij Mij.
12 Zoo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen,
want quot; Mijne is do wereld on hare volheid.
«Ex. 19:5. Dcut. 10:14.
Job 41 ; 2. I's. 24: 1.
I Cor. 10:2(3, 28.
13 Zou Ik stieronvloosch eten, of bokkenbloed drinken ?
14 Offert Gododank, on quot; betaalt den Allerhoogste uwe geloften.
«Dout. 23 : 23. Job 22:27.
Ps. 7ü : 12. Prod. 5 : 3, 4, rgt;.
15 En roept den dag dor heid; Ik zal oeren.
Ki Maar tot don goddoloozo zegt God: Wat hebt gij mijne inzettingen to vertellen, on nooint mijn verbond in uwen mond ?
17 Dewijl gij do kastijding haat, on mijne woorden achter u henenwerpt.
18 Indien gij oenen dief ziet, zoo loopt gij mot hem; en uw dool is met do overspelers.
1!) Uwen mond slaat gij in het kwade, on uwe tong koppelt bodrog.
20 Gij zit, gij spreekt togen uwen broeder, tegen don zoon uwer moedor goof't gij lastering uit.
21 Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik ten eonomaal ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal hot ordentelijk voor uwe oogen stellen.
22 Verstaat dit toch, gij godvergotenden! opdat Ik niot vorschouro en niemand redde.
23 Wie dankoffert, dio zal Mij eeren; en wie zijnen weg 'wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zion.
PSALM 51.
David in zware zonden gevallen on van God door den profeet Nathan bestraft en opgewekt, bidt zoor vurig oin genade en vergeving door don Messias, mot belijdenis, niet alleen van do/.e zonde, maar ook van zijne aangeborene verdorvenheid; begeert voorts, dat God zijnen II. Ooost in hom vernieuwo, opdat hij door Hem mag oiulerstcnnd en andoren van hem geloerd worden, belovende Gode dankbaarheid met oprogte boetvaardigheid; en bidt eindelijk voor do behoudenis der Kerk.
EEN psalm van David, voor den opperzang-meestor.
2 Toen a de profeet Nathan tot hom was gekomen, nadat hij tot '' Bathséba was ingegaan. a 2 Sam. 12 : 1, enz. h 2 Sam. 11 : 4.
3 Zijt mij genadig, o God! naar uwe goedertierenheid; delg mijne overtreding uit, naar do grootheid uwer barmhartigheden.
4 Wasch in ij wol van inijno ongerogtigheid, on reinig mij van mijne zonde.
5 Want ik konmijneover-tredingen, en mijne zonde is steeds voor mij.
G Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan , dat kwaad is in uwe oogen; quot; opdat Gij regtvaardig zijt in uw sproken, cu rein zijt in uw rigten. a Kom. 3 : 4. 7 Zie ik ben in ongereg-tigbeid geboren, en in zonde hooft mij mijne moedor ontvangen. 8 Zie, Gij bobt lust tot waarheid in hot binnenste, on in hot verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.
ü Ontzondig mij niet quot; hijzop , en ik zal rein zijn; wasch mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
a Lev. 14: 4, ü. Num. l!):(j, 18.
10 Doe mij vreugde en blijdschap hooron; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld bobt.
11 Verberg uw aangezigt van mijne zonden, en delg uit al mijne ongorogtigheden.
12 Schop mij eon rein hart, oGod! en vernieuw in liet binnenste van mij oenen vasten geest.
13 Verwerp mij niet van uw aangezigt, on neem uwen Heiligen Geest niet van mij.
14 Geef mij weder de vreugde uws hoils; en de vrijmoedige geest ondorsteune mij.
15 Zoo zal ik don overtreders uwe wogen loeren; en de zondaars zullen zich tot U bekeeren.
PSALM 51, 52, 53, 54, 55.
53(1
|
1(1 Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij God mijns heils! zoo zal mijne tong uwe gereg-tigheid vrolijk roemen. 17 Ileere! open mijne lippen, zoo zal mijn mond uwen lof verkondigen. 18 Want Gij hebt geen'lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen liebt Gij geen behagen. 11) De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten. '20 Doe wel bij Zion naar uw welbehagen, bouw de muren van Jeruzalem op. 21 Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der geregtigheid , aan brandoffer en een offer dat gansch verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op uw altaar. PSALM 52. David bestraft Doëgs goddoloozen hoogmoed en verraderlijke trouweloosheid; verkondigt hom Gods oordeelon. waardoor de Kerk oorzaak zal iiobben om God to vreezen en Doög te bespotten; troost en verheugt zicli zelven door het geloof aan Grods bestendige goedertierenheid. EENE onderwijzing van David, voor den opperzangmeester. 2 quot; Als Doög, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen ton huizo van Achimélech. a 1 Sam. 22 : 9, enz. 3 Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige V Gods goedertierenheid duurt toch den gansehen dag. 4 Uwe tong denkt enkel schade, als een geslepen scheermes, werkende bedrog. 5 Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan geregtigheid te spreken. Sela. (1 Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en eene tong des bedrogs. 7 God zal ii ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal ii wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja Ilij zal ii uitwortelen uit het land der levenden. Sela. 8 En de regtvaardigen zullen liet zien, en vreezen; en zij zullen over hem lagchen, zeggende-. 9 Ziet den man, die God niet stelde tot zijne sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen. 10 Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos. 11 Ik zal U loven in eeuwigheid, quot;omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal uwen naam verwachten, want hij is goed voor uwe gunstgenooten. Ps. 22:32. PSALM 53. Zie den inhoud van dezen Psalm op don 14den Psalm. EENE onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath. |
2 De dwaas quot; zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het en zij bedrijven gruwelijk on-regt, 0 er is niemand, die goed doet. a Ps. 10 : 4. 14 : 1, enz. h Rom. 3 : 12. 3 God heeft uit don hemel nedergezien op de menschenkinderen , quot; om te zien , of iemand verstandig ware, die God zocht. «Hom. 3:11. 4 Een ieder van hen is. teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet één. 5 Hebben dan de werkers der ongeregtigheid geene kennis? die mijn volk opeten, als of' zij brood aten? zij roepen God niet aan. G Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geene vervaardheid was: want God heeft do beenderen desgenen, die u belegerde, verstrooid; gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen. 7 Och dat Israels verlossingen uit Zion kwamen! Als God de gevangenen zijns volks zal doen we-derkeeren, da)i zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn. PSALM 54. David, door do Ziiloton bij Saul verraden zijnde, bidt God om bescherming en regtvaardigo straf over zijne vijanden, met vertrouwen van verhooring en belofte van dankbaarheid. EENE onderwijzing van David, voor den ópper-zangmeester, (gt;[) de Neginóth. 2 quot; Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons? a 1 Sam. 23 : 11), enz. 20 : 1. 3 O God! verlos mij door uwen naam, en doe mij regt door uwe magt. 4 O God! hoor mijn gebed, neig do ooren tot do redenen mijns monds. 5 Want vreemden staan togen mij op, en tirannen zoeken mijne ziel; quot; zij stellen God niet voor hunne oogen. Sela. a Ps. 8(J: 14. (1 Ziet, God is mij een helper; de Heere is onder degenen, die mijne ziel ondersteunen. 7 Hij zal dit kwaad mijnen verspieders vergelden : roei hen uit door uwe waarheid. 8 Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal uwen naam, o Heere! loven, quot;want hij is goed. a Ps. 52 : 11. 9 Want Hij heeft mij gered uit alle benaauwd-heid; en mijn oog heeft gezien op mijne vijanden. PSALM 55. David, in gevaar zijnde van omsingeld en overvallen to worden, klaagt God zijne benaamvdheid en bidt in zoer groeten angst om vernietiging van de aanslagen zijner vijanden, welker wreedheid, valschheid en trouweloosheid (bijzonder van eenen) hij God voordraagt; doch hunnen ondergang profeterende en zich van Gods verhooring verzekerende, sterkt zich zelven en alle geloovigen in het vertrouwen op God, die de vromen behoudt en de goddeloozen verdelgt. EENE onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op do Neginóth. |
PSALM 55, 56, 57.
öïi?
|
2 O God! neem mijn gebed ter ooren, en ver- 1 berg U niet voor mijne smeeking. 3 Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijne klagt, en maak getier; 4 Om den roep des vijands, van wege de beangstiging des goddeloozen: want zij schuiven ongeregtigheid op mij, en in toorn haten zij mij. 5 Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen. 6 Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij; 7 Zoodat ik zeg: Och dat mij iemand vleugelen, als eenerduive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mogt. 8 Ziet, ik zou verre wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela. i) Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm. 10 Verslind hen, Heere ! deel hunne tong: want ik zie wrevel en twist in de stad. 11 Dag en nacht omringen zij haar op hare muren; cn ongeregtigheid en overlast is binnen in haar. 12 Enkel verderving is binnen in haar; en list cn bedrog wijkt niet van hare straat. 13 Want het is geen vijand, dia mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben. 14 Maar gij zijt het, o mensch, als van mijne waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende! 15 Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ton huize Gods. 1(gt; Dat hun de dood als een schuldeischor ovor-valle, dat zij levend ter hollo nederdalen: want boosheden zijn in hunne woning, in het binnenste van hen. 17 Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en do Heere zal mij verlossen. 18 Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen on getier maken; en Hij zal mijne stom hooren. li) Hij hooft mijne ziel in vrede verlost van den strijd togen mij: want mot menigte zijn zij tegen mij geweest. 20 God zal hooren, en zal hen plagen, als die van ouds zit. Sela; dewijl bij hen gansch goene verandering is, en zij God niet vreozen. 21 Hij slaat zijne handen aan degenen, die vrede met hem hadden; hij ontheiligt zijn verbond. 22 Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijne woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn bloote zwaarden. 23 Worp uwe zorg op don Heere, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de regtvaardige wankele. 24 Maar Gij, o God! zult die doen nederdalen in den put des verdorfs; de mannon des bloods en bedrogs zullen hunne dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen. |
PSALM 56. David, door Siiuls gestadige vervolging in liandon der Filistijnen gokomou zijnde, klaagt tot God over ai zijn lijden, wooneu en zwerven; bidt om genade en straf zijnor vijanden; roomt Gods woord, vertrouwt op doszelfs vervulling en belooft daarvoor dankbaarheid. EEN gouden kleinood van David, voor den opperzangmeoster, op Jonath Elom Rechokim; quot; als de Filistijnen hom gegrepen hadden te Gath. a 1 Sam. 21 : 12, 13, 14. 2 Zijt mij genadig, o God! want do mensch zoekt mij op te slokken; don ganschon dag dringt mij do bestrijder. 3 Mijne verspieders zoeken mij den ganschon dag op te slokken: want ik heb vele bestrijders, o Allerhoogste! 4 Ton dage, als ik zal vreozen, zal ik op U vertrouwen. 5 In God zal ik zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vreozen; wat zou mij vleosch doen ? 6 Don ganschon dag vordraaijen zij mijne woorden; al hunne gedachten zijn togen mij ton kwade. 7 Zij rotten zamen, zij verstoken zich, zij passen op mijne hiolon; als die op mijne ziel wachten. 8 Zouden zij om hunne ongeregtigheid vrijgaan ? Stort do volken neder in toorn, o God! 9 Gij hebt mijn omzwerven getold; leg mijne tranen in uwe flesch; zijn zij niet in uw register ? 10 Dan zullen mijne vijanden achterwaarts koeren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God mot mij is. 11 In God zal ik het woord prijzen, in don Heere zal ik hot woord prijzen. 12 Ik vertrouw op God, ik zal niet vreozen; quot;wat zou mij de mensch doen? «I's. I18:(i. 13 O God! op mij zijn uwe geloften; ik zal U dankzeggingen vergolden: 14 Want gij hebt mijne ziel gered van den dood; ook niet mijne voeten van aanstoot, om voor Gods aangezigt te wandelen in hot licht der levenden PSALM 57. David, voor Saul vlugtende, bidt God om genade en bescherming, waarvan hij zich ook verzekert, en beschrijvende de bitteriioid zijner vijanden, voorzegt hunnen val en is bereid om God to loven. EEN gouden kleinood van David, voor den opporzangmoestor, Al-tascheth; quot;als hij voor Sauls aangezigt vlood in do spelonk. n 1 Sam. 22:1. 24: 4. 2 Zijt mij genadig, o God! zijt mij genadig, want mijne ziel betrouwt op U, on ik neem mijne toevlugt onder do schaduw uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan. 3 Ik zal roepen tot God, den Allerhoogste, tot God, die hot aan mij voleinden zal. 4 Hij zal van don hemel zonden, en mij verlossen , te schande makende dengenen, die mij zoekt |
|
538 PSALM op to slokken. Sela. God zal zijne goedertierenheid en zijne waarheid zenden. 5 Mijne ziel is in hot midden dor loouwon, ik lig onder stokebranden, nienschonkinderon, wol-kor tanden spiesen on pijlen zijn, en hunne tong oen scherp zwaard. (i Verhof U boven de hemelen, o God! Uwo oor zij over do gansche aarde. al's. liiS;ü. 7 Zij hebben oen net bereid voor mijne gangen, mijne ziel was nedergebukt; quot; zij hebben oenen kuil voor mijn aangozigt gegraven; zij zijn er midden ingevallen. Sela. a Ps. 7 : 1G. iS quot; Mijn hart is bereid , o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen. a Ps. 108: 2, enz. !) Waak op, mijne eer! waak op, gij luit en harp! ik zal in don dageraad opwaken. ld quot; Ik zal U loven onder do volken, o Heore! ik zal U psalmzingen onder de natiën, a Ps. 108:4. 11 quot; Want uwo goedertierenheid is groot tot aan do homolen, en uwo waarheid tot aan do bovenste wolkon. a Ps. BG : U. 108:5. 12 Verhef U boven de hemelen, o God! Uwo oor zij over de gansche aarde. PSALM 58. Diivid verwijt Siuils raadsheoren en hovelingen Imnne onrogtvaardiglieid, goddeloosheid en verstoktheid, en bidt God, dat Hij hunne magt breke, en make, dat zij ia hunne raadslagen haastelijk vergaan en verdwijnen, tot zijne eer en vreugde van de vromen. EEN gouden kleinood van David, voor don opporzangmoester, Al-taseheth. 2 Spreekt gijlieden waarlijk gerogtighoid, gij vergadering? oordeelt gij billijkheden, gij mon-schenkinderen? 3 Ja gij werkt ongeregtighedon in hot hart; gij weegt het geweld uwer handen op do aarde. 4 De goddeloozon zijn vervreemd van do baarmoeder aan; do leugensprekers dolen van moeders buik aan. 5 Zij hebben quot;vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvonijn; zij zijn als eeno doovo adder, die hare ooron toestopt; al's. 140:4. (i Opdat zij niet hoore naar do stem der belezers, desgonon, die ervaren is mot bezweringen om to gaan. 7 O God! verbreek hunne tanden in hunnen mond; breek af do baktanden der jonge leeuwen, o Heere! 8 Laat hen smelten als water, laat hon daarhenen drijven; logt hij zijne pijlen aan, laat hon zijn, als of zij afgesneden waren. !) Laat hom henongaan, als oono smeltende slak; laat hen, als ooner vrouwe misdragt, de zon niet aanschouwen. 10 Eer dan uwe potten don doornstruik gewaar worden, zal Hij hom als lovend, als in hoeten toorn wegstormon. 11 Do rogtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijne voeten was-schon in het bloed dos goddeloozon. |
â ,58, 59. 12 En de mensch zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rogtvaardige; immers is er oen God, die op de aarde rigt. PSALM 59. David, in gevaar zijnde dat Siuils krijgsoversten hem zouden grijpen en dooden, bidt God om verlossing, verhaalt zijne onschuld, en de bloeddorstigheid en razernij van zijne vijanden, stolt daartegenover zijn vertrouwen op God, wien hij bidt, dat Hij hen aan anderen tot oenen spiegel van zijne wraak stelle, hunnen hoogmoed dempo en in ellende verandere, belovende Gode dankbaarheid. EEN gouden kleinood van David, voor don opperzangmeester, Al-taschoth; quot; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hom te dooden. a 1 Sam. 19 : 11. 2 Red mij van mijne vijanden, o mijn God! stol mij in oen hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan. 3 Red mij van do werkers dor ongerogtigheid, en verlos mij van do mannon dos bloods. 4 Want zie, zij leggen mijnor ziel lagen, sterken rotten zich togen mij; zonder mijne overtreding, en zonder mijne zonde, o IIeere! 5 Zij loepen en bereiden zich zonder mijne misdaad; waak op mij te gemoot, en zie. (! Ja Gij, Heere, God der hoirscharon, God Israels! ontwaak, om al deze Heidenen te bezoeken; zijt niemand van hen genadig, die trouwo-looslijk ongerogtigheid bedrijven. Sela. 7 Togen don avond koeren zij weder, zij tieren als oen hond, en zij gaan rondom do stad. 8 Zie, zij storten overvloodiglijk uit met hunnen mond; quot;zwaarden zijn op hunne lippen: ''want wie hoort het? aPs. 55:22. 57:5. 6 Ps. 10:11. 94:7. 9 Maar Gij, IIeere! quot;zult hon belagchon; Gij zult alle Heidenen bespotten. a Ps. 2 : 4, 10 Tegen zijne sterkte zal ik oji U wachten: want God is mijn hoog Vertrok. 11 De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijne verspieders doen zien. 12 Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vorgote; doe hen omzweven door uw magt, en werp hen neder, o IIeere, ons Schild! 13 Om de zonde huns monds, om hot woord hunner lippen; en laat hen gevangen worden in hunnen hoogmoed; en om den vloek, en om de leugen, die, zij vertellen. 14 Verteer hen in grimmigheid, verteer hen, dat zij er niet zijn, en laat hen weten, dat God Ileerscher is in Jakob, ja tot aan de einden der aarde. Sela. 15 Laat hon dan tegen don avond wodorkooron, laat hon tieren als oen hond, en rondom de stad gaan; Ki Laat hen zelfs omzweven om spijs; en laat hon vernachten, al zijn zij niet verzadigd. 17 Maar ik zal uwe sterkte zingen, en des morgens uwe goedertierenheid vrolijk roemen, omdat |
|
PSALM 59, Gij mij een hoog Vertrok zijt geweest, en eeno Toevlugt ten dage, als mij bang was. 18 Van U, o mijne Sterkte! zal ik psalmzingen: want God is mijn hoog Vertrek, de God mijner goedertierenheid. PSALM GO. David, van God overwinning vorkregen liebbonde op zijne vijanden, vergelijkt, tot lof van God, den vorigen ellendigen toestand van liot land met don tegenwoordigen onder zijne regering; trioinfeort over Gods bijstand en beloften, met bidden en vertrouwen van verdere vervulling tegen hot overblijfsel zijnor vijanden. EEN gouden kleinood van David tot leering, voor den opperzangmeester, op Schusan E'duth. 2 quot; Als hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotamië, en met do Syriërs van Zoba; en Joab wederkwam, en do Edomieten sloeg in hot Zoutdal, twaalf duizend. a 2 Sam. 8:3, 13. 1 Kron. 18:3, 12. 3 O God! quot;Gij hadt ons verstooton, Gij hadt ons gescheurd. Gij zijt toornig geweest; koor weder tot ons. «I's. 44:10. 4 Gij hebt het land geschud. Gij hobt gespleten; genees zijne breuken, want hot wankelt. 5 Gij hebt uwen volko eeno harde zaak doen zien; Gij hobt ons gedrenkt mot zwijmolwijn. 6 Maar nu hobt Gij dengenen, die U vreozen, eeno banier gegeven, om die op te werpen, van wege de waarheid. Sela. 7 quot; Opdat uwe beminden zouden bevrijd worden ; goot' heil door uwe rogtorhand en verhoor ons. a Ps. 108 : 7, enz. 8 God hooft gesproken in zijn heiligdom; dies zal ik van vreugde opspringen: ik zal Sichem doelen, on hot dal van Sukkoth zal ik afmeten. !) Gilead is mijn, on Manasse is mijn, en Efraïm is de sterkte mijns hoofds, Juda is mijn wetgever. 10 Moab is mijn waschpot; op Edom zal ik mijn' schoen worpen; juich over mij, o gij Palestina! 11 Wie zal mij voeren in oene vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom ? 12 Zult Gij het niet zijn, o God! die ons verstooton hadt, on niet uittoogt, o God! mot onze beirkrachton ? 13 Geef (Jij ons hulp uit de benaauwdheid, want 's menschon heil is ijdelhoid. 14 In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze weder par tijders vertreden. PSALM 61. David, gevlugt on in groot govaar zijnde, bidt om verlossing naar zijn geloof on Gods voorgaande weldaden, vertrouwende, dat God hom hier zijn loven zal verlengen en hierna het eeuwige lovon schonken, om des Messias wil, van wiens onvergankelijk koningrijk hij profeteert, mot belofte van dankbaarheid. EEN pmhn van David, voor don opperzangmeester, op do Neginath. |
(10, 61, 62. 539 2 O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebod. 3 Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn hart overstelpt is; leid mij op oenen rotssteen, die mij te hoog zou zijn. 4 Want Gij zijt mij eene Toevlugt geweest, een sterke Toren voor den vijand. 5 Ik zal in uwe hut vorkoeren in eeuwigheden; ik zal mijne toevlugt nemen in hot verborgene uwer vleugelen. Sela. 6 Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijne geloften; Gij hobt mij gegeven do erfenis dergenen , dio uwen naam vreozon. 7 Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijne jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht; 8 Hij zal oeuwiglijk voor Gods aangezigt zitten; bereid goodortieronhoid en waarheid, dat zij hom behoeden. 9 Zoo zal ik uwen naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijne geloften botalo, dag bij dag. PSALM 62. David betuigt op velerlei wijze zijne gerustheid in God, tegenover al do raadslagen en handelingen zijner vijanden; on vermaant allo goloovigen al zoo te doen, en hun vertrouwen niet to stollen op menschon, of op ijdolo, bedriegolijke en onrogtvaardigo middelen, maar alleen op God, dio naar zijn woord alleen magtig, barmhartig en regtvaardig is. EEN psalm van David, voor den opperzangmeester over Jodüthun. 2 Immers is mijne ziel stil tot God; van Hom is mijn heil. 3 Immers is Ilij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn hoog Vertrok, ik zal niet grootolijks wankelen. 4 Hoe lang zult gijlieden kwaad aanstichten tegen oenen man? gij allen zult gedood worden; gij zult zijn als oen ingebogen wand, oen aangestoo-ten muur. 5 Zij raadslagen slechts, om hem van zijne hoogheid to verstooton; zij hebben behagen in leugen, met hunnen mond zegenon zij, maar mot hun binnenste vloeken zij. Sela. 6 Doch gij, o mijne ziel! zwijg Gode: want van Hein is mijne verwachting. 7 Ilij is immers mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn hoog Vertrok , ik zal niet wankelen. 8 In God is mijn heil en mijne eer; de rotssteen mijner sterkte, mijne toevlugt is in God. 9 Vertrouw op Hom to aller tijd, o gij volk! stort uliedor hart uit voor zijn aangezigt; God is ons eene Toevlugt. Sola. 10 Immers zijn do gomeono lieden ijdelhoid, do groote lieden zijn leugen; in do weegschaal opgewogen, zouden zij zamon Hgter zijn dan do ijdelhoid. 11 Vertrouwt niet op onderdrukking, noch op rooverij; wordt niet ijdol, als hot vorinogen overvloedig aanwast, en zot er hot hart niet op. 12 God heeft eon ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord, dat do sterkte Godos is. |
PSALM 62, 63, 64 , 65.
540
|
13 En de goedertierenheid, o lloero! is uwe: quot; want Gij zult een' iegelijk vergelden naar zijn werk. rt.lob 34: 11. Spr. 24: 12. .Ier. 32 :19. Ezec. 7 : 27. 33 : 20. .Matt. 16 : 27. Kom. 2:6. 2 Cor. 5 : 10. Efoz. 6: 8. Col. 3 : 25. 1 Petr. 1:17. Openb. 22 : 12. PSALM 63. David, omzwoi'vemlo in do woestijn, klaagt God zoor bitterlijk, dat hij nit Gods huis on van do uitwendige godsdionstoefoning (dio hij zoor hoog verheft) gebannen was; troost zich nogtans in Gods gunst on beschutting, en voorzegt den ondergang van zijne bloeddorstige vervolgers en zijne toekomende vreugde. EEN psalm van David, als hij was in do quot;woestijn van Juda. a \ Sam. 22:5. 23:14, 15. 2 O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijne ziel dorst naar U, mijn vieesch verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water: 3 Voorwaar ik heb U in hot heiligdom aanschouwd , ziende uwe sterkheid en uwe eer: 4 Want uwe goedertierenheid is beter dan het loven; mijne lippen zouden U prijzen. 5 Alzoo zou ik U loven in mijn loven; in uwen naam zou ik mijne handen opheffen. 6 Mijne ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen mot vrolijk zingende lippen; 7 Als ik Uwer gedenk op mijne legerstede, zoo peins ik aan U in de nachtwaken. «S Want Gij zijt mij eene hulp geweest; en in de schaduw uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen. 0 Mijne ziel kleeft U achteraan; uwe regterhand ondersteunt mij. 10 Maar dezen, die mijne ziol zoeken tot verwoesting, zullen komen in do onderste plaatsen tier aarde. 11 Men zal hen storten door het gewold des zwaards; zij zullen den vossen ton tleelo worden. 12 Maar de koning zal zich in God verblijden; een iegelijk, dio bij Hem zweert, zal zich beroe-mon, want de mond dor leugensprekers zal go-stopt worden. PSALM 64. David bidt God, dat Hij hem behoede en verberge voor zijne vijanden, welker listige, wreedo en god-delooze handelingen hij beschrijft, te gelijk voorzeggende hunnen ondergang, tot Gods ooi' en vreugde tier vromen. EEN psalm van David, voor den opperzang-moester. 2 Hoor, o God! mijne stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik. 3 Verberg mij voor den heimelijken raad der boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongeregtigheid. 4 Die hunne tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hunnen pijl; 5 Om in verborgene plaatsen den opregte te quot;schieten: haastig schieten zij naar hem, en vreezen niet. «Ps. 11:2. |
6 Zij sterken zich zeiven in eene booze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien V 7 Zij doorzoeken allerlei schalkheid, ten uiterste doorzoeken zij wat te onderzoeken is; zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart. 8 Maar God zal hen haastig met eenen pijl schieten; hunne plagen zijn er. i) En hunne tong zal hen doen aanstooten tegen zich zeiven; een ieder, die hen ziet, zal zich wegpakken. 10 En alle menschen zullen vreezen, en Gods werk verkondigen, en zijn doen verstandelijk aanmerken. 11 De regtvaardige zal zich verblijden in den IIeere, en op Hem vertrouwen; en alle opregten van hart zullen zich beroemen. PSALM 65. David looft God, oorst van wege de geestelijke gaven, die Hij uitstort over zijne gemeente, in Christus, in wolken, als Gods regten tempel, de gebeden verhoord , de zonden vergeven en alle genadegaven rijkelijk worden verleend; daarna van wege de tijdelijke zegeningen en weldaden, die Hij den menschen in liet gemeen mododoelt, zoo in do regering der wereld, als in don overvloed van ligehamelijke nooddruft. EEN psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester. 2 De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Zion; en U zal do gelofte betaald worden. 3 Gij hoort hot gebed, tot U zal allo vloescli komen. 4 Ongoregtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij. 5 Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest en doet naderen, dat hij wono in uwe voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van uw huis, met het heilige van uw paleis. 6 Vreesselijke dingen zult (Jij ons in geregtigheid antwoorden, o God onzes bells! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee! 7 Die de bergen vastzet door zijne kracht, omgord zijnde met magt. 8 Die hot bruisen der zeeën stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken. 9 En die op de einden wonen, vreezen voor uwe teekonen; Gij doet de uitgangen des morgens en dos avonds juichen. 10 Gij bezoekt het land, en hebbende het be-geerig gemaakt, verrijkt Gij het grootelijk; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzoo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed. 11 Gij maakt zijne opgeploegde aarde dronken; Gij doet zo dalen in zijne voren; Gij maakt het week door do druppelen. Gij zegent zijn uitspruitsel. 12 Gij kroont hot jaar uwer goedheid; en uwe voetstappen druipen van vettigheid. 13 Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging. |
PSALM 65, Gfi, 07, 68.
541
|
14 De volden zijn bekleed met kudden, on de dalen zijn bedekt mot koren; zij juichen, ook zingen zij. PSALM 66. Do profeet vermaant oon' iegelijk, om God to loven over zijne wonderbare werken, bijzonder over do verlossing van zijne Kerk uit allerlei nooden, waar-mode Hij luaar beproeft, voorstellende door zijne eigene ondervinding een voorbeeld van rogt bidden en danken. EEN lied, een psalm, voor den opperzang-meester. Juicht fïode, gij gansche aarde! 2 Psalmzingt do oer zijns naams; geeft oor zijnen lof. 3 Zegt tot God: Hoe vroesselijk zijl (lij in uwe werken! Om do grootheid uwer sterkte zullen zich uwe vijanden geveinsdelijk aan U onderworpen. 4 Do gansche aarde aanbiddo U, on psalmzingo U, zij psalmzingo uwen naam. Sela. 5 Komt on ziet Gods daden: Hij is vroesselijk van werking aan do menschenkinderon. (gt; quot;Hij beeft do zee veranderd in het drooge; zij zijn te voet doorgegaan door de''rivier: daar hebben wij ons in Hom verblijd. «Ex. 14:21, enz. hJoz. 3:14, enz. 7 Hij hoerscbt eeuwiglijk mot zijne magt, quot;zijne oogon houden wacht over do Heidenen : laat do afvalligen niet verhoogd worden. Sela. a 2 Kron. 16:9. Job 28:24. I's. 33: 13. 8 Looft, gij volken! onzen God; en laat booren do stem zijns rooms. 9 Die onze zielen in het leven stolt, en niet toelaat, dat onzo voet wankele. 10 Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men liet zilver loutert; 11 Gij badt ons in het net gobragt; Gij hadt oenen engen band om onzo lenden gelogd; 12 Gij hadt don mensch op ons hoofd doen rijden; wij waren in hot vuur en in liet water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in oone overvloeijende verversching. 13 Ik zal met brandofferon in uw huis gaan; ik zal U mijne geloften betalen, 14 Die mijne lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was. 15 Brandofferon van morgbeosten zal ik U offeren , met rookwork van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela. 16 Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijne ziel go-daan hooft. 17 Ik riep tot Hem met mijnon mond, en Hij werd verhoogd onder mijne tong. 18 Had ik naar ongerogtigheid met mijn hart gezien, de Heero zou niet gehoord hebben. 19 Maar zeker, God heeft gehoord, Hij heeft gemerkt op do stem mijns gebeds, 20 Geloofd zij God, dio mijn gebod niet heeft afgewend, noch zijne goedertierenheid van mij. |
PSALM 67. Do gemeente bidt mot vertrouwen, dat Gods rijk in Christus onder do Heidenen moge uitgebreid worden, on met allen geestelijken on ligchamelijken zegen begenadigd. EEN psalm, een lied, voor den opperzang-moester, op de Neginoth. 2 God zij ons genadig en zegono ons; quot;Hij doe zijn aanschijn aan ons lichten. Sela. a Num. 0 : 25. Ps, 4 : 7. 3 Opdat men op do aarde uwen weg kenno, onder allo Heidenen uw heil. 4 De volken zullen U, o God! loven, de volken, al te maal, zullen U loven. 5 De natiën zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij do volken zult rigten in rogtmatigheid; en de natiën op de aarde, die zult Gij leiden. Sela. 6 Do volken zullen U, o God! loven; de volken, al te maal, zullen U loven. 7 Do aarde geeft haar gewas; God, onzo God, zal ons zegenen. 8 God zal ons zegenen; on alle einden dor aarde zullen Hom vreezon. PSALM 68. Bij hot opbrengen van do ark dos verbonds in /inn vermaant David, dat men God love over zijne wonderbare liefde en kracht, door welke Hij zijn volk uit Egypte verlost, door de woestijn geleid, in Kanailn gevoerd en geplant, hunne vijanden gedempt on Zion tot zijne en zijner arko woonstede verkoren hooft; onder welke zaken hij zich in don geest verheugt over onzen Ileere Jezus Christus, bijzonder over zijne verrijzenis on hemelvaart, mitsgaders over de heilzame gaven ca weldaden, die do Kerk dor Joden en Heidenen daarvan geniet, zoo op de aarde als in het homolsch Kanailn, om God eeuwig te prijzen. EEN psalm, een lied van David, voor den opperzangmeoster. 2 quot;God zal opstaan, zijne vijanden zullen verstrooid worden, en zijne haters zullen van zijn aangezigt vlieden. a Num. 10:35. 3 (lij zult bon verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor hot vuur smelt, zullende goddeloozon vergaan van Gods aangezigt. 4 Maar de rogtvaardigen zullen zich verblijden, zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezigt, en van blijdschap vrolijk zijn. 5 Zingt Gode, psalmzingt zijnen naam; hoogt de wegen voor Dien, die in do vlakke velden rijdt, omdat zijn naam is Heere ; en springt op van vreugde voor zijn aangezigt. 6 Hij is een Vader dor weezen, en een Regter der weduwen; God, in de woonstede zijner heiligheid. 7 Een God, die do eenzamen zot in een huisgezin, uitvoert, die in boeijon gevangen zijn; maaide afvalligen wonen in het dorre. 8 O God! toen Gij voor het aangezigt uws volks uittoogt, toen Gij daarhenen tradt in de woestijn; Sela. |
PSALM 68, 09.
542
|
!) quot;Daverde ilo aarde, ook dropen de hemelen 1 voor Gods aanschijn; zelfs deze Sinaï, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israël. a Ex. 19 10 Gij hebt zeer inilden regen doen druipen, o God! en Gij hebt uwe erfenis gesterkt, als zij mat was geworden. 11 Uwe hoop woonde daarin; Gij bereiddet zo door nw goedheid voor don ellendige, o God! 12 Do Ileore gaf te spreken; dor boodschappers van goode tijdingen was eene groote heirschaar. 13 Do koningen dor heirscharen vloden weg, zij vloden weg; on zij, die to huis bleef, deelde den roof uit. 14 Al laagt gijlieden tusschen twee rijen van steenen, zoo zult (jij toch worden als vleugelen eenor duive, overdekt met zilver, en welker vo-deren zijn mot uitgegraven geluwen goud. 15 Als de Almagtigo do koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon. 1(1 Do berg Hasan is eon berg Gods; do berg Basan is eon bultige berg. 17 Waarom springt gij op, gij bultige bergen? quot;Dezen borg heeft God begeerd tot zijne woning; ook zal er do IIeere wonen in eeuwigheid. «Pa. 87 :1, 2. i:52:13. 18 Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, do duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, oen Sinaï in heiligheid! 19 quot; (lij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt do gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te deden onder do monschen; ja ook do wederhoorigon om bij r to wonen, o Heere God! aEfoz. 4:8. 20 Geloofd zij do Ileore; dag bij dag overlaadt Hij ons. Die God is onze zaligheid. Sela. 21 Die God is ons oon God van volkomene zaligheid; ou bij don Heere, don Heere, zijn uitkomsten tegen den dood. 22 Voorzeker zal God den kop zijner vijanden verslaan, don harigen schedel dosgonon, die in zijne schulden wandelt. 23 Do lloere heeft gezegd: Ik zal wederbrengen uit quot; Basan, Ik zal woderbrengen uit ''de diepten der zoo; «Num. 21 : 33. ft Ex. 14:20. 24 Opdat gij uwen voet, ja do tong uwer honden, moogt stoken in liet bloed van do vijanden, van oon' iegelijk van bon. 25 O God! zij hebben uwe gangen gezien, de gangen mijns Gods, mijns Konings, in hot heiligdom. 2G De zangers gingen voor, do speellieden achter, in het midden do trommolonde maagdon. 27 Looft God in de gemeenten, den Heere, gij, die zijt uit den springader van Israël! 28 Daar is Benjamin de kleine, die over hen hoorschto, do vorston van Juda Diet hunne vergadering, do vorsten van Zebulon, do vorston van Nafthali. 2!l Uw God heeft uwe sterkte geboden; sterk, o God! wat Gij aan ons gewrocht hebt! |
30 Om mvs tempels wil te Jeruzalem, zullen U do koningen quot; geschenk toebrengen. al Kon. 10:10, 24, 25. 2 Kron. 32:23. Ps. 72:10. 7(3:12. 31 Scheld hot wild gedierte dos riots, do vergadering der stieren met do kalveren der volken; en dien, die zich onderwerpt mot stukkon zilvers; Hij hooft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen. 32 Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Mooronland zal zich haasten zijne handen.tot God uit te strekken. 33 Gij koningrijken dor aarde! zingt Gode; psahnzingt den Ileore! Sela. 34 Dion , die daar rijdt in don hemel dor homoion, die van ouds is; ziet, Hij geeft zijne stom, eene stom dor sterkte. 35 Geeft Gode sterkte! Zijne hoogheid is over Israël, en zijne sterkte in do bovenste wolken. 3(5 O God! Gij zijt vroossolijk uit uwe heiligdommen; de God Israëls, die geeft don volke sterkte en krachten. Geloofd zij God! PSALM 69. David (alsmede do llcero Christus onder zijn voorbeeld) klaagt tot God over zijn menigvuldig zwaar lijden, bidt vurig om verlossing, geeft zijne verharde vijanden over tot oen rogtvaardig verdort, on prijst God voor do behoudenis zijner Kerk. EEN psalm van David, voor don opporzang-moester, op Schóschannim. 2 Verlos mij, o God! want de watoren zijn gekomen tot aan do ziel. 3 Ik bon gezonken in grondeloozon modder, waar inon niet kan staan; ik ben gekomen in do diepten der wateren, en do vlood overstroomt mij. 4 Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijne koel is ontstoken, mijne oogon zijn bezweken, daar ik bon hopende op mijnon God. 5 Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vor-nielon, die mij om valscho oorzaken vijand zijn, zijn magtig geworden: wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven. 6 0 God! Gij weet van mijne dwaasheid, en mijne schulden zijn voor U niet verborgen. 7 Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Hoore, Heere der heirscharen! laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israëls! 8 Want om uwentwil draag ik vorsmaadheid; schande hoeft mijn aangezigt bedekt. 9 Ik ben mijnen broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen. 10 quot; Want de ijver van uw huis hoeft mij verteerd ; en do smaadheden dorgenon, die U smaden, zijn op mij gevallen, «Joh. 2:7. Hom. 15:3. 11 En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad. 12 En ik heb oenen zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik bon hun tot een spreekwoord geworden; |
PSALM 69, 70, 71.
|
13 Die in do pom-t zitten, klappen van mij; on ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken. 14 Maar mij aangaande, mijn gebed is tot IJ, o Heere! er is geen tijd dos welbehagens, o God! door de grootheid uwer goedertierenheid: verhoor mij door de getrouwheid uws heils. 15 Ruk mij uit het slijk, on laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijne haters, en uit de diepten der wateren. 16 Laat de watervloed mij niet ovorstroomen, en laat do diepte mij niet verslinden; en laat den put zijnen mond over mij niet toesluiten. 17 Verhoor mij, o IIeeue! want uwe goedertierenheid is goed; zio mij aan naar do grootheid uwer barmhartigheden. 18 En verberg uw aangezigt niet van uwen knecht, want mij is bange; baast U, verhoor mij. 1!) Nader tot mijne ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil. 20 Gij weet mijne versmaadheid, en mijne schaamte, en mijne schande; al mijne benaauwers zijn voor U. 21 De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik bon zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden. 22 Ja quot; zij hebben mij gal tot mijne spijs gegeven ; en in mijne dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven. n Muit. 27:84, 4.S. Mark. 15:23. Joh. 19:28, 29. 23 quot; Hunne tafel worde voor hun aangezigt tot een' strik, en tot volle vergelding tot oen' valstrik. a Rom. 11:9. 24 Laat hunne quot; oogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hunne lenden gedurig waggelen. «.Tos. 6:9. 29: 10. 44: IS. Rom. II : 10. 25 Stort over hen uwe gramschap uit; en de hittighoid uws toorns grijpe hen aan. 26 quot; Hun paleis zij verwoest; in hunne tenten zij geen inwoner. a Hand. 1 : 20. 27 Want zij vervolgen, die Gij geslagen hebt; en maken een' praat van de smart uwer verwonden. 28 Doe misdaad tot hunne misdaad, en laat hen niet komen tot uwe geregtigheid. 29 Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met do regtvaardigen niet aangeschreven worden. 30 Doch ik ben ellendig en in smart; uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek. 31 Ik zal Gods naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken. 32 En het zal den Heere aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de Idnauwen verdeelt. 33 Do zachtmoedigen dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt! ulieder hart zal leven. 34 Want de Heere hoort de nooddruftigen, en Hij veracht zijne gevangenen niet. |
35 Dat Hem prijzen de hemel en do aarde, de zeeën, en al wat daarin wremelt. 36 Want (ïod zal Zion verlossen, en do steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten: 37 En het zaad zijner knechten zal haar beërven; en de liefhebbers zijns naams zullen daarin wonen. PSALM 70. David bidt God om haastige hulp, beschaming' van zijno trotscho vijanden on do vreugde der vromen, tot grootmaking van zijnon hoiligon naam. KEN psalm van David, voor den opporzang-meester, om te doen godenken. 2 quot;Haast IJ, o God! om mij te verlossen, o Heere! tot mijne hulp. Ps. 40: 14, on/.. 3 quot; Laat hen beschaamd en schaamrood worden , die mijne ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad. a Ps. 35:4, 26. 71 :13. 4 Laat hen terugkeoren tot loon hunner beschaming, die daar zeggen: Ha, ha! 5 Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die IJ zoeken; laat do liefhebbers uws hoils gedurig-lijk zoggen: God zij groot gemaakt! 6 Doch ik bon ellendig en nooddruftig; o God! haast U tot mij; Gij zijt mijne Hulp en mijn Bevrijder; Heere! vertoef niet. PSALM 71. Do profeet, in gevaar zijnde van achterhaald on overvallen to wordon, gooit, gotuigonis van zijn vertrouwen op God alleen, dien hij bidt om hnastige verlossing van zijno listige en wreede vijanden, naar do gunst, die God hem to voren, zeifs van der jeugd aan, heeft bewezen, hem altijd oorzaak gevende zijnen naam te loven, dat hij belooft bestendig te doen; tevens biddende om volstandigheid en behoudeiiis in zijnen ouderdom; daarop vertrouwende, belooft hij plegtig Gode dankbaarheid. OP U, o Heere! «betrouw ik; laat mij niet boscbaamd worden in eeuwigheid. a Ps. 22 : 6. 25 : 2, 8. 31:2, 3. Jos. 49: 23. 2 Red mij door uwe geregtigheid, en bevrijd mij; neig uw oor tot mij, en verlos mij. 3 Wees mij tot eenen Rotssteen, om daarin te wonen, om geduriglijk daarin te gaan; Gij hebt bevel gegeven, om mij te verlossen, want Gij zijt mijne Steenrots en mijn Burg. 4 Mijn God! bevrijd mij van de hand des ^od-deloozen, van de hand desgenen , die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen. 5 Want Gij zijt mijne Verwachting, Heere, Heere! mijn Vertrouwen van mijne jeugd aan. 6 Op U heb ik gesteund van den buik aan, van mijner moeders ingewand aan zijt Gij inijn Uitholper ; mijn lof is geduriglijk van U. 7 Ik ben velen als een wonder geweest; doch Gij zijt mijne sterke Toevlugt. 8 Laat mijnon mond vervuld worden met uwen lof, den ganschon dag met uwe heerlijkheid. 9 Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms; verlaat mij niet, terwijl mijne kracht vergaat. |
PSALM 71, 72.
544
|
10 Want mijne vijanden spreken van mij, en die op mijne zicsl loeren, beraadslagen to zamen, 11 Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser. 12 O God! wees niet verre van mij; mijn God! haast U tot mijne hulp. IS quot;Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijne ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken. « Ps. 35:4, 20. 40: 15. 70:3. 14 Doch ik zal geduriglijk hopen, en zal al uwen lof nog grooter maken. 15 Mijn mond zal uwe geregtigheid vertellen, den ganschen dag uw heil: hoewel ik de getalen niet weet. l(i Ik zal heengaan in Heeren Heeren ; ik zal uwe geregtigheid vermelden , uwe alleen. 17 O God! Gij hebt mij geleerd van mijne jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik uwe wonderen. 18 Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God! totdat ik dezen lt;ie-slachte verkondige uwen arm, allen nakomelingen uwe magt. 19 Ook is uwe geregtigheid , o God! tot in de hoogte; Gij, die groote dingen gedaan hebt: o God! wie is II gelijk? 20 Gij, die mij vele be-naauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder lovend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde. 21 Gij zult mijne grootheid vermeerderen, en mi rondom vertroosten. 22 Ook zal ik U loven met het instrument der luit, uwe trouw, mijn God! ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israels! 23 Mijne lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen, en mijne ziel, die Gij verlost hebt. 24 Ook zal mijne tong uwe geregtigheid den ganschen dafgt;' uitspreken, want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden, die mijn kwaad zoeken. PSALM 72. David bidt, kort vóór zijnon dood, voor Salomo on voorzegt oenen zoor gozogondon en gelukkigen staat van zijn koningrijk, als zijnde een voorbeeld van Christus koningrijk, over welks eeuwigheid, nit-breiding, heerlijkheid en genadenrijken staat hij zich door geloof ten uiterste verheugt, besluitende met eene hartelijke dankzegging. de mogendheden dos |
VOOR Salomo. O God! geef den koning uwe regten, en uwe geregtigheid den zoon des konings. 2 Zoo zal hij uw volk rigten met geregtigheid, en uwe ellendigon met regt. 3 De bergen zullen den volko vrede dragen, ook de heuvelen met geregtigheid. 4 Hij zal de ellendigon dos volks rigten, hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en don verdrukker verbrijzelen. 5 Zij zullen U vreezen, quot; zoo lang de zon en de maan zulloii zijn, van geslacht tot geslacht. a I's. 89: 37, 38. (! Hij zal nederdalen als een quot; regen op het nagras, als druppelen, die do aarde bevochtigen. a 2 Sam. 23:4. 7 In zijne dagen zal de regtvaardige bloeijen, en do veelheid van vrede, totdat de maan niet moor zij. 8 En hij zal hoerschen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan do einden der aarde. 9 De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezigt knielen, en zijne vijanden zullen hot stof lokken. 10 De koningen van Thar-sis en do eilanden zullen geschenken aanbrengen; do koningen van Scheba en Seba zullen vereeringon toevoeren. 11 Ja alle koningen zullen zich voor hom nederbuigen, allo Heidenen zullen hem dienen. 12 quot; Want hij zal don nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders don ellendige, on die geen' helper heeft. «Job 29 : 12. 13 Hij zal den arme en nooddruftige verschoo-non, en do zielen dor nooddruftigen verlossen. 14 Hij zal hunne zielen van list en gewold bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijne oogen. 15 En hij zal loven; en men zal hom geven van hot goud van Scheba, on men zal geduriglijk voor hom bidden; den ganschen dag zal men hom zegenen. 16 Is er eene hand vol koren in het land op do hoogte der borgen, do vrucht daarvan zal rui-schon als de Libanon; en die van de stad zullen bloeijen als hot kruid der aarde. 17 Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zoo lang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in |
PSALM 72, 73, 74.
545
|
hem gezegend worden: alle Heidenen zullen hem welgelukzalig roemen. 18 Geloofd zij de Heere God, de God Israels, die alleen wonderen doet. 1!) En geloofd zij de naam zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid; en de gansche aarde worde met zijne heerlijkheid vervuld. Amen, ja amen. 20 De gebeden van David, den zoon van Isaï, hebben een einde. PSALM 73. De profeet beschrijft, door zijn voorbeeld, tie zware aanvechtingen, die de geloovigen hebben over den voorspoed dor goddeloozen en het kruis dor vromen, wijzende den regten weg om deze zwarigheid te overwinnen, met erkenning van Gods wijze regering, die den goddeloozen strekt tot overtuiging en verderf, maar den vromen ten beste, bijzonder opdat zij leeren hun volkomen genoegen alleen te nemen in Gods genade en zalige gemeenschap. EEN psalm van Asaf. Immers is God Israël goed, dengenen, die rein van harte zijn. 2 Maar mij aangaande, mijne voeten waren bijna uitgeweken; mijne treden waren bijkans uitgeschoten. 3 quot; Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddeloozen vrede. a .lob 21 :7, enz. Pa. 37 : 1. .Ter. 12: 1, 2. 4 Want or zijn geene banden tot hunnen dood toe, en hunne kracht is frisch. 5 Zij zijn niet in de moeite als andere menschen, en worden met andere menschen niet geplaagd. (! Daarom omringt hen de hoovaardij als eene keten, het geweld bedekt hen als een gewaad. 7 Hunne oogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen dos harten te boven. 8 Zij mergelen d,e lieden uit, en spreken boosse-lijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. 9 Zij zotten hunnen mond togen den hemel, en hunne tong wandelt op de aarde. 10 Daarom koert zich zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt, 11 Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste? 12 Ziet, deze zijn goddeloos; nogtaus hebben zij rust in de wereld, zij vermenigvuldigen het vermogen. 13 Immers heb ik to vergeefs mijn hart gezuiverd, en mijne handen in onschuld gewasschen. 14 Dewijl ik den ganschen dag geplaagd ben, en mijne straffing is er alle morgens. 15 Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzoo spreken; ziet, zoo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht uwer kinderen. 1(1 Nogtans hob ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar hot was moeite in mijne oogen; 17 Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte. 18 Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen. |
19 Hoe worden zij als in eon oogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen! 20 Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere! dan zult (Jij hun beeld verachten. 21 Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijne nieren geprikkeld werd, 22 Toen was ik onvernuftig, en wist niots; ik was een groot beest bij U. 23 Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijne regterhand gevat; 24 Gij zult mij leiden door uwen raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen. 25 Wien heb ik nevens U in don hemel? Nevens U lust mij ook niets op do aarde! 26 Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Dool in eeuwigheid. 27 Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van LI afhoereert; 28 Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zot mijn betrouwen op den Heere Heere, om al uwe werken te vertellen. PSALM 74. De Kerk Gods klaagt over de gruwelijke verwoestingen, die de vijanden overal, bijzonder in den tempel en in de synagogen hadden aangerigt; draagt Hem voor de wreedheid en godslasteringen van den vijand, het tegenwoordig gebrek van Gods gewone genadebewijzen, zijne voorgaande wonderen en weldaden, don ellendigen staat van zijne beminde en weerlooze Kerk en de vastheid van zijn verbond; biddende om verlossing, tot zijne eer en beschaming der vijanden. EENE onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot Gij in eeuwigheid? 'waarom zou uw toorn rooken togen de schapen uwer weide ? 2 Gedenk aan uwe vergadering, die Gij van ouds verworven hebt; de roede uwer erfenis, Gij verlost hebt; den berg Zion, waarop Gij gewoond hebt. 3 Hef uwe voeten op tot do eeuwige verwoestingen; de vijand heeft alles in hot heiligdom verdorven. 4 Uwe wederpartijders hebben in het midden van uwe vergaderplaatsen gebruld; zij hebben hunne teekenen tot teekenen gesteld. 5 Een ieder werd er bekend als eon, die de bijlen omhoog aanbrengt in de digtigheid van oen geboomte. (i Alzoo hebben zij nu derzelver graveerselen zanien met houweelen en beukhamers in stukken geslagen. 7 quot; Zij hebben uwe heiligdommen in het vuur gezet; ter aarde toe hebben zij de woning uws naams ontheiligd. a 2 Kon. 25:9. 8 Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons te zanien uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand. 9 Wij zien onze teekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang. 35 |
|
54C 10 Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? zal do vijand uwen naam in eeuwigheid lasteren? 11 Waarom trekt Gij uwe hand, ja uwe regter-hand, af? trek haar uit het midden van uwen boezem, maak een einde. 12 Evenwel is God mijn Koning van ouds af, dio verlossingen werkt in het midden der aarde. 13 quot; Gij liobt door uwe sterkte de zee gespleten; Gij hebt do koppen der draken in de wateren verbroken. a Ex. 14:21, enz. 14 Gij hebt de koppen des Leviathans verpletterd ; (ïij hebt hom tot spijs gegeven aan hot volk in dorre plaatsen. 1') quot; Gij hebt eene fontein on book gekliefd; '' (Jij hebt sterke rivieren uitgedroogd. a Ex. 17 ;5, (i. Num. 20: 11. I's. 105:41. .los. 48:21. h Joz. 3 : 13 , enz. 16 De dag is uwe, ook is de nacht uwe; quot; (lij hebt hot licht en de zon bereid. a Gen. 1 :14, enz. 17 Gij hebt al de palen der aarde gesteld; zomer en winter, die hebt Gij geformeerd. 18 Gedenk hieraan: de vijand heeft don Heere gesmaad, on een dwaas volk hoeft uwen naam gelasterd. 1!) Geef aan hot wild gedierte do ziel uwer tortelduif niet over; vergoot den hoop uwer ollon-digen niet in eeuwigheid. 20 Aanschouw het verbond: want do duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van gewold. 21 Laat den verdrukte niet beschaamd wedor-koeren; laat den ellendige on nooddruftige uwen naam prijzen. 22 Sta op, o God! twist uwe twistzaak; gedenk dor smaadhoid, die U van den dwaze wedervaart den ganschen dag. 23 Vergoot niot hot geroep uwer wederpartijders; het getier dergenen, die tegen U opstaan, klimt goduriglijk op. PSALM 75. David dankt (iod, mot allo vromen, voor do genadige vorandoring dor zaken in Israël, on belooft, als hij door Ood, dio verhoogt en vernedert, koning over Israël zal zijn gemaakt, godzalig to regeren, do goddoloozon to straffen cn do vromen to verhoogen. Hij dankt God, dio do vromen wol uit den beker van zijne gramschap laat drinken, doch do goddoloozon don droesem doet uitzuigen. VOOR den opperzangmeester, Al-tascheth; oen psalm, een lied, voor Asaf. 2 Wij loven U, o God! wij loven, dat uw naam nabij is; men vertelt uwe wonderen. 3 Als ik hot bestemde ambt zal ontvangen hebben, zoo zal ik gansch rogt rigten. 4 Het land en al zijne inwoners waren versmolten ; maar ik hob zijne pilaren vastgemaakt. Sela. 5 Ik heb gezegd tot do onzinnigen: Woest niet onzinnig; on tot de goddeloozen: Verhoogt den hoorn niot. 6 Verhoogt uwen hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals. |
7 Want het verhoogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn; 8 Maar God is Rogter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen. !) Want in des Heeren hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch allo goddeloozen der aarde zullen zijnon droesem uitzuigende drinken. 10 En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal den God Jakobs psalmzingen. 11 En ik zal allo hoornen der goddeloozen afhouwen; de hoornen dos regtvaardigen zullen verhoogd worden. PSALM 76. De profeot dankt God voor zijno genadige tegomvooi'-dighoid, aan zijn volk bewezen door oono wonderbare verlossing van trotscho en magtige vijanden, welker trotsohhoid, toorn en magt God door zijnen ijver en toorn hooft vernietigd; mot vermaning om God te aanbidden on te loven. EEN psalm, een lied van Asaf, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. 2 God is bekend in Juda, zijn naam is groot in Israël, 3 En in Salem is zijne hut, en zijne woning in Zion. 4 Aldaar hoeft Hij verbroken do vurige pijlen van den boog, het schild, en hot zwaard, enden krijg. Sela. 5 Gij zijl doorluchtiger en heerlijker dan do roofbergen. 6 De stouthartigon zijn beroofd geworden; zij hebben hunnen slaap gesluimerd; en geeno van de dappere mannon hebben hunne handen gevonden. 7 Van uw scholden, o God van Jakob! is zamen wagen en paard in slaap gezonken. 8 Gij, vreesselijk zijt Gij: en wie zal voor uw aangezigt bestaan, van den tijd uws toorns af? 9 Gij deedt een oordeel hooren uit don hemel; de aarde vreesde en werd stil: 10 Als God opstond ten oordeel, om allo zacht-moedigon der aarde te verlossen. Sela. 11 Want do grimmigheid des menschen zal II loffelijk maken; hot overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden. 12 Doet geloften en betaalt zo don Heere uwen God, allen gij, die rondom Hem zijt! laat hen Dien, die te vreezen is, geschonken brengen. 13 Die don geest der vorsten als druiven afsnijdt, die den koningen der aarde vreesselijk is. PSALM 77. Do profeet beschrijft, in zijn voorbeeld, zoor levendig de aanvochtingen, dio do geloovigen bobben, wanneer zij Gods gnnstigo tegenwoordigheid niet gewaar worden; maar ook do kracht des Geeatos, dio weder oprigt in het geloof on sterkt door do overdenking van Gods getrouwe beloften en voorgaande woldaden. EEN psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jedüthun. 2 Mijne stom is tot God, en ik roep; mijne stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen. PSALM 74, 75, 76, 77. |
PSALM 77, 78.
547
|
;! Ten dago mijner benaauwdheid zocht ik den lloere; mijne hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijne ziel weigerde getroost te worden. 4 Dacht ik aan God, zoo maakte ik misbaar; peinsde ik, zoo werd mijne ziel overstelpt. Sela. 5 Gij hield mijne oogen wakende; ik was verslagen, en sprak niet. (! Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen. 7 Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overleide ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht: 8 Zal dan do Ileere in eeuwigheden verstooten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn? i) Houdt zijne goedertierenheid in eeuwigheid op? heeft de toezegging oen einde, van geslacht tot geslacht ? 10 Heeft God vergeten genadig to zijn? heeft Hij zijne barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela. 11 Daarna zeido ik: Dit krenkt mij, maar de regterhand des Allerhoogsten verandert. 12 Ik zal de daden des Heeren gedenken, ja ik zal gedenken uwe wonderen van ouds her; 13 En zal al uwe werken betrachten, en van uwe daden spreken. 14 O God! uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God? 15 Gij zijt die God, die quot;wonder doet; Gij iiobt uwe sterkte bekend gemaakt onder do volken. a Ex. 15 ; II. 10 Gij hebt uw volk door uwen arm verlost; de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela. 17 quot;Do wateren zagen U, o God! do wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd. «Ex. 14:21. 18 quot; Do dikke wolken goten water uit; do bovenste wolken gaven geluid; ook gingen uwe pijlen daarhenen. «Ex. 14:24. 19 Hot geluid uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten do wereld; do aarde werd beroerd en daverde. 20 Uw weg was in de zeo, en uw pad in groote wateren, on uwe voetstappen werden niet bekend. 21 Gij leiddet uw volk, quot;als eene kudde, door do hand van Mozes en Aaron. «Ps. 78:52. Su:2. PSALM 78. Do profeet, vermaand hebbende tot opmerking, Icprins', en prediking van Gods woord en werken, verhaalt in hot breedo Gods vaderlijke liefde en langmoedig-heid, door dewelke Hij de menigvuldige ondankbaarheid /.ijns volks verdragen hebbende, eindelijk Silo verlaten, en de andere stammen voorbijgaande, Zion in .luda tot do plaats van zijne dienst, en David uit den stam .liida, tot het koningrijk hoeft verkoren; zijnde oen voorbeeld van Christus eonwig koningrijk. EENE onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neemt mijne loer ter noren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds. 2 quot;Ik zal mijnen mond opendoen met spreuken; |
ik zal verborgenheden overvloodiglijk uitstorten, van ouds her; a Pa. 49:5. Matt. 13:35. 3 Die wij gehoord hebben en weten, en onze vaders ons verteld hebben. 4 Wij zullen hot niet verbergen voor hunne kinderen, voor hot navolgende geslacht, vertellende do loffelijkheden des Heeuen , en zijne wondoren, die Hij gedaan heeft. 5 quot; Want Hij heeft eouo getuigenis opgerigt in Jakob, en oene wet gesteld in Israël; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hunnen kinderen zouden bekend maken. a Dent. 4:9. 0:7. 6 Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hunnen kinderen. 7 En dat zij hunne hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar zijne geboden bewaren. 8 En dat zij niet zouden worden gelijk hunne vaders, een quot; wederhoorig en wederspannig geslacht; eeu geslacht, dat zijn hart niotrigtto, en welks geest niet getrouw was met God. a Ex. 32 : 9. 33 : 3 , 5. 34 : 9. Deut. 9:0, 13. 31 : 27. 9 (De kinderen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om ten dage des strijds.) 10 Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden to wandelen in zijne wet. 11 En zij vergaten zijne daden, en zijne wonderen , die Hij hun had doen zien. 12 Voor hunne vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan. 13 quot; Hij kliefde de zee, on deed or hou doorgaan; en de wateren deed Hij staan als oenen hoop. a Ex. 14:21. 14 quot; En Hij leidde hen des daags mot oene wolk, en den ganschen nacht met een licht des vuurs. «Ex. 13 :21. Ps. 105:39. 15 quot; Hij kliefde de rotsstoenon in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden. «Ex. 17:0. Num. 20:11. Ps. 105:41. 1 Oor. 10:4. 16 Want Hij bragt stroomeu voort uit de steenrots, en deed de watoren afdalen als rivieren. 17 Nog voeren zij wijders voort togen Hom te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis. 18 En zij verzochten God in hun hart, begee-rende spijs naar hunnen lust. 19 quot;En zij spraken tegen God, zij zeidon: Zou God eene tafel kunnen toerigten in de woestijn? a Num. 11:1, 4. 20 quot;Ziet, Hij hoeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken; zou Hij ook brood kunnen geven? zou Hij zijnen volko vleesch toebereiden. a Ex. 17 : G. Num. 20 : 11. 21 quot;Daarom hoorde do Heere, on werd verbolgen; on een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israël; a Num. 11:1, on/,. 22 Omdat zij in God niet geloofden, en op zijn heil niet vertrouwden. |
i
115*
PSALM 78.
548
|
23 Daar Hij de wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende; 24 quot;En regende op hen het Man om te eten, en gaf Itim hemelsch koren. « Ex. 1G ; 14. 25 quot;Een iegelijk at het brood der Magtigen; Hij zond luin teerkost tot verzadiging. a Joh. 0:31. 1 Cor. 10:3. 26 quot; Hij dreef den oostewind voort in den hemel, en voerde den zuidewind aan door zijne sterkte; a Num. 11 : 31. 27 En regende op hen vleesch als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeën; 28 En dood het vallen in het midden zijns legers, rondom zijne woningen. 29 Toen aten zij, en werden zeer zat; zoodat Hij hun hunnen lust toebragt. 30 Zij waren nog niet vervreemd van'hunnen lust, hunne spijs was nog in hunnen mond, 31 quot;Als (rods toorn tegen hen opging, dat Mij van hunne vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israël nedervelde. a Num. 11 ; 33. 1 Cor. 10:5. 32 Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door zijne wonderen. 33 Dies deed Ilij hunne dagen vergaan in ijdel-lieid, en hunne jaren in verschrikking. 34 Als Ilij hen doodde, zoo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg; 35 En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser. 36 En zij vleiden Hem met hunnen mond, en logen Hem met hunne tong. 37 Want hun hart was niet regt met Hem, en zij waren niet getrouw in zijn verbond. 38 Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongeregtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls zijnen toorn af, en wekte zijne gansche grimmigheid niet op. 39 En Hij dacht, dat zij vleesch waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert. 40 Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis! 41 Want zij kwamen al weder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk. 42 Zij dachten niet aan zijne hand , aan den dag, toen Hij hun van den wederpartijder verloste; 43 Hoe Hij zijne teekenen stelde in Egypte, en zijne wonderheden in het veld van Zoan; 44 quot;En hunne vloeden in bloed veranderde, en hunne stroomen, opdat zij niet zouden drinken. a Ex. 7 : 20. 45 quot; Hij zond ecnc vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en h vorschen, die lien verdorven. r* Ex. 8:24. ft Ex. 8:0. 46 quot;En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hunnen arbeid den sprinkhaan. Ex. 10:13. 47 quot;Hij doodde hunnen wijnstok door den hagel, en hunne wilde vijgeboomen door vurigen hagelsteen. a Ex. !): 23. 48 Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hunne beesten aan de vurige kolen. |
49 Hij zond onder hen de hittigheid zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benaauwd-heid, in.rt uitzending der boden van veel kwaads. 50 Hij woog een pad voor zijnen toorn; Hij onttrok hunne ziel niet van den dood; en quot;hun gedierte gaf Ilij aan do pestilentie over, a Ex. 9:6. 51 quot; En Hij sloeg al liet eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham. a Ex. 12:29. 52 En Hij voerde zijn volk als schapen, en leidde hen, als eene kudde, in de woestijn. 53 Ja Hij leidde hou zeker, zoodat zij niet vreesden, «want de zee had hunne vijanden overdekt. o Ex. 14 : 27 , 28. 15 : 10 54 En Hij bragt hen tot do landpale zijnor heiligheid, tot dezen berg, dien zijne regterhand ver kregen heeft. 55 En Hij verdroef voor hun aangezigt de Heidenen , en deed hen vallen quot; in het snoer hunner erfenis, en deed de stainmon Israels in hunne tenten wonen. u .loz. 13:7. I's. 136:21, 22. 56 Maar zij verzochten en verbitterden God, don Allerhoogste, on onderhielden zijne getuigenissen niet. 57 En zij weken terug, en handelden trouwe-looslijk, gelijk hunne vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog. 58 En zij verwekten Hem tot toorn door hunne hoogten, quot; en verwekten Hem tot ijver door hunne gesnedene beelden. aDeut. 32: 16, 21. 59 God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israël zoor. 60 Dies verliet Hij don tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot eeno woning gestold had onder do menschen. 61 quot;En Hij gaf zijne sterkte in de gevangenis, en zijne heerlijkheid in de hand dos woderpar-tijdors. al Sam. 4: 10, 11. 62 En Hij leverde zijn volk over ten zwaardo, en werd verbolgen togen zijne orfenis. 63 Hot vuur verteerde hunne jongelingen, en hunne jonge dochters werden niot geprezen. 64 quot; Hunne priesters vielen door hot zwaard, en hunne weduwen woonden niet. «1 Sam. 4:11. 18, li). 65 Toon ontwaakte do Ilcero, als oen slapende, als een hold, die juicht van den wijn. 66 quot;En Hij sloeg zijne wederpartij dors aan hot achterste. Hij deed hun eeuwige smaadhoid aan. a 1 Sam. 5:6. 0:4. 67 Doch Hij verwierp do tent van Jozef, on den stam van Efraun verkoos Hij niot. 68 Maar Hij verkoos den stam van Juda, den borg Zion, dien Hij liefhad. 69 En Hij bouwde zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Ilij gegrond hoeft in eeuwigheid. 70 quot; En Hij verkoos zijnen knecht David, en nam hom van de scbaapskooijon ; al Sam. 16:11. 2 Sam. 7:8. 71 Van achter de zogende schapen deed Hij hom komen, quot; om te weiden Jakob, zijn volk , en Israël, zijne orfenis. «2 Sam. 5:2. 1 Kron. 11:2. |
PSALM 78, 79, 80, 81.
54!)
|
72 Ook hoeft hij hen geweid naar de opregtheid zijns harten, en heeft hen geleid met oon zeer verstandig beleid zijner handen. PSALM 79. Gods gemeente beklaagt zich over do uiterste wreedheid dor vijanden, dio Jeruzalem on den tempel hadden verwoest; en bidt Hem, dat Hij, vergetende en verzoenende hare zonden, om zijner eero wil, haar genadig en spoedig verlosso, en de vijanden straffe, tot eeuwigen lof van zijnon naam. EEN psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in nwe erfenis; zij hebben den tempel uwer heiligheid verontreinigd , zij hebben Jeruzalem tot stoenhoopen gesteld. 2 Zij hebben de doode ligchamen uwer knechten aan het gevogelte dos hemels tot spijs gegeven; het vleesch uwer gunstgenooten aan bet gedierte des lands. :3 Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef. 4 quot; Wij zijn onzen naburen eeno smaadheid geworden; oen spot on schimp dien, die rondom ons zijn. « Ph. 44:14. M):7. 5 quot; lloo lang, IIkehe! zult Gij oeuwiglijk toornenV zal uw ijver als vuur branden? « Ps. 8!); 47. (i quot; Stort uwe grimmigheid uit over do Heidenen, die U niet kennen, ou over do koningrijken, dio uwen naam niet aanroepen. aJer. 10:25. 7 Want men heeft Jakob opgegoten, en zij hebben zijne liefelijke woning verwoest. 8 quot; Gedenk ons do vorige misdaden niet; haast U, laat uwe barmhartigheden ons voorkomen: want wij zijn zeer dun geworden. «.los. 04:9. 9 Help ons, o God onzes hoils! tor oorzake van de oer uws naams; en rod ons, on doe verzoening over onze zonden, om uws naams wil. 10 Waarom zouden de Heidenen zoggen: Waar is hun God? Laat de wraak dos vergoten bloods uwer knechten onder de Heidenen voor onze oogon bekend worden. 11 Laat het gekerm dor gevangenen voor uw aanschijn komen; behoud overig de kindoren dos doods, naar do grootheid uws arms. 12 En geef onzen naburen zevenvoudig weder in hunnen schoot hunnen smaad, waarmede zij U, o Hoere! gesmaad hebben. 13 Zoo zullen wij, uw volk en de schapen uwer weide, U loven in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht; wij zullen uwen roem vertellen. PSALM 80. De psalmist klaagt over don ellendigen staat dor Kerk, dewijl de vorige menigvuldige weldaden Gods, aan haar bewezen, nu veranderd waren in benaauwd-heden en vervolgingen; bidt om daaruit verlost te worden, met belofte van dankbaarheid. VOOR den opperzangmeester, op Schóschannim ; eeno getuigenis, een psalm van Asaf. |
2 O Herder Israels! neem tor ooren, die Jozef als schapen leiddet; die tusschen de cherubim zit, verschijn blinkende. 3 Wek uwe magt op voor het aangezigt van Efraïm, en Benjamin, en Manasso, en kom tot onze verlossing. 4 O God! breng ons weder, en quot; laat uw aanschijn lichten, zoo zullen wij verlost worden. « Ps. 4:7. 31 : 17. G7 : 2. Dim. 9 : 17. 5 O Heeiie , God der hoirscharen! hoe lang zult Gij rooken tegen het gebed uws volks? ü Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit oon drieling. 7 Gij hebt ons onzen naburen tot oenen twist gesteld, en quot;onze vijanden spotten onder zicb. a Ps. 44:14. 79:4. 8 O God der hoirscharen! breng ons weder, en laat uw aangezigt lichten, zoo zullen wij verlost worden. !) Gij hebt eenon wijnstok uit Egypte overgebragt, hebt de Heidenen verdreven, en hebt denzelvon geplant; 10 (Hj bobt da jtldd/* voor hem bereid, en zijne wortelen doen inwortelen, zoodat hij het land vervuld heeft. 11 Do bergen zijn met zijne schaduw bedekt geweest, en zijne ranken waren nln cederboomen Gods. 12 Hij schoot zijne ranken uit tot aan de zee, en zijne schouten tot aan de rivier. li! Waarom hebt (ïij zijne muren doorgebroken, zoodat allen, dio don weg voorbijgaan, hom plukken? 14 liet zwijn uit hot woud heeft hem uitgewroet, on het wild dos voids heeft hem afgeweid. lü O God dor boirscharon! keer toch weder; aanschouw uit den hemel, on zie, en bezoek dezen wijnstok, 16 En den stam, dien uwe regtorhand geplant beeft, en dat om don zoon, dien (lij U gesterkt hebt! 17 Hij is met vuur verbrand, hij is afgehouwen; zij komen om van hot schelden uws aangezigts. 18 Uwe hand zij over den man uwer regterhand, over des menschen zoon, dien Gij II gesterkt hebt. 19 Zoo zullen wij van U niet terugkeeren; bo-boud ons in het leven, zoo zullen wij uwen naam aanroepen. 20 O Heeue, God der hoirscharen! breng ons weder; laat uw aanschijn lichten, zoo zullen wij verlost worden. PSALM 81. Do profeet vermaant het volk, God den Heere zeer hoog te roemen van weg© de veelvuldige weldaden en verlossingen, die God aan hetzelve bewezen had; met eene klagt over hunne ongehoorzaamheid, die hun tot schade wezen zou. VOOR don opperzangmeester, op do Gittith, een psalm van Asaf. 2 Zingt vrolijk Godo, onze Sterkte; juicht den God van Jakob. |
PSALM 81, 82, 83, 84.
|
3 11 oft eonon psalm op, on geoft do trommol; do liefolijko harp mot do luit. 4 Blaast do bazuin in do niouwe maan, tor bo-stomder tijd, op onzon feostdag. 5 Want dit is eeno inzotting in Israöl, oon regt van don God Jakobs. (i Hij hooft hot gozot tot oono gotuigenis in Jo-zof, als 11 ij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb eeno spraak, dio ik niet verstond: 7 Ik hob zijnon schouder van den last onttrokken; zijne handen zijn van de potten ontslagen. 8 In de benaauwdlieid riept gij, on Ik hielp u uit; Ik antwoordde u uit de schuilplaats dos donders; Ik beproefde u aan de wateren van Meriba. Sela. !l Mijn volk! zcidc Ik, hoor toe, en Ik zal onder u betuigen; Israël, of gij naar Mij hoordet! 10 Er zal onder u geen uitlandseh god wezen, on gij zult u voor geenen vreemden god neder-buigen. 11 Ik bon de IIeere, uw God, die u heb opgevoerd uit hot land van Egypte; doe uwen mond wijd open, en Ik zal hem vervullen. 12 Maar mijn volk heeft mijne stem niet gehoord; on Israël hoeft mijner niet gewild. 13 Dies heb Ik bet overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandeldon in hunne raadslagen. 14 Och, dat mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israël in mijne wegen gewandeld had! lö In kort zou Ik bunne vijanden gedempt hebben, en mijne band gewend hebben tegen hunne wederpartijders. 16 Die den IIeere haten, zouden zich Hem ge-veinsdelijk onderworpen hebben, maar hunlieder tijd zou eeuwig geweest zijn. 17 En Hij zou het gespijsd hebben met het vette der tarwe; ja Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rotssteenen. TSALM 82. Do psalmist getuigt, dat God in hot gerigt voorzit, en vermaant de regters, hun ambt getrouw te vervullen, bestralT'ende hun onverstand en hunne onachtzaamheid, niet bedreiging van Gods oordeelen. EEN psalm van Asaf. God staat in do vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der Goden; 2 Hoe lang zult gijlieden onregt oordeelen, en het aangezigt der goddeloozen aannemen? Sela. 3 Doet regt den arme er. don wees; regtvaardigt den verdrukte en den arme. 4 quot; Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddeloozen hand. aSpr. 24:11. 5 Zij weten niet, en verstaan niet, zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fondamenten der aarde. 6 Ik heb wel gezegd: Gij zijt Goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten: |
7 Nogtans zult gij sterven als oen menseh; en als een van de vorsten zult gij vallen. 8 Sta op, o God! oordeel het aardrijk, quot;want Gij bezit allo natiën. a I's. 2:8. Ilubr. 1 ; 2. PSALM 83. Eene klagt der gemeente (lods over de raadslagen der goddeloozen tegen haar, biddende dat Hij hen wil straffen, zoo als Hij eertijds do vervolgers van zijn volk heeft gedaan. EEN lied, een psalm van Asaf. 2 O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God! 3 Want zie, uwe vijanden maken getier, en uwe haters steken het hoofd op. 4 Zij maken listiglijk oenen heiinelijken aanslag togen uw volk, en beraadslagen zich tegen uwe verborgenon. 5 Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeijen, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israels niet meer gedacht worde. (i Want zij hebben in het hart to zamen geraad-slaagd; tegen U bobben zij een verbond gemaakt: 7 De tenten van Edom en der Ismaëlieten, Moab en de Hagarenon; 8 Gebal, en Amnion, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus. 9 Ook beeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn den kinderen van Lot tot oenen arm geweest. Sela. 10 Doe bun als Midian, als Sisera, als Jabin aan do beek Kison; 11 Die verdelgd zijn te Endor; zij zijn geworden tot drek dor aarde. 12 Maak hen en hunne prinsen als Oreb en als Zeëb, en al hunne vorsten als Zebab en als Zalmuna; 13 Dio zeiden: Laat ons do schoone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen. 14 Mijn God! maak hen als eon' wervel, als stoppelen voor den wind. 15 Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt; K! Vervolg hen alzoo met uw onweder, en verschrik hen met uwen draaiwind. 17 Maak hun aangezigt vol schande, opdat zij, o Heeue! uwen naam zoeken. 18 Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat hen schaamrood worden, en omkomen. 19 Opdat zij weten, dat Gij alleen met uwen naam zijt de IIeere , de Allerhoogste over de gansche aarde. PSALM 84. Do profeet geoft de droefheid van zijn hart to kennen, omdat hij tot do vergadering der goloovigen niet mogt naderen; roemt de gelukzaligheid dergonen, wien zulks gebeuren mogt; wensohendo en biddende daar wederom te mogen verschijnen. VOOR den opporzangmeestor, op de Gittith; een psalm, voor do kinderen van Korach. |
|
PSALM 2 Hoe liefelijk zijn uwe woningen, o IIeehe der heirscharen! 3 quot;Mijne ziel is begeerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar do voorhoven des Heer en ; mijn hart en mijn vleeseh roepen uit tot den levenden God. a Vu. 42 : 2. 63 ; 2. 4 Zelfs vindt de niusch oen huis, en do zwaluw een nest voor zich, waar zij hare jongen legt, bij uwe altaren, He ere der heirscharen, mijn Koning, en mijn God! 5 Welgelukzalig zijn zij, die in uw huis wonen; zij prijzen ü gestadiglijk. Sela. 6 Welgelukzalig is de mensch, wiens sterkte in U is, in welker hart do gebaande wegen zijn. 7 Als zij door hot dal der moerbeziënbooinen doorgaan, stellen zij Hom tot eene fontein; ook zal de regen hen gansch rijkelijk overdekken. 8 Zij gaan van kracht tot kracht, een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Zion. 9 IIeehe, God dor heirscharen! hoor mijn gebed; neem het ter ooren , o God van Jakob! Sein. 10 O God, ons Schild! zio, en aanschouw iiet aangezigt uws gezalfden. 11 Want eon dag in uwo voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in liet huis mijns Gods to wezen, dan lang te wonen in do tenten der goddeloosheid. 12 Want God, do Heere, is eene Zon en Schild; de Heere zal genade en eer geven; 11 ij zal hot goede niet onthouden dengenen, die in opregthoid wandelen. 13 Heere der heirscharen! quot;welgelukzalig is de mensch, die op U vertrouwt. « Ps. 2; 12. 34:!J. PSALM 85. Do psalmist stolt Ood voor oogon do vorlossingon, wolko Hij oortijds zijn volk hooft bowozon, llom biddende, 'lat llij ook voortaan zijno gomoonto dio genade wil bewijzen, belovende zioli daarop to willen verlaten. EEN psalm, voor den opporzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 Gij zijt uwen lando gunstig geweest, Heere! de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend. 3 De misdaad uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hunne zonden bedekt. Sela. 4 Gij hebt weggenomen al uwe verbolgenheid; Gij hebt U gewend van de hittigheid uws toorns. 5 Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet uwe toornigheid over ons. 6 Zult Gij eeuwiglijk togen ons toornen? Zult Gij uwen toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht ? 7 Zult Gij ons niet quot; wodor lovend maken, opdat uw volk zich in U verblijde? al's. 71:20. 8 Toon ons uwo goedertierenheid, o Heere! on geef ons uw heil. 9 Ik zal hooren wat God, de Heere, spreken zal; want Hij zal tot zijn volk en tot zijno gunst-genooten van vrede spreken; maar dat zij niot weder tot dwaasheid koeren. |
1, 85, 86. 551 10 Zekerlijk, zijn heil is nabij dengenen, dio Hem vreozon, opdat in ons land eer wone. 11 De goedertierenheid on waarheid zullen olk-andor ontmoeten, de quot; geregtigheid on vrede zullen elkander kussen. a llobr. 7:2. 12 De waarheid zal uit de aarde spruiten, en geregtigheid zal van den hemel noderzien. 13 Ook zal de Heere hot goede geven; on ons quot;land zal zijne vrucht geven. «I's. 67:7. 14 De geregtigheid zal voor zijn aangezigt henengaan, en llij zal ze zotten op don weg zijner voetstappen. PSALM 86. David, in grooto zwarigheid vervallen zijnde, neonit in hot gobod toovlugt tot zijnon goodortierenen on almagtigon God, llom biddende om genadige verlossing uit dezelve, tot zijnen troost en tot beschaming zijnor vijanden, belovende God daarvoor dankbaarheid te bewijzen. EEN gebed van David. Heere! neig uw oor, verhoor mij: want ik ben ellendig en nooddruftig. 2 Bewaar mijne ziel, want ik ben uw gunstgenoot , o Gij, mijn God! verlos uwen knecht, dio op U betrouwt. I! Zijt mij genadig, Heere! want ik roep tot U den ganschen dag. 4 Verheug do ziel uws knoehts: want tot IJ, Heere! verhef ik mijne ziel. 5 Want (lij, Heere! zijt goed, en gaarn vergevende, en van groote goedertieronhoid allen, die U aanroepen. 6 Heere! neem mijn gebed ter ooren, en merk op de stem mijner smeekingen. 7 quot; In den dag mijner benaauwdheid roep ik U aan, want Gij verhoort mij. «I's. 50: 15. 8 Onder do goden is niemand U gelijk, Heere! en « er zijn geene gelijk uwe werken. a Do ut. 3 : 24. I's. 136 : 4. 9 Al de Heidenen, Heere! die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor uw aanschijn nederbuigon, en uwen naam eoron. 10 Want Gij zijt groot, en doet wonderwerken; Gij alleen zijt God. 11 quot; Leer mij, Heere! uwen weg, ik zal in uwo waarheid wandelen; vereenig mijn hart tot de vreeze uws naams. a I's. 25 : 4. 27 :11. 119 : 33. 12 Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganscho hart loven, en ik zal uwen naam eoren in eeuwigheid; 13 Want uwe goedertierenheid is groot over mij; en Gij hebt mijne ziel uit het onderste des grafs uitgerukt. 14 O God! quot;de hoovaardigen staan togen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijne ziel; en zij stellen U niot voor hunne oogen. a Ps. 54 : 5. 15 Maar Gij, Heere! quot;zijt een barmhartig en genadig God, langmoedig, en groot van goedertierenheid on waarheid. «Ex. 34:6. Num. 14:18. Neh. 9 :17. Ps. 103 : 8. 145 : 8. Jool 2 :13. |
PSALM SO, 87, 88, 89.
|
1 li Wend IJ tot mij, en zijt mij genadig, geef mvon knecht uwe sterkte, en verlos den zoon uwer dienstmaagd. 17 Doe aan mij een teeken ten goede, opdat het mijne haters zien, en beschaamd worden, als (ïij, Heere! mij geholpen, en mij getroost zult hebben. PSALM 87. De [irofeet spreekt in dezen Psalm van do heerlijkheid dor gemeente Oods, mitsgaders van hare nitbreiding onder do Heidenen door de komst van Christus. EEN psalm, een lied voor do kinderen van Korach. Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid. 2 De Heere bemint de poorten van Zion boven alle woningen van Jakob. ;i Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods! Sela. -I Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder dogenon, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de ïyriër, met den Moor, deze is aldaar geboren, ó En van Zion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren; en do Allerhoogste zeil' zal hen bevestigen. (! De Heere zal hen rekenen in liet opschrijven dor volken, zcyijcudc: Deze is aldaar geboren. Sela. 7 En do zangers, gelijk do speellieden, mitsgaders al mijne fonteinen zullen binnen u zijn. PSALM 88. Eon gebed van don profeet, voor oogen stollende de aanvochlingon en inonigvaldige zwarigheden, die hij hoeft geleden; loerende allo geloovigen, dat zij zioh in tegenspoed tot God zullen koeren, en van Hem troost verwachten. EEN lied, een psalm voor de kinderen van Korach , voor den ())gt; per zangmeester, op Machalath Leannóth; eeno onderwijzing van Heman, den Ezrahiet. 2 O Heere, God mijns heils! bij dag, bij nacht roep ik voor U. :i Laat mijn gebed voor uw aanschijn komen; neig uw oor tot mijn geschrei. 4 Want mijne ziel is der tegenheden zat, en mijn loven raakt tot aan het graf. 5 Ik ben gerekend mot degenen, die in den kuil nederdalen; ik bon geworden als een man, die krachteloos is: à Afgezonderd onder do dooden, gelijk de ver-slagenon, die in het graf liggen, die Gij niet moor gedenkt, on zij zijn afgesneden van uwe hand. 7 Gij hebt mij in don ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten. 8 Uwe grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt mot al uwe baren. Sela. 9 Mijne bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, (Jij bobt mij hun tot eenen grooten gruwel gestold; ik ben besloten, on kan niet uitkomen. 10 Mijn oog treurt van wogo verdrukking; Heere ! ik roep tot U den ganschen dag; ik strek mijne handen uit tot U. |
11 Zult Gij wonder doen aan do dooden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela. 12 Zal uwe goedertierenheid in het graf verteld worden, uwe getrouwheid in het verderf? 18 Zullen uwe wondoren bekend worden in de duisternis, en uwe gerogtigheid in het land der vergetelheid ? 14 Maar ik, Heere! roep tot U, en mijn gebod komt U voor in den morgenstond. 15 Heere! waarom verstoot Gij mijne ziel, en verbergt uw aanschijn voor mij ? K! Van der jeugd aan ben ik bedrukt on dood-brakende; ik draag uwe vervaarnissen, ik bon twijfelmoedig. 17 Uwe hittige toornigheden gaan over mij; uwe verschrikkingen doen mij vergaan. 18 Don ganschen dag omringen zij mij, als water; te zamen omgeven zij mij. 19 Gij hebt vriend en medgezel verre van mij gedaan; mijne bekenden zijn in duisternis. PSALM 89. Do psalmist looft God van wogo zijne goedheid en getrouwheid in het houden van zijn verbond, met David (die ook hier als oen voorbeeld van Christus wordt voorgesteld) en mot de geloovigen opgerigt; als ook van wege zijne groote magt en zorg over zijne Kerk; doch klaagt tevens over de zware verdrukkingen, die aan de gemeente Gods zijn wedervaren , biddende om verlossing. EENE onderwijzing van Ethan, den Ezrahiet. 2 Ik zal de goedertierenheden des Heeren eeu-wiglijk zingen; ik zal uwe waarheid mot mijnon mond bekend maken, van geslacht tot geslacht. 3 Want ik heb gezegd: Uwe goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden; in de hemelen zelve hebt gij uwe waarheid bevestigd, zeggende: 4 Ik heb een verbond gemaakt met mijnen uit-vorkoreno; Ik heb mijnen knecht David gezworen ; 5 Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uwen troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela. (i quot; Dies loven de hemelen uwe wonderen, o Heere! ook is uwe getrouwheid in de gemeente der heiligen. « Ps. 19:2. 7 Want wie mag in don hemel tegen den Heere geschat worden? wie is den Heere gelijk, onder de kinderen der sterkon? 8 God is grootelijks geducht in den raad dor heiligen, on vreesselijk boven allen, die rondom Hom zijn. 9 O Heere, God dor hoirscharon! wie is als (Jij, grootmagtig, o Heere! en uwe getrouwheid is rondom U. 10 Gij heerscht over de opgeblazenheid der zoo; wanneer hare baren zich verheffen, zoo stilt Gij zo. 11 Gij hebt Rahab verbrijzeld als eenen vorsla-gene; Gij bobt uwe vijanden verstrooid met den arm uwer sterkte. 12 quot; De hemel is uwe, ook is de aarde uwe; de wereld en hare volheid, dio hebt Gij gegrond. a Ps. 24: 1, 2. |
|
13 Het noorden en het zuiden, die liebt Gij geschapen; Thabor en Hermon juichen in uwen naam. 14 Gij hebt eenen arm met magt; uwe hand is sterk, uwe regterhand is hoog. 15 quot; Geregtigheid en gerigt zijn de vastigheid uws troons; 6 goedertierenheid en waarheid gaan voor uw aanschijn honen. « Ps. 97 : 2. h I's, 85: 14. l(i Welgelukzalig is het volk, hetwelk hot ge-klank kent: o Heere! zij zullen in het licht uws aanschijns wandelen. 17 Zij zullen zich den ganschen dag verhengen in uwen naam, en door uwe geregtigheid verhoogd worden. 18 Want Gij zijt de heerlijkheid hunner sterkte; en door uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden. 19 Want ons schild is van den Heeue, en onze koning is van den Heilige Israels. 20 Toen hebt Gij in een gezigt gesproken van uwen heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij eenen held; Ik heb eenen verkorene uit het volk verhoogd. 21 Ik heb David, mijnen knecht, gevonden; met quot; mijne heilige olie heb Ik hem gezalfd. a 1 Sam. Ki: 1, l.'i. 22 Met welken mijne hand vast blijven zal; ook zal hem mijn arm versterken. 23 quot; De vijand zal hem niet dringen, en de zoon der ongeregtigheid zal hem niet onderdrukken. a 2 Sam. 7 : 10. 24 Maar Ik zal zijne wederpartijders verpletteren voor zijn aangezigt, en die hein haten, zal Ik plagen. 25 En mijne getrouwheid en mijne goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in mijnen naam verhoogd worden. 26 En Ik zal zijne hand in de zee zetten, en zijne regterhand in de rivieren. 27 quot;Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils! a 2 Sam. 7 : 14. Hebr. 1 :4. 5. 28 Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde. 29 Ik zal hem mijne goedertierenheid in eeuwigheid houden , en mijn verbond zal hem vast blijven. 30 En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn' troon als de dagen der hemelen. 31 quot;Indien zijne kinderen mijne wet verlaten, en in mijne regten niet wandelen; a'1 Sam. 7 : 14. 32 Indien zij mijne inzettingen ontheiligen, en mijne geboden niet houden; 33 Zoo zal Ik hunne overtreding met de roede bezoeken, en hunne ongeregtigheid met plagen. 34 Maar mijne goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in mijne getrouwheid niet feilen. 35 Ik zal mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit mijne lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen. 36 quot; Ik heb eens gezworen bij mijne heiligheid: zoo Ik aan David liege! «Hebr. 6:13, 17, 18. |
553 37 Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. 38 Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan; en do Getuige in den hemel is getrouw. Sela. 39 Maar Gij hebt hem verstooten en verworpen; Gij zijt verbolgen geworden tegen uwen gezalfde. 40 Gij hebt het verbond uws knechts te niet gedaan; Gij hebt zijne kroon ontheiligd tegen de aarde. 41 Gij hebt al zijne muren doorgebroken; Gij hebt zijne vestingen nedergeworpen. 42 quot;Allen, die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijnen naburen is hij tot eenen smaad geweest. n I's. so : 13. 43 Gij hebt de regterhand zijner wederpartijders verhoogd; Gij hebt al zijne vijanden verblijd. 44 Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en hebt hom niet staande gehouden in den stiijd. 45 Gij hebt zijne schoonheid doen ophouden; en Gij hebt zijnen troon ter aarde nedergestooten. 46 Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; lt;!ij hebt hem met schaamte overdekt. Sela. 47 Hoe lang, o Heere! zult Gij II steeds verborgen V zal uwe grimmigheid branden als een vuur ï 48 Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller menschen kinderen te vergeefs geschapen hebben'! 49 Wat man leeft er, die den dood niet zien zal ? die quot; zijne ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela. « Ps. 49: lo. Hl. 50 Heere! waar zijn uwe vorige goedertierenheden , quot; die Gij David gezworen hebt bij uwe trouw V - quot;2 Sam. V : 1quot;). 51 Gedenk, Ileero! aan den smaad uwer knechten, dien ik in mijnen boezem draag van alle groote volken; 52 Waarmede, o Heeue! uwe vijanden smaden, waarmede zij de voetstappen uws gezalfden smaden. 53 Geloofd zij de Heere in eeuwigheid! Amen, ja amen. PSALM 90. Mozes, lovende Gods voorzienigheid en inagt, beschrijft do zwakheid, ellende cn kortheid van hot monsche-lijke leven; God biddende, dat Hij hem en alle menschon leere zulks regt te kennen. KEN gebed van Mozes, den man Gods. Heere! Gij zijt ons geweest eene Toevlugt van geslacht tot geslacht. 2 Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en do wereld voortgebragt hadt, ja van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God. 3 Gij doet don mensch wederkeeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij menschen-kinderen! 4 Want duizend jaren zijn in uwe oogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, on als eene nachtwaak. 5 Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk oen slaap; PSALM 89, 90. |
PSALM 90, 91, 92.
554
|
in don morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert: (i In don morgenstond bloeit het, on iiot verandert, dos avonds wordt hot afgesneden, en hot verdort. 7 Want wij vergaan door uwen toorn; en door uwe grimmigheid worden wij verschrikt. 8 Ciij stolt onze ongerogtigiiodon voor U, onze heimelijke zonden in iiot licht uws aanschijns. 9 Want al onze dagen gaan henen door uwe verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als oono gedachte. 1(1 Aangaande do dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of zoo wij zoor sterk zijn, tachtig jaren; en iiot uitne-mendsto van die is moeite on verdriet: want liet wordt snol lijk afgesneden, en wij vliegen daarheen. 11 Wie kent do sterkte uws toorns, en uwe verbolgenheid, naar dat Gij te vreezen zijt? i'2 Leer ons alzoo onze dagen tollen, dat wij een wijs hart bokonion. la Koer weder, IIeere! tot hoe lamgt;oV on hot borouwe U over uwe knechten. 14 Verzadig ons in don morgenstond mot uwe goodortierenheid, zoo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen. 15 Verblijd ons naar do dagen, in dewelke (lij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij hot kwaad gezien hebben. 16 Laat uw werk aan uwe knechten gezien worden, en uwe heorlijkhoid over hunne kinderen. 17 En do liefelijkheid dos Heeren, onzos Gods, zij over ons; en bevestig Gij hot werk onzer handen over ons, ja het werk onzer handen, bevestig dat. PSALM 91. Do psalmist, sprekonde van don toestand der godzaligen op deze wereld, verhaalt de menigvuldige weldaden, welke degenen ontvangen, die zich geheel op den Heere verlaten. DIE in do schuilplaats des Allerhoogston is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almagtigen. 2 Ik zal tot den Heere zeggen: Mijne Toevlugt en mijn Burg! mijn God, op welken ik vertrouw! |
:3 quot; Want Hij zal u redden van den strik dos vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie. a I's. 124:7. 4 quot; Hij zal ii dokken met zijne vlerken, en onder zijne vleugelen zult gij betrouwen; zijne waarheid is oono rondas en beukelaar. a Ps. 57 : 2. 5 quot; Gij zult niet vroozon voor den schrik dos nachts, voor don pijl, die dos daags vliegt; a Job 5: 19, 20. Spr. 3:25. Iloogl. 3:8. (! Voor do pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor hot verderf, dat op den middag verwoest. 7 Aan uwe zijde zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uwe zal rogterhand; tot u het niet genaken. 8 Alleenlijk zult gij het mot uwe oogen aanschouwen ; en gij zult de vergelding dor goddeloozon zien. 9 Want Gij, Heere! zijt mijne Toevlugt! Don Allerhoogste hebt gij gestold tot uw Vertrek; 10 U zal geen kwaad wedervaren, en goene plage zal uwe tent naderen. 11 quot;Want Hij zal zijne engelen van u bevolen, dat zij u bewaren in al uwe wogen. «Ps. ,'i4 : 8. Matt. 4 : (gt;. Lak. 4 : 10. 12 quot; Zij zullen u op do handen dragen, opdat gij uwen voet aan geen' steen stoot, rt Lak. 4:11. 13 Op den quot; feilen leeuw en de adder zult gij treden , gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden. a .1 ob 5:22, 23. 14 Dewijl hij Mij zeer bemint, spreekt God, zoo zal Ik hom uitholpen; Ik zal hem op oono hoogte stellen, want hij kont mijnen naam. 15 Hij zal Mij aanroepen, on Ik zal hom ver-hooren; in do bonaauwdheid zal Ik bij hom zijn. Ik zal er hem uittrekken, on zal hom vor-hoor lijkon. 10 Ik zal hem met langheid dor dagen verzadigen, en Ik zal hom mijn heil doen zien. PSALM 92. Dc profeet leert alle monschen God te loven, van wego zijne grooto werken, en zijne regtvaardigheid over do boozen en zijne goedertierenheid over do godzaligen. EEN psalm, oen lied, op don sabbatdag. |
PSALM 92, 93, 94.
|
2 liet is good, dat men don Heere lovo, on uwen naam psalinzinge, lt;gt; Allerhoogste! ;? Dat men in den morgenstond uwe goedertierenheid. verkondigo, en uwe getrouwheid in de nachten: 4 Op het tiensnarig instrument ou op de luit, met een voorbedacht lied op de harp. 5 Want (ïij hebt mij verblijd, Heere! met uwe daden; ik zal juichen over de werken uwer handen. 6 O Heere! hoe groot zijn uwe werken! zeer diep zijn uwe gedachten. 7 Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzolve niot: 8 Dat do goddeloozen groeijen als hot kruid, en al de werkers der ongeregtigheid bloeijen, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden. 9 Maar Gij zijt de Allerhoogste, in eeuwigheid de Heere! 10 Want zie, uwe vijanden, o Heere! want zie, uwe vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongeregtigheid zullen verstrooid worden. 11 Maar Gij zult mijnen hoorn verhoogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met versche olie overgoten. 12 En mijn oog zal mijne verspieders aanschouwen, mijne ooren zullen het hooren, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan. 13 De quot; regtvaardige zal groeijen als een palmboom, hij zal wassen ''als een cederboom op Libanon. « Hos. 14:0. Kigt. 9:15, 14 Die in hot huis des Heeren geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeijen in do voorhoven onzes Gods. 15 In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet on groen zijn; 1(5 Om to verkondigen, dat de Heere regt is: Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onregt. PSALM 93. Do psalmist verhaalt en verheft in dozen Psalm do majesteit, kracht en heiligheid van Christus koningrijk, tot bescherming zijner gemeente. DE Heere regeert, Hij is met hoogheid bekleed, de Heere is bekleed met sterkte. Hij heofl zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niot wankelen. 2 Van toen af is uw troon bevestigd; Gij zijt van eeuwigheid af. 3 De rivieren verheffen, o Heere! de rivieren verheffen haar bruisen; de rivieren verheffen hare aanstooting. 4 Doch de Heere in do hoogte is geweldiger dan het bruisen van groote wateren, dan do geweldige baren der zee. 5 Uwe getuigenissen zijn zeer getrouw, de heiligheid is uwen huizo sierlijk, Heere! tot lange dagen. PSALM 94. De profeet bidt God, dat Hij wrake doe over do tirannon en goddeloozen, welke hij hier beschrijft, |
hen wijzende op (rods voorzienigheid in hot scheppen en regeren dor worold, on hij troost do godzaligen met do hulp en verlossingen, die de lleoro gewoon is don zijnen te bewijzen. O God der wraken! o Heere, God der wraken! quot;verschijn blinkende. «Deul. Xi: 2. Ps. 5U : 2. .S();2. 2 Gij, Regter der aarde! verhef U; breng vergolding weder over de hoovaardigon. 3 Hoe lang zullen de goddeloozen, o Heere! hoe lang zullen do goddeloozen van vreugde opspringen ? 4 Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongeregtigheid zich beroemen ? 5 O Heere! zij verbrijzelen uw volk, ou zij verdrukken uw erfdeel. 0 Do weduwe en den vreemdeling dooden zij, en zij vermoorden do weezen, 7 En zeggen: quot; De Heere ziet het niet, en do God van Jakob merkt hot niet. a Ps. IU: 11,1 â !. 59:8. 8 quot;Aanmerkt, gij onvernuftigen onder hot volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden ? a I's. 92 : 7. 9 quot;Zou Hij, die het oor plant, niet hooren? zou Hij, die het oog formeert, niot aanschouwen? a Ex. 4:11. 10 Zou Hij, die do Heidenen tuchtigt, niot straffen. Hij, die den monsch wetenschap loert? 11 quot;Do Heere weet de gedachten des menschen, dat zij ijdelhoid zijn. a 1 Cor. ){: 20. 12 Wolgelukzalig is de man, o Heere! dien (Jij tuchtigt, en dien Gij leert uit uwe wet, 13 Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat do kuil voor den goddeloozo gegraven wordt. 14 Want quot;de Heere zal zijn volk niet begeven, en Hij zal zijne erve niet verlaten. a 1 Sam. 12 : 22. Kom. 11:1, 2. 15 Want het oordeel zal wederkeeron tot do ge-regtigheid; en allo oprogten van hart zullen hetzelve navolgen. K! Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? wie zal zich voor mij stollen tegen de werkers der ongeregtigheid ? 17 Ten ware dat do Heere mij eene hulp geweest ware, mijne ziel had bijna in de stilte gewoond. 18 Als ik zeido: Mijn voet wankelt; uwe goedertierenheid, o Heere! ondersteunde mij. 19 Als mijne gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben uwe vertroostingen mijne ziel verkwikt. 20 Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdichtbij inzetting? 21 Zij rotten zich zamen tegen de ziel des regt-vaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed. 22 Doch de Heere is mij geweest tot een hoog Vertrek, en mijn God tot eene Steenrots mijner toevlugt. 23 En Hij zal hunne ongeregtigheid op hen doen wederkeeron, en Hij zal hen in hunne boosheid verdelgen; de Heere, onze God, zal hen verdelgen. |
PSALM 95, 96, 97, 98.
556
|
PSALM 95. Eene opwekking tot lof, dienst en gehoorzaamheid aan God, van wege zijne grootheid; mitsgaders eene vermaning om het hart niet te verharden gelijk Israël had gedaan, hetwelk daarom in zijne rust niet is ingegaan. KOMT, laat ons den Heere vrolijk zingen, laat ons juichen don Rotssteen onzes heils. 2 Laat ons zijn aangezigt te gemoet gaan met lot'; laat ons Hom juichen met psalmen. Want de Heere is een groot God; ja eon groot Koning boven allo goden. 4 quot; In wiens hand do diepste plaatsen dor aarde zijn, en de hoogten der borgen zijn zijne. « .lob 20; 0. 5 Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en zijne handen hebben hot drooge geformeerd. 6 Komt, laat ons aanbidden en nederbukken, laat ons knielen voor den Heere, die ons gemaakt heeft. 7 quot;Want Hij is onze God, en wij zijn het volk zijner weide, en de schapen zijner hand. ''Heden, zoo gij zijne stom hoort, re Ps. 10à : 8. b llebr. 3: 7. 8 Verhardt uw hart niet, quot;gelijk te Merfba, gelijk ten dage van Massa iu do woestijn; a Ex. 17:7. Num. 20: 1, 3, lli. Deut. 0: 10. 9 Waar Mij uwe vaders verzochten, quot;Mij beproefden, ook mijn werk zagen. (t Helir. li:!). 10 quot; Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen mijne wegen niet. a llebr. 3 ; 17. 11 Daarom heb Ik in mijnen toorn gezworen: Zoo zij in mijne rust zullen ingaan! PSALM 90. Alle inwoners dei' aarde, des hemels en der zee worden vermaand God te loven, van wege zijne grootheid, majesteit, heerlijkheid, schepping en wijze regering der wereld, met alles wat er in is; en bijzonder van wege de genade van het Nieuwe Testament in do roeping der Heidenen. ZINGT den Heere eon nieuw lied; zingt den Heere, gij gansche aarde! 2 Zingt den Heere, looft zijnen naam; boodschapt zijn hoil van dag tot dag. :i Vertelt onder de Heidenen zijne eer, onder allo volken zijne wonderen. 4 Want de Heere is groot, en zeer te prijzen. Hij is vreesselijk boven allo goden. 5 Want al de goden dor volken zijn afgoden; maar de Heere heeft de hemelen gemaakt. 6 Majesteit en heerlijkheid zijn voor zijn aangezigt, sterkte en sieraad in zijn heiligdom. 7 Geeft den Heere, gij geslachten der volken! geeft den Heere eer en sterkte. 8 Geeft den Heere de eer zijns naams, brengt offer, en komt in zijne voorhoven. 9 «Aanbidt den Heere in de heerlijkheid dos heiligdoms, schrikt voor zijn aangezigt, gij gansche aarde! aPs. 29:2. |
10 Zegt onder do Heidenen: Do Heere regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken rigten in alle regtmatigheid. 11 Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met hare volheid. 12 Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is ; dat dan al de boomen des wouds juichen, 1:! Voor het aangezigt des Heeren: want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te rigten; quot;11 ij zal de wereld rigten mot geregtigheid, en de volken met zijne waarheid. a Ps. 98 : 9. Oponb. 19: 11. PSALM 97. Eene beschrijving der majesteit van Gods koningrijk en de vreugde der godzaligen, van wege zijne geregtigheid en gerigt over de afgodendienaars; mitsgaders eene vermaning tot godzaligheid en geestelijke blijdschap. DE quot;Heere regeert, de aarde verheuge zich; dat vele eilanden zich verblijden. aPs. 93:1. 96:10. 2 Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, ge-regtighoid en gerigt zijn do vastigheid zijns troons. li Een vuur gaat voor zijn aangezigt heen, en het steekt zijne wederpartijen rondom aan brand. 4 quot;Zijne bliksemen verlichten de wereld; ''het aardrijk ziet ze en het beeft. «Openb. 4:5. /;Ps.77:17. 5 Do bergen smolten als was voor het aanschijn des Heeren, voor het aanschijn des Heeren der gansche aarde.' 6 quot;Do hemelen verkondigen zijne geregtigheid, en alle volken zien zijne eer. « Ps. 19:2. 50:6. 7 Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen: buigt u neder voor Hem, allo gij goden! 8 Zion hoeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en de dochteren van Juda hebben zich verheugd van wege uwe oordeelen, o Heere! 9 Want Gij, Heeue ! zijt de Allerhoogste over de geheele aarde; Gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden. 10 Gij liefhebbers des Heeren! quot; haat het kwade; Hij bewaart de zielen zijner gunstgenooten; Hij redt hen uit der goddeloozen hand. a Amos 5 : 15. Rom. 12 : 9. 11 Hot licht is voor den regtvaardige gezaaid, cn vrolijkheid voor de opregten van hart. 12 Gij rogtvaardigen! verblijdt u in den Heere, en spreekt lof ter gedachtenis zijner heiligheid. PSALM 98. De profeet vermaant de Joden, als ook de Heidenen, ja allo schepselen, dat zij God zullen loven van wege zijne goedertierenheid, zijne waarheid, heil en verlossing door Christus. EEN psalm. Zingt den Heere een nieuw lied, want Hij heeft wonderen gedaan; zijne regterhand, en de arm zijner heiligheid, heeft Hem hoil gegeven. 2 De Heere heeft zijn heil bekend gemaakt, |
PSALM 98, 99, 100, 101, 102.
557
|
Hij heeft zijne geregtigheid geopenbaard voor de oogen der Heidenen. 3 Hij is gedachtig geweest zijner goedertierenheid, en zijner waarheid aan liet huis Israels; en al de einden der aarde hebben gezien hot heil onzes Gods. 4 Juicht don Heere, gij ganscho aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psahnzingt. 5 Psahnzingt den Heere met de harp, mot de harp en met de stom des gezangs. C Mot trompetten en bazuinongeklank; juicht voor het aangezigt des Konings, dos H keren. 7 De zee bruise met hare volheid, do wereld met degenen, die daarin wonen. 8 Dat de rivieren met de handen klappen, dat te gelijk do gebergten vreugde bedrijven. 9 Voor het aangezigt des Heeren; want Hij komt, om do aarde te rigten; Hij zal de wereld rigten in geregtigheid, on de volken in allo regtmatigheid. PSALM 99. In dezen Psalm wordt gesproken van de magt des Heeren, mitsgaders van zijne geregtigheid en goedertierenheid over zijn volk; met eene vornianing, door het voorbeeld van Mozes en Aiiron, om God in zijne gemeente te loven. DE Heere regeert, dat do volken beven; Hij zit tusschen de cherubim; de aarde bewege zich. 2 De Heere is groot in Zion, en Ilij is hoog boven alle volken. !) Dat zij uwen grooten en vroesselijken naam loven, die heilig is; 4 En de sterkte des Konings, die het rogt liefheeft. (lij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt rogt en geregtigheid gedaan in Jakob. 5 Verheft den Heere, onzen God, en buigt u neder voor de voetbank zijner voeten ; 1 lij is heilig! (i Mozes on Aaron waren onder zijne priesters, en Samuöl onder de aanroepers zijns naams; /.ij riepen tot don Heere, en Hij verhoorde hen. 7 Hij sprak tot hen in eene wolkkolom; zij hebben zijne getuigenissen onderhouden, en de inzettingen, die Hij hun gegeven had. 8 O Heere, onze God! Gij hebt hou verhoord, Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hunne daden. 9 Verheft don Heere, onzen God, on buigt u voor den berg zijner heiligheid, want de Heere, onze God, is heilig. PSALM 100. Do gemeente wordt vermaand, God to loven van woge zijne genade, goedertierenheid en getrouwheid. EEN lofzang. Gij ganscho aarde! juicht don Heere. 2 Dient den Heere met blijdschap, komt voor zijn aanschijn met vrolijk gezang. 3 Weet, dat de Heere is God; Hij hoeft ons gemaakt, (on niet wij) zijn volk en quot;de schapen zijner weide. «Ps. 95:7. Ezec. 34:30, 31. |
4 Gaat in tot zijne poorten met lof, in zijne voorhoven, met lofgezang; looft Hein, prijst zijnen naam. 5 Want de Heere is goed ; zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid, en zijne getrouwheid van geslacht tot geslacht. PSALM 101. David stolt hier zich zei ven tot voorbeeld aan een ieder; betuigende, dat hij de vromen vereeren en verhellen, maar de boozon si rallen en van zich weren zou. EEN psalm van David. Ik zal van goodertierenheid en rogt zingen; U zal ik psalmzingen, o Heere! 2 Ik zal verstandelijk handelen in don opregten weg; wanneer zult Gij tot mij komenV Ik zal in het midden mijns huizes wandelen, in opregtig-heid mijns harten. 3 Ik zal geen Belials stuk voor mijne oogen stellen; ik haat hot doen der afvalligen; het zal mij niet aankleven. 4 Het verkeerde hart zal van mij wijken; den booze zal ik niet kennen. 5 Die zijnen naaste in het heimelijke achterklapt, dien zal ik verdelgen; die hoog van oogenis, on trotsch van hart, dien zal ik niet vermogen. ü Mijne oogen zullen zijn op do getrouwen in hot land, dat zij bij mij zitten; die in don opregten weg wandelt, die zal mij dienen. 7 Wie bedrog pleegt, zal binnen iniju huis niet blijven; die leugenon spreekt, zal voor inijiio oogen niet bevestigd worden. 8 Allen morgen zal ik allo goddeloozon dos lands verdelgen, om uit do stad dos Heeren alle workers dor ongoregtigheid uit te roeijen. PSALM 102. Do gomeonto klaagt over hare zwaro ellende; zij bidt om verlossing, ea verklaart hare verkwikking te vinden in Gods altijddurende barmhartigheid, en in de eeuwige magt dos Hoeren, wion zij belooft daarvoor te zullen prijzen. Onder de verlossing uit do gevangenis van Habol en de herbouwing van stad en tempel, wordt mode verstaan de verlossing door Christus en do roeping dor Heidenen tot zijne gemeenschap. EEN gebod dos verdrukten , als hij overstelpt is, en zijne klagt uitstort voor het aangezigt des Heeren. '2 O Heere! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen. 3 Verborg uw aangezigt niet voor mij, neig uw oor tot mij ten dage mijner benaauwdheid; ton dage als ik roep, verhoor mij haastelijk. 4 Want mijne dagen zijn vergaan quot;als rook, en mijne gebeenten zijn uitgebrand als een haard. «Ps. 37:20. 5 Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zoodat ik vergeten heb mijn brood te eten. (i Mijn gebeente kleeft aan mijn vleesch, van woge de stem mijns zuchtens. |
PSALM 102, 103.
558
|
7 Ik ben eon roerdomp der woestijn gelijk geworden , ik ben geworden als een steenuil der wildernissen. 8 Ik waak, en ben geworden als eene eenzame musch op het dak. 9 Mijne vijanden smaden mij al den dag; die tv(jen mij razen, zworen bij mij. 10 Want ik eet asch als brood, en vermeng mijnen drank met tranen. 11 Van wege uwe verstoordheid en uwen grooten toorn: want Gij liobt mij verhoven, en mij weder nodergeworpen. 12 Mijne dagen zijn als eene afgaande schaduw, en ik ver dor als gras. l!i Maar Gij, IIeere! blijft in eeuwigheid, en uwe gedachtenis van geslacht tot geslacht. 14 Gij zult opstaan. Gij zult U ontfermen over Zion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen. 15 Want uwe knechten hebben een welgevallen aan hare steenon, en hebben medelijden met haar gruis. 10 Dan zullen do Heidenen den naam des IIeeren vreezen, en alle koningen der aarde uwe heerlijkheid. 17 Als de Heere Zion zal opgebouwd hebben, in zijne heerlijkheid zal verschenen zijn, 18 Zich gewend zal hebben tot het gebed dos-genon, die gansch ontbloot is, en niet versmaad hebben hunlieder gebed; 11) Dat zal beschreven worden voor het navolgende geslacht; en hot volk, dat geschapen zal worden, zal don Heere loven: 20 Omdat 11 ij uit de hoogte zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien; dat de Heere uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben; 21 Om het zuchten dor gevangenen te hooren, om los te maken de kinderen des doods; 22 Opdat men den naam des IIeeren vertelle te Zion, en zijnen lof te Jeruzalem: 23 Wanneer de volken zamen zullen vergaderd worden, ook do koningrijken, om don Heere te dienen. 24 Hij heeft mijne kracht op don weg ter neder gedrukt; mijne dagen heeft Hij verkort. 25 Ik zeide: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen; uwe jaren zijn van geslacht tot geslacht. 26 Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk uwer handen; 27 Die zullen vergaan, maar Gij zult staande hlijven, en zij allen zullen als een kleed verouden; quot;Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. Hebr. 1 :12. 28 Maar Gij zijt dezelfde, en uwe jaren zullen niet geëindigd worden. 2!) De kinderen uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor uw aangezigt bevestigd worden. |
PSALM 103. David verwekt zich zeiven en alle schepselen, om God te loven voor de menigvuldige genade, aan hem en aan do gansche gemeente bewezen, zoo door zijn woord als door zijne werken. KEN psalm van David. Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, zijnen heiligen naam. 2 Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geene van zijne weldaden. 3 Die al uwe ongeregtigheid vergeeft, die al uwe krankheden geneest; 4 Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden; 5 Die uwen mond verzadigt met het goede, uwe jeugd vernieuwt als eens arends. (i De Heere doet geregtigheid en gerigten al dengenen, die onderdrukt worden. 7 Hij heeft Mozes zijne wogen bekend gemaakt, den kinderen Israels zijne daden. 8 quot;Barmhartig en genadig is de Heere, lang-moedig en groot van goedertierenheid. a Ex. 34:0. Num. 14:18. Dout 5:10. Neb. 0: 17. Ps. 80 : 15, 145 : 8. -lor. 32 : 18. 0 quot; Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn, behouden. a .les. 67: 10. .lor. 3:5. 10 Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongeregtigheden. 11 Want zoo hoog do hemel is boven de aarde, is zijne goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vroezen. 12 Zoo ver het oosten is van het westen, zoo ver doet Hij onze overtredingen van ons. 13 Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt zich de Heere over degenen, die Hem vroezon. 14 Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn. 15 De dagen des menschon zijn als het gras, ''gelijk eene bloem des velds, alzoo bloeit bij. a I's. 90:5. b Job 14:1, 2. Ps. 90:5, G. Jakob. 1 :10, 11. 1 Petr. 1 : 24. 10 Als de wind daarover gegaan is, zoo is zij niet meer, en hare plaats kent haar niet meer. 17 Maar de goedortiorenheid des Heeren is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hom vroezen, en zijne geregtigheid aan kindskinderen; 18 Aan quot; degenen, die zijn verbond houden, en die aan zijne bevelen denkon, om die te doen. «Dout.7:9. 19 Do Heere hooft, zijnen troon in de hemolen bevestigd, en zijn koningrijk heerscht over alles. 20 Looft den Heere, zijne engelen! gij krachtige belden, die zijn woord doet, gehoorzamende de stem zijns woords. 21 Looft den Heere, quot;al zijne hcirscharen! gij zijne dienaars, die zijn welbehagen doet! a Gen. 32:2. 1 Kon. 22: 1!). Efez. 3: 10. Col. 1 : 10. 22 Looft den Heere, al zijne werken! aan alle plaatsen zijner heerschappij. Loof den Heere, mijne ziel! |
104, 105.
559
PSALM
|
PSALM 104. Do profeet, zich zei ven verwekkende tot den lof van (rod, doet een treffend verhaal van des Hoeren groote magt, hoogheid en wijsheid, zigtbaar zoowel in de schepping als in do gestadige onderhouding aller dingen. Hij belooft zijn geheelo loven den Heero to roemen, vervloekende de ondankbaarheid der goddeloozen. LOOF quot;den Heere, mijne ziel! oHeere, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid. «Ps. 103:1. l lö;1. 2 Hij bedekt zich met het licht, als met een kleed, quot;Hij rekt don hemel uit als eene gordijn. a Oen. 1: (i. Job 20 ; 7. 3 Die zijn opperzalen zoldert in de wateren, die van de wolken zijnen wagen maakt, '' die op de vleugelen des winds wandelt. rt Ps. 18: 11. .les. 19: 1. Openb. 14: 14. 4 quot; Hij maakt zijne engelen geesten, zijne dienaars tot een vlammend vuur. a Hebr. 1: 7. 5 Hij quot; heeft de aarde gegrond op hare grondvesten , zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen. «Job 20:7. 38:4, 5, C. Ds. 24:2. 78:00. (i Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen. 7 Van uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem uws donders. 8 De bergen rezen op, do dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt. 9 Gij hebt oen' paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken. 10 Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dal zij tusschen de gebergten honen wandelen. 11 Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hunnen dorst mede. 12 Bij dezelve woont liet gevogelte des hemels, eene stom gevende van tusschen de takken. 13 Hij drenkt de bergen uit zijne opperzalen; do aarde wordt verzadigd van do vrucht uwer werken. 14 Hij doet het gras uitspruiten voor do beesten, en liet kruid tot dienst des nienschen, doende het brood uit do aarde voortkomen. 15 En den wijn, die hot hart dos menschen verheugt, doende het aangezigt blinken van olie; on het brood, dat liet hart des menschen sterkt. 1(1 Do boomen des Heeren worden verzadigd, de cederboomon van Libanon, die Hij geplant heeft; 17 Alwaar de vogeltjes nestelen; dos ooijevaars huis zijn do denneboomon. 18 De hooge bergen zijn voor de steenbokken; do steenrotsen zijn een vertrok voor do konijnen. 19 Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haren ondergang, 20 Gij beschikt do duisternis, en hot wordt nacht, in donwolkon al hot gedierte des wouds uittreedt: 21 quot;De jonge leeuwen, brieschondo om oenen roof, en om hunne spijs van God to zoeken. a Job 39 : I , 2. Jes. 31 : 4. |
22 De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hunne holen. 23 De monsch gaat dan uit tot zijn werk, on naar zijnen arbeid tot den avond toe. 24 Hoe groot zijn uwe werken, o Heere! Gij liobt ze allen met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van uwe goederen. 25 Doze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wremelondo gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten mot groote. 26-Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, ovi daarin to spelen. 27 Zij allen quot;wachten op U, dat Gij hun hunne spijze goeft to zijner tijd. lt;gt; I's. 145: 15. 28 Geeft Gij ze hun, zij vergaderen zo; doet Gij uwe hand open, zij worden mot goed verzadigd. 29 quot; Verborgt Gij uw aangezigt, zij worden verschrikt; noemt Gij hunnen adem weg, zij sterven, en zij koeren weder tot hun stof. a I's. 30 : 8. 30 Zendt Gij uwen Geest uit, zoo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat dos aardrijks. 31 Do heerlijkheid dos Heeren zij tot in der eeuwigheid; de Heere verblijde zich in zijne werken. 32 Als Hij de aarde aanschouwt, zoo beeft zij; als Hij do bergen aanroert, zoo rooken zij. 33 quot;Ik zal den Heere zingen iu mijn leven; ik zal mijnen God psalmzingen, terwijl ik nog ben. a I's, 03:5. 110:2. 34 Mijne overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den Heere verblijden. 35 Do zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddeloozen zullen niet moor zijn. Loofden Heere, mijne ziel! Halelujah! PSALM 105. Do profeet vermaant het volk Gods, God te loven on to prijzen, ton aanzien van zijne wonderen en weldaden mot een verhaal van do getrouwheid zijnor beloften, gedaan en bewezen aan Abraham, aan Jozef on aan Jakob in Egypte; als ook van de wonderen, door en aan Mozos en de Israëlieten in do woestijn verrigt. LOOFT den Heere, roept zijnen naam aan, maakt zijne daden bekend onder de volken. 2 Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aan-dachtelijk van al zijne wonderen. 3 quot;Roemt u in den naam zijner heiligheid; het hart dergenen, die don Heere zoeken, verblijde zich. a I's. 34:3. 4 Vraagt naar don Heere en zijne sterkte; zoekt zijn aangezigt goduriglijk. 5 Gedenkt zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, zijner wonderteekenen, en der oordeolon zijns monds. (i Gij zaad van Abraham, zijnen knecht, gij kinderen van Jakob, zijnen uitverkorene! 7 Hij is de Heere, onze God; zijne oordeolon zijn over de geheelo aarde. 8 Hij gedenkt zijns verbonds tot in der eeuwig- |
|
560 heid, des woords, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten; i) Des verbonds, dat Hij met Abraham heoft gemaakt, en zijns eeds aan Izak; 10 quot; Welken m ook gesteld heeft aan Jakob tot eene inzetting, ''aan Israël tot een eeuwig verhond. a l Kron. 16 : 17. bGcu. 28 13. 35 : 11. 11 Zeggende: quot;Ik zal u geven het land Kanaiin, het snoer van ulieder erfdeel. «Oen. 13:15.15:18. 12 quot; Als zij weinige menschen in getal waren, ja weinige eu vreemdelingen daarin; n 1 Kron. 10:19. 13 En wandelden van volk tot volk, van het eene koningrijk tot het andere volk. 14 quot; Hij liet geen mensch toe hen te onderdrukken, ook bestrafte Hij koningen oin hunnentwil, zeggende: «(ion. 35:5, 15 Tast mijne gezalfden niet aan, en doet mijnen profeten geen kwaad. 16 Hij riep ook eenen honger iu het land. Hij brak allen staf des broods. 17 Hij zond eenen man voor hun aangezigt henen; quot; Jozef werd verkocht tot een' slaaf. a (ion. 37 : 28, 36. 45 : 5. 18 Men drukte zijne voeten in den stok, zijn persoon kwam m de ijzers. li) Tot den tijd toe, dat zijn woord kwam, heeft hem do rede dos Heeuen doorlouterd. 20 De koning zond, en deed hem ontslaan, de heerscher der volken liet hem los. 21 Hij quot;zette hem tot eon' heer over zijn huis, eu tot eenen heerscher over al zijn goed; a Gen. 41 : 40. 22 Om zijne vorsten te binden naar zijnen lust, en zijne oudsten te onderwijzen. 23 Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham. 24 En quot; Hij deed zijn volk zeer wassen, en maakte hel magtiger dan zijne tegenpartijders. «Ex. 1:7,!). 25 Hij quot;keerde hun hart om, dat zij zijn volk haatten, dat zij mot zijne knechten listiglijk handelden. «Ex. 1: 9, 10, 12. 26 Hij quot;zond Mozes, zijnen knecht, en Aaron, dien Hij verkoren had. «Ex. 3: 10. 4:12. 27 quot; /ij doden onder hen de bevelen zijner teekenon, en de wonderwerken in hot land van Cham. i/ Ex. 7 : 9. 28 Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren zijn woord niet weerspannig. 29 Hij keerde hunne wateren in bloed, en Hij doodde hunne visschen. 30 Hun land bragt vorschen voort in overvloed, tot in de binnenste kameren hunner koningen. 31 Hij sprak, en er kwam eene vermenging van ongedierte, luizen, in hunne gansche landpalo. 32 Hij maakte hunnen regen tot hagel, vlammig vuur in hun land. 33 En Hij sloeg hunnen wijnstok en hunnen vijgeboom, en Hij brak liet geboomte hunner landpalen. 34 Ilij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal; |
35 Die al het kruid in hun land opaten, ja aten de vrucht hunner landouwe op. 36 Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen al hunner krachten. 37 En Hij voerde hou uit met zilver en goud; en onder hunne stammen was niemand, die Struikelde. 38 quot;Egypte was blijde, als zij uittrokken, want hunne verschrikking was op hen gevallen. «Ex. 12:33. 39 Hij breidde eene wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten. 40 Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met liemolsch brood. 41 Hij opende eene steenrots, en or vloeiden wateren uit, die gingen door do dorre plaatsen als eene rivier. 42 Want Hij dacht aan zijn heilig woord, aan quot;Abraham, zijnen knecht. n (Jen. 15:14. 43 quot; Alzoo voerde Hij zijn volk uit met vrolijkheid, zijne uitverkorenen met gejuich. « Ex. 14:8. Nnm 33 : 3. 44 En Hij gaf hun de landen der Heidenen, zoodat zij in erfenis bezaten don arbeid der volken. 45 quot; Opdat zij zijne inzettingen onderhielden, en zijne wetten bewaarden. Halolujah! n Ex. 19 : 4, 5, 6. Dont. 4 : 1, 40. 6 : 21, 22, 23, 24, 25. PSALM 106. Eene vermaning tot lof en prijs dos Heeren, met bede om vergeving der zonden, dio het volk Gods bekent gedaan te hebben, ids ook liiuino vaderen; waarbij wordt gevoegd een kort verhaal van de wederspan-nigheid der Israëlieten in do woestijn, en de barmhartigheid Gods hun bewezen, besluitende met een gebed en lof des lleeren. HALELUJAH! quot;Looft don Heere, want Hij is goed, want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. a I's. 107 : 1. 118: 1. 136: I. 2 Wie zal do mogendheden dos Heeren uitspreken, al zijnon lof verkondigen? 3 Welgelukzalig zijn zij, die hot regt onderhouden, dio te aller tijd gerogtighoid doet. 4 Gedenk mijner, o Heere! naar het welbehagen tot uw volk, bezoek mij met uw heil; 5 Opdat ik aanschouwe het goede uwer uitverkorenen ; opdat ik mij verblijde met do blijdschap uws volks; opdat ik mij beroeme met uw erfdeel. 6 quot;Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan; wij hebben goddelooslijk gehandeld. « Lev. 26 : 40. Jer. 3 : 25. Dan. 9 : 5. 7 Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op uwe wonderen, zij zijn dor menigte uwer goedertierenheden niot gedachtig geweest; quot; maar zij waren wedorspanniquot;' aan de zee, bij de Scholfzeo. «Ex. 14: 11, 12. 8 Doch Hij verloste hou om zijns naams wil, quot; opdat Hij zijne mogendheid bekend maakte. « Ex. 9 : 16. 9 En Hij schold de Scholfzeo, zoodat zij ver- PSALM 105, 1015. |
PSALM 100, 107.
501
|
droogde, en quot;Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door cone woestijn. a Ex. 14: 21, 22, 20. 10 En Hij verloste hen uit do hand des haters, en Hij bevrijdde hen van do hand dos vijands. 11 quot; En do wateren overdekten hunne wederpar-tijders; niet een van hen bleef over. a Ex. 14 ; 27. 15 ; 5. 12 quot; Toen geloofden zij aan zijne woorden; zij zongen zijnen lof. «Ex. 14:31. 15:1. 13 Doch zij vergaten haast zijne workon, zij verbeidden naar zijnen raad niet. 14 quot; Maar zij werden belust niet lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis. a Ex. 10:3. Num. 11 : 4, G, 33. I's. 78 : IS. 1 Oor. 10:0. 15 Toen gaf Hij hun hunne begeerte; maar Hij quot; zond aan hunne zielen eene magerheid. «Num. 11:20, 33. Ps. 78:30, 31. Jes. 10:10. 10 quot; En zij benijdden Mozes in bet leger, eti Aiiron, don heilige des Heeren. a Num. 10 : 2, enz, 17 quot;Do aarde deed zich open, en verslond I)a-than, en overdekte do vergadering van Abfram. a Num. 16:31, 32, 33. Dout. 11 : 0. 18 En quot; een vuur brandde onder hunne vergadering, eene vlam stak de goddeloozen aan brand. «Num. 10:35, 40. 19 quot; Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zicli voor een gegoten beeld. «Ex. 32:4. 20 En zij veranderden hunne Eer in de gedaante van eenen os, die gras eet. 21 Zij vergaten God, bunnen Heiland, die groote dingen gedaan had in Egypte; 22 Wonderdaden in het land van Cham; vrees-selijke dingen aan de Scholfzee. 23 quot;Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, zijn uitverkorene, in de scheure voor zijn aangezigt gestaan had, om zijne grimmigheid af te keeren, dat Ilij hen niet verdierf. a Ex. 32 : 11 , 32. Dcut. 0:13, 14. 10 : 10. 24 quot; Zij versmaadden ook het gewenschte land; zij geloofden zijn woord niet. a Num. 14:1, 2. 25 Maar zij murmureerden in hunne tenten; naar do stem des Heeren hoorden zij niet. 26 Dies quot;hief Hij tegen hen zijne hand op, zwerende, dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn; a Num. 14:28. 27 En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de Heidenen, en hen quot; verstrooijon zou door de landen. «Ps. 44:12. Ezec. 20:23. 28 Ook hebben zij zich gekoppeld aan quot; Baal-Peor, en zij hebben de offeranden der dooden gegeten. a Num. 25:3. 31:10. Openb. 2: 14. 29 En zij hebben den IIufjuc tot toorn verwekt mot hunne daden, zoodat de plaag eene inbreuk onder hen deed. 30 Toen stond Pmehas op, en hij oefende gerigt, en de plaag werd opgehouden. 31 En liet is hem gerekend tot geregtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid. |
32 quot; Zij maakten Ilein ook zeer toornig aan het twistwater, en hot ging Mozes kwalijk om hunnentwil. «Num. 20:12. I's. 95:8. 33 Want zij verbitterden zijnen geest, zoodat hij wat onbodachtelijk voortbragt mot zijne lippen. 34 Zij hebben die volken niet verdelgd, die de Heehe hun gezegd had; 35 Maar quot; zij vermengden zich mot de Heidenen, en leerden dorzelvor werken. « Rigt. 2:2. 3:5, 0. 30 En zij dienden hunne afgoden, en zij werden hun tot eenen strik. 37 quot; Daarenboven hebben zij hunne zonen en hunne dochteren don duivelen opgeofferd. a Lev. 18:21. Dout. 12:31. 2 Kon. 16:3. 17:17. 21: 6. 2 Kron. 28 : 3. 33 : 6. 38 En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben opgeofferd; quot; zoodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden. a Num. 35:33. 39 En zij ontreinigdon zich door hunne werken, en zij hebben gehoereerd door hunne daden. 40 Dies is de toorn dos Heeren ontstoken togen zijn volk, en Hij hoeft oenen gruwel gehad aan zijn erfdeel. 41 En Hij gaf hen in do hand der Heidenen, on hunne haters heerschton over hen. 42 En hunne vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hunne band. 43 Hij hooft bon menigmaal gered, maar zij verbitterden Hem door hunnen raad, en werden uitgeteerd door hunne ongerogtigheid. 44 Nogtans zag Ilij hunne benaauwdhoid aan, als Ilij hun geschrei hoorde. 45 En Hij dacht tot hun beste aan zijn verbond, en liet berouwde Hom, naar de veelheid zijnor goedertierenheden. 40 Dies gaf Ilij hun barmhartigheid voor het aangezigt van allen, die bon gevangen hadden. 47 Verlos ons, Heerk, onze God! en verzamel ons quot; uit do Heidenen, opdat wij den naam uwer heiligheid loven, ons beroemende in uwen lof. «1 Kron. 10:35. 48 Geloofd zij do Heehe, do God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en quot; al hot volk zegge: Amen, Halelujah! «1 Kron. 10:30. PSALM 107. Do psalmist vermaant tot prijs en lof dos Heeren: allo bevrijden uit de hand hunner wederpartijders, allo dwalendon in vreomdolingschap, allo gevangenen en krankon, alle zeevarenden, en voorts allo andere menschen, van woge do veranderingen in iodor land on persoon door Gods regering, prijzende degenen, die dit wel tor harte nemen. LOOFT don Heere, want Hij is good, want zijne goodortiorenheid is in der eeuwigheid. 2 Dat zulks do bevrijden des Heeren zeggen, die Hij van de hand der wederpartijders bevrijd hooft. 3 En die Ilij uit do landen verzameld hoeft, van hot oosten en van bet westen, van het noorden on van do zoo. |
30
PSALM 107, 108.
5()2
|
4 Dio in do woestijn dwanlclon, in eenen weg der wildernis, dio geeno stad tor woning vonden: 5 Zij waren hongerig, ook dorstig, hunne ziel was in lion overstelpt. (! Doch roepende tot den Heere in do bonaauwd-heid, dio zij hadden, hooft Hij lion gered uit hunne angsten; 7 En hij leidde hen op oenen regton weg, om te gaan tot oono stad tor woning. 8 Laat hen voor don Heere zijne goedertierenheid loven, on zijne wonderworken voor do kinderen der inenschon; 9 Want Hij hooft do dorstige ziol verzadigd, en do liongorigo ziel mot goed vervuld. 10 Die in duisternis en do sehaduwe des doods znten, gebonden niet verdrukking en ijzer: 11 Omdat zij wederspannig waren geweest tegen Gods geboden, en den raad dos Allerhoogsten onwaardiglijk verworpen hadden. 12 Waarom Hij hun hot hart door zwarigheid vernederd hoeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper. 1!? Doch roepende tot don Heere in do benaauwd-hoid, dio zij hadden, verloste Hij hen uit hunne angsten. 14 Hij voerde hen uit de duisternis en de sehaduwe des doods, en Hij brak hunne banden. If) Laat hen voor don Heere zijne goodertieron-iioid loven, en zijne wonderwerken voor de kinderen der inenschon; l(i Want IIij heeft de koperen deuren gebroken, en do ijzeren grendelen in stukken gehouwen. 17 De zotton worden om den weg hunner overtreding, en om hunne ongerogtighodon geplaagd; 18 Hunne ziol gruwelde van alle spijze, en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen. 1!) Doch rooponde tot; don Heere in debenaauwd-hoid, dio zij hadden, verloste Hij hen uit hunne angsten. 20 Hij zond zijn woord uit, en heelde hen, en rukte hen uit hunne kuilen, 21 Laat ben voor don Heere zijne goedertierenheid loven, en zijne wonderwerken voor de kinderen dor inenschon; 22 quot;En dat zij lofofferen offeren, en met gejuich zijne werken vertellen. a Lev. 7 : 12. Ps. 50:14. 23 Die met schepen ter zoo afvaren, quot;handel doende op groote wateren; a Oponb. 18:17. 24 Die zien de werken des Heeren, en zijne wonderwerken in de diepte. 25 Als Hij spreekt, zoo doet Hij eenen stormwind opstaan, die hare golven omhoog verheft. 20 Zij rijzen op naar den hemel, zij dalen neder tot in de afgronden; hunne ziel versmelt van angst. 27 Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hunno wijsheid wordt verslonden. 28 Docli roepende tot don Heere in de benaauwd-heid, die zij hadden, zoo voerde Hij hen uit hunne angsten. |
29 Hij doet don storm stilstaan, zoodat hunne golven stilzwijgen. 30 Dan zijn zij verblijd, omdat zij gestild zijn, en dat Hij hen tot dc haven hunner begeerte geleid hooft. 31 Laat hen voor don Heere zijne goedertierenheid loven, en zijne wonderwerken voor de kinderen dor monschen; 32 En Hem verhoogen in de gemeente des volks, en in het gestoelte der oudsten Hem roemen. 33 Hij stelt do rivieren tot oeno woestijn, en watortogten tot een dorstig land. 34 Het vruchtbaar land tot zouten (jrond, om de boosheid dorgenen, die daarin wonen. 35 Hij stelt quot;de woestijn tot eenen waterpoel, en liet dorre land tot watertogten. n .Tos. 41:18. 36 En Hij doet de hongerigen aldaar wonen, en zij stichten eene stad ter woning; 37 En bezaaijon akkers, en planton wijngaarden, die inkomende vrucht voortbrengen. 38 En Hij zegent hen, zoodat zij zeer vermenigvuldigen, en hun vee vermindert Hij niet. 39 Daarna verminderen zij, en komen te onder, door verdrukking, kwaad en droefenis. 40 Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is. 41 Maar quot; Hij brengt den nooddruftige uit de verdrukking in een hoog vertrek, en maakt de huisgezinnen als kudden, al Sam.2:8, Ps. 113:7,8. 42 a Do opregton zien het, en zijn verblijd, maar h allo ongeregtigheid stopt haren mond, «.lob 22: 19. b Job 5: 10. 43 Wie is wijs? die neme deze dingen waar; en dat zij verstandelijk letten op de goedertierenheden des Heeren. PSALM 108. David verwekt zich zelvon tot prijs on lof dos Hoeren, en bidt God om zijnen bijstand, mot vast vertrouwen, dat hij door dos Hooron goedgunstigheid do overhand over zij no vijanden zon kobben. EEN lied, een psalm van David. 2 O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijne oer. 3 Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken. 4 Ik zal U loven ónder de volken, o Heere! en ik zal U psalmzingen onder do natiën. 5 quot; Want uwe goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en uwe waarheid tot aan de bovenste wolken. ft Ps. 30: 0, 57 : 11. 6 Verhef U, o God! boven de hemelen, en uwe eer over de ganscho aarde. 7 Opdat uwe beminden bevrijd worden; geef heil door uwe regterhand, en verhoor ons. 8 God heeft gesproken in zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen: ik zal Sichom deelen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten, 9 Giload is mijn, Manasse is mijn, en Efraïni is de sterkte mijns hoofds, Juda is mijn wetgever. |
PSALM 108, 109.
563
|
10 Moab is mijn waschpot; op Edom zal ik mijn' schoen werpen; over Palestina zal ik juichen. 11 Wie zal mij voeren in eene vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom. 12 quot; Zult Gij het niet zijn, o God! die ons ver-stooten hadt, en die niet uiltoogt, o God! mot onze heirkrachten ? a Ps. fiO : H. 13 Geef Gij ons hulp uit do bonaauwdhoid: want dos menschon heil is ijdolhoid. 14 In God zullen wij kloeke daden doen, on Hij zal onze wederpartij dors vertreden. PSALM 109. David klaagt ovor zijne valsclio aanklagers, dio hem kwaad voor goed vergolden; voorzeggende door profotischo ingeving don verstokten on linn geslacht allo ongeluk; hij hidt God om heil en verlossing uit zijne groote ellende, lio-lovendo dankbaar te zullen zijn. EEN psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet. '2 Want de mond des godde-Ionzen en do mond dos bedrogs zijn togen mij opengedaan, zij hebben met mij gesproken met eene valsche tong. 3 En mot hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja quot; zij hebben mij bestreden zonder oorzaak. « Ps. 09: 5. 4 Voor mijne liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed. 5 En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijne liefde. G Stel eenen goddolooze over hem, en do Satan sta aan zijne regterhand. 7 Als hij gerigt wordt, zoo ga hij schuldig uit, en zijn quot; gebod zij tot zonde. a Spr. 15 : 8. 28; 9. 8 Dat zijne dagen weinig zijn; oen ander neme zijn ambt; 9 Dat zijne kinderen weezen worden, en zijne vrouw weduwe. 10 En dat zijne kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hunne verwoeste plaatsen zoeken. 11 Dat de schuldeischer aansla al wat hij hooft, en dat do vreemden zijnen arbeid rooven. 12 Dat hij niemand hebbe, dio weldadigheid over hem uitstrekke, en dat or niemand zij, die zijnen woozen genadig zij. 13 Dat zijne nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitifedelffd in hot andereaeslacht. |
14 Do ongeregtigheid zijner vaderen worde go-dacht bij don Heere, on do zonde zijner moeder worde niet uitgedolgd. 15 Dat zij gedurig voor don Heere zijn; quot;en Hij rooije hunne gedachtenis uit van do aarde. «Joh 18 ; 17. Ps. .'!4 : 17. 10 Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid to doen, maar hooft den ollendigen en don nood-druftigon man vervolgd, en don verslageno van hart, om hem to doodon. 17 Dewijl hij don vloek beeft liefgehad, dat die hom over-komo, en geen' lust gehad hooft tot den zegen, zoo zij dio verre van hom. 18 En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat dio ga tot in het binnenste van hem als liet water, en als do olie iu zijne beenderen. 19 Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een' gordel, waarmede hij zich steeds omgordt. 20 Dit zij hot werkloon mijner tegenstanders van den Heere, en dergenen, die kwaad sproken tegen mijne ziel. 21 Maar Gij, o Heere Heere! maak het mot mij om uws naams wil; dewijl uwe goedertierenheid goed is, verlos mij. 22 Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in hot binnenste van mij doorwond. 23 Ik ga heen gelijk eone schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan. 24 Mijne knieën struikelen van vasten, en mijn vloesch is geinagerd, zoodat er geen vet aan is. 25 Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zion, zoo schudden zij hun hoofd. Heere, mijn God! verlos mij naar 20 Help mij, uwe goedertieronheid. 27 Opdat zij weten, dat dit uwe hand is, dat Gij hot, Heere! gedaan hebt. 28 Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hou zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich uw knecht verblijde. 29 Laat mijne tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hunne beschaamdheid zich bedekken, als mot eenen mantel. 30 Ik zal don Heere mot mijnen mond zoor loven, en in hot midden van velen zal ik Hem prijzen. |
PSALM 109, 110 , 111, 112, 113.
|
31 Want IIij zal den nooddruftige ter regtorhand staan, om hem to verlossen van degenen, die zijne ziel veroordeelen. PSALM 110. In dozen Psalm, zijnde con kort begrip van hot gan-sche Evangelie, spreekt David vaa do beroeping van Jezus Christus tot liet geestelijk koningrijk zijnor gemeente, en zijn eenwig priesterdom; te gelijk stolt hij voor oogon do geweldige overwinning en zijnon triomf over al zijne vijanden. EEN psalm van David. Do II10erro heeft tot mijnen Ileero gesproken; Zit aan mijne regtorhand, totdat Ik uwe vijanden gezet zal hebben tot eono voetbank uwer voeten. 2 De TIeere zal den scepter uwer sterkte zonden uit Zion, zeggende: Heersch in hot midden uwer vijanden. 3 Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag uwer heirkracht, in heilig sieraad; uit do baarmoeder des dageraads zal u do dauw uwer jeugd zijn. 4 Do Heere hoofl gezworen, en het zal Hom niet berouwen: Gij zijt Priester in quot;eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek. a Hebr. 5 : G. G : 20. 7:17. f) Do Heere is aan uwe regtorhand; Hij zal koningen verslaan ton dage zijns toorns. 6 Hij zal regt doen onder de Heidenen; quot;Hij zal het vol doode ligchamen maken; Hij zal verslaan dengenen, die hot hoofd is over een groot land. a Openb. 14:14, enz. 1 (i: 14, enz. 20:8, enz. 7 Hij zal op den wog uit de boek drinken; daarom zal hij het hoofd omhoog heffen. PSALM 111. Do profeet vermaant alle menschen, mot zijn voor-beeld, (iod te loven; verhalondo do heerlijkheid zijner werken, vermanende eon iegelijk tot godsdienstigheid. HALELUJAH! Aleph. Ik zal den Heere loven van ganschor harte; Beth, in don raad en vergadering der opregten. 2 Gimel. Do werken des Heeren zijn groot; Dalcth. zij worden gezocht van allen, die er lust in hebben. 3 He. Zijn doen is majesteit en heerlijkheid; Van. en zi jne geregtigheid bestaat in der eeuwigheid. 4 Zain. Hij hoeft zijnen wonderen eene gedachtenis gemaakt; Cheth. de Heere is genadig en barmhartig. 5 Teth. Hij heeft dengenen, die Hom vreezen, spijs gegeven; Jod. Hij gedenkt in der eeuwigheid aan zijn verbond. G Caph. II ij hooft do kracht zijner werken zijnen volke bekend gemaakt; Lamed, hun gevende de erve dor Heidenen. 7 Mem. Do werken zijner handen zijn waarheid on oordeel; Nun. al zijne bevelen zijn getrouw. 8 Samech. Zij zijn ondersteund voor altoos en in eeuwigheid; Ain. zijnde gedaan in waarheid on opregtighoid. i) 1'r. Hij heeft zijnen volke verlossing gezonden; |
Isa.de. Hij heeft zijn verbond in eeuwigheid geboden ; Koph. zijn naam is heilig en vreesselijk. 10 Resch. De vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid; Sehin. allen, die zo doen, hebben goed verstand; Thau, zijn lof bestaat tot in dor eeuwigheid. PSALM 112. Een lof dor godzaligen, dio eene belofte hebben des tegenwoordigen en des toekomenden levens, en welker voorspoed den goddeloozon eon hartzeer is. HALELUJAH! Aleph. «Welgelukzalig is de man, dio den Heere vreest, Beth, die grooten lust hoeft in zijne geboden. «I's. 1:1, 2. 2 Gimel. Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde; Daleth. het geslacht der opregten zal gezegend worden. 3 He. In zijn huis zal have en rijkdom wezen; Van. en zijne geregtigheid bestaat in eeuwigheid. 4 Zain. Don opregten gaat het licht op in de duisternis; Cheth. Hij is genadig, onbarmhartig, en regtvaardig. 5 Teth. Wel dien man, dio zich ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijne zaken met regt. 6 Caph. Zekerlijk hij zal in der eeuwigheid niet wankelen; Lamed, de regtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn. 7 Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vreezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den Heere. 8 Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vreezen; Ain. totdat hij op zijne wederpartijen zie. !) Pe. Hij strooit uit, hij geeft den nooddruftige; Tsade. zijne geregtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer. 10 Resch. De goddelooze zal hot zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijne tanden knersen en smelten; Than, de wensch der goddeloozon zal vergaan. PSALM 113. Eene vermaning aan alle ménschen om (iod te los'en, die de ollendigen en ootmoedigon altijd bijstaat. HALELUJAH! Looft, gij knechten des Heeren! looft den naam dos Heeren. 2 quot;De naam des Heeren zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid. a Dan. 2 : 20. 3 quot;Van den opgang der zon af tot haren neder-gang, zij de naam des Heeren geloofd. «Mal. 1:11. 4 De Heere is hoog boven alle Heidenen, boven de hemelen is zijne heerlijkheid. 5 Wie is gelijk de Heere, onze God? die zeer hoog woont, G Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde; 7 quot;Die den geringe uit het stof oprigt, en de nooddruftige uit den drek verhoogt; a 1 Sam. 2 : 8. I's. 107 : 41. 8 Om te doen zitten bij de prinsen, bij do prinsen zijns volks. 9 Dio de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, eono blijde moedor van kinderen. Halelujah ! |
|
PSALM 114. Do psalmist, heriniiereiulo aan do verlossing der Israëlieten uit Egypte, vermaant idle suliopsolen God te loven. TOEN quot;Israël uit Egyptoloog, het huis Jakobs van een volk, dat eone vreemde taal had; «Ex. 1:5:3. '2 Zoo word Juda tot zijn heiligdom, Israël zijne volkomene heerschappij. :i De zee zag hot, en vlood, do Jordaan koerde achterwaarts. 4 De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren. f) Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet? 6 Gij bergen! dat gij opsprongt als rammen? gij heuvelen! als lammeren? 7 Beef, gij aarde! voor hot aangezigt des Heeren, voor het aangezigt van den God Jakobs. 8 Die den rotssteen veranderde in oenen watervloed, den keisteen in eene waterfontein. PSALM 115. Do godzaligen bidden God. dat Hij hen wil behoeden, om zijns heerlijken naams wil; aanwijzende do groote ijdelheid dor afgoden en afgodendienaars; vermanende een ieder tot het geloof aan den waren God, mot belofte van zijnen zegen. NIET ons, o IIeeue! niet ons, maar uwen naam geef eer, om uwer goedertierenheid, om uwer waarheid wil. '2 Waarom zouden do Heidenen zeggen; Waar is nu hun God? Ji Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hein behaagt. 4 Ilunlieder afgoden zijn zilver en goud, het work van des menschon handen: 5 quot; Zij hebben oenen mond, maar spreken niet; zij hebben oogen, maar zien niet; (ïDout 4:28. Jer. 10:3, 4, 5, 9, enz. 6 Ooren hebben zij, maar hooren niet; zij heb-bon een' neus, maar zij rieken niot; 7 Hunne handen hebben zij, maar tasten niot; hunne voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hunne keel. 8 Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt. 9 Israël! vertrouw gij op den IIeeue; Hij is hunne hulp en hun schild. 10 Gij huis van Aiiron! vertrouw op den IIeeue; Hij is hunne hulp en hun schild. 11 Gijlieden, die den Heere vreest! vertrouwt op don Heere; Hij is hunne hulp en hun schild. 12 Do Heere is onzer gedachtig geweest. Hij zal zegenen. Hij zal het huis van Israël zogenen, Hij zal het huis van Aiiron zegenen. II) Hij zal zegenen, die den Heere vreezen, do kleinen met de grooten. 14 De Heere zal den zegen over ulieden vermeerderen, over ulieden en over uwe kinderen. 15 Gijlieden zijt den Heere gezegend, die den hemel en de aarde gemaakt hoeft. |
565 16 Aangaande den hemel, de hemel is des Heeren; maar de aarde heeft Hij der menschen kinderen gegeven. 17 Do dooden zullen den Heere niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn. 18 Maar wij zullen den Heere loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Ilalelujah! PSALM 116. Do profeet verklaart zijne liefde tot God, van wego de grooto on menigvuldige genade on woldaden hom bewezen, hem verlossende uit doodolijke benaauwd-heden; biddende om voortaan to mogen behouden worden, belovende God den Heere daarvoor te zullen prijzen. IK hob lief, want de Heere hoort mijne stem, mijne smeekingen: 2 Want Hij neigt zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijne dagen aanroepen. 3 De quot; banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hol hadden mij getroffen, ik vond benaauwdheid en droefenis, a 2 Sam. 22 : 5, (j. 4 Maar ik riep den naam des Heeren aan, zeggende: Och Heere! bevrijd mijne ziel. 5 De Heere is genadig en regtvaardig, en onze God is ontfermende. 6 De Heere bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost. 7 Mijne ziel! keer weder tot uwe rust, want de quot;Heere hoeft aan u welgedaan. « Ps. 13:6. 8 Want Gij, Heere! hebt mijne ziel gered van don dood, mijne oogen van tranen, mijnen voet van aanstoot. 9 Ik zal wandelen voor het aangezigt des Heeren, in de landen der levenden. 10 Ik quot;heb geloofd, daarom sprak ik; ik bon zeer bedrukt geweest. «2 Cor. 4: 13. 11 Ik zeido in mijne haasten: Alle quot;menschen zijn leugenaars. «Kom. 3:4. 12 Wat zal ik den Heere vergelden voor al zijne weldaden, aan mij bewezen? 13 Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den naam dos Heeren aanroepen. 14 Mijne geloften zal ik den Heere betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al zijn volk. 15 Kostelijk is in de oogen des Heeren do dood zij nor gunstgenooten. 16 Och Heere! zekerlijk ik ben uw knecht, ik ben uw knecht, een zoon uwer dienstmaagd; Gij hebt mijne banden losgemaakt. 17 Ik zal U offeren eene offerande van dankzegging, en den naam des Heeren aanroepen. 18 Ik zal mijne gelofte den Heere betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al zijn volk; 1!) In de voorhoven van hot huis des Heeren, in het midden van u, o Jeruzalem! Ilalelujah! PSALM 117. Allo lleidonon worden vermaand den Hoore to loven, van wego zijne goedertierenheid en waarheid. LOOFT quot;den Heere, allo Heidenen! prijst Hem, allo natiën! aKom 15:11. PSALM 114, 115, 116, 117. |
PSALM 117, 118, 11!).
5G6
|
2 Want zijno goedortioronhcid is geweldig over ons, un de waarheid des Ueeuen is in dor eeuwigheid! Ilalelujah! PSALM 118, Do psalmist vermaant allo godzaligen den Heere te loven voor zijne menigvuldige verlossingen en weldaden; verhalende hoe God hein verlost had uit de handen zijner vijanden. Tevens bevat deze Psalm eene profetie van de toekomst des Hoeren Christus, diou do voornaamsten dos volks wel zouden verwerpen , maar de geloovigen aannemen. LOOFT den IIeere, want Hij is goed, want zijno goedertierenheid is in der eeuwigheid. 2 Dat Israël nu zegge, dat zijno goedertierenheid in der eeuwigheid is. 3 Het huis van Aaron zegge nu, dat zijne goo-dertierenheid in der eeuwigheid is. 4 Dat degenen, die den Heere vreezen, nu zeggen, dat zijne goedertierenheid in der eeuwigheid is. 5 Uit de benaauwdheid heb ik den Heere aangeroepen; de Heere heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte. 6 De quot;Heere is bij mij, ik zal niet vreezen; wat zal mij een mensch doen? «Kom. 8:31. 7 De Heere is bij mij onder degenen, die mij helpen: daarom zal ik mijnen /nut zien aan degenen, die mij haten. 8 quot; Het is beter tot don Heere toevlugt te nemen, dan op den mensch te vertrouwen. a Ps. G2 : 9, 10. 140:3. Jor. 17:5, 7. !) Het is beter tot den Heere toevlugt te nemen, dan op prinsen te vertrouwen. 10 Alle Heidenen hadden mij omringd; hot is in den naam des Heeuen, dat ik ze verhouwen heb. 11 Zij hadden mij omringd, ja zij hadden mij omringd; het is in den naam des Heeren, dat ik ze verhouwen heb. 12 Zij hadden mij omringd als bijën; zij zijn uitgebluscht als een doornenvuur; het is in den naam des Heeren, dat ik ze verhouwen lieb. 13 Gij hadt mij zeer hard gestooten, tot vallens toe, maar de Heere heeft mij geholpen. 14 De Heere is mijne Sterkte eu Psalm, want Hij is mij tot heil geweest. lü In de tenten der regtvaardigen is eene stem des gejuichs en des heils; de regterhand des Heeren doet krachtige daden. 10 De regterhand des Heeren is verhoogd; 11 de regterhand des Heeren doet krachtige daden. a 1 juk. I : 51. 17 Ik zal niet sterven, maar loven; en ik zal de werken des Heeren vertellen. 18 De Heere heeft mij wel hard gekastijd, maar Hij hoeft mij ter dood niet overgegeven. 1!) Doet mij de poorten dor geregtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal don Heere loven. 20 Dit is de poort des Heeren, door dewelke de regtvaardigen zullen ingaan. 21 Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt. |
22 De quot; steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot oen hoofd des hoeks geworden. «.los. 8:14. 28:10. Matt. 21:42. Mark. 12:1U. Luk. 20:17. Hand. 4:11. Hom. 9:33. Efoz. 2:20. 1 Potr. 2:4, 7. 23 Dit is van den Heere geschied, en het is wonderlijk in onze oogen. 24 Dit is de dag, dien de Heere gemaakt heeft, laat ons op denzelven ons verheugen, en verblijd zijn. 25 Och Heere! geef nu heil; och Heere! geef nu voorspoed. 26 Gezegend zij hij, die daar komt in den naam dos Heeren ! Wij zegenen ulieden uit het huis des Heeren. 27 De Heere is God, die ons licht gegeven heeft. Bindt het feesto//er met touwen tot aan de hoornen van het altaar. 28 Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhoogen. 29 Looft don Heere, want Hij is goed, want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. PSALM 119. Doze Psalm wordt afgedeeld in 22 doelen. Inelk deel zijn acht verzon, on elk vors begint in hot Hobroeuwseh mot die lettor, waarmede do afdeeling is goütuld, zoodat al do verzen van het eerste deel beginnen met Aleph, of A; dio van het tweede mot Both, of B, enz., naar hot Hebr. Alphabeth; waarom oenigon dozen Psalm oen A. B. dor godzaligheid hebben genoemd. Elk vers bevat in zich: of oenen lof en prijs van Gods woord, van wogo oeiiigo uitiiemondo hoedanigheid van hetzelve; oi' eene betuiging van Davids ongeveinsde liefde tot hetzelve; of wel een gebed om genade, om zich naar hetzelve te mogen schikken; want tot een van deze drie, t. w. lof, gebeden, of betuigingen, kunnen al de verzen van dezen Psalm gebragt worden. Men morke ook op, dat David in elk vs. spreekt, of van Gods wet, inzettingen of bevelen, getuigenissen, geboden, woord, wegen, gorigten, naam, geregtigheid, waarheid, wonderen of iels dergelijks, uitgezonderd in het 122 vs., in hetwelk hij God om zijne hulp en zijnen bijstand aanroept. ALEPH. WELGELUKZALIG zijn de oprogton van wandel, quot;die in de wet des Heeren gaan. «Ps. 1:1. 2 Welgelukzalig zijn zij, die zijne getuigenissen onderhouden, die Hem vanganschor harte zoeken; 3 Ook geen onregt werken, maar wandelen in zijne wegen. 4 IIkkhk! Gij hebt geboden, dat men uwe bevelen zeer bewaren zal. 5 Och, dat mijne wegen gerigt werden, om uwe inzettingen te bewaren! 6 Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al uwe geboden. 7 Ik zal U loven in opregtheid des harten, als ik de regten uwer geregtigheid geleerd zal hebben. 8 Ik zal uwe inzettingen bewaren; verlaat mij i niet al te zeer. |
PSALM 119.
567
|
BETH. i) Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar uw woord. 10 Ik zoek U mot mijn geheele hart; laat mij van uwe geboden niet afdwalen. 11 Ik heb uwe rode in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou. 12 Heere! Gij zijt gezegend; leer mij uwe inzettingen. 13 Ik heb met mijne lippen verteld al do regten uws monds. 14 Ik ben vrolijker in den weg uwer getuigenissen , dan over allen rijkdom. 15 Ik zal uwe bevelen overdenken, on op uwe paden letten. 1(5 Ik zal mij zelven vermaken in uwe inzettingen; uw woord zal ik niet vergeten. GIMEL. 17 quot;Doe wol bij uwen knecht, dat ik leve en uw woord beware. «I's. 103:2. IHi:?. 18 Ontdek mijne oogen, dat ik aanschouwe de wonderen van uwe wet. 19 Ik ben quot; oen vreemdeling op de aarde, verberg uwe geboden voor mij niet. a Gen. 47 : 9. 1 Kron. 29 : 15. I's. 39 :13. llobr. 11: 13. 20 Mijne ziel is verbroken van wege het verhingen naar uwe oordeelen te aller tijd. 21 Gij scheldt de vervloekte hoovaardigen, dio van uwe geboden afdwalen. 22 Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb uwe getuigenissen onderhouden. 23 Als zelfs de vorsten zittende tegon mij gesproken hebben, heeft uw knecht uwe inzettingen betracht. 24 quot; Ook zijn uwe getuigenissen mijne vermakingen cn mijne raadslieden. «Ps. 43:4. DALETH. 25 Mijne ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar uw woord. 2G Ik heb U mijne wegen verteld, cn Gij hebt mij verhoord; quot; leer mij uwe inzettingen. aPs. 25:4. 27: 11. 86: 11. 27 Geef mij den weg uwer bevelen te verstaan, opdat ik uwe wonderen betrachte. 28 Mijne ziel druipt weg van treurigheid; rigt mij op naar uw woord. 29 Wend van mij den weg der valschheid, en verleen mij genadiglijk uwe wet. 30 Ik heb verkoren den weg der waarheid, uwe regten heb ik mij voorgesteld. 31 Ik kleef vast aan uwe getuigenissen; o Heere ! beschaam mij niet. 32 Ik zal den weg uwer geboden loepen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben. HE. 33 Heere! leer mij den weg uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe. |
34 Geef mij hot vorstand, en ik zal uwe wet houden , ja ik zal zo onderhouden mot ganschon harte. 35 Doe mij treden op hot pad uwer geboden, want daarin heb ik lust. 36 Neig mijn hart tot uwe getuigenissen, en niet tot gierigheid. 37 Wond mijne oogen af, dat zij geene ijdelheid zien; maak mij levend door uwe wogen. 38 Bevestig uwe toezegging aan uwen knecht, die uwe vrooze toegedaan is. 39 Wond mijne smaadheid af, die ik vroozo, want uwe regten zijn goed. 40 Zie, ik heb oeno begeerte tot uwe bevelen, maak mij lovend door uwe geregtighoid. VAU. 41 En dat mij uwe goedertierenheden overkomen, o Heere! uw heil, naar uwe toezegging; 42 Opdat ik mijnen smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op uw woord. 43 En ruk hot woord dor waarheid van mijnon mond niet al te zeer, want ik hoop op uwe rogten. 44 Zoo zal ik uwe wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos. 45 En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik uwe bevolen gezocht heb. 40 Ook zal ik voor koningen spreken van uwe getuigenissen, en mij niet schamen. 47 En ik zal mij vermaken in uwe geboden, die ik liefheb. 48 En ik zal mijne handen opheffen naar uwe geboden, die ik liefheb, on ik zal uwe inzettingen betrachten. ZAIN. 49 Gedenk dos woords, tot uwen knecht f/cnjjro-ken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen. 50 Dit is mijn troost in mijne ellende, want uwe toezegging hooft mij lovend gemaakt. 51 Do hoovaardigen hebben mij boven mate zoor bespot: noytans ben ik van uwe wet niet geweken. 52 Ik hob gedacht, o Heere! aan uwe oordoelon van ouds aan, en heb mij getroost. 53 Groote beroering heeft mij bevangen van wege do goddeloozen, dio uwe wet verlaten. 54 Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest, tor plaatse mijnor vreemdelingschappen. 55 quot; Heere! dos nachts bon ik uws naams gedachtig geweest, on heb uwe wet bewaard. «Ps. 10:7. 42:9. 56 Dat is mij geschied, omdat ik uwe bovelon bewaard heb. CHETH. 57 Do Heere is mijn doel, ik heb gezegd, dat ik uwe woorden zal bewaren. 58 Ik heb uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganscher harte, wees mij genadig naar uwe toezegging. 59 Ik heb mijne wogen bedacht, on heb mijne voeten gekoerd tot uwe getuigenissen. |
PSALM 11!).
568
|
60 Ik hob gehaast en niet vertraagd uwe geboden te onderhouden. 61 De goddelooze hoopen hebben mij beroofd; noytans heb ik uwe wet niet vergeten. 62 Te middernacht sta ik op, om U te loven voor do regten uwer geregtigheid. 63 Ik ben oen gezel van allen, die U vreezen, on van lien, die uwe bevelen onderhouden. 64 IIeeue! do aarde is vol van uwe goedertierenheid; leer mij uwe inzettingen. TETII. 65 Gij hebt bij uwen knecht good gedaan, IIeeue ! naar uw woord. 66 Leer mij eenen goeden zin on wetenschap, want ik heb aan uwe oeboden uoloofd. dwaalde ik, maar nu 67 Eer ik verdrukt werd, onderhoud ik uw woord. |
tighoid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt heb. 76 Laat toch uwe goedertierenheid zijn om mij to troosten, naar uwe toezegging aan uwen knecht. 77 Laat mij uwe barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want uwe wet is al mijne vermaking. 78 Laat de hoovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestooten hebben; doch ik betracht uwe geboden. 79 Laat hen tot mij keeren, die U vreezen, en die uwe getuigenissen kennen. «S0 Laat mijn hart opregt zijn tot uwe inzettingen , opdat ik niet beschaamd worde. CAPH. 81 Mijne ziel is bezweken van verlangen naar uw heil; op uw woord heb ik gehoopt. 82 Mijne oogen zijn bezweken van verlangen |
|
68 (Jij zijt good en goed doende; leer mij uwe inzettingen, 69 Do hoovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar uwe bevelen van ganscher harte. 70 Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in uwe wet. 71 Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik uwe inzettingen leerde. 72 Do wet uws monds is mij beter, dan quot;duizenden van goud of zilver. «Ps. 19:11. JOD. 73 quot;Uwe handen hebben mij gemaakt en bereid; maak mij verstandig, opdat ik uwe geboden leere. a Job 10 : 9. Ps. 139 : 13. 74 Die U vreezen, zullen mij aanzien, en zicli verblijden, omdat ik op uw woord gehoopt heb. |
75 Ik weet, Heere! dat uwe gerigten de gereg-naar uwe toezegging, terwijl ik zeido; Wanneer zult Gij mij vertroosten? 83 Want ik ben geworden als oen lederen zak in den rook; doch uwe inzettingen heb ik niet vergeten. 84 Hoe vele zullen de dagen uws knechts zijn? wanneer zult Gij regt doen over mijne vervolgers? 85 Do hoovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar uwe wet. 86 Al uwe geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij. 87 Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb uwe bevelen niet verlaten. 88 Maak mij lovend naar uwe goedertierenheid, dan zal ik do getuigenis uws monds onderhouden. LAMED. 89 O Heere! uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen. |
PSALM 11!).
|
!)() quot; Uwe getrouwheid is van geslacht tot go-slacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt en zij 1)11] l't staan ; a Pred. 1 : 4. !)1 Naar uwe verordeningen blijven zij no;/ heden staan, want zij allen zijn uwe knechten. 92 Indien uwe wet niet ware geweest al mijne vermaking, ik ware in mijnen druk al lang vergaan. 'Jà Ik zal uwe bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt. !)4 Ik ben uwe, behoud mij, want ik heb uwe bevelen gezocht. !)5 Do goddoloozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op uwe getuigenissen. 96 In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar uw gebod is zeer wijd. MEM. 97 Hoe liet' heb ik uwe wet! Zij is mijne betrachting don ganschon dag. 98 Zij maakt mij door uwe geboden wijzer, dan mijne vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij. 99 Ik ben verstandiger dan al mijne leeraars, omdat uwe getuigenissen mijne betrachting zijn. 100 Ik ben voorzigtiger dan do ouden, omdat ik uwe bevolen bewaard heb. 101 Ik heb mijne voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik uw woord zou onderhouden. 102 Ik bon niet geweken van uwe rogton, want Gij bobt mij geleerd. 103 Hoe quot; zoet zijn uwe redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijnen mond! ill's. 19: 11. Spr. 8:11. 104 Uit uwe bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden. NUN. 105 Uw woord is eene lamp voor mijnen voet, en een licht voor mijn pad. 106 quot; Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rogten uwer goregtig-heid. «Nch. 10:29. 107 Ik bon gansch zeer verdrukt, Heere ! maak mij levend naar uw woord. 108 Laat U toch, o Heere! welgevallen do vrijwillige offeranden mijns monds, on leer mij uwe rogten. 109 Mijne ziel is goduriglijk in mijne hand; nog-tans vergoot ik uwe wet niet. 110 Do goddoloozen hebben mij oenen strik gelegd ; nogtans ben ik niet afgedwaald van uwe bevelen. 111 Ik heb uwe getuigenissen genomen tot eene eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid. 112 Ik heb mijn hart geneigd, om uwe inzettingen eouwiglijk te doen, ten einde toe. |
SAMECH. 113 Ik haat do kwade ranken, maar hoh uwe wet lief. 114 Gij zijt mijne Schuilplaats en mijn Schild; op uw woord heb ik gehoopt. 115 Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik do geboden mijns Gods moge bewaren. 11(1 Ondersteun mij naar uwe toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijne hope. 117 Ondersteun mij, zoo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in uwe inzettingen vermaken. 118 Gij vertreedt al degenen, dio van uwe in-zottingon afdwalen, want hun bedrog is leugen. 119 Gij doet allo goddoloozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik uwe getuigenissen lief. 120 Het haar mijns vleeschos is to berge gerezen van verschrikking voor U, en ik hob gevreesd voor uwe oordoolon. AIN. 121 Ik heb rogt en gorogtigheid gedaan; gooi' mij niet over aan mijne onderdrukkers. 122 Wees borg voor uwen knecht ten goede; laat do hoovaardigon mij niet onderdrukken. 123 Mijne oogen zijn bezweken van verlangen naar uw heil, en naar de toezegging uwer regt-vaardigheid. 124 Doe bij uwen knecht naar uwe goodertieron-heid, en loer mij uwe inzettingen. 125 Ik ben uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal uwe getuigenissen kennen. 12(i Hot is tijd voor don Heere, dat Hij werke, want zij hebben uwe wet verbroken. 127 Daarom heb ik uwe geboden lief, meer dan goud, ja meer dan hot fijnste goud. 128 Daarom heb ik al uwe bevelen, van alios, voor rogt gehouden; maar allo valsche pad heb ik gehaat. PE. 129 Uwe gotuigonisson zijn wondorbaar, daarom bewaart zo mijne ziel. 130 quot; Do opening uwer woorden geeft licht, do slechten verstandig inakondo. «I's. 19:9. 131 Ik heb mijnen mond wijd open gedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar uwe geboden. 132 Zie mij aan, wees mij genadig, naar hot rogt aan dogenon, die uwen naam beminnen. 133 Maak mijne voetstappen vast in uw woord, en laat goono ongerogtigheid over mij hoorschen. 134 Verlos mij van dos inenschen overlast, en ik zal uwe bevolen onderhouden. 135 quot; Doe uw aangezigt lichten over uwen knecht, ou loer mij uwe inzettingen. «I's. 4:7. 136 Waterbeken vlieten af uit mijne oogen, omdat zij uwe wet niet onderhouden. TSADE. 137 Heere! Gij zijt rogtvaardig, on ulk een uwer oordooien is rogt. |
PSALM 119, 120, 121.
570
|
138 (lij liobt do goroytigheid uwer gotuiyonissen, on do waarheid hoogolijk gebodon. 139 Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijne wederpartijders uwe woorden vergoten hebben. 140 quot; Uw woord is zeer gelouterd, en uw knecht iioeft liet lief. a 2 Sam. 22:31. I's. 12:7. 18:31. Spr. 30:5. 141 Ik ben klein on veracht, doch uwe hevelen vergoot ik niet. 142 Uwe geregtigheid is geregtigheid in eeuwigheid , on uwe wet is do waarheid. 143 Benaauwdheid en angst hebben mij getroffen, (foc/i, uwe gebodon zijn inijiio vermakingen. 144 Do geregtigheid uwer getuigenissen is in dor eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zoo zal ik leven. KOPII. 145 Ik bon van ganscher harte geroepen : verhoor mij, o Heehe! ik zal uwe inzettingen bewaren. 140 Ik heb U aangeroepen, verlos mij, on ik zal uwe getuigenissen onderhouden. 147 quot; Ik ben do mori/cwschemering voorgekomen, on heb geschrei gemaakt; op uw woord heb ik gehoopt. «Ps. 5:4. 88:14. 130:6. 148 quot;Mijne oogen komen de nachtwaken voor, om uwe rede te betrachten. «Ps. 63:2, 7. 90:4. 149 Hoor inijiio stem naar uwe goedertierenheid, o Heere ! maak mij levend naar uw regt. 150 Die kwade praktijken najagen, genaken mij; zij wijken verre van uwe wet. 151 Maar Gij, Heere! zijt nabij, en al uwe gebodon zijn waarheid. 152 Van ouds heb ik geweten van uwe getuigenissen , dat Gij zo in eeuwigheid gegrond hebt. RESCII. 153 Zie mijne ellende aan, en help mij uit, want uwe wet heb ik niet vergeten. 154 Twist mijne twistzaak, on verlos mij; maak mij levend, naar uwe toezegging. 155 Hot heil is verre van do goddeloozen, want zij zoeken uwe inzettingen niet. 156 Heere! uwe barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar uwe regten. 157 Mijne vervolgers en mijne wederpartij ders zijn vele, maar vau uwe getuigenissen wijk ik niet. 158 Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij uw woord niet onderhielden. 159 Zie aan, dat ik uwe bevolen lief heb, o Heere! maak mij levend naar uwe goedertierenheid. 160 Het begin uws woords is waarheid, en in dor eeuwigheid is al het regt uwer geregtigheid. SCHIN. 161 Do vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart hooft gevreesd voor uw woord. |
162 Ik ben vrolijk over uwe toezegging, als een, die oenen grooten buit vindt. 163 Ik haat de valschheid, en heb er oenen gruwel van; maar uwe wet heb ik lief. 164 Ik loof U zevenmaal des daags, over de regten uwer geregtigheid. 165 Die uwe wet beminnen, hebben grooten vrede, en zij hebben geenon aanstoot. 166 O Heere! ik hoop op uw heil, en doe uwe geboden. 167 Mijne ziel onderhoudt uwe getuigenissen, on ik heb ze zeer liof. 168 Ik ondorhoude uwe bevelen en uwe getuigenissen, want al mijne wegen zijn voor U. THAU. 169 O Heere! laat mijn geschrei voor uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar uw woord. 170 Laat mijn smeeken voor uw aanschijn komen, red mij naar uwe toezegging. 171 Mijne lippen zullen uwen lof overvloodiglijk uitstorten, als Gij mij uwe inzettingen zult geleerd hebben. 172 Mijne tong zal spraak houden van uwe rede, want al uwe geboden zijn regtvaardighoid. 173 Laat uwe hand mij te hulp komen, want ik heb uwe bevolen verkoren. 174 O Heere! ik verlang naar uw heil, en uwe wet is al mijne vermaking. 175 Laat mijne ziel loven, en zij zal U loven, on laat uwe rogten mij helpen. 176 quot;Ik hob gedwaald als een verloren schaap; zoek uwen knecht, want uwe gebodon heb ik niet vergeten. «Jes. 53:6. Luk. 15:4, onz. PSALM 120. Een gcliod tegon 'do kwade tongen, of valscho lasteraars : alsmede cono klagt van don psalmist over de noodzakelijkheid, om met booze aiensehen to moeten omgaan. EEN lied Hammaalóth. Ik heb tot den Heere geroepen in mijne benaauwdheid, en Hij heeft mij verhoord. 2 quot; O Heere! red mijne ziel van de valscho lip-pen, van de bedriegelijke tong. a 1 Sam. 24 : 10. 26 : If). 3 Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen ? 4 quot;Scherpe pijlen eens magtigen, mitsgaders gloeijende jeneverkolen. a Ps. 11:2. 59:8. 5 O wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in do tenten Kedars wone! 6 Mijne ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede liaton. 7 Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog. PSALM 121. Ão profeet beschrijft zijn vast vertrouwen op den Heere, die hom bewaarde voor allo kwaad. |
PSALM 121, 122, 123, 124, 125, 126, 127.
571
|
EEN liod Ilaniinaalóth. Ik lief mijne oogen op naar de bergen, van waar mijne hulp komen zal. 2 Mijne hulp is van don Heere, dio hemel en aarde gemaakt hoeft. 3 Hij zal uwen voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren. 4 Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen. 5 De Heere is uw Bewaarder, de Heere is uwe Schaduw, aan uwe regterhand. G Do zon zal u dos daags niet stoken, noch de maan des nachts. 7 De Heere zal u bewaren van allo kwaad; uwo ziel zal Hij bewaren. 8 De Heere zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid. PSALM 122. David verblijdt zich over dcu wolstand van Oods huis of Kerk te .lerüzideni, wenschende dat zulks lang moge duren. EEN lied Hammaalóth, van David. Ik verblijde mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des Heeren gaan. 2 Onze voeten zijn staande in uwe poorten, o Jeruzalem! 3 Jeruzalem is gebouwd, als eene stad, dio wel zamengevoegd is. 4 Waarheen de stammen opgaan, de stammen des Heeren, tot de getuigenis Israels, om den naam des Heeren te danken. 5 Want daar zijn do stoelen des gerigts gezet, de stoelen van het huis van David. 0 Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen. 7 Vrede zij in uwe vesting, welvaren in uwe paleizen. H Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u! i) Om des huizes dos Heeren, onzes Gods wil, zal quot; ik hot goede voor u zoeken. a Neh. 2 :10. PSALM 123. De profeet verklaart zijn geduldig vertrouwen op den lleere, niet bede, om te mogen verlost worden van de bespotting der opgeblazonen. EEN lied Hammaalóth, quot; Ik hef mijne oogen op tot U, dio in de hemelen zit. a I's. 115:3. 2 Zie, gelijk do oogen der knechten zijn op do hand hunner heeren; gelijk do oogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzoo zijn onze oogen op den Heere, onzen God, totdat Hij ons genadig zij. 3 Zijt ons genadig, o Heere! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat. 4 Onze ziel is veel te zat des spots der weel-digen, der verachting der hoovaardigen. PSALM 124. De profeet roemt de groote weldaad van Crod, aan zijne gemeente bewezen, door haar te verlossen uit het zigtbaar gevaar harer magtige vijanden. |
EEN liod Hammaalóth, van David. Ten ware do Heere, die bij ons geweest is, zegge nu Israël; 2 Ten ware de Heere, die bij ons geweest is, als do menschen tegen ons opstonden: 3 Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak. 4 Toen zouden ons de wateren overloopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn. 5 Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn. (1 De Heere zij geloofd , die ons in hunne tanden niet heeft overgegeven tot eenen roof. 7 quot;Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen. aSpr. (5:5. 8 quot;Onze hulp is in den naam des Heeren, die hemel en aarde gemaakt hooft. a Ps. 121:2. PSALM 125. Do vastigheid dergenen, die op den Heere vertrouwen; bede voor de godzaligen en togen de goddeloozen. EEN lied Hammaalóth. Die op den Heere vertrouwen, zijn als de berg Zion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid. 2 Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzoo is de Heere rondom zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid. 3 Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op liet lot dor regtvaardigen; opdat do regt-vaardigen hunne handen niet uitstrekken tot onregt. 4 Heere! doe don goeden wel, en dengenen, die opregt zijn in hunne harten. 5 Maar die zich neigen tot hunne kromme wegen, die zal do Heere weg doen gaan mot de werkers der ongeregtigheid. Vrede zal over Israël zijn! PSALM 12ü. Do gemeente dankt God voor hare wonderbare verlossing uit, de babylonisehe gevangenis, biddende, dat llij zijn werk wil volbrengen. EEN liod Hammaalóth. Als do Heere do gevangenen Zions woderbragt, waren wij gelijk degenen, dio droomen. 2 quot;Toon werd onze mond vervuld met lagchon, en onze tong mot gejuich; toon zeide men onder de Heidenen: Do Heere heeft groote dingen aan dezen gedaan. «Job S;'_M. 3 De Heere hoeft groote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd. 4 O Heere! wend onze gevangenis, gelijk wator-stroomen in het zuiden. 5 Die met tranen zaaijen, zullen mot gejuich maaijen. (! Die liet zaad draagt, dat men zaaijen zal, gaat al gaande en weenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijne schoven. PSALM 127. Deze Psalm leert, dat alle welstand, beide in steden en huisgezinnen, van den zegen dos Heeren komt, en dat goede kinderen een geschenk van Ood zijn. |
|
572 PSALM 127, 128, EEN lied llammaiilutli, van Salomo. Zoo do Heeue het huis niot bouwt, to vorgeofs arboidon deszolfs bonwliodon daaraan; zoo do IIeehe do stad niot bowaart, to vorgoofs waakt de wachtor. 2 Het is te vergeefs, dat gijlieden vroog opstaat, laat opblijft, oet brood dor smarten; het is alzoo, dat Hij het zijnen beminde als in den slaap geeft. 3 Ziet, de kindoren zijn een erfdeel des Heeren; des bniks vrucht is oono bolooning. -I Gelijk do pijlen zijn in de hand eons holds, zoodanig zijn do zonen der jeugd. 5 Welgelukzalig is do man, die zijnen pijlkoker met dezelve gevuld hooft; zij zullen niot beschaamd worden, als zij mot do vijanden sproken zullen in do poort. PSALM 128. Dc profeet verhaalt in dozen Psalm do gelukzaligheid en zegen dergenen, die den llecro vreezon. EEN lied Hammaalöth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den IIeere vreest, die in zijne wegen wandelt. 2 Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, on hot zal u welgaan. 3 Uwe huisvrouw zal wezen als oen vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uwe kinderen als olijfplanten rondom uwe tafel. 4 Ziet, alzoo zal zekerlijk die man gezegend worden, die don IIeere vreest. 5 De Heere zal u zogenon uit Zion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens; (i En gij zult uwe kindskinderen zien. Vrede over Israël! PSALM 129. Do verdrukkingen Israels, of dor gemeente Gods, zijn velerlei; maar God helpt hen nit die allen en verdelgt hunne vijanden. EEN lied Hainmaalóth. Zij hebben mij dikwijls benaauwd van mijne jeugd af, zegge nu Israël; 2 Zij hebben mij dikwijls van mijne jeugd af benaauwd; evenwel hebben zij mij niot overinogt. :i Ploegers hebben op mijnen rug geploegd; zij hebben hunne voren lang getogen. â¢1 De Heere, die regtvaardig is, hoeft de touwen der goddeloozon afgehouwen. 5 Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen, die Zion haten. (1 quot; Laat hen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt; a Job 8 : 12. 40 : 10. 7 Waarmede do maaijor zijne hand niot vult, noch de garvenbindor zijnen arm; 8 En dio voorbijgaan, niot zeggen: De zogen dos Heeren zij bij u! Wij zegenen ulieden in den naam des Heeren. |
129, 130, 131, 132. PSALM 130. Deze Psalm is een hartgrondig gebed van een godzalig mensch , zeer beroerd zijmie van woge zijne zonden , vertrouwende nogtans zeker, dat God hem die zal vergeven; vermanende ook Israël, urn up den IIeere te hopen. EEN lied Hammaalöth. Uit de diepten roep ik tot U, o Heere! 2 IIeere! hoor naar mijne stem; laat uwe ooron opmerkende zijn op de stom mijner smookingen. 3 quot;Zoo Gij, Heere! do ongeregtighedon gadeslaat; Heere! wie zal bestaan? «I's. 143:2. 4 Maar quot; bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. a 2 Sam. 24 :14. 5 quot;Ik verwacht don Heere, ''mijne ziel verwacht, en ik hoop op zijn woord. a Ps. 27 : 14. Hal.. 2:3. b Ps. 40 : 2. G quot;Mijne ziel wacht op don Heere, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op don morgen. a Ps. 5:4. 119 : 147. 123 : 1, 2. 7 Israël hope op don IIeere: want bij don Heere is goedertierenheid, en bij Hom is veel verlossing. 8 En Hij zal Israël verlossen van al zijne ongo-regtigheden. PSALM 131. David betuigt zijne ootmoedigheid, vermanende Gods Kerk tot vertrouwen op God. EEN lied Hammaalöth, van David. O Heere! quot;mijn hart is niot verheven, en ''mijne oogen zijn niot hoog; ook heb ik niot gewandeld in dingen mij to groot en te wonderlijk. a 2 Kron. 32 : 25, Spr. KJ: 5. h Ps. 101 : 5, Spr, 0:17. 2 Zoo ik mijne ziel niet heb gezet en stil go-houden, gelijk een gespeend kind bij zijne moedor ! mijne ziol is als oen gespeend kind in mij, 3 Israël hope op den Heere van nu aan tot in der eeuwigheid, PSALM 132, Davids zorg betreffende het brengen der Ark binnen Jeruzalem, alsmede zijn gebod daarover gedaan, met verhaal van den eed en de beloften, die God aan David en zijne Kerk gedaan heeft, aangaande het eeuwig koningrijk van Christus, EEN lied Hammaalöth, O Heere! gedenk aan David, aan al zijn lijdon; 2 Dat hij den Heere gezworen heeft, den Mag-tigo Jakobs gelofte gedaan heeft, zegyende: 3 quot; Zoo ik in do tent mijns huizes inga, zoo ik op de koets van mijn bed klimme! al Kron. 15: I, 4 Zoo ik mijnen oogen slaap geve, mijnen oogloden sluimering; 5 Totdat ik voor don Heere oono plaats gevonden zal hebben, woningen voor don Magtige Jakobs! (5 Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha ; wij hebben haar gevonden in de volden van Jaar, 7 Wij zullen in zijne woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank zijner voeten. 8 Sta op, Heere! tot uwe rust, Gij on de ark uwer sterkte! |
|
!) Dat uwe priesters bekleed worden met gereg-tigheld, en dat uwe gunstgenooten juichen. 10 Weer het aangezigt uws Gezalfden niot af, om Davids uws knechts wil. 11 De Heere heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niot wijken zal, quot; zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uwen troon zotten. a 2 Sam. 7:12. 1 Kon. 8 : 25. 2 Kron. (1: l(i. Luk. 1 : 09. 12 Indien uwe zonen mijn verbond zullen houden, en mijne getuigenissen, die Ik hun loeren zal; zoo zullen ook hunne zonen tot in eeuwigheid op uwen troon zitten. 13 Want do heere heeft Zion verkoren. Hij heeft het begeerd tot zijne woonplaats, zeggende; 14 quot;Dit is mijne rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb zo begeerd. a Ps. G8 :17 en bov. vers 8. 15 Ik zal haren kost rijkelijk zegenen, hare nood-druftigon zal Ik met brood verzadigen. Ui En quot; hare priesters zal Ik niet heil bekleeden, en hare gunstgenooten zullen zoor juichen. 2 Kron. 0:41. 17 quot; Daar zal Ik David oenen hoorn doen uitspruiten; Ik hob voor mijnen Gezalfde oene lamp toogerigt. «Luk. 1:09. 18 Ik zal zijne vijanden met schaamte bekleeden ; maar op hem zal zijne kroon bloeijen. PSALM 133. David roomt zoor hoog do broederlijke gomoonschap dor geloovigon. EEN lied Hammaalóth, van David. Ziet, hoo goed en hoe liefelijk is hot, dat broeders ook zanienwonen! 2 Het is, gelijk de kostelijke olie op hot hoofd, nederdalende op don baard, den baard van Aaron; die nederdaalt tot op den zoom zijner kleederen. 3 Hot is gelijk de dauw van Hormon, en die nederdaalt op de bergen van Zion: want de Heere gebiedt aldaar don zegen en hot loven tot in der eeuwigheid. PSALM 134. Do psalmist vermaant de priesters on Levieten, om (Jod te loven en voor de gemoento te bidden. EEN lied Hammaalóth. Ziet, looft den Heere, allo gij knechten des Heeren! gij, die allou nacht in hot huis dos Heeren staat. 2 Heft uwe handen op naar het heiligdom, en looft don Heere. 3 De Heere zegono u uit Zion, Hij, die den hemel on do aarde gemaakt heeft. PSALM 135. Do dienaren des Hoeren worden vermaand, (rod to loven voor üijno goedertierenheid en almagt, die Hij Israël hoeft bewezen, mot tegenstelling van do ijdelheid en dwaasheid dergonen, die afgoden maken en daarop vertrouwen. HALELUJAH! Prijst den naam dos Heeren, prijst Hem, gij knechten des Heeren! |
573 2 Gij, die staat in hot huis dos Heeren, in do voorhoven van het huis ouzos Gods! 3 Looft don Heere, want do Heere is goed; psalmzingt zijnen naam, want Hij is liefelijk. 4 Want de Heere heeft zich Jakob vorkoren, Israël quot; tot zijn eigendom, a Ex. 19:5. Deut. 7 : 0. Tit. 2:11. I Petr. 2:9. 5 Want ik weet, dat de Heere groot is, en dat onze Heere boven allo goden is. 0 Al wat don Heere behaagt, dool Hij, in do hemelen, en op do aarde, in do zeeën en alle afgronden. 7 Hij quot; doet dampen opklimmen van hot einde der aarde; Ilij maakt do bliksemen met den regen; Hij brengt don wind uit zijne schatkamoren voort. a Jer. 10 : 13. 51:10. 8 quot; Die do eerstgeborenen van Egypte sloeg, van den mensch af tot hot vee toe. a Ex. 12:12, 29. Ps. 78 : 51. 9 quot; Hij zond tookenen en wonderen in hot midden van u, o Egypte! togen Faraö en togen al zijne knechten. «Ex. 7, 8, 9, 10, 14. 10 Die vele quot; volken sloeg, on magtige koningen doodde : n Joz. 12. 11 Sihon, den koning dor Amorieten, en Gg, den koning van Hasan; on al de koningrijken van Kanaiin. 12 quot; En Hij gaf hun land ten erve, ten erve aan zijn volk Israël. a Ps. 78:55. 13 O Heere! uw naam is in eeuwigheid; Heere! quot; uwe gedachtenis is van geslacht tot geslacht. a Ps. 102 : 1 :i. 14 quot; Want de Heere zal zijn volk rigton, en het zal Hom berouwen over zijne knechten. a Dent. 32 : 30. 15 quot; Do afgoden der Heidenen zijn zilver en goud, oen werk van menschonhanden. a Ps. 115:4, onz. 10 Zij hebben oenen mond, maar spreken niot; zij hebben oogon, maar zion niot; 17 Ooron hebben zij, maar hooron niet; ook is er geen adem in hunnen mond. 18 Dat die zo maken, hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt. 19 Gij huis Israëls! looft don Heere; Gij huis Aarons! looft den Heere. 20 Gij huis van Levi! looft den Heere; gij, die don Heere vreest! looft den Heere. 21 Geloofd zij do Heere uit Zion, die te Jeruzalem woont. Halelujah! PSALM 136. Do psalmist vermaant allo geloovigon tot lof on dankzegging aan God, van wego zijne goedertierenhoid, magt on wijsheid, zigtbaar in do schopping der wereld, verlossing van Israël uit Egypte en volo andere weldaden. LOOFT don Heere, want Hij is goed: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 2 Looft don God der goden: want zijno goedertierenheid is in dor eeuwigheid. PSALM 1152, 133, 134, 135, 136. |
|
574 :t Looft den Ilocro der heeren: want zijne goe-dertierenheid is in der eeuwigheid. 4 Dien, die alleen groote wonderen doet: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 5 Dien, quot;die de hemelen met verstand gemaakt heeft: want zijne goodertierenheid is in der eeuwigheid. a Oen. 1:1. (1 quot; Dien , die de aarde op het water uitgespannen heeft: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. rt Ps. 24:2. 7 Dien, quot;die de groote lichten heeft gemaakt: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. a (ion. 1:14. 8 quot;Do zon tot heerschappij op den dag: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. a Gen. 1 : l(i. !) De maan en sterren tot heerschappij in den nacht: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 10 quot;Dien, die do Egyptenaren geslagen heeft in hunne eerstgeborenen: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. «Ex. 12:29. I's. 78: II!, 51. 11 En heeft Israël quot;uit het midden van hen uit-gebragt: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. «Ex. 12:31, 51. 13:3, 17. 12 Met eenc sterke hand, en quot;niet oenen uitge-strekten arm: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. a Ex. G:5. 13 Hem, quot;die do Schelfzee in doelen deelde: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. «Ex. 14 : 21, 22. Ps. 78 : 13. 14 En voerde Israël door het midden van dezelve: want zijne goedertierenheid is in dor eeuwigheid. 15 quot; llij heeft Farao met zijn heir gestort in do Scholfzee: want zijne goodertierenheid is in dor eeuwigheid. «Ex. 14:24. 16 quot;Die zijn volk door do woestijn geleid hoeft: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. a Ex. 15, 16, 17, 10. Ps. 78:53. 17 quot;Die groote koningen geslagen hoeft; want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. a Num. 21 : 24, 25, 34, 35. Joz. 12: 1. Ps. 135: 10, 11. 18 En heeft heerlijke koningen gedood: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 1!) Sihon, don amorietischen koning: want zijne goedertierenheid is in dor eeuwigheid. 20 quot;En Og, don koning van Basan: want zijne goedertierenheid is in dor eeuwigheid. a Uont. 3:1, enz. 21 En hooft hun land quot; ton erve gegeven: want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. a Joz. 12:6. 22 Ten erve aan zijnen knecht Israël: want zijne goodertierenheid is in der eeuwigheid. 23 Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid : want zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. 24 En Hij heeft ons onzen togonpartijdors ontrukt: want zijne goedertierenheid is in dor eeuwigheid. |
25 Dio allen vleesch spijs geeft: want zijne goedertierenheid is in dor eeuwigheid. 26 Looft den God des hemels: want zijne goedor-tiorenheid is in dor eeuwigheid. PSALM 137. Eono bedroefde klngt dor .loden in Rabol over het beschimpen on bespotten van hunne vijundon, dio van hen vrolijke gezangen eischten; hunne bestendige hope op God, mitsgaders een vloek over Edora en Babel. AAN do rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Zion. 2 Wij hebben onze harpon gehangen aan de wilgen, die daarin zijn. 3 Als zij, die ons aldaar gevangen hielden, de woorden eens lieds van ons begeerden, en zij, quot;die ons over hoop geworpen hadden, vreugd, zegejende: Zingt ons een van de liederen Zions. a Ps. 79:1. 4 Wij zeiden: Hoe zouden wij oen lied dos IIeeren zingen in een vreemd land? 5 Indien ik u vergoot, o Jeruzalem! zoo ver goto mijne regtorhand zich zelve! 6 Mijne tong klevo aan mijn gehemelte, zoo ik aan u niet godenke, zoo ik Jeruzalem niet ver-heffe boven het hoogste mijner blijdschap! 7 IIeere! quot;gedenk aan do kinderen van Edom, aan den dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot zo, ontbloot ze, tot haar fondament toe! fflJor. 40 : 7. Ezec. 25 : 12. 8 O dochter van Babel! die verwoest zult worden, quot; welgelukzalig zal hij zijn, die u uwe misdaad vergelden zal, die gij aan ons misdaan hebt. a Jor. 50: 15, 29. Openb. 18:6. 9 Weigelukkig zal hij zijn, die uwe kinderkous grijpen, en aan do steenrots verpletteren zal. PSALM 138. David looft God van wogo zijne goodiioid en waarheid aan hom bewezen, profeterende dat do koningen der aarde den Heere zullen loven, met belijdenis der vrucht van zijn vertrouwen op God. EEN psalm van David. Ik zal U loven met mijn geheele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen. 2 Ik zal mij nederbuigen naar hot paleis uwer heiligheid, en ik zal uwen naam loven, om uwe goedertierenheid en om uwe waarheid: want Gij hebt van wogo uwen ganschen naam uw woord groot gemaakt. 3 Ten dage, ais ik riep, zoo hebt Gij mij verhoord; Gij hebt mij versterkt mei kracht in mijne ziel. 4 Alle koningen dor aarde zullen U, o Heere! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben do redenen uws monds. 5 En zij zullen zingen van do wegen des Heeren, want de heerlijkheid des Heeren is groot. 6 Want de Heere is hoog, quot; nogtans ziet Hij den nederige aan, en den verhovono kent Hij van verre. a Ps. 113:6, 7. 7 Als ik wandel in hot midden der benaauwd- PSALM 1SG, m, ins. |
PSALM 138, 139, 140, 141.
575
|
heid, maakt Gij mij lovend; uwe hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en uwe regterhand behoudt mij. 8 De He ere zal hot voor mij voleinden; uwe goedertierenheid, Heeue ! is in eeuwigheid; en laat niet varen de werken uwer handen. PSALM 139. David roemt en prijst Gods alwetende en overalom-tegenwoordige voorzienighoid; en dio voorzorg over hom oor lii] was; verder verklaart hij, dat liij mot do boozen on goddeloozou geeno gomeonschnp wil liebbon, liotuigcndo eindelijk zijne oprogthoid. EEN psalm van David, voor den opperzang-meester. He ere! Gij doorgrondt en kent mij. 2 Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijne gedachten. 3 Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijne wegen gewend. 4 Als er nog geen woord op mijne tong is, zie, Heere ! Gij weet het alles. 5 Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet uwe hand op mij. (I De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij. 7 Waar zou ik heengaan voor uwen Geest? en waar zoude ik heenvlieden voor uw aangezigt? 8 quot;Zoo ik opvoer ten hemel. Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar. n .lob 20: G. Amos 9:2, 3, 4. Ilebr. 4 :13. 9 Nam ik vleugelen dos dageraads, woonde ik aan hot uiterste der zee; 10 Ook daar zou uwe hand mij geleiden, en uwe regterhand zou mij houden. 11 Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht oen licht om mij. 12 Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar do nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht. 13 Want Gij bezit mijne nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt. 14 Ik loof U, omdat ik op eeno heel vreesselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn uwe werken! ook weot het mijne ziel zeer wel. 15 quot; Mijn gebeente was voor U niet verholen, quot;als ik in het verborgene gemaakt ben, cn als een borduursel gewrocht ben, in de nadorste deelen der aarde. a Job 10:8, 10. h l'rod. 11:5. 16 Uwe oogen hebben mijnen ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was. 17 Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, uwe gedachten! hoe magtig vele zijn hare sommen! 18 Zoude ik ze tellen? barer is meer, dan dos zands; word ik wakker, zoo ben ik nog bij U. 19 O God! dat Gij den goddelooze ombragt! en gij mannen des bloeds, wijkt van mij! 20 Die van U schandelijk spreken, en uwe vijanden ijdelijk verheffen. |
21 Zonde ik niet haten, Heere! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan? 22 Ik haat hen met volkomen' haat, tot vijanden zijn zij mij. 23 quot;Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijne gedachten. a Job 31 : 0. I's. 20 : 2. 24 En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg. PSALM 140. David bidt met oen vast vertrouwen op don llooro, om verlossing van do kwade mensohen; biddende ook om de straf dor lasteraars, mot zeker vertrouwen op Gods regtvaardighoid. EEN psalm van David, voor don opperzang-meester. 2 Red mij, Heere! van den kwaden mensch; behoed mij voor den man alles gewelds; 3 Die veel kwaads in het hart denkeu, allen dag zamenkomen om te oorlogen. 4 Zij scherpen hunne tong, als eene slang; quot; heet addervergift is onder hunne lippen. Sela. a I's. 58 : 5. Kom. 3 : 13. 5 Bewaar mij, Heeue! van do handen dos god-deloozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijne voeten denken weg te stooten. (i De hoovaardigen hebben mij eenon strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; quot; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela. n Jor. 18:22. 7 Ik heb tot den Heere gezegd: Gij zijt mijn God; neem ter oore, o Heere! de stem mijner smeekingen. 8 Heere, Heere, Sterkte mijns hoils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening. 9 Geef, Heere! do begeerten des goddeloozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela. 10 Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke hen. 11 Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan. 12 Een man van kwade tong zal op do aarde niet bevestigd worden; een boos man des gewelds, dien zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is. 13 Ik weet, dat do Heere de regtzaak des ol-lendigen, en het rogt der nooddruftigen zal uitvoeren. 14 Gewisselijk de regtvaardigen zullen uwen naam loven; de opregten zullen voor uw aangezigt blijven. PSALM 141. David begeert van God, dat Hij hom vorbooro, Irooste en zijn geweten rein beware; verklarende dat hem de boKtrafflngon dor vromon aangenaam zijn, bidt hij mot oen vast vertrouwen, om straf over zijne wreedo vijanden. |
PSALM 141, 142, 143, 144.
570
|
EEN psalm van David. Heere! ilc roop U nan, haast U tot mij; noem mijno stem ter oore, als ik tot U roep. 2 quot; Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezigt, de opheffing mijner handen als het avondoffer. a Ex. 29:30. Openb. 5:8. 8:3. 3 IIeere! zet eene wacht voor mijnen mond, behoed de deur mijner lippen. 4 Neig mijn hart niet tot eene kwade zaak, om eenigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongeregtigheid werken; en dat ik niet ete van hunne lekkernijen. 5 De regtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn; en hij bestraffe mij, het zal olie des iioofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken: want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hunne tegenspoeden. (i Hunne regters zijn aan de zijde der steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijne redenen, dat zij aangenaam waren. 7 quot; Onze beenderen zijn verstrooid aan don mond dos grafs, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had. a Ezec. 37:1, 11, 12. 8 Doch op U zijn mijne oogen, Heere, lleere! op U betrouw ik, ontbloot mijne ziel niet. 11 Bewaar mij voor het gewold des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van do werkers der ongeregtigheid. 10 Dat de goddeloozen, elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan. PSALM 142. David, voor Sanl gevlngt zijnde en zich in oone spelonk verborgen hebbende, ids zijn goes! in hom overstelpt was, riep den Heere aan oin hulp. EENE onderwijzing van David, eon gebod, als hij in de spelonk was. 2 Ik riep met mijne stem tot den Heere; ik smeekte tot den Heere met mijne stem. 3 Ik stortte mijne klagt uit voor zijn aangezigt; ik gaf to kennen voor zijn aangezigt mijne bo-naauwdheid. 4 quot;Als mijn geest in mij overstelpt was, zoo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij oenen strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou. a I's. 77 : 4. 5 Ik zag uit ter regterhand, en ziet, zoo was or niemand, dio mij kendo, or was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijne ziel. (i Tot U riep ik, o Heere! ik zoido: (lij zijt mijne Toevlugt, mijn quot;Deel in het land der levenden. a I's. 10:5. 7 Lot op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd, quot;red mij van mijno vervolgers, want zij zijn magtiger dan ik. « Ps. 41:2. 7!): 8. 110:0. 8 Voer mijne ziel uit do gevangenis, om uwen naam te loven; de regtvaardigen zullen mij omringen , wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben. |
PSALM 143. David van zijne vijanden zwaar vervolgd en beangst zijnde, bidt zeer vnrig om haastige verlossing on nnderrigting in do wegen dos Heoron, alsmodo om het verderf zijner vijanden. EEN psalm van David. o Heere! hoor mijn gebod, neig de ooren tot mijne smeekingen; verhoor mij naar uwo waarheid, naar uwe geregtigheid. 2 En ga niet in hot gerigt met uwen knecht: quot; want niemand, die loeft, zal voor uw aangezigt regtvaardig zijn. a Rom. 3, 4. (lal. 3, 4. 3 Want do vijand vervolgt mijne ziel, hij vertreedt mijn loven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen , die over lang dood zijn. 4 Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij. 5 quot;Ik gedenk aan do dagen van ouds; ik overleg al uwe daden; ik spreek bij mij zolven van de werken uwer handen. « Ps. 77:0, 11. (i Ik breide mijne handen uit tot U; mijne ziel is voor U als een dorstig land. Sela. 7 Verhoor mij haastelijk, Heere! mijn geest bezwijkt; verberg uw aangezigt niet van mij: want ik zou gelijk worden dengenen, die in den kuil dalen. 8 Doe mij uwe goedertierenheid in den morgon-1 stond hooren, want ik betrouw op U; maak mij bekend don weg, dien ik to gaan heb, quot; want ik hef mijne ziel tot U op. «I's. 25:1. 9 Red mij, IIeere! van mijne vijanden; bij U schuil ik. 10 Leer mij uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God! uw goede Geest geleide mij in een effen land. 11 O Heere! maak mij lovend, om uws naams wil; voer mijne ziel uit de benaauwdheid, om uwe geregtigheid. 12 En roei mijne vijanden uit, om uwe goedertierenheid, en breng hen om, allen, die mijne ziol beangstigen, quot;want ik ben uw knecht. «I's. 80: 10. 110:10. PSALM 144. David dankt God voor den zegon, hom in den krijg en in do regering van het volk verleend; belijdondo tevens zijne en aller menschen nietigheid; hij bidt, dat God hem mot kracht vorlosso nit zijne grooto benaauwdhodon, belovende don llooro voor zijne zegeningen te zullen loven. KEN psalm, van David. Gezegend zij de Heere, mijn Rotssteen, quot;die mijne handen onderwijst ten strijde, mijne vingeren ten oorlog; a 2 Sam. 22:35. Ps. 18:35. 2 Mijne Goedertierenheid en mijn Burg, mijn hoog Vertrek en mijn Bevrijder voor mij, mijn Schild, en op wien ik mij betrouwe; quot; die mijn volk aan mij onderwerpt! a2Sam.22:48. Ps. 18:48. 3 O IIeere! quot;wat is de mensch, dat Gij hem kont, het kind des menschen, dat Gij het acht? a Job 7:17. Ps. 8 : 5. 31 : 8. Hebr. 2 : 0. |
PSALM 144, 145, 140.
577
|
4 De quot; mensch is dor ijdelhoid gelijk; zijuo dagon zijn b als eeno voorbijgaande schaduw. a Ps. 30:0. 02:10. 6 Job 8:9. 14:2, 3. Ps. 102:12. 5 «Neig uwe hemelen, Heere! en daal neder; ''raak de bergen aan, dat zij rooken. «Ps. 18: 10. //Ps. 18:8. 104:32. (i quot; Bliksem bliksem , en verstrooi hen , 11 zend uwe pijlen uit, en verdoe hen. a 2 Sam. 22:8. Ps. 18:15. /) 1 Sam. 7 :10. 7 Steek uwe handen van do hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit do groote wateren, uit de hand der vreemden; 8 Welker mond leugen spreekt, en hunne regter-hand is eone regterhand der valschheid. 9 O God! ik zal U oen nieuw lied zingen; niet de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen. 10 Gij, die den koningen overwinning geeft, die zijnon knecht David ontzet van het booze zwaard ; 11 Ontzet mij on red mij van do hand dor vreemden, welker mond leugen spreekt, en hunne regterhand is eone regterhand der valschheid. 12 Opdat onze zonen zijn als planton, welke groot geworden zijn in hunne jeugd; onze dochters als hooksteonen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis. 13 Dat onze winkelen vol zijnde, den oenen voorraad na don andoren uitgeven; dat onze kudden hij duizenden worpen ,ja bij tien duizenden op onze hoeven vermenigvuldigen. 14 Dat onze ossen wel geladen zijn; dat geono inbreuk, noch uitval, noch gokrijsch zij op onze straten. 15 Welgelukzalig is hot volk, dien hot alzoogaat; wolgelukzalig is liet volk, wiens God de IIeeueIs. PSALM 145. David roomt God ton aanzien van zijne grootheid, mogendheid, heerlijkheid om vroosselijke dadon; al mede over /.ijno goedheid, geregtigheid on bannhai-tigheid, en zijn eeuwig koningrijk, zijne goedgunstigheid en zorg over allen; maar inzonderheid over degenen, die Hem vroezen en aanroepen. EEN lofzang van David. Aleph. O mijn God, Gij Koning! ik zal II ver-hoogen, eu uwen naam loven in eeuwigheid en altoos. 2 Ucfh. Te allen dage zal ik U loven, en uwen naam prijzen in eeuwigheid en altoos. 3 Glmel. quot; Do Hhere is groot en zeer te prijzen, on h zijne grootheid is ondoorgrondelijk. a Ps. 18:4. 150:2. h Jol) 5: 0. 4 Daleth. quot; Geslacht aau geslacht zal uwe werken roemen; en zij zullen uwe mogendheden verkondigen. a Dent. 4 :!). fi: 7. 5 He. Ik zal uitsproken do heerlijkheid dor eer uwer majesteit, ou uwe wonderlijke dadon. (i Vau. En zij zullen vermelden do kracht uwer vroosselijke daden; en uwe grootheid, die zal ik vertellen. |
7 Zain. quot; Zij zullen do gedachtenis der grootheid uwer goedheid overvloediglijk uitstorten, on zij zullen uwe geregtigheid mot gejuich verkondigen. o Ps. 110 :171. 8 Cheth. quot;Genadig en barmhartig is de Heere, laugmoedig en groot van goedertierenheid. «Ex. 34:0, 7. Num. 14: 18. I's. 80: 15. 103:8. 9 Teth. De Heere is aan allen goed, en zijne barmhartigheden zijn over al zijne werken. 10 ,Jod. Al uwe werken, Heere! zullen Uloven, en uwe gunstgonooten zullen IJ zegenen. 11 Caph. Zij zullen de heerlijkheid uws koningrijks vormeidon, en uwe mogendheid zullen zij uitsproken. 12 Lamed. Om des menschen kinderen bekend te maken zijne mogendheden, en do eer der heerlijkheid zijns koningrijks. 13 Mem. Uw koningrijk is een koningrijk van alle eeuwen, en uwe heerschappij is in alle geslacht en geslacht. 14 Sameoh. De Heere ondersteunt allen, dio vallen, en Hij rigt op alle gebogenen. 15 Ain. Aller quot; oogen wachten op U; en Gij geeft hun hunne spijs te zijner tijd. a I's. 104 : 27. 10 Fe. Gij doet uwe hand open, en verzadigt al wat er looft, naar uw welbehagen. 17 Tsa.de. Do Heere is regtvaardig in al zijne wegen, en goedertieren in al zijne werken, 18 Koph. Do Heere is nabij allen, die Hom aanroepen, allou, die Hem aanroepen in der waarheid. 19 Resch. Hij doet hot welbehagen dorgeuon, die Hem vroezen, on Hij hoort hun geroep, en verlost hen. 20 Schin. Do Heere bewaart al degenen, die Hem liefhebben, maar Hij verdelgt allo godde-loozon. 21 Than. Mijn mond zal den prijs des Heeren uitsproken, en alle vloesch zal zijnen heiligen naam loven in der eeuwigheid en altoos. PSALM 140. Do psalmist verwekt zich zeiven tot lof dos Hoeren, mot vermaning om zich niot te verlaten op menschen , maar op God, die alleen almagtig is on getrouw, die helpt, troost on oenwig regeert. HALELUJAH! O mijne ziel! prijs don Heere. 2 Ik zal don Heere prijzen in mijn leven; ik zal mijnen God psalmzingen, terwijl ik nog ben. 3 quot;Vertrouwt niot op prinsen, op dos menschen kind, bij hetwelk geen heil is. aPs. 118:8. 9. 4 Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijne aarde; te dienzolven dage vergaan zijne aanslagen. 5 Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijne hulp hooft, wiens verwachting op den Heere, zijnen God, is; 0 Die den hemel en do aarde gemaakt heeft, de zoo en al wat in dezelve is; dio trouwe houdt in der eeuwigheid. 7 Dio den verdrukte regt doet, die den hongerige brood geeft; de Heere maakt de gevangenen los. 8 quot; Do Heere opent de ooyen der blinden; do 37 !â ⢠li \\\\ ' fi i m\ ül 'r li |
PSALM 140, 147.
578
|
Heere ''riyt do }gt;obogonen op; tlo IIeeue lioeft do regtvaardigon liof. a Matt. !);3U. Joh. 0:7,32. I) Vs. 145: 14. 147:3. Luk. 13: 13. 0 Do Heere bewaart do vroemdelingen; Hij lioudt don woos on do weduwo staande; maar dor goddeloozon wog koert Hij om. 10 quot; Do Heere zal in eeuwigheid regeren; uw God, o Zion! is van geslacht tot geslacht. Halolujah! a Ex. 15: IS. Ps. 145:13. PSALM 147. Do profeet vermaant hot volk, om Gods naam groot te maken, zoo van wego zijne zorg over zijne Kerk, als nok zijne wijsheid, magt, genade en regering over alios, tot zijns naams lof on dor geloovigen zaligheid. |
8 quot;Die do liomelen mot wolken bedekt, die voor de aarde regen bereidt; '' die het gras op do bergen doet uitspruiten; «Hos. 2:20, 21. h Job 38:20, 27. Ps. 104: 14. 9 Die het vee zijn voeder geeft; aan do jonge raven, als zij roepen. 10 Hij hooft geen' lust aan do sterkte des paards; Hij heeft geen welgevallen aan do beonon des mans. 11 Do Heere hoeft een welgevallen aan hen, die Hem vreezen, die op zijne goedertierenheid hopen. 12 O Jeruzalem! roem don Heere; o Zion! loof uwen God. 13 Want Hij maakt de grendelen uwer poorten sterk; Hij zegent uwe kinderen binnen in u. |
|
LOOPT den Heere, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; quot;de lof is betamelijk. a I's. 33 : 1. 2 De Heere bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israels verdrevenen. 3 Hij geneest de gebrokonen van hart, en Hij quot; verbindt hen in hunne smarten. a Ex. 15:2ö. Joh 5:18. 4 quot; Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze allen bij namen. a Jos. 40:20. 5 Onze Heere is groot en van vele kracht; zijns verstands is geen getal. 6 Do Heere houdt de zaehtmoodigon staande; de goddeloozon vernedert Hij tot de aarde toe. 7 Zingt don Heere bij bourte mot dankzegging; psalmzingt onzen God op do harp. |
14 Die uwe landpalen in vrede stelt; Hij verzadigt u mot hot vette dor tarwe. 15 Hij zendt zijn bevel op aarde; zijn quot; woord loopt zoor snol. «Ps. 33:9. 10 Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit don rijm als asch. 17 Hij werpt zijn ijs hoon als stukken; wie zou bestaan voor zijne koude? 18 Hij zendt zijn woord, en doet zo smolten; Hij doet zijnon wind waaijen, do wateren vlooijon honen. 19 Hij maakt Jakob zijno woorden bekend, Israël zijne inzettingen en zijne regten. 20 Alzoo quot;hooft Hij geen volk gedaan; en zijne regten, die konnon zij niet. Halolujah! « Hand. 14:10. |
PSALM 148, 149, 150. SPREUKEN
579
|
PSALM 148. Do profeet vermaant allo schopsolen, zoo homoLsche als aardsche, en inzonderheid don monscii om God to loven van wego /.ijno heerlijkhoicl on magt; docii allermeest om zijne goodgunsfigheid over zijne gemeente. UALELUJAII! Looft don Heere uit do quot; homo-lon; looft Hem in do h hoogste plaatsen! a Openb. 5: 13. h Luk. 2: 14. 2 Looft Hem, al zijne engelen! Looft Hem, al zijne heirscharen! 3 Looft Hom, zon en maan! Looft Hem, allo irij lichtende sterren! 4 Looft Hom, gij hemelen dor hemelen! on gij wateren, die bovon do homoion zijt! 5 Dat zij den naam dos IIeeiien loven; want quot; als Hij het beval, zoo werden zij geschapen. a Gen. 1:6, 7, 8, enz. I's. 83:0, 9. G En quot; IIij hoeft zo bevestigd voor altoos in eeuwigheid; Hij quot; heeft hun eene orde gegeven, die geen van hen zal overtreden. «Ps.l04:5. 119:91. h .lob 14:5, 13. 20: 10. 38:33. Jer. 31 : 35. 33:25. 7 Looft den Heere, van de aarde; gij walvis-schen en allo afgronden! 8 Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die zijn woord doet! 9 Gij bergen en alle heuvelen; vruchtboomen on allo cederboomon! 10 liet wild gedierte on allo voo; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte! 11 Gij koningen der aarde, eu alle volken! gij vorston, en allo regters der aarde! 12 Jongelingen on ook maagden; gij ouden mot do jongen! 13 Dat zij don naam des Heeren loven: want quot;zijn naam alleen is hoog verheven; zijne majesteit is over do aarde en don hemel. aSpr. 18:10. ,Tes.l2:4. 14 En Hij quot; heeft don hoorn zijns volks verhoogd, den roem al zijner gunstgonooten, der kinderen Israels, des volks, dat nabij Hom is. Halelujah! «I's. 132:17. PSALM 149. Eono vermaning tot dankzegging, van wogo Gods goedgunstigheid over zijno gemeente, en van wego hare overwinning, die zij door zijne kracht on genade hooft verworven. |
HALELUJAH! Zingt den Heere een nieuw lied; zijn lof zij in do gemeente zijner gunstgonooten. 2 Dat Israël zich verblijde in quot;dengenen, die hem gemaakt heeft; dat do kinderen Zions zich verheugen ovor hunnen Koning. Ps. 100:3. :i quot;Dat zij zijnon naam loven op do fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp. n Ps. 81 : 3, 4. 4 Want de Heere hoeft een welgevallen aan zijn volk; Hij zal de zachtmoedigen versieren met heil. 5 Dat zijne gunstgonooten van vreugde opspringen, om die oer; dat zij juichen op hunne legers. (i Do verheffingen Gods zullen in hunuo koel zijn; en quot; een tweesnijdend zwaard in hunne hand ; «2 ïhoss. 2:8. llebr. 4:12. Openb. 1 : Ui. 7 Om wraak te doen over do Heidenen, en bestraffingen over do volken; 8 Om hunne koningen quot;to binden met ketenen, en hunne achtbaren mot ijzeren boeijen; a Matt. IS: 18. 9 Om hot beschreven regt over hen te doen. quot; Dit zal de heerlijkheid van al zijno gunstgonooten zijn. Halelujah! aDeut. 4:0. PSALM 150. Eono vermaning om Gods heiliglioid, magt on gooder-tiorenhoid te prijzen met ullo muziokinstniinenten en ook mot de stem. HALELUJAH ! Looft God in quot; zijn heiligdom ; looft Hem in hot uitspansel zijner sterkte! a Jes. 0 : 3. 2 Looft Hom van wego zijne mogendheden; looft Hom naar de menigvuldigheid zijner grootheid! 3 Looft Hem met geklank der bazuin; looft Hom mot do luit on mot de harp! 4 Looft Hem mot do tronnnol en fluit; looft Hom mot snarenspel en orgel! 5 Looft Hom met hol klinkende cimbalen! looft Hom met cimbalen van vreugdegeluid; 0 Alles, wat adem hooft, love don Heere! Halelujah! |
DE SPRRUKEN
van
SALOMO.
|
HOOFDSTUK 1. Van de nuttigheid dezer spreuken, vs. 1. Pligt dor kindoren jegens de ouders, 8; waarschuwing voor het gezelschap der goddoloozon, 10. De eeuwige Wijsheid zelve wordt ingevoerd, klagende, dat zij veracht wordt; vermanende tot bekeeringen dreigende |
allen ongehoorzamen hot eeuwig verderf, belovende den gehoorzamen eene duurzame gelukzaligheid, 20. DE spreuken van Salomo, den zoon van David, den koning van Israël. 2 Om wijsheid eu tucht te weten; om to verstaan rodenon dos verstands; â¢M* |
I
SPREUKEN 1 , 2.
580
|
3 Om aan to neiuon onderwijs van good vorstand, goregtighoid, en regt, en billijkheden; 4 Om den slechten klookzinnighoid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid. 5 Die wijs is, zal hooren, en zal in loero toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen: (! Om te verstaan eene spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen on hunne raadselen. 7 quot; De vrees des Hekken is het beginsel der wetenschap; do dwazen verachten wijsheid on tucht. f/Jol)28:28. Ps. 111:10. Spr.OilO. Pred. 12:13. 8 Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat do loer uwer moedor niet: !) Want zij zullen uwen hoofde oen aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uwen hals. 10 Mijn zoon! indien do zondaars u aanlokken, quot;bewillig niet. « Spr. 4:14. 11 Indien zij zeggen: Ga mot ons, laat ons loeren op bloed, ons verstoken tegon den onschuldige, zonder oorzaak; 12 Laat ons hen levend verslinden, als hot graf; ja geheel en al, gelijk die in don kuil nederdalen; 13 Allo kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen; 14 Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen oonen buidel hebben. 15 Mijn zoon! wandel niet mot bon op don weg; weer uwen voet van hun pad. Ki Want hunne quot;voeten loopen ten booze; en zij haasten zich om bloed te storten. a Jos. 59:7. Hom. 3:15. 17 Zekerlijk het not wordt te vergeefs gespreid voor do oogen van allerlei gevogelte; l.S En dezen loeren op hun cujc.n bloed, on versteken zich tegon hunne zielen. 19 Zoo zijn do paden van oon' iegelijk, die gierigheid ploegt; zij zul do ziel van baren meester vangen. 20 Do opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; zij verheft hare stom op de straten. 21 Zij roept in hot voorste der woelingen; aan do deuren der poorten spreekt zij hare redenen in de stad; 22 Gij slechten! hoe lang zult gij do slechtigheid beminnen, en do spotters voor zich de spotternij begeeren, on do zotten wetenschap haten? 23 Koert u tot mijne bestraffing; ziet, ik zal mijnen Geest ulioden overvloediglijk uitstorten; ik zal mijne woorden u bekend maken. 24 Dewijl ik quot;geroepen heb, on gijlieden geweigerd hebt; mijne hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; «.los. 05: 12. fiO : 4. .Tor. 13:10. 25 En gij al mijnen raad verworpen, en mijne bestraffing niet gewild hebt; 2() Zoo zal ik ook in ulieder verderf lagchen, ik zal spotten, wanneer uwe vroeze komt. 27 Wanneer uwe vroeze quot; komt gelijk eene verwoesting, en uw verderf aankomt als oon wervelwind ; wanneer u benaauwdhoid en angst overkomt; «Job 27 : 9. 35: 12. .Tos. 1 : 15. |
.Ter. 11 :11. 14: 12 Ezec. 8: 18. Micha 3: 4. 28 Dan zullen zij tot mij roepen, maar ik zal niet antwoorden; zij zullen mij vroeg zoeken, maar zullen mij niet vinden : 29 Daarom dat zij do wetenschap gehaat hebben, en de vroeze des Heeren niet hebben verkoren. 30 Zij hebben in mijnen raad niet bewilligd, al mijne bestraffingen hebben zij versmaad; 31 Zoo zullen zij eten van de vrucht van hunnen weg, en zich verzadigen met hunne raadslagen. 32 Want do afkeering dor slechten zal hen doo-den, en de voorspoed der zotton zal hen verderven. 33 Maar die naar mij hoort, zal zeker wonen, on hij zal gerust zijn van de vroeze des kwaads. HOOFDSTUK 2. Verscheidene beloften van groote nuttigheden aan hen, die de ware wijsheid met ijver najagen en verkrijgen, bijzonder dat zij geleid on bewaard zullen worden in den weg des levens, en behouden van liet goddelooze gezelschap, hetwelk den weg des vorderfs betreedt. MIJN zoon! zoo gij mijne redenen aanneemt, on mijne geboden bij u weglegt; 2 Om uwe ooron naar wijsheid te doen opmerken; zoo gij uw hart tot verstandigheid neigt; 3 Ja zoo gij tot het verstand roept, uwe stom verheft tot de verstandigheid; 4 quot;Zoo gij haar zoekt als zilver, on naspeurt als verborgene schatten: a Matt. 13:44. 5 Dan zult gij do vroeze des Heeren verstaan, on zult de kennis van God vinden. 6 quot; Want de Heeue geeft wijsheid; uit zijnen mond komt kennis en verstand. a 1 Kon. 3 : 9, 12. Jakob. 1 : 5. 7 Hij legt weg voor do oprogton oen bestendig wezen; Hij is oen schild dengenen, die opregtelijk wandelen; 8 Opdat zij de paden des rogts houden; en Hij zal den weg zijner gunstgenooten bewaren. 9 Dan zult gij verstaan geregtigheid, on regt, en billijkheden, cn alle goede pad. 10 Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, on de wetenschap voor uwe ziel zal liefelijk zijn; 11 Zoo zal de bedachtzaamheid over u do wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden: 12 Om u to redden van don kwaden weg, van don man, die verkeerdheden spreekt; 13 Van degenen, die do paden der opregthoid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis; 14 Die blijde zijn in hot kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden dos kwaden; 15 Welker paden vorkoord zijn, on afwijkende in hunne sporen: 1G Om u te redden van do vreemde vrouw, quot; van do onbekende, die mot hare redenen vleit; a Spr. 5 : 3. 0 : 24. 7 : 5. 17 Die den leidsman harer jongheid verlaat, en hot verbond haars Gods vergoot: |
SPREUKEN 2, 3.
581
|
18 Want haar huis holt naar don dood, on haro paden naar do ovorlodonon. 1!) Allon, dio tot haar ingaan, zullen niet wederkomen , en zullen do paden dos levens niot aantroffen ; 20 Opdat gij wandelt op don weg dor goeden, en houdt de paden dor regtvaardigon. 21 quot;Want do vromen zullon do aardo bewonen, en do opregton zullen daarin ovorblijvon; a Ps. 37 : 29. 22 quot; Maar do goddeloozon zullon van do aarde uitgerooid worden, en do trouwoloozon zullen or van uitgerukt worden. « Job 18:17. Ps. 104:35. HOOFDSTUK 3. Vermaning tot bewaring van do geboden der wijsheid, vs. 1; tot vertronwen op God en zijnen raad, mot waai'sohnwing voor oigon wijsheid, 5; tot do vreezo |
7 quot; Zijt niot wijs in uwe oogen; vrees den Heere, en wijk van het kwade. «Kom. 12: Hi. 8 Het zal eene medicijn voor uwen navol zijn, on oono bevochtiging voor uwe beenderen. 9 quot;Vereer den Heere van uw goed, en van do eerstelingen al uwer inkomsten; «Ex. 23: 19, 34:20. Dout. 20:2, on/.. Mal. 3:10. Luk. 14:13. 10 quot; Zoo zullen uwe schuren mot overvloed vervuld worden, on uwe porskuipen van most over-loopen. «Dont. 28:8. 11 quot;Mijn zoon! verwerp de tucht dos heeren niot, en wees niet verdrietig over zijne kastijding: «Job 5:17. Hobr. 12: 5. 12 quot;Want de Heere kastijdt dengenen, dien Hij liefheeft, ja gelijk een vader don zoon, in denwel ken, hij een welbehagen heeft. a Oponb. 3: 19. 13 Welgelukzalig is do mensch, die wijsheid |
|
dos liooron, 7; tot milddadigheid aan do dienaars dos Hoeren on do armen, 9, 27; tot goduld in kastijding, 11. Van do gelukzaligheid, die do wijsheid medebrengt, haro dierbaarheid, lioogo waardij on grooto nuttigheid, 13; kwade hiindolingon, 29; twistgierigheid, 30; ongeduld, 31; den vervloekten toestand tier goddeloozon, spotters en zotten, 33. MIJN zoon! vergeet mijne wet niot, maar uw hart beware mijne geboden. 2 quot; Want langheid van dagen, en jaren van loven, en vrede zuilenzij u vermeerderen. aDont.S: I. 30:20. 3 Dat de goedertierenheid en do trouw u niot verlaten; quot;bind ze aan uwen hals, schrijf ze op de tafel uws harten. a Ex. 13 : 9. Dout. G : 8. 4 En vind gunst en goed verstand, in do oogon Gods en der menschen. 5 Vertrouw op den Heere met uw gansclie hart, eu steun op uw vorstand niot. 6 quot;Ken Hem in al uwe wegen, en Hij zal uwe paden regt maken. a 1 Kron. 28 : 9. |
vindt, on do mensch, die verstandigheid voortbrengt ! 14 quot; Want haar koophandel is boter dan do koophandel van zilver, en hare inkomst dan hot uitgegraven goud. «Job 28:15. I's. 19:11. Spr. 8:11, 19. 10:10. 15 quot; Zij is kostelijker dan robijnen; on al wat u lus-ton mag, is met haar niot te vergelijken. «Spr. 8:11. 16 Langheid dor dagen is in hare regterhand, in hare linkerhand rijkdom en eer. 17 Haro wogen zijn wogen der liefelijkheid, en al hare paden vrede. 18 Zij is een boom dos levens dengenen, dio ze aangrijpen, en olie een, dio zo vasthoudt, wordt welgelukzalig. 19 De Heere hooft do aarde door wijsheid gegrond , de hemelen door verstandigheid bereid. 20 Door zijne wetenschap zijn de afgronden quot; gekloofd, en do wolken druipen dauw. «den. 1:9,10. |
SPREUKEN 3,4,5.
582
|
21 Mijn zoon! laat zo niet afwijken van uwe ! oogen, bewaar do bestendige wijsheid en bedachtzaamheid. 22 Want zij zullen hot leven voor uwe ziel zijn, on oono aangenaamheid voor uwen hals. 23 Dan zult gij uwen weg quot;zeker wandelen, on gij zult uwen voot niet stooten. aPs.i}7:24. !)l: 11,12.' 24 quot;Zoo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nodorliggen, en uw slaap zal zoot wezen, a Lev. 2(j: 0. .lob 11 : 19. I's. 3 : (i. 4 :!). 91: 5. ü. 25 Vrees niot voor haastigen schrik, noch voor do verwoesting dor goddeloozen, als zij komt. 20 Want do Heere zal mot uwe hoop wezen, en Ilij zal uwen voet bewaren van gevangen te worden. 27 Onthoud het goed van zijne meesters niot, als liet in hot vermogen uwer hand is te doen. 28 Zog niet tot uwen naaste: Ga hoon, on kom weder, en morgen zal ik geven, dewijl het bij u is. 29 Smeed geen kwaad tegen uwen naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont. 30 Twist met een' mensch niot zonder oorzaak, zoo hij u geen kwaad gedaan hooft. 31 quot; Zijl niot nijdig over eenen man des gewelds, en verkies goone van zijne wogen. a I's. 37 : 1. 73 :3. Spr. 23: 17. 32 Want do afwijker is den Heere een gruwel, maar zijne quot; verborgenheid is met den opregte. a I's. 25 :14. j 33 quot; De vloek dos IIeeren is in hot huis dos goddeloozen; maar do woning dor regtvaardigen zal Hij zegenon. a Lev. 26 : 14, enz. Dout. 28 : 15, enz. Mal. 2 : 2. 34 Zekerlijk do quot; spottors zal Hij bespotten, maar don zachtinoodigon zal Hij genade geven. a Jakob. 4 : G. 1 Potr. 5 : 5. 35 De wijzen zullen eer beërven; maar elk oen der zotten noemt schande op zich. HOOFDSTUK 4. Salomo, zich zeiven als voorbeeld stollondo, hoe hij van zijne ouders onderwezen is, vermaant weder j mot vele redenen tot bokoming van wijsheid, vs. 1 ; tot vermijding van do paden dor goddeloozen, 14; tot bewaring van do woorden dor wijsheid, 20; tot heiligheid van geest en ligohaam; in besturing dos harten, des raonds, der oogen en der voeten, 23. HOORT, gij kinderen! de tucht dos vaders, en merkt op, om verstand te weten. 2 Dewijl ik ulieden goede loer geve, verlaat mijne wet niot. 3 Want ik was mijns vaders zoon, quot;teedor, en een eenige voor het aangezigt mijner moedor. a 1 Kron. 29 : 1. 4 quot; Hij nu loerde mij, on zeide tot mij: Uw hart houdo mijne woorden vast, onderhoud mijne geboden , en loof. a 1 Kron. 28 : 9. 5 Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van do redenen mijns monds. 6 Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden, heb ze lief, en zij zal u bewaren. |
7 De wijsheid is het voornaamste; quot; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uwe bezitting. n Spr. 23 : 23. 8 Verhef ze, en zij zal u vorhoogon; zij zal u vereeren, als gij haar omholzon zult. 9 quot; Zij zal uwen hoofde een aangenaam toevoegsol geven, eeno sierlijke kroon zal zij u leveren. a Spr. 1 : 9. 10 Hoor, mijn zoon! en noem mijne redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden. 11 Ik onderwijs u in don weg der wijsheid, ik doe u treden in do rogte sporen. 12 In uw gaan zal uw tred niot benaauwd worden, en indien gij loopt, quot; zult gij niet struikelen. «Fs. 91: 11. 13 Grijp de tucht aan, laat niot af; bewaar zo, want zij is uw loven. 14 quot; Kom niet op hot pad der goddeloozen, en treed niet op den weg der boozen. a Ps. 1 â¢. 1. Spr. 1:10, 15. 15 Verwerp dien, ga er niot door; wijk er van, en ga voorbij. 1(5 Want zij slapen niet, zoo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zoo zij niet iemand hebben doen struikelen. 17 Want zij eten brood der goddeloosheid, en drinken wijn van enkel geweld. 18 Maar het pad der regtvaardigen is gelijk oen schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe. 19 De weg dor goddeloozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen. 20 Mijn zoon! merk op mijne woorden, neig uw oor tot mijne redenen. 21 Laat zo niet wijken van uwe oogen, behoud ze in het midden uws harten. 22 Want zij quot;zijn hot loven dengenen, die ze vinden, en eeno medicijn voor hun geheele vloesch. a Spr. 4 : 13. 23 Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn do uitgangen des levens. 24 Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidhoid der lippen verre van u. 25 Laat uwe oogen rogtuit zien, en uwe oogleden zich rogt voor u heen houden. 2G Weeg den gang uws voets, en laat al uwe wegen wel gevestigd zijn. 27 quot; Wijk niet ter regtor- of ter linkerhand, wend uwen voet af van het kwade. «Dout.5:32.28:14. HOOFDSTUK 5. Vermaning tot studoring dor wijsheid, vs. 1; ernstige waarschuwing togen ontucht, 3; vermaning tot oen kuiseh on vrolijk loven in den ecliton staat, 15. God ziet alles, en straft do goddeloozen in hunne zonden, 21. MIJN zoon! merk op mijne wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand; 2 Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uwe lippen wetenschap bewaren. |
|
3 Want de lippen der vreemde vrouw druppen quot; honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie ; a Spr. 2 : I (5. U : 24. 4 Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard. 5 a Hare voeten dalen naar den dood, hare treden houden de hel vast. a Spr. 7 ; 27. (i Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn hare gangen ongestadig, dat gij het niet merkt. 7 Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns inonds. 8 Maak uwen weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis; i) Opdat gij anderen uwe eer niet geeft, en uwe jaren quot; den wreede; a Spr. G:34, 35, 10 Opdat de vreemden zicli niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden. 11 En gij in uw laatste brult, als uw vleesch, en uw lijf verteerd is; 12 En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart do bestraffing versmaad ! 13 En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijne ooren geneigd tot mijne leeraars! 14 Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering! 15 Drink water uit uwen bak, en vloeden uit het midden van uwen bornput; Ui Laat uwe fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten: 17 Laat ze de uwe alleen zijn, en van geene vreemden met u. 18 Uwe springader zij gezegend; en verblijd u van wege de huisvrouw uwer jeugd; 1!) Eene zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u hare borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in hare liefde. 20 En waarom zoudt gij, mijn zoon! in eone vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen ? 21 Want een iegelijks wegen zijn voor de quot; oogen des Heeuen, en Hij weegt al zijne gangen. a 2 K ron. IC: 9. .1 ob 31:4.34:21. Spr. 15:3. Jor. 10:17.32:19. 22 Den goddelooze zullen zijne ongeregtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden. 23 Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen. HOOFDSTUK 6. Waarschuwing togen borgtogt, vs. 1; togen luiheid, met beschaming door hot voorbeeld dor mioron, ti; beschrijving van oonon dougniot, 12. Zos, ja zeven dingen, dio God haat, 16. 1'ligt der kinderen jegens liet goed onderwijs hunner ouders, met schoone beloften, 20; inzonderheid van bewaring voor do verleiding van ontuchtige vrouwen, die met hare schadelijke vrnchton, haar onzalig einde en dat van hare aanhangers beschreven worden, 24. Vergelijking van diefstal en overspel, 30. |
583 MIJN zoon! zoo gij voor uwen naaste borg geworden zijt, voor oenen vreemde uwe hand toegeklapt hebt; 2 Gij zijt verstrikt met de redenen uws inonds; gij zijt gevangen met de redenen uws inonds. 3 Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp u zeiven, en sterk uwen naaste. 4 Laat uwen oogen geen' slaap toe, noch uwen oogleden sluimering; 5 Red ii, als eene ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers. 0 Ga tot do mier, gij luiaard! zie hare wegen, en word wijs. 7 Dewelke, geenen overste, ambtman noch heerscher bobbende, 8 Haar brood bereidt in den zomer, hare spijs vergadert in den oogst. 1) Hoe lang zult gij, quot;luiaard! nederliggen? wanneer zult gij van uwen slaap opstaan ? a Spr. 13:4. 20:4. 24:33, 34. 10 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende; 11 Zoo zal uwe armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man. 12 Een Belials monsch, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des inonds om : 13 Wenkt met zijne oogen, spreekt niet zijne voeten, leert met zijne vingeren; 14 In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt to aller tijd kwaad; hij werpt twisten in. 15 Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat cr geen genezen aan zij. l(i Deze zes haat de Heere; ja zeven zijn zijne ziel een gruwel: 17 quot; Hooge oogen, een valsche tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten; «Spr. 30: 13. 18 Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; quot; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te loopen ; a Rom. 3 : 15. 19 Een valsch getuige, die leugenen blaast; en die tusschen broederen krakeelen inwerpt. 20 Mijn zoon! quot;bewaar het gebod uws vaders, on verlaat de wet uwer moeder niet. a Spr. 1 :8. 21 Bind ze steeds aan uw quot; hart, bocht ze aan uwen hals. « Spr. 3 :3. 22 Als gij wandelt, zal quot;dat u geleiden; als gij nederligt, zal liet over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal lietzelve met u spreken. «Spr. 3:23, 24. 23 Want liet quot; gebod is eene lamp, on de wet is een licht, en de bestraffingen dor tucht zijn de weg des levens; «I's. 19:9. 119:105. 24 Om u te bewaren voor do kwade vrouw, voor het quot; gevlei der vreemde tong. « Spr. 2 : lü. 5 : 3. 7 : 5. 25 Begeer hare schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met hare oogleden. 20 Want door eene vrouw, die eene hoer is, SPREUKEN 5, 6. |
SPREUKEN 6, 7, 8.
584
|
komt mon tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel. 27 Zal iemand vuur in zijnen boezem nemen, dat zijne kleederen niet verbrand worden? 28 Zal iemand op kolen gaan, dat zijne voeten niet bernen ? 29 Alzoo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden. 30 Men doet eenen dief geene verachting aan, als hij steelt om zijne ziel te vullen, dewijl hij honger heeft; [11 En gevonden zijnde, vergeldt hij het quot; zevenvoudig: hij geeft al het goed van zijn huis. a Ex. 22 ; 1, 4. 32 Maar die met eene vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijne ziel, die dat doet; 3:5 Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewischt worden. 34 Want jaloerschbeid is eene grimmigheid dos mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschoonen. 35 Hij zal geene verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot. HOOFDSTUK 7. Salomo vermaant tot vertrouwelijke, innerlijko en sterke gemeenschap mot do â wijsheid, vs. I; om bewaard to worden van do verleiding der onkuischo vrouwen, fi; waarvan hij oen bijzoader voorbeeld voor oogen stolt, zoor levendig afbeeldende do kunstige handelingen eonor overspeleres en do verleiding van een onkundig jongeling, mot ernstige afmaning van zulke goddeloosheid, (i, enz. MldN zoon! bewaar mijne redenen, en leg mijne geboden bij u weg. 2 quot;Bewaar mijne geboden, en leef, en mijne wet als den appel uwer oogen. «Lev. 18:5. Spr. 4:4. 3 quot;Bind ze aan uwe vingeren, schrijf zo op de tafel uws harten. «Deat. G : 8. 11:18. 4 Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijne zuster; en heet hot verstand uwen bloedvriend. 5 quot; Opdat zij u bewaren voor de vreemde vrouw, voor de onbekende, die met hare redenen vleit. a Spr. 5 : 3. (i Want door het venster van mijn huis, door mijne tralie keek ik uit: 7 En ik zag onder de slechten, ik merkte onder de jonge gezellen eenen verstandeloozen jongeling; 8 Voorbijgaande op de straat, nevens haren hoek, en hij trad op den weg van haar huis. 9 In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en do donkerheid; 10 En ziet, eene vrouw ontmoette hem in bóeren-versiersel, en met liet hart op hare hoede: 11 quot;Deze was woelachtig en wederstrevig, hare voeten bleven in haar huis niet; «Spr. 9: 13. 12 Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende; 13 En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezigt, en zeide tot hem: |
14 Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijne geloften betaald; 15 Daarom ben ik uitgegaan n te gemoet, om uw aangezigt naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden. 10 Ik heb mijne bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwene werken, met fijn linnen van Egypte; 17 Ik heb mijn leger met mirre, aloë en kaneel welriekende gemaakt; 18 Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe, laat ons ons vrolijk maken in groote liefde. 19 Want de man is niet in zijn huis, hij is eenen verren weg getogen; 20 Hij heeft eenen bundel gelds in zijne hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen. 21 Zij bewoog hem door do veelheid van haar onderrigt, zij dreef hem aan door het gevlei barer lippen. 22 Hij ging haar straks achterna, gelijk eon os ter slagting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeijen; 23 Totdat hem de pijl zijne lever doorsneed; quot; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn loven is. aSpr. 1:17. 24 Nu dan, kinderen! hoort naar mij, en luistert naar do redenen mijns monds. 25 Laat uw hart tot hare wegen niet wijken, dwaalt niet op hare paden. 26 Want zij heeft vele gewonden nedergeveld, en al hare geboden zijn magtig vele. 27 quot;Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods. aSpr. 2:18. 5:5. HOOFDSTUK 8. Do eeuwige zelfstandige Wijsheid des Vaders (do Zoon Gods, onze Heero Jezus Christus) wordt hier ingevoerd , predikende tot alle soorten van menschen openbaar en duidelijk, vs. 1; van hare leer, C; hoogo waardij, 10; natuur, 12; souvereine raagt en heerschappij, 15; mot verhaal van de gelukzaligheid dergenen, die haar aannemen, 17; hare eeuwige Godheid, onbegrijpelijke geboorte uit den Vader en eenheid met Hem, 22; haar zaligmakend ambt en gemeenzame openbaring aan de menschenkinderen, 31; vermanende tot gehoorzaamheid, met belofte van zaligheid, en waarschuwende tegen ongehoorzaamheid, met bedreiging van eeuwig verderf, 32. ROEPT quot;do Wijsheid niet? en verheft niet de verstandigheid hare stem? a Spr. 1 :2U, 21. 2 Op de spits der hoogo plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat zij; 3 Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan don ingang der deuren roept zij overluid: 4 Tot li, o mannen! roep ik, on mijne stem is tot der menschen kinderen, 5 Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart. (i Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, on de opening mijner lippen zal onkel billijkheid zijn. |
SPREUKEN 8, 9.
585
|
7 Want mijn gohomolte zal de waarheid bodach-telijk uitsproken, on do goddelooshoid is mijnen li[)l)en oen gruwel. 8 Al de redenen mijns monds zijn in gerogtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in. !) Zij zijn allen rogt voor dengenen, die verstandig is, on regtmatig voor degenen, die wetenschap vinden. 10 Noemt mijne tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan hot uitgelezen uitgegraven goud. 11 quot;Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeoron mag is met haar niet te vergelijken. «Job 28:15. Ps. 19:11. Spr. B: 14,15. 10: lü. 12 Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde do konnis van allo bedachtzaamheid. ll! De vroezo des Heeren is, to haten hot kwade, de hoovaardighoid, en den hoogmoed, on don kwaden weg; ik haat ook don mond der verkeerdheden. 11 Raad en hot wezen zijn mijne; ik bon hot verstand, mijne is do sterkte. 15 Door mij regeren de koningen, en de vorston stollen goregtigheid. 1G Door mij hoorschen do heorschers, en de prinsen, al de regtors der aarde. 17 Ik hob lief, die mij liefhebben; on die mij vroeg zookon, zullen mij vinden. 18 quot; Rijkdom, en oor is bij mij, duurachtig goed, on geregtighoid. «Spr. : 10. 19 quot; Mijne vrucht is beter dan uitgegraven goud, on dan digt goud; en mijn inkomen dan uitgelezen zilver. «8pr. 3; 14. 20 Ik doe wandelen op don weg dor gerogtigheid, in liet midden van do paden des regts; 21 Opdat ik mijnon liefhebbers doe beërven dat bestendig is, on ik zal hunne schatkameron vor-vidlon. 22 Do IIeere bezat mij in het beginsel zijns wogs, vóór zijne werken, van toon aan. 23 Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van den quot;aanvang, van do oudheden dor aarde aan. a.loli. 1:1. 24 Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geene fonteinon waren, zwaar van water; 25 Aleer de bergen ingevest waren, vóór de heuvelen was ik geboren. 20 Hij had do aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch don aanvang van do stofjes dor wereld. 27 Toon Hij do hemelen bereidde, was ik daar, quot; toen Hij oenen cirkel over hot vlakke des af-gronds boschreef; «Job 20:10. 28 Toen Hij do oppor wolkon van boven vestigde, toen Hij quot;de fonteinen dos afgronds vastmaakte; a Gen. 7:11. 29 Toon Hij dor zoo haar perk zotte, opdat do wateren quot; zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten dor aarde stolde; aCron. 1 :9, 10. Job 38:10, 11. I's. 104:9. |
30 Toon was ik oen voedsterling bij Hem, en ik was dagelijks zijne vermakingen, quot; te aller tijd voor zijn aangezigt spelende; «Joli. 5:17. 31 Spelende in de wereld zijns aardrijks, on mijne vermakingen zijn mot dor menschon kinderen. 32 Nu dan, kinderen! hoort naar mij: want 11 welgelukzalig zijn zij, die mijne wegen bewaren. a I's. 119: 1, 2. 128: 1. Luk. II : 28, 33 Hoort do tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet. 34 Welgelukzalig is do mensch, die naar mij hoort, dagelijks wakende aan mijne poorten, waarnemende do posten mijnor deuren. 35 Want die mij vindt, vindt hot loven, quot; en trekt oon wolgovallon van don Heere. «Spr. 12:2. 30 Maar dio teyen mij zondigt, doot zijne ziel gewold aan; allen, dio mij haten, hebben don dood lief. HOOFDSTUK 9. Hier wordt hot genadewerk van onzen lleero Christus, dio zijn volk door zijn woord ou üoest tot zijne (dor opperste Wijsheid) zalige gemeenschap roept en brengt, voorgesteld onder do gelijkenis van do toebereiding eens maaltijds en noodiging van gasten, vs. 1; inot eeno tegenstelling van don aard on toestand van spotters en wijzen, 7; en in het tegendeel het verleidelijke en verderfelijke werk van don Satan, onder do gelijkenis van oeno zotte vrouw, (vijandin der opperste Wijsheid) welke ook hare gasten noodigt, inaar tot hun eeuwig vordorl', 18. DE opperste Wijsheid hoeft haar huis gebouwd, zij hooft hare zeven pilaren gehouwen. 2 Zij hooft haar slagtvee gesiagt, zij heeft haren wijn gemengd; ook heeft zij hare tafel toogerigt. 3 Zij heeft hare dienstmaagden uitgezonden; zij noodigt op de quot; tinnen van de hoogten der stad: a Spr. 8 : 2. 4 Wie is slecht? hij keere zich herwaarts! tot den verstandelooze zegt zij: 5 Komt, eet van mijn brood, en drinkt van den wijn, dien ik gemengd heb. 0 Verlaat de slechtigheden, on looft; en treedt in don weg des verstands. 7 Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en dio den goddelooze bestraft, zijne schandvlek. 8 quot;Bestraf den spotter niet, opdat hij u niot hate; bestraf don wijze, en hij zal u liefliebbon. a Matt. 7 : 0. 9 Leer den wijze, zoo zal hij nog wijzer worden; onderwijs don regtvaardige, zoo zal hij in loer toenemen. 10 quot;De vroezo dos Heeren is hot beginsel der wijsheid, en do wetenschap der heiligen is vorstand. rt.lob 28:28. Ps. 111 :10. Spr. 1:7. 11 Want door mij zullen uwe quot; dagen vermenigvuldigen , on de jaren des levens zullen u toegedaan worden. a Spr. 10:27. 12 Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor u zelvon; en zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen. 13 Eeno zotte vrouw quot; is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet mot al. «Spr. 7:11. |
SPREUKEN 9, 10, 11.
58C
|
14 En zij zit aan tie deur van haar huis, op eenen stool, oj) do hoogo plaatson der stad; 15 Oni to roopon dogonon, die oj) don wog voorbijgaan, dio hunne paden regt maken, zeygcnde: 1(5 Wio is slecht? hij koero zich herwaarts! on tot den verstandoloozo zegt zij: 17 quot;Do gestolen wateren zijn zoet, on het verborgen brood is liefelijk. aSpr. 2U: 17. 18 Maar iiij weet inot, dat aldaar quot; doodon zijn, hare genooden zijn in do diepten der hel. a Spr. 2:18. HOOFDSTUK 10. Van wijze en zotte kinderen, vs. 1; onregtvaardigen en regtvaardigen, rijkdom en armoede, 2, 3, 15,22; luiheid en vlijt, 4, 5, 20; zegen en gelukzaligheid dor regtvaardigen, en onheil der goddeloozen, (i, 7, 10, 24 tot 30; wijsheid en dwaasheid in het sproken, S, 10, 11, 13, 14, 19, 20, 21, 31, 32; opregt-heid en verkeerdheid in wandel, 9; wonkon der oogen, 1U; haat en liefde, 12; tucht, 17; achterklap, 18; tegenstrijdige lust der zotten en wijzen, 23. DE spreuken van Salomo. quot; Een wijs zoon verblijdt don vader; maar oen zot zoon is zijnor moeder droefheid. cSpr. 15:20. 2 quot;Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de goregtiyhoid redt van den dood. a Spr. 11:4. 3 De IIeeke laat de ziel dos regtvaardigen niet hongeren; maar do have der goddeloozen stoot 11 ij wog. 4 quot; Die met eene bedriogolijke hand werkt, wordt arm; maar do hand dor vlijtigon maakt rijk. a Spr. 12:24. 5 Die in don zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is oen zoon, die beschaamd maakt. (! Zegeningen zijn op het hoofd dos regtvaardigen ; maar het geweld bedekt den mond der goddeloozen. 7 Do gedachtenis dos regtvaardigen zal tot zegening zijn; maar do naam dor goddeloozen zal verrotten. 8 Die wijs van hart is, noemt de geboden aan; maar quot;die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden. a Spr. 10:10. 9 Die in opregtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijne wegen verkeert, zal bekend worden. 10 Die met hot oog wenkt, rigt smart aan; en oen dwaas van lippen zal omgeworpen worden. 11 quot; De mond dos regtvaardigen is eone springader dos levens; maar hot geweld bedekt den mond dor goddeloozen. a Spr. 13:14. 12 Haat verwekt krakeelen; quot;maar do liefde dekt allo overtredingen too. a 1 Cor. 13:7. 1 lgt;otr.4:8. 13 In do lippen dos verstandigen wordt wijsheid gevonden; quot; maar op den rug dos verstandeloozen de roede. a Spr. 20: 30. 14 De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond dos dwazen is de verstoring nabij. 15 Des rijken goed is eone stad zijner sterkte; de armoede dor goringen is hunne verstoring. |
Ki Het werk des regtvaardigen is ton leven; de inkomst dos goddeloozen is tor zonde. 17 Hot pad tot het loven is desgonen, dio de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen. 18 Die don haat bedekt, is van valsche lippen, on dio eon kwaad gerucht voortbrengt, is een zot. 19 In de veelheid dor woorden ontbreekt do overtreding niet; maar die zijne lippen wedor-houdt, is kloekvorstandig. 20 Do tong des regtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddeloozen is weinig waard. 21 Do lippen des regtvaardigen voeden er velen; maar do dwazen sterven door gebrek van verstand. 22 Do zegen des IIheren, dio maakt rijk; en Ilij voegt er geene smart bij. 23 Het is voor den zot quot; als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een' man van verstand, wijsheid te plegen. a Spr. 14 : 9. 24 De vreeze des goddeloozen, die zal hem overkomen; maar de begeerte der regtvaardigen zal God geven. 25 Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzoo is de goddeloozo niet meer; maar do regtvaardige is eene eeuwige grondvest. 26 Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den oogen is, zoo is do luije dengenen, die hom uitzenden. 27 quot; De vreeze dos Heeken vermeerdert de dagen; maar do jaren dor goddeloozen worden verkort. a Spr. 9 : 11. 28 Do hoop der regtvaardigen is blijdschap; maar de quot; verwachting der goddeloozen zal vergaan. ff .lob 8: 13, 14. 11 : 20. Ps. 112: 10. 29 Do weg des Heeken is quot; voor den opregte sterkte; maar voor de werkers der ongeregtigheid verstoring. a Spr. 13 : ü. 30 Do regtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar do goddeloozen zullen do aarde niet bewonen. 31 De mond des regtvaardigen brengt overvloe-diglijk wijsheid voort; maar de tong dor verkeerdheden zal uitgeroeid worden. 32 De lippen des regtvaardigen weten wat gevallig is; maar de mond der goddeloozen enkel verkeerdheid. HOOFDSTUK 11. Van valsch gewigt, vs. 1 ; hoovaardij en nederigheid, 2; opregtheid en verkeerdheid in wandel, 3, 21); rijkdom der goddeloozen, 4, 28; huichelarij, 9; regtvaardigen en goddeloozen, 9, 10, 11, 18, 21, 23, 28, 30, 31; verachting dor naasten, 12; achterklap, 13; raadslieden, 14; borgtogt, 15; eene goede en kwade vrouw, 10, 22; goedertierenheid en wreedheid, 17; milddadigheid on gierigheid, 24, 25, 20; goed en kwaad, 27; ongeregelde huishouding, 29. EENE quot; bedriegelijke weegschaal is den Heere een gruwel; maar een volkomen weegsteen is zijn welgevallen. a Lev. 19:30. Deut. 25: 13. Spr. 10:11. 20: 10, 23. 2 quot; Als de hoovaardigheid komt, zal de schande |
|
ook komen; b maar niet de ootmoodigen is wijsheid. a Spr. 10:18. 18:12. 6 Spr. 15:33. 18:12. 3 quot;Do opregtheid dor opregten leidt hen; maar do verkeerdheid dor trouwoloozon verstoort hen. a Spr. 13 : (i- 4 quot; Goed doet goen nut ton dage der verbolgenheid; maar de geregtigheid redt van don dood. a Spr. 10 : 2. E/.ec. 7 : 19. Zcf. 1 : 18. 5 De geregtigheid des opregten maakt zijnen weg regt; maar do goddelooze valt door zijne goddeloosheid. (i Do geregtigheid dor vromen zal hen redden; maar de trouweloozen quot; worden gevangen in hunne verkeerdheid. a Spr. 5:22. 7 Als de goddelooze mensch sterft, vergaat zijne verwachting; zelfs is do allersterkste hoop vergaan. 8 quot; De regtvaardige wordt uit benaauwdheid bevrijd; ''en de goddelooze komt in zijne plaats. aPs. 34 : 20. b Spr. 21:18. i) De huichelaar verderft zijnen naaste door don mond; maar door wetenschap worden de regt-vaardigen bevrijd. 10 Eene stad springt op van vreugde over het welvaren dor regtvaardigen; en als de goddeloozen vergaan, is er gejuich. 11 Door don zegen der opregten wordt eene stad verheven; maar door den mond der goddeloozen wordt zij verbroken. 12 Die verstandeloos is, veracht zijnen naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil. 13 Die (dn oen achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak. 14 quot;Als er geene wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid dor raadslieden. al Kon. 12:1, enz. 15 Als iemand voor een' vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker. 1(! Eene aangename huisvrouw houdt de oer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden. 17 Een goedertieren mensch doet zijiio ziel wel; maar die wreed is, beroert zijn vleesch. 18 De goddelooze doet een valsch werk ; maar voor dengenen, die geregtigheid zaait, is trouwe loon. 19 Alzoo is de geregtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijnen dood jaayt. 20 Do verkeerden van hart zijn den Heere een gruwel; maar de opregten van weg zijn zijn welgevallen. 21 quot; Hand aan hand zal de booze niet onschuldig zijn; maar hot zaad der regtvaardigen zal ontkomen. a Spr. 10:5. 22 Eene schoone vrouw, die van rede afwijkt, is eene gouden bagge in oenen varkenssnuit. 23 Do begeerte der regtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de verwachting der goddeloozen is verbolgenheid. 24 Er is een, die uitstrooit, denwelken nog meer |
587 toegedaan wordt; en oen, die meer inhoudt dan regt is , maar het is tot gebrek. 25 quot;De zegenende ziel zal vet gemaakt worden; on die bevochtigt, zal ook zelf een vroego regen worden. a I's. 112 : 9. 2 Cor. !l: 9. 2(5 Wie koren inhoudt, dien vloekt het volk; maar zegening zal zijn over het hoofd dos verkoopers. 27 Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar quot;wie het kwade natracht, dien zal hot overkomen, a I's. 7 : 17. 9 : 10. 10: 2. 57 : 7. 28 Wie op zijnen rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar quot; de regtvaardigen zullen groenen als loof. aPs. 1:3, 4. 92: 13. 29 Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is. 30 De vrucht dos regtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs. 31 Ziet, don regtvaardige wordt vergolden op de aarde, quot;hoeveel te meer den goddelooze en zondaar ! a 1 Potr. 4 :17, 18. HOOFDSTUK 12. Tucht, vs. 1; goede, regtvaardige, oprogte en goddelooze mensohen, 2, 3, 5, 7, 10, 12,21,20; kloeke en achtelooze vrouwen, 4; goed en kwaad, waar en valsch spreken en getuigen, 0, 8, 13, 14, 17, 18, 22; zedigen en pogohors, 9; vlijtigen en ledig-gangers, of bedriegers, 11, 24, 27; toorn en roem der dwazen en stilzwijgendheid der verstandigen, 10, 23; bekommering en blijdschap des harten, 25; pad dor geregtigheid, 28. WIE do tucht liefheeft, die heeft do wetenschap Hof; maar wio de bestraffing haat, is onvernuftig. 2 Do goede zal oen welgevallen trekken van den Heere; maar oenen man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen. 3 De mensch zal niet bevestigd worden door goddeloosheid, quot; maar de wortel der regtvaardigen zal niet bewogen worden. «8pr. 10:25. 4 quot; Eene kloeke huisvrouw is eene kroon haars heeron; maar die boschaamd maakt, is als verrotting in zijne beenderen. «1 Cor. 11:7. 5 Der regtvaardigen gedachten zijn regt; der goddeloozen raadslagen zijn bedrog. (gt; quot; De woorden der goddeloozen zijn b om op bloed te loeren; maar do mond der opregten zal ze redden. «Spr. 1:11, 18. i Spr. II : 9. 7 quot; Do goddeloozen worden omgekeerd, dat zij niet niecr zijn; maar het huis der regtvaardigen zal bestaan. «I's. 37:30, enz. S|ir. II :21. 8 Een ieder zal geprezen worden naar dat zijne verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen. 9 Beter is, die zich quot;gering acht, en eenen knecht heeft, dan die zich zeiven eert, en des broods gebrek heeft. a Spr. 13:7. 10 De regtvaardige quot; kent het loven van zijn beest; maar de barmhartigheden der goddeloozen zijn wreed. oDout. 25:4. 11 quot;Die zijn land bouwt, zal van brood vorza- SPREUKEN II, 12. |
|
588 digd worden; maar die ijdolo rnenschen volgt, is vorstandeloos. «Spr. 28:19. 12 De goddelooze begeert het net der boozen; maar de wortel der regtvaardigen zal uitgeven. 13 quot; In do overtreding der lippen is de strik des boozen; maar do regtvaardige zal uit de be-naauwdheid uitkomen. «Spr. 1Ã;14. 18:7. 14 quot; Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; on de vergelding van des menschen handen zal hij tot zich wederbrengen. o Spr. 13:2. 15 quot;De weg des dwazen is regt in zijuo oogen; maar die naar raad hoort, is wijs. aSpr. 3:7. Ui De toorn des dwazen wordt ton zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande. 17 quot; Die waarheid voortbrengt, maakt geregtig-lieid bekend; maar een getuige der valschheden, bedrog. a Spr. 14:5. 18 quot;Daar is een, die woorden als steken van oen zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar do tong der wijzen is medicijn. «I's. 57:5. 59:8. Spr. 10:27. 19 Eene waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid; maar eene valsche tong is maar voor een oogenblik. 'O Bedrog is in het hart dergonen, dio kwaad smeden; maar degenen, die vrede radon, hebben blijdschap. 21 Den regtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar do goddeloozen zullen mot kwaad vervuld worden. 22 Valsche lippen zijn don Heeue oen gruwel; maar die trouwolijk handelen, zijn zijn welgevallen. 23 quot; Een kloekzinnig monsch bedekt do wetenschap ; maar het hart dor zotten '' roept dwaasheid uit. a Spr. 13:16. 15:2. 6 Spr. 13:10. 15:2. 24 quot;De hand der vlijtigen zal heersehen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen. a Spr. 10:4. 25 quot; Bekommernis in hel; hart dos menschen buigt het neder ; maar oen goed woord verblijdt hot. a Spr. 15:13. 20 Do regtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddeloozen doet hen dwalen. 27 Een bedrieger zal zijn' jagtvang niet braden; maar liet kostelijk goed des menschen is des vlijtigen. 28 In liet pad der geregtigheid is het leven; en in den weg vim haar voetpad is de dood niet. HOOFDSTUK 13. Tucht, vs. 1, is, 24; wijs en dwaas spreken, 2, 3, 5 14; luihciil om vlijt, 4, 11, 23; opregte, regtvaardige, goede en goddelooze menschen. 0, 9, 21, 22, 25; rijkdom en armoede, 7, 8; hoovaardij en beradenheid, 10; hopen en begeeren, 12, 19; verachting van (iods woord en vrceze voor zijn gebod, 13; goed verstand en kloekzinnigheid, 15, 16; trouwe en ontrouwe boden, 17; omgang mot wijzen en dwazen, 20. |
EEN wijs zoon /;oor/de tucht dos vaders; maar oen spotter hoort do bestraffing niet. 2 quot; Een ieder zal van do vrucht des monds bet goede eten; maar de ziel der trouweloozen bet geweld. a Spr. 12: 14. 3 Die zijnen mond bewaart, behoudt zijne ziel; maar voor hem is verstoring, die zijne lippen wijd opendoet. 4 Do ziel des luiaards is begeerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden. 5 Do regtvaardige haat leugentaal; maar de goddelooze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan. 0 quot; De geregtigheid bewaart den opregte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeeren. a Spr. 10:29. 11:3, 5, 0. 7 quot;Er is een, die zich zelven rijk maakt, en niet met al heeft; en een, die zich zelven arm maakt, en heeft veel goed. «Spr. 12:9. 8 Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet. 9 quot;Het licht der regtvaardigen zal zich verblijden; ''maar de lamp der goddeloozen zal uitgebluscht worden. «Spr. 4:18. tJob 18:5,6. 21:17. 10 Door hoovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid. 11 Goed, van ijdelheid gekomen, quot;zal verminderd worden; maar die mot de hand vergadert, zal het vermeerderen. a Spr. 10:2. 20:21. 12 quot;De uitgestelde hoop krenkt het hart; maaide begeerte, die komt, is een boom des levens. a vers 19. 13 Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar wie het gebod vreest, dien zal vergolden worden. 14 quot; Des wijzen loer is eene springader dos levens, om af te wijken van de strikken des doods. «Spr. 10:11. 14:27. 15 Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouweloozen is streng. 16 Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap ; maar een zot quot; breidt dwaasheid uit. a Spr. 12:23. 15:2. 17 Een goddelooze bode zal in het kwaad vallen; maar een trouw gezant is medicijn. 18 Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt, zal geëerd worden. 19 De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel; maar het is den zotten een gruwel van hot kwade af te wijken. 20 Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten medgezel is, zal verbroken worden. 21 Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den regtvaardige zal men goed vergelden. 22 De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar hot vermogen quot; des zondaars is voor den regtvaardige '' weggeleid. «Job 15:29. amp; Job 27:17. SPREUKEN 12, 13. |
SPREUKEN 1H, 14.
58!)
|
23 liet ploegen der armen geeft quot; veelheid dei-spijze; maar quot;daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel. «Spr. 12:11 iSpr. 18:9. 24 Die zijne quot;roede inhoudt, haat zijnen zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging. a Spr. 2;i: lil 25 Do regtvaardige eet tot quot; verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddeloozen zal gebrek hebben. «I's. H4 : 11. 37 : 3. HOOFDSTUK 14. Wijze on dwaze vrouwen, vs. 1 ; regt â wandelen en afwijken, 2, 14; dwaze en wijze redenen, 3, 7; akkerbouw, 4; getuigen, 5, 25; spotters, 0; kloekzinnigheid on slechtheid, 8, 15, 18; schulderkenning, 9; droefheid en blijdschap des harten, 10, 13, 30; staat der goddeloozen on vromen, 11. 32; eigen goeddunken, 12; voorzigtigheid en haastige toorn, 10, 17, 29; kwaden nioo-ten de goeden ontzien , 19; armoede en rijkdom, 20, 23, 24, 31 ; verachting van den naaste, 21; kwaad en goed doen, 22; zure arbeid cn ijdel geklap, 23; vreeze des Hoeren, 20, 27; heerlijkheid der koningen, 28; verdrukkingen liefde der armen, 31; wijsheid , 33; eer cn schande van een volk, 34; konings knechten, 35. ELKE wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met hare handen. 2 quot; Die in zijne opregtheid wandelt, vreest den Heere; maar die afwijkt in zijne wegen, veracht Hem. «Job 12:4. 3 In den mond des dwazen is eene roede des hoog-moeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen. 4 Als er geene ossen zijn, zoo is de krib rein; maar door do kracht van den os is der inkomsten veel. 5 Een waarachtig quot; getuige zal niet liegen; maar een valseh getuige blaast leugens. a Ex. 23: 1. Spr. 12 : 17. G De spotter zoekt wijsheid, en er is geene; maar de wetenschap is voor den verstandige ligt. 7 Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans, want gij zoudt bij hem geene lippen der wetenschap merken. |
8 De wijsheid des kloekzinnigen is zijnen weg t-o verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij. !) Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de opregten is goedwilligheid. 10 Het hart kent zijne eigene bittere droefheid ; cn een vreemde zal zich met deszelfs blijdschap niet vermengen. 11 Het huis der goddeloozen zal verdelgd worden; maar de tent dor opregten zal bloeijen. 12 quot; Er is een weg, die iemand regt schijnt, maar het laatste van dien zijn wegen dos doods. a Spr. 1G : 25. 13 Hot hart zal ook in liet lagchon smart heb ben ; quot; en het laatste van die blijdschap is droefheid, a Spr. 5 : 4. 14 Die afkeerig van hart is, zal van zijne quot; wegen verzadigd worden; maar een goed man van zich zeiven. a Spr. 1 : 31. 15 Do slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijnen gang. 10 De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar do zot is oploopende toornig, en zorgeloos. 17 Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; on oen man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden. 18 Do slechten erven dwaasheid, maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kroonen. 19 De kwaden huigen voor het aango-zigt der goeden neder, goddeloozen voor de poorten dos regt- en do vaardigen. 20 quot; Do arme wordt zelfs van zijnen vriend go-haat; maar do liefhebbers dos rijken zijn vele. n Spr. I!): 4, 7. 21 Die zijnen naaste veracht, zondigt; maar die zich der noderigen ontfermt, die is welgelukzalig. 22 Dwalen zij niet, die kwaad stichten? quot;maar weldadigheid on trouw is voor dogonen, die goed stichten. a Luk. 0 : 38. 23 In allen smartelijken arbeid is overschot; maar het woord dor lippen strekt alleen tot gebrek. 24 Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid dor zotten is dwaasheid. |
SPREUKEN 14, 15.
|
25 Eon waarachtig gotuige roeit do ziolon; maar die leugens blaast, is oen bedrieger. 2(i In de vreezo des I!keuen is oen sterk ver-trouwen, en Hij zal zijnon kinderen oene toevlugt wezen. 27 Do vroeze dos Heeuen quot; is oono springader des levens, om af te wijken van do strikken dos doods. rtSpr. 10:11. 13:14 28 In do menigte dos volks is dos konings hoor-lijkhoid; maar in gobrek van volk is oons vorsten verstoring. 29 Do langmoodige is groot van vorstand; maar dio haastig is van gemoed, verheft do dwaasheid. HO Een gezond hart is hot loven des vleoschos; maar nijd is verrotting der beenderen. ill quot; Dio den anno verdrukt, smaadt deszolfs Maker; ''maar die zich dos nooddruftigen ontfermt, eert Hem. «Spr. 17:5. fcSpr. 11:21. :)2 Do goddoloozo zal hoongodroven worden in zijn kwaad; maar do rogtvaardige betrouwt zel/'s in zij non dood. 33 quot; Wijsheid rust in liet liart dos vorstandigen; maar wat in hot binnenste dor zotten is, wordt bekend. Spr. 10:14. 12:23. 13 : 10. 34 Gorogtigheid verhoogt oen volk; maar do zonde is oono schandvlek der natiën. 35 Hot welbohagen dos konings is ovor oen' verstandig knecht; maar zijne verbolgenheid zal zijn over dengenen, die beschaamd maakt. HOOFDSTUK 15. Wij/,o on dwaze rodenon, vs. 1, 2, 4, 7, 23, 20, 28; Gods alwetendheid, 3, 11; tucht, 5, 10, 12, 31, 32, 33; goed des rogtvnardigen en goddeloozen, 0; godsdienst en wandel der goddeloozen en vromen, 8, 9, 29; blijdschap en liekominering, 13, 15; wijsheid en dwaasheid, 14, 21; vergenoegdheid en liefde mot do vreezo des Hoeren, 1(5, 17; toorn en langmoe-digheid, 18; luiheid, 19; goede en kwade kinderen, 20; raadslieden, 22; weg ten hemel, 24; hoovaardij on weduwen, 25; gedachten der goddeloozen, 20; gierigheid en gesohenkon, 27; goed gerucht, 30; vreezo Gods en nederigheid, 33. EEN â ' zacht antwoord koert do grimmigheid af; maar oen smartend woord doet don toorn oprijzen. «Spr. 25:15, 2 Do tong der wijzen maakt de wetenschap goed; quot; maar do mond dor zotten stort overvloodiglijk dwaasheid uit, «Spr, 12:23. 13:10. 15:28. 3 quot; Do oogen dos Heeuen zijn in alle plaatsen, boschouwondo do kwaden en do goeden. «.lob 31 : 21, Spr, 5 : 21, Jor. 10:17. 32 : 19. 4 quot; Do medicijn dor tong is een boom dos levens; maar de vorkeordlioid in dezelve is oono breuk in den geest. «Spr. 12:18. 13:14, 5 Een dwaas zal do tucht zijns vaders versmaden; maar dio do bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen. (! In het huis des regtvaardigen is oen groote schat; maar in dos goddeloozen inkomst is beroerte. 7 De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooijon; maar het hart der zotten niet alzoo. |
8 quot; Hot offer dos goddeloozen is don Heere eon gruwel; maar het gebod der oprogton is zijn welgevallen. a Spr. 21 : 27. .los. 1:11. Jor. G: 20. Amos 5:21. 9 Do weg der goddeloozen is don Heere een gruwel; maar dien, die de gorogtigheid najaagt, zal Hij liefhebben. 10 Do tucht is onaangenaam voor dengenen, die hot pad verlaat; en die do bestraffing haat, zal sterven. 11 quot;De hel on hot verderf zijn voor den Heere ; hoe veel te meer 'â do harten van dos monschon kinderen? a.lob 20:0. h2 Kron. 0:30. I's. 7:10. 44:22. .lor. 17:9, Hl. .ioh. 2:24, 25. 21:17. Hand. 1:24. 12 Do spotter zal niet liefhebbon, die hom bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen. 13 quot; Een vrolijk hart zal hot aangozigt blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen. «Spr. 17:22. 18:14. 14 Een verstandig hart zal do wetenschap op-zookon; maar do mond der zotten zal mot dwaasheid gevoed worden. 15 Al do dagen dos bedrukten zijn kwaad; maar een vrolijk hart is oen gedurige maaltijd. 1(1 quot; Beter is weinig mot do vreezo des Heeren , dan eon groote schat, en onrust daarbij. a I's. 37 : 1G. Spr. 10:8. 17 quot;Boter is eon gerogt van groen moes, waar ook liefde is, dan eon genieste os, en haat daarbij. a Spr. 17:1, 18 quot;Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar do langmoodige zal don twist stillen. «Spr. 28:25. 29:22. 19 Do weg des luiaards is als oono doornheg; maar hot pad dor oprogton is welgobaand. 20 quot;Een wijs zoon zal don vader verblijden; maar een zot mensch veracht zijne moedor. a Spr. 10 : 1. 21 quot; Do dwaasheid is den verstandelooze blijdschap; maar eon man van vorstand zal regt wandelen. «Spr. 10:23. 14:9. 22 quot; De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elk oen bestaan. a Spr. II : 14. 23 Eon man hooft blijdschap in het antwoord zijns monds; on hoe goed is oen woord op zijnen tijd! 24 Do weg des levens is don verstandige naar boven; opdat hij afwijke van do hel, bonoden. 25 quot; Het huis dor hoovaardigon zal do Heere afrukken ; maar do landpale dor weduwe zal Hij vastzetten. « Spr. 2 : 21,22. 12:7. 14:11. 20 quot; Dos boozon gedachten zijn den Heere oen gruwel; maar der reinen zijn liefelijke rodonen. « Spr. 0 : 18. 27 quot;Die gierigheid ploegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven. «Spr. 1:19. 28 Hot hart dos regtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar do mond dor goddeloozen zal overvloodiglijk kwade dingen uitstorten. |
|
29 De Heere is vor van do goddoloozen; quot; inaar liet gebed dor regtvaftrdigon zal Ilij vorhooren. a Pa. 10: 17. 34: U). 145: 18, li). 30 liet licht dor oogon verblijdt liot hart; quot; oon goed gerucht maakt het gebeente vet. oSpr. 25 : 25. !il Het oor, dat do bestraffing dos levens hoort, zal in hot midden der wijzen vernachten. 32 Die do tucht verwerpt, die versmaadt zijne ziel; maar die do bestraffing iioort, krijgt verstand. 33 quot; De vroozo dos Heeren is do tucht der wijsheid, en ''do nederigheid gaat voor do eer. a Spr. 1 : 7. : 10. h Spr. IS : 12. HOOFDSTUK 16. God regeert do tong-, den gang on liet lot, vs. 1, 0, 33; eigen goeddunken, 2, 25; vertrouwen op God, 3, 20; het opperste einde van (iods werken, 4; hoogmoed, 5, 18, 1!); verzoening en vroozo Gods, fl; bevrediging der vijanden, 7; vergenoegdheid, 8; van koningen, 10, 12, 13, 14, i5; weegschaal, 11; dierbaarheid der wijsiieid, 10; wandel der vromen, 17; Gods woord, 20; wijze redenen, 21, 22, 23, 24; arbeidzaamheid, 20; deugnieten, verkeerden en geweldenaars, 27, 28, 29, 30; grijsheid, 31; lang-moodigheid, 32. DE quot; monsch hoeft scliikkingon des harten; maar liet antwoord der tong is van den Heere. avers 9. Spr. 10:21. 20:24. Jer. 10:23. 2 quot; Alle wogen des mans zijn zuiver in zijne oogon; maar de Heere weegt de geesten. a Spr. 21 : 2. 3 quot;Wentel uwe werken op den Heere, on uwe gedachten zullen bevestigd worden. rtPs. 37:5. 55:23. Matt. G: 25. Luk, 12:22. 1 Petr. 5:7. 4 De Heere heeft alles gewrocht om zijn zelfs wil; quot; ja ook don goddelooze tot don dag dos kwaads. a Job 21 : 30. 5 quot; Al wie hoog is van hart, is don Heere oen gruwel; ''hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn. re Spr. 0: 17. 8: 13. /gt; Spr. 11 :2I. (1 Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vroozo des Heeren wijkt men af van het kwade. 7 Als iemands wegen don Heere behagen, zoo zal Hij ook zijne vijanden mot hom bevredigen. 8 quot; Beter is oen weinig mot goregtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder regt. « Ps. 37 : 10. Spr. 15: 10, 9 Het hart dos menschen overdenkt zijnon weg; maar de Heere stiert zijnen gang. 10 Waarzegging is op do lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gerigt. 11 quot; Eene regte waag en weegschaal zijn dos Heeren: allo weegstoenon dos zaks zijn zijn werk. a Lev. 19:36. Deut. 25 :13, enz. Spr. 11:1. 20:10,23. 12 Het is dor koningen gruwel, goddeloosheid te doen: want door goregtigheid wordt do troon bevestigd. 13 De lippen dor goregtigheid zijn liet welgevallen der koningen; en elk oon van hen zal liefhebben dien, die regte dingen spreekt. 14 a Do grimmigheid des konings is als do boden |
591 dos doods; maar oon wijs man zal die verzoenen. a Spr, 19 : 12. 20 : 2. 15 quot; In het licht van dos konings aangezigt is leven; en zijn welgevallen is als oene wolk dos spadon regens. a Spr. 19: 12. 16 quot; Hoe vool beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud! en uitnemender verstand te bekomen, dan zilver! «Job 28:15. Ps. 19:11. 119:72. Spr.3:14, 15. 8:11,19. 17 Do baan dor opregten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijne ziel, die zijnen weg bewaart. 18 quot; Hoovaardigheid is vóór de verbreking; en hoogheid dos geestes vóór don val. «Spr. 11:2. 17 : 19. 19 Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoodigon, dan roof te doelen met do hoovaardigon. 20 Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; quot;en die op don Heere vertrouwt, is welgelukzalig. a Ps. 2 : 12. 34 : 9. 125 : 1. .les. 30 :18. Jer. 17 : 7. 21 Do wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en do zoetheid der lippen zal de leering vermeerderen. 22 Het verstand dorgenen, die hot bezitten, is quot;eene springader dos levens, maar do tucht der dwazen is dwaasheid. «spr. 13: 14. 23 Het hart eens wijzen maakt zijnon mond verstandig; en zal op zijne lippen do leering vor-moordoren. 24 Liefelijke redenen zijn oonc honigraat, zoet voor do ziel, en medicijn voor liet gebeente. 25 quot;Er is een weg, dio iemand regt schijnt; maar hot laatste van dien zijn wogen des doods. n Spr. 14 : 12. 26 Do ziel dos arbeidzainen arbeidt voor zich zeiven: want zijn mond buigt zich voor hom. 27 Een Belials man graaft kwaad; en quot;op zijne lippen is als brandend vuur. «Spr. 12: 18. 28 quot; Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en oon oorblazer scheidt den voornaamsten vriend. a Spr. 15:18. 26 : 21. 29 : 22. 29 Een man dos gowolds verlokt zijnen naaste, en hij leidt hom in oenen weg, die niet goed is. 30 quot; Hij sluit zijne oogen, om verkeerdheden te bedenken; zijne lippen bijtende, volbrengt hij hot kwaad. «Spr. 6: 13, 14. 31 Do grijsheid is eono sierlijke kroon, zij wordt op den weg dor goregtigheid gevonden. 32 Do langmoodige is beter dan de sterke; en die hoorscht over zijnen geest, dan die eene stad inneemt. 33 Hot lot wordt in don schoot geworpen, maar hot goheele beleid daarvan is van den Heere. HOOFDSTUK 17. Rust en twist, va. 1 ; kloeke knechten, 2; het prooven dor harten, 3; leugentaal, 4, 7; bespotting der armen en ollendigen, 5; kindskinderen en vaders, 6: wijsheid iu spreken en zwijgen, 7, 27, 28: SPREUKEN IB, If), 17. |
|
592 geschenken, 8, 23; don naaste vergeven, I); zot-Ion, 10, 12, Ki, 21, 24, 25, 28; wcdorspnnnigheid, 11; kwaad voor goed vergelden, 18; twist, 14, 19; vonnissen, 15, 26; vrienden, 17; borgtogt, 18; pracht, 19; verkeerdheid van liot hart en tong, 20; blijdschap en treurigheid des geestes, 22; uiterlijk aanzien dor verstandigen en dwazen, 24. EENE quot; drooge bete, en rust daarbij, is boter, dan een liuis vol van geslagte beesten, met twist. a Spr. 15:17. 2 Een verstandig knecht zal heerschen over eonen zoon, die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis deelen. quot; De-smeltkroes is voor hot zilver, en do oven voor het goud ; h maar de Heere proeft de harten. n Spr. 27 ; 21. h Jer. 17:10. 4 De boosdoener merkt op de ongeregtige lip; een leugenaar neigt hot oor tot do verkeerde tong. 5 quot;Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niot onschuldig zijn. «Spr. 14:31. (i Do kroon der ouden zijn do kindskinderen, on der kinderen sieraad zijn hunne vaderen. 7 Eene voortreffelijke lip past eenen dwaze niot, veel min eenen prins oone lougenachtigo lip. 8 Hot geschenk is in de oogen zijner heoren een aangenaam gesteente; waarhenon het zich zal wonden, zal het wel gedijen. 9 Die do overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voor-naamsten vriend. 10 De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderdmaal te slaan. 11 Zekerlijk do wedorspannige zoekt hot kwaad; maar een wreedo bode zal togen hem gezonden worden. 12 Dat een beer, die van jongen beroofd is, oenen man te gemoet kome, maar niot oen zot in zijne dwaasheid. 13 quot; Dio kwaad voor goed vergeldt, hot kwaad zal van zijn huis niet wijken. a Dent. 32:35. Spr. 20:22, 24, 29. Rom. 12:17. 1 Thess. 5 : 15. 1 l'otr. 3 :!). 14 quot;Hot begin des krakeols is (jchjk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, oer hij zich vermengt. aSpr. 20:3. 15 quot;Wie den goddelooze regtvaardigt, en den regtvaardige verdoemt, zijn den IIeere een gruwel, ja die beiden. a Ex. 23:7. Spr. 24:24. Jes. 5:23. Ki Waarom toch zou in de hand des zots hot koopgeld zijn, om wijsheid te koopen, dewijl hij geen verstand heeft ? 17 Een vriend hoeft te aller tijd lief; on een broeder wordt in de benaauwdheid geboren. 18 Een verstandeloos mensch klapt in de hand, zich borg stellende bij zijnen naaste. 19 Die het gekijf liefheeft, hoeft de overtreding lief; quot;die zijne deur verhoogt, zoekt verbreking. a Spr. 10:18. |
20 Wio verdraaid is van hart, zal hot goede niet vinden; en die verkèerd is met zijne tong, zal in bet kwaad vallen. 21 Wie eenen zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden. 22 quot;Een blij hart zal eene medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdroegen. a Spr. 15 : 13. 23 Do goddelooze zal hot geschenk uit den schoot nomen, om do paden des regts te buigen. 24 quot; In het aangezigt des verstandigen is wijsheid; maar de oogen dos zots zijn in het einde der aarde. «Pred. 2.: 14. 8:1. 25 quot; Een zotte zoon is een verdriet voor zijnen vader, en bittere droefheid voor degene, die hom gebaard heeft. «Spr. 10:1. 15:20. 19:13. 26 Hot is niot goed, den regtvaardige ook te doen boeten, dat do prinsen iemand sXhvlw zouden om hetgeen regt is. 27 Wio wetenschap weet, houdt zijne woorden in; en een man van vorstand is kostelijk van geest. 28 Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en dio zijne lippen toesluit, verstandig. HOOFDSTUK 18. Eenzaamheid tot onderzoek naar wijsheid, vs. 1; waartoe een zot geenon lust hooft, 2; wijze redenen, 4; regtorambt, zotto redenen, 6, 7; oorblazing, 8; traagheid in arbeid, 9; vertrouwen op God, 1U; op rijkdom, 11; hoogmoed en nederigheid, 12; onbe-daoht antwoord, 13; kloekinoedighoid on verslagenheid, 14; toenemen in wetenschap, 15; giften, 16; jiloiten, 17; het lot, 18; gcschillon tusschen broederen, 19; vruchten der tong, 20, 21 ; goede huisvrouwen, 22; woorden dor annon on rijken, 23; vrienden, 24. DIE zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks; hij vermengt zich in allo bestendige wijsheid. 2 Do zot heeft geenen lust in verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt. 3 Als de goddelooze komt, komt ook de verachting, en niet schande versinaadheid. 4 Do woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en do springader der wijsheid is eene uitstortende beek. 5 quot;Het is niot goed het aangezigt des goddo-loozen aan te nemen, om den regtvaardige in hot gerigt to buigen. a Lev. 19: 15. Dent. 1 :17. 16: 19. Spr. 24:23. 6 De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen. 7 De mond dos zots quot; is hem zeiven eene verstoring, en zijne lippen een ''strik zijner ziel. a Spr. 10: 14. 13:3. ft Spr. 12: 13. 8 quot;Do woorden des oorblazers zijn als dergenen, dio geslagen zijn, on die dalen in bet binnenste des buiks. a Spr. 26 : 22. 9 Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van eenen doorbrenger. 10 De naam dos Heeren is quot;een sterke toren; SPREUKEN 17, 18. |
SPREUKEN 18, 10.
5!)^
|
de regtvaardige zal daarhenen loopen, en in oen hoog vertrek gesteld worden. «2 Sam. 22:51. Ps. 18: li. G1 : 4. Spr. 2!): 25. â 11 quot;Des rijken goed is de stad zijnor sterkte, en als een verheven muur in zijne inbeelding. a Spr. 10 : 15. 12 Vóór do verbreking zal des monschen hart zich verheffen; '' en de nederigheid gaat vóór de oer. a Spr. 11:2. 10: 18. ft Spr. 15:33. 13 Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hom dwaasheid en schande. 14 De geest oons mans zal zijne krankheid ondersteunen; maar oenen verslagenen geest, wie zal dien opheffen? 15 Hot hart dos verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap. Ki De gift des monschen maakt hom ruimte, en zij geleidt hem voor het aangozigt der grooton. 17 Die de eerste is in zijne twistzaak, schijnt regtvaardig te zijn; quot;maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem. «Spr. 25:8. 18 Het lot doet do geschillen ophouden, en maakt scheiding tusschen magtigon. li) Een broeder is wedorspannigor dan oene sterke stad; en de geschillen zijn als oen grondel van een paleis. 20 quot; Van do vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijnor lippen. «Spr. 12: 14. 13:2. 21 Dood en loven zijn in het geweld der quot; tong; on een ieder, die zo liefheeft, zal hare vrucht eten. a Spr. 21 : 23. Jakob. 3:2. 22 quot; Die eene vrouw gevonden hoeft, hoeft oene goede zaak gevonden, en hij hoeft welgevallen getrokken van don Heere. «Spr. 19:14. 23 Do arme spreekt smookingen; maar de rijke antwoordt harde dingen. 24 Een man, die vrienden hooft, heeft zich vriendelijk te houden: want er is een liefhebber, quot; die meer aankleeft dan oen broeder. «Spr. 17:17. HOOFDSTUK 19. Armen en rijken, vs. 1, 4,7, 22; onbedachtzaamheid, 2; zotheid, onbezonnenheid, spotternij, 1, 3, 10, 29; vrienden, 4; valsohe getuigen, leugentaal, 5, 9, 22, 28; prinsen en giften, 0: verstand en wijsheid, 8, II, 20, 25; heersehen van eenen knecht, 10; zachtmoedigheid, 11; konings genade en ongenade, 12; zotte zoon, 13, 20; twistzieke en verstandige vrouw, 13,14: luiheid, 15, 24; godzaligheid en goddeloosheid, 10; milddadigheid aan armen, 17; tucht, 18, 20, 25, 27; toorn, 19; Gods raad, 21; ijdele roem van weldadigheid, 22; vreeze des Heeren, 23. DE anno, in zijne oprogtheid wandelende, is beter dan de vorkeerde van lippen, en die een zot is. a Spr. 28 : 0. 2 Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt. 3 quot; Do dwaasheid dos monschen zal zijnen weg verkeeren; en zijn hart zal zich tegen den Heere vergrammen. a Jakob. 1:13, 14, 15. 4 quot; Hot ü;oed brengt vele vrienden toe; maar do arme wordt van zijnen vriend gescheiden. |
if Spr. 14:20. 5 quot;Een valsch getuige zal niet onschuldig zijn; en dio lougenen blaast, zal niet ontkomen. a Dent. 19 : 19. Spr. 21 : 28. (! Velen smeekon hot aangozigt dos prinsen; en een ieder is een vriend dengenen, die giften geeft. 7 quot; Al de broeders des armen haten hom; hoe voel te moer gaan zijne vrienden verre van hem ! hij loopt hen na met woorden, die niets zijn. Spr. 14:20. 8 Dio vorstand bekomt, hoeft zijne ziel lief; hij neemt do verstandigheid waar, om het goede to vinden. i) quot;Een valsch getuige zal niet onschuldig zijn; en die lougenen blaast, zal vergaan. avers 5. 10 Do woelde staat oenen zot niet wel; quot; hoe veel te min oenen knecht te heersehen over vorsten! a Spr. 30 : 22. 11 Het verstand des monschen vertrekt zijnon toorn; en zijn sieraad is do overtreding voorbij te gaan. 12 quot; Des konings gramschap is als het brullen eons jongen leeuws; maar ''zijn welgevallen is als dauw op het kruid. a Spr. 10:14. 20:2. b Spr. 10:1 5. 13 quot; Een zotte zoon is zijnen vader grooto ellende; en ''de kijvingen eenor vrouw als een gestadig druipen. a Spr. 10:1. 15:20. 17:25. ft Spr. 21 : 19. 27 : 15. 14 Huis en goed is oene erve van do vaderen; quot; maar eono verstandige vrouw is van den Heere. «Spr. 18:22. 15 a Luiheid doet in diepon slaap vallen; ''en eene bedriogelijke ziel zal hongeren. «Spr. 0:9. 20: 13. ft Spr. 10:4. 10 Die hot quot;gebod bewaart, bewaart zijne ziel; die zijne wegen veracht, zal sterven. «Spr. 3:21, 22. Luk. 11 : 28. 17 Dio zich dos armen ontfermt, leent den Heere; en Hij zal hem zijne weldaad vergelden. 18 quot;Tuchtig uwen zoon, als er nog hoop is; maar ''verhef uwe ziel niet, om hem to dooden. a Spr. 13 : 24. 23 : 13. ft Efez. (i: 4. 19 Die groot is van grimmigheid, zal straf dragon: want zoo gij hem uitredt, zoo zult gij nog moeten voortvaren. 20 Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt. 21 In hot hart des mans zijn vele gedachten; quot; maar de raad dos Heeren, die zal bestaan. «Job 23:13. Ps. 33: 11. 115:3. Jos. 40: 10. 22 De wensch des menschon is zijne weldadigheid ; maar de arme is beter dan een leugenachtig man. 23 Do vreeze dos Heeren is ton loven: quot; want men zal verzadigd zijnde vernachten, met hot kwaad zal men niet bezocht worden. «Ps. 31: 10. 24 quot; Een luiaard verbergt de hand in den boe- :!« |
J
SPREUKEN 1!), 20, 21.
594
|
zem, en hij znl zo niet weder aan zijnen mond brengen. aSpr. 20 :15. 25 quot; Sla don spottor, zoo zal do slechte kloekzinnig worden; en bestraf den vorstandigo, hij zal wetenschap begrijpen. oSpr. 21:11. 20 Wie den vader verwoest, nf do moeder verjaagt, is eon zoon, die beschaamd maakt, en schande aandoet. 27 Laat af, mijn zoon! hoorondo de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap. 28 Een Helials getuige bespot het regt; en de mond der goddeloozon slokt de ongeregtigheid in. 2!) Gerigten zijn voor do spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten. HOOFDSTUK 20. Misbruik van den wijn, vs. 1; koningen, 2, 8, 20, 28; twist, 3; luiheid, 4, 13; raad, ö, 18; hot zeldzame van ware trouw, 0; opregthoid, 7; do zondige staat van alle monsohon, 0; gewigt on maat, 10, 23; oordeel over kinderlijke werken, 11; hoorende ooren en ziende oogen, 12; handelingen der koopers, 14; waarde van wijze redenen, 15; borgtogt, 10; onrogtvaardig gewin, 17; achterklap, 19; hot vloekon zijner ouders, 20; haastige rijkdom, 21; wraakgierigheid on wachten op (Ion ileero. 22; (rod regeert des menschen gang, 24; geloften, 25; des menschenziel, 27; jeugd en ouderdom , 29; straf dor boozon. 30. DE wijn is een spottor, do sterke drank is woelachtig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn. 2 quot; Do schrik eens koniugs is als het brullen eens jongen leouws; dio zicli togen hom vergramt, zondigt tegen zijne ziel. «Spr. 10:14. 19: 12. 3 quot; liet is eer voor oenen man, van twist af te blijven, maar ieder dwaas zal er zich in mengen. a Spr. 17: 14. 4 Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn. 5 quot; De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar oen man van verstand zal dien uithalen. «Spr. 18:4. 0 Elk van de menigte dor menschen roept zijne weldadigheid uit; maar wie zal oenen regt trouwen man vinden? 7 Do regtvaardige wandelt steeds in zijne opregthoid; welgelukzalig zijn zijne kinderen na hem. 8 Een koning, zittende op den troon dos gerigts, quot;verstrooit allo kwaad met zijne oogen. a vers 20. !) quot; Wie kan zoggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik bon rein van mijne zonde? al Kon. 8:40. Job 14:4. I's. 51 : 7. Pred. 7 : 20. 1 Joh. 1 : 8. 10 quot; Tweederlei woogsteen, tweederlei efa is don Heeue oen gruwel, ja die beiden. a Deut. 25 : 13. Spr. 11 :1. vers 23. 11 Een jongen zal ook door zijne handelingen zich bekend maken, of zijn werk zuiver, en of het regt zal wezen. 12 quot;Een hoorend oor, en oen ziend oog hooft de Heere gemaakt, ja die beiden. «Ex.4:11. rs.94:9. |
13 quot;Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uwe oogen, verzadig u met brood. a Spr. 19:15. 14 Het is kwaad, hot is kwaad! zal de kooper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen. 15 Goud is er, en menigte van robijnen; quot;maar do lippen dor wetenschap zijn een kostelijk kleinood. « Spr. 3:14, 15. IC quot; Als iemand voor oenen vreemde borg geworden is, noem zijn kleed; en pand hem voor do onbekenden. «Spr. 11:15. 27:13. 17 quot;Het brood dor leugen is don mensch zoet; maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden. n Spr. 9 : 17. 18 Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voor oorlog mot wijze raadslagen. 1!) quot;Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hom, die met zijne lippen verlokt. «Spr. 11 :13. 20 quot;Wie zijnen vader of zijne moeder vloekt, diens lamp zal uitgebluscht worden in zwarte duisternis. «Ex. 21 : 17. Lev. 20:9. Deut. 27 :10. Matt. 15:4. 21 Als eeno erfenis in hot eerste quot; verhaastigd wordt, zoo zal haar laatste niot gezegend worden. «Spr. 13:11. 28:20. 22 quot; Zeg niet: Ik zal hot kwaad vergelden; wacht op don Heeue, en Hij zal u verlossen. « Dent. 32 : 36. Spr. 17 : 13. 24 : 29. Kom. 12:17. 1 Thoss. 5: 15. 1 Petr. 3:9. 23 quot; Tweederlei weegsteen is don Heere een gruwel, en do bedriegelijke weegschaal is niet goed. «vers 10. 24 quot;Do treden des mans zijn van don Heere; '' hoe zou dan een mensch zijnen weg verstaan ? «.lob 31 :4. I's. 37:23. 139:2, 3. h Jor. 10:23 25 Hot is een strik des menschen, dat hij het heilige verslindt , en na gedaMe geloften, onderzoek te doen. 26 Een wijs koning verstrooit do goddeloozon, en hij brengt het rad over hen. 27 De ziel des menschen is eene lamp des Hee-ren, doorzoekende al do binnenkamoren des buiks. 28 Weldadigheid en waarheid bewaren don koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijnen troon. 29 Dor jongelingen sieraad is hunne kracht, en quot; dor ouden heerlijkheid is de grijsheid. «Spr. 10:31. 30 Gezwellen dor wonde zijn in den boozo eeno zuivering, mitsgaders quot; de slagen van het binnenste des buiks. «Spr. 10:13. HOOFDSTUK 21. Het hart des konings is in Gods hand, vs. I; eigen goeddunken en hot wegen der harten, 2; goregtig-lioid on olTor, 3, 27 : hoogmoed en bedrijf der goddeloozon, 4, 24; vlijtigheid en haasten naar goed, 5; onregtvaardige rijkdom, 0; goddeloozon, 7, 10, |
SPREUKEN 21, 22.
r)lt;)5
|
12, 1quot;), IS, 27, 29; verdorvenheid en zuivering dor mensehen, 8; twistzieke vrouwen, 9, 19; tucht, 11; onbarmhartigheid jegens armen. Ui; giften en geschenken, 14; regtvaardigen, regtzinnigen, wel-dadigen, 15, 18, 21, 2G, 29; wijsheid, verstand on raad, 1G, 20, 22, 30; wellust, 17; tong, 23; luiheid , 25; gierigheid, 20; valscho getuigen, 28; onwedorstaanbaarheid van Gods raad en werken, 30; overwinning, 31. DES konings hart is in do hand dos Heeren als waterbeken; Hij neigt het tot al wat 11 ij wil. 2 quot; Allo weg dos menschon is regt in zijne oogen ; maar do IIeere weegt do harten. n Spr. 10:2. 3 quot; Geregtigheicl en regt te doen, is bij den Heere uitgolezener dan offer. a 1 Sam. 15 : 22. Ps. 50 ; 8, 14. .los. 1:11,10. Hos. 0 : 0. 4 Hoogheid der oogen, on trotschheid des harten, en de ploeging dor goddeloozen, zijn zonde. 5 quot; Do gedachten dos vlijtigon zijn alleen tot overschot; maar van oen' ieder, die haastig is, alloon tot gebrek. a Spr. 10:4. 13:4. 0 quot; Te arbeiden om schatten mot oono valscho tong, is oono voortgodreveno ijdelheid dorgenon, die don dood zoeken. «Spr. 10:2, 4. 13:11. 7 Do verwoesting der goddeloozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren regt te doen. 8 Do weg des menschen is gansch verkeerd en vreemd; maar hot werk des zuiveren is regt. 9 quot; Hot is beter te wonen op oenen hoek van hot dak, dan mot oono kijfachtige huisvrouw, on dat in een huis van gezelschap. n vors 19. Spr. 25:24. 27 :15. 10 Do ziol dos goddeloozen begeert hot kwaad; zijn naaste krijgt geono genade in zijne oogen. 11 quot;Als men don spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men don wijze ondorrigt, noemt hij wetenschap aan. «Spr. 19:25, 12 Do regtvaardige lot verstandelijk op dos goddeloozen Imis, als God do goddeloozen in hot kwaad stort. 13 Die zijn oor stopt voor hot geschrei dos armen, dio zal ook roepon, en niet verhoord worden. 14 quot; Eene gift in liet verborgene houdt don toorn onder, on eon geschenk in don schoot do sterke grimmigheid. «Spr. 17:8. 18:10. 15 Hot is don regtvaardige oono blijdschap regt te doen; maar voor do werkers der ongerogtig-heid is hot verschrikking. 10 Een mensch, die van don weg dos vorstands afdwaalt, zal in do gomoente dor dooden ruston. 17 Die blijdschap liefheeft, dio zal gebrek lijden; dio wijn en olie liofhooft, zal niet rijk worden. 18 quot; Do goddoloozo is oon rantsoen voor do regtvaardigen, en do trouwoloozo voor do opregten. a Spr. 11:8. 19 quot; Hot is boter te wonen in oon woest land, dan bij oono zeer kijfachtige on toornige huisvrouw. «vers 9. Spr. 25:24. 20 In dos wijzen woning is oon gowonschto schat, en olio; maar oon zot mensch verslindt zulks. |
21 Die regtvaardigheid on weldadigheid najaagt, zal hot leven, regtvaardigheid en oor vindon. 22 Do wijze beklimt do stad dor geweldigen, ou werpt do sterkte huns vertrouwons nodor. 23 quot;Dio zijnon mond en zijne tong bewaart, bewaart zijne ziel van benaauwdhodon. «Spr. 18:21. 24 Die oon hoovaardig pogcher is, zijn naam is spottor; hij gaat mot hoovaardige verbolgenheid te werk. 25 De begeerte dos luiaards zal hom doodon: want zijne handen weigeren te werken. 2C Den gansohon dag begeert hij begoorlijke dingen; maar quot; do regtvaardige zal geven, en niet inhouden. «Ps. 37 ; 2G. 27 quot; Hot offer dor goddeloozen is oon gruwel; hoe voel te moor, als zij het mot oon schandelijk voornenion brengen! «Spr. 15:8. Jes. 1 : 13. .Ier. 0:20. Amos 5:21. 28 quot; Een leugenachtig getuige zal vergaan; on een man, dio hoort, zal sproken tot overwinning. « Spr. 1!) : 5 , 9. 29 Een goddeloos man sterkt zich in zijn aan-gozigt; maar de opregte, dio maakt zijnen weg vast. 30 Er is geone wijsheid, on er is geou verstand, on er is geen raad togen den Heere. 31 quot; Hot paard wordt boroid tegen den dag dos strijds; maar do overwinning is dos Heeren. n Ps. 33 : 17. HOOFDSTUK 22. Goede naam en gunst, vs. 1; rijken en armen, 2, 7, 1G; kloekzinnigheid on slechtheid, 3; nederigheid in dos Hoeren vreeze, 4; verkeerden, 5; onderwijzing on tucht der jeugd, 0, 15; onregtvaardigen, 8; goed van oogen, 9; spotters, 10; reinheid dos harten en aangenaamheid dor lippen, U; rogto wetenschap on trouweloosheid, 12; luiaard, 13; verleidende vrouw, 14; onderdrukking der armen, 10, 22, 23; woorden der wijzen, 17, 18, 19; lof dezer spreuken, 20, 21; gezelschap van een toornig mensch, 24; borgtogt, 20, 27; oude palen, 28; vaardigheid in hot werken, 29. DE quot;naam is uitgolozoner dan grooto rijkdom, de goede gunst dan zilver on dan goud. « Pred. 7:1. 2 quot;Rijken en armen ontmoeten elkander; do Heere hooft hen allen gemaakt. « Spr. 29:13. 3 quot;Eon kloekzinnig mensch ziet het kwaad, en verbergt zich; maar do slechten gaan henendoor, en worden gestraft. a Spr. 27:12. 4 Do loon der nederigheid, met do vreeze des Heeren, is rijkdom, on eer, en leven. ö Doornen en strikken zijn in don weg des verkeerden; die zijne ziol bewaart, zal zich verre van die maken. G Leer don jongen de eerste beginselen naar den oisch zijns wogs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken. 7 Do rijke hoorscht over de armen; en dio ontleent, is dos leeners knecht. 8 quot;Die onregt zaait, zal moeite maaijon; en do roede zijner verbolgenheid zal oen einde nenion. « Job 4 : 8. Hos. 10 : 13. 38* |
SPREUKEN 22, 23.
5!)(i
|
9 quot; Die goed van oog is, clio zal gezegend worden : want liij lieel't van zijn brood den armen geloven. 2 Cor. 1): Ã. 10 Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil niet do schande zal ophouden. 11 quot;Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning. a I's. 101: (gt;. 12 De oogen des Heeren bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouweloozen zal Hij omkeeren. 13 quot;De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mogt op het midden der straten gedood worden! a Spr. 2G : 13. 14 quot; De mond der vreemde vrouwen is eene diepe gracht; op welken de Heere vergramd is, zal daarin vallen. a Spr. 2:10. 5:3. 7:5. 23:27. 15 quot; Do dwaasheid is in het hart des jongen gebonden ; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen. a Spr. 13:24. 1!):18. 23:14. 29:15, 17. K! quot; Die den arme verdrukt, om liet zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek. «ï Spr. 14:31. 17:5. 17 Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijne wetenschap; 18 Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen zamen op uwe lippen gepast worden. 19 Opdat uw vertrouwen op den Heere zij, maak ik u die heden bekend, gij ook niaak ze bekend. 20 Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap ? 21 Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid; opdat gij redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen, die u zenden. 22 quot; Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en h verbrijzel den ellendige niet in de poort. a Zach. 7 : 10. h Ex. 23 : 6. .lob 31 : 13. I's. 82 : 3, 4. 23 quot; Want de Heere zal hunne twistzaak twisten, en Hij zal dengenen, die hem berooven, de ziel rooven. «Ex. 22:22, 23. Ps. 10:18. 24 Vergezelschap u niet met oenen grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man; 25 Opdat gij zijne paden niet leert, en eenen strik over uwe ziel haalt. 2() quot; Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn. a Spr. 6:1. 11:15. 27 Zoo gij niet hadt om te betalen, quot;waarom zou men uw bed van onder u wegnemen? «Spr. 20 : 10. 28 quot; Zet de oude palen niet terug, die uwe vaderen gemaakt hebben. a Dent. 19 : 14. 27 : 17. Spr. 23 : 10. 29 Hebt gij eenen man gezien, die vaardig in zijn werk is? hij zal voor het aangezigt der koningen gesteld worden; voor het aangezigt der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden. |
HOOFDSTUK 23. Eten mot heeron en met valschc raensclieu, vs. 1, 2, 3, (j, 7, S; rijkdom, 4, 5; spréken bij zotten, 9; oude palen, 10; woozon, 10, 11; tucht, 12, 13, 14, 23; wijsheid, waarheid en verstand, 15, 10, 19,23, 24; nijdigheid over boozen, en vreeze des Heeren, 17, 18; goede kinderen, 24; dronkenschap en overdaad, 20, 21, 29, enz. sluimeren, 21; gehoorzaamheid jegens ouders, 22, 25; waarschuwing tegen hoeren, 20, 27, 28. ALS gij aangezeten zult zijn om met een' heer-schor te eten, zoo zult gij scherpelijk letten op dengenen, die voor uw aangezigt is. 2 En zet een nies aan uwe keel, indien gij een gulzig mensch zijt; 3 Laat u niet gelust-en zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood. 4 Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft. 5 Zult gij uwe oogen laten vliegen op hetgeen niets is? want het zal zich gewisselijk vleugelen maken, gelijk een arend, die naar den hemel vliegt. 6 Eet het brood niet desgenen, die boos is van oog, en wees niet belust op zijne smakelijke spijzen; 7 Want gelijk hij bedacht heeft in zijne ziel, alzoo zal hij tot u zeggen: Eet on drink! maar zijn hart is niet met u: 8 Uwe bete, die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen; en gij zoudt uwe liefelijke woorden verderven. 9 quot; Spreek idet voor het oor van een' zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten. n Spr. 9 : 8. Matt. 7 : G. 10 quot; Zet do oude palen niet terug; en kom op de akkers der weezen niet: «Spr. 22:28. 11 Want bun Verlosser is sterk; die zal hunne twistzaak tegen u twisten. 12 Begeef uw hart tot de tucht, en uwe ooren tot de redenen der wetenschap. 13 quot;Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven. n Spr. 13 : 24. 19 : 18. 22 : 15. 29 : 15, 17. 14 Gij zult hem met do roede slaan, en zijne ziel van do hel redden. 15 Mijn zoon! zoo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja ik. 16 En mijne nieren zullen van vreugde opspringen, als uwe lippen billijkheden spreken zullen. 17 quot;Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt te allen dage in de vreeze des Heeren: a Ps. 37 : 1. 73 : 3. Spr. 24 : 1. 18 quot; Want zekerlijk, er is eene belooning; en uwe verwachting zal niet afgesneden worden. a Spr. 24 : 14. 19 Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en rigt uw hart op den weg. 20 quot;Zijt niet onder do wijnzuipers, noch onder de vleeschvreters: a Jes. 5:22. Luk. 21 :34. Kom. 13:13. Efez. 5: 18. |
SPREUKEN 23, 24.
597
|
21 Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde kleederen dragen. 22 quot;Hoor naar uwen vader, die u gewonnen heeft; en veracht uwe moeder niet, als zij oud geworden is. n Spr. 1 ; S. 2:i quot; Koop de waarheid, en verkoop ze niet, mitsgaders wijsheid, en tucht, en verstand. a Spr. 4 ; 7. 24 quot; De vader dos regtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die eenen wijzen zoon gewint, zal zich over hem verblijden. «Spr. 10:1. 15:20. 25 Laat uwen vader zich verblijden, ook uwe moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft. 26 Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uwe oogen mijne wegen bewaren. 27 quot;Want eene hoer is eene diepe gracht, en eene vreemde vrouw is een enge put. aSpr.22:14. 28 Ook loert zij als een roover; en zij vermenigvuldigt de trouweloozon onder de menschen. 29 Bij wien is wee? bij wien och arme? bij wien gekijf? bij wien het geklag? bij wien wonden zonder oorzaak? bij wien de roodheid der oogen? :)() quot;Bij degenen, die bij den wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemengden drank na te zoeken. «Jos. 5: 11, 22. 31 Zie don wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in den beker zijn verw geeft, als hij regt opgaat; 32 In zijn einde zal hij als eene slang bijten, en steken als eene adder. 33 Uwe oogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken. 34 En gij zult zijn, gelijk een, die in het hart van de zee slaapt; en gelijk een, die in het opperste van den mast slaapt. 35 Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb hot niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? ik zal hem nog meer zooken! HOOFDSTUK 24. Benijding en gezelschap der goddeloozen, spotters en dwazen, vs. 1, 2, 8, 9, 15, 16, 19, 20; wijsheid en raad, 3â7, 13, 14; flaauwhartigen, 10; redding der onschnldigen, 11, 12; staat der regtvaardigen, 15, 10; vreugde over het ongeval van een ander, 17, 18; vreeze Gods en des konings, benevens vermaning tegen oproerigheid, 21, 22; het regterambt, 23, 24, 25; het aangename van gepaste antwoorden, 26; huishouding en akkerbouw, 27; getuigen, wraakgierigheid, 28, 29; luiheid, 30, enz. ZIJT quot;niet nijdig over de booze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn: a Ps. 37 :1. Spr. 3 : 31. 23 : 17. 2 Want hun hart bedenkt verwoesting, quot; en hunne lippen spreken moeite. « Ps. 10:7. 3 Door wijsheid wordt oen huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd; 4 En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed. |
5 quot;Een wijs man is sterk; en oen man van wetenschap maakt de kracht vast. «Spr. 21 :22. 0 quot; Want door wijze raadslagen zult gij voor n den krijg voeren; en in de veelheid der raadgevers is de overwinning. «Spr. 11: 14. 15:22. 20:18. 7 quot;Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; iiij zal in de poort zijnen mond niet opendoen. a Spr. 14:6. 8 Die denkt om kwaad te doen, dien zal men eenen meester van schandelijke verdichtselen noemen. 9 Do gedachte der dwaasheid is zonde; en oen spotter is den mensch een gruwel. 10 Vertoont gij u slap ten dage der benaauwd-heid, uwe kracht is naauw. 11 quot;Red degenen, die ter dood gegrepen zijn: want zij wankelen ter dooding, zoo gij u onthoudt. a Ps. 82 : 4. 12 Wanneer gij zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij niet, die de harten weegt, dat merken? en die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? «want Hij zal den mensch vergelden naar zijn werk. a Job 34: 11. Ps. 62: 13. Jer. 32: I!). Rom. 2:6. Openb. 22: 12. 13 Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte. 14 quot; Zoodanig is do kennis der wijsheid voor uwe ziel; als gij ze vindt, b zoo zal er belooning wezen, en uwe verwachting zal niet afgesneden worden. a Ps. 19:11. 119 : 103. h Spr. 23 : 1S. 15 Loer niet, o goddelooze! op de woning des regtvaardigen; verwoest zijne legerplaats niet. 16 Want de regtvaardige zalquot; zevenmaal vallen, en opstaan; maar ''de goddeloozen zullen in hot kwaad nederstruikelen. o Job 5: 19. Ps. 34:20. b Amos 5:2. 8: 14. 17 quot;Verblijd u niet, als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen; «Job 31:29. Spr. 17:5. 18 Opdat hot de Heere niet zie, en het kwaad zij in zijne oogen, en Hij zijnon toorn van hem afkeere. 19 quot;Ontsteek u niet over do boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddeloozen: « Ps. 37 : 1. 73 : 3. Spr. 3 : 31. 23 : 17. vers. I. 20 Want de kwade zal geene bolooning hebben; quot; de lamp der goddeloozen zal uitgebluscht worden. «.lob 18:5, 6. Spr. 13:9. 20:20. 21 Mijn zoon! vrees den Heere en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan: 22 Want hun verderf zal haastelijk ontstaan; on wie weet hun beider ondergang? 23 Deze spreuken zijn ook van do wijzen. quot; liet aangezigt in hot gerigt te kennen, is niet goed. «Ex. 23:3, 6. Lev. 11): 15. Doul. 1: 17. 16:19. Spr. 18 : 5. 28 : 21. Joh. 7 : 24. Jakob. 2:1. 24 quot; Die tot den goddelooze zegt: Gij zijt regt-vaardig; dien zullen de volken vervloeken, de natiën zullen hem gram zijn; «Spr. 17:15. Jes. 5:23. a i r : â []!; m; W' 1 \ â , I,, rl ij i jif â i' li: i â üià H |
SPREUKEN 24, 25.
598
|
25 Maar voor degenen, die hem bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen dos goeds zal op hen komen. 26 Men zal de lippen kussen desgenen, die regte woorden antwoordt. 27 Beschik nw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis. 28 Wees niet zonder oorzaak getuige togen uwen naaste: want zoudt gij verleiden met uwe lip ? 29 quot; Zog niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zoo zal ik hem doen; ik zal een' ieder vergelden naar zijn work. a Kom. 12:17, 19. :J0 Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van oen' verstandeloos mensch; lil En ziet, hij was gansch opgeschoten van distolen, zijne gedaante was met netelen bedekt, en zijn steenon scheidsmuur was afgebroken. 32 Als ik dat aanschouwde, nam ik hot ter harte, ik zag hot, en nam onderwijzing aan: :33 quot;Een weinig slapens, oen weinig sluimorens, een weinig handvouwons, al nederliggonde; « Spr. 0:10, 11. 34 Zoo zal uwe armoede u overkomen al* een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man. HOOFDSTUK 25. Gods cor en raad, vs. 2: do oor van koningen, wier hart diepzinnig is, hun ambt, losson over don omgang met hen, 2â7; gedrag in twistgodingen, 8â10; gepust sprokenon liestralTen, 11, 12; valsolio room van weldadigheid, 14; langmoedigheicl, zachte tong, 15; liet eten van honig, of regto matigheid in hot ligohamelijko on geostolijko, 10. 27; omgang mot vrienden, 17; valscho getuigen, 18; trouwe-loozon, 19; trourigen, 20; weldadigheid aan haters, 21, 22; luiichelendo tongen, 23; twistzieke vrouwen, 24; goede tijding, 25; slapheid dor vromen togen goddeloozen, 20; haastige toorn , 28. DIT zijn ook spreuken van Salomo, die de mannon van llizkia, den koning van Juda, uitgeschreven hebben. 2 liet is Gods oer eeno 'zaak te verbergen; maar do eer der koningen eene zaak te doorgronden. a Rom. 11 : 33. 3 Aan do hoogte des hemels, en aan do diepte dor aarde, en aan hot hart der koningen is geene doorgronding. 4 Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen: 5 quot; Doe den goddelooze weg van het aange-zigt dos konings, en '' zijn troon zal door geregtigheid bevestigd worden. ft Spr. 20:8. 6 Spr. 20:28. 6 Praal niet voor het aangezigt des konings, en sta niet in do plaats der grooten: 7 Want het is beter, dat men tot u zegge: quot; Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedore voor het aangezigt eens prinsen, dien uwe oogon gezien hebben. «Luk. 14:7, 8, 9, enz. |
8 quot;Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uwe naaste u zou mogen beschaamd hebben. « Spr. 18 : 1 9 Twist uwe twistzaak mot uwen naaste; maar openbaar hot heimelijke van oen' ander niet; 10 Opdat degene, die het hoort, u niet smade, want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden. 11 Eene rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren geheelde schalen. 12 Een wijs bestraffer bij een hoorend oor, is eon gouden oorsiersel, on eon halssieraad van het fijnste goud. 13 quot;Een trouw gezant is dengenen, die hom zenden, als do koude dor sneeuw ten dage des oogstes, want hij verkwikt zijns hoeren ziel. a Spr. 13:17. 14 Een man, die zich zeiven beroemt over eene valscho gift, is als wolkon en wind, waar geen regen bij is. 15 quot; Een overste wordt door langmoedigheid overreed; en eene zachte tong breekt hot gebeente. «Spr. 15:1. 10:14. Ki Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt. 17 Spaar uwen voet van bot huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, on u hate. 18 Eon man, togen zijnon naaste eono valscho getuigenis sprekende, is quot; oen hamer, en zwaard, en scherpe pijl. «Ps. 11:2. 57 : 5. 59 : 8. 120 : 4. Spr. 12:18. li) Het vertrouwen op eonen trouwolooze, ten dage dor bonaauwdhoid, is als een gebroken tand eu verstuikte voet. 20 quot;Die liedoren zingt bij oen treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ton dage der koude, en als edik op salpeter. « Kom. 12: 15. 21 quot;Indien dengenen, ''die u haat, hongert, gooi' hem brood te eten; en zoo liij dorstig is, geef hem water te drinken: «Rem. 12:20. h Ex. 23 : 4, 5. 22 Want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hoopen, en do IIeeke zal het u vergolden. 23 Do noordewind verdrijft don regen, en eou vergramd aangezigt de verborgene tong. 24 quot; Het is beter to wonen op oenen hoek van hot dak, dan met o'one kijfachtige huisvrouw, on dat in een huis van gezelschap. a Spr. 21 :9, 19. 25 Eene goede tijding uit oen ver land is als koud water op eene vermoeide ziel. 26 De rogtvaardige, wankelende voor het aangezigt des goddeloozen, is eono beroerde fontein, en verdorven springader. 27 Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van do hoorlijkheid van zulke dingen is eer. 28 quot;Een man, die zijnen geest niet wederhoudon kan, is eono opongobrokene stad zonder muur. n Spr. 16:32. |
|
HOOFDSTUK 20. Eor ongepast voor dwazen, vs. 1, 8; otivordionclo vlook, 2; tucht dor zotten, 3; dwazen to antwoorden, 4, 5; dwaze dienstknechten, G; schoone spreuken dor zotten, 7, 9; overlast dor grooton door kwade knechten, 10; herhaalde dwaasheid, 11; eigen wijsheid, 12; luiaard, 13 â 1U; onnoodigo twist, 17; bodrog, onder schijn van jokkornij, 18, 19; oorblazer, 20, 22; twistgierige lieden, 21; huichelarij, bedekte haat en handelingen, 23, enz. GELIJK do sneeuw in don zomer, on gelijk do regen in den oogst, alzoo past don zot do oor niet. 2 Gelijk eene musch is tot wegzweven, gelijk oene zwaluw tot vervliegen, alzoo zal een vloek, die zonder oorzaak is, niet komen. 3 quot; Eeno zweep is voor het paard, een toom voor den ozel, en b eene roede voor den rug dei-zotten. a Ps. 32:9, 10. iSpr. 10:13. 4 Antwoord den zot naar zijne dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt. 5 Antwoord den zot naar zijne dwaasheid, opdat hij in zijne oogen niot wijs zij. G Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door do hand van oenen zot. 7 Hof do boenen van den kreupele op, alzoo is oene spreuk in den mond der zotten. 8 Gelijk hij, dio een ecZe/gesteente in oenen slinger bindt, alzoo is hij, die don zot eor geeft. 9 Gelijk eon doorn gaat in do hand eens dronkaards, alzoo is oono spreuk in den mond dor zotten. 10 Do grooton doen oen' iegelijk verdriet aan, on huren do zotten, en huren do overtreders. 11 quot;Gelijk oen hond tot zijn uitspuwsel wederkeert, alzoo herneemt de zot zijne dwaasheid. a 2 Petr. 2:22. 12 Hebt gij oenen man gezien, dio wijs in zijne oogen is? quot;van oenen zot is moor verwachting dan van hom. a Spr. 29 : 20. 13 quot; Do luiaard zegt: Er is oen folio leeuw op don weg, con leeuw is op de straten! aSpi- 22:13. 14 Eeno deur koert om op hare herro, alzoo do luiaard op zijn bod. 15 quot; Do luiaard verborgt zijne hand in don boezem, hij is te moede, om dio weder tot zijnen mond to brengen. «Spr. 19:21. Ki Do luiaard is wijzer in zijne oogen, dan zeven, die met rede antwoorden. 17 Do voorbijgaande, dio zich vertoornt in oonen twist, die hem niot aangaat, is gelijk dio oenen hond bij do ooron grijpt. 18 Gelijk oen, dio zich veinst te razen, dio vuur-sprankelen, pijlen on doodolijke dingen werpt; 19 Alzoo is eon man, die zijnen naaste bedriegt, on zegt: Jok ik er niot mede? 20 Als er geen hout is, gaat hot vuur uit; quot;en als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild. a Spr. 22 : 10. 21 Do doove kool is om do vurige kool, en hot hout om hot vuur; alzoo is oen quot;kijfachtig man, om twist to ontstoken. a Spr. 15: 18. 29:22. |
599 22 quot; Do woorden des oorblazers zijn als der-genen, die geslagen zijn, on die dalen in hot binnenste des bulks. a Spr. 18:8. 23 Brandende lippen, on een boos hart, zijn ah oono potscherf met schuim van zilver overtogon. 24 Dio haat draagt, gelaat zich vreemd mot zijne lippen; maar in zijn binnenste stolt hij bodrog aan. 25 Als hij mot zijne stom smeekt, geloof hom niot, want zeven gruwelen zijn in zijn hart. 26 Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in do gemeente geopenbaard worden. 27 quot;Die oonen kuil graaft, zal er in vallen, on die oonoii steen wentelt, op hom zal hij weder-kooron. « Ps. 7:16. 9:16. 10:2. 57:7. Treil. 10:8. 28 Eene valsche tong haat degenen, dio zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstooting. HOOFDSTUK 27. Vorniotelheid, vs. 1; oigon lof, 2; toorn dor dwazen, 3; nijd, 4; getrouwe bestraffing en govoinsdo liefde, 5, 6, 14; zatheid en honger, 7: ligtvaardige verandering van zijnen staat of beroep, 8; trouwe vrienden en buren, 9, 10; wijsheid en onnuozel-heid, 11, 12; borgtogt, 13; twistzieke vrouw, 15, 16; te zamenspreking tot opscherping, 17; trouwe knechten, 18; de harten dor menschen togen elkander, 19; onverzadelijkheid der oogen, 20; beproeving door lof, 21; hardnekkige dwazen, 22; verstandige huishouding, 23, 25â27; tijdelijk goed, 24. BEROEM quot;u niot over don dag van morgen: want gij woot niot, wat do dag zal baron. «Jakob. 4: 13, 14. 2 Laat u eenen vroemde prijzen, en niet uwen mond; oenen onbekende, en niet uwe lippen. 3 Een steen is zwaar, en het zand gewigtig; maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beiden. 4 Grimmigheid en overlooping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan? 5 Openbare bestraffing is beter dan verborgene liefde. 6 De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen dos haters zijn af te bidden. 7 Eene verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan eon hongerige ziel is alle bitter zoet. 8 Gelijk oen vogel is, dio uit zijn nest omdoolt, alzoo is een man, die omdoolt uit zijne plaats. 9 Olie en reukwerk verblijdt hot hart; alzoo is do zoetigheid van iemands vriend, van wege den raad der ziel. 10 quot;Verlaat uwen vriend, noch don vriend uws vaders niot; en ga ten huizo uws broeders niot op den dag van uwen tegenspoed. Beter is een gebuur, die nabij is, dan eon broeder, die verre is. «Spr. 17 : 17. 18:24. 11 Zijt wijs, mijn zoon! en verblijd mijn hart; opdat ik inijnen smader wat te antwoorden heb. 12 quot;De kloekzinnige ziet hot kwaad, en verborgt zich; de slechten gaan honen door, en worden gestraft. a Spr. 22 : 3. SPREUKEN 26. 27. |
SPREUKEN 27, 28.
|
13 quot; Als iemand voor eenen vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor oene onbekende vrouw. a Spr. ö : 1, 2. 11:15. 17:18. 20 : 10. 14 Die zijnen vriend zegent met luider stem, zich des morgens vroeg opmakende, het zal hem tot eenen vloek gerekend worden. 15 quot; Eene gedurige druiping ton dage des slagregens en eene kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk. o Spr. 19:13. 1(1 Elk een die haar verbergt, zou den wind verborgen, on do olie zijner regterhand, die roept. 17 Uzer scherpt men met ijzer; alzoo scherpt oen man het aangezigt zijns naasten. 18 Die den vijgeboom bewaart, zal zijne vrucht otcn; en die zijnen hoer waarneemt, zal geëerd worden. lil Gelijk in het water het aangezigt is togen het aangezigt, alzoo is des menschen hart tegen den mensch. 20 De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzoo worden quot; de oogen des menschen niet verzadigd. a Pred. 1 : 8. 21 De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; alzoo is een man naar zijnen lof te proeven. 22 Al stiet gij den dwaas in eenen mortier met eenen stamper, in het midden van het gestooten graan, zijne dwaasheid zou van hom niet afwijken. 23 Zijt naarstig, om het aangezigt uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden: 24 Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn? 25 Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden. 26 De lammeren zullen quot;zijn tot uwe klooding, en do bokken de prijs dos velds. al Tim. 0:8. 27 Daartoe zult gij genoegzaamheid van geitenmelk hebhen tot uwe spijze, tot spijze van uw huis, en leoftogt uwer maagden. HOOFDSTUK 28. Kwaad en goed geweten, vs. 1; kort en lang leven dor regenten, 2; wreedheid van den oenen anno over den ander, 3; prijzen van goddeloozen en hon tegenstaan, 4; regt verstand, 5; armen en rijken, 0, 11; goede en kwade zonen, 7; woeker, 8; gebed der goddeloozen, 9; verleiding, 10; eigen wijsheid, goede en kwade regering, 12, 15, 10, 28; belijdenis van zonden, 13; vreeze Oods on verharding, 14; bloedschuld, 17; opregte en verkeerde wandel, 18; vlijt en luiheid, 19; rijkdom, 20, 22; regterambt, 21; bestraffen en vleijen, 23; ouders te berooven, 24; trotschheid on vertrouwen op God, 25; /.eli'-vertrouwen on wijsheid, 20; aalmoezen en onbarmhartigheid, 27. DE goddeloozen vlieden, waar geen vervolger is; maar elk regtvaardige is moedig, als een jonge leeuw. «Lev. 20:30. Dent. 28:28. ./os. 57:21. 2 Om de overtreding des lands zijn deszelfs vorsten vele; maar om verstandige en wetende menschen zal insgelijks verlenging wezen. |
3 Een arm man, die do geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zoodat er geen brood zij. 4 Die de wet verlaten, prijzen de goddeloozen; maar die de wet bewaren, mengen zich in strijd tegen hen. 5 De kwade lieden verstaan het regt niet; maar die den Heere zoeken, verstaan alles. (! quot; De arme, wandelende in zijne opregtheid, is boter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk. a Spr. 19 : 1. 7 a Die de wet bewaart, is oen verstandig zoon; maar die der vraten medgezel is, beschaamt zijnen vader. «Spr. 29:3. 8 Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengenen, die zich des armen ontfermt. 9 Die zijn oor afwendt van do wet to hoeren, diens gebed zelf zal een gruwel zijn. 10 Die de opregten doet dwalen op eenen kwaden weg, quot;zal zelf in zijne gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beërven. «Spr. 20:27. 11 Een rijk man is wijs in zijne oogen; maar do arme, die verstandig is, doorzoekt hem. 12 quot; Als deregtvaardigen opspringen van vreugde, is er groote heerlijkheid; ''maar als de goddeloozen opkomen, wordt de mensch naauw gezocht. a Spr. 11:10, 11. h vers. 28. 13 Die zijne overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar quot;die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen. aPs.32:3,5. l.ioh.l:9,10. 14 Welgelukzalig is de mensch, die geduriglijk vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in hot kwaad vallen. 15 De goddelooze, heerschonde over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weder loopt. 16 Een vorst, die van alle verstand gebrek hooft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar die do gierigheid haat, zal do dagen verlengen. 17 Een mensch, gedrukt om het bloed eener ziel, zal naar den kuil toevlieden; men onder-steune hem niet! 18 Die opregt wandelt, zal behouden worden; maar die zich verkeerdelijk gedraagt in twee wegen, zal in den eenen vallen. 19 Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdole menschen volgt, zal met armoede verzadigd worden. 20 Een gansch getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; quot;maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen. «Spr. 13: 11. 20:21. 23:4. 21 quot;De aangezigten te kennen, is niet goed: want een man zal om eon stuk broods overtreden. n Spr. 18 : 5. 24 : 23. 22 Die zich haast naar goed, is een man van oen boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hom overkomen zal. 23 Die eenen mensch bestraft, zal achterna i gunst vindon, moor dan die met de tong vleit. |
|
24 Wie zijnen vader of zijne moeder berooft, en zegt: Hot is goene overtreding; die is dos ver-dervenden mans gezel. 25 quot; Die grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op don Heeue vertrouwt, zal vet worden. a Spr. 13:10. 15 : 18. 29 : 22. 26 Die op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen. 27 quot; Die don armen geoi't, zal geen gebrek hebben; maar die zijne oogen verbergt, zal veel vervloekt worden. a Deut. 15:7, 8, 10. Spr, 19:17. 22:9. 28 quot; Als do goddeloozen opkomen, verborgt zich de mensch; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de regtvaardigen. a vers 12. HOOFDSTUK 29. Ihirdnokkigheid, vs. I; goede en kwade regeringen, 2, 4, 12, 14, 10; wijsheid en hoeren, 3; vleijen, 5; boozen, goddeloozen, ongoregtigen en regtvaardigen, 0, 7, 27; spotters, dwazen on wijzen, 8, 11; twistgeding van eenon wijze met oenen dwaas, 9; haat en liefde der opregten, 10; redenen, 11, 20; armen en woekeraars, 13; tucht, 15, 17, 19, 21; profetie, 18; toornigheid, 22; hoogmoed en nederigheid , 23; gemeenschap met dieverij, 24; onmatige vrees en vertrouwen op God, 25; Oods regering over regtzaken, 20. EEN man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zoodat or geen genezen aan zij. 2 quot; Als do regtvaardigen groot worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddelooze heerscht, zucht het volk. aSpr. 11 : 10. 28: 12, 28. 3 «Een man, die do wijsheid bemint, verblijdt zijnen vader; ''maar die een medgezel der hoeren is, brengt het goed door. a Spr. 1(1:1. 15:20. 6 Spr. 28:7. Luk. 15:13. 4 Een koning houdt hot land staande door hot rogt; maar oen, die tot geschenken genegen is, verstoort hetzelve. 5 Eon man, die zijnon naaste vleit, spreidt oen net uit voor deszolfs gangen. 6 In do overtreding eens boozen mans is een strik; maar do regtvaardigo juicht en is blijde. 7 quot; De regtvaardige neemt kennis van de regt-zaak der armen; maar de goddelooze begrijpt de wetenschap niet. «Job 29:10. 8 Spotdrijvende lieden blazen oeno stad aan brand; maar do wijzen keeren den toorn af, 9 Een wijs man, mot eon dwaas man in rogton zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zoo is er toch geene rust, 10 Bloedgierige lieden haten don vrome; maar de opregten zoeken zijne ziel. 11 quot; Een zot laat zijnen ganschon geest uit, maar do wijze wederhoudt dien achterwaarts, a Spr. 14:33. 12 Eon heerscher, die op leugentaal acht geeft, al zijne dienaars zijn goddeloos. 13 quot; Do arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de Heere verlicht hun beider oogen. «Spr. 22:2. |
601 14 quot;Een koning, die do armen in trouw rogt doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden. «Spr. 20:28, 25:5. 15 Do quot;roede, en do bestraffing geeft wijsheid; ''maar een kind, dat aan zich zelf gelaten is, beschaamt zijne moeder, aSpr. 13:24. 22:15. 23:13, ft Spr. 10:1. 17 : 21, 25. 1(! Als do goddeloozen vele worden, wordt do overtreding veel; maar quot; de regtvaardigen zullen hunnen val aanzien. a Ps. 37 : 36. 58 : 11. 91 : 8. 17 quot;Tuchtig uwen zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uwe ziel vermakelijkheden geven. «Spr. 13:24. 22:15. 23:13, 14. 18 Als er geene profetie is, wordt het volk ontbloot; maar welgelukzalig is hij, die de wet bewaart. 19 Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, nogtans zal hij niet antwoorden. 20 Hebt gij oenen man gezien, die haastig in zijne woorden is? «van eenon zot is meer verwachting dan van hem. «Spr. 26: 12. 21 Als men zijnen knecht van jongs op wooldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon willen zijn. 22 quot;Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding, a Spr. 15 : 18. 16 : 21. 23 quot; Do hoogmoed des menschen zal bom vernederen ; maar de nederige van goost zal de eer vasthouden. «Job 22:29, Spr. 15:33. 18:12. .les 60:2. Matt.23:12.Luk, 14:11.18:14. Jakob.4:6,10. I Potr.5;5. 24 Die met eenon dief deelt, haat zijne ziel; «hij hoort eonen vloek, en hij geeft het niet te kennen. a Lev. 5 : I. 25 De siddering des menschen legt oenen strik; maar die op don ÃIeeüe vertrouwt, zal in oen hoog vertrek gestold worden. 26 quot;Velen zookon hot aangozigt dos heerschers; maar een ieders rogt is van den Heere. «Spr. 19:6. 27 Een ongeregtig man is den regtvaardigo oen gruwel; maar die rogt is van weg, is don goddelooze oen gruwel. HOOFDSTUK 30. Agur belijdt zijne en aller menschen onwetendheid iu goddelijke zaken, buiten Gods woord, vs. 1; verklaart, dat de wijsheid, schepping en regering aller dingen is van God den Vader en van zijnon Zoon, 4. Hij roemt de reinheid en volmaaktheid van Gods woord, 5, 6. Zijn gebed om twee dingen, 7,8, 9. Over het kwaadspreken van oenen knecht bij zijnen heer, 10; vier kwade geslachten, 11; vier onver-zadelijke dingen, 15, 16; verachting der ouders, 17; vier dingen, zwaar om te weten, 18, 19; vier ondragelijke dingen, 21, 22, 23; vier kleine maar wijze dieren, 24, enz.; vier statig iu hunnen gang, 29, 30, 31; aflegging en voorkoming van toorn, 32, 33. DE woorden van Agur, zoon van Jako; een last. De man spreekt tot Ithiël, tot Ithiöl en Uchal. 2 Voorwaar ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik heb geen menschenvorstand; SPREUKEN 28, '29, 30. |
|
3 En ik hob geeno wijsheid goloerd, noch do wetonschap dor heiligon gekend. 4 Wie is ton hemol opgeklonimon, en nedergedaald? quot; Wie hoeft don wind in zijne vuisten verzameld? Wie heeft do wateren in oen kleed gebonden ? Wie hooft al do einden der aarde gestold? lloo is zijn naam, on hoe is de naam zijns Zoons? zoo gij liet weet. «Job 38:4. Ps. 104:3. Jos. 40: 12. 5 quot; Allo rede Gods is doorloutord; Ilij is eon Soliihl dengenen, die op Hom betrouwen. ct Ps. 12 : 7. 18:31. 19: 9. 11!): 140. (! quot;Doe niot tot zijne woorden, opdat Ilij n niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt. a Dout. 4:2. 12:32. Openb. 22: 18. 7 Twee dingen hob ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik storve: 8 IJdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niot: voed mij mot hot brood mijns bescheiden deels; 9 Opdat ik, zat zijnde, U dan niot verloocheno, on zegge: Wie is de IIeeue? of dat ik, verarmd zijnde, dan niot stolo, on den naam mijns Gods aantaste. 10 Achterklap niet van don knecht bij zijnen hoor, opdat hij u niot vlooko, en gij schuldig wordt. 11 Daar is een geslacht, dat zijnen vader vervloekt, en zijne moeder niot zegent; 12 Een geslacht, dat rein in zijne oogon is, en van zijnen drek niet gewasschen is; 13 Een geslacht, quot;welks oogon hoog zijn, en welks oogleden verheven zijn; aSpr. (i: 17. 14 quot; Een geslacht, welks tandon zwaarden, en welks baktanden mossen zijn, om de ellendigon van tie aarde en do nooddruftigen van onder de menschon te verteren. «Spr. 12: is. 15 Do bloedzuiger hooft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd: ja vier zeggen niot: 1 Iet is genoog! 10 Hot graf, de geslotene baarmoeder, do aarde, die van water niet verzadigd wordt, en hot vuur zegt niot: Het is genoeg! 17 Het oog, dat don vader bespot, of do ge-hoorzaamheid der moedor veracht, dat ziillon do raven der boek uitpikken, en dos arendsjongen zullen het eten. 18 Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja vier, die ik niot weet: 19 De weg eens aronds in den hemel; do weg eener slang op oenen rotssteen; de weg van oen schip in bot hart der zoo; en do weg eens mans bij oeno maagd. 20 Alzoo is do weg eener overspelige vrouw; zij eet en wischt haren mond, en zegt: Ik heb geeno ongeregtigheid gewrociit! 21 Om drie dingen ontroert zich do aarde, ja om vier, die zij niet dragen kan: 22 Om oenen knecht, als hij regeert; en oenen dwaas, als hij van brood verzadigd is; |
603 23 Om oeno hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en oeno dienstmaagd, als zij erfgenaam is van hare vrouw. 24 Dozo vier zijn van de kleinste dor aarde; doch dezelve zijn wijs, mot wijsheid wol voorzien. 2,r) Do mieren zijn oen onsterk volk; ovenwol quot;bereiden zij in don zomer hare spijs, a Spr. (1:8. 20 Do konijnen zijn een magteloos volk; nogtans stollen zij hun huis iu den rotssteen. 27 Do sprinkhanen hebben geenen koning; nogtans gaan zij allen uit, zich verdeelonde in hoopen. 28 De spinnekop grijpt mot do handen, on is in do paleizen der koningen. 29 Deze drie maken oenen goeden tred; ja vier zijn er, die oenen goeden gang maken: 30 De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeeren; 31 quot;Eon windhond van goede lenden, of eeu bok; en een koning, die niot togen te staan is. o .lob 39:22, on/,. 32 Zoo gij dwaselijk gehandeld hebt, mot u te verheffen, en zoo gij kwaad bedacht hebt, de quot;hand op don mond! a Job 21 : 5. 33 Want de drukking dor molk brengt boter voort, en do drukking van den neus brengt bloed voort, en do drukking dos toorns brengt twist voort. HOOFDSTUK 31. Loinuöls lossen omtrent kuisehheid on matigheid der koningen, vs. 1; bedroefden en verdrukten te troosten en bij te staan, G; lof en oigensohappon eener deugdzame huisvrouw, 10. DE woorden van don koning Lemuel; do last, waarmede zijne moeder hem onderwees. 2 Wat, o mijn zoon? en wat, o zoon mijns bulks? ja wat, o zoon mijner geloften? 3 Geef quot;aan de vrouwen uw vermogen niot, noch uwe wogen, om koningen te verdelgen. a Dent. 17 : 17. 4 Het komt den koningen niot toe, o Lomuöl! het komt don koningen niot toe wijn te drinken, om don prinsen, sterken drank te begooron; 5 Opdat hij niot drinke, en het gezette vorgote, on de regtzaak van alle verdrukten verandore. (! Geeft sterken drank dengenen, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn; 7 Dat hij drinke, on zijne armoede vorgote, ou zijner moeite niet moor godenko. 8 Open uwen mond voor don stomme, voor de regtzaak van allen, die omkomen zouden. 9 Open uwen mond, quot;oordeel geregtolijk, en doe den verdrukten en nooddruftigen rogt. a Lev. 19 : 15. Dent. 1:10. 10 Aleph. Wie zal quot; oone deugdelijke huisvrouw vindon? want hare waardij is verre boven de robijnen. «Spr. 12:4. 11 Beth. Hot hart haars hoeren vertrouwt op haar, zoodat hom geen goed zal ontbroken. 12 Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, al do dagen haars levens. SPREUKEN HO, 31. |
PREDIKER 1.
(104
|
18 Daletli. Zij zookt wol en vlas, cu werkt met lust harer handen. 14 He. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen. 15 Van. En zij staat op, als liet nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en hare dienstmaagden het bescheiden deel. l(i Zain. Zij denkt om oenen akker, en krijgt hom; van de vrucht harer handen plant zij oenen wijngaard. 17 Cheth. Zij gordt hare lenden mot kracht, on /.ij versterkt hare armen. 18 7WA. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; hare lamp gaat des nachts niet uit. li) Jod. Zij steekt hare handen uit naar de spil, en hare handpalmen vatton den spinrok. 20 Caph. Zij breidt hare handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt hare handen uit tot don nooddruftige, 21 Lamed. Zij vreest voor haar huis niet van wege de sneeuw: want haar gansche huis is mot dubbele kleoderen gekleed. |
22 Mam. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; hare kleeding is fijn linnen en purper. 21} Nun. Haar man is bekend in do poorten, als hij zit mot do oudsten des lands. 24 Sameeh. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; on zij levert den koopman gordelen. 25 Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn hare kleeding; en zij lacht over den nakomenden dag. 26 Pc. Zij doet haren mond open met wijsheid; en op hare tong is loer der goeddadighoid. 27 Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet. 28 Koph. Hare kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende: 29 Reach. Vele dochteren hebben deugdelijk gehandeld; maar gij gaat die allen te boven. 30 Sc)dn. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ij delheid; maar eeno vrouw, die den Heere vreest, die zal geprezen worden. lil Thau, (leef haar van do vrucht barer handen, en laat hare werken haar prijzen in do poorten. |
HET HOEK
genaamd
DE PREDIKER,
|
HOOFDSTUK 1, Alle (lingon zijn ijdolheid en onrust, zoo ten aanzien dor mensohen zeiven als der dingen, die in do wereld geschieden, zijnde al te zamen onbestendig, vergankelijk en vol bekommernissen, vs, 1; dit bewijst de prediker met zijn eigen voorbeeld, 12. DE woorden van don prediker, don zoon van David, den koning te Jeruzalem. 2 IJdelheid dor ijdelheden, zegt de prediker; ijdolheid dor ijdelheden, quot; het is al ijdolheid. a Ps. 02 : 10. 144 : 4. 3 Wat quot; voordeel hooft do mensch van al zijnon arbeid, dien hij arbeidt onder de zon? a Prod. 2 : 22, 3 ; i). 4 Hot eeno geslacht gaat, en het andere geslacht komt, quot; maar do aarde staat in der eeuwigheid. «Ps. 104:5, 5 Ook rijst de zon op, en do zon gaat onder, en zij hijgt naar hare plaats, waar zij oprees. (i Zij gaat naar hot zuiden, on zij gaat om naar het noorden; do wind gaat steeds omgaande, on de wind keert weder tot zijne omgangen. 7 quot; Al de beken gaan in de zee, nogtans wordt do zee niet vol; naar de plaats, waar de beken heengaan, derwaarts gaande keeron zij weder. a Job 38: S, !). 10, II. I's, 104: 9, 10. 8 Al deze dingen worden zoo moede, dat hot niemand zou kunnen uitspreken: het oog wordt |
niet verzadigd met zien, en hot oor wordt niet vervuld van hooren. 9 quot; Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zoodat er niets nieuws is onder de zon. a Prod. 3 : 15. 10 Is er eenig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: Ziet dat, hot is nieuw? bet is alreeds geweest in do eeuwen, die vóór ons geweest zijn. 11 Er is geene gedachtenis van de voorgaande dingen; en van de navolgende dingen, die zijn zullen, van dezelve zal ook geene gedachtenis zijn bij dogenon, die namaals wezen zullen. 12 Ik, prediker, was koning over Israël te Jeruzalem, 13 En ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzooken, en na te speuren al wat er geschiedt onder don hemel. Deze mooijelijke bezigheid hooft God den kindoron dor menschen gegeven, om zich daarin te bekommeren. 14 Ik zag al do werken aan, die onder do zon geschieden; en ziet, hot was al ijdolheid en kwelling dos geestes. 15 Het kromme kan niet regt gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, kan niet geteld worden. 16 Ik sprak mot mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die vóór mij te Jeruzalem geweest zijn; |
PREDIKER 1,2,3.
|
en mijn hart hooft vool wijsheid on wotenschap gezion. 17 En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap to weten, onzinnighedon en dwaasheid; ik l)on gewaar geworden, dat ook dit oono kwelling des geestes is. 18 Want in veel wijsheid is veel vordriets; on die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart. HOOFDSTUK '2. Salomo wijst met zijn voorbeeld aan, dat de ware golukzaligheid niot bestaat in do dingen, din voor hot vleesch aangenaam zijn, als; tmtsche timnier-werkon, het planten van boomgaarden, wijngaarden, lusthoven, enz., vs. 1 ; maar in vreedzame en vrolijke genieting der gaven, die God den monsoh geeft, 24. IK zoido in mijn hart: Nu wol aan! ik zal u beproeven door vreugde, derhalve quot; zie het goede aan; maar zie, ook dat was ijdelheid. «Lnk.r2:19. 2 Tot hot lagchon zoido ik: Gij zijt onzinnig! en tot de vreugde: Wat maakt deze? 3 Ik heb in mijn hart nagespeurd, om mijn vleesch op te houden in den wijn, (nogtans leidende mijn hart in wijsheid) en om do dwaasheid vast te houden, totdat ik zou zien wat den kinderen der menschen hot bost ware, dat zij doen zouden onder don hemel, gedurende hot getal der dagen huns levens. 4 Ik maakte mij groote werken, ik bouwde mij huizon, ik plantte mij wijngaarden. 5 Ik maakte mij hoven ou lusthoven, en ik plantte boomon in dezelve, van allerlei vrucht. fi Ik maakte mij vijvers van watoren, om daarmede te bewateren hot woud, dat mot boomon groende. 7 Ik kreeg knechten en maagdon, en ik had kinderen des huizes; ook had ik oen groot bezit van runderen en schapen, moor dan allen, die vóór mij te Jeruzalem geweest waren. 8 Ik vergaderde mij ook zilver on goud, en kleinooden der koningen en dor landschappen; ik bestelde mij zangers en zangeressen, en wel-lustighoden dor menschonkinderen, snarenspel, ja allerlei snarenspel. !) En ik word groot, on nam too, meer dan iemand, die vóór mij te Jeruzalem geweest was; ook bleef mijne wijsheid mij bij. 10 En al wat mijne oogon begeerden, dat onttrok ik hun niot; ik wedorhield mijn hart niot van ooiiigo blijdschap, maar mijn hart was verblijd van wego al mijnen arbeid: en dit was mijn deel van al mijnen arbeid. 11 Toon wondde ik mij tot al mijne werken, die mijne handen gemaakt hadden, en tot don arbeid, dien ik werkende gearbeid had: ziet, het was al ijdelheid en kwelling dos geestes; en daarin was geen voordeel onder do zon, 12 quot; Daarna wondde ik mij, om te zien wijsheid, ook onzinnigheden on dwaasheid: want hoe zou oen mensch, die den koning nakomen zal, doen hetgeen alroede gedaan is? a Prod. I : 17. 7 :23. |
13 Toon zag ik, dat do wijsheid uitnemendheid heeft boven do dwaasheid, gelijk hot licht uit-nemondheid heeft boven do duisternis. 14 Do oogon dos wijzen zijn in zijn hoofd, maar do zot wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook, dat eonerlei geval hun allen bejegent. 15 Dies zoide ik in mijn hart: Gelijk hot den dwaze bejegent, zal het ook mij zolven bejegenen; waarom heb ik dan toen moer naar wijsheid go-staan? Toon sprak ik in mijn hart, dat ook hetzelve ijdelheid was. K! Want er zal in eeuwigheid niot moor gedachtenis van oenen wijze, dan van oenen dwaas zijn; aangezien hetgeen nu is, in de toekomende dagen altemaal vergoten wordt; en hoe sterft do wijze met den zot ? 17 Daarom haatte ik dit leven, want dit werk dacht mij kwaad, dat onder do zon geschiedt: want hot is al ijdelheid en kwelling des geestes. 18 Ik haatte ook al mijnen arbeid, dien ik bearbeid had onder do zon, dat ik dien zou achterlaten aan oenen mensch, die na mij wezen zal. 1!) Want wie weet, of hij wijs zal zijn, of dwaas? evenwel zal hij hoorschen over al mijnon arbeid, dien ik bearbeid heb, en dien ik wijssolijk beleid heb onder de zon. Dat is ook ijdelheid. 20 Daarom koorde ik mij om, om mijn hart te doen wanhopen over al don arbeid, dien ik bearbeid hob onder do zon. 21 Want er is een mensch, wiens arbeid in wijsheid, en in wetenschap, en in geschikkolijkhoid is; nogtans zal hij dien overgeven tot zijn dool, aan oenen mensch, die daaraan niet gearbeid heeft. Dit is ook ijdelheid en oen groot kwaad. 22 quot; Wat heeft toch die mensch van al zijnen arbeid, en van do kwellingen zijns harten, dien hij is bearbeidende onder do zon? «Pred. 1:3. 3:9. 23 Want al zijne dagen zijn smarten, en zijne bezigheid is verdriet; zelfs des nachts rust zijn hart niet. Datzolvo is ook ijdelheid. 24 quot; Is hot dan niot goed voor don mensch, dat hij ete on drinko, on dat hij zijne ziel het goede doo geiiioton in zijnen arbeid? Ik heb ook gezien, dat zulks van do hand Gods is. a Prod. 3 : 12, 22. 5 : 18. 8 : 15. 25 (Want wie zou er van eten, of wie zou zich daartoe haasten, moer dan ik zelf?) 2G Want Hij geeft wijsheid, en wetenschap, en vreugde don mensch, die goed is voor zijn aan-gezigt; maar den zondaar geeft Hij bezigheid, om te verzamelen en te vergaderen, quot;opdat hij hot geve dien, die goed is voor Gods aangozigt. Dit is ook ijdelheid en kwelling dos geestes. ft Job 27:10, 17. Spr. 28:8. Pred. 3: 13. HOOFDSTUK 3. De prediker leert hier, hoe alle ding in de wereld zijnen tijd en beloop heeft, naar de ordening van Grod, vs. 1,2; waaruit hij besluit, dat de mensch niet beter doen kan, dan in dit leven do gaven Gods met vreugde te genieten, goed doende aan zijnen |
|
606 naaste, 12. Daarna spreekt hij van de ongeregtig-heid, die men in het gerigt ziet plegen, 10. Hij wijst ook aan, dat do menscli zoowel moet sterven als hot vee, zoodat nit don gemeenen toestand der stervenden niet kan verstaan worden, dat hnnne ziel onsterfelijk is, IS. ALLES heeft oonen bestemden tijd, en alle voornemen onder don heinol heeft zijnen tijd. 2 Er is eon tijd om geboren te worden, en oen tijd om to sterven; een tijd om te planton, en een tijd om het geplante uit te roeijen; 3 Een tijd om te doodon, en oen tijd om te genezen; oen tijd om af te breken, en oen tijd om te bouwen; 4 Een tijd om te weenen, en oen tijd om te lag-chen; een tijd om te kermen, en een tijd om op te springen; 5 Een tijd om steenen weg to werpen, en een tijd om steenon te vergaderen; een tijd quot;om te omhelzen, en oen tijd om verre te zijn van omhelzen ; a 1 Cor. 7 ; 5. 6 Een tijd om te zoeken, en oom tijd om te laten verloren gaan; een tijd om te bewaren, en een tijd om weg to werpen; 7 Een tijd om te scheuren, on oen tijd om toe te naaijen; een tijd om te zwijgen, en een tijd om te spreken; .S Een tijd om lief te hebben, en oen tijd om te haten; een tijd van oorlog, en oen tijd van vrede. 9 Wat quot;voordeel hoeft hij, die werkt, van hetgeen hij bearbeidt? a l'red. 1 10 Ik heb gezien do bezigheid, die (ïod don kinderen der menschen gegeven heeft, om zich zeiven daarmede te bekommeren. 11 Hij hooft ieder ding schoon gemaakt op zijnon tijd; ook beeft Hij de eeuw in hun hart geleid, zonder dat een mensch het werk, dat God go-maakt hoeft, kan uitvinden, van hot begin tot het einde toe. 12 Ik hob gemerkt, dat er niets beters voor henlieden is, dan zich to verblijden, en goed te doen in zijn leven. 13 Ja ook dat ieder mensch etc en drinko, on het goede geniete van al zijnon arbeid. Dit is oono gavo Gods. 14 Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn, en er is niet too te doen, noch er is niet af te doen; en God doet (lat, opdat men vreozo voor zijn aangezigt. ló Hetgeen geweest is, dat is nu, en wat wezen zal, dat is aireede geweest; on God zoekt hot weggedrevene. 16 Verder heb ik ook gezien onder do zon, tor plaatse des gerigts, aldaar was goddeloosheid; en tor plaatse der goregtiglieid, aldaar was goddeloosheid. 17 Ik zeide in mijn hart: God zal den regtvaar-dige en den goddeloozo oordoelen: want aldaar is de tijd voor allo voornemen, on over allo werk. |
18 Ik zeide in mijn hart van do gelegenheid dor menschenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zich zeiven. 1!1 Want wat don kinderen dor menschen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten, en eenerloi wedervaart hun heiden: gelijk dio sterft, alzoo sterft doze, en zij allen hebben eenerloi adem, on do uitnemendheid der menschen boven do boeston is geene: want allen zijn zij ijdelheid. 20 Zij gaan allen naar oono plaats; quot; zij zijn allen uit het stof, en zij koeren allen weder tot het stof. a Oon. 3 : 19. 21 Wie merkt, dat do adem van de kinderen der menschen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde? 22 Dies ik gezien heb, dat er niets beters is, dan dat de mensch zicli verblijde in zijne werken, want dat is zijn doel: want wie zal hem daarhenen brengen, dat hij ziot hetgeen na hom geschieden zal ? HOOFDSTUK 4. Salomo verhaalt in dit hoofdstuk, hoe do armen door do magtigen dozer wereld ondordrnkt, vs. 1; en do voortrolToiijko liodon benijd worden, 4; gesteldheid der luiaards, 5; conigo menschen hebben hot hart niet om van hunnon arbeid te genieten, 0; roem der zamonloving, 9; eenigon roemen op hunne magt, maar wijsheid is meer to achten, 13; do gunst dor onderdanen jogons hunne overheid is onbestendig, 15. DAARNA wendde ik mij, en zag aan al do onderdrukkingen, dio onder de zon geschieden; on ziot, er waren de tranen der verdrukten, en dorgenen, die geenon trooster hadden; en aan do zijde hunner verdrukkers was magt, zij daarentegen haddon geenon vertrooster. 2 Dies prees ik de doodon, dio aireode gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn. 3 Ja hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft hot boozo werk, dat onder do zon geschiedt. 4 Verder zag ik al don arbeid en alle geschik-kolijkheid dos works, dat het don mensch nijd van zijnen naaste aanbrengt. Dat is ook ijdelheid on kwelling des goostes. 5 Do quot; zot vouwt zijne handen zamen, en eet zijn eigen vleesch. «Spr. G: In. 24:33. 6 Eone hand vol met rust, is boter dan beide do vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes. 7 Ik wendde mij wederom, en ik zag oono ijdelheid onder de zon: 8 Daar is er een, en geen tweede, hij heeft ook goon kind, noch broeder; nogtans is van al zijnen arbeid geen einde, ook wordt zijn oog niet verzadigd van don rijkdom, en zegt, niet: Voor wien arbeide ik toch, en doe mijne ziel gebrek hebben van het goede? Dit is ook ijdelheid, en het is eone moeijelijke bezigheid. 9 Twee zijn boter dan één: want zij hebben eone goede belooning van hunnen arbeid: PREDIKER 3, 4. |
PREDIKER 4, 5, (i.
|
10 Want indien zij vallen, de oen rig't zijnon medgozel op; maar wee den eone, die gevallen is! want er is geen tweede, om hem op te helpen. 11 Ook, indien twee te zamen liggen, zoo hebben zij warmte; maar hoe zou een alleen warm worden? 12 En indien iemand den eene mogt overweldigen , zoo zullen de twee tegen hem bestaan; en een drievoudig snoer wordt niet haast gebroken. 13 Boter is oen arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden. 14 Want een komt uit het gevangenhuis, om koning te zijn; daar ook een, die in zijn koningrijk geboren is, verarmt. 15 Ik zag al de levenden wandelen onder de zon, mot den jongeling, den tweede, die in diens plaats staan zal. U! Er is geen einde van al het volk, van allen, dio vóór hen geweest zijn; do nakomelingen zullen zich ook over hom niet verblijden: gewisselijk dat is ook ijdelheid en kwelling dos geestes. 17 Bewaar uwen voet, als gij tot liet huis Gods ingaat, on zijt liever nabij om te liooren, dan om dor zotten slagtoffer te geven: want zij weten niet, dat zij kwaad doen. HOOFDSTUK 5. Salomo onderwijst do gemeente, lioo zij zich zul go-dragon in liet oefenen van de uiterlijke godsdienst, vs. 1 ; vervolgens nis zij ziet, dat do regenten geen regt doen, 7; welke do boste nering is, 8; ijdelheid van den rijkdom on van do gierigheid, !). Voorts loort Salomo, dat do gelukzaligheid van don menscli bestaat in het vrolijk genieten der gaven Oods, 17; hetwelk te kunnen doen ook oono gave Gods is, 18. WEES niet te snel mot uwen mond, en uw hart haasto niet een woord voort te brengen voor Gods aangozigt: want God is in don hemel, en gij zijt op do aarde; daarom laat uwe woorden weinig zijn. 2 Want (lelijk de droom komt door vele bezigheid, alzoo de stom des zots door do veelheid der woorden. 3 quot; Wanneer gij oono gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet uit dezelve te betalen: want Hij heeft geen' lust aan do zotten; wat gij zult beloofd hebben, betaal het. a Num. 30:2. Dout. 23:21. 4 quot;Hot is boter, dat gij niot belooft, dan dat gij belooft en niot betaalt. «Dout. 23:21, 22. 5 Laat uwen mond niet toe, dat hij uw vleesch zou doen zondigen; en zeg niot voor het aange-zigt des engels, dat hot eone dwaling was; waarom zou God grootelijks toornen, om uwer stemme wille, en verderven het werk uwer handen? (! Want gelijk quot; in do veelheid dor droomen ijdel-heden zijn, alzoo in vele woorden; maar vrees gij God! «Spr. 10 : 1lt;). 7 Indien gij do onderdrukking des armen, en de berooving des gerigts en der geregtighoid ziet in oen landschap, verwonder u niot over zulk een voornemen: want die hooger is dan de hooge, neemt er acht op; en daar zijn hoogen boven henliodoii. |
8 Het voordeel dos aardrijks is voor allen: do koning zelfs wordt van bot veld gediend. 0 Die het geld liefheeft, wordt van het geld niet zat; en wie den overvloed liefheeft, wordt van hot inkomen niet zat. Dit is ook ijdelheid. 10 Waar hot goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten; wat nuttigheid hebben dan de bezitters daarvan, dan hot gezigt hunner oogen? 11 Do slaap dos arbeiders is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten; maar do zatheid des rijken laat hom niet slapen. 12 Er is oen kwaad, dat krankheid aanbrengt, hetwelk ik zag onder do zon: rijkdom van zijne bezitters bewaard tot hun eigen kwaad. 13 Of do rijkdom zelf vergaat door eone moeije-lijke bezigheid; on hij gewint oenen zoon, on er is niet met al in zijne hand. 14 Gelijk als hij voortgekomen is uit zijner moeders buik, alzoo zal hij naakt wederkeeren, gaande gelijk hij gekomen was; en quot;hij zal niot medenemon van zijnen arbeid, dal hij mot zijne hand zou wegdragen. «I's. li): 18, 15 Daarom is dit ook oen kwaad, dat krankheid aanbrengt: dat hij in allo manier, gelijk hij gekomen is, alzoo heengaat; en wat voordeel is het hem, dat hij in don wind gearbeid hooft? 16 Dat hij ook al zijne dagen in duisternis gegoten heeft; en dat hij voel verdriots gehad heeft, ook zijne krankheid, en onstuimigon toorn? 17 Ziet, wat ik gezien heb, quot;eone goede zaak, die schoon is: te eten on te drinken, en te genieten het goede van al zijnon arbeid, dien hij bearbeid heeft onder do zon, yechtreilde het getal dor dagen zijns levens, hetwelk God hom geeft: '' want dat is zijn dool. a Prod. 2 : 24. 3: 12, 22. 9:7. 11:9. h Pred. 2:10. 18 Ook een iegelijk monsch, aan denwelkon God rijkdom en goederen gegeven hoeft, eu Hij geeft hom do magt, om daarvan te eten, en om zijn dool te nemen, en om zich te verheugen van zijnen arbeid, datzelvo is eone gave van God. 19 Want hij zal niet voel gedenken aan do dagen zijns levens, dewijl hem God verhoort in de blijdschap zijns harten. HOOFDSTUK 6. In dit hoofdstuk verhaalt do prediker do ellende van karige en gierige menschen, wien God hot hart niet geeft, om hunne goederen te gebruiken; oordeelendo, (lat do rijkdom dozen menschen geenszins dient om tijdelijke gelukzaligheid te genieten, maar integendeel hun hinderlijk is. ER is een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, en het is veel onder do menschen: 2 Een man, denwelken God gegeven heeft rijkdom, en goederen, en eer; en hij heeft voor zijne ziel aan geen ding gebrek, van alles wat |
PREDIKER 6, 7.
|
hij behoort; en God gooft hom (hi magt niol, om daarvan to oten, maar dat oom vroomd man dat opeet. Dit is ook ijdelhoid en eeno kwade smart. !) Indien oen man honderd kinderen gewon, en vele jaren leefde, zoodat de dagen zijnor jaren vele waren, doch zijne ziel niet verzadigd werd van het goed, en hij ook geene begrafenis had: ik zog, dat eeno misdragt beter is dan hij. 4 Want met ijdelhoid komt zij, en in duisternis gaat zij weg, en met duisternis wordt haar naam bedekt. 5 quot; Ook heeft zij do zon niet gezien, noch bekend; zij heeft moer rust, dan hij. « Job3; 16. Ps. 58 : 9. (i Ja al leefde hij schoon tweemaal duizend jaren, en het goede niet zag; gaan zij niet allen naar ééne plaats? 7 Al do arbeid dos menschon is voor zijnen mond ; en nogtans wordt do begoorlijkheid niet vervuld. 8 Want wat heeft de wijze meer dan de zot? wat hoeft de arme meer, dio voor do levenden weet te wandelen ? !) Beter is hot aanzien der oogen, dan het wandelen der begeerlijkheid. Dit is ook ijdelhoid on kwelling dos geostes. 10 Wat ook iemand zij, aireede is zijn naam genoemd, en het is bekend, dat hij oen mensch is; on dat hij niet kan rogten mot dien, dio sterker is dan hij. 11 Voorwaar, or zijn vele dingen, die de ijdelhoid vermeerderen; wat hooft do mensch to moer daarvan? 12 Want wie weet, wat good is voor don mensch in dit leven, gedurende hot getal dor dagen van liet loven zijner ijdelhoid, welke hij doorbrengt quot;als eeno schaduwe? want ''wie kan don mensch aanzeggen, wat na hem wezen zal onder de zon? a I's. 144:4. Jakob. 4:13, 14. M'red. 8:7. HOOFDSTUK 7. De wij/.o man loert ons in dit hoofdstuk, hoe wij ons onder zoo vele ijdele dingen, die in de wereld zijn, zullen bevlijtigen om een goed gerucht te hebben en te behouden, vs. 1; dat wij onze sterfelijkheid dikwijls voor oogen moeten hebben, 2; daarna geeft hij eonige goede lessen, om zich door wijze mannen te laten onderrigten, 6; tot geduld, bestendigheid, 7; en andere deugden, 8. Lof der wijsheid, 11; en van andere deugden, 14; lof der middelmatigheid, lü; der wijsheid, 19. Alle mensehen zijn zondaars, 20. Men moet niet alles tè naanw onderzoeken, 21. Eeno kwade vrouw zal men mijden, 20. God heeft den mensch goed geschapen, 29. BETER quot;is een goede naam, dan goede olie, en de dag dos doods, dan de dag, dat iemand geboren wordt. « Spr. 22:1. 2 liet is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds: want in hetzelve is het einde aller menschon, en de levende legt het in zijn hart. 3 Het treuren is beter dan het lagchen: want door de droefheid des aangezigts wordt het liart gebeterd. |
4 Het hart der wijzen is in hot klaaghuis; maar hot hart der zotten in liet huis der vreugde. 5 Het quot;is beter te hooren het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hoore liet gezang der dwazen. «Spr. 13:18. 15:31, 32. 6 Want quot; gelijk het geluid dor doornen onder oenen pot, alzoo is het lagchen eens zots. Dit is ook ijdelhoid. n Ps. 58:10. 7 Voorwaar do onderdrukking zou wel oenen wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart. 8 Het einde van een ding is boter dan zijn begin; do langmoedige is betor dan de hoogmoedige. 9 Zijl niet haastig in uwen geest om te toornen: want de toorn rust in den boezem der dwazen. 10 Zog niet: Wat is er, dat de vorige dagen boter geweest zijn, dan deze? want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen. 11 Do wijsheid is goed met een erfdeel; on degenen , die de zon aanschouwen, hebben voordeel daarvan. 12 Want de wijsheid is tot eene schaduw, «?, het gold is tot eeno sciiaduw; maar de uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haren bezitters het loven geeft. 13 Aanmerk hot werk Gods: want wie kan regt maken, dat Hij krom gemaakt heeft? 14 Geniet het goede ten dage des voorspoeds, maar ten dage des togenspoeds, zie too: want God maakt ook don een' tegenover don ander', ter oorzake dat de mensch niet zou vindon iets, dat na hem zal zijn. 15 Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelhoid; er is een regtvaardige, die in zijne geregtighoid omkomt; daarentegen is or een god-deloozo, die in zijne boosheid zijne dagen verlengt. Ki Wees niet al te regtvaardig, noch houd u zeiven al le wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen? 17 Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uwen tijd ? 18 Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trok ook uwe hand van dit niet af: want die God vreest, dien ontgaat dat al. 19 Do wijsheid versterkt den wijze moor dan tien heerschappers, die in eene stad zijn. 20 quot; Voorwaar er is geen mensch regtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt. a 1 Kon. 8 : 4G, 47. 2 Kron. ö : 30. Si»1. 20 : 9. 1 Joh. 1:8. 21 Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men spreekt, opdat gij niet hoort, dat uw knecht u vloekt. 22 Want uw hart heeft ook veelmalen bekend, dat gij ook anderen gevloekt hebt. 23 Dit alles heb ik met wijsheid verzocht, ik zeide: Ik zal wijsheid bekomen, maar zij was nog verre van mij. 24 Hetgeen verre af is, on zeer diep, wie zal dat vinden ? 25 Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, |
PREDIKER 7, 8, 9.
|
on om na te sporen, en te zoeken wijsheid en oene sluitrede; en quot;om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden. a Prod. 1:17. 2:12. 20 En ik vond quot; een bitterder ding dan do dood: oene vrouw, welker hart netton en garen, cn hare handen banden zijn; wie goed is voor Oods aangezigt, zal van haar ontkomen; daarentegen de '' zondaar zal van haar gevangen worden. nSpr. 5:3. (5:24, onz. 7: G, on/,, h Spr. 0:20. 7: 2H. 22:14. 27 Ziet, dit heb ik gevonden, zegt do prediker, hot eone bij hot andere, om do sluitrede te vinden; 28 Dewelke mijne ziel nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden: éónen man uit duizend liob ik gevonden, maar oene vrouw onder die allen heb ik niet gevonden. 29 Alleenlijk ziet, dit heb gevonden, dat God den mensch regt gemaakt hooft, maar zij hebben vele vonden gezocht. HOOFDSTUK 8. Eono vermaning, om den koning on do overheid nllo behoorlijke gehoorzaamheid to bewijzen, vs. 1; zioh niet to zeer to bekom moron over hot aanstaande kwaad, 0. lliorna noemt de prediker nog eonigo andere ijdolhodon van dit loven, als: hoe ondor-danon van kwade ovorhoden worden onderdrukt, 9; vole menschon blijven zondigen, omdat zij niet terstond gestraft worden, 11; doch de straf ontgaan zij echter niet, 12; ofschoon het dikwijls den vromen kwalijk en den boozen wel gaat in deze wereld, 14; waaruit hij besluit, dat het beste in dit loven is, de gaven üods met blijdschap to genieten, 15; de onnoodige on overtollige zorg van dit leven nalatende, 10. WIE is gelijk de wijze? en wie weet de uitlegging der dingen? de wijsheid des menschen verlicht zijn aangezigt, en de stuurschheid zijns aangezigts wordt daardoor veranderd. 2 quot; Ik zcy: Neem acht op den mond des konings; doch naar de gelegenheid van den eed Gods. a Spr. 24:21. 3 Haast u niet weg te gaan van zijn aangezigt; blijf niet staande in eone kwade zaak: want al wat hem lust, doet hij. 4 Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hom zeggen: Wat doet gij ? ') quot; Wio het gebod onderhoudt, zal niets kwaads gewaar worden; en liet hart eens wijzen zal tijd en wijze weten. «Rora. 13:3. 0 Want een ieder voornemen heeft tijd en wijze, dewijl het kwaad des menschen veel is over hem. 7 Want hij weet niet, wat er geschieden zal: want « wie zal het hem te kennen geven, wanneer hot geschieden zal? « Pred. 0:12. 8 quot; Er is geen mensch, die heerschappij lieoft over den geest, om den geest in te houden: en li ij heeft geene heerschappij over den dag des doods; ook geen geweer in dezen strijd; ook zal do goddeloosheid hare meesters niet verlossen. a Job 14:5. Ps. 39:0. |
9 Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn hart begaf tot alle werk, dat onder de zon geschiedt: er is een tijd, dat de eenc mensch over den anderen mensch heerscht, hom ten kwade. 10 Alzoo heb ik ook gezien de goddeloozen, die begraven waren, en degenen, die kwamen, en uit do plaats des Heiligen gingen, die werden vergeten in die stad, in dewelke zij regt gedaan hadden. Dit is ook ijdelheid. 11 Omdat niet haastelijk hot oordeel over de booze daad geschiedt, daarom is hot hart van de kinderen der menschen in hen vol om kwaad te doen. 12 Hoewel oen zondaar honderdw/aZ kwaad doet, en God hem de dacjen verlengt; quot;zoo weet ik toch, dat het dien zal welgaan, die God vreezen, die voor zijn aangezigt vreozen. a Ps. 37 : 9,10,11, 12,18, 19,20. Spr. 1 : 33. .los. 3 : 10. 13 Maar den goddelooze zal het niet welgaan, en hij zal de dagen niet verlengen; hij zal zijn gelijk eene schaduw, omdat hij voor Gods aangezigt niet vreest. 14 Er is nocj eono ijdelheid, die op aarde geschiedt: dat er zijn regtvaardigon, dien hot wedervaart naar hot werk dor goddeloozen, en er zijn goddeloozen, dien het wedervaart naar hot werk der regtvaardigon. Ik zeg, dat dit ook ijdelheid is. 15 Daarom prees ik de blijdschap, dewijl quot;de mensch niets beters heeft onder de zon, dan te eten, en te drinken, en blijde te zijn: want dat zal hem aankleven van zijnen arbeid, de dagen zijns levens, die hom God geeft onder de zon. a Pred. 2 : 24. 3 : 12, 22. 5 : 18. 9:7. 10 Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde geschiedt, dat men ook, dos daags of des nachts, den slaap niet ziet mot zijne oogen; 17 Toen zag ik al het werk Gods, dat de mensch niet kan uitvinden, het work, dat onder de zon geschiedt, om hetwelk een mensch arbeidt om te zoeken, maar hij zal het niet uitvinden; ja indien ook een wijze zeide, dat hij het zou weten, zoo zal hij het toeh niet kunnen uitvinden. HOOFDSTUK 9. De prediker verhaalt eonigo dingen, dio zoowol den vromen als den goddeloozen wedervaren, vs. 1; daarom oordeelt hij, dat het beste is, om met blijdschap de gaven Gods te genieten, 7; cn naarstig te wezen in zijn beroep, 10; don uitslag Oode aanbevelende, 11. Daarna loert hij, dat don mensch do tijd van zijnen dood of van zijn ongeluk onbekend is. 12. Ton laatste roemt hij op het hoogste do wijsheid, 13. ZEKERLIJK dit alles heb ik in mijn hart gelegd, opdat ik dit alles klaarlijk mogt verstaan, dat de regtvaardigon, en de wijzen, en hunne werken in de hand Gods zijn; ook liefde, ook haat, weet de mensch niet uit al hetgeen voor zijn aangezigt is. 2 Alle ding wedervaart hun, gelijk aan alle 39 |
PREDIKER 9, 10.
010
|
anderen; quot; oonorloi wedurvaart don rogtvaardige on don goddeloozo, don goedo on don roine, als don onreine; zoo dien, die offert, als dien, die niet offert: gelijk don goede, alzoo ook den zondaar; dien die zweert, gelijk dien, die den eed vreest. a Ps. 7;i: 12, 13. 3 Dit is een kwaad onder alles, wat onder do zon geschiedt, dat eenerlei ding allen wedervaart, en dat ook het hart der monschenkinderen vol boosheid is, en dat er in hun loven onzinnigheden zijn in hun hart; en daarna moeten zij naar de dooden toe. 4 Want voor dengenen, die vergezelschapt is bij alle levenden, is er hoop: want een levende hond is beter dan een doode leeuw. 5 Want de levenden weten, dat zij sterven zullen ; maar de dooden weten niet met al; zij hebben ook geen loon moer, maar hunne gedachtenis is vergeten. (! Ook is aireede hunne liefde, ook hun haat, ook hunne nijdigheid vergaan; en zij hebben geen deel moer in deze eeuw in alles, wat onder do zon geschiedt. 7 Ga dan heen, eet uw brood met vreugde, en drink uwen wijn van goeder harte: want God hooft alreeds een behagen aan uwe werken. 8 Laat uwe kleederen te aller tijd wit zijn, en laat op uw hoofd geene olie ontbroken. !) Geniet het leven met de vrouw, die gij lief-hebt, al do dagen uws ijdelon levens, welke God u gegeven heeft onder de zon, al uwe ijdelo dagen: want dit is uw deel in dit leven, en van uwen arbeid, dien gij arbeidt onder de zon. 10 Alles, wat uwe band vindt om te doen, doe dat mot uwe magt: want er is geen werk , noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, daar gij heengaat. 11 Ik keerde mij, en zag onder do zon, dat de loop niet is der snollen, noch do strijd der helden, noch ook do spijs der wijzen, noch ook do rijkdom der verstandigon, noch ook de gunst der welwetendon, maar dat tijd en toeval aan allo dezen wedervaart: 12 Dat ook do monsch zijnen tijd niet weet, gelijk de visschen, die gevangen worden met hot booze net; en gelijk de vogelen, die ge-vangen worden met den strik: gelijk die, alzoo worden de kinderen dor menschen verstrikt, tor boozer tijd, wanneer dezelve haastelijk over hen valt. 13 Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien, en zij was groot bij mij: 14 Er was eene kleine stad, en weinige lieden waren daarin; en een groot koning kwam togen haar, en hij omsingelde zo, en hij bouwde groote vastigheden tegen haar. 15 En men vond daar oenen armen wijzen man in, die de stad verloste door zijne wijsheid; maar geen monsch gedacht donzelven armen man. |
lli Toon zoide ik: quot; Wijsheid is boter dan kracht, hoewel do wijsheid dos armen veracht, on zijne woorden niet waren gehoord geweest. a Spr. 21 : 22. 24 : 5. Pred. 7:10. 17 De woorden dor wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan hot geroep desgenen , die over de zotten heerscht. 18 Do wijsheid is beter dan de krijgswapenen; maar een eenig zondaar verderft voel goeds. HOOFDSTUK 10. Salomo beveelt aan oon iegelijk do wijsheid, onwaar-schuwt allen voor de dwaasheid, vs. 1. Hij leert, hoe men zich bij don koning zal gedragen, als hij vertoornd is, 4; ofschoon het dikwijls gescliiedt, dat listige menschen door don koning verheven en vromen veracht worden, 5. Daarna spreekt hij over do onvoorzigtigheid van sommige menschen, 8. Hij leert wederom, hoe nuttig de wijsheid en hoe schadelijk do dwaasheid zij, 10; inzonderheid in eenen prins, 10; dion men niet zal vloeken, 20. EENE doode vlieg doet de zalf des apothekers stinken en opwellen; alzoo een weinig dwaasheid eenen man, die kostelijk is van wijsheid en van eer. 2 Het hart dos wijzen is tot zijne regter-, maar het bart eens zots is tot zijne linkerhand. 3 En ook wanneer do dwaas op don wog wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een' iegelijk, dat hij dwaas is. 4 Als de geest des heerschors tegen u oprijst, verlaat uwe plaats niet; want het is medicijn, het stilt grooto zonden. 5 Er is nog oon kwaad , dai ik gezien bob onder de zon, als eono dwaling, die van het aangezigt des oversten voortkomt: (gt; Een dwaas wordt gezet in groote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte. 7 Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op do aarde. 8 Wie quot;eenen kuil graaft, zal daarin vallen; en wie eenen muur doorbreekt, eene slang zal hem bijten. a Spr. 20:27. 9 Wie steenen wegdraagt, zal smart daardoor lijdon ; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn. 10 Indien hij het ijzer heeft stomp gemaakt, en hij slijpt de snede niet, dan moet hij meerder kracht to werk stollen; maar de wijsheid is oene uitnemende zaak, om iets regt te maken. 11 Indien de slang gebeten heeft, eer do bezwering geschied is, dan is er geene nuttigheid voor don allerwelsprekondston bezweerder. 12 De woorden van eenen wijzen mond zijn aangenaam; maar do lippen van oenen zot verslinden hem zolvon. 13 Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid , en het einde zijns monds is booze (lolligheid. 14 Do dwaas maakt wel velo woorden; maar do mensch weet niet, wat het zij, dat geschieden zal; en wat na hom geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven? 15 Do arbeid der zotten maakt oon' iegelijk |
PREDIKER 10, 11, 12.
(Ill
|
van lien moodo: do wijl zij niet woton naar «Iü stad to gaan. l(i quot; Wee ii, land! welks koning eon kind is, on welks b vorsten in den morgonstond oton! ^Jos. 3:4, 12. Hos. 13:11. ftJes. 5: II. Amos 0:4. 17 Welgelukzalig zijt gij, land! welks koning oen zoon dor edelen is, en welks vorsten ter regtor tijd oton, tot sterkte en niet tot drinkerij, 18 Door grooto luiheid verzwakt het gebindto, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende. 1!) Men maakt maaltijden om te lagehen, en do wijn verheugt de levenden, en het geld verantwoordt alles. 20 quot;Vloek den koning niet, zelfs in uwe gedachten, en vloek den rijke niet in hot binnenste uwer slaapkamer: want het gevogelte dos hemels zou do stem wegvoeren, en het gevleugelde zou het woord te kennen geven. «Ex, 22:28. HOOFDSTUK 11. Vermaning tot milddadigheid aan de armen, zonder aanzien hunner onwaardigheid, vs. 1; altijd voor oogen hebbende de voorzienigheid Gods, 5; zonder nogtans den arbeid te verzuimen, G. Het leven is den menschen zoet, ofschoon er meer kwade dagen zijn dan goede, 7. Vermaning aan jonge lieden, om in al hun genoegen altijd te denken aan hot oordeel dos Heeren, 9. WERP uw brood uit op hot water, want gij zult het vindon na vele dagen. 2 (ïoof «een deel aan zeven, ja ook aan acht: want gij weet niet, wat kwaad op de aarde wezen zal. a 2 Cor. 9 : 10. 3 Als de wolkon vol geworden zijn, zoo storten zij plasregen uit op de aarde; on als do boom naar het zuiden, of als hij naar hot noordon valt, in do plaats, waar do boom valt, daar zal hij wezen. 4 Wie op den wind acht geeft, die zal niet zaaijen, en wie op do wolken ziet, die zal niet maaijen. quot;) quot;Gelijk gij niet weet, welke do weg des winds zij, o/' hoedanig ''de beenderen zijn in don buik van eone zwangere vrouw, alzoo weet gij hot werk Gods niet, die het alles maakt. «Joh. 3:8. I's. 139: 15, 10. 0 Zaai uw zaad in den morgenstond, en trek uwe hand des avonds niet af: want gij weol niet, wat regt wezen zal, of dit of dat, of dat die beidon te zamon goed zijn zullen. 7 Verder, het licht is zoet, en het is don oogen goed de zon te aanschouwen; 8 Maar indien do monsch vele jaren leeft, en verblijdt zich in die allen, zoo laat hom ook gedenken aan de dagen der duisternis, want die zullen vele zijn; en al wat gekomen is, is ijdelheid. 9 Verblijd u, o jongeling! in uwe jeugd, en laat nw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten. |
en in de aanschouwing uwer oogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor hot gerigt. 10 Zoo doe dan de toornigheid wijken van uw hart, en doe het kwade weg van uw vleesch, want do jeugd, en de jongheid is ijdelheid. HOOFDSTUK 12. De wijze man leert do jonge lieden, zich vroegtijdig tot godzaligheid te schikken en zich daaraan te go-wennen, eer de ouderdom aankomt, vs. 1; welken hij door velerlei gelijkenissen beschrijft, 2. Tot besluit van dit boek zegt hij, dat het alles ijdelheid is, 8; en dat de hoofdzaak van alle leering deze is: God te loeren vreezen en zijne geboden te houden, 13. EN gedenk aan uwen Schepper in do dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen, on de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geenen lust in dezelve. 2 Eer dan do zon, en het licht, en de maan, on de sterren verduisterd worden, en de wolken wederkomen na den regen. 3 In den dag, wanneer de wachters des huizes zullen boven, on de sterke mannen zich zeiven zullen krommen, on de maalstors zullen stilstaan, omdat zij minder geworden zijn, on die door do vensteren zien, verduisterd zullen worden; 4 En do twee deuren naar do straat zullen gesloten worden, als er is een nederig geluid der maling, en hij opstaat op do stom van het vogeltje, en al do zangeressen nodergobogen zullen worden. 5 Ook wanneer zij voor de hoogte zullen vreozen, en dat er verschrikkingen zullen zijn op den weg, en de amandelboom zal bloeijen, en dat de sprinkhaan zich zeiven oen last zal wezen, en dat do lust zal vergaan: want do monsch gaat naar zijn eeuwig huis, en de rouwklagers zullen in do straat omgaan. 6 Eer dan do zilveren koord ontketend wordt, en de gulden schaal in stukken gestooten wordt, en de kruik aan do springader gebroken wordt, en het rad aan don bornput in stukken gestooten wordt; 7 «En dat het stof wederom tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weder tot God keert, ''die hom gegeven heeft. ff Gen. 3:19. ft Gen. 2:7. Num. 10:22. 8 quot;IJdelheid der ijdelhoden, zegt de prediker; het is al ijdelheid! aPs.62:10. 144 : 4. Pred. 1:2, 9 En voorts, dewijl de prediker wijs geweest is, zoo loerde hij hot volk nog wetenschap, en merkte op, en onderzocht, hij stelde vele quot; spreuken in orde. a 1 Kon. 4 : 32. 10 Do prediker zocht aangename woorden uit te vinden, en het geschrevene is regt, woorden der waarheid. 11 Do woorden dor wijzen /.iju gelijk prikkelen, en gelijk nagelen, diep ingeslagen w/« de moestors I !'i i 'i | ' 1..'| jj i I ' lli :ll lil kil u I â I p i :i. J |
HOOGLIED 1, 2.
der verzamelingen, die gegeven zijn van den de zaak: quot;Vrees God, en houd zijne geboden,
eenigen Herder. want dit betaamt allen menschen.
12 En wat boven dezelve is, mijn zoon! wees a Dent. 0:2. 10:12. Spv. 3:7.
gewaarschuwd: van vele boeken te maken is geen 14 quot; Want God zal ieder werk in het gerigt
einde, en veel lezens is vermoeijing des vleesches. : brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed,
IS Van alles, wat gehoord is, is hot einde van of hetzij kwaad. «1 Cor. 4:5. 2 Oor. 5:10.
HET HOO(iLlEI)
VAN
SALOMO.
012
|
HOOFDSTUK 1. In dit hoofdstuk wordt boschrovou hot grooto verlangen der Kerk naar de genade van Christus, vs. 1; hare uitwendig verachtelijke gestalte, doch inwendige schoonheid, 5; alsmede haar gevaar onder de valsche broeders, 0; en haar verlangen naar Christus, 7. Eene vertroosting en onderrigting van Christus aan zijne gemeente, 8. De groote blijdschap der Bruid wegens Christus.liefde tot haar, 12. Het welbehagen van Christus aan zijne gemeente, 15; en do liefde der gemeente tot haren Bruidegom, 10. HET Hooglied, hetwelk van Salomo is. 2 Hij kusse mij met de kussen zijns monds: want uwe uitnemende liefde is quot; beter dan wijn. a Hoogl. 4:10. 3 Uwe oliën zijn goed tot reuk, uw naam is eene olie, die uitgestort wordt: daarom hebben u de maagden lief. 4 Trek mij, wij zullen u naloopen! Do koning hoeft mij gebragt in zijne binnonkameren, wij quot; zullen ons verheugen en in u verblijden; wij zullen uwe uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn: de opregten hebben u lief. a 1 Potr. 1 : 8. 5 Ik bon zwart, doch liefelijk, (gij dochteron van Jeruzalem!) gelijk de tenten van Kedar, gelijk do gordijnen van Salomo. 6 Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon hooft beschenen: de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot eene hoederin dor wijngaarden. Mijnen wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed. 7 Zog quot;mij aan, (jij, ''dien mijne ziel liefheeft, waar gij weidt, waar gij dc kudde legert in den middag: want waarom zou ik zijn als eene, die zich bedekt bij de kudden uwer medgezellen? a Dent. 12 : 5. h Hoogl. 8:1, 2, 3. 8 Indien gij het niet weet, quot; o gij schoonste onder de vrouwen! zoo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uwe geiten bij de woningen der berderen. «Hoogl. 5:9. 0:1. 9 quot; Mijne vriendin! ik vergelijk u bij de paarden in do wagens van Paraö. aHoogl. 2 : 2,10,13. 4 :1, 7. 5 : 2. 0 : 4. Joh. 15 : 14, 15. 10 quot; Uwe wangen zijn liefelijk in do spangen, uw hals in de parelsnoeren. «Ezec. 10: 11,12,13. |
11 Wij zullen u gouden spangen maken, met zilveren stipjes. 12 Terwijl do koning aan zijne ronde tafel is, geeft mijn nardus zijnen reuk. 13 Mijn liefste is mij oen bundeltje mirre, dat tusschen mijne borsten vernacht. 14 Mijn liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En-gedi. 15 Zie, gij zijt schoon, mijne vriendin! zie, gij zijt schoon, uwe oogen zijn Amvanoogen. 10 quot; Zie, gij zijt schoon, mijn liefste! ja liefelijk; ook groent onze bedstede. aHoogl. 4: I. 5:12. 17 De balken onzer huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cipressen. HOOFDSTUK 2. De waardigheid van Christus, vs. 1; en van zijne gemeente, 2. De zorg van Christus voor zijne Bruid en do troost, dien zij van Hom ontvangt, 3. Eene opwekking tot openbare belijdenis van Christus, dewijl do winter der vervolging voorbij was, 11. Waarschuwing togen de gohoimo vijanden dor Kerk, 15. Onderlinge liefde tusschen den Bruidegom en de Bruid, 10. IK ben eene roos van Saron, eene lelie der dalen. 2 Gelijk eene lelie onder de doornen, alzoo is mijne vriendin onder de dochteron. 3 Als een appelboom onder de hoornen des wouds, zoo is mijn liefste onder do zonen: ik heb grooten lust in zijne schaduw, en zit er onder, en zijne vrucht is mijn gehemelte zoet. 4 Hij voert mij in het wijnhuis, en do liefde is zijne banier over mij. 5 Ondersteunt gijlieden mij met de flesschen, versterkt mij met de appelen, want ik bon krank van liefde. 0 quot; Zijne linkerhand zij onder mijn hoofd, en zijne regterhand omhelze mij. aHoogl. 8:3. 7 Ik bezweer u, gij dochteron van Jeruzalem! die bij de reeën, of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat bet dezelve luste! 8 Dat is de stem mijns liefsten, ziet hem, hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen! |
HOOGLIED 2, 3. 4.
613
|
i) Mijn liofsto is gelijk oene ree, of een welp der herten: ziet, hij staat achter onzen muur, kijkende uit de vensteren, blinkende uit de traliën. 10 Mijn liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, mijne vriendin, mijne schoone, en kom! 11 Want zie, de winter is voorbij, do plasregen is over, hij is overgegaan; 12 De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem dor tortelduif wordt gehoord in ons land. 13 Do vijgeboom brengt zijne jonge vijgjes voort, on de wijnstokkon geven reuk met hunne jonge druifjes. Sta op, mijne vriendin, mijne schoone, on kom! 14 Mijne duive! zijnde in do kloven dor steenrotsen, in hot verborgene eener steile plaats, toon mij uwe gedaante, doe mij uwe stom hooron : «want uwe stem is zoet, en uwe gedaante is liefelijk. a Hoogl. 5:13, l(i. 15 Vangt gijlieden ons de quot; vosson, do kleine vossen, dio do wijngaarden verderven: want onze wijngaarden hebben jonge druifjes. a E/.oc. 13:4. Luk. 13:32. 1G Mijn liofsto is mijn, en ik bon zijne, die weidt onder de leliën, 17 quot;Totdat de dag aankomt, en do schaduwen vlieden: keer om, mijn liefste! word gij gelijk oene roe, of een welp dor herten, op do bergen van Bethor. «Hoogl. 4:0. HOOFDSTUK 3. De Bruid verhaalt, hoo naarstig x.ij haren Hruulegoin gozocht hooft, doch te vergeefs, vs. 1, 2, 3; eindo-lijk vindt zij Hem en laat Hem niet gaan, 4. Hij wil niet, dat mon zijne Bruid zal opwekken, 5. Hot sieraad der Bruid, nadat /ij uit do verdrukking was gekomen, (i. Hot bed, of de koets dos Bruidegoms, onder hot beeld van Salomo's bed en koets, 7. Do geloovigon worden genoodigd, onder verbloemde woorden van Salomo's bruiloft met zijne Bruid, tot hot rijk dor heerlijkheid, 11. IK zocht dos nachts op mijn leger hom, dien mijne ziel liefheeft; ik zocht hom, maar ik vond hem niet; ik zeide: 2 Ik zal nu opstaan, en in do stad omgaan, in de wijken en in do straten; ik zal hom zoeken, dien mijne ziel liefheeft; ik zocht hem, maar ik vond hem niet. 3 De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij; ik zeide: Hebt gij dien gezien, dien mijne ziol liefheeft ? 4 Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik hom, dien mijne ziel liefheeft; ik hield hom vast, en liet hem niet gaan, totdat ik hom in mijnor moeders huis gobragt had, on in de binnenste kamer van degene, dio mij gebaard heeft. 5 Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! dio bij de reeën of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste! |
(gt; quot; Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt mot mirre en wierook, en mot allerlei poeder des kruideniers? a Hoogl. S : 5. 7 Ziet, het bod, dat Salomo hoeft, daar zijn zestig holden rondom van do helden van Israël; 8 Die altemaal zwaarden houden, geloord ten oorlog, elk hebbende zijn zwaard aan zijne heup, van woge den schrik des nachts. 9 Do koning Salomo hooft zich quot; oene koets gemaakt van het hout van Libanon. «Hoogl. (i: 12. 10 De pilaren derzolve maakte hij van zilver, haren vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid mot do liefde van do dochteren van Jeruzalem. 11 Gaat uit, en aanschouwt, gij dochteren van Zion! don koning Salomo, met do kroon, waarmode hom zijne moeder kroonde op den dag zijner bruiloft, on op den dag dor vreugde zijns harten. HOOFDSTUK 4. Do Bruidegom prijst do Bruid over haro schoonheid, vs. 1; on goeft to kennen, dat Hij oen tijd lang van haar afwezig zal zijn, (j. Hij roept haar om tot Hem to komen, 8; betuigende zijne liefde tot haar, 9; prijzende weder haro schoonheid, 10. Do Bruid bidt haven Bruidegom, spoedig tot haar te komen on door zijnen II. (loost krachtig in haar tc werken. opdat zij vruchten voortbrenge, die Hem aangenaam mogen zijn, 15. ZIE, gij zijt schoon, mijne vriendin! zie, gij zijt schoon: uwe oogen zijn duivonoo^/cw. quot; tus-schen uwe vlochten ; b uw haar is als eene kudde geiten, die het (/ras van don berg Gileads afschoren. a Hoogl. 4 : 3. G : 7. h Hoogl. C : 5. 2 Uwe tanden zijn als oene kudde schapen, die geschoren zijn, dio uit do waschstede opkomen; die al te zamen tweelingen voortbrengen, en geene onder hen is jongoloos. 3 Uwe lippen zijn als oen scharlaken snoer, en uwe spraak quot;is liefelijk; de slaap uws hoofds is als een stuk van oenen granaatappel tusschen uwe vlechten. n Ps. 147 : 1. Col. 4 : G. 4 quot;Uw hals is als Davids toren, dio gebouwd is tot ophanging van wapentuig, waar duizend rondassen aan hangen, altemaal zijnde schilden der holden. «Hoogl. 7:4. 5 quot;Uwe twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van oene ree, die onder de leliën weiden. « Hoogl. 7 : 3. G Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden, zal ik gaan tot den mirreberg, en tot den wierookhouvel. 7 Geheel zijt gij schoon, mijne vriendin! en er is geen gebrek aan u. 8 Bij mij van den Libanon af, o bruid! kom bij mij van den Libanon af; zie van den top van Amana, van den top van Senir en van Hormon, van de woningen der leeuwinnen, van do borgen dor luipaarden. 9 Gij hebt mij hot hart genomen, mijne zuster. |
HOOGLIED 4, 5, (1.
(ill
|
o bruid! jiij hobt mij liet hart gonomen, mot con van uwe ooyen, met oone keten van uwen lials. 10 Hoe schoon is uwe uitnemende liefde, mijne zuster, o bruid! hoeveel beter is uwe uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer oliën dan alle specerijen! 11 Uwe lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uwe tong, en do reuk uwer kleedoren is als do reuk van Libanon. 12 Mijne zuster, o bruid! gij zijt een besloten hof, eene beslotene wel, eene verzegelde fontein. 13 Uwe scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus; 14 Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei hoornen van wierook, mirre en aloë, mitsgaders alle voornaamste specerijen. 15 O fontein dor hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeijen! 16 Ontwaak, noordewind! en kom, gij zuide-wind! doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen uitvloeijen. O dat mijne liefste tot zijnen hof kwame, en ate zijne edele vruchten. HOOFDSTUK 5. Uier antwoordt de Bruidegom op de noodiging dor Bruid, hoofdst. 4 vs. 1G; on geeft to kennen, dat Hij een uitnemend behagen heeft aan hare vruchten, vs. 1. Zij bekent, dat zij eens heeft verzuimd haren Bruidegom in te laten, 2; doch dat zij daarna opgestaan zijnde om Hem in te laten, 5; Hij was weggegaan, hetgeen haar zeer leed deed, G. In wat ongelegenheid zij geraakt was, toen zij Hem zocht, 7. Zij geeft hare uitnemende liefde tot Hem te kennen aan hare speelgenooten, 8; met eene beschrijving van zijne sehoone gestalte, 10. IK ben in mijnen hof gekomen, o mijne zuster, o bruid! ik heb mijne mirre geplukt met mijne specerij, ik heb mijne honigraten met mijnen honig gegeten; ik heb mijnen wijn, mitsgaders mijne melk gedronken. Eet, quot;vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten! aJes.41:8. Jakob.2:23. 2 Ik sliep, maar mijn hart waakte; de stem mijns liefsten, die klopte, was; Doe mij open, mijne zuster, mijne vriendin, mijne duive, mijne volmaakte! want mijn hoofd is vervuld mot dauw, mijne haarlokken met nachtdruppen. 3 Ik heb mijnen rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken? ik heb mijne voeten gewas-scliGn, hoe zai ik zo weder bezoedelen ? 4 Mijne liefste trok zijne hand van het gat der deur; en mijn ingewand werd ontroerd om zijnentwil. 5 Ik stond op, om mijnen liefste open te doen; en mijne banden drupten van mirre, en mijne vingers van vloeijende mirre, op de handhaven des slots. 6 Ik deed mijnen liefste open, maar mijn liefste was geweken, hij was doorgegaan, mijne ziel ging uit van wege zijn spreken; quot;ik zocht hem, maar ik vond hem niet, ik riep hom, doch hij antwoordde mij niet. Hoogl. 3:1. |
7 De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij, zij sloegen mij, zij verwondden mij; do wachters op de muren namen mijnen sluijer van mij. 8 quot; Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem, indien gij mijnen liefste vindt, wat zult gij hem aanzeggen? Dat ik krank ben van liefde. a Hoogl. 3 : 5. 9 Wat is uw liefste meer dan een ander liefste, o gij schoonste onder do vrouwen! wat is uw liefste meer dan oen ander liefste, dat gij ons zoo bezworen hebt! 10 Mijn liefste is blank en rood, hij draagt do banier boven tien duizend. 11 Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het digtste goud; zijne haarlokken zijn gekruld, zwart als eene raaf. 12 quot; Zijne oogen zijn als der duiven bij de water-stroomen, met melk gewasschen, staande als in kasjes der ringen. «Hoogl. 1 : 15. 4:1. 13 Zijne wangen zijn als een bed van specerijen, als welriekende torentjes; zijne lippen zijn als leliën, druppende van vloeijende mirre. 14 Zijne handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois; zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren. 15 Zijne schenkelen zijn als marmeren pilaren , gegrond op voeten van liet digtste goud; zijne gestalte is als do Libanon, uitverkoren als de cederen. 16 Zijn gehemelte is enkele zoetigheid, en al wat aan hem is, is gansch begeerlijk. Zulk een is mijn liefste, ja zulk oen is mijn vriend, gij dochters van Jeruzalem! HOOFDSTUK 6. Do speelgenooten vragen de Bruid naar baron bo-ininde, vs. 1; dien zij baar aanwijst, 2. De Bruidegom verhaalt de gestalte zijner Bruid, 4; alsook dat Hij zijnen bof bezoekt, 11. Do Bruidegom noodigt zijne Bruid tot zich, 13. WAAR is uw liefste heengegaan, o gij schoonste onder de vrouwen ? waarheen heeft uw liefste het aangezigt gewend, opdat wij hem niet u zoeken ? 2 Mijn liefste is afgegaan in zijnen hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen. 3 Ik ben mijns liefsten, en mijn liefste is mijn, die onder do leliën weidt. 4 quot; Gij zijt schoon , mijne vriendin ! gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden niet banieren. a I's. 45 : 12. Hoogl. 1 : 15. 4:1. 5 Wend uwe oogen van mij af, want zij doen mij geweld aan; uw haar is als eene kudde geiten, die het gras van Gilead afscheren. 6 Uwe tanden zijn als eene kudde schapen, die uit do waschstede opkomen, die al te zamen tweelingen voortbrengen, en onder dezelve is goone jongeloos. 7 Uwe wangen zijn als een stuk van eenen granaatappel tusschen uwe vlechten. 8 Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijwijven, en maagden zonder getal. |
|
!) Eoiiü ooniyc i.s inijiio cluivo, mijne volmaakte, do oenige haror moeder, zij is de zuivere der-gene, die haar gebaard iieci't; als de dochters haar zien, zoo zullen zij haar wolgelukzalig roemen, clo koninginnen en de bijwijven; en zij zuilen haar prijzen. 10 Wie is zij, dio er uitziet als de dageraad, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon, schrik-kolijk als slagorden mot banieren? 11 Ik bon tot don notonhof afgegaan, om do groene vruchten der vallei to zien; om te zien, of do wijnstok bloeide, do granaatboomon uitbotten. 12 Eer ik het wist, zotte mij mijne ziel op de wagens van mijn quot;vrijwillig volk. «I's. 110:3. IIS Keer weder, koor weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden do Sulammith aan? zij is als oen rei van twee heiren. HOOFDSTUK 7. Do Bruid wordt geroemd over hare schoonheid on liofelijldieid, vs. 1. Zij verheugt zich over de gc-meenschap met haren Bruidegom, 10. Zij noodigt Mom en /.ij begeert mot Hem do kerken lo gaan bezoeken, 11. HOE schoon zijn uwe gangen in de schoenen, gij prinsondochter! do omdraaijingon uwer heupen zijn als kostelijke kotons, zijnde hot werk van de handen eens kunstenaars. 2 Uw navol is als oen rondo beker, dien geen drank ontbreekt; uw buik is als een hoop tarwe, rondom bezet mot leliën. !ï Uwe twee quot;borsten zijn als twee wolpen, tweelingen van eene ree. alloogl. 4:5. 4 Uw hals is als oen elponboenon toren, uwe oogen zijn als do vijvers to Hesbon, bij de poort van Bath-rabbim; uw neus is als de toren van Libanon, die tegen Damaskus ziet. 5 Uw hoofd op u is als Karmol, en do haarband uws hoofds als purper; de koning is a/s gebonden op do galerijen. (i quot; Hoe schoon zijt gij, en hoe liefelijk zijt gij, o liefde, in wellusten! a I's. 45 : 12. Iloogl. 1:15. 4:1. 7 Dozo uwe lengte is te vergelijken bij oenen palmboom, en uwe borsten bij druif tv ossen. 8 Ik zoido: Ik zal op den palmboom klimmen, ik zal zijne takken grijpen; zoo zullen dan uwe borsten zijn als druiftvossQn aan don wijnstok, on de reuk van uwen neus als appelen. 1) En uw gehemelte als goede wijn, die regt tot mijnen beminde gaat, doende do lippen dor slapenden spreken. 10 quot;Ik ben mijns liofston, en zijne genegenheid is tot mij. alloogl. 2:10. 6:8. 11 Kom, mijn liefste! laat ons uitgaan in hot veld, laat ons vernachten op do dorpen. 12 Laat ons vroeg ons opmaken naar do wijnbergen, laat ons zien, of do wijnstok bloeit, de |
615 jonge druifjes zich opendoen, do granaatappel-booinen uitbotten; daar zal ik u mijne uitnemende liefde geven. 1.1 Do düdaïm geven reuk, en aan onze deuren zijn allerlei edele vruchten, nieuwe on oude; o mijn liefste! die bob ik voor u weggelegd. HOOFDSTUK 8. Do Bruid wenscht, dat do Bruidegom in hot vleosch mogt verschijnen on bij haar wonen, vs. 1. quot;Eeno verwondering over den bloei der Kerk, 5. Wonsch der Bruid om verzekering to inogon hebboa van do liefde van haren Bruidegom tot haar, 6. Daarna spreekt do Bruid van haro jongere zuster, dat is van do gemeente nit do Heidenen, 8. Antwoord daarop, !); waarmede de Bruid zich gerust oa to-vreden stolt, 10. Do zorg, die do Bruidegom /.oil' over zijnen wijngaard draagt, 11; doch Hij wil ook van andoren verkondigd wezen, 13. Do Bruid wenscht naar do haastige versohijaing van liaron Bruidegom, 14. OCH dat gij mij als een broeder waart, zuigende do borsten mijner moeder! dat ik u op do straat vond, ik zou u kussen, ook zouden zij mij niet verachten. 2 Ik zou u leiden, ik zou u brengen in mijner moedors huis, gij zoudt mij loeren; ik zou u van specerijwijn te drinken geven, en van het sap van mijne granaatappelen. 3 quot; Zijne linkerhand zij onder mijn hoofd, on zijne regterhand ombelzo mij. alloogl. 2:6. 4 quot;Ik bezwoer u, gij dochteren van Jorü-zalem! dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat hot dezelve lust! a Iloogl. 2 : 7. 3 : 5. 5 Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haren liefste! Onder don appelboom bob ik u opgewekt, daar heeft u uwe moeder met smart voortgobragt, daar beeft zij u met smart voortgobragt, die u gebaard heeft. 6 Zot mij als oen zegel op uw hart, als eon zegel op uwen arm: want de liefde is sterk als do dood; de ijver is hard als het graf: hare kolen zijn vurige kolen, vlammen dos Heeiien. 7 Vele wateren zouden quot; deze liefde niot kunnen uitblusschon; ja de rivieren zouden ze niot verdrinken: al gaf iemand al het good van zijn huis voor deze liefde, men zou hom ton oonomaal verachten. « Kom. 8:38, enz. 8 Wij hebben oono kleine zuster, die nog geene borsten hooft: wat zullen wij onze zuster doen in dien dag, als men van haar spreken zal? !) Zoo zij oen muur is, wij zullen ebn paleis van zilver op haar bouwen ; en zoo zij eene deur is, wij zullen haar rondom bezetten met coderen plankon. 10 Ik bon oen muur, en mijne borsten zijn als torens. Toon was ik in zijne oogen als eeno, die vrede vindt. 11 Salomo liad oenen wijngaard, te Baal-Hamon; hij gaf dozen wijngaard aan do hoeders, oen ieder HOOGLIED (i, 7, 8. |
JESAJA 1.
()l(i
|
bragt voor deszelfs vrucht duizend zilvorlingon. 12 Mijn wijngaard, dien ik heb, is voor mijn aangezigt: de duizend zilverlingen zijn voor u, o Salomo! maar twee honderd zijn voor do hoeders van deszelfs vrucht. |
13 O gij bewoonster der hoven! do medgezellen merken op uwe stem; doe zo mij hoeren. 14 quot;Kom haastelijk, mijn liefste! en wees gij gelijk eeno roe, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen. a Openb. 22: 17, 2ü. |
DE PROFEET JESAJA.
|
HOOFDSTUK 1. De profeet Jesaja klaagt over de ongehoomiamheid der Joden, vs. 2; niettegenstaande zij van don llecre zwaar geslagen waren, 5. Hij vergelijkt hen met do inwoners van Sódom en Gomorra, 1 (J; en verwerpt hunne godsdienst, 11. Hij vermaant hon tot betering des levens, 1G; met belofte van genade, 18; of be-dreiging van zware straffen, indien zij zich niet beterden, 20. Bittere klagt over don afval der Joden, 21; mot verdere bedreigingen, 24; doch belooft wederom genade aan de boelvaardigen, 25; maar verkondigt straf over de onboetvaardige afgodendienaars, 28. HETgezigt van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia , Jotham, Achaz, en Hizkia, de koningen van Juda. 2 quot; Hoort gij, hemelen! en neem ter oore, gij aarde! want de Heere spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden. a Dent. 32 : 1. 3 Een os kent zijnen bezitter, en een ezel de krib zijns heeren; maar Israël heeft geene kennis, mijn volk verstaat niet. 4 Wee het quot;zondige volk, het volk van zware ongeregtighoid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben den Heere verlaten, zij hebbenden Heilige Israels gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts. a Ps. 78 : 8. Jes. 57 : 3. 5 Waartoe zoudt gij meer geslagen worden ? quot; gij zoudt des afvals des te meer maken; het gansche hoofd is krank, en het gansche hart is mat. «2 Kron. 28:22. .lor. 2:30. |
(1 Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden , en striemen , en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbondon zijn, en geene derzelve is met olie verzacht. 7 quot; Uw aardrijk is eene verwoesting, uwe steden zijn met het vuur verbrand ; uw land verteren de vreemden in uwe tegenwoordigheid, en eene verwoesting is er, als eene omkeering door de vreemden. nDent. 28:51, 52. Jos. 5:5. 8 En de dochter van Zion is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als oen nachthutje in den komkommerhof, als eeno belegerde stad. !) quot; Zoo niet de Heere der heirscharen ons nog een weinig overblijfsels had gelaten, alsh Sódom zouden wij geworden zijn, wij zouden Gomórra gelijk zijn geworden. a Jes. 17 : 0. 24:0. 30:17. Rom. 9 : 29. b Oen. 19:24. 10 Hoort des Heeren woord, gij oversten van Sódom! neem tor oore de wet onzes Gods, gij volk van Gomórra! Mij zijn do veelheid uwer slagt-Heere; quot;Ik ben zat van do en hot smeer der vette 11 Waartoe zal offers ? zegt de brandoffers der rammen, beesten, en heb geen' lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken. a Ps, 50:8, 9. Spr. 15:8. 21 : 27. Jes. 00:3. Jer. 0:20. Amos 5:22. 12 Wanneer gijlieden voor mijn aangezigt komt te verschijnen, wie heeft zulks van uwe hand geëischt, dat gij mijne voorhoven betreden zoudt? 13 Brengt niet moer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; do nieuwe maanden, en sabbaten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet, hot is ongeregtighoid, zelfs de verbodsdagon. 14 Uwe nieuwe maanden en uwe gezette hoog- |
JESAJA 1, 2.
|
tijden haat mijne ziol, zij zijn Mij tot oenen last; 1 Ik bon moodo geworden die to dragon. 15 En quot;als gijiioden uwe handen uitbreidt, verborg Ik mijne oogon voor n; ook wanneer gij hot gebod vermenigvuldigt, hoor Ik niet: want uwe handen zijn vol bloed. aSpr. 1 :28. l(i Wascht u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor mijne oogon weg, quot;laat af van kwaad te doen. «Ps. 34 : 15. 37 : 27. Amos 5 : 15. Kom. 12 :!). 17 Leert good doen, zoekt hot rogt, helpt don verdrukte, doet den wees rogt, handelt de twistzaak der weduwe. 18 Komt dan, en laat ons zamen regten, zegt de Heere: quot; al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. a I's. 51 :!). 1!) Indien gijiioden willig zijt en hoort, zoo zult gij het goede dozes lands eten; 20 Maar indien gij weigert, en wedorspannig zijt, zoo zult gij van hot zwaard gegeten worden; want de mond des Hekken hoeft het gesproken. 21 Hoo is de getrouwe stad tot eene hoer geworden ! zij was vol rogt, gerogtighoid herbergde daarin, maar nu doodslagers. 22 Uw quot; zilver is geworden tot schuim; h uw wijn is vermengd mot water. «Ezoc.22:18,19. /'Hos.4:18. 23 Uwe vorsten zijn afvalligen, en medgozellon der dieven, een ieder van hen hoeft do geschonken lief, on zij jagen do vergeldingen na: «den weezen doen zij geen regt, en de twistzaak dor weduwen komt voor hen niet. aJer.5:28. Zach.7:10. 24 Daarom spreekt de Ileore, Heere dor heir-scharen, de Magtigo Israels: O wee! Ik zal Mij troosten van mijne wederpartijders, quot; Ik zal Mij wreken van mijne vijanden. n Dout. 28:63. 25 En Ik zal mijne hand tegen u koeren, en quot; Ik zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren, en Ik zal al uw tin wegnomen. aJer. 6:29. Mal. 3:3. 26 En Ik zal u uwe rogtors wedergeven, als in liet oorsto, en uwe raadslieden als in don beginne; daarna zult gij oene stad der gerogtighoid, eene getrouwe stad, genoemd geworden. 27 Zion zal door regt verlost worden, en hare wederkeerenden door gerogtighoid. 28 quot; Maar er zal verbreking zijn dor overtreders, on dor zondaars te zamen; en die don Heere verlaten, zullen omkomen. a Job 31: 3. Fs. 1 : G. 5 : 6. 73 : 27. 92 : 10. 104 : 35. 29 Want zij zullen beschaamd worden om dor eiken wil, die gijlieden begeerd hebt, on gij zult schaamrood worden, om dor hoven wil, die gij verkoren hebt. 30 Want gij zult zijn als oen eik, welks bladeren afvallen, en als een hof, die geen water hoeft. 31 En de sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werkmeester tot eene vonk, en zij zullen beiden te zamen branden, en er zal geen uitblusscher wezen. |
HOOFDSTUK 2. Do pi'ofoot spreekt mot vei'bloeindo woorden van do komst van hot koningrijk van Christus en do roeping der Heidenen, vs. 2; van de verstooting der Joden oin lumne grmvolijko zonden, 6; inzonderheid van wego hunne afgoderij en hoogmoed, 8. Hij vermaant alle mensehen God te vroezen, wegens zijne groofe majesteit en magt over alle dingen, 10. Voorzegging van don groeten schrik, die o|ër do afgodendienaars komen zoude, 19. HET woord, dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem. 2 En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat quot; de berg van liet huis des Heeren zal vastgesteld zijn op den top dor bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle Heidenen toevloeijen. a Mioha 4 :1. 3 En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot don berg des Heeren, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons leere van zijne wegen, en dat wij wandelen in zijne paden: want quot; uit Zion zal de wet uitgaan, on des Heeren woord uit Jeruzalem. «Ps. 110:2. 4 En Hij zal regten onder de Heidenen, en bestraffen vele volken ; en zij zullen hunnequot; zwaarden slaan tot spadon, en hunne spiesen tot sikkelen: het eene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer loeren. a Jool 3 : 10. 5 Komt, gij huis van Jakob! en laat ons wandelen in hot licht des Heeren. 6 Maar Gij hebt uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vervuld met (joddeloonheid, meer dan het Oosten, en zij zijn guichelaars gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen dor vreemden toonen zij hun behagen. 7 En hun land is vervuld mot zilver en goud, en hunner schatten is geen einde; hun land is ook vervuld met paarden, en hunner wagenen is geen einde. 8 Ook is hun land vervuld met afgoden: voor het werk hunner handen buigen zij zich neder, voor hetgeen hunne vingeren gemaakt hebben. 9 Daar bukt zich do gemeene man, en de aanzienlijke man vernedert zich; daarom zult Gij het hun niet vergeven. 10 Ga in dou rotssteen, en verberg u in hot stof, van wege den schrik des Heeren, en om de heerlijkheid zijner majesteit. 11 quot; Do hooge oogen der menschen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannon zal nedergobogen worden: en de Heere alleen zal in dien dag vorlieven zijn. a Jes, 5: 15. 12 Want de dag des Heeren dor heirscharon zal zijn tegen allen hoovaardige en hooge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde; 13 En tegen alle hooge en verhevene cederen van Libanon, en tegen alle eiken van Basan; 14 En tegen alle hooge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen; |
JESAJA '2, 3, 4.
|
If) En logon allon hoogon toron, on togon allen vasten muur; l(i En togon allo schepen van Tarsis, en togen allo gowenschte schilderijon. 17 En do hoogheid dos menschen zal gebogen, en de hoogheli.1 dor mannen zal vernederd worden: on de IIeere alleen zal in dien dag verheven zijn. 18 En elk een der afgoden zal ganschelijk vergaan. 19 Dan zullen zij in de spelonken dor rotssteonen gaan, en in de holen der aarde, van woge don schrik dos IIeeuen, en van woge do heerlijkheid zijnor majesteit, wanneer Hij zicli opmaken zal, om do aarde te verschrikken. '20 In dien dag zal do mensch zijne zilveren afgoden, en zijno gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden, om zich daarvoor neder te buigen, wegworpen voor do mollen en do vloder-muizon: '21 Gaande in do roten der rotsen, en in de kloven der steenrotsen, van woge don schrik dos Heeren, en van wege do heerlijkheid zijner majesteit, wanneer Hij zich opmaken zal, om de aarde gewoldolijk te verschrikken. '22 Laat gijlieden dan af van den mensch, wiens adem in zijnon neus is, want waarin is hij te achten? HOOFDSTUK 3. Zware ea velerlei bedreigingen en straffen, die den Joden zouden overkomen, zoo het volk als do re-genten, oni hunne menigvuldige zonden, vs. 1. Do regtvaardigon worden getroost, 10; inzonderheid worden do vrouwen grootelijks bedreigd om hare pracht en hoogmoed, l(i. WANT ziot, de Heere, IIeere der heirscharen, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen don stok en den staf, allen stok des broods, en allon stok dos waters; 2 Den held en den krijgsman, den regter en den profeet, en den waarzegger, en den oude; 3 Den overste van vijftig, en don aanzienlijke, en den raadsman, en den wijze onder de werkmeesters , en dien, die kloek ter tale is. 4 En Ik zal jongelingen stollen tof hunne vorston, en kinderen zullen over hen hoorschon; 5 En liet volk zal gedrongen worden, de een zal zijn tegen den ander, en oen iegelijk tegen zijnen naaste: do jongeling zal stout zijn togen don oude, do verachte tegen den oorlijke. 6 Wanneer iemand zijnen broeder uit hot huis zijns vaders zal aangrijpen, zeyc/ende: Gij hebt een kleed, wees ons ten overste, laat toch dezen aanstoot onder uwe hand wezen; 7 /oo zal hij in dien dag zijne hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een' overste des volks. 8 Want Jeruzalem heeft aangestooten, en Juda is gevallen, dewijl hunne tong en handelingen togen den Heere zijn, om do oogen zijner heerlijkheid te verbitteren. i) Hot gelaat liuus aangezigts getuigt togen hen. |
en hunne zonden sproken zij vrij uit, gelijk Sódom, zij verborgen zoniet. Wee hunliodor ziel, want zij doen zich zelvon kwaad! 10 Zegt don regtvaardige, dat hot hem welgaan zal; dat zij do vrucht hunner werken zullen oton. 11 Woo don goddelooze, hot zal hem kwalijk gaan! want de vergelding zijner handen zal hem geschieden. 12 Do drijvers mijns volks zijn kinderen, en vrouwen hoorschon over hetzelve. O mijn volk! die u leidon, verleiden u , en don weg uwer paden slokken zij in. 13 De Heere stelt zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te rigten. 14 De Heere komt ten gerigte tegen de oudsten zijns volks on deszelfs vorsten, want gijlieden hebt dezen wijngaard verteerd; do roof des ellen-digen is in uwe huizen. 15 Wat is uliedon, dat gij mijn volk verbrijzelt, en do aangezigten dor ellendigen vermaalt? spreekt de Heere, Heere der heirscharen. 1(5 Verder zegt do Heere: Daarom dat do doch-teron van Zion zich verheffen, en gaan met uit-gestrekten bals, en lonken met do oogen, al gaande en trippelende daarhenen treden, en als of hare voeten gebonden waren; 17 Zoo zal do Heere u den schedel der dochtoron van Zion schurftig maken, en do Heere zal hare schaamte ontblooten. 18 Ten zelvon dage zal do Heere wegnomen liet sieraad dor kousenbanden, on de netjes, on do maantjes, 1!) Do reukdoosjes, en de kleine ketentjes, en do glinsterende kleedingon, 20 Do hoofdkrooning, en do arinvorsierselen, en do bindselon, en de reukballetjes, en de oorringen, '21 De ringen en de voorhoofdsierselen, '22 Do wisselkleederen, en de manteltjes, on de hoedjes, en do buidels, '23 Do spiegels, on de fijn-linnen deksels, en do hulledoeken, en de sluijors. 24 En het zal geschieden, dat er voor specerij stank zal zijn, en lossighoid voor oenen gordel, on kaalheid in plaats van haarvlechten, en omgording eens zaks in plaats van oenen wijden rok, en verbranding in plaats van schoonheid. 25 Uwe mannen zullen door liet zwaard vallen, en uwe holdon in don strijd. '2() En hare poorten zullen treuren, en lood dragen, en zij zal, ledig gemaakt zijnde, op do aarde zitten. HOOFDSTUK 4. Verdere bedreigingen der ollonden, die den Joden zouden overkomen, inzonderheid dat er weinig man-non zouden overblijven, vs. 1 ; met vertroosting der goloovigen, die overblijven zouden, welke door den toekomstigon Messias verlicht, gereinigd en beschermd zouden worden, 2. EN to (lion dage zullen zeven vrouwen eenon man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij |
JESAJA 4, 5.
|
otcn, csn niet onze kleederen zullen wij bekleed zijn, laat ons alleenlijk naar uwen naam genoemd worden, neem onze smaadheid weg. 2 Te dien dage zal des Heeuen Sphuit zijn tot sieraad en tot heerlijkheid, en de vrucht dei-aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israël. En liet zal geschieden, dat de overgeblevene in Zion, en de overgelatene in Jeruzalem zal heilig geheeten worden, een iegelijk, die geschreven is ten leven te Jeruzalem; 4 Als do lleere zal afgewasschen hebben den drek der dochteren van Zion, en do bloedschulden van Jeruzalem zal verdreven hebben uit derzelver midden, door den (Jeest dos oordeels, en door don Geest dor uitbranding. 5 En de Heere zal over allo woning van don borg Zions, on over hare vergaderingen, schoppen oene wolk dos daags, en oenen rook, on den glans eens vlammenden vuurs dos nachts: want over alles wat heerlijk is, zal oene beschutting wezen. G En daar zal oene hut zijn tot oene schaduw des daags tegen do hitte, ou tot oene toovlugt en tot oono verberging togen don vlood en tegen den regen. HOOFDSTUK 5. Do profeet maakt het volk, dooi' oen lied vim don wijngaard des Hoeren, indachtig do groote weldaden, die God aan lion heolt bewezen, vs. 1; en daarentegen linnne groote ondankbaarheid, 4; welke oorzaak is geweest, dat God hen heeft verstoeten, 5. Wee over do rijken, gierigaards, dronkaards en brassers, 8. Vertroosting voor do vromen, 17. Woo over de onregtvaavdigon en spottors met Gods bedreigingen, 18; over hen, dio alles verkeeron, 20; over hoovaardigon, 21; dronkaards, 22; onrogtvaar-digo rogtors, 23; hnimo straf, 24. Do verzameling, hot optrokken en de gruwelijkheid van hot leger der Chaldeön tegen de Joden, 20. NU zal ik mijnen beminde oen lied mijns liefsten zingen van zijnen wijngaard: Mijn beminde heeft eonen wijngaard op oenen vetten heuvel. 2 En hij heeft dien omtuind, en van steenen gezuiverd, en hij hooft hem beplant met edele wijnstokken; en hij heeft in doszelfs midden eonen toren gebouwd, en ook eenen wijnbak daarin uitgehouwen ; en hij hooft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebragt. 11 Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem, en gij mannen van Juda! oordeelt toch tusschen mij en tusschon mijnen wijngaard. 4 a Wat is er meer te doen aan mijnen wijngaard, hetwelk ik aan hom niet gedaan heb? Waarom heb ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebragt ? n .lor. 2 : 5. Mieha (i: 3, 8. 5 Nu dan, ik zal ulieden nu bekend maken, wat ik mijnen wijngaard doen zal: ik zal quot;zijnen tuin wognemon, opdat hij zij tot afweiding; zijnen i |
muur zal ik verscheuren, opdat hij zij tot vor-treding. a Ps. 80 : 13. (i En ik zal hom tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid noch omgehakt worden, maar dis-telen on doornen zullen daarin opgaan: en ik zal den wolken gebieden, dat zij geen' regen daarop regenen. 7 quot;Want do wijngaard van don IIeere dor heir-scharen is hot huis van Israël, en do mannen van Juda zijn oene plant zijner verhistingen; en Hij heeft gewacht naar rogt, maar ziet, het is schurftheid, naar geregtighoid, maar ziet, het is geschreeuw. a I's. 80 : 9. 8 quot; Wee dengenen, die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geene plaats meer zij, en dat gijlieden alleen inwoners gemaakt wordt in hot midden dos lands! a Mioha 2:2. 9 Voor mijne ooron heeft de Heere der hoir-scharon gesproken: Zoo niet vele huizon tot verwoesting zullen worden, de groote en do treffelijke zonder inwoner! 10 Ja tien blinderen wijngaards zullen oen eenig bath geven, en eon homer zaads zal oene ofa geven. 11 quot;Woo dengenen, die, zich vroeg opmakende in den morgenstond, sterkon drank najagen, en vertoeven tot in do schemering, totdat do wijn hen hoeft verhit! aSpr. 23:29, 30. 12 En harpon en luiten, trommelen on pijpen, en wijn zijn in hunne maaltijden; maar zij aan-scliouwen hot werk dos IIeeren niet, en zij zien niet op hot maaksel zijner handen. 13 quot; Daarom zal mijn volk gevankelijk weggevoerd worden, omdat het geene wetenschap heeft; en doszelfs heerlijken zullen honger lijden, en hunne menigte zal verdorren van dorst. a Amos ü : 7. 14 Daarom zal het graf zich zelf wijd opsperren, en zijnen mond opendoen, zonder maat; opdat nederdalo hare heerlijkheid, ou hare menigte, mot haar godruisch, en die in haar van vreugde opspringt. IT) Dan zal do gomoeno man nodergobogen worden, en do aanzienlijke man zal vernederd worden , en do oogon dor hoovaardigon zullen vernederd worden. 16 Doch do 11 mere dor heirscharen zal verhoogd worden door hot rogt; on God, die Heilige, zal geheiligd worden door geregtighoid. 17 quot; En do lammeren zullen weidon naar hunne wijze, on do vreemdelingen zullen do verwoeste plaatsen der vetten eten. a .les. 14:30. 18 Wee dengenen, die de ongoregtigheid trokken met koorden der ijdelheid, en de zonde als met dikke wagenzolen! 19 Die daar zoggen: Dat Hij haasto, dat Hij zijn work bospoedige, opdat wij hot zion; en laat naderen en komen den raadslag des Heiligen van Israël, dat wij het vernemen! 20 Wee dengenen, die hot kwade good heoton, |
JESAJA 5, 6, 7.
620
|
on hot. yoodo kwaad; die duisternis tot licht stol-lon, on hot licht tot duistornis; dio hot bittere tot zoot stollen, en hot zooto tot bitterheid! 21 quot;Wee dengenen, dio in hunne oogcn wijs, en bij zich zolvon verstandig zijn! a Spr. 3 : 7. Rom. 12 : 10. 22 Wee dengenen, dio holden zijn om wijn to drinken, on dio kloeke mannen zijn om sterken drank te mengen! 23 Die don goddeloozo regtvaardigen om een geschenk, on quot; do geregtigheid dor regtvaardigen van dezolvon afwenden. a Spr. 17:15. 24:24. 24 Daarom, quot; gelijk de tong des vuurs den stoppel verteert, on hot kaf door do vlam verdaan wordt, alzoo zal hun wortel als oono uittering wezen, en hunne bloem zal als stof opvaren: omdat zij verwerpen do wet des Heeren dor heirscharen, en do rode des Heiligen van Israël versmaden. a Ex. 15:7. Jes. i): IS. 25 Daarom is de toorn dos Heeren ontstoken togen zijn volk, en Hij hoeft tegen hetzelve zijne hand uitgestrekt, en Hij hooft hot geslagen, zoodat de bergen hebben gebeefd, en hunne doodo lig-chamen zijn geworden quot; als drek in het midden der straten. Om h dit alles koert zich zijn toorn niet af, maar zijne hand is nog uitgestrekt. (/.les. 10:0. b .1 os. 9: 11, 10, 20. 10:4. 26 Want Hij zal oono banier opwerpen onder do Heidenen van verre, en Hij zal hen herwaarts tsissen van het einde der aarde; on ziet, haasto-lijk, snel lijk- zullen zij aankomen. 27 Geen moode, en geen struikelende zal onder hen wezen; niemand zal sluimoren noch slapen, noch de gordel zijner lenden ontbonden worden, noch do sehoonriem zijner schoenen afgescheurd worden. 28 Welker pijlen scherp zullen zijn, on al hunne bogen gespannen; hunner paarden hoeven zullen als oono rots geacht zijn, en hunne raderen als een wervelwind. 2!) IJnn gebrul zal zijn als van oenen ouden leeuw, en zij zullen brullen als do jonge leeuwen, on zij zullen brieschen, on don roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn. 30 En zij zullen tegen hetzelve te dien dage bruisen, als hot bruisen dor zoo. Dan zal men quot;do aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en bonaauwdheid zijn, on hot licht zal verduisterd worden in hunne verwoestingen. «Jcs. 8:22. HOOFDSTUK 6. Uo profeet /.iot in een ge/.igt do hoorlijklieid van den waren God, vs. 1 ; waarover hij zoor verschrikt is, 5. Hij wordt ia zijn ambt bevestigd, 0. Zijne gewilligheid om God to dienen, S. Hij wordt tot de Joden gezonden, om hun wegens hunne verhardheid, hunnen eindelijken ondergang te verkondigen, 9; doch alzoo, dat er nog een heilig zaad onder hen zou overblijven, 13. IN quot;het jaar, toon do koning Uzzia stierf, zoo zag ik don Iloero, zittende op oenen hoogen en verhevenen troon, en zijne zoomen vervullonde den tempel. «2 Kon. 15:7. |
2 De serafs stonden boven Hom; een iegelijk had quot; zos vleugelen: mot twee bedekte ieder zijn aangezigt, en mot twee bedekte hij zijne voeten, en mot twoo vloog hij. «Openb. 4:8. 3 En do een riep tot don ander, en zoido: quot; Heilig, heilig, heilig is do Heere der heirscharen! De ganscho aarde is van zijne heerlijkheid vol! a Openb. 4 : 8. 4 Zoodat de posten der dorpels zich bewogen van de stem des roependen; en hot huis word vervuld met rook. 5 Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga! dewijl ik oen man van onreine lippen bon, en ik woon in hot midden eens volks, dat onrein van lippen is: want mijne oogen hebben den Koning, don Heere der heirscharen gezien. 0 Maar een van de serafs vloog tot mij, en had eone gloeijende kool in zijne hand, die hij met de tang van het altaar genomen had. 7 En hij roerde mijnen mond daarmede aan, en zeide: Zie, doze quot;heeft uwe lippen aangeroerd; alzoo is uwe misdaad van n geweken, en uwe zonde is verzoend. a .Ier. 1:9. Dan. 10:10. 8 Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wion zal Ik zenden? en wie zal ons henengaan V Toen zoido ik: Zie, tder ben ik, zond mij henen. !) Toon zeide Hij: Ga honen, on zeg tot dit volk: quot; Hoorendo hoort, maar verstaat niot, en ziende ziet, maar merkt niot. a Matt. 13:14. Mark. 4:12. Luk. 8: 10. Joh. 12:40. Hand. 28:26. Hom. 11:8. 10 Maak hot hart dezes volks vet, en maak hunne ooren zwaar, en sluit hunne oogon, quot;opdat het niet zie mot zijne oogon, noch met zijne ooren hoore, noch mot zijn hart versta, noch zich bekeere, en Hij het genezo. «Jer. 5:21. 11 Toen zeide ik: Hoe lang, Heere? En Hij zeide: Totdat de steden verwoest worden, zoodat er geen inwoner zij, en do huizen, dat er geen mensch zij, en dat het land met verwoesting verstoord worde. 12 Want do Heere zal die menschon verre wegdoen , en do verlating zal groot wezen in het binnenste dos lands. 13 Doch nog een tiende dool zal daarin zijn, en hot zal wederkeoren, en zijn om af te weiden; maar gelijk de eik, on gelijk do haageik, in do-wolken na do afwerping der bladeren nog stounsol is, alzoo zal hot heilige zaad het stounsol daarvan zijn. HOOFDSTUK 7. Jeruzalem wordt belegerd door Eezin on Pekah, vs. I. God zendt Jesaja tot Aehaz, om hom te troosten en moed te geven, 3; voorzeggende dat de vijanden niets zouden uitvoeren, 7; maar dat zij zolvon zouden worden verdelgd, 8. Tot verzekering hiervan geeft God aan Aohaz oen teeken en verkondigt hem de ontvangenis en geboorte van Christus, 14; daar Aohaz oohtor deze aangebodene genade verwerpt, |
JESAJA 7.
021
|
laat de Iloore hom aanzeggen, dat hot koningrijk van Juda, door de Egyptenaars on Assyriërs zou verstoord worden, 17. Ellendige staat van hot .Tood-scho land, 22. 1IET goschiedde nu in de dagen van Achaz, den zoon van Jotham, don zoon van Uzzia, den koning van Juda, quot;dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, do koning van Israël, optoog naar Jeruzalem, ton oorlog tegen haar; maar hij vermogt met strijden niet tegen haar. a 2 Kon. 10:5. 2 Kron, 28:5. 2 Als men den huize Davids boodschapte, zeggende : De Syriërs rusten op Efraïm; zoo bewoog zich zijn hart en het hart zijns volks, gelijk de hoornen dos wonds bewogen worden van den wind. En do IIeeiie zeide tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz te gemoet, gij en uw zoon Schear-Jaschub, aan het einde van den watergang des oppersten vijvers, aan den hoogen weg van het veld des vollers; 4 En zeg tot hem: Wacht u, en zijt gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, van wege die twee staarten dezer rookende vuur-branden; van wege de ontsteking des toorns van Rezin en der Syriërs, en van den zoon van Remalia: 5 Omdat de Syriër kwaad tegen u beraadslaagd heeft, met Efraïm en den zoon van Remalia, zeggende: 6 Laat ons optrekken quot;⢠1 â Muhii.lo; De ........li^i tegen Juda, en het verdriet aandoen, en het onder ons doelen, en don zoon van Tabeal koning maken in hot midden van hen. 7 Alzoo zegt de Iloore Heere : Het zal niet bestaan, en het zal niet geschieden, 8 Maar Damaskus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin hot hoofd van Damaskus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraïm verbroken worden, dat het geen volk zij. !) Ondertusschen zal Samaria Efraïms hoofd zijn, en de zoon van Remalia het hoofd van Samaria. Indien gijlieden niet gelooft, zekerlijk gij zult niet bevestigd worden. 10 En de Heere voor voort te spreken tot Achaz, zeggende: 11 Eisch u een toeken van don Heere, uwen (iod; eisch beneden in de diepte, of eisch boven uit de hoogte. 12 Doch Achaz zeide: Ik zal het niet eischen, en ik zal don Heere niet verzoeken. |
115 Toon zeide hij: Hoort gijlieden nu, gij huis van David! is het uliodon te weinig, dat gij do monschon moede maakt, dat gij ook mijnon God moede maakt? 14 Daarom zal do Ileore zelf uliodon oen teoken geven; quot; ziet, oone maagd zal zwanger worden, on zij zal oonon zoon baron, en zijnen naam IMMANUEL hoeten. a Matt. 1:21. Lnk. 1:31. 15 Boter en honig zal hij oton, totdat hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen hot goede. 10 Zekerlijk oor dit knechtje weet te verwerpen hot kwade, on te verkiezen hot goede, zal dat land, waarover gij verdrietig zijt, verlaten zijn van zijne twee koningen. 17 Doch, de Heere zal over u, en over uw volk, en over uws vaders huis, dagen doen komen, hoedanige niet gekomen zijn van dien dag af, dat Efraïm van Juda is afgeweken, door den koning van Assyrië. 18 Want hot zal te dien dage geschieden, dat de Heere zal tootsissen de vliegen, dio aan hot einde der rivieren van Egypte zijn, en de bijen, die in hot land van Assur zijn. 1!) En zij zullen komen, on zij allen zullen ruston in de woeste dalen, en in do kloven der steenrotsen , en in al de doornhagen, en in allo geprezene plaatsen. 20 Te dien dage zal de Heere door oen gehuurd scheermes, hetwelk aan gene zijde der rivier is, door don koning van rië, afscheren, hot hoofd, en hot haar der voeten; ja het zal ook don baard ganscb wegnemen. 21 En het zal geschieden to dien dage, dat iemand een koetje in het leven zal behouden hebben, en twee schapen; 22 En het zal geschieden, dat hij van wege de veelheid dor molk, die zij geven zullen, boter zal eten; ja een ieder, die overgebleven zal zijn in het midden dos lands, dio zal boter en honig eten. 23 Ook zal hot te dienzelven dage geschieden, dat iedere plaats, alwaar duizend wijnstokken geweest zijn, van duizend zilverlingen, quot; tot doornen en disteion zijn zal; a bev. 20:22. 24 Dat men met pijlen en mot den boog aldaar zal moeten gaan: want hot gansche land zal doornen en disteion zijn. 25 Ook al do borgen, die men mot hou woolen pleegt om te hakken, daar zal men niet komen |
JESAJA 7, 8, 9.
(122
|
uit vrees dor doornon on dor distolon; maar dio zullen wezen tot inzending van den os, on tot vertreding van liet kleine vee. HOOFDSTUK 8. I'rofotio van den ondorgnng van Syriö on van Israël door do Assyriöi's, vs. 1; die ook liet, land van Jnda doortrokken en zwaar plagen, maar niet geheel en al overmeesteren zouden, 0. Troostrijke vermaning aan de godzaligen, om die koningen niet te vreezen, maar zich op God te verlaten, 12; ofschoon Hij don goddeloozen een steen des aanstoots is, 14. Waarsohnwing tegen hot raadplegen van dnivels-knnstenaars, !!). De verachters van Gods woord worden met hunnen ondergang bedreigd, 20. VERDER zeide de Heere tot mij: Neem u eene groote rol, en schrijf daarop mot eens menschen griffie: Haastende tot den roof, is hij spoedig tot den buit! 2 Toen nam ik mij getrouwe getuigen, Uria, den priester, en Zacharia, den zoon van Jeberechja. 8 En ik was tot de profetesse genaderd, die word zwanger, en baarde eenen zoon; en do Heere zeide tot mij: Noem zijnen naam MAHER-SCUALAL, CHAS-BAZ. 4 Want eer dat knechtje zal kunnen roepen: Mijn vader! of, mijne moeder! zal men den rijkdom van Damaskus, on den buit van Samaria dragen voor het aangezigt van don koning van Assur. 5 En de Heere sprak nog verder tot mij, zeggende: (i Dewijl dit volk veracht de wateren van Silóa, die zachtjes gaan, en er vreugde is bij Rezin en den zoon van Romalia; 7 Daarom ziet, zoo zal do Heere over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren der rivier, den koning van Assyrië en al zijne heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijne stroomen, en gaan over al zijne oevers; 8 En hij zal doortrekken in Juda, hij zal het overstroomen, en er doorgaan, hij zal tot aan den hals reiken; en de uitstrekkingen zijner vleugelen zullen vervullen de breedte uws lands, o Immanuël! !) Vergezelt u te zamen, gij volken! doch wordt verbroken; en neemt ter oore, allen gij, die in verre landen zijt, omgordt u, doch wordt verbroken, omgordt u, doch wordt verbroken! 10 Beraadslaagt eenen raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch hot zal niet bestaan: want God is met ons! 11 Want alzoo heeft de Heere tot mij gezegd, mot eene sterke hand , en Hij onderwees mij van niot te wandelen op den weg dezes volks, zeggende: 12 Gijlieden zult niet zeggen: Eene verbindtenis, van alles, waar dit volk van zegt: Hot is eono verbindtenis; en vreest gijlieden hunne vreeze niet, en verschrikt niet. 13 Don Heere der heirscharen, dien zult gijlieden heiligen, en Hij zij uwe vreeze, en Hij zij uwe verschrikking. |
14 Dan zal Hij ulieden tot oen heiligdom zijn; maar quot; tot een' steen dos aanstoots en tot een' rotssteen der struikeling don twee huizen van Israël, tot een' strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem. «.les. 28: 10. Luk. 2:34 Hom. 9:38. 1 Petr. 2:7. 15 En velen onder hen zullen struikelen, on vallen, quot; en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden. a Matt. 21:44. Luk. 20:18. 10 Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijne leerlingen. 17 Daarom zal ik den Heere verbeiden, die zijn aangezigt verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hom verwachten. 18 quot; Ziet, ik en de kinderen, die mij de Heere gegeven heeft, zijn tot teekenen en tot wonderen in Israël, van den Heere der heirscharen, die op den berg Zion woont. a Hebr. 2 : 13. 1!) Wanneer zij dan tot ulieden zeggen zullen: Vraagt de waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnen 's monds mompelen; zoo zPAjt\ Zal niot een volk zijnen God vragen? quot; zal men voor do levenden de dooden vragen? a Dent. 18 : 11. 20 Tot de wet en tot de getuigenis! zoo zij niot spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen' dageraad zullen hebben. 21 En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en liet zal geschieden, wanneer hem hongert, en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijnen koning en op zijnen God, als hij opwaarts zal zien: 22 quot;Als hij do aarde aanschouwen zal, ziet, er zal bonaanwdhoid on duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid. «Jes. 5:30. 23 Maar hel land, dat beangstigd was, zal niot (jansch verduisterd worden; gelijk als Hij hot in den eersten tijd verachtelijk gemaakt hooft, naar het land van Zebulon aan, en naar hot land van Nafthali aan, alzoo heeft Hij het in hot laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan ycleycn over de Jordaan, aan quot; Galiléa der Heidenen. a Matt. 4:15. HOOFDSTUK 9. Eeno profetie van do roeping des volks tot Christus, en hunne groote vreugde over de verlossing door Hom, vs. 1; wiens geboorte, persoon, ambt ca eeuwig rijk de profeet beschrijft, 5. Daarna volgt: eeno bedreiging over Efraïm, 7; om den hoogmoed, 9; en de hardnekkigheid van het volk van Israël, 12; en hunne goddeloosheid, 17. HET quot; volk, dat in duisternis wandelt, zal oen groot licht zien; degenen, dio wonen in hot land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen. a Matt. 4:15, lü. Efez. 5: 11. 2 Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt do blijdschap niot groot gemaakt; zij zullen no (j tan ft blijde wezen voor uw aangezigt, gelijk men zich verblijdt in don oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men den buit uitdeelt. |
JESAJA 9, 10.
623
|
;? Want liot juk van bunnen last, on den stok hunner schouders, en don staf desgenon, die hen dreef, hebt Gij verbroken, quot;gelijk ten dage der Midianieton ; a Rigt. 7 : 22. .les. 10 : 2(i. 4 Toen de gansche strijd dergenen, die streden, mot gedruiseb geschiedde, en de kloodoron in bot bloed gewenteld en verbrand werden, tot een voedsel des vuurs. 5 Want een kind is ons geboren, een Zoon is quot;ons gegeven, en de heerschappij is op zijnen schouder; en men noemt zijnen naam Wonderlijk, '' Raad, Sterke Ood, Vader der eeuwigheid, Vredevorst: Jes. 22:22. Luk. 2:10, II. Joli. 4: 10. b Jes. 11:2. Jer. 23 : (i. (gt; Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David on in zijn koningrijk, om dat to bevestigen, on dat te sterken met gerigt en met geregtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. Do quot; ijver dos IIeeren der hoirscharon zal zulks doen. a 2 Kon. 19:31. Jes. 37:32. 7 Do Heere hooft oen woord gezonden in Jakob, en het is gevallen in Israël. 8 En al dit volk zal het gewaar worden, El'raïm en de inwoners van Samaria; in hoogmoed on grootschhoid dos harten, zeggende: 9 Do tigcbolsteenen zijn gevallen, maar met uitgehouwono stoenen zullen wij wederom bouwen; de wilde vijgoboomon zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in coderen veranderen: 10 Want de Heere zal Rezins tegenpartij dors tegen hein verheffen, en Hij zal zijne vijanden zanien vermengen: 11 De Syriörs van voren, en do Filistijnen van achteren, dat zij Israël opeten mot vollen mond. quot; Om dit alles koert zijn toorn zich niet af, maar zijne hand is nog uitgestrekt. «Jes. 5:25. 10:4. 12 Want dit volk keert zich niet tot Dien, die het slaat, en den Heere der heirscharen zoeken zij niet. 13 Daarom zal de Heere afhouwen uit Israël don kop on den staart, den tak en de bieze, op oenen dag. 14 (Do oude en aanzienlijke , die is de kop; maar de profeet, die valschheid leert, die is do staart.) 15 Want de leiders dezes volks zijn verleiders, en die van bon geleid worden, worden ingeslokt. 1(! Daarom zal zich do Heere niet verblijden over hunne jongelingen, en hunner woezen en hunner weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn allen te zamen quot; huichelaars on boosdoeners, en allo mond spreekt dwaasheid. Om dit alles keert zijn toorn zich niet af, maar zijne hand is nog uitgestrekt. a Jes. 10:6. 17 Want quot;de goddeloosheid brandt als vuur, doornen en distelen zal zij verteren, en zal aanstoken do verwarde struiken dos wouds, die zich verheven hebben als do verheffing des rooks. «.los. 5:24. 24:0. |
18 Van wege de verbolgenheid dos IIeeren dor beirscharon, zal hot land verduisterd worden; on bet volk zal zijn als een voedsel dos vuurs: do een zal don ander niet vorschoonen. 19 Zoo hij tor rogterhand snijdt, zal hij toch hongeren, en zoo bij ter linkerhand eet, zal hij toch niet verzadigd worden; een iegelijk zal hot vloesch zijns arms eten: 20 Manasso El'raïm, en Efraïm Manasso, en zij zullen to zamen tegen Juda zijn. Om dit alles keert zijn toorn zich niet af, maar zijne hand is nog uitgestrekt. HOOFDSTUK 10. Eene bedreiging over de onregtvaardige regters on vei'keordei's van het rogt, vs. I ; als ook tegen tie Assyriërs, 5, 12, 15â18; die een ander doel hadden in hot verderven der Joden dan do Heere, 7. Beschrijving van hunnen hoogmoed, 8. God belooft liet overblijfsel zijner Kerk te redden, 21; on dat haastelijk, 25. Do togt van Sanherib, optrekkende togen Jeruzalem, 28. Gods bedroigingen over hom, 33. WEE dengenen, dio ongeregtigo inzettingen inzetten, en den schrijvers, die moeite voorschrijven ; 2 Om do armen van hot rogt af te wondon, en om het regt der ellendigen mijns volks te rooven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de weezen mogen plunderen! 3 Maar wat zult gijlieden doen ton dage der bezoeking, en der verwoesting, die van verre komen zal? tot wien zult gij vlieden om hulp? en waar zult gij uwe heerlijkheid laten? 4 Dat elk een zich niet zou buigen onder de gevangenen, en vallen onder do gedooden? Om dit alles koert zijn toorn zich niet af, maar zijne hand is nog uitgestrekt. 5 quot; Wee don Assyriër, die do roede mijns toorns is, on mijne grimmigheid is oen stok in hunne hand! a Jes. 30: I. Jer. 25:9. E/.oc 21 : 9. (i Ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en Ik zal hem bevel geven tegen het volk mijner verbolgenheid; opdat hij den roof roovo, en plundere de plundering, en stelle het ter ver-treding, quot; gelijk het slijk dor straten, a Jes. 5 : 25. 7 Hoewel hij hot zoo niet meent, on zijn hart alzoo niet denkt, maar bij zal in zijn hart hebben te verdelgen, on uit te rooijon niet weinige volken. 8 Want hij zegt: Zijn niet mijne vorsten al te zamen koningen? 9 Is niet Kalno gelijk Karchemis? is Hamath niet gelijk Arfad ? is niet Samaria gelijk Damaskus? 10 Gelijk als mijne hand gevonden hoeft do koningrijken der afgoden, ofschoon hunne gesnedene boeldon beter zijn, dan die van Jeruzalem , en dan die van Samaria: 11 Gelijk als ik gedaan heb aan Samaria en aan hare afgoden, zou ik alzoo niet kunnen doen aan Jeruzalem en aan hare afgoden ? 12 Want het zal geschieden, als do Heere een einde zal gemaakt hebben van al zijn werk op den borg Zion en te Jerüzalom, dan zal Ik te |
JESAJA 10, 11.
624
|
Imis zoeken de vrucht van de grootschheid des harten van den koning van Assyrië, en de pracht van de hoogheid zijner oogen. 13 Omdat hij gezegd heeft: Door de kracht mijner hand heb ik liet gedaan, en door mijne wijsheid, want ik ben verstandig; on ik heb do landpalen der volken weggenomen, en hob hun-non voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen nederdalen; 14 En mijne hand heeft gevonden hot vermogen der volken, als een nest, en ik heb het ganscho aardrijk zamengeraapt, gelijk men do oijoron, die verlaten zijn, zamenraapt; en or is niemand geweest, die oenen vleugel verroerde, of den bek opendeed, of piepte. 15 Zal eeno bijl zich beroemen tegen dien, die daarmede houwt ? zal oenen zaag pogchon tegen dien, die ze trekt? als of een staf bewoog degenen, dio hem opheffen? als men oenen stok opheft, is hot geen hout? K! Daarom zal do Heere, Heere der hoirscharen, onder zijne vetten eone magerheid zenden; en onder zijne heerlijkheid quot; zal Hij oenen brand doen branden, als den brand des vuurs. a.les.24:C. 17 Want hot licht van Israël zal tot oen vuur zijn, en zijn Heilige tot eeno vlam, welke in brand steken en verteren zal zijne doornon on zijne distolen, op oenen dag. 18 Ook zal Hij verteren do hoorlijkhoid zijns wouds en zijns vruchtbaren velds, van do ziel af, tot liet vleesch toe; en hij zal zijn, gelijk als wanneer een vaandrager versmelt. 1!) En do overgeblevene boomen zijns wouds zullen weinig in getal zijn, ja een jongen zou ze opschrijven. 20 En het zal geschieden te dien dage, dat het overblijfsel van Israël, on de ontkoinenon van het huis Jakobs niet meer steunen zullen op dien, die ze geslagen heot't; maar zij zullen stou-op don Heere, don Heilige Israëls, oprogtolijk. 21 Het overblijfsel zal wederkeeren, het overblijfsel van Jakob, tot den sterken God. 22 Want quot;ofschoon nw volk, o Israël! is gelijk hot zand der zee, zoo zal toch manr liet overblijfsel daarvan wederkeeren: de verdelging is vastelijk besloten, overvlooijondo met goregtigheid. a Hom. f): 27, 28. 23 Want quot; oono verdelging, die vastelijk besloten is, zal do Heere, Heere der heirscharon, doen in het midden dezes ganschen lands, r/.los. 28:22. 24 Daarom zegt do Heere, Heere der heirscha-ren alzoo: Vreest niet, gij mijn volk, dat to Zion woont! voor Assur, als hij u met do roede zal slaan, en bij zijnen staf togen u zal opheffen, naar do wijze der Egyptenaren: 25 Want nog oen klein weinig, zoo zal volbragt worden do gramschap, en mijn toorn tot hunne vernieling. |
2() Want do Heere dor heirscharon zal'tegen hem eenen geosol verwekken, gelijk do slagting van Midian was aan de rots van Orob; en gelijk quot;zijn staf ovor de zee was, donwolken Hij verheffen zal, naar de wijze der Egyptenaren, a Ex. 14. 27 En hot zal geschieden ten zolvon dage, dat zijn last zal afwijken van uwen schouder, en zijn juk van uwen hals; en het juk zal verdorven worden, om des Gezalfden wil. 28 Hij komt to Ajath, hij trekt door Migron, te Michmas leidt hij zijn gereedschap af. 29 Zij trokken door don doorgang, te Geba houden zij hunne vernachting; Rama beeft, Gibea Sauls vlugt, 30 Roep luide met uwe stom, gij dochter van Gallim! laat zo iiooron tot Laïs too, o ellendige Anathoth ! 31 Madména vliedt weg, de inwoners van Gebim vlugten met hoopen, 32 Nog oen' dag blijft hij to Nob ; hij zal zijne hand bewegen tegen don borg der dochter van Zion, den heuvel van Jeruzalem, 33 Doch ziet, do Heere, Heere dor heirscharon zal met geweld de takken afkappen, en dio hoog van gestalte zijn, zullen nedergohouwen worden; en do vorbevenon zullen vernederd worden, 34 En Hij zal mot ijzer do verwarde struiken dos wouds omhouwen; on de Libanon zal vallon door don Heerlijke, HOOFDSTUK 11, Voorzegging dat Clirisliis uit don stam van Isaï zou geboren worden, on zonder mate met don Geest (los Hoeren zijn begaafd, vs, 1; dat hij een rijk zonde oprigten door do verkondiging van zijn woord, 4; en dat de leden zijner Kerk in vrede en eenig-heid mot elkander zouden leven, (i; en dat zij ton laatste de overwinning over hunne geestelijke vijanden zouden vorkrijgen, wanneer deze tot do kennis van het heilig Evangelie zullen gebragt zijn, 11. WANT quot; er zal een rijsje voortkomen uit den afgehouwonen tronk van Isaï en een schout uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen. «.les. 4; 2, Hand. 1.'!: 22, 23. 2 En op hom zal de Geest des Heeren rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, quot; de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en dor vreeze des Heeren. a Jos. 9:5. 3 En zijn rieken zal zijn in de vreeze des Heeren; en hij zal naar het gezigt zijner oogen niet rigten; hij zal ook naar het gehoor zijner ooren niet bestraffen. 4 Maar bij zal de armen met goregtigheid rigten, en de zaehtmoedigen dos lands mot regtma-tigheid bestraffen; doch hij zal do aarde slaan mot do roede zijns monds, en mot den adem zijner lippen zal hij don goddelooze doodon. 5 Want goregtigheid zal de gordel zijner lenden zijn; ook zal de waarheid de gordel zijner lenden zijn. fi En quot;de wolf zal mot hot lam verkeeren, en de luipaard bij den geitenhok nederliggen; en het |
JESAJA 11, 12, 13.
|
kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, on eon klein jongske zal zo drijven. a Jes. 65:25. Hos. 2: 17. 7 Do koe en do beerin zullen te zamen weiden, hare jongen zullen te. zamen nederliggon, en do leeuw zal stroo eton, gelijk do os. 8 En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een' adder; en een gespeend kind zal zijne hand uitsteken in den kuil van den basilisk. 9 Men zal nergens leed doen noch verderven op den ganschen berg mijiior heiligheid: want de aarde zal vol van kennis des Mekken zijn, gelijk de watoren den bodem der zee bedekken. 10 Want het zal gescbiodon ten zeiven dage, dat do Heidenen naar den quot;wortel van Isaï, die staan zal tot eene banier der volken, zullen vragen, en zijne rust zal heerlijk zijn. aRom. 15: 12. 11 Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ton andere maal zijne hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, on van Egypte, en van Pathros, en van Mooren-land, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee. 12 En Hij zal eene banier oprigten onder do Heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en do verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden des aardrijks. 13 En do nijd van Efraïm zal wegwijken, en de tegenpartijders van Juda zullen uitgeroeid worden: Efraïm zal Juda niet benijden, on Juda zal Efraïm niet bonaauwen. 14 Maar zij zullen den Filistijnen op don schouder vliegen tegen het westen, en zij zullen te zamen die van het oosten berooven; aan Edom en Moab zullen zij hunne handen slaan, on de kinderen Amnions zullen hun gehoorzaam zijn. 15 Ook zal de IIeere den inham der zee van Egypte verbannen, on Hij zal zijne band bewogen tegen de rivier, door de sterkte zijns winds; en Hij zal dezelve slaan in de zeven stroomen, en Hij zal maken, dat men met schoenen daardoor zal gaan. 16 En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel zijns volks, dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als Israël geschiedde ton dage, toen het quot;uit Egypteland optoog. «Ex. 14:20. HOOFDSTUK 12. Eene dankzegging, die de Christenen doen zouden voor de verlossing, hun in Christus geschonken, waarover zij zich van harte verheugen. EN te dienzelven dage zult gij zeggen : Ik dank U, Heere! dat Gij toornig op mij geweest zijt; maar uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij. 2 Ziet, God is mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vreezen: want de Heere Heere is mijne Sterkte en mijn Psalm, en Hij is mij tot heil geworden. 3 En gijlieden zult quot; water scheppen mot vreugde uit de fonteinen des heils; a Joh. 7:37, 38. |
4 En zult te dienzelven dage zeggen: Dankt den Heere, roept zijnen naam aan, maakt zijne daden bekend onder de volken; quot;vermeldt, dat zijn naam verhoogd is. a Joh. 17 : 1 , 4, 6, 26. ó Psalmzingt den Heere, want Ilij heeft heerlijke dingen gedaan; zulks zij bekend op den ganschen aardbodem. 6 Juich en zing vrolijk, gij inwoneres van Zion! want de Heilige Israëls is groot in het midden van u. HOOFDSTUK 13. Do profeet voorzegt do vernietiging dor babylonischo inonarchio door de Perzen en Meden, vs. 1; welke God hier aanspreekt en daartoe vermaant, 2. Daarna keert God zich tot het volk en geeft hun te kennen, dat Hij de Perzen en Meden tegen Babel heeft aangegord, 3. Aankomst dor Perzen eu Meden, 4. Voorzegging van zeer grooten angst en schrik, die Babel zonden overkomen, 7: ja dat Babel zoodanig zou worden verdelgd, dat geone menschen, maar allerlei schrikkelijk gedierte daarin zou wonen, 21. DE last van Babel, dien Jesaja, de zoon van Amoz, gezien beeft. 2 Heft o]) eene banier, op eenen hoogen berg; verheft eene stem tot hen; beweegt de hand omhoog, dat zij intrekken door de deuren der prinsen. 3 Ik heb aan mijne geheiligden bevel gegeven; ook heb Ik tot mijnen toorn geroepen mijne helden, de vrolijken mijner hoogheid. 4 Er is eene ruischende stem op de bergen, gelijk eens grooten volks; eene stem van gedruisch der koningrijken, der verzamelde Heidenen; do Heere der heirscharen monstert het krijgsheir. 5 Zij komen uit verren lande, van het einde des hemels; de Heere en de instrumenten zijner gramschap, om dat gansche land tc verderven. 6 Huilt gijlieden, want de dag des Heeren is nabij; hij komt als eene verwoesting van den Alinagtige. 7 Daarom zullen alle handen slap worden, en aller menschen hart zal versmolten; 8 En zij zullen verschrikt worden, smarten en weeën zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als eene barende vrouw; een iegelijk zal over zijnen naaste verbaasd zijn; hunne aangezigten zullen vlammende aangezigten zijn. 0 Ziet, de dag des Hekken komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittigen toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en deszelfs zondaars daaruit te verdelgen: 10 Want do sterren dos hemels en zijne gesternten zullen haar licht niet laten lichten; quot; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en do maan zal haar licht niet laten schijnen. a Ezec. 32 : 7. Joë! 2 : 31. 3 : 15. Matt. 24 : 29. Mark. 13:24. Luk. 21:25. 11 Want Ik zal over de wereld de boosheid bezoeken , en over de goddeloozen hunne ongorog-tigbeid ; en Ik zal den hoogmoed der stouten doen ophouden, en de hoovaardij der tirannen zal Ik vernederen. |
40
|
626 JESAJA 12 Ik zal maken, dat een man dierbaarder zal zijn dan digt gond, en een menscli dan fijn goud van Ofir. 13 Daarom zal Ik den hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van hare plaats, van wege de verbolgenheid des Heeren der heir-scharen, en van wege den dag zijns hittigen toorns. 14 En een iegelijk zal zijn als eene verjaagde ree, en als een schaap, dat niemand vergadert; een iegelijk zal naar zijn volk omzien, en een iegelijk zal naar zijn land vlugten. 15 Al wie gevonden wordt, zal doorstoken worden, en al wie daarbij gevoegd is, zal door het zwaard vallen. 16 Ook zidlen hunne kinderkens voor hunne oogen verpletterd worden; hunne huizen zullen geplunderd, en hunne vrouwen geschonden worden. 17 Ziet, Ik zal de Meden tegen hen verwekken, die het zilver uiet zullen achten, en aan het goud zullen zij geen' lust hebben. 18 Maar hunne bogen zullen de jongelingen verpletteren, en zij zullen zich niet ontfermen over de vrucht des bulks, hun oog zal de kinderen niet verschoonen. 1!) Alzoo zal Kabel, het sieraad der koningrijken, do heerlijkheid, de hoovaardigheid der Chaldeën, zijn gelijk quot; als God Sódom en Gomórra omgekeerd heeft. i/Gcn. 19 : 2:quot;). Jes. 1 :!). Jer. 49 : 18. 50 : 4U. 20 Daar zal geene woonplaats zijn in der eeuwigheid , en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht; en de Arabier zal daar geene tent spannen, en de herders zullen er niet legeren. 21 Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren der woestijnen, en hunne huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, eu daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen. 22 En wilde dieren der eilanden zullen in zijne verlatene plaatsen elkander toeroepen, mitsgaders de draken in de wellustige paleizen; hun tijd toch Is nabij om te komen, en hunne dagen zullen niet vertogen worden. HOOFDSTUK 14. Belofte van de verlossing van Gods volk uit de baby-Ionische gevangenis, alsmede van de roeping der Heidenen, vs. 1. Woorden, waarmede de Babyloniërs worden bespot, 4. God welft de Perzen en Meden up, om de Babyloniërs te verdelgen, 21; wier ondergang nu weder wordt voorzegd, 22. Eene bedreiging over de Filistijnen, 29. WANT de Heere zal zich over Jakob ontfermen, en Hij zal Israël nog verkiezen, en Hij zal hen in hun land zetten; en de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, en zij zullen het huis van Jakob aanhangen. 2 En de volken zullen hen aannemen, en in hunne plaats brengen; en het huis Israels zal hen erfelijk bezitten in het land des Heeren tot knechten en tot maagden; en zij zullen gevangen 13, 14. |
houden degenen, die hen gevangen hielden, en zij zullen heerschen over hunne drijvers. 3 En het zal geschieden ten dage, wanneer u do Heere rust geven zal van uwe smart, en van uwe beroering, en quot; van de harde dienstbaarheid, waarin men u heeft doen dienen; a Deut. 28:48. 4 Dan zult gij deze spreuk opnemen tegen den koning van Babel, en zeggen: Hoe houdt de drijver op? hoe houdt de goudene op? 5 De Heere heeft den stok der goddeloozen gebroken, den scepter der heerschers. (1 Die de volken plaagde in verbolgenheid met eene plage zonder ophouden, die in toorn over de Heidenen heerschte, die wordt vervolgd, zonder dat het iemand afweren kan. 7 De gansche aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich. 8 Ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sints dat gij daar nederligt, komt niemand tegen ons op, die ons af hou we. 9 De hel van onderen was beroerd om uwentwil, om h te gemoet te gaan, als gij kwaamt; zij wekt om uwentwil de dooden op, al de bokken der aarde; zij doet al de koningen der Heidenen vau hunne troonen opstaan. 10 Die altegader zullen antwoorden, en tot u zeggen: Gij zijt ook krank geworden, gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden. 11 Uwe hoovaardij is in de hel nedergestort, met het goklank uwer luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken. 12 Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster , gij zoon des dageraads! hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de Heidenen krenktet! 13 En zeidet in uw hart; Ik zal ten hemel opklimmen , ik zal mijnen troon boven de sterren Gods verhoogen; en ik zal mij zetten op den berg der zamenkomst aan quot; de zijden van het noorden. f'''s- 48:.i. 14 Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden. 15 Ja in de hel zult gij nedergestooten worden, aan de zijden van den kuil! 16 Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koningrijken deed beven ? 17 Die de wereld als eene woestijn stelde, en derzelver steden verstoorde? die zijne gevangenen niet liet los gaan naar huis toe? 18 Al de koningen der Heidenen, zij allen liggen neder met eer, een iegelijk in zijn huis; 19 Maar gij zijt verworpen van uw graf, als een gruwelijke scheut, als een kleed der gedooden, die met het zwaard doorstoken zijn; als die nederdalen in oenen steenkuil, als een vertreden dood ligcbaam. |
JESAJA 14, 15, 16.
f:27
|
'20 Gij zult bij dezelve niot gevoegd worden in de begrafenis; want gij hebt uw land verdorven, en uw volk gedood; quot; het zaad der boosdoeners zal in der eeuwigheid niet genoemd worden. a Job 18: 19. I's. 21 : 11. 37 : 28. 10!): 13. 21 Maakt de slagting voor zijne kinderen gereed, quot;om hunner vaderen ongeregtigheid wil; dat zij niot opstaan, en de aarde erven, en de wereld vervullen mot steden: «Ex.20:5. Matt.23:35. 22 Want Ik zal tegen hen opstaan, spreekt do Heere der heirscharon, en Ik zal van Babol uitroeijen den naam en het overblijfsel, quot;en den zoon en den zoons zoon, spreekt do Heere. n Job 18 : 19, I's. 21: 11. 37 : 28. 23 En Ik zal hen stellen quot; tot oene erve der nachtuilen, en tot waterpoelen; en Ik zal hen mot oenen bezem des verderfs uitvagen, spreekt de Heere der hoirseharen : «Jes. 34:11, Zof. 2:14. 24 De Heere der heirscharon hooft gezworen, zeggende: Indien niet, gelijk Ik gedacht heb, het alzoo geschiede, en gelijk Ik beraadslaagd heb, het bestaan zal! 25 Dat Ik Assur in mijn land zal verbreken, en hem op mijne bergen vertreden; opdat zijn juk van hen afwijke, en zijn last van hunnen schouder wijke. 2() Dit is do raadslag, die beraadslaagd is over dat gansche land; en dit is de hand, die uitgestrekt is over alle volken. 27 Want de Heere der heirscharon hooft het in zijnen raad besloten, quot;wie zal het dan brekenV en ''zijne hand is uitgestrekt, wie zal ze dan koeren? «2 Kron. 20:6. Job 9:12. Spr. 21:30. h Dan, 4 : 35, 28 In het jaar, quot; toen do koning Achaz stierf, geschiedde deze last. a2 Kon. lö : 20, 29 Verheug u niet, gij gansch Palestina! dat de roede, die u sloeg, gebroken is: want uit den wortel der slang zal oen basilisk voortkomen, en hare vrucht zal oen vurige vliegende draak zijn, 30 En de eerstgeborenen der armen zullen weiden, en de nooddruftigen zullen zeker neder-liggon: uwen wortel daarentegen zal Ik door den honger doodon, en uw overblijfsel zal hij ombrengen, 31 Huil, gij poort! schreeuw, gij stad! gij zijt gesmolten, gij gansch Palestina! want van hot noordon komt een rook, en er is geen eenzame in zijne zamenkomsten, 32 Wat zal men dan antwoorden den boden des volks? Dat de Heere Zion gegrond heeft, opdat de bedrukten zijns volks oene toevlugt daarin hebben zouden, HOOFDSTUK 15, Voorzegging, dat do Assyriërs, naar het regtvaardig oordeel Gods, gruwelijke verwoesting en ellenden in hot land der Moabioten zonden brengen, welke de profeet in het algemeen en bijzonder beschrijft, DE quot; last van Moab, a Jer, 48 : 1, Ezec, 25 : 8, Amos 2 : 1, |
Zekerlijk in den nacht is Ar-Moabs verwoest, zij is uitgeroeid, zekerlijk in den nacht is Kir-Moabs verwoest, zij is uitgeroeid! 2 Hij gaat op naar Baïth en Dibon, m naar Bamoth, om te weenen; over Nebo en over Médeba zal Moab huilen; op quot; al hunne hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden, a Jer, 48 : 37. Ezec. 7 : 18. 3 Op hunne wijken hebben zij zakken aangegord; op hunne daken en op hunne straten huilen zij altemaal, afgaande met geween. 4 Zoo Hesbon als Eleale schreeuwt, hunne stem wordt gehoord tot Jahaz toe; daarom maken de toegerusten van Moab een geschrei, eens iegelijks ziel in hem is kwalijk gesteld. 5 Mijn hart schreeuwt over Moab, hare grendelen zijn naar Zoar toe, de driejarige vaars: want hij gaat op met geween naar don opgang van Luhith, want op den weg naar Horonaïm verwekken zij oen jammergeschrei. 6 Want do watoren van Nimrim zullen enkel verwoesting wezen: want hot gras is verdord, het toodere gras is vergaan, er is geene groente. 7 Daarom zullen zij den overvloed, dien zij vergaderd hebben, en hetgeen zij weggelegd hebben, aan de beek der wilgen voeren. 8 Want dat geschreeuw zal omgaan door de landpale van Moab, haar gehuil tot Eglaïm toe, ja tot Beër-Elim toe zal haar gehuil zijn. 9 Want de wateren van Diinon zijn vol bloods, want Ik zal Dimon nog meer toeschikken; te weten leeuwen over de ontkomenen van Moab, mitsgaders over hot overblijfsel des lands. HOOFDSTUK 16. Vermaning aan de Moabieten, om hunne lamineren te brengen, vs. 1 : en ziek tegen de verdrevene Joden vriendelijk en genegen te gedragen, 3, Daar zij echter (lit niet zouden doen uit hoogmoed, zoo bedreigt God hen, dat zij op oene schrikkelijke wijze zouden uitgeroeid en verdelgd worden, 6; zoodat de profeet zelf daarover medelijden beeft, 9; doeh gaat voort in het verhalen der ellenden, die aanstaande waren, 1.0; en noemt den tijd, wanneer zulks zou geschieden, 14, ZENDT do lammeren van den heerscher des lands van Sela af, naar do woestijn honen, tot den berg der dochter van Zion, 2 Anderzins zal hot geschieden , dat de dochteren van Moab aan de veren van Arnon zullen zijn, als een zwervende vogel, uit het nest gedreven zijnde. 3 Brengt oenen raad aan, houdt gorigt, maakt uwe schaduw op het midden van den middag, gelijk van den nacht; verbergt de verdrevenen, en meldt den omzwevende niet. 4 Laat mijne verdrevenen onder u verkoeren, o Moab! wees gij hun oene schuilplaats voor het aangezigt des verstoorders: want de onderdrukker heeft een einde, de verstoring is te niet geworden, de vertreders zijn van de aarde verdaan. M )* |
JESAJA 16, 17, 18.
628
|
5 Want or zal een troon bevestigd worden in goedertierenheid , en op denzei ven zal bestendig een zitten quot; in de tent van David, oen , die oordeelt en hot regt zoekt, en vaardig is tor geregtigheid. Jes. 9:0. Dan. 7 : 14, 27. Micha 4:7. Luk. 1 :33. (I Wij quot; hebben gehoord de hoovaardij van Moab, hij is zeer hoovaardig; zijn hoogmoed, en zijne hoovaardij, en zijne verbolgenheid, zijn alzoo zijne grendelen niet. a.los. 48:29, 30. 7 Daarom zal Moab over Moab quot; huilen, alte-maal zullen zij huilen; over de fondamenten van Kir-llarósoth zuil gijlieden zuchten, gewisselijk zij zijn gebroken. a .1 er. 48:20. 8 Want de velden van Hesbon zijn verflaauwd, ook do wijnstok van Sibnia, de hoeren der Ilei-donoii hebben zijne uitgelezene planten verpletterd; zij reiken tot Jaözer toe, zij dwalen door de woestijn: quot; hunne schouten zijn uitgespreid, zij zijn gegaan over zee. «Jer. 18:32, 33. 9 Daarom beween ik , in de weening ovor Jaëzer, den wijnstok van Sibnia, ik maak u doornat met mijne tranen, o Hesbon en Eleale! want het vreugdegeschrei over uwe zomervruchten en over uwen oogst is gevallen; 10 Alzoo dat do blijdschap en vrolijkheid weggenomen is van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch eonig gejuich gemaakt; de (IruiventvQAev treedt goen' wijn uit in de wijnbakken, Ik heb het vreugde-geschroi doen ophouden. 11 Daarom rommelt mijn ingewand over Moab, als oene harp, on mijn binnenste over Kir-héres. 12 En bot zal geschieden, als men zien zal, dat Moab vermoeid is geworden op de hoogten, dan zal hij in zijn heiligdom gaan om te aanbidden, maar hij zal quot; niet vermogen, a Deut. 32:37,38,39. 13 Dit is hot woord, dat de Heere tegen Moab gesproken heeft, van toon af. 14 Maar nu spreekt de Heere, zeggende: Binnen drie jaren (als do jaren oons huurlings), dan zal do eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, mot al die groote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmagtig wezen. HOOFDSTUK 17. Profetie nangaando don ondergang der stoden üamaskns on Samaria, vs. 1; alsmede der steden Israels door de Assyriërs, 2; en dat Israël door lijden tot inkeer zal komen, 7. Profetie van de nederlaag der Assyriërs, 12. DE last van Damaskus. /iet, Damaskus zal weggenomen worden, dat zij geene stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn. 2 De steden van Aroër zullen verlaten worden; voor do kudden zullen zij wezen, die zuilenpaar nederliggen, en niemand zal ze verschrikken. ;i En de vesting zal ophouden van Efraïm, en het koningrijk van Damaskus, en het overblijfsel dor Syriörs; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid der kinderen Israels, spreekt de Heere der heirscharen. |
4 En hot zal geschieden te dien dage, dat do heerlijkheid van Jakob verdund zal worden, en dat de vettigheid van zijn vleeseh mager worden zal. 5 Want hij zal zijn, gelijk wanneer een maaijer het staande koren verzamelt, en zijn arm aren afmaait; ja hij zal zijn, gelijk wanneer iemand aren leest in het dal Refaïm. 6 Doch oen nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding eens olijfbooms, twee of drie beziën in den top der opperste twijg, en vier o/quot; vijf aan zijne vruchtbare takken, spreekt de Heere , do God Israëls. 7 Te dien dage zal de mensch zien naar Dien, die hem gemaakt heeft, en zijne oogen zullen op den heilige Israëls zien. 8 En hij zal niet aanschouwen de altaren, het werk zijner handen, noch hetgeen zijne vingeren gemaakt hebben zal hij niet aanzien, noch de bosschen, noch de zonnebeelden. 9 Te d'ien dage zullen zijne sterke steden zijn, als een verlaten struik, en opperste tak, welke zij verlaten hebben , om der kinderen Israëls wil, hoewel daar verwoesting zal wezen. 10 Want gij hebt den God uws hoils vergeten, en niet gedacht aan don Rotssteen uwer sterkte; daarom zult gij wol liefelijke planten planton, en gij zult hem met uitlandsche ranken bezetten: 11 Ten dage, als gij ze zult geplant hebben, zult gij die doen wassen, en in den morgenstond zult gij uw zaad doen bloeijen; doeh het zal maar een hoop van het gemaaide zijn, in den dag der krankheid en der pijnlijke smart. 12 Wee der veelheid der groote volken, die daar bruisen, gelijk do zeeën bruisen; en wee het ge-ruisch der natiën, die daar ruischon, gelijk de geweldige wateren ruischon! 13 Do natiën zullen wel ruischon, gelijk groote wateren ruischon; doch Hij zal hem scholden, zoo zal hij verre wegvliodon, ja hij zal gejaagd worden, quot; als het kaf dor bergen van den wind, on gelijk een kloot van don wervelwind. a Job 21 : 18. Ps. 1 : 4. 35 : 5. 83 : 14. Hos. 13 : 3. 14 Ten tijde des avonds, ziet, zoo is er verschrikking, oor hof morgen is, is hij er niet moor. Dit is het deel dergenon, die ons berooven, en hot lot dergenen, die ons plunderen. HOOFDSTUK 18. Profetie tegen de Moeren, vs. 1. Beloften van de bescherming dor Kerk en straf harer vijanden, 4. Eono profotio van do bokoering dor Heidenen, 7. WEE het land, dat schaduwachtig is aan do frontieron, dat aan de zijde der rivieren van Moorenland is; 2 Dat gezanten zendt over de zoo, en in schepen van biezen op do wateren! Gaat henen, gij snelle boden! tot oen volk, dat getrokken is en geplukt, tot eon volk, dat vreesselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren berooven. |
|
3 Alle gij ingezotenon der wereld, en gij inwoners der aarde! als men de banier zal oprlgten op de bergen, zult gijlieden het zien, en als de bazuin zal blazen, zult gijlieden het hooren. 4 Want alzoo heeft do Heere tot mij gezegd: Ik zal stil zijn, en zien in mijne woning, als do glinsterende hitte op den regen, als eene wolk des dauws in de hitte des oogstes: 5 Want voor den oogst, als de botte volkomen is, en de onrijpe druif rijp wordt na den bloesem, zoo zal Hij de ranken met snoeimessen afsnijden, en de takken wegdoen en afkappen. (! Zij zullen te zamen gelaten worden den roofvogelen der bergen, en den dieren der aarde; en do roofvogelen zullen op hen overzomeren, en alle dieren der aarde zullen daarop overwinteren. 7 Te dier tijd zal den Heere der heirscharen een geschenk gebragt worden van het volk, dat getrokken is en geplukt, en van het volk, dat vreesselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land do rivieren berooven: tot do plaats van don naam des Heeren der heirscharen, tot den borg Zion. HOOFDSTUK li). De profeet voorzegt don Egyptenaren, dat de lloero hen op velerlei wijze zou plagen, vs. 1 : met binnon-landsche oneenigheden, 2; dat zij bij hunne afgoden raad noch troost zouden vinden, 3; dat strenge heeren over hen zonden regeren, 4. Hij bedreigt hen mot slappe nering 7; ou dat Hij hunne raadslagen zou te niet maken, 11. Hun schrik voor don Heere, 16. Profetie van de roeping der Egyptenaren tot de gemoonsehap der Christelijke Kerk, 18. DE last van Egypte. Ziet, do Heere rijdt op eene snelle wolk, en Hij zal in Egypte komen; en de afgoden van Egypte zullen bewogen worden van zijn aango-zigt, en het hart der Egyptenaren zal smelten in hot binnenste van hen'. 2 Want Ik zal de Egyptenaren tegen de Egyp-tenaren verwarren, dat zij zullen strijden een iegelijk tegen zijnen broeder, en een iegelijk tegen zijnen naaste, stad tegen stad, koningrijk tegen koningrijk. 3 En de geest der Egyptenaren zal uitgeledigd worden in het binnenste van hen, en hunnen raad zal Ik verslinden; dan zullen zij hunne afgoden vragen, en de bezweerders, en de waarzeggers, en de duivelskunstenaars. 4 En Ik zal de Egyptenaars besluiten in de hand van harde heeren, en een strenge koning zal over hen heerschen, spreekt do lloero, Heere der heirscharen. 5 En zij zullen do wateren uit de zee doen vergaan, en de rivier zal verzijpen en verdroegen. '1 Zij zullen ook de rivieren verre terugdrijven, zij zullen ze uithoozen, en de gedamde stroomen opdroogen; hot riet en het schilf zullen verwelken. 7 Het papiergewas bij de stroomen, aan de |
629 oevers der stroomen, eu al het gezaaide aan do stroomon, zal verdroegen, het zal weggestooten worden, en niet meer zijn. 8 En de visschers zullen treuren, en allen, die den angel in de stroomon werpen, zullen rouw maken; en die liet werpnet uitbreiden op de wateren, zullen kwelen. 9 En de werkers in het fijne vlas zullen beschaamd worden, ook do wevers van de witte stof. 10 En zij zullen met hunne fondamenten verbrijzeld worden, allen, die voor loon lustige staande wateren maken. 11 Gewisselijk de vorsten van Zoan zijn dwazen, de raad der wijzen, der raadgevers van Farao, is onvernuftig geworden; hoe kunt gijlieden dan zeggen tot Faraö: Ik ben oen zoon der wijzen, oen zoon der oude koningen? 12 Waar zijn nu uwe wijzen? dat zij u nu te kennen geven of vernemen, waf de Heere der heirscharen beraadslaagd heeft tegen Egypte. 13 De vorsten van Zoan zijn zot geworden, do vorsten van Nof zijn bedrogen, zij zullen ook Egypte doen dwalen, tot den uitersten hoek zijner stammen. 14 De Heere heeft oenen zeer verkeerden geest ingeschonken in het midden van hen, en zij hebben Egypte doen dwalen in al zijn doen, gelijk een dronkaard zich om en om wentelt in zijn uitspuwsel. 15 En er zal geen werk wezen voor de Egyptenaren , hetwelk quot; hot hoofd of de staart, de tak of do bieze doen mag. a.Ios. 9:13. 16 Te dien dage zullen de Egyptenaars zijn als do vrouwen; en zij zullen beven on vreezen van wege de beweging van de hand des Heeren der heirscharen, welke Hij tegen hen bewegen zal. 17 En hot land van Juda zal den Egyptenaren tot een' schrik zijn; zoo wie het vermelden zal, dio zal in zich zeiven bevreesd wezen van wege don raad des Heeren der heirscharen, dien Hij tegen hen beraadslaagd heeft. 18 Te dien dage zullen er vijf steden in Egyp-teland zijn, sprekende de spraak van Kanaan, en quot; zwerende den Heere der heirscharen; eene zal genoemd zijn oene stad der verstoring. u Deut. 10:20. .lor. 12:16. 19 Te dien dage zal de Heere een altaar hebben in het midden van Egypteland, en oen opgerigt toeken aan hare landpale voor den Heere. 20 En het zal zijn tot een teeken, en tot eene getuigenis den Heere der heirscharen in Egypteland: want zij zullen tot den Heere roepen van wege de verdrukkers, en Hij zal bun eonen Heiland en Meester zenden, die zal hen verlossen. 21 En do Heere zal don Egyptenaren bekend worden, on de Egyptenaars zullen don Heere kennen te dien dage; en quot;zij zullen Hem dienen met slagtoffer, en spijsoffer, en zij zullen den Heere eene gelofte beloven en betalen. «Mal. 1:11. 22 En de Heere zal do Egyptenaars dapper JESAJA 18, 19. |
JESAJA 11), 20, 21.
|
slaan, en genezen; en zij zullen zich tot den Heere bekeeren, en Hij zal zich van hen verbidden laten, en Ilij zal hen genezen. 23 Te dien dage zal er een gebaande weg wezen van Egypte in Assyrië, dat de Assyriörs in Egypte, en de Egyptenaars in Assyrië komen zullen; en de Egyptenaars zullen met de Assyriörs den Hek uk dienen. 24 Te dien dage zal Israël de derde wezen met de Egyptenaren en met de Assyriörs, oen zegen in het midden van het land. 25 Want de Heere dor heirscharen zal hen zegenen, zeggende: Gezegend zij mijn volk, de Egyptenaars, en do Assyriörs, het werk mijner handen, en Israël, mijn erfdeel! HOOFDSTUK 20. God bedreigt de Egyptenaren en Mooren door een uitwendig teeken, dat zij door do Assyriörs gevangen zouden worden weggevoerd, vs. 1; hetwelk de Heere den Joden laat voorhouden, opdat zij hun vertrouwen op hen niet zouden zetten, 5. IN het jaar, toen Tartan naar Asdod kwam, als hem Sargon, de koning van Assyrië, gezonden had, toen hij krijg voerde togen Asdod, en hot innam ; 2 Ter zei ver tijd sprak do Heere, door de dienst van Jesaja, den zoon van Amoz, zeggende: Ga hoen, en ontbind den zak van uwe lenden, en doe uwe schoenen van uwe voeten. En hij deed alzoo, gaande naakt on barrevoets. Toen zoido de Heere: Gelijk als mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets wandelt, drie jaren, tot een teeken en wonder over Egypte en over Moorenland; 4 Alzoo zal de koning van Assyrië voortdrijven do gevangenen dor Egyptenaren, en do Mooren, die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets, en met bloote billen, den Egyptenaren tot schaamte. T) En zij zullen verschrikken en beschaamd zijn van de Mooren, op dewelke zij zagen, en van de Egyptenaars, hunnen roem. (i En de inwoners van dit eiland zullen te dien dage zeggen: Ziet, alzoo is hot (jcyaan dien, op welken wij zagen, worwaarts wij henenvloden om hulp, om gered te worden van het aangezigt des konings van Assyrië; hoe zullen wij dan ontkomen ? HOOFDSTUK 21. Profetie van den ondergang der Babyloniörs door de l'erzen on lieden, vs. 1; tot troost van Gods volk, hetwelk zij geplaagd hadden, 2. Vrees van den profeet, hieruit voortvloeijende, 3. De profeet spreekt de Babyloniërs spottenderwijs aan, 5. Gezigt van den profeet aangaande don val van Babel, (i. Aanspraak aan de Joden, 10. Profetie van de straffen, die don Edomieten zouden overkomen, 11; alsook steenachtig Arabië, 13. Barmhartigheid van het volk van Thema aan de vlugtende Dedanieten, 14. Ondergang van Kedar, 1G. DE last dei' woestijn aan do zee. |
Gelijk do wervelwinden in het zuiden henen doorgaan , zal hij uit de woestijn komen, uit oon vreessolijk land. 2 Een hard gezigt is mij to kennen gegeven: die trouwelooze handelt trouwelooslijk, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al hare zucbting doen ophouden. 3 Daarom zijn mijne lenden vol van groote krankheid, bange weeën hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeën van eene, dio baart; ik krom mij van hooren, ik word ontsteld van het aanzien. 4 Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, quot;de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Ilij mij tot beving. a Job 7 ; 3. 5 Bereid de tafel, zie toe, gij wachter! eet, drink; maakt u op, gij vorsten, bestrijkt het schild! (i Want aldus heeft de Iloero tot mij gezegd: Ga heen, zet eenen wachter, laat hem aanzeggen, wat hij ziet. 7 En hij zag eenen wagen, oen paar ruiters, eenen wagen met ezels, eenen wagen met kemels; en hij merkte zeer naauw op, niet groote opmerking. 8 En hij riep: Een leeuw, Heere! quot;ik sta op den wachttoren geduriglijk bij dag, en op mijne hoede zet ik mij gansche nachten. aïïab. 2:1. i) En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zeide: quot; Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesnedene beelden harer goden heeft Hij verbroken tegen de aarde. aJer. 25:12. 51 ;8. Oponb. 14:8. 18:2. 10 O mijne dorsching, en do tarwe mijns dorsch-vloers! wat ik gehoord heb van den Heere der heirscharen, den God Israëls, dat heb ik ulieden aangezegd. 11 De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter! wat is er van den nacht? wacbter! wat is er van deu nacht? 12 De wachter zeide: De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht; wilt gijlieden vragen, vraagt; keert weder, komt. 13 De last tegen Arabië. In het woud van Arabië zult gijlieden vernachten, o gij reizende gezelschappen van Dedanieten! 14 Komt den dorstige te gemoet met water; de inwoners des lands van Thema zijn den vlugtende met zijn brood bejegend. 15 Want zij vlugten voor de zwaarden, voor liet uitgetrokken zwaard, en voor den gespannon boog, en voor de zwarigheid des krijgs. KI Want alzoo heeft de Ileere tot mij gezegd: Nog binnen een jaar, gelijk de jaren eens dag-looners zijn, zoo zal al de heerlijkheid van Kedar te ondergaan. 17 En het overgeblevene getal der schutters, de helden der Kedarenen, zullen minder worden, want do Heere, de God Israëls, heeft het gesproken. |
1
|
JESAJA HOOFDSTUK 22. Profetie van de overheersching en verwoesting van hot Joodsche land door do Assyriörs, angst en schrik, hieruit ontstaande, vs. 1; iioo de Assyriörs zich in het Joodsche land gedragen, 5; en wat do Joden doen zouden, !); waarom (lod hen dus zou straffen, 12. Sebna wordt bedreigd met straf, om zijnen hoogmoed, 15. Eljakim wordt in zijne plaats gesteld, 2U; wiens heerlijkheid verhaald wordt, 21. DE last van het dal des gezigts. Wat is u nu, dat gij altegader op do daken klimt? 2 Gij, die vol van groot gedruisch waart, gij woelige stad, gij vrolijk huppelende stad! Uwe verslagenen zijn niet verslagen met hot zwaard, noch gestorven in den strijd. 3 Al uwe oversten zijn te zamen weggevlugt; zij zijn van de schutters gebonden, allen, die in u gevonden zijn, zijn zamengebonden, zij zijn van verre gevloden. 4 Daarom zog ik: Wendt het gezigt van mij af, quot;laat mij bitterlijk weenen; dringt niet aan, oin mij te troosten over de verstoring der dochter mijns volks. a.lor. !) : 1. 5 Want het is een dag van beroering, en van vertreding, en van verwarring van den Ileere, den IIeere der hoirscharen, in het dal des gezigts , een day van ontmuring des muurs, en van geschreeuw naar het gebergte toe. (i Want Elam heeft den pijlkoker genomen, do man is op den wagen, er zijn ruiters; en Kir ontbloot het schild. 7 En het zal geschieden, dat uwe uitgelezene dalen vol wagenen zullen zijn, en dat de ruiters zich gewisselijk zullen zetten ter poorten aan. 8 En hij zal het deksel van Juda ontdekken; en te dien dage zult gij zien naar de wapenen in het huis des wonds. !) En gijlieden zult bezien de reten der stad Davids, omdat zij velen zijn; en gij zult de wateren des ondersten vijvers vergaderen. 10 Gij zult ook de huizen van Jeruzalem tellen; en gij zult huizen afbreken, om de muren te bevestigen. 11 Ook zult gij eene gracht maken tusschen beide de muren, voor de wateren des ouden vijvers ; maar gij zult niet opwaarts zien op Dien, die zulks gedaan heeft, noch aanmerken Dien, die dat van verre tijden geformeerd hoeft. 12 En te dien dage zal de Heere, de IIeere der heirscharen, roepen tot geween, en tot rouw-klage, en tot kaalheid, en tot omgording des zaks. 13 Maar ziet, quot; er is vreugde en blijdschap niet runderen te dooden, en schapen te kelen, vleesch te eten, en wijn te drinken, en te zeggen: ''Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven. «Jos. 56:12. /^1 Oor. ir):32. 14 Maar do Heere der heirscharen heeft zich voor mijne ooren geopenbaard, zeggende: Indien ulieden deze ongeregtigheid verzoend wordt, totdat gij sterft! zegt de Heere, de Heere der heirscharen. |
22, 23. 631 15 Alzoo zegt de Heere, de Heere dor hoirscharen: Ga heen, ga in tot dien schatmeester, tot Sebna, don hofmeester, en spreek: 1(5 Wat hebt gij hier? of wien hebt gij hier, dat gij u hier een graf uitgehouwen hebt? als die zijn graf in de hoogte uithouwt, die eene woning voor zich op eenen rotssteen laat afteekenen. 17 Zie, de Heere zal u wegwerpen met eene mannelijke wegworping, en Hij zal u ganschelijk overdekken. 18 Hij zal u gewisselijk voortrollen, gelijk men eenen bal rolt, in een land, wijd van begrip; aldaar zult gij sterven, en aldaar zullen uwe heerlijke wagenen zijn, o gij schandvlek van het huis uws hoeren! 19 En Ik zal u afstooton van uwen staat, en van uwen stand zal Hij u verstoren. 20 En hot zal te dien dage geschieden, dat Ik mijnen knecht, quot;Eljakim, den zoon van Hilkia, roepen zal. «2 Kon. 18:18, 20, 27. 21 En Ik zal hom met uwen rok bekleeden, on Ik zal hom met uwen gordel sterken, en uwe heerschappij zal Ik in zijne hand geven; en hij zal den inwoneren te Jeruzalem en den huizo van Juda tot een' vader zijn. 22 En Ik zal den sleutel van het huis van David op zijnen schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen. 2:5 En Ik zal hom als eenen nagel inslaan in eene vaste plaats; en hij zal wezen tot eenon stoel der eer voor het huis zijns vaders. 24 En men zal aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis zijns vaders, dor uitspruitelingon en der afkomelingen, ook alle kleine vaten, van de vaten der bekers af, zelfs tot al de vaten der flesschen. 25 Te dien dage, spreekt de Heere dor heirscharen, zal die nagel, die aan eene vaste plaats gestoken was, weggenomen worden; en hij zal afgehouwen worden, en hij zal vallen, en do last, die daaraan is, zal afgesneden worden: want de Heere heeft het gesproken. HOOFDSTUK 23. Profetie van do verwoesting der stad Tyrus, vs. 1; de Heere zou haar verstoren, 8; om haren hoogmoed en pracht, 9. Aanwijzing hoe lang deze verdrukking dor ïyriërs zou duren, 15; hunne weder-opkomst, 17; en bekeering tot Christus, 18. DE last van quot; Tyrus. a .lor. 47:4. Ezec. 20, 27. 28. /ach. 9:3, 4. Huilt, gij schepen van Tarsis! want zij is verwoest, dat er geen huis moer is, dat niemand er meer in gaat; uit het land Chittim is het aan hen openbaar geworden. 2 Zwijgt, gij inwoners des oilands! gij, die do kooplieden van Zidon, over zeevarende, vervulden. En wiens inkomst was hot zaad van Sichor over de groote wateren, de oogst der rivier; en zij was de markt der Heidenen. |
JESAJA 23, 24.
|
â t Word beschaamd, o Zidon! want do zee spreekt, ja de sterkte der zee, zeggende: Ik heb geenen barensnood gehad, ik heb ook niet gebaard, en ik heb geene jongelingen groot gemaakt, en geene jonge dochters opgebragt. 5 Gelijk als geweest is de tijding van Egypte, zal men ook in weedom zijn, als men van Tyrus hooren zal. (i Vaart over naar Tarsis, huilt, gij inwoners des eilands! 7 Is dit uwe vrolijk huppelende stad? welker oudheid wel van oude dagen af is; maar hare eigene voeten znllen haar verre wegdragen, om in vreemdelingschap te verkeeren. 8 Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kroonende stad, welker kooplieden vorsten zijn, welker handelaars de heerlijkste in het land zijn? 9 De Heere der heirscharen heeft het beraadslaagd, opdat Hij ontheilige de hoovaardij van allo sieraad, om al de heerlijksten der aarde verachtelijk te maken. 10 Ga door naar uw land, als eene rivier, gij dochter van Tarsis! er is geen gordel meer. 11 Hij heeft zijne hand uitgestrekt over de zee. Hij heeft de koningrijken beroerd; de Heere heeft bevel gegeven tegen Kanaiin, om hare sterkten te verdelgen. 12 En Hij heeft gezegd: (Jij zult niet meer vrolijk huppelen, o gij verdrukte maagd, gij dochter van Zidon! Naar Chittim toe, maak u op, vaar over; ook zult gij aldaar geene rust hebben. 13 Ziet, het land der Ghaldeën: dit volk was er niet; Assur heeft het gefondeerd voor degenen, die in do wildernissen woonden; zij rigtten hunne sterkten op, cn bouwden hunne paleizen, maar Hij heeft het tot een' vervallen' hoop gesteld. 14 Huilt, gij schepen van Tarsis! want ulieder sterkte is verstoord. 15 En het zal geschieden te dien dage, dat Tyrus zal vergeten worden zeventig jaren, gelijk eens konings dagen; maar ten einde van zeventig jaren zal in Tyrus als oen hoerenlied zijn: 16 Neem de harp, ga in de stad rondom, gij vergetene hoer! speel wel, zing vele liederen, opdat uwer gedacht worde! 17 Want het zal geschieden ten einde van zeventig jaren, dat de Heere Tyrus zal bezoeken, en dat zij wederkeeren zal tot haren hoerenloon, en zij zal hoererij bedrijven met alle koningrijken der aarde, die op den aardbodem zijn. 18 En haar koophandel en haar hoerenloon zal den Heere heilig zijn, het zal niet ten schat vergaderd noch opgesloten worden; maar haar koophandel zal wezen voor hen, die voor den Heere wonen, opdat zij eten tot verzadiging, en dat zij durig deksel hebben. HOOFDSTUK 24. |
Eene profetie van de verwoesting van het Joodsche land, vs. 1, ti; die don eenen zoowol als den andoren zon overkomen, 2. Roden waarom, 5. liet overblijfsel zal God roemen en prijzen, 13. Vermaning tot dankzegging daarvoor, lfgt;. De profeet spreekt weder van de verstoring van het Joodsche volk, van woge hunne goddeloosheid, 16; en ook weder van Gods genade over hen, 21. Heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus in zijne Kerk, 23. ZIET, de Heere maakt het land ledig, en Hij maakt het woest; en IIij keert deszolfs gestaltenis om, en Hij verstrooit zijne inwoners. 2 En gelijk liet volk , alzoo zal de priester wezen; gelijk de knecht, alzoo zijn heer; gelijk do dienstmaagd, alzoo hare vrouw; quot;gelijk de koo-per, alzoo de verkooper; gelijk de leener, alzoo de ontleener; gelijk de woekeraar, alzoo die, van welken hij woeker ontvangt. «Ezec. 7 : 12, 13. 3 Dat land zal ganschelijk ledig gemaakt worden, en liet zal ganschelijk beroofd worden: want de Heere heeft dit woord gesproken. 4 Het land treurt, het verwelkt; hot aardrijk kweelt, het verwelkt; de hoogsten van het volk des lands kwelen. 5 Want het land is bevlekt van woge zijne inwoners: want zij overtreden de wetten, zij veranderen de inzettingen, zij vernietigen het eeuwig verbond. 6 Daarom verteert de vloek hot land, en die daarin wonen, zullen verwoest worden; daarom zullen do inwoners dos lands quot; verbrand worden, en er zullen weinige menschen overig blijven. a Jes. 9 : 18. 10 : 10. 7 Do most treurt, de wijnstok kweelt, allen, die blijhartig waren, zuchten. 8 De quot; vreugde dor trommelen rust; het geluid der vrolijk huppelenden houdt op, de vreugde der harp rust. a .Ier. 7:34. 10:9. 25:10. Ezoc. 20:18. Hos. 2: 1U. !) Zij zullen geenen wijn drinken quot; met gezang; de sterke drank zal bitter zijn dengenen, die hom drinken. «Jes. 10:10. 10 De woeste stad is verbroken, al de huizen staan gesloten, dat er niemand inkomen kan. 11 Er is een klagelijk geroep op de straten, om des wijns wil; alle blijdschap is verduisterd, de vreugde des lands is heengevaren. 12 Verwoesting is in de stad overgebleven, on mot gekraak wordt de poort in stukken verbroken. 13 Want in hot binnenste van het land, in het midden dezer volken, zal het alzoo wezen, quot;gelijk de afschudding des olijfbooms, gelijk de nalezingen, wanneer de wijnoogst geëindigd is. u Jes. 17 : 0. 14 Die zullen hunne stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen; van woge de heerlijkheid des Heeren zullen zij juichen van de zee af. 15 Daarom eert den Heere in do valleijen, in de eilanden der zoo den naam des Heeren, des Gods van Israël. 16 Van het uiterste einde dor aarde hooren wij psalmen, tot verheerlijking des Regtvaardigon. Doch nu zog ik: ik word mager, ik word mager. |
JESAJA 24, 25, 26.
|
wee mij! de trouweloozen handelen trouwelooslijk, en met trouweloosheid handelen de trouweloozen trouwelooslijk. 17 quot;De vrees, en de kuil, en do strik over u, o inwoners des lands. rt.Tor, 48:43. 18 En het zal geschieden, zoo wie voor do stem der vreeze vlieden zal, quot;die zal in den kuil vallen; en die uit den kuil opklimt, die zal in den strik gevangen worden: want de sluizen ia de hoogte zijn opengedaan, en de fondamenten der aarde zullen beven. aJor. 48:44. Amos 5: 19. 19 Do aarde zal ganschelijk verbroken worden, de aarde zal ganschelijk van een gescheurd worden, de aarde zal ganschelijk bewogen worden. 20 Do aarde zal ganschelijk waggelen, «gelijk een dronkaard, en zij zal heen en weder bewogen worden, b gelijk eene nachthut; en hare overtreding zal zwaar op haar zijn, en zij zal vallen, en niet weder opstaan. a.les. 19: 14. iJob 27 : 18. Jos. 1 :8. 21 En het zal geschieden te dien dage, dat de Heere bezoeking doen zal over de heirscharen des hoogen in de hoogte, en over de koningen des aardbodems op den aardbodem. 22 En zij zullen zamenvergaderd worden, gelijk de gevangenen in eenen put, en zij zullen besloten worden in eeno gevangenis, maar na vele dagen weder bezocht worden. 23 quot; En de maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, als de Heere dér heirscharen regeren zal op den berg Zion en te Jeruzalem, en voor zijne oudsten zal heerlijkheid zijn. «.les. 13: 10. Ezoc. 32:7. Jool 2:31. 3: !quot;gt;. HOOFDSTUK 25. Eene dankzegging van Gods volk voor het verdelgen hunner vijanden, vs. 1; inzonderheid der stad Babel, 2. Profetie van de roeping der Heidenen ten tijde van den Messias, 0; en verlossing van alle geloo-vigen, alsmede de verdelging hnnner vijanden, 10. HEERE! Gij zijt mijn God, U zal ik verhoogen, uwen naam zal ik loven, want Gij hebt wonder gedaan; uwe raadslagen van verre zijn waarheid en vastigheid. 2 Want Gij hebt van de stad een' quot; steenhoop gemaakt, de vasto stad tot een' vervallen hoop; het paleis der vreemdelingen, dat het geene stad meer zij, in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden. a.les. 21: 9. 23 : 13. Openb. 14 : 8. 18 : 2. 3 Daarom zal U een magtig volk eeren, de stad der tirannische volken zal IJ vreezen. 4 Want Gij zijt den arme eene sterkte geweest, eene sterkte den nooddruftige, als hem bange was; eene toevlugt tegen den vloed, eene schaduw tegen de hitte : want het blazen der tirannen is als een vloed tegen eenen wand. 5 Gelijk de hitte in eene dorre plaats, zult Gij de onstuimigheid der vreemdelingen nederdruk-ken; gelijk de hitte door do schaduw eener dikke wolk, zal het gezang der tirannen vernederd worden. |
li Phi de Heere der heirscharen zal op dezen berg allen volken een' vetten maaltijd maken, eenen maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn. 7 En Hij zal op dezen borg verslinden het be-windsel des aangezigts, waarmede alle volken bewonden zijn, en liet deksel, waarmede alle natiën bedekt zijn. 8 quot; Hij zal den dood verslinden tot overwinning, en do Heere Heere zal do tranen van alle aan-gezigten afwisschen; en Hij zal do smaadheid zijns volks van de gansche aarde wegnomen: want de Heere heeft het gesproken a l Oor. 15:54. 9 En men zal te dien dage zeggen: Ziet, deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de Heere, wij hebben Hom verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in zijne zaligheid. 10 Want de hand dos Heeren zal op dezen borg rusten; maar Moab zal onder Hem vcrdorscht worden, gelijk het stroo verdorscht wordt tot mist. 11 En Hij zal zijne handen uitbreiden in het midden van hen, gelijk als oen zwemmer die uitbreidt om te zwemmen, en quot;Hij zal hunnen hoogmoed vernederen mot do lagen hunner handen. a Jos. 16 : 0. 12 En Hij zal de hoogo vesten uwer muren buigen, vernederen, ja Hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken. HOOFDSTUK 26. Eon lofzang, waarmodo hot Joodseho volk God dankt voor zijne verlossing, vs. 1; alsmede eene vermaning, om op den Heere te vertrouwen, 4; en in zijne wogen to wandelen, 7. Hoo noodig do roedon des Heeren zijn, 9; maar do goddeloozon zijn en blijven verhard, 10. De handeling Gods mot de Joden, 15; hunne bokeering, 10; hunne hoop on vertroosting, 19. TE dien dage zal dit lied gezongen worden in het land van Juda: Wij quot;hebben eene sterke stad. God stelt heil tot muren en voorschansen. a Ps. 40 : 0 125 : 1. Spr. 18 : 10. 2 Doet de poorten open, dat het regtvaardige volk daarin ga, hetwelk do gotrouwigheden bewaart. 3 Het is een bevestigd voornemen. Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd. 4 Vertrouwt op den Heere tot in der eeuwigheid; want in den Heere Heere is oen eeuwige rotssteen. 5 Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verhevene stad; Hij vernedert zo. Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan hot stof reiken. 6 De voet zal ze vertreden, de voeten des ellendigen, de treden der armen. 7 Hot pad des regtvaardigen is geheel effen, den gang des regtvaardigen weegt Gij regt. 8 Wij bobben ook in den weg uwer gerigten, U, o Heere! verwacht; tot uwen naam en tot uwe gedachtenis is de begeerte onzer ziel. |
|
634 9 Met mijne ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijnen geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; want, wanneer uwe gerigten op de aarde zijn , zoo leeren do inwoners der wereld geregtigheid. 10 Wordt den goddelooze genade bewezen, hij leert evenwel geene geregtigheid, hij drijft onregt in een gansch rigtig land, en hij ziet de hoogheid des Heeren niet aan. 11 Heeee! is uwe hand verhoogd, zij zien het niet; viaav zij zullen het zien, en beschaamd worden, van ivecjc den ijver over uw volk, ook zal hot vuur uwe wederpartij der s verteren. 12 Heere! Cïij zult ons vrede bestellen, want (Jij hebt ons ook al onze zaken uitgerigt. 13 Heere, onze God! andere heeren, behalve Gij, hebben over ons geheerscht; doch door U alleen gedenken wij uws naams. 14 Dood zijnde zullen zij niet wet/er leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt Gij hen bezocht, en hebt hen verdelgd, en Gij hebt al hunne gedachtenis doen vergaan. 15 Gij, o Heere! hadt dit volk vermeerderd. Gij hadt dit volk vermeerderd, Gij waart verheerlijkt geworden; maar Gij hebt hen in al de einden des aardrijks verre weggedaan. 16 Heere! in benaauwdheid hebben zij U bezocht ; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als uwe tuchtiging over hen was. 17 quot; Gelijk eene bevruchte vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten hoeft, on schreeuwt in hare weeën, alzoo zijn wij geweest, o Heere! van wege uw aangezigt. o.Toli. 16:21. 18 Wij waren bevrucht, wij hadden de smarten, maar wij hebben niet dan wind gebaard; wij deden het land geene behoudenis aan, en de inwoners der wereld violen niet neder. 19 Uwe dooden zullen loven, ook mijn dood ligchaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij, die in bet stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw dor moeskruiden, on hot land zal de overledenen uitwerpen. 20 Ga henen, mijn volk! ga in uwe binnonste kamers, en sluit uwe deuren na u too; verborg n quot;als een' kleinen oogonblik, totdat do gramschap overga. '/2 Cor. 4:17. 21 Want ziet, do Heere zal uit zijne plaats uitgaan, om de ongeregtigheid van do inwoners der aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal hare doodgoslagenen niet langer bedekt houden. HOOFDSTUK 27. Verdelging van de vijanden van Gods Kerk, vs. 1; welke Hij zal beschutten en zegenen, 2; als zij zal ophouden van zondigen, 9. Hierbij voegt do profeet eene bedreiging, betreffende de verwoesting van Jerrtzalem, 10; on do wederkomst eeniger Joden uit de landen, waarin zij verstrooid waren, 13. |
TE dien dage zal de Heere met zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken den Leviathan, de langwomolende slang, ja den Leviathan, do kromme slomme slang; en Hij zal den draak, die in de zee is, dooden. 2 Te dien dage zal er een wijngaard van rooden wijn zijn; zingt van denzelvo bij beurto. 3 Ik, de Heere, behoede dien, alle oogenblik zal Ik hom bevochtigen: opdat de vijand hem niet bozooke, zal Ik hem bewaren nacht en dag. 4 Grimmigheid is bij Mij niet; wie zou Mij «te oenen doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen, en hem te gelijk verbranden zou ? 5 Of hij moest mijne sterkte aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken. 6 In het toekomende zal Jakob wortelen schieten, quot; Israël zal bloeijen en groeijon; en zij zullen do wereld niet inkomsten vervullen. «Ps. 72: 16. 7 Heeft Hij hem geslagen, gelijk Hij dien geslagen heeft, die hem sloeg? Is hij gedood, golijk zijne gedooden gedood zijn geworden? 8 quot; Met mate hebt Gij met hem getwist, wanneer Gij hem wegstiet; alu Hij hem wegnam door zijnen harden wind, in den dag des oostewinds. a .lor. 30 : 11. 46 : 28. 9 Daarom zal daardoor de ongeregtigheid van Jakob verzoend worden, en dit is do gansche vrucht, dat Hij deszolfs zonde zal wegdoen, wanneer Hij al de steenon des altaars maken zal als verstrooide kalksteenon, do bossciien en de zonnebeelden zullen niet bestaan. 10 Want de vaste stad zal eenzaam, de woonstede zal vorstooten en verlaten worden, gelijk eene woestijn; daar zullen de kalveren weiden, en daar zullen zij nederliggon, en zullen hare takken verslinden. 11 Als hare takken verdord zullen zijn, zullen zij afgebroken worden, en de vrouwen, komende, zullen zo aansteken: want het is geen volk van eenig verstand ; daarom zal Hij, die het gemaakt heeft, zich deszelven niet ontfermen, on die hetgefor-moerd beeft, zal aan hetzelve geene genade bewijzen. 12 En liet zal te dien dage geschieden, dat de Heere dorschen zal, van den stroom der rivier af tot aan do rivier van Egypte; doch gijlieden quot; zult opgelezen worden, een bij een, o gij kinderen Israels! o.Ies. 17:5. 13 En liet zal te dien dage geschieden, dat er met oeno groote bazuin geblazen zal worden; dan zullen die komen, die in liet land van Assur verloren zijn, en de heengedrevonen in het land van Egypte; en zij zullen don Heere aanbidden op den heiligen berg te Jeruzalem. HOOFDSTUK 28, Eene [irofotio van do vernietiging van hot Israëliotisoho koningrijk door de Assyriërs, vs. 1; maar dat de Heero do overgeblevenen van zijn volk zou tot oer brengen, 5. Klagt over de dronkenschap der inwoners van Juda, 7, 8; en over hunne onleerzaamheid, 9, 10. Bedreiging, dat zij door vreemde natiën zullen overheerscht worden ,11; omdat zij het woord JESAJA 26, 27, 28. |
JESAJA 28.
|
dos Iteereii en zijne bedreigingen bespotten, 14. Zeer heerlijke beschrijving van den persoon des Messias, 10. Zware bedreiging over bot Joodsohe volle, 17; vermaning tot beterschap, 22. Gelijk een ervaren landman zijnen tijd on wijzo van doen weet, alzoo ook veel meer do Heere, dio zulks don landman leert, 24. WEE de hoovaardige kroon der dronkenen van Efraïm, welker heerlijk sieraad is eene afvallende bloem, die daar is op het hoofd der zeer vette vallei, der geslagenen van den wijn. 2 Ziet, de Heere heeft eenen sterke en magtige, er is gelijk een hagelvloed, eene poort des ver-derfs; gelijk een vloed der sterke wateren, die overvloeijen, zal Hij ze ter aarde nederwerpen met de hand. 3 De hoovaardige kroonen der dronkenen van Efraïm zullen met voeten vertreden worden. 4 En de afvallende bloem zijns heerlijken sie-raads, die op liet hoofd der zeer vette vallei is, zal zijn gelijk eene vroegrijpe vrucht voor don zomer, welke, wanneer ze iemand ziet, terwijl zij nog in zijne hand is, slokt hij ze op. 5 Te dien dage zal do Heere der heirscharen tot eene heerlijke kroon en tot eenen sierlijken krans zijn den overgeblevenen zijns volks; 6 En tot eenen Geest des oordeels dien, die ten oordeel zit, en tot eene sterkte dengenen, die den strijd afkeeren tot do poort toe. 7 En quot; ook dwalen dezen van den wijn , en zij dolen van den sterken drank: do priester en de profeet dwalen van den sterken drank; zij zijn verslonden van den wijn, zij dolen van sterken drank; zij dwalen in het gezigt, zij waggelen in het gerigt. «.les. 5: 11. 8 Want alle tafels zijn vol van uitspuwsel en van drek, zoodat er geene plaats schoon is. 9 Wien zou 11 ij dan de kennis leeren? en wien zou hij het gehoorde te verstaan geven ? den gespeenden van de melk ? den afgetrokkenen van de borsten ? 10 Want het is gebod op gebod, gebod op gebod , regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig. 11 Daarom zal Hij door belagchelijke lippen, en door eene quot; andere tong tot dit volk spreken. al Cor. 14:21. 12 Tot dewelken Hij gezegd heeft: Dit is de rust, geeft don moeden rust, en dit is do verkwikking ; doch zij hebben niet willen hooren. 13 Zoo zal hun hot woord des Heeren zijn gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig; quot; opdat zij heengaan, en achterwaarts vallen, en verbreken, en verstrikt en gevangen worden. a 2 Cor. 2:10. 14 Daarom boort des Heeren woord, gij bespotters ! gij, heerschors over dit volk, dat te Jeruzalem is! 15 Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met den dood gemaakt, en met do hel hebben wij een voorzigtig verdrag gemaakt; |
wanneer de overvloeijonde geesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen: want wij hebben de leugen ons tot eene toevlugt gesteld, en onder do valschheid hebben wij ons verborgen. 10 Daarom, alzoo zegt de Heere Heere: Ziet, quot; Ik leg oenen grondsteen in Zion, eenen beproefden steen, eenen kostelijken hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten. « Ps. 118:22. Matt. 21 : 42. Hand. 4:11. Hom. 9:33. 10:11. Efez. 2:20. 1 Petr. 2:0, 7, 8. 17 En Ik zal het gerigt stollen naar het rigt-snoer, en de geregtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlugt der leugen wegvagen, on de wateren zullen de schuilplaats overloopon; 18 En ulieder verbond met den dood zal te niet worden, en uw voorzigtig verdrag met do hel zal niet bestaan; wanneer de overvlooijende geesel doortrekken zal, dan zult gijlieden van denzolven vertreden worden. 19 Van den tijd af, als hij doortrekt, zal hij ulieden wegnemen, want allen morgen zal hij doortrekken, bij dag en bij nacht; en hot zal geschiedon, dat het gerucht te verstaan, enkel beroering wezen zal. 20 Want het bed zal korter zijn, dan dat men zich daarop uitstrekken kunne; en het deksel zal te smal wezen, als men zich daaronder voegt. 21 Want do Heere zal zich opmaken, gelijk op den berg Perazim, Hij zal beroerd zijn, gelijk in hot dal van Gibeon, om zijn werk te doen, zijn werk zal vreemd zijn; on om zijne daad to doen, zijne daad zal vreemd zijn! 22 Nu dan drijft den spot niet, opdat uwe bandon niet vaster gemaakt worden : want ik bob van den Heoro, Heere dor heirscharen gehoord eene verdelging, ja eene, die vast besloten is over hot gansche land. 23 Noemt ter ooron en hoort mijne stom, merkt op en hoort mijne redo! 24 Ploegt de ploeger den gohoelen dag om te zaaijon ? opent on egt hij zijn land den geheclen dag ? 25 Is het niet alzoo? wanneer hij hot bovenste van hetzelve effen gemaakt hooft, dan strooit hij wikken, en spreidt komijn, of hij werpt er van do boste tarwe in, of uitgelezeno gerst, of spolt, elk aan zijne plaats. 20 En zijn God onderrigt hem van do wijze, Hij loert hem. 27 Want men dorscht de wikken niet mot den dorschwagen, ou men laat het wagonrad niet rondom over het komijn gaan; maar do wikken slaat men uit met eenen staf, en hot komijn met eenen stok: 28 Hot hvooAkoren moot verbrijzeld worden, maar hij dorscht het niet geduriglijk dorschende; noch hij breekt het met het wiel zijns wagens, noch hij verbrijzelt het mot zijne paarden. 29 Zulks komt ook voort van don Heere der heirscharen: Hij is wonderlijk van raad, Hij quot;is groot van daad. u Jer. 32:19. |
J ESA JA 29, 30.
|
HOOFDSTUK 29. Profetie van de belegering en verwoesting des tempels en der stad Jeruzalem, vs. 1; van den ellendigen staat der Joden De onverzadelijke toorn hunner vijandgn wordt door twee gelijkenissen afgebeeld, 7, 8; dit alles /.on gebeuren, om der Joden verstoktheid en verblindheid, 9. Bedreiging van verstoeten te zullen worden om hunne huichelarij, 14. Belofte van de bekeering zoo der Heidenen als dor Joden, 17, 22. Bedreiging over de tirannen en spotters, 20, 21. WEE Ariël, Ariel! de stad, waarin David gelegerd heeft; doet jaar tot jaar, laat ze feest-offeren slagten: 2 Evenwel zal Ik Ariël beangstigen, en er zal treuring en droefheid wezen, en die stad zal Mij gelijk Ariël zijn. 3 Want quot; Ik zal oen leger in het rond om u slaan, en Ik zal u belegeren inet bolwerken, en Ik zal vestingen tegen u opwerpen. u .lor. (i: 3. Ezec. 17 : 17. 4 Dan zult gij vernederd worden, gij zult uit de aarde spreken, en quot;uwe spraak zal uit het stol' zachtjes voortkomen; en uwe stem zal zijn uit de aarde als van eenen toovenaar, en uwe spraak zal uit het stof piepen. a Jes. : 19. 5 En de menigte uwer vreemde soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte dor tirannen quot;als voorbijvliegend kaf; en '' liet zal in oen' oogenblik haastelijk geschieden. a Job 21 ; IS. Ps. 1 ; 4. 35 : 5. .les. 17 :13. h Jes. 30 : 13. (gt; Gij zult van den Heere dor heirscharen bezocht worden met donder, en niet aardbeving, eu groot geluid, met wervelwind, en onweder, en de vlam eens verterenden vuurs. 7 En gelijk de droom van een nachtgezigt is, alzoo zal de veelheid aller Heidenen zijn, ilie tegen Ariël strijden zullen; zelfs allen, die tegen haar en hare vestingen strijden, en haar beangstigen zullen. 8 Het zal alzoo zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zoo is zijne ziel ledig; of, gelijk als wanneer oen dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zoo is hij nog mat, en zijne ziel is begeerig; alzoo zal de menigte aller Heidenen zijn, die tegen den berg Zion krijgen. 9 Zij vertoeven, daarom verwondert u, zij zijn vrolijk, derhalve roept gijlieden; zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij waggelen, maar niet van sterken drank. 10 Want do Heere heeft over ulieden uitgegoten quot; eenen geest des diepen slaaps, en Hij heeft uwe oogen toegesloten; de profeten, en uwe hoofden, en de zieners heeft Hij verblind. o Hom. 11:8. 11 Daarom is ulieden alle gezigt geworden als de woorden van een verzegeld boek, hetwelk men geeft aan eenen, die lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld. |
12 Of men geeft liet boek aan eenen, die niet lezen kan, zeggende: Lees toch dit; on hij zegt: Ik kan niet lezen. 13 Want de Heere heeft gezegd: quot;Daarom dat dit volk tot Mij nadert mot zijnen mond, en zij Mij met bunne lippen eereu, doch hun hart verre van Mij doen; en hunne vreeze, waarmede zij Mij vreezen, menschengeboden zijn, die hun geleerd zijn; o Matt. 15:8. Mark. 7 : 6. 14 Daarom, ziet. Ik zal voorts wonderlijk handelen met dit volk , wonderlijk en wonderbaarlijk : quot; want de wijsheid zijner wijzen zal vergaan, en hot verstand zijner verstandigen zal zich verbergen. aJer.49:7. Ubadjavs.8. Matt. 11:25. lCor.l:19. 15 Wee dengenen, die zich diep versteken willen voor den Heere, hunnen raad verbergende; en welker werken in duisterheid geschieden, en zij zeggen: quot; Wie ziet ons ? en wie kent ons ? a Ps. 94 : 7. l(i Ulieder omkeeren is, als of de pottenbakker geacht werd als leem, quot; dat het maaksel zeide van zijnen maker: Hij heeft mij niet gemaakt; en het geformeerde vat van zijnen pottenbakker zeide: Hij verstaat het niet. «Jes. 45:9. 17 Is het niet nog om een klein weinig, dat do Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het vruchtbare veld voor oen woud geacht zal worden? 18 En te dien dage zullen quot; de dooven booren de woorden des Boeks; en de oogen der blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien. o Matt. 11 : 5. li) En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in den Heere; en de behooftigen onder de menschen zullen zicii in den Heilige Israëls verheugen, 20 Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongeregtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn: 21 Die eenen inensch schuldig maken om een woord, on leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die don regtvaardige verdrijven in het woeste. 22 Daarom zegt de Heere, die Abraham verlost heeft, tot het huis van Jakob alzoo: Jakob zal nu niet meer beschaamd worden, en nu zal zijn aangezigt niet meer bleek worden : 23 Want als hij zijne kinderen, het werk mijner handen, zien zal in liet midden van hem, zullen zij mijnen naam heiligen; en zij zullen don Heilige Jakobs heiligen, en den God van Israël vreezen. 24 En die dwalende van geest zijn, zullen tot verstand komen, en de murmureerders zullen do leering aannemen. HOOFDSTUK 30. Do llecro bedreigt do Joden, die bij de Egyptenaren hulp zochten, vs. 1; en voorzegt, dat dit tot hun nadeel zou zijn, 3. De Heere beveelt den profeet, zijne profetie te beschrijven en klaagt over de wederspannigheid van zijn volk, 8; waarom Hij hen |
JESAJA 30.
637
|
bedreigt met de verwoesting van Jeruzalem, 13; doch belooft zich te ontfermen over de boetvaardigen en lum getrouwe leeraars te geven, 20; die zij zonden hnoren, 21; verwerpende hunne afgoden, 22. Eeue belofte van zegening der vruchten, 23; en grootere heerlijkheid en vreugde, 25. Eene profetie van de verdelging van het Assyrische krijgsvolk door den hevigen toorn des Hoeren, 27; en de blijdschap daarover van Gods volk, 29. WEE den kinderen, die afvallen, spreekt de Heeke, om een raadslag te maken, maar niet uit Mij, en om zich met eene bedekking te bedekken, maar niet uit mijnen Geest, om zonde tot zonde te doen. 2 Die gaan, om af te trekken in Egypte, en vragen mijnen mond niet; om zich te sterken met de magt van Faraö, en om hunne toevlugt te nemen onder de schaduw van Egypte. 3 Want de sterkte van Faraö zal ulieden tot schaamte zijn, en die toevlugt onder do schaduw van Egypte tot schande. 4 Wanneer zijne vorsten zullen geweest zijn tot Zoan, en zijne gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Chanes; 5 Hij zal hen allen beschaamd maken door een volk, quot;dat hun geen nut kan doen, noch tot hulp, noch tot voordeel, maar tot schande en ook tot smaadheid zijn zal. a.ler. 2:30. 6 De last der beesten, van het zuiden, naar bet land des angstes en der benaauwdheid, vanwaar de sterke leeuw en de oude leeuw is, de basilisk en do vurige vliegende draak; hunne goederen zullen zij voeren op den rug der veulens, en hunne schatten op de bulten der kemelen, tot het volk, dat hun geen nut zal doen. 7 Want Egypte zal ijdelijk en te vergeefs helpen; daarom heb Ik hierover geroepen: Stilzitten zal hunne sterkte zijn. 8 Nu dan, ga henen, schrijf voor hen op eene tafel, en teeken het in een boek, opdat het blijve tot den laatsten dag, voor altoos, tot in eeuwigheid. !) Want het is een wederspannig volk, het zijn leugenachtige kinderen; kinderen, die des Hee-ren wet niet hooren willen. 10 Die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet; en tot de schouwers: Schouwt ons niet wat regt is; spreekt tot ons zachte dingen, schouwt ons bedriegerijen. 11 Wijkt af van den weg, maakt u van de baan; laat den Heilige Israels van ons ophouden! 12 Daarom, zoo zegt de Heilige Israels: Omdat gijlieden dit woord verwerpt, en vertrouwt op onderdrukking en verkeerdheid, en steunt daarop; 13 Daarom zal ulieden deze misdaad zijn gelijk eene vallende scheur, uitwaarts gebogen in oenen hoogen muur, quot;welks breuk haastelijk in een oogenblik komen zal. a.Tes. 29:5. 14 Ja Hij zal ze verbreken, gelijk eene quot; pottenbakkerskruik verbroken wordt, in het brijzelen zal Hij niet verschoonen; alzoo dat van hare verbrijzeling niet eene scherf zal gevonden worden, om vuur uit den haard te nemen, of om water te scheppen uit eene gracht. a .Ier. 19: II. |
15 Want alzoo zegt de Heere Heere, do Heilige Israels: Door wederkeering en rust zoudt gijlieden behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zou uwe sterkte zijn; doch gij hebt niet gewild. 10 En gij zegt: Neen, maar op paarden zullen wij vlieden; daarom zult gij vlieden! en: Op snelle paarden zullen wij rijden; daarom zullen uwe vervolgers ook snel zijn! 17 Een duizend van hot schelden van een' eeni-gen, van bet schelden van vijf zult gij allen vlieden; quot;totdat gij overgelaten wordt, gelijk een mast op den top van eenen berg, en als eene banier op eenen heuvel. «Jes. 17 :0. 24:0, 13. 18 En daarom zal do Heere wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij zich over ulieden ontferme, want de Heere is een God des gerigts: quot; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten. a Ps. 2 : 12. 34 : 9. Spr. 10 : 20. Jer. 17 : 7. 19 Want het volk zal in Zion wonen, te Jeruzalem; gij zult ganschelijk niet weenen; gewisselijk zal Hij u genadig zijn op de stem uws geroeps; zoo haast Hij die hooren zal, zal Hij u antwoorden. 20 De Heere zal ulieden wel brood der benaauwdheid , en wateren der verdrukking geven; maar uwe leeraars zullen niet meer als met vleugelen wegvliegen, maar uwe oogen zullen uwe leeraars zien: 21 En uwe ooren zullen hooren het woord dengenen, die achter u is, zeggende; Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter regter- of ter linkerhand. 22 En gijlieden zult voor onrein houden het deksel uwer zilveren gesneden beelden, en het overtreksel uwer gouden gegoten beelden; gij zult zo wegwerpen gelijk een maanstondig kleed, en tot elk van dien zeggen: Henen uit! 23 Dan zal Hij uw zaad, waarmede gij het land bezaaid hebt, regen geven, en brood van des lands inkomen, en hetzelve zal vet en smoutig zijn; uw vee zal te dien dage in eene wijde landouwe weiden. 24 En de ossen, en ezelveulens, die het land bouwen, zullen zuiver voeder eten, hetwelk verschud is met de werpschoffel en met de wan. 25 En er zullen op allen hoogen berg, en op allen verhevenen heuvel beekjes en watervlieten zijn, in den dag der groote slagting, wanneer de torens vallen zullen. 26 En het licht der maan zal zijn als het licht der zon, en hot licht der zon zal zevenvoudig zijn als het licht van zeven dagen; ten dage als de Heere de breuk zijns volks zal verbinden, en de wonde, waarmede het geslagen is, genezen. 27 Ziet, do naam des Heeren komt van verre, zijn toorn brandt, en de last is zwaar; zijne lippen zijn vol gramschap, en zijne tong, als een verterend vuur; |
|
038 28 En quot; zijn adem is als eone overloopende beek, die tot aan den hals toe raakt: om de Heidenen te schudden met eene schudding' der ijdelheid, en als een misleidende toom in de kinnebakkens der volken. a.Tos. 8:8. 29 Er zal een lofzang bij ulieden zijn, gelijk in den nacht, wanneer het feest geheiligd wordt; en blijdschap des harten, gelijk van eenen, die met pijpen wandelt , om te komen tot den berg des Heeren , tot don Rotssteen van Israël. 30 En de IIeere zal zijne heerlijke stem doen hooren, en de nederlating zijns arms doen zien, met grimmigheid van toorn, en eene vlam van verterend vuur, stralen, en eenen vloed, en hagelsteenen. 31 Want door de stem des Heeren zal Assur te morzel geslagen worden, die met de roede sloeg. 32 En alwaar die gegrondveste staf doorgegaan zal zijn, (op welken de IIeere dien zal hebben doen rusten) daar zal men met trommelen en harpen zijn: want met bewegende bestrijdingen zal Hij tegen hen strijden. 33 Want Tofeth is van gisteren bereid; ja hij is ook voor den koning bereid; Hij heeft hem diep en wijd gemaakt, het vuur en hout van zijnen brandstapel is veel: de adem des Heeren zal hem aansteken als eenen zwavelstroom. HOOFDSTUK 31. Wee over de Joden, die hulp zochten in Egypte en niet bij den Heere, vs. 1. De Heere belooft, dat Hij .ierilzalem zal beschutten, 4; zoo zij zich tot Hein bekeerden, 0; en dat Hij Assur zal slaan en op de vlugt drijven, 7. WEE dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken , en steunen quot; op paarden, en vertrouwen op wagenen, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer magtig zijn; en zien niet op deu Heilige Israëls, en zoeken den Heere niet! a Ps. 20 : 8. .Ier. 17 : 5. 2 Nogtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt zijne woorden niet terug; maar Hij zal zich opmaken tegen het huis der boosdoeners, en tegen de hulp dergenen, die onge-regtigheid werken. 3 Want de Egyptenaren zijn menschen, en geen God, en hunne paarden zijn vleesch, en geen geest; en de Heere zal zijne hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal, en die geholpen wordt, zal nedervallen, en zij zullen al tezamen te niet komen. 4 Want alzoo heeft de Heere tot mij gezegd; Gelijk als een leeuw, en een jonge leeuw over zijnen roof brult, wanneer schoon eene vollo menigte der herderen zamengeroepen wordt tegen hem, verschrikt hij voor hunne stem niet, en vernedert zich niet van wege hunne veelheid; alzoo zal de Heere der heirscharen nederdalen, om te strijden voor den berg Zions en voor haren heuvel. |
5 quot; Gelijk vliegende vogelen, alzoo zal de Heere der heirscharen Jeruzalem beschutten, beschuttende zal Hij haar ook verlossen, doorgaande zal Hij haar ook uithelpen. a Ãout. 32:11. 6 Bekeert u tot Hem, van denwelken de kinderen Israëls diep afgeweken zijn. 7 Want te quot; dien dage zullen zij verwerpen, een ieder zijne zilveren afgoden en zijne gouden afgoden, welke u uwe handen tot zonde gemaakt hadden: a .les. 2 : 20. 8 En Assur zal vallen door het zwaard, niet eens mans, en het zwaard, niet eens menschen, zal hem verteren; en hij zal voor het zwaard vlieden, en zijne jongelingen zullen versmolten. i) En quot; hij zal van vreeze doorgaan naar zijnen rotssteen, on zijne vorsten zullen voor de banier verschrikken, spreekt de Heere, die te Zion vuur, en te Jeruzalem oenen oven heeft. n2 Kon. 19: 30, 37. HOOFDSTUK 32. Profetie aangaande het rijk van Christus, vs. 1; en van de weldaden, die Hij zijne Kerk zal aanbrengen, 2. Eene bedreiging over de zorgelooze vrouwen, 9; on over hot geheele land, 12; hetwelk verwoest zal worden, 14; daarna spreekt de profeet weder van het rijk van Christus en wijst aan, wat Hij in de harten der uitverkorenen zou te weeg brengen door den H. Geest, 15. Bedreigingen over do god-deloozen, 19. Aanspraak aan de leeraars van het Nieuwe Testament, 20. ZIET, een quot; koning zal regeren in geregtigheid, en de vorsten zullen heerschen naar regt. a Ps. 45:7. Zac.h. 9:9. 2 En die man zal zijn als eene verberging tegen den wind, en eene schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in eene dorre plaats, als de schaduw van eenen zwaren rotssteen in een dorstig land. 3 En de quot; oogen dergenen, die zion, zullen niet terugzien, en de ooren dergenen, die hooren, zullen opmerken. a.les. 29:18. 30:21. 4 En het hart der onbedachtzamen zal de wetenschap verstaan, en de tong der stamelenden zal vaardig zijn, om bescheidenlijk te spreken. 5 Do dwaas zal niet meer genoemd worden milddadig, en do gierige zal niet meer mild geheeten worden. (i Want een dwaas spreekt dwaasheid, en zijn hart doet ongeregtigheid, om huichelarij te plegen, en om dwaling te spreken tegen den Heere, om de ziel des hongerigen ledig te laten, en den dorstige drank te doen ontbreken. 7 En eens gierigaards gansche gereedschap is kwaad: hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valsche redenen, en het regt, als de arme spreekt. 8 Maar een milddadige beraadslaagt milddadigheden, en staat op milddadigheden. 9 Staat op, gij geruste vrouwen, hoort mijne stem; gij dochters, die zoo zeker zijt! neemt mijne redenen ter oore. 10 Vele dagen over het jaar zult gij beroerd JESAJA 30, 31, 32. |
JESAJA 32, 33.
639
|
zijn, gij dochters, die zoo zeker zijt! want de wijnoogst znl uit zijn, er zal geene inzameling' komen. 11 Beeft, gij geruste wouwen! weest beroerd, dochters, die zoo zeker zijt! trekt u uit, en ontbloot u, en gordt zakken om uwe lenden. 12 Men zal rouwklagen over de borsten, over de gewenschte akkers, over de vruchtbare wijnstokken. 13 Op het land mijns volks zal de doorn en de ilistel opgaan; ja op alle vreugdehuizen, in de vrolijk huppelende stad. 14 Want hot paleis zal verlaten zijn, het gewoel der stad zal ophouden; Ofel en de wachttorens zullen tot spelonken zijn, tot in der eeuwigheid, eene vreugde der woudezelen, eene weide der kudden. 15 Totdat over ons quot; uitgegoten worde de Geest uit do hoogte; dan zal de ''woestijn tot een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld zal voor een woud geacht worden. a.ToC'l2:28. Joh. 7:37, 38. Hand. 2:17,18. 6.les. 2!): 17. 10 En het regt zal in de woestijn wonen, en de geregtigheid zal op het vruchtbare veld verblijven. 17 En het werk der geregtigheid zal vrede zijn; en de werking der geregtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid. 18 En mijn volk zal in quot; eene woonplaats des vredes wonen, en in welverzekerde woningen, en in stille geruste plaatsen. aJer. 33: 16. 19 Maar het zal hagelen, waar men afgaat in het woud, en de stad zal laag worden in de laagte. 20 Welgelukzalig zijt gijlieden, die aan alle wateren zaait; gij, die den voet des osses en des ezels derwaarts henenzendt! HOOFDSTUK 33. Voorzegging van de verdelging van Sanherib en zijn leger, vs. 1, 3, 4. Een gebed der godzaligen, 2. Vreugde in Zion over de nederlaag der Assyriërs, 5. Ellendige toestand van .lerfizalom oer God Sanherib sloeg, 7, 8, 9. De Hoere staat op tor hulpe van zijn volk, 10; bespot de Assyriërs, 11; en verwekt oen iedor tot verwondering over hunne verdelging, 13; leeronde hoe men Gods zegen verkrijgt, 1 ö. Verdere belofte van overwinning en vrede, 17; inzonderheid ten tijde van den Messias, 20. Bespottende aanspraak Gods aan do Assyriërs, 23; en troostrede aan de godzaligen, 24. WEE u, gij verwoester, die niet verwoest zijt! en gij, die trouwelooslijk handelt, waar men niet trouwelooslijk tegen u gehandeld heeft! Als gij het verwoesten zult volbragt hebben, zult gij verwoest worden; als gij het trouweloos handelen zult voleind hebben, zal men trouwelooslijk tegen u handelen. 2 Heere ! wees ons genadig, wij hebben op U gewacht; wees hun arm allen morgen, daartoe onze behoudenis ten tijde der benaauwdheid. 3 Van het geluid des rumoers zullen de volken wegvlieden; van uwe verhooging zullen de Heidenen verstrooid worden. |
4 Dan zal ulieder buit verzameld worden, gelijk de kevers verzameld worden; men zal daarin ginds en weder huppelen, gelijk de sprinkhanen ginds en weder huppelen. 5 Do Heere is verheven, want Hij woont in de hoogte; Hij hooft Zion vervuld met gerigt en geregtigheid. 6 En het zal geschieden, dat de vastigheid uwer tijden, de sterkte van uwe behoudenissen zal zijn wijsheid en kennis; de vreeze des Heeren zal zijn schat zijn. 7 Ziet, hunne allersterksten roepon daar buiten; de boden dos vredes weenon bitterlijk; 8 Do gebaande wegen zijn verwoest, dio door do paden gaat, houdt op; hij vernietigt hot verbond, hij veracht de steden, hij acht geen' mensch. 9 Het land treurt, hot kweelt, de Libanon schaamt zich, hij verwelkt; Saron is geworden als eene woestijn; zoo Basan als Karmel zijn geschud. 10 Nu zal Ik opstaan, zegt de Heere, nu zal Ik verhoogd worden, nu zal Ik verheven worden. 11 Gijlieden gaat met stroo zwanger, gij zult stoppelen baren; uw geest zal u als vuur verslinden. 12 En de volken zullen zijn als do verbrandingen des kalks; als afgehouwone doornen zullen zij met het vuur verbrand worden. 13 Hoort gijlieden, die verre zijt, wat Ik gedaan heb; en gijlieden, die nabij zijt, bekent mijne magt! 14 Do zondaren te Zion zijn verschrikt, beving hooft de huichelaren aangegrepen: zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? wie is er onder ons, die bij eonen eeuwigen gloed wonen kan ? 15 quot; Die in goregtigheden wandelt, en dio billijkheden spreekt; dio hot gewin dor onderdrukkingen verwerpt; die zijne handen uitschudt, dat zij geene geschenken behouden; dio zijn oor stopt, dat hij geene bloedschulden hooro, en zijne oogen toesluit, dat hij het kwade niet aanzie: a Ps. 15: 2. 24 : 3. 16 Dio zal in de hoogten wonen, de sterkten der steenrotsen zullen zijn hoog vertrek zijn; zijn brood wordt hem gegeven, zijne wateren zijn gewis. 17 Uwe oogen zullen den Koning zien in zijne schoonheid; zij zullen oen ver gelegen land zien. 18 Uw hart zal de verschrikking overdenken, zeggende: Waar is de schrijver? waar is de be-taalsheer? waar is hij, die de torens telt? 19 Gij zult niet meer dat stuursche volk zien, het volk, dat zoo diep van spraak is, dat men het niet hooron kan, van belagchelijke tong, hetwelk men niet verstaan kan. 20 Schouwt Zion aan, de stad onzer bijeenkomsten: uwe oogen zullen Jeruzalem zion, eene geruste woonplaats, quot;eene tent, die niet ter neder geworpen zal worden, welker pinnen in |
|
040 der eeuwigheid niet zullen uitgetogen worden, en van welker zelen geene zullen verscheurd worden. « Ps. 4(5:0. 125: 1, '2. 21 Maar do IIeere zal aldaar bij ons heerlijk zijn, het zal zijn eeno plaats van rivieren, van wijde stroomen; geene roeischuit zal daar doorvaren, en geen treffelijk schip zal daar overvaren. 22 Want de Heeee is onze Regter, de Heere is onze Wetgever, de Heere is onze Koning; Hij zal ons behouden. 23 Uwe touwen zijn sla]) geworden, zij zullen hunnen mastboom niet kunnen regt stijf houden, zij zullen het zeil niet uitspannen; dan zal de roof van eenen overvloedigen buit uitgedeeld worden, ze/fn zullen de lammen den roof rooven. 24 En geen inwoner zal zeggen : Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongeregtigheid hebben. HOOFDSTUK 34. Verdelging van de vijanden van Gods Kerk, vs. 2; onder den naam der Edomieten, 5; welker land zoo zou verwoest worden, dat het niet meer van menschen, maar van wild en verschrikkelijk gedierte zou bewoond worden, 10; en deze verwoesting zou van stuk tot stuk volkomen vervuld worden, 10; en eenwig duren, 17. NADERT, gij Heidenen! om te hooren, en gij volken! luistert toe; de aarde hoore, en hare volheid, de wereld en al wat daaruit voortkomt. 2 Want de verbolgenheid des Heeren is over al de Heidenen, en grimmigheid over al hun heir; Hij heeft hen verbannen. Hij heeft ze ter slagting overgegeven. 3 En hunne verslagenen zullen weggeworpen worden, en van hunne doode ligchamen zal hun stank opgaan; en de bergen zullen smelten van hun bloed. 4 En al het heir der hemelen zal quot; uitteren, en do hemelen zullen toegerold worden, gelijk een boek, en al hun heir zal afvallen, gelijk oen blad van den wijnstok afvalt, en gelijk eene vijfj afvalt van den vijgeboom. «Openb. 0:1.quot;., 14. 5 Want mijn zwaard is dronken geworden in den hemel; ziet, het zal ten oordeel nederdalen op Edom, en op het volk, hetwelk Ik verbannen heb. (! Het zwaard des Heeuen is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed der lammeren en der bokken, van het smeer der nieren van de rammen; want de quot; Heere heeft een slagtoffer te Bozra, en eene groote slagting in het land der Edomieten. a.Tes. 03: 1, 2. 7 En de eenhoornen zullen met hen afgaan, en de varren met de stieren; en hun land zal doordronken zijn van het bloed , en hun stof zal van het smeer vet gemaakt worden. 8 Want het zal zijn de dag der wraak des Heeren, een jaar der vergeldingen, om Zions twistzaak. |
9 En hunne beken zullen in pek verkeerd worden , en hun stof in zwavel; ja hunne aarde zal tot brandend pek worden. 10 Het zal des nachts of des daags niet uitge-bluscht worden, tot in der eeuwigheid zal quot;zijn rook opgaan; van geslacht tot geslacht zal het woest zijn, tot in eeuwigheid der eeuwigheden zal niemand daar doorgaan, aOpenb. 14:11. 19:3. 11 Maar quot; de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen: want Hij zal een rigtsnoer der woestigheid over hen trekken, en een rigtlood der ledigheid, a.les. 13:21,22. Zof. 2:14. Openb. 18:2. 12 Hunne edelen (doch zij zijn er niet) zullen zij tot bet koningrijk roepen, maar al hunne vorsten zullen niets zijn. 13 En in hunne paleizen zullen doornen opgaan, netelen en distelen in hunne vestingen; en het zal eene woning der draken zijn, eene zaal voor de jongen der struisen. 14 En de wilde dieren der woestijnen zullen de wilde dieren der eilanden daar ontmoeten, en de duivel zal zijnen medgezel toeroepen; ook zal het nachtgedierte zich aldaar nederzetten, en het zal eene rustplaats voor zich vinden. 15 Daar zal de wilde meerle nestelen en leggen, en hare jongen uitbikken , en onder hare schaduw vergaderen; ook zullen aldaar de gieren met elkander verzameld worden. 10 Zoekt in het boek des Heeren, en leest; niet een van dezen zal er feilen, het eene noch het andere zal men missen: want mijn mond zelf heeft het geboden, en zijn Geest zelf zal ze zamenbrengen. 17 Want Hij zelf heeft voor hen het lot geworpen, en zijne hand hoeft het hun uitgedeeld met het rigtsnoer: tot in der eeuwigheid zullen zij dat erfelijk bezitten, van geslacht tot geslacht zullen zij daarin wonen. HOOFDSTUK 35. (iroote vreugde aller schepselen met Gods Kerk over de verlossing door Christus, vs. 1. Vermaning aan de leeraars, dat zij de verslagenen van gemoed hiermede zouden troosten, 3. Wonderen, die de Messias zou doen, 5. Verder verhaal van den staat en den vrede van hot volk des Heeren, 8. DE woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeijen als eene roos. 2 Zij zal lustig bloeijen, en zich verheugen, ja met verheuging, en juichen: de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid des Heeren, hot sieraad onzes Gods. 3 quot; Versterkt do slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast. a Hebr. 12:12. 4 Zegt den onbedachtzamen van harte: Weest sterk, en vreest niet; ziet, ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods, Hij zal komen en ulieden verlossen. 5 Alsdan zullen quot; der blinden oogen opengedaan JESAJA 33, 34, 35. |
JESAJA 35, 36.
641
|
worden, en ''der dooven oorcn zullen geopend worden. a Matt. 9:27. 11:5. 12:22. 20:30. 21 :14. Joh. 9 : (i. b Matt. 11 : 5. Mark. 7 : 32. 6 Alsdan zal quot; de kreupele springen als een hert, en '' de tong des stommen zal juichen: want in de woestijn zullen ' wateren uitbarsten, en beken in de wildernis. a Matt. 11 : 5. 15 : 30. 21 : 14. Joh. 5 : 8, 9. Hand. 3 : 2. 8:7. 14:8. b Matt. 9:32, 12:22. 15:30. cJoh. 7:38,39. 7 En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders dei-wateren; in do woningen der draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn. 8 En aldaar zal eene verhevene baan, en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden: de onreine zal er niet doorgaan, maar hij zal voor dezen zijn; die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen. 9 Er zal geen leeuw zijn, en geen verscheurend gedierte zal daarop komen, noch aldaar gevonden worden; maar de verlosten zullen daarop wandelen. 10 En de vrijgekochten des Heeren zullen we-derkeeren, en tot Zion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; quot;vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden. a Openb. 21 : 4. HOOFDSTUK 36. Sanherib valt in Juda, vs 1 ; zendt Rabsake, ilio den koning llizkia en het volk door godslasterlijke redenen tot wantrouwen aan God en afval tot Sanherib zoekt te bewegen, 2. Verg. 2 Kon. 18, van vs. 13, on 2 Kron. 32, vs. 1 , enz. EN het geschiedde in het veertiende jaar van den koning van Hizkia, dat Sanherib, de koning van Assyrië', optoog tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in. 2 En de koning van Assyrië zond Rabsake van Lachis naar Jeruzalem tot den koning Hizkia, met een zwaar heir; en hij stond aan den watergang des oppersten vijvers, aan den hoogen weg van het veld des vollers. 3 Toen ging tot hem uit Eljakim, de zoon van llilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier. 4 En Rabsake zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zoo zegt de groote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmede gij vertrouwt ? 5 Ik mogt zeggen: (doch het is een woord der lippen) er is raad en magt tot den oorlog; op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij rebelleert? 6 Zie, gij vertrouwt op dien a gebrokenen rietstaf, op Egypte; op denwelken zoo iemand leunt, zoo zal hij in zijne hand gaan en die doorboren: alzoo is Faraö, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen. «Ezec. 29:6, 7. 7 Maar zoo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den Heere, onzen God; is Hij die niet, wiens hoogten en wiens altaren Hizkia weggenomen i |
heeft, en die tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult gij u nederbuigen? 8 Nu dan, wed tocli met mijnen heer, den koning van Assyrië: en ik zal u twee duizend paarden geven, zoo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven. 9 Hoe zoudt gij dan het aangezigt van een' eenigen vorst, van de geringste knechten mijns heeren, afkeeren? Maar gij vertrouwt op Egypte, om de wagenen en om de ruiteren. 10 En nu, ben ik zonder den Heere opgetogen tegen dit land, om dat te verderven? De Heere heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het. 11 Toen zeide Eljakim, en Sebna, en Joah tot Rabsake; Spreek toch tot uwe knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel; en spreek niet met ons in het Joodsch, voor do ooren des volks, dat op don muur is. 12 Maar Rabsake zeide: Heeft mijn heer mij tot uwen hoor en tot u gezonden, om deze woorden te spreken ? is het niet tot de mannon, die op den muur zitten, dat zij met ulieden hunnen drek eten, en hunne pis drinken zullen? 13 Alzoo stond Rabsake, en riep mot luider stom in het Joodsch, en zeide: Hoort de woorden dos grooten konings, des konings van Assyrië! 14 Alzoo zegt de koning: Dat Hizkia u niet bedrioge, want hij zal u niet kunnen redden. 15 Daartoe, dat Hizkia u niet doe vertrouwen op don Heere, zeggende: De Heere zal ons zekerlijk redden; deze stad zal niet in de hand des konings van Assyrië gegeven worden. 16 Hoort naar Hizkia niet; want alzoo zegt do koning van Assyrië: Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijnen wijnstok, en oen ieder van zijnen vijgeboom, en drinkt een ieder het water zijns bornputs; 17 Totdat ik kom en u haal in een land, als uliodor land is, oen land van koren en van most, een land van brood en van wijngaarden. 18 Dat Hizkia ulieden niet verleide, zeggende: De Heere zal ons redden; hebben de goden der volken, oen ieder zijn land, gered uit de hand des konings van Assyrië? 19 Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaïm? Hebben zij ook Samaria van mijne hand gered? 20 Welke zijn ze onder al de goden dezer landen, die hun land uit mijne hand gered hebben, dat de Heere Jeruzalem uit mijne hand redden zou? 21 Doch zij zwegen stil, en antwoordden hem niet een woord: want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden. 22 Toen kwam Eljakim, de zoon van llilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia met gescheurde kleederen; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen. |
41
JESAJA 37.
042
|
HOOFDSTUK 37. I (izkia treurt en laat don profeet Jesaja verzoeken tot (loei te bidden, vs. 1. Jesaja troost en sterkt den koning Hizkia met Gods woord, 6. Sanherib, hoo-rende, dat do koning der Mooren kwam om tegen hom to strijden, zendt weder boden tot Hizkia met godslasterlijke brieven, 9; waarop Hizkia in het huis des Heeren een zeer vurig gebed doet, 14; en ontvangt door Jesaja een zeer troostelijk antwoord van God, 21. Gods engel slnat de Assyriërs, 30. Sanherib wordt te Nineve van zijne oigono zonen omgebragt, 37, 38. Verg. 2 Kon. 19. EN het geschiedde, als de koning Hizkia dat hoorde, zoo scheurde hij zijne kleederen, eu bedekte zich met eenen zak, on ging in hot huis des Heeren. 2 Daarna zond hij Eljakim, den hofmeester, en Sebna, den schrijver, en de oudsten der prieste-ren , met zakken bedekt, tot Jesaja, don profeet, den zoon van Amoz; 3 En zij zeiden tot hem: Alzoo zegt Hizkia: Deze dag is een dag der benaauwdheid, en der schelding, en der lastering: want do kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geene kracht om te baren. 4 Misschien zal de IIeere, uw God, hooren de woorden van Rabsake, denwelken zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om den levenden God te honen, en te schelden mot woorden, die de IIeere, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt. 5 En de knechten van den koning Hizkia kwamen tot Jesaja. 6 En Jesaja zoido tot hen: Zoo zult gijlieden tot uwen heer zeggen: Zoo zegt do Heere : Vrees niet voor do woorden, die gij gehoord hebt, waarmede Mij de dienaars des konings van Assyrië gelasterd hebben. 7 Zie, Ik zal eenen geest in hom geven, dat hij een gerucht hooron zal, en weder in zijn land keeren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen. 8 Zoo kwam Rabsake weder, en hij vond don koning van Assyrië strijdende tegen Libna: want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was. !) Als hij nu hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Hij is uitgetogen, om tegen u te strijden; toen hij zulks hoorde, zoo zond hij â weder boden tot Hizkia, zeggende: 10 Zoo zult gijlieden spreken tot Hizkia, den koning van Juda, zeggende: Laat u uwen God niet bedriegen, op welken gij vertrouwt, zeggende : Jerüzalem zal in do hand des konings van Assyrië niet gegeven worden. II Zie, gij hebt gehoord, wat de koningen van Assyrië aan allo landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt gij gered worden? 12 Hebben de goden der volken, die mijne vaders verdorven hebben, dezelve gered? als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren ? |
13 Waar is de koning van Hamath? en de koning van Arpad ? en de koning der stad Sofarvaïm, Hena en Ivva? 14 Als nu Hizkia de brieven uit der boden hand ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis dos Heeren; en Hizkia breidde die uit voor hot aangezigt des Heeren. 15 En Hizkia bad tot don Heere, zeggende: 10 O Heere der hoirscharen. Gij God van Israël, die tusschen de cherubim woont! Gij zelf. Gij alleen zijl; de God van alle koningrijken dor aarde. Gij hebt don hemel en de aarde gemaakt! 17 O Heere! neig uw oor en hoor, Heere! doe uwe oogen open, en zie; en hoor al do woorden van Sanherib, die gezonden hoeft om den levenden God te honen. 18 Waarlijk, IIeere! hebben de koningen van Assyrië al do landen, mitsgaders derzelver landerijen verwoest; 19 En hebben hunne goden in het vuur geworpen: want zij waren geene goden, maar het werk van menschonhanden, hout en stoon; daarom hebben zij die verdorven. 20 Nu dan, Heere , onze God! verlos ons uit zijne hand, zoo zullen alle koningrijken der aarde weten, dat Gij alleen de Heere zijt. 21 Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, om te zeggen: Alzoo zegt de Heere, do God Israëls: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrië, heb Ik ychoord. 22 Dit is hot woord, dat de Heere over hom gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Zion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jerüzalem schudt hot hoofd achter u. 23 Wien hebt gij gehoond, en gelasterd ? en tegen wion hebt gij de stem verheven, en uwe oogen omhoog opgeheven ? Tegen den Heilige Israëls! 24 Door middel uwer dienstknechten hebt gij den Heere gehoond, en gezegd: Ik heb met do menigte mijner wagenon beklommen de hoogte der bergen, de zijden van Libanon; en ik zal zijne hooge coderboomon en zijne uitgelezene denneboomen afhouwen; en zal komen tot zijne uiterste hoogte, in het woud zijns schoonen velds. 25 Ik heb gegraven en de wateren gedronken; en ik heb met mijne voetzolen alle rivieren dor belegerde plaatsen verdroogd. 20 Hebt gij niet gehoord, dat Ik zulks lang te voren gedaan heb? en dat van oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn, om de vaste steden te verstoren tot woeste hoopen. 27 Daarom waren hare inwoners handeloos, zij waren verslagen en beschaamd: zij waren «/shot gras des velds en de groene grasscheutjes, als het hooi der daken, en het brandkoren, eer hot over einde staat. 28 Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij. 29 Om uw woeden tegen Mij, en dat uwe woe- |
JESA.IA 37, 3«.
(gt;43
|
ling voor mijne ooren opgekomen is, zoo zal Ik mijnen haak in uwen neus leggen, en mijn gebit in uwe lippen, en Ik zal u doen wederkeeren dooi' dien weg, door denwelken gij gekomen zijt. 30 En dat zij u een teoken, dat men in dit jaar, wat van zelf gewassen is, eten zal, en in het tweede jaar, wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hunne vruchten. 31 Want het ontkomene, dat overgebleven is van hot huis van Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en het zal opwaarts vrucht dragen. 32 Want van Jeruzalem zal liet overblijfsel uitgaan, en bet ontkomeno van don borg Zion: quot;de ijver dos Heeren der heirscharen zal dit doen. a'2 Kon. 19:31. .los. !):(!, 33 Daarom zoo zegt de IIeehe van den koning van Assyriö: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar oenen pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geenen wal daartegen opwerpen. 34 Door don weg, dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de Heere. 35 Want quot; Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om mijnentwil, en om Davids, mijns knechts wil. a 2 Kon. 20:0. 36 a Toen voer de engel dos Heeren uit, en sloeg in bet leger van Assyriö honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich dos morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren doode ligchamen. a 2 Kon. 19:35. 37 Zoo vertrok Sanherib, de koning van Assyriö, en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Nineve. 38 Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijnen god, zich noderboog, dat Adra-mélech en Sarézer, zijne zonen, hem met bet zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in hot land van A'rarat; en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijne plaats. HOOFDSTUK 38. Ilizkfa zeer krank zijnde, wordt door Josaja den dood aangezegd, vs. 1; maar op zijn klagend gebed verkrijgt hij verlenging van vijftien jaren levens. God geeft hem hiervan verzekering door een bijzonder wonderteeken, 4. Gebed en lofzang van Hizkia tot God, 9. Verg. 2 Kon. 20 en 2 Kron, 32:24. IN die dagen word Hizkia krank tot stervens toe; en do profeet Jesaja, do zoon van Amoz, kwam tot hem, en zeide tot hem: Alzoo zegt do Heere: Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven, en niet leven. 2 Toen koorde Hizkia zijn aangezigt om naar den wand, en hij bad tot den Heere, 3 En hij zeide: Och Heere! gedenk toch, dat ik voor uw aangezigt in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in uwe oogon is gedaan hob. En Hizkia weende gansch zeer. |
4 Toen geschiedde het woord des Heeren tot Jesaja, zeggende: 5 Ga henen, en zeg tot Hizkia: Zoo zegt de Heere, de God van uwen vader David: Ik heb uw gebed gehoord. Ik heb uwe tranen gezien; zie. Ik zal vijftien jaren tot uwe dagen toedoen; 6 En Ik zal u uit do hand des konings van Assyriö verlossen, mitsgaders deze stad; en Ik zal deze stad beschermen, 7 En dit zal u een toeken zijn van don Heere, dat de Heere hot woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal: 8 Zie, Ik zal de schaduw der graden, die mot de zon in de graden van Achaz zonnewijze?' nederwaarts gegaan is, tien graden achterwaarts doen koeren. Dies is do zon tien graden teruggekeerd, in de graden, die zij nederwaarts gegaan was. 9 Dit is het schrift van Hizkia, koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijne ziekte genezen was. 10 Ik zeide: Van woge do afsnijding mijnor dagen, zal ik tot do poorten dos grafs heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren. 11 Ik zeide: Ik zal den Heere niet meer zien, den Heere , in het land der levenden; ik zal do menschen niet moor aanschouwen met do inwoners der wereld. 12 Mijn levenstijd is weggetogen, on van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn loven afgesneden, gelijk oen wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, nln van den drom; van den dag tot don nacht znlt Gij mij ton einde gobragt hebben. 13 Ik stolde mij voor tot den morgenstond toe; gelijk oen leeuw, alzoo zal Ilij al mijne beenderen breken; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gobragt bobben. 14 Gelijk eene kraan of zwaluw, alzoo piepte ik; quot; ik kirde als eono duif; mijne oogen verhieven zich omhoog; o Heere! ik word onderdrukt, wees Gij mijn borg. a Jon. 59: 11. 15 Wat zal ik spreken? Gelijk Hij hot mij heeft toegezegd, alzoo heeft Hij hot gedaan; ik zal n?/, al zoetjes voorttredon al mijne jaren, van wego do bitterheid mijner ziel. 16 Heere! bij doze dingen loeft men, on in dit alles is hot loven van mijnon geest; want Gij hebt mij gezond gemaakt on mij genezen. 17 Zio, in vrede is mij do bitterheid bittor geweest; maar Gij hebt mijne ziel liefelijk omhelsd, dat zij in do groeve dor vertering niet kwamo: want (lij hebt al mijne zonden achter uwen rug geworpen. 18 Want hot graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in don kuil nederdalen, zullen op uwe waarheid niet hopen. 19 De lovende, de lovende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen uwe waarheid bekend maken. 20 De Heere was gereed om mij te verlossen; 41* |
JESAJA :18, 39, 40.
044
|
daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen, al de dagen onzes levens, in het luiis des Heehen. '21 Jesaja nu had gezegd: quot; Laat men nemen eenen klomp vijgen, en tot eene pleister op het gezwel maken, en hij zal genezen, a2 Kon. 20:7. 22 En llizlda had gezegd: Welk zal hot teeken zijn, dat ik ten huize des Heehen zal opgaan? HOOFDSTUK 39. Do koning van Bahel zendt gezanten met brieven en oen geschenk aan llizlda, vs. 1; die hnn al zijne schatten toont, 2; waarover Jesaja hein aanspreekt on de babylonisehe gevangenis voorzegt, 3. Verg. 2 Kon. 20 vs. 12, enz. TE dier tijd zond Me-ródach Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Bahel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord, dat hij krank geweest en weder sterk geworden was. 2 En Hizkia verblijdde zich over hen, en hij toonde hun zijn schat-bnis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn gansche wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijne schatten: er was geen ding in zijn huis, noch in zijne gansche heerschappij, dat Hizkia hun niet toonde. 3 Toen kwam de profeet Jesaja tot den koning Hizkia, en zeide tot hem: Wat hebben die mannen gezegd , en van waar zijn zij tot u gekomen? En Hizkia zeide: Zij zijn uit verren lande tot mij gekomen, uit Babel. 4 En hij zeide: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkia zeide: Zij hebben alles gezien, wat in mijn huis is; geen ding is er in mijne schatten, dat ik hun niet getoond heb. 5 Toen zeide Jesaja tot Hizkia: Hoor het woord des Heehen der heirscharen. (! Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uwe vaders opgelegd hebben tot een' schat tot op dezen dag, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegtdellEERE. 7 Daartoe zullen zij van uwe zonen, die uit u zullen voortkomen, die gij gewinnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in hot paleis des konings van Babel. |
8 Maar Hizkia zeide tot Jesaja: Hot woord des Heehen, dat gij gesproken hebt, is good. Ook zeide hij: Doch het zij vrede en waarheid in mijne dagen! HOOFDSTUK 40. Profetie van do komst van Christus en do prediking van het II. Evangelie, vs. 1; door Johannes den Dooper en de Apostelen, 3. Do kracht van Gods woord, 4. Wat de verkondigers van het woord zouden prediken, G. Kracht on wijsheid des Hoeren in do regering der wereld, 12; dien men niet kan noch mag afbeelden, 18. Dwaasheid der afgodendienaars, 19. Nietigheid van alle groeten dezer wereld, 23. Bestraffing dergenen, die klagen dat God hen niet kan noch wil beschermen, 26. TROOST, troost mijn volk, zal ulieder God zeggen. 2 Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat hare on-geregtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heehen dubbel ontvangen heeft voor al hare zonden. 3 quot; Eene stem des roependen in do woestijn: Bereidt den weg des Heehen, maakt regt in de wildernis eene baan voor onzen God! a Matt. 3 : 3. Mark. 1: 3. Luk. 3 : 4. Joh. 1 : 23. 4 Alle dalon zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal regt, en wat hobbelach-tig is, dat zal tot eene vallei gemaakt worden. 5 En quot; do heerlijkheid des Heehen zal geopenbaard worden; en alle vleesch te gelijk zal zien, dat het de mond dos Heehen gesproken heeft. a.loh. 1:14. G Eene stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? quot;Alle vleesch is gras, en al zijne goedertierenheid als eene bloem des velds. «Job 14:2. Ps. 90:5, G. 102:12. 103:15. Jakob. 1 :10. 1 Potr. 1 : 24. 7 Het gras verdort, de bloem valt af, als do Geest des Heehen daarin blaast; voorwaar het volk is gras. 8 Het gras verdort, de bloem valt af; maar het quot; woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid. a 1 Potr. 1: 25. 9 O Zion, gij verkondigster van goede boodschap! klim op eenen hoogen berg; o Jeruzalem, |
JESAJA 40, 41.
645
|
gij verkondigster van goede boodschap! lief uwe stem op met magt, hef ze op, vrees niet, zeg der steden van Juda: Zie, hier is uw God! 10 Ziet, de Heere EIeeke zal komen togen den sterke, en zijn arm zal heerschen; ziet, quot;zijn loon is bij Hem, en zijn arbeidsloon is voor zijn aangezigt. a.Tes, 62 : 11. 11 Hij zal a zijne kudde weidon gelijk een herder; Hij zal de lammeren in zijne armen vergaderen, en in zijnen schoot dragen; de zogenden zal Hij ''zachtjes leiden. «Enoc. 34:23, 24. Mioha 7:14. Joh. 10 :11. h Jos. 49 : 10. 12 Wie heeft de wateren met zijne vuist gemeten? en van de hemelen met de span de maat genomen? en heeft met oenen drieling het stof der aarde begrepen? en de bergen gewogen in eeno waag, en de heuvelen in eeno weegschaal? 13 quot; Wie heeft den Geest dos Heeren bestierd, en trie heeft Hem als zijn raadsman onderwezen? a Kom. 11 : 34. 1 Oor. 2: 16. 14 Men wien hoeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hom zou loeren van het pad des regts? en Hem wetenschap zou loeren, en Hom zou bekend maken den weg des veolvoudigen verstands ? 15 Ziet, do volken zijn geacht als een druppel van eenon emmer, en als een stofje van do weegschaal; ziet. Hij werpt do eilanden honen als dun stof! 16 En de Libanon is niet genoegzaam om te branden, en zijn gedierte is niet go- noogzaam ten brandoffer. 17 Alle volken zijn als niets voor Hem; en zij worden bij Hom geacht mindor dan quot;niet on ijdolheid. «Dan. 4:35. 18 quot; Bij wien dan zult gij God vergelijken? of wat gelijkenis zult gij Hem toepassen? a Jes. 40 : 5. Hand. 17 : 29. 19 De werkmeester giet een beeld, en do goudsmid overtrekt hot met goud, en giet er zilveren kotenen toe. 20 Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiost een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich eenen wijzen werkmeester, om eon beeld te bereiden, dat niet wankele. 21 Weet gijlieden niet? hoort gij niet? is hot u van don beginne aan niet bekend gemaakt? hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet? 22 Hij is hot, die daar zit boven don kloot dolaarde, en derzelvor inwoners zijn als sprinkhanen; |
Hij is het, die quot; de hemelen uitspant als oenen dunnen dook, en breidt zo uit als oone tont, om te bewonen; n Job 9 : 8. I's. 104 : 2. Jes. 44 : 24. 23 Die de quot; vorsten te niet maakt; de dor aarde maakt Hij tot ijdolheid. «Job 12 : 21. Ps. 24 Ja zij worden niet geplant, ja zij niet gezaaid, ja hun afgehouwen stam niet in de aarde; ook als Hij op hen blazen zal, zoo zullen zij verdorren, en een stormwind zal hen als oenen stoppol wegnemen. 25 Bij wien dan zult gijlieden Mij vergelijken, dien Ik gelijk zij ? zegt do Heilige. 26 Heft uwe oogen op omhoog, on ziet, wie deze dingen geschapen hooft; die in getal hun heir voortbrengt; die zo alle bij name roept, van wege do grootheid zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is, er wordt er niet een gemist. 27 Waarom zegt gij dan, o Jakob! on spreekt, o Israël! mijn weg is voor den Heere verborgen, en mijn regt gaat van mijnen God voorbij ? 28 Weet gij het niet? hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de Heere, do Schepper van de einden dor aarde, noch moede noch mat wordt ? Er is quot; goeno doorgronding van zijn vorstand. a Ps. 147 : 5. 29 Hij gooft don mooden kracht, en Hij vermenigvuldigt do sterkte dien, die geone krachten hoeft, 30 De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen; 31 Maar die don Heere de kracht vernieuwen, zij verwachten, zullen zullen opvaren met vleugelen, gelijk do arenden; zij zullen loopen, en niet moede worden, zij zullen wandelen, on niet mat worden. HOOFDSTUK 41. Do Heere daagt allo afgodendienaars voor het rogt, vs. I; Hij spreekt voorts van Abraham, mot wolken God oen verbond heeft opgerigt en wien llij heerlijke overwinningen gegeven hooft, 2; waarover de Heidenen zioh ontzetten, 5; doch volhard hebben in hunne afgoderij, 6, Vriendelijke aanspraak Gods aan de vrome Israëlieten, 8; met belofte, dat Hij hen zou verlossen, 10; verdelgende hunne vijanden, 11; on zegenende de geloovigen, 17, Aanspraak Gods aan de afgodendienaars, 21. Verlossing om dos Messias wil, 25. ZWIJGT voor mij, gij eilanden! en laat de volken do kracht vernieuwen; laat ze toetreden. rigters 107: 40. worden wortelt |
JESAJA 41, 42.
|
laat zo dan spreken: laat ons zamon ton gerigte naderen. 2 Wie heeft van den opgang dien regtvaardige verwekt? heeft hem geroepen op zijnen voot? do Heidenen voor zijn aangezigt gegeven, en gemaakt, dat hij over koningen hoerschte? heeft ze zijnen zwaarde gegeven als stof, zijnen boog als eenon voortgedrevenen stoppel ? :! Dat hij ze najaagde en doortrok met vrede, door oen pad, hetwelk hij met zijne voeten niet gegaan had? 4 Wie heeft dit gewrocht on gedaan, roepende de geslachten van don beginne? Ik, de Heere, quot; die de eerste ben, en mot do laatste ben Ik dezelfde. nJos. 43:10. 44;(). 48; 12. üpenb. 1:17. 22:13. 5 Do oilandon zagen hot, en zij vreesden; de einden der aarde beefden; zij naderden on kwamen toe: G Do oen hielp den ander, en zoido tot zijnen medgezel: Wees sterk! 7 En do werkmeester versterkte don goudsmid; die met den hamer glad maakt, dien, dio op het aanbeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Hot is goed; daarna maakt hij het vast mot nagelen, dat hot niet wankele. 8 Maar gij, Israël, mijn knecht! gij Jakob, quot; dien Ik vorkoren heb! het zaad van Abraham, mijnen ''liefhebber! a Deut. 7:0. 10:15. 14:2. Ps. 135:4. .los. 43 : 1. 44 : 1. h 2 Kron. 20 : 7. Jakob. 2 : 23. 'J Gij, welken Ik gegrepen heb van de einden der aarde, en uit hare bijzonderste geroepen bob; en zoido tot u: Oij zijt mijn knecht, u heb Ik uitverkoren, en heb u niet verworpen. 10 Vrees niet, want Ik bon mot u, zijt niet verbaasd, want Ik bon uw God; Ik sterk u, ook holp Ik u, ook ondersteun Ik u met do regter-liand mijnor gorogtighoid. 11 Ziet, quot;zij zullen beschaamd on te schande worden, allen, dio tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niet, en die lieden, dio mot u twisten, zullen vergaan. «Ex. 23:22. Jos. 00:12. Zach. 12:3. 12 Gij zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden; do lieden, dio mot u kijven, zullen worden als niet, on dio lieden, die met u oorlogen , als eon nietig ding. 13 Want Ik, de Heere, uw God, grijp uwe rogterhand aan, dio tot u zog: Vrees niet. Ik help u. 14 Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israels! Ik help u, spreekt de Heere , en uw Verlosser is do Heilige Israels! 15 Ziet, Ik hob u tot eeno scherpe nieuwe dorschsledo gesteld, dio scherpe pinnen hooi') ; gij zult bergen dorschon en vermalen, en heuvelen zult gij stellen quot;gelijk kaf. «Jes. 17 : 13. 29:5. 16 Gij zult zo wannen, en de wind zal zo wegnomen , en de stormwind zal ze vorstrooijen; maar gij zult u verheugen in den Heere, in den Heilige Israels zult gij u beroemen. |
17 De ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar er is geen, hunne tong quot;versmacht van dorst; Ik, de Heere, zal hen verhooren. Ik, de God Israels, zal hen niet verlaten. a Matt. 5:0. 18 Ik quot; zal rivieren op de hooge plaatsen openen , en fonteinen in het midden dor valloijon; ''Ik zal de woestijn tot eenon waterpoel zetten, en het dorre land tot watertogten. a Jos. 35 : 7. 44 : 3. h Ps. 107 : 35. 1!) Ik zal in do woestijn den cederboom, den sittimboom, en den mirteboom, on den olieachti-gon boom zotten; Ik zal in do wildernis stellen den denneboom, den beuk, en den busboom te golij k; 20 Opdat zij zien, en bekennen, en overleggen, en te gelijk verstaan, dat do hand des Heeren zulks gedaan, en dat do Heilige Israels zulks geschapen heeft. 21 Brengt ulieder twistzaak voor, zegt de Heere; brengt uwe vaste bewijsredenen bij, zegt de Koning van Jakob. 22 Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen; verkondigt do vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen, en het einde daarvan weten; of doet ons do toekomende dingen hooren. 23 Verkondigt dingen, die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat gij goden zijt; ja doet goed, en doet kwaad, dat wij verbaasd staan, en te zamon toezien. 24 Ziet, gijlieden zijt minder dan niot, en ulieder werk is erger dan eeno adder; hij is een gruwel, die ulioden verkiest. 25 Ik verwek eenen van het noorden, en hij zal komen van don opgang dor zon, hij zal mijnen naam aanroepen; en hij zal komen over de overheden als over leem, on gelijk oen pottenbakker hot slijk treedt. 20 Wie heeft wat verkondigd van den beginne aan, dat wij hot weten mogen, of van to voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rogvaardig; maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die ivat hooron doet, ook niemand, dio ulieder woorden hoort. 27 Ik de eerste zcy tot '/Aon: Zie, zie ze daar! en tot Jeruzalem: Ik zal eenen blijden boodschapper geven. 28 Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder dozen, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, on zij Mij antwoord geven zouden. 2!) Ziot, zij zijn altemaal ijdolhoid, hunne werken zijn oen niotig ding, hunne gegotene beelden zijn wind, on een ijdel ding. HOOFDSTUK 42. Profetie van de komst van den Messias, wat zijn ambt zij en hoe Hij zich daarin zal gedragen, vs. 1. Bij-stand, welken hem de Heere zal verleonen, 5; die oen jaloersch God is, 8; en alles te voren weet, 9. Vermaning tot dankzegging voor do ontvangene |
JESAJA 42, 43. 647
|
welclaclen, 10; ook aan bekeerde Heidenen, 11; daar do iloere al hunne vijanden zal overweldigen, 13. Voorts profetie van de roeping der Heidenen, l(i; en straf der afgodendienaars, 17. Woeklagt over do verstoktheid der .loden, zoo van liet volk als van de priesters, 19; en hunnen ellendigen staat, 22; van wego hunne zonden, 24; en vorhardhoid, 25. ZIET, mijn knecht, dien Ik ondersteun, mijn uitverkorene, in denwelken mijne ziel quot;oen welbehagen heeft! 6 Ik heb mijnen Geest op hem gegeven; hij zal hot regt den Heidenen voortbrengen. a Matt. 3:7. 17:5. Efoz. 1: G. h Jes. 11 : 2. .loh. 3 : 34. 2 Hij zal niot schreeuwen, noch zijne stem verheffen, noch zijne stem op do straat hoor en laten. 3 Het gekrookte riet zal hij niet verbreken, en de rookende vlaswiek zal hij niet uitblusschen; niet waarheid zal hij hot regt voortbrengen. 4 Hij zal niet verdonkerd worden, en hij zal niet verbroken worden, totdat hij het regt op aarde zal hebben besteld; en do eilanden zullen naar zijne leer wachten. 5 Alzoo zegt God, de Heere, die do hemelen geschapen, en dezelve uitgebreid heeft, die do aarde uitgespannon heeft, on wat daaruit voortkomt ; die den volke, dat daarop is, don adem geeft, en den geest dengenen, die daarop wandelen: (! Ik, de Heere, hob u geroepen in geregtigheid, en Ik zal u bij uwe hand grijpen; en Ik zal u behoeden, on Ik zal u geven tot een verbond des volks, tot een licht der Heidenen; 7 Om te openen de blinde oogen, om de gebon-denen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten. 8 Ik ben de Heere, dat is mijn naam; en quot;mijne eer zal Ik geen' anderen geven, noch mijnen lof den gesnedenen beelden, a .les. 48:11. 9 Ziet, de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig Ik, oer dat zij uitspruiten doe Ik ulieden die hooren. 10 quot;Zingt den Heere een nieuw lied, zijnen lof van hot einde der aarde; gij, die ter zeo vaart, en al wat daarin is, gij eilanden en hunne inwoners! a Ps. 33:3. 11 Laat de woestijn en hare steden de stem verheffen, met de dorpen, die Kedar bewoont; laat hen juichen, die in de rotssteenen wonen, en van den top der bergen af schreeuwen. 12 Laat ze den Heere de oor geven, en zijnen lof in do eilanden verkondigen. 13 De Heere zal uittrekken als oen hold; Hij zal den ijver opwekken als een krijgsman; Hij zal juichen, ja Hij zal een groot getier maken; Hij zal zijne vijanden overweldigen. 14 Ik heb van ouds gezwegen, Ik heb Mij stil gehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen, als eeno, die baart. Ik zal zo verwoesten, en to zamen opslokken. |
15 Ik zal bergen en heuvelen woest maken, en al hun gras zal Ik doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdroogen. 16 En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal zo doen treden door do paden, die zij niot geweten hebben ; Ik zal do duisternis voor hun aangezigt ten licht maken, en quot; hot kromme tot regt: deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal bon niot verlaten. aJes. 40:3, 4. 17 Maar die zich op gesnedene boeiden verlaten, die tot de gegotene beelden zeggen: Gij zijt onze goden; « die zullen achterwaarts koeren en mot schaamte beschaamd worden. a Ps. 97 : 7. Jes. 1 : 29. 44 : 11. 45 : 10. 18 Hoort, gij dooven! en schouwt aan, gij blinden! om to zien. 19 Wie is er blind als mijn knecht, on doof, gelijk mijn bode, dien Ik zonde? Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk do knecht des Heeren? 20 Gij ziet wel vele dingen, maar quot;gij bewaart ze niet; oïschoon hij de ooron opendoet, zoo hoort hij toch niet. a Rom. 2:2, enz. 21 De Heere had lust aan hem, om zijner geregtigheid wil; hij maakte hem groot door de wet, en Hij maakte hem heerlijk. 22 Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk; zij zijn allen verstrikt in de holen, en verstoken in de gevangenhuizen; zij zijn tot oenen roof geworden, en er is niemand, die zo redt; tot eene plundering, en niemand zegt: Geeft ze weder. 23 Wie onder ulieden neemt zulks ter ooron ï wie merkt op en hoort, wat hierna zijn zal? 24 Wio heeft Jakob tot eeno plundering overgegeven, en Israël den roovers? Is het niet de Heere, Hij, tegen wien wij gezondigd hebben? want zij wildon niot wandelen in zijne wogen, en zij hoorden niet naar zijne wet. 25 Daarom heeft Hij over hen uitgestort de grimmigheid zijns toorns en do magt des oorlogs; en Hij heeft ze rondom in vlam gezet, doch zij merken hot niet; en Hij hooft zo iu brand gestoken , doch zij nemen het niot tor harte. HOOFDSTUK 43. God de Heere troost zijn volk met belofte van verlossing en bescherming, vs. 1; en vermeerdering zijner gemeente uit de Heidenen, 5. Hij bewijst, dat de afgoden der Heidenen ijdel zijn, 9; maar dat Hij alleen de ware en almagtige God is, 10; die zijn volk verkoren heeft, niet om hunne verdiensten, maar uit genade, 21. MAAR nu, alzoo zegt de Heere, uw Schepper, o Jakob! on uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik bob u bij uwen naam geroepen, gij zijt mijne. 2 Wanneer gij zult gaan quot;door hot water. Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niot overstroomon; wanneer gij door het vuur |
JESAJA 43, 44.
648
|
zult yaiui, zult gij niet verbranden, on do vlam zal u niet aansteken. a Ps. G6 : 12. li Want Ik bon de Heeke, uw God, do Heilige Israels, uw Heiland; Ik hob Egypte, Moorenland en Soba gegeven tot uw losgeld in uwe plaats. 4 Van toon af, dat gij kostelijk zijt geweest in mijne oogon, zijt gij verheerlijkt geweest, on Ik heb u liefgehad; daarom heb Ik monschen in uwe plaats gegeven, en volken in plaats van uwe ziel. 5 quot; Vrees niet, want Ik ben mot u; Ik zal uw zaad van den opgang brengen, on Ik zal u verzamelen van don ondergang. n Jes. 44 : 2. Jer. 30 : 10. 46 : 27. (i Ik zal zeggen tot hot noordon: Geef; en tot het zuiden: Houd niot terug; brong mijne zonen van verre, en mijne dochters van het einde der aarde; 7 Een' ieder, die naar mijnen naam genoemd is, en dien Ik geschapen heb tot mijne eer, dien Ik geformeerd heb, dien ik ook gemaakt heb. 8 Brengt voort hot blinde volk, hetwelk oogen heeft, en de dooven, die ooren hebben. 9 Laat al de Heidenen zamen vergaderd worden, en laat de volken verzameld worden, wie onder hen zal dit verkondigen ? Of laat hen ons doen booren de vorige dingen, laat hen hunne getuigen voortbrengen, opdat zij geregtvaardigd worden, en men het hoore en zegge: Hot is de waarheid. 10 Gijlieden zijt mijne getuigen, spreekt de Heeue, en mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve bon, quot; dat vóór Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal. a Jes. 41:4. 44:8. 45:21. Hos. 13:4. 11 Ik, Ik ben de Heere, en er is geen Heiland behalve Mij. 12 Ik heb verkondigd, on Ik heb verlost, en Ik heb het doen booren, en geen vreemd yod was onder ulieden; en gij zijt mijne getuigen, spreekt do Heere, dat Ik God bon. 13 Ook eer de dag was, ben Ik, en er is niemand, die uit mijne band redden kan; Ik zal werken, en quot;wie zal het keeren? «Jes. 14:27. 14 Alzoo zegt de Heere, uw Verlosser, do Heilige Israels: Om ulieder wil heb Ik naar Babel gezonden, en hob hen allen vlugtig doen nederdalen, te weten de Chaldeën, in de schepen, op welke zij juichten. 15 Ik ben de Heere, uw Heilige; do Schepper van Israël, ulieder Koning. 16 Alzoo zegt de Heere, die in de zee oenen weg, en in de sterke wateren een pad maakte; 17 Die wagenen en paarden, heir en magt voort-bragt: Te zamen zijn zij nedergelegen, zij zullen niot weder opstaan, zij zijn uitgebluseht, gelijk eene vlaswiek zijn zij uitgegaan. 18 Gedenkt der vorige dingen niet, en overlegt de oude dingen niet. |
li) Ziet, Ik zal «wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult gijlieden dat niot weten? Ja Ik zal in de woestijn oenen weg leggen, en rivieren in de wildernis; «Oponb. 21:5. 20 Het gedierte des velds zal Mij eeren, de draken en de jonge struisen: want Ik zal in de woestijn watoren geven, en rivieren in de wildernis, om mijn volk, mijnen uitverkorenen drinken te geven. 21 quot; Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen mijnen lof vertellen. «Luk. 1 :74, 75. 22 Doch gij hebt Mij niot aangeroepen, o Jakob! als gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israël! 23 Mij hebt gij niet gebragt het kleine vee uwer brandofferen, en met uwe slagtofferen hebt gij Mij niet geëerd; Ik heb u Mij niot doen dienen met spijsoffer, en Ik heb u niet vermoeid met wierook. 24 Mij hebt gij geen' kalmus voor geld gekocht, en mot het vette uwer slagtoffors hebt gij Mij niet gedrenkt; maar gij hebt Mij arbeid gemaakt met uwe zonden, gij hebt Mij vermoeid met uwe ongeregtigheden. 25 Ik, Ik bon het, die uwe overtredingen uitdelg, quot;om mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet. a Ezee, 86 : 22, enz. 26 Maakt Mij indachtig, 11 laat ons te zamen rigten, vertelt gij mve redenen, opdat gij moogt geregtvaardigd worden. «.les. 1:18. 27 Uw eerste vader heeft gezondigd, en uwe uitleggers hebben tegen Mij overtreden. 28 Daarom zal Ik do oversten des heiligdoms ontheiligen, en Jakob ten ban overgeven, en Israël tot beschimpingen. HOOFDSTUK 44. Verdere belofte van geestelijke weldaden, vs. 1. Do Heere bewijst, dat Hij oen waarachtig God is, (i; maar dat do afgoden ijdel en van geeno waarde zijn, gelijk luitme makers, 9; en die hen aanbidden, 17; God vermaant daarom de Joden Hem alleen aan te hangen, 21; zich tot Hem bokeerendo, 22. Voorts worden alle schopsclen opgewekt tot lof des llee-ren, 23. De Heere spreekt verder van zijne magt en daden, 24; bevestigende zijne beloften van hunne ligchamolijko en geestelijke verlossing, 26. MAAR hoor nu, quot; mijn knocht Jakob, on Israël, dien Ik verkoren heb! « Jes. 41 : 8. 43 : 5. Jer. 30 : 10. 46 : 27. 2 Zoo zegt de Heere, uw Maker, en uw Formeerder van den buik af, die u helpt: Vrees niet, o Jakob, mijn knecht, en gij Joschurun, dien Ik uitverkoren heb! 3 Want Ik quot; zal water gieten op do dorstigen, en stroomen op het drooge; Ik zal mijnen Geest op uw zaad gieten, en mijnon zegen op uwe nakomelingen. « Jes.35:7. Joel 2:28. Joh.7:38. Hand. 2:18. 4 En zij zullen uitspruiten tusschen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken. 5 Deze zal zeggen: Ik ben des Heeren; en die zal zich noemen met den naam van Jakob; en gene zal met zijne hand schrijven: Ik hen des |
JESAJA 44, 45.
649
|
Heeren; on zich toonoemen mot den naam van Israël. 6 Zoo zegt do Heere, de Koning van Israël, en zijn Verlosser, de Heere dor heirscharon: «Ik bon do eerste, on Ik ben do laatste, en behalve Mij is or goon God. « Jes. 41 : 4. 48 : 12. Oponb. 1 : 8, 17. 22 : 13. 7 En wie zal, gelijk als Ik, roepen on hot verkondigen, en het ordentlijk voor Mij stollen, sedert dat Ik oen eeuwig volk gestold heb ? en laat zo de toekomstige dingen, en die komen zullen, hun verkondigen. 8 Verschrikt niet, en vreest niet; heb Ik het u van toon af niet doen hooren en verkondigd ? Want gijlieden zijt mijne getuigen: quot; is er ook een God behalve Mij ? Immers is er goon andere rotsstoen: Ik kon er geonon ! «Dout. 4:35, 39. 32:39. 1 Sam. 2:2. Jos. 45:21. 9 Do formeerders van gosnodono beelden zijn al te zamon ijdolheid, en hunne gewenschto dingen doen geen nut: ja zij zolven zijn hunne getuigen: zij zien niet, on zij weten niet, daarom zullen zij beschaamd worden. 10 Wie formeert oenen God, en giet oen beeld, dat geen nut doet? 11 Ziet, al hunne medegenooten quot;zullen beschaamd worden, want do werkmeesters zijn uit do menschon: dat zij zich altomaal vergaderen, dat zij opstaan, zij zullen verschrikken, zij zullen te zamon beschaamd worden. a Ps. 97 : 7. Jes. 1: 29. 42 : 17. 45 : 10. 12 quot;De ijzersmid maakt oono bijl, en werkt in don gloed, en formeert hot mot hamers, on werkt hot mot zijnon sterken arm; ook lijdt hij honger, totdat hij krachteloos wordt, hij drinkt goon water, totdat hij aamochtig wordt. aJor. 10:3. 13 De timmerman trekt hot rigtsnoer uit, hij toekent hot af mot don draad, hij maakt het effen mot do schaven, en toekent het met don passer, on maakt hot naar do boeldtenis eens mans, naar de schoonheid van oen' monsch, dat het in het huis blijvo. 14 Als hij zich coderen afhouwt, zoo neemt hij oenen cypressonboom of oenen eik, en hij versterkt zich onder de boomon dos wouds; hij plant oenen olmboom, on de regen maakt dien groot. 15 Dan is hot voor don mensch om te verbranden, dan neemt hij daarvan, en warmt er zich bij; ook ontsteekt hij het, en bakt er brood bij: daarenboven maakt hij er oenen god van, en buigt zich daarvoor, hij maakt er oen gesneden beeld van, en knielt er voor neder. 16 Zijne helft brandt hij in het vuur, bij dc andere helft daarvan eet hij vloosch; hij braadt oon gebraad, en hij wordt verzadigd; ook warmt hij zich zolven, on hij zegt: Hei! ik ben warm geworden, ik heb het vuur gezien! 17 Hot overige nu daarvan maakt hij tot oenen god, tot zijn gesneden beeld; hij knielt er voor neder, en buigt zich, en bidt hot aan, on zogt: Red mij, want gij zijt mijn God! |
18 Zij weten niet, en verstaan niet, want hot heeft hunne oogen bestreken, dat zij niet zien, en hunne harten, dat zij niet verstaan. 19 En niemand van hen brengt het in zijn hart, on er is noch kennis noch verstand, dat hij zoggen zou: De helft daarvan bob ik verbrand in hot vuur, ja ook op de kolen daarvan heb ik brood gebakken, ik heb vloosch daarbij gebraden, en heb bet gegoten; en zou ik het overblijfsel daarvan tot oenen gruwel maken? zou ik neder-knielon voor hetgeen van oenen boom gekomen is? 20 Hij voedt zich mot asch, het bedrogen hart heeft hem ter zijden afgeleid; zoodat hij zijne ziel niet redden kan, noch zeggen: Is er niet oono leugen in mijne regterhand? 21 Gedenk aan deze dingen, o Jakob, en Israël! Want gij zijt mijn knecht. Ik iiob u geformeerd; gij zijt mijn knecht, Israël! gij zult van Mij niet vergoten worden. 22 Ik delg uwe overtredingen uit als oenen nevel, en uwe zonden als oono wolk: koor weder tot Mij, want Ik heb u verlost. 23 Zingt mot vreugde, gij hemelen! want de Heere heeft hot gedaan; juicht, gij benedenste doelen der aarde! gij borgen! maakt oon groot gedreun met vreugdogezang, gij bosschen, en allo geboomte daarin! want de Heere hoeft Jakob verlost, en zich heerlijk gemaakt in Israël. 24 Alzoo zogt de Heere, uw Verlosser, en die u geformeerd heeft van den buik af: Ik bon do Heere, die alles doet, quot;die don hemel uitbreidt, Ik alleen, en h die do aarde uitspant door Mij zolven. «Job 9:8. Ps. 104:2. i.los. 40:22. 42:5. 45:12. 25 Die de teekenon dor lougendichtors vernietigt, en do waarzeggers dol maakt; die de wijzen achterwaarts doet koeren, en die hunne wetenschap verdwaast. 26 Die hot woord zijns knechts bevestigt, en don raad zijnor boden volbrengt; die tot Jeruzalem zegt: Gij zult bewoond worden; en tot de steden van Juda: Gij zult herbouwd worden, en Ik zal hare verwoeste plaatsen oprigton. 27 Die tot de diepte zogt: Verdroog, en uwe rivieren zal Ik verdroogen. 28 Die van Cores zegt: Hij is mijn herder en hij zal al mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en tot don tempel: Word gegrond. HOOFDSTUK 45. Profetie, dat do koning Cyrus de stad Babel innemen on do Joden uit do gevangenis verlossen zou, vs. 1. Bestraffing der murmureerders tegon God, 9; Die ulmagtig is, 12. Hij belooft Cyrus zijnen bijstand, 13. Voorzegging van de bekeering der Heidenen, 14. Bedreiging over dc beeldenmakers, 16; en beeldon-vereerders, 20. De Heidenen worden geroepen en ge-noodigd, zich tot Christus te bekeeron, 22. Dc Heere voorzegt, dat Hij van alle volken zou gekend en geëerd worden, 23. |
JESAJA 45, 46.
(550
|
ALZOO zoyt do Heere tot zijnen gezalfde, tot Cores, wiens regterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezigt neder te werpen; en Ik zal de lenden der koningen ontbinden, om voor zijn aangezigt de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden: 2 Ik zal voor uw aangezigt gaan, en Ik zal de kromme wegen regt maken; do koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan. 3 En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn, en do verborgene rijkdommen; opdat gij moogt weten, dat Ik de Heere bon, die u bij uwen naam roept, do God van Israël; 4 Om Jakobs, mijns knechts wil, en Israels, mijns uitverkorenen; ja Ik riep u bij uwen naam. Ik noemde u toe, hoewel gij Mij niet kendet. 5 quot; Ik bon do Heere , en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kont. a Dout. 4 : 35, 39. 32 ; 3!). Jes. 44 : 8. G Opdat men weto, van den opgang dor zon on van den ondergang, dat er buiten Mij niets is; Ik ben do Heere, en niemand meer, 7 Ik formeer hot licht, en schop de duisternis. Ik maak den vrede en schep quot;het kwaad. Ik, do Heere, doe al deze dingen. a Kigld. 3:38. Amos 3:0. H Drupt, gij hemelen! van boven af, en dat do wolkon vloeijon van gerogtigheid; on do aarde opone zich, en dat allerlei heil uitwasse en gerogtigheid te zamen uitspruito: Ik, do Heere, heb ze geschapen. !) Wee dien, die met zijnen Formeerder twist, gelijk een potscherf met aardon potscherven! quot; Zal ook het loom tot zijnen formeerder zeggen: Wat maakt gij? of zal uw werk zeggen: Hij heeft geeno handen? «Jer. 18:0. Kom. 9:20. 10 Wee dien, die tot den vader zegt: Wat genereert gij? en tot de vrouw: Wat baart gij? 11 Alzoo zegt do Heere, do Heilige Israels, on deszelfs Formeerder: Zij hobbon Mij van toekomende dingen gevraagd; van mijne kinderen, zoudt gij Mij van het werk mijner handen bevel geven ? 12 Ik heb do aarde gemaakt, en Ik heb don mensch daarop geschapen; Ik ben hot! Mijne handen hebben de hemelen uitgebreid, en Ik heb al hun heir bevel gegeven. 13 Ik hob hom verwekt in gerogtigheid, en al zijne wegen zal Ik regt maken; hij zal mijne stad quot;bouwen, on hij zal mijne gevangenen loslaten, niet voor prijs, noch voor geschenk, zegt de Heere der heirscharen. a 2 Kron. 3G : 22. Ezra 1:1. Jos. 44 : 28. 14 Alzoo zegt de Heere: Do arbeid der Egyp-tenaron en de koophandel dor Mooron en dor Sabeërs, der mannen van groote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen do uwe zijn, zij zullen u navolgen, in booijon zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeekon, zeggende: Gewissolijk, God is in u, en quot; er is anders geen God meer. a vors 5. |
15 Voorwaar Gij zijt oen God, die zich verborgen houdt, de God Israels, de Heiland. 1G Zij zullen beschaamd en ook tot schande worden, zij allen; te zamen zullen zij mot schande heengaan, quot;die de afgoden maken. «Jos. 44:11. 17 Maar Israël wordt verlost door don Heere, met oeno eeuwige verlossing; gijlieden zult niet beschaamd noch tot schande worden, tot in allo eeuwigheden. 18 Want alzoo zegt do Heere, quot;die do hemelen geschapen heeft, die God, die do aarde geformeerd, en die zo gemaakt heeft; Hij hoeft zo bevestigd. Hij hooft ze niet geschapen, dat zij ledig zijn zou, maar hoeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zou: ''Ik ben de Heere, en niemand moor. a Jes. 42:5, b vers 5, 14. 19 Ik heb quot;niet in het verborgene gesproken, in oeno donkere plaats der aarde: Ik heb tot hot zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij te vergeefs; Ik bon do Heere, die geregtigheid spreekt, dio regtmatigo dingen verkondigt. a Dout, 30 : 11. 20 Verzamelt u, en komt, treedt hier toe zamen, gijlieden, dio van do Hoidonon ontkomen zijt! quot;Zij weten niets, dio hunne houten gesnedene beelden dragen, en oenen God aanbidden, die niet verlossen kan. «Jos. 44:18, 19. 21 Verkondigt on treedt hier toe, ja beraadslaagt zamen: wie heeft dat laten hooren van ouds her? wie hooft dat quot; van toen af verkondigd? ''Ben Ik hot niet, do Heere? en er is geen God meer behalve Mij, een regtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik. «Jes. 41 : 22, 20, 27. 43:9, 10. h vers 5, 14, 18. 22 Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde ! want Ik ben God, en niemand meer. 23 Ik heb gezworen bij Mij zelven, er is een woord der gerogtigheid uit mijnon mond gegaan, en het zal niet woderkeeren: dat quot; Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren, a Rom. 14 : 11. rilipp. 2 : 10. 24 Men zal van Mij zeggen: Gewissolijk in don Heere zijn geregtigheden en sterkte, tot Hem zal men komen; maar zij zullen beschaamd worden quot; allen, die togen Hom ontstoken zijn. a Jes. 41 :11, 25 Maar in den Heere zullen gerogtvaardigd worden en zich beroemen, hot gansche zaad van Israël. HOOFDSTUK 4G. l'rofetie van don ondergang der Babyloniërs on hunne afgoden, vs. t. God maakt don .lodon indachtig zijne liefde en trouw jegens hen, 3; en vermaant hen, dat zij Hom niet afbeelden, 5; hun voor oogon stellende do dwaasheid der afgodendienaars, 0, Do Heere bewijst uit zijno werken, welke Hij eertijds on nog in kort aan /.ijne Kerk gedaan hooft, dat Hij alleen do ware (lod is, 8, |
|
BEL is gekromd, Ncbo wordt nedergobogen, hunne afgoden zijn geworden voor do dieren en voor do beesten; uwe opgeladene pakken zijn een last voor de vermoeide beesten. 2 Zamen zijn zij nedergebogen, zij zijn gekromd; zij hebben den last niet kunnen redden, maar zij zelven zijn in do gevangenis gegaan. ü Hoor naar Mij, o huis van Jakob, on het gansche overblijfsel van het huis Israels! die van Mij gedragen zijt van don buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af. 4 En tot den ouderdom toe zal Ik dezelfde zijn, ja tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb liet gedaan, en Ik zal u opnemen, on Ik zal dragen on redden. 5 quot; Wion zoudt gijlieden Mij nabeelden, en oven-gelijk maken, en Mij vergelijken, dat wij elkander gelijken zouden? «.les. 40:18, 25. (i Zij verkwisten het goud uit de beurs, en wogen het zilver mot do waag; zij huren oenen goudsmid , en die maakt hot tot eenen god; zij knielen neder, ook buigen zij zich daarvoor. 7 quot; Zij nemen hom op don schouder, zij dragen hem, en zetten hom aan zijne plaats: daar staat hij, hij wijkt van zijne stede niet; YOQ])i iemand tot hem, zoo antwoordt hij niet, hij verlost hom niet uit zijne benaauwdhoid. «.los. 45:20. 8 Gedenkt hieraan, on houdt u kloekelijk, brengt het weder in het hart, o gij overtreders! 9 Gedenkt dor vorige dingen van oude tijden af, dat Ik God ben, quot;en er is geen God meer, en er is niot gelijk Ik: « Jes. 45:5, 14, 18, 21, 22. 48: 12. 10 Die van don beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niot geschied zijn; die zegt: quot;Mijn raad zal bestaan, on Ik zal al mijn welbehagen doen. «Ps. 33:11. Spr. 19:21. 21:30. Hobr. 0:17. 11 Die oenen roofvogel roept van het oosten, eonen man mijns raads uit verren lande; ja. Ik hob het gesproken, Ik zal het ook doen komen, Ik heb het geformeerd, Ik zal hot ook doen. 12 Hoort naar Mij, gij stijven van harte, gij, die verre van de gorogtigheid zijt! 13 Ik breng mijne gorogtigheid nabij, zij zal niet verre wezen, en mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Zion, aan Israël mijne heerlijkheid. HOOFDSTUK 47. Vcrdcro profetie van don ondergang dor babylonische monarchie, vs. 1; van wege hunne wreedheid en onbarmhartigheid over Gods volk, (i; limine hoo-vaardij, 7; en andere zonden, 9; hunne tooverijen zullen hen niet kunnen redden, 12. DAAL af, en quot;zit in het stof, gij jonkvrouw, dochter van Dabei! zit op do aarde, er is geen troon meer, gij dochter dor Chaldeën! want gij zult niet meer genoemd worden do teedere, noch de wellustige. n.los. 20:5, 2 Neem den molen, on maal meel; ontdek uwe |
651 vlechten, ontbloot de enkelen, ontdok de schen-kelen, ga door do rivieren. 3 quot;Uwe schaamte zal ontdekt worden, ook zal uwe schande gezien worden; Ik zal wraak nemen, en Ik zal op n niet aanvallen als een monsch. «Jes. 3 : 17. Nah. 3 : 5. 4 Onzes Verlossers naam is Heere dor hoir-scharon, de Heilige Israels. 5 Zit stilzwijgende, en ga in de duisternis, gij dochter dor Chaldeën! want gij zult niet moer genoemd worden koningin der koningrijken. 6 Ik was op mijn volk zeer toornig. Ik ontheiligde mijne erve, en Ik gaf hen over in uwe hand; doch gij bowoest hun goene barmhartigheden , ja zelfs over den oude maaktet gij uw juk zeer zwaar. 7 En gij zoidot: Ik zal quot; koningin zijn in eeuwigheid; tot nog toe hebt gij deze dingen niet in uw hart genomen, gij hebt aan het einde daarvan niet gedacht. aOpenb. 18:7. 8 Nu dan, hoor dit, gij weelderige! die zoo zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en niemand meer dan ik; ik zal goene weduwe zitten, noch de borooving van kinderen kennen. 9 Doch quot; deze beide dingen zullen u in eonen oogenblik overkomen, op oenen dag, de beroo-ving van kinderen en weduwschap; volkomonlijk zullen zij u overkomen van wege de veelheid uwer tooverijen, van wege de menigte uwer bezweringen. «.les. 51 : 19. 10 Want gij hebt op uwe boosheid vertrouwd; gij hebt gezegd: Niemand ziet mij; uwe wijsheid en uwe wetenschap heeft u afkoerig gemaakt; en gij hebt in uw hart gezegd: Ik ben het, en niemand meer dan ik. 11 Daarom zal or over u oen kwaad komen, gij zult don dageraad daarvan niet weten; en oen verderf zal er op u vallen, hetwelk gij niet zult kunnen verzoenen: want or zal snellijk oone onstuimige verwoesting over u komen, dat gij hot niot weten zult. 12 Sta nu met uwe bezweringen, en met do veelheid uwer tooverijen, waarin gij gearbeid hebt van uwe jeugd af; of gij misschien voordeel koudot doen, of gij misschien u koudot sterken! 13 Gij zijt moede geworden in de veelheid uwer raadslagen: laat nu opstaan, die don hemel waarnemen , die in de sterren kijken, die naar do nieuwe manen voorzeggen; en laat zo u verlossen van die dingen, die over u komen zullen. 14 Ziet, zij zullen zijn als stoppolen, het vuur zal ze verbranden, zij zullen zich zelven niet kunnen rukken uit do magt dor vlam: het zal geono kool zijn om hij te warmen, geen vuur om daarvoor neder te zitten. 15 Alzoo zullen zij u zijn, met dewelke gij gearbeid hebt, uwe handelaars van uwe jeugd aan, elk zal zijns weegs dwalen, niemand zal u verlossen. JESAJA 4G, 47. |
JESAJA 48, 49.
|
HOOFDSTUK 48. Do Heere klaagt over dor Joden huicholarij, vs. 1; hardnokkighoid, 3; en verachting zijner voorzoggin-gen, 5. Hij verschoont lien nogtans, om zijns naams wil, 9; opdat zij Hem regt leeren kennen, 12. Hij belooft Cores zijnen zegen, 14; en vermaant de Joden, zijne geboden te onderhouden, mot belofte van zijnen zegen, 18; en gelukkige verlossing uit liabel, 20. Toestand dor goddeloozen, 22. HOOR dit, gij huis van Jakob, die genoemd wordt met den naam van Israël, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijt! die zweert bij den naam des Heeren, en vermeldt den God Israels, maar niot in waarheid noch in geregtigheid. 2 Ja van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op den God Israels: Heere der heirscharen is zijn naam. IJ De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af, en uit mijnen mond zijn zij voortgekomen, en Ik heb ze doen hoeren; Ik heb zo snellijk gedaan, en zij zijn gekomen; 4 Omdat Ik wist, dat gij hard zijt, en uw nek eene ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper: 5 Daarom heb Ik hot u van toen af verkondigd, oer dan hot kwam, heb Ik hot u doen hooren; opdat gij niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen. 6 Gij hebt het gehoord, aanmerkt dat alles; zult gijlieden hot ook niet verkondigen? van nu af doe Ik u nieuwe dingen hooren, en verborgene dingen, en die gij niet geweten hebt. 7 Nu zijn zij geschapen, en niot van toen af, en voor dezen dag hebt gij ze ook niet gehoord; opdat gij niet misschien zeggen zoudt: Ziet, ik heb ze geweten. 8 Ook hebt gij ze niot gehoord, ook hebt gij ze niet geweten, ook van toon af is uw oor niet geopend geweest: want Ik heb geweten, dat gij gansch trouwelooslijk handelen zoudt, en dat gij van don bink af een overtreder genoemd zijt. 9 Om mijns naams wil zal Ik mijnen toorn langer uitstellen, en quot; om mijns rooms wil zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niot afhouwe. «.los. 43:21, 25. 10 Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niot als zilver. Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende. 11 Om mijnentwil, om mijnentwil zal Ik hot doen, want hoe zou hij ontheiligd worden? en quot; Ik zal mijne eor aan geenen anderen geven. a Jos. 42:8. 12 Hoor naar Mij, o Jakob! en gij Israël, mijn geroepene! Ik ben dezelfde; quot;Ik ben de eerste, ook ben Ik de laatste. «Jes. 41 : 4. 44: G. Openb. 1:17. 22: 13. 13 Ook hoeft mijne hand de aarde gegrond, en mijne rogtorhand heeft de hemelen mot de palm afgemeten: wanneer Ik ze roep, staan zij daar te zamen. |
14 Vergadert u gij allen, on hoort: wie onder hen quot;heeft deze dingen verkondigd? De Heere heeft hem lief. Hij zal zijn welbehagen togen Habel doen, en zijn arm zal tegen de Chaldeën zijn. a Jes. 41:22, 23. It') Ik, Ik heb het gesproken, ook heb Ik hem geroepen; Ik zal hem doen komen, en hij zal voorspoedig zijn op zijnen weg. 16 Nadert gijlieden tot mij, hoort dit: Ik heb van den beginne niet in het verborgene gesproken, maar van dien tijd af, dat het geschied is, ben ik daar: en nu, de Heere Heere, en zijn Geest heeft mij gezonden. 17 Alzoo zegt de Heere, uw Verlosser, de Heilige Israels: Ik ben de Heere, uw God, die u leert wat nut is, die u leidt op don weg, dien gij gaan moot. 18 quot; Och dat gij naar mijne geboden geluisterd hadt! zoo zou uw vrede geweest zijn als eene rivier, on uwe geregtigheid als de golven der zee. a Dout. 32 : 29. Ps. 81: 14. 19 Ook zou uw zaad geweest zijn als het zand, on die uit uwe ingewanden voortkomen als des-zelfs steentjes; wiens naam niet zou worden afgehouwen noch verdelgd van voor mijn aangezigt. 20 quot; Gaat uit van Habel, vliedt van do Chaldeën, verkondigt met de stemme des gejuichs, doet zulks hooren, brengt hot uit tot aan het einde der aarde, zegt: Do Heere hooft zijnen knecht Jakob verlost! «Jes. 52: 11. .lor. 50:8. 51 :(i, 45. Oponb. 18:4. 21 En: Zij hadden geenen dorst, toen Hij hen leidde door do woeste plaatsen; Hij dood hun water uit den rotssteen vlieten; als Hij den rotssteen kliefde, zoo vlooiden do wateren daarhenen. 22 Maar de quot; goddeloozen hebben geen' vrede, zegt do Heere. «.les. 57:21. HOOFDSTUK 49. Christus verkondigt allen volkon zijn beroep, vs. 1. Hij klaagt over de ongeloovighoid dor Joden, 4; spreekt over do roeping der Heidenen, G; en troost do gevangenen en bedrukten, 9; belovende al wat hinderlijk is, om tot Hem te komen, weg te nemen, 11. Hij troost do mismoedige Joden, 14; met belofte van hun geestelijk zaad to zullen vermeerderen, 18; dat do koningen hunne voedsterhooren zouden zijn, 23; en dat Hij hen uit de hand, zoo der lig-chamelijke als geestelijke vijanden, zou verlossen, 24. HOORT naar mij, gij eilanden! en luistert toe, gij volken van verre! De Heere heeft mij geroepen van don buik af, van mijner moeders ingewand af heeft Hij mijnen naam gemeld. 2 En Hij heeft mijnen mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw zijner hand heeft Hij mij bedekt; en Hij heeft mij tot eenen zuiveren pijl gesteld, in zijnen pijlkoker heeft Hij mij verborgen. 3 En Hij heeft tot mij gezegd : Gij zijt mijn knecht; Israël, door wolken Ik verheerlijkt zal worden. 4 Doch ik zeide: Ik heb te vergeefs gearbeid, ik heb mijne kracht onnuttelijk en ijdelijk toe-gebragt; gewisselijk mijn regt is bij den Heere, en mijn werkloon is bij mijnen God. |
JESAJA 49, 50.
653
|
5 Eu nu zegt de Heere, die mij zich van moeders buik af tot eenen knecht geformeerd heeft, dat ik Jakob tot Hem wederbrengen zou; maar Israël zal zich niet verzamelen laten: nog-tans zal ik verheerlijkt worden in de oogen des IIeeren, en mijn God zal mijne sterkte zijn. fi Vorder zeide Hij: Het is te gering, dat gij Mij een knecht zoudt zijn, om op te rigten de stammen van Jakob, en om weder te brengen de bewaarden in Israël: Ik heb u ook gegeven tot een licht der Heidenen, om mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde. 7 Alzoo zegt de Heere, de Verlosser van Israël, zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot dien, aan welken het volk eenen gruwel heeft, tot den knecht dergenen, die heerschen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten , en zij zullen zich voov u buigen; om des Heeren wil, die getrouw is, om den Heilige Israëls, die u verkoren heeft. 8 Alzoo zegt de Heere: quot;In den tijd des wel-behagens heb Ik u verhoord, en ten dage des lieils heb Ik u geholpen; en Ik zal u bewaren, en Ik zal u geven tot een verbond des volks, om het aardrijk op te rigten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven; a 2 Cor. C ; 2. 9 Om te zeggen tot de gebondenen: Gaat uit; tot hen, die in duisternis zijn : Komt to voorschijn; zij zullen op de wegen weiden, en op alle hooge plaatsen zal hunne weide wezen. 10 Zij zullen niet quot; hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken: want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders der wateren zachtjes leiden. a Openb. 7 : 16. 11 En Ik zal al mijne bergen tot eenen weg maken, en mijne banen zullen verhoogd zijn. 12 Ziet, dezen zullen van verre komen; en ziet, die van het noorden en van het westen, en genen uit het land van Siniin. 18 Juicht, gij hemelen! en verheug u, gij aarde! en gij bergen! maakt gedreun met gejuich: want de Heere heeft zijn volk vertroost, en Hij zal zich over zijne ellendigen ontfermen. 14 Doch Zion zegt: De Heere heeft mij verlaten , en de Heere heeft mij vergeten. 15 Kan ook eene vrouw haren zuigeling vergeten , dat zij zich niet ontferme over den zoon liaars buiks? Ofschoon deze vergate, zoo zal Ik toch u niet vergeten! 16 Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uwe muren zijn steeds voor Mij. 17 Uwe zonen zullen zich haasten; maar uwe verstoorders en uwe verwoestors zullen van u uitgaan. 18 quot; Hef uwe oogen op rondom, en zie, alle dezen vergaderen zich, zij komen tot u: '/oo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere, zekor- i gij zult 11 met alle dezen als met een sieraad bekleeden, en gij zult ze m aanbinden, gelijk eene bruid. a Jes. GO : 4. |
19 Want in uwe woeste en uwe eenzame plaatsen, en uw verstoord land, gewisselijk nu zult gij benaauwd worden van inwoners; en die u verslonden, zullen zicli verre van u maken. 20 Nog zullen de kinderen, waarvan gij beroofd waart, zeggen voor uwe ooren : De plaats is mij te naauw, wijk van mij, dat ik wonen moge. 21 En gij zult zeggen in uw hart: Wie heeft mij dezen gegenereerd, aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was? Ik was in de gevangenis gegaan, en weggeweken; wie hoeft mij dan dezen opgevoed? Ziet, ik was alleen overig gelaten, waar waren dezen ? 22 Alzoo zegt de Heere Heere : Ziet, Ik zal mijne hand opheffen tot de Heidenen, en tot de volken zal Ik mijne banier opsteken; dan zullen zij uwe zonen in de armen brengen, en uwe dochters zullen op den schouder gedragen worden. 23 En de koningen zullen uwe voedsterheeren zijn, hunne vorstinnen uwe zoogvrouwen: zij zullen zich voor u buigen met hot aangozigt ter aarde, en zij zullen het stof uwer voeten lekken; en gij zult weten, dat Ik do Hed;re ben, dat zij niet beschaamd zullen worden, die Mij verwachten. 24 quot; Zou ook oenen magtige de vang ontnomen worden? of zouden do gevangenen eens regt-vaardigon ontkomen? a Matt. 12:29. 25 Doch alzoo zegt do Heere : Ja de gevangenon des magtigen zullen hem ontnomen worden, en de vang dos tirans zal ontkomen: want mot uwe twisters zal Ik twisten, en uwe kinderen zal Ik verlossen. 26 En Ik zal uwe verdrukkers spijzen met hun eigen vloeseh, en «van hun eigen bloed zullen zij dronken worden, als van zoeten wijn; en allo vloeseh zal gewaar worden, dat Ik, de Heere, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Magtige Jakobs. «Openb. 16:6. HOOFDSTUK 50. Do Heere betuigt, dat niet Hij, maar hunne zomlon do oorzaak zijn van de verwerping dor Joden, vs. 1; mot vermelding van zijne raagt, 2. Christus verhaalt, hoe getrouw Hij zijn ambt hoeft bediend, 4; zelfs onder versmading en smarten, 6; door do hulp van zijnon hemelschen Vader, 7. Hij vermaant do geloovigo Joden op don Ileoro to vertrouwen, 10; on dreigt do goddoloozon mot de holscho smarten ,11. ALZOO zegt de Heere: Waar is de scheid-brief van ulioder moeder, waarmede Ik haar weggezonden heb? of wie is er van mijne schuld-eischers, aan wien Ik u verkocht heb? Ziet, om uwe ongeregtigheden zijt gij verkocht, en om uwe overtredingen is uwe moeder weggezonden. 2 Waarom kwam Ik, en er was niemand ? waarom riep Ik, en niemand antwoordde ? a Is mijne hand dus gansch kort geworden, dat zij niet verlossen kan ? of is er in Mij geeno kracht om uit te redden? Ziet, door mijne schelding maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot |
JESAJA 50, 51.
(gt;54
|
eenc woestijn, dat haar viscli stinkt, omdat or geen water is, en sterft van dorst. a Num. 11 : 23. .les. 5!) ; 1. Ik bekleed den hemel met zwartheid, en stel eenen zak tot zijn deksel. 4 Do Ileoro Heere iioeft mij oeno tong' der geleerden gegeven, opdat ik wote met den moede oen woord tor regter tijd te spreken; Hij wekt allen morgen. Hij wekt mij het oor, dat ik hooro, gelijk die geleerd worden. 5 De lleere Heere heeft mij het oor geopend, en quot; ik bon niot wederspannig, ik wijk niet achterwaarts. a Joh. 14:31. Filipp. 2: S. Ilobr. 10:5, enz. 6 Ik geef mijnen rug dengenen, die mij slaan, en mijne wangen dengenen, die mij liet haar uitplukken; mijn aangezigt verberg ik niot voor smaadheden en speeksel. 7 Want de Heere Heere helpt mij, daarom word ik niet te schande; daarom heb ik mijn aangezigt gestold als oenen keisteen, want ik weet, dat ik niet zal beschaamd worden. 8 Hij is nabij, quot;die mij regtvaardigt, wie zal met mij twisten? Iaat ons te zamen staan: wie heeft eene regtzaak tegen mij ? hij kome herwaarts tot mij. a Kom. 8:32, 33. 9 Ziet, de Heere Heere helpt mij, wie is het, die mij zal verdoemen? Ziet, zij zullen altemaal als een kleed verouden, do motto zal hen eten. 10 Wie is er onder nlieden, die den Heere vreest, die naar de stem zijns knechts hoort? als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij botrouwe op den naam des Heeren, en stenne op zijnen (ïod. 11 Ziet, gij allen , die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt! wandelt in do vlam van uw vuur, en in de spranken, die gij ontstoken hebt. Dit geschiedt u van mijne hand, in smart zult gijlieden liggen. HOOFDSTUK 51. Do Hooro troost zijn volk on vermaant het tot geloof en geduld, vs. 1; belovende hen te verlossen, 4; en dat hanstolijk, 5; zijn hoil zal bestendig zijn, 0: in tegenoverstelling van der menschen vergankelijkheid , 8. Een gebed der in benaauwdheid gebragte godzaligen om hulp en verlossing, !); welke bun de Heere belooft, 11; bestraffende te gelijk de zwakheid van hun geloot, 12. Beschrijving van de magt des Heeren, 15; om ben to helpen, 1G; van hen nemende den bitteren drinkbeker, 17, 22; en dien gevende hunnen vijanden, 23. HOORT naar Mij, gij, die do gerogtigheid najaagt, gij, die don Heere zoekt! aanschouwt don rotssteen, ivaaruit gijlieden gehouwen zijt, en de holligheid des bornputs, waaruit gij go-graven zijt. 2 Aanschouwt Abraham, ulieder vader, onSara, die ulieden gebaard heeft: want Ik riep hom, toen hij nog alleen was, en Ik zegende hem, en Ik vermenigvuldigde hem. |
3 Want de Heere zal Zion troosten, Hij zal troosten al hare woeste plaatsen, en Hij zal hare woestijn maken als Eden, en hare wildernis als den hof des Heeren; vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden, dankzegging en eene stem des gezangs. 4 Luistert naar Mij, mijn volk! en mijne lieden, neigt naar Mij het oor! want oeno wet zal van Mij uitgaan, en Ik zal mijn regt doen rusten tot een licht dor volken. 5 Mijne gerogtigheid is nabij, mijn heil trekt uit, en mijne armen zullen de volken rigten; op Mij zullen de eilanden wachten, en op mijnon arm zullen zij hopen. 6 Heft uliedor oogen op naar den hemel, en aanschouwt de aarde beneden: want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en hare inwoners zullen van gelijken sterven; maar mijn heil zal in eeuwigheid zijn, mijno gerogtigheid zal niet verbroken worden. 7 Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerogtigheid kont, gij volk, quot;in welks hart mijne wet is! ''vreest niet do smaadhoid van den mensch, en voor hunne smaadredenen ontzet u niot. « Ps. 37:31. /; Ps. 118:0. ond. vers 12. 8 Want quot; do mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar mijne gerogtigheid zal in eeuwigheid zijn, en mijn heil van geslacht tot geslachten, «.les. 50:9. !) Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, gij arm dos Heeren! ontwaak als in de vorledene dagen, als in de geslachten van ouds; zijt gij het niot, die Rahab uitgehouwen hebt, die den zeedraak verwond hebt? 10 Zijt gij het niet, die do zee, de wateren des grooten afgronds, droog gemaakt hebt? quot; die de diepten der zoo gemaakt hebt tot eenen weg, opdat do verlosten daardoor gingen? «Jes. 43: 10. 11 Alzoo zullen de vrijgekochten des Heeren wederkeeren, en met gejuich tot Zion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen: vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvliodon. 12 Ik, Ik ben het, die u troost; wie zijt gij, dat gij u vreest voor quot; den mensch, die sterven zal? en voor eens menschen kind, dat hooi worden zal? «Ps. 118:0. bov. vers 7. 13 En vergeet den Heere, die u gemaakt heeft, quot; die de hemelen heeft uitgebreid, en de aarde gegrond hoeft? en vreest geduriglijk den ganschen dag, van wege do grimmigheid des benaauwers, wanneer hij zich bereidt om te verderven? waar is dan de grimmigheid des benaauwers? a Job 9 : 8. Ps. 104 : 2. Jos. 40 : 22. 42 : 5. 44 : 20. 14 Do omzwevende gevangene zal haastolijk los gelaten worden; en hij zal in den kuil niet sterven, en zijn brood zal hem niet ontbreken. 15 Want Ik ben de Heere, uw God, die de zee klieft, dat hare golven bruisen: Heere der heir-scharen is zijn naam. 10 En Ik leg mijne woorden in uwen mond, en |
11
JESAJA 51, 52.
f)55
|
bedek u onder de schaduw mijner hand; om den hemel te planten, en om do aarde te gronden, on om te zeggen tot Zion: Gij zijt mijn volk. 17 quot;Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! gij, die gedronken hebt van de hand des IIeeren den beker zijner grimmigheid; den droesem van den beker der zwijmeling hebt gij gedronken, ja uitgezogen. a Jes. 52:1. 18 Er is niemand van al de kinderen, die zij gebaard heeft, die haar zachtjes leidt; en niemand van al de kinderen, die zij opgevoed heeft, die haar bij de hand grijpt. 19 quot; Deze twee dingen zijn u wedervaren, wie heeft medelijden met u? er verbreking, en honger, en zal Ik u troosten? 20 quot; Uwe kinderen zijn in bezwijming gevallen, zij liggen vooraan op alle straten, gelijk een wilde os in bet net; zij zijn vol van de grimmigheid des IIeeren, van de schelding uws Gods. a Klgld. 2:11, 12. 21 Daarom hoort nu dit, gij bedrukten ! en gij dronkenen, maar niet van wijn! 22 Alzoo zegt uw Heere, de Heere en uw God, die zijns volks zaak twisten zal: Zie, Ik neem den beker der zwijmeling van uwe hand, den droesem van den beker mijner grimmigheid, gij zult dien voortaan niet meer drinken. 23 Maar Ik zal hem dien, die u bedroefd hebben, in de hand zetten, die tot uwe ziel zeiden: Buig u neder, dat wij over u gaan; en gij legdet uwen rug neder als aarde, en als eene straat dengenen, die daarover gaan. HOOFDSTUK 52. Do profeet spreekt in dit hoofdstuk van de verlossing van het Joodsehe volk uit de baljyIonische gevangenis, welke een voorbeeld is van de geestelijke verlossing der Kerk door Christus, vs. 1. Liefelijkheid van de prediking van het II. Evangelie, 7. Belofte, dat de Heere zijn volk zal beschermen, 10. Eindelijk wordt hier aangewezen, dat Christus zal verhoogd worden, 13; nadat Hij zich ten uiterste vernederd zal hebben, 14. Profetie van de roeping der Heidenen , 15. WAAK op, waak op, trek uwe sterkte aan, o Zion! trek uwe sierlijke kleederen aan, o Jeruzalem, gij heilige stad! want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen. 2 Schud u uit hot stof, maak u op, zit neder, o Jeruzalem! maak u los van de banden van uwen hals, gij gevangene dochter van Zion! is verwoesting, 011 zwaard, door wien a Jes. 47 ; 9. |
3 Want zoo zegt do Heere: Gijlieden zijt om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden. 4 Want zoo zegt de Heere Heere: In vorige tijden quot;trok mijn volk af in Egypte, om als vreemdeling aldaar te verkeeren; en Assur heeft hetzelve om niet onderdrukt. a Gen 40 : 0. 5 En nu, wat heb Ik hier te doen? spreekt de Heere, dewijl mijn volk om niet weggenomen is, en degenen, die over hetzelve heerschen, het doen huilen, spreekt de Heere, en mijn naam geduriglijk den ganschen dag quot; gelasterd wordt: n Ezec. 30 : 20, 23. Kom. 2 : 24. 6 Daarom zal mijn volk, daarom zal liet mijnen naam in dien dag kennen, dat Ik het zelf ben, die spreekt: Zie, hier ben Ik. 7 quot; Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet hooren; desgenen , die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet hooren; desgenen, die tot Zion zegt: Uw God is Koning! a Nah. 1 :15. Rom. 10:15. 8 Er is eene stom uwer wachters; zij verheffen de stem, zij juichen te zamen: want zij zullen oog aan oog zien, als de Heere Zion wederbren-gen zal. 9 Maakt een geschal, juicht te zamen, gij woeste plaatsen van Jeruzalem ! want de Heere heeft zijn volk getroost. Hij heeft Jeruzalem verlost. 10 Do Heere heeft zijnen heiligen arm ontbloot voor do oogon aller Heidenen; quot;en al de einden der aarde zullen zion hot heil onzos Gods. « Ps. 98:2. Luk. 3:0. 11 Vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar, quot;raakt hot onreine niet aan; gaat uit hot midden van hen, reinigt u, gij, die de vaten dos IIeeren draagt! «2 Cor. 0 : 17. Openb. 18:4. 12 Want gijlieden zult niet mot haast uitgaan, noch met der vlugt henengaan: want de Heere zal voor ulieder aangezigt henentrekkon, en de God van Israël zal uw achtortogt wezen. 13 Ziet, mijn knecht zal verstandelijk handelen; hij zal verhoogd en verheven, ja zeer hoog worden. 14 Gelijk als velen zich over u ontzet hebben, alzoo quot; verdorven was zijn gelaat, meer dan van iemand, en zijne gedaante, meer dan van andere menschenkinderen: a Jes. 53:3. 15 Alzoo zal hij vele Heidenen besprongen, ja do koningen zullen hunnen mond over hom |
JESAJA 52, 53, 54.
656
|
toehouden: want denwelken het quot; niet verkondigd was, die zullen het zien, en welke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan. a Rom. 15:21. HOOFDSTUK 53. Eerst wordt in dit hoofdstuk gesproken van do onge-looviglieid der .loden, ten tijde der verschijning van Christus in het vleeseh, vs. 1. Daarna van de vernedering, het lijden en sterven van Christus, als ook van zijne verhooging en heerlijkheid, en van do vruchten, die do Kerk daarvan ontvangt en geniet. WIE quot;heeft onze prediking geloofd? en aan wien is de arm des Heeren geopenbaard? a.Toh. 12:38. Rom. 10: 1G. 2 Want hij is als een rijsje voor zijn aangezigt opgeschoten, en als een wortel uit eene dorre aarde; hij had geene gedaante noch heerlijkheid: heeft onzer aller ongeregtigheid op hein doen aanloopen. |
7 Als dezelve geëischt werd, toen werd hij verdrukt; doch quot;hij deed zijnen mond niet open: als '' een lam werd hij ter slagting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezigt zijner scheerders, alzoo deed hij zijnen mond niet open. rtMatt.20:63. 27:12,14. Mark. 14:61. 15:5. Hand.8:32. 8 Hij is uit den angst en uit hot gerigt weggenomen ; en wie zal zijnen leeftijd uitspreken ? want hij is afgesneden uit het land der levenden: om de overtreding mijns volks is de plage op hem geweest. 9 En men heeft zijn graf bij de goddeloozen gestold, en hij is bij de rijken in zijnen dood geweest; omdat hij geen onregt gedaan heeft, quot; noch bedrog in zijnen mond geweest is. alPetr. 2:22. lJo||3:5. |
|
als wij hem aanzagen , zoo was er geene gestalte , dat wij hem zouden begeerd hebben. 3 Hij was quot;veracht, en de onwaardigste onder de menschen, een man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezigt voor hem; hij was veracht, en wij hebben hem niet geacht. a Ps. 22:7, 8. Jos. 49:7. 52: 14. Mark. 9:12. 4 Waarlijk quot; hij heeft onze krankheden op zich genomen, en onze smarten heeft hij gedragen; doch wij achtten hem, dat hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. a Matt. 8:17. 5 Maar quot;hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongeregtigheden is hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op hem, en door zijne striemen h is ons genezing geworden. a Rom. 4:25. 1 Cor. 15:3. /gt;1 Petr. 2:24. 6 Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg; doch de Heere |
10 Doch het behaagde den Heere hem te vor-brijzelen; Hij heeft hem krank gemaakt: als zijne ziel zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zoo zal hij zaad zien, hij zal de dagen verlengen; en hot welbehagen des Heeren zal door zijne hand gelukkiglijk voortgaan. 11 Om den arbeid zijner ziel zal hij het zien, en verzadigd worden; door zijne kennis zal mijn knecht, de regtvaardige, velen regtvaardig maken, want hij zal hunne ongeregtigheden dragen. 12 Daarom zal Ik hem een deel geven van velen, en hij zal de magtigen als een' root doelen; omdat hij zijne ziel uitgestort heeft in den dood, quot; en met de overtreders is geteld geweest, en hij veler zonden gedragen heeft, en b voor de overtreders gebeden hoeft. «Mark.15:28. Luk. 22:27. amp; Luk. 23:34. HOOFDSTUK 54. Weldaden, die do Hoere aan de Kerk van hot Nieuwe Testament zou bewijzen mot voorzegging, dat Hij |
|
luuii' grootelijks zou venneerdoron, v.s. 1; haar als zijne bomiiulo huisvrouw mot oemvigo gonado om-helzen en heerlijk met de gaven des H. (i. versieren , 11; en haar beschutten togen hare vijanden, 14. Het is (iod, die alles regeert, 16; ten beste der zijnen, 17. ZING quot;vrolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vrolijk gezang, en juich, die geen' barensnood gehad hebt! want de kinderen der eenzame zijn meer, dan de kinderen der getrouwde, zegt de Heere. «Gal. 4:27. 2 Maak de plaats uwer tent wijd, en dat men de gordijnen uwer woningen uitbreide, verhinder het niet; maak uwe koorden lang, en steek uwe pinnen vast in. Want gij zult uitbreken ter regter- en ter linkerhand; en uw zaad zal do Heidenen erven, en zij zullen do verwoeste steden doen bewonen. 4 Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden, en word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden ; maar gij zult do schaamte uwer jongheid vergeten, en den smaad uws weduwschaps zult gij niet meer gedenken. 5 Want uw Maker is uw man, Heere der heir-scharen is zijn naam; en de Heilige Israels is uw Verlosser; Hij zal de God dos ganschen aardbodems genaamd worden. 6 Want do Heere heeft u geroepen, als eene verlatene vrouw en bedroefde van geest; nogtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geweest, zegt uw God. 7 Voor een' kleinen oogenblik heb Ik u verlaten; maar met groote ontfermingen zal Ik u vergaderen. 8 In eonen kleinen toorn heb Ik mijn aangozigt van u een oogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de Heere, uw Verlosser. !) Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik quot; zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzoo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal. «Gen. 9:11. 10 Want borgen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer. 11 Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste! zie. Ik zal uwe steenen gansch sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten. 12 En uwe glasvenstors zal Ik kristallijnen maken, en uwe poorten van robijnsteenen, en uwe gansche landpale van aangename steenen. 13 En quot; al uwe kinderen zullen van den Heere geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn. aJoh. 0:45. 14 Gij zult door geregtigheid bevestigd worden; wees verre van verdrukking, want gij zult niet vreezen; en verre van verschrikking, want zij zal tot u niet naken. 15 Ziet, zij zullen zich zekerlijk vergaderen. |
fiii? doch niet uit Mij; wie zich tegen u vergaderen zal, die zal om uwentwil vallen. 16 Zie, Ik heb den smid geschapen, die de kolen in bet vuur opblaast, en dio het instrument voortbrengt tot zijn werk; ook heb Ik den ver-derver geschapen, om te vernielen. 17 Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong, die in het gerigt tegen u opstaat, zult gij verdoemen: dit is de erve der knechten des Heeren , en hunne geregtigheid is uit Mij, spreekt de Heere. HOOFDSTUK 55. Christus noodigt alle verslagenen van hart tot do genieting zijner weldaden, vs. 1. God de Vader betuigt, waartoe Hij Christus gezonden hoeft, 4; namelijk om de Heidenen te roepen, 5. Wat de roeping van alle bekoorden is, 6; aan welke God belooft zijne genade en zegen rijkelijk te geven, 10; tot verheuging van alle schepselen. 12. O quot; ALLE gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en molk! a Joh. 7 : 37 , 38. 2 Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uwen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtelijk naar Mij, en eet het goede, en laat uwe ziel in vettigheid zich verlustigen. 3 Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort, en uwe ziel zal loven: want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en quot; n geven de gewisse weldadigheden van David. «Hand. 13:34. 4 Ziet, Ik heb hem tot een' getuige der volken gegeven, oenen Vorst en Gebieder dor volken. 5 Ziet, gij zult een volk roepen, dat gij niet kendot, en het volk, dat u niet kende, zal tot u loopen, om des Heeren uws Gods wil, en om des Heiligen Israels wil, want Hij hoeft u verheerlijkt. (! Zoekt den Heere, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. 7 De goddelooze verlate zijnen weg, en do onge-regtige man zijne gedachten; en hij bekeere zich tot den Heere, zoo zal Hij zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvul-diglijk. 8 Want mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uwe wegen zijn niet mijne wegen, spreekt de Heere. 9 Want (lelijk de hemelen hooger zijn dan do aarde, alzoo zijn mijne wegen hooger dan uwe wegen, en mijne gedachten dan ulieder gedachten. 10 Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert; maar doorvochtigt do aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaijer, en brood den eter; 11 Alzoo zal mijn woord, dat uit mijnen mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij weder-keeron; maar het zal doen hetgeen Mij behaagt, 4'i JESAJA 54, 11; y K' :i i I |
JESAJA 55, 5G, 57.
|
en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik liet zonde. 12 Want in blijdschap zult gijlieden uittrekken, en met vrede voortgeleid worden: de bergen en heuvelen zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezigt, en quot; alle boomen des voids zullen de handen zamenkiappen. «1 Kron. IC : 33. 13 Voor eenen doorn zal een denneboom opgaan, voor eenen distel zal een mirteboom opgaan; en het zal den Heere wezen tot eenen naam, tot een eeuwig teeken, dut niet uitgeroeid zal worden. HOOFDSTUK 56. De Heere vermaant een ieder tot godzaligheid, vs. 1; belovende den bekeerden Heidenen, dat ook hnnne godsdienst Hora aangenaam zou wezen, 3. Do Heere roept de tirannen, dat üij komen zouden, om de blinde en geveinsde wachters, die Hij stomme honden noemt, to verdelgen, 9. ALZOO zegt de Heere: Bewaart hot rogt, on doet geregtigheid: want mijn heil is nabij om te komen, en mijne geregtigheid om geopenbaard te worden. 2 Welgelukzalig is de mensch, die zulks doet, en des menschen kind, dat daaraan vasthoudt; dio don sabbat houdt, zoodat hij dien niet ontheiligt , en die zijne hand bewaart van oenig kwaad te doen. 3 En de vreemde, die zich tot den Heere gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: De Heere heeft mij gansch en al van zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegge niet: Ziet, ik bon een dorre boom. 4 Want alzoo zegt de Heere van de gesnedonen, die mijne sabbaten houden, en verkiezen hetgeen, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan mijn verbond: 5 Ik zal hen ook in mijn huis en binnen mijne muren eeno plaats en eenen naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; eenen eeuwigen naam zal Ik een' ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden. 6 En de vreemden, die zich tot don Heere voegen, om Hem te dienen, en om den naam des Heeren lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn: al wie den sabbat houdt, dat hij dien niet ontheilige, en die aan mijn verbond vasthouden : 7 Die zal Ik ook brengen tot mijnen heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in mijn bodehuis; hunne brandoffers en hunne slagtoffers zullen aangenaam wezen op mijn altaar: want quot;mijn huis zal eon bodebuis genoemd worden voor alle volken. a Matt. 21 :13. Mark. 11 :17. Luk. 19:40. 8 De Heere Heere, die de verdrevenen van Israël vergadert, spreekt: Ik zal tot hem nog meer vergaderen, nevens hen, die tot hem vergaderd zijn. 9 Al gij gedierte des velds, komt om te eten, ja al gij gedierten in het woud! |
10 Hunne wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief. 11 En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keeren zich naar hunnen weg, elk een naar zijn gewin, elk uit zijn einde. 12 Komt herwaarts, zeggen zij: Ik zal wijn halen, en wij zullen sterken drank zuipen; en de dag-van morgen zal zijn als deze, ja grooter, veel treffelijker. HOOFDSTUK 57. Do Heere verwijt den Joden hunne ligtvaardige zorgeloosheid, dewijl zij geen acht gasTen op den dood der vrome en godzalige mannen, vs. 1; de profeten bespotten, 4; afgoderij bedreven, 5; en zich op hulp van menschen verlieten, 9. Daarom dreigt God hen te straffen, 12; doch Hij troost de boetvaardigen en belooft hun genade te bewijzen, 13; maar de goddeloozen hebben geenen vrede, 20. DE regtvaardige komt om, en er is niemand, die het tor harte neemt; en quot; de weldadige lieden worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de regtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad. ' a Ps. 12 : 2. Micha 7 : 2. 2 Hij zal ingaan in den vrede; zij zullen rusten op hunne slaapsteden, een iegelijk, die in zijne opregtheid gewandeld heeft. 3 Doch nadert gijlieden hier toe, gij kinderen der guicholares! gij overspelig zaad, en gij, die hoererij bedrijft! 4 Over wien maakt gij u lustig ? over wien spert gij den mond wijd open en steekt de tong lang uit? Zijt gij niet kinderen der overtreding, een zaad der valschheid ? 5 Die hittig zijt in de eikenbosschen, onder allen groenen boom; slagtende de kinderen aan de beken, onder de hoeken der steenrotsen. 6 Aan de gladde steenen der beken is uw deel, die, die zijn uw lot; ook stort gij denzelven drankoffer uit, gij offert hun spijsoffer! zou Ik Mij over deze dingen troosten laten? 7 Gij stelt uw leger op eenen hoogen en verhe-venen berg; ook klimt gij derwaarts op, om slagtoffer te offeren. 8 En achter de deur en posten zet gij uw ge-denkteeken: want van Mij wijkende ontdekt gij u, en klimt op, gij maakt uw leger wijd, en maakt een verhond met eenigen uit dezelve, gij hebt hun leger lief in elke plaats, die gij ziet. 9 En gij trekt met olie tot den koning, en gij vermenigvuldigt uwe welriekende zalven; en gij zendt uwe gezanten verre weg, en vernedert u tot de hel toe. 10 Gij zijt vermoeid door uwe groote reis, maar gij zegt niet: Het is buiten hoop; gij hebt het leven uwer hand gevonden, daarom wordt gij niet ziek. 11 Maar voor wien hebt gij geschroomd of gevreesd? want gij hebt gelogen, en zijt Mijner |
JESAJA 57, 58.
059
|
niet gedachtig geweest, gij hebt Mij op uw Iiart niet gelegd; is hot niet, omdat Ik zwijg, en dat van ouds af, en gij vreest Mij niet? 12 Ik zal uwe goregtigheid bekend maken, en uwe werken, dat zij u geen nut doen zullen. 13 Wanneer gij roepen zult, zoo laat die, die van u vergaderd zijn, u redden; doch de wind zal lien allen wegvoeren, de ijdelheid zal hen wegnemen. Maar quot;die op Mij betrouwt, die zal het aardrijk erven, en mijnen heiligen berg erfelijk bezitten. Ps. 34:9. 14 En men zal zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereidt den weg, neemt den aanstoot uit den weg mijns volks! 15 Want alzoo zegt de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont, en wiens naam heilig is : Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van eenen verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik lovend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden. 16 Want quot;Ik zal niet eeuwiglijk twisten, en Ik zal niet geduriglijk verbolgen zijn: want de geest zou van voor mijn aangezigt overstelpt worden, on de zielen, 1 die Ik gemaakt heb. a Ps. 103 ; 9. h Hebr. 12 : 9. 17 Ik was verbolgen over de ongeregtighoid hunner gierigheid, en sloeg hen; Ik verborg Mij, en was verbolgen; ovenwei gingen zij afkeorig henen in don weg huns harten. 18 Ik zie hunne wegen, en Ik zal hen genezen; on Ik zal hen geleidon, en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hunne treurigen. 19 Ik schop de vrucht der lippen, vrode, vrede dengenen, die verre zijn, en dengenen, die nabij zijn, zegt do Heere, en Ik zal hen genezen. 20 Doch do goddeloozen zijn als eene voortge-drevono zee, want die kan niet rusten, en hare wateren werpen slijk en modder op. 21 quot;De goddeloozen, zegt mijn God, hebben geonon vrode. n Jes. 48:22, HOOFDSTUK 58. Do lleoro lioveelt don profeet, dat Hij den Joden hunne huicholarij, inzonderheid in hot vasten, zou verwijten, vs 1 ; en hun loeren, wat oen rogt vasten is, hetwelk Hij eischt (i; belovende dengenen, die Hem in opregtheid dos harten dienen en do boosheid nlloggen, in iiot bijzonder, die zijne sabbaten opregt onderhouden, alle welvaart en zegen, 8. ROEP uit de koel, houd niot in, verhef uwe stom als oeno bazuin, en verkondig mijn volk hunne overtreding, on hot huis Jakobs hunne zonden, 2 Hoewel zij Mij dagelijks zoeken, en eenen lust hebben aan do kennis mijnor wogen, als een volk, dat goregtigheid doet en hot regt zijns Gods niet verlaat, vragen zij Mij naar de regton dor goregtigheid , zij hebben eenen lust tot God te naderen; |
3 Zeggende: Waarom vasten wij, en Gij ziet het niet aan ? waarom kwellen wij onze ziel, en Gij weet het niet? Ziet, ten dage, wanneer gijlieden vast, zoo vindt gij uwen lust, en gij eischt stron-gelijk al uwen arbeid. 4 Ziet, tot twist en gekijf vast gijlieden, on om goddelooslijk mot do vuist to slaan; vast niot gelijk heden, om uwe stem te doen hooren in do hoogte. 5 quot;Zou hot zulk oen vasten zijn, dat Ik verkiezen zou, dat de mensch zijne ziel oen' dag kwelle? dat hij zijn hoofd kromme gelijk eono bioze, en eenen zak en asch onder zieh spreide? Zoudt gij dat een vasten booten, en eenen dag don Heere aangenaam? a Zach. 7:5. (i Is niet dit het vasten, dat Ik verkies: dat gij losmaakt de knoopon der goddeloosheid, dat gij ontdoet do banden des juks; en dat gij vrij loslaat do verpletterden, en alle juk verscheurt? 7 quot; Is hot niot, dat gij den hongerige uw brood mededeelt, en do armen, verdrevenen in huis brengt? als gij oenen naakte ziet, dat gij hem dokt, en dat gij u voor uw vloesch niet verbergt? aEzoc. 18:7, 10. Matt. 25:36. 8 Dan zal uw licht voortbreken als de dageraad, en uwe genezing zal snellijk uitspruiten; en uwe goregtigheid zal voor uw aangezigt heengaan, en do heerlijkheid des Heeren zal uw achter-togt wezen. 9 Dan zult gij roepen, on de Heere zal antwoorden; gij zult schreeuwen, en Hij zal zeggen: Ziet, hier bon Ik. Zoo gij uit hot midden van u wegdoet hot juk, het uitsteken des vingers, en hot spreken dor ongeregtighoid; 10 En zoo gij uwe ziel opent voor den hongerige, en do bedrukte ziel verzadigt; dan zal uw licht in de duisternis opgaan, en uwe donkerheid zal zijn als de middag. 11 En de Heere zal u geduriglijk leiden, en Hij zal uwe ziel verzadigen in groote droogten, en uwe beenderen vaardig maken; en gij zult zijn als oen gewaterd hof, en als een springader dor wateren, welker wateren niot ontbreken. 12 En dio uit u voortkomen, zullon bouwen de oude verwoeste plaatsen; do fondamenten, van geslacht tot geslacht venvoest, zult gij oprigton; en gij zult genaamd worden: Die de brossen toomuurt, die do paden weder opmaakt, om te bewonen. 13 Indien gij uwen voet van den sabbat afkeert, van to doen uwen lust op mijnen heiligen dag; en indien gij don sabbat noemt oeno verlustiging, opdat do Heere geheiligd worde, die te eeron is; en indien gij dien eert, dat gij uwe wogen niot doet, en uwen eigenen lust niet vindt, noch een woord daarvan spreekt: 14 Dan zult gij u verlustigen in den Heere, en Ik zal u doen rijden op do hoogten der aarde, en Ik zal u spijzigen mot do erve van uwen vader Jakob: want do mond des Heeren heeft het gesproken. |
JESAJA 59, 00.
|
HOOFDSTUK 59. De profeet, toont aan, dat het den Heere niet aan magt ontbreekt, om de .loden te verlossen, maar dat hunne zonden zulks verhinderen, vs. 1; welke opgenoemd worden, 3â0. Zij belijden hunne zonden, 0; hierop volgt de belofte, dat Grod de zijnon verlossen en hunne vijanden straffen zou, hun den Verlosser zenden en hen dooi' zijn Geest en woord eeuwig regeren, 10. ZIET, quot;de hand des Heeuen is niet verkort, dat- zij niet zou kunnen verlossen; en zijn ooi-is niet zwaar geworden, dat liet niet zou kunnen hooren. a Num. 11:23. .les. 50:2. 2 Maar uwe ongeregtlgheden maken eene scheiding tusschen ulieden en tusschen uwen God, en uwe zonden verbergen het aangezigt van ulieden, dat Hij niet hoort. 3 Want uwe handen zijn met bloed bevlekt, en uwe vingeren niet ongeregtigheid; uwe lippen spreken valschheid, uwe tong dicht onregt. 4 Er is niemand, die voor de geregtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid in het gerigt zicli begeeft: zij vertrouwen op ijdelheid, en spreken leugen, «met moeite zijn zij zwanger, en zij baren ongeregtigheid. a Job 15 : 35. Ps. 7 : 15. 5 Zij broeden basiliskus-eijeren uit, en zij weven spinnewebben: die van hunne eijeren eet, moet sterven; en als het in stukken gedrukt wordt, er berst eene adder uit. G Hunne webben a deugen niet tot kleederen, en zij zullen zich zeiven niet kunnen dekken met hunne werken: hunne werken zijn werken der ongeregtigheid, en een maaksel des wrevels is in hunne handen. a Job 8:14, 15. 7 quot; Hunne voeten loopen tot het kwade, en zij haasten, om onschuldig bloed te vergieten; hunne gedachten zijn gedachten der ongeregtigheid, verstoring en verbreking is op hunne banen. a Spr. 1 : 1G. Rom. 3 :15. 8 Den weg des vredes kennen zij niet, en er is geen regt in hunne gangen; hunne paden maken zij verkeerd voor zicli zeiven, al wie daarop gaat, die kent den vrede niet. 9 Daarom is het regt verre van ons, en de geregtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op liet licht, maar ziet, er is duisternis, op eenen grooten glans, maar wij wandelen in donkerheden. 10 Wij tasten naar den wand, gelijk de blinden, en, gelijk die geene oogen hebben, tasten wij; wij stooten ons op den middag, als in de schemering, wij zijn in woeste plaatsen gelijk de dooden. 11 Wij brommen allen gelijk als de beeren, en wij kirren doorgaans gelijk de duiven; wij wachten naar regt, maar er is geen, naar heil, maar liet is verre van ons. 12 Want onze overtredingen zijn vele voor U, en onze zonden getuigen tegen ons; want onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongeregtlgheden kennen wij: |
13 Het overtreden en het liegen tegen den Heeke, en het achterwaarts wijken van onzen God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valsche woorden uit het hart. 14 Daarom is het regt achterwaarts geweken, en de geregtigheid staat van verre: want de waarheid struikelt op de straat, en wat regt is kan er niet ingaan. 15 Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het booze wijkt, stelt zich tot eenen roof; en de Heere zag het, en het was kwaad in zijne oogen, dat er geen regt was. 16 quot; Dewijl Hij zag, dat er niemand was, zoo ontzette Hij zich, omdat er geen voorbidder was: daarom bragt Hem zijn arm heil aan, en zijne geregtigheid ondersteunde Hem. «Jes. 03:5. 17 Want Hij quot; trok geregtigheid aan als een pantsier, en den helm des heils zette Hij op zijn hoofd, en de kleederen der wraak trok Hij aan tot kleeding, en Hij deed den ijver aan als eenen mantel. aEfez. 6:17. 1 Thess. 5:8. 18 Even naar de werken, even daarnaar zal Hij vergelden, grimmigheid aan zijne wederpartijders, vergelding aan zijne vijanden; den eilanden zal Hij den loon vergelden. 19 Dan zullen zij den naam des Heeren vreezen van den nedergang, en zijne heerlijkheid van den opgang der zon; als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des Heeren de banier tegen hem oprigten. 20 En a er zal een Verlosser tot Zion komen, namelijk voor hen, h die zich bekeeren van do overtreding in Jakob, spreekt de Heere. a Rom. 11 : 26. /; Jes. 10:21, 22. 21 Mij aangaande, dit is mijn verbond met hen, zegt de Heere: Mijn Geest, die op u is, en mijne woorden, die Ik in uwen mond gelegd heb, die zullen van uwen mond niet wijken, noch van den mond van uw zaad, noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toe. HOOFDSTUK 60. Do Heere vermaant zijne Kerk, om zich te verheugen over do gelukzaligheid haar door Christus verworven , vs. 1; haar verlichtende met ware kennis van God, 2; welke ook do Heidenen zouden genieten, 3; die zich met grooto menigten tot haar zullen voegen, 4; waardoor zij versierd, verheerlijkt en verrijkt zal worden, 15. De Heere zal haar beschutten en haar licht zijn, 10. MAAK u op, word verlicht, want uw licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op. 2 Want ziet, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; doch over u zal de Heere opgaan, en zijne heerlijkheid zal over u gezien worden. 3 En de Heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot den glans, die u is opgegaan. 4 Hef uwe oogen rondom op, en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u: uwe zonen zullen |
JESAJA 60, 61.
661
|
van verre komen, en uwe dochters zullen aan ! uwe zijde gevoedsterd worden. 5 Dan zult gij het zien en zamenvloeijen, en uw hart zal vervaard zijn en verwijd worden: want do menigte der zee zal tot u gekeerd worden, het heir der Heidenen zal tot u komen. 6 Een hoop kemelen zal u bedekken, de snelle kemelen van Midian en llefa; zij allen uit Seheba zullen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen, en zij zullen den overvloedigen lof des Hekken boodschappen. 7 Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden, de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op mijn altaar, en Ik zal het huis mijner heerlijkheid heerlijk maken. 8 Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als eene wolk, en als duiven tot hare vensters ? i) Want de eilanden zullen Mij verwachten, en de schepen van Tarsis vooreerst, om uwe kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot den naam des Heeren , uws Gods, en tot den Heilige Israels, dewijl Hij u heerlijk gemaakt heeft. 10 En de vreemden zullen uwe muren bouwen, en quot; hunne koningen zullen u dienen: want in mijne verbolgenheid heb Ik u geslagen, maar in mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd. rtJes. 49:23. 11 En uwe poorten zullen steeds openstaan, zij zullen des daags of des nachts niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het heir der Heidenen, en hunne koningen tot u geleid worden. 12 Want het volk en het koningrijk, welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen gansch verwoest worden. 13 De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beuke- en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats mijns heiligdoms, en Ik zal de plaats mijner voeten heerlijk maken. 14 Ook zullen, zich buigende, tot u komen do kinderen dergenen, die u onderdrukt hebben, en allen, die u gelasterd hebben, zullen zich nederbuigen aan de planten uwer voeten; en zij zullen u noemen de stad des Heeren, het Zion van den Heilige Israëls. 15 In plaats dat quot;gij verlaten en gehaat zijt geweest, zoodat niemand door u henenging, zoo zal Ik u stellen tot eene eeuwige heerlijkheid, tot eene vreugde van geslacht tot geslacht. a Jes. 49 : 19. 54:1, 0, 7. 16 En gij zult do melk der Heidenen zuigen, en gij zult de borsten der koningen zuigen; en gij zult weten, dat Ik do Heere ben, quot;uw Heiland, en uw Verlosser, de Magtige Jakobs. o.les. 43:3. 17 Voor koper zal Ik goud brengen, en voor ijzer zal Ik zilver brengen, en voor hout koper, en voor steenon ijzer; en zal uwe opzieners vreedzaam maken, en uwe drijvers regtvaardigen. |
18 Er zal geen geweld meer gehoord worden in uw land, verstoring noch verbreking in uwe landpalen; maar uwe muren zult gij Heil heeten, on uwe poorten Lof. 19 De zon zal u niet meer wezen tot een licht des daags, en tot eenen glans zal u de maan niet lichten; maar de Heere zal u wezen tot een eeuwig licht, en uw God tot uwe sierlijkheid. 20 Uwe zon zal niet meer ondergaan, en uwe maan zal haar licht niet intrekken: want de Heere zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagon uwer treuring zullen eon einde nemen. 21 En uw volk zullen allen te zamen regtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn oeno quot; spruit mijner plantingen, ''een werk mijner handen, opdat Ik verheerlijkt worde. «Matt. 15:13. /gt;.les.29:23. 45:11. 22 De kleinste zal tot duizend worden, en de minste tot een magtig volk: Ik, do Heere, zal zulks te zijner tijd snollijk doen komen. HOOFDSTUK 61. Christus geeft to ketinen, dat llij gezalfd is, on waartoe, als ook welke heerlijke weldaden llij aan zijne Kerk bewijzen zou, vs. 1. Hij spreekt ook weder van do roeping der Heidenen, 5; van de weldaden, die God den zijnen geven zal, (i. Vreugde van Gods Kerk, daaruit voortvloeijonde, 10. DE quot;Geest des Hoeren Heeren is op mij, omdat de Heere mij gezalfd heeft, om eene blijde boodschap te brengen den zachtmoodigen: Hij heeft mij gezonden om te verbinden de gebroke-nen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis; «Luk. 4:17, 18, 19, 20. 2 Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren, en den dag der wraak onzes Gods; om alle treurigen te troosten; 3 Om den treurigen Zions te beschikken, dat hun gegeven worde sieraad voor asch, vreugde-olie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor eenen bonaauwden geest; opdat zij genaamd worden eikeboomen dor gerogtigheid, eene planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde. 4 En zij zullen quot; de oude verwoeste plaatsen bouwen, de vorige verstoringen weder oprigten, en de verwoeste steden vernieuwen, die verstoord waren van geslacht tot geslacht. a Jes. 58: 12. 5 En uitlanders zullen staan, en uwe kudden weiden; en vreemden zullen uwe akkerlieden en uwe wijngaardeniers zijn. 6 Doch gijlieden zult quot; priesters des Heeren heeten, men zal u dienaren onzes Gods noemen: gij zult het vermogen der Heidenen eten, en in hunne heerlijkheid zult gij u beroemen. al Petr 2:5, 9. Openb. 1:6. 5:10, enz. 7 Voor uwe dubbele schaamte en schande zullen zij juichen over hun deel: daarom zullen zij in hun land erfelijk het dubbele bezitten, zij zullen eeuwige vreugde hebben. 8 Want Ik, de Heere, hob het regt lief. Ik haat den roof in het brandoffer, en Ik zal geven. |
|
662 dat hun werk in der waarheid zal zijn; en Ik zal een eeuwig verbond met hen maken. 9 En hun zaad zal onder de Heidenen bekend worden, en hunne nakomelingen in het midden der volken: allen, die hen zien zullen, zullen hen kennen, dat zij zijn een zaad, dat de Heere gezegend heeft. 10 Ik ben zeer vrolijk in den Heere, mijne ziel verheugt zich in mijnen God, want Hij heeft mij bekleed met do kleedoren des heils, den mantel der geregtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als eene bruid zich versiert met haar gereedschap. 11 Want gelijk de aarde hare spruit voortbrengt, en gelijk oen hof hetgeen in hom gezaaid is doet uitspruiten; alzoo zal do Heere Heere geregtigheid en lof doen uitspruiten voor al do volken. HOOFDSTUK 62. Do profeet voorzegt don gelukkigen en heerlijken staat dor christelijke Kerk, vs, 1 ; die door Christus zal getrouwd, 4; en met getrouwe wachters zal verzorgd worden, (i. Hij zal haar nist en vrede geven, 8; en door de bckeering dor Heidenen venneor-doren, 1U. OM Zions wil zal ik niet zwijgen, on om Jeru-zalems wil zal ik niet stil zijn; totdat hare geregtigheid voortkome als oen glans, en haar heil als eene fakkel, die brandt. 2 En de Heidenen zullen uwe geregtigheid zien, en allo koningen uwe heerlijkheid; en gij zult mot quot; oenen nieuwen naam genoemd worden, welken des Heeren mond uitdrukkelijk noemen zal. ci Jcs. 65 : 15. 3 En gij zult eene sierlijke kroon zijn in do hand des Heeren, en oen koninklijke hoed in de hand uws ftods. 4 Tot u zal niet meer gezegd worden: De verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden: Hot verwoeste; maar gij zult genoemd worden: Mijn lust is aan haar! en uw land; Het getrouwde: want do Heere hooft oenen lust aan u, en uw land zal getrouwd worden. 5 Want gelijk een jongeling eene jonkvrouw trouwt, alzoo zullen uwe kinderen u trouwen; en (jelijk de bruidegom vrolijk is over do bruid, alzoo zal uw God over u vrolijk zijn. 6 O Jeruzalem! Ik heb wachters op uwe muren besteld, die goduriglijk, al don dag en al den nacht, niet zullon zwijgen. O gij, die des Heeren doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij uliedon wezen! 7 En zwijgt niet stil voor Hem, totdat Hij bevostige, on totdat Hij Jeruzalem stelle tot een' lof op aarde. 8 Do Heere heeft gezworen bij zijne rogtorhand, en bij don arm zijner sterkte: indien Ik uw koren meer zal geven tot spijs voor uwe vijanden, en indien de vreemden zullen drinken uwen most, waaraan gij gearbeid hebt! |
9 Maar die hot inzamelen zullen, die zullon hot oton, en zij zullen don Heere prijzen; on die hem vergaderen zullen, zullen hem drinken in do voorhoven mijns hoiligdoms. 10 quot; Gaat door, gaat door, door do poorten, bereidt don weg des volks; verhoogt, verhoogt eene baan, ruimt de stoonon weg, stookt oeno banier omhoog tot de volken! a.les, 40 : 3. 57:14. 11 Ziet, do Heere heeft doen hooren, tot aan het einde der aarde; zegt dor dochter van Zion: Zie, uw heil komt; zie, zijn loon is met Hom, en zijn arbeidsloon is voor ziju aangozigt. 12 En zij zullen hen noemen het heilige volk, do verlosten dos Heeren ; en gij zult genoemd worden do gozociite, de stad , die niet verlaten is. HOOFDSTUK 63. Do profeet beschrijft do hoorlijko overwinning van Christus over de vijanden zijner Kerk, vs. 1. Lof en prijs der groote goedheid des Heeren, 7. Belijdenis der zonden van het volk, waarover God vertoornd was, 10; doch zich wederom ontfermde, gedachtig zijnde zijner vorige barmhartigheden, 11. Een gebed om verdere genade en bescherming, 15. WIE is deze, die van Edom komt met bospren-keldo klooderon, van Bozra? deze, die versierd is in zijn gewaad, die voorttrekt in zijne groote kracht? Ik ben hot, die in geregtigheid spreekt, die magtig bon to verlossen. 2 Waarom zijt gij quot; rood aan uw gewaad ? en uwe klooderon als van eenen , die in de wijnpers treedt ? a Oponb. 19:13. 3 Ik heb do pors alleen getreden, on er was niemand van do volken met Mij; en Ik heb hen getreden in mijnen toorn, en heb hen vertrapt in mijne grimmigheid; en hunne kracht is gesprengd op mijne klooderon, en al mijn gewaad heb Ik bezoedeld. 4 Want do dag der wraak was in mijn hart, en het jaar mijnor verlosten was gekomen. a .los. 61 : 2. 5 quot; En Ik zag toe, en er was niemand, die hielp; en Ik ontzette Mij, on er was niemand, die ondersteunde: daarom hoeft mijn arm Mij heil beschikt, en mijne grimmigheid hooft Mij ondersteund. «.los. 59:16. 6 En Ik heb de volken vertreden in mijnen toorn, en Ik heb hen dronken gemaakt in mijne grimmigheid; en Ik heb hunne kracht ter aarde doen nederdalen. 7 Ik zal de goedertierenheden des Heeren vermolden, don veelvoudigen lof des Heeren, naar alles, wat de Heere ons heeft bewezen, en de groote goedigheid aan hot huis van Israël, dio Hij hun bewezen hooft, naar zijne barmhartigheden, en naar do veelheid zijner goedertioronhodon. 8 Want Hij zeide: Zij zijn immers mijn volk, kindoren, die niet liegen zullon? Alzoo is Hij hun geworden tot oenen Heiland. 9 In al hunne benaauwdhoid was Hij bonaauwd, en de Engel zijns aangezigts heeft hen behouden: JESAJA 61, 62, 63. |
JESAJA (53 , 64 , 65.
663
|
quot; door zijne liefde en door zijne genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen van onds. a Dent. 7:7, 8, 9. 10 quot; Maar zij zijn wederspannig geworden, en /.ij hebben zijnen Heiligen Geest smarten aangedaan: daarom is Hij hun in eenen vijand verkeerd, Hij zelf heeft tegen hen gestreden. a Num. 14:11. Ps. 78:57. 95:9, enz. 11 Nogtans dacht Hij aan de dagen van ouds, aan Mozes, en zijn volk; maar nu, waar is Hij, die hen uit de zee opgebragt heeft, met do herders zijner kudde? waar is Hij, die zijnen Heiligen Geest in het midden van hen stolde? 12 Die den arm zijner heerlijkheid heeft doen gaan aan de regterhand van Mozes; die de wateren voor hunlieder aangezigten kliefde, opdat Hij zich eenen eeuwigen naam maakte? 13 Die hen leidde door de afgronden; als een paard in de woestijn, « struikelden zij niet. a Ps. 105:37. 14 Gelijk een beest, dat afgaat in de valleijen, heeft hun de Geest des Heeren rust gegeven. Alzoo hebt Gij uw volk geleid, opdat Gij U eenen heerlijken naam zoudt maken. 15 quot; Zie van den hemel af, en aanschouw van uwe heilige en uwe heerlijke woning; waar zijn uw ijver en uwe mogendheden, het gerommel uws ingewands en uwer barmhartigheden ? zij houden zich tegen mij in. «Dent. 20:15. 16 Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet: Gij, o Heere! zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is uw naam. 17 Heere! waarom doet Gij ons van uwe wegen dwalen? 'waarom verstokt (Jij ons hart, dat wij U niet vreezen? keer weder om uwer knechten wil, de stammen uws erfdeels. 18 Uw heilig volk heeft het maar een weinig tijds bezeten; onze wederpartij der s hebben quot;uw heiligdom vertreden. a Ps. 74:7. 1!) Wij zijn geworden als die, over welke Gij van ouds niet hebt geheerscht, en die naar uwen naam niet zijn genoemd. HOOFDSTUK 64. Gods volk gaat voort in het gebod, op het einde van het vorige hoofdstuk aangevangen, vs. 1; biddende, dat God hen wil verlossen, gelijk Hij vroeger gedaan heeft, 3; bekennende en belijdende hunne vuile zonden, 6; en onwaardigheid, 8; bidden zij inzonderheid om de opbouwing van Jeruzalem, 10. OCH dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van uw aangezigt vervloten; 2 Gelijk een smeltvuur brandt, en het vuur de wateren doet opbobbelen, om uwen naam aan uwe wederpartijders bekend te maken! laat alzoo de Heidenen van uw aangezigt beven. 3 Toen Gij vreesselijke dingen deedt, die wij niet verwachtten: Gij kwaamt neder, van uw aangezigt vervloten de bergen. |
4 Ja van ouds heeft men het quot;niet gehoord, noch met ooren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal dien, die op Hem wacht. aPs.31:19,20. lCor.2:9. 5 Gij ontmoet den vrolijke, en die geregtigheid doet, dengenen, die Uwer gedenken op uwe wegen ; zie, Gij waart verbolgen, omdat wij gezondigd hebben; in dezelve is de eeuwigheid, opdat wij behouden wierden. 6 Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze geregtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en «wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind. a Ps. 90 : 5 , (i. 7 En er is niemand, die uwen naam aanroept, die zich opwekt, dat hij U aangrijpe: want Gij verbergt uw aangezigt voor ons, en Gij doet ons smelten, door middel van onze ongeregtigheden. 8 Doch nu, Heere! Gij zijt onzeVader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn uwer handen werk. 9 Heere ! wees niet zoo zeer verbolgen, en quot;gedenk niet eeuwiglijk der ongeregtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn uw volk. aPs.79;ö. 10 Uwe heilige steden zijn eene woestijn geworden , Zion is eene woestijn geworden, Jeruzalem eene verwoesting. 11 Ons heilig en ons heerlijk huis, waarin onze vaders U loofden, is met vuur verbrand; en al onze gewenschte dingen zijn tot woestheid geworden. 12 Heere! zoudt Gij U over deze dingen inhouden? zoudt Gij stilzwijgen, en ons zoo zeer bedrukken? HOOFDSTUK 65. Profetie van de roeping der Heidenen, vs. 1 ; on do verstooting der Joden om hunne wederspannigheid, afgoderij, 2; en andere zonden, 4. Don bootvaardigen wordt redding beloofd, 8; maar de verlaters dos Heeren worden zwaar bedreigd, 11. Dos Heeren kiiechten worden getroost, 13; met de belofte van hot eeuwige loven, 17; afgebeeld door het nieuwe Jerftzalom, 18; en andere figuren, 20. IK ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar mijnen naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik. 2 Ik heb mijne handen uitgebreid den ganschen dag tot een wederstrevig volk, die wandelen op eenen weg, die niet goed is, naar hunne eigene gedachten; 3 Een volk. Mij geduriglijk tergende in mijn aangezigt, in hoven offerende, en rookende op tigchelsteenen; 4 Zittende bij de graven, zoo vernachten zij bij degenen, die bewaard worden, etende zwijnen-vleesch, en er is sap van gruwelijke dingen in hunne vaten. 5 Die daar zeggen: Houd u tot u zeiven, en naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij. |
JESAJA 65, 66.
664
|
Dezo zijn een rook in mijnen neus, eon vuur, den ganschen dag- brandende. (i Ziet, liet is voor mijn aangezigt geschreven; Ik zal niet zwijgen, maar Ik zal vergelden, ja in hunnen boezem zal Ik vergelden. 7 Uwe ongeregtigheden, en uwer vaderen onge-regtigheden te gelijk, zegt de Heere, die gerookt hebben op de bergen, en Mij smaadheid aangedaan hebben op do heuvelen; daarom zal Ik hun vorig werkloon in hunnen boezem weder toemeten. 8 Alzoo zegt de Heere: Gelijk wanneer men most in een' bos druiven vindt, men zegt: Verderf ze niet, want er is een zegen in; alzoo zal Ik het om mijner knechten wil doen, dat Ik hen niet allen vorderve. 9 En Ik zal zaad uit Jakob voortbrengen, en uit Juda eenen erfbezitter van mijne bergen; en mijne uitverkorenen zullen het erfelijk bezitten, en mijne knechten zullen aldaar wonen. 10 En Saron zal tot eene schaapskooi worden, en het dal van Achor tot een runderleger, voor mijn volk, dat Mij gezocht heeft. 11 Maar gij, verlaters des Heeren, gij vergeters van don berg mijner heiligheid, gij aanrigters eener tafel voor die bende, en gij opvullers des dranks voor dat getal! 12 Ik zal uliedon ook ten zwaarde tollen, dat gij allen u ter slagting zult krommen, omdat Ik geroepen ben, maar gij hebt niet geantwoord, Ik gesproken heb, maar gij hebt niet gehoord, maar hebt gedaan, dat kwaad was in mijne oogen, en hebt verkoren hetgeen, waaraan Ik geenon lust heb. 13 Daarom zegt de Heere Heere alzoo: Ziet, mijne knechten zullen eten, doch gijlieden zult hongeren; ziet, mijne knechten zullen drinken, doch gijlieden zult dorsten; ziet, mijne knechten zullen blijde zijn, doch gijlieden zult beschaamd zijn. 14 Ziot, mijne knechten zullen juichen van goeder harte, maar gijlieden zult schreeuwen van weedom des harten, en van verbreking des geestes zult gij huilen. 15 En gijlieden zult uwen naam mijnen uitverkorenen tot eene vervloeking laten; en de Heere Heere zal uliedon dooden, maar zijne knechten zal Hij met eenen anderen naam noemen: 16 Zoodat, wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich zegenen in den God der waarheid; en wie zweren zal op aarde, die zal zweren bij den God der waarheid, omdat de vorige benaauwd-heden zullen vergeten zijn, en omdat zij voor mijne oogen verborgen zijn. 17 Want ziet. Ik schep nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde; en do vorige dingen zullen niet mecv gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. 18 Maar woest gijlieden vrolijk, en verheugt u tot in der eeuwigheid in hetgeen Ik schep: want ziet. Ik schep Jeruzalem eene verheuging, en haar volk eene vrolijkheid. |
19 En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over mijn volk; on in haar zal niet meer gehoord worden de stom der weening, noch de stem des geschreeuws. 20 Van daar zal niet meer wezen oen zuigeling van weinige dagen, noch een oud man, die zijne dagen niet zal vervullen: want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar oen zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden. 21 En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten, en derzei vor vrucht eten. 22 Zij zullen niet bouwen, dat het een ander bewone; zij zullen niet planten , dat het een ander ete: want de dagen mijns volks zullen zijn als de dagen eens booms, en mijne uitverkorenen zullen het werk hunner handen verslijten. 2:1 Zij zullen niet te vergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring: want zij zijn het zaad der gezegenden des Heeren , en hunne nakomelingen met hen. 24 En het zal geschieden, eer zij roepen, zoo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zoo zal Ik hooren. 25 Do wolf en het lam zullen te zamen weiden, en do leeuw zal stroo eten als een rund, en stof zal de spijze dor slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verdorven op mijnen ganschen heiligen berg, zegt de Heere. HOOFDSTUK 66. Do Heere bostnift de Joden, die zich op don uitei-lijken tempel verlieten, vs. 1; en toont aan, wie llem behagen, 2. bedreiging tegen de wedorspan-nigen. 4; waarna Hij de godzaligen troost, 5. De Heere belooft zijne Kerk te vermeerderen en te zegenen, 7; tot vreugde harer liefhebbers, 10; doch hare vijanden zal Hij verdelgen, 15. Over de roeping der Heidenen, 18; en de helsche straf der goddeloozen, 24. ALZOO zegt de Heere : quot; De hemel is mijn troon, en de aarde is de voetbank mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen? en waar is de plaats mijner rust? a 1 Kon. 8 : 27. 2 Ivron. 6 : 18. Hand. 7 : 48, 40. 17 : 24. 2 Want mijne hand heeft al doze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt de Heere; maar op dezen zal Ik zien, op den arme en ver-slagene van geest, en die voor mijn woord beeft. 3 Wie eenen os slagt, slaat eenen man; wie een lam offert, breekt oenen hond den hals; wie spijsoffer offert, is als die zwijnonbloed offert; wie wierook brandt ton godenkoffer, is als die eenen afgod zegent. Deze verkiezen ook hunne wegen, en hunne ziel heeft lust aan hunne verfoeiselen. 4 Ik zal ook verkiezen den loon hunner handelingen, en hunne vreeze zal Ik over hen doen komen, «omdat Ik geroepen heb, en niemand antwoordde. Ik gesproken heb, on zij niet hoorden, maar ''doden dat kwaad is in mijne oogen. |
JEREMIA 1.
665
|
on vorkoren hetgeon, waartoe Ik goenon lust had. a Spr. 1 : Ã4. .lor. 7 : 13. ftJes. 65: 12. 5 Hoort des Heeren woord, gij, die voor ziju woord beeft! Uwe broeders, die u haten, die u verre afzondoren, om mijns naams wil, zeggon: quot;Dat de Heere heerlijk worde! Doch hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden. « Jes. 5; 19. ö Er zal eeno stem van een groot rumoer uit do stad zijn, eene stom uit den tempel, do stem dos Heeren, dio zijnen vijanden do verdiensten vergeldt. 7 Eer zij barensnood had, hoeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zoo is zij van een knechtje verlost. 8 Wie hooft ooit zulks gehoord? wie heeft dergelijk gezien ? zou een land kunnen geboren worden op een' eenigen dag ? zou een volk kunnen geboren worden op oono oenige reize? maar Zion heeft weeën gekregen, en zij hooft hare zonen gebaard. 9 Zou Ik do baarmoeder openbreken, en niet genereren? zegt de Heere; zou Ik, die genoroor, voortaan toesluiten? zegt uw God. 10 Verblijdt u met Jeruzalem, en verheugt u over haar, al hare liofhebbors! woest vrolijk over haar mot vreugde, gij allen, die over haar zijt treurig geweest! 11 Opdat gij moogt zuigen, en verzadigd worden van de borsten haror vertroostingen; opdat gij moogt uitzuigen, on u verlusten mot don glans haror heerlijkheid. 12 Want alzoo zegt do Heere: Ziet, Ik zal den vrede over haar uitstrekken als eeno rivier, en de heerlijkheid dor Heidenen als eeno overloo-pendo boek; dan zult gijlieden zuigen, gij zult a op do zijden gedragen worden, en op de knieën zeer vriendelijk getroeteld worden, aJes. 49:22.60:4. 13 Als oen', dien zijne moeder troost, alzoo zal Ik u troosten; ja gij zult te Jeruzalem getroost worden. 14 En gij zult het zien, en uw hart zal vrolijk zijn, en uwe beendoren zullen groenen als hot toedere gras; dan zal de hand dos Heeren bekend worden aan zijne knechten, en Hij zal zijnen vijanden gram worden. 15 Want ziet, de Heere zal met vuur komen, en zijne wagenen als oen wervelwind; om met grimmigheid zijnon toorn hiertoe te wenden, en zijne scheiding inet vuurvlammen. |
16 Want met vuur, en met zijn zwaard zal do Heere in hot regt treden, met allo vleosch; en do verslagenen des Heeren zullen vermenigvuldigd zijn. 17 Die zich zelven heiligen, en zich zolven reinigen in de hoven, achter een in het midden der zelve; die zwijnenvleesch eten, en verfoeisel, en muizen: te zamen zullen zij verteerd worden, spreekt de Heere. 18 Hunne werken en hunne gedachten! Het komt, dat Ik vergaderen zal alle Heidenen en tongen; en zij zullen komon, en zij zullen mijne heerlijkheid zion. 19 En Ik zal een teoken aan hen zotten, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zonden tot de Heidenen, naar Tarsis, Pul on Lud, do boogschutters, naar Tubal en Javan, tot do ver gelegene eilanden, die mijn gerucht niet gehoord, noch mijne hoorlijkhoid gezien hebben; en zij zullen mijne heerlijkheid onder do Heidenen verkondigen. 20 En zij zullen al uwe broeders uit alle Heidenen den Heere ten spijsoffer brengen, op paarden, en op wagenen, en op rosbaren, en op muilen, en op snelle loopers, naar mijnen heiligen berg toe, naar Jeruzalem, zegt de Heere , gelijk als de kinderen Israëls het spijsoffer in een rein vat brongen ten huizo des Heeren. 21 En ook zal Ik uit dezelve eenigen tot priesters en tot Levieten nemen, zegt de Heere. 22 Want gelijk als die quot; nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor mijn aan-gozigt zullen staan, spreekt de Heere, alzoo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan. a Jes. 65: 17. 2 Petr. 3 : 13. Openb. 21 : 1. 23 En het zal geschieden, dat van do eene nieuwe maan tot de andere, en van den oenen sabbat tot den andoren, alle vleosch komon zal om aan te bidden voor mijn aangezigt, zegt do Heere. 24 En zij zullen henen uitgaan, en zij zullen de doodo ligchamon dor lieden zien, die togen Mij overtreden hebben: want «hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niot uitgobluscht worden, en zij zullen allen vleesch eeno afgrijzing wezen. a Mark. 9 : 44. |
DE PROFEET JEREMIA.
|
HOOFDSTUK 1. Afkomst van Jereraia en do tijd zijner profetering, vs. 1. ttod roept hem tot het profetisch ambt, en sterkt hem door een teoken togen zijne verontschuldigingen, 4; openbaart hem de gozigton van oono amandelroede en oenen ziedenden pot, II; gooft |
hem oenen gestrengen last togen dlo vanJuda, mot belofte van zijnen bijstand, 17. DE woorden van Joremia, don zoon van Hilkfa, uit do priesteren, die te Anatoth waren, in het land van Benjamin; 2 Tot welken het woord des Heeren geschiedde. |
JEREMIA 1, 2.
666
|
in do dagen van quot; Josia, zoon van Anion, koning van Juda, in hot dertionde jaar zijnor regering. a 2 Kon. 21: 26. 22 : 1, on/.. 2 Kron. 34: 1, enz. 3 Ook goscJdedde liet tot hem in de dagen van quot;Jójakim, zoon van Josia, koning van Juda,quot; totdat voleind word hot elfde jaar van 11 Zedekia, zoon van Josia, koning van Juda; totdat Jeruzalem gevankelijk werd weggevoerd in do''vijfde maand, a 2 Kon. 23 ; 34. 2 Kron. 36 : 4. h 2 Kon. 24 ; 17. 2 Kron. 36 :10, enz. Jer. 52 : 1, onz. c 2 Kon. 25 : 8. 4 liet woord dos Heeuen dan geschiedde tot mij, zeggende: 5 Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, quot; heb Ik u geheiligd; Ik heb u don volken tot een' profeet gesteld. a Gal. 1:15. 6 Toen zoide Ik: a Ach Heere Heere! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong. a Ex. 3, 4. 6:11, 20. 7 Maar de Heere zeido tot mij: Zog niet: Ik ben jong; want overal waarhonen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij sproken. 8 quot; Vrees niet voor hun aangozigt, wanth Ik bon mot u, om u te redden, spreekt do IIeere. «Ezoc. 3:9. iDout.31:6,8. Juz. 1: 5. !) En do Heere stak zijne hand uit, en quot; roerde mijnen mond aan; en de Heere zeido tot mij: Zie, b Ik geef mijne woorden in uwen mond. «.Tos. 6:6,7. b Jor. 5:14. 10 Zie, Ik stel u te dezen dage over do volken on over de koningrijken, om quot;uit te rukken, en af te breken, en te verdorven, on to verstoren ; ook om te bouwen en te planten. aJer. 18:7. 2 Cor. 10:4, 5. 11 Wijders geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: Wat ziet gij, Jeroima ? En ik zeido: Ik zie eono amandelroede. 12 En de Heere zeido tot mij: Gij hebt wel gozion: want Ik zal wakker zijn over mijn woord, om dat te doen. 13 En dos Heeren woord geschiedde ton tweede maal tot mij, zeggende: Wat ziet gij? En ik zoide: Ik zie oenen ziedenden pot, welks voorste dool tegen hot noordon is. |
14 En do Heere zeido tot mij: quot; Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners dos lands. a Jer. 4: 0. 15 Want zie, quot; Ik roep alle geslachten der koningrijken van het noorden , spreekt de Heere : en zij zullen komen, en 0 zetten een iegelijk zijnon troon voor do deur dor poorten van Jeruzalem, en tegen al hare muren rondom, en tegen alle steden van Juda. «Jor. 5 : 15. 6 : 22. 10 : 22. h Jer. 52 : 4, 5. 16 En Ik zal inijne oordeelen tegen hen uitspreken over al hunne boosheid; dat zij Mij verlaten hebben, en anderen goden gerookt, en zich gebogen hebben voor do werken hunner handen. 17 Gij dan, gord uwe lenden, en maak u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal: wees niet verslagen voor hun aangozigt, opdat Ik u voor hun aangezigt niet versla. 18 Want, zie. Ik stol u heden quot; tot oene vaste stad, en tot oenen ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het gansche land: tegen do koningen van Juda, tegen hare vorsten, tegen hare priesteren, en tegen het volk van het land. a Jer. 6:27. 15:20. 19 En zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen: want Ik ben met u, spreekt de Heere, om u uit te helpen. HOOFDSTUK 2. God stolt zijn volk zeer bewegelijk voor ongen de weldaden, die llij hun van den beginne af heeft bewezen, en klaagt heftig over hunne gruwelijke, gedurige en gansch onredelijke afgodische ondankbaarheid, vs. 1; hoedanige onder de Heidenen zelfs niet te vinden is, 10; over hunne schrikkelijke en dubbele boosheid, 12; waardoor zij zeiven de oorzaak hunner ellende zijn, 14. Verwijt van hun vergeefsch loopen naar Egypte en Assur, 18, 36; van hunne ongebondene, onbeschaamde, hardnekkige, menigvuldige en meer dan Heideiisehe afgoden en schandelijk vergoten en verlaten van (lod, 20; van bloedvergieten on huichelarij, 34. EN des Heeren woord geschiedde tot mij, zeggende: 2 Ga en roep voor de ooren van Jeruzalem, zeggende: Zoo zegt de Heere: Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaid land. |
JEREMIA 2.
667
|
3 Israël was den Meere oeno heiligheid, do eerstelingen zijner inkomste; allen die hem opaten, werden voor schuldig gehouden, kwaad kwam hun over, spreekt de Heere. 4 Hoort des Heeren woord, gij huis van Jakob, en alle geslachten van hot huis Israels! 5 Zoo zegt do Heere: quot;Wat voor onregt hebben uwe vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn, en hebben de ijdolheid nagewandeld, on zij zijn ijdel geworden? a Mioha 0:3, 4. 6 En zeidon niet: Waar is de Heere, die ons opvoerde uit Egyptoland, die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen on kuilen, in een land van dorheid en schaduw des doods, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mensch woonde? 7 En Ik hragt u in een vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelve en het goede er van te eten; maar toen gij daarin kwaanit, verontrei-nigdot gij mijn land, en steldot mijne erfenis tot eenon gruwel. 8 De priesters zeiden niet: Waar is do Heere? quot;en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en do profeten profeteerden door Baal, en wandelden naar dingen, die geen nut doen. a Hon. 2:20. S) Daarom zal Ik nog mot ulioden twisten, spreekt do IIeeke: ja niet uwe kindskinderen zal Ik twisten. 10 Want, gaat over in de eilanden dor Chitteërs, en ziet too, on zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziot, of desgelijks geschied zij? 11 Hoeft ook een volk de goden veranderd, hoewol dezelve geone goden zijn ? nogtans hoeft mijn volk quot; zijne oor veranderd in hetgeen geen nut doet. «Ps. 100:20. 12 Ontzet u hierover, gij quot;hemelen, en zijt verschrikt! wordt zoor woest, spreekt de Heere. a Dout. 32 : I. .los, 1 : 2. 13 Want mijn volk hoeft twee boosheden gedaan: Mij, de quot; springader des levenden waters, hobbon zij verlaten , om zich zelvon bakken uit te houwen, gebrokene bakken, die goon water houden. a Hoogl. 4 :15. 17 : 13. 14 Is dan Israël eon knecht? of is hij oen ingo-borono dos huizes? waarom is hij dan ton roof geworden ? 15 quot; De jonge leeuwen hebben over hem gebruld, zij hobbon hunne stom verheven; en zij hebben zijn land gezet in ''verwoesting, zijne steden zijn verbrand, dat er niemand in woont. a Jos. 5 : 29. Jor. 4 : 7. h Jor. 4:7. 16 Ook hebben u de kinderen van Nof en Taoh-panhes don schedel afgeweid. 17 Doet gij u dit niet zelvon, doordien gij don Heere, uwen God, verlaat, ton tijde als Hij u op don weg leidt? |
18 En nu, wat hebt gij to doen met don weg van quot;Egypte, om de wateren van Sihor te drinken? En wat hebt gij te doen mot den weg van Assur, om de wateren der rivier te drinken? « .los. 31 : 1. 19 Uwe quot; boosheid zal u kastijdon, en uwe afkeeringen zullen ii straffen: weet dan en ziot, dat hot kwaad en bittor is, dat gij den Heere, uwen God, verlaat, en mijne vreeze niet bij u is, spreekt de Heere, de Heere dor heirscharon. a Jos. 3 : 9. Hos. 5: 5. 20 Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uwe bandon verscheurd had, zoo zoidet gij: Ik zal niet dienen; maar op allen hoogen heuvel on onder allen groenen boom loopt gij om, hoererende. 21 Ik had u toch quot;geplant, oenen edelen wijnstok , een geheel getrouw zaad: hoe zijt gij Mij dan veranderd in verbasterde ranken van oen' vreemden wijnstok? re Ex. 15: 17. Ps. 44:3. 80:9. 22 Want, al quot; wiescht gij u mot salpeter, en naamt u veel zoop, zoo is toch uwe ongoregtig-heid voor mijn aangozigt goteokond, spreekt de Heere Heere. «Job 9:30. 23 Hoe zegt gij: Ik bon niet verontreinigd, ik heb de Daiils niet nagewandeld? zie uwen weg in het dal, ken wat gij gedaan hebt, gij ligto, snelle komolin, die hare wogen verdraait! 24 Zij is oeno woudezolin, gewond in do woestijn, naar den lust haror ziel schept zij don wind, wie zou hare ontmoeting afkoeren ? allen, die haar zoeken, zullen niet moede worden, in hare maand zullen zij haar vinden. 25 Bedwing uwen voet van ontschoeijng, en uwe keel van dorst; maar gij zegt: Het is buiten hoop; neon, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen ! 26 Gelijk oen dief beschaamd wordt, wanneer hij gevonden wordt, alzoo zijn die van hot huis Israëls beschaamd: zij, hunne koningen, hunne vorsten, en hunne priesters, en hunne profeten; 27 Die tot oen hout zoggen: Gij zijt mijn vader; en tot oenen steen: Gij hebt mij gegenereerd: want zij koeren Mij den nek toe, en niet het aangozigt; maar ton tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons. 28 Waar zijn dan uwe goden, die gij u gemaakt hebt? laat ze opstaan, of zij u ton tijde uws kwaads zullen verlossen: want naar quot; hot getal uwer steden zijn uwe goden, o Juda! « Jos. 2 : 8. Jor. I L : 13. 29 Waarom twist gij togen Mij? gij hebt allen tegen Mij overtreden, spreekt do Heere. 30 Te vergeefs heb Ik uwe kinderen quot; geslagen; zij hebben do 11 tucht niet aangenomen; uliodor zwaard hoeft uwe profoton verteerd, als oen' verdervende leeuw. «Jos 1:5. Jer. 5 : 3. h Jor. 5 : 3. 31 quot;O geslacht, aanmerkt toch gijlieden des Heeren woord! ben Ik Israël oeno woestijn geweest, of oen land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan mijn volk : Wij zijn hoeren, wij zullen niet moor tot U komen? a Matt. 23 : 20, enz. 32 Vergoot ook oeno jonkvrouw haar versiersel ? |
JEREMIA 2, 3.
668
|
o/'eeno bruid haro biudselen? nogtans heeft mijn volk Mij quot; vergeten, dagen zonder getal. tt Jer. 15 : 21. :13 Wat maakt gij uwen weg goed, daar gij boelering zoekt ? waarom gij ook do booste hoeren uwe wegen geleerd hebt. 34 Ja liet bloed van de zielen der onschuldige nooddruftigen is in uwe zoomen gevonden; Ik heb dat niet met opgraven gevonden, maar aan allen die. 35 Nog zegt gij: Zeker ik ben onschuldig; zijn toorn is immers van mij afgekeerd. Ziet, Ik zal met u regten, omdat gij zegt: Ik heb uiet gezondigd. 36 Wat reist gij veel uit, veranderende uwen weg V Gij zult ook van quot; Egypte beschaamd worden , gelijk als gij van Assur beschaamd zijt. «.les. 31: I. 37 Gij zult ook van hier uitgaan met uwe handen op uw hoofd: want de Heere heeft al uw vertrouwen verworpen, zoodat gij daarmede niet zult bedijen. HOOFDSTUK 3. Gods grooto langmoedigheid over .luda, met noocliging tot bokcering, vs. 1. Vergelijking der boosheid van Israöl en .luda, die zich aan Israöls voorbeeld niet spiegelde, maar het img erger maakte, 0. Israël wordt ook genoodigd tot bekoering, 12; met schoone evangelische beloften van de vergadering der uitverkorene Joden en Heidenen tot Christus Kerk, bestelling van hot prediktambt, afschaffing der ceremoniën en oprigting van de nieuwe godsdienst; alsmede van den (ieest des kindsehaps, desgebeds, der ware bekeering en der erfenis van het hemelseh Kanaiin, 14. MEN zegt: Zoo een man zijne huisvrouw verlaat , en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeeren? Zou datzelve land niet grootelijks ontheiligd worden? Gij nu, hebt met vele boeloerders gehoereerd , keer nogtans weder tot Mij, spreekt de Heere. 2 Hef uwe oogen op naar de hooge plaatsen, en zie toe, waar zijt gij niet beslapen? Gij hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn; alzoo hebt gij het land ontheiligd mot uwe hoererijen en met uwe boosheid. 3 Daarom zijn de regendruppelen ingehouden, en er is geen spade regen geweest. Maar gij hebt een hoeren voorhoofd, gij weigert schaamrood te worden. 4 Zult gij niet van nu af tot Mij roepen : Mijn Vader! Gij zijt de leidsman mijner jeugd! 5 Zal Hij in eeuwigheid den toorn behouden ? zal Hij dien gestadig bewaren? Zie, gij spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand. 6 Voorts zeide de Heere tot mij, in de dagen van den koning Josia: Hebt gij gezien, wat do afgekeerde Israël gedaan heeft ? zij quot; ging henen op allen hoogen berg, en tot onder allen groenen boom, en hoereerde aldaar. aJer. 2:20. |
7 En Ik zeide, nadat zij zulks alles gedaan had; Bekoel u tot Mij; maar zij bekeerde zich niet. Dit zag de trouwelooze, hare zuster Juda. 8 En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haren scheldbrief gegeven had, dat de trouwelooze, hare zuster Juda, niet vreesde, maar ging henen en hoereerde zelve ook. 9 Ja het geschiedde, van wege het gerucht harer hoererij, dat zij hot land ontheiligde: want zij bedreef overspel met steen en hout. 10 En zelfs in dit alles heeft zich hare trouwelooze zuster Juda tot Mij niet bekeerd met haar gansche hart, maar valschelijk, spreekt de Heere. 11 Dies de Heere tot mij zeide: De afgekeerde Israël heeft hare ziel geregtvaardigd, meer dan de trouwelooze Juda. 12 Ga henen en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, gij afgekeerde Israël! spreekt dc Heere, zoo zal Ik mijnen toorn op ulieden niet doen vallen: want Ik ben quot;goedertieren, spreekt de Heere, Ik zal den toorn niet in eeuwigheid behouden. ci Ps. 80:15. 103 : 8, 9. 145: 17. 13 Alleen ken uwe ongeregtigheid, dat gij tegen den Heere, uwen God, hebt overtreden, en uwe wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder allen groenen boom, maar zijt mijner stem niet gehoorzaam geweest, spreekt de Heeee. 14 Bekeert u, gij afkeerige kinderen! spreekt de Heere, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, eenen uit eene stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Zion. 15 En Ik zal ulieden herders geven naar mijn hart; die zullen u weiden met wetenschap en verstand. «Jer. 23:4. Ezec. 34:23. Efez. 4:11. 16 En het zal geschieden, wanneer gij vermenigvuldigd en vruchtbaar zult geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt de Heere, zullen zij niet meer zeggen: De ark des verbonds des Heeren, ook zal zij in het hart niet opkomen; en zij zullen aan haar niet gedenken, en haar niet bezoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden. 17 Te dier tijd zullen zij Jeruzalem noemen, des Heeren troon; en al de Heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om des Heeren naams wil, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart. 18 In die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis van Israël; en zij zullen te zamen komen uit het land van het noorden, in het land, dat Ik uwen vaderen ten erve gegeven heb. 19 Ik zeide wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten ? en u geven het gewenschte land, de sierlijke erfenis van de heirscharen der Heidenen? Maar Ik zeide: Gij zult tot Mij roepen: Mijn Vader! en gij zult van achter Mij niet afkeeren. 20 Waarlijk, gelijk eene vrouw trouwelooslijk scheidt van haren vriend, alzoo hebt gijlieden |
JEREMIA 3, 4.
069
|
trouwelooslijk tegen Mij gehandeld, gij huis Israels! spreekt de Heere. 21 Er is eene stem gehoord op de hooge plaatsen, een geween en smeekingen der kinderen Israels, omdat zij hunnen weg verkeerd en den Heere, hunnen God, quot; vergeten hebben. a Jer. 2 : 82. 22 Keert weder, gij afkeerige kinderen! Ik zal uwe afkeeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de Heere, onze God! 23 Waarlijk, te vergeefs quot; verwacht men het van de heuvelen en de menigte der borgen; waarlijk, in den Heere, onzen God, is Israels heil! a Ps. 121 ; 1. |
24 Want de schaamte heeft den arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze jeugd aan; hunne 2 Maar zwoer: Zoo ivaarachtiy als de Heere loeft! in quot;waarheid, in rogt on in geregtigheid: zoo zullen zich do Heidenen in Hem '' zegenen, en zich in Hem beroemen. «Jes. 48:1. ftöen. 22:18. !! Want zoo zegt de Heere tot de mannen van Juda, en tot Jeruzalem : Braakt ulieden een braakland, en zaait niet onder de doornen. 4 Besnijdt u den Heere, en doet weg de voorhuiden uwer quot;harten, gij mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat mijne grimmigheid niet uitvare als een '' vuur, en brande, dat niemand blusschen kunne, van wege de boosheid uwer handelingen, a Dout. 10 :16. .'i0 : 6. b .les. 65 : 5. 5 Verkondigt in Juda, on laat het hooren te Jeruzalem, en zegt het; ja blaast de bazuin in |
|
schapen en hunne runderen, hunne zonen en hunne dochteren. 25 Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben togen den Heere, onzen God, gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd aan tot op dezen dag; en wij zijn der stem dos Heeren, onzes Gods, niet gehoorzaam geweest. HOOFDSTUK 4. Vermaning tot oprogto bekeering, vs. 1. Uitvoerige aankondiging en afbeelding der toekomstige verwoesting van hot joodsche land door do Babyloniërs, om der zonden wil, ofschoon do valsche profeten anders voorwendden, 5, 27; waarover do profeet hittor weeklaagt, 19. (iod belooft intusschon eene genadige matiging der plagen, 27. ZOO gij u bekeeren zult, Israël! spreekt do Heere, bekeer u tot Mij; en zoo gij uwe verfoeiselen van mijn aangezigt zult wegdoen, zoo zwerf niet om. |
het land; roept met volle en zegt: Verzamelt ulieden, en laat ons ingaan in de vaste steden! 6 Werpt de banier op naar Zion, vlugt met hoopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en eene groote breuk. 7 De quot;leeuw is opgekomen uit zijne haag, en de verderver der Heidenen is opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijne plaats, om uw land te stellen in verwoesting; uwe steden zullen '' verstoord worden, dat er niemand in wone. «Jes. 5:29. .Ier. 2:15. 5:6. h Jor. 2: 15. 8 Hierom gordt zakken aan, quot;bedrijft misbaar en huilt: want de hittigheid van des Heeren toorn is niet van ons afgekeerd. «.les. 82: 12. 9 En hot zal te dier tijd geschieden, spreekt de Heere, dat het hart des konings en het hart der vorsten vergaan zal; en de priesters zullen zich ontzetten, en de profeten zich verwonderen. 10 Toen zeide ik: Ach Heere Heere! waarlijk |
JEREMIA 4, 5.
(570
|
Gij hebt dit volk on Joriizalem yrootolijks bedrogen, zeggende: Gijlieden zult vrede hebben; daar het zwaard tot aan de ziel raakt. 11 Te dier tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een dorre wind van de hooge plaatsen in do woestijn, van den weg der dochter mijns volks; niet oin te wannen, nog om te zuiveren; 12 Er zal Mij oen wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordeelen tegen hen uitspreken. 13 Ziet, hij komt op als wolkon, en zijne wagonen zijn als een wervelwind, zijne paarden zijn sneller dan arenden; wee ons, want wij zijn verwoest! 14 quot; Wasch uw hart van boosheid, o Jeruzalem! opdat gij behouden wordt; hoe lang zult gij de gedachten uwer ijdelheid in hot binnenste van u laten vernachten? «.les. 1:10. 15 Want eene stom verkondigt van Dan af, en doet ellende hooron van het gebergte van Efraïm. 16 Vermeldt den volken, ziet, doet het hooron togen Jeruzalem: daar komen hoeders uit verren lande; en zij verheffen hunne stom tegen de steden van Juda. 17 Als de wachters der volden zijn zij rondom togen haar; omdat zij togen Mij wederspannig geweest is, spreekt do Hkere. 1H Uw weg en uwe handelingen hebben u deze dingen gedaan; dit is uwe boosheid, dat hot zoo bitter is, dat het tot aan uw hart raakt. 19 O mijn quot;ingewand, mijn ingewand! ik heb barenswee, o wanden mijns harten! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet zwijgen: want gij, mijne ziel! boort het geluid der bazuin en hot krijgsgeschrei. a .les. 21 : 4. .lor. 9:1. 20 Breuk op breuk wordt er uitgeroepen; want hot ganscho land is verstoord: haastelijk zijn mijne tonton verstoord, mijne gordijnen in een oogonblik! 21 Iloo lang zal ik do banier zien, het geluid der bazuin hooron ? 22 Zekerlijk, mijn volk is dwaas. Mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad to doen, maar goed te doen weten zij niet. 23 Ik zag het land aan, en ziet, het was woest en ledig; ook naar den hemel, en zijn licht was er niet. 24 Ik zag de bergen aan, en ziet, zij beefden; en al de heuvelen schudden. 25 Ik zag, en ziet, or was goon mensch; on allo vogelen des hemels waren weggevlogen. 26 Ik zag, en ziet, hot vruchtbare land was eeno woestijn, en al zijne steden waren afgebroken, van woge den Hkere, van wego de hittighoid zijns toorns. 27 Want zoo zegt de Heere: Dit ganscho land zal eeno woestijn zijn; (doch Ik zal geene quot;voleinding maken.) «Jer. 5: 10, 18. 30: 11. 46:28. |
28 Hierom zal de aarde treuren, en de hemel daarboven zwart zijn: omdat Ik het heb gesproken, Ik heb hot voorgenomen, on hot zal Mij niet rouwen, en Ik zal Mij daarvan niet afkoeren. 29 Van het geroep der ruiteren en boogschuttors vlugten al de steden; zij gaan in de wolken, en klimmen op de rotsen: al de steden zijn verlaten, zoodat niemand in dezelve woont. 30 Wat zult gij dan doen, gij verwoeste? al kleeddot gij u met scharlaken, al versierdet gij u met gouden sieraad, al schuurdot gij uwe oogon mot blanketsel, zoo zoudt gij u toch to vergeefs oppronken; do boelen versmaden u, zij zullen uwe ziel zooken. 31 Want ik hoor eene stom als van eeno vrouw, die in arbeid is, eene benaauwdhoid als van eene, die in des eersten kinds nood is, de stem van do dochter Zions, zij hijgt, zij breidt hare handen uit, zeggende: O wee mij nu, want mijne ziel is moede van woge do doodslagors! HOOFDSTUK 5. Klagt over den grnwelijkon toestand van Joruzalem on .Tuda, als: dat or goone vromen onder kleinen noch groeten meer to vinden waren, vs. 1, 4, 5; dat allerlei grove zonden onder hen in zwang gingen, als: valsch en huichelachtig zweren, 2; hardnekkigheid en verstoktheid, 3, 21â24; afgoderij, 7, 19; overspel on hoererij, 7, 8; verachting van Gods woord en zijne profeten, 11, 12, 13; rijkdom door oneerlijke handelingen, 26, 27; omegt in het gerigt, 28; het gehoor geven aan valsche profeten on kwade priesters, 31; om dit alles zal God hen straffen door de Chaldeën, 9, 14, 15; zonder hen nogtans ganseh te verdelgen, 10, 18. GAAT om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe, en verneemt, en zoekt op hare straten, of gij iemand vindt, of er één is, die regt doet, die waarheid zoekt, zoo zal Ik haar genadig zijn. 2 En of zij al zeggen: Zoo waarachtig als de Heere leeft! zoo zweren zij toch valschelijk. 3 O Heere! zien uwe oogen niet naar waarheid? Gij hebt hen quot; geslagen, maar zij hebben geene pijn gevoeld; Gij hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de ''tucht aan te nemen; zij hebben hunne aangezigten harder gemaakt dan eene steenrots, zij hebben geweigerd zich te be-keeren. aJes. 1:5. 9:12. .Ier. 2:30. b Jer. 2:30. 4 Doch ik zeide: Zekerlijk, deze zijn arm; zij handelen zottelijk, omdat zij den weg des Heeren, het regt huns Gods niet weten. 5 Ik zal gaan tot de grooten, en met hen spreken, want die weten den weg des Heeren, het regt huns Gods; maar zij hadden te zamen hot juk verbroken, en de banden verscheurd. 6 Daarom heeft hen een a leeuw uit het woud verslagen, een wolf der wildernissen zal hen verwoesten ; een luipaard waakt tegen hunne steden: al wie uit dezelve uitgaat, zal verscheurd worden : want hunne overtredingen zijn vermenigvuldigd, hunne afkeeringen zijn magtig vele geworden. a Jor. 4 : 7. |
JE RE MIA 5, 6.
()71
|
7 Hoo zou Ik over zulks u vergeven? uwe kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen, die geen God zijn: als Ik hen verzadigd heb, zoo bedrijven zij overspel, en verzamelen bij hoepen in het hoerenhuis. 8 Als welgevoederde hengsten quot; zijn zij vroeg op; zij hunkeren, een iegelijk naar zijns naasten huisvrouw. a Ezec. 22:11. 9 a Zou Ik over die dingen geene bezoeking doen? spreekt de Heere. Of zou mijne ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is ? a vers 29. Jer. 0 : 9. 10 Beklimt hare muren, en verderft ze, (doch maakt quot; geene voleinding;) doet hare spitsen weg, want zij zijn des IIeeren niet. aJer. 4:27. 11 Want het huis van Israël en het huis van Juda hebben gansch quot; trouwelooslijk tegen Mij gehandeld, spreekt de Heere. /(Jer. 3:20. 12 Zij verloochenen den Heere, en zeggen: Hij is het niet, en ons quot; zal geen kwaad overkomen, wij zullen noch zwaard noch honger zien. a Jes. 28 : 15. 13 Ja die profeten zullen tot wind worden, want het woord is niet bij hen; hun zeiven zal zoo geschieden. 14 Daarom zegt de Heere, de God der heir-scharen, alzoo, omdat gijlieden dit woord spreekt: Ziet, Ik zal quot;mijne woorden in uwen mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren. a Jer. 1 : 9. 15 Ziet, Ik zal over ulieden een volk van quot; verre brengen, o huis Israels! spreekt de Heere; het is een sterk volk, het is een zeer oud volk, een volk, welks spraak gij niet zult kennen, en niet hoeren wat het spreken zal. a Dent. 28 : 49. Jer. 1: 15. (ï: 22. 1G Zijn pijlkoker is als een open graf; zij zijn altemaal helden. 17 En het zal uwen quot; oogst en uw brood opeten, dat uwe zonen en uwe dochteren zouden eten; het zal uwe schapen en uwe runderen opeten; liet zal uwen wijnstok en uwen vijgeboom opeten; uwe vaste steden, op dewelke gij vertrouwt, zal het arm maken, door het zwaard. a Lev. 20 : 10. Deut. 28 : 31, 33. 18 Nogtans zal Ik ook in die dagen, spreekt de Heere , quot;geene voleinding met ulieden maken. a Jer. 4 : 27. 19 En het zal geschieden, wanneer gij zult zeggen: quot;Waarom heeft ons de Heere, onze God, al deze dingen gedaan ? dat gij tot hen zeggen zult: Gelijk als gijlieden Mij hebt verlaten, en vreemde goden in uw land gediend, alzoo zult gij de uitlandschen dienen, in een land, dat het uwe niet is. a Jer. 10: 10. 20 Verkondigt dit in het huis van Jakob, en laat het hoeren in Juda, zeggende: 21 quot;Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk! die oogen hebben, maar zien niet, die ooren hebben, maar hooren niet. «Jes. 0:9. |
22 Zult gijlieden Mij niet vreezen? spreekt de Heere; zult gij voor mijn aangezigt niet beven? die der zee het zand tot eenen quot; paal gesteld heb, met eene eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan: ofschoon hare golven zich bewegen, zoo zullen zij toch niet vermogen, ofschoon zij bruisen, zoo zullen zij toch daarover niet gaan. «Job 38: 10, 11. Ps. 33:7. 104:9. 23 Maar dit volk heeft- een afvallig en weder-spannig hart; zij zijn afgevallen en heengegaan; 24 En zij zeggen niet in hun hart: Laat ons nu den Heere, onzen God, vreezen, die den regen geeft, quot; zoo vroegen regen als spaden regen, op zijnen tijd; die ons de weken, de gezette tijden van den oogst, bewaart. « Dout. 11 : 14. 25 Uwe ongeregtigheden wenden die dingen af, en uwe zonden weren dat goede van ulieden. 26 Want onder mijn volk worden goddeloozen gevonden; een ieder van hen loert, gelijk zich de vogelvangers schikken; zij zetten eenen ver-derfelijken strik, zij vangen de menschen. 27 Gelijk eene kouw vol is van gevogelte, alzoo zijn hunne huizen vol van bedrog: daarom zijn zij groot en rijk geworden. 28 quot;Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden der boozen gaan zij te boven; de '' regtzaken rigten zij niet, zelfs de regtzaak des weezen, nogtans zijn zij voorspoedig; ook oordeelen zij het regt der nooddruftigen niet. «Dout. 32 : 15. fc.les. I : 23. Zach. 7 : 10. 29 quot; Zou Ik over die dingen geene bezoeking doen? spreekt de Heere; zou mijne ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? « vers 9. Jer. 9 : 9. 30 Eene schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land. 31 De profeten profeteren quot; valschelijk, en de priesters heerschen door hunne handen; en mijn volk heeft het gaarne alzoo: maar wat zult gij ten einde van dien maken? a Jer. 14:18. 23:25, 20. Ezec. 13:0. HOOFDSTUK 6. God stelt het volk levendig voor oogen de naderende aankomst der Habyloniërs, belegering en inneming van Jeruzalem en hunne gevankelijko wegvoering, vs. 1, 11, 12, 21. 22; vermaant hen tot bekeering, 8, 10; maar doordien allerlei boosheid, wrevel en geweld, 7; verstoktheid, wederspannighoid, hardnekkigheid, 10, 10, 17, 29, 30; gierigheid, 13; achterklap, 28; valschheid en pluimstrijkerij der profeten en priesters, 13, 14, 15; verachting van Gods woord en het opvolgen van hun eigen goeddunken, 19, 28; huichelachtige godsdienst, 20; de overhand hadden, zoo voorzegt Hij hun, dat allen, do een na den ander, het land uit moeten, 9. Uo profeet wordt gesterkt tegen de boosheid van hot volk en do vruchteloosheid van zijne dienst bij hen, 27 , 29. VLUGT met hoopen, gij kinderen van Benjamin ! uit het midden van Jeruzalem, en blaast de bazuin te Thekoa, en heft een vuurteeken op te |
JEREMIA 6, 7.
072
|
Both-Chorom: want or kijkt oon kwaad uit van het quot; noorden, en eene groote breuk. «Jer. 1:13,14. 2 Ik heb wel de dochter Zions bij oene sohoone en wellustige vrouw vergeleken; ;i Maar er zullen herders tot haar komen met hunne kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan, zij zullen oen iegelijk zijne ruimte afweiden. 4 Heiligt den krijg tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op den middag; o wee ons! want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich. 5 Maakt u op, en laat ons optrekken in den nacht, en hare paleizen verderven! (i Want zoo zegt de IIeere dor heirscharen: Houwt boomon af, en werpt oenen wal op tegeu Jeruzalem; zij is do stad, dio bezoclit zal worden; in het midden van haar is onkel verdrukking. 7 Gelijk een bornput zijn water opgeeft, alzoo geeft zij hare boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord, weedom en plaging is steeds voor mijn aangezigt. 8 Laat u tuchtigen, Jeruzalem! opdat mijne ziel niet van u afgetrokken worde, opdat Ik u niet stelle tot eene woestheid, tot een onbewoond land. 0 Zoo zegt de Heere der heirscharen: Zij zullen Israels overblijfsel vlijtiglijk nalezen, gelijk oenen wijnstok: quot;breng uwe hand weder, gelijk een wijnlozer, aan de korven. a.Tos. 24:13. 10 Tot wie zal ik spreken en betuigen, dat zij hot hooren? Ziet, hun quot;oor is onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; ziet, het woord dos Hkeren is hun tot eenen smaad, zij hebben geo-non lust daartoe. a Jer. 7:20. 11 Daarom ben ik vol van des Heeren grimmigheid , ik bon moede geworden van inhouden; ik zal ze uitstorten over de kinderkens op de straat, en over de vergadering der jongelingen te zamen: want zelfs de man met do vrouw zullen gevangen worden, de oude met dien, die vol is van dagen. 12 quot; En hunne huizen zullen omgewend worden tot anderen, met te zamen de akkers en vrouwen: want Ik zal mijne hand uitstrekken tegen de inwoners dezes lands, spreekt de Heere. a Deut. 28 : 30. 13 Want van hunnen kleinste aan tot hunnen grootste toe quot; pleegt oen ieder van hen gierigheid, en van don profeet aan tot den priester toe bedrijft oen ieder van hen valschheid. a Jes. 50 :11. Jer. 8 : 10. 14 quot; En zij genezen de breuk van de dochter mijns volks op hot ligtsto, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede. a Jer. 8:11. Ezec. 13 :10. 15 Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben ? Ja zij schamen zich in het minste niet, weten ook niet van schaamrood te maken; daarom zullen zij vallen onder de vallenden; ton tijde als Ik hen bezoeken zal, zullen zij struikelen, zegt de IIeere. |
10 Zoo zegt do IIeere: Staat op do wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin, quot; zoo zult gij rust vinden voor uwe ziel; maar zij zeggen : Wij zullen daarin niet wandelen, a Matt. 11:20. 17 Ik heb ook wachters over ulieden gesteld, zeggende; Luistert naar het geluid der bazuin; maar zij zeggen: Wij zullen niet luisteren. 18 Daarom hoort, gij Heidenen! en verneem, o gij vergadering! wat onder hen is. IS) Hoor toe, gij aarde! zie, Ik zal een kwaad brengen over dit volk, de vrucht hunner gedachten: want zij merken niet op mijne woorden, en mijne wet verwerpen zij. 20 quot; Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen ? en de beste kalmus uit verren lande ? Uwe brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uwe slagtofforen zijn Mij niet zoet. «Jes. 1: 11. 00 : 3. Araos 5 : 21. Micha 0:0, enz. 21 Daarom zegt de Heere alzoo: Ziet, Ik zal dit volk allerlei aanstoot stellen; en daaraan zullen zich stooten te zamen vaders en kindoren, de nabuur en zijn medgezel, en zullen omkomen. 22 Zoo zegt de Heere: Ziet, er komt een volk uit het land van het noorden, en eene a groote natie zal opgewekt worden uit de zijdon der aarde. «Jer. 50:41, 42, 43. 23 Boog en spies zullen zij voeren, het is een wreed volk, en zij zullen niet barmhartig zijn; hunne stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust, als een man ten oorlog tegen u, o dochter van Zion! 24 Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden; benaauwdheid heeft ons aangegrepen , weedom als van eene a barende vrouw. a Jer. 4:31. 49:24. 50:43. 25 Gaat niet uit in het veld, noch wandelt op den weg: want des vijands zwaard is er, schrik van rondom! 20 O dochter mijns volks! quot;gord eenen zak aan, en wentel u in de asch, maak u rouw eens eeni-gen zoons, een zeer bitter misbaar; want de verstoorder zal ons snellijk overkomen. aJer.4:8. 27 Ik heb u onder mijn volk gesteld tot eenen wachttoren, tot eene vesting; opdat gij hunnen weg zoudt weten en proeven. 28 Zij zijn allen de afvalligste der afvalligen, wandelende in achterklap; zij zijn quot; koper en ijzer; zij zijn altemaal verdervers. aEzec. 22:18. 2!) De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd; te vergeefs heeft de smelter zoo vlijtiglijk gesmolten, dewijl de boozen niet afgetrokken zijn. 30 Men noemt ze een verworpen zilver: want de Heere heeft hen «verworpen. aJes. 1:22. HOOFDSTUK 7. Odd kat zijn volk openbaar vermanen tot ware bekeo-ring en afstand van hun IJdel vertrouwen op de uiterlijke godsdienst on tempel, met verwijt van het goddeloos en onbeschaamd misbruik hiervan, vs. 1; |
JEREMIA 7.
|
ilroigt lion met hot voorbeokl van Silo, 12; verbiedt den profeet voor hot volk to hidden. om hunne afgodische razernijen, !(!; verwerpt hunne offers en oischt gehoorzaamheid, in plaats der voorgaande en tegenwoordige ongehoorzaamheid , 21; roept tot schrik en rouw over de gruwelen van ïofeth, in het dal des zoons Hinnoms, 20. HET woord, dat tot Jeremia geschied is, van den Heere, zeggende: 2 Sta in de poort van des Heeren luns, en roep aldaar dit woord uit, en zeg: Hoort des Heeren woord , o gansch Juda ! gij, die door deze poorten ingaat, om den Heere aan te bidden. :] Zoo zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: quot; Maakt uwe wegen en uwe handelingen goed, zoo zal Ik ulieden doen wonen in deze plaats. a vers 5. Jor. 18:11, 26 : 13. 4 Vertrouwt niet op valsche woorden, zeggende: des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel, zijn deze! 5 Maar indien gij uwe wegen en uwe handelingen waarlijk zult goed maken; indien gij waarlijk zult quot; regt doen tusschen den man en tusschen zijnen naaste; «.lor. 5:28. G Den vreemdeling, wees en quot; weduwe niet zult verdrukken, en geen ''onschuldig bloed in deze plaats vergieten; en andere goden niet zult nawandelen , ulieden ten kwade: aJes. 10: 1. 2. ft.Tcs. 59: 7. 7 Zoo zal Ik u in deze plaats, in het land, dat Ik uwen vaderen gegeven heb, doen wonen van eeuw tot eeuw. 8 Ziet, gij vertrouwt u op valsche woorden, die geen nut doen. !J Zult gij stelen, doodslaan en overspel bedrijven, en valschelijk zweren, en Baiil rooken, en andere goden nawandelen, die gij niet kentV 10 En dan komen en staan voor mijn aangezigt in dit huis, dat naar mijnen naam genoemd is, on zeggen; Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen? 11 Is dan dit huis, dat naar mijnen naam genoemd is, in uwe oogen eene quot; spelonk der moordenaren? Ziet, Ik heb het ook gezien, spreekt de Heere. a Matt. 21 : 13. Mark. 11:17. Luk. 1!): 40. 12 Want gaat nu henen naar mijne plaats, die te Silo was, alwaar Ik mijnen naam in het eerst had doen wonen; en ziet, «wat Ik daaraan gedaan heb van wege de boosheid van mijn volk Israël. a\ Sam. 4 :11. Ps. 78:00 13 En nu, omdat gijlieden al deze werken doet, spreekt de Heere, en Ik tot u gesproken heb, 'vroeg op zijnde en sprekende, maar gij niet gehoord hebt, en Ik u ''geroepen, maar gij niet geantwoord hebt; a 2 Kron. 30 : 15. ond. vs. 25, enz. h Spr. 1 : 24. Jes. 05 : 12. 60 : 4. 14 Zoo zal Ik aan dit huis, dat naar mijnen naam genoemd is, waarop gij vertrouwt, en aan deze plaats, die Ik u en uwen vaderen gegeven lieb, doen, gelijk als Ik aan Silo gedaan heb. |
15 En Ik zal ulieden van mijn aangezigt wegwerpen, gelijk als Ik al uwe broederen, het ganscho zaad van Efraïm, weggeworpen heb. 16 Gij dan, quot; bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op, en loop Mij niet aan: want Ik zal u niet hooren. «Ex. 32: 10. Jer. 11 : 14. 14: 11. 17 Ziet gij niet, wat zij doen in do steden van Juda, en op do straten van Jeruzalem? 18 quot; Do kinderen lozen hout op, en de vaders steken bot vuur aan, on de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de ''Melécheth des hemels, en anderen goden drankofferen te offeren , om Mij verdriet aan te doen. a Jer. 44: 19. 6 Jes. 65:11. Jer. 8:2. 19:13. 44: 19. 19 Doen zij Mij verdriet aan? spreekt de Heere. Doen zij het zich zeiven niet aan, quot;tot beschaming huns aangezigts? «.les. 65:13. 20 Daarom zegt de Heere Heere alzoo: Ziet, mijn toorn en mijne grimmigheid zal uitgestort worden over deze plaats, over de menschen en over do beesten, on over het geboomte des velds, en over de vrucht des aardrijks; en zal branden, en niet uitgebluscht worden. 21 Zoo zegt do Heere der heirscharen, de God Israëls: quot; Doet uwe brandofferen tot uwe slagt-offeren, en eet vleesch. «Jes. 1:11. Jer. 0:20. Amos 5: 21. 22 Want Ik heb met uwe vaderen, ten dage als Ik hen uit Egypteland uitvoerde, niet gesproken, noch bun geboden van zaken des brandoffers of slagtoffers. 23 Maar deze zaak heb Ik hun geboden, zeggende: quot;Hoort naar mijne stem, ''zoo zal Ik u tot eenen God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn; en wandelt in al den weg, dien Ik u gebieden zal, opdat het u welga. a Dout. 0:3. 6 Ex. 19:5, Lev. 20:12. 24 Doch zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar gewandeld in de raadslagen, in het quot;goeddunken van hun boos hart; en ''zij zijn achterwaarts gekeerd, en niet voorwaarts. a Jor. 3:17. 16 :12. h Jer. 2 : 27. 32 : 33.' 25 Van dien dag af, dat uwe vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op dezen dag, zoo heb Ik tot u gezonden al mijne knechten, de profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende. 26 Doch zij hebben naar Mij niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hunnen quot; nek verhard , zij hebben het erger gemaakt dan hunne vaders. « Neh. 9 : 17 , 29. Jer. 17 : 23. 19 :15. 27 Ook zult gij al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen naar u niet hooren; gij zult wel tot hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden. 28 Daarom zeg tot hen: Dit is het volk, dat naar de stem des Heeren, zijns Gods, niet hoort, en de quot; tucht niet aanneemt; '' de waarheid is ondergegaan, en uitgeroeid van hunnen mond. a Jer. 5 : 3. h Jer. 5 : 1. 29 quot;Scheer uw hoofdhaar af, o Jeruzalem! en werp het weg, en verhef eene weeklagt op de 43 |
JEREMIA 7, 8.
(574
|
hooge plaatsen; want de IIeere heeft het geslacht zijner verbolgenheid verworpen en verlaten. «.lob 1: 20, .les. 15 : 2. Jer. lü : G. 30 Want de kinderen van Juda hebben gedaan, dat kwaad is in mijne oogen, spreekt de Heere; zij hebben hunne verfoeiselen gesteld in het huis, dat naar mijnen naam genoemd is, om dat te verontreinigen. 31 En zij hebben gebouwd de quot; hoogten van Tofeth, dat in het dal des zoons van Hinnom is, om hunne zonen en hunne dochteren met vuur te verbranden; hetwelk Ik niet heb geboden, noch in mijn hart is opgekomen. a 2 Kon. 23 : 10. Jer. 2 : 23. 19 ; 5, G. 32 Daarom ziet, de dagen komen, spreekt de Heere , dat het niet meer zal geheeten worden Tofeth, noch dal des zoons van Hinnom, maar moorddal; en zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geene plaats zal zijn. 33 quot; En de doode ligchamen dezes volks zullen het gevogelte des hemels, en het gedierte dolaarde tot spijze zijn, en niemand zal ze afschrikken. a Deut. 28 : 2G. Jer. 34 ; 20. 34 quot; En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem der vrolijkheid en de stem der vreugde, de stem des bruidegoms en de stem der bruid: want het land zal h tot eene verwoesting worden. aJes.24;7. Jer. 1G : 9. 25 : 10. Bzec. 2G ; 13. Hos. 2 : 10. ^ Jer. G : 8. HOOFDSTUK 8. Verdere profetie van de toekomstige welverdiende schande en benaauwdheid der Joden, zoo dooden als levenden, vs. 1. Verwijt over hunne gedurige onverstandige onboetvaardigheid, (niet beschaming door het voorbeeld der onvernuftige beesten) over hunnen dwazen en valsehen roem op wijsheid; verkeering der wet, valsehheid, bespottelijke vleijerij en onbeschaamdheid der valsche profeten en priesters, algemeene overtreding en afgoderij; al hetwelk God zwaar zal straffen door de Babyloniërs, 4; waarover do profeet zeer bitter treurt en weeklaagt, 18. TER zelvei tijd, spreekt de Heere, zullen zij de beenderen dor koningen van Juda, en de beenderen hunner vorston, en de beenderen der priesteren, en de beenderen der profeten, en de beenderen der inwoners van Jeruzalem, uit hunne graven uithalen. 2 En zij zullen ze uitspreiden voor de zon, en voor de maan, en voor het gansche heir des hemels, die zij liefgehad, en die zij quot;gediend, en die zij nagewandeld, en die zij gezocht hebben, en voor dewelke zij zich nedergebogen hebben; zij zullen niet verzameld noch begraven worden: tot mist op den aardbodem zullen zij zijn. a Jer. 7 : 18. 19: 13. 3 En de dood zal voor het leven verkozen worden, bij het gansche overblijfsel der overgeblevenen uit dit booze geslacht, in al de plaatsen der overgeblevenen, waar Ik hen henengedreven zal hebben, spreekt de Heere der heirscharen. |
4 Zeg wijders tot hen: Zoo zegt de Heere : Zal men vallen, en niet weder opstaan? Zal men afkeeren, en niet wederkeeren ? 5 Waarom keert dan dit volk te Jeruzalem af met eene altoosdurende afkeering ? zij houden vast aan bedrog, zij weigeren weder te keeren. (i Ik heb geluisterd en toegehoord, zij spreken dat niet regt is, er is niemand, die berouw heeft over zijne boosheid, zeggende: Wat heb ik gedaan? Een ieder keert zich om in zijnen loop, gelijk oen onbesuisd paard in den strijd. 7 Zelfs een ooijevaar aan den hemel weet zijne gezette tijden, en eene tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar mijn volk quot; weet het regt des Heeren niet. a Jer. 5:4, 5. 8 Hoe zegt gij dan: Wij zijn wijs, en de wet des Heeren is bij ons! Ziet, waarlijk, te vergeefs werkt de valsche pon der schriftgeleerden. 9 De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; ziet, zij hebben des Heeren woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben? 10 Daarom zal Ik hunne quot; vrouwen aan anderen geven, hunne akkers aan andere bezitters: want h van den kleinste aan tot den grootste toe c ploegt een ieder van hen gierigheid; van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een ieder van hen valsehheid. a Jer. G:12. h Jer. G:13, 14, 15. ^Jes. 50:11. 11 En zij genezen de breuk van de dochter mijns volks op het ligtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede. 12 Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja zij schamen zich in het minste niet, en weten niet schaamrood te worden; daarom zullen zij vallen onder de vallenden; ten tijde hunner bezoeking zullen zij struikelen, zegt de Heere. 13 Ik zal hen voorzeker wegrapen, spreekt de Heere, er zijn geene druiven aan den quot; wijnstok, en geene vijgen aan den ''vijgeboom, ja het blad is afgevallen; en de yeboden, die Ik hun gegeven heb, die overtreden zij. n Jes. 5:1, enz. h Matt. 21:19. Luk. 13:0, enz. 14 Waarom blijven wij zitten? quot;verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden, en aldaar stilzwijgen: immers heeft ons de Heere , onze God, doen stilzwijgen, en ons met quot; gallewater gedrenkt, omdat wij tegen den Heere gezondigd hebben. «Jer. 4:5. hJer. 9: 15. 23: 15. 15 quot; Men wacht naar vrede, maar er is niets goeds; naar tijd van genezing, maar ziet, er is verschrikking. «Jor. 14:19. 16 quot; Van Dan af wordt het gesnuif zijner paarden gehoord; het gansche land beeft van het geluid der brieschingen zijner sterken; en zij komen daarhenen, dat zij het land opeten en diens volheid, de stad en die daarin wonen. aJer.4:15. 17 Want ziet. Ik zend slangen, basilisken onder ulieden, tegen dewelke geene quot; bezwering is; die zullen u bijten, spreekt de Heere. «Ps 58:5, G. |
JEREMIA 8, 9.
675
|
18 Mijne verkwikking is in droefenis; mijn hart is flaauw in mij. 19 Ziet, de stein van liet geschrei der dochteren mijns volks is uit zeer verren lande: is dan de Heere niet te Zion? is haar Koning niet bij haar ? Waarom hebben zij Mij vertoornd met hunne gesnedene beelden, met ijdelheden der vreemden ? 20 De oogst is voorbijgegaan, de zomer is ten einde; nog zijn wij niet verlost. 21 Ik ben gebroken van wege de breuk der dochter mijns volks; ik ga in het zwart, ontzetting heeft mij aangegrepen. 22 Is er geen quot; balsem in Gilead ? is er geen heelmeester aldaar? want waarom is de gezondheid der dochter mijns volks niet gerezen? a Gen. 37 : 25. .Ter. 4G : II. 51 : 18. HOOFDSTUK 9. Do profeet vervolgt zijne weeklagt, vs. 1; en wenscht van zijn volk verwijderd te zijn om de gruwelen, die onder hen algemeen waren, als: overspel, trouweloosheid , liegen en bedriegen, 2; ongehoorzaamheid en afgoderij, 13, 14; waarom God hen moet en zal straffen, en op zulk een verschrikkelijke wijze bezoeken, dat men hot niet genoeg zal kunnen beklagen, 7, 9, 10. God waarschuwt tegen ijdel vertrouwen, en leert zijn volk op Hem alleen te vertrouwen, en te trachten naar hetgeen Hem behaagt, 23. Hij bedreigt eindelijk niet alleen do Joden, als misbruikers, maar ook de omliggende Heidenen, als verachters der besnijdenis, 25. OCH quot;dat mijn hoofd water ware, en mijn oog eene springader van tranen! zoo zou ik dag en nacht beweenen do verslagenen van de dochter mijns volks. «.les. 22:4. .Ter. 4:19. 2 Och dat ik in de woestijn eene herberg der wandelaars had! zoo zou ik mijn volk verlaten, en van hen trekken: want zij zijn allen quot; over-spelers, een trouwelooze hoop. a.Ter. 5:7, 8. 3 En zij spannen hunne tong als hunnen boog tot quot;leugen; zij worden geweldig in het land, doch niet tot waarheid: want zij gaan voort van '' boosheid tot boosheid, maar Mij kennen zij niet, spreekt de 11 kerk. a Jes'. 59:4, 13, 15. b Ter. G : 7. 4 Wacht u, een iegelijk van zijnen vriend, en vertrouwt niet op eenigen broeder: want eik-broeder doet niet dan bedriegen, en elk vriend quot;wandelt in achterklap. a Tor. 0:28. 5 En zij handelen bedriegelijk, een ieder met zijnen vriend, en spreken do waarheid niet; zij loeren hunne tong leugen sproken, zij maken zich moede met verkeerdelijk te handelen. 0 Uwe woning is in het midden van bedrog; door bedrog weigeren zij Mij te kennen, spreekt do Heere. 7 Daarom zegt de Heere der hoirscharon alzoo : Ziet, Ik zal hen smelten en zal hen beproeven: want hoe zon Ik anders doen ten aanzien der dochter mijns volks? 8 Hunne a tong is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt mot zijnen naaste van vrede met zijnen ''mond, maar in zijn binnenste legt hij zijne lagen. |
n Ps. 120:4. Spr. .30:14, 6 Ps. 12:3. 28:3. 9 quot;Zou Ik hen om deze dingen niet bezoeken? spreekt de Heere; zou mijne ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? a.Ter. 5:9, 29. 10 Ik zal een geween en eene weeklage opheffen over de bergen, en een klaaglied over de her-dorshutten der woestijn: want zij zijn afgebrand, dat er niemand doorgaat, en men hoort er geene stem van vee; van de vogelen des hemels aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan ! 11 En Ik zal Jeruzalem stollen tot .s^eewhoopen, tot eene woning der quot; draken; en de steden van Juda zal Ik stellen tot eene verwoesting, zonder inwoner. «Ter. 1(1:22. 12 Wie is de wijze man, die dit versta? en tot wien heeft de mond des Heeren gesproken, dat hij het verkondige? waarom het land vergaan en afgebrand zij als eene woestijn, dat er niemand doorgaat? 13 En de Heere zeide: Omdat zij mijne wet, die Ik voor hun aangezigt gegeven had, verlaten hebben, en naar mijne stem niet gehoord, noch daarnaar gewandeld bobben; 14 Maar hebben gewandeld naar het goeddunken huns harten, en naar de Baals, hetwelk hunne vaders hun geleerd hadden. 15 Daarom zegt do Heere der hoirscharon, de God Israels, alzoo: Ziot, Ik zal dit volk spijzen met quot;alsem, en Ik zal hen drenken met ''galle-water ; a Ter. 23 : 15. h .Ier. 8 : 14. 16 En Ik zal hen quot; verstrooijen onder de Heidenen, die zij niet gekend hebben, zij noch hunne vaders; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben, a Lev. 26 : 33. 17 Zoo zegt de Heere der heirscharen: Merkt daarop , en roept klaagvrouwen, dat zij komen ; en zond henen naar de wijze vrouwen, dat zij komen, 18 En haasten, on eene weeklage over ons opheffen, dat onzo oogen van tranen nederdalen, en onze oogloden van water vlieten. 19 Want er is eene stem van weeklage gehoord uit Zion: Hoe zijn wij verstoord! wij zijn zeer beschaamd, omdat wij liet land hebben verlaten, omdat zij onze woningen hebben omgeworpen. 20 Hoort dan des Heeren woord, gij vrouwen! en uw oor ontvange het woord zijns monds; en leert uwe dochters weeklagen, on elke eene hare medgezellin klaagliederen. 21 Want de dood is geklommen in onze vonste-ren, hij is in onze paleizen gekomen, om do kinderkous uit te roeijen van de wijken, do jongelingen van de straten. 22 Spreek: Zoo spreekt de Heere: quot;Ja een dood ligchaam des menschen zal liggen, als mist op het open veld, on als eene garve achter den maaijer, die niemand opzamelt. a Ter. 7:33. üt* |
|
67(5 23 Zon zegt do Heere: quot;Een wijze beroeme zich niet in zijne wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijne sterkheid; oen rijke beroeme zich niet in zijnen rijkdom; a 1 ('or. I:1. 2(lor. 10:17. '24 Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik de Heere ben, doende weldadigheid, regt en geregtigheid op do aarde: want in die dingen heb Ik lust, spreekt do Heere. 25 Ziet, do dagen komen, spreekt do Heere, dat Ik bezoeking zal doen over allo besnedonon, met degenen, die do voorhuid hebben: 26 Over Egypte, en over Juda, on over Edom, on over do kinderen Amnions, on ovorMoab, on over allon, die aan do hoekon afgekort zijn, die in do woestijn wonen: want al de Heidenen hob-hen de voorhuid, maar liet gansche huis Israels heeft quot; de voorhuid des harten. «Lev. 2(5:41. Hom. 2:28, 29. HOOFDSTUK 10. Ood verbiedt aan zijn volk de heidonscho voreering der hemelteokenen, vs. 1,2; beschrijft omstandig en bespot de ijdelhoid der afgoden en do dwaasheid van de afgodische beeldendienst, met tegenoverstelling van zijne goddelijke majesteit en inagt, mitsgaders de dienst, die Jakob Hem bijzonder sehuldig was, .'i. Hij profeteert en beeldt af door weeklagen do verwoesting van Jeruzalem en gansch .Inda door do Habyloniörs, 17; waarop de profeet, zoo in zijnen, als in naam dor Kerk, God bidt om matiging van dit oordeel en straf (Ier goddelooze vijanden, 23. HOORT het woord, dat de Heere tot ulieden spreekt, o huis Israels! 2 Zoo zegt do Heere: Leert den weg der Heidenen niet, en ontzet u niet voor de teekenen des hemels, dewijl zich de Heidenen voor dezelve ontzetten. 3 Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want quot; het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl. a Jes. 44: 14, enz. 4 Men pronkt het op met zilver en met goud; zij quot;hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele. «Jes. 41:7. 5 Zij zijn gelijk een palmhooin van digt werk, maar quot;kunnen niet spreken; zij moeten ''gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen c geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen. o Ps. 115:5. A les. 4G : 1, 7. cJos. 41:23. (i Omdat niemand quot;U gelijk is, o Heere! zoo zijt Gij groot, en groot is uw naam in mogendheid. « Ps. 8G : 8, 10. 7 quot;Wie zou U niet vreezen. Gij Koning der Heidenen? want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der Heidenen , en in hun gansche koningrijk, niemand U gelijk is. aOpenb. 15:4. 8 In één ding zijn zij toch quot;onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden. a Jes. 41 : 29. Hab. 2:18. Zach. 10:2. |
9 Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebragt, en goud van Ufaz , tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblaauw en purper is hunne kleeding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen. 10 Maar de Heere God is do Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van zijne verbolgenheid beeft do aarde, en de Heidenen kunnen zijne gramschap niet verdragen. 11 (Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder dezen hemel.) 12 Die de quot; aarde gemaakt heeft door zijne kracht, die de wereld bereid lieoft door zijne wijsheid, en den hemel '' uitgebreid door zijn verstand. n Oon. 1:1. .Ier. 51 : 15. i Job 9:8. Ps. 104: 2. Jes. 40:22. 44:24. 51 : 13. 13 Als Hij zijne stem geeft, zoo is er een ge-druisch van wateren in den hemel, en quot;ij doet de quot;dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit zijne schatkameren. a Ps. 135 : 7. 14 quot;Een ieder mensch is onvernuftig geworden, zoodat hij geene wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld: want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen. «Jer. 51 : 17, 18. 15 IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan. 1(5 quot;Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles; en Israël is '⢠de roede zijner erfenis, Heere der heirscharen is zijn naam. « Jer. 51:19. h Ps. 74 : 2. 17 Raap uwe kramerij weg uit hot land, gij inwoners der vesting! 18 Want zoo zegt de Heere: Ziet, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal wegslingeren, en zal ze quot;benaauwen, opdat zij het vinden. a Jer. G : 24. 19 O wee mij over mijne breuk! mijne plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers eene krankheid, dio ik wel dragen zal! 20 Mijne tent is verstoord, en al mijne zelen zijn verscheurd; mijne kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijne tent uitspant, en mijne gordijnen oprigt. 21 Want do herders zijn onvernuftig geworden, en hebben den Heere niet gezocht: daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hunne gansche weide is verstrooid. 22 Ziet, er komt eene stem des geruchts, en een groot beven uit het land van het quot; noorden: dat men de steden van Juda zal stellen tot eene verwoesting, eene woning der 6 draken. a .Ier. 1 : 14. 4:0. h Jer. 9 : 11. 23 Ik weet, o Heere! quot;dat bij den mensch zijn weg niet is; het is niet bij eenen man, die wandelt, dat hij zijnen gang rigte. Spr. 1(5:1. 20:24. JEREMIA 9, 10. |
|
24 quot;Kastijd mij, Heere ! doch h niet mate; niet in uwen toorn, opdat Gij mij niet te niete maakt. «Ps. 6:2. 38:2. i.ler. 30: 11. 40:28. 25 a Stort uwe grimmigheid uit over de Heidenen , die U niet kennen, en over do geslachten, die uwen naam niet aanroepen: want zij hebben Jakob ''opgegeten, ja zij hebben hem opgegeten, en hem c verteerd, en zijne woning verwoest. a Ps. 70 : 0. b .Ier. 8:16. c Jer. 0 : 16. HOOFDSTUK 11. (lod laat zijn verbond niet Israël door den profeet uitroepen, vs. 1; bestraft de vorige on tegenwoordige verbonclsbreking van Israël en .luda door veelvuldige afgoderij, 8; waarom liij een groot en onvermijdelijk ongeluk over hen wil brengen, 11, 16, 17; verbloeit den profeet voor hen (e bidden, 14; klaagt over dos volks hnichelachtige godsdienst en zorgeloosheid , 16. De profeet klaagt voor God over de moorddadige zaraenspanning zijner landslieden van Anathoth tegen hem, en begeert (lods wraak, die God hem voorzegt, 18. HET woord, dat tot Jerima geschied is, van den Heere, zeggende: 2 Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot do mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem; 3 Zeg dan tot hen: Zoo zegt de Heere, de God Israels: quot;Vervloekt zij de man, die niet hoort de woorden dezes verbonds, a Dent. 27 : 26. Gal. 3 : 10. 4 Dat Ik uwen vaderen geboden heb, ten dage, als Ik hen uit Egypteland, uit den quot; ijzeroven, uitvoerde, zeggende: '' Zijt mijner stem gehoorzaam, en doet dezelve, naar alles wat Ik ulieden gobiede; zoo zult gij Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot eenen God zijn; a Dent. 4 : 20. h Lev. 26 : 3, 12. 5 Opdat Ik den quot;eed bevestige, dien Ik uwen vaderen gezworen heb, hun te geven een land, vloeijende van melk en honig, als bet is te dezen dage. Toen antwoordde ik en zeide: Amen, o Heere ! a Dent. 7 :12. 6 En de Heere zeide tot mij: Roep al deze woorden uit in de steden van Juda, en in de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoort do woorden dezes verbonds, en doet dezelve. 7 Want Ik heb uwe vaderen ernstelijk betuigd, ton dage, als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op dezen dag, quot;vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar mijne stem! « .Ier. 7 : 13, 25. 8 Maar zij hebben niet gehoord, noch hun quot; oor geneigd, maar hebben gewandeld, een iegelijk naar het b goeddunken van hunlieder boos hart; daarom heb Ik over hen gebragt al de woorden dezes verbonds, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben. n Jer. 7 : 26. 6.Ier. 3:17. 7 : 24. 9 : 14. 1) Voorts zeide de Heere tot mij: Er is eene verbindtenis bevonden onder de mannen van Juda, en onder de inwoners van Jeruzalem. |
677 10 Zij zijn wedergekeerd tot do ongeregtigheden hunner voorvaderen, die mijne woorden geweigerd hebben te hooren; en zij hebben andere goden nagewandeld, om die te dienen: het huis Israels en hot huis van Juda hebben mijn verbond gebroken, dat Ik met hunne vaderen gemaakt heb. 11 Daarom zegt de Heere alzoo: Ziet, Ik zal een kwaad over hen brengen, uit hetwelk zij niet zullen kunnen uitkomen: als zij dan tot Mij zullen quot; roepen, zal Ik naar hen niet hooren. «Spr. 1:28. .les. 1:15. .lor. 14:12. Ezeo.8:18. Mioha3:4. 12 Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem henengaan, en roepen tot de goden, dien zij gerookt hebben; maar zij zullen hen ganscb niet kunnen verlossen ten tijde huns kwaads. 13 Want quot; naar het getal uwer steden, zijn uwe goden geweest, o Juda! en naar het getal dei-straten van Jeruzalem hebt gijlieden altaren gesteld voor die schaamte; altaren, om Baal te rooken. o.ler. 2:28. 14 Gij dan, quot; bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op: want Ik zal niet hooren, ten tijde, als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen. «Jer. 7:10. 14:11. 15 Wat heeft mijne beminde in mijn huis te dom, dewijl zij die schandelijke daad wervelen doet, en liet heilige vleesch van u geweken is ? wanneer gij kwaad doet, dan springt gij op van vreugde. 16 Do Heere had uwen naam genoemd eenen groenen olijfboom, schoon van liefelijke vruchten; maar nu heeft Hij met oen geluid van een groot geroep een vuur om denzelven aangestoken, en zijne takken zullen verbroken worden. 17 Want de Heere der heirscharen, die u heeft quot;geplant, heeft een kwaad over u uitgesproken; om der boosheid wil van bet huis Israels en van het huis van Juda, die zij onder zich bedrijven, om Mij te vertoornen, rookende Baiil. «Jer.2:21. 18 De Heere nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik het wete: toen hebt Gij mij hunne handelingen doen zien. 19 En ik was als een lam, als een os, die geleid wordt om te slagten: want ik wist niet, dat zij gedachten tegen mij dachten, zengende: Laat ons den boom met zijne vrucht verderven, en laat ons hom uit het land der levenden uitroeijen, dat zijn naam niet meer gedacht worde. 20 Maar, o Heere der heirscharen. Gij regt-vaardige Regter, a die de nieren en het hart beproeft! laat mij uwe wraak van hen zien, want aan U heb ik mijne twistzaak ontdekt. «1 Sam. 10:7. 1 Kron. 28:9. Ps. 7:10. 26:2. Openb. 2:23. 21 Daarom, zoo zegt de Heere van do mannen van Anathoth, die uwe ziel zoeken, zeggende: Profeteer niet in den naam des Heeren, opdat gij van onze handen niet sterft; 22 Daarom, zoo zegt de Heere der heirscharen : Ziet, Ik zal bezoeking over hen doen: do jonge- JEREMIA 10, 11. |
JEREMIA 11, 12, 13.
678
|
lingen zullen door hot zwaard sterven, hunne zonen en hunne dochteren zullen van honger sterven. 23 En zij zullen geen overblijfsel hebben: want Ik zal een kwaad brengen over de mannen van Anathoth, in het jaar hunner bezoeking. HOOFDSTUK 12. Do profeet klaagt voor den llccro over don voorspoed zijnor goddelooze landslieden on Ijidt, dat Hij hen wogrukko, opdat het land om hunne hoosheid niet langer lijde, vs. 1. De Heere onderrigt hem daartegen en voorzegt nog zwaardere vervolging, 5. Hij klaagt tot hem over den wanhopigen toestand van zijn eigen erfdeel, waarom Hij het door de Baby-loniërs moet verwoesten en met misgewas straffen, 7. Hij wil echter de naburige heidensche volken niet ongestraft laten, die bij deze gelegenheid Israël zouden overvallen. Hij belooft de verlossing van zijn volk en genade aan de Heidenen, die zich met zijn volk tot Hem zouden bekeeron, 14. GIJ zoudt regtvaardig zijn, o Heere! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nogtans van uwe oordeelen met U spreken; a waarom is der god-deloozen weg voorspoedig ? waarom hebben zij rust, allen, die trouwolooslijk trouweloosheid bedrijven? n.lob 21:7. Ps. 73:11, 12. Hab. 1:3. 2 Gij hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht; Gij zijt wel nabij in hunnen quot; mond, maar verre van hunne nieren. «Jes. 29:13. 3 Maar Gij, o Heere ! quot; kent mij, Gij ziet mij, en ''proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slagting, en heilig ze tot don dag dor dooding. a I's. 17 : 3. 139: I. b Jer. 11 : 20. 4 Hoe lang zal het land treuren, en het kruid des ganschen voids verdorren? Van wege de boosheid dergenen, die daarin wonen, vergaan de quot;beesten en het gevogelte; dewijl zij zeggen: Hij ziet ons einde niet. oJer. 4:25. 7:20. 9:10. 5 Als gij loopt met de voetgangers, zoo maken zij u moede; hoe zult gij u dan mengen met do paarden? zoo gij alleenlijk vertrouwt in oen land van vrede, hoe zult gij het dan maken in de verheffing van de Jordaan ? (i Want ook uwe broeders, en uws vaders huis, ook diezelvo handelen trouwolooslijk tegen u; ook diezelvo roepen u met volle stem achterna; quot;geloof hen niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken. a Spr. 26:25. 7 Ik heb mijn huis verlaten. Ik heb mijne erfenis laten varen; Ik heb do beminde mijner ziel in de hand harer vijanden gegeven. 8 Mijne erfenis is Mij geworden als een leeuw in het woud; zij heeft hare stem togen Mij verheven , daarom heb Ik haar gehaat. 9 Mijne erfenis is Mij eon gesprenkelde vogel; de vogelen zijn rondom tegen haar: komt aan, verzamelt, al gij gedierte des voids, komt quot; om te eten ! « Jer. 7 : 33. |
10 Vele quot; herders hebben mijnen wijngaard verdorven, zij hebben mijnen akker vertreden; zij hebben mijnen gewenschton akker gesteld tot eone woeste wildernis. a Jer. 6 : 3. 11 Men heeft hem gestold tot oeno woestheid, verwoest zijnde treurt hij tot Mij; het ganscho land is verwoest, omdat er niemand is, die het ter harte neemt. 12 Op alle hooge plaatsen in de woestijn zijn verstoorders gekomen; want het zwaard des Heeren verteert van het eene einde des lands tot aan het andere einde des lands; er is geen vrede voor eonig vleosch. 13 Zij hebben tarwe quot;gezaaid, maar doornon gemaaid; zij hebben zich gepijnigd, maar niet gevorderd: wordt alzoo beschaamd van wege ulieder inkomsten, van wege de hittigheid van den toorn des Heeren. a Lev. 26:16. Dent. 28:38. 14 Alzoo zegt de Heere: Aangaande al mijne booze naburen, die mijne erfenis aanroeren, dewelke Ik mijnen volke Israël erfelijk ingegeven heb: ziet. Ik zal hen uit hun land uitrukken, quot; maar het huis van Juda zal Ik uit hunlieder midden uitrukken. « Deut. 30:3. Jer. 32:37. 15 En het zal geschieden, nadat Ik hen zal uitgerukt hebben, zoo zal Ik wederkeoron, en Mij hunner ontfermen; en Ik zal hen woderbren-gen, een' iegelijk tot zijne erfenis, en een' iegelijk tot zijn land. 16 En het zal geschieden, indien zij de wegen mijns volks vlijtiglijk zullen loeren, zwerende bij mijnen naam: Zoo waarachtig als de Heere leeft! gelijk als zij mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baiil, zoo zullen zij in het midden mijns volks gebouwd worden. 17 quot;Maar indien zij niet zullen hooren, zoo zal Ik diozolve natie ton eenomaal uitrukken en verdoen, spreekt de Heere. a Jes. 60:12. HOOFDSTUK 13. Gods weldadigheid, des volks ondankbaarheid en de toekomstige straffen worden afgebeeld door het teeken van een' linnen gordel, vs. 1; en door de gelijkenis van het vullen aller wijnflesschen met wijn, dat God hen met den beker zijns toorns al te zamen zal dronken maken van ellenden, 12. God vermaant hen echter, om door ootmoedige bekeering deze straffen voor te komen, 15; (waarbij de profeet zijne toegenegenheid toont, 17) in het bijzonder den koning en do koningin, 18; doch wetende, dat zij zich zoo weinig zouden veranderen als een Moor de huid en een luipaard de vlekken, voorzegt hij hun de uiterste schande en don ondergang, 22. ALZOO heeft do Heere tot mij gezegd: Ga henen, en koop u eenen linnen gordel, en doe die aan uwe lenden, maar breng hem niet in het water. 2 En ik kocht eenen gordel naar het woord des Heeren, en ik deed dien aan mijne lenden. 3 Toon geschiedde des Heeren woord ten tweede maal tot mij, zeggende: 4 Noem den gordel, dien gij gekocht hebt, die aan uwe lenden is, en maak u op, en ga henen |
JEREMIA 13, 14.
670
|
naar den Frath, on versteek dien aldaar in de 1 klove eener steenrots. 5 Zoo ging ik henen, en verstak dien bij den Frath, gelijk als de Hiïere mij geboden had. 6 Hot geschiedde nu ten einde van vele dagen, dat de Heere tot mij zeide: Maak u op, ga henen naar den Frath, en neem den gordel van daar, dien Ik u geboden heb aldaar te versteken. 7 Zoo ging ik naar den Frath, en groef, en nam den gordel van de plaats, alwaar ik dien verstoken had; en ziet, de gordel was verdorven, en deugde nergens toe. 8 Toen geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 9 Zoo zegt de IIeere : Alzoo zal Ik verderven de hoovaardij van Juda , en die groote hoovaardij van Jeruzalem. 10 Ditzelve booze volk, dat mijne woorden weigert te hooren, dat in het goeddunken zijns harten wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen, en voor die zich neder te buigen; dat zal worden gelijk deze gordel, die nergens toe deugt. 11 Want gelijk als een gordel kleeft aan de lenden eens mans, alzoo heb Ik het gansche huis Israëls en het gansche huis van Juda aan Mij doen kleven, spreekt de Heere, om Mij te zijn tot een volk, en tot eenen naam, en tot lof, en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord. 12 Daarom zeg dit woord tot hen: Zoo zegt de IIeere, de God Israëls: Allo flesschen zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Weten wij niet zeer wel, dat alle flesschen met wijn gevuld zullen worden ? 13 Maar gij zult tot hen zeggen: Zoo zegt de Heere: Ziet, Ik zal alle inwoners dezes lands, zelfs de koningen, die den David op zijnen troon zitten, en de priesters, en de profeten, en alle inwoners van Jeruzalem, opvullen met dronkenschap. 14 En Ik zal hen in stukken slaan, den eenen togen den anderen, zoo de vaders als de kinderen te zamen, spreekt de Heere; Ik zal niet ver-schoonen noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet zou verderven. 15 Hoort en neemt ter oore, verheft u niet: want de Heere heeft het gesproken. 16 Geeft eer den Heere, uwen God, eer dat Hij het duister maakt, en eer uwe voeten zich stooten aan de schemerende bergen: dat gij naar quot; licht wacht, en Hij datzelve tot eene b schaduw dos doods stelle, en tot eene donkerheid zotte. a Jes. 59 : 9. b Ps. 44 : 20. 17 Zult gijlieden dat dan nog niet hooren, zoo zal mijne ziel in verborgene plaatsen weenen van wege den hoogmoed, en mijn quot;oog zal bitterlijk tranen, ja van tranen nederdalen, omdat des Heeren kudde gevankelijk is weggevoerd. a Klgld. 1:2, IC. |
18 Zeg tot den koning en tot de koningin: Vernedert u, zet u neder: want uw gansche hoofdsieraad, de kroon uwer heerlijkheid, is nedergedaald. 19 Do steden van het zuiden zijn toegesloten, en er is niemand, die ze opent; het gansche Juda is weggevoerd, hot is geheel en al weggevoerd. 20 Hef uwe oogen op, en zie, die daar van het noordon komen! waar is do kudde, die u gegeven was, de schapen uwer heerlijkheid ? 21 Wat zult gij zeggen, wanneer Hij bezoeking over u doen zal, daar gij hen geleerd hebt tot vorston, tot een hoofd over u te zijn; zullen u de smarten niet aangrijpen, quot; als eone barende vrouw ? a Jer. 0 : 24. 22 Wanneer gij dan in uw hart zult zeggen: «Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid uwer ongeregtighoid zijn uwe b zoomen ontdekt, en uwe hielen hebben geweld geledon. «Jer. 5 : 19. 16 : 10. h Jes. 47 : 2, 3. 23 Zal ook oen Moorman zijne huid veranderen? of een luipaard zijne vlekken? Xoo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geloerd zijt kwaad te doen. 24 Daarom zal Ik hen verstrooijen als oenen stoppel, die doorgaat, door eenen wind dei-woestijn. 25 Dit zal uw lot, het deel uwer maten zijn, van Mij, spreekt do Heere; gij, die Mij hebt vergeten, en op leugen vertrouwt. 26 Zoo zal Ik ook uwe zoomen ontblooten boven uw aangozigt, en uwe schande zal gezien worden. 27 Uwe overspelen en uwe hunkeringen, de schandelijkheid uws hoerdoms, op heuvelen, in het veld; Ik heb uwe verfoeiselen gezien: wee u, Jeruzalem! zult gij niet rein worden? hoe lang nog na dezen ? HOOFDSTUK 14. Profetie van de groote droogte en de ellenden, die in Juda daarop zouden volgen vs. 1. Een klagend en vurig gebed van den profeet om genade voor Juda, 7; waarop God hem zijn voorbidden met bijgevoegde redenen verbiedt, 10. l)e profeet verontschuldigt liet volk, zoo veel hij kan, met de verleiding der valsche profeten, doch God wil die profeten en hot volk te zamen straffen, 13. Don profeet wordt bevolen door weeklagen de ellenden af te beelden. 17; llij bidt wederom zeer klagend voor het volk, 19. HET woord des Heeren , dat tot Jeremia geschied is, over de zaken der groote droogte. 2 Juda treurt en hare poorten zijn verzwakt; zij zijn in het zwart gekleed ter aarde toe, en Jorüzalems geschrei klimt op. 3 En hunne voortreffelijkon zenden hunne kleinen naar water; zij komen tot de grachten, zij vinden geen water, zij komen met hunne vaten ledig weder; zij zijn beschaamd, ja worden schaamrood, en bedekken hun hoofd. 4 Omdat het aardrijk gescheurd is, dewijl er geen regen op do aarde is; de akkerlieden zijn beschaamd, zij bedekken hun hoofd. |
|
680 5 Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong' gras is. (j En de woudezels staan op de hooge plaatsen, zij scheppen den wind gelijk de draken; hunne oogen versmachten , omdat er geen quot; kruid is. «.lor. 12 :4. 7 Hoewel onze ongeregtigheden togen ons getuigen, o Heere! doe het om uws naams wil: want onze afkeeringen zijn menigvuldig, wij hebben tegen U gezondigd. 8 O Israels Verwachting, zijn Verlosser in tijd van benaauwdheid! waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten ? 9 Waarom zoudt Gij zijn als een versaagd man, als een held, die niet kan verlossen ? Gij zijt toch in het midden van ons, o Heere! en wij zijn naar uwen naam genoemd, verlaat ons niet. 10 Alzoo zegt de heere van dit volk: Zij hebben zoo lief gehad te zwerven, zij hebben hunne voeten niet bedwongen; daarom heeft de Heere geen welgevallen aan hen, nu zal Hij hunner quot; ongeregtigheden gedenken, en hunne zonden bezoeken. «Hos. 8;1b. (j : 0. 11 Wijders zeide de Heere tot mij: quot;Bid niet voor dit volk ton goede. «Ex. 32:10. Jer. 7:16. 11:14. 12 quot;Ofschoon zij vasten. Ik zal naar hun geschrei niet hooren, en ofschoon zij h brandoffer en spijsoffer offeren. Ik zal aan hen geen welgevallen hebben; maar door het zwaard, en door den honger, en door de pestilentie zal Ik hen ' verteren. rtSpr. 1:28. Jos. 1:15. .lor. 11:11. Ezoc. 8:18. Micha 3:4. //.lor. ü : 20. 7 : 21 , 22. c-Jor. !): 10. 13 Toen zeide ik: Ach Heere Heere! zie, die profeten zeggen hun: Gij zult geen zwaard zien, en gij zult geenon honger hebben; maar Ik zal u eenen gewissen vrede geven in deze plaats. 14 En de Heere zeide tot mij : Die profeten profeteren valsch in mijnen naam; quot;Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken: zij profeteren ulieden een valsch gezigt, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten. n.1 er.23:21. 27:1 â¢quot;). 2!):8,9. 15 Daarom zegt de Heere alzoo: Aangaande de profeten, die in mijnen naam profeteren, daar Ik hen niet gezonden heb, en zij dan ncxj zeggen: Er zal geen zwaard noch honger in dit land zijn; diezelve profeten zullen door het zwaard en dooiden honger verteerd worden. 16 En het volk, tot hetwelk zij profeteren, zullen op de straten van Jeruzalem weggeworpen zijn van wege den honger on het zwaard; on or zal niemand zijn, die hen begravo, hen, hunne vrouwen , en hunne zonen, en hunne dochteren: alzoo zal Ik hunne boosheid over hen uitstorten. 17 Daarom zult gij dit woord tot hen zeggen: quot; Mijne oogen zullen van tranen nederdalen dag en nacht, on niet ophouden: want de jonkvrouw der dochter mijns volks is gebroken met eene groote breuk, eene plage, die zeer smartelijk is. a .lor. 13 : 17. KlgJd. 1:10. 2 : 18. |
18 Zoo ik uitga in het veld, ziet daar de verslagenen van het zwaard! en zoo ik in de stad kome, ziet daar de krankon van honger! Ja zoowel de profeten als de priesters loopen om in het land, en weten niet. li) Hebt Gij dan Juda ganscholijk verworpen? hoeft uwe ziel eene walging aan Zion ? waarom hebt Gij ons geslagen, dat er geene genezing voor ons is ? quot; Men wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, en naar tijd van genezing, maar ziet, daar is verschrikking. «Jer. 8: 15. 20 Heere! wij kennen onze goddeloosheid e7i onzer vaderen ongeregtigheid, want wij hebben quot;togen U gezondigd. a Ps. 100:0. Dan. 0:8. 21 Versmaad ons niet, om uws naams wil; werp den troon uwer heerlijkheid niet neder; gedenk, vernietig niet uw verbond met ons. 22 Zijn er onder de ijdelhoden der Heidenen, die doen regenen ? of kan de hemel druppelen geven? Zijt quot;Gij die niet, o Heere, onze God? Daarom zullen wij op U wachten, want Gij doet al die dingen. «Ps. 135:7. 147:8. Jes. 30:23. .lor. 5:24. 10: 13. HOOFDSTUK 15. God shiiit don profeet zijne gedane voorbede geheel af, en belast hom integendeel het volk zware plagen aan te kondigen (bijzonder vier soorten), met vermelding dor zonden, welke zulks veroorzaakten, vs. 1. Do profeet klaagt, dat oen ieder hem om deze profetie vloekt; hij wordt van God getroost, 10; en hot volk weder bedreigd, 13. Do profeet klaagt over zijne vervolgers en hidt om behoudenis in zijn lijden, zich voor God op zijne onschuld beroepende, 15; hij wordt daarop van God onderwezen en gesterkt, 19. MAAR de Heere zeide tot mij: quot; Al stond '' Mozes en t'Samuël voor mijn aangezigt, zoo zou toch mijne ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van mijn aangezigt, en laat ze uitgaan. a Ezec. 14:14. b Ex. 32 : 14. c 1 Sam. 7 : 9. 2 En het zal geschieden, wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij uitgaan? dat gij tot hen zult zeggen: Zoo zegt de Heere : quot; Wie ten dood, ten doode; en wie tot het zwaard, ten zwaarde; en wie tot den honger, ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis! «Zach. 11:9. 3 Want Ik zal bezoeking over hen doen met vier quot;geslachten, spreekt de Heere: met het zwaard, om te dooden; en met de honden, om te slepen; en met lgt; het gevogelte des hemels, en met het gedierte der aarde, om op te eten en te verderven. « Lev. 26:10. h Jer. 7 : 33. 4 En Ik zal hen overgeven tot eene quot; beroering aan alle koningrijken der aarde, van wege Ma-nasse, zoon van Jehizlda, koning van Juda, om hetgeen hij te Jeruzalem gedaan heeft. a Dent. 28 : 25. 5 Want wie zou u quot; verschoonen, o Jeruzalem? of wie zou medelijden met u hebben? of wie zou aftreden, om u naar vrede te vragen? «Jes. 51 :19. 6 Gij hebt Mij quot;verlaten, spreekt de Heere; gij zijt achterwaarts gegaan: daarom zal Ik mijne JEREMIA 14, 15. |
.TE RE Ml A in, IC.
|
hand tegen u uitstrekken en n verderven; Ik ben ! des berouwens rnoede geworden. a .Ter. 5: 7. 7 En Ik zal hen quot;wannen met eene wan, in de poorten des lands; Ik heb mijn volk van kinderen beroofd en verdaan; zij zijn van hunne wegen niet wedergekeerd. a Jei'. 4:11. 8 Hunne weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand der zeeën; Ik heb hun over de moeder doen komen eenen jongeling, eon' verwoester op den middag; Ik heb hem haastelijk hen doen overvallen, de stad met verschrikkingen. 9 Zij, die zeven baarde, is zwak geworden; zij heeft hare ziel uitgeblazen, hare quot; zon is ondergegaan , als liet nog dag was, zij is beschaamd en schaamrood geworden: en hunlieder overblijfsel zal Ik aan hot zwaard overgeven, voor het aan-gezigt hunner vijanden, spreekt de IIeere. a A mos 8 : !i. 10 Wee mij, mijne moeder! dat gij mij quot; gebaard hebt, eenen man van twist, on oenen man van krakeel den ganschen lande! ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, noy vloekt mij oen ieder van hen. «Job ;5; 1, enz. .lor. 20:14, enz. 11 Do IIeere zeido: Zoo niet uw overblijfsel ton goede zal zijn! zoo Ik niet, in tijd des kwaads on in tijd der benaauwdhoid, bij don vijand voor u tusschenkomo! 12 Zal ook eenig quot; ijzer het ijzer van hot noordon of koper verbreken ? a Jer. (i: 28. 1!T Ik zal uw vermogen en uwe schatten tot eenen quot;roof geven, zonder prijs; en dat om al uwe zonden, en in al nwo landpalen. a.lor. 17:;$. 14 En Ik zal u overvoeren inet uwe vijanden, in oen land, dat gij niet kent: want oen quot;vuur is aangestoken in mijnen toorn, het zal over u branden. a Dent. ,'52 : 22. 15 O IIeere! Gij weet het, gedenk mijner, on bezoek mij, en quot;wreek mij van mijne vervolgers; neem mij niet weg in uwe langmoedigheid over hen; weet, dat ik om uwentwil vorsmaadheid drage. a Jcr. 11 : 20. 16 Ais uwe woorden gevonden zijn, zoo heb ik ze opgegeten, en uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten: want ik ben naar uwen naam genoemd, o Heere, God der heirscharen! 17 Ik heb in don raad dor a bespotters niet gezeten , noch van vreugde opgesprongen: van wege uwe hand heb ik alleen gezeten, want Gij hebt mij met gramschap vervuld. «I's. 1:1. 18 Waarom is mijne quot;pijn steeds durende, en mijne plage smartelijk ? zij weigert geheeld te worden; zoudt Gij mij ganschelijk zijn als oen leugenachtige, alu wateren, die niet 6 bestendig zijn? « Je® 30: 15. /^.iob G: 15, enz. 1!) Daarom zegt de Heere alzoo: Zoo gij zult woderkeeren, zoo zal Ik u doen woderkooren; gij zult voor mijn aangezigt staan; en zoo gij hot kostelijke van het snoode uittrekt, zult gij als mijn mond zijn: laat hen tot u woderkeeren, maar gij zult tot hen niet weder koeren. |
20 Want Ik hob u tegen dit volk gesteld tot oenen koperen vasten quot; muur; zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen: want Ik bon mot u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt de Heere. «.lor. 1: 18. 21 Ja, Ik zal u rukken uit de hand der boozen, en Ik zal u verlossen uit do handpalm der tirannen. HOOFDSTUK 16. God bevoelt den profeet noch vrouw, nocli kind te hebben in Juda, noch op rouwmaaltijden, noeh in vrolijke gastmalen te verschijnen, om de aanstaande ellende daardoor af to beelden aan het volk, vs. 1. Verhaal van do zonden, die de oorzaak dezer plagen waren, 10. Hiertusschen voegt üod eene gonadebe-lofte van de verlossing zijns volks, 14; en gaat daarna voort niet bedreigingen en verhaal der oorzaken, 10. De profeet troost zich zeiven en beschaamt de Joden, door do toekomstige roeping en bekeering der afgodische Heidenen, 19. EN des Heeren woord geschiedde tot mij, zeggende: 2 Gij zult u goene vrouw nemen, en gij zult geene zonen noch dochtoren hebben in deze plaats. 3 Want zoo zegt de Heere van de zonen en van do dochtoren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hunne moeders, die zo baren , en van hunne vaders, die ze gewinnen in dit land: 4 Zij zullen pijnlijke quot; dooden sterven, zij zullen niet h beklaagd noch '' begraven worden, zij zullen tot ''mist op don aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door don honger verteerd worden, en hunne e doode ligchamen zullen het gevogelte des hemels on hot gedierte der aarde tot spijze zijn. a Jer. 15:2. h Jer. 25:33. r Jer. 14:10. r/.ler. !): 22. c .Ier. 7:33. 15:3. 34:20. 5 Want zoo zegt do Heere : Ga niet in hot huis dosgenen, die eenen rouwmaaltijd houdt, en ga niet henen om te rouwklagen, en heb geen medelijden met hen: want Ik heb van dit volk (spreekt do Heere) weggenomen mijnen vrede, goedertierenheid en barmhartigheden; (J Zoodat grooten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zich zeiven quot;insnijden, noch kaal maken om hunnentwil. «Lev. 19:28. Dout. 14:1. 7 Ook zal men hun niets uitdeelen over don rouw, om iemand te troosten over eenen doode; noch hun te drinken geven uit don troostbeker, over iemands vader of over iemands moeder. 8 Ga ook niet in een huis dos maaltijds, om bij hen te zitten, om te eten en te drinken. 9 Want zoo zegt do Heere der heirscharen, do God Israels: Ziet, quot; Ik zal van deze plaats, voor ulieder oogon en in uliedor dagen, doen ophouden de stem der vreugde en do stem der blijdschap, de stem des bruidegoms en de stem dor bruid. «Jos. 24:7, 8. Jer. 7 : 34. 25:10. Ezec. 20: 13. |
|
682 10 En het zal geschieden, quot; als gij dit volk al deze woorden zult aanzeggen, en zij tot u zeggen: Waarom spreekt de Heere al dit groote kwaad over ons, en welke is onze misdaad, en welke is onze zonde, die wij tegen den Heere, onzen God, gezondigd hebben? «Jer. 5:19. 11 Dat gij tot hen zult zeggen: Omdat uwe vaders Mij verlaten hebben, spreekt de Heere, en hebben andere goden nagewandeld, en die gediend, en zich voor die nedergebogen; maar Mij verlaten, en mijne wet niet gehouden hebben; 12 En gijlieden quot; erger gedaan hebt dan uwe vaderen: want ziet, gijlieden wandelt, een iegelijk naar het ''goeddunken van zijn boos hart, om naar Mij niet te c hoor en. «Jer. 7:26. I) Jor. 3 : 17. 0 : 14. 13 :10. c Jer. 11 : 10. 13 : 10. 17 : 23. 13 Daarom zal Ik ulieden quot; uit dit land werpen, in een land, dat gij niet gekend hebt, gij noch uwe vaders; en aldaar zult gij andere goden dienen, dag en nacht; omdat Ik u geene genade zal geven. n üeut. 4:27. 28:64, 65. 14 Daarom, quot;ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat er niet meer zal gezegd worden: Zoo waarachtig als de Heere leeft, die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd! a Jor. 23 : 7 , 8. 15 Maar: Zoo waarachtig als de Heere leeft, die de kinderen Israels heeft opgevoerd uit hot land van het noorden, en uit al de landen, waarhenen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen wederbrengen in hun land, dat Ik hunnen vaderen gegeven heb. 16 Ziet, Ik zal zenden tot vele visschers, spreekt de Heere, die zullen hen visschen; en daarna zal Ik zenden tot vele jagers, die zullen hen jagen, van op allen berg, en van op allen heuvel, ja uit de kloven der steenrotsen. 17 Want mijne quot; oogen zijn op al hunne wegen; zij zijn voor mijn aangezigt niet verborgen, noch hunne ongeregtigheid verholen van voor mijne oogen. «Job 34:21. Spr. 5:21. Jor. 32: 19. 18 Dies zal Ik eerst hunne ongeregtigheid en hunne zonde dubbel vergelden, omdat zij mijn land quot;ontheiligd hebben; zij hebben mijne erfenis met de '' doode ligchamen hunner verfoeiselen en hunner gruwelen vervuld. a Jer. 3 ; 2, h Ezec. 43 : 7. 19 O Heere! Gij zijt mijne Sterkte, en mijne Sterkheid, en mijne Toevlugt ten dage dor be-naauwdhoid; tot U zullen de Heidenen komen van de einden dor aarde, on zoggen: Immers bobben onze vaders leugen erfelijk bezeten, en ijdelhoid, waarin toch niets was, dat nut deed. 20 Zal een monsch zich Goden maken ? zij zijn toch geono Goden. 21 Daarom, ziet. Ik zal hun bekend maken, op ditmaal; Ik zal hun bekend maken mijne hand en mijne magt: en zij zullen weten, dat quot;mijn naam is Heere. a Jer. 33:2. |
HOOFDSTUK 17. Onverbeterlijke boosheid on luirdnokkigheid dor Joden, blijkende zolfs aan hunne kinderen, waarop straffen moeten volgen, vs. 1. Vervloekt is hij, die op men-schen vertrouwt, en gezegend, die op God vertrouwt, 5. (iod doorgrondt de innerlijke boosheid van's mon-schen hart, daarom zullen zij, die met arglistige handelingen onregtvaardigen rijkdom verzamelen, zijne straffen niet ontgaan, 9. Gelukzaligheid der vromen in Gods genadige tegenwoordigheid, en on-zaligheid der afvalligen, 12. Gebod van don profeet om zijno behoudenis en straf zijner vervolgers on bespotters, 14. Prediking van den sabbat, 19. DE zonde van Juda is geschreven met eeuo ijzeren griffie, met de punt eens diamants; gegraven in de tafel van hunlieder hart, en aan de hoornen uwer quot;altaren; aJer. 11:13. 2 Gelijk hunne kinderen hunner altaren gedenken , en hunner bosschen, bij het groen quot; geboomte, op de hooge heuvelen. a Jer. 2:20. 3 Ik zal mijnen berg met bet veld, quot;uw vermogen en al uwe schatten ton roof geven, mitsgaders uwe hoogten, om do zonde in al uwe landpalen. a Jer. 15:13. 4 Alzoo zult gij aflaten, (en dat om u zelvon) van uwe erfenis, die Ik u gegeven heb, en Ik zal u uwe vijanden doen quot;dienen in een land, dat gij niet ''kont: want gijlieden hebt een''vuur aangestoken in mijnen toorn, tot in eeuwigheid zal bet branden. «Dout.28:68. fcJer. 16:13. cJer. 15:14. 5 Zoo zegt de Heere: Vervloekt is de man, die op eenon mensch vertrouwt, en vleesch zijnen arm stelt, en wiens hart van den Heere afwijkt! 6 Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land. 7 quot; Gezegend daarentegen is de man, die op den Heere vertrouwt, en wiens vertrouwen de Heere is! a Ps. 2 :12. 34 : 9. Spr. 16 : 20. Jes. 30 :18. 8 Want hij zal zijn als oen quot; boom, die aan het wator geplant is, en zijne wortelen uitschiet aan eene rivier, en gevoelt het niet, wanneer er eeno hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragon. oPs. 1:3. 9 Arglistig is hot hart, meer dan eenig ding, ja doodelijk is hot, wie zal het kennen ? 10 Ik, do Heere, quot; doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een' iegelijk te geven naar zijne wegen, naar de vrucht zijnor handelingen. a 1 Sam. 16:7. Ps. 7 : 10. 11 Gelijk een veldhoen ei jer en vergadert, maar broeit ze niet uit, alzoo is hij, die rijkdom vergadert, doch niet met regt: in de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn. 12 Een troon der heerlijkheid, eeno hoogheid van het eerste aan, is de plaats onzes heiligdoms. 13 O Heere, Israels Verwachting! quot;allen die U verlaten, zullen beschaamd worden; en die JEREMIA 16, 17. |
JEREMIA 17, 18.
683
|
van Mij afwijken, zullen in de aarde geschreven worden: want zij verlaten den Heeke, de b springader des levenden waters. a Ps. 73 : 27. Jes. 1 : 28. b Jer. 2 ; 13. 14 Genees mij, Heere ! zoo zal ik genezen worden , behoud mij, zoo zal ik behouden worden; want (lij zijt mijn Lof. 15 Ziet, zij zeggen tot mij: quot; Waar is het woord des Heeren? laat hot nu komen! a Jes. 5: 19. 2 Petr. 3:4. 16 Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan eonen herder achter U betaamde; ook heb ik den doodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijne lippen is gegaan, is voor uw aangezigt geweest. 17 Wees Gij mij niet tot eene verschrikking; Gij zijt mijne a Toevlugt ten dage des kwaads. «Jer. 10 : 19. 18 quot; Laat mijne vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden: breng over hen den dag des kwaads, en verbreek hen met eene dubbele verbreking. «Ps. 35:4. 40: 15. Jer. 16:16. 19 Alzoo heeft de Heere tot mij gezegd: Ga henen en sta in de poort van de kinderen dos volks, door dewelke de koningen van Juda ingaan, on door dewelke zij uitgaan, ja in alle poorten van Jeruzalem. 20 En zog tot hen : Hoort des Heeren woord , gij koningen van Juda, en gansch Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat! 21 Zoo zegt do Heere: quot; Wacht u op uwe zielen, en draagt geenon last op den sabbatdag, noch brengt in door de poorten van Jerüzalom. a Nch. 13:19. 22 Ook zult gijlieden geenen last uitvoeren uit uwe huizen op den sabbatdag, noch eenig werk doen; maar gij zult den sabbatdag heiligen, gelijk als Ik uwen quot; vaderen geboden heb. «Ex. 20 : 8. 23 : 12. 31 : 13. Bzoc. 20 : 12. 23 Maar zij hebben niet quot; gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hunnen nek verhard , om niet te hooren, en om de tucht niet aan te nemen. «Jer. 11:10. 13:10. 10:12. 24 Hot zal dan geschieden, indien gij vlijtiglijk naar Mij zult hooren, spreekt de Heere, dat gij geenen last door do poorten dezer stad op don sabbatdag inbrengt, en gij den sabbatdag heiligt, dat gij geen werk daarop doet; 25 quot; Zoo zullen door do poorten dezer stad ingaan koningen en vorston, zittende op den troon van David, rijdende op wagonen en op paarden, zij en hunne vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem; en deze stad zal bewoond worden in eeuwigheid. «.Ier. 22:4. |
26 En zij zullen komen uit de steden van Juda, en uit de plaatsen rondom Jeruzalem, en uit het land van Benjamin, en uit do laagte, en van het gebergte, en van het zuiden, aanbrengende brandoffer , en slagtoffer, en spijsoffer, en wierook, en aanbrengende lofoffer, ten huize dos Heeren. 27 Maar indien gij naar Mij niet zult hooren, oin don sabbatdag te heiligen, en om geenen last to dragon, als gij op den sabbatdag door do poorten van Jeruzalem ingaat; zoo zal Ik een vuur in hare poorten aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal vertoren, on niet worden uitgebluscht. HOOFDSTUK 18. Door do gelijkenis van hot werk eens pottenbakkers stelt God zijn volk voor zijne magt, om hen te maken, of te behouden; en te breken of te verdorven. Hij vermaant hen daarna tot bekeering, vs. 1; doch klaagt over hunne wederspannigheid en snoode ondankbaarheid, hoedanige onder de Heidenen noch ergens elders te vinden zijn, waarom Hij hen zal straffen, 12. De profeet klaagt over de bloeddorstige raadslagen tegen hem en bidt God, dat Hij hen daarover straffe, 18. HET woord, dat tot Jorenua geschied is van den Heere, zeggende: 2 Maak u op, en ga af in het huis dos pottenbakkers, ou aldaar zal Ik u mijne woorden doen hooren. 3 Zoo ging ik af in het huis des pottenbakkers; en ziet, hij maakte een werk op do schijven. 4 En het vat, dat hij maakte, werd verdorven, als leem, in de hand dos pottenbakkers; toen maakte hij daarvan weder oen ander vat, gelijk als hot regt was in de oogen dos pottonmakors te maken. 5 Toen geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 6 quot; Zal Ik ulieden niet kunnen doen, gelijk deze pottenbakker, o huis Israels? spreekt de Heere: ziet, ''gelijk loom in de hand des pottenbakkers, alzoo zijt gijlieden in mijne hand, o huis Israels! « Jos. 45 : 9. Rom. 9 : 20. b Jos. 64 : 8. 7 In een oogenblik zal Ik sproken over een volk cn over een koningrijk , dat Ik het zal quot; uitrukken, en afbreken, en verdoen; « Jer. 1 :10. 8 Maar indien datzelve volk, over hetwelk Ik zulks gesproken heb, zich van zijne boosheid bekeert, zoo zal Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hetzelve gedacht te doen. 9 Ook zal Ik in een oogenblik sproken over een volk en over oen koningrijk, dat Ik het zal bouwen en planten; 10 Maar indien hot doet, dat kwaad is in mijne oogen, dat het naar mijne stem niet hoort, zoo zal Ik berouw hebben ovor het goede, met hetwelk Ik gezegd had hetzelve te zullen weldoen. 11 Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zoo zegt de Heere: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen ulieden, en donk tegen ulieden eene gedachte: zoo quot; bekoort u nu, een iegelijk van zijnen boozon weg, en maakt uwe wegen on uwe handelingen goed. a 2 Kon. 17 : 13. .Ier. 7 : 3. 25 : 5. 26 : 13. 35 :15. |
|
(584 12 Doch zij zeggen: quot;liet is buiten hoop; maai* wij zullen naar onze gedachten wandelen, en wij zullen doen, een iegelijk het goeddunken van zijn boos hart. a .Ier. 2 : 2Ti. 13 Daarom, zoo zegt de Heere : quot;Vraagt nu onder de Heidenen; wie heeft alzulks gehoord? Do jonkvrouw Israels doet eene zeer afschuwelijke zaak. a Jev. 2 : 10. 14 Zal men ook om oenen rotssteen dos velds verlaten do sneeuw van Libanon? zullen ook de vreemde, koude, vlietende wateren verlaten worden? 15 Nogtans hooft mijn volk Mij quot;vergeten, zij rookon der ijdolheid: want zij hebben hen doen aanstooten op hunne wegen, op de ''oude paden, opdat zij mogten wandelen in stegen van oenen weg, die niet opgehoogd is; n .Ter. 2 : 32. 3:21. 13 : 25. /; .Ier. (i: 10. 16 Om hun land te stellen quot;tot eene ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen: al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden. a .Ier. 12:11. 19 : 8. 49 : 13. 50 : 13. 17 Als een quot; oostowind zal Ik hen '' verstrooijen voor het aangezigt dos vijands; Ik zal hun den nok en niet iiot aangezigt laten zien, ten dage huns verderfs. a Jes. 27:8. 29:0. .lor. 4:11, 12, 13. h .Ier. 13:24. 18 Toen zeiden zij: Komt aan, laat ons gedachten tegen Jeroima donken; want quot; do wet zal niet vergaan van don priester, noch de raad van don wijze, noch het woord van den profeet; komt aan, en laat ons hem slaan met de ''tong, en laat ons niet luisteren naar oenige zijner woorden! a Mal. 2:7. h .Ier. 9 : 8. 19 Heere! luister naar mij, en hoor naar de stem mijner twisters. 20 Zal dan kwaad voor goed vergolden worden ? want zij hebben mijne ziel eenen kuil gegraven; gedenk, dat ik voor uw aangezigt gestaan heb, om goed voor hen te spreken, om uwe grimmigheid van hen af te wenden. 21 Daarom, geef hunne zonen den quot; honger over, en doe ze wegvloeijen door het geweld dos zwaards, en laat hunne vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, en laat hunne mannen door den dood omgebragt, en hunne jongelingen met het zwaard geslagen worden in don strijd. « Ps. 109:10. 22 Laat er een geschrei uit hunne huizon gehoord worden, wanneer Gij haastelijk eene bende over hen zult brengen: dewijl zij eenen kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijne voeten. 23 Doch (lij, Heere! weet al hunnen raad togen mij ten doode; maak geeno verzoening over hunne ongerogtigheid, on delg hunne zonde niet uit van voor uw aangezigt: maar laat hen nodor-geveld worden voor uw aangezigt; handel alzao met hen, ton tijde uws toorns. |
HOOFDSTUK 19. Door hot toeken van een pottenbakkerskrnik, dio den profeet bevolen wordt to breken in hot dal des zoons van Hinnom, stolt God door den profeet, eerst in het voorhof van den tempel, aan de burgerlijke en kerkelijke overheden, en daarna aan het gansche volk, voor oogen eene zeer gruwelijke verwoesting van Jeruzalem, van wege de gruwelen, die /.ij in dat dal en voorts overal bedreven. ZOO zegt de Heere: Ga henen en koop oone pottenbakkerskrnik, en neem tot n van de oudsten des volks, en van de oudsten der priosteren. 2 En ga uit naar het dal des zoons van Hinnom, dat voor de deur der Zonnepoort is, en roep aldaar uit de woorden, die Ik tot u spreken zal; 3 En zeg: Hoort des Heeren woord, gij koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! Alzoo zegt de Heeue dor hoirscharen, de God Israëls: Ziet, Ik zal een kwaad brongen over deze plaats, van hetwelk een ieder, die het hoort, zijno ooren quot;klinken zullen. al Sam. 3:11. 2 Kon. 21: 12. 4 Omdat zij Mij quot; verlaten, en deze plaats vervreemd, en anderen goden daarin gerookt hebben, die zij niet gekend hebben, zij, noch hunne vaders, noch de koningen van Juda; en hebben deze plaats vervuld mot b bloed der onschuldigen. a Jes. 05:11. Jer. 2:13,17,19. 5:7,19. 15:0. 17:13. 6Jer.7:G. 5 Want zij hebben de hoogten van Baal gebouwd, om hunne zonen mot vuur te verbranden, aan Baiil tot brandofferen; hetwelk Ik niet geboden, noch gesproken heb, noch in mijn hart is opgekomen. 0 Daarom, ziet, quot; de dagen komen, spreekt de Heere, dat deze plaats niet meer zal genoemd worden het Tofeth, of dal des zoons van Hinnom, maar Moorddal. «Jer. 7:32. 7 Want Ik zal den raad van Juda en Jeruzalem in deze plaats verijdelen, en zal hen voor het aangezigt hunner vijanden doen vallen door hot zwaard, on door do hand dorgenen, die hunne ziel zoeken; en Ik zal hunne doode ligchamen quot; hot gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze geven. «Jer. 15:3. 10:4. 8 En Ik zal deze stad zetten tot eene ontzetting en tot eene aanfluiting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al hare plagen. 9 quot; En Ik zal hunlieden hot vloesch hunner zonen en het vleesch hunner dochteren doen eten, en zij zullen eten, oen iegelijk het vleesch zijns naasten, in de belegering en in do benaauwing, waarmede hen hunne vijanden, en die hunne ziel zookon, bonaauwen zullen. a Lev. 20:29. Dent. 28:53. Klgld. 4:10. 10 Dan zult gij de kruik verbreken voor de oogen der mannen, die met u gegaan zijn; 11 En gij zult tot hen zeggen: Zoo zegt do Heere der hoirscharen : Alzoo zal Ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weder geheel kan worden; en zij zullen hen in Tofeth quot;begraven. JEREMIA 18, 19. |
JEREMIA 19, 20, 21.
685
|
omdat er geeno andere plaats zal zijn om te begraven. n.Ier. 7 ; ;i2. 12 Zoo zal Ik deze plaats doen, spreekt de IIkerk, en haren inwoneren; en dat om deze stad te stellen als een Tofeth. 1!) En de huizen van Jeruzalem en de huizen der koningen van Juda zullen, gelijk alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen, op welker daken zij aan al liet heir des hemels gerookt en aan vreemde goden quot; drankofferen geofferd hebben. « .lor. 7:18. 14 Toen nu Jerenna van Tofeth kwam, waarhenen hem de Heere gezonden had, om te profeteeren, stond hij in het voorhof van des IIkeren huis, en zeide tot al hot volk: 15 Zoo zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls: Ziet, Ik zal over deze stad, en over al hare steden, al het kwaad brengen, dat Ik over haar gesproken heb; omdat zij hunnen quot; nek verhard hebben, om mijne woorden niet te hooren. a Jor. 7 : 20. 17 : 23. HOOFDSTUK 20. Om de voorgaande profetie wordt Jeretm'a van den priester Pashur geslagen en gevangen gezet, vs. 1. Losgelaten zijnde, verkondigt hij aan hem, aan zijne vrienden en aan het gansche volk Gods schrikkelijke straffen door den koning van Habel, 3. Hij klaagt den Heere zijn lijden, verdrieten inwendigen strijd, 7; troost zich in Gods bijstand en wraak, tot verhengens toe, 11; verhaalt hoe ongeduldig hij geweest is, 14. ALS Pashur, de zoon van Immer, de priester, (deze nu was bestelde voorganger in het huis des Heeren) Jeremfa hoorde, diezelve woorden profeterende, 2 Zoo sloeg Pashur den profeet Jerenna, en hij stelde hem in de gevangenis, dewelke is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis des Heeren is. .1 Maar het geschiedde des anderen daags, dat Pashur Jerenna uit de gevangenis voortbragt: toen zeide Jerenna tot hem: Do Hkerk noemt uwen naam niet Pashur, maar Magór-missabib. 4 Want zoo zegt de Heere: Zie, ik stel u tot oenen schrik voor u zeiven en voor al uwe lief-hebbers; die zullen vallen door het zwaard hun-nor vijanden, dat het uwe oogen aanzien; en Ik zal gansch Juda geven in do hand des konings van Babel, die hen naar Babel gevankelijk zal wegvoeren, en slaan hen met het zwaard. 5 Ook zal Ik geven al het vermogen dezer stad, en al haren arbeid, en al hare kostelijkheid, en alle schatten der koningen van Juda, Ik zal ze geven in de hand hunner vijanden, die zullen ze 'rooven, zullen ze nemen, en zullen ze brengen naar Babel. aJer. 15:13. 17:3. 6 En gij, Pashur, en alle inwoners van uw liuis! gijlieden zult gaan in de gevangenis; en i^ij zult te Babel komen, en aldaar sterven, en aldaar begraven worden, gij on al uwe vrienden, denwolken gij valscholijk geprofeteerd hebt. |
7 Heere! Gij hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden; Gij zijt mij te sterk geweest, en hebt overmogt; ik bon den ganschen dag tot een belagchen, een ieder van hen bespot mij. 8 Want sints ik spreke, roep ik uit, ik roep geweld en verstoring; omdat mij des Heeren woord den ganschen dag quot; tot smaad en tot schimp is. a Jos. 57 : 4. 9 Dies zeide ik: Ik zal Zijner niet godenken, en niet uieer in zijnen naam spreken ; maar het word in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijne beenderen; en ik bemoeide mij om te verdragen, maar konde niet. 10 Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeygende,: Geef ons te kennen , en wij zullen bet te kennen geven; al mijne vredegenooten nemen acht op mijne hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen. 11 Maar do Heere is quot; met mij als een verschrikkelijk held; ''daarom zullen mijne vervolgors struikelen, en niets vermogen; zij zijn zeer beschaamd geworden, omdat zij niet verstandiglijk gehandeld hebben; 0 het zaleeno eeuwige schande zijn, zij zal niet vergeten worden. aJer. 1 ;8, 19. 15:20. /i.lor. 17: 18. t-Jor. 23:40. 12 Gij dan, o Heere der heirscharen, die den regtvaardigo quot;proeft, die de nieren en het hart ziet! laat mij uwe ''wraak van hen zien, want ik heb II mijne twistzaak ontdekt. oJer. 11:20. 12:3. hJer. 11:20. 15:15. 18:19, enz. 13 Zingt den Heere, prijst don Heere: want Hij heeft de ziel des nooddruftigen uit de hand der boosdoeners verlost. 14 quot;Vervloekt zij de dag, op wolken Ik geboren ben; de dag, op welken mijne moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend! a Jcr. 15:10. 15 quot;Vervloekt zij de man, die mijnen vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een jonge zoon geboren, verblijdende hom grootelijks! a.lob 3:3. 16 Ja dezelve man zij, als de steden, die de Heere heeft quot;omgekeerd, en het heeft Hem niet berouwd; en hij boore in den morgenstond een geroep, en op den middagtijd eon geschrei. a Gen. 1!). 17 Dat Hij mij niet gedood heeft van de baarmoeder af! of mijne moeder mijn graf geweest is, of hare baarmoeder als van eene, die eeuwig-lijk zwanger is! 18 quot; Waarom bon ik toch uit de baarmoeder voortgekomen, om moeite en droefenis te zien':' en dat mijne dagen in beschaamdheid vergaan? aJob 3:20. HOOFDSTUK 21. De koning Zedekia laat in de belegering don profeet vragen, of er hoop en troost bij God zij, vs. 1; krijgt tot antwoord, neon; maar juist het tegendeel, 3. God geeft nogtans aan het volk eenen raad ten hunnen beste, 8; en aan het huis des konings eene les, met eene scherpe bedreiging, 11. |
|
GSfi J E RE M11 HET woord, dat van don Heere geschied is | tot Jereinïa, als de koning Zedekia tot hem zond Pashur, den zoon van Malclüa, en Zefanja, den zoon van Maiiséja, den priester, zeggende: 2 Vraag toch den Heere voor ons, want Nebu-kadrézar, de koning van Babel, strijdt tegen ons: misschien zal de Heere met ons doen naar al zijne wonderen, dat hij van ons optrekke. H Toen zeide Jeremia tot lion: Zoo zult gijlieden tot Zedekia zeggen: 4 Zoo zegt de Heere, de God Israels: Ziet, Ik zal do krijgswapenen omwenden, die in uliodor hand zijn, mot dewelke gij strijdt tegen den koning van Babel en tegen de Chaldeën, die u belegeren, van buiten aan don muur; en Ik zal zo verzamelen in het midden van deze stad. 5 En Ik zelf zal togen ulieden strijden, mot eene uitgestrekte hand en met oenen sterkon arm, ja mot toorn , en met grimmigheid, en mot grooto verbolgenheid. G En Ik zal de inwoners dezer stad slaan, zoowel de menschen als de hoesten ; door eeno grooto pestilentie zullen zij sterven. 7 En daarna, spreekt do IIeere, zal Ik Zedekia, den koning van Juda, en zijne knechten, en het volk, en die in deze stad overgebleven zijn van de pestilentie, van het zwaard en van den honger, geven in de hand van Nebukadrézar, don koning van Babel, on in do hand hunner vijanden, en in de hand dorgenen, die hunne ziel zoeken; en hij zal ze slaan met do scherpte des zwaards; hij zal ze niet sparen, noch vorschoonen, noch zich ontfermen. 8 En tot dit volk zult gij zoggen: Zoo zegt do Heere: Ziet, Ik stel voor ulieder aangezigt den weg des levens en den weg dos doods. 9 Die in deze stad quot;blijft, zal sterven door het zwaard, of door don honger, of door de pos-tilontie; maar die er uitgaat en valt tot do Chaldeën, die ulioden belegeren, die zal loven, en zijne ziel zal hem tot eenen buit zijn. a Jer. 38:2. 10 Want Ik heb mijn aangezigt tegen deze stad gesteld ton kwade en niet ten goede, spreekt de Heere : zij zal gegeven worden in do hand des konings van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden. 11 En aangaande het huis des konings van Juda, hoort dos Heeren woord. 12 O huis Davids! zoo zegt de Heere: quot;Bigt dos morgens regt, en verlost den beroofde uit de hand dos verdrukkers; opdat mijne gramschap niet uitvaro als een vuur, en brande, dat niemand blusschon kunne, van wego de boosheid uwer handelingen. «Jer. 22:3. 13 Ziet, Ik wil aan u, gij inwonores dos dals, gij rots van het plein! spreekt de Heere: gijlieden die zegt: Wie zou togen ons afkomen ? of wie zou komen in onze woningen ? 14 En Ik zal over ulioden bezoeking doen naar |
21, 22. do vrucht uwer handelingen, spreekt de Heere: en Ik zal een quot; vuur aanstoken in haar woud, dat zal verteren al wat rondom haar is. «Jer. 17 : 27. HOOFDSTUK 22. Do profeet wordt door Ood ten hove gezonden, om aldaar te verkondigen, wat zij doen moesten, wilden zij, dat hot lum wel ging, vs. 1; en daar zij het tegenovergestelde deden, bedreigt hij het huis des konings en Jeruzalem met geheolon ondergang, (!. Profetie van Sallura, 11 ; Jójakim 18; en Chónia, 24. ALZOO zegt de Heere: Ga af in het huis des konings van Juda, en spreek aldaar dit woord, 2 En zeg: Hoor hot woord des Heeren, gij koning van Juda, gij, die zit op Davids troon! gij, en uwe knechten, en uw volk, die door deze poorten ingaan! 3 Zoo zegt de IIeere : quot;Doet regt en geregtig-heid, en redt den beroofde uit de hand des verdrukkers; en onderdrukt den ''vreemdeling niet, den wees noch do weduwe; doet geen gewold en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats, a Jer. 21 : 12. h Jer. 7 : 6. 4 Want indien gijlieden deze zaak ernstelijk zult doen, quot;zoo zullen door de poorten van dit huis koningen ingaan, zittende den David op zijnen troon, rijdende op wagen en op paarden, hij, en zijne knechten, en zijn volk. aJer. 17 : 2r). 5 Indien gij daarentegen deze woorden niet zult hooren, zoo heb Ik bij Mij gezworen, spreekt de Heere, dat dit huis tot eene woestheid worden zal. G Want zoo zegt de Heere van het huis des konings van Juda: Gij zijt Mij een Gilead, eene iioogte van Libanon; maar zoo Ik u niet zette als eene woestijn en onbewoonde steden! 7 Want Ik zal quot; verdervers tegen u heiligen, elk mot zijn gereedschap; die zullen uwe uitge-lezene cederen omhouwen, en in het vuur werpen. a Jer. 15 : G. 8 Dan zullen vele Heidenen voorbij deze stad gaan, en zullen zeggen, een ieder tot zijnen naaste: quot;Waarom heeft de Heere alzoo gedaan aan deze grooto stad ? a Dont. 29 : 24. 1 Kon. 9 : 8. 9 En zij zullen zeggen: Omdat zij het verbond des Heeren, huns Gods, hebben verlaten, en hebben zich voor andere goden nedergebogen, en die gediend. 10 Weent niet over den doode, en beklaagt hem niet; weent vrij over dien, die weggegaan is, want hij zal nimmermeer wederkomen, dat hij liet land zijner geboorte zie. 11 Want zoo zegt de Heere van Sallum, den zoon van Josia, koning van Juda, die in do plaats van zijnen vader Josia regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan : hij zal daar nimmermeer wederkomen. 12 Maar in de plaats, waarhenen zij hem gevankelijk hebben weggevoerd, zal hij sterven, en dit land zal hij niot meer zien. 13 Wee quot;dien, die zijn huis bouwt met onge- |
JE RE MIA 22, 2^.
087
|
regtighoid, en zijne opperzalen met onregt; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hem zijn arbeidsloon niet! «Lev. 10: 13. Deut. 24:14, 15. Hab. 2:0. 14 Die daar zegt: Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen, en doorluchtige opperzalen; en hij houwt zich vensteren uit, en het is bedekt met ceder, en aangestreken met menie. lo Zoudt gij regeren, omdat gij u mengt met den cedor ? beeft niet uw vader gegeten en gedronken, en regt en geregtigbeid gedaan, en het ging bem toen wel ? 16 Hij heeft de regtzaak des ellendigen en nood-druftigen gerigt, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te kennen? spreekt de Heere. 17 Maar uwe oogen en uw bart zijn niet dan op uwe gierigheid, en op onschuldig bloed, om dat te vergieten, en op verdrukking en overlast, om die te doen. 18 Daarom zegt de Heere alzoo van Jója-kim, zoon van Josia, koning van Juda: quot; Zij zullen hem niet beklagen: Och mijn broeder! of, och zuster! zij zullen hem niet beklagen: Och heer! of, ocb zijne majesteit! a .Tor. 16 : 4, 5, 6. 19 Met eene ezelsbegra-fenis zal hij begraven worden; men zal hem quot; slepen en daarhenen h werpen, verre weg van de poorten van Jerü-zalem. a .Ter. 15:3. b Jer. 36 : 30. 20 Klim op den Libanon en roep , en verhef uwe stem op den Basan; roep ook van de veren; maar al uwe liefhebbers zijn verbroken. 21 Ik sprak u aan in uwen grooten voorspoed, maar gij zeidet: Ik zal quot;niet booren. Dit is uw weg van uwe jeugd af, dat gij mijner stem niet hebt gehoorzaamd, a Jer. 5 : 23. 7 : 23â28. 11: 7, 8. 18 :10, 11. 16 : 12. 17 : 23. 18 : 12. 19 : 15. 22 De wind zal al uwe herders weiden, en uwe liefhebbers zullen in de gevangenis gaan; dan zult gij zekerlijk beschaamd en te schande worden , van wege al uwe boosheid. 28 O gij, die nu op den Libanon woont, en in de cederen nestelt! hoe begenadigd zult gij zijn, als u de smarten zullen aankomen, het wee als eener barende vrouw! 24 Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere, ofschoon Cbonia, de zoon van Jójakim, don koning van Juda, oen zegelring ware aan mijne regterhand, zoo zal Ik u tocb van daar wegrukken. |
25 En Ik zal u geven in de hand dergenen, die uwe ziel zoeken, en in de band dergenen, voor welker aangezigt gij schrikt: namelijk in de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel, en in de hand der Chaldeën. 26 En Ik zal u, en uwe moeder, die u gebaard beeft, uitwerpen in een ander land, waarin gijlieden niet geboren zijt, en daar zult gij sterven. 27 En in het land, naar hetwelk hunne ziel verlangt om daar weder te komen, daarhenen zullen zij niet wederkomen. 28 Is dan deze man Chónia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld? of is iiij een vat, waaraan men geenen lust beeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja weggeworpen in een land, dat zij niet kennen ? 29 O land, land, land! hoor des Heeren woord! 30 Zoo zegt de Heere: Schrijft dezen zeiven man kinderloos, eenen man, die niet voorspoedig zal zijn in zijne dagen: want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn , zittende op den troon Davids, en beerschende meer in Juda. HOOFDSTUK 23. I'i'nfelio tegen de kwade herders, mot belofte van do vergadering en herstelling der kudde Gods door Christus onze ge-regtighoid, vs. 1. Wijd-loopige profetie tegen do valsclie profeten en droomers, met getrouwe waarschuwingen on zware bedreigingen, 9; togen hen, die met Jeromfa en dos Hoeren woord den spot dreven, 33. WEE den quot; herderen, die de schapen mijner weide ombrengen en ver-strooijen! spreekt de Heere. aEzec. 34:2. 2 Daarom zegt de Heere, de God Israels, alzoo van de herderen, die mijn volk weiden: Gijlieden hebt mijne schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en bobt ze niet bezocht; ziet. Ik zal over u bezoeken dc boosheid uwer handelingen, spreekt de Heere. 3 En Ik zal het overblijfsel mijner schapen zelf vergaderen uit al de landen, waarbenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hunne kooijen, en zij zullen vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen. 4 En Ik zal quot; herderen over ben verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet moer vreezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de Heere. aEzec. 34:11, 12. 5 Ziet, quot;de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik aan David eene regtvaardige Spruit zal verwekken; die zal koning zijnde regeren, en |
|
088 voorspoedig zijn, en regt on gei'egtigheid doen op de aarde. r/.les. 4:2. 40:11. .Ier. 38 : 14, 15. Dim. 9:24. Luk. 1 ; 32, 33. (1 quot; In zijne dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal zijn naam zijn, waarmede men hem zal noemen: De Heere , ONZE (iEREGTIGHEID. a Deut. 33:28. 7 Daarom, ziet, quot;de dagen komen, spreekt de IIeere, dat zij niet meer zullen zeggen: Zoo iiHiardchtuj (t/u de Heerk leeft, die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd! a.Ioi'. 10 : 14, 1quot;). 8 Maar: Zoo wanrachti(/ als de Heere leeft, die het zaad van het huis Israels heeft opgevoerd, en die het aangebragt heeft uit het land van het noorden, ou uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land. !) Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijne beenderen ho-wegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; van woge den Heere, en van wege de woorden zijner heiligheid. 10 Want het land is quot;vol overspelers, want het land treurt van wege den vloek, de weiden der woestijn verdorren; omdat hun loop boos is, en hunne magt niet regt. a Jer. 5:7, 8. 13:2. 11 Want beiden profeten en priesters quot;zijn huichelaars; zelfs in mijn huis vind Ik hunne boosheid, spreekt de Heere. a Jer. 0 :13. 8 :10. 14:18. 12 Daarom zal hun weg hun zijn als zeer quot; gladde plaatsen in de ''donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen: want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt do Heere. a Ps. 35 : 0. 73 : 18. 6 Jor. 18 : 10. 13 Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de pro-foton van Samaria, clic door Baal profeteerden, en mijn volk Israël verleidden; 14 Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afscluiwolijkhoid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valschhoid, on sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bokeoron, een iegelijk van zijne boosheid: zij allen zijn Mij als quot; Sodom, en hare inwoners als Gomorra. «.les. 1:9. 15 Daarom zegt do Heere der heirscharen van deze profeten alzoo: Ziet, Ik zal hen mot quot; alsem spijzigen, on mot ''gallewater drenken: want van Jorüzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganscho land. alcr. 9:15. iJer. 8:14. 9:15. 10 Zoo zegt de Heere dor heirscharen: Hoort niet naar de woorden dor profeten, die u profeteren ; zij maken u ijdel; zij sproken het gezigt huns harten, niet uit des Heeren, mond. 17 Zij quot;zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: Do Heere hooft hot gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en lot al wie naar zijns har-ton goeddunken wandelt, zoggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen. a Jer. (i: 14. 8 : 11. Ezec. 1.3 : 10. Zaeh. 10 : 2. |
18 Want wie heeft in des Heeren raad gestaan, on zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft zijn woord aangemerkt en gehoord ? 19 Ziet, een quot; onweder des Heeren, oone grimmigheid is uitgegaan, ja een pijnlijk onweder: het zal blijven op der goddoloozon hoofd. «Jer. 30:23, 24. 20 Des Heeren toorn zal zich niet afwendon, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten zijns harten: in het laatste dor dagen zult gij met verstand daarop letten. 21 Ik heb die profeten quot;niet gezonden, nogtans hebben zij geloopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nogtans hebben zij goprofoteord. «Jer. 14:14. 22 Maar zoo zij in mijnen raad haddon gestaan , zoo zouden zij mijn volk mijne woorden hebben doen hooren, en zouden bon afgekeerd hebben van hunnen boozen weg, en van de boosheid hunner handelingen. 23 Ben Ik een God van nabij, spreekt de Heere, en niet oen God van verre ? 24 Zou zich iemand in quot; verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hom niet zou zien? spreekt do Heere; vervul Ik niet den hemel ou de aarde? spreekt do Heere. a Ps. 139:7, on/.. Amos 9:2, 3. 25 Ik heb gehoord wat do profeten zeggen, die in mijnen naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd. 20 Hoe lang? Is er dan een droom in hot hart der profeten, die do leugen profeteren? Ja het zijn profeten van linns harten bedriegerij; 27 Die daar denken om mijn volk mijnen naam te doen quot;vergeten, door hunne droomon, die zij, een ieder zijnen naaste, vertollen; gelijk als hunne vaders mijnen naam vergeten hebben door Baal. « Rigt 3:7. 8:33, 34. 28 De profeet, bij welken een droom is, die vortelle don droom; en bij wolkon mijn woord is, die spreke mijn woord waarachtiglijk: wat hooft het stroo met hot koren to doen? spreekt de Heere. 29 Is mijn woord niet alzoo, als een vuur? spreekt de Heere, en als oen hamer, die eeno steenrots te morzel slaat? 30 Daarom, ziet, a Ik wil aan de profeten, spreekt de Heere, die mijne woorden stelen, een ieder van zijnen naaste; « Deut. 18:20. Jer. 14:14,15. 31 Ziet, Ik ivil aan de profeten, spreekt de de Heere, die hunne tong nemen, en sproken: Hij hoeft het gesproken; 32 Ziet, Ik wil aan degenen, die valsche droomon profeteren, spreekt de Heere, en vertellen die, en verleiden mijn volk met hunne leugenon on met hunne quot; ligtvaardighoid: daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gansch geen nut doen, spreekt do Heere. a Zef. 3 : 4. 33 Wanneer dan dit volk, of een profeet, of JEREMIA 23. |
JEREMIA 23, 24, 25.
r,89
|
priester n vragen zal, zeggende: Wat is des Heeren last? Zoo zult gij tot hen zeggen: Wat last? dat Ik ulieden verlaten zal, spreekt do Heere. 34 Eu aangaande deu profeet, of den priester, of het volk, dat zeggen zal: Des Heeren last; dat Ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis. 35 Aldus zult gijlieden zeggen, een iegelijk tot zijnen naaste, en een iegelijk tot zijnen broeder: Wat heeft de Heere geantwoord, en wat heeft de Heere gesproken? 36 Maar des Heeren last zult gij niet meer gedenken: want eenen iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn, dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den Heere der heirscharen, onzen God. 37 Aldus zult gij zeggen tot den profeet: Wat heeft u de Heere geantwoord? en wat heeft de Heere gesproken ? 38 Maar dewijl gij zegt: Des Heeren last; daarom zoo zegt de Heere: Omdat gij dit woord zegt: Des Heeren last, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des Heeren last; 39 Daarom ziet, Ik zal u ook gansehelijk vergeten , en u, mitsgaders de stad, die Ik u en uwen vaderen gegeven heb, van mijn aangezigt laten varen. 40 En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen, en quot;eeuwige schande, die niet zal worden vergeten. a Jer. 20 :11. HOOFDSTUK 24. God toont Jerem fa twee vijgeboomen, den eenen met zeer goede, en don anderen met zoor kwade vijgen, vs. 1 ; onderwijst hem door deze, dat Hij sommigen gevangenen genade wil bewijzen, en de overigen straffen, 4, 5, enz. De Heere deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgekorven, gezet voor den tempel des Heeren: nadat a Nebukadrézar, koning van Ba-bel, gevankelijk had weggevoerd Jechónia, den zoon van Jójakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden, van Jeruzalem, en hen te Habel gebragt had. a 2 Kon. 24:15. 2 Kron. 30:10. 2 In den eenen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer booze vijgen, die van wege de boosheid niet konden gegeten worden. 3 En de Heere zeide tot mij: Wat ziet gij, Jeremfa? En ik zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de booze zeer boos, die van wege de boosheid niet kunnen gegeten worden. 4 Toen geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 5 Zoo zegt de Heere, de God Israels: Gelijk die goede vijgen, alzoo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Ghaldeën heb weggeschikt, ten goede. |
fi En Ik zal mijn oog op hen stellen ton goede, en zal hen quot; wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken. a Jer. 10:15. 7 quot; En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de Heere ben; ''en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot eenen God zijn: want zij zullen zich tot Mij met hun gansche hart bekeeren. a Dent. 30 : 0. Jer. 32 : 39. Ezec. 11:19. 30 : 20, 27. b Jer. 30 : 22. 31 : 33. 32 : 38. 8 quot; En gelijk do booze vijgen, die van wege de boosheid niet kunnen gegeten worden, (want aldus zegt de Heere) alzoo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijne vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen; a Jer. 29 : 17. 9 quot; En Ik zal hen overgeven tot eene beroering ten kwade, allen koningrijken der aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot eene spotrede, en tot eenen vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben; aDeut. 28 : 25, 37. 1 Kon. 9 : 7. 2 Kron. 7 : 20. Jer. 15 : 4. 29 : 18. 34 :17. 42 : 18. 10 En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hunnen vaderen gegeven had. HOOFDSTUK 25. De profeet stelt op Gods bevel aan het volk voor zijne gedurige dienst en die der andere profeten in liet vermanen tot bokecring, en hunne gedurige ongehoorzaamheid daarentegen, vs. 1; waarom God hen (als ook andere volken) zal straffen door don koning van Babel met 70jarige dienstbaarheid, 8; doch alsdan zal Hij ook don koning van Babel vergolden naar zijne verdiensten en overeenkomstig deze pro-fetiën, 12. Bevestiging dezer profetiën door het gezigt van den drinkbeker des goddelijken toorns, waaruit de volken bij de rij af moesten drinken, 15. Afbeelding van do schrikkelijkheid dezer straffen, 30. HET woord, dat tot Jeremia geschied is over het gansche volk van Juda, in het vierdejaar van Jójakim , zoon van Josia, koning van Juda; (dit was het eerste jaar van Nebukadrézar, koning van Babel;) 2 Hetwelk de profeet Jeremia gesproken heeft tot het gansche volk van Juda, en tot al de inwoners van Jeruzalem, zeggende: 3 Van het dertiende jaar van Josia, den zoon van Amon, den koning van Juda, tot op dezen dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord des Heeren tot mij geschied; en ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende , maar gij hebt niet gehoord. 4 Ook heeft de Heere tot u gezonden al zijne knechten, do profeten, quot;vroeg op zijnde en zendende; (maar gij hebt ''niet gehoord, noch uw oor geneigd om te hooren.) «Jer. 7:13, 25. 11:7. 6Jer. 11:7, 8, 10. 13:10, 11. 10 : 12. 17 : 23. 18 : 12. 19 : 15. 22 : 21. 44 |
JEREMIA 25.
|
5 Zeggende: «Bekeert u toch, een iegelijk van zijnen boozen weg en van de boosheid uwer handelingen, en woont in het land, dat de Heere u en uwen vaderen gegeven heeft, van eeuw tot in eeuw. a 2 Kon. 17:13. Jor. 18:11. 35:15. Jona8:8. 6 En wandelt andere goden niet na, om die te dienen, en u voor die neder te buigen; en vertoornt Mij niet door uwer handen werk, opdat Ik u geen kwaad doe. 7 Maar gij hebt naar Mij niet gehoord, spreekt de IIeere; opdat gij Mij vertoorndet door hot werk uwer handen, u zeiven ten kwade. 8 Daarom, zoo zegt de Heere der heirscharen: Omdat gij mijne woorden niet hebt gehoord; !) Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van liet noorden, spreekt de Heere; en tot Nebukadrézar, den koning van Babel, mijnen knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelve, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot eene ontzetting, en tot eene 0 aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. «.Ier. 19:8. 10 En Ik zal van hen doen vergaan quot; de stem der vrolijkheid en de stem der vreugde, de stem des bruidegoms en de stem der bruid, het geluid der molens en het licht der lamp. lt;iJes. 24:7. Jer. 7:34. 10:9. Ezec. 26:13. 11 En dit gansche land zal worden tot eene woestheid, tot eene ontzetting; en deze volken zullen don koning van Babel dienen zeventig jaren. 12 Maar het zal geschieden, als do quot; zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over den koning van Babel, en over dat volk, spreekt de Heere, hunne ongeregtigheid bezoeken, mitsgaders over het land der Chaldeön, en zal dat stollen tot eeuwige verwoestingen. a 2 Kron. 3G : 22. Ezra 1 : 1. Jor. 29 : 10. Dan. 9 : 2. 13 En Ik zal over dat land brengen al mijne woorden, die Ik daarover gesproken heb ; al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremia geprofeteerd heeft over al deze volken. 14 Want quot; van hen zullen zich doen dienen, die ook magtige volken en groote koningen zijn: alzoo zal Ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk hunner handen. «.lor. 27:7. 15 Want alzoo heeft do Heere, do God Israels, tot mij gezegd: Neem dozen beker des a wijns dor grimmigheid van mijne hand, en geef dien te drinken al den volken, tot welke Ik u zende; a.ler. 13:12. 1G Dat zij drinken, en boven, en dol worden, van wege het zwaard, dat Ik onder hen zal zendon. 17 En Ik nam den beker van des Heeren hand, en ik gaf te drinken al den volken, tot welke de Heere mij gezonden had: 18 Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haren koningen, en haren vorsten; om die te stellen tot eene woestheid, tot eene ontzetting, tot eene aanfluiting, en tot oenen vloek, gelijk hot is te dezen dage; |
19 Farao, den koning van quot; Egypte, en zijnen knechten, en zijnen vorsten, en al zijn volk; «Jer. 40. 20 En don ganschen gemengden hoop, en allen koningen des lands van Uz; en allen koningen van dor quot; Filistijnen land, en Askolon, on Gaza, en Ekron, en het overblijfsel van Asdod; n Jer. 47 : 4, onz. 21 u Edom, en 6Moab, en don kinderen ' Amnions; «Jor. 49:7, enz. ft Jer. 48. eJer. 49:1 , enz. 22 En allen koningen van quot; Tyrus, en allen koningen van Zidon; en den koningen der eilanden, die aan gene zijde der zee zijn. «Jer. 47:4. 23 a Dedan, en Thema, en Buz , en allen , die aan de h hoeken afgekort zijn; a Jer. 49 : 8. h Jer. 9 : 20. 24 En allen koningen van Arabië; en allen koningen dos quot; gemengden hoops, die in de woestijn wonen; aJer. 49:31. 25 En allen koningen van Zimri, en allen koningen van quot; Elam, en allen koningen van Medië; «,Ier. 49:34. 26 En allen koningen van het noorden, die nabij on die verre zijn, den eenen met den anderen; ja allon koningrijken der aarde, die op den aardbodem zijn. En de koning van Sesach zal na hen drinken. 27 Gij zult dan tot hen zeggen: Zoo zegt de Heere der heirscharen, do God Israels: Drinkt, en wordt dronken, en spuwt, on valt neder, dat gij niet weder opstaat, van wege hot zwaard, dat Ik onder u zal zenden. 28 En het zal geschieden, wanneer zij weigeren zullen den beker van uwe hand te nemen om te drinken, dat gij tot hen zeggen zult: Zoo zegt de Heere der heirscharen: Gij zult zekerlijk drinken! 29 Want ziet, in de quot;stad, die naar mijnen naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt gij eonigzins onschuldig gehouden worden ? gij zult niet onschuldig worden gehouden: want Ik roep het zwaard over alle inwoners der aarde, spreekt de Heere der heirscharen. alPetr. 4:17. 30 Gij zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en gij zult tot hen zoggen: De Heere zal quot;brullen uit de hoogte, en zijne stom verheffen uit de woning zijnor heiligheid, Hij zal schrikkelijk brullen over zijne woonstede; Hij zal oen vreugdegeschroi, als de druivmtvnders, uitroepen tegen alle inwoners der aarde. a Joël 3:16. Amos 1 : 2. 31 Het geschal zal komen tot aan het einde dolaarde; want do Heere heeft eenen twist mot de volken. Hij zal gerigt houden met alle vleesch: de goddeloozen hooft Hij aan hot zwaard overgegeven , spreekt de Heere. 32 Zoo zegt de Heere der heirscharen: Ziet, een kwaad gaat er uit van volk tot volk, en een groot onweder zal er verwekt worden van de zijden der aarde. |
|
r liS En de verslagenen des IIeeren zullen te dien dage liggen van het eenc einde der aarde tot aan hot andere einde der aarde; zij zullen niet quot; beklaagd , noch opgenomen, noch begraven worden; tot mist op den aardbodem zullen zij zijn. aJer. 10:4. 34 quot; Huilt, gij herders! en schreeuwt, en wentelt ii in de aseh, gij heerlijken van de kudde! want uwe dagen zijn vervuld, dat men ''slagten zal, en van uwe c verstrooijingen; dan zult gij vervallen als een kostelijk vat. a .Ier. 4:8. (1:20. h Jes. 05:12. .Ier. 12:3. cJer. 9:10. 13:14, 24. 18:17. 35 En de vlugt zal vergaan van de herders, en de ontkoming van de heerlijken dor kudde. 30 Er zal zijn oene stom des geroeps der herdoren, en een gehuil der heerlijken van de kudde, omdat de Heere hunne weide verstoort. 37 Want de landouwen des vredes zullen uitgeroeid worden, van wege de hittighoid des toorns des He eken. 38 Hij heeft, als een jonge leeuw, zijne hutte verlaten: want hunlieder land is geworden tot oone verwoesting, van wege de hittigheid des verdrukkers, ja van wege do hittigheid zijns toorns. HOOFDSTUK 26. Do profeet dreigt, door Gods last, het ganscho volk in hot voorhof des tempels, dat Hij, zoo zij ongo-hoorzaam blijven, den tempel zal maken als Silo, en hot land tot eenon vloek aller volken stellen, vs. 1. üe profeet wordt hierom gegrepen en dos doods schuldig verklaard, 8; maar de vorsten, daar komende en de aanklagt, als ook Jeremia's antwoord hoerende, sproken hem vrij, op hot voorbeeld van den profeet Micha, 10. Ahikam wordt in het bijzonder geroemd, .leremi'a bewaard te hebben voor een gelijk lot, als de profeet Una had ondergaan, 20. IN het begin des koningrijks van Jójakim, den zoon van Josfa, koning van Juda, geschiedde dit woord van den Heere, zeggende: 2 Zoo zegt de Heere: Sta in het voorhof van het huis des IIeeren, en spreek tot alle steden van Juda, die komen om aan te bidden in het huis des IIeeren , al de woorden , die Ik u geboden heb tot hen te spreken, doe er niet één woord af. 3 Misschien zullen zij hooren, en zich bekeeren, oen iegelijk van zijnen boozen weg; zoo zou Ik quot; berouw hebben over het kwaad, dat Ik hun denk te doen van wege do boosheid hunner handelingen. a ,Ter. 18:8. 4 Zeg dan tot hen: Zoo zegt do Heere : Zoo gijlieden naar Mij niet zult hooren, dat gij wandelt in mijne wet, die Ik voor uw aangezigt gegeven heb; 5 Hoorende naar de woorden mijner knechten, de profeten, die Ik tot u zonde, zelfs quot;vroeg op zijnde en zondondo; doch g-ij niet gehoord hebt; a Jer. 7 : 13, 26. 11:7. 25 : 3. 0 Zoo zal Ik dit huis stellen als quot; Silo, en deze stad zal Ik stellen tot eenon vloek allen volken der aarde, a 1 Sam. 4 :12. Ps. 78 : 00. ,Ior. 7:12, 14. | |
691 7 En de priesters, en de profeten, en al het volk, hoorden Jereima deze woorden spreken in het huis IIeeren. 8 Zoo geschiedde het, als Jereima geeindigd had te spreken alles, wat do Heere geboden had tot al het volk te spreken, dat de priesters en do profeten en al het volk, hom grepen, zeggende : Gij zult don dood sterven! 9 Waarom hebt gij in den naam dos IIeeren geprofeteerd, zeggende: Dit huis zal worden als Silo, en deze stad zal woest worden, dat er niemand wone? En het gansclie volk werd vergaderd tegen Jereima, in het huis des IIeeren. 10 Als nu de vorsten van Juda deze woorden hoorden, gingen zij op uit het huis des konings naar hot huis des IIeeren; en zij zetten zich bij de deur der nieuwe poort des IIeeren. 11 Toon spraken de priesters en de profeten tot de vorsten en tot al het volk, zeggende: Aan dezen man is een oordeel des doods, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, gelijk als gij met uwe ooren gehoord hebt. 12 Maar Jereima sprak tot al de vorsten en tot al het volk, zeggende: De Heere heeft mij gezonden , om tegen dit huis en tegen deze stad te profeteren al de woorden, die gij gehoord liebt; 13 Nu dan, quot;maakt uwe wegen en uwe handelingen goed, en gehoorzaamt de stem des IIeeren, uws Gods; zoo zal bet don Heere berouwen over het kwaad, dat Hij tegen u gesproken heeft. a ,fer. 7 : 3. 14 Doch ik, ziet, ik ben in uwe handen; doet mij, als het goed, en als het regt is in uwe oogen; 15 Maar weet voorzeker, dat gij, zoo gij mij doodt, gewisselijk onschuldig bloed zult brengen op u, en op deze stad, on op hare inwoners: want in der waarheid, de Heere heeft mij tot u gezonden, om al deze woorden voor uwe ooren te sproken. 10 Toen zeiden do vorsten en al het volk tot de priosteren en tot de profeten: Aan dozen man is geen oordeel des doods, want hij hoeft tot ons gesproken in den naam dos IIeeren, onzes Gods. 17 Ook stonden er mannen op, van de oudsten dos lands, en spraken tot do gansche gemeente des volks, zeggende : 18 quot; Micha, de Moraschtiet, heeft in de dagen van Hizlda, koning van Juda, geprofeteerd, en tot al het volk van Juda gesproken, zeggende: Zoo zegt de Heere der heirscharen: ''Zion zal als een akker geploegd, en Jeruzalem tot steen-hoopen worden, en do berg dezes huizes tot hoogten eens wonds. a Micha 1:1. 6 Micha 3:12. 19 Hebben ook Hizkia, de koning van Juda, on gansch Juda hem ooit gedood ? vreesde hij niet den Heere? en smeekte des IIeeren aangezigt, zoodat het den Heere berouwde over het kwaad, dat Hij tegen hen gesproken had? Wij dan doen eon groot kwaad tegen onze zielen. 20 Er was ook eon man, die in den naam des u* JEREMIA 25, 20. ' Jl if 'i| i 11 1'; B- |
» t!
JEREMIA 26, 27.
692
|
Heeren profetoercle, Una, do zoon van Semaja, van Kirjath-Jearim; die profeteerde tegen deze stad en tegen dit land, naar al de woorden van Jerenüa. 21 En als de koning Jojakim, mitsgaders al zijne geweldigen, en al de vorsten zijne woorden hoorden, zocht de koning hem te dooden; als Uria dat hoorde, zoo vreesde hij, en vlugtte, en kwam in Egypte: 22 Maar de koning Jójakim zond mannen naar Egypte, E'lnathan, den zoon van Achhor, en andere mannen met hem, in Egypte; 23 Die voerden Urïa uit Egypte, en hragten hem tot den koning Jojakim, en hij sloeg hem met het zwaard, en hij wierp zijn dood ligchaam in de graven van de kinderen des volks. 24 Maar de hand van Alnkam, den zoon van Safan, was met Jeremïa, dat men hem niet overgaf in de hand des volks, om hem te dooden. HOOFDSTUK 27. De profeet wordt belast, een juk om den hals te dragen en er een te zenden aan vijf naburige koningen, met vermelding, dat zij hunne halzen met Juda onder het juk van Nebukadnézar zullen moeten bulgen, hoe gewilliger hoe beter, zonder te luisteren naar valsche profeten, vs. 1. Datzelfde houdt hij hierna don koning Zedekfa breedvoerig voor, daarbij profeterende, dat do overgeblevene vaten van den tempel ook naar Babel zullen gevoerd worden, en aldaar tot den bestemden tijd blijven, 12. IN het begin des koningrijks van Jójakim, zoon van Josïa, koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jerenna, van den Heere, zeggende: 2 Alzoo zeide de Heere tot mij: Maak u banden en jukken, en a doe die aan uwen hals. ff Ter. 28 : 10. 3 En zend ze tot den koning van Edom, en tot den koning van Moab, en tot den koning der kinderen Amnions, en tot den koning van Tyrus, en tot den koning van Zidon; door de hand dei-boden , die te Jeruzalem tot Zedekïa, don koning van Juda, komen. 4 En beveel hun aan hunne heeren te zeggen: Zoo zegt de Heere der 'neirscharen, de God Israels: Zoo zult gij tot uwe heeren zeggen: 5 Ik heb gemaakt de aarde, den mensch en het vee, die op den aardbodem zijn, door mijne groote kracht en door mijnen uitgestrekten arm, en Ik quot; geef ze aan welken het regt is in mijne oogen. a Dan. 4: 17, 25. 6 En nu, Ik heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnézar, den koning van Babel, quot; mijnen knecht; zelfs ook het gedierte des velds heb Ik hem gegeven, om hem te dienen. a Jer. 25 ; 9. 7 En alle volken zullen hem, en zijnen zoon, en zijns zoons zoon dienen; totdat ook de tijd zijns eigenen lands kome; dan zullen zich magtige volken en groote koningen van hem doen dienen. |
8 En het zal geschieden, hot volk en het koningrijk, die hem, Nebukadnézar, den koning van Babel, niet zullen dienen, en dat zijnen hals niet zal geven onder het juk des konings van Babel; over datzelve volk zal Ik, spreekt de Heere, bezoeking doen door het zwaard, en door den honger, en door de pestilentie, totdat Ik ze zal verteerd hebben door zijne hand. 9 Gijlieden dan, hoort niet naar uwe profeten, en naar uwe waarzeggers, en naar uwe droomers, en naar uwe guichelaars, en naar uwe toove-naars, dewelke tot u spreken, zeggende: Gij zult den koning van Babel niet dienen. 10 Want zij profeteren uvalschheid, om u verre uit uw land te brengen, en dat Ik u uitstoote, en gij omkomt. 11 Maar het volk, dat zijnen hals zal brengen onder het juk des konings van Babel, en hem dienen, datzelve zal Ik in zijn land laten, spreekt de Heere, en hot zal dat bouwen en daarin wonen. 12 Daarna sprak ik tot Zedekïa, den koning van Juda, naar al deze woorden, zeggende: Brengt uwe halzen onder het juk des konings van Babel, en dient hem en zijn volk, zoo zult gij leven. 13 Waarom zoudt gij sterven, gij en uw volk, door het zwaard, door den honger en door de pestilentie? gelijk als de Heere gesproken heeft van het volk, dat den koning van Babel niet zal dienen. 14 Hoort dan niet naar de woorden der profeten , die tot u spreken, zeggende: Gij zult den koning van Babel niet dienen: want zij profeteren u quot; valschheid. «Jer. 14:14. 23:21. 29:8. 15 Want Ik heb ze niet gezonden, spreekt de Heere, en zij profeteren valschelijk in mijnen naam; opdat Ik u uitstoote, en gij omkomt, gij en de profeten, die u profeteren. 16 Ook sprak ik tot de priesteren en tot dit gansche volk, zeggende: Zoo zegt do Heere: Hoort niet naar de woorden uwer profeten, die u profeteren, zeggende: Ziet, de vaten van des Heeren huis zullen nu quot; haast uit Babel weder-gebragt worden: want zij profeteren u valschheid. a Jer. 28 : 3. 17 Hoort niet naar hen, maar dient den koning van Babel, zoo zult gijlieden loven: waarom zou deze stad tot eene woestheid worden? 18 Maar zoo zij profeten zijn, en zoo des Heeren woord bij hen is, laat hen nu bij den Heere dor heirscharen voorbidden, opdat de vaten, die in het huis des Heeren, en in het huis des konings van Juda, en te Jeruzalem zijn overgebleven, niet naar Babel komen. 19 Want zoo zegt de Heere der heirscharen, van de pilaren, en van de zee, en van de stellingen, en van het overige der vaten, die in deze stad zijn overgebleven, 20 Die Nebukadnézar, de koning van Babel, niet heeft weggenomen, als hij Jechónia, den zoon van Jójakim, koning van Juda, van Jeruzalem naar Babel quot;gevankelijk wegvoerde, |
JEREMIA 27, 28, 29.
|
mitsgaders al de edelen van Juda en Jeruzalem; a 2 Kon. 24 ; 14, 15. 21 Ja, zoo zegt do Heere der heirscharen, do God Israels, van de vaten, die in het huis des Heeren , en in het huis des konings van Juda, en te Jeruzalem zijn overgebleven; 22 Naar Babel zullen zij quot; gebragt worden, en aldaar zullen zij zijn, tot den dag toe, dat Ik ze bezoeken zal, spreekt de Heere; dan zal Ik ze opvoeren, en zal ze b wederbrengen tot deze plaats. «2 Kon. 25: 13. 2 Kron. 30: 18. b 2 Kron. 30 : 22. Jor. 2!): 10. HOOFDSTUK 28. Haminja profeteert valschelijk tegen Jeremia, vs. 1; waartegen zicli Jeremia verdedigt, 5. Haminja verbreekt liet juk van den hals van Jeremia, IU; dien dooi God bevolen wordt een ijzeren juk in deszelfs plaats te maken, zijne profetie te herhalen en Haminja den dood aan te zeggen in ditzelfde jaar, gelijk hij ook is gestorven binnen dit jaar, 12. VOORTS geschiedde het in hetzelve jaar, in het begin dos koningrijks van Zedekia, koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, dat Hananja, zoon van Azur, de profeet, die van Gibeon was, tot mij sprak, in het huis des Heeren, voor do oogen der priesteren en des ganschen volks, zeggende: 2 Zoo spreekt de Heere der heirscharen, de God Israels, zeggende: Ik heb het juk des konings van Babel verbroken. 3 In nog quot; twee volle jaren zal Ik tot deze plaats wederbrengen al de vaten van het huis des Heeren , die Nebukadnézar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft weggenomen, en dezelve naar Babel gebragt. aJer. 27 : 10. 4 Ook zal Ik Jechónia, den zoon van Jójakim, koning van Juda, en allen, die gevankelijk weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn, tot deze plaats wederbrengen, spreekt de Heere: want Ik zal het juk des konings van Babel verbreken. 5 Toen sprak de profeet Jeremia tot den profeet Hananja, voor de oogen der priesteren, en voor de oogen des ganschen volks, die in het huis des Heeren stonden; 0 En de profeet Jeremia zeide: Amen, de Heere doe alzoo! de Heere bevestige uwe woorden, die gij geprofeteerd hebt, dat Hij de vaten van des Heeren huis, en allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, van Babel wederbrenge tot deze plaats! 7 Maar hoor nu dit woord, dat ik spreek voor uwe ooren, en voor de ooren des ganschen volks: 8 De profeten, die voor mij en voor u van ouds geweest zijn, die hebben tegen vele landen en tegen groote koningrijken geprofeteerd, van krijg, en van kwaad, en van pestilentie. 9 De profeet, die geprofeteerd zal hebben van vrede, als het woord van dien profeet komt, dan zal die profeet bekend worden, dat hem de Heere in der waarheid gezonden heeft. |
10 Toen nam do profeet Hananja het juk van den hals van den profeet Jeremia, en verbrak het. 11 En Hananja sprak voor de oogen des ganschen volks, zeggende: Zoo zegt de Heere: Al-zoo zal Ik verbreken hot juk van Nebukadnézar, den koning van Babel, in nog twee volle jaren, van den hals al dor volken. En de profeet Jeremia ging zijns weegs. 12 Doch des Heeren woord geschiedde tot Jeremia, (nadat de profeet Hananja het juk van den hals van den profeet Jeremia verbroken had) zeggende: 13 Ga henen en spreek tot Hananja, zeggende: Zoo zegt do Heere : Houten jukken hebt gij verbroken, nu zult gij in plaats van die ijzeren jukken maken. 14 Want zoo zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Ik heb een ijzeren juk gedaan aan den hals van al deze volken, om Nebukadnézar, den koning van Babel, te dienen, en zij zullen hem dienen; ja Ik heb hem ook het quot; gedierte des velds gegeven. «Jor. 27 : 0. 15 En de profeet Jeremia zeide tot den profeet Hananja: Hoor nu, Hananja! de Heere heeft u niet gezonden, maar gij hebt gemaakt, dat dit volk op leugen vertrouwt. 16 Daarom, zoo zegt de Heere: Zie, Ik zal u wegwerpen van den aardbodem; dit jaar zult gij sterven, omdat gij eenen quot; afval gesproken hebt tegen den Heere. aüeut. 13:5. Jer. 20:32. 17 Alzoo stierf de profeet Hananja in datzelve jaar, in de zevende maand. HOOFDSTUK 29. Jeremia zendt brieven naar Babel aan do Joden, die met Jechónia gevankelijk derwaarts waren gevoerd; hij vermaant hen, zicli rustig to houden, voor Babels vrede te bidden, hunne valsche profeten en droomers niet te gelooven, noch verlossing te verwachten eer de zeventig jaren om zijn, vs. 1. Hij profeteert tegelijk, welk een treurig lot de overgeblevenen in Juda zal treffen, 10; met eene bijzonder harde profetie tegen twee valsche profeten in Babel, Achab en Zedekia, 20; alzoo over Semaja, die uit Babel naar Jeruzalem had geschreven, dat men Jeremia over zijn schrijven zou straffen, 24. VOORTS zijn dit do woorden des briefs, dien de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd , mitsgaders tot de priesteren, en tot de profeten, en tot het gansche volk, dat Nebukadnézar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel; 2 (Nadat de koning quot; Jechónia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, mitsgaders de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan) a 2 Kon. 24 :12, enz. 3 Door de hand van Elasa, den zoon van Safan, en Gemarja, den zoon van Hillda, die Zedekia, |
JEREMIA 2!).
|
de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nobu-kadnézar, den koning van Babel, zeggende: â 1 Zoo zegt de Heere der heirscharen, de God Israels, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: 6 Bouwt huizen en woont daarin, on plant hoven en eet de vrucht daarvan; G Neemt vrouwen, on gewint zonen en dochte-ren, en neemt vrouwen voor uwe zonen, en geeft uwe dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niot verminderd. 7 En zoekt den vrede dor stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den Heere; want in haren vrede zult gij vrede hebben. 8 Want zoo zegt do Heere der heirscharen, de God Israëls: Laat uwe profeten en uwe waarzeggers, die in liet midden van u zijn, u niet quot; bedriegen, en hoort niet naar uwe droomers, die gij doet droo-mon. flJor. 14 ; 1-1. 23:21. 27 : 15. 0 Want zij profeteren u valsche-lijk in mijnen naam ; Ik heb hen niot gezonden , spreekt de Heere. 10 Want zoo zegt de Heere : Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal mijn goed woord over u verwokken, u wederbrengende tot deze plaats. 11 Want Ik weet do gedachten, die Ik over u denk, spreekt de Heere, gedachten dos vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting. 12 Dan zult gij Mij «aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u liooron. a Dan. 9. 13 En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw gansche hart. 14 En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de Heere , en Ik zal uwe gevangenis wonden, en u «vergaderen uit al do volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt de Heere; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren. «Jor. 23:3. 15 Omdat gij zegt: de Heere hoeft ons profeten naar Babel verwekt; |
1(1 Daarom zegt de Heere alzoo, van den koning, die op Davids troon zit, en van al het volk, dat in deze stad woont, tc weten, uwe broederen, die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis; 17 Alzoo zegt de Heere der heirscharen: Ziet, Ik zal quot; het zwaard, den honger en de pestilentie onder hen zenden; en Ik zal ze maken als do afschuwelijke vijgen, die v«n wego de boosheid niet kunnen gegeten worden. aJer. 24:8, 10. 18 En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met den honger en met de pestilentie; en Ik zal ze quot;overgeven tot eene beroering, allen koningrijken der aarde, tot eonen vloek, en tot oenen schrik, en tot eone aanfluiting, en tot eene smaad-heid, onder al de volken, waar Ik ze henenge-dreven zal hebben: aDeut. 28:25, 37. Jcr. 15:4. 24:9, on/.. 19 Omdat zij naar mijne woorden niet gehoord hebben , spreekt de Heere, als Ik mijne knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde, en zendende; maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de Heere. 20 Gij dan, hoort dos Heeren woord, gij allen, die gevankelijk zijt weggevoerd, die Ik van Jerü-zalom naar Babel heb weggezonden! 21 Zoo zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekïa, zoon van Maaséja, die ulieden in mijnen naam valschelijk profeteren: Ziet, Ik zal hen geven in do hand van Nebukadnézar, den koning van Babel, en hij zal ze voor uwe oogen slaan. 22 En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: De Heere stelle u als Zedekia, en als Echab, die de koning van Babel aan het vuur braadde: 23 Omdat zij eene dwaasheid deden in Israël, en overspel bedreven met de vrouwen hunner naasten, en spraken hot woord valschelijk in mijnen naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben degene, die het weet, en een getuige daarvan, spreekt de Heere. 24 Tot Semaja nu, den Nechelamiet, zult gij spreken, zeggende: 25 Zoo spreekt do Heere der heirscharen, do God Israëls, zeggende: Omdat gij brieven in uwen |
JEREMIA 29, 30.
(195
|
naam gezonden hebt tot al het volk, dat te Jeruzalem is, en tot Zefanja, den zoon van Maaséja, den priester, en tot al de prlesteren, zeggende; 2G De Heere heeft u tot priester gesteld, in plaats van den priester Jójada, dat gij opzieners zoudt zijn in des IIeeren huis over allen man, die onzinnig is, en zich voor oen' profeet uitgeeft, dat gij dien stelt in de quot; gevangenis en in den stok. aJer. 20 :1, 2, 3. 27 Nu dan, waarom hebt gij Jeremfa, don Ana-thothiet, niet gescholden, die zich bij ulieden voor een' profeet uitgeeft. 28 Want daarom heeft hij tot ons naar Babel gezonden, zeggende; Het zal lang duren; bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven, en eet de vrucht daarvan. 29 Zefanja nu, de priester, had dezen brief gelezen voor de ooren van den profeet Jeremia. 30 Daarom geschiedde des Heeren woord tot Jeremia, zeggende: 31 Zend henen tot allen, die gevankelijk weggevoerd zijn, zeggende: Zoo zegt de Heere van Semaja, den Nechlamiet: Omdat Semaja ulieden geprofeteerd heeft, daar Ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt, dat gij quot; op leugen vertrouwt; aJer. 28:15. 32 Daarom zegt de Heere alzoo: Ziet, Ik zal bezoeking doen over Semaja, den Nechlamiet, en over zijn zaad; hij zal niemand hebben, die in het midden dezes volks wone, en zal het goede niet zien, dat Ik mijnen volke doen zal, spreekt de Heere : want hij heeft oenen quot; afval gesproken tegen den Heere. a Jer. 28 : 10. HOOFDSTUK 30. Jeremia ontvangt bevel, deze woorden des Heeron in een boek te schrijven, vs. 1. Profetie van de ligcha-melijke verlossing uit Babel en de geestelijke door Christus, mitsgaders de genade en zegeningen, die God aan zijne Kerk zal bewijzen, niettegenstaande hare groote ellende, benaauwdheden, breuken en wonden, B; maar Gods toorn zal blijven over de goddeloozen, 23. HET woord, dat tot Jeremia geschied is van den Heere, zeggende: 2 Zoo spreekt de Heere , de God Israels, zeggende; Schrijf u al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, in een boek. 3 Want zie, de dagen komen , spreekt de Heere, dat Ik de gevangenis van mijn volk, Israël en Juda, wenden zal, zegt de Heere; en Ik zal hen wederbrengen in het land, dat Ik hunnen vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten. 4 En dit zijn de woorden, die de Heere gesproken heeft van Israël en van Juda. 5 Want zoo zegt de Heere: Wij hooren eene stem der verschrikking; er is vrees en geen vrede. 6 Vraagt toch en ziet, of oen manspersoon baart? Waarom zie Ik dan eens iegolijken mans handen op zijne lenden, als van eene quot;barende vrouw, en alle aangezigten veranderd in bleekheid? |
«.Ier. 4:31. 0:24. 7 quot;O wee! want die dag is zoo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benaauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden. a Jool 2:11. Zof. 1:15. 8 Want het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere der heirscharen, dat Ik zijn juk van uwen hals verbreken, en uwe banden verscheuren zal; en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen. 9 Maar zij zullen dienen den Heere, hunnen God, en hunnen koning quot;David, dien Ik hun verwekken zal. «Ezoc. 34:23, 24. 37:24. Jlos. 3:5. 10 Gij dan, vrees niet, «o mijn knecht Jakob! spreekt de Heere, ontzet u niet, Israël! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die hem verschrikke. rtJes. 41 :13. 43 : 5. 44 : 1. Jer. 40 : 28. 11 Want Ik ben met u, spreekt de Heere, om u te verlossen: want Ik zal eene voleinding maken met al de Heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; a maar met u zal Ik geene voleinding maken: maar Ik zal u kastijden met b mate, en u niet gansch onschuldig houden. a Jer. 4:27. 5:10, 18. 40:28. h Jes. 27:8. Jer 10:24. 12 Want zoo zegt de Heere: Uwe breuk is quot;doodelijk, uwe plage is smartelijk. a Jer. 10 : 19. 15 : 18. 13 Er is niemand, die uwe zaak oordeelt, aangaande hot gezwel; gij hebt geene heelpleisters. 14 Al uwe quot; liefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u: want Ik hob u geslagen niet eens vijands plage, met de kastijding eens wree-don: om de grootheid uwer ongeregtigheid omdat uwe zonden magtig veel zijn. «Jer. 22:20. 15 Wat quot;krijt gij over uwe breuk, dat uwe smart doodelijk is? om de grootheid uwer ongeregtigheid, omdat uwe zonden h magtig veel zijn, heb Ik u deze dingen gedaan. a Jer. 13:17. b Jer. 5 : 0. 16 Daarom, allen, die u opeten, zullen quot; opgegeten worden, on al uwe wederpartijders, zij allen zullen gaan in gevangenis; en dio u beroo-ven, zullen ter berooving zijn, en allen, die u plunderen, zal Ik ter plundering overgeven. a Ex. 23 : 22. Jos. 41: 11. Jer. 10 : 25. 17 Want Ik zal u de gezondheid deen rijzen, en u van uwe plagen genezen, spreekt do Heere ; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Zion, zeggen zij, niemand vraagt naar haar. 18 Zoo zegt de Heere: Ziet, Ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden, en Mij over hunne woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haren hoop, en het paleis zal liggen naar zijne wijze. 19 En van hen zal dankzegging uitgaan, en |
JEREMIA SO, 31.
(;9()
|
eono stom quot; der spelenden; en Ik zal hen vor-meerderen, en zij zullen niet verminderd worden, on Ik zal hen verheerlijken, en zij zullen niet gering worden. «Jer. 31:4. 20 En zijne zonen zullen zijn als eertijds, en zijne gemeente zal voor mijn aangezigt bevestigd worden; en Ik zal bezoeking doen over al zijne onderdrukkers. 21 En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerscher uit het midden van hom voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij genaken: want wie is hij, die mot zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt de Heere. 22 En gij zult quot; Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot oenen God zijn. «Jer. 24:7. 31:1, 33. 32:38. 23 Ziet, een quot; onwedor des Heeren, oeno grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onwedor; het zal blijven op het hoofd dor goddoloozen. a .Ier. 23 :19. 26: 32. 24 De hittigheid van des Heeren toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij gedaan, en totdat Hij daargesteld zal hebben de gedachten zijns harten: in hot laatste der dagen zult gij daarop letten. HOOFDSTUK 31. Verdere profetie (onder liet voorbeeld van de verlossing uit do Babylonische gevangenis) van do vergadering, oprigting en zegening van de algomeene Kerk der uitverkorene Joden en Heidenen, door den Messias Jezus Christus, vs. 1; van het nieuwe genadeverbond, 31; van de vastheid en uitbreiding der Kerk, 35. TER zeiver tijd, spreekt de Heere, zal Ik allen goslaehton Israels tot oenen God zijn; en en zij zullen Mij tot oen volk zijn. 2 Zoo zegt de Heere : Het volk der overgeblevenen van het zwaard hooft genade gevonden in do woestijn, namelijk Israël, als Ik henenging om hem tot rust te brengen. 3 Do Heere is mij verschonen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met oene eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. 4 Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls! gij zult weder versierd zijn met uwe trommelen, en uitgaan met den rei quot; dor spelenden. a Jor. 30:19. 5 Gij zult weder quot; wijngaarden planten op de borgen van Samaria; de planters zullen planton, en de vrucht genieten. aJos. (gt;5:21. G Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraïms gebergte zullen roepen: quot; Maakt ulio-don op, en laat ons opgaan naar Zion, tot den Heere, onzen God! aJes. 2:2, 3. Micha 4:2. 7 Want zoo zegt de Heere: Roept luide over Jakob 9iiet vreugde, en juicht van wego het hoofd der Heidenen; doet liet hooren, lofzingt, en zegt: O Heere! behoud uw volk, het overblijfsel van Israël. |
8 Ziet, Ik zal zo aanbrengen uit liet land van hot quot; noorden, en zal hen vergaderen van de zijdon der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met oeno groote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen. a Jer. 3:18. 9 Zij zullen komen met geween, en met smee-kingen zal Ik hen voeren; Ik zal hou leiden aan de waterbeken, in oenen regten weg, waarin zij zich niet zullen stooton: want Ik ben Israël tot oenen Vader, en Efraïm is mijn quot; eorstKoborone. a Ex. 4 : 22. 10 Hoort dos Heeren woord, gij Heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, die Israël verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als oen herder zijne kudde. 11 Want do Heere heeft Jakob vrijgekocht, en Hij hoeft hem verlost uit de hand desgenon, quot;die sterker was dan hij. aJes. 40; 10, 49:24, 25. 12 Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Zion juichen, en toevloeijen tot des Heeren goed, tot liet koren, en tot den most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hunne ziel zal zijn als een quot; gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn. «Jes. 01 :11. 13 Dan zal zich do jonkvrouw verblijden in don rei, daartoe de jongelingen on ouden te zamon: want Ik zal hunlioder rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hunne droefenis. 14 En Ik zal de ziel der priestoren met vettigheid dronken maken; en mijn volk zal mot mijn goed verzadigd worden, spreekt de Heere. 15 Zoo zegt de Heere : quot; Er is oeno stom gehoord in Rama, eeno klage, oen zoor bitter geween; Rachel weent over hare kindoren; zij weigert zich te laten troosten over hare kinderen, omdat zij niet zijn. a Matt. 2:17, 18. 16 Zoo zegt do Heere: Bedwing uwe stom van gewoon, en uwe oogen van tranon: want er is loon voor uwen arbeid, spreekt de Heere ; want zij zullen uit des vijands land wederkomen. 17 En er is verwachting voor uwe nakomelingen, spreekt de Heere; want uwe kinderen zullen wederkomen tot hunne landpalo. 18 Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt, zeyyende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als oen ongewend kalf. quot;Bekeer mij, zoo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de Heere, mijn God! a Klgld. 5:21. 19 Zekerlijk quot;nadat ik bekeerd bon, heb ik berouw gehad, en nadat ik mij zolven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt: ik ben beschaamd, ja ook schaamrood geworden, omdat ik do smaadhoid mijner jeugd gedragen heb. a Deut. 30 : 2. 20 Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon? is hij Mij niet oen troetelkind? want sints Ik togen hem gesproken heb, donk Ik nog ernstelijk aan hom; daarom rommelt mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen , spreekt do Heere. |
|
21 Rigt u merkteekenen op, stol u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg', dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israels, keer weder tot deze uwe steden! 22 Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkeerige dochter? want de IIeere heeft wat nieuws op do aarde geschapen: de vrouw zal den man omvangen. 23 Zoo zegt de Heere der heirscharon, de God Israels: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijne steden, als Ik hunne gevangenis wenden zal: De Heere zegene u, gij a woning der geregtigheid, gij berg der heiligheid! « Jer. 50 : 7. 24 En Juda, mitsgaders al zijne steden, zullen te zamen daarin wonen; de akkerlieden, en die met de kudden reizen. 25 Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld. 26 (Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.) 27 Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaijen zal met zaad van menschen en zaad van beesten. 28 En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken , en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; alzoo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de Heere. 29 In die dagen zullen zij niet meer zeggen: « De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden. a Ezec. 18:2, enz. 30 Maar een iegelijk zal om zijne ongeregtigheid sterven; een ieder mensch , die de onrijpe druiven eet, zijne tanden zullen stomp worden. 31 Ziet, quot;de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; a Hebr. 8 : 8. 32 Niet naar het verbond, dat Ik met hunne vaderen gemaakt heb, ton dage als Ik hunne hand aangreep, om hen uit Egyptoland uit te voeren, wolk mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt do Heere; 33 Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de Heere: Ik zal mijne wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun quot; tot oenen God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. a Jer. 24:7. 30:22. bov. vers 1. 34 En zij zullen niet moor, oen iegelijk zijnen naaste, en oen iegelijk zijnen broeder, loeren, zeggende: Kent don Heere! want zij quot; zullen Mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt de Heere: ''want Ik zal hunne ongeregtigheid vergeven, on hunner zonden niet meer godenken. «Joa. 54:13. Joh. 6:45. ft Jer. 38:8. Micha 7:18. Hand. 10:43. |
697 35 Zoo zegt do Heere, die de quot;zon ton lichte geeft des daags, do ordeningen dor maan en dor sterren ten lichte des nachts, die de ''zee klieft, dat hare golven bruisen, Heere dor heirscharon is zijn naam: a Gen. 1 :16. ft Jes. 51 :15. 36 Indien deze ordeningen van voor mijn aan-gozigt zullen wijken, spreekt de Heere, zoo zal ook liet zaad Israels ophouden, dat het geen volk zij voor mijn aangezigt, al de dagen. 37 Zoo zegt de Heere: Indien de hemelen daarboven gemeten, en do fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zoo zal Ik ook het gansche zaad Israels verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de Heere. 38 Ziet, do dagen komen, spreekt de Heere, dat deze stad don Heere zal herbouwd worden, van den toren Hananeël af tot aan do Hookpoort. 39 En het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Garob, en zich naar Goath omwenden. 40 En het gansche dal der doodo ligchamen, en der asch, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan den hoek van de Paardonpoort tegen het oosten, zal den Heere eeno heiligheid zijn; er zal niets weder uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid. HOOFDSTUK 32. Jeremia, in do belegering van Jeruzalem om zijne profetiën van den koning Zedekia gevangen gestold zijnde, koopt naar Uods bovol oenen akker, neemt getuigen, maakt daarvan brief on zegel en geeft die te bewaren, tot een toeken dat de .loden uit Babel weder in hun land zouden komen, vs. 1. Joromfa bidt ootmoedig tot God, met bewondering over zijne majesteit en werken, en draagt Hom zijnen strijd over deze ongeziene zaak voor, 16; waarop God hem verzekert, dat Hij wol eerst zijn volk zal straffen over hunne groote zonden, maar daarna zijne beloften volbrengen, en voorts zijne Kerk de genade van het Nieuwe Verbond tijdelijk en eeuwig, ligchamolijk en geestelijk doen genieten, 26. HET woord, dat tot Jeremia geschied is van den Heere, in het tiende jaar van Zedekia, koning van Juda: dit jaar was hot achttiende jaar van Nebukadrézar. 2 (Het heir nu des konings van Dabei belegerde toen Jeruzalem, en de profeet Jeremia was besloten in het voorhof der bewaring, dat in het huis des konings van Juda is. 3 Want Zedekia, de koning van Juda, had hem besloten, zeggende: Waarom profeteert gij, zeggende: Zoo zegt de Heere: Ziet, Ik geef deze stad in de hand des konings van Babel, en hij zal ze innemen; 4 En Zedekia, de koning van Juda, zal van de hand der Ghaldeën niet ontkomen; maar hij zal zekerlijk gegeven worden in de hand des konings van Babel, en zijn mond zal tot deszelfs mond sproken, en zijne oogen zullen deszelfs oogen zien; aJer. 34:3. 5 En hij zal Zedekia naar Babel voeren, en aldaar zal hij zijn, totdat Ik hem bezoek, spreekt JEREMIA 31, 32. |
JEREMIA 32.
698
|
do IIeere: ofschoon gijlieden tegen de Chaldeën strijdt, gij zult toch geen geluk hebben.) 6 Jereniïa dan zeide: Dos Heeuen woord is tot mij geschied, zeggende: 7 Zie, Ilanameöl, de zoon van Sallum, uwen oom, zal tot n komen, zeggende: Koop u mijn veld, dat bij Anathoth is, want gij hebt liet regt van lossing, om te koopen. 8 Alzoo kwam Hanameël, mijns ooms zoon, naar des Heeren woord, tot mij, in hot voorhof dor bewaring, on zeide tot mij: Koop toch mijn veld, hetwelk is bij Anathoth, dat in hot land van Benjamin is; want gij hebt hot erfregt, en gij hebt de lossing, koop het voor u. Toon merkte ik , dat hot des Heeren woord was. 9 Dies kocht ik van Hanameël, mijns ooms zoon, het veld, dat bij Anathoth is; en ik woog hem het geld toe, zeventien zilveren sikkelen. 10 En ik onderschreef den brief en verzegelde dien, en deed het getuigen betuigen, als ik het geld op do weegschaal gewogen had. 11 En ik nam den koopbrief, die verzegeld was naar het gebod on de inzettingen, en don openen brief; 12 En ik gaf den koopbrief aan Baruch, den zoon van Nerija, den zoon van Machséja, voor de oogen van Hanameël, mijns ooms zoon, en voor de oogen der getuigen, die don koopbrief hadden onderschreven; voor do oogen van al do Joden, die in hot voorhof der bewaring zaten. 13 En ik beval Baruch voor hunne oogen, zeggende: 14 Zoo zegt do Heere der heirscharen, de God Israels: Neem deze brieven, dezen koopbrief, zoo den verzegelden als dezen openen brief, en doe zo in een aarden vat, opdat zij vele dagen mogen bestaan. ló Want zoo zegt de Heere dor heirscharen, do God Israels: Er zullen nog huizen, en velden, en wijngaarden in dit land gekocht worden. K! Voorts, nadat ik den koopbrief aan Baruch, don zoon van Nerija, gegeven had, bad ik tot den Heere, zeggende: 17 Ach, Ileero Heere! Zie, Gij hobt de hemelen en do aarde gemaakt, door uwe grooto kracht en door uwen uitgestrekte)! arm; geen ding is U te wonderlijk. 18 quot;Gij, die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongeregtigheid der vaderen vergeldt in den schoot hunner kinderen na hen; Gij groote. Gij geweldige God, wiens naam is Heere dor heirscharen! «Ex. 34:7. 19 Groot van quot;raad en magtig van daad: want uwe b oogen zijn open over alle wegen dor men-schenkinderen, om oen' iegelijk te geven naar zijne wegen, en naar de vrucht zijner handelingen. «Jes. 28:20. 6 Job 84:21. Spr. 5:21. Jer. 1(3:17. e Jor. 17 : 1Ã. 20 Gij, dio teekenen en wonderen gesteld hebt in Egypteland, tot op dozen dag, zoo in Israël, als onder andere menschon, en hobt U eenon naam gemaakt, als hij is te dezen dage! |
21 En hobt uw volk Israël quot; uit Egypteland uit-govoord, door teekenon en door wonderen, en door eene sterke hand, en door oenen uitgestrok-ten arm, en door groote verschrikking; «Ex. (5 :0. 2 Saiu. 7 : 23. 1 Kron. 17:22. 22 En hebt hun dit land gegeven, dat Gij hunnen vaderen gezworen hadt hun te zullen geven, een land vloeijende van melk en honig: 23 Zij zijn er ook ingekomen en hebben hot erfelijk bozeton, maar hebben uwer stem niet gehoorzaamd, en in uwe wet niet gewandeld; zij hebben niets gedaan van alles, wat Gij hun geboden hadt te doen: dies hebt Gij hun al dit kwaad doen bejegenen. 24 Zie, de wallen! zij zijn gekomen aan do stad, om die in to nemen , en do stad is gegeven in de hand der Chaldeën, die tegen haar strijden; van wege het zwaard en den honger en de pestilentie : en wat Gij gesproken hebt, is geschied, on zie. Gij ziet het. 25 En evenwel hobt Gij tot mij gezegd , Heere Heere! koop u dat veld voor geld, en doe het getuigen betuigen; daar do stad in der Chaldeën hand gegeven is. 26 Toen geschiedde des Heeren woord tot Joro-nna, zeggende: 27 Zie, Ik ben de Heere, de «God van allo vloesch; zou Mij eenig ding te wonderlijk zijn? a Num. 10:22. 28 Daarom zegt de Heere alzoo; Zie, Ik geef deze stad in de hand dor Chaldeën, en in de hand van Nebukadrézar, don koning van Babel, en iiij zal zo innemen. 29 En de Chaldeën, die tegen deze stad strijden, zullen er in komen, en deze stad met vuur aansteken , on zullen zo quot; verbranden met de huizon, op welker daken zij aan Baiil gerookt, en anderen goden drankofforon geofferd hebben, om Mij te vertoornen. «Jer. 21: 10. 30 Want de kinderen Israels en do kinderen van Juda hebben van hunne jeugd aan alleenlijk gedaan dat kwaad was in mijne oogen: want de kinderen Israëls hebben Mij door het werk hunner handen alleenlijk vertoornd, spreekt de Heere. 31 Want tot mijnen toorn en tot mijne grimmigheid is Mij deze stad geweest, van den dag af, dat zij haar gebouwd hebben, tot op dezen dag toe; opdat Ik haar van mijn aangezigt wegdeed : 32 Om al de boosheid der kinderen Israëls en der kinderen van Juda, die zij gedaan hebben om Mij te vertoornen, zij, hunne koningen, hunne vorston, hunne priesteren, en hunne profeten , en de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem; 33 Die Mij den quot; nok hebben toegekeerd en niet het aangezigt; hoewel Ik hen loerde, b vroeg op |
'II 1 I!
JEREMIA 32, 33.
699
f
|
zijnde en loerende, evenwel hoorden zij niet, om tucht aan te nemen; «Jor. 2:27. 7:24. h Jor. 7:13, 25. 25 : 3. 2G : 5. 29 : 19. 34 Maar zij hebben hunne verfoeiselen gesteld in het huis, dat naar mijnen naam genoemd is, om dat te verontreinigen. 35 En zij hebben de a hoogten van ISaiil gebouwd, die in het dal des zoons van Hinnom zijn, om hunne zonen en hunne dochteren den Molech door het vuur te laten gaan; hetwelk Ik hun niet heb geboden, nocli in mijn hart is opgekomen, dat zij dezen gruwel zouden doen; opdat zij Juda mogten doen zondigen. aJcr. 19:5. 36 En nu, daarom zegt de Heere, de God Israels, alzoo van deze stad, waar gij van zegt: Zij is gegeven in do hand dos konings van Babel, door het zwaard, en door den honger, en dooide pestilentie: 37 Ziet, Ik zal hen quot; vergaderen uit al de landen, waarhenon Ik hen zal verdreven hebben in mijnen toorn, en in mijne grimmigheid, en in groote verbolgenheid ; en Ik zal hen tot deze plaats wederbrengen, en zal hen zeker doen wonen. a Jor. 23 : 3. 29 : 14, 31: 10. 38 quot; Ja zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot eenen God zijn. «Jor. 24:7. 30:22. 31:1,33. 39 En Ik zal bun eenerlei hart en oenerlei wet geven, om Mij te vreezen al de dagen, hun ten goede, mitsgaders hunnen kinderen na hen. 40 En Ik zal eon eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkoeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal mijne vreeze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken. 41 En Ik zal Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe; en Ik zal hen getrouwelijk in dit land «planten, met mijn gansche hart en met mijne gansche ziel. a Jor. 24 : (i. Amos 9 :15. 42 Want zoo zegt de Heere: Gelijk als Ik over dit volk gebragt heb al dit groote kwaad, alzoo zal Ik over hen brengen al het goede, dat Ik over hen spreke. 43 En er zullen velden gekocht worden land, waarvan gij zegt: Het is woest, geen mensch noch beest in is; het is Chaldeën hand gegeven. 44 Velden zal men voor geld koopen, brieven onderschrijven, en verzegelen, on getuigen doen betuigen, in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in do steden van Juda, en in de steden van het gebergte, on in de steden der laagte, en in de steden van het zuiden: want Ik zal hunne gevangenis wenden, spreekt do Heere. HOOFDSTUK 33. God profotoort verder van do inneming van Jortlzalem, on do wegvoering van hot volk naar, en wodor-bronging uit Babol, mitsgaders hunnen zaligen, vrolijken en genisten toestand, vs. 1; alsmede van de zending van Christus on zijn eoinvig en onbewegelijk koningrijk, priesterdom on begenadigd zaad, 14. in dit dat er in der en do |
VOORTS geschiedde des Heeren woord ton tweede maal tot Jereima, als hij nog in hot voorhof der bewaring was opgesloten, zeggende: 2 Zoo zegt de Heere, die liet doet, do Heere, die dat formeert, opdat Hij het bevestige, Heeue is zijn naam: 3 Roep tot Mij , en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken groote en vaste dingen, die gij niet weet. 4 Want zoo zegt do Heere, do God Israels, van de huizen dezer stad, en van do huizen der koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken: 5 Er zijn er wel ingekomen, om te strijden tegen de Chaldeën, maar het is om die te vullen met doode ligchamen van menschen, die Ik verslagen heb in mijnen toorn en in mijne grimmigheid; on omdat Ik mijn aangozigt van deze stad verborgen heb, om al hunlieder boosheid: 6 Zio, Ik zal haar de gezondheid on do genezing doen rijzen, en zal henlieden genezen, en zal hun openbaren overvloed van vrede en waarheid. 7 En Ik zal de quot; gevangenis van Juda en do gevangenis van Israël wondon, en zal zo b bouwen als in het eerste. aJor. 32:44. /^.Icr. 24:6. 31:4. 8 En Ik zal hen reinigen van al hunne onge-regtigheid, met dewelke zij tegon Mij gezondigd hebben; en Ik zal quot;vergeven al hunne ongorog-tighodon, met dewelke zij tegon Mij gezondigd en mot dewelke zij togen Mij overtreden hebben. a Jor. 31 : 34. 9 En hot zal Mij zijn tot eenen vrolijken naam, tot eonen roem, en tot een sieraad bij alle Heidenen dor aarde, die al het goede zullen hooren, dat Ik hun doe; en zij zullen vreezen en beroerd zijn over al hot goede, en over al den vrede, dien Ik hun beschikke. 10 Alzoo zegt do Heere: In deze plaats, (waarvan gij zegt: Zij is woest, dat er geen mensch en geen beest in is) in de steden van Juda, en op do straten van Jeruzalem, die zoo verwoest zijn, dat er geen mensch, en geen inwoner, en geen beest in is, zal wederom gehoord worden, 11 quot;Do stem der vrolijkheid en de stem der blijdschap, de stem des bruidegoms en do stom der bruid, de stem dergenen, die zeggen: Looft den Heere der heirscharen, want de Heere is goed, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid ! de stem dorgonen, die lof aanbrengen ten huizo des Heeren: want Ik zal de gevangenis des lands wenden, als in het eerste, zegt do Heere. a Jor. 7 :34. 12 Zoo zegt de Heere der heirscharen: In deze plaats, die zoo woest is, dat er geen mensch, zelfs tot het vee toe, in is, mitsgaders in al derzelver steden, zullen wederom woningen zijn van herderen, die do kudden doen logeren. i i , i !l i i i l; 13 In do steden van hot gebergte, in do steden van het zuiden, en en in do plaatsen dor laagte, en in de steden in het land van Benjamin, |
JEREMIA 33, 34.
700
|
rondom Jeruzalem, en in de steden van Jnda, zullen de kudden wederom onder de handen des tellers doorgaan, zegt de Heere. 14 Ziet, de dagen komen, spreekt de IIeere, dat Ik het quot; goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis van Israël en over het huis van Juda gesproken heb. «Jer. 29:10. 15 In die dagen, en te dier tijd zal Ik David eene quot; SPRUIT der geregtigheid doen uitspruiten; en hij zal regt en geregtigheid doen op aarde. « Jer. 23 : 5. KJ In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en deze is, die haar roepen zal: Do Heere, ONZE GEREGTIGHEID. 17 Want zoo zegt de Heere: Aan David zal niet worden afgesneden een man, die op den troon van het huis Israels zitte. 18 Ook zal den levietisehen priesteren, van voor mijn aangezigt, niet worden afgesneden een man, die brandoffer offere, en spijsoffer aansteke, en slagtoffer bereide al de dagen. 1!) En des Heeren woord geschiedde tot Jeremia, zeggende: 20 Alzoo zegt de Heere: Indien gijlieden mijn verbond van den dag en mijn verbond van den nacht kondt vernietigen, zoodat dag en nacht niet zijn op hunnen tijd: 21 Zoo zal ook vernietigd kunnen worden mijn verbond met mijnen knecht David, dat hij geenen zoon hebbe, die op zijnen troon regere; en met de Levieten, de priesteren, mijne dienaren. 22 Gelijk hot heir des hemels niet geteld, en het zand der zee niet gemeten kan worden, alzoo zal Ik vermenigvuldigen het zaad van mijnen knecht David, en de Levieten, die Mij dienen. 23 Voorts geschiedde des Heeren woord tot Jeremia, zeggende: 24 Hebt gij niet gezien, wat dit volk spreekt, zeggende: De twee geslachten, die de Heere verkoren had, die hoeft Hij nu verworpen? Ja zij versmaden mijn volk, zoodat het geen volk meer is voor hun aangezigt. 25 Zoo zegt de Heere: Indien mijn verbond niet is van dag en nacht; indien Ik de ordeningen des hemels en der aarde niet gesteld heb: 26 Zoo zal Ik ook het zaad van Jakob en van mijnen knecht David verwerpen, dat Ik van zijn zaad niet neme, die daar heersche over het zaad van Abraham, Izak en Jakob: want Ik zal hunne gevangenis wenden, en Mij hunner quot; ontfermen. a Jer. 31: 20. HOOFDSTUK 34. God laat den koning Zodekia aanzeggen, wat Joriiza-lem on zijn persoon zal overkomen, en welk zijn einde zal zijn, vs. 1; Daar het volk bij een plegtig verbond allo dienstboden naar de wet vrijgelaten, doch daarna weder dienstbaar gemaakt had, nadat de BabyloniSrs van de stad waren opgebroken, voorzegt God hun, dat Hij den vijand zal doen wederkomen, Jerflzalem en het gansehe land verwoesten en deze verbondbrokers in het bijzonder straffen, 8. |
HET woord, dat tot Jeremia geschied is van den Heere, quot;(als Nebukadnézar, koning van Dabei, en zijn gansehe heir, en alle koningrijken der aarde, die onder do heerschappij zijner hand waren, en al de volken tegen Jeruzalem streden, en togen al hare steden) zeggende: a 2 Kon. 25 : 1, enz Jer. 52. 2 Zoo zegt de Heere, de God Israels: Ga henen en spreek tot Zodekia, den koning van Juda, en zeg tot hem: Zoo zegt de Heere: Zie, Ik geef deze stad in de hand des konings van Babel, en hij zal ze met vuur quot; verbranden. «Jer. 21 :10. 32:29. 3 En gij zult van zijne hand niet ontkomen, maar zekerlijk «gegrepen, en in zijne hand gegeven worden; en uwe oogen zullen de oogen des konings van Babel zien, en zijn mond zal tot uwen mond spreken, en gij zult te Babel komen. a Jer. 32:4. 4 Maar hoor des Heeren woord, o Zodekia, koning van Juda! zoo zegt de Heere van u: Gij zult door het zwaard niet sterven. 5 Gij zult sterven in vrede, en naar de brandingen van uwe vaderen, de vorige koningen, die vóór u geweest zijn, alzoo zullen zij over u branden, en u beklagen, zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt de Heere. 6 En de profeet Jeremia sprak al deze woorden tot Zedekia , den koning van Juda, te Jeruzalem; 7 Als het heir des konings van Babel streed tegen Jeruzalem, en tegen al de overgeblevene steden van Juda, tegen Lachis en tegen Azóka; want deze, zijnde vaste steden, waren overgebleven onder de steden van Juda. 8 Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den Heere, nadat de koning Zedekia een verbond gemaakt had met het gansehe volk, dat te Jeruzalem was, om quot; vrijheid voor hen uit te roepen : «Ex. 21: 2. 9 Dat een iegelijk zijnen knecht, en een iegelijk zijne maagd, zijnde een Hebreër of eene Hebreïnne, zou laten vrijgaan; zoodat niemand zich van hen, van eenen Jood, zijnen broeder, zou doen dienen. 10 Nu hoorden al de vorsten en al het volk, die het verbond hadden ingegaan, dat zij, een iegelijk zijnen knecht, en een iegelijk zijne maagd zouden laten vrijgaan, zoodat zij zich niet meer van hen zouden doen dienen; zij hoorden dan, en lieten hen gaan; 11 Maar zij keerden daarna wederom, en deden de knechten en maagden wederkomen, die zij hadden laten vrijgaan, en zij bragten hen te onder tot knechten en tot, maagden. 12 Daarom geschiedde des Heeren woord tot Jeremia, van den Heere , zeggende: 13 Zoo zegt de Heere, de God Israëls: Ik heb een verbond gemaakt met uwe vaderen, ten dage, als Ik hen uit Egypteland, uit het diensthuis, uitvoerde, zeggende: |
JEREMIA 34, 35.
701
|
14 quot; Ton einde van zeven jaren zult lt;gt;ij laten gaan, een iegelijk zijnen broeder, oenen Hebreër, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; gij zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uwe vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet. «Ex. 21 :2. Dont. 15:12. 15 Gijlieden nu waart heden wedergekeerd, en hadt gedaan dat regt is in mijne oogen, vrijheid uitroepende, oen iegelijk voor zijnen naaste; en gij hadt een verbond gemaakt voor mijn aange-zigt, in het huis, dat naar mijnon naam genoemd is. IC Maar gij zijt weder omgekeerd, en hebt mijnen naam ontheiligd, en doen wederkomen, een iegelijk zijnen knecht, en oen iegelijk zijne maagd, die gij hadt laten vrijgaan naar hunnen lust; en gij hebt hen te ondorgebragt, om uliedon te wezen tot knechten en tot maagdon. 17 Daarom zegt de Heere alzoo: Gijlieden hebt naar Mij niet gehoord, om vrijheiduit te roepen, een iegelijk voor zijnen broeder, en oen iegelijk voor zijnon naaste: ziet, zoo roep Ik uit tegen ulieden, spreekt de Heere, eene vrijheid ten zwaarde, ter pestilentie, en ten honger, en zal u overgeven ter quot;beroering, allen koningrijken der aarde. «Dout. 28:25. Jer. 15:4. 24:9, enz. 18 En Ik zal de mannen overgeven, die mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden dos verbonds, dat zij voor mijn aangezigt gemaakt haddon, met het kalf, dat zij in tweeën haddon gehouwen, en waren tusschen zijne stukken doorgegaan: 19 De vorsten van Juda, en do vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen, en de priesteren, on al het volk des lands, die door de stukken des kalfs zijn doorgegaan. 20 Ja Ik zal hen overgeven in de hand hunner vijanden, en in do hand dorgenon, die hunne ziel zoeken; en hunne quot; doode ligchamen zullen het gevogelte des homels en hot gedierte dolaarde tot spijze zijn. «Jer. 7 : 3:j. Ki: 4. 19:7. 21 Zelfs Zedolda, den koning van Juda, en zijne vorsten zal Ik overgeven in de hand hunner vijanden , on in do hand dorgenon, die hunne ziel zoeken, te weten, in de hand van het heir dos konings van Dabei, die quot;van uliedon nu zijn opgetogen. «Jer. 37:11. 22 Ziet, Ik zal bevel geven, spreekt de Heere, en zal hen weder tot deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden, en zullen ze innemen, on zullen ze met vuur verbranden; en Ik zal de steden van Juda stellen tot eene verwoesting, dat er niemand in wono. HOOFDSTUK 35. Jeremia vergadert door Gods bevel do Eechabieten en noodigt hen uit, om wijn te drinken, vs. 1; doch zij weigeren dit, om hot verbond huns vaders .16-nadab, 6; met wolk voorbeeld God zijn ongehoorzaam en onboetvaardig volk beschaamt en hun verderf voorzegt, 12; den Eechabieten belooft God daarentegen zijnen zegen, 18. |
1IET woord, dat tot Jeremia geschied is van den Heere, in de dagen van Jójakim, den zoon van Josia, don koning van Juda, zeggende: 2 Ga henen tot der Rochabieton huis, en spreek met hen, en breng hen in des Heeren huis, in eene der kameron, en geef hun wijn te drinken. 3 Toen nam ik Jaazanja, den zoon van Jeremia, don zoon van Habazzinja, mitsgaders zijne broederen, en al zijne zonen, en het gansche huis der Rechabieten; 4 En bragt hen in dos Heeren huis, in de kamer der zonen van Hanan, den zoon van Jig-dalia, den man Gods; welke is bij de kamer der oversten, die daar is boven de kamer van Maiiséja, den zoon van Sallum, den dorpolbewaarder. 5 En ik zotte den kinderen van het huis dor Rochabieton koppen vol wijns en bekers voor; en ik zeide tot hen: Drinkt wijn. 6 Maar zij zeidon: Wij zullen goenon wijn drinken; want Jónadab, de zoon van Rochab, onze vader, hooft ons geboden, zeggende: Gijlieden zult geenen wijn drinken, gij, noch uwe kinderen, tot in eeuwigheid. 7 Ook zult gijlieden geen huis bouwen, noch zaad zaaijon, noch wijngaard planten, noch hebben ; maar gij zult in tonton wonen al uwe dagen; opdat gij vele dagen loeft in het land, alwaar gij als vreemdelingen verkeert. 8 Zoo hebben wij dor stom van Jónadab, den zoon van Rochab, onzen vader, gehoorzaamd in alles, wat hij ons geboden heeft; zoodat wij geenen wijn drinken al onze dagen, wij, onze vrouwen, onze zonen, en onze dochteren; 9 En dat wij goene huizen bouwen tot onze woning; ook hebben wij goenon wijngaard, noch veld, noch zaad; 10 En wij hebben in tenten gewoond: alzoo hebben wij gehoord en gedaan naar alles, wat ons onze vader Jónadab geboden hoeft. 11 Maar het is geschied, als Nebukadrézar, de koning van Babel, naar dit land optoog, dat wij zeidon: Komt, en laat ons naar Jerüzalom trekken van wege het heir der Chaldeën, en van woge hot heir der Syriërs: alzoo zijn wij te Jeruzalem gebleven. 12 Toen geschiedde des Heeren woord tot Jeremia, zeggende: 13 Zoo zegt do Heere der heirscharon, de God Israëls: Ga henen en zeg tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem: Zult gijlieden geeno tucht aannemen, dat gij hoort naar mijne woorden? spreekt de Heere. 14 De woorden van Jónadab, don zoon van Rochab, die hij zijnen kinderen geboden heeft, dat zij geenen wijn zouden drinken, zijn bevestigd; want zij hebben goenon gedronken tot op dezen dag, maar hot gebod huns vaders gehoord: en Ik heb tot ulieden gesproken, quot; vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt naar Mij niet gehoord. «Jer. 11:7. 25 : 3. 26 : 5. 29 : 19. 32 : 33. |
JEREMIA 35, 36.
702
|
15 En Ik hob tot u gezonden al mijne knechten, | de profeten, vroeg op zijnde on zendende, om te zeggen: quot;Bekeert u toch, een iegelijk van zijnen boozen weg, en maakt uwe handelingen goed, en wandelt andere goden niet na, om hen te dienen, zoo zult gij in het land blijven, dat Ik u en uwen vaderen gegeven heb; maar gij hebt uw oor niet geneigd, en naar Mij niet gehoord. a .1 er. 18: 11. 25 : 5. 16 Dewijl dan do kinderen van Jónadab, den zoon van Rechab, hot gebod huns vaders, dat hij hun geboden heeft-, bevestigd hebben, maar dit volk naar Mij niet hooren; 17 Daarom alzoo zegt de Heere, de God der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik zal over Juda en over allo inwoners van Jeruzalem brengen al het kwaad, dat Ik tegen hen gesproken heb; omdat Ik tot hen gesproken heb, maar zij niet gehoord hebben, en Ik tot hen geroepen heb, maar zij niet hebben geantwoord. 18 Tot liet huis nu der Rechabieten zeide Jere-uiïa: Zoo zegt de Heere der heirscharen, do God Israels: Omdat gijlieden het gebod van uwen vader Jónadab zijt gehoorzaam geweest, en hebt al zijne geboden bewaard, en gedaan naar alles, wat hij ulieden geboden heeft; 19 Daarom alzoo zegt de Heere der heirscharen, do God Israels: Er zal Jónadab, den zoon van Rechab, niet worden afgesneden een man, die voor mijn aangezigt sta, al de dagen. HOOFDSTUK 3G. tleremia laat, op Gods bevel, Baruch zijne profetiën in eone grooto rol schrijven, en op den vastendag in hot huis des Hoeren voor het gansehe volk daaruit voorlezen, vs. 1. Dit wordt den vorsten des konings bekend gemaakt, die terstond Harneh mot de rol laten ontbieden, en na zich daaruit to hebben laten voorlezen, brengen zij do zaak bij don koning .lója-kim, 11 ; deze laat do rol halen, en na oen gedeelte daaruit hebbende hooron lezen, versnijdt hij de rol on werpt ze in hot vuur on verbrandt ze, niettegenstaande eenigo dor vorston hem zulks haddon afgeraden, 21. Hij beveelt Joromfa on Baruch gevangen te nomen, doch God voorkomt dit, 20. Jeremia laat al dozo en moor dergelijke profetiën, op Gods bevel, weder in eeno andere rol schrijven, en voorzegt koning, stad en land hunne straffen, 27. HET gebeurde ook in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van .losia, den koning van Juda, dat dit woord tot Jeremia geschiedde van den Heere, zeggende: 2 Neem u eene quot;rol des boeks, en 6 schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, over Israël, en over Juda, en over al do volken, van den dag aan, dat Ik tot u gesproken hob, van de dagen van Josia aan, tot op dezen dag. a Jes. 8:1. h Jer. 30 : 2. 3 Misschien zullen die van het huis van Juda hooren al het kwaad, dat Ik hun gedenk te doen; opdat zij zich bekeeren, een iegelijk van zijnen boozen weg, en Ik hunne ongeregtigheid en hunne zonde vergeve. |
4 Toen riep Jeremia Baruch, den zoon van Nerija; en Baruch schreef uit don mond van Jeremia alle woorden des Heeren, die Hij tot hem gesproken bad, op oene rol des boeks. 5 En Jeremia gebood Baruch, zeggende: Ik ben opgehouden, ik zal in des Heeren huis niet kunnen gaan. (i Zoo ga gij henen, en lees in de rol, in dewelke gij uit mijnen mond geschreven bobt, de woorden des Heeren, voor de ooren des volks, in des Heeren huis, op den vastendag; en gij zult ze ook lezen voor do ooren van gansch Juda, die uit hunne steden komen. 7 Misschien zal hunlieder smeeking voor des Heeren aangezigt nedervallen, en zij zullen zich bekeeren, een iegelijk van zijnen boozen weg: want groot is de toorn en de grimmigheid, die de Heere tegen dit volk heeft uitgesproken. 8 En Baruch, de zoon van Nerija, deed naar alles, wat hem de profeet Jeremia geboden had, lezende in dat boek de woorden des Heeren, in het huis des Heeren. !) Want liet geschiedde in het vijfde jaar van Jójakim, den zoon van Josia, den koning van Juda, in de negende maand, dat zij een vasten voor des Heeren aangezigt uitriepen, allen volke te Jeruzalem, mitsgaders allen volke, die uit de steden van Juda te Jeruzalem kwamen. 10 Zoo las Baruch in dat boek de woorden van Jeremia in des Heeren huis, in de kamer van Gemarja, den zoon van Safan, den schrijver, in het bovenste voorhof, aan de deur der nieuwe poort van het huis des Heeren , voor de ooren des ganschen volks. 11 Als nu Michaja, de zoon van Gemarja, den zoon van Safan, al de woorden des Heeren uit dat boek gehoord had; 12 Zoo ging hij af ton huize des konings in de kamer des schrijvers; en ziet, aldaar zaten al de vorsten: Elisama, de schrijver, en Delaja, de zoon van Semaja, en E'lnathan, de zoon van Achbor, en Gemarja, de zoon van Safan, en Zedekia, de zoon van Hananja, en al de vorsten. 13 En Michaja maakte hun bekend al de woorden, die hij gehoord had, als Baruch uit dat boek las voor do ooren des volks. 14 Toen zonden al de vorsten Jehüdi, den zoon van Nethanja, den zoon van Selémja, den zoon van Cuschi, tot Baruch, om te zeggen: De rol, waarin gij voor de ooren des volks gelezen hebt, noem die in uwe hand, en kom. Alzoo nam Baruch, de zoon van Nerija, do rol in zijne hand, on kwam tot hen. 15 En zij zeiden tot hem: Zit toch neder, en lees ze voor onze ooren; en Baruch las voor hunne ooren. 16 En hot geschiedde, als zij al de woorden hoorden, dat zij verschrikten, de oen tegen den ander; en zij zeidon tot Baruch: Voorzeker zullen wij al deze woorden den koning bekend maken. |
JEREMIA 30, 37.
703
|
17 En zij vraagden Baruch, zeggende: Verklaar ons tocli, hoe hebt gij al deze woorden uit zijnen mond geschreven ? 18 En Baruch zeide tot hen: Uit zijnen mond las hij tot mij al deze woorden, en ik schroef zo met inkt in dit boek. 19 Toen zeiden do vorsten tot Baruch: Ga honen , verborg u, gij on Jeremla; en niemand wete, waar gijlieden zijt. 20 Zij dan gingen in tot den koning in het voorhof; maar do rol leiden zij weg in de kamer van Elisama, den schrijver; en zij verklaarden al die woorden voor de ooren des konings. 21 Toen zond de koning Jehüdi, om de rol te halen; en hij haalde ze uit de kamer van Elisama, den schrijver; en Jehüdi las ze voor de ooren dos konings, en voor de ooren van al de vorsten, die omtrent don koning stonden. 22 De koning nu zat in het winterhuis, in do negende maand; en er was een vuur voor zijn aangezigt op den haard aangestoken. 23 En het geschiedde, als Jehüdi drie stukken, of vier gelezen had, versneed hij ze met een schrijfmes, en wierp ze in hot vuur, dat op don haard was, totdat de gansche rol verteerd was in het vuur, dat op don haard was. 24 En zij verschrikten niet, en scheurden hunne kloedoren niet, de koning noch al zijne knechten, die al deze woorden gehoord hadden, 25 Hoewel ook E'lnathan, en Delaja, en Gomarja bij den koning daarvoor spraken, dat hij de rol niet zou verbranden; doch hij hoorde niet naar hen. 26 Daartoe gebood de koning aan Jerahmeël, don zoon van Hammélech, en Zeraja, den zoon van Azriöl, en Selémja, den zoon van Abdeël, om den schrijver Baruch en den profeet Jeremia te vangen. Maar de Heere had hen verborgen. 27 Toen geschiedde des Heeren woord tot Jeremia , nadat do koning de rol en de woorden, die Baruch geschreven had uit don mond van Jeremia, verbrand had, zeggende: 28 Neem u weder eene andore rol, en schrijf daarop al do eerste woorden, die geweest zijn op do eerste rol, die Jójakim, do koning van Juda, verbrand hoeft. 29 En tot Jójakim, den koning van Juda, zult gij zeggen: Zoo zegt do Heere: Gij hebt deze rol verbrand, zeggende: Waarom hebt gij daarop geschreven, zeggende: Do koning van Babol zal zekerlijk komen, en dit land verdorven, en maken , dat mensch en beest daarin ophouden ? 30 Daarom zegt do Heere alzoo van Jójakim, den koning van Juda: Hij zal geenon hebben, die op Davids troon zitte; en zijn quot; dood ligchaam zal weggeworpen zijn, dos daags in de hitte, en dos nachts in de vorst. «.lor. 22: 19. 31 En Ik zal over hom, en over zijn zaad, en over zijne knechten hunlieder ongeregtigheid bezoeken ; en Ik zal over hen, en over de inwoners van Jeruzalem, en over de mannen van Juda, al het kwaad brengen, dat Ik tot hou gesproken heb; maar zij hebben niet gehoord. |
32 Jeremia dan nam eene andere rol, en gaf zo aan den schrijver Baruch, den zoon van Norija; die schreef daarop, uit don mond van Joremia, al de woorden des books, dat Jójakim, de koning van Juda, met vuur verbrand had : en tot dezelve werden nog vele dergelijke woorden toegedaan. HOOFDSTUK 37. Zedekia, hoewel ongohoovzaam zijndo, vraagt nogtans Jeremi'a's voorbidding bij God, daar liet scheen alsof do Chaldeën, mot Karaf') te doen krijgende, van de belegering van Jertlzalem geheel zouden afzien, vs. 1. Hij krijgt tot antwoord, dat Faraö naar zijn land zal terugkeeren, en do Chaldeën zullen wederkomen, de stad innemen en verbranden, al waren zij nog zoo weinig in getal en magteloos, G. Jeremia zoekt bij gelegenheid van het opbreken der Chaldeën de stad uit te gaan, maar wordt gegrepen, tot do vorsten gebragt, geslagen en in eene akelige gevangenis gesteld, 11; waaruit Zedekia hem heimelijk laat halen, om iets troostelijks te hooren; maar krijgt het oude bescheid. Hij laat echter Jeremia, op zijne begeerte, in de vroegere gevangenis niet wederbrengen, IG, EN Zedekia, zoon vanJosia, regeerde, koning zijnde, in plaats van Chonja, Jójakims zoon, welken Zedekia Nebukadrézar, de koning van Babel, koning gemaakt had in hot land van Juda. 2 Maar hij hoorde niet, hij, noch zijne knechten, noch het volk des lands, naar de woorden des Heeren, die Hij sprak door do dienst van don profeet Joremia. 3 Nogtans zond de koning Zedekia Juchal, den zoon van Selémja, en Sefanja, den zoon van Maiiséja , den priester, tot den profeet Jeremia , om te zeggen: Bid toch voor ons tot den Heere, onzen God! 4 (Want Jeremia was nog ingaande en uitgaande in het midden des volks, en zij hadden hem nog in het gevangenhuis niet gestold. 5 En Farao's heir was uit Egypte uitgetogen; en de Chaldeën, die Jeruzalem belegerden, als zij hot gerucht van hen gehoord hadden, zoo waren zij quot; van Jerüzalem opgetogen.) aJor.H4:21. 6 Toen geschiedde des Heeren woord tot don profeet Jeremia, zeggende: 7 Zoo zegt de Heere , do God Israels: Zoo zult gijlieden zeggen tot den koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Ziot, Farao's heir, dat u ter hulpe uitgetogen is, zal wederkooron in zijn land, in Egypte; 8 En de Chaldeën zullen wederkeeron, en tegen deze stad strijden; en zij zullen ze innomen, en zullen zo mot vuur verbranden. 9 Zoo zegt de Heere: Bedriegt uwe zielen niot, zeggende: De Chaldeën zullen zekerlijk van ons wegtrokken; want zij zullen niot wegtrekken. 10 Want al sloogt gijlieden hot gansche heir der Chaldeën, die tegen u strijden, en er bleven van hen eenige verwonde mannen over, zoo zouden :u f ' i iit Hl), li ,1 [ | ,1 i I! 1 n |
JEREMIA 37, 38.
704
|
zich die, een iegelijk in zijne tent, opmaken, en deze stad niet vuur verbranden. 11 Voorts geschiedde het, als het heir dor Chal-deën van Jeruzalem was opgetogen, van wege Farao's heir; 12 Dat Jeremfa uit Jeruzalem uitging, om te gaan in het land van Benjamin, om van daar te scheiden door het midden des volks. 13 Als hij in de poort van Benjamin was, zoo was daar do wachtmeester, wiens naam was Jerija, de zoon van Selémja, den zoon van Hananja; die greep den profeet Jeremia, zeggende; Gij wilt tot de Chaldeën vallen! 14 En Jeremia zeide: Het is valsch, ik wil niet tot de Chaldeën vallen. Doch hij hoorde niet naar hem; maar Jerija greep Jeremia aan, en bragt hem tot de vorsten. 15 En de vorsten werden zeer toornig op Jeremia en sloegen hein; en zij stolden hem in hot govangenhuis, ten huize van Jonathan, den schrijver: want zij hadden dat tot een gevangenhuis gemaakt. 1G Als Jeremia in de plaats dos kuils, en in de kotjes gekomen was, en Jeremia aldaar vele dagen gezeten had; 17 Zoo zond de koning Zodokia henen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgene, en zeide: Is er ook een woord van don Heere? En Jeremia zeide: Er is; en hij zeide: Gij zult in de hand des konings van Babel gegeven worden. 18 Voorts zeide Jorenna tot don koning Zodokia: Wat heb ik tegen u, of tegen uwe knechten, of tegen dit volk gezondigd, dat gijlieden mij in het govangenhuis gestold hebt? li) Waar zijn nu ulieder profeten, die u geprofeteerd hebben, zeggende: Do koning van Babel zal niet tegen ulieden , noch tegen dit land komen. 20 Nu dan, hoor toch, o mijn heer koning! laat toch mijne smeoking voor uw aangezigt nedor-vallon, en breng mij niet weder in hot luiis van Jonathan, don schrijver, opdat ik aldaar niet storve. 21 Toen gaf de koning Zodokia bevel; en zij bestolden Jeremia in het voorhof dor quot; bewaring, en men gaf hom dos daags oen' bol broods uit de Bakkersstraat, totdat al hot brood van de stad op was. Alzoo bleef Jeremia in het voorhof der bewaring. n Jor. 32 : 2. HOOFDSTUK 38. Jeremia in de gevangenis zoowel als to voren pvofe-torende, wordt doov de vorsten, mot 's konings toelaten, in oenen diepen modderigen kuil geworpen, vs. 1; maar door Ebed-mélech, met 's konings verlof, daar weder uitgetrokken, 7. Zedekfa ontbiedt nogmaals Jeremia, en ontvangt al weder hetzelfde antwoord, 14; beveelt den profeet, wat hij den vorsten zal zeggen, als zij hom naar deze onderhandeling vragen, 24. De profeet blijft gevangen, totdat Jerfizalem was ingenomen, 28. ALS Sefatja, do zoon van Matthan, en Gedalia, de zoon van Pashur, en Juchal, de zoon van |
Sélomja, en Pashur, de zoon van Malclua, do woorden hoorden, die Jeremia tot al hot volk sprak, zeggende: 2 Zoo zegt de Heere: quot; Wie in deze stad blijft, zal door hot zwaard, door den honger of door de pestilentie sterven; maar wie tot do Chaldeën uitgaat, die zal leven, want hij zal zijne ziel tot oenen buit hebben, en zal leven. «Jer. 21 ; 9. 3 Zoo zegt de Heere: Deze stad zal zekerlijk gegeven worden in de hand van het heir des konings van Babel, datzelvo zal ze innemen; 4 Zoo zeiden de vorsten tot den koning: Laat tocli dozen man gedood worden; want aldus maakt hij do handen der krijgslieden, die in deze stad zijn overgebleven, en de handen des gan-schen volks, slap, alzulke woorden tot hen sprekende: want deze man zoekt don vrede dezes volks niet, maar het kwaad. 5 En de koning Zodokia zeide: Ziet, hij is in uwe hand, want do koning zou geen ding tegen u vermogen. 6 Toen namen zij Jeremia, en wierpen hem in den kuil van Malchia, don zoon van Hammélech, die in hot voorhof der bewaring was, en zij lieten Jeremia af met zolen: in den kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremia zonk in het slijk. 7 Als nu Ebed-mélech, de Moorman, een der kamerlingen, die toen in des konings huis was, hoorde, dat zij Jeremia in den kuil gedaan hadden; (do koning nu zat in de poort van Benjamin) 8 Zoo ging Ebed-mélech uit het huis des konings uit, en hij sprak tot den koning, zeggende: 9 Mijn heer koning! deze mannon hebben kwalijk gehandeld in alles, wat zij gedaan hebben aan den profeet Jeremia, dien zij in den kuil geworpen hebben: daar hij toch in zijne plaats zou gestorven zijn van wege den honger, dewijl geen brood meer in de stad is. 10 Toen gebood do koning den Moorman Ebed-mélech , zeggende: Neem van hier dertig mannen onder uwe hand, en haal den profeet Jeremia op uit den kuil, eer dat hij sterft. 11 Alzoo nam Ebed-mélech do mannen onder zijne hand, en ging in des konings huis tot onder de schatkamer, en nam van daar eenige oude verscheurde en oude versleteno lompen; en hij liet ze mot zelen af tot Joroniïa in den kuil. 12 En Ebed-mélech, do Moorman, zeide tot Jeremia: Leg nu deze oude verscheurde en versleteno lompon onder de okselon uwer armen, van onder aan de zelen. En Jeremia deed alzoo. 13 En zij trokken Jeremia bij do zolen, en haalden hem op uit don kuil; en Jeremia bleef in het voorhof der bewaring. 14 Toon zond de koning Zodokia henen, en liet don profeet Jeremia tot zich halen, in don dorden ingang, die aan des Heeren huis was; en do koning zeide tot Jeremia: Ik zal u een ding vragen, verheel geen ding voor mij. 15 En Jeremia zeide tot Zedekia: Als ik het u |
JEREMIA 38, 39.
705
|
vorklaren zal, zult gij mij niet zekerlijk dooden? en als ik raad zal geven, gij zult toch naar mij niet hooren. 10 Toen zwoer do koning Zedekfa aan Jorenüa in liet verborgene, zeggende ; Zoo waarachtig trls de Heere leeft, die ons doze quot; ziel gemaakt hoeft: indien ik u zal dooden, of indien ik u zal overgeven in do hand dezer mannen, die uwe ziel zooken! «Jes. 57:10. 17 Jeromia dan zeide tot Zedekfa: Zoo zegt de IIeere, do God der heirscharen, do God Israels: Indien gij gewilliglijk tot de vorston des konings van Babel zult uitgaan, zoo zal uwe ziel loven, en deze stad zal niet verbrand worden mot vuur; en gij zult leven, gij en uw huis. 18 Maar indien gij tot de vorsten des konings van Babel niet zult uitgaan, zoo zal deze stad gegeven worden in de hand dor Chaldeën, en zij zullen ze mot vuur verbranden; ook zult gij van hunliedor hand niet ontkomen. 19 En de koning Zedekfa zeide tot Jeromia: Ik bon bevreesd voor do Joden, die tot de Chaldeën gevallen zijn, dat zij mij misschien in derzolver hand overgeven, en zij den spot met mij drijven. 20 En Jeromfa zeide: Zij zullen u niet overgeven : wees toch gehoorzaam aan de stom des Heeren, naar dewelke ik tot u spreek; zoo zal het u welgaan, en uwe ziel zal loven. 21 Maar indien gij weigert uit te gaan, zoo is dit het woord, dat de Heere mij heeft doen zien: 22 Zie daar, al de vrouwen, die in het huis des konings van Juda zijn overgebleven, zullen uitgevoerd worden tot de vorsten des konings van Babel; en dezelve zullen zeggen: Uwe vredege-nooton hebben u aangehitst, en hebben u over-mogt, uwe voeten zijn in den modder gezonken, zij zijn achterwaarts gekeerd! 23 Zij zullen dan al uwe vrouwen en al uwe zonen tot de Chaldeën uitvoeren; ook zult gij zelf van hunne hand niet ontkomen; maar gij zult door de hand des konings van Babel gegrepen worden, en gij zult deze stad met vuur verbranden. 24 Toen zeide Zedekfa tot Jeromfa : Dat niemand wete van deze woorden, zoo zult gij niot sterven. 25 En als de vorston zullen hooren, dat ik met ii gesproken heb, on tot u komen, en tot u zoggen : Verklaar ons nu, wat hobt gij tot don koning gesproken? verboel hot niot voor ons, zoo zullen wij u niet dooden; en wat hooft de koning tot u gesproken ? 20 Zoo zult gij tot hen zeggen: Ik wierp mijne smeeking voor des konings aangezigt neder, dat hij mij niet zou weder laten brengen in Jonathans huis, om aldaar te sterven. 27 Als dan al de vorsten tot Jeromfa kwamen, en hem vraagden, verklaarde hij hun, naar al dezo woorden, die do koning geboden had; en zij lieten van hem af, omdat de zaak niet was gehoord. |
28 En Jeromfa bleef in het voorhof dor bewaring tot op don dag, dat Jeruzalem werd ingenomen; en hij was or nog, als Jeruzalem was ingenomen. HOOFDSTUK 39. Jeruzalem wordt door tie Chaldeën ingenomen, vs. 1; Zedekfa gevangen genomen, zijne oogen verblind, zijne zonen en alle edelen van Juda gedood, de stad verbrand en het voornaamste volk weggevoerd, 5; Nebnkadrézars last omtrent Joremfa, 11; volgens welken hij uit de gevangenis verlost wordt, 13. G-ods belofte aan Ebed-mélech, 15. IN hot quot;negende jaar van Zedekfa, koning van Juda, in do tiende maand, kwam Nobukadrózar, de koning van Babel, en al zijn heir, togen Jeruzalem , en zij belegerden haar. a 2 Kon. 25:1. .Ter. 52:4. 2 In het elfde jaar van Zedekfa, in do vierde maand, op den negenden der maand, werd de stad doorgebroken. 3 En allo vorsten dos konings van Babel togen honen in, en hielden bij de middelste poort; namelijk Nergal-Sarezer Samgar-Nebu, Sarsechim Rab-Saris, Nergal-Sarezer Rab-Mag, on al do overige vorsten des konings van Babel. 4 En het geschiedde, als Zedekfa, de koning van Juda, en al de krijgslieden hen zagen, zoo vloden zij, en togen bij nacht uit de stad, door den weg van dos konings hof, door de poort tusschon do twee muren; en hij toog uit door den weg des vlakken voids. 5 Doch hot heir dor Chaldeën jaagde hen achterna ; en zij aehtorhaalden Zedekfa in de vlakke velden van Jericho, en vingen hem, en bragten hem opwaarts tot Nebukadnézar, don koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordeelon tegen hem uit. 6 En do koning van Babel slagtte do zonen van Zedekfa te Ribla voor zijne oogen; ook slagtte do koning van Babel alle edelen van Juda. 7 En hij verblindde do oogen van Zedekfa, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren. 8 En de Chaldeën verbrandden hot huis des konings en de buizen dos volks met vuur; en zij braken de muren van Jeruzalem af. 9 Hot overige nu des volks, die in de stad waren overgebleven, en de afvalligen, die tot hom gevallen waren, mot het overige des volks, die overgebleven waren, voordo Nebuzaradan, de overste der trawanten, gevankelijk naar Babel. 10 Maar van het volk, die arm waren, die niet met al hadden, liet Nebuzaradan, de overste der trawanten, eenigen overig in het land van Juda; en hij gaf hun te dien dage wijngaarden en akkers in. 11 Maar van Jeromfa had Nebukadrézar, de koning van Babel, bevel gegeven in de hand van Nebuzaradan, den overste der trawanten, zeggende: 12 Neem hem, en stol uwe oogen op hom, en 45 |
JEREMIA 39, 40.
700
|
doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u spreken zal, alzoo doe met hem. 13 Zoo zond Nebuzaradan, de overste dor trawanten, mitsgaders Nebuschazban Rab-Saris, en Nergal-Sarezer Rab-Mag, en al de oversten des konings van Babel; 14 Zij zonden dan henen en namen Jereima uit liet voorhof der bewaring, en gaven hem over aan Gedalia, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, dat hij hem henen uitbragte naar huis: alzoo bleef hij in liet midden des volks. 15 Het woord des Heerkn was ook tot Jereima geschied, als hij in liet voorhof der bewaring besloten was, zeggende: If! (Ja henen, en spreek tot Ebed-mélech, den Moorman, zeggende: Zoo zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Zie, Ik zal mijne woorden brengen over deze stad, ten kwade en niet ten goede; en zij zullen te dien dage voor uw aangezigt zijn. 17 Maar Ik zal u te dien dage redden, spreekt de Heere; en gij zult niet overgegeven worden in do hand der mannen, voor welker aangezigt gij vreest. 18 Want Ik zal u zekerlijk bevrijden, en gij zult door het zwaard niet vallen; maar gij zult uwe ziel tot eenon buit hebben, omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de Heere. HOOFDSTUK 40. Als inleiding van Jeremia's verdere profetiön tot de overgeblevene Joden wordt hier verhaald, hoe hij uit het midden der gevangenen gehaald en zeer gunstig bejegend zijnde, zich begaf naar Gedalia te Mizpa, vs. 1; alwaar alle gevlugten en in het land overgelatenen zich vervoegen en van Gedalia getroost en vermaand worden, 7. Sommigen van hen, (bijzonder Jóhanan) waarschuwen Gedalia voor Ismaël; maar hij gelooft hen niet, 13. HET woord, dat van den Heere geschied is tot Jereima, nadat Nebuzaradan, de overste der trawanten, hem had laten gaan van Rama; als hij hem had laten halen, daar hij met ketenen gebonden was in het midden aller gevangenen van Jeruzalem en Juda, die naar Babel gevankelijk werden weggevoerd. 2 Want de overste der trawanten liet Jeremia halen, en zeide tot hem: De Heere, uw God, heeft dit kwaad over deze plaats gesproken. 3 En de Heere heeft het doen komen, en gedaan, gelijk als Hij gesproken had: want gijlieden hebt gezondigd tegen den Heere, en zijner stem niet gehoorzaamd; daarom is ulieden deze zaak geschied. 4 Nu dan, zie, ik heb u heden losgemaakt van de ketenen, die aan uwe hand waren, indien bet goed is in uwe oogen met mij naar Babel te komen, zoo kom, en ik zal mijn oog op u stellen; maar indien het kwaad is in uwe oogen met mij naar Babel te komen, zoo laat het: zie, het gan-sche land is voor uw aangezigt, waarhenen het goed en regt in uwe oogen is te gaan, daar ga. |
5 En dewijl hij nog niet zal wederkeeren, zoo koer gij tot Gedalia, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, dien de koning van Babel over de steden van Juda gesteld heeft; en woon bij hem in het midden des volks; of overal, waar hot in uwe oogen regt is te gaan, ga er henen. En de overste dor trawanten gaf hem reiskost en een geschenk, en liet hem gaan. (i Alzoo kwam Jeremia tot Gedalia, don zoon van Ahikam, te Mizpa; en hij woonde bij hem in hot midden dos volks, die in het land waren overgelaten. 7 Toon nu allo oversten der heiren, die in het veld waren, zij en hunne mannen, hoorden, dat do koning van Babel Gedalia, den zoon van Ahikam, over het land gesteld had, en dat hij aan hom bevolen had de mannen, on de vrouwen, en de kinderkens, en van do armsten des lands, van degenen, die niet naar Babel gevankelijk waren weggevoerd; 8 Zoo kwamen zij tot Gedalia to Mizpa, namelijk, Ismaël, do zoon van Nethanja, en Jóhanan en Jonathan, de zonen van Karéah, en Seraja, do zoon van Tanhümoth, en de zonen van Efai, don Netofathiet, en Jezanja, do zoon eens Maii-chathiets, zij en hunne mannen. 9 En Gedalia, do zoon van Ahikam, don zoon van Safan, zwoer hun en hunnen mannen, zeggende : Vreest uiot van de Chaldeën te dienen; blijft in hot land, en dient don koning van Babel, zoo zal hot u welgaan. 10 En ziet, ik woon te Mizpa, om te staan voor het aangezigt der Chaldeën, die tot ons zullen komen: gijlieden dan verzamelt wijn, en zomervruchten , en olie, en doet ze in uwe vaten, en woont in uwe steden, die gij hebt ingenomen. 11 Als ook al de Joden, die in Moab, en onder do kindoren Amnions, en in Edom, en die in al die landen waren, hoorden, dat de koning van Babel in Juda een overblijfsel gelaten had; en dat hij Gedalia, don zoon van Ahikam, denzoon van Safan, over hen gestold had: 12 Zoo keerden al do Joden weder uit al de plaatsen, waarhenon zij gedreven waren, en kwamen in hot land van Juda tot Gedalia te Mizpa; en zij verzamelden zeer veel wijns en zomervruchten. 13 Doch Jóhanan, de zoon van Karéah, en alle oversten der heiren, die in het veld waren, kwamen tot Gedalia te Mizpa; 14 En zeiden tot hem: Weet gij wol, datBaalis, de koning der kinderen Amnions, Ismaël, den zoon van Nethanja, uitgezonden hooft, om u aan hot leven te slaan ? Maar Gedalia, de zoon van Ahikam, geloofde hun niet. 15 Jóhanan nogtans, do zoon van Karéah, sprak tot Gedalia, in hot verborgene, te Mizpa, zeggende : Laat mij toch henengaan, on Ismaël, den zoon van Nethanja, slaan, en niemand zal het 1 weten: waarom zou hij u aan het leven slaan, |
JEREMIA 40, 41, 42.
707
|
on gansch Juda, dio tot u vergaderd zijn, vor-strooid worden, en het overblijfsel van Juda verloren gaan ? Ki Maar Gedalia, de zoon van Alnkam, zeide tot Jóhanan, don zoon van Karéah: Doe deze zaak niet, want gij spreekt valsch van Ismaël. HOOFDSTUK 41. Oediilia en meer anderen, zoo Joden als Chaldeën, worden onder schijn van vriendschap door Ismaël vermoord, vs. 1; die de rest van het volk meent gevangen te voeren naar de Ammonieten; doch zij worden uit zijne hand verlost door Jóhanan, 10; die met het gansche overblijfsel voorneemt naar Egypte te trekken, 10. MAAR het geschiedde in de quot; zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, don zoon van Elisama, van koninklijken zade, en do oversten des konings, te weten, tien mannen, met hom kwamen tot Gedalia, den zoon van Alükam, to Mizpa: en zij aten aldaar brood te zamen, te Mizpa. a 2 Kon. 25 : 25. 2 En Ismaël, de zoon van Nethanja, maakte zich op, mitsgaders de tien mannen, die met hom waren, en zij sloegen Gedalia, den zoon van Alnkam, den zoon van Safan , met het zwaard; alzoo doodde hij hem, dien de koning van Rabel over het land gestold had. :i Ook sloeg Ismaël al do Joden, die met hom, namelijk met Gedalia, te Mizpa waren, en do Chaldeën, de krijgslieden, die aldaar gevonden werden. 4 Het geschiedde nu op den tweeden dag, nadat hij Gedalia gedood had, en niemand het wist; 5 Zoo kwamen er lieden van Sichem, van Silo, en van Samaria, tachtig man, hebbende den baard afgeschoren, en de kleederen gescheurd, en zich zeiven gesneden; en spijsoffer en wierook waren in hunne hand, om ten huize des Heeren te brengen. G En Ismaël, de zoon van Nethanja, ging uit van Mizpa hun te gemoet, al gaande en woenende; en liet geschiedde, als hij hen aantrof, dat hij zeide: Komt tot Gedalia, den zoon van Alnkam! 7 Maar het geschiedde, als zij in het midden der stad gekomen waren, dat Ismaël, do zoon van Nethanja, bon keelde, en wierp hen in het midden des kuils, hij en de mannen, die met hem waren. 8 Doch onder hen werden tien mannen gevonden, die tot Ismaël zeiden: Dood ons niet, want wij hebben verborgene schatten in het veld, van tarwe, en gerst, en olie, en honig. Zoo liet hij af, en doodde ze niet in het midden hunner broederen. 9 De kuil nu, waarin Ismaël al de doode ligcha-mon der mannen, die bij aan de zijde van Gedalia geslagen had, henenwierp, is dezelfde, dien do koning Asa maakte van wege Baësa, den koning Israels; dezen vulde Ismaël, de zoon van Nethanja, met de verslagenen. |
10 En Ismaël voerde het gansche overblijfsel dos volks, dat te Mizpa was, gevankelijk, te weten des konings dochteren, en al het volk, die te Mizpa waren overgelaten, die Nebuzaradan, de overste dor trawanten, aan Gedalia, denzoon van Alnkam, bevolen had; Ismaël dan, de zoon van Nethanja, voerde zo gevankelijk weg, on toog henen, om over te gaan tot 'do kinderen Amnions. 11 Toon nu Jóhanan, de zoon van Karéah, en al do oversten dor heiron, die met hem waren, al het kwaad hoorden, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, gedaan had; 12 Zoo namen zij al de mannen, en togen honen, om mot Ismaël, den zoon van Nethanja, te strijden; en zij vonden hem aan het groote water, dat bij Gïbeon is. 13 En het geschiedde, als al hot volk, dat mot Ismaël was, Jóhanan zag, don zoon van Karéah, en al de oversten der heiren, die met hom waren, zoo worden zij verblijd. 14 En al het volk, dat Ismaël van Mizpa gevankelijk had weggevoerd, wendde zich om; en zij koordon zich en gingen over tot Jóhanan, don zoon van Karéah. 15 Doch Ismaël, de zoon van Nethanja, ontkwam van Jóhanans aangezigt, met acht mannen, en hij toog tot do kinderen Amnions. Ki Toen nam Jóhanan, do zoon van Karéah, mitsgaders al do oversten der heiron, die mot hem waren, het gansche overblijfsel des volks, dat hij wedorgobragt bad van Ismaël, den zoon van Nethanja, van Mizpa, (nadat hij Gedalia, den zoon van Alnkam, geslagen had) te weten de mannen, die krijgslieden waren, en de vrouwen, en kinderkous, en kamerlingen, die bij van Gibeon had wedorgobragt; 17 En zij togen henen, en sloegen zich neder te Geruth-Chimham, dat bij Bethlehem is, om voort te trokken, dat zij in Egypte kwamen, 18 Voor bet aangezigt der Chaldeën; want zij vreesden voor hunlieder aangezigt, omdat Ismaël, de zoon van Nethan ja, Gedalia, don zoon van Alnkam, geslagen had, dien do koning van Babol over hot land gesteld had. HOOFDSTUK 42. Jóhanan on al hot volk bogooron van Jerornia, dat hij God voor hou raad vrage, met sterke belofte van gehoorzaamheid, vs. 1. Jeremia profeteert hun op Gods bevel, dat zij in Judóa behouden /.ouden blijven; maar in Egypte zouden omkomen, met verwijt van bunne huichelarij en hardnekkigheid, 7. TOEN tradon toe alle oversten dor heiron, Jóhanan, do zoon van Karéah, en Jozanja, de zoon van Hosaja, en al hot volk, van den kleinste tot den grootste toe; 2 En zij zeiden tot den profeet Jorenha: Laat toch onze smoeking voor uw aangezigt nedor-vallon, en bid voor ons tot den Heere , uwen God, voor dit gansche overblijfsel: want wij zijn 45* 1 .1 1 I t' I. |
JEREMIA 42, 43.
708
|
weinigen van velen overgelaten, gelijk als uwe oogen ons zien: 3 Dat ons de Heere, uw fJod, bekend make den weg, dien wij zullen ingaan, en de zaak, die wij zullen doen. 4 En de profeet Jeremia zeide tot hen: Ik heb het gehoord; ziet, ik zal tot den Heere, uwen (iod, bidden naar uwe woorden; en het zal geschieden, het gansche woord, dat de Heere u zal antwoorden, zal ik u bekend maken, ik zal u niet een woord veronthouden. 5 Toen zeiden zij tot Jeremia; De Heere zij tusschen ons tot een waarachtig en gewis Getuige: indien wij niet naar alle woord, met hetwelk u de Heere, uw God, tot ons zal zenden, alzoo zullen doen! (i Hetzij dan goed of kwaad, wij zullen der stem des Heeren, onzes Gods, tot welken wij u zenden, gehoorzaam zijn; quot;opdat het ons welga, wanneer wij der stem des Heeren, onzes Gods, zullen gehoorzaam zijn. aJer. 7:23. 7 En het gebeurde ten einde van tien dagen, dat des Heeren woord tot Jeremia geschiedde. 8 Toen riep hij Jóhanan, den zoon van Karéah, en alle oversten der heiren, die met hem waren, en al het volk, van den kleinste af tot den grootste toe. 9 En hij zeide tot hen: Zoo zegt de Heere, de God Israels, tot welken gij mij gezonden hebt, om uwe smeeking voor zijn aangezigt neder te werpen: 10 Indien gijlieden in dit land zult blijven wonen, zoo zal Ik u a bouwen en niet afbreken, en u planten en niet uitrukken: want Ik heb berouw over het kwaad, dat Ik u aangedaan heb. a Jor. 24 : 6. 31: 4. 33 : 7. 11 Vreest niet voor het aangezigt des konings van Babel, voor wiens aangezigt gij vreest; vreest niet voor hem, spreekt de Heere : want Ik zal met u zijn, om u te behouden en u van zijne hand te redden. 12 En Ik zal ulieden barmhartigheid geven, dat hij zich uwer erbarme, en u weder in uw land brenge. 13 Maar zoo gijlieden zult zeggen: Wij zullen in dit land niet blijven; opdat gij der stem des Heeren, uws Gods, niet gehoorzaam zijt, 14 Zeggende; Neen, maar wij zullen gaan in Egypteland, alwaar wij geenen krijg zullen zien, noch het geluid der bazuin hooren, noch naar brood hongeren, en daar zullen wij blijven; 15 Nu dan, daarom hoort des Heeren woord, gij overblijfsel van Juda! zoo zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Indien gij ganschelijk uwe aangezigten zult stellen om in Egypte te gaan , en zult henen ingaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeeren; 1(5 Zoo zal het geschieden, dat het zwaard, waar gij voor vreest, u aldaar in Egypteland zal achterhalen; en de honger, waar gij voor zorgt, zal u aldaar in Egypte achter aankleven, en gij zult aldaar sterven. |
17 Zoo zullen al de mannen zijn, die hunne aangezigten stellen, om in Egypte te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeeren; zij zullen sterven door het zwaard, door den honger en door de pestilentie; en zij zullen niemand hebben, die overblijve of ontkome van het kwaad, dat Ik over hen zal brengen. 18 Want zoo zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Gelijk als mijn toorn, en mijne grimmigheid is quot; uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, alzoo zal mijne gimmigheid over ulieden uitgestort worden, als gij in Egypte zult gekomen zijn; en gij zult wezen ''tot eene vervloeking, en tot eene c ontzetting, en tot d eenen vloek, en tot '' smaadheid, en zult deze plaats niet meer zien. aJer.7;20. 0.168.65:15. c.Tor.l8:16. 10:8. 25:9. 29:18. rZJor.24:9 25:18. 2G:6. 29:18. cJer.24:9. 29:18. 19 De Heere heeft tegen ulieden gesproken, gij overblijfsel van Juda! Gaat niet in Egypte, weet zekerlijk, dat Ik heden tegen u betuigd heb. 20 Gewisselijk gij hebt uwe zielen verleid: want gij hebt mij tot don Heere, uwen God, gezonden , zeggende: Bid voor ons tot den Heere , onzen God ; en naar alles, wat de Heeue , onze God, zal zeggen, alzoo maak het ons bekend, en wij zullen het doen. 21 Nu heb ik het u heden bekend gemaakt; maar gij hebt niet gehoord naar de stem des Heeren, uws Gods, noch naar al hetgeen, met hetwelk Hij mij tot u gezonden heeft. 22 Zoo weet nu zekerlijk, dat gij door het zwaard, door don honger en door de pestilentie sterven zult, ter plaatse, waar het u gelust heeft henen te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeeren. HOOFDSTUK 43. De oversten en allo hoogrnoedigen onder hot volk he-sclmldigen Jeremia van leugonaclitigo profetie, trokken naar Egypte en voeren hem en Barnch mode derwaarts, vs. 1. Jeremia profeteert te Tachpanhos, met een goddelijk toeken, de verwoesting van Egypte door Nebukadnézar, 8. EN het geschiedde, als Jeremia geëindigd had tot hot gansche volk te spreken al de woorden des Heeren, huns Gods, met dewelke hem de Heere, hun God, tot hen gezonden had , te weten al die woorden; 2 Zoo sprak Azaria, de zoon van Hosaja, en Jóhanan, de zoon van Karéah, en al de trotsche mannen, zeggende tot Jeremia; Gij spreekt leugen; de Heere, onze God, heeft u niet gezonden, om te zeggen: Gijlieden zult niet gaan in Egypte, om aldaar als vreemdelingen te verkeeren. 3 Maar Baruch, de zoon van Nerija, bitst u tegen ons op, opdat hij ons overgeve in de hand der Ghaldeën, dat zij ons dooden en ons gevankelijk naar Babel wegvoeren. |
JEREMIA 43, 44.
70!)
|
4 Alzoo gehoorzaamde Jóhanan, de zoon van Karéah, en al de oversten dor heiren, en al het volk, der stem des Heeren niet, om in het land van Juda te blijven. 5 Maar Jóhanan, de zoon van Karéah, en al do oversten der heiren namen het gansche overblijfsel van Juda, die van al de Heidenen, waar zij waren henongedreven, wedergekeerd waren, om in het land van Juda te wonen; (i Do mannen, en do vrouwen, en de kinderkous, on dos konings dochteren, en alle ziel, die Nobu-zaradan, de overste der trawanten, bij Gedalia, den zoon van Ahikam, don zoon van Safan, ge-liiten had, ook don profeet Jorenüa, en Baruch, den zoon van Nerija; 7 En zij togen in Egyptoland, want zij waren dor stom dos Heeren niet gehoorzaam; en zij kwamen tot Tachpanhes. 8 Toon geschiedde dos Heeren woord tot Jeroniïa te Tachpanhes, zeggende: 9 Neem groote steenen in uwe hand, en verberg ze in do klei in den tigcholoven, die bij do deur van Farao's huis te Tachpanhes is, voor de oogon dor joodscho mannen. 10 En zog tot hen: Zou zegt do Heere der heir-scharen, do God Israels: Ziet, Ik zal honenzenden, on Nebukadrézar, den koning van Babel, quot; mijnen knecht, halen, en Ik zal zijnen troon zotten boven op deze stoonon, die Ik verborgen heb; en hij zal zijne schoone tent daarover spannen. n .Ter. 25 : 9. 27 : G. 11 En hij zal komen en Egyptoland slaan: quot; wio ten dood, ten doode; en wie ter gevangenis, tor gevangenis; en wie tot hot zwaard, ton zwaarde. a Jer. 15:2. Zach. 11:9. 12 En Ik zal een vuur aansteken in do huizen dor goden van Egypte, on hij zal ze verbranden, on gevankelijk wegvoeren; on hij zal Egyptoland aantrokken, gelijk als een herder zijn kleed aantrekt, en liij zal van daar uittrokken in vrede. 13 En hij zal de opgerigte beelden van Beth-Sémes, hetwelk in Egyptoland is, verbroken; on hij zal de huizon dor goden van Egypte mot vuur verbranden. HOOFDSTUK 44. Jeremia stelt aan hot volk in Egypte voor oogon do vorige zonden on straffen van Juda, vs. 1 ; profotoert hun eon gelijk verderf in Egypte, 11, De hardnekkigheid der Joden tegen doze profetie, 15; waarover de profeet hen andermaal zwaar bedreigt, en ten toeken voorzegt, wat don koning van Egypte zal overkomen, 20. HET woord, dat tot Jeremia geschiedde, aan al de Joden, die in Egyptoland woonden, die te Migdol woonden, en to Tachpanhes, en te Nof, on in hot land Pathros, zeggende: 2 Alzoo zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Gij hebt gezien al het kwaad, dat Ik ge-bragt heb over Jeruzalem en over alle steden van Juda; en ziet, zij zijn oene woestheid te dezen dage, en niemand woont daarin: |
3 Van wege hunne boosheid, die zij gedaan hebben, om Mij te tergen, gaande om te rooken en andore goden te dienen, die zij niet konden, zij, gij, noch uwe vaders. 4 En Ik hob tot u gezonden al mijne knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Doet toch deze gruwelijke zaak niet, die Ik haat. 5 Maar zij hebben niet gehoord, noch hun ooi-geneigd , om zich van hunne boosheid te bokeo-ron, dat zij andoren goden niet rookten. (5 Daarom is mijne grimmigheid en mijn toorn quot;uitgestort, en hooft gebrand in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; zoodat zij tot eenzaamheid en tot verwoesting geworden zijn, gelijk hot is te dezen dage. « Jer. 7 : 20. 42: IS. 7 En nu, zoo zegt do Heere , de God der heirscharen, do God Israels: Waarom doet gij zulk een groot kwaad tegen uwe zielen, opdat gij u den man en de vrouw, hot kind en den zuigeling uit het midden van Juda uitroeit, opdat gij u geen overblijfsel overlaat? 8 Tergende Mij door do werken uwer handen, rookende andoren goden in het land van Egypte, alwaar gij gekomen zijt, om daar als vreemdelingen te verkeeren; opdat gij u zolven uitroeit, en opdat gij wordt tot oenen vloek, on tot oene smaadheid onder alle volken der aarde? 9 Hebt gij vergoten de boosheden uwer vaderen, on de boosheden der koningen van Juda, en de boosheden hunner vrouwen, en uwe boosheden, en de boosheden uwer vrouwen, die zij gedaan hebben in het land van Juda en in de straten van Jeruzalem? 10 Zij zijn tot op dozen dag nog niet verbrijzeld van hart, en zij hebben niet gevreesd, noch gewandeld in mijne wet en in mijne inzettingen, die Ik voor uliedor aangezigt en voor het aange-zigt uwer vaderen gegeven heb. 11 Daarom, zoo zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Ziet, quot; Ik zal mijn aangezigt tegen uliedon stollen ten kwade, en om gansch Juda uit te rooijon. a Jer. 21:10. Amos 9 : 4. 12 En Ik zal hot overblijfsel van Juda wegnomen , die hunne aangezigton gesteld hebben, om in Egyptoland te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeeren; en zij zullen allen in Egyptoland verteerd worden: door het quot; zwaard zullen zij vallen, door den honger zullen zij verteerd worden, van den kleinste tot don grootste too; door hot zwaard on door don honger zullen zij sterven: on zij zullen worden tot eeno vervloeking , tot eeno ontzetting, on tot eenen vloek, en tot oene smaadheid. a Jer. 42:15, l(i, 17, 22. 13 Want Ik zal bezoeking doen over degenen, die in Egyptoland wonen, gelijk als Ik bezoeking gedaan bob over Jeruzalem, door hot zwaard, door den honger on door do pestilentie; 14 Zoodat hot overblijfsel van Juda, die in Egyptoland gekomen zijn, om aldaar als vroem- |
JEREMIA 44, 45.
710
|
delingen te verkeeren, geenen zal hebben, die ontkome of overblijve; te weten om weder te keeren in hot land van Juda, waarnaar hunne ziel verlangt weder te keeren, om aldaar te wonen; maar zij zullen er niet wederkeeren, behalve die ontkomen zullen. 15 Toen antwoordden aan Jeremfa al de mannen, die wisten, dat hunne vrouwen anderen goden rookten, en al de vrouwen, die daar stonden, zijnde een groote hoop, mitsgaders al het volk, die in Egypteland, in Pathros, woonden, zeggende: 1(1 Aangaande het woord, dat gij tot ons in des Heeren naam gesproken hebt, wij zullen naar u niet hoeren. 17 Maar wij zullen ganschelijk doen al hetgeen uit onzen mond is uitgegaan, rookende aan quot; Melécheth des hemels, en haar drankofferen offerende, gelijk als wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; toen werden wij met brood verzadigd, en waren vrolijk, en zagen geen kwaad, a.Ier. 7 ; 18. 18 Maar van toen af, dat wij opgehouden hebben aan Meléchet des hemels te rooken, en haar drank-offeren te offeren, hebben wij van alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door den honger verteerd. 19 Ook wanneer wij aan Melécheth des hemels rooken en haar drankofferen offeren, maken wij haar geboeide koeken, om haar af te beelden, en offeren wij haar drankofferen, zonder onze mannen ? 20 Toen sprak Jeremia tot al het volk, tot de mannen en tot de vrouwen, en tot al het volk, die hem zulks geantwoord hadden, zeggende: 21 Het rooken, dat gijlieden in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gerookt hebt, gij en uwe vaderen, uwe koningen en uwe vorsten, en het volk des lands, hoeft de Heere daaraan niet gedacht, en is het niet in zijn hart opgekomen ? 22 Zoodat het de Heere niet meer kon verdragen , van wege de boosheid uwer handelingen, van wege do gruwelen, die gij doodt; daarom is uw land geworden tot eene woestheid, en tot ontzetting, en tot oenen vloek, dat er niemand in woont, gelijk hot is te dozen dage: 23 Van wege dat gij gerookt hebt, en dat gij tegen don Heere gezondigd hebt, en des Heeren stom niet gehoorzaam zijt geweest, on in zijne wet, en in zijne inzettingen, en in zijne getuigenissen niet hebt gewandeld; daarom is u dit kwaad wedervaren, gelijk liet is te dezen dage. 24 Voorts zeide Jeremia tot al het volk, en tot al do vrouwen: Hoort des Heeren woord, gij gansch Juda, die in Egypteland zijt! 25 Zoo spreekt de Heere der heirscharen, de God Israels, zeggende: Aangaande u en uwe vrouwen, zij hebben toch met uwen mond gesproken, en gij hebt het mot uwe handen vervuld. |
zeggende : Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, ganschelijk houden, rookende aan Melécheth dos hemels, en haar drankofferen offerende: nu zij hebben uwe geloften volkomenlijk bevestigd, en uwe geloften volkomenlijk gehouden. 26 Daarom hoort des Heeren woord, gij gansch Juda, die in Egypteland woont! Ziet, Ik zweer bij mijnon grooten Naam, zegt de Heere, zoo mijn Naam met don mond van eenig man van Juda in gansch Egypteland meer zal genoemd worden, die zegge: Zoo waarachtuj als de Heere Heere leeft! 27 Ziet, Ik zal over hen quot;waken ten kwade en niet ton goede; en alle mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard, en door den honger verteerd worden, totdat zij ton einde zijn. aJer. 31:28. 28 Maar die van het zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland wederkeeren in hot land van Juda, weinig in getal; en het gansche overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om aldaar als vreemdelingen te vorkeeren, zullen weten, wiens woord bestaan zal, het mijne of het hunne. 2!) En dit zal nlieden hot toekon zijn, spreekt de Heere, dat Ik in deze plaats over u bezoeking zal doen; opdat gij weet, dat mijne woorden zekerlijk over u bestaan zullen ton kwade: 30 Alzoo zegt de Heere: Ziet, Ik zal Faraö Hofra, den koning van Egypte, geven in do hand zijner vijanden, en in do hand dergenon, die zijne ziel zoeken, gelijk als Ik Zodokia, den koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel, zijnen vijand, en die zijne ziel zocht. HOOFDSTUK 45. Baruch, over deze profetiön weemoedigen verslagea van hart zijnde, wordt van God door den profeet daarover berispt on getroost. HET woord, dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot Baruch, den zoon van Nerija, als hij die woorden uit den mond van Jeremia in een boek schreef, in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josia, den koning van Juda, zeggende: 2 Alzoo zegt de Heere, de God Israels, van u, o Baruch! 3 Gij zegt: Wee nu mij, want de Heere heeft droefenis tot mijne smart gedaan; ik ben moede van mijn zuchten, en vind geene rust! 4 Zoo zult gij tot hem zeggen: Zoo zegt do Heere: Zie, dat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en dat Ik geplant heb, ruk Ik uit, zelfs dit gansche land. 5 En zoudt gij u groote dingen zoeken? zoek ze niet: want zie. Ik breng een kwaad over alle vleesch, spreekt de Heere ; maar Ik zal u uwe ziel tot oenen quot; buit geven, in allo plaatsen, waar | gij zult henentrekkon. aJor. 21:9. 38:2. 39:18. |
JE RE MI A 46.
711
|
HOOFDSTUK 46. Opschrift van do volgende profetiön, vs. 1. Profetie van dc nederlaag' van don koning van Egypte, Faraö Nocho, 2; en voorts van do geheeie verwoesting van Egypte door Nebukadrózar, met oeno bijgevoegde belofte, 13. Gods volk wordt getroost in hunne kastijdingen, 27. HET woord des Heekion, dat tot den profeet Jeremia geschied is tegen de Heidenen. 2 Tegen Egypte; tegen het heir van Faraö Neeho, koning van Egypte, dat aan do rivier Frath, bij Karchemis, was, dat Nebukadrózar, do koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josfa, den koning van Juda. 3 Rust het schild en de rondas toe en nadert tot den strijd! 4 Spant do paarden aan, en klimt op, gij ruiters! on stelt u met helmen; quot;vaagt de spiesen, trekt de pantsiers aan! «.lor. 51:11. 5 Waarom zie Ik, dat zij versaagd en achterwaarts gedreven zijn? Zelfs hunne helden zijn verslagen, en nemen de vlugt, en zien niet om; or is schrik van rondom, spreekt de Heere. 6 De snelle ontvliode niet, on de held ontkome niet; tegen het noorden, aan den oever der rivier Frath zijn zij gestruikeld en gevallen. 7 Wie is deze, die optrekt als een stroom, wiens wateren zich bewegen als de rivieren? 8 Egypte trekt op als oen stroom, en zijne watoren bewegen zich als do rivieren; on hij zegt: Ik zal optrokken, ik zal de aarde bedekken, ik zal de stad, on die daarin wonen, verderven. 9 Trekt op, gij paarden! en raast, gij wagens! on laat do helden uittrekken: de Moeren, en de Puteërs, die het schild handelen, on de Lydiërs, die don quot;boog handelen en spannen. aJes. 66:19. 10 Maar deze dag is des Hoeren, des Heeren der heirscharen, een dag der wrake, dat Hij zich wreke van zijne wederpartijders, en het zwaard zal vreten, en verzadigd, en dronken worden van hun bloed: want de Heero Heere der heirscharen , heeft een slagtoffer in het land van het noorden, aan de rivier Frath. 11 Ga henen op naar quot; Giload, en haal balsem, gij jonkvrouw, dochter van Egypte! Te vergeefs vermenigvuldigt gij de medicijnen, er is goene heeling voor u. a.Ter. 8:22. 12 De volken hebben uwe schande gehoord, en hot land is vol van uw gekrijt; want zij hebben zich gestooten, held tegen held, zij zijn beide te zamen gevallen. 13 Het woord, dat de Heere tot den profeet Jeremia sprak, van do aankomst van Nebukadrózar, den koning van Babel, om Egypteland te slaan. 14 Verkondigt in Egypte, on doet het hooron te Migdol; doet het ook hooron te Nof en te Tach-panhos; zegt: Stelt er u naar, en maakt u gereed, want het zwaard heeft verteerd wat rondom u is. |
15 Waarom zijn uwe sterkon weggeveegd? Zij stonden niet, omdat hen do Heere voortdroef. 16 Hij maakte der struikelenden vele; ja de eon viel op don ander; zoodat zij zeiden: Staat op en laat ons wederkeeren tot ons volk, en tot hot land onzer geboorte, van wege het verdrukkende zwaard. 17 Daar riepen zij: Faraö, de koning van Egypte, is maar een godruisch; hij beeft den gezetten tijd laten voorbijgaan. 18 Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Koning, wiens naam is Heere der heirscharen: hij zal voorzeker, als Thabor onder de bergen, en als Karmel bij de zeo, aankomen! 19 Maak voor u gereedschap der gevankolijke wegvoering, gij inwonoros, gij dochter van Egypte! want Nof zal ter verwoesting worden, en zal verbrand worden, dat er niemand in wone. 20 Egypte is eeno zeer schoone vaarze; de slagter komt, hij komt van het noorden. 21 Zelfs hare gohuurdon in haar midden zijn als gemeste kalveren; maar die hebben zich ook gewend, zij zijn te zamen gevlugt, zij hebben niet gestaan: want de dag huns verderfs is over hen gekomen, de tijd hunner bezoeking. 22 Hare stem zal gaan als van eeno slang : want zij zullen mot krijgsmagt daarhenen trokken, en tot haar met bijlen koinen, gelijk houthouwers. 23 Zij hebben haar woud afgehouwen, spreekt do Heere, hoewel hot niet is te onderzoeken: want zij zijn meerder dan de sprinkhanen, zoodat men hen niet tellen kan. 24 Do dochter van Egypte is beschaamd; zij is gegeven in de hand des volks van het noorden. 25 De Heere der heirscharen, do God Israels, zegt: Ziet, Ik zal bezoeking doen over do menigte van No, en over Faraö, en over Egypte, en over hare goden, en over hare koningen, ja over Faraö, en over dogenon, die op hem vertrouwen. 26 En Ik zal hen geven in de hand dorgenon, die hunlieder ziel zookon, en in de hand van Nebukadrózar, den koning van Babel, en in do hand zijnor knechten. Maar daarna zal zij bewoond worden als in de dagen van ouds, spreekt de Heere. 27 Maar quot;gij, mijn kneebt Jakob! vrees niot, en (mtzet u niet, o Israël! want zie. Ik zal u verlossen uit verre landen, en uw zaad uit het land hunnor gevangenis; on Jakob zal wederkomen, on stil en gerust zijn, en niemand zal hem verschrikken. «.los. 41:13. 43:5. 44: 1. Jer. 30:10. 28 Gij dan, mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt do Heere: want Ik ben mot u; want Ik zal oone voleinding maken met al de Heidonen, waarhenon Ik n gedreven zal hebben, doch mot u zal Ik geono voleinding maken, maar quot; u kastijden met mate, en u niet ganscb onschuldig i houden. «.lor. 10:24. 30:11. |
JEREMIA 47, 48.
712
|
HOOFDSTUK 47. Profetie tegen de Filistijnen, Tyriörs, Zidoniörs en anderen, die aan do neo waren gelegen. HET woord des Hekken, dat tot den profeet Jeremia geschiedde, tegen do Filistijnen; eer dat Faraö Gaza sloeg. 2 Zoo zegt do Heere ; Ziot, wateren komen op van het noorden, en zullen worden tot eone over-loopendo beek, en overloopen het land en de volheid van hetzelve, de stad en die daarin wonen; en de menschen zullen schreeuwen, en al de inwoners des lands zullen huilen; 3 Van wege het geluid van hot geklater der hoeven zijner quot;sterke paarden, van wege hot geraas zijner wagenen, en het bulderen zijner '' raderen: de vaders zien niet om naar de kinderen , van wege de slappigheid der handen; n .Ter. 4 : 13. ti; 23. b Jes. 5 ; 28. 4 Van wege den dag, die er komt om allo Filistijnen te verstoren, om a Tyrus en Zidon allen overgeblevenen helper af te snijden: want do Heere zal do Filistijnen, het overblijfsel dos eilands van Kafthor, verstoren. n .1 er. 2r): 22. 5 Kaalheid is op Gaza gekomen ; quot; A'skelon is uitgeroeid, met liet overblijfsel huns dals; iioe lang zult gij u zeiven ''insnijdingen maken? aJer. 25:20. Deut. 14:1. Jer. 1G : G 6 O wee, gij zwaard des Heeren! hoe lang zult gij niet stil houden ? vaar in uwe scheede, rust en wees stil! 7 Hoe zoudt gij stil houden? De Heere heeft toch aan liet zwaard bevel gegeven; tegen A'skelon on tegon do zeehaven, aldaar heeft Hij het besteld. HOOFDSTUK 48. Profetie tegen de Moabieten, van wege hunne veelvuldige zonden, inzonderheid van hunnen ondrage-lijken hoogmoed en verachting van God en zijn volk. niet eene liijgovoogde belofte. TEGEN quot; Moab zegt do Heere dor heirscharon, de God Israels, alzoo: Woo over Nebo, want zij is verstoord; Kirjathaïm is beschaamd, zij is ingenomen ; de stad des hoogen vertroks is bo-schaamd en verschrikt. «.Ter. 25:21. 27:3. 2 Moabs roem van Hesbon is er niet meer; zij hebben kwaad tegen haar gedacht, zeggende: Komt, en laat ons haar uitroeijen, dat zij geen volk meer zij; ook gij, o Madmen! zult nederge-houwen worden, liet zwaard zal achter u her gaan. 3 Er is eene stem des gekrijts van Horonaïm; verstoring on eene groote breuk! 4 Moab is verbroken; hare kleine kinderen hebben een gekrijt laten hoeren. 5 Want in den opgang van Luhith zal quot; geween bij geween opgaan, want in den afgang van Horonaïm hebben Moabs wederpartij ders een jammergeschrei gehoord. a Jes. 15:5. (5 Vlugt, redt ulieder ziel! en wordt als do quot; heide in de woestijn: aJor. 17 :G. |
7 Want om uw vertrouwen op uwe werken, en o]) uwe schatten, zult gij ook ingenomen worden; on Kamos zal honen uitgaan in gevangenis, zijne quot; priesteren en zijne vorsten te zamen. «Jer.49:3. 8 Want de verstoorder zal komen over elke stad, dat niet ééne stad ontkomen zal; en hot dal zal verderven, en hot effen veld verdelgd worden: want do Heere heeft het gezegd. 9 Geeft Moab vederen, want al vliegende zal zij uitgaan; en hare steden zullen ter verwoesting worden, dat niemand in dezelve wone. 10 Vervloekt zij, die des Heeren werk bedrie-gelijk doet; ja, vervloekt zij, die zijn zwaard van het bloed onthoudt! 11 Moab is van zijne jeugd aan gerust geweest, en hij heeft op zijne quot; heffe stil gelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem gebleven, en zijn reuk niet veranderd. a Zef. 1: 12. 12 Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de Heere , dat Ik hom vreemde gasten zal toeschik-kon, die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, on zijne vaten ledigen, en hunlieder flesschen in stukken slaan. 13 En Moab zal beschaamd worden van wege Kamos, gelijk als hot huis Israels beschaamd is geworden van wege Beth-El, quot; hunlieder vertrouwen. a 1 Kon. 12 : 29. 14 Hoe zult gij zeggen: Wij zijn helden en dappere mannen ton strijde? 15 Moab is verstoord, en uit zijne steden opgegaan, en do keur zijner jongelingen is tor slagting afgegaan, spreekt do Koning, wiens naam is Heere dor heirscharon. 1G Moabs verderf is nabij om te komen, en zijn kwaad haast zeer. 17 Beklaagt hem, gij allen, die rondom hom zijt, en allen, die zijnen naam kent; zegt: IIoo is do sterke staf, do sierlijke stok verbroken? 18 Daal neder uit ntve heerlijkheid, en woon in dorst, gij inwoneres, gij dochter van Dibon! want Moabs verstoorder is tegon u opgetogen, hij heeft uwe vestingen verdorven. 19 Sta aan don weg, en zie toe, gij inwoneres van Aróër! Vraag den vlugtenden man on de ontkomono vrouw; zeg: Wat is er geschied? 20 Moab is beschaamd, want hij is verslagen, quot;huilt en krijt! verkondigt to Anion, dat Moab verstoord is. «Jes. 1G:7. 21 En het oordeel is gekomen over hot vlakke land; over Holon, on over Jahza, en over Méfaath, 22 En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaïm. 23 En over Kirjathaïm, on over Beth-Gamul, en over Both-Meon, 24 En over Keriöth, en over Bozra; ja over allo steden van Moabs land, dio verre en dio nabij zijn. |
JE RE MI A 48, 49.
713
|
25 Moabs hoorn is afgesneden, en zijn arm verbroken , spreekt de Heere. 26 Maak hem dronken, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den Heere; zoo zal Moab met de handen klappen in zijn uitspuwsel, en hij zelf zal ook ter belagching zijn. 27 Want is u niet Israël ter belagching geweest ? Was hij onder de dieven gevonden, dat gij u zoo bowoogt, van den tijd af, dat uwe woorden van hem waren ? 28 Verlaat de steden, en woont in de steenrots, gij inwoners van Moab! en wordt gelijk eene duif, die in de doorgangen van den mond eens hols nestelt. 29 Wij hebben Moabs quot; hoovaardij gehoord, (hij is zeer hoovaardig) zijne trotschheid, en zijne hoovaardij, en zijnen hoogmoed, en zijns harten hoogheid. «Jes. 1G : 0. 30 Ik ken zijne verbolgenheid, spreekt de Heere, maar niet alzoo; zijne grendelen doen het zoo niet. 31 Daarom zal ik over Moab huilen, ja om gansch Moab zal ik krijten ; over de lieden van Kir-heres zal men zuchten. 32 Boven het geween van Jaëzer zal ik u be-weenen, gij wijnstok van Sibma! uwe wijnranken zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jaëzers zee; maar de verstoorder is gevallen op uwe zomervruchten en op uwen wijnoogst; 33 Zoodat de quot; blijdschap en verheuging uit het vruchtbare veld, namelijk uit Moabs land, weggenomen is; want Ik heb den wijn doen ophouden uit de kuipen; men zal geene druiven treden met vreugdegeschrei; het vreugdegeschrei zal geen vreugdegeschrei zijn. a.Tes. 1G;10. 34 Van wege Hesbons gekrijt tot Eleale toe, tot Jahaz toe, hebben zij hunne stem verheven, van quot; Zoar tot aan Horonaïm, die driejarige vaarze: want ook de wateren van Nimrim zullen tot verwoestingen worden. aJes. 15:5, (3. 35 En Ik zal in Moab doen ophouden, spreekt de Heere, dien, die op de hoogte offert, en die zijnen goden rookt. 36 Daarom zal mijn hart over Moab getier maken als de fluiten; ook zal mijn hart over do lieden van Kir-heres getier maken als de fluiten, omdat het overschot, dat hij gemaakt had, verloren is. 37 Want alle quot; hoofden zijn kaal, en alle baarden afgekort; op alle handen zijn ''insnijdingen, en op de lenden is een zak. « Joa. 15:2,3. fiJer. 47:5. 38 Op alle daken van Moab, en op al hare straten is overal misbaar: want Ik heb Moab verbroken als een vat, waar men geenen Instaan heeft, spreekt de Heere. 39 Hoe is hij verslagen! zij huilen; hoe heeft Moab den nek met schaamte gewend! alzoo zal Moab allen, die rondom hem zijn, tot belagching en tot eene ontzetting worden. 40 Want zoo zegt de Heere: Ziet, hij zal snel vliegen als een quot; arend, en hij zal zijne vleugelen over Moab uitbreiden. «Jer. 4: 18. |
41 Elk eene der steden is gewonnen, en elk eene der vastigheden is ingenomen; en het hart van Moabs helden zal te dien dage wezen, als liet hart eener vrouw, die in nood is. 42 Want Moab zal verdelgd worden, dat hij geen volk zij, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den Heere. 48 De vreeze, en do kuil, en de strik, over u, gij inwoner van Moab! spreekt de Heere. 44 Die van de vreeze ontvliedt, zal in den kuil vallen, en die uit den kuil opkomt, zal in don strik gevangen worden: want Ik zal over liaar, over Moab, het jaar van hunlieder bezoeking brengen, spreekt de Heere. 45 Die voor des vijands magt vlugten, bleven staan in do schaduw van Hesbon ; maar een a vuur is uitgegaan van Hesbon, en eene vlam van tus-schen Sihon, en heeft de hoeken van Moab en den schedel der kinderen van liet gedruisch verteerd. a Num. 21: 28. 46 Wee u, Moab! het volk van Kamos is verloren : want uwe zonen zijn weggenomen in gevangenis, ook zijn uwe dochters in gevangenis. 47 Maar in het laatste der dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt de Heere. Tot hiertoe is Moabs oordeel. HOOFDSTUK 49. Profetie tegen de Ammonieten, vs. 1; Edomieten, 7; Damask ns en de Syriërs, 23; Kedar en Hazor, 28; en togen Elam met eene bijgevoegde belofte, 34. TEGEN do kinderen Ammons zegt de Heere alzoo: Heeft dan Israël geene kinderen? heeft hij geenen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van quot; Gad, en waarom woont zijn volk in deszelfs steden? «Amos 1 :18. 2 Daarom ziet, de dagen komen, spreekt de Heere , dat Ik over quot; Rabba der kinderen Ammons een krijgsgeschrei zal doen hooren, en zij zal tot eenen woesten hoop worden, en hare onderhoorigo plaatsen zullen met vuur aangestoken worden; en Israël zal erven degenen, die hem geërfd hadden, zegt de Heere. «Amos 1:14. 3 Huil, o Hesbon! want Ai is verstoord; krijt, gij dochteren van Rabba, gordt zakken aan, quot; drijft misbaar, en loopt om bij de tuinen: want Malcham zal wandelen in gevangenis, zijne h pries-teren en zijne vorsten te zamen. ft Jes. 32: 12. Jer. 4:8. 6:26. h .lor. 48:7. 4 Wat roemt gij op uwe dalen? uw dal is weg-gevloten, gij afkeerige dochter! die op hare quot;schatten vertrouwt, zeyyende: ''Wie zou tegen mij komen? ft Jer. 48:7. h Jer. 21: 18. 5 Ziet, Ik zal vreeze over u brengen, spreekt de Heere, de Heere der heirscharen, van allen, die rondom u zijn; en gijlieden zult, een iegelijk voor zich henen, uitgedreven worden, en niemand zal den omdoolende vergaderen. 6 Maar daarna zal Ik de gevangenis der kinderen Ammons wenden, spreekt de Heere. 7 Tegen Edom zegt de Heere der heirscharen |
|
714 alzoo: quot; Is or dan goone wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van do verstandigen ? Is hunliedor wijsheid onnut geworden? «Obadjavs.S. 8 Vliedt, wendt u, woont in diepo plaatsen, gij inwoners van quot; Dedan! want Ik heb Ezans verderf over hom gebragt, den tijd, dat Ik hem bezocht heb. a Jer. 25:23. 9 quot; Zoo or wijnlozors tot u gekomen waren, zouden zij niet eene nalezing hebben overgelaten ? Zoo er dieven bij nacht yekomen waren, zouden zij niet verdorven hebben zoo veol hun genoeg ware ? a Obadja vs. 5. 10 Maar Ik heb Ezau ontbloot. Ik heb zijne verborgene plaatsen ontdekt, dat hij zich niet zal kunnen versteken; zijn zaad is verstoord, ook zijne broeders, en zijne naburen, on hij is or niet meer. 11 Laat uwe woezen achter, en Ik zal hen in hot loven behouden, en laat uwe weduwen op Mij vertrouwen. 12 Want zoo zogt de Heere: Ziet, degenen, welker oordeel hot niet is den beker te drinken, zullen ganschelijk drinken; en zoudt gij oenigzins onschuldig gehouden worden? Gij zult niet onschuldig worden gehouden, maar gij zult ganschelijk drinken. 13 Want Ik heb bij Mij zelvon gezworen, spreekt de Heere, dat Bozra worden zal tot eene ontzetting, tot eene smaadhoid, tot eene woestheid, en tot oenen vloek; en al hare steden zullen worden tot eeuwige woestheden. 14 Ik heb oen quot; gerucht gehoord van don Heere, en er is een gezant geschikt onder de Heidenen, om te zee/(jen: Vergadert u, en komt aan tegen haar, en maakt u op ten strijde. «Obadja vs. 1. 15 Want zie, Ik hob u klein gemaakt onder de Heidenen, veracht onder de monschen. 1(5 Uwe schrikkolijkhoid hoeft u bedrogen, en de quot; trotschheid uws harten, gij, die woont in de kloven dor steenrotsen, die u houdt op de hoogte der heuvelen! Al zoudt gij uw h nest zoo hoog maken als de arend, zoo zal Ik u van daar nedor-stooten, spreekt do Heere. a Jor. 48 ; 29. h Obadja vs. 4. 17 Alzoo zal Edom worden tot eene ontzetting; quot;al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al hare plagen. a Jer. 50:13. 18 quot; Gelijk do omkoering van Sodom en Gomorra en harer naburen, zal hot zijn, zegt do Heere: niemand zal daar wonen , en geen menschenkind daarin verkoeren. a Gen. 19 ; 25. Jer. 50 : 40. Amos 4:11. 19 quot; Ziet, gelijk oen leeuw van de ''verheffing dor Jordaan, zal hij opkomen tegen do sterke woning: want Ik zal hem in een oogonblik daaruit doen loopen; en wie daartoe vorkoren is, dien zal Ik tegen haar bestellen: want wie is Mij gelijk? on ' wie zou Mij verdagvaarden? en wie is die herder, die voor mijn aangezigt bestaan zou? aJer. 50:44, enz. ftJer. 12:5. cJob41:l. Jor. 50:44,45. |
20 Daarom hoort dos Heeren raadslag, dien Hij over Edom heeft beraadslaagd, en zijne gedachten, die Hij gedacht heeft over de inwoners van Thoman: Zoo de geringste van de kuddo hen niet zullen nedertrekken! Indien hij hunliedor woning niet boven hen zal verwoesten! 21 De aarde heeft gebeefd van hot geluid huns vals, van liet gekrijt, welks geluid gehoord is bij do Scholfzee. 22 Ziet, hij zal opkomen quot;en snel vliegen, als een arend, en zijne vleugelen over Bozra uitbreiden ; on hot hart van Edoms holdon zal te dien dage wezen , als hot hart oener b vrouw, die in nood is. « Jer. 48:40. ft Jor. 48:41. 23 Tegen quot; Damaskus. Beschaamd is Hamath on Arpad; omdat zij een boos gerucht gehoord hebben, zijn zij gesmolten; bij de zee is bekommernis, men kan er niet rusten. «Jes. 17 :1. 24 Damaskus is slap geworden, zij hoeft zich gewond, om te vlugten, on siddering heeft haar aangegrepen; benaauwdheid en smarten als van eene quot; barende vrouw hebben haar bevangen: «Jer. 4:31. 6:24. 30 : G. 25 Hoe is de beroemde stad niet gelaten, de stad mijnor vrolijkheid! 26 Daarom zullen hare jongelingen vallen op hare straten; en al hare krijgslieden zullen te dien dage nodergehouwon worden, spreekt do Heere der heirscharen. 27 En Ik zal een quot; vuur aansteken in don muur van Damaskus, en het zal Bonhadads paleizen verteren. « Amos 1:4, 14. 28 Togen Kodar, en tegen de koningrijken van Hazor, die Nebukadrézar, de koning van Babel, sloeg, zegt de Heere alzoo: Maakt u op, trekt op tegen Kodar, en verstoort de kinderen van het oosten. 29 Zij zullen hunne tenten en hunne kudden nemen, hunne gordijnen en al hun gereedschap, en hunne kemelon voor zich wegnomen; en zij zullen tegen hen uitroepen: Schrik van rondom! 30 Vliedt, zwerft fluks honen weg, woont in diepe plaatsen, gij inwoners van Hazor! spreekt de Heere: want Nebukadrézar, do koning van Babel, hooft oenen raadslag tegen ulieden beraadslaagd, en eene gedachte tegen hen gedacht. 31 Maakt u op, trekt op togen het volk, dat rust hooft, dat in zekerheid woont, spreekt de Heere; dat geene deuren noch grondel hooft, die alleen wonen. 32 En hunne kemelon zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ton buit zijn; en Ik zal hen verstrooijen in alle winden, te weten degenen, die aan de quot;hoeken afgekort zijn; on Ik zal hunliedor verderf van al zijne zijden aanbrengen, spreekt de Heere. «.Ier. 9:2(5. 25:23. 33 En Hazor zal worden tot eene quot; drakonwoning, eene verwoesting tot in eeuwigheid; niemand zal daar wonen, on geen menschenkind daarin verkoeren. «Jer. 9:11. 10:22, JE RE MIA 49. |
JEREMIA 4!), 50.
715
|
34 Het woord des Heeren, dat tot den profeet Jerenüa geschied is tegen Elam, in liet begin des koningrijks van Zedekia, den koning van Juda, zeggende; 35 Zoo zegt de IIeere der heirscharen: Ziet, Ik zal verbreken Elains boog, het voornaamste van hunlieder geweld. 3fi En Ik zal de vier winden uit de vier hoeken des hemels over Elam aanbrengen, en zal hen in al diezelve winden verstrooijen; en er zal geen volk zijn, waarhenen Elams verdrevenen niet zullen komen. 37 En Ik zal Elam versaagd maken voor het aangezigt hunner vijanden, en voor hot aange-zigt dergenen, die hunne ziel zoeken, en zal een kwaad over bon brengen, de hittigheid mijns toorns, spreekt de Heere; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben. 38 En Ik zal mijnen troon in Elam stellen; en zal den koning en de vorsten van daar vernielen, spreekt de Heere; 39 Maar hot zal geschieden in het laatste der dagen, dat Ik Elams quot; gevangenis wenden zal, spreekt de Heere. aJer. 48:47. HOOFDSTUK 50. lircedvoerige profetie van do verwoesting dor stad Habol, on van hot land dor Chaldoën, door do Perzen on Meden, van wege des volks afgoderij, wreedheid en hoogmoed, mot bijgevoegde sohoone beloften van do verlossing van hot Joodscho volk uit de Babylonische gevangenis, on dor algemeene Kerk uit de geestelijke gevangenis door den Messias. HET woord, dat de Heere gesproken hooft tegen Babel, tegen het land der Chaldeën, dooide dienst van den profeet Jeromfa. 2 Verkondigt onder de Heidenen, en doet hoo-ren, en werpt eene banier op, laat hooren, verbergt het niet; zegt: Babel is ingenomen, quot;Bel is beschaamd, Meródach is verpletterd, hare afgoden zijn beschaamd, hare drekgoden zijn verpletterd! «Jes. 40:1. Jer. 51 : 44. 3 Want een volk komt tegen haar op van liet noorden; dat zal haar land zetten in verwoesting, dat er geen inwoner in zal zijn; van de menschen aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan! 4 In dezelve dagen en ter zeiver tijd, spreekt de Heere, zullen de kinderen Israels komen, zij en de kinderen van Juda te zamen; wandelende en weenende zullen zij henengaan, en den Heere, hunnen God, zoeken. 5 Zij zullen naar Zion vragen; op den weg herwaarts zullen hunne aangezigten zijn; zij zullen komen en den Heere toegevoegd worden, mei oen eeuwig verbond, dat niet zal worden vergeten. G Mijn volk waren verlorene schapen, hunne herders hadden hen verleid, zij hadden hen go-voord naar do bergen; zij gingen van berg tot heuvel, zij vergaten hunne legering. |
7 Allen, die hen vonden, aten hen op, en hunne wederpartijders zeiden: Wij zullen goene schuld hebben; daarom dat zij gezondigd hebben tegen den Heere, in de quot; woning der geregtigheid, ja tcycn den Heere, do Verwachting hunner vaderen. a Jer. 31:23. 8 quot; Vliedt weg uit het midden van Babel, en gaat uit uit der Chaldeën land; en weest als de bokken voor do kudde benen. «Jos. 48:20. .lor. 51 : 0. Oponb. 18:4. 9 Want ziet. Ik zal eene verzameling van groote volken uit het land van het noorden verwekken, en tegen Babel opbrengen; dio zullen zich tegen haar rusten, van daar zal zij ingenomen worden; zijne pijlen zullen zijn als eens kloeken holds, geen zal ledig wederkeeren. 10 En Chaldóa zal ten roof zijn: allen, die liet berooven, zullen verzadigd worden, spreekt de Heere. 11 Omdat gij u verblijd hebt, omdat gij van vreugde hebt opgesprongen, gij plunderaars mijner erfenis! omdat gij geil geworden zijt als eene grazige vaars, cn hebt gebriescht als de sterke paarden; 12 Zoo is uwe moeder zeer beschaamd: die u gebaard heeft, is schaamrood geworden; ziet, zij is geworden de achterste der Heidenen, eene woestijn, dorheid en wildernis. 13 Van wege de verbolgenheid des Heeren zal zij niet bewoond worden, maar zij zal geheel eene verwoesting worden: quot; al wie aan Babel voorbijgaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al hare plagen. a Jer. 49: 17. 14 Rust u tegen Babel rondom, gij allen, die don boog spant! schiet in haar, en spaart de pijlen niet: want zij heeft togen den Heere gezondigd. 15 Juicht over haar rondom, zij heeft hare hand gegeven; bare fondamenten zijn gevallen, hare muren zijn afgebroken: want dat is des Heeren wraak, wreekt u aan haar, doet haar, gelijk als zij gedaan hoeft! 16 Roeit uit van Babel den zaaijer, en dien, die de sikkel handelt in den oogsttijd; laat hen van wege hot verdrukkende zwaard, zich keeren, een iegelijk tot zijn volk, en vlieden, een iegelijk naar zijn land. 17 Israël is een verbijsterd lam, dat de leeuwen verjaagd hebben; de eerste, die hem heeft opgegeten , was do koning van Assur, en deze do laatste, Nebukadrézar, do koning van Babel, lieeft hem de beenderen verbrijzeld. 18 Daarom, zoo zegt do Heere der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik zal bezoeking doen over don koning van Babel en over zijn land, gelijk als Ik bezoeking gedaan heb over den quot; koning van Assur. «2 Kon. 19:35, 37. Jos. 37:36, 38. 19 En Ik zal Israël weder tot zijne woning brengen , en hij zal weiden op don Karmel en op don Basan; en zijne ziel zal op het gebergte van Efraïm en Gilead verzadigd worden. |
JEREMIA 50, 51.
|
20 In die dagen en te dier tijd, spreekt de IIeere , zal Israels ongeregtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zullen niet gevonden worden: want Ik zal ze dengenen vergeven, die Ik zal doen overblijven. 21 Tegen liet land Merathaïm, trek tegen hetzelve op, en tegen de inwoners van Pekod; verwoest en verban achter hen, spreekt de Heere, en doe naar alles, wat Ik u geboden lieb. 22 Er is een krijgsgeschrei in het land, en cene groote breuk. 2:5 Hoe is de hamer der gansche aarde zoo afgehouwen en verbroken! Hoe is Babel geworden tot eene ontzetting onder de Heidenen! 24 Ik heb u een' strik gesteld, dies zijt gij ook gevangen, o Babel! dat gij het niet wist; gij zijt gevonden, en ook gegrepen, omdat gij u tegen den Heere in strijd gemengd hebt. 25 Be Heere heeft zijne schatkamer opengedaan, en de instrumenten zijner gramschap voortgebragt: want dat is een werk van den Heere, den Heere der heirscharen, in het land der Chaldeën. 20 Komt aan tegen haar van het uiterste, opent hare schuren, vertreedt haar als korenhoopen, en verbant zo; laat ze geen overblijfsel hebben. 27 Boodt met het zwaard al hare varren, laat ze afgaan ter slagting; wee over hen, want hun dag is gekomen, de tijd hunner bezoeking! 28 Er is eene stem der gevlugten en ontkomenen uit hot land van Babel, om in Zion te verkondigen de wraak des Heeren, onzes Gods, de wraak zijns tempels. 20 Laat u hooren tegen Babel, gij schutters! gij allen, die den boog spant! legert u tegen haar rondom, laat niemand van hen ontkomen; vergeldt haar naar haar werk, doet haar naar alles, wat zij gedaan heeft: want zij heeft trotschelijk gehandeld tegen den Heere, tegen den Heilige Israels. 30 Baarom zullen hare quot; jongelingen vallen op hare straten, en al hare krijgslieden te dien dage uitgeroeid worden, spreekt de Heere. aJor. 49 : 2(). 31 Ziet, Ik wil aan u, gij trotsche! spreekt de Heere, de Heere der heirscharen: want uw dag is gekomen, de tijd, dat Ik u bezoeken zal. 82 Ban zal de trotsche aanstooten en vallen, en er zal niemand zijn, die hem oprigt; ja Ik zal een vuur aansteken in zijne steden, dat zal alle plaatsen rondom hem verteren. 3:3 Zoo zegt de Heere der heirscharen: Be kinderen Israels en de kinderen van Juda zijn te zamen verdrukt geweest; en allen, die hen gevangen hadden, hebben hen vast gehouden, zij hebben hen geweigerd los te laten. 34 Maar hun Verlosser is sterk, Heere der heirscharen is zijn naam; Hij zal hunnen twist zekerlijk twisten, opdat Hij het land in rust brenge, maar do inwoners van Babel beroere. |
35 Het zwaard zal zijn over de Chaldeën, spreekt de Heere , en over do inwoners van Babel, en over hare vorsten, en over hare wijzen. 36 Het zwaard zal zijn over de leugenaars, dat zij zot worden; het zwaard zal zijn over hare helden, dat zij versagen; 37 Het zwaard zal zijn over zijne paarden en over zijne wagenen, en over den ganschen ge-mengden hoop, die in het midden van hen is, dat zij tot wijven worden; het zwaard zal zijn over hare schatten, dat zij geplunderd worden. 38 Broogte zal zijn over hare wateren, dat zij uitdroogen: want het is een land van gesnedene beelden, en zij razen naar de schrikkelijke afgoden. 39 Baarom zoo zullen de wilde dieren der woestijnen met de wilde dieren der eilanden daarin wonen; ook zullen de jonge struisen daarin wonen; en men zal er geen verblijf meer hebben in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht. 40 quot; Gelijk God Sodom en Gomorra en hare naburen heeft omgekeerd, spreekt de Heere, ahoo zal niemand aldaar wonen, en geen menschenkind in haar verkeeren. «Gen. 19:25. Jer. 49:18. 41 Ziet, quot;daar komt een volk uit het noorden, en eene groote natie, en geweldige koningen zullen van do zijden der aarde opgewekt worden. a Jer. 0:22, onz. 42 Boog en spies zullen zij voeren; wreed zijn zij, en zullen niet barmhartig zijn; hunne stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust als een man ten oorlog, tegen u, o dochter van Babel! 43 Be koning van Babel heeft hunlieder gerucht gehoord, en zijne handen zijn slap geworden; quot; benaauwdheid heeft hem aangegrepen, weedom als van eene barende vrouw. a Jer. 49 : 24. 44 quot;Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing der Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hen in een oogenblik daaruit doen loopen; en wie daartoe verkoren is, dien zal Ik tegen haar bestellen: want ''wie is Mij gelijk? en wie zou Mij verdagvaarden? en wie is de herder, die voor mijn aangezigt bestaan zou? «Jer. 49: 19, enz. /;Job 41 : 1. Jer. 49:19. 45 Baarom hoort den quot; raadslag des Heeren , dien Hij over Babel heeft beraadslaagd, en zijne gedachten, die Hij gedacht heeft over het land der Chaldeën: Zoo de geringste van de kudde hen niet zullen nedertrekken! zoo iiij de woning boven hen niet zal verwoesten! « Jer. 49 : 20. 46 Be quot; aarde is bevende geworden van het geluid der inneming van Babel, en het gekrijt is gehoord onder de volken, «Jer. 49:21. HOOFBSTUK 51. Verdere profetie van den val en de verwoesting van het weelderige, gierige, wreede en afgodische Babel, en van de genadige verlossing van het Joodsche volk uit de Babylonische gevangenis, vs. 1. Jercmfa beveelt aan Seraja, om het boek, waarin hij deze |
JEREMIA 51.
717
|
profetiën had geschreven, met eonen steen aan hetzelve gebonden, hij liabol in do rivier Frath te werpen, tot een teeken van Babels eeuwige verzinking, 59. ZOO zegt de Heere: Ziet, Ik zal eenen ver-dervenden quot; wind opwekken tegen Babel, en togen degenen, die daar wonen in het hart van degenen, die tegen Mij opstaan. a.ler. 4: 11. 2 En Ik zal Babel quot; wanners toeschikken, die haar wannen, en haar land uitledigen zullen; want zij zullen ten dage des kwaads van rondom tegen haar zijn. «Jer. 4:11. 15:7. 3 De schutter spanne zijnen boog tegen dien, die spant, en tegen dien, die zich verheft in zijn pantsier; en verschoont hare jongelingen niet, verbant al haar heir; 4 Dat de verslagenen liggen in het land der Chaldeën , en de doorstokenen op hare quot; straten. «Jer. 49:26. 5 Want Israël of Juda zal niet in weduwschap gelaten worden van zijnen God, van den Heere der heirscharen, (hoewel hunlieder land vol van schuld is) van den Heilige Israels. G quot;Vliedt uit het midden van Dabei, en redt, een iegelijk zijne ziel, wordt niet uitgeroeid in hare ongeregtigheid: want dit is de tijd dor ''wraak des Heeren, die haar de verdienste betaalt. a Jer. 50:8. Openb. 18:4. ft Jer. 50:15, 28. 7 Babel was een gouden beker in de hand des Heeren, die de gansehe aarde dronken maakte; de volken hebben van haren wijn gedronken, daarom zijn de volken dol geworden. 8 Schielijk is Babel quot; gevallen en verbroken; huilt over haar, neemt ''balsem tot hare pijn, misschien zal zij genezen worden. a Jes. 21:9. Openb. 14:8. 18:2. b Jer. 8:22. 9 Wij hebben Babel gemeesterd, maar zij is niet genezen; n verlaat haar dan, en laat ons een iegelijk in zijn land trekken: want haar oordeel reikt tot aan den hemel, en is verheven tot aan de bovenste wolken. «Jer. 40:11. 10 De Heere hoeft onze geregtigheden hervoor gebragt; komt en laat ons te Zion het werk des Heeren, onzes Gods, vertellen! 11 quot;Zuivert do pijlen, rust de schilden volko-menlijk toe; do Heere heeft den geest dor koningen van Medië opgewekt; want zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar vorderve: want dit is de wraak des Heeren, de'' wraak zijns tempels. a Jer. 40 : 4. b Jer. 50 : 28. 12 Verheft de banier op de muren van Babel, versterkt de wacht, stelt wachters, bereidt de lagen: want gelijk de Heere heeft voorgenomen, alzoo heeft Hij gedaan, wat Hij over de inwoners van Babel gesproken heeft. 13 Gij, die aan vele wateren woont, die magtig zijt van schatten! uw einde is gekomen, do maat uwer gierigheid. 14 quot; De Heere der heirscharen heeft gezworen bij zijne ziel: Ofschoon Ik u met menschen als mei kevers vervuld heb, nogtans zullen zij elkander een vreugdegoschroi over u toeroepen! |
a Amos 0 : 8. 15 Die de quot; aarde gemaakt heeft door zijne kracht, die do wereld bereid heeft door zijne wijsheid, en den hemel ''uitgebreid door zijn vorstand; «Gen. 1:1. Jer. 10:12, enz. ft Job 9:8. Ps. 104 : 2. Jos. 40 : 22. 44 : 24. 51 : 13. Jer. 10 :12. KJ Als Hij zijne stem geeft, zoo is er een ge-druisch van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met don regen, en doet den wind voortkomen uit zijne schatkameren. 17 Een ieder monsch is onvernuftig geworden, zoodat hij geene wetenschap hooft; een ieder goudsmid is beschaamd van hot gesneden beeld: want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen. 18 IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen ; ton tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan. 19 Jakobs quot;deel is niet gelijk die; want Hij is do Formeerder van alles, en Israël is de roede zijner erfenis, Heere der heirscharen is zijn naam. a Jer. 10 : 1(5. 20 Gij zijt Mij quot; een voorhamer, en krijgswapenen ; en door u zal Ik volken in stukken slaan, en door u zal Ik koningrijken verderven. aJer. 50:23. 21 En door u zal Ik in stukken slaan het paard en zijnen ruiter; en door u zal Ik in stukken slaan den wagen en zijnen ruiter. 22 En door u zal Ik in stukken slaan don man en de vrouw; en door u zal Ik in stukken slaan den oude en den jonge; en door u zal Ik in stukken slaan den jongeling en do jonkvrouw. 23 En door u zal Ik in stukkon slaan den herder en zijne kudde; en door u zal Ik in stukken slaan den akkerman en zijn jok-ossera; en door u zal Ik in stukkon slaan landvoogden en overheden. 24 Maar Ik zal Babel en allen inwoneron van Chaldóa vergelden al hunne boosheid, die zij gedaan hebben aan Zion, voor ulieder oogen, spreekt de Heere. 25 Ziet, Ik wil aan u, gij verdervende berg! spreekt de Heere , gij, die de gansehe aarde verderft! en Ik zal mijne hand tegen u uitstrekken, en u van do steenrotsen afwentelen, en zal u stellen tot oenen borg des brands. 20 En zij zullen uit u geenen steen nemen tot eenen hoek, ook geenen steen tot fondamenten: want gij zult tot eeuwige woestheden zijn , spreekt de Heere. 27 Verheft do banier in het land, blaast de bazuin onder de Heidenen, heiligt de Heidenen togon haar, roept tegen haar bijeen do koningrijken van A'rarat, Minui en A'skenaz; bestelt eenen krijgsoverste tegen haar, brengt paarden opwaarts, als ruige kevers! 28 Heiligt togon haar do Heidenen, de koningen van Medië, hare landvoogden en al hare overheden, ja hot gansehe land harer heerschappij. |
JEREMIA 51.
718
|
29 Dan zal liet land beven en pijn lijden: want elk eene van des Hekken gedachten staat vast tegen Babel, om Babels land te stellen tot eene verwoesting, dat er geen inwoner zij. 30 Babels holden hebben opgehouden te strijden, zij zijn gebleven in do vestingen, hunne magt is bezweken, zij zijn tot quot;wijven geworden; zij hebben hunne woningen aangestoken, hunne grendels zijn verbroken. a Jer. 50:37. 31 De looper zal den looper te gemoet loopen, en de kondschapper den kondschapper te gemoet, om den koning van Babel bekend te maken, dat zijne stad van het einde is ingenomen; 32 En dat de veren ingenomen, en de rietpoelen met vuur verbrand zijn; en dat do krijgslieden verbaasd zijn. 33 Want zoo zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: De dochter van Babel is als een dorschvloer, het is tijd, dat men ze trede; nog oen weinig, dan zal haar de tijd des oogstes overkomen. 34 Nebukadrézar, de koning van Babel, heeft mij opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij heeft mij gesteld als een ledig vat, hij heeft mij verslonden als een draak, hij heeft zijnen balg gevuld van mijne lekkernijen; hij heeft mij verdreven. 35 Het geweld, dat mij en mijn vleesch is aangedaan , zij op Babel! zegge de inwoneres van Zion; en mijn bloed zij op de inwoners van Chaldéa ! zegge Jeruzalem! 30 Daarom, zoo zegt de Heere: Ziet, Ik zal uwen twist twisten, en uwe wraak wreken; en Ik zal hare quot; zee droog maken, en hare springader opdroogen. « Jer. 50:38. 37 En Babel zal worden tot steenhoopen, eene woning der draken, eene ontzetting en aanfluiting, dat er geen inwoner zij. 38 Zij zullen te zamen brullen als jonge leeuwen, brieschen als leeuwenwelpen. 39 Als zij verhit zijn, zal Ik hunnen drank opzetten, en zal hen dronken maken, opdat zij opspringen; maar zij zullen eenen eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt de Heere. 40 Ik zal hen afvoeren als lamineren om te slagten, als rammen met bokken. 41 Hoe is quot; Sesach zoo veroverd, en de 11 roem der gansche aarde ingenomen! Hoe is Babel geworden tot eene ontzetting onder de Heidenen! a .Ier. 25 : 26. h .les. 13 : 19. 42 Eene zee is over Babel gerezen, door de veelheid harer golven is zij bedekt. 43 Hare steden zijn geworden tot verwoesting, een dor land en wildernis; een land, waarin niemand woont, en waar geen menschenkind doorgaat. 44 En Ik zal bezoeking doen over Bel te Babel, en Ik zal uit zijnen muil uithalen wat hij verslonden heeft; en de Heidenen zullen niet meer tot hem toevloeijen, want ook Babels muur is gevallen. |
45 Gaat uit, mijn volk! uit het midden van haar, en redt een iegelijk zijne ziel, van wege de hit-tigheid van den toorn des Heeren. 46 En opdat ulieder hart misschien niet week worde, en gij vreest van het gerucht, dat gehoord zal worden in het land: want er zal een gerucht komen in het eene jaar, en daarna een gerucht in het andere jaar; en er zal geweld zijn in het land, heer over heer. 47 Daarom, ziet, de dagen komen, dat Ik bezoeking zal doen over de gesnedene beelden van Babel; en haar gansche land zal beschaamd worden, en al hare verslagenen zullen in het midden van haar liggen. 48 En de hemel en de aarde, mitsgaders al wat daarin is, zullen juichen over Babel; want van het noorden zullen haar de verstoorders aankomen, spreekt de Heere. 49 Gelijk Babel geweest is tot eenen val der verslagenen van Israël, alzoo zullen te Babel de verslagenen des ganschen lands vallen. 50 Gij ontkomenen van het zwaard! gaat weg, en blijft niet staan; gedenkt des Heeren van verre, en laat Jeruzalem in ulieder hart opkomen. 51 Gij moogt zeggen: Wij zijn beschaamd geworden, want wij hebben versmaadheid gehoord, schaamroodheid heeft ons aangezigt bedekt; omdat uitlandschen over de heiligdommen van des Heeren huis gekomen zijn : 52 Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik bezoeking doen zal over hare gesnedene beelden; en de doodelijk verwonde zal kermen in haar gansche land. 53 Al klom Babel ten hemel op, en al maakte zij vast de hoogte harer sterkte, zoo zullen haar toch verstoorders van Mij overkomen, spreekt de Heere. 54 Er is eene stem des gekrijts uit Babel, en eene grooto breuk uit het land der Chaldeën. 55 Want de Heere verstoort Babel, en zal de grootsche stem uit haar doen vergaan: want hun-lieder golven zullen bruisen als groote wateren, het geruisch van hunlieder geluid zal zich verheffen. 56 Want de verstoorder komt over haar, over Babel, en hare helden zullen gevangen worden, hunlieder bogen zijn verbroken: want de Heere, de God der vergelding, zal hun zekerlijk betalen. 57 En Ik zal hare vorsten, en hare wijzen, hare landvoogden, en hare overheden, en hare helden dronken maken; en zij zullen eenen eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt de Koning, wiens naam is Heere der heirscharen. 58 Zoo zegt de Heere der heirscharen: Die breede muur van Babel zal ten eenemaal ontbloot worden, en hare hooge poorten zullen met vuur aangestoken worden; zoodat de volken te vergeefs, en de natiën ten vure zullen gearbeid hebben, dat zij mat worden. 59 Het woord, dat de profeet Jerenua beval aan Seraja, den zoon van Nerija, den zoon van |
JEREMIA 51 , 52.
719
|
Machséja, als hij van Zedekia, don koning van Juda, naar Babol toog, in hot vierde jaar zijner regering; en Seraja was een vreedzaam vorst. 60 Jeremia nu schreef al het kwaad, dat over Habel komen zou, in oen boek, te weten al deze woorden, die tegen Babol geschreven zijn. 61 En Jeremia zeide tot Seraja: Als gij te Babel komt, zoo zult gij zien cn lezen al deze woorden; 62 En gij zult zeggen: O Heere! Gij hebt over deze plaats gesproken, dat Gij ze zult uitroeijen, zoodat er geen inwoner in zij, van den mensch tot op het beest, maar dat zij worden zal tot eeuwige woestheden. 68 En het zal geschieden, als gij geëindigd zult hebben dit boek te lezen, dan zult gij eenen steen daaraan binden, en werpen het in het midden van den Erath; 64 En zult zeggen: Alzoo zal Babel zinken, en niet weder opkomen, van wege het kwaad, dat Ik over haar zal brengen, en zij zullen mat worden. Tot hiertoe zijn do woorden van Jeremia. HOOFDSTUK 52. Herhaling van Zedekla's regering, .lorüzalcms belegering, inneming en verwoesting, mot de oorzaken daarvan on van hetgeen voorts daarbij heeft plaats gehad, vs. 1. .lójaohim wordt door Evil Meródach uit do gevangenis verlost en vriendelijk behandeld, 31. ZEDEKIA was quot;een en twintig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem ; en de naam zijner moeder was Hamütal, eene dochter van Jeremia, van Libna. a 2 Kon. 24: 18. 2 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, naar alles, wat Jójakim gedaan had. 3 Want bet geschiedde, om den toorn des Heeren tegen Jeruzalem en Juda, totdat Hij hen van zijn aangezigt weggeworpen had; en Zedekia rebelleerde tegen den koning van Babel. 4 En het geschiedde in het quot; negende jaar zijner regering, in de tiende maand, op den tienden dor maand, dat Nebukadrézar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gansche heir, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden togen haar sterkten rondom. a 2 Kon. 25; 1. .Ier. 39 ; 1. 5 Alzoo kwam do stad in belegering, tot in het elfde jaar van den koning Zedekia. 6 In do vierde maand, op den negenden der maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk des lands geen brood had; 7 Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden, en trokken uit des nachts uit de stad, door den weg der poort tusschen de twee muren, die aan des konings hof waren, (do Chaldeën nu waren tegen de stad rondom) en zij togen door den weg dos vlakken velds, 8 Doch hot heir der Chaldeën jaagde den koning-na , en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho; en al zijn heir werd van bij hem verstrooid. |
9 Zij dan grepen den koning, en voerden hem opwaarts tot don koning van Babol naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordeelen tegen hem. 10 En do koning van Babel slagtte de zonen van Zedekia voor zijne oogen; en hij slagtte ook al de vorsten van Juda te Ribla. 11 En hij verblindde de oogen van Zedekia, en hij bond hem met twee koperen ketenen; alzoo bragt hom do koning van Babel naar Babel, en stelde hem in het gevangenhuis, tot den dag zijns doods toe. 12 Daarna, in de vijfde maand, op don tienden der maand, (dit jaar was het negentiende jaar van den koning Nebukadrézar, don koning van Babel) als Nebuzaradan, do overste der trawanten , die voor het aangezigt des konings van Babel stond, te Jeruzalem gekomen was; 13 Zoo verbrandde hij het huis des Heeren en het huis des konings; mitsgaders alle huizen van Jeruzalem en alle huizen der grooten verbrandde hij met vuur. 14 En het gansche heir der Chaldeën, dat met den overste der trawanten was, brak alle muren van Jeruzalem rondom af. 15 Van de armsten nu des volks, en het overige des volks, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot don koning van Babel gevallen waren, en het overige der menigte, voerde Nebuzaradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg. 16 Maar van do armsten des lands liet Nebuzaradan , de overste dor trawanten, eenigen overig, tot wijngaardeniers en tot akkerlieden. 17 Verder braken de Chaldeën de koperen quot; pilaren, die in het huis dos Heeren waren, en do stellingen, en de koperen zee, die in het huis des Heeren was; en zij voerden al bet koper daarvan naar Babel. «Jer. 27 ; 19. 18 Ook namen zij de potten en de schoffelen, en de gaffeion, on de sprengbekkens, en do rook-schalen, en al de koperen vaten, waar men de dienst mede deed. 19 En do overste dor trawanten nam weg de schalen, en do wierookvaten, en de sprengbekkens, on de potten, en de kandelaars, on de rookscha-len, en de kroezen; wat geheel goud, en wat geheel zilver was. 20 De twee pilaren, de eene zee, en de twaalf koperen runderen, die in de plaats der stellingen waren, die de koning Salomo voor het huis des Heeren gemaakt had: het koper daarvan, te weten van al deze vaten, was zonder gewigt. 21 Aangaande de quot;pilaren, achttien ellen was de hoogte eens pilaars, en een draad van twaalf ellen omving hem; en zijne dikte was vier vingeren, en hij was hol. a 1 Kon. 7 15. 2 Kon. 25 : 17. 2 Kron. 3 : 15. 22 En het kapiteel daarop was koper, en de hoogte des eenen kapiteels was vijf ellen, en een |
KLAAGLIEDEREN 1.
720
|
net, en granaatappelen op het kapiteel rondom, alles koper; en dezen gelijk had do andere pilaar, met granaatappelen. 23 En do granaatappelen waren zes en negentig, yezet naar den wind; alle granaatappelen waren honderd, over het net rondom. 24 Ook nam do overste der trawanten Seraja, den hoofdpriester, en Zefanja, den tweeden priester , en de drie dorpelbewaarders. 2o En uit de stad nam hij eenen hoveling, die over de krijgslieden gesteld was, en zeven mannen uit degenen, die des konings aangezigt zagen, die in de stad gevonden werden, mitsgaders den oversten schrijver des heirs, die het volk des lands ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk des lands, die in het midden der stad gevonden werden. 26 Als Nebuzaradan, de overste der trawanten, dezen genomen had, zoo bragt hij hen tot den koning van Babel naar Ribla. 27 En de koning van Babel sloeg hen en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Alzoo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd. 28 Dit is het volk, dat Nebukadrézar gevankelijk heeft weggevoerd: in liet zevende jaar, drie duizend drie en twintig Joden; |
29 In liet achttiende jaar van Nebukadrézar, voerde hij gevankelijk weg acht honderd twee en dertig zielen uit Jeruzalem; 30 In het drie en twintigste jaar van Nebukadrézar voerde Nebuzaradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg van de Joden zeven honderd vijf en veertig zielen. Alle zielen zijn vier duizend en zes honderd. 31 quot; Het geschiedde daarna, in het zeven en dertigste jaar der gevankelijke wegvoering van Jójachin, den koning van Juda, in de twaalfde maand, op den vijf en twintigsten der maand, dat Evilmeródach, do koning van Babel, in het eerste jaar zijns koningrijks, het hoofd van Jójachin, den koning van Juda, verhief, en hem uit het gevangenhuis uitbragt. a 2 Kon. 25:27, enz. 32 En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijnen stoel boven den stoel der koningen, die bij hem te Babel waren. 33 En hij veranderde de kleederen zijner gevangenis; en hij at geduriglijk brood voor zijn aangezigt, al de dagen zijns levens. 34 En aangaande zijne tering, eene gedurige tering werd hem van den koning van Babel gegeven, elk dagelijks bestemde deel op zijnen dag, tot op den dag zijus doods, al de dagen zijns levens. |
DE KLAAGLIEDEREN
van
J E R E M I A.
|
HOOFDSTUK 1. Do profeet verhaalt met zuchten de heerlijkheid en den ellendigen staat der stad Jerüzalera, vs. ]; alsmede van het Joodsehe land, 3; hij bekent, dat zij zulke straffen met hunne zonden wel hadden verdiend, 8, 18; vernieuwende telken reize weder hot verhaal hunner ellende, 9, 10. Do profeet bidt God, dat Hij de groote ellende des volks wilde aanzien en zich over hen ontfermen, 20; daar zij nergens elders troost konden vinden, 21. Aleph. HOE zit die stad zoo eenzaam, die vol volks was! zij is als eene weduwe geworden, zij, die groot was onder de Heidenen , eene vorstin onder do landschappen, is cijnsbaar geworden. 2 Beth. quot;Zij weent steeds des nachts, en hare tranen loepen over hare kinnebakken; zij heeft geenen trooster onder al hare liefhebbers; al hare vrienden hebben trouwelooslijk mot haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden. a Ps. C : 7. 3 Gimel. Juda is in gevangenis gegaan van wege de ellende, en van wege de veelheid der dienstbaarheid; zij woont onder de Heidenen, zij vindt geene rust; al hare vervolgers achterhalen ze tusschen de engten. |
4 Daleth. De wegen Zions treuren, omdat niemand op het feest komt; al hare poorten zijn woest, hare priesters zuchten; hare jonkvrouwen zijn bedroefd, en zij zelve is in bitterheid. 5 He. Hare tegen partij der s zijn ten hoofd geworden, hare vijanden zijn gerust; omdat haar de Heere bedroefd beeft, van wege de veelheid harer overtredingen; hare kinderkens gaan henen in de gevangenis voor het aangezigt des tegen-partijders. 6 Vau. En van de dochter Zions is al haar sieraad weggegaan; hare vorsten zijn als de herten, die geene weide vinden, en zij gaan krachteloos henen voor het aangezigt des vervolgers. 7 Zain. Jeruzalem is, in de dagen harer ellende en harer veelvuldige ballingschap, indachtig aan al hare gewenschte dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; dewijl haar volk door de hand des tegenpartij der s valt, en zij geenen helper heeft: de tegenpartijders zien haar aan, zij spotten met hare rustdagen. 8 Cheth. Jeruzalem heeft zwaarlijk gezondigd, daarom is zij als eene afgezonderde vrouw geworden ; allen, die haar eerden, achten haar onwaard, dewijl zij quot; hare naaktheid gezien heb- |
KLAAGLIEDEREN I, 2.
721
|
bon; zij zucht ook, on zij is achterwaarts gekeerd. a Jos. 47 : 3. 9 Teth. Hare onreinheid is in hare zoomen, zij heeft niet gedacht aan haar quot;uiterste, daarom is zij wonderbaarlijk om laag gedaald, zij heeft geenen trooster. Heere! zie mijne ellende aan, want de vijand maakt zich groot. aDout 32:29. 10 Jod. Do tegenpartij der hoeft zijne hand aan al hare gewenschte dingen uitgebreid; immers heeft zij aangezien, dat de Heidenen in haar heiligdom gingen, waarvan Gij geboden liadt, dat zij in uwe gemeente niet komen zouden. 11 Caph. Al haar volk zucht, «brood zoekende, zij hebben hunne gewenschte dingen voor spijs gegeven, om de ziel te verkwikken. Zie, Heere! on aanschouw, dat ik onwaard geworden bon. a Jer. 52 : C. 12 Lamed. Gaat liet uliedon niet aan, gij allen, die over weg gaat? schouwt het aan en ziet, of er oeno smart zij gelijk mijne smart, die mij aangedaan is, waarmede de Heere mij bedroefd heeft ten dage dor hittighoid zijns toorns. 13 Mem. Van de hoogte hooft Hij een vuur in mijne beenderen gezonden, waarover Hij ge-heerscht heeft; Hij hooft voor mijne voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen koeren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den ganschon dag. 14 Nun. Hot juk mijnor overtredingen is aangebonden door zijne hand, zij zijn zamengevlochten, zij zijn op mijnen hals geklommen; Hij hooft mijne kracht doen vervallen; de Heere heeft mij in hunne handen gegovon, ik kan niet opstaan. 15 Samech. De Heere hoeft al mijne sterken in hot midden van mij vertreden; Hij hooft oene bijeenkomst over mij uitgeroepen, om mijne jongelingen te verbroken; de Heere hoeft do wijnpers dor jonkvrouw, dor dochter van Juda, getreden. 16 Ain, Om dezer dingen wille woon ik; quot; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijne ziel zou verkwikken, verre van mij is: mijne kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand hooft. «Jer. 13: 17. 17 Pe. Zion breidt hare handen uit, daar is geen trooster voor haar; de Heere heeft van Jakob geboden, dat die rondom hom zijn, zijne tegon-partijders zouden zijn; Jeruzalem is als eene afgezonderde vroww onder hen. 18 Tsade. De Heere is regtvaardig, want ik bon zijnon mond woderspannig geweest; hoort toch, alle gij volken! en ziet mijne smart; mijne jonkvrouwen en mijne jongelingen zijn in de gevangenis gegaan. 19 Koph. Ik riep tot mijne liefhebbers, maar quot; zij hebben mij bedrogen; mijne priesters en mijne oudsten hebben in de stad den geest gegeven, als zij spijze voor zich zochten, opdat zij hunne ziel mogton verkwikken. «Jer. 30:14. 20 Resch. Aanzie, Heere! want mij is bange; |
quot;mijn ingewand is beroerd, mijn hart hooft zich omgekeerd in hot binnenste van mij, want ik ben zoor woderspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood. a .les. 16:11. Jer. 48:30. 21 Schin. Zij hooron, dat ik zucht, maar ik heb geenen trooster; al mijne vijanden hooron mijn kwaad, en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebragt hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zoo zullen zij zijn gelijk ik ben. 22 Thau. Laat al hun kwaad voor uw aangezigt komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt van wege al mijne overtredingen: want mijne zuchtingon zijn vele, en mijn hart is mat. HOOFDSTUK 2. Hittere klagt over de verwoesting van de stad Jeru-zalom en van hot Joodsche volk, vs. 1; aan hetwelk hij weder de oorzaken dezer straffen indachtig maakt. 14. Bespotting hunner vijanden in hunne ellende, 15. Vermaning tot opregt berouw en leedwezen over hunne zonden, 18; met vurige gebeden, 19; waarvan hij hun een voorschrift geeft, 20. Aleph. HOE hooft de Heere de dochter Zions in zijnon toorn bewolkt? Hij heeft do heerlijkheid, van Israël van den hemel op do aarde nedorge-worpon; on Hij hoeft aan do voetbank zijnor voeten niet gedacht in den dag zijns toorns. 2 lietk. De Heere hooft al de woningen Jakobs verslonden, en heeft zo niet verschoond; Hij heeft de vastigheden der dochter van Juda afgebroken in zijne verbolgenheid, Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken; Hij heeft hot koningrijk en deszolfs vorston ontheiligd. 3 Gimel. Hij beeft, in ontsteking dos toorns, don goheolon hoorn Israels afgehouwen; Hij beeft zijne regterhand achterwaarts getrokken, toonde vijand kwam, en Hij is tegen Jakob ontstoken als oen vlammend vuur, dat rondom verteert. 4 Daleth. Hij hooft zijnon boog gespannen als oen vijand; Hij hoeft zich met zijne regterhand gesteld als een' tegenpartij dor, dat Hij doodde al de begeerlijke dingen der oogon; Hij heeft zijne grimmigheid in de tont der dochter Zions uitgestort als een vuur. 5 He. Do Heere is geworden als oen vijand; Hij beeft Israël verslonden. Hij heeft al hare paleizen verslonden. Hij hoeft deszelfs vastigheden verdorven ; on Hij hooft bij do dochter van Juda bet klagen en kermen vermenigvuldigd. 6 Va.u. En Hij beeft zijne hut met gewold afgerukt, als oenen hof. Hij hoeft zijne vergaderplaats verdorven; do Heere hooft in Zion doen vergeten don hoogtijd en den sabbat, en Hij heeft in de gramschap zijns toorns den koning en don priester smadelijk verworpen. 7 Zain. De Heere heeft zijn altaar vorstooton, Hij beeft zijn heiligdom te niet gedaan. Hij heeft de muren barer paleizen in des vijands hand overgegeven; zij hebben in hot huis dos Heeren 40 |
KLAAGLIEDEREN 2, 3.
722
|
oene stem verheven als op den dag eens gezetten hoogtijds. 8 Cheth. Do Heere heeft gedacht te verderven den muur der dochter Ziens; Hij heeft het rigt-snoer daarover getogen, Hij heeft zijne hand niet afgewend, dat Hij ze niet verslonde; en Hij heeft den voormuur en den muur te zamen treurig gemaakt, zij zijn verzwakt. i) Teth. Hare poorten zijn in de aarde verzonken; Hij heeft hare grendelen verdorven en gebroken; haar koning en hare vorsten zijn onder de Heidenen ; er is geene wet; hare profeten vinden ook geen gezigt van den Heere. 10 Jod. De oudsten der dochter Zions zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zij werpen stof op hun hoofd, zij hebben zakken aangegord; do jonge dochters van Jeruzalem laten haar hoofd ter aarde hangen. 11 Cap}». Mijne oogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd; mijne lover is tor aarde uitgeschud , van wege de breuk der dochter mijns volks; omdat hot kind en do zuigeling op de straten dor stad in onmagt zinken; 12 Lamed. Als zij tot hunne moeders zoggen: Waar is koren on wijn ? als zij op de straten der stad in onmagt zinken, als do verslagenen; als zich hunne ziel uitschudt in den schoot hunner moedors. 13 Mem. Wat getuigen zal ik u brengen? wat zal ik bij u vergelijken, gij dochter Jorüzaloms? wat zal ik bij u vergelijken, dat ik u trooste, gij jonkvrouw, dochter Zions? want uwo breuk is zoo groot als do zee, wie kan u heelen? 14 Nun. Uwe profeten hebben u ijdelheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u uwe ongo-regtigheid niet geopenbaard, om uwe gevangenis af te wenden; maar zij hebben u gezien ijdole lasten en uitstootingon. 15 Samech. Allen, die over weg gaan , klappen met do handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter Jorüzaloms, zeggende: Is dit die stad, waar men van zoide, dat zij volkomen van schoonheid was, oene vreugde der gansche aarde? 1G Pe. Al uwo vijanden sperren hunnen mond open over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers do dag, dien wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien. 17 A in. Do Heere heeft gedaan wat Hij gedacht had, Hij heeft zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen. Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij hoeft den vijand over u verblijd. Hij heeft don hoorn uwer tegonpar-tijdors verhoogd. 18 Tsade. Hun hart schreeuwde tot den Heere: O quot;gij muur der dochter Zions! laat dag en nacht tranen afvlioten als eeno beek; geef u zelve geone rust, uw oogappel houdo niet op! aJer. 14: 17. Kigld. 1 : 1G. |
19 Koph. Maak u op, maak geschrei des nachts in hot begin dor nachtwaken, stort uw hart voor het aangozigt des Hoeren als water; hef uwo handen tot Hem op voor de ziel uwer kinderkous, die in onmagt gevallen zijn van honger, vooraan op allo straten. 20 Rcsch. Zie, Heere! aanschouw toch, aan wien Gij alzoo gedaan hebt: a zullen dan do vrouwen hare vrucht eten, de kinderkous, die men op de handen draagt? Zullen dan de profeet en de priester in het heiligdom dos Hoeren go-dood worden? a Klgld. 4:10. 21 Se/dn. De jongen en do ouden liggen op de aarde op de straten; mijne jonkvrouwen on mijne jongelingen zijn door het zwaard gevallen; Gij hebt zo in den dag uws toorns gedood, Gij hebt ze geslagt en niet verschoond. 22 Than. Gij hebt mijne verschrikkingen van rondom geroepen, als tot eenon dag oons gezetten hoogtijds; en er is niemand aan den dag dos toorns des Heeren ontkomen of overgebleven; die ik op de handen gedragen en opgetogen heb, die heeft mijn vijand omgobragt. HOOFDSTUK 3. Do profeet vaart voort in het beklagen vnn don ollcn-digen staat dos Joodschcn volks, vs. 1; ea don spot dor vijanden, 14. Daarna troost hij zicli mot de overlegging van Gods barmhartigheid, geregtigheid en voorzienigheid, 21. Hij verwekt zich zolven en allo raensohon tot boete, geduld en hot gebed tot den Heere, 40; niet lierhaling hunnoi'ellenden, 43; en troost van de genadige verliooring Gods, 55; vertrouwende, dat God wrake zou doen over hunne vijanden, G4. Aleph. IK bon de man, die ellende gezien heeft door do roede zijner verbolgenheid. 2 Alepli. Hij heeft mij geleid en gevoerd in do duisternis, en niet in het licht. 3 Aleph. Hij hooft zich immers tegen mij gewend, Hij hooft zijne hand den ganschen dag veranderd. 4 lieth. Hij hooft mijn vleesch en mijne huid oud gemaakt. Hij heeft mijne beenderen gebroken. 5 Belli. Hij heeft tegon mij gebouwd, ou Hij hoeft mij met galle en moeite omringd. 6 lieth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn. 7 Gimel. Hij heeft mij toogomuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij hoeft mijne koperen boeijon verzwaard. 8 Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij do oor en voor mijn gebed. 9 Gimel. Hij heeft mijne wogen toogomuurd mot uitgehouweno steenen. Hij heeft mijne paden verkeerd. 10 Daleth. Hij is mij oen loerende boer, oen leeuw in verborgene plaatsen. 11 Daleth. Hij iieoft mijne wegen afgewend, en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt. 12 Daleth. Hij heeft zijnen boog gespannen, on Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld. |
KLAAGLIEDEREN 3, 4.
|
13 He. Hij heeft zijne pijlen in mijne nieren doen ingaan. 14 He. Ik bon al mijn volle tot belagching geworden, hun snarenspel don ganschen dag. 15 He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij hoeft mij met alsem dronken gemaakt. lü Van. Hij heeft mijne tanden met zandsteentjes verbrijzeld. Hij heeft mij in de ascli nedergodrukt. 17 Van. En Gij hebt mijne ziol verre van den vrede verstoeten, ik heb het goedo vergoten. 18 Vnu. Toen zeide ik: Mijne sterkte is vergaan, en mijne hoop van den Heere. 19 Zain. Gedenk aan mijne ellende en aan mijne ballingschap, aan den alsem en galle. 20 Zain. Mijne ziel gedenkt er wel ter deeg aan, en zij bukt zich neder in mij. 21 Zdin. Dit zal ik mij ter harte nomen, daarom zal ik hopen: 22 Cheth. Het zijn quot; de goedertierenheden des IIeeren, dat wij niet vernield zijn, dat zijne barmhartigheden geen einde hebben; a Jes. 1 : fl. Hab. 3 ; 13. 23 Cheth. Zij «zijn allen morgen nieuw, uwe trouw is groot. a I's. 30 : (i. 24 Cheth. De Heere is mijn deel, zegt mijne ziel, quot;daarom zal ik op Hem hopen, a Hab. 2:3. 25 Teth. De Heere is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt. 20 Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des Heeren. 27 Teth. Het is goed voor eenen man, dat hij het juk in zijne jeugd draagt. 28 Jod. Hij zitte eenzaam, en z wij ge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft. 29 Jod. Hij steke zijnen mond in het stof, zey-cjende: quot; Misschien is er verwachting. «Hand.8:22. 30 Jod. Hij geve zijne wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad. 31 Caph. Want de Heere zal niet verstooten in eeuwigheid; 32 Caph.. Maar als Hij bedroefd beeft, zoo zal Hij zich ontfermen, naar de grootheid zijner goedertierenheden. 33 Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des menschen kinderen niet van harte. 34 Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder zijne voeten verbrijzelt; 35 Lamed. Dat men het regt eens mans buigt voor het aangezigt des Allerhoogsten; 30 Lamed. Dat men eenen mensch verongelijkt in zijne twistzaak; zou het de Heere niet zien? 37 Mem. quot;Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zoo het de Heere niet beveelt? a Ps. 33:!). 38 Mem. quot; Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede? et Jcs. 45 : 7. Amos 3 : G. 39 Mem. Wat klaagt dan eon lovend mensch? Een ieder klage van wege zijne zonden. 40 Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeeren tot den 1 Ieere. |
41 Nun. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende: 42 Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard. 43 Sameeh. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood. Gij hebt niet verschoond. 44 Sameeh. Gij hebt U met eeno wolk bedekt, zoodat er geen gebed doorkwam. 45 Sameeh. Gij hebt ons tot oen uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken. 40 Pe. Al onze vijanden hebben hunnen mond tegen ons opgesperd. 47 Pe. De vreeze en do kuil zijn over ons gekomen , do verwoesting en de verbreking. 48 Pe. Met waterbeken loopt mijn oog neder, van wege de breuk der dochter mijns volks. 49 Ain. Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geene rust is; 50 Ain. Totdat het de Heere van den hemel aanschouwe, en liet zie. 51 Ain. Mijn oog doet mijne ziele moeite aan, van wege al de dochteren mijner stad. 52 Tsade. Die mijne vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd. 53 Tsade. Zij hebben mijn loven in oenen kuil uitgerooid, en zij hebben eenen steen op mij geworpen. 54 Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden! 55 Koph. Heere! ik heb uwen naam aangeroepen uit don ondersten kuil. 5G Koph. Gij hebt mijne stem gehoord, verberg uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen. 57 Koph. Gij hebt IJ genaderd ton dage, als ik U aanroep; Gij hebt gezegd: Vrees niet! 58 Reseh. Heere! Gij hebt do twistzaken mijner ziel getwist. Gij hebt mijn leven verlost. 59 Reseh. Heere! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan beeft, oordeel mijne regtzaak. 60 Reseh. Gij hebt al hunne wraak gezien, al hunne gedachten tegen mij. 61 Schin. Heere! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hunne gedachten tegen mij; 62 Schin. Do lippen dergonen, die tegen mij opstaan, on hun dichten tegen mij den ganschen dag. 63 Sehin. Aanschouw hun zitten en opstaan; Ik bon hun snarenspel. 64 Th.au. Heere! geef hun weder die vergelding, naar hot werk hunner handen. 65 Thau. Geef hun oen deksel dos harten, uw vloek zij over hen! 66 Thau. Vervolg ze mot toorn, on verdelg ze van onder den hemel des Heeren. HOOFDSTUK 4. Verdero klagt over don crbannelijkcn staat van liet Joodsclie volk, vs. 1; niet belijdenis hunnei'zonden, als oorzaak daarvan, 0. Ellenden, den aanzienlijksten 4(1* |
KLAAGLIEDEREN 4, 5.
724
|
overkomen, 7. Do vrouwen hobbon hare kinderen gedood en gekookt, 10. De zonde der valsche proleten en priesters, 13. Vergeefsche hoop van het volk, 17; hunnen koning gevangen. 20. Voorzegging der wrake Gods over Edom, 21; en vertroosting van Gods volk, 22. Aleph. HOE is het goud zoo verdonkerd, het goede fijne goud zoo veranderd! Hoe zijn de steenen des heiligdoms vooraan op alle straten verworpen! 2 Beth. De kostelijke kinderen Zions, tegen fijn goud geschat, hoe zijn zij nu gelijk gerekend aan de aarden flesschen, liet werk van de handen eens pottenbakkers! 3 Gimel. Zelfs laten de zeekalveren de borsten neder, zij zogen hunne welpen: maar do dochter mijns volks is als eene wreede geworden, gelijk de struisen in de woestijn. 4 Daleth. De tong van het zoogkind kleeft aan zijn gehemelte van dorst; de kinderkous eischen brood, er is niemand, die het hun mededeelt. 5 He. Die lekkernijen aten, versmachten nu op de straten; die in karmozijn opgetrokken zijn, omhelzen den drek. 6 Van. En de ongeregtigheid der dochter mijns volks is grooter dan de zonden van Sodom, die ala in een oogenblik omgekeerd werd, en geene handen hadden arbeid over haar. 7 Zain. Hare bijzondersten waren reiner dan de sneeuw, zij waren witter dan melk; zij waren rooder van ligchaam dan robijnen, gladder dan een saffier. 8 Cheth. Maar nu is hunne gedaante verduisterd van zwartigheid, men kent hen niet op de straten; hunne huid kleeft aan hunne beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout. 9 Teth. De verslagenen van het zwaard zijn gelukkiger dan de verslagenen van den honger: want die vlieten daarhenen, als doorstoken zijnde, omdat er geene vruchten der velden zijn. 10 Jod. De handen der barmhartige vrouwen hebben hare kinderen gekookt; zij zijn haar tot spijze geworden in de verbreking der dochter mijns volks. 11 Caph. De Heere heeft zijne grimmigheid volbragt. Hij heeft de hittigheid zijns toorns uitgestort ; en Hij heeft te Zion een vuur aangestoken, hetwelk hare fondamenten verteerd heeft. 12 Lamed. De koningen der aarde zouden het niet geloofd hebben, noch al do inwoners dei-wereld, dat do tegenpartij der en vijand tot do poorten van Jeruzalem zou ingaan. 13 Mem. Het is van wege de zonden harer profeten , en de misdaden harer priesteren, die in het midden van haar het bloed der regtvaardigen vergoten hebben. 14 Nun. Zij zworven als blinden op de straten, zij waren met bloed besmet, zoodat men niet kon zien, of men raakte hunne kleederen aan. |
15 Samech. Zij riepen tot hen: Wijkt, hier is een onreine, wijkt, wijkt, roert niet aan! Zekerlijk zij zijn weggevlogen, ja weggezworven; zij zeiden onder de Heidenen: Zij zullen er niet langer wonen. 16 Fe. Des Heeren aangezigt heeft ze verdeeld. Hij zal ze voortaan niet meer aanzien; zij hebben het aangezigt der priesteren niet geëerd, zij hebben den ouden geene genade bewezen. 17 A in. Nog bezweken ons onze oogen, ziende naar onze ijdele hulp; quot; wij gaapten met ons gapen op een volk, dat niet kon verlossen. aEzec. 29:10. 18 Tsade. Zij hebben onze gangen nagespeurd, dat wij op onze straten niet gaan konden; ons einde is genaderd, onze dagen zijn vervuld, ja ons einde is gekomen. 19 Koph. Onze vervolgers zijn sneller geweest dan de arenden dos hemels; zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd, in de woestijn hebben zij ons lagen gelegd. 20 Resch. De adem onzer neuzen, de gezalfde des Heeren, is gevangen in hunne groeven; van welken wij zeiden: Wij zullen onder zijne schaduw loven onder de Heidenen! 21 Sehin. Wees vrolijk, en verblijd u, gij dochter Edoms, die in het land Uz woont! doch de beker zal ook tot u komen, gij zult dronken worden, en ontbloot worden. 22 Thau. Uwe ongeregtigheid heeft een einde, o gij dochter Zions! Hij zal u niet meer gevankelijk doen wegvoeren; maar uwe ongeregtigheid, o gij dochter Edoms! zal Hij bezoeken, Hij zal uwe zonden ontdekken. HOOFDSTUK 5. Ren ootmoedig gebed, in hetwelk do profeet den Heere de grooto ollende van het Joodscho volk voordraagt, vs. 1; hunne zonden en overtredingen bekennende, 10; en Hem biddende om genade en verlossing, 19. GEDENK, Heere! wat ons geschied is, aanschouw het, en zie onzen smaad aan. 2 Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de uitlanders. 3 Wij zijn weezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen. 4 Ons water moeten wij voor geld drinken; ons hout komt ons op prijs te staan. 5 Wij lijden vervolging op onze halzen; zijn wij moede, men laat ons geene rust. 0 Wij hebben den Egyptenaar de hand gegeven, en den Assyriër, om met brood verzadigd te worden. 7 Onze vaders hebben gezondigd, en zijn niet meer, en wij dragen hunne ongeregtigheden. 8 Knechten heerschen over ons; er is niemand, die ons uit hunne hand rukke. 9 Wij moeten ons brood met gevaar onzes levens halen, van wege het zwaard der woestijn. 10 Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, van wege den geweldigen storm des hongers. 11 Zij hebben de vrouwen te Zion verkracht, en de jonge dochters in de steden van Juda. |
EZECHIÃL 1.
725
|
12 De vorston zijn door hunliedor hand opgehangen, do aangezigten der ouden zijn niet geëerd geweest. 113 Zij hebben de jongelingen weggenomen, om te malen, en do jongens struikelen onder hot hout. 14 Do ouden houden op van de poort, do jongelingen van hun snarenspel. 15 De vreugde onzes harten houdt op, onze rei is in treurigheid veranderd. 1G Do kroon onzos hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zoo gezondigd hebben! |
17 Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze oogen duister geworden. 18 Om dos bergs Zions wil, die verwoest is, waar de vossen op loopen. 19 Gij, o Heere! zit in eeuwigheid, uw troon is van geslacht tot geslacht. 20 Waarom zoudt Gij ons steods vergoten? waarom zoudt Gij ons zoo langen tijd verlaten? 21 Heere! bekeer ons tot U, zoo zullen wij bekoord zijn; vernieuw onze dagen als van ouds. 22 Want zoudt Gij ons ganschelijk verwerpen? zoudt Gij zoo zeer tegen ons verbolgen zijn? |
DE PROFEET EZECHIÃL.
|
Ghebar; en de hand des Heeren was daar op hem. I Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, eene groote wolk, en eon vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die tvolk; en uit hot midden daarvan was als de verw van Hasmal, uit het midden des vuurs. 5 En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hunne gedaante: zij hadden de gelijkenis van een' mensch; |
arends aangezigt. 11 Ook waren hunne aangezigten en hunne vleugelen opwaarts verdeeld; elk oen had er twee zamengevoegd aan de andere, en twee bedekten hunne ligchamon. 12 En zij gingen elk oen regt uit voor zijn aangezigt henen; waarhenen de Geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen. 13 Aangaande de gelijkenis der dieren, hunne |
EZECI1IEL 1, 2.
|
gedaante was als brandende kolen des vuurs, als de gedaante der fakkelen: datzelve vuur ging steeds tusschen die dieren; en het vuur had eenen glans, en uit het vuur kwam een bliksem voort. 14 De dieren nu liepen en keerden weder als de gedaante van een weerlicht. 15 Als ik die dieren zag, ziet, zoo was er een rad op do aarde bij die dieren, naar vier aange-zigten van hetzelve. 16 quot; De gedaante der raderen en derzelver maaksel was als do vorw van een' turkoois; en die vier hadden oonerlei gelijkenis: daartoe was hunne gedaante, en hun maaksel, als of het ware oen rad in het midden van een rad. a Ezec. 10 : 9,10. 17 Als zij gingen, zij gingen op hunne vier zijden; zij keerden zich niet om, als zij gingen. 18 En hunne volgen, die waren zoo hoog, dat zij vreossolijk waren ; on quot; hunne velgen waren vol oogen rondom aan die vier raderen. a Ezec. 10:12. 19 quot; Als nu do dieren gingen, gingen do raderen bij bon; en als de dieren van do aarde opgehoven worden , worden de raderen opgeheven, « Ezoc. 10:10. 20 Waarhenen de Geest was om te gaan, gingen zij; waarhenen de Geest was om to gaan; on do raderen worden tegenover bon opgeheven: want do Geest dor dieren was in de raderen. 21 Als die gingen, gingen deze; en als die stonden , stonden zij; en als die van do aarde opgeheven worden, worden do raderen tegenover hen opgehoven: want do Geest der dieren was in de raderen. 22 En over de hoofden der dieren was de gelijkenis eens uitspansels, gelijk do verw van hot vreesselijko kristal, van boven af over hunne hoofden uitgespreid. 23 En onder dat uitspansel waren hunne vleugelen regtop, de oen aan den ander: ieder had er twee, die herwaarts hunne ligchamen bedekten , on ieder had er twee, die ze derwaarts bedekten. |
24 En als zij gingen, hoorde ik oen geruisch hunner vleugelen, als het geruisch van velo wateren, als do stom des Almagtigen, ah do stom eens geroeps, als hot gedreun eens hoirlogors: als zij stonden, zoo lieten zij hunne vleugelen neder. 25 En er geschiedde eone stom van boven het uitspansel, hetwelk boven hunne hoofden was, als zij stonden, en hunne vleugelen nedergelaton haddon. ?(gt; En boven het uitspansel, hetwelk was boven hunne hoofden, was de gelijkenis eens troons, als do gedaante van eenen saffiorsteon; en op de gelijkenis des troons was de gelijkenis als do gedaante eens menschon, daarboven oj) zijnde. 27 En ik zag als do verw van Hasmal, als do gedaante van vuur rondom daarbinnen, van de gedaante zijner lenden en opwaarts; en van do gedaante zijner lenden en nederwaarts, zag ik als do gedaante van vuur, en glans aan hein rondom. 28 Gelijk do gedaante van den boog, die in do wolk is ten dage des plasregens, alzoo was do gedaante van den glans rondom: dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid dos Hee-ren ; en quot; als ik hot zag, viel ik op mijn aan-gezigt, en ik hoorde eene stem van oenen, die sprak, a Dan. 10:9. HOOFDSTUK 2. Do profeet, verschrikt zijnde door hot voorgaande ge-zigt, wordt door God opgerigt, vs. I ; en tot het profetisch ambt onder do kinderen Israels beroepen, met ondorrigting en versterking togon hunno hardnekkigheid , 3. Gezigt van eone rol, die van binnen en buiten was beschreven, 9. EN Hij zeide tot mij: Menschenkind! sta op uwe voeten, en Ik zal met u spreken. 2 quot; Zoo kwam in mij, als Hij tot mij sprak, de Geest, die mij stelde op mijne voeten; en ik hoorde Dien, die tot mij sprak. a Ezec. 3:24. Dan. 10:10. 3 En Hij zeide tot mij: Menschenkind! Ik zend |
EZECHIÃL 2, :i.
727
|
ii tot de kinderen Israels, tot de rebellerende volken, die tegen Mij gerebelleerd hebben; quot;zij en hunne vaderen hebben overtreden tegen Mij tot op dezen zelven huidigen dag. «Jer. 3:25. 1 En deze kinderen zijn hard van aangezigt, en stijf van hart; Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zoo zegt de Heere Heere! 5 En zij, hetzij dat zij liet hoeren zullen, of hetzij dat zij het laten zullen, (want zij zijn een wederspannig huis) a zoo zullen zij weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is. a Ezec. 33 : 33. G En gij, menscbenkind! quot; vrees niet voor hen, en vrees niet voor hunne woorden, hoewel weder-willigen en doornen bij u zijn, en gij bij schorpioenen woont; vrees voor hunne woorden niet, b en ontzet u niet voor hun aangezigt, want zij zijn een wederspannig huis. a Joi'. 1:8, 17. Luk. 12 : 4. b Ezec. 3:0. 1 Petr. 3 : 14. 7 Maar gij zult mijne woorden tot hen spreken, hetzij dat zij hooren zullen, of hetzij dat zij het laten zullen: want zij zijn wederspannig. 8 Doch gij, menscbenkind! hoor hetgeen Ik tot u spreek; wees gij niet wederspannig, gelijk dat wederspannig huis; open uwen mond, quot; en eet wat Ik u geef. «Openb. 10:9. 9 Toen zag ik, en ziet, er was eene hand tot mij uitgestoken; en ziet, daarin was de rol eens boeks. 10 En Hij spreidde die voor mijn aangezigt uit; on zij was beschreven voor en achter; en daarin waren geschreven klaagliederen, en zuohting on wee. HOOFDSTUK 3. Do profeet eet dio rol op, naar het bevel van God, vs. 1; die hom wederom gelast, onderwijst en sterkt tegen de hardnekkigheid van hot volk, 4. Hij toont hem weder zijne heerlijkheid, en onderrigt hem aangaande het ambt van oenen getrouwen profeet, en de nuttigheid daarvan, 12. Do heerlijkheid des Heeren wordt hom weder vertoond, 22. God sluit en opent dos profeten mond, 25. DAARNA zeide Hij tot mij: Menschenkind! quot;eet wat gij vinden zult; eet deze rol, en ga, spreek tot het huis Israels. a Jer. 15:16. Ezec. 2:8. Openb. 10:9. 2 Toen opende ik mijnen mond, en Hij gaf mij die rol te eten. 3 En Hij zeide tot mij: Menschenkind! geef uwen buik te eten, en vul uw ingewand met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik, quot; en het was in mijnen mond als honig, van wege de zoetigheid. aPs. 19:11. 119:103. Openb. 10:10, 4 En Hij zeide tot mij: Menschenkind! quot; ga henen, kom tot het huis Israels, en spreek tot hen met mijne woorden. «Jor. 1 :17. 5 Want gij zijt niet gezonden tot een volk, diep van spraak en zwaar van tong, maar tot het huis Israels; 6 Niet tot vele volken, diep van spraak en zwaar van tong, welker woorden gij niet kunt verstaan: zouden zij niet, zoo Ik u tot hen gezonden had, naar u gehoord hebben? |
7 Maar het huis Israels wil naar u niet hooren, omdat zij naar Mij niet willen hooren: want liet gansclie huis Israels is stijf van voorhoofd, en hard van hart zijn zij. 8 quot; Ziet, Ik heb uw aangezigt stijf gemaakt tegen hunne aangezigten, en uw voorhoofd stijf tegen hun voorhoofd. «Jer. 1:18. Micha 3:8. 9 Uw voorhoofd heb Ik gemaakt als een' diamant, harder dan quot; eene rots: vrees hen niet, en ontzet u niet voor hunne aangezigten, omdat zij een wederspannig huis zijn. «Jor. 5:3. 6 Jer. 1:8, 17. Ezec 2: G. 1 Petr. 3: 14. 10 Vorder zeide Hij tot mij: Menschenkind! vat al mijne woorden, die Ik tot u spreken zal, in uw hart, en hoor ze met uwe ooren. 11 En ga honen, kom tot de weggevoerden, tot do kinderen uws volks, en spreek tot hen, en zog tot hen: Zoo zegt do Heere Heere! quot; hetzij dat zij hooren zullen, of hetzij dat zij het laten zullen. « Ezec. 2:5, 7. 12 quot; Toen nam de Geest mij op, en ik hoorde achter mij eene stem van groote ruisching, zeggende: Geloofd zij de heerlijkheid des Heeren uit zijne plaats! «Ezec. 8:3. 13 En ik hoorde het geluid van der dieren vleugelen, die de een den ander raakten, en het geluid der radoren tegenover hen; en hot geluid eener groote ruisching. 14 Toen hief do Geest mij op, en nam mij weg, en ik ging henen, bitterlijk bedroefd door de hitte mijns geestos; maar do hand des Heeren was sterk op mij. 15 En ik kwam tot do weggevoerden te Tol-Abib, die aan do rivier Chobar woonden, en ik bleef daar zij woonden; ja ik bleef daar verbaasd in hot midden van hen quot;zeven dagen. aJob2:13, 1G Het gebeurde nu ten einde van zeven dagen, dat het woord des Heeren tot mij geschiedde, zeggende: 17 quot; Menschenkind! Ik heb u tot oenen wachter gesteld over het huis Israels; zoo zult gij het woord uit mijnen mond hooren, en hen van mijnentwege waarschuwen. «.les. 02:0. Ezec. 33:7. 1 Tim. 3:1. 18 quot; Als Ik tot don goddeloozo zeg: Gij zult den dood sterven, en gij waarschuwt hem niet, on spreekt niet, om den goddelooze van zijnen goddeloozen weg te waarschuwen, opdat gij hem in hot leven behoudt; dio goddelooze zal in zijne ongeregtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uwe hand eischen. «Ezec. 33:8. 19 Doch als gij den goddelooze waarschuwt, en hij zich van zijne goddeloosheid en van zijnen goddeloozen weg niet bekeert, hij zal in zijne ongeregtigheid sterven; maar gij hebt uwe ziel bevrijd. 20 quot; Als ook oen regtvaardige zich van zijne geregtighoid afkeert, en onregt doet, en Ik oenen |
EZECHIÃL 3, 4, 5.
728
|
aanstoot voor zijn aangezigt leg, hij zal sterven; omdat gij hem niet gewaarschuwd liebt, zal hij in zijne zonde sterven, en zijne geregtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uwe hand eischen. «Ezec. 18:24. 33:12, 13. 21 Doch als gij don regtvaardige waarschuwt, opdat de regtvaardige niet zondige, en hij niet zondigt; hij zal zekerlijk leven, omdat hij gewaarschuwd is; en gij hebt uwe ziel bevrijd. 22 En de hand des Heeren was tiaar op mij, en Hij zeide tot mij: Maak u op, ga uit in de vallei, en Ik zal daar met u spreken. 23 En Ik maakte mij op, en ging uit in de vallei, en ziet, de heerlijkheid dos Heeren stond aldaar, quot;gelijk do heerlijkheid, die ik gezien had bij do rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezigt. a Ezec. 1 : 3. 24 quot; Toen kwam de Geest in mij, en stelde mij op mijne voeten; en Hij sprak mot mij, en Hij zeide tot mij; Ga, besluit u binnen in uw huis. a Ezec. 2 : 2. 25 Want u aangaande, menschenkind! ziet, zij zouden dikke touwen aan u leggen, en zij zouden u daarmede binden; daarom zult gij niet uitgaan in het midden van hen. 2G En Ik zal uwe tong aan uw gehemelte doen kleven, dat gij stom worden zult, en zult hun niet zijn tot oenen bestraffondon man: quot; want zij zijn een wederspannig huis. aEzoc. 2:5. 27 Maar als Ik met u spreken zal, zal Ik uwen mond opendoen, en gij zult tot hen zeggen: Zoo zegt do Heore Heeue! quot;Wie hoort, die hoore, en wie hot laat, die late liet; want zij zijn een wederspannig huis. aEzoc. 2:5, 7. HOOFDSTUK 4. Do profeet wordt van God bevolen, do toekomstige belegering van Jerüzaloin op eene plaat van tigchel-steenen af te beelden, vs. 1; alsmede den tijd der verdraagzaamheid Grods over den afval van Israël en Juda, 4; on de groote hongersnood, die er gedurende do belegering in Jerilzalem zon zijn, 9. EN gij, menschenkind! neem u oonon tigchol-steon, en log dien voor uw aangezigt, en beworp daarop do stad Jeruzalem. 2 En maak eene belegering tegen haar, en bouw tegen haar quot; sterkten, en werp tegen haar oenen wal op, en stol legers togen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom. 2 Kon. 25:1. 3 Verder, neem gij u eene ijzeren pan, en stol zo tot oonon ijzeren muur tusschon u en tusschen die stad; en rigt uw aangezigt tegen haar, dat zij in belegering komo, en gij zult ze belegeren. Dit zij den huize Israels oen toeken. 4 Lig gij ook neder op uwe linkerzijde, en leg daarop de ongeregtighoid van het huis Israels; naar hot getal der dagen, dat gij daarop zult liggen, zult gij hunne ongeregtighoid dragen. |
5 Want Ik heb u gegeven de jaren hunner ongeregtighoid , naar het getal der dagen, drie honderd en negentig dagen, dat quot; gij do ongeregtigheid van hot huis Israels dragon zult. a Num. 14:34. G Als gij nu deze voleinden zult, lig ton andere male neder op uwe rogtorzijde, en gij zult do ongeregtighoid van het huis van Juda dragen veertig dagen: Ik hob u gegeven eiken dag voor elk jaar. 7 Daarom zult gij uw aangezigt rigten tegen de belegering van Jeruzalem, en uw arm zal ontbloot zijn; en gij zult togen haar profetoren. 8 En ziet. Ik zal dikke touwen aan u leggen, dat gij u niet omkeert van uwe eene zijde tot uwe andere zijde, totdat gij de dagen uwer belegering voleind hebt. !) En neem gij voor u tarwe, en gerst, on boo-non, en linzen, en heerse, en spelt; en doe die in eon vat, en maak die u tot brood; naar hot getal dor dagen, die gij op uwe zijde neder liggen zult, drie honderd en negentig dagen zult gij dat eten. 10 Uwe spijze nu, die gij eten zult, zal in gewigt zijn twintig sikkelen daags; van tijd tot tijd zult gij die eten. 11 Gij zult ook water naar zekere maat drinken, hot zesde deel van een bin; van tijd tot tijd zult gij het drinken. 12 En gij zult oonon gerstenkoek eten, en dien zult gij met drek van des monschen afgang bakken voor hunne oogen. 13 En de Heere zeido: Alzoo zullen do kinderen Israels hun brood quot; onrein eten onder de Heidenen, waarhenen Ik hen verdrijven zal. nHos.9:3. 14 Toon zeide ik: Ach, Heero Heere! zie, mijne ziel is niet verontreinigd geweest: want ik heb, van mijne jeugd af tot nu toe, geen dood aas, noch dat verscheurd is, gegeten, en geen verfoeijolijk vleesch is in mijnen mond gekomen. 15 En Hij zeide tot mij: Zie, Ik hob u runder-mist gegeven voor menschondrok, zoo zult gij uw brood daarmede bereiden. 16 Daarna zeide Hij tot mij: Gij menschenkind! zie, Ik quot; breek don staf des broods in Jeruzalem, en zij zullen het brood mot gewigt en met kommer eten, en hot water met zekere maat en met verbaasdheid drinken; a Lev. 20 : 2G. Jos. 3 : 1. Ezec. 5 : 10. 14 : 13. 17 Opdat zij dos broods en dos waters gebrek hebben, on do een mot den ander verbaasd worden, en in hunne ongeregtighoid uittoren. HOOFDSTUK 5. Do profeet wordt van God bevolen zijn hoofd en baard te scheren, hot afgeschorene in vieren te deelen, en met de vier doelen verschillend te handelen, vs. 1; afbeeldende do verscheidenheid en schrikke-lijkheid der plagen, dio het Joodsche volk zouden treffen om hunne zonden, welke hier verhaald worden, 5. EN gij, menschenkind! neem u een scherp mes, een scheermes dor barbieren zult gij u nemen, hetwelk gij zult laten gaan ovor uw hoofd |
EZECHIÃL 5, 6.
72!)
|
on over uwen baard; daarna zult gij u eene weegschaal nemen, en die haren deolon. 2 Een derde deel zult gij in het midden der stad met vuur verbranden, nadat de dagen dor belegering vervuld worden; dan zult gij een derde doel nemen, slaande mot oen zwaard rondom hetzelve, en een derde deel zult gij in den wind strooijen: want Ik zal het zwaard achter hen uittrokken. 3 Gij zult ook weinige in getal daarvan nemen, on in uwe slippon binden. 4 En nog zult gij van die nomen, en die werpen in hot midden des vuurs, en zult ze verbranden mot vuur; daaruit zal voortkomen een vuur tegen hot gehoolo huis van Israël. 5 Alzoo zegt de Iloero Heeue: Dit is Jeruzalem, welke Ik in het midden dor Heidenen gezet heb, on landen rondom haar henen. 6 Doch zij heeft mijne regten veranderd in goddeloosheid meer dan do Heidenen, en mijne inzettingen meer dan de landen, die rondom haar zijn: want zij hebben mijne regten verworpen, en in mijne inzettingen hebben zij niet gewandeld. 7 Daarom zegt do Hoero Heiore alzoo; quot;Dewijl gijlieden dies moor gemaakt hebt dan de Heidenen, die rondom u zijn, in mijne inzettingen niet gewandeld hebt, en mijne regten niet gedaan hebt, zelfs naar de regten der Heidenen, die rondom ii zijn, niet gedaan hebt; «Lev. 18:24, 28. 8 Daarom zegt do Hoero Heere alzoo: Ziet, Ik wil aan u, ja Ik! want Ik zal gerigten in hot midden van u oefenen, voor de oogen van die Heidenen. i) En Ik zal onder u doon hetgeen Ik niet gedaan heb, on desgelijks Ik voortaan niet doen zal, om al uwer gruwelen wil. 10 Daarom zullen de vaders de quot; kinderen eten in het midden van u, en do kinderen zullen hunne vaderen eten; en Ik zal gerigten onder u oefenen, on zal al uw overblijfsel in quot; allo winden verstrooijen. a Lev. 20:29. Dent. 28:53. 2 Kon. 0:29. Klgld. 4:10. h Jer. 49 : 32, 30. 11 Daarom zoo waarachtig ah Ik loof, spreekt do Heere Heere: (omdat gij mijn heiligdom verontreinigd hebt mot al uwe verfoeiselen, en met al uwe gruwelen) zoo Ik ook niet daarom u vor-minderon, en quot;mijn oog u niet verschoonen zal, on Ik ook niet zal sparen! a Ezec. 7 : 4. 12 quot; Een derde deel van u zal van de pestilentie sterven, en zal door honger in het midden van u te niet worden; en een dorde dool zal in het zwaard vallen rondom u; en oen derde dool zal Ik in alle winden verstrooijen, en Ik zal hot zwaard achter hen uittrokken. «Jor. 15:2. 13 Alzoo zal mijn toorn volbragt worden, en Ik zal mijne grimmigheid op hen doon rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, do Heere, in mijnon ijver gesproken heb, als Ik mijne grimmigheid tegen hen volbragt zal hebben. |
14 Daartoe zal Ik u ter woestheid en ter smaad-hoid zotten onder de Heidenen, die rondom u zijn, voor do oogen van al dengenen, die voorbijgaat. 15 Zoo zal do quot; smaadhoid en hoon oen onderwijs en ontzetting den Heidenen zijn, die rondom u zijn, wanneer Ik over u gerigten in toorn, en in grimmigheid, en in grimmige straffen oefenen zal: Ik, do Heere, heb het gesproken! a Deut. 28 : 37. 10 Wanneer Ik de booze pijlen des hongers tegen hen uitzenden zal, die ten verdorve zijn zullen, die Ik uitzenden zal om u te vordorvon, zoo zal Ik den quot; honger over u vermeerderen, en 6 u den staf dos broods breken. «2 Kon. 0:25. Jes. 3:1. Ezec. 4:10. 14:13. b Lov. 20 : 20. Ezoc. 4 :10. 14 : 13. 17 Ja honger en quot; boos gedierte, die u van kinderen berooven zullen, zal Ik over u zonden; ook zal pestilentie en bloed onder u omgaan; en hot zwaard zal Ik over u brengen: Ik, do Heere, bob het gesproken! a Lov. 20 : 22. HOOFDSTUK 0. l'rofotio van do verwoesting dos lands om do gruwelijke afgoderij dos volks, vs. I. Beloften van genade aan een klein boetvaardig overblijfsel, 8. Don profeet wordt gelust, door gebaarden van ontsteltenis en rouw af te beelden, de zonden en plagen van liet volk, 11. EN hot woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende: 2 Menschonkind! zet uw aangezigt tegen quot; de borgen Israels, en profeteer tegen dezelve; a Ezoe. 30 ; 1. 3 En zeg: Gij bergen Israels! boort het woord des Heeren Heeren! Zoo zegt de Heere. Heere tot do bergen en tot de heuvelen, tot do beken en tot de dalen: Ziet, Ik, Ik breng over u het zwaard, en Ik zal uwe hoogten verderven. 4 Daartoe zullen uwe altaren verwoest, en uwe zonnebeelden verbroken worden; en Ik zal uwe verslagenen nedorvellen voor liet aangezigt uwer drekgoden. 5 En Ik zal de doode ligchamen der kinderen Israels voor het aangezigt hunner drekgoden leggen, en Ik zal uwe beenderen rondom uwe altaren strooijen. 0 In al uwe woningen zullen de steden verwoest en de hoogten tot wildernis worden, opdat uwe altaren woest en eenzaam zijn, en uwe drekgoden verbroken worden en ophouden, en uwe zonne-, beelden afgehouwen, on uwe werken uitgedelgd worden. 7 En do verslagenen zullen in het midden van u liggen, opdat gij weet, dat Ik de Heere ben. 8 Ik zal dan nog een overblijfsel laten, als gij eenigen zult hebben, die het zwaard ontkomen onder do Heidenen, wanneer gij in de landen zult verstrooid worden. 9 Dan zullen uwe ontkomenen Mijnor godenkon onder do Heidenen, waar zij gevankelijk zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken bon door hun |
EZECHIÃL 6, 7.
TM)
|
hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hunne oogen, die hunne drekgoden nahoe-reren; en zij zullen eene walging aan zich zeiven hebben over de boosheden, die zij in al hunne gruwelen gedaan hebben. 10 En zij zullen weten, dat Ik de Heere ben: Ik heb niet te vergeefs gesproken, van hun dit kwaad aan to doen. 11 Zoo zegt de Heero Heere: quot;Sla niet uwe hand, en stamp met uwen voot, en zeg: Ach! over allo gruwelen der boosheden van het huis Israels; want zij zullen door het zwaard, door den honger on door de pestilentie vallen. a Ezoc. 21 : 17. 12 Die verro af is, zal door do post sterven, en die nabij is, zal door het zwaard vallen; maar die overgebleven en belegerd is, zal door honger sterven: alzoo zal Ik mijne grimmigheid togen hen volbrengen. 13 Dan zult gij weten, dat Ik do Heere ben, als hunne verslagenen in hot midden hunner drekgoden rondom hunne altaren wezen zullen op allo hoogo heuvelen, op allo toppen dor bergen, en onder allen groenen boom, en onder allo digto eiken, do plaats, alwaar zij al hunnen drekgoden liefolijken reuk maakten. 14 Daarom zal Ik mijne hand over hen uitstrekken, en zal het land woest maken, ja woester dan do woestijn naar Diblath honen, in al hunne woningen; en zij zullen bevinden, dat Ik do Heere bon. HOOFDSTUK 7. Verdere profetie van do eindolijke cn zeer schrikkelijke verwoesting van het gansche land van Juda, vs. 1. Jammerlijk weeklagen der ontkomenen, 10. Om hunne zonden zullen zij als oatstelde, wanhopige, misdadige raonschen, zoo wel aanzienlijken als geringen, moedeloos, troosteloos en radeloos gevankelijk worden weggevoerd; al hetwelk hun door hot teeken van eone keten wordt afgebeeld, 17. DAARNA geschiedde hot woord dos Heeren tot mij, zeggende: 2 Vorder, gij menschenkind! zoo zegt do Heero Heere, van het land Israels: Het einde is er, hot einde is gekomen over de vier hoeken dos lands. li Nu is het einde over u; want Ik zal mijnen toorn tegen u zenden, en Ik zal u rigten naar uwe wegen, cn Ik zal op u brengen al uwe gruwelen. 4 quot;En mijn oog zal u niet verschoonen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uwe wegen op u brengen, en uwe gruwelen zullen in het midden van u zijn; on gijlieden zult weten, dat Ik do Heere ben. a Ezeo. 5:11. 8:18. 5 Zoo zogt do Hoerc Heere: Een kwaad, een ecnig kwaad, ziet, is gekomen; (j Een einde is er gekomen, dat einde is gekomen, hot is ópgewaakt tegen u; ziet, het kwaad is gekomen! 7 Do morgenstond is tot u gekomen, o inwoner des lands! de tijd is gekomen, de dag der beroerte is nabij, en er is geen wederklank der bergen. |
8 Nu zal Ik in kort mijne grimmigheid over u uitgieten, en mijnen toorn tegen u volbrengen, en u rigten naar uwe wegen, cn zal op u brengen al uwe gruwelen. 9 En mijn oog zal niet verschoonen, en Ik zal niet sparen; Ik zal u geven naar uwe wegen, en uwe gruwelen zullen in het midden van u zijn; en gijlieden zult weten, dat Ik de Heere ben, die slaat. 10 Ziet, do dag, ziet, de morgenstond is gekomen , do morgenstond is voortgekomen, de roede heeft gebloeid, do hoovaardij hooft gegroend. 11 Het geweld is opgerezen tot oono roede der goddeloosheid; niets van hen zal overblijven, noch van hunne menigte, noch van hun gedruisch, en geono klage zal over hen zijn. 12 Do tijd is gekomen, do dag is genaakt; do kooper zij niet blijde, on de verkooper bedrijve geen' rouw: want een brandende toorn is over de geheelc menigte van hot land. 13 Want de verkooper zal tot het verkochte niet wederkeeren, ofschoon hun leven nog onder do levenden ware; overmits het gozigt, aangaande de geheele monigto van hot land, niet zal terug-keeren; cn niemand zal door zijne ongeregtigheid ' zijn loven sterken. 14 Zij hebben met de trompet getrompet, on hebben alles bereid, maar niemand trekt ton strijde: want mijn brandende toorn is over de geheele menigte van het land. 15 Hot zwaard is buiten, en do pest, en do honger van binnen; die op het veld is, zal door het zwaard sterven, en die in do stad is, dien zal do honger en de pest verteren. 1G En hunne ontkomenden zullen luel ontkomen, maar zij zullen op de borgen zijn, zij allen zullen zijn gelijk duiven der dalen, kermende een ieder om zijne ongeregtigheid. 17 Alle handen zullen quot;slap worden, en alle knieën zullen henenvlieten als water. « Jos. 13 : 17. Jer. G : 24. 18 Ook zullen zij zakken quot;aangorden, gruwen zal zo bedekken, en over alle aangezigten zal schaamte wezen, en op al hunne hoofden kaalheid. «Jes. 15:2, 3. Jer. 48:37. 19 Zij zullen hun zilver op do straten werpen, en hun goud zal tot onreinighoid zijn; hun quot; zilver on hun goud zal hen niet kunnen uithelpen ton dage der verbolgenheid des Heeren; hunne ziel zullen zij niot verzadigen, on hunne ingewanden zullen zij niet vullen: want hot zal de aanstoot hunner ongeregtigheid zijn. « Spr. 11:4. Zof. I : 18. 20 En Hij heeft do schoonheid zijns sieraads ter ovortreffelijkheid gezet; maar zij hebben daarin beelden hunner gruwelen en hunner verfoeiselen gemaakt: daarom heb Ik dat hun tot onreinighoid gesteld. 21 En Ik zal het in do hand der vreemden |
EZECHIÃL 7, 8.
731
|
overgeven ten root', en den goddeloozen der aarde ten buit, en zij zullen hot ontheiligen. 22 Ook zal Ik mijn aangezigt van hen omwenden, en zij zullen mijne verborgene plaats ontheiligen: want inbrekers zullen daar inkomen en die ontheiligen. 23 Maak eene keten: want het land is vol van bloedgerigten, en de stad is vol van geweld. 24 Daarom zal Ik de kwaadste der Heidenen doen komen, die hunne huizen erfelijk bezitten zullen, en zal den hoogmoed der sterken doen ophouden, en die hen heiligen, zullen ontheiligd worden. 25 Do ondergang komt; en zij zullen den vrede zoeken, maar hij zal er niet zijn. 2G Ellende zal op ellende komen, en er zal gerucht op gerucht wezen; dan zullen zij het gezigt van een' profeet zoeken; maar de wet zal vergaan van den priester, en do raad van de oudsten. 27 De koning zal rouw bedrijven, en do vorston zullen met verwoesting bekleed zijn, en de handen van het volk dos lands zullen beroerd zijn; Ik zal hun doen naar hunnen weg, en met hunne regten zal Ik zo rigten; en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben. HOOFDSTUK 8. Wanneer, waar en hoe dit gozigt don profeet is geopenbaard, vs. 1. God voort hom in Jen tempel to Jerilzalem en toont hom do gruwelijke afgoderij, welke do Joden aldaar bedreven, mot het beeld dor ijvering, 5; mot vcrschoidenc krnipende dieren, ver-fooijelijke beesten en drekgoden, 8. God toont hem ook do vrouwen, die den afgod Thammuz beweenden, 13; en de mannen, die do zon aanbaden, 15; welke gruwelen zij ligt achtten, 17; waarom God hen zonder genade wil straffen, 18. HET geschiedde nu in het zesde jaar, in de zesde maand, op den vijfden der maand, als ik in mijn huis zat, en de oudsten van Juda voor mijn aangezigt zaten, dat de hand des Hoeren Heeren daar over mij viel. 2 Toen zag ik, en ziet, eene gelijkenis, als de gedaante van vuur; van do gedaante zijnor lenden en nederwaarts was vuur; en van zijne lenden en opwaarts, als de gedaante eenor klaarheid, als do verw van Hasmal. 3 En hij stak quot; de gelijkenis eener hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en do Geest voerde mij op tusschen de aarde en tusschon den hemel, en bragt mij in de gezigten Gods te Jeruzalem, tot de deur der poort van het binnenste voorhof, dewelke ziet naar het noorden, alwaar do zitplaats was van een beeld der ijvering, dat tot ijver verwekt. «Dan. 5:5. 4 En ziet, de heerlijkheid des Gods van Israël was aldaar, naar de gedaante, die ik in de quot;vallei gezien had. aEzec. 3:23. 5 En Hij zoide tot mij: Menschenkind! hef nu uwe oogen op naar den weg van het noorden; en ik hief mijne oogon op naar den weg van het noorden; |
en ziet, tegen hot noorden aan do poort van hot altaar was dit beeld der ijvering, in don ingang. G En Hij zeide tot mij: Menschenkind! ziet gij wel, wat zij doen, de groote gruwelen, die het huis Israels hier doen, opdat Ik van mijn heiligdom verre wegga? Doch gij zult nog wederom groote gruwelen zien. 7 Zoo bragt Hij mij tot do deur van hot voorhof. Toen zag ik, en ziet, er was een hol in den wand. 8 En hij zeide tot mij: Menschenkind! graaf nu in dien wand. En ik groef in dien wand, en ziet, daar was eeno deur. 9 Toen zeide Hij tot mij: Ga in, en zie do booze gruwelen, die zij hier doen. 10 Zoo ging ik in, en ik zag, en ziet, er was alle beeldtenis van kruipende dieren en verfoeijelijke beesten, en van alle drekgoden van het huis Israels, geheel rondom aan den wand gemaald. 11 En zeventig mannen uit de oudsten van hot huis Israels, met Jaiizanja, den zoon van Safan, staande in hot midden van hen, stonden voor hunne aangezigten ; en een ieder had zijn rookvat in zijne hand, en eene overvloedige wolk des reukwerks ging op. 12 Toen zeide Hij tot mij: Hebt gij gezien, menschenkind! wat de oudsten van het huis Israels doen in de duisternis, een iodcr in zijne gobeelde binnenkameren? want zij zeggen: quot; Do Heere ziet ons niet, de Heere heeft hot land verlaten. a Ezec. ü :!). 13 En Hij zeide tot mij: Gij zult nog wederom groote gruwelen zien, die zij doen. 14 En Hij bragt mij tot de deur der poort van het buis des Heeren, die naar hot noorden is, en ziet, daar zaten vrouwen, beweenendo don Thammuz. 15 En Hij zoide tot mij: Hebt gij, menschenkind! dat gezien? Gij zult nog wederom grootore gruwelen zien dan deze. 16 En Hij bragt mij tot hot binnenste voorhof van het huis des Heeren; en ziet, aan do deur van don tempel dos Heeren, tusschen het voorhuis en tusschon het altaar, waren omtrent vijf en twintig mannen; hunne achterste leden waren naar don tempel des Heeren, en hunne aangezigten naar hot oosten, en deze bogen zich neder naar het oosten voor de zon. 17 Toen zeido Hij tot mij: Hebt gij, menschenkind! dat gezien? is er iets ligter geacht bij het huis van Juda, dan deze gruwelen te doen, dio zij hier doen? Als zij het land met geweld vervuld hebben, zoo koeren zij zich, om Mij te vertoornen, want zie, zij steken de wijnranken aan hunnen neus. 18 Daarom zal Ik ook handelen in grimmigheid, quot;mijn oog zal niet verschoonon, en Ik zal niet sparen; hoewel zij voor mijne oogen mot luider stem roepen, b nogtans zal Ik hen niet hooren. re Ezec, 5:11. 7:4:. h Spr. 1:28. Jes. 1:15. Jer. 11:11. |
EZECHIÃL 9, 10.
732
|
HOOFDSTUK 9. God geeft zes mannen last, om zijne wraak binnen Jerilzalem uit te voeren, vs. 1. De heerlijkheid des Hoeren wijkt tot den dorpel dos tempels, 3. God gebiedt oenen man, in linnen gekleed, alle vromen eerst met een zeker teeken to teokenen, 4; welke do zes mannen alleen moosten sparen, maar de overigen verdelgen, 5. Zulks beschikt zijnde, wordt do profeet uitermate ontsteld, 8; on ontvangt daarop Gods antwoord, 9. Uc man, in linnen gekleed, be-rigt, dat hij zijnen last volbragt hoeft, 11. DAARNA riep Hij voor mijne ooren met luider stem, zeggende: Doet do opzieners der stad naderen , en elk oen met zijn verdervend wapen in zijne hand. 2 En ziot, zes mannon kwamen van den weg der Hooge poort, die gekoerd is naar hot noorden, en olk oen mot zijn verpletterend wapen in zijne hand; en een man in het midden van hen was mot linnen bekleed, en een schrijvers inktkoker was aan zijne lenden: en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar. 3 En do heerlijkheid dos Gods van Israël hief zich op van den cherub, waarop Hij was, tot don dorpel van hot huis; en Hij riep tot don man, die met linnen bekleed was, die don schrijvers inktkoker aan zijne lenden had. 4 En de Heere zeido tot hem: Ga door, door hot midden der stad, door het midden van Jeruzalem , en toeken eon toeken op do voorhoofden der lieden, dio zuchten on uitroepen over al die gruwelen, die in hot midden derzelvo gedaan worden. 5 Maar tot die anderen zeido llij voor mijne ooren: Gaat door, door de stad achter hom, en slaat! ulieder oog vorschoono niet, en spaart niet. (i Doodt ouden, jongelingen, en maagdon, en kinderkens, en vrouwen, tot verdorvens toe; maar genaakt aan niemand, op denwelkon hot teeken is, on begint van mijn heiligdom. En zij begonnen van do oude mannon, die voor hot huis waren. 7 En Hij zeido tot hen: Verontreinigt het huis, en vervult de voorhoven mot verslagenen, gaat henen uit. En zij gingen henen uit, en zij sloegen in de stad. 8 Het geschiedde nu, als zij hen geslagen haddon, en ik overgebleven was, dat ik op mijn aangezigt viel, on riep , en zeido: Ach, Hoero Heere! zult gij al hot overblijfsel van Israël verdorven, mot uwe grimmigheid uit te gioten over Jeruzalem ? 9 Toon /eido Hij tot mij: Do ongoregtighoid van het huis van Israël en van Juda is gansch zeer groot, en hot land is mot bloed vervuld, en do stad is vol van afwijking: want zij zoggen: De Heere heeft het land verlaten, en de Heere ziet niet. 10 Daarom ook wat Mij aangaat, quot;mijn oog zal niet verschoonen, on Ik zal niet sparen; Ik zal hunnen weg op hun hoofd geven. aEzec. 5:11. 7 :4. 8: 18. |
11 En ziot, de man, die met linnen bekleed was, aan wiens lenden de inktkoker was, bragt bescheid weder, zeggende: Ik heb gedaan, gelijk als Gij mij geboden hadt. HOOFDSTUK 10. Vervolg van hot profetisch gezigt van do heerlijkheid des Hoeren, gelijk aan hot voorgaande, hetwelk de profeet aan de rivier Chobar had gezien, en van de vurige kolen, die do man met linnen bekleed, ontving om over do stad te strooijen, vs. 1. Do heerlijkheid des Hoeren schijnt hier driemaal van plaats veranderd te zijn; ten eerste, van de Cherubim tot den dorpel des tompels, 4; ton tweede, van daar weder op de Chornbim, 18; ten derde, op de Cherubim tot de Oostpoort, of voorste poort, om uit te gaan uit zijn huis, 19. DAARNA zag ik, en ziet, boven het uitspansel, hetwelk was over het hoofd dor cherubs, was als oen saffiersteon, als de gedaante van do gelijkenis eons troons; en Hij verschoen op dezelve. 2 En Hij sprak tot den man, bekleed met linnen, en Hij zeido: Ga in tot tusschen de wielen, tot onder den cherub, en vul uwe vuisten met vurige kolen van tusschen de cherubs, en strooi zoover de stad; en hij ging in voor mijne oogen. 3 De cherubs nu stonden ter rogterzijdo van hot huis, als die man inging; en oeno wolk vervulde hot binnenste voorhof. 4 Toen hief zich de heerlijkheid des Heeren omhoog van boven den cherub, op den dorpel van het huis; en hot huis word vervuld met oeno wolk, en het voorhof was vol van den glans dor heerlijkheid des Heeren. 5 En het geruisch van de vleugelen der cherubs werd gehoord tot het uiterste voorhof, als de stem des almagtigon Gods, wanneer Hij spreekt. 6 Het geschiedde nu, als Hij den man, bekleed met linnen, geboden had, zeggende: Neem vuur van tusschen de wielen, van tusschen de cherubs; dat hij inging en stond bij een rad. 7 Toen stak een cherub zijne hand uit van tusschen do cherubs tot het vuur, hetwelk was tusschen do cherubs, en nam daarvan en gaf hot in de vuisten desgenon, die mot linnen bekleed was; die nam hot, en ging uit. 8 Want er werd gezien aan do cherubs do gelijkenis van eens menschen hand onder hunne vleugelen. 9 Toen zag ik, en ziet, vier radoren waren bij de cherubs; één rad was bij eiken cherub; en de gedaante der raderen quot; was als do verw van een' turkoois-steen. a Ezec. 1 :16. 10 En aangaande hunne godaanton, die vier hadden eenerlei gelijkenis, gelijk of het ware geweest één rad in hot midden van oen rad. 11 Als die gingen, zoo gingen deze op hunne vier zijden; zij koerden zich niet om, als zij gingen ; maar de plaats, waarhenen het hoofd zag, die volgden zij na; zij keerden zich niet om, als zij gingen. 12 Hun ganscho ligchaam nu, en hunne ruggen. |
ÃL 10, 11.
EZECIII1
733
|
on hunne handen, en hunne vleugelen, mitsgaders de raderen, waren vol oogen rondom; die vier hadden hunne raderen. 13 Aangaande de raderen, elk een derzelve werd voor mijne ooren genoemd Galgal. 14 En elk een had vier aangezigten; het eerste aangezigt was het aangezigt eens cherubs, en het tweede aangezigt was hot aangezigt eens men-schen, en het derde het aangezigt eens leeuws, en het vierde het aangezigt eens arends. 15 En die cherubs hieven zich omhoog; dit was oven het dier, dat ik bij de rivier Chebar gezien had. IC quot;En als de cherubs gingen, zoo gingen die raderen nevens dezelve; en als de cherubs hunne vleugelen ophieven, om zich van de aarde omhoog te heffen, zoo keerden zich diezelve raderen ook niet om van bij hen. «E/.ec. 1: 19. 17 Als die stonden, stonden deze, en als die opgeheven werden, hieven zich deze ook op: quot; want de Geest der dieren was in hen. aEzec.1:20. 18 Toen ging de heerlijkheid des Heeren van boven den dorpel des huizes weg, en stond boven de cherubs. 19 En de cherubs hieven hunne vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijne oogen, als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen: en elk een stond aan de deur der Oostpoort van het huis des Heeren; en de heerlijkheid des Gods Israels was van boven over hen. 20 Dit is het dier, dat ik zag onder den God Israels 0 bij de rivier Chebar; en ik bemerkte, dat het cherubs waren. a Ezec. 1 : 3. 21 quot;Elk een had vier aangezigten, en elk een had vier vleugelen; en de gelijkenis van menschen-handen was onder hunne vleugelen. «Ezec. 1:6, 8. 10:8, 14. 22 En aangaande de gelijkenis van hunne aangezigten, het waren dezelfde aangezigten, die ik gezien had bij de rivier Chebar, hunne gedaanten en zij zeiven; zij gingen ieder regt uit voor zijn aangezigt henen. HOOFDSTUK 11. God toont den profeet de boosheid der voornaamste regenton van Jerüzalem, dio inot Gods profotion den spot dreven, vs. 1. Do profeet moet hunne zonden en straffen hun verkondigen, 4. Een der voornaamste regenten sterft, waarover de profeet wordt ontsteld, 13. God toont den profeet de spotternij, die zij te Jerflzalom dreven met hunne broederen, die naar Babel waren weggevoerd, aan welke God in tegendeel geestelijken en ligchamelijken zegen belooft, 14. De heerlijkheid des Heeren verlaat do stad, 22. God brengt den profeet weder in een gezigt tot zijne gevangene broeders in Chaldéa, 24. TOEN hief mij de Geest op, en bragt mij tot de Oostpoort van het huis des Heeren , dewelke ziot oostwaarts; en ziet, aan de deur der poort waren vijf en twintig mannen, en in hot midden van hen zag ik Jaiizanja, den zoon van Azzur, en Pelatja, den zoon van Benaja, vorsten des volks. |
2 En Hij zeide tot mij: Menschenkind! deze zijn do mannen, die ongeregtigheid bedenken, en die kwadon raad raden in deze stad. 3 Dio zeggen: Men moet geene huizen nabij bouwen; deze stad zou de pot, en wij het vleesch zijn. 4 Daarom profeteer togen hen; profeteer, o menschenkind! 5 Zoo viel dan de Geest des Heeren op mij, en Hij zoide tot mij: Zeg: Zoo zegt de Heere : Al-zoo zegt gijlieden, o huis Israels! want Ik weet elk een der dingen, die in uwen geest opklimmen. G Gij hebt uwe verslagenen in deze stad vermenigvuldigd, en gij hebt derzelver straten met de verslagenen vervuld. 7 Daarom, zoo zegt do Heere Heere: Uwe verslagenen , die gij in het midden derzelve neder-gelegd hebt, die zijn dat vleesch, en deze stad is de pot; maar ulieden zal Ik uit het midden derzelve doen uitgaan. 8 Gijlieden hebt het zwaard gevreesd; en het zwaard zal Ik over u brengen, spreekt de Heere Heere. 9 Ook zal Ik ulieden uit het midden derzelve doen uitgaan, en Ik zal u overgeven in de hand der vreemden; en Ik zal regt onder u doen. 10 Gij zult door het zwaard vallen; in de land-pale Israëls zal Ik u rigten, en gij zult weten, dat Ik de Heere ben. 11 Deze stad zal ulieden niet tot eenen pot zijn, en gij zult in het midden derzelve niet tot vleesch zijn; in de landpale Israëls zal Ik u rigten. 12 En gij zult weten, dat Ik de Heere ben, omdat gij in mijne inzettingen niet gewandeld, en mijne regten niet gedaan hebt, maar naar de regten der Heidenen, die rondom u zijn, gedaan hebt. 13 Het geschiedde nu, als ik profeteerde, dat Pelatja, de zoon van Benaja, stierf. Toen viel ik neder op mijn aangezigt, en riep met luider stem, en zeide: Ach, Heere Heere! zult Gij gansch eene voleinding maken met het overblijfsel van Israël? 14 Toen geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: 15 Menschenkind! het zijn uwe broederen, uwe broederen, de mannen uwer maagschap, en het gansche huis Israëls, ja dat gansche, tot welke de inwoners van Jeruzalem gezegd hebben: Maakt u verre af van den Heere, ditzelve land is ons tot eene erfbezitting gegeven. 16 Daarom zeg: Zoo zegt de Heere Heere: Hoewel Ik hen verre onder de Ileideiien weggedaan heb, en hoewel Ik hen in de landen verstrooid heb, nogtans zal Ik hun oen weinig tijds tot een heiligdom zijn, in de landen, waarin zij gekomen zijn. 17 Daarom zeg: Alzoo zegt de Heere Heere: Ja Ik zal ulieden vergaderen uit de volken, en |
EZECHIÃL 11, 12.
7:34
|
Ik zal vi verzamelen uit do landen, waarin gij verstrooid zijt, en Ik zal u het land Israels geven. 18 En zij zullen daarhenen komen, en al deszelfs verfoeiselen en al deszelfs gruwelen van daar wegdoen. l!) En Ik zal hun quot;eenerlei hart geven, en zal eenen nieuwen geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het steenon hart uit hun vloesch wegnomen, en zal hun oen vleeschon hart geven; a Jer. 32 ; 39. Ezec. 30 : 26. 20 Opdat zij wandelen in mijne inzettingen, en mijne regton bewaren, en dezelve doen; en zij zullen Mij tot een quot;volk zijn, en Ik zal hun tot eon' God zijn. a Jer. 24:7. 30:22. 31 : 1. 32:38. 21 Maar welker hart hot hart hunner verfoeiselen en hunner gruwelen nawandelt, derzelver weg zal Ik op hun quot;hoofd geven, spreekt de lleoro Heere. a Ezec. 9:10. 22 Toon hieven do cherubs hunne vleugelen op, en de raderen tegenover hou; en do heorlijkhoid des Gods van Israël was over hen van boven. 23 En de heerlijkheid dos Heeren rees op van het midden dor stad, en stond op den berg, die togen het oosten der stad is. 24 Daarna nam mij de Geest op, en bragt mij in gezigt door den Geest Gods in Chaldéa tot de gevankelijk weggevoerden; en het gezigt, dat ik gezien had, voor van mij op. 25 En ik sprak tot de gevankelijk weggevoerden al de woorden dos Heeren, die Hij mij had doen zien. HOOFDSTUK 12. De profeet wordt van God bevolen, de heimelijke vlagt en gevankelijke wegvoering van den koning Zedelda en van het volk, weinigen uitgezonderd, in zijn persoon af te beelden, vs. 1; ook om zijn brood te eten en zijn water te drinken met kommer en angst, den Joden tot een teokon, 17. God verwerpt het spottende spreekwoord der .loden, en voorzegt daarentegen eene haastige en zekere vervulling zijner profetiën, 21. VERDER geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 2 Menschonkind! gij woont in hot midden van oen quot; woderspannig huis, dewelke oogen hebben om to zien, en niet '' zien, c ooren hebben om te hooron, en niet hooren, want zij zijn oen woderspannig huis. aEzec. 2:3â8. 3:20, 27. //.les. 0:9. Jer. 5:21. cJer. 5:21. 3 Daarom gij menschonkind ! maak u gereedschap van vertrokking; en vertrek bij dag voor hunne oogen; en gij zult vertrekken van uwe plaats tot eene andere plaats voor hunne oogon; misschien zullen zij het merken, hoewel zij oen woderspannig huis zijn. 4 Gij zult dan uw gereedschap bij dag voor hunne oogon uitbrengen, als het gereedschap dor-genen, dio vertrekken; daarna zult gij in den avond uitgaan voor hunne oogen, gelijk zij uitgaan , die vertrekken. |
5 Doorgraaf u den wand voor hunne oogon, en breng daardoor uw gereedschap uit. 6 Voor hunne oogon zult gij hot op de schouders dragon, in donker zult gij het uitbrengen; uw aangozigt zult gij bedekken, dat gij hot land niet ziet: want Ik heb u don huize Israels tot een wonderteekon gegeven. 7 En ik deed alzoo, gelijk als mij bevolen was: ik bragt mijn gereedschap uit bij dag, als hot gereedschap dorgenen, die vertrekken; daarna in den avond doorgroef ik mij don wand met de hand; ik bragt het uit in donker, en ik droeg het op den schouder voor hunne oogen. 8 En dos morgens geschiedde hot woord des Heeren tot mij, zeggende: 9 Menschonkind! heeft niet het huis Israels, het woderspannig huis, tot u gezegd: Wat doet gij ? 10 Zog tot hen: Alzoo zegt do Heore Heere : Deze last is teijen don vorst te Jeruzalem, on hot gansche huis Israels, dat in het midden van hen is. 11 Zog: Ik bon ulioder wonderteekon; gelijk als ik gedaan heb, alzoo zal hun gedaan worden; zij zullen door wegvoering in do gevangenis henengaan. 12 En de vorst, die in het midden van hen is, zal het gereedschap op don schouder dragon in donker, en hij zal quot;uitgaan; zij zullen door don wand graven, om hem daardoor uit te brengen; hij zal zijn aangozigt bedekken, opdat hij met hot oog do aarde niet zie. a 2 Kon. 25:4. 13 quot;Ik zal ook mijn net over hem uitspreidon, dat hij in mijn jagtgarcn gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonië, het land der Chaldoën, ook zal hij dat niet zien, hoewol hij daar sterven zal. aEzec. 17:20. 14 En allen, die rondom hem zijn tot zijne hulp, en al zijne benden zal Ik in allo winden quot; ver-strooijen; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken. fflEzoc. 5:10, 12. 15 Alzoo zullen zij weten, dat Ik do Heere ben, wanneer Ik hen onder de Heidenen verspreiden on hen in do landen vorstrooijen zal. 16 Doch Ik zal van hen weinige lieden doen overblijven van hot zwaard, van den honger en van de pestilentie; opdat zij al hunne gruwelen vertollen onder de Heidenen, waarhenen zij komen zullen, en zij zullen weten, dat Ik de Heere bon. 17 Daarna geschiedde hot woord dos Heeren tot mij, zeggende: 18 Menschonkind! gij zult uw brood eten met beven, en uw water zult gij met beroerte en met kommer drinken. 19 En gij zult tot het volk dos lands zeggen: Alzoo zegt do Heore Heere, van do inwoners van Jeruzalem, in het land Israëls: Zij zullen hun brood met kommer eten, en hun water zullen zij met quot; verbaasdheid drinken, omdat hun land woest zal worden van zijne volheid, van wege hot gewold van al degenen, die daarin wonen; aEzec.4:1 (i. |
EZECHIÃL 12, 13.
|
20 En de bewoonde steden zullen woest worden, en het land zal eene wildernis zijn; en gij zult weten, dat Ik de Heere ben. 21 Wederom geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: 22 Menschenkind! wat is dit voor oen spreekwoord, dnt gijlieden hebt in het land Israels, zeggende: De dagen zullen verlengd worden, en al het gezigt zal vergaan? 23 Daarom zeg tot hen: Alzoo zegt de Heere Heere: Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israël. Maar spreek tot hen: De dagen zijn nabij gekomen, en hot woord van ieder gezigt. 24 Want geen ijdel gezigt zal er meer wezen, noch vleijende waarzegging, in het midden van het huis Israels. 25 Want Ik ben de Heere, Ik zal spreken; het woord, dat Ik zal spreken, zal gedaan worden, de tijd zal niet meer uitgesteld worden: want in uwe dagen, o wederspannig buis! zal Ik een woord spreken, en hetzelve doen, spreekt de Heere Heere. 26 Verder geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende: 27 Menschenkind! zie, die van het huis Israëls zeggen: Het gezigt, dat hij ziet, is voor vele dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn. 28 Daarom zeg tot hen: Alzoo zegt de Heere Heere: Geene mijner woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord, hetwelk Ik gesproken heb, dat zal gedaan worden, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 13. God beveelt den profeet te profeteren tegen do valsche profeten en hunne looze pleisteringen, vs. 1; als ook tegen de valsche profetessen en liare armkussens en hoofddeksels, 17. EN des Heeren woord geschiedde tot mij, zeggende: 2 Menschenkind! profeteer tegen de profeten Israëls, die profeteren, en zeg tot degenen, die uit hun hart profeteren: Hoort dos Heeren woord. 3 Zoo zegt de Heere Heere: Wee over die dwaze profeten, die hunnen geest nawandelen, en hetgeen zij niet gezien hebben! 4 Uwe profeten, o Israël! zijn als vossen in do woeste plaatsen. 5 Gij zijt in do bressen niet opgetreden, noch hebt den muur toegemuurd voor hot huis Israëls, om in den strijd te staan, ten dage dos Heeren. 6 Zij zien ijdelbeid en leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: Do Heere hooft gesproken! daar de Heere hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zullen bevestigen. 7 Ziet gij niet een ijdel gezigt, en spreekt eene leugenachtige voorzegging, als gij zegt: De Heere spreekt, daar Ik niet gesproken heb ? |
8 Daarom zoo zegt do Heere Heere: Omdat gijlieden ijdelhoid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet. Ik wil aan u, spreekt de Heere Heere. 9 En mijne hand zal zijn togen do profeten, die ijdelbeid zien, en leugen voorzeggen; zij zullen in de vergadering mijns volks niet zijn, en in het schrift van het huis Israëls niet geschreven worden, en in het land Israëls niet komen; en gij zult weten, dat Ik de Heere Heere ben. 10 Daarom, ja daarom dat zij mijn volk verleiden, zeggende: Vrede! daar geen vrede is; on dat do oen oenen leemen wand bouwt, en ziet, de anderen denzelven pleisteren mot loozen kalk. 11 Zog tot degenen, die met loozen kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; er zal een overstelpende plasregen zijn; en gij, o groote hagelstoenen! zult vallen, en een grooto stormwind zal kern splijten. 12 Ziet, als die wand zal gevallen zijn, zal dan niet tot u gezegd worden: Waar is do pleistering, waarmede gij gepleisterd hebt? 13 Daarom alzoo zegt de Heere Heere : Ja Ik zal hem door oenen grooton stormwind in mijne grimmigheid splijten, en er zal een overstelpende plasregen zijn in mijnen toorn, en groote hagelstoenen in mijne grimmigheid, om dien te verdoen. 14 Zoo zal Ik don wand afbreken, dien gijlieden mot loozen kalk gepleisterd hebt, en zal hem ter aarde neder worpen, dat zijn grond zal ontdekt worden; alzoo zal dc stad vallen, en gij zult in ^ hot midden van haar omkomen; en gij zult weten , dat Ik do Heere ben. 15 Zoo zal Ik mijne grimmigheid togen den wand voortbrengen, en tegen degenen, die hom pleisteren met loozen kalk; on Ik zal tot ulieden zoggen: Die wand is er niet meer, en die hem pleisterden zijn er niet: 1G Te iveten de profeten Israëls, dio van Jeruzalem profeteren, en voor haar oen gezigt dos vrodos zien, waar geen vrede is, spreekt do Heere Heere. 17 En gij, menschenkind! zet uw aangezigt tegen de dochteren uws volks, dewelke profeteren uit haar hart, en profeteer tegen haar. 18 En zeg: Zoo zegt de Heere Heere: Wee die vrouwen, die kussens naaijen voor alle okselen der armen, en maken hoofddeksels voor het hoofd van allo statuur, om do zielen te jagen! Zult gij de zielen mijns volks jagen, en zult gij u do zielen in hot leven behouden? 10 En zult gij Mij ontheiligen bij mijn volk, «voor handvollen van gerst, en voor stukken broods, om zielen te doodon, die niet zouden sterven, en om zielen in het loven te behouden, dio niet zouden leven, door uw liegen tot mijn volk , dat de leugen hoort ? a Micha 3 : 5. 20 Daarom, zoo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uwe kussens, waarmode gij aldaar de de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uwe armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, do zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven. |
EZECHIÃL 13, 14.
736
|
21 Daartoe zal Ik uwe hoofddeksels scheuren, en mijn volk uit uwe hand redden, zoodat zij niet meer in uwe hand zullen zijn tot eene jagt; en gij zult weten, dat Ik de Heere ben. 22 Omdat gijlieden het hart dos regtvaardigen door valschheid hebt bedroefd gemaakt, daar Ik hem geene smart aangedaan heb; en omdat gij de handen dos goddeloozen gesterkt hebt, opdat hij zich van zijnen boozen weg niet afkoeren zou, dat Ik hem in liet loven behield: 23 Daarom zult gij niet meer ijdelheid zien, noch waarzegging gebruiken; maar Ik zal mijn volk uit uwe hand redden, en gij zult weten, dat Ik de Heere ben. HOOFDSTUK 14. Sommige oudsten van het volk komen tnt den profeet, om in schijn God raad to vragen, vs. 1. God unt-woordt hen naar do verdiensten iimi-ner afgoderij en huichelarij, en bedreigt al zulke vragers, ook do verleide profeten, die den vragers naar hunne begeerte profeteerden, met het verderf, gevende oeiio bolofte voor de boel-vaardigen, 2. God verklaart, dat de voorbiddingen , zelfs van do meest vromen, als Noach, Daniël en Job, Jeruzalem noch een volk, hetwelk Hij vast besloten heeft te straffen, zonden kunnen helpen; alleen zonden zij hunne eigene zielen redden, 12. Hij voorzegt, dat eenigen zullen overblijven en naar de andere .loden in Babel gevoerd worden, hun tot voorbeeld en spiegel van Gods regtvaardigheid, 22. DAARNA kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israël, en quot;zaten neder voor mijn aangozigt. a Ezec. 20 : 1. 2 Toen geschiedde dos IIkeren woord tot mij, zeggende: 3 Menschenkind! deze mannen hebben hunne drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongeregtigheid regt voor hunne aangozigten gesteld; word Ik dan ernstelijk van hen gevraagd? 4 Daarom spreek niet hen, en zeg tot hen: Alzoo zegt de Heere Heere: Een ieder man uit het huis Israels, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongeregtigheid regt voor zijn aangozigt stelt, en komt tot den profeet, Ik, do Heere, zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden; |
5 Opdat Ik het huis Israels in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hunne drekgoden van Mij vervreemd zijn. 6 Daarom zog tot het huis Israels: Alzoo zegt do Heere Heere : Bekeert u en keert u af van uwe drekgoden, en keert uwe aangozigten af van al uwe gruwelen. 7 Want ieder man uit het huis Israels, en uit den vreemdeling, die in Israël verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijne drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongeregtigheid regt voor zijn aangezigt, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de Heere, hem zal geantwoord worden door Mij; 8 En Ik zal mijn aangezigt tegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot een a toeken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeijen uit het midden mijns volks; en gijlieden zult weten, dat Ik do Heeue ben. a Deut. 28:37. Ezec. 5 : 1 ó. 9 Als nu een profeet quot; overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik , de Heere , heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal niijnc b hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van mijn volk Israël. «Ezec. 13: 1, 2, enz. 6Ezec. 13:9. 10 En zij zullen hunne ongeregtigheid dragen; gelijk de ongeregtigheid des vragers zal zijn, alzoo zal zijn do ongeregtigheid dos profeten; 11 Opdat hot huis Israëls niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hunne overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot oenen God zijn, spreekt de Heere Heere. 12 Verder geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 13 Menschenkind! als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zoo zal Ik mijne hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelve den quot; staf dos broods breken, en oenen honger daarin zonden, dat Ik daaruit menschon on beesten uitroeije: «Lev.26:20. Ezec. 4:16. 5:10. |
EZECHIÃL 14, 15, 16.
737
|
14 Ofschoon deze drie mannen, Noaeh, Daniël en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hunne geregtigheid alleen hunne ziel bevrijden, spreekt de Heere Heere. 15 Zoo Ik het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen beroove, zoodat het woest worde, dat er niemand doorga, van wege het gedierte: 16 Die drie mannen in het midden deszelven zijnde, zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere , zoo zij zonen, en zoo zij dochteren bevrijden zouden! zij zeiven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden. 17 Of als Ik het zwaard brenge over datzolve land, en zegge: Zwaard! ga door, door dat land, zoodat Ik daarvan uitroeije menschen en beesten: 18 Ofschoon die drie mannen in het midden deszelven waren, zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zij zouden zonen noch dochteren bevrijden, maar zij zeiven alleen zouden bevrijd worden. 19 Of als Ik de pestilentie in datzelve land zende, en mijne grimmigheid daarover met bloed uitgiete, om daarvan menschen en beesten uit te roeijen: 20 Ofschoon Noach, Daniël en Job in liet midden deszelven waren, zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zoo zij eenen zoon, of zoo zij eene dochter zouden bevrijden! zij zouden alleen hunne ziel door hunne geregtigheid bevrijden. 21 Want alzoo zegt de Heere Heere; Hoe veel te meer, als Ik mijne vier booze gerigten, het zwaard, en den honger, en het booze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem , om daaruit menschen en beesten uit te roeijen! 22 Docli ziet, daarin zullen ontkomenen over-blijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren; ziet, zij zullen tot ulieden uitkomen, on gij zult hunnen weg zien, en hunne handelingen ; en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebragt zal hebben, ja al wat Ik zal gebragt hebben over haar. 23 Zoo zullen zij u vertroosten, als gij hunnen weg en hunne handelingen zien zult; en gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar gedaan heb, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 15. Door do gelijkenis van liet hout des wijnstoks, voorzegt G-od de geheele verdelging van Jeruzalem, van wege al hare boosheid. EN des Heeren woord geschiedde tot mij, zeggende; 2 Menschenkind! wat is het hout des wijnstoks meer dan alle hout, of de wijnrank meer (Ztm dat onder het hout eens wouds is? |
3 Wordt daarvan hout genomen, om een stuk werks te maken ? neemt men daarvan eene pin, om eenig vat daaraan te hangen ? 4 Ziet, het wordt aan het vuur overgegeven, opdat het verteerd worde; het vuur verteert beide zijne einden, en zijn middelste wordt verbrand , zou het deugen tot een stuk werks ? 5 Ziet, toen het geheel was, werd het tot geen stuk werks gemaakt; hoe veel te min als het vuur dat verteerd heeft, zoodat het verbrand is, zal het dan nog tot een stuk werks gemaakt worden? 6 Daarom, alzoo zegt de Heere Heere: Gelijk als het hout des wijnstoks is onder het hout des wouds, hetwelk Ik aan het vuur overgeef, opdat het verteerd worde, alzoo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven. 7 Want Ik zal mijn aangezigt tegen hen zetten; als zij van het eene vuur uitgaan, zal het andere vuur hen verteren; en gij zult weten, dat Ik de Heere ben, als Ik mijn aangezigt tegen hen gesteld zal hebben. 8 En Ik zal het land woest maken, omdat zij zwaarlijk overtreden hebben, spreekt de Heere Heere. HOOFDSTUK 16. Door do gelijkenis van eon nieuw geboren en ellendig verlaten dochtertje, stelt God den .loden voor oogen hunne onwaardigheid en zijne bijzondere liofdo en weldadigheid, welke Hij hun uit loutere genade heeft bewezen, vs. 1; daarentegen hunne snoode ondankbaarheid en ontrouw, bewezen door allerlei gruwelijke afgoderij en heidenscho verbondon, 15. Voorts de rogtvaardighoid zijner gestrenge oordooien over hon, 35; welke zij (in boosheid voor Sodom en Samaria niet onderdoende) ten hoogste verdiend hadden, 45; met belofte nogtans van genadige herstelling, welke zij, met de uitverkorene Heidenen, in den Messias zouden deelachtig worden, 60. VERDER geschiedde des Heeren woord tot in ij, zeggende: 2 Menschenkind! maak Jeruzalem hare gruwelen bekend. 3 En zeg: Alzoo zegt de Heere Heere tot Jeruzalem: Uwe handelingen en uwe geboorten zijn uit het land dor Kanaanieten; uw vader was een Amoriet en uwe moeder eene Hethietische. 4 En aangaande uwe geboorten: ten dage, als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden ; en gij waart niet met water gewasschen, toen Ik li, aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven, noch in windelen gewonden. 5 Geen oog had medelijden over u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest opliet vlakke des velds, om de walgelijkheid van uwe ziel, ten dage, toen gij geboren waart. 6 Als Ik bij u voorbijging, zoo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja Ik zeide tot u in uw bloed: Leef! 7 Ik heb u tot tien duizend, als het gewas des velds, gemaakt; en gij zijt gegroeid, en groot 47 |
EZEOHIÃL 16.
738
|
geworden , en zijt gekomen tot groote sierlijkheid: uwe borsten zijn vast geworden, en uw haar is gewassen, docii gij waart naakt en bloot. 8 Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd der minnen: zoo breidde Ik mijnen vleugel over u uit, en dekte uwe naaktheid; ja quot;Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere Heere, en gij werdt de mijne. «Gen. 22;1G. 2-1:7. 9 Daarna wiesch Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u niet olie. 10 Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en Ik schoeide u met dassenvellen, en omgordde u met fijn linnen, en bedekte u met zijde. 11 Ook versierde Ik u met sieraad, en deed armringen aan uwe handen, en eene keten aan uwen hals. 12 Desgelijks deed Ik een voorhoofdsiersol aan uw aangezigt, en oorringen aim uwe ooren, en eene kroon der heerlijkheid op uw hoofd. 13 Zoo waart gij versierd mot goud en zilver, en uwe kleeding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; gij at meelbloem, en honig, en olie, en gij waart gansch zeer schoon, en waart voorspoedig, dat gij een koningrijk werdt. 14 Daartoe ging van u een naam uit onder de Heidenen om uwe schoonheid; want die was volmaakt door mijne heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere Heere. 15 Maar gij hebt vertrouwd op uwe schoonheid, en hebt gehoereerd van wege uwen naam; ja hebt uwe hoererijen uitgestort aan een' ieder, die voorbijging; voor hem was zij. 16 En gij hebt van uwe kleederen genomen, en u gemaakt geplekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd: zulkn is niet gekomen, en zal niet geschieden. 17 Daartoe hebt gij genomen do vaten uws sieraads van mijn goud en van mijn zilver, dat Ik ii gegeven had, en gij hebt u mansbeelden gemaakt, en gij hebt met dezelve gehoereerd. 18 En gij hebt uwe gestikte kleederen genomen, en hebt ze bedekt; en gij hebt mijne olie en mijn reukwerk voor hunne aangezigten gesteld. 19 En mijn brood, hetwelk Ik u gaf, meelbloem, en olie, on honig, waarmede Ik u spijsde, dat hebt gij ook voor hunne aangezigten gesteld tot eenen liefelijken reuk ; zoo is het geschied, spreekt do Heere Heere. 20 Verder hebt gij uwe zonen en uwe dochteren, die gij Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze denzolven geofferd om te verteren: is het wat kleins van uwe hoererijen, 21 Dat gij mijne kinderen quot; geslagt hebt, en hebt ze overgegeven, als gij dezelve voor hen door het vuur hebt doen gaan? «Jes. 57:5. 22 Ook hebt gij bij al uwe gruwelen en uwe hoererijen niet gedacht aan de dagen uwer jongheid, als gij naakt en bloot waart, als gij vertreden waart in uw bloed. |
23 Hot is ook geschied na al uwe boosheid, (wee, wee u! spreekt de Heere Heere) 24 Dat gij u een verwelfsel gebouwd hebt, en u eene hooge plaats gemaakt hebt in elke straat. 25 Aan elk hoofd des wegs hebt gij uwe hooge plaatsen gebouwd, en hebt uwe schoonheid gruwelijk gemaakt, en hebt met uwe boenen gegord voor een' ieder, die voorbijging, en hebt uwe hoererijen vermenigvuldigd. 26 Gij hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uwe naburen, die groot van vleesch zijn; en gij hebt uwe hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken, 27 Ziet, daarom strekte Ik mijne hand over u uit, on verminderde uw bescheiden deel; en Ik gaf u over in den lust dergenen, die u haten, der dochteren quot; der Filistijnen, die van woge uwen schandelijken weg beschaamd waren. a 2 Kron. 28 : 18. 28 Vorder hobt gij gehoereerd met de kinderen van Assur, omdat gij onverzadelijk waart; ja, als gij met hen gehoereerd hebt, zijt gij ook niet verzadigd geworden. 29 Maar gij hebt uwe hoererij vermenigvuldigd in het land van Kanaan tot in Chaldéa; en daarmede ook zijt gij niet verzadigd geworden. 30 Hoe zwak is uw hart (spreekt de Heere Heere) als gij al deze dingen doet, zijnde hot werk van eene heerschende hoerachtige vrouw! 31 Als gij uw verwelfsel bouwt aan hot hoofd van iederon weg, en uwe hooge plaats maakt in elke straat, en niet zijt geweest als eene hoer, den hoerenloon beschimpende. 32 O die overspelige vrouw! zij neemt in plaats van haren man de vreemden aan. 33 Men geeft loon aan alle hoeren; maar gij geeft uwen loon aan al uwe boeion, en gij beschenkt zo, opdat zij tot u van rondom zouden ingaan om uwe hoererijen. 34 Zoo geschiedt met u in uwe hoererijen het tegendeel van de vrouwen, dewijl men u niet naloopt, om te hoereren: want als gij hoerenloon geeft, en hot hoerenloon u niet gegeven wordt, zoo zijt gij tot oen tegendeel geworden. 35 Daarom, o hoer! hoor des Heeren woord. 36 Alzoo zegt do Heere Heere, omdat uw vergif uitgestort is, on uwe schaamte door uwe hoererijen met uwe boelen ontdekt is, en met al de drekgoden uwer gruwelen, en na het bloed uwer kinderen, dat gij hun gegeven hebt; 37 Daarom, zie. Ik zal al uwe boelen vergaderen, met dewelke gij vermengd zijt geweest, en allen, dio gij liefgehad hebt, mot allen, die gij gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, on Ik zal voor hen uwe naaktheid ontdekken , dat zij uwe gansche naaktheid zien zullen. 38 Daartoe zal Ik u naar de regten der over-spoelsters en der bloedvergiotsters rigten; en Ik zal u overgeven aan hot bloed der grimmigheid en des ij vers. |
EZECHIÃL If), 17.
739
|
1, :4 39 En Ik zal u in hunne hand overgeven, en zij zullen uw verwelfsel afbreken, en uwe hooge u I plaatsen omwerpen, en uwe kleederen u uittrekken, on uwe sierlijke juweelen nemen, en u naakt en ;e bloot laten. i- 40 Daarna zullen zij tegen u eene vergadering d : doen opkomen, en zullen u met steenen steenigen, re i en u met hunne zwaarden doorsteken. 41 Zij zullen ook uwe huizen met quot; vuur verin I branden, en oordeelen tegen u uitvoeren voor ;h | veler vrouwen oogen; en Ik zal u doen ophouden 1, ' van eene hoor te zijn, en gij zult ook niet meer hoerenloon geven. a 2 Kon. 25:9. ,Ier. 52; 13. u 42 Zoo zal Ik mijne grimmigheid op u doen k ' rusten, en mijn ijver zal van u afwijken; en Ik i, zal stil zijn, en niet meer toornig wezen. ;e 43 Daarom dat gij niet gedacht hebt aan de dagen uwer jongheid, en Mij tot beroering ge-8. Æ weest zijt met dit alles, zie, zoo zal Ik ook uwen m weg op mv quot;hoofd geven, spreekt de Ileere i, Heere; en gij zult die schandelijke daad niet et doen boven al uwe gruwelen. «Ezec. 9:10. 11:21. 44 Zie, een ieder, die spreekwoorden gebruikt, I'd H zal van u een spreekwoord gebruiken, zeggende : r- Zoo de moeder is, is hare dochter. 45 (lij zijt de dochter uwer moeder, dio de walg re 1 had van haren man en van hare kinderen; en gij et I zijt de zuster uwer zusteren, die de walg gehad *'! hebben van hare mannen en van hare kinderen: fd uwe moeder was een Hothietische, en uw vader in een Amoriet. r, 4G Uwe groote zuster nu is Samaria, zij en hare dochteren, dewelke woont aan uwe linkerts t hand; maar uwe zuster, die kleiner is dan gij, die togen uwe regterhand woont, is Sodom en 'ij li are dochteren. ie- 47 Doch gij hebt in hare wegen niet gewandeld, 3n noch naar hare gruwelen gedaan: het was wat gerings, een verdriet; maar gij hebt het meer et i verdorven dan zij, in al uwe wogen, et 48 Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt do Heere m Heere, indien Sodom, uwe zuster, zij met hare t, ? dochteren, gedaan heeft, gelijk gij gedaan hebt en uwe dochteren! 49 Ziet, dit was do ongeregtighoid uwer zuster sr- fi Sodom: hoogmoed, zatheid van brood en stille ,ve li gerustheid had zij en hare dochteren; maar zij al sterkte de hand dos armen en nooddruftigen niet. ed 50 En zij verhieven zich, on deden gruwelijkheid voor mijn aangezigt; daarom quot;dood Ik zo weg, n, li nadat Ik hot gezien had. «Gon. 19:24. n, 51 Samaria ook heeft naar do helft uwer zonden at quot;iet gezondigd; en gij hebt uwe gruwelen moor en i dan zij vermenigvuldigd, en hebt uwe zusters it- geregtvaardigd door al uwe gruwelen, die gij ui. 1 gedaan hebt. ir- 52 Draag gij dan ook uwe schande, gij, die Ik voor uwe zusteron geoordeeld hebt door uwe sid zonden, die gij gruwelijker gemaakt hebt dan zij; zij zijn regtvaardiger dan gij: wees gij dan ook |
beschaamd, en draag uwe schande, omdat gij uwe zusters geregtvaardigd hebt. 53 Als Ik hare gevangenen wederbrengen zal, namelijk de gevangenen van Sodom on hare dochteren , en de gevangenen van Samaria en hare dochteren, dan zal Ik wederbrengen de gevangenon uwer gevangenis in het midden van haar; 54 Opdat gij uwe schande draagt, en te schande gemaakt wordt, om al hetgeen gij gedaan hebt, als gij haar troosten zult. 55 Als uwe zusters, Sodom on hare dochteren, zullen wederkooren tot haren vorigen staat, mitsgaders Samaria en hare dochteren zullen woder-keeren tot haren vorigen staat, zult gij ook en uwe dochteren wederkeeren tot uwen vorigen staat. 56 Ja uwe zuster Sodom is in uwen mond niet gehoord geweest, ton dage uws grooten hoogmoeds, 57 Aleer uwe boosheid ontdekt was. Als de tijd was der versmading van de dochteren van Syrië, on van al degenen, die rondom datzelve waren, do dochteren dor Filistijnen, die u verachten van rondom, 58 Hebt gij uwe schandelijke daden en uwe gruwelen gedragen, spreekt de Heere. 59 Want alzoo zegt do Heere Heere : Ik zal u ook doen, gelijk als gij gedaan hobt, die den eed quot; veracht hebt, brekende het ''verbond. a Jer. 2 : 20. b hov. vers 8. (50 Evenwel zal Ik gedachtig wezen aan mijn verbond met u, in do dagen uwer jongheid, en Ik zal met u oen eeuwig verbond oprigten. 61 Dan zult gij uwer wogen gedenken en bo-schaamd zijn, als gij uwe zusteron, die grooter zijn dan gij, met dogenen, die kleiner zijn dan gij, aannemen zult: want Ik zal u dezelve geven tot quot;dochteren, maar niet uit uw verbond. a Gal. 4 : 26. 62 Want Ik zal mijn verbond mot u oprigten, on gij zult weten, dat Ik de Heere ben; 63 Opdat gij hot gedachtig zijt, on u schaamt, on niet meer uwen mond opent van wege uwe schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hobt, spreekt do Iloere Heere. HOOFDSTUK 17. Door do gelijkenis van oenen arend, wolko oen coder-tidijo van den Libanon ncomt en oen' nieuwen wijnstok plant, en oenen anderen grooten arend, naar welken dio wijnstok zich neigt, stelt God zijn volk voor: do govankolijko wegvoering van den koning Joehónia en anderen door den koning van Babel; do aanstelling van Zodekia tot koning in zijne plaats, en zijnen meineed en afval tot den koning van Egypte, vs. 1. Waarom God voorzegt, dat hij, van Egypte en zijn eigen volk verlaten, naar Babel gevankelijk zal worden weggevoerd, 15. Hij belooft evenwel een ander nieuw evangelisch cedertakje tot heil van zijn volk te planten, 22. EN des Heeren woord geschiedde tot mij, zeggende: 2 Menschenkind! stel een raadsel voor, en gebruik eene gelijkenis tot het huis Israels, |
I
47*
EZECHIÃL 17, 18.
740
|
!3 En zeg: Alzoo zegt de Heere Heere: Een arend, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verwen had, kwam op den Libanon, en nam den oppersten tak van eenen ceder. 4 Hij plukte den top van zijne jonge takjes af, en bragt hem in een land van koophandel, hij zette hem in eene stad van kooplieden. n Hij nam ook van het zaad des lands, en leide het in eenen zaadakker; hij nam het, hij zotte het bij vele wateren met groote voorzigtigheid. (J En het sproot uit, en werd tot eenen welig uitloopenden wijnstok, doch nederig van stam, ziende met zijne takken naar hem, dewijl zijne wortelen onder hem waren. Zoo werd hij tot eenen wijnstok, die ranken voortbragt en scheuten uitwierp. 7 Nog was er oen groote arend, groot van vleugelen en overvloedig van vederen; en ziet, deze wijnstok voegde zijne wortelen naar denzel-ven toe, en wierp zijne takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zou naar de bedden zijner planting toe. 8 Hij was in oono goede landouwe bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot eenen heerlijken wijnstok worden mogt. 9 Zeg: Alzoo zegt de Heere Heere: Zal hij gedijen? zal hij niet zijne wortelen uitrukken, en zijne vrucht afsnijden, dat hij droog worde? hij zal aan al de bladeren van zijn gewas ver-droogen; en dat niet door eenen grooten arm, noch door veel volks, om dien van zijne wortelen weg te voeren. 10 Ja ziet, zal hij geplant zijnde gedijen? zal hij niet, als de oostewind hom aanroert, gansch verdroegen? op de bedden van zijn gewas zal hij verdroegen. 11 Daarna geschiedde dos IIeeren woord tot mij, zeggende: 12 Zeg nu tot dat wedorspannig huis: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? Zeg: Ziet, de koning van Babel is tot Jeruzalem gekomen, en hoeft haren koning genomen, en hare vorsten en hooft ze tot zich gevoerd naar Babel. 13 Daartoe heeft hij van het koninklijk zaad genomen, en daarmede quot;een verbond gemaakt, en heeft hom tot oenen eed gebragt, en do mag-tigen dos lands heeft hij weggenomen; «Jer. 34:18. 14 Opdat het koningrijk nederig zou zijn, zich niet verheffende, en dat het, zijn verbond houdende , bestaan mogt. 15 Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijne boden in Egypte, quot; opdat men hem paarden en veel volks bestellen zou: zal hij gedijen? zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? ja zal hij dat verbond breken en ontkomen ? a Jer. 37 : 5. 1G Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zoo hij niet in de plaats des konings, die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij veracht, en wiens verbond hij gebroken heeft, bij hom in het midden van Babel zal sterven! |
17 Ook zal Faraö, door een groot heir en door menigte van /(â /â¢yV/.svergadering, met hem in oorlog quot; niet uitrigten, als men eenen '' wal zal opwerpen, en als men c sterkten bouwen zal, om zielen uit te roeijen. a Jer. 37 : 7. h Ezec. 4:2. c 2 Kon. 25 : 1. Jes. 29 : 3. Ezec. 4 : 2. 18 Want hij heeft den eed veracht, brekende het verbond, daar hij, ziet, zijne hand gegeven had; dewijl hij al deze dingen gedaan heeft, zal hij niet ontkomen. 19 Daarom, alzoo zegt de Heere Heere: Zoo waarachtig als Ik loof, zoo Ik mij non eed, dien hij veracht heeft, en mijn verbond, dat hij gebroken heeft; datzelve niet op zijn hoofd geve! 20 En Ik zal mijn «net over hem uitspreidon, dat hij gegrepen zal worden in mijn jagtgaron; en Ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal daar met hem h regten over zijne overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden hoeft, a Ezec. 12 : 13. 32 : 3. h Jer. 4 :12. 25 : 31. 21 Daartoe zullen al zijne vlugtigen met al zijne benden door het «zwaard vallen, en de overgeblevenen zullen in alle winden b verstrooid worden; en gijlieden zult weten, dat Ik, de Heere, gesproken heb. «Ezec. 16:40. 6Ezec. 5:10,12. 12:14. 22 Alzoo zegt de Heere Heere; Ik zal ook van den oppersten tak dos hoogen ceders nemen, dat Ik zetten zal; van het opperste zijner jonge takjes zal Ik eenen teederen afplukken, denwelken Ik op eenen hoogen en verhevenen berg planten zal: 23 Op den berg der hoogte van Israël zal Ik hem planten; en hij zal takken voortbrengen, en vrucht dragen, en hij zal tot eenen heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schadu we zijner takken zullen zij wonen. 24 Zoo zullen alle boonion des velds weten, dat Ik, de Heere, den hoogen boom vernederd heb, den nederigen boom verheven heb, don groenen boom verdroogd, en den droogen boom bloeijendo gemaakt heb: Ik, de Heere, heb hot gesproken, en zal het doen. HOOFDSTUK 18. God bestraft zeer scherp de huichelende Joden over hun spreekwoord van de zure druiven, waarmede zij Hem van onregtvaardigheid en wreedheid beschuldigen, vs. 1. Hij onderrigt hen, hoe Hij handelt met eenen regtvaardigen vader, 5; met eenen god-deloozen zoon van eenen regtvaardigen vader, 10; met eenen regtvaardigen zoon eens goddeloozen vaders, 14; met eenen goddelooze, die zich bekeert, 19; met eenen regtvaardige, die afvalt, 24. God verdedigt zijne geregtigheid, 25; en vermaant hen tot bekeering, 30. VERDER geschiedde dos IIeeren woord tot mij, zeggende: 2 Wat is ulieden, dat gij dit spreekwoord gebruikt van het land Israels, zeggende: De quot; vaders |
EZECHIÃL 18.
741
|
hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden? « Jer. 31 : 29. 3 Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heore Heere, zoo het ulieden meer gebeuren zal, dit spreekwoord in Israël te gebruiken! 4 Ziet, alle zielen zijn mijne; gelijk de ziel des vaders, alzoo ook de ziel des zoons, zijn mijne: de ziel, die zondigt, die zal sterven. 5 Wanneer nu iemand regtvaardig is, on doet regt en geregtigheid; 6 Niet eet op de quot;bergen, en zijne oogen niet opheft tot de drekgoden van het huis Israels; noch de huisvrouw zijns ''naasten verontreinigt, noch tot de c afgezonderde vrouw nadert; a.les. 57:7. G5 : 7. ft Lev. 18:29. cLev. 18:19. 7 En niemand quot;verdrukt, den schuldenaar zijn |
12 Verdrukt den ellendige en den nooddruftige, rooft veel roofs, geeft het pand niet weder, en heft zijne oogen op tot de drekgoden, doet gruwel; 13 Geeft op woeker, en neemt overwinst: zou die leven? hij zal niet leven'! al die gruwelen hoeft hij gedaan; hij zal voorzeker gedood worden; zijn bloed zal op hem zijn! 14 Ziet nu, heeft hij eenen zoon gewonnen, die al de zonden zijns vaders, die hij doet, aanziet, en toeziet, dat hij dergelijke niet doet; l» Niet eet op de bergen, noch zijne oogen opheft tot de drekgoden van het huis Israels, de huisvrouw zijns naasten niet verontreinigt; Ki En niemand verdrukt, het pand niet behoudt, en geenen roof rooft, zijn brood den hongerige geeft, en den naakte met kleeding bedekt; |
|
b pand wedergeeft, geenen roof rooft, don hongerige zijn brood c geeft, en den naakte met kleeding bedekt; «Ex. 22:21. Lev. 19:13. 25:14. 6Ex.22:26. l)biit.24:12. ^Dent. 15:7. Jes.58:7. Matt.25:35. 8 Niet geeft op quot; woeker, noch overwinst neemt, zijne hand van onregt afkeert, waarachtig regt tusschen den oenen en den anderen oefent; a Ex. 22:25. Lev. 25:35, 36. 9 In mijne inzettingen wandelt, en mijne regten onderhoudt, om trouwelijk te handelen: die regt-vaardige zal gewisselijk leven, spreekt de Heere Heere. 10 Heeft hij nu oenen zoon gewonnen, die een inbreker is, die bloed vergiet, die zijnen broeder doet een van deze dingen; 11 En die al die dingen niet doet; maar eet ook op de bergen, en verontreinigt de huisvrouw zijns naasten; |
17 Zijne hand van den ellendige afhoudt, geon woeker noch overwinst neemt, mijne regten doet, en in mijne inzettingen wandelt: die zal niet sterven om de ongeregtigheid zijns vaders, hij zal gewisselijk leven. 18 Zijn vader, dewijl hij met onderdrukking onderdrukt heeft, des broeders goed geroofd heeft, en gedaan heeft dat niet goed was in hot midden zijner volken; ziet daar, hij zal sterven in zijne ongeregtigheid. 19 Maar gijlieden zegt: « Waarom draagt de zoon niet de ongeregtigheid des vaders? Immers zal de zoon, die regt en geregtigheid gedaan heeft, en al mijne inzettingen onderhouden, en die gedaan heeft, gewisselijk leven. a Dout. 24: 16. 2 Kon. 14:0. 2 Kron. 25:4. 20 De ziel, die zondigt, die zal sterven: de zoon zal niet dragen de ongeregtigheid des vaders, en |
EZECHIEL 18, 19, 20.
742
|
de vader zal niet dragen de ongeregtigheid des zoons: de geregtigheid des regtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddeloozen zal op hem zijn. 21 Maar wanneer de goddelooze zich bekeert van al zijne zonden, die liij gedaan lieeft, en al mijne inzettingen onderhoudt, en doet regt en geregtigheid, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven. 22 Al zijne overtredingen, die hij gedaan heeft, zullen hem niet gedacht worden; in zijne geregtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven. 23 quot; Zou Ik eenigzins lust hebben aan don dood des goddeloozen? spreekt de lleere IIeere: is hot niet, als hij zich bekeert van zijne wegen, dat hij leve? «Ezec. 33:11. 24 Maar als de regtvaardige zich afkeert van zijne geregtigheid, en onregt doet, doende naar al de gruwelen, die de goddelooze doet, zou die leven? Al zijne gerogtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden: in zijne overtreding, waardoor hij overtreden hoeft, en in zijne zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven. 25 Nog zegt gijlieden: quot;De weg des Hoeren is niet regt; hoort nu, o huis Israëls! is mijn weg niet regt? zijn niet uwe wegen onregt? a Ezec. 33 : 17, 20. 20 Als de regtvaardige zich afkeert van zijne geregtigheid, en onregt doet, en sterft in dezelve, hij zal in zijn onregt, dat hij gedaan heeft, sterven. 27 Maar als de goddelooze zich bekeert van zijne goddeloosheid, die hij gedaan heeft, en doet regt en geregtigheid, die zal zijne ziel in het loven behouden; 28 Dewijl hij toeziet, en zich bekeert van al zijne overtredingen, die hij gedaan heeft, hij zal gewisselijk loven, hij zal niet sterven. 29 Evenwel zegt het huis Israëls: Do weg des Hoeren is niet regt; zouden mijne wegen, o huis Israëls! niet regt zijn? zijn niet uwe wegen onregt? 30 Daarom zal Ik u rigten, o huis Israëls! een ieder naar zijne wegen, spreekt de Heero Heere: a koert weder en bekeert u van al uwe overtredingen , zoo zal de ongeregtigheid u niet tot oenen aanstoot worden. a Matt. 3:2. 31 Werpt van u weg al uwe overtredingen, waardoor gij overtreden hebt, en maakt u een quot; nieuw hart en oenen nieuwen geest; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls! a Jor. 32 : 39. Ezec. 11 ; 19. 30 : 2(). 32 Want quot; Ik heb geonen lust aan den dood des stervenden, spreekt de Heere Heere : daarom bekeert u en leeft. a Ezec. 33 : 11. HOOFDSTUK 19. Profetische weeklagt over do kwade regering en den ellendigen uitgang der koningen Jóahaz, Jójakim en Zedekia, alsmede over den ondergang van het gan-scho land van Jnda, onder do gelijkenis eener leeuwin, leeuwenwelpen en jonge leeuwen, on van oenen wijnstok met zijne ranken, enz. |
VERDER hof gij oouo weeklage op over do vorsten van Israël, 2 En zeg: Wat was uwe moeder? eeno leeuwin, onder de leeuwen nederliggende; zij bragt hare welpen op in het midden der jonge leeuwen. 3 Zij toog nu één van hare welpen op; het word een jonge leeuw, die leerde roof te rooven, hij at menschen op. 4 Dit hoorden de volken van hem, hij word gegrepen in hunne groeven; en zij bragten hom met haken naar a Egyptoland. a 2 Kon. 23:33. Jer. 22: 11. 5 Zij nu ziende, dat zij in hope was geweest, doch hare verwachting verloren was, zoo nam zij een ander van hare welpen, hetwelk zij tot oenen jongen leeuw stelde. (J Deze wandelde steeds onder de leeuwen, werd een jonge leeuw, en leerde roof te rooven, hij at menschen op. 7 Hij bekende zijne weduwen, en hij verwoestte hunne steden; zoodat hot land en zijne volheid ontzet werd van de stem zijner brulling. 8 Toen begaven zich do volken togen hom rondom uit do landschappen, en zij spreidden hun net over hem uit; in hunne groeve werd hij gegrepen. 9 En zij stelden bom in gesloten bewaring quot; met haken, opdat zij hem bragten tot den koning van Rabel; zij bragten hem in vestingen, opdat zijne stem niet meer gehoord wierde op do bergen Israëls. a 2 Kron. 30:6. 10 Uwe moeder was als een wijnstok in uwe stilheid, geplant bij wateren; hij was vruchtbaar en vol ranken van woge vele wateren. 11 En bij had sterke roeden tot scepteren dor hoerschers, en de stam van elke roede word hoog tusschen de digte takken; en bij werd gezien door zijne hoogte, mot de menigte zijner takken. 12 Maar hij werd door grimmigheid uitgerukt, «i ter aarde geworpen, en do oostewind heeft zijne vrucht verdroogd; zijne sterke roeden zijn afgebroken en zijn verdroogd; hot vuur heeft ze verteerd. 13 En nu is bij geplant in eene woestijn, in een dor en dorstig land. 14 Daartoe is oen vuur uitgegaan uit eene roede zijner ranken, dat zijne vrucht verteerd heeft; zoodat aan hem geone sterke roede is tot oenen scepter, om te heerschen. Dit is eene weeklage, en is tot eeno weeklage geworden. HOOFDSTUK 20. Sommige oudsten van liet volk komen weder tot den profeet, om God raad te vragen, vs. 1. God laat hun door don profeet zeggen, dat Hij van hen niet gevraagd wil zijn, hun tevens voorhoudende zijne groote langinoedigheid en de gedurige hardnekkige afgoderij hunner voorvaderen in Egypte, 5; in do woestijn, 13; en in Kanaiin, 28. Hij belooft nogtans zijn volk weder to vergaderen en te horstellen door het Evangelie, 33; profeterende weder, onder den naam van het Zuiderwoud, de verwoesting van Jeruzalem en .luda, 40. De profeet klaagt over de bespotting zijner landslieden, 49. |
EZECHIÃL 20.
743
|
EN hot geschiedde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op den tienden dorzelver maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen, om den Heere te quot;vragen; en zij zaten neder voor mijn aangezigt. « Ezec. 14:8. 2 Toen geschiedde des li keren woord tot mij, zeggende: 11 Menschenkind! spreek tot de oudsten van Israël, en zeg tot hen; Alzoo zegt de Ileere Meere: Komt gij, om Mij te vragen ? Zoo waarachtig a/s Ik leef, zoo Ik van u gevraagd worde! spreekt de Heere Heere. 4 Zoudt gij a hun regt geven, zoudt gij hun regt geven, o menschenkind? maak hun de gruwelen hunner vaderen bekend; a Ezec. 22; 2. 23 : HG. 5 En zeg tot hen: Alzoo zegt de Heere Heere : Ten dage als Ik Israël verkoos, quot;zoo hief Ik mijne hand op tot hot zaad van liet huis Jakohs, en maakte Mij zeiven hun in Egypteland b bekend; ja Ik hief mijne hand tot hen op, zeggende: Ik ben de Heere, uw God. «Ex.(i:7. iEx.3:8. 4:31. ü Ten zeiven dage hief Ik mijne hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeijende van melk en honig, hetwelk het sieraad is van alle landen. 7 En Ik zeide tot hen: Een ieder werpe de verfoeiselen zijner oogen weg; en verontreinigt ulie-den niet met de drekgoden van Egypte: Ik, de Heere, ben uw God. 8 Maar zij waren wederspannig tegen Mij, en wilden naar Mij niet hooren; niemand wierp de verfoeiselen zijner oogen weg, noch verliet de drekgoden van Egypte; daarom zeide Ik, dat Ik mijne grimmigheid over hen uitgieten zou, om mijnen toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland. 9 Doch Ik deed het om mijns naams wil, opdat hij niet ontheiligd wierde voor de oogen der Heidenen , in welker midden zij waren; aan welke Ik Mij, voor derzelver oogen, bekend gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren. 10 En Ik voerde hen uit quot;Egypteland, en bragt hen in de woestijn. a Ex. 13:18. 11 Daar gaf Ik hun mijne inzettingen, en maakte hun mijne regten bekend; quot;dewelke, zoo zo een inensch doet, zal hij door dezelve leven. a Lev. 18:5. Rom. 10:5. Gal. 3:12. 12 Daartoe ook gaf Ik hun mijne quot; sabbaten, om een teeken te zijn tusschen Mij en tusschen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de Heere ben, die hen heilige. «Ex. 20:8. 31 : 13, enz. 35:2. 13 Maar het huis Israels werd wederspannig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden in mijne inzettingen niet, en verwierpen mijne regten; dewelke, zoo ze een mensch doet, zal hij door dezelve leven : en zij quot; ontheiligden mijne sabbaten zeer, dat Ik zeide, mijne grimmigheid te zullen uitgieten over hen in do woestijn, om hen te verdoen. a Ex. 1G : 28. |
14 Maar Ik deed liet om mijns naams wil, opdat die niet ontheiligd wierde voor de oogen van die Heidenen, voor welker oogen Ik hen uitvoerde. 15 Evenwel hief Ik ook mijne hand op tot hen in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen in het land, dat Ik hun gegeven had, vloeijende van melk en honig, hetwelk het sieraad is van allo landen; IC Daarom dat zij mijne regten verwierpen, en in mijne inzettingen niet wandelden, en mijne sabbaten ontheiligden: want hun hart wandelde hunne drekgoden na. 17 Doch mijn oog verschoonde hen, dat Ik hen niet verdierf, en geene voleinding met hen maakte in de woestijn. 18 Maar Ik zeide tot hunne kinderen in do woestijn; Wandelt niet in de inzettingen uwer vaderen, en onderhoudt hunne regten niet, en verontreinigt u niet met hunne drekgoden. 19 Ik ben de Heere, uw God, wandelt in mijne inzettingen, en onderhoudt mijne regten, en doet dezelve. 20 En heiligt mijne sabbaten, en zij zullen tot een teeken zijn tusschen Mij en tusschen ulieden, opdat gij weet, dat Ik, de Heere, uw God ben. 21 Maar die kinderen waren ook wederspannig tegen Mij ; zij wandelden niet iu mijne inzettingen, en mijne regten namen zij niet waar, om die te doen; dewelke, zoo ze een mensch doet, zal hij door dezolve leven: zij ontheiligden mijne sabbaten, dat Ik zeide mijne grimmigheid te zullen uitgieten over hen, volbrengende mijnen toorn tegen hen in do woestijn. 22 Doch Ik koerde mijne hand af, en deed het om mijns naams wil, opdat hij voor de oogen der 1 leidenen niet zou ontheiligd worden, voor welker oogen Ik hen uitgevoerd had. 23 Ik hief ook mijne hand tot hen op in de woestijn, dat Ik hen verspreiden zou onder do Heidenen, en hen verstrooijen in do landen: 24 Omdat zij mijne regten niet gedaan hadden, maar mijne inzettingen verworpen en mijne sabbaten ontheiligd hadden, on hunne oogen achter do drekgoden hunner vaderen waren. 25 Daarom gaf Ik hun ook besluitingen, dio niet goed waren, on regten, waarbij zij idet leven zouden. 2G En Ik verontreinigde hen in hunne giften, omdat zij door het quot; vuur deden doorgaan al wat do baarmoeder opent; opdat Ik zo verwoesten zou, ten einde dat zij zouden weten, dat Ik de Heere ben. «Ezec. 1G:21. 27 Daarom, menschenkind! spreek tot liet huis Israëls, en zeg tot hen; Alzoo zegt de Heere Heere: Hiermede nog hebben Mij uwe vaderen gesmaad, dat zij door overtreding tegen Mij overtreden hebben; 28 Als Ik hen in het land gebragt had, over hetwelk Ik mijne hand opgeheven had, om hetzelve hun te geven, zoo zagen zij naar allen |
EZECHIÃL 20, 21.
744
|
hoogen heuvel en alle (ligt geboomte, en offerden daar hunne offeren, en gaven daar hunne tergende offeranden, en daar zetten zij hunnen liefelijken reuk, en daar offeren zij hunne drankofferen. 29 En Ik zeide tot hen: Wat is die hoogte, waarhenen gij gaat? nogtans is de naam daarvan genoemd hoogte, tot op dezen dag toe. 30 Daarom zeg tot het huis Israels: Alzoo zegt de Heere IIkeue: Zijt gij verontreinigd geworden in den weg uwer vaderen, en hoereert gij achter hunne verfoeiselen ? 31 Ja met het offeren uwer gaven, met uwe kinderen door het vuur te doen doorgaan, zijt gij verontreinigd aan al uwe drekgoden tot op dezen dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis Israels? Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zoo Ik van u gevraagd worde! 32 Daarom, dat in uwen geest opgeklommen is, zal geenszins geschieden, dat gij zegt: Wij zullen als de Heidenen en als de geslachten der landen zijn, dienende hout en steen. 33 /oo waarachticj als Ik leef, spreekt de Heere Heeue: zoo Ik niet met eene sterke hand, en uitgestrekten arm, en met eene uitgegotene grimmigheid over ii zal regeren! 34 Want Ik zal u uit de volken voeren, en u vergaderen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt, door eene sterke hand, en door eenen uitgestrekten arm, en door eenen uitgegotene grimmigheid. 35 Daartoe zal Ik u brengen in de woestijn der volken, en Ik zal met u aldaar regten, aangezigt aan aangezigt; 36 Gelijk als Ik geregt heb met uwe vaderen in de woestijn van Egypteland, alzoo zal Ik mot u regten, spreekt de Heere Heere. 37 En Ik zal ulieden onder de roede doen doorgaan , en Ik zal u brengen onder den band des verbonds. 38 Daartoe zal Ik, die rebel zijn en die tegen Mij overtreden, uit ulieden uitzuiveren; Ik zal hen uit liet land hunner vreemdelingschappen uitvoeren, en zij zullen in het landschap Israels niet wederkomen, en gij zult weten, dat Ik de Heere bon. 3!) En gijlieden, o huis Israels! alzoo zegt do Heere Heere: Gaat henen, dient een ieder zijne drekgoden, ook hierna, dewijl gijlieden naar Mij niet hoort; doch ontheiligt niet meer mijnen heiligen naam, niet uwe giften en met uwe drekgoden. 40 Want op mijnen heiligen borg, op den hoogen berg Israels, spreekt de Heere Heere, daar zal Mij hot gansche huis Israels in liet land dienen, zij allen; daar zal Ik welgevallen aan hen nemen en daar zal Ik uwe hefofforen eischen, en do eerstelingen uwer heffingen met al uwe geheiligde dingen. |
41 Ik zal een welgevallen aan ulieden nemen om den liefelijken reuk, wanneer Ik u van de volken uitvoeren, en u vergaderen zal uit de landen, in dewelke gij zult verstrooid zijn, en Ik zal in u geheiligd worden voor de oogen der Heidenen. 42 En gij zult weten, dat Ik de Heere bon, als Ik u in het landschap Israëls gebragt zal hebben, in het land, waarover Ik mijne hand opgeheven heb, om hetzelve uwen vaderen te geven. 43 Daar zult gij dan gedenken aan uwe wegen, en aan al uwe handelingen, waarmode gij u verontreinigd hebt, en gij zult van u zolven eene walging hebben over al uwe boosheden, die gij gedaan hebt. 44 Zoo zult gij weten, dat Ik de Heere ben, als Ik mot u gedaan zal hebben, om mijns naams wil, niet naar uwe booze wegen, noch naar uwe verdorvone handelingen, o huis Israëls! spreekt de Heere Heere. 45 Verder geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 4() Menschenkind! zot uw aangezigt naar don weg van het zuiden, en drup tegen het zuiden; en profeteer togen het woud van hot veld in het zuiden. 47 En zeg tot hot Zuidorwoud: Hoor des Heeren woord: Alzoo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik zal een vuur in u aansteken, hetwelk in u allen quot; groenen boom en allen dorren boom verteren zal; de vlammende vlam zal niet uitgebluscht worden, maar daardoor zullen verbrand worden allo aangezigton van het zuiden tot het noordon toe. a Luk. 23:31. 48 En alle vleesch zal zien, dat Ik, de Heere, dat aangestoken heb; het zal niet uitgebluscht worden. 49 En ik zeide: Ach, Heere Heere ! zij zeggen van mij: Is hij niet een verdichter van gelijkenissen ? HOOFDSTUK 21. God beveelt den profeet zeer scherp te profeteren tegen Jerfizalem, den tempel en het gansche land, tegen aanzienlijken cn geringen, van het zwaard des Heeren , waarover de profeet, liet volk tot een teeken, moet zuchten en misbaar maken, vs. 1. Voorzegt, dat de koning van Babel in beraad zal staan, of hij eerst Jeruzalem, of hot land der Ammonieten zal aantasten; doch dat hij eerst naar Jeruzalem zal trekken, om hare meineedigheid, 18. Profetie tegen het koningrijk van Juda en van de komst van Christus, 26; alsmede tegen de Ammonieten, 28. EN des Heeren woord geschiedde tot mij, zeggende: 2 Menschenkind! zet uw aangezigt tegen Jerü-zalom, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israël. 3 En zeg tot het land van Israël: Alzoo zegt de Heere: Ziet, Ik wil aan u! en Ik zal mijn zwaard uit zijne scheede trokken; en Ik zal van u uitrooijen don regtvaardige en den goddelooze. 4 Omdat Ik dan van u uitrooijen zal den regtvaardige en don goddelooze, daarom zal mijn |
EZECHIÃL 21.
745
|
zwaard uit zijne scheedo uitgaan tegen alle vleesch, van het zuiden tot het noorden. 5 En alle vleesch zal weten, dat Ik, de IIeere , mijn zwaard uit zijne scheede getrokken heb; het zal niet moer wederkeeren. 6 Maar gij, menschenkind! zucht; zucht voor hunne oogen met verbreking dor lenden en mot bitterheid. 7 En het zal geschieden, als zij tot u zeggen zullen: Waarom zucht gij? dat gij zeggen zult: Om het gerucht, want het komt! en alle hart zal a versmolten, en alle handen zullen 0 verslappen , en allo geest zal c inkrimpen, en alle d knieën als water henen vlieten; ziet, het komt, en het zal geschieden, spreekt de Heere IIeere. aJei-.49:28, 6 Jor. G : 24. Ezec. 7 : 17. c Ezoo. 4 :17. d E/.ec. 7 : 17. 8 Wederom geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 9 Menschenkind! profeteer en zeg: Alzoo zegt de IIeere: Zog: Het zwaard, het zwaard is gescherpt, en ook geveegd. 10 Het is gescherpt, opdat hot eono slagting slagte; hot is geveegd, opdat het oenen glinster hebbe; of wij dan zullen vrolijk zijn? het is do roede mijns zoons, die allo hout versmaadt. 11 En Hij heeft hetzelve te vegen gegeven, opdat men liet met de hand handelen zou; dat zwaard is gescherpt, en dat is geveegd, om hetzelve in do hand des doodslagers te geven. 12 Schreeuw on huil, o menschenkind! want hetzelve zal zijn tegen mijn volk, het zal zijn tegen al de vorsten van Israël: quot;verschrikkingen zullen van woge het zwaard bij mijn volk zijn; daarom b klop op de heup. a Ezec. 7 : 27. b Ezec. G : 11. 13 Als er beproeving quot; was, wat was het toon ? zou er dan ook geene versmadende roede zijn? spreekt de Heere Heere. a.Tes. 1 :5. Jer. 6 : 28, enz. 14 Daarom gij, menschenkind! profeteer, on sla hand tegen hand: want hot zwaard zal verdubbeld worden ton derde maal, het is het zwaard dergenen , die verslagen zullen worden; hot is het zwaard der grooton, die verslagen zullen worden, dat tot hen in de binnenste kameron indringen zal. 15 Ik heb de punt dos zwaards gezet tegen al hunne poorten, opdat het hart vorsmelto, en do aanstooton vermenigvuldigen; ach! quot; het is toegemaakt, opdat hot glinstere, het is ingewondon om te slagten. «ond. vs. 28. 16 Houd u bijeen, o zwaard! koor u regtsom, schik u, keer u linksom, waarhenen uw aangezigt gesteld is! 17 En Ik zelf zal ook mijne hand tegen mijne hand slaan, en mijne grimmigheid doen ruston; Ik, de Heere, heb hot gesproken. 18 Wederom geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 19 (jij nu, menschenkind! stel u twee wegen voor, waardoor het zwaard des konings van Babel komt: uit een land zullen zij beiden voortkomen; |
en kies eono zijde, kies ze aan hot hoofd van den weg der stad. 20 Gij zult oenen weg voorstellen, waardoor het zwaard inkomen zal tegen Rabba der kinderen Amnions, of togen Juda, tot de vaste stad Jeruzalem. 21 Want de koning van Babel zal aan do wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijne pijlen slijpen; hij zal de terafim vragen, hij zal do lever bezien. 22 Do waarzegging zal aan zijne regterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdmannen te stellen, om den mond te openen in hot doodslaan, om do stem op te hoffon met gejuich, om stormrammen te stellen togen de poorten, om quot; sterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen. a Ezec. 4:2. 17:17. 23 Dit zal hun in hunne oogen als een ijdol waarzeggen zijn, omdat zij mot oeden beëedigd zijn onder hen; maar hij zal der ongerogtigheid gedenken, opdat zij gegrepen worden. 24 Daarom zegt do Heere Heere alzoo: Omdat gijlieden uwer ongerogtigheid doet gedenken, doordien uwe overtredingen ontdekt worden, zoodat uwe zonden gezien worden in al uwe handelingen; omdat uwer gedacht wordt, zult gij met de hand gegrepen worden. 25 En gij, o onheilig, goddeloos vorst van Israël! wiens dag komen zal, ton tijde der uiterste ongerogtigheid ; 2G Alzoo zegt de Heere Heere: Doe dien hoed weg, en hef dien kroon af! deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhoogen dien, die nederig is, en vernederen dien, die hoog is. 27 Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja zij zal niet zijn, totdat hij kome, die daartoe regt heeft, en dien Ik dat geven zal. 28 En gij, menschenkind! profeteer en zeg: Alzoo zegt de Heere Heere , van de kinderen Amnions en van hunne smading; zoo zeg: Hot zwaard, het zwaard is uitgetrokken, hot is ter slagting geveegd om te verdoen, om te glinsteren: 2!) Terwijl zij u ijdolhoid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op do halzen te stellen dergenen, die van de goddoloozen verslagen zijn, welker dag gekomen was ten tijde dor uiterste ongerogtigheid. 30 Keer uiv zwaard weder in zijne scheede! In do plaats, waar gij geschapen zijt, in het land uwer woningen zal Ik u rigten. 31 En Ik zal over u mijne gramschap uitgieten. Ik zal tegen u door het vuur mijner verbolgenheid blazen; en Ik zal u overgeven in de hand van brandende monschon, smeders des vordorfs. 32 Het vuur zult gij tot spijze zijn, uw bloed zal zijn in hot midden des lands; uwer zal niet gedacht worden, want Ik, de Heere, heb het gesproken. |
EZECHIÃL 22.
746
|
HOOFDSTUK 22. God noemt een register van lt;le gruwelijke zonden, die tegen de eerste en tweede tafel der wet binnen Jeruzulem bedreven werden, vs. 1; waarom Hij hun in zeer hevigen toorn voorzegt een schrikkelijk lot cn verstrooijing onder de Heidenen, 13; en dat 11 ij hen, omdat zij als schuim zijn geworden, binnen Jeruzalem als in eenen ovon zal smelten door het vuur van zijnen toorn, 17. Algemeene boosheid der profeten, priesters, vorsten en van het volk, 23. VERDER geschiedde dos Heeren woord tot mij, zeggende: 2 Gij nu, menschenkind! zoudt gij der bloedstad regt geven? zoudt gij zo quot; regt geven? ja maak haar bekend al hare gruwelen. «Ezeo. 20:4. 23:30 3 En zeg: Alzoo zegt de Ileere Heere : O stad, die in haar midden bloed vergiet, opdat haar tijd komo, en drekgoden tegen zich zelve maakt, om zich te verontreinigen! 4 Door uw bloed, dat gij quot;vergoten hebt, zijt gij schuldig geworden, en met uwe drekgoden, die gij gemaakt hebt, hebt gij u '' verontreinigd, en hebt uwe dagen doen naderen, en zijt tot uwe jaren gekomen; daarom heb Ik u den Heidenen overgegeven tot eenen c smaad, en allen landen tot eenen spot. «2 Kon. 21 ; 10. Ezec. 20:30, 31. cEzoc. 5:14. 5 Die nabij en verre van u zijn, zullen u bespotten, gij onreine van naam en vol van onrust! 0 Ziet, de vorsten Israels zijn in u geweest, een ieder naar zijne kracht, om bloed te vergieten. 7 Vader en moeder hebben zij in u ligt geacht; met den vreemdeling hebben zij in het midden van u door verdrukking gehandeld; zij hebben in u don wees en do weduwe verdrukt. 8 Mijne heilige dingen hebt gij veracht, en mijne sabbaton hebt gij ontheiligd. i) Achterklappers zijn in u geweest om bloed te vergieten, en in u hebben zij op de quot;borgen gegeten , zij hebben schandelijkheid in hot midden van u gedaan. a Ezec. 18:6, II, 10 Men heeft de schaamte des vaders in u quot; ontdekt; die ''onrein was door afzondering, hebben zij in u verkracht. «Lev. 18:8. iLev. 18:19. Ezec.l8:0. 11 Daartoe hooft do oen quot;gruwel gedaan met zijns naasten ''huisvrouw, en een ander hooft zijns zoons r vrouw met schandelijkheid verontreinigd; nog eon ander hoeft in u zijne zuster, zijns quot;'vaders dochter, verkracht. «Lev. 18:20. h Tor. 5:8. c Lev. 18:15. (/Lev. 18:2. 12 Zij hebben geschenken in u genomen, om blood te vergieten; woeker on overwinst hebt gij genomen, en gij hebt gierigheid geploegd aan uwen naaste door verdrukking; maar gij hebt Mijner vergeten, spreekt do lloore Heere. 13 Ziet dan. Ik heb mijne hand quot;geslagen, om uwe gierigheid, die gij bedreven hebt, en om uw bloed, die in hot midden van u geweest zijn. a Ezec. 21: 17. 14 Zal uw hart bestaan? zullen uwe handen sterk zijn, in do dagen, als Ik mot u handelen zal? Ik, de Heere, heb het gesproken, en zal hot quot;doen. «Ezec. 17:24. 1 ' |
15 En Ik zal u quot; verstrooijen onder de Heidenen, on u verspreidon in de landen, on uwe onreinig-heid uit u verteren. «Ezec. 12:14, 15. 16 Zoo zult gij in u ontheiligd zijn voor de oogen der Heidenen; en gij zult weten, dat Ik do Heere bon. 17 Wijders geschiedde dos IIeeren woord tot mij, zeggende: 18 Menschenkind! die van het huis Israëls zijn Mij tot quot;schuim geworden; zij zijn allen koper, of tin, of ijzer, of lood, in het midden dos ovens; zilverschuim zijn zij geworden. a.les. 1:22. 1!) Daarom, alzoo zegt de Heere Heere: Omdat gijlieden allen tot schuim geworden zijt, daarom ziet. Ik zal u in het midden van Jeruzalem vergaderen. 20 Gelijk zilver, of koper, of ijzer, of lood, of tin in hot midden eens ovens vergaderd wordt, om bot vuur daarover op to blazen, opdat men hot smelto; alzoo zal Ik ulioden vergaderen in mijnen toorn, en in mijne grimmigheid daar laten, en smolten. 21 Ja Ik zal u bijeenbrengen, on zal op u blazen in het vuur mijnor verbolgenheid, dat gij in bot midden van haar zult gesmolten worden. 22 Gelijk hot zilver in hot midden dos ovens gesmolten wordt, alzoo zult gijlieden in hot midden van haar gesmolten worden; en gij zult weten, dat Ik, de Heere, mijne grimmigheid over u uitgegoten heb. 23 Voorts geschiedde dos Heeren woord tot mij, zeggende: 24 Menschenkind! zeg tot baar: Gij zijt een land, dat niet gereinigd is, dat zijnen plasregen niet heeft (jeJuul ten dage dor gramschap. 25 De vorbindtonis barer profeten is in hot midden van haar als oen brullende leeuw, die oenen roof rooft; zij eten de quot;zielen op, den schat en hot kostelijke nemen zij weg; hare weduwen vermenigvuldigen zij in het midden van haar. a Matt. 23: 14. 26 Hare priesters doen mijne wet gewold aan, on zij ontheiligen mijne heilige dingen: tusscben het hoilige en hot onheilige maken zij geen quot; onderscheid, en het verschil tusscben het onreine en reine geven zij niet te kennen; daartoe verborgen zij hunne oogen van mijne sabbaten; ja Ik word in het midden van hen ontheiligd. «Lov. 10:10. Ezec. 44:23. 27 Hare quot; vorsten zijn in het midden van haar als wolven, die eenen roof rooven, om blood te vergieten, en om zielen te verderven; opdat zij gierigheid zouden plegen, a Jlicha 3: 11. Zef. 3:3. 28 Hare profeten nu quot; pleisteren hen met loozon kalk; 1 ziende ijdolhoid on hun leugen voorzeggende, zeggende: Alzoo zegt de Hoero Heere! en do Heere hoeft niet gesproken. a Ezec. 13:10. b Ezec. 21:29. |
EZECHIÃL 22, 2:S.
747
|
29 Het volk dos lands pleegt enkel verdrukking, en bedrijft enkel rooverij; ook onderdrukken zij den ellendige en nooddruftige, en don vreemdeling verdrukken zij zonder regt. 30 Ik zocht nu eenen man uit lien, die den muur mogt toemuren, en voor mijn aangezigt in de quot; bresse staan voor het land, opdat Ik liet niet mogt verderven; maar Ik vond niemand. oPs. 106:23. :S1 Daarom heb Ik mijne gramschap over hen uitgegoten, door het vuur mijner verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hunnen weg heb Ik op hun quot;hoofd gegeven, spreekt de Heere Heere. a Ezeo. 9: 10. 11:21. 10:43. HOOFDSTUK 23. Onder do namen van twee vrouwen, Ohola on Oholiba, stelt God breedvoerig voor de hoererijen en overspelen van Samaria en Jeruzalem, of Israël en Juda, vs. 1, 2 en 30. Gelijk deze onverzadelijke over-speleresson naar hot regt, dat daartoe staat, geoordeeld en gestraft moesten worden, 22 en 45. VERDER geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 2 Menschenkind! daar waren twee vrouwen, dochteren van éóne moeder. 3 Deze hoereerden in quot;Egypte; in hare jeugd hoereerden zij; daar werden hare borsten gedrukt, en daar werden do tepclen haars maag-doms betast. a Ezec. 20 : 8. 4 Hare namen nu waren: Ohola de grootste, en Oholiba hare zuster; en zij werden de mijne, en baarden zonen en dochteren; dit waren hare namen: Samaria is Ohola, en Jeruzalem Oholiba. 5 Ohola nu hoereerde, zijnde onder Mij; en zij werd verliefd op hare boelen, op de Assyriërs, die nabij waren; (i Bekleed met hemelsblaauw, vorsten en over-hedon, altemaal gewenschte jongelingen, rulleren, rijdende op paarden. 7 Alzoo dreef zij hare hoererijen met dezelve, die allen de keure der kinderen van Assur waren; en met allen, op dewelke zij verliefd was, met al derzelver drekgoden, verontreinigde zij zich. 8 Zij verliet ook hare hoererijen niet, gebragt uit Egypte: want zij haddon bij haar in hare jeugd gelegen, en zij hadden de tepelen haars maagdoms betast, en zij hadden hunne hoererij over haar uitgestort. i) Daarom gaf Ik haar in de hand harer boelen over, in de hand der kinderen van quot;Assur, op dewelke zij verliefd was. a'1 Kon. 17, 18. 10 Deze ontdekten hare schaamte, hare zonen en hare dochteren namen zij weg, maar haar doodden zij met het zwaard ; en zij kroeg eenen naam onder de vrouwen, nadat men gerigten over haar geoefend had. 11 Als hare zuster, Oholiba, dit zag, zoo ver-dorf zij hare minne nog meer dan zij, en hare hoererijen meer dan do hoererijen van hare zuster. |
12 Zij werd verliefd op de kinderen van quot; Assur, do vorsten en overheden, die nabij waren, bekleed met volkomen sieraad, ruiteren, rijdende op paarden, altemaal gewenschte jongelingen. «2 Kon. 1():7. 13 Toen zag Ik, dat zij verontreinigd was; zij hadden beiden eenorlei weg. 14 Ja zij deed tot hare hoererijen nog meer toe: want toen zij geschilderde mannen aan den wand zag, de boelden der Chaldoën, geschilderd met menie, 15 Gegord met oen' gordel aan hunne lenden, hebbende overvloedig geverwde hoeden op hunne hoofden, die allen in hot aanzien hoofdmannen waren, naar de gelijkenis der kinderen van Babel, van Chaldéa, hot land hunner geboorte; 16 Zoo werd zij op dezelve verliefd met hot opzien harer oogen, eu zij zond boden tot hen, naar Chaldéa. 17 De kinderen van Babel nu kwamen tot haar in tot het leger der minnen, en verontreinigden haar met hunne hoererij; ook verontreinigde zij zich mot hen; daarna werd hare ziel van hen afgetrokken. 18 Alzoo ontdekte zij hare hoererijen, en ontdekte hare schaamte; toen word mijne ziel van haar afgetrokken, gelijk als mijne ziel was afgetrokken van hare zuster. 19 Doch zij vermenigvuldigde hare hoererijen, gedenkende aan do dagen harer jeugd, als zij gehoereerd had in hot land van Egypte. 20 En zij werd verliefd meer dan derzelver bijwijven, welker vleesch is als het vleesch der ezelen, en welker vloed is als do vlood der paarden. 21 Alzoo hebt gij weder opgehaald de schandelijke daad uwer jeugd, als die van Egypte uwe tepelen betastten, van wege do borsten uwer jeugd. 22 Daarom, o Oholiba! alzoo zegt do Heere Heere: Zie, Ik zal uwe boelen, van welke uwe ziol is afgetrokken, tegen u verwekken, en Ik zal hou van rondom tegen u aanbrengen: 23 Do kinderen van Babel en allo Chaldoën, Pekod, en Soa, en Koa, en alle kinderen van Assur met hen; gewenschte jongelingen, die allen vorsten en overheden zijn, hoofdmannen en vermaarde lieden, die allen te paard rijden. 24 Die zullen tegen u komen met karren, wage-non en wielen, en met eeno vergadering van volken, rondassen, en schilden, en helmen; zij zullen zich rondom tegen u zetten; en Ik zal voor hun aangezigt bot gerigt stellen, eu zij zullen u rigten naar hunne rogten. 25 En Ik zal mijnon ijver tegen u zetten, dat zij in grimmigheid mot u zullen handelen; zij zullen uwen neus en uwe ooren afnemen, en het laatste van u zal door het zwaard vallen; zij zullen uwe zonen en uwe dochteren wegnomen, en het laatste van u zal door hot vuur verteerd worden. 26 Zij zullen u ook uwe kleederen quot; uittrokken, en uw sieraadtuig wegnemen. «Ezeo. 10:3!). |
EZECHIÃL 23, 24.
748
|
27 Zoo zal Ik uwe schandelijkheid van u doen ophouden, mitsgaders uwe hoererij, gebragt uit Egypteland; en gij zult uwe oogen naar hen niet opheffen, en aan Egypte niet meer gedenken. 28 Want alzoo zegt do Heere Heere : Zie, Ik zal u overgeven in de hand dergenen, die gij haat, in de hand dergenen, van dewelke uwe ziel is afgetrokken. 29 Die zullen met u handelen uit haat, en al uwen arbeid wegnemen, en u quot;naakt en bloot laten, dat uwe hoerenschaamte ontdekt worde, mitsgaders uwe schandelijkheid en uwe hoererijen. a Ezec. 1 (3: 39. 30 Deze dingen zal men u doen, dewijl gij de Heidenen nagehoereerd hebt, en omdat gij u met hunne drekgoden verontreinigd hebt. 31 In den weg uwer zuster hebt gij gewandeld, daarom zal Ik haren beker in uwe hand geven. 32 Alzoo zegt de Heere Heere : Gij zult den beker uwer zuster drinken, die diep en wijd is; gij zult tot belagching en spot worden; de beker houdt veel in. 33 Van dronkenschap en jammer zult gij vol worden; de beker van uwe zuster Samaria is een beker der verwoesting en der eenzaamheid. 34 Gij zult hem drinken en uitzuigen, en zijne scherven zult gij brijzelen, en uwe borsten zult gij afrukken: want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere Heere. 35 Daarom, alzoo zegt de Heere Heere : Omdat gij Mijner quot; vergeten, en Mij achter uwen rug geworpen hebt; zoo draagt gij ook uwe schandelijkheid en uwe hoererijen. a .Ter. 2:32. 3:21. 13:15. 18:15. Ezec. 22:12. 3(1 En de Heere zeide tot mij: Menschenkind! zoudt gij Ohola en Oholiba quot; regt geven? ja, vertoon haar hare gruwelen, a Ezec. 20:4. 22:2. 37 Want zij hebben overspel gedaan, en er is bloed in hare handen; en zij hebben met hare drekgoden overspel gedaan: daartoe hebben zij ook hare kinderen, die zij Mij gebaard hadden, voor hen a door het vuur laten doorgaan, tot spijze. a Ezec. 10:21. 20:26, 31. 38 Nog hebben zij Mij dit gedaan: zij hebben mijn heiligdom ten zeiven dage verontreinigd, en mijne quot; sabbaten ontheiligd. «Ezec. 22:8. 39 Want als zij hunne kinderen hunnen drekgoden quot; geslagt hadden, zoo kwamen zij op dienzelven dag in mijn heiligdom, om dat te ontheiligen ; en ziet, b alzoo hebben zij gedaan in het midden van mijn huis. «Ezec. 16:21. 1)2 Kon. 21:4, enz. 40 Dit is er ook, dat zij gezonden hebben tot mannen, die van verre zouden komen; tot dewelke als een bode gezonden was, ziet, zoo kwamen zij, voor dewelke gij u wiescht, uwe oogen blan-kettet en u met sieraad versierdet; 41 En gij zat op een heerlijk bed, voor hetwelk eene tafel toegerigt was, quot;en op hetwelk gij mijn reukwerk en mijne olie gezet hadt. a Spr. 7 :17. |
42 Als nu het geruisch der menigte daarop stil was, zoo zonden zij tot mannen uit de menigte der menschen, en daar werden wijnzuipers aan-gebragt uit de woestijn; die deden armringen aan hare handen, en eene sierlijke kroon op hare hoofden. 43 Toen zeide Ik van deze, die van overspelerijen verouderd was: Nu zullen zij hoereren de hoererijen dezer hoer, en die ook. 44 En men ging tot haar in, gelijk men ingaat tot eene vrouw, die eene hoer is; alzoo gingen zij in tot Ohola en tot Oholiba, die schandelijke vrouwen. 45 Regtvaardige mannen dan, die zullen haar quot; rigten naar het regt der overspeelsters; en naar het regt der bloedvergietsters: want zij zijn overspeelsters, en bloed is in hare handen. a Ezec. 16:38. 46 Want alzoo zegt de Heere Heere : Ik zal eene vergadering tegen haar doen opkomen, en zal ze ter beroering en ten roof overgeven. 47 En de vergadering zal ze met quot; steenen steenigen, en dezelve met hunne zwaarden neder-houwen; hare zonen en hare dochteren zullen zij dooden, en hare huizen met vuur ''verbranden. a Ezec. 16:38, 40. i Ezec. 16:41. 48 Alzoo zal Ik de schandelijkheid uit hot land doen ophouden; opdat alle vrouwen onderwezen worden, dat zij naar uwe schandelijkheid niet doen. 49 Alzoo zullen zij uwe schandelijkheid op u leggen, en gij zult de zonden uwer drekgoden dragen; en gijlieden zult weten, dat Ik de Heere Heere ben. HOOFDSTUK 24. Jaar, dag en maand van do aankomst der Babyloniërs voor Jeruzalem, vs. 1. Door de gelijkenis van eenen heet ziedenden pot, met stukken vleesch en beenen, wordt afgebeeld de schrikkelijke ellende, die Jeruzalem om hare boosheid zou overkomen, 3; zullende zoodanig zijn, dat men zelfs over de verwoesting des tempels (van welke zij zooveel werks maakten) geenen rouw zou kunnen bedrijven. God beveelt den profeet, dit door zijne eigene handelwijze voor te stellen, verbiedende hem te rouwen over zijne huisvrouw, wier dood hem God voorzegt, 15. WIJDERS geschiedde des Heeren woord tot mij, in het negende jaar, in de tiende maand, op den tienden der maand, zeggende: 2 Menschenkind! schrijf u den naam van den dag op, even van dezen zeiven dag: de koning van Babel legt zich voor Jeruzalem, even op dezen zeiven dag. 3 En gebruik eene gelijkenis tot dat wederspan-nig huis, en zeg tot hen: Alzoo zegt de Heere Heere: Zet eenen quot;pot toe, zet hem tos, en giet ook water daarin. «Jer. 1 :13. 4 Doe zijne stukken te zamen daarin, alle goede stukken, de dij en den schouder; vul hem met de keur der beenderen. 5 Neem de keur van de kudde, en stook ook eenen brandstapel van de beenderen daaronder; |
ÃL 24, 25.
EZECIIIÃ'
749
|
doe hem wel opzieden; ook zullen zijne beenderen daarin gekookt worden. 6 Daarom, alzoo zegt de Tleere Heere: Wee dor a bloedstad, den pot, welks schuim in hem is, en van welken zijn schuim niet is uitgegaan! trek stuk bij stuk daaruit, en laat het lot over hem niet vallen. a Ezec. 22 : 2. 7 Want haar bloed is in het midden van haar; op eene gladde steenrots heeft zij dat gelegd; zij heeft het op de aarde niet uitgestort, om hetzelve met stof te bedekken. 8 Opdat Ik de grimmigheid doe opgaan om wraak te oefenen, heb Ik oofc haar bloed op eene gladde steenrots gelegd, opdat het niet bedekt worde. 9 Daarom, alzoo zegt de Heere Heere: quot;Wee der bloedstad! Ik zal ook den brandstapel groot maken. aNah. 3:1. Hab. 2:12. 10 Draag veel iiouts toe, steek het vuur aan, verteer het vleesch, en kruid /tei met specerijen, en laat de beenderen verbranden. 11 Stel hom daarna ledig op zijne kolen, opdat hij heet wordt, en zijn roest verbrande, en zijne onreinigheid in hot midden van hem versmelte, zijn schuim verteerd worde. 12 Mei ijdelheden hoeft zij Mij moode gemaakt; nog is haar overvloedig schuim van haar niet uitgegaan; haar schuim moet in het vuur. 13 In uwe onreinigheid is schandelijkheid, omdat Ik u gereinigd heb, en gij niet gereinigd zijt, zoo zult gij van uwe onreinigheid niet meer gereinigd worden, totdat Ik mijne grimmigheid op u zal hebben doen rusten. 14 Ik, do Heere, heb het gesproken, het zal komen, en Ik zal het doen; Ik zal er niet van wijken, en Ik zal niet quot; verschoonen noch berouw hebben; naar uwe wegen en naar uwe handelingen zullen zij u h rigten, spreekt de Heere Heere. a Ezec. 5:11. b Ezoc. 23 : 24. 15 Wijders geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 16 Menschenkind! zie, Ik zal den lust uwer oogen van u wegnemen door eene plage; nogtans zult gij niet rouwklagen, noch weenen, en uwe tranen zullen niet voortkomen. 17 Houd stil van kermen, gij zult geen dooden-rouw maken, bind uwen hoed op u, en doe uwe schoenen aan uwe voeten; en de bovenste lip zult gij niet bewinden, en zult der lieden brood niet eten. 18 Dit sprak ik tot het volk in den morgenstond, en mijne huisvrouw stierf in den avond; en ik deed in den morgenstond, gelijk mij geboden was. 19 En het volk zeido tot mij: Zult gij ons niet te kennen geven, wat ons deze dingen zijn, dat gij aldus doet? 20 En ik zeide tot hen: Het woord des Heeren is tot mij geschied, zeggende: |
21 Zeg tot het huis Israels: Alzoo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik zal mijn heiligdom ontheiligen, de heerlijkheid uwer sterkte, do begeerte uwer oogen en de verschooning uwer ziel; en uwe zonen en uwe dochteren, die gij verlaten hebt, zullen door het zwaard vallen. 22 Dan zult gijlieden doen, gelijk als ik gedaan heb: de bovenste lippen zult gij niet bewinden, en der lieden brood zult gij niet eten. 23 En uwe hoeden zullen op uwe hoofden zijn, en uwe schoenen aan uwe voeten; gij zult niet rouwklagen, noch weenen, maar gij zult in uwe ongeregtigheden quot;versmachten, en, een iegelijk tegen zijnen broeder, zuchten. «Ezec. 4:17. 24 Alzoo zal ulieden Ezechiël quot; tot een wonder-teeken zijn: naar alles, wat hij gedaan heeft, zult gij doen; als dit komt, dan zult gij weten, dat Ik de Heere Heere ben. a Ezec. 12:0. 25 En gij, menschenkind! zal hot niet zijn, ten dage, als Ik van hen zal wegnemen hunne sterkte, de vreugde huns sieraads, den lust hunner oogen en het verlangen hunner zielen, hunne zonen en hunne dochteren; 2G Dat ten zelve dage oen ontkomono tot u zal komen, om uwe ooron dat te doen hooren ? 27 Ten zeiven dage zal uw mond bij dien, die ontkomen is, opengedaan worden, en gij zult spreken, en niet meer stom zijn; alzoo zult gij hun tot een wonderteeken zijn, en zij zullen weten, dat Ik do Heere bon. HOOFDSTUK 25. Profetiën tegen de Ammonieten on Moabieten, van wego hunne blijdschap over de verstoring des tompels en de ellende van Gods volk, vs. 1, 2, en 8, 9; togen do Edomieten en Filistijnen, oin hunne wraakgierigheid en wreedheid togen Gods volk, 12 en 15. EN des Heeren woord geschiedde tot mij, zeggende: 2 Menschenkind! a zet uw aangezigt tegen de kinderen Amnions, en profeteer togen dezelve. «.lor. 49 : 1, enz. 3 En zeg tot do kinderen Ammons: Hoort des Heeren Heeren woord: Alzoo zegt de Heere Heere: Omdat gij gezegd hebt: Heah! over mijn heiligdom, als het ontheiligd werd, en over het land Israels, als het verwoest werd, en over het huis van Juda, als zij in gevangenis gingen; 4 Daarom, ziet, Ik zal u aan die van het Oosten overgeven tot eene bezitting, dat zij hunne burgen in u zetten, en hunne woningen in u stellen; die zullen uwe vruchten eten, en die zullen uwe melk drinken. 5 En Ik zal Rabba tot oenen kemelstal maken, en de kinderen Ammons tot eene schaapskooi; en gij zult weten, dat Ik de Heere ben. 6 Want alzoo zegt de Heere Heere: Omdat gij met de hand geklapt, en met den voet gestampt hebt, en van harte verblijd zijt geweest in al uwe plundering, over het land Israels; 7 Daarom, ziet. Ik zal mijne hand tegon u uitstrekken , en u den Heidenen ton buit geven, en |
EZECHIÃL 25, 26.
750
|
zal u uit do volken uitroeijen, on u uit de landen verdoen; Ik zal n verdelgen; en gij zult weten, dat Ik de Heere ben. 8 Alzoo zegt de Heere Heere: Omdat quot; Moab en Seïr zeggen: Ziet, het huis van Juda is gelijk al de Heidenen; «.Ier. 48:1, enz. 9 Daarom, ziet. Ik zal de zijde van Moab openen, van de steden af, van zijne steden, die van zijne grenzen af zijn, het sieraad des lands, Beth-Jesimoth, Baal-Meon, en tot Kiriathaïm toe; 10 Voor die van het Oosten, met het land der kinderen Ainmons, hetwelk lie ter bezitting zal overgeven; opdat der kinderen Amnions onder de Heidenen niet meer quot;gedacht worde. a E/.ec. 21 : 32. 11 Ik zal ook in Moab gerigten oefenen; en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben. 12 Alzoo zegt de Heere Heere: Omdat Edom met enkele wraakgierigheid gehandeld heeft togen het huis van Juda; en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan hen gewroken hebben; li! Daarom, alzoo zegt do Heere Heere: Ik zal ook mijne hand uitstrekken tegen Edom, en Ik zal menscli on beest uit haar uitroeijen; en zal haar tot eeno woestheid stollen van Thonian af; en zij zullen tot Dedan toe door liet zwaard vallen. 14 En Ik zal mijne wraak doen aan Edom, dooide hand van mijn volk Israël; en zij zullen togen Edom naar mijnen toorn en naar mijne grimmigheid handelen; alzoo zullen zij mijne wraak gewaar worden, spreekt de Heere Heere. 15 Alzoo zegt do Heere Heere: Omdat de Filistijnen door wraak gehandeld hebben, on van harte wraak geoefend hebben door plundering, om te vernielen door oene eeuwige vijandschap; K! Daarom, alzoo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik strok mijne hand uit tegen de Filistijnen, en zal do Clierethieton uitroeijen, en het overblijfsel van de zeehaven verdoen. 17 En Ik zal groote wraak met grimmige straffingen onder hen doen; en zij zullen weten, dat Ik do Heere ben, als Ik mijne wraak aan hen gedaan zal hebben. HOOFDSTUK 26. Berigt aangaande den tijd dezer profetie, vs. 1; van do verwoesting der stad Tyrus door de Chaldeön, omdat zij zich verheugd® over de verwoesting van Jeri'izalem, 2. Beschrijving van den schrik, de ontzetting en de weeklagen, welke zijn zullen bij do schielijke en onverwachte verwoesting van Tyrus, 15. EN hot gebeurde in het elfde jaar, op den eersten dor maand, dat dos Heeren woord tot mij geschiedde, zeggende: 2 Menschenkind! daarom dat Tyrus van Jorü-zalem gezegd hoeft: Heah! zij is verbroken, de poort dor volken; zij is tot mij omgewend; ik zal vervuld worden, zij is verwoest! 3 Daarom, alzoo zegt de Hoore Heere: Ziet, Ik wil aan u, o Tyrus! en Ik zal vele Heidenen tegen u doen opkomen, als of Ik de zee mot hare golven deed opkomen. |
4 Die zullen do muren van Tyrus verderven, en hare torens afbreken; ja Ik zal haar stof van haar wegvagen, en zal haar tot eene gladde steenrots maken. 5 Zij zal in hot midden dor zee zijn tot uitspreiding van netten: want Ik heb hot gesproken, spreekt do Heere Heere; en zij zal den Heidenen ton roof worden. (i En hare dochteron, die in hot veld zijn, zullen met het zwaard gedood worden; en zij zullen weten, dat Ik de Heere bon. 7 Want alzoo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik zal Nebukadrézar, den koning van Babol, don koning der koningen, van hot noordon tegen Tyrus brengen, met paarden en met wagenen, en met ruiteren, en la'ijgsvergaderingen, en voel volks. 8 Hij zal uwe dochteron op het veld mot het zwaard dooden, en hij zal sterkten tegen u maken, en eenon wal tegen u opwerpen, en rondassen tegen u opheffen. 9 En hij zal muurbrekers tegen uwe muren stellen, en uwe torens mot zijne zwaarden afbreken. 10 Van wego do menigte zijner paarden zal u derzolver stof bedekken; uwe muren zullen beven van wego het gedruisch der ruiteren, en wielen, en wagenen, als hij door uwe poorten zal introkken , gelijk door de ingangen eener doorgebro-kene stad. 11 Hij zal mot de quot; hoeven zijner paarden al uwe straten vertreden; uw volk zal hij met het zwaard dooden, en elk eeno van do kolommen uwer sterkten zal tor aarde nedorstorten. «Jes. 5 : 28. Jer. 47 : 3. 12 En zij zullen uw vormogon rooven, en uwe koopmanswaren plunderen, en uwe muren afbreken, en uwe kostelijke huizon omwerpen; en uwe steenen, en uw hout, en uw stof zullen zij in hot midden dor wateren werpen. 13 Zoo zal Ik het a gedeun uwer liederen doen ophouden, on het geklank uwer harpon zal niet meer gehoord worden. a.Tes. 24 7,8. Jer. 7:34. 16:9. 14 Ja Ik zal u maken tot eeno gladde steenrots; gij zult zijn tot uitspreiding der netton, gij zult niet meer gebouwd worden: want Ik, de Heere, heb het gesproken, spreekt de Heere Heere. 15 Alzoo zegt de Heere Heere tot Tyrus: Zullen niet do eilanden van hot geluid uws vals beven, als de doodolijke verwonde zal kermen, wanneer men in het midden van u schrikkelijk zal moordon? 16 En allo vorsten dor zee zullen afdalen van hunne troonen, en hunne mantels van zich doen, en hunne gestikte kleederen uittrokken; met sidderingen zullen zij bekleed worden, op de aarde zullen zij nederzitton, en telken oogenblik sidderen, en over u ontzet zijn. â 17 En zij zullen een quot; klaaglied over u opheffen, en tot Hoe zijt gij uit de zeeën ver- |
EZECHIÃL 26, 27.
751
|
gaan, gij welbewoonde, gij beroemde stad, die sterk geweest is ter zee, zij en hare inwoners; die hunlieder schrik gaven aan allen, die in haar woonden! aOpenh. 18:9, enz. 18 Nu zullen de eilanden sidderen ton dage uws vals; ja de eilanden, die in de zee zijn, zullen beroerd worden van wege uwen uitgang. 19 Want alzoo zegt do Heero Heere; Als Ik u zal stellen tot eene verwoeste stad, gelijk de steden, die niet bewoond worden; als Ik oenen afgrond over u zal doen opkomen, en de groote wateren u zullen overdekken; 20 Dan zal Ik u doen nederdalen niet degenen, die in den kuil nederdalen tot het oude volk, en zal u doen nedcrliggen in de onderste plaatsen, dor aarde, in de woeste plaatsen, die van ouds geweest zijn, met degenen, die in den kuil nederdalen, opdat gij niet bewoond wordt; en Ik zal hot sieraad horstellen in hot land der levenden. 21 Maar u zal Ik tot eenen grooten schrik stollen, en gij zult er niot meer zijn; als gij gezocht wordt, zoo zult gij niot meer gevonden worden in eeuwigheid, spreekt do Heere Heere. HOOFDSTUK 27. Een profetisch klaaglied over ïyrus, met beschrijving van hare heerlijkheid, weelde en hot voordeel, dat vele natiën door allerlei koophandel van haar hadden, vs. 1; en daarentegen haren schrikkelijken val, alsmede de schade, ontzetting, rouw en beschimping, die daardoor zal wezen hij de volkeren en hunne koningen, 26. WIJDERS geschiedde dos Heeren woord tot mij, zeggende: 2 Gij dan, menschenkind! hef een klaaglied op over Tyrus; 3 En zeg tot Tyrus, die daar woont aan de ingangen dor zoo, handelende met do volken in vele eilanden: Zoo zegt de Heere Heere: O Tyrus! gij zegt: ik bon «volmaakt in schoonheid. a Ezec. 28 :12. 4 Uwe landpalen zijn in liet hart dor zeeën; uwe bouwers hebben uwe schoonheid volkomen gemaakt. 5 Zij hebben al uwe denningen uit denneboomen van Senir gebouwd; zij hebben cederen van don Libanon gehaald, om masten voor u te maken. 0 Zij hebben uwe riemen uit n eiken van Basan gemaakt; uwe borderen hebben zij gemaakt van wolbetredoii elpenbeen, uit de eilanden der Chit-tieten. a Jes. 2 : 13. 7 Pijn linnen met stiksel uit Egypte was uw uithreidsel, dat het u tot een zeil ware; hemols-blaauw en purper, uit do eilanden van EHsa, was uw deksel. 8 De inwoners van Zidon en Arvad waren uwe roeijers; uwe wijzen, o Tyrus! die in u waren, die waren uwe schippers. 9 De oudsten van Gebal en hare wijzen waren in u, verbeterende uwe breuken; alle schepen dor zoo en hare zeelieden waren in u, om onder-lingen handel met u te drijven. |
10 Perzen, en Lydiërs, en Puteërs waren in uw heir, uwe krijgslieden; schild en helm hingen zij in u op, die maakten uw sieraad. 11 Do kinderen van Arvad on uw heir waren rondom op uwe muren, en do Gammadioten waren op uwe torens: hunne schilden hingen zij rondom aan uwe muren ; die maakten uwe schoonheid volkomen. 12 Tarsis dreef koophandel met u van wege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin en lood handelden zij op uw markten. 13 Javan, Tubal, en Mesech waren uwe kooplieden ; met menschenzielen en koperen vaten dreven zij ouderlingen handel met u. 14 Uit het huis van Togarma leverden zij paarden, en ruiteren, en muilezels op uwe markten. 15 Do kinderen van Dedan waren uwe kooplieden; vele eilanden waren de koophandel uwer hand; hoornen van elpenbeen en ebbenhout gaven zij u weder tot eene vereering. 16 Syrië dreef koophandel met u , van wege de veelheid uwer werken; met smaragden, purper, en gestikt werk , en zijde, en Ramoth , en Gadkod , handelden zij op uwe markten. 17 Juda en het land Israels waren uwe kooplieden; met tarwe van Minnit en Pannag, en honig, en olie, en balsem , dreven zij ouderlingen handel met u. 18 Damaskus dreef koophandel met u, om de veelheid uwer werken, van wege de veelheid van allerlei goed; met wijn van Chelbon en witte wol. 19 Ook leverden Dan en Javan, de omreizer, op uwe markten; glad ijzer, kassie en kalmus was in uwen ouderlingen koophandel. 20 Dedan handelde met u mot kostelijk gewand tot wagens. 21 Arabië en alle vorsten van Kedar waren de kooplieden uwer hand; met lammeren en rammen, en bokken, daarmede handelden zij met u. 22 Do kooplieden van Scheba en Raëma waren uwe kooplieden; met allo hoofdspecerij, en met alle kostelijk gesteente en goud, handelden zij op uwe markten. 23 Haran, en Kanne, en Eden, de kooplieden van Scheba, Assur en Kilmad, handelden met u. 24 Die waren uwe kooplieden met volkomene sieradiën, met pakken van hemelsblaauw en gestikt werk, en met schatkisten van schoone kleederen; gebonden met koorden, en in ceder gepakt, onder uwe koopmanschap. 25 De schepen van Tarsis zongen van u, van wege don ouderlingen koophandel met u; en gij waart vervuld, en zeer verheerlijkt in het hart der zeeën. 26 Die u roeijen, hebben u in groote wateren gevoerd; do quot; oostewind hooft u verbroken in het hart der zeeën. «Ezec. 17 : 10. 27 quot; Uw goed, en uwe marktwaren, uw onder- |
EZECHIÃL 27, 28.
752
|
linge koophandel, uwe zeelieden, en uwe schippers; die uwe breuken verbeteren, en die ouderlingen handel met u drijven, en al uwe krijgslieden, die in u zijn, zelfs met uwe gansche gemeente, die in het midden van u is, zullen vallen in het hart der zeeën, ten dage van uwen val. a Openb. 18 : 9, enz. 28 Van het geluid des geschreeuws uwer schippers zullen de voorsteden quot;beven. aEzec. 26:10, 15. 29 En allen, die den riem handelen, zeelieden, en alle schippers van de zee, zullen uit hunne schepen noderklimmen; op het land zullen zij staan blijven. 30 En zij zullen hunne stem over u laten hooren, en bitterlijk schreeuwen; en zij zullen stof op hunne hoofden werpen, zij zullen zich wentelen in de asch. 31 En zij zullen zich over u gansch quot; kaal maken, en zakken aangorden; en zullen over u weenen met bitterheid dor ziel, en bittere rouwklage. «.lei1. 48:37. 32 En zij zullen in hun gekerm een klaaglied over u opheffen, en over u weeklagen, zeggende: Wie is geweest als Tyrus, als de uitgeroeide in het midden der zee? 33 Als uwe marktwaren uit de zeeën voortkwamen, hebt gij vele volken verzadigd; met de veelheid uwer goederen en uwen ouderlingen koophandel, hebt gij de koningen dor aarde rijk gemaakt. 34 Ten tijde, dat gij uit de zeeën verbroken zijt in de diepte dor wateren, zijn uw onderlinge koophandel en uwe gansche gemeente in het midden van u gevallen. 35 Alle inwoners der eilanden zijn over u ontzet, en hunnen koningen staan do haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezigt. 36 De handelaars onder de volken fluiten u aan; gij zijt een grooto quot; schrik geworden, en zult er niet tneer zijn tot in eeuwigheid. a Ezec. 26:21. HOOFDSTUK 28. Profetie van do verwoesting van don koning van Tyrus, om zijne trotschheicl on hoogmoed, vs. 1. Profetisch klaaglied over hem, vergelijkende zijne voorgaande heerlijkheid mot zijnen tookoinstigon ondergang, 11. Profetie tegen Zidon, 21; met eono belofte van do i herstolling der Kerk, 25. VOORTS geschiedde des Heeuen woord tot mij, zeggende: 2 Menschenkind! zeg tot den vorst van Tyrus: Zoo zegt de Ileere Heere : Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeën! daar gij een quot; mensch en geen God zijt, stelt gij nogtans uw hart, als Gods hart. «Jes. 31:3. 3 Zie, gij zijt wijzer dan Daniël; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen. 4 Door uwe wijsheid en door uw verstand, hebt gij vermogen voor u verkregen; ja gij hebt goud en zilver verkregen in uwe schatten. |
5 Door de grootheid uwer wijsheid in uwen koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich van wege uw vermogen. 6 Daarom zegt de Heere Heere alzoo: Omdat gij uw hart gesteld hebt als Gods hart; 7 Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de a tirannigste der Heidenen; die zullen hunne zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, en zullen uwen glans ontheiligen. n Jer. 6 : 23. 8 Tor groeve zullen zij u doen nederdalen; en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het hart der zeeën. 9 Zult gij dan eenigzins, voor hot aangezigt uws doodslagors, zeggen: Ik ben God? daar gij oen mensch zijt en geen God, in do hand dosge-nen, die u verslaat? 10 Gij zult den dood der onbesnedenen sterven, door de hand der vreemden: want Ik heb het gesproken, spreekt de Hoere Heere. 11 Wijders geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 12 Menschenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zoo zegt de Heere Heere: Gij verzegelaar dor som, vol van wijsheid en a volmaakt in schoonheid! aEzec.27:3. 13 Gij waart in Eden, Gods hof, allo kostelijk gesteente was uw deksel, sardis-steenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardónix-steenen en jaspis-steenon, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen wordt, waren zij bereid. 14 Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzoo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige steenen. 15 Gij waart volkomen in uwe wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er onge-regtigheid in u gevonden is, 1G Door de veelheid uws koophandels, hebben zij het midden van u mot geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub! verdoen uit het midden der vurige steenen. 17 Uw hart verheft zich over uwe schoonheid; gij hebt uwe wijsheid bedorven, van wege uwen glans; Ik heb u op de aarde henengeworpen, Ik heb u voor het aangezigt der koningen gesteld, om op u te zien. 18 Van wege de veelheid uwer ongeregtigheden, door het onregt uws koophandels, hebt gij uwe heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik hob u gemaakt tot asch op de aarde, voor de oogen van al degenen, die u zien. 19 Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een groote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid. |
EZECHIÃL 28, 29,
753
|
20 Wijders geschiedde des Hekren woord tot 1 mij, zeggende: 21 Menschenkind! zot uw aangozigt tegen Zidon, on profeteer tegen haar; 22 En zog: Zoo zegt do Hoere Heere : Zie, Ik wil aan u, o Zidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik de Heere bon, als Ik gorigten in haar zal hebben geoefend, on in haar geheiligd zal zijn. 23 Want Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed op hare straten, en do verslagenen zullen vallen in hot midden van haar, door hot zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben. 24 En het huis Israels zal geen' smartenden doorn noch wee doende distol meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden bo-rooven; en zij zullen weten, dat Ik do Heere Heere bon. 25 Alzoo zegt de Heere Heere: Als Ik het huis Israels zal vergaderd hebben uit de volken, onder dewelke zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de oogen der Heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan mijnen knecht, aan Jakob, gegeven heh. 26 En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden quot;planten, ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gorigten zal hebben geoefend tegen allen, die henlieden beroofd hebben, van degenen, die rondom hen zijn; en zij zullen weten, dat Ik, de Heere, hunlieder God ben. aJer.31:5. HOOFDSTUK 29. lierigt van den tijd dezer profetie, vs. 1 ; togen Paraö en gansch Egypte, 2; met belofte van eone kleine herstelling, 13; opdat zich Gods volk niet meer verlate op Egypte noch door nieineedigheid in lijden brenge, 16. De tijd der volgende profetie, 17; in welke God Egypte aan den koning Nelmkadn'zar geeft, tot loon van zijne dienst tegen Tyrus, 18; Herstelling van Israël, 21. IN hot tiende jaar, in de tiende maand, op den twaalfden dor maand, geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 2 Menschenkind! zot uw aangezigt tegen Faraö, don koning van Egypte, en profeteer tegen hem, en tegen het gansche Egypte. 3 Spreek en zog: Zoo zegt do Heere Heere : Zie, Ik wii aan u, o Faraö, koning van Egypte! dien grooten quot; zeedraak, die in het midden zijner rivieren ligt; die daar zegt: Mijne rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt. a Ps. 74 : 13, 14. Jes. 27 : I. 51 : 9. 4 Maar Ik zal baken in uwe kaken doen, on don visch uwer rivieren aan uwe schubben doen kleven; on Ik zal u uit het midden uwer rivieren optrokken, on al de visch uwer rivieren zal aan uwe schubben kleven. 5 En Ik zal u verlaten in de woestijn, u en al den visch uwer rivieren; op het open veld zult gij vallen; gij zult niet verzameld noch vergaderd |
worden: aan hot gedierte der aarde en aan het gevogelte des hemels heb Ik u ter spijze gegeven. 6 En al do inwoners van Egypte zullen weten, dat Ik do Heere ben, omdat zij den huize Israels oen quot;rietstaf geweest zijn. «2Kon. 18:21. .Ios.36:0. 7 Als zij u bij uwe hand grepen, zoo wordt gij gebroken, on sploot hen alle zijden; en als zij op u leunden, zoo wordt gij verbroken, on liet alle lenden op zich zolven staan. 8 Daarom, zoo zegt do Heere Heere: Zie, Ik zal hot zwaard over u brengon, en Ik zal uit u mensch en beest uitroeijen. 9 En Egypteland zal worden tot eone wildernis on woestheid, en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben; omdat hij zegt: De rivier is mijne, en ik hob die gemaakt. 10 Daarom, zie, Ik tuil aan u en aan uwe rivier; en Ik zal Egypteland stellen tot woeste wilde eenzaamheden, van den toren van Syeno af, tot aan do landpalo van Mooronland. 11 Geen menschonvoot zal door hetzelve doorgaan , en geen beestenvoet zal door hotzolve doorgaan , on hot zal veertig jaren onbewoond zijn. 12 Want Ik zal Egypteland stellen tot eone verwoesting in het midden der verwoeste landen, en zijne steden zullen eene woestheid zijn in het midden der verwoeste steden, veertig jaren; en Ik zal do Egyptenaars verstrooijen onder de Heidenen, en zal bon verspreidon in de landen. 13 Maar zoo zegt de Heere Heere: Ten einde van veertig jaren zal Ik de Egyptenaars vergaderen uit de volken, waarhenen zij verstrooid zijn geworden. 14 En Ik zal de gevangenis der Egyptenaren wenden, en hen wedorbrengon in hot land van Pathros, in het land huns koophandels; en aldaar zullen zij oen nederig koningrijk zijn. 15 En hot zal nederiger zijn dan tic andere koningrijken, en zich niet meer verheffen boven de Heidenen: want Ik zal hen verminderen, dat zij niet zullen heerschen over do Heidenen. IC En hot zal den huize Israels niet meer zijn tot oen vertrouwen, dat der ongerogtigheid doet gedenken, wanneer zij naar henlieden quot;omzien; maar zij zullen weten, dat Ik de Heere Heere ben. a Klgld. 4 : 17. 17 Voorts gebeurde hot in hot zeven en twintigste jaar, in de eerste maand, op den oorsten der maand, dat het woord des Heeren tot mij geschiedde, zeggende: 18 Menschenkind! Nebukadrézar, de koning van Babel, hooft zijn heir eeno groote dienst doen dienen tegen Tyrus: allo hoofden zijn kaal geworden, en allo zijdon zijn uitgeplukt; en noch hij, noch zijn hoir hooft loon gehad van wege Tyrus, voor de dienst, die hij togen haar gediend heeft. 19 Daarom, zoo zegt de Heere Heere: Zie, Ik zal Nebukadrézar, don koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal doszolfs menigte wegvoeren, 48 |
EZECHIÃL 29, 30, 31.
754
|
on deszolfs buit buiten, en deszolfs roof rooven, en hot zal de loon zijn voor zijn heir. 20 Tot zijn arbeidsloon, omdat hij tegen haar gediend heeft, heb Ik hem Egyptoland gegeven, omdat zij voor Mij gewrocht hebben, spreekt de Heere He ere. 21 Te dien dage zal Ik den hoorn van het huis Israels doen uitspruiten, en u opening des monds geven in het midden van hen ; en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben. HOOFDSTUK 30. Nog twee profetiën: de eene aangaande de verwoesting van ganseli Egypte en van al zijne helpers en bond-genooten, vs. 1; do andere omtrent do verbreking van den arm van hunnen koning, en liet sterken van den arm des konings van Babel togen hom, mitsgaders van de verstrooijing der Egyptonaron onder de volken, 20. WIJDERS geschiedde dos Heeren woord tot mij, zeggende: 2 Menschenkind! profeteer, en zeg: Zoo zegt do Heere Heere: Huilt: Ach dien dag! 3 Want de dag is nabij, ja de dag des Heeren is nabij: oen wolkige dag, het zal der Heidenen tijd zijn. 4 En het zwaard zal komen in Egypte, en er zal groote smart zijn in Moorenland, als do verslagenen zullen vallen in Egypte: want zij zullen derzelver menigte wegnomen, en hare fondamenten zullen verbroken worden. 5 Mooronland, en Put, en Lud, en al de gemengde hoop, en Cub, en do kindoren van het land dos verbonds zullen met hen vallen door het zwaard. 6 Zoo zegt de Heere: Ja, zij zullen vallen, die Egypte ondersteunen, en de hoovaardij haror sterkte zal nederdalen: van don toren van Syene af zullen zij daarin door hot zwaard vallen, spreekt do Heere Heere. 7 En zij zullen verwoest worden in het midden der verwoeste landen; en hare steden zullen zijn in het midden der verwoeste steden. 8 En zij zullen weten, dat Ik do Heere ben, als Ik een vuur in Egypte zal hebben gelegd, en al hare helpers zullen verbroken worden. i) Te dien dage zullen er boden van voor mijn aangezigt in schepen uitvaren, om hot zorgoloozo Mooronland te verschrikken; en er zal groote smart bij hen zijn, als in den dag van Egypte; want ziet, hot komt aan! 10 Zoo zegt de Heere Heere: Ja, Ik zal de menigte van Egypte doen ophouden, door de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel. 11 Hij, en zijn volk met hom, de quot; tirannigste dor Heidenen zullen aangevoerd worden, om het land te verdorven; en zij zullen hunne zwaarden togen Egypte uittrokken, en het land met verslagenen vervullen. aBzec. 28:7. 12 En Ik zal do rivieren tot droogte maken, en het land verkoopen in de hand der boozon; en |
Ik zal het land met zijne volheid verwoesten door de hand der vreemden; Ik, de Heere, heb het gesproken. 13 Zoo zegt de Heere Heere: Ik zal ook de drekgoden verdoen, en do nietige afgoden doen ophouden uit Nof; on er zal geen vorst meer zijn uit Egyptoland; en Ik zal eene vreeze in Egyptoland stellen. 14 Eu Ik zal Pathros verwoesten, en een vuur loggen in Zoan; en Ik zal gorigton oefenen in No. 15 En Ik zal mijne grimmigheid uitgieten over Sin, de sterkte van Egypte; en Ik zal de menigte van No uitroeijon. 1G En Ik zal een vuur in Egypte leggen; Sin zal zeer groote pijn hebben, en No zal gespleten worden, en Nof zal dagelijks zeer bang zijn. 17 Do jongelingen van Avon en Pibeseth zullen door hot zwaard vallen, en de dochters zullen gaan in de gevangenis. 18 En te Tachpanhes zal de dag verduisterd worden, als Ik het juk van Egypte aldaar zal verbreken, en de hoovaardij haror sterkte in haar zal ophouden; haar zal eene wolk bedekken, en hare dochters zullen gaan in de gevangenis. 19 Alzoo zal Ik gorigton oefenen in Egypte; en zij zullou weten, dat Ik do Heere ben. 20 Ook gebeurde het in het elfde jaar, in do eerste maand, op den zevendon dor maand, dat hot woord des Heeren tot mij geschiedde, zeggende: 21 Menschenkind! Ik heb den arm van Earaö, den koning van Egypte, verbroken; en ziet, hij zal niet verbonden worden, met pleisters op te leggen, mot eonon windeldook aan te doen, om dien te verbinden, om dien te sterkon , dat hij hot zwaard houde. 22 Daarom zegt do Heere Heere alzoo: Ziet, Ik wil aan Earaö, don koning van Egypte, en zal zijne armen verbreken, heide don sterken en don vorbrokenon; en Ik zal het zwaard uit zijne hand doen vallen. 23 En Ik zal de Egyptenaars verstrooijon onder de Heidenen, en zal hen verspreiden in de landen. 24 En Ik zal de armen dos konings van Babel sterken, en mijn zwaard in zijne hand geven; maar Farao's armen zal Ik verbroken, dat hij voor zijn aangezigt zal kermen, gelijk een doode-lijk verwonde kermt. 25 Ja Ik zal de armen dos konings van Babel sterken, maar Farao's armen zullen daarhenen vallen; en zij zullen weten, dat Ik de Heere bon, als Ik mijn zwaard in do hand des konings van Babel zal hebben gegeven, en hij datzelve over Egyptoland zal hebben uitgestrekt. 26 En Ik zal de Egyptenaars verstrooijen onder do Heidenen, en zal hen verspreiden in de landen; alzoo zullen zij weten, dat Ik de Heere bon. HOOFDSTUK 31. De tijd dezer profetie, vs. 1; in welke God den koning Farao en zijn volk voor oogon stolt do hoog- |
EZECHIÃL 31 , 32.
755
|
hoid, heorlijkhoid en jjracht des konings on dos koningrijks van Assyriö, onder do gelijkenis van eonen hoogon schoonen cedorboom, 2; on deszolfs val, wogens trotschheid on hoogmoed, 10; tot een voorbeeld aan alle anderen, 14. Fa ran en zijn volk zal liet oven zoo gaan, 10, 18. HET gebeurde ook in het elfde jaar, in do dorde maand, op don eersten der maand, dat des IIkeren woord tot mij geschiedde, zeggende: 2 Menschenkind! zog tot Faraö, den koning van Egypte, en tot zijne menigte: Wien zijt gij gelijk in uwe grootheid? 3 Zie, Assur was een a ceder op den Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tusschen digte takken. a Dan. 4:10, enz. 4 De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hein hoog: die ging met zijne stroomen rondom zijne planting, en zond zijne waterleidin-den uit tot alle boomen des voids. 5 Daarom werd zijn stam hooger dan alle boomen des velds; en zijne takjes werden menigvuldig, on zijne scheuten lang, van wege de groote wateren, als hij uitschoot. G Alle a vogelen des hemels nestelden op zijne takjes, en alle dieren des voids teelden onder zijne schouten; en alle groote volken zaten onder zijne schaduw. a Dan. 4:12. 7 Alzoo was hij schoon in zijne grootheid cn in de lengte zijner takken, omdat zijn wortel aan groote wateren was. 8 Do cederen in n Gods hof verduisterden hem niet, de denneboomen waren zijnen takken niet gelijk, en de kastanjeboomen waren niet golijk zijne scheuten; geen boom in Gods hof was hein gelijk in zijne schoonheid. a Gen. 2:8. i) Ik had hom 200 schoon gemaakt door de veelheid zijner takken, dat alle boomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden. 10 Daarom, zoo zegt de Heere IIeere : Omdat gij u verheven hebt over uwen stam: ja hij stak zijnen top op boven het midden der digte takken, 011 zijn hart verhief zich over zijne hoogte; 11 Daarom gaf Ik hem in de hand van don magtigste der Heidenen, die hem regtschapen zou handelen: Ik dreef hem uit om zijne goddeloosheid. 12 En vreemden, de quot; tirannigste der Heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem; zijne takken violen op de bergen en in alle valleijen, on zijne scheuten werden verbroken bij alle stroomen des lands; en alle volken der aarde gingen af uit zijne schaduw, en verlieten hem. aEzec.28:7. 30:11. 13 Alle vogelen des homels woonden op zijnen omgevallenen stam, en alle dieren des velds waren op zijne scheuten. 14 Opdat zich geene waterrijke boomen verheffen over hunnen stam, en hunnen top niot opsteken boven het midden dor digte takken, en geene boomen, die water drinken, op zich zelve staan van wege hunne hoogte: want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot hot. onderste der aarde, in het midden der menschenkinderen, tot degenen, die in den kuil nederdalen. |
15 Zoo zegt de Heere Heere: Ten dage, als hij ter helle nederdaalde, maakte Ik een treuren, Ik bedekte om zijnentwil den afgrond, en weerde de stroomen van dien, en de groote watoren werden geschut; en Ik maakte don Libanon om zijnentwil zwart, en al het geboomte des velds was om zijnentwil bewondon. l(i Van het geluid zijns vals deed Ik do Heidenen quot;beven, als Ik hem ter holle deed nederdalen, met degenen, die in den kuil nederdalen; on allo boomen van Eden, de keur en hot beste van Libanon, allo boomen, die water drinken, troostten zich in het onderste der aarde. a.Tos. 14:9. 17 Diezelve daalden ook met hem neder ter helle, tot de verslagenen van het zwaard ; on die zijn arm geweest waren, die onder zijne schaduw in het midden der Heidenen gezeten hadden. 18 Wien zijt gij alzoo gelijk in heorlijkhoid en grootheid, onder de boomen van Eden ? ja gij zult nedergevoerd worden, met de boomen van Eden, tot het onderste dor aarde; in het midden der quot; onbesnedenon zult gij liggen, met do verslagenen door het zwaard. Dat is Faraö, 011 zijne gansche menigte, spreekt de Heere Heere. «Ezoc 28:10. HOOFDSTUK 32. Tijd dezer profetiën, vs. 1 on 17; bevattende een klaaglied over Farao's schrikkolijkon val, wegens zijnen hoogmoed, wreedheid, gedurig onrustig woolen on beroeren van andere volken, 2; vervolgens eene verbloemde beschrijving van zijnen en zijns volks ondergang en nederdaling tot hot gezelschap van andere onboanedene, trotscho en tirannische regenton 011 volken, 13. HET gebeurde ook in het twaalfde jaar, iu de twaalfde maand, op den eersten der maand, dat het woord des Heeren tot mij geschiedde, zeggende: 2 Menschenkind! hef een klaaglied op over Faraö, den koning van Egypte, en zeg tot hom: Gij waart eenen jongen leeuw onder de Heidenen gelijk; 011 gij waart als een quot;zeedraak in de zeeën, en braakt voort in uwe rivieren, en be-roerdet het water met uwe voeten, en vermod-derdet hunlieder rivieren. aEzec. 29:3. 3 Alzoo zegt do Heere Heere : Ik zal daarom mijn quot; net over u uitspreiden door eene vergadering van vele volken; die zullen u optrekken in mijn garen. «Ezec. 12:13. 17:20. 4 Dan zal Ik u laten op het land, Ik zal u henenwerpen op het open veld; en Ik zal al het gevogelte des hemels op u doen wonen, en het gedierte der gansche aarde van u verzadigen. 5 En Ik zal uw vleesch henengeven op de borgen , en de dalen met uwe hoogheid vervullen. 6 En Ik zal het land, waarin gij zwemt, van uw bloed drenken tot aan de bergen; en de stroomen zullen van u vervuld worden. |
48*
EZECHIÃL 32.
756
|
7 En als Ik u zal uitblusschen, zal Ik den quot;hemel bedekken, en zijne sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten. a Jes. 13; 10. Joël 2 :31. 8 Alle lichtende lichten aan den hemol, die zal Ik om uwentwil zwart maken; en Ik zal eene duisternis over uw land maken , spreekt de Meere Heere. 9 Daartoe zal Ik het hart van vele'volken verdrietig maken, als Ik uwe verbreking onder de Heidenen zal brengen in de landen, die gij niet gekend hebt. 10 En Ik zal maken, dat zich vele volken over u ontzetten, en hunnen koningen zullen de haren over u te berge staan, als Ik mijn zwaard zal zwaaijen voor hunne aangezigten; en zij zullen eiken oogenblik sidderen, een ieder voor zijne ziel, ten dage uws vals. 11 Want zoo zegt de Heere Heere: Het zwaard des konings van Babel zal u overkomen. 12 Ik zal uwe menigte vellen door de zwaarden der helden, die al te zamen de quot; tirannigste der Heidenen zijn; die zullen de hoovaardij van Egypte verstoren, en hare gansche '' menigte zal verdelgd worden. rtEzoc. 28:7. 31 : 12. h Ezec, 81:2, 18. ond. vers 10. 13 En Ik zal hare beesten verdoen van bij de groote wateren; en geen menschenvoet zal ze meer beroeren, en geene beestenklaauwen zullen ze beroeren. 14 Dan zal Ik hunlieder wateren doen zinken, en Ik zal hunlieder rivieren doen gaan als olie, spreekt do Heere Heere; lij Als Ik Egypteland zal hebben gesteld tof eene verwoesting, en het land van zijne volheid zal woest zijn geworden, als Ik geslagen zal hebben allen, die daarin wonen: alzoo zullen zij weten, dat Ik de Heere ben. 16 Dat is hot klaaglied, en dat zullen zij klagelijk zingen; do dochteren der Heidenen zullen het klagelijk zingen; zij zullen hot klagelijk zingen over Egypte en over hare gansche menigte, spreekt de Heere Heere. 17 Voorts gebeurde het in het twaalfde jaar, op den vijftienden dor maand, dat het woord des Heeren tot mij geschiedde, zeggende: 18 Menscbenkind! weeklaag over de menigte van Egypte, en doe ze nederdalen, (haar en de dochteren dor prachtige Heidenen) in de onderste plaatsen der aarde, bij degenen, die in den kuil zijn nedergedaald. 10 Boven wien zijt gij liefelijk? daal neder, en log u bij de onbesnedenen. 20 In het midden der verslagenen van het zwaard zullen zij vallen; zij is aan het zwaard overgegeven; trek haar henen met al hare menigte. 21 De magtigste der helden zullen hem, met zijne helpers, toespreken, uit het midden der hel; |
zij zijn nedergedaald, de onbesnedenen liggen er, verslagen van het zwaard. 22 Daar is Assur met haren ganschen hoop, zijne graven zijn rondom hem; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard. 23 Welker graven gesteld zijn in de zijden des kuils, en haar hoop is rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard, die oenen schrik gaven in hot land der levenden. 24 Daar is Elam met hare gansche menigte rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, de gevallenen door het zwaard, die onbesneden zijn nedergedaald tot de onderste plaatsen der aarde, die hunnen schrik hadden gegeven in het land der levenden; nu dragen zij hunne schande met degenen, dio in den kuil zijn nedergedaald. 25 In het midden der verslagenen hebben zij haar eene legerstede gesteld onder hare gansche menigte, rondom hem zijn hare graven; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat een schrik van hen gegeven is in het land der levenden; nu dragen zij hunne schande met degenen, die in don kuil zijn nedergedaald; hij is geleid in het midden der verslagenen. 26 Daar is Mesech, en Tubal, met hare gansche menigte; rondom hom zijn hare graven; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van liet zwaard, omdat zij hunnen schrik gegeven hebben in het land dor levenden. 27 Maar zij liggen niet mot de helden, die onder de onbesnedenen gevallen zijn; die ter helle zijn nedergedaald mot hunne krijgswapenen, en welker zwaarden men geleid heeft onder hunne hoofden; welker ongeregtigheid nogtans op hunne beenderen is, omdat dor holden schrik in het land der levenden geweest is. 28 Gij ook zult verbroken worden in hot midden der onbesnedenen, en zult liggen mot de verslagenen van het zwaard. 29 Daar is Edom, hare koningen en al hare vorsten, die met hunlieder magt geleid zijn bij de verslagenen van het zwaard; diezelve liggen met de onbesnedenen on met degenen., die in don kuil zijn nedergedaald. 30 Daar zijn de geweldigen van het Noorden, zij allen, en allo Zidoniërs, die met de verslagenen zijn nedergedaald, beschaamd zijnde van wege hunnen schrik, die uit hunne magt voortkwam, en zij liggen onbesneden bij de verslagenen van het zwaard, en dragen hunne schande met degenen, die in den kuil zijn nedergedaald. 31 Faraö zal henlieden zien, en zich troosten over zijne gansche menigte; do verslagenen van het zwaard van Faraö en zijn gansche heir, spreekt de Heere Heere. 32 Want Ik heb ook mijnen schrik gegeven in hot land der levenden; dies zal hij geleid worden in het midden der onbesnedenen bij de verslagenen van het zwaard, Faraö en zijne gansche menigte, spreekt de Heere Heere. |
EZECHIÃL 33.
757
|
HOOFDSTUK 33. Door de gelijkenis van oenen getrouwen wachter in het land, Htelt God den profeet voor zijnen pligt on dien van alle getrouwe leeraren, vs. 1. De Heere toont de munnureerders en huichelaren onder de gevangen Joden, dat Hij wel en regt handelt met boetvaardigen en afvalligen; Hij verdedigt de regt-vaardighoid zijner wegen tegen hunne beschuldigingen, lü. Ão profeet bekomt tijding van do verovering en verwoesting der stad Jeruzalem en profeteert, welk lot den in het land overgeblevenen zal wedervaren, 21. (rods oordeel over de huichelachtige vleijers en bespotters der profeten, 30. EN des IIkeken woord geschiedde tot mij, zeggende: 2 Menschenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zog tot hen: Wanneer Ik het zwaard over eenig land breng, en het volk des lands eenen man uit hunne einden nomen, en dien voor zich tot eenen wachter stellen; 3 En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk; 4 En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en hot zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd. 5 Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijne ziel. (! Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zoodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt eene ziel uit ben weg; die is we/ in zijne ongeregtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van do hand des wachters eischen. 7 Gij nu, o menschenkind! Ik heb u tot eenen quot; wachter gesteld over het huis Israels; zoo zult gij het woord uit mijnen mond hoeren, en hen van mijnentwege waarschuwen, a E/.oc. 3:17, en/.. 8 Als Ik tot den goddelooze zeg: O goddelooze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddelooze van zijnen weg af te manen; die goddelooze zal in zijne ongeregtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uwe hand eischen. i) Maar als gij don goddelooze van zijnön weg afmaant, dat hij zich van dien bokeere, en hij zich van zijnen weg niet bekeert, zoo zal hij in zijne ongeregtigheid sterven; maar gij hebt uwe ziel bevrijd. 10 Daarom, gij menschenkind! zeg tot het huis Israels: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve quot;versmachten, hoe zouden wij dan leven? «Ezec. 24:23. 11 Zeg tot hen: 11 Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere IIeeue, zoo Ik lust heb in den dood des goddeloozen! maar daarin heb Ik host, dat de goddelooze zicli bekeere van zijnen weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uwe booze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels ? a Ezoc. 18 : 23, 32. |
12 Gij dan , o menschenkind ! zeg tot de kinderen uws volks: quot;De geregtigheid des regtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding; en aangaande de goddeloosheid des goddeloozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijne goddeloosheid bekeert; en de regt-vaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijne geregtigheid, ten dage als hij zondigt, aEzec. 18:24. 13 Als Ik tot den regtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijne geregtigheid vertrouwt, en onregt doet, zoo zullen al zijne geregtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onregt, dat hij doet, daarin zal hij sterven. 14 Als Ik ook tot den goddelooze zeg: Gij zult den dood sterven! en hij zicli van zijne zonde bekeert, en regt on geregtigheid doet; ló Geeft do goddelooze het pand weder, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de inzettingen des levens, zoodat hij geen onregt doet; hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven. 1G Al zijne zonden, dio hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft regt en geregtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven. 17 Nog zeggen de kinderen uws volks: quot; De weg des Hoeren is niet regt; daar toch hun eigen weg niet regt is. «Ezec. 18:25, 29. ond. vers 20. 18 Als de regtvaardige afkeert van zijne geregtigheid, en doet onregt, zoo zal hij daarin sterven. 1!) En als de goddelooze zich bekeert van zijne goddeloosheid, en doet regt en geregtigheid, zoo zal hij daarin loven. 20 Nog zegt gij: De weg des Heeren is niet regt; Ik zal ulieden rigten, een ieder naar zijne wegen, o huis Israels! 21 En hot geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op den vijfden der maand, dat er een tot mij kwam, quot;die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende : '' De stad is geslagen. a Ezec. 24 : 26. b 2 Kon. 25. 22 Nu was do hand des Heeren op mij geweest des avonds, eer die ontkomone kwam, en had mijnen mond opengedaan, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzoo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom. 23 Toen geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 24 Menschenkind! do inwoners van die woeste plaatsen in het land Israels spreken, zeggende: Abraham was oon eenig man, en bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen: het land is ons gegeven tot eene erfelijke bezitting. 25 Daarom zeg tot hen: Zoo zegt tie Heere Heere: Gij eet vleesch met het quot;bloed, en heft uwe oogen op tot uwe drekgoden, en vergiet bloed; en zoudt gij het land erfelijk bezitten? «Oen. 9:4. Lev. 3:17, enz. 26 (Jij staat op ulieder zwaard, gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt gij het land erfelijk bezitten? |
EZECHIÃL 33, 34.
758
|
27 Alzoo zult gij tot hen zeggen; Do lleoro Heere zegt alzoo: Zoo waarachtig a/s Ik leef, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zoo Ik niet dien, die in het open veld is, het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de spelonken zijn, door de pestilentie zullen sterven ! 28 Want Ik zal hot land tot eene verwoesting en eenen schrik stellen, en de hoovaardij zijner sterkte zal ophouden; en de bergen Israels zullen woest zijn, dat er niemand overga. 29 Dan zullen zij weten, dat Ik de Heere ben, als Ik liet land tot eeno verwoesting en eenen schrik zal gesteld hebben, om al hunne gruwelen, die zij gedaan hebben. 30 En gij, o menschenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij do wanden en in do deuren dor huizen; en de een spreekt met don ander, een iegelijk met zijnen broeder, zeggende: Komt toch en hoort wat hot woord zij, dat van den Heere voortkomt. 31 En zij n komen tot u, gelijk hot volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangozigt ala mijn volk, en hooren uwe woorden , maar zij doen zo niet: want zij maken liefkozingen met hun-non mond, maar hun hart wandelt hunne gierigheid na. a Ezec. 14 : 1, enz. 20 : 1, enz. 32 En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel spoelt; daarom hooren zij uwe woorden, maar zij doen zo niet. 33 Maar als dat komt, (zie, hot zal komen!) dan zullen zij weten, dat er oen profeet in het midden j., \vA|,cii: Du goodo van hen geweest is. HOOFDSTUK 34. Profetie tegen de kwade herders van Gods volk, vs. 1. God belooft zijne schapen zelf te zullen opzoeken, te redden en rogt te weiden, met onderscheiding tnsschen schapen on schapen, rammen en bokken, 10. Daartoe zal Hij verwekken en zonden den oppersten Hordei' en Vorst zijner Kerk, Jezus Christus, onder welken zijne schapen gezegend on gelukzalig zullen zijn, 23. EN des Heeren woord geschiedde tot mij, zeggende: 2 Menschenkind! profeteer tegen de quot; herders van Israël; profeteer en zeg tot hen, tot de herders: Alzoo zegt de Heere Heere: Wee den herderen Israels, die zich zeiven weiden! zullen niet de herders de schapen weiden? aJor. 23: 1. 3 Gij eet hot vette, en bekleedt u met de wol, gij slagt het gemeste, maar do schapen weidt gij niet. |
4 De zwakke sterkt gij niet, en het kranke heelt gij niet, en het gebrokene verbindt gij niet, en hot weggedrevene brengt gij niet weder, en het verlorene zoekt gij niet; maar gij heerscht over hen quot; met strengheid en mot hardigheid. a 1 L'otr. ó : 3. 5 Alzoo zijn zij verstrooid, omdat er geen herder is; en zij zijn al liet wild gedierte des voids tot spijze geworden, dewijl zij verstrooid waren. C Mijne schapen dolen op alle borgen en op allen hoogen heuvel, ja mijne schapen zijn verstrooid op den ganschen aardbodem; en er is niemand, die er naar vraagt, en niemand, die ze zoekt. 7 Daarom, gij herders! hoort des Heeren woord. 8 Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt do Heere Heere, zoo Ik niet! omdat mijne schapen geworden zijn tot eenen roof, en mijne schapen al hot wild gedierte des voids tot spijze geworden zijn, omdat er geen horder is, en mijne herders naar mijne schapen niet vragen; en de herders weidon zich zeiven, maar mijne schapen weiden zij niet; !) Daarom, gij herders! hoort dos Heeren woord. 10 Alzoo zegt de Heere Heere: Ziot, Ik wil aan de herders, en zal mijne schapen van hunne hand eischen, on zal zo van hot weiden der schapen doen ophouden, zoodat do herders zich zolvon niot moor zullen weiden; en Ik zal mijne schapen uit hun-non mond rukken, zoodat zij hun niot meer tot spijze zullen zijn. 11 Want zoo zegt de Heere Heere: Ziot, Ik, ja Ik zal naar mijne schapen vragen, en zal ze opzoeken. 12 Gelijk een hor der zijne kudde opzoekt, ten dage als hij in het midden zijner verspreide schapen is, alzoo zal Ik mijne schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarhenen zij verstrooid zijn, ten dage der wolke en der donkerheid. 13 En Ik zal ze uitvoeren van de volken, en zal ze quot; vergaderen uit de landen, en brengen ze in hun land; en Ik zal ze weiden op do borgen Israels, bij de stroomen en allo bewoonbare plaatsen des lands. a Ezec. 28 : 25. 14 Op eene goede weide zal Ik ze weiden, en op de hooge bergen Israels zal hunne kooi zijn; aldaar zullen zij noderliggen in eene goede kooi, en zullen weiden in eene vette weide, op de bergen Israels. 15 Ik zal mijne schapen weidon, en Ik zal ze legeren, spreekt do Heere Heere. 16 Het verlorene zal Ik zoeken, on het woggo-drevene zal Ik woderbrengen, en het gebrokene |
EZECHIÃL 34, 35.
709
|
zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vetto en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel. 17 Want gij, o mijne schapen! de Ileere Heere zegt alzoo: Ziet, Ik zal rigten tusschen klein vee en klein vee, tusschen de rammen en de bokken. 18 Is hot u te weinig, dat gij do goodo weide afweidt? znlt gij nog het overige uwer weide niet uwe voeten vertreden V en zult gij de gezon-kene wateren drinken, en de overgelatene met uwe voeten vermodderen? 19 Mijne schapen dan, zullen zij afweiden wat met uwe voeten vertreden is, en drinken wat met uwe voeten vermodderd is? 20 Daarom zegt do Heere Heere alzoo tot hen: Ziet Ik, ja Ik zal rigten tusschen het vetto klein vee, en tusschen het magere klein vee. 21 Omdat gij al de zwakken mot do zijde en mot den schouder verdringt, en mot uwe hoornen stoot, omdat gij dezelve naar buiten toe verstrooid hebt; 22 Daarom zal Ik mijne schapen verlossen, dat zij niet meer tot oenen roof zullen zijn; en Ik zal rigten tusschen klein voo en klein vee. 23 En Ik zal een' oenigon quot; horder over hen verwekken , en hij zal hen weiden, namelijk mijnen '' knecht c David ; die zal ze weiden, en die zal hun tot oenen herder zijn. nJos. 40:11. Joh. 10:11. It .les. 42 :1. 50 : 10. 52 : 13. 53 :11. c Jor. 30 : 9. 24 En Ik, de Heere, zal hun tot oenen God zijn; en mijn knecht David zal quot; vorst zijn in hot midden van hen; Ik, do Heere, heb het gesproken. a Jes. 55 : 4. 25 En Ik zal oen verbond des vredes met hen maken, en zal hot boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen zokor wonen in do woestijn, en slapen in de wouden. 2G Want Ik zal dezelve, en de plaatsen rondom mijnen heuvel, stollen tot oenen zogen; en Ik zal den plasregen doon nederdalen op zijnen tijd, plasregens van zegen zullen er zijn. 27 En liet geboomte des voids zal zijne vrucht geven, en het land zal zijne inkomst geven, en zij zullen zeker zijn in hun land; en zullen weten, dat Ik do Heere bon, als Ik de dissolboomon huns juks zal hebben verbroken, en hen gerukt uit do hand dorgenon, die zicli van hen doden dienen. 28 En zij zullen don Heidenen niet meer ten roof zijn, en het wild gedierte dor aarde zal zo niet meer vreten; maar zij zullen zokor wonen, en er zal niemand zijn, die zo verschrikke. 29 En Ik zal hun eene plant van naam verwekken ; en zij zullen niet moor weggoraapt worden door honger in het land, en a den smaad dor Hoidonen niet meer dragen. «Ezec. 30: C, enz. 30 Maar zij zullen weten, dat Ik, do Heere, hun God, mot hen ben, en dat zij mijn volk zijn, het huis Israels, spreekt de Heere Heere. 31 Gij nu, o quot;mijne schapen, schapen mijner weide! gij zijt monschen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere Heere. aJoh. 10 :11, onz. |
HOOFDSTUK 35. Profetie van do geheole vordolging dor Edomioien, om hunnen godurigon bitteren haat on lasteringen tegen Grods volk, en vreugde over doszelts ellende. WIJDERS geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 2 Menschenkind! zet uw aangozigt togon liet gebergte Seïr, en profeteer tegen hetzelve. 3 En zeg tot hetzelve: Alzoo zegt de Heere Heere: Zie, Ik wil aan u, o gebergte Seïr! en Ik zal mijne hand togon u uitstrekken, en zal u stollen tot eene verwoesting en oenen schrik. 4 Ik zal uwe steden stellen tot eenzaamheid, en gij zult eene verwoesting worden: en zult weten, dat Ik do Heere ben. 5 Omdat gij eene eeuwige quot; vijandschap hebt, en hebt do kinderen Israels doen wegvloeijon door hot geweld des zwaards, ten tijde huns verderfs, ton tijde der uiterste ongorogtigheid. «Ezec. 25:15. G Daarom , zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Hoore Heere: Ik zal u voorzeker ten bloede bereiden, en hot bloed zal u vervolgen; alzoo gij hot bloed niet hebt gehaat, zal u hot bloed ook vervolgen. 7 En Ik zal hot gebergte Seïr tot do uiterste verwoesting stellen; on Ik zal uit hetzelve uit-roeijen dion, die er doorgaat, on dien, die wederkeert. 8 En Ik zal zijne bergen niet zijne verslagenen vervullen: uwe heuvelen, en uwe dalen, ou al uwe stroomon, in dezelve zullen do verslagenen van het zwaard liggen. 9 Tot eeuwige verwoestingen zal Ik u stellen, en uwe steden zullen niet bewoond worden: alzoo zult gij weten, dat Ik do Heere bon. 10 Omdat gij zegt: Die twee volken en die twee landen zullen mij geworden, quot;en wij zullen zo erfelijk bezitten, alschoon de Heere daar ware. a I's. 83 : 13. 11 Daarom, zoo waarachtig als Ik loef, spreekt de Heere Heere: Ik zal ook handelen naar uwen toorn en naar uwe nijdigheid, die gij uit uwen haat tegen hen hebt te werk gestold; en Ik zal bij hen bekend worden, wanneer Ik u zal gerigt hebben. 12 En gij zult weten, dat Ik, do Heere, al uwe lasteringen gehoord heb, die gij tegen do bergen Israels gesproken hebt, zeggende: Zij zijn verwoest, zij zijn ons ter spijze gegeven. 13 Alzoo hebt gij u met uwen mond togon Mij groot gemaakt, en uwe woorden togon Mij vermenigvuldigd; Ik heb het gehoord. 14 Alzoo zegt de Heere Heere: Gelijk hetganscho land verblijd is, alzoo zal Ik u de verwoesting aandoen. 15 Gelijk gij u verblijd hebt over de erfenis van het huis Israels, omdat zij verwoest is, alzoo zal Ik aan u doen: het gebergte van Seïr, en gansch Edom, zal geheel eene verwoesting worden; en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben. |
|
760 HOOFDSTUK 36. Onder de aanspraak tot de bergen Israels profeteert God, dat Hij in grooten ijver wraak zal nemen aan do vijanden zijner Kerk, die dezelve bespot, verdrukt en verwoest hebben, vs. 1; en dat Hij zijne Kerk heerlijk herstellen, vermenigvuldigen en zegenen zal, 8. God verklaart, dat Hij zijn volk om hunne zonden, ter eere van zijnen heiligen naam, heeft moeten straffen en tuchtigen, 16; maar dat Hij hen om zijns naams wil uit loutere genade wederom grootelijks zal begenadigen, reinigen, door zijnen Heiligen Geest heiligen en mot allerlei zegeningen vervullen en eenwig zaligen, 21. EN gij, inenschenkind! profeteer tot de quot; bergen Israels, en zeg: Gij bergen Israels! hoort des Heeren woord. a Ezec. 6:2. 2 Alzoo zegt de lleere Heere: Omdat de vijand van ii zegt: Heah! zelfs de eeuwige hoogten zijn ons ten «erve geworden! «Ezec. 35: 10. 3 Daarom profeteer en zeg: Zoo zegt do Heere Heere; Daarom, omdat men u van rondom verwoest en opgeslokt heeft, opdat gij voor het overblijfsel der Heidenen ton erve zoudt zijn, en gij gebragt zijt op de klapachtige lip en in opspraak des volks; 4 Daarom, gij bergen Israels! hoort het woord des Heeren Heeren: Zoo zegt de Heere Heere tot do bergen en tot de heuvelen, tot de stroomen en tot de dalen, tot de verwoeste eenzame plaatsen en tot de verlatene steden, die tot eenen roof en tot eenen spot geworden zijn voor het overblijfsel der Heidenen, die rondom zijn: 5 Daarom, zoo zegt de Heere Heere: Zoo Ik niet in het vuur mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel der Heidenen, en tegen het gansche Edom; die mijn land zich zeiven ton erve gegeven hebben, met blijdschap des ganschen harten, met begeerige plundering, opdat do landerij daarvan ten roove zou zijn! 6 Daarom profeteer van het land Israels, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stroomen en tot de dalen: Zoo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik heb in mijnen ijver en in mijne grimmigheid gesproken, omdat gij den quot; smaad der Heidenen gedragen hebt: a Ezoc. 34: 20. 7 Daarom, zoo zegt do Heere Heere: Ik heb mijne hand opgeheven: zoo niet de Heidenen, die rondom u zijn, zeiven hunne schande zullen dragen! 8 Maar gij, o bergen Israels! gij zult weder uwe takken geven, en uwe vrucht voor mijn volk Israël dragen, want zij naderen te komen. 9 Want ziet. Ik ben bij u, en Ik zal u aanzien, en gij zult gebouwd en bezaaid worden. 10 En Ik zal menschen op u vermenigvuldigen, hot gansche huis Israels, ja dat geheel; en do steden zullen bewoond, en de eenzame plaatsen bebouwd worden. 11 Ja Ik zal menschen en beesten op u vermenigvuldigen, en zij zullen vermenigvuldigd worden en vruchtbaar zijn; en Ik zal u doen bewonen, als in uwe vorige tijden, ja Ik zal het boter maken dan in uwe beginselen; en gij zult weten, dat Ik de Heere ben. |
12 En Ik zal menschen op u doen wandelen, namelijk mijn volk Israël; die zullen u erfelijk bezitten, en gij zult hun ter erfenis zijn, en gij zult ze voortaan niet meer boroovon. 13 Zoo zegt de Heere Heere: Omdat zij tot u zeggen: Gij zijt een land, dat menschen opeet, en gij zijt een land, dat uwe volken berooft. 14 Daarom zult gij niet meer menschen opeten, en uwe volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere Heere. IT) En Ik zal maken, dat men den schimp dor Heidenen niet meer over u hoore, en gij zult den smaad dor natiën niet moer dragen; en gij zult uwe volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere Heere. 16 Wijders geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 17 Menschonkind! het huis Israels, als zij in hun land woonden, toen verontreinigden zij dat-zelve met hunnen weg en met hunne handelingen; hun weg was voor mijn aangezigt als de onroi-nigheid eener afgezonderde vrouw. 18 Daarom goot Ik mijne grimmigheid over hen uit, om des bloeds wil, dat zij in het land vergoten hadden, en om hunne drekgoden, waarmede zij dat verontreinigd hadden. 1!) En Ik verstrooide hen onder de Heidenen, en zij werden verspreid in de landen; Ik oordeelde ze naar hunnen weg en naar hunne handelingen. 20 Als zij nu tot de Heidenen kwamen, waarhenen zij getogen waren , quot; ontheiligden zij mijnen heiligen naam, omdat men van hen zeide: Deze zijn het volk des Heeren, en zijn uit zijn land uitgegaan. «Jes. 52:5. Rom. 2:24. 21 Maar Ik verschoonde hen om mijnen heiligen naam, dien het huis Israels ontheiligde onder de Heidenen, waarhenen zij gekomen waren. 22 Daarom zeg tot het huis Israëls; Zoo zegt de Heere Heere: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israëls! maar om mijnen heiligen naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder do Heidenen, waarhenen gij gekomen zijt. 23 Want Ik zal mijnen grooten naam heiligen, die onder do Heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt; en de Heidenen zullen weten, dat Ik de Heere ben, spreekt do Heere Heere, als Ik aan u voor hunne oogen zal geheiligd zijn. 24 Want Ik zal u uit de Heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; on Ik zal u in uw land brengen. 25 Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uwe onreinigheden en van al uwe drekgoden zal Ik u reinigen. 26 En Ik zal u een quot; nieuw hart geven, en zal eenen nieuwen h geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het steenen hart uit uw vleesch EZECHIÃL 36. |
EZECHIÃL 36, :t7.
7(11
|
wegnemen, en zal u een vleeschen hart geven. «.Ier. 32:39. Ezec. 11: 19. /v Ezec 11 : 19. 27 En Ik zal mijnen Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in mijne inzettingen znlt wandelen, en mijne rogten zult bewaren en doen. 28 En gij zult wonen in het land, dat Ik uwen vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot eenen God zijn. 29 En Ik zal u verlossen van al uwe onreinig-heden; en Ik zal roepen tot het koren, en zal dat vermenigvuldigen, en Ik zal geenen quot; honger op u leggen. aEzec. 34:29. 30 En Ik zal de vrucht van het geboomte en de inkomst dos voids vermenigvuldigen; opdat gij de smaadheid des hongers niet meer ontvangt onder de Heidenen. 31 Dan zult gij quot; gedenken aan uwe booze wegen en uwe handelingen, die niet goed waren; en gij zult eene b walging van u zeiven hebben over uwe ongeregtigheden en over uwe gruwelen. aEzec. 16:G1, (J3. b Ezec. 0:9. 20:43. 32 Ik doe het niet om uwentwil, spreekt de Heere Heere, het zij u bekend! Schaamt u en wordt schaamrood van uwe wogen, gij huis Israels! 33 Alzoo zegt de Heere Heere: Ton dage, als Ik u reinigen zal van al uwe ongeregtigheden, dan zal Ik do steden doen bewonen, en do eenzame plaatsen zullen bebouwd worden. 34 En hot verwoeste land zal bebouwd worden, in plaats dat het eene verwoesting was, voor de oogen van oen' ieder, die er doorging. 35 En zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is geworden als een hof van quot;Eden; en de eenzame, en do verwoeste on verstoorde steden zijn vast en bewoond. n .los. 51 :3. Ezec. 28:13. 3G Dan zullen de Heidenen, die iu de plaatsen rondom u zullen overgelaten zijn, weten, dat Ik, de Heere, do verstoorde plaatsen bebouw, en het verwoeste beplant: quot;Ik, do Heere, heb het gesproken en zal het doen. «Ezec. 17 : 24 22 : 14. 37 : 14. 37 Alzoo zegt do Heere Heere: Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israels verzocht worden, dat Ik het hun doe: Ik zal ze vermenigvuldigen van menschen, als schapen. 38 Gelijk do geheiligde schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op hunne gezette hoogtijdon, alzoo zullen de eenzame steden vol zijn van menschonkudden; en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben. HOOFDSTUK 37. Onder het gozigt van de opstanding der dooden verzekert God zijn volk, dat Hij hen zekerlijk nit de gevangenis van Babel, waar zij nn als dood en begraven waren, zal verlossen en in hun land weder-brengen, vs. 1. Hij profeteert verder, onder liet teeken der te zamenvoeging van twee houten in eene hand, dat Hij zijne algemeene Kerk uit Joden en |
Heidenen zal vergaderen en vereenigen onder oenen Koning en Herder, den Messias Jezus Christus, zijn eeuwig genadeverbond met hen maken en eeuwig onder hen wonen, 15. DE hand des Heeren was op mij, en de Heere voorde mij uit in den Geost on zette mij neder in hot midden oener vallei: dezelve nu was vol beenderen. 2 En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom; en ziet, or waren zeer vele op don grond der vallei, en ziet, zij waren zeer dor. 3 En Hij zeide tot mij: Menschenkind! zullen deze beenderen lovend worden? En ik zeide: Heere Heere, Gij weet het! 4 Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre boon-deren! hoort des Heeren woord. 5 Alzoo zegt de Heere Heere tot deze beenderen: Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden. C En Ik zal zenuwen op u leggen, en vleesch op u doen opkomen, en eene huid over u trekken, en den geest in u geven, en gij zult lovend worden; en gij zult weten, dat Ik de Heere ben. 7 Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was, en er werd oen geluid, als ik profeteerde, en ziet, eene beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been. 8 En ik zag, en ziet, er worden zenuwen op dezelve, en er kwam vleesch op; en Hij trok eene huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen. 9 En Hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest, profeteer, menschenkind! on zeg tot den geest: Zoo zegt de Heere Heere: Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoodon, opdat zij levend worden. 10 En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hunne voeten, oen gansch zeer groot heir. 11 Toen zeide Hij tot mij: Menschenkind ! deze beenderen zijn het ganscho huis Israels; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. 12 Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zoo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik zal uwe graven openen, en zal uliedon uit uwe graven doen opkomen, o mijn volk ! en Ik zal u brengen in hot land Israels. 13 En gij zult weten, dat Ik de Heere ben, als Ik uwo graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uwe graven zal hebben doen opkomen, o mijn volk! 14 En Ik zal mijnen Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zotten; en gij zult weten, dat Ik, de Heere, dit gesproken en gedaan heb, spreekt do Heere. 15 Wijders geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: lü Gij nu, menschenkind! neem u een hout, en |
EZECHIÃL 37, 38.
762
|
schrijf daarop: Voor Juda, cn voor de kinderen Israels, zijne medgezellen; en neem oen ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het gansche huis Israels, zijne medgezellen, 17 Doe gij ze dan naderen, hot oen tot liet ander, tot eon eenig hout; en zij zullen tot één worden in uwe hand. 18 En wanneer de kinderen uws volks tot u zullen sproken, zeggende: Zult gij ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn? 1!) Zoo spreek tot hen; Alzoo zegt de Heere IIeere: Ziet, Ik zal hot hout van Jozef, dat in Efraïms hand geweest is, en van de stammen Israels, zijne medgezellen, nomen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een eenig hout; en zij zullen één worden in mijne hand. 20 Do houten nu, op dewelke gij zult geschreven hebben, zullen in uwe hand zijn voor hunliodor oogen. 21 Spreek dan tot hen: zoo zegt de IIeere Heere; Ziet, Ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der Heidenen, waarhonen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land; 22 En Ik zal ze maken tot oen eenig volk in het land, op de borgen Israels; en zij zullen allen te zamen a oenen eenigon koning tot koning hebben ; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan moer in twee koningrijken verdeeld zijn. a.Toh. 10:16. 23 En zij zullen zich niet moor verontreinigen mot hunne drekgoden, en met hunne verfoeiselen, en met al hunne overtredingen; on Ik zal ze verlossen uit al hunne woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zoo zullen zij Mij tot oen volk zijn, en Ik zal hun tot oenen God zijn. |
24 En quot; mijn knecht David zal koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen éénon horder hebben; en zij zullen in mijne regton wandelen, en mijne inzettingen bewaren en die doen. «Jes. 40:11. Jor. 30:9. Ezec. 34:23. 25 En zij zullen wonen in het land, dat Ik mijnen knecht Jakob gegeven heb, waarin uwe vaders gewoond hebben; ja daarin zullen zij wonen, zij en hunne kinderen, en hunne kindskinderen tot in eeuwigheid , en mijn knecht David zal hunliodor vorst zijn tot in eeuwigheid. 20 En Ik zal een quot; verbond dos vredos mot hen maken, het zal een eeuwig verbond mot hen zijn; en Ik zal ze inzetten, en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal mijn b heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid. a Ps. 89 : 4. Ezec. 34 : 25. h 2 Ooi1. 6:16. 27 En mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot oenen quot; God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. a Ezec. 11 : 20. 14: 11. 28 En de Heidenen zullen weten, dat Ik de Heere ben, die Israël heilige, als mijn heiligdom in hot midden van hen zal zijn tot in eeuwig beid. HOOFDSTUK 38. Profetie van do grooto toerusting cn gowissen optogt togen Israël van Oog, nismede van zijne scliriklio-lijke nederlaag door Gods ijver en magtigo hand. WIJDERS geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende: 2 Menschenkind ! zet uw aangezigt tegen quot; Gog, het land van Magog, don hoofdvorst van Me-soch on Tubal; en profeteer tegen hom. a Openb. 20 : 8. 3 En zeg: Zoo zegt do Heere Heere: Zie, Ik wil aan u, o Gog, gij hoofdvorst van Mesech en Tubal! 4 En Ik zal u omwenden, en quot;haken in uwe kaken leggen, en Ik zal u uitvoeren, mitsgaders uw gansche heir, paarden en ruiteren, die alte-maal volkomen wel gekleed zijn, oene groote |
EZECHIÃL 38, 39.
763
|
vergadering, met rondas en schild, dio altemaal zwaarden handelen; aEzec. 29:4. 39:2. 5 Perzen, Mooren en Puteërs met hen, die altemaal scliihl en helm voeren; 6 Gomer en al zijne benden, en het huis van Togarma, aan de zijden van het noorden, en al zijne benden; vele volken met u. 7 Zijt bereid en maak u gereed, gij en uwe gansche vergadering, die tot u vergaderd zijn; en wees gij hun tot eene wacht. 8 Na vele dagen zult gij bezocht worden, in het laatste dor jaren zult gij komen in het land, dat wedergebragt is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israels, dio steuds tot verwoesting geweest zijn: als hetzelve land uit de volken zal uitgevoerd zijn, on zij altemaal zeker zullen wonen. 9 Dan zult gij optrekken, gij zult aankomen als eene ontstuimige verwoesting, gij zult zijn als eene quot;wolk, om het land te bedekken, gij en al uwe benden, en vele volken met u. «Ezec.30:18. 10 Alzoo zegt de Heero Heere: Te dien dage zal liet ook geschieden, dat er raadslagen in uw hart zullen opkomen, en gij zult eone kwade gedachte denken. 11 En zult zeggen: Ik zal optrekken naar dat dorpland, ik zal komen tot degenen, die in rust zijn, die zeker wonen; die altemaal wonen zonder muur, en grendel noch deuren hebben; 12 Om buit te buiten, en om roof te rooven; om uwe hand te wenden tegen de woeste plaatsen, die nu bewoond zijn, en tegen een volk, dat uit de Heidenen verzameld is, dat vee en have verkregen heeft, wonende in het midden des lands, 13 Scheba, en Dedan, en do kooplieden van Tarsis, en allo hunne jonge leeuwen zullen tot u zeggen : Komt gij, om buit te buiten ? hebt gij uwe vergadering vergaderd, om roof te rooven? om zilver en goud weg te voeren, om vee en have weg te nemen, om eenen grooten buit te buiten ? 14 Daarom profeteer, o menschenkind! en zeg tot Gog: zoo zegt de Heere Heere: Zult gij het, te dien dage, als mijn volk Israël zeker woont, niet gewaar worden? 15 Gij zult dan komen uit uwe plaats, uit de zijden van het noorden, gij en vele volken met u; die- altemaal op paarden zullen rijden, eene groote vergadering, en een magtig heir; 16 En gij zult optrekken tegen mijn volk Israël, als eene wolk, om het land te bedekken: in het ' I laatste der dagen zal het geschieden; dan zal Ik u aanbrengen tegen mijn land, opdat de Heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hunne oogen zal geheiligd worden. 17 Zoo zegt de Heere Heere: Zijt gij die, van welken Ik in verledeno dagen gesproken heb, door de dienst mijner knechten, de profeten Israels, dio in die dagen geprofeteerd hebben, jaren lang, dat Ik u tegen hen zou aanbrengen? 18 Maar het zal geschieden te dien dage, ten 1 |
dage als Gog tegen het land Israëls zal aankomen, spreekt de Heere Heere, dat mijne grimmigheid in mijnen neus zal opkomen. 19 Want Ik heb gesproken in mijnen quot;ijver, in het vuur mijner verbolgenheid: Zoo er niet, te dien dage, een groot beven zal zijn in hot land Israëls! «Ezec. 36:5, (i. 20 Zoodat van mijn aangezigt boven zullen de visschen der zee, en het gevogelte des homels, en het gedierte dos velds, en al het kruipende gedierte, dat op hot aardrijk kruipt, en alle menschen, die op den aardbodem zijn; en de bergen zullen nedergeworpen worden, on de steile plaatsen zullen nedervallen, en alle muren zullen ter aarde nedervallen. 21 Want Ik zal het zwaard over hein roepen op al mijne bergen, spreekt de Heere Heere: het zwaard van oen' ieder zal tegen zijnen broeder zijn. 22 En Ik zal met hem regton, door pestilentie en door bloed; en Ik zal eenen overstelpenden plasregen en groote hagelsteenen, vuur en zwavel regenen op hom, en op zijne benden, en op de vele volken, die met hem zullen zijn. 23 Alzoo zal Ik Mij groot maken, on Mij heiligen, en bekend worden voor do oogen van vele Heidenen; en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben. HOOFDSTUK 39. Verdere profetie van Gods oordeel over Gog en Magog, vs. 1. Do grootheid zijner nederlaag wordt door verscheidene orastamligheden levendig afgebeeld, 9. God wil bekend maken, dat Hij zijn volk om hunner zonden wil heeft gestraft, 23; doch wederom genadig, tot een toe, zal vergaderen, herstellen, zijnen Geest over hen uitgieten en hun eeuwige gunst bewijzen, 25. VOORTS, gij menschenkind! profeteer tegen Gog, en zog: Zoo zegt de Heere Heere: Zie, Ik wil aan u, o Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal! 2 En Ik zal u omwonden, en oenen quot; zeshaak in u slaan, en u optrokken uit de zijden van het noorden, en Ik zal u brengen op de bergen Israels. «Ezec. 38:4. 3 Maar Ik zal uwen boog uit uwe linkerhand slaan, en Ik zal uwe pijlen uit uwe regterhand doen vallen. 4 Op de bergen Israëls zult gij vallen, gij, en al uwe benden, en de volken, dio met u zijn; Ik heb u aan de roofvogelen, aan hot gevogelte van allen vleugel, en aan het gedierte des velds quot; tor spijze gegeven. «Ezec. 33:27. 5 Op hot open veld zult gij vallen: want Ik bob het gesproken, spreekt de Heere Heere. 6 En Ik zal een vuur zenden in Magog, en onder degenen, die in do eilanden zeker wonen; en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben. 7 En Ik zal mijnen heiligen naam in het midden van mijn volk Israël bekend maken, en zal mijnon heiligen naam niet meer laten ontheiligen; en do Heidenen zullen weten, dat Ik de Heere ben, de Heilige in Israël. |
EZECHIÃL 39, 40.
7G4
|
8 Ziet, het komt en zal geschieden, spreekt de Ilecre Heere; dit is de dag, van welken Ik gesproken heb. 9 En de inwoners der steden Israels zullen uitgaan , en vuur stoken en branden van de wapenen, zoo van schilden als rondassen, van bogen en van pijlen, zoo van handstokken als van spiesen; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren; 10 Zoodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen, maar van do wapenen vuur stoken; en zij zullen berooven degenen, die hen beroofd hadden, en plunderen, die hen geplunderd hadden, spreekt de Heere Heere, tl En het zal te dien dage geschieden, dat Ik aan Gog aldaar eene grafstede in Israël zal geven, hot dal dor doorgangers naar het oosten dor zee; cn datzelvo zal den doorgangers den neus stoppon : en aldaar zullen zij begraven Gog en zijno ganscho menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte. 12 Het huis Israels nu zal hen begraven, om hot land te reinigen, zeven maanden hmy. 13 Ja al het volk des lands zal begraven , en het zal hun tot eenen naam zijn, ten dage als Ik zal verheerlijkt zijn, spreekt de Heere Heeee. 14 Ook zullen zij mannen uitscheiden, die gestadig door het land doorgaan, en doodgravers mot do doorgangers, om te begraven degenen, die op den aardbodem zijn overgelaten, om dien te reinigen: ten einde van zeven maanden zullen zij onderzoek doen. 15 En deze doorgangers zullen door het land doorgaan, en als iemand een menschonboen ziet, zoo zal hij een merktooken daarbij oprigton; totdat de doodgravers hetzelve zullen hebben begraven in het dal van Gogs menigte. 16 Ook zoo zal de naam dor stad Hainóna zijn. Alzoo zullen zij het land reinigen. 17 Gij dan, menschonkind! zoo zogt de Heere Heere: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel, en tot al het gedierte dos velds: Vergadert u en komt aan, verzamelt u van rondom, tot mijn slagtoffer, dat Ik voor u geslagt heb, een groot slagtoffer, op do borgen Israels; en eet vleesch, en drinkt bloed. 18 Het vleesch dor helden zult gij eten, en het bloed van do vorston der aarde drinken; der rammen, der lammeren, en bokken, en varren, die altomaal gemeste van Basan zijn. 19 En gij zult hot vecto eten tot verzadiging too, on bloed drinken tot dronkenschap toe; van mijn slagtoffer, dat Ik voor u geslagt heb. 20 En gij zult verzadigd worden aan mijne tafel van rypaardon en wamp;genpaarden, van heidon en alle krijgslieden, spreekt de lleore Heere. 21 En Ik zal mijne oer zetten onder de Heidenen; en alle Heidenen zullen mijn oordeel zien, dat Ik gedaan heb, en mijne hand, die Ik aan hen gelogd heb. |
22 En die van het huis Israels zullen weten, dat Ik, do Heere, hunlioder God ben, van dien dag af en voortaan. 23 En de Heidenen zullen weten, dat die van hot huis Israels gevankelijk zijn weggevoerd om hunne ongorogtighoid, omdat zij tegen Mij hadden overtreden, en dat Ik mijn aangozigt voor hen verborgen heb, on heb ze overgegeven in de hand hunner wederpartij dors, zoodat zij altomaal door bet zwaard gevallen zijn: 24 Naar hunne onreinigheid en naar hunne overtredingen heb Ik met hen gehandeld, en Ik heb mijn aangozigt voor hen verborgen. 25 Daarom zoo zogt do Heere Heere: Nu zal Ik Jakobs gevangenen wederbrongen, en zal Mij ontformon over het gansche huis Israels, en Ik zal ijveren over mijnen heiligen naam; 2() Als zij hunne schande zullen gedragen hebben, en al hunne overtreding, met dewelke zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land zeker woonden, en er niemand was, dio hen verschrikte. 27 Als Ik hen zal hebben wedergebragt uit de volken, en hen vergaderd zal hebben uit de landen hunner vijanden, en Ik aan hen geheiligd zal zijn voor do oogon van vele Heidenen; 28 Dan zullen zij weten, dat Ik, do Heere , hunlieder God ben, dewijl Ik zo gevankelijk heb doen wegvoeren onder do Heidenen, maar heb ze weder verzameld in hun land, en heb aldaar niemand van hen meer overgelaten. 29 En Ik zal mijn aangozigt voor hen niet moer verborgen, wanneer Ik mijnen quot;Geest over het huis Israels zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere Heere. «Joël 2:28. Hand. 2:17. HOOFDSTUK 40. De tijd en wijze van dit gezigt, vs. 1. Elen man onderrigt den profeet omtrent het einde van liet gezigt, 3; van den muur, die rondom ging, en de maten, 5; van de poorten en voorhoven, te weten: liet buitenste voorhof met zijn toebehooron, waar het volk plagt te vergaderen, G; liet binnenste of middelste voorhof, niet zijn toebehooron, waar het gereedschap der Levieten was en de offers bereid werden, 28; het dorde of binnenste voorhof, of hot voorhof der priesteren, waar het brandofferaltaar stond, 44; hot voorhuis van don tempel, 48. IN het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het begin des jaars, op den tienden der maand, in het veertiende jaar, nadat de stad quot; geslagen was; even op dienzelfden dag, was de hand des Heeuen op mij, en Hij bragt mij derwaarts. rtEzoc. 33:21, 2 In de gezigten Gods bragt Hij mij in het land Israels, en Hij zette mij op eenen zeer hoogen berg; en aan denzelven was als een gebouw eener stad tegen het zuiden. 3 Als hij mij daarhenen gebragt had, ziet, zoo was er een man, wiens gedaante was als do gedaante van koper; en in zijne hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort. |
EZECHIÃL 40.
765
|
4 En die man sprak tot mij: Menschenkind! zio met uwe oogen, en hoor met uwe ooren, en zet uw hart op alles, wat ik u zal doen zien: want, opdat ik u zou doen zien, zijt gij herwaarts gebragt, verkondig daarna den huize Israels alles, wat gij ziet. 5 En ziet, er was een muur buiten aan het huis, rondom henen, en in dos mans hand was een meetriet van zes ellen, elke el van eeno el en eeno handbreed, en hij mat de breedte des gebouws, één riet, en de hoogte, één riet. 6 Toen kwam hij tot de poort, welke zag den weg naar het oosten, en hij ging bij derzelver trappen op, en mat den dorpel der poort, één riet de breedte, en den anderen dorpel, één riet de breedte. 7 En elk kamertje, één riet de lengte, en één riet de breedte; en tusschen de kamertjes, vijf ellen; en don dorpel der poort, bij het voorhuis der poort van binnen, één riet. 8 Ook mat hij het voorhuis dor poort van binnen, één riet. 9 Toen mat hij het andere voorhuis der poort, acht ellen, en hare posten twee ellen; en het voorhuis dor poort was van binnen. 10 En de kamertjes der poort, don weg naar het oosten, waren drie van deze, en drie van gene zijde; die drie hadden eenorlei maat; ook hadden de posten, van deze en van gene zijde, eenerlei maat. 11 Voorts mat hij de wijdte der deur van de poort, tien ellen; de lengte der poort, dertien ellen. 12 En er was een ruim voor aan de kamertjes, van ééne el van deze, en een ruim van ééne el van gene zijde; en elk kamertje zes ellen van deze, en zes ellen van gene zijde. 1!3 Toen mat hij de poort van het dak van het eene kamertje af tot aan het dak van een ander; de breedte was vijf en twintig ellen: deur was tegenover deur. 14 Ook maakte hij posten van zestig ellen; namelijk tot don post dos voorhofs, rondom de poort henen. 15 En van hot voorste deel dor poort des ingangs, tot aan het voorste deel van het voorhuis van de binnenpoort, waren vijftig ellen. 16 En er waren gesloteno venstertjes aan de kamertjes, en aan hunne posten inwaarts in do poort rondom henen; alzoo ook aan de voorhuizen : de vensters nu waren rondom henen inwaarts, en aan de posten waren palmboomen. 17 Voorts bragt hij mij in het buitenste voorhof, en ziet, er waren kamoren, en een plaveisel, dat gemaakt was in het voorhof rondom henen, dertig kamoren waren er op het plaveisel. 18 Het plaveisel nu was aan de zijde van de poorten, tegenover de lengte van do poorten: dit was het benedenste plaveisel. 19 En hij mat de breedte, van het voorste deel der benedenste poort af, voor aan het binnenste voorhof, van buiten, honderd ellen, oostwaarts en noordwaarts. |
20 Aangaande de poort nu, die don weg naar het noorden zag, aan hot buitenste voorhof, hij mat derzelver lengte en derzelver breedte. 21 En hare kamertjes, drie van deze on drie van gene zijde; en hare posten en hare voorhuizen waren naar de maat der eerste poort: vijftig ellen hare lengte, en de breedte van vijf en twintig ellen. 22 En hare vensters, en hare voorhuizen, en hare palmboomen, waren naar do maat dor poort, die den weg naar het oosten zag; en men ging daarin op met zeven trappen, en hare voorhuizen waren voor aan dezelve. 23 De poort nu van het binnenste voorhof was tegenover de poort van het noorden en van het oosten; en hij mat van poort tot poort honderd ellen. 24 Daarna voerde hij mij den weg naar het zuiden; en ziet, er was eene poort don weg naar het zuiden; en hij mat derzelver posten en derzelver voorhuizen, naar deze maten. 25 En zij had vensteren, ook aan hare voorhuizen, rondom henen, gelijk deze vensteren: de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen. 26 En hare opgangen waren van zeven trappen, en hare voorhuizen waren voor aan dezelve; on zij had palmboomen, oenen van deze, en eenen van gene zijde aan hare posten. 27 Ook was er eene poort in hot binnenste voorhof, den weg naar hot zuiden; en hij mat van poort tot poort, den weg naar het zuiden, honderd ellen. 28 Voorts bragt hij mij door de Zuiderpoort tot het binnenvoorhof; en hij mat de Zuiderpoort naar deze maten. 2!) En hare kamertjes, en hare posten, en hare voorhuizen waren naar deze maten; en zij had vensteron, ook in hare voorhuizen, rondom henen: de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen. 30 En er waren voorhuizen rondom honen; do lengte was vijf en twintig ellen, en de breedte vijf ellen. 31 En hare voorhuizen waren aan hel buitenste voorhof, ook waren er palmboomen aan hare posten, en hare opgangen waren van acht trappen. 32 Daarna bragt hij mij tot het binnenste voorhof, den weg naar het oosten; en hij mat de poort, naar deze maten; 33 Ook hare kamertjes, en hare posten, en hare voorhuizen naar deze maten ; on zij had vensteren ook aan hare voorhuizen, rondom henen: de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen. 34 En hare voorhuizen waren aan het buitenste voorhof, ook waren er palmboomen aan hare posten, van deze en van gene zijde; en hare opgangen waren van acht trappen. |
EZECIIIÃL 40, 41.
700
|
35 Daarna bragt hij mij tot do Noorderpoort; en hij mat naar deze maten, 30 Hare kamertjes, hare posten en hare voorhuizon ; ook had zij vensteren rondom henen: de lengte was vijftig ollen, en do breedte vijf en twintig ellen. 37 En hare posten waren aan liet buitenste voorhof; ook waren er pahnboomen aan hare posten, van doze on van gene zijde; en hare opgangen waren van acht trappen. 38 Hare kameren nu en hare deuren waren bij de posten der poorten; aldaar wiesch men het brandoffer. 3ü En in het voorhuis der poort waren twee tafelen van deze, en twee tafelen van gene zijde, om daarop te slagton het brandoffer, en het zondoffer , en het schuldoffer. 40 Ook waren er aan de zijde van buiten des opgangs, aan de deur der Noorderpoort, twee tafelen; en aan de andere zijde, die aan liet voorhuis der poort was, twee tafelen. 41 Vier tafelen van deze, en vier tafelen van gene zijde, aan de zijde der poort, acht tafelen, waarop men slagtte. 42 Maar de vier tafelen voor het brandoffer waren van gehouwene steenen, de lengte eene el en eene halve, en de breedte eene el en eene halve, en de hoogte eene el; op dezelve nu leide men het gereedschap henen, waarmede men het brandoffer en slagtoffer slagtte. 43 Do haardsteenen nu waren eene handbreed dik, ordent lij k geschikt in het huis rondom henen; en op de tafelen was het offervleesch. 44 En van buiten de binnenste poort waren de kameren der zangers, in hot binnenste voorhof, dat aan de zijde van de Noorderpoort was; en het voorste deel derzelve was den weg naar het zuiden: eene was er aan de zijde van de Oost-poort, ziende den weg naar het noorden. 45 En hij sprak tot mij: Deze kamer, welker voorste deel den weg naar het zuiden is, is voor de priesteren, die de wacht dos huizes waarnemen. 40 Maar de kamer, welker voorste deel den weg naar het noorden is, is voor de priesteren, die de wacht des altaars waarnemen: dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot don Heere naderen, om Hem te dienen. 47 En hij mat het voorhof: de lengte honderd ellen, en de breedte honderd ellen, vierkant; en het altaar was voor aan het huis. 48 Toen bragt hij mij tot het voorhuis des huizes, en hij mat eiken post van het voorhuis, vijf ellen van deze, en vijf ellen van gene zijde; en de breedte der poort, drie ellen van deze, en drie ellen van gene zijde. 49 De lengte van het voorhuis twintig ollen, en de breedte elf ellen; en het was met trappen, bij dewelke men daarin opging; ook waren er pilaren aan de posten, een van deze, en een van gene zijde. |
HOOFDSTUK 41. De maten, stukken of doelen, kamers en sieraad van den tempel, of van het heilige en allerheiligste, niet het reukaltaar. VOORTS bragt hij mij tot den tempel; en hij mat de posten, zos ollen de breedte van deze, en zes ellen de breedte van gene zijde, de breedte der tent. 2 En de breedte der deur tien ellen, en de zijden der deur, vijf ellen van deze, en vijf ellen van gene zijde: ook mat hij de lengte daarvan, veertig ellen, en de breedte twintig ollen. 3 Daarna ging hij in naar binnen, en mat den post der deur, twee ellen; en de deur zes ellen, en de breedte der deur zeven ellen. 4 Ook mat hij do lengte daarvan, twintig ellen, en de breedte twintig ellen voor aan den tempel; en hij zeide tot mij: Dit is de heiligheid der heiligheden. 5 En hij mat den wand des huizes, zes ellen; en de breedte van elke zijkamer, vier ellen, rondom het huis henen rondom. (i De zijkameren nu waren zijkamer boven zijkamer, drie, en dat dertig malen, en zij kwamen in den wand, die aan het huis was, tot die zijkamers, rondom henen, opdat zij vastgehouden mogten worden: want zij werden niet vastgehouden in den wand des huizes. 7 En het was voor de zijkameren opwaarts naar boven al wijder, en gaf zich rondom, want het huis was omsingeld opwaarts naar boven, rondom het huis henen ; daarom was de breedte des huizes naar boven; en alzoo ging het onderste op naar het bovenste door het middelste. 8 En ik zag de hoogte des huizes rondom henen. De fondamenten der zijkameren waren van een vol riet, zes ellen, de el tot den oksel toe genomen. 9 De breedte van don wand, dio tot de zijkameren was naar buiten, was vijf ellen; en dat ledig gelaten was, was de plaats der zijkameren, dio aan het huis waren. 10 En tusschen do kameren was eene breedte van twintig ellen, rondom het huis, rondom henen. 11 De deuren nu van de zijkameren waren naar het ledig gelatene toe, de oene deur den weg naar het noorden, en de andere dour naar het zuiden; en de breedte van de ledig gelatene plaats was vijf ellen rondom henen. 12 Voorts van het gebouw, dat voor aan de af-gesnedene plaats was in den hoek den weg naar het westen, was de breedte zeventig ellen, en van den wand des gebouws was de breedte vijf ellen rondom henen, en de lengte daarvan negentig ellen. 13 Voorts mat hij het huis, de lengte honderd ellen; ook de afgesnodene plaats en het gebouw, en de wanden daarvan, de lengte honderd ellen. 14 En de breedte van het voorste deel des huizes, en der afgesnodene plaats tegen het oosten, honderd ellen. |
EZECMIÃL 41, 42.
7(57
|
15 Ook mat hij de lengte des gebouws voor aan de afgesnedene plaats, dat achter dezelve was, en derzelver galerijen van deze en van gene zijde, honderd ellen; met den binnensten tempel, en de voorhuizen des voorhofs. 16 De dor pelen, en de geslotene vensters, en de galerijen rondom die drie, tegenover den dorpel, waren beschoten met hout rondom honen, en van de aarde tot aan de vensteren; en de vensteren waren bedekt; 17 Tot hetgeen boven de deur was, en tot het binnenste en buitenste huis toe, en aan don gan-schen wand rondom henen in het binnenste en buitenste, al bij maten. 18 En het was gemaakt met cherubs en palm-boomen; zoodat er een palmboom was tusschen cherub en cherub, en elke cherub had twee aangezigten: 19 Namelijk, eens menschen aangezigt togen don palmboom van deze, en eens jongen leeuws aangezigt tegen den palmboom van gene zijde; gemaakt in het gansche huis rondom honen. 20 Van de aarde af tot boven de deur waren de cherubs en de palmboomen gemaakt, ook aan den wand des tempels. 21 De posten des tempels waren vierkant; en aangaande het voorste deel des heiligdoms, de eene gedaante was als de andere gedaante. 22 De hoogte des houten altaars was drie ellen, en zijne lengte twee ellen, en het had zijne hoeken; en zijne lengte en zijne wanden waren van hout. En hij sprak tot mij: Dit is de tafel, die voor des Heeren aangezigt zal zijn. 23 Do tempel nu en het heiligdom hadden beide twee deuren. 24 En er waren twee bladen aan de deuren: te weten twee bladen, die men omdraaijen kon; twee aan de eene deur, en twee bladen aan de andere. 25 En aan dezelve, namelijk aan de deuren dos tempels, waren cherubs on palmboomen gemaakt, gelijk als er aan de wanden gemaakt waren; en het hout aan het voorste deel van het voorhuis van buiten was dik. 20 En aan de geslotene vensteren waren ook palmboomen van deze en van gene zijde, aan de zijden va7i hot voorhuis; en aan de zijkameren van het huis, en aan de dikke planken. HOOFDSTUK 42. Beschrijving van hot buitenste voorhof, waarin hot achterste van den tempel stond, mot de kamers van dien, vs. 1; van liet gebruik dezer kamers, 13; afmeting van den geheelen buitenmuur, 15. DAARNA bragt hij mij uit tot het buitenste voorhof, den weg naar den weg van het noorden; en hij bragt mij tot de kameren, die tegenover de afgesnedene plaats, en die tegenover het gebouw tegen het noorden waren: 2 Voor aan de lengte van de honderd ellen naar de deur van het noorden; en do breedte was vijftig ellen. |
3 Tegenover do twintig ellen, die bet binnenste voorhof had, en tegenover het plaveisel, dat hot buitenste voorhof had, was galerij tegen galerij, in drie rijen. 4 En voor de kameren was eene wandeling van tien ellon de breedte, naar binnen toe, en een weg van eene el; en do deuren van dezelve waren tegen het noorden. 5 De bovenste kameren nu waren naauwer, (omdat de galerijen hooger waren dan dezelve) dan de onderste en dan de middelste des gebouws. 6 Want zij waren wel van drie rijen, maar hadden geone pilaren gelijk do pilaren der voorhoven; daarom waren zij benaauwder dan de onderste en dan de middelste van de aarde af. 7 De muur nu, die naar buiten tegenover de kameren was, den weg naar het buitenste voorhof, voor aan de kameren, de lengte van dien was vijftig ellon. 8 Want do lengte der kameren, die het buitenste voorhof had, was vijftig ellen; en ziet, voor aan den tempel waren honderd ellen. f) Van onder deze kameren nu, was de ingang van het oosten, als iemand tot dezelve ingaat, uit het buitenste voorhof. 10 Aan de breedte van den muur des voorhofs, den weg naar het oosten, voor aan de afgesnedene plaats, en voor aan hot gebouw, waren kameren. 11 En de weg voor dezelve honen was als de gedaante der kameren, die don weg naar het noorden waren, naar derzelver lengte, alzoo naar derzelver breedte; en al hare uitgangen waren ook naar derzelver wijzen en naar derzelver deuren. 12 En gelijk de deuren der kameren, die den weg naar het zuiden waren, was or eene deur in hot hoofd van den weg, den weg voor aan den regten muur, den weg naar liet oosten, als men daarin gaat. 13 Toen zeide hij tot mij: De kameren van het noorden, en de kameren van het zuiden, die voor aan de afgesnedene plaats zijn, dat zijn heilige kameren, waarin de priesters, die tot don Heere naderen, do allerheiligste dingen zullen eten; aldaar zullen zij de allerheiligste dingen henen-leggen, en het spijsoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer, want de plaats is heilig. 14 Als de priesters ingegaan zullen zijn, zoo zullen zij uit hot heiligdom niet weder uitgaan in het buitenste voorhof, maar aldaar hunne kleederen henenleggen, in dewelke zij gediend hebben, want die zijn eene heiligheid; en zij zullen andere kleederen aantrokken, en naderen tot hetgeen voor het volk is. 15 Als hij nu de maten van het binnenste huis geëindigd had, zoo bragt hij mij uit, den weg naar de poort, die den weg naar het oosten zag, en hij mat zo rondom henen. 10 Hij mat de oostzijde met bet meetriot; vijf honderd rieten, met het meetriet, rondom. |
EZECHIÃL 42, 43.
7fi8
|
17 Hij mat de noorderzijdo, vijf honderd rieten, mot het meetriet, rondom. 18 Do zuidzijde mat hij, vijf honderd rieten, mot hot meetriet. 19 Hij ging om naar de westzijde, en hij mat vijf honderd rioton, mot het meetriet. 20 Hij mat hot aan do vier zijdon; hot had eenen muur rondom henen, do lengte was vijf honderd rieten, en do breedte vijf honderd, om onderscheid to maken tusschon hot heilige on onheilige. HOOFDSTUK 43. üo hoorlijkhoid des Hoeren komt van liet oosten in dezen nieuwen tempel en vervult dien, vs. 1. Do Heere spreekt den profeet aan en belooft, dat Hij eeuwig aldaar onder zijn volk zal wonen en hen van zonden (welke de oorzaak waren, dat Hij uit den tempel geweken was) reinigen, 7. Hij bevoelt den profeet het gezigt van dezen tempel aan het volk in zijn geheel voor te dragen, opdat zij zich zouden bekeeren en aan dat genadewerk Gods genieenschap mogen bekomen, 10. Algemeene wet aangaande de heiligheid dezer gansche plaats, 12. De afmeting, inwijding en het gebruik van het brandofferaltaar, 13. TOEN leidde hij mij tot de poort, de poort, die don weg naar hot oosten zag. 2 En ziet, de heerlijkheid des Gods van Israël kwam van don weg naar het oosten; en zijne stem was als hot quot; geruisch van vele wateren, en de aarde werd verlicht van zijne heerlijkheid. a Ezec. 1 : 24. 3 En alzoo was de gedaante van hot gezigt, dat ik zag, gelijk het quot;gezigt, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te verdorven; en hot waren gezigten, als hot gezigt, dat ik gezien had aan do rivier Chebar; en ik viel op mijn aange-zigt. u Ezec. 1:4. 8:4. 4 En do heerlijkheid des Hekken kwam in het huis, door den weg dor poort, die don weg naar hot oosten zag. 5 En de Geest nam mij op, en bragt mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid des Heeren had het huis vervuld. (i En ik hoorde eenen, die mot mij sprak uit het huis; en do man was bij mij staande. 7 En Hij zeido tot mij: Monschenkind! dit is de plaats mijns troons, en do plaats der zolen mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israels, in eeuwigheid; en die van het huis Israels zullen mijnen heiligen naam niet meer verontreinigen, zij noch hunne koningen, mot hunne hoererij en met de quot; doodo ligchamen hunner koningen, op hunne hoogten: «Jer. 10:18. 8 Als zij hunnen dorpel stelden aan mijnen dorpel, en hunnen post nevens mijnen post, dat er maar een wand tusschon Mij en tusschon hen was, on verontreinigden mijnen heiligen naam mot hunne gruwelen, die zij doden; waarom Ik ze verteerd heb in mijnen toorn. 9 Nu zullen zij hunne hoererij en de doodo ligchamen hunner koningen verre van Mij wegdoen; en Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid. |
10 (Jij, monschenkind! wijs den huize Israels dit huis, opdat zij schaamrood worden van wege hunne ongerogtighedon, en laat ze hot patroon afmeten. 11 En indien zij schaamrood worden van wege alles, wat zij gedaan hebben, zoo maak hun bekend den vorm van hot huis, en zijne gestaltonis, en zijne uitgangen, en zijne ingangen, en al zijne vormen, en al zijne ordinantiën, ja al zijne vormen en al zijne wetten; en schrijf het voor hunne oogon, opdat zij zijnen ganschen vorm en al zijne ordinantiën bewaren, on dezelve doen. 12 Dit is do wet van het huis: op do hoogte des bergs zal zijne gansche grens, rondom honen, oene heiligheid der heiligheden zijn: ziet, dit is do wet van het huis. 13 En dit zijn do maten des altaars naar do ellen, zijnde de el eeno el en oene handbreed: de boezem van oene el, en oene el de breedte; en zijn einde aan zijnen rand rondom oene span: en dit is do rug des altaars. 14 Van don boezem nu o}) do aarde tot aan het onderste afzetsel, twee ellen; en de breedte oene el: en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en do breedte oene el. IT) En de Harel vier ellen; en van den Ariël voorts opwaarts, do vier hoornen. 16 Do Ariël nu, twaalf ellen de longte, met twaalf ellen breedte; vierkant aan zijne vier zij don. 17 En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijne vier zijden, en de rand rondom hotzolve, do helft eoner el; en de boezem daaraan, eeno el rondom; en zijne trappen ziende naar hot oosten. 18 En Hij zeido tot mij: Monschenkind! zoo zogt de Heere Heere: Dit zijn de ordinantiën des altaars, ton dage als men hot zal maken, om brandoffer daarop te offeren, on om bloed daarop te sprongen. 19 En gij zult aan de levietische priestoron, dewelke uit het zaad van Zadok zijn, die tot Mij naderen, (spreekt de Heere Heere) om Mij te dienon, geven oenen var, een jong rund, ten zondoffer. 20 En gij zult van doszolfs bloed nomen, en doen hot aan zijne vier hoornen, en aan de vier hoeken des afzetsols, en aan den rand rondom; alzoo zult gij hot ontzondigen, en het verzoenen. 21 Daarna zult gij den var des zondoffers nomen ; en hij zal hom verbranden in eeno bestelde plaats van hot huis buiten het heiligdom. 22 En op den tweedon dag zult gij oenen volkomen' geitenhok offeren ten zondoffer; en zij zullen het altaar ontzondigen, gelijk als zij dat ontzondigd hebben met den var. 23 Als gij oen einde zult gemaakt hebben van hot ontzondigen, dan zult gij oenen var, een |
EZECIIIÃL 43, 44.
7G9
|
volkomen jong rund, offeren, en eenen volkomen' ram van de kudde. 24 En gij zult zo offeren voor het aangozigt des Heeren ; en de priesteren zullen zout daarop werpen, en zullen ze offeren ten brandoffer den Heeke. 25 Zeven dagen zult gij dagelijks eenen bok des zondoffers bereiden; ook zullen zij eenen var, een jong rund, en eenen ram van de kudde, beide volkomen bereiden. 20 Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en het reinigen, en zijne handen vullen. 27 Als zij nu deze dagen zullen voleind hebben, dan zal het op den achtsten dag en voortaan geschieden, dat de priesters uwe brandofferen en uwe dankofferen op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan ulieden hebben, spreekt de Ileere Heere. HOOFDSTUK 44. Bijzonder gebruik van de Oostpoort des hoiligdoms voor den vorst, vs. 1. Do Heere, wiens lieorlijkheid in don tempel was, spreekt don profeet weder aan, vermaant hom tot opmerking, mot last om zijn volk te straffen, wegens het vroeger aanstellen van onwettige en onwaardige dienaars in zijn huis, 4. Opgave, wie daarvan ten eenomale moeten worden geweerd, 9; en wie in hunne dienst vernederd zullen zijn, 10. De kinderen Zadoks worden in hunne dienst bevestigd, omtrent hun ambt onderwezen en van hun onderhond verzekerd, 15. TOEN deed hij mij wedorkeeren don weg naar do poort van het buitenste heiligdom, die naar het oosten zag; ou die was toegesloten. 2 En de Heere zoido tot mij: Deze poort zal toegesloten zijn, zij zal niet geopend worden, noch iemand door dezelve ingaan, omdat de Heere, de God Israels, door dezelve is ingegaan: daarom zal zij toegesloten zijn. li De vorst, do vorst, die zal in dezelve zitten, om brood te eten voor het aangozigt des Heeren: door don weg van het voorhuis dor poort zal hij ingaan, en door den Aveg van hotzelve zal hij uitgaan. 4 Daarna bragt hij mij den weg der Noorderpoort, voor aan het huis; on ik zag, en ziet, de heerlijkheid des Heeren had hot huis dos Heeren vervuld: toon viel ik op mijn aangozigt. 5 En do Heere zeide tot mij: Menschenkind! zet er uw hart op, en zie met uwe oogen, on hoor mot uwe ooren alles, wat Ik mot u spreken zal, van alle inzettingen van het huis des Heeren , on van al zijno wetten; en zet uw hart op don ingang van het huis, mot alle uitgangen des hoiligdoms. 0 En zeg tot dio wederspannigen, tot hot huis Israels: Zoo zegt do Heere Heere: Hot is te voel voor ulieden, van wogo al uwe gruwelen, o huis Israels! 7 Dewijl gijlieden vreemden hebt ingebragt, on-bosnedonon van hart en onbosnedenon van vleesch, om in mijn heiligdom te zijn, om dat te ontheiligen, te weten mijn huis; als gij mijn brood, het vette on het bloed offerdet, en zij mijn verbond verbraken, nevens al uwe gruwelen. |
8 En gijlieden hebt de wacht van mijne heilige dingen niet waargenomen; maar gij hebt u zeiven eenigen tot wachters mijner wacht gesteld in mijn heiligdom. 9 Alzoo zegt de Heere Heere: Geen vreemde, onbesneden van hart en onbesneden van vleesch, zal in mijn heiligdom ingaan; van eenigen vreemde, die in het midden der kinderen Israels is. 10 Maar de Levieten, die verre van Mij geweken zijn, als Israël ging dolen, die van Mij zijn afgedwaald , huuno drekgoden achterna, zullen wel hunne ongeregtigheid dragen; 11 Nogtans zullen zij in mijn heiligdom bedienaars zijn, in do ambten aan de poorten van het huis, en zij zullen het huis bedienen; zij zullen hot brandoffer en hot slagtoffer voor hot volk slagten, on zullen voor hun aangozigt staan, om hen te dienen: 12 Omdat zij henlieden gediend hebben voor het aangozigt hunner drekgoden, en den huize Israels tot eenen aanstoot der ongeregtigheid geweest zijn, daarom heb Ik mijne hand tegen hen opgeheven, spreekt do Heere Heere, dat zij hunne ongeregtigheid zullen dragen. 13 En zij zullen tot Mij niet naderen, om Mij het priesterambt te bedienen, en om te naderen tot al mijne heilige dingen, tot do allerheiligste dingen; maar zullen hunne schande dragon, en hunne gruwelen, die zij gedaan bobben. 14 Daarom zal Ik hou stellen tot wachters van do wacht dos huizes, aan al zijne dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden. 15 Maar de lovietischo priesters, do kinderen van Zadok, die de wacht mijns hoiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen Israels van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienon; en zullen voor mijn aangozigt staan, om Mij hot vette on het bloed te offeren, spreekt do Heere Heere. 16 Die zullen in mijn heiligdom ingaan, on dio zullen tot mijne tafel naderen om te dienen, en zij zullen mijne wacht waarnomen. 17 En hot zal geschieden, als zij tot do poorten van hot binnenste voorhof zullen ingaan, dat zij linnen klooderon zullen aantrekken; maar wol zal op hen niet komen, als zij dienen in de poorten van hot binnenste voorhof, en inwaarts. 18 Linnen huiven zullen op hun hoofd zijn, en linnen onderbroeken zullen op hunne lenden zijn; zij zullen zich niet gorden in hot zweet. 19 En als zij uitgaan tot hot buitenste voorhof, namelijk tot hot buitenste voorhof tot het volk, zullen zij hunne kleederen, in dewelke zij gediend hebben, uittrokken, on dezelve henonleggen in do heilige kamoren; en zullen andere kleederen aantrokken, opdat zij het volk niet heiligen met hunne klooderon. |
40
EZECHIÃL 44, 45.
770
|
20 En zij zullen hun hoofd niet glad afscheren, ook de lokken niet lang laten wassen; behoorlijk zullen zij hunne hoofden beseheren. 21 Ook zal geen priester wijn drinken, als zij in het binnenste voorhof zullen ingaan. 22 Ook zullen zij zich geene quot; weduwe of ver-stootene tot vrouwen nemen; maar jonge dochters van hot zaad van het huis Israels, of eene weduwe, die eene weduwe zal geweest zijn van eenen priester, zullen zij nemen. a Lev, 21: 13, 14. 23 En zij zullen mijn volk onderscheid loeren tusschen het heilige en onheilige, en hun bekend maken het onderscheid tusschen het onreine en reine. 24 En over eene twistzaak zullen zij staan om te rigten, naar mijne regten zullen zij hen rigten; on zij zullen mijne wetten en mijne inzettingen op al mijne gezette hoogtijden houden, en mijne sabbaten heiligen. 25 Ook zal geen van hen tot eenen doodon mensch ingaan, dat hij onrein worde; maar om eenen vader, of om eene moeder, of om oenen zoon, of om eene dochter, om eenen broeder of om eene zustor, die geens mans geweest is, zullen zij zich mogen verontreinigen. 26 En na zijne reiniging zullen zij hem zevon dagen tellen. 27 Ei? ten dage, als hij in het heilige zal ingaan, in het binnenste voorhof, om in hot heilige te dienen, zal hij zijn zondoffer offeren, spreekt de Heere IIeere. 28 Dit nu zal hun tot eene erfenis zijn: quot; Ik ben hunne erfenis; daarom zult gij hunlieden geene bezitting geven in Israël; Ik ben hunne bezitting. a Num. 18:20. Dent. 18:1. 29 Het spijsoffer, en het zondoffer, en hot schuldoffer, die zullen zij eten: ook zal al het verbannene in Israël liet hunne zijn. 30 En de eerstelingen van allo eerste vruchten van alles, en alle hefoffer van alles, van al uwe hefofferen, zullen der priesteren zijn; ook zult gij de eerstelingen van uw deeg den priester geven, om den zogen op uw huis te doen rusten. a Ex. 13 : 2. 22 : 29, 30. Num. 18 : 11. 31 quot;Goon aas, noch wat verscheurd is van hot gevogelte, of van het voo, zullen do priesters eten. a Lev. 22 : 8. HOOFDSTUK 45. Afzondering van eon );ekor gedeelte van het nieuwe erfland voor hot heiligdom, de priesters, Levieten, do stad en den vorst, vs. 1. Belofte en vermaning voor de vorsten Israëls, vim rogt en geregtigheid, 8. Wettelijke bepalingen van velerlei offeranden, zoo gewone als feestelijke, voor het volk en den vorst, 15. ALS gijlieden nu het land zult doen vallen in erfenis, zoo zult gij oen hefoffer den Heere offeren, tot eene heilige plaats, van hot land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend meetneten, en de breedte tien duizend; dat zal in zijne geheele grenzen rondom heilig zijn. |
2 Hiervan zullen tot bet heiligdom zijn vijf honderd met vijf honderd, vierkant rondom; en het zal vijftig ellen hebben tot een buitenruim rondom. 3 Alzoo zult gij meten van deze maat, de lengte van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend; en daarin zal hot heiligdom zijn met het heilige der heiligen. 4 Dat zal eene heilige plaats zijn van hot land; zij zal zijn voor de priesteren, die het heiligdom bedienen, die naderen om den Heere te dienen; en het zal hun eene plaats zijn tot huizen, en eene heilige plaats voor het heiligdom. 5 Voorts zullen de Levieten, de dienaars des huizes, ook de lengte hebben van vijf en twintig duizend, en do breedte van tien duizend, hunlieden tot eene bezitting, voor twintig kameren. 6 En tot bezitting van de stad zult gij geven de breedte van vijf duizend, en de lengte van vijf en twintig duizend, tegenover het heilig hefoffer: voor het gansche huis Israëls zal het zijn. 7 Do vorst nu zal zijn deel hebben van deze en van gene zijde des heiligen hefoffers en der bezitting der stad, voor aan het heilig hefoffer, en voor aan de bezitting der stad; van den wostorhoek westwaarts, en van den oosterhoek oostwaarts; en de lengte zal zijn tegenover een der deelen, van de westergrens tot de ooster-grens toe. 8 Dit land aangaande, het zal hem tot eene bezitting zijn in Israël; en mijne vorsten zullen mijn volk niet meer verdrukken, maar den huize Israëls hot land laten, naar hunne stammen. 9 Alzoo zegt de Heere Heere: Het is te veel voor u, gij vorsten Israëls! doet geweld en verstoring weg, en doet regt en geregtigheid ; neemt uwe uitstootingen op van mijn volk, spreekt de Heere Heere. 10 Eeno regte quot; waag, en eene regte efa, en een regto bath zult gijlieden bobben. «Lev. 19:35,30. 11 Eene efa en een bath zullen van eenerlei mate zijn, dat oen bath bet tiende dool van oen' bomer houde; ook eene efa het tiende deel van eenen homer; de mate daarvan zal zijn naar den homer. 12 En de quot;sikkel zal zijn van twintig gera; twintig sikkelen, vijf en twintig sikkelen, en vijftien sikkelen, zal ulieden een pond zijn. a Ex. 30 : 13. Lev. 27 : 25. Num. 3 : 47. 13 Dit is het hefoffer, dat gijlieden offeren zult: het zesde deel van eene efa van eenen homer tarwe; ook zult gij het zesde deel van eene efa geven van eenen homer gerst. 14 Aangaande de inzetting van olie, van oen bath olie; (jij zult offeren het tiende deel van een bath uit een kor, hetwelk is een bomer van tien bath, want tien bath zijn een homer. 15 Voorts een lam uit de kudde, uit de twee honderd, uit het waterrijke land van Israël, tot spijsoffer, en tot brandoffer, en tot dankofferen. |
EZECIIIÃL 45, 46.
771
|
om verzoening over hen te doen, spreekt de Heere Heere. 1(5 Al liet volk des lands zal in dit hefoffer zijn, voor den vorst in Israël. 17 En het zal den vorst opleggen te offeren de brandofferen, en het spijsoffer, en het drankoffer , op de feesten, en op de nieuwe maanden, en op de sabbaten, op alle gezette hoogtijden van het huis Israëls; hij zal het zondoffer, en het spijsoffer, en het brandoffer, en de dank-offeren doen, om verzoening te doen voor het huis Israëls. 18 Alzoo zegt de Heere Heere : In de eerste maand, op den eersten der maand, zult gij een' volkomen var, een jong rund , nemen; en gij zult liet heiligdom ontzondigen. 19 En de priester zal van het bloed des zondoffers nemen, en doen het aan de posten des huizes, en aan do vier hoeken van het afzetsel des altaars, en aan de posten der poorten van het binnenste voorhof. 20 Alzoo zult gij ook doen op den zevenden in die maand; van wege den afdwalende, en van wege den slechte; alzoo zult gijlieden het huis verzoenen. 21 quot;In de eerste maand, op den veertienden dag der maand, zal ulieden liet pascha zijn; een feest van zeven dagen, ongezuurde brooden zal men eten. a Ex, 12:3, 23: 15. Lev. 23:5. Num. 9:3. 28:16, 17, Dent, 10;!. 22 En de vorst zal op denzolven dag voor zich zeiven, en voor al liet volk des lands, bereiden eenen var des zondoffers. 23 En de zeven dagen van hot feest zal hij een brandoffer den Heere bereiden, van zeven varren en zeven rammen, die volkomen zijn, dagelijks, de zeven dagen lang, en een zondoffer van eenen geitenhok, dagelijks, 24 Ook zal hij een spijsoffer bereiden, eene ofa tot eenen var, en eene efa tot eenen ram; en een hin olie tot eene efa. 25 quot; In de zevende maand, op den vijftienden dag der maand zal hij op het feest desgelijks doen, zeven dagen lang; gelijk hot zondoffer, gelijk het brandoffer, en gelijk het spijsoffer, en gelijk de olie. aLev. 23:33. Num, 29:12, Deut. 10:13, HOOFDSTUK 46. Wetten en bepalingen aangaande do godsdienst van den vorst in het, bijzonder, en van het volk dos lands en don vorst te zamen, vs. 1; van hot gedurig brandoffer, 13; en van de geschenken van den vorst aan zijne zonen en dienstknechten, 10. Beschrijving der keukens voor de priesters en Levieten, 19. ALZOO zegt de Heere Heere: De poort van het binnenste voorhof, die naar het oosten ziet, zal de zes werkdagen gesloten zijn; maar op den sabbatdag zal zij geopend worden; ook zal zij geopend worden op den dag van de nieuwe maand. |
2 En de vorst zal ingaan door den weg van het voorhuis derzelve poort van buiten, en zal staan aan den post van de poort; en de priesters zullen zijn brandoffer en zijne dankofferen bereiden, en hij zal aanbidden aan den dorpel der poort, en daarna uitgaan; doch de poort zal niet gesloten worden tot op den avond. 3 Ook zal het volk des lands aanbidden voor de deur derzelver poort, op do sabbaten en op de nieuwe maanden, voor het aangezigt des Heeren. 4 Het brandoffer nu, dat de vorst den Heere zal offeren, zal op den sabbatdag zijn, zes volkomen lammeren, en een' volkomen ram. 5 En het spijsoffer, eene efa tot den ram, maar tot de lammeren zal het spijsoffer eene gave zijner hand zijn; en olie, een hin tot eene efa. 6 Maar op den dag van de nieuwe maand , een var, een jong rund , van do volkomene, en zes lammeren, en een ram; volkomen zullen zij zijn. 7 En ten spijsoffer zal hij bereiden eene efa tot den var, en eene efa tot den ram; maar tot de lammeren, zoo als zijne hand bekomen zal; en een hin olie tot eene efa. 8 En als de vorst ingaat, zal hij door den weg van het voorhuis der poort ingaan, en door deszelfs weg weder uitgaan. 9 Maar als het volk des lands voor het aangezigt des Heeren komt, op de gezette hoogtijden, die door den weg van de Noorderpoort ingaat om te aanbidden, zal door den weg van do Zuiderpoort weder uitgaan; en die door don weg van de Zuiderpoort ingaat, zal door den weg van de Noorderpoort weder uitgaan: hij zal niet woder-keeren door den weg der poort, door dewelke hij is ingegaan, maar regt voor zich henen uitgaan. 10 De vorst nu zal in het midden van hen ingaan, als zij ingaan; en als zij uitgaan, zullen zij zamen uitgaan. 11 Voorts op de feesten, en op do gezette hoogtijdon zal het spijsoffer zijn, eene efa tot eenen var, en eene efa tot eenen ram; maar tot de lammeren, eene gave zijner hand; en olie, oen hin tot eene efa. 12 En als de vorst een vrijwillig offer zal doen, een brandoffer of dankofferen tot een vrijwillig offer den Heere, zoo zal men hem de poort openen, die naar het oosten ziet; en hij zal zijn brandoffer en zijne dankofferen doen, gelijk als hij zal gedaan hebben op den sabbatdag; en als hij weder uitgaat, zal men de poort sluiten, nadat hij uitgegaan zal zijn. 13 Wijders zult gij een volkomen jarig lam dagelijks bereiden ten brandoffer den Heere: alle morgens zult gij dat bereiden. 14 En gij zult ten spijsoffer daarop doen, alle morgens een zesde deel van eene efa, en olie een derde deel van een hin, om de meelbloem te bedruipen; tot een spijsoffer den Heere, tot eeuwige inzettingen, geduriglijk. 15 Zij zullen dan hot lam, en hot spijsoffer, en de olie alle morgens bereiden tot oen gedurig brandoffer. |
49»
EZECHIÃL 46, 47.
772
|
16 Alzoo zegt de Heere Heere : wanneer de vorst aan iemand van zijne zonen een geschenk zal geven van zijne erfenis, dat zullen zijne zonen hebben; het zal hunne bezitting zijn in erfenis. 17 Maar wanneer hij van zijne erfenis een geschenk zal geven aan eenen van zijne knechten, die zal dat hebben tot het vrijjaar toe; dan zal het tot den vorst wederkeeren: het is immers zijne erfenis, zijne zonen zullen het hebben. 18 En do vorst zal niets nemen van de erfenis des volks, om hen van hunne bezitting te be-rooven; van zijne bezitting zal hij zijnen zonen erf nalaten; opdat niet mijn volk, een iegelijk uit zijne erfenis, verstrooid worde. 1!) Daarna bragt hij mij door den ingang, die aan de zijde der poort was, tot de heilige kame-ren, den priesteren ioahehoorende, die naar het noorden zagen; en ziet, aldaar was eene plaats aan beide zijden, naar het westen. 20 En hij zeide tot mij: Dit is de plaats, alwaar de priesters het schuldoffer en het zondoffer zullen koken; en waar zij het spijsoffer zullen bakken, opdat zij hot niet uitbrengen in hot buitenste voorhof, om het volk te heiligen, 21 Toen bragt hij mij uit in het binnenste voorhof, en voerde mij om in de vier hoeken dos voorhofs; en ziet, in eiken hoek des voorhofs was oen ander voorhofjo. 22 In de vier hoeken des voorhofs waren voorhofjes met schoorsteenen, van veertig ellen do lengte, en dertig de breedte; dezelve vier hoek-hofjes hadden eenerlei maat. 23 En er was rondom in dezelve een ringmuur, rondom deze vier; en er waren keukens gemaakt benedon aan de ringmuren rondom. 24 En hij zeide tot mij: Dit zijn do keukens, alwaar de dienaars des huizes het slagtoffer des volks zullen koken. HOOFDSTUK 47. Het gozigt van do hoiligo wateren, die nit den nien-wen tempel vloeiden, vs. 1. Beschrijving van de landpalen van hot nieuwe erfland, 13; uit te deelen onder Israël en do vreemdelingen, 21. DAARNA bragt hij mij weder tot do deur van hot huis, en ziet, er vloten wateren uit, van onder den dorpel des huizes naar hot oosten; want het voorste deel van het huis was in hot oosten; en de wateren daalden af van onderen, uit do rogterzijde dos huizes, van hot zuiden dos altaars. 2 En hij bragt mij uit door den weg van de Noorderpoort, en voerde mij om door den weg van buiten, tot de buitenpoort, den weg, dio naar hot oosten ziet; en ziet, de wateren sprongen uit do regtorzijde. 3 Als nu die man naar hot oosten uitging, zoo was or eon meetsnoer in zijne hand; en hij mat duizend ellen, en deed mij door de watoren doorgaan , en de wateren raakten tot aan de enkelen. |
4 Toon mat hij nog duizend ellen, en dood mij door do wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de knieën; en hij mat nog duizend, en deed mij doorgaan, en do watoren raakten tot aan de lenden. 5 Voorts mat hij nog duizend, en hot was eene boek, waar ik niet kon doorgaan: want do wateren waren hoogo watoren, waar men door zwemmen moest, eene beek, waar men niet kon doorgaan. 0 En hij zeide tot mij: Hebt gij hot gezien, menschonkind ? Toen voordo hij mij, en bragt mij weder tot aan den oever der beek. 7 Als ik wederkeerde, ziet, zoo was er aan den oever dor boek zeer veel a geboomte, van deze en van gene zijde. a Openb. 22 : 2. 8 Toen zeide hij tot mij: Deze watoren vlieten uit naar hot voorste Galilóa, en dalen af in het vlakke veld: daarna komen zij in de zee; in do zee uitgebragt zijnde, zoo worden de wateren gezond. 9 Ja het zal geschieden, dat alle levende ziel, die er wemelt, overal, waarhenen eene der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel visch zijn, omdat deze wateren daarhenen zullen gekomen zijn , en zij zullen gezond worden, en het zal loven, alles, waarhenen deze boek zal komen. 10 Ook zal het geschieden, dat er visschors aan dezelve zullen staan, van En-gedi aan tot En-eglaïm toe; daar zuWen plaatsen zijn tot uitspreiding der netton: haar visch zal naar zijnen aard wezen als do visch van de groote zoo, zeer menigvuldig. 11 Doch hare modderige plaatsen en hare moerassen zullen niet gezond worden, zij zijn tot zout overgegeven. 12 Aan de beek nu, aan haren oever, zal van doze en van gene zijde opgaan allerlei spijsge-boomte, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijne maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijne wateren vlieten uit het heiligdom; en zijne vrucht zal zijn tot spijze, en zijn blad tot quot;heeling. a Openb. 22 : 2. 13 Alzoo zegt de Heere Heere: Dit zal de landpale zijn, naar dewelke gij het land ter erve zult nemen, naar de twaalf stammen Israels: Jozef twee snoeren. 14 En gij zult dat erven, de een zoowel als do ander; quot; over hetwelk Ik mijne hand heb opgeheven, dat Ik het uwen vaderen zou geven; en ditzolve land zal ulieden in erfenis vallen. a Oen. 12:7. 17:8. 26:3. 28:13. 15 Dit nu zal de landpale des lands zijn: aan den noorder hoek, van de groote zee af, den weg van Hethlon, waar men komt te Zedad. 16 Hamath, Berótha, Sibraïm, dat tusschon de landpale van Damaskus en tusschon de landpale van Hamath is; Hazer Hattichon, dat aan de landpale van Havran is. 17 Alzoo zal de landpale van de zee af zijn, |
EZECH1ÃL 47, 48.
773
|
Hazar-Enon, de landpale van Damaslcus, en het noorden noordwaarts, en de landpale van Hamath: en dat zal de noorderhoek zijn. 18 Don oosterhoek nu zult gijlieden moten van tusschon Havran, en van tusschon Damaskus, en van tusschon Giload en van tusschon liet land Israels aan de Jordaan, van de landpale af tot do Oostzee toe: en dat zal do oosterhoek zijn. 19 En den zuiderhoek zuidwaarts van Thamar af, tot aan het twistwater van Kades, voorts naar de boek henen, tot aan do grooto zee: en dat zal de zuiderhoek zuidwaarts zijn. 20 En don wosterhook, de groote zee, van de landpale af tot daar men regt tegenover Hamath komt: dat zal de westerhoek zijn. 21 Ditzolve land nu zult gij ulieden uitdeelen naar do stammen Israëls. 22 Maar hot zal geschieden, dat gij hetzelve zult doen vallen in erfenis voor ulieden, en voor de vreemdelingen, die in het midden van u vorkeoren, die kinderen in hot midden van u zullen gewonnen hebben; en zij zullen ulieden zijn, als een inboorling onder de kindoren Israëls; zij zullen mot ulieden in erfenis vallen, in het midden dor stammen Israëls. 23 Ook zal het geschieden, in den stam, bij wolken de vreemdeling verkeert, aldaar zult gij hem zijne erfenis geven, spreekt do Iloero Heere. HOOFDSTUK 48. Vordeeling van hot nieuwe erfland onder do twaalf stammen Israels, alzoo dat hot gedoolto (waarvan in hoofdstuk 45 gesproken is), hetwelk afgezonderd was voor het heiligdom dor priesters. Levieten, voor stad en vorst, gelegen kwam tusschon de zeven noordelijke en vijf zuidelijke stammen, vs. 1. Do afmetingen van de nieuwe stad, met de namen dor poorten en van de stad, 30. DIT nu zijn do namen der stammen. Van het einde noordwaarts, aan do zijde dos wogs van Hethlon, waar men komt te Hamath, Hazar Enan, de landpale van Damaskus, noordwaarts aan do zijde van Hamath, (ook zal hij don oostor-en westerhoek hebben) zal Dan één snoer hebben. 2 En aan de landpale van Dan, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Asor een. 3 En aan de landpale van Aser, van don oosterhoek af tot den westerhoek toe, Nafthali een. 4 En aan de landpale van Nafthali, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Manasse een. 5 En aan de landpale van Manasse, van don oosterhoek tot den westerhoek toe, Efraïm een. 6 En aan de landpale van Efraïm, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Ruben een. 7 En aan de landpale van Ruben, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Juda een. 8 Aan de landpale nu van Juda, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, zal het hefoffer zijn, dat gijlieden zult offeren, vijf en twintig duizend meetrieten in breedte, en de lengte, als van een der andere deelen, van den oosterhoek tot den westerhoek toe: en hot heiligdom zal in hot midden deszelven zijn. |
9 Hot hefoffer, dat gijlieden den Heehe zult offeren, zal wezen de lengte van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend. 10 En daarin zal hot heilig hefoffer zijn voor do priesteren, noordwaarts de lengte van vijf ou twintig duizend, en westwaarts do breedte van tien duizend, en oostwaarts do breedte van tien duizend, en zuidwaarts de lengte van vijf en twintig duizend; en hot heiligdom dos Heeren zal in het midden deszelven zijn. 11 Het zal zijn voor de priesteren, die geheiligd zijn uit de kinderen van Zadok, die mijne wacht hebben waargenomen; die niet gedwaald hebben, als de kinderen Israëls dwaalden; gelijk als de andere Levieten gedwaald hebben. 12 En het geofferde van het hefoffer dos lands zal hunlieden eene heiligheid dor heiligheden zijn, aan de landpale der Levieten. 13 Voorts zullen de Levieten tegenover de landpale der priesteren hebben do lengte van vijf en twintig duizend, en do breedte van tienduizend; de gansche lengte zal zijn vijf on twintig duizend, en do breedte tien duizend. 14 En zij zullen daarvan niet verkoopen, noch de eerstelingen des lands verwisselen, noch overdragen, want hot is eene heiligheid don Heere. 15 Maar de vijf duizend, dat is hetgeen overgelaten is in de breedte, voor aan do vijf en twintig duizend, dat zal onheilig zijn, voor de stad, tot bewoning en tot voorstedon; en de stad zal in hot midden daarvan zijn. 16 En dit zullen hare maten zijn: do noorderhoek, vier duizend en vijf honderd meetrieten; en de zuiderhoek vier duizend en vijf honderd; en van don oosterhoek vier duizend en vijf honderd; en de westerhoek vier duizend en vijf honderd. 17 Do voorsteden nu der stad zullen zijn, noordwaarts twee honderd en vijftig, en zuidwaarts twee honderd on vijftig, en oostwaarts twee honderd en vijftig, en westwaarts twee honderd en vijftig. 18 En het overgolateno in do lengte, tegenover het heilig hefoffer, zal zijn tien duizend oostwaarts, en tien duizend westwaarts; en liet zal tegenover het heilig hefoffer zijn; en do inkomst daarvan zal wezen tot onderhoud voor degenen, die de stad dienen. 19 En die de stad dienen, zullen haar dienen uit alle stammen Israëls. 20 Het gansche hefoffer zal zijn van vijf en twintig duizend meetrieten, met vijf en twintig duizend: vierkant zult gijlieden het heilig hefoffer offeren, met do bezitting dor stad. 21 En hot overgolateno zal voor don vorst zijn, van deze en van gene zijde des heiligen hefoffers, en van de bezitting der stad, voor aan de vijf en twintig duizend meetrieten des hefoffers, tot |
DANIEL 1.
774
|
aan de ooster en wester landpale, voor aan do vijf en twintig duizend aan de wester landpale, tegenover de andere deelen, dat zal voor den vorst zijn; en het heilig hefoffer, en het heiligdom des huizes, zal in liet midden daarvan zijn. 22 Van de bezitting nu der Levieten, en van de bezitting der stad af, zijnde in het midden van hetgeen des vorston zal zijn; wat tusschen do landpale van Juda, en tusschen de landpale van Benjamin is, zal des vorsten zijn. 23 Aangaande voorts het overige der stammen: van don oosterhoek tot den westerhoek toe, Benjamin één snoer. 24 En aan de landpale van Benjamin, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Simeon een. 25 En aan de landpale van Simeon, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Issaschar eon. 2C En aan de landpale van Issaschar, van den oosterhoek tot aan den westerhoek toe, Zebulon een. 27 En aan de landpale van Zebulon, van den oosterhoek tot den westerhoek toe. Gad oen. 28 Aan de landpale nu van Gad, aan den zuider-hoek zuidwaarts, daar zal do landpale zijn van |
Thamar af, naar liet twistwater van Kades, voorts naar de beek henen, tot aan de groote zee. 2i) Dit is bet land, dat gijlieden zult doen vallen in erfenis, voor de stammen Israels, en dit zullen hunne deelen zijn, spreekt de Iloere Heere. 30 Voorts zullen dit do uitgangen der stad zijn: van den noorderhoek, vier duizend en vijf honderd maten. 31 En do poorten der stad zullen zijn naar de namen dor stammen Israöls; drie poorten noordwaarts : oone poort van Ruben, eene poort van Juda, eene poort van Levi. 32 En aan den oosterhoek, vier duizend en vijf honderd maten, en drie poorten: namelijk, eene poort van Jozef, eene poort van Benjamin, eene poort van Dan. 33 De zuiderboek ook vier duizend en vijf honderd maten, en drie poorten: eene poort van Simeon, oeno poort van Issaschar, oone poort van Zebulon. 34 De westerhoek, vier duizend en vijfhonderd; derzelver poorten drie, eene poort van Gad, eene poort van Aser, eene poort van Nafthali. 35 Rondom achttien duizend; en de naam der stad zal van dien dag af zijn: De IIeeue is aldaar. |
DE PROFEET DANIÃL,
|
HOOFDSTUK 1. Vorhaal van do gelegonhoid, bij welko Daniël on zijne modgezellon aan hot hof dos konings van Habol zijn gekomen, vs. 1. Hoe godzalig zij zich aldaar hebben godragen, 8; en hoe wonderlijk God hen hoeft bijgestaan, 17. Uo uitnemende wijsheid, waarmede do Heere hen hoeft begaafd, inzonderheid Daniël, boven allo wijzen on sterrekijkers der Chaldeën, 10. IN liet derde jaar dos koningrijks van Jójakim, den koning van Juda, quot;kwam Nebukadnézar, do koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar. et 2 Kon. 24:2, 3. 2 Kron. 30: G. 2 En de Heere gaf Jójakim, don koning van Juda, in zijne hand, en oen deel der vaten van het huis Gods; en hij bragt ze in het land van Sinear, in hot huis zijns gods; en de vaten bragt hij in het schathuis zijns gods. 3 En de koning zeido tot A'sponaz, den overste zijnor kamerlingen, dat hij voorbrengen zou e enig en uit de kinderen Israöls, te weten, uit hot koninklijke zaad, en uit de prinsen. 4 Jongelingen, aan dewelke geen gebrek ware, maar schoon van aangezigt, en vernuftig in alle wijsheid, on ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, en in dewelke bekwaamheid ware, om te staan in des konings paleis; en dat men hen onderwees in de boeken en spraak dor Chaldeën. |
5 En do koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukkon der spijs des konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men hou drie jaren alzoo optoog, en dat zij ten einde derzelve zouden staan voor het aangezigt des konings. 6 Onder dezelve nu waron uit do kinderen van Juda, Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. 7 En do overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniël noemde hij Bóltsazar, en Hananja Sadracb, en Misaël Mesach, en Azarja Abéd-nego. 8 Daniël nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukkon van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks: daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mogt ontreinigen. 9 En God gaf Daniël genade en barmhartigheid voor het aangezigt van den overste der kamerlingen. 10 Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniël: Ik vreeze mijnen heer, den koning, die ulieder spijs, en uliedor drank verordend heeft: want waarom zou bij uliedor aangozigton droeviger zien, dan der jongelingen, die in gelijkheid met uliodon zijn? alzoo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken. 11 Toon zeide Daniël tot Melzar, dien de overste der kamerlingen gesteld bad over Daniël, Hananja, Mi'saël on Azarja: 12 Beproef toch uwe knechten tien dagen lang, |
DANIÃL 1, 2.
77quot;)
|
on men gove ons van hot gozaaido to oton, en water to drinken. 13 En men zie voor uw aangezigt onze godaanton , on de gedaante dor jongelingen, die do stukken van de spijs dos konings eten; en doe mot uwe knechten, naar dat gij zien zult. 14 Toen hoorde hij hen in deze zaak, en hij beproefde ze tien dagen. 15 Ten einde nu dor tien dagen, zag men dat hunne gedaanten schooner waren, on zij vetter waren van vleescli, dan al do jongelingen, die de stukken van de spijze des konings aten. 16 Toen geschiedde het, dat Melzar do stukkon hunner spijs wegnam, mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun van hot gezaaide. 17 Aan deze vior jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in allo boeken, en wijs-heid; maar Daniël gaf Hij verstand in allerlei gezigten en droomen. 18 Ten einde nu dor dagen, waarvan do koning gezegd had, dat men hen zou inbrengen, zoo bragt ze de overste dor kamerlingen in voor hot aangezigt van Ne-bukadnózar. 19 En de koning sprak met hen, docli or werd uit hen allen niemand gevonden, gelijk Daniël, Hananja, Mfsaël en Aziir-ja ; on zij stonden voor hot aangezigt dos konings. 20 En in alle zaken van verstandige wijsheid, die de koning hun afvroeg, zoo vond hij h en tienmaal boven al do toovonaars en sterrekijkors, die in zijn gansche koningrijk waren. 21 En Daniël bleef tot het eerste jaar van den koning Kores toe. HOOFDSTUK 2. De koning Nelmkadnézar droomt eonen droom, weikon hij vergoten hebbende, van do wijzen der Chaldeën begeert te weten, vs. 1. Dezen, zulks niet kunnende, worden ter dood verwezen, 12. Do droom wordt Daniël in een gozigt geopenbaard, nadat hij en zijne medgezellen (lod den Heere ijverig hadden gebeden, 17; waarvoor zij God danken, 23. Daniël openbaart den koning den dioom, en do uitlegging van dien, 25; waarom Daniël door den koning wordt verhoogd, 40. IN het tweede jaar nu des koningrijks van Ne-bukadnózar, droomde Nebukadnézar droomen: daarvan werd zijn geost verslagen, on zijn slaap werd in hem gebroken. |
2 Toen zoide do koning, dat men roepen zou de toovonaars, en de sterrekijkors, on de guieho-laars, en de Chaldeën, om den koning zijne droomen to kennen te geven: zij nu kwamen, en stonden voor het aangezigt dos konings. 3 En de koning zeide tot hen: Ik heb oenen droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld, om dien droom to weten. 4 Toon spraken do Chaldeën, tot don koning in het Syrisch : O koning, loof in eeuwigheid! Zeg uwen knechten don droom, zoo zullen wij do uitlegging te kennen geven. 5 Do koning ant woordde en zeide tot do Chaldeën : Do zaak is mij ontgaan: indien gij mij den droom en zijne nit-legging niet bekend maakt, quot; gij zult in stukken gehouwen worden, en uwe huizen zullen tot oenen drekhoop gemaakt worden. a Dan. 3 ; 21). 0 Maar indien gijlieden den droom en zijne uitlegging te kennen geeft, zoo zult gij geschenken en gaven, en grooto oor van mij ontvangen ; daarom geeft mij den droom en zijne uitlegging te kennen. 7 Zij antwoordden ten tweede male, on zeiden: Do koning zegge zijnen knechten den droom, dan zullen wij do uitlegging te kennen geven. 8 De koning antwoordde en zoido: Ik weet vaste-lijk, dat gijlieden don ziet, dat de zaak mij tijd uitkoopt, dewijl ontgaan is. {) Indien gijlieden mij dien droom niet te kennen geeft, ulieder vonnis is eenerlei; daarom hebt gij een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, totdat do tijd vorandere: daarom zegt mij den droom, dan zal ik weten, dat gij mij deszelfs uitlegging zult te kennen geven. 10 De Chaldeën antwoordden voor don koning, en zeiden: Er is geen mensch op don aardbodem, die dos konings woord zou kunnen te kennen geven: daarom is er geen koning, grooto of hoer-scher, die zulk eeno zaak begeerd heeft van eeni-gon toovonaar, of sterrekijker, of Chaldoër. 11 Want de zaak, die de koning begeert, is to zwaar; en er is niemand anders, die dezelve |
DANIÃL 2.
776
|
voor den koning to kennen kan geven, dan de Goden, welker woning bij het vleesch niet is. 12 Daarom werd de koning toornig en zeer verbolgen, en zeide, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen. 13 Die wet dan ging uit, en de wijzen werden gedood; men zocht ook Daniël en zijne medge-zellen, om gedood te worden. 14 Toen bragt Daniël eenen raad en oordeel in, aan A'rioch, den overste der trawanten des ko-nings, die uitgetogen was, om de wijzen van Babel te dooden. 15 Hij antwoordde en zeide tot A'rioch, den bevelhebber des konings: Waarom zou do wet van 's koning wege zoo verhaast worden? Toen gal' A'rioch aan Daniël do zaak te kennen. IC En Daniël ging in, on verzocht van den koning, dat hij hom oenen bestemden tijd wilde geven, dat hij don koning do uitlegging te kennen gave. 17 Toen ging Daniël naar zijn huis, en hij gaf de zaak zijnen modgezellen, Mananja, Mfsaöl, en Azarja te kennen; 18 Opdat zij van den God des hemels barmhartigheden verzochten over deze verborgenheid, dat Daniël en zijne modgezellen mot do overige wijzen van Dabol niet omkwamen. 1!) Toon werd aan Daniël in oen nachtgozigt do verborgenheid geopenbaard; toen loofde Daniël don God des hemels. 20 Daniël antwoordde en zeide: De naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want zijne is do wijsheid en de kracht. 21 Want Hij verandert de tijden en stonden. Hij zot do koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft den wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen , die verstand hebben; 22 Ilij '' openbaart diepe en verborgene dingen; Hij weet, wat in het duister is, want het licht woont bij Hem. a Job 32:8. 23 Ik dank en ik loof U, o God mijner vaderen! omdat Gij mij wijsheid en kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben, want Gij hebt ons dos konings zaak bekend gemaakt. 24 Daarom ging Daniël in tot A'rioch, dien do koning gesteld had om do wijzen van Babel om te brengen; hij ging henen en zeide aldus tot hom: Breng do wijzen van Babel niet om; maar breng mij in voor den koning, on ik zal den koning de uitlegging te kennen geven. 25 Toen bragt A'rioch met haast Daniël in voor don koning, en hij sprak alzoo tot hem: Ik heb eenen man van de gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden, die don koning do uitlegging zal bekend maken, 2G De koning antwoordde en zeide tot Daniël, wiens naam Béltsazar was: Zijt gij magtig mij bekend te maken don droom, dien ik gezien heb, en zijne uitlegging? |
27 Daniël antwoordde voor den koning, en zeide: Do verborgenheid, die de koning eischt, kunnen de wijzen, do sterrekijkors, de toovenaars, en de waarzeggers den koning niet te kennen geven; 28 Maar er is oen God in den hemel, die verborgenheden openbaart, die heeft don koning Nebukadnézar bekend gemaakt wat er geschieden zal in liet laatste der dagen: uw droom, en de gozigton uws hoofds op uw leger, zijn deze: 29 Gij, o koning! op uw leger zijnde, klommen uwe gedachten op, wat hierna goschiodon zou; on Hij, die verborgene dingen openbaart, hooft u te kennen gegeven wat er geschieden zal. 30 Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door do wijsheid, die in mij is bovon alle levenden; maar daarom, opdat men don koning de uitlegging zou bekend maken, en opdat gij do gedachten uws harten zoudt weten. 31 Gij, o koning! zaagt, en ziet, er was een groot beeld, (dit beeld was treffelijk, en deszelfs glans was uitnemend) staande tegen u over; en zijne gedaante was schrikkelijk. 32 Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijne borst en zijne armen van zilver; zijn buik en zijne dijen van koper; 33 Zijne schenkolen van ijzer; zijne voeten eensdeels van ijzer, en eensdeels van leem. 34 Dit zaagt gij, totdat er eon steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijne voeten van ijzer en loom, en vermaalde ze. 35 Toen worden to zamon vermaald hot ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van do dorschvloeren des zomers, en de wind nam zo weg, en er werd geono plaats voor dezelve gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen hooft, word tot oenen grooten berg, alzoo dat hij do gohoole aarde vervulde. 3G Dit is de droom; zijne uitlegging nu zullen wij voor den koning zeggen. 37 Gij, o koning! zijt een koning der koningen: want de God des hemels hoeft u een koningrijk, magt, en sterkte, en eer gegeven; 38 En overal, waar menschonkinderon wonen, heeft Hij do beesten des velds en de vogelen des hemels in uwe hand gegeven, en Hij heeft u gestold tot oen' heerschor over al dezelve; gij zijt dat gouden hoofd. 31) En na u zal een ander koningrijk opstaan, lager dan hot uwe; daarna een ander, het dorde koningrijk van koper, hetwelk heerschon zal over do gohoole aarde. 40 En hot vierde koningrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt: gelijk nu het ijzer, dat zulks alles verbreekt, alzoo zal hot vermalen en verbreken. 41 En dat gij gezien hebt de voeten en de teenon, ten deele van pottonbakkorsleem, en ton deole van ijzer, dat zal een gedoeld koningrijk zijn, doch daar zal van des ijzers vastigheid in zijn, |
DANIÃL 2, 3.
777
|
ten welken aanzien gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem; 42 En de teenen der voeten, ten deele ijzer, en ten deele leem; dat koningrijk zal ten deele hard zijn, en ten deolo broos. 43 En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menscho-lijk zaad vermengen, maar zij zullen do een aan don ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt. 44 Doch in do dagen van die koningen zal de God des hemels een koningrijk verwekken, quot; dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat koningrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koningrijken vermalen , en te niet doen, maar zelf zal hot in alle eeuwigheid bestaan. «Dan.4:3, 34. 0:27. 7:14,27. Micha4:7. Luk.1:33. 45 Daarom hebt gij gezien, dat uit den berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de groote God heeft den koning bekend gemaakt, wat hierna geschieden zal: de droom nu is gewis, en zijne uitlegging is zeker. 46 Toen viel do koning Nebukadnézar op zijn aangezigt, en aanbad Daniël; en hij zeide, dat men hem met spijsoffer en liefelijk reukwerk een drankoffer doen zou. 47 De koning antwoordde Daniël en zeide: liet is de waarheid, dat ulieder God een God dor goden is, en een Heere der koningen, en die de verborgenheden openbaart, dewijl gij deze verborgenheid hebt kunnen openbaren. 48 Toen maakte do koning Daniël groot, en hij gaf hem vele groote geschonken, en hij stolde hem tot een' heerscher over het gansche landschap van Babel, en eenon overste der overheden over al de wijzen van Babel. 49 Toon verzocht Daniël van den koning; en hij stelde Sadrach, Mesach en Abéd-nego over de bediening van het landschap van Babel; maar Daniël bleef aan do poort des konings. HOOFDSTUK 3. Nebukadnézar rigt een beeld op en wil, dat allo man liet zal aanbidden, vs. 1. De medgezellen van Daniël, zulks weigerende en de bedreigingen des konings verachtende, worden in eenon vurigen oven geworpen op de aanklagt dor Chaldeën, 8; doeh wonderbaar van Ood bewaard on verlost, terwijl zij, die hot vuur stookten, verbrandden, 22. Hierover ontzette zich do koning uitermate zeer, 24; en iiij prijst God van wego zijne getrouwheid en mogond-hoid, 28. DE koning Nebukadnézar maakte een beeld van goud , welks hoogte was zestig ellen, zijne breedte zes ellen; hij rigtte liet op in het dal Dura, in het landschap van Babel. 2 En de koning Nebukadnézar zond henen, om te verzamelen de stadhouders, de overheden en de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheeren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, dat zij komen zouden tot de inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnézar had opgerigt. |
3 Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, do landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheeren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, tot inwijding van het beeld, hetwelk do koning Nebukadnézar had opgerigt; en zij stonden voor het beeld, dat Nebukadnézar opgerigt had. 4 En een heraut riep mot kracht: Men zegt u aan, gij volken, gij natiën, en tongen! 5 Ten tijde als gij hooren zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, dor vedel, der psaltoren, des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, zoo zult gijlieden nedervallen, en aanbidden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnézar heeft opgerigt; (i En wie niet nodervalt en aanbidt, die zal te dierzelver ure in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden. 7 Daarom te dier tijd als al die volken hoorden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, dor psalteren, en allerlei soorten der muziek, alle volken, natiën en tongen neder-vallende, aanbaden hot gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnézar had opgerigt. 8 Daarom naderden even tor zeiver tijd chal-deeuwsche mannen, die de Joden openlijk be-schuldigden; 9 Zij antwoordden en zeiden tot den koning Nebukadnézar: O koning, loef in der eeuwigheid! 10 Gij, o koning! hebt een bevel gegeven, dat allo menschon, die hooren zouden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren , en des akkoordgezangs; en allerlei soorten van muziek, nedervallen, en hot gouden beeld aanbidden zouden: 11 En wie niet nederviel, en aanbad, die zou in het midden van den oven dos brandenden vuurs geworpen worden. 12 Er zijn joodscho mannen, die gij over de bediening van het landschap van Babel gesteld hebt, Sadrach, Mesach en Abéd-nego; deze mannen hebben, o koning! op u geen acht gesteld, uwe goden eeren zij niet, en zij bidden hot gouden beeld niet aan, hetwelk gij opgerigt hebt. 13 Toen zeide Nebukadnézar in toorn en grimmigheid, dat men Sadrach, Mesach en Abéd-nego voorbrengen zou: toen werden die mannen voor den koning gebragt. 14 Nebukadnézar antwoordde en zeide tot hen: Is het met opzet, Sadrach , Mesach en Abéd-nogo, dat gijlieden mijne goden niet eert, en het gouden beeld, dat ik opgerigt heb, niet aanbidt? 15 Nu dan, zoo gijlieden gereed zijt, dat gij ten tijde als gij hooren zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soort der muziek, |
DANIÃL 3, 4.
778
|
noclervalt, en aanbidt hot beeld, dat ik gemaakt heb, zoo is het wel; maar zoo gijlieden het niet aanbidt, ter zeiver ure zult gijlieden geworpen worden in het midden van den oven des brandenden vuurs; en wie is de God, die ulieden uit mijne handen verlossen zou? Ki Sadrach, Mesach en Abéd-nego antwoordden en zeiden tot den koning Nebukadnézar: Wij hebben niet noodig u op deze zaak te antwoorden. 17 Zal het zoo zijn, onze God, dien wij eeren, is magtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uwe hand, o koning! verlossen. 18 Maar zoo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uwe goden niet zullen eeren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgerigt, zullen aanbidden. lü Toen werd Nebukadnézar vol grimmigheid, en do gedaante zijns aangezigts veranderde tegen Sadrach , Mesach en Abéd-nego; hij antwoordde en zeide, dat men den oven zeven maal meer heet maken zou dan men dien pleegt heet te maken. 20 En tot de sterkste mannen van kracht, die in zijn heir waren, zeide hij, dat zij Sadrach, Mesach en Abéd-nego binden zouden, om te werpen in den oven dos brandenden vuurs. 21 Toen worden die mannen gebonden in hunne mantels, hunne broeken, en hunne hoeden, on hunne andere kleederen, en zij wierpen hen in het midden van den oven des brandenden vuurs. 22 Daarom dan, dewijl het woord dos konings aandreef, en de oven zoor heet was, zoo hebben de vonken des vuurs die mannen, die Sadrach , Mesach en Abéd-nego opgeheven hadden, gedood. 23 Maar als die drie mannen, Sadrach, Mesach en Abéd-nego, in het midden van den oven des brandenden vuurs, gebonden zijnde, gevallen waren: 24 Toen ontzette zich de koning Nubukadnézar, on hij stond op in dor haast, antwoordde en zeide tot zijne raadsheeren: Hebben wij niet drie mannen in het midden des vuurs, gebonden zijnde, geworpen? Zij antwoordden en zeiden tot den koning: Hot is gewis, o koning! 25 Hij antwoordde en zeide; Ziet, ik zie vier mannen los wandelende in het midden des vuurs, on er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der Goden. 2() Toen naderde Nebukadnézar tot de deur van den oven des brandenden vuurs, antwoordde on sprak: Gij Sadrach, Mesach en Abéd-nego, gij knechten des allerhoogsten Gods? gaat uit en komt hier! Toon gingen Sadrach, Mesach en Abéd-nego uit het midden des vuurs. 27 Toen vergaderden de stadhouders, do overheden, en de landvoogden, en do raadsheeren des konings, deze mannen beziende, omdat hot vuur over hunne ligchamen niet geheerscht had, on dat het haar huns hoofds niet verbrand was, en hunne mantels niet verbrand waren, ja dat do reuk dos vuurs daardoor niet gegaan was. |
28 Nebukadnézar antwoordde en zeide: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abéd-nego, die zijnen engel gezonden, en zijne knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en des konings woord veranderd, en hunne ligchamen overgegeven hebben, opdat zij geenen god eerden noch aanbaden, dan hunnen God. 29 Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen den God van Sadrach, Mesach en Abéd-nego, quot;in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot eon' drekhoop gesteld worde: want er is geen ander God , die alzoo verlossen kan. a Dan. 2 : 5. 30 Toen maakte de koning Sadrach, Mesach en Abéd-nego voorspoedig in hot landschap van Babel. HOOFDSTUK 4. Nebukadnézar verkondigt aan allo volken, met eeno openbare belijdenis voor hen, de wonderen, welke Crod aan hein hoeft gedaan, vs. 1. Tot dat einde verhaalt hij den droom, welken hij gehad heeft, 4; en lioe Daniël dien heeft uitgelegd in groote ont-roering, IS, Daniël vermaant den koning tot boete, 27. Ãc uitkomst bevestigt de uitlegging van Daniël, 28; waarover do koning God den Heere wederom prijst en looft, 37. DE koning Nebukadnézar aan alle volken, natiën en tongen, die op den ganschen aardbodem wonen : Uw vrede worde vermenigvuldigd ! 2 Het behaagt mij te verkondigen de teekenon en wonderen, die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft. 3 Hoe groot zijn zijne teekenon! en hoe magtig zijne wonderen! quot;zijn rijk is oen eeuwig rijk, en zijne heerschappij is van geslacht tot geslacht. rtFs. 93: 1, 2. Dan. (i: 27. 4 Ik Nebukadnézar, gerust zijnde in mijn huis, en in mijn paleis groenende, 5 Zag oenen droom, die mij vervaarde, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en do gezig-ten mijns hoofds, beroerden mij. 6 Daarom is er een bevel van mij gesteld, dat men voor mij zou inbrengen al de wijzen van Babel, opdat zij mij do uitlegging van dien droom zouden bekend maken. 7 Toen kwamen in de toovenaars, de sterre-kijkers, de Chaldeën en de waarzeggers; en ik zeide den droom voor hen, maar zij maakten mij zijne uitlegging niet bekend: 8 Totdat ten laatste Daniël voor mij inkwam, wiens naam Béltsazar is, naar den naam mijns gods, in wien ook do geest dor heilige Goden is; en ik vertelde don droom voor hem, zeggende: 9 Béltsazar, gij overste der toovenaars! dewijl ik weet, dat de geest der heilige Goden in u is, en geene verborgenheid u zwaar is, zoo zeg do gezigten mijns drooins, dien ik gezien bob, te weten zijne uitlegging. 10 Do gezigten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden der aarde, en zijne hoogte was groot. |
DANIÃL 4.
779
|
11 Do boom werd groot en sterk; en zijne hoogte reikte aan den hemel, en hij werd gezien tot aan hot einde dor gansche aarde. 12 Zijn loof was schoon, en zijne vruchten vele, en er was spijze aan denzelven voor allen; onder hom vond het gedierte des voids schaduw, en do vogelen des hemels woonden in zijne takken, en allo vleesch werd daarvan gevoed. 13 Ik zag verder in de gozigton mijns hoofds, op mijn leger; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van don hemel, 14 Roepende met kracht, en aldus zeggende: Houwt dien boom af, en kapt zijne takken af, stroopt zijn loof af, en verstrooit zijne vruchten, dat de dieren van onder hom wegzwervon, en de vogelen van zijne takken. 15 Doch laat den stam met zijne wortelen in de aarde, en met oenen ijzeren en koperen band in het teedere gras des voids; en laat hem in den dauw des hemels nat gemaakt worden, en zijn doel zij met het gedierte in het kruid der aarde. 16 Zijn hart worde veranderd, dat hot goons monschen hart meer zij, en hem worde eens beesten hart gegeven, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan. 17 Deze zaak is in het besluit der wachters, en deze begeerte is in hot woord der heiligen; opdat de levenden bekennen, dat do Allerhoogste heerschappij heeft over do koningrijken der monschen, en geeft ze aan wien Hij wil, ja zet daarover don laagste onder do monschen. 18 Dezen droom heb ik, koning Nebukadnézar, gezien; gij nu, Béltsazar! zeg do uitlegging van dien, dewijl al do wijzen mijns koningrijks mij de uitlegging niet hebben kunnen bekend maken; maar gij kunt wel, dewijl do Geest der heilige Goden in u is. 19 Toen ontzette zich Daniël, wiens naam Béltsazar is, bij oen uur lang, en zijne gedachten beroerden hom. De koning antwoordde en zeido: Béltsazar! laat u den droom en zijne uitlegging niet beroeren. Béltsazar antwoordde en zeido: Mijn heer! de droom wedervare uwen hateron, en zijne uitlegging uwen wedorpartijders! 20 De boom, dien gij gezien hebt, die groot en sterk geworden was, en wiens hoogte tot aan den hemel reikte, en die over het gansche aardrijk gezien word; 21 En wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren, en waar spijze aan was voor allen, onder wien het gedierte dos velds woonde, en in wiens takken de vogelen des hemels nestelden; 22 Dat zijt gij, o koning! die groot en sterk zijt geworden: want uwe grootheid is zoo gewassen, dat zij reikt aan don hemel, en uwe heerschappij aan het einde des aardrijks. |
23 Dat nu de koning oenen wachter, namelijk oenen heilige, gezien heeft, van den hemel afkomende, die zeido: Houwt dezen boom af, en verderft hem, doch laat den stam met zijne wortelen in de aarde, on met oenen ijzeren en koperen band in hot teedere gras des velds, en in don dauw des hemels nat gemaakt worden, en dat zijn deel zij met hot gedierte dos velds, totdat er zeven tijden over hem voorbijgaan; 24 Dit is de beduiding, o koning! en dit is oen besluit des Allerhoogsten, hetwelk over mijnen hoor, don koning , komen zal: 25 Te weten, n men zal u van do monschen verstoeten, en met het gedierte dos velds zal uwe woning zijn, on men zal u kruid, als den ossen, te smaken geven; en gij zult van den dauw des homels nat gemaakt worden, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste heerschappij hoeft over do koningrijken der monschen, en geeft zo wien Hij wil. a Dan. 5:20, enz. 26 Dat er ook gezegd is, dat men den stam de wortelen van dien boom laten zou; uw koningrijk zal u bestendig zijn, nadat gij zult bekend hebben, dat de Hemel heerscht. 27 Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uwe zonden af door gorogtigheid, en uwe ongoregtighedon door genade te bewijzen aan do ellondigen, of er verlenging van uwen vrede mogt wezen. 28 Dit alles overkwam den koning Nebukadnézar. 29 Want op het einde van twaalf maanden, toen hij op het koninklijke paleis van Babol wandelde, 30 Sprak do koning, en zeido: Is dit niet het groote Babol, dat ik gebouwd heb tot een huis des koningrijks, door de sterkte mijner magt, en ter eere mijner heerlijkheid! 31 Dit woord nog zijnde in des konings mond, viel er cone stem uit den hemel: U, o koning Nebukadnézar! wordt gezegd: Hot koningrijk is van u gegaan. 32 En men zal u van de monschen verstooten, en uwe woning zal bij de beesten des velds zijn; men zal u gras te smaken geven, als don ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat do Allerhoogste over do koningrijken der monschen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft aan wien Hij wil. 33 Ter zolver ure werd dat woord volbragt over Nebukadnézar, want hij word uit de monschen verstooten, en hij at gras als de ossen, en zijn ligchaam werd van den dauw dos hemels nat gemaakt, totdat zijn haar wies als der arenden vederen, en zijne nagelen als der vogelen. 34 Ten einde dezer dagen nu, hief ik, Nebukadnézar, mijne oogen op ten hemel, want mijn vorstand kwam weder in mij; en ik loofde den Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte don Eouwiglevende, omdat zijne heerschappij is eeno eeuwige heerschappij, en zijn koningrijk is van geslacht tot geslacht: 35 En al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar zijnen wil met het heir des hemels on de inwoners der aarde, en er is |
DANIÃL 4, 5.
780
|
niemand, dio zijne hand afslaan, of tot Hom zeggen kan: Wat doet Gij? 3G Ter zeiver tijd kwam mijn verstand weder in mij; ook kwam do heerlijkheid mijns koningrijks, mijne majesteit en mijn glans weder op mij; en mijne raadsheeren en mijne geweldigen zochten mij, en ik werd in mijn koningrijk bevestigd; en mij word grooter heerlijkheid toegevoegd. 37 Nu prijs ik, Nebukadnézar, on verhoog, en verheerlijk den Koning des hemels, omdat al zijne werken waarheid, en zijne paden gerigten zijn; on Hij is magtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen. HOOFDSTUK 5. Bélsazar, dio bij zijnen goddeloozen maaltijd doti God van Israël bospotte en do vaton van den tempel misbruikte, vs. 1; wordt geweldig verschrikt door oon schrijven aan den wand, hetwelk zijne wijzen noch lezen noch verstaan konden, 5. Daniël wordt, op aanraden dor oude koningin, geroopcn, 10; deze veracht 's konings go-schenken en geeft hom goede vermaningen,17. Daarna leest Daniël hetgeschrift en zegt, dat het des konings ondergang behelsde , welke ook denzelfden nacht is gevolgd, 30. DE koning Bél-sazar maakte een' grooten maaltijd voor zijne duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend. 2 Als Bélsazar den wijn geproefd had, zeide hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnézar uit den tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijne geweldigen, zijne vrouwen en zijne bijwijven uit dezelve dronken. 3 Toen bragt men voor de gouden vaten, die men uit den tempel van het huis Gods, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; en de koning en zijne geweldigen, zij no vrouwen, en zijne bijwijven dronken daaruit. 4 Zij dronken den wijn, en prezen de gouden, en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de steenen goden. 5 Ter zeiver ure kwamen er vingeren van eens menschen hand voort, die schreven tegenover den kandelaar, op den kalk van den wand van liet koninklijke paleis, en de koning zag liet deel der hand, die daar schreef. |
G Toen veranderde zicli de glans des konings, en zijne gedachten verschrikten hem; en de banden zijner lenden werden los, en zijne knieën stieten tegen elkander aan. 7 Zoodat de koning met kracht riep, dat men de sterrekijkers, do Chaldeën en de waarzeggers inbrengen zou ; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met eene gouden keten om zijnen hals, en hij zal de derde heerschor in dit koningrijk zijn, 8 Toen kwamen al de wijzen des konings in; maar zij konden dit schrift niet lezen, noch den koning deszelfs uitlegging bekend maken. 9 Toen verschrikte de koning Bélsazar zeer, en zijn glans werd aan hem veranderd, en zijne geweldigen werden verbaasd. 10 Om deze woorden des konings en zijner geweldigen , ging de koningin in het huis des maaltijds. De koningin sprak en zeide: O koning , leef in eeuwigheid! laat u uwe gedachten niet verschrikken, noch uw glans niet veranderd worden. 11 Er is een man in uw koningrijk, in wien do Geest der heilige Goden is, want quot; in do dagen uws vaders is bij hem gevonden licht, en vorstand, en wijsheid, gelijk de wijsheid der Goden is: daarom stelde hem de koning Nebukadnézar, uw vader, tot een' overste der toovenaars, der sterrekijkers, der Chaldeën en der waarzeggers, uw vader, o koning! a Dan. 2 : 47, 48. 12 Omdat een voortreffelijke Geest, en weten-schap, en verstand van eenen, die droomen uitlegt, en der aanwijzing van raadselen, en van eenen, die knoopen ontbindt, gevonden werd in hem, in Daniël, dien de koning den naam van Béltsazar gaf; laat nu Daniël geroepen worden, die zal de uitlegging te kennen geven. 13 Toon werd Daniël voor den koning ingebragt. De koning antwoordde en zeide tot Daniël: Zijt gij die Daniël, een uit do gevankelijk weggevoer- |
iL 5, 0.
DANIÃ
781
|
den van Juda, die do koning, mijn vader, uit Juda gebragt hoeft? 14 Ik heb toch van u gehoord, dat de Geest der Goden in u is, en dat er licht, en verstand, en voortreffelijke wijsheid in u gevonden wordt. 15 Nu, zoo zijn voor mij ingebragt do wijzen cn do sterrekijkers, om dit schrift te lezen, en dos-zelfs uitlegging mij bekend te maken; maar zij kunnen do uitlegging dezer woorden niet te kennen geven. 1G Doch van u heb ik gehoord, dat gij uitlog-gingen kunt govon, en knoopon ontbinden; nu , indien gij dit schrift zult kunnen lezen, en des-zolfs uitlegging mij bekend maken, gij zult mot purper bekleed worden, met eono gouden keten om uwen hals, en gij zult de derde heerscher in dit koningrijk zijn. 17 Toen antwoordde Daniël, en zoide voor den koning; Heb uwe gaven voor u zei von, on geef uwe verooringen aan oen' ander; ik zal nogtans hot schrift voor den koning lozen, en de uitlegging zal ik hom bekend maken. 18 Wat u aangaat, o koning! de allerhoogste God heeft uwen vader Nebukadnézar het koningrijk, en grootheid, on eer, en heerlijkheid gegeven; 19 En van woge de grootheid, die Hij hom go-geven had, beefden en sidderden alle volken, natiën en tongen voor hom : dien hij wilde, doodde hij, en dien hij wilde, behield hij in het loven, en dien hij wilde, verhoogde hij, en dien hij wilde, vernederde hij. 20 Maar toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verstijfd werd ter hoovaardij, werd hij van den troon zijns koningrijks afgestooten, en men nam do eer van hem weg. 21 quot; En hij werd van de kinderen der menschen verstooton, en zijn hart word don beosten gelijk gemaakt, en zijne woning was bij de woudozolen; men gaf hem gras te smaken gelijk den ossen, en zijn ligchaam werd van den dauw dos hemels nat gemaakt, totdat hij bekende, dat God, de Allerhoogste, Heerscher is over do koningrijken der menschen, en over dozolvo stelt, wien Hij wil. a Dan. 4 : 25. 22 En gij, Bólsazar, zijn zoon! hebt uw hart niet vernederd, alhoewel gij dit alles wol geweten hebt. 23 Maar gij hebt u verheven tegen don Heere des hemels, en men hoeft do vaten van zijn huis voor u gebragt, en gij, en uwe geweldigen, uwe vrouwen, en uwe bijwijven, hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, dio niet zien, noch hooren, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in wiens hand uw adem is, en bij wien al uwe paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt. 24 Toen is dat dool der hand van Hem gezonden, en dit schrift gotoekend geworden. 25 Dit nu is hot schrift, dat daar gotoekend is: Mené, mené, ïekél, upharsin. |
26 Dit is de uitlegging dezer woorden: Mene; God heeft uw koningrijk getold, en Hij heeft hot voleind. 27 Tekél; gij zijt in weegschalen gewogen, en gij zijt te ligt gevonden. 28 Perés; uw koningrijk is verdeeld, en hot is den Meden en den Perzen gegeven. 2!) Toen beval Bólsazar, en zij bekleedden Daniël met purper, met eono gouden keten om zijnen hals, en zij riepen overluid van hem, dat hij do derde heerscher in dat koningrijk was. :]() In dienzelven nacht werd Bólsazar, der Chal-deën koning, gedood. HOOFDSTUK 6. Danus, hot rijk van Babel ontvangen hebhendo, noomt voor Daniël to vorhellen boven zijne honderd on twintig landvorston, vs. 1; doze hierover mot nijdigheid vervuld, bewogen don koning oon afgodisch besluit to maken, dat niemand binnen ilortig dagen iets zoude bidden dan van den koning alleen, op straffe van in don kuil der leeuwen te worden go-worpen, 8. Daniël dit bevel overtredende, wordt in don loouwenkuil geworpen, 17; maar door God wonderbaar bewaard en verlost, 23. Zijne vijanden, in den kuil dor leeuwen geworpen zijnde, worden terstond door do leeuwen verscheurd, 25; waarom God wordt geprezen, 2G. DARIUS, de Medor nu, ontving het koningrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde. 2 En het dacht Darius goed, dat hij over het koningrijk stelde honderd en twintig stadhouders, die over hot gansche koningrijk zijn zouden; 3 En over dezelve drie vorsten, van dewelke Daniël de eerste zijn zou: denwelken die stadhouders zelfs zouden rekenschap geven, opdat de koning geeno schade leed. 4 Toen overtrof deze Daniël die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijker Geest in hom was; en de koning dacht hem te stellen over het geheele koningrijk. 5 Toen zochten de vorsten en de stadhouders gelegenheid te vindon tegen Daniël van wege het koningrijk; maar zij konden geone gelegenheid noch misdaad vinden, dewijl hij getrouw was, en geeno vergrijping noch misdaad in hom gevonden werd. 6 Toon zeiden die mannon: Wij zullen tegen dozen Daniël goone gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vindon in do wet zijns Gods. 7 Zoo kwamen deze vorsten en de stadhouders met hoopen tot den koning, en zeiden aldus tot hom: O koning Darius, loef in eeuwigheid! 8 Al do vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de raadsheeren en landvoogden hebben zich beraadslaagd eeno koninklijke ordonnantie te stollen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek doen zal van eenigen god of mensch, behalve van u, o koning! die zal in den kuil der leeuwen geworpen worden. 9 Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen, en een schrift teekenen, dat niet veranderd worde. |
DANIÃL 6.
782
hij voor a 1 Kon. 8 :
dezen 44. I, Ps
gedaan 55:18.
bragten die beschuldigd der leeuwen
God, gansohelijk had.
12 Toen kwamen die mannen met hoopen,
en zij vonden Daniël biddende en smeekende voor zijnen God.
13 Toen kwamen zij nader, en spraken voor den koning van het gebod des konings:
Hebt gij niet een gebod geteekend, dat alle man,
die in dertig dagen van eenigen god of mensch iets verzoeken zou, behalve van u , o koning!
in den kuil der leeuwen zou geworpen worden ?
De koning antwoordde en zeide: Het is eene vaste rede, naar de wet der Meden en Perzen,
die niet mag wederroepen worden.
14 Toen antwoordden zij, en zeiden voor den koning: Daniël, een van de gevankelijk weggevoerden uit Juda, heeft,
o koning! op u geen acht gesteld, noch op het gebod, dat gij geteekend hebt; maar hij bidt op drie tijden 's daags zijn gebed.
15 Toen de koning deze '.'ede hoorde, was
bij zeer bedroefd bij zich zeiven, en hij stelde het hart op Daniël, om hem te verlossen; ja tot den ondergang der zon toe bemoeide hij zich, om hem te redden.
16 Toen kwamen die mannen met hoopen tot den koning, en zij zeiden tot den koning: Weet, o koning! dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die do koning verordend heeft, mag veranderd worden.
17 Toen beval de koning, en zij bragten Daniël voor, en wierpen /irtn, in den kuil der leeuwen; e?i de koning antwoordde en zeide tot Daniël: Uw God, dien gij geduriglijk eert, die verlosso u!
quot; naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden. a Estli. 1: li). 8:8.
10 Daarom teekende de koning Darius dat schrift en gebod.
11 Toen nu Daniël verstond, dat dit schrift ge-teekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijne opperzaal opene vensters quot; tegen Jeruzalem aan), en hij knielde ''drie tijden 's daags op zijne knieën, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn'
18 En er word een steen gebragt, en op den mond des kuils gelegd; en de koning verzegelde denzelven met zijnen ring, en met den ring zijner geweldigen, opdat de wil aangaande Daniël niet zou veranderd worden.
1!) Toen ging de koning naar zijn paleis, en overnachtte nuchteren, en liet geen vreugdespel voor zich brengen; en zijn slaap week verre van hem.
20 Toen stond de koning in den vroegen morgenstond met het licht op, en hij ging
met haast henen tot den kuil der leeuwen.
21 Als hij nu tot den kuil genaderd was, riep hij tot Daniël met eene droeve stem; de koning antwoordde en zeide tot Daniël: O Daniël, gij knecht des levenden Gods! heeft ook uw God, dien gij geduriglijk eert, ii van de leeuwen kunnen verlossen?
22 Toen sprak Daniël tot den koning: O koning, leef in eeuwigheid!
23 Mijn God heeft zijnen Engel gezonden, en Hij heeft den muil der leeuwen toegesloten , dat zij mij niet
beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geene misdaad gedaan.
24 Toen werd de koning bij zich zeiven zeer vrolijk, en zeide, dat men Daniël uit den kuil trekken zou. Toen Daniël uit den kuil opgetrokken was, zoo werd er geene schade
gevonden,
aan hem
dewijl hij in zijnen God geloofd had.
25 Toen beval de koning, en zij mannen voor, die Daniël overluid hadden, en zij wierpen in den kuil hen, hunne kinderen en hunne vrouwen; en zij kwamen niet op den grond des kuils, of de leeuwen heerschten over hen, zij vermorzelden ook al hunne beenderen.
2G Toen schreef de koning Darius aan alle volken , natiën en tongen, die op de gansche aarde woonden: Uw vrede worde vermenigvuldigd!
27 Van mij is een bevel gegeven, dat men inde gansche heerschappij mijns koningrijks beve en
DANIÃL 6, 7.
783
|
siddero voor het aangezigt van den God van Daniël: want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en quot;zijn koningrijk is niet verderfelijk, en zijne heerschappij is tot liet einde toe. a Dan. 2 : 44. 4:3. 7 : 14, 27. Luk. 1 : 33. 28 Hij verlost en redt, en Hij doet teekenen en wonderen in den hemel en op de aarde: die heeft Daniël uit het geweld der leeuwen verlost. 29 Deze Daniël nu had voorspoed in het koningrijk van Darius, en in het koningrijk van Kor es, den Perziaan. HOOFDSTUK 7. Daniël ziot in een gezigt vier dieren uit do zee opkomen , vs. I ; en den Oude van (lagen aan den Zoon des monschen een eeuwig rijk overgevende, 9. Daniël ontvangt de uitlegging van dat gezigt, 15; waarover hij zeer ontroerd wordt, 26. IN het eerste jaar van Bélsazar, den koning van Dabei, zag Daniël eenen droom, en gezigten zijns hoofds, op zijn leger: toen schreef hij dien droom, en hij zeide de hoofdsom der zaken. 2 Daniël antwoordde en zeide: Ik zag in mijn gezigt bij nacht, en ziet, de vier winden des hemels braken voort op de groote zee. 3 En er klommen vier groote dieren op uit de zee, het eene van het andere verscheiden. 4 Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijne vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mensch, en aan hetzelve werd eens menschen hart gegeven. 5 Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de eene zijde, en het had drie ribben in zijnen muil tus-schen zijne tanden; en men zeide aldus tot hetzelve : Sta op, eet veel vleesch. (j Daarna zag ik, en ziet, er was een ander die?-, gelijk een luipaard, en het had vier vleugels eens vogels op zijnen rug; ook had hetzelve dier vier hoofden, en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven. 7 Daarna zag ik in do nachtgezigten, en ziot, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had groote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijne voeten; en het was verscheiden van al do dieren, die voor hetzelve geweest waren; en het had tien hoornen. 8 Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tusschen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven; en ziet, in dienzelven hoorn waren oogen als menschenoogen, en een mond, groote dingen sprekende. 9 Dit zag ik, totdat er troonen gezet werden, en de Oude van dagen zich zette, wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar zijns hoofds als zuivere wol; zijn troon was vuurvonken, des-zelfs raderen een brandend vuur. 10 Eene vurige rivier vloeide en ging van voor |
Hem uit, quot;duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem ; hot gerigt zette zich, en do '' boeken werden geopend. aOpenb. 5:11. h Openb. 20:12. 11 Toen zag ik toe van woge de stem der groote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn ligchaam verdaan word, en overgegeven om van het vuur verbrand te worden. 12 Aangaande ook de overige dieren, men nam hunne heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe. 13 Verder zag ik in do nachtgezigten, en ziet, er kwam een met de wolken des hemels, als eens menschen zoon, en hij kwam tot den Oude van dagen, en zij doden hem voor Denzelven naderen. 14 En hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het koningrijk: dat hom allo volken, natiën en tongen eeren zouden; quot;zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, on zijn koningrijk zal niet verdorven worden. a Dan. 2 : 44. Luk. 1 : 33. 15 Mij Daniël werd mijn geest doorstoken in het midden van hot ligchaam, en de gezigten mijns hoofds verschrikten mij. 1G Ik naderde tot eonen dergenen, die daar stonden, en verzocht van hem de zekerheid over dit alles; on hij zeide ze mij, on gaf mij de uitlegging dezer zaken te kennen. 17 Deze groote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen. 18 Maar de heiligen der hoogo planhen zullen dat koningrijk ontvangen, en zij zullen hot rijk bezitten tot in dor eeuwigheid, ja tot in eeuwigheid der eeuwigheden. 19 Toen wenschto ik naar de waarheid van het vierde dier, hetwelk verscheiden was van al do andore, zeer gruwelijk, wiens tanden van ijzer waren, en zijne klaauwen van koper, het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige mot zijne voeten. 20 En aangaande de tien hoornen, die op zijn hoofd waren, en den anderen, die opkwam, en voor denwelken drie afgevallen waren, namelijk dien hoorn, die oogen had, en eenen mond, die groote dingen sprak, en wiens aanzien grooter was, dan van zijne medgezollen. 21 Ik had gezien, dat diezelvo hoorn krijg voorde togen de heiligen, en dat hij die overmogt. 22 Totdat do Oude van dagen kwam, en het gerigt gegeven werd aan de heiligen der hooge plaatsen, en dat do bestemde tijd kwam, dat de heiligen het rijk bezaten. 23 Hij zeide aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken; on het zal de gansche aarde opeten, en het zal dezelve vertreden, on hot zal ze verbrijzelen. 24 Belangende nu de tien hoornen: uit dat koningrijk zullen tieu koningen opstaan, en een |
DANIÃL 7, 8.
784
|
ander zal na hen opstaan; on dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en hot zal drie koningen vernederen. 25 En quot; het zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, en het zal de heiligen der hooge plaatsen verstoren, en het zal meenen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in deszell's hand overgegeven worden tot oenen tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds. aDan. 11:36. 26 Daarna zal het gerigt zitten, en men zal zijne heerschappij wegnemen, hem verdelgende en verdoende, tot het einde toe. 27 Maar het rijk, en do heerschappij, en de grootheid der koningrijken onder den ganschen hemel, zal gegeven worden den volke der heiligen toen ik hot zag, dat ik in den burg Susan was, welke in het landschap Elam is) ik zag dan in een gezigt, dat ik aan don vloed U'lai was. |
3 En ik hiel' mijne oogen op, en ik zag, en ziet, een ram stond voor dien vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de eene was hooger dan de andere, en de hoogste kwam in hot laatste op. 4 Ik zag, dat do ram met de hoornen tegen het westen stiet, en tegen het noorden, en tegen liet zuiden, en geene dieren konden voor zijn aangezigt bestaan, en er was niemand, die uit zijne hand verloste; maar hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot. 5 Toen ik dit overleide, ziet, er kwam een |
|
der hooge plaatsen, welks rijk oen eeuwig rijk zijn zal, en alle heerschappijen zullen hein eeren en gehoorzamen. 28 Tot hiertoe is het einde dezer rede. Wat mij Daniël aangaat, mijne gedachten verschrikten mij zeer, en mijn glans veranderde aan mij; doch ik bewaarde dai woord in mijn hart. HOOFDSTUK 8. Do Ilccro toont aan Daniël, in een gezigt, don strijd tnsschen don ram on den Imk en hotgoen na dien strijd zou volgen, vs. 1. De ongel Gabriöl vertroost Daniël en legt hem, op bevel van Christus, dat gezigt uit, 15. Daniël is hierover zeer ontsteld, 27. IN het derde jaar des koningrijks van don koning Bólsazar, verscheen mij oen gezigt, mij Daniël, na hetgeen mij in het eerste verschonen was. 2 En ik zag in een gezigt, (het geschiedde nu. |
geitenhok van het westen over don ganschen aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een' aanzienlijken hoorn tnsschen zijne oogen. 6 En hij kwam tot den ram, die de twee hoornen had, dien ik had zien staan voor den vloed; en hij liep op hem aan in de grimmigheid zijner kracht. 7 En ik zag hem, nakende aan den ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet den ram, en hij brak zijne beide hoornen; en in den ram was geene kracht, om voor zijn aangezigt te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, on er was niemand, die den ram uit zijne hand verloste. 8 En de geitenhok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die groote hoorn, en er kwamen op aan deszelfs |
DANIÃL 8, 9.
785
|
plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden des hemels. 9 En uit eenen van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land. 10 En hij werd groot tot aan het heir des hemels; en hij wierp er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze. 11 Ja hij maakte zich groot tot aan den vorst diens heirs, en van denzelven werd weggenomen het gedurig offer, en do woning zijns heiligdoms werd nedergeworpen. 12 En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp do waarheid ter aarde, en deed het, en het gelukte wel. 13 Daarna hoorde ik eenen heilige spreken; en de heilige zeide tot den onbenoemde, die daar sprak: Tot hoe lang zal dat gezigt van het gedurig offer en van den verwoestenden afval zijn, dat zoo het heiligdom als het heir ter vertreding zal overgegeven worden ? 14 En hij zeide tot mij: Tot twee duizend en drie honderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom geregtvaardigd worden. 15 En het geschiedde, toen ik dat gezigt zag, ik Daniël, zoo zocht ik het verstand deszelven, en ziet, er stond voor mij als de gedaante eens mans. 16 En ik hoorde tusschen U'lai eens mensehen stem, die riep en zeide: quot; (Jabriël! geef dezen het gezigt te verstaan. a Dan. 9:21. Luk. 1 : 2G. 17 En hij kwam nevens waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik, en ik viel op mijn aangezigt. Toen zeide hij tot mij: Versta, gij menschenkind! want dit gezigt zal zijn tot den tijd van het einde. 18 Als hij nu met mij sprak, viel ik in eenen diepen slaap op mijn aangezigt ter aarde: toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijne standplaats. 19 En hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal ten einde dezer gramschap : want ter bestemder tijd zal het einde zijn. 20 De ram met de twee hoornen, dien gij gezien hebt, zijn de koningen der Meden en der Perzen. 21 Die harige bok nu is de koning van Griekenland; en de groote hoorn, welke tusschen zijne oogen is, is de eerste koning. 22 Dat er nu vier aan zijne plaats stonden, toen hij verbroken was: vier koningrijken zullen uit dat volk ontstaan , doch niet met zijne kracht. 23 Doch op het laatste huns koningrijks, als liet de afvalligen op het hoogste zullen gebragt hebben, zoo zal er een koning staan, stijf van aangezigt, en raadselen verstaande. 24 En zijne kracht zal sterk worden, doch niet door zijne kracht; en hij zal het wonderlijk verderven , en zal geluk hebben, en zal het doen; |
en hij zal de sterken, mitsgaders het heilige volk verderven. 25 En door zijne kloekheid zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijne hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen den Vorst der vorsten; doch hij zal zonder hand verbroken worden. 26 liet gezigt nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en gij, sluit dit gezigt toe, want er zijn nog vele dagen toe. 27 Toen werd ik, Daniël, zwak, en was eenige dagen krank: daarna stond ik op, en deed des konings werk: en ik was ontzet over dit gezigt, maar niemand merkte het. HOOFDSTUK 9. Daniël bidt den Heere om de wederoprigting van Jerfizalem, vs. 1. De Heere verhoort en onderrigt hem, 20. Tegelijk openbaart Hij hem door Gabriël den tijd van do zeventig weken, aan het einde van welke niet alleen den Joden, maar ook het gansche mensehelijke geslacht de ware geestelijke verlossing zou worden aangebragt door Christus, den Vorst, 24; ook spreekt do engel van de schrikkelijke verwoesting, die over het ondankbare en halsstarrige Joodsche volk komen zou, 26. IN het eerste jaar van Darius, den zoon van Ahasuéros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koningrijk der Chaldeën: 2 In het eerste jaar zijner regering, merkte ik, Daniël, in de boeken, dat het getal der jaren, van dewelke het woord des IIkeren tot den profeet Jeremia geschied was, in het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren was. 3 En ik stelde mijn aangezigt tot God, den Heere, om Hem te zoeken met het gebed en smeekingen, met vasten, en zak, en asch. 4 Ik bad dan tot den Heere, mijnen God, en deed belijdenis, en zeide: Och Heere! Gij groote en verschrikkelijke God, quot;die het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben en zijne geboden houden. n Deut. 7 : 9. 5 quot; Wij hebben gezondigd, en hebben onregt gedaan, en goddelooslijk gehandeld, en gerebelleerd , met af te wijken van uwe geboden, en van uwe regten. aPs. 106:6. Jes. 04:5. 6:7. 6 En wij hebben niet gehoord naar uwe dienstknechten , de profeten, die in uwen naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands. 7 Bij U, o Heere ! is de geregtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezigten, gelijk het is te dezen dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israël, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar Gij ze henengedreven hebt, om hunne overtreding, waarmede zij tegen U overtreden hebben. 8 O Heere! bij ons is de beschaamdheid der aangezigten , bij onze koningen, bij onze vorsten on hij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben. r.u |
DANIÃL 9.
78«
|
9 quot; Bij den Ileoro, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben. a Ps. 130:3, 7. Klgld. 3:22. 10 En wij hebben dor stem des Heeren, onzes Gods, niet gehoorzaamd, dat wij in zijne wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezigten, door de hand van zijne knechten, de profeten. 11 Maar geheel Israël beeft uwe wet overtreden, met af te wijken, dat zij uwer stem niet gehoorzaamden ; daarom is over ons uitgestort die quot; vloek , en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, den knecht Gods, dewijl wij tegen Hem gezondigd hebben. «Lev. 2G: 14,enz. Dent. 27 : la, enz. 28:15, enz. 29:20. 30: 17, enz. 31 : 17, enz. 32: 19, enz. Klgld. 2: 17. 12 En Hij heeft zijne woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en tegen onze rigters, die ons rigtten, brengende over ons een groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder den ganschen hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is. 13 Gelijk als in de wet van Mozes geschreven is, alzoo is al dat kwaad over ons gekomen ; en wij smeekten hot aangezigt des Heeren, onzes Gods, niet, afkeerende van onze ongeregtig-heden, en verstandelijk acht gevende op uwe waarheid. 14 Daarom heeft de Heere over het kwade gewaakt, en Hij heeft hot over ons gebragt: want de Heere, onze God, is regt-vaardig in al zijne werken, die Hij gedaan heeft, dewijl wij zijner stem niet gehoorzaamden. 15 quot; En nu, o Heere , onze God ! '' die uw volk nit Egypteland uitgevoerd hebt, met eene sterke hand, en hebt U eenen naam gemaakt, gelijk hij is te dezen dage; wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest, aPs. 105:7. 1(1(1:47. ft Ex. 32:11. l(i O Heere! naar al uwe geregtigheden, laat toch uwen toorn en uwe grimmigheid afgekeerd worden van uwe stad Jeruzalem, uwen heiligen berg: want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongeregtigheden, zijn Jeruzalem en uw volk tot versmaadboid bij allen, die rondom ons zijn. 17 En nu, o onze God! hoor naar het gebed uws knechts, en naar zijne smeekingen; en doe uw aangezigt lichten over uw heiligdom, dat verwoest is; om des Heeren wil. 18 Neig uw oor, mijn God! en hoor, doe uwe oogen op, en zie onze verwoestingen, en do stad, die naar uwen naam genoemd is: want wij werpen onze smeekingen voor uw aangezigt niet neder |
1 op onze geregtigheden, maar op uwe barmhartigheden, die groot zijn. 19 O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, vertrek het niet! Om uws zelfs wil, o mijn God! Want uwe stad, en uw volk is naar uwen naam genoemd. 20 Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijne zonde, en de zonde mijns volks van Israël, en mijne smeeking nederwierp voor het aangezigt des Heeren, mijns Gods, om des heiligen bergs wil mijns Gods: 21 Als ik nog sprak in hot gebed, zoo kwam de man Gabriël, dien ik in het begin, in een gezigt gezien had, snellijk gevlogen, mij aanrakende omtrent den tijd des avondoffers. 22 En hij onderrigtte mij en sprak met mij, en zeide: Daniël! nu ben ik uitgegaan , om u den zin te doen verstaan. 23 In het begin uwer smeekingen is het woord uitgegaan, en ik bon gekomen, om u dat te kennen te geven, want gij zijt oen zeer gewenscht man; versta dan dit woord, en merk op dit gezigt. 24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uwe heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen , en om de ongeregtig-heid te verzoenen, en om eene eeuwige geregtigheid aan te bron-gen , en om het gezigt, en don profeet te verzegelen, en om de heiligheid dor heiligheden te zalven. 25 Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeoren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, on twee en zestig weken: do straten, en do grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benaauwdheid der tijden. 2G En na die twee en zestig weken, zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor hem zeiven zijn; en oen volk dos vorston, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven , en zijn einde zal zijn mot eenen overstroo-mendon vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, cn vastelijk beslotono verwoestingen. 27 En hij zal velen hot verbond versterken eene week: en in do helft der week zal hij het slagtoffer en hot spijsoffer doen ophouden, en quot; over den gruwelijken vleugel zal oen verwoester zijn, ook tot do voleinding toe, die, vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste. a Matt. 24:15. Mark. 13:14. Luk. 21:20. |
DANIÃL 10, 11.
787
|
HOOFDSTUK 10. Daniël, zich met vasten en bidden voor God vernede-rende, ziet een gezigt, vs. 1. Hierdoor zeer verschrikt zijnde, wordt hij door den enge] gesterkt en getroost, 10, Hom wordt te kennen gegeven, wat hot .loodsche volk in toekomende tijden bejegenen zal, 14; waardoor hij op nieuw verschrikt en ontstelt, 15; doch ook weder wordt versterkt door don ongel, 19: die hom te kennen geeft, hoe de vorst van Griekenland, Alexander Magnus, komen zal, 20. IN het dorde jaar van Kores, den koning van Perzië, werd aan Daniël, wiens naam genoemd werd Béltsazar, eene zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, doch in eenen gezetten grooten tijd; en hij verstond die zaak, en hij had verstand van het gezigt. 2 In die dagen was ik, Daniël, treurende drie weken der dagen. 3 Begeerlijke spijze at ik niet, en vleesch of wijn kwam in mijnen mond niet, ook zalfde ik mij gansch niet, totdat die drie weken der dagen vervuld waren. 4 En op den vier en twintigsten dag der eerste maand, zoo was ik aan den oever der groote rivier, welke is « Hiddckel. «Oen. 2:14. 5 Eu ik hief mijne oogen op, en zag, en ziet, or was een man met linnen bekleed, en zijne lenden waren quot; omgord met fijn goud van Ufaz. aOpenb. 1:13, 14, 15. (1 En zijn ligchaam was gelijk een turkoois, eu zijn aangezigt gelijk de gedaante des bliksems, en zijne oogen gelijk vurige fakkelen, eu zijne armen en zijne voeten gelijk de verw van gepolijst koper; eu de stem zijner woorden was gelijk de stem eener menigte. 7 Eu ik, Daniël, alleen zag dat gezigt, maar de mannen, die bij mij waren, zagen dat gezigt niet; doch eene groote verschrikking viel op hen, en zij vloden, om zich te versteken. 8 Ik dan werd alleen overgelaten, en zag dit groote gezigt, eu er bleef in mij geeue kracht overig; en quot;mijne sierlijkheid werd aan mij veranderd in eene verderving, zoodat ik geene kracht behield. a Dan. 7 : 28. !) Eu ik hoorde de stem zijner woorden; entoen ik do stem zijner woorden hoorde, zoo viel ik in eenen diepen slaap op mijn aangezigt, met mijn aangezigt ter aarde. 10 En ziet, eene hand roerde mij aan, eu maakte, dat ik mij bewoog op mijne knieën, eu de palmen mijner handen. 11 Eu hij zeide tot mij: Daniël, gij zeer ge-wenschte man! merk op de woorden, die ik tot ii spreken zal, eu sta op uwe standplaats, want ik bon als nu tot u gezonden: eu toen hij dat woord tot mij sprak, stond ik bevende. 12 Toon zeide hij tot mij: Vrees uiot, Daniël! want van den eersten dag aan, dat gij uw hart begaaft, om te verstaan ou om u zeiven te verootmoedigen voor hot aangezigt uws Gods, zijn |
uwe woorden gehoord, en om uwer woorden wil bon ik gekomen. 13 Doch do vorst des koningrijks van Perzië stond tegenover mij eon ou twintig dagen; ou ziet, Michael, oen van de eerste vorsten, kwam om mij te helpen, on ik werd aldaar gelaten bij de koningen van Perzië. 14 Nu bon ik gekomen, om u te doen verstaan hetgeen uw volk bejegenen zal in het vervolg der dagen, want bet gezigt is nog voor vele dagen. 15 En toen hij deze woorden met mij sprak, sloeg ik mijn aangezigt tor aarde, en ik werd stom. 16 En ziet, een, don menschenkinderon gelijk, raakte mijne lippen aan; toen dood ik mijnon mond open, en ik sprak, en zeide tot dien, die tegenover mij stond: Mijn lloere! om des gezigts wil koereu zich mijne weeën over mij, zoodat ik goone kracht behoude. 17 En hoe kan de knecht van dezen mijnen [looro spreken met dien mijnen Hoore? want wat mij aangaat, van nu af bestaat geene kracht in mij, ou geen adem is in mij overgebleven. 18 Toen raakte mij wederom aan een, als in do gedaante van een' mensch ; on hij versterkte mij, 19 En hij zeide: Vrees niet, gij zeer gowonschte man! vrede zij u, wees sterk, ja wees sterk ! En terwijl hij mot mij sprak, word ik versterkt, en zeido: Mijn Ileero sproke, want gij hebt mij versterkt. 20 Toon zeide hij: Weet gij, waarom dat ik tot u gekomen ben? doch nu zal ik woderkeoren oin te strijden tegen don vorst der Perzen; en als ik zal uitgegaan zijn, ziet, zoo zal do vorst van Griekenland komen. 21 Doch ik zal u te kennen geven hetgeen ge-teekend is in het geschrift dor waarheid: en er is niet een, die zich met mij versterkt tegen dozen, dan uw vorst Michael. HOOFDSTUK 11. Profetie betreffende Alexander Magnus, mitsgaders van eenige koningen van Eg3'pte en van Syrië, vs. 1; inzonderheid van de wreedheid en goddeloosheid van eenen koning boven alle anderen, Bü; en van eenige andere vijanden van Gods volk. bijna tot aan de voleinding der wereld, 40. IK nu, ik stond in hot eerste jaar van Darius, den Medor, om hem te versterken en te stijven. 2 En nu, ik zal u do waarheid te kennen geven: ziet, er zullen nog drie koningen in Perzië staan, ou de vierde zal verrijkt worden met grooten rijkdom, moor dan al de anderen; en nadat hij zich in zijnon rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koningrijk van Griekenland. 3 Daarna zal er oen geweldig koning opstaan, die mot groote heerschappij heerschon zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen. 4 En als hij zal staan, zal zijn rijk gebroken, en in de vier winden dos hemels verdoold worden, - maar niet aan zijne nakomelingen, ook niet naar |
DANIÃL 11.
788
|
zijne heerschappij, waarmede hij heerschte: want zijn rijk zal uitgerukt worden, en dat voor anderen, dan deze. 5 Eu de koning van het Zuiden, die een van zijne vorsten is, zal sterk worden ; doch een ander zal sterker worden dan hij, en hij zal heerschen, zijne heerschappij zal eenegroote heerschappij zijn. 6 Op het einde nu van sommige jaren, zullen zij zich niet elkander bevrieuden, en do dochter des konings van het Zuiden zal komen tot den koning van het Noorden, om billijke voorwaarden te maken; doch zij zal de magt des arms niet behouden, daarom zal hij, noch zijn arm, niet bestaan, maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebragt hebben, en die haar gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden. 7 Doch uit de spruit harer wortelen zal er een opstaan in zijnen staat, die zal met heirkracht komen, en hij zal komen tegen die sterke plaatsen des konings van het Noorden, en hij zal tegen dezelve doen, en hij zal ze bemagtigen. 8 Ook zal hij hunne goden, met hunne vorsten, met hunne gewenschte vaten van zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal eenige jaren staande blijven boven den koning van bet Noorden. 9 Alzoo zal de koning van het Zuiden in het koningrijk komen, en hij zal wederom in zijn land trekken. 10 Doch zijne zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen eene menigte van groote heiren verzamelen; en een van hen zal snellijk komen, en als een vloed overstroomen en doortrekken; en hij zal wederom komen, en zich in den .strijd mengen, tot aan zijne sterke plaats toe. 11 En de koning van het Zuiden zal verbitterd worden, en hij zal uittrekken, en strijden tegen hem, tegen den koning van het Noorden, die ook eene groote menigte oprigten zal, doch die menigte zal in zijne hand gegeven worden. 12 Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheffen, en hij zal er eenige tien duizenden nedervellen; evenwel zal hij niet gesterkt worden: 13 Want de koning van het Noorden zal weder-keeren, en hij zal eene grootere menigte, dan de eerste was, oprigten; en aan het einde van de tijden der jaren, zal hij snellijk komen met eene groote heirkracht, en met groot goed. 14 Ook zullen er in die tijden velen opstaan tegen den koning van het Zuiden; en de scheurmakers uws volks zullen verheven worden, om het gezigt te bevestigen, doch zij zullen vallen. 15 En de koning van het Noorden zal komen, en eenen wal opwerpen, en vaste steden innemen; en de armen van het Zuiden zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk, ja er zal geene kracht zijn om te bestaan. |
16 Maar hij, die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aan-gezigt bestaan; hij zal ook staan in het land des sieraads, en de verderving zal in zijne hand wezen. 17 En hij zal zijn aangezigt stellen, om met de kracht zijns ganschen rijks te komen, en hij zal billijke voorwaarden medebrengen, en hij zal het doen: want hij zal hem eene dochter der vrouwen geven, om haar te verderven, maar zij zal niet vast staan, en zij zal voor hem niet zijn. 18 Daarna zal hij zijn aangezigt tot de eilanden keeren, en hij zal er vele innemen; doch een overste zal zijnen smaad tegen hem doen ophouden, behalve dat hij zijnen smaad op hem zal doen wederkeeren. 19 En hij zal zijn aangezigt keeren naar de sterkten zijns lands, en hij zal aanstooten, en vallen, en niet gevonden worden. 20 En in zijnen staat zal er een opstaan, doende eenen geldeischer doortrekken, in koninklijke heerlijkheid; maar hij zal in eenige dagen gebroken worden, nogtans niet door toornigheden, noch door oorlog. 21 Daarna zal er een verachte in zijnen staat staan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; doch hij zal in stilheid komen, en het koningrijk door vleijerijen bemagtigen. 22 En de armen der overstrooming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezigt, en zij zullen gebroken worden, en ook de vorst des ver bonds. 23 En na de vereeniging met hem zal hij bedrog plegen, en hij zal optrekken, en hij zal met weinig volks gesterkt worden. 24 Met stilheid zal hij ook in de vette plaatsen des landschaps komen, en hij zal doen, dat zijne vaders, of de vaders zijner vaderen, niet gedaan hebben : roof, en buit, en goederen, zal hij onder hen uitstrooijen; en hij zal tegen de vastigheden zijne gedachten denken, doch tot eenen zekeren tijd toe. 25 En hij zal zijne kracht en zijn hart verwekken tegen den koning van het Zuiden, met eene groote heirkracht; en de koning van het Zuiden zal zich in den strijd mengen met eene groote en zeer magtige heirkracht; doch hij zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken. 26 En die de stukken zijner spijze zullen eten, zullen hem breken, en de heirkracht deszelven zal overstroomen, en vele verslagenen zullen vallen. 27 En het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en aan eene tafel zullen zij leugen spreken; en het zal niet gelukken, want het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd. 28 En hij zal in zijn land wederkeeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond ; en hij zal het doen, en wederkeeren in zijn land. 29 Ter bestemder tijd zal hij wederkeeren, en tegen het Zuiden komen, doch het zal niet zijn gelijk de eerste, noch gelijk de laatste reize. |
DANIÃL 11, 12.
781)
|
30 Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal wederkeeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen: want wederkeerende zal hij acht geven op de verlaters des heiligen verbonds. 31 En er zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen liet heiligdom ontheiligen, en de sterkte, en zij zullen het gedurige offer wegnemen, en eenen verwoestenden gruwel stellen. 32 En die goddelooslijk handelen tegen hot verbond , zal hij doen huichelen door vleijerijen; maar het volk, die hunnen God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen. 33 En do leeraars des volks zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door berooving, dagen. 34 Als zij nu zullen vallen, zullen zij met eene kleine hulp geholpen worden; doch velen zullen zich door vleijerijen tot hen vervoegen. 35 En van de leeraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en to reinigen, en wit te maken, tot den tijd van het einde toe: want het zal nog zijn voor eenen bestemden tijd. 36 En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zich zeiven verheffen, en groot maken boven allen God, en hij zal tegen den God der goden a wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat do gramschap voleind zij, want het is vas-telijk besloten, hot zal geschieden. a Dan. 7 : 25. 37 En op do goden zijner vaderen zal hij geen acht geven, noch op do begeerte der vrouwen: hij zal ook op geenen God acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken. 38 En hij zal den god Maüzzim in zijne standplaats eeren; namelijk den god, welken zijne vaders niet gekend hebben, zal hij eeren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente, en met gewenschte dingen. 39 En hij zal de vastigheden der sterkten maken met den vreemden god; dengenen, dien hij kennen zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heerschen over velen, en hij zal het land uitdeden om prijs. |
40 En op den tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stooten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagenen, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in do landen komen, en hij zal ze overstroomon en doortrekken. 41 En hij zal komen in het land des sieraads, en vele landen zullen ter nedergeworpen worden; doch deze zullen zijne hand ontkomen, Edom en Moab, en de eerstelingen der kinderen Amnions. 42 En hij zal zijne hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen. 43 En hij zal heerschen over de verborgene schatten des gouds en des zilvers, en over al do gewenschte dingen van Egypte; en die van Libye, en de Mooren zullen in zijne gangen wezen. 44 Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grooto grimmigheid om velen te verdelgen en te verbannen. 45 En hij zal de tenten van zijn paleis planten tusschen de zeeën aan den berg dos heiligen sieraads; en hij zal tot zijn einde komen, en zal geenon helper hebben. HOOFDSTUK 12. Do verlossing van Gods volk, vs. 1. Hoe lang de zwarigheden nog duren zonden, 4. Daniël begeert dit te weten, (i; do ongel geeft hot hem te konnon, 7; doch Daniël verstond het niet, 8; hom wordt bevolen zich gerust te houden , 13. EN te dier tijd zal Michaël opstaan, die groote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benaauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sints dat er eon volk geweest is, tot op dienzolven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. 2 En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, quot; dezen ten eeuwigen loven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. n Matt. 25:46. Joh. 5:29. 3 Do leeraars nu zullen quot;blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen regtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglij k. a Matt. 13:43. 4 En gij, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde: velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden. 5 En ik, Daniël, zag, en ziet, er stonden twee anderen, de een aan deze zijde van den oever der rivier, en de ander aan gene zijde van den oever der rivier. 6 En hij zeide tot den man, quot;bekleed met lin- |
HOSÃA 1 , 2.
790
|
nen, die boven op het water der rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen? «Dan. 10:5. 7 En quot; ik hoorde dien man, bekleed met linnen, die boven op het water van de rivier was, en hij hief zijne regter- en zijne linkerhand op naar den hemel, en zwoer bij Dien, die eeuwiglijk leeft, dat na eenen bestemden tijd, bestemde tijden, en eene helft, en als hij zal voleind hebben te verstrooijen de hand des heiligen volks, al deze dingen voleind zullen worden. oOpenb. 10:5, 0. H Dit hoorde ik, doch ik verstond hot niet; en ik zeide: Mijn Ileere! wat zal hot einde zijn van deze dingen? |
9 En hij zeide: Ga honen, Daniël! want deze woorden zijn toegesloten on verzegeld tot den tijd van het einde. 10 Velen zullen or gereinigd, en wit gemaakt, en gelouterd worden; doch do goddoloozen zullen goddelooslijk handeion, en geone van do goddoloozen zullen hot verstaan , maar de verstandigen zullen het verstaan. 11 En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend twee honderd en negentig dagen. 12 Welgelukzalig is hij, die verwacht on raakt tot duizend drie honderd vijf on dertig dagen. 13 Maar gij, ga henen tot hot einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde dor dagen. |
DE PROFEET HOSÃA.
|
HOOFDSTUK 1. Do tijd, wanneer Hoséa heeft geprofeteerd, vs. 1. Op Gods bevel beeldt hij Israels geestelijke hoererij en Gods oordeelen af door liet huwelijk niet Goraer, 2; on verwekt bij haar Jizreël, 4; Lo-Rueharaa, 6; en Lo-Ammi, 8. God belooft evenwel zijne Kerk door den Messias heerlijk weder op te rigten uit Joden en Heidenen, 10. HET woord dos Heeren, dat geschied is tot Hoséa, den zoon van Boöri, in de dagen van Uzzia , Jotham , Achaz, Hizkfa , koningen van Juda, en in de dagen van Jeróboam, zoon van Joas, koning van Israël. 2 Het begin van het woord des Heeren door Hoséa. De Heere dan zeide tot Hoséa: Ga henen, noem u eene vrouw der hoererijen, en kinderen dor hoererijen; want het land hoereert ganschelijk van achter don Heere. 3 Zoo ging hij henen, en nam Gomer, eene dochter van Diblaïm; en zij ontving, en baarde hem eenen zoon. 4 En de Heere zeide tot hem: Noem zijnen naam Jizreël, want nog een weinig tijds, zoo zal Ik do bloedschulden van Jizreël bezoeken over hot huis van Jelui, en zal hot koningrijk van het huis van Israël doen ophouden. 5 En hot zal te dien dage geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken zal, in het dal van Jizreël. (i En zij ontving wederom, en baarde eene dochter; en Hij zeide tot hem: Noem haren naam Lo-Ruchama: want Ik zal Mij voortaan niet moer ontfermen over hot huis Israëls, maar Ik zal zo zekerlijk wegvoeren. 7 Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal zo verlossen door don Heere, hunnen God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren. |
8 Als zij nu Lo-Ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde eenen zoon. 9 En Hij zeide: Noem zijnon naam Lo-Ammi; want gijlieden zijt mijn volk niet, zoo zal Ik ook de uwe niet zijn. 10 Nogtans zal hot getal dor kinderen Israëls zijn als het quot;zand dor zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; ''en het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn; Gijlieden zijt mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods. «Gen. 32:12. 6 Rom. 9:25, 20. 11 En de kinderen van Juda, en do kinderen Israëls zullen quot; zamonvergaderd worden, en zich een eenig hoofd stellen, en uit het land optrekken : want de dag van Jizreël zal groot zijn. aJes. 11:13. Jor.3:18. Ezec.37:10,22. Efez.2:14,15,16. 12 Zegt tot uwe broederen, Ammi; en tot uwe zusteron, Ruchama. HOOFDSTUK 2. God boveolt den geloovigon, die in Israël overig waren, met den ganschon afvalligen hoop hunner medebroeders le twisten on hun Gods straffen voor oogen te stollen, van wego hunne gruwelijke afgoderij en ondankbaarheid, vs. 1. Hij belooft daarna zijne Kerk to herstellen en overvloedig to zegenon in den tijd van den Messias, 14. TWIST tegen ulieder moeder, twist, omdat zij mijne vrouw niet is, en Ik haar man niet ben; cn laat zo hare hoererijen van haar aangezigt, eu hare over speler ij en van tusschen hare borsten wegdoen. 2 Opdat Ik ze niet naakt uitstroope, en zette ze als ten dage, toen zij geboren werd: ja make zo als eene woestijn, en zette ze als een dor land, en doode ze door dorst; 3 En Mij barer kinderen niet ontferme, omdat zij kinderen der hoererijen zijn. |
IIOSÃA 2, 3, 4.
791
|
4 Want hunlieder moedor hoereert, die henlieden ontvangen heeft, handelt schandelijk: want zij zegt: Ik zal mijne boelen nagaan, die viij mijn brood en mijn water, mijne wol, en mijn vlas, mijne olie en mijnen drank geven. 5 Daarom, ziet, Ik zal uwen weg met doornen betuinen, en Ik zal eenon heiningmuur maken, dat zij hare paden niet zal vinden. 6 En zij zal hare boelen naloopen, maar dezelve niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maarniet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal henengaan en keeren weder tot mijnen vorigen man, want toen was mij beter dan nu. 7 Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en den most, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dlt;it zij tot den Baal gebruikt bobben. 8 Daarom zal ik wederkomen, en mijn koren wegnemen op zijnen tijd, en mijnen most op zijnen gezetten tijd; en Ik zal wegrukken mijne wol en mijn vlas, dienende om hare naaktheid te bedekken. 9 En nu zal Ik hare dwaasheid ontdekken voor de oogen barer boelen: en niemand quot; zal haar uit mijne hand verlossen. a Hos. 5 :14. 10 En Ik zal doen ophouden al hare vrolijkheid, hare feesten, hare nieuwe maanden, en hare sabbaten, ja al hare gezette hoogtijden. 11 En Ik zal verwoesten haren wijnstok en haren vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijne boelen gegeven hebben; maar Ik zal ze stellen tot een quot;woud, en het wild gedierte des velds zal ze vreten. a Ps. 80 : 13. .les. 5 : 5. 12 En Ik zal over haar bezoeken de dagen des Baiils, waarin zij dien gerookt heeft, en zich versierd met haar voorhoofdsiersel, en haar halssieraad, en is hare boelen nagegaan, maar heeft Mij vergeten, spreekt de Heere. 13 Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken. 14 En Ik zal haar geven hare wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot eene deur der hoop; en aldaar zal zij zingen, als in do dagen barer jeugd, en als ton dage, toen zij optoog uit Egypteland. 15 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere, dat gij Mij noemen zult: Mijn man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baal. Ki En Ik zal de namen der Baiils van haren mond wegdoen; en zij zullen niet meer bij hunne namen gedacht worden. 17 En Ik zal te dien dage een verbond voor hen maken met het quot; wild gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels, en het kruipend gedierte des aardbodems; en Ik zal den boog, en het zwaard, en den krijg van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen. a Job 5 : 23. Jes. 11 : (i. Ezeo. 14 : 21. 34 : 25. |
18 En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja Ik zal u Mij ondertrouwen in geregtigheid en in gerigt, en in goedertiereniieid en in barmhartigheden. 1!) En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; quot; en gij zult den Heere kennen. «Jor. 31:33, 34. 20 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhooren zal, spreekt de Heere; Ik zal den hemel verhooren, en die zal de aarde verhooren. 21 En de aarde zal het koren verhooren, mitsgaders den most en de olio; en die zullen Jizreël verhooren. 22 En Ik zal ze Mij op de aarde zaaijen, en zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama; en Ik quot; zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt mijn volk; en dat zal zeggen: O mijn God! a Hos. 1 : 10. Kom. 9:20. 1 l'otr. 2: 10. HOOFDSTUK 3. Door hot huwelijk on lang stilzitten eener overspolores beveelt God den protect af te beelden den toekom-stigon langdurigon vervallen staat van Israël, waarna ten laatste hunne bekeering tot Christus zal volgen. EN de Heere zeide tot mij: Ga wederom henen, bemin eene vrouw, die, bemind zijnde van haren vriend, nogtans overspel doet: gelijk de Heere de kinderen Israels bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen do flesschen der druiven. 2 En ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen, en oenen bomer gerst, en oenen halven homer gerst. 3 En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen na mij quot;blijven zitten, (gij zult niet hoereren, noch eenen anderen man geworden) en ik ook na u. a Dout. 21:11. 4 Want de kinderen Israels zullen vele dagen blijven zitten, quot;zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgerigt beeld, en zonder efod en terafim. a Hos. 10 : 3. 5 Daarna zullen zich do kinderen Israels bekee-ren, en zoeken den Heere, hunnen God, on quot;David, hunnen koning; en zij zullen vreezende komen tot den Heere en tot zijne goedheid, Mn het laatste der dagen. «Jor. 30:9. Ezec. 34:23. 37:22. i Jes. 2:2. Micha4:l. HOOFDSTUK 4. God scheldt on bedreigt Israël ernstig, orn de alge-moene boosheid on hardnekkigheid van iiot volk, de profeten en de priesters, vs. 1 ; bijzonder om hunne gruwelijke ongebondone geestelijke en ligeha-melijke hoererij, 12. Hij waarschuwt Juda, om Israels voorbeeld niet te volgen, met voorzegging van het verderf, dat hun boven bothoofd hing, 15. HOORT des Heeren woord, gij kinderen Israels! want de Heere hoeft eenen quot; twist met de inwoners dos lands, omdat er geene trouw, on geene weldadigheid, en geene kennis van God in hot land is ; « Micha 6 : 2. 2 Maar vloeken en liegen, en doodslaan, en stelen, en overspel doen; zij breken door, en bloedschulden raken aan bloedschulden. |
IIOSÃA 4, 5.
792
|
3 Daarom zal het land treuren, en oen iegelijk, die daarin woont, kwelen, met het gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels; ja ook de visschen der zee zullen weggeraapt worden. 4 Doch niemand twiste noch bestrafte iemand: want uw volk is als die met den priester twisten. 5 Daarom zult gij vallen bij dag, ja zelfs de profeet zal met u vallen bij nacht; en Ik zal uwe moeder uitroeijen. 6 Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is; dewijl gij de kennis verworpen hobt, heb Ik u ook verworpen, dat gij Mij het priesterambt niet zult bedienen; dewijl gij de wet uws Gods vergeten hebt, zal Ik ook uwe kinderen vergeten. 7 Gelijk zij meerder geworden zijn, alzoo hebben zij togen Mij gezondigd: Ik zal hunliedor eer in schande veranderen. 8 Zij eten de zonde mijns volks, en verlangen, een ieder met zijne ziel, naar hunne ongerogtigheid. 9 Daarom, quot; gelijk het volk, alzoo zal do priester zijn; en Ik zal zijne wegen over hem bezoeken, en zijne handelingen hom vergolden. a Jes. 24 : 2. 10 quot;En zij zullen eten, maar niet zat worden, zullen hoereren, maar niet uitbreken in menigte: want zij hebben nagelaten den Heere in acht te nemen. a Miclw 0; 14. 11 Hoererij, en wijn, en most noemt het hart weg. 12 Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekend maken: want quot; de geest dor hoererijen verleidt hen, dat zij van onder hunnen God weghoereren. a Hos. 6: 4. 13 Op de hoogten dor quot; bergen offeren zij, en op do '' heuvelen rooken zij, onder oenen oik, en populier, 'en ijpenboom, omdat derzelver schaduw goed is; daarom hoereren uwe dochteren, en uwe bruiden bedrijven overspel. a Jes. 57:7. h Ezec. 20:28. cJes. I : 20. 14 Ik zal over uwe dochteren geene bezoeking doen, omdat zij hoereren, en over uwe bruiden, omdat zij overspel doen: want zij zolven scheiden zich af met de hoeren , en offeren met de snoodste hoeren: hot volk dan, dat geen verstand heeft, zal omgekeerd worden. 15 Zoo gij, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt gij toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-Avon, en zweert niet: Zoo waarachtig ah do Heere leeft! 16 Want Israël is onbandig, als eene onhandige koe; nu zal hen de Heere weidon, als een lam in de ruimte. 17 Efraïm is vergezeld met do afgoden, laat hom varen. 18 Hunliedor zuiperij is afvallig; zij doen niet dan hoereren; hunne schilden (hot is eene schande!) beminnen het woord: Gooft. 19 Eon wind hooft hen gebonden in zijne vleugelen, en zij zullen beschaamd worden van wogo hunne offeranden. |
HOOFDSTUK 5. Verdere strafprediking van Gods oordeelen door do vijanden over alle standen van Israël en mede over Juda, wegens geweldenarij en afgodendienst, met ontzegging van alle goddelijke on monsoholijko hulp in hunne nooden, vs. 1; niet eene bijgevoegde profetie hunner toekomstige bekeering, 15. HOORT dit, gij priesters! en merkt op, gij huis Israels! on noemt ter ooren, gij huis des konings! want ulieden gaat dit oordeel aan, omdat gij een strik zijt geworden te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor. 2 En die afwijken, verdiepen zich om te slagten; maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn. 3 Ik ken Efraïm, en Israël is voor Mij niet verborgen: dat gij, o Efraïm! nu hoereert, ere Israël verontreinigd is. 4 Zij stellen hunne handelingen niet aan, om zich tot hunnen God te bekeeren; want quot; do geest der hoererijen is in liet midden van hen, en den Heere kennen zij niet. «Hos. 4:12. 5 quot; Dies zal Israels hoovaardij in zijn aangozigt getuigen; en Israël en Efraïm zullen vallen door hunne ongerogtigheid: ook zal Juda met hen vallen. a Hos. 7 : 10. 6 Met hunne schapen, en met hunne runderen zullen zij dan gaan, om den Heere te zookon, maar niet vinden; Hij hooft zich van hen onttrokken. 7 Zij hebben trouwelooslijk gehandeld togen don Heere; want zij hebben vreemde kindoren gewonnen : nu zal hen de nieuwe maand verteren mot hunne doelen. 8 Blaast de bazuin to Gi'bea, de trompet te Rama ; roept luide te Beth-Aven; achter u. Benjamin! 9 Efraïm zal tot verwoesting worden, ton dage dor straf; onder de stammen Israëls heb Ik bekend gemaakt, dat gewis is. 10 De vorston van Juda zijn geworden, gelijk die de landpalen verrukken: Ik zal mijne verbolgenheid , als water, over hen uitgieten. 11 Efraïm is verdrukt, hij is verpletterd met regt: want hij hooft ^oo gewild, hij heeft gewandeld naar hot gebod. 12 Daarom zal Ik Efraïm zijn als eene mot, en den huizo van Juda als eene verrotting. 13 Als Efraïm zijne krankheid zag, en Juda zijn gezwel, zoo toog Efraïm tot Assur, on hij zond tot den koning Jareb; maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet heelon. 14 Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en den huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en honengaan; Ik zal wegvoeren, en quot; er zal geen redder zijn. alios. 2:9. 15 Ik zal honengaan en koeren weder tot mijne plaats, totdat zij zich zolven schuldig kennen en mijn aangezigt zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken. |
IIOSÃA 6, 7, 8.
|
HOOFDSTUK 6. Do boetvaardige Israëlieten worden ingevoerd, elkander vermanende tot bekeering, met vertrouwen op Gods genade, vs. 1. Gods klagt over Israels onbestendigheid in het goede en hardnekkigheid in het kwade, 4. KOMT en laat ons wederkeeren tot don Heere, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij hoeft geslagen, en Hij zal ons verbinden. 2 Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor zijn aangezigt leven. 3 Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, oin den Heeue te kennen, zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen des lands. 4 Wat zal Ik u doen, o Efraïm! wat zal Ik u doen, o Juda! dewijl uwe weldadigheid is als eene morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die henengaat. ó Daarom heb Ik hen behouwen door do profeten ; Ik heb ze gedood door de redenen mijns monds; en uwe oordeelen zullen voortkomen aan het licht. 6 Want quot;Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis Gods, meer dan tot brandofferen. a Matt. !): 13. 12 : 7. 7 Maar zij quot; hebben het verbond overtreden als Adam; daar hebben zij trouwelooslijk tegen Mij gehandeld. «Hos. 8:1. 8 Gilead is eene stad van werkers der ongereg-tigheid, zij is betreden van bloed. (J Gelijk do benden der straatschenders op iemand wachten, alzoo is het gezelschap der priesteren; zij moorden op den weg naar Sichem; waarlijk, zij doen schandelijke daden. 10 Ik zie eene afschuwelijke daad in het huis Israels; aldaar is Efraïms hoererij, Israël is verontreinigd. 11 Ook heeft hij u, o Juda! oenen oogst gezet, als Ik de gevangenen mijns volks wederbragt. HOOFDSTUK 7. God klaagt voorts over don algemeenon ijver in allerlei grovo zonden, die zoowel aan het hof onder do aanzienlijken, als onder den gemeenon man de overhand hadden, als: valschheid, stelon, rooven, boosheid, leugen, goddelooze verbindtenissen, dronkenschap, spotternij en heidensche verbonden, vs. 1; gepaard met eene domme hoovaardij, verhardheid en ongevoeligheid, 8. God voorzegt hun zijne regt-vaardige straften, 12. Verdere klagt over hunne huichelarij en onbekeerlijkheid, 13. TERWIJL Ik Israël genees, zoo wordt Efraïms ongeregtigheid ontdekt, mitsgaders de boosheden van Samaria: want zij werken valschheid; en de dief gaat er in, de bende der straatschenders stroopt daar buiten. 2 En zij zeggen niet in hun hart, dat Ik al hunner boosheid gedachtig ben; nu omsingelen hen hunne handelingen, zij zijn voor mijn aangezigt. |
3 Zij verblijden den koning met hunne boosheid, en do vorsten met hunne leugenen. 4 Zij bedrijven al te zamen overspel, zij zijn gelijk een bakoven, die heet gemaakt is van den bakker; die ophoudt van wakker te zijn, nadat hij het deeg heeft gekneed, totdat het doorge-zuurd zij. 5 Het is do dag onzes konings; de vorsten maken hem krank door verhitting van den wijn; hij strekt zijne hand voort mot de spotters. G Want zij voeren hun hart aan, als eenen bakoven, tot hunne lagen; hunlieder bakker slaapt den ganschen nacht; 's morgens brandt hij als een vlammend vuur. 7 Zij zijn al te zamen verhit als een bakoven , en zij verteren hunne regters; al hunne koningen vallen; er is niemand onder hen, die tot Mij roept. 8 Efraïm, die «verwart zich met do volken; Efraïm is een koek, die niet is omgekeerd: « Ps. 106:35. 9 Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de graauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet. 10 quot; Dies zal de hoovaardij van Israël in zijn aangezigt getuigen; dewijl zij zich niet bekeeren tot den Heere, hunnen God, noch Hem zoeken in alle dezen. a Hos. 5 : 5. 11 Want Efraïm is als eene botte duif, zonder hart; zij roepen Egypte aan, zij gaan henen tot Assur. 12 Wanneer zij zullen henengaan, zal Ik mijn net over hen uitspreiden. Ik zal ze als vogelen des hemels doen nederdalen ; Ik zal ze tuchtigen, gelijk gehoord is in hunne vergadering. 13 Wee hen, want zij zijn van Mij afgezworven; verstoring over hen, want zij hebben tegen Mij overtreden! Ik zou hen wel verlossen, maar zij spreken leugenen tegen Mij. 14 Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hunne legers; om koren en most verzamelen zij zich, maar zij wederstreven tegen Mij. 15 Ik heb hen wel getuchtigd, en hunlieder armen gesterkt; maar zij denken kwaad tegen Mij. 10 Zij koeren zich, maar niet tot den Allerhoogste, zij zijn quot; als een bedriegelijke boog; hunne vorsten vallen door het zwaard, van wege de gramschap hunner tong: dit is hunlieder bespotting in Egypteland. a Ps. 78 : 57. HOOFDSTUK 8. God verkondigt Israël des vijands aankomst, die hen vervolgen, uitroeijen, wegvoeren en hunne land-vruchten verteren zal, omdat zij God, zijn verbond, wet en alle heilzame leeringen, in een woord, liet goede hebben vergeten, verlaten, veracht, een eigen koningrijk zonder God opgerigt, allerlei afgoderij, huichelsche godsdienst, inzonderheid de verfoeije-lijke kalverdienst en heidensche verbonden gesticht en gezocht hebben, vs. 1. Gods bedreiging ook aan Juda. 14. |
HOSÃA 8, !).
7!)-!
|
DE bazuin aan uwen mond; hij komt als een quot; arend tegen hot huis des Heeren : omdat zij mijn ''verbond hebben overtreden, en zijn tegen mijne wet afvallig geworden. a Dent. 28:49. 6 Hos. (i; 7. 2 Dan zullen zij tot Mij roepen: Mijn God! wij, Israël, kennen U. 3 Israël heeft het goede verstooten; do vijand zal hom vervolgen. 4 Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zich zeiven afgoden gemaakt, opdat zij uitgerooid worden. 5 Uw kalf, o Samaria! hoeft n verstooten; mijn toorn is tegen bon ontstoken: hoe lang zullen zij do reinighoid niet verdragen? (i Want dat is ook uit Israël; oen werkmeester hooft hot gemaakt, en het is geen God, maar het zal tot stukken worden, hot kalf van Samaria. 7 Want zij hebben wind gezaaid, en zullen oenen wervelwind maaijen; hot zal geen staande koren hebben, hot uitspruitsel zal goon meel maken: of hot misschien maakte, vreemden zullen het verslinden. 8 Israël is verslonden; nu zijn zij onder de Heidenen geworden, gelijk een vat, waar men goonen lust toe hooft. 9 Want zij zijn opgetogen naar Assur, eenen woudezel, die alleen voor zich zei ven is; die van Efraïm hebben boelen om hoeronloon gehuurd. 10 Dewijl zij dan onder de Heidenen boelen om hoeronloon gehuurd hebben, zoo zal Ik die nu ook verzamelen ; ja zij hebben al een weinig begonnen , van woge den last van den koning dor vorsten. 11 Omdat Efraïm do altaren vermenigvuldigd hooft tot zondigen, zoo zijn hem de altaren geworden tot zondigen. 12 Ik schrijf hem do voortroffelijkheden mijner wet voor; maar die zijn geacht als wat vreemds. 13 Aangaande do offeranden mijner gaven, zij offeren vloosch, en eten hot, maar do Heere heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hunner ongorogtighoid gedenken, en hunne zonden bezoeken; zij zullen weder in Egypte koeren. 14 Want Israël heeft zijnon Maker vergoten, on tempelen gebouwd, on Juda heeft vaste steden vorinenigvuldigd; maar Ik zal oen vuur zenden in zijne steden, dat zal hare paleizen verteren. HOOFDSTUK 9. God verwijt Israël Je afgodische vreugde in den oogsttijd, vs. 1; die Hij hun wel zal benemen dooiden toekomstigen honger, wegvoering naar Assyrië, hot ontberen van de openbare godsdienst, treuren en verwoesting van hun land, 2. Tegenstelling van valsche en ware profeten, 7. Verdere klagt over Israels diepe verdorvenheid, even als hunne ondankbare afgodische voorvaderen, 9. Gods bedreiging met straffen van onvruchtbaarheid en kindermoord, 11. Gebed van don profeet om vermindering der straffen, 14. Verder verhaal van hunne afgoderij, met aanzegging van Gods toorn en straffen, 1!). |
VERBLIJD u niet, o Israël! tot opspringons toe, gelijk do volken; want gij hoereert van uwen God af, gij hebt hoeronloon lief, op alle dorsch-vloeren dos korens. 2 De dorschwloev en de wijnkuip zal henlieden niet voeden; en do most zal hun liegen. 3 Zij zullen in des Heeren land niet blijven; maar Efraïm zal weder in Egypte koeren, en zij zullen in Assyrië het onreine eten. 4 Zij zullen don Heere geene drankofferen doen van wijn, ook zouden zij Hem niet zoet zijn, hunne offeranden zouden hun zijn als treurbrood: allen, die dat zouden eten, zouden onrein worden: want hun brood zal voor hunne ziel zijn, hot zal in dos Heeren huis niet komen. 5 Wat zult gijlieden dan doen op oenen gozotten hoogtijdsdag, on op oenen feestdag des Heeren? 0 Want ziet, zij gaan daarhenen van woge do verstoring; Egypte zal ze verzamelen, Mof zal zo begraven: begeerte zal er zijn naar hun zilver, netolon zullen hen erfelijk bezitten, doornon zullen in hunne tonton zijn. 7 De dagen der bezoeking zijn gekomen, do dagen dor vergelding zijn gekomen; die van Israël zullen hot gewaar worden: de profeet is een dwaas, do man dos geostes is onzinnig; om do grootheid uwer ongorogtighoid is de haat ook groot. 8 Do wachter van Efraïm is met mijnen God; maar do profeet is oen vogelvangers strik op al zijne wogen, een haat in het huis zijns Gods. 9 Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibea; Hij zal hunner ongorogtighoid gedenken. Hij zal hunne zonden bezoeken. 10 Ik vond Israël als druiven in do woestijn. Ik zag uwe vaderen als do eerste vrucht aan don vijgoboom in haar beginsel; maar zij gingen in a tot Baal-Peor, en zonderdon zich af tot die schaamte, en werden gansch vorfoeijelijk na hunne boelerij. a Num. 25:3. Ps. 10(3:28. 11 Aangaande Efraïm, hunliodor heerlijkheid zal wegvliegen als een vogel; van de geboorte, on van moeders buik, en van de ontvangenis af. 12 Ofschoon zij hunne kinderen mogton groot maken, Ik zal er hen toch van berooven, dat zij onder de menschen niet zullen zijn: want ook, wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn! 13 Efraïm is, gelijk als Ik Tyrus aanzag, die geplant is in een liefelijke woonplaats; maar Efraïm zal zijne kindoren moeten uitbrengen tot don doodslager. 14 Geef hun, Heere! Wat zult Gij geven? Geef hun eeno quot;misdragende baarmoeder, en uitdroo-gende borsten. «Luk. 23:29. 15 Al hunne boosheid is te quot;Gilgal, want daar heb Ik zo gehaat, om de boosheid hunner handelingen; Ik zal ze uit mijn huis uitdrijven, Ik zal ze voortaan niet moer liefhebben; al hunne b vorston zijn afgevallen. alios. 4:15. 12: 12. 6Jos. 1:23. |
HOSE A !), 10, 11.
|
1G Efraïm is geslagen, hunlieder wortel is verdord, zij zullen geene vrucht voortbrengen; ja ofschoon zij genereerden, zoo zal Ik toch de gewenschte vruchten van hunnen buik dooden. 17 Mijn God zal ze verwerpen, omdat zij naar Hein niet hooren; en zij zullen omzwervende zijn onder de Heidenen. HOOFDSTUK 10. God klaagt over Israels ondankbaarheid, afgoderij, (inzonderheid met de gouden kalveren), meineed, goddeloosheid, verkeerdheid en ijdei vertrouwen op hunne handelingen en helden, alles tegen zijne getrouwe vermaningen; waarom Hij hun voorzegt de vernieling van al hot afgodische gereedschap, wegvoering der gouden kalveren, tot hunne schande en schaamte, alsmede den ondergang van hunnen koning en van hunnen weelderigen staat, niet zware benaauwdheid en troosteloosheid, en al deze aanstaande ellenden, die hun door vijandige volken, naar zijn regtvaardig oor-deel, zouden overkomen. ISRAEL is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt ïw-der vrucht voor zich; maar naaide veelheid zijner vrucht heeft hij de quot; altaren vermenigvuldigd ; naar de goedheid zijns lands, hebben zij de opgerigte beelden goedgemaakt. a Hos. 8:11. 2 Hij heeft hun hart verdeeld, nu zullen zij verwoest worden; Hij zal hunne altaren doorhouwen, Hij zal hunne opgerigte beelden verstoren. 3 Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben quot; gee-nen koning: want wij hebben den Heere niet gevreesd; wat zou ons dan oen koning doen? a Hos. 3 : 4. 4 Zij hebben woorden gesproken, valschelijk zwerende in het verbond maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groenen, op de voren der velden. 5 De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-Aven: want zijn volk zal over hetzelve treuren, mitsgaders zijne Chema-ritn, {die zich over hetzelve verheugden) over zijne heerlijkheid, omdat zij van hetzelve is weggevaren. 6 Ja datzolve zal naar Assur gevoerd worden, tot een geschenk voor den koning Jareb: Efraïm zal schaamte behalen, en Israël zal beschaamd worden van wege zijnen raadslag. |
7 De koning van Samaria is afgehouwen, als schuim op het water. 8 En de hoogten van Avon, Israels zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen: en quot;zij zullen zeggen tot de borgen: Bedekt ons! en tot do heuvelen: Valt op ons! a.los. 2 : li). Luk. 23 : 30. Openb. (i: 10. !): G. 9 Sints de dagen van quot; Gïbea, hebt gij gezondigd, o Israël; daar zijn zij staande gebleven; de strijd te (Jiboa, tegen de kinderen der ver-koordheid, zal zo niet aangrijpen. «Hos. !):!). 10 Het is in mijn lust, dat Ik ze zal binden: en volken zullen tegen henlieden verzameld worden , als Ik ze binden zal in hunne twee voren. 11 Dewijl Efraïm eeno vaars is, gewend gaarne to dorschen, zoo ben Ik over de schoonheid van haren hals overgegaan; Ik zal Efraïm berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen. 12 Zaait u tot geregtigheid , maait tot weldadigheid ; quot; braakt u een braakland: dewijl het tijd is den Heere to zoeken , totdat quot;ij kome, en over u de geregtigheid regene. r/Jcr. 4:3. 13 Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht der leugen gegeten: want gij hebt vertrouwd uwer helden, yedruisch ontstaan op uwen weg, op do veelheid 14 Daarom zal er een groot onder uwe volken, en al uwe vestingen zullen verstoord worden, gelijk Salman Beth-Arbel verstoorde ten dage des krijgs; de moedor werd er verpletterd met de zonen. 15 Alzoo hoeft Beth-El ulieden gedaan, vanwege de boosheid uwer boosheid; Israëls koning is in den dageraad ten eenemaal uitgeroeid. HOOFDSTUK 11. Gods nederbuigende liefde jegens Israël, van Egypte af (waaronder eenc profetie van Christus verborgen is), met eeno tegenstelling van hunne ongehoorzaamheid, afgoderij, ondankbaarheid en hardnekkigheid, vs. 1â4, 7; waarom zij naar AssyriO gevoerd en wreed behandeld zullen worden, 5,6. Belofte van genadige matiging dor stral' en Israëls bekeering tot Christus door de verkondiging van het Evangelie, 8. ALS Israël een kind was, toon heb Ik hem liefgehad, en quot;Ik heb mijnen zoon uit Egypte geroepen. a Matt. 2 :15. |
HOSÃA 11, 12, 13.
|
2 Maar gelijk zij henlieden riepen, al zoo gingen zij van hun aangezigt weg; zij offerden den Baiils, en rookten den gesnedenen beelden. 3 Ik nogtans leerde Efraïin gaan; Hij nam ze op zijne armen, maar zij bekenden niet, dat Ik ze genas. 4 Ik trok ze met menschenzelen, met touwen der liefde, en was hun, als degenen, die het juk van op hunne kinnebakken opligten, en Ik reikte hem voeder toe. 5 Hij zal in Egypteland niet wederkeeren, maar Assur, die zal zijn koning zijn: omdat zij zich weigeren te bekeer en. G En het zwaard zal in zijne steden blijven, en zijne grendelen verteren, en opeten, van wege hunne beraadslagingen. 7 Want mijn volk blijft hangen aan de afkeering van Mij; zij roepen het wel tot den Allerhoogste, maar niet een verhoogt Hem. 8 Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren , o Israël ? hoe zou Ik u maken als quot; A'dama? u stellen als Zebóïm? mijn hart is in Mij omgekeerd, al mijn berouw is te zamen ontstoken. a Gen. 19:24. i) Ik zal de hittigheid mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeeren om Efraïm te verderven: want Ik ben God en geen mensch, de Heilige in het midden van u, en Ik zal in de stad niet komen. 10 Zij zullen den Heere achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw: wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen. 11 Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als eene duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hunne huizen, spreekt de Heere. HOOFDSTUK 12. 1 vlagt over Efraïm on Juda, vs. 1; door voorstellingen van Gods weldaden aan lumnen voorvader Jakob, on voorts hun allen bewezen, worden zij vermaand tot bekeering, 4, 13 on 14. Hnnno onregtvaardig-lieid en bedrog in allen koophandel, trotsohheid, onbeschaamdheid en afgoderij verwekken Gods zwa-ren toorn, 8, 9, 12, 15; invoeging eener belofte van genade, 1U, 11. DIE van Efraïm hebben Mij omsingeld met leugen, en het huis Israels met bedrog; maar Juda heerschte nog met God, en was met de heiligen getrouw. 2 Efraïm weidt zich met wind, en jaagt den oostewind na; den ganschen dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd. 3 Ook hoeft de Heere eenen twist met Juda, en Hij zal bezoeking doen over Jakob naar zijne wegen, naar zijne handelingen zal Hij hem vergelden. 4 In moeders buik quot; hield hij zijnen broeder bij de verzenen; en in zijne kracht droeg hij zich vorstelijk h met God. a Gen. 25: 20. b Gen. 35 :9, 10. |
5 Ja hij droeg zich vorstelijk tegen den Engel, en ovormogt Hem; hij weende en smeekte Hem. Te quot; Beth-El vond hij Hem, en aldaar sprak Hij met ons: a Gen. 28:12, 19. 35:7, 14, 15. 6 Namelijk, de Heere, de God der heirscharen, Heere is zijn gedenknaam. 7 Gij dan bekeer u tot uwen God, bewaar weldadigheid en regt, en wacht geduriglijk op uwen God. 8 In des koopmans hand is eene bedriegelijke weegschaal, hij bemint te verdrukken : 9 Nog zegt Efraïm: Evenwel ben ik rijk geworden , ik heb mij groot goed verkregen; in al mijnen arbeid zullen zij mij geene ongeregtigheid vinden, die zonde zij. 10 Maar Ik ben de Heere, uw God, quot; van Egypteland af; Ik zal u nog in tenten doen wonen, als in de dagen der zamenkomst; aJes. 43:11. 11 En Ik zal spreken tot de profeten, en Ik zal liet gezigt vermenigvuldigen; en door de dienst der profeten zal Ik gelijkenissen voorstellen. 12 Zekerlijk is quot; Gilead ongeregtigheid, zij zijn enkel ijdelheid; te ''Gilgal offeren zij ossen, ja hunne altaren zijn als s^emhoopen op de voren der velden. a Hos. 0 : 8. ft Hos. 4 : 15. 9:15. 13 quot;Jakob vlood toch naar het veld van Syrië, en Israël diende om eene b vrouw, en hoedde om eene vrouw. «Gen. 28:5, enz. ft Gen. 29:20, 28. 14 Maar de Heere voerde Israël op uit Egypte door eenen profeet, en door eenen profeet werd hij gehoed. 15 Efraïm daarentegen heeft Hem zeer bitterlijk vertoornd; daarom zal Hij zijn bloed op hem laten, en zijn Heere zal hem zijnen smaad vergelden. HOOFDSTUK 13. Efraïms aanzien en heerlijkheid verdwijnt door afgoderij , vs. 1. Afbeeldingen van Gods schrikkelijken toorn over Efraïms snoode ondankbaarheid jegens hunnen eenigen en goeden Heiland van don beginne af, 4. De oorzaak van Israöls verderf en aanstaande nooden is afgoderij, ijdol vertrouwen en domme onboetvaardigheid, 9. Evangelische genadebelofte voor Efraïm na de voorgaande verwoesting, 14. ALS Efraïm sprak, zoo beefde men, hij heeft zich verheven in Israël; maar hij is schuldig geworden aan den Baiil en is gestorven. 2 En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die alte-maal quot; smedenwerk zijn: waarvan zij nogtans zeggen: De menschen, die offeren, zullen de kalveren kussen. alios. 8:0. 3 Daarom zullen zij zijn als eene morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die henengaat; als kaf van den dorschvloer, en als rook uit den schoorsteen wordt weggestormd. 4 Ik ben toch de Heere, uw God, quot;van Egypteland af; daarom zoudt gij geenen God kennen ''dan Mij alleen, want er is geen Heiland dan Ik. a Jes. 43 : 11. Hos. 12 : 10. ft 2 Sam. 22 : 32. Ps. 18 : 32. |
|
5 Ik heb u gekend in de woestijn, in oen zeer heet land, (5 Daarna zijn zij, nadat hunlioder quot;weide was, zat geworden; als zij zat zijn geworden, heeft zich hun hart verheven; daarom hebben zij Mij igt; vergeten. aDeut. 32: 15. /dlos. 8: 14. 7 Dies werd Ik hun als een felle leeuw; als een luipaard loerde Ik op den weg. 8 Ik ontmoette hen als een beer, die van jongen beroofd is, en scheurde het slot huns harten; en Ik verslond ze aldaar als een oude leeuw; het wild gedierte des velds verscheurde hen. 9 Het heeft u bedorven, o Israël! want in Mij is uwe hulp. 10 Waar is uw koning nu? dat hij u behoude in al uwe steden! en uwe rigters, waar gij van zeidet: Geef mij eenen koning en vorsten ? 11 Ik gaf u eenen quot;koning in mijnen toorn, en nam hem weg in mijne verbolgenheid. a 1 Sam. 8:5. 15; 23. 16:1. 12 Efraïms ongeregtigheid is zamengebonden, zijne zonde is opgeleid. 13 Smarten eener barende vrouw zullen hem aankomen; hij is een onwijs kind; want anders zou iiij geenen tijd in de kindergeboorte blijven staan. 14 Doch Ik zal hen van het geweld der hel verlossen, Ik zal ze vrijmaken van den dood: quot;o dood! waar zijn uwe pestilentiën? hel! waar is uw verderf? berouw zal van mijne oogen verborgen zijn. a ,Tes. 25:8. i Cor, 15:55. 15 Want hij zal vrucht voortbrengen onder de broederen; doch er zal een oostewind komen, een wind des Heeren, opkomende uit de woestijn; en zijne springader zal uitdroogen, en zijne fontein zal verdroegen; diezelve zal den schat van alle gewenschte huisraad rooven. HOOFDSTUK 14. Israël wordt vermaand tot ware bekeering ea geloerd, hoe zij daarvan zullen getuigenis geven, vs. 1; met sclioone beloften van do toekomstige genade on zege HOOFDSTUK 1. Do profeet stelt aan liet volk voor, op Gods bevel, de gruwelijke landplaag van allerlei ongedierte, en vermaant hen op te waken en zulks te betrachten, vs. 1; alsmede tot treuren en weeklagen, 8. Hij beveelt to vasten on to bidden, 14. HET woord dos Heeren, dat geschied is tot Joël, den zoon van Pothuël: 2 Hoort dit, gij oudsten! on neemt ter ooren, allo inwoners des lands! Is dit geschied in uwe dagen? of ook in de dagen uwer vaderen? 3 Vertelt uwen kinderen daarvan, en laat het uwe kinderen hunnen kinderen vertellen, en der-zelver kinderen aan een ander geslacht. |
ningen onder don Messias, 4; alsmede vermaning tot vlijtige opmerking, betrachting en nakoming van deze en allo goddelijke leeringen, 10. SAMARIA zal woest worden, want zij is weder-spannig geweest tegen haren God; zij zullen door het zwaard vallen, hunne kinderkous zullen quot; verpletterd, en hunne zwangere vrouwen zullen opengesneden worden. «Hos. 10:14. 2 quot;Bekeer u, o Israël! tot den Heere , uwen God, toe; want gij zijt gevallen oin uwe ongeregtigheid. «Hos. 12:7. 3 Neem deze woorden met u, en bekeer u tot den Heere; zeg tot Hem: Neem weg alle ongeregtigheid , en geef het goede, zoo zullen wij betalen de varren onzer quot;lippen. aIlebr. 13:15. 4 Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: Gij zijt onze God. Immers zal een wees bij U ontfermd worden. 5 Ik zal hunlieder afkeering genezen. Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want mijn toorn is van hem gekeerd. 6 Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeijen als de lelie, en hij zal zijne wortelen uitslaan ais de Libanon. 7 Zijne scheuten zullen zich uitspreiden, en zijne heerlijkheid zal zijn als des olijfbooms, en hij zal eenen reuk hebben als de Libanon. 8 Zij zullen wederkeeren, zittende onder zijne schaduw; zij zullen ten loven voortbrengen als koren, en bloeijon als do wijnstok; zijne gedachtenis zal zijn als do wijn van Libanon. 9 Efraïm! wat heb ik meer met de afgoden te doen ? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zion , Ik zal hem zijn als een groenende donneboom, uwe vrucht is uit Mij gevonden. 10 Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig ? die bokenne zo: want des Heeren wegen zijn regt, en de regtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen. DE PROFEET JOÃL. 4 Wat de rups hoeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat do sprinkhaan heeft overgelaten , hooft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten. 5 Waakt op, gij dronkenen! en weent en huilt, alle gij wijnzuipers! om don nieuwen wijn, dewijl hij van uwen mond is afgesneden. 6 Want een volk is opgekomen over mijn land; magtig en zonder getal; zijne tandon zijn loou-wentanden, en hot hoeft baktanden eens ouden leeuws. 7 Het heeft mijnen wijnstok gesteld tot oone verwoesting, en mijnen vijgeboom tot schuim; IIOSÃA 13, 14. JOÃL 1. 797 |
JOÃL 1, 2.
7!)8
|
hot heeft hom ganschelijk ontbloot cn nedergo-worpen, zijne ranken zijn wit geworden. 8 Kermt, als eene jonkvrouw, die met oenen zak omgord is van wege den man haror jeugd. 9 Spijsoffer en drankoffer is van hot huis des Heeren afgesneden; do priesters, dos Heeren dienaars, treuren. 10 Hot veld is verwoest, hot land treurt: want hot koren is verwoest, do most is verdroogd, de olio is flaauw. 11 De akkerlieden zijn beschaamd, do wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om do garst; want do oogst des velds is vergaan. 12 De wijnstok is verdord, do vijgeboom is flaauw; de granaatappelboom, ook do palmboom en appelboom ; allo boomen des voids zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van do menschon-kinderen. 13 Omgordt u, on rouw-klaagt, gij priesters! huilt, gij dienaars dos altaars! gaat in, vernacht in zakken, gij dienaars mijns Gods! want spijsoffer en drank-offer is geweerd van hot huis uws Gods. 14 quot; Heiligt een vasten, roept eon' verbodsdag uit, verzamelt de oudsten , cn allo inwoners dezes lands, ten huize des Heeren, uws Gods, en roept tot den Heehe. a Joël 2 : 15. 15 Ach, dien dag! want quot; de dag des Heeren is nabij, en zal als eene verwoesting komen van den Almagtige. a Jes. 13:0. Ki Is niet do spijze voor onze oogon afgesneden? blijdschap en verheuging van het huis onzes Gods? 17 De granen zijn onder hunne kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, do schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord. 18 O hoe zuclit liet vee! de rundorkuddon zijn bedwelmd, want zij hebben geeno weide; ook zijn de schaapskudden verwoest. 19 Tot U, o Heere! roep ik: want een vuur hoeft do weiden dor woestijn verteerd, en eene vlam heeft alle boomen des velds aangestoken. 20 Ook schreeuwt elk boost dos voids tot U: want de waterstroomen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weidon der woestijn verteerd. |
HOOFDSTUK 2. Do profeet stol) Zion voor oogen de sohrikkelijkheid van Gods oordeel, vs. I. Vermaant tot hartelijke verootmoediging' en bokeering, 12. Beveelt te vasten en te bidden, 15. Belooft daarop Gods zegen en wegneming van de plaag, 18. Profeteert voorts van tegenwoordige en toekomstige zegeningen en den zaligen staat dor Kerk door de komst van den Messias en uitzending van don Heiligen Geest, 21; met voorzegging van vreesselijke beroerten in de wereld voor de laatste komst van Christus, en van de behoudenis der Kerk, 30. BLAAST de bazuin te Zion, en roept luide op don berg mijner heiligheid; laat allo inwoners des lands beroerd zijn, want quot;de dag des Heeren komt, want hij is nabij. n Joël 1 : 15. Zef. 1 : 14, 15. 2 Eon dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en magtig volk, desgelijke van ouds niet geweest is, en na hetzelve niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten. 3 Voor hetzelve verteert een vuur, en achter hetzelve brandt eene vlam; het land is voor hetzelve als een lusthof, maar achter hetzelve eene woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelve. 4 De gedaante deszel-ven is als de gedaante van paarden, en als ruiters zoo zullen zij loopen. 5 Zij zullen daarhenen springen als een ge-druisch van wagenen, op de hoogten der borgen; als het gedruisch eener vuurvlam, die stoppelen verteert; als een magtig volk, dat in slagorde gesteld is. G Van deszelfs aangezigt zullen de volken in pijn zijn; allo aangezigten zullen betrekken als een pot. 7 Als helden zullen zij loopen, als krijgslieden zullen zij de muren beklimmen; en zij zullen daarhenen trokken, oen iegelijk in zijne wegen, en zullen hunne paden niet verdraaijen. 8 Ook zullen zij de een den ander niet dringen; zij zullen daarhenen trekken elk in zijne baan; en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden. 9 Zij zullen in de stad omloopen, zij zullen loopen op de muren, zij zullen klimmen in de |
JOEL 2, 3.
79!)
|
huizon; zij zullen door de vensteren inkomen ills een dief. 10 De quot; aarde is beroerd voor deszelfs aangezigt, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haren glans in. a Jes. 18:10. Ezec. 32:7. 11 En de Heere verheft zijne stom voor zijn heir henon; want zijn leger is zeer groot, want Hij is magtig, doende zijn woord: want quot; de dag des Heeren is groot en zeer vreesselijk, en wie zal hem verdragen? «Jer. 30:7. Amosö: 18. Zef. 1:15. 12 Nu dan ook, spreekt do Heere, quot; bekoort u tot Mij met uw gansche hart, en dat met vasten en geween, en met rouwklage. rt.lor. 4:1. 13 En scheurt uw hart en niot uwe kleederon, on bekeert u tot den Heere, uwen God: want Hij is quot; genadig en barmhartig, langmoodig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade. «Ex. 34:6. Ps. SG : 15. Jona 4:2. 14 quot;Wie weet. Hij mogt zich wenden en berouw hebben: en Hij mogt eenen zegen achter zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor den Heere, uwen God. aJona 3:9. 15 Blaast de bazuin to Zion, quot; heiligt een vasten, roept een' verbodsdag uit. «Joöl 1 : 14. 1G Verzamelt hot volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt do kinderkous en die do borsten zuigen; do bruidegom ga uit zijne binnenkamer, en de bruid uit hare slaapkamer. 17 Laat de priesters, des Heeren dienaars, weenon tusschen het voorhuis en hot altaar, en laat hen zeggen: Spaar uw volk, o Heere! en geef uwe erfenis niet over tot eeno smaadhoid, dat de Heidonen over hen zouden heerschon; waarom zouden zij onder de volken zeggen: quot; Waar is hunliedor God? a Ps. 42 : 11. 79 : 1U. 115 : 2. 18 Zoo zal de IIeeke ijveren over zijn land, en Hij zal zijn volk vorschoonen. 19 En do Heere zal antwoorden en tot zijn volk zeggen: Ziet, Ik zond uliedon hot koren, en don most, en de olie, dat gij daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u niet moer overgeven tot oone smaadhoid onder de Heidenen. 20 En Ik zal dien van het noorden verre van uliedon doen vertrekken, en hem wegdrijven in oen dor on woest land, zijn aangozigt naar do Oostzee, on zijn einde naar do achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijne vuiligheid zal opgaan; want bij heeft grooto dingen gedaan. 21 Vrees niet, o land ! verheug u, en wees blijde; want de Heere heeft grooto dingen gedaan. 22 Vreest niot, gij beesten dos velds! want do weidon dor woestijn zullen weder jong gras voortbrengen: want het geboomte zal zijne vrucht dragen, do wijnstok en vijgoboom zullen hun vermogen geven. 23 En gij, kinderen van Zion! verheugt u en zijt blijde in den Heere, uwen God: want Hij zal u geven dien Leoraar tor geregtigheid; en |
Hij zal u den regen doen nederdalen, don vroegen regen en don spadon regen in do eerste mnand. 24 En de dorschvloeren zullen vol koren zijn, en de porskuipen van most en olie ovorloopen. 25 Alzoo zal Ik uliedon de jaren vergolden, die de quot;sprinkhaan, do kever, en do kruidworm, en do rups hoeft afgegeten; mijn groot heir, dat Ik onder u gezonden heb. «Joöl 1:4. 26 En gij zult overvloediglijk en tot verzadiging eten, en prijzen den naam des Heeren, uws Gods, die wonderlijk bij u gehandeld hooft; en mijn volk zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid. 27 En gij zult weten, dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik do Heere , uw God, ben, en niemand moor; en mijn volk zal niet beschaamd worden in eeuwigheid. 28 En daarna zal het geschieden, dat Ik mijnon quot;Geest zal uitgieten over alle vleesch, en uwe zonen en uwe dochtoren zullen profeteren; uwe ouden zullen drooinen droomon, uwe jongelingen zullen gezigten zien; rn.les. 44:3. Ezoc. 39:29. Hand. 2:17. 29 Ja ook over do dienstknechten, on over de dienstmaagden, zal Ik in dio dagen mijnon Geest uitgieten. 30 En Ik zal wondortoekenon geven in den hemel en op de aarde; bloed, on vuur, en rookpilaron. 31 quot; De zon zal veranderd worden in duisternis, en do maan in bloed, oor dat die grooto en vreesselijke dag dos Heeren komt. «Joöl 3:15. 32 En hot zal geschieden, al quot; wie don naam des Heeren zal aanroepen, zal behouden worden : want op den h berg Zions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als do Heere gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die do Heere zal roepen. a Roin. 10:13. 5 0 bad ja vs. 17. HOOFDSTUK 3. Profetie van Gods oordeel over de vijanden zijner Kerk, mot eene bespotting hunner ijdele aanslagen en toerusting tegon dezelve, vs. 1. Eeuwige golnk-zaliglioid van do Kerk on ondergang dor vijanden, is, WANT ziet, in die dagen en te dier tijd, als Ik do gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden; 2 Dan zal Ik allo Heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Jósafat; en Ik zal mot hen aldaar rigten, van wege mijn volk en mijn erfdeel Israël, dat zij onder de Heidonen hebben verstrooid, en mijn land gedeeld; 3 En hebben het lot over mijn volk geworpen, en een knechtje gegeven om eeno hoer, en oen meisje verkocht om wijn, dat zij mogten drinken. 4 En ook, wat hebt gij met Mij te doen, gij Tyrus en Zidon, en alle grenzen van Palestina! zoudt gij Mij eene vergelding wedergeven? maar zoo gij Mij wilt vergolden, ligtelijk, haastelijk, zal Ik uwe vergelding op uw hoofd wederbrengen. 5 Omdat gij mijn zilver en mijn goud hebt weg- |
AMOS 1.
800
|
genomen, en hebt mijne beste kleinoodiën in uwe tempels gebragt. 6 En gij hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen der Grieken, opdat gij hen verre van hunne landpale mogt brengen. 7 Ziet, Ik zal ze opwekken uit de plaats, waar-henen gij ze hebt verkocht; en Ik zal uwe vergelding wederbrengen op uw hoofd. 8 En Ik zal uwe zonen en uwe dochteren ver-koopen in de hand der kinderen van Juda, die ze verkoopen zullen aan die van Scheba, aan een vergelegen volk: want do Heere heeft het gesproken. !) Roept dit uit onder de Heidenen, heiligt eenen krijg; wekt de helden op, laat naderen, laat optrekken alle krijgslieden. 10 Slaat uwe spaden tot zwaarden, en uwe sikkelen tot spiesen; de zwakke zegge; Ik ben een held. 11 Rot te hoop, en komt aan, alle gij volken van rondom, en vergadert u! (O Heere , doe uwe helden derwaarts nederdalen!) 12 De Heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar liet dal van Jósafat; maar aldaar zal Ik zitten, om te rigten alle Heidenen van rondom. 13 quot;Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt henen af, want de pers is vol, en de perskuipen loopen over: want hunlieder boosheid is groot. «Openb. 14:15. |
14 Menigten, menigten in het dal des dorsch-wagens: want de dag des Heeren is nabij, in het dal des dorschwagens. 15 quot;De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haren glans ingetrokken. n.loöl 2 :10, 31. 16 En de Heere zal uit Zion brullen, en uit Jeruzalem zijne stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar de Heere zal de toevlugt zijns volks, en de sterkte der kinderen Israels zijn. 17 En gijlieden zult weten, dat Ik de Heere, uw God ben, wonende op Zion, den berg mijner heiligheid; en Jeruzalem zal eene heiligheid zijn, quot; en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan. « Openb. 21 : 27. 18 En het zal te dien dage geschieden, dat de bergen van quot; zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten, en alle stroomen van Juda vol van water gaan; en er zal eene fontein uit het huis des Heeren uitgaan, en zal liet dal van Sittim bewateren. «Amos 9:13. 19 Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot eene woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in welker land zij onschuldig bloed vergoten hebben. 20 Maar Juda zal blijven in eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht. 21 En Ik zal hunlieder bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en de Heere zal wonen op Zion. |
DE PROFEET AMOS.
|
HOOFDSTUK 1. Afkomst vnn Amos, alsmede den tijd van zijne profetie vs. 1; Hij verkondigt Gods schrikkelijke oordeelen over Syrië, 2; over de Filistijnen, 0; over Tyrus, 9; over Ãdom, 11 ; en over Ammon, 13; bijzonder om de vervolging en verdrukking van zijn volk. DE woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekóa; dewelke hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaren voor quot;de aardbeving. a Zach. 14: 5. 2 En hij zeide: De Heere zal quot; brullen uit Zion, en zijne stem verheffen uit Jeruzalem: en de woningen der herderen zullen treuren, en de hoogte van Karmel zal verdorren. aJer. 25:30. .loël 3: 16. 3 Alzoo zegt de Heere: Om drie overtredingen van Damaskus, en om vier zal Ik dat niet afwenden: omdat zij Gilead met ijzeren dorschwagens hebben gedorscht. 4 Daarom zal Ik een vuur in het huis van Hazaël zenden, dat zal de paleizen van Benhadad verteren. |
5 En Ik zal den grendel van Damaskus quot; verbreken , en zal uitroeijen den inwoner uit Bikeat-Aven, en dien, die den scepter houdt, uit Beth-Eden; en het volk van Syrië zal gevankelijk weggevoerd worden naar ''Kir, zegt de Heere. «.les. 17:1, enz. Jer. 49:23, enz. 6 2 Kon. 16:9. 6 Alzoo zegt de Heere : Om drie overtredingen van quot; Gaza, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij mijn volk gevankelijk hebben weggevoerd met eene volkomene wegvoering, om aan Edom over te leveren. a 2 Kron 21 : 16, 17. 28:18. 7 Daarom zal Ik een vuur zenden in den muur van Gaza, dat zal hare paleizen verteren. 8 En Ik zal den inwoner uitroeijen uit Asdod, en dien, die den scepter houdt, uit A'skelon; en Ik zal mijne hand wenden tegen Ekron, en het overblijfsel der Filistijnen zal vergaan, zegt de Heere Heere. 9 Alzoo zegt de Heere: Om drie overtredingen van Tyrus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij mijn volk met eene volkomene wegvoering hebben overgeleverd aan Edom, en niet gedacht aan het verbond der broederen. |
AMOS 1,2, 1?.
801
|
10 Daarom zal Ik een vuur zenden in den muur van Tyrus, dat zal hare paleizen verteren. 11 Alzoo zegt de Heere: Om drie overtredingen van Edom, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij zijnen broeder met het zwaard heeft vervolgd, en zijne barmhartigheden verdorven; en dat zijn toorn eeuwiglijk verscheurt, en hij zijne verbolgenheid altoos behoudt. 12 Daarom zal Ik een vuur zenden in Theman, dat zal de paleizen van Bozra verteren. 13 Alzoo zegt de IIeeiie : Om drie overtredingen der kinderen Amnions, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de zwangere vrouwen van Giliad hebben opengesneden, om hunne land-pale te verwijden. 14 Daarom zal Ik een vuur aansteken in den muur van Rabba, dat zal hare paleizen verteren, met een gejuich ten dage des strijds, met een onweder ten dage des wervelwinds. 15 En hunlieder koning zal gaan in gevangenis, hij en zijne vorsten te zatnen, zegt de Heere. HOOFDSTUK 2. Gods oordeel over Moab, vs. 1; over Juda, 4; en Israël, wiens gruwelijke zonden vermeld worden, als: onderdrukking der vromen en armen in het gerigt, 6, 7; vertooijelijke onkuischhcid, 7; onbeschaamdheid in hunne schenderij en afgoderij, 8; ondankbaarheid tegen Gods weldadigheid van ouds af, 9; onheiligheid en trotschheid tegen Nazireërs en profeten, 12; waarom God hen bedreigt met een hard en onvermijdelijk verderf, 13. ALZOO zegt de Heere : Om drie overtredingen van Moab, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij de beenderen des konings van Edom tot kalk verbrand heeft. 2 Daarom zal Ik oen vuur in Moab zenden, dat zal de paleizen van Kerióth verteren; en Moab zal sterven met groot gedruisch, met gejuich, met geluid der bazuin. 3 En Ik zal den regter uit het midden van haar uitroeijen; en al hare vorsten zal Ik met hem dooden, zegt de Heere. 4 Alzoo zegt de Heere: Om drie overtredingen van Juda, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de wet des Heeren verworpen, en zijne inzettingen niet bewaard hebben; en hunne leugenen hen verleid hebben, die hunne vaders hebben nagewandeld. 5 Daarom zal Ik een vuur in Juda zenden, dat zal Jerüzalems paleizen verteren. (5 Alzoo zegt de Heere: Om drie overtredingen van Israël, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij den regtvaardige voor quot; geld verkoopen, on don nooddruftige om een paar schoenen. a Amos 8 : 6. 7 Die er naar hijgen, dat hot stof der aarde op liet hoofd der armen zij, en den weg der zacht-moedigen verkeeren; en do man en zijn vader gaan tot eene jonge dochter, om mijnen heiligen naam te ontheiligen. |
8 En zij leggen zich neder bij elk altaar op de verpande kleederen, en drinken den wijn der geboeten in het huis hunner goden. 9 Ik daarentegen heb den quot; Amoriet voor hunlieder aangezigt verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte der cederen, en hij was sterk als de eiken; maar Ik heb zijne vrucht van boven, en zijne wortelen van onderen verdelgd. «Num. 21:24. Dent. 2:31. Joz. 24:8. 10 Ook heb Ik ulieden uit quot; Egypteland opgevoerd; en Ik heb u veertig jaren in de woestijn geleid, opdat gij hot land van den Amoriet erfelijk bezat. a Ex. 12:51. 11 En Ik heb sommigen uit uwe zonen tot profeten verwekt, en uit uwe jongelingen tot Nazireën; is dit niet alzoo, gij kinderen Israels ? spreekt do Heere. 12 Maar gijlieden hebt aan do Nazireën wijn te drinken gegeven, en gij hebt den profeten quot; geboden , zeggende: Gij zult niet profeteren. a Amos 7:12, 13. 13 Ziet, Ik zal uwe plaatsen drukken, gelijk als een wagon drukt, die vol garven is. 14 Zoodat de snelle niet zal ontvlieden, en de sterke zijne kracht niet verkloeken, en een held zal zijne ziel niet bevrijden. 15 En die den boog handelt, zal niet bestaan, en die ligt is op zijne voeten, zal zich niet bevrijden; ook zal, die to paard rijdt, zijne ziel niet bevrijden. 16 En de kloekhartigsten onder de holden zal te dien dage naakt honenvlieden, spreekt de Heere. HOOFDSTUK 3. God wil Israël straffen om hunne ondankbaarheid, vs. 1; on bewijst, dat zijne bedreigingen en straffen regtvaardig zijn on zeker komen zullen, 3. Verwijt hunner ongevoeligheid tegen allo waarschuwingen, C; God roept de Hoidonon tot getuigen tegen Israël, 9; zegt hun dos vijands komst aan, 11; wiens geweld zeer weinigen met groot gevaar zullen ontkomen, 12. Voorzegging van de uitroeijing hunner afgoderij en pracht, 13. HOORT dit woord, dat de Heere tegen ulieden spreekt, gij kinderen van Israël! namelijk tegen het ganscho geslacht, dat Ik uit Egypteland heb opgevoerd, zeggende: 2 Uit allo geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend; daarom zal Ik al uwe ongeregtigheden over ulieden bezoeken. 3 Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn? 4 Zal een leeuw brullen in het woud, als hij geenon roof hoeft? Zal een jonge leeuw uit zijn hol zijne stem verheffen, tenzij dat hij wat gevangen hebbe ? 5 Zal oen vogel in don strik op do aarde vallen, als er geen strik voor hem is? Zal men den strik van den aardbodem opnemen, als men ganschelijk niet heoft gevangen ? (i Zal de bazuin in do stad geblazen worden, r,l |
AMOS 3, 4.
802
|
dat het volk niet siddere? Zal er oen quot; kwaad in de stad zijn, dat de IIeere niet doet? rtJes. 45:7. Klgld. 3:37, 38. 7 Gewisselijk de Ilocre Heere zal geen ding doen, tenzij Hij zijne verborgenheid aan zijne knechten, de profeten, geopenbaard hebbe. 8 De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vreezen? De Meere Heere heeft gesproken, wie zou niet profeteren ? 9 Doet hot hooren in de paleizen te Asdod, en in de paleizen in Egypteland, en zegt: Verzamelt u op de bergen van Samaria, on ziet do groote beroerten in hot midden van haar, en do verdrukten binnen in haar. 10 Want zij weten niet te doen, dat regt is, spreekt de Heere: dio in hunne paleizen schatten vergaderen door gewold en verstoring. 11 Daarom, zoo zegt de Hoere Heere: De vijand! en dat rondom het land! die zal uwe sterkte van u ne-derstorten, en uwe paleizen zullen uitgeplunderd worden. 12 Alzoo zegt de Heere: Gelijk als eon herder twee schenkelen, of een stukje van een oor uit des leeuwen muil redt, alzoo zullen de kinderen Israels gered worden , die daar zitten te Samaria, in den hoek van het bed, en op de sponde van do koets. 13 Hoort en betuigt in het huis Jakobs, spreekt de Hoere Heere, de God der heirscliaren ; 14 Dat Ik, ten dage als Ik Israels overtredingen over hom bezoeken zal, ook bezoeking zal doen over de altaren van Beth-El; on de hoornen dos altaars zullen worden afgehouwen, on ter aarde vallen. 15 En Ik zal het winterhuis niet het zomerhuis slaan ; en do elpenbeenen huizon zullen vergaan, en de groote huizen een einde nemen, spreekt do Heere. HOOFDSTUK 4. God zweert den groeten te Samaria en al het volk, dat Hij hen gevankelijk zal laten wegvoeren om liim geweld, zwelgerij, afgoderij en onbokeorlijkheid onder de vele toege/.ondene plagen, vs. 1, Hij noo-digt hen evenwel nog tot bekeering, met voorstelling zijner majesteit en magt, 12. HOORT dit woord, gij koeijon van Basan! gij die op den berg van Samaria zijt, die de armen verdrukt, die de nooddruftigen verplettert; gij, die tot hunlieder hoeren zegt: Brengt aan, opdat wij drinken. |
2 De Heere Heere heeft gezworen bij zijne heiligheid, dat er, ziet, dagen over ulieden zullen komen, dat men u zal optrokken met haken, en uwe nakomelingen mot vischangelen. 3 En gij zult door do bressen uitgaan, een ieder voor zich honen; en gij zult, hetgeen in het paleis (jchragt is, wegwerpen, spreekt de Heere. 4 Komt te Both-El, en overtreedt te «Gilgal; maakt des overtrodens voel, en brengt uwe offers des morgens, uwe tiendon om de drie dagen! a Hos. 12:12. 5 En quot; rookt van het gedeesemde een lofoffer, en roept vrijwillige offers uit, doet het hooren; want alzoo hebt gij het gaarne, gij kinderen Israels! spreekt de Heere Heere. n Lev. 2:1, 15. 7 : 13. (i Daarom heb Ik ulieden ook reinheid der tanden gegeven in al uwe steden , en gebrek van brood in al uwe plaatsen; nogtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt do Heere. 7 Daartoe heb Ik ook den regen van ulieden geweerd, als er nog drie maanden waren tot den oogst, en heb doen regenen over de eene stad, maar over do andere stad niet doen regenen: het eene stuk lands werd beregend, maar het andere stuk lands, waar het niet op regende, verdorde. 8 En twee, drie steden togen om tot eene stad, opdat zij water mogten drinken, maar werden niet verzadigd ; nogtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt do Heere. 9 Ik heb ulieden geslagen met quot; brandkoren en met honigdauw; de veelheid uwer hoven, en uwer wijngaarden, en uwer vijgoboomen, en uwer olijf-boomen at de 6 rups op; nogtans hebt gij u niet bekoord tot Mij, spreekt de Heere. a Dent. 28 : 22. h Joël 1:4. 2 : 25. 10 Ik heb de pestilentie onder ulieden gezonden, naar de wijze van Egypte; Ik heb uwe jongelingen door het zwaard gedood, en uwe paarden gevankelijk laten wegvoeren; en Ik heb don stank uwer heirlogoren zelfs in uwen neus doen opgaan; nogtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de Heere. 11 Ik heb sommigen onder ulieden omgekeerd, gelijk God quot; Sodom en Gomorra omkeerde, u die |
|
waart als een vuurbrand, dat uit den brand gered is; nogtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de Heere. a (jon. 19:24. 12 Daarom zal Ik u alzoo doen, o Israël! omdat Ik ii dan dit doen zal, zoo schik u, o Israël! om uwen God te ontmoeten. 13 Want zie, die do bergen formeert, on den quot; wind schept, en den mensch bekend maakt wat zijne gedachte zij, die den dageraad duisternis maakt, en op de hoogten der aarde treedt, Heere, God der heirscharen, is zijn naam. aNah. 1 : ii. HOOFDSTUK 5. Onder een klaaglied voorzegt God Israöis val en de vermindering hunner menigte, omdat zij vermaand zijnde don magtigen God te zooken en do afgoderij te verlaten, evenzeer in gruwelijk onrogt, geweld en menigte van zonden voortgingen, hatende alle bostralling, zoodat er tegon Gods oordooi niets was te zeggen, vs. 1. Herhaalde vermaning tot bekeering, 14. Doch om hunne verhardheid voorzegt God hun den schrikkelijkon dag zijner oordeelen, waarmede zij nu den spot dreven, 16. Mij verfoeit hunne huichelachtige godsdienstigheid, onder schijn van welke zij afgoderij pleegden, gelijk hunne voorvaders, 21. HOORT dit woord, dat Ik over ulieden ophef, oen klaaglied, o huis Israels! 2 De jonkvrouw Israels is gevallen , zij zal niet weder opstaan; zij is verlaten op haar land, er is niemand, die haar oprigt. !) Want zoo zegt de Heere Heere: Do stad, die uitgaat met duizend, zal honderd overhouden, en die uitgaat met honderd , zal tien overhouden , in het huis Israels. 4 Want zoo zegt de Heere tot het huis Israels: Zoekt Mij, en leeft. 5 Maar zoekt quot; Beth-El niet, en komt niet te Gilgal, en gaat niet over naar Ber-séba: want Gilgal zal voorzeker gevankelijk worden weggevoerd, en Beth-El zal worden tot niet. n Amos 4 : 4. G Zoekt den Heere, en leeft; opdat Hij niet doorbreke in het luns van Jozef als een vuur, dat vertere, zoodat er niemand zij, die hot blus-sche in Beth-El: 7 Die hot regt in alsem verkeeren, en de gereg-tigheid ter aarde doen liggen. 8 Die het quot; zevengesternte en den Orion maakt, en de doodsschaduw in den morgenstond verandert, en den dag als den nacht verduistert; die de h wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem, Heere is zijn naam. a Job 9:9. 38:31. b Amos !):(gt;. !) Die zich verkwikt door verwoesting over eenen sterke; zoodat de verwoesting komt over eene vesting. 10 Zij haten in de poort dengenen, die bestraft, en hebben eenen gruwel van dien, die opregte-lijk spreekt. 11 Daarom, omdat gij den arme vertreedt en een' last koren van hem neemt, zoo hebt gij ivel |
803 huizen gebouwd van quot;gehouwen steen, maar gij zult daarin niet wonen; gij hebt gewenschte wijngaarden geplant, maar gij zult derzelver wijn niet drinken. «Zof. 1 : 13. 12 Want Ik weet, dat uwe overtredingen menigvuldig, en uwe zonden magtig vele zijn; zij benaauwen den regtvaardige, nemen zoengeld, en verstooten de nooddruftigen in de poort. 13 Daarom zal de verstandige te dier tijd zwijgen, want het zal een booze tijd zijn. 14 Zoekt het goede, en niet hot booze, opdat gij leeft; en alzoo zal de Heere, de God der heirscharen, met ulieden zijn, gelijk als gij zegt. 15 quot; Haat het booze, en hebt liof het goede, en bestelt het regt in de poort: misschien zal do Heere, de God der heirscharen, aan Jozefs overblijfsel genadig zijn. a I's. 34 : 15. !)7 : 10. Rom. 12 : 9. 16 Daarom, zoo zegt de Heere, de God der heirscharen, de Heere: Op alle straten zal rouw-klage zijn, en in alle wijken zullen zij zeggen: Och! och! en zullen den akkerman roepen tot treuren, en rouwklage zal zijn bij degenen, die verstand van kermen hebben. 17 Ja in allo wijngaarden zal rouwklage zijn: want Ik zal door hot midden van u doorgaan, zegt de Heere. 18 quot;Wee dien, die des Heeren dag begeeren! waartoe toch zal ulieden de dag des Heeren zijn? hij zal '' duisternis wezen on geen licht. a .les. 5: 19. !gt; Jor. 30:7. Joöl 2:2. Zef. 1 : 15. 19 Als wanneer iemand vlood voor het aan-gezigt eens leeuws, en hom ontmoette een beer; of dat hij kwam in oen huis, en leende met zijne hand aan den wand, en hem beet eene slang. 20 Zal dan niet des Heeren dag duisternis zijn, en geen licht? en donkerheid, zoodat er geen glans aan zij ? 21 Ik haat, Ik versmaad uwe feesten, quot; en Ik mag uwe verbodsf/rw/ew niet rieken. r/Jes. 1:11. Jor. 0 : 20. 22 Want ofschoon gij Mij brandofferen offert, mitsgaders uwe spijsofferon, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uwe vette beesten mag Ik niet aanzien. 23 Doe het getier uwer liederen van Mij weg; ook mag Ik uwer luiten spel niet hooren. 24 Maar laat het oordeel zich daarhenen wentelen als de wateren, en de geregtigheid, als eene sterke beek. 25 quot; Hebt gij Mij veertig jaren in do woestijn slagtofferen en spijsoffer toegebragt, o huis Israels? «Hand. 7 : 42. 26 Ja gij droogt do tent van uwen Melech, en den Kijün, uwe beelden, de ster uws gods, dien gij u zeiven hadt gemaakt. 27 Daarom zal Ik ulieden gevankelijk wegvoeren, ver boven Damaskus henen, zegt de Heere, wiens naam is God der heirscharen. AMOS 4, 5. |
51*
|
804 HOOFDSTUK 6. De profeet spreekt wee en gevangenis uit over de voornaamsten van Zion en Samaria, van wego hunne vloeschelijke gerustheid, goddelooze dartelheid en overdaad, vs. 1. God zweert, dal Hij do stad, niet al wat daarin is, aan den vijand znl overgeven, en wie overblijft door zijne plagen doen verdwijnen, zonder grooten of kleinen te verschoonen, 7. Om Israels onverstandige verkeerdheid, of hardnekkigheid on dwazen hoogmoed, zal God eenen verdrnk-kenden vijand over hen zenden, 12. WEE den genisten te Zion, en den zekeren op den berg van Samaria! die de voornaamste zijn van do quot; eerstelingen der volken, en tot dewelke die van liet huis Israels komen. «Ex. 19:5. ,Ter. 2:3. 2 Oaat over naar Kalne, en ziet toe; en gaat van daar naar Ilamath, de groote stad, en trekt af naar Gath der Filistijnen; of zij beter zijn dan deze koningrijken, of luinne landpale grooter dan uwe landpale. 3 Gij, die den quot; boozen dag h verre stelt, en den stoel des gewelds nabij brengt. a Amos 5: 18. ft Ezec. 12:27. 4 Die daar liggen op elpenbeenen bedsteden, en weelderig zijn op hunne koetsen, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van den meststal. 5 Die oj) het geklank der quot; luit kwinkeleren, en bedenken zich zelven instrumenten dor muziek, gelijk David. aJes. r):12. (! Die wijn uit schalen quot; drinken, en zich zalven met de voortreffelijkste olie, maar ''bekommeren zich niet over de verbreking van Jozef. «.les. 5:11. ft.Tes. 5:12. 7 Daarom zullen zij nu gevankelijk henen gaan onder de voorsten, die in quot; gevangenis gaan ; en liet banket dergenen, die weelderig zijn, zal wegwijken. a.les. 5 : 13. 8 De Heere Heere heeft gezworen bij Zich zelven: (spreekt de Heere, de God der heirscharen) Ik heb eenen gruwel van Jakobs hoovaardij, en Ik haat zijne paleizen; daarom zal Ik de stad en liare volheid overleveren. 9 En liet zal geschieden, zoo er tien mannen in eenig huis zullen overgelaten zijn, dat zij sterven zullen. 10 En do naaste vriend zal eenen iegelijk van die opnemen, of die hem verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zal zeggen tot dien, die binnen de zijden van het huis is: Zijn er nog meer bij u? En hij zal zeggen: Niemand. Dan zal hij zeggen: Zwijg! want zij waren niet om des Heeren naam te vermelden. 11 Want ziet, do Heeke geeft bevel, en Hij zal het groote liuis slaan met inwatering, en het kleine huis met spleten. 12 Zullen ook paarden rennen op eene steenrots ? zal men ook daarop met runderen ploegen? want gijlieden hebt het regt in gal verkeerd, en de vrucht der geregtigheid in quot;alsem. aAmos 5:7. |
13 Gij, die blijde zijt over een nietig ding; gij, die zegt: Hebben wij ons niet door onze sterkte hoornen verkregen ? 14 Want ziet, Ik zal over ulieden, o huis Israels! een volk verwekken, spreekt de Heere, de God der heirscharen; dio zullen ulieden drukken, van daar men komt te Hamath, tot aan de beek der wildernis. HOOFDSTUK 7. Door drie gezigten: het eerste van sprinkhanen, vs. 1; het tweede van een verterend vunr, 4; (in do afwending van welke beide straffen God de voorbede van den profeet aanneemt), het derde van een paslood of rigtsnoer, 7; wordt afgebeeld, dat God, na lang geduld, Israël niet meer wil verschoonen en de nakomelingen des konings nitroeijon, 8. De priester Amazia beklaagt Amos bij den koning van zamen-zwering en oproer, 10; gebiedt hem, dat hij Beth-El zal verlaten en naar Juda gaan, 12; maar Amos verdedigt zich mot Gods beroep, en zegt Amazia en den zijnen Gods oordeel aan, 14. DE Heere Heere deed mij aldus zien; en ziet, Hij formeerde sprinkhanen, in het begin des op-komens van hot nagras; en ziet, het was het nagras, na dos konings afniaaijingen. 2 En het geschiedde, als zij het kruid des lands geheel zouden hebben afgegeten, dat ik zeide: Heere Heere! vergeef toch; wie zou er van Jakob blijven staan, want hij is klein! 3 Toen berouwde zulks den Heere; het zal niet geschieden, zeide de Heere. 4 Wijders dood mij de Heere Heere aldus zien; en ziet, de Ileero Heere riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde eenen grooten afgrond, ook verteerde het een stuk lauds. 5 Toen zeide ik : Heere Heere ! houd toch op; wio zou er van Jakob blijven staan, want hij is klein! 6 Toen berouwde zulks den Heere : Ook dit zal niet geschieden, zeide do Heere Heere. 7 Nocj deed Hij mij aldus zien; en ziet, de Heero stond op eenen muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in zijne hand. 8 En de Heere zeide tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een paslood. Toen zeide de Heere: Zie, Ik znl het paslood stellen in het midden van mijn volk Israël; Ik zal hot voortaan niet meer voorbijgaan. 9 Maar Izaks hoogten zullen verwoest, en Israels heiligdommen verstoord worden; en Ik zal tegen Jeróbeams huis opstaan met het zwaard. 10 Toen zond Amazia, de priester te Reth-El, tot Jeróbeam, den koning van Israël, zeggende : Amos heeft eene verbindtenis tegen u gemaakt, in het midden van het huis Israëls; het land zal al zijne woorden niet kunnen verdragen. 11 Want alzoo zegt Amos: Jeróbeam zal door het zwaard sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd. 12 Daarna zeide Amazia tot Amos: Gij ziener! ga weg, vlied in het land van Juda, en eet aldaar brood, en profeteer aldaar. AMOS (i, 7. |
â 1
AMOS 7, 8, 9.
805
|
13 Maar te Beth-El zult gij voortaan niet meer profeteren: want dat is des konings heiligdom, en dat is het huis des koningrijks. 14 Toen antwoordde Amos, en zoide tot Amazia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af. 15 Maar de Heere nam mij van achter rle kudde; en de IIeere zeide tot mij: Ga henen, profeteer tot mijn volk Israël. 1G Nu dan, hoor des Heeren woord: Gij zegt: Gij zult niet profeteren tegen Israël, noch quot; druppen tegen het huis van Izak. «Bzec. 21:2. 17 Daarom zegt de Heere alzoo: Uwe vrouw zal in de stad hoereren, en uwe zonen en uwe dochteren zullen door het zwaard vallen, en uw land zal door het snoer uitgedeeld worden; en gij zult in een onrein land sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd. HOOFDSTUK 8. Door het gezigt van eenon korf mot zomervruchten wordt afgebeeld, dat Israels einde nabij was, vs. 1; om hunne onderdrukking dor armen, goddelooze gierigheid, bedriegelijken koophandel, schenderijen en afgodisch zworen, 4 14. God zweert aan Israël algemeene verwoesting en rouw, 7 ; niet troosteloosheid door gemis aan zijn woord, 11. DE Heere Heere deed mij aldus zien: cn ziet, een korf mot zomervruchten. 2 En Hij zeide: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een' korf met zomervruchten. Toen zeide de Heere tot mij: Het einde is gekomen over mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. 3 Maar de gezangen des tempels zullen te dien dage huilen, spreekt de Heere Heere: vele doode ligehamen zullen er zijn, in allo plaatsen zal men ze stilzwijgend wegwerpen. 4 Hoort dit, gij, die den nooddruftige opslokt! en dat om te vernielen de ellendigen des lands; 5 Zeggende: Wanneer zal do nieuwe maan overgaan , dat wij leeftogt mogen verkoopen ? en de sabbat, dat wij koren mogen openen? verkleinende de efa, en den sikkel vergrootende, en verkeerdelijk handelende quot; met bodriegelijke weegschalen; «Hos. 12:8. C Dat wij do armen voor quot;geld mogen koopen, en den nooddruftige om oen paar schoenen: dan zullen wij het kaf van het koren verkoopen. a Amos 2 : G. 7 De Heere heeft gezworen bij Jakobs heerlijkheid : Zoo Ik al hunne werken in eeuwigheid zal vergeten! 8 Zou het land hierover niet beroerd worden? en al wie daarin woont treuren? Ja het zal geheel oprijzen als eene rivier, cn bet zal heen en weder gedreven en verdronken worden, als door de rivier van Egypte. 9 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere Heere, dat Ik de zon op don middag zal doen ondergaan, en bet land bij lichten dage verduisteren. |
10 En Ik zal uwe feesten in rouw, en al uwe liederen in weeklage veranderen, en op alle lenden eenen zak, en op allo hoofd kaalheid opbrengen; en Ik zal het land stellen in rouw, als er is over eenen eenigen zoon, en deszelfs einde als eenen bitteren dag. 11 Ziet, de dagen komen, spreekt de lleore Heere, dat Ik eenen honger in het land zal zonden ; niet eenen bonger naar brood, noch dorst naar water, maar om te hooren de woorden dos Heeren. 12 En zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot hot oosten: zij zullen omloo-pen om het woord des Heeren te zoeken, maar zullen het niet vinden. 13 Te dien dage zullen de schoone jonkvrouwen en de jongelingen van dorst versmachten; 14 Die daar zweren bij de schuld van Samaria, en zeggen: Zoo wanrachtig als uw God van Dan leeft, en de weg van quot; Ber-séba leeft! en zij zullen vallen, en niet weder opstaan. aAmos 5:5. HOOFDSTUK 9. Door een ander gezigt en deszelfs verklaring, benovens van zijne magt en majesteit, verzekert üod Israels onvermijdelijke uitroeijing en wegvoering, vs. I ; om hunne ontaarding, ondankbaarheid en zorgeloosheid, 7, 10. Belooft nogtans een uitverkoren overblijfsel te behouden, 8, 9; en het koningrijk van Christus op te rigten , tot verlossing en eetie eeuwige vaste gelukzaligheid van alle uitverkorene Joden en Heidenen, 11. IK zag den Heere staan op hot altaar, en Hij zeide: Sla dien knoop, dat de posten beven, en doorkloof ze allen in hot hoofd; en Ik zal hun achterste met het zwaard dooden; do vliedende zal onder hen niet ontvlieden, noch do ontkomende onder bon behouden worden. 2 quot; Al groeven zij tot in de hel, zoo zal mijne hand ze van daar halen, en al klommen zij in den hemel, zoo zal Ik ze van daar doen nederdalen. «I's. 139:8, enz. 3 En al verstaken zij zich op do hoogte van Karmel, zoo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor mijne oogen in don grond van de zee, zoo zal Ik van daar eene slang gebieden, die zal ze bijten. 4 En al gingen zij in gevangenis voor het aan-gezigt hunner vijanden, zoo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat bet bon doode; en Ik zal mijn oog tegen ben quot;zetten ten kwade, en niet ten goede. «Jer. 44: 11. 5 Want de Heere Heere der heirscharen is, die het land aanroert, dat het versmelte, en allen, die daarin wonen, treuren; en dat het geheel oprijze als eene rivier, en verdronken worde als door de rivier van Egypte. G Die zijne quot; opperzalen in den hemel bouwt, en zijne benden, die heeft Hij op aarde gefon- l h 'in M 1 â :lt 'à |
1.
OBADJA.
|
deerd; die de h wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is zijn naam. aPs. 104:3, 13. b Am os 5:8. 7 Zijt gijlieden Mij niet als de kinderen der Mooren, o kinderen Israels? spreekt de Heere. Hel) Ik Israël niet opgevoerd uit Egypteland, en de Filistijnen uit Kal'thor, on do Syriërs uit Kir? 8 Ziet, de oogen des Hoeren Hekken zijn tegen dit zondig koningrijk, dat Ik het van den aardbodem verdolge ; behalve dat Ik het huis Jakobs niet ganschelijk zal verdelgen, spreekt de Heere. i) Want ziet. Ik geef bevol, en Ik zal het huis Israëls onder al de Heidenen schudden, gelijk als zaad geschud wordt in eene zeef; en niet een steentje zal er ter aarde vallen. 10 Alle zondaars mijns volks zullen door het zwaard sterven; die daar zeggen: Het kwaad zal tot ons niet genaken, noch ons voorkomen. |
11 quot; Te dien dage zal Ik de vervallene hut van David weder oprigten, en Ik zal hare reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weder oprigten, en zal zo bouwen, als in de dagen van ouds. a Hand. 15:16. 12 Opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de Heidenen, die naar mijnen naam genoemd worden , spreekt de Heere, die dit doet. 13 Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat de ploeger den maaijer, en de druiventreder den zaadzaaijer genaken zal; en de borgen zullen van quot;zoeten wijn druipen, en al do heuvelen zullen smelten. a Joël 3 : 18. 14 En Ik zal de gevangenis van mijn volk Israël wenden, en zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten, en derzelver wijn drinken; en zij zullen hoven maken, en derzelver vrucht eten. 15 En Ik zal ze quot;in hun land planten; en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun land, dat Ik hunlieden gegeven heb, zegt de Heere, uw God. aJer. 32:41. |
DE PROFEET OBADJA,
|
HOOFDSTUK 1. Profetie van Gods schrikkelijk oordeel over Edom, wegens hunne trotscliheid, geweld en wreedheid togon Gods volk, vs. 1; ea integendeel, van de behoudenis en zaligheid der Kerk door haren Heiland Christus, en den ondergang van al hare vijanden, 17. HET gezigt van Obadja. Alzoo zegt de Heere Heere van Edom: quot;Wij hebben een gerucht gehoord van don Heere, en er is een gezant geschikt onder de Heidenen: Staat op, en laat ons opstaan tegen hen ten strijde. «.lor. 49 : 14. 2 Ziet, Ik hob u klein gemaakt onder de Hei-denen, gij zijt zeer veracht. 3 De trotscliheid uws harten heeft u bedrogen; hij, die daar woont in de kloven der steenrotsen, in zijne hooge woning; die in zijn hart zegt: Wie zou mij ter aarde nederstooten ? 4 quot;Al verhieft gij u golijk de arend, en al steldet gij uw nest tusschen de sterren, zoo zal Ik u van daar nederstooten, spreekt de Heere. a .Ter. 49 :1G. 5 quot; Zoo er dieven, zoo er nachtroovers tot u gekomen waren; (hoe zijt gij uitgeroeid!) zouden zij niet gestolen hebben zoo veel hun genoeg ware? Zoo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet eeno nalezing hebben overgelaten? n Jer. 4!): 9. (i Hoe zijn Ezaus yoederen nagespeurd, zijne verborgene schatten opgezocht! 7 Al uwe bondgenooten hebben u tot aan de landpale uitgeleid; uwe vredegenooten hebben u bedrogen, zij hebben u overmogt; die uw brood eten, zullen een gezwel onder u zetten, er is geen verstand in hem. |
8 quot;Zal het niet te dien dage zijn, spreekt do Heere, dat Ik do wijzen uit Edom, en het vorstand uit Ezaus gebergte zal doen vergaan ? a Jos. 29 : 14. Jer. 49 : 7. 9 Ook zullen uwe quot;helden, oTheman! versaagd zijn; opdat een ieder uit Ezaus gebergte door den moord worde uitgeroeid. «Amos 2: 14, 16. 10 Om het quot;geweld, begaan aan uwen broeder Jakob, zal schaamte u bedekken; en gij zult uitgeroeid worden in eeuwigheid. a Gen. 27 :41. Ezec. 35:5. Amos 1:11. 11 Ten dage als gij tegenover stondt, ten dage als de uitlanders zijn heir gevangen voerden, en de vreemden tot zijne poorten introkken, en over Jeruzalem het lot wierpen, waart gij ook quot; als een van hen. a Ps. 137 : 7. 12 Toen zoudt gij niet gezien hebben op den dag uws broeders, den dag zijner vervreemding; noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda, ten dage huns ondergangs; noch uwen mond groot gemaakt hebben, ten dage der benaauwdheid; 13 Noch ter poorte mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook gij, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch uwe handen uitgestrekt hebben aan zijn heir , ten dage zijns verderfs ; 14 Noch gestaan hebben op de wegscheiding, om zijne ontkomenen uit te roeijon; noch zijne overgeblevenen overgeleverd hebben, ten dage der benaauwdheid. 15 Want de dag des Heeren is nabij, over al |
JON A 1.
807
|
de Heidenen: quot;gelijk als gij gedaan hebt, zal u gedaan worden: uwe vergelding zal op uw hoofd wederkeeren. aEzec. 35:15. 16 Want, gelijk gijlieden gedronken hebt op den berg mijner heiligheid, zoo zullen al de Heidenen geduriglijk drinken; ja zij zullen drinken en inzwelgen, en zullen zijn als of zij er niet geweest waren. 17 Maar op den berg Zions zal ontkoming zijn, en hij zal eene heiligheid zijn; en die van het huis Jakobs zullen hunne erfgoederen erfelijk bezitten. 18 En Jakobs huis zal een vuur zijn, en Jozefs huis eene vlam, en Ezaus huis tot eenen stoppel; en zij zullen tegen hen ontbranden, en zullen ze verteren; zoodat Ezaus huis geenen overgeblevene zal hebben: want de Heere heeft het gesproken. |
10 En die van het zuiden zullen Ezaus gebergte, en die van de laagte zullen de Filistijnen erfelijk bezitten; ja zij zullen het veld van Efraïm en het veld van Samaria erfelijk bezitten; en Benjamin Gilead. 20 En de gevankelijk weggevoerden van dit heir der kinderen Israels, hetgeen der Kanaiinieten was, tot Zarfath toe; en de gevankelijk weggevoerden van Jeruzalem, hetgeen in Sefarad is, zij zullen de steden van het zuiden erfelijk bezitten. 21 En er zullen Heilanden op den berg Zions opkomen, om Ezaus gebergte te rigten; en het koningrijk zal des Heeren zijn. |
DE PROFEET JONA.
|
HOOFDSTUK 1. Jona van God gezonden zijnde oin te prediken binnen Nlneve, vlagt naar Tarsis, vs. 1. Hij wordt op zee door God vervolgd met een groot on weder, door het lot ontdekt, 4; en op zijn eigen raad door het scheepsvolk in zee geworpen, waarna het onweder wordt gestild, 12. God beschikt eenen grooten visch, die Jona inslokt en in welken hij drie dagen en drie nachten verblijft, 17. EN het woord des Heeren geschiedde tot Jona, den zoon van Amitthai, zeggende: 2 Maak u op, ga naar de quot; groote stad Nmeve, en predik tegen haar: want hunlieder boosheid is opgeklommen voor mijn aangezigt. «Gen. 10:11,12. Jona3:3. 3 Maar Jona maakte zich op om te vlugten naar Tarsis, van het aangezigt des Heeren; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip , gaande naar Tarsis, en hij gaf de vrucht daarvan, en ging neder in hetzelve, om mot henlieden te gaan naar Tarsis, van het aangezigt des Heeren. 4 Maar de Heere wierp eenen grooten wind op de zee; en er werd een groote storm in de zee, zoodat het schip dacht te breken. |
5 Toen vreesden de zeelieden, en riepen een iegelijk tot zijnen god, en wierpen de vaten, die in hot schip waren, in do zoo, om het van dezelve to verligton; maar Jona was nedorgegaan aan de zij don van hot schip, on lag neder, en was met eenen diepen slaap bevangen. 6 En de opperschippor naderde tot hem, en zoido tot hem: Wat is u, gij hardslapende? sta op, roep tot uwen God, misschien zal die God aan ons gedenken, dat wij niet vergaan. 7 Voorts zeiden zij, oen ieder tot zijnon modgo-zol: Komt, en laat ons loten worpen, opdat wij mogen weten, om wiens wil ons dit kwaad overkomt. Alzoo wierpen zij loten, en het lot viel op Jona. 8 Toen zeiden zij tot hom: Verklaar ons nu, om wiens wil ons dit kwaad overkomt? wat is uw werk ? en van waar komt gij ? wolk is uw land ? en van wolk volk zijt gij ? !) En hij zoido tot hen: Ik ben een Hebreër; en ik vreeze den Heere, den God dos hemels, die de zee en hot drooge gemaakt hooft. 10 Toen vreesden die mannon met groote vreezo, en zeidon tot hem: Wat hebt gij dit gedaan? |
J ON A I , 2.
SOS
|
want do mannen wisten, dat hij van des Heeren aangezigt vlood; want hij had liet hun te kennen gegeven. 11 Voorts zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons? want de zee werd hoe langer hoe ontstuimiger. 12 En hij zeide tot hen: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zoo zal de zee stil worden van ulieden; want ik weet, dat deze groote storm ulieden om mijnentwil overkomt. 13 Maar do mannen roeiden, om het schip weder te brengen aan hot drooge, doch zij konden niet: want de zee werd hoe langer hoe ontstuimiger tegen hen. 14 Toen riepen zij tot den Heere, en zeiden: |
EN Jona bad tot den Heere , zijnen God, uit het ingewand van den visch. 2 En hij zeide: quot;Ik riep uit mijne benaauwd-heid tot den Heere, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijne stem. n Ps. 120: 1. 3 Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeën, en de stroom omving mij; al uwe a baren en uwe golven gingen over mij henen. a Ps. 42 : 8. 4 En ik zeide: Ik ben uitgestooten van voor uwe oogen; nogtans zal ik den tempel uwer heiligheid weder aanschouwen. 5 De wateren hadden mij omgeven tot de ziel |
|
Och Heere! laat ons toch niet vergaan om dezes mans ziel, en leg geen onschuldig bloed op ons: want Gij, Heere! hebt gedaan, gelijk als het U heeft behaagd. 15 En zij namen Jona op, en wierpen hem in de zee. Toen stond de zee stil van hare verbolgenheid. 16 Dies vreesden de mannen den Heere met groote vreeze; en zij slagtten den Heere slagtoffer, en beloofden geloften. 17 De Heere nu beschikte oenen grooten visch, om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van den visch , quot; drie dagen en drie nachten. a Matt. 12:40. 10:4. Luk. 11 :30. HOOFDSTUK 2. Het gebed van Jona, vs. 1. Do visch spuwt Jona, op Gods bevel uit, aan land, 10. |
toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden. G Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen ; de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o Heere, mijn God! 7 Als mijne ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den Heere; en mijn gebed kwam tot U, in den tempel uwer heiligheid. 8 Die de valsche ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid. 9 Maar Ik zal U offeren met do stem quot; der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. b Het heil is des Heeren. aPs.50:14,23. 110:17. Hos.l4:3. Hebr. 13:15. èPs.3:9. 10 De Heere nu sprak tot den visch; en hij spuwde Jona uit op het drooge. |
JONA 3, 4. MICH A 1. 809
|
HOOFDSTUK 3. Jona op niouw van God gezonden zijnde, predikt den Nlnevieten hunnen ondergang, vs. 1. Zij gelooven zulks en verootmoedigen zich voor don Heere, zoowel de koning, als de onderdanen, met vasten, bidden en boteren van hun leven, 5; waarop God hen verschoont, 10. EN het woord des Heeren geschiedde ten andere maal tot Jona, zeggende: 2 Maak u op, ga naar de groote stad Nineve; en predik tegen haar do prediking, die Ik tot u spreek. 3 Toen maakte zich Jona op, en ging naar Nineve, naar het woord des Heeren. Nineve nu was eene groote stad Gods, van drie dagreizen. â 1 En Jona begon in de stad te gaan, eene dagreis; en hij predikte, en zeide: Nog veertig dagen, dan zal Nineve worden omgekeerd. 5 En de n lieden van Nineve geloofden aan God; en zij riepen een vasten uit, en bekleedden zich met zakken, van hunnen grootste af tot hunnen kleinste toe. a Matt. 12:41. Luk. 11 :32. 6 Want dit woord geraakte tot den koning van Nineve, en hij stond op van zijnen troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich mot oenen zak, en zat neder in do ascli. 7 En hij liet uitroepen, on men sprak te Nineve, int bevel des konings en zijner grooten, zeggende: Laat monsch noch boost, rund noch schaap, iets smaken, laat zo niot weiden, noch water drinken. 8 Maar monsch on beest zullen met zakken bedekt zijn, en zullen sterk tot God roepen; en zij zullen zich bekoeron, oen iegelijk van zijnen boozon weg, en van hot geweld, dat in hunne handen is. 9 quot; Wie weet. God niogt zich wenden, on berouw hobbon; on Hij mogt zich wonden van do hittigheid zijns toorns, dat wij niot vergingen! aJoö! 2: 14. 10 En God zag hunne werken, dat zij zich bo-koerden van hunnen boozon weg; on het berouwde God over hot kwaad, dat Hij gesproken had hun to zullen doen, en Hij deed hot niot. HOOFDSTUK 4. Jona, over de verschooning van God zeer verdrietig zijnde, beklaagt zich bij den lloero, vs. 1 ; die hom daarover bestraft en door don wonderboom onderwijst en overtuigt, 6. DE PROFE HOOFDSTUK 1. Het vaderland en beroep van Micha, alsmede den tijd zijner profetie, vs. 1. Aankondiging van de aankomst van God om zijn volk te oordeelen, van wege hunne afgoderij, 2. 1'rofetie en profetische afbeeldingen van de verwoesting en ellenden, die Israël en Juda in het algemeen, en onderscheidene plaatsen in het bijzonder zouden overkomen en haar alreeds drukten, G. HET woord dos Heeren, dat geschied is tot Micha. don Moraschtiot. in de datron van Jotham. |
DIT verdroot Jona met groot verdriet, en zijn toorn ontstak. 2 En hij bad tot don Heere, en zoido: Och Heere! was dit mijn woord niot, als ik nog in mijn land was? daarom kwam ik hot voor, vlug-tonde naar Tarsis: want ik wist, dat Gij een «genadig on barmhartig God zijt, langmoedig en groot van goedertierenhoid, on berouw hob-bende over het kwaad. a Ex. 34 : G. I's. HG : 5. ,loël 2 : 13. 3 Nu dan, Heere! neem toch mijne ziel van mij: want hot is mij boter te sterven dan te leven. 4 En do Heere zoido: Is uw toorn billijk ontstoken ? 5 Jona nu ging tor stad uit, en zotte zich togen het oosten der stad; en hij maakte zich aldaar oen verdok, on zat daaronder in de schaduw, totdat hij zag, wat van de stad zou worden. 6 En God, de Heere, beschikte oenen wonderboom , en dood hem opschieten boven Jona , opdat er schaduw mogt zijn over zijn hoofd, om hem te redden van zijn verdriet. En Jona verblijdde zich over den wonderboom niet groote blijdschap. 7 Maar God beschikte oenen worm des anderen daags in hot opgaan van don dageraad; dio stak den wonderboom, dat hij verdorde. 8 En het gescliioddo, als do zon oprees, dat God oenen stillen oostovvind beschikte; en do zon stak op hot hoofd van Jona, dat hij aamechtig werd; on hij wenschte zijner ziol to mogen sterven , en zeide: Het is mij boter to sterven dan to loven. 9 Toen zeide God tot Jona: Is uw toorn billijk ontstoken over don wonderboom? En hij zoido: Billijk is mijn toorn ontstoken tor dood too. 10 En do Heere zeide: Gij verschoont den wonderboom, aan wolken gij niot hebt gearbeid, nocli dien groot gemaakt; die in oenon nacht werd, en in oenen nacht verging; 11 En Ik zou dio groote stad Nineve niet vor-schoonon ? waarin voel moer dan honderd en twintig duizend menschen zijn, die geen ondor-schoid weten tusschen hunne rogtorhand, on hunne linkerhand; daartoe voel vee? ET MICHA. Achaz en Jehizlda, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria on Jeruzalem. 2 Hoort, quot; gij volken altemaal! merk op, gij aarde, mitsgaders derzolvor volheid! do Hoero Heere nu zal tot oen' getuige zijn tegen uliodon, do llooro uit den tempel zijnor heiligheid. «Dent.32:1. ,les. 1:2. 3 Want ziet, quot;do Heere gaat uit van zijne h plaats, en Hij zal nederdalen on treden op do 0 hoogten der aarde. o Jos. 2G : 21. b I's. 115 : 3. e Dcut. 32 : 13. 33 : 29. |
|
810 4 En de bergen zullen quot; onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren, die uitgestort worden in de laagte. a Ps. !)7 : 5. Amos 9 : 5. 5 Dit alles, om de overtreding van Jakob, en om de zonden van het huis Israels: wie is hei begin run de overtreding van Jakob ? is het niet Samaria ? on wie van de hoogten van Ju da V is het niet Jeruzalem ? (i Daarom zal Ik Samaria stellen tot eenen steenhoop des velds, tot plantingen eens wijngaards; en Ik zal hare steenen in de vallei storten, en hare fondamenten ontdekken. 7 En al hare gesnedene beelden zullen vermorzeld worden, en al hare hoerenbelooningen zullen met vuur verbrand worden, en al hare afgoden zal Ik stellen tot eene woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon vergaderd, en zij zullen tot hoerenloon wederkeeren. 8 Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal misbaar maken als de quot; draken, en treuring als de jonge struisen. a Job 30 : 2!). 9 Want hare plagen zijn doodelijk : want zij zijn gekomen tot aan Juda; hij is geraakt tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem. 1(1 quot; Verkondigt hei niet te Gath , weent zoo jammerlijk niet; ''wentelt u in het stof in het huis van Afra. a 2 Sam. 1 : 20. h .Ier. 6:26. 11 Ga door, gij inwoneres van Safir ! met quot; bloote schaamte; de inwoneres van Zaanan gaat niet uit; rouwklage is ie Beth-haëzel; hij zal zijnen stand van ulieden nemen. aJes. -17 ; 3. 12 Want de inwoneres van Maróth is krank om dos goeds wil: want een quot; kwaad is van den Heere afgedaald, tot aan de poort van Jeruzalem. a Ainos H : 0. 13 Span de snelle dieren aan den wagen, gij inwoneres van Lachis! (deze is der dochter Zions liet beginsel der zonde) want in u zijn Israels overtredingen gevonden. 14 Daarom geef geschonken aan Moréscheth-Gaths; de huizen van Achzib zullen den koningen van Israël tot eone leugen zijn. 15 Ik zal u nog eenen erfgenaam toebrengen, gij inwoneres van Maréscha! hij zal komen tot aan Adullam, ioi dan de heerlijkheid Israels. It! Maak u kaal en scheer u, om uwe troetelkinderen; verwijd uwe kaalheid, als do arend, omdat zij gevankelijk van u zijn weggevoerd. HOOFDSTUK 2. Hot wee wordt uitgesproken over de moedwillige geweldenaars, roovers en straatschondors onder liet volk, on harde dienstbaarheid on verdrijving uit Kanaan worden hun bedreigd, vs. 1â3, 5, 8â10. Klaaglied over de uitdeeling van hun land door de vijanden, 4. God ontsteekt in hevigen toorn tegen zijn volk, dat bij herhaling afkeerig is van do bo-strafflng zijner profeten, en verwijt hun hunnen dwazen lust tot do pluimstrijkonde valsehe profeten, 6, 11. Profetic van do vergadering en herstelling dor Kerk door haren koning Christus, 12, 13^ |
WEE dien, die ongeregtigheid bedenken, en kwaad werken op hunne legers; in het licht van den morgenstond doen zij het, dewijl het in de niagt van hunlieder hand is. 2 En zij quot; begeeren akkers, en rooven ze, en huizon, en nemen ze weg: alzoo doen zij geweld aan den man en zijn huis, ja aan een iegelijk en zijne erfenis. ik,les. 5:8. 3 Daarom, alzoo zegt do Heere: Ziet, Ik denk een kwaad over dit geslacht; waaruit gijlieden uwe halzen niet zult uittrekken, en zoo regtop niet gaan : want hot zal een quot; booze tijd zijn. a Amos 5 : 13. 4 Te dien dage zal men een spreekwoord over ulieden opnemen; en men zal eone klagelijko klagt klagen, en zeggen: Wij zijn ten eenemaal verwoest; Hij verwisselt mijns volks doel; hoe ontwendt Hij mij! Hij deelt uit, afwendende onze akkers. 5 Daarom zult gij niemand hebben, die het snoer quot; worpe in het lot, in de gemeente des Heeren. a Dent. 32:8, 9. 6 Profeteert gijlieden niet, quot;zeggen zij, laat die profeteren; zij profeteren niet als die; men wijkt niet af van smaadheden, «.los. 30: 10. Amos 7 : 10. 7 O gij, die Jakobs huis gelieeten zijt! Is dan de Geest des Heeren verkort? zijn dat zijne werken? doen mijne woorden geen goed bij dien, die regt wandelt? 8 Maar gisteren stelde zich mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt eenen mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd. 9 De vrouwen mijns volks verdrijft gij, elk eeno uit het huis barer vermakingen; van hare kinder-kens neemt gij mijn sieraad in eeuwigheid. 10 Maak u dan op, en gaat honen; want dit iand zal de rust niet zijn, omdat het verontreinigd is, zal het u verderven, en dat, mei eeno geweldige verderving. 11 Zoo er iemand is, die met wind omgaat, en valschelijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn on voor sterken drank! dat is een profeet dezes volks. 12 Voorzeker zal Ik u, o Jakob! gansch verzamelen; voorzeker zal Ik Israels overblijfsel vergaderen; Ik zal hot te zamen zetten als schapen van Bozra; als eene kudde in het midden van hare kooi zullen zij van menschen deunen. 13 De doorbroker zal voor hun aangezigt optrekken ; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken; en hun koning zal voor hun aangezigt henengaan; en de Heere in hunne spits. HOOFDSTUK 3. Gods oordeel over de regenten, van wogo hunne tirannie en schenderij, vs. 1; over de profeten, die het volk verleiden on vrede toezeggen, 5; van welke Micha zich afzondert, profeterende met groote vrijmoedigheid de toekomstige verwoesting van .Terfl- MICH A 1, 2, 3. |
MIC HA 3,4.
811
|
zalem on den toinpol, om do aigomeene boosheid en verdorvenheid van liet volk, dor regenton, priesters en profeten, 8. VOORTS zeide ik: Hoort nu, gij hoofden Ja-kobs, en gij oversten van liet huis Israels! betaamt het ulieden niet het regt te weten? 2 Zij haten het goede, en hebben liet kwade lief; zij rooven hunne huid van hen af, en hun vleesch van hunne beenderen. 3 Ja zij zijn het, die het vleesch mijns volks eten, en hunne huid afstroopen, en hunne heenderen verbreken, en van een leggen, gelijk als in eenen pot, en als vleesch in het midden eens ketels. 4 Alsdan zullen zij roepen tot den Heere, doch Hij zal hen niet verhooren; maar zal zijn aan-gezigt te dier tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hunne handelingen kwaad gemaakt hebben. 5 Alzoo zegt de Heere, tegen de profeten, die mijn volk verleiden: die met hunne tanden quot;bijten, en roepen vrede uit; maar die niet geeft in hunnen mond, tegen dien zoo heiligen zij eenen krijg. a Micha 2:11. 6 Daarom zal het nacht voor ulieden worden van wege het gezigt, en ulieden zal duisternis zijn van wege de waarzegging; en de quot;zon zal over deze profeten ondergaan, en de dag zal over hen b zwart worden. a Jer. 15 : 9. Amos 8 : 9. h Joöl 2 : 10. 7 En de zieners zullen beschaamd, en de waarzeggers schaamrood worden; en zij zullen al te zamen de bovenste lij) bewimpelen: want er zal geen antwoord Gods zijn. 8 Maar waarlijk, ik ben vol krachts van den Geest des Heeren; en vol van gerigt en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijne overtreding, en Israël zijne zonde. 9 Hoort nu dit, gij hoofden van het huis Jakobs, en gij oversten van het huis Israels! die van het gerigt eenen gruwel hebt, en al wat regt is quot; verkeert; « Amos 5:7. (i: 12. 10 Bouwende Zion met quot; bloed, en Jeruzalem met onregt. aEzec. 22:27. Zof. 3:3. 11 Hare hoofden regten om geschenken, en hare priesters leeren om loon, en hare profeten waarzeggen om geld: nog steunen zij op den Heere, zeggende: Is de Heere niet in het midden van ons? ons zal geen kwaad overkomen. 12 Daarom, om uwentwil, zal Zion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steen-hoopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten eens wonds. HOOFDSTUK 4. Profetie van de toekomst, heerlijkheid, uitbreiding, vredovollen en gezegenden staat van liet koningrijk van den Messias onder de uitverkorene Joden en Heidenen, vs. 1. Vertroosting der Joodsehe Kerk tegen de aanstaande Babylonische gevangenis, door verzekering van do verlossing en overwinning over alle vijanden der Kerk, door de tegenwoordigheid en de kracht van haren Koning Christus, 9. |
MAAR quot; in het laatste der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op den top der borgen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeijen. a Jes. 2:2, enz. 2 En vele Heidenen zullen henengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot den berg des Heeren, en ten huize van den God Jakobs, opdat quot;U ons leere van zijne wegen, en wij in zijne paden wandelen: want uit Zion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem. 3 En Mij zal onder groote volken rigten, en magtige Heidenen straffen, tot verre toe, en zij zullen hunne zwaarden slaan tot spaden, en hunne spiesen tot sikkelen; het eene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen den krijg niet meer leeren. 4 Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijnen quot;wijnstok, en onder zijnen vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke: want de mond des Heeren der heirscharen heeft het gesproken. a 1 Kon. 4 : 25. 5 Want alle volken zullen wandelen, elk in den naam zijns gods, maar wij zullen wandelen in den naam des Heeren, onzes Gods, eeuwiglijk en altoos. G Te dien dage, spreekt de Heere, zal Ik haar, die hinkende was, quot;verzamelen, en haar, die verdreven was, vergaderen, en die Ik geplaagd had. « Dout. 30:3, 4, 5. 7 En Ik zal quot;haar, die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar, die verre henen verstooten was, tot een magtig volk; en de Heere zal h Koning over hen ziju op den berg Zions, van nu aan tot in eeuwigheid. a Zef. 3:19. 6 Dan. 7: 14. Luk. 1:33. 8 En gij. Schaapstoren, gij Ofel der dochter Zions! tot u zal komen, ja daar zal komen de vorige heerschappij, het koningrijk der dochteren van Jeruzalem. 9 Nu, waarom zoudt gij zoo groot geschrei maken? is er geen quot;Koning onder u? is uw Raadgever vergaan, dat u smart, als van eene barende vrouw, heeft aangegrepen? «Jer. 8:19. 10 Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter Zions! als eene barende vrouw: want nu zult gij wel uit de stad henen uitgaan, en op het veld wonen, en tot in Babel komen, maar aldaar zult gij gered worden; aldaar zal u de Heere verlossen uit de hand uwer vijanden. 11 Nu zijn wel vele Heidenen tegen u verzameld, die daar zeggen: Laat ze ontheiligd worden, en laat ons oog schouwen aan Zion. 12 Maar zij weten de gedachten des Heeren niet, en verstaan zijnen raadslag niet; dat Hij hen vergaderd heeft als garven tot den quot; dorsch-vloer. a Jer. 51 : 33. 13 Maak u op en dorsch, o dochter Zions! want Ik zal uwen hoorn ijzer maken, en uwe klaauwen koper maken, en gij zult vele volken verpletteren; |
MICHA 4, 5, 6.
812
|
en Ik zal hunlioder gewin don Heere verbannen, en hun vermogen don quot; Heero dor gansche aarde. a Zach. 4:14. (j: 5. 14 Nu, rot u mot bondon, gij dochter der bende! hij zal eono belegering tegen ons stollen; zij zullen den rogter Israels met de roede op het kinnebakken slaan. HOOFDSTUK 5. Profetie van de geboorte van onzen Heiland Jezus Christus te Bothlehem en de bekeering der Ileido-noii, vs. 1; van zijn koninklijk weiden en regeren, en van de magt en middelen zijner Kerk tegen hare vijanden, 4; van den voorspoedigen wasdom, de heerlijkheid, de overwinningen, de onwankelbaarheid en heiligheid dor Kerk, alsmede do wraak van God over do ongehoorzamen, 7. EN gij, quot;Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, dio een Iloorscher zal zijn in Israël, en wiens uitgangen zijn van ouds, van do dagen der eeuwigheid. a Matt. 2 : G. Joh. 7 : 42. 2 Daarom zal Hij lien-liedon overgeven, tot don tijd toe, dat zij, die baron zal, gebaard liebbo; dan zullen de overige zijner broederen zich bekeeren mot do kinderen Israels. 3 En hij zal staan, en zal weiden in de kracht des Hekken, in do hoogheid van don naam des Heeren, zijns Gods; en zij zullen wonen, want nu zal hij groot zijn tot aan do einden der aarde. |
4 En deze zal Vrede wanneer hij doorgaat, zoo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde. 8 Uwe hand zal verhoogd zijn boven uwe weder-partijders, en al uwe vijanden zullen uitgeroeid worden. 9 En hot zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere, dat Ik uwe quot;paarden uit het midden van u zal uitroeijon, en Ik zal uwe wagenen verdoen. a Hos. 14 ; 4. 10 En Ik zal de steden uws lands uitroeijon, en Ik zal al uwe vestingen afbreken. 11 En Ik zal de tooverijen uit uwe hand uitroeijon, en gij zult geono guichelaars hebben. 12 En Ik zal uwe gesnedene beelden en uwe opgerigte beelden uit liet midden van u uitroeijon, dat gij u niet moer zult nederbuigen voor het werk uwer handen. 13 Voorts zal Ik uwe bosschen uit het midden van u uitroeijen, en Ik zal uwe steden verdelgen. 14 En Ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de Heidenen, die niet hooren. HOOFDSTUK 6. Verkondiging van Gods twist met zijn volk, van wege hunno ondankbaarheid togen zijne gedurige weldadigheid, vs. 1. God verwerpt hunne offeranden, en stelt hun zijnen eisch en hunnen pligt voor, (i. En daar het tegendeel onder hen bekend was, te weten: onregtvaardigheid, geweld , leugen en bedrog, insgelijks don afgodi-schen handel van Omri en Achab, dreigt Hij hun verwoesting, den honger , reddeloosheid en het zwaard, 10. |
|
zijn: wanneer Assur in ons land zal komen, on wanneer hij in onze paleizen zal treden, zoo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de menschen. 5 Dio zullen hot land van Assur afweiden met hot zwaard, en het land van Nimrod in deszelfs ingangen. Alzoo zal hij ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden. ü En Jakobs overblijfsel zal zijn in hot midden van vele volken, als een dauw van den Heere, als droppelen op het kruid, dat naar geenon man wacht, noch menschortkinderen verbeidt. 7 Ja hot overblijfsel van Jakob zal zijn onder do Heidenen, in hot midden van velo volken, als een leeuw onder de beesten dos wouds, als oen jonge leeuw onder de schaapskudden; dewelke. |
HOORT nu, wat do Heere zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uwe stom hooren. 2 Hoort, gij bergen! don twist des Heeren, mitsgaders gij sterke fondamenten der aarde! want de quot; Heere hoeft oenen twist mot zijn volk, en Hij zal zich met Israël in regt begeven. a Hos. 4:1. 3 O mijn volk! wat hob Ik u gedaan? on waarmode heb Ik u vermoeid? betuig tegen Mij. 4 Immers heb Ik u uit quot; Egypteland opgevoerd, en u uit hot diensthuis verlost; on Ik heb voor uw aangezigt henen gezonden Mozes, Aaron en Mirjam. a Ex. 12:51. 14:30. 5 Mijn volk! gedenk toch wat quot;Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hom Biloam, de zoon van Boor, antwoordde; en xvat |
MICH A 6, 7.
81«
|
geschied zij van ''Sittim af tot ^ Gilgal too, opdat gij de geregtigheden dos Heeren kennot. «Num. 22:5. 23:7. 6 Num. 25. eJoz. 5. fi Waarmede zal ik den Heere tegenkomen, en mij bukken voor den hoogen God? zal ik Hem tegenkomen met brandofferen ? mot eenjarige kalveren ? 7 Zou de Heere een welgevallen hebben aan duizenden van rammen? aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijnen eerstgeborene geven voor mijne overtreding? de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel? 8 Hij heeft u bekend gemaakt, o mensch! wat goed is: en wat quot; eisclit de Heere van u, dan regt te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uwen God? aDeut. 10:12. 9 De stem des Heeren roept tot de stad (want uw naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft! 10 Zijn er niet nog, in eens ieders godde-loozen huis, schatten der goddeloosheid ? en eene schaarsche efa, dat te verfoeijen is ? 11 Zou ik rein zijn, met eene goddelooze quot; weegschaal? en met oenen zak van bedriegelijke weegsteenen? «Hos. 12:8. 12 Dewijl hare rijke lieden vol zijn van geweld, en hare inwoners leugen spreken, en hare tong quot; bedriegelijk is in haren mond: aJer. 9:8. 13 Zoo zal Ik u ook krenken, u slaande, en verwoestende om uwe zonden. 14 Gij zult quot;eten, maar niet verzadigd worden, en uwe nederdrukking zal in het midden van u zijn; en gij zult aangrijpen, maar niet wegbrengen , en wat gij zult wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven. a Hos. 4:10. 15 Gij zult quot; zaaijen, maar niet maaijen; gij zuil olijven treden, maar u met olie niet zalven, en most, maar geenen wijn drinken. a Ãeut. 28 : 38. Hagg. 1 : 0. 16 Want de inzettingen van quot; Omri worden onderhouden, en het gansche werk van het huis van ''Achab; en gij wandelt in derzelver raadslagen ; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en hare inwoners tot aanfluiting; alzoo zult gij de smaadheid mijns volks dragen. al Kon. 16:25, 26. //1 l\on. 16:30, oiii',. HOOFDSTUK 7. Klagt dor Kerk over haar klein getal en algcmeene verdorvenheid van aanzienlijken ou geringon, waarom God mot zijne straffen nadert, vs. 1. Zij waarschuwt voor vertrouwen op menschen en stelt haar vertrouwen op God, 7. Zij zegepraalt door geloof over hare vijandin, 8. God troost haar met zijn toekomstig genadewerk van den Messias, haren Herder, ofschoon Kanailn woest zal zijn ,11; waarop de Kerk Christus met blijdschap aanspreekt, 14. God belooft haar wonderen, 15. Zij profeteert van do beschaming der vijanden van liet Evangelie, 16. Zij verwondert zich over Gods genade, en verwacht in geloof de komst van Christus, 18. |
AI mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn : er is geene druif om te eten; mijne ziel begeert vroegrijpe vrucht. 2 De goedertierene is vergaan uit hot land, en er is niemand opregt onder de menschen; zij loeren allemaal op bloed, zij jagen, een iegelijk zijnen broeder, met een jagtgaren. a Ps. 12:2. Hos. 4:1. 3 Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zoo eischt de vorst, on do regter oordeelt quot; om vergelding; en de groote spreekt do '' verderving zijner ziel, en zij draaijen ze digt in een. a .Micha 3:11. h Miclm 2:1. 4 Do beste van hen is als een doorn; de op-regtste is scherper dan eeno doornheg; do dag uwer wachters, uwe bezoeking, is gekomen; nu zal hunlieder verwarring wezen. 5 Gelooft eenen vriend niet, vertrouwt niet op eenen voornaamsten vriend; bewaar do deuren uws monds voor haar, die in uwen schoot ligt. 6 Want de quot;zoon veracht den vader, do dochter staat op tegen hare moedor, de schoondochter tegen hare schoonmoeder; eens mans vijanden zijn zijne huisgenooten. « Ezec. 22:7. Matt. 10:21, 35, 36. Luk. 12:53. 7 Maar ik zal uitzien naar don Heere, ik zal wachten op don God mijns heils: mijn God zal mij hooren. 8 Verblijd u niet over mij, o mijne vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal do Heere mij oen licht zijn. 9 Ik zal des Heeren gramschap dragon, want Ik heb tegen Hom gezondigd; totdat Hij mijnen twist quot;twisto, en mijn regt uitvoere: Hij zal mij uitbrengen aan liet licht; ik zal mijnen lust zien aan zijne geregtigheid. a Jcr. 50:34. 10 En mijne vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij quot;zegt: Waar is de IIeere, uw God? mijne oogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertro-ding, als slijk der straten. a Ps. 70 :10. 115:2. Joël 2: 17. 11 Ten dage als Hij uwe muren zal quot; herbouwen , te dien dage zal het besluit verre heengaan. a Amos 9:11, enz. 12 Te dien dage zal het ook komen tot u toe, van Assur af, zelfs tot de vaste steden toe; en van de vestingen tot aan de rivier, en van zee tot zee, en van gebergte tot gebergte. 13 Maar dit land zal worden tot eene verwoesting, zijner inwoners halve, van wege de quot; vrucht hunner handelingen. «.Tor. 21:14. 14 Gij dan quot;weid uw volk met uwen staf, de kudde uwer erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds. a Micha 5 :3. |
NAHUM I.
|
15 Ik zal haar quot;wonderen doen zien, als in de dagen, toen «rij nit Egypteland nittoogt. rtJoël 2:20, 30. 16 Do Heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, van wege al hunne inagt: zij zullen do hand op don mond leggen; hunne ooren zullen doof worden. 17 Zij zullen het quot;stof lekken, als de slang; als kruipende dieren der aarde, zullen zij zich beroeren uit hunne sloten: zij zullen mot vervaardheid komen tot den Heere, onzen God, on zullen voor U vreezen. a Ps. 72 :!). .les. 49 : 23. |
18 Wie is een God gelijk Gij, die de ongereg-tigheid quot; vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt zijnen toorn niet in eeuwigheid: want Hij heeft lust aan goedertierenheid. «Ex. 34:0, 7. 19 Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongeregtigheden dempen: ja Gij zult al hunne zonden in de diepten der zee werpen. 20 Gij zult Jakob de trouw. Abraham de goedertierenheid geven, die Gij onzen vaderen van oude dagen af gezworen hebt. |
|
DE P R O F E HOOFDSTUK 1. Eene bosciirijving van ilo natuur van (iod, die tegen zijne en zijns volks vijanden sterk en straf is, vs. 2: maar goedertieren jegens de vromen en dio Hem lief-Itebben, 7. De profeet dreigt voorts den Nine-vieten met hunnen ondergang , 8. Hij troost de vrome Joden, hun voorzeggende, dat hun vijand, do koning van Assy-riö, zou verslagen worden, 15. DE last van Ni-neve. Het boek dos gezigts van Nahum, den Elkosiet. 2 Een quot;ijverigGod en oen wreker is de Heere, oen wreker is do Heere, en zeer grimmig; een wreker is de Heere aan zijne wederpartijders, en Hij behoudt den toorn zijnen vijanden. Ex 20:5. 3 De Heere is langmoedig, doch van groote kracht, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig. Des IIeeren weg is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof zijner voeten. 4 Hij scheldt de zee, en maakt zo droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon. 5 quot; De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde ligt zich op voor zijn aangezigt, en de wereld, en allen, die daarin wonen. a Ex. 19:18. Ps. 18:8, 29:5,6. 68:8. 97:4,5. 114:4. 6 Wie zal voor zijn gramschap staan? en wie zal voor de hittigheid zijns toorns bestaan? zijne |
ET NAHUM. grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rots-steenen worden van Hein vermorzeld. 7 De Heere is goed, quot; Hij is ter sterkte in den dag der benaauwd-lieid, en Hij kent hen, die op Hem betrouwen. a Joël 3 : 10. 8 En met eenen doorgaanden vloed zal Hij hare plaats te niet maken; en duisternis zal zijne vijanden vervolgen. 9 Wat denkt gijlieden tegen den Heere? Hij zal zelfs eene voleinding maken; de benaauwdheid zal niet tweemaal oprijzen. 10 Dewijl zij in elkander gevlochten zijn alsdoornen, en dronken zijn, gelijk zij plegen dronken te zijn, zoo worden zij volkomen verteerd, als oen dorre stoppel. 11 Van u is een uitgegaan, die kwaad denkt, tegen den Heere, een Belials raadsman. 12 Alzoo zegt de Heere: Zijn zij voorspoedig, en alzoo velen, alzoo zullen zij ook geschoren worden, en hij zal doorgaan: Ik heb u wel gedrukt , maar Ik zal u niet meer drukken. 13 Maar nu zal Ik ziju juk van u breken, en zal uwe banden verscheuren. 14 Doch tegen u heeft de Heere bevolen, dat er van uwen naam niemand meer gezaaid zal worden: uit het huis uws gods zal Ik uitroeijen de gesnedene en gegotcne beelden; Ik zal u daar een graf maken, als gij zult veracht zijn geworden. 15 quot; Ziet op de bergen de voeten desgenen, die |
NAHUM 1 , 2,3.
Bin
|
liet goedo boodschapt, die vrede doet hoeren: vier uwe vierdagen, oJuda! betaal uwe geloften; want de Helials man zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is gansch uitgeroeid. ff.les. 52:7. Rom. 10; 15, HOOFDSTUK 2. Verdere voorzegging van den ondergang der Ninevioton door do Babyloniërs, van wege hunne tiriinnie tegen het volk van God en andere natiën. DE verstrooijer trekt tegen uw aangezigt op, bewaar de vesting; bezigtig den weg, versterk de kracht zeer. 2 Want de Heeue hoeft do hoovaardij Jakobs afgewend, gelijk do hoovaardij Israels: want de quot; ledigmakors hebben zo ledig gemaakt, on zij hebben hunne wijnranken verdorven. «Ps. 80: 13. Jes. 10: 12. S De schilden zijner helden zijn rood gemaakt, de kloeke mannen zijn scharlakenverwig, do wagons zijn in het vuur der fakkelen, ten dage als hij zich bereidt; en de spiesen worden geschud. 4 De wagens razen door de wijken, zij loopen ginds en weder op de straten; hunne gedaanten zijn als der fakkelen, zij loopen door elkander henen als de bliksemen. 5 Hij zal aan zijne voortroffolijken gedenken, doch zij zullen struikelen in hunne togten; zij zullen haasten naar hunnen muur, als hot bo-sclmtsel vaardig zal wezen. C De poorten dor rivieren zullen geopend worden , en hot paleis zal versmolten. 7 En Huzab zal gevankelijk weggevoerd worden, men zal haar boeten voortgaan; en hare maagden zullen haar geleiden, als met eeno stom der duiven, trommelende op hare harten. 8 Nineve is wol als een watervijver, van do dagen af dat zij geweest is, doch zij zullen vlugten: Staat, staat! zal men roepen, maar niemand zal omzien. 9 Rooft zilver, rooft goud, want er is geen einde dos voorraads, der heerlijkheid van allerlei gewonschte vaten. 10 Zij is geledigd, ja uitgeledigd, uitgeput, en quot; haar hart versmolt, en de knieën schudden, en ''in al de lenden is smart, en hun aller aange-zigten betrekken, ah een pot. «Dent. 1 : 28. 20 : 8. Joz. 2:11.5:1. 7 : 5. .los. 13 : 7. Ezoc. 21 : 7. hJes. 13 : 8. 21 : 3. 11 Waar is nn de woning der leeuwen, en die weide der jonge leeuwen? alwaar de leeuw, do oude leeuw, en hot leeuwenwelp wandelde, en er was niemand, die hen verschrikte. 12 De leeuw, die genoeg roofde voor zijne welpen, en worgde voor zijne oude leeuwinnen, die zijne holen vervulde met roof, en zijne woningen mot het geroofde. 13 Ziet, Ik ruil aan u, spreekt de Heere der heirscharen, en Ik zal hare wagenen in rook verbranden, en hot zwaard zal uwe jonge leeuwen verteren, en Ik zal uwen roof uitroeijen van de aarde, en de stem uwer gezanten zal niet meer gehoord worden. |
HOOFDSTUK 3. Verdere profetie van don ondergang der stad Nineve en der Assyriërs, naai' het voorbeeld dor stad No, welke ook is verdelgd geworden om dergelijke zonden als Nineve begaan had, 8. De profeet voegt daarbij, dat hare sterkte en groote magt haar niet zouden helpen, 12. WEE dor bloodstad, die gansch vol leugen, en verscheuring is! de roof houdt niet op. 2 Er is het geklap der zweep, en hot geluid van liet bulderen der raderen ; en do paarden stampen , en de wagens springen op. 3 Do ruiter stookt omhoog, zoo hot vlammende zwaard, als de bliksemende spies, en er zal veelheid der verslagenen zijn, en eeno zware menigte der doodo ligchamen; ja er zal geen einde zijn der ligchamen, men zal over hunne ligchamen struikelen: 4 Om der groote hoererijen wil dor zeer bevallige hoer, dor meesteres der tooverijen, die met hare hoererijen volken verkocht heeft, en geslachten mot hare tooverijen. 5 Ziet, Ik wil aan u, spreekt do Heere der heirscharen, en Ik zal uwe zoomen ontdekken boven uw aangezigt, on Ik zal den Heidenen uwe naaktheid, on den koningrijken uwo schande wijzen. (gt; En Ik zal verfooijelijke dingen op u werpen, on u tot schande maken, en Ik zal u als oenen spiegel stellen. 7 En hot zal geschieden, dat allen, die u zien, van u wegvlieden zullen, en zeggen: Nineve is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben ? van waar zal Ik u troosters zoeken ? 8 Zijt gij beter dan No, do volkrijke, gelogen in do rivieren? die rondom henen water heeft? welker voormuur do zoo is, haar muur is van zee. 9 Mooronland on Egypte waren hare magt, en er was geen einde; Put en Lyboa waren tot uwe hulp. 10 Nog is zij gevankelijk gegaan in do gevangenis; ook zijn hare kinderen op hot hoofd van allo straten verpletterd geworden; en over hare geëerden hebben zij hot lot geworpen, en al hare grooten zijn in boeijen gebonden geworden. 11 Ook zult gij dronken worden, gij zult u verbergen; ook zult gij eeno sterkte zoeken van wege don vijand. 12 Al uwe vastigheden zijn vijgoboomen met de eerste vruchten; indien zij geschud worden, zoo vallen zij dien op den mond, die zo eten wil. 13 Ziet, uw volk zal in het midden van u tot vrouwen worden; de poorten uws lands zullen uwen vijanden wijd geopend worden; hot vuur zal uwe grendelen verteren. 14 Schep ii water ter belegering; versterk uwe vastigheden; ga in do klei, on treed in hot leem; verbeter den tigcheloven. |
|
816 HABAH 15 Hot vuur zal u aldaar verteren: liet zwaard zal u uitroeijen, het zal u afeten, als de kevers; vermeerder u als kevers, vermeerder u als sprinkhanen. 1G Gij hebt meer handelaars, dan er sterren aan den hemel zijn; de kevers zullen invallen, en er van vliegen. 17 Uwe gekroonden zijn als do sprinkhanen, en uwe krijgsoversten als de groote kevers, die zich in de hoiningmuron logeren in de koude der dagen: wanneer do zon opgaat, zoo vliegen zij |
IK 1, 2. weg, alzoo dat hunne plaats onbekend is, waar zij geweest zijn. 18 Uwe herders zullen sluimeren, o koning van Assur! uwe voortreffelijkon zullen zich leggen, uw volk zal zich op do borgen wijd uitbreiden, en niemand zal zo verzamelen. 19 Er is goeno zamentrekking voor uwe breuk, uwe plage is smartelijk; allen, die hot gerucht van u hooren, zullen de handen over u klappen: want over wien is uwe boosheid niet goduriglijk I gegaan? |
DE PROFEET HABAKUK.
|
HOOFDSTUK 1. Klagt van don profeet over de groote boosheid on ongeregtiglieid van hot Joodscho volk, vs. 2. Hij verkondigt, dat om zulko zonden do Chaldoön mot grooto inagt on snelheid over hen komen en alles verwoesten zullen, 5. Hij bidt don Heere, dat Hij loch de vijanden, die zwaarder dan de Joden hadden gezondigd, hunnen moedwil niet laat volbrengen, maar veelmeer die wil straffen, 12. DE last, welken Habakuk, de profeet, gezien heeft. 2 Heere! hoe lang schreeuw ik, en Gij hoort niet! hoe lang roep ik geweld, tot U, en Gij verlost niet! 3 Waarom laat Gij mij ongeregtiglieid zien, en aanschouwt de kwelling? want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist, en men neemt gekijf op. 4 Daarom wordt do wet onderlaten, en het regt komt nhmnormeer voort: want de goddelooze omringt den regtvaardige; daarom komt hot regt verdraaid voor. 5 Ziet onder de Heidenen, en aanschouwt, en verwondert u, verwondert u! want quot;Ik werk een werk in ulieder dagen, hetwelk gij niet gelooven zult, als het verteld zal worden. a Hand. 13:41. (i Want ziet. Ik verwek de Chaldoön, een bitter en snol volk, trekkende door de breedten dolaarde, om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn. 7 Schrikkelijk en vreesselijk is hetzelve; zijn regt en zijné hoogheid gaat van hem zelven uit. 8 Want zijno paarden zijn ligtor dan de luipaarden, en zij zijn scherper dan de avondwolven, en zijne ruiters verspreiden zich; ja zijne ruiters zullen van verre komen, zij zullen vliegen als een arend, zich spoedende om te eten. 9 Het zal gehoellijk tot geweld komen, wat zij inslorpen zullen met hunne aangezigten, zullen zij brengen naar het oosten; en het zal de gevangenen verzamelen als zand. 10 En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem eene belagching zijn; hij zal alle vesting belagchen: want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen. |
11 Dan zal hij den geest veranderen, en hij zal doortrokken, en zich schuldig maken, houdende deze zijne kracht voor zijnon God. 12 Zijt Gij niet van ouds af de Heere, mijn God, mijn Heilige? wij zullen niet sterven: o Heere! tot een oordeel hebt Gij hem gestold, en o Rots! om te straffen, hebt Gij hem gegrondvest. 13 Gij zijt te rein van oogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen: waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? waarom zoudt Gij zwijgen, als do goddelooze dien verslindt, die regt-vaardiger is dan hij ? 14 En waarom zoudt Gij de menschen maken, als de visschen der zee? als het kruipend gedierte, dat geonen heerscher hoeft? 15 Hij trekt ze allen met den angel op, hij vergadert ze in zijn garen, en hij verzamelt ze in zijn net; daarom verblijdt en verheugt hij zich. 16 Daarom offert hij aan zijn garen, en rookt aan zijn net: want door dezelve is zijn deel vet geworden, on zijne spijze smoutig. 17 Zal hij dan daarom altoos zijn garen ledig maken? en zal hij niet verschoonon, met altoos de volken te dooden? HOOFDSTUK 2. De profeet op zijn voorgaand gebed en klagt antwoord verwacht hebbende, vs. 1; ontvangt van den Heero bevel om de profetie van den ondergang der Cbal-deön aan hot Joodscho volk duidelijk vooi oogen te stellen; dat dio zeker zal vervuld worden, maar dat men zulks met geduld moest verwachten, 4; dit wordt in do volgende verzen breeder verklaard, 7; van woge hunne hoovaardij, gierigheid, tirannie, gulzigheid, bloeddorstigheid en afgoderij. IK quot;stond op mijne wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijne bestraffing. ^Jes. 21:8. 2 Toen antwoordde mij de Heere, en zeide: «Schrijf het gezigt, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt. aJes.30;8. 3 Want het gezigt zal nog tot eenen bestemden |
IIABAKUK 2, 3.
817
|
tijd zijn, dan zal Hij liet op het einde voortbrengen, en niet liegen: zoo Hij vertoeft, verbeid Hein, want Hij zal gewisselijk komen. Hij zal niet achterblijven. 4 Ziet, zijne ziel verheft zich, zij is niet regt in hem; maar de regtvaardige zal door zijn geloof leven. 5 En ook dewijl hij trouwelooslijk handelt bij den wijn, een trotsch man is, en in zijne woning niet blijft; die zijne ziel wijd opendoet als het graf, en gelijk de dood is, die niet zat wordt, en tot zich verzamelt al de Heidenen, en vergadert tot zich alle volken; fi Zouden dan niet al dezelve van hem een spreekwoord opnemen, en eene uitlegging der raadselen van hem? en men zal zeggen: Wee dien, die vermeerdert hetgeen het zijne niet is, (hoe lange!) en dien, die op zich laadt dikken slijk. 7 Zullen niet onvoorziens opstaan, die u bijten zullen? en ontwaken, die u zullen bewegen? en zult gij hun niet tot plundering worden ? 8 Omdat gij vele Heidenen beroofd hebt, zoo zullen alle overgeblevene volken u berooven; om het bloed der menschen, en het geweld aan het land, de stad, en alle inwoners derzeivc. 9 Wee dien, die met kwade gierigheid giert voor zijn huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle, om bevrijd te zijn uit de hand des kwaads. 10 (iij hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis; uitroeijende vele volken, zoo hebt gij gezondigd teyen uwe ziel. 11 Want de steen uit den muur roept, en de balk uit het hout antwoordt dien. 12 Wee dien, die de stad met bloed bouwt, en die de stad met onregt bevestigt! 13 Ziet, is het niet van den Heere der heir-scharen, dat de volken arbeiden ten vuro, en de lieden zich vermoeijen te vergeefs? 14 Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des Heeren bekenne, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. lö Wee dien, die zijnen naaste te drinken geeft, gij, die uwe wijnflesch daarbij voegt, en ook dronken maakt, opdat gij hunne naaktheden aanschouwt. 16 Gij zult ook verzadigd worden met schande, voor eer; drinkt gij ook, en ontbloot de voorhuid; de beker der regterhand des Heeren zal zich tot u wenden, en er zal een schandelijk uit-braaksel over uwe heerlijkheid zijn. 17 Want het geweld, dat tegen Libanon begaan is, zal u bedekken, en de verwoesting der beesten zal ze verschrikken, om des bloeds wil der menschen , en des gewelds in het land, de stad en aan alle inwoners derzelve. 18 Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft ? of het gegoten beeld, hetwelk een leugenleeraar is, dat de formeerder op zijn fonneersel vertrouwt, als hij stomme afgoden gemaakt heeft? |
1!) Wee dien, die tot hot hout zegt: Word wakker! cn ontwaak! tot den zwijgenden steen. Zou het loeren? ziet, het is met goud en zilver overtrokken , en er is gansch geen geest in het midden van hetzelve. 20 Maar de Heere is in zijnen heiligen tempel: zwijg voor zijn aangezigt, gij gansche aarde! HOOFDSTUK 3. ILibakuk bidt den Heere, dat Hij /.ijn volk in de Babylonische gevangenis wil bewaren, vs. 1. Tot versterking van zijn en des volks geloof verhaalt hij, hoe krachtig God zijn volk heeft beschermd, toen Hij het uit Egypte door do woestijn leidde, 3. Voorts verhaalt hij, hoezeer hij verschrikte, toen hij verstond, dat Jeruzalem verwoest zon worden, 10. Doch hij troost zich weder door de overlegging van de hulp van God, don Almagtige. EEN gebed van Habakuk, den profeet, op Sjigjónóth. 2 Heere! als ik uwe rede gehoord heb, heb ik gevreesd; uw werk, o Heere! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in hot midden der jaren; in den toorn gedenk des ontfermens. 3 God kwam van Theman, en de Heilige van den berg Paran. Sela. Zijne heerlijkheid bedekte de hemelen, en het aardrijk was vol van zijnen lof. 4 En er was een glans als des lichts. Hij had hoornen aan zijne hand, en aldaar was zijne sterkte verborgen. 5 Voor zijn aangezigt ging de pestilentie, en do vurige kool ging voor zijne voeten henen, 6 Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de Heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen der eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen der eeuw zijn zijne. 7 Ik zag de tenten van Kusan onder de ijdelheid; de gordijnen des lands van Midian schudden. 8 Was do Heere ontstoken tegen do rivieren? was uw toorn tegen de rivieren ? was uwe verbolgenheid tegen de zoo? toon Gij op uwe paarden reedt, uwe wagens waren heil. !) Do naakte grond werd ontbloot door uwen boog, om de eeden, aan de stammen gedaan door het woord. Sela. Gij hebt de rivieren der aarde gekloofd. 10 De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijne stem, hij hiof zijne zijdon op in de hoogte. 11 De zon en do maan stonden stil in hare woning; met het licht gingen uwe pijlen daarhenen , met glans uwe bliksemende spies. 12 Met gramschap tradt Gij door hot land, met toorn dorschtot Gij de Heidenen. 13 (Jij toogt uit tot verlossing uws volks, tot verlossing met uwen Gezalfde; Gij doorwonddot het hoofd van het huis des goddoloozen, ont-blootonde den grond tot den hals toe. Sela. 14 Gij doorboordet mot zijne staven hot hoofd zijner dorplieden; zij hebben gestormd, om mij |
ZEFANJA 1, 2.
te verstrooijen; die zicli verheugden, als of zij geene vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het
de ellendigen in het verborgen zouden opeten. werk des olijfbooms liegen zal, en de velden
15 Gij betradt met uwe paarden de zee, de ge- geene spijze voortbrengen; dat men de kudde uit
weldige wateren worden een hoop. de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in
Ki Als ik het hoorde, zoo werd mijn buik be- de stallingen wezen zal;
roerd; voor de stem hebben mijne lippen gebeefd; 18 Zoo zal ik nogtans in den Heere van vreugde
verrotting kwam in mijn gebeenten, en ik word opspringen, ik zal mij verheugen in don God
beroerd in mijne plaats. Zekerlijk ik zal rusten mijns boils.
ten dage der bonaauwdhoid, als hij optrekken 19 De Heere Heere is mijne Sterkte; en Hij
zal tegen het volk, dat hij het met benden zal mijne voeten maken als der hinden, en Hij
aanvallo. zal mij doen treden op mijne hoogten. Voor den
818
17 Alhoewel de vijgeboom niet bloeijen zal, en opporzangmeester op mijn Neginóth.
DE PROFEET ZEFANJA.
|
HOOFDSTUK 1. De Heere voorzegt den ondergang van Jeruzalem, ou de verwoesting van den ganschen stam van Juda door de Babyloniërs, van wego hunne afgoderij en andere zonden. Hij vermaant hen tot boete, alzpo do wegvoering naar Babel nabij was. HET woord des Heeren, hetwelk geschied is tot Zefanja, den zoon van Cuschi, den zoon van Gedalja, den zoon van Amarja, den zoon van Hizkia; in de dagen van Josla, den zoon van Anion, den koning van Juda. 2 Ik zal ganschelijk alles wegrapen uit dit land, spreekt de Heere. ü Ik zal wegrapen menschen en beesten; Ik zal wegrapen de vogelen des hemels, en de visschen der zee, en de ergernissen met de goddeloozen; ja Ik zal de menschen uit dit land uitroeijen, spreekt de Heere. 4 En Ik zal mijne hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal uit deze plaats uitroeijen het overblijfsel van Baiil, en den naam der Chemarim met de priesters; 5 En die zich nederbuigen op de daken voor het heir des hemels, en die zich nederbuigende zweren bij den Heere, en zworen bij Malcham; (i En quot;die terugkeeren van achter den Heere; en die den Heere niet zoeken, en vragen naar Hem niet. «Jes. 1:4. 59: 13. .Ter. 15 :G. 7 Zwijgt voor liet aangezigt des Heeren Heeren; want de dag des Heeren is nabij: want de Heere heeft een slagtoffer bereid. Hij heoft zijne ge-nooden geheiligd. 8 En het zal geschieden in den dag van het slagtoffer des Heeren, dat Ik bezoeking zal doen over de vorsten, en over de kinderen des konings, en over allen, die zich kleeden met vreemde kleeding. S) Ook zal Ik ten zeiven dage bezoeking doen over al wie over den dorpel springt; die het huis hunner heeren vullen met geweld en bedrog. 10 En er zal te dien dage, spreekt de Heere, eene stem des gekrijts zijn van de Vischpoort af, en oen gehuil van liet tweede gedeelte, en eene groote breuk van de heuvelen af. |
11 Huilt, gij inwoners der laagte! want al hot volk van koophandel is uitgehouwen, al de geld-dragers zijn uitgeroeid. 12 En liet zal geschieden te dien tijde. Ik zal Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken; en Ik zal bezoeking doen over de mannen, die stijf geworden zijn op hunnen droesem , die in hun hart zeggen: De Heere doet geen goed, en Hij doet geen kwaad. 13 Daarom zal hun vermogen ten roof worden, en hunne huizen tot verwoesting; zij bouwen wel huizen, maar zij zullen ze niet bewonen; en zij planten wijngaarden, maar zij zullen derzelver wijn niet drinken. 14 De groote dag des Heeren is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van den dag des Heeren ; de held zal aldaar bitterlijk schreeuwen. 15 Die dag zal een dag der verbolgenheid zijn; oen dag der benaauwdheid en des angstes, oen dag der woestiieid en verwoesting, n een dag der duisternis on der donkerheid, een dag dor wolk en der dikke donkerheid; aJoël 2:1, 2. 1(! Een dag der bazuin en des geklanks tegen de vaste steden en tegen de hooge hoeken. 17 En Ik zal de menschen bang maken, dat zij zullon gaan als de blinden: want zij hebben tegen den Heere gezondigd; en hun bloed zal vergoten worden als stof, en hun vleesch zal worden als drek. 18 Nocli quot;hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden '' ten dage der verbolgenheid des Heeren; maar door hot vuur zijns ijvers zal dit ganscho land verteerd worden: want Hij zal eene voleinding maken, gewisselijk eene haastige, met al de inwoners dezes lands. a Spr. 11:4. Ezec. 7 : 19. 6 vers 14, 15, 1G. HOOFDSTUK 2. De profeet vermaant do Joden tot bekeering eer him de straffen overvallen, inzonderheid de vromen, die |
ZEFAN.TA 2, 3.
sin
|
nog in het land overig waren, vs. 1. Bedreigingen over eenige uitlandsche Heidensche volken, 4; terwijl hij tegelijk voorzegt de roeping der Heidenen tot do kennis van God en de ware godsdienst. DOORZOEK u zelf naauw, Ja doorzoek naauw, gij volk, dat met geen' lust bevangen wordt! 2 Eer het besluit bare: (gelijk kaf gaat do dag voorbij) terwijl de hittigheid van des Hoeren toorn over uliedon nog niet komt; terwijl de dag-van den toorn des Hoeren over uliedon nog niet komt. 3 Zoekt den Heere, alle gij zacht moedigen des lands, die zijn rogt werken! Zoekt geregtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij verborgen worden in den dag van den toorn des Heeren. 4 Want Gaza zal verlaten wezen, en A'skelon zal ter verwoesting wezen: Asdod zal men in den middag verdrijven, en Ekron zal uitgeworteld worden. 5 Wee den inwoners van de landstreek der zee, den volke der Cherétim! liet woord des Heeren zal tegen ulieden zijn, gij Kanaan, der Filistijnen land! en Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn. (i En de landstreek der zee zal wezen tot hutten, uitgegravene putten der herders, en betui-niugen der kudden. 7 En de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, dat zij daarin weiden; des avonds zullen zij in de huizen van A'skelon legeren, als de Heere, hunlieder God, hen zal bezocht, en hunne gevangenis zal gewend hebben. 8 Ik heb de beschimping van Moab gehoord, en de scheldwoorden der kinderen Amnions, waarmede zij mijn volk beschimpt hebben, en hebben zich groot gemaakt tegen deszelfs landpale. 9 Daarom, zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere der heirscharen, de God Israels: Moab zal zekerlijk zijn als Sodom, en de kinderen Amnions als Gomórra, eene netelheide, en eene zoutgroeve, en eene verwoesting tot in eeuwigheid! de overigen mijns volks zullen ze berooven, en het overige mijns volks zullen zo erfelijk bezitten. 10 Dat zullen zij hebben in plaats van hunnen hoogmoed: want zij hebben beschimpt, en hebben zich groot gemaakt tegen het volk van den Heere der heirscharen. 11 Vreesselijk zal de Heere tegen hen wezen, want Hij zal al de goden der aarde doen uitteren ; en een iegelijk uit zijne plaats zal Hem aanbidden , al de eilanden der Heidenen. 12 Ook gij, Mooren! zult de verslagenen van mijn zwaard zijn. 13 Hij zal ook zijne hand uitstrekken tegen het Noorden, en Hij zal Assur verdoen; en Hij zal Nuieve stellen tot eene verwoesting, droog als eene woestijn. |
11 En in het midden van haar zullen de kudden legeren, al het gedierte der volken; ook de roerdomp, ook do nachtuil zullen op hare granaatappelen vernachten; eene stem zal in hot venstor zingen, verwoesting zal in den dorpel zijn, als Hij haar coderwork zal ontbloot hebben. 15 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben hot, en buiten mij is geene moor; hoe is zij geworden tot woestheid! eene rustplaats van hot gedierte! een ieder, die daardoor trekt, zal zo aanfluiten, hij zal zijne hand bewogen. HOOFDSTUK 3. Klagt van don profoot over de zonden van alle standen van liet Joodsche volk, bijzonder over hunne halsstarrigheid, vs. 1. llij bedreigt hen met Gods straffen, 8. Daarna profeteert hij, hoe God de Heidenen tot zijne kennis zou brengen, zijne Kerk van hare zonden reinigen, haar beschermende en hare vijanden verdelgende, doch haar verheerlijken, !). WEE der ijssolijko en der bevlekte, dor verdrukkende stad! 2 Zij hoort naar do stom niet; zij neemt de tucht niet aan; zij vertrouwt niet op don Heere; tot haren God nadert zij niet. 3 quot; Hare vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar; hare regtors zijn avondwolven, die do beenderen niet breken tot aan den morgen. a Spr. 28 :15. Ezec. 22 : 27. 4 quot; Hare profeten zijn ligtvaaardig, gansch trouwelooze mannen; hare priesters verontreinigen het heilige , zij doen der wet gewold aan. a Jer. 23 : 11, 32. Hos. 9 : 7. 5 De regtvaardige Heere is in liet midden van haar, Hij quot; doet geen onregt; allen morgen geeft Hij zijn rogt in hot licht, er ontbreekt niet; doch do verkeerde weet van geene schaamte. a Deut. 32 : 4. (i Ik hob de Heidenen uitgeroeid, hunne hoeken zijn verwoest, Ik hob hunne straten eenzaam gemaakt, dat niemand daardoor gaat; hunne steden zijn verstoord, zoodat er niemand is, dat er geen inwoner is. 7 Ik zoide: limners zult gij Mij vroozon, gij zult de tucht aannemen , opdat hare woning niet uitgerooid zou worden: al wat Ik haar bezocht hobbe, waarlijk zij hebben zich vroeg opgemaakt, zij hebben al hunne handelingen verdorven. 8 Daarom verwacht Mij, spreekt de Heere, ton dage als Ik mij opmake tot den roof: want mijn oordooi is, do Heidenen te verzamelen, do koningrijken te vergaderen, om over hen mijne gramschap, do gansche hittigheid mijns toorns uit to storten, want dit gansche land zal door het vuur van mijnen ijver verteerd worden. 9 Gewisselijk, dan zal Ik tot de volken eene reine spraak wenden; opdat zij allen den naam des Heeren aanroepen, opdat zij Hem dienon mot oen' eenparigen schouder. |
HAGGAI 1.
820
|
10 Van de zijden der rivieren der Mooren, zullen mijne ernstige aanbidders, met de dochter mijner verstrooiden, mijne offeranden brengen. 11 Te dien dage zult gij niet beschaamd wezen van wege al uwe handelingen, waarmede gij tegen Mij overtreden hebt: want alsdan zal Ik uit het midden van u wegnemen, die van vreugde opspringen over uwe hoovaardij, en gij zult u voortaan niet moer verheffen om mijns heiligen bergs wil. 12 Maar Ik zal in liet midden van u doen over- |
Israöls, de Heeiie, is in het midden van u, gij zult geen kwaad meer zien. 16 Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, o Zion! laat uwe handen niet slap worden. 17 De Heere, uw God, is in het midden van u, een Held, die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap. Hij zal zwijgen in zijne liefde. Hij zal zich over u verheugen met gejuich. 18 De bedroefden, om der bijeenkomst wil, zal |
|
blijven een ellendig en arm volk; die zullen op den naam des Heeren betrouwen. 13 De overgeblevenen van Israël zullen geen onregt doen, noch leugen spreken, en in hunnen mond zal geene bedriegelijke tong gevonden worden ; maar zij zullen weiden en nederliggen, en niemand zal hen verschrikken. 14 Zing vrolijk, quot;gij dochter Zions! juich, Israël! wees blijde, en spring op van vreugde van ganscher harte, gij ''dochter Jerüzalems! a Zach. !): 9. h /ach. 9 ; 9. 15 De Heere heeft uwe oordeelen weggenomen. Hij heeft uwen vijand weggevaagd; de Koning |
Ik verzamelen, zij zijn uit u; de schimping is een last op haar. 19 Ziet, Ik zal te dien tijde al uwe verdrukkers verdoen, en Ik zal de hinkenden behoeden, en de uitgestootenen verzamelen; en Ik zal ze stellen tot eenen lof, en tot een' naam, in het gansche land, waar zij beschaamd zijn geweest. 20 Te dier tijd zal Ik ulieden herwaarts brengen, ten tijde namelijk, als Ik u verzamelen zal; zekerlijk Ik zal ulieden zetten tot een' naam en tot eenen lof, onder alle volken der aarde, als Ik uwe gevangenissen voor uwe oogen wenden zal, zegt de Heere. |
DE PROFEET HAGGAI.
|
HOOFDSTUK 1. Do profeet bestraft de oversten on hot volk te Jerfl-zalem, omdat zij in schoone huizen woonden, niiiar des Hoeren tempel ongebouwd lieten liggen, vs. 1. Hij zegt, dat God, de Heere, om deze nalatigheid hunnen handel in andere zaken niet zegende, 5. |
Daarom vermaant hij hen, den nagelaten bouw van den tempel te hervatten en te volvoeren, 7; welke vermaming in acht wordt genomen, 12. IN het tweede jaar van den koning Darïus, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des Heeren, door |
HAGGAI 1, 2.
821
|
do dienst van Haggaï, don profoot, tot Zerub-babel, don zoon van Sealthiël, don vorst van Juda, on tot Jósua, don zoon van Józadak, den hoogepriester, zeggende: 2 Alzoo spreekt de Heere dor heirscharen, zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, do tijd , dat des Heeren huis gebouwd worde. 3 En het woord des Heeren geschiedde dooide dienst van den profeet Haggaï, zeggende: 4 Is het voor uliedon wel de tijd, dat gij woont in uwe gewolfde huizon, en zal dit huis woest zijn? 5 Nu dan, alzoo zegt de Heere der heirscharen; Stelt uw hart op uwe wegen. 6 quot; Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken worden toe; gij kleedt u, maar niet tot uwe verwarming; en wie loon ontvangt, die ontvangt dien loon in een' doorgeboorden buidel. a Dout. 28:38. Micha 6:14, 15. 7 Alzoo zegt de Heere dor heirscharen: Stolt uw hart op uwe wegen. 8 Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt do Heere. 9 Gij ziet om naar voel, maar ziet, gij bekomt weinig; en als gij het in huis gobragt hebt, zoo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt de Heere der heirscharen: om mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis. 10 Daarom quot; onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw is, en hot land onthoudt zijne vruchten. «Deut. 28:23. 11 Want Ik heb eene droogte geroepen over het land, en over do borgen, en over het koren, en over den most, en over de olie, en over hetgeen de aardbodem zou voortbrengen; ook over de menschen, en over do beosten, en over allen arbeid der handen. 12 Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jósua, de zoon van Józadak, de hoogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van den Heere , hunnen God, en naar de woorden van den profoot Haggaï, gelijk als hom de Heere, hun God, gezonden had; en hot volk vreesde voor het aangezigt dos Heeren. 13 Toen sprak Haggaï, de bode des Heeren, in de boodschap des Heeren , tot het volk, zoggonde: Ik ben met uliedon, spreekt de Heere. j 14 En de Heere verwekte den geest van Zerubbabel, den zoon van Sealthiël, don vorst van Juda, en den geest van Jósua, den zoon van Józadak, den hoogepriester, en don geest van het gansche overblijfsel dos volks; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van don Heere der heirscharen, hunnen God. HOOFDSTUK 2. De profoot vermaant Zorubbabel, Jósua on het volk, naarstig voort te gaan in het opbouwen van don tempel, vs. 1; belovende hun Gods hulp, 5; tege- i |
lijk voorzeggende, dat de Messias in dezen tempel persoonlijk zou verschijnen, 7; waardoor de heerlijkheid van dezen tempel grooter zou zijn dan van den eersten, 10. Daarna bestraft hij de geveinsdheid dergenen, die zich op het uiterlijk offer en de plegtigheden verlieten, vs. 11. Hi j belooft den opregten vromen Joden, dat gelijk zij te voren don vloek des Hoeren hadden gesmaakt, zij voortaan van den Heere zouden gezegend en hunne vijanden verdelgd worden, 1G. Hij profeteert ook van do raagt van Christus over al degenen, dio hem zouden tegenstaan, 21. OP den vier en twintigston dag der maand, in do zesde maand, in het tweede jaar van don koning Darius. 2 In do zevende maand, op den een en twintigsten dor maand, geschiedde het woord dos Heeren door do dienst van den profeet Haggaï, zeggende: 3 Spreek nu tot Zerubbabel, don zoon van Sealthiël, don vorst van Juda, en tot Jósua, don zoon van Józadak, don hoogepriester, en tot het overblijfsel des volks, zeggende: 4 Wie is onder uliedon overgeblovoii, dio dit huis in zijne eerste heerlijkheid gezien heeft, en hoedanig ziet gij hetzelve nu ? Is dit niet als niets in uwe oogen? 5 Doch nu, wees sterk, gij Zerubbabel! spreekt de Heere; en wees sterk, gij Jósua, zoon van Józadak, hoogepriester! en wees sterk, al gij volk dos lands! spreekt do Heere; en werkt, want Ik ben niet u, spreekt do Heere dor heirscharen. G Met het woord, in hetwelk Ik met uliedon een verhond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrokt, en mijnen Geest, staande in het midden van u; vreest niet! 7 Want alzoo zegt do Heere der heirscharen: Nog eens, een weinig tijds zal hot zijn; en Illt; zal de hemelen, en do aarde, en de zee, en hot drooge doen beven. 8 Ja Ik zal al de Iloidonen doen beven, en zij zullen komen tot den Wensch aller Heidenen, en Ik zal dit huis mot lioorlijkhoid vervullen, zegt de Heere der heirscharen. 9 Mijne is het zilver, en mijne is hot goud, spreekt do Heere der heirscharen. 10 De heerlijkheid van dit laatste huis zal grooter worden, dan van het eerste, zegt do Heere der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de Heere der heirscharen. 11 Op den vier en twintigsten dag der negende maand, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord dos Heeren door de dienst van don profoot Haggaï, zoggonde: 12 Alzoo zegt de Heere dor heirscharen: Vraag nu den priesters do wot, zeggende: 13 Ziet, iemand draagt heilig vleosch in de slip van zijn kleed, en hij raakt met zijne slip aan het brood, of aan het moes, of aan den wijn, of aan do olio, of aan eonigo spijze, zal liet heilig worden? en de priesters antwoordden, en zeiden: Noen. |
Z ACH ARIA 1.
822
|
14 En Haggaï zcitlo: Indien iemand, die onrein is van een dood ligchaam, iets van die dingen aanroert, zal liet onrein worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Het zal onrein worden. 15 Toen antwoordde Haggaï, en zeide: Alzoo is dit volk, en alzoo is deze natie voor mijn aangezigt, spreekt de Meere, en alzoo is al het werk hunner handen; en wat zij daar offeren, dat is onrein. l(j En nu, stelt er toch ulieder hart op, van dezen dag af en opwaarts, eer er steen op steen gelegd werd aan den tempel des Heeren. 17 Eer die dingen geschiedden, kwam iemand tot den korenhoo^) van twintig maten, zoo waren er maar tien; komende tot den wijnbak, om vijftig maten van de pers te scheppen, zoo waren er maar twintig. 18 Ik sloeg ulieden met brandkoren, met honigdauw en met hagel, quot;al het werk uwer handen; en gij keerdd u niet tot Mij, spreekt de Heere. a Hagg. 1 ; 11. |
IS) Stelt er tocli uw hart op, van dezen dag af en opwaarts; van den vier en twintigsten dag der negende maand af, van den dag af, als het fondament aan den tempel des Heeren is gelegd geworden, stelt er uw hart op. 20 Is er nog zaad in de schuur? zelfs tot den wijnstok, en den vijgeboom, en den granaatappelboom , en den olijfboom, die niet gedragen heeft, die zal Ik van dezen dag af zegenen. 21 Het woord des Heeren nu geschiedde ten tweede maal tot Haggaï, op den vier en twintigsten der maand, zeggende; 22 Spreek tot Zerubbabel, den vorst van Juda, zeggende: Ik zal de hemelen en de aarde bewegen. 23 En Ik zal den troon der koningrijken omkee-ren, en verdelgen de vastigheid van de koningrijken der Heidenen; en Ik zal den wagen omkeeren, en die daarop rijden; en de paarden, en die daarop rijden, zullen nederstorton, een iegelijk in des anderen zwaard. 24 Te dien dage, spreekt de Heere dor heir-scharen, zal Ik u nemen, o Zerubbabel, gij zoon van Sealthiël, mijn knecht! spreekt de Heere, en Ik zal u stellen als een' zegelring: want u heb Ik verkoren, spreekt do Heere der heirscharen. |
DE PROFEET ZACHARIA.
|
HOOFDSTUK 1. Do profeet vermaant do Joden tot ware bekeering, opdat zij niot gestraft worden, gelijk eertijds hunne vaders, vs. 1. Daarna bosciirijft hij twee gezigten: liet eerste van eenen man op een rood paard, boodschappende, dat Jeruzalem weder gebouwd zou worden, 7; hot andere van vier hoornen en vier smeden, beduidende, dat de vijanden van Gods volk zouden worden verslagen, 18. IN de achtste maand, in het tweede jaar van Darfus, geschiedde het woord des Heeren tot Zacharla, den zoon van Beréchja, den zoon van Iddo, den profeet, zeggende: 2 De Heere is zeer vertoornd geweest tegen uwe vaderen. 3 Daarom zog tot hen; Alzoo zegt de Heere der heirscharen: Keert weder tot Mij, spreekt de Heere der heirscharen, zoo zal Ik weder tot ulieden keeren, zegt de Heere der heirscharen. 4 Weest niet als uwe vaderen, tot dewelke quot; de vorige profeten riepen, zeggende: Alzoo zegt de Heere der heirscharen: Bekeert u toch van uwe booze wegen, en uwe booze handelingen; maar zij hoorden niet, en zij luisterden niet naar Mij, spreekt de Heere. « Jes. 31: 0. Jor. 3 :12. 18 : 11. Ezec. 18 : 30. Hos. 14 ; 2. 5 Uwe vaderen, waar zijn die? en de profeten, zullen zij in eeuwigheid leven? 6 Nogtans mijne woorden en mijne inzettingen, die Ik mijnen knechten, den profeten, geboden had, hebben zij uwe vaders niet getroffen? zoodat zij wederkeerende zeiden: quot; gelijk als de |
Heere der heirscharen gedaclit heeft ons te doen, naar onze wegen en naar onze handelingen, alzoo heeft Hij met ons gedaan. a Klgld. 1 : 18. 7 Op den vier en twintigsten dag, in de elfde maand, (die de maand Schebat is) in het tweede jaar van Darfus, geschiedde liet woord des Hee-ren tot Zacharla, den zoon van Beréchja, den zoon van Iddo, den profeet, zeggende: 8 Ik zag des nachts, en ziet, een man rijdende op een rood paard, en hij stond tusschen de mirten, die in de diepte waren; en achter hem waren roode, bruine en witte paarden. à En ik zeide: Mijn Heere! wat zijn deze? Toen zeide tot mij de Engel, die met mij sprak: Ik zal u toonen, wat deze zijn. 10 Toen antwoordde de man, die tusschen do mirten stond, en zeide: Deze zijn het, die de Heere uitgezonden heeft, om liet land te doorwandelen. 11 En zij antwoordden den Engel des Heeren, die tusschen de mirten stond, en zeiden: Wij hebben het land doorwandeld, en ziet, het gansche land zit en het is stil. 12 Toen antwoordde de Engel des Heeren, en zeide: Heere der heirscharen! hoe lang zult Gij U niet ontfermen over Jeruzalem, en over de steden van Juda, op welke Gij gram geweest zijt, deze zeventig jaren ? 13 En de Heere antwoordde den Engel, die met mij sprak, goede woorden, troostelijke woorden. |
Z ACH ARIA 1, 2, 3.
82)5
|
14 En de Engol, dio met mij sprak, zeido tot mij: Roep uit, zeggende: Alzoo zegt de Heere der heirscharen: Ik ijver over Jeruzalem en over Zion met een' grooten ijver. 15 En Ik bon niet een' zeer grooten toorn vertoornd tegen die geruste Heidenen: want Ik was een weinig toornig, maar zij hebben ton kwade geholpen. 1G Daarom zegt de Heere alzoo: Ik bon tot Jeruzalem wedergekeerd mot ontfermingen; mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt de Heere der heirscharen, en het rigtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden. 17 Roep nog, zeggende: Alzoo zegt de Heere der heirscharen: Mijne steden zullen nog uitgespreid worden van wego liet goede: want do Heere zal Zion nog troosten, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen. 18 En ik hief mijne oogen op, en zag; en ziet, er waren vier hoornen. 19 En ik zeido tot don Engel, die met mij sprak: Wat zijn deze? En hij zeido tot mij: Dit zijn de hoornen, welke Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben. 20 En de Heere toonde mij vier smeden. 21 Toen zeido ik: Wat komen die maken ? en Hij sprak, zeggende: Dat zijn de hoornen, die Juda verstrooid hebben , zoodat niemand zijn hoofd ophief; maar deze zijn gekomen, om die te verschrikken, om de hoornen der Heidenen neder te werpen, welke den hoorn verheven hebben togen hot land van Juda, om dat te verstrooijon. HOOFDSTUK 2. Hot dorde gezigt, namelijk oen man met oen meetsnoer, de plaats van hot nieuwe Jerflzalem afmetende, vs. 1; mitsgaders aanwijzing van do grooto menigte dor inwoners dezer stad, en iioo God hen zou beschermen, B. Daarna worden de Joden, die nog in Babylonië waren gebleven, vermaand naar huis to komen, (i; met belofte, dat God hunne vijanden zou verdelgen, 9. Van de bokeering der Heidenen, 11; en de voortdurende zorg van God voor zijn volk, 12. WEDEROM hief ik mijno oogon op, en ik zag; en ziet, er was een man, on in zijne hand was eon meetsnoer. 2 En ik zeido: Waar gaat |
gij honen? En hij zeido tot mij: Om Jeruzalem to moten; om te zien, hoe groot hare breedte, en hoe groot haro lengte wezen zal. 3 En ziet, de Engol, die met mij sprak, ging uit; on oen andere ongel ging uit, hem te gemoot, 4 En hij zoide tot hem: Loop, spreek dezen jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpswijze bewoond worden, van wego do veelheid der monschon en dor boesten, die in hot midden dor zelve wezen zal. 5 En Ik zal haar wezen, spreekt de Heere, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in hot midden van haar. 6 Hui, hui! vliedt toch uit hot Noordorland, spreekt de Heere: want Ik heb uliedon uitgebreid naar do vior winden des hemels, spreekt de Heere. 7 Hui, Zion! ontkomt gij, dio woont hij do dochter van Dabei! 8 Want zoo zegt de Heere der heirscharen: Naar de heerlijkheid over u, hooft Hij mij gezonden tot dio Heidenen, dio uliedon beroofd hebben : want dio uliedon aanraakt, die raakt zijnon oogappel aan. 9 Want ziet, Ik zal mijne hand over henlieden bewegen, en zij zullen hunnen knechten oen roof wezen. Alzoo zult gijlieden weten, dat de Heere dor heirscharen mij gezonden hooft. 10 Juich en verblijd u, gij dochter Zions! want ziet, Ik kom, en quot; Ik zal in het midden van u wonen, spreekt do Heere. n Lev. 2G: 12. Ezec, 37 :27. 2 Oor. G: 1G, 11 En vele Heidenen zullen te dien dage don Heere toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen; en Ik zal in het midden van u wonen; en gij zult weten, dat de Heere der heirscharen mij tot u gezonden hoeft. 12 Dan zal do Heere Juda erven voor zijn deel, in hot heilige land, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen. 13 Zwijg, allo vloesch, voor hot aangezigt dos Hee-ren! want Hij is ontwaakt uit zijne heilige woning. HOOFDSTUK 3. Het vierde gezigt, teweton, do hoogepriestor Jósua, in wiens persoon afgebeeld wordt, dat God zijne Kerk lief heeft, hare zonden vergeeft, haar heiligt en beschermt tegen den duivel, vs. 1. Christus wordt beloofd, dio al onze zonden uitdelgt, enden waren vrede medebrengt, 8. |
Z ACH ARIA 3, i, 5.
824
|
DAARNA toonde hij mij Josua, den hooge-priester, staande voor het aangezigt van den Engel des Heeren; en de Satan stond aan zijne regterhand, om hem te wederstaan. 2 Doch de Heeue zeide tot den Satan: quot;De Heere schelde u, gij Satan! ja de Heere schelde u, die Jeruzalem verkiest: is deze niet een vnur-brand uit het vuur gerukt? aJudas vers 9. 1$ Jósua nu was bekleed niet vuile kleederen, als hij voor het aangezigt des Engels stond. 4 Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor zijn aangezigt stonden, zeggende: Doet deze vuile kleederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: quot;Zie, Ik heb uwe ongeregtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselkleederen aandoen. a^Licha 7:18. 5 Dies zeg Ik: Laat ze eenen reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem kleederen aan; en de Engel des Heeren stond daarbij. (! Toen betuigde de Engel des Heeren Jósua, zeggende: 7 Zoo zegt de Heere der heirscharen: Indien gij in mijne wegen zult wandelen, en indien gij mijne wacht zult waarnemen, zoo zult gij ook mijn huis rigten, en ook mijne voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder dezen, die hier staan. 8 Hoor nu toe, Jósua, gij hoogepriester! gij en uwe vrienden, die voor uw aangezigt zitten, want zij zijn een wonderteeken: want ziet, Ik zal mijnen knecht, de quot; Spruite, doen komen. n Jos. 4:2. 11:1. .Ier. 23 : 5. 33 : 15. Zach. ü : 12. !) Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor hot aangezigt van Jósua, op dien eenen steen zullen zeven oogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de Heere der heirscharen, en Ik zal de ongeregtigheid dezes lands op eenen dag wegnemen. 10 Te dien dage, spreekt de Heere der heirscharen, zult gijlieden een iegelijk zijnen naaste noodigen tot onder den wijnstok en tot onder den vijgeboom. HOOFDSTUK 4. liet vijfde gozigt, namelijk een gouden kandelaar en twee olijfboomen daarnevens, vs. 1; hetwelk de Engel op den II, Geest toepast, door wiens kracht Zerubbabel den bouw des tempels volvoeren zou, (j. Zachan'a bidt om breedere verklaring van dit gezigt en ontvangt die. 11. EN de Engel, die met mij sprak, kwam weder; en hij wekte mij op, gelijk een' man, die van zijnen slaap opgewekt wordt. 2 En hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie, en ziet, een geheel gouden kandelaar, en een oliekruikje boven deszelfs hoofd, en zijne zeven lampen daarop; die lampen hadden zeven en zeven pijpen, dewelke boven zijn hoofd waren : |
3 En twee olijfboomen daarnevens, een ter reg-terzijde van het oliekruikje, en een tot deszelfs linkerzijde. 4 En ik antwoordde, en zeide tot den Engel, die met mij sprak, zeggende: Mijn Heere, wat zijn deze dingen? 5 Toen antwoordde de Engel, die mot mij sprak, en zeide tot mij: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere! G Toen antwoordde hij, en sprak tot mij, zeggende : Dit is het woord des Heeren tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht, noch door geweld, maar door mijnen Geest zal het geschieden, zegt de Heere der heirscharen. 7 Wie zijt gij, o groote berg? Voor het aangezigt van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld: want hij zal den hoofdsteen voortbrengen, met toeroepingen: Genade, genade zij denzelven! 8 Het woord des Heeren geschiedde verder tot mij, zeggende: 9 De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijne handen zullen hot ook voleinden; opdat gij weet, dat de Heere der heirscharen mij tot ulieden gezonden heeft. 10 Want wie veracht den dag der kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewigt zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de oogen des Heeren, die hot gansche land doortrekken. 11 Verder antwoordde ik, en zeide tot hem: Wat zijn die twee olijfboomen, ter regterzijde des kandelaars, en aan zijne linkerzijde? 12 En andermaal antwoordende, zoo zeide ik tot hem: Wat zijn die twee takjes der olijfboomen, welke in de twee gouden kruiken zijn, die goud van zich gieten? 13 En hij sprak tot mij, zeggende: Weet gij niet, wat deze zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere! 14 Toen zeide hij; Deze zijn de twee olietakken, welke voor den Heere der gansche aarde staan. HOOFDSTUK 5. Het zesde gezigt van de vliegende rol, vs. I; en bot zevende van eene vrouw in eeno efa zittende, 5; beteekenende de straffen, welke de Heere over zijn ongehoorzaam volk zou brengen, en welke Hij van zijn boetvaardig volk op de vijanden zijner Kerk wilde wonden, en in eeuwigheid op hen doen blijven. EN ik hief mijne oogen weder op, en ik zag; en ziet, eene vliegende rol. 2 En hij zeide tot mij: Wat ziet gij ? En ik zeide: Ik zie eene vliegende rol, welker lengte is van twintig ellen, en hare breedte van tien ellen. 3 Toen zeide hij tot mij : Dit is de vloek, die uitgaan zal over het gansche land: want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valsehelijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden. 4 Ik breng dezen vloek voort, spreekt de Heere |
ZACHARIA 5, 6, 7.
|
der heirscharen, dat hij kome in het huis van den dief, en in hot huis desgenen, die bij mijnen naam valschelijk zweert; en hij zal in het midden zijns huizes overnachten, en hij zal het verteren, met zijne houten en zijne steenon. 5 En de Engel, die met mij sprak, ging uit, en zeide tot mij: Hef nu uwe oogen op, en zie, wat dit zij dat er voortkomt. 6 En ik zoido: Wat is dat? En hij zeide; Dit is eene efa, die voortkomt. Verder zeide hij: Dit is het oog over henlieden in het gansche land. 7 En ziet, eene plaat van lood werd opgeheven, en er was eene vrouw, zittende in het midden der efa. 8 En hij zeide: Deze is de goddeloosheid; en hij wierp ze in het midden van de efa; en hij wierp het looden gewigt op den mond derzelve. 9 En ik hief mijne oogen op, en ik zag; en ziet, twee vrouwen kwamen voort, en wind was in hare vleugelen, en zij hadden vleugelen, als de vleugelen eens ooijevaars; en zij voerden de efa tusschen de aarde en tusschen den hemel. 10 Toen zeide ik tot den Engel, die met mij sprak: Waarhenen brengen zij deze efa? 11 En hij zeide tot mij: Om haar een huis te bouwen in het land Smear; dat zij daar gevestigd en gesteld worde op hare grondvesting. HOOFDSTUK 6. Hot achtste gezigt, van vier wagens, wijst aan liet voltrekken van Gods gerigt over de vijanden zijner Kerk, vs. 1. Een bevel van kroonen te maken, waarmede beteekend wordt het koninklijk en pries-torlijk ambt van don Hooro Christus, die den teni-jiel dos Heeren, dat is zijne Kerk, zou opbouwen, waartoe de Heidenen ook zouden geroepen worden, 9. EN ik hief mijne oogen weder op , en ik zag ; en ziet, vier wagens gingen er uit van tusschen twee bergen, en die bergen waren bergen van koper. 2 Aan den eersten wagen waren roode paarden; en aan den tweeden wagen waren zwarte paarden. 3 En aan den derden wagen witte paarden; en aan den vierden wagen, hagelvlekkige paarden, die sterk waren. 4 En ik antwoordde, en zeide tot den Engel, die met mij sprak: Wat zijn deze, mijn Ileere? 5 En de Engel antwoordde, en zeide tot mij: Deze zijn do vier winden des hemels, uitgaande van daar zij stonden voor den Ileere der gansche aarde. 6 Aan welken wagen de zwarte paarden zijn, die paarden gaan uit naar het Noorderland; en de witte gaan uit, dezelve achterna; en de hagelvlekkige gaan uit naar het Zuidorland. 7 En die sterke paarden gingen uit, en zochten voort te gaan, om het land te doorwandelen: want hij had gezegd: Gaat heen, doorwandelt liet land. En zij doorwandelden het land. 8 En hij riep mij, en sprak tot mij, zeggende: Zie, deze, dio uitgegaan zijn naar het Noorderland, hebben mijnen Geest doen rusten in het Noorderland. |
9 En des Heeren woord geschiedde tot mij, zeggende: 10 Neem van de gevankelijk weggevoerden van Gheldaï, van Tobïa , en van Jedaja, en kom gij te dien dage, en ga in ten huize van Josia, den zoon van Zefanja, dewelke uit Babel gekomen zijn; 11 Te weten, neem zilver en goud, en maak kroonen; en zet ze op het hoofd van Jósua, den zoon van Józadak, den hoogepriester. 12 En spreek tot hem, zeggende: Alzoo spreekt de Heere der heirscharen, zeggende: Ziot, een man, wiens naam is Spruite, dio zal uit zijne plaats spruiten, en hij zal des Heeren tempel bouwen. 13 Ja, Hij zal den tempel des Heeren bouwen, en hij zal hot sieraad dragen, en hij zal zitten, en heerschen op zijnen troon; en hij zal priester zijn op zijnen troon; en de raad des vredos zal tusschen die beiden wezen. 14 En die kroonen zullen wezen voor Ghelom, en voor Tobia, en voor Jedaja, en voor Chen, den zoon van Zefanja, tot eene gedachtenis in den tempel des Heeren. 15 En dio verre zijn, zullen komen, en zullen bouwen in den tempel des Heeren, en gijlieden zult weten, dat de Heere der heirscharen mij tot u gezonden hooft. Dit zal geschieden, indien gij vlijtiglijk zult hooren naar do stem des Heeren , uws Gods. HOOFDSTUK 7. Do Joden, vragende don priesters en profeten, of zij do feestdagen, welke hunne vooronders door nooddrang hadden ingesteld, nog schuldig waren to onderhonden, vs. 1; ontvangen tot antwoord van don lloore door Zaeharla, dat Hij hun zulk vasten niet hooft bevolen, 4; maar wol, dat zij regt, go-regtigheid en barmhartigheid jegens hunne naasten zonden oefenon, 9; doch doordien zij zulks niet hadden gedaan, hadden zij Hom oorzaak gegeven hen te straffen ,11. HET gebeurde nu in het vierde jaar van den koning Darius, dat hot woord dos Heeren geschiedde tot Zacharia, op den vierden dor negende maand, namelijk in Ghisleu. 2 Toen men naar het huis van God gezonden had Sarózer , en Regem-Melech, en zijne mannen, om het aangezigt des Heeren te smeeken; 3 Zeggende tot de priesters, die in het huis des Heeren dor heirscharen waren, en tot de profeten, zeggende: Moet ik weenen in de vijfde maand, mij afzonderende, gelijk als ik gedaan heb nu zoo vele jaren? 4 Toen geschiedde het woord des Heeren der heirscharen tot mij, zeggende: 5 Spreek tot het gansche volk dezes lands, en tot de priesters, zeggende: Toen gij vasttot on rouwklaagdet, in de vijfde en in do zevende maand,, namelijk nu zeventig jaren, hebt gijlieden Mij, Mij eenigzins gevast? |
ZACHARTA 7, 8.
826
|
6 Of als gij at, en als gij dronkt, waart gij het niet, die daar at, en gij, die daar dronkt? 7 Zijn liet niet do woorden, welko de Heere uitriep door de dienst der vorige profeten, toen Jeruzalem bewoond en gerust was, en hare steden rondom haar; en het zuiden en do laagte bewoond was ? 8 Verder geschiedde hot woord des Heeren tot Zacharfa, zeggende: '.) Alzoo sprak de Heere der heirscharen, zeggende : Rigt een waarachtig gerigt, en doet goedertierenheid en barmhartigheden, de een aan den ander; 10 En verdrukt quot;de weduwe noch den wees, den vreemdeling noch den ellendige; en denkt niet in uw hart de een dos anderen kwaad. a Ex. 22 : 22. 11 Maar zij weigerden op te merken, en togen hunnen schouder terug, en zij verzwaarden hunne ooren, opdat zij niet hoorden. 12 En zij maakten hun hart als een diamant, opdat zij niet hoorden de wet en de woorden, die de Heere der heirscharen zond in zijnen Geest, door de dienst der vorige profeten, waaruit ontstaan is een groote toorn van den Heere der heirscharen. 1!? Daarom is het geschied, gelijk als Hij geroepen had, doch zij niet gehoord hebben, quot;alzoo riepen zij ook, maar Ik hoorde niet, zegt de Heere der heirscharen; a Spr. 1 : 28. .les. 1 : 15. .lor. 11:11. 14 : 12. 14 Maar Ik heb hen weggestormd onder alle Heidenen, welke zij niet kenden; en het land werd achter hen verwoest, zoodat er niemand doorging, noch wederkeerde: want zij stelden het gewenschte land tot eene verwoesting. HOOFDSTUK 8. De profeet troost de Joden, die aan hot bouwen van den tempel bezig waren, dat God de Heere hen rijkelijk zegenen, en zijne vervallene Kerk door Christus weder zou opbouwen, vs. 1. Daarna vermaant hij hen tot godzaligheid, l(i; met belofte, dat zij, in plaats van do vorige ellende, vreugde zouden hebben, 18. Eindelijk spreekt hij van de roeping der Heidenen tot Christus, 20. DAARNA geschiedde het woord des Heeren der heirscharen tot mij, zeggende: 2 Alzoo zegt de Heere der heirscharen: Ik lieb geijverd over Zion met een' grooten ijver; ja niet groote grimmigheid quot; heb Ik over haar geijverd. a Zach. 1:14. 3 Alzoo zegt de Heere : Ik ben wedergekeerd tot Zion, en Ik zal in hot midden van Jeruzalem wonen; en Jeruzalem zal geheeteu worden eene stad der waarheid, en do berg des Heeren der heirscharen, een berg der heiligheid. 4 Alzoo zegt de Heere der heirscharen: Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem; een ieder zal zijnen stok in zijne hand hebben, van wege de veelheid der dagen. |
5 En do straten dier stad zullen vervuld worden met knechtjes en meisjes, spelende op hare straten. 6 Alzoo zegt do Heere der heirscharen: Omdat hot wonderlijk is in de oogen van het overblijfsel dezes volks in deze dagen, zou liet daarom ook in mijne oogen wonderlijk zijn? spreekt de Heere der heirscharen. 7 Alzoo zegt do Heere der heirscharen: Ziet, Ik zal mijn volk verlossen uit het land des op-gangs, en uit het land des nedergangs der zon. 8 En Ik zal hen herwaarts brengen, dat zij in het midden van Jeruzalem wonen zullen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een' God zijn, in waarheid en in geregtigheid. 9 Alzoo zegt de Heere der heirscharen: Laat uwe handen sterk zijn, gijlieden, die in deze dagen deze woorden gehoord hobt uit den mond der profeten, die geweest zijn ten dage, als de grond van het huis des Heeren der heirscharen gelegd is, dat de tempel gebouwd zou worden. 10 Want vóór die dagen kwam des menschen loon te niet, on de loon van het vee was geen; en de uitgaande en de inkomende hadden geenen vrede van wege den vijand, want Ik zond alle menschen, een iegelijk tegen zijnen naaste. 11 Maar nu zal Ik aan het overblijfsel dezes volks niet wezen, gelijk in de vorige dagen, spreekt do Heere der heirscharen. 12 Want het zaad zal voorspoedig zijn, do wijnstok zal zijne vrucht geven, en de aarde zal haar inkomen geven, en de hemelen zullen hunnen dauw geven; en Ik zal het overblijfsel dezes volks dit alles doen erven. 13 En het zal geschieden, gelijk als gij, o huis van Juda! en gij, o huis Israels! geweest zijt een vloek onder de Heidenen, alzoo zal Ik ulieden behoeden, en gij zult eene zegening wezen: vreest niet, laat uwe handen sterk zijn. 14 Want alzoo zegt de Heere der heirscharen: Gelijk als Ik gedacht heb ulieden kwaad te doen, toen Mij uwe vaderen grootelijks vertoornden, zegt de Heere der heirscharen, en het heeft Mij niet berouwd; 15 Alzoo denk Ik wederom in deze dagen goed te doen aan Jeruzalem, en aan het huis van Juda: vreest niet! 16 Dit zijn de dingen, dio gij doen zult: quot; spreekt do waarheid, een iegelijk met zijnen naaste: oordeelt do waarheid en oen oordeel des vredes in uwe poorten. a Efez. 4:25. 17 En quot; denkt niet do oen des anderen kwaad in ulieder hart; ''en hobt een' valschen eed niet lief: want al deze zijn dingen, die Ik haat, spreekt de Heere. a Zach. 7:10. ft Zach. 5:3, 4. 18 Wederom geschiedde het woord des Heeren der heirscharen tot mij, zeggende: 1!) Alzoo zegt de Heere der heirscharen: Het vasten der vierde, en het vasten der vijfde, en het vasten der zevende, en het vasten der tiende maand, zal den huize van Juda tot vreugde, en |
Z ACH AKI A 8, 9.
827
|
tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen; hebt dan de waarheid en den vrede lief. 20 Alzoo zegt de Heere der heirscharen : Nog zal het geschieden, dat de volken, en de inwoners van vele steden komen zullen; 21 En de inwoners der eene stad zullen gaan tot de inwoners der andere, zeggende: Laat ons vlijtig henengaan, om te smeeken hot aangezigt des Heeren, en om den Heere der heirscharen te zoeken; ik zal ook honengaan. 22 Alzoo zullen vele volken, en magtige Heidenen komen, om den Heere der heirscharen te Jeruzalem te zoeken, en om hot aangezigt des Heeren te smeeken, 23 Alzoo zegt de Heere zal in die dagen geschieden , dat tien mannen, uit allerlei tongen der Heidenen, grijpen zullen, ja de slip grijpen zullen van oenen joodschen man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord , dat God met ulieden is. HOOFDSTUK 9. Profetie van do uitroeijing der vijanden van Gods volk, vs. 1 ; en van de verlossing en bescherming van Gods Kerk door Christus, haren eeuwigen Koning, 8; wiens intrede in do stad Jeruzalem klaar wordt beschreven, 9. Vermaning aan do overige Joden, die nog in Babel waren, om van daar te vertrekken en naar Jeruzalem terug te keeren, 12. God, de Heere, belooft hun de overwinning over hunne vijanden, mitsgaders allerlei zogen, 13. DE last van het woord dos Heeren over het land Chadrach en Damaskus, deszelfs rust: want do Heere heeft oen oog over den mensch, gelijk over al de stammen Israels. 2 En ook zal Hij Hamath mot dezelve bepalen; Tyrus en Zidon, hoewel zij zoor wijs is; 3 En Tyrus zich sterkten gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft als stof, en fijn goud als slijk dor straten; 4 Ziet, de Heere zal haar uit het bezit stooten, en Hij zal hare vesting in de zee verslaan; en zij zal mot vuur verteerd worden. 5 A'skelon zal hot zien, en zal vreezon; desgelijks Gaza, en zal groote smart hebben, mitsgaders Ekron, dewijl hetgeen, waar zij op zagen, hen hoeft te schande gemaakt; en de koning uit Gaza zal vergaan, en A'skelon zal niet bewoond worden. |
(! En de bastaard zal to A'sdod wonen, en Ik zal den hoogmoed der Filistijnen uitroeijen. 7 En Ik zal zijn bloed uit zijnen mond wegdoen, en zijne verfoeiselen van tusschen zijne tandon; alzoo zal hij ook onzen God overblijven: ja hij zal zijn als oen vorst in Juda, en Ekron als do Jobusiet. 8 En Ik zal Mij rondom mijn huis logeren, van wogo hot hoirleger, van wego den doorgaande, en van wege don wederkeorende, opdat de drijver niet meer door hen doorga: want nu heb Ik het mot mijne oogon aangezien. 9 Verheug u zeer, gij dochter Zions! juich, gij dochter Jerüzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, regtvaardig, en hij is een Heiland; arm, en rijdende op oenon ozol, on op oen veulen, eon jong der ezelinnen. 10 En Ik zal de wagens uit Efraïm uitroeijen, en do paarden uit Jeruzalem ; ook zal de strijdboog uitgerooid worden, en hij zal den Heidenen vrede sproken; on zijne heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, on van de rivier tot aan de einden der aarde. 11 U ook aangaande, o Zion! door quot; hot bloed uws verbonds, heb Ik uwe gobondonen uit den kuil, daar geen water in is, uitgelaten. a Mutt. 20:28. 1 Cor. 11:25. Ilebr. 9: 19,20,21. 12 Keert gijlieden weder tot do sterkte, gij gobondonen , die daar hoopt! ook heden verkondig Ik, dat Ik u dubbel zal wedergeven ; 13 Als Ik Mij Juda zal gespannen, en Ik Efraïm den boog zal gevuld hebben; en Ik uwe kinderen, o Zion! zal verwekt hebben tegen uwe kinderen, o Griekenland ! en u gesteld zal hebben als het zwaard van oenen held. 14 En de Heere zal over henlieden verschijnen, on zijne pijlen zullen uitvaren quot; als eou bliksem; on do Heere Heere zal met de bazuin blazen, ou Hij zal voorttroden mot stormen uit het zuiden. a Nah. 2:4. 15 De Heere dor beirscharen zal hen beschutten, en zij zullen eten, nadat zij do slingersteenen zullen te ondorgebragt hebben; zij zullen ook drinken, en een gedruisch maken als de wijn; en zij zullen vervuld worden, gelijk bet bekken, gelijk de hoeken des altaars. 16 En de Heere, hun God, zal ze te dien dage |
Z ACH ARIA 9, 10, 11.
828
|
behouden, als zijnde do kudde zijns volks: want gekroonde steenen zullen in zijn land, als eene banier, opgerigt worden. 17 Want hoe groot zal zijn goed wezen! en hoe groot zal zijne schoonheid wezen! het koren zal de jongelingen, en de most zal do jonkvrouwen sprekende maken. HOOFDSTUK 10. De profeet vermaant de Joden, om in al hunne nooden hunne toovlugt to nomen tot God, die hun zijnen zogen zou geven, vs. 1; hunne vaders deden dit niet; maar wendden zich tot de afgoden, hetwelk oorzaak is geweest van al de ellenden, die hun zijn overkomen, 2. Daarna spreekt de profeet van geestelijke weldaden en van do overwinning, welke de Ileere aan zijne Kerk ten tijde van den Messias zou geven, 4. BEGEERT van den Heere regen, ten tijde des spaden regens; de Heere maakt de weerlichten; en Hij zal hun regen genoeg geven voor ieder kruid op het veld. 2 Want de terafim spreken ijdelheid, en de waarzeggers zien valschheid, en zij spreken quot; ij dele droomen, zij troosten met ijdelheid: daarom zijn zij henengetogen als schapen, zij zijn onderdrukt geworden : want er was geen herder, a Pred. 5: G. 3 Tegen de herders was mijn toorn ontstoken, en over do bokken heb Ik bezoeking gedaan; maar de Heere der heirscharen zal zijne kudde bezoeken, het huis van Juda, en Hij zal hen stellen, gelijk het paard zijner majesteit in den strijd. 4 Van hetzelve zal de hoeksteen, van hetzelve zal de nagel, van hetzelve zal de strijdboog, te zamen zullen van hetzelve allo drijvers voortkomen. 5 En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden inden strijd, en zij zullen strijden: want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden. fi En Ik zal het huis van Juda versterken, en het huis van Jozef zal Ik behouden, en Ik zal hen weder inzetten: want Ik heb Mij hunner ontfermd , en zij zullen wezen, als of Ik hen niet verstooton had: want Ik ben de Heere, hun God, en Ik zal ze verhooren. 7 En zij zullen zijn als een held van Efraïm, en hun hart zal zich verblijden, als van den wijn; en hunne kinderen zullen het zien, en zicli verblijden, hun hart zal zich verheugen in den Heere. 8 Ik zal hen toesissen, en zal ze vergaderen: want Ik zal ze verlossen; en zij zullen vermenigvuldigd worden, gelijk zij tc voren vermenigvuldigd waren. 9 En Ik zal hen onder de volken zaaijen, en zij zullen Mijner gedenken in verre plaatsen; en zij zullen leven met hunne kinderen, en wederkeeren. 10 Want Ik zal ze wederbrengen uit Egypteland, en Ik zal ze vergaderen uit Assyrië; en Ik zal ze in het land van Gilead en Libanon brengen, maar liet zal hun niet genoeg wezen. |
11 En Hij zal door de zee gaan, die bonaauwende, en Hij zal de golven in de zee slaan, en al de diepten dor rivieren zullen verdroogen: dan zal do hoogmoed van Assur nedergeworpen worden, en de scepter van Egypte zal wegwijken. 12 En Ik zal hen sterken in den Heere, en in zijnen naam zullen zij wandelen, spreekt de Heere. HOOFDSTUK 11. Eono profetie van de verwoesting der stad Jeruzalem en van het Joodsche volk, vs. 1; van wege hunne groote ondankbaarheid tegen Christus, die hen als een goede Herder had geweid, 4; maar dien zij voor dertig zilverlingen verkocht hebben, 12; daarom zou do Heere hun goddelooze leidslieden geven tot hun verderf, 15. DOE uwe deuren open, o Libanon! opdat het vuur uwe cederen vertere. 2 Huilt, gij dennen! dewijl de cederen gevallen zijn, dewijl die heerlijke boom en verwoest zijn; huilt, gij eiken van Basan! dewijl het sterke woud nedergevallen is. 3 Er is eene stem des gehuils der herderen, dewijl hunne heerlijkheid verwoest is; eene stem des gebruis der jonge leeuwen, dewijl de hoogmoed dor Jordaan verwoest is. 4 Alzoo zegt de Heere, mijn God: Weidt deze slagtschapen, 5 Welker bezitters hen dooden, en houden het voor geeno schuld; en een ieder dergenen, die ze verkoopen, zegt: Geloofd zij de Heere, dat ik rijk geworden ben! en niemand van degenen, die ze weiden, verschoont ze. 6 Zekerlijk Ik zal niet meer de inwoners dezes lands verschoonen, spreekt de Heere; maar ziet. Ik zal de menschen overleveren, elk een in de hand zijns naasten, en in de hand zijns konings, en zij zullen dit land te morzel slaan, en Ik zal ze uit hunne hand niet verlossen. 7 Dies bcb ik deze slagtschapen geweid, dewijl zij ellendige schapen zijn; en ik heb mij genomen twee stokken, den eenen heb ik genoemd liefelijkheid, en den anderen heb ik genoemd zamenbinders ; en ik heb die schapen geweid. 8 En ik heb drie herders in eene maand afgesneden: want mijne ziel was over hen verdrietig geworden, en ook had hunne ziel eene walg van mij. 9 En ik zeide: Ik zal uliedon niet meer weiden; wat sterft, dat sterve, en wat afgesneden is, dat zij afgesneden, en dat de overgeblevenen de een des anderen vleesch verslinden. 10 En ik nam mijnen stok liefelijkheid, en ik verbrak denzolven, te niet doende mijn verbond, hetwelk ik met al deze volken gemaakt had. 11 Dus werd hot te dien dage vernietigd, en alzoo hebben de ellendigen onder de schapen, die op mij wachtten, bekend, dat het des Hee-ren woord was. 12 Want ik had tot henlieden gezegd: Indien het goed is in uwe oogen, brengt mijnen loon. |
Z ACH ARIA 11, 12, 13.
82!)
|
on zoo niet, laat het na. En quot;zij hebben mijnen loon gewogen, dertig zilverlingen. a Matt. 2(1: 15. 27 : 9. 13 Doch de Heeue zeide tot mij: Werp ze henen voor den pottenbakker: een' heerlijken prijs, dien ik waard geacht ben geweest van hen! En ik nam die dertig zilverlingen, en wierp ze in het huis des Heeren , voor den pottenbakker. 14 Toen verbrak ik mijn' tweeden stok, zamen-iunders, te niet doende de broederschap tusschen Juda en tusschen Israël. 15 Verder zeide de Heere tot mij: Neem u nog eens dwazen herders gereedschap. 16 Want ziet. Ik zal eenen herder verwekken in dit land; dat gereed is om afgesneden te worden , zal hij niet bezoeken; het jonge zal hij niet zoeken, en het verbrokene zal hij niet heelen, en liet stilstaande zal hij niet dragen; maar het vleesch van het vette zal hij eten, en derzelver klaauwen zal hij verscheuren. 17 quot;Wee den nietigen herder, den veriater dei-kudde! Het zwaard zal over zijnon arm zijn, en over zijn regteroog; zijn arm zal ten eenemaal verdorren, en zijn regteroog zal ten eenemaal donker worden. aJer. 23:1. Ezec. 34:2. Joh. 10:12. HOOFDSTUK 12. Voorzegging dat do Hoero do vijanden van do chnste-lijko kork verdelgen, maar do zijnen beschutten en beschermen zon, vs. 1 ; met verdere beloften, dat Hij de uitverkorene Joden door den H. Geest mot geloof en boetvaardigheid zou begiftigen, 10. DE last van het woord des Heeren over Israël. De Heere spreekt, die den hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en des menschen geest in zijn binnenste formeert. 2 Ziet, Ik zal Jeruzalem stellen tot eene drinkschaal der zwijmeling allen volken rondom; ja ook zal zij zijn over Juda, in de belegering tegen Jeruzalem. 3 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een' lastigen steen allen volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden; en al de volken der aarde zullen zich tegen haar verzamelen. 4 Te dien dage, spreekt de Heere, zal Ik alle paarden met schuwigheid slaan, en hunne ruiters met zinneloosheid; maar over het huis van Juda zal Ik mijne oogen openen, en alle paarden der volken zal Ik met blindheid slaan. 5 Dan zullen de leidslieden van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen mij eene sterkte zijn in den Heere der heirscha-ren, hunnen God. 6 Te dien dage zal Ik de leidslieden van Juda stellen als een' vurigen haard onder het hout, en als eene vurige fakkel onder de schoven; en zij zullen ter regter- en ter linkerzijde allo volken rondom verteren; en Jeruzalem zal nog blijven in hare plaats te Jeruzalem. |
7 En de Heeue zal de tenten van Juda ten voorste behouden, opdat do heerlijkheid van het huis Davids, en de heerlijkheid der inwoners van Jeruzalem, zich niet verheffe togen Juda. 8 Te dien dage zal de Heere de inwoners van Jeruzalem beschutten; en die, die onder hen struikelen zou, zal te dien dage zijn als David; en het huis Davids zal zijn als goden, als de Engel des Heeren voor hun aangezigt. 9 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik zal zoeken te verdelgen alle Heidenen, die tegen Jerüzalem aankomen. 10 Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik quot;uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen mij '' aanschouwen, dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over hem rouwklagen, als met do rouwklage over een' eenigen zoon; en zij zullen over hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over eenen eerstgeborene. a Ezec. 39 : 29. Joël 2 : 28. h Joh. 19 : 37. Openb. 1 : 7. 11 Te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, gelijk die rouwklage van Hadadri'm-mon, in het dal van quot; Megiddon. «2 Kon. 23:29. 2 Kron. 35:22, 24. 12 En hot land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder: het geslacht van het huis Davids bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder; en het geslacht van het huis van Nathan bijzonder, en hunne vrouwen bijzonder; 13 Het geslacht van het huis van Levi bijzonder, en hunne vrouwen bijzonder; het geslacht van Simei' bijzonder, en hunne vrouwen bijzonder; 14 Al de overige geslachten, elk geslacht bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder. HOOFDSTUK 13. Profetie van do vergeving eu afwassching der zonden door Christus, vs. 1; van de nitrooijing der afgodendienst en der valsche leer, 2; van Christus lijden on sterven, 7; van den ondergang der goddeloozen on do behoudenis der uitverkorenen, nadat zij door kruis beproefd on gelouterd zouden zijn, 8. TE dien dage zal er eene fontein geopend zijn voor hot huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen do zonde en tegen deonreinigheid. 2 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere der heirscharen, dat Ik uitroeijen zal uit het land de namen der afgoden, dat zij niet meer gedacht zullen worden; ja ook de profeten, en den onreinen geest zal Ik uit het land wegdoen. 3 En het zal geschieden, wanneer iemand meer profeteert, dat zijn vader en zijne moeder, die hem gegenereerd hebben, tot hom zullen zeggen: Gij zult niet leven, dewijl gij valschheid gesproken hebt in den naam des Heeren; en zijn vader en zijne moeder, die hem gegenereerd hebben, zullen hem doorsteken, wanneer hij profeteert. 4 En het zal geschieden te dien dage, dat die profeten beschaamd zullen worden, een iegelijk van wege zijn gezigt, wanneer hij profeteert; en zij zullen geenen haren mantel aandoen, om te liegen. |
ZAOIIARIA 13, 14.
880
|
5 Maar hij zal zeggen: Ik ben geen profeet, ik ben een man, die het land bouwt: want een mensch hoeft mij daartoe geworven van mijne jeugd aan. (i En zoo iemand tot hem zegt: Wat zijn deze wonden in uwe handen? zoo zal hij zeggen: liet zijn de wonden, waarmede ik geslagen ben, in het huis mijner liefhebbers. 7 Zwaard! ontwaak tegen mijnen herder, en tegen den man, die mijn medgezel is, spreekt de Heere der heirscharen; quot;sla dien herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal mijne hand tot de kleinen wenden. a Matt. 26:31. Mark. 14:27. 8 En het zal geschieden in het gansche land, spreekt de Heere, do twee deelen daarin zullen uitgeroeid worden, en den geest geven; maar het derde deel zal daarin overblijven. 9 En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, quot;gelijk men goud beproeft; ''het zal mijnen naam aanroepen, en Ik zal het verhooren; Ik zal zeggen: c Het is mijn volk; en het zal zeggen: De Heere is mijn God. n 1 Petr. 1:6,7. h Ps. 50:15. 91:15. ePs. 144:15. Joh. 20:28. HOOFDSTUK 14. Profetie van de gToote ellende, welke de stad .loiïi-zalem zou overkomen, vs. 1; doch met belofte, dat de Heere de zijnen zon behouden en zalig maken, li. Verder wordt hier gesproken van de voortreft'elijko gaven, welke de Heere over zijne Kerk zou uitstorten en van haren zaligen en heerlijken staat, 8; van de straf en ondergang harer vijanden, 12; en van de bekeering van eenigen van hen, 16; mitsgaders van den heiligen ijver der Kerk. ZIET, do dag komt den Heere, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem ! 2 Want Ik zal allo Heidenen togen Jeruzalem ton strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en quot; de huizon zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft dor stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige dos volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden. aJes. 13: 16. 3 quot;En de Heere zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die Heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds. a Jes. 42 : 13. 4 En zijne voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, eu naar het westen, zoodat er eene zeer groote vallei zal zijn; en de eene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden. 5 Dan zult gijlieden vlieden door de vallei mijner bergen, (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal) en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt quot; voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, den koninquot;- van Juda; dan zal de Heere. |
mijn God, komen, en al de heiligen met U, o llEUHh:! a Amos 1:1. 6 En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijk licht, en de dikke duisternis. 7 Maar quot;het zal een eenige dag zijn, die den Heere bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal geschieden, ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen. aOponb. 21 : 25. 8 Ook zal het te dien dage geschieden, quot; dat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen des zomers en des winters zijn. a Ezec. 47 : 1, enz. Joël 3 : 18. Openb. 22 :1. 9 En de Heere zal tot Koning over de gansche aarde zijn; te dien dage zal de Heere een zijn, en zijn naam een. 10 Dit gansche land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in hare plaats; van de poort van Benjamin af, tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe; en van den toren van Hananeël, tot aan des konings wijnbakken toe. 11 En zij zullen daarin wonen, en er zal geene verbanning meer zijn: want Jeruzalem zal zeker wonen. 12 En dit zal de plage zijn, waarmede de Heere al de volken plagen zal, die tegen Jeruzalem krijg gevoerd zullen hebben: Hij zal eens iegelijks vleesch, daar hij op zijne voeten staat, doen uitteren; en eens iegelijks oogen zullen uitteren in hunne holen; en eens iegelijks tong zal in hunnen mond uitteren. 18 Ook zal het te dien dage geschieden, dat er een groot gedruisch van den Heere onder hen zal wezen, zoodat zij een ieder zijns naasten hand zullen aangrijpen, en eens ieders hand zal tegen de hand zijns naasten opgaan. 14 En ook zal Juda te Jeruzalem strijden; en hot vermogen aller Heidenen rondom zal verzameld worden, goud en zilver, en kleederen in groote menigte. 15 Alzoo zal ook de plage der paarden, der muilen, der kemelen, en der ezelen, en aller beesten zijn, die in diezelve heirlegers geweest zullen zijn, gelijk gener plage geweest is. 16 En het zal geschieden, dat al de overgeblevenen van alle Heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken, quot; om aan te bidden den Koning, den Heere der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten. a Jes. 66:23. 17 En het zal geschieden, zoo wie van de geslachten der aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem, om den Koning, den Heere der heirscharen, te aanbidden, zoo zal er over henlieden geen rearen wezen. |
MALEACHI I, 2.
|
18 En indien het geslacht der Egyptonaren, over dewelke de regen niet is, niet zal optrekken noch komen, zoo zal die plage over hen zijn, met dewelke do Heere die Heidenen plagen zal, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest der loofhutten. 1!) Dit zal de zonde der Egyptenaren zijn, mitsgaders de zonde aller Heidenen, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest dor loofhutten. |
20 To dien dage zal op de bellen der paarden staan: De Heiligheid des Heeren. En de potten in liet huis des Heeren zullen zijn als do spreng-bekkens voor hot altaar; 21 Ja al de potten in Jeruzalem en in Juda, zullen den Heere der heirscharen heilig zijn; zoodat allen, die offeren willen, zullen komen, en van dezelve nemen, en in dezelve koken; en er zal quot;geen Kanaaniet meer zijn, in het huis des Heeren der heirscharen, te dien dage. a Jos. 35 ; 8. Joël3: 17. Openb. 21 : 27. 22: 15. |
DE PROFEET MALEACHI.
|
HOOFDSTUK 1. De Heere maakt den Israëlieten indachtig zijne liefde tot hen, welke Hij daarin heeft bewezen, dat Hij .liikob heeft liefgehad, maar Ezau gehaat, vs. 1. Daarna klaagt Hij over hunne ondankbaarheid, vooreerst der priesteren, en voorts van het volk, die allen ontrouw waren in de offércinden, 6. De Heere vermaant hen tot berouw en bekeering, 9; profeteert van de regte godsdienst, welke Hom de geloovigen uit alle volken onder het N. T. zouden bewijzen, 11. DE last van liet woord des Heeren tot Israël, door don dienst van Maleachi. 2 Ik heb u liefgehad, zegt de IIeeke; maar gij zegt: Waarin liebt Gij ons liefgehad? Was niet Ezau Jakobs broeder? spreekt de Heere; quot; nog-tans hob Ik Jakob liefgehad, a Rom. 9:13. 3 En Ezau heb Ik gehaat; en Ik heb zijne bergen gesteld tot eene verwoesting, en zijne erve voor de draken der woestijn. 4 Ofschoon Edom zeide: Wij zijn verarmd, doch wij zullen de woeste plaatsen weder bouwen; alzoo zegt do Heere der heirscharen : Zullen zij bouwen, zoo zal Ik afbreken; en men zal hen noemen: Landpale der goddeloosheid, en een volk, op hetwelk de Heere vergramd is tot in eeuwigheid. 5 En uwe oogen zullen het zien, en gijlieden zult zeggen: De Heere zij groot gemaakt, van de landpale Israels af! 6 Een zoon zal den vader eeren, en een knecht zijnen heer; ben Ik dan een Vader, waar is mijne eer? en ben Ik een Heere, waar is mijne vreeze? zegt de Heere der heirscharen, tot u, o priesters, verachters mijns naams! maar gij zegt: Waarmede verachten wij uwen naam? 7 Gij brengt op mijn altaar verontreinigd brood, en zegt, waarmede verontreinigen wij U ? Daarmede, dat gij zegt: Des Heeren tafel is verachtelijk. 8 Want als gij wat blinds aanbrengt om te offeren, dat is bij u niet kwaad; en als gij wat kreupels of wat kranks aanbrengt, het is niet kwaad! Brengt dat toch uwen vorst; zal hij een welgevalion aan u hebben? of zal hij uw aange-zigt opnemen? zegt de Heere der heirscharen. |
9 Nu dan, smeekt toch hot aangezigt van God, dat Hij ons genadig zij; zulks is van uwe hand geschied, zal Hij uw aangezigt opnemen? zegt do Heere der heirscharen. 10 Wie is er ook onder u, die de deuren om niet toesluit ? en gij steekt hot vuur niet aan oy; mijn altaar om niet. Ik heb geenen lust aan u, zegt de Heere der heirscharen, quot; en het spijsoffer is Mij van uwe hand niet aangenaam. a.Ies. 1:11. .Ier. 0:20. Anios 5:21, 22. 11 Maar van den opgang der zon tot haren ondergang, zal mijn naam groot zijn onder de Heidenen; en aan alle plaats zal mijnen naam reukwerk toegebragt worden, en een rein spijsoffer: want mijn naam zal groot zijn onder do Heidenen, zegt de Heere der heirscharen. 12 Maar gij ontheiligt dien, als gij zegt: Des Heeren tafel is ontreinigd, en haar inkomen, hare spijs is verachtelijk. 13 Nog zegt gij: Ziet, wat eene vermoeidheid! maar gij zoudt het kunnen wegblazen, zegt de Heere der heirscharen; gij brengt ook hetgeen geroofd is, en dat kreupel en krank is ; gij brengt ook spijsoffer; zou Mij zulks aangenaam zijn van uwe hand? zegt de Heere. 14 Ja vervloekt zij de bedrieger, die een mannetje in zijne kudde hooft, en den Heere belooft, en offert, dat verdorven is! want Ik bon een groot Koning, zegt de Heere dor heirscharen, on mijn naam is vreesselijk onder de Heidenen. HOOFDSTUK 2. De Heere dreigt de priesters te straffen, tenzij dat zij hun leven beterden, vs. 1. Hij verwijt hen, dat zij van de godzaligheid en opregtheid hunner voorvaderen waren afgeweken, 5. Hij bestraft de ont-heiligers en verbrekers van het huwelijk ,11; alsmede de godslasteraars, 17. EN nu, gij priesters! tot u wordt dit gebod yezonden ; 2 Indien gij het niet zult hooren, on indien gij het niet zult ter harte nomen, om mijnen naam oor te geven, zegt de Heere der heirscharen, zoo zal Ik den quot; vloek onder u zenden, en Ik zal |
MALEACHI 2, 3.
8:T2
|
uwe zegeningen vervloeken ; ja Ik heb ook aireede elk een derzelve vervloekt, omdat gij het niet ter harte neemt. a Lev. 2ü;14. Dent. 28:15. .1 Ziet, Ik zal u het zaad verderven; en Ik zal drek op uwe aangezigten strooijen, den drek uwer feesten, zoodat rnen u met denzelven wegnemen zal. 4 Dan zult gij weten, dat Ik dit gebod tot u gezonden heb; opdat mijn verbond met Levi zij, zegt de Heere der heirscharen. 5 Mijn verbond met hem was het leven, en de vrede; en Ik gaf hein die tot eene vreeze; en hij vreesde Mij, en hij werd om mijns naams wil verschrikt. (i De wet der waarheid was in zijnen mond, en er werd geen onregt in zijne lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in regtmatigheid , en hij bekeerde er velen van ongeregtigheid. 7 Want de lippen des priesters zullen de wetenschap bewaren , en men zal uit zijnen mond de wet zoeken: want hij is een engel des Heeren der heirscharen. 8 Maar gij zijt van den weg afgeweken , gij hebt er velen doen struikelen in de wet; gij hebt het verbond van Levi verdorven, zegt de Heere der heirscharen. 9 Daarom heb Ik ook u verachtelijk en onwaard gemaakt voor het gansche volk, dewijl gij mijne wegen niet houdt, maar het aangezigt aanneemt in de wet. 10 Hebben wij niet allen eenen Vader? heeft niet een God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouwelooslijk de een tegen den ander, ontheiligende het verbond onzer voorvaderen ? 11 Juda handelt trouwelooslijk, en er wordt een gruwel gedaan in Israël, en in Jeruzalem: want Juda ontheiligt de heiligheid des Heeren, welke Hij liefheeft: want iiij heeft de dochter eens vreemden gods getrouwd. 12 De Heere zal den man, die zulks doet, uit-roeijen uit do hutten van Jakob, dien, die waakt, en dien, die antwoordt, en die den Heere der heirscharen spijsoffer brengt. 13 Dit tweede doet gijlieden ook, dat gij het altaar des Heeren bedekt niet tranen, met weening en met zuchting; zoodat Hij niet meer het spijsoffer aanschouwen, noch met welgevallen van uwe hand ontvangen wil. |
14 Gij nu zegt: Waarom? Daarom dat de Heere oen Getuige geweest is, tusschen u en tusschon de huisvrouw uwer jeugd, met dewelke gij trouwelooslijk handelt; daar zij toch uwe gezellin, en de huisvrouw uws verbonds is. 15 Heeft Hij niet maar eenen gemaakt, hoewel Hij dos geestes overig had? en waarom maar dien eenen? Hij zocht een zaad Gods. Daarom wacht u met uwen geest, en dat niemand trouwelooslijk handele tegen de huisvrouw zijner jeugd. Ki Want de Heere, de God Israels, zegt, dat Hij het verlaten haat, alhoewel hij den wrevel bedekt met zijn kleed, zegt de Heere der heirscharen; daarom wacht u met uwen geest, dat gij niet trouwelooslijk handelt. 17 Gij vermoeit den Heere met uwe woorden; nog zegt gij: Waarmede vermoeijen wij Hem ? Daarmede, dat gij zegt; Al wie kwaad doet, is goed in de oogen des Heeren , en Hij heeft lust aan zoodanigen ; of, waar is de God des oordeels ? HOOFDSTUK 3. Profetie van de zending van Johannes den Doo-per en do komst van Christus, die de huichelaars van de opregte kinderen Gods zou afzonderen, vs. 1. Daarop volgt: eene bedreiging der straffen, om de menigerlei zonden, welke bij de Joden in zwang waren, 5; eene vermaning tot bekeering en tot getrouw inbrengen hunner tienden en hefofferen, 7; eene klagt over hunne godslasterlijke woorden, 13; en eene vertroosting der godzaligen, 10. ZIET, quot;Ik zende mijnen Engel, die voor mijn aangezigt den weg bereiden zal; en snellijk zal tot zijnen tempel komen die Heere, dien gijlieden zoekt, te weten, de Engel des verbonds, aan denwelken gij lust hebt; ziet, hij komt, zegt de Heere der heirscharen. a Matt. 11 :10. Mark. I : 2. Luk. 1 : 70. 7:27. 2 Maar wie zal den dag zijner toekomst verdragen? en wie zal bestaan, als hij verschijnt? Want hij zal zijn als het vuur van eenen goudsmid , en als zeep der vollers. 3 En hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en hij zal de kinderen van Levi reinigen, en hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver: dan zullen zij den Heere spijsoffer toebrengen in geregtigheid. 4 Dan zal het spijsoffer van Juda en Jeruzalem den Heere zoet wezen, als in do oude dagen, en als in de vorige jaren. |
|
5 En Tk zal tot uliedon ton oordeel naderen; oh Ik zal een snel getuige zijn tegen do toovenaars, en tegen de overspolers, en togen dogenen, quot; die valschelijk zweren, en togon degenen, die den loon des daglooners met gewold inhouden, b die de weduwe, en den wees, cn don vreemdeling het regt verkeeron, en Mij niet vroozen, zegt de He ere der heirscharen. «Ex. 20 : 7. b Ex. 22 : 22. Ucut. 24 : 17. Amos 2 : 7. 6 Want Ik, de Heere, «word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd. fflPs. 33:11. Spr. 19:21. Jes. 14:26,27. 2ó:9. 40:10. 7 Van uwer vaderen dagen af, zijt gij afgeweken van mijne inzettingen, en hebt ze niet bewaard; 6 keert weder tot Mij, en Ik zal tot u woder-koeren, zegt de Heere der heirscharen; maar gij zegt: Waarin zullen wij weder koeren ? a Zach. 1 : 3. 8 Zal een mensch God berooven? maar gij berooft Mij, en zegt: Waarin berooven wij U? In do tienden en het hefoffer. 9 Met oenen vloek zijt gij vervloekt, omdat gij Mij berooft, zelfs het gansche volk. 10 Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in mijn huis; on beproeft Mij nu daarin, zegt de Heere dor heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zoodat er geeno schuren genoeg wezen zullen. 11 En Ik zal om uwentwil don opeter scholden, dat hij u de vrucht des lands niet verderve; en de wijnstok op het veld zal u geene misdragt voortbrengen, zegt de Heere der heirscharen. 12 En allo Heidenen zullen u gelukzalig noemen: want gijlieden zult een lustig land zijn, zegt de Heere der heirscharen. 13 n Uwe woorden zijn togen Mij te sterk geworden, zegt do Heere; maar yij zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken? «Joh 21 : 14, 15. 14 Gij zegt: Het is te vergeefs, God te dienen: want wat nuttigheid is liet, dat wij zijne wacht waarnemen? en dat wij in het zwart gaan, voor het aangezigt des Heehen der heirscharen? 15 En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig ; ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd; ook verzoeken zij den Heere, on ontkomen. 1(! Alsdan sproken, die don Heere vreezen, een |
833 ieder tot zijnen naaste: De Heere merkt er toch op en hoort, en er is oen gedenkboek voor zijn aangezigt geschreven, voor degenen, die den Heere vreezen, en voor degenen, die aan zijnen naam gedenken. 17 En zij zullen, zegt de Heere dor heirscharen, te dien dage, dien Ik maken zal. Mij een eigendom zijn; en Ik zal hen verschoonen, gelijk als oen man zijnen zoon verschoont, die hem dient. 18 Dan zult gijlieden wederom zien, het onderscheid tusschen den regtvaardige en den godde-looze, tusschen dien, dio God dient, en dien, die Hem niet dient. HOOFDSTUK 4. Profetie van don ondergang der goddeloozen, vs. 1; de godzaligen worden getroost met de verschijning van de Zon der geregtigheid, 2. Daarom wordt al het volk vermaand tot ware boete en bekeering en tot onderhouding van de wet, hun door Mozes gegeven, 4. Hij spreekt weder van de zending van Johannes don Dooper, cn van de kracht zijner prediking, 5. WANT ziet, die dag komt, brandende als een oven: dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, quot;een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de Heere der heirscharen, die hun noch wortel, noch tak laten zal. «Obadja vers 18. 2 Ulieden daarentegen, die mijnen naam vreest, zal de Zon der geregtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder zijne vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren. 3 En gij zult de goddoloozen vertreden: want zij zullen asch worden onder do zolen uwer voeten, te dien dage, dien Ik maken zal, zegt de Heere der heirscharen. 4 quot;Gedenkt der wet van Mozes, mijnen knecht, die Ik hem bevolen lieb op Horeb aan gansch Israël; der inzettingen en regten. «Deut. G:3. 5 Ziet, Ik zonde ulieden den profeet quot; Elia, eer dat die groote en die vreesselijke dag des Heeren komen zal. n Matt. 11 : 14. 17 : 11, 12, 13. Mark. 9: 11, 12, 13. Luk. 1:17. (5 En hij zal het hart der vaderen tot de kinderen weder brengen , en hot hart der kinderen tot hunne vaderen; opdat Ik niet kome, en de aarde met den ban sla. MALEACHI 3, 4, |
EINDE VAN HET OUDE TESTAMENT.
mmmm
H E T
NIEUWE TESTAMENT
OF ALLE HOKKEN DES NIEUWEN VERBONDS
HEEEE JEZUS CHRISTUS,
DOOR LA.ST VAN DE IIOOO MOG. IIEFKF.N
STATEN (JEN ERA AL DER VEREEN IGÃE NEDERLANDEN
OK
V()l,(iKNS 11KT HKSLUIT VAN DK SVNODK NATIONAAL,
GKHOUDEN TJO DOHDUKCItT IN DK .)ARKN MDC.WIII EN MIK XIX,
UIT DK OOliSI'KONKKM.IKK (OKIEKSCIIK) TAAI,
IN ONZK NKDKKKANDSniK (IKTUOI WELUK OVKRGE/ET.
TE GRONINGEN HM J. li. WULTEWS, 189!).
REGISTEE
VAN
AL DE BOEKEN EN HOOFDSTUKKEN
DES
NIEUWEN TESTAMENTS.
Hoofdst.
Het Evangelie van Matthéüs.....................28.
Het Evangelie van Markus.....................Ifi-
Het Evangelie van Lukas......................24.
Het Evangelie van Johannes.....................21.
De Handelingen dei' Apostelen....................28.
])R ZENDHKIEVKX VAN l'AUM S.
Aan de Romeinen.........................Ifi-
1. Aan die van Corinthe......................16.
ö. 5. 3. 5. 1. 1. 1. 22.
2. Aan die van Corinthe.............
Aan de Galaten.................
Aan die van Efeze...............
Aan de Filippensen...............
Aan de Colossensen...............
1. Aan do Thessalonicensen............
2. Aan de Thessalonicensen............
1. Aan Timotheüs...............
2. Aan Timotheüs.........1.....
Aan Titus...................
Aan Filémon.............., . . .
Aan de Hebreen................
DU AUiKMKKNE ZENDBKIKVKN.
De Zendbrief van Jakobus.............
1. Zendbrief van Petrus.............
2. Zendbrief van Petrus.............
1. Zendbrief van Johannes............
2. Zendbrief van Johannes............
3. Zendbrief van Johannes............
De Zendbrief van Judas.............
De Openbaring van Johannes......- . . . .
MATTHÃÃS 1.
837
HET HEILIGE EVANGELIE
naar de beschrijving van
MATTHÃÃS.
MATTHÃÃS 1, 2.
8:!8
|
tot de babylonische overvoering, zijn veertien geslachten; en van do babylonische overvoering tot Christus, zijn veertien geslachten. 18 De geboorte van Jezus Christus was nu aldus: quot; want als Maria, zijne moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer zij zamcngckomen waren, werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest. a Luk. 1:27, 34. 19 Jozef nu, haar man, alzoo hij regtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wil haar heimelijk te verlaten. 20 En alzoo hij deze dingen in den zin had, ziet, de ongel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, gij zone Davids! wees niet bevreesd Maria, uwe vrouw, tot u te nemen: want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest. 21 En zij zal oenen zoon baron, on quot;gij zult zijnon naam heoton Jezus: wantb hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden. a Luk. 1 :31. 6 Hand. 4: 12. 22 En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen van den Hoore gesproken is, door don profeet, zeggende : 23 quot; Ziet, do maagd zal zwanger worden, en oenen zoon baren, en gij zult zijnen naam hoeton Emmanuel ; hetwelk is, overgezet zijn-do , God mot ons. a Jes. 7:14. 24 Jozef dan, opgewekt zijnde van den slaap, deed, gelijk do ongel dos Heeren hem bevolen had, en hooft zijne vrouw tot zich genomen; 25 En bekende haar niet, totdat zij dezen haren eerstgeborenen zoon gebaard had; en quot; heette zijnen naam Jezus. «Luk. 2:21. HOOFDSTUK 2. Wijzen komen uit hot Oosten te Jeruzalem, vs. 1. Vragen naar don nieuwgeboren koning dor Joden, 2; wolken zij, van do plaats zijnor geboorte ondor-rigt zijnde, te Bethlehem gevonden en aangebeden hebben, 4. Zij keeren weder naar hnn land, 12. Jozef vlngt met het kind Jezus naar Egypte, 13. Heródes laat do jonge kinderen dooden, 10. Jozef komt weder in Judóa, 19. Maar nit vrees voor Ar-chelaüs, wijkt hij naar Galiléa en woont to Nazareth, 22. TOEN nu Jezus quot; geboren was te Bethlehem, gelegen in Judóa, in de dagen van den koning Heródes, ziet, eenige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen , a Lnk. 2 : 4. 2 Zeggende: Waar is de geboren Koning dor Joden? want wij hebben gezien zijne ster in hot Oosten, on zijn gekomen, om hem te aanbidden. |
3 Do koning Heródes nu, rZi/gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem. 4 En bijeenvergaderd hebbende al de overpries-tors en schriftgeleerden dos volks, vraagde van hen, waar do Christus zou geboren worden. 5 En zij zeiden tot hem : To Bethlehem , in Judóa gelegen: want alzoo is geschreven door den profeet: (i « En gij Bethlehem, gij land Juda! zijt geenszins de minste onder do vorsten van Juda: want uit u zal de Leidsman voortkomen, die mijn volk Israël weidon zal. «Micha 5:1. Joh. 7 ; 42. 7 Toon heeft Heródes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstiglijk van hen den tijd, wanneer do ster verschonen was; 8 En hen naar Bethlehem zendende, zoide: Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat kindekon, en als gij het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook komo en datzelve aanbiddo. 9 En zij, den koning gehoord hebbende, zijn hoongereisd; en ziet, de ster, die zij in hot Oosten gezien hadden , ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het kindeken was. 10 Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer groote vreugde. 11 En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het kindeken met Maria, zijne moedor; en nodcr-vallondo hebben zij hetzelve aangebeden; en hunne schatten opengedaan hebbende, bragten zij hem geschenken : goud , en wierook , en mirre. 12 En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wedor-kooron tot Heródes, vertrokken zij door eenon andoren weg weder naar hun land. 13 Toen zij nu vertrokken waren, ziot, do engel dos Hoeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u dat kindeken en zijne moedor, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal: want Heródes zal het kindoken zooken, om hetzelve te dooden. 14 Hij dan opgestaan zijnde, nam het kindekon en zijne moedor tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte; 15 En was aldaar tot den dood van Heródes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den quot; profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik mijnen Zoon geroopon. «Hos. 11:1. 10 Als Heródes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en |
MATTHÃÃS 2, 3.
839
|
ceniyen afgezonden hebbende, heeft omgebragt al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had. 17 Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende: 18 quot; Eene stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende hare kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn! «Jer. 31 :15. 19 Toen Herodes nu gestorven was, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte, 20 Zeggende: Sta op, neem het kindeken en zijne moeder tot u, en trek in het land Israels: want zij zijn gestorven, die de ziel van het kindeken zochten. 21 Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het kindeken en zijne moeder, en is gekomen in het land Israels. 22 Maar als hij hoorde, dat Archolaüs in Judéa koning was, in de plaats van zijnen vader He-ródes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in den droom, is hij vertrokken in de deelen van Galiléa. 23 En daar gekomen zijnde, nam hij zijne woonplaats in de stad, genaamdNazareth; opdat vervuld zou worden, wat door de quot; profeten gezegd is, dat hij Nazaréner zal geheeten worden. aJes. 11 :t. 60:21. Zach. 0 HOOFDSTUK 3. Johannes do Dooper predikt bokeering, vs. 1. Zijn ambt, kleeding on spijs, 3. Hij heeft groeten toeloop, 5; doopt, 0; bestraft de farizeëu en saddn-eeën, 7; wijst aan de waardigheid van den persoon en doop van Chfistus, 11. Hij doopt Christus, die uit den hemel betuigd wordt te zijn do welgeliefde Zoon van God, 13. EN in die dagen quot; kwam Johannes do Dooper, predikende in de woestijn van Judéa, a Mark. 1 : 4. Luk. 3 : 3. 2 En zeggende: Bekeert u; want hot koningrijk der hemelen is nabij gekomen. 3 Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende: quot; De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden regt! |
a Jes. 40 : 3. Mark. 1 : 8. Luk. 3 : 4. Joh. 1 : 23. 4 En dezelve Johannes had zijne kleeding a van kemelshaar, en eenen ledoren gordel om zijne lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig. a Mark. 1 : U. 5 Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judéa, en het geheele land rondom de Jordaan; 6 « En werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hunne zonden. a Mark. 1 :5. 7 Hij dan, ziende quot;velen van de farizeën en saddueeën tot zijnen doop komen, sprak tot hen: b Gij adderengebroedsels! wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn ? a Luk. 3 : 7. b Matt. 12:34. 23:33. 8 quot; Brengt dan vruchten voort, der bekeering waardig. a Luk. 3 : 8. 9 En meent niet bij u zeiven te zeggen : quot; Wij hebben Abraham tot eenen vader, want ik zeg u, dat God zelfs uit doze steenen Abraham kinderen kan verwekken. a Joh. 8 : 39. 10 En ook is aireede de bijl aan den wortel der boomen gelegd; quot; alle boom dan, die goene goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. a Matt. 7:19. Joh. 15 : U. 11 Ik doop u wel met water tot bekeering; quot; maar die na mij komt, is sterker dan ik, wiens schoenen ik niet waardig ben hem na te dragen; die zal u met den Heiligen Geest en met vuur doopen. «Mark. 1:7. Luk. 3:10. Joh. 1:15, 26. Hand. 1:5. 11: 16. 19 : 4. 12 Wiens wan in zijne hand is, en hij zal zijnen dorschvloer doorzuiveren, en zijne tarwe in zijne schuur zamenbrengen, en zal het kaf met onuit-blusschelijk vuur verbranden. 13 quot; Toen kwam Jezus van Galiléa naar de Jordaan, tot Johannes, om van hem gedoopt te worden. «Mark. 1:9. Luk. 3:21. 14 Doch Johannes weigerde hem zeer, zeggende: Mij is noodig van u gedoopt te worden, en komt gij tot mij ? 15 Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gereg-tigheid te vervullen. Toen liet hij van hem af. |
MATTHÃÃS 8, 4.
840
|
16 En Je7,us, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden hem geopend, en hij zag quot; den Geest Gods nederdalen, gelijk eene duive, en op hem komen. «Jes. 11:2. 42:1. Joh. 1:32. 17 En ziet, eene stem uit de hemelen, zeggende: quot; Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in denwelken Ik mijn welbehagen heb ! « Jes. 42:1. Matt. 12:18. 17:5. Luk. 9 :35. Col. 1 : 13. 2 Petr. 1 : 17. HOOFDSTUK 4. Christus in de woestijn veertig dagen gevast hebbende, wordt van den duivel verzocht, vs. 1. Daarna door do engelen gediend, 11. llij verlaat Nazareth en gaat wonen te Kapérnaflm, 12. Begint te prediken, 17. Roept Petrus en Andréas, 18; Jakobus en Johannes, die alles verlatende hem volgen, 21. Doorwandelt Galiléa, leert in de synagoge en geneest allerlei krankheden, 23. TOEN quot; werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel. a Mark. 1 : 12. Luk. 4:1. 2 En als hij veertig dagen en veertig nachten gevast-had , hongerde hem ten laatste. 3 En de verzoeker, tot hem gekomen zijnde, zeide: Indien gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze steenen broo-den worden. 4 Doch hij, antwoordende, zeide: Er is geschreven: quot; De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat. aDeut. 8:3. 5 Toen nam hem de duivel mede naar de heilige stad, en stolde hem op de tinne des tempels; 6 En zeide tot hem: Indien gij Gods Zoon zijt, werp u zeiven nederwaarts: want er is geschreven, quot;dat Hij zijne engelen van u bevelen zal, en dat zij u op de handen zullen nemen, opdat gij niet te eeniger tijd uwen voet aan eenen steen aanstoot. « Ps. 91:11, 12. 7 Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven : quot; Gij zult den Ileere, uwen God, niet verzoeken. « Deut. G:l(j. 8 Wederom nam hem de duivel mede op eenen zeer hoogen berg, en toonde hem al de koningrijken der wereld, en hunne heerlijkheid; 9 En zeide tot hem: Al deze dingen zal ik u geven, indien gij, nedervallende, mij zult aanbidden. 10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg. Satan! |
want er staat geschreven: quot; Den Heere, uwen God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen. a Deut. ü : 13. 10 : 20. 11 Toen liet de duivel van hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden hem. 12 Als nu Jezus gehoord had, dat quot;Johannes overgeleverd was, is hij wedergekeerd b naar Galiléa; a Mark. 1:14. Luk. 4:14. öLuk. 4:1(3, 31. Joh. 4:43. 13 En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapérnaüm, gelegen aan de zee, in de landpalen van Zabulon en Néfthalim; 14 Opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door Jesaja , den profeet, zeggende: 15 quot; Het land Zabulon en het land Néfthalim, aan den weg der zee, over de Jordaan, Galiléa dei-volken ; a Jos. 8 : 23. 9 :1. 16 Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en dengenen , die zaten in het land en schaduwe des doods, den-zelven is een licht opgegaan. 17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken , en te zeggen: quot; Bekeert u, want het koningrijk der hemelen is nabij gekomen. a Mark. 1 :15. 18 quot; En Jezus, wandelende aan de zee van Galiléa, zag twee broeders, namelijk Simon, gezegd Petrus, en Andréas, zijnen broeder, het net in de zee werpende, (want zij waren visschers); a Mark. 1 : 10. 19 En hij zeide tot hen: Volgt mij na, en ik zal u visschers der menschen maken. 20 Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn hem nagevolgd. 21 En hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, namelijk Jakobus, den zoon van Zebedéüs, en Johannes, zijnen broeder , in het schip met hunnen vader Zebedéüs, hunne netten vermakende, en heeft hen geroepen. 22 Zij dan terstond verlatende het schip en hunnen vader, zijn hem nagevolgd. 23 En Jezus omging geheel Galiléa, leerende in hunne synagogen en predikende hot Evangelie des koningrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk. 24 En zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrië; en zij bragten tot hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel be- |
MATTIIÃÃS 4, 5.
841
|
zeten, on maanzieken en geraakten; on hij genas dezelve. 25 En vele scharen volgden hom na, van Galilóa on van Dokapolis, en van Jeruzalem, en van Judéa, on van over de Jordaan. HOOFDSTUK 5. Christus leert op den berg, wolke monsohen gelukzalig zijn, vs. 1. Vergelijkt zijne discipelen bij zout, licht en eene stad op oenen berg gelegen, 13. Verklaart dat hij is gekomen om de wet te vervullen, 17. Wederspreekt de verkeerde uitleggingen dor ouden van het zesde gebod, 21 ; van het zevende gebod en van den scheidbrief, 27; van het eedzweren, 33; van wederwraak, 38. Gebiedt verdraagzaamheid, 40; weldadigheid en opregte liefde zelfs jegens de vijanden, 42. En Jezus, de scharen ziende, is goklommon op oenen berg, en als hij nedorgezoton was, kwamen zijne discipelen tot hem. 2 En zijnon mond geopend hebbende, loerde hij hen, zeggende; 3 quot; Zalig zijn de armen van geest; want hunner is hot koningrijk dor hemelen. a Luk. ö : 2U. 4 quot; Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden. «Luk. 0:21. 5 quot; Zalig zijn de zacht-moedigon; want zij zullen het aardrijk beërven. aPs. 37 : 11. 0 quot; Zalig zijn die hongeren en dorsten naar do gerogtigheid; want zij zullen verzadigd worden. a Jes. 65 : 1. 7 Zalig zijn de barmhar-tigon; want hun zal barmhartigheid geschieden. 8 quot; Zalig zijn do roinon Ary Sciikkkkh; Zalig zijn van hart; want zij zullen God zien. aPs. 15:2. 24:4. Hebr. 12:14. 9 Zalig zijii do vreodzamon; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden. 10 «Zalig zijn die vervolgd worden om der gerogtigheid wil; want hunner is hot koningrijk der hemelen, a 2 Cor. 4:10. 2Tim. 2:12. 1 Petr.3:14. 11 Zalig zijt gij, als u de mensehen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, quot;om mijnentwil. al Potr. 4:14. 12 quot;Verblijdt en verheugt n, want uw loon is groot in do hemelen: want alzoo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn. a Luk. 0 : 23. 13 quot; Gij zijt het zout dor aardo : indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zalgezouten worden ? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van do menschen vertreden te worden. a Mark. 9:50. Luk. 14:34. |
14 Gij zijt hot licht der wereld; eene stad boven op eenen borg liggende, kan niet verborgen zijn. 15 quot; Noch stookt men eene kaars aan, on zot die onder eeno koornmaat, maar op eonen kandelaar, en zij schijnt allen, die in hot huis zijn: o Mark. 4 : 21. Luk. 8 : 10. 11: 33. Ki quot; Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen , dat zij uwe goede werken mogen zien, en uwen Vader, die in de hemelen is, verheerlijken. a 1 Petr. 2 : 12. 17 Meent niet, dat ik gekomen bon, om de wet ot' de profoton te ontbinden; ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. 18 Want voorwaar zeg ik u: quot; totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van do wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. « Luk. 10: 17. 19 quot; Zoo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de menschen alzoo zal geleerd hebben, die zal do minste genaamd worden in het koningrijk dor hemelon; maar zoo wie dezelve zal gedaan en geloerd hebben, die zal groot genaamd worden in hot koningrijk der hemelon. a Jukob. 2 : 10. 20 Want ik zeg u : tenzij uwe goregtighoid overvloediger zij, dan der schriftgeleerden en der farizoën, dat gij in hot koningrijk der hemelen geenszins zult ingaan. 21 Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: quot; Gij zult niet dooden; maar zoo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gorigt. a Ex. 20:13. Dout. 5: 17. 22 Doch ik zeg u: zoo wie te onregt op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gorigt; en wie tot zijnen broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door den grooten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helsche vuur. 23 Zoo gij dan uwe gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft; 24 Laat daar uwe gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst mot uwen broeder, en komt dan en offert uwe gave. 25 quot; Woest haastolijk welgezind jegens uwe wederpartij, terwijl gij nog mot hom op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u don regter ovorlovere, en do regter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt. «Luk. 12:58. Efez. 4 : 2G. |
|
842 26 Voorwaar ik zeg u: gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben. 27 Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: quot;Gij zult geen overspel doen. a Ex. 20; 14. Deut. 5: 18. 28 Maar ik zeg u, dat zoo wie eene vrouw quot; aanziet, om dezelve te begeeren, die heeft aireede overspel in zijn hart met haar gedaan. a Job Hl : 1. Ps. 119:37. 29 quot;Indien dan uw regteroog u ergert, trekt liet uit, en werpt het van u: want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw geheele ligchaam in de hel geworpen worde. a Matt. 18:8. Mark. !) : 48. 30 En indien uwe regterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u: want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw geheele ligchaam in de hol geworpen worde. 31 Er is ook gezegd: quot;Zoo wie zijne vrouw verlaten zal, die geve haar eenen scheldbrief. a Deut. 24 : 1. 32 quot;Maar ik zeg u, dat zoo wie zijne vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zoo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel. a Matt. 19:7. Mark. lü:4, 11. Luk. 10:18. 1 Cor.7:l0. 33 Wederom hebt gij gehoord, dat van de ouden gezegd is: quot; Gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Ileere uwe eeden houden. a Ex. 20:7. Lev. 19: 12. Dent. 5: 11. 34 Maar ik zeg u: quot;Zweert ganschelijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is do troon Gods; a Jakob. 5:12. 35 Noch bij de aarde, quot; omdat zij is de voetbank zijner voeten; noch bij Jeruzalem, ''omdat zij is de stad des grooten Konings; «Jes.GG:!. /'Ps.48:3. 30 Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar kunt wit of zwart maken: 37 Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen: wat boven deze is, dat is uit den booze. 38 Gij hebt gehoord, dat quot; gezegd is: Oog om oog, en tand om tand. o Ex. 21:24. Lev. 24:20. Deut. 19:21. 39 Maar ik zeg u, quot; dat gij den booze niet wederstaat; maar, zoo wie u op de regterwang slaat, keert hem ook de andere toe; a Spr. 24:29. Luk. 0:29. Ram. 12: 17. 1 Cor. 0:7. 1 Thess. 5 :15. 1 Petr. 3 : !). 40 En zoo iemand met u regten wil, en uwen rok nemen , laat hem ook don mantel; 41 En zoo wie u zal dwingen eene mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen. 42 quot;Geeft dengenen, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengenen, die van u leenen wil. a Deut. 15 : 8. Luk. 0 : 35. 43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: quot; Gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand zult gij haten. a Lev. 19: 18. 44 Maar ik zeg u: quot;hebt uwe vijanden lief; |
zegent zo, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en b bidt voor degenen, die u gewold doen, en die u vervolgen, aLuk.0:27. Rom.12:20. b Luk. 23:34. Hand. 7:60. 1 Cor. 4:13. 1 Petr. 2:23. 45 Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, die in de hemelen is; want Hij doet zijne zon opgaan over boozen en goeden, en regent over regtvaardigen en onregtvaardigen. 46 quot; Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij ? Doen ook do tollenaars niet hetzelfde ? a Luk. 0 : 32. 47 En indien gij uwe broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen ? Doen ook niet de tollenaars alzoo? 48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is. HOOFDSTUK 6. Christus leert: hoe men aalmoezen moet geven, vs. 1; bidden. 5; vasten, 16; welke schatten te vergaderen, 19: hoe het verstand gerigt moet zijn, 22; dat men geen twee heeren kan dienen, 24; dat men de zorg voor ligchainelijke nooddruft God moot aanbevelen, 25; en voor alles het koningrijk Gods zoeken, 33. HEBT acht, dat gij uwe aalmoes niet doet voor de menschen, om van hen gezien te worden: anders zoo hebt gij geenen loon bij uwen Vader, die in de hemelen is. 2 quot; Wanneer gij dan aalmoes doet, zoo Iaat voor u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de menschen geëerd mogen worden. Voorwaar zeg ik u: zij hebben hunnen loon weg. «Rom. 12:8. 3 Maar als gij aalmoes doet, zoo laat uwe linker-h.and niet weten, wat uwe regter doet; 4 Opdat uwe aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, die in het verborgen ziet, die zal het u in het quot;openbaar vergelden. aLuk. 14:14. 5 En wanneer gij bidt, zoo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden: want die plegen gaarne, in de synagogen en op de hoeken der straten staande, te bidden, opdat zij van de menschen mogen gezien worden. Voorwaar ik zeg u, dat zij hunnen loon weg hebben. 6 Maar gij, wanneer gij bidt, quot;gaat in uwe binnenkamer, en uwe deur gesloten hebbende, bidt uwen Vader, die in het verborgen is; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden. «2 Kon. 4:33. Hand. 10:4. 7 En als gij bidt, quot;zoo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de Heidenen: want zij meenen, dat zij door hunne veelheid van woorden zullen verhoord worden. al Kon. 18:28. Jes. 1:15. 8 Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat gij van noode hebt, eer gij Hem bidt. 9 Gij dan bidt aldus: quot;Onze Vader, die in de hemelen zijt! uw naam worde geheiligd. aLuk.11:2. MATTHÃÃS 5, fi. |
MATTHÃÃS 6, 7.
843
|
10 Uw koningrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde. 11 Geef ons heden ons dagelijksch brood. 12 En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. 13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den quot; booze. Want U is het koningrijk, en de kracht, en do heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen. n Matt. 13:19. 14 quot; Want indien gij den menschen hunne misdaden vergeeft, zoo zal uw hemelsche Vader ook u vergeven. «Mark. 11 :25. Col. 3:13. 15 quot; Maar indien gij den menschen hunne misdaden niet vergeeft, zoo zal ook uw Vader uwe misdaden niet vergeven, a Matt. 18 : 35, Jakob. 2 ; 13. 16 a En wanneer gij vast, toont geen droevig gezigt, gelijk de geveinsden: want zij mismaken hunne aangezigten, opdat zij van do menschen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar ik zeg u, dat zij hunnen loon weg hebben. «.los. 58:3. Matt. 9:14. Mark. 2:18. Luk. 5:33. 17 Maar gij, als gij vast, zalft uw hoofd, en wascht uw aangezigt; 18 Opdat het van de menschen niet gezien worde, als gij vast, maar van uwen Vader, die in hot verborgen is; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal hot u in het openhaar vergelden. 19 Vergadert u quot; geene schatten op de aarde, waar zo do mot en de roost verderft, en waar de dieven doorgraven on stolen; a Spr. 23:4. Hebr. 13:5. Jakob. 5:1. 20 Maar a vergadert u schatten in don hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waaide dieven niet doorgraven noch stolen: a Luk. 12:33. 1 Tim. 0:19. 21 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. 22 De kaars des ligchaams is quot; het oog; indien dan uw oog oonvoudig is, zoo zal uw gehoole ligchaam verlicht wezen; «Luk. 11:34. 23 Maar indien uw oog boos is, zoo zal geheel uw ligchaam duistor zijn. Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijn! 24 quot; Niemand kan twee hoeren dienen: want of hij zal don oenen haten en don anderen liefhebben , of hij zal den oenen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen on den Mammon. «Luk. 16:13. 25 quot; Daarom zeg ik u: zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw ligchaam, waarmede gij u kleeden zult: is het leven niet meer dan het voedsel, en het ligchaam dan de kleeding? aPs.37:5. 55:23. Luk. 12:22, Filipp. 4:0. 1 Tim. 6: 8. 1 Petr. 5:7. 26 quot; Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaijon, noch maaijen, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelsche Vader voedt nogtans dezelve: gaat gij dezelve niet zeer voel te boven ? a Job 39:3. Ps. 147 : 9. |
27 Wie toch van u kan, mot bezorgd te zijn, eono el tot zijne lengte toedoen? 28 En wat zijt gij bezorgd voor de kloeding ? Aanmerkt de leliën dos velds, hoe zij wassen: zij arbeiden niet, en spinnen niet; 29 En ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijne heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk eene van dezen. 30 Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzoo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleeden, gij kleingeloovigen ? 31 Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten ? of wat zullen wij drinken ? of waarmede zullen wij ons kleeden ? 32 Want al deze dingen zoeken de Heidenen: want uw hemelsche Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft. 33 quot; Maar zoekt eerst hot koningrijk Gods en zijne goregtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden, al Kon. 3 13. Ps. 37:25. 55:23. 34 Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen: want de morgen zal voor hot zijne zorgen; elke dag heoft genoeg aan zijn zelfs kwaad. HOOFDSTUK 7. Christus loort verdor: hoe men van zijnen naaste moot oordoolon en hom bestraffen, vs. 1; dat men hot heilige aan do verachters niet moot voordragen, 6; dat men mot bidden moet aanhouden, 7; hoe men handelen moot mot zijnen naaste, 12; van de ongo on wijde poort, 13; van de valsoho profeten te mijden, 15; dat niet allen, die uiterlijk God dienen, zullen zalig worden, 21; dat men het woord Gods niet alleen moet hoeren, maar ook doen, 24, OORDEELT quot; niet, opdat gij niet geoordeeld wordt, aLuk, 0:37, Kom. 2:1. 1 Cor. 4:3, 5. 2 «Want met welk oordooi gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met wolko mate gij meet, zal u wedergemeten worden. «Mark. 4:24. Luk. 0:38. 3 «En wat ziet gij don splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet? aLuk. 0:41, 42. 4 Of, hoe zult gij tot uwen broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog? 5 quot; Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen. a Spr. 18:17. 6 quot; Geeft het heilige don honden niet, noch werpt uwe paarlen voor do zwijnen; opdat zij niet to eeniger tijd dezelve mot hunne voeten vertreden, en zich omkeerende u verscheuren. a Spr. 9 : 8. 23 : 9. 7 Bidt, «en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. « Matt. 21:22. Mark. 11 : 24. Luk. 11 : 9. Joh. 14 : 13. 10 : 24. Jakob. 1 : 5, 0. 1 .lob, 3 : 22. 5:14. 8 «Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden. a Spr. 8:17. Jor. 29:12. |
MATTHÃÃS 7, 8,
844
|
9 Of wat mensch is er onder u, zoo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem oenen steen zal geven ? 10 En zoo hij hem om een' visch zou bidden, die hom eene slang zal geven? 11 Indien dan gij, quot;die boos zijt, weot uwen kinderen goede gaven te geven, hoe voel te meer zal uw Vader, die in de hemelen is, goede (jaren geven dengenen, die zo van Hem bidden! a Gen. (i: 5. 8:21. 12 quot;Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo: want dat is de wet en de profeten. « Luk. G:31. 13 quot;Gaat in door de enge poort: want wijd is do poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan: a Luk. 13:24. 14 quot; Want de poort is eng, en do weg is naauw, die tot het loven leidt, en weinigen zijn er, die denzolven vinden. a Hand. 14:22. 15 quot; Maar wacht u van do valscho profeten, dewelke in schaapskleederon tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven. « Dcut, 13:8. .lor. 23:10. Matt. 24:4. Hom. 10: 17. Efez. 5:0. Col 2:8. I Joh. 4:1. 10 Aan hunne vruchten zult gij hen kennen. Loost men ook eene druif van doornen, of vijgen van distolon ? 17 quot; Alzoo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. a Matt. 3: 10. 12:33. Mark. 11:13. Luk. 8:3. 18 Een goede boom kan geene kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. 19 Een ieder boom, die geene goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen on in hot vuur geworpen. 20 Zoo zult gij dan dezelve aan hunne vruchten kennen. 21 quot;Niet een iegelijk, die tot mij zegt: lleore, Heere! zal ingaan in het koningrijk dor hemelen, maar die daar doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen is. n Matt. 25 : 11. Luk. 0 : 40. 13 : 25. Hand. 19 : 13. Hom. 2:13. Jakob. 1 : 22. 22 quot; Velen zullen te dien dage tot mij zoggen: Heere, Heere! hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, on in uwen naam duivelen uitgeworpen, on in uwen naam vele krachten gedaan ? rt Jer. 14: 14. 27 : 15. Luk. 13:20. 23 quot;En dan zal ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; 6 gaat weg van mij, gij, die de ongoregtigheid werkt! « Ps. 0:9. Matt. 25: 12. Luk. 13:25, 27. h Matt. 25:41. Luk. 13:25, 27. 24 quot;Een iegelijk dan, die dozo mijne woorden hoort en dezelve doet, dien zal ik vergelijken bij oen' voorzigtig man, die zijn huis op eene steenrots gebouwd hoeft; a Jer. 17:8. Luk. 0:47. Hom. 2: 13. Jakob. 1 : 25. |
25 En er is slagregen nedergevallen, on de wa-torstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, on zijn tegen lietzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. 26 quot;En een iegelijk, die deze mijne woorden hoort en dozolvo niet doet, die zal bij oenen dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op hot zand gebouwd heeft; a Ezec. 13: 11. Hom. 2: 13. Jakob. 1 : 23. 27 En do slagregen is nedergevallen, en de watorstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en hot is gevallen, en zijn val was groot. 28 En hot is geschied, als Jezus deze woorden geëindigd had, dat do scharen zich ontzetten over zijne leer: 29 quot; Want hij loerde hen, als magt hebbende, en niet als do schriftgeleerden. «Mark. 1 : 22. 0:2. Luk. 4: 32. HOOFDSTUK 8. Christus reinigt eenen meiaatsche, vs. 1 ; geneest den knecht van eenen hoofdman, 5: de schoonmoeder van Petrus, 14; en nog vele andoren, 10. Verklaart eenen schriftgeleerde, die hem wilde volgen, zijne armoede, 18; en gebiedt eenen anderen hem te volgen zonder uitstel, 21. Stilt het on weder op de zee, 23; drijft do duivelen uit twee bezeten men-schen, en laat hun toe, om in de zwijnen te varen, 28. TOEN hij nu van don berg afgeklommen was, zijn hem vele scharen gevolgd. 2 quot; En ziet, oen meiaatsche kwam, en aanbad hom, zeggende: Heere! indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. a Mark. 1 : 40. Luk. 5: 12. 3 Eu Jezus, do hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd hij van zijno molaatschheid gereinigd. 4 En Jezus zeide tot hom: Zie, dat gij dit niemand zegt; maar quot; ga hoen, toon u zolven den priester, en offer de gave, die 6 Mozes geboden heeft, hun tot eene getuigenis. n Luk. 5 : 14. b Lev. 13:2. 14 : 2. 5 quot; Als nu Jezus te Kapérnaüm ingegaan was, kwam tot hem oen hoofdman over honderd, biddende hom, aLuk. 7:1. 0 Eu zeggende: Heere! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen. 7 En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen. 8 En do hoofdman over honderd, antwoordende, zeide: Heere! ik bon niet waardig, dat gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar a spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden. a Ps. 107 : 20. 9 Want ik ben ook oen mensch onder do magt van anderen, hebbende onder mij krijgsknechten; en ik zog tot dezen: Ga! on hij gaat; en tot don anderen: Kom! en hij komt; en tot mijnen dienstknecht: Doe dat! en hij doet het. 10 Jezus nu, dit hoorendo, heeft zich verwon- |
MATTHÃÃS 8, 0.
845
|
derd, on zoido tot degenen, die hem volgden: Voorwaar zeg ik u, ik heb zelfs in Israël zoo groot een geloof niet gevonden. 11 quot;Doch ik zeg u, dat velen zullen komen van Oosten en Westen, en zullen met Abraham, en Tzak, en Jakob, aanzitten in het koningrijk der hemelen ; a Luk. 13 : 29. 12 quot; En de kinderen des koningrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis: ''aldaar zal weening zijn, en knersing der tanden. a Matt. 21:4H. ft Matt. 13:42. 22:13. 24:51. Luk. 13:28. 13 En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga heen, en u geschiede, gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dier-zelver ure. 14 11 En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijner vrouws moeder te bed liggen, hebbende de koorts. a Mark. 1 : 29. Luk. 4 : 38. 15 En hij raakte hare hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op, en diende henlieden. 16 En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot hem gebragt, en hij wierp de booze geesten uit met den woorde, en hij genas allen, die kwalijk gesteld waren. 17 Opdat vervuld zou worden, dat gesproken was door Jesaja, den profeet, zeggende: quot; Hij heeft onze krankheden op zich genomen, en onze ziekten gedragen. aJes. 53:4. 1 Petr. 2:24. 18 En Jezus, vele scharen ziende rondom zich, beval aan de andere zijde over te varen. 19 quot; En er kwam een zeker schriftgeleerde tot hem, en zeide tot hem : Moester! ik zal u volgen, waar gij ook henengaat. a Luk. 9 : 57. 20 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maaide Zoon des menschen heeft niet, waar hij het hoofd nederlegge. 21 En een ander uit zijne discipelen zeide tot hem: Heere! laat mij toe, dat ik eerst heenga, en mijnen vader begrave. 22 Doch Jezus zeide tot hem: Volg mij, en quot; laat de dooden hunne dooden begraven, al Tim. 5:G. 23 quot; En als hij in hot schip gegaan was, zijn hem zijne discipelen gevolgd. a Mark. 4 : 85. Luk. 8 : 22. 24 En ziet, er ontstond eene groote onstuimigheid in de zee, alzoo dat het schip van de golven bedekt werd: doch hij sliep. 25 En zijne discipelen, bij hem komende, hebben hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan! 26 En hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovigen? «Toen stond hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd groote stilte. «Job 26 : 12. Ps. 107 : 29. .les. 51 : 10. 27 En de menschen verwonderden zich, zeggende : Hoedanig een is deze, dat ook de winden en de zee hom gehoorzaam zijn! 28 a En als hij over aan de andere zijde was gekomen in het land der Gergesénen, zijn hem |
I twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzoo dat niemand door dien weg kon voorbijgaan. «Mark. 5:1. Luk. 8:26. 29 En ziet, zij riepen, zeggende: Jezus, gij Zone Gods! wat hebben wij met u te doen? Zijt gij hier gekomen, om ons te pijnigen voor den tijd? 30 En verre van hen was eene kudde veler zwijnen, weidende. 31 En de duivelen baden hem, zeggende: Indien gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen. 32 En hij zeide tot hen : Gaat heen. En zij uitgaande, voeren heen in do kudde zwijnen; en ziet, de geheole kudde zwijnen stortte van do steilte af in do zee, en zij stierven in het water. 33 En die zo weidden, zijn gevlugt; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij al deze dingen, en wat den bezetene geschied was. 34 En ziet, de geheole stad ging uit, Jezus te gomoot; en als zij hem zagen, quot; baden zij, dat hij uit hunne landpalen wilde vertrekken. a Hand. 16:39. HOOFDSTUK 9. Christus geneest eenon gerankte of lamme, en bewijst dat hij magt heeft om do zonden te vergeven, vs. 1; roept Jlatthéüs en eet mot do tollenaars, 9; verdedigt zijne discipelen, dat zij niet vasten, 14; geneest eene vrouw van het bloedvloeijen, 20; wekt liet gestorven dochtertje van oenen overste op, 23; maakt twee blinden ziende, 27; werpt oenen stommen duivel uit, 32; predikt en geneest vele zieken, 35. Vermaant te bidden om arbeiders in den oogst, 36. EN in het schip gegaan zijnde, voer iüj over en kwam in zijne stad. quot;En ziet, zij bragten tot hem oenen geraakte, op een bod liggende. ,a Mark. 2 : 3. Luk. 5 :18. Hand. 9 : 33. 2 En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon! wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven. 3 En ziet, sommigen der schriftgeleerden zeiden in zich zei ven: quot;Deze lastert God. a Ps. 32 : 5. Jes. 43 : 25. 4 En Jezus, ziende hunne gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uwe harten? 5 Want wat is ligter, te zéggen: Do zonden zijn u vergeven ? of te zeggen: Sta op en wandel ? 6 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des menschen magt heeft op de aarde, de zonden te vergeven (toen zeide hij tot den geraakte): Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis. 7 En hij opgestaan zijnde, ging heen naaizij n huis. 8 De scharen nu, dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, die zoodanige magt den menschen gegeven had. 9 quot;En Jezus, van daar voortgaande, zag een' mensch in het tolhuis zitten, genaamd Matthéüs; en zeide tot hem: Volg mij. En hij opstaande, volgde hein. «Mark. 2:14. Luk. 5:27. 10 En het geschiedde, als hij in liet huis 'mn |
MATTHÃÃS 9.
|
Matthéüs aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mede aan, met Jezus en zijne discipelen. 11 En de farizeën, dat ziende, zeiden tot zijne discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en zondaren? 12 Maar Jezus, zulks hoorende, zeido tot hen: Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn. 13 Doch gaat heen en leert, wat het zij: quot; Ik wil barmhartigheid , en niet offerande : '' want ik ben niet gekomen om te roepen regtvaardigen, maar zondaars tot bekeering. «Hos.0:6. MichaG:8. Matt. 12:7. h Mark. 2:17. Luk. 5 : 32. 10:10. 1 Tim. 1 : 15. 14 quot; Toen kwamen de discipelen van Johannes tot hem, zeggende: Waarom vasten wij en de farizeën veel, en uwe discipelen vasten niet? n Mark. 2 : 18. Luk. 5: 33. 15 EnJezuszeido tot hen: Kunnen ook quot; do bruiloftskinderen treuren, zoo lang de bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten. a 2 Cor. 11:2. 16 Ook zet niemand oenen lap ongevold laken op een oud kleed: want deszelfs aangezette lap scheurt af van het kleed, en er wordt eeno ergere scheur. 17 quot; Noch doet men nieuwen wijn in oude leder-zakken; anders zoo bersten de /ederzakken, en de wijn wordt uitgestort, en de Zedenzakken verderven ; maar men doet nieuwen wijn in nieuwe lederzakken , en beide te zamen worden behouden. a Mark. 2:22. 18 Als hij deze dingen tot hen sprak, quot;ziet, een overste kwam en aanbad hem, zeggende: Mijne dochter is nu terstond gestorven, doch kom en leg uwe hand op haar, en zij zal leven. |
ff Mark. 5:22. Luk. 8:41. 19 En Jezus opgestaan zijnde, volgde hem, en zijne discipelen. 20 a (En ziet, eene vrouw, die twaalf jaren het bloedvloeijen gehad had, komende tot hom van achteren, raakte don zoom zijns kloeds aan: «Lov. 15:25. Mark. 5:25. Luk. 8:43. 21 Want zij zoide in zich zelve: Indien ik alleenlijk zijn kleed aanraak, zoo zal ik gezond worden. 22 En Jezus, zich omkeerende, en haar ziende, zeido: quot; Wees welgemoed, dochter! uw geloof' heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van dezelve ure af.) a Mark. 5 : 34. Luk. 8:48. 23 quot; En als Jezus in het huis des oversten kwam, en zag de pij pers en de woelende schare, a Mark. 5 : 38. Luk. 8 : 51. 24 Zeido hij tot hen: Vertrekt; want het dochtertje is niet dood, maar quot; slaapt. En zij belachten hom. a .loh. 11:11. 25 Als nu de schare nitgedro-ven was, ging hij in, en greep hare hand; en het dochtertje stond op. 26 Enditgerucht ging uit door dat geheele land. 27 En als Jezus van daar voortging, zijn hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: Gij Zone Davids, ontferm u onzer! 28 En als hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot hem. En Jezus zoide tot hen: Gelooft gij, dat ik dat doen kan ? Zij zeiden tot bom: Ja, Heero! 29 Toen raakte bij hunne oogon aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof. 30 En hunne oogen zijn geopend geworden. quot; En Jezus heeft hun zeer strengelijk verboden, zeggende : Ziet, dat het niemand weto. «. Matt. 12: 10. Luk. 5:14. |
MATTHÃÃS 9, 10.
847
|
31 quot;Maar zij, uitgegaan zijnde, liebben hem ruchtbaar gemaakt door dat geheele land. a Mark. 7 : 30 32 quot; Als deze nu uitgingen, ziet, zoo bragten zij tot hom een' mensch, die stom en van den duivel bezeten was. a Matt. 12:'22. Luk. 11:14. 33 En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende : Er is nooit desgelijks in Israël gezien! 34 Maar de farizeën zeiden: quot; Hij werpt do duivelen uit dooiden overste der duivelen. a Matt. 12:24. Mark. 3:22. Luk. 11 : 15. 35 quot; En Jezus omging al de steden en vlekken, lee-rende in hunne synagogen, en predikende het evangelie des ko-ningrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk. a Mark. G : (i. Luk. 13 :22. 3G quot; En hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, ''gelijk schapen, die geenenherderhebben. a Mark. 0:34. ÃJer.23:1. Ezec.34:2. 37 Toen zeide hij tot zijne discipelen: quot; De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; aLuk.lO:2.Joh.4:3r). 38 quot; Bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in zijnen oogst uitstoote. n2 Tliess. 3 : 1. HOOFDSTUK 10. Christus geeft zijnen apostelen raagt om wonderwerken te doen, vs. 1. Hunne namen, 2. Hij zendt hen uit om te prediken onder liet volk Israels, 5; onderrigt hen, hoe zij zich tot de reis schikken, en gedragen zullen jegens degenen, die hen ontvangen, en die hen niet ontvangen. 8; welke zwarigheden zij zullen ontmoeten en waarmede zij zich in al deze liebben te troosten, 10. Leert wolk loon zij hebben te wachten, die hem standvastig belijden, 32; en jegens zijne dienstknechten weldadig zijn, 40. |
EN quot; zijne twaalf discipelen tot zich geroepen hebbende, heeft hij hun magt gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwale te genezen. a Mark. 3: 13. Luk. 0: 13. 9:1. 2 Do namen nu der twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon , gezegd Petrus, en Andréas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedéüs, en Johannes, zijn broeder; 3 Filippusen Bartholomóüs; Thomas en Matthéüs, de tollenaar; Jakobus , de zoon van Alféüs, en Lebbéüs, toege-naamd Thaddéüs; 4 Simon Kananites, en Judas Is-kariot, die hemook verraden heeft. 5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden , en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op don weg der Heidenen , en gij zult niet ingaan in eenige stad der Samaritanen. 6 quot; Maar gaat veel meer hoen tot do verlorene schapen van het huis Israels. a Hand. 3 : 20. 13:20, 40. 7 En heengaande quot; predikt, zeggende: Het koningrijk dor hemelen is nabij gekomen. a Luk. 9 : 2. 8 quot; Geneest de kranken, reinigt do molaatschcn, wekt de dooden op, werpt do duivelen uit. ''Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet. a Luk. 10:9. ft Hand. 8: 18, 20. 9 quot; Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch kopeivye/d in uwe gordels; a Mark. 0 10 Noch male tot don weg, noch schoenen, noch staf: quot; want do arbeider is zijn voedsel waardig. a Lev. 19:13. Deut. 24:14. 25:4. Luk. 10:7. 1 Cor. 9:4, 14. 1 Tim. 5:18. 11 quot; En in wat stad of vlek gij zult inkomen, onderzoekt, wie daarin waardig is; en blijft aldaar, totdat gij daar uitgaat, a Mark 0:10. Luk. 9:4. 10:8. 8. Luk. 9 : 3. 22 : 35. noch twee rokkon , |
MATTHÃÃS 10, 11.
848
|
12 En als gij in liet huis gaat, zoo groet hetzelve. 13 En indien dat huis waardig is, zoo konie uw vrede over hetzelve; maar indien het niet waardig is, zoo keere uw vrede weder tot u. 14 quot; En zoo iemand u niet zal ontvangen, noch uwe woorden hooren, uitgaande uit dat huis of uit dezelve stad, h schudt het stof uwer voeten af. a Mark. 0:11. Luk. O;quot;). 6 Hand. 13:51. 18:0. 15 quot; Voorwaar zeg ik u: het zal den lande van Sodom en Gomórra verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan dezelve stad. rt Hark. 0:11. Luk. 10 : 12. 1(1 quot; Ziet, ik zende u als schapen in het midden der wolven: zijt dan voorzigtig gelijk de slangen, en opregt gelijk de duiven. a Luk. 10 : .â !. 17 Maar wacht u voor de menschen: quot;want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hunne synagogen zullen zij u geeselen. «Matt. 24:9. Luk. 21:12. Joh. 15:20. 10:2. Ãpenb.2:10. 18 quot; En gij zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden, om mijnentwil, hun en don Heidenen tot getuigenis. a Hand. 24 :1. 26 :4. 19 quot; Doch wanneer zij u overleveren, zoo zult gij niet bezorgd zijn , hoe of wat gij spreken zult: want het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult. a Mark. i:i: 11. Luk. 12: 11. 21 : 14. 20 Want gij zijt het niet, die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt. 21 quot; En de eene broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind, en de kinderen zullen opstaan togen do ouders, en zullen hen doodon. aMicha 7:2, 5. Luk. 21:10. 22 En gij zult van allen gehaat worden om mijnen naam; quot; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden, a Matt. 24:1 ii. Mark. 13 : 13. Luk. 21 : 19. Openb. 2 : 10. 3 :10. 23 quot; Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere: want voorwaar zeg ik u: gij zult uwe reis door de steden Israels niet geëindigd hebben, of de Zoon dos menschen zal gekomen zijn. a Matt. 2 : 13. 4:12. 12 : 15. Hand. 8:1. 9 : 25. 14 : 0. 24 quot; De discipel is niet boven don meester, noch de dienstknecht boven zijnen heer. a Luk. 0 : 40. Joh. 13 : 16. 15 : 20. 25 Het zij don discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn moester, en de dienstknecht gelijk zijn hoor. quot; Indien zij don heer des huizes Beëlzebul hebben goheeton, hoe veel te meer zijne huis-genooten ! a Matt. 9 : 34. 12 : 24. Mark. 3 : 22. Luk. 11 :15. Joh. 8 : 48. 26 quot;Vreest dan hen niet: ''want er is niets bedekt, hetwelk niet zal ontdekt worden, en verborgen, hetwelk niet zal geweten worden. a Jes. 8 : 12. Jor. 1 : 8. h Job 12:22. Mark. 4:22. Luk. 8:17. 12:2. 27 Hetgeen ik u zeg in do duisternis, zegt hot in het licht; en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken. |
28 quot;En vreest u niet voor degenen, die liet ligchaam doodon , en de ziel niet kunnen doodon; maar vreest veel meer Hom, die beide ziel en ligchaam kan verdorven in de hol. a Jer. 1 : 8. Luk. 12 : 4. 29 Worden niet twee muschjes om een ponnings-ken verkocht? En niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uwen Vader. 30 quot; Eu ook uwe haren des hoofds zijn allen getold. «1 Sain. 14:45. 31 Vreest dan niet, gij gaat vele muschjes te boven. 32 quot;Een iegelijk dan, die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ik ook belijden voor mijnen Vader, die in de hemelen is. a Mark. 8:38. Luk. 9:26. 12:8. 2 Tim. 2: 12. 33 Maar zoo wie mij verloochend zal hebben voor do menschen, dien zal ik ook verloochenen voor mijnen Vader, die in de hemelen is. 34 quot; Meent niet, dat ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; ik ben niet gekomen, om vrede te brengen, maar het zwaard. a Luk. 12:51. 35 quot; Want ik bon gekomen, om den mensch twee-dragtig te maken tegen zijnen vader, en de dochter tegen hare moeder, en de schoondochter togen hare schoonmoeder. a Micha 7 : 0. 36 quot; En zij zullen des menschen vijanden worden, die zijne huisgenooten zijn. a Ps.' 41: 10. 55 : 13. Joh. 13 : 18. 37 quot; Die vader of moeder liefheeft boven mij, is mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven mij, is mijns niet waardig. a Luk. 14 : 20. 38 quot; En die zijn kruis niet op zich neemt, en mij navolgt, is mijns niet waardig. a Matt. 10:24. Mark. 8:34. Luk. 9:23. 14:27. 39 quot; Die zijne ziel vindt, zal dezelve verliezen; en die zijne ziel zal verloren hebben om mijnentwil, zal dezelve vinden. «Matt. 16:25. Mark. 8:35. Luk. 9:24. 17:33. Joh. 12:25. 40 quot; Die u ontvangt, ontvangt mij; en die mij ontvangt, ontvangt Hem, die mij gezonden heeft. a Luk. 10 :10. Joh. 13 : 20. 41 quot; Die oenen profeet ontvangt in den naam eens profeten, zal den loon eens profeten ontvangen; on die oenen regtvaardige ontvangt in den naam eens regtvaardigen, zal den loon eens regtvaardigen ontvangen. a 1 Kon. 17 : 10. 18 : 4. 2 Kon. 4 : 8. 42 quot; En zoo wie een' van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk oenen beker koud waters, in don naam eens discipels, voorwaar zeg ik u, hij zal zijnen loon geenszins verliezen. a Matt. 25:40. Mark. 9:41. Hebr. 0: 10. HOOFDSTUK 11. Johannes de Dooper, in de gevangenis zijnde, zendt twee discipelen tot Christus, vs. 1 ; welken Christus uit zijne leer en werken bewijst, dat hij de beloofde Messias is, 4. Hij geeft aan het volk van Johannes |
|
persoon on ambt oen heerlijk getuigenis, 7; verwijt ilen Joden onder zekere gelijkenis hnnne onbekeer-lijkheid, 10; on bedreigt duaroin de steden Cliórazin, Hethsiiïda en Kapórnaüm met zeer zware strafl'en, 20; stelt daar tegenover het welbehagen zijns Vaders in hot onderwijzen der kleinen, 25; noodigt alle vermoeide zondaars tot zich en belooft hun verkwikking, 28. EN het is geschied, toen Jezus geëindigd had zijnen twaalf discipelen bevelen te geven, dat hij van daar voortging, om te leeren en te prediken in hunne steden. 2 quot;En Johannes, in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijne discipelen; a Luk. 7 : 18. En zeide tot hem: Zijt gij degene, die komen zou, of verwachten wij eenen anderen ? â 1 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder, hetgeen gij hoort en ziet: 5 quot; De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatschen worden gereinigd, en de dooven hooren; do dooden worden opgewekt, en den armen wordt het evangelie verkondigd. a.Ies. 29 : 18. 35 : 5. 01 : 1. Luk. 4 ; 18. (i En zalig is hij, die aan mij niet zal geërgerd worden. 7 quot; Als nu deze heengingen, heeft Jezus tot de scharen begonnen te zeggen van Johannes; Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van den wind ginds en weder bewogen wordt? a Luk. 7:24. 8 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Eenen mensch, met zachte kleederen bekleed? Ziet, die zachte kleedcren dragen, zijn in der koningen huizen. !) Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een' profeet? Ja, ik zeg u, ook veel meer dan een profeet. 10 Want deze is het, van denwelken geschreven staat: quot;Ziet, Ik zende mijnen engel voor uw aan-gezigt, die uwen weg bereiden zal voor u heen. «Mal. .'! : 1. Mark. 1 : 2. Luk. 7 :27. 11 Voorwaar zeg ik u, onder degenen, die van vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan meerder dan Johannes do Dooper; doch die do minste is in het koningrijk der hemelen, is meerder dan hij. 12 quot; En van de dagen van Johannes den Dooper tot nu toe, wordt hot koningrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve met geweld. «Luk. 10:10. 13 Want al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd. 14 quot;En zoo gij het wilt aannemen, hij is Elias, die komen zou. aMal. 4:5. Luk. 1 : 17. 15 Wie ooren heeft om te hooren, die hoore. 16 Doch waarbij zal ik dit geslacht vergelijken? quot;Het is gelijk aan de kinderkous, die op de markten zitten, en hunnen gezellen toeroepen, n Luk. 7 :1, 17 En zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld. |
84f) en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend. 18 quot;Want Johannes is gekomen, noch etende, noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft den duivel. a Matt. 3: 4. Mark. 1:0. 1!) De Zoon des menschen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: Ziet daar, oen mensch, die een vraat en wijnzuiper is, een vriend van tollenaren en zondaren. Doch de Wijsheid is geregtvaardigd geworden van hare kinderen. 20 quot;Toen begon hij de steden, in dewelke zijne krachten meest geschied waren, te verwijten, omdat zij zich niet bekeerd hadden. «Luk. 10:13. 21 Wee u, Cliórazin! wee n, Bethsaïda! want zoo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in quot; zak en asch bekeerd hebben. «2 Sani. 13: I!). 2 Kon. 0:30. 19: 1. 22 quot; Doch ik zeg u: liet zal Tyrus en Sidon ver-dragelijker zijn in den dag des oordeels, dan ulieden. a Matt. 10:15. 23 En gij, Kapórnaüm! die tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hol toe nederge-stooten worden. Want zoo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op den huidigen dag gebleven zijn. 24 Doch ik zeg u , quot; dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels, dan u. a Matt. 10 : 15. 25 quot; In dienzelven tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank U, Vader! Iloero des hemels en der aarde! ''dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt , en hebt dezelve don kinderkens geopenbaard. «Luk. 10:21. ft .lob 5 : 12. .les. 29 : 14. Luk. 10 : 21. 1 Cor. 1 : 19. 2 : 7, 8. 20 Ja, Vader! want alzoo is geweest liet welbehagen voor U. 27 quot; Alle dingen zijn mij overgegeven van mijnen Vader; en h niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het dc Zoon wil openbaren. « Matt. 28:18. Luk. 10:22. Joh. 3:35. ft Joh. 1:18. 0:40. 28 Komt herwaarts tot mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven. 29 Neemt mijn juk op u, en leert van mij, dat ik quot; zachtmoedig ben en nederig van hart; h en gij zult rust vinden voor uwe zielen. « Ps. 45 : 5. ft .Ier. 0 : 10. 30 quot;Want mijn juk is zacht, en mijn last is ligt. « 1 Joh. 5 : 3. HOOFDSTUK 12. De apostelen op den sabbat aren plukkende, worden door Christus verantwoord, vs. 1. Christus geneest eene dorre hand op den sabbat en verdedigt zulks, 9; ontwijkt do lagen der farizeën en geneest allerlei krankheden, 14; verbiedt hem ruchtbaar te maken, om de profetie van Jesaja te vervullen, 10; werpt eenen duivel uit eenen blinde en stomme, en weder-legt de lasteringen der farizeën, 22. Spreekt van de zonde tegen den H. Geest, 31; en van de MATTIIÃÃS 11, 12. |
|
850 rekonscltii)), tlio do inenseli zal mDeten geven van alle ijdelo woorden, l!G; geeft den fameün geen ander teeken dan hot toekon van Jona, Ii8; en stelt tegen hunne hardnekkigheid het voorbeeld der Ninevieten en van de koningin van het Zuiden, 41. Loert door eene gelijkenis van uitgeworpene, en wederkomende onreine geesten, hoe het hun zal gaan, 11!; en wie zijn regte broeder, zustor en moeder zijn, IG. IN quot;dien tijd ging Jezus, op oenen sabbatdag, door het gezaaide, en zijne discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten. a Douf. 2H ; 25. Mark. 2 ; 23. Luk. (gt;: 1. 2 En dc farizeën, dat ziende, zeiden tot hem: Zie, uwe discipelen doen, quot;wat niet geoorloofd is te doen op don sabbat. «Ex. 20: 10. 3 Maar hij zeide tot ben: Hebt gij niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hein hongerde, en hun, die met hem waren? 4 Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de quot; toonbrooden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hom waren, h maar den priesteren alleen. a 1 Sam. 21: G. h Ex. 29 : ii3. Lev. 24 : 9. 5 quot; Ol' hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en nogtans onschuldig zijn? a Num. 28 : 9. G En ik zeg u, dat quot; een meerder dan de tempel hier is. a 2 Kron. G : 18. 7 Doch zoo gij geweten hadt, wat het zij: quot; Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben. a Hos. G : G. Micha G : 8. Matt. 9 : 13. 23 : 23. 8 quot; Want dc Zoon des monschen is een Heere ook van don sabbat. «Mark. 2:28. Luk. G: 5. 9 quot; En van daar voortgaande, kwam hij in hunne synagoge. «Mark. 3:1. Luk. G : G. 10 En ziet, er was een monsch, die eene dorre hand had, en zij vraagden hem, zeggende: quot;Is liet ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij hem mogten beschuldigen) quot;Luk. 14:3. 11 En hij zeide tot hen: Wat monsch zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en zoo datzelve op oenen sabbatdag quot;in eene gracht valt, die hetzelve niet zal aangrijpen en uitheffen? «Ex. 23:4. Dout. 22:4. 12 quot; Hoe veel gaat nu een monsch een schaap te boven? Zoo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen. «Gen. 1 : 27. 13 Toen zeide hij tot dien monsch: Strek uwe hand uit; en hij strekte zo uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere. 14 quot;En de farizeën, uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen hem, hoe zij hom dooden mogten. «Mark. 3: G. Joh. 5:18. 10:39. 11:53. 15 Maar Jezus, dat wetende, quot; vertrok van daar, en vele scharen volgden hem, en hij genas zo allen. a Matt. 10 : 23. KJ quot; En hij gebood hun scherpelijk, dat zij hem niet openbaar maken zouden; n Matt. 9:30. Luk. 5:14. |
17 Opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door Josaja, den profeet, zeggende: 18 quot;Ziet, mijn knecht, welken Ik verkoren heb, mijn beminde, in welken mijne ziel een welbehagen heeft; Ik zal mijnen Geest op hem leggen, en bij zal het oordeel den Heidenen verkondigen. a .les. 42 : 1. Matt. 3 : 17. 17 : 6. Mark. 1:11. Col. I : 13. 2 Potr. 1:17. 19 Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand zijne stem op de straten hooren. 20 Het gekroökte riet zal hij niet verbreken, en bet rookende lemmet zal hij niet uitblusschen, totdat hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning. 21 En in zijnen naam zullen de Heidenen hopen. 22 quot; Toen werd tot hem gebragt een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en hij genas hem, alzoo dat de blinde en stomme beide sprak en zag. a Matt. 9:32. Luk. 11:14. 23 En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: quot; Is niet deze de Zoon van David ? a Joh. 4 : 29. 24 Maar de farizeën, dit gehoord hebbende, zeiden: quot; Deze werpt do duivelen niet uit, dan door Beëlzebul, den overste der duivelen. a Matt. 9:34. Mark. 3:22. Luk. 11 : 15. 25 Doch Jezus, kennende hunne gedachten, zoide tot hen: Een ieder koningrijk, dat tegen zich zelf verdeeld is, wordt verwoest; en eene iedere stad, of huis, dat tegen zich zelf verdeeld is, zal niet bestaan. 26 En indien do Satan don Satan uitwerpt, zoo is hij tegen zich zeiven verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan? 27 En indien ik door Beëlzebul do duivelen uitwerp , door wien werpen ze dan uwe zonen uit ? Daarom zullen die uwe regters zijn. 28 Maar indien ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zoo is dan het koningrijk Gods tot u gekomen. 29 Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijne vaten ontrooven, tenzij dat hij eei'st den sterke gebonden hebbe ? en alsdan zal hij zijn huis berooven. 30 Wie met mij niet is, die is tegen mij; en wie met mij niet vergadert, die verstrooit. 31 quot;Daarom zeg ik u: alle zonde en lastering-zal don monschen vergeven worden; maar do lastering tegen den Geest zal den menschen niet vergeven worden. «.Mark.3:28. Luk. 12:10. 1 Joh.5:10. 32 quot; En zoo wie eenig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des monschen, het zal hem vergeven worden; h maar zoo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende. «1 Sara. 2:25. 6 Num. 15:30. 1 Joh. 5:10. 33 quot; Of maakt den boom goed en zijne vrucht goed; of maakt den boom kwaad en zijne vrucht kwaad: want uit de vrucht wordt do boom gekend. a Matt. 7 : 18. MATTHÃÃS 12. |
|
34 quot; Gij adderengobroedsols! Iioo kunt gij goodo dingen spreken, daar gij boos zijt? '' want uit den overvloed dos harten spreekt de mond. « Matt. 3 ; 7. // Ps. 40 : 11. Luk. (i: 45. 35 Do goede mensch brengt goedo dingen voort uit den goeden schat dos harten, on do boozo monsch brengt boozo dingen voort uit don boo-zon schat. 36 Maar ik zog u, « dat van olk ijdol woord, hetwelk do menschen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven '' in den dag des oordeels. a Efe/. 5:4. b Prod. 12: 14. 37 quot; Want uit uwe woorden zult gij goregtvaar-digd worden, en uit uwe woorden zult gij veroordeeld worden. a 2 Sam. 1:16. Luk. 19:22. 38 quot; Toen antwoordden sommigen der schriftgeleerden on farizoën, zeggende: Meestor! wij wilden van u wel oen teekon zien. a Matt. KJ: 1. Mark. 8:11. Luk. 11 : 29. I Cor. 1 : 22. 39 Maar hij antwoordde on zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt oen toeken; en hun zal geen teekon gegeven worden, dan hot toeken van Jonas, den profeet. 40 quot; Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvisch, alzoo zal de Zoon dos menschen drie dagen en drie nachten wezen in het hart dor aarde. a Jona 1 : 17. 2:10. 41 quot; De mannen van Nmeve zullen opstaan in hot oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve voroordoelen: want zij hebben zich bekeerd h op de prediking van Jonas; on ziet, moor dan Jonas is hier! «Luk. 11 :.'i2. ft Jona 3:5. 42 quot; Do koningin van het Zuiden zal opstaan in hot oordeel met dit geslacht, en hetzelve voroordoelen: want zij is gekomen van de einden dolaarde, om te hooron do wijsheid van Salomo; en ziet, moer dan Salomo is hier! al Kon. 10: 1. 2 Kron. 9:1. Luk. II 43 quot; En wanneer do onreine geest van den mensch uitgegaan is, zoo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet. «Luk. II : 24. 44 Dan zegt hij: Ik zal wederkoeron in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende vindt hij hot ledig, met bezemen gekoerd on versierd. 45 Dan gaat hij hoon en neemt met zich zeven andore geesten, boozer dan hij zelf, quot; en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van den-zolven mensch wordt erger dan het eerste. Alzoo zal het ook met dit boos geslacht zijn. a Hebr. 0:4, 5. 10:26. 2 Potr. 2:20. 46 quot;En als hij nog tot do scharen sprak, ziet, zijne moedor en broeders stonden buiten, zoekende hem to spreken. a Mark. 3:31. Luk. 8:20. 47 En iemand zeide tot hem: Zie, uwe moedor on uwe broeders staan daar buiten, zoekende u te spreken. 48 Maar hij, antwoordende, zeide tot dengenen, die hom dai zeide: Wie is mijne moeder, en wie zijn mijne broeders? |
851 49 En zijne hand uitstrekkende over zijne discipelen, zeide hij: Ziet, mijne moedor en mijne broeders. 50 quot;Want zoo wio don wil mijns Vaders doet, die in do hemelen is, dezelve is mijn broeder, en zuster, on moeder. a .loh. 15:14. 2 Cor. 5 : 1G. Gal. 5:6. 6:15. Col. 3:11. HOOFDSTUK 13. Christus stelt zijnen toehoorders onderscheidene gelijkenissen voor, waarvan do eerste is van den zaaijer, wiens zaad oj) versohillendo plaatsen valt, vs. 1. Verklaart zijnen discipelen do oorzaak, waarom hij in gelijkenissen spreekt, 10. Logt zijnen discipelen deze gelijkenis uit, 18. Voegt daarbij do gelijkenis van liet onkruid tusschen de tarwe, 24; van het mostaardzaad, 31; van het zuurdeeg, 33. Verklaart de gelijkenis van het onkruid, 36. Doet daarbij de gelijkenis van den verborgen schat, 44; van don koopman, die paarlen zoekt, 45; van liet visohnet, 47; van een' schriftgeleerde, die uit zijnen schat nieuwe on oude dingen voortbrengt, 52. Komt in zijn vaderland, waar hij niet veelgeacht wordt, 54. EN quot;te dien dage Jezus, uit hot huis gegaan zijnde, zat bij de zee. a Mark. 4:1. Luk. 8:4, 5. 2 En tot hem vergaderden vele scharen, zoodat hij quot; in een schip ging en noderzat, en al do schare stond op den oever. «Luk. 5:3. 3 En hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaijer ging uit om to zaaijen. 4 En als hij zaaide, viel oen dool van het zand bij den weg; en do vogelen kwamen en aten datzolvo op. 5 En oen ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en hot ging tor-stond op, omdat hot geone diepte van aarde had. 6 Maar als do zon opgegaan was, zoo is hot verbrand geworden; en omdat het goenen wortel had, is het verdord. 7 En een ander deel viel in de doornon; en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve. 8 En oen ander deel viol in do goedo aarde, en gaf vrucht, het oen honderd-, hot ander zestig-, en het ander dortigwemrf. 9 Wio ooron hoeft om te hooron, die hoore. 10 quot; En do discipelen, tot hom komende, zeidon tot hem: Waarom spreekt gij tot hen door gelij-kenissen? «Mark. 4:10. Luk. 8:9. 11 En hij, antwoordende, zeide tot hou : quot; Omdat hot u gegeven is, do verborgenheden van hot koningrijk dor hemelen te weten, maar h dien is het niet gegeven. «2 Cor. 3: 14. 6 Matt. 11 : 25, 12 quot; Want wie hooft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloodolijk hebben; maar wie niet hooft, van dien zal genomen worden, ook dat hij hooft. a Matt. 25:29. Mark. 4:24, 25. Luk. 8:18. 19:26. 13 Daarom spreek ik tot hou door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en hoorende niet hoo-ren, noch ook verstaan. 14 En in hen wordt do profetie van Jesaja vervuld, die zegt: quot; Met hot gehoor zult gij hooron, 54* MATTIIÃÃS 12, 13. |
MATTHÃÃS 13.
852
|
on geenszins verstaan; on ziende zult gij zien, en geenszins bemerken. n â les. (i: l). Mark. 4: 1-'. Luk. lt;S; 10. Joh. 12:40. Haml. 28 ; 2.0. Rom. 11 : S. 15 Want liet hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de ooren zwaarlijk gehoord, en hunne oogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eeniger tijd met de oogen zouden zien, en met de ooren hooren, en met het hart verstaan, en zich bekeeren, en Ik hen geneze. Ki quot;Doch uwe oogen zijn zalig, omdat zij zien, en uwe ooren, omdat zij hooren. «Luk. 10:23. Joh. 20:29. I Potr. 1:8. 17 Want voorwaar zeg ik u, quot;dat vele profeten en regtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen, die gij ziet, en hebben zc niet gezien; en te hooren de dingen, die gij hoort, en hebben ze niet gehoord. a 1 Petr. 1 ; 10. 18 quot; Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaijer. a Mark. 4: 1H. Luk. 8: 11. IS) Als iemand dat woord dos quot; koningrijks hoort, en niet verstaat, zoo komt do booze, en rukt weg hetgeen in zijn hart gezaaid was: doze is degene, die bij don weg bezaaid is. «Matt. 4:2)5. 20 Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die hot woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt; 21 Doch hij heeft geenen wortel in zich zeiven, maar is voor een' tijd; en als verdrukking of vervolging komt, om des woords wil, zoo wordt hij terstond geërgerd. 22 quot;En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het woord hoort; en de zorgvuldigheid dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms verstikt hot woord, en het wordt onvruchtbaar. a Matt. 10 : 28. Mark. 10 : 23. Luk. 18 : 24. 1 Tim. 0 ; 9. 23 Die nu in do goede aarde bezaaid is, deze is degene, die hot woord hoort en verstaat, dio ook vrucht draagt en voortbrengt, de een honderd-, de ander zestig-, en de ander Aevügvoud. 24 Eene andere gelijkenis heeft hij hun voorgesteld, zeggende: Hot koningrijk dor hemelen is gelijk aan een' mensch, die goed zaad zaaide in zij non akker. 25 En als do menschen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg. 26 Toen het nu tot kruid opgeschoten was, on vrucht voortbragt, toon openbaarde zich ook hot onkruid. 27 En de dienstknechten van don heer des huizes gingen en zeiden tot hem: Heero! hebt gij niet goed zaad in uwen akker gezaaid ? van waar heeft hij dan dit onkruid? 28 En hij zeide tot hen: Een vijandig mensch hoeft dat gedaan. En de dienstknechten zeidon tot hem: Wilt gij dan, dat wij heengaan en datzelve vergaderen ? 29 Maar hij zoido: Neen, opdat gij, hot onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve do tarwe niet uittrekt. |
30 Laat zo beiden te zamen opwassen tot don oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot do maaijors zoggen : Vergadert eerst dat onkruid, on bindt hot in busselen, om hetzelve to verbranden; quot; maar brengt do tarwe zamen in mijne schuur. a Matt. 3: 12. 31 Eene andore gelijkenis heeft hij hun voorgesteld, zeggende: quot;Het koningrijk der hemelen is gelijk aan hot mosterdzaad, hetwelk een mensch lieeft genomen on in zijnen akker gezaaid; a Mark. 4 : 30. Luk. 13 : 18. 32 Hetwelk wel hot minste is onder al de zaden, maar wanneer hot opgewassen is, dan is hol hot moeste van do moeskruiden, en het wordt eon boom, alzoo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijne takken. 33 Eene andere gelijkenis sprak hij tot hen, zeggende: quot; Hot koningrijk der hemelen is gelijk aan oenen zuurdoesem, welken eene vrouw nam en verborgde in drie maten moois, totdat liet geheel gezuurd was. «Luk. 13:20, 21. 34 quot; Al deze dingen hoeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak hij tot hen niet; « Mark. 4 : 33. 35 Opdat vervuld zoude worden, wat gesproken is door den profeet, zeggende: quot;Ik zal mijnen mond opendoen door gelijkenissen: ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging der wereld. « Ps. 78:2. 36 Toen nu Jezus do scharen van ziek gelaten had, ging hij naar huis. En zijne discipelen kwamen tot hem, zeggende: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid des akkers. 37 En hij, antwoordende, zeide tot hen: die het goede zaad zaait, is do Zoon des menschen; 38 En de akker is de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen des koningrijks; en het onkruid zijn de kinderen des boozen; 39 En de vijand, die hetzelve gezaaid hoeft, is do duivel; en quot; do oogst is de voleinding der wereld; en de maaijers zijn de engelen. a Joël 3 : 13. Openb. 14 :15. 40 Gelljkerwijs dan hot onkruid vergaderd, en met vuur verbrand wordt, alzoo zal het ook zijn in de voleinding dezer wereld. 41 Do Zoon des menschen zal zijne engelen uitzenden, en zij zullen uit zijn koningrijk vergaderen ui de ergenissen, en degenen, die de ongerogtigheid doen ; 42 En zullen dezelve in den vurigen oven werpen : quot; daar zal weening zijn en knorsing dor tandon. a Matt. 8:12. 22:13. 24:51. 25:30. Luk. 13:28. 43 quot;Dan zullen de regtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het koningrijk huns Vaders. Die ooren heeft om te hooren, die hoore. a Dan. 12:3. 1 Cor. 15:42. 44 Wederom is het koningrijk dor hemelen gelijk aan een' schat, in den akker verborgen, wolken een mensch gevonden hebbende, verborgde dien, en van blijdschap over denzelven, quot;gaat hij hoen |
|
on verkoopt ill wat hij heeft, en koopt dienzelven akker. a Filipp. li; 7. 45 Wederom is het koningrijk der hemelen gelijk aan een' koopman, die schoone paarlen zoekt; 46 Dewelke, hebbende eene paarl van groote waarde gevonden, ging heen en verkocht al wat hij had, en kocht dezelve. 47 Wederom is bet koningrijk der hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, on dat allerlei soorten van visschen zamenbrengt; 48 Hetwelk, wanneer het vol geworden is, lt;lc visschers aan den oever optrekken, en neder-zittendo, lezen hot goede uit in hunne vaten, maar bot kwade werpen zij weg. 49 Alzoo zal het in de voleinding der eeuwen wezen: de engelen zullen uitgaan, en de boozen uit hot midden der regtvaardigen afscheiden, 50 En zullen dezelve in den vurigen oven werpen: quot;daar zal zijn wooning en knersing der tandon. avers 42. 51 En Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot hem: Ja, Ileere! 52 En hij zoide tot hen: Daarom een iegelijk schriftgeleerde, in hot koningrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een' heer dos huizes, die uit zijnen schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. 53 quot; En hot, is geschied, als Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, vertrok hij van daar. a Mark. 0:1. Luk. 4 : 10. 54 En gekomen zijnde in zijn vaderland, leerde hij hen in hunne synagoge, zoodat zij zich ontzetten, on zeiden: quot; Van waar komt dezen die wijsheid en die krachten? a Mark. 0:2. 55 quot;Is deze niet de zoon des timmermans? en is zijne moeder niet genaamd Maria, en zijne broeders Jakobus on Josos, on Simon en Judas? a Joh. 0:42. 56 En zijno zusters, zijn zij niet allen bij ons? Van waar komt dan dozen dit alles? 57 En zij werden aan hom geërgerd. Maar Jezus zeide tot hen: quot;Een profeet is niet ongeëerd, dan in zijn vaderland, en in zijn huis. a Mark. 6: 4. Luk. 4:24. Joh. 4:44. 58 En hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan, van wego hun ongeloof. HOOFDSTUK 14. Het gevoelen van Heródes omtrent Christus, vs. I, Verhaal van do gevangenis en onthoofding van Johannes don Dooper, op verzoek van Heródias dochter, 8. Christus verzadigt in de woestijn over do vijf duizend menschen met vijf broodon on twee visschen, 13; komt tot zijno discipelen, die op zee in nood waren, en wandelt op het water, 22; en op zijn bevel ook Petrus, die bevreesd voor den wind, begint te zinken, maar behouden wordt door Christus, 28; die het on weder stilt, waardoor hij bekend wordt Gods Zoon te zijn, 32. Hij komt weder in het land van Gennósaret en geneest vele kranken, 34. TE quot; dicrzelver tijd hoorde Heródes, de viervorst, het gerucht van Jezus; a Mark. 0: 14. Luk. 9:7. |
853 2 En zeide tot zijne knechten: Deze is Johannes de Dooper; hij is opgewekt van de doorton, en daarom werken die krachten in hem. 3 quot; Want Heródes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in den kerker gezet, om Heródias wil, de huisvrouw van Filippus, zijnen broeder. «Mark. 0:17. Luk. 3:19. 4 Want Johannes zeide tot hem: quot; Het is u niet geoorloofd haar te hebben. «Lev. 18:10. 5 En willende hem dooden, vreesde hij het volk, quot;omdat zij hem hielden voor oen' profeet. n Matt. 21 : 20. 0 Maar als quot;de dag der geboorte van Heródes gehouden werd, danste de dochter van Heródias in het midden van hen; en zij behaagde aan Heródes. «Gen. 40:20. Mark. 0:21. 7 quot; Waarom hij haar met eede beloofde te geven, wat zij ook eiscben zou. a Rigt. II : 30. 8 En zij, te voren onderrigt zijnde van hare moeder, zeide: Geef mij hier in eenen schotel het hoofd van Johannes den Dooper. 9 En de koning werd bedroefd; doch om de eeden, en degenen, die met hem aanzaten, gebood bij, dat het haar zou gegeven worden; 10 En zond heen, en onthoofdde Johannes in den kerker. 11 En zijn hoofd werd gebragt in eenen schotel, en het dochtertje gegeven; en zij droeg het tot bare moeder. 12 En zijne discipelen kwamen, en namen het ligchaam weg, en begroeven hetzelve; en gingen en boodschapten het Jezus. 13 quot;En als Jezus dit boorde, vertrok hij van daar te scheep, naar eene woeste plaats alleen; en do scharen, dat hoorende, zijn hem te voet gevolgd uit de steden. a Matt. 12:15. Mark. 0:31. Luk. 9:10. 14 quot; En Jezus uitgaande, zag eene groote schare, en '' werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hunne kranken. a Joh. 0 : 5. I) Matt. 9 : 30. 15 quot;En als het nu avond werd, kwamen zijne discipelen tot hem, zeggende: Deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan; laat de scharen van u , opdat zij heengaan in de vlekken, en zich zeiven spijze koopen. a Mark. 0 Luk. 9 :12. 10 Maar Jezus zeide tot hen: Het is bun niet van noode heen te gaan; geeft gij hun te eten. 17 Doch zij zeiden tot hem: Wij hebben hier niet, dan vijf brooden en twee visschen. 18 En hij zeide: Brengt mij dezelve hier. 19 En hij beval de scharen neder te zitten op bet gras, en nam de vijf brooden en de twee visschen, en opwaarts ziende naar den hemel, quot;zegende dezelve; en als hij ze gebroken had, gaf hij de brooden den discipelen, en de discipelen aan de scharen. a\ Sam. 9:13. 20 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, hot overschot der brokken, twaalf volle korven. MATTHÃUS 13, 14. |
|
854 21 Die nu gegeton haddon, waren omtrent vijf duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen. 22 quot; En terstond dwong Jezus zijne discipelen in hot schip to gaan, en voor hem af te varen naar do andere zijde, terwijl hij de scharen van zich zou laten. quot; Mark. G : Aï). Joh. (irlT. 23 quot; En als hij nu do scharen van zich gelaten had, klom hij op den berg alleen, om te bidden. En als liet nu avond was geworden, zoo was hij daar alleen. ' «.Mark. (i; 4G. Joh. 6:15, 24 En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren : want de wind was hun tegen. 25 Maar ter vierde wake des nachts kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee. 26 En de discipelen, ziende hem op de zee wandelen , werden ontroerd, zeggende: Met is een spooksel! en zij schreeuwden van vreeze. 27 Maar terstond sprak hen Jezus aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, ik ben het, vreest niot. 28 En Petrus antwoordde hem, enzeide: Heere! indien gij liet zijt, zoo gebied mij tot u te komen op hot water. 29 En hij zoide: Kom. En Petrus klom neder van hot schip, en wandelde op hot water, om tot Jezus te komen. 30 Maar ziende don sterken wind, werd hij bevreesd , en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende; Heere, behoud mij! 31 En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hom: Gij kloinge-loovige! waarom hebt gij gewankeld ? 32 En als zij in hot schip geklommen waren, stilde do wind. 33 Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden hem, zeggende: Waarlijk gij zijt Gods Zoon! 34 En quot;overgevaren zijnde, kwamen zij in hot land Gennésaret. a Mark. (i: 53. 35 En als do mannon van die plaats hom worden kennende, zonden zij in dat gohoole omliggende land, on bragten tot hom allen, die kwalijk gestold waren; 36 En baden hem, dat zij alleenlijk don zoom zijns kleeds zouden mogen aanraken ; on zoo velen als hem aanraakten, werden gezond. HOOFDSTUK 15. Do discipelen van Christus, door do schriftgeleerden en farizoön beschuldigd zijnde, omdat zij met ongo-wasschen handen aten, worden door Christus verantwoord, die derzei ver geveinsdheid bestraft en de menschelijke inzettingen verwerpt, vs. 1. Leert dat hunne genomene ergernis niot is te achten, en wat het is, dat den mensch waarlijk ontreinigt, 10. Werpt den duivel uit de dochter eener kananosche vrouw, 22; en geneest allerlei gebrekkige menschen, 30. Verzadigt met zeven broodon en weinig vischjes vier duizend mannen, 32. TOEN quot; kwamen tot Jezus cenige schriftgeloor-don en farizeën, die van Jeruzalem maren, zeggende : a Mark. 7 : 1. |
2 Waarom overtreden uwe discipelen do inzettingen der ouden ? want zij wasschen hunne handen niot, wanneer zij brood zullen eten. 3 Maar hij, antwoordende, zoide tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods, door uwe inzetting? 4 quot; Want God hooft geboden, zeggende: Eert uwen vader on moeder; en: b Wie vader of moedor vloekt, die zal don dood sterven. a Ex. 20 : 12. üeut. 5 : 16. Etez. 6 : 2. b Ex. 21 ; 17. Lev. 20 : 0. Spr. 20 : 20. 5 Maar gij zegt: Zoo wio tot vader of moeder zal zoggon: Het is oene gave, zoo wat u van mij zou kunnen to nutte komen; en zijnen vader of zijne moeder geenszins zal eeren, die voldoet. 6 quot; En gij hebt atzoo Gods gebod krachteloos gemaakt door uwe inzetting. a Mark. 7 : 13. 1 Tim. 4: 3. 2 Tim. 3 : 2. 7 Gij govoinsdon! wol heeft Josaja van u geprofeteerd , zeggende: 8 quot; Dit volk genaakt Mij mot hunnen mond, en oort Mij mot do lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij; «Jcs. 29:13. Ezec. 33:31. Mark. 7:6. 9 Docli te vergeefs oeren zij Mij, loerende lee-ringen, die quot; geboden van menschen zijn. a Mark. 7 : 6, 7. Col. 2 :' 18, 20, 22. 10 quot; En als hij de schare tot zich geroepen had, zeide hij tot hen: Hoort en verstaat. aMark. 7:14. 11 quot;Hetgeen ton monde ingaat, ontreinigt don mensch niet; maar hetgeen ton monde uitgaat, dat ontreinigt don mensch. a Hand. 10:15. Kom. 14: 17, 20. Tit. 1: 15. 12 Toon kwamen zijne discipelen tot hem, on zeiden tot hem: Weet gij wel, dat do farizeën, doze redo hoorende, geërgerd zijn geweest? 13 Maar hij, antwoordende, zeido: quot;Alle plant, die mijn homelscho Vader niet geplant hoeft, zal uitgeroeid worden. a.loli. 15:2. 14 Laat hen varen, quot;zij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu do blinde den blinde leidt, zoo zullen zij beiden in do gracht vallen. a.les. 42 : 19. Luk. G : 39. 15 quot;En Petrus, antwoordende, zoide tot hem: Verklaar ons deze gelijkenis. «Mark. 7 : 17. 16 Maar Jezus zoide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende ? 17 Verstaat gij nog niet, dat al wat ton monde ingaat, in den buik komt, en in do heimelijkheid wordt uitgeworpen ? 18 Maar die dingen, die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart, on dezelve ontreinigen den mensch. 19 quot; Want uit liet hart komen voort booze bo-denkingen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valscho getuigenissen, lasteringen. «Gen. 6:5. 8:21. Spr. 6: 14. Jor. 17 :9. 20 Deze dingen zijn hot, die den mensch ontreinigen ; maar liet eten mot ongewasschen handen ontreinigt don mensch niet. 21 quot;En Jezus van daar gaande, vertrok naaide doelen van Tyrus on Sidon. a Mark. 7 : 24. MATTHEUS 14, 15. |
MATTHÃÃS 15, Ui.
Sr);quot;)
|
22 Eu ziet, oono kananésche vrouw, uit dio landpalen komende, riep tot hem, zeggende: Heere, gij Zone Davids , ontl'erm u mijner! mijne dochter is deerlijk van don duivel bezeten. 23 Doch hij antwoordde haar niet een woord. En zijne discipelen, tot hem komende, baden hem, zeggende: Laat haar van u, want zij roept ons na. 24 Maar hij, antwoordende, zeide: quot;Ik ben niet gezonden, dan tot de verlorene schapen van hot huis Israels. a Matt. 10 : 10. Hand. 13 : 40. 25 En zij kwam en aanbad hem, zeggende: Heere, help mij! 20 Doch hij antwoordde en zeide: liet is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen. 27 En zij zeide: Ja Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes, die er vallen van do tafel hunner hoeren. 28 Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En hare dochter werd gezond van diezolve ure. 29 quot;En Jezus, van daar vertrekkende, kwam aan de zee van Galiléa, en klom op den berg, en zat daar neder. «Mark. 7:31. 30 quot;En vele scharen zijn tot hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor do voeten van Jezus; en hij genas dezelve. « Jgs. 29: 18. 35:5. Matt. 11:5. Luk. 7:22. 31 Alzoo dat de scharen zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, do lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zij verheerlijkten don God Israels. 32 quot; En Jezus, zijne discipelen tot zich geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk niet ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij mij gebleven zijn, on hebben niet wat zij eten zouden; en ik wil hen niet nuchteren van mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken. a Mark. 8:1. 33 En zijne discipelen zeiden tot hem: Van waar zullen wij zoo vele brooden in de woestijn bekomen, dat wij zulk eene groote schare zouden verzadigen ? 34 En Jezus zeide tot hen: Hoe vele brooden hebt gij? Zij zeiden: Zeven, en weinige vischjes. 35 En hij gebood de scharen neder te zitten op de aarde. 30 En hij nam de zeven brooden en de visschen, en als hij quot;gedankt had, brak hij zo, en gaf ze zijnen discipelen; on de discipelen (javen ze aan de schare. a I Sam. 9 : 13. 37 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, zeven volle manden. 38 En die daar gegeten hadden, waren vier duizend mannen, zonder do vrouwen en kinderen. |
39 En de scharen van zich gelaten hebbende, ging hij in het schip, en kwam in do landpalen van Magdala. HOOFDSTUK 16. Do fai'izoöti on sadduceën oischon oen toeken, maar worden door Christus bestraft en op liet toeken van Jona gewezen, vs. 1. Christus waarschuwt zijne discipolon voor derzelver zuurdeesem, ~i. Verscheiden «rovoolon van hot volk omtrent Christus, 13. Petrus belijdenis van Christus, die hem prijst, on belooft hem do sleutels van het hemelrijk, 1quot;). Do Heere voorzegt zijnen dood en opstanding en verwerpt do vorkoordo afrading van Petrus, '21 ; hoo men Christus moet navolgen en do ziel bewaren, 24. Van do toekomst van Christus in zijne heerlijkheid. En quot; do farizoën en sadduceën tot hom gekomen zijnde, en l/e/n verzoekende, begeerden van hem, dat hij hun een toeken uit don hemel zou toonen. a Matt. 12:38. Mark. 8:11. Luk. 11 ;29. 12:54 Joh. 0:3U. 2 Maar hij antwoordde, en zeide tot hen: quot;Als het avond geworden is, zegt gij: Schoon weder, want de hemel is rood. a Lak. 12:54. 3 Eu des morgens: Heden onweder, want de hemel is droevig rood. Gij geveinsden! het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden , eu kunt gij de teekenen der tijden niet onderscheiden ? 4 quot; Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teeken; en hun zal geen toeken gegeven worden, dan het teeken van ''Jonas, den profeet. Eu hen verlatende, ging hij weg. « Matt. 12:39. Luk. 11:29. 6 Jona 1 : 17. 5 Eu als zijne discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten brooden mede te nemen. 0 quot; En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van don zuurdeesem der farizoën en sadduceën. a Mark. 8 : 15. Luk. 12 : 1. 7 En zij overlegden bij zich zelvon, zeggende: Het is omdat wij geene brooden met/egenonien hebben. 8 En Jezus, dat wetende, zeide tot hen: Wat overlegt gij bij u zeiven, gij kleingeloovigen! dat gij goeno brooden met/egenomen hebt? 9 quot;Verstaat gij nog niet? en gedenkt gij niet aan de vijf brooden der vijf duizend mannen; en hoevele korven gij opnaamt? a Matt. 14: 17. Mark. 0:38. Luk. 9: 13. Joh. 0:9. 11) quot; Noch aan de zeven brooden der vier duizend mannen, en hoevele manden gij opnaamt ? a Matt. 15:34. 11 Hoe verstaat gij niet, dat ik u van geen brood gesproken heb, als ik zeide, dat gij u wachten zoudt van den zuurdeesem der farizoën en sadduceën ? 12 Toen verstonden zij, dat hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van den zuurdeesem des broods, maar van do loer der farizeën on sadduceën. 13 quot; Als nu Jezus gekomen was in do doelen van Cesaréa Filippi, vraagde hij zijnen discipelen. |
|
856 zeggende; Wie zeggen de menschen, dat ik, de Zoon des menschen, bon ? a Mark. 8 : 27. Luk. !l: 18. 14 En zij zeiden: quot; Sommigen: Johannes de Dooper; en anderen: Elias; en anderen: Jeremia, of een van de profeten. a Mali. 14:2. 15 Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat ik ben? 16 quot; En Simon Petrus, antwoordende, zeide: (!ij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. a Joh. (i: (J!). 17 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem : Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vleesch en bloed beeft u dcü niet geopenbaard, quot; maar mijn Vader, die in de hemelen is. a Matt. 11 ; 25. 18 quot;En ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op '' deze petra zal ik mijne gemeente bouwen, en de c poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen. aPs. 118:22. Joh. 1 : 41!. 6 Jes. 28: 16. 1 Car. li: 11. o Jes. : 20. 1!) quot; En ik zal u geven de sleutelen van het koningrijk der hemelen; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in do hemelen gebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in do hemelen ontbonden zijn. a Matt. 18 : 18. Joh. 20 : 22. 20 Toen verbood hij zijnen discipelen, dat zij iemand zoggen zouden, dat hij was Jezus, de Christus. 21 quot; Van toen aan begon Jezus zijnen discipelen te vortoonen, dat bij moest heengaan naar .Jeruzalem , en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en schriftgeleerden, en gedood worden, on ton derden dage opgewekt worden. a Matt. 17:22. 20:18. Mark. 8:31. 9::U. 10:33. Luk. 9:22. 18:31. 24:7. 22 En Petrus, hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen, zeggende: lloore, wees u genadig! dit zal u geenszins geschieden. 23 Maar hij, zich omkeerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter mij, Satanas! quot;gij zijt mij een aanstoot: want gij verzint niet do dingen, die Gods zijn, maar die dor monschon zijn. a 2 Sara. 19:22. 24 Toon zeide Jezus tot zijne discipelen: quot; Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich zeiven, on neme zijn kruis op, en volge mij. a Matt. 10:38. Mark. 8:34. Luk. 9:23. 14:27. 25 quot; Want zoo wie zijn leven zal willen behouden , die zal hetzelve verliezen; maar zoo wie zijn leven verliezen zal, om mijnentwil, die zal hetzelve vinden. a Matt. 10:39. Mark. 8:35. Luk. 9:24. 17:33. Joh. 12:25. 26 quot;Want wat baat hot een' mensch, zoo hij do gobeelo wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of ''wat zal een mensch geven, tot lossing van zijne ziel? «Luk. 9:25. M's. 49:9. Mark. 8:37. 27 quot; Want do Zoon dos menschen zal komen in do ''heerlijkheid zijns Vaders, mot zijne engelen. |
on '' alsdan zal hij oen' iegelijk vergelden naar zijn doen. a Matt. 24: HU. 25:31. 26:64. b Matt. 25:31. cJob 34: 11. Ps. 62: 13. Hom. '2:6. 28 quot; Voorwaar zog ik u: er zijn sommigen van die hier staan, dewelke don dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon dos menschen zullen hebben zion komen in zijn koningrijk. a Mark. 9 : 1. Luk. 9 : 27. HOOFDSTUK 17. Christus wordt in de tegenwoordigheid van Mozes on Elias voor zijne discipelen op den berg verheerlijkt, vs. 1: en uit den hemel verklaard te zijn de Zoon van God, 5. Hij leert, dat Johannes de Elias is, die komen zou, 10; geneest eenen bezeten maanzieke, dien de discipelen niet hadden kunnen genezen, 14; verhaalt de kracht des geloofs en van liet gebed, 20. Voorzegt zijnen dood en opstanding, 22; betaalt schatting voor zich on voor Petrus, 24. EN quot; na zes dagen nam Jezus met zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijnen broeder, en bragt hen op eenon hoogen berg alleen. a Mark. 9 : 2. Luk. !) : 28. 2 Petr. 1:17. 2 En hij werd voor hen veranderd van gedaante ; en zijn aangezigt blonk gelijk do zon, en zijne kleederen werden wit, gelijk hot licht. 3 En ziet, van hen worden gezien Mozes on Elias, met hem zamensprokondo. 4 En Petrus, antwoordende, zeide tot Jezus: Heere! hot is goed, dat wij hier zijn; zoo gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor ii eenen, en voor Mozes oenen, en eenen voor Elias. 5 Terwijl hij nog sprak, ziet, eene luchtige wolk heeft bon overschaduwd; en ziet, eene stom uit do wolk, zeggende: quot; Deze is mijn geliefde Zoon, in denwolken Ik mijn welbehagen heb; ''hoort hem! a Jes. 42:1. Matt. 3:17. Mark. 1:11.9:7. Luk. 3:22. 9:35. Col. 1:13. 2 Petr. 1 :17. h üout. 18:19. Hand. 3:22. G En de discipelen, (Ut hoorende, violen op hun aangezigt, en worden zoor bevreesd. 7 En Jezus, bij hen komende, raakte hen aan, en zeide: Staat op en vreest niet. 8 En hunne oogen opheffende, zagen zij niemand, dan Jezus alleen. 9 quot; En als zij van den berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt niemand dit gezigt, totdat do Zoon des menschen zal opgestaan zijn uit de doodon. «Mark. 9:9. Luk. 9:36. 10 quot; En zijne discipelen vraagden hem, zeggende : Wat zeggen dan de schriftgeloordon, dat '' Elias eerst moet komen ? a Mark. 9:11. h Mal. 4 : 5. Matt. 11 : 14. Mark. 9:11. 11 Doch Jezus, antwoordende, zeide tot ben: Elias zal wel eerst komen, en alles weder oprigten. 12 Maar ik zeg u, dat Elias nu gekomen is, en zij hebben hom niet gekend; doch zij hebben aan hem gedaan al wat zij hebben gewild; alzoo zal ook de Zoon dos menschen van hen lijden. 13 Toen verstonden de discipelen, dat hij hun van Johannes don Dooper gesproken had. 14 quot; En als zij bij de schare gekomen waren, MATTHÃUS 16, 17. |
MATTHÃÃS 17, 18.
857
|
kwam tot hem eon mensch, vallende voor hem op do knieën, en zeggende: o Mark. !): 1G. Luk. 9:37. 15 Heere! ontferm u over mijnen zoon, want hij is maanziek, en is in zwaar lijden: want menigmaal valt hij in hot vuur, en menigmaal in hot water. 16 En ik heb hem tot uwe discipelen gebragt, en zij hebben hom niet kunnen genezen. 17 En Jezus, antwoordende, zeido: O ongeloovig en verkeerd geslacht! hoe lang zal ik nog met ulieden zijn? hoe lang zal ik u nog verdragen? Brengt hom mij hier. 18 En Jezus bestrafte hem, en do duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af. 19 quot; Toon kwamen de discipelen tot Jezus alleen, en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen ? a Mark. 9 ; 28. 20 En Jezus zeide tot hen: Om uws ongeloofs wil; quot; want voorwaar zeg ik u: zoo gij een geloof luidt als een mostaardzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ga heen van hier derwaarts! en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn. a Matt. 21:21. Luk. 17:6. 21 Maar dit geslacht vaart niet uit, dan door bidden en vasten. 22 quot;En als zij in Galiléa verkeerden, zeide Jezus tot hen: De Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der menschen; a Matt. 16:21. 20 : 18. Mark. 8:31.0:31.10 : 33. Luk. 9 : 22, 44. 18 : 31. 23 En zij zullen hem dooden, en ton derden dage zal hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd. 24 En als zij te Kapernaiun ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt hij de didrachmen niet? 25 Hij zeide: quot;Ja. En toen hij in luns gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u , Simon! de koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting? van hunne zonen, of van do vreemden? ft Matt. 22:21. Kom. 13:7. 26 Petrus zeide tot hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hom: Zoo zijn dan do zonen vrij. 27 Maar opdat wij hun geenen aanstoot geven, ga heen naar de zee, werp don angel uü, enden oorsten visch, dio opkomt, neem, en zijnen mond geopend bobbende , zult gij oenen stater vinden; neem dien, on geef hem aan hen voor mij en u. HOOFDSTUK 18. Ohristus leert, door het voorbeeld van een kindeken, wie de meeste is in het rijk der hemelen, vs. 1; welke straffen zij waardig zijn, die ergernis geven, 6; hoe naauw men zicli moot wachten van de kleinen te ergeren, voor welke zelfs do engelen zorgen, 8; en Christus gekomen is, om hen zalig Ie maken, gelijk iiij verklaart door de gelijkenis van een verloren schaap, 11. Hoe men zal handelen met eenon broeder, die tegen ons heeft gezondigd, en wat in deze het ambt en de magt der gemeente is, 15. |
Hoe krachtig hol gemeenschappelijk gebed dor go-loovigen is, 19. Dat men altijd innet bereid zijn to vergeven, hetwelk wordt verklaard door de gelijkenis van oenen koning, dio mot zijne knechten rekenschap houdt, 21. TE quot; dierzelver ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch do moeste in het koningrijk dor hemelen? a Mark. 9:34. Lak. 9:46. 22:24. 2 En Jezus een kindekon tot zich geroepen heb-bende, stelde dat in het midden van hen, 3 En zeide: Voorwaar zeg ik u: quot;indien gij u niet verandert, en wordt gelijk do kinderkous, zoo zult gij in het koningrijk dor hemelen geenszins ingaan, a Matt. 19 : 14. 1 Cor. 14 : 20. 1 Petr. 2 : 2. 4 quot; Zoo wie dan zich zelvon zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de moeste in het koningrijk der hemelen. n 1 Petr. 5:6. 5 quot; En zoo wie zoodanig oen kindeken ontvangt in mijnen naam, dio ontvangt mij. a Mark. 9:37. Luk. 9:48. Joh. 13:20. 6 quot;Maar zoo wie een' van deze kleinen, die in mij golooven, ergert, hot ware hem nutter, dat een molensteen aan zijnen hals gehangen, on dat hij verzonken ware in de diepte der zee. n Mark. 9 : 42. Luk. 17 : 2. 7 Wee der wereld van de ergernissen! quot;want hot is noodzakelijk dat de ergernissen komen; '' doch wee dien mensch , door wolken do ergernis komt! a 1 Cor. 11 :19. iMatt. 26:24. Hand. 2:23. 4:27,28. 8 quot;Indien dan uwe hand of uw voet u ergert, houwt zo af en werpt ze van u. Hot is u beter, tot hot leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden. « Dout. 13:6. Matt. 5:29, 30. Mark. 9:43. 9 En indien uw oog u ergert, trekt hot uit, en werpt het van u. Ilct is u beter, maar een oog hebbende, tot hot loven in to gaan, dan twee oogen hebbende, in hot holscho vuur geworpen te worden. 10 Ziet toe, dat gij niet oen' van deze kleinen veracht: Want ik zeg ulieden, quot; dat hunne engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezigt mijns Vaders, die in de hemelen is. a Ps 34:8. 11 quot; Want do Zoon des menschen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was. aLuk. 19:10. 12 quot; Wat dunkt u ? indien oenig mensch honderd schapen had, en een uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet do negen en negentig laten, on op de bergen heengaande, het afgedwaalde zooken? aLuk. 15:3. 13 En indien hot geschiedt, dat hij hotzolvo vindt, voorwaar zog ik u, dat hij zich moer verblijdt over hetzelve, dan over do negen on negentig, dio niet afgedwaald zijn geweest. 14 Alzoo is do wil niet uws Vaders, die in de hemelen is, dat oen van deze kleinen verloren ga. 15 quot; Maar indien uw broeder togen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hom tusschen u en hom |
MATTHÃÃS 18, 19.
858
|
alleen; indien iüj u hoort, zoo hebt gij uwen broeder gewonnen. a Lov. 19: 17. Spr. 17 : 10. Luk. 17 ; Jakob. 5: 1!). 16 Maar indien hij u niet hoort, zoo neem nog een of twee met u; quot; opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta, a Num. .'55 :30. Deut. 17:0. 19:15. Joh. 8:17. 2 Gor. 13:1. Hebi'.10:2S. 17 En indien bij denzelven geen gehoor geeft, quot;zoo zegt bet der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, ''zoo zij bij n als de Heiden en de tollenaar. a '2 Thess. 3 :14. h 1 Cor. 5 : 9. '2 Thess. 3 : 14. 18 quot; Voorwaar zeg ik u: al wat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen. a Matt. 16: 19. Joh. 20:23. 19 Wederom zeg ik u: indien er twee van u zamenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader, die in do hemelen is. 20 quot; Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben ik in bet midden van ben. n Luk. 24 : 15, 36. 21 Toen kwam Petrus tot hom, enzeide: Heere! boe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven? quot;tot zevenmaal? a Luk. 17 : 4. 22 Jezus zeide tot hem: Ik zeg u niet, tot zevenmaal , maar quot; tot zeventigmaal zevenmaal. a Matt. 6 : 14. Mark. 11 : 25. Col. 3 : 18. 23 Daarom wordt het koningrijk der hemelen vergeleken bij een' zeker koning, die rekening met zijne dienstknechten houden wilde. 24 Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebragt een, die bom schuldig was tien duizend talenten. 25 quot; En als hij niot had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkoopen, en zijne vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden. a Matt. 5:25. 26 Do dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heere! wees langmoedig over mij, en ik zal u alles betalen. 27 En de lieer van dezen dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, beeft hom ontslagen, on do schuld hom kwijtgescholden. 28 Maar dezelve dienstknecht, uitgaande, beeft gevonden een' zijner mododienstknechton, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij do keel, zeggende: Dotaal mij, wat gij schuldig zijt. 29 Zijn mededienstknocht dan, nedervallende aan zijne voeten, bad hem, zeggende: Wees langmoedig over mij, en ik zal u alles betalen. 30 Doch hij wilde niet; maar ging hoon, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben. 31 Als nu zijne mododienstknechton zagen hetgeen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden ; en komende, verklaarden zij hunnen hoer al wat er geschied was. |
32 Toen heeft hem zijn heer tot zicli geroepen, en zeide tot hem: Gij booze dienstknecht! al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gebeden hebt; 3S Bohoordot gij ook niet u over uwen mede-dienstkuecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb ? 34 En zijn hoor, vertoornd zijnde, leverde hem den pijners over, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was, 35 quot; Alzoo zal ook mijn homolscho Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijnon broeder zijne misdaden. a Matt. 0:14. Mark. 11 : 26. Jakob. 2 : 13. HOOFDSTUK 19. Christus geneest vele zieken, vs. 1. Beantwoordt de vraag van den scheldbrief, 3; leert dat de getrouwden niet mogen scheiden dan om hoererij, 9; en dat de gave der onthouding niet allen wordt gegeven , 11. Beveelt de kinderen tot hem te laten komen en zegent ze, 13. Antwoordt oenen jongeling op zijne vraag, wat hij moet doen, om het eeuwige leven te verkrijgen, 10. Leert hoe bezwaarlijk de rijken in het koningrijk der hemelen komen, 23; welke vergelding zij zullen ontvangen, die hot hunne om Christus wil verlaten, 27. EN quot;het geschiedde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat hij vertrok van Galiléa, en kwam over do Jordaan, in do landpalen van Judéa. a Mark. 10 : 1. 2 En vele scharen volgden hem, en hij genas ze aldaar. 3 quot; En do farizoën kwamen tot hem, verzoekende hom, en zeggende tot hem: Is het een' mensch geoorloofd zijne vrouw te verlaten, om allerlei oorzaak? a Mark. 10:2. 4 Doch hij, antwoordende, zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, die quot; van den beginne da mensahen gemaakt heeft, dat Ilij zo gemaakt heeft man en vrouw? a Gen. 1:27. 5 quot; En gezegd beeft: Daarom zal een mensch vader en moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen, en ''die twee zullen tot een vleescb zijn; aGen. 2:24. Efe/.. 5:31. 6 1 Cor. 0:10. 6 Alzoo dat zij niot meer twee zijn, maar een vloosch. quot; Hetgeen dan God zamongevoegd heeft, schelde de mensch niet. a 1 Cor. 7 : 10. 7 Zij zeiden tot hem: quot; Waarom hooft dan Mozes geboden oenen schoidbrief to geven, en haar to verlaten ? a Deut. 24: 1. Jer. 3 : 1. 8 Hij zeide tot hen: Mozes heeft van woge do hardigheid uwer harten u toegelaten uwe vrouwen te verlaten; maar van den beginne is bet alzoo niet geweest. 9 quot;Maar ik zeg u, dat zoo wie zijne vrouw verlaat , anders dan om hoererij, en oono andere trouwt, die doet overspel, on die de verlatene trouwt, doet ook overspel. a Matt. 5 : 32. Mark. 10 : 11. Luk. 10 : 18. 1 Cor. 7 : 10. |
MATTHÃÃS li), 20.
85!)
|
10 Zijne discipelen zeiden tot hom: Indien de zaak des monsehen met de vrouw alzoo staat, zoo is het niet oorbaar te trouwen. 11 Doch hij zeido tot hen: quot;Allen vatten dit woord niet, maar dien hot gegeven is. a 1 Cor. 7:7, 17. 12 Want er zijn gesnedonon, die uit moeders ligchaam alzoo geboren zijn; en or zijn gesnedonon, die van do menschon gesneden zijn; on or zijn gesnedonon, die zich zeiven gesneden hebben, om het koningrijk der hemelen. Die dit vatton kan, vatte het. 13 quot;Toen werden kinderkous tot hem gebragt, opdat hij do handen hun zou opleggen, en bidden; en de discipelen bestraften dezelve. a Mark. 10 : 13. Luk. 18 : 15. 14 Maar Jezus zeido: quot;Laat ai' van do kinderkous, en verhindert hen niet tot mij to komen : want derzulken is hot koningrijk der hemelen. a Matt. 18 : 3. 1 Cor. 14 : 20. I Potr. 2 : 2. 15 En als hij hun de bandon opgelegd had, vertrok hij van daar. Ki quot; En ziet, er kwam een tot hom, en zeido tot hem: Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige loven hobbe ? a Mark, 10:17. Luk. 18:18. 17 En hij zeido tot hem: Wat noemt gij mij goed? niemand is goed dan een, namelijk God. Doch wilt gij in hot loven ingaan, onderhoud do geboden. 18 Hij zoide tot hem: Welke ? En Jezus zeido: Deze: quot; Gij zult niet doo-den; gij zult geen overspel doon; gij zult niet stelen; gij zult geene valscho getuigenis geven; «Ex. 20:12. Deut. 5:17. Kom. 13:9. 1!) Eer uwen vader en moedor; on: quot;Gij zult uwen naaste liefhebben, als u zolvon. «Lev. 19:17. Matt. 22 : 39. Mark. 12 : 31. Gal. 5 : 14. Jakob. 2 : 8. 20 Do jongeling zeido tot hem: A1 doze dingen heb ik onderhouden van mijne jongheid af; wat ontbreekt mij nog? 21 Jezus zeido tot hem: Zoo gij wilt volmaakt zijn, quot;ga hoon, verkoop wat gij iiebt, b en geef hot don armen, on gij zult eonon schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg mij. a Luk. 12:33. 10:9. ft Matt, 0:19. 1 Tim. 6:19. 22 Als nu do jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg: want hij had vole goederen. |
23 En Jezus zeido tot zijne discipelen: Voorwaar ik zog u, quot; dat een rijke bezwaarlijk in hot koningrijk dor hemelen zal ingaan. a Spr. 11:28. Mark. 10:23. Luk. 18:24. 24 En wederom zeg ik u: het is ligtor, dat oen kemel ga door het oog van eeno naald, dan dat een rijke inga in het koningrijk Gods. 25 Zijne discipelen nu, dit hoorondo, werden zoor verslagen, zeggende: Wie kan dan zalig worden? 26 En Jezus, hen aanziende, zoide tot hen: lüj do menschon is dat onmogelijk, quot; maar bij God zijn allo dingen mogelijk. a Job 42 : 2. Jer. 32 : 17. Zacii. 8: 0. Luk. 1 : 37. 18 : 27. 27 quot;Toen antwoordde Petrus, en zeido tot hom: Zie, wij hebben alles verlaten , en zijn u gevolgd: wat zal ons dan geworden ? a Matt. 4:20. Mark. 10:28. Luk. 5: 11. 18 : 28. 28 En Jezus zoide tot hen: Voorwaar ik zeg u, dat gij, die mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des menschon zal gezeten zijn op den troon zijnor heerlijkheid, quot; dat gij ook zult zitten op twaalf troonon, oordoolende do twaalf geslachten Israels. a Luk. 22 : 30. 29 quot; En zoo wie zal verlaten hebben, huizen, of broeders, of zustors, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om mijns naams wil, ''die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven. aDout.33:!). 6 Job 42:12. 30 quot; Maar volo eersten zullen do laatston zijn, en vele laatston de eersten. a Mark. 10:31. Luk. 13:30. HOOFDSTUK 20. Door do gelijkenis van arbeiders op versohillondo uren gehuurd on in don wijngaard gezonden, en dos avonds gelijk loon ontvangende, leert Christus, hoc hij namaals zal beloonen degenen, dio hem gediend hebben, vs. 1. Voorzegt wederom zijn lijden, dood en opstanding, 17. Antwoordt de moeder der zonen van Zebedéüs op haar verzoek, 20; en vermaant zijne discipelen, zich to wachten voor eergierigheid en wereldsche heerschappij, 24. Maakt nabij Jericho twee blinden ziende, 29. WANT hot koningrijk dor hemelen is gelijk een' heer dos huizes, die met don morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijnon wijngaard. 2 En als hij met do arbeiders eens geworden was, voor oenen ponning des daags, zond hij hen hoon in zijnon wijngaard. |
MATTHÃÃS 20, 21.
|
:i En uitgegaan zijnde omtrent do derde ure, zag hij anderen, ledig staande op do markt. 4 En hij zoido tot dezelve: Gaat gij ook heen in den wijngaard, en zoo wat regt is zal ik u geven. En zij gingen. 5 Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en negende ure, deed hij desgelijks. 6 En uitgegaan zijnde omtrent do elfde ure, vond hij anderen ledig staande, en zeide tot hen: Wat staat gij hier den goheelen dag ledig? 7 Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij hoen in den wijngaard, en zoo wat regt is zult gij ontvangen. S Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards tot zijnen rentmeester: Roept de arbeiders, en geef hun den loon, beginnende van de laatsten tot de eersten. 9 En als zij kwamen, die tor elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder oenen penning. 10 En de eersten komende, meenden, dat zij meer ontvangen zouden; en zij zeiven ontvingen ook eenen penning. 11 En dien ontvangen hebbende, murmureerden zij tegen den heer des huizes, 12 Zeggende: Deze laatsten hebben maar een uur gearbeid, en gij hebt ze ons gelijk gemaakt, die den last dos daags on do hitte gedragen hebben. 13 Doch hij, antwoordende, zeide tot eenen van hen: Vriend! ik doe u geen onregt; zijt gij niet mot mij eens geworden voor eenen penning? 14 Neem het uwe en ga heen. Ik wil dezen laatsten ook geven, gelijk als u. 15 quot;Of is hot mij niet geoorloofd, to doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben? aRoin. 9:21. Ui quot; Alzoo zullen du laatsten do eersten zijn, en de oorsten de laatsten: ''want velen zijn geroepen , maar weinigen uitverkoren. a .Matt. 10: lit I. Mark. 1U:31. Lnk. 13:30. iMatt. 22:14. 17 quot;En Jezus, opgaande naar Jeruzalem, nam tot zich de twaalf discipelen alleen ftp don weg, on zoido tot hen: a Mark. lu:ii2. Luk. 18:31. 24:7. 18 Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en do Zoon des monschon zal den overpriestoren en schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen hom ter dood veroordeolon; 19 quot; En zij zullen hem don Heidenen overleveren, om hem to bespotten en te geoselen, en te kruisigen; en ten derden dage zal hij wederopstaan. a Matt. 27 : 2. Luk. 23 : 1. Joh. 18 :28, 31. Hand. :!: 13. 20 quot; Toon kwam de moedor der zonen van Zebedeüs tot hom met hare zonen, hem aanbiddende, en begoerende wat van hom. «Mark. 10:35. 21 En hij zeide tot haar: Wat wilt gij? Zij zoido tot hem: Zeg, dat dozo mijne twee zonen zitten mogen, do eon tot uwe rogter-, en de ander tot uwe linker//,o«r/ in uw koningrijk. |
22 Maar Jezus antwoordde en zeide: quot;Gijlieden weet niet, wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken, dien ik drinken zal, en met don doop gedoopt worden, ''waarmede ik gedoopt worde? Zij zeiden tot hem: Wij kunnen. aRoitt. 8:26. 6 Luk. 12:50. 23 En hij zeide tot hen : Mijnen drinkbeker zult gij wel drinken, ou mot den doop, waarmede ik gedoopt worde, zult gij gedoopt worden; maar hot zitten tot mijne rogter-, on tot mijne linker/wm/, staat bij mij niet te geven; maar het zal gegeven worden dien het bereid is quot; van mijnen Vader. a Matt. 25 : 34. , 24 En als do andere tien dat hoorden, namen zij het zoor kwalijk van do twee broeders. 25 En als hen Jezus tot zich geroepen had, zeide hij: quot; (ïij weet, dat de oversten dor volken heerschappij voeren over hen, en do grooton gebruiken magt over hen. «Mark. 10:42. Luk. 22:25. 2(i quot;Doch alzoo zal hot onder u niet zijn; maar zoo wio onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar ; a 1 Petr. 5 : 3. 27 quot; En zoo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht. a Matt. 23 : 11. Mark. 9 : 25. 10 : 43. 28 quot; (lelijk do Zoon dos monschon niet is gekomen om gediend te worden, maar om to dienen, en '' zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen. ftLitk. 22:27. Joh. 13:14. Filipp. 2:7. I) Efez. 1:7. 1 Tim. 2: G. I Petr. 1 : 19. 29 quot; En als zij van Jericho uitgingen, is hom eene groote schare gevolgd. «Mark. 10:46. Luk. 18:35. 30 En ziet, twee blinden, zittende aan den weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Hoore, gij Zone Davids! ontferm u onzer. 31 En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm u onzer, Heere, gij Zone Davids! 32 En Jezus, stil staande, riep hen en zoido: Wat wilt gij, dat ik u doe ? 33 Zij zeiden tot hom: Heere! dat onze oogon geopend worden. 34 En Jezus, innerlijk bewogen zijnde niet barmhartigheid, raakte hunne oogon aan; en terstond worden hunne oogen ziende, en zij volgden hem. HOOFDSTUK 21. Christus doet y.ijnen intogt binnen Jerftzalcm, zittende op eenen ozol, vs. 1, Drijft do verkoopers en keepers uit den tempel, 12; en geneest aldaar blinden en kreupelen, 14. Verantwoordt het roepen der kinderen togen de afgunst dor overpriestoren, 15. Vervloekt oenen vijgoboom, welke daarop terstond verdort, 19. Wijst aan de kracht des geloofs, 21. beantwoordt do vraag der ovorpriesters en oversten van hot volk, door wolko inagt hij zulks dood, mot eene wedervraag van den doop van Johannes, 23. Overtuigt hen van iiuiuie ongehoorzaamheid met eene gelijkenis van twee zonen, 28; en dreigt hunnen ondergang door eene andere gelijkenis van ecu' heer eens wijngaards, wiens knechten en zoon door de landlieden werden inishandeld on gedood, .'ili. |
|
EN quot; als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Beth-fagé, aan den Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen: a Mark. 11:1. Luk. 2 Gaat heen in het vlek, dat tegen u over ligt, en gij zult terstond eeno ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot mij. Ji En indien u iemand iets zegt, zoo zult gij zeggen, dat de Heere deze van noode heeft, en hij zal ze terstond zenden. 4 Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde hetgeen gesproken is door den profeet, zeggende: 5 quot; Zegt der dochter Zions: Zie, uw Koning komt tot u , zachtmoedig en gezeten op eene ezelin en een veulen, zijnde een jong eener jukdragende ezelin. « Jos. G2 : 11. Zaoh. !): 0. Joh. 12: 15. 6 En de discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende, gelijk Jezus hun bevolen had, 7 Bragten do ezelin en liet veulen, quot; en leiden hunne kleedoren op dezelve, en ''zetten hem daarop. «2 Kon. 9: 1.'!. ft Joh. 12: 14. 8 En de meeste schare spreidden hunne kleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de boomen, en spreidden ze op den weg. !) En de scharen , die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna den Zone Davids! quot;Gezegend is hij, die komt in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen! a Ps. 118:25, 20. 10 En als hij te Jeruzalem inkwam, werd de geheele stad beroerd, zeggende: Wie is deze? 11 En de scharen zeiden: Deze is Jezus, de Profeet van Nazareth in Galiléa. 12 quot;En Jezus ging in den tempel Gods, en droef uit allen, die verkochten en kochten in den tempel, en keerde om de tafelen der wisselaars, en do zitstoelen dergenen , die do duiven verkochten. a Deut. I I : 20. Mark. 11 : 15. Luk. 19:45. Joh. 2 : 14. 13 En hij zeide tot hen: Er is geschreven: quot; Mijn huis zal oen huis dos gebeds genaamd worden; maar gij hebt dat tot eenen moorde-naarskuil gemaakt. al Kon. 8:29. .les. 56:7. .Ier. 7:11. buk. 19: 4(i. 14 En er kwamen blinden en kreupelen tot hem in den tempel, en hij genas dezelve. 15 quot; Als nu de overpriesters en schriftgeleerden zagen de wonderheden, die hij deed, en de kinderen, roepende in den tempel, en zeggende: Hosanna don Zone Davids! namen zij dat zeer kwalijk ; a Mark. 11 : 27. Ki En zeiden tot hem: Hoort gij wel, wat deze zeggen? En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen : quot; Uit den mond der jonge kinderen en der zogelingen hebt (!ij U lof toebereid? a Ps. 8 : :i. 17 En hen verlatende, ging hij van daar uit de stad, naar Bethanië, en overnachtte aldaar. 18 quot;En des morgens vroeg, als hij wederkeerde naar de stad, hongerde hem. a Mark. 11 : 12, 20. |
861 19 En ziende oenen vijgeboom aan don weg, ging hij naar hem toe, en vond niets aan don-zolven , dan alleenlijk bladeren; en zeide tot hem: Uit u worde goono vrucht meer in der eeuwigheid ! En de vijgeboom verdorde terstond. 20 En do discipelen, dat ziende, verwonderden zich, zeggende: Hoe is de vijgeboom zoo terstond verdord ? 21 Doch Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Voorwaar zeg ik u: quot;indien gij geloof hadt, en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleenlijk doen hetgeen den vijgeboom is yeschied; maar indien gij ook tot dozen berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen! het zou geschieden. a Mutt. 17 : 20. Luk. 17 : G. 22 quot;En al wat gij zult begeeren in het gebed, geloovende, zult gij ontvangen. aMatt. 7:7. Mark. 11:24. Luk. 11:9. Joh. 14:11), 1(1:21. Jakob. 1:5 1 Joh. : 22. 23 quot; En als hij in den tempel gekomen was, kwamen tot hem, terwijl hij leerde, do over-priesters en de ouderlingen dos volks, zeggende: ''Door wat magt doet gij deze dingen? en wie heeft u deze magt gegeven? a Mark. 11:27. Luk.20:1. öEx.2:14. Hand. 4:7. 7:27. 24 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, hetwelk, indien gij mij zult zeggen, zoo zal ik u ook zeggen, door wat magt ik deze dingen doe. 25 De doop van Johannes, van waar was die? uit den hemel? of uit do menschen? En zij over-leiden bij zich zeiven en zeiden: Indien wij zeggen: Uit den hemel; zoo zal hij ons zeggen: Waarom hebt gij hom dan niet geloofd? 26 En indien wij zeggen: Uit de menschen; zoo vreezen wij do schare: quot;want zij houden allen Johannes voor een' profeet. aMatt. 14:5. Mark. 0:20. 27 En zij, Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten het niet. En hij zeide tot hen: Zoo zeg ik u ook niet, door wat magt ik dit doe. 28 Maar wat dunkt u ? Een mensch had twee zonen, en gaande tot den eerste, zeide: Zoon! ga heen, werk heden in mijnen wijngaard. 29 Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen. 30 En gaande tot den tweede, zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: quot;Ik cja, heer! en hij ging niet. a R/.ec. 88: Hl. 31 Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar ik zeg u. dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het koningrijk Gods. 32 quot; Want Johannes is tot u gekomen in den weg der geregtigheid, en gij hebt hem niet geloofd ; maar de tollenaars en hoeren hebben hem geloofd; doch gij, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem to gelooven. u Matt. 8:1. 33 Hoort eene andere gelijkenis. quot; Er was een MATTHÃÃS 21. |
|
802 lieor des huizes, die een wijngaard plantte, en zette eenen tuin daarom, en groef eenen wijnpersbak daarin, en bouwde eenen toren, en verhuurde die don landlieden, en reisde buiten ',s' lands. a I's. 80:9. .les. 5:1. .Ter. 2:21. 12:10. Mark. 12: 1. Luk. 20:9. 34 Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijne dienstknechten tot de landlieden, om zijne vruchten te ontvangen. 30 En de landlieden, nemende zijne dienstknechten, hebben den eenen geslagen, en den anderen gedood, en den derden quot; gesteenigd. a 2 Kron. 24:21. 36 Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten, en zij deden hun desgelijks. 37 En ten laatste zond hij tot hen zijnen zoon, zeggende: Zij zullen mijnen zoon ontzien. 38 Maar de landlieden, den zoon ziende, zeiden onder elkander: quot; Deze is do erfgenaam, '' komt, laat ons hem dooden, en zijne erfenis aan ons behouden. a Ps. 2 : 8. Hobr. 1 : 2. b Gen. 37:18. Ps. 2:1. Matt. 26:3. 27:1. Joh. 11:53. 39 En hem nemende, wierpen zij hem uit, buiten don wijngaard, en doodden hem. 40 Wanneer dan de hoer des wijngaards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen? 41 Zij zeiden tot hem: Hij zal don kwaden eenen kwaden dood aandoen, on zal don wijngaard aan andore landlieden verhuren, die hom de vruchten op hare tijden zullen geven. 42 Jezus zeido tot hen : Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: quot;De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd dos hoeks; van don Heore is dit geschied, en het is wonderlijk in onze oogon? a I's. 1 IS : 22. .les. 8 : 14. 28 : 10. Mark. 12 : 10. Luk. 20: 17. Hand. 4:11. Hom. 9:38. 1 Petr. 2:0. 43 Daarom zeg ik ulioden, quot; dat het koningrijk Gods van u zal weggenomen worden, b en een volk gegeven, dat zijne vruchten voortbrengt. «Ex. 32: 10. Matt. 8: 12. ^.les. 55:5. 44 quot;En wie op dozen steen valt, die zal verpletterd worden; en ''op wien hij valt, dien zal l'ij vermorzelen. a Jos. 8 : 15. Zach. 12 : 3. Luk. 20 : 18. h Dan. 2 : 34. 45 quot; En als de overpriesters en farizeën deze zijne gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat hij van hen sprak. «Luk. 20:19. 46 En zoekende hom te vangen, vreesdon zij de scharen, dewijl deze hom hielden quot; voor oen' profeet. a Luk. 7 : 10. Joh. 7:40. HOOFDSTUK 22. De gelijkenis van eono bruiloft, tof, welke do eerst-genooden weigerden te komen, vs. 1; en waarom anderen in hunne plaats genood worden, 8; onder welke oen, zonder bruiloftskleed aanzittende, wordt uitgeworpen, 11. Christus antwoordt op do vraag dor farizeën en horodianen, of men den keizei' schatting mag geven, 15; en op de vraag dor sadduoeën aangaande do vrouw, dio zeven mannen had geluid, bewijzende tegen hen do opstanding uit do dooden, 23; verklaart welk liet grootste gebod in do wet is, 35; en dat de Messias niet alleen Davids zoon, maar ook zijn Heore is, 41. |
EN Jezus, antwoordende, sprak tot hen wederom door gelijkenissen, zeggende: 2 quot; Het koningrijk der hemelen is gelijk een' zeker koning, die zijnen zoon eene bruiloft bereid had; aLuk. 14:16. Openb. 19:7. 3 En zond zijne dienstknechten uit, om de genoodon ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen. 4 Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt don genoodon: Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid, mijne ossen, on de genieste beesten zijn goslagt, en allo dingen zijn gereed; komt tot do bruiloft. 5 Maar zij, zalks niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijnen akker, gene tot zijne koopmanschap. li En de andoren grepen zijne dionstknechtou, deden hun smaadhoid aan, en doodden hen. 7 Als nu de koning dat hoorde, werd hij toornig, en zijne krijgsheiron zendende, heeft die doodslagers vernield, on hunne stad in brand gestoken. 8 Toen zeido hij tot zijne dienstknechten: De bruiloft is wel bereid, doch do genoodon waren het niet waardig. 9 Daarom gaat op do uitgangen dor wegen, en zoo velen als gij er zult vindon, roept ze tot de bruiloft. 10 En dezelve dienstknechten, uitgaande op de wegen, vergaderden allen, die zij vonden, beidon kwaden en goeden; en do bruiloft word vervuld mot aanzittende (/asten. 11 En als do koning ingegaan was, om do aanzittende (jasten te overzien, zag hij aldaar eenen niensch, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed; 12 En zeido tot hom : Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen, goen bruiloftskleed aanhebbende? En hij verstomde. 13 Toen zeide do koning tot do dienaars: Bindt zijne handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in do buitenste duisternis: quot;daar zal zijn weening en knersing der tandon. a Matt. 8 : 12. 13 : 42. 24 : 51. 25 : 30. Luk. 13 : 28. 14 Want quot; velon zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. a Matt. 20:16. 15 quot; Toen gingen do farizeën hoen, en hielden te zamon raad, hoe zij hem verstrikken zouden in zijne rede. «Mark. 12:13. Luk. 20:20. 16 En zij zonden uit tot hem hunne discipelen, mot de horodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat gij waarachtig zijt, on don weg Gods in der waarheid leert, en naar niemand vraagt: want gij ziet den persoon der menschen niet aan; 17 Zeg ons dan: wat dunkt u? is hot geoorloofd, den keizer schatting te geven of niet? 18 Maar Jezus, bekennende hunne boosheid, zeide: MATTIIÃÃS 21 , 22. |
MATTHÃÃS 22, 23.
8(13
|
1!) Gij geveinsden! wat verzoekt gij mij? toont mij den schattingpenning. En zij bragten liein een' penning. 20 En hij zeide tot lion: Wiens is dit beeld en het opschrift? 21 Zij zeiden tot hein: Dos keizers. Toen zeide hij tot hen: quot; Geeft dan den keizer dat des keizers is, en Gode dat Gods is. a Matt. 17:25. Rom. 13:7. 22 En zij, dit hoorende, verwonderden zich, en liom verlatende, zijn zij weggegaan. 23 quot; Te dienzelven dage kwamen tot hem de sadduceën, die zeggen, dat er geone opstanding is, en vraagden hem, «Mark. 12:18. Luk. 20 : 27. Hand. 23:8. 24 Zeggende: quot;Meester! Mozes lieeft gezegd: Indien iemand sterft, geene kinderen hebbende, zoo zal zijn broeder deszelfs vrouw trouwen, en zijnen broeder zaad verwekken. n Deut. 25 : 5. 25 Nu waren er bij ons zeven broeders; en de eerste, cene vrouw getrouwd hebbende, stierf; en dewij 1 hij geen zaad had, zoo liet hij zijne vrouw voor zijnen broeder. 2G Desgelijks ook do tweede, en do derde, tot don zevende toe. 27 Ten laatste na allen, is ook de vrouw gestorven. 28 In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven? want zij hebben zo allen gehad. 29 Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, niet wetende do Schriften, noch do kracht Gods. 30 Want in de opstanding nemen zij niot ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; quot; maar zij zijn als engelen Gods in den hemel. a 1 Joh. 3 : 2. 31 En wat aangaat de opstanding der dooden, hebt gij niot gelezen hetgeen van God tot ulieden gesproken is, die daar zegt: 32 quot; Ik bon do God Abrahams, en do God Izaks, en de God Jakobs! God is niot een God der dooden, maar der levenden. «Ex. 3:0. 33 En do scharen, dit hoorende, quot; werden verslagen over zijne leer. a Matt. 7 : 28. 34 quot;En de farizeën, gehoord hebbende, dat hij don sadduceën don mond gestopt had, zijn te zamen bijeen vergaderd. «Mark. 12:28. |
35 quot; En oen uit hen, zijnde oen wetgeleerde, hoeft gevraagd, hom verzoekende , en zeggende: « Luk. 10 : 25. 36 Meester! wolk is het groote gebod in de wet? 37 En Jezus zeide tot hem: quot; Gij zult liefhebben don Ileero, uwen God, mot geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw vorstand. a Deut. 0:5. 10: 12. 30:0, Luk. 10:27. 38 Dit is het eerste en het groote gebod. 3!) En hot tweede, aan dit gelijk, is: quot;Gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven. a Lev. 19:18. Mark. 12:31. Rom. 13:9. Gal. 5:14. Efez. 5 : 2. 1 Thess. 4 : 9. .lakob. 2 : 8. 40 Aan deze twee geboden hangt de gansche wet en de profeten. 41 quot; Als nu de farizeën zamenvorgaderd waren, vraagde hen Jezus, « Mark. 12:35. Luk. 20:41. 42 En zeide: Wat dunkt u van den Christus? wiens zoon is hij? Zij zeiden tot hem: Davids ZO 071. 43 Hij zeide tot hen: Hoe noemt hom dan David, in den Geest, zijnen Heere? zeggende: 44 quot; De Heere hoeft gezegd tot mijnen Heere: Zit aan mijne regter-hand, totdat Ik uwe vijanden zal gezet hebben tot oono voetbank uwer voeten. «I's. 110:1. Hand. 2:34. 1 Cor. 15:25. Hebr. 1 : 13. 10 : 13. 45 Indien hem dan David noemt zijnen Heere, hoe is hij zijn zoon? 4(5 En niemand kon hom een woord antwoorden; noch iemand durfde hem van dion dag aan iets meer vragen. HOOFDSTUK 23. Christus vermaant zijne toehoorders, dat /.ij, hetgeen do schriftgeleerden ea farizeën hun loeren uit Mozes, zullen volgen, doch niet hunne werken, vs. 1; beschrijft derzelver geveinsdheid en eergierigheid, 5; en vermaant de zijnen, zich daarvan te wachten en naar nederigheid te staan, 8; verkondigt achtmaal liet wee over de farizeën en schriftgeleerden om verscheidene boosheden, als: dat zij den hemel sloten voor de menschen, 13; de huizen der weduwen opaten, 14; kwade jodengenooten maakten, 15; verkeerdelijk leerden zweren bij don tempel, het altaar en don hemel, 1G; kleine dingen vertienden en hot zwaarste dor wet nalieten, 23; dat zij het buitenste reinigden en niet het hart, 25; den wit-gepleisterden graven gelijk zijnde, 27; dat zij de graven der oude profeten opbouwden en de nieuwe |
MATTHÃÃS 28.
804
|
profeten zochten tu dooden, 20. Klaagt over de hardnekkigheid van do stad .lorüzalem en voorzegt haren ondorgang, 37. TOEN sprak Jezus tot do scharon en tot zijne discipelen, 2 Zeggende: quot; De schriftgeleerden en de farizeën zijn gezeten op don stoel van Mozes: quot; Neh. 8: 4. II quot;Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hunne werken; ''want zij zeggen het, en doen het niet. «Deut. 17 ; l!l. Mal. 2 ; (i. b Rem. 2:19. 4 quot;Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op do schouderen der menschen; maar zij willen die met hunnen vinger niet verroeren. '(.les. 10:4. Luk. 11:46. Hand. 15:10. 5 En al hunne werken doen zij, quot;om van de menschen gezien te worden: want zij maken '' hunne gedenkcedels breed, en maken de zoomen van hunne kleederen groot. n Matt. 0 : 5. b Deut. G : 8. 22 : 12. 0 quot; En zij beminnen do vooraanzitting in de maaltijden , en de voorgestoelten in de synagogen; a Matt. 12:38, 39. Luk. 11:43. 20:40. 7 Ook de begroetingen op do markten, en van de menschen quot; genaamd te worden, Rabbi, Rabbi! a Jakob. 3:1. 8 Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden: want één is uw Meester, namelijk Christus; en en gij zijt allen broeders. 9 En gij zult niemand uwen vader noemen op de aarde: quot;want één is uw Vader, namelijk die in do hemelen is. « Mal. 1 :0. 10 Noch zult gij moestors genoemd worden : want één is uw Meestor, namelijk Christus. 11 quot;Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn. a Matt. 20 : 20. 12 quot; En wie zich zeiven verhoogen zal, die zal vernederd worden; en wie zich zeiven zal ver-nedoren, die zal verhoogd worden. a Job 22 : 29. Kpr. 29 : 23. Luk. 14:11. 18:14. Jakob. 4:0. 10. 1 Petr. 5:0. 13 quot; Maar wee u, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden! want gij sluit hot koningrijk der hemelen voor do menschen, overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan. «Luk. 11:52. 14 quot; Wee u, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden! want gij eet do huizen dor weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen. a Mark. 12:40. Luk. 20 :47. 2 Tim. 3:6. Tit. 1:11. 15 Wee u, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden! want gij omreist zee on land, om oenen Jodengenoot te maken, en als hij hot geworden is, zoo maakt gij hem een kind der holle, tweemaal moer dan gij zijt. 10 Wee u, gij blinde leidslieden! die zegt: Zoo wie gezworen zal hebben bij don tempel, dat is niets; maar zoo wie gezworen zal hebben bij hot goud dos tompols, dio is schuldig. |
17 Gij dwazen en blinden! want welk is meerder? het goud, of do tempel, die hot goud heiligt? 18 En zoo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zoo wio gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig. 19 (ïij dwazen en blinden! want wat is meerder ? do gave, of het quot; altaar, dat de gave heiligt? «Ex. 29:37. 20 Daarom wio zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve , en bij al wat daarop is. 21 quot; En wie zweert bij don tompol, die zweert bij denzolven , en bij Dien, die daarin woont. n 1 Kon. 8 : 13. 2 Kron. 0:1, 2. 22 quot;En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en bij Dien, die daarop zit. a 2 Kron. 6:33. Jes. 00: 1. Matt. quot;); 34. Hand. 7 : 49. 23 quot; Wee u, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden! want gij vertient de munte, en de dille, en den komijn, h en gij laat na hot zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. ' Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten. aLuk. 11:42. /(1 Sam. 15:22. Hos.0:0. Micha0:8. cMatt.9:13. 12:7. 24 Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt, en den kemel doorzwelgt! 25 quot; Wee u, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden! want gij reinigt hot buitenste des drinkbekers en des schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid. «Luk. 11:39. 20 Gij blinde farizoör! reinig eerst quot; wat binnen in den drinkbeker en don schotel is, opdat ook het buitenste dorzelvo rein worde. a Tit. 1:15. 27 Woo u, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden! want gij zijt quot;don witgepleisterdon graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid. «Hand. 23:3. 28 Alzoo ook schijnt gij wel den menschen van buiten regtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongoregtigheid. 29 quot;Wee u, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden! want gij bouwt do graven der profeten op, en versiert de grafteekenen der rogt-vaardigen; «Luk. 11 : 47. 30 En zegt: Indien wij in de tijden onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geene gemeenschap gehad hebben aan het bloed dor profeten. 31 Aldus getuigt gij tegen u zeiven, quot; dat gij kinderen zijt dorgonon, die de profeten gedood hebben. a Hand. 7 : 51. 1 Thess. 2:15. 32 Gij dan ook, vervult de mate uwer vaderen! 33 quot;Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij do helsche verdoemenis ontvlieden? « Matt. 3:7. 34 quot;Daarom ziet, ''ik zonde tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen dooden en kruisigen, en |
MATTHÃÃS 2:!, '24.
|
somviiym uit dezelve zult ''^ij geeselen, in uwe synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad. a Luk. 11 : 49. 6 Matt. 1Ã:l(i. Luk. ld : .'i. Joh. Hi: 2. Hand. 7:52. «Matt. 10:17. Hand. 5:40. 35 Opdat op u kome al het regtvaardige bloed, dat vergoten is op do aarde, quot; van het bloed des regtvaardigen Abels af, tot op 11 het bloed van Zachan'a, den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt tusschen den tempel en het altaar. a Gen. 4 : 8. Hebv. 11:4. Igt;2 Kron. 24 : 21. .'i(i Voorwaar zeg ik u: al deze dingen zullen komen over dit geslacht. 37 quot;Jeruzalem, Jeruzalem! gij die de profeten doodt, en ''steenigt, die tot u gezonden zijn! 'â hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs eene hen hare kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen; en gijlieden hebt niet gewild? n Luk. 18:34. ft Matt. 21:35, 36. c Ps. 17:8. 91 : 4. 38 quot;Ziet, uw huis wordt u woest gelaten. «Ps. 09:26. .les. 1:7. Jer. 7:34. Micha3:12. Hand. 1:20. 39 Want ik zeg u: gij zult mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: quot;Gezegend is hij, die komt in den naam des Heeren ! a Ps. 118 : 26. HOOFDSTUK 24. Christus voorzegt do verwoesting des tempels en der stad Jeruzalem, verhalende de zwarigheden en tee-kenen, die voor on bij dezelve zouden geschieden, vs. 1. Wijst aan de profetie van Daniël, betreffende deze verwoesting, en vermaant oin zich tot eene haastige vlugt te bereiden, ton einde dozen groeten jammer te ontgaan, 16. Waarschuwt tegen de verleiding der valsche Christussen en valsehe profeten, 23. Profeteert verder van het einde der wereld en van zijne laatste komst ton oordeel, welker heerlijkheid en zekerheid hij beschrijft, aanwijzende de teekenen, die omtrent dezelve zouden geschieden, 29; doch dat die dag en ure niemand dan God alleen bekend is, 36. Vergelijkt de tijden dezer komst bij de tijden van Noach voor don zondvloed, 37. Vermaant tot waken door eene gelijkenis, zoo van eenen huisvader, die waakt tegen de komst van oen' dief, 42; als van eenen trouwen en boezen dienstknecht, 45. EN quot; Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en zijne discipelen kwamen bij hem, om hem de gebouwen des tempels te toonen. a Mark. 13:1. Luk. 21:5. 2 En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen ? Voorwaar zeg ik: quot; hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. a 1 Kon. 9:7, 8. Micha 3 : 12. Luk. 19 : 44. 3 quot; En als hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot hem alleen, zeggende: '' Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? en wolk zal bet teeken zijn van uwe toekomst, en van de voleinding der wereld? a Mark. 13 : 1, 3. Luk. 21 : 7. h Hand. 1 : 6. 4 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: quot; Ziet toe, dat u niemand verleide. «Jer. 29:8. Efoz. 5:6. Col. 2:18. 2Tliess. 2:3. 1 Joh. 4:1. |
5 quot; Want velen zullen komen onder mijnen naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden. a Jer. 14: 14. 23:25. Joh. 5:43. 6 En gij zuil hooren van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt: want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet. 7 quot; Want het eene volk zal tegen het andere volk opstaan, en liet eene koningrijk tegen het andere koningrijk; en er zullen zijn hongersnooden, en pestilentiën, en aardbevingen in verscheidene plaatsen. a Jes. 19:2. 8 Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten. 9 quot; Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u dooden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om mijns naams wil. a Matt. ID: 1 7. Luk.21 :11,12. .loh. 15:20. 16:2. Openb.2:10. 10 En dan zullen er velen geërgerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten. 11 quot;En vele valsche profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden. «2Petr. 2:1. 12 En quot; omdat de ongeregtigheid vermenigvuldigd zal worden, zoo zal de liefde van velen verkouden. a 2 Tim. 3:1, enz. 13 quot;Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. «Matt. 10:22. Mark. 13 : 13. Luk. 21 : 19. Openb. 2:7, 10. 3 : 10. 14 En dit evangelie des koningrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot eene getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen. 15 quot; Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door '' Daniël, den profeet, staande in do heilige plaats; (die het leest, die uierke daarop!) « Mark. 13 : 14. Luk. 21 : 20. h Dan. 9 : 27. 16 Dat alsdan, die in Judéa zijn, vlieden op de bergen. 17 Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen; 18 En die op den akker is, keere niet weder terug, om zijne kleederen weg te nemen. 19 Maar wee de bevruchte en de zogende vrouwen in die dagen! 20 Doch bidt, dat uwe vlugt niet geschiede des winters, noch quot;op eenen sabbat. a Hand. 1 : 12. 21 quot; Want alsdan zal groote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal. a Dan. 12: 1. 22 En zoo die dagen niet verkort werden, geen vleesch zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden. 23 Alsdan, zoo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, «hier is de Christus, of daar, gelooft het uiet. «Mark. 13:21. Luk. 21:8. 24 quot; Want er zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan, en zullen groote teekenen en wonderheden doen, alzoo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden. « Deut. 13: 1. 2 Thess. 2:11. |
|
Sfifi 'if) Ziet, ik heb het u voorzegd! 2() quot;Zoo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit: Ziet, hij is in de binnenkameren ; gelooft liet niet. n buk. 17:23. 27 Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzoo zal ook de toekomst van den Zoon des menschen wezen. 28 quot;Want alwaar het doode ligehaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden. r/.loli 39 ; 33. buk. 17 : 37. 29 En quot; terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en do maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden. ^Jes. 1 :i: 1 o. K/,ec.32:~c Joël 2:31. 3: IT). Mark. 13:2-1. Luk. 21 : 2iV 3(1 quot; En alsdan zal in den hemel verschijnen het toeken van den Zoon des menschen; en dan zullen al de geslachten der aarde ''weenen, tui zullen den Zoon dos menschen zien, komende op de wolken des hemels, met groote kracht en heerlijkheid, n Dan. 7 : 10. Matt. 16 : 27. 2:quot;): 31. 20 : (i 1. Mark. 13:20. 14:62. Luk. 21 : 27, Hand. 1:11. 2 ïhess. 1 : 10. Openb. 1 : 7. h Openli. 1:7. 31 En hij zal zijne engelen uitzenden mot quot; eene bazuin van groot geluid, en zij zullen zijne uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het eene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzeive. a 1 Cor. 15:52. 1 Thess. 4:16. 32 quot;En leert van don vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teeder wordt, en de bladeren uitspruiten, zoo weet gij, dat de zomer nabij is. n Mark. 13 : 28. Luk. 21 : 29. 33 Alzoo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zoo weet, dat het nabij is, voor de deur. 34 Voorwaar ik ze^ u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn. 35 quot; De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan. a Ps. 102 : 27. Jes. 51 : 6. Mark. 13:31. Hebr. 1:11. 30 quot;Doch van dien dag en ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan mijn Vader alleen. a Mark. 13:32. Hand, 1 : 7. 37 quot; En gelijk de dagen van Noach waren, alzoo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensehen. a Gen. 6 : 2. Luk. 1 7 : 26. 1 Petr. 3 : 20. 2Petr. 2 : 5. 38 Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, quot;tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging; a Gen. 7 : 7. 39 En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam: alzoo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen. 40 quot; Alsdan zullen er twee op den akker zijn, de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. «Luk. 17:34. 1 Tliess. 4: 17. 41 Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de eene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden. |
42 quot;Waakt dan, want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal. n Matt. 25: 13. Mark. 13:33. Luk. 12:40. 21 :36. 43 quot; Maar weet dit, dat zoo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. «Luk. 12:39. 1 Thess.5:2. 2Petr.3:10. Openb.3:3.16:15. 44 Daarom zijt ook gij bereid, want in welke ure gij het niet meent, zal do Zoon des menschen komen. 45 quot; Wie is dan de getrouwe en voorzigtige dienstknecht, denwelken zijn hoer over zijne dienstboden gesteld heeft, om hunlieden hun voedsel te geven ter regter tijd? a Matt. 25:21. Luk. 12:42. 46 Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer, komende, zal vinden alzoo doende. 47 Voorwaar, ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijne goederen. 48 Maar zoo die kwade dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen; 49 En zou beginnen zijne mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards: 50 Zoo zal de heer van dezen dienstknecht komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet; 51 En zal hom afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden: quot;daar zal weening zijn en knersing der tanden. â Matt. 8:12. 13:42. 22:13. 25:30. Luk. 13:28. HOOFDSTUK 25. Door do gelijkenis van vijf wijze en vijf dwaze maagden, vermaant Christus weder tot waken tegen zijne komst, vs. 1; en door de gelijkenis der dienstknechten , die elk hunne talenten van don Heere hadden ontvangen, om daarmede winst te doen, vermaant hij tot getrouwe besteding dor gaven door God aan oen ieder gegeven, 14. Daarna beschrijft hij zijne laatste komst ten oordeel, hoe hij alsdan zijne schapen van de bokken scheidon en over beiden vonnis sproken en uitvoeren zal, 31. ALSDAN zal hot koningrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke hare lampen namen en gingen uit, den bruidegom te gemoet. 2 En vijf van haar waren wijzen, en vijf waron dwazen. 3 Die dwaas waren, hare lampen nemende, namen geene olie met zich. 4 Maar de wijzen namen olie in hare vaten, met hare lampen. 5 Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap. 6 En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem te gemoet! 7 Toen stonden al die maagden op, en bereidden hare lampen. 8 En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uwe olie, want onze lampen gaan uit. 9 Docli de wijzen antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet MATTHÃÃS '24, 25. |
MATTMÃÃS 25.
8fi7
|
genoog zij; maar gaat liovcr tot do vorkoopors, en koopt voor u zelvon. 10 Als zij nu heengingen om te koopen, kwam de bruidegom; on dio gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten. 11 Daarna kwamen ook do andere maagden, zeggende: lloere, lieere, doe ons open! 12 En hij, antwoordende, /eide: Voorwaar zeg ik u, ik quot;ken u niet. a Matt. 7:28. Luk. 13:25. 13 quot; Zoo waakt dan, want gij weet den dag niet, noch do ure, in dewelke do Zoon des menschen komen zal. a Matt. 24:42. Mark. 13::?3, 35. 14 quot; Want /ie( is gelijk een mensch, die buiten 's lands reizende, zijne dienstknechten riep, en gaf hun zijne goederen over. a Luk. 10:12. 15 En den eeneu gaf hij vijf talenten, en den andoren twee, en den dorden oen, oen' iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond. Kï Die nu do vijf talenten ontvangen had, ging hoen, en handelde daarmede, en won andere vijf talenten. 17 Desgelijks ook- die de twee ontvangen //ad, die won ook andere twee. 18 Maar, die het eene ontvangen had, ging heen en groef in de aarde, on verborgde hot geld zijns hoeren. 19 En na eenon langen tijd kwam de hoor van dezelve dienstknechten, en hield rekening met hen. 20 En die do vijf talenten ontvangen had, kwam, en bragt tot hom andere vijf talenten, zeggende: Heere! vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelve gewonnen. 21 En zijn heer zoido tot hom: Wel, gij goede on getrouwe dienstknecht! quot;over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zotten; ga in, in de vreugde uws hoeren. a Matt. 24:45. Luk. 12:42. 22 En die de tweo talenten ontvangen had, kwam ook tot hom, en zoide: Heere! twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andore talonten heb ik boven dezelve gewonnen. 23 Zijn hoer zoido tot hem: Wol, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest, over voel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws hoeren. 24 Maar die het eene talent ontvangen had, kwam ook en zeide: Heere! ik kende u, dat gij oen hard mensch zijt, maaijondo, waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, waar gij niet gestrooid liebt; 25 En bevreesd zijnde, ben ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aarde: zie gij hebt liet uwe. 20 Maar zijn heer, antwoordende, zoido tot hom: Gij booze en luije dienstknecht! gij wist, dat ik maaije, waar ik niet gezaaid hob, en van daar vergadoro, waar ik niet gestrooid heb. |
27 Zoo moest gij dan mijn geld den wisselaren gedaan hebben, en ik, komende, zou het mijne wedorgonomen hebben met woeker. 28 Neemt dan van hom het talent weg, en geeft liet dengenen, die de tien talenten hooft. 29 quot;Want oen' iegelijk, die hoeft, dien zal gegeven worden, on hij zal overvloedig hebben; maar van dengenen, die niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat bij hoeft. «Matt. 13: 12. Mark. 4:25. Luk. 8:18. 19:20. 30 En werpt den onnutten dienstknecht uit in do buitenste duisternis: quot;daar zal weening zijn en knorsing der tandon. a Matt 8:12. 13 : 42. 22 : 13. 24 : 51. Luk. 13 : 28. 31 quot; En wanneer de Zoon dos menschen komen zal in zijne heerlijkheid, en al do heilige engelen mot hom, dan zal hij zitten op don ''troon zijnor heerlijkheid. a Matt. Ki: 27. 20:64. Mark. 14:02. Luk. 21:27. Hand. 1:11. lïhess. 4:10. 2Thess. 1:10. Openb. 1:7. hMatt. 19:28. 32 En voor hom zullen al de volken vergaderd worden, quot;en hij zal ze van elkander scheiden, gelijk do horder de schapen van de bokken scheidt. a E/.ec. 34:17, 2(1. Matt. 13:49. 33 En hij zal de schapen tot zijno regterhand zetten, maar de bokken tot zijne linkor/jcmrf. 34 Alsdan zal do Koning zeggen tot degenen, die tot zijn vegtevhand zijn: Komt, gij gezogen-don mijns Vaders! beërft dat koningrijk, quot;hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. a Matt. 20:23. Mark. 10:40. 35 quot;Want ik ben hongerig geweest, en gij hebt mij te eten gegeven; ik ben dorstig geweest, on gij hebt mij te drinken gegeven; '' ik was een vreemdeling, en gij hebt mij geherbergd; '/.les. 58:7. Ezec. 18:7. h Hebr. 13:2. 36 Ik was quot; naakt, en gij bobt mij gekleed; ik bon krank geweest, en gij hebt mij bezocht; ik was 'â in de gevangenis, en gij zijt tot mij gekomen. aJes. 58:7. Jakob. 2: 15, 10. Ij'2 Tim. 1 : 10. 37 Dan zullen de regtvaardigen hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij u hongerig gezien, en gespijzigd? of dorstig, en te drinken gegeven ? 38 En wanneer hebben wij u oen' vreemdeling gezien, en geherbergd? of naakt en gekleed? 39 En wanneer hebben wij u krank gezien, of in do gevangenis, en zijn tot u gekomen? 40 En de Koning zal antwoorden en tot hou zeggen: Voorwaar zeg ik u: quot;voor zoo voel gij dit oen' van deze mij no minste broeders gedaan bobt, zoo liobt gij dat mij gedaan. aSpr. 19: 17. Matt. 10:42. Mark. 9:41. Joh. 13:20. 2 Cor. 9:0. 41 Dan zal hij zoggen ook tot degenen, die ter \u\k(iv1mnd, zijn: quot;Gaat weg van mij, gij vervloekten! in hot ''eeuwige vuur, hetwelk don duivel en zijnen engelen bereid is. a I's. (i: 9. Matt. 7:23. Luk. 13:25,27. ftJes. 30:33. Openb. 19:20. 42 Want ik bon hongerig geweest, en gij hebt mij niet te eten gegeven; ik bon dorstig geweest, on gij hebt mij niet to drinken gegeven; |
MATTHÃÃS 25, 26.
8(i8
|
43 Ik was een vreemdeling, en gij hebt mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt mij niet bezocht. 44 Dan zullen ook deze hem antwoorden, zeggende: lleere! wanneer hebben wij u hongerig gezien, of dorstig, of een'vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben n niet gediend ? 45 Dan zal hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg ik u: quot; voor zoo veel gij dit een' van deze minsten niet gedaan hebt, zoo hebt gij het mij ook niet gedaan. a Spr. 14 : Hl. 17:5. Zach. quot;2:8. 46 quot; En deze zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de regtvaardigen in hot eeuwige leven. a Dan. 12:2. Joh. 5:29. HOOFDSTUK 26. Christus voorzegt wederom zijnen dood, vs. 1 ; over welken de oversten der Joden beraadslagen, H. Wordt te Bethanië door eene vrouw gezalfd, 6; welke daad hij verantwoordt en prijst, 10. Judas verkoopt Christus, 14. Christus laat het Pascha bereiden, eet hetzelve niet zijne discipelen en voorzegt het verraad door Judas, 17. Instelling van het avondmaal, 26. Christus voorzegt zijnen discipelen hunne verstrooijing en Petrus zijnen val, Hl. Aanvang van Christus lijden in eenen hof met groote benaauwdheid en sterk bidden. Hij vermaant zijne discipelen, die slapende waren, tot waken en bidden, H6; wordt door Judas verraden met eenen kus en van de Joden gevangen, 47; bestraft Petrus, die des overpriesters dienstknecht het oor afhouwt, 51; wordt tot Kajafas voor den raad gebragt, 57; door valsche getuigen aangeklaagd, 59; bekent dat hij de ('hristus is, 6H. Wordt daarover als een godslasteraar veroordeeld en smadelijk mishandeld, (55. Petrus verloochent Christus, 69; komt tot kennis van zijnen val, welken hij beweent, 75. EN het is geschied, als Jezus al deze woorden geëindigd had, dat hij tot zijne discipelen zeide: 2 quot; Gij weet, dat na twee dagen het pascha is, en de Zoon des menschon zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden. a Mark. 14: 1. Luk. 22:1. Joh. 1H: 1. 3 quot; Toen vergaderden de overpriesters, en de schriftgeleerden, en de ouderlingen des volks, in de zaal des hoogepriesters, die genaamd was Kajafas ; n Ps. 2 : 2. Joh. II : 47. Hand. 4 : 27. 4 En beraadslaagden te zamen, dat zij Jezus met listigheid vangen en dooden zouden. 5 Doch zij zeiden: Niet in het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk. 6 Als nu Jezus te Bethanië was, ten huize van Simon, den melaatsche, 7 quot; Kwam tot hem eene vrouw, hebbende eene albasten flesch met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op zijn hoofd, daar hij aan tafel zat. a Mark. 14 : H. Luk. 7 : H7. Joh. 11:2. 12 :H. 8 En zijne discipelen, dat ziende, namen het zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies? 9 Want deze zalf had kunnen duur verkocht, en de penningen den armen gegeven worden. |
10 Maar Jezus, zuUch verstaande, zeide tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? want zij heeft een goed werk aan mij gewrocht. 11 quot; Want de armen hebt gij altijd met u, maar mij hebt gij niet altijd. a Deui. 15:11. Mark. 14:7. Joh. 12:8. 12 Want als zij deze zalf op mijn ligchaam gegoten heeft, zoo heeft zij het gedaan tot eene voorbereiding van mijne begrafenis. 13 Voorwaar zeg ik u: alwaar dit evangelie gepredikt zal worden in de geheele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft. 14 quot;Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, tot de overpriesters, a Mark. 14:10. Luk. 22:4. 15 En zeide: Wat wilt gij mij geven, en ik zal hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd a dertig zilveren penningen. a Zach. 11 : 12. 16 En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij hem overleveren mogt. 17 quot; En op den eersten dag b der ongehevelde brooden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot hem: Waar wilt gij, dat wij u bereiden het pascha te eten ? a Mark. 14:12. Luk. 22:7. h Ex. 12:17. 18 En hij zeide: Gaat hoen in de stad, tot zulk eenen, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, ik zal bij u het pascha houden met mijne discipelen. 19 En de discipelen deden, gelijk Jezus hun bevolen liad , en bereidden het pascha. 20 quot; En als het avond geworden was, zat hij aan met de twaalven. a Mark. 14: 17. Luk. 22:14. Joh. 13:21. 21 En toen zij aten, zeide hij: Voorwaar ik zeg u, dat quot;een van u mij zal verraden. «Hand. 1:17. 22 En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begon oen iegelijk van hen tot hem te zeggen : Ben ik liet, Heere? 23 En hij, antwoordende, zeide: quot;Die de hand met mij in den schotel indoopt, die zal mij verraden. « Ps. 41 :10. Luk. 22:21. Joh. 13:18. 24 De Zoon des menschon gaat wel heen, gelijk van hem geschreven is; maar wee dien mensch, door welken do Zoon des menschen verraden wordt! het ware hem goed, zoo die mensch niet geboren was geweest. 25 En Judas, die hom verried, antwoordde en zeide: Ben ik het. Rabbi? Hij zeide tot hem: (lij hebt het gezegd. 26 quot;En als zij aten, nam Jezus hot brood, en gezegend hebbende, brak hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is mijn ligchaam. a Mark. 14:22. Luk. 22:19. 1 Cor. 11:23. 27 En hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit; 28 Want dit is mijn bloed, quot; het bloed des nieuwen testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden. a Ex. 24:8. |
MATTHÃÃS 26.
869
|
29 En ik zeg u, dat ik van nu aan niet zal drinken van deze vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik niet u dezelve nieuw zal drinken in het koningrijk mijns Vaders. 80 quot; En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg. o Mark. 14 : 2G. Lnlc. 22 ; ;i9. Joh. 18:1. :ll Toen zeide Jezus tot hen: (iij zult allen aan mij geërgerd worden in dezen nacht: want er is geschreven: quot; Ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. a Zach. 13:7. Joh. 10:32 32 quot;Maar nadat ik zal opgestaan zijn, zal ik u voorgaan naar Galiléa. «Mark. 14:28. 10:7. :13 Doch Petrus, antwoordende, zeide tot hem: quot; Al werden zij ook allen aan u geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden. n Luk. 22 : 33. 34 Jezus zeide tot hem: quot; Voorwaar ik zeg u, dat gij in dezen zelven nacht, oer de haan gekraaid zal hebben, mij driemaal zult verloochenen. «Joh. 13 : 38. 35 Petrus zeide tot hem: Al moest ik ook met u sterven, zoo zal ik u geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen. 36 quot; Toen ging Jezus met hen in eene plaats genaamd Gethsémané, en zeide tot do discipelen: Zit hier neder totdat ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben. a Mark. 14:32. Luk. 22:39. Joh. 18 :1. 37 En met zich nemende 1 'etrus, en de twee zonen van Zebedéüs, begon hij droevig en zeer beangst te worden. 38 quot;Toen zeide hij tot hen: Mijne ziel iS geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met mij. a Joh. 12:27. 39 En een weinig voortgegaan zijnde, viel hij op zijn aangezigt, biddende en zeggende: quot;Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze ''drinkbeker van mij voorbijgaan! ' doch niet, gelijk ik wil, maar gelijk Gij ivi/t. a Luk. 22:41. ft Matt. 20:22, 23. cJoh. 6:38. 40 En hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Kunt gij dan niet één uur met mij waken ? 41 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt: quot; de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. a Gal. 5:17. 42 Wederom ten tweede maal heengaande, bad hij, zeggende: Mijn Vader! indien deze drinkbeker van mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat ik hem drinke, uw wil geschiede! |
43 En komende /rij hen, vond hij hen wederom slapende: want hunne oogen waren bezwaard. 44 En hen latende, ging hij wederom heen, en bad ten derde maal, zeggende dezelfde woorden. 45 Toen kwam hij tot zijne discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust: ziet, de ure is nabij gekomen, en de Zoon dos menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaren. 46 Staat op, laat ons gaan, ziet, hij is nabij, die mij verraadt. 47 quot;En als hij nog sprak, ziet. Judas, een van de twaalven, kwam, en met hem eene groote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks. «Mark. 14:43. Luk. 22:47. Joh. 18:3. 48 En die hem verried, had hun een teeken gegeven , zeggende : Dien ik zal kussen, dezelve is het, grijpt hem. 49 En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet. Rabbi! en hij quot; kuste hem. a 2 Sam. 20 : 9. 50 Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier? Toon kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus, en grepen hem. 51 En ziet, een van degenen, die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des hooge-priesters, hieuw zijn oor af. 52 Toen zeide Jezus tot hein : Keer uw zwaard weder in zijne plaats: quot;want allen, die het zwaard nemen , zullen door hot zwaard vergaan. «Gen. 9:0. Opcnb. 13:10. 53 Of meent gij, dat ik mijnen Vader nu niet kan bidden, en Hij zal mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten ? 54 Hoe zouden dan de quot; Schriften vervuld worden, die ze;/(jen, dat het alzoo geschieden moet? «Ps. 22:7. 69:2, 10. Luk. 24:25. 55 Ter zeiver ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen eenen moordenaar, met zwaarden en stokken, om mij te vangen: dagelijks zat ik bij u, leerende in den tempel, en gij hebt mij niet gegrepen; 56 Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden. quot; Toon vlugtten al de discipelen, hem verlatende. «Job 19 : 13. Ps. 88 : 9. |
MATTIIÃÃS 26, 27.
870
|
57 quot; Die nu Jezus gevangen hadden, loidrlen hem heen tot Kajafas, den hoogepriester, alwaar de schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren. «Mark. 14:53. liiik. 22:54. Joh. 18:12. 58 En Petrus volgde hem van verre tot aan de zaal des hoogepriesters, en binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het einde te zien. 59 quot; En de overpriesters, en de ouderlingen, en de geheelo gruote raad zochten valsche getuigenis tegen Jezus, opdat zij hem dooden mogten; en vonden niet. a Mark. 14:55. Hand. 6 : Ui. 60 En hoewel er vele valsche getuigen toegekomen waren, zoo vonden zij toch niet. 61 Maar ten laatste kwamen twee valsche getuigen , en zeiden: Deze heeft gezegd: quot; Ik kan den tempel Gods afbreken, on in drie dagen denzel-ven opbouwen, a Joh. 2:1!). 62 quot; En de hoogepriester, opstaande, zeide tot hom : Antwoordt gij niets? wat getuigen deze tegen u? Mark. 14:60. 6!i quot; Docli Jezus zweeg stil. En de hoogepriester, antwoordende, zeide tot hem: Ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt, of gij zijt de Christus, de Zoon van God ? n Jes. 53 : 7. Matt. 27 : 12, 14. 64 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. quot; Doch ik zeg ulieden: van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen, zittende ter vegterlia?id der kracht Gods, en komende op do wolken des hemels. a Ps. 110:1. Dan. 7:13. Matt. 16:27. 24:30. Mark. 14 : 62. Luk. 22 : 69. Hand. 1:11. Hom. 14 : 10. 1 Thess. 4 : 16. Ãponb. 1 : 7. 65 Toen verscheurde de hoogepriester zijne klee-deren, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen van noode? ziet, nu hebt gij zijne öWslastering gehoord: 66 Wat dunkt ulieden? En zij, antwoordende, zeiden: quot;Hij is des doods schuldig, a Lev. 24:16. 67 quot;Toen spogen zij in zijn aangezigt, en sloegen hem met vuisten. a .lea. 50:6. 68 quot;En anderen gaven hem kinnebakslagen, zeggende: 6 Profeteer ons, Christus! wie is het, die u geslagen heeft ? «Job 16:10. Joh. 19:3. 6 Luk. 22:64. 69 quot; En Petrus zat buiten in de zaal; en eene dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: Gij waart ook met Jezus den Galileër. a Mark. 14:66. Luk. 22:55. Joh. 1 s ; 10, 25. |
70 Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet, wat gij zegt. 71 En als hij naar do voorpoort uitging, zag hem eene andere dienstmaagd, en zeide tot degenen , die aldaar waren: Deze was ook met Jezus den Nazaréner. 72 En hij loochende het wederom met eenen eed, zeggende: Ik ken den mensch niet. 73 En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: Waarlijk gij zijt ook van die, want ook uwe spraak maakt u openbaar. 74 Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den mensch niet. 75 En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van .Jezus, die tot hem gezegd had : quot; Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende iiij bitterlijk. a Matt. 26:34. Mark. 14:30. Luk. 22 : 61. Joh. 13 : 38. HOOFDSTUK 27. Christus wordt door do Joden aan Pilatus overgeleverd, vs. 1. Judas berouw hebbende, werpt hot geld in den tempel, on verworgt zich zeiven, 3; voor wolk geld een pottenbakkersakker gekocht wordt, gelijk voorzegd was, 6. Pilatus ondervraagt Christus op de beschuldigingen togen hem gedaan, 11; wordt van zijne huisvrouw gewaarschuwd, 19; verklaart Cliristiis onschuld, en tracht hein door tegenstelling van linr-abbas los te laten, maar te vergeefs, 20. Handwas-scbing van Pilatus, die op aandrang der Joden Jezus overgeeft ter kruisiging aan de krijgsknechten, 24; die hein smadelijk mishandelen en ter kruisstraf uitleiden, 27. Simon van Cyrene wordt gedwongen om hem zijn kruis te helpen dragon, 32. Christus wordt gekruisigd, 35; en met hem twee moordenaars, 38. Wordt van de voorbijgangers gelasterd en bespot, 39. Duisternis komt op de aarde, en Christus wordt met gal gedrenkt, roept in zijne uiterste benaauwdheid tot zijnen Vader en geol't zijnen geest, 45. Verscheidene wonderen geschieden bij zijnen dood, 51; waardoor de hoofdman bekent, dat hij Gods Zoon is, 54. Wordt door Jozef van Arimathéa begraven en zijn graf, op verzoek der overpriesters, door eene wacht bewaakt, 57. ALS quot; het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen des volks te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij hem dooden zouden. a Ps. 2 : 2. Mark. 15:1. Luk. 22 : 66. 23 : 2. Joh. 18 : 28. |
871
|
2 En hom gebonden hebbende, leidden zij hem weg, en gaven hom over aan quot;Pontius Pilatus, don stadhouder. a Hand. 3 : 11!. 3 Toen heeft Judas, die hem verraden had, ziende, dat hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen don over-priesteren en don ouderlingen wedergebragt, 4 Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende liet onschuldig bloed! Maar zij zeidon: Wat gaat ons dat aan ? gij moogt toezien. 5 En als hij de zilveren penningen in don tompol geworpen had, vertrok hij, en quot; heengaande verworgde zich zeiven. « 2 Sam. 17 : 23. Hand. 1 : is. (! En do overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden : Het is niet geoorloofd, dezelve in de offerkist te leggen, dewijl hot een prijs des bloods is. 7 En te zamen raad genomen hebbende, kochten zij daarmede den quot; akker des pottenbakkers, tot eene begrafenis voor do vreemdelingen. n Hand. 1 : li). 8 Daarom is die akker genaamd do akker des bloods, tot op den huidigen dag. !) Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is quot; door den profeet Jerenna, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde des gewaardoerden van de kindoren Israels, denwelken zij gewaardeerd hebben; a Zach. 11 : 12. 10 En hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers; volgons hetgeen mij de Hoere bevolen heeft. 11 quot; En Jezus stond voor don stadhouder; en de stadhouder vraagde hem, zeggende: Zijt gij de Koning dor Joden? en Jezus zoide hem : Gij zegt liet. a Mark. 15:2. Luk. 23:3. Joh. 18:33. 12 En als hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde hij niets. 13 quot;Toon zeide Pilatus tot hem: Hoort gij niet, hoe vele zaken zij tegen u getuigen ? a Matt. 26:62. 14 quot; Maar hij antwoordde hem niet op oen eenig woord, alzoo dat de stadhouder zich zeer verwonderde. o.les. 53:7. Hand. 8:32. 15 quot; En op hot feest was de stadhouder gewoon den volke oenen gevangene los te laten, welken zij wilden. ff Mark. 15:6. Luk, 23:17. Joh. 18:3!). 16 quot; En zij hadden toen oenen welbekenden gevangene, genaamd Bar-abbas. ff Mark. 15:7. Luk. 23:11). Joh. 18:40. |
17 Als zij dan vergaderd waren, zoido Pilatus tot hen: Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten, Har-abbas, of Jezus, die genaamd wordt Christus? 18 Want hij wist, dat zij hem door nijdigheid overgeleverd hadden. 1!) En als hij op don regterstoel zat, zoo heeft zijne huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toelt niet te doen met dien regtvaardige; want ik heb heden voel geleden in don droom om zijnentwil. 20 quot; Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben de scharen aangeraden, dat zij zouden Bar-abbas begeeren, en Jezus dooden. a Mark. 15 : 11. Luk. 2.3 : 18. Joh. 18 : 40. Hand. 3 : 14. 21 En do stadhouder, antwoordende, zeide tot hen: Welken van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten ? En zij zeiden : Bar-abbas. 22 Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat hom gekruisigd worden. 23 Doch de stadhouder zeide: Wat hoeft hij dan kwaads gedaan? En zij riepen temeer, zeggende: Laat hem gekruisigd worden! 24 Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat nr oproer werd, nam hij water en wiesch do handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes rogtvaardigen; gijlieden moogt toezien. 25 En al het volk, antwoordende, zeide: quot;Zijn bloed /come over ons, en over onze kinderen! ffHancl.5:28. 26 Toon liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeeseld hebbende, gaf hij hem over om gekruisigd te worden. 27 quot; Toen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het regthuis, en vergaderden over hom do gansche bende. a Mark. 15 : 16. Joh. 1!) : 2. 28 En als zij hem ontkleed hadden, deden zij hem oenen purperen mantel om; 29 En eene kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten (/ie op zijn hoofd, en eonon rietstok in zijne regterhand; en vallende op hunne knieën voor hem, bespotten zij hem, zeggende: Wees gegroet, gij Koning der Joden! 30 En op hem gespogen hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op zijn hoofd. 31 En toen zij hom bespot hadden, deden zij |
MATTHÃÃS 27, 28.
872
|
liem den mantel af, en deden hem zijne kleederen aan, en leidden hem heen om te kruisigen. :12 quot; En uitgaande, vonden zij eenen man van Cyréne, met name Simon; dezen dwongen zij, dat hij zijn kruis droeg, a Mark. 15:21. Luk. 23:26. 33 quot;En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdscheêlplaats, a Ps. GO : 22. Mark. 15 : 22. Luk. 23 : 33. Joh. 19 : 17. 34 Gaven zij hem te drinken edik met gal gemengd; en als hij dien gesmaakt had, wilde hij niet drinken. 35 quot; Toen zij nu hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijne kleederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is door den profeet: ''Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over mijne kleeding geworpen. a Mark. 15:24. Joh. 19:23. b Ps. 22:19. 36 En zij, nederzittende, bewaarden hem aldaar. 37 quot; En zij stelden boven zijn hoofd zijne beschuldiging geschreven: Deze is Jezus, de Koning der Joden. a Mark. 15:26. Luk. 23 :38. Joh. 19: 19. 38 quot; Toen werden met hem twee moordenaars gekruisigd, een ter regter-, en een ter Xmkavzijde. a Jea. 53 :12. 39 quot;En die voorbijgingen lasterden hem, schuddende hunne hoofden, «Ps. 22:8. 69:21. Mark. 15:29. Luk. 23:35. 40 En zeggende: quot; Gij, die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt! verlos u zeiven. Indien gij de Zone Gods zijt, zoo kom af van het kruis. a Mark. 26:0). Joh. 2:19. 41 En desgelijks ook de overpriesters met de schriftgeleerden, en ouderlingen, en farizeën, hem bespottende, zeiden: 42 Anderen heeft hij verlost, hij kan zich zeiven niet verlossen. Indien hij de Koning Israels is, dat hij nu afkome van hot kruis, en wij zullen hem gelooven. 43 quot;Hij heeft op God betrouwd: dat Ilij hem nu verlosse, indien Hij hem wel wil! want hij heeft gezegd : Ik ben Gods Zoon. « Ps. 22 : 9. 44 En hetzelfde verweten hem ook de moordenaars, die met hem gekruisigd waren. 45 quot; En van de zesde ure aan werd er duisternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe. a Mark. 15:33. Luk. 23:44. 46 En omtrent de negende ure quot; riep Jezus met eene groote stem, zeggende: Eli, Eli, Lama Sabachthani! dat is: mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten! aPs. 22:2. Hebr. 5:7. 47 En sommigen van die daar stonden, zulks hoorende, zeiden: Deze roept Elias. 48 quot;En terstond een van hen, ^oeloopende, nam eene spons, en die met edik gevuld hebbende, stak ze op eenen rietstok, en gaf hem te drinken. «Ps. 69:22. Joh. 19:29. 49 Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of EHas komt, om hem te verlossen. |
50 quot;En Jezus, wederom met eene groote stem roepende , gaf den geest. « Luk. 23 : 4(i. 51 quot; En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden; «2Kron, 3:14. Mark. 15:38. Luk. 23:45. 52 En do graven werden geopend, en vele lig-chamen der heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt; 53 En uit de graven uitgegaan zijnde, na zijne opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen. 54 quot; En de hoofdman over honderd, en die met hein Jezus bewaarden, ziende de aardbeving, en de dingen, die geschied waren, werden zeer bevreesd , zeggende: Waarlijk deze was Gods Zoon! «Mark. 15:39. Luk. 23:47. 55 quot; En aldaar waren vele vrouwen, h van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galiléa, om hom ' te dienen. a Mark. 15 : 40. Luk. 23 : 49. h Ps. 38 : 12. c Luk. S : 2. 56 Onder dewelke was Maria Magdaléna, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en do moeder der zonen van Zebedéüs. 57 quot;En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathóa, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was. a Mark. 15 : 42. Luk. 23 : 50. Joh. 19 : 38. 58 Deze kwam tot Pilatus, en begeerde het lig-chaam van Jezus. Toen beval Pilatus, dat hem het ligchaam gegeven zou worden. 59 En Jozef, het ligchaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad; 60 quot;En leide dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in eene steenrots uitgehouwen had; en eenen grooten steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg. «Mark. 15:46. Luk. 23:53. 61 En aldaar was Maria Magdaléna, en de andere Maria, zittende tegenover het graf. 62 Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de farizeën tot Pilatus, 63 Zeggende: Heer! wij zijn indachtig, dat deze verleider, nog levende, gezegd heeft: quot;Na drie dagen zal ik opstaan. «Matt. 16:21. 17:23. 20:19. Mark. 8:31. 10:34. Luk. 9:22. 18:33. 24:6. 64 Beveel dan, dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat zijne discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen hem, en zeggen tot hot volk : Hij is opgestaan van de doodon: en zoo zal de laatste dwaling erger zijn, dan de eerste. 65 En Pilatus zeide tot henlieden: Gij hebt eene wacht; gaat heen, verzekert het, gelijk gij hot verstaat. 6() En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende. HOOFDSTUK 28. De vrouwen komen tot het graf van Christus, vs. 1. Zij worden door eenen ongol, die den steen had |
MARKUS 1.
873
|
afgewenteld, onderrigt van zijne opstanding, 2; en gaan heen om de discipelen dit te boodschappen, 7. Christus ontmoet haar op den weg, 'â¢). De wachters brengen deze tijding aan de overpriestors, maar laten zich door geld omkoopen, om te zeggen dat, zijn lijk uit hot graf gestolen was, 11. Christus openbaart zich zeiven aan zijne discipelen in Galiléa, lü; en geeft hun bevel om onder alle volken te prediken en te doopen, 19. Hij belooft hun zijnen bijstand, 20. EN «laat na den sabbat, als hot begon te lichten, tegen den eersten day der week, kwam Maria Magdaléna, en de andere Maria, om het graf te bezien. a Mark. 16 : 1. Luk. 24 ; 1. Joh. 20: 1. 2 En ziet, er geschiedde eene groote aardbeving; want een engel des Heeren, nederdalende uit den hemel, kwam toe, en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzelven. 3 En zijne gedaante was gelijk een bliksem, en zijne quot; kleeding wit gelijk sneeuw. a Dan. 7 : 9. Hand. 1 :10. 4 En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als dooden. 5 Maar de ongel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet: quot;want ik weet, dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd was. a Mark. 1 ti: G. Luk. 24 : 4. 6 Hij is hier niet; want hij is opgestaan, gelijk hij quot; gezegd hoeft. Komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heero gelegen heeft. n Malt. 16:21.17: 23. 20 : 19. Mark. 8 : 31. 9 : 31. ld : 34. Luk. 9:22. 18:33. 24:«. 7 En gaat haastelijk heen, en zegt zijnen discipelen , dat hij opgestaan is van de dooden; en ziet, hij gaat u voor naar Galiléa, quot;daar zult gij hem zien. Ziet, ik heb hot ulioden gezegd. a Matt. 20:32. Mark. 1(1:7. 8 quot; En haastelijk uitgaande van het graf, met vroeze en groote blijdschap, liepen zij honen, om hetzelve zijnen discipelen te boodschappen. n Mark. 16:8. .loh. 20 : 18. |
9 En als zij heengingen, om zijnen discipelen te boodschappen, ziet, quot;Jezus is haar ontmoet, zeggende: Woest gegroet! En zij, tot hem komende, grepen zijne voeten, en aanbaden hem. «Mark. 10:9. Joh. 20:14. 10 Toen zeide Jezus tot haar: Vreest niet; gaat henen, boodschapt mijnen broederen, dat zij heengaan naar Galiléa, en quot; aldaar zullen zij mij zien. a Hand. 1:3. 13:31. 1 Cor. 15:5. 11 En als zij heengingen, ziet, eenigen van de wacht kwamen in de stad, en boodschapten den overpriesters al de dingen, die geschied waren. 12 En zij vergaderd zijnde mot de ouderlingen, en te zamon raad genomen hebbende, gaven zij don krijgsknechten veel gelds, 13 En zeiden: Zegt: Zijne discipelen zijn dos nachts gekomen, en hebben hem gestolen, als wij sliepen. 14 En indien zulks komt gehoord te worden van den stadhouder, wij zullen hom tevreden stellen, en maken, dat gij zonder zorg zijt. 15 En zij, het geld genomen hebbende, deden gelijk zij geloerd waren. En dit woord is verbreid geworden bij do Joden tot op den huldigen dag. 16 En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galiléa, naar den berg, quot; waar Jezus hen bescheiden had. a Matt. 26 : 32. Mark. 14 : 28. 17 En als zij hom zagen, baden zij hem aan; doch sommigen twijfelden. 18 En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: quot; Mij is gegeven alle magt in hemel en op aarde. ^ Ts. 8:7. Matt. II : 27. Luk. 10:22. Joh. 3 : 35. 17:2. 1 Cor. 15 : 27. Efcz. I : 22. Hebr. 2 : 8. 19 quot;Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestos; loerende hen onderhouden alles, wat ik u geboden heb. a Mark. 16: 15. Joh. 15: 10. 20 quot; En ziet, ik bon mot ulioden al de dagen tot do voleinding dor wereld. Amen. a Joh. 14:18. |
HET HEILIG EVAMELIE
naar de beschrijving van
MARKUS.
|
HOOFDSTUK 1. De prediking van het Evangelie begint met de dien.st van Johannes, die in do woestijn doopt en predikt met groeten toeloop, vs. 1. Christus wordt van hem gedoopt en uit don hemel betuigd te zijn de welgeliefde Zoon van God, 9. Wordt in de woestijn verzocht, 12; predikt in Galiléa, 14; en beroept Simon en Andréas, 16; als ook Jakobus en .lohun-nes, 19. Loert binnen Kapérnafim, 21. Werpt oenen onroinen geest uit, 23. Geneest de schoonmoeder van Petrus van de koorts, 29; on allerlei kranken |
en bezeten menschon, 32. Vertrekt naar eene woeste plaats om te bidden, 35. Gaat van daar prediken in de naaste steden, 38. Reinigt een' melaatsche, dien hij gebiedt to zwijgen en zich den priester te vertoonen, 40. HET begin des evangelies van Jezus Christus, don Zoon van God. 2 Gelijk geschreven is in de profeten: quot;Ziet, Ik zonde mijnen engel voor uw aangezigt, die uwen weg voor u heen bereiden zal. a Mal. 3: I. Matt. II : 10. Luk. 7 : 27. |
MARKUS 1.
874
|
uit het water opklom, zag hij de hemelen opengaan, en den (ieosl, gelijk eene duif, op hom nederdalen. a Matt. 3 : 16. Luk. 3 : 21. Joh. 1 : 32. 11 En er geschiedde eene stem uit de hemelen: quot;Gij zijt mijn geliefde Zoon, in denwelken Ik mijn welbehagen heb! «Ps. 2:7. .los. 42:1. Matt. 3:17. 17;.quot;). Mark.!): 7. Luk. 3:22. !): 35. Col. I ; 13. 2 Fotr. I : 17. 12 quot; En terstond dreef hem de Geest uit in do woestijn. « Matt. 1 : I. Luk. 1 : I. 13 En hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht van den Satan; en was bij do wilde gedierten; on de engelen dienden hem. |
synagoge gegaan zijnde, leerde hij. (i Matt. 4 : 13. Luk. 4:31. 22 quot;En zij versloegen zich over zijne leer: want hij leerde hen, als magt hebbende, en niet als de schriftgeleerden. a Matt. 7 : 2S. Luk. 4:32. 23 quot; En er was in hunne synagoge een monsch, met eenen onreinen geest, en hij riep uit, «Luk.4:33. 24 Zeggende: Laat af, wat hebben wij met u te dooi, gij Jezus, Nazaréner! zijt gij gekomen om ons te verderven? Ik ken u, wie gij zijt, namelijk de Heilige Gods. 25 En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ua uit van hom. |
MARKUS 1 , 2.
875
|
26 En do onreine geest, hem scheurende, en roepende met eene groote stom, ging uit van hem. 27 En zij werden allen verbaasd, zoodat zij onder elkander vraagden, zeggende: Wat is dit? wat nieuwe leer is deze, dat hij met magt ook den onreinen geesten gebiedt, en zij hem gehoorzaam zijn! 28 En zijn gerucht ging terstond uit, in het geheel omliggende land van Galiléa. 2!) quot; En van stonde a-an uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes. a Matt. 8 : 14. Luk. I : 38. 3(1 En Simons vrouws moeder lag niet de koorts; en terstond zeiden zij hom van haar. 31 En hij, tot haar gaande, vatte hare hand, on rigtto zo op; en terstond verliet haar do koorts, en zij diende henlieden. 32 quot; Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brag-ton zij tot hem allen, die kwalijk gestold, on van den duivel bezeten waren. a Matt, s ; 10. Luk. 4: 40. 33 En de gehoole stad was bijoen-vergaderd omtrent de deur. 34 En hij genas er velen, die door verscheidene ziekten k walij k gestel d waren; en wierp vele duivelen uit, en liet do duivelen niet toe te spreken, omdat zij hem kenden. 35 quot; En dos morgens vroeg, als het nog diep in don nacht was, opgestaan zijnde, ging hij uit, en ging henen in eene woeste plaats, ''en bad aldaar. «Luk. 4:42. 6 Matt. 14:^3. 36 En Simon, en die met hem waren, zijn hem nagevolgd. 37 En zij hem gevonden hebbende, zeiden tot hem: Zij zoeken u allen. 38 En hij zoido tot hen: quot; Laat ons in do bijliggende vlokken gaan, opdat ik ook daar predike: '' want daartoe ben ik uitgegaan. a Luk. 4:43. h Jes. 01 : 1. Lnk. 4: 18. 39 En hij predikte in hunne synagogen, door geheel Galiléa, en wierp de duivelen uit. 40 quot; En tot hom kwam oen molaatsche, biddende hem, en vallende voor hom op de knieën, en tot hem zeggende: Indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. a Matt. 8:2. Luk. 0:12. |
41 En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte do hand uit, en raakte hom aan, on zeido tot hom: Ik wil, word gereinigd ! 42 En als hij dit gezegd had, ging de molaatsch-heid terstond van hem, en hij word gereinigd. 43 En als hij hom strongolijk verboden had, deed hij hem terstond van zich gaan; 44 En zoide tot hem: Zie, dat gij niemand iets zegt; maar ga hoon en vertoon u zolven don priester, on offer voor uwe reiniging, hetgeen quot; Mozes geboden hoeft, hun tot eene getuigenis. a Lev. 13:2. 14:1. 45 Maar hij uitgegaan zijnde, begon vele dingen te verkondigen, on dat woord te verbreiden, alzoo dat hij niet meer openbaar in do stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot ~ hom van alle kanten. HOOFDSTUK 2. ('Iiristus predikt weder binnen Kapérnailm mot grooton toeloop des volks, vs. 1. Tot hem wordt een gemakte, of lamme, ge-biagt; wien hij de zonden vergeeft on geneest, bewijzende don schriftgeleerden, dat iiij ook magt heeft de zonden te vergeven, 3. Hij roept Mat-théiis van den tol, 18; eet en drinkt met do tollenaars en zondaars en verantwoordt dit zijn gedrag, 15. (looft reden waarom zijne discipelen als toen niet vastten gelijk do discipelen van Johannes en van do farizeön doden, 18. De discipelen plukken korenaren op den sabbat en worden door Christus verdedigd. EN quot; na ttommicjc dagen is hij wederom binnen Kapérnaüm gekomen; en het werd gehoord, dat hij in huis was. a Matt, fl: 1. Luk. 5:17. 2 En terstond vergaderden daar volen, alzoo dat ook zelfs de plaatsen omtrent de deur hen niet meer konden bevatten; en hij sprak het woord tot hen. 3 quot; En er kwamen nommigen tot hem, brengende eenen geraakte, die van vier godragen werd. a Matt, il: I. Luk. 5 : 18. 4 En niet kunnende tot hom genaken overmits de schare, ontdekten zij het dak, waar hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder, daar de geraakte op lag. 5 En Jezus, hun geloof ziende, zoide tot don geraakte: Zoon! uwe zonden zijn u vergeven. |
MARKUS 2, 3.
876
|
fi En sommigen van de schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hunne harten: 7 Wat spreekt deze aldus (godslasteringen? quot;wie kan do zonden vergeven, dan alleen God? a Ps. 32 : 5. 51 : 3. Jea. 43 : 25. iS En Jezus, terstond in zijnen geest bekennende, dat zij alzoo in zich zeiven overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uwe harten ? 9 Wat is ligter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergevegt;n? oi' te zeggen: Sta op, en neem uw beddeken op, en wandel ? 10 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des menschen magt heeft, om de zonden op do aarde te vergeven (zoido hij tot don geraakte): 11 Ik zeg u: sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis. 12 En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij uit in aller tegenwoordigheid, zoodat zij zich allen ontzetten, en verheerlijkten God, zeggende; Wij hebben nooit zulks gezien! 13 quot; En bij ging wederom uit naar do zee; en de geheele schare kwam tot hem, en hij leerde hen. a Matt. 9:9. Luk. 5:27. 14 En voorbijgaande zag hij Levi, den zoon van Alféüs, zitten in hot tolhuis, en zoido tot hem: Volg mij. En hij opstaande, volgde hem. 15 En het geschiedde, als hij aanzat in doszolfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en zijne discipelen: want zij waren vele, en waren hem gevolgd. 1(5 En do schriftgeleerden en defarizeën, ziende hem eten met do tollenaren en zondaren, zeiden tot zijne discipelen: Wat in het, dat hij mot do tollenaren en zondaren eet en drinkt? 17 En Jezus, dat hoorende, zoido tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn. quot;Ik ben niet gekomen, om te roepen regtvaardigen, maar zondaars tot bekeering. «Matt. 9:13. 21:31. Luk. 5:32. 19:10. 1 Tim. 1:15. 18 quot; En de discipelen van Johannes on der farizeën vastten; en zij kwamen en zeiden tot hom: Waarom vasten de discipelen van Johannes en der farizeën, en uwe discipelen vasten niet? a Matt. 9 : 14. Luk. 5: 33. 19 En Jezus zeide tot hen: quot;Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten, terwijl de bruidegom bij hen is ? Zoo langen tijd zij den bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten. a .les. (gt;2: 5. 2 Oor. 11:2. 20 Maar de dagen zullen komen, wanneer do bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en alsdan zullen zij vasten in dezelve dagen. 21 En niemand naait oenen lap ongevold laken op een oud kleed; anders scheurt deszolfs nieuwe aangenaaide lap iets af van het oude kleed, en er wordt eene ergere scheur. |
22 quot; Eu niemand doet nieuwen wijn in oude lt; lederzakken; anders doet de nieuwe wijn de leder-zakken bersten, en de wijn wordt uitgestort, en do lederzakken verderven; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe Zederaakkon doen. a Matt. 9: 17. 23 quot;En hot geschiedde, dat hij op eenen sabbatdag door het gezaaide ging, en zijne discipelen begonnen, al gaande, aren te plukken. o Deut. 23:25. Matt. 12:1. Luk. 6:1. 24 En de farizeën zeiden tot hem: Zie, waarom doen zij op den sabbatdag, quot; wat niet geoorloofd is? o Ex. 20: 10. 25 En hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen, wat quot;David gedaan heeft, als hij nood luid, en hem hongerde, en dengenen, die met hem waren'? a 1 Sam. 21 : (i. 26 Hoe hij ingegaan is in hot huis Gods, ten tijde van Abjathar, den hoogepriester, en do toonbrooden gegeten heeft, die niemand zijn geoorloofd te eten, quot; dan den priesteren, en ook gegeven hooft dengenen, die met hem waren ? a Lev. 24 : 9. 27 En hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt; om den monsch, niet de mensch om don sabbat. 28 quot; Zoo is dan do Zoon des menschen oen Heere ook van den sabbat. «Matt. 12:8. Luk. 6:5. HOOFDSTUK 3. Ohristus geneest eenquot; mensch, die eene verdorde hand had en bewijst, dat de sabbat daarmede niet ontheiligd wordt, vs. 1. üe farizeën en de herodianon houden raad tegen hem, doch hij ontwijkt hunne lagen en heeft eenen grooten toeloop van het volk van allo kanten, onder welke hij velen geneest, gebiedende den duivelen, welke hij uitwerpt, hem niet openbaar te maken, G; verkiest twaalf apostelen, 13; welker namen worden vermeld, 16. Zijne bloedverwanten houden hem voor uitzinnig, 21; do schriftgeleerden lasteren zijne wonderwerken, zeggende, dat hij dezelve door Beölzebul vorrigtte, welke lastering hij door verscheidene gelijkenissen wederlegt, 22; leert, dat de lastering tegon den H. Geest nimmer wordt vergeven, 28; en verklaart wie zijne moeder, broeder en zuster is, 31. EN quot; hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mensch, hebbende eene verdorde hand. «Matt. 12:9. Luk. 6:6. 2 En zij namen hom waar, of hij op den sabbat hom genezen zou, opdat zij hem beschuldigen mogten. 3 En hij zeide tot don mensch , die do verdorde hand had: Sta op in het midden. 4 En hij zeide tot hen: Is hot geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen? een' mensch te behouden, of te dooden ? En zij zwegen stil. 5 En als hij hen met toorn rondom aangezien had, mot oen bedroefd zijnde over do verharding van hun hart, zeido hij tot den mensch: Strok uwe hand uit. En hij strekte ze uit; quot;en zijne hand werd hersteld, gezond gelijk de andere. a 1 Kon. 13 : 6. 6 quot;En do farizeën, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de herodianen te zamen raad ge- |
MARKUS 3, 4.
877
|
houden te^en hem, hoe zij hem zouden dooden. a Matt. 12:14. Joh. 10 ; 39. 11 : 5B. 7 En Jezus vertrok met zijne discipelen naar de zee, quot;en hem volgde eene groote menigte van Galiléa, en van Judéa, a Matt. 4: quot;20. Luk. (i; 17. 8 En van Jeruzalem, en van Iduméa, en van over de Jordaan; en die van omtrent Tyrus en Sidon, eene groote menigte, gehoord hebbende, hoe groote dingen hij deed, kwamen tot hem. i) En hij zeide tot zijne discipelen, dat een scheepje steeds omtrent hem blijven zou, om dei-schare wil, opdat zij hem niet zouden verdringen. 10 Want hij had er velen genezen, alzoo dat hem al degenen, die eenige kwalen hadden, overvielen, opdat zij hem mogten aanraken. 11 En de onreine geesten, als zij hem zagen, vielen voor hem neder, en riepen, zeggende: (jij zijt de Zone Gods! 12 En hij gebood hun scherpelijk, dat zij hem niet zouden openbaar maken. 13 quot; En hij klom op den berg, en riep tot zich, die hij wilde; en zij kwamen tot hein. a Matt. 10: 1. Mark. 0:7. Luk. (i: 13. 9:1. 14 En hij stelde er twaalf, opdat zij met hem zouden zijn, en opdat hij dezelve zou uitzenden om te prediken; 15 En om magt te hebben, de ziekten te genezen , en de duivelen uit te werpen. Hi En Simon gaf hij den toenaam Petrus; 17 En Jakobus den zoon van Zebedéüs, en Johannes den broeder van Jakobus; en gaf hun toenamen, Boanérges, hetwelk is, zonen des donders; 18 En Andreas, en Filippus, en Bartholoméüs, en Matthéüs, en Thomas, en Jakobus den zoon van Alféüs, en Thaddéüs, en Simon Kanamtes. 1!) En Judas Iskariot, die hem ook verraden heeft. 20 En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom eene schare, alzoo dat zij ook zelfs quot;niet konden brood eten. «Mark. (i:31. 21 En als degenen, die hem bestonden, dit hoorden, gingen zij uit, om hem vastte houden: want zij zeiden: Hij is buiten zijne zinnen. 22 En de schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: quot;Hij heeft Beëlzebul, en door den overste der duivelen werpt hij de duivelen uit. «Matt.!):34. 12:24. Luk.11:15. Joh.8:48. 23 En hen tot zich geroepen hebbende, quot; zeide hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan do Satan den Satan uitwerpen? a Matt. 12:25. 24 En indien een koningrijk tegen zich zelf verdeeld is, zoo kan dat koningrijk niet bestaan. 25 En indien een huis tegen zich zelf verdeeld is, zoo kan dat huis niet bestaan. 20 En indien de Satan tegen zich zeiven opstaat, en verdeeld is, zoo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde. 27 quot; Er kan niemand in liet huis eens sterken ingaan en zijne vaten ontrooven, ''indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis berooven. « Matt. 12 : 2i). /; Col. 2:15. |
28 Voorwaar ik zeg u, quot; dat al de zonden den kinderen der menschen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben; n 1 Sam. 2 : 25. Matt. 12:31. Luk. 12 : 10. 1 .loh. 5 : 16. 29 quot; Maar zoo wie gelasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geene vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels. al Joh. 5:10. 30 Want zij zeiden: Hij heeft eenen onreinen geest. 31 quot; Zoo kwamen dan zijne broeders en zijne moeder; en buiten staande, zonden zij tot hem, en riepen hem. a Matt. 12: 40. Luk. 8:19. 32 En de schare zat rondom hem; en zij zeiden tot hem: Zie, uwe moeder en uwe broeders daar buiten zoeken u. 33 En hij antwoordde hun, zeggende: Wie is mijne moeder, of mijne broeders? 34 En rondom overzien hebbende, die om hem zaten, zeide hij: Ziet, mijne moeder en mijne broeders. 35 quot; Want zoo wie den wil van God doet, die is mijn broeder, en mijne zuster, en moeder. a Joh. 15: 14. 2 Cor. 5: 10, 17. HOOFDSTUK 4. Christus verklaart den staat van hot koningrijk Oods door verscheidene gelijkenissen, als: van den zaaijer, wiens zaad op onderscheidene plaatsen valt, vs. 1; verhaalt do oorzaak, waarom hij door gelijkenissen spreekt, 10; en legt deze zijnen discipelen in het bijzonder nit, 14. Daarna van eene kaars, die op den kandelaar wordt gezet, 21; van de maat, waarmede men uitmeet, 24; van het zaad, dat allcngs-kons tot rijpheid wast, 20; van hot mosterdzaad, 80. Vaart met zijne discipelen over zee, wordt in hot schip uit den slaap opgewekt en stilt het onweder, 35. EN quot; hij begon wederom te leeren omtrent de zee; en er vergaderde eene groote schare bij hem, alzoo dat hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de geheele schare was op het land aan de zee. a Matt. 13: I. Luk. 8:4. 2 En hij leerde hun vele dingen door gelijkenissen, en hij zeide in zijne leering tot hen: 3 Hoort toe: ziet, een zaaijer ging uit om te zaaijen. 4 Eu het geschiedde in het zaaijen, dat het eene deel zaad* viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op. 5 En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geene diepte van aarde had. 0 Maar als de zon opgegaan was, zoo is het verbrand geworden, en omdat het geen' wortel had, zoo is het verdord. 7 En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geene vrucht. |
MARKUS 4, 5.
H78
|
8 En hut andere viol in do yoodo aardo, cn «jai' 1 vrucht, die opging en wies; en het oeno droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderd t'cmr/. 9 En hij zeidc tot hen: Wie ooren heeft om te hooren, die hoore. 10 quot; En als hij nu alleen was, vraagden hom degenen, die omtrent hom waren, met do twaalven, naar de gelijkenis. (/Matt. 1H:10. Luk. 8:9. 11 En hij zeide tot hen: quot;Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het koningrijk Gods; ''maar dengenen, die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen; a Matt. 1 1 : 25. 2 Cor. 2 : 14. b 2 Cor. ü : 14. 12 quot; Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en hoorende hooren, en niet verstaan; opdat zij zich niet te oeniger tijd bekeeren, en hun de zonden vergeven worden, /(.los. (i: 9. Malt. 18:14. Luk. 8:l(t. Joh. 12:40. Hand. 28:20. Rom. 11:8. 13 En hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet? en hoe zult gij al do gelijkenissen verstaan? 14 quot; De zaaijer is, die het woord zaait. a Matt, lii : 19. Luk. 8 : II. 15 En deze zijn, die bij don weg bezaaid worden: waarin het woord gezaaid wordt; en als zij liet gehoord hebben, zoo komt de Satan terstond, en neemt het woord weg, hetwelk in hunne harten gezaaid was. l(i En deze zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden: welke, als zij hot woord gehoord hebben, terstond hetzelve mot vreugde ontvangen; 17 En hebben goenen wortel in zich zeiven, maar zijn voor eenen tijd; daarna als verdrukking of vervolging komt om des woords wil, zoo worden zij terstond geërgerd. 18 En deze zijn, die in de doornen bezaaid worden : namelijk degenen, die het woord hooren; 19 quot;En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms, on do begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken hot woord, en bet wordt onvruchtbaar. a Matt. 1!): 23. Mark. 10 : 21-5. Luk. 18 : 24. 1 Tim. (i: 9. 20 En deze zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn: welke het woord hooren en aannemen, en dragen vruchten, het oeno dertig-, en het andere zestig-, en hot andere honderdwoM//. 21 quot;En hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? in het niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde? ^ Matt. 5:15. Luk. 8:16. 11:33. 22 quot;Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen. «Joh 12:22. Matt. 10:26. Luk. 8:17. 12:2. 23 Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore. 24 En hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. quot;Met wat mate gij meet, zal u gemeten worden. |
en u, die hoort, zal meer toegelegd worden. a Matt. 7 : 2. Luk. (i: 38. 25 quot; Want zoo wie hoeft, dien zal gegeven worden; en wie niet hoeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft. n Matt. 13:12. 25:29. Luk. 8:18. 19:26. 26 En hij zeide: Alzoo is liet koningrijk (Jods, gelijk of een mensch het zaad in de aarde wierp; 27 En roorts sliep, en opstond, nacht en dag; en hot zaad uitsproot, en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe. 28 Want de aarde brengt van zelve vrucht voort: eerst het kruid, daarna do aar, daarna hot volle koren in do aar. 29 En als do vrucht zich voordoet, terstond zendt hij do sikkel daarin, omdat do oogst daar is. 30 quot;En hij zeide: Waarbij zullen wij het koningrijk Gods vergelijken? of mot wat gelijkenis zullen wij hetzelve gelijken? a Matt. 13: .31. Luk. 13:18. 31 Namelijk bij een mostaardzaad, hetwelk, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al do zaden, die op do aardo zijn. 32 En wanneer hot gezaaid is, gaat het op, en wordt het meeste van al de moeskruiden, en maakt groote takken, alzoo dat de vogelen des hemels onder zijne schaduw kunnen nestelen. 33 quot; En door vele zulke gelijkenissen sprak hij tot hen hot woord, naar dat zij het hooren konden. a Matt. 13 : 34. 34 En zonder gelijkenis sprak hij tot hen niet; maar hij verklaarde alles zijnen discipelen in het bijzonder. 35 quot;En op denzelven dag, als hot nu avond geworden was, zeide hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. ^ Matt. 8:23. Luk. 8:22. 36 En zij, de schare gelaten hebbende, namen hem mede, gelijk hij in het schip was; en er waren nog andore scheepjes mot hom. 37 En er werd een groote storm van wind, en de baren sloegen over in hot schip, alzoo dat liet nu vol werd. 38 En hij was in hot achterschip, slapende op eon oorkussen; en zij wekten hem op, en zeiden tot hem: Moester! bekommert hot u niet, dat wij vergaan? 39 En hij opgewekt zijnde, quot; bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er word groote stilte. n Job 26: 12. I's. 107 : 29. Jes. 51 : 10. 40 En hij zeide tot hen: Wat zijt gij zoo vreesachtig? hoe hebt gij geen geloof? 41 En zij vreesden met groote vreeze, on zeiden tot elkander: Wie is toch deze, dat ook de wind en de zee hem gehoorzaam zijn! HOOFDSTUK 5. Christus drijft een legioen duivelen uit eenen bezetene, vs. 1; en laat hun toe in de zwijnen te varen, 12; die allen in de zee verdrinken, 13. De herders boodschappen zuIks aan de Gadarénen, 14; welko Christus bidden, dat hij uit hunne landpale ver- |
|
trukke, 17; hij cliiot dit, oir gebiedt don gonezcnc daar te blijven, om deze weldaad bekend temaken, 18. Christus gaat mot .laïrus om zijn dochtertje te genezen, 21; en verlost onderweg' eene vrouw van eene twaalfjarige bloedvloeijing, 'J4. Hij wekt het dochtertje van .laïrus op, dat nu gestorven was, 30. EN quot; zij kwamen over op de andere zijde dei-zee, in het land der (iadarenen. a Matt. 8:28. htik. 8 : 2(). 2 En zoo als hij uit liet schip gegaan was, terstond ontmoette hem, uit de graven, een mensch met eenen onreinen geest; 3 Dewelke zijne woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen. 4 Want hij was menigmaal met boeijen en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeijen verbrijzeld, en niemand was magtig, om hem te temmen. 5 En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zich zeiven met steenon. (i Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad hem. 7 En met eene groote stom roepende, zeide hij: Wat heb ik met u te doen, Jezus, gij Zone Gods, des Allerhoogsten! ik bezweer u bij God, dat gij mij niet pijnigt! 8 (Want hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mensch!) !) En hij vraagde hein: Welk is uw naam ? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio, want wij zijn velen. 10 En hij bad hem zeer, dat hij hen buiten het land niet wegzond. 11 En aldaar aan de bergen was eene groote kudde zwijnen, weidende. 12 En al de duivelen baden hem, zéggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen. 13 En Jezus liet het bun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren iu de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee, (daar waren er nu omtrent twee duizend) en versmoordon in de zeo. 14 En dio do zwijnen weidden zijn gevlugt, en boodschapten zulks in de stad en op hot land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er geschied was. 15 En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn vorstand, namelijk die het legioen gehad had; en zij werden bevreesd. 16 En die het gezien haddon, vertelden hun, wat den bezetene geschied was, en ook van de zwijnen. 17 quot; En zij begonnen hem te bidden, dat hij van hunne landpalen wegging. a Hand. 10:39. 18 quot; En als hij in bet schip ging, bad hem de-879 |
gene, dio bezeten was geweest, dat hij met hem mogt zijn. a buk. 8 : 38. 19 Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat groote dingen u de Heere gedaan heeft, ou hor Hij zich uwer ontfermd heeft. 20 En hij ging heen, on begon te verkondigen in het land van Dokapolis, wat groote dingen hem Je/,us gedaan had; en zij verwonderden zich allen. 21 quot; En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan do andere zijde, vergaderde eene groote schare bij hem; en hij was bij de zee. a Luk. 8 : 40. 22 quot;En ziet, er kwam een van de oversten dor synagoge, niet name Jairus; en hom ziende, viel hij aan zijne voeten, a Matt. 9; is. Luk. 8:41. 23 En bad hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid u, dat gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal loven. 24 En hij ging met hem; en eene groote schare volgde hem, en zij verdrongen hem. 25 quot;En eene zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had, a Lev. 15 : 25. Matt. 9 : 20. Luk. 8 : 43. 26 En voel geledon had van vele medicijnmeesters, en nl het hare daaraan te koste gelegd, en geene baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was; 27 Deze van Jezus hoorende, kwam onder de schare van achteren, en raakte zijn kleed aan; 28 Want zij zeide: Indien ik maar zijne kleederen mag aanraken, ik zal gezond worden. 29 En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd , en zij gevoelde aan haar ligchaam, dat zij van die kwaal genezen was. 30 En terstond Jezus, bekennende in zich zeiven quot;de kracht, die van hem uitgegaan was, keerde zich om in de schare, en zeide: Wie heeft mijne kleederen aangeraakt? aLuk. 0:19. 31 En zijne discipelen zeidon tot hem: Gij ziet, dat do schare u verdringt, en zegt gij: Wie heeft mij aangeraakt V 32 En hij zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had. 33 En do vrouw, vroezendo en bevende, wetende, wat aan haar geschied was, kwam en viel voor hem neder, on zeide hem al de waarheid. 34 quot;En hij zeide tot haar: Dochter! uw geloof heeft u behouden; ga hoen in vrede, en zijt genezen van deze uwe kwaal. «Matt.9:22. Mark.10:52. 35 quot;Terwijl hij nog sprak, kwamen eenigen van het huis des oversten der synagoge, zeggende: Uwe dochter is gestorven, wat zijt gij den Meester nog moeijelijk? a Luk. 8:49. 36 En Jezus, terstond gehoord hebbende hot woord, dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet, geloof alleenlijk. 37 En hij liet niemand toe hem te volgen, dan MARKUS 5. |
MARKUS 5, (i.
880
|
Petrus, on Jakobus, en Johannes, den broeder van Jakobus; 38 En kwam in liet huis des oversten der synagoge , en zag de beroerte cn degenen, dio zeer weenden en huilden. 39 En ingegaan zijnde, zeide hij tot hen: Wat maakt gij beroerte, en wat weent gij? quot;het kind is niet gestorven, maar het slaapt, a.lolt. ]l : 11. 40 En zij belachten hem; maar hij, als iiij hen allen had uitgedreven, nam bij zioii den vader on de moeder dos kinds, en degenen, dio mot hem waren, en ging binnen, waar het kind lag. 41 En hij vatte de hand des kinds, en zeido tot haar: Talïtha kümi! hetwelk is , zijnde overgezet: Gij dochtertje, (ik zeg u) sta op! 42 En terstond stond liet dochtertje op, on wandelde; want het was twaalf jaren oud; on zij ontzetten zicii met groote ontzetting. 43 En hij gebood hun zeer, dat niemand dat-zelve zou weten; on zeide, dat men haar zou to eten geven. HOOFDSTUK (i. ('liristus leert in zijn vaderland , alwaar hij veracht wordt, vs. 1 ; zendt zijne apostelen uit om to prediken en wonderen te doen, 7. Verscheiden gevoelen van Christus, zoo dor Joden als van Herodes, die hem houdt voor Johannes den Dooper 14: wiens gevangenis, onthoofding en begrafenis liij die gelegenheid wordt verhaald, 17. De apostelen komen weder tot Christus, die met hen naar eene woeste plaats vertrekt, .'!(); waar hem eene groote schaar van omtrent vijf duizend mannen volgt, welke hij spijzigt met vijf broeden en twee visschen, 83. Hij doet zijne discipelen wegvaren, terwijl hij op den berg blijft om te bidden, 45. Komt daarna des nachts tot hen, wandelende op de zee en stilt den wind, 48. Aan land gekomen zijnde geneest hij allerlei ziekten, 54. EN quot;hij ging van daar weg, en kwam in zijn vaderland, en zijne discipelen volgden hem. a Matt. 13:53. Luk. 4: 10. '2 En als het sabbat geworden was, begon hij in de synagoge te leeren; en velen, dio hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen dozen deze dingen? en wat wijsheid is dit, die hein gegeven is, dat ook zulke krachten door zijne handen geschieden? |
3 quot; Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon? eu zijn zijne zustors niet hier bij ons? En zij werden aan hem geërgerd. a Joh. (i: 42. 4 En Jezus zeide tot hen: quot;Een profeet is niet ongeëerd, dan in zijn vaderland, en onder zijne magen, en in zijn huis. n Matt. 13 : 57. Luk. 4 : 24. Joh. 4 : 44. 5 quot;En hij kon aldaar geene kracht doen; dan hij legde weinigen zieken de handen op, en genas hen. n Matt. 13:58. (gt; En hij verwonderde zich over hun ongeloof, quot; en omging de vlekken daar rondom, loerende. a Matt. 9:35. Luk. 13:22. 7 quot;Eu hij riep tot zich de twaalven, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun raagt over de onreine geesten. «Matt. 10:1. Lnk.G: 13. 9:1. 8 En hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot den weg, dan alleenlijk oenen staf, geene male, geen brood, geen geld in den gordel; 9 quot; Maar dat zij schoenzolen zouden aanbinden, en met geen twee rokken gekleed zijn. olland. 12:8. 10 En hij zeide tot hen: Zoo waar gij in een huis zult ingaan, blijft daar, totdat gij van daar uitgaat. 11 quot; En zoo wie u niet zullen ontvangen , noch u hooren, vertrekkende van daar, '⢠schudt het stof af, dat onder aan uwe voeten is, hun tot eene getuigenis. c Voorwaar zog ik u: het zal Sodom of Gomórra verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan dezelve stad. a Matt. 10:14. Luk. 9:5. b Hand. 13:51. 18:1). c Matt. 10:15. Luk. 10:12. 12 En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden bekeoren. 13 En zij wierpen vele duivelen uit, quot; en zalfden vele kranken met olie, en maakten hen gezond. a Jakob. 5 : 14. 14 quot;En de koning Heródes hoorde hot, (want zijn naam was openbaar geworden) en zeide: Johannes, die daar doopte, is van de doodeu opgewekt, en daarom werken die krachten in hem. «Malt. 14:1. Luk. 9:7. 15 Anderen zeiden: Hij is Ehas; en anderen zeiden: Hij is een profeet, of als een der profeten. 16 Maar als hot Heródes hoorde, zeide hij: Doze is Johannes, dien ik onthoofd heb; die is van de dooden opgewekt. 17 quot;Want dezelve Heródes, een.lyen uitgezonden |
MARKUS 6.
881
|
liebbonde, had Johannes gevangen genomen, en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Heródias, de huisvrouw van zijnen broeder Fi-lippus, omdat hij haar getrouwd had. a Matt. 14 :15. Luk. 3 : 19. 9 : 9. 18 Want Johannes zeide tot lleródes: quot; Met is u niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben. a Lev. 18;1(). 20:21. |
'22 En als de dochter van dezelve Heródias inkwam, en danste, en Heródias en dengenen, die mode aanzaten, bobaagde, zoo zeide de koning tot bet dochtertje: Eisch van mij, wat gij ook wilt, en ik zal het u geven. 23 quot;En hij zwoer haar: Zoo wat gij van mij zult eischen, zal ik u geven, ook tot de helft mijns koningrijks! « Rigt. 11:30. |
|
19 En Heródes logde op hem toe, en wilde hem dooden, en konde niet: 20 Want Heródes vreesde Johannes, wetende, dat hij een quot; rogtvaardig en heilig man was, en hield hom in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en hoorde hom gaarne. a Matt. 14:5. 21 : 2G. 21 En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Heródes, «op den dag zijner geboorte, oenen maaltijd aanrigtte, voor zijne grooten, en le oversten over duizend, en do voornaamsten van Galiléa ; « Oon. 40 : 20. Matf. 14:0 |
24 En zij, uitgegaan zijnde, zeide tot hare moeder: Wat zal ik eischen? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Dooper. 25 En zij, terstond mot haast ingaande tot den koning, hoeft het geëischt, zeggende: Ik wil, dat gij mij nu terstond, in oenen schotel, geeft het hoofd van Johannes don Dooper. 20 En de koning, zeer bedroefd geworden zijnde, noijtnns om de eeden, en degenen, die mede aanzaten, wilde haar hetzelve niet afslaan. 27 n En do koning zond terstond oenen schorp-regter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze 56 |
MAI!KUS 6, 7.
HH'2
|
nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis; « Matt. 14:10. 28 En bragt zijn hoofd in eenen schotel, en gaf hetzelve het dochtertje, en het dochtertje gaf hetzelve hare moeder. 29 En als zijne discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dood ligchaam weg, en leiden dat in een graf. 30 quot; En de apostelen kwamen weder zamen tot Jezus, en boodschapten hem alles, beide wat zij gedaan hadden, en wat zij geleerd hadden. a Luk. n ; 10. 31 En hij zeide tot hen: Komt gijlieden in eene woeste plaats hier alleen, en rust een weinig: want er waren velen, die kwamen en die gingen, quot; en zij hadden zelfs geen' gelegen tijd om te eten. n Mark. 3 : 20. 32 quot;En zij vertrokken in een schip, naar eene woeste plaats, alleen. et Matt. 14:13. Luk. 0:10. Joh. 0:1. 33 En de scharen zagen hen heenvaren, en velen werden hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hun voor, en gingen zamen tot hem. 34 En Jezus, uitgaande, quot; zag eene groote schare, en word innerlijk met ontferming bewogen over hen: ''want zij waren als schapen, die geenen herder hebben; ''en hij begon hun vele dingen te loeren. a Matt, i): .'SO. 14: 14. b .Ter. 23 : 1. Ezec. 34 : 2. c Luk. 9:11. 35 quot; En als het nu laat op den dag geworden was, kwamen zijne discipelen tot hem, en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag; a Matt. 14: 15. Luk. 9:12. Joh. 0:5. 36 Laat ze van u, opdat zij heengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en broodon voor zich zeiven mogen koopon: want zij hebben niet, wat zij eten zullen. 37 Maar hij, antwoordende, zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot hom: Zullen wij heengaan, on koopon voor tweo honderd ponningen brood, en hun te eten geven ? 38 En hij zeide tot hen: Hoe voel broeden hebt gij 'lt;t gaat heen en beziet het. quot; En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee visschen. a Matt. 14:17. Luk. 9:13. Joh. 0:9. 39 En hij gebood hun, dat zij hen allen zouden doen nedorzitten bij waardschappon, op het groene gras. 40 En zij zaten neder in gedeelten bij honderd te zamen, en bij vijftig te zamen. 41 En als hij de vijf broodon en de twee visschen genomen had, quot;zag hij op naar den hemel, ''zegende en brak de broodon, en gaf ze zijnen discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen; en do twee visschen deelde hij voor allen. a Joh. 17 : 1. h 1 Sam. 9: 13. 42 En zij zaten allen, en zijn verzadigd geworden. 43 En zij namen op twaalf volle korven brokken, en van de visschen. |
44 En die daar do broodon gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen. 45 quot; En terstond dwong hij zijne discipelen in het schip te gaan, en voor henen te varen aan de andere zijde tegenover Bethsaïda, terwijl hij de schare van zich zou laten. a Matt. 14 : 22. Joh. (i: 17. 46 quot; En als hij aan dezelve hun afscheid gegeven had, ging hij op den berg om te bidden. a Matt. 14:23. Luk. 0: 12. 47 a En als het nu avond was geworden, zoo was het schip in hot midden van de zee, en hij was alleen op hot land. a Matt. 14:23. Joh. (i: 10. 48 En hij zag, dat zij zich zeer pijnigden, om het schip voort te krijgen: want de wind was hun tegen; en omtrent de vierde wake dos nachts, kwam hij tot hen, wandelende op de zee; en wilde hen voorbijgaan. 49 En zij, ziende hom wandelen op de zee, meenden, dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer: 50 Want zij zagen hom allen, en worden ontroerd; en terstond sprak hij met hen, en zeide tot hen : Zijt welgemoed, ik ben het, vreest u niet. 51 En hij klom tot hen in het schip, en do wind stilde; en zij ontzetten zich boven mate zeer in zich zeiven, en waren verwonderd. 52 Want zij hadden niet gelet op het wonder der broodon: want hun hart was verhard. 53 quot;En als zij overgevaren waren, kwamen zij in hot land Gennésaret, en havenden aldaar. a Matt. 14:34. 54 En als zij uit het schip gegaan waren, terstond werden zij hom kennende. 55 En het gelieole omliggende land doorloopende, begonnen zij op beddekons, degenen, die kwalijk gesteld waren, om te dragen, ter plaatse, waar zij hoorden, dat hij was. 56 En zoo waar hij kwam, in vlekken, of steden , of dorpen, daar leiden zij do kranken op de markten, en baden hem, dat zij maar don zoom zijns kloeds aanraken mogten; en zoo velen, als er hem aanraakten, worden gezond. HOOFDSTUK 7. Do farizeën en schriftgeleerden berispen de discipelen van Christus over het eten met ongewasschen handen, vs. 1. Zij worden door Christus verdedigd, die de farizeön bestraft over hunne geveinsdheid in hunne uitwendige wasschingon, 0; en verwerpt hunne mensehelijke inzettingen, inzonderheid in de verklaring van het vijfde gebod, 9. Leert wat den inensch eigenlijk ontreinigt, of niet, 14. Werpt eenen duivel uit de dochter van eene vrouw uit Syro-Feniciö, 24. Geneest eenen doofstomme, 31; en wordt daarover zeer geprezen, 37. EN quot; tot hem vergaderdon do farizeön, en sommige der schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren; a Matt. 15:1. 2 En ziende, dat sommige van zijne discipelen met onreine, dat is, met ongewasschen handen brood aten, berispten zij hen. |
MARKUS 7.
cSHIi
|
:i Want de farizoën en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikmaals wasschen, houdende de inzetting der ouden. 4 En van de inai-kt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst gewasschen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wasschingen der drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden. 5 Daarna vraagden hem do farizeën en de schriftgeleerden : Waarom wandelen uwe discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten liet brood met ongewasschen handen? 6 Maar hij antwoordde en zeide tot hen; Wol heeft Jesaja van u, geveinsden! geprofeteerd, gelijk geschreven is: quot;Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij. a ,les. 20 : 13. ïïzec. Sii: 31. 7 quot; Doch te vergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen , die geboden zijn der menschen: n Mntt. 15 : !). Co], 2:18, 20. Tit. 1 : 14. 8 Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der menschen, als namelijk wasschingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele. !) En hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat gij uwe inzetting zoudt onderhouden. 11) Want Mozes heeft gezegd: quot;Eer uwen vader en uwe moeder; en: 11 Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. a Ex. 20 : 12. üeut. 5 : 1 (!. Efez. G : 2. h Ex. 21 : 17. Lev. 20:9. Deut. 27:16. Spr. 20:20. 11 Maar gijlieden zegt: Zoo een mensch tot vader of moeder zegt: Het is korban (dat is te zeggen, eene gave), zoo wat u van mij zou kun-non ten nutte komen, die voldoet. 12 En gij laat hem niet meer toe, iets aan zijnen vader of zijne moeder te doen. 13 quot; Makende al zoo Gods woord krachteloos door uwe inzetting, die gij ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet gij. a Matt. 15 : G. 1 Tim. 4:3. 2 Tim. 3:2. 14 quot; En tot zich de gansche schare geroepen hebbende, zeide hij tot hen: Hoort mij allen en verstaat. a Matt. If): 10. 15 quot; Er is niets van buiten den mensch in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreinigen; maar de dingen, die van hem uitgaan, die zijn het, welke den mensch ontreinigen. a Hand. 10: 15. Roin. 14:17, 20. Tit. 1 : 15. IG Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die iioore. 17 quot; En toen hij van de schare in huis gekomen was, vraagden hem zijne discipelen van de gelijkenis. a Matt. 15:15. 18 En hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzoo onwetende? Verstaat gij niet, dat al wat van 'â¢uiten in den mensch ingaat, hem niet kan ontreinigen 'i 1!) Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen. |
20 En hij zeide : Hetgeen uitgaat uit den mensch, dat ontreinigt den mensch. 21 quot; Want van binnen uit liet hart der menschen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, n Oen. 0:5. 8:21. Spr. (i: 14. .lor. 17 : fl. 22 Dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hoovaardij, onverstand. 23 Al deze booze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mensch. 24 quot; En van daar opstaande, ging hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde hij niet, dat het iemand wist, en hij kon nogtans niet verborgen zijn. a Matt. 15:21. 25 Want eene vrouw, welker dochtertje oenen onreinen geest liad, van hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan zijne voeten. 26 Deze nu was eene Grieksche vrouw, van geboorte uit Syro-Fenicië; en zij bad hein, dat hij den duivel uitwierp uit hare dochter. 27 Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst do kinderen verzadigd worden: want liet is niot betamelijk, dat men het brood der kinderen neme, en den hondekens wwwerpe. 28 Maar zij antwoordde en zeide tot hem: Ja, Ileere! doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen. 2!) En hij zeide tot haar: Om dezes woords wil ga heen! de duivel is uit uwe dochter uitgevaren. 30 En als zij in haar huis kwam, vond zij, dat de duivel uitgevaren was, en de dochter liggende op het bed. 31 quot; En hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan do zee van Galiléa, door het midden der landpalen van Dekapolis. a Matt. I 5 : 20, 32 quot;En zij bragten tot hem oenen doove, die zwaarlijk sprak, en baden hem, dat hij de hand op hem legde. a Matt. 0:32. Luk. 11 : 14. 33 En hem van de schare alleen genomen hebbende, stak hij zijne vingeren in zijne ooren, en gespogen hebbende, raakte hij zijne tong aan; 34 En opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte hij, en zoide tot hem: Effatha! dat is, word geopend! 35 En terstond werden zijne ooren geopend, en de band zijner tong werd los, en hij sprak regt. 36 En hij gebood hunlieden, dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat hij hun ook gebood, zoo verkondigden zij hot des te meer. 37 En zij ontzetten zich boven mate zeer, zeggende: quot; Hij heeft alles wel gedaan, en hij maakt, dat de dooven hooren, en de stommen spreken. d' Oom. 1 : lil. |
MARKUS 8.
88-1
|
HOOFDSTUK 8. Christus spijzigt vier duizeiul mannen mot zeven liroo-den on weinige visclijos, vs. 1. Weigert den farizeën eon teeken uit den hemel, 11. Waarschuwt zijne discipelen voor den zuurdeesem der farizeën on van Iloródos, 14. Maakt oenen blinde ziende, 22. Verscheiden gevoelen dor Joden van Christus, en de belijdenis van Petrus, dat hij do Christus was, 27. Christus voorzegt zijn lijden, dood en opstanding. Hl; bestraft Petrus, die hem dit lijden ontraadde, 32. Vermaant zijne volgers, hun kruis op zich te nomen, zich zei ven te verzaken en door geene vreezo zioli over hem en zijne leer te schamen, 154. IN quot;dezelve dagen, als or eene geheel groote schare was, en zij niet hadden, wat zij eten zouden, riep Jezus zijne discipelen tot zich, en zeide tot hen: n Matt. 15:32. 2 Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, want zij zijn nu drie dagen bij mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden. 3 En indien ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zoo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre. 4 En zijne discipelen antwoordden hem: Van waar zal iemand dezen met brooden hier in de woestijn kunnen verzadigen? 5 En hij vraagde hun: Hoe veel brooden hebt gij? En zij zeiden: Zeven. (i En hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en hij nam do zeven brooden, cn gedankt hebbende, brak hij ze, en gaf ze zijnen discipelen , opdat zij zo zouden voorleggen, en zij leiden ze der schare voor. 7 En zij hadden weinige vischjes; on als hij gezegend had, zeide hij, dat zij ook die zouden voorleggen. 8 En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden , on zij namen hot overschot der brokken op, zeven manden. 9 Die nu gegeten hadden, waren omtrent vier duizend; en hij liet hen gaan. 10 quot; En terstond in het schip gegaan zijnde met zijne discipelen, is hij gekomen in de dooien van Dalmanütha. a Matt 15:39. 11 En de farizeën gingen uit, en begonnen met hom te twisten, quot; begoorondo van bom een teeken van den hemel, bom verzoekende. n Matt. 12:38. 10:1. buk. II : 29. Joh. 0:30. 12 En hij, zwaarlijk zuchtende in zijnen geest, zeide: Wat begeert dit geslacht een toeken? quot; Voorwaar ik zeg u: zoo aan dit geslacht een toeken gegeven zal worden! a Matt. 16:4. 13 En hij verliet hen, en wederom in hot schip gegaan zijnde, voer hij weg naar de andere zijde. 14 En zijne discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan een brood met zich in hot schip. 15 En hij gebood hun, zeggende: quot;Ziet toe, wacht u van don zuurdeesem der farizeën, en van den zuurdeesem van Iloródos. a Matt. 1(1: ö. Luk. 12:1. |
16 En zij overloiden onder elkander, zeggende: Het is, omdat wij geene brooden hebben. 17 En Jezus, dat bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt gij, dat gij geene brooden liebt ? bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet? quot; hebt gij nog uw verharde hart ? a Mark. 6 : 52. 18 Oogen hebbende, ziet gij niet? en ooren hebbende, hoort gij niet ? 1!) En gedenkt gij niet, quot; toon ik de vijf brooden brak onder de vijf duizend mannen, hoe veel volle korven met brokken gij opnaamt? Zij zeggen hem: Twaalf. a Matt. 14 :17, 20. Mark. 6 : 38. Luk. 9:13. Joh. 0 : 9. 20 En quot; toen ik de zeven brak onder do vier duizend mannen, hoe veel volle manden mot brokken gij opnaamt? En zij zeidon: Zeven. «Matt. 15:36, 37. 21 En hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet? 22 En hij kwam te Bethsaïda; en zij bragton tot hem oenen blinde, en baden hem, dat hij hom aanraakte. 23 En de hand dos blinden genomen hebbende, leidde hij hem uit buiten het vlok, quot; en spoog in zijne oogen, en ''leido do handen op hem, en vraagde hom, of hij iets zag. a Mark. 7 : 33. b Mark. 7 : 32. 24 En hij, opziende, zeide: Ik zie do monschen, want ik zie hen, als boomen, wandelen, 25 Daarna lolde iiij do handen wederom op zijne oogen, en dood hom opzien. En hij word hersteld, on zag bon allen ver en klaar. 20 En hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in hot vlok, en zog het niemand in hot vlok. 27 quot; En Jezus ging uit on zijne discipelen naaide vlokken van Cesarén Filippi. En op den weg vraagde hij zijne discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de monschen, dat ik ben? n Matt. 16 : 13. Luk. 0 : 18. 28 En zij antwoordden: quot;Johannes de Doopor; en anderen: Ellas; en andoren: Eon van de profeten. a Matt. 14:2. 29 En hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij, dat ik ben? En Petrus, antwoordende, zeide tot hem: quot; Gij zijt do Christus. a Matt. 10 : 10. Joh. 0 : 09. 30 En hij gebood hun schorpelijk, dat zij hot niemand zouden zeggen van hem. 31 quot;En hij begon hun te leeren, dat do Zoon des monschen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriosteren, en schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen wederom opstaan. a Matt. 16:21. 17:22. 20:18. Mark. 9:31. 10:33. Luk. 9:22. 18:31. 24:7. 32 En dit woord sprak hij vrij uit: en Petrus hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen; 33 Maar hij, zich omkeerende, en zijne discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende: quot; Ga |
MARKUS 8, 9.
1
885
|
heen, achter mij, Satanas! want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der menschen zijn. a 2 Sara. 19:22. 34 En tot zich geroepen hebbende de schare met zijne discipelen, zeide hij tot hen: quot;Zoo wie achter mij wil komen, die verloochene zich zei-ven, en neme zijn kruis op, en volge mij. a Matt. 10 : 38. 1G : 24. Luk. 9 : 23. 14 : 27. 35 quot; Want zoo wie zijn loven zal willen behouden , die zal hetzelve verliezen; maar zoo wie zijn leven zal verliezen, om mijnentwil, en om des evangelies tvil, die zal hetzelve behouden. a Matt. 10 : 39. 16 : 25. Luk. 9 : 24. 17 : 33. Joh. 12 : 25. 36 Want wat zou het den mensch baten, zoo hij do geheele wereld won, en zijner ziele schade leed? 37 Of wat zal een mensch geven quot; tot lossing van zijne ziel? aPs. 49:9. 38 quot; Want zoo wie zich mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, dien zal zich do Zoon des menschen ook schamen, wanneer hij zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige engelen. a Matt. 10:32. Luk. 9:26. 12:8. 2Tira.2:12. l.!oh.2:23. HOOFDSTUK 9. Christus wordt op den berg verheerlijkt, in tegenwoordigheid van Mozes en Elias, en wordt verklaard de Zoon van God te zijn, vs. 1; leert dat Johannes de üooper de Elias is, die komen zou ,11; werpt eenen stommen en dooven duivel uit, 14; hetwelk zijne discipelen niet hadden kunnen doen, 18; waarvan de oorzaak verhaald wordt, 28. Voorzegt wederom zijnen dood en opstanding, 31; vermaant zijne apostelen tot nederigheid, door het voorbeeld van een kindeken, 33. Wil niet belet hebben dengenen, die in zijnen naam duivelen uitwierp, 38; belooft vergeldingen dien, die de minste weldaad aan do zijnen doet, 41; bedreigt zware straften dengenen, die ergernis geven, 42; wijst aan dat men zicli moet ontdoen van al wat ergerlijk of hinderlijk is ter zaligheid, 43; spreekt van zout in zich zeiven en vrede met anderen te hebben, 49. EN quot; hij zeide tot hen: Voorwaar ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen, die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien, dat het koningrijk Gods met kracht gekomen is. a Matt. 16 : 28. Luk. 9 : 27. 2 quot; En na zes dagen, nam Jezus met zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en bragt hen op eenen hoogen berg bezijden alleen; en hij werd voor hen van gedaante veranderd, a Matt. 17:1. Luk. 9:28. 3 En zijne kleederen werden blinkende, zeer wit als sneeuw, hoedanige geen voller op aarde zoo wit maken kan. 4 En van hen werd gezien Elias met Mozes, en zij spraken mot Jezus. 5 En Petrus, antwoordende, zeide tot Jezus: Rabbi! het is goed, dat wij hier zijn, en laat ons drie tabernakelen maken, voor u eenen, en voor Mozes eenen, en voor Elias eenen. 6 Want hij wist niet, wat hij zeide: want zij waren zeer bevreesd. |
7 En er kwam eene wolk, die hen overschaduwde, en eene stem kwam uit do wolk, zeggende : quot; Deze is mijn geliefde Zoon, b hoort hem! a Jes. 42 : 1. Matt. 3 : 17. 17 : 5. Mark. 1:11. Luk. 3 : 22. 9:35. Col. I : 13. 2 Petr. 1: 17. h Deut. 18: 19. 8 En haastelljk rondom ziende, zagen zij niemand meer, dan Jezus alleen bij zich. 9 quot;En als zij van den berg afkwamen, gebood hij hun, dat zij niemand verhalen zouden, hetgeen zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des menschen uit do dooden zou opgestaan zijn. a Matt. 17 : 9. Luk. 9 : 36. 10 En zij behielden dit woord bij zich zelvon, vragende onder elkander, wat hot was, uit de dooden opstaan. 11 En zij vraagden hom, zeggende: Waarom zeggen de schriftgeleerden, quot; dat Elias eerst komen moet? «Mal. 4:5. Matt. 11: 14. Luk. 1 :17. 12 En hij, antwoordende, zeide tot hen: Elias zal wel eerst komen, en alles wedoroprigten; en het zal geschieden, quot;gelijk geschreven is van don Zoon des menschen, dat hij veel lijden zal en veracht worden, a Ps. 22 : 7. Jes. 53 : 4. Dan. 9 : 26. 13 Maar ik zeg u, dat ook Elias gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zij gewild hebben, quot;gelijk van hom geschreven is. aMal.4:5,6. 14 En als hij bij de discipelen gekomen was, zag hij eene groote schare rondom hen, on eenige schriftgeleerden met hen twistende. 15 En terstond do geheele schare hem ziende, werd verbaasd, on toeloopendo groetten zij hem. 16 En hij vraagde don schriftgeleerden: Wat twist gij mot dezen? 17 quot;En een uit de schare, antwoordende, zeide: Meester! ik heb mijnen zoon tot u gebragt, die eenen stommen geest hooft. « Matt. 17 : 14. Luk. 9:37, 38. 18 En waar hij hem ook aangrijpt, zoo scheurt hij hom, on schuimt, en knerst met zijne tandon, en verdort; en ik heb uwen discipelen gezegd, dat zij hem zouden uitworpen, en zij hebben niet gekonnon. 19 En hij antwoordde hem, en zoido: O ongo-loovig geslacht! hoe lang zal ik nog bij uliedon zijn? hoe lang zal ik u nog verdragen? brengt hem tot mij. 20 En zij bragten denzelven tot hem: quot; en als hij hem zag, scheurde hem terstond de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende. a Mark. 1 : 26. 21 En hij vraagde zijnen vader: Hoe langen tijd is hot, dat hem dit overkomen is? En hij zeide: Van zijne kindsheid af. 22 En menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in hot water geworpen, om hem te verderven; maar zoo gij iets kunt, woes mot innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons. 23 En Jezus zeide tot hem: Zoo gij kunt ge-looven, quot; allo dingen zijn mogelijk dengenen, die gelooft. «Luk. 17:6. |
MARKUS !), 10.
|
24 En terstond do vador des kinds, roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere! kom mijne ongeloovigheid te hulp. 25 En Jezus ziende, dat do schare gezamenlijk toeliep, bestrafte don onreinen yeest, zeggende tot hem: Gij stomme en doove geest! ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in hem. 26 En hij roepende, en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood, alzoo dat velen zeiden, dat het gestorven was. 27 En Jezus, hem bij do hand grijpende, rigtte hem op; en hij stond op. 28 quot; En als hij in huis gegaan was, vraagden hem zijne discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? a Matt. 17: 1!). 29 En hij zeide tot hen : Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door bidden en vasten. :!() quot; En van daar weggaande, reisden zij door Galiléa; en hij wilde niet, dat het iemand wist.-a Matt. 16 :21. 17 : 22. 20: IB-Mark. 8:31. 10:33. Luk. 9:22. 18:31. 24:7 31 Want hij leerde zijne discipelen, en zeide tot hen: De Zoon des menschen zal overgeleverd worden in do handen der menschen, on zij zullen hom doodon; en gedood zijnde, zal hij ten derden dage weder opstaan. 32 Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden hem te vragen. 33 quot; En hij kwam te Kapérnaüm, en in bet huis gekomen zijnde, vraagde hij hun: Waarvan hadt gij woorden onder elkander op den weg? a Malt. 18:1. Luk. 0 : 40. 22 : 24. 34 Doch zij zwegen: want zij waren onder elkander in woorden geweest op den weg, wie de ineesto zan zijn. 35 En nedergezeten zijnde, riep hij de twaalven, en zeide tot hen: quot; Indien iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en aller dienaar. «Malt. 20:27. Mark. 10:43. 36 En nemende een kindeken, stelde hij dat midden onder hen, en quot;omving het met zijne armen, en zeide tot hen: a Mark. 10:10. 37 quot; Zoo wie een van zoodanige kinderkous zal ontvangen in mijnen naam, die ontvangt mij; en zoo wie mij zal ontvangen, die ontvangt mij niet, maar Dien, die mij gezonden heeft. a Matt. 18:5. Lak. 0:48. Joh. 13:20. 38 quot; En Johannes antwoordde hem, zeggende: Meester! wij hebben oenen gezien, die de duivelen uitwierp in uwen naam, welke ons niet volgt; en wij hebben liet hem verboden, omdat hij ons niet volgt. a Luk. 9 : 49. 39 quot; Doch Jezus zeide: Verbiedt hem niet: want er is niemand, die eene kracht doen zal in mijnen naam, en haastelijk van mij zal kunnen kwalijk spreken. « 1 Oor. 12 : 3. 40 Want wie tegen ons niet is, die is voor ons. 41 Want quot; zoo wie ulieden eenen beker waters zal te drinken geven in mijnen naam, omdat gij diseipclen van Christus zijt, voorwaar zeg ik u, hij zal zijnen loon geenszins verliezen. |
a Matt. 10 : 42. 42 quot;En zoo wie eenen van deze kleinen, die in mij gelooven, ergert, het ware hem beter, dat een molensteen om zijnen hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware. a Matt. 18:6. Luk. 17 : 2. 43 quot;En indien uwe hand u ergert, houwt ze af: het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusschelijk vuur; a Dent. 13 : 6. Matt. 5 : 30. 18:8. 44 quot;Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt. «Jes. (gt;6:24. 45 En indien uw voet u ergert, houwt hem af: het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan do twee voeten hebbende, geworpen te worden in de hel, in het onuitblusschelijk vuur; 46 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt. 47 En indien uw oog u ergert, werpt het uit: het is u beter maar oen oog bobbende in het koningrijk Gods in te gaan, dan twee oogon hebbende in het holsche vuur geworpen te worden; 48 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt. 49 Want een ieder zal mot vuur gezouten worden, quot; on iedere offerande zal met zout gezouten worden. a Lev. 2 : 13. 50 quot; Het zout is goed; maar indien het zout onzout wordt, waarmode zult gij dat smakelijk maken? ''Hebt zout in u zeiven, en houdt vrede onder elkander. a Matt. 5 : 13. Luk. 14 : 34. h Kom. 12 : 18. Hebr. 12 : 14. HOOFDSTUK 10. Christus beantwoordt de vraag der farizeön, of hot oou' man geoorloofd is zijuc vrouw te verlaten, vs. 1. Wil dat men de kinderen tot hem zal laton komen en zegent ze, 13. Antwoordt eeneu rijken jongeling oj) zijne vraag, wat hij doen moest om hot eeuwige loven te beërven, 17. Leert hoe bezwaarlijk do rijken in het koningrijk dor homoion komen, 23. Belooft dengenen, die het hunne om zijnentwil verlaten, lijdelijke en eeuwige vergolding, 28. Voorzegt weder zijn lijdon, dood en wederopstanding, 32. Antwoordt den zonen van Zebedóüs op hun verzoek, om te zitten aan zijne regter- en linkerhand, en vermaant hen tot lijden en nederigheid, 33. Maakt don blinden Bartiméüs ziende, 40. EN quot;van daar opgestaan zijnde, ging hij naaide landpalen van Judéa, door de overzijde van de Jordaan; en de scharen kwamen wederom zamen bij hem, en, gelijk hij gewoon was, leerde hij hen wederom. «Malt. 19:1. 2 En de farizeön, tot hem komende, vraagden hem: of het een' man geoorloofd is, zijne vrouw te verlaten; hem verzoekende. 3 Maar hij, antwoordende, zeide tot hen: Wat heeft u Mozes geboden ? 4 En zij zeiden: quot;Mozes heeft toegelaten oenen scheidbrief te schrijven, en haar te verlaten. «Dent. 24:1. .lor. 3:1. Matt. 5:31. |
MARKUS ld
887
|
5 En Jezus, antwoordende, zoido tot hou: Van woge de hardigheid uwer harten heeft hij uiieden dat gebod geschreven; 6 quot; Maar van het begin der schepping heeft zo God man en vrouw gemaakt. «Gren. 1:27. Matt. 19:4. 7 quot; Daarom zal een mensch zijnen vader en zijne moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen; n Gen. 2:24. 1 Gor. G : I (i, Efez. 5:31. 8 En die twee zullen tot één vleesch zijn, alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch. 9 quot; Hetgeen dan God zamengevoegd heeft, scheide de mensch niet. « 1 Oor. 7 :10. 10 En in het huis vraagden hem zijne discipelen wederom van hetzelve. 11 quot;En hij zeide tot hen: Zoo wie zijne vrouw verlaat, en eene andere trouwt, die doet overspel tegen haar. aMalt. 5:32.19:9. Luk. 10:18. ICor. 7:10. 12 En indien eene vrouw haren man ilt; zal verlaten, en niet een' anderen trouwen, die doet overspel. 13 quot; En zij brag-ten kinderkens tot hom, opdat hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften dogenen, die zo tot hem bragten. a Matt. 9 : 13. Luk. 18 : 15. 14 Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkous tot mij komen , en verhindert zo niet, «want derzulken is het koningrijk Gods. a Matt. 18 : 3. 19 : 14. i Oor. 14 : 20. 1 Petr. 2 : 2. 15 Voorwaar zeg ik u: zoo wie hot koningrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindekon, die zal in hetzelve geenszins ingaan. Ifi quot;En hij omving ze met zijne armen, en de handen op hen gelogd hebbende, zegende hij dezelve. a Matt. 19: 15. Mark. 9:30. 17 quot; En als hij uitging op den weg, liep oen tot hem, en voor hem op do knieën vallende, vraagde hom: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik hot eeuwige leven beërve? «Matt. 19:10.Luk. 18:18. 18 En Jezus zeide tot hein : Wat noemt gij mij goed? niemand is goed, dan één, namelijk God. 19 Gij weet de geboden: quot;Gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden; gij zult niet stelen; gij zult geone valschè getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen; eer uwen vader en uwe moeder, a Ex. 20: 13. 21 : 12. ücut. 5 : 17. Ram. 13:9. 20 Doch hij, antwoordende, zeide tot hom: |
Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jongheid af. 21 En Jezus, hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem: quot; Een ding ontbreekt u, ga heen, verkoop alios, wat gij hebt, en geef het don armen, en gij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem hot kruis op, on volg mij. a Matt. 0 : 19. Luk. 12 : 33. Hi: 9. 1 Tim. 0:17. 22 Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg: want hij had vele goederen. 23 En Jezus rondom ziende, zeide tot zijne discipelen: quot;Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het koningrijk Gods inkomen! a Spr. II : 28. Matt. 19:23. Luk. 18:24. 24 En de discipelen werden verbaasd over deze zijne woorden. Maar Jezus, wederom antwoordende, zeide tot hen : Kinderen ! hoe zwaar is hot, dat degenen , die op het goed hun betrouwen zotten, in hot koningrijk Gods ingaan! 25 Hot is ligter, dat een keinol ga door hot oog van eene naald, dan dat oon rijke in het koningrijk Gods inga. 2() En zij worden nog meer verslagen , zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden V 27 Doch Jezus, hon aanziende, zoido : Bij do mon-schen is hot onmogelijk, maar niot bij God: quot; want allo dingen zijn mogelijk bij God. «Job 42:2. Jer. 32:17. Zach. 8:0. Lui;. 1 : 37. 28 quot; En Petrus begon tot hem to zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn u gevolgd. a Matt. 4:20. 19:27. Lak. 5:11. 18:28. 29 En Jezus, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg ik uiieden: er is niemand, die verlaten hooft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om mijnentwil en dos evangelies wil, 30 Of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd, huizen, en broeders, en zusters, on moeders, en kinderen, en akkers, mot de vervolgingen, en in do toekomende eeuw hot eeuwige loven. 31 quot;Maar vele eersten zullen do laatsten zijn, en velen, die de laatsten zijn, de eersten. a Matt. 19:30. 20: 10. Luk. 13:30. 32 quot; En zij waren op don weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren |
MARKUS 10, 11.
888
|
verbaasd, on hem volgende, waren zij bevreesd. En do twaalven wederom tot zich nemende, begon hij hun te zeggen de dingen, die hem overkomen zouden; a Matt. 16:21. 17:22, 20:18. , Mark. 8:31. 9:31. Luk. 9:22. 18:31. 24:7. 33 Zey [lende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des menschen zal den overpriesteren, en den schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen hem ter dood veroordeelen, en hem den Heidenen overleveren; 34 En zij zullen hem bespotten, en hem geeselen, on hom bespuwen, en hom doodon; en ten derdon dage zal hij wederopstaan. 30 quot; En tot hom kwamen Jakobus en Johannes, do zonen van Zebedéüs, zeggende: Meester! wij wildon wel, dat gij ons deedt, zoo wat wij be-geeron zullen. a Matt. 20:20. 3G En hij zeido tot hen: Wat wilt gij, dat ik u doe? 37 En zij zeiden tot hem: Geef ons, dat wij mogen zitten, de een aan uwe regter-, en do ander aan uwe Wnkevhand in uwe heerlijkheid. 38 Maar Jezus zeide tot hen: üij weet niet, wat gij begeert. Kunt gij den drinkbeker drinken, dien ik drink, en met den doop gedoopt worden, quot;daar ik mede gedoopt worde? a Matt. 20:22. Luk. 12:50. 39 En zij zeidon tot hem: Wij kunnen. Doch Jezus zoide tot bon: Den drinkbeker, dien ik drink, zult gij wel drinken, on met don doop gedoopt worden, daar ik mede gedoopt worde; 40 Maar het zitten tot mijne rogtor- on tot mijne Wnkavhand staat bij mij niet te geven; maar het zal tjeyeven worden quot; dien het boreid is. a Matt. 25 : 34. 41 quot; En als do andere tion dit hoorden, begonnen zij het van Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen. a Matt. 20 : 24. 42 Maar Jezus, hen tot zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Gij weet, quot; dat degenen, die go-acht worden oversten te zijn der volken, heerschappij voeren over hen, en hunne grooten gebruiken magt over hen. a Matt. 20:25. Luk. 22:25. 43 quot; Doch alzoo zal hot onder u niet zijn; maar zoo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn. al Petr. 5:3. 44 En zoo wie van u do eerste zal willen worden, dio zal aller dienstknecht zijn. 45 Want ook de Zoon des menschen is niet gekomen , quot; om gediend te worden, maar om te dienen, en ''zijne ziel te geven tot eon rantsoen voor velen. «Joh. 13:14. Fill pp. 2:7. h Efez. 1 : 7. Col. 1 : 14. 1 Tim. 2 : C. Tit. 2 :14. 46 quot; En zij kwamen te Jericho. En als hij, en zijne discipelen, en eene groote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timóüs, Bar-timéüs do blinde, aan den weg, bodelende. o Malt. 20:29. Luk. 18:35. 47 En hoorende, dat hot Jezus do Nazarénor was, begon hij te roepen en te zoggen: Jezus, gij Zone Davids! ontferm u mijner. |
48 En velen bestraften hom, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoo veel te meer: Gij Zone Davids! ontferm u mijner. 49 En Jezus, sfa'fetaando, zoide, dat men hem roepon zou; en zij riepen don blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed, sta op, hij roept u. 50 En hij, zijnen mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus. 51 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Wat wilt gij, dat ik u doen zal ? En do blinde zoide tot hom: llabboni! dat ik ziende mag worden. 52 En Jezus zeido tot hom: Ga heen, quot; uw geloof hooft u bohouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op don weg. a Matt. 9 : 22. Mark. 5 : 34. HOOFDSTUK 11. Christus duct zijnen inlogt binnen Jerüzalom, zittoudo oi) oonon czol, vs. 1 ; wordt door hot volk als do Messias goleid on ontvangen met gelukwenschingen, 8. Vervloekt oonon vijgeboom, dio zonder vrucht was, 12; drijft de koopers en verkoopers uit don tempel, 15; roemt de kracht des goloofs, 20; vermaant, dat men in het bidden gelooven moot, en zijnon naaste vergeven, 24; beantwoordt de vraag, door wat magt hij dit deed, met eene wedervraag omtrent den doop van Johannes, 27. EN quot; toen zij Jeruzalem genaakten, te Both-fagé, en Bethanië, aan den Olijfberg, zond hij twee van zijne discipelen uit, a Matt. 21:1. Luk. 19 : 29. 2 En zeido tot hen: Gaat hoen in het vlok, dat tegen u over is; en terstond als gij in hetzelve komt, zult gij vinden een voulon gebonden, op hetwelk geen mensch gezeten heeft, ontbindt het en brengt hot. 3 En indien iemand tot u zegt: Waarom doet gij dat? zoo zegt, dat de Heere hetzelve van noode heeft; en hij zal het terstond herwaarts zenden. 4 En zij gingen hoon, en vonden het veulen, gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding, en zij ontbonden hetzelve. 5 En sommigen van dogenen, die aldaar stonden, zeidon tot hen: Wat doet gij, dat gij het veulen ontbindt? 6 Doch zij zeiden tot hen, gelijk Jezus bevolen had; en zij lieten zo gaan. 7 En zij bragten quot; het veulen tot Jezus, en wierpon h hunne kleederen daarop; en hij zat op hetzelve. aJoh. 12:14. 6 2 Kon. 9:13. 8 En velen spreidden hunne kloederen op den weg, en anderen hieuwen meijen vandeboomen, en spreidden ze op den weg. 9 En die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna! quot;gezegend is hij, die komt in don naam des Heeron! a I's. 118 : 26. 10 Gezegend zij het koningrijk van onzen vader David, hetwelk komt in den naam des Heeron! Hosanna in do hoogste hemelen! 11 quot;En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in den tempel; en als hij alles rondom bezien had, |
MARKUS 11, 12.
889
|
en het nu avondstond was, ging hij uit naar Bothanië met do twaalven. a Matt. 21:12, 14. Luk. 19:45. Joh. 2:14. 12 « En des anderen daags, als zij uit Bethanië gingen, hongerde hem. a Matt. 21:18. 13 En ziende van verre eonen vijgeboom, die bladeren had, ging hij om te zien, of hij ook iets op denzelven zou vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond hij niet dan bladeren: want hot was de tijd der vijgen niet. 14 En Jezus, antwoordende, zoide tot donzolven: Niemand ete eenige vrucht meer van u in der eeuwigheid! En zijne discipelen hoorden hot. 15 En zij kwamen te Jeruzalem; quot;en Jezus, in den tempel gegaan zijnde, begon degenen, die in den tempel verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten, keerde hij om ; a Matt. 21: 12. Luk. 19 : 45. Joh. 2 :14. 16 En liet niet toe, dat iemand eenig vat dooiden tempel droeg. 17 a En hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: 1 Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden allen volken ? ⬠maar gij hebt dat tot eenen kuil der moordenaren gemaakt. a Matt. 21 : 13. Luk. 19 : 4C. b 1 Kon. 8 : 29. Jes. 50 : 7. c Jer. 7:11. 18 En de schriftgeleerden en de overpriesters hoorden dat, en quot;zochten, hoe zij hem dooden zouden: want zij vreesden hom, omdat de ganscho schare ontzet was over zijne loer. «Joh. 7:19. 19 En als hot nu laat geworden was, ging hij uit buiten de stad. 20 En dos morgens vroeg voorbijgaande, zagen zij, dat de vijgeboom verdord was, van de wortelen af. 21 En Petrus, zulks indachtig geworden zijnde, zoide tot hem: Rabbi! zie, de vijgeboom, dien gij vervloekt hebt, is verdord. 22 En Jezus, antwoordende, zoide tot hen: Hebt geloof op God. 23 quot; Want voorwaar zog ik u, dat, zoo wie tot dezen berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen; en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal gelooven, dat hetgeen hij zegt geschieden zal, het zal hem geworden, zoo wat hij zegt. a Matt. 17 : 20. 21 : 21. Luk. 17 : 6. 24 Daarom zeg ik u: quot; alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden. aJer.29:12. Matt.7:7. Luk. 11:9. Joh. 14:13.15:7.10:24. Jakob. 1 : 5, 0. 1 Joh. 3 : 22. 5 :14. 25 En wanneer gij staat om te bidden, quot; vergeeft , indien gij iets hebt togen iemand; opdat ook uw Vader, die in de hemelen is, uliodon uwe misdaden vergeve. a Matt. 0 : 14. Col. 3 :13. 26 quot; Maar indien gij niet vergeeft, zoo zal uw Vader, die in de hemelen is, ook uwe misdaden niet vergeven. a Matt. 18:35. |
27 quot; En zij kwamen wederom te Jeruzalem. En als hij in don tempel wandelde, kwamen tot hem do overpriesters, en do schriftgeleerden, en do ouderlingen, a Matt. 21:23. Luk. 20:1. 28 En zeiden tot hom: quot; Door wat magt doet gij deze dingen? En wie hooft u deze magt gegeven, dat gij deze dingen doen zoudt? o-Ex. 2:14. Hand. 4:7. 7:27. 29 Maar Jezus, antwoordende, zoide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen; antwoordt mij ook, en zoo zal ik u zoggen, door wat magt ik deze dingen doe: 30 Do doop van Johannes, was die uit don hemel, of uit do monschon? antwoordt mij. 31 En zij overloidon onder zich, zeggende: Indien wij zoggen: Uit den hemel; zoo zal hij zoggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? 32 Maar indien wij zoggen: Uit do monschon; zoo vreozon wij het volk: quot; want zij hielden allen van Johannes, dat hij waarlijk een profeet was. a Matt. 14: 5. Mark. 0 : 20. 33 En, antwoordende, zeiden zij tot Jezus: Wij weten hot niet. En Jezus, antwoordende, zeido tot hen: Zoo zeg ik u ook niet, door wat magt ik deze dingen doe. HOOFDSTUK 12. Door de gelijkenis van eenen wijngaard, verhuurd aan de landlieden, die huns lieeren dienstknechten en zoon mishandelden en doodden, verkondigt Christus den Joden hunne verwerping en ondergang, vs. 1. Hij beantwoordt de vraag, of hot geoorloofd is den keizer schatting te geven, 13; alsmede do vraag dor sadduceön van eeno vrouw, die zeven mannen had gehad, en bewijst tegen hen de opstanding dor dooden, 18. Verklaart, welk het grootste gebod is, 28. Leert, dat do Messias beiden de Hoore en zoon van David is, 35. Waarschuwt zijne toehoorders tegen de eergierigheid en geveinsdheid der schriftgeleerden, 38. 1'rijst do geringe aalmoes eenor arme weduwe, 41. EN quot; hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een monsch ''plantte oenen wijngaard, en zotte oenen tuin daarom, en groef eenen wijnpersbak , en bouwde oenen toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buiten 's lands. a Matt. 21:33. Luk. 20:9. b Ps. 80 : 9. Jes. 5:1. Jer. 2:21. 12 : 10. 2 En als do tijd was, zond hij oenen dienstknecht tot do landlieden, opdat hij van de landlieden ontvinge van do vrucht dos wijngaards. 3 Maar zij namen en sloegen hom, en zonden hem ledig heen. 4 En hij zond wederom eonen anderen dienstknecht tot hen, en dien steenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk gehandeld zijnde. 5 En wederom zond hij oenen anderen, en dien doodden zij; en vele andoren, waarvan zij sommigen sloegen, en sommigen doodden. 6 Als hij dan nog oenen zoon had, die hom liet' was, zoo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijnen zoon ontzien. |
MARKUS 12.
890
|
7 Maar dio landlieden zeiden onder elkander: quot;Deze is de erfgenaam, ''komt, laat ons hom dooden, en de erfenis zal onze zijn. nsl's. 2:8. b Gon. 37 : 18. Matt. 2G : 3. Joh. 11 : 53. 8 En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten den wijngaard. 9 Wat zal dan de hoer des wijngaards doen? Hij zal komen, en do landlieden verderven, en don wijngaard aan anderen geven. 10 Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De quot; steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; a Ps. 118:22. Jes. 28: 16. Malt. 21 : 12. Luk. 20: 17. Hand. 4: 11. Kom. 9:33. 1 Potr. 2:0. 11 Van den Heere is dit geschied, on hot is wonderlijk in onze oogen? 12 En zij zochten hem te vangen, maar zij vreesden do schare: want zij verstonden, dat hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten hom en gingen weg. 13 quot; En zij zonden tot hem eenige der farizeën en der herodianon, opdat zij hem in zijne rede vangen zouden. a Matt. 22: 15. Luk. 20:20. 14 Deze nu kwamen on zeiden tot hom: Meester! wij weten, dat gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want gij ziet don persoon dor menschen niet aan, maar gij leert den weg Gods in der waarheid: is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? zullen wij geven, of niet geven? 15 En hij, wetende hunne geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij mij ? brengt mij oenen penning, dat ik hem zie. 10 En zij bragton ecncn. En hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en liet opschrift? En zij zeiden tot hem: Dos keizers. 17 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: quot; Geeft dan den keizer dat des keizers is, en Gode dat Gods is. En zij verwonderden zich over hem. a Matt. 17:25. 22:21. Kom. 13:7. 18 quot;En de sadduceën kwamen tot hein, welke zeggen, dat er geene opstanding is, en vraagden hem, zeggende: «Malt.22:23. Luk.20:27. llaiiil.23:H. 19 quot;Meester! Mozes heeft ons geschreven : indien iemands broeder sterft, en eene vrouw achterlaat, en geone kinderen nalaat, dat ziju broeder deszelfs vrouw nemen zal, en zijnen broeder zaad verwekken. (t Dout. 25:5, 0. 20 Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam eene vrouw, en stervende liet geen zaad na. 21 De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook doze liet geen zaad na; en de derde desgelijks. 22 En al de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven. 23 In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn? want die zeven hebben haar tot eene vrouw gehad. |
24 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods? 25 Want als zij uit de dooden zullen opgestaan zijn, zoo trouwen zij niet, noch worden ton huwelijk gegeven; maar zij zijn quot;gelijk engelen, die in de hemelen zijn. n Matt. 22 : 30. 1 Joh. 3 : 2. 20 Doch aangaande de dooden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in den doornenbosch tot hem gesproken hoeft, zeggende: quot;Ik hen do God Abrahams, en de God Izaks, en do God Jakobs? a Ex. 3 : (gt;. Matt. 22 : 31, 32. Hand. 7 : 32. llebr. 11 : 10. 27 God is niet een God der dooden, maar oen God der levenden. Gij dwaalt dan zeer. 28 quot;En oen der schriftgeleerden hoorondo, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat hij hun wel geantwoord had, kwam tot hem, en vraagde hem: Welk is het eerste gebod van allen? a Matt. 22:34. Luk. 10:25. 29 En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: quot; Hoor, Israël! de Heere, onze God, is een eenig Heere. a üeut. 0:4. 10:12. Luk. 10:27. 30 En gij zult den Heere, uwen God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel, eu uit geheel uw verstand, en uit geheel uwe kracht. Dit is het eerste gebod. 31 En het tweede aan dit gelijk, is dit: quot;Gij zult uwen naaste liefhebben als u zelvon. Er is geen ander gebod, grooter dan deze. «Lev. 19:18.Matt.22:39. Rom. 18:9. Gal.5:14. Jakob.2:8. 32 En de schriftgeleerde zeide tot hem: Moester! gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een eenig God is, en er is geen ander dan Hij; 33 En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het vorstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zich zeiven, is meer dan al de brand-offeren en de slagtofferen. 34 En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het koningrijk Gods. En niemand durfde hem moer vragen. 35 quot; En Jezus antwoordde en zeide, leeronde in den tempel: Hoe zeggen de schriftgeleerdon, dat de Christus een zoon van David is? a Matt. 22:41. Luk. 20:41. 36 Want quot; David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: Do Heere heeft gezegd tot mijnen Heere: Zit aan mijne vagievhand, totdat Ik uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank uwer voeten. a Ps. 110:1. Hand. 2:34. 1 Coi'. 15:25. Hobr. 1:13. 10:13. 37 David dan zelf noemt hem zijnen Heere, en hoe is hij zijn zoon? En de menigte der schare hoorde hem gaarne. 38 quot;En hij zeide tot hen in zijne leer: Wacht u voor do schriftgeleerden, die daar gaarne willen |
MARKUS 12, 13.
8i)l
|
wandolon in limgü kleodoron, on gegroet zijn op do markten; rtMatt. 23:5, ü. Luk, 11 :43. 20:46. 39 En do voorgestoelten hebben in de synagogen, en do vooraanzittingon in do maaltijden; 40 quot; Welke de huizen dor weduwen opoten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Deze zullen zwaarder oordeel ontvangen. a Mutt. 23 : 14. Luk. 20 : 47. 2 Tim. 3 : 6, Tit. 1:11. 41 quot;En Jezus, gezeten zijnde tegenover ''de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in do schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. a Luk. 21 : 1. b2 Kon. 12 : 'J. 42 En er kwam oone arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort. 43 En Jezus, zijne discipelen tot zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar ik zeg u, dat quot; dozo arme weduwe moor ingeworpen hooft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. (i 2 Cor. 8:12. 44 Want zij allon hebben van hunnen overvloed daarin geworpen; maar deze hooft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haren ganschon leoftogt. HOOFDSTUK 13. Christus voorzegt do verwoesting des tempels on der stad .lerflznlom, vs. 1; daarbij voegende de zwarigheden en teekenon, die voor en omtrent dien tijd zouden geschieden, 5. Hij vertroost de zijnen met den gelukkigen voortgang van liet Evangelie en met don bijstand des II. Qeestes, en vermaant hen tot volstandigheid, 10. Hij wijst hen op de profetie van Daniël, en raadt hun in tijds te vlugton, om die groote ellenden te ontgaan, 14. Waarschuwt tegen de verleiding en wonderen van de valsche Christussen en profeten, 21. Beschrijft verder de teekenen van het einde der wereld en zijne toekomst ton oordeel, waarvan do tijd alleen den Vader bekend is, 24; en vermaant daarom tot gedurig waken en bidden, 83. EN als hij quot; uit den tempel ging, zeide oen van zijne discipelen tot hom: Meester! zie, hoodanigo steenon , en hoodanigo gebouwen ! a Matt. 24: 1. Luk. 21:5. 2 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ziet gij deze groote gebouwen? quot;Er zal niet mi steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. ff 1 Kon. 9:7, 8. Micha 3: 12. Luk. 19:44. 3 quot;En als hij gezeten was op den Olijfberg, tegen don tempel over, vraagden hem Petrus, en Jakobus, on Johannes, en Andréas, alleen: « Matt. 24:3. Luk. 21 : 7. 4 quot;Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? en welk is het teekon, wanneer deze dingen allen voleindigd zullen worden? a Hand. 1 : (i. 5 En Jezus, hun antwoordende, begon te zoggen: quot;Ziet toe, dat u niemand verleide. a .Ier. 29:8. Efoz. 5:0. 2 Thess. 2:2, 3. 1 Joh. 4: 1. 6 Want velen zullen komen quot; onder mijnen naam, zeggende: Ik ben de Christus; on zullen velen verleiden. '*.lcr. 14:14. 23:21. |
7 En wanneer gij zult hooren van oorlogen, on geruchten van oorlogen, zoo wordt niet verschrikt; want dit moet geschieden; maar nog is het einde niet. 8 quot; Want het eene volk zal togen het andere volk opstaan, on hot eene koningrijk tegen het andere koningrijk; on er zullen aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen, en er zullen hongersnoodon wezen, en beroerten. Deze dingen zijn maar bo-ginselen der smarten. o Jes. 19:2. 9 quot; Maar ziet gij voor u zolven toe: want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in de synagogen; gij zult geslagen worden, on voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden, om mijnentwil, hun tot eene getuigenis. ff Matt. 10 : 17. 24 : 9. Luk. 21 : 12. Joh. 15 :19. 10:2. Openb. 2:10. 10 En hot evangelie moet eerst gepredikt worden onder al do volken. 11 quot;Doch wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren, zoo zijt te voren niet bezorgd, wat gij sproken zult, en bedenkt het niet; maar zoo wat u in die ure gegeven zal worden, dat spreekt: want gij zijt het niet, die spreekt, maaide Heilige Geest, a Matt. 10: 19. Luk. 12 :11. 21 : 14. 12 quot; En de eene broeder zal don anderen broeder overleveren tot den dood, en do vader hot kind; en de kindoren zullen opstaan tegen do ouders, en zullen hen dooden. a Ezec. 38:21. Micha 7 : (i. 13 En gij zult gehaat worden van allen, om mijns naams wil; quot;maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. ffMatt. 10:22. 24: 13. Luk. 21 : 19. Openb. 2:7, lit. 14 quot; Wanneer gij dan zult zien don gruwel dor verwoesting, waarvan door don profeet '' Daniël gesproken is, staande waar bet niet behoort, (die het loost, die merke daarop!) quot;alsdan, die in Judéa zijn, dat zij vlieden op do bergen. «Maft.24: 15. Luk. 21 : 20. /j Dan. 9 : 27. c Luk.21 :21. 15 En dio op het dak is, kome niet af in hot huis, en ga niet in, om iets uit zijn huis wog te nemen. 16 En dio op den akker is, keore niet weder terug, om zijn kleed te nomen. 17 Maar wee do bevruchte en de zogende vrouwen in die dagen! 18 Doch bidt, dat uwe vlugt niet geschiede dos winters. 19 Want die dagen zullen zulke verdrukking zijn, welker gelijke niot geweest is van het begin dor schepselen, dio God geschapen hooft, tot nu too, on ook niet zijn zal. 20 En indien de Heere de dagen niet verkort had, geen vloosch zou behouden worden; maar om dor uitverkorenen wil, dio Hij hoeft uitverkoren, heeft Hij do dagen verkort. 21 quot; En alsdan, zoo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus; of ziet, hij is daar; gelooft hot niot. ff Malt. 24:23. Luk. 21:8. 22 quot; Want er zullen valsche Christussen, en |
MARKUS 13, 14.
892
|
valscho profeten opstaan, on zullen teekonen en wonderen doen, om te verleiden, indien hot mogelijk ware, ook do uitverkorenen. a Dout. 13:1. 2 Thess. 2 :11. 28 Maar gijlieden ziet toe: ziet, ik heb u alles voorzegd! 24 quot;Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en do maan zal haar schijnsel niet geven, a Jes. 13 : 10. Ezoc. 32:7. Joöl 2 : 31. 3 : 15. Matt. 24 ; 29. Luk. 21: 25. Oponb. C ; 12. 25 En de sterren des hemels zullen daaruit vallen , en de krachten, die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden. 26 quot; En alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien, komende in de wolken, met groote kracht en heerlijkheid. a Dan. 7:10. Matt. 1();27. 24:30. Mark. 14 : (12. Luk. 21 : 27. lland. 1:11. 1 Thess. 4 : 1(5. 2 Thess. 1: 10. Opcnb. 1:7. 27 En alsdan zal hij zijne engelen uitzenden, en zal zijne uitverkorenen bijeenvergaderen uit do vier winden, van het uiterste der aarde, tot het uiterste des hemels. 28 quot; En leert van don vijgeboom deze gelijkenis : wanneer nu zijn tak teeder wordt, en de bladeren uitspruiten, zoo weet gij, dat de zomer nabij is. a Matt. 24:32. Luk. 21:29. 29 Alzoo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zoo weet, dat het nabij voor de deur is. 30 Voorwaar ik zeg u, dat dit geslacht uiot zal voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn. 31 quot;De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan. a I's. 102 : 27. Jes. 40 : 8. 51 : (i. Hebr. 1:11. 32 quot; Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch do engelen, die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader. a Matt. 24 : 3(i. Hand. 1 : 7. 33 quot; Ziet toe, waakt en bidt: want gij weet niet, wanneer de tijd is. a Matt. 24 : 42. 25 : 13. Luk. 12 : 40. 21 : 36.1 Thess. 5: 6. 34 Gelijk een mensch, buiten 's lands reizende, zijn huis verliet, en zijnen dienstknechten magt gaf, en elk zijn werk, en den deurwachter gebood, dat iiij zou waken: 35 Zoo waakt dan (want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, des avonds laat, of ter middernacht, of met liet hanengekraai, of in den morgenstond); 36 Opdat hij niet onvoorziens koine, en u slapende vinde. 37 En hetgeen ik u zeg, dnt zog ik allen: waakt. HOOFDSTUK 14. |
De overpriesters en scliriftgelcordon zoeken gelegenheid om Christus te dooden, vs. 1. Eene vrouw zalft hom te Bethanië, welke daad Christus verantwoordt, 3. Hij wordt door Judas voor geld verkocht aan de overpriesters, 10; laat hot pascha bereiden, eet het met zijne discipelen, 12; openbaart hel verraad van Judas, 18; stolt zijn avondmaal in, 22: voorzegt /.ijnon discipelen hunne vorstrooijing en Petrus zijnen val, 27. Begint in den hof van Getli-sémané zijn lijden met groeten angst en bidt den Vader, 32; vermanende zijne discipelen om te waken, 37. Wordt door Judas meteenen kus verraden, 43; door de Joden gevangen, 46; waarbij Petrus een van hen hot oor afhouwt, 47; van de zijnen verlaten, 50; voor den joodsehen raad gebragt, 53; door valsehe getuigen besohiddigd, 56; door den hoogepriester ondervraagd, 60; als een godslasteraar dos doods schuldig verklaard en smadelijk mishandeld , 63. Petrus verloochent hem driemaal, 66; en beweent zijnen val, 72. EN quot;het pascha, en het feest der ongehevelde broaden was na twee dagen. En do overpriesters en de schriftgeleerden zochten, hoe zij hem met listigheid vangen en dooden zouden; a Matt. 26 : 2. Luk. 22 : 1. Joh. 11: 55. 13 : 1. 2 Maar zij zeiden: Niet in hot feest, opdat niet misschien oproer onder het volk worde. 3 quot; En als hij te Bethanië was, in het huis van Simon, den melaatsche, daar hij aan tafel zat, kwam eene vrouw, hebbende eene albasten flesch met zalf van onvervalschten nardus, van grooten prijs; en do albasten flesch gebroken hebbende, goot die op zijn hoofd. o Matt. 26:6. Luk. 7:37. Joh. 11:2. 12:3. 4 Eu er waren sommigen, die dat zeer kwalijk namen bij zich zeiven, en zeiden: Waartoe is dit verlies der zalf geschied? 5 Want dezelve had kunnen boven de drie honderd penningen verkocht, en die don armen gegeven worden; en zij vergrimden tegen haar. 6 Maar Jezus zeide: Laat af van haar; wat doet gij haar moeite aan ? zij hooft een goed werk aan mij gewrocht. 7 quot;Want de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen; maar mij hebt gij niet altijd. «Dout. 15: 11. 8 Zij heeft gedaan, hetgeen zij konde; zij is voorgekomen, om mijn ligchaam te zalven, tol eene voorbereiding ter begrafenis. 9 Voorwaar zog ik u: alwaar dit evangelie gepredikt zal worden in de geheele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden, van hetgeen zij gedaan heeft. 10 quot;En Judas Iskariot, een van do twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij hom hun zou overleveren. a Matt. 26 : 14. Luk. 22 : 4. 11 En zij, dat hoorende, waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht, hoe hij hem bekwamelijk overleveren zou. 12 quot; En op den eersten dag ^ der ongehevelde brooden, wanneer zij het pascha slagtten, zeiden zijne discipelen tot hem: Waar wilt gij, dat wij heengaan, en bereiden, dat gij liet pascha eet? a Matt. 26 : 17. Luk. 22 : 7. b Ex. 12 : 17. 13 En hij zond twee van zijne discipelen uit, en zeide tot hen: Gaat henen in de stad, en u zal een mensch ontmoeten, dragende eene kruik waters, volgt dien; 14 En zoo waar hij ingaat, zegt tot den heer |
MARKIJS 14.
89:i
|
dos huizes: Do Moester zegt: Waar is do eetzaal, daar ik het pascha mot mijno discipelen eten zal? 15 En hij zal u wijzen eene groote opperzaal, toegerust en gereed; bereidt liet ons aldaar. 1G En zijne discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het, gelijk hij hun gezegd had, en bereidden het pascha. 17 «En als hot avond geworden was, kwam hij mot do twaalven. a Matt. 20 : 20. Luk. 22 : 14. 18 En als zij aanzaten on aten, zeide Jezus: Voorwaar ik zeg u, quot; dat eon van u, die met mij eet, mij zal verraden. aPs. 41 : 10. Hand. 1:17. 1!) En zij begonnen bedroefd te worden, en do oen na den ander tot hom te zoggen: Ben ik het ? en een ander: Ben ik het? 20 Maar hij antwoordde en zeide tot hou: liet is een uit de twaalven, die mot mij in don schotel indoopt. 21 De Zoon dos menschen gaat wel heen, gelijk van hem geschreven is; maar wee dien monsch, door wel-Uon de Zoon dos menschen verraden wordt! Hot ware hom goed, zoo die mensch niet geboren ware geweest. 22 quot; En als zij aten, nam Jezus brood, en als hij gezegend had, brak hij het, en gaf het hun, on zeide: Noemt, eet, dat is mijn lig- chaam Kiuk Putkussiin : .Imla: a Matt. 20 : 20. Lak. 22 : 10. 1 Cor. 11 : 23. 2!) En hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien; en zij dronken allen uit donzelven. 24 En hij zeide tot hen: Dat is mijn bloed, het bloed des nieuwen testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt. 25 Voorwaar, ik zeg u, dat ik niet moer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik dezelve nieuw zal drinken in het koningrijk Gods. 20 En als zij den lofzang gezongen haddon, gingen zij uit naar den Olijfberg. 27 quot; En Jezus zeide tot hen: Gij zult in dezen nacht allen aan mij geërgerd worden: want or is geschreven: 'J Be zal den herder slaan, on de schapen zullen verstrooid worden. « Matt. 20:31. Joh. 10:32. h Zach. quot;i8:7. 28 quot;Maar nadat ik zal opgestaan zijn, zal ik u vooryaan naar Galilóa. «Matt.20:32.28: KI. Mark. 10:7. |
29 En Petrus zeide tot hom: Of zij ook allon geërgerd wiordon, zoo zal ik toch niet geërgerd worden. 30 quot;En Jezus zeide tot hom: Voorwaar, ik zog u, dat heden in dezen nacht, oor do haan tweemaal gekraaid zal hebben, gij mij driemaal zult verloochenen, a Matt. 20 : 34. Luk. 22 : 34. Joh. 13 : 38. 31 quot; Maar hij zeide nog des te meer: Al moest ik mot u sterven, zoo zal ik u geenszins vorloo-chonon! En insgelijks zoidon zij ook allon. a Joh. 13:37. 32 quot;En zij kwamen in eene plaats, welker naam was Gethsémané, en hij zeide tot zijne discipelen: Zit hier neder, totdat ik gebeden zal hebben. a Matt. 20 : 30. Luk. 22:39. Joh. 18:1. 33 En hij nam met zich Petrus, on Jakobus, en Johannes, on begon verbaasd en zeer beangst te worden; 34 En zeide tot hen: quot;Mijno ziel is geheel bedroefd tot don dood toe : blijft hier en waakt. flJoh. 12:27. 35 quot; En een weinig voortgegaan zijnde, viel hij op de aarde, en bad, zoo hot mogelijk ware, dat die ure van hom voorbijginge. a Luk. 22 :41. 30 En hij zeide: Abba, Vader! allo dingen zijn U mogelijk; noem dezen drinkbeker van mij weg! quot;doch Ucliiuiulli (iMaik. 14:'u). jjjQj. j]{ wil | maar wat Gij wUL n Joh. 0 : 38. 37 quot;En hij kwam, en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon! slaapt gij? kunt gij niet één uur waken? a Matt. 20:40. Lak. 22:45. 38 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; quot; de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. a Gal. 5 : 17. 39 En wederom heengegaan zijnde, bad hij, sprekende dezelfde woorden. 40 En wedergekeerd zijnde, vond hij hou wederom slapende, want hunne oogon waren bezwaard ; en zij wisten niet, wat zij hem antwoorden zouden. 41 En hij kwam ton dorde maal, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust: hot is genoeg, de ure is gekomen; ziet, de Zoon dos menschen wordt overgeleverd in do handen dor zondaren. 42 Staat op, laat ons gaan; ziet, die mij verraadt, is nabij. 43 quot;En terstond, als hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalven, en mot hem |
MARKUS 14.
K!)4
ocnc yi'oote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van do overpriesters, en de schriftgeleerden, en de ouderlingen.
a Matt. 2():47. Luk. 22:47. Joh. 18:3.
44 En die hein verried, had hun een gemeen teeken gegeven, zeggende: Dien ik kussen zal, die is het, grijpt hem, en leidt hem zekerlijk henen.
45 En als hij gekomen was, ging hij terstond tot hem, en zeide:
Rabbi, Rabbi! en quot; kuste hem.
a 2 Sam. 20; ft.
4(i En zij sloegen hunne handen aan hom, en grepen hem.
47 En een der-genen , die daarbij stonden, liet zwaard trekkende,
sloeg den dienstknecht des hoogo-priestcrs,en hieuw hem zijn oor af.
48 En Jezus, ant-woordende, zeide tot hen; Zijt gij uitgegaan, met zwaarden en stokken , als tegen eenen moordenaar, om mij te vangen ?
4!) Dagelijks was ik bij ulieden in den tempel, lee-rende, en gij hebt mij niet gegrepen;
maar dit geschiedt,
quot; opdat de Schriften vervuld zouden worden.
a I's. 22 ; 7. 0!); 10.
Luk. 24:25.
50 quot; En zij, hem verlatende, zijn allen gevloden.
f/.lob 1 ft; 1 IS. Ps.88: ft.
51 En een zeker
jongeling volgde hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen hem.
52 En hij, hot lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevloden.
53 quot; En zij leidden Jezus honen tot den hooge-priester; en bij hem vergaderden al do overpriesters, en do ouderlingen, on de schriftgeleerden.
n Matt. 20 : 57. Luk. 22 : 54. Joh. 18 ; 13, 24.
54 En Petrus volgde hem van verre, tot binnen
in de zaal dos hoogopriestors, en hij was mede zittende mot do dienaren, en zich warmende bij hot vuur.
55 quot;En de overpriesters, en de gohoele raad, zochten getuigenis tegen Jezus, om hom to dooden, en vonden niet. a Matt. 20 : 5ft. Hand. 0 :13.
56 Want velen getuigden valscholijk tegen hem, on de getuigenissen waren niet eenparig.
57 En eenigen opstaande, getuigden valscholijk
tegen hem, zeggende :
58 Wij bobben hem hooron zeggen: quot; Ik zal dozen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen eenon anderen, zonder handen gemaakt, bouwen.
n Mark. 15 : 2ft. Joh. 2:19.
59 En ook alxoo was hunne getuigenis niet eenparig.
60 quot; Endehooge-priestor, in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt gij niets? Wat getuigen deze tegen u?
a Matt. 20 ; 02.
61 quot; Maar hij zwoeg stil, en antwoordde niets. Wederom vraagde hem de iiooge-priestor, en zeide tot hom: Zijt gij de Christus, de Zoon dos gezo-genden Godtt?
a Jes. 53 : 7. Hand. 8 :32.
62 En Jozus zei-do : Ik ben liet.
quot; En gijlieden zult den Zoon des menschon zien zitten ter regievhand der kracht Gods, en komen met de wolken dos hemels.
a Dan. 7 : 13. Matt. 10 : 27. 24 ; 30. 25 ; 31. Luk. 21 ; 27.
1 land. 1:11. I Thess. 4:10.
2 Thess. 1:10. Openb. 1; 7.
03 En do hoogepriester, verscheurende zijne kleederon, zeide: Wat hebben wij nog getuigen van noodo?
04 (lij hebt do fiW.slastoring gehoord; wat dunkt
|
| ||||||||||||
|
Titiaan: De doomeiikroning (Mark. If): 17). |
MARKUS 14, 15.
81)5
|
ulieden? En zij allen voroordeelden hem, des doods schuldig to zijn. (gt;5 En sommigen begonnen hem te bespuwen, en zijn aangezigt te bedekken, en quot; niet vuisten te slaan, en tot hein te zeggen: Profeteer. En de dienaars gaven hem kinnebakslagen. a Job. lü : 10. .les. 50 : (i. .loh. 19 : iï. G() quot; En als Petrus beneden in de zaal was, kwam eene van de dienstmaagden des hoogepriesters; n Matt. 20 ; 58, 09. Luk. 22 ; 55. Joh. 18:10,17. 07 En ziende Petrus zich warmende,.zag zij hem aan , en zeide: Ook gij waart met Jezus den Naza-réner. 08 Maar hij heeft het geloochend, zeggende: Ik ken hem niet, en ik weet niet, wat gij zegt. En hij ging huiten in de voorzaal, en de haan kraaide. 09 quot; En de dienstmaagd, hom wederom ziende, begon te zeggen tot do-gonen, die daarbij stonden ; Doze is con van die. a Mntt. 20:71. Luk. 22:58. Joh. 18:25. 70 Maar hij loochende hot wederom. En een weinig daarna, die daarbij stonden zeiden wederom tot Petrus: Waarlijk, gij zijt een van die: want gij zijt ook een Galiléër, en uwe spraak gelijkt. 71 En hij begon zich zeiven te vervloeken en te zweren: Ik kon dezen mensch niet, dien gij zegt. 72 En do haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig hot woord, hetwelk Jezus tot hem gezegd had: quot; Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij mij driemaal verloochenen. En hij, zich van daar makende, woonde. n Mntt. 20: 34, 75. Luk. 22 : 01. Joh. Ui: 38. 18 : 27. HOOFDSTUK 15. Christus wordt door de Joden aan Pilatns overgeleverd en voor hom beschuldigd, waarop hij, ondervraagd zijnde, zwijgt, vs. 1. Pilatus tracht hem los te laten, doch op aandringen van hot volk laat hij Har-ahbas los en geeft Christus over om gekruist to worden, 0; dien de krijgsknechten bespotten en mishandelen, 10. Simon van Cyróne wordt gedwongen zijn kruis te dragen, 21. Hem wordt gemirreden wijn aangeboden, 23. Hij wordt gekruist met twee moordenaars, 24; en van de voorbijgaanden gelasterd, 29. Duisternis komt op de aarde, 33. Christus roept tot zijnen Vader en wordt daarover bespot, 34; en nadat hom edik was toegereikt, gooit hij den geest, 30. |
Het voorhangsel des tempels scheurt, 38. Eonige vrouwen zien van verre too, 40. Christus wordt door Jozef van Arimathéa begraven, 42. EN quot;terstond, des morgens vroeg, hielden de overpriesters te zamen raad, met do ouderlingen en schriftgeleerden, en den geheelen raad, en Jezus gebonden hebbende, bragten zij hem heen, en gaven hem ''aan Pilatus over. «Ps.2:2. Malt. 27; I. Luk.22:00. 23:1. Joh. 18:28. 6Hand.3:13, 2 quot;En Pilatus vraagde hom: Zijt gij de Koning der Joden? En hij, antwoordende, zeide tot hem: Gij zegt het, a Matt. 27 : 11. Luk. 23 : 3. Joh. 18 : 33. 3 En de overpriesters beschuldigden hem van vele zaken; maar hij antwoordde niets, 4 quot; En Pilatus vraagde hom wederom , zeggende: Antwoordt gij niet? zie, hoe vele zaken zij tegen u getuigen! a Matt. 27 : 13. Joh. 19 : 10. 5 En Jezus heeft niet meer geantwoord, zoodat Pilatus zich verwonderde. 0 quot; En op hot feest liet hij hun oenen gevangene los, wien zij ook be-geerden. a Matt. 27 : 15. Luk. 23 : 17. Joh. 18 ; 39. 7 quot;En er was een, genaamd Har-ahbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer eenen doodslag gedaan had. a Matt. 27 : 10. Luk. 23 : 19. Joh. 18:40. 8 En de schare riep uit, en begon te begeeren, dat hij deed, gelijk hij hun altijd gedaan had. 9 En I'ilatus antwoordde hun, zeggende: Wilt gij, dat ik u don Koning der Joden loslate ? 10 (Want hij wist, dat hom de overpriesters door nijd overgeleverd hadden.) 11 quot;Maar de overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Rar-abbas zou loslaten. n Matt. 27 : 20. Luk. 23 : 18. Joh. 18 : 40. Hand. 3 : 14. 12 En Pilatus, antwoordende, zeide wederom tot hen: Wat wilt gij dan, dat ik met hem doen zal, dien gij eenen Koning der Joden noemt? 13 En zij riepen wederom: Kruis hem. 14 Doch Pilatus zeide tot hen: Wat heeft hij dan kwaads gedaan ? En zij riepen te meer: Kruis hem! 15 quot; Pilatus nu, willende der schare genoeg doen, heeft hun Bar-abbas losgelaten, en gaf Jezus over, als hij hem gegeeseld had, om gekruist te worden. « Matt. 27:20. Joh. 19: 1. 10 quot; En de krijgsknechten leidden hem binnen |
'
MARKUS 15.
890
|
in do zaal, welko is het rogthuis, en riepen de gansche bende zamen; a Matt. 27 :27. Joli. 19 :2. 17 En deden hem eenen purperen mantel aan, en eene doornen kroon gevlochten hebbende, zetten hem die op; 18 En begonnen hem te groeten, zeggende: Wees gegroet, gij Koning der Joden! 19 En sloegen zijn hoofd met eenen rietstok, en bespogen hem, en vallende op de knieën, aanbaden hem. 20 En als zij hem bespot hadden, deden zij hem den purperen mantel af, en deden hem zijne eigene kleederen aan, en leidden hem uit, om hom te kruisigen. 21 quot; En zij dwongen eenen Simon van Cyréne, die daar voorbijging, komende van don akker, den vader van Alexander on Ru-fus, dat hij zijn kruis droeg. « Matt. 27 ; :i2. Luk. 23 : 2G. 22 quot; En zij bragten hem tot de plaats Golgotha, hetwelk is, overgezet zijnde, Hoofdscheêlplaats. a Malt. 27 :3:3. Luk. 23:33. Joli. 19 : 17. 23 En zij gaven hem ge-mirrcden wijn te drinken; maar hij nam dien niet. 24 quot; En als zij hem gekruisigd hadden, ''verdeelden zij zijne kleederen, werpende het lot over dezelve, wat een iegelijk wegnomen zou. a Matt. 27; 35. Luk.23:34. Joh. 19:23. 6Ps.22:19. 25 En hot was de derde ure, en zij kruisigden hem. 2G quot; En het opschrift zijner beschuldiging was boven hem geschreven: De koning der Joden. a Matt. 27 : 37. Luk. 23 : 38. Joh. 19:19. 27 En zij kruisigden met hem twee moordenaars, eenen aan zijne regter-, en eenen aan zijne linker-zijde. 28 quot; En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En hij is met de misdadigen gerekend. a Jos. 53 : 12. Luk. 22 : 37- 29 quot; En die voorbijgingen, lasterden hem, schuddende hunne hoofden, en zeggende: Ha! ''gij, die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt , a Ps. 22 : 8. 69 : 21. 109 : 25. Matt. 27 : 39. Luk. 23:35. h Joh. 2 : 19. 30 Behoud u zeiven, en kom af van het kruis. 31 En insgelijks ook de overpriesters, met de schriftgeleerden, zeiden tot elkander al spottende: Hij heeft anderen verlost, zich zeiven kan hij niet verlossen. |
32 De Christus, do koning Israels, kome nu af van het kruis, opdat wij het zien en gelooven mogen. Ook die met hem gekruist waren, smaadden hem. 33 quot; En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe. a Matt. 27 : 45. Luk. 23 : 44. 34 En ter negender ure, riep Jezus met eene groote stem, zeggende: quot;Eloï, eloï, lamma sa-bachta'ni? hetwelk is, overgezet zijnde: Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten? o Ps. 22 : 2. Matt. 27 : 40. 35 En sommigen van die daarbij stonden, dit hoerende, zeiden: Ziet, hij roept Elias. 3G quot;En er liep een, en vulde eene spons met edik, en stak ze op eenen rietstok, en gaf hem te drinken, zeggende: Houdt stil, laat ons zien, of Elias komt, om hem af te nemen. «Ps. 09:22. Joh. 19:29. 37 En Jezus, eene groote stem van zich gegeven hebbende, gaf den geest. 38 quot; En het voorhangsel dos tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden. a 2 Kron. 3 : 14. Matt. 27:51. Luk. 23: 45. 39 quot; En de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover hem stond, ziende, dat hij alzoo roepende don geest gegeven had, zeide: Waarlijk deze mensch was Gods Zoon! a Matt. 27 : 54. Luk. 23 : 47. 40 quot; En er waren ook vrouwen , h van verre dit aanschouwende , onder welke ook was Maria Magdaléna, en Maria, de moeder van Jakobus, don kleine, en van Joses, en Salóme; a Matt. 27 : 55. Luk. 23 : 49. h Ps. 38 :12. 41 Welke ook, toen hij in Galiléa was, hem waren gevolgd, en quot; hem gediend hadden; en vele andere vrouwen, die met hem naar Jeruzalem opgekomen waren. aLuk. 8:2,3. 42 quot; En als het nu avond was geworden, dewijl het de voorbereiding was, welke is de voorsabbat; a Matt. 27 : 57. Luk. 23 : 50. Joh. 19 : 38. 43 Kwam Jozef, die van Arimathéa was, een eerlijk raadsheer, die ook zelf het koningrijk Gods was verwachtende, en zich verstoutende, ging hij in tot Pilatus, en begeerde het ligchaam van Jezus. 44 En Pilatus verwonderde zich, dat hij aireede gestorven was; en don hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem, of hij lang gestorven was. |
I
MARKIJS 15, 10.
897
|
45 En als hij hot van don hoofdman ovor honderd verstaan had, schonk hij Jozef liet ligchaam. 4C En hij kocht fijn lijnwaad, en hem afgenomen hebbende, wond hem in dat fijne lijnwaad, quot;en leide hem in een graf, hetwelk uit eeno steenrots gehouwen was; en hij wentelde eenen stoen tegen de deur des grafs. a Matt. 12 : 40. 20 : 12. 27 : (il). Luk, 23 ; 53. 47 En Maria Magdaléna, en Maria, de moeder van Joses, aanschouwden, waar hij gelegd werd. HOOFDSTUK 10. Do vrouwen komen tot hot graf om hot ligchaam van Christus te zalven, vs. 1. Zij vindon den steen afgewenteld, 4; en worden door eenen ongel onderrigt, dat hij van den dood was opgestaan, 5. Christus verschijnt aan Maria Magdaléna, 9; die de opstanding van Christus den discipelen boodschapt, doch niet geloofd wordt, 10. Hij verschijnt nog aan twee discipelen op den weg, 12. Eindelijk ook aan de elven, welken hij bevel geeft overal te prediken en te doopen, 14. Hij belooft, dat den geloovigen verscheidene teeko-nen zullen volgen, 17. Vaart op in den hemel, 19. De apostelen voeren Christus bevel met vrucht uit, 20. EN quot; als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdaléna, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en hem zalfden. a Matt. 28: I. Luk. 24 : 1. Joh. 20 : 1. 2 En zeer vroeg op den eersten dag der week, kwamen zij tot het graf, als de zon opging; 3 En zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen? 4 (En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot. 5 «En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij eenen jongeling, zittende ter regtemjrfe, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd. a Matt. 28 : 2. Joh. 20 : 12. 0 Maar hij zeide tot haar: quot; Zijt niet verbaasd; ;ij zoekt Jezus den Nazaréner, die gekruist was; dj is opgestaan, hij is hier niet; ziet de plaats, vaar zij hem gelegd hadden. aMatt.28:B. Luk. 24:5. 7 Doch gaat heen, zegt zijnen discipelen, en voorgaat naar (lalilóa ; aldaar '' gelijk hij ulieden gezegd heeft. |
a Hand. 1:3. 13:31. 1 Cor. 15 : 5. h Matt. 20 : 32. 28 : 10. Mark. 14 : 28. 8 quot; En zij, haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van het graf, on beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd. a Matt. 28: S. Luk. 24:0. Joh. 20:18. 9 En als Jezus opgestaan was, des morgens vroeg, op den eersten day der week, verscheen hij quot; eerst aan Maria Magdaléna, h uit welke hij zeven duivelen uitgeworpen had. «Joh. 20:14,10./j Luk. 8:2. 10 Deze heengaande, boodschapte het dengenen. die met hem geweest waren, weenden. 11 En als deze hoorden, dat welke treurden en hij leefde, en van haar gezien was, geloofden zij het niet. 12 quot; En na dezen is hij geopenbaard in eene andere gedaante, aan twee van hen, daar zij wandelden , en in het veld gingen. a Luk. 24 : 13. 13 Dezeook heengaande, boodschapten het aan de anderen, maar zij geloofden ook die niet. 14 quot;Daarna is hij geopenbaard aan de elven, daar zij aanzaten, en verweet hun hunne ongeloovigheid en hardigheid des harten, omdat zij niet geloofd hadden degenen, die hem gezien hadden, nadat hij opgestaan was. a Luk. 24 : 30. Joh. 20 : 19. 1 Cor. 15 : 5. 15 En hij zeide tot hen: quot; Gaat heen in do geheele wereld, predikt het evangelie aan allo kreaturen. a Matt. 28 : 19. Joh. 15 : 10. 10 Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; quot; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden, a Joh. 3 : 18. 12 : 48. 17 En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze teekenen volgen: quot; in mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen; '' mot nieuwe tongen zullen zij spreken; «Luk.10:17. Hand.5:10. 8:7. 10:18.10:12. 6 Hand. 2:4. 10:40. 19:0. 18 quot; Slangen zullen zij opnemen; en al is hot, dat zij iets doodelijks zullen drinken, het zal hun niet schaden; ''op kranken zullen zij do handen leggen, en zij zullen gezond worden. u Luk. 10 : 19. Hand. 28 : 5. //Himd. 2S ; 8. Petrus, zult gij dat hij ii hom zien. |
I
TiUKAS 1.
«98
|
li) Do Hoere dan, nadat liij tot lion gesproken had, quot; is opgenomen in den homel, on is gezeten aan de regtor/itrnr/ Gods. rtl.uk. 24:50, 51. Hand 1 : 9. |
'20 En zij, quot;uitgegaan zijnde, predikten overal, on '' de Heero wrocht mede, en bevestigde het woord door teekenen, die daarop volgden. Amen. n Hand. 1:2. I Tim. 3 : 10. h Hand. 14:3. Hebr. 2 : 4. |
HET HEILIG EVANGELIE
NAAR DE BESCHRIJVING VAN
L U K A S.
|
HOOFDSTUK 1. De voorrede van Lnkas over zijn evangelie, vs. 1. Geslacht en leven van Zaeharfas en Eli/.abot, 5. Een engel verschijnt aan Zachanas in den tempel, 8; welke hem voorzegt de ontvangenis nn geboorte van .lohannes, wiens ambt liij beschrijft, 13. Zaeharfas znlks niet geloovende, wordt gestraft met |
stomheid voor een'tijd , 18. Elizabet wordt bevrucht, 24. De engel Gabriël boodschapt aan de maagd Maria, dat zij den Zoon van God ontvangen en baren zal, 20. Zij reist daarna tot Elizabet, die haar met blijdschap ontvangt en zalig prijst, 39. Maria dankt den Heere met eenen lofzang, 40. Klizabet baart haren zoon, 57; die besneden en Johannes genaamd wordt, 5!). Zacharlas wordt we- |
LUK AS 1.
|
dor spfekoiuio on zingt don lleoro oonon lofzang profeterende van liet ambt van Christus, en van zijnen voorlooper Johannes, (14; die in de woestijn opwast en sterk wordt in don geest, SO. NADEMAAL velen tor hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die onder ons volkomene zekerheid hebben; 2 Gelijk ons overgeleverd hebben, die van den beginne zeiven aanschouwers en dienaars des woords geweest zijn; ^ Zoo heeft hot ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus! 4 Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt. 5 IN de dagen van Heródes, den koning van Judéa, was een zeker priester, met name Zacharias, quot; van de dagorde van Abia; en zijne vrouw was uit de dochteren van Aaron, en haar naam Elizabet. al Kron. 24:10. C En zij waren beiden regtvaardig voor God, wandelende in al do geboden en regten des Heeren, onberispelijk. 7 En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beidon verre op hunne dagen gekomen waren. 8 En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in de beurt zijner dagorde, !) Naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen, quot; dat hij zoude ingaan in den tempel des Heeren om te ''reukofferen. a Hebr. !):(!. bKx. 30:7. Lev, 10:17. 10 En al de menigte des volks was buiten, biddende , ter ure des reukoffers. 11 En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter regterzijde van het altaar des reukoffers. 12 En Zacharias, hem ziende, werd ontroerd, en vroeze is op hem gevallen. 13 Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is verhoord, en uwe vrouw Elizabet zal u eenen zoon baren, en quot;gij zult zijn' naam heeten Johannes. aLuk. 1 : (io. 14 En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen quot; zullen zich over zijne geboorte verblijden. n Luk. 1 : r)8. 15 Want hij zal groot zijn voor den Heere: 'noch wijn noch sterken drank zal hij drinken, on hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan. a Rigt. 13:4. 16 En quot; hij zal velen der kinderen Israels bekee-ren tot den Heere, hunnen God. a Mal. 4:0. Matt. II : 14. 17 En quot; hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van EHas, ''om te bekeeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de onge-lioorzamen tot de voorzigtigheid der regtvaar-digen, om den Heere te bereiden een toegerust volk. n Malt. 3 : 2. Mark. f): 12. b Mal. 4 : 0. |
18 En Zacharias zeide tot den engel: Waarbij zal ik dat woten? want quot;ik ben oud, en mijne vrouw is verre op hare dagen gekomen. a Gen. 17 : 17. 1!) En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden , om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen. 20 En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij mijne woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hunnen tijd. 21 En het volk was wachtende op Zacharias, en waren verwonderd, dat hij zoo lang vertoefde in den tempel. 22 En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden, dat hij een gezigt in den tempel gezien had. En hij wenkte hen toe, en bleef stom. 23 En het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging. 24 En na die dagen werd Elizabet, zijne vrouw, bevrucht; en zij verborgde zich vijf maanden, zeggende: 25 Alzoo heeft mij de Iloere gedaan, in de dagen, in welke Hij mij aangezien heeft, om quot; mijne versmaadheid onder de menschen weg te nemen. n Gren. 30 : 23. .les. 4 : I. 26 En in de zesde maand werd de engel Gabriël van God gezonden naar eene stad in Galilóa, genaamd Nazareth; 27 quot; Tot eene maagd, die ondertrouwd was met eenen man, wiens naam was Jozef, uit den huizo Davids; en de naam der maagd was Maria. a Matt. 1:18. 28 En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij begenadigde! de Heere is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen. 29 En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overleide, hoedanig deze groetenis mogt zijn. 30 En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria! want gij hebt genade bij God gevonden. 31 quot;En zie, gij zult bevrucht worden, en eenen zoon baren, en zult zijnen b naam booten Jezus. re Jes. 7 :14. h Matt. 1 : 21. 32 quot; Deze zal groot zijn, en de Zoon des Aller-hoogsten genaamd worden; en ''God de Heere zal hem den troon van zijnen vader David geven. a Jas. 54:5. h 2 Sara. 7 : 12. I's. 132:11. .les. !):(!. 33 quot; En hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en zijns koningrijks zal geen einde zijn. al Kron. 22:10. Ps. 45:7. 89:37. .lor. 23:5. Dan. 7:14, 27. Micha 4:7. Hebr. 1 :8. 34 En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geenen man bekenne? 35 En de engel, antwoordende, zeide tot haar : Do Heilige Geest zal over u komen, en de kracht dos Allerhoogsten zal u overschaduwen: daarom |
LÃKAS 1.
900
|
ook, dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. 30 En zie, Elizabet, uwe nicht, is ook zelve bevrucht, met eenen zoon, in haren ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde: 37 quot; Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. a.lob 42:2. .Ier. ;i2:17. Zach.8;(j. Mntt. 19:20. Luk. 18:27. 38 En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar. 39 En Maria, opgestaan zijnde in diezelve dagen, reisde met haast naar het stad Juda; 40 En kwam in het huis groette Elizabet. 41 En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zoo sprong het kindeken op in haren buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest; 42 En riep uit met eone groote stem, en zeide : Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks! 43 En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt? 44 Want zie, als de stem uwer groetenis in mijne ooren geschiedde, zoosprong het kindeken van vreugde op in mijnen buik. 45 quot; En zalig is zij, die geloofd heeft: want de dingen , die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbragt worden. a Luk. 11 : 28. 4(1 En Maria zeide: Mijne ziel maakt groot den Heere; 47 En mijn geest verheugt zich in God, mijnen Zaligmaker; 48 Omdat Hij de nederheid zijner dienstmaagd heeft aangezien: want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten. 49 Want groote dingen heeft aan mij gedaan Hij, die magtig is, en heilig is zijn naam. 50 quot; En zijne barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vreezen. ^Ex. 2Ã:G. 51 quot; Hij heeft een krachtig werk gedaan door zijnen arm; ''Hij heeft verstrooid de hoogmoe-digen in de gedachten hunner harten. n .les. 51: 9. 52 : 10. b Ps. : 10. 1 Petr. 5 : 5. 52 Hij heeft magtigen van do troonen afgetrokken, en quot; nederigen heeft Hij verhoogd. o 1 Sam. 2 : 8. Ps. 113 : (1. gebergte, in eone van Zaehartas, en |
53 quot; Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken lieeft Hij ledig weggezonden. «Ps. 34:11. 54 quot;Hij heeft Israël, zijnen knecht, opgenomen, opdat hij gedachtig ware der barmhartigheid, asJes. 80:18. 41 : 9. 54:5. ,Ier. 31 :3, 20. 55 (Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk quot;tot Abraham, en zijn zaad) in der eeuwigheid. n den. 17:19. 22:18. Ps. 132:11. 56 En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden , en keerde weder tot haar huis. 57 En de tijd van Elizabet werd vervuld, dat zij baren zoude, en zij baarde eenen zoon. 58 En die daar rondom woonden en hare magen hoorden, dat de Heere zijne barmhartigheid grootelijks aan haar bewezen had, en quot;waren met haar verblijd. a Luk. 1 : 14. 59 En het geschiedde, dat zij op den quot; achtsten dag kwamen, om het kindeken te besnijden, en noemden het Zacharias, naar den naam zijns vaders. a Gen. 17:12. Lev. 12 : 3. GO En zijne moeder antwoordde en zeide: Niet al-zoo, maar quot; hij zalJohannes heeten. quot; Luk. 1 : 13. 61 En zij zeiden tot haar: Er is niemand in uwe maagschap, die met dien naam genaamd wordt. 62 En zij wenkten zijnen vader, hoe hij wilde, dat hij genaamd zou worden. 63 En als hij een schrijftafeltje geëischt had, schreef hij, zeggende: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen. 64 En terstond werd zijn mond geopend, en zijne tong losgemaakt; en hij sprak, God lovende. vrees over allen, die rond en in het geheele gebergte Judéa werd veel gesproken van al deze 65 En er kwam om hen woonden; van dingen. 66 En allen, die het hoorden, namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit kindeken wezen? en de hand des Heeren was met hem. 67 En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met den Heiligen Geest, en profeteerde, zeggende: 68 Geloofd zij de Heere, de God Israels, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebragt zijnen volke; 69 quot; En heeft eenen hoorn der zaligheid ons opgerigt, in het huis van David, zijnen knecht; «Ps. 132:17. 70 quot;Gelijk Hij gesproken heeft, door den mond |
LUKAS 1, 2,
flOl
|
zijner hoiliyc profeten, die van liet begin der wereld geweest zijn: a Ps. 72: 12. .les. 40:10. .Ier. 23:6. 30:10. Dan. 9:27. 71 Namelijk eene verlossing van onze vijanden, en van de hand al dergenen, die ons haten; 72 Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan zijn heilig verbond; 73 quot; En aan den eed, dien Hij Abraham onzen vader, gezworen heeft, om ons te geven, «Gen. 22: IG. Ps. 105:9. Jer, 31 :33. Hebr. 6:13,17. 74 quot;Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden. Hem dienen zouden zonder vreeze, a Hebr. 9:14. 75 quot; In heiligheid en ge-regtigheid voor Hein, al de dagen onzes levens. a I Petr. I : 15. 76 quot; En gij, kindeken ! zult een profeet des Aller-hoogsten genaamd worden : want gij zult voor het aangezigt des Heeren voor heengaan, om zijne wegen te bereiden; a Mal. 4:5. Luk. 1:17. 77 Om zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden , a Luk. 3 : 3. 78 Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de quot; Opgang uit de hoogte; «Mal. 4:2. 79 quot; Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te rigten op den weg des vredes. a.les. 9:1. 42 : 7 43 : 8. 49 : 9. 60 : 1. 80 quot; En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en was in de woestijnen, tot den dag zijner vertooning aan Israël. a Luk. 2:40. HOOFDSTUK 2. Christus wordt te Bethlehem geboren, vs. 1 ; en zijne geboorte door eenen engel aan de herders bekend gemaakt, 8. Lofzang der lieraelsche heirscharen, 13. De herders gaan naar Bethlehem, om hel kind te zien, en vermeld hebbende, wat hun van dat kind gezegd was, keeren zij weder, 15. Hot kindeken wordt besneden en Jezus genaamd, 21; den Hoerc in den tempel voorgesteld, 22; alwaar hem Simeon ontvangt in zijne armen en, na eenen lofzang, van hem profeteert, 25. Desgelijks doet ook Anna, de profetes, 36. Christus, twaalf jaren oud zijnde, reist met zijne ouders naar Jorrtzalem, 41. Wordt van lien gevonden in den tempel onder de leeraars, 45. Keert weder naar Nazareth, is zijnen ouders onderdanig en neemt toe in wijsheid, grootte en genade, 51. |
EN het geschiedde in diezelve dagen, dat er een gebod uitging van den keizer Augustus, dat de geheele wereld beschreven zou worden. 2 Deze eerste beschrijving geschiedde, als Cyre-nius over Cyrië stadhouder was. 3 En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijne eigene stad. 4 En Jozef ging ook op van Galilóa, uit do stad Nazareth, naar Judéa, quot;tot de stad Davids, die b Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit bet 'â huis en geslacht van David was). aMieha 5:1. Joh. 7:42. /)1 Sam. 16:4, enz. cMatt 1:1. 5 Om beschreven te worden met Maria, zijne ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was. 6 En het geschiedde, als zij daar waren, dat do dagen vervuld werden, dat zij baren zoude. 7 En zij quot; baarde haren eerstgeboren zoon, en wond hem in doeken, en leide hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geene plaats was in de herberg. a Matt. 1 : 25. 8 En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in bet veld, en hielden de nachtwacht over hunne kudde. 9 En ziet, een engel des Hoeren stond bij hen, en de heerlijkheid dos Hoeren omscheen hen, en zij vreesden mot groote vreeze. 10 En de engel zeide tot hen: Vreest niet! want, ziet, ik verkondig u groote o-o). blijdschap, die al don volke wezen zal: 11 Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Hoere, in de stad Davids. 12 En dit zal u het toeken zijn: gij zult het kindeken vinden in doeken gewonden, on liggende in de kribbe. 13 En van stonden aan was er met don engel quot;eene menigte des homelschen heirlegers, prijzende God en zeggende: «Dan. 7:10. Openb. 5:11. 14 Eore zij God in de hoogste hemelen, quot; en vrede op aarde , in de menschen een welbehagen ! a Jes. .quot;)7 : 19. Efez. 2: 17. 15 En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar don hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Hoere ons hoeft ver-kondigd. |
LUKAS 2.
1)02
|
16 En zij kwamen met haast, en vonden Maria, en Jozef, en liet kindeken liggende in de kribbe. 17 En als zij liet gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit kindeken gezegd was. 18 En allen, die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders. 19 Doch Maria bewaarde deze woorden allo te zamen, overleggende die in haar hart. '20 En do herders keerden wederom, verheerlijkende en prijzende (ïod over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was. 21 En als quot;acht dagen vervuld waren, dat men het kindeken besnijden zou, zoo werd zijn''naam vertroosting Israels; en de Heilige Oeest was op hem. |
2(5 En hem was eene Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zoude, eer hij den Christus des Hoeren zou zien. 27 En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het kindeken Jezus inbragten, om naar de gewoonte der wet met hem te doen; 28 Zoo nam hij hetzelve in zijne armen, en loofde God , en zeide : 29 Nu quot; laat Gij, Heere! uwen dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord ; a Gen. 4ö : 30. 30 Want mijne oogen hebben uwe quot; zaligheid gezien , a Ps. 98 : 2. Jcs. 52 : 10. |
|
genaanul Jezus, welke genaamd was van den ongel, oor hij in hot ligchaam ontvangen was. «Gen. 17:12. Lev. 12;li. Joh. 7 :22. iJIatf. 1:21. Luk 1 22 En als de dagen harer quot; reiniging vervuld waren, naar de wet van Mozes, bragten zij hom te Jeruzalem, opdat zij hem den Heere voorstelden; a Lev. 12:6. 23 (Gelijk geschreven is quot;in do wet des Hoeren: Al wat mannelijk is, dat de moedor opent, zal den lleero heilig genaamd worden) «Ex. 13:2. Num. 3: 13. 8: 16, 17. 24 En opdat zij offerande gaven, naar hetgeen in de wet des Hoeren gezegd is, quot;een paar tortelduiven, of twee jonge duiven. «Lev. 12:8. 25 En ziet, er was een monsch te Jeruzalem, wiens naam was Simoon; en deze monsch was rogtvaardig en Godvreezonde, verwachtende de |
31 quot; Die Gij bereid hebt voor het aangezigt van al do volken: a Hand. 28:28. 32 quot; Een licht tot verlichting der Heidenen, on tot heerlijkheid van uw volk Israël. n .les. 42:6. 49:6. Haiul. 13:47. 33 En Jozef en zijne moeder verwonderden zich over hetgeen van hem gezegd werd. 34 En Simeon zegende henlieden, en zeide tot Maria, zijne moeder: Zie, quot;deze wordt gezet tot oenen val en opstanding veler in Israël, en tot een toeken, ''dat wedersproken zal worden, a .les. 8 : 14. Hom. 9 : 32. 1 Petr. 2:8. h Hand. 28 : 22. 35 (En ook een zwaard zal door uwe eigene ziel gaan) opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden. 36 En er was Anna, oone profetesse, eono dochter van Fanuël, uit den stam van Aser; deze |
LUKAS 2, 3.
|
WtTS tot grooton ouderdom gekomen, welke niet haren man zeven jaren had geloefd van haren maagdom af. 37 En zij was eone weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, dewelke niet week uit den tempel, met vasten en bidden, God quot; dienende nacht en dag. a 1 Sam. 1 :22- 38 En deze, te dierzelver ure daarbij komende, heeft insgelijks den Heere beleden, en sprak van hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten. 39 En als zij alles voleindigd hadden, wat naaide wet des Heeren te doen was, keerden zij weder naar Galilea, tot hunne stad Nazareth. 40 En het kindeken 11 wies op, en werd gesterkt in den geest, en vervuld met wijsheid; en de genade Gods was over hem. n Luk. 1 : so. 41 En zijne ouders reisden allo jaar naar Jeruzalem , op het feest van quot; pascha. «Ex. 23: 15, 17. Lev. 23:5. Dout. l(j: 1. 42 En toen hij twaalf jaren oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van den feestdag; 43 En de dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en zijne moeder wisten het niet. 44 Maar meenende, dat hij in het gezelschap op den weg was, gingen zij eone dagreize, en zochten hem onder de magen, en onder de bekenden. 45 En als zij hom niet vonden, keerden zij wederom naar Jeruzalem, hom zoekende. 46 En het geschiedde, na drie dagen, dat zij hom vonden in don tempel, zittende in hot midden der leeraren, hen hoorende, en ben ondervragende. 47 quot; En allen, die hem hoorden, ontzetten zich over zijn verstand on antwoorden. a Mutt. 7 : 28. Mark. 1 : 22. Luk. 4 : 22, 32. Joh. 7 : 15. 48 En zij, hem ziende, worden verslagen; en zijne moeder zeide tot hom; Kind! waarom hebt gij ons zoo gedaan? zio, uw vader en ik hebben u met angst gezocht. 49 En hij zoide tot hen: Wat is het, dat gij mij gezocht hebt? wist gij niet, dat ik moet zijn in de dingen mijns Vaders? 50 quot; En zij verstondon het woord niet, dat hij tot hen sprak. «Luk. 9:45. 18:34. 51 En hij ging met hen af, on kwam to Nazareth, en was hun onderdanig. En zijne moeder bewaarde al deze dingen in haar hart. 52 En Jezus quot; nam toe in wijsheid, en in grootte, on in genade bij God en de menschen. «1 Sam. 2: 2(). Luk. 1:80. HOOFDSTUK 3. Do tijd wannoor Johannes do Dooper zijn ambt hooft aangevangen, vs. 1. Do inhoud zijnor prediking, 3. Zijne vermaning tot bokeering aan degenen, die kwamen, om van hom gedoopt te worden, 7. Zijn antwoord op de vraag der scharen, 10; dor tollenaars, 12; on der krijgslieden, wat een iegelijk moest doon, 14. Zijne getuigenis van Christus on van zijnon doop, 15. Zijne gevangenis, 19. Christus wordt door Johannes gedoopt, 21; wiens geslauhts-rogister wordt verhaald tot Adam toe, 23. |
EN in het vijftiende jaar der regering van den keizer Tibérius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judéa, on Heródes oen viervorst over Galilóa, en Filippus, zijn broeder, oen viervorst over Ituréa en over het land Trachónitis, en Lysanias een viervorst over Abiléne; 2 Onder de quot; hoogepriesters Annas en Kajafas, geschiedde hot woord Gods tot Johannes, den zoon van Zacharias, in de woestijn, a Hand. 4:0. 3 quot; En hij kwam in al het omliggende land dor Jordaan, predikende den doop der bekeering tot vergeving der zonden. a Matt. 3: 1. Mark. 1 : 4. 4 Gelijk geschreven is in het boek dor woorden van quot; Jesaja, don profeet, zeggende: De stem dos roependen in do woestijn: Bereidt den weg dos Heoren, maakt zijne paden rogt! «.los. 40:3. Matt. 3:3. Mark. 1 :3. Joh. I : 23. 5 Alle dal zal gevuld worden, en alle berg on heuvel zal vernederd worden, en de kromme wegen zullen tot eenen regten wey worden, on do oneffeno tot effene wegen. (i quot; En allo vloescli zal do zaligheid Gods zien. a Ps. 98 : 2. .les. 52 : 10. 7 Hij zeide dan tot do scharen, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden: quot;Gij adderen-gebroedsels! wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn ? « Matt. 3 : 7. 23 : 33. 8 Brengt dan vruchten voort dor bokeering waardig; en begint niet te zeggen bij u zeiven: quot;Wij hebben Abraham tot eenen vader; want ik zeg u, dat God, zelfs uit dezestoenen. Abraham kinderen kan verwekken. « Matt. 3 : 9. Joh. 8 : 39. Hand. 13 : 20. 9 quot; En de bijl ligt ook alreedo aan den wortel der boomen; alle boom dan, die geene goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur geworpen. « Matt. 3 :10. 7 : 19. 10 En de scharen vraagden hom, quot;zeggende: Wat zullen wij dan doon? «Hand. 2:37. 11 En hij, antwoordende, zeide tot hen: quot;Die twee rokken hoeft, deole lieni mede, die geen iieeft; en die spijze heeft, doe desgelijks. «Jakob. 2: 13, 15. I Joh. 3: 17. 12 En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, on zeiden tot hein: Meester! wat zullen wij doen ? 13 En hij zoide tot hen : Eischt niet meer, dan hetgeen u gezet is. 14 En hom vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zoide tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand hot zijne met bedrog, en laat u vergenoegen mot uwe bezoldingon. 15 En als het volk verwachtte, en allen in hunne harten overleiden van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus ware: Ki Zoo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: |
LUK AS 3,4.
904
|
quot;Ik doop u wel met water; maar hij komt, die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben den riem van zijne schoenen te ontbinden: ''deze zal u doopen met den Heiligen Geest en met vuur. a Matt. 3:11. Mark. 1:8. Joh. 1:26. Hand. 1:5.11:10.19:4. /jJos. 44:3. Joel 2:28. Hand. 2:4. 11: 15. 17 quot; Wiens wan in zijne hand is, en hij zal zijnen dorschvloer doorzuiveren, en de tarwe zal hij in zijne schuur zamenbrengen, maar het kal' zal hij met onuitblusschelijk vuur verbranden. a Matt. 3 : 12. 18 Hij dan ook nog vele andere dingen vermanende , verkondigde den volke het evangelie. 19 quot;Maar als Heródes, de viervorst, van hem bestraft werd, om Heródias wil, de vrouw van Filippus, zijnen broeder, en over alle booze stukken, die Heródes deed, a Matt. 14:3. Mark. 0:18. 20 Zoo heeft hij ook dit nog boven alles daar toegedaan, dat hij Johannes in de gevangenis gesloten hoeft. 21 quot; En het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd, en Jezus ook gedoopt was, en bad, dat de hemel geopend werd; a Matt. 3 : 13. Mark. 1 : 9. Joh. I : 32. 22 En dat de Heilige Geest op hem nederdaalde, in ligchamelijke gedaante, gelijk eene duif; en dat er eene stem geschiedde uit den hemel, zeggende: quot;Gij zijt mijn geliefde Zoon, in u heb Ik mijn welbehagen! «Jes. 42:1. Matt. 17:5. Mark. 9 : 7. Luk. 9 : 35. Col. 1: 13. 2 Petr. 1 : 17. 23 En hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren oud te wezen, zijnde (alzoo men meende) quot;de zoon van Jozef, den zoon van Heli, a Matt. 13 : 55. Joh. 0 : 42. 24 Den zoon van Matthat, den zoon van Levi, den zoon van Molchi, den zoon van Janna, den zoon van Jozef, 25 Den zoon van Mattathias, den zoon van Amos, den zoon van Naüm, den zoon van Esli, den zoon van Naggai, 20 Den zoon van Maath , den zoon van Mattathias, den zoon van Semeï, den zoon van Jozef, den zoon van Juda, 27 Den zoon van Johannas, den zoon van Ilhesa, den zoon van Zorobabel, den zoon van Salathiël, den zoon van Neri, 28 Den 200« van Melchi, den zoon van Addi, den zoon van Kosam, den zoon van Elmódam, den zoon van Er, 29 Den zoon van Joses, den zoon van Eliëzer, den zoon van Jorim, den zoon van Matthat, den zoon van Levi, 30 Den Z0071 van Simeon, den zoon van Juda, don zoon van Jozef, den zoon van Jonan, den zoon van Eljakim, 31 Den zoon van Meleas, den zoon van Maïnan, den zoon van Mattatha, don zoon van Nathan, den zoon van David, |
32 Den zoon van Jesse, don zoon van Obed, den zoon van Boöz, den zoon van Salmon, don zoon van Nahasson, 33 Den zoon van Aminadab, den zoon van Aram, den zoon van Esrom, den zoon van Fares, den zoon van Juda. 34 Den zoon van Jakob, den zoon van Izak, den zoon van Abraham, don zoon van quot;Thara, den zoon van Nachor, os Gen. 11 : 10, en/.. 35 Don zoon van Saruch, den zoon van Ragau, den zoon van Falok, don zoon van Hober, don zoon van Sala, 30 Den zoon van Kaïnan, den zoon van Arfaxad, den zoon van Som, don zoon van Noë, den zoon van Lamech, 37 Don zoon van Mathüsala, den zoon van Enoch, den zoon van Jared, don zoon van Malaloël, den zoon van Kaïnan, 38 Den zoon van Enos, don zoon van Seth, den zoon van quot;Adam, den zoon van God. aGen.5:3. HOOFDSTUK 4. Christus vast veertig dagen in do woestijn en wordt van don duivel verzocht, vs. 1. Keert weder naar Oalilóa on leert in de synagoge te Nazareth uit Jesaja 01, dat hij do beloofde Messias was, 14; en wijst aan, door de voorbeelden van Elias en Elisa, waarom hij aldaar geene wonderen deed, 23. Zij hierover toornig zijnde, trachtten hem te dooden, 28. Hij leert te Kapérnaüm op den sabbat, 31; en werpt aldaar eenen duivel uit, 33. Geneest de schoonmoeder van Petrus van de .koorts, en vele andere kranken en bezetenen, 38; gaat van daar en predikt ook in andere steden van Galilóa, 42. EN quot; Jezus, vol des Heiligen Geestes, keerde wederom van de Jordaan, en werd door don Geest geleid in de woestijn; aMatt.4:1. Mark. 1:12. 2 En werd veertig dagen verzocht van den duivel; quot; en at gansch niet in die dagen, en als dezelve geëindigd waren, zoo hongerde hem ten laatste. «Ex. 34:28. 1 Kon. 19:8. 3 En de duivel zoido tot hem: Indien gij Gods Zoon zijt, zeg tot dezen steen, dat hij brood worde. 4 En Jezus antwoordde hem, zeggende: quot;Er is geschreven, dat de mensch bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord Gods. a Dent. 8 : 3. Matt. 4: 4. 5 En als hem de duivel geleid had op eenen hoogen berg, toonde hij hem al de koningrijken dor wereld, in een oogenblik tijds. 0 En de duivel zeide tot hem: Ik zal u al deze magt, en de heerlijkheid derzelve koningrijken geven: want zij is mij overgegeven, en ik geef ze wien ik ook wil; 7 Indien gij dan mij zult aanbidden, zoo zal het alles uwe zijn. 8 En Jezus, antwoordende, zeide tot hom: Ga weg van mij, Satan ! want er is geschreven: quot; Gij zult den Heere, uwen God, aanbidden, en Hem alleen dienen. 0 Deut. 0:13. 10:20. 1 Sam. 7:3. 9 En hij leidde hem naar Jeruzalem, en stelde hem op do tinne des tempels, en zeide tot hem: |
LUK AS 4.
005
|
Indien gij rto Zoon Oods zijt, werp u zelvcn van hier nederwaarts: 10 Want er is geschreven, quot; dat Hij zijne engelen van u bevelen zal, dat zij n bewaren zullen; a Ps. 91: 11. 11 En dat zij u op de handen nemen zullen, opdat gij uwen voet niet te eeniger tijd aan eenen steen stoot. 12 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Er is gezegd: quot; Gij zult den Heere, uwen God, niet verzoeken. a üeut. G: 1G. 13 En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van hem voor een' tijd. 14 quot; En Jezus keerde wederom, door do kracht des Geestes, naar Galiléa; en het gerucht van hem ging uit door het geheele omliggende land. a Malt. 4:12. Mark. 1:14. Joh. 4:43. Hand. 10:37. 15 En hij leerde in hunne synagogen, en werd van allen geprezen . l(i En hij kwam teNazareth, daar hij opgevoed was, en ging, naar zijne gewoonte , op den dag des sabbats in de synagoge; quot; en stond op om te lezen. a Matt. 13:54. Mark. 6:1. .lob. 4 :43. Neli. 8:5, G. 17 En hom werd gegeven hot boek van den profeet Jesaja; en als hij het boek opengedaan had, vond hij de plaats, daar geschreven was: 18 quot; De Geest des Heeren is op mij, daarom heeft Hij mij gezalfd; Hij heeft mij gezonden, '' om den armen het evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van harte; a Jes. 61 :1. b Matt. II : 5. 19 quot; Om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezigt, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar des Heeren. « Jes. 42:7. 61:1,2. 20 En als hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had, zat hij neder; en de oogen van allen in de synagoge waren op hem geslagen. 21 En hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uwe ooren vervuld. 22 En zij gaven hem allen getuigenis, quot;en verwonderden zich over de aangename woorden , die uit zijnen mond voortkwamen; en zeiden: ''Is deze niet de zoon van Jozef? a.los. 50:4. Matt. 13:54. Mark. G : 2. Luk. 2:47. ft Joh. G : 42. |
23 En hij zeide tot hen: Gij zult zonder twijfel tot mij dit spreekwoord zoggen : Medicijnmeester ! genees u zeiven; al wat wij gehoord hebben, quot; dat in Kapérnaüm geschied is, doe ddt ook hier in uw vaderland. a Matt. 4:13. 24 En hij zeide: Voorwaar ik zeg u, quot;dat geen profeet aangenaam is in zijn vaderland. a Matt. 13:57. Mark. G : 4. Joh. 4:44. 25 Maar ik zeg u in der waarheid: er waren quot;vele weduwen in Israël in de dagen van Elias, toen de hemol drie jaren en zes maanden gesloten was, zoodat er groote hongersnood werd over het goheele land. «1 Kon. 17 : 7. Jakob. 5: 17. 2G En tot geene van haar word Elias gezonden, dan naar Sarepta Sidonis, tot eene vrouw, die weduwe was, 27 En er waren quot; vele melaatschen in Israël, ten tijde van den profeet Elisa; en geen van hen werd gereinigd, dan Naaman, de Syriër. a 2 Kon. 5 : 14. 28 En zij werden allen in do synagoge met toorn vervuld, als zij dit hoorden. 29 En opstaande , wierpen zij hem uit, buiten de stad, en leidden hem op den top des bergs, op denwel ken hunne stad gebouwd was, om hem van de steilte af te werpen. 30 Maar hij, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg. 31 quot;En hij kwam af te Kapérnaüm, eene stad van Galiléa, en leerde hen op de sabbatdagen. a Matt. 4 : 13. Mark. 1:21. 32 quot;En zij versloegen zich over zijn leer, want zijn woord was met magt. aMatt. 7:29. Mark. 1:22. 33 quot; En in de synagoge was een mensch, hebbende eenen geest eens onreinen duivels; en hij riep uit met groote stemme, «Mark. I : 23. 34 Zeggende: Laat af, wat hebben wij met u te doen, gij Jezus Nazaréner? zijt gij gekomen, om ons te verderven? Ik ken u, wie gij zijt, namelijk de Heilige Gods. 35 En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga van hem uit. En de duivel, hem in het midden geworpen hebbende, voer van hem uit, zonder hem iets te beschadigen. 3G En er kwam eene verbaasdheid over allen; en zij spraken zamen tot elkander, zeggende: |
LUKAS 1, 5.
00(i
met mayt on gebiedt, en zij
uit in alle
van hen niet zou weg-n Mark. 1 : 35. zoide tot hen: Ik moet ook andere vangelie van het koningrijk Gods verkondigen: want daartoe ben ik uitgezonden.
44 En hij prodikte in de synagogen van Galiléa.
HOOFDSTUK 5.
Christus leert tic scharen uit het schip van Petrus, vs. 1; on na eeno wondervolle vischvangst belooft hij hom en zijne ineilgezellen te maken tot visschers der menschon. 4. Hoinigt oenen melaatsche. 12; geneest oenen geraakte, 17; en bewijst daaruit, dat hij inagt had, de zonden te vergeven, 21. Roept Levi, den tollenaar, 27; eot met hein en andere tollenaren, 29; en geeft daarvan reden, 31. Verdedigt zijne discipelen door verscheidene gelijkenissen , waarom zij niet vasten. 33.
EN quot;het geschiedde, als de schare op hem aandrong, om het woord Gods te hooren, dat hij stond bij het meer Gcnnósaret.
a Matt. 13 : 2. Mark. 4 :1.
dat lui
Wat woord is dit, dat lii kracht don onroinon yoeston varen uit?
^7 En liet gerucht van hem ging plaatsen des omliggenden lands.
!)8 quot; En Jezus, opgestaan zijnde uit do synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was mot eeno groote koorts bevangen, on zij baden hem voor haar.
a Matt. 8 : 14. Mark. 1 : 29.
:)!» En staande boven haar, bestrafte hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonde aan opstaande, diende henlieden.
40 quot;En als do zon onderging, bragten allen, die kranken hadden, met verscheidene ziekten bevangen, die tot hem, ''en hij leide een' iegelijk van hen de handen op, en genas dezelve.
« Matt. S: Ui. Mark. 1 : 82. ft Mark. 7 : H2. 8:23, 25.
41 quot; En er voe-ron ook duivelen uit van velen,
roepende en zeg-gondo: Gij zijt de Christus, de Zone Gods! En Acwbestraffende,
liet hij die niet spreken, omdat zij wisten, dat hij do Christus was.
oMark. 1:34. 3:11.
42 quot; En als hot dag werd, ging hij uit, en trok naar eeno woeste plaats; on do scharen zochten hem, en kwamen tot bij hem, en hielden hem op gaan.
43 Maar hij steden het
2 En hij zag twee schepen aan den oever van het moer liggende, en de visschers waren daaruit gegaan, en spoelden do netten.
3 En hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, on bad hem, dat hij een weinig van het land afstak; en nodorzittende, leerde hij de scharen uit hot schip.
4 En als hij afliet van spreken, zoide hij tot Simon: quot; Steek af naar do diepte, en werp uwe netten uit om te vangen. a Joh. 21 : (J.
5 En Simon antwoordde en zeide tot hem: Meester! wij hebben den geheelen nacht over gearbeid, en niet gevangen; doch op uw woord zal ik het net uitwerpen.
R En als zij dat gedaan hadden, besloten zij eeno groote menigte visschen, en hun net scheurde.
7 En zij wenkten hunne modegenooton , die in
het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen, on vulden beide do schepen , zoodat zij bijna zonken.
8 En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: lieere! ga uit van mij, want ik ben een zondig monsch.
9 Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen, die met hem waren,
die zij gevangen
hadden;
10 En desgelijks ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedéüs, die modegenooton van Simon waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; quot; van nu aan zult gij menschon vangen.
a Jer. KJ: 16. Ezec. 47 : 9. Matt. 4 :19. Mark. 1:17.
11 En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, quot;verlieten zij alles, en volgden hem.
ff Matt. 4:20. 19:27. Mark. 10:28. Luk. 18:28.
12 quot; En het geschiedde, als hij in eene dier steden was, ziet, er ï/m'een man vol melaatschheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezigt, en bad hem, zeggende: Heere! zoo gij wilt, gij kunt mij reinigen. a Matt. 8 : 2. Mark. I : 40.
13 En hij, do hand uitstrekkende, raakte hem aan, en zeide: Ik wil, word gereinigd! En terstond ging do melaatschheid van hem.
14 En hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou: maar ga heen, zeide hij, vertoon u
LUKAS 5, 6.
007
|
zolvon don priostor, on offer voor uwo reiniging, I quot;gelijk Mozes gobodon heeft, hun tot eone getuigenis. a Lov. 13:2. 14:2. Malt. 8:4, 15 Maar het gorucht van hom ging te meer voort; on vele scharen kwamen zamon, om hem te hooron, en door hom genezen to worden van hunne krankheden. 10 Maar hij vertrok in de woestijnen, en bad aldaar. 17 En het geschiedde in een' dier dagen, dat hij leerde, en er zaten farizeën en leeraars der wet, die van alle vlokken van Galiléa, enJudéa, on Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Hoeren was er om hen te genezen. 18 quot;En ziet, eenige mannen bragton op een bed oenen mensch, die geraakt was, en zochten hem in te brengen, en voor hom te leggen. a Matt. 9:1. Mark. 2 : 3. Hand. 9 : 3;!. 19 En niet vindende, waardoor zij hem inbrengen mogten, overmits do schare, zoo klommen zij op het dak, en lieten hom door de tigchelen neder met het beddeken, in hot midden, voor Jezus. 20 En hij, ziende hun geloof, zoido tot hem: Mensch! uwe zonden zijn u vergeven. 21 En do schriftgeleerden en de farizeën begonnen te overdenken, zeggende: Wie is deze, die G'orfslastering spreekt? quot;wie kan do zonden vergeven , dan God alleen ? a Ps. 32 : 5. .les. 43 : 25. 22 Maar Jezus, hunne overdenkingen bekennende, antwoordde en zeido tot hen: Wat overdenkt gij in uwe harten? 23 Wat is ligter te zoggen: Uwe zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en wandel? 24 Doch, opdat gij moogt weten, dat de Zoon dos menschen magt heeft op de aarde, do zonden te vergeven (zeido hij tot den geraakte): Ik zeg u, sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis. 25 En hij, terstond voor hem opstaande, en opgenomen hebbende hetgeen daar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God verheerlijkende. 26 En ontzetting hoeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vreoze, zeggende: Wij hebben boden ongeloofelijke dingen gezien. 27 quot;En na dezen ging hij uit, en zag eenen tollenaar , met name Levi, zitten in hot tolhuis, en zeido tot hem: Volg mij. aMatt.9:9.Mark.2:14,15. 28 En hij, alles verlatende, stond op en volgde hem. 29 En Levi rigtte hem een' grooten maaltijd aan, in zijn huis; quot;en er was eone groote schare van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten. «Matt. 9:10. Mark. 2:15. Luk. 15:1. 30 En hunne schriftgeleerden en do farizeën murmureerden tegen zijne discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren ? |
31 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van noode, maar dio ziek zijn. 32 quot; Ik bon niet gekomen om te roepen rogt-vaardigen, maar zondaren tot bekeering. a Matt. 9: 13. Luk. 19: 10. 1 Tim. 1 : 15 33 quot; En zij zeiden tot hom: Waarom vasten do discipelen van Johannes dikmaals, en doen geboden, desgelijks ook de discipelen dor farizeën maar de uwe eten en drinken? «Matt. 9:1-1. 34 Doch hij zeido tot hen: quot; Kunt gij de bruiloftskinderen, terwijl de bruidegom bij hen is, doen vasten ? a Jes. ö2 : 5. 2 Cor. 11:2. 35 Maar de dagen zullen komen, wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn, dan zullen zij vasten in die dagen. 36 En hij zeido ook tot bon eeno gelijkenis: Niemand zet oenen lap van oen nieuw kleed, op een oud kleed; anders zoo scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen. 37 En niemand doet quot; nieuwen wijn in oude Zedenzakken; anders zoo zal de nieuwe wijn de lederzakken doen bersten, en do wijn zal uitgestort worden, en de lederzakken zullen verdorven. a Matt. '.1: 17. Mark. 2 : 22. 38 Maar nieuwen wijn moot men in nieuwe lederzakkon doen, en zij worden beide te zamon behouden. 39 En niemand, dio ouden drinkt, begeert terstond nieuwen; want hij zegt: De oude is boter. HOOFDSTUK 6. Uo discipelen plukken korenaren op den sabbat en worden daarover door Christus tegen de farizeën verantwoord, vs. 1. Christus geneest op den sabbat eone dorre hand en verdedigt dit zijn doen, 6; bidt op don berg en verkiest uit zijne discipelen twaalf tot apostelen, 12. Geneest verscheidene zieke en bezeten menschen, 17. Leert welke menschen gelukzalig zijn en welke niet, 20. Vermaant tot liefde, zelfs jegens de vijanden, 27 ; tot barmhartigheid en tot een billijk oordeel van zijnen naaste, 36; als ook tot weldadigheid, 38. Leert, dat men zich zeiven eerst moot bezien, wanneer men andoren wil bestraffen, 41; en dat do boom uit zijne vruchten wordt gekend, 43. Eindelijk leort hij door do gelijkenis van een huis op eono rots on op zand gebouwd , dat het niet genoog is hom mot den mond alleen te belijden, maar dat men ook zijnen wil moet doen, 46. EN quot; het geschiedde op den tweedon eersten sabbat, dat hij door het gezaaide ging; en zijne discipelen plukten aren, en aten ze, dte wrijvende mot de handen. aDeut.23:25. Matt. 12:1. Mark.2:23. 2 En sommige dor farizeën zeiden tot hen: Waarom doet gij, quot; wat niet geoorloofd is te doen op de sabbaten? a Ex. 20:10. 3 En Jezus, hun antwoordende, zoido: Hebt gij ook dat niet gelezen, hetwelk quot; David deed, wanneer hem hongerde, en dengenen, die mot hem waren ? a 1 Sam. 21:6. 4 Hoe hij ingegaan is in hot huis Gods, en do toonbrooden genomen en gegeten heeft, en ook |
LUKAS 6.
ons
|
go^oven dengonon, dio met hom waron, welke niet zijn geoorloofd te eten, quot;dan alleen den priesteren. « Lev. 24 : 9. 5 En hij zeide tot hen: quot; De Zoon des menschen is een Heere ook van den sabbat. a Matt. 12 ; S. Mark. 2:28. 0 quot; En hot geschiedde ook op oenen anderen sabbat, dat hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een monsch, en zijno regtorhand was dor. a Matt. 12 : 9. Mark. 3 : 1. 7 En do schriftgeleerden en do farizeën namen hom waar, of hij op don sabbat genezen zou; opdat zij evnige beschuldiging togen hom mogton vindon. 8 Doch hij kende hunne gedachten, en zoide tot don monsch, die do dorre hand had: Rijs op, on sta in hot midden. En bij opgestaan zijnde, stond over einde. 1) Zoo zoido dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbaten? goed todoen, of kwaad te doenV oon' monsch te behouden, of te verderven? 10 En hen allen rondom aangezien hebbende, zoido hij tot don monsch: Strok uwe hand uit. En hij dood alzoo; quot;en zijno hand werd hersteld, gezond gelijk de andere. a 1 Kon. l.'i: 0. 11 En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken zamen mot elkander, wat zij Jezus doen zouden. 12 quot;En het geschiedde in dio dagen, dat hij uitging naar den borg, om to bidden, en hij bleef don nacht over in hot gebod tot God. a Matt. 14 : 2.'i. 13 quot; En als het dag was geworden, riep hij zijne discipelen tot zich, on verkoos er twaalf uit hen, die hij ook Apostelen noemde: a Matt. 10 :1. Mark. 3 :13. G : 7. Luk. 9 : 1. 14 Namelijk Simon, welken hij ook Petrus noemde, en Andréas zijnen broeder. Jakobus on Johannes, Filippus en Bartholoméüs; 15 Matthéiis en Thomas, Jakobus den zoon van Alféüs, en Simon genaamd Zelótes; It) Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is. 17 quot;En met hen afgekomen zijnde, stond hij op oene vlakke plaats, en met hem do schare zijnor discipelen, en eono grooto menigte des volks van geheel Judéa en Jeruzalem, en van don zeekant van Tyrus on Sidon ; a Matt. 4 : 25. Mark. 3 : 7. 18 Dio gekomen waren, om hem te hooren, en om van hunne ziekten genezen te worden, on dio van onreine geesten gekweld waron: en zij worden genezen. 1!) En al de schare zocht hem aan te raken: quot;want er ging kracht van hem uit, en hij genas zo allen. «Mark. 5:30. 20 quot; En hij, zijne oogon opslaande over zijne discipelen, zoido: Zalig zijt gij, armen! want uw is het koningrijk Gods. a Matt. 5 : 2. 21 quot;Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult |
I verzadigd worden. ''Zalig zijt gij, die nu woont; want gij zult lagchon. nJes.(j5:13. ftJes.ül :3. Gü: 10. 22 quot; Zalig zijt gij, wanneer u do menschen haten , en wanneer zij u afscheiden, on smaden, en uwen naam als kwaad verworpen, om dos Zoons des menschen wil. a Matt. 5:11. 1 Petr. 2:19. 3: 14. 4 : 14. 23 quot;Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk: want, ziet, uw loon is groot in den hemel; '' want hunne vaders deden desgelijks den profoton. a Hand. 5:41. h Hand. 7:51. 24 quot; Maar wee u, gij rijken! want gij hebt uwen troost weg. a Amos G : 1, 8. 25 quot;Wee u, die verzadigd zijt! want gij zult hongeren. Wee u, die nu lacht! 11 want gij zult treuren en weenon. n Jes. G5 : 13. 6 Jakob. 4:9. 5:1. 26 Wee u, wanneer al de menschen wol van u spreken! want hunne vaders doden desgelijks don valschen profeten. 27 Maar ik zog ulioden, dio dit hoort: quot; Ilobt uwe vijanden lief; doet wol dengenen, die u haten. «Ex. 23:4. Spr. 25:21. Matt. 5: 44. Rom. 12:20. 1 Cor. 4:12. 28 Zegent degenen, dio u vervloeken, en quot;bidt voor degenen, die u gewold doen. n Luk. 23 : 34. Hand. 7 : Go. 29 quot; Dengenen, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengenen, die u den mantel noemt, verhindert ook den rok niet ie nemen, a 1 Cor. G : 7. 30 quot; Maar geeft een' iegelijk, die van u begeert; on van dengenen, die het uwe neemt, eischt niet weder. a Dout. 15:7. Matt. 5:42. 31 quot;En gelijk gij wilt, dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks. «Matt. 7:12. 32 quot; En indien gij liefhebt, die u liefhebbon, wat dank hebt gij ? want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben. aMatt.5:4ti. 33 En indien gij goed doet dengonon, die u goed doen, wat dank hebt gij ? want ook do zondaars doen hetzelfde. 34 quot; En indien gij leent dengonon, van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij ? want ook de zondaars leonon den zondaren , opdat zij ovongolijk weder mogen ontvangen. a Deut. 15 : 8. Matt. 5 : 42. 35 Maar hebt uwe vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn en gij zult quot; kinderen des Allorhoog-sten zijn: want Hij is goedertieren over de ondankbaren en boozen. a Matt. 5:45. 3G Woest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is. 37 quot; En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoomt niet, en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden; a Matt. 7:1. Rom. 2:1. 1 Cor. 4 : 5. 38 Geeft, en u zal gegeven worden ; eone goede, neergedrukte, on geschudde, en overloopende maat zal men in uwen schoot geven: b want met |
LUKAS 6. 909
dezelfdu maat, waarmode gijlieden meet, zal broeders oog is, on den balk, die in uw eigen
ulieden wedergemeten worden. oog is, merkt gij niet? «Malt. 7 ; H.
raSpr. 10:22. 10:17. /; Matt. 7:2. Mark. 4:24. 42 Of hoe kunt gij tot uwen broeder zeggen:
39 En hij zeide tot hen eene gelijkenis: quot;Kan Broeder! laat toe, dat ik den splinter, die in ook wel een blinde oenen blinde op den weg uw oog is, uitdoe; daar gij zelf don balk, die
in uw oog is, niet ziet? Gij geveinsde! quot;doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om don splinter uit te doen, die in uws brooders oog is. a Spr. IS : 17.
43 «Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt: a Matt. 7:17. 12:33.
leiden? zullen zij niet beiden in de gracht vallen?
a .les. 42 : 10. Matt. 15: 14.
40 quot; Do diseipol is niet boven zijnen meester; maar een iegelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester.
«Matt. 10:24. .loh. 13:10. 15:20.
41 quot;En wat ziot gij don splinter, die in uws
quot;^V
'i '
' gt; '1 I â¢. i
lt; â
I
|
010 44 Want ieder boom wordt uit zijne eigene vrucht gekend; quot; want men leest geene vijgen van doornen , en men snijdt geene druif van bramen. a Matt. 7 ; 10. 45 quot; De goede mensch brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mensch brengt liet kwade voort uit den kwaden soliat zijns harten: h want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond, a Matt. 12:35. h Matt. 12:34. 4G quot;En wat noemt gij mij, Ileere, Heere! en doet niet hetgeen ik zeg? aMal. 1 : G. Matt. 7:21. 25:11. Luk. 13:25. Kom. 2:13. Jakob. 1:22. 47 quot;Een iegelijk, die tot mij komt, en mijne woorden hoort, en dezelve doet, ik zal n toonen, wien hij gelijk is. a Matt. 7:24. 48 Hij is gelijk een' mensch, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en leide het fondament op eene steenrots; als nu de hooge vloed kwam, zoo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen: want het was op de steenrots gegrond. 49 Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk een' mensch, die een huis bouwde op de aarde zonder fondament; tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van datzelve huis was groot. HOOFDSTUK 7. Christus maakt den knecht van eenen hoofdman te Kapérnaüm gezond, wiens geloof hij boven alle anderen prijst, vs. 1. Wekt den zoon eener weduwe te Naïn op uit den dood, 11. Beantwoordt de vraag der discipelen van Johannes, en bewijst uit zijne leer en werken, dat hij de Messias is, 18; geeft van den persoon en het ambt van Johannes een heerlijk getuigenis, 24; waarover het volk God prijst, maar de farizeën verachten den raad Gods, 2!); hij verwijt den Joden, onder de gelijkenis van het doen der kinderen op de straten, hunne onbe-kcerlijkheid, 31. Eet bij Simon, den farizieër, waar eene zondares zijne voeten met hare tranen nat maakt, waaraan zich Simon ergert; Christus verantwoordt haar met de gelijkenis van twee schuldenaren, 3G. NADAT hij nu al zijne woorden voleindigd had, ten aanhoore des volks, quot;ging hij in te Kapérnaüm. u Matt. 8 : 5. 2 En een dienstknecht van een' zeker hoofdman over honderd, die hem zeer waard was, krank zijnde, lag op zijn sterven. 3 En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot hem de ouderlingen der Joden, hem biddende, dat hij wilde komen, en zijnen dienstknecht gezond maken. 4 Deze nu, tot Jezus gekomen zijnde, baden hem ernstelijk, zeggende: Flij is waardig, dat gij hem dat doet: 5 Want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd. 6 En Jezus ging met hen. En als hij nu niet verre van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot hem rrnif/r vrienden, en zeide tot hem: Ileere! neem do moeite niet: want ik ben niet waardig, dat gij onder mijn dak zoudt inkomen. |
7 Daarom heb ik ook mij zeiven niet waardig geacht, om tot u te komen, maar zeg het met een woord , en mijn knecht zal genezen worden. 8 Want ik ben ook een mensch, onder de magt van anderen gesteld, hebbende krijgsknechten onder mij, en ik zeg tot dezen: Ga! en hij gaat; en tot don anderen: Kom! en hij komt, en tot mijnen dienstknecht: Doe dat! en hij doet het. !) En Jezus, dit hoorende, verwonderde zich over hem; en zich omkeerende, zeide tot de schare, die hem volgde: Ik zeg ulieden, ik heb zoo groot een geloof zelfs in Israël niet gevonden. 10 En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde in het huis, vonden den kranken dienstknecht gezond. 11 En het geschiedde op den volgenden day, dat hij ging naar eene stad, genaamd Naïn, en met hem gingen vele van zijne discipelen, en eene groote schare. 12 En als hij de poort der stad genaakte, ziet daar, een doode werd uitgedragen, die een eenig-geboren zoon zijner moeder was, en zij wan weduwe, en eene groote schare van de stad was met haar. 13 En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet. 14 En hij ging toe, en raakte de baar aan; (do dragers nu stonden stil) en hij zeide: Jongeling, ik zeg u, quot;sta op! «Hand. 9 :40. 15 En de doode zat over einde, en begon te spreken. En hij gaf hem aan zijne moeder. 16 En vreeze beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: quot;Een groot profeet is onder ons opgestaan, en '' God heeft zijn volk bezocht. a Luk. 24:19. Joh. 4:19. G : 14. 9 : 17. b Luk. 1 : 08. 17 En dit gerucht van hem ging uit in geheel Judéa, en in al hot omliggende land. 18 quot; En de discipelen van Johannes boodschapten hem van al deze dingen. a Matt. 11 : 2. 19 En Johannes zekere twee van zijne discipelen tot zich geroepen hebbende, zond hen tot Jezus, zeggende: Zijt gij degene, die komen zou, of verwachten wij een' anderen? 20 En als de mannen tot hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes do Dooper heeft ons tot u afgezonden, zeggende: Zijt gij, die komen zon, of verwachten wij een' anderen ? 21 En in dezelve ure genas hij er velen van ziekten en kwalen, en booze geesten; en velen blinden gaf hij het gozigt. 22 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder de dingen, die gij gezien en gehoord hebt, namelijk quot; dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatschen gereinigd worden, de dooven LUKAS G, 7. |
|
hooren, de dooden opgewekt worden, den armen het evangelie verkondigd wordt. a Jes. 20; IS. 35:5. (gt;1:1. 23 En zalig is hij, die aan mij niet zal geërgerd worden. 24 quot; Als nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon hij tot de scharen van Johannes te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van den wind ginds en weder bewogen wordt? a Matt. 11:7. 25 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een' mensch, met zachte kleederen bekleed? Ziet, die in heerlijke kleeding en wellust zijn, die zijn in de koninklijke hoven. 26 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien ? Een' profeet? Ja, ik zeg u, ook veel meer dan een' profeet. 27 Deze is het, van welken geschreven is: quot; Ziet, Ik zende mijnen engel voor uw aangezigt, die uwen weg voor u heen bereiden zal. a Mal. .'i: 1. Mark. 1 : 2. 28 Want ik zeg ulieden: onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand meerder profeet, dan Johannes de Dooper; maar de minste in het koningrijk Gods, is meerder dan hij. 29 En al het volk, hem hoorende, cn de tollenaars , die met den doop van Johannes gedoopt waren, regtvaardigden God. 30 Maar de farizeën en de wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zich zeiven verworpen, van hem niet gedoopt zijnde. 31 quot; En de Heere zeide: Bij wien zal ik dan de menschen van dit geslacht vergelijken? en wien zijn zij gelijk? a Matt. 11 : Hi. 32 Zij zijn gelijk aan de kinderen, die op de markt zitten, en elkander toeroepen on zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend. 33 quot; Want Johannes de Dooper is gekomen, noch brood etende, noch wijn drinkende; en gij zegt: Hij heeft den duivel. a Matt. 3:4. Mark. 1: (!. 34 De Zoon des menschen is gekomen, etende en drinkende, en gij zegt: Ziet daar, een' mensch, die een vraat en wijnzuiper is, een vriend van tollenaren en zondaren. 35 Doch de wijsheid is geregtvaardigd geworden van al hare kinderen. 3G quot; En een der farizeën bad hem, dat iiij met hem ate; en ingegaan zijnde in des farizeërs huis, zat hij aan. a Matt. 26:0. Mark. 14:3. Joh. 11:2. 12:3. 37 En ziet, eene vrouw in de stad, welke eene zondares was, verstaande, dat hij in dos farizeërs huis aanzat, bragt eene albasten flesch met zalf; 38 En staande achter aan zijne voeten, weenende, begon zij zijne voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met liet haar van haar hoofd, on kuste zijne voeten, en zalfde ze niet do zalf. 39 Kn de farizeër, die hem genood liad, zulks |
911 ziende, sprak bij ziel: zelven, zeggende: quot;Deze, indien hij oen profeet ware, zou wel weten, wat en hoedanige vrouw deze is, die hem aanraakt: want zij is eene zondares. a Luk. 15:2. 40 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Simon! ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Moester! zeg hot. 41 â¢Jezus zeide: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars; de eon was schuldig vijf honderd penningen, en de andere vijftig; 42 En als zij niet hadden om te betalen, schold iiij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van dezen zal hem meer liefhebben? 43 En Simon, antwoordende, zeide: Ik acht, dat hij het is, dien hij het meeste kwijt gescholden lieeft. En hij zeide tot hem: (üj hebt regt geoordeeld. 44 En hij zich omkeerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? ik ben in uw huis gekomen, water hebt gij niet tot mijne voeten gegeven; maar deze heeft mijne voeten mot tranen nat gemaakt, en met liet haar van haar hoofd afgedroogd. 45 Gij hebt mij geen' kus gegeven; maar deze, van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten mijne voeten te kussen. 4() Mot olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft mijne voeten met zalf gezalfd. 47 Daarom zeg ik u: hare zonden zijn haar vor-geven, die vele waren: want zij beeft veel liefgehad ; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief. 48 En hij zeide tot haar: quot;Uwe zonden zijn u vergeven. a Matt. !J: 2. 4i) En die mede aanzaten, begonnen te zeggen bij zich zelven: quot; Wio is deze, die ook de zonden vergeeft? o Matt. 0:3. 50 Maar hij zeide tot do vrouw: Uw geloof lieeft u behouden, ga heen in vrede. HOOFDSTUK 8. Christus roist door steden en vlekken, predikende het evangelie, vergezeld van eenige vrouwen, dio hem van hare goederen ilienen, vs. 1. Stolt aan do sclia-ren voor de gelijkenis van een' zaaijer, wiens zaad op verschillende plaatsen valt, 4; en verklaart dezelve zijnon discipelen in liet bijzonder, 9. .lozns vergelijkt zijn woord bij eene kaars, die op don kandelaar wordt geplaatst, om te lichten, l(i. Leert dat dien, die hoeft, nog meer zal gegeven worden, 18; en wie zijne moeder en broeders zijn, 19. Slilt don stormwind op de zoo, 22. Werpt een legioen duivelen nit, 20; welken hij toelaat in de zwijnen te varen, 31. Gaat met Jaïrns om zijn dochtertje te helpen, 41 ; Oeneest onderweg eene vrouw van eene twaalfjarige bloedvloeijing, 43, en ten huize van Jaïrns gekomen zijnde, wekt zijn dochtertje op van de dooden, 49. EN het geschiedde daarna, dat hij reisde van de eene stad en vlek tot de andere, predikende (sn verkondigende het evangelie van het koningrijk-Gods; en de twaalven varen met hem; 2 quot; En sommige vrouwen, die van booze geesten LÃKAS 7, 8. |
LUKAS 8.
912
|
on krankhodon yonozon waren, luunelijk Maria, genaamd Magdaléna, ''van welke zeven duivelen uitgegaan waren ; a Matt. 27 :55,56. h Mark. 1G: i). 3 En Johanna, de huisvrouw van Chüsas, den rentmeester van Heródes, on Susanna, en vele anderen, die hem dienden van hare goederen. 4 quot; Als nu eene groote schare bijeenvergaderdo, en zij van allo steden tot hom kwamen, zoo zeide hij door gelijkenis: a Matt. U!: 3. Mark. 4:2. 5 Een zaaijer ging uit, om zijn zaad te zaaijen; en als hij zaaide, viel hot oene bij den weg, en werd vertreden, en do vogelen des hemels aten dat op. (! En hot andere viel op oene steenrots, en opgewassen zijnde, is het verdord, omdat hot geene vochtigheid had. 7 En het andore viel in het midden van de doornen, on de doornen mode opwassende, verstikten hetzelve. 8 En het andere viol op do goede aarde, en opgewassen zijnde, bragt het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende, riep hij: Wie ooren heeft, om te hooron, die hoore. 9 quot; En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: Wat mag deze gelijkenis wezen? a Matt. 13:10. Mark. 4:10. 10 En hij zeide: U is het quot;gegeven, de verborgenheden van het koningrijk Gods te verstaan; ''maar tot de anderen spreek ik in gelijkenissen, c opdat zij ziende niet zien, en hoorondo niet verstaan, a'1 Cor. 3:5. h Matt. 11 :25. 2 Cor. 3:14. r.Tes. (1:9. E/.ec. 12:2. Matt. 13:14. Mark. 4:12. Joh. 12:40. Hand. 28:20. Rom. 11:8. 11 quot; Dit is nu do gelijkenis: Het zaad is het woord Gods. a Matt. 13:18. Mark. 4:13. 12 En die bij den weg bezaaid worden, zijn doze, die hooron; daarna komt de duivel, en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden golooven, en zalig worden. 13 quot;En die op de steenrots bezaaid worden, zijn deze, die, wanneer zij hot gehoord hebben, het woord met vreugde ontvangen; en deze hebben geenen wortel, die maar voor oenen tijd golooven, en in den tijd der verzoeking wijken zij af. a Matt. 13 : 20. Mark. 4 :1 0. 14 En dat in de doornen valt, zijn deze, die gehoord hebben, en heengaande quot; verstikt worden door de zorgvuldigheden, en rijkdom, en wellusten des levens, en voldragen geene vrucht. a Matt. 19 : 23. Mark. 10 : 23. Luk. IS : 24. I Tim. à : 9. 15 En dat in de goede aarde valt, zijn deze, die, bet woord gehoord hebbende, hetzelve in een eerlijk en goed hart bewaren, en in volstandigheid vruchten voortbrengen. IG quot;En niemand, die eene kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat, of zet ze onder een bed; maar zet ze op eenen kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen. |
a Matt. 5:15. Mark. 4:21. Luk. 11:3.3. 17 quot;Want er is niet verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch heimelijk, dat niet bekend zal worden, en in hot openbaar komen. a lob 12 : 22. Matt. 10 : 2G. Mark. 4 : 22. Luk. 12 : 2. 18 Ziet dan, hoe gij hoort: quot; want zoo wie heeft, dien zal gegeven worden; en zoo wie niet heeft, ook hetgeen hij meent te hebben, zal van hein genomen worden. a Matt. 13:12. 25:29. Mark. 4:25. Luk. 19:20. 19 quot; En zijne moedor en zijne broeders kwamen tot hein, en konden bij hem niet komen, van wege do schare. a Matt, 12 : 40. 13:55. Mark. 3 : 31. 20 En hom word geboodschapt van eenigen, die zeiden: Uwe moeder en uwe broeders staan daar buiten, begeerende u te zien. 21 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: quot; Mijne moedor en mijne broeders zijn doze, die Gods woord hooron, en datzelve doen. a Joh. 15: 14. 2 Cor. 5:10. 22 quot;En het geschiedde in oen' van die dagen, dat bij in een schip ging, en zijne discipelen hem; en hij zeide tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde van het moer. En zij staken af. a Matt. 8:23. Mark. 4:35, 30. 23 En als zij voeren, viel hij in slaap; en er kwam een storm van wind op het meer, en zij werden vol waters, on waren in nood. 24 En zij gingen tot hem, en wekten hem op, zeggende: Meester, Meester! wij vergaan! En hij, opgestaan zijnde, bestrafte den wind en do watergolven; en zij hielden op, en er word stilte. 25 En hij zeide tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij, bevreesd zijnde, verwonderden zich, zeggende tot elkander: quot;Wie is toch deze, dat hij ook de winden en hot water gebiedt, en zij zijn hem gehoorzaam? «Job 20:12. Ps. 107:25. 20 quot; En zij voeren voort naar het land dor Ga-darónen, hetwelk is tegenover Galilóa. a Matt. 8 : 28. Mark. 5:1. 27 En als hij aan het land uitgegaan was, ontmoette hem een zeker man uit de stad, die van over langen tijd met duivelen was bezeten ge-woest ; en was met geene kleederen gekleed, en bleef in geen huis, maar in de graven. 28 En hij, Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor hem neder, en zeide met oene groote stem: Wat heb ik met u te doen, Jezus, gij Zone Gods, des Allerhoogsten! ik bid u, dat gij mij niet pijnigt! i 29 Want hij had den onroinen geest geboden, , dat hij van den mensch zou uitvaren: want hij 1 had hem menigen tijd bevangen gehad; en hij werd met ketenen en met boeijen gebonden, om bewaard te zijn; en hij verbrak do bandon, en werd van den duivel gedreven in do woestijnen. 30 En Jezus vraagde hem, zeggende: Wolk is uw naam? En hij zeide: Legio. Want vele duivelen waren in hem gevaren. 31 En zij baden hom, dat hij hun niet gebieden zou in den afgrond heen te varen. 32 En aldaar was oene kudde veler zwijnen, |
LUKAS 8, 9.
9l:i
|
weidende op den berg; en zij baden hem, dat iiij hun wilde toelaten in dezelve te varen. En hij liet het hun toe. 33 En de duivelen, uitvarende van den mensch, voeren in do zwijnen; en de kudde stortte van do steilte af in hot meer, on versmoorde. 34 En die ze weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlugt; en heengaande boodschapten het in de stad, en op hot land. 35 En zij gingen uit, om te zien hetgeen geschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden den mensch, van welken de duivelen uitgevaren waren, zittende aan do voeten van Jezus, gekleed en wel bij zijn verstand; en zij werden bevreesd. 3G En ook, die hot gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene was verlost geworden. 37 En de geheele menigte van het omliggende land der Gadarénen baden hom, quot; dat hij van hen wegging: want zij waren met groote vreeze bevangen. En hij, in hot schip gegaan zijnde, keerde wederom. « Hand. 1G ; 39. 38 quot; En de man, van welken de duivelen uitgevaren waren, bad hem, dat hij inogt bij hem zijn. Maar Jezus liet hom van zich gaan, zeggende: a Mark. 5 ; 18. 39 Keer weder naar uw huis, en vertel, wat groote dingen u God gedaan heeft. En hij ging heen door do geheele stad, verkondigende, wat groote dingen Jezus hem gedaan had. 40 En het geschiedde, als Jezus wederkeerde, dat hem do schare ontving; want zij waren allen hem verwachtende. 41 quot;En ziet, er kwam een man, wiens naam was Jafrus, en hij was een overste der synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad hem, dat hij in zijn huis wilde komen. a Maft. 9 : 18. Mark. 5 : 22. 42 Want hij had eone eenige dochter, van omtrent twaalf jaren, on deze lag op haar sterven. En als hij heenging, zoo verdrongen hem de scharen. 43 quot;En eeno vrouw, die twaalf jaren lang den ' vloed des bloeds gehad had, welke al haren leeftogt aan medicijnmeesters te koste gelegd had; en van niemand had kunnen genezen worden, a Matt. 9 : 20. Mark. 5 ; 25. h Lev. 15 : 25. 44 Van achteren tot hom komende, raakte don zoom zijns kleeds aan; en terstond stelpte de vloed haars bloeds. 45 En Jezus zeide: Wie is het, die mij hoeft aangeraakt? En als zij het allen miszaakten, zoide Petrus en die met hem waren: Meester! de scharen drukken on verdringen u, en zegt gij: Wie is hot, die mij aangeraakt hooft? 46 En Jezus zeido ; Iemand heeft mij aangeraakt: want ik heb bekend, dat kracht van mij uitgegaan is. 47 De vrouw nu, ziende, dat zij niet verborgen was, kwam bovendo, en voor hem nedervallendo, verklaarde hem voor al het volk, om wat oorzaak zij hem aangeraakt had, en hoe zij terstond genezen was. |
48 En hij zoide tot haar: Dochter! wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede. 49 quot; Als hij nog sprak, kwam or eon van het huis des oversten der synagoge, zeggende tot hem: uwe dochter is gestorven; zijt den Meester niet moeijelijk. a Mark. 5:35. 50 Maar Jezus, dat hoorende, antwoordde hom, zeggende: Vrees niet; geloof alleenlijk, en zij zal behouden worden. 51 En als hij in het huis kwam, liet hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en den vader en de moeder des kinds. 52 En zij schreiden allen, on maakten misbaar over hetzelve. En hij zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven, quot; maar zij slaapt. a Joh. 11 :ll. 53 En zij belachten hem, wetende, dat zij gestorven was. 54 Maar als hij ze allen uitgedreven had, greep hij hare hand en riep, zeggende: Kind, sta op! 55 En haar geest keerde weder, en zij is terstond opgestaan; en hij gebood, dat men haar te eten geven zou. 56 En hare ouders ontzetten zich; en hij beval hun, dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was. HOOFDSTUK 9. Christus zendt zijne apostelen uit om te prediken, cn oriderrigt hen, hoe zij zich op don weg zonden go-dragon, vs. 1. Heródes van Clirlsfus gehoord heb-bende, begeert hem te zien, 7. Do apostelen koeren weder, 10. Christus spijzigt omtrent 5000 mannen met vijf broeden cn twee vissollen, U. Verscheiden gevoelen des volks van zijnen persoon, 18; voorzegt zijnen dood en opstanding, 22; en vermaant tot volstandige belijdenis van zijn woord, 23. Wordt voor drie van zijne apostelen op den berg verheerlijkt, in tegenwoordigheid van Mozes en EHas, 28. Werpt oenen wreeden onreinen geest uit, 37. Ijoerl wie onder zijne discipelen de grootste zal zijn, 40. Verbiedt dien te beletten, die in zijnon naam dni-velen uitwierp, 49. Heizendo naar .Torfizalom, weigeren hem de Samaritanen herberg, hetwelk de apostelen willen wreken, dio daarvoor door den lleere bestraft worden, 51. Drie, die begeeren Christus te volgen, ontvangen elk een bijzonder antwoord, 57. EN quot; zijne twaalf discipelen zamongeroopen hebbende, gaf hij hun kracht en magt over al do duivelen, en om ziekten te genezen. a Matt. 10:1. Mark. 3: Hi. 0:7. Luk. 0:13. 2 «En hij zond hen heen, om te prediken het koningrijk Gods, on de kranken gezond te maken. a Matt. 10:7. 3 En hij zeide tot hen: quot;Noemt niets mede tot den weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben. «Maft. 10:9. Mark. 0:8. Luk. 22:35. 4 En in wat huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, en gaat van daar uit. 5 quot; En zoo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande 58 |
LUKAS 9.
914
|
van die stad, schudt ook liet stof af van uwe voeten, tot eeno getuigenis tegen lion. oMutt. 10:14. Murk.fi: 11. Luk. 1U: 11. Hand. 1:5:51. 18:6. (! En zij, uitgaande, doorgingen al de vlokken, verkondigende het evangelie, on genezende de zieken overal. 7 quot;En Heródes, de viervorst, hoorde al de dingen, die van hem geschiedden; en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de dooden was opgestaan; a Malt. 14: 1. Hark. G : 14. 8 En van sommigen, dat EHas verschenen was; en van anderen, dat een profeet van de ouden was opgestaan. i) En Heródes zeide: Johannes heb ik onthoofd; wie is nu deze, van welken ik zulke dingen hoor? En hij zocht hem te zien. 10 quot;En de apostelen, wedergekeerd zijnde, verhaalden hem al wat zij gedaan hadden. h En hij nam hen mede en vertrok alleen in oene woeste plaats der stad, genaamd Bethsaïda. n Mark. 0:30. h Matt. 14:13. Mark. 0:31, 32. 11 En de scharen, dal verstaande, volgden hem; en hij ontving ze, en sprak tot hen van het koningrijk Gods; en die genezing van noode hadden, maakte hij gezond. 12 quot; En de dag begon te dalen; en de twaalven, tot hem komende, zeiden tot hem: Laat de schare van u, opdat zij, heengaande in do omliggende vlekken en in de dorpen, herberg nemen mogen, en spijze vinden: want wij zijn hier in oene wroesto plaats. a Matt. 14:15. Mark. 0:35. Joh. 0:5. 13 quot;Maar hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf brooden, en twee visschen; tenzij dan dat wij heengaan en spijs koopen voor al dit volk: o Matt. 14: 16. Mark. 0:37. Joh. 0:0. 14 Want or waren omtrent vijf duizend mannen. Doch hij zeide tot zijne discipelen: Doet hen nederzitten bij zaten, elk van vijftig. 15 En zij deden alzoo, en deden hen allen nederzitten. 16 En hij, do vijf brooden en do twee visschen genomen hebbonde, zag op naar don hemel, quot;en zegende die, en brak ze, en gaf ze den discipelen, om der soharo voor te loggen, al Sam. 0:13. 17 En zij aten en werden allen verzadigd; en er werd opgenomen hetgeen hun van de brokken overgeschoten was, twaalf korven. 18 quot;En het geschiedde, als hij alleen was biddende, dat de discipelen met hem waren, en hij vraagde hen, zeggende : Wie zeggen de scharen, dat ik ben? a Matt. 16:13. Mark. 8:27. 19 En zij, antwoordende, zeiden: quot;Johannes de Dooper; en anderen: EHas; en anderen: dat oenig profeet van de ouden opgestaan is. a Matt. 14:2. 20 En hij zeide tot bon: Maar gijlieden, wie zegt gij, dat ik bon? En Petrus, antwoordende, zoide: De quot; Christus Gods. a Joh. 0: 09. |
21 En hij gebood hun scherpelijk en beval, dat zij dit niomand zeggen zouden; 22 Zeggende: quot;De Zoon des menschen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriosters, en schriftgeleerden, en gedood en ten derden dage opgewekt worden. a Matt. 10 : 21. 17 : 22. Mark. 8:31. 9 : 31. 1.0 : 33. Luk. 18:31. 24:7. 23 En hij zeide tot allen: quot;Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich zeiven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge mij. a Malt. 10:38. 16:24. Mark. 8:34. Luk. 14:27. 24 quot;Want zoo wie zijn leven behouden wil, die zal hot verliezen; maar zoo wie zijn loven verliezen zal, om mijnentwil, die zal het behouden. a Matt. 10:39.16:25. Mark. 8:35. Luk. 17:33. Joh. 12:25. 25 Want wat baat hot een' monsch, die de ge-heelo wereld zou winnen, on zich zeiven verliezen, of schade zijns zelfs lijden? 20 quot; Want zoo wie zich mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben, dions zal do Zoon des menschen zich schamen, wanneer hij komen zal in zijne heerlijkheid, en in de heerlijkheid dos Vaders, en der heilige engelen. o Matt. 10:33. Mark. 8:38. Luk. 12:9. 2 Tim. 2:12. 1 Joh. 2:23. 27 quot;En ik zeg u waarlijk: er zijn sommigen dergenen , die bier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij het koningrijk Gods zullen gezien hebben. a Matt. 16:28. Mark. 9:1. 28 quot;En het geschiedde, omtrent acht dagen na dozo woorden, dat hij medenam Petrus, on Johannes, on Jakobus, en klom op den berg, om te bidden. a Matt. 17:1. Mark. 9:2. 29 En als hij bad, werd de gedaante zijns aan-gezigts veranderd, en zijne kleeding wit en zeer blinkende. 30 En ziet, twee mannen spraken met hem, welke waren Mozes en Elias. 31 Dewelke, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden zijnen uitgang, dien hij zoude volbrengen te Jeruzalem. 32 Petrus nu, en die met hem waren, waren met slaap bezwaard; on ontwaakt zijnde, zagen zij zijne heerlijkheid, on do twee mannon, die bij hem stonden. 33 En hot geschiedde, als zij van hem afscheidden, zoo zoide Petrus tot Jezus: Meester! het is goed, dat wij hier zijn; en laat ons drie tabernakelen maken, voor u oenen, en voor Mozes eenen, en voor EHas oenen; niet wetende, wat hij zeide. 34 Als hij nu dit zeide, kwam eene wolk, en overschaduwde hen: en zij werden bevreesd, als die in do wolk ingingen. 35 quot; En er geschiedde eene stem uit de wolk, zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon; 6 hoort hem ! «Jes. 42:1. Matt. 3:17. 17:5. Mark. 1:11.9:7, Luk. 3:22. Col. 1:13. 2 Potr. 1:17. h Deut. 18 : 19. Hand. 3 : 22. 36 En als de stem geschiedde, zoo werd Jozus alleen gevonden. En zij zwegen stil, en verhaal- |
T
LUKAS 9, 10.
915
|
den in die dagen niemand iets van hetgeen zij gezien hadden. 37 quot; En hot geschiedde dos daags daaraan, als zij van den berg afkwamen, dat hom eene groote schare in het gomoet kwam. a Matt. 17 : 14. Mark. 9:17. 38 En ziet, een man van de schare riep uit, zeggende: Moester! ik bid n, zie toch mijnen zoon aan, want hij is mij oen eoniggeborone. 39 En zie, oen geest neemt hem, en van stonde aan roept hij, en hij scheurt hom, dat hij schuimt, en wijkt naauwolijks van hem, en verplettert hem. 40 En ik heb uwe discipelen gebeden, dat zij hom zouden uitwerpen, en zij hebben niet go-konnen. 41 En Jezus, antwoordende, zoide: O ongeloovig en verkeerd geslacht! hoe lang zal ik nog bij ulioden zijn, en ulieden verdragen? Breng uw zoon hier. 42 En nog, als iiij naar hem toekwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte den onreinen geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijnen vader weder. 43 En zij worden allen verslagen over de groot-dadigheid Gods. En als zij allen zich verwonderdon over al de dingen, die Jezus gedaan had, zeide hij tot zijne discipelen: 44 Legt gij deze woorden in uwe ooren: quot; Want de Zoon des menschen zal overgeleverd worden in dor menschen handen. aMatt. 17:22. Mark. 9:21. 45 quot; Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, alzoo dat zij hot niet begrepen; en zij vreesden, van dat woord hom te vragen. a Luk. 2: 50. 18 :34. 40 quot; En er rees eene overlegging onder hen, namelijk, wie van hen do meeste ware. a Matt. 18 :1. Marie. 9 : 33. Luk. 22 : 24. 47 Maar Jezus, ziende de overlegging hunner harten, nam eon kindeken, en stelde dat bij zich; 48 quot; En zeide tot hen: Zoo wie dit kindeken ontvangen zal in mijnen naam , die ontvangt mij; 'â en zoo wie mij ontvangen zal, ontvangt Hem, die mij gezonden heeft. f! Want die de minste onder u allen is, die zal groot zijn. a Matt. 18 : 5. Mark. 9 : 37. Joh. 13 : 20. b Luk. 10 : 10. Joh. 13:20. c Matt. 23: 11. Luk. 14: 11. 18: 14. 49 quot;En Johannes antwoordde en zeide: Meester! wij hebben eenen gezien, die in uwen naam do duivelen uitwierp, en wij hebben het hem verboden, omdat hij u met ons niet volgt. a Mark. 9 : 38. 50 En Jezus zeide tot hem: Verbied het niet: want quot; wie tegen ons niet is, die is voor ons. aMatt. 12 :30. Luk. 11: 23. 51 En het geschiedde, als de dagen zijner quot;opneming vervuld werden, zoo rigtte hij zijn aan-gezigt, om naar Jeruzalem te reizen. a Mark. 10:19. Hand. 1 :2. 1 Tim. 3:10. igt;2 En hij zond boden uit voor zijn aangezigt; en zij, heengereisd zijnde, kwamen in een vlek der Samaritanen, om voor hem hei-berg te bereiden. |
53 En zij ontvingen hem niet, quot;omdat zijn aangezigt was als reizende naar Jeruzalem. a Joh. 4:9. 54 Als nu zijne discipelen. Jakobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij: Ileere! wilt gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdalo, en dezen verslinde, gelijk ook quot; Elias gedaan heeft? a 2 Kon. 1 : 10, 12. 55 Maar zich omkeerende, bestrafte hij hen, en zeide: Gij weet niot van hoedanigen geest gij zijt. 56 quot; Want de Zoon des menschen is niet gekomen, om der menschen zielen te verderven, maar om to behouden. En zij gingen naar een ander a Joh. vlek. 17. 12:47. 57 quot; En het geschiedde op den weg, als zij reisden , dat een tot hem zeide: Heere! ik zal u volgen, waar gij ook heengaat. « Matt. 8:19. 58 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des homels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet, waar hij het hoofd nederlegge. 59 quot; En hij zeide tot eenen anderen : Volg mij. Doch hij zeide: Heere! laat mij toe, dat ik heenga, en eerst mijnen vader begrave. aMatt. 8:21. 60 quot; Maar Jezus zeide tot hem: Laat de dooden hunne dooden begraven; doch gij, ga hoon ou verkondig het koningrijk Gods. n Matt. 8 : 22. 61 En ook een ander zeide: Ileero! ik zal u volgen; maar quot;laat mij eerst too, dat ik afscheid neme van degenen, die in mijn huis zijn. al Kon. 19:20. 62 En Jezus zeide tot hem: «Niemand, die zijne hand aan den ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het koningrijk Gods. a Spr. 26: 11. Filipp. 3:14. Hebr. 6:5. 2 Petr. 2:20. HOOFDSTUK 10. Christus zendt nog zeventig discipelen uit om to prediken, on onderrigt hen, hoe zij zich tot do reis moeten schikken en omtrent do toehoorders /.iillon gedragen, vs. 1. Bedreigt do steden Chóra/Jn, Bolh-saïda en Kapérnaüm met zware straffen, om hunne onbekeerlijkhoid, 13. Do zeventig komen weder on verhalen met blijdschap hunne vorrigtingen, waarop Christus hun loert, waarin zij zich het meest bo-hooren te verheugen, 17. Hij dankt zijnon Vader, en loert van wion do zaligmakende kennis komt, 21. Beantwoordt oen wetgeleerde op zijne vraag, wat hij zou moeten doen, om het eeuwige loven te beërven, 25; en wie zijn naaste is, door do golij-konis van oenen Israëliet, die onder de moordenaars gevallen, en door eenen Samaritaan geholpen werd, 29. Wordt door twee zusters, Martha en Maria, onthaald, en prijst do godsdienstigheid van Maria boven de zorgvuldigheid van Martha, 38. EN na dezen stelde de Heere nog andere zeventig, en zond hen heen voor zijn aangezigt, twee en twee, in iedere stad en plaats, daar hij komen zou. 2 Hij zoide dan tot hen: « Do oogst is wol groot, maar de arbeiders zijn weinige; ''daarom bidt 58* |
LU KAS 10.
i)l()
|
don lloero des oogstes, dat Hij arbeiders in zijnen oogst uitstoote. «Malt. 9:37. Joh. 4:Hf), b'2 Thess. 3:1. !i «Gaat henen: ziet, ik zond u als lammeren in hot midden dor wolven. a Matt. 10:10. 4 quot; Draagt geonen buidel, noch male, noch schoenen; '' en groet niemand op den wog. «.Matt. 10:9. Mark. 0:8. Luk. 9:1!. 22:35. //2 Kon. 4:29. 5 quot;En in wat huis gij zult ingaan, zegt eerst; Vrede zij dezen huize! a Matt. 10:12. Mark. 0:10, G En indien aldaar een zoon des vrodes is, zoo zal uw vrede op hem rusten; maar indien niet, zoo zal uw vrede tot u wodorkeoron. 7 quot; En blijft in datzelvo huis, etende en drinkende, hetgeen van hen voorgezet wordt: ' want de arbeider is zijn loon waardig; gaat niet ovor van het eene huis in het andere huis. n 1 Cor. 10 : 27. Ij Lev. 19 : 13. Dout. 24 : 14. Matt. 10 : 10. 1 Cor. 9 : 4, 14. 1 Tim. 8 Eu in wat stad gij zult ingaan, en ontvangen, eet hetgeen ulieden voorgezet wordt. 9 En geneest de kranken, die daarin zijn, cn zegt tot hen: Hot koningrijk (Jods is nabij n gekomen. 10 quot; Maarinwat stad gij zult ingaan, en zij ii niet ontvangen, uitgaande op hare straten, zoo zegt: ff Matt. 1.0 : 14. Mark. 0:11. Luk. 9:5. 11 quot; Ook hot stof, dat uit uwe stad aan ons kleeft, schuddon wij ai' op ulieden; nogtans zoo weet dit, dat liet koningrijk Gods nabij u gekomen is. «Hand. 13:51. 18:0. 12 En ik zeg u, dat het die van Sodom vor-dragelijker wezen zal in dien dag, dan dezelve stad. 13 Wee u, Chórazin! wee u, Bothsaïda! want zoo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden eertijds, in zak on asch zittende, zich bekeerd hebben. 14 Doch hot zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in hot oordeel, dan ulieden. 15 En gij, Kapérnaüm! die tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot do hel toe nederge-stooton worden. 16 quot; Wio u hoort, die hoort mij; en wie u verwerpt, dio verwerpt mij; ''en wie mij verwerpt, die verwerpt Dengenen, die mij gezonden heeft. «Matt. 10 : 40. Mark. 9 : 37. Joh. 13 : 20. h 1 Thess. 4 : 8. 25:4. 5: 18. zij u |
17 En do zeventigen zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende: Heero! ook de duivelen zijn ons onderworpen, in uwen naam. 18 En hij zeido tot hou: quot; Ik zag don Satan, als eon bliksem, uit don hemel vallen. « Opciib. 12:8, 9. 19 quot; Ziet, ik geve u de magt, om op slangen en schorpioenen te treden, on over alle kracht dos vijands; en geen ding zal u eenigzins beschadigen. a Mark. 10: 18. Hand. 28:5. 20 Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel moor, quot; dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen. ff Ex. 32:32. Jes. 4:3. Dan. 12: 1. Filipp. 4:3. 21 quot; Te dier ure verheugde zich Jezus iu den geest, en zeido: Ik dank U, Vader! lloero des hemels on dor aarde! dat Gij deze dingen '' voor de wijzen en vorstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve don kindorkens geopenbaard; ja Vader! want al-zoo is geweest bet welbehagen voor U. ff Matt. 11 : 25. b Job 5 : 12. Jos. 29 : 14. 1 Cor. 1:19. 2:7,8. 2 Cor. 3 : 14. 22 quot;Alledingen zijn mij van mijnen Vader overgegeven ; en niemand weet, wie do Zoon is, dan do Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en '' dien hot de Zoon zal willen openbaren. ffPs. 8:7. Joh. 3:35. 17:2. 1 Cor. 15:27. Filipp. 2: 10. Hobr. 2:8. I) Joh. 1 : 18. 0:44, 40. 23 En zich koerende naar do discipelen, zeido hij tot hen alleen: quot; Zalig zijn de oogen, die zien hetgeen gij ziet. a Matt. 13:10. 24 quot; Want ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien; en te hooron hetgeen gij hoort, en hebben liet niet gehoord, a 1 Petr. 1:10. 25 En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, hom verzoekende, en zeggende: Moester! wat doende zal ik het eeuwige leven beërven ? 26 En hij zoido tot hem : Wat is in do wet geschreven ? hoe leest gij ? 27 En hij, antwoordende, zeido: quot; Gij zult den Heero, uwen God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel, en uit geheel uwe kracht, en uit geheel uw verstand; ''on uwen naaste als uw zolvon. «Dont. 0:5. 10: 12. 30:0. h Lev. 19: 18. Hom. 13: 19. Gal. 5: 14. Jakob. 2 : 8. |
LUK AS 10, 11.
!)17
|
28 En hij zeicle tot hom: Gij hobt regt geantwoord; doo dat en gij zult loven. 2!) Maar hij, willende zicli zclvon regtvaardigon, zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste? ;l() En Jezus, antwoordende, zeide: Een zeker monsch kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgetogen , en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen en lieten hern half dood liggen. 31 En bij geval kwam een zeker priester denzei ven weg af, en hein ziende, ging hij tegenover hem voorbij. 82 En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij. 83 Maar oen zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen. 34 En hij, tot hem gaande, verbond zijne wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem hef-fende op zijn eigen beest, voerde hem in do herborg, en verzorgde hem. 35 En des andoren daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf zo den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem; en zoo wat gij meer aan hem te koste zult loggen, dat zal ik u wedergeven, uls ik wederkom. 3fi Wie dan van deze drie dunkt u do naaste geweest te zijn desgenen, die onder de moordenaars gevallen was? 37 En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan hooft. Zoo zeide dan Jezus tot hom: Ga lioon, en doe gij desgelijks. 38 En hot geschiedde, als zij reisden, dat hij kwam in oen vlok; en eene zekere vrouw, mot name Martha, ontving hom in haar huis. 39 En deze had eene zustor, genaamd Maria, welke ook, quot;zittende aan de voeten van Jezus, zijn woord hoorde. ff Hand. 22:3. 40 Doch Martha was zeer bezig met veel dionons, ii daar bijkomende, zoido zij: Hoore! trekt gij 'i dat niet aan, dat mijne zuster mij alleen laat dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe. 41 En Jezus antwoordende, zoide tot haar: 'lartha, Martha! gij bekommert en ontrust u ver vele dingen; |
t2 Maar één ding is noodig: doch Maria heeft het goede dool uitgekozen, quot; hetwelk van haar niet zal weggenomen worden. a I's. 27:4. HOOFDSTUK 11. Cliristus gooft zijnen discipelen oon voorschrift om (o bidden, vs. 1; on loert door do gelijkenissen van oen' vriend en van oon' vader, dat zij zullen verhoord wordon, die in hot gebod volharden, 3. Werpt conen stommen duivel nit on wedorsproekt do lastering dorgenon, die zeiden, dat hij zulks door Moël-zebul deed, 14. Verhaalt den ellendigen staat van den monsch, tot welken do onreine goost weder inkeert, 24. Eono vrouw prijst don buik zalig, die Christus gedragen lieeft, 27. Christus betuigt, dat den Joden hot toeken van Jonas zal gegeven worden, 29. Stolt tegon hunne hardnekkigheid hot voorbeeld dor koningin van het Zuiden en van de Ninevieten, 31. Loert door do gelijkenis van eene kaars, dat men het licht van hot evangelie niet moot verbergen, 33. Bestraft der farizeön en schriftgeleerden geveinsdheid , eergierigheid en wreedheid togen alle profeten en apostelen, en bedreigt hen met Gods straf, 37; waarop de farizeön hem nieuwe lagen leggen, 53. EN hot geschiedde, toon hij in eono zekere plaats was biddende, als hij ophield , dat oen van zijne discipelen tot hem zoido: Heere! leer ons bidden , go-lijk ook Johannes zijnon discipelen geloerd heeft. 2 En hij zoido tot hen : quot; Wanneer gij bidt, zoo zegt: Onze Vader, die in do hemelen zijt! Uw naam worde geheiligd. Uw koningrijk kome. Uw wil goseliiedo, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde. a Matt, (i:!). 3 Geef ons eiken dag ons dagelijksch brood. 4 En vergeef ons onze zonden: want ook wij vergeven aan een' iegelijk, die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. 5 En hij zoido tot hen: Wie van u zal oenen vriend hebben, en zal tor middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen: Vriend! leen mij drie brooden; ti Overmits mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik hob niet, dat ik hem voorzette: 7 En dat die van binnen, antwoordende, zou zeggen: Doe mij geeno moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijne kinderen zijn mot mij in do slaapkamer; ik kan niet opstaan, om u te geven. |
LUK AS 11.
I
ill 8
|
8 Ik zeg ulieden: hoewel hij niot zou opstaan on hem geven, omdat hij zijn vriend is, nogtans om zijner onbeschaamdheid wil, zal hij opstaan, en hem geven zoo voel als hij or behoeft. i) En ik zeg ulieden: quot;bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, on u zal opengedaan worden. a Matt. 7 : 7. 21 : 22. Mark. 11 : 24. Joh. 14 : 13. 15 ; 7. 1G : 24. Jakob. 1:5,6. 1 Joh. 3 : 22. 5 : 14. 10 Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; on die zoekt, dio vindt; on die klopt, dien zal opongodaan worden. 11 quot;En wat vader onder u, dien do zoon om brood bidt, zal hem eenon steen geven? of ook om oenen visch, zal hem voor eonon visch oono slang geven ? a Matt. 7 : 'J. 12 Of zoo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem oen' schorpioen geven ? 13 Indien dan gij, dio boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven to geven, hoe vool to meer zal do hemolsche Vader don Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden? 14 quot; En hij wierp oenen duivel uit, en die was stom. En hot geschiedde, als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; on de scharen verwonderden zich. a Malt. 9:32. 12:22. 15 Maar sommigen van hen zeiden: quot; Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebul, don overste dor duivelen. a Matt. 9:34. 12:24. Mark. 3:22. l(i En anderen, /wm vorzookondo, quot; begoerdon van hem oen toeken uit den hemel. «Mitt. IC: 1. 17 Maar hij, kennende hunne gedachten, zeide tot hen: quot;Een ieder koningrijk, dat togen zich zelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis, tegen zich zelf verdeeld zijnde, valt. a Malt. 12:25. Mark. 3:24. 18 Indien nu ook do Satan togen zich zelven verdoold is, hoe zal zijn rijk bestaan? Dewijl gij zegt, dat ik door Beëlzebul de duivelen uitworp. 19 En indien ik door Beëlzebul de duivelen uitworp, door wien worpen ze uwo zonon uit? Daarom zullen deze uwe rogtors zijn. 20 Maar indien ik door den vinger Gods do duivelen uitwerp, zoo is dan liet koningrijk Gods tot u gekomen. 21 Wanneer oen sterk gewapende zijn hof bewaart, zoo is al wat hij hoeft in vrede. 22 quot; Maar als oen daarover komt, die sterker is dan hij, en hom overwint, dio nooint zijne go-hoelo wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en doolt zijnen roof uit. «Col. 2:15. 23 quot;Wie mot mij niet is, die is tegen mij; en wie met mij niet vergadert, dio verstrooit. a Matt. 12 : 30. 24 quot; Wanneer do onreine geest van don monsch uitgevaren is, zoo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust; en die niot vindende, zegt hij: Ik zal wederkeoren in mijn huis, daar ik uitgevaren ben. a Matt. 12:43, enz. |
25 En komende, vindt hij het met bezemen gekoerd en versierd. 20 Dan gaat hij hoen, en noemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij zelf is, on ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; quot;on het laatste van dien monsch wordt erger dan het eerste. (t Joh. 5 :14. Hebr. 0: 4, 5. 10 : 20. 2 Pctr. 2 : 20. 27 En het geschiedde, als hij doze dingen sprak, dat eene zekere vrouw, do stem verheffende uit do schare, tot hom zoido: Zalig is do buik, die u godragen hooft, en do borsten, die gij hebt gezogen. 28 Maar hij zoido: quot;Ja zalig zijn dogenen, die hot woord Gods hooron, en hetzelve bewaren. a Matt. 7:21. Joh. 0:29. Rom. 2:13. 29 En als do scharen digt bijoenvorgaderden, begon hij te zoggen: Dit is een boos geslacht; hot verzoekt oen toeken, en hetzelve zal geen toeken gegeven worden, dan quot; hot toeken van Jonas, den profeet. a Jon a 1:17. 2:10. 30 Want gelijk Jonas don Nmevieten een toekon geweest is, alzoo zal ook de Zoon dos menschen zijn dezen geslacht. 31 Do koningin van het Zuiden zal opstaan in hot oordeel met do mannen van dit geslacht, en zal ze veroordoolen: quot; want zij is gekomen van do einden der aarde, om te hooron do wijsheid van Salomo; on ziet, moer dan Salomo is hier. a 1 Kon. 10 : 1. 2 Kron. 9 : 1. Matt. 12 : 42. 32 De mannen van Nfneve zullen opstaan in hot oordeel mot dit geslacht, en zullen hetzelve veroordoolen : quot; want zij hebben zich bekoord op de prediking van Jonas; en ziet, moor dan Jonas is hier ! a Jona 3 : 5. 33 quot;En niemand, die eene kaars ontsteekt, zot die in het verborgen, noch onder eene koornmaat, maar op oenen kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen. a Matt. 5: 15. Mark. 4:21. Luk. 8: 10. 34 quot; De kaars des ligchaams is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zoo is ook uw geheelo ligchaam verlicht; maar zoo liet boos is, zoo is ook uw geheele ligchaam duister. a Matt. 0:22. 35 Zie dan toe, dat niet hot licht, hetwelk in u is, duisternis zij. 36 Indien dan uw ligchaam geheel verlicht is, niet hebbende eonig doel, dat duister is, zoo zal hol geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars mot hot schijnsel u verlicht. 37 Als hij nu dit sprak, bad hom oen zeker farizeër, dat hij bij hem hot middagmaal wilde oton; en ingegaan zijnde, zat hij aan. 38 En de farizeër, dat ziende, verwonderde zich, quot;dat hij niot eerst, voor hot middagmaal, zich gowasschen had. a Mark. 7 : 3. 39 En do Ileere zoido tot hem: quot;Nu gij farizeër! gij reinigt het buitenste des drinkbekers en dos schotels; h maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid. a Matt. 23 : 25. h Tit. 1 : 15. |
|
40 Gij onvorstandigcn! die hot buitonsto hooft gemaakt, heeft Hij ook niet liet binnenste gemaakt? 41 «Doch geeft tot aalmoes hetgeen daarin is; en ziet, alles is u rein. aJos. 58:7. Dan. 4:37. Luk. 12:33. 42 quot; Maar wee n, farizeën! want gij vertient inunte, en ruite, en allo moeskruid, en h gij gaat voorbij hot oordeel en de liefde Gods. Dit moest men doen, en het andere niet nalaten. o Muit. 23:23. Ij I Sum. 15 : 22. Ilos. (i: G. Miclia ü : 8. Matt. 9 : 13. 12:7. 43 quot;Wee u, farizeën! want gij bemint hot voorgestoelte in de synagogen, on do begroetingen op do markten, a Matt. 23: G. Mark. 12:38. Luk. 20:46. 44 quot; Woo u, gij schriftgeleerden en farizeën, gij geveinsden! want gij zijt gelijk de graven, die uiot openbaar zijn , en de monschen, die daarover wandelen, weten hot niet. a Matt. 23:27. 45 En een van de wetgeleerden, antwoordende, zoide tot hem: Meester! als gij deze dingen zegt, zoo doet gij ook ons smaadhoid aan. 4G quot; Doch hij zoido : Wee ook u, wetgeleerden! want gij belast do monschen met lasten, zwaar om te dragen, en zolvon raakt gij die lasten niet aan mot eon' van uwe vingeren. «.los. 10: 1. Matt. 23:4. Hand. 15: 10. 47 quot; Wee u, want gij bouwt do graven dor profoton , en uwe vaders hebben dezelve gedood. a Matt. 23 : 29. 48 Zoo getuigt gij dan, dat gij mede behagen hebt aan de werken uwer vaderen: want zij hebben ze gedood, en gij bouwt hunne graven. 49 Waarom ook de wijsheid Gods zegt: quot;Ik zal profeten on apostelen tot hen zenden, en van die zullen zij sommigen doodon, on sommigen zullen zij uitjagen; a Matt. 10: IG. Luk. 10:3. Joh. 1G: 2. Hand. 7:51. Hebr. 11:35. 50 Opdat van dit geslacht afgoëischt worde hot bloed van al do profeten, dat vergoten is van do grondlegging dor wereld af; 51 quot;Van het blood van Abel, ''tot hot bloed van Zacharia, dio gedood is tusschon hot altaar en het huis Gods; ja zeg ik u, hot zal afgoëischt worden van dit geslacht! rtGon. 4:8. llobr. 11: 4. b 2 Kron. 24:21. 52 quot; Wee u, gij wetgeleerden! want gij hebt don sloutol der konnis weggenomen: gij zolvon zijt niet ingegaan, en die ingingen, hebt gij vor-hindord. «Malt. 23: 13. 53 En als hij deze dingen tot hen zeide, begonnen do schriftgeleerden en farizeën hard aan to houden, en hem van vele dingen te doen sproken; 54 Hom lagen leggende, en zoekende iets uit zijnen mond te bejagen, opdat zij hom beschuldigen mogten. HOOFDSTUK 12. Christus waarschuwt zijne discipelen voor den zuur-deesem dor farizeon, vs. 1. Leert wion men boven alles moet vreezen, 4. Vermaant tot vertrouwen op Gods voorzienigheid en tot belijdenis van zijnen |
919 naam, en waarschuwt voor do lastering togen don 11. Geest, G. Weigert oen scheidsman to zijn tusschon broeders in eeno erfenis, 13. Maant af van giorig-hoid door de gelijkenis van eonon rijken man, die zijne schuren grootor wilde maken, 15. Leert door liet voorbeeld dor raven on leliën, dat men do zorg voor dit loven Godo zal bevelen, en voor alles zijn koningrijk zoeken, 22. Vermaant tot hot geven van aalmoezen, 33; en waken tegen zijne toekomst, 35. liesehrijft het doen on de belooning van eenen getrouwen dienstknecht, 41; als ook het doen eu de straf van eenen ontrouwen dienstknecht, 45. Zegt, dat hij gekomen is om te lijden en vuur op aarde Ie brengen, 49. Bestraft de Joden, omdat zij dou tijd hunnor bezoeking niet waarnemen, 54; en vermaant tot verzoening met zijne wederpartij, 58. DAARENTUSSCMEN als « vele duizondon dor schare bijoenvergadord waren, zoodat zij elkander vertraden, begon hij to zeggen tot zijne discipo-lon: Vooreerst wacht u zolvon voor den zuur-deosem dor farizeën, welke is geveinsdheid. a Matt. IG : G. Mark. 8:15. 2 quot;En or is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, on verborgen, dat niet zal geweten worden. a Job 12 : 22. Malt. 10 : 2G. Mark. 4: 22. Luk. 8:17. 3 Daarom, al wat gij in do duisternis gezegd hebt, zal in hot licht gehoord worden; en wat gij in hot oor gesproken hebt, in do binnenkamers, zal oj) do daken gepredikt worden. 4 En ik zog u, mijnon vrienden: quot;vreest u niet voor degenen, die hot ligchaam doodon, on daarna niet meer kunnen doen. ff Jcs. 51 :7. Jer. I : 8. Matt. 10:28. 5 Maar ik zal u toonen, wion gij vroezen zult; vreest Dien, die, nadat Hij gedood hooft, ook magt heeft in do hol to werpen; ja ik zeg u, vreest Dien! G quot; Worden niet vijf muschjes verkocht voor twee penningskons ? on niet oen van die is voor God vergoten. a Matt. 10 : 29. 7 quot; Ja ook do haren uws hoofds zijn allen getold. Vreest dan niot; gij gaat vele muschjes te boven. a 1 Sam. 14:45. 2 Sam. 14: 11. 1 Kon. 1 : 52. Luk. 21 : 18. 8 quot;En ik zeg u: oen iegelijk, die-mij belijden zal voor de monschen, dien zal ook do Zoon des monschen belijden voor de engelen Gods. a Matt. 10:32. 9 quot; Maar wie mij verloochonon zal voor de mon-schon, die zal verloochend worden voor do engelen Gods. a Matt. 10 : 33. Mark. 8 : 38. Luk. 9 : 2G. 2 Tim. 2 : 12. 1 Joh. 2 : 23. 10 En oen iegelijk, die eenig woord spreken zal tegen den Zoon dos menschen, het zal hem vergeven worden; quot;maar wie togen den Heiligen Geest gelasterd zal bobben, dien zal het niet vergeven worden. «1 Joh. 5:1G. 11 quot;En wanneer zij u heonbrengen zullen in do synagogen, en iot do overheden on do magton, zoo zijt niot bezorgd, hoe of wat gij tot verantwoording zoggen, of wat gij sproken zult: «Malt. 10: 19. Mark. 13: 11. Luk. 21 : 14. LUKAS 11, 12. |
LUKAS 12.
920
|
12 Want do Ilciliyo Geest zal u in dezelve ure leeren, hetgeen (jij spreken moet. 13 En een uit de scharen zeide tot hem ; Moester ! zog mijnen broeder, dat hij met mij de erfenis doelo. 14 Maar hij zeide tot hem ⢠Mensch! wie hooft mij tot oen' regter of scheidsman over ulieden gesteld ? 15 En hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u quot; van de gierigheid: want hot is niet in den overvloed geleycn, dat iemand leeft uit zijne goederen. a l Tim. ü:7. 16 En hij zoide tot hen eeno gelijkenis, en sprak : Eens rijken menschen land had wol gedragen; 17 En hij overleide bij zich zeiven, zeggende: Wat zal ik doen? want ik heb niet, waarin ik mijne vruchten zal verzamelen. 18 En hij zoide: Dit zal ik doen: ik zal mijne schuren afbreken, en grootero bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijne goederen; l!l En ik zal tot mijne ziol zeggen: quot;Ziol! gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, noem rust, eet, drink, wees vrolijk. a Prod. 11:9. 1 Cor. ir);l!2. Jaliob. 5:5. 20 Maar God zeide tot hem: quot;Gij dwaas! in dezen nacht zal men uwe ziel van u afeischon; en hetgeen gij bereid hebt, ''wiens zal het zijn? a Ps. 52 : 7. Jcr. 17:11. b I's. 39 : 7. 21 Alzoo is het met dien, die zich zeiven schatten vergadert, en niet rijk is in God. 22 En hij zeide tot zijne discipelen: quot;Daarom zeg ik u: zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het ligchaam, waarmede gij ii kleeden zult. a Ps. 55 : 23. Matt. 0:25. Filipp. 4 : U. 1 Tim. li: 8. 1 Petr. 5:7. 23 liet loven is meer dan hot voedsel, on liet ligchaam dan de kleeding. 24 quot; Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaijon, noch maaijon, welke geono spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve; hoe veel gaat gij de vogelen te boven? «Job .'i9:3. Ps. 147:9. 25 quot;Wie toch van u kan, mot bezorgd te zijn, cone el tot zijne lengte toedoen? a Matt, (i: 27. 20 Indien gij dan ook hot minste niet kunt, wat zijt gij voor do andere dingen bezorgd? 27 Aanmerkt do leliën, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet; en ik zeg u: ook Salomo in al zijne heerlijkheid is niet bekleed geweest als eene van dezen. 28 Indien nu God hot gras, dat heden op het veld is, en morgen in don oven geworpen wordt, alzoo bekleedt, hoe veel moor u, gij kloingeloovigon! 29 En gijlieden, vraagt niet, wat gij eten, of wat gij drinken zult; en weest niet wankelmoedig. 30 Want al deze dingen zoeken de volken der wereld; maar uw Vader weet, dat gij deze dingen behoeft. 31 quot;Maar zoekt het koningrijk Gods, en al deze dingen zullen n toegeworpen worden. a ] Kon. 3 : 13. Ps. 37 : 25. |
32 Vreest niet, gij klein kuddeken! want hot is uws Vaders welbehagen, ulieden hot koningrijk te geven. 33 quot; Verkoopt hotgeon gij hebt, en geeft aalmoes. ''Maakt u zolven buidels, die niet verouden, eonon schat, die niet afneemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft. a Matt. 19 : 21. Luk. 1G : 9. 6 Matt. 6:20. 19:21. Luk. 10:9. 1 Tim. 0:19. 34 Want waar uw schat is, aldaar zal ook uw hart zijn. 35 quot; Laat uwo lenden omgord zijn, en de kaarsen brandende. a Efez. 0:14. 1 Petr. 1:13. 30 En zijt gij den menschen gelijk, die op hun-non lieer wachten, wanneer hij wederkomen zal van do bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hom terstond mogen opendoen. 37 Zalig zijn die dienstknechten, welke do heer, als hij komt, zal wakende vindon. Voorwaar ik zog u, dat hij zich zal omgorden, en zal hen doen aanzitten, on bijkomende, zal hij hen dienen. 38 quot; En zoo hij komt in de tweede «aeMwake, en komt in de derde wake, en vindt hen alzoo, zalig zijn dezelve dienstknechten. a Matt. 24:42. 39 quot;Maar weet dit, dat, indien de hoor des huizes geweten had, in welke ure de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. aMatt. 24:43. 1 Thoss. 5 : 2. 2 l'otr. 3 : 10. Oponb. 3 : 3. 10 : 15. 40 quot; Gij dan, zijt ook bereid: want in welke ure gij het niet meent, zal do Zoon des menschen komen. a Matt. 24:44. 25: 13. Mark. 13:33. Luk. 21:34. 1 Thoss. 5:0. 41 En Petrus zeide tot hem: Heere! zegt gij deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen? 42 En de Heere zoide: quot; Wie is dan de getrouwe en voorzigtigo huisbezorger, dien de hoer over zijne dienstboden zal zetten, om hun ter rogter tijd hot bescheiden deel spijze te geven? a Matt. 24 : 45. 25 : 21. 1 Cor. 4 : 2. 43 Zalig is de dienstknecht, welken zijn hoer, als hij komt, zal vindon, alzoo doende. 44 Waarlijk ik zeg ulieden, dat hij hem over al zijne goederen zotten zal. 45 Maar indien dezelve dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen; en zou beginnen do knechten en de dienstmaagden te slaan, en te eten en te drinken, en dronken te worden; 40 Zoo zal de heer deszelven dienstknechts komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en tor ure, die hij niet weet; en zal hem afscheiden, en zal zijn dool zetten met de ontrouwen. 47 quot;En die dienstknecht, welke geweten heeft den wil zijns beoron, en zich niet bereid, noch naar zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden; a Jakob. 4: 17. 48 Maar die denzelven niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen, die slagen waardig zijn, die zal mot weinige slagen geslagen worden. En |
|
een' iegelijk, wien veel gogevon is, van dien zal veel geëiseht worden; en wien men veel vertrouwd heeft, van dien zal men overvloediger eischen. 4!) Ik ben gekomen, om vuur op de aarde te werpen; en wat wil ik, indien het aireede ontstoken is? 50 quot; Maar ik moet met oenen doop gedoopt worden ; en hoe worde ik geperst, totdat het vol-bragt zij! a Malt. 20 ; 22. Mark. 10 : 38. 51 quot;Meent gij, dat ik gekomen ben, om vrede te geven op de aarde ? Neen, zeg ik u, b maar veeleer verdeeldheid. «Malt. 10:34. b Micha 7 ; 0. 52 Want van nu aan zullen er vijf in een huis verdeeld zijn, drie tegen twee, on twee tegen drie. 53 De vader zal togen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter, en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen hare schoondochter, en de schoondochter tegen hare schoonmoeder. 54 En hij zeide ook tot do scharen: quot; Wanneer gij eene wolk ziet opgaan van het westen, terstond zegt gijlieden: Er komt regen; en het geschiedt alzoo. a Matt. 10:2. 55 En wanneer gij den zuidewind ziet waaijen, zoo zegt gij: Er zal hitte zijn; en het geschiedt. 56 Gij geveinsden! hot aanschijn der aarde en des hemels weet gij te beproeven; en hoe beproeft gij dezen tijd niet? 57 En waarom oordeelt gij ook van u zeiven niet hetgeen regt is? 58 quot; Want als gij heengaat met uwe wederpartij voor de overheid, zoo doe naarstigheid op den weg, om van hem verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor den regter trekke, en de regter u den geregtsdienaar overlevere, en do geregtsdienaar u in de gevangenis worpe. a Spr. 25 : 8. Matt. .quot;): 25. 59 Ik zeg u: gij zult van daar geenszins uitgaan, totdat gij ook het laatste penningsken betaald zult hebben. HOOFDSTUK 13. Uit do boodschap, dat l'ilatus hel bloed van eonigo Galileërs met hunne offeranden had gemengd, en uit hot voorbeeld van de achttien, op welke de toren in Siloam gevallen was, neemt Christus aanleiding, de scharen tc vermanen tot bekeering, vs. I ; en stolt ook tot dat einde voor do gelijkenis van den onvrnchtbaren vijgeboom, (!. Genoost op don sabbat eene vrouw, die achttien jaren oenen geest dor krankheid had gehad, 19; en verantwoordt zulks togen oenen overste der synagoge, 14. Vergelijkt liet koningrijk dor liemolon bij een mostaardzaad en het znurdecsem, 18. Gevraagd zijnde of er weinigen zullen zalig worden, vermaant hij in te gaan door do enge poort, 23. Antwoordt den fari-zeön, die hem tegen Heródes waarschuwen, 31. Klaagt over do wroodhoid en hardnekkigheid van die van Jerrtzalem, en voorzegt haren ondergang, 34. EN er waren te dierzelver tijd eenigen tegenwoordig, die hem boodschapten van de Galileërs, welker bloed Pilatus met hunne offeranden ge-mengd had. T |
921 2 En Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Meent gij, dat dozo Galileërs zondaars zijn geweest boven al de Galileërs, omdat zij zulks geleden bobben ? 3 Ik zog u: neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zoo zult gij allen desgelijks vergaan. 4 Of die achttien, op welken de toren in Siloam viel, en doodde zo; meent gij, dat dozo schuldenaars zijn geweest, boven alle menschen, die in Jeruzalem wonen ? 5 Ik zeg ii: noen zij; maar indien gij u niet bekeert, zoo zult gij allen insgelijks vergaan. G En hij zeide deze gelijkenis: Een zeker tnau had oenen vijgeboom, geplant in zijnen wijngaard; on hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet. 7 En hij zoide tot den wijngaardenier: Zie, ik kome nu drie jaren, zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet; houw boni uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk do aarde? 8 En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heere, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben; 9 En indien hij vrucht zal voortbrengen, hnit hou titaan', maar indien niet, zoo zult gij hem namaals uithouwen. 10 En bij leerde op den sabbat in eene der synagogen. 11 En ziet, er was eene vrouw, die eenen geest der krankheid achttien jaren lang gehad had, en zij was zamengebogen, en kon zich ganscholijk niet oprigten. 12 En Jezus, haar ziende, riep liaar tot zich, en zeide tot haar: Vrouw! gij zijt verlost van uwe krankheid. 13 En hij leide do handen op baar; en zij werd terstond weder regt, en verheerlijkte God. 14 En do overste der synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op den sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot do schare: quot;Er zijn zes dagen, in welke nien moet werken; komt dan in dezelve, en laat u genezen, en niet op don dag des sabbats. a Ex. 20:9. Deut. â¢quot;): 13. Ezoe. 20: 12. 15 De Ilooro dan antwoordde hem en zeide: Gij geveinsde! quot;maakt niet een iegelijk van u op den sabbat zijnen os of ezel van de kribbe los, en leidt hem heen om te doen drinken ? «Ex. 23:5. Deut. 22:4. Luk. 14:5. 16 En deze, die eene dochter Abrahams is, welke de Satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band, op den dag des sabbats? 17 En als hij dit zeide, werden zij allen beschaamd, die zich togen hem stolden; en al do schare verblijdde zich over al do heerlijke dingen, die van hem geschiedden. 18 quot;En hij zeide: Wien is het koningrijk Gods gelijk? en waarbij zal ik hetzelve vergelijken? « Matt. 13:31. Mark. 4:30. 19 Het is gelijk aan oen mostaardzaad, hetwelk LUKAS 12. 13. i i à .quot;a 1 M ; llHi 11 i t h'i |f u Hj ' i-Pt ll |
LUKAS 13, 14.
gt;)22
|
oon niensch gonomen on in zijnen hof geworpen heeft; en hot wies op, en word tot oenen grooten boom, en do vogelen des hemels nestelden in zijne takken. 20 En hij zoido wederom: quot; Waarbij zal ik liet koningrijk Gods vergelijken? a Matt. 13:33. 21 Hot is gelijk aan oen' zuurdeosem, wolken oono vrouw nam, en verborgde in drie maten inoels, totdat liet gohoel gezuurd was. 22 quot; En hij reisde van do oone stad en vlok tot do andere, loerende, en rigtonde zijne reis naar Jeruzalem. a Mutt. 9 ; 35. Mark, (j: (i. 23 En er zeide een tot hom: Hoero! zijn er ook weinigen, die zalig worden? En hij zeide tot hom: 24 quot; Strijd om in te gaan door de enge poort: want velen, zog ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen; «Mutt. 7 : 13. 25 Namelijk nadat do hoer des huizes zal opgestaan zijn, en quot;de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Hoero, Hoore, doe ons open! en hij zal antwoorden on tot u zoggen: Ik kon u niet, ''van waar gij zijt. a Mutt. 25: It. Luk. ü : 4G. //Mutt. 25: 12. 26 Alsdan zult gij beginnen te zoggen: Wij hebben in uwe tegenwoordigheid gegeten on gedronken, en gij hobt in onze straten geloerd. 27 quot; En hij zal zoggen: Ik zog u, ik kon u niot, van waar gij zijt; ''wijkt van mij af, allo gij werkers dor ongeregtigheid! a Matt. 7:23. 6 Ps. (i:!). Matt. 25:12, 41. 28 quot; Aldaar zal zijn weening on knersing dor tanden, '' wanneer gij zult zien Abraham, en Izak, on Jakob , on al do profeten, in hot koningrijk Gods, maar uliodon buiten uitgeworpen. a Matt. 8 :12. 13 : 42. 24: 51. b Mutt. 8 : 11. 29 quot; En daar zullen er komen van oosten en westen, en van noorden en zuiden, en zullen aanzitten in hot koningrijk Gods. «Jes. 2:2. Mal. 1:11. Matt. 8:11. 30 quot;En ziet, er zijn laatsten, die do eersten zullen zijn; on or zijn eersten, die de laatsten zullen zijn. a Matt. 19:30. 20: 1(5. Murk. 10:31. 31 Te dieiizelven dage kwamen er oonigo fari-zoën, zeggende tot hem: Ga weg, on vertrok van hier; want Heródes wil u dooden. 32 En hij zeide tot hen: Gaat hoen, on zegt dien vos: Zie, ik werp duivelen uit, en maak gezond, heden en morgen, en ton derden dage worde ik voleindigd. 33 Doch ik moot heden, en morgen, en den volgenden dag reizen : want het gebeurt niet, dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem. 34 quot; Jeruzalem, Jeruzalem! gij die do profeten doodt, en steenigt, die tot u gezonden zijn, '⢠hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs oene hen hare kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hobt niet gewild? a Mutt. 23:37. /'I's. 17:8. 91 : 4. 35 quot;Ziet, uw huis wordt ulieden woest gelaten. |
En voorwaar ik zog u, dat gij mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn, als gij zult zoggen : b Gezegend is hij, die komt in den naam des Hoeren! a I's. 09 : 20. Jos. 1: 7. .Ier. 7 : 34. Micha 3:12. Muit. 23:38. Hand. 1:20. 6 I's. 118:20. HOOFDSTUK 14. Christus genoost eenon waterzuchtige op don sabbat cn verantwoordt zich, vs 1. Straft do eorgierigiieid der farizcon, dio de vooruanzittingen in de muultij-den zochten, en vermaant tot nederigheid on weldadigheid tegen de armen, 7. Door de gelijkenis van een groot avondmaal, waarop do genoodigden zich verontschuldigen te komen, verwijt hij den Joden hunne ondankbaarheid, en voorzegt huiino verwerping en do roeping der Heidenen in hunne pluals, 15. Leert, dat wie. zijn discipel wil zijn, zich, en al wat hem liof is, moot verloochenen, 25. Door het voorbeeld van oenen, die een' toren wil bouwen, en van eenon koning, die togen oenen anderen koning ten strijde wil guan, vermaant hij zijne discipelen, hunne rekening te voren wel te maken, 28; en leert dat smakeloos zout nergens nuttig voor is, 34. EN hot geschiedde, als hij gekomen was in het huis van een' der oversten der farizeën, op den sabbat, om brood te eten, dat zij hem waarnamen. 2 En ziet, er was een zeker waterzuchtig mensch voor hem. 3 En Jezus, antwoordende, zeide tot do wetgeleerden en farizeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken ? 4 Maar zij zwegen stil. En hij nam hem, en go-nas hem, en liet hem gaan. 5 En hij, hun antwoordende, zoide: quot;Wiens ezel of os van ulieden zal in eenon put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag dos sabbats? «Ex 23:5. Deut. 22:4. Luk. 13:15. 0 En zij konden hem daarop niet weder antwoorden . 7 En hij zeide tot de genooden eene gelijkenis, aanmerkende, hoe zij de vooraanzittingen verkozen ; zeggende tot hen: 8 Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zoo zet u niot in de eerste zitplaats; opdat niot misschien een waardiger dan gij van hem genood zij; 9 En hij, komende, die u en hem genood heeft, tot u zegge: Geef dezen plaats; en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden. 10 quot;Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend! ga hooger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten. aSpr. 25:0, 7. 11 quot; Want een iegelijk, die zich zelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zich zelven vernedert, zal verhoogd worden. a Job 22 : 29. Spr. 29 : 23. Matt. 23 : 12. Luk. 1 : 51. 18: 14. Jakob. 4:0. 10. 1 Potr. 5:5. 12 En hij zeide ook tot dengenen, die hem genood had: quot;Wanneer gij een middagmaal of |
|
avondmaal zult houden, zoo roop niot uvvo vrienden, noch uwe broeders, noch uwe magen, noch uwe rijke geburen; opdat ook dezelve u niet to eeniger tijd wedernooden, en u vergelding geschiede. «Neli. 8:11. Si))1. ;5: 28. 13 Maar wanneer gij een' maaltijd zult houden, zoo nood armen, verminkten, kreupelen, blinden; 14 En gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden: want het zal u vergolden worden in de opstanding der regtvaardigen. 15 En als een van degenen, dio mede aanzaten, deze dingen hoorde, zeide lüj tot hem: Zalig is hij, die brood eet in liet koningrijk Gods. 16 Maar hij zeide tot hom: quot;Een zeker mensch bereidde een groot avondmaal, en liij noodde er velen. «Jes. 2r):(). Malt. 22:2. Openb. 19:7, !). 17 En hij zond zijnen dienstknecht uit ter uro des avondmaals, om den genooden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed. 18 En zij begonnen allen zich eondragtelijk te ontschuldigen. Do eerste zeide tot hem: Ik heb oenen akker gekocht, en hot is noodig, dat ik uitga, on hom bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. 1!) En een ander zeide: Ik heb vijf jok ossen gekocht, en ik ga hoen, om die to beproeven; ik bid u, hond mij voor verontschuldigd. 20 En een ander zeide: Ik heb oono vrouw getrouwd , en daarom kan ik niot komen. 21 En dezelve dienstknecht werfergekomon zijnde, boodschapte deze dingen zijnen heer. Toon werd do heer dos huizes toornig, en zeide tot zijnon dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng do armen, en verminkten, on kreupelen, en blinden hier in. 22 En de dienstknecht zeide: Hoore! hot is geschied, gelijk gij bevolen hobt, en nog is er plaats. 23 En do heer zoide tot don dienstknecht: Ga uit in de wogen en heggen, en dwing ze in to komen, opdat mijn huis vol worde: 24 Want ik zeg ulieden, dat niemand van dio mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal. 25 En vele scharen gingen mot hom; on hij, zich omkeoronde, zeide tot hen: 26 quot; Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijnon vader, on moedor, on vrouw, en kinderen, on brooders, en zusters, ja ook zelfs zijn eigen loven, die kan mijn discipel niot zijn. a Dout. 13:6. 33:9. Muit. 10:37. 27 quot;En wie zijn kruis niot draagt, en mij navolgt, die kan mijn discipel niet zijn. a Mutt. 10 : 38. lü : 24. Mark. 8 : 34. Luk. 9 : 23. 28 Want wie van u, willende oenen toren bouwen, zit niet eerst neder, en overrekent de kosten, of hij ook hooft hetgeen tot volmaking nood'm is? 29 Gpdat niot misschien, als hij hot fondament gelogd heeft, en niet kan voleindigen, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten, |
923 30 Zeggende: Deze mensch hooft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen. 31 Of wat koning, gaande naar den krijg, om togen oenen anderen koning te slaan, zit niet eerst neder en beraadslaagt, of hij magtig is met tien duizend to ontmoeten dengenen, die mot twintig duizend tegen hem komt? 32 Anderzins zendt hij gezanten uit, terwijl dio-geno nog verre is, en begeert hetgeen tot vrede dient. 33 Alzoo dan eon iegelijk vanu, die niet verlaat alles, wat hij heeft, die kan mijn discipel niot zijn. 34 quot; Hot zout is goed: maar indien hot zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden? a Matt. 5 : 13. Mark. 9 : 50. 35 Het is noch tot het land, noch tot don mesthoop bekwaam; men werpt het weg. Wio ooron hooft, om te hooron, die hoore. HOOFDSTUK 15. Do fai'izoön murmureren, omdat Christus de zondaren ontvangt, vs. I ; welke handelwijze Christus verantwoordt in do gelijkenissen: van oon afgedwaald schaap, 3; en van eonen verloren penning, welko beide met naarstigheid gezocht en met blijdsclia|j weder gevonden worden, 8; on nog mot do golij-konis van den verloren zoon, die met leedwezen wedorkeorondo, mot blijdschap wordt ontvangen door don vader, 11 ; die zich togen den niurmurerendon oudsten broeder verdedigt, 25. EN quot; al dc tollenaars en do zondaars naderden tot hem, om hem te hooron. a Matt. 9: 10. Mark. 2: 15. Luk. 5:29. 2 En de farizeën en de schriftgeleerden murmureerden, zeggende; Deze ontvangt de zondaars, en eet mot hou. 3 En hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende: 4 quot; Wat mensch onder u, hebbende honderd schapen, on een van die verliezende, verlaat niot de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vinde? a Matt. 18:12. 5 En als hij hot gevonden heeft, legt hij het op zijne schouderen, verblijd zijnde. 6 En te huis komende, roept hij de vrienden on de geburen zamon, zeggende tot hen: Woest blijde mot mij, want ik heb mijn schaap gevonden, quot;dat verloren was. alPotr. 2:10. 7 Ik zeg ulieden, dat er alzoo blijdschap zal zijn in don hemel over oenen zondaar, die zich bekeert , meer dan over quot; negen en negentig regtvaardigen , die do bekeering niet van noodo hebben. «Luk. 5:32. 8 Of wat vrouw, hebbende tien penningen, indien zij oenen penning verliest, ontsteekt niet eene kaars, en koert het huis niet bezemen, en zoekt naarstiglijk, totdat zij dien vindt? 9 En als zij dien gevonden hooft, roept zij de vriendinnen en do geburinnon zamen, zeggende: Woest blijde met mij, want ik hob den ponning gevonden, dien ik verloren had. 10 Alzoo, zeg ik ulieden, is er blijdschap voor LUKAS 14, 15. |
LUKAS 15, 16.
924
|
do engelen Gods over eenen zondaar, die zich bekeert. 11 En hij zoido: Eon zeker inonsch had twee zonen. 12 En do jongste van lion zoido tot den vader: Vader! geef mij iiot doel des goeds, dat mij toekomt. En hij doolde hun hot goed. 18 En niet vele dagen daarna, de jongste zoon, alles hijeen vergaderd hobhende, is woggereisd in oen yavyeleycn land, en heeft aldaar zijn goed doorgebragt, levende overdadiglijk. 14 En als hij hot alles verteerd had, werd er oen groote hongersnood in datzelve land, en hij begon gebrek to lijden. 15 En hij ging hoen, en voegde zich bij een' van do burgers deszelven lands; on die zond hom op zijn land, om de zwijnen te weidon. Ui En hij begeerde zijnen buik te vullen mot den draf, dien de zwijnen aten; en niemand gaf hem dien. 17 En tot zich zeiven gekomen zijnde, zoido iiij: Hoe vele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger! 18 Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan, en ik zal tot hem zoggen: Vader! ik heb gezondigd tegen den hemel, on voor u; 19 En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als oenen van uwe huurlingen. 20 En opstaande, ging hij naar zijnen vader. En quot; als hij nog vor van hem was, zag hem zijn vader, en werd mot innerlijke ontferming bewogen; en toeloopende, viel hem om zijnon hals, en kuste hom. «Hand. 2:39. Efez. 2:12, 17. 21 En de zoon zoido tot hem: Vader! ik heb gezondigd tegen den hemel, en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. 22 Maar de vader zeide tot zijne dienstknechten: Brengt hier voor het beste kleed, en doet hot hom aan, on geeft oenen ring aan zijne hand, on schoenen aan do voeten; 2:5 En brengt hot gemeste kalf, en slagt het; on laat ons eten en vrolijk zijn. 24 Want deze mijn zoon was dood, on is weder levend geworden; en hij was verloren, on is gevonden ! En zij begonnen vrolijk to zijn. 25 En zijn oudste zoon was in hot veld, on als hij kwam, en bet buis genaakte, hoorde iiij het gezang en het gerei; 26 En tot zich geroepen bobbende een' van do knechten, vraagde, wat dat mogt zijn? 27 En deze zeide tot hem: Uw broeder is goko-mon, en uw vader heeft het genieste kalf geslagt, omdat hij hem gezond weder ontvangen heeft. 2H Maar hij werd toornig, en wilde niet ingaan. Zoo ging dan zijn vader uit, en had hem. 29 Doch bij, antwoordende, zeide tot den vader: Zie, ik dien u nu zoo vele jaren, en bob nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijne vrienden mogt vrolijk zijn. |
:30 Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebragt beeft, zoo hebt gij hem het genieste kalf geslagt. :il En hij zoide tot hem: Kind! gij zijt altijd hij mij, en al het mijne is uwe. 32 Men behoorde dan vrolijk en blijde to zijn: want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden; en bij was verloren, en is gevonden. ⢠HOOFDSTUK 16. Door de gelijkenis van de voorzigtigheicl van ceueii onregtvaardigen rentmoester leert Christus, dat men zich uit den on regt vaardigen Mammon vrienden zal maken, vs. 1; en dat men den Mammon niet moet dienen, 13. Bestraft tlo geveinsdheid en hoogmoed der geldgierige farizeën, 14. Leert, dat de wet en de profeten tot op Johannes geduurd hebben en tot den minsten tittel moeten vervuld worden, 16; en onderwijst omtrent de echtscheiding, 18. Stolt do gelijkenis voor van den rijken man en den armen Lazarus, en den verschillenden staat van beiden, zoo in dit leven, als hier namaals, 19. EN hij zeide ook tot zijne discipelen: Er was oen zeker rijk inensch, welke eenen rentmeester bad; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijne goederen doorhragt. 2 En bij riep hem, en zoide tot hem: Hoo hoor ik dit van n ? geef rekenschap van uw rentmeesterschap : want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn. 3 En de rentmeester zoide bij zich zclvon : Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neeint? graven kan ik niet, te bedelen schaam ik mij. 4 Ik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hunne huizen ontvangen. 5 En hij riep tot zich een' iegelijk van do schuldenaars zijns hoeren, en zoido tot don eerste: Hoe veel zijt gij mijnen beer schuldig? 6 En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neom uw bandschrift, en nederzittende, schrijf haastelijk vijftig. 7 Daarna zoido bij tot eenen anderen: En gij, hoo veel zijt gij schuldig? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neom uw bandschrift, en schrijf tachtig. 8 En de boer prees don onregtvaardigen rentmeester, omdat bij voorzigtiglijk gedaan had: want de kinderen dezer wereld zijn voorzigtigor, dan quot; de kinderen des lichts, in hun geslacht. a Efez. 5 : 8. 1 Tliess. 5 : 5. 9 En ik zeg ulieden: quot; maakt u zeiven vrienden uit den onregtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen. a Matt. 6:19. 19:21. 1 Tim. 6: 19. 10 Die getrouw is in hot minste, die is ook in bet groote getrouw; on die in bot minste onregt-vaardig is, die is ook in het groote onregtvaardig. 11 Zoo gij dan in den onregtvaardigen Maninion |
925
|
niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen ? 12 En zoo gij in eens anders (joed niet getrouw zijt geweest, wie zal u liet uwe geven? 13 a Geen huisknecht kan twee heeren dienen: want of, hij zal den eenen haten, en den anderen liefhebbon; of hij zal don eonon aanhangen, en den anderen verachten: gij kunt God niet dienen en don Mammon. a Matt. G : 24. 14 En al deze dingen hoorden ook de farizeön, quot;die geldgierig waren, en zij beschimpten hom. a Matt. 23 : 14. 15 En hij zeido tot hen: Gij zijt h.et, die u zeiven regtvaardigt voor do monschon, maar « God kont uwe harton: b want dat hoog is onder de monschon, is een gruwel voor God. a I's. 7 : 10. h 1 Sam. 10:7. 10 quot; Do wet en de profeten zijn tot op Johannes; van dien tijd af wordt het koningrijk Gods verkondigd, en oen iegelijk doet geweld op hetzelve. n Matt. 11:12, Hi. 17 quot;En het is ligtor, dat de hemel on de aarde voorbijgaan, dan dat een tittel dor wet vallo. a Ps. 102 : 27. Jcs. 40 : 8. 51: 0. Matt. 5 : 18. 18 quot; Eon iegelijk, die zijne vrouw verlaat, on oone andere trouwt, die doet overspel; en oen iegelijk, die do verlatene van den man trouwt, die doet ook overspel. a Matt. 5 : 32. 10:0. Mark. 10 : 11. 1 Cor. 7 : 10. 1!) En or was oen zeker rijk mensch, on was gekleed mot purper on zoor fijn lijnwaad, levende allen dag vrolijk en prachtig 20 En er was oen zeker bedelaar, met name Lazarus, welke lag voor zijne poort, vol zweren, 21 En begeerde verzadigd te worden van do kruimkens, die van de tafel des rijken violen; maar ook do honden kwamen en lokten zijne zweren. 22 En het geschiedde, dat do bedelaar stierf, on van do engelen gedragen word in den schoot van Abraham. 23 En do rijke stierf ook, en word begraven. En als hij in de hel zijne oogon ophief, zijnde in do pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijnen schoot. 24 En hij riep en zeido: Vader Abraham! ontferm u mijnor, en zend Lazarus, dat hij hot uiterste zijns vingers in het water doope, en vor-koele mijne tong: quot; want ik lijde smarten in deze vlam. n Jes. 00 : 24. Mark. 9 : 44. 25 Maar Abraham zeido: quot;Kind! gedenk, dat gij uw goed ontvangen hebt in uw loven, on Lazarus desgelijks hot kwade; en nu wordt hij vertroost, en gij lijdt smarten. «.fob 21 :13. 20 En boven dit alles, tusschen ons on uliodon is oeno groote klove gevestigd, zoodat degenen, die van hior tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen. 27 En hij zeido: Ik bid u dan, vader! dat gij hom zendt tot mijns vaders huis: |
28 Want ik heb vijf broeders; dat hij hun dit botuigo, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging. 29 Abraham zoide tot hem: quot; Zij hebben Mozes en de profeten; dat zij die hooren. «Jos. 8:20. 34: 10. Joh. 5:39. Hand. 17:11. 30 En hij zeido: Neen, vader Abraham! maar zoo iemand van do doodon tot hen heenging, zij zouden zich bekoeron. 31 Doch Abraham zoide tot hom: Indien zij Mozes on do profeten niet hooren, zoo zullen zij ook, al ware het, dat or iemand uit do doodon opstond, zich niet laten gezeggen. HOOFDSTUK 17. Christus waarschuwt voor orgornisson, vs. 1. Leert dat men zijnen broeder zoo dikwijls moot vergeven, als hij loodwezen betoont, 3. Do discipelen bidden om vermeerdering dos geloofs, welks kracht hij bo-sebrijft, 5. Door do gelijkenis van oenen dionstkneelit, komende van den akker, verklaart hij, dat inoii bij Ood niet verdient, als men doet, wat men schuldig is, 7. Hij reinigt tien melaatschen, van welke maar oen dankbaar is, 11. Leert hoedanig do komst van zijn koningrijk zal zijn, 20. Beschrijft de liintste tijden, welke hij vergelijkt met de tijden van Noach en Lot, 20. EN quot; hij zoide tot de discipelen: Hot kan niet wezen, dat er goeno orgornisson komen; doch wee hem, door wolkon zij komen! a Matt. 18:7. Mark. 9:42. 2 Hot zoude hem nutter zijn, dat eon molensteen om zijnen hals gedaan ware, on hij in do zoo geworpen, dan dat hij eon' van deze kleinen zou ergeren. 3 Wacht ii zolvon. quot; En indien uw broeder tegen u zondigt, zoo bestraf hom; en indien het hem leed is, zoo vergoot' het hom. a Lev. 19:17. Spr. 17 : 10. Matt. 18:1 5. Jakob. 5 : 19. 4 quot; En indien hij zevenmaal daags tegen u zondigt, en zevenmaal daags tot u wederkeert, zeggende : Hot is mij lood; zoo zult gij hot hem vergeven. o Matt. 18:21. 5 En do apostelen zeiden tot den lleere: Vor-moorder ons hot gelooi'. 0 En do Hoore zoide: quot; Zoo gij oen geloof hadt als eon mostaardzaad, gij zoudt tegen dozen moer-boziönboom zeggen: Word ontworteld, on in de zee geplant! on hij zou u gehoorzaam zijn. a Matt. 17:20, 21 :21. Mark. 11 :23. 7 En wie van u hooft eenen dienstknecht, ploegende , ol' de beesten hoedende, dio tot hem, als hij van den akker inkomt, terstond zal zeggen: Kom bij, en zit aan ? 8 Maar zal hij niet tot hom zoggen: Bereid, dat ik te avond zal eten, en omgord u, on dien mij, totdat ik zal gegeten en gedronken hebben; on eet en drink gij daarna ? 9 Dankt hij ook donzelvon dienstknecht, omdat hij gedaan heeft hetgeen hem bevolen was? Ik meen, neon, 10 Alzoo ook gij, wanneer gij zult gedaan heb- |
LUKAS 17, 18.
926
|
ben al hetgeen u bevolen is, zoo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben mnar gedaan hetgeen wij schuldig waren te doen. 11 En het geschiedde, als hij naar Jeruzalem reisde, dat hij door het midden van Samarië en Galiléa ging. 12 En als hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten hem tien melaatsche mannen, welke stonden van verre; 13 En zij verhieven hunne stem, zeggende: Joziis) Meester, ontferm u onzer! 14 En als hij hen zag, zeide hij tot hen: Gaat heen on vertoont u zelven 11 den priesteren. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden. a Lev. 14:2. Muit. 8:4. Luk. !): 14 15 En een van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde wederom, met groote stemme God verheerlijkende. 16 En hij viel op het aangezigt voor zijne voeten, hem dankende: en dezelve was een Samaritaan. 17 En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden? en waar zijn de negen? 18 En zijn er geene gevonden, die wederkeeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling? 1!) En hij zeide tot hom: Sta op, en ga heen; uw geloof hoeft u behouden. 20 En gevraagd zijnde van do farizeën, wanneer hot koningrijk Gods komen zou, heeft hij hun geantwoord en gezegd : Het koningrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat. 21 En men zal niet zeggen: quot; Ziet hier, of ziet daar! want, ziet, het koningrijk Gods is binnen ulieden. a Matt. 24:23. Mark. 13:21. Luk. 21:7, 8. 22 En hij zeide tot de discipelen: Er zullen dagen komen, wanneer gij zult begeeron oenen dor dagen van den Zoon des menschen te zien, eu gij zult dien niet zien. 23 quot; En zij zullen tot u zeggen: Ziet hier, of ziet daar is hij; gaat niet heen, en volgt niet. a Matt. 24: 23. Mark. 13 :21. 24 Want gelijk de bliksem, die van het eene einde, onder don hemel bliksemt, tot hot andere onder den hemel schijnt, alzoo zal ook de Zoon des menschen wezen in zijnen dag. 25 quot; Maar eerst moet hij voel lijden, en verworpen worden van dit geslacht. a Matt, 10:21. 17:22. 20:18. Mark. 8:31. 9:31. 10 : 33. Luk. 9 : 22. 18 : 31. 24 : 0, 7. 20 quot; En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzoo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon dos menschen. «Gen. G : 2. 7:7. Matt. 24:37, 38. 1 Petr. 3:20. 27 Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag, op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen. 28 Desgelijks ook, gelijk hot geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden; |
29 quot; Maar op den dag, op welken Lot van Sodom uitging, regende hot vuur en sulfer van don hemel, en verdierf zo allen. (iGon. 19:24. Dout. 29:23. Jes. 13:19. Jor. 50:40. Ilos. 11:8. Amos 4:11. Judas vs. 7. 30 Even alzoo zal het zijn in den dag, op welken de Zoon des menschen geopenbaard zal worden. 31 In dionzolven dag, wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, dio kome niet af, om hetzelve weg te nemen; en wie op den akker zijn zal, die keere desgelijks niet naar hetgeen achter is. 32 quot; Gedenkt aan do vrouw van Lot. «Gen. 19:20. 33 quot; Zoo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zoo wie hetzelve zal verliezen, dio zal het in het loven behouden. aMatt. 10 : 39. 10 : 25. Mark.8 : 35.1 .uk.9 : 24. Joh.12 : 25. 34 quot;Ik zeg u: in dien nacht zullen twee op een bed zijn; de oen zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. aMatt. 24:40,41. 1 Thess. 4:17. 35 Twee vrouwen zullen te zamen malen; do eene zal aangenomen, en de andore zal verlaten worden. 36 Twee zullen op don akker zijn; de een zal aangenomen, on de ander zal verlaten worden. 37 En zij antwoordden en zeiden tot hem: Waar, Heoro? En hij zeide tot hen: quot; Waar hot ligchaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden. a Job 39 : 33. Matt. 24 : 28. HOOFDSTUK 18. Door de gelijkenis van ceno weduwe en eonen onregt-vaardigeu rogter loert Christus, dat men in hot gobed moet aanhouden, vs. 1. Door oene andere gelijkenis van eonen farizoör on oenen tollenaar loert hij, dat God don bootvaardigon zondaar verhoort on regtvaardigt, on niet die op hunne eigene go-regtighoid steunen, 9. Bevoelt dat men do kindor-kens tot hom zal laten komen, 15. Beantwoordt do vraag van oenen overste, wat doende hij het eeuwige loven zou verkrijgen, on wijst hem op de onderhouding dor geboden, 18. Leert hoe bezwaarlijk de rijken zalig worden, 24. liolooft hier en hiernamaals te vergolden dengenen, die alles om zijnentwil verlaten, 28. Voorzegt zijn lijdon, sterven en opstanding, 31. Maakt bij Jorioho oenen blinde ziende, 35. EN hij zeide ook eene gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, quot;dat men altijd bidden moet, en niet vertragen; aRom. 12 : 12. Efoz. 0:18. Col. 4:2. 1 Thess. 5 : 17. 2 Zeggende: Er was een zeker regter in eene stad, die God niet vreesde, en geen' mensch ontzag. 3 En er was eene zekere weduwe in dezelve stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij regt tegen mijne wederpartij. 4 En hij wilde voor eenen langen tijd niet; maar daarna zeide hij bij zich zelven: Hoewel ik God niet vreeze, en geen' mensch ontzie; 5 Nogtans, omdat deze weduwe mij moeijelijk valt, zoo zal ik haar regt doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke. 6 En de Heere zeide: Hoort, wat de onregt-vaardige regter zegt. |
|
7 quot; Zal God dan geen regt doen zijnen uitverkorenen, die dag on nacht tot llom roepon, hoewol Hij langmoedig is over hen? fflÃponb.C: 10. 8 Ik zog u, dat Hij hun haastolijk regt doen zal. Doch de Zoon des monschen, als hij komt, zal liij ook geloof vinden op de aarde ? !) En hij zeido ook tot sommigen, die bij zich zeiven vertrouwden, dat zij regtvaardig waren, en do andoren niets achtten, dozo gelijkenis: 10 Twee monschen gingen op in don tempel om te bidden, de een was oen farizeër, en de ander oen tollenaar. 11 De farizeër, staande, had dit bij zich zeiven: quot; O God! ik dank U, dat ik niet bon gelijk do andere monschen, roovers, onregtvaardigen, over-spelers; of ook gelijk deze tollenaar. n Jos. 1 ; 15. 58 : 2. Openb. 3:17, 18. 12 Ik vast tweemaal ter week, ik goef tiendon van alles, wat ik bezit. 13 En do tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de oogon niet opheffen naar don hemel, maar sloeg op zijne borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig! 14 Ik zeg uliodon: deze ging af geregtvaardigd in zijn huis, meer dan die: quot;want een ieder, die zich zolven verhoogt, zal vernederd worden, en die zich zolven vernedert, zal verhoogd worden. rtJoli 22:20. Spr. 20:23. Matt. 23:12. Luk. 14:11. Jakob. 4:0, 10. 1 Petr. 5:5. lö quot; En zij bragten ook de kinderkous tot hom, opdat hij die zou aanraken; en de discipelen, dat ziende, bestraften dezelve. rt Matt. 10:13. Mark. 10:13. 10 Maar Jezus riep dezelve kinder kens tot zich, en zoide: Laat de kinderkous tot mij komen, en verhindert hen niet: quot;want derzulken is het koningrijk Gods. a Matt. 18 : 3. 19 : 14. 1 Oor. 14 : 20. 1 Petr. 2 : 2. 17 Voorwaar zeg ik u: zoo wie hot koningrijk Gods niet zal ontvangen als oen kindoken, die zal geenszins in hetzelve komen. 18 quot; En oen zeker overste vraagde hein, zeggende: Goede Moester! wat doende zal ik hot eeuwige leven beërven? a Matt. 10:10. Mark. 10:17. 19 En Jezus zoido tot hem: Wat noemt gij mij goed ? niemand is goed, dan één, namelijk God. 20 Gij weet de geboden: quot; Gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden; gij zult niet stelen; gij zult geene valsche getuigenis geven; h eer uwen vader en uwe moedor. a Ex. 20:13. Dent. 5:17. Rom. 13:0. h Efoz. 0:2. Col. 3:20. 21 En hij zoide: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jongheid aan. 22 Doch Jezus, dit hoorende, zoido tot hom: Nog oen ding ontbreekt u; quot;verkoop alles, wat il'ij hebt, on dool het onder de armen, en gij zult oenen schat hebben in den hemel; on kom herwaarts, volg mij. a Mutt, 0 : 10. 10:21. 1 Tim. 0:19. 23 Maar als hij dit hoorde, werd hij geheel droevig: want hij was zeer rijk. |
927 24 Jezus nu ziende, dat hij geheel droevig go-worden was, zoido: quot;Hoe bezwaarlijk zullen do-genon, die goed hebben, in hot koningrijk Gods ingaan! aSpr. 11 :28. Matt. 19:23. Mark. 10:23. 25 Want hot is ligter, dat eon kemel ga door hot oog van eeno naald, dan dat oen rijke in hot koningrijk Gods inga. 26 En die dit hoorden, zeidon: Wio kan dan zalig worden? 27 En hij zoide: quot; Dodingen, die onmogelijk zijn bij de monschen, zijn mogelijk bij God. «Job 42:2. .lor. 32: 17. Zaoli. 8:0. Luk. 1 :37. 28 quot;En Petrus zoide: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn u gevolgd. a Malt. 4:20. 10:27. Mark. 10:28. Luk. 5:11. 29 En hij zeido tot hou: Voorwaar ik zog uliodon, quot; dat er niemand is, die verlaten heeft huis, of ouders, of broeders, of vrouw, of kinderen, om het koningrijk Gods; «Deut. 33:9. 30 quot; Die niet zal veelvoudig weder ontvangen in dezen tijd, en in do toekomende eeuw het eeuwige loven. a Job 42 : 12. 31 quot;En hij nam de twaalven bij zich, en zoido tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, on hot zal alles volbragt worden aan den Zoon dos monschen, ''wat geschreven is door do profeten. 'i Matt. 10 : 21. 17 : 22. 20 : 17. Mark. 8:31.9:31.10 : 32. Luk. 0 : 22. 24 : 7. b Ps. 22 : 7. Jos. 53 : 7. 32 quot; Want hij zal den Heidenen overgeleverd worden, en hij zal bespot worden, en smadelijk gehandeld worden, en bespogen worden. a Matt. 27 : 2. Luk. 23: 1. Job. 18:28. Hand. 3: 13. 33 En tiein gegeeseld hebbende, zullen zij hom dooden; en ten derden dago zal hij wederopstaan. 34 En zij verstonden goon van dezo dingen; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet hetgeen gezegd word. 35 quot; En het geschiedde, als hij nabij Jericho kwam, dat oen zeker blinde aan den weg zat, bedelende. « Matt. 20:29. Mark. 10:40. 30 En dezo, hoorende de schare voorbijgaan, vraagde, wat dat ware ? 37 En zij boodschapten hom, dat Jezus do Nazal' ó n e r v oor b ij ging. 38 En hij riep, zeggende: Jezus, gij Zone Davids, ontferm u mijner! 39 En die voorbijgingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoo veel te meer: Zone Davids, ontferm u mijner! 40 En Jezus, slt;jfetaande, beval, dat men den-zolvon tot hom brongen zou; on als hij nabij hem gekomen was, vraagde hij hem, 41 Zeggende: Wat wilt gij, dat ik u doen zal? En hij zeido: Hoore! dat ik ziende mag worden. 42 En Jezus zeido tot hom: Word ziende; uw geloof heeft u behouden. 43 En terstond word hij ziende, on volgde hem, God verheorlijkondo. En al het volk dat ziende, gaf Gode lof. LUKAS 18. |
|
928 HOOFDSTUK 1!). Zachöüs zoekt Christus te zien en ontvangt hom in zijn huis, vs. 1. Betuigt zijne boetvaarcligheid en wordt door Christus getroost, S. Door de gelijkenis van liet uitdoelen dor pondon leort Christus, dat mon zijne gaven tot winst moet besteden, 11. Doet zijnen intogt binnen Jeruzalem, rijdende op eenen ezel, 29; en wordt door de schare met gelukwen-sching ontvangen, 37. Weent over de stad Jerflzalem en voorzegt hare verwoesting, 41. Drijft do koopers en verkoopers uit don tempel, 45. Do overpriesters en schriftgeleerden zooken hom te doodon, 47. EN Jezus, ingekomen zijnde, ging door Jericho. 2 En ziet, er was oen man, mot name geheeten Zachéüs; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk; En zocht Jezus te zion, wie liij was; en kon niet van wege de schare, omdat hij klein van persoon was. 4 En vooruitloopende, klom hij op oenen wildon vijgeboom, opdat hij hem mogt zien: want hij zou door dien weg voorbijgaan. 5 En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag hij hem, en zeide tot hom; Zachéüs! haast u en kom af; want ik moet heden in uw huis blijven. G En hij haastte zich en kwam af, en ontving hem met blijdschap. 7 En allen, dio het zagen, inurmureerden, zeggende : Hij is tot oenen zondigen man ingegaan, om te herbergen. 8 En Zachéüs stond, en zeide tot don lleere: Zie, do helft van mijne goederen, Heere! geef ik don armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder. 9 En Jezus zeide tot hem: lieden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook quot; deze een zoon van Abraham is. «Luk. 13:10. 10 quot; Want de Zoon dos menschen is gekomen, om te zooken en zalig te maken dat verloren was. o Matt. 10 :G. 15:24. 18:11. Hand. 13:40. 11 En als zij dat hoorden, voegde hij daarbij, en zeide eene gelijkenis; omdat hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden, dat het koningrijk Gods terstond zou openbaar worden. 12 quot; Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een vsvcjdegen land, om voor zich zelven een koningrijk te ontvangen, en dan weder te keeren. rt Matt. 25:14. Mark. 13:34. 13 En geroepen hebbende zijne tien dienstknechten, gaf hij hun tien ponden, on zeide tot hen: Doet handeling, totdat ik kome. 14 En zijne burgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij. 15 En het geschiedde, toon hij wederkwam, als hij het koningrijk ontvangen had, dat hij zeide, dat die dienstknechten tot hem zouden geroepen worden, dien hij hot geld gegeven had; opdat hij weten mogt, wat een iegelijk met handelen gewonnen had. |
K! En de eerste kwam, en zeide: Heere! uw pond heeft tien pondon daartoe gewonnen. 17 En hij zeide tot hom: Wol, gij goede dienstknecht! dewijl gij in het minste getrouw zijt geweest , zoo heb magt over tien steden. 18 En de tweede kwam, en zeide: Heere! uw pond heeft vijf ponden gewonnen. 19 En bij zeide ook tot dezen: En gij, wees over vijf steden. 20 En een ander kwam, zeggende: Heere! zie hier uw pond, hetwelk ik in eenen zweetdoek weggelegd had : 21 Want ik vreesde u, omdat gij eou straf inensch zijt; gij noemt weg, wat gij niet gelogd hebt, en gij maait, wat gij niet gezaaid bobt. 22 Maar hij zeide tot bom: quot;Uit uwen mond zal ik u oordoelen, gij booze dienstknecht! gij wist, dat ik oen straf mensch bon, nemende weg, wat ik niet gelegd heb, en maaijende wat ik niet gezaaid heb. «2 Sam. 1:10. Matt. 12:37. 23 Waarom hebt gij dan mijn geld niet in do bank gegeven, en ik , komende , had hetzelve met woeker mogen eischen ? 24 En hij zeide tot degenen, die bij hem stonden: Neemt dat pond van hom weg, en geeft bet dien, dio de tien ponden hoeft. 25 En zij zeiden tot hem: Heere! hij beeft tien ponden. 20 quot;Want ik zeg u, dat een' iegelijk, die hoeft, zal gegeven worden; maar van dengenen, dio niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat bij heeft. «Matt. 13:12. 25:29. Mark. 4:25. Liik.8:18. 27 Doch deze mijne vijanden, die niet bobben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood. 28 En dit gezegd bobbende, reisde hij voor hen boon, en ging op naar Jeruzalem. 29 quot; En hot geschiedde, als bij nabij Bothfagé en Bethanië gekomen was, aan den borg, genaamd den Olijfberg, dat hij twee van zijne discipelen uitzond, n Matt. 21:1. Mark. 11 : 1. 30 Zeggende: Gaat heen in dat vlok, dat tegenover is; in hetwelk inkomende, zult gij een veulen gebonden vinden, waarop geen inensch ooit heeft gezeten; ontbindt hetzelve, en brengt het. 31 En indien iemand u vraagt: Waarom ontbindt gij dat? zoo zult gij alzoo tot hem zeggen: Omdat het do Heere van noode heeft. 32 En die uitgezonden waren, heengegaan zijnde, vonden hot, gelijk bij hun gezegd had. 33 En als zij het veulen ontbonden, zeiden do hoeren van hetzelve tot hen: Waarom ontbindt gij bet veulen? 34 En zij zeidon: Do Heere heeft het van noode. 35 quot; En zij bragten hetzelve tot Jezus. h En hunne kleederen op het veulen geworpen hebbende, zetten zij Jezus daarop. a Joh. 12 : 14. h 2 Kon. 9:13. 30 En als hij vooWreisde, spreidden zij hunne kleoderen onder hem op den weg. LUKAS li). |
LUKAS 19, 20.
929
|
37 En als hij nu genaakte aan don afgang des ! Olijfbergs, begon al de menigte dor discipelen zich te verblijden, en God te loven niet groote stemme, van woge al do krachtige daden, die zij gezien hadden, 38 Zeggende: quot; Gezegend is do Koning, die daar komt in den naam dos Hoeren! b Vrede zij in den hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen.' a I's. 118 : 2G. b Luk. 2 : 14. Efez. 2 : 14. 39 En sommige der farizeën uit do schare zeidon tot hom: Moester! bestraf uwe discipelen. 40 En hij, antwoordende, zeido tot hen: Ik zeg ulieden, dat, zoo deze zwijgen, quot; de steenen haast roepen zullen. aHab. 2:11. 41 En als hij nabij kwam, en do stad zag, weende hij over haar, 42 Zeggende: Och of gij ook bekendot, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uwe oogon. 43 Want or zullen dagen over u komen, dat uwe vijanden eeno begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van allo zijden benaauwon. 44 quot; En zullen u tot den grond nedorwerpen, en uwe kinderen in u; en zij zullen in u den cenen steen op den anderen steen niet laten: daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt. al Kon. 9:7, 8. i Micha 3 : 12. Matt. 24 : 1, 2. Mark. 13 : 2. Luk. 21: C. 45 En gegaan zijnde in don tempel, begon hij uit to drijven degenen, die daarin verkochten on kochten, 46 Zeggende tot hen: quot;Er is geschreven: Mijn huis is een huis dos gobeds; maar gij hebt dat tot een' kuil dor moordenaren gemaakt. a 1 Kon. 8 : 29. i Jes. 50:7. Jer. 7 : 11. Matt. 21: 13. Mark. 11:17. 47 En hij leerde dagelijks in den tempel; quot; en de ovorpriestors, en do schriftgeleerden, en de oversten dos volks zochten hem te dooden. n Mark. 11 : 18. Joh. 7 :19. 8:37. 48 En zij vonden niet, wat zij doen zouden: want al hot volk hing hom aan, on hoorde hem. HOOFDSTUK 20. Christus van de overpriostors on farizeën gevraagd zijnde, door welke uiagt hij deze dingen deed, ant- j woordt met eeno wedervraag, van waar do doop van Johannes was, vs. 1. Dreigt hen met Gods straffen door de gelijkenis van oenen wijngaard aan do landlieden verhuurd, die do dienstknechten van hunnen heer mishandelden en zijnen zoon doodden, 9. Beantwoordt de vraag, of liet geoorloofd was den keizer schatting te geven, 20. Bewijst uit de wet van Mozes de opstanding der dooden tegen de voorstelling der sadduceën van zeven broeders, die eene zelfde vrouw gehad hadden, 27. Vraagt hoe Christus een zoon van David is, daar David hem zijn' Heere noemt, 41. Waarschuwt het volk voor de eergierigheid en geveinsdheid der schiiftgeloerden, 45. EN quot; het geschiedde in een' van die dagen, als hij in don tempel het volk leerde, en het evangelie verkondigde, dat de overpriostors, en schrift- 1 |
geleorden, mot do ouderlingen daarover kwamen, a Matt. 21 : 23. Mark. II : 27. Hand. 4:7. 7 : 27. 2 En spraken tot hem, zeggende: Zeg ons, door wat magt gij deze dingen doet; of wie hij is, die u deze magt heeft gegeven ? 3 En hij, antwoordende, zeido tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt mij: 4 Do doop van Johannes, was die uit den hemel, of uit de menschon? 5 En zij overleiden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den hemel; zoo zal hij zeggen: Waarom hebt gij dan hom niet geloofd? C En indien wij zeggen: Uit de menschon; zoo zal ons al het volk steenigen: want zij houden voor zeker, dat Johannes een profeet was. 7 En zij antwoordden, dat zij niet wisten, van waar die was. 8 En Jezus zeide tot hen: Zoo zeg ik u ook niet, door wat magt ik deze dingen doe. 9 quot; En hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mensch plantte oenen wijngaard , en hij verhuurde dien aan landlieden , en trok eenen langen tijd buiten 's lands. aPs. 80:9. Jes. 5:1. Jer. 2 : 21. 12 : 10. Malt. 21: 33. Mark. 12:1. 10 En als het de tijd was, zond hij tot do landlieden eenen dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden; maar de landlieden sloegen denzolven, en zonden hem ledig heen. 11 En wederom zond hij nog eenen andoren dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk gehandeld hebbende, zonden zij hem ledig heen. 12 En wederom zond hij nog oenen derde; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit. 13 En de hoor des wijngaards zeide: Wat zal ik doon? Ik zal mijnen geliefden zoon zonden; mogelijk dezen ziende, zullen zij hem ontzien. 14 Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden: a Deze is do erfgenaam; ''komt, laat ons hem dooden, opdat de erfenis onze worde. a Ps. 2 : 8. Hebr. 1 : 2. h Oen. 37 : 18. Ps. 2:1. Matt. 20 : 3. 27 : 1. Joh. 11 : 53. 15 En als zij hom buiten don wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen? Ki Hij zal komen en deze landlieden verdorven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre! 17 Maar hij zag hen aan, en zeide: Wat is dan dit, hetwelk quot; geschreven staat: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, doze is tot eon hoofd des hoeks geworden ? a Ps. 118:22. Jes. 8:14. 28:10. Matt. 21:42. Mark. 12:10. Hand. 4:11. Rom. 9:33. 1 Potr. 2:4, 7. 18 quot; Een iegelijk, die op dien steen valt, zal verpletterd worden, ''en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen. «Jes, 8:15. Zach. 12:3. 6Dan. 2:34. 19 En do overpriostors en de schriftgeleerden zochten te dierzelver ure do handen aan hem te 50 |
LUKAS 20, 21.
930
|
slaan; maar zij vreesden liet volk: want zij verstonden , dat iiij deze gelijkenis tegen hen gesproken had. 20 quot; En zij namen hem waar, en zonden verspieders uit, die zich zeiven veinsden regtvaardig te zijn ; opdat zij hem in zijne rede vangen mogten, om hem aan de heerschappij en de magt des stadhouders over te leveren. a Matt. 22: 1G. Mark. 12; 13. 21 En zij vraagden hem, zeggende; Meester! wij weten, dat gij regt spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid. 22 Is liet ons geoorloofd den keizer schatting te geven , of niet ? 23 En hij, hunne arglistigheid bemerkende, zeide tot hen ; Wat verzoekt gij mij ? 24 Toont mij oenen penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij, antwoordende, zeiden; Des keizers. 25 En hij zeide tot hen; quot; Geeft dan den keizer dat des keizers is, en Gode dat Gods is. a Matt. 17 : 25. 22 :21. Rom. 13 : 7. 20 En zij konden hem in zijn woord niet vatten voor het volk; en zich verwonderende over zijn antwoord, zwegen zij stil. 27 quot; En tot hem kwamen sommige der saddu-ceën, welke tegensprekende zeggen, dat er geene opstanding is, en vraagden hom, a Matt. 22 : 23. Mark. 12 ; 18. Hand. 23 ; 8. 28 Zeggende; Meester! quot; Mozes heeft ons geschreven ; zoo iemands broeder sterft, die eene vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nomen zal, en zijnen broeder zaad verwekken. a Dout. 25 : 5. 29 Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam eene vrouw, en hij stierf zonder kinderen. 30 En do tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen. 31 En do derde nam dezelve vrouw; en desgelijks ook lt;le zeven, en bobben geeno kinderen nagelaten , en zijn gestorven. 32 En ten laatste na allen stierf ook do vrouw. 33 In de opstanding dan, wiens vrouw van dezen zal zij zijn? want die zeven hebben dezelve tot eene vrouw gehad. 34 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Do kinderen dezer eeuw trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven; 35 Maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de dooden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden; 3() Want zij kunnen niet moor sterven, want zij zijn quot;den engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn. a 1 Joh. 3 : 2. 37 En dat de dooden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij don doornon-boscli, als hij quot; den Ileore noemt don God Abrahams, en den God Izaks, en den God Jakobs. |
a Ex. 3:6. Hand. 7 : 32. Hobr. 11 : 10. 38 (xod nu is niet een God der dooden, maar der levenden: want zij leven Hom allen. 39 En sommige der schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester! gij hebt wel gezegd. 40 En zij durfden hein niet meer iets vragen. 41 quot;En hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij, dat do Christus Davids zoon is. a Matt. 22 : 42. Mark. 12 : 35. 42 En David zelf zegt in het boek dor psalmen; quot;De lleere hooft gezegd tot mijnen Heere; Zit aan mijne regter/jcmrf; a I's. 110:1. Hand. 2 : 34. 1 Cor. 15 : 25. Hebr. 1 :13. 10 : 13. 43 Totdat Ik uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank uwer voeten. 44 David dan noemt hem zijnen lleere; en hoe is hij zijn zoon? 45 En daar al het volk het hoorde, zeide hij tot zijne discipelen : 40 quot; Wacht u van de schriftgeleerden, die daar willen wandelen in lange kleederon, en beminnen de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en do vooraanzittingen in de maaltijden; a Matt. 23:5, 0. Mark. 12:38, 39. Luk. 11 :43. 47 quot; Die der weduwen huizen opeten, en onder oenen schijn lange gebeden doen; deze zullen zwaarder oordeel ontvangen. a Matt. 23:14. Mark. 12:40. 2 Tim. 3:0. Tit. 1:11. HOOFDSTUK 21. Christus prijst de kleine gave oener arme weduwe, vs. 1. Voorzegt de verwoesting des tempels en der stad Jeruzalem, 5; verhaalt de teekenen, die haar zullen voorgaan, 7; en de verdrukkingen, die den discipelen zouden overkomen, tegen welke hij hen troost met zijnen bijstand en bescherming, 12. Raadt hen aan, wanneer de stad zal belegerd worden, tot eene haastige vlugt, om dat zware ongeluk te ontgaan, 20. Voorzegt de teekenen zijner laatste toekomst en vermaant, door de gelijkenis van het uitbotten der boonion, die teekenen waar te nemen, 25; en zijne toekomst te verwachten met nuchtor-heid, waken en bidden, 34. Leert het volk dagelijks in don tempel, 37. EN quot;opziende, zag hij de rijken hunne gaven in de schatkist werpen. «2 Kon. 12:9. Mark. 12:41. 2 En hij zag ook eene zekere arme weduwe twee kleine penningen daarin werpen. 3 En hij zeide: Waarlijk ik zog u, dat deze quot; arme weduwe meer dan allen hoeft mgeworpon. a 2 Cor. 8:12. 4 Want die allen hebben van hunnen overvloed geworpen tot de gaven Gods; maar deze hoeft van haar gebrek, al den leoftogt, dien zij had, daarin geworpen. 5 quot;En als sommigen zeiden van den tempel, dat hij mot schoone stoonon en begiftigingen versierd was, zeide bij: a Matt. 24:1. Mark. 13:1. 0 Wat deze dingen aangaat, die gij aanschouwt, |
LUK AS 21, 22.
931
|
quot; er zullen dagen komen, in welke niet een steen op den anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken. « 1 Kon. 9:7. Micha : 12. Luk. 19:44. 7 En zij vraagden hem, zeggende: Meester! wanneer zullen dan deze dingen zijn? en welk is hot teeken, wanneer deze dingen zullen geschieden? 8 quot; En hij zeide: Ziet, dat gij niet verleid wordt: 11 want velen zullen er komen onder mijnen naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen! gaat dan hen niet na. « .Ter. 29 : 8. Matt. 24 : 4. Efez. 5 : (i. Col. 2 : 18. 2 Tliess. 2:2. 1 Joh. 4:1. b .Ter. 14:14. 23 : 21. 9 En wanneer gij zult hooren van oorlogen en beroerten, zoo wordt niet verschrikt: want deze dingen moeten eerst geschieden; maar nog is terstond bet einde niet. 10 Toen zeide hij tot hen: quot;Het eene volk zal tegen het andere volk opstaan, en liet eene koningrijk tegen het andere koningrijk. aJes. 19:2. 11 En er zullen groote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnooden, en pestilentiën; er zullen ook schrikkelijke dingen, en groote teekenen van den hemel geschieden. 12 quot; Maar vóór dit alles, zullon zij hunne handen aan ulieden slaan, en n vervolgen, n overleverende in de synagogen en h gevangenissen; en gij zult getrokken worden voor '' koningen en stadhouders, om mijns naams wil. n Malt. 10:17.24:9. Mark. 13:9. Joh. 10:2.0pcnb. 2:10. b Hand. 4: 3. 5 : 18. 12 : 4. lü : 24. c Hand. 25 : 23. 13 En dit zal u overkomen tot eene getuigenis. 14 quot;Neemt dan in uwe harten voor, van te voren niet te overdenken, Jioe gij u verantwoorden zult: n Matt. 10 : 19. Mark. 13 : 11. 15 quot;Want ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u zetten. «Ex. 4: 12. Jos. 54: 17. Matt. 10: 19. Hand. 0: 10. 16 quot; En gij zult overgeleverd worden ook van ouders, en broeders, en magen, en vrienden; en zij zullen er sommigen uit u ''dooden. n Micha 7 : G. b Hand. 7 : 59. 12:2. 17 quot; En gij zult van allen gehaat worden om mijns naams wil. a Matt. 10:22. Mark. 13:13. 18 quot; Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan. a 1 Sam. 14:45. 2Sam. 14:1 1. 1 Kon. 1 :52. Matt. 10:30. 19 Bezit uwe zielen in uwe lijdzaamheid. 20 quot;Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zoo weet alsdan, dat hare verwoesting nabij gekomen is. a Dan. 9:27. Matt. 24:15. Mark. 13:14. 21 Alsdan die in Judéa zijn, dat zij vlieden naaide bergen; en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij in dezelve niet komen. 22 Want deze zijn dagen der wraak, quot;opdat alles vervuld worde, dat geschreven is. «Dan. 9;2G, 27. Matt. 24: 15. Mark. 13: 14. |
23 Doch wee do bevruchte en de zogende wouwen in die dagen! want er zal groote nood zijn in het land, en toorn over dit volk. 24 En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder allo volken; en Jeruzalem zal van de Heidenen vertreden worden, quot; totdat de tijden der Heidenen vervuld zullen zijn. «Kom. 11:25. 25 quot;En er zullen teekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benaauwdheid der volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven; « Jes. 13 : 10. Ezec. 32 : 7. Joöl 2 : 31. 3 : 15. Matt. 24 : 29. Mark. 13 : 24. Openb. 0 : 12. 26 En den menschen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting dor dingen, die het aardrijk zullen overkomen: want de krachten der hemelen zullen bewogen worden. 27 quot; En alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien komen in eene wolk, met groote kracht en heerlijkheid. a Dan. 7 : 10. Matt. 1« : 27. 24 : 30. 25 : 31. 26 : 64. Mark.13:26. 14:62. Hand. 1:11. 2Thess. 1:10. Openb. 1:7. 28 Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zoo ziet omhoog, en heft uwe hoofden opwaarts, quot;omdat uwe verlossing nabij is. «Rotn. 8:23. 29 quot; En hij zeide tot hen eene gelijkenis: Ziet den vijgeboom, en al de boomen. «Matt. 24:32. Mark. 13:28. 30 Wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zoo weet gij uit u zeiven, dat de zomer nu nabij is. 31 Alzoo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zoo weet, dat het koningrijk Gods nabij is. 32 Voorwaar ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn. 33 quot; Do hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan. a Ps. 102 : 27. Jes. 51 : 6. Matt. 24 : 35. Hebr. 1:11. 34 quot; En wacht u zeiven, dat uwe harten niet te eeniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens om-kome. « Kom. 13 : 13. 1 Thess. 5 : 6. 1 Potr. 4 : 7. 35 quot; Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen, die op den ganschen aardbodem gezeten zijn. « 1 Thess. 5 : 2. 2 Potr. 3 : 10. Openb. 3 : 3. 16 : 15. 36 quot;Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en to staan voor den Zoon des menschen. a Matt. 24:42. 25:13. Mark. 13:33. Luk. 12: 40. 1 Thess. 5:6. 37 quot; Des daags nu was hij leerendo in den tempel; maar des nachts ging hij uit, en vernachtte op don berg, genaamd den O lij fiery. «Joh. 8:2. 38 En al het volk kwam dos morgens vroeg tot hem in den tempel, om hem te hooren. HOOFDSTUK 22. Do overpriesters cn schriftgeleerden honden raad, hoo zij Christus zullen dooden, vs. 1. Judas komt mot |
LUKAS 22.
932
|
hen overeen, om hem over te leveren, 3. Christus laat het pascha bereiden, 7; en eet hetzelve mot zijne twaalf apostelen, 14. Stelt daarna zijn avondmaal in, 19. Voorzegt de verraderij van Judas, 21. Vermaant zijne discipelen zich te wachten voor eer-gierigheid en wereldschc heerschappij, 24; belovende hun de gemeenschap aan zijn koningrijk, 28. Waarschuwt de apostelen en voornamelijk Petrus tegen de verzoeking des Satans, 31; en voorzegt hein zijnen val, 34; als ook don anderen apostelen zijne en hunne aanstaande zwarigheden, 35. Bidt op don Olijfberg en wordt in zijne groote benaauwdheid door eenen ongel gesterkt, 39. Vermaant zijne discipelen, die sliepen, tot waken en bidden, 45. Wordt door Judas met eenen kus verraden en van do Joden gevangen, 47. Heelt het afgehouwen oor van eenen dienstknecht, 50. Wordt in het huis go-bragt van den hoogepriestor, waar Petrus hem driemaal verloochent, 54. Christus ziet hom aan, en Petrus beweent zijnen val, öl. Christus wordt mishandeld, en voor den Joodschen raad gesteld zijnde, bekent hij do Zoon van God te zijn, G3. EN quot;het feest der ongehevelde broaden, genaamd pascha, was nabij. ö Ex. 12:15. Matt. 2G ; 2. Mark. 14:1. 2 quot; En do overpriosters en de schriftgeleerden zochten, hoe zij hem ombrengen zouden: want zij vreesdon het volk. a Ps. 2 : 2. Joh. 11 : 47. Hand. 4 : 27. 3 quot;En de Satan voor in Judas, die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit hot getal der twaalven. « Matt. 2G : 14. Mark. 14: 10. Joh. 13:27. 4 En hij ging heen en sprak met do overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij hem hun zou overleveren. 5 En zij waren verblijd, en zijn hot eens geworden , dat zij hom geld geven zouden. 6 En hij beloofde het, en zocht gelegenheid, om hem hun over te leveren, zonder oproer. 7 quot; En de dag der ongehevelde broaden kwam, op denwelken het pascha moest geslagt worden. a Matt. 2G: 17. Mark. 14: 12, 13. 8 En hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat hoen, en bereidt ons het pascha, opdat wij het oton mogen. 9 En zij zeiden tot hom: Waar wilt gij, dat wij het bereiden? 10 En hij zeide tot hen: Ziet, als gij in de stad zult gekomen zijn, zoo zal u een mensch ontmoeten, dragende eene kruik waters; volgt hom in het huis, daar hij ingaat. 11 En gij zult zoggen tot den huisvader van dat huis: De Moester zegt u: Waar is do eetzaal, daar ik het pascha mot mijne discipelen eten zal? 12 En hij zal u eene groote toegeruste opperzaal wijzen, bereidt het aldaar. 13 En zij, heengaande, vonden hot, gelijk hij hun gezegd had, en bereidden het pascha. 14 a En als do ure gekomen was, zat hij aan, en de twaalf apostelen met hem. a Matt. 20:20. Mark. 14:17. |
15 En hij zoido tot hen: Ik heb grootolijks begeerd, dit pascha mot u te eten, oor dat ik lijde: 1G Want ik zeg u, dat ik niet meer daarvan eten zal, totdat hot vervuld zal zijn in het koningrijk Gods. 17 En als hij oenen drinkbeker genomen had, en gedankt had, zeide hij: Neemt dezen, en deelt hem onder ulioden. 18 Want ik zeg u, dat ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het koningrijk Gods zal gekomen zijn. 19 quot; En hij nam brood, en als hij gedankt had, brak hij hot, en gaf hot hun, zeggende: Dat is mijn ligchaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot mijne gedachtenis. ff Matt. 2G:2G. Mark. 14:22. 1 Cor. 11:23, 24. 20 Desgelijks ook den drinkbeker na het avondmaal , zeggende: Deze drinkbeker is hot nieuwe testament in mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt. 21 quot;Doch ziet, do hand dosgonen, die mij verraadt, is mot mij aan de tafel. «Maft. 20:23. Mark. 14:18. Joh. 13:21. 22 En do Zoon des menschen gaat wol hoen, quot;gelijk besloten is; doch wee dien mensch, door welken hij verraden wordt! ff Ps. 41 : 10. Joh. 13 : 18. Hand. 1 : 10. 23 En zij begonnen onder elkander te vragen, wie van hen het toch mogt zijn, die dat doen zou. 24 En er werd ook twisting onder hen, wie van hen schoon do meeste te zijn. 25 En hij zeide tot hen: quot; Do koningen der volken heerschon over hen; en die de magt over hou hebben, worden weldadige heeren genaamd. a Matt. 20 : 25. Mark. 10 : 42. 2G quot; Doch gij niet alzoo! h maar de moeste onder u, die zij gelijk de minste, on die voorganger is, als oen die dient. a 1 Potr. 5 : 3. h Luk. 9 : 48. 27 Want wie is meerder, die aanzit, of die dient? Is hot niet die aanzit? «Maar ik ben in hot midden van u, als oen die dient. a Matt. 20 : 28. Joh. 13 : 14. Filipp. 2 : 7. 28 En gij zijt degenen, die met mij steeds gebleven zijt in mijne verzoekingen. 29 quot; En ik verordineer u het koningrijk, gelij-kerwijs mijn Vader dat mij verordineerd heeft; ff Luk. 12:32. 30 Opdat gij eet on drinkt aan mijne tafel in mijn koningrijk, en quot; zit op troonon, oordeelende do twaalf geslachten Israels. « Matt. 19:28. Openb. 3:21. 31 En do rioere zeide: Simon, Simon! ziet, quot;de Satan hooft ulioden zoor begeerd, om te ziften als do tarwe ; o 1 Petr. 5 : 8. 32 Maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoudo: en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zoo versterk uwe brooders. 33 En hij zeide tot hem: Heero! ik ben bereid, met u ook in do gevangenis en in den dood te gaan. 34 Maar hij zeide: quot;Ik zeg u. Petrus! do haan zal heden niet kraaijon, eer gij drie- |
LUKAS 22.
933
|
maal zult verloochend hebben, dat gij mij kent. a Matt. 2G : 34. Mark. 14:30. Joh. 13:38. 35 En hij zeide tot hen: quot; Als ik u uitzond, zonder buidel, en male, en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets. « Matt. 10:9. Mark. 6:8. Luk. 9:3. 36 Hij zeide dan tot hen: Maar nu, wie eenen buidel heeft, die neme hom, desgelijks ook eene male; en die geen heeft, die verkoope zijn kleed, en koope een zwaard. 37 Want ik zeg u, dat nog dit, hetwelk geschreven is, in mij moet volbragt worden, namelijk: quot; En hij is met de misdadigen gerekend. Want ook die dingen, die van mij geschreven zijn, hebben een einde. a.les. 53:12. Mark. 15:28. 38 En zij zeiden: Heero! zie hier twee zwaarden. En hij zeide tot hen: Het is genoeg. 39 quot; En uitgaande, vertrok hij, gelijk hij gewoon was, naar don Olijfberg; en hem volgden ook zijne discipelen. a Matt.26:3G, Mark. 14:32. Joh. 8:1. 18 :1. 40 En als hij aan die plaats gekomen was, zeide hij tot hen: Bidt, dat gij niet in verzoeking komt. 41 quot; En hij scheidde zich van hen af, omtrent oenen steenworp; en knielde neder en bad, a Matt. 26:39. Mark. 14:35. 42 Zeggende: Vader! of Gij wildet dezen drinkbeker van mij wegnemen! doch niet mijn wil, quot;maar de uwe geschiede. a Joh. G : 88. 43 En van hem werd gezien een engel uit den hemel, die hom versterkte. 44 quot; En in zwaren strijd zijnde, bad hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk groote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen. a Joh. 12:27. Hebr. 5:7. 45 En als hij van het gebed opgestaan was, kwam hij tot zijne discipelen, en vond hen slapende van droefheid. 46 En hij zeide tot hen: Wat slaapt gij ? staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt. 47 quot;En als hij nog sprak, ziet daar eene schare; en een van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om hem te kussen. a Matt. 26:47. Mark. 14:43. Joh. 18:3. |
48 En Jezus zeide tot hem: Judas! verraadt gij den Zoon des menschen met een' kus? 49 En die bij hem waren, ziende, wat er geschieden zou, zeiden tot hem: Heero! zullen wij met het zwaard slaan ? 50 quot; En een uit hen sloeg den dienstknecht des hoogepriesters, en hieuw hem zijn regteroor af, a Matt. 2G:51. Mark. 14:47. 51 En Jezus, antwoordende, zeide: Laat hen tot hiertoe geworden; en raakte zijn oor aan, en heelde hem. 52 quot; En Jezus zeide tot de overpriesters, en do hoofdmannen des tempels, eu ouderlingen, die tegen hem gekomen waren: Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen oenen moordenaar ? «Matt.26:55. Mark. 14:48. 53 Als ik dagelijks met u was in den tempel, zoo hebt gij do handen tegen mij niet uitgestoken ; maar dit is uwe ure, en do magt der duisternis. 54 quot; En zij grepen hem en leidden hem iveg, en bragten hem in het huis des hoogepriesters. En Petrus volgde van verre. « Matt. 26:57. Mark. 14:53. Joh. 18: 12, 24. 55 quot; En als zij vuur ontstoken hadden in liet midden van de zaal, en zij te zamen nederzaten, zat Petrus in het midden van hen. a Matt. 26 : 69. Mark. 14:54,66. Joh.18:16,25. 56 En eene zekere dienstmaagd, ziende hom bij het vuur zitten, enhareoogen op hem houdende, zeide: Ook deze was mot hem. 57 Maar hij verloochende hom, zeggende: Vrouw! ik ken hem niet. 58 En kort daarna een ander, hom ziende, zeide: Ook gij zijt van die. Maar Petrus zeide: Monsch! ik ben niet. 59 En als het omtrent een uur geleden was, bevestigde dat een ander, zeggende: In der waarheid ook deze was mot hom, want hij is ook een Galileër. 60 Maar Petrus zeide: Mensch! ik weetniet, wat gij zegt. En terstond, als hij nog sprak, kraaide de haan. 61 En de Heero, zich omkeerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord des Hoeren, hoe hij hem gezegd had: quot;Eer do haan zal gekraaid hebben, zult gij mij driemaal verloochenen. «Matt.26:34,75. Mark. 14:72. Joh. 13:38. 18:27. |
LUKAS 22, 23.
|
62 En Petrus, naar buiten gaande, weendebitterlijk. 61i quot; En de mannen, die Je/Ais hielden, bespotten hem, ''en sloegen hem. a Matt. 2G : 67. Mark. 14 ; 05. i.Iob 10:10. .les. 50:6. Joh. li); 3. 04 En als zij hem overdekt hadden, sloegen zij hem op hot aangezigt, en vraagden hem, zeggende; Profeteer, wie het is, die u geslagen heeft? 65 En vele andere dingen zeiden zij tegen hem, lasterende. 66 quot; En als het dag geworden was, vergaderden de ouderlingen des volks, en de overpriesters en schriftgeleerden, en bragten hem in hunnen raad, «Ps. 2; 2. Malt. 27:1. Mark. 15; 1. Joh. 18:28. 67 Zeggende: Zijt gij de Christus? zeg het ons. En hij zeide tot hen: Indien ik het u zog, gij zult het niet gelooven; 08 En indien ik ook vraag, gij zult mij niet antwoorden, of loslaten. 09 quot; Van nu aan zal do Zoon des inonsehen gezeten zijn aan de reg-tor//rt»rfder kracht Gods. a Dan. 7 : 9. Matt. 16:27. 24:30. 25 ; 31. 20 : 04. Mark. 14:62. Hand. 1 :11. I Thess. 1 :10. Openb. 1: 7. 70 En zij zeiden allen ; Zijt gij dan de Zoon Gods ? En hij zeide tot hen: Gij zegt, dat ik het bon. 71 En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van noode? want wij zelven hebben hot uit zijnen mond gehoord. HOOFDSTUK 23. Christus wordt tot Pilatus gebragt, voor hem beschuldigd on door hem onschuldig verklaard, vs. 1. Pilatus zendt hein tot Hcródes, dio hom veracht en weder-zondt, 7. Pilatus tracht hem los to laten, maar door hot sterk aandringen der Joden ontslaat hij Bar-abbas on geeft Christus over om gekruist te worden, 13. Simon van Cyrér.e draagt hem het kruis na, 20. Do vrouwen van Jeruzalem beweenen hem, wie hij voorzegt de ellenden, die haar en haren kindoren zouden overkomen, 27. Wordt gekruist tusschen twee moordenaren en bidt voor zijne vijanden, 32. Wordt aan het kruis gelasterd en bespot, 35. Hot opschrift van het kruis, 38. Een van de kwaaddoeners lastert hem; doch de andere wordt bekeerd en door Christus getroost, 39. Duisternis komt op de aarde, hot voorhangsel des tempels scheurt en Christus geeft den geest, 44. Do hoofdman bekent, dat Christus regtvaardig is, gelijk ook de scharen, 47. Hij wordt door Jozef van Arimathéa begraven, 50. De vrouwen zien, waar hij gelegd wordt en koopen specerijen, om hem te zalven, 54. |
EN quot; do goheelo menigte van hen stond op, en leidde hom tot Pilatus. a Matt. 27:2. Mark. 15:1. Joh. 18: 28. 2 En zij begonnen hem te beschuldigen, zeggende ; Wij hebben bevonden, dat deze het volk verkeert, en quot; verbiedt den keizer schattingen te geven, ''zeggende, dat hij zelf Christus, do Koning is. a Matt, 17:25. 22:21. Mark. 12:17. Luk. 20:25. Rom. 13:7. 6 Hand. 17 :7. 3 quot; En Pilatus vraagde hom, zeggende: Zijt gij de koning der Joden ? En hij antwoordde hem en zeide; Gij zegt het. a Matt. 27:11. Mark. 15:2. Joh. 18:33. 4 En Pilatus zeide tot de overpriesters en de scharen: Ik vind geene schuld in dezen mensch. 5 En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, loerende door geheel Judéa, begonnen hebbende van Gal ilea tot hier toe. 0 Als nu Pilatus van Galilóa hoorde, vraagde hij, of die mensch een Galileër was? 7 quot; En verstaande, dat hij uit het gebied van Hcródes was, zond hij hem heen tot He-ródes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was. «Luk. 3:1. 8 quot; En als Heró-des Jezus zag, werd hij zeer verblijd: want hij was van over lang omdat hij veel begecrig geweest hem te zion, van hem hoorde; en hoopte eonig toeken te zien, dat van hem gedaan zou worden. a Luk. 9 : 7. 9 En hij vraagde hem met vele woorden; doch hij antwoordde hom niets. 10 En do overpriesters en de schriftgeleerden stonden, en beschuldigden hem heftiglijk. 11 En Herodes met zijne krijgslieden, hem veracht en bespot hebbende, deed hom een blinkend kleed aan, en zond hem weder tot Pilatus. 12 quot; En op denzelfden dag werden Pilatus en Heródes vrienden met elkander: want zij waren te voren in vijandschap tegen don anderen. a Hand. 4 : 27. 13 quot; En als Pilatus de overpriesters, en de oversten, en hot volk bijeengeroepen had, zeide hij tot hen: a Matt. 27:23. Mark. 15:14. Joh. 18:38.19:4. 14 Gij hebt dezen mensch tot mij gebragt, als oenen, dio het volk afkeerig maakt; en ziet, ik heb hou in uwe tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen mensch geene schuld |
935
|
govonden, van liotgoen daar gij hom mode he-schuldigt; 15 Ja ook Heródes niot: want ik hob ulieden tot hem gezonden, en ziet, er is van hem niets gedaan, dat des doods waardig is. l(j Zoo zal ik hem dan kastijden en loslaten. 17 quot; En hij moest hun op hot feest oenen loslaten. a Matt. 27 : 15. Mark. 15 : 0. Joh. 18 ; 39. 18 Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: quot; Weg met dezen! en laat ons Bar-abbas los. a Hand. 3:14. 19 Dewelke was om zeker oproer, dat in de stad geschied was, on om oenen doodslag, in de gevangenis geworpen. 20 Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten. 21 Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis hem, kruis hom! 22 En hij zoide ten derde maal tot hen : Wat hooft deze dan kwaads gedaan? ik heb goeno schuld des doods in hem gevonden.. Zoo zal ik hom dan kastijden en loslaten. 23 Maar zij hielden aan met groot geroep, oischondo, dat hij zou gekruist worden; en hun en dor overpriestoron geroep werd geweldiger. 24 quot; En Pilatus oordeelde , dat hun eisch geschieden zou. a Matt. 27 :20. Mark. 15:15. Joh. 19: KJ. 25 En hij liet hun los dengenen, die om oproer en doodslag in do gevangenis geworpen was, welken zij geëischt hadden; maar Jezus gaf hij over tot hunnen wil. 26 quot;En als zij hem wegleiden, namen zij oenen Simon van Cyréne, komende van den akker, en leiden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg. a Matt. 27:32. Mark. 15:21. 27 En oene grooto menigte van volk en van vrouwen volgden hom, welke ook weenden en hom beklaagden. 28 En Jezus, zich tot haar koerende, zoide: Gij dochters van Jeruzalem! weent niot over mij, maar woont over u zolven, en over uwe kinderen. 29 Want ziet, er komen dagen, in welke men zoggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaron, en do buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niot gezoogd hebben. 30 Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de borgen: quot; Valt op ons; en tot do heuvelen: Bedekt ons. a Jes. 2:19. Hos. 10 : 8. Openb. (i: KJ. 9 : (J. |
31 quot; Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden? a Jer. 25:29. 1 Petr. 4: 17. 32 quot;En er worden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid, om mot hom gedood to worden. n Joh. li): 18. 33 quot;En toen zij kwamen op do plaats, genaamd Hoofdscheêljofriate, kruisigden zij hem aldaar, en de kwaaddoeners, den oenen ter regtor-, en den anderen ter linker^yV/e. a Matt. 27:33, 38. Mark. 15:22. Joh. li): 18. 34 En Jezus zoide: quot; Vader! vergeef het hun, want zij weton niet, wat zij doen. ''En verdee-londo zijne kleedoren, wierpen zij het lot. a Hand. 7 : 60. 1 Oor. 4 : 12. 5. Mark. 15:24. Joh. 19:23. en zag het aan. En ook quot; de oversten met hen beschimpten hem, zeggende: Andoren heeft hij verlost, dat hij nu zich zeiven verlosso, zoo hij is do Christus, de uitverkorene Gods. a Matt.2 7:39. Mark. 15:29. 30 En ook do krijgsknechten tot lie)n komende , bespotten hem, en bragton hom edik; 37 En zeidon: Indien gij de Koning der Joden zijt, zoo verlos u zeiven. 38 quot; En er was ook oen opschrift boven hom geschreven, mot grioksche, on romeinsche, on ho-breeuwsche letters: Dkze is de Koning dkr Joden. a Matt. 27 : 37. Mark. 15:20. Joh. 19: 19. 39 En een der kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde hom, zeggende: Indien gij do Christus zijt, verlos u zeiven en ons. 40 Maar do andere, antwoordende, bestrafte hom, zeggende: Vreest gij ook God niot, daar gij in hetzelfde oordeel zijt? 41 En wij toch regtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben ; maar doze hooft niets onbehoorlijks gedaan. 42 En hij zeide tot Jezus: Hoero! gedenk mijner, als gij in uw koningrijk zult gekomen zijn. 43 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar zeg ik u: heden zult gij met mij in het Paradijs zijn. 44 quot; En hot was omtrent do zesde ure, en er werd duisternis over do goheele aarde, tot de negende ure toe. a Matt. 27 : 45. Mark. 15:33. 45 En de zon word verduisterd, a en het voorhangsel des tempels scheurde midden door. a Matt. 27:51. Mark. 15:38. h Ps. 22 : 19. Matt. 27 :3 35 En het volk stond |
LUKAS
23, 24.
986
|
46 En Jezus, roepende mot groote stemme, zeide: quot; Vader! in uwe handen beveel ik mijnen geest. En als hij dat gezegd had, gaf hij den geest. a Ps. 31 : (i. Matt. 27:50. Mark. 15:37. Joh. 19:30. Hand. 7:59. 47 quot; Als nu de hoofdman over honderd zag, wat er geschied was, verheerlijkte iiij God, en zeide: Waarlijk, deze mensch was regtvaardig. a Matt. 27 : 54. Mark. 15 : 39. 48 En al de scharen, die zamengekomen waren, om dit te aanschouwen, ziende do dingen, die geschied waren, keerden wederom, slaande op hunne borsten. 49 En al zijne bekenden stonden van verre, ook do vrouwen, die hom te zamen gevolgd waren van Galiléa, on zagen dit aan. 50 quot;En ziet, een man, met name Jozef, zijnde een raadsheer, een goed en regtvaardig man, n Matt. 27:57. Mark. 15:43. Joh. 19:38. 51 (Deze had niet mode bewilligd in hunnen raad en handel) van Arimathéa, eeno stad der Joden, en die ook zelf het koningrijk Gods verwachtte; 52 Deze ging tot Pilatus, en begeerde het lig-chaam van Jezus. 53 En als hij hetzelve afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, quot; on loide het in een graf, in eene rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was. «Matt. 12:40. 2G: 12. 27:39. Mark. 15:40. 54 En hot was do dag dor voorbereiding, en de sabbat kwam aan. 55 En ook do vrouwen, quot; die met hem gekomen waren uit Galilea, volgden na, en aanschouwden het graf, en hoe zijn ligchaam gelogd werd. aLuk. 8:2. 56 En wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen on zalven; en op den sabbat rustten zij naar hot gebod. HOOFDSTUK 24. Do vrouwen gaan naar het graf en vinden het ledig, vs. 1. Twee engelen verkondigen haar de opstanding van Christus, 4; hetwelk zij don apostelen en anderen discipelen gaan boodschappen, die het niet golooven , 9. Petrus loopt naar het graf, 12. Christus openbaart zich aan twee discipelen, gaande naar Eramaus, en wordt aldaar door hen gekend in het breken des broods, 13. Deze keeren weder naar Jeruzalem en verhalen het den apostelen, 33. Christus verschijnt zelf aan al zijne apostelen, toont hun zijne handen on voeten, en eet in hunne tegenwoordigheid, 36. Opent hun verstand, om de Schriften Ie verstaan, stolt hen tot zijne getuigen onder allo volken en belooft hun zijnon H. Geest, 44; zegent hen, neemt van hen afscheid en vaart op ten hemel, 50. EN quot; op don eersten day der week, zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar liet graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en sommigen met haar. a Matt. 28: I. Mark. 16: 1. Joh, 20: 1. 2 En zij vonden den steen afgewenteld van liet graf. 3 En ingegaan zijnde, vonden zij het ligchaam van den Hoore Jezus niet. |
4 En het geschiedde, als zij daarover twijfelmoedig waren, ziet, tweo mannen stonden bij haai in blinkende kloederon. 5 En als zij zeer bevreesd werden, en het aan-gezigt naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den levende bij do dooden? 6 Hij is hier niet, maar hij is opgestaan. quot;Gedenkt, hoe hij tot u gesproken hooft, als hij nog in Galilóa was, a Matt. 10:21. 17:22. 20:18. Mark. 8:31. 9:31. 10:33. Luk. 9:22. 18:31. 7 Zeggende: De Zoon des menschon moet overgeleverd worden in de handen der zondige menschon , en gekruisigd worden, en ton derden dage wederopstaan. 8 En zij werden quot; indachtig zijnor woorden. a Joh. 2:22. 9 quot;En wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij al deze dingen aan do elven, en aan al de anderen. a Matt. 28:8. Mark. 10: 10. 10 En deze waren Maria Magdaléna, en Johanna, en Maria, dc moeder van Jakobus, en de andere met haar, die dit tot de apostelen zeiden. 11 En hare woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en zij geloofden haar niet. 12 quot;Doch Petrus opstaande, liep tot liet graf, en noderbukkendo, zag hij do linnen doeken, liggende alleen, en ging weg, zich verwonderende bij zich zeiven van hetgeen geschied was. o Joh. 20:3,6. 13 quot; En ziet, twee van hen gingen op denzelfdon dag naar een vlok, dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaus; a Mark. 16:12. 14 En zij spraken zamen onder elkander van al deze dingen, die er gebeurd waren. 15 En het geschiedde, terwijl zij zamensprakon, en elkander ondervraagden, quot; dat Jezus zelf bij hen kwam, en mot hen ging. a Matt. 18:20. Luk. 24:36. 16 En hunne oogen werden gehouden, dat zij hem niet kenden. 17 En hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij, wandelende , onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig ? 18 En do oen, wiens naam was Kléopas, antwoordende, zeide tot hem: Zijt gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet do dingen, die deze dagen daarin geschied zijn? 19 En hij zeide tot hen: Welke? En zij zeiden tot hem: De dingen aangaande Jezus den Naza-réner, quot; welke een profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk. a Luk. 7:16. Joh. 4:19. 6: 14. 20 En hoe onze overpriesters en oversten don-zolven overgeleverd hebben tot het oordooi dos doods, en hem gekruisigd hebben. 21 En wij hoopten, dat hij was degene, quot; die Israël verlossen zou. Doch ook, benevens dit alles, is hot heden de dorde dag, van dat deze dingen geschied zijn. a Hand. 1 : 6. 22 quot; Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in don morgenstond aan hot graf geweest zijn; a Matt. 28 : 8. Mark. 16 : 10. Joh. 20 : 18, |
LUKAS 24.
937
|
23 En zijn ligchaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook oen gozigt van engelen gezien hadden, die zeggen, dat hij leeft. 24 En sommigen dergenen, die met ons zijn, gingen heen tot het graf, en bevonden hot alzoo, gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar hom zagen zij niet. 25 En hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te gelooven al hetgeen do profeten gesproken hebben! 2G quot; Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzoo in zijne heerlijkheid ingaan? a.les. 50 : 6. 53 ; 5. Filipp. 2 : 7. Hobr. 12 : 2. 1 Petr. 1:11. 27 quot; En begonnen hebbende van Mozes en b van al do profeten, leide hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van hem geschreven was. a Gen. 3 ; 15. 22 : 18. 2G : 4. 49: 10. Dcut. 18 :15. bPs. 132: 11. .les. 7:14. 9:5. 40 : K». Jer. 23 : 5. 33 : 14. Ezec. 34 : 23. 37 : 25. Dan. 9 : 24. Micha 7 : 20. 28 En zij kwamen nabij het vlek, daar zij naar toegingen; en hij hield zich, als of hij verder gaan zou. 29 quot; En zij dwongen hem, zoggondo : ''Blijf met ons, want liet is bij den avond, en do dag is gedaald. En hij ging in, om met hen te blijven. «Oen. 19:3. I) Hand. lü : 15. Hebr. 13 : 2. 30 En het geschiedde, als hij met hen aanzat, nam hij het brood, en zegende het, en als hij hot gebroken had, gaf hij het hun. 31 En hunne oogen werden geopend, en zij kenden hom; en hij kwam weg uit hun gozigt. 32 En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als hij tot ons sprak op den weg, en als hij ons de Schriften opende? 33 En zij, opstaande tor zeiver ure, keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elven zamen-vorgaderd, en die met hen waren; 34 Welke zeiden: De Ileero is waarlijk opgestaan , 0 en is van Simon gezien. a 1 Cor. 15 : 5. 35 En zij vertelden hetgeen op den weg geschied was, en hoe hij hun bekend was geworden in het breken dos broods. 3G quot;En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden! aMark. 16:14. Joh.20:19. lCor.l5:5. 37 En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden, dat zij oenen geest zagen. |
38 En hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd? en waarom klimmen zulke overleggingen in uwe harten ? 39 Ziet mijne handen en mijne voeten, want ik ben het zelf; tast mij aan, en ziet: want een geest hoeft geen vloosch en beenen, gelijk gij ziet, dat ik heb. 40 En als hij dit zeide, toonde hij hun de handen en de voeten. 41 En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zeide hij tot hen: quot; Hebt gij hier iets om te eten? a Joh. 21 : 10. 42 En zij gaven hem oen stuk van oenen gebraden visch, en van honigraten. 43 En hij nam hot, en at het voor hunne oogen. 44 En hij zeide tot hen: quot;Dit zijn de woorden, die ik tot u sprak, als ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van mij geschreven is in de wet van Mozes, en de profeten, en psalmen. «Mark. 16:21. 17 : 22. 20: 18. Mark. 8:31. 9:31. 10:33. Luk. 9:22. 18:31. 24:6. 45 Toen opende hij hun vorstand, opdat zij do Schriften verstonden; 46 En zeide tot hen: quot; Alzoo is er geschreven, en alzoo moest de Christus lijden, en van do dooden opstaan ten dorden dage; a I's. 22 : 7. Hand. 17 : 3. 47 En in zijnen naam gepredikt worden bekeering en quot; vergeving der zonden, onder allo volken, h beginnende van Jeruzalem. a Hand. 13:38. 1 Joh. 2:12. b Hand. 2 : 4. 48 En gij zijt getuigen van deze dingen. 49 quot;En ziet, ik zonde de belofte mijns Vaders op u; ''maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte. «Joh. 14:26. 15:26. 16:7. Hand. 1:4. i Hand. I : 4. 50 quot; En hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en zijne handen opheffende, zegende hij hen. a Hand. 1 : 12. 51 quot;En het geschiedde, als hij hen zegende, dat hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel. aMark. 16: 19. Hand. 1 :9. 52 En zij aanbaden hem, en koerden weder naar Jeruzalem met groote blijdschap. 53 p]n zij waren allen tijd in den tempel, lovende en dankende God. Amen. |
JOHANNES 1.
het heilk; evangelie
NAAK DK «ESCHRLIVING VAN
johannes,
|
HOOFDSTUK 1. Christus persoon wordt beschreven, dat hij is: hot eeuwige Woord Gods, Avare God, Schepper aller |
het Lam en do Zoon van God, 2!); en dat hij aan hein is bekend gemaakt door liet nederdalen van den II. Geest op hem, 32. Op de/.e getuigenis volgen twee discipelen van Johannes Christus, 37; |
|
dingen, het leven en hot licht der menschen, voornamelijk dergenen, die in hem gelooven, vs. 1; en dat dit Woord is vleosch geworden, 14. Johannes de Dooper geeft getuigenis van de waardigheid van zijn' persoon en ambt, 15; alsmede van zijne eigene roeping, 23. Verklaart wederom, dat Christus is van welke de eene, Andróas, zijnen broeder Simon ook tol Christus brengt, 41; die hem den naam geeft van Petrus, 43. Christus roept Filippus, 44; en Filippus brengt Nathanaël tot Christus, 46; dio hem voor den Zoon Gods erkent en als een discipel ontvangen wordt, 49. |
JOHANNES 1.
i)3S(
|
IN quot; don boginno was hot Woord, en het Woord was '' bij God, en het Woord was God. a Spr. 8 : 22. 1 Joh. 1 : 1. b 1 Joh. 1 ; 2. 2 quot;Dit was in den beginne bij God. «Joh. 17 : 5. 3 quot;Allo dingen zijn door hetzelve gemaakt, on zonder hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. a Gen. 1 ; 3. Ps. iW : (i. Efoz. ii: 0. Col. 1 : 1(5. Hebi'. 1 : 2. 4 quot; In hetzelve was het leven, en b het leven was hot licht der monschen. a Joh. 5:26. 1 Joh. 5:11. 6 Joh. 8:12. 0:5. 12:46. 5 quot;En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen. a Joh. 3 : 19. 0 quot; Er was een mensch van God gezonden, wiens naam was Johannes. a Mal. 3:1. Matt. 3:1. Mark. 1 :2, 4. Luk. 3:3. 7:27. Joh. 1:33. 7 Deze kwam tot eono getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat zij allen door hom ge-looven zouden. 8 Hij was het licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het licht getuigen zou. 0 quot; Dit was het waarachtige licht, hetwelk verlicht een' iegelijk mensch, komende in do wereld. a Joh. 8 : 12. 9 : 5. 12 : 40. 10 Hij was in de wereld, quot;en de wereld is door hem gemaakt; en de wereld heeft hem niet gekend. a Ilebr. 1:2. 11: 3. 11 Hij is gekomen tot het zijne, on do zijnen hebben hom niet aangenomen. 12 quot;Maar zoo velen hem aangenomen hebben, dien heeft hij magt gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in zijnen naam gelooven; a Jes. 56:5. Hom. 8: 15. Gal. 3:26. 2 Petr. 1: 4. 1 Joli 3 :1. 13 Welke niet uit don bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn. 14 quot; En het Woord is vloesch geworden, en heeft onder ons gewoond b (on wij hebben zijne heerlijkheid aanschouwd, cone heerlijkheid als des Eeniggeborenen van den Vader), c vol van genade en waarheid. «.les. 7 : 14. Matt. 1 : 16. Luk. 1:31. 2:7. ft Matt. 17:2. 2Pctr.1:17. cCol.1: 19. 2:9. 15 quot; Johannes getuigt van hem, en heeft geroepen, zeggende: Doze was het, van welken ik zeide: Die na mij komt, is voor mij geworden, want hij was eer dan ik. a Matt, 3 :11. Mark. 1 : 7. Luk. 3 : 16. Joh. 1: 26, 30. 16 En quot; uit zijne volheid hebben wij allen ontvangen, ook gonado voor genade. a Col. 2: 10. 17 quot;Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. «Ex. 20: 1, cm. 18 quot;Niemand heeft ooit God gezien; de eenig-geboren Zoon, ''die in den schoot des Vaders is, die heeft Hein ons verklaard. a Ex. 33:20. Deut. 4: 12. Joh. 6:46. 1 Tim. 6 : 1G. 1 Joh. 4 : 12. ft Matt. 11: 27. |
19 En dit is quot; de getuigenis van Johannes, toen de Joden eenige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie zijt gij? «Joh. 5:33. 20 En quot;hij beleed en loochende hot niet; en beleed : Ik ben de Christus niet. a Joh. 3:28. Hand. 13:25. 21 En zij vraagden hem: Wat dan? zijt gij Elias? En hij zeido: Ik ben die niet. Zijt quot; gij do profeet? En hij antwoordde: Neen. «Deut. 18:18. 22 Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? opdat wij antwoord geven mogen dengenen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van u zolven? 23 Hij zoide: quot;Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg dos Hoeren rogt! gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft. a Jos. 40 : 3. Malt. 3 : 3. Mark. 1 : 3. Luk. 3 : 4. 24 En do afgezondenen waren uit do farizeën; 25 En zij vraagden hem en spraken tot hom: Waarom doopt gij dan, zoo gij do Christus niot zijt, noch Elias, noch quot;de profeet? «Deut. 18:18. 26 Johannes antwoordde hun, zoggondo: a Ik doop met water, maar hij staat midden onder ulieden, dien gij niot kent; «Malt. 3: 11. Mark. 1 : 7. Luk. 3:16. Hand. 1:5. II: 16. 19:4. 27 Dezelve is hot, dio na mij komt, welke voor mij geworden is, wion ik niot waardig ben, dat ik zijnen schoenriem zou ontbinden. 28 Deze dingen zijn geschied in Hothabara, over de Jordaan, waar Johannes was doopende. 29 Dos andoren daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: quot; Zio hot Lam Gods, dat do zonde dor wereld wegneemt! aJos. 53:5, 7. Joh. 1 : 36. 30 Deze is het, van wolken ik gezegd hob: Na mij komt een man, die voor mij geworden is, want hij was eer dan ik. 31 En ik kende bom niet; maar opdat hij aan Israël zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, doopende mot het water. 32 quot; En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel, gelijk eene duif, en bleef op hem. a Malt. 3: 16 Mark. I : 10. Luk. 3:22. 33 En ik kende hom niet; maar die mij gezonden heeft, om te doopen met water, die had mij gezegd : Op wolkon gij den Geest zult zien nederdalen , on op hem blijven, quot;deze is hot, die met den Heiligen Geest doopt. a Matt. 3: 11. 34 En ik heb gezien, en heb getuigd, dat deze de Zoon van God is. 35 Des anderen daags wederom stond Johannes, en twee uit zijne discipelen. 36 En ziende op Jozus, daar wandelende, zeide hij: quot; Ziet, het Lam Gods! o Ex. 12:3. Jos. 53:7. Joh. 1 : 29. Haiul. 8:32. 37 En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus. 38 En Jezus zich omkeerende, on ziende hen volgen, zeide tot bon : 39 Wat zoekt gij? En zij zeiden tot hem; Rabbi! |
JOHANNES 1, 2.
940
|
(hetwelk is tc zeggen, overgezet zijnde, Meester) waar woont gij ? 40 Hij zeide tot hen: Komt en ziet. Zij kwamen en zagen, waar hij woonde, en bleven dien dag bij hem. En het was omtrent do tiende ure. 41 Andréas, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden, en hem gevolgd waren. 42 Deze vond eerst zijnen broeder Simon, en zeide tot hem: Wij hebben gevonden den Messias, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus. 4:5 En hij leidde hein tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zeide: Gij zijt Simon, de zoon van Jonas, gij zult quot;genaamd worden Cefas, hetwelk overgezet wordt Petrus. a Malt. 10:18. 44 Des anderen daags wilde Jezus heengaan naar Galilóa, en vond Filippus, en zeide tot hem: Volg mij. 45 quot; Filippus nu was van Beth-saïda, uit do stad van Andréas en Petrus. a Joh. 12:21. 4() Filippus vond quot; Nathanaël en zeide tot hem: Wij hebben dien gevonden, h van welken Mozes in de wet geschreven heeft, en do profeten, namc-lijk Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth. a Joh. 21 : 2. 6Gen. 3:15. 22:18. 20 : 4. 49 : 10. Uout. 18: 18. 2 Sam. 7 : 12. Jcs. 4:2. 7 : 14. 9:5. 10 : 10, 11. 63 : 1, enz. «Ier. 23 : 5. 33 : 14. E/.cc. 34 : 23. Dan. 9:24. Zach. 0 : 12. 9:9. 47 En Nathanaël zeide tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zeide tot hem: Kom en zie. 48 Jezus zag Nathanaël tot zieh komen, en zeide van hem: Zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is. 49 Nathanaël zeide tot hem: Van waar kent gij mij ? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer u Filippus riep, daar gij onder den vijgeboom waart, zag ik u. 50 Nathanaël antwoordde en zeide tot hem: Rabbi! gij zijt de Zone Gods, gij zijt de Koning Israëls. 51 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat ik u gezegd heb: Ik zag u onder den vijgeboom, zoo gelooft gij; gij zult grootere dingen zien dan deze. |
52 En hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg ik ulieden: quot;van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en do engelen Gods opklimmende en nederdalende op don Zoon des menschen. a Gen. 28:12. HOOFDSTUK 2. Christus op do bruiloft te Kana verandert het water in wijn, vs. 1. Hetwelk liet beginsel is van zijne wonderwerken, 11. Gaat naar Kapérnaüm, 12; en van daar naar Jerüzaleni op liet paaschfeest, 13. Drijft do verkoopers en wisselaars uit den tempel, 14. Do .loden bcgeoren een teeken, hij wijst hen op hot breken en weder oprigten van den tempel zijns ligchaams, 18. Velen, ziende zijne wonderwerken, gelooven in bom, 23. Doch bij vertrouwt zich aan hen niet, omdat hij hun hart kende, 24. EN op don derden dag was er eene bruiloft te Kana in Galilóa; en do moeder van Jezus was aldaar. 2 En Jezus was ook genood, om zijne discipelen tot de bruiloft. 3 En als er wijn ontbrak, zeide do moeder van Jezus tot hem: Zij hebben geen' wijn. 4 Jezus zeide tot haar: Vrouw! wat heb ik met u tc doen ? mijne ure is nog niet gekomen. 5 Zijne moedor zeide tot do dienaars : Zoo wat hij ulieden zal zeggen, doet dat. 6 En aldaar waren zes steenen watervaten gesteld , quot; naar do reiniging dor Joden, elk houdende twee of drie metreten. a Mark 7 : 3. 7 Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden zo tot boven toe. 8 En hij zeide tot hen: Schept nu, en draagt het tot den hofmeester; en zij droegen het. 9 Als nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet, van waar de wijn was, maar de dienaren, die hot water geschept hadden, wisten het), zoo riep de hofmeester den bruidegom, 10 En zeide tot hem: Alle man zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men wel gedronken heeft, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard. 11 Dit beginsel der teekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilóa, en heeft zijne heerlijkheid geopenbaard; en zijne discipelen geloofden in hom. 12 Daarna ging hij af naar Kapérnaüm, hij, en zijne moeder, on zijne broeders, en zijne discipelen; en zij bleven aldaar niet vele dagen. |
|
13 En het pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem. 14 quot; En hij vond in den tempel, die ossen, en schapen, en duiven verkochten, en de wisselaars daar zittende. «Matt. 21:12. Mark. 11:15. Luk. 19:45. 15 En een' geesel van touwtjes gemaakt hebbende , dreef hij ze allen uit den tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld der wisselaren stortte hij uit, en keerde de tafelen om. IC En hij zeide tot degenen, die de duiven verkochten : Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis mijns Vaders tot een huis van koophandel. 17 En zijne discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: quot;De ijver van uw huis heeft mij verslonden. «Ps. 09: 10. 18 De Joden antwoordden dan, en zeiden tot hem: quot; Wat teeken toont gij ons, dat gij deze dingen doet? a Matt. 12 : 38.16 :1. Mark. 8:11. Luk. 11 : 29. Joh. 0 : 80. 19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: quot;Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal ik denzei ven oprigten. a Matt. 2G : 01. 27 : 40. Mark. 14 : 58. 15 : 29. 20 De Joden zeiden dan: Zes en veertig jaren is over dezen tempel gebouwd, en gij, zult gij dien in drie dagen oprigten ? 21 Maar hij zeide dit van den tempel zijns lig-chaams. 22 Daarom, als hij opgestaan was van de doo-den, quot;werden zijne discipelen gedachtig, dat hij dit tot hen gezegd had; en zij geloofden de Schrift, en het woord, dat Jezus gesproken had. o Luk. 24 : 8. 23 En als hij te Jeruzalem was, op het pascha, in het feest, geloofden velen in zijnen naam, ziende zijne teekenen, die hij deed. 24 Maar Jezus zelf betrouwde hun zich zeiven niet, omdat hij hen allen kende, 25 En omdat hij niet van noode had, dat iemand getuigen zou van den mensch, quot; want hij zelf wist, wat in den mensch was. n 1 Sam. 10:7. 1 Kron. 28 : 9. Ps. 7 : 10. 103 : 14. Jer. 11: 20. 17:10. 20 :12. Joh. 0 : 04. HOOFDSTUK 3. Christus onderwijst Nicodómus van de noodzakelijkheid en manier dor wedergeboorte, vs. 1; bestraffende in deze zijne onwetendheid, 9. Leert door het voorbeeld van de metalen slang, dat hij moest verhoogd worden, om allen, die in hem gelooven, zalig te maken, 14; en dat degenen, die in hem niet gelooven, verdoemd worden, 18. Christus on Johannes doopen op eenen tijd, 22. Johannes discipelen ergeren zich, dat Christus meer toeloop had dan Johannes, 25; waaruit deze aanleiding noemt om hen te onder-rigten van het onderscheid tusschen hem en Christus, wiens waardigheid hij aanwijst, 27; en wat zij van Christus te verwachten hebben, die in hem gelooven, en die niet gelooven, 30. En er was een mensch uit de farizeën, wiens iaam was quot;Nicodémus, een overste der Joden; «Joh. 19:39. |
941 2 quot; Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot hem: Rabbi! wij weten, dat gij zijteen leeraar van God gekomen: want 0 niemand kan deze teekenen doen, dio gij doet, c zoo God met hom niet is. a Joh. 7 : 50. 19 : 39. 6 Joh. 9:10, 33. c Hand. 10:38. 3 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg ik u: tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het koningrijk Gods niet zien. 4 Nicodómus zeide tot hem : Hoe kan een mensch geboren worden, nu oud zijnde? kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren worden ? 5 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg ik u: quot; zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het koningrijk Gods niet ingaan. a Tit. 3 : 5, G quot; Hetgeen uit hot vleesch geboren is, dat is vleesch; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest. a Rom. 8 : 5. 7 Verwonder u niet, dat ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden. 8 De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzoo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is. 9 Nicodémus antwoordde en zeide tot hem : quot; Hoe kunnen deze dingen geschieden ? a Joh. 0 : 52. 10 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leeraar van Israël, en weet gij deze dingen niet ? 11 quot; Voorwaar, voorwaar zeg ik u: wij spreken, wat wij weten, en getuigen, wat wij gezien hebben; en gijlieden neemt'' onze getuigenis niet aan. a Joh. 7:10. 8:28. 12:49. 14:24. 6 Joh. 3:32. 12 Indien ik ulieden de aardsche dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij gelooven, indien ik ulieden de hemelsche zou zeggen ? 13 En quot;niemand is opgevaren in den hemel, dan die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des menschen, die in den hemel is. a Joh. 0 : 02. Efoz. 4 : 9. 14 quot; En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, h alzoo moet do Zoon des menschen verhoogd worden; a Num. 21:9. 2 Kon. 18:4. 6 Joh. 8:28. 12:32. 15 Opdat een iegelijk, die in hem gelooft, niet verderve, quot;maar het eeuwige leven hebbe. a Joh. 3 : 30. 16 quot; Want alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen eeniggeboren' Zoon gegeven heeft, '' opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. aliom. 5:8. 8:31. 1 Joh. 4:9. h Luk. 19: 10. Joh. 3:36. 1 Joh. 5: 10. 17 quot; Want God heeft zijnen Zoon niet gezonden in de wereld, opdat hij do wereld veroordeelen zou, maar opdat de wereld door hem zou behouden worden. a Luk. 9: 50. Joh. 9 : 39. 12 : 47. 1 Joh. 4 : 14. JOHANNES 2, 3. |
JOHANNES 3, 4.
942
|
18 quot; Die in hem gelooft, wordt niet veroordeeld, I maar die niet gelooft, is aireede veroordeeld, dewijl liij niet heeft geloofd in den naam des eenig-geboren' Zoons van God. aJoli.5;24. 6:40,47. 20:31. 19 En quot; dit is het oordeel, dat hot licht in de wereld gekomen is, en de menschen hebben do duisternis liever gehad dan het licht: want hunne werken waren boos. «Joh. 1 :5. 20 Want een iegelijk, die kwaad doet, haat hot licht, en komt tot het licht niet, opdat zijne werken niet bestraft worden. 21 quot; Maar die do waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijne werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn. n Efez. 5:8. 22 Na dezen kwam Jezus en zijne discipelen in het land van Judéa, en onthield zich aldaar met hen, quot;en doopte. «Joh. 4:1. 23 quot;En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt. « Miilt. 3 : G. Mark. 1 : 5. Luk. 3:7. 24 quot; Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. a Matt. 14: 3. 25 Er rees dan eene vraag van emige uit do discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging. 20 quot; En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi! die met u was over de Jordaan, welken gij getuigenis gaaft, zie, die doopt, en zij komen allen tot hem. a Matt. 3:11. Mark. 1 : 7. Luk. 3:10. Joh 1 : 15, 2G,34. 27 Johannes antwoordde en zeide: Een mensch kan geen ding aannemen, zoo het hem uit den hemel niet gegeven zij. 28 Gij zeiven zijt mijne getuigen, dat ik gezegd heb: quot;Ik ben de Christus niet; ''maar dat ik voor hem heen uitgezonden ben. aJoh. 1 : 20. /'Mal. 3 : 1. Matt. 11 : 10. Mark. 1 : 2. Luk. 1 :17. 7 : 27. Joh. 1 : 21, 23. 29 Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zoo is dan deze mijne blijdschap vervuld geworden. 30 Hij moet wassen, maar ik minder worden. 31 quot; Die van boven komt, is boven allen; die uit de aarde is voortgekomen, die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen. «Joh. 8:23. 32 quot; En hetgeen hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt hij; en zijne getuigenis neemt niemand aan. aJoh. 5:30. 8:20. 12:49. 14:10. 33 Die zijne getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, quot; dat God waarachtig is. n Kom. 3 : 4. 34 Want dien God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods: want God geeft hem den Geest quot; niet met mate. a Efez. 4 : 7. 35 De Vader heeft den Zoon lief, quot; en lieeft alle dingen in zijne hand gegeven. a Matt, 11:27.28:18. Luk. 10:22. Joh. 5:22.17:2. llehr. 2:8. |
36 quot; Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar dio den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. a Joh. 3:10. 0:47. 1 Joh. 5 : 10, HOOFDSTUK 4. Christus maakt en doopt in Judóa moer discipelen dan Johannes, vs. 1. Vertrekt van daar door SaniariS naar Gralilóa, en onderweg vermoeid zijnde, rust hij bij eene fontein, 3, Regeert drinken van eene Samaritaansche vrouw, met wie hij spreekt van hot ware levende water, 7, Verklaart, dat hij haar voorgaand leven kende, waaruit zij besluit, dat hij een profeet is, 10. Zij wordt door hem onderwezen omtrent de ware aanbidding, 20; en dat hij de Messias is, die komen zou, 20; hetwelk zij aan de inwoners iiarer stad boodschapt, die tot hem uitkomen, 28, Hij verklaart zijne discipelen, wat zijne voornaamste spijze is, en dat nu de regte tijd van den geestelijken oogst voorhanden is, 31. Velen van de Samaritanen gelooven door hot woord der vrouw en vooral door dat van Christus, 39. Hij komt weder in Oalilóa te Kana, alwaar hij den zoon van een' dienaar des konings geneest, 43, ALS dan de Heere verstond, dat de farizeën gehoord hadden, dat Jezus quot;moer discipelen maakte en doopte dan Johannes; «Joh, 3:20, 2 (Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar zijne discipelen) 3 Zoo verliet hij Judéa, en ging wederom heen naar Galiléa. 4 En hij moest door Samarië gaan. 5 Hij kwam dan in eene stad van Samarië, genaamd Sichar, nabij quot;het stuk lands, hetwelk Jakob zijnen zoon Jozef gaf. a Gen. 33 : 19. 48 ; 22, Joz, 24: 32, 6 En aldaar was de fontein Jakobs, Jezus dau, vermoeid zijnde van de reize, zat alzoo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure, 7 Er kwam eene vrouw uit Samarië om water te putten. Jezus zeido tot haar: Geef mij te drinken. 8 (Want zijne discipelen waren heengegaan in de stad, opdat zij zouden spijze koopen.) 9 Zoo zeide dan de samaritaansche vrouw tot hem: Hoe begeert gij, die een Jood zijt, van mij te drinken, die eene samaritaansche vrouw ben? quot; want de Joden houden geene gemeenschap niet de Samaritanen. «Luk. 9:52, 53. Joh, 8:4S, 10 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en wie hij is, die tot u zegt: Geef mij te drinken; zoo zoudt gij van hem hebben begeerd, en hij zoude u levend water gegeven hebben. 11 De vrouw zeide tot hem; Heere! gij hebt niet om mede te putten, en de put is diep; van waar hebt gij dan quot;het levend water? aJor.2:13, 12 Zijt gij meerder dan onze vader Jakob, die ons den put gegeven heeft? en hij zelf heeft daaruit gedronken, en zijne kinderen, en zijn vee. 13 Jezus antwoordde en zeide tot haar: quot; Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten ; a Joh, (J: 58. |
JOHANNES 4.
|
14 n Maar zoo wie gedronken zal hebben van het water, dat ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; 11 maar het water, dat ik hem zal geven, zal in hem worden eene fontein van water, springende tot in hot eeuwige leven. «Joh. 3 : 1G. (!; 27 , 35, 54. tJoh. 7 : 3S. 15 De vrouw zeide tot hem: Heero! geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten. Ki Jezus zeide tot haar: (ia heen, roep uwen man, en kom hier. 17 De vrouw antwoordde en zeide; ik heb geenen man. Jezus zeide tot haar: (Jij hebt wel gezegd: Ik heb geenen man. 18 Want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd. 19 De vrouw zeide tot hem: Ileere! quot;ik zie, dat gij een profeet zijt. «Luk. 7: 1G. 24:1!). Joh. G : 14. 20 Onze vaders hebben op dezen berg aangebeden ; en gijlieden zegt, dat quot; te Jeruzalem do plaats is, waar men moet aanbidden. a Dcut. 12 : 5,11. 1 Kon. 0 : 3. 2 Kron. 7:12. 21 Jezus zeide tot haar: Vrouw! geloof mij, do ure komt, wanneer gijlieden, noch op dezen berg, noch te Jeruzalem den Vader zult aanbidden. 22 quot;Gijlieden aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten: h want de zaligheid is uit de Joden. a 2 Kon. 17:29. b Gon. 12 : 3. 18 : 18. 22 :18. 20 : 4. Hobr. 7:14. 23 Maar de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid: want do Vader zoekt ook dezulken , die Hem alzoo aanbidden. 24 quot; God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. a 2 Cor. 3 : 17. 25 Do vrouw zeide tot hem: Ik weet, dat de Messias komt, (die genaamd wordt Christus); wanneer die zal gekomen zijn, zoo zal hij ons die dingen verkondigen. 20 Jezus zeide tot haar: quot;Ik bon het, die mot i spreek. «Joh. 9:37. 27 En daarop kwamen zijne discipelen, on ver-vonderden zich, dat hij met eene vrouw sprak. |
Nogtans zeide niemand: Wat vraagt gij ? of: Wat spreekt gij met haar ? 28 Zoo verliet do vrouw dan haar watervat, en ging heen in do stad, en zeide tot do lieden: 29 Komt, ziet oen' mensch, die mij gezegd hooft alles, wat ik gedaan heb : is deze niet de Christus? 30 Zij dan gingen uit de stad, on kwamen tot hem. 31 En ondertusschon baden hem do discipelen, zeggende: Rabbi, eet! 32 Maar hij zeide tot hen: Ik heb oeno spijs om te eten, die gij niet weet. 33 Zoo zeiden dan de discipelen tegen elkander: Heeft hom iemand te eten gebragt? 34 Jezus zeide tot hen: Mijne spijs is, dat ik doe den wil desgenen, die mij gezonden heeft, on zijn werk volbrenge. 35 Zegt gijlieden niet: Hot zijn nog vier maanden, en dan komt do oogst? Ziet, ik zeg u : heft uwe oogen op en aanschouwt de landen, quot; want zij zijn aireede wit om te oogsten. « Malt. 9 : 37. Luk. 10:2. 30 En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich tezamen verblijde, beide die zaait en die maait. 37 Want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait. 38 Ik hob u uitgezonden, om te maaijen hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben hot bearbeid, en gij zijt tot liunnen arbeid ingegaan. 39 En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in hem, om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alios, wat ik gedaan heb. 40 Als dan de Samaritanen tot hom gekomen waren, baden zij hom, dat hij bij hen bleef; en hij bleef aldaar twee dagen. 41 En er geloofden or veol meer om zijns woords wil; 42 En zeiden tot de vrouw: Wij gelooven niet meer om uws zeggens wil: «want wij zeiven hebben hem gehoord, en weten, dat deze waarlijk is do Christus, de Zaligmaker der wereld. a Joh. 17:8. 43 En na do twee dagen ging hij van daar, en ging heen naar Galiléa: 44 Want Jezus heeft zelf getuigd, quot; dat een |
JOHANNES 4, 5.
944
|
profeet in zijn eigen vaderland geene eer heeft. a Matt. 13:57. Mark. G : 4. Luk. 4:24. 45 Als hij dan in Galiléa kwam, ontvingen hem de Galileërs, gezien hebbende al de dingen, dio hij te Jeruzalem op het feest gedaan had: want ook zij waren tot het feest.gegaan. 46 Zoo kwam dan Jezus wederom quot; te Kana in Galiléa, waar hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was te Kapérnaüm. «Joh. 2:1, 11. 47 Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uitJudéa in Galiléa kwam, ging tot hem, en bad hem, dat hij afkwame, en zijnon zoon gezond maakte: want hij lag op zijn sterven. 48 Jezus dan zeide tot hem: quot; Tenzij dat gijlieden teekenen en wonderen ziet, zoo zult gij niet gelooven. a \ Cor. 1 : 22. 49 De koninklijke hoveling zeide tot hem: Heere! kom af, eer mijn kind sterft. 50 Jezus zeide tothem: Gaheen, uw zoon leeft. En de mensch geloofde het woord, dat Jezus tot hem zeide, en ging heen. 51 En als hij nu afging, kwamen hem zijne dienstknechten te gemoet, en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft! 52 Zoo vraagde hij dan van hen de ure, in welke het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem do koorts. 53 De vader bekende dan, dat het in dezelve ure was, in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn ge-heele huis. 54 Dit tweede teeken heeft Jezus wederom gedaan, als hij uit Judéa in Galiléa gekomen was. HOOFDSTUK 5. Christus gaat weder naar Jerflzalem op liet feest on geneest aldaar op den sabbat een' mensch, die acht en dertig jaren krank had gelegen nan liet badwater Bethesda, vs. 1; welke op Christus bevel zijn bod draagt, en door de Joden daarover bestraft zijnde, zich beroept op Christus, 8; waarover de Joden Christus zoeken te doodon, als een die den sabbat brak en zich zeiven Gode gelijk maakte, 16. Christus verantwoordt zijn doen en betuigt, dat hij zijnen Vader gelijk is in al zijne werkingen, als: liet leven te geven, 19; oordeelen, 22; goddelijke eer aannemen, 23; zalig maken, 24; opwekken uit de doodon , 25. Beroept zich voorts op do getuigenis zijns Vaders, 31; van Johannes, 33; en op zijne wonderwerken , 36. Bestraft het ongeloof der Jpdon, 38; en wijst hen tot liet onderzoek der Schriften, 3!); ook die van Mozes, 45. |
NA dezen was een «feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem, a Lev. 23:2. Dent. 16:1. 2 En er is te Jeruzalem, aan de Schaapskooi, oen badwater, hetwelk in het Hebreeuwsch toe-genaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen. 3 In dezelve lag eene groote menigte van kran-ken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering des waters. 4 Want een engel daalde neder op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was. 5 En aldaar was een zeker mensch, die acht en dertig jaren krank gelegen liad. 6 Jezus, ziende dezen liggen, en wetende, dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden ? 7 De kranke antwoorddehem: Heere! ik heb geen' mensch, om mij te werpen in het badwater , wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zoo daalt een ander voor mij neder. 8 Jezus zeide tot hem: quot; Sta op, neem uw beddeken op, en wandel. a Matt. 9 : 6. Mark. 2:11. Luk. 5 : 24. 9 En terstond werd de mensch gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. quot; En het was sabbat op denzelven dag. a Joh. 9:14. 10 De Joden zeiden dan tot dengenen, diegenezen was: quot; Het is sabbat, het is u niet geoorloofd het beddeken te dragen. «Ex. 20: 10. Deut. 5:13. Jor. 17:21. Matt. 12:2. Mark. 2:24. Luk. 6:2. 11 Hij antwoordde hun : Die mij gezond gemaakt heeft, die heeft mij gezegd: Neem uw beddeken op, en wandel. 12 Zij vraagden hem dan; Wie is de mensch, die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op, en wandel ? 13 En die gezond gemaakt was, wist niet, wie |
|
T hij was: want Jezus was ontweken, alzoo er eene groote schare in die plaats was. 14 Daarna vond hem Jezus in den tempel, en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; quot; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede. a Matt. 12 : 45. Joh. 8 ; 11. 15 De mensch ging heen, en boodschapte den Joden, dat het Jezus was, die hem gezond gemaakt had. 16 En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten hem te dooden, omdat hij deze dingen op den sabbat deed. 17 En Jezus antwoordde hun: quot; Mijn Vader werkt lot nu toe, en ik werk ook. aJoh. 14: 10. 18 quot; Daarom zochten dan de Joden te meer hem te dooden, omdat hij niet alleen den sabbat brak, maar ook zeide, dat God zijn eigen Vader was, zich zelven Gode evengelijk makende. a.Ioh.7:19. 19 Jezus dan antwoordde, en zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg ik u: quot;de Zoon kan niets van zich zelven doen, tenzij hij den Vader dat ziet doen: ''want zoo wat die doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks. «Joh.5:30. 8:38. 9:4. ft.Tes.54:5. Joh. 10:30.14:9. 17:5. 20 Want de Vader heeft den Zoon lief, en quot;toont hem alles, wat Hij doet; en Hij zal hem grooter werken toonen dan deze, opdat gij u verwondert. a Joh. 1 : 2. 3:35. 7:10. 8:28. 14:24. 21 Want gelijk de Vader do dooden opwekt en levend maakt, alzoo maakt ook de Zoon levend, die hij wil. 22 Want ook de Vader oordeelt niemand, quot; maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven; a Matt. 11 : 27. Joh. 3 : 35. 23 Opdat zij allen den Zoon eeren, gelijk zij den Vader eeren. quot;Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet, die hem gezonden heeft. a 1 Joh. 2 : 23. 24 quot;Voorwaar, voorwaar zeg ik u: die mijn woord hoort, en gelooft Hem, die mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en '' komt niet in do verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven. a Joh. 3 : 18. 0 : 40 , 47 . 8 : 51. b Luk. 23 : 43. 25 Voorwaar, voorwaar zeg ik u: do ure komt, on is nu, quot; wanneer de dooden zullen hooren de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven. a Efoz. 2:1, 5. 1 Tim. 5 : 0. 2G Want gelijk de Vader het leven heeft in zich zelven, alzoo heeft Hij ook den Zoon gegeven, liet leven te hebben in zich zelven; 27 En heeft hom magt gegeven, ook gerigt te houden, omdat hij des menschen Zoon is. 28 Verwondert u daar niet over: want de ure Jcomt, quot;in dewelke allen, die in de graven zijn, ijne stem zullen hooren; a 1 Thess. 4: 10. 29 quot; En zullen uitgaan, die het goede gedaan lobben, tot de opstanding des levens, en die het wade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis. a Dan. 12:2. Matt, 25:34, 40. |
945 30 Ik kan van mij zelven niets doen. Gelijk ik hoor, oordeel ik, en mijn oordeel is regtvaardig: quot;want ik zoek niet mijnen wil, maar den wil des Vaders, die mij gezonden heeft. aJoh. 0:38. 31 quot;Indien ik van mij zelven getuig, mijne getuigenis is niet waarachtig. «Joh. 8 : 14. 32 Er quot; is een ander, die van mij getuigt, en ik weet, dAt de getuigenis, welke hij van mij getuigt, waarachtig is. a Jes.42:1. Matt. 3:17.17:5. 33 quot; Gijlieden hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven. «Joh. 1 : 15, 1!), 27. 34 Doch ik neem geene getuigenis van een' mensch; maar dit zeg ik, opdat gijlieden zoudt behouden worden. 35 Hij was eene brandende en lichtende kaars; en gij hebt ulieden voor eenen korten tijd in zijn licht willen verheugen. 30 quot;Maar ik heb eene getuigenis meerder, dan die van Johannes: ''want de werken, die mij de Vader gegeven heeft, om die te volbrengen, dezelve werken, die ik doe, getuigen van mij, dat mij de Vader gezonden heeft. a 1 Joh. 5: 9. 6 Joh. 10 : 25. 37 quot;En de Vader, die mij gezonden beeft, die heeft zelf van mij getuigd. Gij hebt noch zijne stem ooit gehoord, ''noch zijne gedaante gezien. a Matt. 3 : 17. 17 : 5. Mark. 1:11.9:7. Luk. 3 : 22. 9 : 35. Joh. 1 :33. 0:27. 8: 18. 2 Potr. 1:17. b Ex. 33 : 20. Deut. 4 : 12. 1 Tim. G : 10. 1 Joh. 4 : 12. 38 En zijn woord hebt gij niet in u blijvende; want gij gelooft dien niet, dien Hij gezonden heeft. 39 quot;Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en ''die zijn het, die van mij getuigen. a Jes. 34: 10. Luk. 10:29. Hand. 17: II. b Deut. 18:18. Luk. 24:27. Joh. 1: 40. 40 En gij wilt tot mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben. 41 Ik neem geene eer van menschen; 42 Maar ik ken ulieden, dat gij de liefde Gods in u zelven niet hebt. 43 Ik ben gekomen in den naam mijns Vaders, en gij neemt mij niet aan; zoo een ander komt in zijnen eigen' naam, dien zult gij aannemen. 44 quot; Hoe kunt gij gelooven, gij die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoektV «Joh. 12:43. 45 Meent niet, dat ik u verklagen zal bij den Vader; die u verklaagt, is Mozes, op wolken gij gehoopt hebt. 40 Want indien gij Mozes geloofdet, zoo zoudt gij mij gelooven: quot;want hij heeft van mij geschreven. rtGeu. 3:15. 22:18. 20:4. 28:14. Deut. 18:18. 47 Maar zoo gij zijne Schriften niet gelooft, hoe zult gij mijne woorden gelooven? HOOFDSTUK 6. Christus spijzigt met vijf hrooden on twee vissclien vijf duizend mannen, vs. 1; dio hem daarop tot koning willen maken, maar hij ontwijkt hen, 14. 00 JOHANNES (i. |
JOHANNES 6.
|
Hij wandelt ii\ don nacht op de zoo en komt tot zijne discipelen in liet schip, IC. Wordt door de schare gezocht en te Kapérnaüm gevonden, 22; welke hij vermaant, te zoeken de onvergankelijke spijs, die door hel geloof te vinden is, 20. De Joden murmureren hierover, 41; welken Christus antwoordt, dat het geloof in hem van den Vader komt, en leert dat zijn vleesch de ware spijs en zijn bloed de ware drank is, die men.eten en drinken moet om hot eeuwige leven te verkrijgen, 43. Aan welke leer velen zijner discipelen te Kapérnaüm zich stooton. 59. Waarom Christus hen omtrent den regtcn zin zijner woorden onderligt, Gl. Velen zijner discipelen verlaten hem, GO. Petrus en de andere apostelen bekennen, dat hij de woorden dos levens heeft en blijven bij hem, 07. Doch Christus zegt, dat een van hen een duivel was, 70. NA dezen vertrok Jozus over de zee vnn Galilóa, welke is de zee van Tibérias. 2 En hem volgde eene groote schare, omdat zij zijne teekenen zagen, die hij deed aan de kranken. 3 En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder mot zijne discipelen. 4 En het pascha, quot;het feest der Joden, was nabij, a Ex. 12:18. Eev. 23:5, 7. Num. 28:10. Deut. 10:1. 5 quot;Jezus dan, de oogen opheffende, en ziende, dat eene groote schare tot hem kwam, zeide tot Filippus: Van waar zullen wij broodeu koopen, opdat deze eten mogen? a Matt. 14: 14. Mark. 0:34. Luk. f): 13. 6 (Doelt dit zeide hij, hom beproevende; want hij wist zelf, wat hij doen zou). 7 Filippus antwoordde hom: Voor twee honderd penningen brood is voor dezen niet genoeg, opdat oen iegelijk van hen een weinig neme. 8 Een van zijne discipelen, namelijk Andréas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot hom: !) llior is een jongsken, dat vijf gerstebrooden hoeft, on twee visciijes; maar quot;wat zijn deze onder zoo velen? a 2 Kon. 4: 43. 10 En Jozus zeide: Doet do monschen nodor-zitten. En er was voel gras in die plaats. Zoo zaten dan de mannen neder, omtrent vijf duizend in getal. 11 En Jezus nam do brooden, quot;en gedankt hebbende, doelde hij ze den discipelen, en de disci-pelen dengenen, dienedergozeten waren; desgelijks ook van do vischjos, zoo voel zij wilden. a 1 Sam. 0:13. 12 En als zij verzadigd waren, zeide hij tot zijne discipelen: Vergadert de overgoschoteno brokken, opdat er niets verloren ga. 13 Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven mot brokken van de vijf gerstebrooden, welke overgeschoten waren dengenen, die gegeten hadden. 14 De monschen dan, gezien bobbende hot toeken, dat Jezus gedaan had, zeiden: quot;Deze is waarlijk de profeet, die in do wereld komen zou. a Luk. 7 : IC. 24:19. Joh. 4: 19. 15 Jezus dan, wetende, dat zij zouden komen, en hom mot geweld nemen, opdat zij hem koning maakten, ontweek wederom op den berg, hij zelf alleen. |
16 quot; En als hot avond geworden was, gingen zijne discipelen af naar de zee. a Matt. 14:23. Mark. 0:47. 17 En in hot schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naar Kapérnaüm. En hot was aireede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen. 18 En de zee verhief zich, overmits er een groote wind waaide. 19 En als zij omtrent vijf en twintig of dertig-stadiën gevaren waren, zagen zij Jezus, wandelende op de zoo, en komende bij het schip; en zij werden bevreesd. 20 Maar hij zeide tot hen: Ik ben bet, zijt niet bevreesd. 21 Zij hebben dan hem gewilliglijk in hot schip genomen; en terstond kwam hot schip aan het land, daar zij naar toe voeren. 22 Des andoren daags de schare, die aan de andere zijde der zee stond, ziende, dat aldaar geen ander scheepje was dan dat eene, daar zijne discipelen ingegaan waren, en dat Jozus met zijne diseipelon in dat scheepje niet was gegaan, maar dat zijne discipelen alleen weggevaren waren; 23 (Doch er kwamen andere scheepjes van Tibérias, nabij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, als de Heere gedankt had.) 24 Toen dan de schare zag, dat Jozus aldaar niet was, noch zijne discipelen, zoo gingen zij ook in de schepen, en kwamen to Kapérnaüm, zoekende Jezus. 25 En als zij hom gevonden haddon over de zee, zeiden zij tot hem: Rabbi! wanneer zijt gij hier gekomen ? 26 Jozus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar zeg ik u: gij zoekt mij, niet omdat gij teekonon gezien hebt, maar omdat gij van de brooden gegeten hebt, en verzadigd zijt. 27 quot;Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om do spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke do Zoon dos monschen uliodon geven zal; 'lt; want dezen hoeft God do Vader verzegeld. a Jol). 3 : 10. 4 : 14. 6 : 40, 54. I) Matt. 3 : 17. 17:5. Mark. 1 : 11. 9:7. Luk. 3 : 22. 9:35. Job. 1 : 33. 5 : 37. 8 : 18. 2 Petr. 1:17. 28 Zij zeiden dan tot hem: Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? 29 Jezus antwoordde en zeide tot hou: a Dit is hot werk Gods, dat gij gelooft in hem, dien Mij gezonden heeft. n 1 Joh. 3 : 23. 30 Zij zeiden dan tot hem: Wat quot;toeken doet gij dan, opdat wij het mogen zien, en u geloo-von? wat werkt gij? a Matt. 12:38. 10:1. Mark. 8:11. Luk. 11 : 29. 1 Cor. 1: 22. 31 quot; Onze vaders hebben bet Manna gegoten in do woestijn; gelijk geschreven is: ''Hij gaf hun het brood uit don hemel te eten. a Ex. 10 : 4, 14. Num. 11:7. h Ps. 78 : 24. 1 Gor. 10 : 3. |
T
nffitti
JOHANNES (i.
947
|
32 Jozus clan zeicle tot hen; Voorwaar, voorwaar zey ik u: Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel; maar mijn Vader geeft u dat ware brood uit den hemel. 33 Want liet brood Gods is hij, die uit den hemel nederdaalt, en die der wereld het loven geeft. 34 Zij zeiden dan tot hem: Heere! geef ons altijd dit brood. 35 En Jozus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; quot;die tot mij komt, zal geenszins hongeren , en die in mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. a Jes. 55 : 1. Joh. 4 : 14. 7 : 37. 36 Maar ik heb u gezegd, dat gij mij ook gezien hebt, en gij gelooft niet. 37 Al wat mij de Vader geeft, zal tot mij komen; en die tot mij komt, zal ik geenszins uitwerpen. 38 Want ik ben uit den hemel nedergedaald, «niet opdat ik mijnen wil zou doen, maar den wil desgenen, die mij gezonden heeft. a Matt. 2(5:39. Mark. 14:30. Luk. 22:42. Joh. 5:30. 39 En dit is de wil des Vaders, die mij gezonden heeft, a dat al wat Hij mij gegeven heeft, ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke ten uitersten dage. «Joh. 10:28. 17:12. 18:0. 40 En dit is de wil desgenen, die mij gezonden heeft, quot; dat oen iegelijk, die don Zoon aanschouwt, en in hem gelooft, hot eeuwige leven hebbo; en ik zal hem opwekken ten uitersten dage. a Joh. 3: 1(5. 4: 14. 0:27, 54. 41 De Joden dan murmureerden over hom, omdat hij gezegd had: Ik bon hot brood, dat uit don hemel nedergedaald is. 42 En zij zeiden: quot;Is dozo niet Jezus, do zoon van Jozef, wiens vader on moeder wij kennen? hoe zegt deze dan: Ik bon uit don hemel nedergedaald? a Matt. 13:55. Mark. 0:3. 43 Jezus antwoordde dan, en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander. 44 quot; Niemand kan tot mij komen, tenzij dat de Vader, die mij gezonden hooft, hom trekke; en ik zal hem opwekken ten uitersten dage. a iloogl. 1 : 4. Joh. G : 05. 45 Er is geschreven in do profeten: quot; En zij zullen allon van God geloerd zijn. Een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot mij. ff. Jes. 54: 13. Jor. 31 : 33. Hobr. 8: 10. 10: 1(5. 40 quot; Niet dat iemand don Vader gezien heeft, dan die van God is; deze heeft den Vader gezien. a Matt. 11 : 27. Luk. 10 : 22. Joh. 1 : 18. 7 : 29. 8:19. 47 Voorwaar, voorwaar zeg ik u: quot;die in mij gelooft, heeft hot eeuwige loven. aJoh. 3: 1(5,30. 48 Ik ben het brood des levens. 49 quot; Uwe vaders hebben het Manna gegeten in do woestijn, en zij zijn gestorven. «Ex. 1(5:4. Num. 11 :7. Ps. 78:24. 50 Dit is hot brood, dat uit den hemel nederdaalt , opdat de mensch daarvan ote, en niet â ^tervo. |
51 Ik ben dat lovende brood, dat uit den hemel nedergedaald is; quot; zoo iemand van dit brood eet, die zal in der eeuwigheid loven. 11 En liet brood, dat ik geven zal, is mijn vleesch, hetwelk ik geven zal voor het leven der wereld. ff Joh. 11:20. illohr. 10:5, 10. 52 Do Joden dan stroden onder elkander, zeggende : quot; Hoe kan ons deze zijn vleesch te eten geven ? a Joh. 3 : 9. 53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg ik ulieden: tenzij dat gij het vleesch dos Zoons des monschen oot, en zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in u zei ven. 54 quot;Die mijn vloosch oot, en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en ik zal hem opwekkon ten uitersten dage. a Joh. 3: 10. 4:14. 0 : 27 , 40. 55 Want mijn vloesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank. 56 Die mijn vloosch oot, en mijn blood drinkt, die blijft in mij, en ik in hem. 57 Gelijker wijs mij do lovende Vader gezonden hoeft, en ik lovo door den Vader; alzoo die mij eet, dezelve zal loven door mij. 58 Dit is het quot; brood, dat uit don hemel nedor-godaald is; niet gelijk uwe vaders het Manna gegeten hebben, en zijn gestorven. Die dit brood eet, zal in der eeuwigheid leven. «Joh. 3:13. 59 Deze dingen zeide hij in de synagoge, loerende te Kapérnaüm. 60 Velen dan van zijne discipelen, dit hooronde, zeiden: Deze rede is hard; wie kan dezelve hooren? 61 Jezus nu, wetende bij zicli zeiven, dat zijne discipelen daarover murmureerden, zoide tot hen: Ergert ulieden dit? 62 Wat zou lnd dan zijn, quot; zoo gij den Zoon des monschen zaagt opvaren, daar hij te voren was ? ff Mark. 10:19. Luk.24:50. Joh.3:13. Hand. 1:9. Efoz.4:8. 63 quot;De Geest is het, die levend maakt; liet vleesch is niet nut. Do woorden, die ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. ff2Cor. 3:0. 04 Maar er zijn sommigen van ulieden, die niet goloovon. quot; Want Jezus wist van den beginne, wie zij waren, die niet geloofden, on wie hij was, die hem verraden zou. «Joh. 2:25. ft Joh. 13:11. 05 En iiij zoide: quot; Daarom heb ik u gezegd, dat niemand tot mij komen kan, tenzij dat liet hom gegeven zij van mijnen Vader. «Joh. 0:44. 60 Van toon af gingen velon zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met hem. 67 Jozus dan zoide tot de twaalven: Wilt gijlieden ook niet weggaan ? 68 Simon Petrus dan antwoordde hem: Heere! tot wien zullen wij heengaan ? gij hobt de woorden des eeuwigen quot; levens. « Hand. 5 : 20. 69 En wij hebben geloofd en bekend, quot; dat gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. ff Matt. 10: 16. Mark. 8:29. Luk. 9:20. Joh. 11 :27. 70 Jozus antwoordde hun: quot; Heb ik niet u CO* 1 Jli li iflï; i: bil , |
|
948 twaalf uitverkoren? on een uit u is een duivel. a Luk. G ; 13. 71 En hij zeide dit van Judas, Simons zoon, Iskariot: want deze zou hem verraden, zijnde een van de twaalven. HOOFDSTUK 7. Christus verkeert in Galiléa, vs. 1. Zijne brooders vermanen hom, naar Jenlzalcin to gaan op liet foeat dor loofhutten, 2; hij weigort voor dien tijd, (i; maar volgt na oonigo dagen heimelijk, 10. Leert in don tempel en verantwoordt zijne loer, als ook zijn wonderwerk op den sabbat gedaan, 14. Verscheiden gevoelen des volks van hem, 25. Hij gaat voort in het loeren, 28; waarom sommigen hem zoeken te vangen, doch kunnen niet, 30; de farizeën en over-priosters zenden hunne dienaars, om hom te vangen, 32. Hij dreigt den ongeloovigen Joden, dat zij hem daarna niet zullen vinden, 33. Hij noodigt tot zich alle dorstigen en belooft den 11. Geest dengenen, die in hem gelooven, 37. Waaruit verdeeldheid onder hot volk ontstaat, 40. Do dienaars keoren weder, zonder Christus gevangen te brengen, en roemen zijne leer, 45; hetwelk de farizeën kwalijk nemen, sprekende smadelijk van Christus en van het volk, 47. Nicodómus wederspreekt hun doen, waardoor zij onder elkander in twist geraken en scheiden, 50. EN na dezen wandelde Jezus in Galiléa: want iiij wilde in Judéa niet wandelen, omdat do Joden hem zochten te dooden. 2 En hot feest der Joden, namelijk do quot; loof-huttonzotting, was nabij. a Lev. 23:34. 3 Zoo zeiden dan zijne broeders tot hem: Vertrok van hier, en ga hoon in Judéa, opdat ook uwe discipelen uwe werken mogen aanschouwen, die gij doet. 4 Want niemand doet iets in het verborgen, en zoekt zelf, dat men openlijk van hem spreke. Indien gij deze dingen doet, zoo openbaar u zolven aan de wereld. 5 Want ook zijne quot; broeders geloofden niet in hem. a Mark. 3:21. (i Jezus dan zeide tot hem: Mijn tijd is nog niet hier; maar uw tijd is altijd bereid. 7 quot; De wereld kan uliedon niet haten, maar mij haat zij, omdat ik van dezelve getuig, dat hare werken h boos zijn. a Joh. 14 ; 17.15 : 18. ft Joh. 3 : 19. 8 Gaat gijlieden op tot dit feest; ik ga nog niet op tot dit feest: quot;want mijn tijd is nog niet vor-vuld. ff Joh. 8:20. 9 En als hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef hij in Galiléa. 10 Maar als zijne broeders opgegaan waren, toen ging hij ook zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen. 11 De Joden dan zochten hem in het feest, en zeiden: quot;Waar is hij? ff Joh. 11:56. 12 quot; En er was veel gemurmels van hem onder de scharen. Sommigen zeiden: ''Hij is goed; en anderen zeiden: Neen, maar hij verleidt de schare. a Joh. 9:1G. 10:19. h Matt. 21 : 40. Luk. 7 : 10. Joh. 0: 14. 7 :40. |
13 Nogtans sprak niemand vrij moediglij k van hem, quot;om de vrees dor Joden. a Joh. 9 : 22. 12 : 42. 19 : 38. 14 Doch als het nu in het midden van het feest was, zoo ging Jezus op in den tempel, en leerde. 15 En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet deze de Schriften, daar hij ze niet geleerd heeft? 16 Jezus antwoordde hun, en zeide: quot; Mijne leer is mijne niet, maar desgenen, die mij gezonden heeft. a Joh. 3:11. 8:28. 12:49. 14:10, 24. 17 Zoo iemand wil deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of ik van mij zeiven spreek. 18 Die van zich zeiven spreekt, zoekt zijne eigene eer; maar die de eer zoekt desgenen, die hein gezonden heeft, die is waarachtig, en geene ongeregtigheid is in hem. 19 quot; Heeft Mozes u niet de wet gegeven? en niemand van u doet de wet. '' Wat zoekt gij mij te dooden ? a Ex. 20 : 1. 24 : 3. I land. 7 : 53. b Matt. 12:14. Mark. 3:0. Joh. 5:18, 10:39. 11:53. 20 De schare antwoordde en zeide: quot; Gij hebt den duivel, wie zoekt u te dooden? ff Joh. 8:48, 52. 10:20. 21 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Een werk heb ik gedaan, en gij verwondert u allen. 22 Daarom heeft Mozes ulieden quot; de besnijdenis gegeven, (niet dat zij uit Mozes is, maar ''uit de vaderen) en gij besnijdt een' mensch op den sabbat. a Lev. 12:3. ft Gen. 17:10. 23 Indien een mensch de besnijdenis ontvangt op den sabbat, opdat de wet van Mozes niet gebroken worde; zijt gij toornig op mij, dat ik eenen geheelen mensch gezond gemaakt heb op den sabbat ? 24 quot; Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een regtvaardig oordeel. «Deiit. 1:10, 17. Spr. 24:23. Jakob. 2:1. 25 Sommigen dan uit die van Jeruzalem zeiden: Is deze niet, dien zij zoeken te dooden ? 20 En ziet, hij spreekt vrijmoediglijk, en zij zeggen hem niets. Zouden nu wel de oversten waarlijk weten, dat deze waarlijk is de Christus? 27 quot; Doch van dezen weten wij, van waar hij is; maar de Christus, wanneer hij komen zal, zoo zal niemand weten, van waar hij is. « Matt. 13:55. Mark. 6:3. Luk. 4:22. 28 Jezus dan riep in den tempel, leerende en zeggende: En gij kent mij, en gij weet, van waar ik ben; en ik ben quot; van mij zeiven niet gekomen, ''maar Hij is waarachtig, die mij gezonden heeft, welken gijlieden niet kent. a Joh. 5: 43. 8 : 42. b Joh. 8 : 26. Rom. 3 : 4, 29 Maar quot; ik ken Hem, want ik ben van Hem, en Hij heeft mij gezonden. «Joh. 10:15. 30 quot; Zij zochten hem dan te grijpen; maar niemand sloeg de hand aan hem, want zijne ''ure was nog niet gekomen. a Mark. 11:18. Luk. 19 : 47. 20 : 19. Joh. 7:19. 8 : 37. h Joh. 8 : 20. JOHANNES 6, 7. |
JOHANNES 7, 8,
1)49
|
31 quot;En volen uit do schare geloofden in hem, en zeiden; Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal hij ook meer teekenen doen dan die, welke deze gedaan heeft? aJoh. 8:30. ',)2 De farizeën hoorden, dat de schare dit van hem murmelde; en de farizeën on do overpriesters zonden dienaren, opdat zij hem grijpen zouden. :{3 Jezus dan zoide tot hen: quot; Nog oenen kleinen tijd ben ik bij u, en ik ga heen tot dengenen, die mij gezonden heeft. a Joh. 16:10. 34 quot; Gij zult mij zoeken, en gij zult mij niet vindon; en waar ik ben, kunt gij niet komen. u Joh. 8:21. 13 : 33. 35 Do Joden dan zeiden tot elkander: Waar zal deze heengaan, dat wij hem niet zullen vindon? Zal hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken loeren? 36 Wat is dit voor eene rede, die hij gezegd heeft: Gij zult mij zoeken, en zult mij niet vinden; on waar ik ben, kunt gij niet komen ? 37 En op den quot; laatston dag, zijnde de groote dlt;i(j van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: ü Zoo iemand dorst, die komo tot mij en drinko. a Lev. 23 : 32. /)Jes.55:1. Joh.6:35. Oponb. 22 : 17. 38 Die in mij gelooft, gelijker wijs quot; do Schrift zegt, stroomen des levenden waters zullen uit zijnen buik vloeijon. a Jos. 12:3. 3!) (En dit zeide hij quot; van den Geest, donwelken ontvangen zouden, die in hem gelooven: want do Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.) a Jes. 44:3. Joël 2:28. Hand. 2:17. 40 Velen dan uit do scharen, deze rede hoerende, zeiden: quot; Deze is waarlijk do profeet. a Matt. 21 : 46. Luk. 7 : 10. Joh. 6 : 14. 41 Anderen zeiden: quot;Deze is do Christus. En andoren zeiden: ''Zal dan de Christus uit Galiléa komen? aJoh. 4:42. 6Joh. 1:47. 42 Zegt do Schrift niet, dat do Christus komen zal quot; uit den zado Davids, en van het vlek b Bethlehem, waar David was? aPs. 132:11. hMiohaf): I. Matt.2:6. 43 Er werd dan tvveedragt onder do schare, om zijnentwil. 44 En sommigen van hen wilden hem grijpen; maar niemand sloeg de handen aan hem. C Y * |
45 Do dienaars dan kwamen tot do overpriesters en farizeën; en die zeidon tot hen: Waarom hebt gij hem niet gobragt? 46 De dienaars antwoordden: Nooit hoeft een mensch alzoo gesproken, gelijk deze mensch. 47 De farizeën dan antwoordden hun: Zijt ook gijlieden verleid? 48 quot; Hoeft iemand uit de oversten in hem geloofd, of uit de farizeën? «Jes. 33 : 18. Joh. 12 : 42. 1 Cor. 1 : 20. 2 : 8. 49 Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt! 50 Nicodémus zeide tot hen, welke quot; des nachts tot hem gekomen was, zijnde een uit hen: a Joh. 3 : 2. 1!): 39. 51 quot;Oordeelt ook onze wot den mensch, tenzij dat zij eerst van hem gehoord hoeft, en verstaat, wat hij doet? nEx. 23:1. Lev. 19:15. Dout. 1 : 17. 17:8. 19:15. 52 Zij antwoordden en zeiden tot hom: Zijt gij ook uit Galiléa ? Onderzoek en zio, dat uit Galiléa geen profeet op- yLi G. v. i). Ekckiiout: De overspelige vrouw (Joh. 8:3), 53 En eon iegelijk ging hoen naar zijn huis. HOOFDSTUK 8. Christus leert dos morgens vroeg in don tempel, vs. 1 ; alwaar do schriftgeleerden on farizeën eeno vrouw, in overspel gevonden, tot hom brengen , 3; doch bij maakt hon in hun voornemen beschaamd, schrijvende op do aarde, en laat de vrouw met ooiio vermaning gaan, 7. Leert dat hij hot liebt dor wereld is, 12; en verantwoordt /.leb togou do farizeën, zoo niet zijn eigen als mot zijns Vaders go-tuigonis, 13. Zegt den Joden aan, dat zij bom te vergeefs zullen zookon en in hunne zonden zullen sterven, zoo zij in bom niet gelooven, 21. Verklaart wie hij is, en van wien hij is gezonden, 25. Belooft dengenen, die in bom gelooven, kennis der waar-beid en vrijheid van do dienstbaarheid dor zonde, 31. Bewijst, dat do ongoloovige Joden zich ton onrogte beroemden, dat zij Abrahams en Gods kinderen waren, en zegt hen aan, dat /.ij kindoren dos duivels zijn, en zijne begeerte volbrengen, 37. He-straft hun ongeloof, 46; waarop zij hem voor oen Samaritaan scholden, die don duivel heeft, 4S; hetwelk hij ontkent en wederlegt, 49; en getuigt dat Abraham zijnen dag gezien heeft en dat hij geweest is oor Abraham was, 56. Waarom zij hom willen steonigen, 59. MAAR Jezus ging naar den Olijfberg. |
JOHANNES 8.
950
|
2 En dos morgons vroeg kwam hij wederom in den tempel, en al het volk kwam tot hem; en nedergezeten zijnde, leerde hij hen. En do schriftgeleerden en do farizeën bragton tot hom eene vrouw, in overspel gegrepen. 4 En haar gesteld hebbende in het midden, zeiden zij tot hem: Meester! dezo vrouw is op do daad zelve gegrepen, overspel begaande. 5 quot; En Mozes heeft ons in do wet geboden, dat dezulke gesteenigd zullen worden; gij dan, wat zegt gij? o Lev. 2U:10. Deut. 22:22. (! En dit zeiden zij, hem verzoekende, opdat zij iets hadden, om hem to beschuldigen. Maar Jezus, nederbukkende, schroef met den vinger in do aarde. 7 En als zij hem bleven vragen, rigtto iiij zich op, en zeide tot hen: quot; Die van ulioden zonder zonde is, werpe eerst don steen op haar. a Deut. 17 ; 7. 8 En wederom nederbukkende, schreef hij in de aarde. 9 Maar zij, dit hoorende, en van Inm geweten overtuigd zijnde, gingen uit, do eon na den andoren, beginnende van de oudsten tot de laat-sten; en Jezus werd alleen gelaten; en do vrouw in hot midden staande. 10 En Jezus, zich oprigtende, en niemand ziendo dan do vrouw, zeide tot haar: Vrouw! waar zijn deze uwe beschuldigers? hooft u niemand veroordeeld ? 11 En zij zeide: Niemand, Heoro! En Jezus zeide tot haar: Zoo veroordeel ik u ook niet; ga hoen, en quot;zondig niet meer. aJoh. 5:14. 12 Jezus dan sprak wederom tot henlieden, zeggende : quot; Ik bon hot licht der wereld; die mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben. a Jes. 42 : 1G. Joh. 1 : 9, 9 : 5. 12 : 35, 3G. 13 Do farizeën dan zeiden tot hom: Gij getuigt van u zelvon; uwe getuigenis is niet waarachtig. 14 Jezus antwoordde, en zeide tot hen: quot;Hoewol ik van mij zelvon getuig, zoo is nogtans mijne getuigenis waarachtig: want ik weet, van waar ik gekomen bon, en waar ik heenga; maar gijlieden weet niet, van waar ik kom, en waar ik heenga. a.loh. 5:31. 15 (Jij oordeelt naar het vlooscb; ik oordeel niemand. 16 En indien ik ook oordeel, mijn oordeel is waarachtig: want ik bon niet alleen, maar ik en do Vader, die mij gezonden heeft. 17 quot;En er is ook in uwe wet geschreven, dat do getuigenis van twee menschen waarachtig is. a Nuin. 35 : 30. Deut. 17:0. 19 :15. Matt. 18: IG. 2 Cor. 13:1. Hebr. 10:28. 18 Ik bon hot, die van mij zolvon getuig, on quot;de Vader, die mij gezonden heeft, getuigt van mij. a Matt. 3 : 17. 17 : 5. Mark. 1:11. 9 : 7. Luk. 3 : 22. 9 : 35. Joh. 1 : 33. 5 : 37. ü : 27. 19 Zij dan zeidon tot hem: Waar is uw Vader? Jezus antwoordde: quot; Gij kont noch mij, noch mijnen Vader; ''indien gij mij kondot, zoo zoudt gij ook mijnen Vader kennen. |
a Joh. 16:3. iJoh. 14:9. 20 Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, loerende in den tempel; quot; en niemand groep hom , want zijne ure was nog niet gekomen. «Joh.7:30. 21 Jezus dan zeide wederom tot hen: quot;Ik ga hoon, en gij zult mij zoeken, en in uwe zonden zult gij sterven; waar ik heenga, kunt gijlieden niet komen. «Joh. 7:34. 13:3,3. 22 De Joden dan zeiden: Zal hij ook zich zolvon dooden, omdat hij zegt: Waar ik heenga, kunt gijlieden niet komen? 23 En hij zeide tot hen: quot; Gijlieden zijt van bo-noden, ik bon van boven; gij zijt uit dezo wereld, ik bon niet uit deze wereld. «Joh. 3:31. 24 Ik heb u dan gezegd, quot;dat gij in uwe zonden zult sterven: want indien gij niet gelooft, dat ik die bon, gij zult in uwe zonden sterven. «Joh. 8:21. 25 Zij zeidon dan tot hom: Wie zijt gij? En Jezus zoido tot hen: Wat ik van den beginne ulioden ook zoggo. 26 Ik heb vele dingen van u te zoggen, on te oordeelen; maar die mij gezonden hooft, quot; is waarachtig; ''en de dingen, die ik van Hem gehoord heb, dezelve spreek ik tot do wereld. «Joh. 7 : 28. Rem. 3:4. h Joh. 15:15. 27 Zij verstonden niet, dat hij hun van don Vader sprak. 28 Jezus dan zeide tot hen: quot; Wanneer gij don Zoon des menschen zult verhoogd hebben, dan zult gij verstaan, dat ik die bon, on dat ik van mij zolvon niets doe; b maar doze dingen spreek ik, gelijk mijn Vader mij geleerd heeft. « Num. 21:9. 2 Kon. 18 : 4. Joh. 3 : 14. 12 : 32. b Joh. 3:11.7:16. 12 :49. 14:10, 24. 29 quot;En die mij gezonden heeft, is met mij. De Vader heeft mij niet alleen gelaten, want ik doe altijd, wat Hom bohagolijk is. «Joh. 14:10.16 :32. 30 Als hij deze dingen sprak, quot; geloofden velen in hom. «Joh. 7 : 31. 31 Jezus dan zeide tot do Joden, die in hom geloofden: Indien gijlieden in mijn woord blijft, zoo zijt gij waarlijk mijne discipelen; 32 En zult do waarheid verstaan, quot;en do waarheid zal u vrijmaken. a Rom. G : 18. Gal. 5:1. 1 Petr. 2 : 10. 33 Zij antwoordden hem: quot; Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt gij dan: Gij zult vrij worden? «Matt. 3:9. 34 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zeg ik u: oen iegelijk, die do zonde doet, quot; is een dienstknecht der zonde. « Hom. 6 : 20. 2 Petr. 2:19. 35 En de dienstknecht blijft niet eeuwiglijk in hot huis, de zoon blijft er eeuwiglijk. 36 quot; Indien dan do Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn. « Rom. 8:2. 37 Ik weet, dat gij Abrahams zaad zijt; maar |
JOHANNES 8, 9.
951
|
gij zoekt mij to doodon, want mijn woord heeft in u geene plaats. 38 quot;Ik spreek, wat ik bij mijnen Vader gezien iieb; gij doet dan ook, wat gij bij uwen vader gezien hebt. aJoh. 3:11. 7:1G. 12:49. 14:10, 24. 39 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: quot; Indien gij Abrahams kinderen waart, zoo zoudt gij de werken van Abraham doen. a Rom. 2 : 28. 9 : 7. 40 Maar nu zoekt gij mij te dooden, eenen mensch, quot; die u de waarheid gesproken heb, welke ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet. a Joh. 17 : 17. 41 Gij doet de werken uws vaders. Zij zeiden dan tot hem: Wij zijn niot geboren uit hoererij; wij hebben eenen Vader, namelijk God. 42 Jezus dan zeide tot hen: Indien God uw Vader ware, zoo zoudt gij mij liefhebben; want ik ben van God uitgegaan, en kom van Hon. quot; Want ik ben ook van mij zeiven niet gekomen, maar Hij hoeft mij gezonden. a.foh. 5:43. 7:29. 43 Waarom kont gij mijne spraak niet? Het is, omdat gij mijn woord niet kunt hooren. 44 quot;(Jij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; b die was oen menschemnoorder van den beginne, en is in do waarheid 0 niet staande gebleven: want goene waarheid is in hem. Wanneer hij do leugen spreekt, zoo spreekt hij uit zijn eigen: want hij is oen leugenaar, on do vader dorzolvo leugen. a 1 Joh. 3:8. h Oen. 3:1. 2 Oor. 11:3. 1 Joh. 3 : 8. c Judas vs. G. omdat ik u do waarheid zeg, ge- u overtuigt mij van zonde? En waarheid zeg, waarom gelooft gij 45 Maar mij looft gij niot. 4G Wie van indien ik de mij niot. 47 quot; Die uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt. a Joh. G:37. 10:20, 27. IJoh. 4 : G. 48 De Joden dan antwoordden en zeiden tot hom: Zeggen wij niot wel, dat gij een Samaritaan zijt, quot;en don duivel liebt? «Joh. 7:20. 10:20. 49 Jezus antwoordde: Ik heb don duivel niot, quot;maar ik oor mijnon Vader, en gij onteort mij. a Joh. 7 : 18. 50 Doch ik zoek mijne eer niet; er is een, die ze zoekt on oordeelt. 51 Voorwaar, voorwaar zeg ik u: quot;zoo iemand mijn woord zal bewaard hebben, die zal don dood niot zien in der eeuwigheid. a Joh. 5:24. 11:25. 52 De Joden dan zeiden tot hem: Nu bekennen wij, dat gij don duivel hebt. Abraham is gestorven, en do profeten; en zegt gij: Zoo iemand mijn woord bewaard zal hebben, die zal den dood niet smaken in der eeuwigheid? 53 Zijt gij meerder, dan onze vader Abraham, quot;welke gestorven is? en do profeten zijn gestorven; wien maakt gij u zeiven? «Hebr. 11:13. |
54 Jezus antwoordde: Indien ik mij zeiven oor, zoo is mijne eer niots; mijn Vader is hot, die mij eert, wolkon gij zegt, dat uw God is. 55 En gij kent Hem niet, maar ik kon Hem; en indien ik zeg, dat ik Hom niot ken, zoo zal ik uliedon gelijk zijn, dat «s oen leugenaar; maar ik ken Hom, en bewaar zijn woord. 56 Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, quot;opdat hij mijnen dag zien zou; on hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. a Gron. 17:17. Luk. 10:24 llobr. 11:13. 57 De Joden dan zeidon tot hom: Gij hebt nog geen vijftig jaren, en hebt gij Abraham gezien? 58 Jezus zoido tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg ik u: eer Abraham was, ben ik. 59 quot; Zij namen dan steenen op, dat zij ze op hem wierpen. Maar Jezus verborgde zich, en ging uit don tempel, gaande door hot midden van hen; en ging alzoo voorbij. a Luk. 4:29. Joh. 10:31, 39. 11:8. HOOFDSTUK 9. Christus maakt op cenou sabbat ocnoii hliiulgeboreno ziende, vs. t; hetwelk do blinde, zijnen geburen, van bon gevraagd zijnde, verhaalt, 8. Zij brengen hom tot do farizeön, aan wie hij hetzelve ook verhaalt, 13. De farizeön lasteren daarom Christus, als een verbreker van den sabbat, en twijfelen of deze man blind geweest was, 10. Zij ontbieden daarom zijne ouders, die wel bekennen, dat hij blindgeboren was, maar zich voorts beroepen op du gotuigonis van hunnen zoon, 18; wolkon zij andermaal roepen en ondervragen, 24; die hun antwoordt en uit dit werk betuigt, dat Christus geen zondaar, maar uit God is, 27; en wordt daarom van hen smadelijk nitgestooton, 34. üe blinde, door Christus nader ondemgt zijnde, gelooft in hem en aanbidt hem, 35. Christus zegt den farizeön aan, dat zij geestelijk blind zijn, en dat zij daarom in de zonde blijven, omdat zij zulks niet bekennen, 40. EN voorbijgaande, zag hij oenen mensch, blind van de geboorte af. 2 En zijne discipelen vraagden hom, zeggende: Rabbi! wie hoeft er gezondigd, deze, of zijne ouders, dat hij blind zou geboren worden. 3 Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijne ouders; quot;maar dit is geschied, opdat do werken Gods in hem zouden geopenbaard worden. «Joh. 11:4. 4 quot; Ik moet werken de werken desgenen, die mij gezonden hooft, zoo lang hot dag is; do nacht komt, wanneer niemand werken kan. «Joh. 5:19. 5 Zoo lang ik in do wereld bon, zoo bon ik quot;hot licht dor wereld. «Jos. 42:0. Luk. 2 : 32. Joh. ^: 9. 8 : 12. 12 : 35, 40. Hand. 13 : 47. (! Dit gezegd hebbende, quot;spoog hij op de aarde, en maakte slijk uit dat spooksel, en strook dat slijk op de oogon dos blinden; «Mark. 8:23. 7 En zeide tot hom: Ga hoon, wasch u in het badwater Silóam (hetwelk overgezet wordt, uitgezonden). Hij dan ging heen en wiesch zich, en kwam ziende. 8 De geburen dan, en die hom to voren gezien |
|
952 hadden, dat hij blind was, zeiden: Is deze niet, dio zat quot; on bedelde ? a Hand. 3 : 2. 9 Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide: Ik ben het. 10 Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de oogen geopend? 11 Hij antwoordde en zeide: De menscb, genaamd Jezus, maakte slijk, en bestreek mijne oogen, en zeide tot mij: Ga heen aan het badwater Si-lóam, en waseh u. En ik ging heen, en wiesch mij, en ik werd ziende. 12 Zij dan zeiden tot hem: Waar is die? Hij zeide; Ik weet het niet. 13 Zij bragten hem tot dc farizecn, hem namelijk, die te voren blind (jeweest wan. 14 quot; En het was sabbat, als Jezus het slijk maakte, en zijne oogen opende. a Matt. 12: 1. Mark. 2:23. Luk. G: 1. Joh. 5:9. 15 De farizeën dan vraagden hem ook wederom, hoe hij ziende geworden was. En hij zeide tot hen: Hij lelde slijk op mijne oogen, en ik wiesch mij, en ik zie. 1G Sommigen dan uit do farizeën zeidon: Deze monsch is van God niet, want hij houdt don sabbat niet. Anderen zeiden: quot; Hoe kan een monsch, die oen zondaar is, zulke teekenen doen? '' En er was tweedragt onder hen. «Joh. 3:2. 9 :33. 6 Joh. 7 : 12. 10: 19. 17 Zij zeiden wederom tot den blinde: Gij, wat zegt gij van hem: dewijl hij uwe oogen geopend heeft? En bij zeide: a Hij is een profeet. a Luk. 7 : 10. 24:19. Joh. 4:19. G: 14. 18 Do Joden dan geloofden van hem niet, dat hij blind geweest was, en ziende was geworden, totdat zij geroepen hadden de ouders desgenen, dio ziende geworden was. 19 En zij vraagden hun, zeggende: Is deze uw zoon, welken gij zegt, dat blind geboren is? Hoe ziot hij dan nu ? 20 Zijne ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten, dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is; 21 Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijne oogon geopend heoft, weten wij niet; hij heeft zijnen ouderdom, vraagt hem zolven; hij zal van zich zeiven spreken. 22 Dit zeiden zijne ouders, « omdat zij de Joden vreesden: '' want de Joden hadden alreede te zamen een besluit gemaakt, zoo iemand hem beleed de Christus te zijn , dat die uit de synagoge zou geworpen worden. aJoh.7:13.12:42. ftJoh. 12:42. 23 Daarom zeiden zijne ouders: Hij hoeft zijnen ouderdom, vraagt hem zolven. 24 Zij dan riepen voor de tweede maal den monsch, die blind geweest was, en zeiden tot hem: quot; Geef God de eer; wij weten, dat deze monsch een zondaar is. a Joz. 7 : 19. 25 Hij dan antwoordde en zeide: Of hij een zondaar is, weet ik niet; een ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie. |
26 En zij zeiden wederom tot hem: Wat heeft hij u gedaan? hoe heeft hij uwe oogen geopend? 27 Hij antwoordde hun; Ik heb het u alreede gezegd, en gij hebt het niet gehoord; wat wilt gij het wederom hooren? wilt gijlieden ook zijne discipelen worden ? 28 Zij gaven hem dan scheldwoorden, en zeiden: Gij zijt zijn discipel, maar wij zijn discipelen van Mozes. 29 Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar dezen weten wij niet, van waar hij is. 30 De mensch antwoordde en zeide tot hen: Hierin is immers luat wonders, dat gij niet weet, van waar hij is, en nogtans heeft hij mijne oogen geopend. 31 «En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zoo iemand godvruchtig is, en zijnen wil doet, dien hoort Hij. aSpr. 15:29. 28:9. .les. 1:15. Micha 3:4. 32 Van aUc eeuw is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen oogen geopend heeft. 33 Indien deze van God niet ware, hij zou niets kunnen doen. 34 Zij antwoordden, en zeiden tot hem: gij zijt geheel in zonden geboren, en leert gij ons? En zij wierpen hom uit. 35 Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende, zeide hij tot hem: Gelooft gij in don Zoon van God ? 36 Hij antwoordde en zeide: Wie is hij, Heere! opdat ik in hem moge gelooven? 37 En Jezus zeide tot hem: En gij hebt hem gezien, quot;on die met u spreekt, dezelve is het. a Joh. 4 : 2G. 38 Eu hij zeide: Ik geloof, Heere! En hij aanbad hem. 39 En Jezus zeide: quot; Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, '' opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden. a Joh. 3 : 17. 12 : 47. b Matt. 13 :13. 40 En dit hoorden eenigen uit de farizeën, die bij hem waren, en zeiden tot hem: Zijn wij dan ook blind? 41 Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zoo zoudt gij goene zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; zoo blijft dan uwe zonde. HOOFDSTUK 10. Door de gelijkonis van de eigenschappen eens getrouwen herders bewijst Christus, dat hij do ware horder is van zijne schapen, vs. 1; als ook de ware deur van don schaapstal, 7; en geen huurling, 12; alzoo hij zijn loven gewillig stolt voor zijne schapen, 14: waarover de Joden onder elkander twisten, 19. Christus, te Jeruzalem zijnde op het feest van do vernieuwing des tempels, wordt door do Joden omringd en gevraagd of hij do Christus is, 22; hetwelk hij betuigt en bewijst uit zijne werken, 25. Zegt, dat zij in hem niet gelooven, omdat zij van zijne schapen niet zijn, 20; maar dat zijne schapen in hem gelooven, en dat zij door hem en zijnen Vader ton eeuwigen loven bewaard worden, 27. Do Joden willen hem steenigen als een lasteraar, 31. JOHANNES 9, 10. |
JOHANNES 10.
953
|
Doch hij verantwoordt zich uit ilo Schrift on uit zijne werken, dat hij zich met rcgt don Zoon van God genoemd hoeft, 34; en komt uit hunne handen, wijkende naar do Jordaan, 39. VOORWAAR, voorwaar zeg ik ulieden; die niet ingaat door de deur in den stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar. 2 Maar die door de deur ingaat, is oen herder der schapen. 3 Dezen doet do deurwachter open, en de schapen hooren zijne stem; en hij roept zijne schapen bij name, en leidt ze uit. 4 En wanneer hij zijne schapen uitgedreven heeft, zoo gaat hij voor hen heen; en de schapen volgen hem, overmits zij zijne stem kennen. 5 Maar eenen vreemde zullen zij geenszins volgen , maar zullen van hem vlieden; overmits zij do stem dor vreemden niet kennen. 6 Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen; maar zij verstonden niet, wat het was, dat hij tot hen sprak. 7 Jezus dan zeide wederom tot hen: Voorwaar , voorwaar zeg ik u: ik ben de deur der schapen. 8 Allen, zoo velen als er voor mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord. !) rt Ik ben de deur; indien iemand door mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden. «Joh. 14 ;G. 10 De dief komt niet, dan opdat hij stele, en slagte, en verderve; ik ben gekomen, opdat zij het loven hebben, en overvloed hebben. 11 quot;Ik ben de goede Herder: de goede herder stelt zijn leven voor do schapen. a Jcs. 40 : 11. Ezec. 34 : 23. Hebr. 13 : 20. 1 Potr. 5 : 4. 12 quot; Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen. n Zach. 11 : 1 (i. 13 En de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geene zorg voor de schapen. 14 Ik ben de goede Herder; en quot;ik ken de mijnen, en worde van de mijnen gekend. 19. ⢠Tim. |
15 quot; Gelijkerwijs de Vader mij kent, alzoo ken ik ook den Vader; en ik stel mijn leven voor de schapen, a Matt. 11 : 27. Luk. 10 : 22. Joh. ü : 40. 7 : 29. Ki Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet ik ook toebrengen: en zij zullen mijne stem hooren; quot; en het zal worden ééne kudde, en één herder. «Ezec. 37 :22. 17 Daarom heeft mij do Vader lief, overmits ik quot; mijn leven afleg, opdat ik hetzelve wederom neme. a Jes. 53 :12. 18 Niemand neemt hetzelve van mij, maar ik leg het van mij zeiven af; quot; ik heb magt hetzelve af te leggen, en heb magt hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb ik van mijnen Vader ontvangen. «Joh. 2:19. 19 quot; Er werd dan wederom tweedragt onder de Joden, om dezer woorden wil. «Joh. 7:12. 9:1 li. 20 En velen van hen zeiden: quot; Hij heeft den duivel, en is uitzinnig; wat hoort gij hem ? a Joh. 7 : 20. 8 : 48, 52. 21 Anderen zeiden : Dit zijn geene woorden eens bezetenen; quot;kan ook de duivel der blinden oogen openen ? «Ex. 4:11. I's. 94:9. 140:8. 22 En het was het feest der vernieuwing des tempels te Jeruzalem, en het was winter. 23 En Jezus wandelde in den tempel, quot;in het voorhof van Salomo. «1 Kon.0:3.Hand.3:11.5:12. 24 De Joden dan omringden hem, en zeiden tot hem : Hoe lang houdt gij onze ziel op? indien gij de Christus zijt, zeg het ons vrij uit. 25 Jezus antwoordde hun: Ik heb hot u gezegd, en gij gelooft bet niet. quot;Do werken, die ik doe in den naam mijns Vaders, die getuigen van mij. a Joh. 5 : 30. 20 Maar gijlieden gelooft niet, want gij zijt niet van mijne schapen, gelijk ik u gezegd heb. 27 quot; Mijne schapen hooren mijne stem, en ik kon dezelve, en zij volgen mij. «Joh. 8:47. 28 En ik geef hun het eeuwige leven ; quot;en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit mijne hand rukken, n Joh. 0:39.17:12.18:9. 29 Mijn Vader, die ze mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand mijns Vaders. 30 quot; Ik en do Vader zijn een. «Jos. 54:5. Joh. 5: 19. 14:9. 17 :5. |
JOHANNES 10, 11.
954
|
31 quot; De Joden clan namen wederom steenon op, om hem te steenigen. «Joh. 8:59, 11:8. 32 Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van mijnen Vader; om welk werk van die steenigt gij mij ? 33 Do Joden antwoordden hem, zeggende: Wij steenigen u niet over ceniy goed werk, quot; maar over Godslastering, en omdat gij, een mensch zijnde, u zeiven God maakt. aJoh. 5:18. 34 Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uwe wet: quot;Ik heb gezegd, gij zijt goden? a Ps. 82:0. 35 Indien de wet die goden genaamd heeft, tot welken hot woord Gods gesciüod is, on de Schrift niet kan gebroken worden; 36 Zegt gijlieden tot mij, quot;dien de Vader geheiligd on in do wereld gezonden heeft: Gij lastert God; omdat ik ''gezegd heb: Ik ben Gods Zoon? a Joh. ü : 27. h Joh. 5 : 17. 37 quot;Indien ik niet doe de werken mijns Vaders, zoo gelooft mij niet; aJoh. 15:24. 38 Maar indien ik zo doe, en zoo gij mij niot gelooft, zoo gelooft de werken; opdat gij moogt bekennen en gelooven, quot; dat do Vader in mij is, en ik in Hem. aJoh. 14:11. 17:21. 39 quot; Zij zochten dan wederom hem te grijpen, en hij ontging uit hunne hand. a Luk. 4 : 29. Joh. 8 : 59. 40 En hij ging wederom over do Jordaan, tot de plaats, quot; waar Johannes eerst doopte; en hij bleef aldaar. a Joh. 1:28. 3:23. 41 En velen kwamen tot hem en zeidon: Johannes deed wol geen toeken; maar alles, wat Johannes van dozen zeide, was waar. 42 En velen geloofden aldaar in hem. HOOFDSTUK 11. Lazarus is krank te Bothaniö, vs. 1 ; waarom do zus-tors zenden tot Christus, 3; die naar Judéa gaat, 7. Lazarus sterft intusschcn. 11. Christus gaat naar Hethanië om hem op te wekken, 17; alwaar hem Martha ontmoet, met welke hij spreekt over de opstanding van haren broeder, en die van alle go-loovigen, 20. Daarna ook Maria, 28. Christus woont en komt tot het graf, 35. Vindt Lazarus roods vier dagen begraven, 39. Bidt zijnen Vader en wekt Lazarus op, 41; waardoor velen in hem gelooven, 45; en andoren boodschappen ilit den overpriestors, 40; die daarover hunnen raad vergaderen, 47; alwaar Knjafas onwetende profeteert van de vrucht van Christus dood, 50; on besloten wordt hom te dooden, 53. Christus ontwijkt naar de stad Efraïm, 54. Wordt op het feest van paScha gezocht, 55. Do overpriestors vaardigen een bevel uit, om hem aan te brengen, 57. EN or was een zeker man krank, genaamd Lazarus, van Bothaniö, uit hot vlok van Maria on hare zuster Martha. 2 quot; (Maria nu was degene, die den Ileere gezalfd hoeft met zalf, en zijne voeten afgedroogd hoeft met hare haren; welker broeder Lazarus krank was.) a Matt. 20 : 0. Mark. 14 : 3. Luk. 7 : 37. Joh. 12 : 3. |
3 Zijne zusters dan zonden tot hom, zeggende: Ileere! zie, dien gij liefhebt, is krank. 4 En Jezus, dat hooronde, zeide: Deze krankheid is niet tot don dood, quot; maar ter heerlijkheid Gods; opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worde. a Joh. 9:3. 11:40. 5 Jezus nu had Martha, en hare zuster en Lazarus lief. (! Als hij dan gehoord had, dat hij krank was, toen bleef hij mxj twee dagen in de plaats, waar hij was. 7 Daarna zeide hij verder tot de discipelen: Laat ons wederom naar Judéa gaan. 8 De discipelen zeiden tot hom: Rabbi! quot; de Joden hebben u nu onlangs gezocht testeenigen, on gaat gij wederom derwaarts? «Joh.8:59.10:31. 9 Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand in den dag wandelt, zoo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet; 10 Maar indien iemand in den nacht wandelt, zoo stoot hij zich, overmits hot licht in hem niet is. 11 Dit sprak hij; en daarna zeide hij tot hen: Lazarus, onze vriend, quot; slaapt; maar ik ga hoon, om hem uit don slaap op te wekken. a Matt. 9 : 24. Mark. 5 : 39. Luk. 8 : 52. 12 Zijne discipelen dan zeiden: Heere! indien hij slaapt, zoo zal hij gezond worden. 13 Doch Jezus had gesproken van zijnen dood; maar zij meenden, dat hij sprak van do rust des slaaps. 14 Toen zeide dan Jezus tot hen vrij uit: Lazarus is gestorven. 15 En ik ben blijde om uwentwil, dat ik daar niet geweest ben, opdat gij gelooven moogt; doch laat ons tot hom gaan. 16 Thomas dan, genaamd Didymus, zeide tot zijne medediscipelen: Laat ons ook gaan, opdat wij met hom sterven. 17 Jezus dan, gekomen zijnde, vond, dat hij nu vier dagen in het graf geweest was. 18 (Bethanië nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadiën van daar.) 19 En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haren broeder. 20 Martha dan, als zij hoorde, dat Jezus kwam, ging hem te geinoet; doch Maria bloof in huis zitten. 21 Zoo zeido Martha dan tot Jezus: Ileere! waart gij hier geweest, zoo ware mijn broeder niet gestorven; 22 Maar ook nu weet ik, dat alles, wat gij van God begeeron zult. God u het geven zal. 23 Jezus zeido tot haar: Uw broeder zal woder-opstaan. 24 Martha zeido tot hom: Ik weet, dat hij opstaan zal in de quot; opstanding ton laatston dage. a Dan. 12:2. Luk. 14: 14. Joh. 5:29. |
JOHANNES 11.
955
|
25 Jezus zoido tot haar: quot;Ik bon do opstanding on hot loven; ''dio in mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven; «Joh. 1 ; 4. 5:24. 14: (5. 6 Joh. 3 : 10, 30. 0 : 47. 1 Joh. 5 ; 10. 26 quot; En oen iegelijk, die looft, en in mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat? «Joh. 6:51. 27 Zij zeide tot hom: Ja Hooro! quot; ik heb geloofd, dat gij zijt do Christus, de Zone Gods, die in do wereld komen zou. a Matt. 10: 10. Mark. 8:29. Luk. 9:20. Joh. 0:09. 28 En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria , hare zuster, heimelijk, zeggende: De Meester is daar, en hij roept u. 29 Dezo, als zij dat hoorde, stond haastelijk op, en ging tot hem. 30 (Jezus nu was nog in hot vlok niet gekomen, maar was in de plaats, waar hom Martha to go-moet gekomen was.) 31 De Joden dan, die met haar in het huis waren, on haar vertroostten, ziende Maria, dat zij haastelijk opstond en uitging , volgden haar, zeggende : Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar weene. 32 Maria dan, als zij kwam, waar Jezus was, on hom zag, viel aan zijne voeten, zeggende tot hem: Ileere! indien gij hier geweest waart, zoo ware mijn broeder niet gestorven. 33 Jezus dan, als hij haar zag weenon, en de Joden, die met haar kwamen, ook weenen, werd zeer bewogen in don geest, on ontroerde zich zeiven; 34 En zeide: Waar hebt gij hom gelegd? Zij zeiden tot hem: Heere! kom en zie hot. 35 quot;Jezus woonde. a Luk. 19:41. 36 Do Joden dan zeiden: Ziet, hoe lief hij hem had! 37 En sommigen uit hen zeidon: Kon hij, quot; die de oogen des blinden geopend hooft, niet maken, dat ook dezo niet gestorven ware ? a Joh. 9 : 0. 38 Jezus dan wederom in zich zolven zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was uene spelonk, en oen steen was daarop gelegd. 39 Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster des gestorvenen, zeide tot hem : Heere! hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar 'I degen. |
40 Jezus zeide tot haar: Heb ik u niet gezegd, dat, zoo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult? 41 Zij namen dan don steen weg, waar do gestorvene lag. En Jezus hief de oogen opwaarts, en zeide: Vader! ik dank U, dat Gij mij gehoord hebt. 42 Doch ik wist, dat Gij mij altijd hoort; quot; maar om der schare wil, die rondom staat, heb ik dit gezegd, opdat zij zouden golooven, dat Gij mij gezonden hebt. «Joh. 12:30. 43 En als hij dit gezegd had, riep hij mot groote stemme: Lazarus, kom uit! 44 En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdookon, en zijn aan-gezigt was omwonden quot;mot oenen zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hom, en laat hem heengaan. «Joh. 20:7. 45 Velen dan uit de Joden , die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden, hetgeen Jezus gedaan had, geloofden in hem. 46 Maar sommigen van hen gingen tot de fari-zoön, on zeidon tot hen, hetgeen Jezus gedaan had. 47 quot; De overpriesters dan en de farizoën vergaderdon don raad, en zeidon : 6 wat zullen wij doen? want deze mensch doet vele toekenon. «Ps. 2:2. Matt. 20:3. Mark. 14: 1. Luk. 22:2. Hand. 4:27. h Joh. 12: 19. 48 Indien wij hem alzoo laten geworden, zij zullen allen in heui golooven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen beide onze plaats en volk. 49 En een uit hen, namelijk Kajafas, die dos-zelven jaars hoogepriester was, zeide tot hen: Gij verstaat niets; 50 En gij overlegt niet, quot; dat hot ons nut is, dat een mensch sterve voor het volk, en het gehoele volk niet verloren ga. a Joh. 18:14. 51 En dit zeide hij niet uit zich zeiven; maar, zijnde hoogepriester deszelven jaars, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk; 52 En niet alleen voor dat volk, maar opdat hij ook de kindoren Gods, die verstrooid waren, quot;tot oen zou vergaderen. « Efez. 2:14, 15, 10. 53 Van dien dag dan af raadslaagden zij te zaraen, dat zij hem dooden zouden. 54 Jezus dan wandelde uiet meer vrijelijk onder |
JOHANNES 11, 12.
056
|
do Joden; maar ging van daar naar hot land bij de woestijn, naar de stad, genaamd Efraïm, en verkeerde aldaar mot zijne discipelen. 55 En het pascha dor Joden was nabij, on volon uit dat land gingen op naar Jorüzalom, voor hot pascha, opdat zij zich zeiven reinigden. 56 quot; Zij zochten dan Jezus, en zeiden onder elkander, staande in den tompol: Wat dunkt u ? dunkt u, dat hij niet komen zal tot liet feest? a Joh. 7:11. 57 De overpriostors nu en do farizeën haddon een gebod gegeven, dat, zoo iemand wist, waar hij was, hij het zou te kennen geven, opdat zij hem mogton vangen. HOOFDSTUK 12. Christus te Bethaniö met Lazarus aan tafel zittende, vs. 1; wordt door Maria gezalfd, 3; Judas berispt, 4; maar Christus verdedigt haar, 7. Velo Joden komen om Lazarus to zien, 9; waarom do overpriostors hem ook zoekon tc dooden, 10. Christus rijdt naar Jeruzalem op oenen ezel, on wordt door do schare met blijdschap en gelukwensching als de koning Israels ontvangen, 12. Eonige Grieken be-geeron Jezus to zien en sproken Fiiippus daarover aan, 20; waaruit Christus oorzaak neemt, te handelen over de vrucht zijns doods, door de gelijkenis van een tarwegraan, 23. Wordt in zijne ziel ontroerd, bidt zijnen Vader en wordt door eonc stem uit den hemel verheerlijkt, 27. Onderligt do schare weder van de vrucht en wijze zijns doods, on vermaant hen, om in zijn licht te wandelen, 29. Do Joden blijven verhard, gelijk door Jesaja was voorzegd, 37. Velen van hen gelooven in hem; maar durven hem niet belijden, 42. Hij vermaant weder tot geloof en tot belijdenis zijns naams, 44. .JEZUS quot; dan kwam zes dagen voor hot pascha to Bethanië, daar Lazarus was, die gestorven was geweest, welken hij opgewekt had uit de dooden. a Matt. 26 : (i. Mark. 14 : 3. Luk.7 : 37. Joh. 11:2. 2 Zij bereidden hem dan aldaar een avondmaal, on Martha diende; en Lazarus was een van degenen, die met hem aanzaten. 15 Maria dan, genomen hebbende eon pond zalf van onvorvalschten zeer kostolijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met hare haren zijne voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van den reuk dor zalf. 4 Zoo zoide dan con van zijne discipelen, namelijk Judas, Simons zoon, Iskariot, die hem verraden zou: 5 quot; Waarom is deze zalf niot verkocht voor drie honderd penningen, en don armon gegeven ? a Mark. 14 : 5. (i Eu dit zeide Iiij, niet omdat hij bezorgd was voor do armon, maar omdat hij een dief was, n en de beurs had, en droeg hetgeen gegeven werd. «Joh. 13:29. 7 Jezus dan zoido: Laat af van haar; zij hooft dit bewaard tegen quot; don dag mijner begrafenis. a Mark. 14:8. 8 Want de quot;armen hebt gijlieden altijd met u, maar mij hebt gij niot altijd. a Dout. 15:11. Matt. 26:11. Mark. 14:7. |
9 Eeno groote schare dan dor Joden verstond, dat hij aldaar was; en zij kwamen, niot alleen om Jezus wil, maar opdat zij ook Lazarus zouden zien, quot; dien hij uit do dooden opgewekt had. a Joh. 11 : 44. 10 En de overpriostors beraadslaagden, dat zij ook Lazarus dooden zouden. 11 Want volon van de Joden gingen hoen om zijnentwil, en geloofden in Jezus. 12 quot; Dos andoren daags, eeno groote schare, die tot het foost gekomen was, hoorendo, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, a Matt. 21:8. Mark. 11:8. Luk. 19:36. 13 Namon do takken van palmboomen, en gingen uit hem te gomoet, en riepen: Hosanna! quot; Gezegend is hij, die komt in don naam des Hoeren, hij die is de Koning Israels! ci Ps. 118:26. 14 En Jezus vond eonen jongen ezel, en zat daarop; gelijk geschreven is: 15 quot; Vrees niot, gij dochter Zion! zie, uw Koning komt, zittende op hot veulen oenor ezelin. «Jos. 62:11. Zach. 9:9. Matt. 21:5. 16 Doch dit verstonden zijne discipelen in hot eerst niet; maar als Jozus verheerlijkt was, toen worden zij indachtig, dat dit van hom geschreven was, en dat zij hom dit gedaan hadden. 17 De schare dan, die met hom was, getuigde, dat hij Lazarus uit het graf geroepen, en hem uit do doodon opgewekt had. 18 Daarom ging ook de schare hom to geinoot, overmits zij gehoord had, dat hij dat toeken gedaan had. 19 De farizeën dan zeiden onder elkander: quot; Ziet gij wel, dat gij gansch niot vordert? ziet, do geheele wereld gaat hom na. «Joh. 11:47. 20 En or waren sommige Grieken uit dogenen, quot; die opgekomen waren, opdat zij op hot feest zouden aanbidden; a Hand. 8 : 27. 21 Deze dan gingen tot Fiiippus, « die van Beth-saïda in Galiléa was, en baden hem, zeggende: Heore! wij wildon Jozus wel zien. «Job. 1:45. 22 Fiiippus kwam en zoide het Andreas; on Andreas en Fiiippus wederom zeidon het Jezus. 23 Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: Do ure is gekomen, quot; dat de Zoon dos menschon zal verheerlijkt worden. a Joh. 13:32. 17:1. 24 Voorwaar, voorwaar zeg ik u: quot;indien hot tarwegraan in de aarde niot valt, en sterft, zoo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zoo brengt het voel vrucht voort. a\ Cor. ir):36. 25 quot;Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn loven haat in dozo wereld, zal hetzelve bewaren tot hot eeuwige leven. a Matt. 10 : 39. 16 : 25. Mark. 8 : 35. Luk. 9 : 24. 17 : 33. 26 Zoo iemand mij dient, die volge mij; en quot;waar ik bon, aldaar zal ook mijn dienaar zijn. En zoo iemand mij dient, de Vader zal hem eeren. a Joh. 14:3. 17 : 24. 27 Nu quot;is mijne ziel ontroerd; en wat zal ik |
JOHANNES 12, 13.
957
|
zeggen? Vader, verlos mij uit deze ure! Maar hierom ben ik in deze ure gekomen. a Matt. 26:37, 38, 39. Mark. 14:34. Luk. 22:44. 28 Vader! verheerlijk uwen naam! Er kwam dan eene stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem wederom verheerlijken. 29 De schare dan, die daar stond, en dit hoorde, zeide, dat er een donderslag geschied was. Anderen zeiden : Een engel heeft tot hem gesproken. 30 Jezus antwoordde en zeide; quot; Niet om mijnentwil is deze stem geschied, maar om uwentwil. «Joh. 11 : 42. 31 a Nu is het oordeel dezer wereld; b nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden. a.loli. 10:11. Efoz. 2:2. 6Joh. 14:30. Col. 2:15. 32 quot; En ik, zoo wanneer ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot mij trekken. a Num. 21 : 9. 2 Kon. 18 : 4. Joh. 3: 14. 8:28. 33 (En dit zeide hij, beteekenen-de, hoedanigen dood hij sterven zou.) 34 Do schare antwoorddehem: Wij hebben uit de wet gehoord, quot; dat de Christus blijft in der eeuwigheid; en hoe zegt gij, dat de Zoon des men-schen moet verhoogd worden ? Wie is deze Zoon des menschen? a 2 Sain. 7 : 16. 1 Kron. 22:10. Ps. 45:7. 89:37. 110:4. Jes. 9:5. Jer. 23:6. Ezec. 37:26. Dan. 2:44. 7:14, 27. Micha4: 7. Hebr. 1:8. 35 Jezus dan zeide tot hen: Nog een' kleinen tijd quot;is het licht bij ulieden; ''wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet be-vange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat. aJoh. 1:9. 8:12.9:5.12:46. /;Jer. 13:10. Efez. 5:8. 1 Thess. 5:4. 36 Terwijl gij het licht hebt, gelooft in het licht, opdat gij kinderen des lichts moogt zijn. Deze dingen sprak Jezus; en weggaande verbergde hij zich van hen. 37 En hoewel hij zoo vele teekenen voor hen gedaan had, nogtans geloofden zij in hem niet; 38 Opdat het woord van Jesaja, den profeet, vervuld word, dat hij gesproken heeft: a Ileere! wie heeft onze prediking geloofd ? en wien is de arm des Heeren geopenbaard? aJes.53:l.Rom.l0:16. 39 Daarom konden zij niet gelooven, dewijl 'esaja wederom gezegd heeft: |
40 quot; Hij heeft hunne oogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de oogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze. «Jos. 6:9. Ezec. 12:2. Matt. 13:14. Mark. 4:12. Luk. 8:10. Hand. 28:26. Hom. 11 :8. 41 quot;Dit zeide Jesaja, toen hij zijne heerlijkheid zag, en van Hem sprak. aJes. 6:1. 42 quot; Nogtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in hem; maar om der farizeën wil beleden zij het niet, h opdat zij uit de synagoge niet zouden geworpen worden. a Joh. 7:13, 48. b Joh. 9 : 22. 43 quot;Want zij hadden de eer der menschen lief, meer dan de eer van God. a Joh. 5 : 44. 44 En Jezus riep, en zeide: Die in mij gelooft, gelooft in mij niet, maar in dengenen, die mij gezonden heeft. 45 quot; En die mij ziet, die ziet dengenen, die mij gezonden heeft. « Joh. 10:30. 14:9. 46 quot; Ik ben een licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in mij gelooft, in de duisternis niet blijve. a Jos. 42 : 6. 49 : 6. Joh. 1:9. 8:12. 9:5, 12:35. Hand. 13:47. 47 En indien iemand mijne woorden gehoord , en niet geloofd zal hebben, ik oordeel hem niet: quot;want ik ben niet gekomen, opdat ik de wereld oor-deele, maar opdat ik de wereld zalig make. o Joh. 3:17. 9 : 39. 48 quot; Die mij verwerpt, en mijne woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt; ''het woord, dat ik gesproken heb, dat zal hem oordeelen ten laatsten dage. a Joh. 3:18. 8:24. ft Mark. 16:16. 49 quot; Want ik heb uit mij zeiven niet gesproken; maar de Vader, die mij gezonden heeft, die heeft mij een gebod gegeven, wat ik zeggen zal, en wat ik spreken zal. «Doiit. 18:18. Joh. 3 : 11. 5 : 20. 7 : 16. 8 : 28. 14 : 10, 24. 16 : 13. 50 En ik weet, dat zijn gebod hot eeuwige leven is. Hetgeen ik dan spreek, dat spreek ik alzoo, gelijk mij de Vader gezegd heeft. HOOFDSTUK 13. Christus van hot avondmaal opstaande, omgordt zich en wascht do voeten zijner discipelen, vs. 1; het-wolli Petrus in het oorst weigert, doch daarna toe- |
JOHANNES 13.
958
|
laat, (gt;. Christus vermaant hom dit voorbeeld zijner nederigheid en dienstvaardigheid na te volgen, 12. Voorzegt dat oen van hen hem zou verraden, waartegen hij zijne discipelen vertroost, 18; en geeft aan Johannes te kennen, met hot geven van eene ingedoopte bete, dat het Judas was, '22; die, nadat de duivel in hom was gevaren, uitgaat, 27. Christus spreekt daarna met zijne andere discipelen van zijne verheerlijking, 31; en vermaant hou tot onderlinge liefde, 34. Petrus wil zijn leven voor hem zetten, maar Christus voorzegt hem, dat hij hem driemaal zal verloochenen, 37. EN voor quot; het feest van het pascha, Jezus, wetende, dat zijne ure gekomen was, dat hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzoo hij de zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zoo heeft hij hen liefgehad tot liet einde. a Matt. 26:2. Mark. 14: 1. Luk. 22: 1. 2 En als het avondmaal gedaan was, quot; (toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskariot, gegeven had, dat hij hem verraden zou) a Luk. 22:3. Joh. 13:27. 3 Jezus, wetende, quot; dat de Vader hem allo dingen in de handen gegeven had, ''en dat hij van God uitgegaan was, en tot God heenging, a Matt. 11:27. Joh. 3:35. 6 Joh. 1G : 28. 4 Stond op van hot avondmaal, en lelde zijne kleederen af, en nemende eenen linnen doek, omgordde zich zeiven. 5 Daarna goot hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wasschen, en af te droogen met den linnen doek, waarmede hij omgord was. (I Hij dan kwam tot Simon Petrus; en die zeide tot hem : Ileere ! quot; zult gij mij de voeten wasschen ? a Matt. 3 ; 14. 7 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan. 8 Petrus zeide tot hem: Gij zult mijne voeten niet wasschen in der eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Indien ik u niet wassche, gij hebt geen deel met mij. 9 Simon Petrus zeide lot hem : Heere! niet alleen mijne voeten, maar ook de handen en het hoofd. 10 Jezus zeide tot hem: Die gewasschen is, heeft niet van noode, dan de voeten te wasschen, maar is geheel rein. «En gijlieden zij t rein, doch niet allen. a Joh. 15:3. 11 quot;Want hij wist, wie hem verraden zou; daarom zeide hij: Gij zijt niet allen rein. a Joh. 0 : 04. 12 Als hij dan hunne voeten gewasschen, en zijne kleederen genomen had, zat hij wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij, wat ik ulie-den gedaan heb? 13 quot;Gij heet mij Meester en Heere; en gij zegt wel, want ik ben het. a Matt. 23:8, 10. 1 Cor. 8:0. 12:3. Filipp. 2:11. 14 Indien dan ik, de Heere en de Meester, uwe voeten gewasschen heb, quot; zoo zijt gij ook schuldig, elkanders voeten te wasschen. a Cal. 0:1, 2. |
15 quot; Want ik heb u oen voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs ik u gedaan heb, gijlieden ook doet. ra 1 Potr. 2:21. 1 Joh. 2:0. 10 Voorwaar, voorwaar zeg ik u: quot;een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder, dan die hem gezonden heeft. a Matt. 10:24. Luk. 0:40. Joh. 15:20. 17 Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zoo gij dezelve doet. 18 Ik zeg niet van u allen; ik weet, welke ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: quot; Die met mij het brood eet, heeft tegen mij zijne verzenen opgeheven. a Ps. 41 : 10. Matt. 20: 23. 1 Joh. 2:1!). 19 quot; Van nu zeg ik het ulieden, eer het geschied is, opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij ge-looven moogt, dat ik het ben. a Joh. 14:20. 10:4, 20 Voorwaar, voorwaar zeg ik u: quot; zoo ik iemand zende, wie dien ontvangt, die ontvangt mij, en wie mij ontvangt, die ontvangt Hem, die mij gezonden heeft. a Matt. 10:40. Luk. 10:10. 21 quot;Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde, en zeide: Voorwaar, voorwaar ik zeg u, dat een van ulieden mij zal verraden. a Matt. 20:21. Mark. 14: 18. Luk. 22:21. Hand. 1:17. 1 Joh. 2:19. 22 De discipelen dan zagen op elkander, twijfelende, van wien hij dat zeide. 23 quot; En een van zijne discipelen was aanzittende in den schoot van Jezus, welken Jezus liefhad. a Joh. 20 : 2. 21 : 7, 20. 24 Simon Petrus dan wenkte dezen, dat hij vragen zou, wie hij toch ware, van welken hij dit zeide. 25 En deze, vallende op de borst van Jezus, zeide tot hem: Heere! wie is het ? 20 Jezus antwoordde: Deze is het, dien ik de bete, als ik zo ingedoopt heb, geven zal. En als hij de bete ingedoopt liad, gaf hij ze Judas, Simons zoon, Iskariot. 27 En na de bete, toen voer de Satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doet, doe het haastelijk. 28 En dit verstond niemand dergenen, die aanzaten , waartoe hij hem dat zeide. 29 Want sommigen meenden, quot; dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus zeide: Koop hetgeen wij van noode hebben tot het feest; of, dat hij den armen wat geven zou. a Joh. 12:0. 30 Hij dan, de bete genomen hebbende, ging terstond uit. En hot was nacht. 31 Als iiij dan uitgegaan was, zeide Jezus: Nu is de Zoon des menschen verheerlijkt, en God is in hem verheerlijkt. 32 Indien God in hem verheerlijkt is, zoo zal ook God hem verheerlijken in zich zeiven, quot;en Hij zal hem terstond verheerlijken. a Joh. 12:23. 17: 1. 33 Kinderkens! nog eenen kleinen tijd ben ik bij u. quot; Gij zult mij zoeken, en gelijk ik den Joden |
JOHANNES 13, 14.
959
|
gezegd liob; Waar ik heenga , kunt gij niet komen; alzoo zeg ik ulieden nu ook. rtJoh. 7:34. 8:21. 34 quot; Een nieuw gebod geef ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt. n Lev. 19 : 18 Matt. 22 : 39. Joh. 15 : 12. Efoz. 5 : 2. 1 Thess. 4:9. 1 Potr. 4:8. 1 Joh. 8:23. 4:21. 35 quot; Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkander. a 1 Joh. 2 : 5. 4 : 20. 3G Simon Petrus zeide tot hem: Heere! waar gaat gij heen? Jezus antwoordde hem: Waar ik heenga, kunt gij mij nu niet volgen; a maar gij zult mij namaals volgen. n Joh. 21: 18. 2 Petr. 1:14. 37 Petrus zeide tot hem: Heere! waarom kan ik u nu niet volgen? a Ik zal mijn leven voor u zetten. a Matt. 26:33. Mark. 14:29. Luk. 22:33. 38 Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor mij zetten? quot; Voorwaar, voorwaar zeg ik u: de haan zal niet kraaijen, totdat gij mij driemaal verloochend zult hebben. a Matt. 26:34. Mark. 14:30. Luk. 22:34. HOOFDSTUK 14. Christus vertroost zijne discipelen over zijn weggaan tot den Vader, dewijl hij ging, om hun woonplaats te bereiden in zijns Vaders huis, vs. 1. Verklaart aan Thomas, dat hij de weg, de waarheid, en het leven is, 5; en aan Filippus, dat dio hem ziet, den Vader ziet, 7. Belooft hun, dat zij groote wonderwerken zullen doen, en verkrijgen, al wat zij in zijnen naam zullen bidden, 12; dat zij don Trooster, â den Heiligen Geest, zullen ontvangen, 10; en geene weezen gelaten worden, 18. Vermaant hen tot zijne liefde en tot gehoorzaamheid zijner geboden, met belofte van zijne en des Vaders bijwoning, 21; en dat de H. Geest hun alles zal indachtig maken, 26. Laat hun zijnen vrede, 27. Verklaart dat zij zich behooren te verblijden, omdat hij tot den Vader gaat, 28. Toont zijne gewilligheid om den Vader ook in hot lijden te gehoorzamen, 30. UW hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in mij. 2 In het huis mijns Vaders zijn vele woningen; anderzins zou ik het u gezegd hebben; ik ga heen om u plaats te bereiden. 3 En zoo wanneer ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zoo kome ik weder, en zal u tot mij nemen, quot;opdat gij ook zijn inoogt, waar ik ben. «Joh, 12:20. 17:24. 4 En waar ik heenga, weet gij, en den weg weet gij. 5 Thomas zeide tot hem: Heere! wij weten niet, waar gij heengaat; en hoe kunnen wij den weg weten ? 6 Jezus zeide tot hem: quot; Ik ben de weg, h en de waarheid, c en het leven. '' Niemand komt tot den Vader, dan door mij. « Hebr. 9:8. b Joh. 1 : 17. cJoh. 1 :4. 11:25. d Joh. 10:9. 7 Indien gijlieden mij gekend hadt, zoo zoudt yij ook mijnen Vader gekend hebben; en van nu kent gij Hem, en hebt Hem gezien. |
8 Filippus zeide tot hem: Heere! toon ons don Vader, en het is ons genoeg. 9 Jezus zeide tot hem: Ben ik zoo langen tijd met ulieden, en hebt gij mij niet gekend, Filippus? quot;Die mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons den Vader? «Joh. 10:30. 10 Gelooft gij niet, quot;dat ik in don Vader hen, en de Vader in mij is? ''De woorden, die ik tot ulieden spreek, spreek ik van mij zeiven niet, ''maar do Vader, die in mij blijft, dezelve doet de werken. a Joh. 10:38. Joh. 7:10. 8:28. 10:38. 12:49. 14:24. 10:13. 17:21. cJoh. 5:17. 11 Gelooft mij, dat ik in den Vader ben, en de Vader in mij is; en indien niet, zoo gelooft mij om de werken zelve. 12 quot; Voorwaar, voorwaar zeg ik ulieden: die in mij gelooft, de werken, die ik doe, zal hij ook doen, en zal meer doen, dan deze: want ik ga heen tot mijnen Vader. a Matt. 21 : 21. Luk. 17:0. Hand. 5:12. 19: 11. 13 quot; En zoo wat gij begeeren zult in mijnen naam, dat zal ik doen; opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde. a Jer. 29:12. Matt. 7:7. 21:22. Mark. 11:24. Luk.11:9. Joh. 15:7. 10:24. Jakob. 1 : 5. 1 Joh. 3:22. 14 Zoo gij iets begeeren zult in mijnen naam, ik zal het doen. 15 quot;Indien gij mij liefhebt, zoo bewaart mijne geboden. «Joh. 14:21, 23. 15:10. 1 Joh. 5:3. 16 En ik zal den Vader bidden, en Hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; 17 Namelijk den Geest der waarheid, welken de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hom niet, en kent Hom niet; maar gij kent Hem, want hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn. 18 quot; Ik zal u geene weezen laten; ik kome weder tot u. « Matt. 28:20. 19 Nog eenen kleinen tijd, en de wereld zal mij niet meer zien; maar gij zult mij zien: want ik leef, en gij zult leven. 20 In dien dag zult gij bekennen, dat ik in mijnen Vader hen, en gij in mij, en ik in u. 21 Die mijne geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die mij liefheeft; en die mij liefheeft, zal van mijnen Vader geliefd worden; en ik zal hem liefhebben, en ik zal mij zeiven aan hem openbaren. 22 Judas, niet de Iskariot, zeide tot hem: Heere! wat is het, dat gij u zeiven aan ons zult openbaren , en niet aan de wereld ? 23 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zoo iemand mij liefheeft, die zal mijn woord bewaren; en mijn Vader zal hem liefhebbon, en wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. 24 Die mij niet liefheeft, die bewaart mijne woorden niet; quot; en het woord, dat gijlieden hoort, is het mijne niet, maar des Vaders, die mij gezonden heeft. «Joh. 7 : Ui. 8:28. 12:49. 14:10. 16:13. |
|
960 25 Deze dingen hob ik tot u gesproken, bij u blijvende. 2() quot;Maar de Trooster, de Heilige Geest, welken de Vader zonden zal in mijnen naam, ''die zal u alles loeren, en zal u indachtig maken alles, wat ik u gezegd heb. a Luk. 24:49. Joh. 15:26. 16:7. Hand. 2 : 4. h Joh. 16 :13. 27 quot;Vrede laat ik u, mijnen vrede goef ik u: niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef ik hem ii. Uw hart worde niet ontroerd en zijt niet versaagd. n Filipp. 4 : 7. 28 quot; Gij hebt gehoord, dat ik tot u gezegd heb: Ik ga heen, en kom weder tot u. Indien gij mij liefhadt, zoo zoudt gij n verblijden, omdat ik gezegd heb : Ik ga hoen tot den Vader; want mijn Vader is meerder dan ik. a Joh. 14:3. 2!) En nu heb ik hot u gezegd, oer het geschied is; quot;opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij gelooven moogt. dJoh. 13:19. 16: 4. 30 Ik zal niet meer veel mot u spreken: quot; want de overste dezer wereld komt, on hoeft aan mij niets. a Joh. 12:31. 16:11. Efoz. 2:2. 31 Maar opdat de wereld weto, dat ik don Vader liefheb, en alzoo doe, gelijkerwijs mij de Vader quot;geboden heeft. Staat op, laat ons van hier gaan. a Joh. 10:18. Hebr. 10:5. HOOFDSTUK 15. Christus vergelijkt zich zelvon bij eenen wijnstok, en zijne discipelen bij do ranken, die in hem lilijvendo, door hom vele vruchten voortbrengen, vs. 1. lietiiigt zijne bijzondere liofdo tot hen, en vermaant hen tot onderhouding zijner geboden en onderlinge liefde, 6; zijne liefde betoont hij daarin, dat hij zijn loven voor hen stelt, 13; en hen zijne vrienden en uitverkorenen noemt, 14. Troost hen tegen den haat der wereld met zijn oigon voorbeeld, 18. Toont dat door zijn woord en werken den Joden alle voorwendsel van onschuld benomen is, 22; en dat de H. Geest en zijne apostelen van hem zullen getuigen, 26. IK ben de ware wijnstok, cn mijn Vader is de landman. 2 quot;Allo rank, die in mij geene vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage. a Matt. 15 : 13. 3 quot;Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat ik tot u gesproken heb. a Joh. 13:10. 4 Blijft in mij, en ik in u. Gelijkerwijs de rank geene vrucht kan dragen van zich zelve, zoo zij niet in den wijnstok blijft; alzoo ook gij niet, zoo gij in mij niet blijft. 5 Ik ben de wijnstok , en gij de ranken ; die in mij blijft, en ik in hem, die draagt voel vrucht: want zonder mij kunt gij niets doen, G quot; Zoo iemand in mij niet blijft, ''die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand, a Ezec, 15 : 2, enz. h Matt. 3 : 10. 7:10. Col. 1 : 23, 7 Indien gij in mij blijft, en mijne woorden in |
u blijven, quot;zoo wat gij wilt, zult gij begeoren, en het zal u geschieden. a Jer. 29:12. Matt. 7:7, 21:22. Mark. 11:24. Luk, 11:9, Joh. 14 : 13. 16 : 24. Jakob. 1 : 5, 1 Joh, 3 : 22. 5:14, 8 Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; on gij zult mijne discipelen zijn. 9 Gelijkerwijs de Vader mij liefgehad heeft, heb ik ook u liefgehad; blijft in deze mijne liefde, 10 quot; Indien gij mijne geboden bewaart, zoo zult gij in mijne liefde blijven; gelijkerwijs ik do geboden mijns Vaders bewaard heb , en blijf in zijne liefde. «Joh. 14: 15, 21, 23, 1 Joh, 5:3, 11 Deze dingen hob ik tot u gesproken, opdat mijne blijdschap in u blijve, en uwe blijdschap vervuld worde, 12 quot;Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhobt, gelijkerwijs ik u liefgehad heb, a Lev. 19 : 18. Matt. 22 : 39, Joh. 13 : 34. Efez, 5 : 2, 1 ïhess. 4:9. I Petr. 4:8. 1 Joh. 3:23. 4:21. 13 quot; Niemand heeft meer liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijne vrienden, a Kom. 5:7, Efoz. 5:2. 1 Joh. 3:16. 14 quot; Gij zijt mijne vrienden, zoo gij doet wat ik u gebiede, «Matt. 12:50, 2 Cor. 5:16. Gal, 5:6. 6: 15, Col, 3:11. 15 Ik heet u niet meer dienstknechten: want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd: quot; want al wat ik van mijnen Vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt, o Joh. 8: 26, 16 quot; Gij hebt mij niet uitverkoren, maar ik heb u uitverkoren, en ik heb u gesteld, b dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uwe vrucht blijve; opdat, zoo wat gij van don Vader begee-ren zult in mijnen naam, Hij u dat geve. a Joh. 13 : 18. Efez. 1 : 4, h Matt, 28 : 19. Mark, 16 : 15, Col. 1 : 0, 17 Dit gebied ik u, opdat gij elkander liefhobt. 18 quot; Indien u de wereld haat, zoo weet, dat zij mij eer dan u gehaat heeft, a 1 Joh, 3: 13, 19 quot; Indien gij van de wereld waart, zoo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld, a Joh, 17 : 14. Gal. 1 : 10. 20 Gedenkt dos woords, dat ik u gezegd heb: quot; Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. ''Indien zij mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren, a Matt. 10:24. Luk. 6:40. Joh. 13:16. 6 Malt, 24:9, Joh. 16:2. 21 quot; Maar al deze dingen zullen zij doen om mijns naams wil, omdat zij Hem niet kennen, die mij gezonden heeft. a Matt. 10 : 22. Joh, 16 : 3, 22 quot; Indien ik niet gekomen ware en tot hen gesproken had, zij haddon geene zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hunne zonde. a Rora. 4 : 15. 5 : 20, 23 Die mij haat, die haat ook mijnen Vader, 24 quot; Indien ik do werken onder hen niet bad JOHANNES 14, 15, |
JOHANNES 15, 16.
|
gedaan, die niemand anders gedaan hooft, zij haddon geeno zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beiden mij en mijnen Vader gehaat. «Joh. 10:37. 25 Maar dit geschiedt, opdat liet woord vervuld worde, dat in hunne wet goschrevon is: quot; Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat. aPs. .45: Ifl. 69:5. 26 quot; Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, ''dien ik u zenden zal van don Vader, namelijk do (leest der waarheid, die van den Vader uitgaat, die zal van mij getuigen. a Joh. 14:20. 16:7. Hund. 5:32. ft Luk. 24:49. 27 quot;En gij zult ook getuigen, want gij zijt van don beginne met mij geweest. a Hand. 1:8, 21. 5:32. HOOFDSTUK 16. Christus voorzegt zijnen discipelen, dat zij zullen vervolgd worden, vs. 1 ; troost hon met de belofte dos H. Goostoa, die de wereld zal overtuigen van zonde, goregtigheid on oordeel, 5; en hen in alle waarheid leiden, 12. Verklaart hun, dat hij weldra van hen weggenomen, doch daarna weder eenen kleinen tijd zal gezien worden, 10; en dat hunne droefheid in blijdschap zal veranderd worden, 20. Vermaant hen, te bidden in zijnen naam, met. belofte van verhoord to zullen worden, 23; en verklaart vrij uit, zonder gelijkénis, dat hij do wereld verlaat, 28; hetwelk de discipelen verstaande, in hun geloof versterkt, 29. Hij waarschuwt hen, dat zij verstrooid zullen worden en belooft hun zijnon vrede, 31. DEZE dingen heb ik tot u gesproken, opdat gij niet geërgerd wordt. 2 quot; Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja de ure komt, dat een iegelijk, die u zal dooden, zal moenen Gode eene dienst te doen. a Joh. 9:22, 34. 12:42. 3 quot; En deze dingen zullen zij u doen, omdat zij den Vader niet gekend hebben, noch mij. a Joh. 15 : 21. 1 Oor. 2 : 8, 4 quot; Maar deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat, wanneer de ure zal gekomen zijn, gij dezelve moogt gedenken, dat ik ze u gezegd heb; doch doze dingen heb ik u van het begin niet gezegd, omdat ik bij uliedon was. a Joh. 13 : 19. 14:29. 5 En nu ga ik heen tot dengene, die mij gezonden heeft, en niemand van n vraagt mij: Waalraat gij henen ? 6 Maar omdat ik deze dingen tot u gesproken hob, zoo heeft de droefheid uw hart vervuld. 7 Doch ik zeg u de waarheid: het is u nut, dat ik wegga: want indien ik niet wegga, zoo zal de Trooster tot u niet komen; quot; maar indien ik heenga, zoo zal ik Hem tot u zenden. «Luk. 24:49. Joh. 14:26. 15:26. 8 En die gekomen zijnde, zal de wereld over-lnigen van zonde, en van geregtigheid, en van oordeel: 9 Van zonde, omdat zij in mij niet gelooven; 10 En van geregtigheid, omdat ik tot mijnon Vader heenga, en gij zult mij niet meer zien; |
11 En van oordeel, quot;omdat de overste dezer wereld geoordeeld is. aJoh. 12:31. 14:30. Efoz. 2:2. Col. 2:15. 12 Nog vele dingen heb ik u to zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen. 13 Maar wanneer die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, quot; Hij zal u in al de waarheid leiden: ''want Hij zal van zich zeiven niet spreken, maar zoo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij sproken, en do toekomende dingen zal Hij n verkondigen. a Joh. 14:26. ft Joh. 12:49. 14 Die zal mij verheerlijken; want Hij zal het uit het mijne nemen, on zal het u verkondigen. 15 quot; Al wat do Vader heeft, is bot mijne; daarom heb ik gezegd, dat Hij het uit bot mijne zal nemen, on u verkondigen. aJoh. 17:10. 10 quot; Eenen kleinen tijd, en ^ij zult mij niet zien; en wederom oenen kleinen tijd, en gij zult mij zien: want ik ga heen tot den Vader. «Joh. 7:33. 17 Sommigen dan uit zijne discipelen zeiden tot elkander: Wat is dit, dat hij tot ons zegt: Eenen kleinen tijd, en gij zult mij niet zien; en wederom eenen kleinen tijd, en gij zult mij zien; en: Want ik ga heen tot don Vader ? 18 Zij zeiden dan: Wat is dit, dat hij zegt: Eenen kleinen tijd? wij weten niet, wat hij zegt. 19 Jezus dan bekende, dat zij hem wilden vragen , en zeide tot hen : Vraagt gij daarvan onder elkander, dat ik gezegd heb: Eenen kleinen tijd, en gij zult mij niet zien, en wederom oenen kleinen tijd, en gij zult mij zien? 20 Voorwaar, voorwaar ik zeg u, dat gij zult schreijen, en klagelijk weenen, maar do wereld zal zich verblijden; en gij zult bedroefd zijn, maar uwe droefheid zal tot blijdschap worden. 21 quot; Eene vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl bare ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard beeft, zoo gedenkt zij de benaauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mensch ter wereld geboren is. « Jos. 20 : 17. 22 En gij dan hebt nu wol droefheid; maar ik zal u wederom zien, quot; en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uwe blijdschap van u wegnemen. «Joh. 20:20. 23 En in dien dag zult gij mij niets vragen. quot;Voorwaar, voorwaar ik zog u: al wat gij den Vader zult bidden in mijnen naam, dat zal Hij u geven, a Jer. 29 : 12. Matt. 7 : 7. 21 : 22. Mark. 11 : 24. Luk. 11:9. Joh. 14:13.15:7. Jakob. 1:5.1 Joh. 3:22. 5:14. 24 Tot nog toe hebt gij niet gebeden in mijnon naam; bidt, en gij zult ontvangen, opdat uwe blijdschap vervuld zij. 25 Deze dingen heb ik door gelijkenissen tot u gesproken; maar de ure komt, dat ik niet meer door gelijkenissen tot u sproken zal, maar n vrij uit van den Vader zal verkondigen. 20 In dien dag zult gij in mijnon naam bidden; en ik zeg u niet, dat ik den Vader voor u bidden zal: Cl |
|
lt;)()2 27 Want do Vader zoiï heeft u lief, dewijl yij mij liefgehad liebt, quot;on hebt geloofd, dat ik van God ben uitgegaan. «Joh. 17:8. 28 quot;Ik ben van den Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat ik do wereld, en ga heen tot den Vader. «Joh. 13:.'!. 2!) Zijne discipelen zeiden tot hem: Zie, nu spreekt gij vrij uit, en zegt geene gelijkenis. :!(l Nu weten wij, quot;dat gij alle dingen weet, en gij hebt niet van noode, dat u iemand vrage. Hierom gelooven wij, dat gij van God uitgegaan zijt. « Joh. 21 :17. :il Jezus antwoordde hun: Gelooft gij nu? 32 quot;Ziet, do ure komt, en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden, een iegelijk naar het zijne, en gij mij alleen zult laten; ''en nocjtans ben ik niet alleen, want de Vader is met mij. «Zaeli. 13:7. Malt.26:31. Mark. 14:27. 6Joh.8:29.14:10. 33 Deze dingen heb ik tot u gesproken, quot; opdat gij in mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goeden moed, ik heb de wereld overwonnen. a Jes. 9 : 5. Joh. 14 : 27. Rom. 5:1. Efez. 2 : 13. Col. 1 : 20. HOOFDSTUK 17. Christus, als onze Hoogepriester, zich bereidende tot y.ijn lijden en sterven, bidt zijnen Vader, dat Hij hom verheerlijke, om het eeuwige leven te geven dengenen, die hom kennen, vs. 1. Verhaalt hoe ge-trouw cm met welk eono vreugde hij hot werk, dat hom was opgelegd, heeft volbragt, 4. Bidt voor zijne apostelen: (lat de Vader hen beware in conig-heid dor liefde, !); van den booze, 15; en heilige in zijne waarheid, 17. liidt ook voor allen, die door hun woord in hem zullen gelooven, 20; dat zij een mogen zijn, 21; en bij hom zijn, waar hij is, om zijne heerlijkheid te aanschouwen, 24. DIT hooft Jezus gesproken, en hij hief zijne oogon op naar den hemel, en zeide: Vader! quot;de ure is gekomen, verheerlijk uwen Zoon, opdat ook uw Zoon U verheerlijke. a Joh. 12:23. 1.3:32. 2 quot; Gelijkorwijs Gij hem magt gegeven bobt over allo vleesch, opdat al wat Gij hom gegeven hebt, hij hun het eeuwige loven geve. « Ps. 8:7. Matt. 11:27. 28:18. Luk. 10:22. Joh. 3 : 36. quot;gt;: 27. 1 Cor. 15 : 25. Filipp. 2 : 10. Ilebr. 2 : 8. 3 En quot; dit is het eeuwige loven, dat zij U kennen , den eenigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt. n Jes. 53 : 11. Jor. !): 23. 4 quot; Ik heb U verheerlijkt op do aarde; ''ik heb voleindigd het werk, dat Gij mij gegeven hebt om te doen; rlt; Joh. 13 : 32. 14 : 13. A Joh. 4 : 34. 19 : 30. 5 En nu verheerlijk mij. Gij Vader! bij U zel-von, met do heerlijkheid, quot;die ik bij U had, eer do wereld was. «Joh. 1 :1, 2. 10:30. 14:9. (! Ik heb uwen naam geopenbaard don mensehen, die Gij mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren uwe, en Gij hebt mij dezelve gegeven; en zij hebben uw woord bewaard. 7 Nu hebben zij bekend, dat alles, wat Gij mij gegeven hebt, van U is. |
8 Want de woorden, die Gij mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, quot; en zij hebben waarlijk bekend, dat ik van U uitgegaan bon, en hebben geloofd, dat Gij mij gezonden hebt. «Joh. 10:27. 9 Ik bid voor hen; ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij mij gegeven hebt, want zij zijn uwe. 10 En quot; al het mijne is uwe, on het uwe is mijne; en ik ben in hen verheerlijkt. «Joh. 1(3:15. 11 En ik ben niet meer in do wereld, maar deze zijn in de wereld, en ik kome tot U. Heilige Vader! bewaar ze in uwen naam, die Gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als wij. 12 quot; Toen ik mót hen in de wereld was, bewaarde ik ze in uwen naam. ''Die Gij mij gegeven hebt, hob ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan do zoon dor verderfenis, opdat ''de Schrift vervuld worde. « Joh. G : 39. 10 : 28. 18 : 9. h Jes. 8:18. Hebr. 2:13. c Ps. 109 : 8. 13 Maar nu kom ik tot U, en spreek dit in de wereld, opdat zij mijne blijdschap vervuld mogen hebben in zich zeiven. 14 Ik heb hun uw woord gegeven; a en do wereld hoeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als ik van de wereld niet ben. «Joh. 15:19. 15 Ik bid niet, dat Gij bon uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den booze. 16 Zij zijn niet van do wereld, gelijkorwijs ik van de wereld niet ben. 17 Heilig zo in uwe waarheid, quot;uw woord is de waarheid. «Joh. 8:40. 18 quot; Gelijkorwijs Gij mij gezonden bobt in do wereld, nlzoo heb ik ben ook in de wereld gezonden. «Joh. 20:21. 19 quot; En ik heilige mij zeiven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. n 1 Cor. 1 : 2, 30. 1 Thess. 4: 7. 20 En ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in mij gelooven zullen. 21 Opdat zij allen quot;één zijn, gelijkorwijs Gij, Vader! in mij, en ik in U, dat ook zij in ons één zijn; opdat de wereld geloove, dat Gij mij gezonden hebt. «Joh. 10:38. 14:11. Gal. 3:28, 22 En ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij mij gegeven hebt; opdat zij één zijn, gelijk als wij één zijn: 23 Ik in hen, en Gij in mij; opdat zij volmaakt zijn in één, on opdat do wereld bekenne, dat Gij mij gezonden hebt, en hen liefgehad bobt, golijk Gij mij liefgehad hebt. 24 quot;Vader! ik wil, dat waar ik bon, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt; opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij mij gegeven bobt, want Gij hebt mij liefgehad, voor do grondlegging der wereld. «Joh. 12 : 20. 14: 3. 25 Regtvaardigo Vader! âde wereld beeft U niet JOHANNES KJ, 17. |
r
JOHANNES 17, 18.
9f.3
|
gekend; maar ik heb U gekend, ''en deze hebben bekend, dat Gij mij gezonden hebt. «Joh. 15:21. l(i:;5. 6Joh. 1(!:27. 17:8. 26 En ik heb bun uwen naam bekend gemaakt, en zal hem bekendmaken; opdat do liefde, waarmede Gij mij liefgehad hebt, in ben zij, on ik in hen. HOOFDSTUK 18. Christus gaat mot zijno discipelen in ccn hof, vs. 1; alwaar Judas komt met de bende, om hom te vangen, 2; welke bende op Christus toespraak ter aarde valt, 4. Petrus houwt Malchus het oor af, waarover Christus hem bestraft, 10. Christus wordt gevangen genomen, en eerst tot Annas, daarna tot Kajafas gebragt, 13. Wordt door Petrus gevolgd cn daarna verloochend, 15; door Kajafas ondervraagd over zijne discipelen en loer, 19. Van een' dor dienaren geslagen, wolken hij daarover bestraft, 22. Wordt door Petrus nog tweemaal verloochend, 25. Voor Pilatus in het regthuis gebragt. die naar zijne beschuldiging vraagt en hem aan het oordeel der Joden wil overgeven, 28. Wordt door Pilatus onderzocht naar zijn koningrijk, hetwelk hij betuigt niet te zijn van deze wereld. 33. Pilatus verklaart hem onschuldig en wil hem loslaten, 38. Maar do Joden begooron Barabbas, 40. JEZUS, quot;dit gezegd hebbende, ging uit met zijne discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in wolken hij ging, en zijne discipelen. lt;i 2 Sam. 15 : 23. Matt. 2G: 36. Mark. 14:32. Luk. 22 : 39. 2 En Judas, die hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met zijne discipelen. 3 quot;Judas dan, genomen hebbende de bende krijgsknechten en eenige dienaars van de ovor-priesters en farizoën, kwam aldaar met lantaar-nen, en fakkelen, en wapenen. n Matt. 26 ; 47. Mark. 14: 43. Luk. 22 : 47. 4 Jezus dan, wetende alles, wat over hem komen zou, ging uit, en zeide tot hen: Wien zoekt gij? 5 Zij antwoordden hem: Jezus den Nazaréner. Jezus zeide tot bon: Ik ben bet. En Judas, die hem verried, stond ook bij hen. 6 Als hij dan tot hen zeide: Ik ben het; gingen zij achterwaarts, on vielen ter aarde. 7 Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt Kij ? En zij zeiden: Jezus den Nazaréner. |
8 Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat ik het ben. Indien gij dan mij zoekt, zoo laat dezen heengaan. 9 Opdat het woord vervuld zou worden, dat hij gezegd had: quot; Uit degenen, die Gij mij gegeven hebt, heb ik niemand verloren. aJoh. 6:39. 10:28.17:12. 10 quot;Simon Petrus dan, hebbende oen zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des hoogepriestors dienstknecht, en hieuw zijn regteroor af. En de naam van den dienstknecht was Malchus. a Matt. 26:51. Mark. 14:47. Luk. 22:50. 11 Jezus dan zoide tot Petrus: Steek uw zwaard in de scheede. Den quot;drinkbeker, dien mij de Vader gegeven heeft, zal ik dien niet drinken? a Matt. 20 : 22. 26 : 39. 12 Do bende dan, en do overste over duizend, en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden hem. 13 quot; En leidden hem henen , eerst tot '' Annas: want hij was de vrouws vader van Kajafas, welke doszolven jaars hooge-priester was. a Matt. 26 : 57. Mark. 14 : 53. Luk. 22 : 54. b Luk. 3 : 2. 14 quot; Kajafas nu was do-gene, die den Joden geraden had, dat het nut was, dat een mensch voor hot volk stierve. n Joh. 11 : 50. 15 quot; En Simon Petrus volgde Jezus, en oen ander discipel. Deze discipel nu was don hoogepriestor bekend, en ging met Jezus in des hoogepriestors zaal. « Matt. 26:58. Mark. 14:54. Luk. 22:54. 16 En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den hoogepriestor bekend was, ging uit, en sprak mot do deurwaarster, en bragt Petrus in. 17 Do dienstmaagd dan, die do deurwaarster was, zoide tot Petrus: Zijt ook gij niet uit de discipelen van dezen mensch? Hij zeide: Ik bon niet. 18 En do dienstknechten en de dienaars stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het kond was, en warmden zich. quot;Petrus stond bij hen, en warmde zich. «Matt. 26:69. Mark. 14:67. Luk. 22:55. 19 Do hoogeprioster dan vraagde Jezus van zijne discipelen, en van zijne loer. 20 Jezus antwoordde hein: quot; Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; ik heb allen tijd geleerd in de synagoge on in den tempel, waar de Joden 01* |
JOHANNES 18, 19.
|
van alle plaatsen zamon komen; on in het verborgen heb ik niets gesproken. «Joh. 7:20. 21 Wat ondervraagt gij mij? ondervraag degenen , die liet gehoord hebben, wat ik tot hen gesproken heb; zie, deze weten, wat ik gezegd heb. 22 En als hij dit zeide, quot; gaf oen van do dienaren, die daarbij stond, Jezus eenen kinnebakslag, zeggende: Antwoordt gij alzoo den boogeprioster ? a Jer. 20:2. Hand. 23:2. 23 Jezus antwoordde hom: Indien ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wol, waarom slaat gij mij ? 24 quot; (Annas dan had hem gebonden gezonden tot Kajafas den hoogepriester.) « Matt. 20:57. Mark. 14:53. Luk, 22:54. 25 quot; En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hom: Zijt ook gij niet uit zijne discipelen? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet. «Malt. 20:71. Mark. 14:09. Luk. 22:58. 20 Een van do dienstknechten dos hoogoprios-tors, die maagschap was van dengenen, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met hom ? 27 Petrus dan loochende het wederom. quot; En tor-stond kraaide do haan. a Joh. 13:38. 28 quot; Zij dan leidden Jezus van Kajafas in hot regthuis. En het was 's morgens vroeg; on zij gingen niet in het regthuis, ''opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mogten. a Matt. 27: 1. Mark. 15:1. Luk. 22 : 00. 23 b Hand. 10 : 28. 11:3. 29 Pilatus dan ging tot hen uit, en zeide: Wat beschuldiging brengt gij togen dezen mensch? 30 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien deze geen kwaaddoener ware, zoo zouden wij hem u niet overgeleverd hebben. 31 Pilatus dan zeide tot hen: Noemt gij hem, en oordeelt hem naar uwe wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te dooden. 32 quot;Opdat het woord van Jezus vervuld wierd, dat hij gezegd had, betoekenende, hoedanigen dood hij sterven zoude, a Matt. 20:19. Joh. 12:32. 33 quot; Pilatus dan ging wederom in het regthuis, en riep Jezus, en zeide tot hem; Zijt gij de Koning der Joden? a Matt. 27:11. Mark. 15:2. Luk. 23:3. 34 Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van u zelvon, of hebben het u anderen van mij gozegd? 35 Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood ? Uw volk en de overpriesters hebben u aan mij overgeleverd ; wat hebt gij gedaan ? 30 Jezus antwoordde: quot;Mijn koningrijk is niet van deze wereld. Indien mijn koningrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne dienaars gestreden hebben, opdat ik den Joden niet ware overgeleverd ; maar nu is mijn koningrijk niet van hier. |
a Joh. 0 : 15. 1 Tim. (1: 13. 37 Pilatus dan zeide tot hem : Zijt gij dan een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat ik een koning bon. Hiertoe ben ik geboren, en hiertoe ben ik in do wereld gekomen, opdat ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort mijne stem. 38 Pilatus zeide tot hem: Wat is waarheid! En als hij dat gozegd had, ging hij wederom uit tot do Joden, en zeide tot hen: quot;Ik vind geene schuld in hem. a Matt. 27 : 24. Luk. 23: 4. 39 Doch gij hebt quot; oene gewoonte, dat ik u op het pascha oenen loslate. Wilt gij dan, dat ik u den Koning der Joden loslate? a Matt. 27 :15. Mark. 15 : 0. Luk. 23 : 17. 40 Zij dan riepen allen wederom, zeggende: quot;Niet dezen, maar Bar-abbas! ''En Bar-abbas was een moordenaar. a Hand. 3 :14. b Matt. 27 : 10. Mark. 15 :7. Luk. 23 : 19. HOOFDSTUK 19. Pilatus doet Christus gcosGlon. Do krijgslieden bespotten en inishandelon hom, vs. 1 ; hij wordt alzoo don Joden vertoond, 4. De overpriesters roepen: kruis hom, doch Pilatus verklaart hom onschuldig, 0. Do Joden beroepen zich op hunne wet, 7; waarop Pilatus Jezus nader ondervraagt, 8; on zoekt weder hom los to laten, doch wordt door do Joden bedreigd met des keizers ongenade, 12; waarom hij Christus overgeeft om gekruist te worden, 10. Christus draagt zijn kruis, 17. Wordt gekruist tusschen twee moordenaren, 18. Het opschrift van hot kruis, 19. Do krijgsknechten verdoelen zijne kleederen, 23. Hij bevoelt zijno moeder don discipel, dien hij liefhad, 25; heeft dorst en wordt met edik gedrenkt, 28; geeft den geest, 30. Do boenen dor moordenaren worden gebroken, 31; en do zijde van Christus doorstoken, 34. Wordt door Jozef van Arimathéa en Nicodómus, met toelating van Pilatus, begraven, 38. TOEN quot; nam Pilatus dan Jezus, en geeselde hem. a Matt. 27 : 20, Mark, 15 : 15. 2 En de krijgsknechten, eene kroon van doornen gevlochten hobbonde, zotten die op zijn hoofd, en wierpen hem een purperen kleed om; . 3 En zeiden: Wees gegroet, gij Koning dei-Joden ! En zij gaven hem kinnebakslagen. 4 Pilatus dan kwam wederom uit, en zeide tot hen: Ziet, ik breng hem tot ulieden uit, opdat gij wetet, dat ik in hom geene schuld vinde. 5 Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon , en het purperen kleed. En Pilatus zeide tot hen : Ziet, de mensch ! 0 Als hem dan de overpriesters en de dienaars zagen, riepen zij, zeggende: Kruis hem, kruis hem! Pilatus zeide tot hen: Neemt gijlieden hem en kruist hem: want ik vind in hem geene schuld. 7 De Joden antwoordden hem: quot; Wij hebben eenc wet, en naar onze wet moet hij sterven, ''want hij heeft zich zelven Gods Zoon gemaakt. a Lev. 24 :10, fi Joh, 5 :18, 10 : 33. 8 Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij meer bevreesd; 9 En ging wederom in het regthuis, en zeide tot Jezus: Van waar zijt gij? Maar Jezus gaf hem geen antwoord, 10 Pilatus dan zeide tot hem: Spreekt gij tot |
JOHANNES 19.
!)65
|
mij niot? woet gij niot, dat ik magt heb u to kruisigen, en magt heb u los te laten ? 11 Jezus antwoordde: Gij zoudt geone magt hebben tegen mij, indien het u niet van boven gegeven ware; daarom, die mij aan u heeft overgeleverd , heeft grooter zonde. 12 Van toen af zocht Pilatus hem los te laten; maar de Joden riepen, zeggende: Indien gij dezen loslaat, zoo zijt gij des keizers vriend niet; quot;een iegelijk, die zich zeiven koning maakt, weder-spreekt den keizer. a Hand. 17 : 7. i:i Als Pilatus dan dit woord hoorde, bra gt hij Jezus uit, en zat neder op den regterstoel, in de plaats, genaamd Lithostrótos, en in het He-breeuwsch Gabbatha. |
2li quot; De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen zijne kleederen (en maakten vier deelen, voor eiken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven. a Matt. 27:35. Mark. 15:24. Luk. 28:34. 24 Zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niot scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat do Schrift vervuld worde, die zegt: quot;Zij hebben mijne kleoderen onder zich verdeeld, en over mijne kleoding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan. « I's. 22 : I ii. 25 quot; En bij hot kruis van Jezus stonden zijne moeder, en zijner moe- ft m |
|
14 En hot was de voorbereiding van het pascha, en omtrent do zesde ure; on hij zeido tot do Joden : Ziet, uw Koning! 15 Maarzij riepen; Neem weg, neem weg, kruis hom! Pilatus zeide tot hen: Zal ik uwen Koning kruisigen? Do overpries-tors antwoordden : quot; Wij hebben geenon koning, dan den keizer. a Uon. 49 : 10. Ki quot; Toen gaf hij hom dan hun over, opdat hij gekruist zou worden. En zij namen Jezus, en leidden hem weg. a Matt. 27 : 20. Mark. 15 :15. Luk. 23:24, 25. 17 quot;En hij, dragende zijn kruis, ging uit naar do plaats, genaamd I loofdscheolplaats, welke in het Hebroouwsch genaamd wordt Golgotha; «Matt. 27:31,33. Mark. 15:22. Luk. 23 : 2(3, 33. 18 Alwaar zij hem kruisten, en mot hem twee anderen, aan elke zijde eenen, en Jezus in het midden. 19 quot; En Pilatus schreef ook oen opschrift, en zotte dat op het kruis; en er was geschreven: Jezus de Nazarener, de Koning deu Joden. a Malt. 27 : 37. Mark. 15 : 2(3. Luk. 23 : 38. 20 Dit opschrift dan lazen velen van do Joden: want de plaats, waar Jezus gekruist werd, was nabij de stad; en hot was geschreven in het Ile-iH'eeuwsch, in het Grieksch, en in het Latijn. 21 De over priesters dan der Joden zeiden tot i'ilatus: Schrijf niot: De Koning der Joden; maar, lat hij gezegd hoeft: Ik ben de Koning dor Joden. 22 Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, tot heb ik geschreven. |
dors zuster, Maria, vrouw van Klópas, Maria Magdaléna. a Matt. 27 Mark. 15 : 40. Luk. 23 26 Jezus nu, ziende zijne moeder, en den discipel, dien hij liefhad, daarbij staande, zeido tot zijne moeder: Vrouw! zie, uw zoon. 27 Daarna zeide hij tot den discipel: Zie, uwe moeder. En van die ure aan nam haar do discipel in zijn huis. 28 Hierna Jezus, weten-do, dat nu alios volbragt was, quot;opdat do Schrift zou vervuld worden, zoido: Mij dorst. a I's. 09 ; 22. 29 quot; Daar stond dan oen vat vol ediks, on zij vulden eono spons met edik, en omleiden zo mot hijzop, en bragten zo aan zijnen mond. a Matt. 27 : 48. 30 Toon Jezus dan den edik genomen had, zeide hij: quot;Hot is volbragt! En hot hoofd buigende, gaf den geest. «Joh. 17:4. 31 Do Joden dan, opdat do ligchamon niet aan hot kruis zouden blijven op den sabbat, dewijl het do voorbereiding was (want die dag dos sab-bats was groot), baden Pilatus, dat hunne beenon zouden gebroken, en zij weggenomen worden. 32 Do krijgsknechten dan kwamen, en braken wol de beenon des eersten, en des anderen, die mot hom gekruist was; 33 Maar komende tot Jezus, als zij zagen, dat hij nu gestorven was, zoo braken zij zijne boenen niet. 34 Maar een der krijgsknechten doorstak zijne zijde met oene speer, en terstond quot; kwam er bloed en water uit. a 1 Joh. 5 : 6. dc en 49. n 11! i ju |
JOHANNES 19, 20.
966
|
35 En die hot gezien heeft, die hoeft hot go-tuigd, on zijne getuigenis is waarachtig; on hij weet, dat hij zegt, hetgeen waar is, opdat ook gij gelooven inoogt. 36 Want deze dingen zijn gosohiod, quot;opdat do Schrift vervuld worde: Goon boon van hem zal verbroken worden. a Ex. 12:46. Num. 9:12. 37 En wederom zegt eono andere Schrift: quot; Zij zullen zien, in welken zij gestoken hebben. (iZach. 12:10. 38 quot;En daarna Jozef, van Arimathóa (die een discipel van Jezus was, maar bedekt b om do vreezo der Joden), bad Pilatus, dat hij mogt hot ligchaam van Jezus wegnemen; en Pilatus liet hot too. Ilij dan ging en nam het ligchaam van Jezus weg. a Matt. 27 : 57. Mark. 15:42. Luk. 23:50. b Joh. 12:42. 39 En quot; Nicodémus kwam ook (die dos nachts tot Jezus eerst gekomen was), brengende een mengsel van mirre en aloë, omtrent honderd ponden lt;je-wigts. a Joh. 3 : 1. 7 : 50. 40 Zij namen dan het ligchaam van Jezus, en bondon dat in linnen doeken met do specerijen, gelijk do Joden do gewoonte hebben van begraven. 41 En or was in de plaats, waar hij gekruist was, een hof, en in den hof een nieuw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest. 42 Aldaar dan leiden zij Jezus, om do voorbereiding dor Joden, overmits het graf nabij was. HOOFDSTUK 20. Maria Magdaléna gaat naar het graf, hetwelk y.ij ledig vindt, en boodschapt znlks aan Petrus en Johannes, vs. 1 ; die beiden naar het graf loopen en hot alzoo bevinden, 3; Maria ziet in het graf twee engelen, 1!. Christus zelf verschijnt aan haar, op wiens bevel zij den discipelen zijne opstanding boodschapt, 14; aan welke Christus ook zelf dos avonds versciüjnt, 19; en geeft hun don II. Geest, en magt om do zonden to vergeven en te houden, 21. Thomas daar niet bij geweest zijnde, wil niot gelooven, 24; totdat hij acht dagen daarna Christus zeiven ziet en belijdt, 20. Johannes verklaart, waarom uit velo andere, deze teekenen beschreven zijn, 30. EN quot; op den eersten dag der week ging Maria Magdaléna vroeg, als het nog duister was, naar het graf; en zag don steen van hot graf weggenomen. a Matt, 28:1. Mark. 10: 1. Luk. 24: 1. |
2 Zij liep dan, en kwam tot Simon Petrus en tot don andoren discipel, quot; welken Jezus liefhad, on zoido tot hen: Zij hebben don Hoero weggenomen uit het graf, en wij weten niet, waar zij hom gelogd hebben. a Joh. 13:23. 21 : 7, 20. 3 quot;Petrus dan ging uit, en de andere discipel, oa zij kwamen tot het graf. «Luk. 24:12. 4 En deze twee liepen te gelijk; en do andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het graf. 5 En als hij nederbukte, zag hij quot; de doeken liggen, nogtans ging hij er niet in. aJoli. 19:40. G Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in hot graf, en zag do doeken liggen. 7 En quot; den zweetdoek, die op zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen, maar in het bijzonder in eono andere plaats zamengerold. a Joh. 11 : 44. 8 Toen ging dan ook do andere discipel er in, die eerst tot het graf gekomen was, en zag hot, en geloofde. 9 Want zij wisten nog do quot;Schrift niet, dat hij van de doodon moest opstaan. a Ps. 16:10. Hand. 2 : 25, 31. 13 :35. 10 De discipelen dan gingen wederom naar huis. 11 quot; En Maria stond bui-ton bij het graf, woo-nonde. Als zij dan weende, bukte zij in het graf; « Matt. 28: 1. Mark. 16:5. Luk. 24: 4. 12 En zag twee engelen in witte kleederen zitten, oenen aan liet hoofd, en oenen aan de voeten, waar hot ligchaam van Jezus gelogen had. 13 En die zeiden tot haar: Vrouw! wat weent gij ? Zij zoido tot bon: Omdat zij mijnen Hoero weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij hom gelegd bobben. 14 quot; En als zij dit gezegd had, koerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet, dat hot Jezus was. a Matt. 28 : 9. Mark. 16 : 9. 15 Jezus zoide tot haar: Vrouw! wat weent gij ? wion zoekt gij ? Zij, meenonde, dat hot de hovenier was, zoide tot hom : Hoero! zoo gij hem weg-godragen hebt, zeg mij, waar gij hom gelogd hebt, en ik zal hom wegnemen. 16 Jezus zoido tót haar: Maria! Zij zich omkeo-rende, zoide tot hom : Rabbouni! hetwelk is gezegd, Moester. |
|
r 17 Jezus zoide tot haar: Raak mij niet aan, want ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vader; maar ga heen quot;tot mijne broeders, en zeg hun: ''Ik vare op tot mijnen Vader en uwen Vader, en tot mijnen God en uwen God. a I's. 22 : 23. Matt. 28 : 10. llobr. 2 : 11. h Joh. 10 : 28. 18 quot; Maria Magdaléna ging en boodschapte den discipelen, dat zij den Heere gezien had, en dut hij haar dit gezegd had. rt .Matt. 28:8. Mark. I(i; 10. Luk. 24:9. 19 quot; Als het dan avond was, op denzolven eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren, om de vreeze der Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden! a Mark. 16:14. Luk. 24:30. 1 Cor. 15:5. 20 En dit gezegd hebbende, toonde hij hun zijne handen en zijne zijde. quot; De discipelen dan werden verblijd, als zij den Heere zagen. aJoh. 10:22. 21 Jezus dan zoide wederom tot hen: Vrede zij ulieden! «gelijkerwijs mij de Vader gezonden heeft, zende ik ook ulieden. «Jes. 61:1. Matt 28 : 19. Mark. 10 : 15. Luk. 4 : 18. Joh. 17 : 18. 22 En als hij dit gezegd had, blies hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest. 23 quot; Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zoo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden. «Matt. 1G : 19. 18:18. 24 En Thomas, eon van do twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toon Jezus daar kwam. 25 Do andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben den Heere gezien. Doch hij zoide tot hen: Indien ik in zijne handen niet zie het toeken der nagelen, en mijnen vinger steke in het toeken der nagelen, en steke mijne hand in zijne zijde, ik zal geenszins geloovon. 20 En na acht dagen waren zijne discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden! 27 Daarna zoide hij tot Thomas: Breng uwen vinger hier, en zie mijne handen, quot; en breng uwe hand, en steek ze in mijne zijde; en zijt niet ongeloovig, maar geloovig. a 1 Joh. 1:1. 28 En Thomas antwoordde en zoide tot hem: mijn Heere en mijn God! 29 Jezus zeide tot hom: Omdat gij mij gezien hebt, Thomas! zoo hebt gij geloofd; quot;zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, on nog tans zullen geloofd hebben. a 1 Petr. 1: 8. 30 Jezus dan heeft nog wel quot; vele andere teeko-nen in de tegenwoordigheid zijnêr discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek; a .loh. 21 : 25. 31 Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, geloovende, het loven hebt in zijnen naam. HOOFDSTUK 21. Christus openbaart zich wederom aan oenige zijner discipelen, terwijl zij vissehen, vs. 1; zegent hen |
967 met eene zeer groote vangst, waardoor hij hun geopenbaard wordt, 0. l'etrus werpt zich zelveu in de zee, om bij hom te komen, en de andere discipelen volgen met het schip, 7. Christus eet het middagmaal met hen, 9; en vraagt Petrus tot driemaal toe of hij hein liefhad, en bevoelt hom zijne schapen le weiden, 15. Voorzegt iicm met weikon dood hij God zou verheerlijken, 18. Hestraït /.ijne vraag aangaande Johannes, 20. Johannes besluit zijne evangelische geschiedenis, 24. NA dezen openbaarde Jezus zich zolven wederom den discipelen aan de zoo van Tiberias. En hij openbaarde zich aldus: 2 Er waren to zamon Simon l'etrus, en Thomas, gezegd Didymus, quot;on Nathanaël, dio van Kana in Galiléa was, ''en do zonen van Zebedóüs, en twee andere van zijne discipelen. a Joh. 1 : 40. b Malt. 4:21. Mark. 1 : 19. 3 Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissehen. Zij zeidon tot hem: Wij gaan ook mot u. Zij gingen uit, en traden terstond in het schip, en in dien nacht vingen zij niets. 4 En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet, dat het Jezus was. 5 Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens! hebt gij niet eenige toespijs? Zij antwoordden hem: Neen. 0 En hij zeide tot hen: quot; Werpt het net aan de regterzijde van hot schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken van wege de menigte der vissehen. a Luk. 5 : 4, 0, 7. 7 De discipel dan, quot;wolkon Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Hot is de Heere! Simon Petrus dan, hoorendo, dat hot de Heere was, omgordde liet opperkleed, (want hij was naakt) en wierp zich zolven in de zee. «Joh. 13:23. 20:2. 8 En de andere discipelen kwamen met het scheepje, (want zij waren niet verre van het land, maar omtrent twee honderd ellen) slopende hot net met do vissehen. 9 Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en visch daarop liggen, en brood. 10 quot; Jezus zeide tot hen: Brengt van de vissehen, die gij nu gevangen hebt. ff Luk. 24: 41. 11 Simon Petrus ging op, en trok bet net op het land, vol groote vissehen, tot honderd drie en vijftig; en hoewel er zoo vele waren, zoo scheurde het net niet. 12 Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van do discipelen durfde hom vragen: Wie zijt gij ? wetende dat het de Heere was. 13 Jezus dan kwam, on nam hot brood, en gaf het hun, en den visch desgelijks. 14 Dit was nu de derde maal, dat Jezus zijnen discipelen geopenbaard is, nadat hij van de doo-den opgewekt was. 15 Toen zij dan hot middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon JOHANNES 20, 21. |
i
HANDELINGEN 1.
9G8
|
van Jonas! liobt yij mij liovor dandozo? Hij zoidü tot lioni; Ja, Heoro! ^ij weet, dat ik u liefheb. Hij zeide tot hem: Weid mijne lamnieron. Ki Hij zeido wederom tot hom ten tweede maal: Simon, zoon van Jonas! hebt gij mij liei'ï Hij zeide tot hem: Ja, Hoere! gij weet, dat ik u liefheb. Hij zeido tot hem: Hoed mijne schapen. 17 Hij zoido tot hem ton derde maal: Simon, zoon van Jonas! hebt gij mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat hij ton derde maal tot hem zeide: Hebt gij mij lief? en zoide tot hem: quot; Heoro! gij weet alle dingen, gij weet, dat ik u liefheb. Jezus zoide tot hem: Weid mijne schapen, aJoh. 16:30. 18 quot;Voorwaar, voorwaar, zeg ik u: toon gij jonger waart, gorddet gij u zolvon, en wandeldot, alwaar gij wildot; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zoo zult gij uwe handen uitstrekken , en oen ander zal u gorden, en brongen, waar gij niet wilt. aJoh. 13:30. Hand. 12:3. 2 I'etr. 1 : 14. 19 quot;En dit zeide hij, beteokenonde, mot hoo-danigon dood hij God verheerlijken zon. En dit gesproken hebbende, zeido hij tot iiom : Volg mij. a 2 Potr. 1 :14. |
20 En Petrus, zich omkoeronde, zag quot;don discipel volgen, welken Jezus liefhad, die ook in het avondmaal op zijne borst gevallen was, en gezegd had: Heere! wie is het, die u verraden zal? aJoh. 13:23. 20:2. 21:7. 21 Als Petrus dozen zag, zoido hij tot Jezus: Heoro! maar wat zal deze? 22 Jezus zeide tot hom: Indien ik wil, dat hij blijve, totdat ik kome, wat gaat liet u aan? volg gij mij. 23 Dit woord dan ging uit onder de broederen, dat deze discipel niet zou sterven. En Jezus had tot hem niet gezegd, dat hij niet sterven zou; maar: Indien ik wil, dat hij blijvo, totdat ik kome, wat gaat hot u aan? 24 Deze is do discipel, die van deze dingen go-tuigt, en deze dingen geschreven heeft; en wij weten, dat zijne getuigenis quot;waarachtig is. a Joh. 19 : 35. 25 quot;En or zijn nog volo andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke, zoo zij elk bijzonder geschreven wierdon, ik acht, dat ook de wereld zelve de geschrevene boeken niet zou bevatten. Amen. «Joh. 20:30. |
DE HANDELINGEN
DER
HEILIGE APOSTELEN,
liESGH U E VEN DOC)li L U K AS.
|
HOOFDSTUK 1. Do vooiTodo van Lukas, waiirdoor hij dit zijn tweodo boek verbindt mot zijn ovangolie, vs. 1. Christus verkoort na zijne opstanding veertig dagen lang mot zij no ajiostoloii, 3. Beveelt hun binnen Jomzalom to vorwaohten do zonding des II. Geostes, 4. lie-antwoordt hunne vraag, wanneer hij hot koningrijk van Israël zal oprigton, 0. Vaart voor hunne oogcn o]t in don hemel, 9; hetwelk twee engelen getuigen, dio ook zijne wederkomst voorzeggen, KJ. De apostelen koeren weder naar .lorAzalom, 12; blijven een-dragtig in hot gebed mot oonigo vrouwen on mot do moedor van Jezus, 13. Petrus verhaalt do voorzeggingen over Judas en zijnen uitgang, 15; en vermaant oenen anderen in Judas plaats aan te stollen, 21. Twee mannen worden voorgesteld, 23; uit welke na het gebod, door het lot, Matthias tot een' apostel verkozen wordt, 24. HET eerste boek heb ik gemaakt, o Thcofilus! van al hetgeen Jezus begonnen hoeft beide te doen en to loeren ; 2 quot;Tot op den dag, in welken hij opgenomen is, nadat hij door den Heiligen Geest aan de apostelen, die hij uitverkoren had, b bevelen had gegeven. «Mark. 10: 19. Luk.9:51. 1 Tim.3: 10. öJoh.20:21. |
3 quot;Aan welken hij ook, nadat hij geleden had, zich zeiven levend vertoond heeft, mot vele gewisse kentoekenon, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van do dingen, die hot koningrijk Gods aangaan. a Mark. 10:14. Joh. 20 : 19. 21: 1. 1 Cor. 15 : 5. 4 quot;En als hij mot hen vergaderd was, beval hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte dos Vaders, b die gij, zeide hij, van mij gehoord hebt. a Luk. 24:48, 49. 6 Joh. 14:26. 15:26. 16:7. 5 quot; Want Johannes doopte wol met water, b maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen, a Matt. 3: 11. Mark. 1 : 8. Luk. 3 : 16. Joh. 1 : 26. Hand. 11 :16. 19 : 4. b Jes. 44 : 3. Joel 2 : 28. Hand. 2:4. 11:15. 6 Zij dan, die zarnengekomen waren, vraagden hem, zeggende: quot; Hoere! zult gij in dezen tijd aan Israël het koningrijk woderoprigten ? a Matt. 24 : 3. 7 En hij zeide tot hen: quot; Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in zijne eigene magt gestold heeft; a Matt. 24:30. 8 quot; Maar gij zult ontvangen de kracht des Hei- |
HANDELINGEN 1, 2.
96!)
|
ligon Geostes, dio over u komen zal; ''on gij zult mijno gotuigon zijn, zoo tc Jorüzaloin, als in geheel Judéa on Samaria, en tot aan hot uiterste dor aarde. a Hand. 2 : 4. h Jos. 2:3. Luk. 24:48. Joh. 15:27. Hand. 2:32. !) quot; En als hij dit gozogd had, word hij opgenomen , daar zij liet zagen, en eeno wolk nam hom weg van hunne oogon. a Mark. lü: I!). Luk. 24:51. 10 En alzoo zij hunne oogen naar den hemel hielden, terwijl hij heenvoer, ziet, tweo mannen stonden bij lion quot; in witte kleoding; a Matt. 28 : ü. 11 Welke ook zeiden: Gij galilésche mannen! wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, quot; zal alzoo komen, gelij-korwijs gij hem naar don hemel hebt zien heen-varen. a Dan. 7 : 13. Mutt. 24:30. Mark. 13:20. Luk. 21 : 27. 1 ïhess. 1 : 10. 2 Thoss. 1 : 10. Openb. 1 :7. 12 Toon keerden zij wederom naar Jeruzalem, van den berg, die genaamd wordt do Olijf-berg, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar eeno sabbatsreizo. 13 En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus, on Johannes en Andreas, Filippus on Thomas, Bartholométis en Matthéüs, Jakobus, de zoon van Alféüs, en Simon Zelótes, en Judas, de broeder van Jakobus. 14 Deze allon waren eendragtelijk volhardende in het bidden en smeeken, mot do vrouwen , en Maria, de moedor van Jezus, en met quot; zijne broodoren. a Matt. 13:55. 15 En in dezelve dagen stond Petrus op in het midden der discipelen, en sprak: (er was nu oeno schare bijoen van omtrent honderd en twintig personen.) 16 Mannon broeders! deze Schrift moest vervuld worden, quot; welke do Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, ''die de leids-man geweest is dorgenen, die Jezus vingen: a Ps. 41: 10. Matt. 2 1: 23. Joh. 13 : 18. b Matt. 26:47. Mark. 14:43. Joh. 18:3. 17 quot; Want hij was met ons gerekend, en had het lot dezer bediening verkregen. n Matt. 10:4. Mark. 3: 1!). Luk. 6:16. |
18 Doze dan heeft verworven oenen akker, door don loon der ongeregtighoid, quot; en voorwaarts overgevallen zijnde, is midden opgeborston, en al zijne ingewanden zijn uitgestort. a 2 Sam. 17 : 23. Matt. 27 : 5. 19 En hot is bekend geworden allen, die to Jeruzalem wonen, alzoo dat die akker in hunne eigene taal quot;genoemd wordt Akeldama, dat is, oen akker des bloods. a Matt. 27 : 8. 20 Want er staat geschreven in hot boek der psalmen: quot;Zijne woonstede worde woest, en er zij niemand, die in dezelve wone. b En: Een ander neme zijn opzienersambt, a I's. 69 :26. h Ps. 109 :8. 21 quot; liet is dan noodig, dat van de mannon, die met ons omgegaan bobben al den tijd, in welken de Ileore Jezus onder ons in- en uitgegaan is, ci Hand. 6 : 3. 22 Beginnende van don doop van Johannes, tot don dag toe, in welken hij quot; van ons opgenomen is, een derzelvo mot ons getuige worde van zijne opstanding, re Hand. 1 : 9. 23 quot; En zij stelden er twee. Jozef, genaamd Barsabas, dio toege-naamd was Justus, en Matthias. a Hand. 6 : 6. 24 En zij baden en zeiden : Gij Heere! quot; Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze tweo oenen aan, dien Gij uitverkoren bobt; a 1 Sam. 16:17. 1 Kroii.28:9. 29:17. Ps.7: 10. Jor. 11:20. 17 :10. 20:12. Hand. 15:8. Openb. 2:23. 25 Om te ontvangen het lot dezer bediening en des apostolschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat bij heenging in zijne eigene plaats. 26 En zij wierpen hunne loten; on hot lot viel op Matthias, on bij werd met gemoeno toestemming tot do elf apostelen gekozen. HOOFDSTUK 2. De ileilige Geest wordt mot zigtbare toekenen op don pinksterdag uitgestort over de apostelen, vs. 1; die, met /.ijno gaven vervuld zijnde, do groote daden Gods in allerlei talon spreken, 4; waarover binnen Jeruzalem onder allerlei natiën van volken beroering ontstaat, zoodat sommigen zieh verwonderen, en anderen daarmede spotten, 5. Petrus wederlegt do spotters, en wijst aan, dat zulks geschied is naar de voorzegging van don profeet Joöl, 14; Bewijst uit do psalmen Davids, dat Jezus, dien zij gekruist |
HANDELINGEN 2.
970
|
hadden, van ile dooden was opgestaan, gezeten ter regterhand Gods en van daar deze gaven had uitgestort, '22; en alzoo de beloofde Messias was, i3G. Do toehoorders, daardoor verslagen, worden door l'etrus vermaand tot bekeering, niet dit gevolg, dat ei' drie duizend worden gedoopt, 37. üozo volharden in do leer der apostelen en iu do beoefening van geloof en liefde, hebbende de goederen gemeen, 42. lie gemeente noemt dagelijks toe, 47. volke dergenen, die onder den hemel zijn. 6 En als deze stem geschied was, kwam de menigte zamen, en werd beroerd: want oen iegelijk hoorde hen in zijne eigene taal spreken. 7 En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galiléërs? 8 En hoe hooren wij hen een iegelijk in onze eigene taal, in welke wij geboren zijn? 2 do 10:40. waren Jerü- 9 Parthers, en Méders, en Elamieten, en die en Judéa en Cap- inwoners zijn van Mosopotamiö, padócië, Pontus en Azië; |
10 En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de deelen van Libyë, hetwelk hij Gyróne Uyt, en uitlandsche Romeinen, beide Joden en Jodenge-nooten; 11 Kretensen en Arabieren, wij hooren hen in onze talen de groote werken Gods spreken. 12 En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een tegen den ander: Wat wil toch dit zijn? 13 En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijns. 14 Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijne stom, en sprak tot hen : Gij joodsche mannon, en gij allen die te Jeruzalem woont! dit zij u bekend, en laat mijne woorden tot uwe ooren ingaan. 15 Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt: want het is eerst de derde ure van den dag. 10 Maar dit is hot, wat gesproken is door den profeet Joël: 17 quot; En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal b uitstorten van mijnen Geest op alle vleesch; en uwe zonen en 'â uwe dochterszul-lon profeteren, en uwe jongelingen zullen gezigten zien, en uwe ouden zullen droo-men droomen. a Jes. 44 : 3. Ezec. 11 : 19. 30:27. Joël 2:28. Zach. 12:10. Joh. 7 : 38. I) Hand. 10 : 45. c Luk. 2 : 30. Hand. 21: 9. 18 En ook op mijne dienstknechten, en op mijne dienstmaagden, zal Ik in die dagen van mijnen Geest uitstorten, en zij zullen profeteren. 19 En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en teekenen op de aarde beneden, bloed, en vuur, en rookdamp. 20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat do groote en doorluchtige dag dos Heeren komt. 21 quot;En het zal zijn, dat een iegelijk, die den |
HANDELINGEN 2.
971
|
naam des Hoeren zal aanroepen, zalig zal worden. aJoël : liL'. Kom. 1à : 13. 22 Gij israëlietische mannen! hoort deze woorden: Jezus don Nazaréner, oenen man van God, onder ulieden betoond door krachten, on wonderen, en teekenen, die God door hom gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gij zelvon weet; 2!ï Dozen, quot; door den bepaalden raad on voorkennis Gods overgegeven zijnde, ''hebt gij genomen, en door de handen der onregtvaardigen aan hot kruis gehecht en gedood. a Hand. -1: 28. b Hand. 5: 30. 24 quot; Wolken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzoa het niet mogelijk was, dat hij van denzolven dood zou gehouden worden. a Hand. 10:40. 25 Want David zegt van hem : quot; Ik zag den Heere allen tijd voor mij: want Ilij is aan mijne rogter, opdat ik niet bewogen worde. a I's. 10 : 8. 20 Daarom is mijn hart verblijd, en mijne tong verheugt zich; ja ook mijn vleesch zal rusten in hope: 27 Want Gij zult mijne ziel in do hol niet verlaten , noch zult uwen Heilige overgeven, om verderving te zien. 28 Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door uw aan-gezigt. 29 Gij mannen broeders ! het is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken van den patriarch David, a dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag. « 1 Kon. 2:10. Hand. 13:30. 30 Alzoo hij dan een profeet was, en wist, quot; dat God hem met eede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoo veel hot vleesch aangaat, den Christus verwekken zou, om hou op zijnon troon te zetten; a 2 Sam. 7 :12. Ps. 132 : 11. Luk. 1:32. Hand. 13:23. Rom. 1 : 3. 2 Tim. 2:8. 31 Zoo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, quot; dat zijne ziel niet is verlaten in de hel, noch zijn vloesch verderving heeft gezien. aPs. 10:10. Hand. 13:35. 32 Dezen Jezus heeft God opgewekt; quot;waarvan wij allon getuigen zijn. a Joh. 15 : 27. Hand. 1 : 8. |
33 Hij dan, quot;door de regter/m/iré Gods verhoogd zijnde, en ''de beloften des Heiligen Geestos ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit ' uitgestort, dat gij nu ziet en hoort. «Hand. 5:31. Filipp. 2:9. iHand. 1 : 4. cHaml. 10:45. 34 Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: quot;De Heere heeft gesproken tot mijnen Heere: Zit aan mijne rogiovhand, a I's. 110:1. 1 Oor. 15 : 25. Efez. 1 : 20. llobr. 1 : 13. 35 Totdat Ik uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank uwer voeten. 36 Zoo wete dan zekerlijk het gansche huis Israels, dat God hem tot oenen Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, dien (jij gekruist hebt. 37 quot; En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, eu zeiden tot Petrus en de andere apostelen: b Wat zullen wij doen, mannen broeders? u Zach. 12 : 10. Luk. 3 : 10. Hand. 9 : 0. h Hand. 10 : 30. 38 En Petrus zeido tot hen : Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestos ontvangen. 39 Want u komt de belofte toe en uwen quot;kinderen, en allon, ''die daar verre zijn, zoo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal. a Jool. 2 : 28. h Efez. 2 : 13. 40 En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht! 41 Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot tien toegedaan omtrent drie duizend zielen. 42 En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking dos broods, en in de gebeden. 43 En eene vreoze kwam over alle ziel; en quot; vele wonderen en teekenen geschiedden door de apostelen. a Mark. 10: 17. Hand. 5: 12. 44 quot;En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen ; aDout. 15:4. Hand.4:32. 45 En zij verkochten hunne goederen en have, quot; en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van noode had. «Jes. 58:7. Hand. 4:35. |
I
HANDELINGEN 2, 3.
972
|
4(5 En clagolijkH quot; eendragtolijk in don tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen mot verheuging en eonvoudig-hoid dos harten; a Hand. 1 ; l-t. 20:7. 47 En prozen God, on hadden genade bij hot gansche volk. quot; En de Hoere dood dagelijks tot de gemeente, die zalig werden, a Hand. 5:14. 11:21. HOOFDSTUK 3. Petrus mot JohanneB opgaande naar don tempel, geneest oenen kreupelgeborono, vs. 1 ; waarover liet volk verwonderd zijnde toeloopt, 9. Petrus onderligt hen, dat dit werk niet door zijne, maar dooide kracht van Jezus Christus geschied was, 12; dien zij hadden gedood, en die van do dooden was opgestaan, 14. Hij troost en vermaant hon tot be-keering, 17; opdat zij door hein, dio nu in den hemel is en van daar zal wederkomen, 20; naar de getuigenis van Mozes, 22; en van al de profeten, 24; den zegen Abrahams zouden ontvangen, 25. PETRUS nu on Johannes gingen to zamen op naar don tompol, omtrent do ure dos gebods, zijnde do negende ure; 2 quot; En een zeker man, die kreupel was van zijner moedors lijf, werd gedragen, wolken zij dagelijks zotten aan de deur des tempels, genaamd do Schoono, b om oeno aalmoes te begooron van dogenon, die in don tompol gingen, a Hand. 14:8.6 Joh. 9:8. 3 Welke, Petrus en Johannes ziende, als zij in don tempel zouden ingaan , bad, dat hij oeno aalmoes mogt ontvangen. 4 En Petrus, sterk op hem ziende, met Johannes, zoide: Zio op ons. 5 En hij hield de ooijen op hen, verwachtende, dat hij iots van hen zou ontvangen. 6 En Petrus zoide: Zilver en goud heb ik niet; maar hetgeen ik heb, dat geve ik u: quot;in don naam van AmuikciitDüiiku; Jezus Christus, don Nazarénor, sta op en wandel! «Hand. 4:10. 7 En hem grijpende bij de regtorhand, rigtto hij hem op, en terstond werden zijne voeten en enkelen vast. 8 En hij, opspringende, stond en wandelde, en ging mot hon in don tempel, wandelende on springende, en lovende God. 9 En al het volk zag hem wandelen en God loven. 10 En zij kenden hom, dat hij die was, dio om eene aalmoes gezeten had aan de Schoono poort dos tempels; en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over hetgeen hom geschied was. 11 En als do kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes vasthield; liep al het |
volk gezamenlijk tot hou in hot voorhof, hetwelk Salomo's yooMo/quot; genaamd wordt, verbaasd zijnde. 12 En Petrus, dat ziende, antwoordde tot hot volk: Gij israölietische mannon! wat verwondert gij u over dit? of wat ziet gij zoo sterk op ons, als of wij door onze eigene kracht of godzaligheid dezen hadden doen wandelen? 13 Do God Abrahams, ou Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, hooft zijn Kind Jezus verheerlijkt, welken gij overgeleverd hebt, en hebt hem verloochend, quot;voor hot aangezigt van Pila-tus, als hij oordeelde, dat men hem zoude loslaten. a Matt. 27 : 20. Mark. 15:11. Luk. 23 :18. Joh. 18 : 40. 14 Maar gij hebt den Heilige en Regtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u oen man, die een doodslager was, zou geschonken worden; 15 En den Vorst dos levens hebt gij gedood, welken God opgewekt heeft uit do dooden; quot; waarvan wij getuigen zijn. a Hand. 1:8. 2:32. 16 En door het geloof in zijnon naam, heeft zijn naam dozen gesterkt , dien gij ziot en kent; en het geloof, dat door hem is, heeft hom deze volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller tegenwoordigheid. 17 En nu, broeders! ik weet, dat gij hot door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uwe oversten; 18 Maar God heeft alzoo vervuld, hetgeen Hij quot; door don mond al zijner profeten te voren verkondigd had, dat do Christus lijdon zou. «Jes. 50:0. 58:5. Luk. 24:27. 19 quot; Betert u dan, en bekoort u, opdat uwe zonden mogen uitgowisoht worden; wanneer do tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezigt des Hoeren, «Hand.2:38. 20 En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, die u te voren go- .loliannesen l'etius predikt is: 21 Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der woderoprigting aller dingen, die God gesproken heeft door don mond al zijner heilige profeten van alle eeuw. 22 Want Mozes heeft tot do vaderen gezegd: quot; De Hoere, uw God, zal u eenon profeet vor-wekken uit uwe broederen, gelijk mij; dien zult gij hooren, in alles, wat hij tot u spreken zal. a üout. 18:15, 18, 19. Joh. 1 : 4G. Hand. 7 : 37. 23 En het zal geschieden, dat alle ziel, die dezen profeet niet zal gehoord hebben, uitgerooid zal worden uit den volko. 24 En ook al de profeten, van Samuël aan, en die daarna gevolgd zijn, zoo velen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd. 25 Gijlieden zijt kinderen der profeten, en des |
HANDELINGEN 8, 4.
97!!
|
verbonds, hetwelk God met onze vaderen opge-rigt hoeft, zeggende tot Abraham: quot; En in uwen zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. «Gon. 22: 18. Gal. 3:8. 20 God, opgewekt hebbende zijn Kind Jezus, heeft denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij uliedon zegenen zou, daarin dat Hij een' iegelijk van u afkeere van uwe boosheden. HOOFDSTUK 4. Do oversten der Joden zotten Petnis en Johannes gc-vangon, vs. 1. De golicele raad vergadert, 5; die lien ondervraagt over do genezing van den kreupele, 7. Petrus betuigt, dat die genezing geschied is in don naam van Jezus, 8; en dat deze dc Steen is, van do bouwlieden verworpen, 11; doch dat de zaligheid in goenen anderen is, 12. Do raad, hoewel overtuigd zijnde van dit wonderwerk, verbiedt hen nogtans in den naam van Jezus to prediken, IB; hetwelk zij verklaren niet te kunnen nalaten, 1!). Zij worden daarna niet harde bedreigingen ontslagen, 21. Zij verhalen aan de hunnen, Wat hun geschied was, 23; die God bidden om bescherming, vrijmoedigheid on zogen tot de prediking des woords, 24. God verhoort hen door hot toeken eoner aardbeving, 31. Dc oendragt on liefde der goloovigon, die hunne goederen verkochten tot onderhoud dor behoeftigen, 32; hetwelk ook Barnabas heeft go-daan, 3G. EN terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hou de priesters, en de hoofdman des tempels, en de saddueeën; 2 Zeer ontevreden zijnde, omdat zij hot volk leerden , en verkondigden in Jezus do opstanding uit de dooden. 3 En zij sloegen de handen aan hen, en zetten ze in bewaring tot den anderen dag: want het was nu avond. 4 En velen van degenen, die het woord gehoord hadden, geloofden; en het getal der mannen werd omtrent vijf duizend. 5 En het geschiedde des anderen daags, dat hunne oversten en ouderlingen en schriftgeleerden te Jeruzalem vergaderden; (i En Annas, de hoogepriester, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en zoo vele er van het hoogepriesterlijk geslacht waren. 7 En als zij hen in het midden gesteld hadden, vraagden zij: quot; Door wat kracht, of door wat naam bebt gijlieden dit gedaan? «Ex. 2 : 14. Matt. 21 : 23. Hand. 7 : 27. 8 Toen zeide Petrus, vervuld zijnde mot den Heiligen Geest, tot hen: Gij oversten des volks, en gij ouderlingen van Israël! !) Alzoo wij heden regtelijk onderzocht worden over de weldaad aan een krank mensch geschied, waardoor hij gezond geworden is; 10 Zoo zij u allen kennelijk, en het ganscbe volk Israëls, dat door den naam van Jezus Christus, den Nazaréner, dien gij gekruist hebt, wolken God van de dooden heeft opgewekt, door hem, zcy ik, staat deze hier voor u gezond. 11 Deze is de steen, die van u, quot; de bouwlieden. |
veracht is, welke tot een hoofd des hoeks geworden is. a I's. 118:22. Jes. 28: 1G. Matt. 21:42. Mark. 12:10. Luk. 20:17. Rom. 9:33. 1 Polr. 2:7. 12 quot; En de zaligheid is in geenen anderen: want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden. a Matt. I : 21. Hand. 10:43. 1 Tim. 2:5. l^ Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus on Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en slechte menschen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren. 14 En ziende den mensch bij hen staan, die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen. 15 En hun geboden hebbende uit te gaan buiten den raad, overleiden zij met elkander, Ki Zeggende: quot;Wat zullen wij dezen menschen doen? Want dat er een bekend teeken door hen geschied zij, is openbaar aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen. n Joh. 11 : 47. 17 Maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid worde, laat ons hen scherpelijk dreigen, dat zij niet meer tot eenig mensch in dezen naam spreken. 18 En als zij hen geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij ganschelijk niet zouden spreken, noch leeren, in den naam van Jezus. li) Maar Petrus en Johannes, antwoordende, zeiden tot hen : quot; Oordeelt gij, of het regt is voor God, ulieden meer te hooren dan God? a Hand. 5: 29. 20 Want wij kunnen niet laten te spreken hetgeen wij gezien en gehoord hebben. 21 Maar zij dreigden hen nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende, hoe zij hen straffen zouden, quot;om des volks wil: want zij verheerlijkten allen God over h hetgeen er geschied was. a Hand. 5:20. 1) Hand. 3:7, 8. 22 Want de mensch was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit toeken der genezing ge-scbiod was. 23 En zij, losgelaten zijnde, quot;kwamen tot de hunnen, en verkondigden al wat de overpriesters en de ouderlingen tot hen gezegd hadden. n Hand. 12 : 12. 24 En als deze dat hoorden, hieven zij eendrag-telijk hunne stem op tot God, en zeiden: Ileere! Gij zijt de God, die gemaakt hebt den hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die in dezelve zijn. 25 Die door den mond van David, uwen knecht, gezegd hebt: quot;Waarom woeden de Heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht? «1*8.2:1. 26 De koningen der aarde zijn te zamen opgestaan, en de oversten zijn bijéénvergaderd, tegen den Ileere, en tegen zijnen Gezalfde. 27 quot; Want in der waarheid zijn vergaderd tegen uw heilig Kind Jezus, welken Gij gezalfd hebt, |
HANDELINGEN 4, 5.
974
|
beide Heródes en Pontius Pilatus, met de Heidenen en de volken Israels; « Malt. 20;Mark. 14:1. Luk. 22:2. Joh. 11:47. 28 Om te doen al wat uwe hand, on uw raad to voren bepaald had, dat geschieden zou. 29 En nu dan, Heere! zie op hunne dreigingen, en geef uwen dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken; 30 quot; Daarin, dat Gij uwe hand uitstrekt tot genezing, en dat teekenen en wonderen geschieden door den naam van uw heilig Kind Jezus. a Mark. 16 : 17. :)1 En als zij gebeden hadden, werd do plaats, in welke zij vergaderd waren, quot;bewogen. En zij werden allen vervuld mot den Heiligen Geest, on spraken het woord Gods mot vrijmoedigheid. a Hand. 10:2(5. 32 En de menigte van degenen, die geloofden, was quot; een hart en ccnc ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen. a Hand. 2 : 44. 1 Petr. 3 : 8. 33 En de apostelen gaven met groote kracht getuigenis van de opstanding van den Heere Jezus; en er was groote genade over hen allen. 34 Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had : want zoo velen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en bragten den prijs dor verkochte goederen, en leidon dien aan do voeten der apostelen. 35 quot;En aan oen' iegelijk werd uitgedeeld, naar dat elk van noode had. «Jcs. 58:7. 36 En Joses, van de apostelen toogenaamd Barnabas (hetwelk is, overgezet zijnde, oen zoon der vertroosting), een Leviet, van geboorte uit Cyprus, 37 Alzoo hij oenen akker bad, verkocht dien, on bragt het gold, en lelde het aan do voeten der apostelen. HOOFDSTUK 5. Ananias wordt wegens geveinsdheid on loiigon dooi' Petrus bestraft on dooi- God met oenen plotsolingon dood bezocht, vs. 1; zoo ook Saffira, zijne vrouw, 7. Vole wonderwerken geschieden aan de kranken on bezetenen door do apostelen, on ook door do schaduw van Petrus, 12. De apostelen worden gevangen , 17; en door een' engol verlost, 19. Do .Toodsche raad vergaderd zijnde, zendt om hen to halen, doch vindt de gevangenis ledig, 21. Zij worden uit den tempel gehaald en wedor voor den raad gebragt, 26; voor welken zij zich verantwoorden en getuigen van Christus en zijne opstanding, 29. De raad neemt voor hen te dooden, 33; doch op waarschuwing van (iamaliël worden zij losgelaten, 34; nadat zij eerst gegeeseld waren, 40: waarover zij zich verblijden en even vrijmoedig in het, prediken voortgaan, 41. EN een zeker man, mot name Ananias, mot Saffira zijne vrouw, verkocht oeno have; 2 En onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw; en bragt oon zeker dool, en loido dat aan do voeten der apostelen. 3 En Petrus zeide: Ananias! waarom heeft de |
Satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt, en onttrekken van den prijs dos lands? 4 Zoo het gebleven ware, bleef het niet uwe? en verkocht zijnde, was hot niet in uwe magt? Wat is hot, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den menschen niet gelogen , maar Godo. 5 En Ananias, deze woorden hoorende, viel neder on gaf don geest. En er kwam groote vrees over allen, die dit hoorden. 6 En do jongelingen, opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem. 7 En hot was omtrent drie uren daarna, dat ook zijne vrouw daar inkwam, niet wetende, wat or geschied was; 8 En Petrus antwoordde haar; Zog mij, hebt gijlieden het land voor zoo veel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoo veel. 9 En Petrus zeide tot haar: Wat is het, dat gij onder u hebt overeengestemd to verzoeken don Geest des Hoeren? zie, do voeten dergenen, die uwen man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen. 10 En zij viel terstond neder voor zijne voeten, en gaf don geest. En de jongelingen, ingekomen zijnde, vonden haar dood, en droegen ze uit, en begroeven haar bij haren man. 11 En er kwam groote vreoze over do geheole gemeente, en over allen, die dit hoorden. 12 quot; En door do handen der apostelen geschiedden vele teekenon en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendragtelijk in het voorhof van Salomo. oMark. 16:17. Hand. 2:43. 13 En van do anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar liet volk hield hen in groote achting. 14 En er werden meer en moor toegedaan, die don Heere geloofden, menigten beide van mannen on van vrouwen; 15 Alzoo dat zij de kranken uitdroegen op de straten, on leiden op bedden en beddekens, opdat, als Petrus kwam, ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mogt. 16 En ook do menigte uit do omliggende steden kwam gezamenlijk te Jerüzalom, brengende kranken, quot; on die van onreine geesten gekweld waren; welke allen genezen worden. a Mark. 16:17. Hand. 8:7. 16:18. 19:12. 17 En do hoogepriestor stond op, en allen, die met hom waren (welke was do sekte dor saddu-coön), en worden vervuld met nijdigheid; 18 En sloegen hunne handen aan de apostelen, on zotten hen in do gemeene gevangenis. 19 quot; Maar de ongel des Heoron opende des nachts de deuren der gevangenis, en leidde hen uit, en zoide : a Hand. 12:7. 16:20. 20 Gaat hoon, en staat, en spreekt in den tempel tot het volk al do woorden dezes levens. 21 Als zij nu dit gehoord haddon, gingen zij |
HANDELINGEN 5, 6.
|
[on tegon don morgenstond in don tompol, on leor- â ijs don. Maar do hoogopriester, on die met hem waren, gekomen zijnde, riepen den raad te zamen, e? en al do oudsten der kinderen Israels, on zonden ;t ? naar den kerker, om hen te halen. gt;bt 22 Doch als de dienaars daar kwamen, vonden lo- zij hen in de gevangenis niet, maar keerden wederom, en boodschapten dit, iel 23 Zeggende: Wij vonden wol den kerker mot gt;es 3 alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren; maar als wij die 3m i geopend hadden, vonden wij niomand daarbinnen. 24 Toen nu do //oor/epriester en do hoofdman lat des tempels, en de overpriesters deze woorden 'at hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toch dit worden zou. ibt ; 25 En er kwam een, en boodschapte hun, zeg-5n ? gende: Ziet, de mannen, die gij in do gevangenis gezet hebt, staan in den tempel, en loeren het ^ij volk. en 26 Toen ging de hoofdman heen, met de diena- lio ren, en bragt hen, doch niet met geweld (quot; want r, zij vreesden het volk, opdat zij niet gesteenigd wierden). a Matt. 21; 20. Hand. 4 : 21. ii | 27 En als zij hen gebragt hadden, stelden zij 9n hen voor den raad; en de hoogopriester vraagde un hen, en zeide: 28 quot; Hebhon wij u niet ornstelijk aangezegd, dat ilo gij in dozen naam niet zoudt leoren? en ziet, gij hebt met deze uwe leer Jeruzalem vervuld, on d- gij wilt het bloed van dozen inensch over ons ic; brengen. a Hand. 4: 18. of 29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden, [li. en zeiden: quot;Men moet Gode meer gehoorzaam )ij zijn, dan den menschon. a Hand. 4:19. te 30 quot; De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, wolken gij omgebragt hebt, '' hangende hem aan ie hot hout. a Hand. .! : 15. dl h Dent. 21:23. Hand. 10:39. 13:29. 1 Potr. 2:24. 31 Dozen heeft God door zijne regterAcmrZ quot; vor- 10 hoogd tot oenen Vorst en Zaligmaker, om Israël p- te geven bekeering en vergeving der zonden. w a Hand. 2:33. 3: 15. Filipp. 2:9. 32 En wij zijn quot; zijne getuigen van deze woorden; m en ook do Heilige Geest, wolkon God h gegeven i- hooft dengenen, die Hem gehoorzaam zijn. i; «Joh. 15:27. illand. 2:4. 33 Als zij nu dit hoorden, barstte hun het hart, 2. on zij hielden raad, om hen to dooden. ie 34 Maar een zeker farizeër stond op in don i- raad, mot name Gamaliel, eon leeraar dor wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood, dat men de apostelen een weinig zou doen buiten staan. ;s 35 En hij zeide tot hen : Gij israëlietische nian- n non! ziet voor u, wat gij doen zult aangaande 3. loze menschon. 11 36 quot;Want voor deze dagen stond Theudas op, zeggende, dat hij wat was, dien oen getal van ij mitrent vier honderd mannen aanhing; welke is |
omgebragt, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden. a Hand. 21:38. 37 Na hom stond op Judas, de Galiléër, in de dagen dor beschrijving, en maakte veel volks afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden. 38 En nu zeg ik ulioden: houdt af van deze menschon, en laat hen gaan: quot; want indien deze raad, of dit werk uit menschen is, zoo zal bet gebroken worden. «Spr. 21:30. Jos. 8:10. Matt. 15:13. 39 Maar indien het uit God is, zoo kunt gij dat niet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook quot; tegen God te strijden. «Hand.9:5. 23:9. 40 En zij gaven hom gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen haddon, goesolden zij dezelve, en geboden hun, dat zij niet zouden spreken in den naam van Jezus; en lieten hen gaan. 41 Zij dan gingen hoen van hot aangozigt des raads, quot;verblijd zijnde, dat zij waren waardig geacht geweest, om zijns naams wil smaadheid te lijdon. «Matt. 5:12. 42 En zij hielden niet op, allen dag, in den tempel en bij de huizen, te loeren, on Jezus Christus te verkondigen. HOOFDSTUK 6. Om do ranrmurering dor Grieken togen do Hebreön worden door de gomoonto zovon diakenen verkozen. vs. 1; en door oplegging dor handen van do apostelen hovostigd, 6. Volon begeven zich tot do gomoonto, ook priesters, 7. Stéfanus, oon uit de diakonen, doet volo wonderen; die van de synagoge dor Libertijnen en andoren staan togen hom op, 8. Den Oeost on do wijsheid, waarmede hij sprak, niet kunnende tegenstaan, trokken zij hem voordon raad, 10; en maken valsche getuigen op, dio liom beschuldigen van lastering tegen den tempel on do wet, 13. Zijn aangozigt blinkt gelijk van oen'engel, 15, EN in dezelve dagen, als de discipelen ver-menigvuldigden, ontstond oeno murmurering der Griekschen tegen de Hebreen, omdat hunne weduwen in do dagelijksche bediening verzuimd werden. 2 En de twaalven riepen de menigte der discipelen tot zich, en zeiden: quot; Het is niet behoorlijk, dat wij het woord Gods nalaten, on do tafelen dienon. « Ex. 18 : 17. 3 quot; Ziot clan om, broeders! naar zeven mannen uit u, die ffoede getuigenis hebben, vol dos Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze noodigo zaak. « Deut. 1:13. Hand. 1:21. 16:2. 1 Tim. 3:7. 4 Maar wij zullen volharden in het gebod, en in de bediening des woords. 5 En dit woord behaagde aan al do menigte; en zij vorkoren Stéfanus, oenen man quot; vol dos goloofs en des Heiligen Geestes, ''on Filippus, en Pró-chorus, en Nieanor, en Timon, enParmenas, en Nicolaüs, oenen Jodongenoot van Antioclnë. n Hand. 11 : 24. h Hand. 21:8. |
HANDELINGEN fi, 7.
976
|
(1 Welke zij quot; voor de apostelen stohlen; en deze, als zij gebeden hadden, '' leiden hun do handen op. «Hand. 1 : 23. h Hand. 8 :17. 13 : 3. 1 Tim. 4:14. 5 : 22. 2Tim. 1 : 0. 7 quot; En het woord Gods wies, en hot getal der discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer; en eeno groote schare der priesteren werd den geloove gehoorzaam. a Hand. 19:20. 8 En Stéfanus, vol van geloof en kracht, deed wonderen en groote teekenen onder het volk. 9 En er stonden op sommigen, die waren van de synagoge, genaamd der Libertijnen, en dor Cyrenéërs, en dor Alexandrijnen, en dergonen, die van Cilicië en Azië waren, en twistten mot Stéfanus. 10 quot; En zij konden niet wederstaan do wijsheid en don Geest, door weikon hij sprak. «Ex. 4 : 12. .los. 54 : 17. Luk. 21 : 15. 11 quot;Toon maakten zij mannen uit, die zeiden: Wij hebben hem hooren spreken lasterlijke woorden togen Mozos en God. n Matt. 2(i: 59. 12 En zij beroerden hot volk, en de ouderlingen en do schriftgeleerden; en hem aanvallende grepen zij hem, en leidden hem voor den raad; 13 En stelden valscho getuigen, dio zeidon : Deze mensch houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en do wet. 14 Want wij hebben hom hooren zeggen, dat deze Jezus, de Nazaréner, deze plaats zal verbreken , en dat hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft. 15 En allen, die in don raad zaten, do oogen op hom houdende, zagen zijn aangezigt als hot aangozigt eens engels. HOOFDSTUK 7. Stéfanus, zich voor don raad verantwoordende, verhaalt, iioo God Abraham uit Clialdóa geleid, met hom on zijn zaad oon verbond gemaakt en hun hot land Kanailn beloofd had, vs. 1; dat Jozef in Egypte verkocht en aldaar tot oon' vorst gestold is, 9; en dat Jakob, met zijn geslacht, om den tijd van duurte derwaarts getrokken en aldaar gestorven is, 11; hoe zijne nakomelingen in dat vreemde land vermenigvuldigd en wreed behandeld zijn, 17; hoe Mozes geboren, weggeworpen en door Farao's dochter opgenomen en opgevoed is in alle wijsheid dei' Egyptenaren, 20; hee hij zijne broeders bezocht en den Egyptenaar sloeg, die een hunner verongelijkte, 23; hetwelk hem verweten werd, 27; waarom hij naar Midian vlugtte, 29; waar flod hem verscheen in oenen brandenden doornenbosch, en hem naar Egypte zond om het volk te verlossen, 30; hoe Mozes van Christus heeft geprofeteerd en do wet ontvangen, 37; hoe het gouden kalf werd gemaakt en daarmede afgoderij bedreven, als ook met .Moloch, 39; hoe de tabernakel opgerigt en onder hen geweest is tot den tijd van Salomo, die den tempel hoeft gebouwd, 44. Hij verwijt hun voorts, dat zij in hardnekkigheid en wreedheid hunnen vaders gelijk zijn, 51. Waarover zij tegen hem verbitterd worden en hem steenigen; doch hij, den hemol geopend ziende, beveelt Christus zijne ziel, bidt voor hen en ontslaapt, 54. EN de hoogepriester zeide: Zijn dan deze dingen alzoo? |
2 En hij zeide: Gij mannen broeders en vaders! hoort toe: de God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham, noy zijnde in Mesopota-mië, oor hij woonde in Charran; 3 En zeide tot hom: quot;Ga uit uw land en uit uwe maagschap, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal. a Oen. 12:1. 4 Toen ging hij uit het land der Chaldeën, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bragt Hij hem ovor in dit land, daar gij nu in woont. 5 En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet eenen voetstap; quot;en beloofde, dat Hij hem hetzelve tot eene bezitting geven zou, en zijnen zade na hem, als hij no(/ geen kind had. a Oen. 12:7. 13 : 15. (i En God sprak alzoo, quot;dat zijn zaad vreemdeling zijn zonde in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk handeion, ''vier honderd jaren. a Gen. 15:13. Gen. 15:10. Ex. 12:40. Gal. 3:17. 7 En het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordeelen, sprak God; en quot;daarna zullen zij uitgaan, ''en zij zullen Mij dienen in deze plaats. a Gon. 15 : 1(5. b Ex. 3 :12. 8 En Hij gaf hem hot verbond quot; der besnijdenis; en alzoo ''gewon hij Izak, en besneed hom op den achtsten dag; en Izak 'gewon Jakob, en Jakob ''de twaalf patriarchen. aOon. 17:10. h Gen. 21:2. c Gon. 25 : 24. d Gen. 29 : 32. 30 : 5. 35 : 23. !) En de patriarchen, quot;nijdig zijnde, '' verkochten Jozef, om naar Egypte gebragt te worden; en God was met hem, «Gen. 37 : 4. /gt;Gen. 37 : 28. Ps. 105: 17. 10 En verloste hem uit al zijne verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Farao, den koning van Egypte; en hij quot; stelde hem tot een' overste over Egypte, en zijn geheele huis. a Oen. 41 : 40. 11 quot; En er kwam een hongersnood over het geheele land van Egypte en Kanaan, en groote benaauwdheid; en onze vaders vonden geeno spijs. «Gen. 41 : 54. Ps. 105: 10. 12 quot; Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit. a Gen. 42 : 1. 13 quot; En in de tweede reize werd Jozef zijnen broederen bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Faraö openbaar. a Gen. 45: 4. 14 En Jozef zond heen, en ontbood zijnen vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen. 15 quot;En Jakob kwam af in Egypte, on ''stierf, hij zeil' en onze vaders, a Gen. 46:5. h Gen. 49 : 33. 16 quot; En zij werden overgebragt naar Sichem, en gelegd in hot graf, b hetwelk Abraham gekocht had voor eene somme gelds, van do zonen van Eminor, den vader van Sichem. n Gen, 50 : 13. Ex. 13:19. Joz. 24 : 32. h Gon. 23 : 10. 17 Maar als nu de tijd der belofte, die God aan |
HANDELINGEN 7.
977
|
Abraham gezworen had, genaakte, quot;wies liet volk en vermenigvuldigde in Egypte; a Ex. 1: 7. I's. 105; 24. 18 Totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had. 19 Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zoodat zij hunne jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen. 20 quot; In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders. «Ex. 2:2. G: 19. Num. 26 : 59. 1 Kron. 23 : 13. Helir. 11 : 23. 21 En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hom voor zich zelve op tot eenen zoon. 22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was magtig in woorden en in werken. 23 quot; Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijne broeders, de kinderen Israels, te bezoeken. '/Ex. 2:11. 24 quot; En ziende eenen, die onregt leed, beschermde hij hem, on wreekte dengenen, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar. «Ex. 2:11. 25 En liij meende, dat zijne broeders zouden verstaan, dat God door zijne hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan. 20 quot; En don volgenden dag word hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen! gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk? «Ex. 2; 13. 27 En die zijnen naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: quot;Wie heeft u tot een' overste en regter over ons gesteld? «Ex. 2:14. Matt. 21:23. Hand. 4:7. 7:35. 28 Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebragt hebt? 29 En Mozes vlugtte op dat woord, en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon. 30 a En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van den berg Sinaï, in een vlannnig vuur van den doornenbosch. «Ex. 3:2. 31 Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over liet gezigt; en als hij derwaarts ging, om dat te bezien, zoo geschiedde eene stem des Heeren tot hem, 32 Zeggende: quot;Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien. «Ex. 3 : 6. Matt. 22 : 32. llobr. 11 : 10. 33 En de Heere zeide tot hem: quot; Ontbind de schoenen van uwe voeten; want do plaats, in welke gij staat, is heilig land. «Joz. 5:15. 34 Ik heb merkelijk gezien do mishandeling mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord, en bon nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu kom herwaarts. Ik zal u naar Egypte zenden. |
35 Dezen Mozes, welken zij verloochend haddon, zeggende: Wie heeft u tot een' overste en regter gesteld ? dezen, zeg ik, heeft God tot eenen overste en verlosser gezonden, door do hand des Engels, die hem verschonen was in den doornenbosch. 36 quot; Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en teekenen in het land van Egypte, en in de Roode zee, ''en in de woestijn, veertig jaren. a Ex. 7, 8, 9, 10, II, 13, 14. h Ex. 16: 1. Deut. 1 :3. 37 Deze is die Mozes, die tot do kinderen Israels gezegd heeft: quot;De Heere, uw God, zal u eenen profeet verwekken uit uwe broederen, gelijk mij; ''dien zult gij hooren. n Deut. 18:15, 18. Joh. 1 : 40. Hand. 3:22. h Matt. 17 : 5. 38 «Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was ''met den Engel, die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven. a Ex. 19:3. iGal. 3: 19. 39 Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hunne harten weder naar Egypte; 40 Zeggende tot Aiiron: quot; Maak ons goden, die voor ons heengaan: want wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat hem geschied is. a Ex. 32 : 1. 41 En zij maakten een kalf in die dagen, en bragten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen. 42 En God keerde zich, en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden , gelijk geschreven is in het book der profeten: quot; Hebt gij ook slagt-offeren en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israels? aAmo85;25. 43 quot; Ja gij hebt opgenomen den tabernakel van Moloch, en het gesternte van uwen god Remfan, de afbeeldingen, die gij gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van liabyIon. n Amos 5:20, 27 44 Do tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had Hij, die tot Mozes zeido, dat hij denzelven maken zou quot;naar de afbeelding, die hij gezien had. «Ex. 25 : 40. Holir. 8 : 5. 45 quot; Wolken ook onze vaders ontvangen hob-bende, met Jezus gebragt hebben in het land, dat de Heidenen bezaten, die God verdreven hoeft van liet aangezigt onzer vaderen, tot de dagen van David toe; aJoz. 3: 14. 46 quot;Dewelke voor God genade gevonden hoeft, en '' begeerd heeft te vinden eene woonstede voor den God Jakobs. a 1 Sam. 16: 1. Ps. .S9: 21. Hand. 13 : 22. h 2 Sam. 7:2. 1 Kron. 17 : 1. Ps. 132 : 5. 47 quot; En Salomo bouwde Hom een huis. a 1 Kon. 0:1. I Kron. 17 : 12. 48 quot; Maar do Allerhoogste woont niet in tem- (V2 |
HANDELINGEN 7, 8.
978
|
pelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt: a 1 Kon. 8 : 27. Hand. 17 : 24. 49 quot;De hemel is Mij een troon, en do aarde eene voetbank mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen? zegt de Heere; of welke is de plaats mijner ruste ? n 2 Kron. (i; 33. Jos. CG : 1. Malt. 5 : 34. 23 : 22. 50 quot; Heeft niet mijne hand al deze dingen gemaakt? a Gen. 1 : 4. 51 quot; Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en ooren! gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uwe vaders, alzoo ook gij. « Neh. fl : 10, 17. Jer. (i: 10. 52 Wien van de profeten hebben uwe vaders niet vervolgd ? en zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben do komst des Regtvaardigen, van welken gijlieden nu verraders en moorders geworden zijt. 53 quot; Gij, die de wet ontvangen hebt door bestellingen der engelen, en hebt ze niet gehouden! a Ex. 19:3. 24:3. Joh. 7:19. Gal. 3: 19. Hebr. 2:2. 54 Als zij nu dit hoorden, berstten hunne harten, en zij knersten de tanden tegen hem. 55 Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, en de oogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter rog ter hand Gods. 56 En hij zoide: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des menschen, staande ter regter-hand Gods. 57 Maar zij, roepende met groote stemme, stopten hunne ooren, en vielen eendragtelijk op hem aan; 58 quot;En wierpen hem ter stad uit, en steenigden /ie»i; '' en de getuigen leiden hunne kleederen af aan de voeten eens jongelings, genaamd Saulus. a 1 Kon. 21: 13. Luk. 4 : 29. b Hand. 22 : 20. 59 En zij steenigden Stéfanus, aanroepende en zeggende: quot;Heere Jezus! ontvang mijnen geest. a Ps. 31: G. Luk. 23 : 40. (10 En vallende op de knieën, riep hij met groote stem: quot;Heere! reken hun deze zonde niet toe. En als hij dat gezegd had, ontsliep hij. n Malt. 5 : 44. Luk. 23 : 34. 1 Oor. 4:12. HOOFDSTUK 8. De gemeente van .Terflzalem wordt vervolgd en verstrooid , vs. 1; en Strfanus begraven, 2. Saulus verwoest de gemeente, 3. Kilippus predikt Christus en doet vele wonderwerken te Samaria, 5; alwaar Simon do toovenaar het volk verleid had en in groot aanzien was, 9. Velen gelooven door Filippus prediking en worden gedoopt, 12; en onder deze ook Simon, 13. i'otnis en .Tohannes worden gezonden naar Samaria, 14; door wier gebed en oplegging der handen de geloovigen aldaar den H. Ueest ontvangen, 15. Simon begeert deze magt voor geld te koopen, 18; maar wordt door Petrus daarover ernstig bestraft en tot bekeering vermaand, 20. Filippus wordt gezonden tot den Moorman, die op zijnen wagen zittende den profeet Jes;Vja las, 20; en door Filippus onderwezen zijnde, na belijdenis van zijn geloof door hem onderweg gedoopt wordt, 34. Filippus wordt van den Geest des Hoeren weggenomen en (e Azote gevonden, 39. |
EN quot; Saulus had mede een welbehagen aan zijnen dood. En er word te dien dage eene groote vervolging tegen do gemeente, die te Jeruzalem was; b en zij werden allen verstrooid door de landen van Judéa en Samaria, behalve de apostelen. o Hand. 22:20. 6 Hand. 11 : 19. 2 En e enige godvruehtige mannen droegen Stéfanus te zamen ten grave, quot;en maakten grooten rouw over hem. a Gen. 23:2. 50:10. 2 Sam. 3:31. 3 En quot;Saulus verwoestte de gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis. n Hand. 9:1. 22 : 4. 20 : 9. 1 Oor. 15 : 9. Gal. 1 : 13. 1 Tim. 1 : 13. 4 Zij dan nu, die verstrooid waren, quot; gingen het land door, en verkondigden het woord. « Matt. 10 : 23. Hand. 11 : 19. 5 En Filippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus. 6 En de scharen hielden zich eendragtelijk aan hetgeen van Filippus gezegd werd, dewijl zij hoorden en zagen de teekenen, die hij deed. 7 quot; Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen dezelve uit, roepende met groote stem; en vele geraakten en kreupelen werden genezen. a Mark. 16:17. Hand. 5:16. 16:18. 19:11. 8 En er werd groote blijdschap in die stad. 9 En een zeker man, met name Simon, was te voren in de stad (liegende quot; tooverij, en verrukkende de zinnen des volks van Samaria, zeggende van zich zeiven, dat hij wat groots was. a Hand. 13 : 6. 10 Welken zij allen aanhingen, van den kleine tot den groote, zeggende: Deze is de groote kracht Gods. 11 En zij hingen hem aan, omdat hij eenen langen tijd met tooverijen hunne zinnen verrukt had. 12 Maar toen zij Filippus geloofden, die het evangelie van het koningrijk Gods, en van den naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beide mannen en vrouwen. 13 En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde, bleef gedurig bij Filippus; en ziende de teekenen en groote krachten, die er geschiedden, ontzette hij zich. 14 Als nu de apostelen, die te Jeruzalem waren, hoorden, dat Samaria het woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes. 15 Dewelke afgekomen zijnde, baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest ontvangen mogten. 16 (Want Hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleenlijk gedoopt in den naam van den Heere Jezus.) 17 quot; Toen leiden zij de handen op hen, en zij ontvingen den Heiligen Geest. a Hand. 6:6. 13:3. 19:6. 1 Tim. 4:14. 5:22. 2 Tim. 1:6. 18 En als Simon zag, dat, door de oplegging van de handen der apostelen, de Heilige Geest gegeven werd, zoo bood hij hun geld aan, 19 Zeggende: Geeft ook mij deze magt, opdat. |
HANDELINGEN 8.
979
|
zoo wien ik de handen opleg, hij don Heiligen Geest ontvange. 20 Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, quot; omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt! a Matt. 10:8. 21 Gij hebt geen deel noch lot in dit woord: want uw hart is niet regt voor God. 22 Bekeer u dan van deze uwe boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd. 23 Want ik zie, dat gij zijt in eene gansch bittere gal en zamenknooping der ongeregtigheid. 24 Doch Simon, antwoordende, zeide: quot;Bidtgij- |
29 En de Geest zeide tot Filippus: Ga toe, en voeg u bij dezen wagen. 30 En Filippus liep toe, en hoorde hem den profeet Jesaja lezen, en zeide; Verstaat gij ook hetgeen gij leest? 31 En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zoo mij niet iemand onderrigt? En hij bad Filippus, dat hij zou opkomen, en bij hem zitten. 32 quot;En de plaats der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slagting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voordien, die het scheert, alzoo doet hij zijnen mond niet open. a Jes. 53 : 7. 33 In zijne vernedering is zijn oordeel wegge- |
|
lieden voor mij tot den Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt. aNiini.21:7. 25 Zij dan nu, als zij het woord des Heeren betuigd en gesproken hadden, keerden wederom naar Jeruzalem , en verkondigden hot evangelie in vele vlekken der Samaritanen. 20 En een engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op den weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is. 27 En hij stond op en ging heen; en ziet, een Moorman, een kamerling, en een magtig heer van Candacé , de koningin der Mooren, die over al haren sciiat was, quot; welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem; «Joh. 12:20. 28 En hij keerde wederom, en zat op zijnen wagen, en las den profeet Jesaja. |
nomen; en wie zal zijn geslacht verhalen? want zijn leven wordt van de aarde weggenomen. 34 En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van wien zegt de profeet dit? van zich zeiven, of van iemand anders? 35 En Filippus deed zijnen mond open, en beginnende van diezelve Schrift, quot; verkondigde hem Jezus. a Luk. 24 : 45, 36 En alzoo zij over weg reisden , kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zeide: Ziedaar water; quot; wat verhindert mij gedoopt te worden ? a Hand. 10:47. 37 En Filippus zeide: Indien gij van ganscher harte gelooft, zoo is het geoorloofd. En hij, antwoordende , zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is. 38 En hij gebood den wagen stil te houden; en (W* |
HANDELINGEN 8, 9.
980
|
zij daalden beidon af in hot water, zoo Filippus als de kamerling, en liij doopte hom. 39 En toon zij uit hot water waren opgekomen, nam de Geest des Hoeren Filippus weg, en de kamerling zag hom niet meer: want hij reisde zijnen weg met blijdschap. 40 Maar Filippus werd gevonden, te Azóto; en het htnd doorgaande, verkondigde hij het evangelie in alle steden, totdat hij te Cosaróa kwam. HOOFDSTUK 9. Sanlus reist naar Damaskus, om do geloovigen aldaar ook to vervolgen, vs. 1. Wordt op don weg door oon licht uit don hemel omstraald, tor aarde geworpen , door Christus zelvon bestraft en met blindheid gosiagen, li. Ananias wordt tot hom gezonden, die oorst bevreesd is, om tot hem to gaan, 10; |
3 quot; En als hij reisde, is het gesehied, dat hij nabij Damaskus kwam, b en hem omscheen snol-lijk ''een licht van don hemel; a Hand. 22 : C. h 1 Cor. 15 : 8. 2 Oor. 12 : 2. cHand. 2G : 13. 4 En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij eeno stom, die tot hem zeide: Saul, Saul! wat vervolgt gij mij ? 5 En hij zeide: Wie zijt gij, Heere? En do Hoere zeide: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt. quot; Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan. «Hand. 5:39. 6 En hij, bovendo en verbaasd zijnde, zeide: Hoere! quot;wat wilt gij, dat ik doen zal? En de Hoere zeide tot hom: Sta op, on ga in do stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moot. «Luk. 3:10. Hand. 2:37. 10:30. |
|
dooh daarna tot hem komt, hem woder ziende maakt, ondorrigt on doopt, 15. Sanlus predikt Christus in de synagogen, 20. De Joden leggen hem lagen, 23; maar hij ontkomt in eeno mand over den stadsmuur, 25. Hij komt to Jerflzalem en wordt door Barnabas tot do apostelen gebragt, en predikt ook .aldaar Christus, 20. Reist naar Tarson, om do lagen der â¢loden te ontgaan, 30. De gemeenten hebben vrede en nemen toe, 31. Petrus komt to Lydda en geneest Enóas, 32; wordt te .loppe ontboden en wekt Ta-bitha op, die gestorven was, waardoor velen ge-looven, 42. EN quot; Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Hoeren, ging tot don hoogopriester, a Hand. 8 :3. 22 : 4. 20 ; 9. 1 Cor. 15:9. Gal. 1 : 13. 1 Tim. 1:13. 2 En begeerde brieven van hom naar Damaskus, aan de synagogen, opdat, zoo hij eenigen, die van dien weg waren, vond, hij dezelve, beide mannon en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem. |
7 quot; En de mannen, die mot hem over weg reisden , stonden verbaasd, hooronde wel de stom, maar niemand ziende. a Dan. 10 : 7. 8 En Saulus stond op van do aarde; en als hij zijne oogen opendeed, zag hij niemand. En zij, hem bij de hand leidende, bragten hom te Damaskus. 9 En hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet. 10 En er was oen zeker discipel te Damaskus, met name Ananias; en de Hoere zeide tot hem in eon gezigt: Ananias! En hij zeide: Zie, Ider hen ik, Hoere! 11 En de Hoere zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Regte, en vraag in het huis van Judas naar ecnen, met name Saulus, a van Tarson: want zie, hij bidt. a Hand. 21 : 39. 22:3. 12 En hij heeft in oon gezigt gezien, dat een |
HANDELINGEN 9, 10.
981
|
man, met name Ananias, inkwam, en hom de hand opleido, opdat hij wederom ziende werd. 13 En Ananias antwoordde: Heere! ik heb uit velen gehoord van dezen man, quot;hoeveel kwaad hij uwen heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; a Hand. 9:1. 1 Oor. 15:9. Gal. 1 :13. 1 Tim. 1 :13. 14 En heeft hier magt van de overpriesters, om te binden allen, die uwen naam aanroepen. 15 Maar de Heere zeide tot hem: Ga heen; quot; want deze is mij oen uitverkoren vat, om mijnen naam te dragen voor de Heidenen, en de koningen, en de kinderen Israels, a Hand. 13:2. 22:21. Hom. 1:1. Gal. 1:15.2:8. Efez.3:8.1 Tim.2:7.2Tim. 1:11. KJ quot; Want ik zal hem toonen, hoeveel hij lijden moet om mijnen naam. «Hand. 21:11. 2Oor. 11:23. 17 quot; En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zeide hij : Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, die u verschenen is op don weg, dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden. «Hand.22 :12. 18 En terstond vielen af van zijne oogen gelijk ais schellen, en hij werd terstond wederom ziende; en stond op, en werd gedoopt. 19 En als hij spijze genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen, die te Damaskus waren. 20 En hij predikte terstond Christus in de synagoge, dat hij do Zoon van God is. 21 En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde, wie dezen naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelve gehouden zou brengen tot de overpriesters? 22 Doch Saulus word moor en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die te Damaskus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is. 23 En als vele dagen vcrloopen waren, zoo hielden de Joden te zamen raad, om hem te dooden. 24 Maar hunne lage werd Saulus bekend; quot;en zij bewaarden do poorten, beide des daags en des nachts, opdat zij hem dooden mogten. a 2 Cor. 11 : 32. 25 Doch de discipelen namen hem des nachts, quot;en lieten hem neder door don muur, hem aflatende in eeno mand. aJoz. 2:15. 1 Sam. 19; 12. 26 quot; Saulus nu, te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij do discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet geloovende, dat iiij een discipel was. «Hand. 22:17. 27 «Maar Barnabas, hem tot zich nemende, leidde hem tot do apostelen, en verhaalde hun, hoe hij op den weg den Heere gezien had, en dat hij tot hem gesproken had; en hoe hij te Damaskus vrij moediglij k gesproken had in den naam van Jezus. a Hand. 11:25. 28 En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jerüzalem; 29 En vrij moediglij k sprekende in den naam |
[ van den Heere Jezus, sprak hij ook en handelde tegen de grieksche Joden; maar deze trachtten hom te dooden. 30 Doch de broeders, dit verstaande, geleidden hem tot Cesaróa, en zonden hem af naar Tarsen. 31 Do gemeenten dan, door geheel Judéa, en Galilóa, on Samaria, hadden vrede, en worden gesticht; en wandelende in de vreeze dos Hoeren, en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd. 32 En het geschiedde, als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot do heiligen, die te Lydda woonden. 33 En aldaar vond hij eon' zeker monsch, met name Enéas, die acht jaren te bod gelogen had, wolke geraakt was. 34 En Petrus zeide tot hem: Enéas! Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid u zeiven het bed. En hij stond terstond op. 35 En zij zagen hem allen, die te Lydda en j Saróna woonden, dewelke zich bekeerden tot don Heere. 30 En to Joppo was oono zekere discipelin, mot name Tabitha, hetwelk, overgezet zijnde, is gezegd Dorkas. Deze was vol van goede werken on aalmoezen, die zij dood. 37 En het geschiedde in die dagen, dat zij krank word en stierf; en als zij haar gewasschen haddon, leidon zij haar in do opperzaal. 38 En alzoo Lydda nabij Joppo was, de disci-pelen, boorende, dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem, biddende, dat hij niet zou vertoeven tot hen over te komen. 39 En Petrus stond op, en ging mot hen; welken zij, als hij daar gekomen was, in do opperzaal leidden. En al do weduwen stonden bij boni, weenendo, en toonondo do rokken en kleederen, dio Dorkas gemaakt had, als zij bij haar was. 40 Maar Petrus, hebbende hen allen uitgedreven, knielde neder on bad; on zich koerende tot liet ligchaam, zeide bij: Tabitha, sta op! En zij dood hare oogon open, en Petrus gezien hobbondo, zat zij over einde. 41 En hij gaf haar de hand, en rigtte haar op, on do lioiligen en do weduwen geroepen hebbende, stoldo hij haar lovend voor hen. 42 Eji dit word bekend door geheel Joppo, on velen geloofden in don Hooro. 43 En liet geschiedde, dat hij vele dagen te Joppo bleef, bij eenen zekeren Simon, eenen lodorbereider. HOOFDSTUK 10. Een ongel verschijnt aan Cornelius, don lioofdman to Cesaróa, als hij vastende en biddende was, vs. 1. Beveelt hom Petrus van Joppe te ontbieden, om van hem onderligt te worden, 5. Cornelius zendt zijne dienstknechten, 7. Petrus wordt intusschen door hot gezigt van een' linnen laken met allerlei rein en onrein gedierte, uit den hemel nedergela-ten, en door oene aanspraak onderwezen, dat het onderscheid van Joden en Heidenen nu was weg- |
HANDELINGEN 10.
982
|
genomen, 9. Do dienstknechten van Cornelius komen tot Petnis, 17; die door (rod vermaand zijnde mot hen naar Cesaróa reist, 19; alwaar Cornelius met zijne vrienden vergaderd is en hem mot grooton eerbied ontvangt, 24. Petrus verhaalt wat God hom geopenbaard iieeft, 28; evenzoo doet ook Cornelius, ;50. Petrus predikt. Ohristus aan Cornelius en de zijnen, ll-i. Zij ontvangen daarop den H. Geest, 44; sproken met vreemde tongen, 40; en worden gedoopt, 47. EN er was een zeker man te Cesaróa, met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit do bende, genaamd de Italiaansclie; 2 Godzalig, en vreezende God, met geheel zijn huis, en doende vele aalmoezen aan het volk, en God geduriglijk biddende. 3 Deze zag in een gezigt klaarlijk, omtrent de negende ure des daags, eenen engel Gods tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius! 4 En hij, de oogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide; Wat is het, Ileere? En hij zeide tot hem: Uwe gebeden en uwe aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God. 5 En nu, zend mannen naar Jop-pe, en ontbied Simon, die toe-genaamd wordt Petrus. 6 Deze ligt te huis bij eenen Simon, leder berei-der, die zijn huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen, wat gij doen moet. 7 En als de engel, die tot Cornelius sprak , weggegaan was, riep hij twee van zijne huisknechten, en eenen godzaligen krijgsknecht van degenen, die gedurig bij hem waren; 8 En als hij hun alles verhaald had , zond hij hen naar Joppe. 9 En des anderen daags, terwijl deze reisden, en nabij de stad kwamen, quot; klom Petrus op het dak, om te bidden, omtrent de zesde ure. a 2 Kon. 4 : 33. Matt. 0 : 6. 10 En hij werd hongerig, en begeerde te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem eene vertrekking van zinnen. 11 En hij zag den hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en neder-gelaten op de aarde. |
. 12 In hetwelk waren al de viervoetige dieren der aarde, en do wilde, en de kruipende dieren, en de vogelen dos hemels. 13 En er geschiedde eene stem tot hom; Sta op, Petrus! slagt en eet. 14 Maar Petrus zeide: Geenszins, Ileere! want quot; ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was. «Lev. 11:4. Dent. 14:7. 15 En eene stem geschiedde wederom ten tweede maal tot hem : quot; Hetgeen God gereinigd heeft zult gij niet gemeen maken. a Matt. 15:11. Rom. 14:17, 20. 1 Tim. 4:4. Tit. 1:15. 16 En dit geschiedde tot driemaal; en het vat werd wederom opgenomen in don hemel. 17 En alzoo Petrus in zich zeiven twijfelde, wat toch het gezigt mogt zijn, dat iiij gezien had, ziet, de mannen, die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar hot huis van Simon, stonden aan do poort. 18 E n iemand ge -roepen hebbende, vraagden zij, of Simon, toege-naamd Petrus, daar te huis lag? 19 En als Petrus op dat gezigt dacht, zeide de Geest tot hem: Zie, drie mannen zooken u; 20 quot; Daarom sta op, ga af, en reis met hen, niet twijfelende : want Ik heb hen gezonden. «Hand. 15:7. 21 En . Petrus ging af tot do mannen, die van Cornelius tot hem gezonden waren, en zeide: Ziet, ik ben het, dien gij zoekt; wat is de oorzaak, waarom gij hier zijtV 22 En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd , een regtvaardig man, en vreezende God, en die goede getuigenis heeft van het ganscho volk der Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van eenen heiligen engel, dat hij u zou ontbieden te zijnen huize, en dat hij van u woorden der zaligheid zou hoeren. 23 Als hij hen dan ingeroepen had, ontving hij ze in huis. Doch des anderen daags ging Petrus met hen heen, en sommige der broederen, die van Joppe waren, gingen met hem. 24 En des anderen daags kwamen zij te Cesaróa. En Cornelius verwachtte hen, zamengeroepen hebbende die van zijne maagschap en bijzonderste vrienden. 25 En als het geschiedde, dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius te gemoet, en vallende aan zijne voeten, aanbad hij. |
HANDELINGEN 10.
98;?
|
26 Maar Petrus rigtto hem op, zeggende: quot; Sta op, ik ben ook zelf een mensch. a Hand. 14:14. Openb. 19:10. 22;!). 27 En met hem sprekende, ging hij in, en vond er velen, die zamengekomen waren. 28 En hij zeide tot hen: quot; Gij weet, hoe het eenen joodschen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot eenen vreemde; ''doch God heeft mij getoond, dat ik geen' mensch zou gemeen of onrein heeten. «Ex. 23:32. ;}4 :15. Deut. 7 : 2. Joh. 4:9. 18:28. Hand. 11:3. h Hand. 15:8. Efez. 3:6. 29 Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zoo vraag ik dan, om wat reden gijlieden mij hebt ontboden? 30 En Cornelius zeide: Over vier dagen was ik vastende tot deze ure toe, en ter negende ure bad ik in mijn huis. 31 En ziet, een man stond voor mij, quot; in een blinkend kleed, en zeide: Cornelius! uw gebed is verhoord, en uwe aalmoezen zijn voor God gedacht geworden. o Malt. 28:3. Mark. 10:5. Luk. 24 : 4. 32 Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus; deze ligt te huis in het huis van Simon, den le-derbereider, aan de zee, welke, hier gekomen zijnde, tot u spreken zal. 33 Zoo heb ik dan van stonden aan tot u gezonden , en gij hebt welgedaan, dat gij hier gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te hooren al hetgeen u van God bevolen is. 34 En Petrus, den mond opendoende, zeide; Ik verneem in der waarheid, quot; dat God geen aannemer des persoons is; a Dent. 10 : 17. 2 Kron. 19 : 7. Job 34 :19. Kom. 2 :11. Gal. 2 ; 6. Efez. 6 ; 9. Col. 3 ; 25. 1 Petr. i : 17. 35 quot; Maar in allen volke, die Hem vreest en ge-regtigheid werkt, is Hem aangenaam. aJes. 56:6. 36 Dit is het woord, dat Hij gezonden heeft den kinderen Israels, quot; verkondigende vrede door Jezus Christus; deze is een Heere van allen. nJes. 9:5. 52:7. Joh. 10:33. Rotn. 5:1. Col. 1: 2U. 37 Gijlieden weet de zaak, die geschied is door geheel Judéa, quot; beginnende van Galiléa, na den doop, welken Johannes gepredikt heeft; «Jes. 8:23. 9; 1. Matt. 4; 12. Mark. 1 : 14, 38, 39. Luk. 4: 14. |
38 Belanyendc Jezus van Nazareth, quot;hoe liein God gezalfd heeft mot den Heiligen Geest en met kracht; welke het tand doorgegaan is, goed doende, en genezende allen die van den duivel overweldigd waren: want God was met hem. a Ts. 45 : 8. Jes. 61 : 1. Luk. 4 : 18. 39 En wij zijn getuigen van al hetgeen hij gedaan heeft, beide in het joodsche land en te Je-rüzaleni; welken zij gedood hebben, hem hangende aan een hout. 40 quot; Dezen heeft God opgewekt ton derde dage, en gegeven, dat hij openbaar zou worden; a Mark. 16: 14. Luk. 24:34. Joh. 20:10. Hand. 2:24. 1 Cor. 15 : 5. 41 Niet al den volke, maar den getuigen, die van God te voren verkoren waren, ons namelijk, die met hem gegeten en gedronken hebben, nadat hij uit de dooden opgestaan was. 42 quot; En heeft ons geboden den volke te prediken, en te betuigen, dat hij is degene, die b van God verordend is tot een' Reg-ter van levenden en dooden. a Matt. 28 ; 19. Mark. 16 : 15. Joh. 15 ; 16. h Hand. 17 : 31. 43 quot; Dezen geven getuigenis al de profeten, '' dat een iegelijk, die in hem gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door zijnen naam. «Oen. 3 : 15. 22:18. 26:4. 49; 10. Deut. 18 ; 15. Ps. 132 ; II. Jes. 4:2. 7:14. 9:5. 40:10. Jer. 23:5. 33:14. Ezec. 34:23. 37 ; 24. Dan. 9 : 24. Micha 7:20. h Hand. 15:9. 44 quot; Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het woord hoorden. a Hand. 8 : 17. 45 En de geloovigen, die uit de besnijdenis waren, zoo velen als er met Petrus waren gekomen, ontzetten zich, dat de gave des Heiligen Geestes ook op de Heidenen uitgestort werd. 46 quot; Want zij hoorden hen spreken met vreemde talen, en God groot maken. Toen antwoordde Petrus; a Mark. 16:17. Hand. 2:4. 47 quot;Kan ook iemand het water weren, dat deze niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij? a Hand. 8 ; 36. 11 ; 17. 48 En hij beval, dat zij zouden gedoopt worden in den naam des Heeren. Toen baden zij hom, dat hij eenige dagen bij tien wilde blijven. |
HANDELINGEN 11.
!)H4
|
HOOFDSTUK 11. Petrus komt to .Terüzalein, w.iar hij beschuldigd wordt, dat hij tot de onbesnedonen was ingegaan, vs. 1. Waarop hij tot zijne verantwoording verhaalt, al wat dien aangaande geschied was, 4; welke verantwoording wordt aangenomen, 18. De verstrooide ge-loovigen verkondigen Christus, tot Feniciö, Cyprus en Antiochië toe, aan de Joden en sommigen ook aan de Grieken, 19; zoodat er velen geloofden, 21, hetwelk de gemeente van Jeruzalem verstaande, Harnabas naar Antiochië zendt, om hen te versterken. 22. Barnabas reist naar Tarsen, om Panlus te zoeken, cn brengt hein te Antiochië, 25; alwaar de discipelen het eerst Christenen worden genaamd, 26. A'gabus voorzegt een' hongersnood, 27; waarom do broeders door Paulas on Barnabas eene handreiking zenden aan de broeders te Jeruzalem, 29. DE apostelen nu, en de broeders, die in Judéa waren, hebben gehoord, dat ook de Heidenen liet woord Gods aangenomen hadden. 2 En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem , twistten tegen hem degenen, die uit de besnijdenis waren, 15 Zeggende: quot;Gij zijl ingegaan tot mannen, die de voorhuid hebben, cn hebt mot hen gegeten. a Ex. 23 : 32. 34 : 15. üeut. 7 : 2. Joh. 18 : 28. 4 Maar Petrus, beginnende, verhaalde het hun vervolgens, zeggende: 5 quot;Ik was in de stad Joppe, biddende; en ik zag in eene vertrekking van zinnen een gezigt, namelijk een zeker vat, gelijk een groot linnen laken, nederdalende, bij de vier hoeken neder-gelaten uit den hemel, en het kwam tot bij mij. a Hand. 10:9. (i Op welk laken als ik de oogen hield, zoo merkte ik, en zag de viervoetige dieren der aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en do vogelen des hemels. 7 En ik hoorde eene stem, die tot mij zeide: Sta op, Petrus! slagt en eet. 8 Maar ik zeide: Geenszins, Heere! want nooit is quot;iets, dat gemeen of onrein was, in mijnen mond ingegaan. a Lev. 11:4. Dent. 14:7. !) Doch de stem antwoordde mij ten tweede maal uit den hemel: Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen makon. 10 En dit geschiedde tot driemaal; en alles werd wederom opgetrokken in den hemel. 11 En ziet, ter zelfder ure stonden er drie mannen voor het buis, daar ik in was, die van Cesaréa tot mij afgezonden waren. 12 quot; En de Geest zeide tot mij, dat ik met hen gaan zou, niet twijfelende. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn in des mans huis ingegaan; «Hand. 10:19. 15:7. 13 En hij heeft ons verhaald, hoe hij eenenengel gezien had, die in zijn huis stond, en tot hem zeide: Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd is Petrus; 14 Die woorden tot u zal spreken, door welke gij zult zalig worden, en al uw huis. |
15 En als ik begon te spreken, viel do Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin. 16 En ik word gedachtig aan het woord des Heeren, hoe hij zeide: quot; Johannes doopte wel met water, maar '' gijlieden zult gedoopt worden met den Heiligen Geest. a Matt. 3:11. Mark. 1 :8. Luk. 3 : 16. Joh. 1 : 26. Hand. 1 : 5. 2:4. 19: 4. iJes. 44:3. Joël 2:28. 17 quot; Indien dan God hun evengelijke gave gegeven heeft, als ook ons, die in den Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God konde weren? «Hand. 15:9. 18 En als zij dit hoorden, waren zij tevreden, en verheerlijkten God, zeggende: Zoo hoeft dan God ook den Heidenen de bekeering gegeven ten leven! 19 quot;Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stéfanus geschied was, gingen het land door tot Fenicië toe, en Cyprus, en Antiochië, tot niemand het woord sprekende, dan alleen tot de Joden. a Hand. 8:1, 4. 20 En er waren eenige cyprische cn cyrencïsche mannon uit hen, welke te Antiochië gekomen zijnde, spraken tot de Griekschen, verkondigende den Heere Jezus. 21 quot; En de hand des Heeren was met hen; en een groot getal geloofde, en bekeerde zich tot den Heere. a Hand. 2:47. 5:14. 22 En het gerucht van hen kwam tot de ooren der gemeente, die te Jeruzalem was; en zij zonden Barnabas uit, dat hij het land doorging tot Antiochië toe. 23 Dewelke, daar gekomen zijnde, en do genade Gods ziende, werd verblijd, quot;en vermaande hen allen, dat zij met een voornomen des harten bij den Heere zouden blijven. a Hand. 13:43. 14:22. 24 Want hij was een goed man, en quot;vol des Heiligen Geestes en des geloofs; en er werd eene groote schare den Heere toegevoegd. a Hand. 4 :36. 6 : 5. 25 quot; En Barnabas ging uit naar Tarsen, om Saulus te zoeken; en als hij hem gevonden had, bragt hij hem te Antiochië. a Hand. 9 : 27. 26 En het is geschied, dat zij een geheel jaar «ameravergaderden in de gemeente, en eene groote schare leerden; en dat de discipelen eerst te Antiochië Christenen genaamd werden. 27 En in dezelve dagen kwamen eenige profeten af van Jeruzalem te Antiochië. 28 En een uit hen, met name quot;A'gabus, stond op, en gaf te kennen door den Geest, dat er een groote hongersnood zou wezen over de geheele wereld; dewelke ook gekomen is onder den keizer Claudius. a Hand. 21:10. 29 En naar dat een iegelijk der discipelen ver-mogt, besloot elk van hen iets te zenden ten dienste der broederen, die in Judéa woonden. 30 Hetwelk zij ook deden, quot;en zonden het tot de ouderlingen, door de hand van Barnabas en Saulus. a Hand. 12 : 25. |
HANDELINGEN 12.
985
|
HOOFDSTUK 12. Heródes vervolgt do gemeente, vs. 1 ; doodt Jakobus, 2; werpt Petrus in de gevangenis, dien hij door eeno sterke wacht laat bewaren, 3. De gemeente bidt Ood voor Petrus, 5; hij wordt door eenen engel uit de gevangenis geleid, 7; komt aan hot huis van de moeder van Johannes Markus, waar hij aanklopt en ingelaten wordt, 11; en verhaalt zijne verlossing aan degenen, die aldaar vergaderd waren, 17. He-ródes laat do wachters onderzoeken, wegleiden en vertrekt naar Cesaréa, 18; hij maakt vrede mot de Tyriërs en Sidoniërs, 20; en wordt in zijnen hoogmoed door eenen engel geslagen en van het gewormte gegeten, 21. Barnabas en Paulus komen to An-tiochië, 25. EN omtrent donzelven tijd sloeg de koning IIo-ródes do handen aan sommigen van de gemeente, om die kwalijk te handelen. 2 En hij doodde Jakobus , quot; den broeder van Johannes, mot het zwaard. a Matt. 4:21. 3 En toen hij zag, dat hot den Joden bohage-lijk was, voer hij voort, om ook Petrus to vangen ; (en het waren de dagen der ongehovelde brooden) 4 quot; Denwelken ook gegrepen hebbende, hij in do gevangenis zette, en gaf hevi over aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten, om hom te bewaren, willende na het paasch/ee,slt; hom voorbrengen voor het volk. a Joh. 21:18. 5 Petrus dan werd in do gevangenis bewaard; maar van de gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan. 6 Toen hom nu Heródes zou voorbrengen, sliep Petrus dienzelvon nacht tusschen twoo krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaarden de gevangenis. 7 quot; En ziet, een engol des Hoeren stond daar, on een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta haastelijk op. En zijne ketenen vielen af van de handen. a Hand. 5:19. 10:20. H En de engel zeide tot hem: Omgord u, en bind uwe schoenzolen aan. En hij deed alzoo. En hij zeide tot hem: Werp uwen mantel om, en volg mij. !) En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het waarachtig was hetgeen door den engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezigt zag. |
10 En als zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan do ijzeren poort, die naar de stad leidt; dewelke quot;van zelve hun geopend werd. En uitgegaan zijnde, gingen zij eeno straat voort; en terstond scheidde de engel van hem. a Hand. 10:20. 11 En Petrus, tot zich zeiven gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik waarachtiglijk, quot;dat de Heere zijnen engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand van Heródes, en uit al de verwachting van het volk der Joden. a Dan. 0 : 23. 12 En als hij alles overlegd had, quot;ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Markus, alwaar velen zamen- en biddende waren. «Hand. 4:23. 13 En als Petrus aan do deur van de voorpoort klopte, kwam eeno dienstmaagd voor om te luisteren, met name Rhode. 14 En zij, de stom van Petrus bekennende, deed van blijdschap de voorpoort niet open, maar liep naar binnen en boodschapte, dat Petrus voor aan de voorpoort stond. 15 En zij zeiden tot haar: Gij raast. Doch zij bleef er sterk bij, dat het alzoo was. En zij zeiden: Het is zijn engel. 16 Maar Petrus bleef kloppende; en als zij opengedaan hadden, zagen zij hem, en ontzetten zich. 17 En als hij henquot; met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, verhaalde hij hun, hoe gevangenis uitgeleid had, dit aan Jakobus en de hom do Heere uit de en zeide: Boodschapt broederen. En hij uitgegaan zijnde, reisde naar eene andere plaats. a Hand. 13:16. 19:33. 21:40. 18 En als hot dag was geworden, was er geene kleine beroerte onder de krijgsknechten, wat toch aan Petrus mogt geschied zijn. 19 En als Heródes hem gezocht had, en niet vond, en de wachters regtelijk ondervraagd had, gebood hij, dat zij weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judéa naar Cesaréa, en hield zich aldaar. 20 En Heródes had in den zin tegen de Tyriërs en Sidoniërs te krijgen; maar zij kwamen een-dragtelijk tot hem, en Blastus, die dos konings kamerling was, overreed hebbende, begeerden |
HANDELINGEN 12, 13.
086
|
vrede, omdat hun land gesyijzigd werd van des konings land. 21 En op eenen gazetten dag, Heródes, oen koninklijk kleed aangedaan hebbende, en op den regterstoel gezeten zijnde, deed oene rede tot hen. 22 En het volk riep hem toe: Eene stom Gods, on niet eens monschen! 23 En van stonde aan sloog hem eon engel dos Hoeren, daarom dat hij Godo de eer niet gaf; en hij werd van do wormen gegeten, en gaf den geest. 24 0 En het woord Gods wies, en vormonigvul-digdo. «.los. 55:1], llnncl. (i; 7. 25 Barnabas nu on Saulus koerden wederom van Jorüzalom, als zij do dienst volbragt hadden, medegenomon hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd Markus. HOOFDSTUK 13. Harnabas on Paulus worden uit de leeraars van Antiochië door den II. (leost gezonden tot do Heidenen, vs. 1. Zij reizen door Soloucië naar Cyprus, en prediken te Salamis en Pafos, 4; alwaar de stadhouder Sergius Paulus hen begeert te hooren, 7; hetwelk Bar-Jezus, de toovenaar, zoekt te beletten, doch hij wordt met blindheid geslagen, 8; en de stadhouder bekeerd, 12. Van daar reizen zij naar Perge, 13; en verder naar Antiochië in Pisidic, 14; alwaar l'aulus, in de synagoge predikende, verhaalt de weldaden Gods, den Israëlieten bewezen tot op David, 15; en bewijst, dat de belofte van Davids zaad gedaan, in Jezus Christus vervuld is, die te Jervlzalem is gekruist en van de dooden opgewekt, 23; gelijk door David was voorzegd, 33; dat door hem geregtvaardigd worden allen, die in hem gelooven, 38; en dat hij straft, die hem ongehoorzaam zijn, 40. Eenige van de Joden gelooven , anderen wedersproken, 42; waarom zij zich tot de Heidenen keeren, van welke gelooven, dio ten eeuwigen leven verordineerd waren, 4ö. De Joden verwekken vervolging tegen Paulus on Barnabas, die het stof van hunne voeten schudden, en wijken naar Iconium, 51. EN or waren quot; te Antiochië, in de gemeente, die daar was, eenige profeten en leeraars, namelijk Barnabas, en Simeon, genaamd Niger, en Lucius van Cyréne, en Manahen, die met Heródes don viervorst opgevoed was, en Saulus. a Hand. 14:20. 2 En als zij den Ileero dienden, en vastten, zeido de Heilige Geest: quot;Zondert Mij af beide Barnabas en Saulus tot hot werk, waartoe Ik hen '' geroepen hob. a Hand, i): 15. 22 : 21. Rom. I : 1. Gal. 1 : 15. 2 : 8. Efez. 3:8. 1 Tim. 2 : 7. 2 Tim. 1:11. ft Matt. 9:38. Rom. 10:15. Hebr. 5:4. 3 quot; Toen vastten en baden zij, en hun '' de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan. «Hand. 0:0. 8:15, 19:0. 6 Hand. 14:20. |
4 Deze dan, uitgezonden zijnde van don Heiligen Geest, kwamen af tot Soloucië, en van daar schoepten zij af naar Cyprus. 5 En gekomen zijnde te Salamis, verkondigden zij het woord Gods in do synagogen der Joden; en zij hadden ook quot; Johannes tot oenen dienaar. a Hand. 12:25. 6 En als zij hot eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij quot; oenen zekeren toovenaar, eenen valschen profeet, eenen Jood, wiens naam was Bar-Jezus; aHand. 8:9. 19:13. 7 Welke was bij den stadhouder Sergius Paulus, eenen verstandigen man. Deze, Barnabas on Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het woord Gods te hooren. 8 quot; Maar Elymas, de toovenaar, (want alzoo wordt zijn naam overgezet) wederstond hen, zoekende don stadhouder van het geloof af te keeren. «Ex. 7 : 11. 2 Tim. 3:8. 9 Doch Saulus, (die ook Paulus (/e-naamd is) vervuld mot don Heiligen Geest, en de oogen op hem houdende , zeido: 10 O gij kind dos duivels, vol van alle bedrog, en van alle arglistigheid, vijand van alle geregtigheid! zult gij niet ophouden te verkeeron de regto wogen des Hoeren ? 11 En nu zie, de hand des Hoeren is tegen u, en gij zult blind zijn, en de zon niet zien voor eenen tijd. En van stonde aan viol op hom donkerheid en duisternis; on rondom gaande zocht hij, die hem met de hand mogton leiden. 12 Als de stadhouder zag hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de loer des Hoeren. 13 En Paulus, on die met hem wa-: PiiuliisenMiukus ren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, ecnc. stad in Pamfyliö. quot; Maar Johannes, van hen scheidende, keerde weder naar Jorüzalom. a Hand. 15:38. 14 En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochië, eenc stad in Pisfdië; en gegaan zijnde in de synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder. 15 En na het lezen der wet en der profeten, zonden de oversten der synagoge tot hen, zeggende: Mannen broeders! indien er eenig woord van vertroosting tot het volk in u is, zoo spreekt. 16 En Paulus stond op, en quot; wenkte mot do hand, en zeide: Gij israëliotischo mannen, en gij, die God vreest! hoort toe. a Hand. 12: 17. 19:33. 21 : 40. 17 De God van dit volk Israël heeft onze vaderen a uitverkoren, en het volk verhoogd, als zij |
HANDELINGEN 13.
987
|
vreemdelingen waren in het land van Egypte, en heeft hen met eenen hoogen arm daaruit geleid. «Ex. 1:1. 18 quot; En heeft omtrent den tijd van veertig jaren hunne zeden verdragen in de woestijn. «Ex. 10:35. Num. 14:34. Ps. 95:10. 19 En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaan, heeft Hij hun quot; door het lot het land derzelve uitgedeeld. aio-/.. 14:2. 20 En daarna omtrent vier honderd en vijftig jaren, gaf Hij Imn a regters, tot op Samuël, den profeet. a Rigt. 2 : 1G. 3 : 9. 21 quot; En van toen aan begeerden zij eenen koning; en God gaf hun 6 Saul, den zoon van Kis, eenen man uit den stam van Benjamin, veertig jaren. a 1 Sam. 8 : 5. Hos. 13 : 11. i 1 Sam. 9 : 15. 10 : 1. 22 En dezen afgezet hebbende, verwekte Hij hun quot;David tot eenen koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zeide: ''Ik heb gevonden David, den zooti van Jesse, eenen man naar mijn hart, die al mijnen wil zal doen. a 1 Sam. 10 : 12. b 1 Sam. 13 : 14. Ps. 89 : 21. Hand. 7 : 45. 23 Van het zaad dezes heeft God Israël, naaide belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus; 24 quot; Als Johannes eerst al den volke Israels, voor zijne aankomst, gepredikt had den doop der bekeering. a Matt. 3:1. Mark. 1:2. Luk. 3:2. Joh. 3:23. 25 Doch als Johannes den loop vervulde, zeide hij: Wien meent gijlieden, dat ik ben? quot;ik ben do Christus niet; maar ziet, hij komt na mij, '' wien ik niet waardig ben de schoenen zijner voeten te ontbinden. a Joh. 1:20. Matt. 3:11. 26 Mannen broeders! kinderen van bet geslacht Abrahams, en die onder u God vreezen! quot;tot u is het woord dezer zaligheid gezonden. a Matt. 10 :G. Hand. 3:20. 13:40. 27 Want die te Jeruzalem wonen, en hunne oversten, a dezen niet kennende, hebben ook de stemmen der profeten, die op eiken sabbatrZa*/ gelezen worden, hem veroordeelende, vervuld; a Joh. 10:3. Hand. 3 :17. 1 Cor. 2:8. I Tim. 1:13. 28 quot;En geene oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pilatus begeerd, dat hij zou gedood worden, a Matt. 27:20. Mark. 15:11. Luk. 23:18. Joh. 19:0. 29 En als zij alles volbragt hadden, wat van hem geschreven was, namen zij hem af van het hout, en leiden hem in het graf. 30 quot; Maar God heeft hem uit de dooden opgewekt. a Matt. 28:0. Mark. 10:0. Luk. 24:6. 31 «Welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen, die met hem opgekomen waren van Galiléa tot Jeruzalem, die zijne getuigen zijn bij het volk. a Mark. 10 : 14. Joh. 20:19. 21: I. Hand. 1:3. 1 Cor. 15:5. 32 En wij verkondigen u quot; de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hunne kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft, a Gen. 3:15. 22:18. 26:4. 49:10. Deut. 18:15. 2Sam. 7:12. Ps. 132:11. Jes.4:2. 7:14. 9:5. 40:10. Jer. 23:5. 33:14. Ezec.34:23. 37:24. Dan. 9:24,25. |
33 Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat; Gij zijt mijn Zoon, heden hob Ik u gegenereerd. 34 En dat Hij hem uit do dooden heeft opgewekt , alzoo dat hij niet meer zal tot verderving keeren, heeft Hij aldus gezegd: quot;Ik zal ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn. n Jes. 55 : 3. 35 Waarom hij ook in eenen anderen josaZOT zegt: quot; Gij zult uwen Heilige niet om-geven, om verderving te zien. a Ps. 10 : lij. Hand. 2:27. 36 quot; Want David, als hij in zijnen tijd den raad Gods gediend had, is ontslapen, en is bij zijne vaderen gelogd, en heeft wel verderving gezien; a 1 Kon. 2 :10. Hand. 2 : 29. 37 Maar hij, dien God opgewekt heeft, heeft geene verderving gezien. 38 Zoo zij u dan bekend, mannen broeders! quot; dat door dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt; aLuk. 24:47. 1 Joh. 2:12. 39 quot;En dat van alles, waarvan gij niet kondt geregtvaardigd worden door de wet van Mozes, door dezen b een iegelijk, die gelooft, geregtvaardigd wordt. «Rom. 3 : 28. 8 : 3. Gal. 2 : 16. Hobr. 7 : 19. ft Kom. 10:4. 40 Ziet dan toe, dat over ulieden niet kome hetgeen gezegd is in do profeten: 41 quot;Ziet, gij verachters! en verwondert u, en verdwijnt: want Ik werk een werk in uwe dagen, een werk, hetwelk gij niet zult gelooven, zoo het u iemand verhaalt. a Jes. 28: 14. llab. 1 : 5. 42 En als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden de Heidenen, dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden. 43 En als de synagoge gescheiden was, volgden vele van de Joden en van de godsdienstige Joden-genooten Paulus en Barnabas; welke tot hen spraken, quot;en lion vermaanden te blijven bij de genade Gods. « Hand. 11:23. 14:22. 44 En op den volgenden sabbat kwam bijna de geheele stad zamen, om het woord Gods te hooren. 45 Doch de Joden, de scharen ziende, werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende. 46 Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden : quot; Het was noodig, dat eerst tot u het woord Gods gesproken zou worden; b doch nadeniaal gij hetzelve verstoot, en u zeiven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, ziet, wij keeren ons tot de Heidenen. « Matt. 10:6. Hand. : 26. 13:26. ft Ex. 32 : 10. Jes. 55 : 5. Matt. 8 :12. 21 : 43. Kom. 10: 19. 47 Want alzoo heeft ons de Heere geboden, zeggende: quot; Ik heb u gesteld tot een licht der Heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde. «Jes. 42:6. 49:6. Luk. 2:32. 48 Als nu de Heidenen dit hoorden, verblijdden |
HANDELINGEN 13, 14.
988
|
zij zich, on prozen hot woord des Heeren; on or goloofdon zoovelen, als or goordinoord waron tot hot eeuwigo loven. 49 En hot woord des Hoeren word door hot go-hoelo land uitgebreid. 50 Maar de Joden maakten op de godsdienstige en eerlijke vrouwen, on de voornaamsten van de stad, quot;on verwekten vervolging togen Paulus en Barnabas, en wierpen zo uit hunne landpalen. a 1 Tim. 3:11. 51 Doch zij schudden hot stof van hunne voeten af togen dezelve, en kwamen to Icónium. 52 En do discipelen worden vervuld met blijdschap on met don Heiligen Goost. HOOFDSTUK 14. Paulus on Bamabas prediken en doen wondoren to Icónium, on velen zoo Heidenen als Joden gelooven, |
verwekten en vorbittordon de zielen dor Heidenen togen de broeders. 3 Zij verkoerden dan aldaar oen' langen tijd, vrij moediglij k sprekende in den Heore, quot;die getuigenis gaf aan hot woord zijner genade, en gaf, dat teekonon en wonderen geschiedden door hunne handen, a Mark. 16:20. Hand. 19:11. Hebr. 2:4. 4 En de menigte dor stad word verdeeld, en sommigen waren mot do Joden, en sommigen mot do apostelen. 5 En als er oen oploop geschiedde, beide van Heidenen on van Joden, met hunne oversten, om hun smaadhoid aan te doen, en /lt;ew te steenigen, C Zijn zij, alles overlegd hebbende, quot; gevlugt naar de steden van Lycaónië, namelijk Lystro en Derbe, en hot omliggende land; a Matt. 10:23. Hand. 8:1. 7 En verkondigden aldaar het evangelie. |
A. ICi.siihimicu; Paulus en iJarnubus to Lystre (Ihiml. 14:113).
|
vs. 1; waardoor grooto oneenigheid en een oploop logon hen ontstaan, 4. Zij vlugtou naar Lystro en Dorbo, 0. Paulus geneest to Lystre oenen kreupele, 8; waarom het volk hen voor goden houdt en wil hun olTorando doen, 11; hetwelk zij, hoewol met grooten ernst, naauwelijks vorhindoron, 14; wijzende het volk op don levenden waren God, 15. Maar do Joden van Antiochië en Icónium daar komende, verwekken het volk dat zij Paulus steenigen, 19. Doch hij staat op er. reist mot Bamabas naar Derbe, 20. Zij vermanen de broeders tot volstandigheid, 22; en verkiezen ouderlingen in alle gemeenten, 23. Eenigo andere landen en steden doorreisd hebbende, 24; koeren zij weder naar Antiochië, 26; en verhalen wat God door hen gedaan had, 27. EN hot geschiedde te Icónium, dat zij te zamon gingen in de synagoge der Joden, en alzoo spraken, dat oene grooto menigte, beide van Joden en Grieken, geloofde. 2 Maar do Joden, die ongehoorzaam waron, |
8 En oen zeker man, te Lystre, zat quot; onmagtig aan de voeten, kreupel zijnde van zij nor moedors lijf, die nooit had gewandeld. «Hand. 3:2. 9 Deze hoorde Paulus spreken; welke do oogen op hom houdende, on ziende, dat hij geloof had om gezond te worden, 10 Zeido met grooto stem: Sta regt op uwe voeten! quot; En hij sprong op en wandelde. a Jes. 25 : 6. 11 En de scharen, ziende hetgeen Paulus gedaan had, verhieven hunne stommen, en zeiden in hot Lycaónisch; quot;De Goden zijn den menschon gelijk geworden, en tot ons nedergekomen. a Hand. 28 : 6. 12 En zij noemden Barnabas Jiipiter, en Paulus Mercürius, omdat hij het woord voorde. 13 En do priester van Jüpiter, die voor hunne stad was, als hij ossen en kransen aan de voor- |
HANDELINGEN 14, 15.
989
|
poorten ^ebragt had, wilde hij offeren met do scharen. 14 Maar de apostelen, Barnabas en Paulus, dat hoorende, scheurden hunne kleederen, en sprongen onder de schare, roepende, 15 En zeggende: Mannen! quot;waarom doet gij deze dingen? wij zijn ook mensehen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen ulieden, dat gij u zoudt van deze ijdele dingen bekeeren tot den levenden God, 11 die gemaakt heeft den hemel, en de aarde, en de zee, en al hetgeen in dezelve is. a Hand. 10 : 2G. Openb. 19:10. 22 : 9. Igt; Oen. 1:1. Ps. 33 : G. 124 : 8. 140 : 0. Openb. 14 : 7. l(i quot; Welke in de verledene tijden al de Heidenen hoeft laten wandelen in hunne wegen; a Ps. 81: 13. 17 a Hoewel Hij nogtans zich zei ven niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijs en vrolijkheid. «Kom. 1 : 19. 18 En dit zeggende, wederhielden zij naauwelijks de scharen, dat zij hun niet offerden. 19 Maar daarover kwamen Joden van Antiocluë en Icónium, en overreedden de scharen, en quot; steenigden Paulus, en sleepton hem buiten do stad, meenendo, dat hij dood was. a 2 Cor. 11 : 25. 20 Doch als hom de discipelen omringd hadden, stond hij op, en kwam in de stad; en des anderen daags ging hij met Barnabas uit naar Derbe. 21 En als zij derzelve stad het evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weder naar Lystre, en Icónium, en Antiocluë; 22 Versterkende de zielen der discipelen, quot; en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, '' en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koningrijk Gods. «Hand. 11:23. 13:43. h Matt. 10:38. 16:24. buk. 24:20. 2 Tim. 3:12. 23 En als zij hun in elke gemeente, mot opsteken der handen, ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij hen den Heere, in welken zij geloofd hadden. 24 En Pisïdië doorgereisd hebbende, kwamen zij in Pamfylië. 25 En als zij te Perge hot woord gesproken hadden, kwamen zij af naar Attalië. 20 En van daar scheepten zij af quot; naar Antiocluë, van waar zij der genade Gods bevolen waren geweest tot het werk, dat zij volbragt hadden. n Hand. 13:1. 27 En daar gekomen zijnde, en de gemeente vergaderd hebbende, verhaalden zij, wat groote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij den Heidenen de deur des geloofs geopend had. 28 En zij verkeerden aldaar geen' kleinen tijd met de discipelen. HOOFDSTUK 15. In do gemeente van Anfioohiö ontstaat verschil aangaande de onderhouding der besnijdenis en der wot |
van Mozos, vs. 1. Waarover Paulus en Barnabas naar Jenlzalem gezonden worden, 2; waar zij de bekeering der Heidenen en den toestand dor zaak verhalen, 3. De apostelen en ouderlingen komen te zamen, om hierover te handelen, (i. Petrus verklaart in deze vergadering, dat de Heidenen met hot juk der wet niot behooron bezwaard te worden, 7. .la-kobus stemt dit toe en bevestigt het uit de Heilige Schrift, 13; en besluit, dat men hen niet meer behoort op te leggen, dan de onderhouding van vier noodige dingen, 19; hetwelk bij do ganseho vergadering goed gevonden zijnde, aan de gemeente geschreven en nevens Paulus en Barnabas door Barsabas en Silas overgezonden en bekend gemaakt wordt, 22; die hetzelve met blijdschap aangenomen hebben, 31. Paulus en Barnabas, om Johannes Markus wil in twist geraakt zijnde, scheiden van elkander, 30. Barnabas en Markus gaan naar Cyprus, 30; en Paulus met Silas naar Syrië en Cilieië, 40. EN sommigen, die afgekomen waren van Judéa, loerden de broederen, zeggende: quot;Indien gij niot besneden wordt ''naar de wijze van Mozes, zoo kunt gij niot zalig worden. n Gal. 5 : 2. h Oen. 17 : 10. Lev. 12 : 3. 2 Als er clan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas togen hen, zoo hebbon zij verordend, quot; dat Paulus en Barnabas, en eenigo anderen uit hen, zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag. «Oal. 2:1. 3 Zij dan, van do gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Femcië en Samarië, verhalende de bekeering dor Heidenen; en doden al den broederen groote blijdschap aan. 4 En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de gemeente, en de apostelen, ou ouderlingen; en zij verkondigden, wat groote dingen God mot hen gedaan had. 5 Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van do sekte der farizeën, die geloovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden , en gebieden do wet van Mozes te onderhouden. (! En do apostelen en de ouderlingen vergaderden te zamen, om op deze zaak te letten. 7 En als daarover groote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: quot; Mannen broeders, gij weet, dat God van over langen tijd onder ons mij vorkoren heeft, dat de Heidenen door mijnen mond hot woord des evangelies zouden hooren, en gelooven. «Hand. 10:20. 11: 12. 8 En God, quot; do Kenner dor harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest, gelijk als ook ons. a\ Kron. 28:9. 29: 17. Ps. 7 : 10. Jor. II : 20. 17 : 10. 20 : 12. 9 quot; En hoeft geen onderscheid gemaakt tusschen ons en hen, gereinigd hebbende hunne harten door het geloof. a Hand. 10 : 43, 44, enz. 10 Nu dan, wat verzoekt gij God, quot; om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebbon kunnen dragen ? a Matt. 23 : 4. 11 quot;Maar wij gelooven, door de genade van den |
|
990 Ileero Jezus Christus, zalig te worden, op zulke wijze als ook zij. «Efez. 2:8. Tit. 3:4. 12 En al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen, wat groote teekenen en wonderen God door hen onder de Heidenen gedaan had. 13 En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders! hoort mij. 14 Simeon heeft verhaald, hoe God eerst de Heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen voor zijnen naam. 15 En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven is: Ui quot;Na dezen zal Ik wederkeeren, en wederop-bouwen den tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, wederop-bouwen, en Ik zal denzelven wederoprigten; a Amos 'J : 11, 12. 17 Opdat de overblijvende menschen den Heere zoeken, en al de Heidenen over welke mijn naam aangeroepen is, spreekt de Heere, die dit alles doet. 18 (ïode zijn al zijne werken van eeuwigheid bekend. 19 Daarom oordeel ik, dat men degenen, die uit de Heidenen zich tot God bekeeren, niet beroere; 20 Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden quot;van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, en '' van hoererij, en van het verstikte, en ''van bloed. «Ex. 20:3. 1 Cor. 8:1. 10:20. h 1 Thess. 4 : 3. c Gen. 9 : 4. 21 Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op eiken sabbat in de synagogen gelezen. 22 Toen heeft het den apostelen en den ouderlingen, met de geheele gemeente, goed gedacht, eenige mannen uit zich te verkiezen, en niet Paulus en Barnabas te zenden naar Antiochfë: namelijk Judas, die toegenaamd wordt Barsabas, en Silas; mannen , die voorgangers waren onder de broeders. 23 En zij schreven door hen dit navolgende: De apostelen, en de ouderlingen, en de broeders wensehen den broederen uit de Heidenen, die in Antiocluë, en Syrië, en Cilïcië zijn, zaligheid. 24 Nademaal wij gehoord hebben, quot; dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben en uwe zielen wankelende gemaakt, zeggende, dat gij moet besneden worden, en de wet onderhouden; welken wij dal niet bevolen hadden ; a Gal. 2 : 4. 25 Zoo heeft liet ons eendragtelijk te zamen zijnde, goed gedaclit, eenige mannen te verkiezen, en tot u te zenden, met onze geliefden, Barnabas en Paulus, 21! Menschen, quot; die hunne zielen overgegeven hebben voor den naam van onzen Heere Jezus Christus : Hand. 13 : 50. 14 : 19. 27 Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook met den mond hetzelfde zullen verkondigen. |
28 Want het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geen' meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: 29 Namelijk, quot; dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is, en b van bloed, en van het verstikte, en van '' hoererij; van welke dingen indien gij u zeiven wacht, zoo zult gij weldoen. Vaart wel. a Ex. 20 : 3. 1 Cor. 8:1.6 Gen. 9 : 4. Lev. 17 : 14. e 1 Thess. 4 : 3. 30 Deze dan, hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te Antiochië; en de menigte vergaderd hebbende, gaven zij den brief over. 31 En zij, dien gelezen hebbende, verblijdden zicli over de vertroosting. 32 Judas nu en Silas, die ook zeiven profeten waren , vermaanden de broeders met vele woorden, en versterkten hen. 33 En als zij daar eenen tijd lang vertoefd hadden , lieten hen de broeders ivedwom gaan met vrede, tot de apostelen. 34 Maar het dacht Silas goed aldaar te blijven. 35 En Paulus en Barnabas onthielden zich te Antiocluë, leerende en verkondigende, met nog vele anderen, het woord des Hoeren. 36 En na eenige dagen zeide Paulus tot Barnabas: Laat ons nu wederkeeren, en bezoeken onze broeders in elke stad, in welke wij het woord des Heeren verkondigd hebben, hoe zij het hebben. 37 En Barnabas ried, dat zij Johannes, die genaamd is quot;Markus, zouden medenemen. o Hand. 12:12, 25 Col. 4:10. 2 Tim. 4:11. Filem.vs. 24. 38 Maar Paulus achtte billijk, dat men dien niet zoude medenemen, die van Pamfylië af van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot het werk. 39 Er ontstond dan eene verbittering, alzoo dat zij van elkander gescheiden zijn, en dat Barnabas Markus medenam, en naar Cyprus afscheepte; 40 Maar Paulus verkoos Silas, en reisde heen, der genade Gods van de broederen bevolen zijnde. 41 En hij doorreisde Syrië en Ciiïcië, versterkende de gemeenten. HOOFDSTUK 16. Paulus te Derbe en Lystre gekomen zijnde, besnijdt Timótheüs en neemt hem mede op de reis, vs. 1. Hij geeft aan de gemeenten, waar hij doorreist, de bevelen der apostelen, om te onderhouden. 4. Wordt door den H. Geest verhinderd hot evangelie in Azië en Mysië te prediken. G. en door een gezigt in Macedonië geroepen, 9. Predikt buiten de stad Filippi, alwaar Lydia hem hoerende, in Christus gelooft, en met haar huisgezin gedoopt wordt, 13. Drijft eenen waarzeggenden geest uit eene dienstmaagd, 16; waarover hij en Silas door de heeren der dienstmaagd bij de oversten worden beschuldigd, 19. en door de hoofdmannen gegeeseld en in de gevangenis geworpen, 22; welke door eene aardbeving hun des nachts wordt geopend, 25. De stokbewaarder hierdoor ontwaakt, wil zich zeiven dooden, 27; maar door Paulus toegeroepen en van hem onderwezen, gelooft hij aan Christus, wordt met de zijnen gedoopt, en bewijst hun alle vriendschap, 28. De hoofdmannen geven bevel door hunne boden, do HANDELINGEN 15, 16. |
1 I
HANDELINGEN 16.
991
|
boido gevangenen los te laten, 35; doch Paulus beroept zich op zijn romeinseh burgerschap, en wil door henzelven worden uitgeleid, 37; hetwelk geschiedt; zij vertrekken van daar, 30. EN hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, aldaar was een zeker discipel, niet name Timó-theüs, zoon van eene geloovige joodsche vrouw, maar van eenen griekschen vader; 2 quot; Welken c/oedc getuigenis gegeven werd van de broederen te Lystre en Icónium. a Hand. (i: 3. 3 Deze wilde Paulus dat met hem zou reizen; on hij nam en besneed hem, quot;om der Joden wil, die in die plaatsen waren: want zij kenden allen zijnen vader, dat hij een Griek was. a 1 Cor. 9 : 20. Gal. 2 : 3. 4 En alzoo zij de steden doorreisden, gaven zij hun de verordeningen over, quot; die van de apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem goed gevonden waren, om die te onderhouden. a Hand. 15:20. 5 De gemeenten dan werden bevestigd in liet geloof, en werden dagelijks overvloediger in getal. (i En als zij Frygië, en het land van Galatië doorgereisd hadden, werden zij van den Heiligen Geest verhinderd het woord in Azië te spreken. 7 En aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen; en de Geest liet het hun niet toe. 8 En zij Mysië voorbij gereisd zijnde, quot;kwamen af tot Tróas. a 2 Cor. 2: 12. 9 En van Paulus werd in don nacht een gezigt gezien: er was oen macedónisch man staande, die hem bad en zeide: Kom over in Macedonië, en help ons. 10 Als hij nu dit gezigt gezien had, zoo zochten wij terstond naar Macedonië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had, om denzelven het evangelie te verkondigen. 11 Van Tróas dan afgevaren zijnde, liepen wij regt naar Samothrace, en den volgenden dag naar Neapolis. 12 En van daar naar Filippi, welke is de eerste stad van dit deel van Macedonië, eene kolonië. En wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen. 13 En op den dag des sabbats gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed plagt te geschieden; en nedergezeten zijnde, spraken wij tot de vrouwen, die zamengekomen waren. 14 En eene zekere vrouw, met name Lydia, eene purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd. 15 En als zij gedoopt was, en haar huis, bad 'ij ons, zeggende: Indien gij hebt geoordeeld, dat ik den Heere getrouw ben, zoo komt in mijn liuis en blijft er. quot; En zij dwong ons. aGen. 19:3. 33:11. Rigt. 19:21. Luk. 24:29. Hebr. 13:2. 10 En het geschiedde, als wij tot het gebed lieen-ingen, dat eene zekere dienstmaagd, quot; hebbende enen waarzeggendon geest, ons ontmoette, welke |
haren hoeren '' groot gewin toebragt met waarzeggen. a 1 Sam. 28:7. b Hand. 19:24. 17 Dezelve volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze menschen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons den weg der zaligheid verkondigen. 18 En dit deed zij vele dagenlang. Maar Paulus, daarover ontevreden zijnde, keerde zich om, en zeide tot den geest: Ik gebiede u in den naam van Jezus Christus, dat gij van haar uitgaat. quot;En hij ging uit ter zelfder ure. a Mark. 10:17. 19 Als nu de heeren van dezelve zagen, dat de hoop huns gewins weg was, quot; grepen zij Paulus en Silas, en trokken hen naar de markt voor de oversten. «2 Cor. 6 : 5. 20 En als zij hen tot de hoofdmannen gebragt hadden, zeiden zij: quot;Deze menschen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn. a 1 Kon. 18: 17. Hand. 17 : (). 21 En zij verkondigen zeden, die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, alzoo wij Romeinen zijn. 22 En de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen, hun de kleederen afgescheurd hebbende, quot; bevalen hen te geeselen. a 2 Cor. 11 : 25. 1 Thess. 2 : 2. 23 En als zij hun vele slagen gegeven hadden, wierpen zij hen in de gevangenis, en geboden den stokbewaarder, dat hij hen zekerlijk bewaren zou. 24 Dewelke, zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in den binnensten kerker, en verzekerde hunne voeten in den stok. 25 En omtrent den middernacht quot; baden Paulus en Silas, en zongen Gode lofzangen; en de gevangenen hoorden naar hen. a Hand. 4:31. 20 En er geschiedde snellijk eene groote aardbeving, alzoo dat de fondamenten des kerkers bewogen werden; quot; en terstond werden al de deuren geopend, en de banden van allen werden los. a Hand. 5: 19. 12:7. 27 En do stokbewaarder, wakker geworden zijnde, en ziende de deuren dor gevangenis geopend, trok een zwaard, en zou zich zeiven omgebragt hebben , meenende, dat de gevangenen ontvloden waren. 28 Maar Paulus riep met groote stem , zeggende : Doe u zeiven geen kwaad; want wij zijn allen hier. 29 En als hij licht geëischt had, sprong hij in, en werd zeer bevende, en viel voor Paulus en Silas neder aan de voeten. 30 En hen buiten gebragt hebbende, zeide hij: quot; Lieve heeren! wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? «Luk. 3: 10. Hand. 2:37. 9:0. 31 En zij zeiden: quot; Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. a Joh. 3 : 1ü, 30. 0:47. 1 Joh. 5:10. 32 En zij spraken tot hem hot woord des Heeren , en tot allen, die in zijn huis waren. 33 En hij nam hen tot zich in dezelve ure des nachts, en wiesch hen van de striemen; en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen. 11 I-; â¢'! i!, â 'ill: li |
HANDELINGEN 1G, 17.
992
|
84 En hij bragt hen in zijn huis, quot; on zette hun de tafel voor, en verheugde zich, dat iiij met al zijn huis aan God geloovig geworden was. a Luk. ó: 29. 19 : G. 35 En als het dag geworden was, zonden de hoofdmannen de stadsdienaars, zeggende: Laat die menschen los. 3G En de stokbewaarder boodschapte deze woorden aan Paulus, zeggende: De hoofdmannen hebben gezonden, dat gij zoudt losgelaten worden; gaat dan nu uit, en reist heen in vrede. 37 Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons, die Romeinen zijn, onveroordeeld in liet openbaar gegeeseld, en in de gevangenis geworpen, en werpen zij ons nu heimelijk daaruit? Niet alzoo; maar dat zij zeiven komen, en ons uitleiden. 38 En de stadsdienaars boodschapten deze woorden wederom don hoofdmannen; en zij werden bevreesd, hoorende, dat zij Romeinen waren. 39 En zij, komende, baden hen, en als zij hen uitgeleid hadden, quot;begeerden zij, dat zij uit do stad gaan zouden. a Matt. 8 : 34. 40 En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, gingen zij in tot Lydia ; en do broeders gezien hebbende, vertroostten zij dezelve, en gingen uit do stad. HOOFDSTUK 17. Paulus predikt Christus te Thcssaloniea, vs. 1. Soni-mige Joden en volo Giiokon geloovon, 4; andoren verwekken togon hom oproer on trekken Jason voor do oversten der stad, 5. Paulus en Silas ontkomen, on reizen naar Beréa, waar /.ij ook prediken, 10; on velen do Schrift naarstig onderzoekende, worden geloovig, II. Do Joden van Thessalonica vervolgen hom ook aldaar, beroerende het volk, 13; doch de liroedoren geleiden Paulus naar Athene, 14; alwaar hij zich ontzet over de afgoderij, 1(i. Hij wordt van sommige epicurêïscho en stóïsche wijsgeoren bespot, IS. Mon brengt hem op de gorogtsplaats, 19; en ondervraagt hom omtrent zijne leer, 20; hij onderligt hen van de ijdelheid der afgoden, en van de kennis en dienst van den waren God, die hemel on aarde geschapen heeft en regeert, welken zij ook onbekend een altaar hadden opgerigt, 22. Vermaant hen tot bekeering en geloof in Christus, die van de doodon opgewekt en tot een' Regter der wereld gestold is, 30. Sommigen spotten met deze leer, anderen gelooven; onder welke ook waren Dionysius de Areópagiet en Damaris, 32. EN door Amfipolis en Apollónia hunnen weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessalonica, alwaar eene synagoge der Joden was. 2 En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbaten lang handelde hij met hen uit de Schriften, 3 Dezelve openende, en voor oogen stellende, quot; dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doodon, en dat deze Jezus is de Christus, dien ik, zeide hij, ulieden verkondige. « Ps. 22:7. Matt. 16:21. Luk. 24: 4G. 4 quot; En sommigen uit hen geloofden, en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken eene groote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige. «Hand.28:24. |
5 Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, dit benijdende, namen tot zich eenige booze mannen uit de marktboeven, en maakten, dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen. 6 En als zij hen niet vonden, trokken zij Jason en eenige broeders voor de oversten der stad, roepende: quot; Deze, die de wereld in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen. a Hand. IG : 20. 7 Welke Jason in zijn huis genomen heeft; en alle deze doen tegen do geboden des keizers, quot; zeggende, dat er een andere koning is, namelijk Jezus. «Luk. 23:2. Joh. 19:12. 8 En zij beroerden de schare, en de oversten der stad, die dit hoorden. 9 Doch als zij van Jason en de anderen vergenoeging ontvangen hadden, lieten zij hen gaan. 10 En de broeders zonden terstond quot; des nachts Paulus en Silas weg naar Deréa; welke, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge der Joden. a Hand. 9:25. 11 En deze waren edeler, dan die te Thessalonica waren, aht die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, quot;onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzoo waren. a .los. 34: 1G. Luk. 1G : 29. Joh. 5:39. 12 Velen dan uit hen geloofden, on van de grieksche eerlijke vrouwen en van de mannen niet weinige. 13 Maar als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het woord Gods ook te Beréa van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar quot; en bewogen de scharen. a 1 Thess. 2:14. 14 Doch de broeders zonden toen van stonden aan Paulus weg, dat hij ging als naar de zee; maar Silas en Timótheüs bleven aldaar. 15 En die Paulus geleidden, bragten hem tot Athéne toe; en quot; als zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timótheüs, dat zij op het spoedigste tot hem zouden komen, vertrokken zij. a Hand. 18:5. 1G En terwijl Paulus hen te Athéne verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken, ziende, dat de stad zoo zeer afgodisch was. 17 Hij handelde dan in de synagoge met de Joden, en met degenen, die godsdienstig waren , en op de markt alle dagen met degenen, die hem voorkwamen. 18 En sommigen van de epicuréïsche en stóïsche wijsgeeren streden met hem; en sommigen zeiden : Wat wil toch deze klapper zeggen? maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde. 19 En zij namen hem, en bragten hem op de plaats, (jenaamd Areópagus, zeggende: Kunnen wij niet weten, welke deze nieuwe leer zij, daar gij van spreekt? 20 Want gij brengt eenige vreemde dingen voor |
HANDELINGEN 17, 18.
993
|
ouzo ooren; wij willen dan weten; wat tocli dit zijn wil. 21 (Die van Athéne nu allen, en de vreemdelingen, die zich daar onthielden, besteedden hunnen tijd tot niets anders, dan om wat nieuws te zeggen en te hoor en.) 22 En Paulus, staande in het midden van de plaats, genaamd Areopagus, zeide: Gij mannen van Athéne! ik bemerko, dat gij allezins gelijk als godsdienstiger zijt. 23 Want de stad, doorgaande, en aanschouwende uwe heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een opschrift stond: Den onbk-kenden God. Dezen dan, dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden. 24 quot;De God, die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is, deze, zijnde een Fleere des hemels en der aarde, h woont niet in tempelen a Gen. 1:1.2 Kron. 0 : 30. met handen gemaakt; Ps. 33:6. 124:8. 140:0. .les. 66:1. Hand. 14:15. Openb. 14 : 7. h fliincl. 7 : 48. 25 En wordt ook van menschenhanden niet gediend , als iets behoevende, quot; alzoo Hij zelf allen het leven, en den adem, en allen dingen geeft. a Gen. 2 : 7. 20 En heeft uit eenen bloede het gansche geslacht dor menschen gemaakt, om op den geheelen aardbodem te wonen, quot; bescheiden hebbende de tijden te voren verordend, en de bepalingen van hunne woning ; a Dout. 32 : 8. 27 Opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mogten; hoewel Ilij niet verre is van oen' iegelijk van ons. 28 Want in Hem leven wij, en bewogen ons, en zijn wij; gelijk ook oenigen van uwe poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook zijn geslacht. 29 quot;Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet moenen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door menschenkunst en bedenking gesneden zijn. a-Tes. 40:18. 30 God dan, de tijden der onwetendheid overgezien hebbende, quot; verkondigt nu allen menschen alom, dat zij zich bekeeren. «litik. 24:47. 31 Daarom dat Hij eenen dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rogtvaardiglijk zal oordeelen, door eenen man, quot; dien Hij daartoe verordend heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij hem uit de dooden opgewekt hoeft. a Hand. 10 : 42. 32 Als zij nu van de opstanding dor dooden hoorden, spotten sommigen daarmede; en som-nigen zeiden: Wij zullen u wederom hiervan 'i ooren. 33 En alzoo is Paulus uit het midden van hen weggegaan. 34 Doch sommige mannen hingen hem aan, en oloofden; onder welke was ook Dionysius, do â roopagiet, en oeno vrouw, met name Damaris, 'ii anderen met dezelve. |
HOOFDSTUK 18. Paulus komt to Corinthe on vindt aldaar A'qnila en Priscilla, bij welke hij zich bo/.ig houdt met liet maken van tenten, vs. 1. HLj leort in do synagoge, dat Jezns is de Christus, 4; en schudt tegen de lasteraars het stof van zijne kleoderon af, 6. Crispus en vele Corinthiërs gelooven on worden gedoopt, 7. Paulus wordt door een gezigt van den Hoere vermaand daar te blijven, 9. De Joden beschuldigen hem bij don stadhouder Galiio, die zulks niet aanneemt, 12. Sósthenes wordt voor den regterstoel geslagen, 17. Paulus reist naar Syrië, komt te Efeze, vervolgens to Cesaróa, en daarna te Antio-chiö, 18. Doorreist Galatiö on Frygië, 23. Apollos leert te Efeze den doop van Johannes, 24; en door A'qnila en Priscilla nader onderwezen zijnde, roist hij naar Achaje en bewijst uit de Schriften, dat Jezus de Christus is, 2G. EN na dezen scheidde Paulus van Athéne, en kwam te Corinthe. 2 En vond eenen zekeren Jood, met name quot; A'quila, van geboorte nit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla zijne vrouw, (omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden) en hij ging tot hen; a Rom. 16:3. 1 Cor. IC: 19. 2 Tim. 4:19. 3 En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en quot;wrocht: want zij waren tentenmakers van handwerk. « Hand. 20:34. ICor. 4:12. 2Cor. 11:9. 12; 13. 1 Thess. 2:9. 2Thcss.3:8. 4 En hij handelde op eiken sabbat in do synagoge, en bewoog tot het (jeloof Joden en Grieken. 5 En als Silas en Timótheüs quot; van Macedonië afgekomen waren, word Paulus door den Geest gedrongen, betuigende don Joden, dat Jezus is de Christus. a Hand. 17:15. 6 Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde li ij quot;zijne kleederen af, en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de Heidenen heengaan. a Matt. 10:14. Hand. 13:51. 7 En van daar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van eenen man, met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan do synagoge. 8 quot;En Crispus, de overste der synagoge, geloofde aan don Heere mot geheel zijn huis; en velen van de Corinthiërs, hem hoerende, geloofden, en werden gedoopt. a 1 Cor. 1:14. 9 quot; En de Heere zeide tot Paulus door een gezigt in don nacht: Zijt niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet. «Hand. 23:11. 10 Want ik ben met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen: want ik heb veel volks in deze stad. 11 En hij onthield zich aldaar een jaar en zes maanden, loerende onder hen het woord Gods. 12 Maar als Gallio stadhouder van Achaja was, stonden de Joden eendragtolijk tegen Paulus op, en bragten hem voor don regterstoel, 13 Zeggende: Deze raadt den menschen aan, dat zij God zouden dienen tegen do wot. 14 En als Paulus zijnen mond zou opendoen, 03 |
HANDELINGEN 18, I!).
|
zeide Gallio tot de Joden : quot; Zoo er eenig ongelijk , of kwaad stuk begaan ware, o Joden! zoo zou ik met reden ulieden verdragen; aHand. 25:11. 15 Maar indien er geschil is over een woord, en namen, en over de wet, die onder u is, zoo zult gij zeiven toezien: want ik wil over deze dingen geen regter zijn. 16 En hij dreef hen weg van den regterstoel. 17 Maar al do Grieken namen Sósthenes, den overste der synagoge, en sloegen hem voor den regterstoel; en Gallio trok zich geen van deze dingen aan. IS En als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broederen, en scheepte van daar naar Syrië; en Priscilla en A'quila met hem, zijn hoofd te Kenchreën quot;geschoren hebbende, want hij had eene gelofte (jedaan. «Num. (!: 18. Hand. 21 : 23. 1!) En hij kwam te Ãfeze aan, en liet hen aldaar; maar hij ging in de synagoge, en handelde met de Joden. 20 En als zij baden, dat hij langer bij hen blijven zoude, bewilligde hij het niet; 21 Maar hij nam afscheid van hen, zeggende; Ik moet ganschelijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; doch ik zal totu wederkeeren, quot; zoo God wil. En hij voer weg van Ãfeze. olCor.4:19. Hobi'.G'.S. Jakob.4:15. 22 En als hij te Cesaróa was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de gemeente gegroet hebbende , ging hij af naar Antiocluë. 28 En als hij aldaar eenigen tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van Galatië en Frygië, versterkende al de discipelen. 24 En een zeker Jood, met name quot; Apollos, van geboorte een Alexandriër, een welsprekend man, kwam te Ãfeze, magtig zijnde in de Schriften. a 1 Cor. 1:12. 25 Deze was in den weg des Heeren onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken des Heeren, wetende alleenlijk don doop van Johannes. 2(1 En deze begon vrijmoediglijk te spreken in de synagoge. En als hem A'quila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en leiden hem den weg Gods bescheidenlijker uit. 27 En als hij wilde naar Achaje reizen, de broeders, hem vermaand hebbende, schreven aan de discipelen, dat zij hem ontvangen zouden; |
welke, daar gekomen zijnde, quot; heeft veel toege-bragt aan degenen, die geloofden door de genade. o 1 Oor. 3 : 0. 28 Want hij overtuigde de Joden met grooten ernst in hot openbaar, bewijzende door de Schriften, dat Jezus de Christus was. HOOFDSTUK 10. Paulus komt te Efozo en vindt aldaar twaalf discipelen, dio in den doop van Johannes gedoopt waren, vs. 1; welken hij do handen oplegt en zij ontvangen do gaven des H. Oeesfes, (i. Hij leert aldaar meer dan twee jaren, zoo in do synagoge als in de school van Tvrannus, 8; bevestigende zijne leer met bijzondere wonderwerken, ook door zijne zweetdoeken, 11. Zeven zonen van Sceva, een' joodschen over-priester, bezwerende bij den naam van Jezus eenige bozetenen, worden van de booze geesten overweldigd en verwond, 13. Velen, hunne daden belijdende, brongen de boeken der ijdele kunsten bijeen, die verbrand worden, 18. Paulus neemt voor naar Jeruzalem te reizen, 21. Demótrius, een zilversmid, zijn bestaan vindende met het maken vau kleine afbeeldsels van den tempel vanDiana in zilver, verwekt oproer logen hen, 23. Paulus wil uitgaan onder hot volk, om dat te stillen, maar dit wordt hem ont-raden, 30. Alexander poogt verantwoording te doen,maanvordt niet gehoord. omdat hij een Jood was, 33. Eindelijk wordt door den stads-schrijverdezeop-loop gestild, 35. EN hot geschiedde, terwijl quot; Apollos te Corinthe was, dat Paulus, de bovenste dealen des land* doorreisd hebbende, te Ãfeze kwam; en eenige discipelen aldaar vindende, a 1 Cor 1 : li. 2 Zeide hij tot hen; Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heilige Geest is. 3 En hij zeide tot hen: Waarin zijt gij dan gedoopt? En zij zeiden: In den doop van Johannes. 4 Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt quot; den doop der bekeering, zeggende tot het volk, dat zij gelooven zouden in dengenen, die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus. « Matt. 3: 11 Mark. 1 : 4. Luk. 3 : 1G. Joh. 1 : 20. Hand. 1:5. 11: Ilgt; 5 En die hem hoorden, werden gedoopt in den naam van den Heere Jezus. 6 quot; En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Goest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden. a Hand. 8:17. 11 : 15 7 En al deze waren omtrent twaalf mannen. |
HANDELINGEN 1!).
|
8 En liij ging in do synagoge, on sprak vrij-moecliglijk, drio maanden lang met hen handelende, on hun aanradende de zakon van hot koningrijk Gods. i) quot;Maar als sominigen verhard werden, en ongehoorzaam waren, kwaad sprekende van den weg des IIeer en voor de menigte, week hij van hen, en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van zekeren Tyrannus. a 2 Tim. 1 : 15. 10 En dit geschiedde twee jaren lang, alzoo dat allen, die in Azië woonden, het woord van den Ileere Jezus hoorden, beide Joden on Grieken. 11 quot;En God dood ongewone krachten door do handen van Paulus; «Mark. 16:20. Ihiml. 14:3. 12 Alzoo dat ook van zijn lijf op do kranken gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoekon, en dat de ziekten van hen weken, en de booze geesten van hen uitvoeren. 1!) En sommigen van de omzwervende Joden, zijn-do rZmweZbezweer-dors, hebben zich onderwonden don naam van don I leere Jezus te noemen over degenen, die booze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u hij Jezus, dien Paulus predikt! 14 Deze nu waren zekere zeven zo-non van Sceva, een' joodschen overpriester, dio dit deden. 15 Maar do booze geest, antwoordende, zeido: Jezus ken ik , en Paulus weet ik ; maar gijlieden , wie zijt gij ? 16 En de mensch, in wolken do booze geest was, sprong op hen, en hen meester geworden zijnde, kroeg de overhand tegen hen, alzoo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvloden. 17 En dit word allon bekend, beide Joden en Grieken, die te Efeze woonden; on or viol eene vreeze over hen allen, en de naam van den Hoere Jezus word groot gemaakt. 18 quot; En velen dergenon, die geloofden, kwamen, belijdende en verkondigende hunne daden. a Matt. )i: 0. 1!) Velen ook dergenon, die ijdele kunsten gepleegd hadden, bragten de boekon bijeen, en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid; en herekenden de waarde derzolve, on bevonden vijftig duizend zilveren penningen. |
20 quot; Alzoo wies het woord des Heeron met magt, en nam de overhand. «.los. 55: 11. 21 En als deze dingen volbragt waren, nam Paulus voor in den Geest, Macedonië on Achajo doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik aldaar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien. a Rom. 15:25. Gral. 2:1. 22 En als hij naar Macedonië gezonden had twee van dogenen, die hem dienden, namelijk Timótheüs en Erastus, bleef hij zelf' oenen tijd lany iu Azië. 23 quot; Maar op dionzelfden tijd ontstond er geono kleine beroerte, van wege den weg des Ileeren. a 2 Cor. 1 : 8. 24 Want eon, met name Demetrius, een zilversmid , dio kleine zilveren tempelen van Diana maakte, quot; bragt dien van die kunst geen klein gewin toe. « Hand. lli: 16. 25 Welke hij za-menvei'gadord hebbende, mot do handwerkers van dergelijke dingen, zeide: Mannen! gij weet, dat wij uit dit gewin onze wolvaart hebben; 26 En gij ziet en hoort, dat deze Paulus veel volks, niet alleen van Efeze, maar ook bijna van geheel Azië, overreed en afgekeerd lieoft, zeggende, dat het geono Goden zijn, die met handen quot; gomaaktworden: a fs. 115:4. .lor. 10:3. 27 En wij zijn niet alleen in gevaar, dat dit doel in verachting koine, maar dat ook do tempel van de grooto godin Diana als niets geacht zal worden, en dat ook haro majesteit zal to ondergaan, aan welke ganseh Azië en do (jeheelc wereld godsdienst bewijst. 28 Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van toornigheid, en riepen, zeggende: Groot is do Diana der Efezeren! 29 En do geheele stad werd vol verwarring; en zij liepen met een gedruisch eendragtolijk naar de schouwplaats, met zich trekkende quot; Gajus on Aristarchus, Macodóniërs, medgozellen van Paulus op de reis. a Mand. 20: I. 27 : 2. Col. 4 : 10. 30 En als Paulus tot hot volk wilde ingaan, lieten het hem do discipelen niet toe. 31 En sommigen ook der oversten van Azië, die hom vrienden waren, zonden tot hem, en baden, dat hij zich zolvon op do schouwplaats niet zou begeven. |
«3*
1
HANDELINGEN 19, 20.
096
|
32 Zij riepen dan de eene dit, do andere wat anders: want do vergadering was verward, en liet meerder deel wist niet, om wat oorzaak zij zamengekomen waren. 33 En zij deden Alexander uit do schare voort-komen, alzoo hom do Joden voortstioton. En Alexander, gewenkt hebbende met do hand, wilde bij het volk verantwoording doen. 34 Maar als zij verstonden, dat liij een Jood was, werd er eeno stem van allen, roepende om-tront twee uren lang: Groot is do Diana der Ãfezoron! 35 En als do stecfeschrijvor de schare gestild had, zeido hij: Gij mannen van Ãfozo! wat monsch is er toch, die niot weet, dat de stad dor Ãfezoron do kerkbewaarstor zij van do grooto godin Diana, en van het beeld, dat uit den hemel gevallen is? 36 Dewijl dan deze dingen onwedersprokolijk zijn, zoo is hot behoorlijk, dat gij stil zijt, en niets onbedachts doet. 37 Want gij hebt deze mannen hier gebragt, dio noch korkroovers zijn, noch uwe godin lasteren. 3H Indien dan nu Deinó-trius, en die met hem van do kunst zijn, tegen iemand eenige zaak hebben, de rogtdagen worden gehouden, en er zijn stadhouders; laat hen elkander verklagen. 39 En indien gij iets van andere dingen verzoekt, dat zal in eeno wettelijke vergadering beslecht worden. 40 Want wij staan in gevaar , dat wij van oproer zullen verklaagd worden om den day van heden, alzoo er geeno oorzaak is, waardoor wij reden zullen kunnen geven van dezen oploop. En dit gezegd hebbende, liet hij de vergadering gaan. HOOFDSTUK 20. Paulus reist naar Macedónië on Griekenland, vs. 1; met eenigon uit Azië, 4; vaart van Filippi over naar Troas, G; alwaar hij op den eersten dag der week predikt en brood brookt niet de discipelen, strekkende zijne redo uit tot don middernacht, 7. Een jongeling, Ei'itychus, valt door den slaap bevangen, uit hot venster dood, 9; en wordt door Paulus opgewekt. 10. Paulus vervolgt zijne reis naar JenUalem en komt te Miléte, 13. Ontbiedt aldaar tiij zich de ouderlingen van Efeze, 17; aan welke hij voorhoudt zijne getrouwheid on moeite in zijne dienst onder hen, 18. Voorzegt wat hem te .Icmzalem zou overkomen, 22; on betuigt, dat, hij hun don gehoelen raad Gods had verkondigd, 20. |
Vermaant hen acht te nomen op de kudde, 28; en te waken tegen de zware wolven, die onder hen zouden opstaan, 29. Neemt afscheid van hon, verklarende, dat hij zich on do zijnen van zijnon handenarbeid onderhouden had, 32. Knielt en bidt met hen, die hom met grooto droefheid geleiden tot aan het schip, 30. NADAT nu het oproer gestild was, Paulus de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, quot; ging uit om naar Macedónië te reizen. a 1 Tim. 1: 3. 2 En als hij die doelen doorgereisd, en hen met vele redenen vermaand had, kwam hij in Griekenland. 3 En als hij aldaar drie maanden overgebragt had, en hem van de Joden lagen gelegd werden, als hij naar Sj^rië zoude varen, zoo werd hij van zin weder te koeren door Macedónië. 4 En hem vergezelschapte tot in Azië Sópater van Beréa; en van de Thessa-lonicensen quot; Aristarchus en Secundus; en ''Gajus van Derbe, en '' Timótheüs, en van die van Azië '' Tychicus en Trófimus. «Hand. 19:29.27:2. (Jol. 4:10. b Hand. 19:29. 1 Cor. 1:14. eiland. 10:1. rfEfez. 0:21. Col.4:7. 2Tim.4:12. Tit.3:12. c Hand. 21 : 29. 2 Tim. 4 : 20. 5 Deze vooraf heengegaan zijnde, wachtten ons te Tróas. 6 Wij nu scheepten af van Filippi na de dagen der ongehevelde broaden, en kwamen in vijf dagen bij hen te Tróas, alwaar wij ons zeven dagen onthielden. 7 En op den eersten day der week, als de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende des anderen daags verreizen; en hij strekte zijne rede uit tot den middernacht. 8 En er waren vele lichten in de opperzaal, waar zij vergaderd waren. 9 En een zeker jongeling, met name Eütychus, zat in het venster, en met eenen diepen slaap overvallen zijnde, alzoo Paulus lang tot hen sprak, door don slaap nederstortendo, viel van de derde zoldering nederwaarts, en werd dood opgenomen. 10 Doch Paulus, afgekomen zijnde, quot;viel op hem, en hem omvangende, zeide hij: Weest niet beroerd, want zijne ziel is in hem. a 1 Kon. 17 :21. 2 Kon. 4:34. 11 En als hij weder boven gegaan was, en brood |
HANDELINGEN '20, 21.
!)!»7
|
gebroken en ivat gegoten had, en lang, tot den dageraad toe, niet hen gesproken had, vertrok hij alzoo. 12 En zij bragten don knecht lovende, en waren boven mate vertroost. 13 Maar wij, vooruit naar hot schip gegaan zijnde, voeren af naar Assus, waar wij Paulus zouden innemen : want hij had liet alzoo bevolen , en hij zolf zou to voet gaan. 14 En als hij zich to Assus bij ons gevoegd had, namen wij hem in, on kwamon to Mityléne. 15 En van daar afgescheept zijnde, kwamen wij den volgendon dag tegen Chios over, en dos andoren daags leiden wij aan te Samos, en bleven to Tro-gyllion, en den dag daaraan kwamen wij te Miléte. 16 Want Paulus had voorgenomen Ãfozo voorbij te varen, opdat hij niet den tijd in Azië zou verslijten: quot;want hij spoedde zich, om (zoo hot hem mogelijk ware) op don pinksterdag te Jeruzalem to zijn. a Hand. 21:4, 12. 17 Maar hij zond van Miléte naar Efeze, on hij ontbood do ouderlingen dor gemeente. 18 En als zij tot hom gekomen waren, zoido hij tot hen: Gijlieden weet, quot;van den eersten dag af dat ik in Azië bon aangekomen, hoe ik bij u don ganschen tijd geweest ben; a Hand. 19:10. li) Dienende den Heere mot alle ootmoedighoid, on vole tranon, on verzoekingen, die mij overkomen zijn door de lagen der Joden: 20 Hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geloerd hebben, in het openbaar en bij do huizen; 21 Betuigende, beide Joden en Grieken, quot;do bekeoring tot God on het geloof in onzen Heere Jezus Christus, n Matt. 3 : 2. Mark. 1 :15. Luk. 24 : 47. 22 En nu ziet, ik gebonden zijnde door den Geest, reis naar Jeruzalem, niot wetende, wat mij daar ontmoeten zal; 23 Dan dat de Iloiligo Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mij banden on verdrukkingen aanstaande zijn. 24 quot; Maar ik acht op goon ding, noch houdo mijn loven dierbaar voor mij zolven, opdat ik mijnen loop mot blijdschap mag volbrengen, on do dienst, welke ik ''van don Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het evangelie dor genade Gods. a Hand. 21 : 13. 6 Gal. 1 : 1. Tit. 1 : 3. 25 En nu ziet, ik woet, dat gij allen, waar ik doorgegaan bon, predikende het koningrijk Gods, mijn aangezigt niet meer zien zult. 26 Daarom betuig ik ulieden op dozen huldigen â¢lag, dat ik rein bon van het bloed van u allon. 27 Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u dot zou verkondigd hebben al den raad Gods. 28 quot; Zoo hebt dan acht op u zolven, en op do 'oheolo kudde, over dewelke u do Heilige Geest ot opzieners gesteld hooft, om do gemeente Gods o weiden, welke Hij ''verkregen heeft door zijn 'igon blood. a 1 Petr. 5 : 2. i Efoz. 1:7. Col. 1 : 14. 1 Petr. 1 : 19. Oponb. 5:9. |
29 Want dit woet ik, dat na mijn vertrok quot; zware wolven tot u inkomen zullen, die do kudde niet sparen; a 2 Petr. 2:1. 30 quot; En uit u zolven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om do discipelen af te trokken achter zich. a Ps. 41 : 10. Matt. 26: 21. [land. 1 : 17. 1 Joh. 2 : 19. 31 Daarom waakt, on gedenkt, dat ik driejaren lang, nacht en dag, niot opgehouden heb goh' iegelijk met tranon te vermanen. 32 En nu, broeders! ik bovele u Godo, en don woordo zijner genade, die magtig is u op to bouwen, en u oen erfdeel te geven onder al do gohoiligdon. 33 quot; Ik heb niemands zilver, of goud, of klooding begeerd. a 1 Cor. 9 : 12. 2 Cor. 11:9. 12 :13. 34 En gij zolven woot, dat quot;deze handen tot mijne nooddruft, en dergenen, die mot mij waren, gediend hebben. a Hand. 18:3. 1 Cor. 4:12. 1 Tiioss. 2 : 9. 2 Tliess. 3 : 8. 35 Ik hob u in alles getoond, dat men, alzoo arbeidende, do zwakken moot opnemen, en ge-donken aan de woorden van den Heere Jezus, dat hij gezegd hooft: Het is zaliger te geven, dan te ontvangen. 36 En als hij dit gezegd had, heeft hij quot; nodor-kniolondo mot hen allen geboden. a Hand. 21 : 5. 37 En or werd een groot gewoon van hen allen; en zij, vallende om don hals van Paulus, kusten hem, 38 Zoor bedroefd zijnde, allermeest over hot woord, dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezigt niet meer zien zouden; en zij geleidden hom naar het schip. HOOFDSTUK 21. Van Milóto reist Paulus voort naar Syrië on komt aan to Tyrus, vs. 1. Do disoipolon aldaar radon hom do reis naar Joruzalom af, doch to vergeefs, 4. Hij trekt voort naar Ptoleimiïs en van daar naar Cesaréa, alwaar hij eonigo dagon blijft ten huizo van Filippus, den evangelist, wiens vier dochters profeteerden, 5. A'gabus voorzegt hom zijne bandon te JorClzalom, waarom hem ook de broeders mot tranen bidden van daar te blijven, 10. Maar verstaande, dat hij bereid was ook om Christus wil te sterven, onderwerpen zij zich aan don wil van Qod, 13. Hij komt to JerAzalem en gaat te huis liggen bij Mnason, 15. Daarna gaat hij tot Jakobus on verhaalt hem en den ouderlingen, wat God door hem gedaan had, 18. Op hunnen raad gaat hij mot vier mannen, die eene gelofte gedaan hadden, in den tempel, om zich te heiligen, 20; alwaar hij van eonigo Joden uit Azië wordt gezien, die oploop tegen hom verwekken en bom zoeken tedooden, 27; aan welke hij door don romoinschen overste wordt ontnomen en in het leger gebracht, 31 ; deze geeft hem verlof, om tot het volk te spreken, 39. EN als het geschiedde, dat wij van hen gescheiden en afgevaren waren, zoo liepen wij regt uit en kwamen te Cos, en don dag daaraan te Rhodus, en van daar to Patara. 2 En een schip gevonden hebbende, dat naar Fenicië overvoer, gingen wij er in, en voeren af. I 3 En als wij Cyprus in het gozigt gekregen, en |
|
998 dat aan do liiikcr/m?«Z gelaten hadden, voeren wij naar Syrië, en kwamen aan te Tyrus: want hot schip zoude aldaar den last ontladen. 4 En do discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; dewelke tot Paulus zeiden door den (Jeest, quot;dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem. a Hand. 20:23. 21 : 12. 5 Toen liet nu geschiedde, dat wij deze dagen overgebragt hadden, gingen wij uit, en reisden court; on zij geleidden ons allen mot vrouwen en kindoren tot buiten do stad; en aan den oever nodorknielendo hebben wij geboden. (i En als wij elkander gegroet hadden, gingen wij in hot schip, maar zijlieden keerden wederom, dk naar hot zijne. 7 Wij nu, de scheepvaart volbragt hebbende van Tyrus, kwamen aan te Ptolemaïs, en de broeders gegroet hebbende, bleven oonon dag bij hen. H En dos andoren daags, Paulus en wij, die met hom waren, gingen van daar en kwamen te Ce-saróa ; en gegaan zijnde in hot huis van quot; Filippus, don evangelist, (die em was van do zeven) bleven wij bij hem. «Hand. 6:5. 8:29. 9 Doze nu had vier dochters, noy maagden, quot; dio profeteerden. aJoël 2:28. Hand. 2:17. 10 En als wij daar vele dagen gebleven waren, kwam er eon zeker profeet af van Judéa, met name quot; A'gabus ; a Hand. 11 : 28. 11 En hij kwam tot ons, en nam den gordel van Paulus, en zich zolvon handen en voeten gebonden hebbende, zcido: Dit zegt de Heilige Geest: quot;Den man, wiens deze gordel is, zullen do Joden alzoo te Jeruzalem binden, en ovor-lovoren in do handen der Heidenen, a Hand. 20 : 2H. 21 : 93. 12 Als wij nu dit hoorden, baden beide wij en die van die plaats waren, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem. 13 Maar Paulus antwoordde: quot;Wat doet gij, dat gij weent, en mijn hart week maakt? want ik ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den naam van den lloore Jezus. «Hand. 20:24. 14 En als iiij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zeggende: quot;Do wil des Heeren geschiede. a Matt. (J: 10. Luk. 11:2. 22:42. 15 En na die dagen maakten wij ons gereed, en gingen op naar Jeruzalem. Ki En met ons gingen ook sommiyen dor discipelen van Cesaréa, leidende met zich eenen zekeren Mnason, van Cyprus, een ouden discipel, bij denwelken wij zouden te huis liggen. 17 En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders blijdelijk. 18 En don volgenden day ging Paulus met ons in tot Jakobus; en al de ouderlingen waren daar gekomen. 1!) En als hij hen gegroet had, verhaalde hij van stuk tot stuk, wat God onder de Heidenen door zijne dienst gedaan had. |
20 En zij, dat gehoord hebbende, loofden den Heere, en zeiden tot hem: Gij ziet, broeder! hoe vele duizenden van Joden er zijn, die gelooven; en zij zijn allen ijveraars van do wet. 21 En zij zijn aangaande u berigt, dat gij al de Joden, die onder de Heidenen zijn, leert van Mozes afvallen, zeggende, dat zij de kinderen niet zouden besnijden, noch naar de wijzen der wet wandelen. 22 Wat is er dan te doen? Het is gansch noodig, dat do menigte zamenkome: want zij zullen hoo-ren, dat gij gekomen zijt. 23 Doe dan hetgeen wij u zeggen: wij hebben vier mannen, dio oono gelofte gedaan hebben. 24 Noem dozen tot u, en heilig u met hen, en doe de onkosten nevens hen, opdat zij het hoofd beschoren mogen; en allen mogen weten , dat er niets is aan hetgeen, waarvan zij, aangaande u, berigt zijn; maar dat gij alzoo wandelt, dat gij ook zelf do wet onderhoudt. 25 Doch van de Heidenen, die gelooven, quot; hebben wij geschreven en goed gevonden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, ''dan dat zij zich wachten van hetgeen den afgoden geofferd is, en c van bloed, en van hot verstikte, en van hoererij. a Hand. 15:23 h Ex. 2U: 3. 1 Cor. 8:1. «Gen. 9:4. 26 quot; Toen nam Paulus de mannen met zich, en don dag daaraan mot hen geheiligd zijnde, ging hij in den tempel, en verkondigde, dat de dagen der heiliging vervuld waren, blijvende daar totdat voor een iegelijk van hen de offerande opgeofferd was. a Hand. 24:0. 27 Als nu de zeven dagen zouden voleindigd worden, zagen hem de Joden van Azië in don tempel, en beroerden al het volk, en sloegen de handen aan hem, 28 Roepende: Gij israëlietische mannen, komt te hulp! Deze is de mensch, die tegen het volk, en de wet, en deze plaats allen man overal leert; en bovendien hoeft hij ook Grieken in den tempel gebragt, en heeft deze heilige plaats ontheiligd. 29 Want zij hadden te voren quot; Trófimus den Ãfeziër, mot hem in de stad gezien, welken zij meenden, dat Paulus in den tempel gebragt had. a Hand. 20 : 4. 2 Tim. 4 : 20. 30 En de geheelo stad kwam in roer, en het volk liep zamen; en zij grepen Paulus, en trokken hem buiten den tempel; en terstond werden do deuren gesloten. 31 En als zij hom zochten te dooden, kwam het gerucht tot den overste der bende, dat geheel Jeruzalem in verwarring was; 32 Welke terstond krijgsknechten on hoofdmannon over honderd tot zicli nam, en liep af naar hen toe. Zij nu, don overste on de krijgsknechten ziende, hielden op van Paulus to slaan. 33 quot; Toon naderde do overste en greep hom, en beval, dat men hem mot twee ketenen zou binden; en vraagde, wie hij was, en wat hij gedaan had. a Hand. 21:11. HANDELINGEN 21. |
|
34 En onder do schare riep dc eene dit, de andere wat anders. Doch als hij do zekerheid niet kon weten van woge de beroerte, beval hij, dat men hem in de legerplaats zon brengen, 35 En als hij aan de trappen gekomen was, go-beurde het, dat hij van de krijgsknechten gedragen werd van wege het geweld der schare. 36 Want de menigte des volks volgde, al roepende: quot;Weg met hem! «Luk. 23; 18. Joh. 1'J: 15. Hand. 22:22. 37 En als Paulus nu in de legerplaats zou geleid worden, zeide hij tot den overste: Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken? En hij zoide: Kent gij Grieksch ? 38 Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die voor deze dagen oproer verwekte, en de vier duizend moordenaars naar de woestijn uitleidde? 39 Maar Paulus zeide: Ik ben een Joodsch man quot; van Tarsen, een burger van goene onvermaarde stad in Cilicië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken. a Hand. 9:11, 30. 40 En als hij het toegelaten had, Paulus, staande op de trappen, wenkte met de hand tot het volk; on als er groote stilte geworden was, sprak hij hen aan in de hebreeuwscho taal, zeggende: HOOFDSTUK 22. Paulus doet zijne verantwoording voor het volk, vs. 1; on verhaalt dat hij oen Jood was, opgevoed aan do voeten van Gamaliöl 3; en dat hij, ijverende voor do wet, do Christenen tot Damaskus too vervolgd hooft, 4; doch dat hij wonderbaar door Christus uit don hemel geroepen en bekoord is, C; en van Ananias nader onderricht zijnde aangaande zijne roeping tot bet apostelschap, door dozen is gedoopt, 12; ook hoe Christus door oen gezigt in den tempel te Jerflzalem hein wederom verschenen is en hem lot do Heidenen gezonden heeft, 17. Welke woorden do Joden boorende, maakten op nieuw oproer en riepen, dat bij niet behoorde te leven, 22; waarom do overste bom laat binden, om gogeescld to worden, 24. Maar doordien bij zicli op zijn burgorregt van Rome beroept, wordt het bevel ingetrokken, 25. Hij wordt voor don joodschen raad gestold, 30. MANNEN broeders on vaders! hoort mijne verantwoording, die ik tegenwoordig tot u doen zal. 2 (Als zij nu hoorden, dat hij in de hebreeuwscho taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. Eu hij zeide:) 3 quot; Ik ben oen joodsch man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van b Gamaliöl onderwezen naar de be-scheidenste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ij veraar Gods, gelijkerwijs gij allen heden zijt; o Hand. 9: 11. 21 : 39. 2 Cor. 11 : 22. I) Hand. 5:34. 4 quot; Die dezen weg vervolgd heb tot den dood, bindende en in de gevangenissen overleverende beide mannen en vrouwen, a Hand. 8 : 3. i): 1.20:9. 1 Cor. 15:9. Gal. 1 ; 13. 1 Tim. 1 : 13. ö Gelijk mij ook de hoogepriester getuige is, en de geheele raad der ouderlingen; van dewelke il? ook brieven genomen hebbende tot de broeders, hen naar Damaskus gereisd, om ook degenen, |
999 die daar waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden. ü quot;Maar het geschiedde mij, als ik reisde, en Damaskus genaakte, omtrent den middag, dat b snellijk uit den hemel oen groot licht mij rondom omscheen. a Hand. 9:3. h 1 Cor. 15:8. 2 Cor. 12:2. 7 En ik viel ter aarde, on ik hoorde eene stem, tot mij zeggende: Saul, Saul! wat vervolgt gij mij ? 8 En ik antwoordde: Wie zijt gij, Ileere? En hij zeide tot mij: Ik bon Jezus, de Nazaréner, welken gij vervolgt. 9 En die met mij waren, zagen wel het licht, quot; en werden zoor bevreesd; maar de stem desgenen , die tot mij sprak, hoorden zij niet. ci Dan. 10 : 7. 10 En ik zeide: Heero! wat zal ik doen? En de Ileere zeide tot mij: Sta op, en ga heen naar Damaskus; ou aldaar zal met u gesproken worden , van al hetgeen u verordend is te doen. 11 En als ik van wege de heerlijkheid deszelven lichts niet zag, zoo werd ik bij de hand geleid van degenen, die met mij waren, en kwam te Damaskus. 12 quot; En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, goede getuigenis hebbende van al de Joden, die daar woonden. «Hand. 9: 17. 13 Kwam tot mij, en bij mij staande, zoide tot mij: Saul, broeder! word weder ziende. En ter zelfder ure werd ik ziende op hem. 14 En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u te voren verordend, om zijnen wil tekennon, en den Regtvaardige te zien, en do stem uit zijnen mond te hoor en. 15 Want gij zult hem getuige zijn bij alle inen-schen, van hetgeen gij gezien on gehoord hebt. 16 En nu, wat vertoeft gij ? sta op, en laat u doopen, en uwe zonden afwasschen, aanroepende don naam des Heeren. 17 quot; En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem wedergekeerd was, en in den tempel bad, dat ik in eene vertrekking van zinnen was; «Eland.9:28. 18 Eu dat ik hem zag, en hij tot mij zoide: quot;Spoed u, en ga in der haast uit Jeruzalem: want zij zullen uwe getuigenis van mij niet aannemen. a Malt, 10: 14. 19 En ik zeide: Ileere! zij weten, quot;dat ik in de gevangenis wierp, en in de synagogen geeselde, die in u geloofden; «Hand, 22:4, 20 quot;En toen het bloed van Stéfanus, uwen getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bijstond, en mede een welbehagen bad in zijnen dood, en de kleederen bewaarde dergenen, die hem dooden. n Hand, 7 : 58, 8:1, 21 En hij zeide tot mij: Ga heen; quot;want ik zal n ver tot de Heidenen afzenden, «Hand.9:15.13:2, Gal. 1 : 15, 2 : 8, Efcz, 3 : 8, ! Tim, 2 : 7, 2 Tim, 1:11, 22 Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hunne stem, zeggende: quot; Weg van de aarde met zulk oenen! want bet is niet behoorlijk dat hij leve. «Hand. 21 :36, HANDELINGEN '21 , 22. |
HANDELINGEN 22, 23.
1000
|
23 En als zij riepen, en de kleederen van zich smeten, en stof in de lucht wierpen; 24 Zoo beval de overste, dat men hem in de legerplaats zou brengen, en zeide, dat men hem met geeselen onderzoeken zou, opdat hij verstaan mogt, om wat oorzaak zij alzoo over hein riepen. 25 En alzoo zij hem met de riemen uitrekten, zeide Paulus tot den hoofdman over honderd, die daar stond: Is het ulieden geoorloofd eenen romeinschen mensch, en dien onveroordeeld, te geeselen ? 26 Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe, en boodschapte het den overste, zeggende: Zie, wat gij te doen hebt; want deze mensch is een Romein. |
mot eenen brief, waarin de zaak verhaald wordt, 23. Felix den brief gelezen iiobbondo, laat Paulus in hot rogthuis van Heródes bewaren, 34. EN Paulus, de oogen op den raad houdende, zeide: Mannen broeders! quot;Ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op dezen dag. a Hand. 24: 16. 2 quot; Maar de hoogepriester Ananias beval dengenen , die bij hem stonden, dat zij hem op den mond zouden slaan. «1 Kon. 22:24. Jer. 20:2. Joh. 18: '22. 3 Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitte wand! n Zit gij ook om mij te oor-deelen naar de wet, en beveelt gij, tegen de wet, dat men mij zal slaan? «Deut. 17:9. 4 En die daarbij ston- |
27 En de overste kwam toe, en zeide tot hem :
Zeg mij, zijt gij een Romein? En hij zeide: Ja.
28 En de overste antwoordde : Ik heb dit burgerregt voor eene groote som gelds verkregen. En Paulus zeide:
Maar ik ben ook een bur ge)' geboren.
2!) Terstond dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben. En de overste werd ook bevreesd, toen hij verstond, dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden.
30 En des anderen daags, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de bandon , en beval, dat de
overpriesters en hun Uominicminu: Paulus iu eune vertrekking geheele raad zouden komen ; en Paulus afgebragt hebbende, stelde hij /«cm voor hen.
HOOFDSTUK 23.
Paulus, beginnende in den raad zijne verantwoording,
wordt o]) bevel ties hoogepriosters geslagen , vs. I; waarover hij hem ernstig bestraft, niet wetende dat hij de hoogepriester was. 3. Een gedeelte van den raad van de seete der sadduceen zijnde, verklaart hij, dat hij een farizeër was, en om de opstanding uit de dooden geoordeeld werd, 6: waarover de farizeën en saddneeën in twist geraken, en de fari-zeön hem onsehuldig verklaren, 7. Hij wordt van den Heere aangesproken en getroost, 11. Veertig mannen verbinden zich met een vloek niet te zullen eten noch drinken, totdat zij hom gedood hebben, 12; hetwelk Paulus door den zoon van zijne zuster verneemt, en aan den overste bekend maakt, 26.
Ueze zendt hem des nachts onder geleide van krijgsknechten naar Cesaréa tot Felix den stadhouder
den , zeiden : Scheldt gij den hoogepriester Gods ? ö En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders! dat het de hoogepriester was; want er is geschreven: quot; Den overste uws volks zult gij niet vloeken.
a Ex. 22 : 28.
6 En Paulus, wetende dat het eene deel was van de sadduceen, en het andere van de farizeën , riep in den raad: Mannen broeders! quot;ik ben een farizeër, eens farizeërs zoon; ik word over de hoop en opstanding der dooden geoordeeld. a Hand. 24:21.
26 : 6. Filipp. 3 : 5.
7 En als hij dit gesproken had, ontstond er tweedragt tusschen de farizeën en de saddneeën, en de menigte werd verdeeld.
8 quot; Want de sadduceen zeggen, dat er geene opstanding is, noch engel, noeh geest; maar de farizeën belijden het beide.
a Matt. 22 : 23. Mark. 12 : 18. Luk. 20 : 27.
9 En er geschiedde een groot geroep; en de schriftgeleerden van de zijde der farizeën stonden op, en streden, zeggende: quot; Wij vinden geen kwaad in dezen mensch; en indien een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, laat ons tegen God niet strijden. a Hand. 25:25. 20:31.
10 En als er groote tweedragt ontstaan was, de overste, vreezende, dat Paulus van hen verscheurd mogt worden, gebood , dat het krijgsvolk zou afkomen, en hem uit het midden van hen wegrukken, en in de legerplaats brengen.
11 quot; En den volgenden nacht stond de Heere bij hem, en zeide: Heb goeden moed, Paulus! want gelijk gij te Jeruzalem van mij betuigd
1001
|
hebt, alzoo moet gij ook to Rome getuigen, a Hand. 18:9. 12 quot; En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden eeno zamenrotting, en vervloekten zich zeiven, zeggende, dat zij noch eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden gedood hebben. «Hand. 23:21, 29, 30. 13 En zij waren meer dan veertig, die dezen eed te zamen gedaan hadden. 14 Dewelke gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, en zeiden: Wij hebben ons zeiven met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben. 15 Gij dan nu, laat den overste weten mot den raad, dat hij hom morgen tot u afbrenge, als of gij nadere kennis zoudt nomen van zijne zaken; en wij zijn bereid hem om te brengen, eer hij bij u komt. 16 En als de zoon van Paulus zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar, en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus. 17 En Paulus riep tot zich een' van do hoofdmannen over honderd, on zeido: Leid dezen jongeling heen tot den overste; want hij heeft hom wat te boodschappen. 18 Deze dan nam hem en bragt hem tot den overste, en zeide: Paulus, de gevangene, heeft mij tot zich geroepen, en begeerd, dat ik dezen jongeling tot u zou brengen, die u wat heeft te zeggen. 19 Do overste nu nam hem bij de hand, en bezijden gegaan zijnde, vraagde hij: Wat is hot, dat gij mij hebt te boodschappen ? 20 En hij zeide: Do Joden zijn quot;overeengekomen , om van u te begeeren, dat gij Paulus morgen in don raad zoudt afbrengen, als of zij iets van hem nader zouden onderzoeken. a Hand. 23 : 12. 21 Doch geloof hun niet: want meer dan veertig mannen uit hen loggen hom lagen, welke zich zelven met eeno vervloeking verbonden hebben noch te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgebragt hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u. 22 De overste dan liet den jongeling gaan, kern gebiedende: Zog niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt. 23 En zekere twee van do hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeido hij: Maakt twee honderd krijgsknechten gereed, opdat zij naar Cesaróa trekken, en zeventig ruiters, en twee honderd schutters, tegen do dorde ure des nachts; 24 En laat ze zadelhGQsiGn bestellen, opdat zij Paulus daarop zetten, en behouden overbrengen tot den stadhouder Felix. 25 En hij schreef eenen brief, hebbende dezen inhoud: 2G Claudius Lysias aan den magtigsten stadhouder Felix groetenis. |
27 quot; Alzoo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omgebragt zou geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk, en heb hem hun ontnomen, borigt zijnde, dat hij oen romein is. a Hand. 21: 33. 28 En willende de zaak weten, waarover zij hem beschuldigden, bragt ik hom af in hunnen raad. 29 Welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner wet; maar geono beschuldiging tegen hem te zijn, die den dood of bandon waardig is. 30 En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden eene lage tegen dezen man gelegd zou worden, zoo heb ik hem terstond aan u gezonden ; gebiedende ook den beschuldigers voor u te zoggen, hetgeen zij tegen hom hadden. Vaarwel. 31 De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus, en bragten hom des nachts tot Antipatris. 32 En des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken, koorden zij wederom naar de legerplaats. 33 Dewelke als zij te Cesaróa gekomen waren, en den brief den stadhouder overgeleverd hadden , hebben zij ook Paulus voor hem gesteld. 34 En de stadhouder, den brief gelezen hebbende, vraagde, uit wat provincie hij was; en verstaande, dat hij van Cilicië was, 35 Zeide hij: Ik zal u hooren, als ook uwe beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval, dat iiij in het regthuis van Heródes zou bewaard worden. HOOFDSTUK 24. Uo hoogeprioster Ananias en de oudsten van hot volk verschijnen met den voorspraak, Tortullus, voor Felix togon Paulus, vs. 2; on brongen zware bo-sohuldigingen tegen hem in, 5; waarop Paulus zijne verantwoording doet met belijdenis van zijn geloof en godsdienst, 10. Felix stelt de zaak uit tot do komst van Lysias, 22; gevende intusschon Paulus meor vrijheid, 23. Paulus onderwijst hem en zijne huisvrouw in eenige hoofdstukken des goloofs, 24; wordt dikwijls van hem ontboden, in de hoop van geld te krijgen, 20; en heeft hom gevangen gelaten om den Joden te behagen, 27. EN vijf dagen daarna kwam quot; do hoogeprioster Ananias af met de ouderlingen, en eenen zekeren voorspraak, genaamd Tertullus, dewelke verschenen voor den stadhouder tegen Paulus. a Hand. 23 : 2. 2 En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen , zeggende : 3 Dat wij grooten vrede door u bekomen, en dat vele loffelijke diensten dezen volko geschieden door uwe voorzigtigheid, magtigste Felix! nomen wij ganschelijk en overal met alle dankbaarheid aan. 4 Maar opdat ik u niet lang ophoude, ik bid u, dat gij ons, naar uwe bescheidenheid, kortelijk hoort. 5 Want wij hebben dezen man bevonden te zijn |
HANDELINGEN 24, 25.
1002
|
eeno pest, on conon, dio oproer verwekt onder al de Joden, door de yansche wereld, on oenen oppersten voorstander van de sokto dor Naza-rónen, 6 quot; Die ook gepoogd hooft den tempel te ontheiligen ; wolken wij ook gegrepen hebben, en naar onze wet hebben willen oordoelen. a Hand. 21 : 28. 7 Maar Lysias, de overste, daarover komende, hooft hem mot groot geweld uit onze handen woggobragt; 8 Gebiedende zijne beschuldigers tot u to komen; van denwolken gij zoli', hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al hetgeen, waarvan wij hem beschuldigen. !) En ook do Joden stemden hot toe, zeggende, dat deze dingen alzoo waren. 10 Maar Paulus, als hem de stadhouder gewenkt had, dat hij zou sproken, antwoordde: Dewijl ik weet, dat gij nu vele jaren over dit volk regter geweest zijt, zoo verantwoorde ik mij zeiven mot den te boteren moed: 11 Alzoo gij kunt weten, dat hot niet moer dan twaalf dagen zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem; 12 quot; En zij hebben mij noch in den tempel gevonden tot iemand sprekende, of ecnigc zamen-rotting des volks makende, noch in do synagogen, noch in de stad; a Hand. 25:8. 28: 17. 13 En zij kunnen niet bewijzen, waarvan zij mij nu beschuldigen. 14 Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, wolkon zij sekte noemen, den God der vaderen alzoo diene, geloovendo alles, wat in de wet en in do profeten geschreven is; li) Hebbende hoop op God, welke dezen ook zolvon verwachten, dat er oene opstanding dor doodon wezen zal, beide der regtvaardigen en der onregtvaardigon. 16 quot; En hierin oefen ik mij zeiven, om altijd oen onergerlijk geweten te hebben bij God en do monschen. aHaiul. 23:1. 17 Doch na vele jaren bon ik gekomen quot;om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden. 18 a Waarover mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in den tompol, niet met volk noch met beroerte, eenige Joden uit Azië, a llaiul, 21 : 27. 11) Welke behoorden hier voor u tegenwoordig to zijn, en mij to beschuldigen, indien zij iets haddon togen mij. 20 Of dat deze zolvon zoggen, of zij eenig on-regt in mij gevonden hebben, als ik voor don raad stond; 21 Dan van dit eenig woord, hetwelk ik riep, staande onder hen: quot;Over do opstanding der doodon word ik heden van ulieden geoordeeld! a Hand. 23 : 0. 28 : 20. 22 Toen nu Felix dit gehoord had, stelde hij hen uit, zeggende: Als ik nader wetenschap van dezen weg zal hebben, wanneer Lysias, do overste. |
zal afgekomen zijn, zoo zal ik volle konnis nomen van uwe zaken. 23 En hij boval den hoofdman over honderd, dat Paulus zou bewaard worden, en verligting bobben, quot;en dat hij niemand van do zijnen zou beletten hem te dienen, of tot hem te komen. a Hand. 27 : 3. 28:16. 24 En na sommige dagen, Felix, daar gekomen zijnde mot Drusilla, zijne vrouw, die eene Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van hot geloof in Christus. 25 En als hij handelde van regtvaardigheid, on matigheid, on van hot toekomend oordeel, Felix, zoor bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegenen tijd zal bobben bekomen, zoo zal ik u tot mij roepen. 26 En te gelijk ook hopende, dat hem van Paulus geld gegeven zou worden, opdat bij hem losliet; waarom hij hem ook dikwijls ontbood, en sprak mot hem. 27 Maar als twee jaren vervuld waren, kroeg Felix Porcius Festus in zijne plaats; en Folix, quot;willende den Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen. a Hand. 25:14. HOOFDSTUK 25. Festus komt in do plaats van Folix, van welken de hoogepriester on joodsche raad verzoeken, dat hij Paulus naar Jeru/.alem wil doen komen, hebbeiulo liet voornemen, hom onderweg to dooden, vs. 1. Doch Festus wil, dat /.ij voor hem te Cesaróa verschijnen, 4; hetwelk /.ij doen eti beschuldigen lioiu /.eer zwaar, doch zonder bewijs, 7. Paulas, bemerkende dat Festus genegen was, om hom naar Jeruzalem te zenden, beroept zich op don keizer, !). Do koning Agrippa en Bernice komen te Cesaróa, aan wie Festus de zaak van Paulus verhaalt, 13. Agrippa begeert hom te mogen hooren, hetgeen den volgendon dag geschiedt, 22. Festus verhaalt voorts, wat hij in do zaak van Paulus gedaan, en hoe hij in hem geene schuld had gevonden, 24. FESTUS dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesaróa op naar Jeruzalem. 2 En de hoogepriester, en de voornaamsten der Joden, verschenen voor hem tegen Paulus, en baden hem, 3 Begeerendo gunst tegen bom, opdat bij hom zou doen komen te Jeruzalem; en loggende eene lage, om hem op den weg om te brengen. 4 Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesaróa bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen. 5 Die dan, zeido hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zoo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij bom bescbuldigen. ü En als hij onder hen niet meer dan tien dagen overgebragt had, kwam bij af naar Cesaróa; en des anderen daags, op don rogterstoel gezeten zijnde, boval hij, dat Paulus zou voorgebragt worden. 7 En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, dio van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen |
HANDELINGEN 25, 20.
!()(«
|
logon Paulus voortbrengondo, dio zij niet konden bewijzen; 8 Dewijl hij, verantwoordende, zoido: quot; Ik hob noch togen do wet der Joden, noch togen den tempel, noch tegen don keizer iets gezondigd. a Hand. 24 : 12. 28 : 17. i) Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zoido: Wilt gij naar Jorüzaloin opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden ? 10 En Paulus zoido: Ik sta voor don regtorstool des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; don Joden heb ik geen onregt gedaan, gelijk gij ook zeer wel weet. 11 quot; Want indien ik onrogt doo, on iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet to sterven; maar indien er niets is van hetgeen, waarvan deze mij beschuldigen, zoo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op don keizer. a Hand. 18 : 14. 12 Toen antwoordde Festus, ids hij met den raad gesproken had: Hebt gij u op don keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan. 13 En als eenige dagen voorbij gegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernfce to Cosaréa, om Festus te begroeten. 14 En toen zij aldaar vele dagen ovorgobragt hadden, hooft Festus de zaken van Paulus aan don koning verhaald, zeggende; quot;Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten; a Hand. 24:27. 15 Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschonen , bogeerende vonnis togen hem. 1(5 Aan dewelke ik antwoordde, dat do Romeinen de gewoonte niet hebben, quot; oonigen mensch uit gunst tor dood over to geven, oor do beschuldigde do beschuldigers tegenwoordig; hoeft, en plaats van verantwoording gekregen hooft over de beschuldiging. aUeut. 17:4. 17 Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren , zoo heb ik, geen uitstel nemende, des dacujn daaraan op don regtorstool gezeten, on beval, dat de man zoude voorgebragt worden. 18 Over wolken do beschuldigers, hier staande, geeno zaak hebben voortgebragt, waarvan ik vermoedde; 19 Maar hadden tegen hem eonigo vragen van hunne godsdienst, en van zekeren Jezus, die gestorven was, wolkon Paulus zoido te loven. 20 En als ik over do onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zoido ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden. 21 En als Paulus zich beriep, dat men hem tot do kennis dos keizers bewaren zou, zoo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden, tor tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou. 22 En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mensch wel hooren. En hij zeide: Morgen zult gij hem hooren. |
23 Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was en Bernfce mot grooto pracht, on als zij ingegaan waren in hot regthuis, met do oversten over duizend, en do mannen, die de voornaamsten der stad waren, word Paulus op bevel van Festus foorgebragt. 24 En Fostus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen alle, die met ons hier tegenwoordig zijt! gij ziet dezen, van wolken mij do gansche menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende, dat hij niet moor behoort te leven. 25 Maar ik, bevonden hebbende, quot;dat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, hob besloten hem te zenden. a Hand. 23:0. 26:31. 26 Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik bom voor ulioden voorgebragt, en moest voor u , koning Agrippa! opdat ik, na gedane onderzoeking, wat bob te schrijven. 27 Want hot dunkt mij togen rede, oenen ge-vangene te zonden, en niet ook do beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven. HOOFDSTUK 26. l'aulus verlof gekregen iiebbende, om zich 1o verantwoorden, verhaalt voor den koning Agrippa on den gansehen raad zijn leven voor zijne bekeering, vs. 1; zijne bekeering en roeping tot hot apostelambt on hoe dit geschied is, 12; zijn loven na zijne bekeering, li); wat hij gedaan, 20; geleden, 21; en geleerd heeft, 22. Op deze verantwoording oordeelt Festus, dat Paulus raasde, hetgeen Paulus ontkent, 24. Agrippa wordt bijna bewogen om oen Christen te worden, 27. Hij en die hem omgeven oordeelen dat Paulus onschuldig is, 30; en dat hij zou kunnen worden losgelaten, indien hij zich niet had beroepen op den keizer, 32. EN Agrippa zeide tot Paulus: Het is u geoorloofd voor u zolven te spreken. Toon strekte Paulus de hand uit, en verantwoordde zich dl/h/.s: 2 Ik acht mij zeiven gelukkig, o koning Agrippa! dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles, waarover ik van do Joden beschuldigd word; 3 Allermeest, dewijl ik weet, dat gij konnis hebt van allo gewoonten en vragen, die onder de Joden zijn. Daarom bid ik u, dat gij mij lang-moodiglijk hoort. 4 Mijn leven dan van dor jongheid aan, hetwelk van don beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten al de Joden; ö Als die van over lang mij te voren gekend hebben (indien zij het wilden getuigen), dat ik naar de bescheidenste sekte van onze godsdienst, a/s een farizeër geleefd heb. 6 En nu sta ik, en word geoordeeld over quot;de hoop dor belofte, die van God tot de vaderen geschied is; aOen. 3: 15, 22: 18. 26:4. 49: 10. Deut. 18: 15. 2Sain. 7: 12. Ps. 132: II. Jes. 4:2. 7 : 14. 9 : 5. 40: 10. ,Tor. 23 : 5. 33 : 14. Ezec. 34 : 23. 37 : 24. Dan. 9 : 24. Micha 7 : 20. |
HANDELINGEN 26, 27.
1004
|
7 Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen to komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa! van de Joden word beschuldigd. 8 Wat? wordt het bij ulieden ongeloofelijk geoordeeld , dat God do dooden opwekt ? 9 quot; Ik meende waarlijk bij mij zeiven, dat ik tegen den naam van Jezus van Nazareth vele wedorpartijdige dingen moest doen. a Hand. 8:3. 9:1.22; 4. ICor. 15:9. Gal. 1:13. lïim. 1:13. 10 Hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de inagt van de overpriesters ontvangen hebbende; en als zij omgebragt werden, stemde ik het toe. 11 En door al de synagogen heb ik hen dikmaals gestraft, en gedwongen te lasteren; en boven mate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, ook tot in de hmtawlandscJu; steden. 12 Waarover ook als ik naar Damaskus reisde, met magt en last, welke ik van de overpriesters had, 13 Zag ik, o koning! in het midden van den dag, op don weg quot; een licht, boven den glans der zon, van don liemol mij en degenen, die mot mij reisden, omschijnende. nHaml. 9:3. 14 En als wij allen ter aarde nedergovallon waren, hoorde ik eene stom, tot mij sprekende, en zeggende in de hebreeuwsche taal: Saul, Saul! wat vervolgt gij mij ? het is u hard, tegen de prikkels de verzenen te slaan. 15 En ik zeide: Wie zijt gij, Hoere? En hij zeide: Ik bon Jezus, dien gij vervolgt. 16 Maar rigt u op, en sta op uwe voeten: want hiertoe ben ik u verschenen, om u te stellen tot een' dienaar on getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke ik u noy zal verschijnen : 17 Verlossende u van dit volk, en van de Hci-donen, tot dewelke ik u nu zonde; 18 quot; Om hunne oogen te openen, en hen te be-koeren van do duisternis tot het licht, en van do magt des Satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder do geheiligdon, door het geloof in mij. «Jas. OU: 1. 1!) Daarom, o koning Agrippa! ben ik dat he-molsch gezigt niet ongehoorzaam geweest; 20 quot;Maar heb eerst dengenen, die te Damaskus waren, on te Jeruzalem, en in het geheele land van Judóa, en den Heidenen verkondigd, dat zij zich zouden boteren, en tot God bekoeron, werken doende der bekeering waardig. a Hand. 9 : 19, 28. 22:17, 21. 21 Om dezer zaken wil hebben mij do Joden quot; in den tempel gegrepen, en gepoogd om te brongen. a Hand. 21:30. 22 Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op dozen dag, betuigende beiden klein en groot; niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zoude: |
23 Namelijk dat de Christus lijdon moest, en dat hij, de eerste uit de opstanding dor dooden zijnde, een licht zou verkondigen dezen volke, en don Heidenen. 24 En als hij doze dingen tot verantwoording sprak, zeide Festus met grooto stem : Gij raast, Paulus ! de grooto geleerdheid brengt u tot razernij. 25 Maar hij zeide: Ik raas niet, magtigste Festus! maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand: 26 Want do koning weet van deze dingen, tot wolken ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek: want ik geloof niet, dat hem iets van deze dingen verborgen is, quot; want dit is in geen' hoek geschied. «Joh. 18:20. 27 Gelooft gij, o koning Agrippa! de profeten! Ik weet, dat gij zo gelooft. 28 En Agrippa zeide tot Paulus: Gij beweegt mij bijna oen Christen te worden. 29 En Paulus zeide: quot; Ik wonschto wel van God, dat, en bijna en gehoellijk, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden hooron, zoodanigen wierdon, gelijk als ik ben, uitgenomen deze bandon. a 1 Cor. 7:7. 30 En als iiij dit gezegd had, stond de koning op, en do stadhouder, en Bermce, en die mot hen gezeten waren; 31 En aan eene zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkander, zeggende: quot;Deze mensch doet niets dos doods of der banden waardig. a Hand. 23 : 9. 25 : 25. 32 En Agrippa zeide tot Festus: Deze mensch kon losgelaten worden, indien hij zich op den keizer niet had beroepen. HOOFDSTUK 27. Paulus wordt met andore gevangenen door don hoofdman Julius naar Homo gezonden, vs. 1. In gezelschap van Aristarchus, in een adramytténisch schip onder zeil gegaan zijnde, 2; komt men te Sidon, 3. Vaart voorbij Cyprus, 4; komt te Myra, 5. Van daar varen zij met oen schip van Alexandrië, voorbij Cnidus en Creta, tot Schoonehavens, 6; alwaar Paulus don hoofdman aanraadt eenigen tijd to verblijven, om de gelegenheid des tijds, 9. Maar de hoofdman, den schipper en stuurman meer gelovende, vaart voort, 11. Zij varen voorbij Crota on krijgen een groot on weder, 13. Komen aan liet eiland Clauda, 16; en worden door het on weder genoodzaakt de goederen uit hot schip te werpen, 17. Paulus vermaant hun goedsmoeds te zijn, alzoo God door eenen engel hem had te kennen gegeven, dat niemand van hen zou omkomen, 21. Zij worpen vier ankers uit, 29. De scheepslieden zoeken met de boot uit het schip te vlugton, 30; hetwelk Paulus verhindert, 31. Het volk lang gevast hebbende, nuttigt op Paulus vermaning spijze, 33; en werpt het koren over boord, 38. Hot schip vergaat, 41. De soldaten willen do gevangenen dooden, hetwelk do hoofdman verhindert, 42; en hot volk zwemt aan land, 43. EN als het besloten was, dat wij naar Italië zouden afvaren, leverden zij Paulus, en eenige andere gevangenen, over aan eenen hoofdman |
HANDELINGEN 27.
1005
|
over honderd, met name Julius van de keizerlijke bende. 2 quot; En in een adramytténisch schip gegaan zijnde, alzoo wij de plaatsen langs Azië bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus, de Macedoniër van Thessalomca , was met ons. n 2 Cor. 11: 25. 3 En des anderen daags kwamen wij aan te Sidon. En Jülius, quot;vriendelijk met Paulus handelende, liet hem toe tot de vrienden te gaan, om van hen bezorgd te worden. a Hand. 24:23. 28; 10. 4 En van daar afgevaren zijnde, voeren wij onder Cyprus heen, omdat de winden ons tegen waren, 5 En de zee, die langs Cilïcië en Pamfylië is, doorgevaren zijnde, kwamen wij aan te Myra in Lycië. 6 En de hoofdman, aldaar een schip gevonden hebbende van Alexandrië, dat naar Italië voer, deed ons in hetzelve overgaan. 7 En als wij vele dagen langzaam voortvoeren, en naauwelijks tegenover Cnidus gekomen waren, overmits het ons de wind niet toeliet, zoo voeren wij onder Creta boen, tegenover Salmóne. 8 En hetzelve naauwelijks voorbij zeilende, kwamen wij in eene zekere plaats, genaamd Schoone havens, waar de stad Lasóa nabij was. i) En als veel tijd verloopen, en de vaart nu zorgelijk was, omdat ook de vasten nu voorbij was, vermaande hen Paulus, 10 En zeide tot hen; Mannen! ik zie, dat do vaart zal geschieden met hinder en groote schade, niet alleen van do lading en van het schip, maar ook van ons loven. 11 Doch de hoofdman geloofde meer den stuurman en den schipper, dan hetgeen van Paulus gezegd werd. 12 En alzoo de haven ongelegen was om te overwinteren , vond hot meerder deel geraden ook van daar te varen, of zij eenigzins te Penix kondon aankomen om te overwinteren, zijnde eene haven in Creta, strekkende tegen het zuidwesten en tegen hot noordwesten. 13 En alzoo de zuidewind zachtolijk waaide, ineenden zij hun voornemen verkregen te hebben , en afgevaren zijnde, zeilden zij digt voorbij Creta henen. 14 Maar niet lang daarna, sloeg tegen hetzelve oen stormwind, genaamd Euroclydon. 15 En als het schip daarmede weggerukt werd, en niet kon togen den wind opzeilen, gaven wij het op, en dreven hoen. 1G En loopende onder een zeker eilandje, genaamd Clauda, konden wij naauwelijks de boot machtig worden. 17 Dewelke opgehaald hebbende, gebruikten zij alle behulpselen, liet schip ondergordende; en alzoo zij vreesden, dat zij op de droogte Syrtis vervallen zouden, streken zij het zeil, en dreven alzoo hoen. |
18 En alzoo wij van het onwoder gowoldelijk geslingerd worden, doden zij den volgenden dag oenen uitworp; 19 En den derden dag wierpen wij met onze eigene handen hot scheepsgereodscbap uit. 20 En als noch zon noch gesternten verschenen in vele dagen, en geen klein onwoder ows drukte, zoo werd ons voorts alle hoop van behouden te worden bonomen. 21 En als men langen tijd zonder eten geweest was, toen stond Paulus op in het midden van hen, en zeide; O mannen! men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben, en van Creta niet afgevaren te zijn, en dezen hinder en deze schade verhoed te hebben. 22 Doch alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zijn; want er zal geen verlies geschieden van iemands loven onder u, maar alleen van liet schip. 23 Want dezen zelfden nacht heeft bij mij gestaan oen engel Gods, wiens ik bon, welken ook ik dien, 24 Zeggende; Vrees niet, Paulus! gij moet voor den keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen. 25 Daarom zijt goedsmoeds, mannen! want ik geloof Gode, dat bot alzoo zijn zal, golijkerwijs hot mij gezegd is. 2G Doch wij moeten op oen zeker quot; eiland vervallen. a Hand. 28 ; 1. 27 Als nu de veertiende nacht gekomen was, alzoo wij in de Adriatischo zee herwaarts en derwaarts gedreven worden, omtrent hot midden des nachts, vermoedden do scheepslieden, dat hun eenig land naderde. 28 En hot dieplood uitgeworpen hebbende, vonden zij twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde, wierpon zij wederom hot dieplood uit, en vonden vijftien vademen. 29 En vreezende, dat zij ergens op harde plaatsen vervallen mogton, wierpen zij vier ankers van hot achterschip uit, en wenschten, dat het dag wierd. 30 Maar als do scheepslieden zochten uit liet schip te vlieden, en de boot noderlieten in do zee, onder den schijn, als of zij uit het voorschip do ankers zouden uitbrengen, 31 Zeide Paulus tot don hoofdman en tot de krijgsknechten; Indien deze in hot schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden. 32 Toon hieuwen do krijgsknechten de touwen af van de boot, en lieten haar afvallen. 33 En ondertusschon dat liet dag zou worden, vermaande Paulus hen allen, dat zij zouden spijze nomen, en zeide; Hot is lieden do veertiende dag, dat gij verwachtende blijft zonder eten, en niets hebt genomen. 34 Daarom vermaan ik u spijze te nemen, want dat dient tot uwe behouding; want niemand van u quot; zal een haar van hot hoofd vallen. n Matt. 10 ; 30. |
HANDELINGEN 27, 28.
i ooi;
|
35 En als hij dit gezegd on brood genomen had, quot;dankte hij God in aller tegenwoordigheid; en hetzelve gebrolcen hebbende, begon hij te eten. n 1 Sam. !): 13. Joh. 0:11. 1 Tim. 4 : 3. 36 En zij allen, goedsmoeds geworden zijnde, namen ook zeiven spijze. 37 Wij waren nu in het schip in alles twee honderd zes en zeventig zielen. 38 En als zij met spijze verzadigd waren, ligtten zij het schip, en wierpen het koren uit in de zee. 39 En toen hot dag werd, kenden zij het land niet; maar zij merkten eenen zekeren inham, die eenen oever had, tegen denwelken zij geraden vonden, zoo zij konden, het schip aan te zetten. 40 En als zij do ankers opgehaald hadden, gaven zij het schip aan de zee over, met een de roerbanden losmakende; en het razeil naar don wind opgehaald bobbende, hielden zij het naar den oever toe. 41 quot;Maar vervallende op oono plaats, dio do zee aan beide zijden had, zotten zij hot schip daarop; en het voorschip, vastzittende, bleef onbewegelijk, maar het achterschip brak van hot geweld dor baren. c^Cor. 11:25. 42 Do raadslag nu der krijgslieden was, dat zij de gevangenon zouden dooden, opdat niemand, ontzwommen zijnde, zoude ontvlieden. 43 Maar de hoofdman, willende Paulus behouden, belette hun dat voornemen, en beval, dat degenen , die zwemmen kondon , zich eorst zouden afwerpen, en te land komen; 44 En de anderen, sommigen op planken, on sommigen op oenige stukken van het schip. En alzoo is het geschied, dat zij allen behouden aan het land gekomen zijn. HOOFDSTUK '28. P.iulus cn zijne roisgonooten komen behouden aan hol eiland Molitc, alwaar zij vriendelijk onthaal vinden, vs. 1. Eeno adder uit het vuur komondo, blijft aan do hand van Paulus hangen, dio hij zonder letsel afschudt, 3; waarover de eilanders zich verwonderen , on hem voor oenen God houden, 0. Paulus geneest den vader van Publius van de koorts en roodon loop, 7; en vele eilanders van hunne ziekten , !). Drie maanden daar wel onthaald geweest zijnde, varen zij naar Italië, over Syracuse, tot Heginm, van daar tot Putóoli, en voorts reizende over Appiusmarkt en do drie Tabernon, komen zij te Rome, 10; alwaar Paulus, den overste dos legers overgeleverd zijnde, door een' soldaat bewaard wordt, 10. Hij roept tot zich de voornaamste Joden en verhaalt hun, waarom hij alzoo gevangen naar Rome was gezonden. 17; welke daarvan geen tijding ontvangen hebbende, bogeeren zijn gevoelen omtrent de godsdienst te weten ,21; hetwelk Paulus in eene groote vergadering van Joden, van des morgens tot dos avonds toe verklaart, bewijzende uit Mozos en do profeten, dat Jezus de Christus is, 23. Sommigen golooven, anderen niet, 24. Deze bestraft Paulus ernstig uit Gods woord, cn voorzegt hun, dat zij zouden vorstooten cn de Heidenen in hunne plaats beroepen worden, 25. Paulus blijft aldaar twee jaren, predikende vrijmoedig en ongehinderd het evangelie, 30. |
EN als zij ontkomen waren, toon verstonden zij, dat quot; het eiland Melite heette, a Hand. 27 : 20. 2 En do barbaren bewezen ons geene gemoeno vriendelijkheid: want oen groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in, om den regen, die overkwam, en om do koude. 3 En als Paulus eenen hoop rijzen bijeengeraapt en op het vuur gelegd had, kwam er een adder uit door do hitte, en vatte zijne hand. 4 En als de barbaren het beest zagen aan zijne hand hangen, zeiden zij tot elkander: Deze mensch is gewisselijk oen doodslager, welken do wraak niet laat loven, daar hij uit de zee ontkomen is, 5 Maar hij schudde hot beest af in hot vuur, quot;on leed niets kwaads, a Mark. 16 : 18. Luk. 10:19. (i En zij verwachtten, dat hij zou opzwellen, of terstond dood nodervallen. Maar als zij lang verwacht hadden, en zagen, dat geen ongemak hem overkwam, worden zij veranderd, quot; en zeiden, dat hij oen God was. a Hand. 14: 11. 7 En hier, omtrent dezelve plaats, had de voornaamste van hot eiland, met name Publius, zijne landhoeven, die ons ontving, on drie dagen vriendelijk herbergde. 8 En het geschiedde, dat de vader van Publius, mot quot; koortsen en den roodon loop bevangen zijnde, te bod lag; tot donwelkon Paulus inging, en als hij gebeden had, lelde hij do handen op hem, en maakte hom gezond. a Matt 8:14. 9 Als dit dan geschied was, kwamen ook tot hem de anderen, die krankheden hadden in het eiland, en werden genezen. 10 Die ons ook eerdon met vele eer, en als wij vertrekken zouden, bestelden zij ons hetgeen van noode was. 11 En na drie maanden voeren wij af in een schip van Alexandrië, dat in het eiland overwinterd had, hebbende tot een toeken, Caslor en Pollux. 12 En als wij te Syracuse aangekomen waren, bleven wij aldaar drie dagen. 13 Van waar wij omvoeren, en kwamen aan te Regium; en alzoo, na eenen dag, de wind zuid werd, kwamen wij den tweeden dag te Putóoli. 14 Alwaar wij broeders vonden, en werden gebeden, zeven dagen bij hen te blijven; en alzoo gingen wij naar Rome. 15 En van daar kwamen de broeders, van onze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet tot Appiusmarkt, en de drie tabernen; welke Paulus ziende, dankte hij God, en greep moed. 10 En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan don overste des legers; quot;maar aan Paulus werd toegelaten op zich zolven te wonen met den krijgsknecht, die hem bewaarde. a Hand. 24 : 23. 27 : 3. 17 En het geschiedde na drie dagen, dat Paulus zamenriep degenen, die de voornaamston dor Joden waren. En als zij zamengekomen waren, zoide hij tot hen: Mannen broeders! quot;ik, die |
ROMEINEN 1.
1007
|
niots gedaan heb tegen hot volk of de vaderlijke gewoonten, bon gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in do handen der Romeinen. a Hand. 24: 12. 25:8. 18 Dewelke, mij onderzocht hebbende, wilden mij loslaten, omdat geene schuld des doods in mij was. 19 Maar als de Joden zu/kn tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op don keizer te beroepen; doch niet, als of ik iets had, mijn volk te beschuldigen. 20 Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen , om n te zien en aan te spreken; quot; want van wege do hope Israels ben ik met deze keten omvangen. a Hand. 23 : (i. 24 : 21. 21 Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van Judóa ontvangen; noch iemand van do broeders, hier gekomen zijnde, hoeft van u iets kwaads geboodschapt of gesproken. 22 Maar wij bogooren wol van u te hooren, wat gij gevoelt: want wat deze sekte aangaat, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken wordt. 28 En als zij hom eenen dag gestold hadden, kwamen er velen in zijne woonplaats; denwellcen hij het koningrijk Gods uitloide, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, quot; beide uit de wet van Mozes on do profeten, van dos morgens vroeg tot don avond toe. aOen.:!: 15. 22:18. 26:4. 49:10. Dont.l8:15. 2Sam.7:12. J's. 132:11. Jes. 4:2. 7:14. 9:5.40:10.,Ier. 23:5. 33:14. E/.och. 34 : 23. 37 : 24. Dan. 9 : 24. Micha 7 : 20. DE HRIEF VAN DEN AAN ROME HOOFDSTUK 1. Dn inleiding van dozen brief, waarin verklaard wordt, wie do schrijver is, namelijk Paulus, die zijn ambt, roeping en leer van Christus persoon kortelijk aanwijst, vs. 1: do personen aan welke hij schrijft, met prijzing van hun geloof, 6; de genegenheid, welke hij heeft om tot hen te komen, om hun, zoowel als anderen, hot Evangelie te prediken, om hen te versterken en van hen versterkt te worden, 9. Daarna stelt hij voor de ware leer van de regt-vaardigmaking des menschen voor God, door het geloof, en bewijst dezelve niet eene plaats der 11. Schrift, 16. Hij wederlegt het verkeerd gevoelen van anderen en bewijst, dat de Heidenen door het licht dor natuur niet kunnen geregtvaardigd worden voor God, 18; vermits zij dat licht onderdrukken, en do kennis, welke zij van God hebben, misbruiken tot afgoderij, 19; waarom zij zijn overgegeven in eenen verkeerden zin, 24; en vol zijn van alle gruwelen in hun leven, welke hij in hot breede verhaalt, 29. 1'AULUS, een dienstknecht van Jezus Christus, |
24 quot; En sommigen geloofden wol hetgeen gezegd werd, maar sommigen geloofden niet. a Hand. 17 : 4. 25 En togen elkander oneens zijnde, scheiddon zij; als Paulus dit oene woord gezegd had, namelijk: Wol hooft de Heilige Geest gesproken door Josaja, don profeet, tot onze vaderen, 26 Zeggende: quot;Ga hoon tot dit volk, en zeg: Mot het gehoor zult gij hooren, en geenszins verstaan; on ziende zult gij zien, on geenszins bemerken. «.los. (i: 9. Ezec. 12:2. Matt. 13:14. Mark. 4:12. Luk. 8:10. Joh. 12:40. Hom. 11:8. 27 Want het hart dezes volks is dik geworden, en mot do ooron hebben zij zwaarlijk gehoord, en hunne oogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eeniger tijd met de oogen zouden zien, en mot do ooren hooren, en niet hot hart verstaan, en zij zich bokooren, on Ik hen geneze. 28 Het zij u dan bekend, dat do zaligheid Gods don Heidonon gezonden is, en dezelve zullen hooren. 29 En als hij dit gezegd had, gingen do Joden weg, veel twisting hebbende onder elkander. 30 En Paulus bleef twee gohoolo jaren in zijne eigene gehuurde woning; en ontving allen, die tot hem kwamen; 31 Predikende het koningrijk Gods, en leerondo van don llooro Jezus Christus mot alle vrijmoedigheid , onverhinderd. APOSTEL PAULUS DE 1 N E N. een geroepen apostel, quot; afgezonderd tot bot ovan-golio van God, «Hand. 9:15. 13:2. Gal. 1:15. 2 (Hetwelk Hij te voren quot; beloofd had door zijne profoton, in de Hoiligo Schriften) aGen.3:15. 22:18. 26:4. 49:10. Dout. 18:15. 2Sam.7:12. Ps. 132:11. .Tos.4:2. 7:14. 9:5. 40:10. .lor. 23:5. 33:14. Ezec. 34:23. 37:24. Dan. 9:24. Micha 7:20. 3 Van zijnon Zoon, (dio geworden is quot;uit liet zaad van David, naar het vloosch ; n Matt. 1:1. Luk. 1 : 32. Hand. 2:30. 13:23. 2 Tim. 2:8. 4 Die krachtolijk bewezen is te zijn quot; do Zoon van God, naar den Geest dor heiligmaking, uit de opstanding der doodon) namelijk Jezus Christus , onzen Hoere: «.fes. 9:5. 44:0. 54:5. Joh. 2:19. Kom. 9:5. 1 Joh. 5:20. 5 (Door welken wij hebben ontvangen genade en bot apostelschap, tot gehoorzaamheid des ge-loofs ondor al de Heidonon, voor zijnen naam; |
ROMEINEN 1, 2.
1008
|
6 Onder welken fgt;ij ook zijt, geroepenen van Jezus Christus!) 7 Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods en quot;geroepene heiligen! genade zij u, en vrede van God, onzen Vader, en den lleere Jezus Christus. a 1 Oor. 1 : 2. Efez. 1:1, 8 Eerstelijk dank ik mijnen God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de geheele wereld. 9 Want quot; God is mijn getuige, ''welken ik diene in mijnen geest, in het evangelie zijns Zoons, hoe ik zonder nalaten uwer gedenke; a Rom. 0:1.2 Cor. 1 : 23. 11 : 31. Gal. 1 : 20. Filipp. 1: 8. 1 Thess. 2:5. h 2 Tim. I : 3. 10 quot;Allen tijd in mijne gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eeniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd, door den wil van God, om tot ulieden te komen. a Rom. 15 : 23, 32. 11 quot;Want ik verlang om u te zien, ''opdat ik u eenige geestelijke gave mogt mededeelen, ten einde gij versterkt zoudt worden: a 1 Thess. 3 :10. h Rom. 15 : 20. 12 Dat is, om mede vertroost te worden onder u, door het onderling geloof, zoo het uwe als het mijne. 13 Doch ik wil niet, dat u onbekend zij, broeders! quot; dat ik menigmaal voorgenomen heb tot u te komen, (en ben tot nog toe verhinderd geweest) opdat ik ook onder u eenige vrucht zou hebben, gelijk als ook onder de andere Heidenen. a 1 Thess. 2:18. 14 quot;Beiden Grieken en Barbaren, beiden wijzen en onwijzen ben ik een schuldenaar. «ICor. 9:16. 15 Alzoo hetgeen in mij is, dat is volvaardig, om u ook, die te Rome zijt, het evangelie te verkondigen. 16 quot; Want ik schaam mij des evangelies van Christus niet: '' want het is eene kracht Gods tot zaligheid een' iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek. a Ps. 40 :10. 2 Tim. 1: 8. h\ Cor. 1: 18. 15 : 2. 17 quot; Want de regtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: h Maar de regtvaardige zal uit het geloof leven. a Rom. 3:21. Filipp. 3:9. /) Hab. 2:4. Joh. 3:36. Gal. 3: 11. Hebr. 10:38. 18 Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en ongeregtig-heid der menschen, als die de waarheid in onge-regtigheid te onderhouden. 19 quot;Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is: want God heeft het hun geopenbaard. a Hand. 14 : 17. 20 quot;Want zijne onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. « Ps. 19:2. 21 Omdat zij. God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; quot; maar zijn verijdeld geworden in hunne overleggingen, en hun onverstandig hart is verduisterd geworden; |
a Dent. 28 : 28. 22 Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden; 23 quot; En hebben de heerlijkheid des onverderfe-lijken Gods veranderd in de gelijkenis eens boelds van een verderfelijk mensch, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten. a 2 Kon. 17 : 20. 24 Daarom heeft hen God ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinig-heid, om hunne ligchamen onder elkander te onteeren: 25 A Is die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, die te prijzen is in der eeuwigheid, amen. 26 Daarom heeft hen God overgegeven quot; tot oneerlijke bewegingen, want ook hunne vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in hot gebruik tegen nature; a Lev. 18:22, 23. 27 En insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hunnen lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hunne dwaling, die daartoe behoorde, in zich zeiven ontvangende. 28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zoo heeft God hen overgegeven in eenen verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen; 29 Vervuld zijnde met allo ongeregtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid; vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid; 30 Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hoovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam; 31 Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen. 32 Dewelke, daar zij het regt Gods weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, quot; maar ook mede een welgevallen hebben in degenen , die ze doen. n Hos. 7 : 3. HOOFDSTUK 2. Paulns wedeiiegt eene tegenwerping dergenen, die meenden daardoor regtvaardig te zijn, omdat zij zulke gruwelijke zonden niet openbaar bedreven, maar ze in anderen veroordeelen, vs. 1; en die meenden, dat zij in de genade Gods stonden, omdat Hij hen in deze wereld goed deed en zegende, 3. Verklaart daarentegen, dat God zonder aanzien van personen alle menschen zal oordeelen, niet naar him uitwendig gelaat of staat, maar naar hnnne werken, hetzij in het verborgen, hetzij openlijk ver-rigt, 5; en dat zoowel do Joden, die de wet hadden, als de Heidenen, die de geschrevene wet niet hadden, 12. Hij beneemt den Joden het gevoelen, dat zij door de kennis der wet, en door anderen te onderwijzen in dezelve, zouden regtvaardig worden, 17; of door de besnijdenis en andere uitwendige |
ROMEINEN 2, 8.
1009
|
voorregten, wolko do Joden hadden boven de Heidenen, 25: loerende welke do regto .loden en do regte besnijdenis zijn, 28. DAAROM zijt gij niot te verontschuldigen, o inensch! wie gij zijt, die anderen oordeelt: quot; want waarin gij eenen anderen oordeelt, veroordeelt gij n zeiven; want gij, die an deren oordeelt, doet dezelfde dingen. a2 Sam. 12 : 5. Matt. 7:1.1 Cor. 4 : 5. 2 En wij weten, dat het oordeel Gods naar waarheid is, over degenen, die zulke dingen doen. 3 En denkt gij dit, o inensch ! die oordeelt degenen, die zulke dingen doen, en dezelve doet, dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden? 4 Of veracht gij den rijkdom zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en quot; langmoedigheid, '' niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekeering leidt? n 2 Petr. 3: 15. h Jes. 30: 18. 5 Maar naar uwe hardigheid, en onbekeerlijk hart, quot;vergadert gij u zeiven toorn als eenen schat, in den dag des toorns en der openbaring van het regtvaardig oordeel Gods. a Hom. 9 : 22. fi quot; Welk een' iegelijk vergelden zal naar zijne werken : a Ps. G2 : 13. Jer. 17 : 10. 32 : 19. Matt. 10 : 27. Rom. 14:12. 1 Cor. 3:8. 2 Cor. 5:10. G.il. 0:5. Openb. 2 : 23. 22 : 12. 7 Dengenen wel, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven; 8 quot; Maar dengenen, die twistgierig zijn, en die dor waarheid ongehoorzaam, doch der ongereg-tigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden: n 2 Thoss. 1:8. 9 Verdrukking en benaauwdheid over alle ziel des menschen, die het kwade werkt, eerst van den Jood, en ook van den Griek; 10 Maar heerlijkheid, en eer, en vrede oen iegelijk, die het goede werkt, eerst den Jood, en ook den Griek. 11 quot;Want er is geene aanneming des persoons bij God. a Deut. 10:17. 2Kron. 19:7. Job 34: 19. Hand. 10:34. Gal. 2:0. Efez. 0:9. Col. 3:25. 1 Petr. 1:17. 12 Want zoo velen, als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zoo velen, als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door do wet geoordeeld worden: 13 quot; (Want de hoorders der wet zijn niet regtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen geregtvaardigd worden; a Matt. 7:21. Jakob. 1 : 22. 1 Joh. 3 : 7. 14 Want wanneer de Heidenen , die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die dor wet zijn, deze, de wet niet hebbende, zijn zich zeiven oene wet; 15 Als die betoenen het werk der wet geschreven in hunne harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldi-gende, of ook ontschuldigende.) 10 quot; In den dag, wanneer God do verborgene dingen der menschen zal oordeelen door Jezus 'hristus, naar mijn evangelie. a Matt. 25:31. |
17 Zie, gij wordt een Jood genaamd, quot;en rust op de wet, en roemt op God, a Hom. 9:4. 18 En gij weet zijnen wil, en beproeft do dingen, die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet; 19 En gij betrouwt u zelven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen, die in duisternis zijn: 20 Een onderrigter der onwijzen, en een leermeester der onwetenden, hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet. 21 Die dan eenen anderen leert, leert gij u zelven niet? die predikt , dat men niet stelen zal, stoelt gij ? 22 Die zegt, dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel? die van de afgoden een' gruwel hebt, berooft gij hot heilige? 23 Die op de wet roemt, onteert gij God dooide overtreding der wet? 24 Want de naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de Heidenen; quot;gelijk geschreven is. a Jes. 52 : 5. Ezec. 30 : 23, 25 Want de besnijdenis is wel nut, indien gij de wet doet; maar indien gij een overtreder der wot zijt, zoo is uwe besnijdenis voorhuid geworden. 20 Indien dan de voorhuid de regten der wet bewaart, zal niot zijne voorhuid tot eene besnijdenis gerekend worden? 27 En zal de voorhuid, die uit do natuur is, als zij de wet volbrengt, u niet oordoelen, die door de letter en besnijdenis een overtreder der wet zijt? 28 quot;Want die is niot een Jood, die hot in hot openbaar is; noch die is de besnijdenis, die hot in het openbaar in het vleesch is; n Joh. 8 : 39. Rom. 9 : 7. 29 Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en quot;de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de lettor, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de menschen, maar uit God. a Deut. 10:10. Jer 4:4. Filipp. .3:2, 3. Col. 2:11. HOOFDSTUK 3. Do apostel wijst aan, wat voordeel de Joden hebben, vs. 1; en beantwoordt eenigo lasterlijke tegenwerpingen, welke iemand uit zijne voorgaande leer kon trokken, 3; betoogende met duidelijke getuigenissen uit iiot Oude Verbond, dat hij teregt gezegd hooft, dat ook do Joden zelven grooto overtreders zijn van Gods wet, 9. Besluit daarom, dat uit do werken der wet niemand voor God kan worden geregtvaardigd, 20; maar dat God eeno andere wijze van regtvaardigmiiking in zijn woord hoeft geopenbaard, 21 ; namelijk do regtvaardigmaking uit genade door het geloof in Jezus Christus, die door zijn bloed onze verzoening met God is geworden, 22; waardoor de roem wordt uitgesloten, 27; en dat niet alleen voor do Joden, maar ook voor de Grieken of Heidenen, 29. WELK is dan het voordeel van den Jood? Of welke is do nuttigheid der besnijdenis? 2 Volo in alle manier: quot; want dit is wel hot 04 |
|
1010 eerste, dat hun do woorden Gods zijn toebe-trouwd. lt;1 Ps. 147:1!). Hom. 9:4. 8 Want wat is het, al zijn sommigen ongeloovig geweest? zal quot; hunne ongeloovigheid liet geloof van God te niet doen ? a Num. 23:19. Rom. 9 : (i. 2 Tim. 2:13. 4 Dat zij verre. quot; Doch God zij waarachtig, ''maar alle mensch leugenachtig; gelijk als geschreven is: ''Opdat Gij geregtvaardigd wordt in uwe woorden, en overwint, wanneer Gij oordeelt. a Joh. 3 : 33. h Ps. 1 IC : 11. c Ps. 51: (J. ó Indien nu onze ongeregtigheid Gods geregtig-heid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onregtvaardig, als Hij toorn over om brengt? (ik spreek naar den mensch.) (i Dat zij verre; anderzins hoe zal God de wereld oordeelen ? 7 Want indien de waarheid Gods door mijn leugen overvloediger is geworden, tot zijne heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld ? 8 En zeggen wij niet liever (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeggen, dat wij zeggen) : Laat ons het kwade doen, opdat liet goede daaruit kome? welker verdoemenis regtvaardig ia. 9 Wat dan? Zijn wij uitnemender? Ganschelijk niet: want wij hebben te voren beschuldigd beide Joden en Grieken, quot; dat zij allen onder de zonde zijn. «Gal. 3:22. 10 Gelijk geschreven is: quot;Er is niemand regtvaardig, ook niet een; « Ps. 14:3. 53:4. 11 Er is niemand, die verstandig is, er is niemand , die God zoekt. 12 Allen zijn zij afgeweken, te zamon zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe. 13 quot; Hunne keel is een geopend graf; met hunne tongen plegen zij bedrog; 'J slangenvenijn is onder hunne lippen; a Ps. 5:10. /iPs. 140:4. 14 quot; Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid; a Ps. 10:7. 15 quot; Hunne voeten zijn snel om bloed te vergieten; aSpr. 1 : 10. Jes. 59:7. l(i Vernieling en ellendigheid is in hunne wegen; 17 En den weg des vredes hebben zij niet gekend. 18 quot; Er is geene vreeze Gods voor hunne oogen. a Ps. 36 : 2. 19 Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder do wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de geheele wereld voor God verdoemelijk zij. 20 quot; Daarom zal uit de werken der wot geen vloesch geregtvaardigd worden, voor Hom: b want door de wet is de kennis der zonde. a Gal. 2 : 10. b Rom. 7 : 7. Hebr. 7 : 18. 21 Maar nu is quot; de regtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en do profeten; a Rom. 1:17. Filipp. 3:9. |
22 Namelijk de regtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die gelooven: want er is geen onderscheid. 23 Want zij hebben allen gezondigd, en derven do heerlijkheid Gods; 24 quot; En worden om niet geregtvaardigd, uit zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is: a Jes. 53 : 5. 25 quot; Welken God voorgesteld heeft b tot eene verzoening, door het geloof in zijn bloed, tot eene betooning van zijne regtvaardigheid, dooide vergeving der zonden, die te voren geschied zijn, onder de verdraagzaamheid Gods; a 2 Cor. 5: 19. Col. 1 : 20. Hebr. 4: 10. 1 Joh. 4: 10. 1) Ex. 25 :17. 26 Tot eene botooning van zijne regtvaardigheid in dozen tegenwoordigen tijd; opdat Hij regtvaardig zij, en regtvaardigonde dengenen, die uit het geloof in Jezus is. 27 Waar is dan de roem ? Hij is uitgesloten. Door wat wet ? der werken ? Neon, maar dooide wet des geloofs. 28 quot; Wij besluiten dan, dat de mensoh door hot geloof geregtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. aHand.13:38. Hom.8:3. Gal.2:10. Hobr.7:25. 29 Is God een God der Joden alleen? on is quot;ij het niet ook der Heidenen? Ja, ook der Heidenen. 30 Nademaal Hij een eonig God is, die de besnijdenis regtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door hot geloof. 31 Doen wij dan de wot te niet door hot geloof? dat zij verre; maar wij bevestigen de wet. HOOFDSTUK 4. De apostel gaat voort en bewijst, dat do mensch door hot geloof geregtvaardigd wordt, met hot voorbeeld van Abraham, vs. I : en met hot voorbeeld en do getuigenis van David, 6; verklarende uit de omstandigheid des tijds, in welken Abraham het toeken der besnijdenis heeft ontvangen, dat niet alleen den Joden, maar ook den Heidenen de geregtigheid wordt toegerekend door het geloof, 9. Hij bewijst dit ook uit den oorsprong en de vastigheid der beloften aan Abraham gedaan, dat hij erfgenaam zou zijn der wereld, 13. Hij beschrijft daarna de kracht en eigenschappen van het geloof van Abraham, 17; betuigende dat hem door dit geloof de geregtigheid is toegerekend, 22; en dat dezelve ook naar zijn voorbeeld dengenen zal worden toegerekend, die in God door Christus zullen gelooven, 23. WAT zullen wij dan zoggen, quot;dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vloesch ? «Jes. 51:2. 2 Want indien Abraham uit de werken geregtvaardigd is, zoo heeft hij roem, maar niet bij God. 3 Want wat zegt de Schrift? quot;En Abraham geloofde God, on hot is hom gerekend tot regtvaardigheid. o Gen. 15:6. Gal. 3:6. Jakob. 2:23. 4 Nu dengenen, die werkt, wordt de loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld. 5 Doch dengenen, die niet werkt, maar gelooft in Hem, die den goddelooze rogtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot regtvaardigheid. 6 Gelijk ook David den mensch zalig spreekt, ROMEINEN 3, 4. |
ROMEINEN 4, 5.
1011
|
welken God do reg:tvaardigheid toerekent zonder werken ; 7 Zeggende: quot;Zalig' zijn zij, welker ongeregtig-heden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn ; ci Ps. 32 : 1. 8 Zalig is de man, welken de Heere de zonden niet toerekent. 9 Deze zaligspreking dan, is die alleen over do besnijdenis, of ook over de voorhuid ? Want wij zoggen, dat Abraham het geloof gerekend is tot regtvaardigheid. 10 Hoe is het hem dan toegerekend? als hij in de besnijdenis was, of in do voorhuid? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid. 11 quot;En hij heeft het teeken der besnijdenis ontvangen tot een zegel der regtvaardigheid des geloofs, die hem in de voorhuid was toegerekend; opdat hij zou zijn een vader van allen, die ge-looven in de voorhuid zijnde, ton einde ook hun de regtvaardigheid toegerekend worde. a Gen. 17:11. 12 En een vader der besnijdenis, dengenen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen des geloofs van onzen vader Abraham, hetwelk in do voorhuid was. 1!] Want de belofte is niet door do wet aan Abraham of zijn zaad geschied, namelijk, dat hij een erfgenaam der wereld zal zijn, maar door de regtvaardigheid dos geloofs. 14 quot;Want indien degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zoo is hot geloof ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan, a Gal. li: 18. If) Want do wet werkt toorn: quot; want waar goeno wet is, daar is ook goeno overtreding. rt.loli. 15:22. Kom. 5:20. 7 : 8. Gal. : 1!). Ki Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al den zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit hot geloof Abrahams is, quot; welke een vader is van ons allen; «Jes. 51:2. 17 (Gelijk geschreven staat: quot;Ik heb u tot oen' vader van vele volken gesteld) voor Hein, aan welken hij geloofd hooft, namelijk God, die de dooden levend maakt, en roept do dingen, die niet zijn, als of zij waren: «Gen. 17:4. 18 Welke tegen hoop op hoop geloofd hoeft, dat hij zou wordén oen vader van vele volken; volgens hetgeen gezegd was: quot; Alzoo zal uw zaad wezen. «Gen. 15:5. Hebr. 11 : 12. 1!) En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft liij zijn eigen ligchaam niet aangemerkt, dat üreedo verstorven was, alzoo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat do moeder in Sara verstorven was. 20 quot; En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest n het geloof gevende God de oor; a Joh. 8:56. Hebr. 11:11, 18. |
21 quot;En ton volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij ook magtig was te doen. «I's. 115:3. 22 Daarom is hot hem ook tot regtvaardigheid gerekend. 23 quot; Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven, dat het hem toegerekend is; a Rom. 15:4. 24 Maar ook om onzentwil, wolken het zal toegerekend worden , namelijk dengenen , die geloo-ven in Hem, die Jezus, onzen Heere, uit de dooden opgewekt hooft; 25 Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze regtvaardigmaking. HOOFDSTUK 5. Paulus leert verder, welke vruchten in ons voortkomen door de regtvaardigmaking dos geloofs, namelijk vrede met God, lijdzaamheid, hope en verzekerdheid van (lods liefde, vs. 1. Ontwikkelt vervolgens de grondslagen van deze hoop en verzekerdheid, namelijk: de geluigenis van den Heiligen Geest in onze harten, en de liefde Gods, die Christus voor ons in den dood heelt overgegeven, toon wij nog vijanden waren, 5. Besluit daaruit, dat wij dan ook verzekerd moeten zijn van onze volharding, en in God daarvan mogen roemen, 9. Maakt daarna eene tegenstelling tusschen Adam en Christus, en verklaart, dat gelijk door de overtreding van Adam de zonde en de dood over idle menschen is gekomen, alzoo ook door de gehoorzaamheid van Christus de regtvaardigheid en het leven over vele menschen zal komen, 12. Eindelijk verklaart hij waartoe hot geven van de wet heeft gediend, 20. WIJ quot;dan, gerogtvaardigd zijnde uit hot geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus; a Jes. 32: 17. Toh. 16:33. Efez. 2:13. 2 quot; Door wolken wij ook do tooloiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij ''staan, en «roemen in do hoop dor heerlijkheid Gods. a Joh. 10 : 0. 14:0. Efez.2 : 18. 3 : 12. Hebr. 10: 19. h 1 Cor. 15: 1. c Hebr. 3 : 6. 3 En niet alleenlijk dit, quot; maar wij roemen ook in do verdrukkingen: wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt; a Jakob. 1:3. 4 En do lijdzaamheid bevinding, en do bevinding hoop; 5 En de hoop beschaamt niet, omdat do liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, die ons is gegeven. (i quot;Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te zijner tijd voor de goddeloozon gestorven. a Efez. 2 : 1. Col. 2 : 13. Hebr. 9 :15. 1 Potr. 3 : 18, 7 Want naauwelijks zal iemand voor oenen regt-vaardige sterven; want voor don goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven. 8 Maar God bevestigt zijne liefde jegens ons, dat Christus quot; voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren. «Hebr. 9: 15. 1 Petr. 3:18. 9 Veel meer dan, zijnde nu gerogtvaardigd door zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van don toorn. 10 Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door don dood zijns Zoons, veel (14* |
T
|
1012 ROM EU meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door zijn leven. 11 En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God, door onzen Heere Jezus Christus, door welken wij nu do verzoening gekregen hebben. 12 Daarom, gelijk quot;door eenen mensch de zonde in de wereld ingekomen is, en door do zonde '' de dood; en alzoo de dood tot alle menschen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben. «Gen. 3 : G. 1 Cor. 15:21. 6 Gen. 2:17. Rora. 6:23. 13 Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geene wet is. 14 Maar de dood heeft geheerscht van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke een voorbeeld is desgenen, die komen zou. 15 Docli niet, gelijk de misdaad, alzoo is ook de genadegift: want indien, door de misdaad van eenen, velen gestorven zijn, zoo is veel meer de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is van eenen mensch Jezus Christus, overvloedig geweest over velen. 16 En niet, gelijk de schuld was door den eenen, die gezondigd heeft, alzoo is de gift: want de schuld is wel uit ééne misdaad tot verdoemenis; maar de genadegift is uit vele misdaden tot regt-vaardigmaking. 17 Want indien door de misdaad van eenen, de dood geheerscht heeft door dien eenen, veel meer zullen degenen, die den overvloed der genade, en der gave der regtvaardigheid ontvangen, in het leven heerschen door dien eenen, namelijk Jezus Christus. 18 Zoo dan, gelijk door ééne misdaad de schuld (jekomen is over alle menschen tot verdoemenis; alzoo ook door ééne regtvaardigheid komt de ciena.de over alle menschen tot regtvaardigmaking des levens. li) Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzoo zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen velen tot regtvaardigen gesteld worden. 20 quot; Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde: '' en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest; o Joh. 15 : 22. Hom. 4 : 15. 7 : 8. Gal. 3 : 19. h Luk. 7 : 47. 21 Opdat, gelijk de zonde geheerscht heeft tot den dood, alzoo ook de genade zou heerschen door regtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere. HOOFDSTUK 6. Nu leert de apostel, dat degenen, die door liet geloof in Christus zijn geregtvaardigd , ook door de kracht van Christus dood en opstanding worden vernieuwd en geheiligd, on bewijst dit door de lioteekenis van onzen doop, vs. 1 ; alsmede uit onze vereeniging |
EN 5, 6. met Christus, waardoor wij met hom der zonde gestorven en tot een nieuw leven opgewekt zijn, 5. Betuigt verder dat, gelijk Christus maar eenmaal gestorven is en voortaan altijd leeft in heerlijkheid, wij ook alzoo, als wij gelooven, der zonden sterven, om voortaan heilig te mogen leven, 9. Trekt hieruit eene vermaning, dat dan de zonde niet over ons, maar wij over de zonde moeten heerschen, 12; en verklaart, dat de genade Gods en de vrijheid, waarin wij staan, ons ook daartoe moet bewegen, 15. Eindelijk versterkt hij deze zijne vermaning door in bedenking te geven de vrucht der zonde, welke de dood is; en liet einde der heiligmaking, welke is hot eeuwige loven, ons uit genade door Christus gegeven, 21. WAT zullen wij dan zeggen? zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meer worde? 2 Dat zij verre. Wij die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven? 3 Of weet gij niet, quot;dat zoovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in zijnen dood gedoopt zijn ? a Gal. 3 : 27. 4 quot;Wij zijn dan met hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de dooden h opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzoo ook wij ' in nieuwigheid des levens wandelen zouden. a Col. 2:12. h Hom. 8:11. Filipp. 3 : 10, 11. (â Efez. 4:23. Col. 3: 10. Hebr. 12: 1. 1 Petr. 2:2. 5 quot; Want indien wij met hem eene plant geworden zijn in de gelijkmaking zijns doods, zoo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking zijner opstanding : a Rom. 8:11. Col. 3 : 1. 6 Dit wetende, dat onze oude mensch quot; met hem gekruisigd is, opdat het ligchaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen, n Gal. 2 : 20. 5 : 24. Filipp. 3 : 10. 1 Petr. 4:1,2. 7 quot; Want die gestorven is, die is geregtvaardigd van de zonde. al Petr. 4: 1. 8 quot; Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij, dat wij ook met hein zullen leven: a 2 Tim. 2 : 11. 9 quot;Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit do dooden, niet meer sterft; de dood heerscht niet meer over hem. aOpenb. 1:18. 10 quot; Want dat hij gestorven is, dat is hij der zonde eenmaal gestorven; en dat hij leeft, dat leeft hij Code. a 1 Petr. 2 : 24. 11 Alzoo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Code levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere. 12 Dat dan de zonde niet heersche in uw sterfelijk ligchaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven ligchaams. 13 En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongeregtigheid; quot;maar stelt u zei ven Gode, als uit de dooden levende (jeiuorden zijnde, en stelt uwe leden Gode tot wapenen der geregtigheid. «Luk. 1:74. Rom. 12:1. Gal.2:20. Hebr.9:14.1 Petr.4:2. 14 Want de zonde zal over u niet heerschen: want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade. |
ROMEINEN 6, 7.
1013
|
15 Wat dan ? zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre. 16 Weet gij niet, quot; dat wien gij u zeiven stolt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt desgenen, dien gij gehoorzaamt, of der zonde tot den dood, of der gehoorzaamheid tot geregtigheid ? a Joh. 8:34. 2 Petr. 2:1!). 17 Maar Gode zij dank, dat gij xocl dienstknechten der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer, tot hetwelk gij overgegeven zijt; 18 quot; En vrijgemaakt zijnde van de zonde, zijt gemaakt dienstknechten der geregtigheid. a Joh. 8: 32. Gal. 5:1. 1 Petr. 2: lü. 1!) Ik spreek op menschelijke wijze, om dei-zwakheid uws vleesches wil: want gelijk gij uwe leden gesteld hebt, om dienstbaar tc zijn der on-reinigheid en dor ongeregtigheid, tot ongeregtig-heid, alzoo stelt nu uwe leden, om dienstbaar tc zijn dor geregtigheid, tot heiligmaking. 20 quot; Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zoo waart gij vrij van de geregtigheid. a Joh. 8 : :-54. 21 Wat vrucht dan hadt gij toen van die dingen, waarover gij u nu schaamt? want het einde der-zelve is de dood. 22 Maar nu, van de zonde vrijgemaakt zijnde, en (lode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven. 23 quot; Want de bezoldiging der zonde is de dood, '' maar do genadegifto Gods is het eeuwige loven, door Jezus Christus, onzen Heere. rtGen. 2:17. Kom. 5: 12. 1 Cor. 15: 21. Jakob. 1 : 15. h 1 Petr. 1 : 3. HOOFDSTUK 7. De apostel in hol vorige hoofdstuk verklaard hebbende, dat do zonde over dogenon, die in Christus zijn, niet meer heorscht, gelijk zij heerscht over dogenen, die onder de wet zijn, bewijst nu hetzelve doorliet beeld van do vrijmaking eener vrouw van de lieor-schappij van haren man door den dood des mans, vs. 1; en past dit toe op de wedergeborenen, 4. Leert verder, waartoe de wet dient, en bewijst, dat de wet geene oorzaak is van de zonde in de onwedergeborenen, al heerscht de zonde door de wet over hen, 7. Beschrijft daarna den strijd tus-schen vleesch en Geest, en toont aan de magt, die do overblijfselen van het vleesch nog hebben tegen den Geest in de geloovigon, 14. Besluit deze verklaring met eeno klagt en niet eenen wensch, om van dezen strijd geheel verlost te zijn, en met eene dankzegging tot God over de verlossing alreeds geschied, 24. WEET gij niet, broeders! (want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan) dat de wet heerscht over den mensch, zoo langen tijd als iiij leeft? 2 quot;Want eene vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man '' verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zoo is 'ij vrijgemaakt van de wet des mans. n 1 Oor. 7 : 30. li 1 Cor. 7 : 2, 10. I |
3 a Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zoo zal zij eene overspeelster genaamd worden; maar indien do man gestorven is, zoo is zij vrij van do wet, alzoo dat zij geene overspeelster is, als zij eens andoren mans wordt. a Matt. 5 : 32. 4 Zoo dan, mijne broeders! quot;gij zijt ook dor wet gedood door het ligchaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens anderen, namelijk desgenen, die van de dooden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden. a Gal. 2 : 10. I Petr. 4:1. 5 Want toen wij in het vleesch waren, wrochten do bewegingen der zonden, die door do wet zijn, in onze leden, om den dood vruchten te dragon. G Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzoo dat wij dienen quot; in nieuwigheid des geestes, en niet in dc oudheid der letter. a Kom. 2 : 20. 2 Cor. 3 : U. 7 Wat zullen wij dan zeggen? is de wet zonde? Dat zij verre. Ja quot; ik kende de zonde niet dan door de wet: want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zoude tc zijn, indien de wet niot zoide: ''Gij zult niot begeeron. a Kom. 3 : 20. Hebr. 7 : 18. h Ex. 20 : 17. Deut. 5 : 21. 8 quot; Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij allo begeerlijkheid gewrocht: want zonder do wet is de zonde dood. «Joh. 15:22. Kom. 4:15. 5:20. Gal. 3: 1!). i) En zonder de wet, zoo leefde ik eertijds, maalais het gebod gekomen is, zoo is do zonde weder levend geworden, doch ik bon gestorven. 10 En het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden. 11 Want de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid, en door hetzelve gedood. 12 quot;Alzoo is dan de wet heilig, en liet gebod is heilig, on regtvaardig, en goed. a I Tim. 1 : s, 13 Is dan het goede mij de dood geworden ? Dat zij verre. Maar de zonde is mij de dood (jeworden.; opdat zij zou openbaar worden zonde tc zijn, werkende mij door het goede den dood; opdat de zonde boven mate wierd zondigende door het gebod. 14 Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleeschelijk, quot; verkocht onder de zonde. «.les. 52:3. 15 Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet: quot; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik. «Gal. 5: 17. 16 En indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zoo stem ik de wet toe, dat zij good is. 17 Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 18 quot;Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vleesch, geen goed woont: want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. a Gen. (i: 5. 8:21. |
ROMEINEN 7, 8.
1014
|
19 Want het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar liet kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. 20 Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zoo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 21 Zoo vindt ik dan deze wet in mij, als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. 22 quot;Want ik heb een vermaak in do wet Gods, naar den inwendigen menscli; a Efez. ;5: 10. 28 quot; Maar ik zie eene andere wet in mijne loden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijne leden is. a Gul. 5: 17. 24 Ik ellendig mensch! wie zal mij verlossen uit het ligehaam dezes doods? 25 Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere. 20 Zoo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vleesch de wet der zonde. HOOFDSTUK 8. Uit hetgeen tot liiortoe is verklaard trokt do apostel deze vertroosting, dat er geene verdoemenis is voor do ge-loovigen, vs. 1; en vermaant hen met verseheidene beweegredenen, dat zij niet naar het vleesch, maar naar den Geest moeten wandelen, 4. Verklaart voorts, dat het lot der geloovigen in dit leven is met Christus te lijtien , maar sterkt hen daarentegen met de groote heerlijkheid, die daarna zal volgen, 17; en stelt hun voor het voorbeeld van het geheele schepsel, hetwelk daarnaar een natuurlijk verlangen heeft, 19. Vertroost hen verder door de hoop, die zij zei ven daarvan hebben, 23; en dooi' de hulp van den H. Geest in het gebed, 20; alsmede door de zekerheid, welke zij, niettegenstaande al het lijden, vasthouden van hunne verkiezing, me-ping, regtvaardigmaking en verheerlijking, 28. Besluit dezen troost met eenen roem in Christus, tegen al hetgeen hen zou kunnen beschuldigen of hinderen, 31; en verzekert hen, dat zij door Christus in alles zulleii overwinnen. ZOO is er dan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar hot vleesch wandelen, maar naar den Geest. 2 quot; Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. a Joh. 8:30. Hom. 0 : 18, 22. Gal. 5:1. :i quot; Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vleesch krachteloos was, heeft God, zijnen Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleesches, en dat voor de zonde '' de zonde veroordeeld in liet vleesch. n Hand. 13 : 39. Rom. 3 : 28. Gal. 2 :16. llebr. 7 : 18. b 2 Cor. 5 : 21. Gal. 3 ; 13. |
4 Opdat het regt der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest. 5 quot;Want die naar het vleesch zijn, bedenken, dat des vleesches is; maar die naar den Geest zijn, bedenken, dat des Geestes is. a 1 Cor. 2:14. 0 Want het bedenken des vleesches is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede; 7 Daarom dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want hot kan ook niet. 8 En die in het vleesch zijn, kunnen Gode niet behagen. 9 Doch gijlieden zijt niet in het vleesch, maar in don Geest, zoo anders de Geest Gods quot;in u woont. Maar zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt hom niet toe. a 1 Cor. 3:10. 10 En indien Christus in ulieden is, zoo is wel het ligehaam dood oin der zonde wil; maar de geest is leven om der geregtigheid wil. 11 En indien de Geest des-genen , die Jezus uit de dooden opgewekt heeft, in u woont, quot; zoo zal Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uwe sterfelijke ligchamen levend maken, door zijnen Geest, die in u woont. n Rom. 0 ; 4, 'i. 1 Cor. 0 : 14. 2 Cor. 4 : 14. Efez. 2 : 5. Col. 2 :13. 12 Zoo dan, broeders! wij zijn schuldenaars niet aan het vleesch, om naar het vleesch te leven. 13 Want indien gij naar het vleesch leeft, zoo zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen des ligchaams doodt, zoo zult gij leven. 14 quot; Want zoo velen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. a Gal. 5 : 18. 15 quot; Want gij hebt niet ontvangen don Geest der dienstbaarheid wederom tot vreeze; ''maar gij hebt ontvangen den (Jeest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen: Abba, Vader! «1 Cor. 2 : 12. 2Tim. 1 : 7. iJes. 56 : 5. Gal. 3 : 20. 4 : 5, 6. 16 quot; Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. a 2 Cor. 1 : 22. 5 : 5. Efez. 1 : 13. 4 : 30. 17 En indien wij kinderen zijn, zoo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeërf-genamen van Christus; quot;zoo wij anders met hem lijden, opdat wij ook met hem verheerlijkt worden. a 2 Tim. 2: 11, 12. |
ROMEINEN 8, 9.
1015
|
18 quot; Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waardoren tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. a Matt. 5:12. 2 Cor. 4:10, 17. Filipp. 3 : 2U. 1 Petr. 4 : 13. 1 Joh. 3 : 1, 2. li) Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods. 20 Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen , niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft; 21 Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. 22 Want wij weten, dat het gansche schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe. 23 En niet alleen dit, maar ook wij zeiven, die do eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zel-ven, zey ik, zuchten inonszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk quot; de verlossing onzes ligchaams. a Luk. 21: 28. 24 Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is goene hoop: want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? 25 Maar indien wij hopen hetgeen wij niet zien, zoo verwachten wij hot met lijdzaamheid. 26 En desgelijks komt ook do Geest onze zwakheden mede te hulp: quot;want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Goost zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. n Matt. 20 : 22. .lukob. 4 : 3. 27 En die de harten doorzoekt, weet, welke de meening des Geestes zij, dewijl hij naar God voordo heiligen bidt. 28 En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben , alle dingen medewerken ton goede, namelijk dengenen, die naar zijn voornemen geroepen zijn. 29 Want die Hij to voren gekend hoeft, die hooft Hij ook te voron verordineerd, den boeide zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat hij quot;de eerstgeborene zij onder vele brooderen. a Col. 1:18. 30 En die Ilij te voron verordineerd hooft, deze hooft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze hooft Hij ook geregtvaardigd; en die Ilij goregtvaardigd hoeft, deze heeft Hij ook ver-hoorlijkt. 31 Wat zullen wij dan tot doze dingen zeggen? quot; Zoo God voor ons is, wie zal togen ons zijn? a Num. 14:8. 32 Die ook «zijnen eigen' Zoon niet gespaard hooft, maar hoeft hom voor ons allen overgegeven , hoe zal Hij ons ook met hem niet alle dingen schenken ? « Gen. 22 : 12. Jes. 53 : 5. Joh. 3 : 16. 33 Wie zal beschuldiging inbrengen tegen do uitverkorenen Gods ? quot; God is hot, die regtvaardig maakt. a Jes. 50:8. |
34 Wie is het, die verdoemt? Christus is het, die gestorven is; ja wat moer is, die ook opgewekt is, die ook tor VQgtQvhand Gods is, quot; die ook voor ons bidt. a llebr. 7 : 25. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? verdrukking, of bonaauwdhoid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? 3G (Gelijk geschreven is: quot;Want om uwentwil worden wij den ganschen dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slagting.) a Ps. 44 : 23. 1 Cor. 4 : 9. 2 Cor. 4:11. 37 Maar in dit alios zijn wij moer dan overwinnaars , door hem, die ons liefgehad hooft. 38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch loven, noch engelen, noch overheden, noch mag-ten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, 39 Noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van do liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere. HOOFDSTUK 9. Do apostel betuigt zijne uitnomendo droefheid over de hardnekkigheid der Joden tegen Christus en zijne voorgaande leer, vs. 1; en verhaalt de voordeeion, die hun God in hot 0. ï. boven andere volken hoeft gegeven, 4. Hij bewijst, dat Gods lielofton nogtans niet krachteloos zijn, overmits die niet den kinderen des vleesches, maar don kinderen der belofte, dat is, den uitverkorenen eigenlijk gedaan zijn, en dat eerst: met het voorbeeld van Ismaël en Izak, 6; daarna met het voorbeeld van Ezau en Jakob, 10. Verklaart, dat God in hot verkiezen van den eeneu en het verwerpen van den andoren altijd regtvaardig is, door het voorbeeld van Mozes en Farao, 14. Beantwoordt oenige tegenwerpingen dos vleesches en toont, door de gelijkenis van oenen pottenbakker, dat God de inagt beeft, om alzoo te doen, 19. Ilij verklaart voorts, dat deze uitverkorenen ook krach-tiglijk van God goroepon worden, zoo uit de Joden, als voornamelijk uit do Heidenen, 24; hetwelk hij bewijst met verscheidene getuigenissen der profeten, 25. Besluit eindelijk met oone verklaring van do naaste oorzaak, waarom do Heidenen de regtvaar-dighoid door den Messias hebben verkregen, en hot meerondoel der Joden daarvan zijn vervreemd, 30. IK a zog do waarheid in Christus, ik liog niot, (mijn geweten mij mode getuigenis gevende door den Heiligen Goost) a Rom. I : 9. 2 Cor. 1 : 23. 11 : 31. Gal. 1 : 20. Filipp. 1 : 8. 1 Thess. 2 : 5. 5 : 27. 2 Dat hot mij oeno grooto droefheid, en mijn hart oeno gedurige smart is. 3 quot; Want ik zou zelf wel wenschen verbannen te zijn van Christus, voor mijne broederen, die mijne maagschap zijn naar hot vloosch; «Ex. 32:32. Kom. 10: 1. 4 quot;Welke Israëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en do heerlijkheid, b en do verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen; a Dout. 7 : 6. Rom. 2 : 17. 3 : 2. b Efoz. 2 : 12. 5 Welker zijn de vaders, en uit welken Christus is, zoo veel hot vloosch aangaat, quot; dewelke is |
ROMEINEN !), 10.
1016
|
God boven allon to prijzen in dci' eeuwigheid, amen. aJer. 23 : (i. Joh, 1:1. Hand. 20:28. Rom. 1 : 4. Hebr. 1 :8, 9, 10. (i Doch ik zeg dit niet, quot; als of hot woord Gods ware uitgevallen: b want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. a Num. 23:19. Rom. 3:3. 2 Tim. 2:13. /;Joh. 8:39. Rom. 2:28. 7 quot;Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; ''maar: In Izak zal u het zaad genoemd worden. a Gal. 4 : 23. b Gen. 21 : 12. Gal. 3 : 29. Hebr. 11 :18. 8 Dat is, niet de kinderen des vleescbes, die zijn kinderen Gods; quot;maar de kinderen dor be-loftenis worden voor het zaad gerekend. a Gal. 4 : 28. 9 Want dit is het woord der beloftenis: quot; Omtrent dezen tijd zal Ik komen, en Sara zal eenen zoon hebben. «Gen. 18:10. 10 En niet alleenlijk deze, quot; maar ook Robekka is daarvan een bewijs, als zij uit eenen bevrucht was, namelijk Izak, onzen vader. «Gen. 25:21. 11 Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar do verkiezing is, oost bleve, niet uit de werken, maar uit den roepende; 12 Zoo werd tot haar gezegd: quot; De meerdere zal den mindere dienen. «Gen. 25:23. 13 Gelijk geschreven is: quot;Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat. «Mal. 1:2. 14 Wat zullen wij dan zeggen? quot;Is er onregt-vaardigheid bij God ? Dat zij verre. ci Dout. 32 : 4. 2 Kien. 19 : 7. Job 34 :10. 15 Want Hij zegt tot Mozes: quot;Ik zal Mij ontfermen , diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben. «Ex. 33:19. 16 Zoo is het dan niet desgenen , die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods. 17 Want de Schrift zegt tot Faraö: quot; Tot ditzelve heb Ik ii verwekt, opdat Ik in u mijne kracht bewijzen zou, en opdat mijn naam verkondigd worde op de gansche aarde. «Ex. 9:16. 18 Zoo ontfermt Hij zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil. 19 Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? want wie heeft zijnen wil wederstaan? 20 Maar toch, o mensch! wie zijt gij, die tegen God antwoordt? quot;zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzoo gemaakt? a Jes. 45 :9. .Ier. 18: 6. 21 Of heeft de pottenbakker geene magt over het leem, om uit denzelfden klomp te maken quot; het eene een vat ter eere, en het andere ter oneere? «2Tim. 2:20. 22 En of God, willende zijnen toorn bewijzen, en zijne magt bekend maken, met vele langmoe-digheid verdragen hoeft de vaten des toorns tot het verderf toebereid; 23 En opdat Hij zou bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid ? |
24 Welken Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit do Heidenen. 25 Gelijk Hij ook in Hoséa zegt: quot;Ik zal hetgeen mijn volk niet was, mijn volk noemen, en die niet bemind was, mijne beminde. «Hos.2:22. 26 En het zal zijn in de plaats, waar tot hen gezegd was: quot;Gijlieden zijt mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden. «Hos. 1 : 10. 1 Petr. 2: 10. 27 En Jesaja roept over Israël: quot; Al ware het getal der kinderen Israëls gelijk het zand dei-zee, zoo zal het overblijfsel behouden worden. «Jes. 10:22. 28 Want Hij voleindt eene zaak en snijdt ze af in regtvaardigheid: want de Heere zal eene af-gesnedene zaak doen op do aarde. 29 En gelijk Jesaja te voren gezegd heeft: quot; Indien de Ileero Sebaóth ons geen zaad had overgelaten , zoo waren wij h als Sódoma geworden, en Gomórra gelijk gemaakt geweest. « Jes. 1 :!). h Gen. 19 : 24. Jes. 13 : 19. Jer. 50 : 40. Ezec. 16 : 46. 30 Wat zullen wij dan zeggen? Dat de Heidenen, die de regtvaardigheid niet zochten, de regtvaardigheid verkregen hebben, doch de regtvaardigheid , die uit het geloof is. 31 Maar Israël, quot; die de wet der regtvaardigheid zocht, is tot de wet der regtvaardigheid niet gekomen. a Rom. 10 : 2. 11: 7. 32 Waarom? Omdat zij die zochten niet uit hei-geloof, maar als uit de werken der wet: want zij hebben zich gestooten aan den steen dos aanstoots. 33 Gelijk geschreven is: quot;Ziet, Ik leg in Zion eenen steen des aanstoots, en eene rots der ergernis; ''en een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. «Ps. 118 : 22. Jes. 8 :14. 28 : 16. Matt. 21: 42. 1 Petr. 2 : 6. h Ps. 2 :12. Spr. 10 : 20. Jes. 28 :16. Jcr. 17 : 7. HOOFDSTUK 10. Na eene betuiging van zijne genegenheid tot de Joden, handelt de apostel breeder van de naaste oorzaak hunner wederspannigheid tegen Christus, vs. 1. Stelt daarna een onderscheid, zelfs met de woorden van Mozes, tusschen de regtvaardigheid der wet, waaraan de Joden zich hielden, en de regtvaardigheid des geloofs, welke zij verwierpen, mot eene he-schrijving van beider eigenschappen, 5. Hij verklaart wijders, dat God nu door do verkondiging van hel evangelie in de geheele wereld, beiden Joden en Grieken roept tot het geloof in Christus, 12; dal echter hot moerendeel der Joden deze roeping ongehoorzaam waren, en dat de Heidenen daarentegen dezelve gehoorzaamden, 16. Hetgeen hij staaft door de voorzeggingen der profeten, 19. BROEDERS! de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hunne zaligheid. 2 Want ik geef hun getuigenis, dat zij quot;eenen ijver tot God hebben, maar niet met verstand. «Hand. 22:3. Rem. 9:31. Gal. 4: 17. |
|
8 Want alzoo zij do regtvaardigheid Gods niet kennen, en hunne eigene geregtigheid zoeken op te rigten, zoo zijn zij der regtvaardigheid Gods niet onderworpen. 4 quot; Want het einde der wet is Christus, tot regtvaardigheid een' iegelijk, die gelooft. n Matt. 5 : 17. Hand, 13 : 38. 2 Cor. 3 :13. Gal. 3 ; 24. 5 Want Mozes beschrijft de regtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: quot;Do mensch, die deze dingen doet, zal door dezelve leven. a Lov. 18 : 5. Ezec. 20 : 11. Gal. 3 : 12. (i Maar de regtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: a Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen? hetzelve is Christus van boven afbrengen. a ücut, 30:12. 7 Of, wie zal in den afgrond nederdalen? hetzelve is Christus uit de dooden opbrengen. 8 Maar wat zegt zij ? Nabij u is het woord, in uwen mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, hetwelk wij prediken. i) Namelijk, indien gij met uwen mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart gelooven, dat God hem uit de dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden. 10 Want met het hart gelooft men ter regtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid. 11 Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die quot;in hem gelooft, die zal niet beschaamd worden. aJos. 28:10. Kom. 9:33. 12 quot; Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek: want een zelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die hem aanroepen. a Hand. 15: !). Eom. 3:22. 13 quot; Want een iegelijk, die don naam dos Heeren zal aanroepen, zal zalig worden. «Joel 2:32. Hand. 2:21. 14 Hoe zullen zij dan hou aanroepen, in welken zij niet geloofd hebben? en hoe zullen zij in hom gelooven, van welken zij niet gehoord hebben ? on hoe zullen zij hooren, zonder die /«m predikt? 15 En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: quot;Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen , dergenen, die hot goede verkondigen! rt Jes. 52 : 7. Nah. 1 : 15. 16 Doch zij zijn niet allen het evangelie gehoorzaam geweest: want Jesaja zegt: quot;lleero! wie heeft onzo prediking geloofd? «Jes. 53 : 1. Joh. 12 : 38. 17 Zoo is dan hot geloof uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods. 18 Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, quot;hun geluid is over de geheele aarde uitgegaan, en hunne woorden tot do einden der wereld. aPs. 19:5. 19 Maar ik zeg: Heeft Israël het niet verstaan? Mozes zegt eerst: quot; Ik zal ulieden tot jaloorsch-lieid verwekken door degenen, die gem volk zijn; ''oor een onverstandig volk zal Ik u tot toorn verwekken. « Dent. 32:21. |
1017 20 En Jesaja verstout zich, en zegt: quot; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden. «.les. 65: 1. 21 Maar tegen Israël zegt Hij: quot;Don geheelen dag heb Ik mijno handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk. «Jas. 65:2. HOOFDSTUK 11. Do apostel gesproken hebbende van do verwerping der Joden en van de roeping der Heidenen, leert wij-dors, dat deze verwerping niet algemeen is over al de Joden, hetgeen iiij bewijst met zijn eigen voorbeeld, vs. 1; als ook uit de onveranderlijkheid der verkiezing Gods, eh niet het voorbeeld der tijden van Elias, 2; doch dat degenen, die uit hen behouden worden, niet uit liunno werken, maar uil genade behouden worden, 5; en dat de andoren door hunne hardnekkigheid verloren gaan, 7; hot-geon hij uit do H. Schrift bewijst, 8. Daarna vermaant hij de Heidenen, dat zij zich niet moeten verheffen tegen do Joden, alzoo hunne verwerping eone gelegenheid is geweest van de roeping der Heidenen, door welke de Joden ook zullen opgewekt worden om naar hun voorbeeld mede to gelooven, dewijl zij tot het verbond behooren, 11; en de Heidenen, eer zij geroepen werden, daarvan vreemd waren, maar uit enkele genade zijn geroepen, 17; derhalve dat de Heidenen wel moeten toezien dat zij ook om hunne ongehoorzaamheid niet verworpen worden, 19. Tot datzeive einde openbaart hij eene verborgenheid, dat, na de bekeering der Heidenen, de Joden ook zullen bekeerd worden, 25. Hetgeen hij bevestigt uit de 11. Schrift, 26; omdat Ood hen om dor vaderen wil nog liefheeft, 28. Zoodat Ood, die don Heidenen genade gegeven hoeft, dezelve ook aan do Joden zal willen bewijzen, 30. Eindelijk besluit hij mot oene verwondering over do groote wijsheid Gods in het besturen van der menschen zaligheid, 33; welker begin, voortgang en einde Hom alleen toegeschreven wordt, 36. IK zog dan: quot; Hoeft God zijn volk verstooten! Dat zij verre: ''want ik ben ook een Israëliet, uit bet zaad Abrahams, van den stam Benjamin. «Jor. 31 :37. 6 2 Cor. 11:22. Filipp. 3:5. 2 God heeft zijn volk niet verstooten, hetwelk Hij te voren gekend heeft. Of weet gij niet, wat de Schrift zegt van EHa? hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende : 3 quot; Heere! zij bobben uwe profeten gedood, en uwe altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven, on zij zoeken mijne ziel. rtl Kon. 19:10. 4 Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? quot; Ik heb Mij zelvon nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baal niet gebogen hebben. al Kon. 19:18. 5 quot; Alzoo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing-der genade. a Rom. 9 : 27. 6 quot; En indien hot door genade is, zoo is het niet meer uit de werken ; anderzins is de genade geene genade meer: en indien het is uit de werken, zoo is bet geene genade meer; anderzins is hot werk geen werk meer. a Dout. 9 : 4. 7 Wat dan? quot;Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar do uitverkorenen heb- ROMEINEN 1(1, 11. |
|
1018 bon hot verkrogon, on de andoren zijn verhard geworden, a Rom. 9:31. 8 (Gelijk geschrovon is: quot; (Jod heeft luui gegeven oenen geest des diepen slaaps; 11 oogen om niet to zien, en ooron om niet te hooren) tot op don huidigen dag. «Jes. 29:10. /).Ies. ü: 9. Ezec. 12:2. Matt. 13:14. Mark.4:12.Luk.8:10. Joh. 12:40. Hand. 28:20. 9 En David zegt: quot; Hunne tafel worde tot eenon strik, en tot oenen val, en tot eenen aanstoot, en tot eeno vergelding voor hen. a Ps. 09 : 23. 10 Dat hunne oogon verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hunnen rug allen tijd. 11 Zoo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hunnen val is de zaligheid den Heidenen geworden , om hen tot jaloerschheid te verwokken. |
12 En indien hun val de rijkdom is dor wereld, en hunne vermindering do rijkdom dor Heidenen, hoeveel te moer hunne volheid! 13 Want ik spreek tot u. Heidenen, quot; voor zoo veel ik der Heidenen apostel bon, ik maak mijne bediening heerlijk: a Hand. 9:15. 13:2. 22:21. Gal. 1:16. 2:8. Efez. 3:8 1 Tim. 2:7. 2 Tim. 1:11. 14 Of ik oonigzins mijn vloesch tot jaloerschheid verwekken, en oenigen uit hen behouden mogt. 15 Want indien hunne verwerping de verzoening is der wereld, wat zal do aanneming wezen, anders dan liet leven uit de dooden? If! En indien de eerstelingen heilig zijn, zoo is ook het doeg heilig; en indien do wortel heilig is, zoo zijn ook do takken heilig. 17 En zoo oonigo der takken afgebroken zijn. ROMEINEN II |
ROMEINEN 11, 12.
1019
|
en gij, oon wilde olijfboom zijnde, in derzelvor ]gt;laats zijt ingeënt, on des wortels en der vettigheid quot; des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden, oJer. 11:16. 18 Zoo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u. 19 Gij zult dan zeggen: Do takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeënt worden. 20 Hot is wol; zij zijn door ongoloof afgebroken, en gij staat door hot geloof. Zijt niet hoogge-voelende, maar vrees. 21 Want is het, dat God do natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe, dat Hij ook mogelijk u niet spare. 22 Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: do strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in do goedertierenheid blijft; anderzins zult ook gij afgehouwen worden. 23 quot; Maar ook zij, indien zij in het ongoloof niet blijven, zullen ingeënt worden: want God is magtig, om dezelve weder in te enten. a 2 Cor. 3 : 10. 24 Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt; hoe veel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hunnen eigen' olijfboom geënt worden? 25 Want ik wil niet, broeders! dat u deze verborgenheid onbekend zij, (opdat gij niet wijs zijt, bij u zelven) dat de verharding voor oen doel over Israël gekomen is, quot; totdat de volheid dor Heidenen zal ingegaan zijn. a Luk. 21:24. 26 En alzoo zal geheel Israël zalig worden; quot;gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Zion komen en zal do goddeloosheden afwenden van Jakob. a Ps. 14 : 7. Jos. 27 : 9. 59 : 20. Jer. 31 : 31, 32, 33, 34. 2 Cor. 3 : l(i. llebr. 8 : 8. 10 : 16. 27 En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hunne zonden zal wegnemen. 28 Zoo zijn zij wel vijanden aangaande het evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil: 29 Want do genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwolijk. 30 Want golijkerwijs ook gijlieden eertijds Gode ongehoorzaam geweest zijt, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door dezer ongehoorzaamheid ; 31 Alzoo zijn ook deze nu ongehoorzaam ge-woest , opdat ook zij door uwe barmhartigheid zouden barmhartigheid vorkrijgen, 32 quot; Want God hoeft hen allen onder do ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn. a Gal. 3:22. 33 O diepte des rijkdoms beide der wijsheid en Ier kennis Gods! quot;hoe ondoorzoekelijk zijn zijne â¢ordeelen, en onnaspeurlijk zijne wegen! a Ps. 30 : 7. |
34 quot; Want wie hooft den zin dos Hoeren gekend? Of wie is zijn raadsman geweest? a Jos. 40 : 13. I Cor. 2 : 16. 35 quot;Of wie heeft Hom oerst gegeven, en het zal hem wedervergoldon worden? a Job 41 : 2. 36 quot; Want uit Hom, on door Hem, on tot Hom zijn allo dingen. Hem zij de heerlijkheid in dor eeuwigheid, amen. «Spr. 16:4. 1 Cor. 8 :6. HOOFDSTUK 12. Do apostel, tot dusverre in do voorgaande hoofdstukken behandeld hebbende de voornaamste leerstukken dor Christelijke godsdienst, begint nu, volgons zijne gebruikelijke orde in meest al zijne brieven, dat deel, hetwelk bestaat in vermaningen tot een godzalig christenleven; van welke de eerste is, dat wij ons zelven Gode opofferen en dor wereld niot gelijk worden, vs. 1. Daarna vermaant hij ernstig, en in het bijzonder degenen, die in de gemeente openbare diensten en bijzondere gaven hadden, dat zij zich op hunne diensten of gaven niet verhoovaardi-gen, maar dezelve tot de meeste slichting dor gemeente getrouw bedienen en besteden, 3; zoo de leeraars van het woord, 6; als de ouderlingen en diakenen , 8. Voegt daarbij verscheidene vermaningen tot allerlei christelijke deugden, als: opregte broederlijke liefde, 9; vurigen ijver tot Gods eer, 11; lijdzaamheid, bidden, hoop, 12; mededeelzaamheid, 13; zachtmoedigheid, 14: medelijden, 15; eendragt, nederigheid, 16; verdraagzaamheid, 17; vreedzaamheid, 18; aflegging van wraakgierigheid, 19; liefde tot do vijanden, 20; en standvastigheid in hot goede, 21. IK bid u dan, broeders! door do ontformingen Gods, quot;dat gij uwe ligchamen ''stolt tot eene levende, heilige en Gode wolbehagelijke offerande, â welke is uwe redelijke godsdienst. a 1 Petr. 2 : 5. h Rom. 6 : 13, 16. 2 quot; En wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, 0 opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en wolbehagelijke en volmaakte wil van God zij. «1 Joh. 2: 15. Efez. 5:17. 1 Thess. 4:3. 3 Want door de genade, quot;die mij gegeven is, zeg ik een' iegelijk, die onder u is, h dat hij niot wijs zij boven hetgeen men behoort wijs to zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als c God een' iegelijk de mate dos goloofs gedeeld hoeft, a Kom. 1:5. h Efoz. 4:7. c 1 Cor. 12:11. Efoz. 4; 7. 4 Want quot; gelijk wij in een ligchaam vele leden hebben, en de loden allen niet dezelfde werking hebben ; a 1 Cor. 12:27. Efoz. 1:23. 4:16. 5:23. Col. 1:24. 5 quot; Alzoo zijn wij velen een ligchaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden. a 1 Cor. 12 : 4. 2 Cor. 10:13. 1 Petr. 4 : 10. 6 Hebbende nu quot; verscheidene gaven, naar de genade, dio ons gegeven is, a 1 Cor. 12:4. 7 Zoo laat ons die gaven besteden, hetzij quot; profetie naar do mate des geloofs; '' hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in hot loeren; a 1 Cor. 12 : 10. b 1 Petr. 4 : 10, 11. 8 Hetzij dio vermaant, in hot vermanen; die uitdeelt, quot; in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, ''in blijmoedigheid. aMatt.C:l,2,3. /jDeut. 15:7.2Cor.9:7. |
ROMEINEN 12, 13.
1020
|
9 De liefde zij ongeveinsd. quot; Hobt eenen afkeer van het booze, en hangt het goede aan. a Ps. 97 : 10. Amos 5: ló. 10 quot; Hobt elkander hartelijk lief mot broederlijke liefde; b met oer de een den anderen voorgaande. a Efez. 4:2. Hebr. 13:1. 1 Pefr. 1:22. 2:17. b Filipp. 2:3. 1 Petr. 5 : 5. 11 Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient den Heere. 12 quot; Verblijdt u in de hoop. h Zijt geduldig in de verdrukking. c Volhardt in hot gebod. a Hom. 15:13.1 Tliess.5:16. bHobr. 10:36.12: l..lakob.r):7. c Luk. 18:1. Efez. 6 : 18. Col. 4:2. 1 Tlioss. 5 : 17. 13 quot; Doolt mede tot de behoeften der heiligen. b Tracht naar herbergzaamheid. b Hebr. 13 : 2. 1 Petr. 4 : 9. 14 quot; Zegent hen, die u vervolgen ; zegent en vervloekt niet. a Matt. 5:44. 1 Cor. 4: 12. 15 Verblijdt u met de blijden; en weent met de weenenden. 16 quot; Woest eensgezind onder elkander. b Tracht niot naai- de hooge dingen, maar voegt u tot de nodorigen. Zijt niet wijs bij u zeiven. a Kom. 15:5. 1 Coi'. 1 : 10. Filipp. 2 : 2. 3: 16. I Petr. 3 : S. /;Spr. 3:7. Jos. 5:21. 17 quot; Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. '' Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle menschen. a Spr. 20 : 22. Matt. 5 : 39. 1 Cor. 0:7. 1 Thess. 5: 15. /; 2 Cor. 8:21. 1 Petr. 2: 12. 18 quot; Indien het mogelijk is, zoo veel in u is, houdt vrede met alle menschen. a Mark. 0:50. Hebr. 12:14. 19 quot; Wreekt u zeiven niet, beminden! maar geeft den toorn plaats: want er is geschreven: ''Mij kovd de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere. a Matt. 5 : 39. Luk. 6 : 29. b Deut. 32 : 35. Hebr. 10 : 30. 20 quot;Indien dan uwen vijand hongert, zoo spijzigt hem; indien hom dorst, zoo geeft hom te drinken: want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hoepen. «Spr. 25:21. Matt. 5:44. 21 Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede. HOOFDSTUK 13. Do apostel vermaant wijders do geloovigon, zich aan de overheid met schuldige gehoorzaamheid te onderwerpen, dewijl zij van God is, en die dit niet doen, halen zich zeiven daarmede straffen op den hals, en kwetsen hun geweten, vs. 1. Daarom gebiedt hij ook dezelve tol en schatting te betalen en allen eerbied te bewijzen, 6. Daarna vermaant hij hen tot beoefening der broederlijke liefde, mol aanhaling der geboden van de tweede tafel der wet, S. Eindelijk vermaant hij hen, daar do nacht der onwetendheid voorbij is, en het licht des evangelies hun is verschenen, dat zij zich wachten van dronkenschap, hoererij, haat, twist, en dergelijke zonden; en naar de tegenovergestelde deugden te trachten, 11; on tot dat einde den Heere Christus aan Ie doen, afleggende do verzorging van het vleesch tot begeerlij kheden, 14. |
ALLE quot; ziel zij de magton, over haar gestold, onderworpen: ''want er is geene magt dan van God, en do magten dio er zijn, die zijn van God verordend. (iTit.3:l. 1 Potr.2:13. 6Spr.8:15. Dan.4:32. 2 Alzoo dat die zich tegen de magt stelt, de verordening var God wederstaat; en die ze wederstaal! , zullen over zich zeiven een oordeel halen. 3 Want do oversten zijn niet tot eene vreeze den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de magt niet vreezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben. 4 Want zij is Gods dienares, u ton goede. Maar indien gij kwaad doet, zoo vrees; want zij draagt hot zwaard niet te vergeefs: want zij is Gods dienares, eene wreekster tot straf dengenen, die kwaad doet. 5 Daarom is het noodig onderworpen te zijn, niet alleen om dor straffe, maar ook om des gewetens wil. 6 Want daarom betaalt gij ook schattingen: want zij zijn dienaars van God, in ditzelve ge-duriglijk bezig zijnde. 7 quot; Zoo geeft dan een' iegelijk wat gij schuldig zijt: schatting , dien gij de schatting, tol, dien gij den tol, vreeze, dien gij de vreeze, eer, dien gij de eer schuldig zijt. « Matt. 22:21. 8 Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben: quot; want die den anderen liefheeft, die hoeft do wet vervuld, a Gal. 5 : 14. 1 Tim. 1 : 5. 9 Want dit: quot;Gij zult geen overspel doen, gij zult niet dooden, gij zult niet stelen, gij zult geene valsche getuigenis geven, gij zult niet bo-geeren; en zoo er eenig ander gebod is, wordt in dit woord als in eene hoofdsom begrepen, namelijk in dit: '' Gij zult uwen naaste liefhebben gelijk u zei ven. «Ex. 20 : 13. Deut. 5 :17. Matt. 19 : 18. b Lov. 19:18. Matt. 22:39. Mark. 12:31. Gal. 5:14. Jakob. 2:8. 10 Do liefde doet don naaste geen kwaad. Zoo is dan do liefde de vervulling der wet. 11 En dit zey ilc te meer, quot;dewijl wij de gelegenheid des tijds weten, dat het de ure is, dat wij nu uit den slaap opwaken: want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben. « Efoz. 5 :14. 1 Thess. 5 : 6. 12 quot; De nacht is voorbijgegaan, en de dag is |
ROMEINEN li), 14.
1021
|
nabij gekomen. '' Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des lichts. a 1 Thess. 5 : 5. b Col. 3 : 8. 18 Laat ons, als in den dag, quot;eerlijk wandelen; ''niet in brasserijen en dronkenschappen, ' niet in slaapkameren en ontuchtigheden, '' niet in twist en nijdigheid; a Filipp. 4:8. ! Thess. 4: 12. I) Luk. 21 : 34. 1 Thess. 5 : G. «1 Oor. (gt;: 10. Efez. 5 ; 5. (/ Jakob. 3 : 14. 14 quot;Maar doet aan den Heere Jezus Christus, '' en verzorgt het vleesch niet tot begeerlijklieden. a Gal. 3 ; 27. Igt; 1 Petr. 2:11. HOOFDSTUK 14. De apostel leert nn, hoe de geloovigen zich moeten gedragen jegens de zwakken, die de leer van de vrijheid der christenen, voornamelijk aangaande het onderscheid van spijzen en dagen nog niet wel verstonden, namelijk dat zij de zwakken moeten aannemen, en met hen daarover niet twisten, en dat de zwakken de anderen niet moeten veroordeelen, vs. 1. Dat heiden, zwakken en sterken een doel hebben, om Ood daarmede te dienen, 5; alzoo wij in leven en sterven altijd schuldig zijn zijne eer te bevorderen , 7 ; gelijk ook Christus daarom gestorven en opgestaan is, opdat wij hem als onzen Heere en Hegter zouden rekenschap geven van al ons doen, 0. De sterken zonden dan toezien, dat zij den zwakken geenen aanstoot geven, 13. Dat nu het onderscheid der spijzen en dagen wel ophoudt, maar dat deze vrijheid niet moet worden gebruikt tot droefheid en verzwakking van anderen, voor welke Christus ook gestorven is, 14; nademaal de christelijke godsdienst niet bestaat in eten of drinken, 17. Dat men in dezen altijd moet trachten naar vrede, 19; en liever niet eten of drinken, hetgeen den zwakken zou ergeren, 20. En voorts moest men aan beide zijden niets mot een twijfelend geweten doen, alzoo zulks zonde is, 22. DENGENEN nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maarniet tot twistige zamensprekingen. 2 De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden. :i quot;Die daar eet, verachte hem niet, die niet 'et; en die niet eet, oordeele hem niet, die daar eet: want God heeft hem aangenomen. |
ff Col. 2 : 16. 4 quot; Wie zijt gij, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat, of hij valt zijnen eigen' heer; docii hij zal vastgesteld worden, want God is magtig hem vast te stellen. a Jakob. 4:12. 5 quot; De een acht wel den een en dag boven den andoren dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. a Gal. 4: 10. Col. 2:10. 6 Die den dag waarneemt, die neemt hem waar den Heere; en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zulks den Heere, quot;wanthij dankt God; en die niet eet, die eet zulks den Heere niet, en hij dankt God. ff iCor. 10:31.1 Tim.4:3. 7 quot;Want niemand van ons leeft zich zeiven, en niemand sterft zich zeiven: a 2 Cor. 5:15. Gal. 2:20. 1 Thess. 5:1 (). 1 Petr. 4 : 2. 8 Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn dos Heeren. !) Want daartoe is Christus ook gestorven , en opgestaan, en weder levend geworden, opdat hij beide over dooden en levenden heerschen zou. 10 Maar gij, wat oordeelt gij uwen broeder? Of ook gij, wat veracht gij uwen broeder? quot; Want wij zullen allen voor den regterstoel van Christus gesteld worden. a Matt. 25:31. 2 Cor. 5: 10. 11 Want ei- is geschreven: quot; Ik leef, zegt de Heere; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden. ffJes.45:23. Filipp.2:10. 12 quot; Zoo dan een iegelijk van ons zal voor zich zelven Gode rekenschap geven. a Ps. 02 : 13. Jer. 17:10. 32 : 1!). Malt. 16 : 27. Hom. 2 : 6. 1 Cor. 3 : 8. 2 Cor. 5 : 10. Gal. 0 : 5. Openb. 2 : 2.3. 22 : 12. 13 Laat ons dan elkander niet meer oordeelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, quot;dat gij den broeder geenen aanstoot of ergernis geeft. « 1 Cor. 10 : 32. 2 Cor. 6 : 3. 14 quot; Ik weet en ben verzekerd in den Heere |
ROMEINEN 14, 15.
1022
|
Jez.iis, dat geen ding onrein is in zicli zolven; ! dan die acht iets onrein te zijn, dien is het onrein. a Matt. 15 : 11. Hand. 10:15. 1 Cor. 8:4. 1 Tim. 4 : 4. 15 Maar indien uw broeder om der spijze wil bedroefd wordt, zoo wandelt gij niet meer naar liefde. quot;Verderf dien niet met uwe spijze, voor welken Christus gestorven is. a 1 Cor. 8: 11. 16 Dat dan uw goed niet gelasterd worde. 17 quot; Want het koningrijk Gods is niet spijs en drank, maar regtvaardigheid, en vrede, en blijdschap , door den Heiligen Geest. a 1 Cor. 8: 8. 18 Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbehagelijk, en aangenaam den menschen. li) Zoo dan laat ons najagen hetgeen tot den vrede, en hetgeen tot de stichting onder elkander dient. 20 Verbreek het werk van God niet om der spijze wil. quot;Alle dingen zijn wel rein; maar het is kwaad den mensch, die met aanstoot eet. a Tit. 1:15. 21 quot; Het is goed geen vleesch te eten, noch wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot, of geërgerd wordt, of waarin hij zwak is. a 1 Cor. 8: 13. 22 Hebt gij geloof? heb dat bij u zeiven voor God. Zalig is hij, die zich zeiven niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt. 23 Maar die twijfelt, indien hij eet, is veroordeeld , omdat hij niet uit het geloof eet. quot; En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. a Tit. 1 : 15. HOOFDSTUK 15. Do apostel vermaant wijders de sterken, om zicli te voegen naar de zwakheid hunner broederen, vs. 1; met het voorbeeld van Christus, die niet zich zeiven , maar ons voordeel heeft gezocht, lietgeon hij nit tie Schriften van het 0. T. bevestigt, welke ook tot onzen troost geschreven zijn, 3; en dat zij met eendragtige harten Ood en den Heere Christus dienen, 5. Verklaart breeder liet voorbeeld van Christus, hoe hij gediend heeft, zoo den Joden, 7; als ook den Heidenen, hetgeen hij uit dezelfde Schriften bewijst, 9; daarbij voegende eenen wen ach, dat zij in alle christelijke deugden en kennis mogen toenemen, 13. Daarna begint hij dezen brief te besluiten, verontschuldigende zijne vrijheid in het schrijven, 14; verhalende hoe krachtig (lod zijne dienst gezegend hoeft en hoe getrouw hij haar heeft bediend, 17. Belooft dat hij te Rome, in het reizen naar Spanje, komen zal, 22; en berigt dat hij eerst naar Jeruzalem moest reizen, om de aalmoezen der gemeenten van Macedonië en Achiije over te brengen, 25. Verzoekt van hen, dat zij voor hem en zijne dienst willen bidden, 30; en wenscht hun alles goeds van God, 33. MAAR quot;wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen, en niet ons zeiven te behagen. a 1 Cor. !): 22. Gal. 0:1. 2 Dat dan een iegelijk van ons zijnen naaste behage ten goede, tot stichting. 3 Want ook Christus heeft zich zei ven niet behaagd, maar gelijk geschreven is: a De smadingen dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen. a I's. 09 : 10. Jes. 53 : 4, 5. |
4 quot; Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze leering te voren geschreven; opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden. a Rom. 4:23,24. 5 Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, quot;dat gij eensgezind zijt onder elkander naar Christus Jezus; n Rom. 12 :10. 1 Cor. 1 ; 10. Filipp. 2:2. 3:10. 1 Petr. 3: 8. 6 Opdat gij eendragtelijk, met eenen mond, moogt verheerlijken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus. 7 Daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid Gods. 8 En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis, van wege de waarheid Gods, opdat hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen; 9 En de Heidenen God van wege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: quot;Daarom zal ik U belijden onder de Heidenen, en uwen naam lofzingen. a 2 Sam. 22:50. Ps. 18:50. 10 En wederom zegt hij: quot; Weest vrolijk, gij Heidenen met zijn volk! a Dout. 32:43. 11 En wederom: quot;Looft den Heere, al gij Heidenen! en prijst Hem, al gij volken! «Ps. 117: 1. 12 En wederom zegt Jesaja: quot;Er zal zijn de wortel van Jessai, en die opstaat, om over de Heidenen te gebieden; op hem zullen de Heidenen hopen. «Jes. 11 : 10. Openb. 5:5. 22:10. 13 De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het gelooven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes. 14 Doch, mijne broeders! ook ik zelf ben verzekerd van u, dat gij ook zeiven vol zijt van goedheid, vervuld met alle kennis, magtig om ook elkander te vermanen. 15 Maar ik heb u eensdeels te stoutelijker geschreven, broeders! u als wederom dit indachtig makende, om de genade, die mij van God gegeven is; 16 Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de Heidenen, het evangelie van God bedienende , opdat de offerande der Heidenen aangenaam worde, geheiligd door den Heiligen Geest. 17 Zoo heb ik dan roem in Christus Jezus in die dingen, die God aangaan. 18 Want ik zou niet durven iets zeggen, hetwelk Christus door mij niet gewrocht heeft, tot gehoorzaamheid der Heidenen, met woord en werk ; 19 Door kracht van teekenen en wonderheden, en door de kracht van den Geest Gods, zoodat ik, van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyricum toe, het evangelie van Christus vervuld heb; 20 En alzoo zeer begeerig geweest ben om het evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders fondament zou bouwen; 21 Maar gelijk geschreven is: quot;Denwelken van |
ROMEINEN 15, 16,
1023
|
hom niot was geboodschapt, die zullen het zien; on dewelke liet niet gehoord hebben, die zullen liet verstaan. «Jes. 1)2: 15. 22 Waarom ik ook menigmaal quot; verhinderd geweest ben tot u te komen. aRom. 1 :13. 1 Tliess. 2: 18. 23 Maar nu geene plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren quot;groot verlangen hebbende, om tot u te komen, aRom. 1 : 10. 15:32. 1 Tliess. 3: 10. 2 Tim. 1 : 4. 24 Zoo zal ik, zoo wanneer ik naar Spanje reis, tot u komen: want ik hoop in het doorreizen u te zien, en van u derwaarts geleid te worden, als ik eerst van ulieder tegenwoordigheid eensdeels verzadigd zal zijn. 25 quot; Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen. «Hand. 10:21. 24:17. 2(i Want het heeft dim van Macedonië en Achaje goed gedacht eene gemeene handreiking te doen aan de armen onder do heiligen, die te Joriiza-lem zijn. 27 Want het heeft hun zon goed gedacht; ook zijn zij hunne schuldenaars: quot; want indien de Heidenen hunne geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zoo zijn zij ook schuldig hen van ligchamelijke goederen te dienen. a 1 Cor. 9:11. Gal. 6 : 6. 28 Als ik dan dit volbragt, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zoo zal ik door ulieder ntnd naar Spanje afkomen. 29 quot; En ik weet, dat ik, tot u komende, met vollen zegen des evangelies van Christus komen zal. a Kom, 1:11. 30 En ik bid u, broeders! door onzen Heere Jezus Christus, en door de liefde des Geestes, quot; dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij ; a 2 Cor, 1:11. 31 quot; Opdat ik mag bevrijd worden van de onge-hoorzamen in Judéa, en dat deze mijne dienst, die ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen ; a 2 Tliess. 3 : 2. 32 11 Opdat ik met blijdschap, door den wil van (Jod, tot u mag komen, en met u verkwikt worden. n kom, 1 : 10, 15 : 23, 33 En de God des vredes zij met u allen. Amen. HOOFDSTUK 16. Do apostel beveelt Kobé aan de gemeente van Rome, vs. 1 ; en groot mot name eenigen van de bijzonderste broeders en zusters in dezelve gemeente, prijzende hunne godzaligheid, 3, Vermaant de Uo-meinon, zich te â wachten voor degenen, die twee-dragt en ergernis aanrigten, en dat zij wijs zijn in het goede, 17; belovende, dat God den Satan onder hunne voeten zal vertreden, 20. Groet de gemeente van wege eonigo broeders, die bij bom waren, 21; en besluit eindelijk dozen brief met oenen wensoh en lofprijzing Gods over de overvloedige openbaring van het evangelie, 24. EN ik bevele u Febé, onze zuster, die eene dienares is tier gemeente, die te Kenchreën is; |
- Opdat gij haar ontvangt in den Heere, gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstaat, in wat zaak zij u zou mogen van doen hebben: want zij is eene voorstandster geweest van velen, ook van mij zeiven. 3 quot; Groet Priscilla en A'quila, mijne medewerkers in Christus Jezus; a Hand. 18:2,20. 4 Die voor mijn loven hunnen hals gesteld hebben; denwelken niot alleen ik danke, maar ook al de gemeenten der Heidenen. 5 Groet ook de gemeente in hun huis. Groet Epénetus, mijnen beminde, die do eersteling is van Achaje in Christus. 6 Groet Maria, die veel voor ons gearbeid heeft. 7 Groet Andromcus en Jünias, mijne magen, en mijne medegevangenen, welke vermaard zijn onder de apostelen, die ook voor mij in Christus geweest zijn. 8 Groet Amplias, mijnen beminde in don Heere. 9 Groet Urbanus, onzen medearbeider in Christus, en Stachys, mijnen beminde. 10 Groet Apelles, die beproefd is in Christus. Groet hen, die van het huisgezin van Aristo-b li lus zijn. 11 Groet Heródion, die van mijne maagschap is. Groet hen, die van het huisgezin van Narcissus zijn, degenen namelijk, die in don Heere zijn. 12 Groet Tryféna en Tryfósa, vrouwen, die in den Heere arbeiden. Groet Persis, de beminde zuster, die veel gearbeid hoeft in den Heere. 13 Groet Rufus, den uitverkorene in den Heere, en zijne moeder en de mijne. 14 Groet Asy'ncritus, Flégon, Hernias, Patrobas, Hermes, en de broeders, die met hen zijn. 15 Groet Filólogus en Jiilia, Néreus en zijne zuster, en Olympas, en al de heiligen, die met henlieden zijn. 16 quot; Groot elkander met oenen heiligen kus. De gemeenten van Christus groeten ulieden. a 1 Cor. 10:20. 2Cor. 13:12.1 Tliess. 5:26. 1 Petr. 5:14. 17 quot;En ik bid u, broeders! neemt acht op degenen , die tweedragt en ergernissen aanrigten tegen de leer, die gij van ons geleerd hebt; ''en wijkt af van dezelve. aCol.2:8. Tit.3:10. 2Joli.vs. 10. h Matt, 18 : 17. 2 Thess. 3 : 6. 2 Tim. 3 : 5. 18 Want dezulken dienen onzen Heere Jezus Christus niet, quot;maar hunnen buik; en verleiden door sehoonspreken en prijzen h de harten der eenvoudigen. a Filipp. 3: 19. /; Ezoc. 13: 18. 19 Want uwe gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijde mij dan uwenthalve; quot;en ik wil, dat gij wijs zijt in het goede, doch onnoozel in het kwade, a Matt. 10 : 16. 1 Cor. 14 : 20. 20 En de God des vredes zal den Satan haast onder uwe voeten verpletteren. De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden. Amen. 21 U groeten quot; Timótheüs, mijn medearbeider, en ''Lucius, en quot;Jason, en ''Socipater, mijne bloedverwanten. a Hand. 16:1. Filipp. 2:19. Col. 1:1.1 Thess. 3 : 2. 1 Tim, 1 : 2, b Hand. 13 : 1. c Hand. 17:5. d Hand. 20:4. |
|
1024 22 Ik, Tertius, dio den brief geschreven heb, groet u in den Heere. 23 U groet Gajus, de huiswaard van mij en van de geheele gemeente. IJ groet quot; Erastus, de rentmeester der stad, en de broeder Quartus. a Hand. 19:22. 2 Tim. 4:20. 24 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen. 25 quot; Hem nu, die magtig is u te bevestigen, naar mijn evangelie en de prediking van Jezus HOOFDSTUK 1. In de inleidin^', die tot vs. 10 voortgaat, stelt, do apostel vooraan zijnen naam, als schrijver van dezen lirief, on don naam dergenen, aan wie hij schrijft, mot do gewone apostolische groote, vs. 1. Dankt voorts God voor do weldaden, welke Hij deze gemeente reeds had bewezen, 4; en verzekert hun van Christus trouw in hot volvoeten van zijn aan-govangen werk, 8. Komt daarna tot de zaak zelve en verklaart, hoe hij verstaan hoeft, dat or verdeeldheid onder hen was, on dat de een zoide: ik bon van Paulus, de ander: ik ben van Céfas, 10. Horispt hen daarover met verscheidene redenen en toont, dat zij tot een toeken van eenheid in Christus naam alleen zijn gedoopt, 13. Handelt daarna togen degenen, die op de weroldsche welsprekendheid roemden on verklaart, dat God zich daardoor onder hen niet krachtig betoond had, maar door de eenvoudigheid der prediking van den gekruisten Christus, 18. Dat deze kracht zich had geopenbaard in do bekeoring van niet vele wijzen on magtigen onder hen, maar van do geringon en onwijzen naar de wereld, 26; opdat zij niet zonden roemen in zich zelven, maar alleen in Christus, in wien zij alles hadden, ter zaligheid noodig, 29. PAULUS, een geroepen apostel van Jezus Christus, door den wil van God, en Sósthenes, de broeder, 2 Aan de gemeente Gods, die te Corinthe is, quot; den geheiligdon in Christus Jezus, h den geroepenen heiligen, ' met allen, die den naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hunnen en onzen Heere: a ./oh. 17:19. Hand. 15:9. 1 Thess. 4:7. li Kom. 1 : 7. P]foz. 1:1. c2Tim. 2:22. 3 quot; Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heere Jezus Christus. a Rom. 1:7. 2 (lor. 1 : 2. Efez. 1 : 2. 1 Petr. 1: 2. 4 Ik dank mijnen God allen tijd over u, van wege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus; 5 quot;Dat gij in alles rijk zijl geworden in hem, in allo rede en alle kennis: «Col. 1 : 9. |
T Christus, ''naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest; « Efoz. .'i; 20. h Efez. 1:9. 3 : 9. Col. 1 : 26. 2 Tim. 1: 10. Tit. 1:2. 1 Petr. 1: 20. 26 Maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar hot bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder al do Heidenen bekend is gemaakt; 27 Dmzclven alleen wijzen God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. DE EERSTE BRIEF VAN DES APOSTEL PAULUS AAN DIE VAN CORINTHE. (i Gelijk de getuigenis van Christus bevestigd is onder u; 7 Alzoo dat het u aan geene gave ontbreekt, quot; verwachtende de openbaring van onzen Heere Jezus Christus. n Filipp. 3:20. Tit. 2: 13. 8 quot; Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus. a 1 Thess. 3: 13. 5: 23. 9 quot;God is getrouw, door welken gij geroepen zijt tot 11 do gemeenschap van zijnen Zoon Jezus Christus, onzen Heere. alOpr. 10:13. 1 Thoss. 5:24. h Jer. 32 : 40, enz. Joh. 15 : 5. dal. 2 : 20. 1 Joh. 1 : 3. 10 Maar ik bid u, broeders! door den naam van onzen Heere Jezus Christus, quot; dat gij allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geene scheuringen zijn, maar dat gij zamengevoegd zijt in eenen zelfden zin, en in een zelfde gevoelen. a Rom, 12 : 16. 15 : 5. Filipp. 2 : 2. 3 : 16. 1 1'etr. 3 : 8. 11 Want mij is van u bekend gemaakt, mijne broeders! door die van hei huisgezin van Chloë zijn, dat er twisten onder u zijn. 12 En dit zeg ik, dat een iegelijk van u zegt: quot;Ik ben van Paulus; en ik van ''Apollos; en ik van Céfas; en ik van Christus. al Cor. 3:4. ft Hand. 18:24. 1 Cor, 16: li'. 13 Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of zijt gij in Paulus naam gedoopt? 14 Ik dank God, dat ik niemand van ulieden gedoopt heb , dan quot; Crispus en '' Gajus ; a Hand. 18 : 8. I/ Rom. 16 : 23. 15 Opdat niet iemand zegge, dat ik in mijnen naam gedoopt heb. 16 Doch ik heb ook het huisgezin van quot; Stéfanas gedoopt; voorts weet ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb. « 1 Cor. 16:15,1'. 17 Want Christus heeft mij niet gezonden, om te doopen, maar om het evangelie te verkondi gen; quot; niet met wijsheid van woorden, opdat hel kruis van Christus niet verijdeld worde. a 1 Cor. 2: 1,4. 2 Petr. 1 : 16. 1 CORINTHE 1. |
1 CORINTHE 1, 2.
1025
|
18 Want hot woord dos kruisos is wol dongonon, dio verloron gaan, dwaasheid; quot; maar ons, dio bohoudon worden, is het oone kracht Gods. u I?oiii. 1 ; Ui. 19 Want er is geschreven; quot; Ik zal do wijsheid der wijzen doen vergaan, on hot verstand der verstandigen zal Ik te niet maken. a Job 5 : 12. Jes. 29 ; 14. 20 quot; Waar is do wijzo ? waar is do schriftgeleerde? waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God do wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt ? a.Tes. 33 : 18. 21 quot;Want nademaal, in de wijsheid Gods, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zoo hooft het Gode behaagd , door do dwaasheid der prediking, zalig te makon die gelooven; a Matt. 11:25. Luk. 10:21. 22 Overmits quot; de Joden oen toeken begeeren, en do Grieken wijsheid zoeken ; a Matt. 12 : 38. 16 : 1. Joh. 4 : 48. 23 Doch wij prediken Christus, den gekruisigde, quot; don Joden wel eene ergernis, en den Grieken eene dwaasheid; a Matt. 11:0. Joli. 0:60,00. 24 Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en quot;do wijsheid Gods. aCol 2:3. 25 Want het dwaze Gods is wijzer dan do men-schen; en het zwakke Gods is sterker dan de menschon. 20 Want gij ziet uwe roeping, broeders! quot; dat dij niet velo wijzen zijt naar hot vleesch, niet vele magtigen, niet vele edelen, a Joh. 7 : 48. Jakob. 2 : 5. 27 Maar hot dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij hot sterke zou beschamen; 28 En het onedele dor wereld, en het verachte hoeft God uitverkoren, en hetgeen niet is, opdat Hij hetgeen iet is, te niet zou maken; 29 Opdat geen vleesch zou roemen voor Hom. 30 Maar uit Hom zijt gij in Christus Jezus, quot;die 'ins geworden is wijsheid van God, en regtvaar-'ligheid, en heiligmaking, en verlossing. a Jor. 23 : 5. Joh. 17 : 19. 31 Opdat het zij, gelijk geschreven is: quot;Die roemt, roome in den Heere. «.Ins. 65:10. Jor. 9:23,24. 2 Cor. 10:17. |
HOOFDSTUK 2. Do iipostol bewijst mot zijn voorbeeld, hoc hot: evangelie van Christus moot worden voorgesteld, namelijk niet met monscholijke wijsheid of wolsprekendheid, maar in oenvondighoid en geestelijke kracht, vs. 1. Verklaart wijders, wat voor hemolsche wijsheid daarin is begrepen, 6; en hoe die door Gods Geest, en niet door monschelijk vernuft is geopenbaard, 11). Verhaalt wederom mot welke woorden dio moet worden uitgesproken, 13; en hoe die niet door den natuurlijken, maar door don geestelijken menscli wordt onderscheiden en geoordeeld, 14. EN ik, broeders! als ik tot u ben gekomen, quot; bon niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God. al Cor. 1: 17. 2:4. 2 Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en dien gekruisigd. 3 quot; En ik was bij ulie-don in ''zwakheid, en in vreeze, en in vele beving. n Hand, 18:1. ft Hand. 18:3, 2Cor, 10:10. 4 En mijne rede, en mijne prediking quot; was niet in bewegelijke woorden der menschelijke wijsheid, maar in betooning des geestos en der kracht; al Cor, 1:17. 2:1, 2 Petr. 1 : KJ. 5 Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der menschen, quot; maar in do kracht Gods. o2Cor.4:7. 0 quot; Eu wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch eene wijsheid, h niet dezer wereld, noch der oversten dezer were Job 28 :21. 3: 15. rl Cor. 15 : 24. reld, '' die te niet worden; h Jakob. 7 Maar wij spreken de wijsheid quot; Gods, bestaande ''in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordend heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was; a Kom. 16:25. h 1 Cor. 4:1. 8 quot; Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft: ''want indien zij ze gekend hadden, zoo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben. a Matt. 11 : 25. Joh. 7 : 48. Hand, 13 : 27, 2 Cor, 3 : 14, ft Joh, 16:3, Hand, 3: 17, 13:27. 1 Tim. 1 : 13. 9 Maar gelijk geschreven is: quot;Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des menschon niet is opgeklommen , hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebbon. «Jes. 04:4. |
|
102(1 10 quot; Doch God heeft het ons geopenbaard door zijnon (leest: want de Geest onderzoekt alle dingen , ook de diepten Gods, a Matt. 13: 11. 2 Cor. 3:18. 11 quot; Want wie van de menschen weet hetgeen des menschen is, dan de geest dos menschen, die in hem is ? alzoo weet ook niemand hetgeen Gods is, dan de Geest Gods. a Spr. 27 : 19. Jer. 17 : i). 12 Doch wij hebben niot ontvangen den geest der wereld, quot; maar den Geest, die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn; a Kom. 8:15. 13 Dewelke wij ook spreken, quot; niet met woorden, die do menschelijko wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen mot geestelijke zamenvoegendo. a 1 Cor. 1 : 17. 2 : 4. 2 Petr. 1 : 1G. 14 Maar do natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die dos Goostos Gods zijn: want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niot verstaan, omdat zij geestelijk onderscheidon worden. 15 quot; Doch do geestelijke mensch onderscheidt wol alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden. aSpr. 28:5. 1(! quot; Want wie heoft den zin dos Hoeren gekend, dio Hem zou onderrigton? Maar wij hebben don zin van Christus. «Jes. 40:13. Roni. 11 :34. HOOFDSTUK 3. Do apostel gooft nog andere redenen, waarom hij liot evangelie in alle eenvondigheid onder hen heeft gepredikt, namelijk, om hunne kindschheid in do kennis en vleescliolijkhoid in hnnne oneenigheden, vs. 1. Verklaart wijders in welk aanzien de leeraars moeten zijn, on hoe de lof van hun werk niet aan hen, die planten en nat maken, maar aan God, die don wasdom geeft, moet worden toegeschreven, 5; dat hun ambt is om op Christus het fondament, niet hooi, stroo en stoppelen, maar goud, zilver en kostelijke gesteenten te bouwen, 10; want elks werk zal door vuur beproefd en naar bevinding beloond worden, 13; dat do tempel Oods niet door oneenigheden moet geschonden worden, 16; daar de wijsheid der menschen dwaasheid is voor God, 18; dat dan niemand moet roemen op menschen, dewijl wij van Christus zijn, 21. EN ik, broeders, kon tot u niot spreken als tot geestelijken, maar als tot vlooschelijken, als tot jonge kinderen in Christus. 2 quot;Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijs: want gij vermoogt toen nog niet; ja gij vermoogt ook nu nog niet. aHebr.5:12. lPctr.2:2. 3 Want gij zijt nog vleoschelijk: «want dewijl onder u nijd is, on twist, en tweedragt, zijt gij niot vleescholijk, en wandelt gij niet naar don mensch ? a 1 Cor. 1:11. Gal. 5 : 19. .lakob. 3 : 10. 4 Want als de een zegt: quot;Ik ben van Paulus; en een ander: Ik hen van Apollos; zijt gij niet vleoschelijk? a 1 Cor. 1 :12. 5 Wie is dan Paulus, en wie is quot; Apollos, anders dan dienaars, door welke gij geloofd hebt, en ddt, gelijk do Hoere aan oen' iegelijk gegeven hoeft? ' a Hand. 18:24. I Cor. 1:12. 10:12. |
(i Ik heb geplant, quot; Apollos hoeft nat gemaakt; maar God heeft don wasdom gegeven. a Hand. 18:20. 19: 1. 7 Zoo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, die den wasdom geeft. 8 En die plant, en die nat maakt, zijn een; quot; maar oen iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijnen arbeid. o Ps. 02 : 13. Jer. 17 : 10. 32: 19. Matt. 10 : 27. Kom. 2 : G. 14 : 12. 2 Cor. 5 : 10. Gal. G : 5. Openb. 2 : 23. 22 : 12. 9 Want wij zijn Gods quot; medearbeiders: Gods akkerwerk, Gods ''gebouw zijt gij. « 2 Cor. 0:1. b Efez. 2 : 20. Col. 2:7. 1 Petr. 2 : 5. 10 Naar do genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en oen ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe. 11 Want niemand kan oen ander fondament leggen , dan hetgeen quot; gelogd is, hetwelk is Jezus Christus. a Jes. 28: 10. Matt. 1G: 18. 12 Eu indien iemand op dit fondament bouwt, goud, zilver, kostelijke stoonen, hout, hooi, stoppelen; 13 Eens iegelijks werk zal openbaar worden: quot;want do dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal hot vuur beproeven. a Jes. 8 : 20. 48 : 10. .Ier. 23 : 29. 1 Petr. 1 : 7. 4 : 12. 14 Zoo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd hooft, die zal loon ontvangen. 15 Zoo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijdon; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzoo als door vuur. 10 quot; Weet gij niot, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in uliedon woont? n 1 Cor. 0:19. 2 Cor. 0:10. Uebr. 3:0. 1 Petr. 2 : 5. 17 Zoo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden: want do tempel Gods is heilig, welke gij zijt., 18 quot; Niemand bedrioge zich zolvon. Zoo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in deze wereld, dio worde dwaas, opdat hij wijs moge worden. a Spr. 3:7. Jes. 5:21. 19 Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God: want er is geschreven: quot;Hij vat de wijzen in hunne arglistigheid; a Job 5:13. 20 En wederom: quot; Do Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn. a I's. 94:11. 21 Niemand dan roeme op menschen, want alles is uwe. 22 Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij do wereld, hetzij loven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn allen uwe. 23 Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods. HOOFDSTUK 4. De apostel leert, waarvoor de dienaars dor gemeente moeten worden gehouden, en wat van hen wordt geöischt, vs. 1 ; acht weinig het oordeel der men- 1 CORINTIIE '2, 3, 4. |
m
1 CORINTIIE 4,
1027
|
sclion en toont mot zijn voorbeeld, dat zij voornamelijk voor Grod rekenschap znllen geven van hunne hodicning, ;i. Vermaant niet alleen do leeraars, maar ook alle geloovigen tot een matig gevoelen van zich zeiven, (j; alzoo zij niet zich zeiven, maar God door zijne gaven hen onderscheidt, 7. Hij stelt een onderscheid tusschon hot groot gevoelen, dat zij van zich zeiven hadden, en den nederigen en ellondigen staat der laatste apostelen in deze wereld, 8; opdat zij door deze vergelijking ook een minder gevoelen van zich zouden hebben, 14. Betuigt, dat hij ook Timótheüs tot dat einde tot hen zond, 17. Berispt wederom hunne opgeblazenheid en bedreigt hen met zijne komst, 18; opdat /.ij in tijds het kwaad uit hen zouden weren en dc roede ontgaan, '20. ALZOO houde ons een ieder mensch, quot; als dienaars van Christus, en uitdeelers der verborgenheden Gods. a Matt. 24:45. 2 Cor. 6:4. Col. 1:25. Tit. 1:7. 2 En voorts wordt in de uitdeelers vereischt, quot;dat elk getrouw bevonden worde. «Luk. 12:42. 3 Doch mij is voor het minste, dat ik van ulie-deil geoordeeld worde, of van een menschelijk oordeel; ja ik oordeel ook mij zeiven niet: 4 Want ik ben mij zeiven van geen ding bewust; quot; doch ik ben daardoor niet geregtvaardigd ; maar die mij oordeelt, is de Heere. « Ex. 34 : 7. Job 9 : 2. Ps. 143 : 2. 5 «Zoo dan oordeelt niets voor den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn , h welke ook in het licht zal brengen hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God. a Matt. 7 : 1. Rom. 2 : 1. h Dan. 7 : 10. Openb. 20: 12. (i En deze dingen, broeders! heb ik op mij zeiven en Apollos bij gelijkenis gepast, om uwentwil; opdat gij aan ons zoudt loeren, quot; niet te gevoelen boven hetgeen geschreven is, dat gij niet, de een om eens anders wil, opgeblazen wordt tegen don anderen. nSpr. 3:7. Kom. 12:3. 7 Want wie onderscheidt u? quot;en wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen ? en zoo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, als of gij het niet ontvangen hadt? «Joh. 3:27. Jakob. 1 : 17. 8 Aireede zijt gij verzadigd, aireede zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij geheerscht; en och of gij heerschtet, opdat ook wij mot u heer-schen mogten! !) Want ik acht, dat God ons, dio de laatste apostelen zijn, ten toon hoeft gestold quot; als tot don dood verwezen: want wij zijn ''oen schouwspel geworden der wereld, en den engelen, en den menschen. a Ps. 44 : 23. Kom. 8 : 30. 2 Cor. 4:11. b Hobr. 10 : 33, 10 «Wij zijn dwazen om Christus wil, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar ij sterken; gij zijt heerlijken, maar wij verachten. n 1 Cor. 2:3. 11 Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij monger, en lijdon wij dorst, en zijn naakt, en orden mot vuisten quot;geslagen, en hebben geene aste woonplaats, «Hand. 23:2. 12 quot; En arbeiden, werkende met onze eigene |
handen; wij worden gescholden, en wij zegenen ; wij worden vervolgd, en wij verdragen; a Hand. 18:3. 20:34. 1 Thess. 2:0. 2 ïhess. 3:8. 6Matt. 6:44. Luk. 0:28. 23:34. Hand.7:G0. Rom. 12:14. 13 Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsols der wereld en aller af-schrapsol tot nu toe. 14 Ik schrijf deze dingen niot om u te beschamen, maar quot;als mijne lieve kinderen vermaan ik u. ii 1 Thess. 2 : 11. 15 Want al hadt gij tien duizend leermeesters in Christus, zoo hebt (jij tocli niet vele vaders: quot; want in Christus Jezus heb ik u door hot evangelie geteeld. a Hand. 18 : 11. Gal. 4 : 10. Filoin. vs. 10. Jakob. 1 : 18. 1(5 Zoo vermaan ik u dan quot; zijt mijne navolgers. a 1 Cor. 11:1. Filipp. 3 : 17. I Thess. 1 : 0. 2 Thess. 3 : 0. 17 Daarom lieb ik Timótheüs tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in den Heere, welke u zal indachtig maken mijne wogen, die in Christus zijn, gelijkorwijs ik alom in alle go-meenten leer. 18 Doch sommigen zijn opgeblazen, als of ik tot ulieden niot komen zou. 19 Maar ik zal haast tot u komen, quot; zoo do Heere wil, en ik zal dan verstaan, niet de woorden dergonon, die opgeblazen zijn, maar do kracht. «Hand. 18:21. Hebr. 0:3. Jakob. 4:15. 20 quot; Want het koningrijk Gods is niet (jeleyen in woorden, maar in kracht. n 1 Cor. 2 :4. 1 Thess. 1:5. 2 Petr. 1:10. 21 Wat wilt gij? Zal ik mot do roede tot u komen, of in liefde en in don geest der zachtmoedigheid ? HOOFDSTUK 5. Do apostel gaat verder en bewijst uit de gebreken, die in do gomoento nog waren, dat do Corinthiörs meer oorzaak haddon tot vernedering, dan om te roemen on zich te verheffen, vooreerst van wego het dulden van bloedschande onderhen, vs. 1. Vermaant hen ernstig, dat zij hem, die dit deed, uit hun midden zouden weren en den Satan overgeven, 2. Brengt daartoe verscheidene redenen bij, inzonderheid ontleend van het zuurdeesem, hetwelk in het houden van hot pascha in hot O. T. moest uitgezuiverd worden, (i. Hij onderwijst hen daarna broeder, togen hoedanige menschen deze kerktucht moet worden geoefend, 9; namelijk tegen degenen, die broeders genaamd worden en dergelijke ergernissen geven ,11; latende degenen, die buiten de gemeente waren, aan Gods oordeel over, 12. MEN hoort ganschelijk dat er hoererij onder u is, en zoodanige hoererij, die ook onder do Heidenen niet genoemd wordt, alzoo dat or een quot; zijns vaders huisvrouw heeft. a Lev. 18:8. Deut. 27:20. 2 En zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet voel meer lood gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan hoeft ? I) quot; Doch ik, als wel met het ligchaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met don geest, heb 1 h 11 |
1 CORINTHE 5, 6.
102«
|
alreodo, nis of' ik tegenwoordig ware, dengenen, die dat alzoo bedreven hoeft, besloten, «Col.2:5. 4 In den naam van onzen Heere Jezus Christus, als gijlieden en mijn geest zamen vergaderd zullen zijn, met de kracht van onzen Ileere Jezus Christus, 5 quot; Denzulken over te geven den Satan, tot verderf dos vleesches, opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Ileere Jezus. n 1 Tim. 1 : 20. 6 Uw roem is niet goed. quot;Weet gij niet, dat een weinig zuurdoesem het geheele deeg zuur maakt? aGal. 0:9. 7 Zuivert dan den ouden zuurdeosem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons quot; Pascha is voor ons geslagt, namelijk Christus. aJos. 53:7. Joh. 1 :29. 1 Cor. 15:3. 8 Zoo dan laat ons quot;feest houden, niet in don '' ouden zuurdeosem, noch in don zuurdeosem dor kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde hrooden dor opregtheid on dor waarheid. ft Ex. 12:3,15. /; Dent. 1 (i : 9 Ik heb n geschreven in den brief, quot; dat gij u niet zoudt vermengen mot do hoereerders; a Dent. 7 : 2. Matt. 18 : 17. 2 Cor. G : 14. Efez. 5:11. 2 ïhoss. 3 : 14. 10 Doch niet geheellijk met de hoereerders dozer wereld, of mot do gierigaards, of met de roo-vors, of met do afgodendienaars: want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan. 11 Maar nu heb ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen, namelijk indien iemand, een brooder genaamd zijnde, een hoereerder is, of oen gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar , of een dronkaard, of oen roover; quot; dat gij mot zoodanig oenen ook niet zult eten. a Num. 12 : 14. Matt. 18 : 17. 2 Thess. 3 : 14. 2 Joh. vs. 10. 12 Want wat heb ik ook die buiten zijn te oor-deoloii!' Oordeelt gijlieden niot die binnen zijn? 13 Maar die buiten zijn oordeelt God. quot; En doet gij dezen booze uit ulieden weg. a Dont. 13 : 5. HOOFDSTUK 6. Do apostel bestraft hier nog eenige gebroken onder de Corinthiërs, waarvan het eerste is, dat zij de ge-sohillen, dio onder hen waren over wereklsche zaken, niet liever onder elkander in het vriendelijke iifdc-den, dan dat zij die voor ongeloovige overheden bragten, vs. 1. Hij bewijst, dat dit niet betaamde don geloovigen, die eenmaal do wereld en do engelen znllon oordeelen, 2. Toont daarna aan don oorsprong, waaruit zoodanige geschillen rezen, namelijk uit gebrek van liefde, verdraagzaamheid en regtvaardig-lieiii, 7. Betuigt dat de onregtvaardige en andere ergerlijke menschen het rijk der hemelen niet zuilen beërven, 9; en dat het voor hen onbehoorlijk was, zulken nog gelijk te zijn, omdat zij door den Geest (rods van de heerschappij dier zonden verlost waren, 11. Bestraft nog een ander gebrek in hen, bestaande in het misbruik van spijzen en andere dingen, den Imik betreffende, 12. Bewijst daarna met vele redenen, hoe onbetamelijk hoererij is voor de christenen. |
15; welker ligcluunen tempelen des 11. Geestes zijn, die duur zijn gekocht, en daarom God in ligchaam en geest moeten verheerlijken, 19. DURFT iemand van ulieden, die eono zaak hooft tegen oen ander', te regt gaan voor de onrogtvaardigon, on niet voor do heiligen? 2 quot; Weet gij niot, dat de heiligen do wereld oor-doelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig do minste gerogtzaken? a Matt. 19:28. Luk. 22:30. 3 Woet gij niot, dat wij de engelen oordeelen zullen? hoe voel te moer de zaken, die dit leven aangaan? 4 Zoo gij dan gerogtzaken hebt, die dit loven aangaan, zot die daarover, die in de gomoonto minst geacht zijn. 5 Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzoo onder u geen, die wijs is, ook niet oen, die zou kunnen oordeelen tusschen zijne broeders? (i Maar do ecne broeder gaat mot den anderen broeder te regt, en dat voor ongeloovigen. 7 Zoo is or dan nu ganscholijk gebrek onder u, dat gij mot elkander regtzaken hebt. quot; Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade? «Spr. 20:22. Matt. 5:39. Hom. 12: 17. 1 Thess. 5:15. 1 Petr. 3:9. 8 Maar gijlieden doet ongelijk, en doet schade, en dat den broederen. 9 Of woet gij niet, dat do onrogtvaardigon hot koningrijk Gods niot zullen beërven. 10 Dwaalt niet; quot;noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspolors, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geene lasteraars, goene roevers zullen bot koningrijk Gods beërven. « Oal. 5: 19. Efez. 5:5. Openb. 22:15. 11 quot;En dit waart gij sommigen; maar gij zijt ''afgowasschen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt goregtvaardigd, in den naam van den Ileere Jezus, en door den Geest onzes Gods; n Efez. 2:2. Col. 3:7. Tit. 3:3. h Hebr. 10:22. 12 quot;Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd , maar ik zal onder de magt van geenon mij laten brengen. a 1 Cor. 10:23. 13 Do spijzen zijn voor den buik, en de buik is voor de spijzen; maar God zal beide dezen en die to niet doen. Doch hot ligchaam is niot voor de hoererij, maar voor don Heere, en de lloore voor hot ligchaam. 14 quot; En God heeft ook den Heere opgewekt, en zal ons opwekken door zijne kracht. a Rom. 8:11. 2 Cor. 4 : 14. 15 Woet gij niet, dat uwe ligchamen loden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen, en maken ze loden eonor hoer? Dat zij verre. 16 Of weet gij niot, dat die do hoor aanhangt, oen ligchaam mei haar is? quot;Want die twee, zegt Hij, zullen tot één vloesch wezen. «Gen. 2:24. Matt. 19:5. Mark. 10:8. Efez. 5:31. |
1 CORINTHE 6, 7.
|
17 Maar die don Heere aanhangt, is oon goost met hem. 18 Vliedt de hoererij. Alle zonde, die de mensch doet, is buiten het ligchaain; maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen ligchaam. II) Of weet gij niet, quot;dat ulieder ligchaam een tempel is van don Heiligen Geest, die in u is, dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt ? «1 Cur. IJ : lü. 2 Cor. 6: 1G. Efez. 2:21. Hebr. 3; C. 1 Petr. 2:5. 20 quot;Want gij zijt duur gekocht; zoo verheerlijkt dan God in uw ligchaam en in uwen geest, welke Godes zijn. a 1 Cor. 7 : 23. Gal. 3:13. Hebr. 9 ; 12. 1 Petr. 1 : 18. HOOFDSTUK 7. De apostel beantwoordt eerie voorgestelde vraag, of liet goed is eene vrouw te nemen, vs. 1. Don go-trouwden gebiedt hij, zich aan elkander niet to onttrekken, 3; tenzij met onderlinge bewilliging, voor eenen tijd, om zieh tot vasten en bidden te begeven, 6. Verklaart verder aan de ongetrouwden en weduwen, dat het goed is ongetrouwd te blijven, namelijk voor hen, die de gaven daartoe hebben, maar niet voor anderen, 8. Beveelt den getrouwden. dat zij niet zullen scheiden, 10; zelfs niet do gc-loovigen van de ongoloovigen, zoo die tevreden zijn, bij do geloovigen te blijven, 12. Maar zoo de onge-loovigen willen scheiden, verklaart hij, dat do geloovigen alsdan niet zijn verbonden, 15. Zegt verder, dat ieder mot zijnen staat, waarin hij tot Christus is geroepen, moet tevreden zijn, zoowel besnedenen als onbesnedenen, 18; zoowel dienstknechten als vrijen, 21. Spreekt daarna van de maagden, die onder eens anders magt staan, en toont in welk geval het goed is die uit te geven, of niet, 25. Voegt daarbij eene algemeone vermaning, hoe het huwelijk en andere zaken dezer wereld moeten gebruikt worden, 29; en wolk voordeel do ongetrouwden boven de getrouwden hebben, om don llcere wel aan te hangen, 32: zoo nogtans, dat zij, die haar ten huwelijk geven, niet zondigen, 3G; en verklaart wederom, dat de getrouwden aan elkander verbonden zijn, zoo lang zij leven, 39. AANGAANDE nu do dingen, waarvan gij mij geschrovon bobt: hot is oon' mcnsch goed geono vrouw aan to raken. 2 Maar om der hoerorijen wil zal een iegelijk man zijne oigone vrouw hebben, on oono iogolijke wouw zal haren eigen' man hebben. 3 quot; Do man zal aan de vrouw de schuldige good-willigheid betalen; en desgelijks ook do vrouw aan don man. a 1 Petr. 3 : 7. 1 De vrouw heeft de magt niet over haar eigen ligchaam, maar de man; en desgelijks ook de man hoeft do magt niet over zijn eigen ligchaam, iuaar de vrouw. 'quot;Onttrekt u elkander niet, tenzij dan met heider toestemming voor oenen tijd, opdat gij u tot vasten ou bidden moogt verledigen; en komt wederom bijeen, opdat u do Satan niet verzoeke, omdat gij u niet kunt onthouden. a Jool 2: 10. 0 Doch dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel. ^ quot;Want ik wilde, dat allo monschen waren, ,'olijk als ik zelf ben; 11 maar een iegelijk hooft zijne eigene gave van God, de oon wel aldus, maar do andere alzoo. |
a Hand. 20:29. h Matt. 19:12. 1 Cor. 12:11, 8 Doch ik zeg don ongetrouwden, en do weduwen: het is hun goed, indien zij blijven, gelijk als ik. 9 quot; Maar indien zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen: want het is beter to trouwen dan to branden. a 1 Tim. 5: 11. 10 Doch den getrouwden gebiodo niot ik, maar de Heere, quot; dat do vrouw van don man nietscheide. a Mal. 2:14. Matt. 5:32. 19:9. Mark. 10:11. Luk. 10:18. 11 En indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of mot don man verzoene; on dat do man de vrouw niet verlate. 12 Maar don andoren zeg ik, niet do Heere: indien eenig broeder eouo ongoloovigo vrouw hooft, en dezelve tevreden is bij hom te wonen, dat hij ze niet verlate; 13 En eene vrouw, die oenen ongoloovigen man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niot verlate. 14 Want do ongoloovigo man is geheiligd dooide vrouw, en do ongoloovigo vrouw is geheiligd door den man: want anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig. 15 Maar indien do ongoloovigo scheidt, dat hij scheide. Do broeder of de zuster wordt in zoodanige gevallen niot dienstbaar gemaakt; maar God hooft ons tot vrede geroepen. IC quot; Want wat weet gij, vrouw! of gij den man zult zalig maken ? Of wat weet gij, man! of gij do vrouw zult zalig maken? a 1 l'etr. 3:1. 17 Doch gelijk God aan oon' iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk de Heere oon' iegelijk geroepen heeft, dat hij alzoo wandele; en alzoo vorordeno ik in al de gemeenten. 18 Is iemand, bosnedon zijnde, geroepen, die late zich goono voorhuid aantrekken; is iemand, in do voorhuid zijnde, geroepen, die late zich niet besnijden. 19 De besnijdenis is niets, en do voorhuid is niets, maar do onderhouding der geboden Gods. 20 quot;Een iegelijk blijve in die beroeping, waarin hij geroepen is. a Efez. 4:1. Filipp. 1 : 27. Col. 1 :10. 1 Thess. 2 : 12. 21 Zijt gij, oon dienstknecht zijnde, geroepen, laat u dat niot bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever. 22 Want die in don Heere geroepen is, een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Hoeren; desgelijks ook, die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus. 23 quot; Gij zijt duur gekocht, wordt geono dienstknechten dor monschen. a 1 Cor. 0 : 20. Hebr. 9 : 12. 1 Petr. 1:18. 24 Een iegelijk, waarin hij geroepen is, broeders! die blijve in hetzelve bij God. 25 Aangaande de maagdon nu, bob ik geen bevel des Hoeren; maar ik zog mijn gevoelen, |
1 CORINTHE 7, 8.
1030
|
als die barmhartigheid van don Heere gekregen heb, om getrouw te zijn. 26 Ik houde dan dit goed te zijn, om don aanstaanden nood, dat het, zcy ik, den mensch goed is alzoo te zijn. 27 Zijt gij aan eene vrouw verbonden, zoek geene ontbinding; zijt gij ongebonden van eono vrouw, zoek geene vrouw. 28 Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien eene maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vleeseh; en ik spare ulieden. 29 Maar dit zeg ik, broeders! dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; 30 En die weenen, als niet weenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die koopen, als niet bezittende; 31 En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende ; quot; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij. ff.les. 40 : (i. Jakob. 1:10. 4 :14. 1 Petr. 1 : 24. 1 Joh. 2:17. 32 En ik wil, dat gij zonder bekommernis zijt. quot; Do ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, hoe hij den Heere zal behagen; a 1 Tim. 5 : 5. 33 Maar die getrouwd is, bekommert zich met ile dingen der wereld, hoe hij de vrouw zal behagen. 34 Eene vrouw en eene maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Moeren, opdat zij heilig zij, beide aan ligchaam en aan geest; maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe zij den man zal behagen. 35 En dit zeg ik tot uw eigen voordeel; niet opdat ik eenen strik over u zou werpen, maar om u te leiden tot hetgeen wel voegt, en bekwaam is, om den Heere wel aan te hangen, zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden. 36 Maar zoo iemand acht, dat hij ongevoegelijk handelt met zijne maagd, indien zij over den jeugdigen tijd gaat, en het alzoo moet geschieden; die doe wat hij wil, hij zondigt niet; dat zij trouwen. 37 Doch die vast staat in zijn hart, geene noodzaak hebbende, maar magt hoeft over zijnen eigen' wil, en dit in zijn hart besloten heeft, dat hij zijne maagd zal bewaren, die doet wel. 38 Alzoo dan, die Jiaav ten huwelijk uitgeeft, die doet wel; en die ze ten huwelijk niet uitgeeft, die doet beter. 39 quot; Eene vrouw is door de wet verbonden, zoo langen tijd haar man leeft; maar indien haar man ontslapen is, zoo is zij vrij, om te trouwen, dien zij wil, alleenlijk in den Heere. a Kom. 7 : 2. 40 Maar zij is gelukkiger, indien zij alzoo blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook quot; don Geest Gods te hebben. a 1 Thoss. 4 : 8. |
HOOFDSTUK 8. Do apostel beantwoordt nog eono vraag, betreffende het eton van afgodenoffor, en toont aan, dat hot niet genoeg is, te weten dat eon afgod niets is, vs. 1 ; en wij maar een' God en oen' Heere hebben, 5; daar ei' vele zwakken zijn, die door zulk doen aanstoot lijden, 7; en vrijheid mogten nomen, om hetzelfde te doen naar hun voorbeeld, met eon kwaad geweten en alzoo verloren gaan, 10. Hij verklaart dat zoodanigen tegen Christus zondigen, 12; daar zelfs niemand door het gebruik van eenige spijze zijnen broeder behoort te ergeren, 13. AANGAANDE nu de dingen, die den afgoden geofferd zijn, wij weten, dat wij allen te zamen kennis hebban. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht. 2 En zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend, gelijk men behoort te kennen. 3 Maar zoo iemand God liefheeft, die is van Hein gekend. 4 quot; Aangaande dan het eten der dingen, die den afgoden geofferd zijn, wij weten, ''dat een afgod niets is in de wereld, c en dat er geen ander God is dan een. «Rom. 14:14. 6 1 Cor. 10:19. eDeut. 4:39. Efez. 4:6. 5 Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde, (gelijk er vele goden en vele heeren zijn) 6 quot; Nogtans hebben wij maar eenen God, den Vader, ''uit welken alle dingen zijn, en wij tot Hem; c en maar eenen Heere, Jezus Christus, door welken alle dingen zijn, en wij door hem. a Mal. 2: 10. Efez. 4:6. h Rom. 11 :36. cJoh. 13: 13. 1 Cor. 12:3. Filipp. 2:11. 7 Doch in allen is de konnis niet; quot; maar sommigen, met een geweten des afgods tot nog toe, eten als iets dat den afgoden geofferd is; en hun geweten, zwak zijnde, wordt bevlekt. a 1 Cor. 10 : 28. 8 quot; De spijze nu maakt ons Gode niet aangenaam : want hetzij dat wij eten, wij hebben geenen overvloed; en hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek. a Kom. 14 :17. 9 quot; Maar ziet toe, dat deze uwe magt niet eeni-gerwijze een aanstoot worde dengenen, die zwak zijn. a Gal. 5 :13. 10 Want zoo iemand u, die de kennis hebt, ziet in der afgoden tempel aanzitten, zal liet geweten deszelven, die zwak is, niet gestijfd worden, om te eten de dingen, die den afgoden geofferd zijn ? 11 En zal de broeder, die zwak is, door uwe konnis verloren gaan, om welken Christus gestorven is? a Rom. 14:15. 12 Doch gijlieden, alzoo tegen de broeders zondigende, en hun zwak geweten kwetsende, zondigt tegen Christus. 13 quot; Daarom, indien do spijs mijnen broeder ergert, zoo zal ik in eeuwigheid geen vleeseh eten, opdat ik mijnen broeder niet ergere. ff Kom. 14:21. 2 Cor. 11 : 29. |
1 CORINTHE 9.
|
HOOFDSTUK 9. Ãe apostel, om de Corinthiërs te boter te brengen tot rogt gebruik der middelmatige dingen, stelt hun voor: zijn eigen voorbeeld; en tot dat einde voegt hij hier tussohen eene rede van liet onderhoud der kerkedienaren, en betuigt dat hij, zoowel als andere apostelen, de magt had om onderhoud te ontvangen, vs. I. Brengt verscheidene redenen voor om dit te bewijzen, genomen van hen, die in den krijg dienen, die eenen wijngaard planten en eene kudde weiden, 7; van den os, die dorscht, 9; van een' zaaijer, en degenen, die den tempel of het altaar dienen, 13; verklaart, dat hij evenwel deze mngt niet heeft gebruikt en ook nog niet heeft willen gebruiken, omdat hij dit niet stichtelijk onder hen oordeelde, en om alzoo zijne magt niet te misbruiken, 15; maar dat hij zich naar de zwakke christenen, zoo Joden als Heidenen, in middelmatige zaken allezins gevoegd heeft, om hen beter te winnen, 19; vermaant eindelijk, door de gelijkenis dergenen, die om strijd loopen, in de loopbaan, en kamp-vechten of worstelen, als ook door zijn eigen voorbeeld, tot soberheid en vlijtigen voortgang in de godzaligheid, 24. BEN ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? quot;Heb ik niet Jezus Christus, onzen Heere, gezien? l' Zijt gijlieden niet mijn werk in den Heere? a Hand. 9 ; 3, 17. 22 : 14, 18. 23 : 11. 1 Oor. 15 ; 8. 2 Cor. 12 ; 2. 6 1 Cor. 4 : 15. 2 Zoo ik andoren geen apostel ben, nogtans ben ik het ulieden; want het zegel mijns apostel-schaps zijt gijlieden in den Heere. IJ Mijne verantwoording aan degenen, die onderzoek over mij doen, is deze. 4 quot; Hebben wij niet magt, om te eten en te drinken ? al Cor. 9 : 14. 1 Thess. 2 : 6. 2 Thcss. 3 : 9. 5 Hebben wij niet magt, om eene vrouw, eene zuster zijnde, niet ons om te leiden, gelijk ook de andere apostelen, en de broeders des Heeren, en quot; Cefas? a Matt. 8 ; 14. 6 Of hebben alleen ik en Barnabas geene magt van niet te werken ? 7 Wie quot; dient ooit in den krijg op eigene bezol-ding? wie ''plant eenen wijngaard, en eet niet van zijne vrucht? of «wie weidt eene kudde, en eet niet van de melk der kudde? te2Cor. 10:4. h l Cor. 3 : C, 7, 8. c Joh. 21: 15. 1 Potr. 5 : 2. 8 Spreek ik dit naar den mensch ? of zegt ook do wet hetzelve niet? 9 Want in do wet van Mozes is geschreven: quot; Gij zult eenen dorschenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen ? a Deut. 25 : 4. 1 Tim. 5 : 18. 10 Of zegt Hij dat ganschelijk om onzentwil ? Want om onzentwil is dat geschreven; overmits die ploegt, op hoop moet ploegen, en die op hoop dorscht, moet zijne hoop deelachtig worden. U quot; Indien wij ulieden het geestelijke gezaaid hebben, is het eene groote zaak, zoo wij hot uwe, dat ligchamolijk is, maaijen? n Kom. 15 : 27. Gal. G : 0. |
12 Indien anderen deze magt over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij? «Doch wij hebben deze magt niet gebruikt, maar wij verdragen het alles, opdat wij niet eene verhindering geven aan het evangelie van Christus. a Hand. 20:33. 2 Cor. 11:9. 12: 13. 13 Weet gij niet, quot;dat degenen, die do heilige dingen bedienen, van het heilige eten? en die steeds bij het altaar zijn, mot hot altaar deelen? a Deut. 18:1. 14 quot; Alzoo heeft ook de Heere verordend dengenen , die het evangelie verkondigen, dat zij van het evangelie leven. «Lev. 19:13. l)eut. 24:14. 25:4. Matt. 10:10. Luk. 1(1:7. 1 Tim. 5:18. 15 Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven, opdat het alzoo aan mij geschieden zou: want het ware mij beter te sterven, dan dat iemand dezen mijnen roem zou ijdel maken. 16 Want indien ik het evangelie verkondige, het is mij geen roem, quot;want de nood is mij opgelegd. En wee mij, indien ik het evangelie niet verkondig! a Hom. 1:14. 17 Want indien ik dat gewillig doe, zoo heb ik loon; maar indien onwillig, de uitdeeling is mij evenwel toebetrouwd. 18 Wat loon heb ik dan ? Namelijk dat ik, hot evangelie verkondigende, hot evangelie van Christus kosteloos stelle, om mijne magt in het evangelie niet te misbruiken. 1!) Want daar ik van allen vrij was, hob ik mij zeiven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zou winnen. 20 « Ik ben den Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen, die onder de wet zijn, hen ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen, die onder de wet zijn, winnen zou. a Hand. 10:3. 18: 18. 21 : 23. 21 quot;Dengenen, die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder do wet zijnde, (Gode nogtans zijnde niet zonder de wet, maar voor Christus onder do wet) opdat ik degenen, die zonder de wet zijn, winnen zou. a Gal. 2:3. 22 quot; Ik ben den zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers eenigen behouden zou. (i Kom. 15: 1. 1 Cor. 10:33. Gal. 0:1. 23 En dit doe ik om des evangelies wil, opdat ik hetzelve mede deelachtig zou worden. 24 Weet gijlieden niet, dat die in quot; do loopbaan loopen, allen wel loopen, maar dat een den prijs ontvangt ? loopt alzoo, dat gij dien moogt verkrijgen. a Gal. 2 : 2. 5 : 7. Filipp. 2:10. 2 Tim. 4:7. Hebr. 0: 18. 25 quot;En een iegelijk, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Deze dan doen wal dit, opdat zij eene verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij '' eene onverderfelijke. a 2 Tim. 2:4. ft 2 Tim. 4: 8. 1 Petr. 1 : 4. 5 : 4. 26 Ik loop dan alzoo, niet als op het onzekere; ik kamp alzoo, niet als de lucht slaande; 27 Maar ik bedwing mijn ligchaam, en breng |
|
1032 hot tot dienstbaarheid, opdat ik niet eenigzins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde. HOOFDSTUK 10. Do apostel verklaart, dat al de Israëlieten in de woestijn gedoopt geweest zijn in de wolk en in de zee, vs. 1; en dat allen dezelfde geestelijke spijze gegeten, en denzelfden geestelijken drank gedronken hebben, 3; maar dat zij evenwel van God zijn gestraft , 5; als zij tot afgoderij, 7; of tot hoererij vervielen, 8; en wanneer zij Christus verzochten, !); on tegen hem murmureerden, 10. Betuigt dat dit ons dient tot waarschuwing, om zulke zonden niet te begaan, 11. Belooft daartoe Gods hulp in verzoeking en eene goede uitkomst, 12. Vermaant hen weder, om de afgodendienst te vlieden, 14; daar zij door het gebruik des avondmaals gemeenscha]) hebben aan het ligchaam en bloed van Christus, maar door afgodendienst mot de duivelen, welker tafelen zij daarom moeten schuwen, 15; en onder geen dekmantel God tergen of hunnen naasten aanstoot geven, 22. Hij laat nogtans toe zonder navragen te eten alles, wat in het vleeschhuis verkocht wordt, 25; en door eenen ongeloovigen ge-noodigd zijnde, alles wat voorgezet wordt, tenzij iemand dat te kennen geeft, 27. Hij besluit deze rede niet eene algemeeno vermaning, om alles Ie doen tot Gods eer en stichting van onzen naaste, 31. EN ik wil niet, broeders! dat gij onwetende zijt, quot;dat onze vaders allen onder do wolk waren, en b allen door de zee doorgegaan zijn; «Ex. 13 ; 21. Num. 9 : 18. Deut. 1 : 33. Neb. 9 : 12,19. Ps. 78 : 14.105 : 39. h Ex. 14 : 22. Joz. 4 : 23. Ps. 78 ; 13. 2 En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; 3 quot; En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; «Ex. 10:15. 4 quot; En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben: want zij dronken uit do geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. «Ex. 17:0. Num. 20:11. Ps. 78: 15. 5 Maar in liet meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; quot;want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen. a Num. 20:05. G En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geenen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als quot;zij lust gehad hebben. «Num. 11 :4,33. I's. 100: 14. 7 En wordt geene afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: quot; liet volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen. «Ex. 32:0. 8 En laat ons niet hoereren, quot; gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en vielen op eenen dag drie en twintig duizend. a Num. 25:1,9. I's. 100:29. 9 En laat ons Christus niet verzoeken, quot; gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield. «Num. 21:5. I's. 100:14. 10 En murmureert niet, quot;gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver. «Ex. 10:2. 17:2. Num. 14:30. Ps. 100:25. |
11 En deze dingen allen zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; quot;en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, ''op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn. «Rom. 15 : 4. ICor. 9 :10. Filij)]). 4:5. Uebr. 10:25. 12 Zoo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. 13 Ulieden heeft geene verzoeking bevangen dan menschelijke; doch quot;God is getrouw, die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt , maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen. a 1 Cor. 1:8. 1 'I hess. 5 : 24. 2 Petr. 2 : 9. 14 Daarom, mijne geliefden! vliedt van de afgodendienst. 15 Als tot verstandigen spreek ik, oordeelt gij hetgeen ik zeg. 10 De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet eene gemeenschap des bloods van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet eene gemeenschap des ligchaams van Christus? 17 Want een brood is het, zoo zijn wij velen quot;een ligchaam, dewijl wij allen eens broods deelachtig zijn. o Kom. 12:5. 1 Oor. 12:27. 18 Ziet Israël, dat naar liet vleesch is; hebben niet degenen, die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar? 19 Wat zeg ik dan? quot;dat een afgod iets is? of dat het afgodenoffer iets is? a 1 Cor. 8:4. 20 Ja ik zeg, dat hetgeen de Heidenen offeren, quot;zij den duivelen offeren, en niet Gode; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt. «Lev. 17:7. Deut. 32:17. 21 Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken, en don drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Hoeren, en aan do tafel der duivelen. 22 Of tergen wij don Heere? Zijn wij sterker dan Hij ? 23 quot;Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; allo dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet. a 1 Cor. 0 : 12. 24 quot;Niemand zooke dat zijns zelfs is, maar oen iegelijk zoeke dat des andoren is. a 1 Cor. 13 : 5. Pilipp. 2 : 4. 25 Eet al wat in het vleeschhuis verkocht wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil: 26 quot; Want de aarde is des Hoeren, en do volheid derzelvo. «Ex. 19:5. Ps. 24:1. 50:12. 27 En indien u iemand van de ongeloovigen noodt, en gij daar gaan wilt, quot;eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende, b om des gewetens wil. «Luk. 10:7. hl Cor. 8:7. 28 Maar zoo iemand tot ulieden zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om desgenen wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en om dos go-wetons wil. Want de aarde is des Heeren, en do volheid derzelvo. 1 CORINTHE 9, 10. |
1 CORINTHE 10, 11.
1033
|
29 Doch ik zeg, om hot gowoten, niet van u zeiven, maar des anderen: want waarom wordt mijne vrijheid geoordeeld van een ander geweten? 30 En indien ik door genade der spijze deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen, quot;waarvoor ik dankzeg? aKom. 14:0. 1 Tim. 4:8. 31 quot;Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet liet al ter eere Gods. «Col. 3: 17. 32 quot; Weest zonder aanstoot te geven, en don Joden, en den Grieken, en der gemeente Gods. a Rom. 14 ; Ui. 33 Gelijkerwijs ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mogten quot; behouden worden. a 1 Cor. 9 : 22. HOOFDSTUK 11. Do apostel vermaant do Corinthiörs hem na te volgen, en prijst hen, dat zij zijne inzettingen hielden, vs. 1; verbetert eenigo misbruiken, diein hunne vergaderingen gevonden werden ; vooreerst dat in het bidden en profeteren do mannen hunne hoofden liadden gedokt en de vrouwen ongedekt, 3. Dit bewijst hij onbetamelijk te zijn, zoo voordo mannen , omdat zij het iioofd zijn der vrouwen, als voor do vrouwen , die, alzoo zij onder den man staan, tot een teeken daarvan haar hoofd behooren te dokken, of anderzins zouden beiden, mannon en vrouwen, hun hoofd ont-eeren, 4; en togen de natuur handelen, 14. Vervolgens dat in hunne vergaderingen verdeeldheden waren, 18; en daarenboven dat liet avondmaal des Hoeren onder hen niet op de regte wijze gevierd werd; vermits de rijken in het bijzonder te voren maaltijden hielden, waardoor sommigen dronken tot het avondmaal kwamen, 20. Om deze misbruiken te weren, herinnert hij hun do instelling en de hoteokonis van liet avondmaal, 23; en leert tot wolk einde en op welke wijze liet moet gehouden worden, 26; en welke straffen zij te verwachten hebben , en reeds door God over sommigen gezonden waren, die hetzelve onwaardig gebruikon, 29. Eindelijk leert hij, hoe deze misbruiken te verbeteren waren, 33. WEEST quot; mijne navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus. n 1 Cor. 4 : 10. Filipp. 3:17. 1 Thoss. 1 : G. 2 Tiiess. 3 : 9. 2 En ik prijs u, broeders! dat gij in alles mijner - edachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb. |
3 Doch ik wil, dat gij weet, quot; dat Christus hot hoofd is eens iegelijken mans, en de man hot hoofd der vrouw, 11 en God het hoofd van Christus. a Efez. 5:23. 6 Joh. 14:28. 1 Cor. 3 : 23. 15 : 27. 4 Een iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd; 5 Maar eene iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd: want het is een en hetzelfde, als of haar het haar afgesneden ware. 6 Want indien eene vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; quot; maar indien het leelijk is voor eene vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke. a Num. 5: 18. Deut. 22:5. 7 Want de man moet liet hoofd niet dekken, quot; overmits hij bet beeld en do heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans. aOen. 1:2ü,27. 5:1. 9 : 0. Col. 3 : 10. 8 quot; Want de man is uit de vrouw niet, maar do vrouw uit den man. 2 : 18, 21. ook is niet ge-om de maar do om don vrouw man. 10 Daarom moot de vrouw oono magt op hot hoofd hebben, om dor engelen wil. 11 Nogtans is noch de man zonder de vrouw, noch do vrouw zonder don man, in den Heero. 12 Want gelijkerwijs de vrouw uit don man is, alzoo is ook do man door do vrouw; doch alle dingen zijn uit God. 13 Oordeelt gij onder u zeiven: is hot betamelijk, dat de vrouw ongedekt God bidde? 14 Of leert u ook de natuur zelve niot, dat zoo een man lang haar draagt, het hem eene oneer is? 15 Maar zoo eene vrouw lang haar draagt, dat hot haar eene eer is; omdat hot lange haar voor eon doksol haar is gegeven ? 10 quot; Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonte niet, noch de gemeenten Gods. a 1 Tim. 0 :4. 17 Dit nu, hetgeen ik u aanzoggo, prijs ik niet, namelijk dat gij niot tot beter, maar tot erger zamenkomt. 18 Want oorstelijk, als gij zamenkomt in do go-moonto, zoo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder u; en ik geloof liet ten deele: |
1 CORINTHE 11, 12.
1034
|
lit quot; Want er moeten ook ketterijen '' onder u zijn, opdat degenen, die opregt zijn, openbaar mogen worden onder u. a Matt. 18 : 7. Luk. 17 : 1. h Hand. 20 : 30. 1 Joh. 2 : 19. 20 Als gij dan bijeen zamenkomt, dat is niet des Ileeren avondmaal eten. 21 Want in hot eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en do andere is dronken. 22 Hebt gij dan geene huizen, om er te eten en te drinken? of veracht gij de gemeente Gods, en beschaamt gij degenen, die niet hebben ? Wat zal ik u zeggen? zal ik u prijzen? In dezen prijs ik u niet. 23 Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook ii overgegeven heb, quot;dat de Heere Jezus in den nacht, in welken hij verraden werd, het brood nam; «Jlatt. 2G : 26. Mark. 14:22. Luk. 22; 1!). 24 En als hij gedankt had, brak hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is mijn ligchaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot mijne gedachtenis. 25 Desgelijks wam hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide; Deze drinkbeker is het nieuwe testament in mijn bloed. Doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis. 2() Want zoo dikwijls als gij dit brood zulteten, en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Ileeren, quot; totdat hij komt. a Joh. 14 ; 3. Hand. 1:11. 27 quot;Zoo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Ileeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het ligchaam en bloed des Hoeren. a Num. 9:10,13. Joh. 6:51,63, 64.13:27. ICor. 10:21. 28 quot; Maar de mensch beproeve zich zeiven, en ete alzoo van het brood, en drinke van don drinkbeker. a 2 Oor. 13:5. 29 Want die onwaardiglijk eet en drinkt, dio eet en drinkt zich zeiven een oordeel, niet onderscheidende het ligchaam des Hoeren. 30 Daarom zijn onder u vele zwakken en kran-ken, en velen slapen. 31 quot;Want indien wij ons zei ven oordeelden, zoo zouden wij niet geoordeeld worden. aPs.32:5. Spr. 18:17. 32 Maar als wij geoordeeld worden, zoo worden wij van don Heere getuchtigd, opdat wij met do wereld niet zouden veroordeeld worden. 33 Zoo dan, mijne broeders! als gij zamenkomt om te eten, verwacht elkander. |
34 Doch zoo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel zamenkomt. Do overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn. HOOFDSTUK 12. Do apostel bestraft voorts de oneenighoiil onder do Corinthiërs, ontstaan uit de verscheidenheid dor geestelijke gaven en dor kerkelijke bedieningen, on leert dat zij om dezelve zich niet moeten verhoo-vaardigen, of anderen verachten, vermits zij allen te voren Heidenen zijn geweest en de H. Geest hun die gaven verleend heeft, vs. I. Dat die Geest deze gaven in den een minder en den ander meer verscheiden werkt, naar zijn welbehagen, ten einde ze tot algemeen gebruik en nut van de geheele gemeente besteed worden, welke gaven hij tot negen toe noemt, 4. Dit verklaart hij door de gelijkenis van de verscheidene leden des ligchaaras, waarmede hij loert, dat ook do geringste gaven hare nuttigheid en noodzakelijkheid hebben, dat daarom degenen, die do voortreffelijkste gaven hebben ontvangen , niet moeten verachten hen, die minder hebben, 12. Dat dus een ieder zijne gaven moet besteden tot dienst van anderen en van liet geheele ligchaam der ge- moente, 25. Dat God, gelijk de gaven, alzoo ook de bedieningen in de gemeente niot eenerlei noch even waardig beeft besteld, 28; doch dat een ieder naar de beste gaven moet trachten, 31. EN van de goos-telijkeryayew, broeders! wil ik niet, dat gij onwetende zijt. 2 Gij weet, dat gij Heidenen waart, tot de stomme afgoden heengetrokken, naar dat gij geleid werdt. 3 Daarom maak ik u bekend, quot; dat niemand, die door den Geest Gods spreekt, Jezus eene vervloeking noemt; en niemand kan zeggen Jezus den b Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest. a Mark. 9:39. h Joh. 13:13. 1 Cor. 8 : G. 4 quot; En er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest; a Rom. 12:0. 1 Petr. 4: 10. 5 En er is verscheidenheid der bedieningen, en liet is dezelfde Heere; G En er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, die alles in allen werkt. 7 Maar aan een' iegelijk wordt do openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is. 8 Want dezen wordt door don Geest gegeven het woord der wijsheid, en oenen anderen het woord der kennis, door denzolfden Geest; 9 En oenen anderen hot geloof, door denzelfden Geest; en oenen anderen de gaven der gezond-makingen , door denzelfden Geest; 10 En oenen anderen de werkingen der krachten; |
CORINTHE 12, 13.
1030
|
en eenen anderen profetie; en eenen anderen onderscheidingen der geesten; en oenen anderen menigerlei talen; en eenen anderen uitlegging der talen. 11 Doch deze dingen alle quot; werkt de een en dezelfde Geest, ''deelende aan een' iegelijk in liet bijzonder, gelijkerwijs Hij wil. a Rom. 12 : 3, (j. El'ez. 4:7. //I Cor. 7 : 7. 2 Oor. 10 : 13. 12 quot; Want gelijk het ligchaam een is, en vele loden heeft, en al do leden van dit cone ligchaam, vele zijnde, maar een ligchaam zijn, alzoo ook Christus. a Kom. 12:4,5. Efoz. 4:10. 13 Want ook wij allen zijn door eenen Geest tot oen ligchaam gedoopt, quot;hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot éénen Geest gedrenkt. a Gal. 3 : 28. 14 Want ook het ligchaam is niet een lid, maar vele leden. 15 Indien do voet zoide: Dewijl ik de hand niot ben, zoo ben ik van het ligchaam niet; is hij daarom niet van het ligchaam? 1G En indien het oor zoide: Dewijl ik het oog niet ben, zoo ben ik van het ligchaam niet; is hot daarom niet van het ligchaam ? 17 Ware hot gelieele ligchaam liet oog, waar zou het gehoor zijn? Ware het goheelo ligchaam gehoor, waar zon de reuk zijn? 18 Maar nu heeft God de leden gezet, een ioge-lijk van dezelve in het ligchaam, gelijk Hij gewild heeft. li) Waren zij alle maar een lid, waar zou hot ligchaam zijn? 20 Maar nu zijn er wol vele leden, doch maar een ligchaam. 21 En het oog kan niot zeggen tot de hand: Ik heb u niet van noode; of wederom liet hoofd tot de voeten: Ik heb u niot van noode. 22 Ja veeleer, de loden, die ons dunken do zwakste dos ligchaams te zijn, die zijn noodig; 23 En die ons dunken do minst eerlijke leden des ligchaams te zijn, donzolven doen wij overvloediger eer aan; en onze onsierlijke leden hebben overvloediger versiering. 24 Doch onze sierlijke hebben het niot van noode; maar God heeft liet ligchaam alzoo zamengevoogd, gevende overvloediger eer aan hetgeen gebrek aan dezelve hoeft; 25 Opdat geene tweedragt in hot ligchaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen. 26 En hetzij dat oen lid lijdt, zoo lijdon al de leden mede; hetzij dat oen lid verheerlijkt wordt, zoo verblijden zich al do leden mede. 27 quot;En gijlieden zijt het ligchaam van Christus, en leden in het bijzonder. a Kom. 12 : 5. Efez. 1 : 23. 4 : 12. 5 : 23. Col. 1 : 24. 28 En God hooft er somniigon in de gemeente gesteld, quot; ten eerste apostelen, b ten tweede profeten , ten derde leeraars, daarna krachten, daarna gaven der gozondmakingon, behulpsels, regeringen, menigerlei talen. |
a Efoz. 4:11. h Efoz. 2:20. 29 Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leeraars? Zijn zij allen krachten? 30 Hebben zij allen gaven dor gezondmakingen ? Spreken zij allen met menigerlei talen? Zijn zij allen uitleggers ? 31 Doch ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u eenen weg, die nog uitnemender is. HOOFDSTUK 13. Hetgeen de apostel in het laatste van het voorgaande hoofdstuk beloofd had, om de Corinthiërs eenon uit-nemendei' wog te wijzen, volbrengt hij in dit hoofdstuk, loerende dat de liefde do voornaamste gave is, naar welke de Christenen moeten staan. Hij bewijst dit door vergelijking van andere groote gaven, als: verschillende talen, profetie, wetenschap, wonderen te doen, den armen mildelijk bij te staan, kloekmoedig om den naam van Christus ook den dood te lijden, en toont dat al die gaven zonder de liefde niets zijn, vs. 1. Hij roomt de liefde, van wege hare voortrolt'elijke eigenschappen en wei kin-gen, 4; als ook omdat zij altijd zal blijven, daalde andere gaven zullen ophouden, 8; dewijl zij in dit leven onvolmaakt zijn, !); hetwelk hij verklaart met do gelijkenis der kennis van een' kind en van een' volwassen man, en van het zien in eenen spiegel en van het gezigt zelf, 10; en eindelijk, omdat do liefde meerder en treffelijker is dan geloof en hoop, 13. AL ware hot, dat ik do talon dor menschen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden. 2 quot; En al ware het, dat ik de yave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de we- waro hot, dat ik al liet geloof ''bergen verzette, en de liefde niet had, zoo ware ik niets, a Matt. 7:22. Rom. 12:7. b Matt. 17:20. 21:21. Mark. 11:23. Luk. 17:0. 3 En al ware het, dat ik al mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, on al ware liet, dat ik mijn ligchaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zoo zou hot mij geene nuttigheid geven. 4 quot;Do liefde is langnioedig, zij is goedertieren; do liefde is niet afgunstig; do liefde handelt niot ligtvaardiglijk , zij is niet opgeblazen; a Spr. 10:12. 1 l'etr. 4:8. 5 Zij handelt niet ongeschiktelijk, quot;zij zoekt zich zelve niot, zij wordt niot verbitterd, zij denkt geen kwaad ; a 1 Cor. 10 : 24. Eilipp. 2 : 4. (j Zij verblijdt zich niot in de ongeregtighoid, quot;maar zij verblijdt zich in de waarheid; a 2 Joh. vs. 4. 7 Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt allo dingen, zij verdraagt alle dingen. 8 De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetiën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden. tenschap; en al had, zoodat ik i i |
1 CORINTHE 13, 14.
1036
|
!) Want wij kennen ten deele, en wij profeteren ten deele; 10 Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten deele is, tenietgedaan worden. 11 Toen ik oen kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overleide ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zoo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was. 12 quot; Want wij zien nu door eenen spiegel in oene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aan-gezigt tot aangezigt; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. a 2 Cor. 3 : 18. 13 En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch do meeste van deze is de liefde. HOOFDSTUK 14. Uo apostel, besluitende de voorgaande vermaning tot liefde, leert nu, dat degenen, die naar geestelijke gaven staan, incest moeten trachten naar de gave van profeteren, vs. 1; dat echter dc gave van vreemde talon niet te verachten is, maar gebruikt moot worden met bijgevoegde uitlegging, 5; hetwelk hij bewijst met de gelijkenissen van een fluit, citer, eu bazuin, 7; en toont aan, dat het strijdt tegen de natuur, eu niet anders is als oï men tot barbaren sprak, 10. Leert wijders dat men zoo moet bidden, dat zulks geschiede niet alleen met den geest, maar ook mot hot vorstand, 13; anders kan hij, die geen vreemde talen verstaat, geen amen zoggen op zulk een gebod, 10. Hij bevestigt dit niet zijn eigen voorbeeld, hetwelk hij vermaant na te volgen, 18; en bewijst uit de H. Schrift, dat de vreemde talen somtijds meer eeue straf, dan eene gave zijn, 21. Leert ook, dat het bespottelijk zou zijn, indien zij allen in vreemde talen spraken, maar stichtelijk, zoo zij allen profeteerden, 23. Daarna stelt hij eenige regelen, dio men moet volgen in het gebruiken van buitengewone gaven, namelijk dat men alles moet doen tot stichting, 20. Als men met vreemde talen spreekt, dat een ander liet uitleggo, 27; dat het profeteren geschiede bij beurten, 29; en dat de andere proleten daarover oordeelen, 32; dat de vrouwen in de gemeente zwijgen, 34; dat deze verordeningen geboden des Heeren zijn, 37; eu eindelijk, dat alles eerlijk en met orde in do gemeente moet geschieden, 40. JAAGT de liefde na, on ijvert om de geestelijke Haven, maar ineost, dat gij moogt profeteren. 2 Want die eene vreemde taal spreekt, spreekt niet den menschen, maar Godo: want niemand verstaat liet, doch met den geest spreekt hij verborgenheden. 3 Maar die profeteert, spreekt den menschen stichting, eu vermaning, en vertroosting. 4 Die eene vreemde taal spreekt, die sticht zich zolven; maar die profeteert, sticht de gemeente. 5 En ik wil wel, dat gij allen in vreemde talen spreekt, maar meer, dat gij profeteert; want die profeteert, is meer dan die vreemde talen spreekt, tenzij dan dat hij het uitleggo, opdat de gemeente stichting moge ontvangen. 0 En nu, broeders! indien ik tot u kwam, en sprak vreemde talen, wat nuttigheid zou ik u gt; |
doen, zoo ik tot u niet sprak, of in openbaring, of in kennis, of in profetic, of in leering? 7 Zelfs ook de levcnlooze dingen, die geluid geven, hetzij fluit, hetzij citer, zoo zij geen onderscheid met hunnen klank geven, hoe zal bekend worden hetgeen gefluit of op de citer gespeeld wordt? 8 Want ook indien do bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot den krijg bereiden? 9 Alzoo ook gijlieden, indien gij niet door de taal eene duidelijke rede geeft, hoe zal verstaan worden hetgeen gesproken wordt? want gij zult zijn als die in de lucht spreekt. 10 Er zijn, naar hot voorvalt, zoo vele soorten van stommen in do wereld, en geene derzelvo is zonder stem. 11 Indien ik dan do kracht der stom niet weet, zoo zal ik hem, die spreekt, barbaarsch zijn; en hij, dio spreekt, zal bij mij barbaarsch zijn. 12 Alzoo ook gij, dewijl gij ijverig zijt naar goostelijke gavon, zoo zoekt, dat gij moogt overvloedig zijn tot stichting der gemeente. 13 Daarom, die in eene vreemde taal spreekt, dio bidde, dat hij hot moge uitleggen. 14 Want indien ik in eene vreemde taal bidt, mijn goest bidt ivel, maar mijn verstand is vruchteloos. 15 Wat is het dan? Ik zal wel met den geest bidden, maar ik zal ook met het vorstand bidden; a ik zal wel met den geest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen. a Efez. 5 ; 19. Col..3 ; 10. 16 Anderzins, indien gij dankzegt mot don geest, hoe zal degene, die de plaats eens ongeleorden vervult, amen zeggen op uwe dankzegging, dewijl hij niet weet, wat gij zegt? 17 Want gij dankzegt wol behoorlijk, maar do ander wordt niet gesticht. 18 Ik dank mijnen God, dat ik meer vreemde talen spreek, dan gij allen; 19 Maar ik wil liever in de gemeente vijf woorden sproken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tien duizend woorden in eene vreemde taal. 20 quot;Broeders! wordt geene kinderen in het verstand; maar zijt kinderen in dc boosheid, en wordt in het verstand volwassen. a Matt. 18:3. 19:14. Efcz. 4 ; 14. 1 Pctr. 2: 1,2. 21 quot;In do wet is geschreven: Ik zal door lieden van andere talen, en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook alzoo zullen zij Mij niet hooren, zegt de Heere. a Deut. 28:49. Jos. 28:11. 22 Zoo dan, do vreemde talen zijn tot een toeken niet dengenen, die gelooven, maar den ongeloo-vigon; en de profetie niet don ongeloovigen, maar dengenen, dio gelooven. 23 Indien dan de geheele gemeente bijeenverga-dord ware, en zij allen in vreemde talen spraken, en eenige ongeleerdeu of ongeloovigen inkwamen, zouden zij niet zeggen, dat gij uitzinnig waart? |
CORINTHE 14, 15.
ion?
|
24 Maar indien zij allen profeteerden, en een ongeloovige of ongeleerde inkwame, die wordt van allen overtuigd, en hij wordt van allen geoordeeld. 25 En alzoo worden do verborgene dingen zijns harten openbaar; en alzoo, vallende op zijn aan-gezigt, zal hij God aanbidden, en verkondigen, dat God waarlijk onder u is. 20 Wat is het dan, broeders? wanneer gij zamen-komt, een iegelijk van u, heeft hij eenon psalm, heeft hij eene loer, heeft hij eene vreemde taal, hoeft hij eono openbaring, heeft hij eene uitlegging; Iaat allo dingen geschieden tot stichting; 27 En zoo iemand eene vreemde taal spreekt, dat het door twoe, of ten meesto drie geschiede, en bij benrte; en dat een hot uitlegge. 28 Maar indien er geon uitlegger is, dat hij zwijge in do gemeente; doch dat hij tot zich zelvon spreke, en tot God. 29 En dat tweo of drie profeten sproken, en dat do andoren oordeelon. :?() Doch indien oenen anderen, die er zit, iets geopenbaard is, dat do eerste zwijge. 31 Want gij kunt allen, do oen na don ander profeteren, opdat zij allen loeren, en allen getroost worden. 82 En de geesten dor profoton zijn den profeten onderworpen. 33 Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de gemeenten der heiligen. 34 quot; Dat uwe vrouwen in de gomoenton zwijgen: want hot is haar niot toegelaten te sproken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook ''do wet zegt. « 1 Tim. 2 : 12. iGon. 3 ; Ui. Efez. 5 : 22. Col. 3 ; 18. Tit. 2 ; 5. 1 Petr. 3:1. 35 En zoo zij iets willen loeren, laat haar te huis hare eigene mannen vragen: want het staat loolijk voor de vrouwen, dat zij in de gemeente spreken. 36 Is het woord Gods van u uitgegaan? Of is het tot ii alleen gekomen? 37 Indien iemand meent een profeet te zijn, of geestelijk, die erkenno, dat, hetgeen ik u schrijf, dos Heeren geboden zijn. 38 Maar zoo iemand onwetend is, dio zij onwetend. 39 Zoo dan, broeders! ijvert om to profetoren, on verhindert niot in vreemde talen te spreken. 40 Laat alle dingen eerlijk en met ordo geschieden. HOOFDSTUK 15. |
Do apostel bewijst do waarheid van do opstanding dor doodcii mot veie grondige redenen, waarvan de eerste genomen is van do opstanding van (Jliristus, welke hij betoogt, uit de hoofdsom zijnor loer, die hij naar do Schriften hun had voorgesteld, vs. 1; en uit de getuigenissen van Petrus, 4; van meer dan vijf honderd brooders, G; van Jakobus on van ai do apostelen, 7; en van zich zelvon, 8; besluit dat anders Christus ook niet zou zijn opgewekt, 13; hetwelk hij bewijst ongerijmd to zijn, alzoo daarmede zouden worden te niet gemaakt hunne getuigenissen, de gronden van het christelijk geloof, cn de hoop dor christenen, 14. Loert, dat Christus is degene, die do dooden zal opwekken en dat het geschieden zal in zijne toekomst, als hij al zijne vijanden zal te niet doen, en alles Code onderworpen, 21; dat anders ook do doop te vergeefs gebruikt wordt voor do dooden, 20; dat degeloovigen, als ook hij zelf, te vergeefs zoo vele gevaren zonden uitstaan, en do Epicuristen regt zouden hebben, 30. Daarna leort hij, dat de geloovigo dooden zullen opstaan met dezelfde ligchamen, doch met andore geestelijke hoedanigheden, als: onverderfelijkheid, heerlijkheid, onsterfelijkheid, 35; en dat zij ligchamen zullen hebben, niet gelijk Adam had, maar gelijk Christus, de Heere, nn heeft, 47. llij openbaart ook eene verborgenheid, dat degenen, die in de toekomst van Christus leven, niet zullen sterven, maar veranderd worden, 51; en dat alsdan de dood zal verslonden worden, waarover hij een triomflied zingt en God dankt, 54. Eono vermaning aan do Corinthiërs om in het geloof staande te blijven, 58. VOORTS, brooders! ik maak u bekend het evangelie, quot; dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat; a Gal. 1:11. 2 «Door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij hot behoudt op zoodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij te vergeefs geloofd hebt. a Hom. 1:10. 1 Cor. 1:21, 3 Want ik heb ulioden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen hob, quot; dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar do Schriften; a Jos. 53 : 7. Dan. 9 : 24, 20. 1 Cor. 6 : 7. 1 Petr. 2 : 24. 4 En dat hij is quot; begraven, en dat hij is ''opgewekt ton dorden dage, naar do Schriften; aPs. 10: 10, Jes. 53:9. Jona 1 : 17. Matt. 12:40. h Ps. 10 : 10. Jes. 53 : 8. Matt. 12 : 40. 5 En dat hij is van Gefas quot; gezien, b daarna van de twaalven. «Luk. 24:34. Hand. 10:41. b Joh. 20 : 19, onz. 6 Daarna is hij gezien van meer dan vijf honderd broederen op eenmaal, van welke het meerder deel nog overig is, en sommigen ook zijn ontslapen. 7 Daarna is hij gezien van Jakobus, daarna van al do apostelen. 8 En ton laatste van allen is hij ook quot; van mij, als van eon' ontijdig geborene, gezien. n Hand. 9 : 3, 17. 23 : 11. 1 Cor. 9:1. 2 Cor. 12: 2. 9 Want ik ben quot; do minste van de apostelen, die niot waardig ben een apostel genaamd te worden, u daarom dat ik de gemeente Gods vervolgd hob. «Efez. 3:8. h Hand. 8 : 3. 9 : 1. 22 : 4. 20 : 9. Gal. 1 : 13. 1 Tim. 1 : 13. 10 Doch door de genade Gods ben ik, dat ik bon; en zijne genade, die nan mij bewezen is, is niet ijdol geweest, quot;maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods, die mot mij is. a2 Cor. 11:23.12:11. 11 Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzoo prediken wij, en alzoo hebt gij geloofd. 12 Indien nu Christus gepredikt wordt, dat hij |
: I',
1 CORINTHE 15.
1038
|
uit do dooden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geene opstanding der dooden is? 13 En indien er geene opstanding der dooden is, zoo is Christus ook niet opgewekt. 14 En indien Christus niet opgewekt is, zoo is dan onze prediking ijdol, en ijdel is ook uw geloof; 15 En zoo worden wij ook bevonden valsche getuigen Gods: want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft, dien Hij niet heeft opgewekt, zoo namelijk de dooden niet opgewekt worden. Ui Want indien do dooden niet opgewekt worden, zoo is ook Christus niet opgewekt. 17 En indien Christus niet opgewekt is, zoo is uw geloof te vergeefs, zoo zijt gij nog in uwe zonden. 18 Zoo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn. 1!) Indien wij alleenlijk in dit loven op Clirislus zijn hopende, zoo zijn wij de ellendigste vanallomenschen. 20 Maar nu , quot; Christus is opgewekt uit do dooden, en is h de eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. n 1 1'otr. 1 : H. fcCol.l: 18. Oponb.hó. 21 Want dewijl quot; do dood door een' mensch is, zoo is ook de opstanding der dooden door een' mensch. a Gen. 2:17. 3 : G. Rom. ö; 12,18. 0:23. 22 Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzoo zullen zij ook in Christus allon levend gemaakt worden. 23 Maar een iegelijk in zijne orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in zijne toekomst. 24 Daarna zal hot einde zijn, wanneer hij het koningrijk aan God en dou Vader zal overgegeven hebben; quot; wanneer hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en allo magt en kracht: a 1 Cor. 2 : C. 25 quot;Want hij moet als Koning heerschen, totdat |
Hij al de vijanden onder zijne voeten zal gelegd hebben. a Ps. 110: 1. Hand. 2:84. Efez. 1 :20. Col. 3:1. Hobr. 1: 13. 10: 12. 26 Do laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is do dood. 27 quot; Want Hij heoft allo dingen zijnen voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat hem alle dingen onderworpen zijn, zoo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, die hem alle dingen onderworpen hoeft. a I's. 8 : 7. Malt. 11: 27. 28 : 18. Efez. 1 : 22. Hebr. 2 : 8. 28 En wanneer hom alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook do Zoon zelf onderworpen worden Dien, die hom alle dingen onderworpen hooft, opdat God zij alles in allon. 29 Anders, wat zullen zij doen, dio voor do dooden gedoopt worden , indien do dooden ganschc-lijk niet opgewekt worden ? waarom worden zij voor do dooden ook gedoopt ? 30 Waarom zijn ook wij allo uur in gevaar? 31 Ik sterf allo dag, hetwelk ik betuig bij onzen roem , dien ik heb in Christus Jezus, onzen Hoere. 32 Zoo ik, naar den mensch,togen de beosten gevochten heb te Ãfeze, wat nuttigheid is f-'f-'ing (1 lt;'of. irgt;: 4). het mij, indien do dooden niot opgewekt worden ? quot; Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij. « Jos. 22: 13. 56: 12. 33 Dwaalt niet. Kwade zamensprekingon verderven goede zeden. 34 Waakt op regtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen bobben de kennis van God niet. Ik zeg hot u tot schaamte. 35 Maar, zal iemand zeggen: «Hoe zullen de dooden opgewekt worden ? en mot hoedanig oen ligohaam zullen zij konion? aEzec. 37:3. 36 Gij dwaas! quot; hetgeen gij zaait, wordt niot levend, tenzij dat het gestorven is; «Joh. 12:24. 37 En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het |
T
1 CORINTHE 15, 16.
1039
|
Ãgchaam niet, dat worden zal, maar oen bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van eenig der andere granen. 88 Maar God geeft hetzelve een ligchaam, gelijk Illj wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen ligchaam. :i9 Allo vleosch is niet hetzelfde vleosch; maar eon ander is het vleosch dor monschon, en oen ander is hot vleosch der hoesten, en oon ander der visschon, en een ander dor vogelen. 40 En er zijn hemolsche ligchamen, en er zijn aardscho ligchamen; maar eeno andore is do heerlijkheid dor homelsche, en eeno andere der aardsche. 41 Eeno andere is de heerlijkheid der zon, en eeno andere is de heerlijkheid der maan, en eeno andere is de heerlijkheid dor sterren: want de cewestor verschilt in heerlijkheid van de cwirZerestor. 42 quot; Alzoo zal ook de opstanding der doodon zijn. Het ligchaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfolijkheid; ft Dan. 12:3. Matt. 13:43. 43 Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; hot wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. 44 Eon natuurlijk ligchaam wordt er gezaaid, oon geestelijk ligchaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk ligchaam, en er is oon geestelijk ligchaam. 4;') Alzoo is er ook geschreven; quot; De eerste mensch Adam is geworden tot eeno levende ziel; do laatste Adam tot eenen levendmakenden geest. a Gen. 2 ; 7. 4G Doch het geestelijke is niet eerst, maar hot natuurlijke, daarna liet geestelijke. 47 Do eerste mensch is uit de aarde, aardsch; de tweede mensch is do Heere uit den hemel. 48 Hoedanig do aardsche is, zoodanige zijn ook do aardschon; en hoedanig do homelsche is, zoodanige zijn ook de hemelschon. 49 En quot; gelijkorwijs wij hot beeld des aardschon gedragen hebben, alzoo zullen wij ook hot beeld des hemelschon dragen. «2 Oor. 4:11. 50 Doch dit zog ik, broeders! quot; dat vleosch en Nood het koningrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft do onverderfolijkheid niet. «Joh. I ; 13. 51 Ziet, ik zeg u eeno verborgenheid: quot; wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; a 1 Tlioss. 4:10. 52 In oon punt des tij (Is, in oon oogenblik, met de laatste bazuin: want de bazuin zal slaan, n do dooien zullen onverderfelijk opgewekt wor-â en, en wij zullen veranderd worden. a Matt. 24:31. 1 Tliess. 4: 10. 53 Want dit verderfelijke moot onverderfolijkheid andoen, en dit sterfelijke moet quot;onsterfelijkheid â andoon. «2 001'. 5:4. i4 En wanneer dit verderfelijke zal onverderfo-jkhoid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal ^sterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden dat geschreven is: quot;Do dood is verslonden tot overwinning. |
«Jos. 25:8. Hos. 13:14. Hebr. 2:14. 55 Dood! waar is uw prikkel ? Hol! waar is uwe overwinning ? 5G Do prikkel nu des doods is do zonde; en de kracht dor zonde is do wet. 57 quot; Maar Godo zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus. (i 1 Joh. 5 : 5. 58 Zoo dan, mijne geliefde broeders! zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk dos Heeron, als die weet, dat uw arbeid niet ijdol is in den Heere. HOOFDSTUK 16. De apostel vermaant do gomoento van Corinthe, om naar het voorbeeld van de gemeente van Galatië, eeno collecte to doen voor de arme geloovigon te Torflzalem, vs. 1. Wijst aan, lino dezelve op den oorsten dag dor week zeer geschikt kan geschieden. 2; en door wien derwaarts gezonden worden, 3. Belooft dat hij door Macedonië tot hen zal komen en conon langen tijd bij hen blijven. 5. Geeft roden waarom hij tot hot pinkstorfcest te Efozo moot blijven, 8. Vermaant hen om Timothéüs vriendelijk te ontvangen en in vrede to laten vertrokken, on ook hot uitstel van Apollos komst ton goodo te houden, 10. Hij doet daarbij eeno algemeone vermaning tot standvastigheid in het geloof en do liefde, 13; en in liet bijzonder, dat zij het Iniisgeziii van Stófanns zouden hoogachten, daar hij zich mot Kortnnatus en Achaïcus zoor verkwikt heeft, 15. Groot de gomoento van Corinthe, van wego de gemeenten van Azië, en bijzonder van A'quila en Priseilla, 19; on groet hen ook zelf met zijne eigene hand, 21. Verkondigt allen, die Christus niet liefhebben den vloek, 21. Wenscht den geloovigon do genade Gods en belooft hun zijne liefde, 23. AANGAANDE nu de verzameling, die voor de heiligen geschiedt, gelijk als ik aan do gemeenten in Galatië verordend heb, doet ook gij alzoo. 2 quot; Op eiken eersten dag der week, logge oen iegelijk van u iets bij zich zeiven weg, vergaderende eenen schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn. ft Hand. 11 : 29. 2 Cor. 8:4. 9:1. 3 En wanneer ik daar zal gekomen zijn, zal ik hen, die gij zult bekwaam achten door brieven, zenden, om uwe gave naar Jeruzalem over te dragen. 4 En indien het der moeite waardig mogt zijn, dat ik ook zelf reizen zou, zoo zullen zij met mij reizen. 5 Doch quot; ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonië zal doorgegaan zijn (want ik zal door Macedonië gaan); «2 Cor. 1 :15. G En ik zal mogelijk bij u blijven, of ook overwinteren, opdat gij mij moogt geleiden, waar ik zal henenreizen. 7 Want ik wil u nu niet zien in het voorbijgaan, maar ik hoop eenigen tijd bij u te blijven, indien hot de Heere zal toelaten. |
.
2 CORINTHE 1.
1040
|
8 Maar ik zal to Efozc blijven tot den pinksterrfac/. 9 Want mij is oenc groote on krachtige deur geopend, en er zijn volo tegenstanders. 10 Zoo nu Timótheüs komt, ziet, dat hij buiten vreeze bij u zij: want iiij workt hot werk des Hoeren, gelijk als ik 11 Dat hem dan niemand verachte; maar geleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome: want ik verwacht hem met do broederen. 12 En wat aangaat Apolios, don broeder, ik heb hom zoor gebeden, dat hij mot do broederen tot u komen zou; maar hot was ganschelijk zijn wil niet, dat hij nu zou komen; doch hij zal komen, wanneer hot hem wol gelogen zal zijn. 13 Waakt, staat in liet geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk. 14 Dat al uwe dingen in do liefde geschieden. IT) En ik bid u, broeders! gij kont het huis van Stéfanas, dat het is de eersteling van Achaje, en dat zij zich zelven don heiligen ter dienst hebben geschikt; |
16 Dat gij ook u aan do zoodanigen onderwerpt, on aan een' iegelijk, die medewerkt en arbeidt. 17 En ik verblijde mij over de aankomst van Stéfanas, en Fortunatus, en Achaïcus, want deze hebben vervuld hetgeen mij aan u ontbrak: 18 Want zij hebben mijnen geest verkwikt, en ook den uwen. Erkent dan de zoodanigen, 19 U groeten de gemeenten van Azië. U groeten zeer in den Heero A'quila en Priscilla, met de gemeente, die te hunnen huize is. 20 U groeten al de broeders. a Groet elkander mot eenen heiligen kus. a Hom. 10:1G. 2001-. 1;}: 12. 1 Thess. 5:26. 1 Petr. 5:14. 21 Do groetenis met mijne hand van Paulus. 22 Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij oeno vervloeking, Maran-atha! 28 Do genade van don Heero Jezus Christus zij mot u. 24 Mijne liefde zij mot u allen in Christus Jezus. Amen. |
DE TW EEDE BRIEF VA N DEN APOSTEL PAULUS
AAN DIE VAN
CORINTHE.
|
HOOFDSTUK 1. Nu het gewone opschrift van dezen brief, vs. 1; dankt Panlns God voor do vertroostingen, die hij in alle verdrukkingen door Christus, anderen tot oen voor-hoold, ontving, 3; en komt daarna tot hot vorhnal van do grooto vervolging, welke hem in Azië was overkomen, 8; nit welke hij nogtans was verlost door hunne gebeden, 10. Betuigt dat hij met op-regtheid in de wereld, maar meest onder hen had verkeerd ,12; en dat hij ook oprogt voorgenomen had weder tot hen over te komen, 15; hoewel hetzelve nog niet was geschied, 17; niet omdat zijn woord was ja en neon, 18; daar allo beloften Gods in Christus ja en zeker zijn, 20; on door den H. Geest in ons bevestigd, 21; maar betuigt mot eenen eed, dat hij zijne komst tot hen nog had nitgesteld, om hen te sparen, 23. PAULUS, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, en quot;Timótheüs, de broeder, aan de gemeente Gods, die te Corinthe is, met al de heiligen, die in geheel Achaje zijn: a Filipp. 1 : 1. 2 quot;Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en don Heere Jezus Christus. a Rom. 1:7.1 Cor. 1 : 3. Efez. 1:2. 1 Petr. 1 :2. 3 quot; Geloofd zij do God en Vader van onzen Heero Jezus Christus, do Vader dor barmhartigheden , en do God aller vertroosting; a Efcz. 1 : 3. 1 Petr. 1 : 8. |
4 quot; Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting , met welke wij zelven van God vertroost worden. â a 2 Cor. 7 :6. 5 quot; Want gelijk hot lijden van Christus overvloedig is in ons, alzoo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig, a Ps. 34: 20. 04: 19. 6 Doch hetzij dat wij verdrukt worden, het is tot uwe vertroosting en zaligheid, quot; die gewrocht wordt in de lijdzaamheid van hetzelfde lijden, hetwelk wij ook lijden; hetzij dat wij vertroost worden, het is tot uwe vertroosting en zaligheid; a 2 Cor. 4 : 17. 7 En onze hoop van u is vast, als die weten, dat gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden, (/ij ook alzoo gemeenschap hebt aan de vertroosting. 8 Want wij willen niet, broeders! dat gij onwetende zijt van onze verdrukking, quot;die ons in Azië overkomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest boven onze magt, alzoo dal wij zeer in twijfel waren ook van het leven. a Hand. J9 : 23, enz 9 Ja wij hadden al zelven in ons zelven hel vonnis des doods, quot; opdat wij niet op ons zelven vertrouwen zouden, maar op God, die do doodon verwekt; a Jer. 17 : 5, 7 10 quot; Die ons uit zoo grooten dood verlost heeft, en nog verlost; op welken wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal: a 1 Cor. 15:31. 11 quot; Alzoo gijlieden ook medoarbeidt voor ons |
2 CORINTHE 1, 2.
1041
|
door het gebed, b opdat over de gave, door vele personen aan ons te weeg gebragt, ook voor ons dankzegging door velen gedaan worde. aEom. 15 : B0. Filipp. 1:19. b 2 Cor. 4:15. 12 Want onze roem is deze, namelijk de getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoudigheid en opregtheid Gods, niet in vleeschelijke wijsheid, maar in de genade Gods, in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij ulieden. 13 Want wij schrijven u geene andere dingen, dan die gij kent, of ook erkent; en ik hoop, dat gij ze ook tot het einde toe erkennen zult; 14 Gelijkerwijs gij ook ten deele ons erkend hebt, dat wij uw roem zijn, quot;gelijk gij ook do onze zijt, in den dag van den Ileere Jezus. a Filipp. 2 : 10. 1 Thess. 2:19. 15 quot; En op dit betrouwen wilde ik te voren tot u komen, opdat gij eene tweede genade zoudt hebben ; a 1 Cor. 10 : 5. 16 En door uwe stad naar Macedonië gaan, en wederom van Macedonië tot u komen, en van ulieden naar Judéa geleid worden. 17 Als ik dan dit voorgenomen heb, heb ik ook ligtvaardigheid gebruikt? of neem ik het naar het vleesch voor, hetgeen ik voorneem, opdat bij mij zou wezen ja, ja, en neen, neen? 18 Doch God is getrouw, dat ons woord, hetwelk tot u is (jesahied, quot; niet is geweest ja en neen. a Matt. 5 : 37. .lakob. 5 :12. 19 Want de Zoon van God, Jezus Christus, die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij, en Silvanus, en Timótheüs, was niet ja en neen, maar is geweest ja in Hem. 20 Want zoo vele beloften Gods als er zijn, die zijn in hom ja, en zijn in hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons. 21 Maar die ons met u bevestigt in Christus, en die ons^gezalfd heeft, is God; *2 « Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven. a Rom. 8:10. 2 Cor. 5 : 6. Efez. 1 : 13. 4 : 30. '3 quot; Doch ik aanroepe God tot een' getuige over mijne ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Go-1 nthe niet ben gekomen, a Rom. 1:0. 9:1. 2 Cor. 11 : 31. Gal. 1 : 20. Filipp. 1: 8. 1 Thess. 2:5. 1 Tim. 5 : 21. 2 Tim. 4 : 1. |
24 quot; Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers uwer blijdschap: want gij staat door het geloof. alPetr.5:3. HOOFDSTUK 2. Do apostel gaat voort in het verklaren van de redenen, waarom hij tot nog toe niet was gekomen, namelijk omdat hij niet mot droefheid, maar mot blijdschap bij hen wilde zijn, vs. 1. Betuigt dat hetgene hij te voren van don bloedschender aan hen geschreven had, mot tranen en nit liefde voor bon was geschied, 4. Beveelt hun, dat zij hem om zijne droefheid nu weder zullen aannemen en vertroosten, opdat hij door te groote droefheid in geene wanhoop vervalle, (J. Verhaalt verder, hoe bij liet evangelie te Troas alleen gepredikt had en daarna in Mace- dóniö, 12; en betuigt, dat zijne prediking alom Gode een aangename reuk is, zoo iii degenen , die behouden worden, als in degenen, die verloren gaan, 14; daar hij hetzelve overal opregt voorstelt, 17. MAAR ik heb dit bij mij zelvon voorgenomen, dat ik niet wederom in droefheid tot u komen zou. 2 Want indien ik ulieden bedroef, wie is het toch, die mij zal vrolijk maken , dan degene, die van mij bedroefd is geworden ? 3 En ditzelfde heb ik u geschreven, opdat ik, daar komende, niet zou droefheid hebben van degenen, van welke ik moest verblijd worden: quot; vertrouwende van u allen, dat mijne blijdschap uw aller blijdschap is. a 2 Cor. 8:22. Gal. 5:10. 4 Want ik heb ulieden uit vele verdrukking en benaauwdheid des harten, niet vele tranen geschreven , niet opdat gij zoudt bedroefd worden, maar opdat gij de liefde zoudt verstaan, die ik overvloediglijk tot u heb. 5 Doch indien iemand bedroefd heeft, die hoeft niet mij bedroefd, maar ten doele (opdat ik hem niet bezware) ulieden allen. (i quot; Den zoodanige is deze bestraffing genoog, die van velen geschied is. a 1 Cor. 5: 3. 7 Alzoo dat gij daarentegen hem liever inoet vergeven en vertroosten, opdat de zoodanige door al te overvloedige droefheid niet eenigzins worde verslonden. 8 Daarom bid ik u, dat gij de liefde aan hom bevestigt. 9 Want daartoe heb ik ook geschreven, opdat 66 |
2 CORINTHE 2, 3, 4.
1042
|
ik uwe beproeving mogt verstaan, of gij in alios gehoorzaam zijt. 10 Dien gij nu iets vergeeft, dien vergeef ook: want zoo ik ook iets vergeven heb, dien ik vergeven heb , heb ik het vergeven om uwentwil, voor het aangezigt van Christus, opdat de Satan over ons geen voordeel krijge: 11 Want zijne gedachten zijn ons niet onbekend. 12 Voorts quot; als ik te Tróas kwam, om het evangelie van Christus te prediken, en als mij eene deur geopend was in den Heere, zoo heb ik geene rust gehad voor mijnen geest, omdat ik Titus, mijnen broeder, niet vond; «Hand. 10:8. 13 Maar afscheid van hen genomen hebbende, vertrok ik naar Macedonië. 14 En Code zij dank, die ons allen tijd doet triomferen in Christus, quot;en den reuk zijner kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. a Col. 1 : 27. 15 Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan; 16 quot;Dezen wel een reuk des doods ten doode; maar genen een reuk des levens ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam? aLuk. 2:34. 17 Want wij dragen niet, gelijk velen, liet woord Gods te koop, maar als uit opregtheid, maar als uit God, in do tegenwoordigheid Gods, spreken wij het in Christus. HOOFDSTUK 3. l)c apostel geeft reden, waarom iiij op het einde van liet voorgaande hoofdstuk de dienst van liet evangelie zoo hoog had verheven, en beroept zich eerst op de bevinding der Corinthiërs zeiven, die door deze zijne dienst tot Christus bekeerd waren, vs. 1. Doet daarbij, dat deze kracht niet uit hom, maar uit God was, 5. Bewijst hetzelve wijders door eene vergelijking van de dienst van Mozes, welke hij eene doodende lettor in steenen tafelen gedrukt, cn eene bediening dor verdoemenis noemt, die niet blijft; en van de dienst der apostelen, welke hij eene dienst dos Geestes, des levens cn der regt-vaardiglieid noemt, en altijd blijft, G. Verklaart, dat op het aangezigt van Mozes een deksel lag en ook op do Joden bij het lezen der wet , al zoo dat zij hot doel der wet niet verstonden, 13; welk deksel van hen zal afgenomen worden, als zij tot God zullen bekeerd zijn, 10; maar dat de dienst van hot N. ï. klaar is en een middel, door hetwelk do Geest des llceren krachtig is tot onze vernieuwing, 17. BEGINNEN quot; wij ons zelvon wederom u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u? a 2 Cor. 5:12. 10:8. 2 Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle menschen; 3 Als die openbaar zijt geworden, dat gij een brief van Christus zijt, en door onze dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door den Geest des levenden Gods, niet quot;in steenen tafelen, 6 maar in vleeschen tafelen des harten. a Ex.24:12.34:1. i Jer. 31:33. Ezec. 11:19.30:20. Hebr. 8:10. |
4 En zoodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God. 5 Niet dat wij van ons zeiven bekwaam zijn iets te denken, als uit ons zeiven; maar quot; onze bekwaamheid is uit God; a Filipp, 2: 13. 6 Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn quot;dienaars ''des nieuwen testaments, niet dei-letter, maar des Geestes: want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. a 2 Cor. 5 :18. h Hebr. 8 : 6, 8. 7 En indien de bediening des doods in letteren bestaande, quot;en in steenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, b alzoo dat de kinderen Israels het aangezigt van Mozes niet konden sterk aanzien, om do heerlijkheid zijns aangezigts, die te niet gedaan zou worden; «Ex. 24:12. 34:1. Deut. 10:2. amp; Ex. 34:30. 8 Hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn? !) Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der regtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid. 10 Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen deele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid. 11 Want indien hetgeen te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft, in heerlijkheid. 12 Dewijl wij dan zoodanige hoop hebben, zoo gebruiken wij vele vrijmoedigheid in hot spreken; 13 En doen niet gelijkerwijs quot;Mozes, die oen deksel op zijn aangezigt leide, opdat de kinderen Israëls niet zouden sterk zien ü op het einde van hetgeen te niet gedaan wordt; a Ex. 34 : 3r). h Hom. 10 : 4. 14 quot;Maar hunne zinnen zijn verhard geworden: want tot op den day van heden blijft hetzelfde deksel in hot lezen des ouden testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus te niet gedaan wordt. aJes. 0:10. Ezec. 12:2. Matt. 13:11. Hand. 28:20. Rom. 11:8. 1;quot;) Maar tot den huldigen dalt;j toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart. 1(1 quot;Doch zoo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zoo wordt hot deksel weggenomen. a Matt. 13:11. Rom. 11:23. 1 Cor. 2:10 17 quot;De Heere nu is do Geest; en waar de Geest des Hoeren is, aldaar is vrijheid. «Joh. 4:24 18 quot;En wij allen, met ongedekten aangezigte de heerlijkheid des Heeren ah in eenen spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. a 1 Cor. 13:12. 2 Cor. !): 7 HOOFDSTUK 4. Dc apostel betuigt, dat hij het evangelie van Christus opregt en duidelijk voorstelt voor do gewetens van alle menschen, vs 1: en dat, zoo hetzelve iemand bedekt is, het bedekt is voor degenen, die verloren gaan, welker zinnen de Satan hoeft verblind, 3. |
|
Dat deze kracht evenwel niet van de dienaars, maar van Christus is, en van God, die de harten verlicht, 5. Dat ook deze kracht zich wonderlijk in de apostelen van Christus zeiven openbaart, in het overwinnen van allerlei verdrukkingen en zwarigheden, die hun dagelijks overkomen, 8; en stolt daarna verscheidene redenen van vertroostingen, met welke zij zich zeiven en anderen versterken, genomen nit hot voorbeeld van David, 13; en van de zalige opstanding, 14; van de dankbaarheid voor zulke verlossingen, 15; van de vernieuwing van den inwendigen monsch, lö; en eindelijk van de grootte der eeuwige heerlijkheid, die hierop zal volgen, 17. DAAROM dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid, die ons geschied is, zoo vertragen wij niet; 2 Maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, quot;niet wandelende in arglistigheid, noch het woord Gods vervalschende, maar door openbaring der waarheid ons zeiven b aangenaam makende bij alle gewetens der menschen, in de tegenwoordigheid Gods. a 2 Cor. 2:17. 12 Cor. (i; 4. Doch indien ook ons evangelie bedekt is, zoo is het bedekt in degenen, quot; die verloren gaan: a 2 Cor. 2; 15. 2 Thess. 2 : 10. 4 In dewelke de God dezer eeuw quot; de zinnen verblind heeft, namalijlc der ongeloovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het evangelie der heerlijkheid van Christus, ''die het beeld Gods is. «.les. 6:10. Joh. 12:40. 6.1oh. 14:9. Filipp. 2:0. Col. 1:15. Hebr. 1:3. 5 Want wij prediken niet ons zeiven, maar Christus Jezus, den Heore; en ons zeiven, dnt wij uwe dienaars zijn om Jezus wil. (i Want God, quot;die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is degene, ''die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezigt van Jezus Christus. a Gen. 1 : 3. h 2 Petr. 1:19. 7 Maar wij hebben dezen schat quot; in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van 6 God, en niet uit ons : a 2 Cor. 5 : 1. b 1 Cor. 2 : 5. 8 Als die in alles verdrukt worden, doch niet benaauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig; 9 Vervolgd, doch niet daarin verlaten; neder-geworpen, doch niet verdorven; 10 quot; Altijd de dooding van den Heere Jezus in het ligchaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons ligchaam zou geopenbaard worden. a Kom. 8:17. Gal. 0: 17. Filipp. 3 : 10. 2 Tim. 2:11,12. 1 Petr. 4 : 13, 11 quot;Want wij, die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus wil; b opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vleesch zou geopenbaard worden. «Ps. 44:23. Matt. 5:11. Kom. 8 : 30. 1 Cor. 4:9. i 1 Cor. 15 : 49. Col. 3 : 4. 12 Zoo dan, de dood werkt wel in ons, maar â iet leven in ulieden. 13 Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs lebben, gelijk er geschreven is: quot; Ik heb geloofd, |
1043 daarom heb ik gesproken; zoo gelooven wij ook, daarom spreken wij ook. a Ps. 116:10. 14 quot; Wetende, dat Hij, die den Ileere Jezus opgewekt hoeft, ook ons door Jezus zal opwekken, en met ulieden daar zal stellen. a Kom. 8:11. 1 Cor. 0:14. 15 Want al deze dingen zijn om uwentwil, quot;opdat de vermenigvuldigde genade, door de dankzegging van velen, overvloedig worde ter heerlijkheid Gods. «2 Cor. 1:11. 16 Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mensch verdorven wordt, zoo wordt nogtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag. 17 quot; Want onze ligte verdrukking, die zeer haast \oovhiilt;/aat, werkt ons een gansch zeer uitnemend eeuwig gewigt der heerlijkheid; a Ps. 30 : 6. Matt. 5 : 12. Kom. 8 : 18. 1 Joh. : 2. 18 Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet: want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maaide dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig. HOOFDSTUK 5. De apostel gaat voort in hot beschrijven van de hoop der zaligheid, door welke wij verzekerd zijn, dat als dit ligchaam, hetwelk een aardsche tabernakel is, gebroken wordt, wij dan eene eeuwige woonstede hebben in den hemel, vs. 1 ; waarmede wij verlangen overkleed te worden, 4; vermits, zoo lang wij in dit ligchaam inwonen, wij van don Heere uitwonen, 6. Hij vermaant, dat dan een iegelijk naarstig moet zijn, om don Heore te behagen, 9; daar wij allen voor den regtorstoel van Christus moeten verschijnen, 10. Betuigt daarom ook zijne naarstigheid onder hen, 11; niet om zich zeiven to prijzen, maar om hun stof van roem te geven tegen do valsche apostelen, 12. Leert, dat Christus voor allen gestorven en opgewekt is, opdat zij allen hom zouden leven, 15. Waarom hij voortaan niemand meer kent naar het vleesch , 10; maar naar de nieuwe schepping, dio uit God is in Christus, 17. Waartoe zij als gezanten Gods worden gebruikt, om de menschen met God in Christus te verzoenen, 19. WANT wij weten, dat, zoo ons quot;aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen, a 2 Cor. 4 : 7. 2 quot; Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden. a Hom. 8:23, 3 quot; Zoo wij ook bekleed e?i niet naakt zullen gevonden worden. a Openb. 3:18. 16:15. 4 Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, quot; opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde. ft Kom, 8:11, 1 Cor. 15:53, 5 Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, quot; die ons ook hot onderpand des Geestes gegeven heeft. a Kom, 8:l(i. 2 Cor. 1 : 22. Efez. 1:13, 4:30. 6 Wij hebben dan altijd goeden moed, en weten, dat wij, inwonende in het ligchaam, uitwonen van den Heere: 2 CORINTHE 4, 5. |
00*
2 CORINTHE 5, G.
1044
|
7 quot; (Want wij wandelen dooi- geloof en niet dooi-aanschouwen) al Cor. 13:12. 2Cor. 3:18. 8 Maar wij hebben goeden moed, en hebben meer behagen om uit hot ligchaam uit te wonen, en bij den Heere in te wonen. 9 Daarom zijn wij ook zeer begeerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om hem welbehagelijk te zijn. 10 quot; Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den regterstoel van Christus, ''opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het ligchaam geschiedt} naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. a Matt. 25:32. Rom. 14:10. iPs. 62 :13. .lor. 17:10. 32 : 19. Matt. 16 : 27. Hom. 2:6. 14:12.1 Cor. 8:8. Gal. 6:5. Openb. 2:23. 22:12. 11 Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de monschen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden ; doch ik hoop ook in uwe gewetens geopenbaard te zijn. 12 quot; Want wij prijzen ons zeiven u niet wederom aan , maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat gij stof' zoudt hebben tegen degenen, die in het aangezigt roemen , en niet in het hart. «2 Cor. 3:1. 10 : 8. 13 Want hetzij dat wij uitzinnig zijn, wij zijn het Gode; hetzij dat wij gematigd van zinnen zijn, wij zijn het ulieden. 14 Want de liefde van Christus dringt ons: 15 Als die dit oordee-len, dat, indien één voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En hij is voor allen gestorven , quot; opdat degenen, die leven, niet meer zich zolven zouden leven, maar dien, die voor hen gestorven en opgewekt is. a Rom 14 : 7. Gal. 2 : 20. 1 Thess. 5 :10. 1 Petr. 4 : 2. 16 quot; Zoo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vleescli; en indien wij ook Christus naar het vleesch gekend hebben, nogtans kennen wij hem nu niet meer naar het vleesch. a Matt. 12 : 50. Joh. 15 : 14 Gal. 5 : 6. 6 : 15. Col. 3 : 11. 17 Zoo clan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel: quot;het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden, a.les. 43:18. Openb. 21 : 5. 18 En al deze dingen zijn uit God, quot;die ons met zicli zeiven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft. a Col. 1 : 20. 1 Joh. 2:2. 4:10. |
19 quot; Want God was in Christus de wereld met zich zeiven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd. « Rom. 3 : 24, 25. Col. 1: 20. 20 Zoo zijn wij dan quot; gezanten van Christus wege, als of God door ons bade: wij bidden van Christus wege, laat u met God verzoenen. «2 Cor. 3:6. 21 quot;Want dien, die geene zonde gekend heeft, '' hoeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden regtvaardigheid Gods in hem. a Jos. 53 : 9. 1 Petr. 2 : 22. 1 Joh. 3 : 5, h Jes. 53:12. Rom. 8:3. Gal. 3:13. HOOFDSTUK 6. Paulus vermaant do Corintliiërs, dat zij de genade, die Iniii door hem als een gezant van Christus was toegediend, niet te vergeefs mogten ontvangen hebben, vs. 1 ; en verhaalt, hoe getrouw hij zijne dienst had vol-bragt, zelfs in het midden van alle zwarigheden en verdrukkingen, 3; mitsgaders met hoeda-nige deugden en krachten des Geestes zijn arbeid was vergezeld geweest, 6. Verklaart wijders zijne groote genegenheid jegens hon, 11; en eischt van hen, dezelve weder-keerig hem toe te dragon, 12. Vermaant hen, geen juk aan te trekken met de ongeloovigon, 14; en geene gemeenschap te hebben met de afgoden, daar de ge-loovigon Gods tempel zijn, 16; maar zich van die af te scheiden, 17; daar God hun Vaderis, en zij zijne kinderen zijn, 18. EN wij, als quot; medear-beidende, bidden n ook, '' dat gij do genade Gods niet te vergeefs moogt ontvangen hebben. a 1 Cor. 3:9.6 Hebr. 12:15. 2 quot; Want Hij zegt: In den aangenamen tijd heb Ik u verhoord, en in den dag dor zaligheid heb Ik ii geholpen. Ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag der zaligheid! aJes.49:8. 3 quot; Wij geven geenen aanstoot in eonig ding, opdat de bediening niet gelasterd worde. a Kom. 14 :13. 1 Cor. 10 : 32. 4 Maar wij, quot; als dienaars van God, maken ons zeiven in alles aangenaam, ''in vele verdraagzaamheid , in verdrukkingen, in noodon, in be-naauwdheden, a 1 Cor. 4:1. 6 2 Cor. 11:23. 5 In slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid , in waken, in vasten , 6 In reinheid, in kennis, in langinoedigheid, in goedertierenheid, in don Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, |
|
7 In het woord der waarheid, in de kracht van God, door de wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linker^yV/e; 8 Door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders, en nogtans wamp;av-achtigen; 9 Als onbekende, en nog tans bekend; quot; als stervende, en ziet, wij leven; als getuchtigd, en niet gedood; o Ps. 118:18. Jes. 20:19. 10 Als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en nogtans alles bezittende. 11 Onze mond is opengedaan tegen u, o Corin-thiërs! ons hart is uitgebreid. 12 Gij zijt niet naauw in ons, maar gij zijt naauw in uwe ingewanden. 13 Nu, 07)i dezelfde vergelding tc doen, (ik spreek quot; als tot mijne kinderen) zoo wordt gij ook uitgebreid. a 1 Cor. 4: 14. 14 quot; Trekt niet een ander juk aan met de onge-loovigen: b want wat mededeel heeft de geregtigheid met de ongeregtigheid ? en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis ? a Deut. 7:2. 1 Cor. 5 : 9. b 1 Sam. 5 : 1, 2. 1 Kon. 8:21.1 Cor. 10 : 21. Efez. 5:11. 15 En wat zamenstemming heeft Christus met Belial? of wat deel heeft do geloovige met den ongeloovige? Ki Of wat zamenvoeging heeft de tempel Gods quot;met de afgoden? ''Want gij zijt de tempel des levenden Gods; gelijkerwijs God gezegd heeft: 0 Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een volk zijn. « 1 Cor. 10:7,14. b 1 Cor. 3 : 10. 0 : 19. Efez. 2:21. Hebr. 3 : 0. 1 Petr. 2 : 5. eEx. 29 : 45. Lev, 20 : 11. Ezec. 37 : 20. 17 Daarom quot;gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen. a Jes. 52: 11. Openb. 18:4. 18 quot;En Ik zal u tot een' Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almagtige. a Jer. 31 : 1. HOOFDSTUK 7. De apostel trekt uit de voorgaande beloften Gods eene nieuwe vermaning tot heiligmaking vs. 1 ; en verantwoordt wederom zijnen wandel onder lion, 2; betuigt zijne bijzondere genegenheid jegens hen, zelfs in het midden van alle verdrukkingen, en houdt zich ook verzekerd van de hunne jegens hem, 3; in welk gevoelen hij door de komst van Titus nog meer is gesterkt, 6; en hoewol iiij hen door zijne ernstige bestraffing te voren bedroefd had, zoo bekent hij, dat deze droefheid nogtans eene droefheid naar God is geweest, 8; hetwelk hij aanwijst uit do vruchten dier droefheid, 10; en uit de blijdschap van Titus na zijne wederkomst, 13; die alles alzoo bij hen had bevonden, gelijk de apostel van hen vertrouwde, 14. DEWIJL wij dan deze beloften hebben, geliefden! laat ons ons zeiven reinigen van alle besmetting des vleesches en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods. |
1045 2 Geeft ons plaats: wij hebben niemand verongelijkt, wij hebben niemand verdorven, wij hebben bij niemand ons voordeel gezocht. 3 Ik zeg dit niet tot uwe veroordeeling: want ik heb quot;te voren gezegd, dat gij in onze harten zijt, om zamen te sterven en zamen te leven. a2 Cor. 0:11, 12,13. 4 Ik heb vele vrijmoedigheid in hot spreken togen u, ik heb veel roems over u; ik ben vervuld met vertroosting, quot; ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking. a Matt. 5:12. Hand. 5:41. Filipp. 2: 17. Col. 1:24. 5 Want ook, als wij in Macedonië gekomen zijn, zoo heeft ons vleesch geene rust gehad, quot;maar wij waren in alles verdrukt: van buiten was strijd, van binnen vrees. a Hand. 10:19,23. 6 quot; Doch God, die de nederigen vertroost, heeft ons getroost door do komst van Titus. a 2 Cor. 1 : 4. 7 En niet alleen door zijne komst, maar ook door de vertroosting, met welke hij over u vertroost is geweest, als hij ons verhaalde uw verlangen, uw kermen, uwen ijver voor mij; alzoo dat ik te meer verblijd ben geweest. 8 Want hoewel ik u in den zendbrief bedroefd heb, het berouwt mij niet, hoewel het mij berouwd heeft: want ik zie, dat dezelve zendbrief, hoewel voor oenen kleinen tijd, u bedroefd heeft. 9 Nu verblijde ik mij, niet omdat gij bedroefd zijt geweest, maar omdat gij bedroefd zijt geweest tot bekeering: want gij zijt bedroefd geweest naar God, zoodat gij in geen ding schade van ons geleden hebt. 10 quot; Want de droefheid naar God werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood. «2 Sam. 12:13. Matt. 20:75. Luk. 18:13. 11 Want ziet, ditzelfde dat gij naar God zijt bedroefd geworden, hoe groote naarstigheid heeft het in u gewrocht? ja verantwoording, ja onlust, ja vrees, ja verlangen, ja ijver, ja wraak: in alles hebt gij u zeiven bewezen rein te zijn in deze zaak. 12 Hoewel ik dan aan u geschreven heb, dat is niet om diens wil, die onregt gedaan had, noch om diens wil, dien onregt gedaan was; maar opdat onze vlijtigheid voor u bij u openbaar zou worden, in de tegenwoordigheid Gods. 13 Daarom zijn wij vertroost geworden over uwe vertroosting; en zijn nog overvloediger verblijd geworden over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest van u allen verkwikt is geworden. 14 Want indien ik iets bij hem over u geroemd heb, zoo ben ik niet beschaamd geworden; maar gelijk wij alles met waarheid tot u gesproken hebben, alzoo is ook onze roem, dien ik bij Titus geroemd heb, waarheid geworden. 15 En zijne innerlijke bewegingen zijn to overvloediger jegens u, als hij uw aller gehoorzaam- 2 CORINTHE 6, 7. |
2 CORINTHE 7,8,9.
1046
|
heid overdenkt, hoe gij hem met vreeze en beven hebt ontvangen. 16 Ik verblijde mij dan, dat ik in alles van u vertrouwen mag hebben. HOOFDSTUK 8. Paulus stelt de Corinthiërs voor het voorbeeld dor gemeenten in Macedónië, die eene milde handreiking gedaan hadden voor do arme geloovigen te Jeruzalem , vs. 1; en verklaart, dat hij aan Titus had bevel gegeven, om zulks onder hen te bevorderen, (5. Hij wijst hen op liet voorbeeld van Christus, die arm is geworden, om ons door zijne armoede rijk te maken, 9; en vermaant hen om nu wel te voleindigen , hetgeen zij voor een jaar wel hadden begonnen, 10; doch niet alzoo, dat zij zeiven gebrek zouden hebben, om anderen te verligten, maar om uit hunnen overvloed in de behoeften der anderen te voorzien, 13; gelijk in het verzamelen van hot Manna geschied was, 15. Hij betuigt wijders, dat Titus, om zulks over te brengen, tot hen gereisd was, 16; met nog een' anderen broeder, die van de gemeente daartoe was verkozen, 18; om alle opspraak voor te komen, 20; en nog een dorde, wiens getrouwheid nu meermalen was beproefd, zoowel bij hem als bij de gemeenten, 22. VOORTS maken wij u bekend, broeders! de genade van God, die in de gemeenten van Macedónië gegeven is; 2 Dat in vele beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap, en hunne zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid. 3 Want zij zijn naar vermogen, (ik betuig liet) ja boven vermogen gewillig geweest; â 1 a Ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening, die voor de heiligen geschiedt, a Hand. 11: 29. Rom. 15: 20. 1 Cor. 10:2. 2 Cor. 9:1. 5 En zij deden niet alleen, gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zicli zeiven eerst aan den Ileere en daarna aan ons, door den wil van God. 6 Alzoo dat wij Titus vermaanden, dat, gelijk hij te voren begonnen had, hij ook alzoo nog deze gave bij u voleinden zou. 7 Zoo dan, gelijk gij in alles om-vloedig zijt, in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle naarstigheid, en in uwe liefde tot ons, ziet, dat gij ook in deze gave overvloedig zijt. 8 Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de opregtbeid uwer liefde beproevende. 9 Want gij weet de genade van onzen Heere Joz.us Christus, quot;dat hij om uwentwil is arm geworden, daar hij rijk was, opdat gij door zijne armoede zoudt rijk worden. aLuk. 9:58. 10 En ik zeg in dezen mijne meening: want dit is u oorbaar, als die niet alleen bet doen, maar ook hot willen van over een jaar te voren hebt begonnen. 11 Maar nu voleindigt ook het doen; opdat, gelijk als er geweest is de volvaardigheid dos gemoeds om te willen, er ook alzoo zij het voleindigen uit hetgeen gij hebt. |
12 quot; Want indien te voren de volvaardigheid des gemoeds daar is, ''zoo is iemand aangenaam naar betgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft. «Mark. 12:43. Luk. 21:3. iSpr. 3:28. IPetr. 4:10. 13 Want dit zeg ik niet, opdat anderen zouden verligting hebben, en gij verdrukking; 14 Maar opdat uit gelijkheid, in' dezen tegen-woordigen tijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde. 15 Gelijk geschreven is: quot; Die veel verzameld had, iiad niet over; en die weinig verzameld had, had niet te weinig. a Ex. 16 :18, 16 Doch Gode zij dank, die dezelfde naarstigheid voor u in het hart van Titus gegeven heeft; 17 Dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde, gewillig tot u gereisd is. 18 En wij hebben ook met hem gezonden den broeder, die lof heeft in het evangelie door al de gemeenten; 19 En dat niet alleen, maar hij is ook van de gemeenten verkoren, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des Heeren zeiven, en de volvaardigheid uws gemoeds: 20 Dit verhoedende, dat ons niemand moge lasteren in dezen overvloed, die van ons wordt bediend: 21 quot;Als die bezorgen hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere, maar ook voor de menschen. a Rom. 12 : 17. 22 Wij hebben ook met hen gezonden onzen broeder, welken wij in vele dingen dikmaals beproefd hebben, dat hij naarstig is; en nu veel naarstiger, door het groot vertrouwen, dat hij heeft tot ulieden. 23 Hetzij dan Titus, hij is mijn medgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der gemeenten, en eene eer van Christus. 24 Bewijst dan aan hen de bewijzing uwer liefde, en van onzen roem van u, ook voor het aange-zigt der gemeenten. HOOFDSTUK 9. Ue apostel betuigt, dat hij genoegzaam verzekerd is van de genegenheid der Corinthiërs tot het bevorderen van deze collecte, vs. 1; en geeft reden, waarom hij de genoemde broeders tot hen heeft vooruit gezonden, namelijk opdat alles gereed zou zijn bij zijne komst, 3; vermaant hen om mild en gewillig te geven, met verscheidene drangredenen, ontleend van Gods milden zegen, liefde en genade over degenen, die mildelijk zullen zaaijen, 0; en van de dankzegging, die daarover zal geschieden tot God, van degenen, die hunne milddadigheid zullen deelachtig worden, 11; en van de gebeden, die zij voor hen zullen doen tot God, 14. WANT quot;van de bediening, die voor de heiligen geschiedt, is mij onnoodig aan u te schrijven, a Hand. 11 : 29. Rom. 15 : 2G. 1 Cor. 10 : 2. 2 Cor. 8 : 4. 2 Want ik weet do volvaardigheid uws gemoeds. |
|
2 C0RIN1 van welke ik roem ovor u bij do Macedóniërs, dat Achaje van over een jaar bereid is geweest; en de ijver, van u begonnen, heeft er velen verwekt. !5 Maar ik bob deze broeders gezonden, opdat onze roem, dien wij over u hebben, niet zou ij del gemaakt worden in dezen deele; opdat (gelijk ik gezegd heb) gij bereid moogt zijn: 4 En dat niet mogelijk, zoo de Macedóniërs met mij kwamen, en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen, gij) beschaamd worden in dezen vasten grond der roeming. 5 Ik heb dan noodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uwon te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij, alzoo als een zegen, en niet als eene vrekheid. 6 En dit zeg ik: quot;Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaijen; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaijen. a Spr. 11 : 24. Gal. 0 : 7. 7 Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; quot;niet uit droefheid, of uit nooddwang: ,J want God heeft oenen blij moedigen gever lief. a Dent. 15:7. Rom. 12:8. 6 Ex. 25:2. 35:5. 8 En God is magtig allo genade te doen overvloedig zijn in u; opdat gij in alles te allen tijd, alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn. ö Gelijk er geschreven is: «Hij heeft gestrooid, hij heeft don armen gegeven; zijne geregtigheid blijft in der eeuwigheid. aPs. 112:9. 10 Doch dio hot zaad don zaaijor verleent, die verloene ook brood tot spijze, en vermenigvuldige uw gezaaisel, on vermeerdere do vruchten uwer geregtigheid; 11 Dat gij in alles rijk wordt tot allo goeddadig-heid, welke door ons werkt dankzegging tot God. 12 Want de bediening van deze dienst vervult niet alloen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God: 13 Dewijl zij door de beproeving dezer bediening God verheerlijken over de onderwerping uwer belijdenis onder hot evangelie van Christus, en over do gooddadigheid dor inededeeling aan hen on aan allen: 14 En door hun gebed voor u, welke naar u verlangen, om de uitnemende genade Gods over u. 15 Doch Godo zij dank voor zijne onuitsprekelijke gave. HOOFDSTUK 10. Paulus, uit oorzaak dat sommige valsche apostelen ondor hen zeidon, dat zijn schrijven wel ernstig was, maar zijne tegenwoordigheid van gering aanzien, vs. 1; handelt van de apostoliselie magt, welke God hom had gegeven om de ongohoorzainen in zijne gemeente te bedwingen, 3; niet door vleesche-lijko, maar door geestelijke wapenen, welke daartoe krachtig zijn door Ood, 4; doch betuigt, dat hem deze magt was gegeven tot stichting, en niet tot nederwerping, 8; dat bij deze magt niet alleen af- |
HE 9, 10. 1047 wozend door brieven, maar ook tegenwoordig zijnde, met de daad zal bewijzen tegen zuikon, 10; dat hij met deze magt gesterkt zijnde, liet evangelie tot daartoe had verbreid, 12; niet waar anderen te voren hadden gearbeid, 15; en dat hij dit nog meende te doen, niet alleen onder hen, om hen te versterken, maar ook in de landen boven hen gelegen, 10. Hij zegt dit nogtans niet om zich zei ven, maar om Gods genade onder hen te roemen, 17. VOORTS ik Paulus zelf bid u, door do zacht-moedigheid en goedertierenbeid van Christus, die, tegenwoordig zijnde, wel gering ben onder u, maar afwezend stout ben tegen u; 2 Ik bid dan, dat ik, tegenwoordig zijnde, niet stout moge zijn met die vrijmoedigheid, waarmede ik geacht word stoutelijk gehandeld te hebben tegen sommigen, die ons achten, als of wij naar het vleesch wandelden. 3 Want wandelende in het vleesch, voeren wij den krijg niet naar het vleesch: 4 quot; Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleeschelijk, maar krachtig door God, '' tot nederwerping der sterkten; a Efoz. G: 13, enz. b Jer. 1 : 10. 5 Dewijl wij de overleggingen ter nederwerpen, en allo hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; (i En gereed hebben hetgeen dient om te wreken allo ongehoorzaamheid, wanneer uwe gehoorzaamheid zal vervuld zijn. 7 Ziet gij aau wat voor oogenis? Indien iemand bij zich zeiven betrouwt, dat hij van Christus is, die denko dit wederom uit zich zeiven, dat golij-kerwijs hij van Christus is, alzoo wij ook van Christus zijn. 8 Want indien ik ook iets overvloediger zou roemen van onze magt, welke de Ileerc ons gegeven heeft quot; tot stichting, en niet tot uwe nederwerping, zoo zal ik niet beschaamd worden; a 2 Oor. 13:10. 9 Opdat ik niet zou schijnen, als of ik u door de brieven wilde verschrikken. 10 Want de brieven (zeggen zij) zijn wel gewigtig en krachtig; maar de tegenwoordigheid des lig-chaams is zwak, en de rede is verachtelijk. 11 Dezulke bedenke dit, dat hoedanigen wij zijn in het woord door brieven, als wij afwezig zijn, wij ook zoodanigen zijn inderdaad, als wij tegenwoordig zijn. 12 quot; Want wij durven ons zelven niet rekenen of vergelijken met sommigen, dio zich zelven prijzen; maar deze verstaan niet, dat zij zich zelven met zich zelven nieten, en zich zelven met zich zelven vergelijken. «2 Oor. 3: 1. 5:12. 13 Doch wij zullen niet roemen buiten de maat; quot; maar dat wij, naar de maat des regels, welke maat ons God toegedeeld heeft, ook tot u toe zijn gekomen. ö Efez. 4:7. 14 Want wij strekken ons zelven niet te wijd uit, als die tot u niet zouden komen: want wij zijn ook gekomen tot u toe, in het evangelie van Christus; |
2 CORINTHE 10, 11.
1048
|
15 Niet roemende buiten de maat in anderer lieden arbeid, maar hebbende hoop, als uw geloof zal gewassen zijn, dat wij onder ulieden overvloediglijk zullen vergroot worden naar onzen regel: 1(5 Om het evangelie te verkondigen in de plaatsen , die op gene zijde van u gelegen zijn; niet om te roemen in eens anders regel over hetgeen aireede bereid is. 17 quot;Doch wie roemt, die roeme in den lleere. a.Tes. 65:16. Jor. 9:23. 1 Cor. 1:31. 18 quot;Want niet die zich zeiven prijst, maar dien de Heere prijstquot;, die is beproefd. a Spr. '27 : 2. HOOFDSTUK 11. Do apostel betuigt zijnen ijver voor de Corinthiërs, om hen te behouden bij de eenvoudigheid, die in Christus is, vs. 1; en vermaant hen, dat zij zicli van dezelve niet laten aftrekken, gelijk Eva door den Satan verleid is, 3; overmits niet alleen geeno valsche apostelen, maar zelfs geen ander apostel van Christus hun iets kon toebrengen, dat zij door hem niet hadden ontvangen, 4; want dat hij onder hen niet had geroemd gelijk deze; maar zich nederig gedragen en zelfs van hen geen onderhoud ontvangen, gelijk hij wel van andere gemeenten genoten had, G. Dit was niet geschied, omdat hij hen niet liefhad, 11; maar om aan de valsche apostelen hunnen roem te benemen, die zich veranderden in engelen des lichts, 12. En schoon het niet wijs gehandeld is veel te roemen, 10; zoo bewijst hij nog-tans, dat niemand hunner in iets kan roemen, waarin hij ook niet zou kunnen roemen, 18; ja, dat hij in lijden en arbeiden, om de zaken van Christus, hen allen overtrof, 23; benevens de zorg, die hij had voor al de gemeenten, 28; en de moeije-lijkheden, welke hij bij den aanvang zijner bediening (e Daiuaskus had uitgestaan, vanwaar hij over do muren der stad in eene mand was ontkomen, 32. OCH of gij mij oen weinig verdroegt in de onwijsheid; ja ook verdraagt mij! 2 Want ik ben ijverig over u mot oenen ijver Gods: want ik heb ulieden toebereid, om quot;u als eeno reine maagd, aan oenen man voor te stellen, namelijk aan Christus. a Lev. 21 : 13 3 Doch ik vrees, dat niet eenigzins, quot;gelijk de slang Eva door hare arglistigheid bedrogen heeft, alzoo uwe zinnen bedorven worden, om at' Ic wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is, a Gen. 3 : 4. Joh. 8 : 44. 4 quot; Want indien degene, die komt, oenen anderen Jezus prodikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij oenen anderen Geest ontvingt, dien gij niet hebt ontvangen, of een ander evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zoo verdroegt gij hem met regt. a Gal. 1 : 8. 5 Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen. 6 En indien ik ook slecht ben in woorden, nog-tans bon ik het niet in wetenschap; maar alle-zins zijn wij in alle dingen onder u openbaar geworden. 7 Heb ik zonden gedaan, als ik mij zeiven vernederd heb, opdat gij zoudt verhoogd worden ? |
overmits ik u het evangelie Gods a om niet verkondigd heb ? «1 Cor. 9 : 12. 8 Ik heb andere gemeenten beroofd, bezolding van haar nemende, om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, quot; ben ik niemand lastig gevallen. a Hand. 20:33. 2 Oor. 12:13. IThess. 2:9. 2Tliess. 3:8. 9 quot; Want mijn gebrek hebben do broeders vervuld, die van Macedonië kwamen; en ik heb mij zeiven in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog alzoo houden. aFilipp. 4: 15. 10 De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Achaje aan mij niet zal verhinderd worden. 11 Waarom? Is het, omdat ik u niet liefheb? God weet het! 12 Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden dengenen, die oorzaak hebben willen, opdat zij in hetgeen zij roemen, bevonden mogten worden gelijk als wij. 13 Want zulke valsche apostelen zijn bedriege-lijko arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus. 14 En het is geen wonder: want de Satan zelf verandert zich in oenen engel dos lichts. 15 Zoo is het dan niots groots, indien ook zijne dienaars zich veranderen, als waren zij dienaars der geregtigheid; van welke hot einde zal zijn naar hunne werken, , 16 Ik zeg wederom, dat niemand meene, dat ik onwijs bon; doch zoo niet, neemt mij dan aan als oenen onwijze, opdat ik ook een weinig moge roemen. 17 Dat ik spreek, spreek ik niet naar don Heere, maar als in onwijsheid, in dezen vasten grond der rooming, 18 quot; Dewijl velen roemen naar het vleesch, zoo zal ik ook roemen, a 2 Cor, 10:13, 12:5,0. 1!) Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt. 20 Want gij verdraagt het, zoo u iemand dienstbaar maakt, zoo u iemand opeet, zoo iemand van u neemt, zoo zich iemand verheft, zoo u iemand in het aangezigt slaat. 21 Ik zeg dit naar oneer, gelijk of wij zwak waren geweest; quot;maar waarin iemand stout is, (ik spreek in onwijsheid) daarin ben ik ook stout. a Filipp. 3 : 4. 22 Zijn zij Hebreën? quot;ik ook. Zijn zij Israëlieten? ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? ik ook. o Hand. 22:3. 23 Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) quot; ik ben boven hen; b in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal. a 1 Cor. 15 : 10. b Hand. 9:10. 21:11. 2 Cor. 6 : 4. 24 Van de Joden heb ik quot; veertig slagen min een, vijfmaal ontvangen. a Dcut. 25:3. 25 quot; Driemaal ben ik met roeden gegeeseld ge-woest , b eens ben ik gesteenigd, '⢠driemaal heb |
2 CORINTHE 11, 12.
1049
|
ik schipbreuk goledon, oenen gnnschen nacht en dag heb ik in de diepte overgebragt. a Hand. ]G:32. b Hand, 14:19. c Hand. 27:9,41. 26 In het i-eizen menigmaal in gevaren van rivieren , in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de Heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op do zee, in gevaren onder de valsche broeders; 27 In arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid. 28 Zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks quot; de zorg van al de gemeenten. a Hand. 20 : 18. 29 quot; Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande? a 1 Cor. 8 :13. 30 Indien men moet roemen, zoo zal ik roemen de dingen mijnor zwakheid. 31 a De God en Vader van onzen Ileere Jezus Christus, die geprezen is in der eeuwigheid, weet dat ik niet Heg. Kom. 1:9. 9:1.2Cor. 1:23. Gal. 1 : 20. Filipp. 1 : 8. 1 Tliess. 2 : 5. 32 De stadhouder quot; van den koning Arétas, in Damaskus bezette de stad dor Damaskenen, willende mij vangen; aHand.9:24. 33 En ik werd door oen venster in eeno mand over den muur nederge-laten, en ontvlood zijne handen. HOOFDSTUK 12. Do apostel, om tc tooncn, wolko grooto oorzaak hij heeft om te roemen, verhaalt hoe hij in don derden hemel is opgetrokken geweest, en aldaar heeft gehoord hetgeen geen mensch kan uitspreken, vs. 1; doch dat hem tot zijne vernedering een engel des Satans was gegeven, die hem met vuisten sloeg, 7; tegen welken hij God driemaal had gebeden on antwoord bekomen, dat Gods genade hom genoeg moest zijn, 8; waarom hij liever roemt in zijne zwakheid en nederigheid, 10. Hij verontschuldigt zich, dat hij wederom moet roemen over de ware kenmerken van zijn apostelschap onder hen, 11; die zij echtcr in der daad genoeg waren gewaar geworden, 12. lietuigt, dat hij nu ten dorde male tot hen zal komen, zonder hun in iets lastig te willen vallen, 14; oven als anderen door hem gezonden, noch ook Titus hun in iets lastig geweest zijn, 10. Waarschuwt hen eindelijk, om de gebreken van twist, hoogmoed, hoererij, enz. onder hen te boteren eer hij komt, opdat hij tot zijn leedwezen niet genoodzaakt /.ij, zijne apostolische magt over zoodanigon te gebruiken, 20. |
TE roemen is mij waarlijk niet oorbaar: want ik zal komen tot gezigten en openbaringen des Hoeren. 2 quot;Ik ken eon' monsch in Christus, voor veertien jaren, (of het (jeschied zij in hot ligchaam, weet ik niet, ot' buiten het ligchaam, weet ik niet. God weet het) dat de zoodanige opgetrokken is gewoost tot in den derden hemel; a Hand. 9:3. 22: 17. 1 Oor. 15:8. 3 En ik ken een' zoodanig mensch (of het in het ligchaam, of buiten bet ligchaam geschied zij, weet ik niet. God weet het), 4 Dat hij opgetrokken is gewoost in het paradijs, en geboord heeft onuitsprekelijke woorden, die het oenen mensch niet geoorloofd is te spreken. 5 Van don zoodanige zal ik roemen; doch van mij zolven zal ik niet roemen, dan in mijne zwakheden. (i Want zoo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn, want ik zal de waarheid zeggen; maar ik houdo daarvan af, opdat niemand van mij donke boven hetgeen hij ziot, dat ik ben, of dat hij uit mij hoort. 7 En opdat ik mij door do uitnemendheid dor openbaringen niet zou verheffen, zoo is mij gegeven een scherpe doorn in hot vleesch, namelijk een engel des Satans, quot; dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. a Job 2:0. 8 Hierover heb ik den Heore driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. 9 En Hij hooft tot mij gezegd: Mijne genade is u genoog: want mijne kracht wordt in zwakheid volbragt. Zoo zal ik dan veel liever roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wono. 10 Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in nooden, in vervolgingen, in benaauwdheden, om Christus wil: want als ik zwak bon, dan ben ik magtig. 11 Ik ben roemende onwijs geworden, gij hebt mij genoodzaakt: want ik behoorde van u geprezen te zijn; quot;want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets ben. a 1 Cor. 15 :10. |
2 CORINTHE 12, 13.
1050
|
12 quot; De merkteekenen van eenen apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met teekenen, en wonderen, en krachten. « 1 Cor. 9:2. 13 Want wat is er, waarin gij minder geweest zijt dan de andere gemeenten, quot;anders, dan dat ik zelf ii niet lastig ben geweest ? Vergeeft mij dit ongelijk. a \ Cor. i): 12. 2 Cor. 11:9. 14 Ziet, ik ben ten derde maal gereed, om tot u te komen, en zal u niet lastig zijn: quot;want ik zoek niet het uwe, maar u: want de kinderen moeten zich schatten vergaderen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen, a Hand. 20: 33. 15 En ik zal zeer gaarne de kosten doen, en voor uwe zielen te koste gegeven worden; hoewel ik, u quot;overvloediger beminnende, weiniger bemind worde. a 2 Cor. 0 : 12. 16 Doch het zij zoo, ik heb u niet bezwaard; maar alzoo ik listig was, heb ik u met bedrog-gevangen. 17 Heb ik door iemand dergenen, die ik tot u gezonden heb, van u mijn voordooi gezocht? 18 Ik heb Titus gebeden, en den broeder mede-gezonden; heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht? hebben wij niet in denzelfden geest gewandeld? hebben wij niet gewandeld in dezelfde voetstappen ? 19 Meent gij wederom, dat wij ons bij u verontschuldigen? Wij spreken in de tegenwoordigheid van God in Christus; en dit alles, geliefden! tot uwe stichting. 20 Want ik vrees, dat als ik gekomen zal zijn, ik u niet eenigzins zal vinden zoodanigen als ik wil, en dat ik van n zal gevonden worden zoodanig als gij niet wilt; dat er niet eenigzins zijn twisten, nijdigheden, toorn, gekijf, achterklap, oorblazingen, opgeblazenheden, beroerten. 21 Opdat wederom, als ik zal gekomen zijn, mijn God mij niet vernedere bij u, en ik rouw hebbe over velen, die te voren gezondigd hebben, en die zich niet bekeerd zullen hebben van de onreinigheid, en hoererij, en ontuchtigheid, die zij gedaan hebben. HOOFDSTUK 13. Do apostel betuigt nu weder, zoo de voorgaande zonden niet verbeterd waren, dat hij zal komen, om zonder verder uitstel de daders derzelve to straffen, vs. 1; on lien mot de daad te doen bevinden, hoe krachtig Christus in hem was, 3. Hij vermaant hen, zich zeiven te onderzooken of Christus in hen is, 5. Wenscht dat zij de straf voorkomen door weldoen, 7; en verklaart zich alsdan over hen te zullen verblijden. 9; alzoo zijne magt moet strekken tot stichting en niet tot verbreking, 10. Kesluit daarna don brief mot eene vermaning tot vorscheidene christelijke deugden, 11; de gowono groeten, 12 en niet oen gobod voor hen tot God den Vader, don Zoon en don H. Geest, 13. |
DIT is de derde maal dat ik tot u kom: quot; in den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. a Num. 35:30. Dent. 17 : 0. 19 : 5. Matt. 18 : lü. Joh. 8 :17. Hobr. 10 : 28. 2 Ik heb het te voren gezegd, en zeg liet te voren als tegenwoordig zijnde de tweede maal, en ik schrijf het nu afwezende aan degenen, die te voren gezondigd hebben, en aan al de andoren, dat, zoo ik wederom kom, ik hen niet zal sparen; 3 Dewijl gij zoekt eene proeve van Christus, die in mij spreekt, welke in u niet zwak is, maar krachtig is onder u. â¢1 Want hoewel hij gekruist is door zwakheid, zoo leeft hij nogtans door do kracht Gods. Want ook wij zijn zwak in hem, maar zullen met hem leven door de kracht Gods in u. 5 quot;Onderzoekt u zeiven, of gij in het geloof zijt, beproeft u zeiven. Of kent gij u zei ven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij eenigzins verwerpelijk zijt. « 1 Cor. 11:28. 6 Doch ik hoop, dat gij zult verstaan, dat wij niet verwerpelijk zijn. 7 En ik wonsch van God, dat gij geen kwaad doet; niet opdat wij beproefd zouden bevonden worden, maar opdat gij liet goede zoudt doen, en wij als verwerpelijk zouden zijn. 8 Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid. 9 Want wij verblijden ons, wanneer wij zwak zijn, en gij sterk zijt. En wij wenschen ook dit, namelijk uwe volmaking. 10 Daarom schrijf ik afwezende deze dingen, opdat ik niet, tegenwoordig zijnde, strengheid zou gebruiken, naar de magt, quot;die mij de Heere gegeven heeft tot opbouwing, en niet tot neder-werping. a 2 Cor. 10 :8. 11 Voorts, broeders! zijt blijde, wordt volmaakt, zijt getroost, quot;zijt eensgezind, ''loeft in vrede; en de God der liefde en des vredes zal met u zijn. a Rom. 12 : 10. 15 : 5. 1 Cor. 1 : 10. Filipp.2 : 2. 1 Petr.3 :8. b Rom. 12 : 18. Hobr. 12 : 14. 12 quot; Groet elkander met eenen heiligen kus. U groeten al de heiligen. «Rom. 16:16. 1 Cor. 16:20. 1 Thoss. 5:20. 1 l'otr. 5:14. 13 Do genade van den Ileerc Jezus Christus, en de liefde van God, en do gemeenschap des Heiligen Geestes, zij met u allen. Amen. |
GALATEN 1.
1051
DE BRIEF YAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN DE
GALATEN.
GALATEN 1, 2.
1052
|
13 quot; Want gij liobt mijnen omgang gehoord, die eertijds in hot Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de gemeente Gods vervolgde, en dezelve verwoestte; o Hand. 8 : 3. 9 : 1. 22 ; 4. 20 : 0. Fill pp. 3 ; G. 1 Tim. 1 : 13. 14 En dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijnen ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijne vaderlijke inzettingen. 15 quot;Maar wanneer het Gode behaagd hoeft, die mij van mijner moedors lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door zijn genade, a Hand. 9:15.13:2. Ki Zijnen Zoon in mij to openbaren, quot;opdat ik denzei ven door hot evangelie onder do Heidenen zou verkondigen, zoo ben ik terstond niet te rade gegaan h met vloesch en bloed ; a Hand. 9 : 15. 13 : 2. 22 : 21. Gal. 2 : 8. Efez. 3 ; 8. b Matt. 10 : 17. 17 En ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die voor mij apostelen waren; maar ik ging honen naar Arabië, en keerde wederom naar Damaskus. 18 Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen. 19 En ik zag geenen anderen van de apostelen, dan Jakobus, don broeder dos Hoeren. 20 Hetgeen nu ik u schrijf, ziet, ik getuig quot; voor God, dat ik niet lieg! a Rom. 1:9. 9:1. 2 Cor. 1:23. 11:31.1 Thess. 2:5. 1 Tim. 5:21.2 Tim. 4:1, 21 Daarna ben ik gekomen in do gewesten van Syrië en van Cilicië. 22 En ik was van aangezigt onbekend aan de gemeenten in Judéa, die in Christus zijn. 23 Maar zij hadden alleenlijk gehoord, dat men zeidc: Degene, die ons eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof, hetwelk hij eertijds verwoestte. 24 En zij verheerlijkten God in mij. HOOFDSTUK 2. Do apostel verhaalt, dat iiij te Jeruzalem met do voornaamste apostelen, Jakobus, Petrus en Johannes, over zijne leer had gehandeld, en dat zij dezelve in allo doelon voor goed erkend hadden, zonder er iets af of bij te doen, vs. 1 ; dat hij tegen de valsche broeders Titus verdedigd had, dat hij niot zou besneden worden, 3; dat de apostelen, tot oen toeken van eenigheid in do leer, hem en Barnabas do reg-terhand der gemeenschap hebben gegeven, 7; met beding, dat zij onder do Heidenen en de andere apostelen onder de Joden zouden prediken, 9; alleen dat zij voor de arme Joden bij do Heidenen zouden zorgen, 10. lietuigt ook, dat hij daarna te Antiochië Petrus heeft bestraft, omdat hij te voren onder de Heidenen de Christelijke vrijheid gebruikt hebbende, dezelve om eeniger Joden wil naliet, en alzoo door zijn voorbeeld de Heidenen tot het Jodendom bragt, 11. Daarna bewijst iüj, dat do mensch niet wordt geregtvaardigd door do werken der wet, maar door het geloof van Christus, 15 en dat Christus door deze loer niot gesteld wordt tot een' dienaar dor zonde, 17; vermits het geloof in Christus ook leert en vereisciit de dooding der zonde en oen nieuw loven, 19. Bewijst vorder, dat, zoo de geregtigheid uit do wet ware, Christus dan te vergeefs zou gestorven zijn, 21. |
DAARNA ben ik, na veertien jaren, wederom quot; naar Jeruzalem opgegaan met Barnabas, ook Titus medegenomen bobbende. a Hand. 15:2. 2 En ik ging op quot; door eene openbaring, en stelde hun het evangelie voor, dat ik predik onder de Heidenen; en in het bijzonder aan degenen , die in achting waron, opdat ik niet eenig-zins te vergeefs zou loopen of geloopen hebben. a Hand. 10:21. 3 quot; Maar ook Titus, die met mij was, oen Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden. a Hand. 1G : 3. 1 Cor. 9:21. 4 quot; En dat om der ingekropene valsche broederen wil, die van bezijden ingekomen waren, om te verspieden onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen. a Hand. 15:24. 5 Denwolkon wij ook niot oen uur hebben geweken mot onderwerping, opdat de waarheid van het evangelie bij u zou verblijven. (! En van degenen, die geacht waren wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet; « God neemt don persoon des menschen niet aan: want die geacht waron, hebben mij niets toogebragt. a Deut. 10 :17. 2 Kron. 19 : 7. Job 34 : 19. Hand. 10 : 34. Kom. 2:11. Efoz. G: 9. Col. 3:25. 1 Petr. 1 : 17. 7 Maar daarentegen, als zij zagen, dat aan mij liet evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis; 8 (Want die in Petrus krachtolijk wrocht tot liet apostelschap der besnijdenis, quot;die wrocht ook krachtolijk in mij onder de Heidenen) a Hand. 9 : 15. 13 : 2. 22 : 21. Gal. 1 : 1G. Efez. 3 : 8. 9 En als Jakobus, en Cofas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij on Barnabas de vegiarhand der gemeenschap, opdat wij tot de Heidenen, en zij tot do besnijdenis zouden gaan; 10 Alleenlijk, dat wij don armen zouden gedenken ; quot; hetwelk zelf ik ook benaarstigd heb te doen. a Hand. 11:30. 24:17. Rom. 15:25. 1 Cor. 10:1. 2 Cor. 8:1. 9:1. 11 En toen Petrus te Antiochië gekomen was, wederstond ik hem in het aangezigt, omdat hij te bestraffen was. 12 Want eer sommigen van Jakobus gekomen waron, at hij mede met de Heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zich zei ven af, vroezonde dogenen, die uit do besnijdenis waron. 13 En ook de andere Joden veinsden met hom alzoo dat ook Barnabas mede afgetrokken word door hunne veinzing. 14 Maar als ik zag, dat zij niet regt wandelden naar de waarheid van het evangelie, zeido ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid: quot;Indien gij die een Jood zijt, naar heidonsche wijze leeft, |
GALATEN 2, 3.
1053
|
on niet naar joodsche wijze, waarom noodzaakt uij de Heidenen naar do joodsche wijze te lovon? a Hand. 10:28. 15 Wij zijn van nature Joden, en niet zondaars uit de Heidenen; 1G quot; Doch wetende, dat do mensch niet gerogt-vaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zoo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden geregtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit do werken dor wet; 1 daarom dat uit de werken der wet geen vleesch zal geregtvaardigd worden. a Hand. 13 : 38. Rom. 3 : 28. 8:3. Hebr. 7 : 18. h Kom. 3 : 20. Gal. 3 :11. 17 Maar indien wij, die in Christus zoeken geregtvaardigd te worden, ook zeiven zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar der zonde? Dat zij verre. 18 Want indien ik, hetgeen ik afgebroken hob, datzolve wederom opbouw, zoo stel ik mij zeiven tot oen' overtreder. 1!) quot; Want ik bon door do wet der wet gestorven, '' opdat ik Code leven zou. a Rom. 7 : 4. i Rom. 14: 7. 2 Cor. 5:15. 1 ïhess. 5 : 10. Hebr. 9:14. 1 Petr. 4 : 2. 20 Ik ben met Christus gekruist; on ik loof, doch niet moer ik, maar Christus looft in mij; en hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door hot geloof dos Zoons van God, quot; die mij liefgehad hooft, en zich zolven voor mij overgegeven heeft. a Gal. 1 : 4. Efoz. 5 : 2. Tit. 2 : 14. 21 Ik doe de genade Gods niet to niet: want quot; indien do rogtvaardigheid door do wet is, zoo is dan Christus te vergeefs gestorven, aHebr.7:11. HOOFDSTUK 3. Do apostel, na eene ernstige berisping aan de Galil-tiürs, bewijst verder, dat de mensch niet wordt geregtvaardigd door de werken der wet, maar door het geloof in Christus, vs. 1; vermits zij zeiven hadden bevonden, dat zij de gaven des Oeestes niet door de wet, maar door het geloof ontvangen hadden, 2. Hij bewijst dit ook met het voorbeeld van Abraham, die een vader is van alle geloovigen, 0; en uit eenige duidelijke getuigenissen der Heilige Schrift, 10. Betuigt dat Christus ons van den vloek der wet verlost en de zegening verkregen heeft, 13; dat door deze leer de wet niet te niet gedaan, noch krachteloos gemaakt wordt, noch tegen de beloften Gods is, 15; maar dat de wet ons de zonden aanwijst, 19; en als een tuchtmeester tot Christus leidt, 24. Daarna leert hij, hoe de wet van Mozes door Christus voor alle geloovigen is vervuld, 25; zonder onderscheid van volken of hoedanigheden, 28; dewijl die allen Abrahams zaad zijn, 29. O GIJ uitzinnige Galaten! quot; wie hooft u botoo-verd, dat gij dor waarheid niet zoudt gehoorzaam ' iju; denwelkon Jezus Cristus voor do oogon to oren geschilderd is geweest, onder u gekruist ijnde? «Gal. 5:7. 2 Dit alleen wil ik van u loeren: hebt gij den eest ontvangen uit de werken der wet, of uit ü prediking des geloofs? |
3 Zijt gij zoo uitzinnig? daar gij mot den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu mot het vleesch ? 4 Hebt gij zoo veel te vergeefs geledon ? Indien maar ook te vergeefs! 5 Die u dan den Geest verleent, en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit do werken dor wot, of uit de prediking des geloofs ? 0 « Gelij kor wijs Abraham Gode geloofd heeft, on hot is hom tot rogtvaardigheid gerekend; a Gen. 15 : G. Hom. 4 : 3. Jakob. 2 : 23. 7 Zoo verstaat gij dan, dat dogenon, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn. 8 En do Schrift, te voren ziende, dat God de Heidenen uit hot geloof zou regtvaardigon, hooft te voren aan Abraham het evangelie verkondigd, zeggende: a In u zullen al do volken gezegend worden, aGen. 12:3.18:18.22:18.26:4.49:10. Hand.3:25. 9 Zoo dan, die uit het geloof zijn, worden ge-zogend met den geloovigen Abraham. 10 Want zoo velen als er uit de werken dor wot zijn, die zijn onder den vloek: want er is ge-schroven: «Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek dor wet, om dat te doen. « Dent. 27 : 2G. 11 quot; En dat niemand door de wet geregtvaardigd wordt voor God, is openbaar: h want de regt-vaardigo zal uit hot geloof loven. a Rom. 3 : 20. Gal. 2:1G. h Hab. 2:4. Rom. 1:17. Hebr. 10:38. 12 Doch do wet is niet uit het geloof; maar quot; do mensch, die deze dingen doet, zal door dezelve leven. «Lev. 18:5. Ezec. 20:11. Rom. 10:5. 13 quot; Christus heeft ons verlost van don vloek dor wet, oen vloek geworden zijnde voor ons: want er is geschreven: 6 Vervloekt is oen iegelijk, die aan het hout hangt. « Kom. 8 : 3. 2 Cor. 5:21. h Deut. 21 : 23. 14 Opdat do zegening van Abraham tot do Moi-donen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door hot geloof. 15 Broeders! ik spreek naar don mensch: quot;zelfs eens monschon verbond, dat bevestigd is, doet niemand te niet, of niemand doet daartoe. « Hebr. 9 :17. 1G quot; Nu zoo zijn do beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van een: En uwen zade; hetwelk is Christus. «Gal. 3:8. 17 En dit zog ik: hot verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt dooide wet, die a na vier honderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om do beloftenis te niot to doen. a Gen. 15 : 13. Ex. 12 : 40. Hand. 7 : G. 18 quot;Want indien de erfenis uit de wet is, zoo is zij niot moor uit do beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de boloftenis genadiglijk go-geven. «Rom. 4:14. 19 Waartoe is dan de wot? a Zij is om der overtredingen wil daarbij gestold, totdat het zaad |
|
1054 zou gekomen zijn, dien het beloofd was; en zij is b door de engelen besteld in de hand c des middelaars. a Joh. 15:22. Hom. 4:15. 5:20, 7:8. b Hand. 7 : 38, 53. pDeut. 5 : 5. Joh. 1:17. Hund. 7 : 38. 20 En de middelaar is niet middelaar van eenen, maar God is een. 21 Is dan do wet tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre: want indien er eene wet gegeven ware, die magtig was levend te maken, zoo zou waarlijk de regtvaardigheid uit de wet zijn. 22 quot; Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat do belofte uit hot geloof a an Jezus Christus aan de geloovigen zou gegeven worden. aEom. 3:9. 11 : 32. 23 Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gestold, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden. 24 quot; Zoo dan, de wet is onze tuchtinoester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden geregtvaardigd worden. a Malt. 5:17. Hand. 13:38. Hom. 10:4. 25 Maar als het geloof gokomen is, zoo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester. 2() quot; Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. a Jos. 50 : 5. Joh. 1:12. Hom. 8 :15. (lal. 4 : 5. 27 quot; Want zoo velen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. «Hom. 0:3. 28 Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw: quot;want gij allen zijt één in Christus Jezus. «Joh. 17:21. 29 quot; En indien gij van Christus zijt, zoo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftonis erfgenamen. rt Oen. 21 : 12. Hom. 9:7. Hebr. 11 : 18. HOOFDSTUK 4. Do apostel verklaart wijders, hetgeen hij tc voren gezegd had van liet tuchtmeestorschap der wet, mot eene gelijkenis, genomen van een onmondig kind, dat nog onder voogden staat, vs. 1; en betuigt, dat wij nu door de komst van den Zoon Oods in hot vleesch van de voogdij en de dienstbaarheid der wet zijn verlost, 4; zoodat wij nu kinderen Oods zijn, dio mondig geworden zijnde, onze erfenis zel-von mogen bezitten, 6. Hij bestraft do Oalaton, dat zij, van heidensche afgoderij bekeerd zijnde, zich wederom begaven tot do dienstbaarheid van uitwendige plegtighoden, 8; vermaant hen te volharden in den ijver en goede genegenheid tot hem, mot welke zij het evangelie eerst ontvangen hadden, 12; en waarschuwt hen tegen den verkoorden ijver der valscho leeraars, 17; verzacht daarna deze bestraffing met eene liefelijke toespraak, wenschonde bij hen te mogen zijn, 19. Bewijst voorts uit de wet zelve, dat wij aan hare dienstbaarheid niet meer zijn onderworpen, noch door haar kunnen geregtvaardigd worden, en past dit toe met de voorbeelden van de twee zonen Abrahams, Izak en Ismaël, en van hunne moeders, Sara en Hagar, 21; als ook van don berg Sinaï en de stad Jeruzalem ; waardoor do twee verbonden worden aangeduid, 24; leert, dat met Izak de erfenis door de belofte van hot evangelie te verkrijgen is, hoewel mot vervolging. |
29; en dat degenen, die door de wet zoeken zalig te worden, met Ismaël van de erfenis zullen worden verstooten, 30. DOCH ik zog, zoo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zoo verschilt hij niets van een' dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles; 2 Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van don vader te voren gesteld. 3 Alzoo wij ook, toen wij kinderen waren, zoo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld. 4 quot; Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw, ''geworden onder de wet; a Oen. 49 :10. Dan. 9 : 24. h Matt. 5 :17. 5 Opdat hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, quot; en opdat wij do aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. aJoh. 1 : 12. Gal. 3 : 20. 0 quot;En overmits gij kinderen zijt, zoo heeft God don Geest zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, die roept: Abba, Vader! a Hom. 8 :15. 7 Zoo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar oen zoon; en indien gij een zoon zijt, zoo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus. 8 Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen, quot; die van nature geeno Goden zijn; a 1 Cor. 8 : 4. 9 En nu als gij God kent, ja veel meer van God gekend zijt, quot; hoe koert gij u wederom tot de zwakke en arme beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen? a Col. 2:20. 10 quot;Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. « Hom. 14:5. Col. 2:10. 11 Ik vrees voor u, dat ik niet eenigzins te vergeefs aan u gearbeid heb. 12 Weest gij als ik, want ook ik ben als gij; broeders! ik bid u; gij hebt mij geen ongelijk gedaan. 13 En gij weet, dat ik u door zwakheid des vleeschos het evangelie eerstmaal verkondigd heb; 14 En mijne verzoeking, die in mijn vleesch (jeHch.iedd.e, hebt gij niet veracht noch verfoeid; maar gij naamt mij aan a als eenen engel Gods, b ja als Christus Jezus. «Mal. 2:7. ft Matt. 10:40. Joh. 13:20. 15 Welke was dan uwe gelukachting ? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zoo het mogelijk ware , uwe oogen zoudt uitgegraven, en mij gegeven hebben. 16 Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende? 17 quot; Zij ijveren niet regt over u; maar zij willen ons uitsluiten, opdat gij over hen zoudt ijveren. «Hom. 10: 2. 2 Cor. 11 :12. 18 Doch in het goede te allen tijd te ijveren is goed, en niet alleenlijk, als ik bij u tegenwoordig ben; 19 quot;Mijne kinderkens! die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus eene gestalte in u krijge. a 1 Cor. 4 : 15. Filom. vs. 10. Jakob. 1:18. GALATEN 3,4. |
GALATEN 4, 5.
1055
|
20 Doch ik wildo, dat ik nu tegenwoordig bij u ware, en mijne stem mogt veranderen; want ik ben in twijfel over u. 21 Zegt mij, gij die onder de wet wilt zijn! hoort gij do wet niet? 22 Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, a eenen uit de dienstmaagd, ''eneenen uit do vrije. «Gen. 1G:2. I) Gon. 21 ; 2. Hand. 7 : 8. Hebr. 11:11. 23 quot;Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vleesch geboren geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis. a Joh. 8 : 39. Rom. 9 : 7. 24 Hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben: want deze zijn do twee verbonden; het |
30 Maar wat zegt de Schrift? quot; Werp de dienstmaagd uit en haren zoon: want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije. a Gon. 21 :10. 31 Zoo dan, broeders! wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije. HOOFDSTUK 5. De apostel, hebbende verklaard en bewezen de vrijheid der christenen van het juk der wet, vermaant do Galatiörs, dat zij in die vrijheid blijven en volharden, vs. 1; dat anderzins Christus hun niet nut is, 2; en dat de regtvaardigheid niet wordt verkregen dan door een geloof, werkende door de liefde, 5; betuigt, dat hot gevoelen dor valsche leeraars niet uit God is, maar als een zuurdeesem, en dat zij van God zullen gestraft worden, 7; dat zij ook ton |
% M'
,, . *
tÃÃ
n
'
G. Fi.inck ; Verstooting van IIagar (Gal. 'i: 2*2).
|
eene van den berg Sina, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Agar: 25 Want dit, namelijk Agar, is Sina een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met hare kinderen. 26 quot;Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is onzer aller moeder. aOpenb. 21:2. 27 Want er is geschreven: quot;Wees vrolijk, gij onvruchtbare, die niet baart! breek uit en roep, â -dj die geenen barensnood hebt! want de kinderen Ier eenzame zijn veel meer, dan dergenen, die len man heeft. aJos. 54:1. 28 quot;Maar wij, broeders! zijn kinderen der be-ofte, als Izak was. a Hom. 0:7,8. 29 Doch gelijkerwijs toen, die naar het vleesch eboren was, quot;vervolgde dengenen, die naar len geest geboren wan, alzoo ook nu. «Gen.21:9. |
onregte des apostels naam misbruiken, 11; leert, dat deze vrijheid moet gebruikt worden met liefde tot den naaste, zonder twist, 13; en vermaant hen, dat zij de begeerlijkheden des vleesches door de kracht dos Geestes overwinnen, 10. Beschrijft daarom don strijd van het vleesch tegon den Geest in de goloovigon, 17; verhaalt de vruchten van hot vleesch, 19; en van den Geest, 22: aanwijzende, dat dit de rogte christenen zijn, die door don Geest bet vleesch overwinnen, 24. STAAT quot;dan in de vrijiieid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom h met bet juk der dienstbaarheid bevangen, a Joh. 8:32. l?om. G: 18. 1 Petr. 2:10. b Jes. 9:3. 2 Ziet, ik Paulas zeg u, «zoo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn. «Hand. 15:1. 3 En ik betuig wederom aaneen' iegelijk' mensch. i 1 '1 ' I H .li j li : |
GALATEN 5, G.
1056
|
die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de geheele wet te doen. 4 Christus is u ijdel geworden, die door de wet geregtvaardigd ivilt worden; gij zijt van de genade vervallen. 5 Want wij verwachten door den Geest, uit het geloof, de hoop der regtvaardigheid. (! quot; Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis eenige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde ''werkende, a Matt. 12:50. Joh. 15:14. 1 Cor. 7:19. 2 Cor. 5:17. Gal.G: 15. Col.3:ll. ftl Thess.l:3. 7 Gij liept wel; a wie heeft u verhinderd dei-waarheid niet gehoorzaam te zijn? aGul. 3:1. 8 Dit gevoelen is niet uit Hem, die u roept. !) quot; Een weinig zuurdeesem verzuurt het geheele deeg. a 1 Cor. 5 : 6. 10 quot; Ik vertrouw van u in den Heere, dat gij niet anders zult gevoelen; maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij. a 2 Cor. 2:3. 8 : 22. 11 Maar ik, broeders! indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd? Zoo is dan quot; de ergernis des kruises vernietigd, a 1 Cor. 1 : 23. 12 quot; Och of zij ook afgesneden wierden, die u onrustig maken! a Joz. 7 : 25. 13 Want gij zijt tot vrijheid geroepen , broeders! quot; alleenlijk gebruikt do vrijheid niet tot eene oorzaak voor het vleesch; maar dient elkander door de liefde. a 1 Cor. 8 : 9. 1 Potr. 2: 10. .1 udas vs. 4. 14 quot; Want de geheele wet wordt in een woord vervuld, namelijk in dit: ''Gij zult uwen naaste liefhebben, gelijk u zeiven. a Kom. 13:8. I) Lev. 19:18. Matt. 22: 39. Mark. 12:31. Jakob. 2 : 8. 15 Maar a indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe, dat gij van elkander niet verteerd wordt. a2Cor. 12:20. 16 En ik zeg: «wandelt door den Geest, en volbrengt de begeerlijkheid des vleesches niet. a Kom. 13 : 14. 1 Petr. 2 : 11. 17 quot;Want het vleesch begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vleesch; en deze staan tegen elkander, alzoo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet. «Kom. 7:15, enz. 18 Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zoo zijt gij niet onder do wet. 19 quot;De werken des vleesches nu zijn openbaar: welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid , a l Cor. 3 : 3. Jakob. 3 : 14. 20 Afgoderij,venijngeving,vijandschappen,twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedragt, ketterijen. |
21 Nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen, en dergelijke; quot; van dewelke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het koningrijk Gods niet zullen beërven. a 1 Cor. G : 10. Efez. 5 : 5. Col. 3 : G. Openb. 22 : 15. 22 quot; Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, langmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. a Efez. 5 : 9. 23 quot; Tegen de zoodanigen is de wet niet. a 1 Tim. 1 : 9. 24 quot;Maar die van Christus zijn, hebben het vleesch gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. a Kom. 6 : G. 13 :14. Cal. 2 : 20.1 Petr. 2:11. 25 Indien wij door den Geest leven, zoo laat ons ook door den Geest wandelen. 2(5 Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende. HOOFDSTUK 6. Ão apostel vermaant voorts do Ca-latiërs tot vorscheidene christelijke deugden, namelijk tot zachtmoedigheid in het bestraffen dergenen, die uit zwakheid zondigen , vs. 1; tot onderlinge verdraagzaamheid, 2 ; tot onderzoek en een nederig gevoelen van zich zeiven, 3 ; tot onderhoud der leeraars, G; tot toezien wat men zaait, 7; en tot milddadigheid jegens do armen, voornamelijk die geloovig zijn, 9. Daarna besluit hij don brief, toonende hoe lief hij hen heeft, 11; en hen nogmaals waarschuwende voor do valscho apostelen, welker eergierigheid on geveinsdheid hij beschrijft, 12; stollende zijn voorbeeld togen hen over, 14. Loert kortelijk, waarin hot regte christendom bestaat en wat hetzelve te verwachten hoeft, 15. Vermaant, dat niemand hem vorder mooijolijk vallo, 17; en eindigt mot don gewonen groot, 18. BROEDERS! quot; indien ook een mensch overvallen ware door eenige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zoodanige te regt met den geest der zachtmoedigheid; ziende op u zeiven, opdat ook gij niet verzocht wordt. a Rem. 14:1. 15:1. 1 Cor. 9:22. 2 quot;Draagt elkanders lasten, en vervult alzoo de wet van Christus. a Matt. 11 : 29. Joh. 13 : 14. Rom. 15 : 1. 1 Thess. 5 : 14. 3 Want zoo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zich zeiven in zijn gemoed. 4 Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zich zeiven alleen roem hebben, en niet aan eenen anderen. 5 quot;Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen. a Ps. G2 :13. Jer. 17 : lü. 32 : 19. Matt. 1G : 27. Kom. 2:6.14:12.1 Cor. 3:8.2 Cor. 5:10. Openb. 2:23.22:12. G quot; En die onderwezen wordt in het woord, deele |
ÃFEZE 1.
1057
|
niodo van allo goederen dengene, dio hem onderwijst. a Hom. 15:27. 1 Cor 9:11. 7 quot; Dwaalt niet; God laat zich niet bespotten: h want zoo wat de inensch zaait, dat zal hij ook maaijen. a 1 Coi-. G : 10. 6 Luk. 16 : 25. 8 Want die in zijn eigen vleesch zaait, zal uit het vleesch verderfenis maaijen; maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaijen. 9 quot; Doch laat ons, goed doende , niet vertragen ; want te zijner tijd zullen wij maaijen, zoo wij niet verslappen. a2 Tliess. 3 :13. 10 Zoo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar quot; meest aan de huis-genooten des geloofs. a 1 Tim. 5 : 8. 11 Ziet, hoe grooten brief ik u geschreven heb met mijne hand. 12 Al degenen, die een schoon gelaat willen toonen naar hot vleesch, die noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij van wege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden. |
13 Want ook zij zelven, die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen, dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vleesch roemen zouden. 14 Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Ileere Jezus Christus; door welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld. 15 quot; Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis eenige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. a Matt. 12:50. .Toll. 15:14. 2 Cor. 5:10. Gal. 5:6. Col. 3:11. 16 quot; En zoo velen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods. aPs. 125:5. 17 Voorts niemand doe mij moeite aan; quot;want ik draag de likteekenen van den Ileere Jezus in mijn ligchaam. «2 Cor. 4:10. 18 De genade van onzen Ileere Jezus Christus zij met uwen geest, broeders! Amen. |
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN DIE VAN
ÃFEZE.
|
HOOFDSTUK 1. Na het gewone opschrift van den brief, vs. 1; dankt de apostol God over al de geestelijke zegeningen, waarmede wij van Hem in Christus gezegend zijn, 3; namelijk, dat wij in hem van eeuwigheid zijn uitverkoren, 4; dat wij in hem zijn verordineerd tot de aanneming tot kinderen, 6; dat wij doorzijn bloed met God zijn verzoend, 7; dat hij door het evangelie ons heeft geroepen, 8; en dat alle uitverkorenen door hem in een zijn vergaderd, beiden die in den hemel en die op de aarde zijn, 10. Dat ook de Efeziërs, die in Christus gelooven, onder dezen zijn, en tot verzekering daarvan hot pand des Geestes hebben ontvangen, 13. Bidt daarna God, dat Hij hun verstand hierin meer en meer wil verlichten, 15; en door zijnen Geest hen wil laten gevoelen, welke de kracht zijner werking zij in alle dezen, 19: zijnde dezelfde, waardoor Hij Christus van de dooden heeft opgewekt en gezet aan zijne regter-iiand, 20; om een hoofd te zijn van zijne gemeente, 22. PAULUS, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, quot; aan de heiligen, die te Ãfeze zijn, en geloovigen in Christus Jezus: a Rom. 1:7.1 Cor. 1 : 2. 2 Cor. 1:1. 2 quot;Genade zij u en vrede van God, onzen Vader , en den Heere Jezus Christus. a Gal. 1:3. 1 Petr. 1 : 2. 3 Gezegend zij quot; de God en Vader van onzen leere Jezus Christus, die ons gezegend heeft iet alle geestelijke zegening in den hemel in 'hristus. n 2 Cor. 1:3. 1 Petr. I : 3. I quot;Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in hem. |
voor de grondlegging der wereld, '' opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde: «Joh. 15:16. 2 Tim. 1:9. M-mk. 1:75. Efez. 5:27. Col. 1:22. 2Tim. 1:9. Tit. 2:12. 5 Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in zich zelven, naar het welbehagen van zijnen wil, 6 Tot prijs der heerlijkheid zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft quot; in den Geliefde: a Matt. 3:17. 7 quot; In welken wij hebben de verlossing door zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom zijner genade, a Hand. 20 : 28. Col. 1 : 14. Hebr. 9 : 12. 1 Petr. 1 : 18. 8 Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzigtigheid; 9 Ons bekend gemaakt hebbende quot; do verborgenheid van zijnen wil, naar zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in zich zelven, a Rom. 16 : 25. Efez. 3 : 9. Col. 1: 26. 2 Tim. 1 : 9. Tit. 1: 2. 1 Petr. 1 : 20. 10 Om in de bedoeling van quot; de volheid der tijden , wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is ; a Gen. 49 : 10. Dan. 9 : 24. Gal. 4 : 4. 11 In hem, in welken wij ook quot;een erfdeel geworden zijn , wij, die te voren verordineerd waren naar hot voornemen desgenen, dio alle dingen werkt naar den raad van zijnen wil; nRora.8:17. 07 |
ÃFEZE 1, 2.
1058
|
12 Opdat wij zouden zijn tot prijs zijner heerlijkheid, wij die eerst in Christus gehoopt hebben. 13 In wolken ook gij zijt, nadat gij hot woord der waarheid, namelijk het evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, quot;zijt verzegeld geworden niet den Heiligen Geest der belofte; a Kom. 8: If). 2 Cor. 1 :22. 5:5. Efez. 4:30. 14 Die het onderpand is van onze erfenis, tot quot;de verkregene verlossing, tot prijs zijnor hoer-lijkhoid. a Ex. 19:5. üeut. 7 : G. 14 : 2. 20 : 18. Rom. 8 : 23. 1 Petr. 2 ; 0. 15 quot;Daarom ook ik, gehoord hebbende het geloof in don Iloere Jezus, dat onder u is, en do liefde tot al do heiligen, a Filipp. 1 : 3. Col. 1:3. 1 Thoss. 1:2. 2 Thess. 1 : 3. Ki Houdo niet op voor u te danken, gedonkondo uwer in mijne gebeden: 17 Opdat de Ood van onzen Hooro Jezus Christus, do Va-dor der heerlijkheid, u geve don Geest der wijsheid en der openbaring, in zijne kennis; 18 Namelijk verlichte oogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van zijne roeping, on welke de rijkdom zij der heerlijkheid van zijne erfenis in do heiligen; 19 En welke do uitnemende grootheid zijner kracht zij aan ons, die gelooven, quot;naar de werking der sterkte zijner magt, a Col. 2 :12. 20 Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij hom uit de doodon heeft opgewekt; quot; en hooft hem gezet tot zijne reg-tQvhand in don hemel; a Ps. 110 : 1. Hand. 2 :34. 1 Cor. 15:25. Col. 3:1. Hobr. 1:8. 10: 12. 1 Petr. 3 21 Verre boven allo overheid, en magt, kracht, en heerschappij, en allen naam, die naamd wordt, niet alleen in deze wereld ook in do toekomende; 22 quot; En hoeft alle dingen zijnon voeten onderworpen , en heeft hem dor goineento gegeven tot een Hoofd boven allo dingen; r* Ps. 8:7. Matt. 28:18. 1 Cor. 15:27 23 quot;Welke zijn ligchaam is, en de desgenen, die alles in allen vervult, «Pom. 12:5. 1 Cor. 12:27. Efoz. 22. ' en ge-maar Hobr. 2:8. vervulling 4: 10. 23. HOOFDSTUK 2. om aan te toonen do grootte Do apostel, om aan te toonen de grootte van do weldaad, die Ood ons doet in onze wederoprigting, verhaalt den ellendigen staat, uit welken wij verlost zijn, vs. 1; en verklaart, dat Ood uit, enkele genade, toon wij dood waren in onze zonden, ons lovend gemaakt heeft met Christus en met hem |
gezet in den hemel, 4; dat wij alzoo zalig zijn geworden door iiot geloof, niet uit de werken, 8; maar dat God ons in Christus heeft geschapen tot goede werken, 10. Hij betuigt wijders, dat de Heidenen buiten het verbond Gods waren en zonder hoop van zaligheid, 11; maar nu in Christus, die den scheidsmuur en de wet dor inzettingen heeft weggenomen, inodogenooten van deze genade waren geworden, 13. Waarom beiden, Heidenen en .loden, door liet evangelie worden geroepen, en door éénen Geest toegang hebben tot God, 17; waaruit hij besluit, dat zij dus te zamen gebouwd zijn op het fondament der profeten en apostelen, waarvan de hoeksteen is Christus, 19; en dat tot oenen tempel en woonstede Gods, 21. EN quot; u heeft Hij mede levend gemaakt, daar ij dood waart door de misdaden on do zonden; a Pom. 5 : G. Col. 2 : 13. 2 quot; In welke gij eertijds gewandeld hebt, naaide eeuw dezer wereld, naar den b overste van de magt der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid ; a l Cor. 0: 11. Col. 3 : 7.Tit. 3:3. h Joh, 12:31. 14:30. 10: 11. Efez. G : 12. 3 Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vlee-sches, doende den wil des vleesches en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen: 4 Maar God, dio rijk is in barmhartigheid, door zijne groote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, 5 Ook toenwij dood waren door de misdaden, quot;heeft ons levend gemaakt niet Christus; ('' uit genade zijt gij zalig geworden) a Rom. G : 8. 8 : 11. Col. 3 : 1, 3. h Hand. 15:11. Tit, 3 : 5, G En hoeft ons mede opgewekt, en heeft ons mode gezet in den hemel in Christus Jezus. 7 Opdat Hij zou betoonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom zijner genade door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus 8 Want uit genade zijt gij zalig geworden dooi het geloof; en dat niet uit u, quot; het is Gods gave a Matt, 1G : 17. Efoz. I : 19 9 Niet uit de werken, quot;opdat niemand roeme, a Rom. 3 : 27. 1 Cor. 1 : 29 10 Want wij zijn zijn maaksel; quot;geschapen ii Christus Jezus tot goede werken, welke God voor bereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wan delen. re 2 Cor. 5: 17. Efez. 1 : 4. 4:24. Tit. 2: 14 11 Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds Heide non waart in het vleesch, en die voorhuid genaamd wordt van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vleesch, die mot handen geschiedt: |
ÃFEZE 2, 3.
1059
|
12 Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels, en vreemdelingen quot; van de verbonden der belofte, geene hoop hebbende, en zonder God in de wereld. a Rom. 9:4. 13 Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus. 14 quot; Want hij is onze vrede, die deze beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur dos afscheidsels gebroken hebbende, a Jes. 9 : 5. Micha 5: 4. Joh. 10 : i!3. Hand. 10:30. Hom. 5:1, Col. 1:20. 15 Heeft hij de vijandschap in zijn vleesch te niet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande; opdat hij die twee in zich zeiven tot eenen nieuwen mensch zou scheppen, vrede makende; Ki En opdat bij die beiden met God in één lig-chaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende. 17 quot; En komende, heeft hij door het evangelie vrede verkondigd u, die verre waart, en dien, die nabij waren. «Jes. 57 : 19. Etez. 3:12. 18 quot; Want door hem hebben wij beiden den toegang door éénen Geest tot don Vader. n Joh. 10 : '(t. 14 : 6. Rom. 5: 2. Efoz. 3 : 12. Hebr. 10 : 19. 19 Zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en quot; huisgenooten Gods: «Gal. G : 10. 20 a Gebouwd '' op hot fondament der apostelen en profeten, c waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen ; n 1 Cor. 3 : 9,10. h Jes. 28 : 1G. Matt. 1G : 18. 1 Cor. 3 : 10. Oponb. 21 : 14. c 1 Petr. 2 : 4. 21 quot;Op welken het geheele gebouw, bekwamelijk zamengevoegd zijnde, opwast h tot eenen heiligen tempel in den Ileere; a Efez. 4 : 1G h\ Cor. G : 19. 2 Cor. G : 1G. 22 Op welken ook gij mede gebouwd wordt tot eene woonstede Gods in don Geest. HOOFDSTUK 3. Paulus betuigt, dat hij een govangeno was, om zijne standvastigheid in de leer van de genadige roeping der Heidenen, vs. 1; welke leer hij door eene bijzondere openbaring Gods kende, 3; en welke in de voorgaande eeuwen den menschen op zoodanige wijze nooit was bekend gemaakt, 5. Dat hij tot een' dienaar van het evangelie was gesteld, om deze leer onder de Heidenen te verkondigen, 7; en door do gemeente de veelvoudige wijsheid Gods bekend te maken, zelfs den engelen in den hemel, 10. Hij vermaant hen, dat zij in zijne verdrukkingen niet vertragen, 13; en bidt God, dat Hij hen meer en meer versterke, 14; opdat Christus door het geloof in hunne harten wone, 17 ; en zij de breedte, lengte, diepte en hoogte van deze genade en liefde van Christus mogen begrijpen, 18; en besluit met eene dankzegging tot God, 20. OM deze oorzaak ben ik Paulus quot; de gevangene an Christus Jezus voor u, die Heidenen zijt. «Hand. 21 :33. Efez. 4:1. Filipp. 1 : 7,13, 14, 1G. Col. 4 : 3. 2Tim. 1 : 8. Filem. vs. 1. ' Indien gij maar gehoord hebt van de bedeeling |
quot; der genade Gods, h die mij gegeven is aan u; a Rom. 1 : 5. h Hand. 13 : 2. Efez. 3 : 8. 3 Dat Hij mij quot; door openbaring heeft bekend gemaakt ''deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb; a Hand. 22:17,21. 2G: 1G, 17. Gal. 1:11,12. ft Rom. 1G:25. 4 Waaraan gij, dit lezende, kunt bemerken mijne wetenschap in deze verborgenheid van Christus) 5 Welke in andere eeuwen den kinderen der menschen niet is bekend gemaakt, quot;gelijk zij nu is geopenbaard aan zijne heilige apostelen en profeten, door den Geest: «Hand. 10:28. 6 Namelijk dat de Heidenen zijn medeerfgenamen , en van hetzelfde ligchaam, en mededeelge-nooten zijner beloften in Christus, door het evangelie; 7 Waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is, quot; naar de werking zijner kracht. o Efez. 1 : 19. Col. 2: 12. 8 Mij, quot; den allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om h onder de Heidenen door het evangelie te verkondigen den onnaspeur-lijken rijkdom van Christus, a 1 Cor. 15 : 9. 1 Tim. 1 : 15. h Hand. 9 : 15. 13 : 2. 22 : 21. Gal. 1 : 1G. 2:8. 1 Tim. 2:7. 2 Tim. 1:11. 9 En allen te verlichten , dat zij moeien verstaan, welke de gemeenschap quot; der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, welke allo dingen '' geschapen heeft door Jezus Christus. «Rom. 10:25. Efez. 1:9. Col. 1:2G. 2Tim. 1:10. Tit. 1:2. 1 Petr. 1:20. h Gen. 1 : 3. Ps. 33 : 0. Joh. 1 : 3. Col. 1 : 10. Hebr. 1: 2. 10 quot;Opdat nu, door de gemeente, bekend go-maakt worde aan de overheden en de magten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods: n 1 Petr. 1:12. 11 Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere; 12 quot;In denwelken wij hebben de vrijmoedigheid, en den toegang met vertrouwen, door het geloof aan hem. n Joh. 10 : 9. 14 : 0. Rom. 5 : 2. Efez. 2 : 18. Hebr. 10 : 19. 13 quot; Daarom bid ik, dat gij niet vertraagt in mijne verdrukkingen '' voor u, hetwelk is uwe heerlijkheid. « Filipp. 1: 14. 1 Thess. 3 : 3. !gt; Col. 1 : 24. 14 Om deze oorzaak buig ik mijne knieën tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus, 15 Uit welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, 16 Opdat Hij u geve, naar den rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht quot; versterkt te worden door zijnen Geest in den inwendigen mensch; « Efez. 0 : 10. 17 Opdat Christus door het geloof in uwe harten wone, en gij in de liefde quot; geworteld en gegrond zijt; n Col. 2 : 7. 18 Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke do breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, |
07*
ÃFEZE 3, 4.
1060
|
19 En bekennen do liefde vun Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid (rods. 20 quot; Hem nu, die inagtig is meer dan overvloe-diglijk te doen, boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt, a Hom. 16:26. 21 Hem, zcy ik, zij de heerlijkheid in de gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen. HOOFDSTUK 4. Narlat de apostel in het voorgaande do loer van het evangelie kortelijk had voorgesteld, zoo komt hij nu volgens zijnogewoon-fe in al zijne brieven tot do vermaning tot godzaligheid. In het algemeen vermaant hij eerst tot eenen wandel, overeonkom-stig hunne roeping, vs. 1; daarna in het bijzonder tot verdraagzaamheid in do liefde, 2; ten derde tot vrede en eenig-heid, welke vermaning hij met vele redenen versterkt, 3. Betuigt wijders dat Christus ten hemel gevaren zijnde, aan do mensehen wel verscheidene gaven heeft gegeven, 7; en verscheidene a11 ibten, als apostelen, profeten , leeraars, enz. hoeft verordineerd. 11 ; maar alle daartoe strekkende, dat do gem een tegobou w d en in eenheid des geloofs tegen alle dwalingen behouden moge worden, 12; dat evenwel deze heilzame kracht alleen uit Christus, als uit hot Hoofd, in al do leden vlooit, 10. Hij komt daarna weder tot de algemeene vermaningen, on waarschuwt hen, dat zij alzoo niet wandelen, gelijk weleer, toon zij nog Heidenen waren, 17; maar dat zij den ouden mensch afleggen, 22; en den nieuwen mensch aandoen, 23; dat zij ook de lengen alleggen, 25; de zon niet laten ondergaan over hunnen toorn, 20; niet stelen. 28; vuil spreken mijden, waardoor do H. Geest bedroefd wordt, 29; en allerlei boosheid, 31; maar dat zij elkander vergeven, gelijk God in Christus hun vergeven hoeft, 32. ZOO bid ik u dan, ik de gevangene in den Heere, quot; dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt; n Gen. 17:1. 1 Cor. 7 : 20. Filipp. 1 : 27. Col. 1 : 10. 1 Thoss. 2: 12. 2 quot; Met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, |
met langmoedigheid, verdragende elkander in liefde; a Col. 1:11. 3 :12. 1 Thess. 5 :14. 3 U benaarstigende te behouden de eenigheid des Geestes door den band dos vredes. 4 Een ligchaam is het, en een Geest, gelijker-wijs gij ook geroepen zijt tot eene hoop uwer beroeping ; ö «Een Heere, een geloof, een doop, a Deut. 4 : 39. Mal. 2:10. 1 Cor. 8 : 4, 0. 6 Een God en Vader van allen, die daar is boven allen, en door allen, en in u allen. 7 quot; Maar aan elk een van ons is de genade gegeven , naar de maat dor gave van Christus. «Hom. 12:6. ICor. 12:11. 2 Cor. 10:13. lPetr.4:10. 8 Daarom zegt Hij: quot; Als hij opgevaren is in de hoogte, heeft hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensehen gaven gegeven. oPs. 68:19. 9 quot; Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat hij ook eerst is nedergedaald in de nederste deelen der aarde ? a Joh. 3: 13. 0:62. 10 Die nedergedaald is, is dezelfde ook, die opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat hij alle dingen vervullen zou. 11 a En dezelfde heeft gegeven sommigen tot-apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten , en sommigen tot herders en leeraars: a 1 Cor. 12:28. 12 Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing quot; des ligchaams van Christus. a Rom. 12 : 5. 1 Cor. 12 : 27. Rfoz. 1 : 23. 5 : 23. Col. 1 : 24. 13 Totdat wij allen zullen komen tot de eenig beid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot eenen volkomenen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus; 14 quot; Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn h die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij dei mensehen, door arglistigheid, om listiglijk tol dwaling te brengen; a 1 Cor. 14:20. 6 Matt. 11:7 15 Maar de waarheid betrachtende in liefde, alle zins zouden opwassen in hem, die quot; het Hoofd is, namelijk Christus; ft Efoz. 5:23. Col. 1:18. |
ÃFEZE 4, 5.
1061
|
16 quot; Uit welken het yeheelc ligchaam, bokwa-melijk zamengevoegd en zamen vastgemaakt zijnde, door allo voegselen der toebrenging, naar de werking van een iegelijk deel in zijne maat, den wasdom des ligchaams bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde. n Rum. 12:5. 1 Cor. 12:27. Efez. 2:21. 17 Ik zeg dan dit, quot; en betuig het in den Heere, u dat gij niet meer wandelt, gelijk als de andere Heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds, a Rom. 1 : 9. b Rom. 1 : 18. 1 Petr. 4 : 3. 18 Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van hot leven Gods, quot; door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten. a 1 Thess. 4 ; 5. 19 Welke, ongevoelig geworden zijnde, zich zeiven hebben overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinigheid gieriglijk te bedrijven. 20 Doch gij hebt Christus alzoo niet geleerd; 21 Indien gij maar hem gehoord hebt, en door hem geleerd zijt,. gelijk do waarheid in Jezus is: 22 Te weten dat gij zoudt quot; afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mensch, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding; a Col. 3:9. Hebr. 12:1. 1 Petr. 2:1. 23 En dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds, 24 a En den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is in ware regtvaardigheid en heiligheid. a Rom. (J: 4. Col. 3 :10. 1 Petr. 4 : 2. 25 Daarom legt af de leugen, quot; en spreekt de waarheid, een iegelijk met zijnen naaste: want wij zijn elkanders leden. «Zach. 8:1G. 26 quot;Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uwe toornigheid ; a Ps. 4 : 5. 27 quot; En geeft den duivel geene plaats. a.lakob. 4:7. 1 Petr. 5:9. 28 Die gestolen hoeft, stele niet meer, quot; maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te deelen dengene, die nood heeft. a Hand. 20 : 35. 1 Tliess. 4:11. 2 Thess. 3 : 8,12. 29 quot; Geene vuile rede ga uit uwen mond, maar zoo er eenige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien, die dezelve hooren. a Matt. 12 : 36. Bfez. 5: 3, 4. 30 En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, quot; door welken gij verzegeld zijt tot den dag b der verlossing, a Rom. 8 : 16. 2 Cor. 1 : 22. 5 : 5. Efez. 1:13. b Luk. 21 : 28. Rom. 8: 23. Efez. 1 : 14. 31 quot; Alle bitterheid, en toornigheid, en gramschap , en geroep, en lastering, zij van u geweerd, met alle boosheid; «Col. 3: 19. 32 quot; Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, ''vergevende elkander, gelijkerwijs 'gt;lt;)k God in Christus ulieden vergeven heeft. quot; Filipp.2:1, Col.3:12. öMatt.6:14. Mark. 11:25. Col.3:13. HOOFDSTUK 5. De apostel gaat voort in de vermaningen, en eerst tot onderlinge liefde, naar hot voorbeeld van Gort en |
Christus, vs. 1. Vermaant hen wijders afstand te doen van allo onkuischheid, gierigheid, welke afgoderij is, zot geklap, enz., en verklaart dat zoo-danigen het rijk der hemelen niet zullen beërven, 3; en daar zij nu in het licht zijn, moeten zij als kinderen des lichts wandelen, 8; en geene gemeon-schap moer hebben met de werken der duisternis, maar die bestraffen, 11. Vermaant hen voorts, om voorzigtig te wandelen en als wijzen den tijd uit te koopen, 15; niet dronken te zijn, maar vol des Geestes, 18; en den Heere psalmen en lofzangen te zingen, 19. Vermaant hen in het algemeen, elkander onderdanig te zijn in de vreeze Gods, 21; doch bijzonder de vrouwen haren mannen, gelijk do gemeente aan Christus onderdanig is, 22; desgelijks vermaant hij de mannen hunne vrouwen Hef te hebben, gelijk Christus zijne gemeente heeft liefgehad, 25; en gelijk men zijn eigen ligchaam liefheeft, 28. Hij bewijst ook uit de instelling Gods, dat man en vrouw één vleesch zijn , en duidt dit ook op Christus en zijne gemeente, 31; en besluit met eene vermaning aan man en vrouw, 33. ZIJT dan navolgers Gods, als geliefde kindoren; 2 quot; En wandelt in de liefde, ''gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, '-'en zich zolvon voor ons heeft overgegeven tot eene offerande en een slagtoffer Code, tot eenen welriekenden reuk. aJoh.13:34. 15:12. lThess.4:9. 1 Joh.3:23. 4:21. ööal. 2:20. Tit. 2:14, 1 Petr. 3:18. cHebr. 8:3. 9:14. 3 quot; Maar hoererij en alle onreinigheid, of gierigheid laat ook onder u niet genoemd worden, gelijkerwijs het den heiligen betaamt. a Mark. 7:21. Efez. 4:29. Col. 3:5. 4 Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gek-kernij, welke niet betamen; maar veel meer dankzegging. 5 quot;Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het koningrijk van Christus en van God. a 1 Cor. 6 ; lü. Gal. 5 : 1!). Col. 3 : 5. Openb. 22 : 15. 6 quot;Dat u niemand verleide met ijdele woorden: want om doze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid. a Jer. 29 : 8. Matt. 24 : 4. Mark. 13 : 5. Luk. 21:8. Col. 2 : 4, 18. 2 Thess. 2 : 3. 1 Joh. 4:1. 7 Zoo zijt dan hunne medegenooten niet. 8 quot;Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts: a 1 Thess. 5 : 4. 9 quot; (Want de vrucht des Geestes is in allo goedigheid, en regtvaardigheid, en waarheid) a Gal. 5 : 22. 10 Beproevende wat don Heere welbehagelijk zij. 11 quot; En hebt geene gemeenschap mot do onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veel eer. a Matt. 18:17. 1 Cor. 5 : 8. 10 : 20. 2 Cor. 6 : 14. 2 Thess. 3 : 14. 12 Want hetgeen heimelijk van hen geschied, is schandelijk ook te zeggen. 13 quot;Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar: want al wat openbaar maakt, is licht. aJoh. 3:20,21 |
ÃFEZE 5, 6.
1062
|
14 Daarom zegt Hij: quot;Ontwaakt, gij clio slaapt! en staat op uit de dooden; en Christus zal over u lichten. aliom. 13:11. 1 Thess. £gt;:(). 15 quot; Ziet dan, hoe gij voorzigtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen, aCol. 4:5. 16 quot; Den tijd uitkoopende, dewijl do dagen boos zijn. a Rom. 13:11. 17 Daarom zijt niet onverstandig, quot;maar verstaat, welke de wil des Heeren zij. a Eom. 12:2. 1 Thess. 4 : 3. 18 quot; En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest; a Spr. 23 : 29. .les. 5 : 11, 22. Luk. 21 : 34. 19 quot;Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart: a Col. 3 : lö. 20 quot; Dankende te allen tijd over alle dingen God en den Vader, in den naam van onzen Heere Jezus Christus; a Col. 3:17. 1 Thess. 5 :18. 21 Elkander onderdanig zijnde in de vreeze Gods. 22 quot; (Jij vrouwen! weest aan uwe eigene mannen onderdanig, gelijk aan don Heere: a Gen. 3:10. 1 Cor. 14:34. Col. 3 : 18. Tit. 2:5. 1 Petr. 3 : 1. 23 quot; Want de man is het hoofd der vrouw, ''gelijk ook Christus het Hoofd dor gemeente is; en hij is de behouder 0 des ligchaams. a 1 Cor. 11:3. 6Etoz. 1:22. 4:15. Col. 1:18. cKom. 12:5. ICor. 12:27. Efez. 1 : 23. 4 : 12. Col. 1 : 24. 24 Daarom gelijk de gemeente aan Christus onderdanig is, alzoo ook de vrouwen aan hare eigene mannen in alles. 25 quot; Gij mannen! hebt uwe eigene vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft, '' en zich zeiven voor haar heeft overgegeven; «Col. 3 :19. 6Gal. 1 :4. Efez. 5:2. 26 Opdat hij haar heiligen zou, haarquot; gereinigd hebbende met het bad des waters door het woord; a Tit. 3 : 5. 1 Petr. 3 : 21. 27 Opdat hij haar zich zelvon heerlijk zou voor-stollen , eene gemeente, die geene vlok of rimpel heeft, of iets dergelijks, quot; maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk. a Col. 1:22. 28 Alzoo zijn de mannen schuldig hunne eigene vrouwen lief te hebben, gelijk hunne eigene lig-chamen. Die zijne eigene vrouw liefheeft, die heeft zich zeiven lief. 29 Want niemand hoeft ooit zijn eigen vleosch gehaat, maar hij voedt het, en onderhoudt het, gelijkerwijs ook de Heere de gemeente. |
30 quot;Want wij zijn leden zijns ligchaams, van zijn vleosch en van zijne boenen. a Rom. 12 : 5. 1 Cor. 12 : 27. 31 quot; Daarom zal een mensch zijnen vader en moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen; en zij twee zullen b tot één vleesch wezen. a Gen. 2 : 24. Matt. 19 : 5. Mark. 10:7. b 1 Cor. 6 : 10. 32 Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de gemeente. 33 Zoo dan ook gijlieden, elk in het bijzonder, een iegelijk hebbe zijne eigene vrouw alzoo lief als zich zeiven; en de vrouw zie, dat zij den man vreeze. HOOFDSTUK 6. De apostel komt verder tot den schuldigen pligt der kinderen jegens hunne ouders, vs. 1 ; en van de vaders jegens hunne kinderen, 4 ; daarna van de dienstknechten jegens hunne heeren, 5; en van de heeren omtrent hunne dienstknechten, 9. Vermaant hen ten laatste in het algemeen, sterk te zijn iti den Heere, 10; en beschrijft de listigheid en magt des Satans, tegen welken zij den strijd hebben, 11. Hij wapent hen tegen denzelven met de ge heele wapenrusting Gods. welke hij in alle doelen verhaalt, 13; vermaant hen daarenboven tot gedurig gebed, 18; ook voor hom, opdat hij in zijne banden het evangelie vrijmoedig mag spreken, 19. Betuigt dat hij daarom Ty'chicus tot hen zendt, om hun van zijne omstandigheden kennis te geven, 21; en besluit den blief met eenen wensch tot vrede, liefde, met geloof en genade, 23. GIJ quot;kinderen! zijt uwen ouderen gehoorzaam in den Heere: want dat is regt. a Col. 3 : 20. 2 quot; Eert uwen vader en moeder , (hetwelk het eerste gebod is met eene belofte) a Ex. 20 : 12. Deut. 5 : 10. 27 : 10. Matt. 15 : 4. Mark. 7 : 10. 3 Opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde. 4 En gij vaders! verwekt uwe kinderen niet tot toorn, quot; maar voedt hen op in de leering en vermaning des Heeren. a Deut. 0 : 7, 20. Ps. 78 : 4. Spr. 19 : 18. 29 ; 17. 5 quot; Gij dienstknechten! zijt gehoorzaam nxoev heeren naar het vleesch, met vreeze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; «Col. 3:22. 1 Tim. 0:1. Tit. 2:9. IPetr. 2:18. 6 Niet naar oogendienst, als menschenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil van God van harte; 7 Dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de menschen: |
FILIPPENSEN 1.
1063
|
8 Wetende, dat zoo wat goed een iegelijk gedaan zal hebben, hij datzelve van den Heere zal ontvangen , hetzij dienstknecht, hetzij vrije. 9 quot; En gij heeren! doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heere in de hemelen is, b en dat geene aanneming des persoons bij Hem is. a Col. 4; 1. h üeut. 10 ; 17. 2 Kron. 19 ; 7. Job 34 : 19. Hand. 10 : 34. Hom. 2:11. Gal. 2 : 6. Col. 3 : 25. 1 Petr. 1; 17. 10 Voorts, mijne broeders! wordt krachtig in don Heere, en in de sterkte zijner magt. 11quot; Doet aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels. «Col. 3:12. 1 Tliess. 5:8. 12 Want wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, quot;tegen de magten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in do lucht. a Efez. 2 : 2. 13 Daarom neemt aan quot; de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den boozen dag, en alles verrigt hebbende, staande blijven. a 2 Cor. 1U : 4. 14 quot; Staat dan, uwe lenden omgord hebbende met de waarheid, b en aangedaan hebbende liet borstwapen dor geregtigheid; a Lak. 12 : 35. 1 Petr. 1 : 13. h Jos. 59 : 17. 2 Cor. à : 7. 15 En de voeten geschooid hebbende met bereidheid van het evangelie dos vrodes; 16 Bovenal aangenomen hebbende het schild dos DE BRIEF VAN DEà AAN F I L I P P HOOFDSTUK 1. Nu hot opschrift van dezen brie! en den gewonen groot, vs. 1; verklaart de apostel, dat hij Grod dankt over do gemeenschap dor Filippensen aan het evangelie, 3; en vertrouwt, dat zij daarin, alsmede in alle christelijke deugden, meer en meer zullen toenemen, G. Hij beschrijft zijne verdrukking en banden, welke hij leed om des evangelies wil, en de vruchten welke hieruit voortkwamen, 12. Leert, dat het evangelie door sommigen wordt gepredikt uit goedwilligheid en liefde, tot zijne verligting, en van andoren uit nijd en twisting, tot verzwaring zijner banden, 15; doch hij vertrouwt, dat het alles zal gedijen tot zijno zaligheid en tot grootmaking van Christus, hetzij door het leven, hetzij door den dood, 19. Verklaart, dat hij tot beiden bereid is, alzoo het beiden nuttig was, in het leven te blijven voor de gemeente, of te sterven voor zich zeiven, 21. Hij hoopt echter nog een tijd lang in het leven te blijven tot dienst der gemeente, 25; en voegt daarbij wederom eene vermaning tot eensgezindheid, standvastigheid en lijdzaamheid in de verdrukking, 27; volgende zijn voorbeeld, 30. |
geloofs, met hetwelk gij al do vurige pijlen dos boozen zult kunnen uitblusschcn. 17 quot;En neemt don helm der zaligheid, ''en hot zwaard des Goestes, hetwelk is Gods woord; a Jos. 59 : 17. 1 Thess. 5 : 8. b Hebr. 4: 12. Openb. 2 : 1 ü. 18 Mot alle bidding en smooking, biddende quot; to allen tijd in den Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en snieeldng voor al do heiligen; «Luk.18:1. Hom.12:12. Col.4:2. 1 Tliess.5:17. 19 En « voor mij, opdat mij het woord gegeven worde in do opening mijns monds mot vrijmoedigheid , om de verborgenheid van het evangelie bekend te maken; a Hand. 4:29. 2 Thess. 3:1. 20 quot; Waarover ik een gezant ben '' in eone koten, opdat ik in hetzelve vrijmoediglijk moge sproken , gelijk mij betaamt te spreken. a 2 Cor. 5:20. /;Hand. 28:20. 21 quot; En opdat ook gij moogt weten hetgeen mij aangaat, en wat ik doe, dat alles zal u ^ Ty'chi-cus, de geliefde brooder en getrouwe dienaar in don Heere, bekend maken ; «Col. 4:7. 6 Hand. 20:4. Col. 4: 7. Tit. 3: 12. 22 Donwelken ik tot datzelfde einde quot; tot u gezonden heb, opdat gij onze zaken zoudt weten, en hij uwe harten zou vertroosten. «2 Tim. 4: 12. 23 Vrede zij don broederen, en liefde met geloof, van God den Vader, on den Heere Jezus Christus. 24 De genade zij mot al degenen, die onzen Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid. Amen. ï APOSTEL PAULUS DE E N S E N. PAULUS en Timótheüs, dienstknechten van Jezus Christus, al don heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, mot de opzieners en diakenen: 2 quot;Genade zij u en vrede van God, onzen Vader , en den Heere Jezus Christus. a Rom. 1:7. 1 l'otr. 1 : 2. 3 quot; Ik dank mijnen God, zoo dikwijls als ik uwer godenk , «Efez. 1:15. Col. 1:3. 1 ïhoss. 1:2. 2Thoss. 1:3. 4 (Te allen tijd in al mijn gebed voor u allon mot blijdschap het gebed doende) 5 Over uwe gemeenschap aan het evangelie, van den eersten dag af tot nu toe: G Vertrouwende ditzelve, dat Hij, die in u quot; een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus; « Joh. G : 29. 1 Thess. 1 : 3. 7 Gelijk hot bij mij regt is, dat ik van u allon dit gevoel, omdat ik in mijn hart houdo, dat gij, beide quot;in mijne banden, en in mijne verantwoording en bevestiging van het evangelie, gij |
FILIPPENSEN 1, 2.
1064
|
allon, zeg ik, mijne genade mede deelachtig zijt. a Efez. 3:1. 4:1. Col. 4 : 3, 18. 2 Tim. 1: 8. 8 quot;Want God is mijn getuige, hoezeer ik be-geerig ben naar u allen, met innerlijke bewegingen van Jezus Christus. a Rom. 1 : 9. 9 :1. 2 Cor. 1 : 23. 11: 31. Gal. 1 : 20. 1 Tlioss. 2 : 5. 1 Tim. 5 : 21. 2 Tim. 4:1. 9 En dit bid ik God, dat uwe liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen; 10 Opdat gij beproeft de dingen, die daarvan verschillen, opdat gij opregt zijt, en zonder aanstoot te geven, tot den dag van Christus; 11 Vervuld met vruchten dor geregtigheid, die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs van God. 12 En ik wil, dat gij weet, broeders! dat hetgeen aan mij is geschied, meer tot bevordering van het evangelie gekomen is: 13 Alzoo dat mijne bandon in Christus openbaar geworden zijn in het gansche regthuis, en aan alle anderen; 14 quot; En dat het meerder deel der broederen in den Heore, door mijne banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het woord onbevreesd durven spreken. «Efez.3:13. IThess.3:3. 15 Sommigen prediken ook wel Christus door nijd en twist, maar sommigen ook door goedwilligheid. 16 Genen verkondigen wol Christus uit twisting, niet zuiver, meenende aan mijne banden verdrukking toe te brengen ; 17 Doch deze uit liefde, dewijl zij weten, dat ik tot verantwoording van het evangelie gezet ben. 18 Wat dan? Nogtans wordt Christus op allerlei wijze, hetzij onder een deksel, hetzij in der waarheid, verkondigd; en daarin verblijd ik mij, ja ik zal mij ook verblijden. 19 quot;Want ik weet, dat dit mij ter zaligheid gedijen zal, door uw gebed en toebrenging des Geestes van Jezus Christus: a2Cor. 1:11. 20 Volgens mijne ernstige verwachting en hoop, quot; dat ik in geene zaak zal beschaamd worden; maar dat in alle vrijmoedigheid, gelijk te allen tijd, alzoo ook nu, Christus zal groot gemaakt worden in mijn ligchaam, hetzij door het leven, hetzij door den dood. a Rom. 5:5. 21 Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. 22 Maar of te loven in het vloesch, hetzelve mij oorbaar zij, en wat ik verkiezen zal, weet ik niet. 23 Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn: want dat is zeer verre het beste. 24 Maar in het vloesch te blijven, is noodiger om uwentwil. 25 En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven, en met u allen zal verblijven tot uwe bevordering en blijdschap des geloofs; |
26 Opdat uw roem in Christus Jezus overvloedig zij aan mij, door mijne tegenwoordigheid wederom bij u. 27 quot; Alleenlijk wandelt waardiglijk hot evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uwe zaken moge hooren, dat gij staat in oenen geest, mot oen gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des evangelies: «Gen. 17 : 1. 1 Cor. 7 :20. Efez. 4 :1. Col. 1 : 10. l.Thess. 2 :12. 4:1. 28 En dat gij in geen ding verschrikt wordt van degenen, die tegenstaan; hetwelk hun wel een bewijs is dos verderfs, maar u der zaligheid, en dat van God. 29 Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in hem te gelooven, maar ook voor hem te lijden; 30 Denzelfden strijd hebbende, hoedanigen gij in mij gezien hebt, en nu in mij hoort. HOOFDSTUK 2. Do apostel vermaant de Filippenson zeer bewegelijk tot eensgezind heid, vs. 1; nederigheid en dienstvaardigheid , 3; hun tot dat einde voorstellende hot voorbeeld van den Heore Jezus Christus, 5; die, zijnde de waarachtige God, zich zoo heeft vernietigd, dat hij onze menschelijke natuur hoeft aangenomen, en aan het kruis voor ons is gestorven, C; en daarna weder uitnemend zoor is verhoogd, 9. Hij voegt daarbij eeno algeineene vermaning tot gehoorzaamheid, vreeze Gods en allerlei christelijke deugden, 12; om zich als lichten midden onder de ongeloovigen te betoonen, 15. Verklaart, indien hij to Rome zou worden gedood, zich daarover te zullen verblijden, en dat zij zeiven dit mede behooron te doen, 17. Belooft Timótheüs haast tot hen te zenden, 19; hopende zelf ook tot hen te komen, 24. Hij bevoelt hen zeer ernstig hunnen herder Epafro-ditus aan, die dezen brief hun bragt, 25; verklaart dat hij zeer krank geweest was, doch weder door den Ileere gesterkt, 26; vermaant de Filipponsen, om hem met blijdschap te ontvangen, alzoo hij, om der bediening wil voor hen, in gevaar van zijn loven was geweest, 29. INDIEN er dan oonige vertroosting is in Christus , indien er oonige troost is der liefde, indien er oonige gemeenschap is des Geestes, indien er oonige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn; 2 Zoo vervult mijne blijdschap, dat gij moogt quot;eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van oen gemoed en van oen gevoelen zijnde. «Rem. 12:16.15:5. ICor. 1:10. Eilipp. 3:16. lPotr.3:8. 3 Doet geen ding door twisting of ijdele eer, quot; maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zich zelvon. a Rom. 12 : 10. 1 Petr. 5 : 5. 4 quot;Een iegelijk zie niet op het zijne, maar eon iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is. a 1 Cor. 10 : 24. 13 : 5. 5 quot;Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was; a Matt. 11 :29. Joh. 13:15. 1 Petr. 2:21. 1 Joh. 2:6. 6 quot; Die in de gestaltonis Gods zijnde, geenen roof geacht heeft Godo even gelijk te zijn; a 2 Cor. 4 : 4. Col. 1 : 15. Hobr. 1:3. |
FILIPPENSEN 2, 3.
1065
|
7 quot; Maar hoeft zich zelvon vernietigd, b de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den menschen gelijk geworden; « Ps. 8 : C. b Matt. 20 : 28. Joh. 13 :14. 8 quot; En in gedaante gevonden als een mensch, heeft hij zich zeiven lgt; vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja den dood des kruises. a Hebr. 2 : 14,17. 4:15. b Hebr. 2 : 9. 12 : 2. 9 quot; Daarom hoeft hem ook God uitermate verhoogd , en heeft hom h oenen naam gegeven, welke boven allen naam is; a Hand. 2 : 33. b Hebr. 1 : 4. 10 quot; Opdat in den naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergonen, die in den hemel, en die op do aarde, en die onder de aarde zijn, a Jes. 45 : 23. Kom. 14 ; 11. 11 quot;En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heero zij, tot heerlijkheid Gods, dos Vaders. a Joh. 13 : 13. I Cor. 8:0. 12:3. 12 Alzoo dan, mijne geliefdon! gelijk gij te allon tijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijne tegenwoordigheid alleen, maar veel meer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreoze en beven: 13 quot; Want het is God, die in u werkt beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen. a 2 Cor. 3 : 5. 14 quot; Doet alle dingen '' zonder murmureren en tegenspreken ; a Kom. 12 : 17. 1 Petr. 2 :12. h 1 Petr. 4 : 9. 15 Opdat gij moogt onberispelijk en opregtzijn, kinderen Gods zijnde, onstraffelijk in hot midden van een krom en verdraaid geslacht, quot; onder wolkon gij schijnt als lichten in do wereld; a Spr. 4 : 18. Matt. 5 : 14. 16 Voorhoudende hot woord dos levens, quot;mij tot eenen roem tegen don dag van Christus, dat ik niet te vergeefs heb geloopen, noch te vergeefs gearbeid. a 2 Cor. 1:14. 1 Thess. 2 :19. 17 Ja indien ik ook tot een drankoffer geofferd worde over de offerande en bediening uws go-loofs, quot;zoo verblijde ik mij, en verblijde mij met u allen. «2 Cor. 7:4. |
18 En om datzelfde verblijdt gij u ook, en verblijdt ook ulieden mot mij. 19 quot; En ik hoop in den lleore Jezus Timotheüs haast tot u te zenden, opdat ik ook welgemoed moge zijn, als ik uwe zaken zal verstaan hebben. a Hand. 16:1. Kom. 16:21. 1 Thess. 3:2. 20 Want ik heb niemand, die oven alzoo gemoed is, dewelke opregtelijk uwe zaken zal bezorgen. 21 quot;Want zij zooken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is. « 1 Cor. 10:24. 13:5, 22 En gij weet zijne beproeving, dat hij, als een kind zijnen vader, mot mij gediend heeft in het evangelie. 23 Ik hoop dan wel dezen van stonde aan te zonden, zoo haast als ik in mijne zaken zal voorzien hebben; 24 Doch ik vertrouw in den Ileero, dat ik ook zelf haast lot n komen zal. 25 Maar ik heb noodig geacht tot u te zonden Epafro-ditus, mijnen broeder, en medearbeider, en medestrijder, en uwen afgezondono, en bedienaar mijner nooddruft: 26 Dewijl hij zeer begeerig was naar u allon, en zeer beangst was, omdat gij gehoord hadt, dat hij krank was. 27 En hij is ook krank geweest tot nabij don dood; maar God heeft zich zijner ontfermd; en niet alleen zijner, maar ook mijner, opdat ik niet droefheid op droefheid zou van het kruis (Kil. 'i : 8). hobbcn 28 Zoo heb ik dan hem te spoediger gezonden, opdat gij, hem ziende, wederom u zoudt verblijden, on ik te min zou droevig zijn. 29 Ontvangt hem dan in don Heero, met alle blijdschap, quot; en houdt dezulken in waarde. «lCor.9:14. Gal.6:6. lThess.5:12. lTim.5:17. Hebr.l3:17. 30 Want om het werk van Christus was hij tot nabij den dood gekomen, zijn leven niet achtende, opdat hij het gebrek uwer bediening aan mij vervullen zou. HOOFDSTUK 3. De apostel waarschuwt voorts de Filippensen tegen do verleiding der valsche apostelen, die de wet en het evangelie te zaraen mengden, vs. 1; en leert |
FILIPPENSEN 3.
1066
|
daartegen, dat niet do uiterlijke besnijdenis, maar do geestelijke ter zaligheid noodig is, 3; hetgeen iiij met zijn eigen voorbeeld en geloof bevestigt, 4. Tot dat einde verhaalt hij ook al dio uiterlijke voor-regten te hebben, waarin deze roemden, 5; doch dat hij deze dingen niet achtte, noch zijn vertrouwen daarop stelde, maar alleen op Christus, 7; niet steunende op zijne eigene geregtigheid, die uit do wet is, maar alleen op de geregtigheid van Christus, welke iiij beschrijft met hare vruchten, 9; bekent evenwel zijne onvolmaaktheid, hoezeer hij ook naar de volmaaktheid tracht, 12; hij vermaant de Kilippensen, hetzelve ook te doen, naar dezen regel en naar zijn voorbeeld, lij; bestraffende degenen, die anders deden, met verkondiging aan hen van het eeuwige verderf, 18; en vertroost do ware ge-loovigen met do heerlijkheid, ook van hot ligchaam, welke de Hooro Cliristus ons zal toebrengen, 20. VOORTS, mijne broeders! quot;verblijdt u in den Hoere. Dezelfde dingen aan u te schrijven, is mij niet verdrietig, en het is u zeker. a Filipp. 4 : 4. Jakob. 1:2. lPetr.4:13. 2 quot; Ziet op de honden , ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding. a Jos. 56 : 10. 3 quot; Want wij zijn de besnijding, wij, die b God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vleesch betrouwen. a Dent. 10 ; 16. 30 : 6. .Ier. 4 : 4. Rom. 2 ; 29. Col. 2: 11. 6 Joh. 4 : 24. 4 Hoewel ik heb, dat ik ook in het vleesch betrouwen mogt; indien iemand anders meent te betrouwen in het vleesch, quot;ik nog meer: « 2 Cor. 11:21. 5 Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van quot; Israël, van den stam van b Benjamin, een Hebreër uit de Hebreën, naar de wet 0 een fari-zeër; «2Cor. 11:22. h Gen. 49:27. cHand. 23:6. 6 Naar den ijver quot; een vervolger der gemeente; naar de regtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk. a Hand. 8:3. 9:1. 22 : 3, 4. Cal. 1:13. 1 Tim. 1: 13. 7 quot; Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus wil schade geacht. a Matt. 13 :44. 8 Ja gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, quot;om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijnen Heere; om wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen, rtJos. 53:11. Jer. 9:23. Joh. 17:3. Col. 2:2. |
9 En in hem gevonden worde, niet hebbende mijne regtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de regtvaardigheid, quot; die uit God is door het geloof. « Rom. 1 : 17. 3 : 21. 10 Opdat ik hem kenno, en de kracht zijner opstanding, «en de gemeenschap zijns lijdens, zijnen dood gelijkvormig wordende; a Rom. 8 : 17. 2 Cor. 4 : 10. 2 Tim. 2:11,12. 1 Potr. 4 : 13. 11 Of ik eenigzins moge komen tot de wederopstanding der dooden. 12 Niet dat ik het aireede gekregen heb, of aireede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mogt, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. 13 Broeders! ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb. 14 Maar een ding doe ik, vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, quot; jaag ik naar liet wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus, a 1 Cor. 9:24.2 Tim.4:7. 15 Zoo velen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen; en indien gij iets anderzins gevoelt, ook dat zal u God openbaren. 16 Docli, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin quot; naar denzelfden regel wandelen, b laat ons hetzelfde gevoelen. «Gal.6:16. L Hom. 12:16. 15:5. 1 Oor. 1:10. Filipp. 2:2. 1 Potr. 3 : 8. 17 Weest mede quot;mijne navolgers, broeders! en merkt op degenen, die alzoo wandelen, gelijk gij ons ü tot een voorbeeld hebt. a 1 Cor.4:16. 11:1. IThess. 1:6.62Thess.3:9. lPetr.5:3. 18 quot; Want velen wandelen anders; van dewelke ik u dikmaals gezegd heb, en nu ook weenende zeg, dat zij vijanden des kruises van Christus zijn; a Kom. 16: 17. 19 Welker einde is liet verderf, welker God is de buik, en welker heerlijkheid is in hunne schande, dewelke aardsche dingen bedenken. 20 quot; Maar onze wandel is in de hemelen, b waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus; a Hebr. 13 : 14. h 1 Cor. 1 : 7. 1 Thess. 1 :10. Tit. 2 : 13. 21 quot; Die ons vernederd ligchaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan zijn heerlijk ligchaam, naar de werking, waardoor hij ook allo dingen zich zeiven kan onderwerpen. a 1 Cor. 15 : 51. Col. 3 : 4. 1 Joh. 3 : 2. |
|
HOOFDSTUK 4. L)o apostel vermaant de Filipponsou tot standvastigheid in het geloof, vs. 1; en twee vrouwen onder hen tot eensgezindheid, 2; voorts tot christelijke blijdschap, 4; bescheidenheid, 5; gerustheid des gemoeds, (J; en tot verscheidene andere christelijke deugden, 8. Daarna bedankt hij do Filippensen voor het onderhoud, hetwelk zij hem door Epafroditus hadden gezonden, 10; niet van wege gebrek, want hij had geleerd vergenoegd te zijn, 11. Hij prijst hunne liefdadigheid, die overvloediger was geweest dan van al de andere gemeenten, 14; zegt het van Epafroditus wel te hebben ontvangen, 18; en dat God het zou vergelden, 19. Eindelijk besluit hij dezen brief met lofzegging tot God en de gewone groetenissen en zegen wenschen, 20. ZOO clan, mijne geliefde, en zeer gewenschte broeders, mijne blijdschap quot;en kroon! staat al-zoo in den Heere, geliefden! « 1 Thess. 2:19. 2 Ik vermaan Euodia, en ik vermaan Sy'ntyche, dat zij eensgezind zijn in den Heere. 3 En ik bid ook u, gij mijn opregte medgezel! wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het evangelie, ook met Clemens, en de andere mijne medearbeiders, welker namen quot; zijn in het boek des levens. a Ex. 32 ; 32. I's. 09 ; 29. Openb. 3 : 5. 20 : 12. 21: 27. 4 quot; Verblijdt u in den Heere te allen tijd; wederom zeg ik : verblijdt u. a 1 Thess. 5 ; 16. 5 Uwe bescheidenheid zij allen menschen bekend. quot; Do Heere is nabij. a 1 Cor. 10 : 11. Hebr. 10 : 25. 6 quot; Weest in geen ding bezorgd; maar laat uwe begeerten in alles, door bidden en smeeken, mot dankzegging bekend worden bij God: a Ps. 55 : 23. Matt, ü ; 25. 1 Tim. (i: 8, 17. 1 Petr. 5 : 7. 7 quot;En de vrede Oods, die alle verstand te boven gaat, zal uwe harten en uwe zinnen bewaren in Christus Jezus. «Joh. 14:27. Kom. 5:1. Efez. 2:14. 8 Voorts, broeders! al wat waarachtig is, quot;al wat eerlijk is, al wat regtvaardig is, al watb rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zoo er eenige deugd is, en zoo er eenige lof is, bedenkt datzelve. a Rom. 13 : 13. h 1 Thess. 4 : 3, 4, 5. 9 Hetgeen gij ook geloerd, en ontvangen, en |
1067 gehoord, en in mij gezien hebt, doet dat; en de God des vrodes zal met u zijn. 10 En ik bon grootelijks verblijd geweest in den Heere, dat gij nu eenmaal wederom verwakkerd zijt quot; om aan mij te gedenken; waaraan gij ook gedacht hebt, maar gij hebt de gelegenheid niet gehad. a2Cor. 11:9. 11 Niet dat ik dit zeg van wege gebrek; want ik quot; heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben. a 1 Tim. 6:6. 12 En ik weet quot; vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; allezins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijnen honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden. a 1 Coi'. 4:11. 2 Cor. 11:27. 13 Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft. 14 Nogtans hebt gij wel gedaan, dat gij met mijne verdrukking gemeenschap gehad hebt. 15 quot;En ook gij, Filippensen! weet, dat in het begin des evangelies, toon ik van Macedonië vertrokken ben, goono gemeente mij iets modogodoold heeft tot rekening van uitgaaf en ontvangst, dan gij alleen. a 2 Cor. 11:9. 16 Want ook in Thessalomca hebt gij mij oen-maal en andermaal gezonden, tot nooddruft. 17 Niet dat ik do gave zoek, maar ik zoek do vrucht, die overvloedig is tot uwe rekening. 18 Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed ; ik bon vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden was, quot; alx oenen welriokenden reuk, oone aangename offerande, Godo wolbohagelijk. «Hebr. 13:16. 19 Doch mijn God zal naar zijnen rijkdom vervullen al uwe nooddruft, in heerlijkheid, door Christus Jezus. 20 Onzen God nu en Vader zij do heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 21 Groot alle heiligen in Christus Jezus. U groeten de broeders, die met mij zijn. 22 Al de heiligen groeten u, en moest die van hot huis dos keizers zijn. 23 Do genade van onzen Ileero Jezus Christus zij mot u allen. Amen. FILIPPENSEN 4. COLOSSENSEN 1. |
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAM DE
COLOSSENSEN.
|
HOOFDSTUK 1. |
Na het gewone opschrift van den brief, vs. 1; dankt Paulus God, dat de Colossensen het geloof in Christus hebben aangenomen, 3; door de prediking van het evangelie, hetwelk nu in do geheele wereld vruchten voortbragt, 5; gelijk ook onder hen geschiedde, naar de getuigenis van Epafras hunnen getrouwen leeraar, 7. Hij bidt God, dat zij in alle christelijke deugden meer en meer worden bekrachtigd, 9. Komt daarna tot de verhandeling der leer en verklaart, hoe zij uit de magt der duisternis door het bloed van Christus zijn verlost, 12; wiens persoon hij beschrijft, namelijk, dat hij is het beeld |
COLOSSENSEN 1.
1068
|
van den onzienlijken God, 15; dat allo dingen door hem zijn geschapen, 16; dat hij is hot Hoofd dor gemeente, 18; dat door het bloed zijns kruises alles is verzoend, wat in don hemel en op de aarde is, 20; en vermaant hen in dit geloof te volharden, 23; waarom hij het lijden van Christus ook voor hen vervult, 24; vermits hij is geroepen, om onder de Heidenen deze verborgenheid te verkondigen, 25; on allo monschen in Christus alleen volmaakt te stellen, naar de werking Gods in hem, 28. PAULUS, een apostel van Jezus Christus, door don wil van God, en Timótheüs, de broeder, 2 Don heiligen en geloovigen broederen in Christus, die te Colosse zijn: quot;genade zij u on vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus. «Hom. 1 : 7. Gal. 1 3 quot; Wij danken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, altijd voor u biddende; «Efez. 1 ; 15. Filipp. 1 : 3. 1 Thess. 1 : 2. 2 Thess. 1 : 3. 4 Alzoo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde, die gij hebt tot alle heiligen, 5 Om de hoop, quot; die u weggelegd is in de hemelen , van welke gij te voren gehoord hebt, door het woord der waarheid, na-mclijk des evangelies; a 1 Petr. 1 : 4. 6 Hetwelk tot u gekomen is, gelijk ook in de geheele wereld, quot; en hot brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, van dien dag af dat gij gehoord hebt, en de genade Gods in waarheid bekend hebt. o Mark. 4 : 8. Joh. 15 : 16. 7 Gelijk gij ook geleerd hebt van quot;E'pafras, onzen geliefden mededienstknecht, dewelke een getrouw dienaar van Christus is voor u; a Col. 4 : 12. Filem. vs. 23. 8 Die ons ook verklaard heeft uwe liefde in den Geest. !) quot; Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeeren, 0 dat gij moogt vervuld worden met de kennis van zijnen wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand; n Efez. 1 : 15. (Jor. 1 : 5. 10 quot; Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken 'gt; vrucht dragende, en wassende in de kennis van God; «Gen. 17:1. 1 Cor, 7:20. Efez. 4:1. Filipp. 1 : 27. 1 Thess. 2 : 12. b Joh. 15 : 16. |
11 Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte zijner heerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en langmoedigheid, met blijdschap; : 3. Efez. 1 : 2. 1 Petr. 1 : 2. 12 Dankende den Vader, die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve dor heiligen in het licht; 13 quot; Die ons getrokken heeft uit de magt der duisternis, en overgezet heeft in het koningrijk ''van den Zoon zijner liefde; aEfez. 2:4.1 Thoss. 2:12. 6Matt. 3:17.17:5. 2Petr. 1:17. 14 In denwelken wij de verlossing hebben quot; door zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden; a Hand. 20 : 28. Efez. 1: 7. Hebr.!): 14. 1 Petr. 1:19. 15 quot; Dewelke het beeld is des onzienlijken Gods, b de eerstgeborene aller kreature. a 2 Cor. 4 : 4. Filipp. 2 : 0. Hebr. 1:3. h Openb. 3 :14. K! quot; Want door hem zijn alle dingen geschapen , die in de hemelen en die op do aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij troonen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij magten: alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen; a Oen. 1 : 3. I's. 33 : 6. Joh. 1: 3. Efez. 3 : 9. Hebr. 1: 2. 17 En hij is vóór alle dingen, en allo dingen bestaan te zamen door hem: 18 quot; En hij is het Hoofd des ligchaams, namelijk der gemeente, hij, die het begin is, 1 de eerstgeborene uit de dooden, opdat hij in allen de eerste zou zijn. «Efez. 1:22. 4: 15. 5:23. b 1 Cor. 15 : 20. Openb. 1: 5. 19 Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat quot; in hem al do volheid wonen zou; a Joh. 1: 14, 16. Col. 2 : 9. 20 quot; En dat hij, door hem b vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, door hem, zey ik, alle dingen verzoenen zou tot zich zeiven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen , die in de hemelen zijn. a 2 Cor. 5:18. 1 Joh. 4 :10. iJos. 9:6. Joh. 16:33. Hand. 10:36. Kom. 5:1. Efez. 2:14. 21 En hij heeft u, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de booze werken , nu ook verzoend, 22 In het ligchaam zijns vleesches, door den dood, quot; opdat hij u zou heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk voor zich stellen: a Luk. 1 : 75. Efez. 1 : 4. 5 : 27. 2 Tim. 1: 9. Tit. 2:12. 23 quot;Indien gij maar blijft in het geloof, gefon-deerd en vast, en niet bewogen wordt van do hope des evangelies, dat gij gehoord hebt, het- |
COLOSSENSEN 1, 2.
1069
|
welk gepredikt is onder al de kreature, die onder den hemel is; van hetwelk ik Paulus een dienaar geworden ben; ft Joh. 15 : G. 24 quot; Die mij nu verblijde in mijn lijden 11 voor u, en vervulle in mijn vleesch de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, ' voor zijn ligchaam, hetwelk is de gemeente; a 2 Cor. 7 : 4. 6 Efez. 3 ; 13. Filipp. 2 ; 17. 2 Tim. 2 : 10. e Rom. 12:5. 1 Cor. 12:27. Efez. 4:12. 5:23. 25 Welker dienaar ik geworden ben, naar de bedeeling van God, quot; die mij gegeven is aan u, om te vervullen het woord Gods: aRom. 16:25. Efez. 1:9. 3:9. 2 Tim. 1 : 10. Tit. 1:3. 1 Petr. 1 :20. 20 Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, a maar nu geopenbaard is aan zijne heiligen; a Matt. 13:11. 27 quot; Aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de Heidenen, welke is Christus onder u, quot;de hoop der heerlijkheid; a 2 Cor. 2: 14. I) 1 Tim. 1:1. 28 Denwelken wij verkondigen, vermanende een' iegelijk mensch, en leerende een' iegelijk mensch in alle wijsheid, opdat wij zouden een' iegelijk mensch volmaakt stellen in Christus Jezus: 29 Waartoe ik ook arbeide, strijdende naar zijne werking, die in mij werkt met kracht. HOOFDSTUK 2. Do apostel betuigt, hoe zorgvuldig hij is voor de Co-lossensen en anderen, wien hij zelf nooit het evangelie gepredikt had, opdat zij meer en meer zouden worden gesterkt in de regte kennis van God en Christus, in wien alle schatten der wijsheid ver-horgen zijn, vs. 1; vermaant hen, dat zij door geene schijnredenen zich van deze aangenoinene leer laten afleiden, 4. Waarschuwt hen, dat zij doze leer met geene wijsbegeerte, noch andere inzettingen der wet zouden vermengen, 8; daar al de Godheid in Christus ligchamelijk woont, en wij in hem volmaakt zijn, 9; en dewijl wij ook in Christus geestelijk zijn besneden, 11; waarvan de doop een zegel is, 12; aangezien Christus ook de wet der plegtigheden , als een handschrift, aan het kruis heeft te niet gedaan , en zelfs over den Satan daaraan heeft gezegepraald, 13. Handelt wijders tegen het onderscheid der spijzen en der tijden, 16; tegen de dienst der engelen, 18; en tegen alle menschelijke inzettingen en eigenwillige godsdiensten, 20. WANT ik wil, dat gij weet, hoe grooten strijd ik voor u heb, en voor degenen, die te Laodicéa zijn, en zoo velen als er mijn aangezigt in het vleesch niet hebben gezien; 2 Opdat hunne harten vertroost mogen worden, en zij zamengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands , a tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus; « Jes. 53 :11. .Ier. 9 : 23. Joh. 17 : 3. Filipp. 3 : 8. 3 quot; In denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. a 1 Cor. 1 :24. |
4 En dit zeg ik, quot;opdat niet iemand u misleide met beweegredenen, die eenen schijn hebben. a Efez. 5 : G. Col. 2:18. 5 Want quot; hoewel ik met het vleesch van ?/ ben, nogtans ben ik met den geest bij u, mij verblijdende en ziende uwe h ordening, en de vastigheid van uw geloof in Christus. a 1 Cor. 5 : 3. ft 1 Cor. 14 : 40. 6 Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen , wandelt alzoo in hem ; 7 quot; Geworteld en opgebouwd in hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, '' overvloedig zijnde in hetzelve, met dankzegging. a Efez. 3 :17. b 1 Cor. 1 : 5. 8 ' Ziet toe, dat niemand u als eenen roof ver-voere door de filosofie, en ijdele verleiding, naaide overlevering der menschen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus; «Rom. 16:17. Hebr. 13:9. 9 quot; Want in hem woont al de volheid der Godheid ligchamelijk; aJoh. 1 :14. Col. 1: 19. 10 quot;En gij zijt in hem volmaakt, die het Hoofd is van alle overheid en magt; a Joh. 1 : 10. 11 quot; In welken gij ook besneden zijt met eene besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het ligchaam der zonden des vleesches, door de besnijdenis van Christus: a Deut. 10: 16. Jer. 4:4. Rom. 2:29. Filipp. 3:3. 12 quot; Zijnde met hem begraven in den doop, in welken gij ook met hem opgewekt zijt, h door bet geloof der werking Gods, die hem uit de dooden opgewekt heeft. a Rom. 0 : 4. Gal. 3: 27. b Efez. 1:19. 3 : 7. 13 quot; En Hij heeft u, als gij dood waart in do misdaden, en i'w. de voorhuid uws vleesches, mede levend gemaakt met hem, al uwe misdaden u vergevende; «Efez. 2:1. 14 Uitgewischt hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen heHtaande, hetwelk, zeg ik, eenigerwijze ons tegen was, en heeft dat-zelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende: 15 quot; En de overheden en de magten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoon gesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd. «Gen. 3:15. Matt. 12:29. Luk. 11:22. Joh. 12:31. 16:11. 16 quot; Dat u dan niemand oordeele in spijs of in drank, of in het stuk ''des ïavstdags, of dei-nieuwe maan, of der sabbate'n; a Lev. 11 : 2. Rom. 14: 2. Gal. 4 : 10. b Lev. 23 : 2, enz. 17 Welke zijn quot; eene schaduw der toekomende dingen, maar het ligchaam is van Christus. a Hebr. 8:5. 10:1. 18 quot; Dat da7i niemand u overheersche naar zijnen wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, te vergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleesches; «Jer. 29:8. Matt. 24:4. Efez. 5:6. 2Thess. 2:3.1 Joh. 4:1. 19 En het Hoofd niet behoudende, uit hetwelk het geheele ligchaam, door te zamenvoegselen en |
COLOSSENSEN 2, 3.
1070
|
zamonbindingen voorzien on zamengevoegd zijnde, opwast met Goddelijken wasdom. 20 Indien gij dan met Christus quot; de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast? «Gal. -1:0. 21 Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan: 22 Welke dingen alle verderven door het gebruik, quot; ingevoerd naar do geboden en leeringen der menschen; n Jos. 20:115. Matt. 15:9. Tit. 1:14. 23 quot; Dewelke wel hebben eene schijnrede van wijsheid in eigenwillige öoctedienst, en nederig-lieid, en in het ligchaam niet te sparen, doch zijn niet in eenige waarde, maar '' tot verzading van het vleesch. « 1 Tim. 4:8. ft 1 Tim. 5:23. HOOFDSTUK 3. Do apostel naar zijne gewoonte do gronden der leer tot hiertoe voorgesteld hebbende, draagt in do twee volgende hoofdstukken do vermaningen tot godzaligheid voor, en vooral vermaant bij bon in hot algemeen, om te zoeken, hetgeen dat in den hemel is, vs. 1; waarvan zij nu wel eenige beginselen hebben, maar de volle bezitting in de openbaring van Christus verwachten, 3. Hij stelt bun vervolgens den weg voor oogen, welke daartoe leidt, namelijk, de dooding van den ouden mensch met zijne leden, of ondeugden, welke hij verhaalt, 5; en de aantrekking van den nieuwen mensch, die naar Gods beeld geschapen is, met zijne geestelijke deugden, 10. Voegt er eenige middelen bij, daartoe dienstig, als: rijke inwoning van Gods woord onder ben, zingen van psalmen en diergelijke, 1G. Vermaant hen alles te doen tot Gods eer, 17. Komt daarna tot de bijzondere pligten, namelijk, de vrouwen en mannen jegens elkander, 18; van de kinderen jegens hunne ouders, en van de vaders jegens hunne kinderen, 20; en eindelijk van do dienstknechten jegens hunne boeren, 22 INDIEN gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen, die boven zijn, quot;waar Christus is, zittende aan de vegtevhand Gods. a Efez. 1 : 20. 2 Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. 3 quot; Want gij zijt gestorven, en uw loven is met Christus h verborgen in God. a Rom. G : 2. b Bom. 8 : 24. 2 Cor. 5 : 7. 4 quot; Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met hem geopenbaard worden in heerlijkheid. aFilipp. 3:21. 1 Joh. 3:2. 5 quot; Doodt dan '' uwé leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, '' schandelijke bewoging , kwade begeerlijkheid , en de gierigheid, ''welke is afgodendienst. «Efoz. 4:22. 5:3. 1) Rom. 7 : 5, 23. c 1 Tiioss. 4 : 5. lt;1 Efez. 5 : 5. (5 quot; Om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid; a 1 Cor. G : 10. Gal. 5 : 19. Efez. 5 : 5. Oponb. 22 :15. 7 «In dewelke ook gij eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet. al Cor. 0:11. Efez. 2:1. Tit. 3:3. |
8 quot;Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uwen mond. 1 L a Efoz. 4 : 22. Hebr. 12 : 1. Jakob. 1: 21. 1 Petr. 2 : 1. 9 quot;Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt don ouden mensch met zijne werken, a Efez. 4 : 25. 10 quot; En aangedaan hebt den nieuwen mensch , die vernieuwd wordt tot kennis, '' maar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft; a Rom. G : 4. Gen. 1 : 2G. 5:1.9:6. 1 Cor. 11 : 7. 11 Waarin quot;niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, '' dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen. a Gal. 3 : 28. 5 : G. G : 15. h 1 Cor. 7 : 21, 22. 12 :13. 12 quot; Zoo doet dan aan, '' als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedig-lieid, zachtmoedigheid, langmoedigheid: n Efez. 4 : 32. G : 11. h\ Thoss. 1 : 4. 13 Verdragende elkander, quot;en vergevende de een den anderen, zoo iemand tegen iemand eenige klagt heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzoo. a Matt. G : 14. Mark. 11 : 25. Efoz. 4 : 32. 14 quot;En boven dit alles doet aan de liefde, dewelke h is de band der volmaaktheid. o Joh. 13 :34. 15 : 12. Efez. 5 : 2. 1 Thess. 4 : 9. 1 Joh. 3 : 23. 4 : 21. h Efez. 4 : 3. Col. 2 : 2. 15 En de vrede Gods heersche in uwe harten, tot welken gij ook geroepen zijt in een ligchaam; en weest dankbaar. 16 Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; quot; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen , zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart. «Efez. 5:19. 17 En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den naam van den Heere Jezus, quot; dankende God en den Vader door hem. n Efez. 5 : 20. 1 Thess. 5 : 18. 18 quot; Gij vrouwen! zijt uwen eigenen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den Heere. «Gen. 3:16.1 Cor. 14:34. Efoz. 5:22. Tit.2:5. lPetr.3:l. 19 quot;Gij mannen! hebt uwe vrouwen lief, on wordt niet verbitterd tegen haar. «Efez. 5:25. 20 quot;Gij kinderen! zijt ouderen gehoorzaam in alles, want dat is den Heere welbehagelijk. n Efez. 6:1. 21 Gij vaders! tergt uwe kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden. 22 quot;Gij dienstknechten! zijt in alles gehoorzaam uwen heeren naar het vleesch, niet met oogendiensten als menschenbehagers, maar met eenvoudigheid des harten, vreezende God. «Efez. G;5. 1 Tim. 6:1. Tit. 2:9. 1 Petr. 2: 18. 23 En al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere, en niet den menschen: 24 Wetende, dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient den Heere Christus. |
' 4:
COLOSSENSEN 3, 4.
1071
|
25 Maar die onregt doet, die zal het onregt dragen, dat hij gedaan heeft: en er is geene aanneming des persoons. HOOFDSTUK 4. Do apostel vermaant do heeren tot billijkheid jegens hunne dienstknechten, vs. 1; en een' iegelijk tot aanhouden in het bidden, 2; en bijzonder voor hem, opdat hij door zijne banden in het werk des evangelies niet zou worden verhinderd, 3. üij vermaant hen met wijsheid tc wandelen en te spreken onder degenen, die buiten zijn, 5; betuigt dat hij hun Ty'ohicns en Onésimus zendt, om hen te vertroosten en van al zijne zaken te onderrigten, 7. Groet hen van wego Aristarchus en verscheidene anderen, wier ijver voor hen hij prijst, 10. Beveelt, dat zij de broeders in Laodicéa zullen groeten, en ook hun dezen brief laten lezen, 15; en aan Archip-pus te zeggen, dat hij in zijne bediening getrouw moge blijven, 17; besluit dezen brief met zijne groet, 18. GIJ quot; heeren! doet uwen dienstknechten regt en gelijk, wetende, dat ook gij eenen Ileere hebt in de hemelen. aEfcz. G ; 9. 2 quot; Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelve met dankzegging; «Luk. 18:1. Rom. 12:12. Efez.0:18. 1 Thoss.5:17. 3 Biddende met een ook voor ons, dat God ons de deur des woords opene, quot; om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben; a Efoz. C : 19. 2 Thcss. 3:1. 4 Opdat ik dezelve moge openbaren, gelijk ik moet spreken. 5 quot; Wandelt met wijsheid bij degenen, die buiten zijn, ''den bekwamen tijd uitkoopende. a Efez. 5 : 15. h Efoz. 5 : 1 (i. 6 quot; Uw woord zij te allen tijd in aangenaamheid, met zout hesprengd, opdat gij moogt weten, hoe gij een' iegelijk moet antwoorden, «Mark. 0:50. 7 Al mijne zaken zal u bekend maken quot; Ty'chi-cus, do geliefde broeder, en getrouwe dienaar, en mededienstknecht in den Heere; a Hand. 20:4. Efez. 0:21. 2 Tim. 4:12. |
8 Denwolken ik tot hetzelfde einde tot u gezonden heb, opdat hij uwe zaken wete, en uwe harten vertrooste: 9 Met quot;Onésimus, den getrouwen en geliefden broeder, dewelke uit de uwen is; zij zullen u alles bekend maken, wat hier is. a Filem. vs. 10. 10 U groet quot; Aristarchus, mijn medegevangene; cn ''Markus, de neef van Barnabas, aangaande welken gij bevelen ontvangen hebt: zoo hij tot u komt, ontvangt hem ; a Hand. 27 : 2. b Hand. 15:37. 2 Tim. 4:11. 11 En Jezus, gezegd Justus, welke uit de besnijdenis zijn: deze alleen zijn mijne medearbeiders in het koningrijk Gods, die mij eene vertroosting geweest zijn. 12 U groet quot; Ãpafras, die uit do uwen is, een dienstknecht van Christus, te allon tijd strijdende voor u in do gebeden, opdat gij staan moogt volmaakt en volkomen in al den wil van God. a Col. 1 : 7. Filem. vs. 2.'{. 13 Want ik geef hem getuigenis, dat hij grooten ijver heeft over u en degenen, die in Laodicéa zijn, en degenen, die in Hierapolis zijn. 14 U groet quot; Lukas, de medicijnmeester, de geliefde, en '' Demas. a 2 Tim. 4:11. h 2 Tim. 4: 10. 15 Groet do broeders, die in Laodicéa zijn, en Nymfas, en de gemeente, die in zijn huis is. 16 En wanneer deze zendbrief van u zal gelezen zijn, maakt, dat hij ook in de gemeente der Laodicensen gelezen worde, en dat ook gij dien leest, die uit Laodicéa geschreven is. 17 En zegt aan Archippus: Zie op de bediening, die gij aangenomen hebt in den Heere, dat gij die vervult. 18 quot; De groetenis met mijne hand, van Paulus. '' Gedenkt mijner banden. De genade zij met u. Amen. « 2 Thnss. 3: 17. h Ilebr. 13:3. |
1 THESSALONICENSEN 1, 2.
1072
DE EERSTE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN DE
THESSALONICENSEN.
|
HOOFDSTUK 1. Na het gewone opschrift van den brief, vs. 1; dankt de apostel God over hun geloof, liefde en hoop op Christus, 2; zicli verzekerende, dat hunne verkiezing van God was, 4; hetwelk hij bewijst uit do kracht, welke God door zijnen Geest bij het woord heeft gevoegd, 5; en uit hunne gehoorzaamheid aan het evangelie bewezen, 0; die ook in allo plaatsen was bekend geworden, 8; en nog dagelijks verkondigd wordt, hoe zij van de afgoden tot God zijn bekeerd, 9; om Gods Zoon, die ons verlost heeft, uit den hemel te verwachten, 1(1. PAULUS, on Silvanus, en Timótheüs, aan do gemoento der Thessalonicensen, welke is in God den Vador, en don Hooro Jozus Christus: quot; genade zij u on vrede van God, onzen Vader, en den Ileero Jezus Christus, a Rom. 1 : 7. Efez. 1 : 2. 1 Petr. 1 ; 2. 2 quot;Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze geboden; A Efez. ] : 1G. Filipp. 1:3. Col. 1 :3. 2 Thess. 1:3. 3 Zonder ophouden gedenkende quot; het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader; a Joh. 6:29. 4 Wetende, geliefde broeders! uwe verkiezing van God: 5 quot; Want ons evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, on in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid; ''gelijk gij weet, hoedanigon wij onder u geweest zijn om uwentwil, a 1 Cor. 2 : 4.4 : 20. A 1 Thess. 2:1. ü quot; En gij zijt onze navolgers geworden, on dos Hoeren, het woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestos; n 1 Cor. 4 : IC. 11 : 1. Filipp. 3 : 17. 2 Thess. 3 : 9, 7 Alzoo dat gij voorbeelden geworden zijt al den geloovigen in Macedonië en Achaje. 8 Want van u is het woord des Heoron luidbaar geworden niet alleen in Macedonië en Achaje, maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat gij op God hebt, uitgegaan, zoodat wij niot van noode hebben. iets daarvan te spreken: 9 Want zij zeiven verkondigen van ons, hoeda-nigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen; 10 quot; En zijnen Zoon uit de hemelen te verwachten , denwelkon Hij uit do doodon verwekt heeft, namelijk Jozus, die ons verlost van don toekomenden toorn. a Hand. 1:11. Filipp. 3 ;. 20, 2 Thess. 1:10. Oponb. 1 : 7. |
HOOFDSTUK 2. Paulus gaat voort in liet verklaren van zijne opregt-heid en standvastigheid in het voortplanten van het evangelie onder hen, vs. 1 ; geeno eer noch voordeel van menschen bij hen zoekende, hoewel hij hun als een apostel van Christus wel lastig had kunnen zijn, (gt;. Hij stelt hun voor oogen, hoe vriendelijk en heilig hij met hen heeft gehandeld, om hen te bewogen tot eenen wandel, hot evangelie waardig, 10; en hoe zij zijn woord als Gods, en niet als eens menschen woord hebben aangenomen, 13; navolgers geworden zijnde der gemeenten in Judéa, die ook van de hardnekkige .loden, hunne landslieden, zijn vervolgd, 14; welke Joden, nadat zij Christus hebben gedood, hunne zonden vervullen, en op welke de toorn Gods tot het einde is gekomen, 15. Betuigt daarna zijne groote begeerte, om hen weder te zien, 17; daar zij zijnen roem en heerlijkheid zijn in de toekomst van Christus, 19. WANT quot;gij weet zolvon, broeders! onzen ingang tot u, dat die niet ijdel is geweest; a 1 Thess. 1 : 5, 9. 2 Maar, hoewel wij te voren geleden hadden, en ook ons smaadheid aangedaan was, gelijk gij weet, quot;te Filippi, zoo hebben wij nogtans vrijmoedigheid gebruikt in onzen God, om het evangelie van God '' tot u te spreken in veel strijds. a Hand. 10 : 22. b Hand. 17 :2. 3 Want onze vermaning is niet geweest uit verleiding , noch uit onreinigheid, noch met bedrog; 4 Maar, gelijk wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het evangelie zou toebetrouwd worden, alzoo sproken wij, quot; niot als menschen behagende, maar Gode, die onze liarten beproeft. a Gal. 1 : 10. ö Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk gij weet, noch met eenig bedeksel van gierigheid; quot; God is getuige! a Rom. 1 : 9. 9 : 1. 2 Cor. 1: 23. 11:31. Gal. 1 : 20. Filipp. 1:8. ITim. 5:21. 2 Tim. 4:1. 6 Noch zoekende eer uit menschen, noch van u, noch van anderen; quot; hoewel wij u tot last konden zijn als Christus apostelen; a 1 Cor. 9 : 3. 2 Thess. 3 : 9. 7 Maar wij zijn vriendelijk geweest in het midden van u, gelijk als eene voedster hare kinderen koestert: 8 Alzoo wij tot u zeer genegen zijnde, hebben u gaarne willen mededeelen niet alleen het evangelie van God, maar ook onze eigene zielen, daarom dat gij ons lief geworden waart. 9 quot; Want gij gedenkt, broeders! onzen arbeid en moeite: want nacht en dag werkende, opdat |
1 TTIESSALONICENSEN 2, 3, 4.
1073
|
wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij hot evangelie van God onder u gepredikt. a Hand. 18:3. 20:34. I Cor. 4:12. 2 Cor. 11 :!). 12 : 13. 2 Thess. 3 : S. 10 Gij zijt getuigen, en God, hoe heilig, en regtvaardig, en onberispelijk wij u, die gelooft, geweest zijn. 11 Gelijk gij weet, hoe wij een' iegelijk van u, als een vader zijne kinderen, vermaanden en vertroostten, 12 En betuigden, quot; dat gij zoudt wandelen waardiglijk Gode, die u roept tot zijn koningrijk en heerlijkheid. oGen. 17:1. ICor. 7:20. Efez. 4:1. Pilipp. 1:27. Col. 1:10. 13 Daarom danken wij ook God zonder ophouden , dat, als gij het woord der prediking van God van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet als der menschen woord, maar (gelijk het waarlijk is) ah Gods woord, dat ook werkt in u, die gelooft. 14 Want gij, broeders! zijt navolgers geworden der gemeenten Gods, die in Judea zijn, in Christus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uwe quot;eigene medeburgers, gelijk als zij van do Joden ; a Hand, 17:5, 13. 15 quot; Welke ook gedood hebben den Heere Jezus, 'â on hunne eigene profeten; en ons hebben vervolgd , en Gode niet behagen, en allen menschen tegen zijn; a Hand. 7 : 52. h Matt. 23 : 37. Luk. 13 : 34. 1(5 quot; En verhinderen ons te spreken tot de Heidenen , dat zij zalig mogten worden; opdat zij te allen tijd hunne zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde. a Hand. 17:13. 17 Maar wij, broeders! van u beroofd geweest zijnde voor eene kleine wijle tijds, naar het aan-gezigt, niet naar het hart, hebben ons te overvloediger benaarstigd, om uw aangezigt te zien, met groote begeerte. 18 quot; Daarom hebben wij willen tot u komen (immers ik Paulus) eenmaal en andermaal, maaide Satanas beeft ons belet. a Rom. 1 : 13. 15:22. 19 quot; Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon des roenis? Zijt gij die ook niet voor onzen Heere Jezus Christus in zijne toekomst? « 2 Oor. 1 : 14. Filipp. 2:1(). 4: 1. 20 Want gij zijt onze heerlijkheid en blijdschap. HOOFDSTUK 3. De apostel verklaart, dat hij voor hou bekommerd zijnde, ïimótheüs iiad gezonden, om hen in liet geloof te versterken, vs. 1; en te vertroosten in do verdrukkingen, waartoe de geloovigen zijn gestold, 3; doch dat hij zeer verblijd was geweest door do wederkomst van Timótheüs, vernemende van hem hunne standvastigheid en welstand. G; waarover hij God dankt en bidt, dat hem tot volmaking van hun geloof, gelegenheid van God mogt geschonken worden , om weder tot hen te komen, !). Hij eindigt dit hoofdstuk en eerste gedeelte van den brief mot do ernstige bede, dat God hun geve overvloedig te worden in liefde en heiligmaking, togen de toekomst van Christus met al zijne heiligen, 12. |
DAAROM, deze beyeerte niot langer kunnende verdragen, hebben wij gaarne willen te Athéne alleen gelaten worden: 2 En hebben gezonden quot; Timótheüs, onzen broeder, en Gods dienaar, en onzen medearbeider in het evangelie van Christus, om u te versterken, en u te vermanen van uw geloof; ft Hand. 10: 1. Rom. 1(5:21. Filipp. 2; lit. 3 quot; Opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen: want gij weet zeiven, ''dat wij hiertoe gesteld zijn. a Efez. 3:13. Filipp. 1 :14. h Hand. 14 : 22. 2 Tim. 3 : 12. 4 Want ook, toen wij bij u waren, voorzeiden wij u, dat wij zouden verdrukt worden, gelijk ook geschied is, en gij weet het. 5 Daarom ook deze begeerte niet langer kunnende verdragen, heb ik hem gezonden, om uw geloof te verstaan; of niet misschien de verzoeker u zou verzocht hebben, en onze arbeid ijdel zou wezen. (5 Maar als Timótheüs nu van ulieden tot ons gekomen was, en ons de goede boodschap gebragt had van uw geloof en liefde, en dat gij altijd goede gedachtenis van ons hebt, zeer begeerig zijnde om ons te zien, gelijk wij ook om ulieden; 7 Zoo zijn wij daarom, broeders! over u in al onze verdrukking en nood vertroost geworden door uw geloof: 8 Want nu leven wij, indien gij vast staat in den Ileere. !) Want wat dankzegging kunnen wij Gode tot vergelding wedergeven voor u, van wege al de blijdschap, waarmede wij ons om uwentwil verblijden voor onzen God? 10 quot; Nacht en dag zeer overvloediglijk biddende, om uw aangezigt te mogen zien, en te volmaken hetgeen aan uw geloof ontbreekt. ft Rom. 1 : 10,11. 15:23. 2 Tim. 1 :4. 11 Doch onze God en Vader zelf, en onze Heere Jezus Christus rigte onzen weg tot u. 12 En de Heere vermeerdere u, en make u overvloedig in do liefde jegens elkander en jegens allen, gelijk wij ook zijn jegens u; 13 quot;Opdat hij uwe harten versterke, om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor onzen God en Vader, in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus met al zijne heiligen. n 1 Cor. 1 : 8. 1 Thess. 5 : 23. 2 Thess. 2:17. HOOFDSTUK 4. De apostel vermaant hen wijders in liet algemeen tot cenen godzaligen wandel, vs. 1; en in het bijzonder tot kulschheid on eerbaarheid, 3; tot regtvaardig-heid in hunnen handel, (1; tot broederlijke liefde, !); tot een stil loven en het doen van hunne eigene zaken, 11. Hij vermaant hen ook, om hunne droefheid te matigen over degenen, die ontslapen zijn, 13; daar die door Christus zullen worden opgewekt, 14; welke uit den hemel zal komen met een groot geroep en stemme des archangels, om die gestorven zijn eerst uit den dood op te wekken, 15; en vervolgons met do dan nog levenden tot zich op to nemen, 17. OS |
1 THESSALONICENSEN 4, 5.
1074
|
VOORTS dan, broeders! wij bidden en vermanen u in den Heere Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt, quot; hoe gij moet wandelen en Gode behagen, dat gij daarin meer overvloedig wordt. a Filipp. 1 : 27. 1 Thcss. 2 ; 12. 2 Want gij weet, wat bevelen wij u gegeven hebben door den lleere Jezus. 3 quot;Want dit is de wil van God, uwe heiligmaking : dat gij u onthoudt van de hoererij; a Rom. 12:2. Efez. 5:27. Filipp. 4:8. 4 Dat een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eer; 5 Niet in kwade beweging der begeerlijkheid, gelijk als de Heidenen, quot; die God niet kennen. n 1 Coi'. 15:34. Efez. 4 : 1S. (i Dat niemand zijnen broeder vertre-de, noch bedriege in ^(/«(quot;handeling: want de lleere is een wreker over dit alles, gelijk wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben. 7 Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, quot; maar tot heiligmaking. a.Toh. 17: U). ICor. 1:2. 8 quot; Zoo dan die dit verwerpt, die verwerpt geen' nienseh, maar God, '' die ook zijnen Heiligen Geest in ons heeft gegeven. a Luk. 10 : 10. h 1 Cor. 7 : 40. 9 quot; Van de broederlijke liefde nu hebt gij niet van noode, dat ik u schrijve; want gij zeiven zijt van God geleerd om elkander lief te hebben ; a Lev. 19 : 18. Matt. 22 : 39. Joh. 13 : 34. 15 : 12. Efez. 5 : 2. 2 Potr. 4:8. 1 Joli. 3 : 23. 4 : 21. 10 Want gij doet ook hetzelve aan al de broederen, die in geheel Macedonië zijn. Maar wij vermanen u, broeders! dat gij meer overvloedig wordt; 11 quot; En dat gij u benaarstigt stil te zijn, en uwe eigene dingen te doen, ''en te werken met uwe eigene handen, gelijk wij u bevolen hebben; a 2 Thess. 3 : 7, 12. b Hand. 20 : 34. Efez. 4 : 28. 12 Opdat gij eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en geen ding van noode hebt. |
13 Doch, broeders! ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, quot;opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geene hoop hebben. a Lev. 19:28. Dent. 14:1. 2 Sam. 12:20. 14 Want indien wij gelooven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzoo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wet/erbrengen met hem. 15 Want dat zeggen wij u door het woord des Heeren, quot;dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. al Cor. 15:22,51. Ki quot; Want de Heere zelf zal met een geroep , met de stem des archangels, en met de bazuine Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; o Matt. 24:31. ICor.15:52. 2Thess.l :7. 17 Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere te gemoet, in de lucht; en al-zoo zullen wij altijd met den Heere wezen. 18 Zoo dan, vertroost elkander met deze woorden. HOOFDSTUK 5. De apostel leert, dat Christus onverwachts zal komen ten oordeel, als een' dief in den nacht, en gelijk de barensnood eene vrouw overvalt, vs. 1. Hij vermaant hen daarom altijd op hunne hoede en nuehteren te zijn. 4; en zich te wapenen met het borstwapen des geloofs en dei liefde, en met den helm van de hoop der zaligheid, 8. Bidt, dat zij hunne voorstanders in eere zullen houden, 12; en vermaant hen voorts tot verscheidene christelijke deugden, 14; ook tot bidden en danken, 17; tot waarneming des Geestes en dei profetie, om het goede te behouden, 19. Bidt daarna God, dat Hij hen onstraffelijk beware tot de komst van Christus, met belofte, dat Hij het ook doen zal, 23. Vermaant hen voor hem te bidden en elkander te groeten, 25; en dringt er met eedzwering op aan, dat deze brief aan al de geloovigen worde voorgelezen, 27. MAAR van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van noode, dat men u schrijve. 2 Want gij weet zeiven zeer wel, quot;dat de dag |
â¢l
.
2 THESSALONICENSEN 1.
1075
|
des Heeron alzoo zal komen, gelijk een dief in den nacht. a Matt. 24:43. 2 Petr. 3:10. Openb. 3:3. 16:15. 3 Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal quot;een haastig verderf hun overkomen, gelijk do barensnood eene bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden. a2Tliess. 1:0. 4 quot; Maar gij, broeders! gij zijt niot in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen. a Efez. 5 : 8. 5 Gij zijt allen quot;kinderen des lichts, en kinderen ''des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis, a buk. 10 : 8. Efez. 5 : 8. h Rem. 13 : 12. 6 quot;Zoo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar ''laat ons waken c en nuchteren zijn. a Rom. 13 : 11, 13. Efez. 5 : 14. h Luk. 21 : 36. clCor. 15:34. 7 Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken. 8 Maar wij die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, quot;aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot eenen helm, de hoop der zaligheid. «Jos. 50:17. Efez. 6:14, enz. 0 Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Ileere Jezus Christus; 10 Die voor ons gestorven is, quot; opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met hem leven zouden. a Rom. 14 : 7. 2 Cor. 5 : 15. Gal. 2 : 20. 1 Petr. 4 : 2. 11 Daarom vermaant elkander, en sticht de een den anderen, gelijk gij ook doet. 12 quot;En wij bidden u, broeders! erkent degenen, die onder u arbeiden, en uwe voorstanders zijn in den Ileere, en u vermanen; n Kom. 15:27.1 Cor, 0:11. 10:18. Gal. 0:6. Filipp. 2:20. 1 Tim. 5:17. ITebr. 13:7,17. |
13 En acht hen zeer veel in liefde, om huns werks wil. Zijt vreedzaam onder elkander. 14 En wij bidden u, broeders! vermaant de on-geregelden, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt do zwakken, zijt langmoedig jegens allen. 15 quot; Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zoo jegens elkander als jegens allen. a Lev. 10 :18. Spr. 20 : 22. 24 : 20. Matt. 5 : 30. Rom. 12 : 17. 1 Cor. (!: 7. 1 Petr. 3 : 0. 10 quot; Verblijdt u te allen tijd. a Ma(t. 5:12. Luk. 10:20. Rom. 12:12. Filipp. 4:4. 17 quot; Bidt zonder ophouden. a Luk. 18: 1. Rom. 12: 12. Col. 4:2. 18 quot; Dankt God in alles: want dit is do wil van God in Christus Jezus over u. a Efez. 5 : 20. 10 quot; Bluscht den Geest niet uit. al Cor. 14:30. 20 Veracht de profetieën niet. 21 quot; Beproeft alle dingen; behoudt het goede. a 1 Joh. 4:1. 22 quot; Onthoudt u van allen schijn des kwaads. a Filipp. 4 : 8. 23 quot; En de God des vredes zelf heilige u geheel en al; en uw geheel opregte geest, en ziel, en ligchaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Ileere Jezus Christus. n 1 Cor. 1:8. Filipp. 4:0. 1 Thcss. 3 : 13. 24 quot; Hij die u roept, is getrouw, die het ook doen zal. a 1 Cor. 1 : 0. 10 :13. 2 Cor. 1 :18. 2 Thess. 3 : 3. 25 Broeders! bidt voor ons. 20 quot; Groet al de broeders met eenen heiligen kus. a Rom. 10 : 10.1 Cor. 10 : 20. 2 Cor. 13 : 12.1 Petr. 5 :14. 27 Ik bezweer ulieden bij den Ileere, dat deze zendbrief al den heiligen broederen gelezen worde. 28 De genade van onzen Iloere Jezus Christus zij met ulieden. Amen. |
DE TWEEDE BRIEF YAJs DEN APOSTEL PAU LUS
AAN DE
THESSALONICENSEN.
|
HOOFDSTUK 1. Na hot gewone opschrift van don brief, vs. 1; dankt de apostel God over hun overvloedig toenemen in geloof, liefde en verdraagzaamheid in de verdrukkingen , 3; betuigt dat God hunne verdrukkers zal straffen, maar hen verlossen en verkwikken in den dag van die heerlijke toekomst van Christus, welke hij breeder beschrijft, 0. Bidt God, dat Hij hen nog meer in het goede versterke ,11; opdat de naam van Christus in hen te meer verheerlijkt worde, 12. PAULUS, en Silvanus, en Timótheüs, aan de gemeente der Thessalonicensen, welke is in God, onzen Vader, en den Ileere Jezus Christus: |
2 quot; Genade zij u, en vrede, van God, onzen Vader, en den Ileere Jezus Christus. a 1 Cor. 1: 3. 1 Thess. 1:1.1 Petr. 1 : 2. 3 quot; Wij moeten God te allen tijd danken over u, broeders! gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast, en dat de liefde eens iegelijken van u allen jegens elkander overvloedig wordt: « Efez. 1 : 15. Filipp. 1:3. Col. 1:3. 1 Thess. 1 : 2. 4 Alzoo dat wij zeiven quot; van u roemen in de gemeenten Gods, over uwe lijdzaamheid en geloof in al uwe vervolgingen en verdrukkingen, die gij verdraagt. n 1 Thess. 2 : 10. 08* |
2 THESSALONICENSEN 1, 2.
1070
|
5 quot; Een bewijs van Gods regtvaardig oordeel, opdat gij waardig geacht wordt het koningrijk Gods, ''voor hetwelk gij ook lijdt; a .1 udas vs. 6. h 1 Thess. 2:14. (i quot; Alzoo liet regt is bij God verdrukking te vergelden dengenen, die u verdrukken; a Zaeh. 2 : 8. 7 En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, quot; in de openbaring van den Heere Jezus van den hemel met de engelen zijner kracht; a 1 Thess. 4:16. 8 quot; Met vlammend vuur wraak doende b over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het evangelie van onzen Ileere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn ; n 2 Petr. ;}: 7. h Hom. 2 : 8. !) quot; Dewelke zullen tot straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezigt des Heeren, en van de heerlijkheid zijner sterkte: aJes. 2:19. 10 quot; Wanneer hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in zijne heiligen , en wonderbaar te worden in allen, die gelooven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag. a Hand. 1 : ] 1. 1 Thess. 1 : 10. Openb. 1 : 7. 11 Waan un wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u waardig achte dei-roeping, en vervulle al goedigheid, en liet welbehagen zijner het werk des geloofs met kracht; 12 Opdat de naam van onzen Heere Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij in hem, naaide genade van onzen God en den Heere Jezus Christus. HOOFDSTUK 2. Do apostel verklaart, dat de komst van Christus ten oordeel zoo haast niet zal geschieden, als eenigen hon zochten wijs te maken, vs. 1; maar dat de afval en de Antichrist eerst moesten komen, wiens merkteeken hij beschrijft, 3. Hij betuigt, dat iiij hun vroeger hetzelfde gezegd had, gelijk ook, wat hem wederhiehl, Verklaart dat hij daarna waarlijk komen zal, en dat hij zal blijven totdat de Heere hom zal.te niet doen, 8. Hij waarschuwt hen tegen |
de kracht zijner verleiding in degenen, die verloren gaan, !); en dat door een regtvaardig oordeel Gods over do ondankbaarheid der menschen, 11; maar verzekert den Thessalonicensen van hunne verkiezing tot zaligheid in geloof en heiligmaking, 11!. Vermaant hen daarbij vast te blijven, 15; en bidt God, dat Hij hen vertrooste en versterke, 10. EN wij bidden u, broeders! door de toekomst van onzen Heere .lezus Christus, en onze toevergadering tot hem, 2 quot; Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, als of de dag van Christus aanstaande ware. «..Ter. 29:8. Matt. 24:4. Efez. 5 : 0. Col. 2 : 18. I Joh. 4:1. I! Dat u niemand verleide op eeniger-lei wijze: want die komt niet, quot; tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des ver-derfs; a Matt. 24:23. 1 Tim.4:1.1 Joh.2:18. 4 Die zich tegen-stelt en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzoo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, a zich zeiven ver-toonende, dat hij God is. «Dan. 11:36. 5 Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb? 6 En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijnen eigen' tijd. 7 Want de verborgenheid der ongeregtigheid wordt alreede gewrocht; alleenlijk, die hem nu wederhoudt, die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. 8 En alsdan zal de ongeregtige geopenbaard worden, quot;denwelken de Heere verdoen zal dooiden Geest zijns monds, en te niet maken dooide verschijning zijner toekomst; a Job 4 : 9. Jes. 11 ; 4. 9 Hem, zeg ik, wiens toekomst is quot; naar de werking des Satans, ''in alle kracht, en teeke-nen, en wonderen der leugen; aJoh. 8:41. 2 Cót. 4:4. Efez. 2:2. h Dont 13: 1. Openb. 13: 1.3. |
|
10 En in allo verleiding dor onrogtvaardigheid quot;in dogenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij do liefde dor waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. a 2 Cor. 2: 15. 4: H. 11 quot; En daarom zal hun God zonden eono kracht der dwaling, h dat zij do leugen zouden geloovon; a Rom. 1 :24. b 1 Tim. 4:1. 12 Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar oen welbo-hagen bobben gehad in de ongeregtighoid. 13 Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders! die van den Heore bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking dos Goostos, en geloof der waarheid; 14 Waartoe Hij u geroepen heeft door ons evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid van onzen Heore Jezus Christus. 15 Zoo dan, broeders! staat vast quot;on houdt do inzettingen, die u geloerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief. a 2 Thess. 3 : ü, IC En onze Heore Jozus Christus zelf, en onze God en Vader, die ons hooft liefgehad, on gegeven hoeft eene eeuwige vertroosting on goede hoop in genade, 17 Vertrooste uwe harten, on quot; verstorke u in alle goed woord en werk. a 1 Thess. 3 : 13. HOOFDSTUK 3. Do apostel vermaant do Thessalonicensen, dat zij voor hom bidden, vs. 1; en betuigt zijn vertrouwen, dat do Heero hen zal versterken, 3. Hij bidt God ook voor hen, 5; en beveelt dat zij zich onttrekken van een' ieder' broeder, die ongeregeld wandelt, ü. Bewijst met zijn voorbeeld, dat een iegelijk moet arbeiden, om in zijne behoefte te voorzien, 7; of anders niet moet eten, 10. Vermaant hen, dat zij niet vertragen in het goed doen, 13; en te teekenen en te straffen diegenen, die aan zijne bevelen niet gchoor-zamon, 14. Besluit met de gewone groete, 10; welke hij in al zijne brieven niet zijne eigene hand daarbij voegt, 17. VOORTS, broeders! quot;bidt voor ons, opdat het woord des Hoeren zijnen loop hobbo, on verheerlijkt worde, gelijk ook bij u; a Matt. 9:38. Efoz. ü:l!). Ooi. 4:3. 2 quot; En opdat wij mogen verlost worden van do ongeschikte en booze monschon : '' want het geloof is niet aller. a Kom. 15:31. h Joh. 0:44. 3 quot; Maar do Heore is getrouw, die u zal ver-sterkon '' en bewaren van den boozo. a 1 Thess. 5 : 24. h Joh. 17 : 15. |
1077 4 En wij vertrouwen van u in don Heero, dal gij, hetgeen wij u bevolen, ook doet, on doen zult. 5 Doch do Flooro rigte uwe harten tot de liefde van God, on tot do lijdzaamheid van Christus. (i quot;En wij bovolon u, broeders! in don naam van onzen Heero Jozus Christus, dat gij u onttrekt van een' iegelijk broeder, die ongeregeld wandelt, on niet naar ''do inzetting, die hij van ons ontvangen heeft. a I Cor. 5:11. 2 Thess. 3:14. Tit. 3: 10. h'1 Thess. 2:15. 7 Want gij zelven weet, quot; hoe men ons behoort na te volgen: h want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u; a 1 Cor. 11:1. 1 Thess. 1 : (i, 7. h \ Thess. 2 : 10. 8 quot; En wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht on dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn: a Hand. 18:3. 20:34. I Cor. 4 : 12. 2 Cor. 11 :!). 12 : 13. 1 Thess. 2 : 9. 9 quot; Niot dat wij do magt niet hebben, maar opdat wij ons zelven u geven zouden tot'' oen voorbeeld , om ons na te volgen, a I Cor. 9 : 3, 0. I Thess. 2: 9. h 1 Cor. 4:16. 11:1. Filipp. 3:17. 1 Thess. I : 0. 10 Want ook toon wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat, zoo iemand niet wil werken, hij ook niot eto. 11 Want wij hooren, dat sommigen onder u ongo-rogeld wandelen, niet werkende, maar ij dele dingen doende. 12 quot; Doch do zoodanigon bevelen on vermanen wij door onzen Heore Jozus Christus, dat zij met stilheid b werkende bun eigen brood eten. a 1 Thess. 4:11. b Efoz. 4 : 28. 13 En gij, broeders! quot; vertraagt niet in goed te doen. a Gal. 6 : 0. 14 Maar indien iemand ons woord, door dozen brief geschreven, niet gehoorzaam is, toekent dien; quot; en vermengt u niet mot hem, opdat hij beschaamd wordo; a Matt. 18:17. 1 Cor. 5 : 9. 2 Thess. 3 : 0. 15 En houdt hem niot als oenen vijand, maar vermaant hem, als oenen broeder. I(i quot; De Ileero nu dos vrodes zelf geve u vrede te allen tijd , in allerlei wijze. De Heero zij met it allen. a Bom. 15:33. 16:20. 1 Cor. 14:33. 2 Cor. 13: 11. Filipp. 4:9. 1 Thess. 5:23. 17 quot;Do grootenis mot mijne hand, van Paulus: hetwelk is oen toeken in iodoron zendbrief: alzoo schrijf ik. « 1 Cor. 16:21. Col. 4:18. 18 Do genade van onzen Heero Jozus Christus zij mot u allen. Amen. 2 THESSALONICENSEN 2, 3. |
1 TIMOTHEÃS 1, 2.
1078
DE EEII8TE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAÃLUS
AAN
TIMOTHEÃS.
|
HOOFDSTUK 1. Na het gewono opschrift van don brief, vs. 1 ; verklaart de apostel, dat hij Timótheiis te Efeze had gelaten, om zorg te dragen, dat geene vreemde nocli ijdole leeringen in do gemeente zouden worden voort-gebragt, 3. Hij toont ook, welke het regte einde der wet is, 5; die niet den regtvaardigen, maar den onregtvaardigen is gezet, 8. Docli dat hem het evangelie Gods was toebetrouwd, 11; waarvan hij den korten inhoud, met een verhaal der groote genade van Christus aan hem geschied voorstelt, 13; waarover hij God dankt, 17; en Timótheiis gebiedt daaraan vast te houden, 18. Betuigt, dat hij Hymenéüs en Alexander, die schipbreuk geleden hadden van het geloof, daarom den Satan had overgegeven, 20. PAULUS, oen apostel van Jezus Christus, quot; naar het bevel van God, onzen Zaligmaker, en den Heere Jezus Christus, ''die onze hope is, a Hand. 9 : 15. b Col. 1 : 27. 2 quot; Aan Timótheiis, mijnen opregten l' zoon in het geloof: c genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onzen Vader, en Christus Jezus, onzen Heere. «Hand. 16:1. 1 Thess. 3:2. h 1 Cor. 4 ; 17. c Gal. 1 : 3. 1 Petr. 1 : 2. 3 Gelijk ik u vermaand heb, dat gij te Efeze zoudt blijven, als ik quot; naar Macedonië reisde, zoo vermaan ik het u nog, opdat gij sommigen beveelt geene andere leer te leeren; «Hand. 20:1. 4 quot; Noch zich te begeven tot fabelen en oneinde-lijke geslachtrekeningen, welke meer '' twistvragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is. a 1 Tim. 4:7. G : 20. 2 Tim. 2 :16. Tit. 1:14. 3 : 9. b 1 Tim. 6 : 4. 5 quot; Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof. a Hom. 13:8. Gal. 5:14. 6 Van dewelke sommigen afgeweken zijnde, zich gewend hebben tot ijdelspreking; 7 Willende leeraars der wet zijn, niet verstaande, noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen. 8 Doch wij weten, «dat de wet goed is, zoo iemand die wettelijk gebruikt; «Rom. 7 : 12. 9 En hij dit weet, quot;dat den regtvaardigen de wet niet is gezet, maar den onregtvaardigen en den halsstarrigen, den goddeloozen en den zondaren , den onheiligen en den ongoddelijken, den vadermoorders en den moedermoorders, don doodslagers , a Gal. 5 : 23. 10 Den hoereerders, dien , die bij mannen liggen, den menschendieven, den leugenaars, den mein-eedigen, en zoo er iets anders tegen de gezonde leer is: |
11 Naar het evangelie der heerlijkheid quot; des zaligen Gods, h dat mij toebetrouwd is. n 1 Tim. 6 : 15. h 1 Thess. 2 : 4. 12 En ik dank hem, die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onzen Heere, dat hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende: 13 quot;Die te voren een Godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, '' dewijl ik liet onwetende gedaan heb in mijne ongeloovigheid. a Hand. 8:3. 9:1. 22 : 4. 26 : 9. 1 Cor. 15 : 9. Gal. 1 : 13 b Joh. 9 : 39,41. Hand. 3 : 17. 14 Doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus. 15 Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, quot; dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. a Matt. 9: 13. Mark. 2:17. Luk. 5:32. 19:10. lÃÃoh. 3:5. 16 Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al zijne langmoedigheid zou betoonen, tot een voorbeeld der genen, die in hem gelooven zullen ten eeuwigen leven. 17 Den Koning nu der eeuwen, den onverder-felijkcn, den onzienlijken, den alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 18 Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timótheiis! dat gij naar de profetiën, die van u voorgegaan zijn, quot;in dezelve den goeden strijd strijdt; a 1 Tim. 6 : 12. 19 quot;Houdende het geloof, en een goed geweten, hetwelk sommigen verstoeten hebbende van het geloof schipbreuk geleden hebben. a 1 Tim. 3: 9. 20 Onder welken is quot; Hymenéüs en h Alexander, c die ik den Satan overgegeven heb, opdat zij zouden leeren niet meer te lasteren. a 2 Tim. 2:17. b2 Tim, 4 : 14. c 1 Cor. 5 : 5. HOOFDSTUK 2. 1'aulus gebiedt to bidden voor alle menschen, doch in hot bijzonder voor koningen en andere overheden, vs. 1; daar dit Gode aangenaam is, en Christus een middelaar is van allen, 3. Hij beveelt den mannen, dat zij heilige handen ophotten in allo plaatsen, 8; en aan do vrouwen, dat zij in een zedig gewaad en in alle stilte zich laten loeren, 9; zonder in het openbaar te mogen leeren, of over den man te heer-schen, 12; vermits Adam eerst is geschapen en de |
1 TIMOTHEÃS 2, 3.
1079
|
vrouw eerst is verleid, 18. lietuigt nogtans, dat zij in het kinderen baren zal zalig worden door hot geloof, 15. IK vermaan dan voor allo dingen, dat gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor allo menschen : 2 quot; Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. a Joi'. ^9 : 7. 3 Want dat is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker; 4 quot; Welke wil, dat allo menschen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen. a Ezec. 18 ; 23. 2 Petr. 3 ; 9. 5 quot; Want er is een God, er is ook b een Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus; a Joh. 17 : 3. Eora. 3 ; 30. h Gal. 3 : 19. Hebr. 9 : 15. 6 quot; Die zich zeiven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis tot zijnen tijd; a Matt. 20:28. Efez. 1 ; 7. Col. 1 : 14. 7 Waartoe ik quot; gesteld ben een prediker en apostel, ('' ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet) een leeraar dor Heidenen, in geloof en waarheid. a Hand. 9:15. 13:2. 22:21. Gal. 1 : 1 li. 2 : 8. Efez. 3 : 8. 2 Tim. 1:11. h Rom. 1:9. 9:1. 8 Ik wil dan, dat de mannen quot; bidden in alle plaatsen, b opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting. a Joh. 4 : 21. b Ps. 134 : 2. 9 quot; Desgelijks ook, dat de vrouwen, in een eerbaar gewaad , met schaamte en matigheid zich zeiven versieren, niet in vlechtingen des Imam, of goud, of paarlen, of kostelijke kleeding; a Tit. 2:3. 1 Petr. 3:3. 10 Maar (hetwelk de vrouwen betaamt, die de godvruchtigheid belijden) door goede werken. 11 Eene vrouw late zich leeren in stilheid, in alle onderdanigheid. 12 quot; Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij leere, ''noch over den man heersche, maar toil, dat zij in stilheid zij. al Oor. 14:34. 6Gen. 3:16. Efez. 5:24. 13 quot; Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. a Gen. I : 27. 2 : 22. 14 quot;En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest. ff Gen. 3 : 0. 15 Doch zij zal zalig worden in kinderen te baron, zoo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid. |
HOOFDSTUK 3. Do apostel verklaart de eigenschap van het ambt eens leeraars, vs. 1; en beschrijft de deugden en hoedanigheden, welke in hem worden vereischt, en de ondeugden, van welke hij vrij moet zijn, 2. Desgelijks spreekt hij van do diakenen, 8; cn van hunne huisvrouwen, 11; alsmede hoe hunne huisgezinnen moeten gesteld zijn, 12. Hij wijst het dool aan, waartoe hij zulks aan Timóthóus schrijft, 14; en verklaart de waardigheid van Gods gemeente, als zijnde een pilaar cn vastigheid dor waarheid, 15. Hij vat vervolgens in eene somma do voornaamste verborgenheden dos goloofs aangaande den persoon en het work van Christus, 10. DIT is oen getrouw woord: zoo iemand tot een opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk. 2 quot;Een opziener dan moet onberispelijk zijn, eener vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, gaarne herbergende, ''bekwaam om te leeren; a Tit. 1:6. b 2 Tim. 2 : 24. 3 Niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil-ge-winzoeker; maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig; 4 Die zijn eigen huis wol regeert, zijne kinderen in onderdanigheid houdende, met alle stemmigheid: 5 (Want zoo iemandzijneigen huis niet weet te regeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragen?) 0 Geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen worde, en in het oordeel des duivels valle. 7 En hij moet ook eene goede getuigenis hebben van degenen, die buiten zijn, opdat hij niet valle in smaadheid, en in den strik des duivels. 8 quot; De diakenen insgelijks moeten eerbaar zijn, niet twoe-tongig, niet die zich tot veel wijns begeven, geen vuil-gewinzoekers; «1 land. 6:3. 9 quot; Houdende de verborgenheid des geloofs in een rein geweten. a 1 Tim. 1 : 19. 10 En dat deze ook eerst beproefd worden, en dat zij daarna dienen, zoo zij onbestraffolijk zijn. 11 De vrouwen insgelijks moeten eerbaar zijn, geene lastoressen, wakker, getrouw in alles. 12 Dat de diakenen eener vrouwe mannen zijn, die hunne kinderen en hunne eigene huizen wel regeren. 13 quot; Want die wel gediend hebben, verkrijgen zicli zeiven oenen goeden opgang, en vele vrijmoedigheid in het geloof, hetwelk is in Christus Jezus. a Matt. 25:21. 14 Deze dingen schrijf ik u, hopende zeer haast tot u te komen; |
1 TIMOTHEÃS 3,4, 5.
108(1
|
15 Maar zoo ik vertoef, opdat gij moogt weten, hoe men quot; in het huis Gods moet verkoeren, hetwelk is de gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid. «2 Tim. 2:20. Ui En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: quot;God is geopenbaard in het vieesch, is geregtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, 11 is gepredikt onder de Heidenen, is geloofd in de wereld, c is opgenomen in heerlijkheid. a Joh. 1:14. /;Efez. 3 : 5, G. 'â Mark. Ui: 19. Luk. 9:51. Hand. 1:2. HOOFDSTUK 4. 1'aulus voorzegt den afval van sommigen in de laatste dagon, vs. 1; die het huwelijk zullen verbieden en liet gebruik van sommige spijzen, 3. Hij vermaant Timóthetts, de regte leer voor te stellen en de fabelen te verwerpen, 0; zich vooral in de godzaligheid te oefenen en naar zijn voorbeeld in allen smaad op God te hopen, 8. beveelt dat hij zich tot een voorbeeld stelle van alle deugden. 12; dat hij aanhoude in het lezen, 13; de gave niet verzuime welke hij heeft ontvangen, 14; in hot goede toe-neme en volharde, 15; met belofte dat hij dus doende zich en zijne toehoorders zal behouden, 1(5. DOCH quot; de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen '' afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leeringen der duivelen, a2Tim. 3:1. 2Petr. 3:3. Judas vs. 18. b Matt. 24:23. 2 Thess. 2:3. 2 Door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid; 3 Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die Godgeschapen heeft, quot;tot nuttiging ''met dankzegging, voor do ge-loovigen, en die de waarheid hebben bekend. a Gon. 1:29. 9:3. Hom. 14 :C. 1 Cor. 10:30. 4 quot;Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde: «Gen. 1:31. Hand. 10:15. Hom. 14:14. 5 Want het wordt geheiligd door het woord van God, en door hot gebed. (i Als gij deze dingen den broederen voorstelt, zoo zult gij een goed dienaar van Jezus Christus zijn, quot;opgevoed in de woorden des geloofs en der goede leer, welke gij achtervolgd hebt. a 2 Tim. 1 : 5. 3 : 14,15. 7 quot; Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfsche fabelen; en oefen tt zeiven tot godzaligheid. n 1 Tim. 1:4. 0 : 20. 2 Tim. 2 : l(j. Tit. 1 : 14. 3 : 9. 8 quot; Want de ligchamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens. a Col. 2 : 23. 9 Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig. 10 Want hiertoe arbeiden wij ook, en worden gesmaad, omdat wij gehoopt hebben op den levenden God, die een behouder is aller menschen, maar allermeest der geloovigen. 11 Beveel deze dingen, en leer ze. |
12 quot;Niemand verachte uwe jongheid; ''maar zij t een voorbeeld der geloovigen in woord, in wandel , in liefde, in den geest, in geloof, in reinheid. a Tit. 2:15. 6 Tit. 2:7. 1 Petr. 5:3. 13 Houd aan in het lezen, in het vermanen, in het leeren, totdat ik kome. 14 Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, quot; met oplegging der handen des ouderlingschaps. «Hand. 0:6. 8:17.13:3. 19:6.1 Tim. 5:22. 2Tim. 1:6. 15 Bedenk deze dingen, wees hierin beziy, opdat uw toenemen openbaar zij in alles. 16 Hebt acht op u zeiven en op de leer; volhard daarin: want dat doende, zult gij en u zeiven behouden, en die u hoeren. HOOFDSTUK 5. Do apostel wijst aan, hoe de vermaningen tot ouden en jongen moeten geschieden, vs. 1. Beveelt dat men alle regte weduwen eero, 3; maar den kinderen en kindskinderen, dat zij hunne weduwen en voorouders zeiven onderhouden, 4. Hij beschrijft daarna den ouderdom en andere hoedanigheden der weduwen, die tot de dienst der gemeente bekwaam zijn, 9; maar wil, dat de jonge weduwen hierin worden voorbijgegaan, 11; en dat zij trouwen, 14. Hij komt daarna tot do ouderlingen en wijst aan, welke eer men hun schuldig is, 17; dat men ook geone beschuldiging tegen hen zal aannemen dan onder getuigen, 19. Betuigt voor God en de heilige engelen, dat Tiniotheüs in deze handele zonder vooringenomenheid, 21; wil ook dat hij niet langer alleen water drinke, 23; en besluit met eene verklaring, waaraan deze ouderlingen kunnen gekend worden, 24. BESTRAF quot; eenen ouden man niet hardelijk, maar vermaan hein als eenen vader; de jonge als broeders; «Lev. 19:32. 2 De oude vrouwen als moeders; de jonge als zusters, in alle reinheid. 3 Eer de weduwen, die waarlijk weduwen zijn. 4 Maar zoo eenige weduwe kinderen heeft, of kindskinderen, dat die leeren eerst aan bun eigen huis godzaligheid oefenen, quot; en den voorouderen wedervergelding doen: want dat is goed en aangenaam voor God. «Gen. 45:10,11. Matt. 15:4. Mark. 7:10. Efez. 6:1,2. 5 quot; Die nu waarlijk weduwe is, en alleen gelaten, ''die hoopt op God, en blijft in smeekingen en gebeden nacht en dag. a 1 Oor. 7 : 32. h Luk. 2 :36. 6 Maar die haren wellust volgt, die is levende gestorven. 7 En beveel dit, opdat zij onberispelijk zijn. 8 quot; Doch zoo iemand de zijnen, en voornamelijk zijne huisgenooten, niet verzorgt, die heeft hot geloof verloochend, en is erger dan een onge-loovige. «Gal. 6:10. 9 Dat eene weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, welke eens mans vrouw geweest zij; 10 Getuigenis hebbende van goede werken; zoo zij kinderen opgevoed heeft, quot; zoo zij gaarne heeft geherbergd, '' zoo zij der heiligen voeten beeft |
1 TIMOTHEÃS 5, (i.
1081
|
gowasschen, zoo zij den verdrukton genoegzame hulp gedaan heeft, zoo zij allo goed werk nage-tracht heeft. a 1 Petr. 4 : 9. !gt; Gen. 18 : 4. 1'J ; 2. Luk. 7 ; 38, 44. 11 Maar neem de jonge weduwen niet aan: want als zij weelderig geworden zijn tegen Christus, zoo willen zij huwelijken; 12 Hebbende Iiaar oordeel, omdat zij haar eerste geloof hebben te niet gedaan. 13 En met een ook leeren zij ledig omgaan bij do huizen; en zijn niet alleen ledig, maar ook quot;klapachtig, on ijdelo dingen doende, sprekende hetgeen niet betaamt. a Tit. 2 : 3. 14 Ik wil dan, dat de jonge weduwen quot; huwelijken, kinderen telen, het huis regeren, geene oorzaak van lastering aan de wederpartij geven. a 1 Cor. 7 : !). 15 Want eenigen hebben zich alroede afgewond achter don Satan. 16 Zoo eenig ge-loovig man, of geloovige vrouw weduwen heeft, dat die haar genoegzame hulp doe, en dat de gemeente niet bezwaard worde, opdat zij degenen, die waarlijk weduwen zijn, genoegzame hulp doen moge. 17 quot;Dat de ouderlingen , die wel regeren, dubbele eer waardig geacht worden,voornamelijk die arbeiden in het woord en do leer. a Rom. 15 : 27. 1 Cor. 9 :11. Gal. (j: 0. Filipp. 2 : 2!). 1 Thess. 5 : 12. Hebr. 13 : 17. 18 Want de Schrift zegt: quot; Eenen dorschendon os zult gij niet muilbanden; en: h De arbeider is zijnen loon waardig. aDeut. 25:4. 1 Cor. 9:9. i Lev. 19:13. Deut. 24:14. Matt. 10:10. Luk. 10:7. li) Neem tegen eenen ouderling geene beschuldiging aan, anders quot; dan onder twee of drie getuigen. re Deut. 19:15. 20 Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook do anderen vreeze mogen hebben. 21 quot;Ik betuig voor (lod, en den Heere Jezus Christus, en do uitverkorene engelen , dat gij deze dingen onderhoudt, 'J zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid. a Rom. 1:9. 9:1. 2(!or. 1 : 23. II : 31. Gal. 1 : 20. Filipp. 1 : 8. 1 Thess. 2:5. 5:27. 1 Tim. 6:13. h Deut. 17: 4. 19: is. |
22 quot; Leg niemand haastelijk de handen op, en heb geone gemeonschap aan anderer zonden; bewaar u zeiven rein. a Hand. 0:0. 8:17. 13:3. 19 :ü. 1 Tim. 4:14. 2 Tim. 1:0. 23 Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijns, quot;om uwe maag en uwe menigvuldige zwakheden. «Ps. 104:15. 24 Van sommige menschen zijn de zonden te voren quot; openbaar, on gaan voor tot hunne vor-oordeeling; en in sommigen ook volgen zij na. a Gal. 5 : 19. 25 Desgelijks ook do goede werken zijn te voren openbaar, en daar het anders mede gelegen is, kunnen niet verborgen worden. HOOFDSTUK G. I)c apostel vermaant do dienstknechten, dat zij liuimen lieeren gehoorzamen, vs. 1. Hij beschrijft de valsche en bedriegelijke leeraars, en beveelt, dat men van hen vlietle, 3. Vermaant tot godzaligheid, vergenoegdheid , liet schuwen van gierigheid, 0: en tot verscheidene andere christelijke deugden, 11. Hij betuigt voor God en Jezus Christus, dat Timotheiis dit alles betrachte, 13. Uit de overdenking van Christus komst ten oordeel en van de heerlijk-heidGods,breekt hij uit in Gods lof, 15. Hij schrijft den rijken voor, hoe zij zich moeten gedragen voor (iod en de menschen, 17. Waarschuwt Timotheiis nog eens met grooten ernst tegen valsche en bedriegelijke leer, 2U; en besluit den brief met de gewone groetenissen, 21. DE quot; dienstknechten, zoo velen als er onder het juk zijn, zullen hunnen heeren alle eer waardig achten, opdat de naam van God, en de leer niet gelasterd worde. a Efez. 6 : 5. Col. 3 : 22. Tit. 2:9. 1 Petr. 2:18. 2 En die geloovigo heeren hebben, zullen hen niet verachten, omdat zij broeders zijn; maar zullen hen te meer dienen, omdat zij geloovig en geliefd zijn, als die deze weldaad mode deelachtig zijn. Loer en vermaan deze dingen. 3 Indien iemand eene andere leer leert, en niet overeenkomt mot do gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus, en met de leer, die naar de godzaligheid is, 4 Die is opgeblazen, en weet niets, maar hij raast omtrent twistvragen en woordenstrijd; quot;uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade na-denkingon , a l Tim. 1 : 4. 2 Tim. 2 : 23. Tit. 3 : 9. |
2 TIMOTHEÃS 1.
1082
|
5 quot; Verkeerde krakeelingen van menschen, die een verdorven verstand hebben, en van de waarheid beroofd zijn, meenende, dat de godzaligheid een gewin zij. Wijk af van dezulken. a I Cor. 11 : 1G. 6 quot; Doch de godzaligheid is oen groot gewin met vergenoeging. » Spr. 15: Ui. Hebr. 18:5. 7 quot; Want wij hebben niets in de wereld gebragt, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen. «Job I : 21. 27 : 19. !Js. 49 : 18. 8 quot; Maar als wij voedsel en deksel hebben, '' wij zullen daarmede vergenoegd zijn. a Spr. 27 : 2G. b I's. 55 ; 23. Matt, (i: 25. 1 Potr. 5 : 7. 9 quot; Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke do menschen doen verzinken in verderf en ondergang. a Spr. 11 : 28. Matt. 1H : 22. Jakob. 5:1. 10 quot; Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zicli zei ven met vele smarten doorstoken. a Ex. 23:8. Dent, 1G:1Ã. Spr. 15: 1G. 11 quot; Maar gij, o mensch Gods! vlied deze dingen; en jaag naar geregtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaambeid, zachtmoedigheid. a 2 Tim. 2:22. 12 quot; Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige loven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en do goede belijdenis beleden hebt voor volo getuigen. a 1 Tim. 1: 18. 13 quot; Ik beveel u voor God, ''die alle ding lovend maakt, en voor Christus Jezus, c die onder |
Pontius Pilatus do goede belijdenis betuigd hooft: a 1 Tim. 5:21. b Dout. 32 : 39. 1 Sam. 2 : G. c Matt. 27 : 11. Joh. 18 : 37. 14 Dat gij dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning van onzen Heere Jezus Christus; 15 Welke te zijnon tijd vertoonon zal quot; do zalige en alleen magtigo Heere, ''de Koning der koningen , en Heere der hoeren ; a 1 Tim. 1 : 17. b Openb. 17 : 14. 19 : 1G. 1G Die alleen onsterfelijkheid hooft, en een on-toegankolij k licht bewoont;quot; denwelkon geen mensch gezien heeft, noch zien kan; welken zij eer en eeuwige kracht. Amen. a Ex. 33:20. Dout. 4:12. 1 Joh. 4: 12. 17 Beveel don rijken in dezo tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, quot; noch hunne hoop stellen op do ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levendon God, die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten; a Mark. 4:18. Luk. 8 : 14. 18 Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goedo werken, gaarne modedeelonde zijn, cn gemeenzaam; 19 quot; Leggende zich zelven weg tot eenen schat een goed fondament togen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen. aMiiü. G: 20. Luk. 12:33. 1G:9. 20 O Timótheüs! bewaar hot pand u toobetrouwd, quot; oenen afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de tegenstellingen dor valschelijk genaamde wetenschap; a 1 Tim. 1:4. 4:7. 2 Tim. 2 : 10 Tit. I : 14. 3 : 9. 21 Dewelke sommigen voorgevende, zijn van het geloof afgeweken. Do genade zij met u. Amen. |
DE TWEEDE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN
TIMOTHEÃS.
|
HOOFDSTUK 1. Nu hot opschrift er. do gowono grooto, vs. 1; verklaart do apostel de groote liefde, welke hij Timótheüs toedraagt, hom in /.ijno gebeden gedurig gedenkende, 3; als ook tie oorzaak, waarom hij hem liefheeft, namelijk om zijne godzaligheid, waarin hij van kindsbeen af door zijne grootmoedor en moeder was opgevoed, 4; vermaant hem, dat hij zijne gaven op-wekke, G; en niet vreeze, noch zich schaine, om de leer van het evangelie vrijmoedig te prediken en om dezelve verdrukking te lijden, 7. Hij beschrijft tot dit einde do voortreffelijkheid van onze roeping en de nuttigheid der christelijke leer, 9. Hij wijst hem ook op zijn eigen voorbeeld, 11; en vermaant hom tevens, dat hij die leer tot oen voorbeeld wil houden on dezelve getrouw beware, 13. Verklaart dat allen, die uit Aziö te Rome bij hem waren, hem hadden verlaten, 15; doch dat Onesiforus hem getrouw was gebleven, 1ü; waarom hij God bidt, dat Hij hem dit genadig wil vergolden, 18. |
PAULUS, oen apostel van Jezus Christus, dooiden wil van God, naar de belofte des levens, dat in Christus Jezus is, 2 Aan Timótheüs, mijnen geliefdon zoon: quot;genade, barmhartigheid, vrede zij n van God don Vader, en Christus Jezus, onzen Heere. a Gal. 1 : 3. 1 Tim. 1: 2. 1 Petr. 1 : 2. 3 Ik dank God, quot; wien ik diene van mijne vooroudoren af in een rein geweten, b gelijk ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in mijne geboden nacht en dag; a Hand. 22 : 3. Rom. 1 : 9. b 1 Thess. 1 : 2. 3 : 10. 4 Zeer begeerig zijnde om u te zien, als ik go-donk aan uwe tranen, opdat ik met blijdschap moge vervuld worden; 5 Als ik mij in gedachtenis breng hot ongeveinsd geloof, dat in u is, hetwelk eerst gewoond heeft |
2 TIMOTHEÃS 1,2.
108^
|
in uwe grootraoedor, Loïs, on in uwe moeder Eunice; en ik ben verzekerd, dat het ook in u woont. (j Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat gij opwekt de gave Gods, quot; die in u is, door cle oplegging mijner handen. a Hand. (i: C. 8 :17. 13 : 3. 19 ; ü. 1 Tim. 4 :14. 5 : 22. 7 quot; Want God heeft ons niet gegeven oenen geest der vreesachtigheid, maar der kracht, en der a Kom. 8 : 15. liefde, en der gematigdheid. 8 quot; Schaam u dan niet der getuigenis onzes Ilee-ren, noch mijns, ''die zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het evangelie, naar de kracht Gods; nilom. 1: lü. ft Hand. 21:33. Efoz. 3:1. 4:1. Col. 4 : 18. Filem. vs. 1, 0, 13. i) quot; Die ons hooft zalig gemaakt, en geroepen met eene heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor do tijden der eeuwen; n Efcz, 1 : 3. Tit. 3:4,5,6. 10 quot; Doch nu geopenbaard is door de verschijning van onzen Zaligmaker Jezus Christus, ''die den dood heeft te niet gedaan, en het leven en de on- verderfelijkheid aan het licht ge-bragt door het evangelie: a Rom. 1 (i: 25. Efez. 1:9. 3 : 9. Col. 1 :20. Tit. 1 : 2. 1 Petr. 1 : 20. h Jes. 25 : 8. Hebr. 2:14. 11 quot; Waartoe ik gesteld ben een prediker, en een apostel, en een leeraar der Heidenen; a Hand. 9 : 15. 13 : 2. 22 : 21. Gal. 1 : 15. 2 : 8. Efez. 3 : 8. 1 Tim. 2 : 7. 12 Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar word niet beschaamd: want ik weet, wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij magtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag. 13 quot; Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is. a 2 Tim. 3:14. 14 Bewaar het goede pand, dat u toebetrouwd is, door den Heiligen Geest, die in ons woont. 15 Gij weet dit, quot;dat allen, die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben; onder dewelken is Fygellus en Hermógenes. a Hand. 19 : 10. Ki De Heere geve den huize van quot; Onesi'forus barmhartigheid: want hij heeft mij dikmaals verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd. a 2 Tim. 4 : 19. 17 Maar als hij te Home gekomen was, heeft hij mij zeer naarstiglijk gezocht, en heeft mij gevonden. |
18 De Heere geve hem, dat hij barmhartigheid vinde bij den Heere, in dien dag; en hoe veel hij mij te Efeze gediend heeft, weet gij zeer wel. HOOFDSTUK 2. üo apostel vermaant wijders Timóthoüs, om hot evangelie door getrouwe lieden voort te planten, vs. 1 ; en om hetzelve verdrukkingen te lijden, 3; waartegen hij hom troost mot de gelijkenissen van oen' krijgsman, kampvechter en landman, 4. Hij wekt hom op, zijne vermaningen te behartigen en mot ijver te verkondigen de opstanding van Christus, 7. Wijst hom ook tot troost op zijn voorbeeld en de zekere vergelding, welke door Christus na het lijdon zal worden gegeven, 9; vermaant hom, dat hij iiot woord Gods rogt snijde on zicli verzotte tegen woordenstrijd, ijdel roepon en loeringen van de afvalligen, namelijk van Hymonóüs en Filótus, die do opstanding loochenden, 14. Hij zegt vervolgens, dat, hoewel sommigen afvallen, evenwol hot fondament dor eeuwige verkiezing vast staat, en toont aan, waaruit men kan kennen, dat uion uitverkoren is, 19. Eindelijk vermaant hij hom, te vlieden de bo-goorte dor jongheid, dwaze vragen on twistingon, en te trachten naar verscheidene christelijke doug- den, welke in oen'leeraar noo-dig zijn, 22. ^ ï *5 ( «, Th, RombouïS: De veiloocliening van Petrus ('2 Tim. '2:13), GIJ dan, mijn zoon! word gesterkt in do genade, die in Christus Jezus is; 2 En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen , quot; betrouw dat aan getrouwe menschen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te loeren, a Tit. 1 : 5, 3 Gij dan, lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus. 4 quot;Niemand, die in den krijg dient, wordt ingewikkeld in do handelingen des leeftogts, opdat hij dien moge behagen, die hem tot den krijg aangenomen heeft. a 1 Cor. 9 : 25. 5 En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zoo hij niet wettelijk heeft gestreden. 6 quot; De landman, als hij arbeidt, moet alzoo eerst de vruchten genieten. « 1 Cor. 9: 10, 7 Merk hetgeen ik zog; doch de Heere geve u verstand in alle dingen. 8 Houd in gedachtenis, dat Jezus Christus uit de dooden is opgewekt, quot; welke is uit don zado Davids, naar mijn evangelie; a 2 Sam. 7 : 12. Ps. 132 : 11, Jos. 11:1. Matt. 1: 1. Hand. 2 : 30. 13 : 23. Rom. 1: 3, 9 quot; Om hetwelk ik verdrukkingen lijde b tot do banden toe, als een kwaaddoener; maar het woord Gods is niet gebonden. a Efoz. 3: 13. Col. 1 : 24. h Efoz. 3:1.4:1. Filipp, 1 : 7, Col, 4 : 3, 18, 2 Tim, 1 : 8. 10 Daarom verdraau ik alios om de uitverkore- |
2 TIMOTHEÃS 2,
1084
|
non, opdat ook zij do zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid. 11 Dit is een getrouw woord: quot;want indien wij met hou gestorven zijn, zoo zullen wij ook met hein leven ; a Rom. ü ; 8. 12 quot;Indien wij verdragen, wij zullen ook mot hem heerschen; h indien wij hem verloochenen, hij zal ons ook verloochenen; a Hom. 8:17. 2 Cor. 4 : 10. Filipp. 3 : 10. 1 Potr. 4 : 18. h Matt. 10:33. Mark. 8:38. Luk. 9:26. 12:9. 13 quot;Indien wij ontrouw zijn, hij blijft getrouw; hij kan zich zeiven niet verloochenen. a Num. 23 : 19. Kom. 3 : 3. 9 : U, 14 Breng deze dingen in gedachtenis, en betuig voor den Heere, dat zij geenen woordenstrijd voeren, hetwelk tot geen ding nut is, dan tot verkeering der toe- hoorders. 15 Benaarstig u, om u zeiven Godo beproefd voor te stellen , eenon arbeider, die niet beschaamd wordt, die het woord der waarheid regt snijdt. 16 quot; Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdel-roepen: want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen. a 1 Tim. 1 : 4. 4:7. 6:20.Tit. 1:14.3:9. 17 En hun woord zal voorteten gelijk do kanker: onder welken is Hymenéüs en Filétus; 18 Die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende, dat de opstanding alreodo geschied is, en verkeeren sommiger geloof. 19 Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dozen zegel: quot; Do Heere kont dogenen, die zijne zijn; en: Een iegelijk, dio den naam van Christus noemt, sta af van ongeregtigheid. «Joh. 10:14. 20 quot; Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten; en sommige ter eere, maar sommige tor oneere. a Kom. 9:21. 21 Indien dan iemand zich zolven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter eoro, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid. 22 quot;Maar vlied de begeerlijkheden der jongheid ; en jaag na regtvaardighoid, geloof, liefde, vrede, met degenen, die den Heere aanroepen uit een rein hart. n 1 Tim. 6:11. |
23 quot; En verwerp do vragen, die dwaas en zonder leering zijn, wetende, dat zij twistingen voortbrengen. « 1 Tim. 1:4. 6:4. Tit. 3 : 9. 24 En een dienstknecht des Hoeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allon, quot;bekwaam om te loeren, en die de kwaden kan verdragen : « 1 Tim. 3 : 2. 25 quot; Mot zachtmoedigheid onderwijzende degenen , die tegenstaan; of hun God te eeniger tijd bekoering gave tot erkentenis der waarheid; a Gal. 6:1. 26 En zij wederom ontwaken mogten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijnen wil. HOOFDSTUK 3. De apostel voorzegt, hoedanige monsohen ou verleiders in do laatste tijden zullen opstaan, en vermaant Ti- mótheüs zulken te schuwen, vs. 1. Hij leert, op welke wijze zij de mensohon zullen verleiden, voornamelijk do vrouwen, 6; en dal zij gelijk zullen zijn aan Jannes en .jambres, in de waarheid tegen te staan, 8. Hij vermaant wijders, zijn voorbeeld te willen volgen in liet verdragen van vervolgingen, die alle godzaligen te verwachten hebben, 10; en standvastig te blijven bij de zuivere leer, welke hij hem had geleerd, 14; daarbij aantoonende de volmaaktheid , goddelijkheid en het veelvoudige nut der Heilige Schriften, welke hij van kindsbeen af had geloerd, in welke deze leer is gegrond, 15. EN quot; weet dit, dat in do laatste dagen ontstaan zullen zware tijden, a lTim.4:1.2Petr.2:3.Judasvs. 18. 2 Want de menschen zullen zijn liefhebbers van zich zeiven, geldgierig, laatdunkend, hoovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, 3 Zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, 4 Verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods; 5 Hebbende eene gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. quot; Heb ook oenen afkeer van dezen. « Matt. 18:17. Hom. 16: 17. 2 Thess. 3:6. Tit. 3:10. 2 Joh. vs. 10. (! quot; Want van dezen zijn het, die in de huizen insluipen, en nemen de vrouwkens gevangen, die |
2 TIMOTHEÃS 8,4.
1085
|
met zonden yeladon zijn, on door menigerlei bejieer-lijkheden gedreven worden; a Matt. 23:14.'fit. 1:11. 7 Vronwkens die altijd leeren, en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen. 8 quot; Gelijkerwijs nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, alzoo staan ook deze de waarheid tegen; menschen, verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof. lt;7 Ex. 7:11. 9 Maar zij zullen niet meerder toenemen: want hunne uitzinnigheid zal allen openbaar worden, gelijk ook die van genen geworden is. 10 Maar gij hebt achtervolgd mijne leer, wijze van doen, voornemen, geloof, langmoedigheid, liefde, lijdzaamheid, 11 quot;Mijne vervolgingen, mijn lijden, zulks als mij overkomen is in Antiochië, in b Icónium en in ' Lystre: hoedanige vervolgingen ik geleden heb, ''en de Heere heeft mij uit alle verlost. a Hand. 13:50. 6 Hand. 14:2. c Hand. 14:1!). cl Vs. 34:20. 2 Cor. 1 : 10. 12 quot; En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden. « Jlaft. 10:24. Luk. 24:26. Joh. 17 : 14. Hand. 14 : 22. 1 Thess. 3 : 3. 13 Doch de booze menschen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid. 14 Maar blijft gij in hetgeen gij geloerd hebt, en vmarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wien gij het geleerd hebt; 15 En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is. 1G quot;Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in do regtvaardig-heid is; a'2 Petr. 1 : 20. 17 Opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot allo goed werk volmaaktelijk toegerust. HOOFDSTUK 4. I'nulus vermaant Timótheüs wederom met grooten ernst, zijn ambt getrouw in allo deelen waar te nemen, vs. I; aanwijzende hoo noodig dit is, om de boosheid dor menschen, die in do toekomende tijden zijn zal, 3. Voorzegt dat hij welhaast zal gedood worden, G; en troost zich zeiven met een goed geweten en met de vergelding, welko hij en allo go-loovigen van den Hoero verwachten, 7. Verzoekt hem tevens tot hom te komen, daar eenigen hem verlaten haddon, !); en Markus mede te brengen, 11; met zijnen reismantel en boeken, 13. Hij waarschuwt hom voor Alexander den kopersmid, die hem veel kwaads had gedaan, 14. Klaagt over do broeders, dat zij hein in zijne eerste verantwoording hadden verlaten, 1G; doch de Heere had hem bijgestaan en verlost, 17 ; vertrouwende dat Hij hem verder bijstaan zal, 18. Hevelende eenigen te groeten , 19; besluit hij dezen brief met de gewone groetenissen, 22. IK quot; betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, die de levenden en dooden oordeelen zal in zijne verschijning en in zijn koningrijk: n Rom. 1 : 9. 9 : 1. 2 Cor. 1: 23. 11:31. Gal. I : 20. Kilipp. 1 : S. 1 Thess. 2 : 5. 1 Tim. 5 : 21. (i: 13. |
2 Predik het woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle langmoedigheid en leer. 3 Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer uiot zullen verdragen ; maar ketelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zich zeiven leeraars opgaderen naar hunne eigene begeerlijkheden; 4 En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich koeren tot fabelen. 5 Maar gij, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe hot werk van een'evangelist, maak, dat men van uwe dienst ten volle verzekerd zij. (i quot; Want ik word nu tot oen drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. a 2 Petr. 1:14. 7 Ik hob den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; 8 quot; Voorts is mij weggelegd de kroon der regt-vaardigheid, welke mij de Heere, de regtvaardige Reg ter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die zijne verschijning liefgehad hebben. a\ Cor. 9:25. 1 Petr. 5:4. 9 Benaarstig u haastelijk tot mij te komen. 10 Want quot; Démas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Crescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië. «Col. 4:14. Filem. vs. 24. 11 quot; Lukas is alleen mot mij. Noem '' Markus mede, en breng hem mot u ; want hij is mij zeer nut tot do dienst. «Col.4:14. hHand. 15:37. Col.4:10. Filem. vs. 24. 12 quot; Maar Ty'chicus heb ik naar Ãfezo gezonden. a Hand. 20 : 4. Col. 4 : 7. 13 Breng den reismantel mede, dien ik te Tróas bij Carpus gelaten heb, als gij komt, on do boekon, inzondorhoid de perkamenten. 14 quot; Alexander, do kopersmid, heeft mij veol kwaads betoond; de Heere vergeldo hem naar zijne werken. a 1 Tim. 1:20. 15 Van welken wacht gij u ook, want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan. IG In mijne eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend. 17 Maar de Heere heeft mij bijgestaan, en heeft mij bekrachtigd; opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, on alle Heidenen dezelve zouden hooren. En ik ben uit den muil des leouws verlost. 18 En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot zijn hemelsch koningrijk; denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 19 Groet quot; Prisca on A'quila, on het huis van Onesiforus. a Hand. 18:2. Rom. 1 20 Erastus is te Corinthe gebleven; en Trófimus heb ik te Miléte krank gelaten. 21 Benaarstig u, om voor den winter te komen. U groet Eubülus, en Püdens, en Linus, en Claudia, en al do broeders. 22 De Heere Jezus Christus zij met uwen geest. De genade zij met ulieden. Amen. |
TITUS 1, 2.
1080
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN
TITUS.
|
HOOFDSTUK 1. Na hot opschrift van den brief, in wolken I'niilns de â waardigheid van zijn apostelschap beschrijft , vs. 1; verklaart hij tot wat einde hij Titus op hot eiland Greta had gelaten, 5; en beschrijft de hoedanigheden en gaven, welke in een good leoraar of opziener worden vereischt, 0; vermaant hem do ijdolhoid-sprekers en verleiders tegen te staan en hun den mond te stoppen, 10; on daar do Cretonsen kwade lieden waren, volgens de getuigenis van eon' hunner eigene dichters, hen ernstig te bestraffen, 12; en te vermanen, dat zij de Joodsche fabelen on mon-sohelijko instellingen zonden vlieden, 14; voornamelijk omtrent het onderscheid dor spijzen, 15; on beschrijft de geveinsdheid dezer verleiders, om die to beter te mijden, 10. PAULUS, een dienstknecht Oods, en oen apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods, on de kennis der waarheid, die naar do godzaligheid is; 2 In do hoop des eeuwigen lovens, welke God, quot;die niet liegen kan, beloofd hooft, ''voor do tijden der eeuwen, maar geopenbaard hoeft to zijner tijd; «Nuni. 2Tiin. 2:1;?. h Kom. 10 : 25. Efoz. 1 : 0. ; 0. Col. 1 : 20. 1 l'otr. 1 : 20. 3 Namelijk zijn woord, door de prediking, quot;die mij toebetrouwd is, naar het hevel van God, onzen Zaligmaker; aan h Titus, mijnen oprogten zoon, naar het gemeen geloof: « Hand. 20:24. Gal. 1:1. 6 2 Oor. 2:12. 7:14. 8 : 0, 10. Gal. 2 : 8. 4 quot; Gonado, barmhartigheid, vrede zij ?/, van God den Vader, en den Heero Jozus Christus, onzen Zaligmaker. a Efoz. 1 : 2. Col. 1 : 2. 2 Tim. 1 : 2. 1 Potr. 1 : 2. 5 Om dio oorzaak heb ik u in Crota gelaten, opdat gij, hetgeen nog ontbrak, voorts zoudt to regt brengen, quot; en dat gij van stad tot stad zoudt ouderlingen stollen, gelijk ik u bevolen heb: a 2 Tim. 2 : 2. 0 quot; Indien iemand onberispelijk is, oener vrouwe man, goloovige kinderen hebbende, dio niet te beschuldigen zijn van overdadigheid, of ongehoorzaam zijn. a 1 Tim. 3 : 2. 7 Want een opziener moet onberispelijk zijn, quot;als een huisverzorger Gods, niet eigenzinnig, h niet genegen tot toornigheid, niet genogen tot den wijn, geen smijter, ^ geen vuil-gewinzoeker; a Matt. 24:45. 1 Cor. 4:1. 1 Tim. 8:15. 6 Lev. 10:9. Efoz. 5 : 18. c 1 Tim. 3 : 3. 1 Potr. 5 : 2. 8 Maar die quot;gaarne herbergt, die de goeden liefheeft, matig, regtvaardig, heilig, kuisch; a 1 Tim. 3 : 2. |
9 Dio vasthoudt aan hot getrouwe woord, dat naar de loer is, opdat hij magtig zij, beide om te vermanen door do gezonde leer, en om do tegensprekers te wederleggen. 10 quot;Want er zijn ook vele ongeregeldon, ijdel-heidsprekers en verleiders van zinnen, inzonderheid die uit de besnijdenis zijn; a Hand. 15:1. 11 Wolken men moot den mond stoppon, die quot; geheelo buizen verkeoron, loerende wat niet behoort, om vuil gevvins wil. «Matt.23:14. 2Tim.8:0. 12 Een uit hen, zijnde hun eigen profeet, hooft gezegd: Do Cretonsen zijn altijd leugenachtig, kwade beesten, luije buiken. 13 Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf hen scherpelijk, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof, 14 quot;En zich niet begeven tot joodsche fabelen, en geboden der menschen, die hen van do waarheid afkoeren, a Jos. 29:18. Matt. 15:9. Col. 2:22. 1 Tim. 1:4. 4:7. 0 : 20. 15 quot; Alle dingen zijn wel rein den roinen, b maar den bevlekten en ongoloovigen is geen ding rein, maar beiden hun verstand en geweten zijn bevlekt. a Matt. 15:11. Hand. 10:15. Kom. 14:20. b Matt. 23 : 25. Kom. 14 : 23. 16 Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem mot de werken, alzoo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam, en tot alle goed werk ondeugende. HOOFDSTUK 2. Do apostel vermaant Titus, de gezonde loor rogt voor te stollen, vs. 1; en te onderwijzen de oude mannen, 2; en de oude vrouwen, 3; en door dezelve de jonge vrouwen, 4; insgelijks do jonge mannen, hoe zij allen zich bohooren te godragen, en daartoe te vermanen, zoo met woorden, 0; als mot zijn eigen voorbeeld in wandel en in leer, 7; daarna ook de geloovigo dienstknechten, hoe zij zich moeten gedragen, 9; en voegt daarbij redenen, welke een iegelijk tot godzaligheid en tot alle christelijke deugden behooren te bewegen, genomen zoo van het doel, waartoe ons God zijn evangelie heeft geopenbaard, 11; als van de hoop dor vergelding in de toekomst van Christus, 18; en van de grootheid, vrucht en doel dor weldaden van Christus aan ons bewezen, 14; willende dat Titus dit ernstig aan-drijve en inscherpe, 15. DOCH gij, spreek hetgeen der gezonde loor betaamt. 2 Dat do oude mannon nuchter zijn, stemmig, voorzigtig, gezond in hot geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid. |
TITUS 2, 3.
1087
|
:i De oude vrouwen insgelijks, quot;dat zij in hare dragt zijn, gelijk den heiligen betaamt, dat zij /'geene lasteressen zijn, zich niet tot veel wijns begevende, maar leeraressen zijn van het goede; a 1 Tim. 2:9. 1 Petr. 3 : 3. b\ Tim. 5 :13. 4 Opdat zij de jonge vrouwen Jeeren voorzigtig te zijn, hare mannen lief te hebben, hare kinderen lief te hebben; 5 Matig te zijn, kuisch te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, quot;haren eigenen mannen onderdanig te zijn, opdat het woord Gods niet gelasterd worde. a Oen. 3 :10. 1 Cor. 14; 34. Efez. 5: 22. Col. 3:18. 1 Petr. 3:1. 6 Vermaan de jonge mannen insgelijks, dat zij matig zijn. 7 quot; Betoon u zeiven in alles een voorbeeld van goede werken, betoon in de loer onvervalschtheid , deftigheid, opregtheid; «1 Tim. 4:12. 1 Petr. 5:3. 8 Het woord gezond en onverwerpelijk, «opdat degene, die daartegen is, beschaamd worde, en niets kwaads hebbe van ulieden te zeggen. « I Petr. 2: 12, 15. 2 : 16. 9 quot; Vermaan de dienstknechten, dat zij hunnen eigenen heeren onderdanig zijn, dat zij in alles welbehagelijk zijn, niet tegensprekende; a Efez. 0 : 5. Col. 3 : 22. 1 Tim. 0:1,2. 1 Petr, 2 : 18. 10 Niet onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende; opdat zij de loer van God, onzen Zaligmaker, in alles mogen versieren. 11 Want de zaligmakende genade Gods is verschonen aan alle menschen. 12 En onderwijst ons, quot;dat wij, de goddeloosheid en '' de wereldsche begeerlijkheden verzakende, matig, en regtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld; «Efez. 1 : 4. Col. 1 : 22. 2 Tim. 1 : 9. ft 1 Joh. 2:10. 13 quot; Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den grooten God en onzen Zaligmaker, Jezus Christus; a 1 Cor. 1 : 7. Filipp. 3 : 20. 14 quot; Die zich zeiven voor ons gegeven heeft, opdat hij ons zou verlossen van alle ongeregtig-heid, en zich zeiven een eigen volk zou reinigen, '' ijverig in goede werken. a Gal. 1:4. 2:20. Efez. 5:2. Hebr. 9:14. ft Efez. 2:10. 15 Spreek dit, en vermaan, en bestraf met allen ernst. quot;Dat niemand u verachte. a 1 Tim. 4:12. HOOFDSTUK 3. Paulns vermaant Titus, zijnen toehoorders in te scherpen, dat /.ij aan de overheden gehoorzaam zijn, vs. I; niet lasteren en twisten, maar jegens alle menschen zachtmoedigheid gebruiken, 2. Tot dat einde stelt hij voor den verdorven staat, in welken zij voor hunne bekeering geweest zijn, 3; en de wijze waarop, en hot oogmerk waartoe zij door Christus zijn verlost, 4. Titus moest hen ernstig vermanen, goede werken voor te staan, 8; alle dwaze vragen en twisten te verwerpen, 9; en de kettersche menschen te vermijden, 10. Hij belast hem, tot hem te komen te Nicópolis, 12; Zenas te geleiden en te verzorgen, 13; do geloovigen te loeren goede werken voor te staan, 14; en besluit den brief mot de gewone groetenissen, 15. |
VERMAAN quot; hen, dat zij aan de overheden en magten onderdanig zijn, dat zij hv.n gehoorzaam zijn, dat zij tot alle goed werk bereid zijn; a Rom. 1.3: 1, enz. 1 Petr. 2; 13. 2 Dat zij niemand lasteren, geen vechters zijn, maar quot;bescheiden zijn, ''alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle menschen. a Filipp. 4 : 5. h 2 Tim. 2 : 24, 25. 3 quot;Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam , dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende. «1 Cor. ö: 11. Efez. 2:1. Col. 3:7. 1 Petr. 4:3. 4 Maar wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en zijne liefde tot de menschen verschenen is, 5 quot; Heeft Ilij ons zalig gemaakt, '' niet uit de werken dor regtvaardigheid, die wij gedaan hadden, quot;maar naar zijne barmhartigheid, door liet bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes; «Efez. 1:4. 2 Tim. 1 : 9. /(Hom. 3:20,28. 4:2, 0. 9: II. 11:0. Gal. 2:10. Efez. 2 : 9. e Hand. 15 : 11. Efez. 2 : 4. 6 quot; Denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onzen Zaligmaker; a Ezec. 30 : 25. 7 Opdat wij, geregtvaardigd zijnde door zijne genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens. 8 Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik, dat gij ernstelijk bevestigt, opdat degenen, die aan God gelooven, zorg dragen, om goede werken voor to staan: deze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn den menschen. 9 quot; Maar wedersta de dwaze vragen, en geslachtrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet: want zij zijn onnut en ijdel. a 1 Tim. 1:4. 4:7. 0:20. Tit. 1 : 14. 10 quot; Verwerp eenen ketterschen mensch na de eerste en tweede vermaning; a Matt. 18:17. Rom. 10 : 17. 2 Thess. 3:0. 2 Tim, 3 : 5. 2 Joh. vs. 10. 11 Wetende, dat de zoodanige verkeerd is, en zondigt, zijnde bij zich zeiven veroordeeld. 12 Als ik A'rteinas tot u zal zenden, of quot; Ty'chi-cus, zoo benaarstig u tot mij te komen te Nicópolis; want aldaar heb ik voorgenomen te overwinteren. «Hand. 20:4. Efez. 0:21. 2 Tim. 4: 12. 13 Geleid Zenas, den wetgeleerde, en quot; Apollos, zorgvuldiglijk, opdat hun niets ontbreke. a Hand. 18 : 24. 1 Cor. 1:12. 14 En dat ook de onzen leeren, goede werken voor te staan tot noodig gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn. 15 Die met mij zijn, groeten u allen. Groot ze, die ons liefhebben in bet geloof. De genade zij met u allen. Amen. |
PIL'ÃMON 1.
1088
DE BRIEF VAN DEN A POST EL PAULUS
AAN
F I L Ã M O N.
|
HOOFDSTUK 1. Om'simus, een slaaf of dienstknecht van Filómnn, die een leeraar in do gemeente te Colosse schijnt geweest te zijn, vs. 1, 17, 22. Col. 1:7. 4:9. 12:17. was van zijnen lieer weggeloopen, en had hem ook iets ontdragen. Deze door Paulus te Rome in zijne banden tot de christelijke godsdienst bekeerd zijnde, wilde, naar die leer, tot zijnen heer wederkeeren, en verzocht hiertoe van Panlns eenen brief van voorschrijving, om te beter met hem te verzoenen en in gunst aangenomen ie worden. Tot dit einde heeft; dan de |
PAULUS, quot;oen ^evangeno van Christus Jezus, en Timótheüs, do broeder, aan Filémon, den geliefde, on onzen medearbeider , a Efez. 3:1. 4:1. 2 En aan Appia, de geliefde, en aan quot; Archippus, onzen medestrijder, en aan de gemeente, ^ die te uwen huizo is: n Col. 4:17. h Rom. 10 : ö. 1 Oor. 10 : 19. Col. 4 : 15. 3 Genade zij ulioden en vrede van God, onzen Vader, en den lleere Jezus Christus. |
|
apostel dezen brief geschreven, waarin hij na het opschrift en de groete, 1âli; met eone inleiding, om do gunst van Filémon op te wekken, verhaalt zijne liefde jegens hem, 4, ö; en de deugden van Filémon, als zijne liefde jegens de gcloovigen, en zijn geloof in Christus, 8; verklaart, dat bij niet wilde gebieden, gelijk hij wel mogt, maar vriendelijk van hem hidden, 10. Daarna stelt hij zijn verzoek voor, betoonende dat het was eerlijk, 11; hom dienslig, 12; en ook eenigzins noodzakelijk, 15. Verontschuldigt Onésimns misdaad van wegloopen, hetwelk eene gelegenheid geweest is tot zijne bekeering, waardoor hij mi ook een broeder was go-worden, 18: hij stelt zich zei ven tot borg voor de schade, 20; en besluit eindelijk met zeer bewegelijke woorden zijn verzoek, 22; daarbij voegende, dat hij hem eene herberg wilde bereiden, 23. Groet hem wegens eenigo bijzondere medearbeiders, 25; cn voegt daarbij zijne gewone groete. |
4 quot;Ik dank mijnen God, uwer altijd godachtig zijnde in mijne gebeden, n 1 Thess. 1 :2. 2 Tliess. 1 : 5 Alzoo ik hoor uwe liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan den Heere Jezus, en jegens al de heiligen; 6 Opdat de gemeenschap uws geloofs krachtig worde in de bekendmaking van allo goed , hetwelk in ulioden is door Christus Jezus. 7 Want wij hebben groote vreugde en vertroosting over uwe liefde, dat de ingewanden der heiligen verkwikt zijn geworden door u , broeder! 8 Daarom, hoewel ik groote vrijmoedigheid heb in Christus, om u te bevelen hetgeen betamelijk is; 9 Zoo bid ik nof/tans liever door de liefde, daar ik zoodanig een ben, te weten Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus, |
IIEBREÃN 1.
|
lü quot; Ik hid ii ihui voor mij non zoon, ''donwolkon ik in inijiiü banden iioi) yotoeld, munviijk OnósiimiH; aCol. 4 : 9. h 1 Oor. 4 : 15. Qal. 4 : li». 11 Die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zoor nuttig; demvelken ik wedergezonden heb, 12 Doch gij, noem hom , dat is mijne ingowandon, weder aan: UI Denwelken ik wel had willen bij mij behouden, opdat hij mij voor u dienen zou in do banden dos evangelies; 14 Maar ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen, opdat uwe goeddadigheid niet zou zijn als naar bedwang, maar naar vrijwilligheid. 15 Want veelligt is hij daarom voor oenen kleinen tijd van tl gescheiden geweest, opdat gij hem eeuwig zoudt weder hebben: 10 Arv voortaan niet als oen' dienstknecht, maar meer dan oen' dienstknecht, namelijk een'geliefdon broeder, inzonderheid mij, hoe veel te meer dan u, beide in het vleesch en in den Iloere. 17 Indien gij mij dan houdt vooreen' modgezel, zoo neem hom aan, gelijk als mij. |
l.H En indien hij u iets vorongelijkt heeft, of schuldig is, roken dat mij toe. 1!) Ik, Paulus, hob het geschreven met deze mijne hand, ik zal het betalen; opdat ik u niet zegge, dat gij ook u zeiven mij daartoe schuldig zijt. 20 Ja, broedor! laat mij uwer hierin genieten in don Iloere; verkwik mijne ingewanden inden Heero. 21 Ik heb aan u geschreven, vertrouwende op uwe gehoorzaamheid; en ik weet, dat gij doen zult ook boven hetgeen ik zog. 22 En bereid mij ook te gelijk quot; eene herberg; '' want ik hoop, dat ik door uwo gebeden ulieden zal geschonken worden, a Hebr. 13:2. ftlülipp. 1:25. 23 U groeten quot; Ãpafras, mijn medegevangene in Christus Jezus, aCol. 1:7. 4: 12. 24 quot;Markus, ''Aristarchus, ' Démas, ''Lukas , mijne medearbeiders. «Hand. 12:12,25. 15:37. Col. 4: K). 2Tim. 4:11. 1 Petr. 5: 13. h Hand. lil: 29. 20 : 4. 27 : 2. Col. 4 :1(1. lt;⢠Col. 4 : 14. 2 Tim. 4:10. d Col. 4:14. 2 Tim. 4:11. 25 Do genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uwen geest. Amen. |
\)K BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN DE
H E B R E Ã N.
|
HOOFDSTUK 1. Do apostol lifiiuigt, dat Ood wol eertijds door de profeten tot ile vaderen heeft gesproken, maar nu tot ons door zijn'Zoon, vs. 1; wiens Godheid, majesteit on ambt hij kortelijk beschrijft, 2. Bewijst daarna uit verscheidene plaatsen van het O. T., dat do heerlijkheid van den Zoon do heerlijkheid dor engelen verre te boven gaat, 4; dat hij eenen goddelijken en eeuwigen troon heeft, en dat hij is gezalfd boven al zijne medegenooten, 8; verder, dat hemel en aarde door hem zijn geschapen en een einde zullen hebben, maar dat hij noch begin noch einde heeft, 10; en dat hij alleen ter regterhand zijns Vaders zit, 13; maar dat alle engelen dienstbare geesten zijn, 14. GOD, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot do vaderen gesproken hebbende door de profeten , heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door don Zoon; 2 Welken Hij gesteld quot; heeft tot een' erfgenaam van alles, '' door welken Hij ook de wereld gemaakt heeft. n Matt. 21 : 38. b Gen. 1 : 3. Ps. 33 : (i. Joh. 1 : 3. Efez. 3 : i). Col. 1 : Hi. 3 quot;Dewelke, alzoo hij is het afschijnsel zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid , en alle dingen draagt door het woord zijner kracht, nadat hij de reinigmaking' onzer zonden door zich zeiven te weeg gebragt heeft, is gezeten aan de VQgtevhand der Majesteit in de hoogste hemelen; n 2 Cor. 4: 4. Filipp. 2:0. Col. 1 :15. |
4 Zoo veel troffelijker geworden dan de engelen , nis hij quot; uilnemender naam boven hen geërfd heeft. «Filipp 2:0. 5 Want tot wien van do engelen hoeft Hij ooil gezegd: quot;Gij zijt mijn Zoon, heden hob Ik u gegenereerd ? En wederom: '' Ik zal hem tot een' Vader zijn, en hij zal Mij tot een' Zoon zijn? a Ps. 2:7. Hand. 13:33. Hebr. 5:5. Igt; 2 Sam. 7 : 14. I Kron. 22 : 10. (! En als Hij wederom den eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: quot;En dat alle engelen Gods hem aanbidden. « Ps. 97:7. 7 En tot de engelen zegt Hij wel: quot; Die zijne engelen maakt geesten, en zijne dienaars eeno vlam des vuurs. a Ps. 104 : 4. 8 Maar tot don Zoon zeyt Hij: quot;Uw troon, o God! is in allo eeuwigheid; de scepter uws koningrijks is een regte scepter. « Ps. 45:7. 9 Gij hebt regtvaardigheid liefgehad, en onge-regtigheid gehaat; daarom heeft u, o God! uw God gezalfd met olie der vreugde boven uwo medegenooten. 10 En: quot;Gij, Heere! hebt in den beginne do aarde gegrond, en de hemelen zijn werken uwer handen; « Ps. 102 : 20. 11 quot;Dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft altijd, en zij zullen allen als een kleed verouden; « .les. 51 : G. 2 Petr. 3:7,10. 09 |
1 IEP,REEN 1 , 2.
1 (l!MI
|
12 Kn als ecu dükklood zuil Gij zo iiioonrollon, on zij zullen vorunderd worden; maar (Jij zijt dezelfde, en uwo jaren zullen niet ophouden. li! En tot welken der engelen heeft Hij ooit gezegd: quot; Zit aan mijne regterArme/, totdat Ik uwo vijanden zal gezet hebben tot oene voetbank uwer voeten ? «I's. 110: 1. Hanrl. 2:34. 1 Cor. 15:25. Efez. I : 20. Hebr. K); 12. 14 Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die d(gt; zaligheid beërven zullen? HOOFDSTUK 2. Hit de leer der voortreffelijkheid van Cluistns persoon, in het voorgaande hoofdstuk voorgesteld, trekt do apostel hier eene waarschuwing, dat wij dan zorgvuldig moeten zijn, om op zijn woord wel acht te nemen, vs. 1. Gaat daarna voort, en toont eerst aan de nederigheid, en ver-volgons do waardigheid van de monsehheid van Christus, met oeno plaats nit den achtsten psalm, 5; en past die toe op Christus, 8. lie wijst uit nog andere plaatsen van hot O. T., dat hij eeno zelfde natuur en beweging met ons deelachtig is, 11; en niet met de engelen, 10; en wel tot dit einde, opdat hij een getrouw en barmhartig hoogepries-tor voor ons zon zijn, 17. DAAROM moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eeniger tijd door-vloeljen. 2 Want indien quot; het woord, door do engelen gesproken, vast is geweest, en h alle overtreding en ongehoorzaamheid regtvaardige vergelding ontvangen heeft; « Hand. 7 : 53. Gal. 3 : 19. /((ien. 10:17,20. Deut. 27 : 20. ;i quot; Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zoo groote zaligheid geen acht nemen? ''dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door den Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die hem gehoord hebben: a Hebr. 12 : 25. h Matt. 4:17. Mark. 1 : 14. 4 quot; (ïod bovendien medegetuigende door teeke-uen, en wonderen, en menigerlei krachten, en bndeelingen des Heiligen Goestes, naar zijnen wil. a Mark. 10 : 20. Hand. 1 I : 3. Ill : 11. |
5 Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken. 0 Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: quot;Wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt? of des menschen zoon, dat Gij hem bezoekt? n Ps. 8 : 5. 7 Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken uwer handen: 8 quot; Allo dingen hebt Gij onder zijne voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten , dat hein niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat hem allo dingen onderworpen zijn; a Ps. 8:7. Matt. 28 : 18. I Cor. 15 : 27. Efez. 1 : 22. 9 Maar wij zien Jezus quot; mot heerlijkheid en oor gekroond, 6 die oen weinig minder dan do engelen geworden was, van wage het lijden dos doods, opdat hij door do genade Gods voor allen den dood smaken zou. n Hand.2:33. h Kilipp.2:7,8. 10 Want het betaamde Hem, om welken allo dingen zijn, en door welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot do heerlijkheid leidende , den oversten leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen. II Want en hij, die heiligt, en zij, die geheiligd worden, quot;zijn allen uit een ; om welke oorzaak hij zich niet schaamt hen broeders te noemen, «Hand.17:20, 12 Zeggende: quot;Ik zal uwen naam mijnen broederen verkondigen; in hot midden der gemeente zal ik U lofzingen. n1 Ps. 22:23. 13 En wederom: quot;Ik zal mijn betrouwen op Hem stellen. En wederom: ''Zie daar ik, en do kinderen, die mij God gegeven heeft. a Ps. 18 : 3. b Jes. 8 : 18. 14 Overmits dan de kinderen des vleesches en bloods deelachtig zijn, quot;zoo is hij ook desgelijks derzelven deelachtig geworden, '' opdat hij door den dood te niet doen zou dengene, die het gewold dos doods had, dat is, den duivel: a Joh. 1:14. Filipp. 2 : 7. /lt;.les. 25:8. Hos. 13: 14. 1 Cor. 15:54. 2 Tim. 1: 10. |
IIERREÃN 2, 3, 4.
|
15 En verlossen zon itl degenen, die met vreeze des doods, door nl hun leven, quot;der dienstbaarheid onderworpen waren. a Rom, 8: in. Ui Want waarlijk, hij neemt de engelen niet aan, maar hij neemt het zaad Abrahams aan. 17 quot; Waarom hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat hij een barmhartig en een getrouw Hoogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen. «Filipp. 2:7. Hebr. 4:15. 18 quot; Want in hetgeen hij zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan hij dengenen, die verzocht worden, to hulp komen. a Hebi'. 1:15,10. HOOFDSTUK :i. Do apostel gaat voort tot do ambten van CMiristns, inxondorheid zijn profetisch en priesterambt, tnsschen beiden ook sprekende over zijn koninklijk ambt. Hij begint mot zijn profetisch ambt, loerende dat zij zijn woord moeten gehoorzaam zijn, vs. I. Vergelijkt Christus met Mózes en verklaart, dat hij zooveel grooter is dan Mozes, als de bouwer van het Iniis meer is dan hot huis, 2; en gelijk do zoon moer is dan de dienaar, 5. Hij versterkt zijne vermaning met eeno gelijke vermaning van David tot do Israëlieten uit den 95steu psalm, 7; waarschuwt de Hebreen, dat zij hunne harten ook niet verharden, 12; maar standvastig blijven in het geloof, 14. Verklaart de aangehaalde plaats van den psalm on past haar toe op do Hebreen, 15. Waarschuwt hen om hot voorbeeld hunner ongehoorzaamheid niet te volgen, zoo zij derzolver straffen niet willen dool-achtig zijn, 17. HIEROM, heilige broeders! die der hemelsche roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel cn quot; Hoogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus; aHebr. 4 : 14. 0:2i). 8:1. 9:11. '2 Die getrouw is dengenen, die hem gesteld heeft, quot;gelijk ook Mozes in geheel zijn huis was. a Num. 12:7. ;] Want deze is zoo veel meerder heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, als degene, die het huis gebouwd heeft, meerder eer heeft, dan het huis. 4 Want een ieder huis wordt van iemand gebouwd; quot;maar die dit alles gebouwd heeft, is God. n2 Cor. 5 : 17, 18. Efez. 2 : 10. 5 En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis, als een dienaar, quot;tot getuiging der dingen, die daarna, gesproken zouden worden; aDeut. 18:15,18. (! Maar Christus, als de Zoon over zijn eigen huis; quot; wiens huis wij zijn, ''indien wij maar de vrijmoedigheid en don roem der hoop tot het einde toe vast behouden.. u 1 (!or. 3:1 (i. (i: 19. 2Cor. Ã: KJ. 1 l'etr. 2:5. hRom. 5:2. 7 Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: quot;Heden, indien gij zijne stem hoort, a I's. 95:7. Hebr. 4:7. 8 Zoo verhardt uwe harten niet, quot;gelijk hef (jc-sehied is in de verbittering, ten dage der verzoeking, in de woestijn; «Ex. 17:2. |
!J Alwaar Mij uwe vaders verzocht hebben; zij hebben Mij beproefd, en hebben mijne werken gezien, veertig jaren lang. 10 Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben mijne wegen niet gekend. 11 quot;Zoo heb Ik dan gezworen in mijnen toorn: Indien zij in mijne rust zullen ingaan! a Num. 14:21. Dent. 1:34. 12 Ziet toe, broeders! dat niet te eeniger tijd in iemand van u zij een boos, ongeloovig hart, om af te wijken van den levenden God; 13 Maar vermaant elkander te allen dage, zoo lang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding dor zonde. 14 Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zoo wij anders het beginsel van dezen vasten grond tot het einde toe vast behouden: 15 Terwijl er gezegd wordt: quot; Heden, indien gij zijne stem hoort, zoo verhardt uwe harten niet, gelijk in de verbittering f/esclded is. a Hebr. 3 : 7. 16 Want sommigen, als zij die gehoord hadden, hebben Hem verbitterd, doch niet allen, die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn. 17 Over welke nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen, die gezondigd hadden, quot;welker ligchamen gevallen zijn in de woestijn? a Num. 14 : 36. I's. 106 : 26. 1 Cor. 10 : 10. Judas vs. 5. 18 quot;En welken heeft Hij gezworen, dat zij in zijne rust niet zouden ingaan, anders dan dengenen, die ongehoorzaam geweest waren? a Dent. 1 : 34. 19 En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan van wege hun ongeloof. HOOFDSTUK 4. Do apostel vervolgt zijne vermaning tot gehoorzaamheid aan hot evangelie, en waarschuwt hen met hot reeds genoemde voorbeeld der Israëlieten, die om hun ongeloof lot de rust van God niet zijn ingegaan, vs. 1. Bewijst dat do plaats in den 95sten psalm niet verstaan kan worden van de rust van den zevenden dag, 4; noch van de rust in het land Kanaan, 6; maar van eeno andere rust, welke door de voorgaande werd beleekend, 9. Hij versterkt zijne vermaning met de beschrijving der doordringende kracht van Gods woord, 12; en van Christus alwetendheid, 13. Vermits Christus do Zone (iods, is een groot en getrouw hoogepriester, 14; zoover-maant hij hen, dat zij mot een vast vertrouwen hunne toevlugt tot hom zouden nemen, 16. LAAT ons dan vreezen, dat niet te eeniger tijd, de belofte van in zijne rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn. 2 Want ook ons is het evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben. 3 Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust, gelijk Hij gezegd heeft: quot;Zoo heb Ik dan 09* |
HEBREÃN 4, 5.
1092
|
yezworon in inijiion toorn: liidion zij zullen in-gaan in mijne rust! hoewel zijne werken van de grondlegging der wereld af al volbragt waren. a Ps. 05 : 11. 4 Want Hij heeft ergens van den zevenden dag aldus gesproken: quot; F.n God heeft op den zevenden dag van al zijne werken gerust. a (ion. 2 ; 2. Ex. 20 : 11. 81: 17. 5 En in deze ])lant* wederom; Indien zij in mijne rust zullen ingaan! (! Dewijl dan blijft, dat sommigen in dezelve rust ingaan, en degenen, dien het evangelie eerst verkondigd was, niet ingegaan zijn van wege de ongehoorzaamheid, 7 Zoo bepaalt Hij wederom eenen zekeren dag, namelijk heden, door David zeggende, zoo langen tijd daarna (gelijkerwijs gezegd is): quot;Heden, indien gij zijne stem hoort, zoo verhardt uwe harten niet. rtPs.95:7.Hebr.3:7. 8 Want indien Jezus hen in de rust gebragt heeft, zoo had Hij daarna niet gesproken van eenen anderen dag. 0 Er blijft dan eene rust over voorliet volkGods. 10 Want die ingegaan is in zijne rust, heeft zelf ook van zijne werken gerust, gelijk God van de zijne. 11 Laat ons dan ons benaarstigen, om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld der ongeloo-vigheid valle. 12 Want het woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender quot; dan eonig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot do verdeeling der ziel, en iles geestes, en der zamenvoegselen, en des mergs, en is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten. a Prod. 12:11. .fes. 49: 2. Efcz. (!: 17. in quot; En er is geen schepsel onzigtbaar voor Hem; maar allo dingen zijn naakt en geopend voor de oogen desgonen, met welken wij te doen hebben. a Ps. 33 ; 12. 14 quot; Dewijl wij dan eenen grooten Hoogepriester hebben, die door de hemelen doorgegaan is, na-melijlc Jezus, don Zoon van God, zoo laat ons deze belijdenis vasthouden. n Hobr. 3:1. 6:20. 8:1. 9:11. li) quot;Want wij hebben geenen hoogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, h maar die in allo dingen, gelijk als wij, is vor-zocht geweest, doch ' zonder zonde. |
n Hebr. 2 : 18. h Filipp. 2 : 7. c.les. 53 : 9. 2 Cor. 5 : 21. I Petr. 2 : 22. 1 .lob. 3 : 5. Hi Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan quot;tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd. ^Kom.3:25. HOOFDSTUK 5. Do ^postel, het profetisch ambt van Jezus Christus verklaard hebbende, gaat voort in hot verklaren van zijn priesterambt, en verhaalt de eigenschappen, welke in een' hoogepriester vereischt worden. vs. 1: gelijk dio daartoe ook wettig moet zijn beroepen, 4. Betuigt dat Cliristus daartoe geroepen is van zijnen Vader, naar de ordening van Melchizédelc, 5; en dat bij in de dagen zijns vleesches gebeden en smeekingen heeft geolTord, 7 ; en alzoo eene oorzaak van onze zaligheid on een hoogepriester is go- worden, 9. Van de verborgenheid van Mel-chizédek wil do apostel nader met hen handelen , waartoe hij hunne harten opwekt, vermits velen van hou nog onervaren waren, en eerder melk, gelijk do kinderen, dan vaste spijzen, als de volwassenen van noodo hadden, 12. WANT alle hoogepriester, uit de menschen genomen,wordtgesteld voor de menschen in de zaken, dio bij God te doen zijti, opdat hij offere gaven en slagtofferen voor de zonden; 2 Die behoorlijk medelijden kan hebben met do onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is; 3 En om derzelver zwakheid wil moet hij, quot; gelijk voor het volk, alzoo ook voor zich zeiven, offeren voor de zonden. a Lev. 9 : 7. 16 : 6. Hebr. 7 : 20, 4 quot; En niemand neemt zich zeiven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, ''gelijkerwijs als Aaron, a 2 Kron. 26 : 16. /(Ex.28: I. 1 Kron. 23 : l.t. 5 Alzoo heeft ook Christus zich zeiven niet verheerlijkt, om hoogepriester te worden, maar Dio tot hem gesproken heeft: quot;Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd. «Ps. 2:7. Hand. 13:33. Hobr. 1 : 5. 6 Gelijk Hij ook in eene andere plaat* zegt: quot;Gij zijt Priester in der eeuwigheid, naar de orden in van Melchizédek. «I's. 110: l. Hobr. 7:17. |
HEBREÃN 5, fi.
1093
|
7 quot; Dio in do dagen zijns vioosches, gobodon on smeokingen tot denyonon, dio hom uit don dood kon vorlosson, mot sterke roeping en tranon geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vroezo, a Matt. '2ü : :59. 27 : 46, 50. Joh. 17:1. 8 quot; Hoewel hij de Zoon was, nogtans gehoorzaamheid geleerd hooft uit hetgeen hij heeft geleden. n Filipp. 2:0. 9 En geheiligd zijnde, is hij allen, dio hom gehoorzaam zijn, eono oorzaak dor eeuwige zaligheid geworden: 10 En is van God genaamd oen Hoogeprioster, naar de ordening van Melchizédok. 11 Van denwolken wij hebben veie dingen, en zwaar om te verklaren, te zeggen; dewijl gij traag om te hooron geworden zijt. 12 quot; Want gij, daar gij leeraars bohoordot te zijn van wege den tijd, hebt wederom van noode, dat men u loere, welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden , lt;Us die melk van noode hebben, en niet vaste spijze. a 1 Cor. li; 1, 2, .'i. 13 Want oen iegelijk, die der melk deelachtig is, die is onervaren in hot woord der geregtigheid, want hij is oen kind. 14 Maar der volmaakten is do vaste spijze, die dooide gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads. HOOFDSTUK (i. Do apostel betuigt, dat hij tot do volmaaktheid wil voortgaan , on nu niet handelen van do eerste beginselen iler christelijke leer, welker hoofdpunten hij in het kort beschrijft, vs. I: maar dat hij bij eene andere gelegenheid dit ook wil doen, 3; daar het onmogelijk is, dat degenen, die daarvan vervallen, nadat zij de gaven des öeestes gesmaakt hebben, wederom zouden worden vernieuwd tot bekeering, 4. Hij verklaart dit door eene gelijkenis van vruchtbare en onvruchtbare aarde, 7; betuigt uit de vruchten hunner liefde een beter gevoelen van hen te hebben, 9; doch dat hij dit zegt om hen tot naarstigheid op te wekken en tot eene vastere hoop op Gods beloften, 11 : daar God dezelve niet alleen heeft gegeven, maar ook mot oenen eed aan Abraham en zijn zaad heeft bevestigd, 13; en is de eed het einde van alle tegenspreken onder de men-schen, voel meer dan bij God, die niet kan liegen, 10: waarom wij onze hoop, als een anker der ziel, moeten vastmaken in den hemel, 10; waar Christus, onze hoogeprioster, voor ons is ingegaan, 20. DAAROM, nalatende het beginsel der loer van Christus, laat ons tot do volmaaktheid voortvaren; |
niet wederom loggende hot fondament van do bokeering van doode werken, en van hot geloof in God, 2 Van do loer der doopen, en van de oplegging der handen, on van de opstanding dor dooden, en van het eeuwig oordeel. 3 En dit zullen wij ook doen, quot; indien hot God toelaat. a Hand. 18:21. 1 Cor. 4: 19. Jakob. 4: 15. 4 quot; Want bet is onmogelijk, degenen, dio oons verlicht geweest zijn, en de homelsche gaven gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestos deelachtig geworden zijn, aMatt. 12:31. Hebr. 10:20. 1 Joh. 5:10. 5 En gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw, (! En afvallig worden; die, zey ik, wederom te vornieuwen tot bokeering, als welke zich zeiven don Zoon van God wederom kruisigen on openlijk te schande maken. 7 Want do aarde, die den regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welken zij ook gebouwd wordt, dio ontvangt zogen van God; 8 Maar dio doornon on distolen draagt, die is verwerpelijk, en nabij do vervloeking, welker einde is tot verbranding. 9 Maar, geliefden ! wij verzekeren ons van u betere dingen, on mot do zaligheid gevoegd, hoewel wij alzoo sproken. 10 quot; Want God is niet on-regtvaardig, dat Ilij uw werk zou vergeten, en den arbeid der liefde, die gij aan zijnen naam bewezen, hebt, als die de heiligen gediend bobt on no;/ dient. a Spr. 14:31. Matt. 10:42. 25:40. Mark. 9:41. Joh. 13:20. 11 Maar wij begoeron, dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze, tot do volle verzekerdheid der hoop, tot het einde toe; 12 Opdat gij niet traag wordt, maar navolgors zijt dorgonon, die door geloof en langmoodigheid do beloftenissen beërven. 13 Want als God aan Abraham do belofte deed, dewijl Hij bij niemand, die meerder was, had te zworen, zoo zwoer Ilij bij zich zeiven, 14 Zeggende: quot;Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen, on vernienigvuldigonde zal Ik u vermenigvuldigen. «Gen. 12:3 17:4. 22:10. I's. 105:9. Luk. 1:73. 15 En alzoo, langmoediglijk verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen. |
HEBREEN 6, 7.
1091
|
Ki Want dc monschen zweren wol bij den meer- 1 dere dan zij zijn, en quot; de eed tot bevestiging is denzelven een einde van alle tegenspreken. «Ex. 22: 11. 17 Waarin God, willende don erfgenamen der beloftonis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van zijnen raad, met oenen eed daartus-sclien is gekomen; 18 Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke bot onmogelijk is dat God liege, oeno sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlugt genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden; 1!) Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel; 20 Daar do voorlooper voor ons is ingegaan, luiinclijlc Jezus, naar de ordening van Melchizédek, quot; een Hoogopriester geworden zijnde in der eeuwigheid. a Hebr. 3:1. 4:14. 8:1. 9:11. HOOFDSTUK 7. Do apostel verhaalt eerst de geschiedenis van Melchizédek, vs. 1; met nog eenige andere eigenschappen, waarin hij den Zoon van God gelijk was, 2; on verheft hem boven Abraham, omdat Abraham, in hem ook Levi, aan hom tiendon heeft gegeven, en dat hij Abraham heeft gezegend, 4. Hij bewijst, dat do volkonienhoid niet was in het priesterdom van Levi, daar naar do voorzegging van David eon ander priester naar de verordening van Melchizédek moest opstaan, 11; namelijk onze Heero, dio niet uit den stam van Levi is, maar uit den stam van Juda, 14; wiens wet niet zwak noch veranderlijk zou zijn, maar onveranderlijk en volmaakt, 1G; wiens priesterdom daarom ook met code is bevestigd, 20; en altijd duurt, omdat hij altijd leeft, 23; en daarom ook de zijnen volkomen kan zalig maken. 25. Hij besluit uit dit alles de heerlijkheid en waardigheid van onzen hoogopriester, 20; en do volmaaktheid zijner offerande, eenmaal geschied, 27. WANT quot; deze Melchizédek was koning van Salem, een priester des allerhoogsten Gods, die Abraham Ie geinoet ging, als hij wederkeerde van het slaan dor koningen, en hem zegende; «Gen. 14:18. 2 Aan wolken ook Abraham van alles de tienden doelde: die vooreerst overgezet wordt, koning dor geregtigheid. en daarna ook was een koning van Salem, hetwelk is een koning des vredes: :i Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtrekening, noch beginsel der dagen, noch einde dos levens hebbende; maar den Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft bij een priester in eeuwigheid. 4 Aanmerkt nu, boe groot deze geweest zij, aan donwelken ook Abraham, de patriarch, tienden gegeven beeft uit den buit. 5 En die uit de kinderen van Levi bet priesterdom ontvangen, quot;hebben wol bevel, om tienden te nemen van het volk, naar do wet, dat is, van hunne broederen, hoewel die uit de lenden van Abraham voortgekomen zijn. o Num. 18:21. Dout. 18; I. Joz. 14: 4. 2 Kron. 31 : ö. |
(i Maar liij, die zijne geslachtrekening uit ben niet hoeft, die heeft quot;van Abraham tienden genomen , en hem, die de beloftenissen had, hoeft hij gezegend. «Gen. 14:20. 7 Nu zonder eonig tegenspreken, hetgeen mindor is wordt gezegend van hetgeen meerder is. 8 En hier nemen wel tienden de monschen, dio sterven, maar aldaar neemt ze die, van welken getuigd wordt, dat hij leeft. 9 En, om zoo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven: 10 Want hij was nog in de lenden des vaders, als bom Melchizédek te geinoet ging. 11 «Indien dan nu de volkomenheid door bot loviotische priesterschap ware, (want onder hetzelve hoeft het volk de wet ontvangen) wat nood was het nog, dat een ander priester naar de ordening van Melchizédek zou opstaan, en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aiiron? a Gal. 2:21. 12 Want het priesterschap veranderd zijnde, zoo geschiedt er ook noodzakelijk verandering der wet. 13 Want hij, op wien deze dingen gezegd worden, behoort tot eenon anderen stam, van welken niemand zich tot hot altaar begeven heeft. 14 Want het is openbaar, quot;dat onze Iloero uil Juda gesproten is; op welken stam Mozes niets gesproken beeft van het priesterschap. u Jes. 11 : 1. Matt. 1 :3. 15 En dit is nog veel meer openbaar, zoo er naar de gelijkenis van Melchizédek oen ander priester opstaat; Ki Dio dit niet naar do wet eens vleescholijkon gebods is geworden, maar naar de kracht des on vergankelijken levens. 17 Want Hij getuigt: quot;(jij zijt Priester in dor eeuwigheid naar de ordening van Melchizédek. a Ps. 110 : 4. llolir. 5 : li. 18 Want de vernietiging van bet voorgaande gebod geschiedt om deszelfs zwakheid en onprofijtelijkheid wil; 19 quot; Want do wet heeft goen ding volmaakt, b maar de aanleiding van eene betere hoop, door welke wij tot God genaken. a Hand. 13:39. Rom. 3:28. 8:3. Gal. 2:10. /y.loh. 1:17. Kom. 3:21. 20 En voor zoo veel het niet zonder eodzwering is geschied, (want genen zijn wel zonder eodzwering priesters geworden; 21 Maar deze met eodzwering, door Dien, die tot hem gezegd heeft: quot; Do Heero hooft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.) aPf. 110:4. 22 Van een zoo voel beter verbond is Jezus borg geworden. 23 En genen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven; 24 Maar deze, omdat hij in der eeuwigheid blijft, heeft oen onvergankelijk priesterschap. |
HEBREEN 7, 8, 0.
1005
|
25 Waarom hij ook volkomonlijlv kan zalig maken, dogonon, dio door liem tot (ïod gaan, alzoo hij altijd leel't quot; om voor hon te bidden. a 1 Tim. '2 ; 5. 1 Joh. 2:1. 26 Want zoodanig een Hoogopriester betaamde ons, heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en booger dan de hemelen geworden; 27 Dien bot niet allen dag noodig was, gelijk don hoogepriesters, quot;eerst voor zijne eigene zonden slagtofferen op te offeren, daarna voor de zonden des volks: want dat heeft hij eenmaal gedaan, als hij zieb zeiven opgeofferd heeft. a Lev. 9:7. lüMi. Mebr. 5 ;;{. 28 Want do wet stolt tot hoogepriesters menschen, die zwakheid hebben; maar het woord der oed-/.wering, die na do wet is yevolyd, stelt den Zoon , dio in der eeuwigheid geheiligd is. HOOFDSTUK 8. De apostel verhaalt, uit hofgcoii nu is bewezen, welk eoneu uitnemenden Hoogepriostor wij hebben, vs. 1 ; en welk oono offerande hij moest hebben, 3. Bewijst dat zijne bediening niet moest zijn gelijk die (Ier andere priesteren, die het voorbeeld dienden bier op aarde, maar dat dezelve zijn moest in den hemel naar de bemelsche afbeelding, 4. Hij komt daarna tot do beschrijving van de uitnemendheid van hot Nieuwe Verbond, waarvan iiij do Middelaar is, G; en verhaalt uit .Ier. 31 de instelling en beloften van dit verbond, 8: en besluit hieruit, dat het oude is te niet gedaan, 13. DE hoofdsom nu der dingen, waarvan wij sproken, i.s, quot; dal wij hebben zoodanigen Hoogepriostor, ''die gezeten is aan do regter/Acmc/ van don troon der Majesteit in de hemelen: a Ilebr. 3:1. 4: 14. C : 20. 9 : U. h Efez. 1:20. Col. 3:1. Ilebr. 12:2. 2 Een bedienaar des heiligdoms, en des waren tabernakels, welken de H-oero hoeft opgerigt, en geen mensch. 3 Want een iegelijk hoogepriostor wordt gestold, om gaven en slagtofferen te offeren; quot; waarom hot noodzakelijk was, dat ook deze wat had, dat hij zou offeren. «Efez. 5:2. 4 Want indien hij op aarde ware, zoo zou bij zelfs geen priester zijn, dewijl er priesters zijn, die naar do wet gaven offeren; 5 quot; Welke hot voorbeeld en de schaduw dor he-melsche dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, quot;als bij den tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat gij het alles maakt naar do afbeelding, dio ti op den berg getoond is. rtCol. 2:17. Hebr. 10: I. h Ex. 25:40. Hand. 7 : 14. (! quot; En nu hooft bij zoo veol uitneinender bediening gekregen, als bij ook eens betoren vorbonds Middelaar is, hetwelk in betore beloftenissen bevestigd is. n 2 Cor. 3 : (gt;. 7 Want indien dat eerste verhoud onberispelijk geweest ware, zoo zou voor het tweede geene plaats gezocht zijn geweest. |
8 Want hen berispende, zegt Hij tot hen: quot; Ziet, do dagen komen, spreekt do Hoero, en Ik zal over bot huis Israels, en over het buis van .luda een nieuw verbond oprigten ; «Jor.;! 1:31,32,33,34. 9 Niet naar hot verbond, dat Ik met hunne vaderen gemaakt heb, ten dage, als Ik ben bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn m dit mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op bon niet geacht, zegt do Heore. II) Want dit is bot verbond, dat Ik met bol huis Israels maken zal na dio dagen, zegt do Heore; quot;Ik zal mijne wetten in hun verstand geven, on in hunne barton zal Ik die inschrijven; ''en Ik zal bun tot een' God zijn, en zij zullen Mij tot oen volk zijn. a .Ier. 31 : 33. h Zach. 8 : s. 11 quot; En zij zullen niet loeren, een iegelijk zijnen naaste, en een iegelijk zijnon broeder, zeggende: Ken den Heore; want zij zullen Mij allen kennen van den kleine onder ben tot den groote onder ben. n Joh. 0 : 45, 05. 1 Joh. 2 : 27. 12 Want Ik zal hunne ongerogtigbeden genadig zijn, on hunne zonden en hunne overtredingen zal Ik geenszins moor gedenken. 13 Als Hij zegt: Een nieuw verhoud, zoo hoeft Hij het eerste oud gemaakt: dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij do verdwijning. HOOFDSTUK 9. De apostel, om verder aan te wijzen de voortreffelijk-keid van Christus priesterdom boven het levietische, beschrijft de gestalte van den uiterlijkon tabernakel, en van hetgeen er in was, vs. 1; mitsgaders de dienst van de priesters in denzelven, li; verklaart, dat deze alleen schaduwen en voorbeelden waren gelijk ook de reinigingen, die daarin geschiedden, 8; maar dat Christus door zijne offerande en ingang-in het ware heiligdom dit alles heeft vervuld en eene eeuwige verlossing heeft te weeg gebragt, II. Hij betuigt, dat door den dood van Christus hel N. T. is bevestigd, 15; gelijk do dood des testamentmakers ieder testament bevestigt, 10. Dat daarom ook in het O. T. alles met bloed werd besprengd , en dat zonder bloedstorting geene vergeving geschiedde, 18; dat echter de hemelscho dingen door betere offeranden moesten worden gereinigd, 23; dat Christus derhalve in den hemel is ingegaan. om aldaar voor ons bij God te verschijnen, 24; nadat hij zich zeiven op aarde eenmaal had opgeofferd, 25: en dat hij uit den hemel zal wederkomen, om die te verlossen, die op hem wachten, 27. ZOO bad dan wol ook het eerste verbond region der GWsdienst, en bet wereldlijk heiligdom. 2 quot; Want de tabernakel was toebereid, tmnielijk de eerste, in wolken was do kandelaar, en de tafel, en ''do toonbrooden, welke genaamd wonll het heilige; «Ex. 20; I. 30: 1. 6 Lev. 24:5. 3 Maar achter het tweede voorhangsel was do tabernakel, genaamd het heilige dor heiligen; 4 Hebbende een gouden wierookvat, en quot; de ark des vorbonds, alom met goud overdekt, in welke was ''do gouden kruik, daar bet Manna in was, en 'de staf van Aiiron, dio gebloeid had, en 'de tafelen des vorbonds. «Ex. 25 : lü. h Ex. 10:33. r \mn. 17 : 10. (/Ex. 34:29. I Kon. S : 9. 2Kron. 5 :10. 5 quot; En boven over deze urlr waren do cbernbinen |
IIEBREÃN 9.
1096
|
dor heorlijkheid, die liet verzoendeksel besclui-duwden: van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen. «Ex. 35:22. (i Deze dingen nu, aldus toebereid zijnde, quot;zoo gingen wel de priesters in den eersten tabernakel, te allen tijde, om de (7of/.s'diensten te volbrengen; a Num. 28 : H. 7 quot; Maar in den tweeden tabernakel ijing alleen de hoogepriester, eenmaal des jaars, niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zich zeiven on voor des volks misdaden. a Ex. 30:10. Lev. 10:2,34. Hebr. 9:25. (S Waarmede de Heilige (leest dit beduidde, quot; dat de weg des heilig-doms nog niet openbaargemaakt was, zoo lang de eerste tabernakel nog stand had; a Joh. 14 : (i. 9 Welkewaseene afbeelding voor dien tegenwoordi-gen tijd, in welken gaven en slagt-offeren geofferd werden, die dengenen , die de dienst pleegde, niet konden heiligen naar het geweten : 10 Bestaande alleen quot; in spijzen, en dranken, '' en verscheidene was-schingen, en regt-vaardigmakingen des vleesches, tot op den tijd der verbetering opgelegd. a Lev. 11:2, h Num. 19 : 7, enz. 11 MaarChristus, quot; de Hoogepriester der toekomende goederen, gekomen zijnde, is door den meerderen en volmaak-teren tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, a Hebr. 3 : 1. 4:14. 0 : 20. 8: 1. 12 Noch door bet bloed der bokken en kalveren, quot;maar door zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom , eene eeuwige verlossing te weeg gebragt hebbende. a Hand. 20 : 28. Efez. 1 : 7. Col. 1 : 14. Hebr. 10 : 10. 1 Petr. 1: 19. Openb. 1 : 5. 5: 9. 13 quot; Want indien het bloed der stieren en bokken , en de asch der jonge koe, besprengende de on-reinen , hm heiligt tot de reinigheid des vleesches : '/Lev. 10:14. Num. 19:4. Hebr. 10:4. |
14 Hoe veel te meer zal quot; het blood van Christus, ''die door den eeuwigen Geest zich zeiven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van doode werken, '' om den levenden God te dienen? a 1 .roh. 1 :7. Openb. I : 5. 6Gal. 1 : 4. Efez. 5 : 2. Tit. 2 : 14. lt;â luik. 1 : 74. Rom 0 : 13. Gal. 2 : 20. 11'otr. 4 : 2. 15 En daarom is hij de Middelaar des nieuwen testaments, quot;opdat, de dood daarhisschen gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zou- gt; / Ir 'ft w \ . V' J Add. v. o. Wkiut ; Ziet den menscli! (Hebr. 0: lt), den. n Rom. 5 : (i. 1 Petr. 3 : 1S. 1(1 Wantwaareen testament is, daar is hot noodzaak, dat de dood des testamentmakers tusschenkoma; 17 a Want een testament is vast in do dooden, dewijl het nog geene kracht hoeft, wanneer de testamentmaker leeft. a Gal. 3 : 15. 18 Waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd. 19 Want als al de geboden, naar dc wet van Mozes, tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed der kalveren en bokken, met water, en purperen wol, en hij-zop, besprengende beide het boek zelf, en al het volk, 20 Zeggende: quot;Dit is het bloed des testaments, hetwelk God aan ulieden heeft geboden. a Ex. 24 : 8. Matt. 26 : 28. 21 En hij besprengde desgelijks ook den tabernakel, en al de vaten der dienst met het bloed. 22 En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geene vergeving. 23 Zoo was het dan noodzaak, dat wel de voor-beeldingen der dingen, die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden, maar do hemelsche dingen zelve door betere offeranden dan deze. 24 Want Christus is niet ingegaan in het heilig- |
HEBREÃN O, 10.
1097
|
dom, dat met hiindon yomaakt iw, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zeiven, om nu te verschijnen voor het aangozigt van God voor ons; 25 Noch ook, opdat hij zich zeiven dikmaals zou opofferen, quot;gelijk de hoogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed; «Ex. 30:10. Lev. 16:2,34. Hebr. 9:7. 26 (Anders had hij dikwijls moeten lijden van do grondlegging der wereld af) maar nu is hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door zijns zelfs offerande. 27 En gelijk hot don menschen gezet is, eenmaal to sterven, en daarna het oordeel; 28 quot; Alzoo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nomen, zal ton andere maal zonder zonde gezien worden van degenen, die hem verwachten tot zaligheid. a Rom. 5:6,8. 1 Petr. 3 : 18. HOOFDSTUK 10. Do apostel verklaart, dat do wet slechts oone schaduw had dor toekomende goederen, on door hare vcol-vuldige en jaarlijksche offeranden niets hooft kunnen volmaken, vs. 1; dat daarom David in den veertigsion psalm betuigt, dat Christus in de wereld zou komen om den wil van God te doen, 5; en ons door do eenige offerande zijns ligchaams in eeuwigheid te volmaken, 10. Hij bewijst dit wederom uit don inhoud van hot Nieuwe Verbond (Jer. 81), in hetwelk do volkomene wegneming der zonden wordt beloofd, 15; en besluit alzoo, dat ei'geeno offerande voor de zonde meer noodig is, 18. Hij komt daarna lot liet andere deel van den brief, namelijk tot de vermaningen van hunnen schuldigen pligt, als: ten eerste vermaant hij de Hebreen, om met een vrijmoedig geloof tot God te gaan door don weg, weikou Christus ons hoeft ingewijd, 19. Vervolgens vermaant hij hou tot standvastigheid in de belijdenis dezer hoop, en tot onwankelbare liefde, 23; alsmede lot onderhouding hunner bijeenkomsten, 25. Hij stelt hun to dien eindo voor oogon aan de oone zijde het schrikkelijk oordeel Gods, dat do afvalligen hebben te verwachten, 26; en aan de andere zijde hunne voorgaande lijdzaamheid en medelijden mot de verdrukten, ook met zijne banden, 32; mitsgaders de beloften, welke do volslandigen zullen wegdragen, 36; hij bewijst dit beide met oone plaats uit Hab. 2:1; welke hij aanhaalt en toepast, 37. WANT quot; de wet, hebbende eeno schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaar geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan. «Col. 2:17. Hebr. 8 : 5. 2 Anderzins zouden zij opgehouden hebben, geofferd te worden, omdat degenen, die de dienst pleegden, geen geweten meer zouden hebben der zonden, eenmaal gereinigd geweest zijnde: 3 Maar nu geschiedt in dezelve alle jaar weder gedachtenis der zonden. 4 quot; Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken do zonden wegneme. a Lev. 16:14. Num. 19:4. Hebr. 9:13. |
5 Daarom, komende in de wereld, zegt hij: quot;Slagtoffer en offerande hebt (lij niet gewild, maar (Jij hebt mij het ligchaam toebereid; a Ps. 1(1:7. Jos. 1:11. Jer. 6:20. Amos 5:21. 6 Brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd; 7 Toen sprak ik: Zie, ik kom, (in het begin des books is van mij geschreven) om uwen wil te doen, o God! 8 Als hij te voren gezegd had: Slagtoffer, en offerande, en brandoffers, en offer voor de zoude hebt Gij niet gewild, noch hebben U behaagd; (dewelke naar de wet geofferd worden) 9 Toen sprak hij: Zie, ik kom, om uwen wil te doen, o God! Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen. 10 In welken wil wij geheiligd zijn, quot;door do offeranden des ligchaams van Jezus Christus, eenmaal geschied. « Hebr. 9:12. 11 En een iegelijk priester stond wel allen dag dienende, en dezelfde slagtofforen dikmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen; 12 Maar deze, een slagtoffer voor do zonden geofferd hebbende, quot;is in eeuwigheid gezeten aan de regterAcmo! Gods; «Ps. 110:1. Hand. 2:34. 1 Cor. 15:25. Efez. 1 :20. Col. 3: I. Hebr. I : 13. 13 Voorts verwachtende, totdat zijne vijanden gesteld worden tot eeue voetbank zijner voeten. 14 Want met óéne offerande hoeft hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. 15 En de Heilige Geest getuigt hot ons ook. 16 Want nadat Hij te voren gezegd had: quot; Dit is het verbond, dat Ik mot hen maken zal na die dagen, zegt de lleero. Ik zal mijne wetten geven in hunne harten, en Ik zal die inschrijven in hunne verstanden; «Jer. 31:31,32,33,34. Kom. 11:27. Hebr. 8:8. 17 En hunne zonden en hunne ongerogtigheden zal Ik geenszins meer gedenken. 18 Waar nu vergeving derzelve is, daar is geeno offerande meer voor do zonde. 19 Dewijl wij dan, broeders! vrijmoedigheid bobben, quot;om in te gaan in hot heiligdom door hot bloed van Jezus, «Joh. 10:9. 14:6. Kom. 5:2. Efez. 2: 13. 3: 12. 20 Op oenen verschen en levenden weg, welken hij ons ingewijd hoeft door het voorhangsel, dat is, door zijn vleesch; 21 En dewijl wij hebben eonen grooton Priester over het huis Gods; 22 Zoo laat ons toegaan mot oen waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van hot kwaad geweten, en het ligchaam gewasschon zijnde quot; met rein water. « Ezec. 36 : 25. 23 Laat ons do onwankelbare belijdenis der hoop rastfhoudon; (want die hot beloofd heeft, is getrouw.) 24 En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken; 25 En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet |
HEBREÃN 10, 11.
101)8
|
nalntun, yolijk sommigen do gowoonto lioljbon, maar elkander vormanon: en dtil zoo veel te meer, als gij ziot, dat de dag nadert. 26 quot; Want zoo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zoo blijft er geen slagtoffer meer over voor de zonden; a Num. 15; 30. Malt. 12:31. Hebr. 0 : l. 2 Pctr. 2 ; 20. I Joh. ó : Ui. 27 Maar oone schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vunrs, dat do tegenstanders zal verslinden. 28 Als iemand de wet van Mozes hoeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, quot; onder twee of drie getuigen: «Nam. 35:30. Dent 17: C. 19:15. Matt. 18:16. .loh. 8:17. 2 Oor. 13:1. 2i) Hoe veel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van (Jod vertreden heeft, en het bloed des testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaad-heid hoeft aangedaan ? 30 Want wij kennen llem, die gezegd heeft: quot; Mijneisdewraak, Tk zal hot vergelden , spreekt do Heere. En wederom: ''De Heere zal zijn volk oor-doelen. a Deut. 32 : 35. Rom. 12:19. h Deut. 32 : 36. 31 Vreosselijk is hot te vallen in de handen des levenden Gods. 32 Doch gedenkt dor vorige dagen, in dewelke, nadat gij verlicht zijt geweest, gij voel strijd des lijdons hebt verdragen. 33 Ten dooie, als gij door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden zijt; on ton dooie, als gij gemeenschap gehad hebt met degenen, die alzoo gehandeld werden. 34 Want gij hebt ook over quot; mijne banden modo-lijden gehad, en de rooving uwer goederen mot blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in u zei ven '' een boter en blijvend goed in do hemelen. a Hand. 21 : 33. b Matt. 5: 12. 35 Werpt dan uwe vrijmoedigheid niet weg, welke eene groote vergelding des loons heeft. 36 quot; Want gij hebt lijdzaamheid van noodo; opdat gij, den wil van God gedaan hebbende, do bolof-tenis moogt wegdragen. «Luk. 21:19. 37 quot; Want: Nog een zoor weinig tijds en Hij, die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven. aHab. 2:3. Hagg. 2:7. I l'etr. 1 : (i. 5: in. |
38 quot; Maar do regtvaardige zal uit het geloof leven: on zoo iemand zich onttrekt, mijne ziel heeft in hem geen behagen. n Hab. 2 : 4. Rom. 1:17. Gal. 3:11. 39 Maar wij zijn niet van dogenen, die zich onttrekken ton vorderve, maar van degenen, die golooven tot behouding dor ziel. HOOFDSTUK 11. Om do Hebroön to beter tot do standvastigheid in hot geloof to bewogen, beschrijft hij hun hot geloof mot zijno eigenschappen en werkingen, vs. I; en brengt to (lien oinde voor do voorbeelden van liet gelooi' dor vaderen van het O. T., als van Abel, 4; Henooh, 5; en Noaeh, 7; vervolgens van Abraham, 8; en Sara, 11; die met hun zaad de beloften van liet land Kanailn wol hebben ontvangen, maar de vervulling derzolve niet op de aarde, maar in den heinel hebben verkregen, 13. Vervolgons verhaalt hij hot voorbeeld van Abrahams geloof, in hot offeren van zijnen zoon Izak, 17; dat van Izak in hot zegenon van zijnen zoon Jakob, 20; dat van Jakob in hot zegenen der zonen Jozefs, 21 ; en dat van Jozef op zijn sterfbed, 22. Daarna wijst hij op dat van de ouders van Mozes, 23; on van Mozes zeiven, in hot verachten van zijne oor en gemak aan hot hof van Fa ra ij, 24; in het verlaten van Egypte, hot houden van hot pascha en hot doorgaan door do Roede zee, 27 ; spreekt van liet geloof van Jozua en van Hachab bij het innemen van Joricho, 30; mitsgaders van de rigters en koningen, die door hot geloof groote dingen verrigt hebben, 32; daarna van eonige vrouwen, die groote zwarigheden daardoor hebben uitgestaan, 35; gelijk ook van vorschoidono andere profeten en martelaren, 36. Do apostel besluit, dat deze allen zijn gestorven in liet geloof, hoewel zij de beloofde zaak zonder ons niet hebben verkregen, 39. HET geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. 2 Want door hetzelve hebben de ouden getuigenis bekomen. 3 Door het geloof verstaan wij, quot; dat de wereld door het woord Gods is toebereid, b alzoo dat do dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden. n Gen. 1:1, Ps. 33:6. Joh. 1 : 10. Efoz. 3:9. Col. 1 : 16. h Kom. 4: 17, Col. 1 : Ui. J Door het geloof quot; beeft Abel eene meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïn, door hetwelk |
riEBREftN 11.
1009
|
hij'' yotuigonis bokonicu lioolquot;!, dat hij roytviiardifi; 1 was, alzoo (iod ovor zij no gave getuigenis gaf; en door hetzelve geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is. rHlcn. 4:4. Matt. 23:35. 5 Door het geloof is quot; Enoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zou zien; on hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had: want voor zijne wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat liij Gode behaagde. a Gen. 5 : 24. (i Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want die tot God komt, moet gelooven , dat Ilij is, en een belooner is dergenen, die Hem zoeken. 7 Door liet geloof heeft quot; Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van do dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij do wereld heeft veroordeeld, on is geworden een erfgenaam der regtvaardigheid, die naar het geloof is. a Gon. (i: 13. 8 Door hot geloof is quot; Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit to gaan naar do plaats, die hij tot oen erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niot wetende, waar hij komen zou. «Gon. 12:4. !) Door hot geloof is hij een inwoner geweest in liet land der belofte, als in een vreemd land, en hooft in tabernakelen gewoond mot Izak on Jakob, dio modeërfgonamen waren dorzolfdo belofte. 1(1 Want hij verwachtte do stad, die fondamenten hoeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is. 11 Door het geloof hooft ook quot; Sara zelve kracht ontvangen, om zaad te geven, en ''boven don tijd haarn ouderdoms hooft zij gebaard; overmits zij Hem getrouw heeft geacht, die het beloofd had. «Gen. 17 : 19. 21 : 2. b Luk. 1 : 30. 12 Daarom zijn ook van oenen, on dat oenen verstorvene, zoo velen in menigte geboren, quot;als do sterren des homels, on als hot zand, dat aan don oever der zoo is, hetwelk ontelbaar is. a Oen. 15:5. 22:17. Hom. 4: IS. 11! quot; Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, on geloofd, en omhelsd , en hebben beleden, '' dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. n Joh. S : 53. h Gen. 23 : 4. 47 : 9. 14 Want dio zulke dingen zeggen, betoonen klaarlijk , dat zij oen vaderland zookon. 15 En indien zij aan dat vaderland gedacht hadden, van hetwelk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weder te koeren; 16 Maar nu zijn zij begeerig naar een beter, dat is, naar hot homelsche. Daarom schaamt zich God hunner niot, quot;om hun God genaamd te worden; want Ilij had hun eeno stad bereid. u Ex. 3 : 0. Matt. 22 : 32. Hand. 7 : 32. |
17 quot; Door het geloof hoeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij, die do beloften ontvangen had, heeft zijnen oeniggeborene geofferd , a Gon. 22 : 10. 18 (Tot denwelken gezegd was: quot;In Izak zal u hot zaad genoemd worden) overleggende, dal God magtig was, hem ook uit de dooden te verwekken; »Gen. 21 : 12. Rota. 9:7. Gal. 3:29. 19 Waaruit hij hem ook bij gelijkenis wodergo-krogen heeft. 20 quot;Door het geloof hoeft Izak zijne zonen Jakoh en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen. (t Gon. 27 : 28, 39. 21 quot;Door hot geloof heeft Jakob, stervende, een iegelijk dor zonen van Jozef gezegend, '' en hoeft aangeboden, leunende op het opperste van zijnon staf. «Gon. 4S : 15. amp; Gen. 47:31. 22 quot;Door het geloof heeft Jozef, stervende, gemold van den uitgang der kinderen Israels, en heeft bevel gegeven van zijne gebeente. a Gon. 50 : 24. 23 quot;Door hot geloof word Mozes, toon hij geboren was, drie maanden lang van zijne ouders verborgen, overmits zij zagen, dat hot kindeken schoon was; en zij vreesdon hot gebod des konings niot. (y Ex. 2:2. Ilimd. 7:20. 24 Door hot geloof hoeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden; 25 quot; Verkiezende liever niet het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor oenon tijd de genieting dor zonde te hebben; n l's.sj; 11. 26 Achtende de versmaadheid van Christus moor-doren rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. 27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niot vreezende den toorn des konings: want hij hield zich vast, als ziende don Onzienlijke. 28 quot; Door hot geloof heeft hij het pascha uitgo-rigt, en de bespronging des bloods, opdat de verderver der eerstgeborenen hen niet raken zou. n Ex. 12: 21. 29 quot; Door hot geloof zijn zij de Roode zee doorgegaan , als door het drooge; hetwelk de Egyp-tenaars, ook verzoekende, zijn verdronken. «Ex. 14:22. 30 quot; Door hot geloof zijn do muren van Jericho gevallen, als zij tot zeven dagen toe omringd waren geweest. « Joz. (1: 20. 31 quot;Door het geloof is Kachab, do hoer, niet omgekomen met do ongohoorzamen, ''als zij de verspieders met vrede had ontvangen. a Joz. 0:23. .lakob. 2:25. h Joz. 2:1. 32 En wat zal ik nog meer zeggen V want do tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen quot; van Gideon, ''en Barak, on quot;Samson, on''Jeftha, en' David, en /quot; Samuël, en de profeten; a Kigt. 6:11. h Ui^'t. I : 0. e Higt. 13 : 24. (I Kigt, 11:1. 12:7. c 1 Sum. 17:45. f\ Saai. 12:20. 33 Welke door hot geloof koningrijken hebben |
HEBREÃN 11, 12.
1100
|
ovtii'wonnoii, yorogtighüicl goocfond, do belofto-iiisson vcrkroyon, quot;de muiion dor loeuwon too-gestopt; a liigt. l-iiü. 1 Sara. 17:34. Dan. C ; 23. 34 quot; Do kracht dos vuurs hebbon uitgebluscht, ''do scherpte dos zwaards zijn ontvloden, 0 uit zwakheid krachten hebben gekregen, in don krijg stork geworden zijn, hoirlegers dor vreemden op do vlngt hebben gebragt; a Dan. 3 : 25. h 1 Sam. 20 :1. 1 Kon. 19 : 3. 2 Kon. (J: KJ. e Job 42 : 10. Ps. (j; 9. Jes. 38 : 21. 35 quot; Do vrouwen hebben hare doodon uit de opstanding «mtfergokregen; ''en anderen zijn uitgerekt geworden, do aangebodene verlossing niet aannemende, opdat zij oono betere opstanding verkrijgen zouden. a I Kon. 17 : 23. 2 Kon. 4 : 36. /j Hand. 22 : 25. 3(i En anderen hebbon bospottingon on geeselon geproefd, en ook quot; banden on gevangenis; ffl Jer. 20 : 2. 37 quot; Zijn gesteenigd geworden , in stukken gezaagd, verzocht, door hot zwaard tor dood gebragt; hebben gewandeld '' in schaapsvellen eu in geiten-vellen ; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde; a 1 Kon. 21:13. /' 2 Kon. 1 : 8. Matt. 3 :4. 38 (Welker do wereld niot waardig was) hebben in woestijnen gedoold, en o/i borgen, en in spelonken , on in do holen dor aarde. 39 En deze allen, hebbende door liet geloof go-tuigonis gehad, hebben do bolofte niot verkregen; 40 Alzoo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden. HOOFDSTUK 12. Uit do voorbeelden, in het voorgaande hoofdstuk, vermaant do apostel tot volstandigheid in do christolijko hoop, on tot lijdzaamheid in do verdrukkingen, vs. 1. Hij stolt hon te dien einde voor hot voorbeeld van Christus, die door lijden in zijne heerlijkheid is ingegaan, 2: alsmede hot voorbeeld van alle ware kinderen, die niot zijn zonder do kastijding hunner vaderen, 5; hen wijzende op do vruohten dor kas-(ijdingen, 9. Hij vermaant hon wijders tol verwak-koring uit hunne slapheid, 12; mitsgaders tot vrede en heiligheid, 14. Hij waarschuwt hen togen afval, hoererij en onheiligheid, met hot voorbeeld van Ezau, 15. Stolt hun daartoe ook voor oogen de waardigheid dor vergadering in horael en op aarde, waartoe zij zijn gekomen, met eone tegenstelling van do vreos-selijkheid van allo dingen in hot geven dor wet, is. Waarschuwt hen wederom tegen afval, met eeno plaats uil llagg. 2:7 genomen, 25; on vermaant hon tot vasthouden aan (Jods genade, mot eeno voor-stolling dor straf, welke don afvalligen zal overkomen, 28. |
DAAROM dan ook, alzoo wij zoo groot eeno wolk der getuigen rondom ons bobben liggende, quot;laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons ligtelijk omringt, en laat ons ''met lijdzaamheid c loopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; a Hom. (i: 4. Efez. 4 : 22. Col. 3:8. 1 Potr. 2:1,2. // Hom. 12 : 12. Hebr. 10 : 36. c 1 Cor. 9 : 24. 2 Ziende op den oversten Leidsman on Voleinder des geloofs, Jezus, quot; dewelke, voor de vreugde, die hem voorgesteld was, hot kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rog-terhand b des troons van Ood. a Luk. 24 : 26. Filipp. 2:8, 9,enz. 1 Petr. 1:11. b Hobr. 1 : 3. 8:1. 3 Want aanmerkt dezen, die zoodanig een tegen-sproken van de zondaren tegen zich hoeft verdragen , opdat gij niet vor-flaauwt en bezwijkt in uwe zielen. 4 quot; (ïij hebt nog tot den bloode toe niot tegengestaan , strijdende tegen de zonde ; a 1 Cor. 10 : 13. 5 En gij hebt vergoten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: quot; Mijn zoon! acht niot klein de kastijding des Hoeren, en bezwijkt niet, als gij van Hom bestraft wordt: a Job 5 : 17. Spr. 3:11. Oponb. 3 :19. 6 Want dien do Heore liefheeft, kastijdt Hij, en Hij goosolt oenen iegolijkon zoon, dien I lij aanneemt. 7 Indien gij do kastijding verdraagt, zoo gedraagt zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er, dien do vader niet kastijdt?) 8 Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zoo zijt gij dan bastaarden, en niot zonen. 9 Voorts, wij hebben de vaders onzos vleosches wel tot kastijdors gehad, en wij ontzagen hon; zullen wij dan niot veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, on loven? 10 Want genen hebben ons wel voor eonen korten tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij zijner heiligheid zouden deelachtig worden. 11 En allo kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geene zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich eone |
HEBREÃN 12, Hi.
1101
|
vroodzaino vrucht dor gcregtighcid dcngcnon, diu door dezelve geoefend zijn. 12 quot; Daarom rigt weder op de trage handen, en de slappe knieën; a.Tos. 35:3. 13 En maakt regte paden voor uwe voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat hot veel meer genezen worde. 14 quot; Jaagt den vrede na met allen, en '' de heiligmaking, zonder welke niemand den lleere zien zal; a Kom. 12:18. 2 Tim. 2:22. h Matt. 5:8. 15 quot; Toeziende, dat niet iemand vcrachtere van de genade Gods; dat niet ''eenige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, ' beroerte make on door dezelve velen ontreinigd worden. a 2 Cor. 0:1. /; Dout. 29:18. cHand. 17:13. Gal. 5: 12. 16 quot; Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, ''gelijk Ezau, die om eene spijze het regt van zijne eerstgeboorte weggaf. « Efoz. 5:3. Col. 3:5. 1 Tiioss. 4:3. h (jen. 25:33. |
do stad des levenden (lods, tot quot;hot homolsehe Jeruzalem, en de velo duizenden der engelen; n (lal. 4:26. Openb. 3: 12. 21 : 10, en/.. 23 Tot de algemeene vergadering en do gemeente der eerstgeborenen, die quot; in de hemelen opgeschreven zijn, en tot (Sod, den Regter over allen, en do geesten der volmaakte regtvaardigen; a Luk, 10:20. 24 En tot den Middelaar des nieuwen testaments, Jezus, en het bloed quot; der besprenging, dat betere dingen spreekt dan h Abel. a Hehr. 10 : 22. 1 Petr. 1: 2. h Gen. I : 10. Hebi'. 11 : 4. 25 quot;Ziet toe, dat gij dien, die spreekt, niet verwerpt; want indien deze niet. zijn ontvloden, die dengene verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veel meer zulle,n wij niet ontvlieden, zoo wij ons van dien afkoeren, die van de hemelen is; « Hein'. 2:3. 26 Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu |
|
17 quot; Want gij weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd: want hij vond geene plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht. n Gen. 27 : 30. 18 Want gij zijt niet gekomen quot; tot den tastelij-ken berg, ''en het brandende vuur, en donkerheid , en duisternis, en onweder, «Ex. 19 : 10, enz. 20:21. h Ex. 19:10. Deut. 5:22. 19 En tot het geklank der bazuin, en de stem der woorden; welke die ze hoorden, quot; baden, dat liet woord tot ben niet meer zou gedaan worden. a Ex. 20: 19. Deut. 5:25. 18: 10. 20 (Want zij konden niet dragen hetgeen er geboden werd: quot; Indien ook een gedierte den berg aanraakt, het zal gesteenigd, of met eenen pijl doorschoten worden. «E.x. 19: 13. 21 En Mozes, zoo vreesselijk was bet gezigt, zeide: Ik ben gansch bevreesd en bevende). |
22 Maar gij zijt gekomen tot den berg Zion, en heeft Hij verkondigd, zeggende: quot;Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den hemel. a Hngg'. 2:7. 27 En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der bewegelijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn. 28 Daarom, alzoo wij een onbewegelijk koningrijk ontvangen, laat ons de genade ms^houden, quot; door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen , met eerbied en godvruchtigheid. a 1 Petr. 2 : 5. 29 quot; Want onze God is een verterend vuur. n Deut. 4:24. HOOFDSTUK 13. Do apostel vermaant do Hebreën tot broederlijke liefde, vs. 1; tot herbergzaamlieid, 2; tot gedenken aan de gevangenen, 3; en verklaart, dat bet huwelijk eerlijk is onder allen, 4; waarselluwt ken voor geldgierig- |
IIRP.REKN in.
1102
|
hoiil, on voniiiiimt hull lul vorgenoogillioiil, 5. ilij wijst hen op liet voorbeclil huiinor voorgangers) 7. Waarschuwt lion ook voor vreemde leeringen, inzonderheid hot onderscheid der spijzen betrett'ende, !); stelt hun tot dat eindo voor oogen een voorbeeld in de offeranden dor verzoening, waarvan niemand mogt eten, 10. Vermaant hen tot offorandon dor dankbaarheid, inzonderheid tot belijdenis van Gods naam, en tot weldadigheid, 15; tot gehoorzaam held omtrent hunne voorgangers, 17. Vermaant hen God voor hem te bidden tot zijne loslating, 18; en bidt God, dat Hij hen volmake in alle goede werken, 2(i. liosluit den brief met eeno nieuwe vermaning, 22; on belooft, dat bij hon haast zal wederzien met Timótheüs, on stelt eeiiigo grootenissen over on weder, 21). DAT quot; do broederlijke liefde blijve. n Hom. 12; 10. Efez. 4:3. 1 Potr. 1 : 22. 2 : 17. 4: 8. 2 quot; Vergeet do herbergzaamheid niet; '' want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd. ii Kom. 12 : l.'i. I Potr. 4 : i). I) Gon. 18:1. 10:1. rt quot; Gedenk der gevangenen , als of gij mede gevangen waart; en dergenen, dio kwalijk gehandeld worden, alsof gij ook zeiven in het ligchaam k/i'alijlr (/ehaiideld, waart. a Matt. 25:30. I Hot huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordeelen. 5 quot; Trw wandel zij zonder geldgierigheid ; '' en zijt vergenoegd met bet tegenwoordige: want Hij heeft gezegd: 1 Ik zal u niet begeven, en Ik zal ii niet verlaten. a Ex. 23:8. Deut. I (i: 19. Spr. 15: Ui. A Filipp. 4:11. 1 Tim. (!: t), 8. fücut.31:(1,8. Joz.l:5. IKron.28:20. (I Zoodat wij vrijnioediglijk |.: voN.,(.h,.istMS durven zeggen: quot;Do lleere is mij een Helper, en ik zal niet vreezen, wat mij een mensch zal doen. n lJs. 50:5. 118:0. 7 Gedenkt quot; uwer voorgangeren, die u het woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling. a Hebr. 13 : 17. 8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. !) quot; Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leeringen: want het is goed, dat het hart gesterkt worde door genade, ''niet door spijzen, door welke geene nuttigheid bekomen hebben, die daarin gewandeld hebben. ii ,lor. 20 : 8. Matt. 24 : 4. Kom. 10 : 17. Efez. 4 : 14. 5 : 0. Col, 2: 10. 2 Thoss. 2:2. 2 Tim. 4:3. 1 ,loli. 4: 1. It Joh. 0 : 27. Kom. 14 : 1 7. |
10 Wij hebben oou altaar, van hetwelk geene magt hebben te eten, die den tabernakel dienen. 11 quot;Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den hooge-priester, derzelver ligchamen worden verbrand buiten de legerplaats. «Ex. 20: 14 Lev. 4:21. 0:30. 10:27. Num. 19:3. 12 Daarom heeft ook Jezus, opdat hij door zijn eigen bloed het volk zou heiligen, quot;buiten de-poort geleden. «.lob, 19:17, IS. 13 Zoo laat ons dan tot hem uitgaan buiten do legerplaats, zijne smaadheid dragende. 14 quot;Want wij hebben hier geene blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. aFilipp. 3:20. 15 Laat ons dan door hem altijd Gode opofferen eene offerande dos lofs, dat is, quot; de vrucht der lippen, die zijnen naam belijden. a Hos. 14:3. 1(1 En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; quot; want aan zoodanige offeranden hoeft God oen welbehagen. aFilipp. 4: is. 17 quot; Zijt uwen voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig: want zij waken voor uwe zielen, '' als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende: want dat is u niet nuttig. «Filipp. 2:29. 1 Thess. 5 : 1 2. 1 Tim, 5 : 17. Igt; Ezec. 3:18. 33 : S. 18 Bidt voor ons; want wij vertrouwen , dat wij oen goed geweten hebben, als die in alles willen eerlijk wandelen. 19 En ik bid n te moer, dat gij dit doet, opdat ik te eerder ulieden moge wedergegeven worden. .11 het kruis Ulci.1-. i:t; H). 20 De «u des vrodes, dio quot; den grooten Herder der schapen , door het bloed des eeuwigen testaments, uit de dooden heeft wedergebragt, namelijk onzen Heere Jezus Christus; «Jos. 40: 11. Ezec. 34:23. Joh. 10: 11. 1 Potr. 5:4. 21 quot; Die volmake u in allo goed werk, opdat gij zijnen wil moogt doen: werkende in u hetgeen voor Hem welbehagelijk is, door Jezus Christus; denwelkon zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. a2Cor. 3:5. Filipp. 2:13. 22 Doch ik bidu, broeders! verdraagt hot woord dozer vermaning; want ik heb u in het kort geschreven. 23 Weet, dat do broeder Timótheüs losgelaten is, met welken (zoo hij haast komt) ik u zal zien. 24 Groot al uwe voorgangeren, on al de heiligen. U groeten die van Italië zijn. 25 De genade zij met u allen. Amen. |
J A KOI! US 1.
DE ALGEMEE^R HRIEF
VAN DUN
APOSTEL JAKOBUS.
non
|
HOOFDSTUK 1. N.'i het opschrift, vs. 1 ; vermaant de apostel de verstrooide geloovige Joden, do beproevingen door het kruis mot lijdzaamheid to verdragen, 2; om do vruch-ton, welke daaruit voortkomen, ; en wion deze wijsheid ontbreekt, leert; hij, om ze van God to bidden, 5; docdi in geloof, al zoo zij dio anders niet zullen verkrijgen, (i. Hij troost do vernederden, !); vermaant de rijken tot nederigheid, om do ongestadigheid dor rijkdommen en des levens, 10. Hij leert, dat wanneer iemand verzocht wordt tot zonde, zulks niot komt van God, maar van zijne eigene begeerlijkheid, die do zonde ontvangt en baart, 13; dat van God alle goed komt, en inzonderheid de wedergeboorte, 17; vermaant tot langmoedigheid, 19: zachtmoedigheid, -'1 ; en Gods woord niet alleen te hoeren, maar ook lo doen, alzoo het anderzins te vergeefs gehoord wordt, 22; hetwelk hij verklaart met do gelijkenis van een' die zich spiegelt, 23. Eindelijk leert hij, dat de rogte godsdienst meest bestaat in het bedwingen van zijne tong, 20; in de beoefening dor liefde, voornamelijk omtrent weduwen en weezen, on in heilig to loven, 27. JAKOBUS, een dienstknecht van God en van den Heere Jezus Christus; aan de twaalf stammen, quot; die in do verstrooijing zijn: zaligheid. a Hand. 8:1. 1 1'etr. 1:1. 2 quot; Acht liet voor groots vreugde, mijne broeders! wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; a Matt. 5:11. Kom. 5:3. 1 l'etr. 1:0. 3 quot;Wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. a Rom. 5 : 3. 1 Petr. 1 : 7. 4 Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel opregt, in geen ding gebrekkelijk. 5 quot;En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begeere, die een' iegelijk mil-delijk geeft, en niet verwijt; en ''zij zal hem gegeven worden, a Spr. 2:3. h Jer. 20:12. Matt. 7:7. 21 : 22. Mark. 11 : 24. .lob. 10 : 24. 1 .lob. 3 : 22. 5 : 14. (i Maar dat hij ze begeere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is eene baar der zee gelijk, die van den wind gedreven en op en neder geworpen wordt. 7 Want die mensch meene niet, dat hij iets ontvangen zal van den Heere: 8 Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijne wegen. i) Maar de broeder, die nederig is, roeme in zijne hoogheid; 10 En de rijke in zijne vernedering; want hij zal als eene bloem van het gras voorbijgaan. |
11 quot; Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijne bloem is afgevallen, en do schoone gedaante haars aan-schijns is vergaan: alzoo zal ook de rijke in zijne wegen verwelken. ^.les. 40:0. 1 Oor. 7:31. Jakob. 4 : 14. 1 Petr. 1 : 24. I Joh. 2 : 17. 12 quot; Zalig is de man, die verzoeking verdraagt: want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij ' de kroon des levens ontvangen, welke de Heere ' beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben. «Job 5: 17. h2 Tim. 4 : S. 1 Petr. 5:4. Oponb. 2:10. cMatt. 10:22. 19:28,20. 13 Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij zelf verzoekt niemand. 14 Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijne eigene begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. 15 Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart den dood. K! Dwaalt niot, mijne geliefde broeders! 17 quot;Alle goede gave, en allo volmaakte gift is van boven, van den Vader der lichten afkomende, ''bij welken geene verandering is, of schaduw van omkeering. aSpr. 2:0. 1 Cor. 4:7. fcJes. 14:27. 46: 10. Mal. 3:0. Pom. II : 20. 18 quot; Naar zijnen wil heeft Hij ons gebaard door het woord dor waarheid, opdat wij zouden zijn o/s eerstelingen zijner schepselen. a 1 Cor. 4 : 15. Gal. 4 : 19. 1 Petr. 1 : 23. 19 Zoo dan, mijne geliefde broeders! quot; eon iegelijk mensch zij rasch om te hooren, traag om to spreken, traag tot toorn: aSpr. 17 : 27. Pred. 5 : 1. 20 Want do toorn des mans werkt Gods gereg-tigheid niet. 21 quot;Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uwe zielen kan zalig maken. a Rom. 13 : 12. dol. 3 : S. 22 quot; En zijt daders dos woords, en niet. alleen hoorders, u zeiven met valsche overlegging bedriegende. a Matt. 7 :21. Luk. 11 : 28. Rom. 2:13. 1 Joh. 3:7. 23 quot; Want zoo iemand een hoorder is des woords, en niet een dader, die is een' man gelijk, welke zijn aangeboren aangezigt bemerkt in eenen spiegel; a Luk. 0 : 47. 24 Want hij heeft zich zeiven bemerkt, en is |
JAKOBUS 1 , 2.
1104
|
woggoyaau, on hooft torsUmd voi'fgt;ol.oii, hoodani^ hij was. 25 quot; Maar dio inziet in do volmaakte wot, die der vrijheid is, en daarbij blijft, deze, geen ver-getelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader des works, doze, zctj Ik, zal gelukzalig zijn in dit zijn doen. a Muit. 5:19. 2(5 quot; Indien iemand onder u dunkt, dat hij godsdienstig is, en hij zijne tong niet in toom hondt, maar zijn hart verleidt, dezes godsdienst is ijdol. « Ps. 34: 14. Jakob. 8:6. 1 Petr. H: 10. 27 De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: weezen en weduwen bezoeken in liunne verdrukking, m zich zeiven onbesmet bewaren van de wereld. HOOFDSTUK 2. Do apostel bestraft het aannemen dos per noons onder de christenen, vs. 1 ; dat men oenen rijke eert oin zijnen rijkdom on siorlijko kleeding, 2; on oenen geloovige veracht, omdat hij arm is en een slecht kleed draagt, 3. Hij toont aan, dat dit onbetamelijk is, aangezien do waardigheid der geloovigen bij God, en de boosheid van vele rijken , 5; dat het ook in strijd is mot de liefde jegens onzen naaste, on don monsch tot een' overtreder der wot maakt, 8; al hield hij ook alle andere geboden, 10. Hij verklaart, dat de zoodanigen een onbarmhartig oordeel znllen hebben te verwachten, 1H. Leert wijders tegen do mondchristenen, dat een gelooi' zonder goede werken geen zaligmakend geloof is, 14; gelijk do liefde geene opregte liefde is, wanneer zij alleen in woorden en niet met de daad betoond wordt, 15; omdat zulk een geloof dood is, 17; en niet kan getoond worden, 18; dat ook do duivelen zulk een geloof hebben, 19; en betuigt, dat men door zoodanig een geloof niet kan worden geregt vaardige!, hetwelk hij bewijst met do voorbeelden van Abraham, 20; en van Rachab, 25; als ook door de gelijkenis van oen dood ligchaam zonder ziel, 2ü. MIJNE broeders! hebt niet het geloof van onzen lleere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, quot; met aanneming des persoons. a Lev. 19 : 15. Dent. 10 : 19. Spr. 24 : 23. Matt. 22 : 16. 2 Want zoo in uwe vergadering kwam een man met eenen gouden ring aan den vinger, in oene sierlijke kleeding, en er kwam ook een arm man in met eene slechte kleeding; !! En gij zoudt aanzien dengene, die de sierlijke kleeding draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op eene eerlijke plaats; en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij daar; of: Zit hier onder mijne voetbank; 4 Hebt gij dan niet in u zeiven een onderscheid gemaakt, en zijt regters geworden van kwade overleggingen ? |
5 quot;Hoort, mijne geliefde broeders! hoeft God niet uitverkoren do armen dezer wereld, om rijk te zijn in hot geloof, en erfgenamen des koningrijks, hetwelk Hij quot;belooft dengenen, die Hem liefhebben? ff Joh. 7:48. 1 Oor. 1:26, enz. h Ex. 20 : 6. 1 Sam. 2 : 30. Spr. 8 : 17. Matt. 5 : 3. 0 Maar gij hebt den armen oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet tot do regterstoelen ? 7 Lasteren zij niet den goeden naam, die over u aangeroepen is? 8 Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar do Schrift: quot; (Jij zult uwen naaste liefhehbon als u zeiven; zoo doet gij wel; ff Lev. 19 : 18. Matt. 22 : 39. Mark. 12 : 31. Kom. 13:9. Gal. 5:14. Efez. 5:2. 1 Thoss. 4 : 9. 9 Maar indien gij den persoon aanneemt, zoo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders. 10 quot; Want wie de geheele wet zal houden, en in een zal struikelen , die is schuldig geworden aan allen. n Dout. 27 : 20. Matt. 5 : 19. Gal. 3 : 10. 11 Want dio gezegd heeft: quot;Gij zult geen overspel doen , die heeft ook gezegd: Gij zult niet dooden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult dooden, zoo zijt gij een overtreder der wet geworden. a Ex. 20 : 14. Matt. 5 : 27. 12 Spreekt alzoo, en doetalzoo, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden. 13 quot; Want een onbarmhartig oor-dool zal gaan over dengene, dio geene barmhartigheid gedaan heeft: en de barmhartigheid roemt tegen hot oordeel. «Malt. 6:15. 18:35. Mark. 11 : 25. Luk. 10:25. 14 quot; Wat nuttigheid is het, mijne broeders! indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? kan dat geloof hem zalig maken? ff Matt. 7 :20. Jakob. 1 : 23. 15 quot; Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dage-lijksch voedsel; «Luk. 3:11. 1 Joh. 3:17. 10 En iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd; en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des ligchaams, wat nuttigheid is dat? 17 Alzoo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zich zeiven dood. 18 Maar zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uwe werken, en ik zal u uit mijne werken mijn geloof toonen. 19 Gij gelooft, dat God oen eenig God is; gij |
JAKOBUS 2, H, 4.
1105
|
doet wol: quot;do duivolon j^oloovon liot ook, en zij sidderen. a Mark. 1 : 24. 20 Maar wilt gij weten, o ijdel inonscli! dat het lt;gt;'eloof zonder de werken dood is? 21 Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken geregtvaardigd, quot;als iiij Izak, zijnen zoon, geofferd heeft op het altaar? «Gen. 22:10. 22 Ziet gij wol, dat het geloof mede gewrocht heeft mot zijne werken, en liet geloof volmaakt is geweest uit de werken? 2!? En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: quot; En Abraham geloofde God, en hot is hom tot regtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest. a Gen. 15 : 0. Hom. 4 : 3. Gal. i!: li. 24 Ziet gij dan nu, dat oen mensch uit do werken geregtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof ? 25 En desgelijks ook quot;Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken geregtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door eenen anderen weg uitgelaten? aJoz. 2:1. 0:23. Hebr. 11:3l. 20 Want gelijk het ligchaam zonder geest dood is, alzoo is ook het geloof zonder de werken dood. HOOFDSTUK 3. Do npostol bestraft verder dogenen, dio als meesters anderen liRtelijk berispen, daar zij zeiven ook dikwijls kwalijk handelen, vs. 1 ; en leert, dat hij, die zijne tong kan bedwingen, ook allo andere ledematen wol rogoren kan, 2; gelijk do paarden mot oenen toom, 3: en de schepen met oen roer geregeerd worden, 4; doch wordt de tong niet beteugeld, dan is zij als een vuur, hetwelk, hoe klein ook, veel bouts kan aanstoken, 5; dat hot bedwingen van do long voel zwaarder is dan hot temmen van eonig wild dier, en dat eeno onbedwongeno tong veel kwaads voortbrengt, 7; dat het eeno ongerijmdheid is, mot dezelfde tong God te zegenen en zijnen naaste te vloeken, 9; gelijk oono fontein geen zout en zoet water te zamen geeft, noch een boom verscheidene vruchten, 11. Ilij vermaant vervolgens tot zachtmoedigheid en tot het afleggen van nijd en twistgierigheid, 13; beschrijvende den aard on do eigenschappen van do aardsche en hemelsche wijsheid, 15; en de vrucht, die daardoor verkregen wordt, 18. ZIJT quot;niet vele meesters, mijne broeders! wetende, ''dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen. a Matt. 23:8. /) Matt. 7:1. Luk. 0:37. 2 Want wij struikelen allen in vele. quot; Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, magtig om ook het gobeole ligchaam in den toom te houden. «Ps. 34: 14. Jakob. 1 : 20. :t Ziet, wij leggen den paarden toomen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun geheelo ligchaam om; 4 Ziet ook de schepen, hoewel zij zoo groot zijn, en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des stnurders wil. 5 quot; Alzoo is ook de tong een klein lid, en roemt noytans groote dingen. Ziet, een klein vuur, hoe grooten hoop houts het aansteekt. «Spr. 12:18.15:2. |
0 l)c tong is ook con vuur, ccnc wereld der on-geregtigheid: alzoo is do tong onder, onze leden gesteld, welke hot geheelo ligchaam besmet, en ontsteekt hot rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hol. 7 Want allo natuur, beide dor wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van do men-schelijke natuur; 8 Maar de tong kan geen mensch temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van doodelijk venijn. 9 Doen- haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de menschen, quot; die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn. tt Gen. 1 :27. 10 Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijne broeders! alzoo niet geschieden. 11 Welt ook oen fontein uit eeno zelfde aderliet zoet on hot bitter? 12 Kan ook, mijne broeders! eene vijgeboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Alzoo kan geene fontein zout en zoet water voortbrengen. 13 Wie is wijs en verstandig onder u? quot; die bewijze uit zijnen goeden wandel zijne werken in zachtmoedige wijsheid. n Efez. 5:8. 14 quot; Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zoo roemt en liegt niet tegen de waarheid. « Rom. 13:13. 15 quot; Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aardsch, natuurlijk, duivelsch. n 1 Cor. 2 : 0, 7. 10 quot; Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle booze handel. n 1 Cor. 3 : 3. Gal. 5 : 20. 17 Maar de wijsheid, die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam , bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordeelende, en ongeveinsd. 18 En de vrucht der regtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken. HOOFDSTUK 4. De apostel sprookt voorts van do middelen togen do voorgaande zonden, en vermaant bon, om do vleescho-lijko lusten, als oorzaak van dezelve, af te leggen, aanwijzende tot dit einde do schadelijke vruchten derzelve, als daar zijn: twisten, vs. 1 ; verhindering dat zij niet verkrijgen hetgeen zij bogooron en bidden, 2; en vijandschap Gods, 4; hetwelk hij bewijst mot de Heilige Schrift, 5; vermaant hen, dat zij zich aan God onderworpen en don duivel tegenstaan, 7. Voegt daarbij eene ernstige vermaning tot ware bekeoring, welke hij met hare doelen beschrijft, 8; on in hot bijzonder om zijnen naaste niet te oor-doelen , daar dit oordeel alleen aan God toekomt, 11 ; bestraft ook degenen, die in hetgeen zij voornemen te doen, niet zien op de voorzienigheid Gods, noch op de broosheid des levens, 13; en besluit dat degene, die weet wat hij moet doen en hetzelve niet doet, zwaarder zondigt, 17. VAN waar komen krijgen en vechterijen onder 7U |
JAKOBUS 4, 5.
non
|
u V Komen zij niot. hiervan, namelijk uit uwe wellusten, quot; die in uwe leden strijd voeren? n Hom. 7 : 23. 1 l'otr. 2 : 11. '2 Gij begeert, en hebt niet; fjij benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijg, doelt gij hebt niet, omdat gij niet bidt. 8 Gij bidt, en gij ontvangt niet, quot;omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uwe wellusten doorbrengen zoudt. n Matt. 20 : 22. Rom. 8 : 20. 4 Overspelers en overspeleressen! weet gij niet, dat de vriendschap der wereld eene vijandschap Gods is? quot;Zoo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld. r/.loh. 15:19. Gal. 1:10. 1 Joh. 2:15. 5 Of meent gij, dat de Schrift te vergeefs zegt: quot; De Geest, die in ons woont, heeft die lust tot nijdigheid? a Num. 11:29. 0 Ja Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: quot; God wederstaat de hoo-vaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade. n Spr. 3 : 34. 1 Potr. 5 : 5. 7 Zoo onderwerpt u dan Gode; quot; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden. a Efoz. I : 27. 1 Potr. 5 : 9. lt;S Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. quot; Reinigt de handen, gij zondaars! en zuivert de harten, gij dubbelhartigen! «.los. 1 : 15. 9 quot; Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lagchen worde veranderd in treuren, en uwe blijdschap in bedroefdheid. a Matt. 5:4. 10 quot; Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhoogen. a .lob 22:29. Spr. 29:23. Matt. 23: 12. Luk. 14: 11. 18:14. 1 Petr. 5: (i. 11 Broeders! spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zijnen broeder kwalijk spreekt en zijnen broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet, en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zoo zijt gij geen dader der wet, maar een regter. 12 Er is oen eenig wetgever, die behouden kan en verderven. quot; Doch wie zijt gij, die eenen anderen oordeelt? a Hom. 14:4. 13 Welaan nu gij, die daar zegt: quot;Wij zullen heden of morgen naar zulk eene stad reizen, en aldaar een jaar overbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen. , «Luk. 12:18. |
14 Gij die niet weet, wat morgen geNehieden zal! quot;want hoedaniquot; ia uw leven? Want het is oen damp, die voor een weinig tijdx gezien wordt, en daarna verdwijnt. «.los. 40:0. I Cor. 7:31. Jakob. 1 : 1(1. 1 Petr. 1 : 24. 1 Joh. 2:17. 15 In plaats dat gij zoudt zeggen : quot; Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zoo zullen wij dit of dat doen. a Hand. 18:21. I Cor. 4:19. Hebr. 0:3. 10 Maar nu roemt gij in uwen hoogmoed; alle zoodanige roem is boos. 17 quot;Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde. «Luk. 12:47. HOOFDSTUK 5. De apostel gaat voort niet vermanen tot eenen oliris-telijken wandel, en wijst aan de ellenden, welke komen over de rijken, vs. 1; die aan do armen hunnen loon onthouden, 4; hunne rijkdommen misbruiken tot wellust, 5; en de vromen onderdrukken, 0. Hij vermaant do onderdrukten tot langmoedigo lijdzaamheid, en troost hen met do toekomst van Christus, hen wijzende op de voorbeelden van eenen landman, 7; van de profeten , en voornamelijk van Job, 10. Maant af van ligtvaar-dig zweren, 12. Leert hoe men zich moet gedragen in tegenspoed en voorspoed, 13; welke do pligt der kranken is, en welke diensten men jegens hen moet bewijzen, voornamelijk hon zalven en voor hen bidden, 14; aanwijzende \nt het voorbeeld van Elias, hoe krachtig het gebed der goloovigen is, 17. Eindelijk vermaant hij, om de afgedwaalden weder op den regten weg en tot bekeering te brengen, 19; loerende welk een heerlijk werk dit is, 20. WEL quot; aan nu, gij rijken! weent en huilt over uwe ellendigheden, die over u komen. «Spr. 11 : 28. Amos 0:1. Luk. 0:24. 1 Tim. 0:9. 2 Uw rijkdom is verrot, en uwe kleederen zijn van do motten gegeten geworden; Uw goud en zilver is verroest; en hun roest zal ii zijn tot eene getuigenis, en zal uw vleesch als een vuur verteren; quot; gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen, a Matt. 0: 19. Rom. 2:5. 4 Ziet, quot; de loon der werklieden, die uwe landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept; en bet geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de ooren van den Heere Sabaóth. «Lev. 19 : 13. Dent. 24: 14. 5 quot; Gij hebt lekkerlijk geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd; gij hebt uwe harten gevoed als in eenen dag der slagting. «Job 21 :13. Luk. 10: 19,25. |
1 PETRUS 1.
1107
|
(i Gij hobt voroorclculd, gij hobt godood don regtvaardigo; cn hij woderstaat n niet. 7 Zou zijt dan langmoedig, broeders! tot de toekomst des Heeren. Ziet, do landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, langmoedig zijnde over dezelve, totdat hot don vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen. H Woest gij ook langmoedig, versterkt uwe har-ton; want de toekomst des Hoeren genaakt. f) Zucht niet tegen elkander, broeders! opdat gij niet veroordeeld wordt: ziet, do Tlegter staat voor do deur. 10 Mijne broeders! neemt tot een voorbeeld dos lijdens en der langmoodigheid do profoton, die in den naam des Hoeren gesproken hebben. 11 Ziet, quot;wij houden hen gelukzalig, die verdragen ; gij hobt '' de verdraagzaamheid van .lob gehoord, en gij hebt het einde des Hoeren gezien, ' dat do Heere zoor barmhartig is en een Ont-former. a Matt. 5 : 11. fc.lob 1 ; 21, 22. rNiim. 14 : IS. Ps. 103 : 8. 12 Doch voor allo dingen, mijne broeders! quot; zweert niet, noch bij don hemel, noch bij do aarde, noch eenigen anderen eed; maar uw ja, zij ja, en hot neon, neen; opdat gij in geen oordeel valt. n Mutt. 5 ; 154. 2 Cor. 1 : 17, IS. 13 Is iemand onder u in lijden? dat hij biddo; |
is iemand goedsmoeds? quot;dat hij psalmzinge. rt Efoz. 5: 1!). Col. .'i;l(j. 14 Is iemand krank onder u? dat hij tot zich roope do ouderlingen dor gemeente, en dat zij over hom bidden, quot; hein zalvende met olie in den naam dos Heoron: a Mark. G : 13. 15 En het gebed des geloofs zal don zieke behouden , en de Heere zal hem oprigton, en zoo hij zonden gedaan zal hebben, hot zal hem vergeven worden. 1(! Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt: eon krachtig gebed des regtvaardigen vermag voel. 17 quot; Elias was een mensch van gelijke bewegingen als wij, en hij bad een gebod, dat liet niet zou regenen; en het regende niet op do aarde in drie jaren en zes maanden, a 1 Kon. 17: l. Luk.4:25. 18 quot; En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bragt hare vrucht voort. a 1 Kon. 18 ; 40. 1!) Broeders! quot; indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand bekeert, a Matt. 18 : 15. 20 Die weto, dat degene, die oenen zondaar van de dwaling zijns weg bekeert, eene ziel van den dood zal behouden, quot; cn inonigte dor zonden zal bedekken. a Spr. 10:12. 1 Petr. 4 : S. |
DE EERSTE AL GEM E EN E JJRIEF
VAN DEN
APOSTEL PETRUS.
|
HOOFDSTUK 1. Na hot opschrift van den brief, vs. 1; dankt de apostel God, dat Hij ons heeft wedergeboren tot eene onverderfelijke erfenis, 3; mitsgaders dat Hij ons door het geloof tot de zaligheid bewaart, 5; en ons verheugt in het midden van alle beproevingen, G; waarover wij Hem ook met vreugde liefhebben, hoewel wij Hem niet zien, 8. Betuigt verder, dat de loer van deze genade niet nieuw is, noch gering, maar dat de Geest van Christus in de oude profeten dezelve heeft voorzegd, 10; en dat de engelen lie-gecrig zijn in deze dingen in te zien, 12. Komt vervolgons tot verscheidene vermaningen en vooral tot eene vaste hoop op deze genade, 13; tot heiligheid, 14; tot verdere aflegging van allen ijdelen wandel, uit welken wij door het bloed van Christus zijn verlost, 17. Hij leert, dat God Christus tot dit middelaarsambt wel heeft uitverkoren van eeuwigheid, maar dat hij nu is geopenbaard om onzentwil, 20. Trekt daaruit weder eene vermaning tot onderlinge broederlijke liefde, 22; daar wij door het onvergankelijk zaad van het evangelie daartoe zijn wedergeboren, 23. PETRUS, oen apostel van Jezus Christus, aan do vroomdolingon, quot; verstrooid in Pontus, Galatiö, Cappadócië, Azië en Bitbyniö, «Jakob. 1:1. |
2 Den uitverkorenen naar do voorkennis van Ood don Vader, in do heiligmaking des Geostes, tot gehoorzaamheid on bespronging des bloods van Jezus Christus: h genade en vrede zij u '' vermenigvuldigd. « Hebr. 12 : 24. h Kom. 1:7. 1 Cor. 1 : 3. Gal. 1 : 3. Efez. 1 : 2. c 2 Petr. 1 : 2. Judas vs. 2. 3 quot; Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, b die naar zijne grooto barmhartigheid ons beeft wedergeboren, tot. eene lovende hoop, c door de opstanding van Jezus Christus uit do dooden, a 2 Cor. 1 : 3. Efoz. 1: 3. /; Kom. G : 23. Jakob. 1 : 18. e 1 Cor. 15 : 20. 4 Tot oono onverderfelijke, en onbovlekkelijke, en onverwolkolijke erfenis, 'die in de hemelen bewaard is voor u , a Col. 1 : 5. 2 Tim. 1 :12. 5 Die in de kracht Gods bewaard wordt door bet geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd. (i quot; In welken gij u verheugt, b nu een weinig tijds (zoo hot noodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; a Kom. 5 : 3. Jakob. 1 : 2. h Hebr. 10 : 37. 1 Petr. 5 :10. 7 quot;Opdat do beproeving uws geloofs, die voel 70* |
1 PETRUS 1, 2.
1108
.les.
's. 22 :
5;f: H.
12 Denwelkon geopenbaard is, dat zij niet zicli zolvon,
maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het evangelie verkondigd hebben quot; door den Heiligen (ïeest,
die van den hemel
gezonden is; ' in welke dingen de engelen be-goorig zijn in te zien. «Hand. 2:4. h Efez. 3:10.
13 quot; Daarom opschortende de lenden uws ver-stands, en nuchtoron zijnde, hoopt volkomenlijk op de genade, die u toegebragt wordt in de openbaring van Jezus Christus. «Luk. 12:35. Efez. 0:14.
14 Als gehoorzame kinderen, wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkbodon, dio te voren in uwe onwetendheid waren;
15 Maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, quot; zoo wordt ook gij zeiven heilig in al uwen wandel; « buk. 1 : 75.
1G Daarom dat er geschreven is: quot; Zijt heilig, want Ik bon heilig. «Lev. 11:44, 15. 10:2. 2i):7.
17 En indien gij tot eonon Vader aanroept Den-gene, quot; die zonder aanneming des persoons oordeelt naar eens iegolijks werk, zoo wandelt in vreezo don tijd uwer inwoning;
« Dout. 10 : 17. 2 Kron. 19 : 7. Job 34 : 19. Hand. 10 : 34. Kom. 2:11. Gal. 2 : (gt;. Efoz. G : 9. Col. 3 : 25.
18 quot; Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uwe ijdole wandeling, die u van do vaderen ovorgoloverd is;
a 1 Cor. (i: 20. 7 : 23.
19 Maar quot; door bet dierbaar bloed van Christus,
als van oen onbe-straffolijk en onbevlekt lam;
« Hand. 20 : 28. Ilebr 9:12. Oponb. 1 ;5.
20 Dewelke wel quot; voorgokond is geweest voor do grond-logging der wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil, «Kom. 10:25. Efez. 1:9.
3 : 9. Col. 1 : 2G. 2 Tim. 1 : 9. Tit. 1 : 2.
21 Die door hom gelooft in Cod, welke hem opgewekt hoeft uit do doodon, quot; on hem heerlijkheid go-geven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou. «Hand.2:33.Filipp.2:9.
22 Hebbende dan uwe zielen gereinigd indogohoorzaamheid dor waarheid, door don Geest, quot; tot ongeveinsde broederlijke liefde, zoo hebt elkander vuriglijk lief uit een rein hart: «Hom. 12:10. Efez. 4:3. Hobr. 13:1. 1 Petr. 2:17.
23 Gij dio quot; wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk ''zaad, door het lovende en eeuwig blijvende woord van God.
a Jakob. 1 : 18. h 1 Joh. 3:9.
24 quot;Want allo vloosch is als gras, en allo hoer-lijkheid des menschon is als eene bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijne bloem is afgevallen;
«Jes. 40 : fl. ICor. 7 : 31. Jakob, 1 :10. 4 : 14. Uoh. 2:17.
25 Maar het woord des Hoeren blijft in der eeuwigheid: en dit is hot woord, dat onder u verkondigd is.
HOOFDSTUK 2.
Do apostel vermaant hen vorder tot aflegging van vor-scboideno ondeugden, va. 1; on tot oono bogoorto
1 PETRUS 2.
110!)
|
naiU' do ouvervalschto melli van Gods woord, om iu het goedo op to wassen, 2; on Gods goedheid te smaken, 3. Hij wekt hen vervolgens op, dat zij als levende steenen in Christus worden opgebouwd tot oen geestelijk huis en priesterdom, 4; vermits Christus tot oenen hoeksteen van God is gesteld, dierbaar voor de geloovigen, maar een aanstoot voor do ongehoorzamen, (i. Hij betuigt, dat zij nu dat uitverkoren geslacht en volk van God zijn, over hetwelk Hij zich ontfermt, !i. Vermaant hen daarom tot oenen heiligen wandel, opdat zij God daardoor verheerlijken, 11: vorder tot gehoorzaamheid aan hunne overheden, hoogere en lagere, 13; en do dienstknechten aan hunne heeren, ook zelfs den harden, 18. Hij stelt tot dit einde voor oogon het lijden van Christus en zijne verdraagzaamheid, 21; en troost hen met de vruchten van hetzelve lijden, als eene oorzaak hunner bekeering, 24. ZOO quot;legt dan al' allo kwaadheid, on allo bodrog, en yevoinsdheid, en nijdigheid, en allo achterklappingen; «Malt. 18:3. Hom. G:4. 1 Gor.l4:2Ã. Efez.4:23. Col. 3 : 8. Hobr. 12: 1. 2 En, als nieuwgeborene kinder-kens, zijt zoer bo-georig naar de redelijke onver-valschte melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen; 8 Indien gij anders quot; gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is. aPs.34:9. 4 quot; Tot welken komende, al# toi eonon levenden steen, van de menschen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar; a Efez. 2 : 2ü. 5 Zoo wordt gij ook zeiven, als levende steenen, gebouwd lot quot; een geestelijk huis, tot h een heilig priesterdom, om 0 geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus, a Hebr. 3 : (i. h Openb. I : (j. 5: 10. cRom. 12: 1. Hebr. 12:28. 6 Daarom is ook vervat in de Schrift: quot; Ziet, Ik leg in Zion eenen uitersten hoeksteen, die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in hem gelooft, zal niet beschaamd worden. «.los. 28:10. 7 U dan, die gelooft, is hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezeyd; quot;De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en ''een' steen des aanstoots, en eene rots der ergernis; «P8.118:22. Matt. 21 : 42. Hand. 4:11. /-Jos. S: 14. Hom. !) : 33. |
8 Dengenen namelijk, die zich aan het woord stoeten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. !) quot;Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, ''een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen do deugden desgenen, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: «Ex. li):.7). Deut. 7 : 0. 14 : 2. 20 : 18. Efez. 1 : 14. /; Openb. 1 : 0. 5 : 10. 10 quot;Gij die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden. « Hos. 1: 10. 2 : 22. Rom. !): 20. 11 Geliefden! ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, quot; dat gij u onthoudt van de vlee- schelijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel: a Hom. 13:14. Gal.5:10. 12 quot;En houdt uwen wandel eerlijk onder de Heidenen; '' opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, '' zij uit do goede werken, die zij in n zion. God verheerlijken mogen '' in den dag der bezoeking. n Hom. 12 : 17. 2Cor.8:21. Filipp. 2:15. 6Tit.2:8.1 l'etr.3:10. c Matt. 5 : 10. d Luk. 1 : 08. 1!): 44. 13 quot; Zijt dan alle menschelijke ordening onderdanig, om des Heeren wil: hetzij den koning, als de opperste magt hebbende; «Rom. 13 : 1. ïit. 3 : 1. 14 Hetzij den stad-houderen, als die van hein gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen. 15 Want alzoo is het de wil van God, quot; dat gij, weldoende, den mond stopt aan do onwetendheid der dwaze menschen; a Tit. 2 : 8. 16 quot;Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten van God. a Joh. 8:32. Rom. 0: 18. Gal. 5: 1. 17 quot;Eert oen' iegelijk; ''hebt de broederschap lief; vreest God; c eert den koning. « Hom. 12:10. 1 Potr. 5:5. h Hom. 12:10. Efez. 4:3. Hebr. 13: 1. I Potr. 1 : 22. r Matt, 22:21. 18 quot;Gij huisknechten! zijt met alle vreeze onder- |
|
1110 danig don hooron, niet alloon den goeden en be-scheidenen, maar ook den harden. n Efez. (i: 5. Col. : 22. I Tim. 6:1. Tit. 2 : 9. 19 quot; Want dat is genade, indien iemand, om het geweten voor God, zwarigheid verdraagt, lijdende ten onregte. a Matt. 5: 1U. 20 Want wat lol' is het, indien gij verdraagt, als gij zondigt, en daarover geslagen wordt ? quot; Maar indien gij verdraagt, als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God. a 1 Petr. 3:14 4 :14. 21 Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor uns geleden heeft, quot; ons een voorbeeld nalatende, opdat gij zijne voetstappen zoudt navolgen: aJoh. 13:15. Filipp. 2:5. 1 Joh. 2:6. 22 quot; Die geene zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in zijnen mond gevonden; «Jos. 53:9. 2 Cor. 5:21. 1 Joh. 3:5. 23 quot; Die, als hij gescholden werd, niet weder-schold, en als hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, die regtvaardiglijk oordeelt: a Matt. 27 : 39. Joh. 8 : 48, 49. 24 quot; Die zelf onze zonden in zijn ligehaam gedragen heeft op het hout; b opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der geregtigheid leven zouden ; door wiens striemen gij genezen zijt. (7 Jos. 53:4. Matt. 8:17. h Kom. 6:11. 25 Want gij waart quot;als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen. aJes. 53:6. Ezec. 34:6. Luk. 15:4. HOOFDSTUK 3. Petrus vermaant de vrouwen tot onderdanigheid aan hare mannen, vs. 1; en tot versiering niet van den uitwendigen, maar van den verborgen menscli, 3. Hij stolt haar tot dat einde voor het voorbeeld der heilige vrouwen in liet O. T. voornamelijk van Sara, 5. Hij vermaant ook de mannen, dat zij met verstand bij hunne vrouwen wonen, 7. Komt vervolgens tot vermaning van onderlinge liefde, 8; bijzonder van verdraagzaamheid en vreedzaamheid, met belofte van Grods zegen uit den 34sten psalm, 9. Wijst aan, hoe zij niet hebben te vreezen, wanneer zij onschuldig lijden, en lioe zij altijd bereid moeten zijn om reden te geven van de hoop, die in hen is, 13. Hij stelt hun voor oogen het voorbeeld van het lijden van Christus en van zijne zegepraal na hetzelve, 18; als ook tot oen tegenbeeld, de straffen oj) de ongehoorzaamheid van de eerste wereld ten tijde van Noach, en zijne verlossing door de ark uit het water, als hij met lijdzaamheid daarop gewacht had, 19; waarvan nu de doop een tegenbeeld is, die ons wijst op de opstanding en heerlijkheid van Christus, 21. DESGELIJKS quot; gij vrouwen! zijt uwen eigenen mannen onderdanig; opdat ook, zoo eenigen den woorde ongehoorzaam zijn, zij door den wandel der vrouwen, zonder woord mogen gewonnen worden ; a Gen. 3 : 16. 1 Cor. 14 : 34. Efez. 5 : 22. Col. 3 : 18. Tit. 2 : 5. 2 Als zij zullen ingezien hebben uwen kuischen wandel in vreeze. 3 quot; Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk is, bestaande in het vlechten des haars, en omhangen van goud, of van kleederen aan te trekken ; |
n 1 Tim. 2 : 9. Tit. 2:3. 4 Maar do verborgen mensch des harten, in hot onverderfelijk versiersel van een' zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God. 5 Want alzoo versierden zich zeiven eertijds ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haren eigenen mannen onderdanig: 6 quot; Gelijk Sara aan Abraham gehoorzaam is geweest , hem noemende heer, welker dochters gij geworden zijt, als gij weldoet, en niet vreest voor eenige verschrikking. «Gen. 18:12. 7 Gij mannen! insgelijks, quot;woont bij haar met verstand, aan het vrouwelijke vat, als het zwakste, oer gevende, als die ook medeërfgenamen der genade des levens met haar zijt; opdat uwe gebeden niet verhinderd worden. a Efez. 5 : 25, enz. Col. 3 :19. 8 quot; En eindelijk, ''zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk ; a Rom. 12 : 16. 15:5. 1 Cor. I : 10. Filipp. 2 : 2. 3 : lü. 9 a Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, ''opdat gij zegening zoudt beërven. aLev. 19:18. Spr.20:22. 24:29. Matt.5:39. Hom. 12:17. 1 Cor. 6:7. 1 Thess. 5 : 15. b Matt. 25 : 34. 1 Tim. 4 : !S. 10 quot; Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijne tong van het kwaad, en zijne lippen, dat zij geen bedrog spreken; « Ps. 34: 13, enz. Jakob. I : 26. 11 quot;Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na. aPs. 37 :27. Jes. 1 : 16. 3 Joh. vs. 11. 12 Want de oogen des Heeren zijn over de regt-vaardigen, en zijne ooren tot hun gebed; maar het aangezigt des Heeren is tegen degenen, die kwaad doen. 13 En wie is het, die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het goede? 14 quot; Maar indien gij ook lijdt om der geregtigheid wil, zoo zijt gij zalig; ''en vreest niet uit vreeze van hen, en wordt niet ontroerd; « Matt. 5:10. 1 Petr. 2 : 20. 4 : 14. hJes. 8:12. Jer. 1 : 8. 15 quot; Maar heiligt God, den Heere, in uwe harten ; '' en zijt altijd bereid tot verantwoording aan een' iegelijk, die u rekenschap afeischt van do hoop, die in u is, met zachtmoedigheid en vreeze. «Job 1:21. I) Ps. 119 : 46. Hand. 4: S. 16 En hebt een goed geweten, quot; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uwen goeden wandel in Christus lasteren. a Tit. 2 : 8. 1 Petr. 2 : 12,15. 17 Want het is beter, dat gij, weldoende, (indien het de wil van God wil) lijdt, dan kwaad doende. 18 quot; Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, hij rogtvaardig voor de onregtvaar- 1 PETRUS 2, 3. |
I PETRUS 3, 4.
1111
|
fllgon, opdat hij ons tot God zou bronyon; dio wol is gedood in het vloesch, maar lovend gemaakt door den Geest; a Rom. 5;G. Hebr. 9:15,28. 1!) In denwelken hij ook, henengegaan zijnde, den geesten, quot; die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft, a 1 Petr. 4 : ü. 20 quot; Die eertijds ongehoorzaam waren, ''wanneer do langmoedighoid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noaeh, als de ark toebereid werd; waarin weinige ('' dat is acht) zielen behouden werden door het water. a Gen. G : 5. h Gen. (i: 3, 14. Malt. 24 : 37. Luk. 17 : 2ü. Rom. 2 ; 4. c Gen. 8 :18. 2 Petr. 2 ; 5. 21 quot;Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die eene aflegging is der vuiligheid des ligchaains, maar die eene vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus; aEfez. 5:20. 22 quot; Welke is aan de r eg ter hand. Gods, opgevaren ton hemel, de engelen , en magten, en krachten hem onder-daniggemaakt zijnde. a Efez. 1 : 20. HOOFDSTUK 4. Uit aanniorking van het lijden van Christus trekt de apostel eene vermaning, dat zij niet moeten leven naar de begeerlijkheden van hot vleeseh, maar naar den wil van God, vs. I ; en leert, dat zij, die het tegendeel doen, of andoren daartoe verleiden , aan God rekenschap zullen geven, 4. Dat daarom ook den dooden het evangelie was verkondigd, 0. Hij vermaant hen vervolgens tot waakzaamheid , bidden, liefde en andere deugden, 7; en tot eene behoorlijke aanwending dor gaven en bedieningen, die elk heeft ontvangen, 10. Hij leert wederom, dat het lot der geloovigon is verdrukking te lijden, en dat zulks hun zalig is, 12; doch waarschuwt, dat niemand lijde als een kwaaddoener, maar dat hij lijde als een christen, 15; vermits het oordeel Gods van zijn huis begint, 17; doch dat de andoren hierna een zwaarder oordeel hebben te verwachten, 18. DEWIJL dan Christus voor ons in het vleeseh geleden heeft, quot;zoo wapent gij u ook met dezelve gedachte, ^ namelijk dat wie in hot vleeseh geleden hooft, die heeft opgehouden van de zonde; a Hebr. 12: 1. i Wom. (i: 7. 2 quot; Om nu niet meer naar de begeerlijkheden der monschen, maar naar den wil van God, don tijd, die overig is in liet vloesch, te loven. «Rom. 14:7. 2 Gor. 5: 15. Gal. 2:20. Efez. 4:24. 1 Tliess. 5; 1(1. Hebr. !): 14. |
3 quot;Want hot is ons genoeg, dat wij den voor-gaandon tijd des levens dor Hcidonon wil volbragt hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drin-kerijen en gruwelijke afgoderijen: «Efez. 4:17. 4 Waarin zij zich vreemd houden, als gij niet medeloopt tot dezelfde uitgieting dor overdadigheid , en u lasteren; 5 Dewelke zullen rekenschap geven dongene, dio bereid staat om to oordeolon do levenden en do dooden. (i quot; Want daartoe is ook den dooden hot evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar den monschin hot vloesch, maar leven zouden naar God in den geest. a Joh. 5 : 25. 1 Petr. 3 : 19. 7 quot; En hot einde aller dingen is nabij; h zijt dan nuchteron, en waakt in de geboden. a 1 Joh. 2: 18. h Luk. 21 : 34. 8 Maar vooral hebt vurige liefde tot elkander; quot; want de liefde zal menigte van zonden bedekken. « Spr. 1U : 12. 9 quot; Zijt herbergzaam jegens elkander , b zonder murmureren. « Rom. 12 : 13. Ilclir. 13:2. /(Filipp.2:14. 10 quot; Een iegelijk , gelijk hij gave ontvangen heeft, a/zoo bodieno hij dezelve aan do andoren, als goede uitdoolers dor menigerlei genade Gods. « Spr. 3 : 28. Rora. 12 : (i. 2Cor. 8 : 11. 11 quot; Indien iemand spreekt, die spreke als do woorden Gods; indien iemand dient, die dime als uit kracht, die God verleent; opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus, welken toekomt de hoorlijkheid en de kracht, in allo eeuwigheid. Amen. «.Ier. 23:22. 12 Geliefdon! quot; houdt u niet vreemd over do hitte der verdrukking onder u, dio u geschiedt tot verzoeking, als of u iets vreemds ovorkwamo; « Jes. 48 : KJ. 1 Cor. 3 : 13. I Petr. 1 : 7. 13 Maar gelijk gij gemeenschap hebt aan hot lijden van Christus, alzoo verblijdt u: opdat gij ook in de openbaring zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen. 14 quot; Indien gij gesmaad wordt om den naam van Christus, zoo zijt gij zalig: want de Geest der heerlijkheid, en de Geest van God rust op u. Wat hen aangaat. Hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, Hij wordt verheerlijkt. a Matt. 5:10. 1 Petr. 2:20. 3: 14. 15 Doch dat niemand van u lijde als een dood- |
1 PETRUS 4, 5. 2 PETRUS 1.
1112
|
shigor, of diof, of kwaaddoonor, of als oen, die zich met eens anders doen bemoeit; K! Maar indien iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in dezen deele. 17 quot; Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van hot huis Gods, en indien hot eerst van ons bug bit, ''welk zal het einde zijn dergenen, die het evangelie van God ongehoorzaam zijn? n Jer. 25:29. Luk. 23:31. i Ijiik. 10 :12. 18 quot; En indien de regtvaardige naauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en zondaar verschijnen? « Spr. 11:31. 1!) Zoo dan (jok die lijden naar den wil van God, dat zij hunne zielen llevi, als don getrouwen Schepper, bevelen met weldoen. HOOFDSTUK 5. Petrus vermaant, dat zij de kudde Gods behoorlijk weiden, vs. 1; en belooft hun de kroon der heerlijkheid tot eone vergelding, 4. Hij vermaant vervolgens de jongen tot onderdanigheid en nederigheid, 5; on een iegelijk, dat hij zijne zorg op (rod werpe, 7. Hij stelt hun voor oogen de list en de imigt des duivels, en vermaant hen daartegen te waken, S. Hij bidt God, dat Hij hen versterke, 10; en looft Hem, 11. Verklaart de reden, waarom hij aan hen in het kort heeft geschreven, 12; en besluit den brief met onderlinge groete en wensch van vrede, 13. DE ouderlingen, die onder u zijn, vermaan ik, dio eon medeouderling, on getuige des lijdens van Christus ben, on deelachtig der heerlijkheid, die geopenbaard zal worden: 2 quot;Weidt do kudde Gods, die onder u is, hebbende opzigt daarover, niet uit bedwang, maar gowilliglijk; '' noch om vuil gewin, maar met oen volvaardig gemoed; a Hand. 20 : 28. h 1 Tim. 3 : 3. Tit. I : 7. 3 quot; Noch als heerschappij voerende over het erf-dool des Heer en, '' maar als voorbeelden dor kudde geworden zijnde. a 2 Coi'. 1 : 24. h Filipp. 3 : 17. 1 Tim. 4 :12. Tit. 2 : 7. |
4 En als quot; do overste Herder verschonen zal zijn, ''zoo zult gij de onvorwolkelijke kroon der heerlijkheid behalen. «Jes. 40: 11. Ezoc. 34:23. Joh. 10 : 11. Hebr. 13 : 20. 1 Petr. 2 : 25. h 1 Cor. 9 : 25. 2 Tim. 4 : 8. Jakob. 1: 12. 1 Potr. 1 : 4. 5 Desgelijks gij jongen! zijt den ouden onderdanig; quot;en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed: b want God wederstaat do hoovaardigen, maar don nederigen geeft Hij genade. a Rom. 12 : 10. Filipp. 2 : 3. h Spr. 3 : 34. Jakob. 4 : ü. (i quot; Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhooge te zijner tijd. ö Job 22:23. Spr. 29:23. Matt. 23:12. Luk. 14:11. Jakob. 4:10. 7 quot;Werpt al uwe bekommernis op Hem, ''want Hij zorgt voor u. a Ps. 55 : 23. Matt. G : 25. Luk. 12 : 22. l^ilipp. 4 : (gt;. 1 Tim. G : 8. //1 Cor. 9 : 9. Hebr. 13 : 5. 8 quot;Zijt nuehtoren, en waakt; ''want uwe tegenpartij , de duivel, gaat om als een brieschondo leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden. rtlïhoss. 5:0. 1 Petr. 1 : 13. 4 : 7. /Uob 1 : 7. Luk. 22 : 31.- 9 quot;Denwelkon wederstaat, vast zijnde in het go-loof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uwe brooderschap, die in de wereld is, volbragt wordt. a Efez. 4 : 27. Jakob. 4 : 7. 10 De God nu aller genade, die ons geroepen heeft tot zijne eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij quot; een weinig tijds zullen geleden hebben; dezelve volmake, bevestigo, versterke en fondere ulieden. « Hebr. 10:37. 1 Petr. 1 : G. 11 Hem zij de heerlijkheid en de kracht in allo eeuwigheid. Amen. 12 Door Silvanus, die u een getrouw broeder is, zoo ik acht, heb ik niet weinigegeschreven, vermanende en betuigende, dat deze is do waarachtige genade Gods, in welke gij staat. 13 U groet de medeuitverkorone gemeente, dio in Babylon is, on Markus, mijn zoon. 14 Groet elkander quot; met oenen kus dor liefde. Vrede zij u allen, die in Christus Jezus zijt. Amen. rtlioin. 1G : IG. 1 Cor. 1G : 20. 2Cor. 13:12. IThoss. 5 : 20. |
DE TWEEDE ALGEMEENE HRJEF
VAN DEN
APOSTEL PETRUS.
|
HOOFDSTUK 1. Du apostel Petrus, na het opschrift cn de groete, vs. 1; verhaalt eorst, welke overgrooto genade en weldaden God aan dc goloovigo Joden heeft bewezen, tot hunne zaligheid, 3; waarom hij hen vermaant om in geloof en godzaligheid meer en meer toe te nemen, en bij het geloof ook andere deugden te voegen, 5; loerende, dat zij alsdan regt vruchtbaar zullen zijn, 8; eu dat zij daardoor meer en meer zullen worden verzekerd van hunne verkiezing en van den ingang |
in liet koningrijk van Christus, 10. Hij verklaart dat, hoewel zij deze dingen wel weten, hij hen evenwel heeft willen opwekkon door deze vermaning, 12; alzoo hij haast uit dit leven zou worden genomen , naar de voorzegging van Christus, opdat /.ij na zijnen dood daaraan zouden gedenken, 14. Hij betuigt, dat hot geene fabelen zijn, wat hun van Christus en zijne toekomst was gepredikt, maar dat hij zelf en twoo zijner medeapostelen de heerlijkheid van Christus hadden aanschouwd op den borg, en uit den hemel hadden gehoord de getni- |
2 PETUUR I.
1113
|
pollis ilos Vatlora van hein, l(i; on dat ditzolfdo (ink bevestigd wordt door de profetische schriften, 1!); die door den (leest Gods zijn ingegeven, 2U. SIMEON Petrus, een dienstknecht, en apostel van Jezus Christus, aan degenen, die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rogtvaardigheid van onzen God en Zaligmaker, Jezus Christus: 2 quot; Genade en vrede zij u ,J vermenigvuldigd '' door de kennis van God, en van Jezus, onzen Heere: a Kom. 1 ;7. 1 Pefr. 1;2. /; 1 Potr.l :2. Judasvs.2. c Joh. 17 : 3. !? Gelijk ons zijne Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft,door do kennis desgenen, die ons geroepen hoeft tot heerlijkheid en deugd; 4 Door welke ons do grootste en dierbare beloften geschonken zijn, quot; opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt hot verderf, dat in do wereld is door do begeerlijkheid. «Jes. 50 ; 5. Joh. 1:12. Rom. 8: 15. Gal. 3: 26. 5 En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, (! En bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid, 7 En bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde, liefde jegenx allen. H Want zoo deze dingen bij u zijn, en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch quot;onvruchtbaar laten in de kennis van onzen Heere Jozus Christus. a Tit. 3': 14. !) Want bij welken deze dingen niet zijn, quot;die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden. fi Jes. 59 : lo, Zef. 1:17, 10 Daarom, broeders! benaarstigt u te meer, om uwe roeping en verkiezing vast te maken: want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. |
11 Want alzoo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in liet eeuwig koningrijk van onzen Heere en Zaligmaker, Jezus Christus. 12 Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarvan te vermanen, hoewel gij het weet, en in de tegenwoordige waarheid versterkt zijt. 13 En ik acht liet regt te zijn, zoo lang ik in dezen tabernakel ben, dat ik u quot; opwekke door vermaning: « 2 Petr. 3: 1. 14 quot; Alzoo ik weet, dat de aflegging mijns taber nakels haast zijn zal, '' gelijkerwijs ook onze Heere Jezus Christus mij heeft geopenbaard. a 2 Tim. 4 : ü, I) Joh. 21 : 18, I!). 15 Doch ik zal ook naarstigheid doen bij alle gelegenheid, dat gij na mijnen uitgang van deze dingen gedachtenis moogt hebben. Hi quot; Want wij zijn geene kunstelij k-verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben do kracht en toekomst van onzen Heere Jezus Christus,h maar wij zijn aanschouwers geweest van zijne majesteit. n I Oor. 1:17. 2:1,4. 4 ; 20. h Matt. 17:1. Joh. I : 14, 1 Joh. 1:1. 17 Want hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zoodanig eene stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot hom gebragt werd: quot;Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken Ik mijn welbehagen heb. a Matt. 3:17, 17:5. Mark, 1:11, !): 7. Luk, 3 : 22. !): 35. Col. 1 : 13. 18 En deze stem hebben wij gehoord, als zij van den hemel gebragt is geweest, toon wij met hem oi) den heiligen berg waren. 1!) En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is; en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, quot; als op een licht, schijnende in eene duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en ''de morgenster opga in uwe harten. a2Cor.4:t)./lt;0penb.22:l(j. 20 Dit eerst wetende, dat geene profetie der Schrift is vau eigene uitlegging: 21 Want de profetie is voortijds niet voort,gebragt |
2 PETRUS 1 , 2.
1114
|
door don wil cons monschon, maar do hoiliyo monschon Gods, quot; van don Ileiligon Geest gedrevon zijnde, hebben ze gesproken. a 2 Tim. li: 16. HOOFDSTUK 2. Do apostel waarschuwt do geloovigen tegen do valsche leeraars, die in de geinoonto verderfelijke ketterijen zullen invoeren en velen verleiden, vs. 1. Opdat zij hen te eerder zouden vermijden, beschrijft hij hunne gierigheid en het verderf, waarin zij zich zullen brengen, 3; hetwelk hij bevestigt niet het voorbeeld der engelen, die gezondigd hebben; van de oude wereld en die van Sodom on Gomorra. 4; waar hij tegenover stelt do behoudenis van Lot, gelijk te voren van Noanh, 7. Wijst verder aan de onkuisch-heid, hoovaardij, onmatigheid, bedriegerijen en andere zonden van deze verleiders, die daarin den onrodc-lijken dieren gelijk zijn; waarom zij dan ook hunne verdiende straf niet zullen ontgaan, 10; zoo als Halaiim. die over zijne onregtvaardigheid van een stom beest bestraft werd, 15. Hij vergelijkt hen verder bij fonteinen, en wolken zonder water, 17. Beschrijft hunne opgeblazenheid en hoe zij de christenen verlokken en vrijheid beloven, daar zij zeiven slaven der zonden zijn, IS, Leert, dat de staat der christenen, die zich door hen laten verleiden , erger is, dan dat zij Christus nooit hadden gekend, 20: en vergelijkt hen bij honden, die hun uit-braaksel oplekken, en bij gewasscheno zwijnen, die zich wederom in hot slijk wentelen, 22. EN er zijn ook quot; val-schc profeten onder liet volk geweest, h gelijk ook onder u valsche leeraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedek-telijk invoeren zullen, ook den Heere, die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zich zeiven brengende. aDeut. 13:1. h Matt. 24 : 11. Hand. 2(1: 29. I Tim. 4 :1. 2 Tim. 3:1. 2 En velen zullen hunne verderfenissen navolgen , door welken de weg der waarheid zal gelasterd worden. 3 En zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u eenc koopmanschap maken; quot; over welken het oordeel van over lang niet ledig is, en hun verderf sluimert niet. «Judas vs. 4. 4 Want indien God quot; do engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; aJudas vs. G. Opcnb. 20:3. 5 En de oude wereld niet heeft gespaard, maar quot; Noach, den prediker der geregtigheid, zijn' achtster bewaard heeft, als Ilij den zondvloed over do wereld dor goddeloozen heeft gebragt; a Oen. 7 : 23. 1 Potr. :!: 1!). |
6 En do steden quot; van Sódoma on Gomórra tot asch verbrandende met omkoering veroordeeld heeft, en tot een voorbeeld gezet dengenen, die goddelooslijk zouden loven; « Oen. 19:24. Deut. 29:23. Jes. 13:19. Jer. 50:40. Ezec. 10:49. Hos. 11:8. Amos 4: 11. Judas vs. 7. 7 Eu don regtvaardigen Lot, quot; die vermoeid was van den ontuchtigen wandel dor gruwelijke men-schen, daaruit verlost hooft; «Oen. 19:7,8. 8 (Want deze regtvaardige man, wonende onder hen, heeft dag op dag zijne regtvaardige ziel quot; gekweld, door het zien en hooren van hunne ongeregtige werken) «Ps. 119:158. 9 quot; Zoo weet de Heero de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en do onregtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels, om gestraft te worden ; a 1 Oor. 10 : 13. 10 Maar allermeest degenen, die naar het vleesch in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten: die stout zijn, zich zeiven behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren; 11 Daar de engelen, in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen hen voor den Heero voortbrengen. 12 quot; Maar deze, als onredelijke dieren, dio do natuur volgen, en voortgebragt zijn, om gevangen en gedood te worden, 11 dewijl zij lasteren hetgeen zij niet verstaan, zullen in hunne verdorvenheid verdorven worden; «Jor. 12:3. //Judas vs. 10. 13 En zullen vorkrijgen den loon der ongereg-tighoid, als die do dagelijksche weelde htm vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hunne bedriegerijen, als zij in do maaltijden mot u zijn; 14 Hebbende do oogon vol overspel, en die niet ophouden van zondigen; verlokkende do onvaste zielen , hebbende hot hart geoefend in gierigheid, kinderen dor vervloeking; 15 Die den regten weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en quot; volgen den weg van Balaam, den zoon van Bosor, die den loon der ongereg-tigheid liefgehad hoeft: «Num.'22:7,21. Judas vs. 11. Hi Maar hij heeft de bestraffing zijner ongereg-tigheid gehad; want quot; hot jukdragende stomme dier, sprekende mot monschenstem, heeft des profeten dwaasheid verhinderd. a Num. 22:21. 17 quot;Doze zijn water looze fonteinen, wolken, van eenen draaiwind gedreven, denwelkon de donkerheid der duisternis iu der eeuwigheid bewaard wordt. «Judas vs. 12. |
2 PETRUS 2, 3.
1115
|
18 Want zij, zeor upyoblazone ijdolhoid sprekende, verlokken, door de begeerlijkheden dos vleesches cm door ontuchtigheden, degenen, die waarlijk ontvloden waren van degenen, die in dwaling wandelen; 1!) Belovende hun vrijheid, daar zij zeiven dienstknechten zijn der verdorvenheid: quot; want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een' dienstknecht gemaakt. «Joh. 8:34. Kom. (j: l(i. 20 quot;Want indien zij, nadat zij, door de kennis van don Ileere en Zaligmaker Jezus Christus, do besmettingen der wereld ontvloden zijn, en in dezelve wederom ingewikkeld zijnde, van dezelve overwonnen worden, b zoo is hun het laatste erger geworden dan het eerste. a Hebr. 0 : 4. 10 ; 2(J. h Matt. 12 : 45. 21 Want hot ware hun beter, dat zij den weg der goregtigheid niet gekend haddon, dan dat zij, dien gekend hebbende, weder afkoeren van het heilige gebod, dat hun overgegeven was. 22 Maar hun is overkomen hetgeen niet oen waar spreekwoord yezegd wordt: quot; De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en do gewas-schone zeug tot de wenteling in liet slijk. a Spr. 26 : 11. HOOFDSTUK 3. Do apostel verklaart, dat iiij dozen tweeden brief hooft geschreven om lion daarcloor op to wokken tot betrachting van do profetische en apostolische leor, vs. 1; om waarschuwt hen tegen do spotters, die in do laatste tijden do toekomst van Christus ten oor-dool en de voleinding der â wereld zullen looclioneii, li. Hij wederlegt deze met rodenon, ontleend van de schepping en onderhouding der wereld, 5; on van don zondvloed, (i; loerende gelijk de eerste wereld vergaan is door hot water, dat alzoo deze zal vergaan door hot vuur, 7. Dat do toekomst van Christus ton oordooi wol wordt uitgesteld om der uitverkorenen wil, 8; maar dat zij onverzions zal komen. Hi. Do apostel trekt daaruit oono vermaning tot be-tiachting van oprogte godzaligheid, II; en leert dat er een nieuwe hemel en cene nieuwe aarde zal zijn, 13; dit alles bevestigt hij niet de getuigenis van den apostel Paulus, wiens brieven sommigen ver-draaijen, 15. Eindelijk besluit hij mot eeno herhaling van de vermaning, om zich te wachten tegen de valsche leeraars en spotters, en met eeno lofzegging tot Christus, 17. DEZEN tweedon zendbrief, geliefden! schrijf ik nu aan u, in welke heiden ik quot; door vermaning uw opregt gemoed opwekke; a'l Petr. 1: 13. 2 Opdat gij gedachtig zijt aan de woorden, die van de heilige profeten te voren gesproken zijn, en aan ons gebod, die des Hoeren en Zaligmakers apostelen zijn: 3 quot; Dit eerst wetende, dat in hot laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hunne eigene bo-geerlijkheden zullen wandelen, a 1 Tim. 4:1.2 Tim. 3:1. .ludas vs. 18. 4 En zeggen: quot; Waar is de belofte zijner toekomst? want van dien dan, f'e vaders ontslapen zijn, blijven allo dingen alzoo (/clijk van bet begin der schepping. «Ezec. 12:22. |
5 Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods de hemelen van over lang geweest zijn, quot;en de aarde uit het water en in het water bestaande; a Gen. 1 :!). Ps. 24 : 2. (i quot; Door welke do wereld, die toen was, niet het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is. a üen. 7 : 10,21. 7 quot; Maar do hemelen, die nu zijn, en do aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, '' en worden ten vure bewaard tegen don dag dos oordeels, en der verderving der goddelooze men-schen. a Ps. 102 : 27. .les. 51 :(i. Hebr. 1:11.2 Petr. 3:10. h 2 Thess. I : 8. 8 Doch deze cene zaak zij u niet onbekend, geliefdon! quot; dat één dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag. a Ps. 90:4. 9 quot;Do Heere vertraagt de belofte niet, (''gelijk eenigen dat traagheid achten) ' maar is langmoe-dig over ons, '' niet willende, dat oonigon verloren gaan, maar dat zij allen tot bokooring komen. a Hiili. 2 : 3. h I Petr. 3 : 20. 2 Petr. 3 : 15. r Jos. 30: 18. Kom. 2 : 4. d Ezec. 18 :32. 33 :11. I Tim. 2 : 4. 10 Maar do dag des Hoeren zal komen quot; als oen dief in den nacht, in welken de hemelen meteen gedruisch zullen voorbijgaan, on do elementen branden zullen en vergaan, on do aardo on do werken, dio daarin zijn, zullen verbranden. a Matt. 24:43,44. 1 Thess. 5:2. Oponb. 3:3. 10:15. 11 Dewijl dan deze dingen allo vergaan, hooda-nigen behoort gij te zijn in hoiligon wandel on godzaligheid! 12 Verwachtende on haastende tot do toekomst van den dag Gods, quot;in wolken do hoinolon, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en do elementen brandende zullen versmolten. a Ps. 50 : 3. 2 Thess. 1 : 8. 13 Maar wij verwachten, quot;naar zijne belofte, nieuwe hemelen on eeno nieuwe aarde, in dewelke goregtigheid woont, rt.los. (35: 17. 00:22. Openb. 21:1. 14 Daarom, geliefden! verwachtende deze dingen, benaarstigt u, dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede; 15 quot; En acht de langmoodigheid onzos Hoeren voor zaligheid: gelijkorwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid, die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft: aRom. 2:4. 10 Gelijk ook quot;in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke dingen sommigen zwaar zijn om te verstaan, die do ongoloorde en onvaste mensehen vordraaijen, gelijk ook do andere Schriften, tot hun oigon verderf. n Rom. 8 : 19. 1 Gor. 15 : 24. 1 Thess. 4 : 15. 17 Gij dan, geliefden! zulks te voren wetende, wacht u, dat gij niet door de verleiding dor gruwelijke menschen mede afgerukt wordt, cn uitvalt van uwe vastigheid; 18 Maar wast op in do genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij do heerlijkheid, beide nu on in den dag der eeuwigheid. Amen. |
1 JOHANNES 1, 2.
DE EERSTE ALGEMEENK HRIEF
VAN DEN
lllfi
|
APOSTEL HOOFDSTUK 1. Do iijKislol verkhuii't, dat do loer, dio hij verkondigt, gansch zekor on hoorlijk is, vs. 1; on dat hij die voorstelt, opdat do geloovigon daardoor gemeenschap zouden iiohben mot God, en hunne blijdschap volmaakt zij, 3; dat wij met God, dio hot licht is, goone gemeonschap kunnen hebbon, als wij in do duisternis wandelen, 5; maar zoo wij in hot licht wandelen, dat dan onze zonden door Christus bloed zijn gereinigd, 7; dat wij ons niet moeten laten voorstaan goono zondaars to zijn, 8; maar dat wij onze zonden voor God moeten belijden, en dat do-zelve ons van God zullen worden vergeven, 9. HETGEEN quot; van den beginne was, liotyeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, ''hetgeen wij aanschouwd hebben, 'â en onze handen getast hebben, van het Woord des levens: a Joh. 1:1. iJoh. 1 : 14. 2 Petr. I : Ui. c Luk. 24 : 39. Joh. 20 : 27. 2 (Want het leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen, en verkondigen ulieden dat eeuwige loven, hetwelk bij don Vader was, en ons is geopenbaard.) 3 Hetgeen wij dan gezien en gehoord bobben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zendt hebben , en deze onze gemeenschap ook zij mot den Vader, en met zijnen Zoon Jezus Christus. 4 En deze dingen schrijven wij u, opdat uwe blijdschap vervuld zij. 5 En dit is de verkondiging, die wij van hem gehoord hebben , en wij u verkondigen , quot; dat God een licht is, en gansch geene duisternis in Hem is. «Joh. 1:9. 8:12. 9:5. 12:35,36. (i Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zoo liegen wij, en doen de waarheid niet. 7 Maar indien wij in liet licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zoo hebben wij gemeenschap met elkander, quot; en het bloed van Jezus Christus, zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonde. a Hebr. 9 : 14. 1 Petr. 1 : 19. Openb. 1 ; 5. 8 quot; Indien wij zoggen, dat wij geene zonde hebben, zoo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet. n 1 Kon. 8:46. 2 Kron. ():36. Job 9:2. Ps. 148 : 2. Spr. 2(): 9. Pred. 7 : 20. 9 quot; Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en regtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongeregtigheid. a Ps. 32 : 5. Spr. 2X : 13. 10 Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd |
JOHANNES, hebben, zoo maken wij Hem tot oenen leugenaar, en zijn woord is niet in ons. HOOFDSTUK 2. De apostel verklaart, dat hij de belofte van do vergeving der zonden heeft voorgesteld, niet om die te misbruiken tot zondigen, maar tot troost dor zondaren, vs. 1; en vermaant dogenon, die Christus kennen, tot onderhouding zijner geboden, 3; loerende dat dit in verschillende opzigten eon nieuw on eon oud gebod is, 7; vervolgens tot liefde des naasten, 9; on past deze vermaning toe op de vaders, jongelingen en kindoren, 13. Mij leert, dat do christenen do wereld on lietgeon daarin is niet moeten liof-hobbon, 15; en zich wachten voor do verleiding dei valscho leeraars en den antichrist, 18; wijst hun aan, dat do zalving des H. Ueostos, dio zij hebben, hou zal bewaren, zoo van do begeerlijkheid dor wereld, als van de verleiding van don antichrist, 20; dien hij boschrijlt, 22. Hij stolt hen voor do belofte van het eeuwige loven en beschrijft de kracht dor zalving van den H. Geest, die zij haddon ontvangen, 27; on vermaant hen standvastig te blijven bij do loer van Christus, om in zijne verschijning vrijmoedig to mogen bestaan, 28; ongeregtigheid te oefenen, ter betooning dat zij zijn wedergeboren, 29 MIJNE kinderkens! ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd hooft, wij hebben quot;oenen Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den regtvaardige; a 1 Tim. 2 : 5. Hebr. 7 : 25. 2 En hij is quot; oene verzoening voor onze zonden ; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonde ''der geheole wereld. «Rem. 3:25. 2 Cor. 5:18. Col. 1 : 20. I Joh. 4 : 10. 6 Joh. 4: 42 1 Joh. 4 : 14. 3 En hieraan kennen wij, dat wij hem gekend hebben, zoo wij zijne geboden bewaren. 4 quot; Die daar zegt: Ik ken hem, en zijne geboden niet bewaart, die is oen leugenaar, en in dien is de waarheid niet; a 1 Joh. 4 : 20. 5 Maar zoo wie zijn woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden: quot; hieraan kennen wij, dat wij in hem zijn. aJoh. 13:35. 6 Die zegt, dat hij in hem blijft, quot; die moet ook zelf alzoo wandelen, gelijk hij gewandeld heeft. a Joh. 13 : 15. 1 Petr. 2:21. 7 Broeders! ik schrijf u quot; geen nieuw gebod, maar oen oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt: dit oud gebod is het woord, dat gij van don beginne gehoord hebt. a 2 Joh. vs. 5. 8 Wederom schrijf ik u quot; een nieuw gebod : lietgeon waarachtig is in hem, zij ook in u waar-achtiy; want de duisternis gaat voorbij, en het waaraehtige licht schijnt nu. «Joh. 13:34. 15:12. |
1 JOHANNES 2, 3.
1117
|
!) IMo zojit, dat hij in hot licht is, en zijnen broeder haat, die is in do duisternis tot noy toe. 10 quot;Die zijnen broeder liefheeft, ''blijft in het licht, on «leone ergernis is in hem. a 1 Joh. 3 : 14. h Joh. 12 : Hf). 11 Maar die zijnen broeder haat, is in de duisternis, en wandelt in de duisternis, en weet niet, waar hij henengaat; want de duisternis heeft zijne oogen verblind. 12 quot; Ik schrijf u, kinderkous! want de zonden zijn u vergeven om zijns naams wil. a Luk. 24 : 47. Hand. 4 : 12. 13:88. Ill Ik schrijf n, vaders! want gij hebt hem gekend , die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen ! want gij hebt den booze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen! want lt;iij hebt don Vader gekend. 14 Ik heb u geschreven, vaders! want gij hebt hem gekend, die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen! want gij zijt sterk, en liet woord Gods blijft in u, en lt;iij hebt den boozo overwonnen. 15 quot; Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is: ''zoo iemand de wereld liefheeft, do liefde des Vaders is niet in hem. a Kom. 12:2. 6 Gal. 1:10. Jakoh. 4: 4. K! Want al wat in de wereld is, namelijk do begeerlijkheid des vleoschos, en de begeerlijkheid dor oogen, en de fgt;'rootschheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld. 17 quot;En do wereld gaat voorbij, en hare begeerlijkheid; maar die don \vil van God doet, blijft in der eeuwigheid. «I's. 90:10. Jes. 40 : (!. 1 Cor. 7 : 31. Jakob. 1 : 10. 4 : 14. 1 Potr. 1 : 24. IS Kinderkens! hot is do laatste ure: quot;en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zoo zijn ook nu velo antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat bot de laatste ure is. a Matt. 24 : 5. 2 Tliess. 2 : 3. 19 quot; Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet: want inquot; n zij uit ons geweest waren, zoo zouden zij met ons gebleven zijn; ''maar dit is (jeschicd, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn. a Ps. 41 : 10. Hand. 20 : 30. b 1 Cor. 11:19. 20 « Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen. a Ps. 45:8. 133:2. 2 Cor. 1:21. Hebr. 1 : 9. 21 Ik heb u niet geschreven, omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet, en omdat geene leugen uit de waarheid is. 22 Wie is de leugenaar, dan die loochent, dat Jezus is de Christus ? Deze is do antichrist, die den Vader en den Zoon loochent. 23 quot; Een iegelijk, die den Zoon loochent, hooft ook den Vader niet. a Luk. 12:0. 2 Tim. 2:12. 24 Hetgeen gijlieden dan van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u. Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, zoo zult gij ook in don Zoon on in den Vader blijven. |
25 En dit is do belofte, die hij ons beloofd heeft, namelijk hot eeuwige leven. 20 Dit heb ik u geschreven van degenen, die u verleiden. 27 quot;En do zalving, die gijlieden van hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van noodo, dat iemand u leere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van allo dingen, zoo is zij ook waarachtig, en is goeno leugen; en gelijk zij u geloerd hoeft, zon zult gij in hem blijven. a .lor. 31 : 34. Hobr. 8:11. 28 En nu, kinderkous! blijft in hem; quot;opdat, wanneer hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van hem niet beschaamd ge- , maakt worden in zijne toekomst. a Mark. 8 : 38. 1 Joh. 3 : 2. 29 Indien gij weet, dat Hij rogtvaardig is, zoo weet gij, dat een iegelijk , die de regtvaardigheid doet, uit Hem geboren is. HOOFDSTUK 3. Do apostel wijst aan do waardigheid dor geloovigon, dat zij nu kinderen Crods zijn, hoewel hunne heerlijkheid in do toekomst van Christus eerst ten volle zal worden geopenbaard, vs. 1; on vermaant hen, zich /.elven te reinigen, 3; tot welk einde Christus is geopenbaard, 5; en dat daardoor de kinderen Oods van de kinderen des duivels worden onderscheiden , 7 ; omdat de kinderen Oods zich niet begeven tot de zonden, 0. Hij vermaant hen ook elkander lief te hebben, 11; en niet het voorbeeld van Kaïn te volgen, 12. Leert, dat de liefde een regt kenmerk is, dat wij van den dood verlost zijn, en dat degene, die zijnen naaste haat, een doodslager voor God is, 14. Hij stelt voor de liefde van Christus jegens ons en vermaant ons die na te volgen, 10; niet alleen met woorden, maar met de daad en in waarheid, 17; leerende, dat wij daardoor meer en moer worden verzekerd, dat wij regto christenen zijn, 19; en dat onze geboden door God zullen worden verhoord, 22. Hij noemt als de hoofdsom van Christus geboden, in hem te golooven en zijnen naaste lief te hebben, 23; hetwelk doende, zoo hebben wij gemeenschap met hem en worden daarvan door zijnen Geest verzekerd, 24. ZIET, quot; boe groote liefde ons de Vader gegeven hooft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons do wereld niet, omdat zij Hem niet kent. «Joh. 1 : 12. 2 Geliefdon! quot;nu zijn wij kinderen Gods, ''on het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. ' Maar wij weten, dat als hij zal geopenbaard zijn, wij hem zullen gelijk wezen; want wij zullen hem zien, gelijk hij is. aJes. 56:5. Joh. 1:12. Rotn. 8 : 16. Gal. 3 ; 2G. 4 : 0. h Matt. 5 : 12. Rom. 8:18. 2 Cor. 4:17. rFilipp. 3:21. Col. 3:4. 3 En een iegelijk, die deze hoop op hom heeft, die reinigt zich zeiven, gelijk hij rein is. 4 Een iegelijk, die de zonde doet, die doet ook de ongeregtigheid; quot; want do zonde is de onge-regtigbeid. a 1 .lob. 5: 17. 5 quot; En gij weet, dat hij geopenbaard is, opdat hij onze zonden zim wegnemen;'' en geene zonde is in hem. rtJos.53:12. 1 ïim.1:15. /Jos.53:9. 2Cor.5:21. lPctr.2:22. |
1 JOHANNES H, 4.
1118
|
(i Eon icgolijk, diu in hom blijft, die zondigt niet; een iegelijk, die zondigt, die heeft hem niet gezien, en heeft hein niet gekend. 7 Kinderkens! dat n niemand verleide: quot; die do regtvaardigheid doet, die is regtvaardig, gelijk iiij regtvaardig is a 1 .loh. 2 : 29. H Die de zonde doet, is uit den duivel; want do duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat hij de werken des duivels verbreken zou. 9 quot;Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, h want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. n 1 Joh. 5: 18. /) 1 Petr. 1 :23. 10 Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een iegelijk, die do regtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijnen broeder niet liefheeft. 11 Want dit is de verkondiging, die gij van den beginne gehoord hebt, quot; dat wij elkander zouden liefhebben. ft .1 oh. 13:34. 15:12. 1 .loh. 3 : 23. 12 Niet gelijk quot; Kaïn, die uit den booze was, en zijnen broeder doodsloeg ; en om wat oorzaak sloeg hij hom dood ? '' omdat zijne werken boos waren, en van zijnen broeder regtvaardig. k Gon. 4 : 8. //1 lobr. 11 :4. 13 quot; Verwondert u niet, mijne broeders! zoo u de wereld haat. n .loh. 15 : 18. 14 quot;Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben: die zijnen broeder niet liefheeft, blijft in den dood. a 1 Joh. 2 : 10. 15 Een iegelijk, die zijnen broeder haat, is een doodslager; quot;en gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende. a Matt. 5:21. Gal. 5:21. li! quot;Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat hij zijn leven voor ons gesteld lieeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen. a Joh. 15:13. Efez. 5:2. 17 quot;Zoo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijnen broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem? 'i Deut. 15:7. Luk. 3:11. Jakob. 2:15. 18 Mijne kinderkens! laat ons niet liefhebben met den woorde, noch met do tong, maar met de daad en waarheid. 19 En hieraan kennen wij, dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor hem. |
'20 Want indien ons hart ons veroordeelt. God is meerder dan ons hart, on Hij kent allo dingen. 21 Geliefden! indien ons hart ons niet veroordeelt, zoo hebben wij vrijmoedigheid tot God; 22 quot;En zoo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, dewijl wij zijne geboden bewaren, en doen hetgeen behagelijk is voor Hem. rt.Tor. 29:12. Matt. 7:8. 21:22. Mark. 11 :24. Luk. 11:9. Joh. 14: 13. 10:24. Jakob. 1 : 5, 1 Joh. 5: 14, 23 quot; En dit is zijn gebod, dat wij gelooven in den naam van zijnen Zoon Jezus Christus, ''en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft. n Joh. 6:29. 17:3. b Lev. 19:18. Matt. 22:39. Joh. 13:34. 15:12. Efoz. 5:2. 1 Thess. 4:9. 1 Petr. 4:8. 1 Joh. 4:21. 24 quot; En die zijne geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in denzelven. En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit den Geest, dien Hij ons gegeven heeft. a Joh. 14: 23. 15: 10. 1 Joh. 4: 12. HOOFDSTUK 4. Do apostel waarschuwt do geloovigen wederom tegen de valscho leeraars, vs. 1 ; die hij beschrijft, 2; en troost hen tegen limine verleiding met do gave der wedorgo-boorte, welke zij hebben ontvangen, 4; hen vermanende standvastig te blijven bij de leer der apostelen, 0. Hij komt vervolgens weder tot do vermaningen van onderlinge liefde, die een regt kenmerk van de ware wedergeboorte is, 7; en stelt him tot dat einde voor het voorbeeld Gods en zijne groote liefde tot ons, 9. Leert, dat wij uit deze onderlinge liefde door zijnen Geest worden verzekerd, dat wij met God gemeenschap hebben, 12; gelijk ook als wij belijden, dat Jezus de Zaligmaker der wereld en de Zoon van God is, 14; dat wij door de liefde in God blijven on vrijmoedigheid hebben in den dag des oordeels, 10; dat do liefde de vrees der verdoemenis en smart des gemoeds verdrijft, 18; dat wij God niet kunnen liefhebben, indien wij onzen naaste niet liefhebben. 20; alzoo beide deze geboden te zamen ons zijn gegeven, 21. GELIEFDEN! quot;gelooft niet eenen iegelijken geest, ''maar beproeft do geesten, of zij uit God zijn: ' want vele valscho profeten zijn uitgegaan in do wereld. aJer. 29:8. Matt. 24:4. Efez. 5 : G. Col. 2 : 18. /iMatt. 7 : 15, 10. 1 Cor. 14 : 29. 1 Thess. 5 : 21. « Matl. 24 : 5, 24. 2 Petr. 2:1. 2 Joh. vs. 7. 2 Hieraan kent gij den Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God; 3 En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in hot vleesch gekomen is, die is uit God niet; quot; maar dit is de geest van den antichrist, |
1119
|
''welken geest yij guhoord hebt, dat komen zal, «en is nu aireede in de wereld. n 1 Joh. 2 : 22. Ij 1 .lolt. 2 ; 18. c 2 Thess. 2 : 7. 4 Kinderkous! yij zijt uit God, en hebt hen overwonnen; want Hij is meerder, rlie in u is, dan die in de wereld is. 5 Zij zijn uit de wereld, daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld hoort hen. 6 quot;Wij zijn uit God. Die God kent, hoort ons; die uit God niet is, hoort ons niet. Hieruit kennen wij den geest der waarheid, en den geest der dwaling. a Joh. 8:47. 10:27. 7 Geliefden! laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een iegelijk , die liefheeft, is uit God geboren, en kent God; |
un Hij in ons, omdat Hij ons van zijnen Geest gegeven hoeft. 14 En wij hebben het aanschouwd, en getuigen, dat de Vader zijnen Zoon gezonden hooft tot eoneu Zaligmaker der wereld. 15 Zoo wie beleden zal hebben, dat Jezus de Zoon van God is. God blijft in hem, en hij in God. 1(5 En wij hebben gekend en geloofd do liefde, die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem. 17 Hierin is do liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in den dag des oordeels, namelijk dat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld. 18 Er is in de liefde geene vrees, maar de vol- |
|
8 Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend, want God is liefde. 9 quot; Hierin is do liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijnon eeniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden loven door hem. «Joh. 3:l(i. Rom. 5:8. 10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, quot;maar dat Hij ons lief heeft gehad, on zijnon Zoon gezonden heeft '' tot eene verzoening voor onze zonden. «Rom. 3:24. 2 Cor. 5:19. Col. I : 19. h Rom. 3 : 25. 1 Joh. 2 : 2. 11 Geliefden! indien God ons alzoo lief heeft gehad, zoo zijn ook wij schuldig elkander lief te hebben. 12 quot; Niemand heeft ooit God aanschouwd; '' indien wij elkander liefhebben, zoo blijft God in ons, en zijne liefde is in ons volmaakt. a Ex. 33: 20. Dcut. 4:12. Joh. 1:18. 1 Tim. 1 :17. G: 10. h 1 Joh. 3 : 24. 13 Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven. |
maakte liefde drijft de vrees buiten; want do vroos hoeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt in do liefde. 1!) Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad hoeft. 20 quot;Indien iemand zegt: Ik heb God lief; en haat zijnen broeder, die is een leugenaar: want die zijnen broeder niet liefheeft, dien hij gezien hoeft, hoe kan hij God liefhebben, dien hij niet gezien heeft? n 1 Joh. 2:4. 21 quot; En dit gebod hebben wij van Hom, nnmeiijk dat die God liefheeft, ook zijnen broeder liefhobbe. a Lev. 19:18. .Matt. 22:39. Joh. 13:34. 15:12. Efez. 5 :2. 1 Thess. 4:9. 1 Petr. 4:8. 1 Joh. 3: 23. HOOFDSTUK 5. Do apostel bewijst verder, dat de liefde Gods on zijner kinderen altijd moeten to /.ainnn gaan, vs. 1: en lonrt dat do liefde Ctods openliaar wordt door het onderhouden zij nor geboden en in de overwinning |
1 JOHANNES 5.
112(1
|
dor wereld, hetwelk de wedergelioieiicii doen door liet gelooi' in .lo/.iis Christus, ;gt;; wien liij bewijst te y.ijn de Zoon van God en on/o Veiiossor, door tweederlei getuigenissen, in den hemel, van de Heilige Drieëenheid, li; en op de aarde van den Geest, het water en hot bloed, 8; leert, dat wij deze getuigenissen moeten aannemen, of dat wij anders God tot eenen leugenaar maken, i); maar die ze aannemen, dat zij door Christus het eeuwige leven hebben, II; en een vertrouwen, dat zij van God door hunne gebeden alles zullen verkrijgen, wat ter zaligheid noodig is, 14; en dat niet alleen voor zich zeiven, maar ook voor hunnen broeder, die niet zondigt tot den dood, 1G; tot welke zonde hij leert, dat do wedergeborenen niet vervallen, vermits zij God en zijnen Zoon Jezus Christus regt kennen en in Hom zijn, IS. Vermaant eindelijk degeloovigen zich te wachten van do afgoden, 21. EEN quot; iegelijk, die gelooft, dat Jezus is do Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk , die liefheeft dengenen, die geboren heeft, die heeft ook lief dengenen, die uit Hem geboren is. «Joh. 1 : 12. 2 Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en zijne geboden bewaren. 3 quot; Want dit is de liefde Gods, dat wij zijne geboden bewaren ; h en zijne geboden zijn niet zwaar, a.loh.14:15. irgt;:lo. ftMatt.ll:29,;}ü. 4 Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; quot; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. a Joh. I (i: 5 quot; Wie is het, die de wereld overwint, ''dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God? a I Cor. 15 : 57. h I Joh. 4 : 15. (i Deze is het, die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus: niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, die getuigt, dat de Geest de waarheid is. 7 Want drie zijn er, die getuigen in den lieinel, de Vader, hol Woord en de Heilige Geest, en deze drie zijn een. |
S Kn drie zijn er, die getuigen op de aarde, do Geest, en hot water, on hot blood; on die drie zijn tot een. !» quot; Indien wij do getuigenis dor menschen aannemen, de getuigenis van God is moordor; want dit is do getuigenis van God, welke Hij van zijnon Zoon getuigd heeft. «Joh. 5:37. 10 quot;Die in don Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zich zeiven; die God niet gelooft, heeft Hom tot een' leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van zijnen Zoon. «Joh. 3:30. Kom. S : 1 (3. Gal. 4 : (i. 11 En dit is do getuigenis, nam cl ijk d a t ons God het eeuwige leven gegeven heeft; quot; en ditzelve leven is in zijnon Zoon. a Joh. 1 : 4. 12 Die don Zoon heeft, die heeft hot leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft hot leven niet. 13 quot;Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den naam des Zoons van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den naam des Zoons van God. a Joh. 20 : 31. 14 En dit is de vrijmoedigheid , die wij tot Hom hebben, quot; dat zoo wij iets bidden naar zijnen wil, Hij ons verhoort. aJer. 20:12. Matt. 7:8. 21:32. Mark. 11:24. Luk. 11:9. Joh. 14:13. 15:7. 10:24. Jakob. 1:5. 1 Joh. 3:22. 15 En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zoo weten wij, dat wij de beden verkrijgen, die wij van Hem gebeden hebben. l(i Indien iemand zijnen broeder ziet zondigen eene zonde niet tot don dood, die zal God bidden, en Hij zal hem het loven geven, dengenen, zeg ik, die zondigen niet tot den dood. quot; Er is eono zonde tot den dood; voor dezelve zonde zog ik niet, dat bij zal bidden. n Num. 15 : 30. 1 Sam. 2 : 25. Matt. 12 : 31. Mark. 3 : 20. Luk. 12:10. Hebr. 0:4. 10:20. 2 Petr. 2:20. 17 quot;Allo ongeregtighoid is zonde; en er is zonde niet tot den dood. a 1 Joh. 3:4. |
2 JOHANNES. 3 JOHANNES. 1121
|
18 quot; Wij weten, dat een iegelijk, die uit God geboren ia, niet zondigt; maar cjie uit God geboren is, bewaart zich zeiven, on de booze vat hem niet. a l Joh. 3 ; 9. 19 Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat do geheele wereld ligt in het boozo. |
20 Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, quot;en heeft ons liet verstand gegeven, dat wij don Waarachtige kennen; on wij zijn in den Waarachtige, namelijk in zijnen Zoon Jezus Christus. b Deze is de waarachtige God, on het eeuwige leven. «Luk. 24:45. Jes. 9:5. 44:0. 54:5. Joh. 20:28. Rem. 9 : 5. 1 Tim. 3 : IG. 21 Kinderkous! bewaart u zeiven van do afgoden. Amen. |
DE TWEEDE BRIEF
VAN DEN
APOSTEL JOHANNES.
|
Deze tweede, gelijk ook de derde brief van Johannes, zijn aan bijzondere personen geschreven; derzelver echtheid wordt door den stijl en inhoud mot don eersten brief van gt;Iohannos overeenkomende gestaafd. Na het opschrift en de groete, vs. 1; vermaant de apostel eone geloovige vrouw en hare kinderen, 5; tot standvastigheid in de liefde en de betrachting van Oods geboden, 7; hen waarschuwende togen lt;le verleiders, 8; vermaant hen zich voor dezelve te wachten, om niet verleid te worden, 10; en fïeene gemeenschap niet hen te houden, opdat zij hunne zonden niet deelachtig worden, 12. Hij eindigt met eene verklaring, waarom hij niet uitvoeriger aan hen schrijft, want hij hoopte zelf tot hen te komen, en groet deze vrouw van de kinderen harer zuster, 13. DE ouderling aan do uitverkorene vrouw en aan hare kinderen, die ik in waarheid liefheb, on niet alleen ik, maar ook allen, die de waarheid gekend hebbon; 2 Om der waarheid wil, die in ons blijft, eu mot ons zal zijn in der eeuwigheid: 3 Genade , barmhartigheid, vrede zij met nlieden van God den Vader, on van don Hoere Jezus Christus, deu Zoon des Vaders, in waarheid en liefde. 4 Ik ben zoor verblijd geweest, dat ik van uwe kinderen gevonden heb, die in do waarheid wandelen, gelijk wij een gebod ontvangen hebben van den Vader. 5 En nu bid ik u, uitverkorene vrouw! quot;niet als u schrijvende een nieuw gebod, maar hetgeen wij gehad hebben van den beginne, namelijk h dat wij elkander liefhebbon. |
a 1 Joh. 2:7. ft Joh. 13:34. 15: 12. Efoz. 5 : 2. 1 Thess. 4 : 9. 1 Petr. 4 : 8. 1 Joh. 8 : 23. 4 : 21. (i quot; En dit is do liefde, dat wij wandelen naar zijne geboden. Dit is het gebod, gelijk gijlieden van den beginne gehoord hebt, dat gij in hetzelve zoudt wandelen. n Joh. 15:10. 7 quot; Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vleosch gekomen is. Deze is de verleider en do antichrist, a Matt. 24:5,24. 2 Petr. 2:1. 1 Joh. 4:1. 8 Ziet toe voor u zolven, dat wij niet verliezen hetgeen wij gearbeid hebben, maar eenen vollon loon mogen ontvangen. 9 Een iegelijk, dio overtreedt, en niet blijft in de leer van Christus, dio heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beidon don Vader en den Zoon. 10 quot; Indien iemand tot ulieden komt, eu deze loer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Zijt gegroet. «Hom. 1G: 17. 2Tiin.3;5.'rit.3:10. 11 Want die tot hem zegt: Zijt gegroet; dio hooft gemeenschap aan zijne boozo werken. 12 Ik heb veel aan ulieden te schrijven, doch ik heb niet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot ulieden te komen, en mond tot mond met v to spreken, opdat onze blijdschap volkomen moge zijn. 13 U groeten do kinderen van uwe zustor, de uitverkorene. Amen. |
DE DEKDE HRIEF
VAN TIEN
APOSTEL JOHANNES,
|
Na hot opschrift en de groete, vs. 1; prijst de apostel zeer de godzaligheid van Gajus, aan wien hij dezen brief schrijft, 3; waarover hij zich ook verblijdt, 4. Voornamelijk roemt hij zijno herbergzaamheid jegens |
do broeders, dio tor wille van hot evangelie in vreemde landen moeten reizen, ó; vermanende hom daarin te volharden, 6. Hij klaagt over eenen Diótre-fes, die zich in de gemeente meester zocht te maken, |
71
JUDAS.
112-2
|
don apostel lasterde en verhinderde, dat do broeders gastvrij werden ontvangen, 9. Vermaant Qajns dit kwade voorbeeld niet te volgen, 11 ; on beveelt hem oen' Demótrins, van wien hij een goed getuigenis geeft, 12. Hij eindigt mot do verklaring, waarom hij hem geen' langoren brief schreef, i'5; en mot wederzijdsche groetonissen, 15. DE ouderling aan den geliefden Gajus, wolken ik in waarheid liefheb. 2 (Jeliefde! voor alle dingen wensch ik, dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uwe ziel welvaart. H Want ik ben zeer verblijd geweest, als de broeders kwamen, en getuigden van uwe waarheid, gelijk gij in de waarheid wandelt. 4 Ik heb geene meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor, dat mijne kinderen in de waarheid wandelen. 5 Geliefde! gij doet trouwelijk, in al hetgeen gij doet aan de broederen en aan de vreemdelingen. (! Die getuigd hebben van uwe liefde, in de tegenwoordigheid der gemeente; welken indien ifij geleide doet, gelijk het Gode waardig is, zoo zult gij weldoen. 7 Want zij zijn voor zijnen naam uitgegaan, niets nemende van de Heidenen. |
cS Wij dan zijn schuldig de zoodanigen te ontvangen , opdat wij medearbeiders mogen worden der waarheid. 9 Ik heb aan de gemeente geschreven; maar Diótrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan. 10 Daarom, indien ik kom, zoo zal ik in gedachtenis brengen zijne werken, die hij doet, met booze woorden snaterende tegen ons; en hiermede niet vergenoegd zijnde, zoo ontvangt hij zelf de broeders niet, en verhindert degenen, die het willen doen, en werpt ze uit de gemeente. 11 Geliefde! quot; volg het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God ; maar die kwaad doet, ''heeft God niet gezien. n Ps. ;17 : 27. .los. 1 : 1G. 1 Petr. I!: 11. i 1 Joh. 3 : G. 12 Aan Demétrius wordt getuigenis gegeven van allen, en van de waarheid zelve; en wij getuigen ook, en gij weet, dat onze getuigenis waarachtig is. 13 quot; Ik had veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen; a2.Joh. vs. 12. 1-1 Maar ik hoop u haast te zien, en wij zullen mond tot mond sproken. ló Vrede zij u. Do vrienden groeten u. Groet de vrienden mot name. |
DE ALGEMEENE BRIEF
VAN DEN
APOSTEL JUDAS.
|
Do apostel Judas, volgende het voorbeeld van don apostel Petrus in zijnen tweedon brief, hoeft dezon brief geschreven, om de geloovige christenen te vermanen tot standvastigheid in het ware geloof, en hen te waarschuwen togen do valsche leeraren en spotters, om door hen niet verleid te worden. Na het opschrift en de zegengroet, vs. 1; stelt hij deze vermaning voor, en toont aan, hoe noodig dezelve is, alzoo vele goddeloozo menschen onder de christenen waren ingeslopen, 3. Hij verklaart, dat deze van God zullen gestraft worden, zulks stavende mot do voorbeelden der Israëlieten in de woestijn, 5; der afvallige engelen, G; en dor inwoners van Sodom on öomorra, 7. Beschrijft hen, als do overheden lasterende, hetwelk zelfs Michael de archangel tegen den duivel niet durfde doen, 8. Dat zij de voetstappon volgen van Kaïn, Balailm en Korach, 11; dat zij vlekken, zijn der christelijke vergaderingen, huichelaars, ongestadigon, en dat zij zeker zullen verdoemd worden, 12; hetwelk hij bevestigt met eene profetie van Enoch, 14; beschrijvende verder hunne gebreken, 1G; en zegt, dat het die lieden zijn, tegen welke de apostelen hen gewaarschuwd hebben, 17. Hij herhaalt daarna wederom zijne vermaning tot standvastigheid, met belofte des eeuwigen levens, 20. Vermaant hen voorts, dat zij hunnen naaste moeten trachten te behouden; sommigen met liefde, anderen met hardheid, 22. Eindigt zijnen brief met lof en dankzegging tot Ood, 24. JUDAS, een dienstknecht van Jezus Christus, |
on brooder van Jakobus, aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard: 2 Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd. 3 Geliefden! alzoo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemeono zaligheid, zoo heb ik noodzaak gehad aan n te schrijven en n te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is. 4 quot;Want er zijn sommige menschen ingeslopen, h die eertijds tot ditzolve oordeel te voren opgeschreven zijn, goddeloozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en don eenigen Heerscher, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen. a 2 Petr. 2:1. Ij 1 Petr. 2 : 8. 2 Petr. 2 : 3. 5 Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat do Heere, het volk uit Egypte-land verlost hebbende, quot; wederom degenen, die niet geloofden, verdorven hoeft. a Num. 14:20. 2G: G4, 66. Ps. 10G:2G. 1 Cor. 10:5. Hebr. 3:17. G quot; En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hunne eigene woonstode verlaten hebben, 11 heeft Hij tot het oordeel des grooton |
0?ENBA1UN(i 1.
|
dags met eeuwige banden ondor do duisternis bewaard. a 2 Petr. 2 : 4. h 2 Petr. 2 ; 4. 7 quot; Gelijk Sódoma en Gomórra, en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vleesch zijn nagegaan, tot oen voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf dos eeuwigen vuurs. k Oen. IS): 24. Deut. 29:23. .les. 13: 1!). .Ier. 50:40. E/.ec. 10:49. Hos. 11:8, Amos. 4 :11. Luk. 17 : 29. 2 Petr. 2 : 0. 8 Desgelijks evenwel ook deze in slaap gebragt zijnde, verontreinigen het vleesch, on verwerpen do heerschappij, en lasteren de heerlijkheden. 9 Maar quot;Micbaël, de archangel, toen hij mot don duivel twistte, en handelde van het ligebaam van Mozes, ''durfde geen oordeel van lastering tegen /icm voortbrengen; maar zeide : 'â De Heere bestrafte u ! a Dan. 10:13. 12:1. Openb. 12:7. h 2 Petr. 2:11. c Zacli. 3 : 2. 10 quot; Maar deze, hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij; en hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij zich. a 2 Petr. 2 : 12. 11 Wee hun! want zij zijn den weg van quot;Kaïn ingegaan, en door h do verleiding des loons van Balaam zijn zij henenge-stort, quot; on zijn door do tegon-spreking van Korach vergaan. n Cren. 4:8. 1 Joh. 3 : 12. h Num. 22 ,21. 2 Petr. 2 : 15. cNum. 16:1. 12 Deze zijn quot;vlekken in uwe liefdomaaltijden, en als zij niet u ter maaltijd zijn, weiden zij zich zolven zonder vreeze; zij zijn '' waterloozo wolkon, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als booinen in het afgaan van den herfst, onvruchtbaar , tweemaal verstorven, en ontworteld; a 2 Petr. 2 : 13. h2 Petr. 2 : 17. lil quot; Wilde baren dor zee, hunne eigene schande opschuimondo; dwalende sterren, donwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. a Jes. 57 : 20. |
14 En van dezen hooft ook quot; Enoch, do zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: ' Ziet, do Heere is gokomon met zijne vele duizenden heiligen; a Gen. 5: 18. //Dan. 7 : 10. Hand. 1:11. 1 Thess. 1 : 10. 2 Thess. 1:10. Openb. 1 ; 7. 15 Om gerigt te houden tegen allen, en te straffen allo goddeloozen onder hen, van wege al hunne goddelooze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en quot; van wege al de harde moorden, die do goddelooze zondaars tegen Hem gesproken hebben. «Maft. 12:36. Hi Deze zijn murmureorders, klagers over hunnen staat, wandelende naar hunne begeerlijk-hoden; quot;en hun mond spreekt zoor opgeblazene dingen, verwonderende zich over de personen oni des voordeels wil. a 2 Petr. 2 : 18. 17 Maar geliefden! gedenkt gij dor woorden, die voorzegd zijn van de apostelen van onzen Heere Jezus Christus: 18 Dat zij u gezegd hebben, quot; dat er in don laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hunne goddelooze begeerlijkheden wandelen zullen. n Hand. 20 : 29. 1 Tim. 4:1. 2 Tim. 3:1. 4:3. 2 Petr. 2:1. 3:3. 19 Deze zijn het, die zich zeiven afscheiden, natuurlijkemen-schen, den Geest niet hebbende. 20 Maar geliefden ! bouwt gij u zeiven op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest; 21 Bewaart u zolven in do liefde Gods, vorwach-tondo de barmhartigheid van onzen Heere Jezus Christus ton eeuwigen leven. 22 En ontfermt u wel eeniger, onderscheid makende; 23 Maar behoudt anderen door vreeze, en grijpt ze uit het vuur; en haat ook den rok, die van het vleesch bevlekt is. 24 Hem nu, die magtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor zijne heerlijkheid, in vreugde, 25 quot; Den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, krachten magt, beide nu en in allo oeuwisjheid. Amen. «Rora. 16:27. ITim. 1:17. |
DE OPENBARING
VAN
JOHANNES.
|
HOOFDSTUK 1. Johannes, na oen verhaal van en door wien hij deze openbaring had ontvangen, vs. 1; en hoe zalig '/.ij |
zijn, ilio dezelve lozen en bewaren, 3; wenscht genade en vrede aan do zeven gemeenten in Azië, van (iod, van de zeven Geesten en van Christus Jezus, wiens persoon, weldaden en komst ten oordeel (met |
71*
OPENBARING 1, 2.
1124
|
welke dit boek zal eindigen) hij breeder beschrijft, 4. Hij komt daarna tot de openbaring zelve, verklaart zijnen naam en waar hij was, toen hem deze openbaring is geschied, 9. Verhaalt de stem desgenen, die hein dezen last tot schrijven heeft gegeven, 11. Beschrijft daarna het eerste gezigt van de zeven gouden kandelaren, 12; en van den persoon van Christus in eene zeer heerlijke gestalte, 13. Verhaalt zijne verschrikking over dit gezigt, en de versterking, die hem door Christus is geschied, 17; ontvangt last om te schrijven, 19; en verklaart, wat door de zeven sterren en de zeven kandelaren wordt beteekend, 20. DE openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om zijnen dienstknechten te toonon de dingen, die haast geschieden moeten; en die hij door zijnen engel gezonden, en zijnen dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft ; 2 Dewelke het woord Gods betuigd heeft, en de getuigenis van Jezus Christus, en al wat hij gezien heeft. 3 «Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die hooren de woorden dezer profetie, en die bewaren hetgeen in dezelve geschreven is: ''want do tijd is nabij. aOpenb. 22:7. h Openb. 22:10. 4 Johannes aan de zeven gemeenten, die in Azië zijn: genade zij u en vrede van Hem, quot;Die is, en Die was, en Die komen zal; en van do zeven Geesten, die voor zijnen troon zijn; «Ex. 3:14. Openb. 1:8. 4:8. 11:17. 10:0. 5 En van Jezus Christus, quot; die de getrouwe Getuige is, '' de eerstgeborene uit de dooden, en de Overste der koningen der aarde. Hem, die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewas-schen heeft 'in zijn bloed, a .les. 55:4. Openb. 3:14. b 1 Cor. 15 : 20. Col. 1: 18. c Hand. 20 : 28. Hebr. 9: 12, 14. 1 Petr. I : 19. 1 Joh. 1 :7. Openb. 5:9. 6 En die ons gemaakt heeft quot; tot koningen en b priesters Gode en zijnen Vader; hem, zei/ ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. n 1 Potr. 2:9. Openb.5:10. h Kom. 12:1.1 Petr. 2:5. 7 Ziet, quot; hij komt met de wolken, en alle oog zal hem zien, ook degenen, ''die hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over hem rouw bedrijven; ja, amen. a Dan. 7 :13. Maft. 24:30. 25:31. Hand. 1:11. 1 Thess. 1:10. 2 Thess. 1 :10. Judas vs. 14. b Zach. 12:10. Joh. 19:37. 8 quot; Ik ben do Alfa en de Oméga, liet begin en het einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Ahnagtige. a Jes. 41 : 4. 44 : (5. Openb. 21:6. 22 :13. 9 Ik, Johannes, die ook uw broeder ben, en medegenoot in de verdrukking, en in het koningrijk, en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, was op het eiland , genaamd Patmos, om het woord Gods, en om de getuigenis van Jezus Christus. 10 En ik was quot; in den geest op den dag des Heeren; en ik hoorde achter mij eene groote stem, als van eene bazuin, «Openb. 4:2. |
11 Zeggende: Ik ben de Alfa en de Oméga, de eerste en de laatste; en hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek, en zend hot aan de zeven gemeenten, die in Azië zijn, namelijk naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatire, en naar Sardis, en naar Filadelfia, en naar Laodicéa. 12 En ik keerde mij om, om te zien de stem, die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende, zag ik zeven gouden kandelaren; 13 En in het midden van de zeven kandelaren eenen, quot;den Zoon des menschen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en '' omgord aan de borsten met eenen gouden gordel; rt.Ezec. 1 :26. Dan. 7:13. Openb. 14:14. ft Openb. 15:6. 14 En zijn hoofd en haar was wit, gelijk als quot;witte wol, gelijk sneeuw; ''en zijne oogen gelijk eene vlam vuurs; a Dan. 7:9. !gt; Openb. 19:12. 15 En zijne voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in oenen oven; en zijne stem quot; als eene stem van vele wateren. «Openb. 14:2. 16 En hij had zeven sterren in zijne regterhand; en uit zijnen mond ging quot; een tweesnijdend scherp zwaard; en zijn aangezigt was, gelijk de zon schijnt in hare kracht. «Jes. 49:2. Efez. 6:17. Hebr. 4: 12. Openb. 2:16. 19:15. 17 En toen ik hem zag, viel ik als dood aan zijne voeten; en hij leide zijne regterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; quot; ik ben de eerste en de laatste ; « Jes. 41 : 4. 44 : 6. 48 :12. 18 quot;En die leef, en ik ben dood geweest; en zie, ik ben lovend in alle eeuwigheid. Amen. ''En ik heb do sleutels der hel en des doods. « Rom. 6 : 9. b Job 12 : 14. .les. 22 : 22. Openb. 3:7. 20:1. 19 Schrijf hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na dezen: 20 Do verborgenheid der zeven sterren, die gij gezien hebt in mijne vegturhand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn quot; de engelen der zeven gemeenten; en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven gemeenten. « Mal. 2 : 7. HOOFDSTUK 2. Christus beveelt Johannes te schrijven, en wel vooreerst, aan den engel van de gemeente van E'feze, vs. 1 ; die hij prijst over hare zorg in het weren van het kwade en over verscheidene andere deugden, 2; maar bestraft haar, dat zij haren eersten ijver en liefde heeft verlaten, 4; doch belooft, dat hij den overwinnaars zal geven van don boom des levens, 7. Ten tweede, aan die van Smyrna, welke hij ook prijst over vele deugden, 8; doch waarschuwt haar aangaande de verdrukkingen, welke over haar zullen komen, met de belofte van de kroon des levens aan de overwinnaars, 10. Ten derde, aan die van Pergamus, welke hij prijst over hare standvastigheid in de verdrukkingen, maar bestraft haar over hare laauwheid tegen degenen, die de leer van Balailm. en der Nicolaïeten volgden, 12; doch belooft den overwinnaars het verborgen manna, met eenen witten keursteen, 17. Ten vierde, aan die van Thyatire; hij prijst haar over haar toenemen in het goede, 18; docli bestraft haar, dat zij de vrouw Jezabel liet profeteren, 20; welke hij bedreigt met hare aanhangers en kinderen te straffen, 22. Vermaant daarna degenen, die deze diepten des Satans niet |
|
aanhingen, vast te houden hetgeen zij hebben, 24; on belooft hem, die overwint, magt te geven over de Heidenen. en dat hij hem de morgenster zul geven, 20. RCII RIJK aan den engel tier gemeente van Efeze: Dit zegt hij, die de zeven sterren in zijne regter-hand houdt, die in liet midden der zeven gouden kandelaren wandelt: 2 Ik weet uwe werken, en uwen arbeid, en uwe lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt dragen; en dat gij beproefd hebt degenen, die uitgeven, dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden; 3 En gij hebt verdragen, en hebt geduld; en gij hebt om mijns naams wil gearbeid, en zijt niet moede geworden. 4 Maar ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten. â¢5 (iedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zoo niet, ik zal u haastelijk /rykomen, en zal uwen kandelaar van zijne plaats weren, indien gij u niet bekeert. (i Maar dit hebt gij, dat gij de werken quot; der Nicolaïeten haat, welke ik ook haat. a Openb. 2 ; 15. 7 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, ik zal hem geven te eten van quot; den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is. a Gen. 2 : !i. Openb. 22 ; 2. 8 En schrijf aan den engel der gemeente van die van Smyrna: Dit zegt quot; de eerste en de laatste, die dood geweest is, en weder levend is geworden: «.les. 41: 4. 44 : G. Openb. 1 : 17. !) Ik weet uwe werken, en verdrukking, en armoede (doch gij zijt rijk), en do lastering dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn eene synagoge des Satans. 10 Vrees geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel zal eenigen van ulieden in de gevangenis worpen, opdat gij verzocht wordt; on gij zult eene verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot den dood, en ik zal u geven de kroon dos levens. 11 quot; Die ooren hooft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, zal van don tweeden dood niet beschadigd worden. a Matt. 13 : 9. 12 En schrijf aan den ongel der gemeente, die in Pérgamus is: Dit zegt hij, die hot quot;tweesnijdend scherp zwaard heeft: «Openb. 1 ; 10. 2: 10. i:i Ik weet uwe werken, en waar gij woont, namelijk daar de troon dos Satans is; en gij houdt mijnen naam, en hebt mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke A'ntipas mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden, daar de Satan woont. 14 Maar ik heb eenige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de leering van quot;Balaam |
1125 houden, die Balak loerde den kinderen Israels een' aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren. a Num. 22,23. 24 : 14. 25: 1. 31 : 10. 15 Alzoo hebt ook gij, die de leering der Nicolaïeten houden; hetwelk ik haat. 10 Bekeer u; en zoo niet, ik zal u haastelijk /rykomen, on zal togen hen krijg voeren quot; met hot zwaard mijns monds. «.los. 49:2. Efoz. 0:17. Ilobr. 4:12. Openb. 1 : 10. 17 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot do gemeenten zegt. Die overwint, ik zal hem geven te eten van het manna, dal verborgen is, en ik zal hem geven oenen witten keursteen, en op den keursteen oenen nieuwen naam goschre-ven, wolkon niemand kent, dan die bom ontvangt. 18 En schrijf aan den ongel dor gemeente te Thyatïro: Dit zegt do Zoon van God, quot;die zijne oogen heeft als eene vlam vuurs, en zijne voeten zijn blinkend koper gelijk: «Openb. 1 ; 14,15. 19 Ik weet uwe werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uwe lijdzaamheid, en uwe werken, en dat de laatste meer zijn dan de eerste. 20 Maar ik heb eenige weinige dingen tegen u, dat gij de vrouw quot; Jezabel, die zich zelve zegt eeno profetes te zijn, laat loeren, en mijne dienstknechten verleiden, dat zij hoereren en afgodenoffer eten. n I Kon. 10:31. 2 Kon. 9:7. 21 En ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zicb zou bekoeron van hare hoererij, on zij heeft zich niet bekoord. 22 Zie, ik worp haar to bed, on die met haar overspel bedrijven, in grooto verdrukking, zoo zij zich niet bekoeron van hunne werken. 23 En bare kinderen zal ik door den dood ombrengen ; en al de gemeenten zullen weten, quot; dat ik het ben, die nieren on harten onderzoek. b En ik zal ulieden geven oen' iegelijk naar uwe werken. a 1 Sam. 10:7. 1 Kron. 28 : 9. 29 : 17. Fs. 7 : IU. .Ier. II : 20. Hand. 1 : 24. h Ps. 62: 13. .Ier. 17 : 10. 32 : 19. Malt. 10 : 27. Hom. 2 : 0. 14 : 12. 2 Oor. 5 : 10. Gal. 0:5. Openb. 20:12. 24 Doch ik zeg tot ulieden , en tot de anderen , die te Thyatfre zijn, zoo velen, als er deze leer niet hebben, en die de diepten des Satans niet gekend bobben, gelijk zij zeggen: Ik zal u goonen anderen last opleggen: 25 Maar hetgeen gij hebt, quot; houdt dat, totdat ik zal komen. «Openb. 3:11. 26 En die overwint, en dio mijne werken tot bet einde toe bewaart, quot; ik zal hom magt geven over de Heidenen ; a Ps. 2 : 8. 27 En hij zal ze hoeden met eenon ijzeren staf; zij zullen als pottebakkersvaten vermorzeld worden; gelijk ook ik van mijnen Vader ontvangen bob. 28 En ik zal hem do morgenster geven. 29 Die ooren heeft, die hoore wat do Geest tot de gemeenten zegt. OPENBARING 2. |
OPENBARING 11.
112(;
|
HOOFDSTUK 3. Christus beveelt, dat de vijfde brief worde geschreven aan den engel der gemeente van Sardis, vs. 1 ; die hij vermaant tot meerdere waakzaamheid en zorg, 2; anders dreigt hij over haar te komen ais een diel in den nacht, !i; hij belooft degenen, die hnnne klee-deren niet bevlekt hebben, dat zij met hem zullen wandelen, en dat hij hunnen naam niet zal uitwis-schen uit het boek des levens, 4. Beveelt daarna den zesden brief te schrijven aan don ongel van Filadelfla, 7 ; welke hij prijst over hare standvastigheid en belooft haar, dat Joden zullen komen om te aanbidden voor hare voeten, en dat hij haar zal bewaren in de verzoeking, 9; belooft den overwinnaar te maken tot een' pilaar in den tempel Gods en een inwoner van liet nieuwe Jeruzalem, r.'. Beveelt eindelijk den zevenden brief te schrijven aan den engel der gemeente van Lao-dicéa, 14; wier laauwheid en ijdele roem, of waan van rijkdom hij bestraft, 15; en raadt haar van hem te koopen goud, dat in liet vuur beproefd is, en kleederen, en oogenzalf, 18; betuigt, dat iüj aan de deur klopt, en belooft den overwinnaar, dat hij hem zal geven te zitten aan zijne tafel en op zijnen troon, 20. EN schrijf aan den engel der gemeente, die te Sardis is; Dit zegt, die quot; de zeven Geesten Gods heeft, en ''de zeven sterren: Ik weet uwe werken, dat gij den naam hebt, dat gij loeft, en gij zijt dood. «Openb. 1:4. iOpenb. 1:1 (i. 2 Zijt wakende, en versterk het overige, dat sterven zou; want ik heb uwe werken niet vol gevonden voor God. 3 Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en quot; bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zoo zal ik over u komen h als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure ik over u komen zal. a Openb. 3:19. h Matt, 24: 40. I Thoss. 5 : 2. 2 Petr. 3 : 10. Openb. Ui: 15. 4 Doch gij bebt eeniye weinige namen ook te Sardis, die hunne kleederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met mij wandelen in witte kleedcren, overmits zij het waardig zijn. 5 Die overwint, die zal bekleed worden met witte kleederen; en ik zal zijnen naam geenszins uitdoen quot; uit bet boek des levens, en h ik zal zijnen naam belijden voor mijnen Vader en voor zijne engelen. «Ex. 32:32. Ps. 69:29. Filipp. 4:3. Openb. 20:12. 21:27. i Matt. 10:32. Luk. 12:8. (i Die ooren heeft, die hoore wat do Geest tot de gemeenten zegt. |
7 En schrijf aan den engel der gemeente, die in Filadelfla is: Dit zegt de Heilige, quot;de Waarachtige, h die den sleutel Davids heeft; die opent, en niemand sluit, en hij sluit, en niemand opent: a Openb. 3 : 14. i.lob 12 : 14. Jes. 22 : 22. Openb. 1 : 18. 8 Ik weet uwe werken ; zie, ik heb eene geopende deur voor u gegeven, en niemand kan diesluiten: want gij hebt kleine kracht, en gij bebt mijn woord bewaard, en bebt mijnen naam niet verloochend. 9 Zie, ik geef u eenigen quot;uit do synagoge des Satans, dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn hot niet, maar liegen; zie, ik zalmaken, dat zij zullen komen, en aanbidden voor uwe voeten, en bekennen, dat ik u liefheb. «Openb.2:9. 10 Omdat gij het woord mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zoo zal ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de geheele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen. 11 Zie, ik kom baastelijk; quot; houd dat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme. a Openb. 2 : 25. 12 Die overwint, ik zal hem maken quot; tot een' pilaar in den tempel mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en ik zal op hem schrijven ''den naam mijns Gods, en den naam der stad mijns Gods, namelijk 'â des nieuwen Jerüzalems, dat uit den hemel van mijnen God afdaalt, en ook mijnen nieuwen naam. n 1 Kon. 7 : 21. /; Openb. 22 : 4. c Openb. 21 : 2, 10. 13 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. 14 En schrijf aan den engel van do gemeente der Laodi-censen: Dit zegt quot; de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige , '' het Begin der schepping Gods: a Openb. 1 : 5, G. h Col. 1:15. 15 Ik weet uwe werken, dat gij noch koud zijt, noch heet: och of gij koud waart, of heet! l(i Zoo dan, omdat gij laauw zijt, en noch koud noch heet, ik zal u uit mijnen mond spuwen. 17 Want gij zegt: Ik bon rijk, en verrijkt geworden , en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. 18 Ik raad u, dat gij van mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en quot; witte kleederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat gij zien moogt. (( 2 001'. 5:3. Openb. 7:13. 10:15. 19:8. |
OPENBARING 3, 4, 5.
11'27
|
li) quot; Zoo wie ik liefheb, die bestraf en kastijd ik; wees dan ijverig, en bekeer u. a Job 5 : 17. Spr. 3 : 12. Hebr. 12 ; 5, 20 Zie, ik sta aan de deur, en ik klop; indien iemand mijne stem zal hooren, en de deur opendoen , ik zal tot hein inkomen, en ik zal met hem avondmaal houden, en hij met mij. 21 Die overwint, ik quot; zal hem geven met mij te zitten in mijnen troon, gelijk als ik overwonnen heb, en ben gezeten met mijnen Vader in zijnen troon. a Matt. 19 : 28. 1 Cor. (i: 2. 22 Wie ooren heeft, die hoore wat de Geest tot do gemeenten zegt. HOOFDSTUK 4. Van hier af tot aau het einde van het zevende hoofdstuk wordt het tweede gezigt beschreven, on begrijpt in zich do eerste profetie der dingen, welke na dezen zouden geschieden , vs. 1. Waarin aan den apostel eerst wordt getoond een koninklijke troon in den ge-openden hemel, 2; en de heerlijkheid Gods, die op den troon zat, 3; daarna vier en twintig gekroonde ouderlingen, zittende rondom don troon, met donderslagen, bliksemen, brandende lampen, 4; eene glazen zee, en vier dieren met vele oogon en vleugels, ti. Eindelijk wordt verhaald do lofzang, dien do vier dieren en de vier en twintig ouderlingen Gode hebben toegezongen, !). NA dezen zag ik, en ziet, eene deur was geopend in den hemel; en do eerste stem, die ik gehoord had, als van eene bazuin, met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en ik zal u toonen hetgeen na dezen geschieden moet. 2 En terstond werd ik in den geest; en ziet, er was een troon gezet in den hemel, en er zat een op den troon. 3 En die daarop zat, was in het aanzien den steen Jaspis en Sardius gelijk; en een regenboog was rondom den troon, in het aanzien den steen Smaragd gelijk. 4 En rondom den troon waren vier en twintig troonen; en op de troonen zag ik de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte kleederen, en zij hadden gouden kroonen op hunne hoofden. 5 En van den troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende voor den troon, welke zijn de zeven Geesten Gods. (i En voor den troon was quot; eene glazen zee, kristal gelijk. En in het midden des troons, en rondom den troon, vier dieren, zijnde vol oogen van voren en van achteren. n üpenb. 15:2. |
7 En het eerste dier was eenen leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezigt als een monsch, en het vierde dier was eenen vliegenden arend gelijk. 8 En de vier dieren hadden elk een voor zich zeiven zes vleugelen rondom, en waren vanbinnen vol oogen; en hebben geene rust dag en nacht, zeggende: quot; Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almagtige, h Die was, en Die is, en Die komen zal. a.les. (1:3. ft Openb. 1 : 4, 8. 11:17. 16:5. !) En wanneer de dieren heerlijkheid, oneer, en dankzegging gaven Hem, die op den troon zat, die in alle eeuwigheid leeft; II) Zoo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, die op den troon zat, en aanbaden Hem, die leeft in allo eeuwigheid , en wierpen hunne kroonen voor den troon, zeggende: 11 quot;Gij, Heere! zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door uwen wil zijn zij, en zijn zij geschapen, aOpenb. 5:12. HOOFDSTUK 5. Na de beschrijving van dengene, die op den troon zat, verhaalt de apostel de eigenschappen van het verzegelde boek, dat in zijne hand was, vs. 1; daar geen schepsel in den hemel, noch oj) do aarde dat boek kon openen, 3 ; zoo wordt de Leeuw uit den stam van Jnda alleen daartoe waardig geacht, 5; die het boek uit zijne hand ontvangt, 7; waarop de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen zijne waardigheid loven, 8; ook de menigte der engelen erkennen die met hunnen lofzang, 11 ; en alle schepselen in den hemel en op de aarde stemmen daarmede in, 13. EN ik zag in de refter hand desgenen, die op den troon zat, quot; een boek, geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen. aEzea.2:l(). 2 En ik zag eenen sterken engel, uitroepende met eene groote stem: Wie is waardig het boek te openen, en zijne zegelen open te breken? 3 En niemand quot; in den hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch hetzelve mzien. a Filipp. 2:10. Openb. 5: 13. 4 En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was, om het boek te openen, en te lozen, noch hetzelve in te zien. 5 En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, quot;de Leeuw, die uit den stam van Juda is, ''de wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijne zeven zegelen open te breken. a Gon. 4!):!), 10. //.les. 11 : 10. Rom. 15 : 12. Openb. 22 : 10. |
OPENHARING 5, 6.
1128
|
(I En ik zag, en ziet, in het midden van den troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslagt, hebbende zeven hoornen, en quot; zeven oogen; dewelke zijn de '' zeven Geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen. a Zach. 3:!). I : 10. h Upenb. I : 5. 7 En het kwam, en heeft het boek genomen uit de vQgterhand desgenen, die op den troon zat. 8 En als het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk quot; citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn ''de gebeden der heiligen. (lOpenb. 14:2. bPa. 141 ; 2. i) En zij zongen quot; een nieuw lied, zeggende ; '' Gij zijl waardig het boek te nemen, en zijne zegelen te openen; want lt;iij zijtgeslagt, en hebt ons Gode gekocht met uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; «Openb. 14:3. LOpenb. 4:11. c Hand. 20 : 28. Efez. 1 : 7. Col. 1:14. llebr. 9:12. 10 : 10. 1 Petr. I : 19. 1 Joh. 1:7. 10 quot; En gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesteren; en wij zullen als koningen heerschen op de aarde. a Ex. 19 : G. 1 Petr. 2: ö, 9. üpenb. 1: G. 11 En ik zag, en ik hoorde eene stom veler engelen rondom den troon, en do dieren, en de ouderlingen ; en quot; hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden; «Dan. 7:10. Hebr. 12:22. 12 Zeggende met eene groote stem: quot; Het Lam, dat geslagt is, is waardig te ontvangen do kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging. ra Openb. 4:11. 13 En alle schepsel, dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem, die op den troon zit, en het Lam, zij do dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid. 14 En de vier dieren zeiden: Amen. En de vier en twintig ouderlingen vielen neder, en aanbaden dengenen, die leeft in alle eeuwigheid. HOOFDSTUK (!. Het eerste zegel wordt geopend, en een wit paard, op hetwelk een zat, die overwint, komt te voorschijn, vs. 1. Het tweede zegel wordt geopend, en een rood paard komt te voorschijn, op hetwelk een zat, die den vrede wegneemt van de aarde, 3. Het dorde zegel wordt geopend, waarna wordt gezien een zwart paard, op hetwelk een zit met eene weegschaal in de hand, ó. Het vierde zegel wordt geopend, en een vaal paard wordt gezien, op hetwelk de dood zil, 7. Het vijfde zegel wordt geopend, de zielen onder het altaar roepen tot God en worden van Hem vertroost, 9. Eindelijk wordt het zesde zegel ontsloten , waarna groote teekenen volgen in don hemel en op do aarde, 12; door welke teekenen allo soorten van menschen verschrikken, en bidden dat de rotsen hen bedekken voor den toorn des Lams, 15. EN ik zag, toen het Lam een van de zegelen geopend had, en ik hoorde een uit de vier dieren zeggen , als eene stem van eenen donderslag: Kom en zie! |
2 En ik zag, en ziet, quot;een wit paard, en die daarop zat, had oenen boog; en hem is eene kroon gegeven, en hij ging uit overwinnende, en opdat hij overwonne. «Openb. 19:11. 3 En toen het het tweede zegel geopend had, hoorde ik hot tweede dier zeggen: Kom en zie! 4 En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien, die daarop zat, werd magt gegeven den vrede te nemen van de aarde, en dat zij elkander zouden dooden; en hem werd een groot zwaard gegeven. 5 En toen het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en ziet, een zwart paard, en die daarop zat, had eene weegschaal in zijne hand. 6 En ik hoorde eene stem in het midden van de vier dieren, die zeide: Een maatje tarwe voor eenen penning, en drie maatjes gerst voor eenen penning; quot; en beschadig de olie en den wijn niet. ra Openb. 9 : 4. 7 En toen het het vierde zegel geopend had, hoorde ik eene stem van het vierde dier, die zeide: Kom en zie! 8 En ik zag, en ziet, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel volgde hem na. En hun werd magt gegeven om te dooden tot het vierde deel der aarde, met zwaard, en met honger, en met den dood, en door do wilde beesten der aarde. 9 En toen het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar quot; de zielen dergenen, die gedood waren om hot woord Gods, en b om de getuigenis, die zij hadden. «Openb.20:4. hOpenb. 19:10. 10 En zij riepen met groote stem, zeggende: Hoe lang, o heilige en waarachtige Heerscher! oordeelt en wreekt gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen ? 11 En aan een' iegelijk worden lange witte kleederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog eenen kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hunne mededienstknechten en hunne broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden, gelijk als zij. 12 En ik zag, toen het het zesde zegel geopend had, eu ziet, er werd eene groote aardbeving; quot; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed. « Hand. 2 : 20. 13 En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijne onrijpe vijgen afwerpt, als hij van eenen grooten wind geschud wordt. 14 En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hunne plaatsen. 15 En de koningen der aarde, en de grooten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de magtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgden zich zeiven in de spelonken en in de steenrotsen der bergen; |
OPENBARING (5, 7, 8.
1129
|
lü En zeiden tot do bergen en tot de steenrotsen : quot; Valt op ons, en verbergt ons van het aangezigt desgenen, die op den troon zit, en van den toorn des Lams. «Jes. 2:19. Hos. KJ: 8. Luk. 2)! : liü. Openb. 9:6. 17 Want de groote dag zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan ? HOOFDSTUK 7. Johannes ziet vier engelen, aan welke raagt gegeven was om het aardrijk te lieaohailigen door het ophouden der winden, vs. 1 ; en eenen anderen engel, hebbende het zegel Gods, die hun zulks belet, totdat alle Gods dienstknechten zijn geteekend, 2; wier getal is honderd vier en veertig duizend uit alle geslachten van Israël, 4. Daarna ziet hij eene ontelbare menigte uit alle natiën, staande voor den troon en voor het Lam lofzingen, 10; al deengelen, de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen volgen met eenen gelijken lofzang, 11. Johannes ontvangt van een' der vier en twintig ouderlingen berigt, wie zij zijn, die met witte kleederen zijn bekleed, 13; en waarin hunne gelukzaligheid is gelegen, 15. EN na dezen zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, houdende de vier winden der aarde, opdat geen wind zou waaijen op de aarde, noch op de zee, noch tegen eenigen boom. 2 En ik zag eenen anderen engel opkomen van den opgang der zon, hebbende het zegel dos levenden Gods; en hij riep met eene groote stem tot de vier engelen, welken rna;/t gegeven was de aarde en de zee te beschadigen, à Zeggende: «Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de boomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben ''aan hunne voorhoofden, a Openb. 9 : 4. ft Ezee. 9 : 4. 4 En ik hoorde het getal dergenen, die verzegeld waren: quot; honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israels. «Openb. 14:1. 5 Uit het geslacht van Juda waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Ruben waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Gad waren twaalf duizend verzegeld; 6 Uit het geslacht van Aser waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Nafthali waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Manasse waren twaalf duizend verzegeld; 7 Uit het geslacht van Simeon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Levi waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Issaschar waren twaalf duizend verzegeld; 8 Uit het geslacht van Zebulon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Jozef waren twaalf duizend verzegeld; uit hot geslacht van Benjamin waren twaalf duizend verzegeld, 9 Na dezen zag ik, en ziet, eene groote schaar, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten , en volken, en talen, staande voor den troon en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleederen , en pahntoMm waren in hunne handen. |
10 En zij riepen met groote stem, zeggende: De zaligheid zij onzen God, die op den troon zit, en het Lam. 11 En al de engelen stonden rondom den troon, en rondovi de ouderlingen en de vier dieren; en vielen voor den troon neder op hun aangezigt, en aanbaden God, 12 Zeggende: Amen. De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en do sterkte zij onzen God in allo eeuwigheid. Amen. 18 En oen uit do ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Deze, die bekleed zijn met de lange witte kleederen, wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen ? 14 En ik sprak tot hem: Heere! gij weet liet. En hij zeide tot mij: Deze zijn het, dio uit de groote verdrukking komen; en zij hebben hunne lange kleederen gewasschen, en hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams. 15 Daarom zijn zij voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in zijnen tempel; en die op den troon zit, zal hen overschaduwen. 1G Zij zullen niet meer quot; hongeren, en zullen niet meer dorsten, en h de zon zal op hen niet vallen, noch eenige hitte, aJes.49 : 10. 6Ps. 121: 6. 17 Want het Lam, dat in het midden des troons is, zal hen quot; weiden, en zal hun een leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hunne oogen b afwisschen. a Ps. 2!!: 1. /lt; Jes. 25:8. Openb. 21 :4. HOOFDSTUK 8. Het zevende zegel wordt geopend, waarop eene stilte volgt in den hemel, vs. I; na welke stilte zeven engelen met zeven bazuinen gezien worden, 2. Doch eerst komt een andere engel te voorschijn, die reukwerk legt op het gouden altaar bij de gebeden der heiligen, 3; vult vervolgens het wierookvat met vuur van het altaar en werpt dat op de aarde, 5. Dit gedaan zijnde, bazuint de eerste engel, 7; en de tweede, waaruit schrikkelijke dingen volgen, 8. Vervolgens bazuint de derde engel, en eene ster, genaamd Alsem. valt uit den hemel in de wateren, 10. Eindelijk bazuint de vierde ongel, en het dorde deel van de zon, maan en sterren wordt met duisternis geslagen, 12: waarna een andere engel wee roept van wege de plagen der drie volgende bazuinen, 13. EN toen hot het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur. 2 En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven. 3 En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het met quot; de gebeden aller heiligen zou leggen op hot gouden altaar, dat voor den troon is. aOpenb.5:8. 4 quot; En do rook des reukwerks, met de gebeden der heiligen, ging op van de hand dos engels voor God. «Ps. 141:2. |
OPENBARING 8, 9.
1 l:i()
|
5 En de engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp het op de aarde; en er geschiedden stemmen, en donderslagen , en bliksemen, en aardbeving. 6 En de zeven engelen, die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te bazuinen. 7 En de eerste engel heeft gebazuind, en er is geworden hagel en vuur, gemengd met bloed, en zij zijn op de aarde geworpen; en het derde deel der boomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand. 8 En de tweede engel heeft gebazuind, en er werd iets als een groote berg, van vuur brandende , in de zee geworpen; en het derde deel der zee is bloed geworden. !) En het derde deel der schepselen in de zee, die leven hebben, is gestorven; en het derde deel der schepen is vergaan. 10 En de derde engel heeft gebazuind, en er is eene groote ster, brandende als eene fakkel, gevallen uit den hemel, en is gevallen op het derde deel der rivieren, en op de fonteinen dei-wateren. 11 En de naam der ster wordt genoemd Alsem; en het derde deel der wateren werd tot alsem; en vele menschen zijn gestorven van de wateren, want zij waren bitter geworden. 12 En de vierde engel heeft gebazuind, en het derde deel der zon werd geslagen, en het derde deel der maan, en het derde deel der sterren; opdat het derde deel derzelve zou verduisterd worden, en dat het derde deel van den dag niet zou lichten; en van den nacht desgelijks. 18 En ik zag, en ik hoorde eenen engel vliegen in het midden des hemels, zeggende met groote stem : Wee, wee, wee! dengenen, die op de aarde wonen, van de overige stemmen der bazuin der drie engelen, die nog bazuinen zullen. HOOFDSTUK !). Do vijfde engel bazuint en eene ster valt uit den lie-mel, die den sleutel dos afgronds heeft, vs. I ; uit welken rook voortkomt als eens ovens, 2; en uit den rook komen sprinkhanen, welke de menschen steken, die het zegel Gods niet hebben, 3. Beschrijving van de gedaante en houding dezer sprinkhanen, 7; en de naam van hunnen koning Abaddon, 11. Hierna bazuint de zesde engel, waarop de vier engelen aan den Eufraat worden ontbonden, en eene groote menigte ruiters komt te voorschijn, en doodt het derde deel der menschen, 13; doch na dit alles bekeeren zich de menschen nog niet van hunne afgoderij en andere zonden, 20. EN de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag eene ster, gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van quot; den put des afgronds. a Luk. 8:31. üpenb. 17:8. 2 En zij heeft den put des afgronds geopend; en er is rook opgegaan uit den put, als rook eens grooten ovens; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts. |
3 En uit den rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd magt gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde magt hebben. 4 En hun werd gezegd, dat zij het gras der aarde niet zouden quot; beschadigen, noch eenige groente, noch eenigeu boom, dan de menschen alleen, die '' het zegel Gods aan hunne voorhoofden niet hebben. a Ãpenb. lt;1: 0. h Ezec. 9 : 4. Openb. 7 : 3. 5 En hun werd magt gegeven, niet dat zij hen zouden dooden, maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijf maanden; en hunne pijniging-was als de pijniging van een' schorpioen , wanneer hij een' mensch gestoken heeft. G quot; En in die dagen zullen de menschen den dood zoeken, en zullen dien niet vinden; en zij zullen hegeeren te sterven, en de dood zal van ben vlieden. a.les. 2:19. Jer. 8:3. Hos. 10:8. Luk. 23:30. Openb. G: 10. 7 quot; En de gedaanten der sprinkhanen waren den paarden gelijk, die tot den oorlog bereid zijn; cn op hunne hoofden waren als kroonen , het goud gelijk, en hunne aangezigten als aangezigten van menschen. a Ex. 10:4. 8 En zij hadden haar als haar der vrouwen, en hunne tanden waren als tanden der leeuwen. 9 En zij hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen ; en het gedruisch hunner vleugelen was als een gedruisch der wagens, wanneer vele paarden naar den strijd loopen. 10 En zij hadden staarten den schorpioenen gelijk, en er waren angels in hunne staarten; en hunne magt was do menschen te beschadigen vijf maanden. 11 En zij hadden over zich tot oenen koning quot; den engel des afgronds: zijn naam was in het Hebreeuwsch Abaddon, en in de grieksche taa.l had hij den naam Apollyon. «Openb. 9:1. 12 quot; Het eene wee is weggegaan, ziet, er komen nog twee weeën na dozen. «Openb. 8: 13. 13 En de zesde engel heeft gebazuind, en ik hoorde eene stem uit de vier hoornen des gouden altaars, dat voor God was , 14 Zeggende tot den zesden engel, die de bazuin had: quot;Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij do groote rivier, den Eufraat. a Open b. 7:1. 15 En de vier engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure, en dag, en maand, en jaar, opdat zij het derde ded der menschen zouden dooden. 1G En het getal van de heirlegers der ruiterij was tweemaal tien duizenden der tien duizenden; en ik hoorde hun getal. 17 En ik zag alzoo de paarden in dit gezigt, en die daarop zaten, hebbende vurige, en hemels-blaauwe, en sulferverwige borstwapenen; en de hoofden dor paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hunne monden ging uit vuur, en rook, en sulfer. 18 Door deze drie werd het dorde deel der men- |
OPENBARING 9, 10, II
|
schen gedood, namelijk door het vuur, en door don rook, en door het sulfer, dat uit hunne monden uitging. 19 Want hunne magt is in hunnen mond, en in hunne staarten; want hunne staarten zijn aan de slangen gelijk, en hebben hoofden , en zij beschadigen met dezelve. 20 En de overige menschen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen; quot; en de gouden, en zilveren , en koperen, en steenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch hooren, noch wandelen; aPs. 115:4,5,6,7. 135:15. 21 En hebben zich ook niet bekeerd van hunne doodslagen, noch van hunne venijngevingen, noch van hunne hoererij, noch van hunne dieverijen. HOOFDSTUK 10. Nadat de plagen zijn genoemd, dio onder de zesde bazuin aan do Christenheid uit het Oosten en Westen zouden overkomen, zoo wordt nu in dit hoofdstuk gewaagd van hetgeen tot troost der gemeente onder deze bazuin nog zou volgen, en vooreerst ziet .lo-hannes oenen engel van den hemel afkomen in groote heerlijkheid met oen open boek in de hand, vs. 1; die niet eene groote stem roept, waarop zeven donderslagen volgen, 3; zwerende bij Dion, die in eeuwigheid leeft, dat er geen tijd meer zou zijn, nadat de zevende bazuin zou hebben gebazuind, 5. Hij geeft vervolgens hot open bock aan den apostel, om op te eten, 8; hetwelk wol zoet was in den mond, maar bittor in den buik, 10. Daarna verklaart hij aan don apostel, dat hij wederom moest profeteren ,11. EN ik zag eenen anderen sterken ongel, afkomende van den hemel, die bekleed was met eene wolk; en een regenboog was boven zijn hoofd; en zijn aangezigt was als quot;de zon, en zijne voeten waren als '' pilaren van vuur. a Matt. 17:2. t) Openb. 1 : 15- 2 En hij had in zijne hand een boeksken, dat geopend was; en hij zette zijnen regtervoet op de zee, en den linker op de aarde. 3 En hij riep met eene groote stem, gelijkerwijs een leeuw brult; en als hij geroepen had, spraken de zeven donderslagen hunne stemmen. 4 En toen de zeven donderslagen hunne stemmen gesproken hadden, zoo zou ik ze geschreven hebben; en ik hoorde eene stem uit den hemel, die tot mij zeide: quot;Verzegel, hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet. a Dan. 8 : 20. 12 : 4. 5 quot; En de engel, dien ik zag staan op de zee, en op de aarde, hief zijne hand op naar den hemel, «Dan. 12:7. (i En hij zwoer bij Dien, die leeft in allo eeuwigheid, die don hemel geschapen heeft, en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, quot;dat er geen tijd meer zal zijn; n Oponb. 11 : 15. |
7 Maar in de dagen der stem des zevenden engels, wanneer hij bazuinen zal, zoo zal de verborgenheid Oods vervuld worden, gelijk Hij zijnen dienstknechten, den profeten, verkondigd heeft. 8 En de stem, die ik gehoord had uit den hemel, sprak wederom met mij, en zeide: (ia henen, neem het boeksken, dat geopend en in de hand des engels is, die op de zee en op de aarde staat. 9 En ik ging henen tot den engel, zeggende tot hom: Geef mij dat boeksken. En hij zeide tot mij: quot;Neem dat en eet het op; en het zal uwen buik bitter maken, maar in uwen mond zal het zoet zijn als honig. «Ezoc. 3:1. 10 En ik nam het boeksken uit de hand des engels, en ik at dat op; en het was in mijnen mond zoet als honig, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter. 11 En bij zeide tot mij: Gij moet wederom profeteren voor vele volken, en natiën. en talen, en koningen. HOOFDSTUK 11. Door don engel wordt eon riotstok gegeven om dor. tempel te meten, vs. 1; maar niet het voorhof, 2. Christus geeft zijnen twee getuigen magt om te profeteren en om hunnen vijanden pingen toe te zendon, 3. Het beest komt uit den afgrond en doodt de getuigen, 7; waarover zich do volken verheugen, 9; maar na drie en oenen halven dag worden zij weder levend, 11; en worden opgenomen in den hemel, 12; waarna eene aardbeving volgt en schade over de groote stad, 13. De zevende engel bazuint en de koningrijken worden van God en Christus, 15. Do vier en twintig ouderlingen loven hierop God. 10; do toorn Gods komt over de volken, maar het bereide loon wordt aan do heiligen gegeven, IS; en de tempel Gods in den hemel wordt geopend, 1!). EN quot; mij werd een rietstok gegeven, eene mcet-roede gelijk; en do engel stond en zeide: Sta op, en meet den tempel Gods en het altaar, en dogenen, die daarin aanbidden. a Ezec. 40 : 3, enz. 41, 42, 43. 2 En laat hot voorhof uit, dat van buiten den tempel is, en meet dat niet, want het is den Heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden quot; twee en veertig maanden. a Openb. 13 : 5. 3 En ik zal mijnen twee getuigen magt geven, en zij zullen profeteren duizend twee honderd zestig dagen, met zakken bekleed. 4 quot;Deze zijn de twee olijfboomen, en de twee kandelaren, die voor den God der aarde staan. a Zach. 4:3, 14. 5 En zoo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hunnen mond uitgaan, en zal hunne vijanden verslinden; en zoo iemand hen wil beschadigen, die moet alzoo gedood worden. 0 « Deze hebben magt den hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen hunner profetering; en zij hebben magt over de wateren, '' om die in bloed te verkeeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zoo menigmaal als zij zullen willen. al Kon. 17 : I. //Ex. 7,8,9, 10, 12 7 quot; En als zij hunne getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest, dat ''uit den afgrond op- |
OPENBARING 11, 12.
1132
|
komt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen dooden. «Dan. 7:21. Openb. ftOpenb. 18: 11. 8 En hunne doode ligchamen zullen Hijgen op de straat quot; der groote stad, die geestelijk genoemd wordt Sódoma en Egypte, alwaar ook onze Ileere gekruist is. aOpenb. 17:2,0. 18:10. !) En de menschen uit de volken, en geslachten, en talen, en natiën zullen hunne doode ligchamen zien drie dagen en eenen halven, en zullen niet toelaten, dat hunne doode ligchamen in graven gelegd worden. 10 En die op de aarde wonen, die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkander geschenken zenden; omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden. 11 En na die drie dagen en eenen halven, is een geest des levens uit God in hen gegaan; en zij stonden op hunne voeten; en er is groote vrees gevallen op degenen, die hen aanschouwden. 12 En zij hoorden eene groote stem uit den hemel , die tot hen zeide: Komt herwaarts op. En zij voeren op naar den hemel in de wolk; en hunne vijanden aanschouwden hen. 13 En in diezelve ure geschiedde eene groote aardbeving, en het tiende deel der stad is gevallen, en er zijn in de aardbeving gedood zeven duizend namen van menschen, en de overigen zijn zeer bevreesd geworden, en hebben den God des hemels heerlijkheid gegeven. 14 Het tweede wee is weggegaan; ziet, «het derde wee komt haast, a Openb. 8: 13. 9: 12. iri: 1. 15 En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden groote stemmen in den hemel, zeggende: De koningrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van zijnen Christus, en hij zal als Koning heerschen in alle eeuwigheid. 16 En de vier en twintig ouderlingen, die voor God zitten op hunne troonen, vielen neder op hunne aangezigten, en aanbaden God, 17 Zeggende: Wij danken U, Heere God almagtig, quot;Die is, en Die was, en Die komen zal! dat (lij uwe groote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerscht: a Openb. 1 : 4, 8. 4 : 8. 16:5. |
18 En de volken waren toornig geworden, en uw toorn is gekomen, quot;en de tijd der dooden , om geoordeeld te worden, en om den loon te geven uwen dienstknechten, den profeten, en den heiligen, en dengenen, die uwen naam vreezen, den kleinen en den grooten; en om te verderven degenen, die de aarde verdorven. 19 En de tempel Gods in den hemel is quot; geopend geworden, en de ark zijns verbonds is gezien in zijnen tempel; en er werden bliksemen, en stemmen, en donderslagen, en aardbeving, en groote hagel. «Openb. 15:5. HOOFDSTUK 12. Den apostel wordt getoond een gezigt, waarin hij ziet eene vrouw, die in barensnood is, vs. 1; en eenen roeden draak, die voor haar stond om bet kind te verslinden, 3; doch het kind wordt opgenomen voor Gods troon en de vrouw vlugt in de woestijn, alwaar haar plaats bereid is gedurende twaalf hon-derd zestig dagen, 6. Er ontstaat krijg in den hemel tusschen Michael en den draak, 7 ; doch de draak wordt overwonnen en geworpen op de aarde, 9; waarop een lofzang volgt in den hemel, 10. Do draak vervolgt do vrouw, die arendsvleugelen ontvangt om in do woestijn te vlugten, 13; achter welke de draak water-stroomen uitwerpt, die do aarde indrinkt, 15. De draak voert krijg tegen het overige van haar zaad, 17; en Johannes staat op den oever der zee, 18. EN er werd een groot teeken gezien in den hemel: namelijk eene vrouw, bekleed met de zon; en de maan was onder hare voeten, en op haar hoofd eene kroon van twaalf sterren; 2 En zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren. 3 En er werd een ander teeken gezien in den hemel; en ziet, er was een groote roode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijne hoofden zeven koninklijke hoeden. 4 En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde. En do draak stond voor de vrouw, die baren zou, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het zou gebaard hebben. 5 En zij baarde eenen mannelijken zoon, quot;die |
OPENBARING 12, 13.
ll:ii!
|
al de Heidenen zou hoeden met eene ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en zijnen troon. a Ps. 2 :Openb. 2 : 27. 6 En de vrouw vlugtte in de woestijn, alwaar zij eene plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden quot; duizend twee honderd zestig dagen. n Openb. II ;:!. 7 En er werd krijg in don hemel: Michaël en zijne engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijne engelen. 8 En zij hebben niet vermogt, quot;en hunne plaats is niet meer gevonden in den hemel, a Dan. 2 : 35. 9 En quot; de groote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en Satanas, die de geheele wereld verleidt, hij is, zey ik, geworpen op do aarde; en zijne engelen zijn niet hem geworpen. «Luk. 10:18. Openb. 20:2. 10 En ik hoorde eene grooto stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en liet koningrijk geworden onzes Gods, en do magt van zijnen Christus; want de verklager onzer broederen , die hen vorklaagde voor onzen God dag en nacht, is neder geworpen. 11 En zij hebben hem overwonnen door liet bloed dos Lams, en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe. 12 quot; Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen, en gij, die daarin woont! ''Wee dengenen, die de aarde en de zee bewonen! want de duivel is tot u afgekomen , en heeft grooten toorn, wetende, dat hij eenen kleinen tijd heeft. a I's. 90 : 11. .les. 49 : lij. h Openb. 8 : lli. 13 En toen de draak zag, dat hij op de aarde geworpen was, zoo heeft hij de vrouw vervolgd, die liet manneken gebaard had. 14 quot; En dor vrouwe zijn gegeven twee vleugelen eens grooten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in hare plaats, alwaar zij gevoed wordt ''eenen tijd, en tijden, en eenen halven tijd, buiten het gezigt der slang. a Openb. 12 : 0. b Openb. 12 : 6. 15 En de slang wierp uit haren mond achter de vrouw water als eene rivier, opdat zij haar dooide rivier zou doen wegvoeren. 16 En de aarde kwam do vrouw te hulp, en de aarde opende haren mond, en verzwolg do rivier, welke de draak uit zijnen mond had geworpen. |
17 En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg te voeren tegon de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben. 18 En ik stond op hot zand der zee. HOOFDSTUK 13. Den apostel wordt in een gezigt getoond een beest met zeven hoofden en tien hoornen, vs. 1; van hetwelk een hoofd, tot den dood toe gewond, weder genezen wordt, 3. De geheele aarde aanbidt het heest en den draak gedurende den tijd van twee en veertig maanden, 4. Het beest lastert God en zijne heiligen; voert tegen hen krijg, 0; en overwint al degenen, welker namen niet zijn geschreven in het boek des Liims, 8. Eene gelijke strafvergelding wordt den vervolgers bedreigd, 10. Daarna komt een ander beest op uit do aarde, hebbende twee hoornen als het Lam, maar doende de werken van het eerste beest, 11. Het doet groote teekenen en verleidt do inwoners der aarde, dat zij oen beeld maken, hetwelk allen moeten aanbidden, 13. Het maakt, dat een iegelijk een merkteeken dragen moet, of den naam van het beest, of zijn getal, hetwelk is zes honderd zes en zestig, 16. EN ik zag uit de zee quot; een boost opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijne hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijne hoofden was een naam van Croctelastering. a Dan. 7 : 20. Openb. 17 : 3. 2 En het beest, dat ik zag, was oenen pardel gelijk, en zijne voeten als eens boers roeten, en zijn mond als de mond eens loeuws; en do draak gaf hem zijne kracht, en zijnen troon, en groote magt. 3 En ik zag een van zijne hoofden als tot den dood gewond, en zijne doodelijke wonde werd genezen; en de geheele aarde verwonderde zich achter het beest. 4 En zij aanbaden den draak, die hot beest magt gegeven had; on zij aanbaden het boost, zeggende: Wie is dit boost ^ gelijk? wie kan krijg voeren tegen hetzelve? «Openb. 18:18. 5 En hetzelve werd oen mond gegeven, om groote dingen en O'ofZ.s-lastoringen te spreken; en hetzelve werd magt gegeven, om zulks te doen, quot; twee en veertig maanden. «Openb. 11:2. (i En het opende zijnon mond tot lastering tegen God, om zijnen naam te lasteren, en zijnen tabernakel, en die in den hemel wonen. 7 En quot;hetzelve word magt gegeven, om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen ; en hetzelve werd magt gegeven over alle geslacht, en taal, en volk. a Dim. 7:21. Openb. 11:7. |
OPENBARING 13, 14.
im
|
8 En allen, die op de aarde wonen, zullen hof zelve aanbidden, quot; welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, dat geslagt is, ''van do grondlegging der wereld. «Ex. 32:33. Filipp. 4:3. Openb. 3:5. 20:12. 21:27. h Openb. 17 : 8. 9 Indien iemand ooren heeft, die hoore. 10 Indien iemand in do gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; quot;indien iemand met het zwaard zal dooden, die moet zelf mot liet zwaard gedood worden. '' Hier is do lijdzaamheid en het geloof dor heiligen. a Gren. 9 : (i. Matt. 2(i: 52. h Openb. 14 ; 12. 11 En ik zag eon ander boost quot; uit do aarde opkomen , en het had twee hoornen, dos Lams hoornen gelijk, en hot sprak als do draak. a Openb. 11:7. 12 En hot oefent al de magt van het oorste beest, quot; in tegenwoordigheid van hetzelve, on hot maakt, dat de aarde, en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, wiens '' doodolijke wonde genezen was. n Openb. 19:20. iOponb. 13:3. Ui En hot doot quot; grooto toekenon , zoodat bot ook vuur uit don hemel doet afkomen op do aarde, voor de monschen. a 2 Thoss. 2:9. Openb. 10:14. 14 En quot; verleidt dogenon , die op do aarde wonen , door de teekenon, die aan hetzelve te doen gegeven zijn in do tegenwoordigheid van hot beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het boost, dat de wond des zwaards had, en weder leefde, een beeld zouden maken. aDeut. 13:1. Matt. 24:24. Openb. Ui: 14. 19:20. 15 En hetzelve werd mmit gegeven, om het beeld van het beest oenen geest te geven, opdat bet beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die quot; bot beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden. «Openb. 19:20. K! En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groeten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, quot;een merkteoken geve aan lumne reg-terhand of aan hunne voorhoofden : «Openb. 19:20. 17 En dat niemand mag koopen of verkoopen, dan die dat merkteoken heeft, quot; of den naam van het beest, of het getal zijns naams, a Openb. 14:11. 18 Hier is quot;de wijsheid: dio hot verstand heeft, rekone het getal van hot beest; want het is een getal eens monschen, en zijn getal is zes honderd zes en zestig. «Openb. 17:9. HOOFDSTUK 14. Do apostel ziet in een gezigt het Lam, staande op den berg Zion mot zijne honderd vier en veertig duizend geteekenden, vs. 1. In den hemel wordt een nieuw gezang gezongen, hetwelk niemand kan loeren dan die duizenden, 2. Deze zijn maagden en volgen het Lam waar het gaat, 4. Daarop vliegt een engel door het midden des hemels en verkondigt het eeuwig evangelie, 0. Een andere engel volgt, die den val der groote stad Babel voorzegt, 8; en een derde bedreigt de eeuwige straffen aan degenen, die het beest aanbidden, of zijn merkteoken hebben, 9. De heiligen worden vermaand tot lijdzaamheid, en die in den Heere sterven van hunne zaligheid verzekerd, 12. Daarna ziet do apostel op eene witte wolk een' des mensohen Zoon gelijk, inot eene.kroon op het hoofd on eene sikkel in do hand, wien een andore engel toeroept, zijne sikkel te zenden in don rijpen oogst, 14. Eindelijk komt nog oen engel uit den tempel des hemels, ook met eene sikkel, die het bevel ontvangt, do druiftakken van den wijngaard der aarde af te snijden, 17; deze worden geworpen in den wijnpersbak van don toorn Gods, die getreden wordt on vloeit tot aan de toornen der paarden duizend zes honderd stadiën ver, J9. |
EN ik zag , on ziot, hot Lam stond op den borg Zion, en met hem quot; honderd vier on veertig duizend, bobbende den naam zijns Vaders geschreven aan hunne voorhoofden. a Openb. 7 : 4. 2 En ik hoorde eene stom uit don hemel, als quot; eene stem veler wateren, en als eene stem van oenen grooten donderslag. En ik hoorde eene stem ''van citerspelers, spelende op hunne citers; «Openb. 1 : 15. 6 Openb. 5:8. 3 En zij zongen als quot; een nieuw gezang voor den troon, en voor de vier dieren, en de ouderlingen; en niemand kon dat gezang leeren, dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren. «Openb. 5:9. 4 Deze zijn het, die met vrouwen niet bovlekt zijn, quot;want zij zijn maagden; deze zijn het, die het Lam volgen, waar het ook heengaat; deze zijn gekocht uit de monschen, tot eerstelingen Gode en hot Lam. rt2Cor. 11:2. 5 quot; En in hunnen mond is geen bedrog gevonden; want zij zijn 11 onberispelijk voor den troon van God. a Zef. 3 : 13. h Efez. 5 : 27. (i En ik zag oenen anderen engel, vliegende in het midden des hemels, en hij had het eeuwige evangelie, om te verkondigen dengenen, die op de aarde wonen, on aan alle natie, en geslacht, en taal, en volk ; 7 Zeggende mot eono groote stem: Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure zijns oordeels is gekomen; en aanbidt Hem, quot; die den hemel, en de aarde, en de zee, en do fonteinen der wateren gemaakt heeft. a Gen. 1 :1. Ps. 33 :G. 124:8. 146:0. Hand. 14:15. 17:24. 8 En er is oen andere engel gevolgd, zeggende: quot; Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, '' dio groote stad, omdat zij uit den wijn des toorns haror hoererij alle volken heeft gedrenkt. a Jes. 21 : 9. ,Ior. 51: 8. Openb. 18 : 2. I) Openb. 16 : 19. 17 : 5. 18 : 10, 21. 9 En een derde engel is hem gevolgd, zeggende met eene groote stem: Indien iemand het heest aanbidt en zijn beeld , en ontvangt het merkteoken aan zijn voorhoofd, of aan zijne hand, 10 Die zal ook drinken uit den wijn des toorns Gods, die ongemengd quot;ingeschonken is ''in den drinkbeker zijns toorns; en hij zal ' gepijnigd worden '' met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor hot Lam. «Openb. 18:0. fcOpenb. 16 :19. c Openb. 20 : 10. cl Openb. 19 : 20. 11 quot; En de rook van hunne pijniging gaat op in |
OPENBARINO 14, 15, I(i.
I 1 :);â )
|
alle eeuwigheid, en zij hebben geene rust dagen j nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zoo iemand het merkteeken zijns naams ontvangt. lt;7 Open 1). 1!):;!. 12 quot; Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij, die de geboden Oods bewaren en hot geloof van Jezus. aOpenb. 13:10. 13 En ik hoorde eene stem uit den hemel, die tot mij zeide: Schrijf, zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hunnen arbeid; en hunne werken volgen met hen. 14 En ik zag, en ziet, eene witte wolk, en op de wolk was een gezeten, quot; des menscben Zoon gelijk, hebbende op zijn hoofd eene gouden kroon; en in zijne hand eene scherpe sikkel. «Ezec. I : 20. Dan. 7 :13. Openb. 1 : 13. 15 En een andere engel kwam uit den tempel, roepende met eene groote stem tot dengene, die op de wolk zat: quot; Zend uwe sikkel en maai; want de ure om te maaijen is u gekomen, dewijl de oogst der aarde is rijp geworden. a Joel 3: 13. Matt. 13:39. 1G En die op de wolk zat, zond zijne sikkel op de aarde, en do aarde werd gemaaid. 17 En een andere engel kwam uit den tempel, die in don hemel is, hebbende ook zelf eone scherpe sikkel. 18 En een andere engel kwam uit van het altaar, die magt had over het vuur; en hij riep met een groot geroep, tot dengene, die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uwe scberpe sikkel, on snijd af de druiftakken van den wijngaard der aarde, want zijne druiven zijn rijp. 19 En de engol zond zijne sikkel op de aarde en sneed de druiven af van don wijngaard der aarde, en wierp zo in don grooten wijnpersbak quot; des toorns Gods. ff Openb. 19:15. 20 En quot; do wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en er is bloed uit den wijnpersbak gekomen, tot aan de toornen dor paarden, duizend zes honderd stadiën ver. a Jes. 63:3. HOOFDSTUK 15. Zovon engelen worden gezien, die do laatste plagen bobben, vs. 1; en eone glazen zee, aan welke de overwinnaars van het beest staan, met citers voorzien, 2; die eenen lofzang zingen, waarin zij God en zijne oordeelon prijzen, 3. Daarna wordt de tempel in den hemel geopend, 5; waaruit zeven engelen in blinkende kleederen voortkomen, 0; welke van een der vier dieren zeven fiolea, vol van den toom Gods, ontvangea, 7; waarop de tempel wordt vervuld met den rook der heerlijkheid Gods, 8. EN ik zag een ander groot en wonderlijk teekon in den hemel: namelijk zeven engelen, hebbende quot; de zeven laatste plagen , want in deze is de toorn Gods geëindigd. «Openb. 11:14. 2 En ik zag quot;als eene glazen zee, met vuur gemengd ; en die de overwinning hadden van het beest, en van zijn beeld, en van zijn merkteeken, en van bot getal zijns naams, welke stonden aan de glazen zee, hebbende de citers Gods; |
a Openb. 4 : (i. 3 En zij zongen het gezang van Mozes, den dienstknecht Gods, en het gezang des Lams, zeggende: quot;Groot en wonderlijk zijn uwe werken, Heere, (Jij abnagtige God! ''regtvaardig en waarachtig zijn uwe wegen. Gij Koning der heiligen! a Ps. 111:2. 139: 14. 6 Ps. 145: 17. 4 quot;Wie zou II niet vreezen, Heere! on uwen naam niet verheerlijken ? Want Gij zijt alleen heilig: want allo volken zullen komen, en voor U aanbidden; want uwe oordeelon zijn openbaar geworden. «..Ier. 1U:7. 5 En na dezen zag ik, en ziet, quot; do tempel des tabernakels dor getuigenis in don hemel werd geopend. aOponb. 11:19. 6 En de zeven engelen, die de zeven plagon haddon, kwamen uit den tempel, bekleed met rein en blinkend lijnwaad, en quot;omgord om do borst met gouden gordels. «Openb. 1 :13. 7 En een van de vier dieren gaf den zeven engelen zeven gouden fiolen, vol van don toorn Gods, die in allo eeuwigheid leeft. 8 En de tempel werd quot; vervuld met rook uit de heerlijkheid Gods, en uit zijne kracht; en niemand kon in den tempel ingaan, totdat de zeven plagen der zeven engelen geëindigd waren. «Ex. 40:34. I Kon. 8:10. Jos. 0:4. HOOFDSTUK 16. Aan do voormelde zeven engelen wordt bevel gegeven, hunne fiolen uit te gloten, vs. 1. Do eerste wordt uitgestort op de aarde, 2: do tweede in do zee, 3; do derde in de rivieren, waarover de rogtvaar-digbeid Gods met eenen lofzang wordt geprezen, 4. Do vierde Mooi wordt uitgegoten in de zon, 8; de vijfde op den troon van hot boost; de menschon op aarde bekoeren zich nogtans na dit alles niet, 10. De zesde op de groote rivier den Eufraat, 12, Drie onreine geesten, als vorschen, komen voort en gaan tot de koningen der aarde, om die to vergaderen tot den krijg van den grooten dag, 13; en een iegelijk wordt vermaand tot waakzaamheid, 15. Ten laatste wordt de zevende fiool uitgegoten in de lucht, en alle dingen hebben een einde, ook liet groote Babyion, 17. Hierna valt een zware hagel op de menscben, die God daarover lasteren, 21. EN ik hoorde eene groote stem uit den tempel, zeggende tot de zeven engelen: gaat henen, eu giet de zeven fiolen van den toorn Gods uit op de aarde. 2 En de eerste ging henen, en goot zijne fiool uit op de aarde; en er werd een kwaad en boos quot; gezweer aan de menscben, die '⢠bet merkteeken van het beest hadden, en 1 die zijn beeld aanbaden. «Ex. 9:9,10,11. h Openb. 13:16,17. c Openb. 13:14. 3 En de tweede ongel goot zijne fiool uit in de zee, en zij werd quot;bloed als van eenen doode; en allo levende ziel is gestorven in de zee. a Ex. 7 :20. 4 En de derde engel goot zijne fiool uit in de rivieren en in de fonteinon dor wateren; en de wateren werden bloed. 5 En ik hoorde den engel der wateren zeggen: |
OPENBARING 16, 17.
1136
|
Gij zijt regtvaardig, Heere! quot; Die is, en Die was, en Dio zijn zal, dat Gij dit geoordeeld hebt; a Openl). 1 ; 4, 8. 4 : 8. 11: 17. (i Dewijl zij quot; het bloed der heiligen, en der profeten vergoten hebben, zoo hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn liet waardig. a Matt. '23:34. 7 En ik hoorde eenen anderen quot; van het altaar zeggen: -Ia, Heere, Gij almagtige God! uwe oor-deelen zijn waarachtig en regtvaardig. a Openb. 15:3 8 En de vierde engel goot zijne fiool uit op de zon; en haar is magt gegeven de inenschen te verhitten door vuur. 9 En de inenschen werden verhit met groote hitte, en quot;lasterden den naam Gods, die magt heeft over deze plagen; en zij bekeerden zicli niet, om Hem heerlijkheid te geven. a Openb. 16; 11, 21. 10 En de vijfde engel goot zijne fiool uit op den troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en zij kaamvden hunne tongen van pijn; 11 En zij lasterden den God des hemels van wege hunne pijnen, en van wege hunne gezweren; en zij bekeerden zich niet van hunne werken. 12 En de zesde engel goot zijne fiool uit op do groote rivier, den Eufraat; en zijn water is uitgedroogd , opdat bereid zou worden de weg der koningen, die van den opgang der zon komen zullen. 13 En ik zag uit den mond des draaks, en uit den mond van het beest, en uit den mond des valschen profeets, drie onreine geesten gaan, den vorschen gelijk. 14 Want liet zijn geesten der duivelen, en zij quot;doen teekenen, welke uitgaan tot de koningen der aarde en der geheele wereld , om die te vergaderen h tot den krijg van dien grooten dag des almagtigen Gods. a 2 Thess. 2:!). Openb. 13: 13. 19:20. h Openb. 17 : 14. 19: 19. 20:8. 15 Ziet, ik kom quot;als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijne kleederen bewaart, opdat hij niet ''naakt wandele, en men zijne schaamte niet zie. a Matt. 24:43. Luk. 12:39. 1 Thess. 5:2. 2 Petr. 3 :10. Openb. 3 : 3. h Openb. 3 : 18. 16 En zij hebben hen vergaderd in de plaats, welke in het Hebreeuwsch genaamd wordt Armageddon. 17 En de zevende engel goot zijne fiool uit in de lucht; en er kwam eene groote stem uit den tempel des hemels, van den troon, zeggende: quot; Het is geschied. «Openb. 21 : 6. 18 En er geschiedden quot; stemmen, en donderslagen, en bliksemen; en er geschiedde eene groote aardbeving, hoedanige niet is geschied van dat de inenschen op de aarde geweest zijn, namelijk eene zoodanige aardbeving en zoo groot. a Openb. 4 : 5. 8 : 5. |
19 En quot; de groote stad is in drie deelen gescheurd , en de steden der Heidenen zijn gevallen; en het groote Babylon h is gedacht geworden voor God, om haar te geven 'â den drinkbeker van den wijn des toorns zijner gramschap. «Openb. 14:8. h Openb. 18:5. c Jer. 25 :15. Openb. 14 :10. 20 En alle eiland is gevloden, en de bergen zijn niet gevonden. 21 En een groote quot;hagel, elk als een talentyaorarf zwaar, viel neder uit den hemel op de inenschen; en de inenschen '' lasterden God van wege de plage des hagels, want deszelfs plage was zeer groot. «Openb. 11 :19. /(Openb. 16:9,11. HOOFDSTUK 17. Een van de voorgaande zeven engelen brengt den apostel in eene woestijn en toont hem de groote hoer van Babyion, zittende op een rood beest, dat zeven hoofden en tien hoornen heeft, vs. 1. Hare kleeding, versiering, titels en bloeddorstigheid worden beschreven, 4. De engel verklaart aan Johannes eerst de verborgenheid van het beest, 7; daarna die van zijne zeven hoofden en van den achtsten koning, die volgen zou, 9; en van de tieiv hoornen, welke zoo vele koningen zijn, die liunne magt ontvangen met het beest, 12. Deze zullen strijden tegen het Lam, doch worden van hetzelve overwonnen, 14. De engel verklaart, welke de wateren zijn, waarop deze hoer zit, 15; en hoe de koningen hunne magt het beest weder zullen ontnemen . 16. Eindelijk verklaart hij, wie deze hoer is, 18. EN een uit de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak niet mij, en zeide tot mij: Kom herwaarts, ik zal u toonen het oordeel der groote hoer, die daar zit op vele wateren; 2 quot; Met welke de koningen der aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van den wijn harer hoererij. «Openb. 18:3. 3 En hij bragt mij weg in eene woestijn, in den geest, en ik zag eene vrouw, zittende op een scharlakenrood quot;beest, dat vol was van namen der öorfslastering, en had zeven hoofden en tien hoornen. «Openb. 13:1. 17:8. 4 En de vrouw was quot; bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en paarlen, en had in bare hand eenen gouden drinkbeker, vol van gruwelen, en van onreinigheid harer hoererij. «Openb. 18:16. 5 En op haar voorhoofd was een naam geschreven , namelijk a Verborgenheid; het groote Baby-Ion , de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde. «2 Thess. 2:7. 6 En ik zag, dat de vrouw dronken was van quot; het bloed der heiligen, en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met groote verwondering. «Openb. 18:24. 7 En de engel zeide tot mij: Waarom verwondert gij u ? Ik zal u zeggen de verborgenheid der vrouw en van het beest, dat haar draagt, hetwelk de zeven hoofden heeft en de tien hoornen. 8 Het beest, dat gij gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit den afgrond, en ten ver- |
OPENllARINO 17, IS.
11P.7
|
clervc gaan; en clio op do aarde wonen, zullen verwonderd zijn, (quot;welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld) ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is. « Ex. i{2 : 32. Fili|ip. 4 : )5. Openl). 1H:S, i) Hier is het verstand, quot; dat wijsheid heeft. '' T)o zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit. a Oponb. 1 li: 18, 6 0penb. IH : 1. 10 En het zijn ook zeven koningen: de vijf zijn gevallen, en do een is, en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijds blijven. 11 En het beest, dat was en niet is, die is ook do achtste koninfj, en is uit de zeven, en gaat ten verderve. 12 En quot;de tien hoornen, dio gij gezien hebt, zijn tien koningen, die hot koningrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen magt ontvangen oj) eene ure mot hot beest. a Dan. 7 :2(t. Openb. 18: 1. lü Deze hebben eenerlei mooning, en zullen hunne kracht en magt het beest overgeven. 14 Deze quot;zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen, ('' want het is een Heere der hoeren, en een Koning dor koningen) en die met hem zijn, do geroepenen, en uitverkorenen, en geloovigen. n Openb. 10: 14. // 1 Tim. (i; 15. Oponb. l!l: 10. 15 En hij zeide tot mij: quot;Do wateren, die gij gezien hebt, waar do hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen. aJes. 8:7. 16 En de lien hoornen, die gij gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, on zullen haar woest maken, on naakt; en zij zullen haar vleesch eten, en zullen haar quot;met vuur verbranden. «Openb. 18:8. 17 Want God heeft /nm in hunne harten gegeven, dat zij zijne meening doen, en dat zij eenerlei meening doen, en dat zij hun koningrijk hot beest geven, totdat do woorden Gods voleindigd zullen zijn. 18 En de vrouw, die gij gezien hobt, is quot;do groote stad, dio het koningrijk heeft over do koningen der aarde. Openb. 10:19. HOOFDSTUK 18. Eon engel komt af uit den hemel, vs. 1 ; cn verkondigt op nieuw den val van het groote Babylon, om hare hoererij en weelde, 2; waarom hot volk Gods wordt vermaand, van haar uit te gaan, 4; en haar dubbel te vergelden, 0. En hoewel zij roomde, dat zij goeno weduwe zijn zal, zoo zullen nogtans hare plagen over haar komen, 7. De koningen der aarde bedrijven romv over haren val, 9; gelijk ook do kooplieden, die allerlei kostelijke waren in haar hadden verhandeld, 11; desgelijks do stuurlieden en de zeelieden, 17. Maar daarentegen worden de hemel, do heilige apostelen en profeten vermaand om vreugde te bedrijven, 20. Een sterke engel werpt eenen zeer grooten steen in de zee, om den oindolijken val van (lit groote liabylon af te beelden, 21; en verklaart, dat geene instrumenten van vreugde in haar meer zullen worden gehoord, 22; omdat zij allo volken had verleid en liet blned der heiligen in haar is gevonden, 2;{. |
EN na dozen zag ik eenen anderen engel afkomen uit den hemel, hebbende groote magt, en de aarde is verlicht geworden van zijne heerlijkheid. 2 En hij riep krachtelijk met eene groote stom, zeggende: quot;/ij is gevallen, zij is gevallen, het groote Babylon, en is geworden '' eene woonstede der duivelen, en eene bewaarplaats van alle onreine geesten, en eene bewaarplaats van alle onrein on hatelijk 'â gevogelte. oJos. 21 : 9. Jer. 51 :8. Openb. 14 :K. //.los. lii: 21. Hl: 14. Jer. 50:39. cJos. 34:11. 3 Dewijl uit don quot; wijn des toorns harer hoererij alle volken gedronken hebben, ''en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden der aarde rijk zijn geworden uit de kracht harer weelde. « Openb. 14 : 8. A Openb. 17 : 2. 4 En ik hoorde eene andere stem uit den hemel, zeggende: quot;Gaat uit van haar, mijn volk! opdat gij aan hare zonden geene gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt. « Gen. 19 : 12. Jos. 4S : 20. 52 : 11. .Ier. 51 : 0, 45. 2 Cor. 0: 17. 5 Want hare zonden zijn de eene op de andere gevolgd tot den hemel toe, en God is harer on-geregtigheden quot; godachtig geworden. « Oponb. 10 : 19. 0 Vergeldt haar, gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel, naar hare werken; in den drinkbeker, quot;waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel. «Openb. 14:10. 7 Zoo veel als zij zich zelve verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zoo groote pijniging en rouw doet haar aan: want zij zegt in haar hart: quot; Ik zit lt;th eene koningin, en ben geene weduwe, en zal geeuon rouw zien. «.les. 47:8. 8 quot; Daarom zullen hare plagen op eenen dag komen, namelijk dood , en rouw, en honger, en zij zal ''met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God, die haar oordeelt. a 2 Thoss. 2 : 8. /gt; i )penb. 17 : 10. 9 quot;En de koningen der aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar beweenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij ''den rook haars brands zullen zien; «Openb. 17:2. 18:3. ft Openb. 18: Is, 10 Van verre staande uit vreeze van hare pijniging, zeggende: quot; Wee, wee, de groote stad Babylon, do sterke stad! want uw oordeel is in eene ure gekomen, «.les. 21 :9. Jer. 51 : 8. Openb. 14 :S. 11 En de kooplieden der aarde zullen weenen on rouw maken over haar, omdat niemand hunno waren meer koopt: 12 Waren van goud, en van zilver, en van kostelijk gesteente, en van paarlen, en van fijn lijnwaad, en van purper, en van zijde, en van scharlaken; en allerlei welriekend hout, en allerlei 7'2 |
'OPENBARING 18, If),
i ins
|
ivoren vaton, on allorloi vuUin van hot kostelijkste hout, on van koper, on van ijzer, on van marmersteen ; 18 En kaneel, en reukwerk , en welriekende zalf, en wierook, en wijn, on olie, en meelbloem, on tarwe, on lastbeesten, en schapen;, en van paarden, en van koetswagens,, en vam ligehamen, en quot; de zielen der monschon, aEzee. '27 : 18. 14 En de vrucht der begeerlijkheid uwer ziel is van b weggegaan; en al wat lekker en wat heerlijk was, is van u weggegaan; en gij zult hetzelve niet meer vinden. 15 De kooplieden dezer dingen, die rijk gewor-â¢den waren van haar, zullen van verre staan uit vreeze van hare pijniging, weenendo en rouw makende; l(i En zeggende: Wee, wee, do groote stad! quot;die hekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en met kostelijk gesteente, en met paarlen; want in eene ure is zoo groote rijkdom verwoest. a ()penli. 17:4. 17 En alle stuurlieden, en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en allen, die ter zee handelen, stonden van verre; 18 En riepen, ziende quot; den rook van haren brand, en zeggende: ''Wat xtad was deze groote stad gelijk? «.les. .'M : 10. Dpenb. llt;S;fl, h Oponb. 13:4. 19 En zij wierpen stof op hunne hoofden, en riepen, weenendo en rouw bedrijvende, zeggende: Wee, wee, do groote stad, in dewelke allen, die schepen in do zee hadden, van hare kostelijkheid rijk geworden zijn; want zij is in eone ure verwoest geworden. 20 Bedrijft vreugde over haar, gij hemel! en gij iieilige apostelen , en gij profeten! want God heeft uw oordeel quot;aan haar geoordeeld, aOpenb. 10:2. 21 En een sterke engel hief oenen steen op als oenen grooten molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende: quot; Aldus zal de groote stad Baby-Ion met gewold geworpen worden, en zal niet meer worden gevonden. n Jer. 51 : 04. 22 quot; En de stem der citerspelers, on der zangers, en der fluiters, en dor bazuiners, zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van eenige kunst zal meer in u gevonden worden; en '' geen geluid des molens zal in u moer gehoord worden. «.Ier. 25:10. Ezeo. 2(1: 13. h Jer. 25:10. 23 En het licht der kaars zal in u niet meer schijnen; quot; en de stom eens bruidegoms en eenor bruid zal in u niet meer gehoord worden: want uwe kooplieden waren de grooten der aarde, want door uwe tooverij zijn alle volken verleid geweest. a Jer. 7 : 34. 1():9. 25:10. 24 En in dezelve is gevonden quot; bot bloed der profeten, en der heiligen, en al dergenen, die gedood zijn op de aarde. «Openb. 17:0. HOOFDSTUK li). In den hemel wordt liet halleluja gezongen over het oordeel dor groote hoer, vs. 1. Eonn andere stem |
uit den troon vcrmiian't alle dienstknecliten '(3odsgt; tot vreugde, omdat de bruiloft des bains is gokotnou en zijne bruid zieh met fijn blinkend lijnwaad heeft toebereid, 5. Zij worden zalig gesproken, die tot deze bruiloft zijn geroepen, !). De apostel valt den engel te voet, maar wordt daarover te regt gewezen en bevolen God te aanbidden, 10. Johannes ziet in oen nieuw gezigt een wit paard en oenen, die daarop zat, wiens gerogtigheid, vlammende oogen, bloedverwig kleed, verborgen naam, gevolg, zwaard en ijzeren roede worden beschreven, 11. Deze treedt den wijnpersbak van Gods toorn en is een Koning der koningen, 15. Een andere engel roept- alle vogelen tot het eten van het vleesch van alle veldoversten en van alle anderen in de groote singling (lods, 17; dio vergaderd waren om te krijgen tegen dien, die op het paard zat, 19. Maar het beest met den valschen profeet worden geworpen in den poel des vuurs, 20; en al hunne aanhangers gedood door het zwaard, 21. EN na dezen hoorde ik als eene groote stem eenor groote schare in den hemel, zeggende: Halleluja! de zaligheid, on de heerlijkheid, en de oer, en do kracht zij den Ileere, onzen God. 2 Want quot; zijne oordeelen zijn waarachtig en rogt-vaardig; dewijl F lij de groote boer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met hare hoererij, en Hij ''het bloed zijner dienaren van hare hand gewroken heeft. a Openb. 15:3. 10:7. h Deut. 32:43. Openb. 18:20. 3 En zij zeiden ten tweede maal: Halleluja! quot;En haar rook gaat op in alle eeuwigheid. aJes. 34: 10. Openb, 14: 11. 18: IS. 4 En de vier en twintig ouderlingen, en de vier dieren violen neder, en aanbaden God, die op den troon zat, zeggende: Amen, Halleluja! 5 En eene stem kwam uit don troon, zeggende: Looft onzen God, gij, al zijne dienstknechten, en gij, die Hom vreest, beide klein en groot! (i En ik hoorde als eene stom eenor groote schare, en als eeno stem veler wateren, en als eene stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja ! want de Heere, do almagtige God, heeft quot;als Koning geheerscht. (i Openb. 11 : 17. 7 Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hom do heerlijkheid geven; quot;want de bruiloft des Lams is gekomen, en zijne vrouw heeft zich zelve bereid. « Matt. 22:2. Luk. 14:10. 8 En haar is gegeven, dat zij bekleed worde niet rein en blinkend fijn lijnwaad: want dit fijn lijnwaad zijn de regtvaardigmakingen der heiligen. 9 En hij zeide tot mij: Schrijf, zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams. En hij zeide tot mij: quot; Deze zijn de waarachtige woorden Gods. a Openb. 21 : 5. 10 quot; En ik viel neder voor zijne voeten, om hem te aanbidden, en hij zeide tot mij: h Zie, dat gij dat niet doet, ik ben uw mededienstknecht, en uwer broederen, die de getuigenis van Jezus hebben: aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest der profetie. a Openb. 22 : s, h Hand. 10:20. 14:14. Openb. 22:9. 11 En ik zag den hemel geopend; en ziet, quot;een |
OPENBARING 19, 20.
1139
|
wit paard, on dio oj) liolzolvo zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, on lüj oordeelt en voort krijg in gerogtigheid. aOpenb. G : 12 En zijne oogen waren quot; als eene vlam vuurs, en op zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden; en hij had oenen naam geschreven, dien niemand wist, dan hij zelf. aOpenb. 1: 14. 13 En hij was bekleed mot oon kleed, quot; dat mot bloed geverwd was; en zijn naam wordt genoemd het Woord Gods. «Jes. 63: 1. /; Joli. 1 : 1. 1 Joh. 1 : 1. 14 En de heirlogers in don hemel volgden hom op witte paarden, gekleed mot wit en rein quot;fijn lijnwaad. a Matt. 28:3. Openb. 4:4. 7:9. If) quot; En uit zijnen mond ging oen scherp zwaard, opdat hij daarmede de Heidenen slaan zou. En hij zal hen hoeden met eono ijzeren roede; ' en hij treedt don wijnpersbak van den wijn dos toorns on dor gramschap des almagtigon Gods. aOpenb. 2:10. 19:21. h Ps. 2:9. Openb. 2:27. cJes. 03 : 3. Openb. 14:19,21). l(i En hij hooft op zijn kleed en op zijne dije dozen naam geschreven: quot; Koning der koningen, en Hoere dor heeren. n 1 Tim. 0 :15. Openb. 17 : 14. 17 En ik zag oenen engel, staande in de zon; en hij riep met eene grooto stem, zeggende tot al de vogelen, die in het midden des hemels vlogen: quot;Komt herwaarts, en vergadert u tot hot avondmaal des grooton Gods; a Jer. 12 : 9. E/.ec. 39 : 17. IN Opdat gij eet hot vloesch der koningen, en liet vloesch dor oversten over duizend, en liet vloesch der sterken, en liet vloesch der paarden en dorgenen, die daarop zitten; en het vloesch van allo vrijen on dienstknechten, en kleinen en grooton. 19 En ik zag het boost, en do koningen der aarde, en hunne heirlogers vergaderd, om krijg te voeren togen hem, die op het paard zat, en togen zijn heirloger. 20 En het beest word gegrepen, en niet hetzelve de valscho profeet, quot;die do teekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke iiij verleid had, die het merkteeken van het beest ''ontvangen hadden, en die deszolfs beeld 0 aanbaden. Deze twee zijn '' levend geworpen in den poel des vuurs, die ' met sulfer brandt. a Ãeut. 13 : 1. Matt. 24 : 24. Openb. 13 : 12,13. 16 : 14. 6 Openb. 13: 16. c Openb. 13: 15. d Dan. 7:11. Openb. 20: 10. c Openb. 14: 10. 21 En do overigen worden gedood met hot zwaard desgonen, die op het paard zat, hetwelk uit zijnon mond ging; en al de vogelen werden verzadigd van hun vleosch. HOOFDSTUK 20. |
Een engel komt af van den hemel, hebbende den sleutel dos afgronds on bindt den Satan aldaar duizend jaren, vs. 1. De heilige martelaren en die hot beest niet hebben aangebeden, zitten op troonon en regeren niet Christus duizend jaren, 4; doch de anderen blijven in den dood, 5. Zij worden allen zalig gesproken, die deel hebben in do eerste opstanding, 6. Na liet einde van dui/.end jaren wordt de Satan ontbonden, 7 ; en verleidt de volken weder en verwekt Gog on Magog tot den krijg, 8: welke de geliefde stad omringen, doch worden door het vuur verslonden, 9; en de duivel wordt in don pool dos vunrs geworpen, 10. Een witte troon wordt gezien met een' daarop zittende. voor wien do hemel en de aarde vlieden, 11. Do dooden, klein on groot, verschijnen voor God en de boeken worden geopend en een iegelijk wordt geoordeeld naar zijne werken, 12. De dood en do hel worden in den poel des vuurs geworpen, met allen, die niet zijn geschreven in hot boek des levens, 14. EN ik zag oenen engel afkomen uit den hemel, quot;hebbende don sleutel des afgronds, on cone groote keten in zijne hand; aOpenb. 1 : 18. 2 quot; En hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en Satanas, en bond hom duizend jaren; a 2 l'etr. 2 : 4. Openb. 12 : 9. 3 En wierp hein in den afgrond, en sloot hom daarin, en verzegelde dien boven hem, quot; opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat do duizend jaren zouden geëindigd zijn. Eu daarna moet hij oenen kleinen tijd ontbonden worden. a Openb. 16 : 14, 16. 20 : 8. 4 Eu ik zag troonon, on zij zaten op dezelve; quot; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zay 11 do zielen dorgenen, dio onthoofd waren om do getuigenis van Je7Ais, en om het woord Gods, en die '' het boost, en '' deszolfs beeld niet aangeboden hadden, en dio ' het merkteokon niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hunne hand; /' on zij leefden en heerschten als koningen met Christus, de duizend jaren. a Openb. 6 : 10. Ij Openb. 6 :!). c Openb. 13 : 12. (/Openb. 13: 15. eOpenb. 13: 16. /'Openb. G: 11. 5 Maar do overige der dooden werden niot weder lovend, totdat do duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding. 6 Zalig en heilig is hij, die deel hooft in do eerste opstanding; over dezen heeft de tweede dood geone magt, maar zij zullen quot;priesters van God en Christus zijn, en zij zullen niet hem als koningen heerschen duizend jaren. '( â¢los. 61 : 6. 1 l'etr. 2:9. Openb. 1 : 6. 5: 10. 7 En wanneer do duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de Satanas uit zijne gevangenis ontbonden worden. 8 En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, quot;den Gog en den Magog, om hen '' te vergaderen tot don krijg; welker getal is als het zand aan do zoo. a Ezec. 38 : 2. 39 :\.li Openb. IG : 14. 9 En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en oinringden de legerplaats der heiligen, en do geliefde stad; en er kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden. 10 En de duivel, die hen verleidde, quot;word geworpen in den poel dos vuurs en sulfers, alwaar ''het beest en de valscho profeet zijn; en |
|
1110 zij /ullcn ''gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid. a Dan. 7:11. Openb. 19:20. h Openb. 19:20. (â ⢠Openb. 14:10. 11 En ik zag eenen grooten witten troon, en dengene, die daarop zat, van wiens aangezigt de aarde en de hemel wegvloden, en geene plaats is voor die gevonden. 12 En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend: en oen ander boek werd geopend, quot; dat des levens is; en de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, ''naar hunne werken. '(Ex. 32 : 32. Ps. 69 : 29. Filipp. 4 : 3. Openb. 3 : 5. 21: 27. b I's. 02 : 13. Jer. 17 : 10. 32 :19. Matt. 1G : 27. Kom. 2:0. 14 :12. 2 Oor. 5 : 10. Gal. (i: ö. Openb. 2 : 23. 13 En de zee gaf de dooden, die in haar waren; en do dood en de hel gaven de dooden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hunne werken. 14 En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood. 15 En zoo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs. HOOFDSTUK 21. Johannes ziet eenen nieuwen hemel en ceno nieuwe aarde, vs. 1; met hot nieuwe Jeruzalem, versierd als Christus bruid, 2. Hij hoort eeno stem uit den hemel, door welke (lod belooft, dat Hij hun (rod zal zijn, alle tranen van hunne oogen afwisschen en hun de erfenis van alles geven zal, 3; maar do vreesachtige en onboetvaardige zondaren worden bedreigd, hun deel te zullen hebben in den poel dos vuurs, 8. Een van de engelen der zeven Holen voert Johannes op eenen hoogen berg eu toont hom klaarder de geheele gestalte van het nieuwe Jeriizalera, 9; hare heerlijkheid. 11 ; haren muur met twaalf poorten naar de namen dor kinderen Israels, 12; hare twaalf fondamenten, naar de namen der twaalf apostelen, 14; hare lengte en breedte, 1(5; hare stof van goud, IS; hare twaalf fondamenten uit twaalf kostelijke steenen, 19; hare poorten uit twaalf paarlen, 21; haren tempel. God zolven en hot Lam, 22. (iods heerlijkheid in plaats van zon on maan, 23; hare inwoners, alle zalige volken, en ook do zalige koningen, 24; hare poorten altijd open, 25; maar niemand, die onreinheid pleegt, komt daarin, 27. EN quot; ik zag eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde: want de eerste hemel, en do eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer. a Jos. 65 : 17. 6(i: 22. 2 Petr. 3 : 13. 2 En ik, Johannes, zag quot;de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid, die voor haren man versierd is. «Openb. 3: 12. 21 : 10. 3 En ik hoorde eene groote stem uit den hemel, zeggende: quot; Ziet, de tabernakel Gods is bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zelf zal bij hen en hun God zijn. n Ezeo. 43:7. 4 quot; En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gokrijt, noch moeite zal meer zijn: want de eerste dingen zijn weggegaan. |
«Jes. 25:8. Openb. 7: 17. 5 quot; En die op den troon zat, zeidc: Ziet, ''Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden ''zijn waarachtig en getrouw. a Openb. 4:2. 20:11. /(Jes. 43:19. 2 Oor. 5:17. c Oponb. 19:9. 6 En Hij sprak tot mij: quot;Het is geschied. ''Ik ben do Alfa en de Oméga, het begin en het einde. 'â Ik zal den dorstigen geven uit de fontein van het water des levens voor niet. «Openb. 16: 17. b .les. 41 :4. 44:6. Openb. 1 :8. 22:13. e Jes. 55: I. 7 Die overwint, zal alles beërven; quot; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn. aZaoh. 8 : H. Hebr. S: 10. 8 Maar quot; den vreesachtigen, en ongeloovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en toovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den. poel, '' die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood. o Openb. 22: 15. h Openb. 20:14,15. 9 En tot mij kwam een van de zeven engelen, quot; die de zeven fiolen hadden, welke vol geweest waren van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u tooncn de bruid, de vrouw des Lams. a Openb. 15 : 6, 7. 10 En hij voerde mij weg quot; in den geest op oenen grooten en hoogen berg, en hij toonde mij de '' groote stad, het heilige Jeruzalem , nederdalende uit den hemel van God; «Openb. 1 : 10. /j Hebr. 12:22. Openb. 21 :2. 11 En zij had de heerlijkheid Gods, en haar licht was den allerkostelijksten steen gelijk, namelijk als den steen Jaspis, blinkende gelijk kristal. 12 En zij had eenen grooten en hoogen muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welke zijn de namen der twaalf geslachten der kinderen Israels. 13 Van het oosten waren drie poorten, van het noorden drie poorten, van het zuiden drie poorten , van het westen drie poorten. 14 quot; En de muur der stad had twaalf fondamenten , en in dezelve de namen der twaalf apostelen des Lams. «Efez. 2:20. 15 En hij, die met mij sprak, quot; had eenen gouden rietstok, opdat hij de stad zou meten, en hare poorten, en haren muur. « Ezoc. 40:3. Zach. 2:1. K! En de stad lag vierkant, en hare lengte was zoo groot als hare breedte. En hij mat de stad met den rietstok op twaalf duizend stadiën; de lengte, en de breedte, en de hoogte derzelven waren even gelijk. 17 En hij mat haren muur op honderd vier en veertig ellen, waar de maat eens menschen, welke des engèls was. 18 En het gebouw van haren muur was Jaspis; en de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk. OPENBARING 20, 21. |
|
1!) Kn de fondanionten van don muur der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd, liet eerste fondament was Jaspis, het tweede Saffier, het derde Chalcedon, het vierde Smaragd, 20 liet vijfde Sardónix, het zesde Sardius, het zevende Chrysoliet, het achtste Beryl, het negende Topaas, het tiende Chrysopraas, het elfde Hyacinth, hot twaalfde Amethyst. 21 En do twaalf poorten waren twaalf paarlen, oene iedere poort was elk uit oono paarl; on do straat der stad was zuiver goud, gelijk doorluchtig glas. 22 En ik zag geenon tempel in dezelve; want do lloere, do almagtige God, is haar tempel, on hot Lam. 2:? quot; En de stad behoeft do zon on do maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, ''en het Lam is hare kaars, a .los, 00:1!), Zach. 14:7. h Openb. 22; 5. 21 quot; En do volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; on de koningen dor aarde brengen hunne heerlijkheid en eer in dezelve. a.Tes. CO : 3. 25 quot; En hare poorten zullen niet gesloten worden dos daags; h want aldaar zal goon nacht zijn. rt Jcs. CO ; 11. h Openb. 22 : 5. 2G En zij zullen de heerlijkheid en do eer der volken daarin brengen. 27 En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, on leugen xpreekt; maar die geschreven zijn quot; in het boek des levens des Lams. a Ex. 32; 32. Ps. 09; 29. Filipp. 4:3. Openb. 3:5. 20:12. HOOFDSTUK 22. Don iipostel wordt verdei' getoond eene rivier van hot water dos levens, op welker oever de boom des levens was geplant, vs. 1. Eenige andere eigenschappen der inwoners van het nieuwe .leruzalem worden beschreven, 3. Deze gezigten en profetiën worden gesloten niet eene betuiging van do waarheid en zekerheid dorzelve, 0. Johannes valt weder neder voor do voeten van den engel en wordt andermaal daarover bestraft, 8. Hij ontvangt hierna bevel, do woorden dezes books niot te verzegelen, hoewel eenigen die zullen misbruiken tot hunne zwaardere straf, 10. Christus verklaart, dat Hij is de Alfa en de Oméga, en spreekt diegenen zalig, die zijne geboden houden, en onzalig degenen, die gruwelen bedrijven, 13: betuigende dat Hij zijnen engel heeft gezonden. om deze openbaring aan zijne gemeente te doen, 10. De bruid van Christus verlangt naar zijne komst, 17. Waarna deze openbaring wordt besloten met eene bedreiging tegen degenen, die hier iets toe of af zonden cloon, 18. Christus betuigt weder, dat Hij haast zal komen, en Johannes beslnit zijn boek met do apostolische groet, 20. EN hij toonde mij quot; eene zuivere rivier van hot water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams. a Ezec. 47 : 1. Zach. 14:8. 2 In hot midden van hare straat, en op de eene en do andere zijde der rivier was quot; de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van |
1141 maand tot maand geveilde zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der Heidenen. n Oponb. 2:7. ;5 En goene vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon Gods en dos Lams zal daarin zijn, en zijne dienstknechten zullen Hem dienen; 4 En zullen zijn aangezigt zien, en quot; zijn naam zal op hunne voorhoofden zijn. a Oponb. 3:12. 5 quot;En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geene kaars noch licht der zon van noode hebben: want de Moore God verlicht hen; en zij zullen als koningen heerschon in allo eeuwigheid. a Jos. GO: 19. Zach. 14:7. Oponb. 21 : 23. G En hij zoide tot mij: quot; Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; on de Heero, de God dor heilige profeten hoeft zijnen engel gezonden , '' om zijnen dienstknechten te toonen hetgeen haast moot geschieden. a Openb. 1'.):!). 21 : 5. A Oponb. 1 : 1. 7 Ziet, ik kom haastiglijk: quot;zalig is hij, die de woorden der profetie dezes books bewaart. n Oponb. 1 : 3. 8 En ik, Johannes, ben dogciie, die deze dingen gezien on gehoord hob. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik neder om aan te bidden voor do voeten dos engels, die mij deze dingen toonde. 9 En hij zoide tot mij: quot; Zio, dat gij het niet doet, want ik ben uw mededionstknecht, en uwer broederen, der profeten, en dergenen, die de woorden dezes books bewaren: aanbid God. a Hiintl. 10:20. 14: 14. Openb. 1!): 10. 10 En hij zeide tot mij: quot; Verzegel do woorden der profetie dezes books niot: want ''do tijd is nabij. a Dan. 8 : 20, 12:4. U Oponb. 1 : 3. 11 Die onrogt doet, dat hij nog onregt doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die regt-vaardig is, dat hij nog geregtvaardigd worde; en dio heilig is, dat hij nog geheiligd worde. 12 En ziet, ik kom haastiglijk; en mijn loon is met mij, quot;om een' iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn. a Ps. 02: 13. Jor. 17 : 10. 32: 19. Matt. 10:27. Rom. 2:0. 14: 12. 1 Cor. 3:8. 2 001'. 5:10. Gal. 0:5. Openb. 2:23. 13 quot; Ik ben do Alfa en de Oméga, bot begin en het einde, ''do eerste en do laatste. n ()penb. 1:8. 21:0. ]) .les. 41 : 4. 44 : C. 48 : 12. Oponb. 1 : 8. 21 : 0. 14 Zalig zijn zij, dio zijne geboden doen, opdat hunne magt zij aan don boom dos lovons, en zij door do poorten mogen ingaan in de stad. 15 quot;Maar buiten zullen zijn de honden, on do toovenaars, on de hoereerders, en do doodslagers, en do afgodendienaars, en een iegelijk, die do leugen liefheeft en doet. a 1 Cor. 0 : 10. Efez. 5 : 5. Col. 3 : 5, 0. 10 quot;Ik, Jezus, heb inijnon engel gezonden om uliedeu deze dingen te getuigen in de gemeenten. '' Ik bon do wortel en hot geslacht Davids, ''do blinkende morgenster, a Oponb. 1:1. /i.lcs. II : 10. Roni. 15: 12. Oponb. 5:5. '⢠2 Potr. 1 : 19. OPENBARING 21 , 22. |
OPENBARING 22.
1142
|
17 En do Ooost on do bruid zoggen: Kom! En dio hot hoort, zoggo: Kom! quot; En dio dorst hooft, komo; on dio wil, nonio liot wator dos levons om niet. n Jes. 55: 1. Joh. 7 : ;i7. 1H Want ik betuig aan een' iegelijk, die do woorden der profetie dozes books hoort: indien iemand tot deze dingen toedoet. God zal over hom toedoen do plagen, die in dit boek geschreven zijn; |
1!) quot; En indien iemand afdoet van do woorden dos books dozer profetie, God zal zijn dool afdoen uit ''hot book des levens, on uit de lieilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is. a Doiit. 4:2. 12 : 32. Spr. .iO : (i. b lt; )penl). li!: S. 17 : lt;S. 20 Dio deze dingen getuigt, zegt: Ja, ik kom haastiglijk. Amen. Ja kom, Hoero Jezus! 21 Do genade van onzen Iloore Jezus Christus zij met u allen. Amen. |
.1. m. II. IIoi mann: I1ü lluilunil.
E I N 1) E.
f ^ t1â V.fâ¢quot;gt;⢠2 â¢,*â¢.. #.â¢â . ^ v ⢠-
⢠vV-.0-.V.'v\, . ;%,.K gt;,, ;â â . ..v â .,.
ttk'M^rAX . .\ . . .A-. â ' quot; '. quot;quot;:
ç# quot;'â â â¢' 'J;' Vâ¢; vr ,v ;gt;:v;^â .;â â -:' xfrv â¢: â .
V'â¢.â â¢quot;\c»quot; â¢* â¢' â ⢠- 'â¢â¢â¢â¢. â¢.:. .⢠. '' . - â¢' ''' â
W amp;1 viiamp;kiï/ 'i* ft :'â » V'.ÃKtf. Y i' â¢';gt; V l.. â¢';' â¢.â 'gt; â¢;â¢'.; â â¢;â .lt;quot;». ' ⢠Vquot;. quot;â¢' ' ' '
iiifl
s'l
Pquot;!: |
ü
1
â *;⢠â¢â '--I . â¢â¢/â¢*«gt; â */'.3â¢amp;,gt;,1 //*. V - v ..â . f in.-, ,; , quot; ' â â â ⢠'⢠quot; â *.
2
............-
3
gt;'»â¢â i gt;. v. ''â w. gt; v gt;,...â ......